Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: De Zaan en Waterland: Een kijkje in Noord Holland - De Aarde en haar Volken, 1887
Author: Anonymous
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.


*** Start of this LibraryBlog Digital Book "De Zaan en Waterland: Een kijkje in Noord Holland - De Aarde en haar Volken, 1887" ***


De Zaan en Waterland.
Een kijkje in Noord Holland.



I


Daar zijn vier jaren verloopen, sedert wij--de lezers van _De Aarde_
en ik, die het voorrecht geniet hun op velerlei omzwervingen ten
gids te mogen dienen,--een reisje ondernamen naar het schoone en
betrekkelijk weinig bekende Friesland, niet de minst eigenaardige,
de minst karakteristieke en belangwekkende der provinciën van ons
nederig koningrijkje. Sedert zwierven wij wederom rond, heinde en
verre, door alle werelddeelen; en als wij dat kleine uitstapje, op dien
kalmen winterdag--heugt het u nog?--naar Marken buiten rekening laten,
dan scheen het wel, als hadden wij eigen vaderland voor den vreemde
vergeten. Het opschrift boven dit reisverhaal levert u het bewijs,
dat dit vergeten niet meer dan schijn was: op nieuw nemen wij den
wandelstaf op en gaan een deel van ons vaderland doorkruisen. Bevreemdt
u de keus? Ge zult, naar ik hoop, die billijken als wij onze wandeling
hebben volbracht; laat mij nu reeds dadelijk dit zeggen, dat de streek,
welke wij ons ditmaal voorstellen te bezoeken, om meer dan eene reden
onze aandacht en belangstelling verdient. Natuurschoon zult ge er
weinig vinden: althans wanneer ge uw oog gelieft te sluiten voor
het eigenaardig schoon van het echt-hollandsche landschap; maar ge
zult hier nog, zij het ook slechts in fragmenten en overblijfsels en
herinneringen, een stuk echt karakteristiek hollandsch leven kunnen
bestudeeren. Doch wie dat wil doen, moet zich haasten. Heeft Marken,
althans wat kleederdracht en sommige gewoonten betreft, misschien in
de laatste drie- of vierhonderd jaren genoegzaam geene verandering
ondergaan,--hier in de Zaanstreek is dat anders, en is althans van de
vroegere kleederdracht zoo goed als geen spoor meer over. Nu is juist
eene eigene kleederdracht datgene wat den vreemdeling het eerst in
het oog valt en het meeste treft: zij is het, die hem aanstonds den
indruk geeft, dat hij aan den banalen kring van het vulgaire moderne
eenerlei is ontkomen en dat hij de hoop mag koesteren, weder eens iets
oorspronkelijks, iets individueels te zien te zullen krijgen. Doch
al zoekt ge vergeefs naar de oude zaansche kleederdracht, toch leeft
het verleden hier nog in menigen trek die aanstonds de aandacht
boeit; toch kunt ge u hier nog, zonder al te veel inspanning, het
beeld van den ouden tijd voor den geest roepen en u verplaatsen in
de dagen, toen deze streek eene mate van welvaart en rijkdom genoot,
die haar naam beroemd maakte door geheel het land. Evenwel, zoo als ik
zeide, wie hier nog een stuk echt karakteristiek hollandsch leven wil
bestudeeren, heeft geen tijd te verliezen. Ook in de Zaanstreek laat
de moderne tijd zijne eischen gelden en dringt zijn invloed steeds
verder door; ook hier, als overal elders, werkt die invloed bovenal
nivelleerend, al het eigenaardige, karakteristieke, individueele
terugdringend, ondermijnend, uitwisschend, bespottend.--Het is
inderdaad een merkwaardig verschijnsel, waarmede wij ons hier niet
verder kunnen bezig houden, dat onze eeuw, die voor de wetenschap
en de kennis der geschiedenis misschien meer gedaan heeft dan eenige
andere, toch feitelijk in hare handelingen een zoo schromelijk gemis
van waarachtigen historischen zin, van werkelijke piëteit voor het
verleden, voor het historisch gewordene, aan den dag legt.--Ook hier,
langs de Zaan en in de omliggende streken worden den tijdgeest,
den steeds dringender eischen van het moderne leven, telkens nieuwe
offers gebracht, en vermoedelijk is de dag niet meer verre, waarop
ook hier op land en lieden die algemeene eenvormige stempel zal zijn
gedrukt, dien ge overal wedervindt en die u daarom nergens meer boeien
kan. Reden te meer alzoo, om ons bezoek niet langer uit te stellen.

Voor ons, die van het zuiden komen, voert de weg naar de Zaanstreek
over Amsterdam: althans wij geven aan dien weg de voorkeur, al
ware het slechts om deze reden, dat hij de eenige is, die ons de
gelegenheid biedt om Zaandam te naderen van de zijde, van waar men
het naderen moet: van den waterkant. Dat was trouwens vroeger de
gewone, de algemeen gebruikelijke manier. Wie van Amsterdam naar
Zaandam ging, deed dien tocht over het IJ met een boeier, later
met eene stoomboot; en in het eerste geval kon, als wind en weer
hunne medewerking weigerden of wel eene vijandige houding aannamen,
die tocht tamelijk lang duren en zelfs wel lastig en bezwaarlijk
worden. Met de stoomboot ging het sneller en zekerder; maar het
eigenaardige, zoo zeer gewaardeerde, zoo echt nationale genot van
een zeiltochtje over de wijde watervlakte kon de stoomboot slechts
ten halve schenken. Niettemin verdient ook nu nog de vaart per boot,
over het gebreidelde en gekortwiekte IJ, zeer verre de voorkeur--'t
behoeft eigenlijk niet gezegd--boven een rit per spoortrein, die
eenvoudig niets is. Wij gaan dus per stoomboot naar Zaandam.

De ligplaats der boot is aan de De-Ruyterkade, een van de nieuwe
kaaien, die zich tusschen het oude Amsterdam en het ingekrompen IJ
uitstrekken, in dat nieuw aangewonnen gedeelte, dat overigens onder
geen enkel opzicht eene aanwinst voor de stad heeten mag. Wij gaan
onder de spoorwegviaduct door. Nu ja, let maar niet te veel op die
scheuren in de muren, op die verwrongen en uiteengerukte balustraden;
zie vooral, als ge aan de andere zijde gekomen zijt, niet om naar
dien schromelijk verzakten muur, die zich, als een beschonkene, leunt
tegen het aangrenzend koffiehuis; werp maar even een blik op die twee
ongelukkige leeuwen, waarvan de een, op den top van den muur tronende,
niet zonder alleszins gerechtvaardigde bekommernis omziet naar zijn
wegzakkenden makker, die veroordeeld schijnt om in de diepte te
verdwijnen. Ziet ge, dat is alles moderne architektuur. En wanneer
ge nu soms ouderwetsch genoeg mocht zijn om er u over te ergeren,
dat een gebouw, pas voor enkele jaren gesticht, er reeds nu als eene
ruïne uitziet,--altijd minus het schilderachtige en eerwaardige--bedenk
dan, dat onze eeuw, ook in de kunst, voor en bij den dag leeft en dat
zij het kinderachtige denkbeeld om monumenten voor de eeuwigheid te
scheppen, sinds lang heeft laten varen.

Ja, ik begrijp uw hoofdschudden en volg de richting van uw
waarschuwend opgeheven vinger. Ja, het is zoo: bijna in onze
onmiddellijke nabijheid staan daar twee monumenten, die mijne
lichtvaardig uitgesproken beschuldiging volkomen schijnen te niet te
te doen: het nieuwe, bijna voltooide centraal-station en de nog in
aanbouw zijnde nieuwe katholieke kerk aan de Prins-Hendrikkade. Nu,
ik geef u volmondig toe, dat beide gebouwen een monumentaal karakter
dragen en, de kerk niet het minst, der stad tot sieraad strekken. Wij
zullen nu maar niet spreken van verzakkingen of verschuivingen onder
of bij het station, en op de verzekering van deskundigen gelooven,
dat een loos, minstens een zeer overdreven alarm is gemaakt; ook
zullen wij de dwaze vraag niet doen, of de stijl, waarin het gebouw
is ontworpen, eigenlijk wel voegt voor een station. Ge zult toch wel
met mij overtuigd zijn dat er geen afzonderlijke stijl bestaat voor
elke bijzondere soort van gebouwen;--hetgeen natuurlijk in het minst
geen afbreuk doet aan den eisch, dat elk gebouw ook in zijn uitwendig
voorkomen en architektonische vormen den stempel moet dragen van zijne
bestemming. In elke periode, die inderdaad een eigen bouwstijl, een
eigen architektuur had, werd dan ook alles in dien stijl gebouwd;
toen de gothiek in westelijk Europa bloeide, werden niet alleen
kathedralen en kerken, maar ook paleizen, raadhuizen en gewone woningen
in dien stijl gebouwd: waaruit wederom natuurlijk niet volgde dat
eene kerk er uitzag als een raadhuis, of eene adellijke huizinge
als een klooster. Dat wij, bij gothische architektuur, terstond aan
kerkelijke bouwkunst denken, en aan die architektuur een uitsluitend
kerkelijk karakter toekennen, zal misschien wel voornamelijk hieraan
te wijten zijn, dat in ons land, hetwelk eerst laat tot die mate van
welvaart en maatschappelijke ontwikkeling gekomen is, die het der kunst
mogelijk maakte ook hier eenigermate de plaats in te nemen, welke
zij elders reeds sinds lang ingenomen had; dat in onze noordelijke
nederlandsche gewesten uit het tijdvak der gothiek schier geene andere
monumenten van eenige beteekenis over zijn, dan juist kerken.--Doch
laat ons het in ieder geval monumentale stationsgebouw laten rusten,
en alleen den wensch uitspreken, dat het voor rampen en tegenspoeden
bewaard moge blijven, en dat ook hier "zoo veel houts van onder"
bestand moge blijken om "zoo veel steens omhoog" te dragen.--Nu er
op de kerk gewezen is, mogen wij van haar niet geheel zwijgen. En
in waarheid, zij belooft niet eene van de minste te worden onder de
fraaie katholieke kerken, die in de laatste jaren te Amsterdam zijn
verrezen. Hoe schilderachtig schoon staat zij daar, met haar hoogen
koepel en haar beide torens de omgeving, ja geheel dit gedeelte
der stad beheerschende. Van welken kant ge ook langs het IJ de stad
nadert, aanstonds valt deze trotsche, majestueuse kerk u in het oog,
het vergulde kruis op haar koepel ten hemel verheffende; en zoodra
ge uit het tegenwoordige station naar buiten treedt om de stad in te
gaan, is zij het wederom die het eerst uwe aandacht trekt. Indien,
na de voltooiing, het inwendige aan den welhaast voltooiden gevel
beantwoordt, dan zal Amsterdam in deze nieuwe kerk, aan haar ouden
patroon Sint-Nicolaas gewijd, een werkelijk monumentaal gebouw,
een prachtig sieraad te meer bezitten.

Maar terwijl wij ons verdiepen in ons architektonisch praatje, heeft de
boot haar tocht aangevangen. Zij heeft zich van den steiger losgemaakt
en wendt den steven naar het westen. Eene prettige vaart. Er waait
eene frissche koelte uit het noordwesten, die de golfjes van het IJ
krullen en in zilveren schuim voor den boeg opspatten doet; die de
grijsachtige wolken, als reusachtige vogels, voor zich uitjaagt en
ons daardoor mede het verrukkelijk schouwspel biedt van die kleur-
en lichteffekten, dat afwisselend spel van licht en schaduw, waarvan
het oog zich nooit verzadigen kan. Daar is, ik weet het wel, daar is
schromelijk veel water in ons land; maar toch, beklagen wij er ons niet
al te zeer over: water is het leven, is de ziel van een landschap;
geen landschap is leelijk of eentonig, als er water is; en zelfs bij
het bewonderend aanschouwen van prachtig schoone landschappen kan het
ons overkomen, dat wij iets missen, en dat wij het als instinktmatig
gevoelen: hoeveel schooner zou het zijn, indien er water ware. En ook
nu, terwijl de stoomboot voortgaat in snelle vaart en het Westerdok
en de nieuwe steigers en de Houthaven langs ons heengaan, bewonderen
wij de fijne, zilvergrijze, nevelachtige tinten van lucht en horizon;
de wisselende gestalten en kleuren der wolken, die haar vluchtige
schaduwen over het landschap werpen; het spel der grijsachtige wateren,
waarover de najaarszon nu en dan een stroom van tintelend licht
werpt. Zie, hoe ze zich reppen, die kleine golfjes, voortgedreven
door den adem des winds, hoe ze elkander haastig najagen en over
elkaar heenbuitelen in dartele vaart; hoe ze schuimend en krullend
uiteenspatten voor den boeg en wegvloeien langs de zijden der boot,
om eerst langzamerhand weer tot bedaren te komen; hoe ze schitteren
als diamanten in het zonnelicht en de wolkschaduw over zich laten
heenglijden, die ze donker kleurt.--En volg ze ook eens een oogenblik
in haar vlucht, die blanke zeemeeuwen, met zoo gracelijke beweging
zwevend over de wateren, haar breede krullen en slingers in de lucht
beschrijvende, nu en dan plotseling neerdalende om even het water te
beroeren, en dan met breeden wiekslag op nieuw omhoog te zweven. Langs
de oevers, die steeds meer tot elkander naderen, is er niet veel dat
onze aandacht trekken kan, maar het water zelf houdt die geboeid.

Want zie, ook op deze vaart rijzen allerlei beelden voor den geest. Dit
water, al herinnert het niet meer aan de wilde zee der oude kronieken,
is toch nog altijd dat IJ, waarvan de naam onafscheidelijk is
saamgeweven met de geschiedenis van Amsterdam, ja ik mag wel zeggen,
met die van ons vaderland. En dat versmalde, straks tot een kanaal
ingekrompen IJ is nog altijd de weg, die Amsterdam met de zee, met de
wereld daar buiten verbindt. Waarom is het getal zoo klein der schepen,
die ons tegemoet komen? Slechts zeer enkele groote schepen, door eene
kleine sleepboot voortgetrokken, komen langzaam en statig aandrijven,
op reis naar de groote koopstad aan het IJ, dat vroeger talrijker
vloten droeg. En toch was in die dagen de gemeenschap met den oceaan
niet zoo gemakkelijk als nu. De schepen, die uit alle deelen der wereld
naar Amsterdam kwamen, toen Amsterdam nog de groote wereldmarkt was,
hadden eene vrij bezwaarlijke reis af te leggen. Na door het zeegat
van Texel in de Zuiderzee te zijn binnengeloopen, stuitten zij aan
den ingang van het IJ op de befaamde ondiepte het Pampus, waar na
lang aanhoudende zuiden- of oostenwinden niet meer dan vijf-en-twintig
palm water stond. Wel had het menschelijk vernuft een middel bedacht,
om dien door de natuur gelegden slagboom te boven te komen, en konden
de scheepskameelen de zware en kostbare vracht over de zandplaat
dragen, maar deze operatie was tijdroovend en kostbaar. De groote
Oostinjevaarders plachten dan ook doorgaans een groot deel hunner
lading op de reede van Texel te lossen, om daarna met geringer diepgang
over het Pampus naar Amsterdam te komen; de geloste lading moest dan
op andere wijze naar de plaats der bestemming worden vervoerd. En die
hinderpaal van het Pampus was niet de eenige moeilijkheid, waarmede de
amsterdamsche handel te worstelen had. Maakten zuiden- en oostenwinden
den overgang over de beruchte ondiepte welhaast onmogelijk, aanhoudende
westenwind belette het uitloopen uit de zeegaten en hield de schepen
dagen, ja soms weken lang op de reede van Texel geboeid. Het was een
ellendig gesukkel, zou men zoo zeggen: en toch was Amsterdam in die
dagen, ondanks dat alles, de eerste koopstad der wereld, de algemeene
markt, waar de vreemdeling komen moest om zich aan te schaffen, wat
hij elders niet vinden kon. Of de reis wat langer duurde, of het schip
eenige dagen of weken later aankwam dan men verwacht had, dat was eene
zaak van ondergeschikt belang: er was voorraad genoeg in de pakhuizen,
en dan--in die gelukkige dagen was het fatale spreekwoord nog niet
uitgevonden, tijd is geld. (A propos, kent ge grooter leugen? daar
zijn dagen en weken en maanden, die we zonder eenig bedenken voor een
appel en een ei zouden overdoen, en daarentegen uren en oogenblikken,
met geen schatten te betalen!) Nu dan, in die dagen was het leven
nog geen krankzinnige wedloop, geen voortdurende roes, geene ijlende
koorts als heden ten dage; men had niet altijd haast en had de hooge
edele kunst van rustig stil te zitten nog niet verleerd. Zoo kon ook de
alles behalve gunstig gelegen koopstad aan d'Amstel en het IJ zich deze
ongemakken getroosten; zij had desniettemin den wereldhandel in hare
krachtvolle handen en droeg als koopstad met volle recht de kroon van
Europa, zoo als haar dichter roemend, maar zonder grootspraak, van haar
zingt. En dan, deze ongunstige ligging had ook haar voordeelen. Want
was het Pampus een sta-in-den-weg voor haar handelsschepen, het was
dit in nog meerdere mate voor vijandelijke vloten, die zich daardoor,
op de meest afdoende wijze, den weg naar Amsterdam versperd zagen. Van
de zeezijde was de stad voor den vijand ongenaakbaar; en al mocht
het der republiek, in den afwisselenden kamp met Engeland, dikwerf
moeilijk genoeg vallen, haar positie als zeemogendheid te handhaven,
en al mocht de amsterdamsche handel soms daarbij bange dagen doorleven
en zware verliezen lijden: toch behoefde Amsterdam nooit te vreezen
dat eene britsche vloot op het IJ weerwraak zou komen nemen voor het
verbranden der engelsche oorlogschepen op den Theems.

Evenwel, de tijden veranderden, en waar het getij verliep, moest,
naar het oud-hollandsche spreekwoord, ook aan het verzetten der bakens
worden gedacht. Na de restauratie van 1813 was het onvermijdelijk
noodig om Amsterdam uit haar verval op te heffen, al viel dan ook
aan het herwinnen van den vroegeren rang niet te denken. Eene betere
gemeenschap met de zee was nu een dringende eisch geworden. Het gewicht
van dien eisch gevoelde en erkende de veelzijdig begaafde vorst,
aan wiens scherpzinnigheid, aan wiens beleid en energie, aan wiens
toewijding en ernstige plichtsbetrachting het herboren Nederland
zoo groote verplichtingen heeft. Koning Willem I, wiens gevoel en
besef van zijne koninklijke roeping te hoog en te ernstig was om zich
te kunnen vergenoegen met de smadelijke rol van figurant, nam zelf
het initiatief. Hij begreep wat er gedaan moest worden, en--naar de
overlevering wil--teekende de Koning met eigen hand op eene kaart
de richting van een kanaal van Amsterdam door Holland-op-zijn-smalst
naar zee. Toch werd die richting niet gevolgd: van alle kanten rezen
bezwaren en Amsterdam zelf wilde van deze verbinding met de zee niets
weten. De Koning gaf toe, en liet zijn kanaalplan, dat eerst eene
halve eeuw later verwezenlijkt zou worden, varen; maar daarom was
het denkbeeld eener betere gemeenschap met de zee niet opgegeven. Men
koos nu een anderen weg: een kanaal door Noord-Holland zou Amsterdam
met de reede van Texel verbinden. In 1819 werd de arbeid begonnen, en
ruim vijf jaren later voer het oorlogsfregat _Bellona_, met vlaggen
en wimpels getooid, langs het voltooide kanaal van het Nieuwediep
naar Amsterdam, dat juichte in zijn nieuwen waterweg, die aan alle
eischen en behoeften voldeed.

Evenwel, wederom veranderden de tijden. De eischen en behoeften
van handel en scheepvaart vermenigvuldigden zich en namen hand
over hand grooter omvang aan; steeds scherper en onverbiddelijker
werd de concurrentie, en om in dien verbitterden, gewetenloozen
strijd niet onder te gaan, moest naar nieuwe middelen worden
omgezien. Waar spoed! spoed! spoed! een steeds dringender eisch werd,
waar stoomschepen in de vaart werden gebracht, wier afmetingen de
stoutste fantazie zich niet had kunnen voorstellen, daar bleek het
lange smalle en bochtige kanaal met zijn vijf sluizen, waarlangs de
schepen jaren lang door paarden moesten worden voortgetrokken--eerst
in 1865 werd een stoomsleepdienst in werking gebracht--allengs een
zeer onvoldoend middel. Men deed wat men kon, om aan dit ongerief te
gemoet te komen: bochten werden afgesneden, bestaande sluizen werden
vergroot en nieuwe aangelegd; maar het eigenlijke euvel, dat in de
richting en de inrichting van het kanaal school, was niet weg te nemen.

Nu keerde men allengs tot het denkbeeld van Willem I terug en de
aanleg van een kanaal door Holland-op-zijn-smalst kwam en bleef
voorloopig aan de orde. Dat er voor de uitvoering van dit denkbeeld
verschillende en zeer uiteenloopende plannen werden voorgesteld; dat er
jaren lang over werd geschreven en gediscussieerd; dat er commissiën
werden benoemd, die de zaak onderzochten en breedvoerige rapporten
uitbrachten, waaraan geenerlei gevolg werd gegeven; dat de meeningen
der deskundigen over de wijze van uitvoering lijnrecht tegen elkander
overstonden:--dat alles is te gewoon en spreekt te zeer van zelf, om
er lang bij stil te staan. De hoofdzaak was, dat eindelijk een plan
tot stand kwam, waaraan de regeering haar goedkeurig kon verleenen
en waarop in December 1861 aan den heer J.G. Jäger concessie werd
verleend. Dit plan omvatte het maken van een kanaal voor de groote
scheepvaart, ter verbinding van de Noord- met de Zuiderzee door het
IJ en Holland-op-zijn-smalst; het aanleggen van eene haven aan de
Noordzee, en het indijken on droogmaken van gronden ter wederzijde
van het kanaal in het IJ en het Wijkermeer. De uitvoering van zulk een
werk aan partikulieren over te laten, ziedaar eene fout, waarin Koning
Willem I, die trouwens alleen op de zaak zelve had te letten en geen
rekening had te houden met allerlei aan andere overwegingen ontleende
motieven, zeker niet zou gevallen zijn, en die dan ook geen ander
gevolg heeft gehad, dan dat het rijk, na eerst door onophoudelijk bij
te springen, en met kunst en vliegwerk de uitvoering der werken door
de inmiddels opgerichte maatschappij te hebben mogelijk gemaakt, heeft
moeten eindigen met het kanaal over te nemen en de exploitatie voor
rekening van den staat voort te zetten. Maar in deze onverkwikkelijke
historie, waarin ook de alles bezoedelende en bedervende politiek
haar ellendige rol heeft gespeeld, willen wij ons niet verdiepen: de
hoofdzaak is, dat het werk is voltooid. In Maart 1865 stak de toen
vijf-en-twintigjarige Prins van Oranje, in de duinen bij Velzen,
de eerste spade in het zand; in April 1870 plaatste de Koning den
gedenksteen in de sluizen bij Schellingwoude; ruim twee jaren later
waren de Noordzeesluizen voltooid, en op 1 November 1876 werd het
kanaal voor de scheepvaart geopend.

Een volzin als deze is spoedig geschreven; maar wie weten wil wat zij
beteekent en wat er noodig geweest is om tot de openstelling van den
nieuwen waterweg te geraken, die getrooste zich de niet onaangename
moeite van een bezoek aan het geheele kanaal, beginnende bij de
Oranjesluizen in den afsluitdijk bij Schellingwoude, en eindigende
in de haven te IJmuiden. En is hij geen deskundige, dan zal ook zulk
een tocht langs het voltooide kanaal hem slechts een zeer onvolledig
denkbeeld kunnen geven van den arbeid en de inspanning, die er toe
noodig geweest is om het rijpelijk overwogen en volledig uitgewerkte
plan tot eene werkelijkheid te maken. Ongetwijfeld, de aanleg
van het Noordzeekanaal is een van die werken, waarop het Nederland
onzer dagen trotsch mag zijn en die met volle recht naast de grootste
ondernemingen van vroegeren tijd mogen worden genoemd. Moge het aan de
verwachting beantwoorden; moge deze zoo veel korter en gemakkelijker
rechtstreeksche gemeenschap met de Noordzee, waardoor Amsterdam bijna
eene zeehaven is geworden, voor de stad een nieuw tijdperk van bloei
en ontwikkeling openen, niet te zeer onderdoende voor dat, hetwelk
zij beleefde, toen hare handelsvloten over het Pampus en door de
Zuiderzee nog moeizaam een weg moesten zoeken naar den oceaan.

Een bezoek aan het Noordzeekanaal ligt thans niet in ons
plan. Misschien zijt ge zelfs geneigd, deze geheele beschouwing
over de amsterdamsche waterwegen uit vroeger en later tijd voor
een _hors d'oeuvre_ te houden, dat hier geheel niet op zijne plaats
is. Vergun mij op te merken, dat ge, aldus oordeelende, u toch zoudt
vergissen. Immers, deze waterwegen waren en zijn niet uitsluitend ten
gebruike van Amsterdam; en althans Zaandam, waarheen wij ons begeven,
en de geheele Zaanstreek zouden niet geworden zijn wat zij zijn geweest
en nog heden ten deele zijn, zonder hunne gemeenschap met het IJ en
daardoor met de zee. De zaanlandsche walvischvaarders en de schepen
die het hout uit de Oostzee naar de werven van Zaandam brachten,
volgden geen anderen weg dan de bodems, die de schatten van Oost en
West naar de haven van Amsterdam voerden. Ik heb u dus tevens een
hoofdstuk uit de geschiedenis van Zaandam verteld.

En heeft mijne vertelling u eenigszins den tijd gekort, dan mag ik
tevreden zijn: want zie, wij naderen de plaats onzer bestemming. De
stoomboot heeft het hoofdkanaal verlaten en is een breed zijkanaal
ingevaren, dat in rechte lijn op Zaandam aanloopt. Eigenlijk is dit
vaarwater, voor het grootste gedeelte, geen gegraven kanaal, maar
eene rivier, de Zaan, die zich vroeger in het IJ uitstortte en nu door
een zijkanaal met het Noordzeekanaal verbonden is. Van oogenblik tot
oogenblik slinkt de afstand, die ons van het doel onzer reis scheidt;
zoo straks zal de boot aanleggen en zullen wij aan wal stappen. Maar
de schilderij, die zich voor onze oogen ontrolt, is zoo eigenaardig,
dat wij haar wel wat meer van nabij mogen opnemen.



II


Zal ik den indruk vertolken, dien Zaandam bij het eerste gezicht
op mij maakte, dan weet ik dat niet beter te doen dan met den
uitroep, die mijn reisgenoot ontsnapte: "Eene stad uit een
speelgoeddoos!" Inderdaad, zoo is het. De kleine, lage, nette,
groen en geel geverfde huisjes, zoo netjes op eene rij geplaatst en
afgewisseld door geboomte, ze herinneren aan niets zoo levendig, als
aan die neurenberger doozen, waarmede wij als kinderen plachten te
spelen en die volkomen hetzelfde slag van huisjes bevatten. Grootsch
en indrukwekkend is de aanblik in het minst niet, maar daarentegen
karakteristiek in hooge mate, ja en ook schilderachtig. Hoe geestig
stoffeeren ze het landschap, die veelvervige huisjes, die allen, hoe
klein ook, een zeker air van comfort, van welvaart, van welgedaanheid
hebben, dat u aangenaam aandoet. En dan dat vele groen van boomgaarden
en tuintjes, waartusschen de huizen zoo aardig komen uitkijken; die
paar torens van kerken, en vooral die kring van molens, die, moge hij
bij vergelijking met vroeger ook gedund zijn, toch altijd nog een
der kenmerkende trekken van het landschap vormt. De breede stroom
vernauwt zich, de dicht bebouwde oevers naderen tot elkander: wij
komen aan den dam in de Zaan, waaraan het stedeke zijn naam ontleent,
en houden stil in de onmiddellijke nabijheid der sluis. De passagiers
voor Zaandam stappen hier uit, en daaronder ook wij; dan wordt de
boot door de sluis geschut om langs de Zaan haar tocht te vervolgen.

Daar staan wij op een klein pleintje en werpen een blik in het
rond. Voor ons de breede rivier, die hier eene soort van kom vormt,
waarlangs de stad zich aan beide zijden uitstrekt: huizen, tuinen,
geboomte, weiland. Op het stille, kabbelende water, enkele schepen
en vaartuigen van verschillende grootte en vorm. Doen wij een paar
schreden verder en plaatsen wij ons op de vrij smalle brug over
de sluis, dan dwaalt onze blik wederom over de breede rivier, ter
wederzijde omzoomd door tuinen, koepeltjes, huizen, rijen geboomte. En
wandelen wij verder..... maar laat ons eerst iets zeggen over de
ligging der stad, want juist deze draagt er niet weinig toe bij, om
haar dat eigenaardig karakter te geven, dat, dunkt mij, vooral voor
den vreemdeling zeer curieus moet zijn, daar het zelfs ons Hollanders
als iets bijzonders treft.

Zaandam is gebouwd ter wederzijde van de Zaan, die voor eene rivier van
zoo weinig beteekenis, door hare vrij aanmerkelijke breedte eene zeer
statige vertooning maakt. De Zaan was oorspronkelijk wel niet anders
dan de uitloop van de talrijke meren en poelen, waarmede deze gansche
landstreek tot in de buurt van Alkmaar bedekt was; van die meren en
poelen zijn de meesten thans in vruchtbare polders herschapen, maar
de Zaan is gebleven en vervult nog heden voor een deel der provincie
de oude dienst van uitwatering. In die rivier de Zaan, niet verre van
het punt waar zij hare wateren in het IJ uitstortte, werd reeds voor
langen tijd--wanneer, weet men niet juist, maar stellig reeds vóór het
einde der veertiende eeuw,--voor rekening van eenige naburige dorpen
een dam gelegd, waarin, ten behoeve van scheepvaart en uitwatering,
sluizen werden gebouwd. Die dam scheidt de rivier in twee deelen,
waarvan het eene de Binnen- of Achterzaan, het andere de Buiten-
of Voorzaan wordt genoemd.

Even als de Dam te Amsterdam, zoo is ook hier deze dam met zijne
drie sluizen het middelpunt der stad, de band, die beide deelen
met elkander verbindt. Want aan dat pleintje en zijne onmiddellijke
omgeving sluiten zich ter wederzijde van de rivier twee lange straten,
waarvan de huizen aan den eenen kant met hunne tuinen aan de rivier
uitkomen; terwijl zich aan de tegenovergestelde zijde, van afstand tot
afstand, smalle grachten of zoogenaamde paden landwaarts uitstrekken
en, zoo als men zegt, in het weiland dood loopen. Overal, waar u
tusschen de huizen een kijkje gegund wordt, ziet ge water en groen:
aan den eenen kant de rivier met haar zoom van tuinen en boomen; aan
de andere slooten, vaarten en weiland. Gij zijt in de stad, die zich
ver langs de rivier uitstrekt, en krijgt toch voortdurend den indruk,
dat ge u buiten bevindt: want telkens en telkens dwaalt uw blik over
het groene weiland, waar de runderen grazen, en waar in de schemerende
verte de horizon wegduikt in den fijnen wazigen, zilvergrijzen nevel.

Ook langs de Voorzaan breidt de stad zich ter wederzijde uit, maar
deze buurten dragen meer het karakter van achterbuurten en loopen,
vooral aan de oostzijde, spoedig in het land te niet. Vroeger vond men
vooral hier talrijke scheepstimmerwerven, maar die zijn bijna allen
verdwenen. Immers de scheepsbouw was weleer, met name in de zeventiende
eeuw, een hoofdbron van bestaan voor de bewoners van Zaandam. In 1609
werd er, aan het westeinde van den dam, een dusgenoemde overtoom
gemaakt, om de schepen, die op de werven langs de Binnenzaan waren
gebouwd, naar buiten in het IJ te kunnen brengen. Toen die overtoom,
in 1718, aanzienlijke herstellingen behoefde, werd hij opgeruimd
en het terrein opgehoogd en bestraat. De scheepsbouw was toen niet
langer het voornaamste bedrijf der Zaankanters, die zich andere en
rijk vloeiende bronnen van welvaart hadden geopend.

Ik ben onwillekeurig over den vroegeren tijd gaan spreken, waarop wij
nog wel een en andermaal zullen moeten terugkomen. Laat mij er dan nu
aanstonds bijvoegen, dat Zaandam zeker eene der jongste steden van
ons land is: eerst in 1811 werd het, door Keizer Napoleon, tot stad
verheven. Vroeger bestond die stad uit twee dorpen, Oost-Zaandam en
West-Zaandam, die wel den gemeenschappelijken naam van Zaandam voerden,
maar toch ieder op zich zelf stonden. De nieuwe stad heeft van hare
verheffing niet lang pleizier gehad. Toen met het jaar 1848 voor
Nederland eene nieuwe aera begon, verloor Zaandam weer den nog zoo
pas verworven rang van stad. Steden en dorpen werden voortaan allen
gemeenten genoemd en allen precies op dezelfde wijze, naar dezelfde
regelen, bestuurd, onverschillig of ze Amsterdam, dan wel Terheide
of Zandvoort heetten.

Zeer waarschijnlijk zouden wij uwe aandacht en belangstelling op
te zwaar eene proef stellen, indien wij ons gingen verdiepen in
nasporingen omtrent de vroegere geschiedenis dezer dorpen, waarbij dan
ook niemand belang heeft. Reeds in de eerste jaren van de vijftiende
eeuw stond op de plaats, waar thans, aan de oostzijde van den dam, eene
van de twee hervormde, kerken verrijst, eene kapel, behoorende onder de
parochiekerk van Oostzaan, en waaraan allengs, ongetwijfeld tengevolge
van het toenemen der bevolking, alle voorrechten eener parochiekerk met
een eigen pastoor werden verleend. Tijdens de troebelen, in de tweede
helft der zestiende eeuw, werd deze kerk een prooi der vlammen. Nadat
de bloedige kamp, waarin ook de Zaanstreek rijkelijk deelde, eenigszins
tot bedaren was gekomen en de oorlog zich althans uit het hart des
lands meer naar de grenzen had verplaatst, werd de kerk herbouwd,
maar nu natuurlijk voor de hervormde eeredienst ingericht.

De kerk aan de westzijde is van jongeren datum. De bewoners van
West-Zaandam, die tot dusver mede van de kapel en de latere kerk
aan de oostzijde hadden gebruik gemaakt, verzochten en verkregen in
het jaar 1637 vergunning, om voor eigen rekening eene kerk te mogen
bouwen en een eigen predikant beroepen. In het volgende jaar werd met
den bouw een aanvang gemaakt, en reeds op den 18den October 1640 werd
in de kerk de eerste predikatie gehouden.

Dat noch de oude, noch de nieuwe kerk, die beiden in den loop der
zeventiende eeuw belangrijk werden vergroot, uit een architektonisch
oogpunt eenige waarde heeft, behoeft haast niet gezegd. Ge kunt ze
dan ook bij uw bezoek aan Zaandam gerust voorbijgaan, en behoeft
u ook niet te laten verlokken door de geschilderde ramen, die ge
zoowel in de eene als in de andere vindt. Op de nieuwe kerk aan
de westzijde moeten wij echter nog even terugkomen, omdat weleer
binnen hare muren, door eene schilderij waarvan wij onzen lezers de
afbeelding kunnen aanbieden, de herinnering werd bewaard aan een
voorval, dat inderdaad buitengewone sensatie maakte. Vergun mij,
u dit voorval mede te deelen met de eigen woorden van de inscriptie,
bij de schilderij in de kerk geplaatst; en duid het mij niet ten kwade
als de beschrijving u wat al te realistisch dunkt. Onze voorvaderen
hadden op dit gebied eigenaardige begrippen. Ziehier dan de historie.

"Op den 29 Augustus 1647, zijn Jacob Eg en Trijn Jans, echte man en
wijf, woonende in 't quartier van Westsardam en den Zeeburg, door de
verwoedheydt van haar eigen roode stier, dewelke in 't veld agter haar
huys van 't zeel losgeraakt was, in zulker voege aangerand, gestooten
en gescheurd, dat zij beyde daarvan zijn komen te overlijden, op den
laatsten Augustus deszelven jaars, namelijk de voorz. Trijn Jans vijf
uren tijds na haren man, zijnde beyde ter aarde besteld in de Nieuwe
kerk alhier. Trijn Jans op 't uyterste zwanger gaande, wierdt bij
den stier op de hoornen genomen, omhoog geworpen, en haar buyk van
de regterheup opengescheurt, zo dat deur dezelve opening de vrucht
uit haar lichaam gerukt, en in een waterplas geraakt was, liggende
de moeder en 't kind, beyde levendig, omtrent een huys lengte van
malkanderen verscheyde; het kind alhier gedoopt zijnde met den naam
van Jacob is den 23 Mey 1648 gestorven en bij zijne ouders begraven."

Ge ziet, geene enkele bijzonderheid wordt u gespaard en aan de
verbeelding niet veel over gelaten. En als ware dit vrij onsmakelijk
proza nog niet genoeg, moest het treurig feit ook nog in rijm worden
herdacht.


          Ter eeuwiger geheugenis.


    Als men schreef zestien honderd zeven en veertig, ziet,
    Is 't Augustus 20 en 9 tot Westerdam geschied,
    Dat een stier wreed en boos, niet eens maar menigmalen,
    Zijn meester werpt omhoog en doet hem aan veel kwalen;
    De vrouw komt om den man te helpen in dees nood,
    Hij doet haar desgelijks en scheurt haar op de schoot,
    Waardoor een jonge zoon zeer schielijk kwam te voren,
    Lag van de Moer in 't veld vier vaam door des stiers toren;
    Dees man en zijne vrouw na ses en dertig uuren,
    Moesten met groote pijn beide de dood bezuuren.
    En 't ongebooren kind heeft geleefd maanden negen,
    Is doen mede gerust; genieten 's Heeren zegen.


    Door 't woede van de stier werd Jacobs egte wijf
    Een kraamvrouw in het veld, een weeuw' en zielloos lijf'.


    Hier onder leyd de moer en vaar
    En d'ongebooren bij malkaar.


Men moet wel aannemen dat deze droevige gebeurtenis inderdaad een
buitengewonen indruk op de bewoners van Zaandam heeft gemaakt, want zij
werden niet moede, die in alle bijzonderheden af te beelden. Vooreerst
had men de schilderij in de kerk, welke daaraan den zonderlingen naam
van de Bullekerk had te danken. Eerst in 1834 schijnen kerkvoogden tot
het inzicht te zijn gekomen dat deze schilderij minder eigenaardig in
eene kerk tehuis behoorde; althans in dat jaar werd zij overgeverfd;
het stuk, dat nog in de kerkekamer hangt, is eene kopie. Doch niet
alleen op deze schilderij, maar op doek en papier, op koper en in
houtsnede, op schotels, borden, koppen, theeblaadjes en tal van andere
voorwerpen werd dit tafreel van "Stiers wreedheyd" voorgesteld; bij
herhaling werd dit feit beschreven, bezongen, en in prent gebracht;
zelfs had men bekertjes en andere dingen uit de horens van den
beroemden stier vervaardigd.

Doch reeds vraagt gij, met eenig ongeduld, wanneer wij de groote
merkwaardigheid van Zaandam, het huisje van Tsaar Peter, zullen
gaan zien. Immers, de vreemdelingen, die Zaandam bezoeken, doen
het in de eerste plaats ter wille van deze relikwie; en wanneer,
bij het uitstappen uit den trein aan het stille station, of bij het
verlaten van de boot aan de drukker en levendiger sluis, een gids
of commissionair, aan uw vragend rondzienden blik bemerkende dat ge
vreemdeling zijt, u zijn diensten komt aanbieden, dan zal hij dadelijk
voorstellen, naar het klassieke huisje te gaan. Nu, al hebben wij
daarmede minder haast gemaakt, al dunkt ons Zaandam zelf ruim zoo
merkwaardig als het huisje waarin de russische alleenheerscher eenige
dagen doorbracht, toch mogen wij niet verzuimen, deze merkwaardigheid
in oogenschouw te gaan nemen.

Het huisje staat in eene achterbuurt--die echter in Peters dagen geene
achterbuurt was--letterlijk verloren te midden van andere woningen en
tuintjes. Wij gaan door een paar smalle steegjes, over een paar hooge
smalle houten brugjes, en hebben weldra de beroemde plek bereikt. Wij
treden door een hokje op eene soort binnenplaats, en zien daar een
laag steenen gebouwtje met een rood pannen dak voor ons: dat is echter
het huisje zelf niet, maar een soort van overdak, dat om en over het
huisje heen is gebouwd, om het voor volkomen ondergang te bewaren: de
schrijn waarin de relikwie geborgen is. En deze voorzorg is inderdaad
niet overbodig: het huisje, dat geheel uit ruwe planken is opgetrokken,
staat zoo scheef en ziet er zoo bouwvallig uit, dat het zonder deze
bedekking waarschijnlijk reeds voor de vijandige werkingen van weer
en wind bezweken zou zijn. Tusschen die omkleeding en het huisje
zelf is een gangpad opengehouden, zoodat wij de relikwie aan alle
kanten kunnen bekijken. Wij treden binnen. De hut, want een anderen
naam verdient dit krot waarlijk niet, bestaat uit twee vertrekken,
het eene iets grooter dan het andere, maar beiden zonder eenig
sieraad, tenzij ge de met tegeltjes bekleede schouw als zoodanig
mocht laten gelden. Het ameublement, eene vierkante houten tafel en
een paar zeer ongemakkelijke houten stoelen, is meer dan eenvoudig;
een ladder voert naar den zolder. In een woord: het is een verblijf,
waarin de armste daglooner van den tegenwoordigen tijd zich kwalijk
schikken zou. Een eenigszins zonderlingen indruk maken, bij deze kale
armoede der woning, de later aangebrachte versieringen: schilderijen
en platen, portretten van Peter I of voorstellingen op hem betrekking
hebbende; opschriften, gedenksteenen en andere voorwerpen van dien
aard. Boven de schouw prijkt de wit marmeren tafel met de inscriptie
_Petro Magno Alexander_, door Keizer Alexander I, tijdens zijn
bezoek te Zaandam in 1814, met eigen hand in den wand geplaatst;
men wijst u nog het bankje, waarop de Keizer bij die gelegenheid
zal hebben gestaan. Voorts een gedenksteen van Koning Willem I en
van de toenmalige Prinses van Oranje, later Koningin Anna Paulowna,
en nog enkele andere vorstelijke souvenirs. Dat overal de houten
wanden met namen zijn bekrabbeld, behoef ik wel niet te zeggen: dat
kinderachtig bedrijf schijnt voor een groot aantal menschen eene
onwederstaanbare verzoeking te zijn. Onder de inscripties bevindt
zich ook dat vers van den russischen staatsraad Schukowski, waarvan de
hollandsche vertolking door Van Lennep in geene beschrijving van het
Petershuisje ontbreken mag. Het gedicht werd geschreven tijdens het
bezoek van den toenmaligen Tsarewitsch, den lateren Keizer Alexander
 II; de hollandsche vertaling of bewerking luidt aldus:


    Buig in deez' arme hut, waar de englen Gods omzweven,
        Buig, Grootvorst, hier het hoofd in stillen ootmoed
        neer:
        Zij was de wieg uws rijles, ze omsloot de kiem weleer,
            Die grootheid moest aan Rusland geven.


Dit zweemt naar bombast, niet waar? En dat te meer, wanneer men bedenkt
dat de Tsaar niet langer dan acht dagen in deze hut en te Zaandam
heeft gewoond. Maar tegenover dit onloochenbare feit treft ons te meer
de zonderlinge nadruk, die, niet alleen hier in dit huisje, maar over
het algemeen, door schrijvers en door de traditie, op dit kortstondig
verblijf wordt gelegd. Onwillekeurig verkeert men in de meening, dat
Peter hier geruimen tijd heeft gewoond, en dat dit verblijf te Zaandam
het hoofdmoment is geweest van zijn verblijf in Holland. Wellicht
moet men deze zonderlinge, onopzettelijke overdrijving voor een deel
verklaren uit de schier verbijsterende tegenstelling, die aanstonds
voor onzen geest oprijst, als wij ons den geweldigen alleenheerscher,
den herschepper van Rusland, voorstellen en dan een blik werpen op
deze meer dan armelijke omgeving. Denken wij ons hem in deze omgeving,
als knecht arbeidende op de timmerwerf, dan dunkt het ons als zou
een zoo kort oponthoud bijna alle beteekenis aan het feit ontnemen;
en als van zelf verbeelden wij ons, dat de Tsaar hier langen tijd,
ettelijke maanden voor 't minst, moet hebben vertoefd.

Den zeventienden Augustus 1697 kwam de vijf-en-twintig jarige monarch
te Amsterdam en begaf zich van daar onmiddellijk naar Zaandam, waar
hij in de woning van zekeren smid, Gerrit Kist, dien hij uit Moskou
kende, zijn intrek nam. Want reeds sedert eenigen tijd stonden de
republiek der Vereenigde-Nederlanden en Rusland--of, zoo als het toen
nog meer algemeen genoemd werd, Moskovië--met elkander in levendig
verkeer. De buitenlandsche handel van Rusland was voornamelijk in de
handen van hollandsche kooplieden; hollandsche timmerlieden hadden
Peter te Woronesh, bij den bouw zijner vloot geholpen; met hollandsche
schippers had hij in Archangel verkeerd. Meer nog: voor de poorten van
Moskou lag de dusgenoemde duitsche voorstad, de Sloboda, waarvan de
bevolking uit Schotten, Engelschen, Hollanders en Duitschers bestond,
die hier, in de onmiddellijke nabijheid van de hoofdstad van het toen
nog meer dan half aziatische Tsaren rijk, eene europeesche kolonie
vormden, welke met westelijk Europa in gestadig verkeer stond en aan
het geestelijk en wetenschappelijk leven der eeuw zooveel mogelijk
deel nam. Reeds in zijne jeugd had Peter met de bewoners van deze
voorstad betrekkingen aangeknoopt; en het is zeker niet onjuist,
wanneer wij aannemen, dat de indrukken, die hij bij het verkeer met
deze vertegenwoordigers der west-europeesche beschaving ontvangen
had, krachtig zullen hebben medegewerkt om hem tot een bezoek te
doen besluiten aan die landen, van welker meerderheid op elk gebied
van kennis en wetenschap hij zich door eigen waarneming had kunnen
overtuigen. Dat Holland daarbij niet het laatst in aanmerking kwam,
lag voor de hand. De nederlandsche republiek--al waren de dagen
harer grootheid toen ook reeds geteld--was toch nog op het einde der
zeventiende eeuw eene mogendheid van den eersten rang, die wat den
omvang van haar handel en scheepvaart, haar rijkdom, haar industrie,
haar koloniaal bezit aanging, door geene andere overtroffen, misschien
alleen door Engeland geëvenaard werd. De Tsaar, met een meer dan
gewonen aanleg voor mathematische en technische wetenschappen begaafd,
en wien, in dit tijdperk zijner regeering, misschien niets zoo na aan
het harte lag, als het scheppen eener vloot, om die te gebruiken in
den oorlog tegen Turkije, moest zich dus wel tot Holland getrokken
gevoelen, en in Holland niet het minst tot Zaandam, waar destijds de
scheepsbouw op den hoogsten trap van ontwikkeling stond, en dat om
zijn werven, molens en fabrieken wijd en zijd vermaard was.

Te Zaandam arbeidde Peter op de werf van den scheepsbouwmeester
Lynst Teeuwisz Rogge, legde bezoeken af bij de familiebetrekkingen
van in Moskou gevestigde ambachtslieden, bezichtigde verschillende
werkplaatsen en fabrieken, waar hij zich de geheimen van het vak liet
verklaren, en maakte tochtjes op de rivier, de omliggende wateren en
het IJ. Zoo als men weet, reisde de Tsaar in streng incognito, onder
den naam van Peter Michaïlow, in het gevolg van het groote gezantschap,
dat naar de hoven van westelijk Europa was afgevaardigd. Maar was reeds
de verschijning van zulk een gezantschap iets buitengewoons--ongeveer
evenzoo, als, voor ruim twintig jaren, de verschijning van een
gezantschap uit Japan voor ons was;--het spreekt wel van zelf,
dat de tegenwoordigheid van den Tsaar zelven niet lang een geheim
blijven kon. Geen wonder dus, dat de verschijning van den vreemden
gast te Zaandam groot opzien wekte en dat met name de straatjeugd
hare nieuwsgierigheid niet bedwingen kon. Botsingen met zaandamsche
straatjongens noopten Peter zich aan burgemeesteren bekend te maken;
maar nu stroomden de nieuwsgierigen van alle kanten toe en kon de Tsaar
geen voet verzetten, zonder door de menigte omstuwd en aangegaapt te
worden. Toen hij den vier-en-twintigsten Augustus bij het winden van
een schip over den overtoom tegenwoordig zou zijn, was het gedrang zoo
groot, dat Peter, in ziedenden toorn ontstoken, geen voet buiten de
deur wilde zetten. Geen wonder, dat hem dit verdroot: den volgenden
dag vertrok hij, zich al vechtende een weg door de menigte banende,
ondanks den hevigen storm, met een boeier naar Amsterdam, waar hij,
door tusschenkomst van den burgemeester Nicolaas Witsen, met wien hij
zeer bevriend was, eene woning betrok op de werven der Oostindische
Compagnie. Daar ging hij, met eenige zijner gezellen, in de leer bij
meester Gerrit Klaas Pool, en werkte, met tusschenpoozen, vier en
eene halve maand aan den bouw van een fregat, dat den naam _Petrus
en Paulus_ ontving.

Overigens spreekt het wel van zelf, dat de Tsaar zich gedurende zijn
verblijf hier te lande ook nog met iets anders dan timmeren onledig
hield. Hij nam les in de stuurmanskunst en teekenen, in mathesis en
astronomie; hij kwam, vooral ook door bemiddeling van Nicolaas Witsen,
in aanraking met onderscheidene mannen van naam op wetenschappelijk
gebied, met professor Ruysch, met Boerhave, met Leeuwenhoek, met Van
der Heyden, den uitvinder der brandspuiten, met Coehoorn, en ook met
de voornaamste kooplieden en mannen van zaken te Amsterdam. Men kan
zich wel eenigermate voorstellen, welk een diepen en onvergetelijken
indruk het Amsterdam van die dagen en geheel het hollandsche leven
op den ontvankelijken vorst maken moest, die zich hier inderdaad
in eene nieuwe wereld, waarbij de zijne zeer ver ten achteren was,
zag overgeplaatst. Met eigenlijke politiek schijnt hij zich minder
te hebben bemoeid, al had hij een en andermaal eene samenkomst met
Willem III, en al kwam hij ook met de voornaamste regeeringspersonen
in aanraking. Bij de plechtige ontvangst van het russische gezantschap
door de Staten-Generaal, was Peter, als een gewoon edelman gekleed,
in een aangrenzend vertrek tegenwoordig; hij vertoefde bij die
gelegenheid een week lang in Den Haag.

Den zesden Januari 1098 vertrok Peter naar Engeland, vooral met
het doel om zich daar verder in de theorie der scheepsbouwkunst te
bekwamen. Willem III had twee oorlogschepen en twee jachten gezonden
om den Tsaar naar Engeland over te voeren.

Het huisje, waarin Tsaar Peter gedurende de acht dagen van zijn
verblijf te Zaandam had gewoond, werd na zijn vertrek weer door
anderen betrokken en geraakte vrij wel in vergetelheid. Eerst in de
jaren 1781 en 1782 werd er de aandacht op gevestigd, en wel door de
bezoeken van Keizer Jozef II, van Koning Gustaaf III van Zweden, van
den Grootvorst Paul; welke vorstelijke bezoeken sedert door andere,
ook dat van Napoleon en Marie-Louise, werden opgevolgd. Het huisje
behoorde toen aan zekeren Vergouw, die het verhuurde en er eene
gesloten bus in plaatste, waarin de bezoekers hunne vrijwillige
gaven konden storten. Eens in het jaar werd die bus geledigd en de
inhoud tusschen den eigenaar en den huurder verdeeld. Het huisje
begon intusschen bouwvallig te worden, en Vergouw, die geen lust had,
bij de slechte tijden, veel geld aan reparatie te besteden, stond op
het punt de woning af te breken, toen zekere Buising, kastelein in de
Eendragt, voor tweehonderd gulden de hut kocht, met en benevens een
gouden penning, met het borstbeeld van Katharina II versierd, door
een der graven Orlof, bij een bezoek, aan het huisje vereerd; welke
gedenkpenning sedert is zoekgeraakt. Het huisje werd nu opgeknapt
en niet langer bewoond, maar door een daartoe aangesteld persoon
den bezoekers, wier aantal van jaar tot jaar klom, getoond. De bus
was behouden gebleven on leverde niet onaardige winsten op. Later
werd het huisje het eigendom van de toenmalige Prinses van Oranje,
de latere Koningin Anna Paulowna, die er het overdak omheen liet
bouwen, en kwam het dus in het bezit der koninklijke familie. Mag
men het dezer dagen in de dagbladen voorkomende bericht gelooven,
dan zou Z.M. de Koning deze historische relikwie ten geschenke hebben
gegeven aan Keizer Alexander III van Rusland.



III


Wij hebben lang bij het huisje van Tsaar Poter getoefd; maar,
naar wij vertrouwen, toch niet te lang. Immers deze reis van den
aanstaanden Peter de Groote was een belangrijk keerpunt niet alleen
in zijne persoonlijke geschiedenis, maar in de geschiedenis van zijn
land en daardoor van Europa. In den persoon van zijn jeugdigen,
ietwat fantastischen souverein,--die op mannen als Willem III en
anderen van zijn stempel wel den indruk moest maken van een barbaar,
een ongelikten, zij het dan ook genialen beer,--bracht het tot dus
ver zoo goed als onbekende, drie-kwart aziatische Rusland een eerste
bezoek aan het oude, fijn beschaafde, aristokratische Europa, waarvan
het zich voorstelde voortaan deel te zullen gaan uitmaken. Het was
eene eerste kennismaking, die vermoedelijk niet overal even gunstige
indrukken achterliet; maar al zeer spoedig moest men ondervinden
dat de nieuwe gast, dien men welstaanshave niet de deur had kunnen
uitwijzen, al stonden zijne manieren niet aan, van plan was eene
blijvende plaats in te nemen niet slechts, maar ook in allerlei
zaken en aangelegenheden, waarover het vroeger niemand inviel
zijn advies te vragen, een woordje en wel een beslissend woordje
mee te spreken. Vergelijk eens de positie, die Rusland bij den
aanvang der achttiende eeuw onder de mogendheden van Europa innam,
met die waarop het honderd jaar later stond, met die welke het thans
bekleedt: is daar merkwaardiger, romantischer, bijna zouden wij zeggen
fantastischer geschiedenis dan deze? En wat spelt dit stout begin;
wat, die aan het ongeloofelijke grenzende ontwikkeling, die toch
nog op verre na haar eindpaal niet heeft bereikt? Wat zal deze reus
vermogen, als het innerlijk evenwicht--misschien mede door Peters
al te roekeloos ingrijpen verstoord--hersteld zal zijn; als zijne
onmetelijke kracht harmonisch zal zijn ontwikkeld; als hij het volle
bewustzijn zijner kracht en vooral de vrije zelfstandige beschikking
over zijne kracht zal hebben verkregen; als het nu nog voor een goed
deel mechanisch saamgevoegde ontzaglijke rijk een levend organisch
geheel zal zijn geworden? Zal dit jongste lid in de europeesche
volkenfamilie tegenover de staten van Europa dezelfde rol spelen, die
het gehelleniseerde Macedonië heeft gespeeld tegenover de uitgeputte,
door inwendige verdeeldheid verscheurde, door ouderlingen naijver
machtelooze staten van Griekenland; en is de slavische wereld bestemd,
gaandeweg de plaats in te nemen, die achtervolgens aan de romaansche
en aan de germaansche heeft behoord?

Ziedaar vragen, welker gewicht niemand miskennen zal, maar die wij
gelukkig niet geroepen zijn op te lossen, en waarin wij ons dan ook
verder niet zullen verdiepen. Het zou inderdaad onbegrijpelijk zijn,
dat deze en dergelijke vragen ons juist thans konden bezighouden,
ware het niet dat van de verschillende steden, door Peter gedurende
zijn verblijf in ons land bezocht, Zaandam de eenige is, die een
aandenken aan hem heeft bewaard. Ook daarom zeker wordt steeds in de
eerste en voornaamste plaats, bijna uitsluitend, van zijn verblijf
te Zaandam gewaagd.

Wij zijn van ons uitstapje naar het beroemde huisje teruggekeerd en
staan weder op den Dam bij de sluizen, waar het vooral omtrent het
middaguur vrij druk is. Wij werpen even een blik op het raadhuis,
een wit gepleisterd karakterloos gebouw, in dien ongelukkigen
pseudo-klassieken stijl, die voor veertig, vijftig jaren de
alleenheerschende was, maar die vooral in deze omgeving een
allerwonderlijksten indruk maakt. En nu, laat ons de stad inwandelen.

Ik zeide reeds, dat Zaandam zich langs beide oevers van de Zaan
uitstrekt, en wel aan iedere zijde met eene hoofdstraat, waarvan een
aantal zijsteegjes of laantjes uitgaan. Aan de westzijde, waar wij
ons thans bevinden, heeft deze straat de lengte van ruim een half uur:
dat wil zeggen, over die lengte behoort zij nog tot Zaandam, maar zij
zelve zet zich voort door de dorpen Koog-aan-de-Zaan en Zaandijk,
die met Zaandam een aaneengeschakeld geheel vormen. Ware het niet,
dat voorbij Zaandijk de meer dan twee uren lange straat door open
plekken en weiland wordt afgebroken, dan zou ook nog Wormerveer tot
deze zeldzame trits van dorpen kunnen gerekend worden. Ge ziet toch
niet tegen de wandeling op? Het is uitnemend weêr: een frissche wind
tempert de warmte en de zon kleurt en bezielt het landschap. Laat
mij u vooruit de verzekering geven, dat de tocht u niet verdrieten
en niet lang vallen zal.

Wij merkten reeds den eigenaardigen bouwtrant op. De meeste huizen
zijn ook nu nog van hout, hetzij geheel, hetzij alleen voor het
bovengedeelte, terwijl de benedenverdieping van steen is. Geheel
steenen huizen, al is hun aantal in den laatsten tijd toegenomen,
vormen toch nog verreweg de minderheid. Deze huizen hebben bijna zonder
uitzondering maar eene bovenverdieping en een schuin toeloopend
dak; maar wat vooral de aandacht trekt, dat is de veelheid der
verwen, waarmede zij prijken. Al het houtwerk is geverfd: groen
in verschillende schakeeringen schijnt de meest geliefde kleur,
maar daarnevens ziet ge ook geel en blauw en rood. Zie daar dat
huis eens. Van onderen is het van donkerrooden baksteen, waarvan
de witte voegen helder uitkomen. De lijsten en posten van deuren en
ramen zijn wit beschilderd; de naar buiten openslaande luiken zijn
helder groen, met witte en roode randen om de paneelen, even als de
deur zelve. Groen is ook de houten bovenverdieping, grasgroen; en
ook hier ontbreken langs de smalle vensters de roode en witte biezen
niet. Ter afwisseling zijn nu de luiken rood geverfd, met groene en
witte randen. Het puntige dak springt een weinig vooruit en prijkt op
den top met een vergulde windvaan of een of ander sieraad van gesneden
hout. Dit kleurrijke huis staat in een tuintje met smalle paden en
kleine bloemperken; een paar doornhagen en een paar geschoren wilgen
herinneren nog aan den vroegeren aanleg. Jammer, niet waar, dat de
bewoner heeft gemeend aan den modernen smaak te moeten offeren,
door midden in zijn tuintje een wit pleisterbeeld te plaatsen,
een sober gekleed jongske, dat een korf of schelp omhoog tilt: deze
karakterlooze pop hoort daar niet. Dat alles blinkt van zindelijkheid
behoef ik niet te zeggen; dat de met kiezel bestrooide paadjes in
den tuin netjes zijn geharkt; dat de met veelkleurige bloemekens
omzette randen der perken onberispelijk in orde zijn; dat het huis
zelf er uitziet, als ware het zoo pas uit eene doos te voorschijn
gehaald:--dat spreekt immers van zelf. In dit alles is overdrijving,
overdrijving die schade doet aan het pittoreske en, het moet gezegd
worden, over het algemeen en op den duur den indruk maakt van iets
kleingeestigs en kinderachtigs. Maar al glimlacht ge ook over deze
zwakheid, ge moogt daarom niet verzuimen een oog te hebben voor het
betooverend spel van licht en schaduw, voor den rijkdom van kleuren
en tinten, voor het schilderachtig effekt--meestal geheel ongewild
en ongezocht--dat u telkens en telkens treft. De straat neemt steeds
meer het karakter aan van een laan; zij is nu eens breeder, dan weer
smaller, en slingert zich in breede kronkelingen al verder en verder,
steeds aan beide zijden door huizen omzoomd. Maar die huizen staan
niet, als soldaten in het gelid, op eene rij naast elkander; zelfs
van eene rooilijn kan men maar bij uitzondering, beleefdheidshalve,
spreken. Blijkbaar heeft ieder zijn huis gebouwd naar eigen smaak en
fantazie: nu eens vlak aan den weg, dan een weinig meer achterwaarts,
dan weer schuin of overdwars, elders in groepjes van drie of vier
naast elkander. En deze afwisseling waarborgt u telkens nieuwe kijkjes
en nieuwe verrassingen en bant alle eentonigheid, die, ware een meer
moderne bouwtrant gevolgd, niet kon zijn uitgebleven. Voorts is daar,
als aan een buitenweg past, groen in overvloed. Schier bij elk huis
behoort een grooter of kleiner tuintje; langs den weg zijn boomen
geplant, oude, eerwaardige boomen ook, die hun lommer uitbreiden over
de stille woningen, en door wier gebladerte het zonlicht zoo geestig
speelt op de bont gekleurde geveltjes. Straks krijgt de straat nog
meer het karakter van een buitenweg. Ter linkerhand loopt langs
den vrij smallen weg eene tamelijk breede sloot, en over die sloot
welven zich tal van, natuurlijk wederom beschilderde, houten brugjes,
die toegang geven tot de erven en woningen aan de overzijde.--Hier en
daar wordt de reeks der eenvoudige zaanlandsche woningen afgewisseld
door een molen, waarvan de kap wederom groen is geverfd met roode en
witte banden; door eene fabriek, waarvan de donkere muren en de hooge
schoorsteen een scherp contrast vormen met deze ouderwetsche omgeving;
door een of ander heerenhuis of villa in modernen stijl, die de plaats
heeft ingenomen der voorvaderlijke woning. Somwijlen ook krijgt ge nog
enkele exemplaren te zien van den echten, ouderwetschen tuinaanleg:
geschoren hagen, regelmatig afgepaste perkjes, die geometrische figuren
vormen; voorts grotwerk en gekleurde beeldjes, mannen en vrouwen in
nationale kleederdracht, schippers, boeren, kooplieden. Dit alles is
op kleine schaal en dus ontegenzeggelijk kinderachtig en min of meer
smakeloos: deze wijze van tuinaanleg kan eerst werkelijk begrepen
en gewaardeerd worden, waar het vorstelijke lusthoven geldt, waarvan
een trotsch, monumentaal kasteel het middelpunt vormt; maar hier zijn
deze ouderwetsche tuintjes, wier aantal zeer klein is, u toch welkom
als herinneringen aan vroeger eeuw.

Nu en dan kunt ge, soms maar door een smal steegje, een blik werpen op
de breede rivier, wier dansende golfjes schitteren in het zonnelicht,
of laten de huizen en tuinen eene ruimte open, die u een vrijer
en wijder blik gunt op de veel bezongen Zaan. Veel vaart is er nu
op de rivier niet; maar karakteristiek voor hare boorden zijn de
talrijke molens, die overal uit het groen te voorschijn treden,
en wier zwaaiende wieken rondwentelen in, ijlende vlucht. Toch
is ook het getal dier molens merkelijk geslonken, deels door den
achteruitgang of den geheelen ondergang van sommige weleer bloeiende
takken van nijverheid, deels door de toenemende heerschappij van den
stoom. En dat men ook hier met de veranderde tijdsomstandigheden
rekening heeft weten te houden en zich beijvert om aan de eischen
der moderne industrie te voldoen, dat bewijzen de groote fabrieken,
die ge hier en daar, met name te Wormerveer, ziet verrijzen.

Toch zijn ook voor de Zaanstreek de gouden dagen van vroeger
voorbij. Ik weet niet, in hoeverre de aanteekening in Bädeker
vertrouwen verdient, dat er onder de dertienduizend inwoners van
Zaandam verscheidene millionnairs gevonden worden; maar wel weet ik,
dat ge slechts een gesprek behoeft aan te knoopen met den kastelein! in
het koffiehuis waar ge even toeft, of met den eerzamen bewoner van
een dezer aardige huisjes, om te hooren verhalen van den rijkdom,
die hier vroeger heerschte en namen te hooren noemen van zaanlandsche
familiën, waarvan de vader of de grootvader bij zijn sterven millioenen
naliet. En die rijkdom openbaarde zich niet zoo zeer in uiterlijke
pronk en schittering, in vertooning naar buiten, maar in die degelijke
soliede pracht, waarvan wij nader zullen hebben te spreken, als wij
zullen pogen het beeld van een ouderwetsch zaanlandsch huis voor u
te teekenen.

Hoe was die rijkdom verworven? Door noeste vlijt, rusteloozen arbeid
en taaie inspanning. Niet ten onrechte heeft men de Zaanstreek
met een bijenkorf vergeleken, waar elke werkelooze hommel met den
nek werd aangezien en iedere bij rusteloos bezig was met honig te
garen. Zeker was er in ons vaderland geene andere streek te vinden,
waar binnen zoo klein bestek de nijverheid zulk een omvang had
gekregen. Houtzaagmolens, papiermolens, pel-, verf- en tabaksmolens
werden bij tientallen, de eersten welhaast bij honderdtallen,
geteld; voorts had men er leerlooierijen, lijnbanen, oliefabrieken,
zeildoekmakerijen, om vooral de scheepstimmerwerven met haar
ganschen aanhang van ambachten en bedrijven niet te vergeten. Daar
is een tijd geweest, dat alleen langs de Binnenzaan vijf-en-twintig
scheepstimmerwerven aan vele honderden handen arbeid en welvaart
verschaften. Uit kleine beginselen was deze industrie tot zoo grooten
bloei gestegen. Aanvankelijk vergenoegde men zich met het timmeren
van kleine vaartuigjes, en de naijverige mededinging van het machtig
Amsterdam en van andere naburige steden, zooals Enkhuizen en Edam,
scheen de kans op verdere uitbreiding van dit bedrijf onmogelijk te
maken. Maar de Zaankanter was ondernemend en gaf niet licht iets
op. Men begon allengs grooter schepen te bouwen, en men deed het
zoo goed, dat de concurrentie weldra niet meer te vreezen was en
de Zaanstreek voor een tijd de groote scheepstimmerwerf van Holland
mocht worden genoemd.--Even ondernemend en doorzettend toonden zich
de Zaanlanders ook in andere opzichten. Nieuwe wegen te openen,
uitvindingen te doen, lag minder op hun weg; doch zij verstonden
uitnemend de kunst, de door anderen gebaande wegen te betreden en van
de uitvindingen van anderen profijt te trekken. Nauwelijks was de
houtzaagmolen uitgevonden, of daar stond er een aan de Zaan. Deze
eerste houtzaagmolen, het Juffertje genoemd, werd in 1592 door
Cornelis Cornelisz. van Uitgeest gebouwd. Amsterdam werd naijverig,
en de regeering van de snel in macht en invloed wassende koopstad
vaardigde het verbod uit, dat geen ruw hout naar Zaandam mocht worden
gebracht en geen gezaagd hout van daar ingevoerd. Het baatte niets. De
Zaandammers zetten het hout bij de molens te koop, en aan koopers
ontbrak het niet; straks voerden zij zelven het hout naar elders:
men vertrok met volle lading en keerde terug met volle beurs.

Niet anders ging het met de walvischvangst: nauwelijks was de weg
gebaand of de Zaandammers verschenen in de IJszee; en vele jaren lang
was dit bedrijf voor de geheele streek eene bron van grooten rijkdom.

Zoo stond de arbeid nooit stil in deze kleine eigenaardige wereld,
die inderdaad, onder meer dan een opzicht, een afgesloten geheel
vormde. Die Zaankant--zoo als wij de lange straat, die achtervolgens
Zaandam, Koog-aan-de-Zaan en Zaandijk heet, nu maar zullen
noemen,--maakt eenigermate den indruk van een reusachtig hofje. En voor
zoo ver wij aan dat woord het denkbeeld hechten van huiselijkheid en
goede buurschap, van onderling samenleven en afgeslotenheid, is het
beeld niet onjuist. Zijn dorp, zijn huis was voor den Zaanlander het
hoogste. Wel zag hij tegen geene verre zeereizen, geen tochten naar
den vreemde op: maar hij getroostte zich die vrijwillige ballingschap
om de te behalen winst, en met het gewonnen geld keerde hij naar zijn
geboortegrond terug. Hij versierde zijne woning met schatten, van
zilverwerk en porselein; hij hielp zijn dorp verfraaien, weeshuizen
en andere liefdadige inrichtingen stichten en begiftigen. In zijn dorp
leefde hij als in den kring zijner familie: hij had zitting in een of
meer colleges van bestuur; hij behartigde de zaken van de burgerlijke
gemeente, van de kerk, van den polder; en naijverig op zijn gezag,
duldde hij op zijn terrein geene inmenging van vreemden. Een praktisch
man in merg en been, had hij oog noch zin voor kunst en poëzie: wel
kleurde en beschilderde hij zijn huizen, zijn meubelen, schier alle
voorwerpen van huiselijk gebruik; maar te vergeefs zoudt ge in zijn
pronkkamer hebben omgezien naar een der kunstwerken van de meesters
der hollandsche school. De kunst kon niet tieren in eene omgeving,
waar geld verdienen en rijk worden welhaast het hoogste levensdoel was.

Toch, al mangelde het hem aan smaak en artistieke ontwikkeling,
gevoelde de rijk geworden Zaanlander behoefte, zijn huis, zijne
dagelijksche omgeving zoo fraai mogelijk in te richten. Nemen wij eens
een kijkje in zulk een ouderwetsch zaanlandsch huis, zoo als er voor
zestig, zeventig jaren eene menigte gevonden werden, zoo als er ook nu
misschien nog enkelen te vinden zijn.--De eigenaar is een welgesteld
man, dat bespeurt ge aanstonds aan de grootte en de bouworde van het
huis, waarvan het benedengedeelte van steen is. Wij gaan door een vrij
grooten bloemtuin met zijne regelmatig afgepaste perkjes, zijne heggen
en in zonderlinge figuren gesneden boomen, en staan voor het huis. Ter
wederzijde van de deur zien wij twee ramen met kleine ruitjes; maar
wat ons al dadelijk treft, is de eenigszins zonderlinge plaatsing der
voordeur, die niet tot den grond reikt, doch slechts langs een trap
is te bereiken. Meen niet, dat ge door die voordeur het huis betreden
zult; zij wordt slechts bij plechtige gelegenheden geopend en draagt
den minder uitlokkenden naam van dooddeur, hetzij dan omdat de lijken
der huisgenooten door die deur grafwaarts worden gedragen, hetzij omdat
zij in den regel gesloten blijft en niet gebruikt wordt.--Wij gaan om
het huis heen on vinden aan de achterzijde, die mede op den tuin en
verder op de rivier uitziet, eene openslaande deur gelijkvloers.--Wij
treden binnen en richten door de met tegels of blauwe steenen belegde
gang onze schreden naar de pronkkamer, een heiligdom dat maar zelden
ontsloten wordt, maar tot welks bezichtiging wij worden toegelaten.

Het is een ruim, maar eenigszins somber vertrek, laag van verdieping
en waarvan de wanden met eikenhout zijn bekleed. Neem u bij het
voortgaan een weinig in acht, want de fijne gele, zwartgestreepte
spaansche matten, die den vloer bedekken, zijn zoo glad gewreven
dat ge, zonder de noodige voorzichtigheid, zeer gemakkelijk zoudt
kunnen uitglijden en vallen. Niet ten onrechte treedt ge aanstonds
naar die kostbare, rijk verlakte tafel in het midden van het vertrek:
dat is een prachtstuk, misschien voor honderd of honderdvijftig jaren
uit de Oost medegebracht en sedert in de familie gebleven. Maar zoo
ge de tafel bewondert, vergeet ook niet een oogenblik uwe aandacht
te schenken aan het sierlijk gebeeldhouwde noteboomen theeblad, dat
daarop staat, en aan het prachtig servies van echt japansch porselein,
zonder twijfel mede een familiestuk, waarop de vrouw des huizes met
recht trotsch mag zijn.

Aan de eene zijde der kamer staan, langs den wand, zware stoelen van
noteboomhout, met hooge gebeeldhouwde ruggen en met fluweel bekleede
zittingen. Op de schilderijen aan den wand, portretten, gezichten op de
Zaan, afbeeldingen van schepen en molens, zullen wij maar niet letten:
zij hebben hoegenaamd geen kunstwaarde.--Meer waarde heeft die groote,
in juchtleder gebonden statenbijbel, met zilveren sloten en hoeken, die
daar op den fraai besneden houten lezenaar ligt: die Bijbel, in meer
dan één zin een familiestuk, die niet alleen van geslacht op geslacht
overgaat, maar waarin tevens alle belangrijke gebeurtenissen in de
familie, geboorten, huwelijken, sterfgevallen, worden opgeteekend,
en die voor de nakomelingen de herinnering bewaart aan de vaderen,
die dit huis hebben gesticht, die er hebben gewerkt en gebeden, genoten
en geleden en die, na volbrachte levenstaak, ter ziele zijn gegaan.



IV


Daar is in de pronkkamer nog meer dat onze aandacht vraagt. Daar,
tegen den wand aan de zijde van de gang, staat de porseleinkast,
een monumentaal stuk van noteboomhout, rijk met snijwerk versierd,
van glazen deuren voorzien, en boven op de schuine lijst gekroond met
een zoogenaamd kaststel: drie porseleinen potten en twee bekers. Gij
zult van mij niet verlangen, dat ik u in alle bijzonderheden den
rijken inhoud van deze kast beschrijf: genoeg zij het, u te wijzen
op den schat van japansch en chineesch porselein-, koppen, kommen,
schotels, potten, borden van allerlei groote en vorm en van velerlei
bestemming, die in dichte rijen en stapels de planken der kast
vullen. Daaronder zijn vele voorwerpen van waarde, familiestukken en
geschenken bij huwelijk of doopplechtigheid ontvangen. En dat al wat ge
ziet echt is, daarop kunt ge vertrouwen: een deel van dien schat is,
in vroeger jaren, op de veilingen der Oostindische Compagnie gekocht
en sinds in de familie gebleven; andere voorwerpen zijn misschien
door familieleden of vrienden rechtstreeks uit de landen van overzee
medegebracht. En behalve het chineesch porselein, bevat deze kast
ook een aantal dier snuisterijen en bijouteriën van schildpad en
ivoor, waarop onze overgrootmoeders zoo gesteld waren, en voorts eene
menigte borden, schotels, kopjes, trekpotten van inlandsch fabrikaat,
waarop tafreelen uit het huiselijk leven en bedrijf der Zaankanters,
gezichten langs de Zaan en dergelijke onderwerpen zijn afgebeeld. Wat
van dit inlandsch aardewerk geene plaats in de porseleinkast kon
vinden, werd geborgen in het opkamertje, een klein vertrek naast de
pronkkamer, waarin de dusgenoemde dooddeur uitkomt. Het schilderwerk
op dit delftsch porselein mist doorgaans alle kunstwaarde, maar is
dikwerf zeer karakteristiek; vooral in het laatst der vorige eeuw,
toen de porseleinen koppen en schotels en borden versierd werden met
portretten, zinnebeelden en allerlei opschriften, betrekking hebbende
op de politieke partijen en twisten van den dag, kregen die anders
zoo onnoozele en prozaïsche voorwerpen van huiselijk gebruik eene
eigenaardige beteekenis. Ik kan mij voorstellen, hoe een prinsgezind
gastheer zich verkneukelde van genot, wanneer hij een zijner bezoekers
of gasten, een Kees, ergeren kon, door hem borden en schotels en
koppen voor te zetten, versierd met de portretten van den Prins of van
Willemijn en met hoogdravende lofdichten ter eere dier voorstelijke
personen.--Het benedenste gedeelte van de kast is gevuld met glaswerk;
daar ziet ge dozijnen wijn- en bierglazen, kelken, fluiten, bekers,
bokalen van allerlei vorm en grootte, met en zonder deksels, snijwerk
en inscripties, en daaronder vele voorwerpen van het fijnste kristal.

Doch reeds hebt ge uw schreden gewend naar die andere kast, die door
haar uitwendige pracht bijna de porseleinkast in de schaduw stelt. En
inderdaad, zij is een prachtstuk, hoog, breed en diep, rijk met
snijwerk versierd en met fijne houtsoorten, met ivoor, schildpad en
zilver ingelegd. Dit schier vorstelijk meubel--en in waarheid, meer
dan eene van zulke kasten is in later tijd naar koninklijke paleizen
en prinselijke salons verhuisd,--heeft vier deuren en eene lade van
onderen, mitsgaders verschillende laadjes en kastjes van binnen. Aan
de eene zijde werd in deze kast het linnengoed, de trots en roem
van elke hollandsche huismoeder, bewaard; in den anderen vleugel
bergde men de kostbare, zware zijden gewaden, die van geslacht op
geslacht overgingen en alleen bij plechtige feestelijke gelegenheden
werden aangetogen.--Dat kleinere sierlijke kastje aan de overzijde,
met zijn kunstig gedraaide pooten, bevat den schat der familie aan
zilverwerk, alles wat voor de spijs- en theetafel noodig kan zijn, en
dat alles van degelijk gehalte en van de beste keur. Messen, vorken,
lepels, ja alle tafelgereedschappen zijn met figuren gegraveerd en
zeer dikwijls met inscripties voorzien, die ons vertellen aan wien
en bij welke gelegenheid zulk een voorwerp werd vereerd, van welk
feit het de herinnering moet bewaren, of ook wel voor welk bijzonder
gebruik het is bestemd. Let eens op die van robbevel vervaardigde, met
parelmoer ingelegde en met zilver gemonteerde étuis, waarin de gasten
vroeger, als zij ten maaltijd gingen, hun mes en lepel medebrachten;
vorken kwamen hier eerst omstreeks het midden der achttiende eeuw
in gebruik.--Maar vergeet vooral ook niet een blik te werpen op die
reeks tabaksdoozen, deels van zilver, deels van koper, maar allen
met meer of minder kunstig snijwerk en de meesten ook met een rijmpje
versierd. En gewis zal die gouden pijpedop met kettinkje van hetzelfde
metaal uwe aandacht niet ontgaan: te minder omdat uit het opschrift,
dat nevens een bijenkorf en een Mercuriusbeeldje de pijpedop siert,
blijkt dat deze rariteit een verjaargeschenk was, door de kinderen
aan hun vader vereerd.

Hebben wij nu de zilverkast bewonderd, dan mogen wij de pronkkamer
nog niet verlaten. Want om nu maar niet te spreken van het kleinere
huisraad, staat daar nog achter in de kamer, tegenover de vensters,
het monumentale ledikant, met zijn hoogen, prachtig met snijwerk en
pluimen versierden hemel en gedraaide pilaren; met zijn geel damasten
gordijnen, door roode zijden koorden en kwasten opgehouden; met zijne
hoog opgestapelde, met kant omboorde kussens, zijn fijn linnen lakens,
gekleurde dekens en zijn sprei van zware zijde. Ook dit ledikant is
wederom een prachtstuk, dat echter, als het porselein, het zilver,
de kleinoodiën, de kostbare kleedingstukken, ja de geheele kamer,
nooit of bijna nooit gebruikt wordt.--Werp nu nog even een blik op
de breede, met loofen snijwerk versierde schouw, met haar gedraaide
kolommen, haar schilderstuk in het midden en haar breeden marmeren
mantel, waarop kostbare porseleinen vazen zijn geplaatst,--en dan
willen wij van dit vertrek afscheid nemen, na vriendelijken dank
aan den huisheer, die dit heiligdom voor ons wilde ontsluiten. Want
inderdaad, deze schier overvulde kamer, waar alle schatten en
kostbaarheden der familie als in een museum zijn samengebracht, is
een heiligdom, dat niet dan bij hoogst zeldzame gelegenheden door de
leden des gezins betreden wordt, en waarin vreemden niet dan bij hooge
gunst worden toegelaten. De zucht om met zijne schatten te pronken,
om te schitteren en anderen door eene tentoonstelling van weelde te
overtreffen, is den eenvoudigen Zaankanter vreemd. Zijne pronkkamer
bevat voor eene zeer aanzienlijke waarde; maar de pronkkamers van
zijne bekenden en buren zien er nagenoeg evenzoo uit: het is dus ten
eenemale overbodig, die kostbare zaken aan elkander te laten kijken;
ieder weet, dat het in een deftig zaanlandsch huis alzoo behoort.

Om den eigenaar van het huis in zijne gewone omgeving te leeren
kennen, moeten wij hem dus volgen naar zijne huiskamer, die op den
tuin en verder op de rivier uitziet. Ook deze huiskamer is een ruim
vertrek, laag van verdieping; de vloer is met matten belegd, en de
wanden zijn, boven de eikenhouten lambrizeering, met linnen behangsel
bekleed, waarop gezichten aan de Zaan en tafereelen uit het bedrijf
der Groenlandvaarders zijn geschilderd. De eikenhouten stoelen en
tafels zijn meer soliede dan sierlijk; de laatsten zijn in den regel
beschilderd, gelijk trouwens schier zonder uitzondering alle meubelen
en alle voorwerpen van huiselijk en dagelijksch gebruik met snij-
en schilderwerk, met opschriften, namen, rijmpjes zijn versierd. Op
kunstwaarde kan die versiering in verreweg de meeste gevallen weinig of
geen aanspraak maken; ook geeft zij ons niet altijd een hoog denkbeeld
van den smaak des eigenaars, maar toch verdient zij ten volle onze
aandacht, omdat zij ons vergunt een blik te werpen op eene zeer
eigenaardige zijde van het leven onzer vaderen. Die behoefte om het
huisraad en de voorwerpen, die ons dagelijks omgeven, aldus te doen
spreken, tot getuigen, in zekeren zin tot deelgenooten te maken van
ons persoonlijk leven, is ons ten eenemale vreemd geworden. Zij onder
ons, die reeds de grenzen van den middelbaren leeftijd beginnen te
naderen, herinneren zich nog wel de heilwenschen en beden op kopjes,
borden en dergelijken, voor geschenken bestemd; maar ook deze flauwe
echo van het verleden is weggestorven. Onze meubelen, onze huiselijke
gereedschappen mogen sierlijker en vooral schitterender zijn dan
vroeger, zij missen ten eenemale elk individueel karakter en staan
in hoegenaamd geene betrekking tot ons persoonlijk leven. Hoe zou
dit ook kunnen? Verreweg de meeste voorwerpen, die wij gebruiken,
worden fabriekmatig vervaardigd en gelijken dus volkomen op elkander;
zij kunnen in elke omgeving geplaatst worden en moeten in den regel
slechts voor enkele jaren dienst doen. In vroeger eeuw liet de
welgestelde burger zijne meubelen en zijn huisraad voor zich maken,
naar eigen smaak en fantazie; die meubelen en die gereedschappen
behoorden tot zijn persoon, tot zijne omgeving; zij vertegenwoordigden
zijn eigen verleden en gingen, als erfstukken der familie, van vader
op zoon over. Aan bijna elk van deze voorwerpen hechtte zich voor
den volwassen man, voor de zorgzame huismoeder, eene persoonlijke
herinnering uit de dagen der kindsheid en jeugd; zij maakten als het
ware deel uit van hun eigen leven, en kregen bij elke nieuwe generatie
hoogere waarde, als echte relikwieën der familie. Maar toen ook was
de huiskamer het ware middelpunt van elks bestaan, waartoe ieder zich
haastte terug te keeren, zoodra de dagtaak in werkplaats, winkel of
kantoor was afgeloopen, en zoo vaak niet de plichten jegens stad of
kerk of polder naar elders riepen. Onze uithuizigheid, ons leven op
publieke plaatsen, ons rusteloos jagen naar allerlei soort van genot,
dat ons vreemden maakt in eigen woning, was onzen vaderen geheel en al
onbekend; en bij al hun vlijt en onvermoeide arbeidzaamheid was hun
evenzeer onbekend die koortsige opgewondenheid, die hartstochtelijke
drift, die overprikkelende, bedwelmende roes, die ons geslacht heeft
bevangen, die wervelende maalstroom waarin wij leven en die ons,
ook als de uiterlijke arbeid stil staat, toch innerlijk geene ruste
meer gunt. Ons huis is voor steeds meerderen onzer eene tent, een
logement geworden, waarin wij niet langer toeven dan strikt noodig
is; hoe zouden wij bijzondere waarde hechten aan onze omgeving, of
behoefte gevoelen aan een zekeren persoonlijken band tusschen ons en
de voorwerpen, die wij heden in den eersten den besten winkel koopen,
en morgen, als de gril der mode wisselt, naar een boelhuis zenden en
door andere vervangen? Met een geheel ander oog bezag de Zaanlander
zijne omgeving, als hij in zijne huiskamer, nevens de schouw, op de
van ouds voor den heer des huizes bestemde plaats gezeten, met de
voeten op het kurkenblad en met de onmisbare pijp in den mond, zijne
blikken door het welbekende vertrek liet dwalen. Hij kent ze allen
van kindsbeen af, die kasten en kastjes; hij weet wat ze bevatten; hij
kent de rijmpjes op huisraad en tafelgereedschap van buiten en weet u
de daarbij passende geschiedenis te verhalen; hij zou, in den donker,
zonder aarzelen, den handmangel, de knipplank, de boodschapmand, den
fraaien borstel met het geborduurde handvatsel, van den wand kunnen
nemen. En wanneer gindsche staande klok, in haar sierlijk gesneden
kast van notenhout, het uur slaat, dan herinnert hij het zich nog wel,
mijmerende in het stille schemeruur, voor den breeden schoorsteen,
eer de koperen luchter wordt aangestoken, die met zijn sober licht de
rondom de schouw vergaderde huisgenooten beschijnt, maar het overige
van het vertrek in geheimzinnige schaduw laat; dan herinnert hij het
zich nog wel, hoe hij als kind, in stille verbazing en verrukking, naar
die klok placht op te zien, wanneer, zoo vaak het vroolijk speelwerk
zich hooren liet, er leven en beweging kwam in het arkadisch landschap
boven de wijzerplaat. Hoe vaak gierde hij het dan uit van pret, als de
haan begon te kraaien en te klapwieken met de vleugels, als de kippen
gingen pikken naar haar voeder, als de koe begon te grazen, als de
zwanen haar lange halzen uitrekten, als de molen begon te draaien,
de boerendeern te melken, en de hengelaar een vischje ophaalde uit
het water. De vreugde duurde maar kort, want had de klok geslagen,
dan keerde alles weer tot de gewone rust en onbewegelijkheid terug,
doch de verrassing was telkens nieuw; en in ieder geval, de oude klok,
die niet alleen het uur, maar ook de maand en den dag van het jaar
aanwees, deed haar best om het wel wat eentonige leven in de stille
huiskamer op te vroolijken. Daarvoor was hij haar dankbaar: daarom
voelde hij zich aan haar gehecht, aan haar en aan alle voorwerpen,
die haar sinds jaren in de huiskamer omgaven, en die elk hunne eigene
geschiedenis hadden. Uit dien folio Bijbel, met koperen beslag en
fraaie platen, die daar, aan de andere zijde van den schoorsteen,
nevens eenige andere boeken, tegenover hem ligt, leerde hij als kind,
aan moeders knieën, die wonderheerlijke verhalen, waarvan de heugenis
nooit werd uitgewischt; in gindsche hooge bedstede met haar groene
gordijnen, waarvoor het sierlijk besneden en met eene stichtelijke
spreuk versierde bankje met gedraaide pooten staat, blies zijn vader,
die nog in zijne jeugd naar Groenland had gevaren, den laatsten adem
uit. Nog heugt het hem hoe hij, als knaap, den dierbaren doode daar had
zien liggen, gekleed in het fijn linnen doodshemd met zwarte strikken
en randen, dat elke jonge man en elke jonge dochter bij het uitzet
medekreeg. Nog ziet hij de zware eikenhouten kist, met het zwarte
kleed overspreid, waarvan de plooien het aantal levensjaren van den
overledene aanwijzen, midden in de pronkkamer staan, omringd door de
vrouwelijke leden der familie, terwijl de mannen in het rond langs
de wanden zijn neergezeten. Nog ziet hij zich zelven daar staan, aan
het hoofdeneinde der kist, met de sidderende hand in de hand zijner
schreiende moeder, in rouwgewaad gekleed; nog hoort hij de plechtig
eentonige stem van den schoolmeester, die een paar hoofdstukken uit den
Bijbel voorleest. Hij ziet weder de steeds gesloten voordeur opengaan,
de kist op de baar plaatsen en door de gehuwde buren optillen en
naar de kerk dragen. Hij volgde, aan de hand zijner moeder, met alle
andere bloedverwanten en vrienden, mannen en vrouwen, en zag de kist
nederdalen in den geopenden grafkuil. Toen wierpen de naasten in den
bloede er eenige scheppen aarde op--en daarmede was de plechtigheid
afgeloopen. Immers, de familie behoort tot de Hervormde kerk, tot de
strenge richting; en gebeden of toespraken of andere plechtigheden
bij het graf, zouden haar, als "paapsche stouticheden", een gruwel
zijn geweest. Wel werd, na de terugkomst, in het sterfhuis door den
predikant eene toespraak gehouden,--zoo zeer gevoelde men het, in
spijt van het koude starre dogma, dat bij eene gelegenheid als deze
de wijding en de troost der godsdienst niet ontbreken mag,--maar op
het graf zelf mocht niets aan de vrome, aandoenlijk schoone en hart
verheffende gebruiken en ceremoniën der oude Kerk herinneren. En toen
werd er thee gedronken, en daarna koffie met krentenbrood en koek
gebruikt, en werden, door den schoolmeester en nog een paar anderen,
lijkdichten ter eere van den doode voorgelezen; en daarna werd het
stil in huis, stiller dan het ooit geweest was.... En sedert was het
leven zijn gewonen gang gegaan; hij was van knaap tot jongeling en man
geworden, wiens kinderen en kleinkinderen het voorvaderlijk huis met
telkens nieuwe lentevreugde vervulden, en wier kleine handjes hem, al
lachende, voortduwden op den weg naar het graf. Wel, hij had zijn werk
getrouw volbracht en God had zijn arbeid gezegend; hij had daarbuiten
veel zien veranderen en een nieuwen tijd zien aanlichten, die ook
voor zijn eigen omgeving, sinds eeuwen schier dezelfde gebleven,
menige verandering brengen zou; die--zij het hier ook langzamer dan
elders--het oude zou ondermijnen en sloopen en verdwijnen doen, om
plaats te maken voor hetgeen nog de duistere toekomst in haar schoot
verborgen houdt.



V


Vroolijk straalt de herfstzon aan den blauwen hemel, waarlangs witte
wolkjes drijven, en giet haar licht uit over het landschap, dat reeds
in gelende en bruine tinten de nadering van het najaar verkondigt. Wij
hebben de bebouwde buurt langs den linkeroever van de Zaan achter ons,
en rijden lustig en opgewekt over den straatweg, die ons naar Purmerend
zal brengen. Het landschap draagt het bekende karakter; aanvankelijk,
tot aan de buurt Het Kalf, waar de fraaie nieuw gebouwde katholieke
kerk onze aandacht trekt, hebben wij nog telkens kijkjes op de breede
Zaan met haar krans van molens, haar tuinen en bosschages; verder
dwalen onze blikken over bijkans onafzienbare weilanden, door vaarten
en slooten doorsneden. Een poos lang rijden wij langs de ringvaart
van de Wormer, om straks den weg door den polder in te slaan. Wij
zijn hier in een echt polderland; en wanneer onze vaderen uit de
laatste helft der zestiende eeuw konden opzien uit hunne graven,
dan stond het te vreezen dat zij hunne eigene woonstede niet meer
zouden herkennen. Vooral dit oostelijk en zuidoostelijk gedeelte
van Noord-Holland, het oude West-Friesland en Waterland, was eene
aaneenschakeling van meren, poelen, stroomen, wateren, waartusschen
de smalle, lage, drassige strooken en brokken land als verloren
waren. Geen land was door zijne natuurlijke gesteldheid zoo uitnemend
geschikt voor een eindeloozen guerilla-oorlog, zoo als de stugge
Westfriezen dien eeuwen lang tegen de Graven van Holland voerden,
en zoo als hunne nakomelingen dien, in de laatste helft der zestiende
eeuw, gedurende eenige jaren tegen de Spanjaarden hernieuwden. Maar
toen deze laatste storm had uitgewoed, toen de jonge republiek der
Vereenigde Nederlanden zich van de toekomst zeker voelde, toen de
herinnering aan vijandelijke krijgsknechten, aan bloedigen kamp op
dijk en in moeras, aan brandende hoeven en vernielde dorpen sinds
lang in de noordhollandsche streken was uitgestorven; toen dacht
men er aan, ook binnen eigen grenzen veroveringen te maken en den
steeds verder voortvretenden gierigen waterwolf te teugelen. Met
de voortvarende energie, welke het krachtig geslacht dier dagen
kenmerkte, werd de hand aan het werk geslagen en binnen weinige
jaren uitgestrekte plassen en meren in vruchtbaar land herschapen. De
Wormer, waardoor wij nu rijden, werd in 1624 bedijkt en drooggemaakt;
met de droogmaking van de Beemster was men reeds in 1608 aangevangen,
en in vier jaren tijds werd dit groote werk voltooid. De Purmer werd
omstreeks dienzelfden tijd, in de jaren 1618-1622, drooggelegd en
tot een polder gemaakt. Zoo had, binnen weinige jaren, deze streek
eene geheele herschepping ondergaan. De drie uitgestrekte meren,
die door allerlei wateringen en plassen met elkander verbonden, het
stedeke Purmerend omgaven, hadden plaats gemaakt voor wei- en bouwland,
waarop weldra talrijke hofsteden en boerenwoningen verrezen. Met den
handel in visch, een van de hoofdbronnen van bestaan voor de goede
lieden van Purmerende, was het gedaan; maar in de plaats daarvan
kwam nu de handel in graan, in zaden, in kaas en boter, die voor het
geleden verlies ruime winst bood. Landbouw en veeteelt brachten in
deze streken welvaart en rijkdom, en doen dat nog, zij het misschien
in mindere mate dan ettelijke jaren geleden. Toch behoeft ge slechts
om u heen te zien, om u te overtuigen, dat hier, over het algemeen
genomen, welvaart heerscht. Zie er die boerderijen maar eens op aan,
langs den breeden, belommerden weg geschaard; getuigt niet de geheele
aanleg, het geheele voorkomen der hofstede van onbekrompenheid, van
welgedaanheid? De bonte verwen, nog vaak aan de woningen aangebracht,
verwonderen en mishagen u niet, na hetgeen ge reeds aan de Zaan hebt
gezien; maar dat men op den zonderlingen inval kon komen, om ook de
stammen der boomen om het huis blauwachtig grijs te verwen, dat mag
voorwaar eene buitensporigheid heeten, waarvan de reden mij ontsnapt,
en waarover ge u met recht verbazen, ja zelfs wel ergeren moogt. Maar
dat daargelaten: wat u nevens dat voorkomen van welvaart treft, is
de schier overdreven zindelijkheid, die aan en om het huis, en--ge
kunt er zeker van zijn--ook daarbinnen en in den stal, heerscht: eene
zindelijkheid, die misschien niet van overdrijving is vrij te pleiten,
maar die er gewis toe bijdraagt om aan de boerenwoningen dien stempel
van welstand en rijkdom te schenken, en die in ieder geval verre
te verkiezen is boven de slordige onreinheid, welke in zoo menige
andere streek de boerenhoeven welhaast op krotten doet gelijken en u
terughoudt van een bezoek. In deze noordhollandsche boerderijen kunt
ge gerust binnentreden; ge zult er vriendelijk ontvangen worden, en
moge soms de weelde die in de pronkkamer heerscht--eene vrucht van de
vette jaren, die nu voorloopig tot staan zijn gekomen,--u door haar
kakelbont en heterogeen karakter een glimlach afpersen, zooveel is
zeker dat deze menschen in goeden doen zijn. Laat mij er bijvoegen,
dat de meesten, gelukkig, in aard en wezen veel minder veranderd zijn,
dan hunne vaak hybridische omgeving u zou doen vermoeden. Wij hebben
geen tijd om eene boerderij te gaan bezoeken; maar terwijl wij langs
de sierlijke huizen met hunne boomgaarden en vaak karakteristieke
opschriften, langs de uitgestrekte malsche weilanden, waarin prachtige
runderen loopen te grazen of rustig nederliggen in het fluweelige gras,
heenrijden en ons aan den aanblik van het vredige, stille landschap
verlustigen, brengen wij dien degelijken landbouwers, wier voorvaderen
den grond waarop zij wonen zelven geschapen hebben, in gedachten onzen
welgemeenden groet, en wenschen wij hun van heeler harte voorspoed en
gezegende jaren. In elke gezonde maatschappij zijn zij niet alleen
een onmisbaar element, zij vormen den grondslag zelven waarop het
maatschappelijk gebouw rust; en waar het hun op den duur slecht gaat,
waar hun stand verarmt en kwijnt, daar worden alle maatschappelijke
verhoudingen gaandeweg verstoord en wordt de maatschappij zelve
krank. Daarom is de in sommige streken voorkomende ontvolking van het
platte land, ten bate der steden, een zoo bedenkelijk, zoo onrustbarend
verschijnsel, dat op maatschappelijken achteruitgang van zeer ernstigen
aard wijst.

Wij naderen Purmerend en hebben reeds de vriendelijke buurt
De Nek achter ons. Die vrij breede vaart daar naast ons is het
Noordhollandsch-kanaal, waarvan wij reeds vroeger gesproken hebben. Het
is nu stil op dat kanaal, want de schepen van en naar Amsterdam volgen
dezen weg niet meer; alzoo ziet men er nog slechts binnenvaartuigen
en nu en dan een enkel zeeschip, zoo als er daar juist een bij de
sluis ligt, dat voor handelaars te Purmerend of in den omtrek hout
aanvoert. Na den flinken rit van Zaandam mogen onze paarden wel even
rusten; wij willen van het oponthoud gebruik maken en een vluchtig
kijkje nemen van de stad.

Een net, vriendelijk, rustig stedeke, dat er welvarend uitziet en een
prettigen indruk maakt. Wij hebben niet veel tijd noodig om de kleine
stad door te wandelen; jammer, dat het geen marktdag is, dan zou het
drukker en levendiger zijn op de stille straten, vooral op de ruime
Veemarkt en ook op die andere Markt, waarop het geheel gemoderniseerde
stadhuis staat, en waar de kaas- en boterboeren de zoo gezochte
produkten hunner nijverheid uitstallen. Maar nu wij de Markt overgaan
werpen wij in het voorbijgaan een blik op de in romaanschen stijl
herbouwde kerk, die te midden dezer hollandsch-burgerlijke omgeving
eene min of meer vreemde vertooning maakt. De oude kerk dagteekende
uit de tweede helft der veertiende eeuw, en werd na den brand van 23
Juli 1519 herbouwd; zij heeft in de laatste jaren, althans uitwendig,
eene geheele transformatie ondergaan. Verdere merkwaardigheden
bezit het eenvoudige stedeke niet; wij hebben geen tijd er lang te
vertoeven, en het ligt ook min of meer buiten de grenzen, die wij
ons voor ons uitstapje hebben gesteld. Echter niet geheel: immers
Purmerende behoort nog tot het oude Waterland, waarvan het vroeger
als een der dorpen werd gerekend. Niet meer dan een dorp was het,
toen Willem VI, de Graaf-Hertog, bij giftbrief van 4 November 1410,
Purmerende en Purmerland tot eene vrije heerlijkheid, met hoog en
laag gerecht, verhief en met die heerlijkheid zijn trouwen dienaar
Willem Eggert, eens poorters zoon uit Amsterdam, beleende. Drie
jaren later verkreeg hij van den Graaf-Hertog vergunning, om te
Purmerende een kasteel of huizinge te bouwen, en daarbenevens een
stuk grond van een-en-dertig roeden, dat hij voor den bouw van zijn
slot noodig had. De amsterdamsche koopman en poorter had dergelijke
gunstbewijzen wel aan den Vorst verdiend. Hij had Willem van Beieren
trouw met raad en daad, vooral ook met geld, bijgestaan, toen hij nog
als Willem van Oostervant, verdacht van medeplichtigheid aan den moord
van Aleide van Poelgeest, voor den toorn zijns vaders uit den lande
wijken moest; en, wat niet altijd gebeurt, de landsheer toonde zich
dankbaar voor de diensten den erfprins bewezen. Hij benoemde Willem
Eggert tot thesaurier van Holland en beleende hem met eene hooge
heerlijkheid, waardoor deze poorterszoon plaats nam onder de edelen
des lands--evenwel niet onder de ridders, maar onder de knapen. En
Willem toonde zich een goed heer voor zijne onderzaten, wien hij
verschillende voorrechten schonk en voor wie hij van den Hertog en van
den heer van Wassenaer, burggraaf van Leiden, ook tolvrijdom wist te
verkrijgen. De heerlijkheid met het slot Purmerstein kwam, in 1473,
door koop in handen van graaf Jan van Egmond, stadhouder van Holland,
Zeeland en West-Friesland, en bleef in diens doorluchtig geslacht,
tot deze goederen in 1607 door Lamoraal van Egmond, den zoon van den
zoo welbekenden Lamoraal, die minder nog zijne ridderlijke trouw aan
den Koning, dan wel zijne besluiteloosheiden halfslachtigheid--in
revolutionaire tijden boven alles gevaarlijk--met den dood op het
schavot moest boeten, wegens schulden werden verkocht. De Staten van
Holland kochten toen ook de heerlijkheid van Purmerende en voegden
die bij de grafelijkheidsdomeinen. Het bouwvallig geworden kasteel
werd in 1729 aan de stad afgestaan, die eenige jaren daarna de ruïne
deed afbreken.

Het dorp Purmerende was inmiddels mettertijd een aanzienlijk
vlek geworden, dat allengs stadsrechten verkreeg en in de laatste
jaren der zestiende eeuw ook het recht om afgevaardigden te zenden
naar de vergadering der Staten van Holland. Even als bijna geheel
Noord-Holland, schaarde ook Purmerende zich reeds in Juni 1572 aan
de zijde van den Prins, en de stedelijke regenten achtten het toen
noodig, de tot dusver geheel open liggende stad, door wal en gracht,
tegen een mogelijken overval te beschermen. Van deze wallen, die
gelukkig nooit dienst behoefden te doen, en van hare vijf poorten is
thans niets meer over; het stedeke ligt op nieuw aan alle kanten open.

Doch het is tijd, onzen rit te vervolgen. De paarden hebben frissche
krachten opgedaan, en lustig draaft ons rijtuig voort over den fraai
belommerden weg midden door de Purmer. Een lange rechte weg, ter
wederzijde door weilanden omzoomd, met nu en dan eene van die flinke,
welvarende boerenplaatsen, die het steeds een lust is aan te zien,
biedt desniettemin weinig afwisseling. Natuurschoon, in den gewonen
zin van dat woord, moet ge althans in dit gedeelte van de provincie
niet zoeken; en wij moeten billijk zijn en zonder omwegen erkennen,
dat dit echt-hollandsche landschap op den duur eentonig wordt. Het
is op den weg ook stil: ware het marktdag te Purmerende, er zou meer
beweging zijn, want dan zouden wij ongetwijfeld talrijke boerenwagens
en karren ontmoeten, die vooral met kaas beladen stadwaarts rijden of
van daar terugkeeren. Die wijd en zijd bekende kaasmarkt van Purmerende
liep eens, het was in de vorige eeuw, ernstig gevaar te gronde te
gaan. Laat mij u die niet onvermakelijke historie eens mogen vertellen:
't is eene episode uit een soort van _Culturkampf_ in miniatuur.

Het geschiedde dan in het jaar 1725, dat de regeering van Purmerende
goedvond, om welke reden weet ik niet, den pastoor Johan Van
der Velde, die sedert 1718 aan het hoofd der roomsch-katholieke
gemeente had gestaan, af te zetten en in zijne plaats een zekeren
Gerardus Kenens te benoemen, pastoor bij de Roomsch-Katholieken van
de bisschoppelijke clerezy, de zoogenaamde Jansenisten. Wat mijne
heeren van den gerechte tot deze zonderlinge keus bewogen had, weet
ik evenmin, maar wel dat zijne parochianen, waartoe ook de boeren
uit de Wormer en de Purmer behoorden, niet van zins waren, met dezen
opgedrongen herder genoegen te nemen. Aanvankelijk lieten zij pastoor
Kenens voor wat hij was, en begaven zich elders ter kerk om hunne
godsdienstplichten te vervullen; maar dit begon hun, en met recht,
te verdrieten, en toen nu noch verzoeken noch vertoogen baatten
om den onwettigen pastoor, die door de overheid gehandhaafd werd,
kwijt te raken, besloot men tot een ander middel de toevlucht te
nemen. De katholieke boeren in de Wijde-Wormer, in de Purmer en de
Beemster kwamen overeen, dat zij hunne kaas niet meer te Purmerende
ter markt zouden brengen: zij zouden met hunne wagens midden door de
stad rijden en zich naar Edam of Monnikendam begeven, om daar hunne
kaas te verkoopen. Daar ook in deze stroken van Noord-Holland, gelijk
zoo vaak ten platten lande, het aantal Katholieken, die aan de oude
Moederkerk waren getrouw gebleven, vrij aanzienlijk was, liep de stad
Purmerende groot gevaar haar kaasmarkt en kaashandel, en daarmede een
hoofdbron van haar bloei en welvaart, te zien verdwijnen of althans
zeer verminderen. Dit argument hielp: in het begin van 1728 werd
de opgedrongen pastoor weggezonden en straks door een ander, door
de bevoegde overheid geordend en erkend geestelijke vervangen. Zoo
werd aan billijke grieven te gemoet gekomen, werden de gemoederen
bevredigd en--werd de kaasmarkt gered. De verdreven pastoor Kenens nam,
bij zijn vertrek, een aantal kostbaarheden en kerksieraden, benevens
alle bescheiden betreffende de vroegere geschiedenis der kerk mede.

De weg, dien wij tot dusver volgden, heeft ons op een anderen, mede
lijnrechten weg gevoerd, die ons naar Edam brengt. Zoo stil als het
te Purmerende was, zoo druk en woelig is het hier: de straten zijn
vol met stedelingen en buitenlieden in hun zondagspak: er heerscht
eene vroolijke, opgewekte stemming. Geen wonder: het is kermis te
Edam, en van de dorpen en hofsteden in den omtrek zijn de boeren
en boerinnen stadwaarts getogen, om mede kermis te houden. Nu, dat
kermishouden kan bezwaarlijk iemand aanstoot geven: langs de beide
zijden van eene belommerde, tamelijk smalle gracht staan kramen, waarin
snuisterijen, speelgoed, koek en dergelijke artikelen worden verkocht,
en waarlangs de menigte heen en weder drentelt. Ginds wordt door knapen
en jongelieden koek gehakt; iets verder is, op een bont geschilderd
zeildoek, de geschiedenis afgebeeld van een of anderen misdadiger,
wiens snoode gruweldaden, met begeleiding van een draaiorgel, den volke
in dichtmaat worden voorgezongen. De rechte pret zal echter eerst later
beginnen. Althans op een grasveld, nabij het logement of de herberg
waar wij afstappen, staat een soort van circus, dat nu gesloten is,
maar zich des avonds in al zijne heerlijkheid zal vertoonen. Ook in
het logement zelf is de pret nog niet op gang. Wel is het druk in de
kolfbaan, maar in de vrij ruime achterkamer, waar eene estrade voor
een orchest is aangebracht, bevindt zich niemand behalve wij. De
drie muzikanten, die even na onze komst op de estrade plaats nemen
en straks uit alle macht beginnen te blazen en te vedelen, kunnen
zich dan ook gerust die moeite en ons die kwelling besparen: niemand
neemt van hen eenige notitie en wij haasten ons heen te gaan. Maar
van avond zullen zij hunne talenten beter kunnen gebruiken: dan zal
er gedanst worden. Inmiddels gaan wij een kijkje nemen van de stad.

Dat het juist kermis is, treffen wij niet. Immers, de weinige
ruimte, die op de voornaamste gracht tusschen de huizen en de kramen
overblijft, maakt het zeer moeilijk, de voor een deel antieke geveltjes
goed op te nemen. Daar zijn er betrekkelijk velen uit de zeventiende
eeuw, een enkele klimt ongetwijfeld nog hooger op; ook de beeldwerken
en opschriften aan de huizen zijn niet zeldzaam. Over het algemeen
ziet Edam er veel ouderwetscher uit dan Purmerend: daar ligt over de
geheele stad een zeker waas van oudheid, dat Purmerende, althans in
die mate, mist. Maar daarentegen vertoont Purmerend meer den stempel
van welvaart; Edam kwijnt en is in verval: niet ten onrechte noemt
Havard haar onder de _villes mortes_. Inderdaad, bij het bezoeken
van dergelijke plaatsjes rijst onwillekeurig de vraag op: waarvan
leven de menschen hier toch? Handel en nijverheid is er niet, ten
minste niet van eenige beteekenis; vroeger verworven rijkdommen, nog
door enkele familiën bewaard, moeten de kwijnende welvaart steunen;
landbouw en kleinhandel moeten, zoo goed het gaat, in de behoeften
der burgerij voorzien. Maar het algemeene peil van gegoedheid zinkt
steeds dieper; de bevolking neemt af; welgestelde familiën, door de
uitspanningen en genietingen der groote steden aangelokt, ontvlieden
de geestdoodende verveling van het kleinsteedsche leven en verhuizen
naar elders, een deel van de welvaart medenemende. Zoo slepen zij haar
treurig en troosteloos bestaan voort, die uitgestorven steden, van wier
wallen de stroom van het leven zich sinds lang heeft terug getrokken,
en die toch niet geheel sterven kunnen. Ge wandelt door hare stille
straten, waarin haast geen voetstap weerklinkt dan de uwe en waarin
alles u aan den vroegeren tijd herinnert; uw blik dwaalt langs de
ouderwetsche geveltjes, zoo geestig uitkomende tusschen het groen ter
wederzijde van de belommerde gracht; ge volgt den met statig geboomte
beplanten weg, die langs de haven naar de Zuiderzee voert, en het is
stil op dien weg en de haven is bijna ledig; en als ge eindelijk haar
monding bereikt, dan bespeurt ge niets dan de kabbelende golfjes der
zilvergrijze zee. En als ge u omwendt en weer uwe schreden naar de
stad richt, dan ziet ge daar, boven een krans van geboomte, de tinne
en den toren oprijzen van haar Groote-kerk, die ruimte biedt voor zoo
velen meer dan er tegenwoordig plaats kunnen nemen, en die in hare
verlatenheid getuigt van de vroegere welvaart der vervallen stad. En
weemoedig gestemd, gaat ge weder voort door de zwijgende eenzaamheid,
en beelden van het verleden rijzen op voor uwen geest.

Ja, ook Edam heeft betere dagen gekend. Haar naam, als die van
zoo menige stad en zoo menig dorp in Noord-Holland, doet aan water
denken en tevens aan den eeuwenouden, nooit rustenden strijd van
de bewoners dezer streken met het weldadig en tegelijk vijandig
element. Edam is niet anders dan dam in de Ee of de Ye, zoo als
sommigen den naam spellen;--het doet er niet toe, Ee, Ye, Aa, zijn
al te gader woorden van eene beteekenis: 't is de oude naam voor
stroomend water in het algemeen, en juist daarom ook de naam voor
meer dan een riviertje. Wanneer nu die dam gelegd is, weet ik niet;
naar het schijnt kreeg het vlek, dat aanvankelijk wel niet meer dan
een visschersdorp zal zijn geweest, omtrent het midden der veertiende
eeuw eenige stadsrechten. De jeugdige poorterij nam levendig deel in
de burgertwisten en partijschappen, die gedurende bijna de geheele
vijftiende eeuw Holland beroerden, en moest daar nu en dan zwaar
voor boeten. Maar in die dagen harer romantische, onstuimige jeugd
overkwam haar iets zonderlinge, dat wel vermelding verdient.

In het jaar Onzes Heeren 1403 woedde op zekeren dag, als zoo vaak, een
hevige storm over Waterland; de opgezweepte golven van de Zuiderzee
beukten in wilde woede de dijken, tot ze bezweken en de wateren der
zee zich over het verdronken land vermengden met die van de Purmer. Men
haastte zich, zoodra het noodweer eenigszins was bedaard, de gebroken
dijken te herstellen, en moest nu afwachten tot het ingedrongen water
weder door de sluizen was weggevloeid en door de molens opgepompt. Maar
ditmaal had de Zuiderzee iets ongewoons aangebracht. Eenige meiskens,
die des morgens, als naar gewoonte, naar het land gingen om de
koeien te melken, bespeurden in de Purmer een wonderbaarlijk wezen,
van de gedaante eener vrouw, naakt, met groen mos begroeid en zeer
onrein en onbehagelijk van voorkomen. Dat de meiskens op dit gezicht
ontstelden en aan een spooksel dachten, is gemakkelijk te begrijpen;
maar dat ze kloeke meiskens waren, niet zenuwachtig en voor geen klein
geruchtje vervaard, toonden ze, door met haar schuitjes en bootjes
het raadselachtige wezen, dat in het water heen en weder zwom en
spartelde, te omsingelen en gevankelijk naar Edam te brengen. Men
kan zich denken, hoe verbaasd de eerzame poorters hebben gekeken,
toen deze zeldzame buit uit het meer werd aangevoerd; en dat te meer,
daar de vrouw niet scheen te kunnen spreken, en slechts een zuchtend
en steunend geluid van zich gaf. Dat zwijgen was meer dan iets anders
geschikt om aan haar vrouwelijke natuur te doen twijfelen; doch wat was
het zonderlinge schepsel dan? Het at en dronk, gelijk andere menschen:
maar spreken deed het niet. Niettemin, de vroede mannen van de stad,
zeker niet zonder ernstige raadpleging met mijnheer den pastoor,
erbarmden zich over de zwerfster, die men algemeen voor afkomstig uit
de Middellandsche-zee hield, en voorzagen haar van het noodige. Dat
het gerucht van dit wonder zich wijd en zijd verspreidde en tal van
bezoekers naar Edam lokte, spreekt wel van zelf. Maar vooral op de
regeering van Haarlem schijnt het feit een diepen indruk te hebben
gemaakt. Nadat haar afgevaardigden, opzettelijk naar Edam gezonden,
verslag van hun wedervaren hadden gedaan, ontwaakte bij de heeren de
onbedwingbare begeerte om dit wonderbaarlijke wezen te bezitten. Zou
Edam het willen afstaan? Wel, men kon het beproeven. Een dringend en
nederig smeekschrift werd opgesteld en niets gespaard om de heeren van
Edam te bewegen, hun schat aan die van Haarlem af te staan. En zie,
tegen alle verwachting, werd de bede niet geweigerd. De geheimzinnige
vrouw werd naar Haarlem gevoerd en ongetwijfeld door de heeren en
burgers der goede stede met blijdschap en verrukking ontvangen. En
het scheen haar in de Spaarnestad ook goed te bevallen: zij leefde
daar nog vele jaren en verkeerde en spon met de andere vrouwen,
maar spreken deed zij niet. Het raadsel van haar wezen en afkomst
bleef dus onopgelost; maar aangezien de vrouw bij haar leven aan het
heilig Kruisbeeld de verschuldigde eere had bewezen, meende men haar,
na haar dood, eene christelijke begrafenis niet te mogen ontzeggen.

Dat hadt ge toch zeker niet gedacht, dat Edam de laatste der
Sirenen zou hebben geherbergd! Ach, het verwondert ons niet, dat
haar, de dochter der azuren, van goud en zonnevuur doortintelde
Middellandsche-zee, in haar eenzame ballingschap, onder den grauwen
noordschen hemel, in de troebele wateren van Purmer en Spaarne, de
lust tot zingen was vergaan; maar dat ze zelfs niet sprak! Doch ook,
wat een lot was het hare? Stel u haar voor, de betooverende dochter
van Acheloos, naar wier onweerstaanbaar gezang zelfs Odysseus niet had
durven luisteren dan na zich aan de mast van zijn vaartuig te hebben
laten vastbinden, stel u haar voor, eerzaam gekleed, neergezeten
onder de vrome poorteressen van Haarlem, spinnende en devotelijk een
kruis slaande! Dit is eene episode uit de treurige geschiedenis der
_Götter im Exil_, waaraan Heine niet heeft gedacht..... En zoo ge
mij nu beschuldigt, dat ik u een sprookje op de mouw wil spelden,
dan beroep ik mij op Junius, een ernstig, achtbaar en geloofwaardig
man, een historieschrijver, die ons het feit mededeelt. Wel is waar,
is hij zelf niet heel zeker van de zaak, maar toch.... Zie, haast niet
minder merkwaardig dan het verhaal zelf, zijn de opmerkingen die Junius
er aan toevoegt: "Alle welcke dingen, zegt hij, gelyckerwys ick die
niet vastelyck wil staende houden, alsoo wil ick die oock niet geheel
teghenspreecken, soo om de gheloofwaerdigheydt der Chronycken, als
oock mede omdat ik mij teghen de ghedachtenisse die noch soo versch
is, ende door de vrouwkens van handt tot handt overghelevert, niet
stellen en wil. Ick sal nochtans segghen, dat van my (aenghesien het
een Fabel schijnt te sijn) niet voor waerachtigh ghehouden werdt,
dat sy soude ghesponnen hebben, even oft haer handen met leden,
ghelyck als die der menschen, souden onderscheyden syn geweest. Doch
ick laet het peryckel van de waerheydt den Autheur."--

Dat men te Edam zoo weinig prijs stelde op het behoud der Sirene was
misschien ook daaraan toe te schrijven, dat dergelijke phenomenen
hier minder zeldzaam waren dan elders. Het stadhuis te Edam bewaart
de portretten van drie merkwaardige personages, die aldaar hebben
geleefd. Het eerste is dat van Pieter Dirksz., wiens baard zoo lang
was, dat hij dien met de hand moest ophouden, om hem niet langs
den grond te laten slepen. Het tweede is dat van Jan Cornelissen,
kastelein in het _Heerenlogement_, die in het jaar 1633, toen hij zich
op twee-en-veertigjarigen leeftijd liet conterfeiten, niet minder dan
vierhonderd-twee-en-vijftig pond woog. Eindelijk heeft men nog, uit
hetzelfde jaar, de afbeelding van Trijntje Cornelissen, eene teedere,
schuchtere jonkvrouw, die op haar negentiende jaar eene lengte had
van negen voet en wier geheele gestalte daaraan geëvenredigd was. Men
bewaart ook nog de schoenen van deze Trijntje, welke ongeveer de
afmeting hebben van eene vioolkist.

Dat was in den goeden ouden tijd, toen Edam eene bloeiende, welvarende
stad was. Toen leefde ook de eerzame burger J. Oosterling, die zich
in 1682 liet afbeelden tusschen zijn zoon en zijne dochter, en met den
vinger wijzende naar de twee-en-negentig schepen, die aan hem behoorden
en zoowel de Noord- als de Zuiderzee bevoeren. Ook dat portret is op
het stadhuis te zien. Toen was Edam de negende in rang onder de steden
van Holland; toen was het vertegenwoordigd zoowel in de vergadering
der Staten als in het collegie der admiraliteit; toen telde het eene
bevolking van ruim vijf-en-twintigduizend zielen, tegenwoordig tot
minder dan een vijfde geslonken, dreef een uitgebreiden handel en
was beroemd om zijne scheepstimmerwerven. Die voorspoed is voorbij
gegaan en opgevolgd door langzaam en hopeloos verval, waaruit geen
redding meer denkbaar is. Hoe zou zij tot nieuw leven ontwaken,
de arme doode stad, die ge eigenlijk niet zien moet op een dag als
deze, nu de kermispret haar een valschen schijn van leven schenkt,
maar die in andere, gewone tijden zulk een onuitsprekelijk weemoedigen
indruk maakt.

Van die dagen van welvaart en voorspoed is, zoo als ik zeide, ook de
Groote-kerk, waarvan de stichting tot de eerste jaren der vijftiende
eeuw opklimt. Zij was aan Sint-Nikolaas gewijd en behoorde tot het
aangrenzend klooster. In de troebelen der zestiende eeuw verdween
het klooster en werd de kerk, met berooving van haar altaren en
wat zij aan beeld- en schilderwerk mag hebben bezeten, voor de
nieuwe eeredienst bestemd. Nog, ondanks het kale en doodsche, het
_unheimliche_ en onharmonische, dat allen dus aan hare oorspronkelijke
bestemming onttrokken en in spreekzalen herschapen kathedralen eigen
is, nog is deze kerk van Edam een van de grootste en schoonste
in geheel Noord-Holland. Haar drie schepen van gelijke hoogte,
haar achtkantig koor met smalle sierlijke vensters, geven haar,
ook nog in haar berooving, een monumentaal karakter. Kunstwerken
moet ge hier natuurlijk niet zoeken: het schilderwerk, dat ook hier
vroeger de wanden en zuilen zal hebben versierd, is sedert eeuwen
onder eene laag witkalk verdwenen. Het eenige sieraad, dat de aan
alle kunst vijandige geest van het puriteinsche Calvinisme in de
kerken duldde, was glasschilderwerk, waarbij de nieuwe burgerlijke
regenten-aristokratie niet aarzelde, het voorbeeld van den ouden
feodalen adel te volgen en hare soms vrij potsierlijke blazoenen en
haar tot dusver onbekende namen aan de vergetelheid te ontrukken. Ook
de kerk te Edam prijkt met zulke geschilderde vensters, uit de eerste
jaren der zeventiende eeuw dagteekenende en te Gouda vervaardigd;
zij zijn, naar men zegt, een geschenk van de voornaamste steden
van Holland, wier wapenschilden daarop zijn afgebeeld. Maar zoowel
deze glazen als de kerk hebben veel geleden en zouden eene afdoende
restauratie behoeven: doch wie zal daar de hand aan slaan?--Vlak tegen
de kerk aangebouwd, ziet men nog een brokstuk van eene oude woning in
den sierlijken renaissancestijl van omstreeks de helft der zestiende
eeuw, met banden en lijsten van bergsteen en smaakvol gebeeldhouwde
nissen. Dit overblijfsel uit den vroegeren tijd is zeer zeker een
der fraaiste dingen, die Edam heeft aan te wijzen.

De andere kerk, waarvan de zonderlinge, min of meer scheeve toren met
zijn van buiten zichtbaar klokkenspel aanstonds de aandacht trekt,
was vroeger de kapel van een begijnhof en toen aan Onze-Lieve-Vrouwe
gewijd. Ook haar trof hetzelfde lot als hare zuster aan het andere
einde der stad. Toen de omwenteling, waarbij ook Edam zich aanstonds
aansloot, in Noord-Holland had gezegevierd, werden de begijntjes
verdreven, het eerwaardige gesticht opgeruimd en de gewezen kapel
voor de hervormde eeredienst ingericht. Zij heet nu eenvoudig, ter
onderscheiding van de Groote, de Kleine-kerk en verkeert mede in zeer
vervallen toestand. De wonderlijke, toch wel schilderachtige campanile,
die boven op den ouden bouwvalligen toren is geplaatst, dagteekent
uit het jaar 1733. Het bovenste gedeelte van den toren werd toen door
den bliksem vernield, en de stedelijke regeering liet, op het oude
monument, deze nieuwe, ietwat fantastische kroon plaatsen, die weinig
met het gebouw in harmonie is en evenwel geen slecht figuur maakt.

Wij hebben onze wandeling door de stad volbracht, die, dank zij de
kermis, een gansch ongewoon aanzien heeft. Morgen of ten hoogste over
een paar dagen is dit feest, dat nu een aantal bezoekers van buiten
lokt, ten einde en keert alles weder tot de gewone dommelige rust
terug. Dan droomt en dommelt zij weer voort, de uitgestorven stad
met haar ledige haven, aan het strand der stille Zuiderzee, wier
zilvergrijze wateren niet langer door de schepen harer kooplieden
en reeders worden gekliefd. Slechts nu en dan dwaalt een vreemdeling
door hare zwijgende straten, langs hare pittoreske grachten. Als hare
zusteren, Enkhuizen, Medemblik, Hoorn, Stavoren, Hindeloopen, langs
den rand der Zuiderzee geschaard, zit zij daar droomend en peinzend
neder, de doode stad, mijmerende aan de dagen van weleer, toen zij
rijk en bloeiend en machtig was en het frissche leven tintelde in
hare aderen. Ze zijn voorbij, die schoone tijden, en niemand brengt
ze ooit weder. De stroom der historie koos zich eene andere bedding:
zij bleven achter, als wrakken op het strand.



VI


Tot de gemeente Edam behoort ook het op korten afstand gelegen
visschersdorpje Volendam: een van die, vooral voor vreemdelingen,
zoo merkwaardige en aantrekkelijke dorpen, die in bouw en inrichting
der huizen, in kleeding en levenswijze der inwoners, nog geheel den
stempel van den ouden tijd hebben bewaard. Voor ons, die bovendien
Marken reeds kennen, heeft Volendam minder merkwaardigs: slechts is
het niet raadzaam, met de Volendammers te veel over die van Marken
en met de Markenaars te druk over die van Volendam te spreken, want
de bewoners van het visschersdorp en van het visscherseiland kunnen
elkander niet best uitstaan. Draagt daartoe ook de omstandigheid
bij, dat de Volendammers voor verreweg het meerendeel ijverig
katholiek, en de Markenaars, ik geloof wel haast zonder uitzondering,
orthodox-gereformeerd zijn? Hoe dit zij, en dit punt van verschil
daargelaten, is er overigens tusschen Marken en Volendam veel
overeenkomst. De bewoners van beide plaatsen leven schier uitsluitend
van vischvangst; als op Marken, zijn ook te Volendam de huizen van
hout, groen of donkerbruin geverfd, en bevatten in den regel slechts
een vertrek, dat tot huis- en slaapkamer en tot keuken dient. Ook hier
vindt ge die ouderwetsche meubelen, met schilder- en snijwerk versierd,
en dien overvloed van tegeltjes en blauw porselein, dat in den laatsten
tijd zoo zeer in de mode is gekomen. Als de Markenaars, hebben ook
de Volendammers hunne eigene kleeding, voor de mannen bestaande uit
een wambuis, een wijden korten broek, schoenen met gespen en eene
bonte muts. De kleederdracht der vrouwen is minder eigenaardig en
minder schilderachtig dan op Marken: zij komt meer overeen met het
gewone noordhollandsche boerinnenkostuum. Als op Marken eindelijk,
is het ook hier de gewoonte, bij het binnentreden van de woning,
zijne klompen of schoenen aan de deur te laten staan, ten einde de
zindelijke vloermat niet te verontreinigen. Volendam bezit eene,
in den laatsten tijd gebouwde, zeer fraaie katholieke kerk.

Als type van een echt-hollandschen weg, in de minder gunstige
beteekenis van het woord, mag wel de weg gelden, die van Edam naar
Monnikendam voert. Een open weg zonder boomen, in rechte lijn
voortloopende langs eene vaart aan de eene en eene sloot aan de
andere zijde; rechts en links omzoomd door bijna onafzienbare, vlakke
weilanden, wederom van ontelbare slooten en vaarten doorsneden. Voorts
overal, op korter of wijder afstand, torenspitsen van dorpen, meestal
oprijzende boven een groep geboomte; hier en daar eene boerderij; in
de weilanden droomerige koeien, suffende aan den slootkant: een--het
valt niet tegen te spreken--in hooge mate eentonig en vervelend
landschap. Wij zijn hier midden in het oude Waterland: eene landstreek
die ten volle aanspraak heeft op haren naam, want inderdaad heeft
het soms den schijn, of de beide elementen, het water en het land,
elkander den voorrang betwisten. En vroeger was dit in nog veel sterker
mate het geval. Toen lag Waterland aan alle kanten door min of meer
uitgestrekte plassen ingesloten: ten oosten door de Zuiderzee, ten
zuiden door het IJ, ten westen en noorden door de Wormer, de Purmer
en de Beemster, terwijl bovendien eene menigte grootere en kleinere
wateringen het lage land in alle richtingen doorsneden. Het zal ook
wel hier dezelfde geschiedenis zijn geweest als die zoo menige streek
van ons land ons verhaalt: eeuwen lang heeft de mensch den taaien kamp
moeten voeren tegen het vijandig element dat zijn leven op dezen bodem
onmogelijk dreigde te maken, en in dien kamp is de bodem zelf gevormd
en bevestigd. En nog is voortdurende waakzaamheid plicht: want zijn
ook de groote binnenmeren sinds meer dan twee eeuwen drooggemaakt
en is ook in den laatsten tijd het IJ beteugeld, nog altijd knaagt
de Zuiderzee aan de oostelijke dijken en vernielt ze soms in haar
woeden. Maar in eigen boezem werd de kracht des vijands gebroken en
dienstbaar gemaakt aan de bevordering van welvaart en ontwikkeling.

In vroeger eeuwen was Waterland--een van de drie baljuwschappen waarin
weleer het Noorderkwartier, de latere provincie Noord-Holland, werd
verdeeld,--eene heerlijkheid, waarvan de bisschop van Utrecht zich als
leenheer beschouwde en die aan het oud-adellijke geslacht van Persyn
behoorde. Bij den toenemenden wasdom van het graafschap Holland,
kon het niet anders of het bezit van Waterland moest een twistappel
worden tusschen den graaf en den bisschop, die toch elkander in den
regel geen goed hart toedroegen; en evenzeer lag het in den aard der
zaak, dat de heer van Waterland het slachtoffer werd van dien naijver
tusschen zijne twee machtige buren. Jan van Persyn moest reeds, tegen
het einde der dertiende eeuw, zijne heerlijkheid Waterland verpanden
aan den grooten tegenstander van de feodale adelsregeering, aan Floris
V van Holland, zij het ook onder voorwaarde dat zijn zoon Nicolaas
levenslang de inkomsten genieten zou. Na het kinderloos overlijden
van dien zoon, in 1309, verviel Waterland, in spijt van de beweerde
rechten des bisschops, aan de grafelijkheid en werd sedert, in 's
graven naam, door een baljuw bestuurd, die zijn zetel te Monnikendam
had. De omwenteling van de zestiende eeuw bracht in dien toestand
slechts in zooverre verandering, dat de baljuw nu niet langer door den
graaf, maar door de Staten van Holland werd benoemd. Waterland was toen
gesplitst in zes rechtsbannen, bevattende de zes hoofddorpen: Ransdorp,
Zuiderwoude, Landsmeer, Zunderdorp, Broek en Schellingwoude; aan deze
hoofddorpen, die zich mochten beroemen op het bezit van verschillende
rechten en privilegiën, waren de andere dorpen ondergeschikt. In
de eerste jaren van den opstand tegen Spanje, toen de soldaten des
Konings nog in het hart van Holland vaste punten hielden bezet,
toen Amsterdam nog trouw de zijde des Konings hield en de andere
steden beurtelings den aanval des vijands hadden te weerstaan; in
die onrustige jaren waren ook de dijken en wegen, de vlakke velden en
moerassen van Waterland meer dan eens het tooneel van den verwoeden
strijd tusschen de spaansche soldeniers en de woeste vrijbuiters
van Sonoy of de tot het uiterste gedreven dorpers en huislieden,
die door beide partijen haast gelijkelijk werden mishandeld.

Meer dan drie eeuwen zijn verloopen sedert de geesel des oorlogs
Waterland teisterde, en sinds lang is elke herinnering aan die
bange dagen uitgewischt. Rust en vrede en storelooze kalmte ademt
het landschap, dat van niets anders spreekt dan van stillen arbeid
en menschelijke vlijt. Weiland schaart zich naast weiland, want
de waterlandsche boeren zijn veefokkers en moeten ook de naburige
groote hoofdstad van melk voorzien. De geheele streek is bezaaid met
dorpen, waarvan de torenspitsen overal het oog trekken. Die dorpen,
langs den zoom van het IJ en de Zuiderzee of meer landwaarts in
verspreid, door wegen en vaarten onderling verbonden, gelijken
meest allen op elkander, en het zou kwalijk van u te vergen zijn,
ze allen te gaan bezoeken.--Ziet ge daar ginds dien zwaren stompen
toren? Dat is de toren van Ransdorp, weleer het eerste en naar men
zegt ook het oudste der hoofddorpen van Waterland, vroeger een zeer
aanzienlijk en welvarend vlek, waar een aantal schippers woonden,
en dat vele gewichtige voorrechten en vrijheden bezat, door de
graven van Holland als heeren van Waterland geschonken. Sedert is
Ransdorp zeer gedaald; het aantal inwoners is tot ettelijke honderden
geslonken en menig ander dorp van Waterland wint het in bevolking
en welvaart van het oude hoofddorp, waarvan alleen de kolossale
toren aan de vervlogen grootheid herinnert. Die toren, vermoedelijk
uit de zestiende eeuw dagteekenende, is onvoltooid gebleven: hetzij
dan omdat de weeke bodem van Waterland onbekwaam bleek om zulk een
steenen gevaarte te dragen; hetzij omdat de kentering der tijden den
bouw staken deed. In dien toren werden--en worden misschien nog--de
oude handvesten en privilegiën van Waterland bewaard, in eene kist,
welke in eene nis in den zwaren muur was geplaatst en door drie deuren,
eene van koper, eene van ijzer en eene van hout, afgesloten. Slechts
in tegenwoordigheid van gecommitteerden uit de besturen van Ransdorp,
Zuiderwoude en Landsmeer, die ieder een sleutel bewaarden, kon dit
heiligdom ontsloten worden. De kerk, tegen den toren aangebouwd, is
van veel later dagteekening; door den watervloed van 1825, die een
belangrijk deel van Noord-Holland en ook Ransdorp zoo hevig teisterde,
werd deze kerk zwaar beschadigd; voor hare herstelling kon de arme
gemeente niet meer dan zevenhonderd gulden bijdragen.

Wij naderen Monnikendam. Schilderachtig genoeg ligt het daar,
in zijn krans van statig geboomte, aan den oever der Zuiderzee,
waarvan een inham vrij diep landwaarts indringt; en als het uitziet
over de grijze wateren, mag het droomen van de oude dagen, toen het
meer beteekende dan tegenwoordig. Daar is veel veranderd sinds de op
het eiland Marken gevestigde friesche monniken hier, aan den vasten
wal, eene nederzetting stichtten, die snel in bloei toenam. Dat was
in de tweede helft van de dertiende eeuw, nadat Nicolaas van Persyn,
heer van Waterland, in 1251, het eiland met zijn toebehooren aan de
abdij van Mariëngaarde in Friesland had verkocht. Het vlek bij den
door de monniken gelegden dam groeide al spoedig aan tot eene stad,
de eenige in Waterland, die van de graven verschillende voorrechten
verwierf en levendig aandeel nam aan de binnenlandsche twisten
en partijschappen, welke in de vijftiende eeuw Holland teisterden
en verscheurden. Als menige andere noordhollandsche stad, was ook
Monnikendam ijverig kabeljauwsch gezind, wat haar den toorn van Vrouw
Jakoba op den hals haalde, die in 1426 de stad innam. In 1492 nam
de woelige poorterij mede deel aan die hollandsche Jacquerie, met
den prozaïschen maar veelzeggenden naam van het Kaas- en Broodoproer
aangeduid: deze liefhebberij kostte haar eene boete van vierhonderd
gouden Andreasguldens. Ook bij de troebelen der zestiende eeuw liet
zij zich niet onbetuigd: in den nacht van 12 op 13 Maart 1571 werd de
stad door de Watergeuzen overvallen, die hier op hunne gewone manier
huishielden, een aantal huizen plunderden en eenigen der voornaamste
burgers gevangen namen. In Juli van het volgende jaar koos Monnikendam,
op het voorbeeld van Enkhuizen en andere steden in het Noorderkwartier,
de zijde van den Prins van Oranje; de bevelhebber der geuzenvloot,
die in 1573 den slag op de Zuiderzee won, Cornelis Dirkszoon, was uit
Monnikendam geboortig. De kloeke zeeman eerde zijne vaderstad, door
aan een harer burgemeesters de helft van de breede zilveren keten van
het Gulden-Vlies te schenken, die door den koninklijken vlootvoogd,
den graaf van Bossu, was gedragen. Dit gedenkteeken wordt nog op het
stadhuis bewaard.

Op deze min of meer onstuimige jeugd volgde een tijdperk van vredigen
bloei en voorspoed, waarin ook Monnikendam met hare zustersteden,
ja met geheel het vaderland, deelde. En dan kwam ook voor haar de
treurige tijd van kwijning en achteruitgang en verval. Ge wandelt door
hare nette, stille straten, waar de verschijning van een rijtuig de
bewoners voor de deuren hunner woningen lokt of over de toegeschoven
gordijntjes voor de vensters doet kijken: en u bevangt hetzelfde
gevoel van beklemming, van weemoed, van drukkende eenzaamheid
als te Edam en elders. Ja, ook Monnikendam is eene _ville morte_,
van welke de stroom des levens geweken is. Maar toch, ondanks haar
eenzaamheid, haar verlatenheid, toch maakt zij, met haar aardige
huizen, haar geestige geveltjes, waarvan er enkelen uit de zestiende
eeuw dagteekenen, geen somberen indruk. Draagt daar ook hare ligging
aan de zee toe bij, en haar krans van dicht belommerd geboomte, en het
wijde bloeiende landschap om haar heen?--Het schoonste monument van de
stad is ongetwijfeld haar Groote-kerk, weleer den heiligen Nikolaas
gewijd, eene statige gothische kerk met drie schepen, uit de eerste
helft der vijftiende eeuw, en met een fraaien toren versierd. Helaas,
de kerk is van al haar sieraden, haar beeld- en schilderwerk beroofd:
de gruwelijke witkwast heeft de vroegere kleurenpracht van wanden,
gewelven en zuilen weggewischt; hare altaren zijn verdwenen: zij is
een geplunderd, verlaten huis, eene berooide, leeggeroofde feestzaal
gelijk; een onbegrijpelijk gebouw, zonder kenbare bestemming, zonder
beteekenis, zonder harmonie. Waarom toch geeft men deze kerken,
die voor de protestantsche eeredienst ten eenemale ongeschikt
zijn, in plaats van ze te bederven en te verknoeien, niet aan hare
oorspronkelijke bestemming terug? Hoe zouden zij er bij winnen,
en wat ergernis bleef ons gespaard.--Ook door hare afmetingen is
de kerk van Monnikendam een getuige van de vroegere beteekenis der
stad: binnen hare muren is er ruimte voor misschien het dubbel van de
tegenwoordige bevolking. Hebt ge de kerk gezien en een blik geworpen
op het gemoderniseerde stadhuis met zijn fraaien toren, dan kunt
ge gerust uwe reis vervolgen, tenzij ge u naar de haven wenscht te
begeven en een blik te werpen op de kalme wateren van de Zuiderzee,
waaruit, aan den horizon, het vlakke eiland Marken opdoemt. Maar
reeds vroeger maakten wij kennis met deze zee en dit eiland: thans
voert onze weg ons elders heen.

Het is nog altoos hetzelfde landschap: eindelooze, smaragdgroene
weiden, van talrijke vaarten en slooten doorsneden; hier en daar, te
midden van eene groep geboomte, eene boerenhoeve; overal torenspitsen
van dorpen, oprijzende uit het groen; overal ook masten en wimpels
van schepen, schijnbaar raadselachtige verschijningen te midden
van het vlakke land. Wat toon en kleur en leven aan dat landschap
geeft, dat zijn de schakeeringen en spelingen van het licht bij
dezen vochtigen, wazigen dampkring, die overal de scherpe lijnen
en omtrekken verzacht, het verschiet in doorschijnenden nevel doet
wegdoezelen, en bij elke vluchtige wolkschaduw tooverachtige tinten
en tonen te voorschijn roept. Dat altijd wisselend spel van licht en
schaduw, waarvan de oude meesters onzer schilderschool het geheim
hadden doorgrond en de bekoring gevoeld,--zij, voor wie de natuur,
ook de vaak zoo nevelachtige, sombere hollandsche natuur, toch niet
altijd in een grauwen mist was gehuld,--dit wisselend spel van licht
en schaduw in het wijde landschap houdt het oog en de belangstelling
geboeid, die anders niet veel voedsel vindt. De tocht duurt niet
lang van Monnikendam naar Broek, want derwaarts zijn wij op weg. Het
dorp Broek-in-Waterland is zoo beroemd, geniet sedert geruimen tijd
eene zoo groote en zoo wijd verspreide reputatie, dat een Hollander
zich zelven niet dan met zekere wroeging kan bekennen, dat hij dit
vlek, hetwelk in het buitenland haast voor een kort begrip van zijn
vaderland geldt of gold, nog niet heeft aanschouwd. Ik verkeerde in
dat geval; en het was dus niet zonder ontroering dat wij die klassieke
plek gronds betraden. Al dadelijk verhoogt het uwe stemming en spant
uwe verwachting, dat ge uw rijtuig aan den ingang van het dorp moet
achterlaten: naar het schijnt, kan in Broek, evenmin als in Venetië,
worden gereden. Wij wandelen dus het dorp in en doorkruisen het
in alle richtingen. Dat vordert trouwens niet veel tijd: Broek is
gebouwd rondom een vrij grooten vijver, die zeer schilderachtige
gezichtspunten oplevert, en schuilt weg in een krans van zwaar
geboomte, een bosschage, waardoor enkele wegen en paden loopen. Wilt
ge u eene voorstelling van het dorp maken, verbeeld u dan een park,
waarin een aantal op zich zelven staande huisjes, door tuintjes
omringd, zijn gebouwd. Straten, in den eigenlijken zin des woords,
zijn er bijna niet: slechts op enkele punten een begin van eene
samenhangende buurt; verder staan alle huizen tusschen het geboomte,
langs den vijver en enkele grootere en kleinere vaarten verspreid. Het
geheel maakt eenigermate den indruk van een der dorpen langs de Zaan,
maar is nog stiller, nog ouderwetscher, nog hofjesachtiger. Men zegt,
dat Broek van ouds eene geliefkoosde verblijfplaats was voor rustende
koopvaardij-kapiteins en gepensioneerde zeelieden; en als ik bedenk,
welk eene groote macht juist de tegenstellingen op het menschelijk
gemoed plegen uit te oefenen, dan kan ik dat best begrijpen. Voor
zoo'n ouden zeerob, die zijn halve leven, onder duizend avonturen, op
de groote wateren had gesleten, moest het, als hij bij het naderen van
een vroegen ouderdom, des zwervens zat, naar rust begon te verlangen,
eene schier onwederstaanbare verzoeking zijn, weg te schuilen in dit
vredige nestje, in zulk eene stille kluis, om daar, omringd door
allerlei herinneringen aan zijne vele reizen, in den kring zijner
familie, zijne laatste levensdagen te slijten, onder den lommer dier
groote boomen, wier melodisch suizen hem van het ruischen der zee deed
droomen. Want rustig en stil is het hier, boven alle beschrijving:
zoo rustig en zoo stil als het op de binnenplaatsen onzer ouderwetsche
hofjes zijn kan. Tijdens ons bezoek werd die stilte slechts voor
een oogenblik verbroken: de dorpsschool ging uit, en springende,
dartelende, stoeiende, kwam eene kleine schaar van knapen en meisjes
aangeloopen, om straks tusschen het geboomte, langs smalle paadjes
en over kleine brugjes, te verdwijnen. En dan werd het weer stil;
en ge zoudt geneigd zijn, u op het gras neder te zetten om te droomen
en te mijmeren, als buiten in het bosch.

Broek is bovenal beroemd om zijne zindelijkheid, waarvan vooral
vreemde, met name fransche toeristen de meest fantastische sprookjes
hebben verteld. Nu ja, de woningen en tuintjes zien er zeer netjes en
zindelijk uit, zoo als dat hier bijna overal het geval is; de wegen
en straten, voor zoover ze er zijn, worden, naar het schijnt, niet
bereden en zijn dus veel minder aan verontreiniging bloot gesteld;
het geheele dorp lijkt eene groote buitenplaats, en eene ouderwetsche
hollandsche buitenplaats behoort keurig in orde te zijn. Daarenboven
was Broek ook beroemd om de welvaart en den rijkdom zijner bewoners;
en, naar men zegt, wonen hier nog vele zeer gegoede familiën, wier
uiterlijke levenswijze niet zou doen vermoeden hoe aanzienlijk de
van geslacht op geslacht overgeërfde fortuin is. In vroeger eeuw
dreven de bewoners van dit dorp, als hunne buren langs de Zaan, een
zeer voordeeligen handel, vooral op de Oostzee; en ook hier werd,
als het vermogen aangroeide, ongetwijfeld wel van het goede der
aarde genoten, maar toch altijd in bescheiden mate, zonder dat de
voorvaderlijke levenswijze eenige wezenlijke verandering onderging,
vooral zonder dat schittering naar buiten of praalvertoon werd gezocht
of gewenscht. Ook hier openbaarde zich de meerdere welstand vooral in
de degelijkheid en fraaie bewerking van het huisraad, in de schatten
van kostbaar porselein en zilverwerk. Niet minder dan de Zaankanters,
waren ook de Broekenaars aan de oude gewoonten en gebruiken, aan de
oude levenswijze en zeden gehecht, en zijn daaraan zoo lang mogelijk,
tot in onze dagen, getrouw gebleven. Maar even als aan de Zaan,
doet ook hier de nieuwe tijd zijn machtigen invloed, waaraan niemand
zich onttrekken kan, gevoelen. Broek is niet meer wat het vroeger,
wat het nog voor veertig-vijftig jaren was; en zeer vermoedelijk is
de tijd niet meer verre, waarin dit zoo eigenaardige typische dorp,
waarin zekere zijde van ons oud-hollandsch burgerlijk leven u in
sprekende trekken voor oogen treedt, zal zijn afgedaald tot den rang
van een gewoon plattelandsdorp, waaraan niets bijzonders is.

Wij bezochten te Broek het huis van een handelaar in wat men lokale
antiquiteiten of curiositeiten zou kunnen noemen, en zagen daar oude
meubelen en huisraad, aardewerk van verschillende soorten en allerlei
voorwerpen van dagelijksch gebruik. Toch geeft zulk een winkel van
_bric-à-brac_ geen denkbeeld van eene echte ouderwetsche woning, zoo
als die er vroeger uitzag. Of men hier nog zulke woningen vindt, weet
ik niet; maar mijne lezers, die de internationale Tentoonstelling te
Amsterdam hebben bezocht en zich toen het genot niet hebben ontzegd
van een ritje naar het zoogenoemde Broekerhuis, zullen daarvan
ongetwijfeld de herinnering hebben overgehouden. Daar stond het in al
zijne glorie, het echte oude, achttiende-eeuwsche huis der welgedane
dorpelingen: ongetwijfeld was het een prachtexemplaar, zoo fraai
en volledig als er misschien in werkelijkheid nooit een geweest is,
maar zoo als het daar stond, was het toch naar origineele modellen
gekopieerd, en wat het bevatte was echt. Dat schilderachtige huis
met zijn tuin in den oud-franschen trant was inderdaad een museum;
en het is wel zeer jammer, dat, naar de dagbladen onlangs meldden,
het Broekerhuis--wegens gemis aan belangstelling?--is gesloten en de
zeer rijke verzameling verkocht moeten worden. Maar dat Broekerhuis
stond nabij Amsterdam; en het is altijd een bedenkelijk teeken,
als de merkwaardigheden en karakteristieke eigenaardigheden eener
plaats--stad of dorp of wat ook--niet meer op de plaats zelve, in
de natuurlijke, historische omgeving, maar elders in kabinetten en
musea, moeten worden gezocht. Dat is een veeg teeken, een teeken van
wegstervend of reeds gestorven leven.

Van Broek gaat de rit naar de buurtschap Het Schouw, en verder
langs het Noordhollandsch kanaal naar Buiksloot. Altijd hetzelfde
lage, vlakke, groene land met vaarten en slooten, met dorpstorens
in het verschiet, met enkele boomgaarden en boerderijen. In den
onmiddellijken omtrek van Buiksloot wijkt eenigermate dat rustieke
karakter: de uitgebreide kanaal- en sluiswerken en enkele fabrieken
en werkplaatsen verkondigen de nabijheid der groote stad aan de
overzijde van het IJ. Trouwens reeds lang genoeg, terwijl ge over
den kanaaldijk reedt, hebt gij haar kunnen zien, al duidelijker
en duidelijker opdoemende aan den horizon. Zooals in ons vochtig,
nevelig vaderland wel meer gebeurt, was met het dalen der zon, de
aanvankelijk heldere hemel meer en meer betrokken en was een koude,
grijze nevel opgekomen, die als een wazige sluier over Amsterdam
hing uitgebreid en het panorama ten deele verduisterde. Ik zal
niet zeggen, dat het schouwspel er minder karakteristiek of zelfs
minder schilderachtig om was. Reusachtig, onmetelijk, scheen zij,
de machtige metropolis, met haar torens en koepels en haar donkere
huizenmassa opdoemende uit den grauwachtigen mist, die haar half aan
het oog onttrok, en toch genoeg van haar zichtbaar liet om den indruk
te geven van grootheid en indrukwekkende majesteit. Terwijl zij daar,
in den herfstnamiddagnevel, waardoor nu en dan de flauwe weerschijn
van een zonnestraal speelde, voor mij lag, schoon nog op een afstand,
toch het geheele landschap beheerschende, den geheelen achtergrond
van de onmetelijke schilderij beslaande, rezen weer allerlei beelden
en herinneringen uit haar rijk verleden voor mijnen geest op. Ik zou
niet gaarne in Amsterdam wonen, maar ik kan die stad nooit bezoeken,
nooit door hare straten en langs hare grachten dwalen, zondere zekere
innerlijke ontroering, zonder dat eene sterke sympathie voor de
roemrijke stad in mij ontwaakt. Was zij niet feitelijk de metropolis,
de ziel van de republiek der Vereenigde Nederlanden? Lodewijk XV vroeg
eens aan de _maréchale_ de Luxembourg: "Kent gij de geschiedenis van
de Montmorencys?"--"Sire," was het fiere, nobele antwoord, "ik ken de
geschiedenis van Frankrijk."--Welnu, van Amsterdam zou men hetzelfde
kunnen zeggen, althans wat de geschiedenis van Nederland sinds den
dageraad van de zeventiende eeuw betreft. Nogmaals, nu wij haar al
duidelijker en duidelijker zich uit den nevel zien loswikkelen, nu
wij uit den tuin van het logement te Buiksloot--eene geliefkoosde
uitspanningsplaats van Amstels burgerij--haar vlak voor ons zien,
nu wij straks den voet zetten op haar oude kaaien, nogmaals zij haar
onze groet gebracht.



Nog eenmaal op het water! Met vluggen gang klieft de kleine boot de
breede zilvergrijze watervlakte van het IJ, waarover de stralende
herfstzon een stroom van flonkerende diamanten strooit. Lustig en
vroolijk kabbelen de licht schuimende golfjes, waarover de frissche
koelte uit het noord-oosten blaast, en zingen haar melodisch lied,
waarnaar te luisteren niet spoedig vermoeit. Oostwaarts gaat de
tocht. Is het niet, als gevoelde het IJ hier zijne volle kracht,
hier waar het zich in onbeperkte breedte ontplooit; niet meer als
voor Amsterdam, eene breede rivier, maar in waarheid een meer, een
binnenzee, met oneindige perspektieven, met den schemerenden horizon
tot grens. Langzamerhand deinst en wijkt de stad, al laat ze u niet
geheel los, en al strekt zij hare armen verre, verre naar het oosten
uit. Maar toch, niet zij is het, die in de eerste plaats onze aandacht
vergt: het is de heerlijke watervlakte, die zich voor onze blikken
eindeloos verlengt en wier zoomen steeds verder van elkander wijken. Na
eene betrekkelijk korte vaart--te kort voor onzen wensch--komen wij
aan het welvarende dorp Nieuwendam, waartoe een klein kanaal uit het
IJ toegang geeft, en waar wij even toeven. Van de hoogte van den dijk
werpen wij een blik op het bloeiende land, het onbegrensde fluweelige
grastapeet, met zijn krans van dorpen, die wij deels bezochten,
deels uit de verte aanschouwden, gelijk wij het nu weder doen.

En nu, verder oostwaarts. Wij volgen denzelfden weg, dien, toen
Amsterdam nog de eerste koopstad der wereld was, de handelsvloten
volgden, welke zij uitzond naar Oost en West, naar alle zeeën en kusten
der aarde. Het is nu stil op deze wateren, want voor Amsterdam werd
een andere weg naar den oceaan gebaand, en nog slechts de vaartuigen
die uit de Zuiderzee komen, naderen van deze zijde de groote
koopstad.--Wat teekent zich daar, in de verte, aan den schemerenden
horizon, als een streep op de golvende watervlakte? Dat is de groote
afsluitdijk, die scheiding maakt tusschen het IJ en de Zuiderzee,
de twaalfhonderd-veertig meter lange dam, die de oude "wilde see"
der kronieken tot een binnenmeer heeft gemaakt. Ik sprak u reeds
van dien dijk, die deel uitmaakt van de werken van het kanaal tot
verbinding van de Noord- met de Zuiderzee, en waarvan de aanleg in 1866
werd begonnen. Zes jaren later was de dijk met de daarin aangebrachte
grootere en kleinere sluizen voltooid. Dat stoomwerktuig, in het gebouw
boven de doorlaatbruggen, is bestemd om het kanaal op het bepaalde
peil te houden. De sluizen, waarvan de grootste eene doorvaartwijdte
van achttien meter en een schutkolk van zes-en-negentig meter heeft,
zijn kunstwerken, die mede alleszins uwe belangstelling verdienen. Maar
zeer waarschijnlijk zijt ge geen deskundige, en laten dergelijke
opgaven en mededeelingen u koel. Nu, dan is er aan den dijk ook niet
veel te zien. Met dat al is het een kolossaal, monumentaal werk.

Laat ons even toeven te Zeeburg, en daar genieten van het wijde
vergezicht over de Zuiderzee. Zeegezichten zijn voor Hollanders,
en vooral voor de bewoners onzer fraaie, liefelijke hofstad, geene
zeldzaamheid; desniettemin behouden ze altijd hunne eigenaardige
bekoring. Ook hier te Zeeburg is het uitzicht over de watervlakte,
stralend in den zonneschijn, met hier en daar een blank of bruin
zeil, hier en daar de witte rookkolom van eene stoomboot, in
waarheid schoon. Daartoe draagt mede bij, dat ge, over de breede
watervlakte heen, de lage kust volgen kunt. Nu, laat ons dan van
hier een laatsten, een afscheidsblik werpen op Waterland, waarvan de
laatste dorpen, Schellingwoude en Durgerdam, daar tegenover ons hunne
torenspitsen boven het vlakke veld opbeuren. Durgerdam is een klein
armoedig visschersdorp, maar de naam van dat dorp roept ons eene
gebeurtenis in de herinnering terug, welke voor omstreeks veertig
jaren de algemeene belangstelling wekte. Wij leven snel in onzen
tijd; de eene gebeurtenis verdringt de andere, ook op het groote
wereldtooneel; telkens nieuwe verschijningen vragen voortdurend onze
aandacht: hoe zouden wij de heugenis kunnen bewaren van hetgeen, vele
jaren geleden, een paar onbekende visscherlieden uit een dorp aan den
oever der Zuiderzee overkwam? Toch is het feit merkwaardig genoeg om
herdacht te worden. Gij wilt mij wel vergunnen, het u te verhalen; het
zal ons een blik doen slaan in het leven van die eenvoudige lieden,
dat ons, in onze eenzijdigheid, vaak zoo prozaïsch, zoo kleurloos,
zoo eentonig en onbeduidend schijnt.

Het had hard gevroren in de maand Januari van het jaar 1849; de
Zuiderzee was voor een groot deel met ijs bedekt, de vischvangst stond
stil en in de huisgezinnen der durgerdamsche visschers begon de nood
te nijpen en dreigde de honger. Het eenige wat den visscherlieden nog
te doen stond om een schamel stuk brood te verdienen, was op het ijs
te gaan om in de spleten en gaten bot te vangen, die dan aan wal werd
verkocht. Zoo begaf zich ook, in den namiddag van zaterdag, 13 Januari,
nadat hij met zijn gezin het sober maal had gebruikt, de visscher
Klaas Bording met zijne beide zonen Klaas en Jakob naar het ijs, om
zijn geluk te beproeven. Men had er op gerekend, een gedeelte van den
nacht op het ijs door te brengen en den noodigen proviand medegenomen:
een ketel koffie en twaalf sneden roggebrood. De vangst slaagde boven
verwachting; toen dan ook de andere visschers, die zich minder ver van
den wal verwijderd hadden, derwaarts terugkeerden, bleven Bording en
zijne zonen nog ijverig voortvisschen, middelerwijl den medegebrachten
voorraad opterende. Zoo ging, in dien kouden Januarinacht, voor
onze kloeke visschers de tijd ongemerkt voorbij: een ruime vangst
zou de moeite loonen en de vrees voor morgen bannen. Eenige uren na
middernacht hadden zij over de zevenhonderd stuks bot bijeen: nu was
het genoeg; de buit werd bijeen geraapt en men maakte zich gereed om
naar huis te keeren. Maar nu bemerkten zij, tot hunne ontsteltenis, dat
terwijl zij zoo ijverig aan den arbeid waren, het ijs was losgeraakt,
zoodat zij op eene schots dreven. In hun angst snelden zij naar den
kant van den vasten wal, of een kloeke sprong hen uit dezen nood redden
mocht: maar daar gaapte, na weinige schreden, voor hunne voeten een
wijde sleuf, een duistere onoverkomelijke afgrond. Het water omklotste
aan alle kanten het stuk ijs, waarop zij stonden: zij waren gevangen.

En nu begon een zwerftocht, waarvan het verhaal ongeloofelijk zou
schijnen, indien het niet boven allen twijfel verheven was. Veertien
dagen lang hebben de drie ongelukkigen op hunne ijsschots, die steeds
meer inkromp, door de Zuiderzee rondgezworven, langs de eilanden, langs
de noordhollandsche, de utrechtsche, de geldersche, de overijselsche
kust; slechts een enkele maal ontwaarden zij in de verte een botter,
die weer spoedig uit hun oog verdween. Beproef u een oogenblik
hun toestand voor te stellen. Saamgegroept op een ijsschots, die
onophoudelijk afbrokkelde en steeds in omvang slonk; met geen anderen
voorraad dan een vijftigtal rauwe visschen--de overigen hadden zij, om
het brozer wordende ijs niet meer dan volstrekt noodig was te bezwaren,
weggeworpen;--blootgesteld aan al de guurheid van het winterweder;
vier dagen achtereen door zoo dikken mist omgeven, dat het hun zelfs
niet mogelijk was te gissen, waar zij zich bevonden. Den tweeden
zondag van hun zwerftocht dreven zij zoo dicht langs Enkhuizen,
dat zij  het luiden der klokken konden hooren. Maar daar verhief
zich de noordwestenwind, en met snelle vaart dreven zij oostwaarts,
benoorden Urk om. Zoo gingen wederom vijf bange, eindelooze dagen
voorbij..... Wat wonder, dat den vader eindelijk de moed ontzonk en
hij zijn zonen voorstelde, aan de duldelooze marteling een einde te
maken en zich in de grauwe diepte te laten zakken. De knapen weigerden
en brachten ook hun vader van dit denkbeeld terug. Was het in Gods
raad bepaald dat zij sterven zouden, het moest dan zijn op zijn tijd:
het stond niet aan hen, eigenwillig dat oogenblik te kiezen. Sedert
den tweeden dag na hun zwerftocht hadden zij hun honger gestild met
rauwe bot; maar ook deze voorraad was, al had de vader in vier dagen
niets meer gegeten, op twee of drie na opgeteerd. De ijsschots was
tot een brok ter groote van eene tafel geslonken: de ontknooping
naderde met rassche schreden....

Als door een wonder werden zij gered. Weer was het zaterdag, de tweede
na den aanvang van hun zwerftocht. Daar vonden een paar knapen, op
het kerkhof van Vollenhove spelende, twee haringen, vermoedelijk aan
zeemeeuwen ontvallen. Dit was voor de visschers een wenk, dat zij hun
bedrijf konden hervatten, en aanstonds werd daartoe overgegaan. Tegen
den middag kwamen twee visschers met hunne schuiten zoo dicht bij de
ongelukkige zwervers, dat zij hun noodgeschrei konden hooren. Nu werd
aanstonds besloten, al het mogelijke tot redding te beproeven. Dit
gelukte, doch niet dan met groote krachtsinspanning en dreigend
levensgevaar. Eindelijk kon men hen met eene roeiboot bereiken:
nauwelijks was de laatste der drie zwervelingen in de roeiboot
opgenomen, of de ijsschots viel voor hunne oogen uiteen. Des avonds ten
half zeven kwamen zij behouden aan wal. Zij waren gered: maar de oudste
zoon en kort daarna ook de vader bezweken ten gevolge van wat zij op
dien vreeselijken tocht van veertien dagen en nachten, naar lichaam
en ziel hadden geleden. Alleen de jongste zoon bracht er het leven af.

En nu, wij hebben onze reize volbracht. Wij bezochten te zamen een
bijna vergeten uithoek van ons vaderland; ik hoop bij mijne lezers
de overtuiging te hebben gewekt, dat het ook daar niet ontbreekt aan
wat hunne belangstelling, hunne liefde verdient.





*** End of this LibraryBlog Digital Book "De Zaan en Waterland: Een kijkje in Noord Holland - De Aarde en haar Volken, 1887" ***

Copyright 2023 LibraryBlog. All rights reserved.



Home