Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Reis naar Merw - De Aarde en haar Volken, 1887
Author: Anonymous
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Reis naar Merw - De Aarde en haar Volken, 1887" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



REIS NAAR MERW.



I


_Tiflis_, 19 Augustus 1886.--Op den middag van den derden Augustus over
de boulevards te Parijs wandelende, de hitte ondragelijk te vinden, en
om die te ontvlieden een kaartje te nemen voor den exprestrein, welke
dien eigen avond naar de Levant vertrekt; dan, als in een droom, dwars
door Duitschland heen te vliegen, in ijlende vaart den geelachtigen
Donau af te zakken, de stormen van de ongastvrije Zwarte-zee te
trotseeren; onder de geduchte batterijen van Batoem aan wal te
stappen; van verre de besneeuwde toppen van den Kaukasus te groeten,
en eindelijk halt te houden te Tiflis, waar het nog veel heeter is dan
te Parijs:--dit is een zoo gewoon incident in het gejaagde leven van
onzen tegenwoordigen tijd, dat niemand daar iets vreemds in zal vinden.

Maar, in plaats van, naar het voorbeeld der Russen, het einde
van de brandende hitte af te wachten in een dier verrukkelijke
zomerverblijven, als Börsjom of Kadsjor, dan vrijwillig nog verder
zuidwaarts te gaan, waar bijna in letterlijken zin vuur van den hemel
valt:--dat is minder gewoon en ook minder verstandig. Voor de derde
of vierde maal reeds neem ik mij vast voor, zoo iets niet weer te doen.

_Bakoe_, 2 September.--De _otkrytiji-list_, de pas waarbij mij het
reizen in de transkaspische provinciën wordt vergund, is zoo juist
van Sint-Petersburg aangekomen. Dat mij die vergunning, welke niet
aan alle vreemdelingen wordt toegestaan, is verleend, heb ik te danken
aan de welwillende tusschenkomst en de veel vermogende voorspraak van
den gouverneur-generaal van den Kaukasus, prins Dondoukow-Korsakow,
en van zijn kabinetschef, den generaal-majoor Schepelew. Nu, een
vriend van Rusland als ik ben zal daar geen misbruik van maken:
ik durf den gouverneur van Bakoe, die mij het stuk ter hand stelt,
daarvan gerust de verzekering geven.

Het is middag en de boot zal ten één uur vertrekken. Op de kaai en
op het dek van de _Grootvorst Constantijn_ wemelt het van inlanders,
waaronder vooral de Perzen en Armeniërs, met hunne lange, ver van
zindelijke jassen, hun steenroode baarden en hunne reusachtige
zwarte mutsen van schapenwol, de aandacht trekken. Zouden wij nog
den tijd hebben, ons valies te pakken, in der haast een ontbijt
te gebruiken, en toch tijdig aan boord te zijn? Dat is gansch
niet onverschillig, want de boot vaart maar tweemaal per week,
even als er op den transkaukasischen spoorweg, in elke richting,
maar één personentrein per dag rijdt. Zeer waarschijnlijk zal dit
binnen kort anders worden: het zwaartepunt van het russische rijk
zal zich wel, door den loop der gebeurtenissen, naar het Oosten
moeten verplaatsen. Maar in het tegenwoordig tijdperk van overgang
moet men zich wat behelpen. Intusschen, een verlies van drie dagen
is niet meer in te halen: wij moeten ons dus haasten. Gelukkig zijn
de russische stoombootmaatschappijen even beleefd en voorkomend als
de regeering: eerst als de laatste passagier aan boord is, wordt de
bel tot vertrekken geluid. Tien minuten later zijt gij in het ruime
sop en ontplooit zich voor uwe oogen het panorama van Bakoe.

Verbeeld u eene ruime golf, omringd door geelachtige, rotsige,
kale heuvelen zonder een spoor van groen. Aan uwe linker hand,
naar het westen, verrijzen amphitheatersgewijze de grauwe huizen
van Bakoe, over eene uitgestrektheid van vijftienhonderd el; boven
de tegenwoordige stad ziet ge verschillende begraafplaatsen; vlak
tegenover u schijnt in de verte een vreeselijke brand te woeden:
dat is de zoogenoemde zwarte stad, waar de petroleumfabrieken zwarte
stinkende rookwolken naar den blauwen hemel omhoog zenden; eindelijk,
aan uwe rechter hand, strekken zich de vlakke, kale, onbebouwde oevers
uit van het schiereiland Apsjeron, waar het onderaardsche vuur tal van
gas- en slijkvulkanen in werking houdt. Bakoe, Baïlow, villa Petrolia,
zijn misschien heerlijke verblijven voor industrieelen en kooplui, maar
de beminnaars der schoone natuur doen beter, er niet heen te gaan. Deze
woeste onherbergzame kusten rijzen en dalen beurtelings door de werking
van onderaardsche krachten, waarvan men zich eigenlijk geen rekenschap
kan geven; het eilandje Nagin, waar ge langs vaart, heeft zich van
den vasten wal afgescheurd en dreigt in de golven te verzinken. De
Kaspische-zee zelve is mede onderhevig aan die vertikale golvingen
en bewegingen, die deze gansche onmetelijke landstreek hebben ten
onderste boven gekeerd, zeeën in land herschapen en ontoegankelijke,
eeuwig onvruchtbare woestijnen en steppen gevormd. Wij zullen een
dezer steppen gaan bezoeken; de weg, dien onze stoomboot, dwars
door de golven der Kaspische-zee, van Bakoe naar Krasnowodsk, volgt,
werd in een tijd, die betrekkelijk nog niet zoo zeer lang achter ons
ligt, door voetgangers betreden. Op zekeren dag is die heerbaan in
de diepte verzonken; nog tegenwoordig vormt zij een soort van dam of
rug tusschen de twee diepe kommen, ten noorden en ten zuiden, in het
bekken der Kaspische-zee. Het peil dezer zee is sedert eenige eeuwen
aanmerkelijk gedaald: het ligt nu omstreeks dertig meter beneden het
peil van de Zwarte-zee.

Overal langs den weg aanschouwt ge nog de sporen van de laatste
geologische omwenteling, welke deze streek heeft ondergaan: dat zijn
de vlakke eilanden en platen, eigenlijk de toppen van onderzeesche
bergen, waar petroleumgassen opstijgen uit de spleten der rotsen.

Maar de boot stoort zich aan deze vreemde verschijnselen niet en
vervolgt rustig haar vaart van acht tot tien knoopen in het uur. De
stoombooten die de Kaspische-zee bevaren, kunnen, noch wat de dienst,
noch wat de inrichting betreft, de vergelijking doorstaan met die
van de Zwarte-zee: en dat is ook niet te vergen. Zij zijn ook minder
comfortabel: Armeniërs, Perzen, Joden, mannen, vrouwen, kinderen, al
te gader armoedige, havelooze reizigers van de derde en vierde klasse,
zitten en liggen door elkander op het dek, maken er hun nachtleger
gereed, en wikkelen zich in veelkleurige tapijten, welke later voor
hooge prijzen in Europa worden verkocht. Op het achterdek alleen
zijt ge veilig voor deze onaangename gasten; maar wanneer ge tegen
zes uren, bij schemerdonker, naar den salon afdaalt om uwe plaats
aan tafel in te nemen, moet ge goed opletten waar ge den voet zet
en vooral zorgen niet te struikelen over een of ander stuk tapijt,
want in die tapijten zijn lange dolken verborgen, die soms onverwacht
uit de schede te voorschijn schieten.

De eetzaal is ordentelijk en de tafel is voldoende, maar eenvoudig. Zoo
ge evenwel geen russisch verstaat, dient ge tot het volapük de
toevlucht te nemen. Nu is het volapük niet erg moeilijk, maar het heeft
dit tegen, dat het in spijt van zijn naam en bestemming, zeer weinig
bekend is en u dus verlegen laat, waar het juist te pas zou komen. In
Europisch Rusland, althans in de groote steden, is onbekendheid met de
taal niet zoo hinderlijk, want daar kunt ge bijna overal met fransch
of duitsch terecht. De Russen, het is bekend, hebben bij uitnemendheid
de gave der talen. De gezagvoerder der boot, waarmede wij van Odessa
naar Batoem voeren, sprak zoo zuiver en vloeiend fransch, engelsch
en duitsch, dat de Franschen, Engelschen en Duitschers aan boord hem
beurtelings voor een geboren landgenoot hielden. De gezagvoerder van
de _Grootvorst Constantijn_, de equipage en de passagiers zijn niet
zulke uitmuntende polyglotten, en het is ons onmogelijk, iets van
hun levendig gesprek te begrijpen. Het is toch maar beter, als men
in Rusland reizen wil, ook de taal te verstaan.

Gelukkig duurt de overtocht niet lang, ten hoogste twintig uren. De
afstand bedraagt niet meer dan ongeveer driehonderd-vijftig kilometers;
maar ge hebt alle kans, braaf door elkaar geschud te worden op
dit groote binnenmeer, waar de korte en onregelmatige golfslag het
schip tegelijk doet slingeren en stampen. Naar de verklaring der
russische zeelieden is de Kaspische-zee lastiger en gevaarlijker dan
de Zwarte. Den dag voor ons vertrek woedde te Bakoe een storm uit
het noordoosten; de koude wind, die rechtstreeks uit Siberië kwam,
joeg op de heuvelen dichte wolken van zand omhoog, die den hemel
verduisterden en alle uitzicht belemmerden. Ware het niet zoo koud
geweest, men zou zich hebben kunnen verbeelden, in de Sahara te zijn
bij het woeden van den samoen. Maar in dezen tijd des jaars duurt dit
ruwe weder op de Kaspische-zee niet lang; bovendien is het een bekend
feit, dat hoe kleiner het bekken eener zee is, des te korter ook de
beweging der golven duurt. Des morgens na den storm was de zee al
weer bedaard; de golfslag was matig en er ging een stille stroom van
het noorden naar het zuiden, nog altijd in de richting van den wind
van den vorigen dag. Evenwel, deze beweging was toch nog voldoende om
een aantal magen aan boord van de _Grootvorst Constantijn_ van streek
te brengen. Men vergeet spoedig deze ellende, maar op het oogenblik
zelf is zij zoo onaangenaam, dat de Russen er reeds op bedacht zijn,
om door het aanleggen van een spoorweg langs de zuidelijke oevers van
de stormachtige Kaspische-zee, aan zwakke gemoederen den overtocht
te besparen.

3 September.--Reeds bij het krieken van den dag bespeurt men
voor den boeg de landpunt van Krasnowodsk. Onwillekeurig grijpt u
zekere ontroering aan, nu ge zoo straks den voet zult drukken op den
bodem van het oude en geheimzinnige Azië, het wonderland der mythen,
traditiën en sagen, het land der oorsprongen, de bakermat der stammen,
die in verschillende tijdperken Europa hebben overstroomd. Kaukasië
en Armenië maken niet dienzelfden onbeschrijfelijken indruk. Wel
behooren zij, geografisch, tot het aziatische vasteland, maar zij
liggen dichter bij ons, hunne geschiedenis is ons vrij wel bekend,
en sedert vele eeuwen stonden zij in veelvuldige aanraking met het
Westen; maar hier, aan den oostelijken oever van de Kaspische-zee,
betreden wij inderdaad het echte Azië, dat in vollen nadruk eene
andere, vreemde wereld is. Het is de huivering voor het onbekende,
het ondoorgrondelijke, die u aangrijpt.

Uit de verte gezien, vertoont de kust zich als een vlakke, licht
gele streep, die scheiding maakt tusschen het azuur des hemels en het
donkerblauw der zee. De boot nadert, en zoo ver de blik reikt, ziet men
niets dan zandduinen. Deze kale, naakte zandvlakte was, voor acht jaar,
het punt van uitgang voor de russische generaals, toen zij een werk
ondernamen, dat voor onmogelijk gold en dat toch door den beroemden
Skobeleff werd volvoerd: de verovering der woestijn van Turkmenië.

Maar de boot, die uit hoofde van de ondiepte haar vaart heeft
vertraagd, laat Krasnowodsk links liggen. Te Tiflis verkeert men nog
in de meening, dat de boot Krasnowodsk aandoet, en dat de reizigers
en goederen daar overgaan op eene andere boot van minder diepgang,
om daarmede de volgende aanlegplaats te bereiken, Mikhaïlowsk,
het aanvangspunt van den beroemden transkaspischen spoorweg. Dit is
echter niet het geval. Krasnowodsk, hoofdplaats van een district,
met eene bevolking van driehonderd zielen, en zetel van een kolonel,
die met het opperbevel is bekleed; Mikhaïlowsk, een zeer belangrijk
station van de spoorlijn:--ze zijn sedert zeer onlangs verlaten
voor eene nieuwe haven, die uit een economisch oogpunt de voorkeur
verdient en aan alle eischen voldoet. Deze haven heet Oezoen-Ada;
de noodige werken werden in drie maanden voltooid. De overtocht van
de Kaspische-zee, die tot nu toe ongeveer twee dagen vorderde, wordt
daardoor aanmerkelijk verkort.

Terwijl de _Grootvorst Constantijn_ langzaam haar weg vervolgt,
na de passagiers van Krasnowodsk te hebben opgenomen, die met een
klein stoombootje werden aangevoerd, trekt het onze aandacht, dat
het schip met de grootste behoedzaamheid zich een weg baant midden
door een doolhof van eilandjes en zandplaten, slechts door een smal
kanaal van den vasten wal gescheiden. De kapitein staat op de brug,
en een loodsboot wijst het schip den weg. Na verloop van drie uren,
bij eene kromming van het kanaal, ziet ge eensklaps eene reede
voor u, eene met schepen gevulde haven, eene kleine drukke stad,
een spoorwegstation met blazende en snuivende locomotieven: dat
is Oezoen-Ada. De zeearm of geul, die u herwaarts heeft gebracht,
strekt zich nog omstreeks veertig kilometers verder uit, maar wordt
steeds bochtiger, smaller en ondieper, om te Mikhaïlowsk te eindigen,
waar de diepte niet meer dan tusschen de zeven en acht voet bedraagt.

De boot ligt stil bij een fraaien aanlegsteiger, waarop verschillende
spoorlijnen uitloopen, en waartegen reeds een groot stoomschip met
troepen ligt vastgemeerd. Op het dek der boot en langs de kaai wemelt
het van groene uniformen en witte petten. Daar wordt op een trompet
geblazen, en allen spoeden zich naar boord. Eene laatste omhelzing,
en de trossen van het stoomschip worden losgegooid. Die dappere
en geharde strijders komen van de grenzen van Afghanistan; na een
campagne van twee jaren, hebben zij het waarlijk wel verdiend, naar
het heilige Rusland terug te mogen keeren. Uit volle borst heffen zij
juichkreten aan, nu de zandige aziatische kust langzaam wijkt en de
boot koers zet naar de groene oevers van Astrakhan.

Intusschen zijn verschillende officieren aan boord van de _Grootvorst
Constantijn_ verschenen. De telegraaf heeft reeds vooruit de komst
van twee vreemde toeristen gemeld: zij zijn gekomen om ons te
ontvangen. De stationschef--een luitenant die fransch spreekt--is
mede in persoon verschenen; hij leest de _otkrytiji-list_, door
prins Dondoukow-Korsakow geteekend, wiens gezag zich ook over het
transkaspische gebied uitstrekt, en stelt zich aanstonds met de meeste
voorkomendheid tot onze beschikking. Wij nemen plaats in den wagen,
en stoomen in een paar minuten naar het station.--Daar moeten wij drie
uren wachten. Dit oponthoud is niet aangenaam, maar zeer verklaarbaar:
de trein wacht namelijk op de boot, en men heeft dus den tijd wat ruim
moeten nemen met het oog op mogelijk oponthoud. Dit is nog inderdaad
het beste middel om de geregelde gemeenschap te verzekeren. Het
is toch verkieslijker, als de boot op tijd aankomt, een paar uren
aan het station te moeten wachten, dan zich hier drie dagen lang
te moeten vervelen, om op de volgende boot te wachten. Bovendien is
alles hier zoo nieuw en zoo vreemd, dat het wel een kijkje waard is,
waartoe wij nu ruimschoots gelegenheid hebben.

Oezoen-Ada beteekent letterlijk Lang-Eiland. Inderdaad bevinden wij
ons op een dier talrijke kleine eilanden, welke ten zuiden van de
baai van Krasnowodsk de aziatische kust omgorden. Nog in de maand Juni
dezes jaars was dit eilandje even woest en verlaten als alle andere,
en was er niets anders te zien dan zand en nog eens zand. Over die
gele zandvlakten en duinen welft zich een blauwe hemel, waaraan
de bijna tropische zon schittert met verblindenden glans. In het
donkerblauwe water der kleine baai steken ruime aanlegsteigers uit,
waaraan een dozijn groote en kleine schepen liggen vastgemeerd; langs
den oever groote houten barakken, waarin eenige honderden werklieden,
Russen en inlanders, zijn gehuisvest; een twintigtal huizen, mede van
hout, maar sierlijk en net, bewoond door de ambtenaren en beambten van
den spoorweg en van de stoombootmaatschappijen; een hôtel-restaurant
voor de reizigers; een stationsgebouw, een wachtlokaal en nog een
paar andere gebouwen voor de dienst der posterij en der telegrafie:
alles van hout en geheel afgewerkt, in genummerde planken en stukken,
uit Rusland aangevoerd en hier in elkaar gezet:--ziedaar de schepping,
door den krachtigen wil van een man, binnen weinige weken, in eene
waterlooze woestijn tot stand gebracht. Wat bovenal de verbazing wekt,
is nog niet zoo zeer de arbeid op zich zelf, maar de onbegrijpelijke
snelheid, waarmede het werk werd voltooid. Deze geheele kolonie is als
het ware door den slag eener tooverroede uit den grond verrezen. Als ik
denk, wat er bij ons moet gebeuren eer een spijker kan geslagen worden,
hoeveel vellen papier daarover moeten worden volgeschreven, hoeveel
adviezen en rapporten ingewonnen, hoeveel autoriteiten geraadpleegd,
hoeveel tijd met beraadslagen en rapporteeren en adviseeren vermorst
wordt, dan bekruipt mij een gevoel van walging voor dit onzinnig
stelsel van administratie, dat overal het wezen aan den ijdelsten
en leegsten aller vormen opoffert. Maar--het is zoo--Rusland geniet
niet het voorrecht een praatziek parlement te bezitten, dat veelal,
trouw aan zijne roeping, zich beijvert de zaken op te houden of in
de war te sturen. In dit autokratisch geregeerde land heeft een man,
die het vertrouwen van zijn souverein geniet, zijn _sic volo, sic
iubeo_ uitgesproken; hij bepaalde een termijn binnen welken de werken
gereed moesten zijn, en de werken waren gereed: de haven is klaar, de
spoorwegdienst is in werking, de gemeenschap tusschen Europa en Azië
is tot stand gebracht. De man, die dit groote werk heeft volbracht, is
de generaal Annenkof. Mij zijn landen bekend, waar wetenschappelijke
commissiën nog altijd bezig zouden zijn met het onderzoeken der
voorloopige ontwerpen, om dan, na verloop van ettelijke maanden,
te adviseeren tot een nader onderzoek. Zeker heiligt het doel de
middelen niet: maar dat een regeeringsstelsel in de eerste plaats
naar de uitkomsten moet worden beoordeeld, dat is even zeker.

Terwijl de trein zich tot vertrek gereed maakt, is het wel de moeite
waard iets in het midden te brengen over den oorsprong en het doel van
dien beroemden transkaspischen spoorweg, waaraan eerst niemand geloof
wilde slaan en waarvan de voltooiing in meer dan eene europeesche
hoofdstad een diepen indruk heeft gemaakt; want het ware kinderachtig
te loochenen, dat daardoor de wederzijdsche verhouding tusschen Rusland
en Engeland in Centraal-Azië eene geheele verandering heeft ondergaan.

Zoo als ik zeide, wilde niemand aan de mogelijkheid van dien spoorweg
gelooven; zelfs hooggeplaatste Russen, met wie ik vóór mijn vertrek
uit Kaukasië in aanraking kwam, spraken er niet dan met zekere
terughouding over. Na mijn terugkomst te Tiflis moest ik soms al
mijne welsprekendheid aanwenden om de lieden te overtuigen, dat die
spoorweg niet enkel in de verbeelding of op het papier bestond. Te
Merw, waar wij weldra zullen aankomen, had ik de eer voorgesteld te
worden aan een generaal-adjudant van den Keizer, aan wien door Zijne
Majesteit een persoonlijk onderzoek naar de juistheid der ontvangen
berichten was opgedragen. Waar de Russen zelven tot op het laatste
oogenblik twijfelden aan het welslagen der avontuurlijke onderneming
van generaal Annenkof, is het waarlijk geen wonder dat vreemden
ongeloovig spottend de schouders ophaalden, en dat de tijding van
de inwijding van het station te Merw, in de ongenaakbaar geachte
turkmeensche oasis, in Europa vrij wel dezelfde uitwerking had als
een donderslag bij helderen hemel.

De aanleg van een spoorweg in eene schier onmetelijke woestijn,
ten deele met vlugzand bedekt, kan alleen gevorderd en gewettigd
worden door overwegingen van militairen aard, in het belang van de
veiligheid der grenzen, die dubbele zorg vereischt waar beschaafde
rijken in aanraking komen met half barbaarsche staten en stammen.

De turkmeensche woestijn, ten zuiden begrensd door de hoogvlakte van
Iran, ten noorden door de Amoe-Darja, ten westen door de Kaspische-zee,
raakt ten oosten aan de altijd onzekere grenzen van Afghanistan, en
ligt juist op den weg die van Sint-Petersburg naar Calcutta loopt. Tien
maanden geleden, scheidde deze woestijn den russischen kolossus van
het voormalige rijk van den Groot-Mogol: tegenwoordig vormt zij de
verbinding tusschen die beiden. De meer dan duizend kilometers breede
slagboom, dien de natuur tusschen Europa en Hindostan had opgeworpen
en die in waarheid onoverkomelijk kon worden geacht, is feitelijk
opgeruimd. De stoom alleen kon dit wonder mogelijk maken.

De eerste werken voor den transkaspischen spoorweg dagteekenen uit het
jaar 1880. In dien tijd had het russische leger eene nederlaag geleden
onder de muren van Ghéok-Tépé, eene bijkans onneembare vesting, die de
conducteur van den trein ons morgen zal aankondigen met de bijvoeging:
"Tien minuten oponthoud! Buffet!"--De generaal Lazaref en na hem
generaal Lomakin hadden vergeefs beproefd, de woeste Turkmenen van de
oase Akhal-Tekké tot onderwerping te dwingen en hen te noodzaken hunne
rooverijen en strooptochten te staken. Deze stoutmoedige, ongetemde
bandieten, die sedert vele jaren de plaag en schrik waren van hunne
buren, vooral van de vreedzame Perzen, dreven de onbeschaamdheid
zoo ver, dat zij zelfs op de Kaspische-zee stroopten. Deze zee nu
is in den vollen zin des woords een russisch meer; Rusland oefent
ook langs de aan Perzië behoorende kuststreek de politie uit, en
krachtens de traktaten mag geene perzische of eenige andere vreemde
maatschappij gewapende booten uitrusten;--de britsche vlag heeft dan
ook op deze binnenzee nog niet gewaaid. De Tsaar was dus volkomen in
zijn recht, toen hij besloot aan de rooverijen der Turkmenen een einde
te maken; met geen ander doel werd de expeditie ondernomen, waarvan
achtereenvolgens aan de generaals Lazaref en Lomakin de leiding werd
opgedragen. Ten gevolge van gebrek aan water, aan transportmiddelen en
mondbehoeften, mislukte die expeditie en moesten de russische troepen
met groot verlies terug trekken. Ghéok-Tépé, waarop het gemunt was,
ligt toch slechts op ongeveer vierhonderd kilometers afstands van den
oostelijken oever der Kaspische-zee. Deze nederlaag moest gewroken
worden, en zij werd het op de schitterendste wijze. De generaal
Skobeleff, wien deze taak werd toevertrouwd, ontwierp het plan van
een strategischen spoorweg, waarvan de uitvoering werd opgedragen
aan generaal Annenkof.

In het jaar 1880 werd dus de eerste sectie aangelegd van den
transkaspischen spoorweg, welke sectie van de haven van Mikhaïlowsk tot
het dorp Kizil-Arwat, aan den ingang der oasis Akhal-Tekké loopt, en
eene lengte heeft van omstreeks tweehonderd-vijf-en-twintig kilometers.

Ik wil niet vooruitloopen op de reis die wij te zamen gaan ondernemen;
maar om u eenig denkbeeld te geven van de moeilijkheden, die toen
moesten overwonnen worden, deel ik nu reeds mede, dat er over eene
uitgestrektheid van honderd-zestig kilometers geen water te vinden was:
de putten of sprengen, die men later gegraven en opgedolven heeft,
leverden slechts eene onbeteekenende hoeveelheid brak water. Men
moest dus zijne toevlucht nemen tot het destilleeren van zeewater,
zoowel om in de behoeften der manschappen te voorzien als om de ketels
der machines te vullen.

Deze ongehoorde inspanning werd met den besten uitslag bekroond. Weldra
zullen wij de puinhoopen aanschouwen van de geduchte vesting, die
de macht van het russische rijk scheen te trotseeren, maar wier
veertigduizend verdedigers haar niet van den ondergang redden konden.

Dit was de oorsprong van den transkaspischen spoorweg. Twee jaren
na den val van Ghéok-Tépé, bood Merw, meer of minder vrijwillig,
zijne onderwerping aan en werd bij het rijk der Tsaren ingelijfd. Dit
geschiedde in 1883. Wederom twee jaren later werd de spoorweg van
Kizil-Arwat doorgetrokken in de richting van Askhabad, Merw, Bokhara
en Samarkand.

Daar wordt voor de tweede maal geluid. In een russisch station is het
eerste gelui eene waarschuwing om zich gereed te maken. Het is nu tijd,
in den wagen te gaan; het derde gelui volgt spoedig; de stationschef
geeft een sein met de fluit; de machinist antwoordt dat hij gereed is;
de stationschef fluit op nieuw, en de trein zet zich in beweging.



II


Wij zijn dus nu op weg naar Merw. Tien jaren geleden, zou de tocht
door de woestijn, dien wij thans, zonder ons te overhaasten, in
veertig uren volbrengen, minstens veertien dagen gevorderd hebben en
bovendien ernstige gevaren opgeleverd. Welk gevaar dreigt ons in den
trein? Zullen wij misschien slecht slapen of honger moeten lijden? Geen
nood; een kaartje voor de tweede klasse geeft u het recht op eene
slaapplaats en tevens tot het betreden van een waggon-restaurant;
waterclosets en waschtafels zijn tot beschikking van het publiek. Wel
heerscht hier niet dezelfde weelde als op de groote russische lijnen,
maar toch vindt de toerist hier meer comfort dan in menig ander land.

Intusschen zijn de huisjes van Oezoen-Ada verdwenen achter de
zandduinen, waardoor de spoorweg loopt. Zou de trein geen kans hebben,
op zekeren dag bedolven te worden in de dalen en holle wegen, waarvan
de taluds eene hoogte van vijf tot tien meter hebben en die door een
storm in weinige minuten met zand zouden worden gevuld? Dezelfde
opmerking werd gemaakt aan de ontwerpers van het Suezkanaal; de
ondervinding heeft tot dusver die vrees beschaamd. Men mag hier
hetzelfde verwachten; bovendien heeft generaal Annenkof de noodige
voorzorgsmaatregelen genomen. Ge ziet daar boven, op den top der
zandheuvels, dat lage rasterwerk, evenwijdig met de spoorbaan
loopende? De richting der spoorbaan is hier van het westen naar
het oosten; de heerschende winden waaien uit het noorden en het
noordoosten; het daardoor opgejaagde zand hoopt zich tegen en tusschen
het rasterwerk op en gaat niet verder. In noordelijk Rusland gebruikt
men hetzelfde middel om de sneeuw af te weren.

De kleine locomotief, die de vijf-en-twintig wagens voorttrekt,
doorsnijdt in enkele minuten het eiland Oezoen-Ada, en bereikt den
zeearm, die dat eilandje van den vasten wal scheidt en die ruim
twaalfhonderd meters breed is. Een met rijswerk en steenbestorting
voorziene dam hecht het eiland aan den vasten wal en dient tot
baan voor den spoorweg, die aanvankelijk langs het strand blijft
loopen en het zandige plateau beklimt, dat zich vijftig kilometers
landwaarts uitstrekt. Uitgravingen en dammen van vier tot vijf meter
hoogte wisselen onophoudelijk af. Met eene dunne laag klei bedekt,
die telkens met zout water wordt begoten, zijn die zanddammen
volkomen bestand tegen de hevigste stormen. De zee verdwijnt aan
onze linker hand: een oogenblik later zien wij haar weer ter rechter
zijde. Eindelijk neemt zij voor goed afscheid. Wij bevinden ons nu in
eene zandwoestijn, eene Sahara in miniatuur. Overal verrijzen kleine
heuvels van vijftien tot dertig en veertig el hoogte, bedekt met
eene schrale armoedige vegetatie, geel door het stuivende zand. De
catalogus der flora van dit rampzalige land is spoedig opgemaakt:
hij bevat maar een enkele struik, die laag bij den grond groeit, maar
waarvan de wortels zeer diep doordringen. Deze struik is bekend onder
den naam van _saxaoul_; aan haar is het te danken dat de duinen langs
de Kaspische-zee zijn vastgelegd, dat wil zeggen door den wind niet
meer worden verplaatst. Deze plant is dus van zeer groot nut, en het
ware onverantwoordelijk, haar als brandhout te gebruiken. Ongelukkig
heeft men het middel tot voortplanting nog niet kunnen ontdekken.

Wij naderen het station Mikhaïlowsk, op vijf-en-twintig wersten
afstands van de nieuwe haven Oezoen-Ada. Juist een uur en zes minuten
na ons vertrek van laatstgenoemde plaats komen wij te Mikhaïlowsk. Deze
sectie is eerst sedert weinige dagen voltooid; er wordt nog hier
en daar gewerkt; de weg heeft zijne zetting nog niet gekregen, en
de trein moet langzaam rijden. Er is hier een ruim station, eene
ruime bergplaats voor locomotieven, en eene groote destilleerderij,
die dagelijks vijfhonderd kubiek meters zoet water kan leveren. Hier
zette Skobeleff voet aan wal. Het landschap is niet minder woest dan
te Oezoen-Ada; zelfs zijn de duinen nog hooger; daarbij is de haven
ledig. Slechts enkele kleine vaartuigen wiegelen droomend op het water.

De trein zet zich weer in beweging en rijdt nog steeds door eene
zandwoestijn. Wij stijgen voortdurend, maar met zachte glooiing,
midden door de duinen, die al lager en lager worden. Zij strekken zich
nog eenige kilometers uit voorbij het volgende station Molla-Karry,
en zijn geheel begroeid met saxaouls, die men in de verte voor kleine
boomen zou kunnen houden: te oordeelen naar hun buitengewoon langzamen
groei moeten zij minstens honderd jaar oud zijn. De avond nadert,
en de toppen van den Grooten-Balkan, die de golf van Krasnowodsk ten
noorden omzoomen, schitteren in wondere kleurenpracht, beschenen door
de ondergaande zon. De zandwoestijn reikt tot aan hun voet. Op eenige
kilometers afstands van Molla-Karry verrijst de hoogste top van deze
berggroep, die eene hoogte bereikt van ruim duizend meter. Terwijl de
trein hier een kwartier stil houdt, neem ik even een kijkje van een
kleinen vijver met roodachtig zout water gevuld, waarop een mensch,
ook tegen zijn wil, blijft drijven.

Toch bevinden wij ons hier op zestig meters boven het peil van de
Kaspische-zee. Maar wie weet, wat er onder den grond schuilt. Eene
boring ter diepte van honderd meters, ten behoeve van een artesischen
put, levert niets op dan brak water. Wat drinken de bewoners dan
wel?--Links van het station zien wij een turkmeensch kamp, bestaande
uit twintig tot dertig ronde tenten van donker vilt. Dat zijn de eerste
bewoners, die wij sedert ons vertrek van de kust hebben ontmoet: in
de zand woestijn kan niemand leven. En ook deze lieden zijn nomaden;
twee- of driemaal in het jaar breken zij hun kamp op, met hunne
gezinnen, hunne honden en hunne kudden van schapen en kameelen. Zij
verwijderen zich evenwel niet ver van de Kaspische-zee; zij gaan tot
aan de perzische grenzen in de richting van Astrabad, maar staan
in hoegenaamd geene betrekking met de Turkmenen, die de oasis van
Akhal-Tekké bewonen. Hun aantal is niet met juistheid op te geven:
men schat het op omstreeks vijftigduizend. De Russen bemoeien zich
weinig met deze nomaden en laten hen naar welgevallen rondzwerven.

De bel klinkt voor de derde maal en wij vertrekken. Eenige minuten
later verdwijnt het zand om plaats te maken voor alluvium. Geen
duinen meer, niet de minste verheffing van terrein: eene kale,
eentonige vlakte strekt zich voor ons uit, zoo ver de blik reiken
kan, doodsch en ledig, slechts hier en daar geschakeerd door witte
plekken van zeezout. Dat is de woestijn van Karakoem. Ter linker
hand verrijzen de bergen van den Grooten-Balkan, die weldra als
in den grond verzinken; rechts verheft zich, als een eiland te
midden van deze waterlooze zee, een nog lager bergketen, die van den
Kleinen-Balkan. Deze twee bergketenen omsluiten een soort van dal,
waarin de noordoosten wind met ongewone hevigheid kan woeden. Tot
dusver zijn er op den transkaspischen spoorweg nog geen ongelukken
gebeurd, waarbij menschenlevens te betreuren vielen; maar het is wel
voorgekomen dat treinen door dien geweldigen wind werden tegen gehouden
of wel pijlsnel van het eene station naar het andere voortgejaagd. De
generaal Annenkof laat te Mikhaïlowsk een meteorologisch observatorium
inrichten, waar men de gelegenheid zal hebben de snelheid en de kracht
van deze verschrikkelijke orkanen te meten.

Op dit oogenblik verfrischt geen enkel zuchtje de heete lucht, en
toch stopt de trein eensklaps. Wat is er gaande? Soldaten stappen uit
en begeven zich naar voren. Worden wij door turkmeensche bandieten
aangevallen? Och neen: er loopen eenvoudig eenige kameelen op een rij
achter elkander over de baan. Bij de nadering van den trein zetten
zij het wel op een draf, maar zonder van de rails af te gaan. Naar
het schijnt, zijn deze dieren buitengewoon dom, en hunne inlandsche
geleiders zijn het niet veel minder: men kan hun maar niet aan het
verstand brengen dat de spoorweg geen heerbaan voor karavanen is. De
soldaten keeren terug na de kameelen verdreven te hebben, en de trein
zet zich weer in beweging. Maar ondanks alle voorzorgsmaatregelen mogen
wij Merw niet bereiken, zonder een kameel verpletterd te hebben. Het
is donker geworden: een vrij hevige schok doortrilt al de wagens:
de locomotief heeft twee dromedarissen ter aarde geworpen en de
trein rolt voort over de vermorzelde lijken. De onthutste eigenaar
heft jammerend de handen ten hemel: het is te laat! Hij krijgt
geene vergoeding voor zijne beesten, en mag zich gelukkig rekenen
dat hij de herstellingskosten van de locomotief niet moet betalen;
want ook deze is ernstig beschadigd en wij moeten anderhalf uur
ophouden aan het volgende station, Ballah-Isjem, om de machine weer
in orde te brengen. Evenmin als te Molla-Karry, is hier zoet water
te vinden. Om eene kleine bron van drinkbaar water te vinden, moet
men naar de oasis van Kazandjik gaan, op honderd-tachtig kilometers
afstands van de zee. Dit gebrek aan water was een van de ernstigste
moeilijkheden bij den aanleg van den transkaspischen spoorweg.

Maar zoo er te Balla-Isjem geen frisch water te bekomen is, zal
men er weldra zeer goedkoop vuur en licht kunnen krijgen. Men heeft
namelijk over eene uitgestrektheid van twee-en-dertig kilometers,
in de richting van het zuidwesten, petroleumbronnen ontdekt. Een
put ter diepte van driehonderd meters levert omstreeks vierduizend
poed olie per etmaal;--een russisch poed staat ongeveer gelijk
met zestien kilogrammen. De olie wordt per spoor naar het station
gevoerd. Datzelfde lijntje doorsnijdt ook nog eene uitmuntende
zoutbedding, en raakt aan een heuvel, die een soort van natuurlijk
asphalt, _kir_ genaamd, bevat.

Eindelijk is de lokomotief weer in orde; het sein wordt gegeven, en
wij stoomen verder naar Aïdin, Perewal, Aktsja-Kouima, Kazandjik,
Oezoen-Soe, Oesjak. Al deze stations, met uitzondering alleen van
Kazandjik, zijn ware verbanningsoorden: geen water, geen spoor van
groen, geene enkele levende ziel buiten de stationsbeambten. Daar er
geen maanlicht is, missen wij ook den fantastischen aanblik van de
eindelooze steppe bij helderen nacht. Het best is maar te slapen.

4 September.--De dag was nog niet aangebroken toen de trein te
Kizil-Arwat aankwam. Wij zijn hier op tweehonderd-twee-en-veertig
wersten van de Kaspische-zee, op het punt tot waar de spoorlijn in 1880
werd doorgetrokken. Hier stapten de troepen van Skobeleff uit den trein
om verder naar Ghéok-Tépé te marcheeren. Kizil-Arwat, tegenwoordig
een station van de tweede klasse, telt reeds tweeduizend inwoners,
Russen, Perzen, Turkmenen. Hier begint, naar men ons verzekert, de oase
van Akhal-Tekké, de verblijfplaats van die geduchte en onversaagde
roovers, die zoo heldhaftig voor hunne onafhankelijkheid gevochten
hebben. Het is goed, dat men het ons verzekert, want ik voor mij zou
niet gedacht hebben, dat ik mij in eene oase bevond. Op het hooren
van het woord oase, denkt gij aanstonds aan lommerrijk geboomte, aan
heldere beken, aan irrigatietoestellen; zijt ge geen vreemdeling in
Afrika, dan denkt ge bovendien aan palmen en dadels. Te Kizil-Arwat
zoudt ge vergeefs naar palmen uitzien, die trouwens nergens te vinden
zijn in geheel Turkmenië, waar brandend heete zomers worden opgevolgd
door zeer strenge winters. Een armzalig beekje, waarvan het water, om
drinkbaar te zijn, eerst gefiltreerd moet worden; akkers met graan,
geelachtige weilanden met schraal gras, enkele dwergachtige boomen:
dat is alles wat er in de vlakte van Kizil-Arwat te zien is. Die oase
zonder boomen maakt een allerzonderlingsten indruk. Het is onmogelijk,
met eenige juistheid hare grenzen te bepalen. Uit een geologisch
oogpunt is er geen verschil tusschen den bodem van de oase en dien
van de omringende woestijn: feitelijk begint de woestijn dan ook waar
de irrigatie ophoudt.

Te zes uur zet de trein zich weer in beweging, op hetzelfde oogenblik
waarop de zon zich boven de kim vertoont. De effen, sombere steppe,
die telkens aan de zee doet denken, reikt tot aan den voet van een
rechtlijnig voortloopenden bergwand, den eersten onderbouw van de
hoogvlakten van Iran, waarmede de spoorweg, op eenige kilometers
afstands, evenwijdig loopt. Deze bergen, waarvan de hoogte tusschen de
vijfhonderd en duizend meter bedraagt, dragen de namen van Koeren-dagh,
Köhn-dagh, Köpet-dagh. Uit kalksteen gevormd, even als de Balkans,
zijn zij mede bekleed met eene dikke laag kleiaarde, waarin het
water tallooze geulen en ravijnen heeft gegraven, die elkander in
alle richtingen kruisen en een zeer schilderachtig effect maken. De
perzische grens loopt aan gene zijde van deze bergketen, welke aan
Rusland behoort.

Kodj. Een klein station; verder geene levende ziel. Een ongeladen
goederentrein snelt ons voorbij, die naar Oezoen-Ada gaat om materieel
in te nemen, dat van Astrakan wordt aangevoerd. Nog steeds ter
rechter hand de bergketen, en ter linker de eindelooze vlakte. Wij
zijn nog niet in de eigenlijke oase: wij zien slechts enkele kudden,
maar nog geen boomen. De schapen moeten zich tevreden stellen met het
weinige schrale gras, dat de struiken en heesters vervangen heeft.--Wij
begroeten het eerste turkmeensche dorp of kamp van eenige beteekenis;
nabij de tenten, tegen de helling van den heuvel, verrijst een vierkant
fort met torens aan de hoeken. Tien minuten later komen wij weder aan
een dorp, ook aan den voet der heuvelketen, ook met een groot fort,
dat in goed onderhouden staat schijnt te verkeeren, en de bouwvallen
van een klein fort. Iets verder zien wij nog twee verlaten forten.

Wij komen aan het station Bakuri, waar de spoorlijn naar de Atrek--eene
rivier die zich in de Kaspische-zee uitstort--aan de hoofdlijn
aansluit. Links van den spoorweg een groot turkmeensch dorp met een
fort; rechts, een russische militaire post, met europeesche huizen als
te Kizil-Arwat, en boomen. Ja, inderdaad, boomen. Er vloeit hier eene
kleine beek, die sedert lang dienstbaar wordt gemaakt aan de bebouwing
van den grond; generaal Annenkof heeft, tot verbazing der inlanders,
eene ijzeren buis laten leggen, waardoor het water van den naburigen
berg wordt aangevoerd. Men heeft dus hier geen gebrek aan water:
daarvan getuigt trouwens die gemetselde kom naast het station, waaruit
een straal van tien el hoog opspringt. De turkmeensche eenden, die in
het vijvertje plassen en ploeteren, hebben nooit zoo iets aanschouwd.

Om half acht in den morgen wordt de reis voortgezet. Er is geen
wolkje aan den hemel te zien; de lucht is zoo helder en doorschijnend,
dat men op dezen afstand zeer duidelijk de ravijnen en kloven in de
wanden van de perzische bergketen kan onderscheiden. In de verte zien
wij, in de vlakte, verschillende groepen van tenten; tegenover ons,
aan den voet der bergen, een goed onderhouden fort van belangrijken
omvang. Achtervolgens komen wij aan de stations Artsjman, Soedsja,
Bokharden en Kelata; de oase wordt gaandeweg groener en beter
bebouwd; het geboomte vermenigvuldigt zich; telkens zien wij groepen
van in een kring geplaatste tenten, benevens talrijke kudden en de
bouwvallen van een aantal forten, door de Turkmenen opgeworpen als
verdedigingsmiddelen tegen de Russen. Eindelijk, omstreeks twaalf uren,
stopt de trein te Ghéok-Tépé.

Met licht verklaarbare belangstelling zagen wij op naar deze vesting,
waarvan de naam onafscheidelijk verbonden blijft met dien van den
beroemden _blanken generaal_. De spoorweg loopt vrij dicht langs de
muren der citadel, die zich tien tot twaalf meter boven de vlakte
verheffen; op het gezicht, schat ik den omtrek der vesting op niet
minder dan zes kilometers. Van afstand tot afstand steken torens, als
bolwerken, vooruit. De dikte dezer muren of wallen staat in verhouding
tot de hoogte; wat vermochten kanonkogels tegen deze reusachtige
aarden wallen? Want deze vestingwerken zijn uitsluitend gemaakt van
de kleiaarde der oase. De vorderingen der artillerie en de uitvinding
van nieuwe vernielingsmiddelen nopen de europeesche ingenieurs om, in
afwijking van het stelsel van Vauban, het metselwerk zooveel mogelijk
achter zware bekleedingen met aarde te verbergen; sedert eeuwen reeds
was deze wijze van vestingbouw bij de Tekkés in zwang:--alweer een
bewijs, dat er niets nieuws onder de zon is. Het russische geschut,
met ontzaglijke moeite hier heen gevoerd, was machteloos tegenover
deze primitieve bolwerken. Ge onderkent nog duidelijk de gaten door
de bommen geboord, in de verte niet ongelijk aan de gaten van ratten:
de projectielen drongen wel in de kleiachtige massa door, maar hadden
verder hoegenaamd geene uitwerking. Het bleek volstrekt onmogelijk,
een bres te schieten; en daar het hem aan de noodige macht ontbrak om
de vesting te blokkeeren, zou Skobeleff van zijne onderneming hebben
moeten afzien, indien hij niet op de gedachte was gekomen om eene mijn
aan te leggen. Dit middel van aanval, dat bij de Turkmenen volslagen
onbekend was, slaagde naar wensch. Men verhaalt dat zij, bespeurende
dat er onder den grond gewerkt werd, in de meening verkeerden dat
de Russen, bij het ondermijnde bolwerk, een voor een uit den grond
te voorschijn zouden kruipen: zij hielden dus onafgebroken, dag en
nacht, de wacht op de bedreigde plek, met de sabel in de vuist, om
den vijanden, zoodra zij zich vertoonden, het hoofd af te slaan. De
mijn ontplofte: de wal sloeg aan stukken; de ongelukkige verdedigers
vlogen in de lucht; de russische infanterie rukte met den stormpas
voorwaarts. Binnen de omwalling bevonden zich veertigduizend man,
waaronder tienduizend ruiters, allen vast besloten, zich tot het
uiterste te verdedigen. Zij vochten met onbezweken moed; maar de
schrik, door de ontploffing veroorzaakt, besliste de overwinning. De
Tekkés bezaten slechts twee kleine kanonnen, waarmede zij niet wisten
om te gaan; maar daarentegen hadden zij goede geweren en uitmuntende
sabels. Naar men verzekert, lieten vijftienduizend inlanders bij de
bestorming van Ghéok-Tépé het leven.

Thans is het eenzaam en stil op de verlaten plek. Eenige turkmeensche
ruiters rijden kalm en vreedzaam aan den kant van het nieuwe station,
waar andere inlanders aan den arbeid zijn naast russische werklieden
en soldaten van den Tsaar. Naar het schijnt, is de vrede voor goed tot
stand gekomen: de indruk van de vreeselijke nederlaag van den 14den
Januari 1880 zal niet licht wijken uit het geheugen dezer stammen,
die in dergelijke feiten de beschikking van het noodlot zien, waaraan
zij zich hebben te onderwerpen. Ook zullen zij het niet vergeten,
dat de overwinnaars, nadat eenmaal de bittere kamp was volstreden,
de verwonnelingen met goedheid en verschooning behandelden.

Na een kwartier oponthoud gaat de trein weer verder. De oase wordt
steeds groener en bloeiender, vooral rechts van de spoorbaan, aan
den voet der bergen, waar geen gebrek aan water is. De perzische
bergketen levert hier een schilderachtigen aanblik op. Overal zien
wij boomen en bebouwde velden, benevens kudden van runderen en ezels
in menigte. Deze laatsten kunnen hun hart ophalen aan de distels;
maar de koeien hebben het hard te verantwoorden in deze magere, door
de zon verschroeide weilanden. Ik twijfel, of zij wel veel melk zullen
geven: trouwens, de inboorlingen drinken uitsluitend kameelenmelk.

Om half twee komen wij te Askhabad, de hoofdplaats van de
transkaspische provincie. Links van den spoorweg een turkmeensche
post; daar tegenover, naast de nieuwe stad, die met inbegrip van
het garnizoen eene bevolking van bijna achtduizend zielen telt,
een russisch kamp. Eenige rijen wit bestoven boomen verbergen de
europeesche woningen, de perzische wijk, den bazar en het hotel van
generaal Komarof, den chef van het gewestelijk bestuur. De generaal
is op eene inspectiereis langs de grenzen; bij onze terugkomst hopen
wij hem te ontmoeten, en dan tevens zijne hoofdstad in oogenschouw
te nemen.

Bij het verlaten van het station rijdt de trein tusschen de ruïnen
van twee inlandsche forten en tusschen verschillende kampementen of
dorpen, het best met arabische _doears_ te vergelijken. Rechts trekt
een vrij hooge tumulus de aandacht; verder ziet men overal eene menigte
kleine torentjes van leem, die eene hoogte bereiken van omstreeks
drie meter. Waartoe dienen deze torentjes, waarin ten hoogste vier of
vijf menschen eene schuilplaats kunnen vinden, en die slechts door
eene smalle zeer lage deur, waardoor men niet dan gebogen gaan kan,
toegankelijk zijn? Deze miniatuurforten strekten den Turkmenen van
Akhal-Tekké tot schuilplaats bij de invallen en strooptochten der
ruiters van Merw; zij dienden tevens tot observatieposten voor de
wachters, die van de nadering der roovers kennis moesten geven. Zoodra
het alarmsein gegeven was, verlieten de landbouwers hun akker en de
herders hunne kudde, om eene wijkplaats te zoeken in de naastbij
gelegen torentjes. De verschillende stammen leefden namelijk met
elkander in bijna onophoudelijken oorlog; roof- en strooptochten waren
aan de orde van den dag. In 1880, bij de nadering der Russen, namen
zes duizend soldaten van Merw deel aan de verdediging van Ghéok-Tépé:
eenige dagen voor de bestorming deserteerden zij en keerden naar
hunne oase terug.

Twintig minuten na ons vertrek van Askhabad, houdt de weelderige
plantengroei eensklaps op; de boomen, akkers en tuinen verdwijnen en
wij rijden weer door eene zandwoestijn. Langs den voet der perzische
bergen evenwel, die meer en meer wijken en in hoogte toenemen, is
de grond nog altijd bebouwd. Aan tenten en kameelen overigens geen
gebrek. Op twaalf wersten afstands van Askhabad, zien wij aan onze
rechter hand de vrij uitgestrekte ruïnen van eene zeer oude stad,
waaronder vooral de aandacht trekken fraaie portieken met geëmailleerde
tegels: zeer vermoedelijk de overblijfselen van eene perzische moskee.

Om vier uren komen wij aan het station Gheoers, waar het panorama
van de perzische bergketen bij uitnemendheid schoon is. De voorste
heuvelen verlagen zich en vormen eene breede groene vallei, die u een
kijkje gunt op de hooge toppen van het plateau van Iran. Daar loopt
het thans alleen voor muildieren toegankelijke pad, dat van Askhabad
naar de belangrijke stad Mesjhed voert. Wanneer die weg eens gebaand
en voor rijtuigen toegankelijk zal zijn gemaakt, dan zal hij een groot
strategisch gewicht hebben: deze pas toch is het eenige punt, waar
een engelsch leger van het perzische hoogland in de vlakte zou kunnen
afdalen en de gemeenschap tusschen Merw en de Kaspische-zee verbreken.

Het was reeds volslagen donker, toen wij, na langs een paar
stations te zijn gespoord, de oase van Atek bereikten. Alvorens
wij onze slaapplaats gereed maken, gaan wij even naar den
waggon-restaurant. Want wij zijn, Goddank! niet opgesloten in nauwe
kompartimenten, waar de reizigers elkander onnoozel zitten aan te
kijken en dikwijls uren en dagen lang geen woord met elkander
wisselen. De welbekende rit van Brindisi naar Parijs duurt
twee-en-vijftig uren; als gij ter plaatse uwer bestemming komt,
kunt ge u niet meer verroeren, en verkeert ge in een toestand van
verdooving en verstomping, die niet wel te beschrijven is. Wie dat
eenmaal ondervonden heeft, vergeet die marteling nooit. In de treinen
van den transkaspischen spoorweg kunt ge ongehinderd rondloopen,
gaan zitten waar ge verkiest, en pleizierige reisgenooten opzoeken,
die ge in Rusland zeer licht vindt. De waggon-restaurant, die in
onmiddellijke gemeenschap staat met een keuken, bevat niets dan eene
groote tafel, waaraan twintig personen kunnen zitten. Wij treffen
hier zeer vriendelijke officieren aan, die dadelijk plaats voor ons
maken. Want, om de waarheid te zeggen, dient de spoorweg voornamelijk
tot het vervoer van het militaire personeel, dat bij den aanleg
en de exploitatie werkzaam is; andere passagiers zijn er nog niet
veel. Natuurlijk ontbreekt hier de samovar niet; maar zoo ge, boven de
geurige thee, de voorkeur geeft aan een zeer goeden wijn uit de Krim of
het uitmuntende bier van Kazan, dan hebt ge maar voor het kiezen. De
_borchtch_, de nationale soep of brei, met zure melk toebereid, zal u
misschien minder aanstaan; maar ge kunt malsche lamskoteletten krijgen
en smullen aan de overheerlijke meloenen van de oase van Akhal-Tekké,
die ook zeer smakelijke peren en druiven oplevert.

5 September.--Gedurende den nacht zijn wij door de oase van Atek
gestoomd, die langs den voet der bergen een vruchtbare strook vormt,
minder lang en ook minder bevolkt dan de voorafgaande oase,--de
bevolking wordt op omstreeks vijftigduizend zielen geschat--maar rijker
aan groen en geboomte. Zij eindigt aan het belangrijke station Doesjak,
het zuidelijkste punt van den transkaspischen spoorweg, van waar later,
als de omstandigheden en bovenal de politieke verhoudingen het toelaten
of vorderen, de lijn kan worden doorgetrokken naar de afghaansche
grenzen, naar Herat, Kandahar en de beroemde passen van Bolan. Ook
wanneer wij de eventualiteit van eene verovering van Indië door de
legers van den Tsaar buiten rekening laten, zou toch de aansluiting van
de indische spoorwegen aan de transkaspische lijn, uit een economisch
oogpunt, een feit zijn van overwegend gewicht. De afstand tusschen
Calcutta, Delhi, Lahore en westelijk Europa zou met de helft worden
verkort: in tien of twaalf dagen zou men van Parijs de oevers van
den Ganges kunnen bereiken. Zal deze verbinding binnen kort tot stand
komen? Het is niet waarschijnlijk, hoewel het werk geene bijzondere
moeilijkheden oplevert. De afstand van Doesjak naar de grenzen van
Afghanistan bedraagt niet veel meer dan tweehonderd kilometers; van
daar tot de passen van Bolan, waar het indische spoorwegnet eindigt, is
de afstand omstreeks achthonderd kilometers; maar in die uitgestrekte
landstreek stuit men niet op natuurlijke moeilijkheden, als in de
turkmeensche woestijn. Nergens vindt men hier zand, maar daarentegen
bijna overal menschen en water. Doch hoe zal Engeland te bewegen zijn
om in Centraal-Azië de hand te reiken aan zijn eeuwenouden mededinger,
wiens geringste beweging Groot-Brittanje sidderen en beven doet?

Voorbij Doesjak verlaat de spoorweg eensklaps de zuid-oostelijke
richting en buigt zich naar het noordoosten. De woestijn van het
alluvium strekt zich uit tot aan de belangrijke rivier de Tedsjen,
die van Afghanistan komt en onder den naam van Heriroed langs
Herat stroomt; over de rivier ligt, ten behoeve van den spoorweg,
eene voorloopige houten brug, welke eerlang door eene ijzeren zal
vervangen worden. In de nabijheid staat het station Karabent, onlangs
gebouwd in eene kleine oase, die zich ongetwijfeld zal uitbreiden,
wanneer het water van de Tedsjen zich niet langer doelloos in het
zand van de Karakoem zal verliezen, maar behoorlijk benuttigd en door
irrigatiekanalen geleid zal worden.

Het onvruchtbaar alluvium begint opnieuw aan gene zijde van de
Tedsjen en strekt zich, over eene lengte van zeventig wersten, tot
aan de oase van Merw uit. De drie volgende stations liggen midden in
de woestijn; er is geen water dan voor zoover het kunstmatig wordt
aangevoerd. Weer vertoonen zich de zandduinen; overal is de grond als
met gaten doorboord, die het werk zijn der witte ratten. Volgens de
Russen zijn deze ratten veel meer te duchten dan hun grijze broeders
en zullen zij eenmaal alle andere rattensoorten verdelgen.

De zon was juist boven de kim opgegaan toen wij de oase van Merw
bereikten. Wij zien een kamp van militaire arbeiders, die bezig zijn
met het leggen van de telegraaf. Twee telegraaflijnen zullen Merw,
Tsjardjoeï, Bokhara en Samarkand met het russische rijk verbinden;
generaal Annenkof, niet tevreden met de oude lijn, kort na de bezetting
aangelegd, heeft voor zich eene bijzondere lijn laten maken, die in
zijn kabinet uitkomt en hem ook volgt in zijn specialen trein.

De zandduinen verdwijnen allengs; naarmate men de Moergab nadert
neemt de plantengroei toe; een fluweelig grastapijt bekleedt de
zoomen van kunstmatige beken, overblijfselen van groote waterwerken,
omstreeks het jaar 1000 aangelegd door een beroemden sultan, wiens
graf wij weldra zullen bezoeken, sultan Sandjar. Tenten en hutten,
ruiters en voetgangers verlevendigen dit landschap, dat welhaast
een paradijs schijnt, vergeleken bij de woestijn van zoo even. Maar
boomen, echte boomen, zien wij nog niet.--Het station Karibata, het
laatste voor Merw. Er is hier een groot militair kamp, met talrijke
hutten en tenten; een aantal inlandsche werklieden arbeiden, onder
het bevel van russische soldaten, aan de voltooiing van den weg.

Eensklaps neemt de plantengroei weer af en vertoont het zand zich
weer. Wij zijn hier in een deel van de oase, dat niet meer kunstmatig
besproeid wordt. Negen kilometers verder wordt alles weer groen;
de groepen van tenten naderen al dichter tot elkander; talrijke
kudden van groote fraaie runderen loopen rustig te grazen, zonder
zelfs om te kijken naar den voorbij snorrenden trein. De streek
is bij uitnemendheid wildrijk. Weldra beginnen ter wederzijde de
bebouwde akkers, en vertoonen zich de eerste boomen. Dorp grenst aan
dorp; geen duim gronds blijft ongebruikt; aarden muren en wallen
vormen de scheiding tusschen de verschillende eigendommen; overal
goed besproeide moestuinen en boomgaarden; eene menigte paarden en
kameelen, vooral dromedarissen.--Wij stoomen langs een groot dorp,
waarvan de leemen huizen met ronde koepeldaken zijn gedekt. De flora
is rijk en weelderig; alom prachtig geboomte. Kort daarna zien wij
ter linkerhand eene groote citadel, waarvan de aarden wallen door
eene breede rivier worden besproeid: wij zijn te Merw.



III


Sedert de feestelijke inwijding van het station te Merw zijn niet meer
dan twee-en-vijftig dagen verloopen; na dit feest werd aan de troepen
zes weken rust gegund; maar nu is men overal druk bezig met bouwen,
zoowel bij het station als in de stad. Wij stappen uit den trein
en vertrouwen onze valiezen aan perzische _facchini_; omnibussen
of openbare rijtuigen vindt men hier nog niet, maar ook dat zal wel
komen. Te Askhabad bestaat zoo iets reeds. Overigens behoeft men niet
ver te gaan: de nieuwe stad grenst vlak aan het station. De wandeling
heeft dus op zich zelve niets te beteekenen: maar het stof! Tot over
de enkels waadt gij door het stof, ge ademt het met volle longen in,
het omgeeft u als eene dichte wolk. Dit is bepaald nadeelig voor de
gezondheid; hierin moet en zal ook wel verbetering komen, maar men
kan niet alles op eens verlangen.

Onder het geleide van een jongen Pool, die duitsch spreekt en ons
als tolk dient, gaan wij naar het voornaamste hôtel: daar zijn geen
kamers open. Wij vervolgen onze wandeling door de breede straten,
waar de zon brandt en nog geen lommer verkwikking schenkt, en begeven
ons achtervolgens naar vijf logementen, allen opgevuld met officieren
en ambtenaren. De zaak begint ernstig te worden: er rest ons nog
maar één logement, dat pas voor eenige dagen is geopend en zelfs nog
geen naam heeft; de metselaars leggen er de laatste hand aan en de
kalk is nog niet droog. Men geeft ons zeer kleine kamertjes in de
benedenverdieping: trouwens, alle hôtels hebben, even als de andere
huizen en gebouwen, slechts eene verdieping. Een bed, een ongeverfde
houten tafel, twee matten stoelen, maken het ameublement uit; het
bed is een eenvoudige plank, bedekt met een dunne matras, welke met
keisteenen schijnt opgevuld; als ik de deken oplicht komt een aardige
duizendpoot te voorschijn, die haastig in den grond verdwijnt: een
houten vloer is er nog niet. Ik deel al deze bijzonderheden mede,
om eenig denkbeeld te geven van de ontberingen, die de Russen in deze
streek hebben moeten lijden, van hunne taaie volharding en ontembare
energie. En nu is de tijd der groote hitte nagenoeg voorbij; de laatste
storm uit het noordoosten heeft eensklaps scheiding gemaakt tusschen
den zomer en den herfst; acht dagen te voren teekende de thermometer,
bij dag en bij nacht, tusschen de 40 en 45° (Celsius). Dan wemelt
het overal van schorpioenen en van allerlei kruipend gedierte, het
een al vergiftiger dan het andere. Nu is al dat gedierte weggekropen
in den grond, in de spleten en gaten, welke men overal ook in de
huizen aantreft, en zij houden zich daar schuil tot het volgende
voorjaar. Maar in dien tusschentijd zullen de gaten wel zijn dicht
gestopt en de planken vloeren gelegd.

Na een ontbijt, dat u, zoo ge een lekkerbek zijt, zeker zou hebben
doen walgen, gaan wij op weg om een bezoek af te leggen bij generaal
Annenkof, directeur-generaal der werken van den transkaspischen
spoorweg. Eene voorloopige houten brug van vijftig meter lengte,
waarvan ook de spoorweg gebruik maakt, voert over de Moergab. De
handelswijk, waar wij afgestapt zijn, ligt op den linker oever der
rivier; haar rechtlijnige straten, die elkander kruisen, hebben
overvloedige ruimte om zich in de oase te verlengen; zij prijken
met jonge boompjes, die nu nog geen schaduw geven, maar over eenigen
tijd de zonnige straten in fraaie boulevards zullen herscheppen. De
administratieve wijk zal op den anderen oever der rivier verrijzen. De
kern daarvan wordt reeds gevormd door een tiental groote gebouwen
van baksteen, die een vrij goed figuur maken en bestemd zijn voor
de burgerlijke en militaire ambtenaren en voor de beambten van den
spoorweg. Ook de groote turkmeensche citadel ligt op den rechter oever;
haar aarden wallen, welke de spoorweg doorsnijdt, zullen de toekomstige
russische stad omgeven, welke alzoo geheel afgescheiden zal zijn van
de handelswijk, waar het inlandsche element de overhand heeft.

Na eene flinke wandeling in de brandende zon, ontdekken wij de
woning van den generaal. Het is twee uur: het uur der siesta voor
hen, die zich dat genot mogen gunnen. Maar niet ieder heeft daartoe
den tijd. Wij worden aanstonds bij den generaal toegelaten. Zijne
Excellencie, in uniform, omringd door tafels die met papieren,
teekeningen en kaarten bedekt zijn, ontvangt ons met de grootste
vriendelijkheid. Zijn geheele voorkomen teekent den werkzamen
energieken man, die al zijne krachten wijdt aan de spoedige voltooiing
van eene groote strategische onderneming.

"En uwe _otkrytyi-list?_ vraagt hij eensklaps.--O! des te beter:
alles is in orde. Ik heb zeer stellige en strenge bevelen, en het
zou mij leed hebben gedaan, maar..... Hebt gij te Askhabad generaal
Komarof gezien? Niet! Nu, dan moet ge nog heden uwe opwachting maken
bij den kolonel Alikhanoff, den gouverneur van Merw, en bij den
kolonel Liniëwitsch, den bevelhebber der troepen. En wacht niet,
met hun uwe papieren te laten zien, tot zij u daarnaar vragen. Ik
zal u mijn ordonnans medegeven en wacht u, heden avond, te dineeren,
in mijn trein. Sedert vijftien maanden heb ik geen ander logies."

Wij vertrekken, voorafgegaan door een kozak, wiens borst behangen is
met ordeteekens van Sint-George. Dit is eene ernstige onderscheiding,
die wat te beteekenen heeft. Zoo vaak gij in Rusland het geel-zwarte
lint op de borst van een officier of een soldaat ziet, weet ge met
wien ge te doen hebt. De statuten dezer orde laten geene ruimte
voor gunstbewijs of willekeur: even als bij ons ten aanzien van
de militaire Willemsorde, moet men ook, om de Sint-George-orde te
verwerven, onder bepaalde omstandigheden zijn leven hebben gewaagd,
deze of die uitstekende daad hebben verricht, om recht te hebben
op het kruis van deze of die klasse. Het eenige onderscheid is,
dat deze kruisen te gelijk gedragen worden: wie tot eene hoogere
klasse opklimt, blijft toch het insigne van de lagere dragen. Op
de handhaving van de regels dezer orde wordt zoo streng gelet, dat
zelfs de tegenwoordige Keizer het kruis der eerste klasse niet bezit:
alleen de grootvorsten Michael en Nikolaas bezitten dat, omdat zij,
gedurende den laatsten turkschen oorlog, nieuwe provinciën aan het
rijk hebben toegevoegd. De kozak, die ons vergezelt, is verscheidene
malen gedekoreerd met het soldatenkruis; generaal Annenkof heeft
het nog niet tot het officierskruis gebracht, ondanks eene ernstige
verwonding: aan het gevest van zijn degen draagt hij een geel-zwart
dragon, in zekeren zin het zinnebeeld van onnoodig moedbetoon. De
generaal zelf verhaalt ons, dat hij aan zijn arm getroffen werd,
omdat hij, zonder noodzaak, zich aan de zijde van Skobeleff aan een
moorddadig geweervuur had blootgesteld.

Wij waden inmiddels door het afschuwelijke stof, waartegen onze hooge
laarzen ons ter nauwernood beschermen. De kolonels Liniëwitsch en
Alikhanoff, die niet onder de bevelen staan van generaal Annenkof,
aan wien uitsluitend de leiding der spoorwegwerken is opgedragen,
ontvangen ons zeer vriendelijk, al is hunne gebrekkige kennis van het
fransch een hinderpaal voor onze conversatie. Vooral de kennismaking
met Alikhanoff interesseerde mij zeer. Wie heeft niet hooren spreken
van dien held, in het russische leger weinig minder beroemd dan
Skobeleff zelf? Hij woont niet in een huis, maar in eene reusachtige
tent, versierd met perzische en turkmeensche tapijten, met tropeeën van
oostersche wapenen en soortgelijke zaken; met zijne hooge vorstelijke
gestalte, zijn mannelijk schoon indrukwekkend gelaat, zijn prachtigen
blonden baard, zou men hem, in deze omgeving, voor den beheerscher, den
khan des lands kunnen aanzien. En dat is hij ook inderdaad. Afkomstig
uit den Kaukasus, van geboorte een lesghische khan, wiens ware naam
eigenlijk Ali is, heeft hij meer dan iemand anders bijgedragen tot de
onderwerping van Merw: zijne hoedanigheid van Muzelman maakte hem bij
voorkeur geschikt tot het voeren der onderhandelingen met de weduwe
van den laatsten khan van Merw, die hare onderdanen tot onderwerping
aan Rusland wist te bewegen. Hij oefent een bijna onbeperkten invloed
uit op zijne geloofsgenooten, die te eerder zich aan zijne bevelen
onderwerpen, omdat zij daardoor althans den schijn kunnen vermijden,
aan een Christen te gehoorzamen. Daarbij is de roem van zijne schier
fabelachtige dapperheid alom verspreid en omgeeft hem de glans van
het avontuurlijke. Reeds tot den rang van kolonel opgeklommen, werd
hij wegens een ongelukkig duel--het duel is in het russische leger
verboden--van zijn rang ontzet; tot gemeen soldaat gedegradeerd, herwon
hij in weinige jaren zijne epauletten; het laatst onderscheidde hij
zich te Koetska, waar hij, onder de oogen van zijn chef, den generaal
Komarof, eene ernstige kastijding toediende aan de Afghanen, die zich
zelven voor onoverwinnelijk hielden. Alikhanoff, thans voor de tweede
maal kolonel, gouverneur van het district Merw, opperste khan van de
groote oase, is eerst vijf-en-dertig jaar oud!

Deze bezoeken hielden ons bezig tot zeven uur, het uur voor het
diner. De generaal had ons vooruit gewaarschuwd, dat wij het zonder
dames moesten stellen: inderdaad zijn in het kamp geene vrouwen
te vinden. Men heeft hier zoo veel te doen en werkt zoo ijverig,
dat men het gemis niet voelt. Zelfs onder het diner wordt de arbeid
niet vergeten. De generaal, die open tafel houdt, spreekt met zijne
officieren en zijn ingenieurs over de te verrichten werkzaamheden,
wint hunne adviezen in en laat zich tot in de geringste bijzonderheden
omtrent alles inlichten. Zoodra de koffie is rondgediend, staat Zijne
Excellencie op, groet en begeeft zich naar zijn waggon. Men gaat hier
over het algemeen vroeg ter ruste om den volgenden morgen vroeg te
kunnen beginnen.

De trein, waarin wij zoo vriendelijk en gastvrij ontvangen worden,
verdient wel eene korte beschrijving. Hij bestaat uit vijf wagens:
een waggon met twee verdiepingen, die logies bevat voor den generaal,
voor den dienstdoenden adjudant, voor den particulieren sekretaris
en voor de ordonnancen; een waggon-eetzaal, waar gemakkelijk twintig
personen kunnen aanzitten; een keuken-waggon; een bureau-waggon, waar
de stukken, kaarten enz. zijn geborgen en waar de adjudant arbeidt;
een open wagen, die met een licht dak is overdekt en van stores
voorzien, waaruit men den weg kan overzien en waar, bij mooi weer,
ook gegeten wordt.

Het appartement van den generaal is keurig, smaakvol, maar is
een miniatuurkamer. Verbeeld u dat ge in een _sleeping-car_ moest
wonen! Maar het is gemakkelijk: men heeft alles vlak bij de hand. Als
ge u des avonds ter rust begeeft, bepaalt gij het uur van vertrek:
middernacht, twee uur, vijf uur in den morgen; de trein vertrekt
zonder dat ge voor uw gewonen tijd behoeft op te staan; en op het
bepaalde uur zijt gij ter plaatse uwer bestemming, met uw papieren,
uw teekeningen, uwe geheele bibliotheek.

Bij het heengaan spreekt de generaal met ons af, dat wij overmorgen
ochtend bij hem zullen komen: wij zullen dan met hem een tocht maken
in de richting van de Amoe-darja.

6 September.--Wij hebben zeer slecht geslapen in ons logement, dat
sedert weinige uren den weidschen naam draagt van Slavisch hôtel. Ik
herinner mij, dat ik in Griekenland--niet te Athene, maar in de kleine
binnenstadjes--aan tafel een zelfde servet gedurende verscheidene
dagen door verschillende gasten heb zien gebruiken. Maakte iemand
er aanmerking op, dat hij een vuil servet kreeg, dan antwoordde
de bediende dood bedaard: "Kyrie (Heer), het is pas twee keer
gebruikt."--Hier gebeurt hetzelfde, niet enkel met servetten, maar ook
met de beddelakens of liever met het eenige laken, waarin ge u zoo goed
mogelijk wikkelen kunt. Al het linnengoed van onze gastwaardin wordt,
met haar oude japonnen, in een koffer bewaard. Erger u daarover niet:
al wat ge hier aanschouwt bestaat eerst sedert drie of vier maanden:
deze stad van drieduizend zielen is als uit den grond verrezen:
zij breidt zich met den dag uit en voltooit langzamerhand hare
inrichting. In het volgende jaar zult ge hier ongetwijfeld goed logies
kunnen vinden; over twintig jaar zal zij een der groote metropolen van
Azië zijn. Na de voltooiing van den transkaspischen spoorweg zal Merw
de stapelplaats worden van den handel van Centraal-Azië, van Bokhara,
Kokhan, Badaksjan, Afghanistan; hare strategische beteekenis zal haar
voor de russische regeering nog hooger belang bijzetten.

In de vorige eeuw was de oase van Merw beroemd, zoowel om hare
uitgestrektheid (zeshonderd-duizend hektaren), als om hare buitengewone
vruchtbaarheid: de klaver leverde hier zeven oogsten per jaar,
het koren gaf honderd korrels voor één. Volgens een oud oostersch
spreekwoord, bracht te Merw een schepel koren honderd schepels
voort. Deze staat van zaken heeft eene groote verandering ondergaan
ten gevolge van de eindelooze oorlogen en veeten, waarin de Tekkés met
al hunne naburen waren gewikkeld; maar de natuur van den grond schijnt
geene verandering te hebben ondergaan, en niets belet de Russen om aan
de streek hare vroegere welvaart terug te geven. Zij zullen dit kunnen
doen door het herstellen van vervallen stuwen en andere werken, die
het water van de Moergab ophielden en naar een aantal irrigatiekanalen
afleidden. Reeds is daarmede een aanvang gemaakt; en na de voltooiing
van die werken zal Merw op nieuw de korenschuur van Voor-Azië worden
en, zoo noodig, ruimschoots kunnen voorzien in de behoeften van een
russisch leger, dat in de vallei van den Indus zou moeten opereeren.

Terwijl wij een kop thee gebruiken, komen kolonel Liniëwitsch en
vervolgens generaal Annenkof ons een bezoek brengen. Het is nog zeer
warm; de kolonel heeft zijn groen laken uniform aangetrokken, maar de
generaal draagt een tenue van wit coutil met eene blauwe roodgestreepte
broek. Zoo mag ik het zien: dat is praktisch. In de warme en gematigde
provinciën des rijks hebben de russische soldaten een zomer- en een
wintertenue, de groene en de witte uniform met eene groene en eene
witte pet. Men schikt zich naar het klimaat, en alleen bij buitengewone
gelegenheden kunnen de soldaten van koude huiveren: maar dan wikkelen
zij hun hoofd en hun hals in een wollen _bashlik_, die geen tochtje
doorlaat. Alleen de laarzen, die het been steunen zonder den marsch
te bemoeilijken, worden het geheele jaar door gedragen.

Wij doen den generaal uitgeleide. Eene karavaan zwaar beladen kameelen
trekt juist voorbij, vergezeld van den onvermijdelijken ezel; op den
ezel zit een jongen met eene vervaarlijke muts van schapenwol op het
hoofd, die zonder ophouden met zijn stok het grauwtje slaat. Naar het
schijnt, voelt de kameel zich bijzonder tot den ezel aangetrokken:
hij volgt hem gedwee en regelt trouw zijn stap naar dien van zijn
geleider, aan wien hij door een touw, dat hem in den mond gelegd
wordt, is verbonden. Twee afschuwelijke Turkmenen, gekleed met de
vuile gescheurde lange jas en met de reusachtige muts op het hoofd,
dribbelen achter de karavaan aan. De generaal ziet hen met blijdschap:
zij komen van Bokhara. Sedert de laatste tien of twaalf maanden, is de
uitvoer van Bokhara naar Merw, bestaande in katoen, wollen stoffen,
zijde, fijne houtsoorten, gestegen tot vijf millioen pond, dat wil
zeggen tachtigduizend ton. Dat is een goed begin, en de bazar van
Merw heeft reeds zekere beteekenis verkregen. Tweemaal per week wordt
er op een open terrein, in de onmiddellijke nabijheid der stad, eene
markt gehouden, die zeer druk wordt bezocht en wel, voor liefhebbers
van lokale kleur, de moeite van een bezoek waard is.

Maar, mijn hemel! wat zijn die Turkmenen voor verreweg het meerendeel
leelijk! Waar zijn de fiere, indrukwekkende krijgslieden, met den
vlammenden, doorborenden blik, met de vorstelijke, krijgshaftige
houding, waarvan de vroegere reizigers in de turkmeensche woestijn
met zooveel ophef spreken. Om mij heen zie ik mannen met een breed
laag voorhoofd, kleine, eenigszins schuin staande oogen, een min
of meer platten neus, vrij dikke lippen, wijd uitstaande ooren,
een dunnen zwarten baard en kort dik hair. Voeg daarbij dat hunne
kleur zeer donker is, hun lichaamsbouw forsch en gespierd, hunne
gestalte boven het middelmatige, en dat zij in den regel sterker zijn
dan de Westerlingen. Maar iets edels of krijgshaftigs kan ik in hun
voorkomen niet vinden; mijns inziens komen zij niet in vergelijking
met de Arabieren. Is het oorspronkelijke ras misschien verbasterd
door de vermenging met iranisch bloed? Wij zijn hier wel op tamelijken
afstand van Perzië, maar de strooptochten der Turkmenen strekten zich
zeer ver uit. Even als in de oasen van Atek en Akhal-Tekké en nog
op andere plaatsen, heeft ook te Merw de verbintenis met uit Perzië
medegevoerde vrouwen den oorspronkelijken type van het tartaarsche
ras kunnen wijzigen. Zij erkennen zelven dat deze vermenging met een
ontaard en diep vervallen volk geene goede vruchten heeft opgeleverd;
de Turkmenen van het binnenland zien dan ook met zekere minachting
neder op de stammen langs de grenzen, wier bloed niet meer zuiver
is. Elke krijgsman van naam acht zich verplicht, althans ééne vrouw
van zuiver turkmeensch ras te hebben, en de uit haar geboren kinderen
worden van edeler bloed gerekend dan de anderen.

Terwijl wij den rechter oever van de Moergab volgen, langs den
voet der aarden wallen van de inlandsche citadel, zeker niet minder
uitgestrekt dan die van Ghéok-Tépé, komen wij aan een groot kamp,
waarvan de tenten welhaast eene inlandsche stad mogen heeten, naast
de handelswijk, welke voor een groot deel door Joden uit Bokhara wordt
bewoond. Gaarne zouden wij zulk eene _kibitka_ (tent) hebben bezocht,
en een blik geworpen op de tapijten waarmede zij versierd is, en
vooral op de turkmeensche vrouwen, die in de straten van Merw niet
te zien zijn. Maar de woeste, zeer gevaarlijke honden, die rondom
het kamp de wacht houden, noodzaken ons op een eerbiedigen afstand
te blijven: zonder onderscheid vallen zij iederen Europeaan aan; en
wij zouden niet gaarne het lot deelen van dien russischen officier,
die per rijtuig van Wladikaukas naar Tiflis reizende, een eind weegs
te voet wilde afleggen, en wiens laarzen alleen werden teruggevonden:
hij was door de honden opgegeten.

Wij keeren naar de stad terug om de winkels te bezoeken: die winkels
zijn evenwel niet anders dan de bekende kleine oostersche winkeltjes
of kraampjes, die men overal in de Levant aantreft. De baksteenen
huisjes, die geene bovenverdieping hebben, zijn in twee winkels, een
aan de voor- en een aan de achterzijde, verdeeld. Het gebouwtje is met
een planken zoldering gedekt, in afwachting dat eene verdieping worde
opgetrokken. Daar de grond niets of zoo goed als niets kost, heeft men
de goedkoopste en vlugste manier van bouwen aangenomen. De winkeliers
zijn voor het meerendeel Joden uit Bokhara of Perzen. Het voornaamste
produkt van de inlandsche nijverheid zijn de tapijten, waarvan het
fijne weefsel, de sierlijke patronen en de nooit verbleekende kleuren
algemeen beroemd zijn. Deze tapijten, die sedert de komst der Russen
zeldzaam zijn geworden, worden door de vrouwen, en wel vooral door de
oude vrouwen, vervaardigd. In de winkeltjes ziet men enkele van deze
vrouwen, die zich niet, als bij de Arabieren, het gelaat omsluieren. De
bewoners der turkmeensche steppen zijn wel orthodoxe Mohammedanen,
maar godsdienstig fanatisme is hun ten eenemale vreemd. Zoo gij er
op staat, zal het u niet veel moeite kosten, in de gelegenheid te
worden gesteld om de jonge meisjes van zuiver turkmeensch bloed
te bewonderen in haar dagelijksch kostuum, een lang zijden hemd;
of zelfs in haar feesttoilet: een sjerp van roode of gele zijde,
muiltjes, armbanden, halskettingen, oorringen, goud borduursel,
en op het hoofd dat monumentale kapsel, met muntstukken, valsche of
echte steenen, gouden en zilveren ornamenten behangen, en dikwijls
van zoodanigen omvang dat het gelaat er bijna in wegschuilt.

De Tekkés zijn van nature veeleer landbouwers dan handelaars; sedert de
komst der Russen arbeiden zij met veel ijver aan de spoorwegwerken. Zij
zijn zeer goede werklieden, zeer ijverig en zeer nauwgezet. Generaal
Annenkof gebruikte twee-en-twintigduizend inlandsche werklieden
te gelijkertijd voor het leggen der spoorbaan. Men kan ook hieruit
afmeten, met hoeveel energie het werk werd aangevat en voltooid. Voor
het zeer matige loon van achttien tot twintig roebels per maand,
verrichten de Tekkés, naar het schijnt, meer werk dan de beste
perzische aardwerkers; zelfs knapen van vijftien, zestien jaar arbeiden
even goed als de volwassenen en verdienen hetzelfde loon.



IV


7 September.--Ten acht uren des morgens melden wij ons aan bij
generaal Annenkof, wiens trein gereed is om te vertrekken. De zon is
heeter dan gisteren; wij bestijgen den open waggon, welke den trein
sluit. De burgerlijke en militaire werklieden zijn sedert lang aan
den arbeid. Langs de groepen der soldaten heengaande, zegt de generaal
met luider stemme:

"Goeden morgen, mijne kinderen!"

En de soldaten staken hun werk, stellen zich in postuur, met de pink
op de naad van de broek, en antwoorden in koor:

"Wij wenschen Uwe Excellencie eene goede gezondheid!"

De weg waarop wij rijden is eerst in de laatste dagen gelegd, sedert
de hervatting der werkzaamheden, die tijdens de groote hitte gestaakt
waren. Wij rijden niettemin met eene snelheid van twintig kilometers
in het uur; maar de lange materieel-treinen, die dikwijls uit vijftig
wagens bestaan, leggen niet meer dan vijftien kilometers in het uur
af. De weg doorsnijdt de oude turkmeensche vesting, waarbinnen geene
kibitka meer verrijzen zal, buigt zich dan naar het noordoosten, en
bereikt een minder bevolkt gedeelte van de oase. Eenige kilometers
voorbij Merw gaan wij over een vrij belangrijken arm van de Moergab:
zoo als men weet, verliest deze rivier, welke vroeger in de Amoe-darja
uitliep, zich thans in het zand van de Karakoem. De ijzeren brug
waarover wij rijden is zoo goed als voltooid; de generaal wil haar
beproeven en laat zijn trein met eene snelheid van veertig kilometers
in het uur er over heen snorren. De proef gelukt: wij komen niet in
de rivier terecht.

Twee uren na ons vertrek komen wij aan den vermaarden constructietrein,
die vijftienhonderd menschen kan bevatten, en die elken dag eene
etappe verder naar het Oosten voortschuift. Hij staat voor ons
stil, en ik tel vier-en-dertig wagens; te weten: vier wagens met
twee verdiepingen voor de officieren; een waggon-eetzaal voor de
officieren; een keuken-waggon voor de officieren; drie keuken-waggons
voor de manschappen (drie kompagniën elk van tweehonderd man); een
ambulance-waggon; een telegraaf-waggon; eene smederij-waggon; een
waggon met levensmiddelen; een reserve-waggon met al hetgeen noodig
is voor het leggen der rails over eene lengte van twee kilometers; en
eindelijk twintig waggons met twee verdiepingen voor de huisvesting
der manschappen en der werklieden (zeshonderd russische soldaten
en driehonderd inlandsche aardwerkers). De russische soldaten en de
aziatische werklieden zijn in afzonderlijke waggons gehuisvest. Een
russische waggon is zeven meter lang en drie meter breed; hij heeft
op elke verdieping ruimte voor vijf-en-twintig man, die in een soort
van kooien boven elkander slapen.

Voor de inwijding van het station te Merw bestond deze trein uit
vijf-en-veertig wagens met vijftienhonderd soldaten en werklieden: er
waren toen redenen om zooveel mogelijk voortgang met het werk te maken,
welke nu niet meer bestaan. Voorbij Merw verliest de transkaspische
spoorweg een groot deel van zijne strategische waarde. Het naaste
en onmiddellijke doel van den spoorweg was de pacificatie en de
verzekering van het rustig bezit der turkmeensche oasen: dat doel is
den 14den Juli 1886 bereikt.

Het is tien uren in den morgen: de generaal houdt algemeene
inspectie. Wij stijgen te paard en volgen Zijne Excellencie onder de
luide kreten en begroetingen van de soldaten en zelfs van de Tekkés,
die op hunne manier het russische saluut uitschreeuwen. Wij rijden
langs den trein, waarin zich nog een aantal soldaten bevinden, deels
op hunne slaapsteden uitgestrekt, deels de thee klaarmakende. Als wij
hierover onze verwondering te kennen geven, heldert de generaal ons het
raadsel op. Om, in dit klimaat, maanden lang, een moeilijken arbeid te
kunnen volhouden, is het volstrekt noodig, de krachten der arbeiders
te sparen. De manschappen worden dus in twee brigaden van gelijke
sterkte verdeeld, die dagelijks niet langer dan zes uren werken,
de eerste van zes uren in den morgen tot 's middags, de andere van
's middags tot zes uren 's avonds.

Twee spoorwegbataillons, transkaspische bataillons genaamd, worden
gebezigd voor den aanleg en de exploitatie van den weg. Het eerste
bataillon heeft in 1880 de lijn tot Kizil-Arwat gemaakt; het is
nu belast met de exploitatie en met de telegraafdienst. Het tweede
transkaspische bataillon wordt uitsluitend gebruikt voor het leggen
der rails, het plaatsen van de telegraaf, en in het algemeen voor
alle werken, die niet aan inlanders kunnen worden toevertrouwd. Dit
bataillon is eerst onlangs gevormd en werd in den tijd van twintig
dagen, van 10 Mei tot 1 Juni 1885, saamgesteld uit soldaten van het
staande leger, die de vereischte bekwaamheden bezaten. Sedert de weg
tot Merw is doorgetrokken, wordt een deel der manschappen van dit
tweede bataillon gebruikt voor de exploitatie: voor het leggen der
rails zijn nu nog zeshonderd man aangewezen.

Al de aard- en metselwerken worden door inlandsche werklieden
verricht. De soldaten met hun witte boezeroen en witte pet, die
onder het oog van hunne te paard gezeten officieren zoo vlug en
handig met de rails omspringen, raken geen schop of troffel aan. Zij
vinden de baan vooruit gereed gemaakt door de inlandsche aardwerkers,
die, onder opzicht van de ingenieurs, in ploegen verdeeld, daaraan
arbeiden. Ieders taak is juist aangewezen, en elke botsing tusschen
het militaire en burgerlijke element voorkomen.

Zijn de plannen door de ingenieurs opgemaakt en door den generaal
goedgekeurd, dan tijgt een ploeg Turkmenen, onder leiding en bevel
van de ingenieurs, aanstonds aan het werk voor het gereed maken der
aarden baan. Zulk een ploeg is dikwijls zeer talrijk en wordt dan in
onder-afdeelingen gesplitst: de hoofdzaak is dat deze werklieden steeds
vóór zijn.--Op dien eersten ploeg volgt het bataillon met het leggen
der rails belast, waaraan inlandsche opperlui zijn toegevoegd, die het
grove werk moeten doen en den soldaten alle noodelooze vermoeienis
besparen. Hieruit blijkt, dat zoo in het russische leger eene zeer
strenge discipline heerscht, de officieren ook wel degelijk voor de
gezondheid der soldaten zorgen.--Is het spoor eenmaal gelegd, dan
komen de ingenieurs met hunne werklieden om de laatste hand aan het
werk te leggen: zij gaan aan de militaire brigade vooraf en volgen
haar. Ook moeten zij voor het onderhoud zorgen.

Het is niet meer dan natuurlijk, dat waar het leggen van het spoor
zoo vlug geschiedt, er daarna nog het een en ander na te zien, bij
te werken en te verhelpen valt. Ongetwijfeld is de weg niet aanstonds
volkomen in orde, maar dat wordt ook niet verlangd. Het is voldoende
dat de spoorbaan geschikt zij voor den militairen trein en voor de
treinen met materieel, die tweemaal per dag aankomen: en dit doel is
bereikt, want tot heden is nog geen enkel ongeluk voorgevallen.

Terwijl de generaal mij dit een en ander mededeelt, zijn wij bij de
manschappen gekomen, die met het leggen der rails bezig zijn; de twee
laatste rails zijn juist op de dwarsliggers gespijkerd, en ik heb
ter nauwernood den tijd om mijn paard op de aarden baan te drijven,
of de twee volgende rails zijn ook gelegd: binnen weinige sekonden is
de lijn zeven meters verder doorgetrokken in de richting van Samarkand.

Vlak voor mij zie ik een licht wagentje, dat door inlanders,
onder bevel van een soldaat, op het zoo even gelegde spoor wordt
voortgeduwd; op dit wagentje liggen tusschen de twaalf en twintig
rails. Aan het einde van de laatst gelegde rails gekomen, staat het
stil; vier soldaten staan gereed, twee aan iedere zijde van den weg;
met hunne tangen nemen zij twee rails van het wagentje en leggen ze
op de baan; andere soldaten plaatsen die rails in de juiste richting
en bevestigen ze met drie hamerslagen op de dwarsliggers; dan rijdt
het wagentje weer zeven meters verder; wederom worden twee rails
ontladen en gelegd. Deze operatie wordt onafgebroken met mathematische
nauwkeurigheid uitgevoerd; gestadig verlengt zich de spoorlijn naar
het Oosten.

Waar komen nu de rails en de dwarsliggers en het verdere materieel
van daan?

Tweemaal in de vier-en-twintig uren wordt al het benoodigde voor het
leggen van twee wersten aangevoerd door een reusachtigen trein van
vijf-en-veertig tot vijftig wagens. De eerste trein komt 's nachts
aan, voor de morgenbrigade, die van 's morgens zes tot 's middags
twaalf uur werkt.--De tweede trein komt in den voormiddag, voor
de andere, wier taak om twaalf uren begint en 's avonds om zes uur
eindigt.--Deze treinen moeten achter den militairen trein stoppen,
want er is geen dubbel spoor. Zij lossen dus hun materieel achter
dien trein: de rails aan den eenen kant van den weg, de dwarsliggers
aan den anderen. Zoodra de lossing is afgeloopen, vertrekt de trein
op nieuw om voorraad te halen voor den volgenden dag.

Dan zet zich de militaire constructietrein in beweging en rijdt terug
tot voorbij de plaats waar straks de trein met materieel stond, zoodat
de baan vrij is voor het vervoer van de rails en het overige naar
het einde van het spoor. Stuit men op geen buitengewone hinderpalen,
dan zijn om twaalf uur twee kilometers voltooid; de constructietrein
rijdt nu zoo ver door, het ontbijt der soldaten met zich brengende.

Dan tijgt de tweede brigade aan het werk. De trein met materieel,
die in den loop van den morgen is aangekomen, nadert zoo dicht
mogelijk den constructietrein, lost zijne lading en vertrekt weer; de
constructietrein loopt op zijn beurt eenige honderden ellen achteruit,
en dezelfde werkzaamheden beginnen op nieuw voor het vervoer en het
leggen der rails en der dwarsliggers. Als de avond invalt zijn wederom
twee kilometers van den transkaspischen spoorweg voltooid.

Op deze wijze is het mogelijk geweest, binnen weinige maanden het
traject door de turkmeensche woestijn tot stand te brengen, en den
schijnbaar onoverkomelijken slagboom op te ruimen, dien de natuur
tusschen Rusland en Engeland had opgeworpen. Toen de generaal naar
zijn trein terugkeerde, vroeg hij mij welken indruk dit alles op mij
gemaakt had: ik gaf hem mijne ongeveinsde bewondering te kennen en
voegde er bij, dat zijne wijze van werken ongetwijfeld tot voorbeeld
zal genomen worden bij elken spooraanleg midden door woestijnen.

In waarheid, de boven omschreven regeling schijnt zeer eenvoudig; men
zou zoo zeggen, alles loopt van zelf: maar weinigen zullen beseffen,
hoeveel inspanning, hoeveel nadenken, voorzorg en oplettendheid
er noodig is geweest, om dezen regelmatigen gang van het werk te
verzekeren en vertraging te voorkomen. Daartoe bestond meer dan
eene aanleiding.

Wij zijn in een mohammedaansch land, en in den loop van het jaar
schrijft de Koran verschillende feesten voor, die soms lang duren. De
Tekkés zijn wel geen fanatieke Muzelmannen, maar toch zeer gesteld op
de feestdagen, die tevens rustdagen zijn: zij blijven dikwijls weg als
men hen het meest noodig heeft. Deze werkstakingen zijn zeer lastig,
wanneer men met vijftien- of twintigduizend arbeiders te doen heeft:
maar toch heeft het werk aan den spoorweg er nooit ernstig door
geleden. Gebeurt het soms, dat om eene of andere reden de trein met
materieel oponthoud ondervindt, dan neemt men zijn toevlucht tot den
voorraad in den constructietrein en tot de depôts van dwarsliggers
en rails, die de zorgzame generaal langs de geheele lijn heeft doen
aanleggen.

Maar de muzelmansche feesten zijn niet de grootste moeilijkheid. Alles
wat voor den bouw van den transkaspischen spoorweg noodig is, moet
uit europisch Rusland komen en dus over de Kaspische-zee worden
vervoerd. De vaart op die zee is dikwijls zeer lastig en gevaarlijk;
bovendien is de haven van Astrakan gedurende eenige maanden door
vorst gesloten. Van daar vertraging en stilstand in den aanvoer
van materieel. Toch werd het werk met de grootste regelmatigheid en
zonder eenige stoornis voortgezet: reeds aanstonds, bij den aanvang
der werkzaamheden, had de generaal een aanzienlijken voorraad van
materieel in de magazijnen doen opleggen; was het noodig, dan werd
daaruit genomen wat men behoefde, en de voorraad vervolgens weder
aangevuld en kompleet gehouden.

Staan reeds Europeanen verbaasd over de spoedige voltooiing van
dien reuzenarbeid, dan kan men begrijpen, welken indruk dit op de
Tekkés van Merw moet maken. Zij beseffen dat het eene vergeefsche
poging zou zijn, den strijd te willen aanbinden met de Russen, die al
loopende twee ijzeren sporen hebben gelegd tusschen de zee en hunne
oase. Deze ijzeren sporen, welke de verovering mogelijk hebben gemaakt,
hebben niet minder bijgedragen tot de volledige onderwerping en de
aanvaarding van den nieuwen toestand, waarvan men gevoelt dat hij voor
goed gevestigd is. Ik durf niet beoordeelen of het precies waar is,
wat Elisée Reclus zegt, dat de Turkmenen zoo eerlijk en trouw zijn,
dat iemand die een ander geld leent daarvoor geene schuldbekentenis
vordert of die bekentenis in handen van zijn schuldenaar laat; maar
al zou ik niet zoo onbepaald op hun nakomen van het gegeven woord
vertrouwen, dit is zeker, dat de vreeze het begin der wijsheid is.

Wij ontbijten met generaal Annenkof in zijn open wagen en hebben van
daar het uitzicht op uitgestrekte ruïnen, waarvan ik nog niet gesproken
heb. De plaats waar wij ons bevinden heet Baïram-Ali; daar stond het
Oude-Merw, op een plateau dat minder aan de overstroomingen van de
Moergab was blootgesteld dan het lage land langs den oever. Rechts en
links van den spoorweg, tot op een afstand van drie of vier kilometers,
zien wij brokken van muren, van vierkante torens, van vestingwerken,
en te midden van die bouwvallen een grafmonument met een grooten
koepel gedekt.

De geschiedenis van deze streek, die tegenwoordig bijna onbewoond
is, maar vroeger de zetel was eener bloeiende beschaving, is nog
zeer in het duister gehuld. Naar het schijnt, kan men haar in drie
groote tijdperken verdeelen, waarvan het eerste zich tot omstreeks
de zesde of zevende eeuw onzer jaartelling uitstrekt. Volgens de
traditie zouden er in dien tijd twee groote bloeiende steden hebben
bestaan, waarvan de eene door Zoroaster, de andere door Alexander de
Groote zou zijn gesticht. Wel wijst men u enkele ruïnen aan, welke
voor overblijfselen dezer steden worden gehouden; maar met zekerheid
weet men omtrent dat tijdperk niets. Misschien zullen nasporingen en
opgravingen daaromtrent eenig licht kunnen verspreiden.

Het tweede tijdperk begint met de muzelmansche verovering. Omstreeks
acht eeuwen geleden werd door sultan Sandjar de naar hem genoemde
stad Sultan-Sandjar-Kala gesticht: het met den koepel gekroonde
gebouw is zijn grafmonument. Deze machtige monarch, die uitgebreide
waterwerken aanlegde, om de Moergab aan de uitbreiding van den landbouw
dienstbaar te maken, was eigenlijk niet meer dan de stedehouder van
den Khalief van Bagdad, die zich, als zoo vele andere stadhouders,
bij het zinken van het khaliefaat, onafhankelijk had gemaakt. In de
vijftiende eeuw werd Turkmenië door de Mongolen overstroomd: Merw,
destijds de mededingster van Samarkand, werd verwoest. Men verhaalt
dat Dsjenghis-Khan al de bewoners der rampzalige stad, ten getale
van zevenhonderd-duizend, liet ombrengen.

Het derde tijdperk eindelijk omvat het zoogenaamde perzische tijdvak,
toen een groot deel van Turkmenië, althans in naam, van den Shâh van
Perzië afhankelijk was. In dien tijd valt de stichting van een nieuw
Merw, thans nog onder den naam van Baïram-Ali bekend. Ook deze stad
telde in haar bloeitijd, naar men verzekert, eenige honderdduizenden
inwoners: en de uitgestrektheid der ruïnen schijnt voor de waarheid
der traditie te pleiten. De waterwerken werden hersteld; het land
bloeide en genoot eene hooge mate van welvaart; maar in 1787 werden
de Turkmenen van Merw geslagen door Maäzoen-Khan, emir van Bokhara,
die de stad verwoestte, een groot deel der inwoners als gevangenen
wegvoerde en de stuwen en waterwerken vernielde, waardoor een groot
stuk van de oase tot een woestijn werd gemaakt.

De oase schijnt toen gedurende eenigen tijd onbewoond te zijn
geweest: daarna werd zij weder ingenomen door de Turkmenen van
Pendjdeh, bekend onder den naam van Sarikhs. Hunne heerschappij
duurt tot omstreeks 1830, toen zij door de ingeborenen des lands, de
Tekkés, werden verdreven. Deze Tekkés, aangevoerd door een befaamden
bandietenhoofdman, Kaoetsjoe-khan, werden de schrik van alle buren;
zelfs de Russen hadden van hunne strooptochten te lijden. In 1855
verslaat Kaoetsjoe de troepen van den khan van Khiwa, maakt hem
zelven gevangen en slaat hem het hoofd af, dat hij aan den Shâh
van Perzië zendt. Pogingen, door de perzische regeering aangewend,
om de vroegere opperhoogheid over Merw te herwinnen, mislukken ten
eenenmale; in 1861 werden de Perzen geslagen en moesten terugtrekken
met achterlating van een dertigtal kanonnen, die men nog te Merw, naast
de woning van kolonel Alikhanoff zien kan. Latere expeditiën hadden
geen beter gevolg of werden wel ontworpen maar niet uitgevoerd. Om
zich tegen een dreigenden aanval der Russen te kunnen verdedigen,
liet Kaoetsjoe-khan de groote citadel van Merw bouwen, die een omtrek
heeft van acht kilometers. Toen de oorlog met Rusland eindelijk,
in 1879, uitbrak, was Kaoetsjoe-khan reeds overleden: voor de
muren van Ghéok-Tépé bracht zijn opvolger het russische leger eene
nederlaag toe. Een veldtocht van een jaar, een geregeld beleg van
eenige weken was noodig om deze krijgshaftige bandieten te dwingen
en tot onderwerping te noodzaken. Omstreeks drie jaren na den val
van Ghéok-Tépé bood Merw vrijwillig zijne onderwerping aan en werd
de geheele oase bij het reusachtig rijk der Tsaren ingelijfd.

De Russen schijnen er zich op te verstaan, om de verschillende
volksstammen, die zij onder hun gezag vereenigen, ook voor zich te
winnen en met de vreemde heerschappij te verzoenen. Hier althans
zou niets u doen vermoeden, dat ge in een veroverd land zijt;
uit de inlanders worden speciale korpsen gevormd, die bij een
eventueelen oorlog groote diensten kunnen bewijzen, en waarbij de
khans of aanzienlijken den graad van officier kunnen verwerven. Maar
tusschen deze inlandsche en de russische officieren bestaat volstrekt
geene gelijkstelling: al zijn de khans ook tot den rang van kolonel
opgeklommen, zal hun toch nimmer het bevel over eene afdeeling
kozakken worden opgedragen, en de tweede luitenants van het nationale
leger bewijzen hun wel de eer, die zij hun volgens de militaire wet
verschuldigd zijn, maar laten zich verder niet met hen in. Men acht
de handhaving van dit onderscheid noodig voor het prestige van het
heerschende ras.

Wij mogen de gelegenheid niet verzuimen, om de ruïnen van het oude
Merw te bezoeken, die in Europa bijna geheel onbekend zijn. Paarden
worden gezadeld; een turkmeensche gids in russische dienst wordt
ontboden: wij gaan op weg. Het zijn prachtige, sierlijke dieren,
die turkmeensche paarden, met hun fijnen kop, hunne smalle borst,
hunne gespierde pooten. Van gemengd arabisch ras, zijn zij nog
beter tegen vermoeienissen bestand dan de volbloed arabische
paarden. Zonder bezwaar kunnen zij een week lang honderd kilometer
per dag afleggen. Zij worden in de tent, met de kinderen van het
gezin groot gebracht en door de vrouwen gestreeld en geliefkoosd;
het ontbreekt hun aan niets; ook waar, in eene armzalige kibitka,
de meester en zijn gezin met lompen zijn gekleed, heeft het paard
nog een goed warm dek.

Aan de linkerzijde van de spoorbaan liggen de overblijfselen der oude
stad Sultan-Sandjar-Kala, waarvan slechts de voornaamste monumenten
nog staande zijn gebleven. Van de gewone huizen is hier, evenmin
als in het latere Baïram-Ali, bijna geen spoor meer over: trouwens,
dit laat zich begrijpen, daar verreweg de meeste gebouwen van pisé,
gestampte aarde, zijn opgetrokken. Waar zal men ook in de eindelooze
steppe steen vinden? De kleiaarde, in de zon gedroogd, verkrijgt
voldoende hardheid om muren te bouwen van ettelijke ellen hoogte
bij eene dikte van veertig tot vijftig duim. Het vervaardigen van
baksteen was en is nog zeer kostbaar: niet dan bij uitzondering werd
daarvan gebruik gemaakt. Met verbazing staat men stil voor deze vaak
kolossale gebouwen, waarbij geen enkele steen is gebruikt, en die
toch betrekkelijk goed bewaard zijn gebleven. Uit de verte zou men
ze voor gewone gebouwen aanzien, en toch is alles louter aarde.

Wij rijden langs een vormeloozen wal of dijk, volgens onzen gids,
de omwalling der stad van Alexander. Heel zeker is hij daarvan niet,
want als ge hem met vragen lastig valt, zal hij gereedelijk toegeven
dat gij de overblijfselen voor u hebt van de stad van Zoroaster,
van Ghiaoer-Kala (de sterkte van den ongeloovige). Als ge den wal
beklimt, ziet ge niets dan de vlakke kale steppe, met hoog geel gras
begroeid, en hier en daar eenige heuvels van aarde of scherven en
puin. Vermoedelijk zouden hier niet onbelangrijke opgravingen zijn
te doen.

Wij begeven ons naar de weinige monumenten, die in de stad van sultan
Sandjar nog de aandacht trekken. Dat zijn vooreerst twee groote
gewelfde portieken of nissen, waarvan de achterwand met gekleurde
tegels bekleed is: ongetwijfeld behoorden deze ruïnen vroeger tot eene
moskee. Tegenover de portieken ziet men twee sarkophagen, insgelijks
van baksteen, en in die sarkophagen twee kisten van dezelfde bouwstof,
met een wit marmeren zerk gedekt. Niemand kan mij zeggen, wie daar
begraven ligt. De graven schijnen nieuw, maar zijn toch, volgens
onzen gids, eenige eeuwen oud.--Wij rijden vervolgens langs eene
soort van citadel, waarvan de aarden wallen aan de buitenzijde met
regelmatige vertikale insnijdingen zijn versierd, die een zonderling
effekt maken: het is als zag men eene rij reusachtige overeind staande
worsten. Eindelijk komen wij aan de belangrijkste ruïne der geheele
streek, aan het graf van sultan Sandjar, op eene hoogte of terp
gebouwd, waardoor het monument, uit de verte gezien, veel hooger
schijnt dan het werkelijk is. Verbeeld u een rechthoekig gebouw,
aan iedere zijde achttien tot twintig el breed, en gedekt door een
koepel, die zich vijf-en-twintig el boven den grond verheft; alles
van baksteenen, die door zoo hard cement verbonden zijn, dat zelfs
het breekijzer daarop afstuit. Twee kleine deuren tegenover elkander
geven toegang tot het inwendige van het gebouw, maar zij zijn zoo laag,
dat een der officieren, prins Gagarin, even hoog van statuur als van
geboorte, zich bijna in tweeën moet vouwen om binnen te gaan. Binnen
getreden, moet ge twee of drie el afdalen om den vloer van het monument
te bereiken. Waar is nu de tombe van sultan Sandjar? Is zij ergens
verborgen of door Dsjenghis-Khan vernield? Misschien zullen latere
onderzoekingen dit raadsel ophelderen.

Wij begeven ons nu naar de perzische stad Baïram-Ali, waardoor de
spoorweg loopt. Een vrij groot aantal partikuliere woningen, vroeger
zeker het eigendom van aanzienlijken en hoofden, zijn nog in tamelijk
goeden toestand bewaard gebleven en bieden des noods den reiziger nog
eene verblijfplaats aan. Bijna allen zijn naar hetzelfde model gemaakt,
en bestaan in de eerste plaats uit een vierkant gebouwtje van zes tot
tien meter hoog, in twee verdiepingen verdeeld. Eene zeer smalle lage
deur geeft toegang tot de benedenverdieping; een trap ontbreekt, zoodat
de bovenverdieping alleen met behulp van een ladder bereikbaar was;
blijkbaar is dit zoo gemaakt met het oog op de verdediging tegen
een vijandelijken aanval: dan was die bovenverdieping de laatste
wijkplaats. Dit gebouwtje--men zou kunnen zeggen, deze vestingtoren--is
op eenigen afstand omringd door een muur van omstreeks drie el hoogte,
waarbinnen zich ongetwijfeld de eigenlijke woning van het gezin bevond:
in dien muur was slechts een enkele doorgang, waartegenover, aan de
buitenzijde, zich een klein gebouwtje bevond, bestemd tot wachthuis
voor soldaten of tot verblijfplaats voor de slaven.

Deze woningen zijn geheel van leem en kleiaarde en bevatten maar zeer
weinig baksteen. Het gebruik van pisé of van in de zon gedroogde
steenen is niet alleen veel goedkooper, maar verdient ook uit het
oogpunt van koelte en frischheid de voorkeur. Generaal Annenkof heeft
opgemerkt, dat, in het heete jaargetijde, een verschil in temperatuur
van tien tot twaalf graden valt waar te nemen te nemen tusschen huizen
die van gebakken steen en huizen die van in de zon gedroogden steen
zijn gebouwd.

Het voornaamste monument van Baïram-Ali is de citadel, waarvan de muren
met halfronde torens onwillekeurig aan het Kremlin herinneren. De
omwalling is rechthoekig, en beslaat eene oppervlakte van omstreeks
drie kilometers. De overblijfselen der poorten van de vesting zijn zeer
bezienswaardig. In waarheid, de ruïnen van het oude Merw verdienen de
aandacht der geleerden: wij zijn geen geleerden, en toch vergeten wij
hier onzen tijd. Waarom is kolonel Alikhanoff niet bij ons? Hij zou ons
misschien kunnen zeggen, wat die brokstukken van gebouwen eigenlijk
beteekenen, waarvan wij te vergeefs de oorspronkelijke gedaante
trachten te raden; hij zou ter verklaring de toevlucht kunnen nemen
tot de turkmeensche traditiën, waarvan hij volkomen op de hoogte is.

De avond was reeds gedaald, toen wij onze paarden in galop zetten om
naar den trein van den generaal terug te keeren, waarvan de lichten
ons op een afstand van drie kilometers tegenblonken. Maar wij hebben
het ongelukkig getroffen met onzen gids. Het terrein dezer verlaten
steden wordt doorsneden door diepe grachten, die geheel begroeid en
daardoor, vooral in de duisternis, voor de paarden niet te onderkennen
zijn. Wij komen veel te laat ter plaatse onzer bestemming; gelukkig
is de generaal voorkomend en ziet hij wat door de vingers ter wille
van onze archeologische liefhebberijen.

Het is vinnig koud op den open wagen: de uit Siberië komende
noordoosten wind verstijft ons met zijn ijzigen adem. Voeg daarbij,
dat een fijne regen ons voortdurend in het gezicht waait, nog
verschroeid door de gloeiende zonnestralen van den vorigen dag. Er is
inderdaad niet meer noodig om de koorts te krijgen; deze plotselinge
overgangen van temperatuur maken het klimaat van deze streek voor vele
gestellen zeer gevaarlijk. Na twee maanden van tropische hitte (Juli
en Augustus), steekt plotseling een koude noordenwind op, waarmede de
herfst aanvangt, die tot November duurt. De boomen ontbladeren zich
en het voorkomen der oase ondergaat eene geheele verandering. Dan
begint de winter met zeer strenge koude (vijftien tot twintig graden
Celsius onder nul) en aanhoudende stormen uit het noordoosten. De lente
(April en Mei) is misschien het eenige wezenlijke goede en aangename
jaargetijde, waarin weldadige regens de warmte temperen en het aardrijk
verkwikken, dat zich dan weer met zijnen groenen dos tooit. Men moet
echter wel in het oog houden, dat er geene vergelijking is te maken
tusschen de zon van Merw en die van sommige lage vochtige streken
nabij de evennachtslijn: gevallen van zonnesteek zijn hier zeldzaam en
niet gevaarlijk, hoewel de russische soldaten slechts eene eenvoudige
witte pet dragen, die den nek onbedekt laat. Dit alleen bewijst, dat
de zonnestralen, hoe ze ook mogen branden, hier veel minder te duchten
zijn dan bij voorbeeld in de Roode-zee of in de indische kustlanden.



V


8 September.--De trein met materieel is zoo even vertrokken, maar de
militaire constructietrein staat nog onbewegelijk. Het is vijf uren
in den morgen. Ik bibber van de koude en heb geen ander gezelschap
dan een russisch ingenieur, die noch duitsch, noch fransch verstaat,
want mijn reisgenoot tot hiertoe is ongesteld geworden en met den
trein voor het materieel naar Merw teruggekeerd om van daar naar
Europa te vertrekken. Zou het niet mogelijk zijn, in dit vroege
morgenuur een kop thee te krijgen? _Tchaï_, _tchaï_? De ingenieur
begrijpt mij, en wij gaan te zamen op weg naar eene kleine cantine
voor de Turkmenen en de soldaten. Vier stevige palen aan de hoeken,
boomtakken bij wijze van latwerk, wanden van leem, een dak van riet
met aarde bedekt: ziedaar de cantine, die, zoo als ge bespeurt,
niet zondigt door overmatige weelde. Van binnen een kleine houten
tafel, twee banken, een soort van buffet met eenige flesschen _wodka_
(brandewijn), tabak en de onmisbare samovar. Aanvankelijk moesten
de russische officieren zich met zulke krotten tevreden stellen:
zij hebben er niet tegen geprutteld en er zich nog minder door laten
afschrikken. Op verschillende nog niet afgewerkte stations vindt men
nog van die keten, half in den grond bedolven en door eene dikke laag
aarde tegen de zonnehitte beschermd; er behoort geene geringe mate van
moed toe om daar te leven, te midden van eene woestijn; maar dit is
altijd toch nog beter dan, bij den noordenwind, onder den blooten hemel
te slapen. Ik was althans zeer blijde, toen ik dit hol binnentrad,
waar _tchaï_ te krijgen was, al struikelde ik half over twee Tekkés,
die nog lagen te snorken, maar zich haastten om ruimte te maken.

Na verloop van een uur, verkwikt en verwarmd door de heete thee,
maakte ik mij gereed naar den trein terug te keeren, toen ik het
fluiten hoorde eener lokomotief: dat was mijn trein, die vertrok. Maar
in plaats van naar Merw terug te keeren, reed hij twee wersten verder
in de richting van de Amoe-darja, daarmede bezit nemende van het stuk
weg, dat den vorigen avond was afgewerkt, gedurende ons uitstapje naar
de ruïnen. Ik moet tot mijne schande bekennen, dat ik naïef genoeg
was om den trein na te loopen--natuurlijk te vergeefs. Indien er nog
lieden mochten zijn, die niet aan het bestaan van den transkaspischen
spoorweg gelooven, dan raad ik hun soortgelijke proef te nemen.

Na een geforceerden marsch, waarbij ik gelukkig geen last had
van de opkomende zon, kwam ik eindelijk aan de plek waar de trein
stilstond. De arbeiders zijn aan het werk; de generaal is met zijne
officieren te paard gestegen; overal heerscht dezelfde regelmatige en
kalme drukte als bij den bouw van een fort, wanneer de vijand reeds
in aantocht is. Ik heb reeds verhaald, hoe de arbeid is geregeld en
verdeeld, en behoef dat dus niet te herhalen; laat ons liever enkele
wagens bezichtigen.

In het kabinet van den generaal ontvangt zijn partikuliere secretaris
de telegrammen uit Petersburg en stelt de antwoorden op, die door
den generaal in der haast worden gedicteerd; kozakken, met de
lange tsjerkesse gekleed, komen en gaan onophoudelijk: dat zijn de
ordonnansen van Zijne Excellencie. Onder deze flinke manschappen,
naar de circassische mode gekleed, bevindt zich een Kirghizen-sultan,
een geboren vorst, dien ge u wachten moet voor een gewoon oppasser
te houden. Hij heet Araslanof, is geboortig van Orenburg en heeft
den rang van adjudant. Zijne geschiedenis is merkwaardig genoeg. Na
aan het hoofd te hebben gestaan van een opstand zijner stamgenooten,
bood hij den Tsaar zijne onderwerping aan. Tot russisch officier
benoemd, deserteerde hij en trad in dienst bij den khan van Khiwa,
die hem tot minister van oorlog benoemde. Dank zij zijne maatregelen
en beschikkingen, kon Khiwa gedurende zekeren tijd aan de Russen
weerstand bieden. Toen hij eindelijk zag, dat het spel verloren was,
aarzelde onze vriend niet langer: hij begaf zich naar de russische
voorposten en leverde zich zelven over. "Ik weet wel, zeide hij,
dat ik den kogel verdiend heb; maar als gij verstandig zijt, zult
gij mij niet doodschieten, doch liever van mijn raad en hulp gebruik
maken."--Inderdaad verschafte hij aan de russische officieren alle
inlichtingen omtrent de sterkte van den vijand en de meest geschikte
punten voor den aanval; in ruil voor dit verraad kreeg hij vergiffenis
en werd in zijn vroegeren rang hersteld. Het voorval is typisch:
beter dan een lang vertoog teekent het de aziatische zeden. Maar dat
de russische militairen zulke officieren niet bijzonder hoog achten,
is niet meer dan natuurlijk. Trouwens, zoo als ik zeide, zij voeren
nooit het bevel over russische soldaten.

De ambulance-waggon is ledig; de verblijven van de soldaten en de
turkmeensche werklieden zijn ontruimd en aangeveegd (van tijd tot
tijd worden zij uitgestoomd); de slaapsteden zijn bedekt met de groote
grijze kapotjassen, die zoo goed tegen de koude beveiligen; de soldaten
van de tweede, de namiddag-brigade slapen, of verrichten partikulier
werk, of wel zitten in troepjes rondom reusachtige samovars. Zingen
doen zij alleen des avonds, als de dagtaak is volbracht.

De koks zijn bezig met het gereedmaken van het ontbijt in de
keuken-waggons. Het is voorzeker iets zeer ongewoons, in een
goederenwagen een grooten steenen oven te zien. Wij hebben reeds iets
dergelijks in den trein van Oezoen-Ada kunnen opmerken. De oven wordt
noch met hout, noch met steenkolen gestookt: men gebruikt daarvoor
het bezinksel dat bij het distilleeren van petroleum overblijft en
van Bakoe wordt aangevoerd. Voor het stoken van de lokomotieven wordt
dezelfde brandstof gebruikt, zonder dat dit eenig gevaar oplevert. De
ontvlambare vloeistof wordt, na eerst door heet water verwarmd te
zijn, in aanraking gebracht met den heeten damp van kokend water:
de brandbare deeltjes vatten vuur, en zoo ontstaat een vlam, die de
gansche breedte van den oven of den haard beslaat.

Deze wijze van verwarming met petroleum heeft het groote voordeel,
dat men eenvoudig door het omdraaien van een kraantje het vuur
onmiddellijk kan uitblusschen. Dit is van overwegend belang zoodra er
gevaar ontstaat voor springen. Bovendien beveelt dit stelsel zich aan
door goedkoopheid: vergeleken bij de kosten van verwarming door hout,
worden op deze wijze per maand vijf-en-dertig roebels uitgewonnen
voor de voeding van eene kompagnie van tweehonderd man. Voor de
lokomotieven berekent men dat het gebruik van deze naphta zes maal
goedkooper is dan dat van steenkolen. In dat opzicht profiteert
de transkaspische spoorweg van de nabijheid van petroleum-bronnen,
wier rijkdom, volgens sommige geologen, onutputtelijk is.

De militaire constructietrein voert, als alle treinen op de
transkaspische lijn, niet alleen zijn petroleum of naphta, maar
ook zijn water mede in speciale wagens, hetzij van hout, hetzij van
geslagen plaatijzer, die elk zeshonderd pond--ongeveer negenduizend
liter--vloeistof kunnen bevatten.

Ten slotte gaan wij een bezoek afleggen bij den adjudant van den
generaal, den heer Milioutin, in den bureau-waggon. Men kan altijd
iets leeren van de zeer beschaafde en ontwikkelde officieren van het
russische leger: mocht gij soms lust gevoelen om een uitstapje te
maken naar Bokhara, dan zal de heer Milioutin u weten te verhalen
van den met het walgelijkste ongedierte gevulden kuil, waarin de
emir weleer zijne vreemde bezoekers placht op te sluiten. Sedert
Bokhara het russische protektoraat heeft moeten erkennen, is daarin
verandering gekomen; maar toch, indien ge niet zeer op uw hoede
zijt en de ontevredenheid of het wantrouwen van den emir opwekt,
dan.... Hij zal u ook het vermakelijke verhaal doen van de lotgevallen
van een engelschen dagblad-correspondent, een zekeren heer O'Donovan,
een dier onuitstaanbare lieden, die overal bij willen zijn en over
alles willen babbelen. Deze kwant wilde volstrekt den veldtocht der
Russen in Turkmenië mede maken: een aanval van typhus verhinderde
hem aan de eerste expeditie van Ghéok-Tépé deel te nemen; Skobeleff,
die niet van reporters hield, zond hem bij de tweede expeditie uit
het leger; niettemin volhardde hij bij zijn voornemen om naar Merw te
gaan, en werkelijk gelukte het hem, onder eene vermomming, het eerst
tot deze bijna onbekende oase door te dringen; maar eenmaal te Merw,
werd hij gevangen genomen, en ondanks zijne hoedanigheid van onderdaan
van Koningin Victoria, in den kerker opgesloten, waaruit hij eindelijk
door de Russen moest worden bevrijd.

Eenige dagen geleden, had een fransch reiziger, de heer Bonvalot,
in dezen zelfden waggon inlichtingen gevraagd omtrent de beste wijze
om met zijne reisgenooten in Afghanistan door te dringen, waar hij
eene of andere wetenschappelijke missie had te vervullen. Zoowel
de generaal als de heer Milioutin trachtten hen van dit voornemen
terug te brengen. Sedert had men niets meer van hen vernomen; de
vergunning om over de grenzen te gaan was hun geweigerd, hetgeen
ieder zeer begrijpelijk vond. Eene maand later ontmoette ik een
engelsch officier, aan wien vergunning was verleend om langs den
transkaspischen spoorweg en door Kaukasië naar zijn vaderland terug
te keeren; hij deelde mij mede dat het verbod om de grenzen te
overschrijden louter in het belang der reizigers was uitgevaardigd:
in Afghanistan heerschen burgeroorlog en anarchie, en de vreemdelingen
loopen zeer groot gevaar gevangen genomen en zelfs wel vermoord te
worden. Wanneer zullen Europeanen te Herat, even als thans te Merw,
in volkomen veiligheid kunnen rondwandelen?

9-14 September.--Merw ligt achthonderd-twee-en-twintig kilometers van
de Kaspische-zee; Baïram-Ali is de zevenhonderd-vijf-en-negentigste
werst, en wij naderen de mijlpaal achthonderd-vijftien, waar eene
kleine halte, Koerban-Kala, zal werden gemaakt. Wij hebben de grens
van de oase bereikt; wij bevinden ons op nieuw in de zandwoestijn,
afgewisseld door onbebouwd alluvium, dat zich tot de Amoe-darja
uitstrekt. Over deze rivier zal eene brug worden gebouwd te Tsjardjoeï,
eene stad van dertigduizend inwoners, die tot het khanaat van Bokhara
behoort; de afstand van deze stad tot Oezoen-Ada bedraagt duizend-vijf
wersten. Op den achtsten September 1886 moest de spoorweg dus nog
over ruim tweehonderd wersten worden doorgetrokken om den alouden
Oxus te bereiken; de bouw van dit vak, het moeilijkste van de geheele
lijn, was reeds den dertigsten November daaraanvolgende voltooid,
zoo dat men nu slechts eenige uren noodig heeft voor de reis door
eene woestijn, welke vroeger drie of vier dagen vorderde, waarbij
men dan nog de kans liep, half verblind te worden door de wolken van
zand, die de sterke wind voor zich uitdrijft. Ik had eigenlijk mijn
bezoek drie maanden moeten uitstellen. Om de reis voort te zetten,
moeten wij nu nog te paard stijgen en voor nachtverblijf ons met
eene tent tevreden stellen. Gelukkig is de weg althans afgebakend;
zelfs zou men reeds, over eene lengte van honderd kilometers, met
een rijtuig de baan kunnen volgen.

Want, zoo als ik zeide, de inlandsche arbeidersploegen, die de
aardwerken moeten uitvoeren, zijn den constructietrein zeer ver
vooruit. De turkmeensche werklieden, die met hunne groote mutsen van
schapenwol het steken van de zon kunnen trotseeren, hebben den ganschen
zomer doorgewerkt. Ook treft men overal langs de baan ingenieurs en
landmeters aan, die het opzicht houden over de werkzaamheden, het
terrein bestudeeren en opnemen, en de richting van den weg bepalen;
hunne kampementen zijn van vijf-en-twintig tot dertig kilometers van
elkander verwijderd. Deze ijverige mannen, die zich ter wille hunner
plichtsvervulling allerlei ontberingen getroosten en letterlijk
buiten de beschaafde wereld leven, zullen u steeds met de grootste
hartelijkheid en gastvrijheid ontvangen. Een hunner heeft zelfs zijne
vrouw bij zich.

En deze onvermoeide ingenieurs konden niet volstaan met het bestudeeren
van slechts eene richting voor de te maken baan. De turkmeensche
woestijn was nog ten vorigen jare zoo volkomen eene _terra incognita_,
dat men aan gene zijde van Merw zoo goed als op den tast te werk
moest gaan. Behalve de richting van Tsjardjoeï, waarop ten slotte
de keuze is gevallen, omdat in die richting aan den rechter oever
van de Amoe-darja minder zand wordt aangetroffen en de spoorweg door
het meest bevolkte gedeelte van Bokhara loopt; behalve deze richting
heeft men ook nog het ontwerp opgemaakt voor eene andere lijn met eene
afwijking van minstens driehonderd kilometers, die te Boerdalik, nabij
de afghaansche grens, over de rivier zou gaan. Onder de leiding van den
hoofdingenieur Danilof, zijn al de terreinsopnemingen en voorbereidende
werkzaamheden tusschen Askhabad en Samarkand, over eene uitgestrektheid
van negenhonderd-dertien wersten of negenhonderd-zeven-en-zeventig
kilometers, in weinige maanden, van Mei tot December 1885, verricht;
als men de mede bestudeerde afwijkingen en wijzigingen daarbij in
rekening brengt, omvat de arbeid eene uitgestrektheid van meer dan
dertienhonderd kilometers. Bedenkt men daarbij, wat het zegt te leven
en te werken in eene woestijn waar zelfs geen water is te vinden,
dan zal men moeten toegeven, dat hetgeen hier door de russische
ingenieurs is verricht, zonder voorbeeld was.

Negen stations scheiden Merw van de Amoe-darja; ik geef hier de lijst
dier stations met vermelding van den afstand van Oezoen-Ada:


                Baïram-Ali........... 795 wersten.
                Koerban-Kala......... 815  id.
                Keltsji.............. 839  id.
                Ravina............... 862  id.
                Oetsjadji............ 887  id.
                Peski................ 912  id.
                Repetek.............. 936  id.
                Esjek-Rabat.......... 959  id.
                Selim................ 982  id.


Met uitzondering van het eerste station, dat wij bezocht hebben en
waar eene vrij waterrijke beek wordt aangetroffen, liggen al de andere
midden in de woestijn; geen enkel inlandsch kamp of dorp, behalve dat
van Selim, brengt eenige afwisseling in deze doodsche eenzaamheid;
overal ontbreekt drinkwater, uitgenomen bij de stations Koerban-Kala,
Oetsjadji, Repetek en Selim, waar men met veel moeite geslaagd is in
het opsporen van wellen; de kale zandduinen zijn ontbloot van iedere
soort van plantengroei:--in één woord, de gansche landstreek is niet
meer dan eene akelige naakte wildernis, waar slechts nu en dan de kreet
van het wild gedierte de stilte verbreekt. En toch stonden hier eenmaal
bloeiende steden en woonde hier eene talrijke beschaafde bevolking.

Eenige kilometers voor men aan het station Ravina komt, beginnen de
zandduinen zich te vertoonen, die zich dan onafgebroken over eene
lengte van omstreeks vijf-en-zestig kilometers uitstrekken. De bouw
van dit gedeelte van den spoorweg leverde de grootste moeilijkheden
op. De duinen zijn misschien niet hooger dan die langs het strand
van de Kaspische-zee, maar zij zijn volstrekt onbegroeid en daardoor
aan voortdurende verstuiving onderhevig. Een sterke wind, die eenige
dagen achtereen in dezelfde richting waait, kan de duinen soms van
een tot twee meter verplaatsen. Het zal dus veel meer moeite kosten,
deze losse duinen vast te leggen dan de reeds half begroeide duinen
langs de Kaspische-zee; maar voor vernieling van den spoorweg behoeft
men niet te vreezen. Wanneer ondanks de genomen voorzorgen, zoo als
het plaatsen van paalrijen en staketsels om het zand tegen te houden,
op sommige punten verplaatsingen mochten voorkomen, dan zullen die
toch niet meer te beteekenen hebben dan aardstortingen op iedere
andere lijn: een arbeid van eenige uren zal voldoende zijn om den
hinderpaal weg te ruimen en het verkeer te herstellen. De hoogte
der uitgravingen bedraagt niet meer dan tien el; de inhoud van de
zandheuvels per werst bedraagt gemiddeld elfduizend kubiek meter.

Heeft men deze duinen achter den rug, dan komt men op nieuw in
de woestijn, die zich onafgebroken tot de Amoe-darja uitstrekt en
afwisselend uit alluvium en zand bestaat. Welk eene verschrikkelijke
streek; en hoe volkomen begrijpelijk is, wanneer men deze onherbergzame
wildernis aanschouwt, de kalme gerustheid der beheerschers van
Hindostan! Zulk eene woestijn mocht inderdaad het beste aller bolwerken
worden gerekend, bijna even onoverkomelijk als de oceaan. Maar
binnen weinige maanden is alles veranderd: de slagboom is opgeruimd,
de kracht van het bolwerk gebroken. Al ware het meer dan vermetel,
vooral in dit geval, de toekomst te willen voorspellen, zoo ligt
toch eene verovering van Indië--gesteld dat de russische politiek
daarop is gericht--vermoedelijk niet in het naaste verschiet. Maar
toch.... met welk doel voegt de Tsaar deze afschuwelijke wildernissen
en kale steppen bij zijn onmetelijk rijk?

Wij komen te Tsjardjoeï. Bij deze belangrijke stad zal de spoorweg
de Amoe-darja moeten oversteken; de ontworpen brug zal eene lengte
verkrijgen van meer dan anderhalve kilometer. De oude klassieke Oxus
stuwt zijne wateren voort tusschen steile, eenigszins zandige oevers,
die eene hoogte hebben van acht tot tien meter. Generaal Annenkof
is nog onzeker, of hij hier eene vaste ijzeren brug met wijde bogen
zal laten bouwen; en die aarzeling is alleszins verklaarbaar, want
hoewel het bed der rivier uit zand bestaat met een dunne laag klei
overdekt, en hoewel de diepte, gedurende de helft van het jaar, niet
veel meer dan drie voet bedraagt, zouden toch de kosten van zulk een
werk zeer aanzienlijk zijn. Naar het schijnt, bestaat nu het plan om
gebruik te maken van een eilandje, dat de rivier in twee bijna gelijke
takken verdeelt en waaraan een kabel zou worden bevestigd, waarvan
het andere uiteinde aan eene stoomponton wordt vastgemaakt. Op die
ponton zouden dan de passagiers- en goederenwagens worden overgezet,
terwijl de lokomotief zou achterblijven.

Door het doortrekken van den transkaspischen spoorweg tot aan
Tsjardjoeï verzekert Rusland zich het bezit van eene rivier, die
wat de lengte van haar loop (vijf-en-twintighonderd kilometers)
en het jaarlijksch volume van haar watermassa aangaat, in Europa
alleen door den Donau en de Wolga wordt overtroffen. Zij vormt
de grensscheiding tusschen Bokhara, dat feitelijk eene russische
provincie is, en noordelijk Afghanistan. Langs dezen weg kan men
troepen vervoeren tot aan de grenzen van Badaksjan, aan den voet
der bergpassen van den Hindoekoesh, waarover de wegen naar Engelsch
Indië loopen: men begrijpt dus van welk strategisch gewicht het bezit
dezer rivier is. Ongelukkig gaat de scheepvaart op de Amoe-darja
met bezwaren gepaard, die wel niet onoverkomelijk zijn, maar welker
opruiming toch zeer veel inspanning en maatregelen van bijzonderen
aard zal vorderen. In het voorjaar en in den zomer, na het smelten
der sneeuw op het Pamirgebergte, waar de Amoe-darja ontspringt,
bereikt de rivier eene hoogte van vijf tot zes meter; in den winter
en den herfst daarentegen bedraagt de diepte niet meer dan twee of
drie voet. Om van dezen waterweg in zijn tegenwoordigen toestand
gebruik te kunnen maken, moet men dus eene flottille van platboomde
stoombooten tot zijne beschikking hebben. Wordt met den bouw van deze
vloot evenveel spoed gemaakt als met den spoorweg, dan zal zij zeker
binnen niet langen tijd de wateren van den Oxus klieven.

Na eene aanhoudende ingespannen werkzaamheid van achttien maanden,
schijnt de verdere voortzetting van de transkaspische spoorlijn
voorloopig te blijven rusten. Wij zullen dus ook hier, aan de oevers
van de Amoe-darja, het einddoel van onze reis vinden, hoewel het minder
gevaarlijk is om een bezoek te gaan afleggen bij den emir van Bokhara,
dan bij zijn buurman van Kaboel. Blijft de vrede in Europa bewaard,
dan zullen wij in het volgende jaar, zonder eenige vermoeienis of
inspanning, in tien uren den afstand van driehonderd-vijf-en-zeventig
kilometers kunnen afleggen, die ons van Samarkand scheidt. De
aanleg van dit gedeelte der lijn zal veel gemakkelijker zijn dan
van de andere. Van de Amoe-darja tot Karakoel, over eene lengte
van omstreeks vijftig wersten, heeft men eene waterlooze woestijn;
maar verderop kan de lijn den loop volgen van de Sarafsjan, de groote
rivier, die naar de oude aziatische metropolis voert. Zal Samarkand
dan het eindpunt zijn van den transkaspischen spoorweg? Misschien. De
groote stad Tashkend met haar honderdduizend inwoners is nog geen
driehonderd kilometers van Samarkand verwijderd; en de eenige ernstige
moeilijkheid, die overwonnen zou moeten worden, is de overgang van
de Sir-darja, eene rivier die in breedte en beteekenis vrij wel met
de Amoe-darja gelijk staat.

En na Tashkend? Op die vraag is geen antwoord te geven; maar de
onderstelling is zeker niet gewaagd, dat zulke onvermoeide pionniers
als de Russen niet halverwege blijven stilstaan bij hunne vreedzame
verovering van Centraal-Azië.



VI


15 September.--Terugkomst te Merw. Als men zoo pas de woestijn
verlaten heeft, schijnt de kleine onaanzienlijke stad haast
een paradijs. Verschillende officieren van den constructietrein
hebben verlof gekregen om mij te vergezellen; het wederzien van dit
toekomstige Babylon, de ontmoeting met hunne kameraden, het slapen
in een hôtel--ziedaar genietingen, waarnaar zij vurig verlangen. De
hôtels van Merw! Verbeeld u dat het mijne sedert acht dagen--alles
gaat hier met stoom!--eene geheele verandering heeft ondergaan het
is thans in het bezit van eene onbeschrijfbare piano en van eene
onweerstaanbare zangeres. Dit noemt men een _café-chantant_; Merw
bezit misschien een half dozijn van die inrichtingen, zoo als men ze
ook vindt in de binnenlanden van Algerië. Russen en Franschen hebben
op dit punt dezelfde liefhebberij. Nu, misschien is het nog beter,
na een dag van vermoeienden arbeid, zich 's avonds zoo goed en zoo
kwaad als het gaat te vermaken, dan van verveling te versuffen.

16 September.--Toebereidselen tot het vertrek. Afscheidsbezoeken bij
de hoofdofficieren, bij allen, die ons met zooveel vriendelijkheid
en voorkomendheid ontvangen hebben. Wij vleien ons met de hoop,
elkander weder te zien.

De Moergab, die reeds in het begin van September zeer laag was,
is in de laatste tien dagen nog meer gezakt, zoodat de kleiachtige
steile oevers bijna geheel bloot liggen. Toch kon, in Juni jl.,
de bedding der rivier het afstroomende water niet bevatten. Sedert
men de stuwen en waterwerken, welke door de vroegere sultans waren
gemaakt, heeft vernield en laten vervallen, wordt de oase van Merw elk
jaar, bij het smelten der sneeuw in de bergen van Afghanistan, door
overstroomingen geteisterd. Die van 1886 bereikte eene buitengewone
hoogte, en de Russen moesten alle krachten inspannen om de noodlottige
gevolgen dier overstrooming te keeren. In aller ijl werden dammen en
kistingen opgeworpen om de gaten en kuilen te stoppen, waardoor het
water kon binnenstroomen; gelukkig zijn de Tekkés in dit soort van
werk zeer ervaren. Ondanks alle inspanning richtte de overstrooming
toch groote verwoestingen aan; niet zonder verbazing vernam men dan
ook te Petersburg de inwijding van het station te Merw op 2/14 Juli
daaraanvolgende. De opening van een spoorweg in eene overstroomde
landstreek scheen bijna ongeloofelijk, en toch was het waar. Men
was er in geslaagd, de overstrooming te stuiten, de rivier in hare
bedding terug te dringen, en op den bepaalden dag te Merw te komen. Een
generaal-majoor, adjudant des Keizers, is zoo juist hier aangekomen
om zich met eigen oogen van het feit te overtuigen. Ongetwijfeld
zal zijn advies de uitvoering bespoedigen van de noodige werken,
waardoor de periodieke terugkeer dezer overstroomingen kan worden
voorkomen en aan de oase hare vroegere vruchtbaarheid terug gegeven.

De trein van den generaal staat gereed: mij valt de eer te beurt,
met Zijne Excellencie naar Oezoen-Ada terug te keeren. Wij vertrekken
ten elf uren des avonds.--Als het mij ooit vergund mocht zijn, in
deze landstreken terug te komen, wat zal ik dan vinden in plaats
van de dorre steppen en de sedert eene eeuw ontvolkte oasen? Die
oasen kunnen en zullen zonder eenigen twijfel, door het aanleggen
van waterwerken en irrigatiekanalen, in haar vroegeren toestand van
vruchtbaarheid en bloei worden hersteld; zelfs zal het mogelijk zijn,
de steppen, waarvan de grond vruchtbaar is, door aanvoer van water,
over groote uitgestrektheden in kultuur te brengen.

Over de vraag, waaraan de herhaalde afwisselingen van vruchtbaarheid en
dorheid moeten worden toegeschreven, die sedert twee- à drieduizend
jaar in Turkmenië voorkomen, loopen de gevoelens der geografen
uiteen. Toch schijnt de Amoe-darja als de onmiddellijke oorzaak te
moeten worden beschouwd van de veranderingen, welke historisch zijn
gestaafd; en deze oorzaak is hoogst waarschijnlijk zelve weder het
gevolg van natuurkrachten, wier werking zich ook openbaart in de
naphta- en petroleumbronnen.

Ten tijde van Strabo stortte de Oxus zich in de Kaspische-zee uit;
de handel tusschen den Pontus Euxinus en Indië volgde de waterwegen,
die ten oosten van de Kaspische-zee eene voortzetting vormden van de
vallei van de Koer in Transkaukasië. Het mag inderdaad onmogelijk
worden geacht, dat de grieksche geografen, na de veroveringen van
Alexander en de stichting van helleensche staten in Centraal-Azië,
vooral ook na het onderzoek van de oostelijke oevers der Kaspische-zee
door den zeevaarder Patroclus op last van Seleucus I, zich omtrent
een zoo belangrijk punt als de loop van den Oxus zouden hebben
vergist. Maar tijdens de oudste arabische en turksche schrijvers had de
rivier zich noordwaarts gekeerd en stortte zich in het Aralmeer uit;
alle arabische geschriften en dokumenten uit dit tijdvak staven dat
feit. In de veertiende eeuw hernam de Oxus weer de richting naar de
Kaspische-zee, daarbij de natuurlijke helling van het terrein volgende,
dat met een vrij sterk verval (ruim veertien centimeters per kilometer)
naar die zee afdaalt. Ongeveer twee eeuwen achtereen stroomde de rivier
nu door de nieuwe bedding; maar omstreeks het midden der zestiende eeuw
wendde de Amoe-darja zich nogmaals van de Kaspische-zee af en keerde,
voor zoover ons bekend is, ten tweeden male, naar het meer Aral terug.

Deze herhaalde verplaatsingen, waarvan onbetwistbare dokumenten
gewag maken, zijn bovendien op de meest afdoende wijze bevestigd
door de nauwkeurige verkenningen en opnemingen van de oude bedding
van den Oxus, thans onder den naam van de Oesboï bekend, die ter
hoogte van de stad Koenia-Oergendsh zich van de tegenwoordige bedding
afscheidde en naar de baai van Krasnowodsk liep. De verlaten bedding,
gemiddeld een kilometer breed, is zoo duidelijk kenbaar, als ware
het water eerst kort geleden weggevloeid. De steile oevers zijn in
den kleiachtigen grond tot eene diepte van twintig en vijf-en-twintig
meters uitgegraven; slechts hier en daar zijn de gelijkmatige aardlagen
met taluds van zand bedekt. De platen en eilanden, waarmede de rivier
bezaaid was, zijn nog duidelijk zichtbaar. De diepe kuilen in de oude
bedding zijn op vele plaatsen met water gevuld en vormen langwerpige,
kronkelende plassen, aan stukken van eene rivier gelijk; struikgewas
en rietbosschen verkwikken het oog van den reiziger, die weken lang
niets heeft aanschouwd dan de naakte steppen; hier en daar ontmoet hij
zelfs, langs den zoom van het zoete water, boschjes van populieren en
wilde olijven. De ruïnen van steden en dorpen, die men, bepaaldelijk
tusschen de delta van de Amoe en het meer Sari-Kamisch, langs de oevers
van de Oesboï aantreft, zijn onbetwistbaar uit twee verschillende
tijdperken afkomstig, overeenkomende met de twee perioden gedurende
welke de Oxus zijn loop nam naar de Kaspische-zee. De bouwvallen der
oudste steden getuigen van eene mate van ontwikkeling, beschaving
en rijkdom, die zeer veel hooger staat dan hetgeen de meer moderne
ruïnen ons te aanschouwen geven: deze laatsten komen geheel overeen
met de ruïnen der eerst in den laatsten tijd gebouwde turkmeensche
steden. Trouwens, hetzelfde verschijnsel hebben wij waargenomen
bij de ruïnen van Sultan-Sandjar-Kala en van Baïram-Ali, die beiden
achtereenvolgens de plaats van het tegenwoordige Merw hebben ingenomen;
slechts in de eerste, oudste stad vindt men artistieke monumenten,
freskoos en geëmailleerde tegels.

De Amoe-darja is echter niet de eenige rivier in deze landstreek,
welke in den loop der tijden hare bedding heeft verlegd. Toen de Amoe
zich nog in de Kaspische-zee uitstortte, liep de Sirdarja of Iaxartes
in den Oxus uit; het groote meer Aral bestond toen niet of was althans
niet veel meer dan een moeras. De schrijvers die melding maken van
de landstreek, welke door den Oxus en den Iaxartes wordt besproeid,
gewagen van het meer Aral alleen in die tijdperken, waarin de genoemde
rivieren zich niet meer in de Kaspische-zee uitstorten.

Terwijl de hoofdstroom van den Oxus zich, langs de bedding van de
tegenwoordige Oesboï, naar de baai van Krasnowodsk richtte, schijnt
een andere tak van de rivier, uitgaande van Tsjardjoeï, zijn loop in
westelijke richting te hebben genomen door de toenmaals boschrijke
en vruchtbare vlakte, thans als de woestijn van Karakoem bekend. De
Moergab van Merw en de Tedsjen, die zich thans in het zand verliezen,
stortten zich toen zeker in dien tak van de Amoe-darja uit. Naar alle
waarschijnlijkheid had ook de Sarafsjan vroeger haar uitmonding in de
Amoe; tegenwoordig verdwijnt zij in den grond op betrekkelijk korten
afstand van die rivier, waarin zij zich ongeveer tegenover Tsjardjoeï
moet hebben uitgestort.

Deze veranderingen en omkeeringen zijn te verklaren, wanneer men
aanneemt dat de bodem beurtelings is gerezen en gedaald, waardoor
natuurlijk de richting van het verval geheel gewijzigd werd. Dergelijke
golvingen van den grond zijn des te waarschijnlijker, omdat zij slechts
enkele meters behoeven te bedragen ten einde eene geheele verplaatsing
te weeg te brengen van de rivierbeddingen. De geologie heeft reeds op
verschillende punten van den aardbol dergelijke rijzing of daling van
den bodem geconstateerd; en binnen de grenzen van de landstreek zelve,
waarover wij nu spreken, kunnen wij wijzen op de bewegingen van den
grond in den omtrek van Bakoe, dat wil zeggen in het brandpunt der
natuurkrachten, die de naphta- en petroleumbronnen naar de oppervlakte
der aarde drijven. Het petroleumbekken van Transkaukasië strekt zich
echter ook onder den grond van het transkaspische gebied uit: in de
beide landen kunnen dezelfde oorzaken dezelfde gevolgen hebben te
weeg gebracht.

De nauwkeurige waarnemingen en waterpassingen, voor den aanleg van den
spoorweg noodig, hebben zeer belangrijke inlichtingen verschaft over
de golvingen en oneffenheden van het terrein, en daarbij de middelen
aangewezen, om van de tegenwoordige gesteldheid zooveel mogelijk
partij te trekken. De Moergab en de Tedsjen leveren eene voldoende
hoeveelheid water, om zelfs zonder groote onkosten, de oasen van
Merw en van de Atek weer in haar vroegeren toestand te herstellen;
voor de vruchtbaarmaking van de oase van Akhal-Tekké kan men de
rivieren van het plateau van Iran gebruiken. Maar om de woestijn
van Karakoem, althans gedeeltelijk, voor de kultuur te herwinnen zal
men een irrigatie-kanaal moeten aanleggen, dat boven Tsjardjoeï van
de Amoe-darja uitgaat en de natuurlijke golvingen van het terrein
volgt. Eene terugleiding van de rivier in de voormalige bedding,
door de Oesboï aangewezen, is thans onmogelijk door de veranderingen,
welke de bodem sedert heeft ondergaan en welke de Amoe-darja juist
gedwongen hebben, zich een weg te banen naar het meer Aral. Toch
hebben de russische ingenieurs hier eene schoone taak te vervullen,
wanneer zij er in slagen, deze wijd uitgestrekte landstreken, deze
steppen en wildernissen, waar het alleen aan water hapert, tot nieuw
leven en vruchtbaarheid te wekken en ze wederom te maken tot hetgeen
ze eenmaal waren: de voorraadschuren van Centraal-Azië.

17 September.--Acht uren des morgens. Wij komen te Askhabad, na in
negen uren een traject van driehonderd-vijf-en-veertig kilometers te
hebben afgelegd. Als wij den tijd van oponthoud aan de stations mede in
rekening brengen, heeft de trein met eene snelheid van ruim veertig
kilometers in het uur gereden: hetgeen inderdaad knap mag worden
genoemd voor eene lijn, die ter nauwernood voltooid is. Ik verlaat den
salon-wagen, waar ik een uitmuntenden nacht heb doorgebracht en roep
een koetsier, om een bezoek te gaan afleggen bij generaal Komarof:
want, even als in Europa, vindt men ook hier rijtuigen bij aankomst
van den trein.

De stad ligt ruim vijftienhonderd meters van het station verwijderd;
de weg die beiden verbindt zou niets te wenschen overlaten, ware hij
niet bedekt met zulk eene dikke laag stof, dat door den wind wordt
aangevoerd. Ik durf mij nauwelijks voorstellen, hoe men het hier
maken moet bij storm uit het noorden.

Askhabad is vele jaren ouder dan Merw en is dan ook drukker en als
handelsplaats belangrijker; intusschen laat het zich aanzien dat Merw
deze stad spoedig genoeg overvleugelen zal. Generaal Komarof bewoont
een zeer fraai huis, zoo als men er in Merw nog geen vindt. Ik word
dadelijk toegelaten bij Zijne Excellencie, die in zijn kabinet,
eene zeer ruime zaal, aan het werk is. In warme landen is het de
gewoonte--en eene zeer goede gewoonte--groote, ruime kamers te maken;
maar in Turkmenië, waar het 's winters zoo geducht koud kan zijn,
moet men in zulke zalen half bevriezen.--De generaal ontvangt mij
met de meest voorkomende vriendelijkheid; hij verhaalt mij van zijn
reis, nu kort geleden, naar de vallei van de Atrek en de perzische
grens, en laat mij zijne rijke verzameling van photografiën en van
antiquiteiten zien: generaal Komarof is namelijk niet alleen een
militair, maar ook een geleerde en een ijverig navorscher. Na zijn
ontslag uit de militaire dienst, stelt hij zich voor, een omvangrijk
werk uit te geven over de landen van den Kaukasus en Voor-Azië.

Ik moest dien dag bijzonder veel van mijne maag vorderen: om twaalf
uur dejeuneerde ik met generaal Annenkof in den trein; om half twee
dejeuneerde ik nog eens bij generaal Komarof; om vier uur lunch
bij denzelfden; om zeven uren diner in den trein; om negen uur,
receptie in de militaire societeit; te middernacht officieel souper
bij den opperbevelhebber van het transkaspische gebied.--Dit gebied
of deze provincie is--in het voorbijgaan gezegd--in zes districten
verdeeld, aan het hoofd waarvan een kolonel of een luitenant-kolonel
staat. Deze zes districten zijn: Fort-Alexandrowski, Krasnowodsk,
Askhabad, Karibent, Merw en Pendeh; de inlandsche bevolking wordt op
ongeveer vijfhonderd-vijftigduizend zielen geschat.

De trein zette zich tegen half drie in den morgen in beweging: het
was meer dan tijd. Het is mij niet mogelijk geweest, een bezoek te
brengen aan de ruïnen van Nissa, op eenige wersten afstands, aan den
voet der perzische bergen gelegen. Men vindt in den bazar van Askhabad
prachtige perzische tapijten en verschillende produkten van Merw,
Afghanistan en Bokhara, waaronder zeer fraaie zaken. Deze artikelen
zijn niet duur, maar men moet er kennis van hebben.

18 September.--Negen uur 's morgens. Aankomst te Kizil-Arwat. Wij
hebben op nieuw tweehonderd kilometers afgelegd, met eene snelheid van
vijf-en-veertig kilometers in het uur. De generaal neemt de werken voor
den bouw van het nieuwe station, tot in de kleinste bijzonderheden,
in oogenschouw. Hij gaat overal heen en ziet alles na: ondanks zijne
vijftig lenten schijnt de brandende zon hem niet te hinderen. Bedenk
daarbij, dat hij aldus onafgebroken sedert vijftien maanden bezig is.

De steppen, de zandduinen, de Groote- en de Kleine Balkan vliegen langs
ons heen: de trein heeft eene snelheid van vijftig kilometers in het
uur. Wij dalen in volle vaart het zandige plateau van de kuststreek
der Kaspische-zee af, waartegen de gewone passagierstrein, bij onze
aankomst, zich langzaam moest opwerken. Vier uren na ons vertrek van
Kizil-Arwat zijn wij weer te Oezoen-Ada, dat in dien tusschentijd
belangrijke veranderingen en vergrootingen heeft ondergaan. Het is
vier uren in den namiddag; wij hebben tweehonderd-vijftig kilometers
afgelegd.

De schrijvers, die aan de Russen de talenten en bekwaamheden
der west-europeesche rassen ontzeggen en geene gelegenheid laten
voorbijgaan om tegen Rusland en voor Engeland partij te kiezen,
zouden wel doen, indien zij hun studeervertrek eens verlieten
om zich met eigen oogen te overtuigen van het groote werk in het
hart van Azië volbracht, en dat, zoo noodig, met onverzettelijke
energie zal worden voortgezet tot de eindelijke, de onvermijdelijke
ontknooping. Zij zouden dan begrijpen dat wellicht de tijd nadert
voor het vereffenen van zekere sedert lang loopende rekeningen,
en dat misschien de negentiende eeuw niet ten einde zal spoeden,
zonder getuige te zijn geweest van groote en gewichtige gebeurtenissen.

En wat hen niet het minst zou verbazen, is het gering bedrag der
kosten van het zoo gelukkig volbrachte werk. De kosten van aanleg van
den transkaspischen spoorweg bedragen niet meer dan twee-en-dertig
duizend roebels per werst, daaronder begrepen de kosten der metalen
rails en van het rollend materieel, welk een en ander uitsluitend door
russische fabrieken geleverd wordt. Als men de ontzaglijke afstanden
en de bezwaren, aan het verblijf in de turkmeensche steppen eigen,
in aanmerking neemt, dan mag dit cijfer inderdaad zeer gering heeten.
Onder de voornaamste oorzaken van deze geringe uitgave moet men
voorzeker  in de eerste plaats rekenen de omstandigheid, dat een
zeer groot deel van het personeel uit militairen bestaat; en voorts
het gebruik van inlandsche arbeiders, die weinig kosten en veel werk
verrichten, ondanks sommige zeer primitieve gebruiken. Daartoe behoort
onder anderen de aartsvaderlijke gewoonte om elkander van hand tot
hand de steenen voor den bouw over te reiken en om de uitgegraven
aarde in zakken te vervoeren. Ik houd het er voor, dat de metselaars
bij den torenbouw van Babel op gelijke wijze te werk gingen. Voor
elken zak zijn drie man noodig: een die de aarde uitgraaft, een die
den zak vasthoudt en wegdraagt naar de plaats van berging, waar een
derde man den voorraad in ontvangst neemt en zoogenoemd verwerkt.

Dat de lijn dadelijk in exploitatie wordt gebracht naar gelang de rails
zijn gelegd, zonder op de voltooiing der stations en andere werken te
wachten, draagt er mede toe bij om de kosten te verminderen, want nu
wordt zooveel te spoediger gelegenheid gegeven tot een, zij het ook
nog beperkt vervoer, waarvan de opbrengst in mindering komt van de
kosten van aanleg. Reeds hebben duizenden mohammedaansche pelgrims,
die jaarlijks uit westelijk Perzië en de landen van Transkaukasië
naar Mesjhed trekken om de graven der Aliden te bezoeken, van den
transkaspischen spoorweg gebruik gemaakt. Om hen te lokken, heeft de
generaal eene in het perzisch geschreven brochure doen uitgeven en
verspreiden, waarin de voordeelen van dit nieuwe middel van vervoer,
de besparing van tijd en geld, worden aangetoond. Bovendien zijn ten
behoeve van die bedevaartgangers bijzondere wagens ingericht. Men
heeft ook handelsagenten naar de jaarmarkt van Nowgorod en tevens
naar Bokhara en naar andere steden van Centraal-Azië gezonden, om de
aandacht op den nieuwen spoorweg te vestigen: met dat gevolg, dat een
deel der waren die vroeger over Orenburg werden vervoerd, nu langs
deze lijn zijn getransporteerd. Reeds nu zag ik te Tsjardjoeï groote
hoeveelheden van wollen en zijden stoffen, van gedroogde vruchten
en vooral van katoen. Dit laatste is van bijzonder gewicht. Tot
dusver moesten de russische katoenfabriekanten hunne grondstof
voor negen tienden uit Amerika en Egypte ontbieden; het gemis van
geschikte vervoermiddelen maakte het voor hen bijna onmogelijk, hunne
katoen uit Centraal-Azië te laten komen. De transkaspische spoorweg
zal hierin eene groote verandering brengen; en het weder in kultuur
brengen van de turkmeensche steppen, dat niet achterwege kan blijven,
zal er krachtig toe bijdragen om ook onder dit opzicht Rusland van
de vreemden onafhankelijk te maken.

De avond is gevallen, en het is aan zee zeer koel geworden. Wij
kunnen zeer goed gevoelen dat de zomer voorbij is. Wij dineeren in
den gesloten wagon, en luisteren daarbij naar eene militaire muziek,
welke ik voor het eerst hoor. De muziekanten dragen de russische
uniform; een der officieren deelt mij echter mede, dat de kosten van
dit muziekkorps door den generaal persoonlijk worden gedragen; de
muziekanten verplaatsen zich nu naar het eene, dan naar het andere
station, om in het leven der ballingen althans eenige afwisseling
te brengen.

Na afloop van het diner was er groote reunie in de galerij van
het station, waarbij ook de dames der officieren en ambtenaren
tegenwoordig waren. De generaal wilde voor den volgenden avond een
groot bal organiseeren;--maar helaas! eene leelijke kleine stoomboot
ligt gereed om naar Bakoe te vertrekken. Verzuim ik deze gelegenheid,
dan moet ik drie dagen wachten: dat is onmogelijk. Maar desniettemin
breng ik dezen laatsten avond op aziatischen bodem op de aangenaamste
wijze door.

19 September.--Het uur van vertrek is gekomen; de boot vaart om
twaalf uur af; ik moest dus afscheid nemen van allen met wie ik op
dit uitstapje kennis had gemaakt en van wie ik de vriendelijkste en
liefelijkste herinneringen medenam. Generaal Annenkof geleidde mij met
zijne officieren naar boord: op de stoomboot drukten wij elkander voor
het laatst de hand. De generaal voegde mij toe, dat hij mij over een
jaar weer hoopte te zien bij de inwijding van het station te Samarkand.

Het laatste gelui weerklinkt; het anker wordt gelicht; de boot zet
zich in beweging; de officieren op de kaai wuiven mij een laatsten
afscheidsgroet toe. Twee minuten later is Oezoen-Ada achter de gele
zandheuvelen verdwenen.



VII


Bakoe, 20 September 1886.--Wanneer men een tocht door de turkmeensche
steppen heeft gemaakt en de oase van Merw doorkruist, schijnt het niet
meer dan natuurlijk dat men zich beijvert om zoo spoedig mogelijk naar
huis terug te keeren. Maar aan den anderen kant is het toch ook niet
geoorloofd, Bakoe, de stad van het eeuwige vuur, inderhaast voorbij
te gaan, zonder er te toeven. Op geen ander punt der wereld misschien
heeft de natuur zoo vele en zoo verbazingwekkende wonderen gewrocht,
welke niet alleen de oogen der nieuwsgierige menigte trekken, doch
daarbij den geleerden raadselen voorleggen, welker oplossing nog niet
gevonden is.

De kleine stoomboot, waarmede ik van Oezoen-Ada vertrokken ben, vaart
des morgens ten acht uur, na een overtocht van twintig uren, langs
de uitstekende landpunt van het schiereiland Apsjeron. Wij volgen nu,
op korten afstand, de vlakke, zuidelijke kust, en bereiken eindelijk
de ruime reede, waar een honderdtal schepen in volle veiligheid hun
anker hebben uitgeworpen. Ten zuiden beuren de bergen van Lenkoran,
bekend door hunne zwavelbeddingen, hun spitse kruinen in de nevelige
lucht; kort daarop onderscheid ik langs den oever de marinewerven
en inrichtingen, de perzische stad met haar gekanteelde muren, de
nieuwe russische stad met haar in lange rijen geschaarde grijze
huizen, de zwarte stad en de donkere rookwolken die haar in een
eeuwigen sluier hullen. Om tien uur werpen wij het anker uit aan
den gemetselden aanlegsteiger van de douane, die honderd el ver in
zee uitsteekt; er zijn bovendien in de haven van Bakoe nog twintig
andere, op palen rustende, houten aanlegsteigers, waarvan sommigen
tweehonderd el lengte hebben, en die bijna allen het eigendom zijn
van particuliere maatschappijen. Bakoe is tegenwoordig de tweede
handelstad van de Kaspische-zee, en zal misschien over niet langen
tijd de eerste zijn. Sedert de laatste twintig jaren is de bevolking
van tienduizend tot zestigduizend zielen gestegen. De kleine hoofdstad
van onbekende khans is onder het russische bestuur een der voornaamste
en welvarendste industrieele centra geworden. Dezen voorspoed dankt
de stad aan de exploitatie der petroleum- en naphtabronnen.

Na een haastig ontbijt in een voortreffelijk europeesch hôtel, waarvan
het eenige ongerief is--en daaraan valt niets te veranderen--dat het
er letterlijk overal sterk naar petroleum ruikt, spring ik in een
mooien phaëton, en rijd in vollen galop naar de Villa Petrolia. Eerst
rijden wij door de rechte, goed geplaveide, levendige straten van
de russische stad; dan komen wij aan eene kleine zandwoestijn van
omstreeks vierhonderd meters lengte, waar de tartaarsche paarden
niet dan stapvoets en met veel inspanning kunnen voortgaan. Eindelijk
komen wij weer op een vaster terrein, waar de grond eene roodachtige
kleur heeft; links en rechts zien wij een aantal plassen, waarvan het
vocht het meest op levertraan gelijkt: dit vocht is het bezinksel,
dat bij het zuiveren van de natuurlijke naphta overblijft; de grond is
geheel met dit vocht doortrokken--van daar zijne eigenaardige kleur
en zijne meerdere vastheid. Het klinkt bijna ongeloofelijk, en toch
is het waar, dat men te Bakoe, waar het zelden regent, dit bezinksel
van petroleum soms gebruikt om de straten te besproeien. Het asphalt,
waarmede de trottoirs zijn bekleed, wordt evenzoo van naphta gemaakt:
het is in die mate onderhevig aan de werking der zon, dat uw voet er
soms inzinkt als in half droge modder.

Ten slotte bevinden wij ons midden in de zwarte stad: dat wil zeggen
in een baaierd van groote en kleine werkplaatsen en fabrieken, die
ieder om het hardst vuile zwarte rookwolken omhoog blazen, behalve
drie of vier, de grootste en de best ingerichte, die aan Europeanen
behooren, en die haar eigen rook verteren. De meeste fabrieken, die
door Armeniërs worden bestuurd, zenden u in het voorbijgaan stroomen
van vuil stinkend gas in het aangezicht, zoodat ge bijna gevaar
loopt te stikken. Het is raadzaam, hier niet te lang te toeven;
mijn koetsier legt de zweep over de paarden en drijft ze tegen een
heuvel op, waarop ge drie geweldige gasmeters ziet: het zijn evenwel
geen gasmeters, maar bewaarbakken van naphta. Zie zoo: wij zijn deze
noodlottige plek voorbij; de wind drijft de afschuwelijke rookwolken
achter onzen rug weg; van de hoogte waarop wij nu staan, overzien wij
de baai van Bakoe en de naakte heuvelen van Apsjeron. Voor onze voeten,
aan den oever der zee, zien wij eene soort van oase, waar althans
eenig groen de oogen verkwikt; eenige nette, ruime woningen staan
daar te midden van de dorre zandwoestijn. Deze woningen zijn gebouwd
door de heeren Nobel, de chefs van een zeer aanzienlijk handelshuis en
eigenaars van petroleumbronnen; zij dienen tot huisvesting van hunne
agenten en voornaamste beambten. Deze kleine oase draagt den naam
van Villa Petrolia. Ongelukkig genoeg moeten wij langs denzelfden
weg, midden door de stinkende, de lucht verpestende fabrieken, naar
Bakoe terugkeeren.

Eene wandeling door het oude Bakoe is in meer dan een opzicht
belangwekkend. Men behoeft bijna niet naar Perzië te gaan, om zich
althans in het algemeen eene voorstelling te maken van de perzische
architectuur. De verovering van oostelijk Transkaukasië door de Russen
is nog niet zoo lang geleden, dat de voormalige hoofdstad reeds haar
oostersch karakter zou hebben verloren. Die nauwe, bochtige en vuile
straten en stegen, omzoomd door wit gepleisterde huizen met platte
daken, waarvan de deuren meestal gesloten en de bewoners onzichtbaar
zijn, hebben zeker in de laatste honderd jaar geene verandering van
eenige beteekenis ondergaan; het zijn nog altijd dezelfde minarets,
dezelfde koepeltjes boven de badkamers: dit alles van leem en klei
gemaakt en met kalk overpleisterd. Dan heeft men den bazar, minder
opmerkelijk door zijn geringen omvang, dan door de doodsche stilte
die er heerscht; in ellendige, armoedige winkeltjes neergehurkt,
bieden de perzische kooplieden u met onverstoorbare kalmte eenen rijken
overvloed van valsche steenen te koop, vooral van turkoizen. De turkois
is hier inheemsch; ge moet dus, even als te Tiflis, bij inkoop dubbel
op uwe hoede zijn. Gij kunt hier ook fraaie perzische tapijten koopen,
maar ze zijn duurder dan te Askhabad.

De eenige eenigszins bezienswaardige monumenten van deze oude, ten
doode gedoemde stad zijn de zoogenoemde Maagdetoren en de citadel of
het paleis der khans. De dertig el hooge Maagdetoren is uit zee zoo
goed zichtbaar, dat de Russen er een kusttelegraaf en een havenlicht
op hebben geplaatst. De legende verhaalt dat een zekere khan van Bakoe
zijne wonderbaar schoone dochter wilde dwingen tot het huwelijk met
een man, dien zij verfoeide; op aandrang van haar vader, stemde zij
eindelijk in de echtverbindtenis toe, onder voorwaarde, dat hij een
hoogen toren zou laten bouwen. Toen de toren voltooid was, klom het
jonge meisje naar het plat en wierp zich van daar naar beneden.

Het merkwaardigste van de citadel is eene zeer fraaie en goed
geconserveerde poort in moorschen stijl. De zware steenen muren zijn
zeer hoog en van geduchte schietgaten voorzien, waaruit kanonnen
dreigend te voorschijn kwamen. Maar het waren er dan ook kanonnen
naar! of liever, de artilleristen, die ze bedienen moesten, wisten
er niet mede om te gaan. In de vorige eeuw namen de turkmeensche
ruiters Bakoe in en sabelden de kanonniers neer bij hunne stukken. Ge
kunt u voorstellen, dat de vermeestering der stad den Russen niet
moeilijk viel; het eenige ernstige verlies dat zij leden was dat
van hun generaal, die bij de overgave van de sleutels der citadel,
door een zoo genoemden dweeper, lafhartig werd vermoord. Men heeft
te zijner gedachtenis een monument opgericht.

Aan den voet der voormalige citadel bevindt zich tegenwoordig een
vrij groot park, waarvan de bestoven bosschages en de verschrompelde
dwergachtige boomen eene armzalige figuur maken; ik kan u verzekeren
dat ze niet alle dagen begoten worden. Dit is het Michaëlpark. De
paden zijn, evenals gewone trottoirs, met asphalt belegd, hetgeen
een vreemden en zelfs onaangenamen indruk maakt, maar toch zeer
verklaarbaar is. Zonder deze bedekking, zou het hier, bij eenigszins
sterken wind, niet zijn uit te houden door de wolken zand en stof. Alle
paden loopen, met zachte glooiing, op een ruim terras uit, van waar men
een prachtig gezicht heeft. Daar staat de sociëteit, de _Kroujok_, een
prachtig gebouw, waar nog op de onmogelijkste uren gegeten en gedronken
wordt. De Russen zijn, zoo als men weet, onverbeterlijke nachtbrakers.

Wij keeren naar het hotel terug, en volgen de breede kaaien die
zich langs de nieuwe stad uitstrekken. De kabbelende golven vloeien
murmelend weg over de groote steenblokken, welke den voet der naar alle
regelen van de kunst gebouwde trotsche kaaien moeten verdedigen. Het is
druk en levendig genoeg; de zon zinkt weg achter de heuvelen, waarop
zich de perzische begraafplaatsen bevinden; de wandelaars komen naar
buiten om de frissche zeelucht in te ademen. Wij zien vele uniformen
en niet minder smaakvolle toiletten. Maar om die te zien, behoeft
men toch waarlijk niet naar de oevers van de Kaspische-zee te reizen;
en is men dan zelfs daar nog niet veilig voor onze onzinnige mode en
onze niet minder onzinnige zucht naar eenvormigheid? Gelukkig bieden
zij althans eenige afwisseling, die tartaarsche vrouwen, die in haar
nationale kleederdracht, aan den voet der kaaimuren op de steenen
neergehurkt, haar linnengoed wasschen.

Ik heb kennis gemaakt met den heer T., een der beambten van het
huis Nobel; morgen zal ik met hem een uitstapje in den omtrek gaan
maken. Het is een zonderling land, dat wij zullen bezoeken. De
keten van den Kaukasus loopt aan beide zijden uit in vulkanische
terreinen, waaronder de onderaardsche krachten nog voortdurend werkzaam
zijn. Bovenal is dit het geval op het schiereiland Apsjeron, ten oosten
van den Kaukasus. Op een aantal plaatsen is de grond haast bedekt met
werkzame slijkvulkanen; uit spleten in de aardkorst komt ontvlambaar
gas te voorschijn, en een enkele vonk is voldoende om een geweldigen
brand te ontsteken. Beklim in een stillen donkeren nacht, het plat van
den Maagdetoren, en zeer vermoedelijk zult gij het gansche schiereiland
overstraald zien met een phosphorischen gloed. Nog in den loop van
dit jaar 1886 heeft een der slijkvulkanen, tot op eene hoogte van
driehonderd voet, een gaskolom opgeworpen, die 's nachts ontvlamde;
de gansche hemel was door een fantastischen rooden gloed verlicht;
na verloop van een uur doofde de brand even plotseling uit als hij
was ontstaan, tot groote vreugde der doodelijk verschrikte inwoners.

Dergelijke verschijnselen kunnen zelfs in onze sceptische, geblaseerde
eeuw niet nalaten, de aandacht en verwondering te wekken: het is
dus inderdaad niet vreemd, dat vroegere geslachten daarin iets
bovennatuurlijks meenden te zien. Sedert overoude tijden tot op
den dag van heden is Bakoe, in de oogen der vuuraanbidders, eene
bij uitstek heilige plaats, waarheen zij weleer uit alle landen van
Centraal-Azië ter bedevaart togen. De edicten van Keizer Heraclius,
die het heilige vuur, dat door de priesters zorgvuldig onderhouden
werd, liet uitdooven, vermochten al evenmin deze oude eeredienst te
vernietigen, als de vervolgingen, waaraan de volgelingen van Zoroaster
bloot stonden nadat de Arabieren Perzië hadden veroverd en de leer
van den Islam met het zwaard invoerden. De Parsis weken voor een deel
naar Indië uit, waar nog heden hunne nakomelingen worden aangetroffen;
de tempel van het heilige vuur staat nog altijd, en telken jare komen
nog ettelijke pelgrims uit Hindostan om te dezer plaatse de godheid
onder haar schitterend symbool te aanbidden. Morgen zullen wij tot
op zekere hoogte hun voorbeeld volgen.

Doch waar komen die vuren van daan, die sedert duizenden van jaren
branden? Zij worden veroorzaakt door de naphta- of petroleumdampen,
welke door de geweldige drukking van de in onderaardsche holten en
kloven opgesloten gassen naar de oppervlakte der aardkorst worden
geperst. En de petroleum zelf, waarvan het gebruik in onzen tijd zoo
algemeen is geworden, wat is die eigenlijk en van waar komt die?

Wees gerust, vriendelijke lezer, ik ben niet van plan, een
wetenschappelijk betoog te gaan houden: en dat te minder, daar
de wetenschap zelve op de zoo even gestelde vragen geen stellig
antwoord kan geven. Ik behoef er dan ook niet bij te voegen, dat de
gevoelens der geleerden op dit als op zoo menig ander punt tamelijk
uiteen loopen: wij zullen ons dus in de verschillende theorieën maar
niet verdiepen.

Reeds sedert overoude tijden is het gebruik van petroleum of aardolie
bekend. Herodotus, Aristoteles, Plinius, Plutarchus, geven ons meer of
min uitvoerige beschrijvingen van oliebronnen of naphtabeddingen, die
in hun tijd geëxploiteerd werden; Strabo verhaalt dat de Egyptenaren
eene soort van naphta of asphalt gebruikten bij het balsemen hunner
dooden; bij den bouw van Babel en Ninive bezigde men eene soort
van asphalt, dat door verdamping van aardolie uit de bronnen in de
nabijheid van den Euphraat verkregen werd. Ook in China en Japan
is de aardolie sedert onheugelijke tijden bekend; zelfs werd zij
reeds in de oudheid voor het branden van lampen gebruikt. Al heeft
de wetenschap dan tot dusverre nog niet het raadsel kunnen oplossen,
hoe en waardoor de aardolie eigenlijk ontstaat, voor ons is het genoeg
dat de kostbare brandstof voorhanden is en wel, naar het schijnt,
in onuitputtelijke hoeveelheid.

21 September.--Wij gaan met den ochtendtrein van tien minuten
voor achten; een afzonderlijke spoorweg verbindt Bakoe met de in
exploitatie zijnde petroleumbronnen. In Bakoe zelf vindt men niets
dan distilleerderijen; de putten zelven liggen acht mijlen meer
noordelijk, op het plateau van Balakhani-Saboentsji, dat tweehonderd
voet boven de zee verheven is. Stel u een circus voor van drie tot
vier kilometers in doorsnede, omgord door lage kalkachtige heuvels;
in den bodem van dien circus, die afwisselend uit zand en harde mergel
bestaat, heeft men ruim vierhonderd putten gegraven, die bijna allen
eene goede winst hebben opgeleverd. Daar staan, vlak naast elkander,
de verschillende inrichtingen, die deels aan maatschappijen, deels
aan partikulieren behooren; en wel, acht-en-veertig in het district
Balakhani en een-en-dertig in Saboentsji.

De rit duurt acht-en-dertig minuten. Als ge uit den trein stapt,
treft een eigenaardig schouwspel uw oog: tusschen de honderd-vijftig
en tweehonderd zwarte houten stellages, vrij wel overeenkomende
met reusachtige fabrieksschoorsteenen, verrijzen voor u; op een
afstand van omstreeks tien kilometers zoudt ge ze voor groote
bladerlooze boomen kunnen aanzien, die eene soort van oase te midden
der woestijn vormen. Elk van deze houten stellages, in het russisch
_vichka_ genoemd, verrijst boven een mijnschacht of artesischen put,
waarmede men de aardolie, uit zeer verschillende diepte, naar boven
voert. De boring geschiedt volgens amerikaansche manier: men gebruikt
daarvoor een stevig touw, aan welks uiteinde eene lange zware aard-
of steenboor met stalen punt is bevestigd. Het touw loopt over eene
katrol, die boven op de omstreeks vijftien meter hooge stellage is
geplaatst, en wordt in beweging gebracht door eene stoommachine,
die de boor opheft en weer vallen laat.

Het is de gulden tijd niet meer, toen men slechts even den grond
had om te spitten om de kostbare vloeistof aan het licht te
brengen. Tegenwoordig moet men honderd, tweehonderd el en soms
nog dieper in de aarde afdalen om de olie te vinden: en meermalen
zoekt men ook dan te vergeefs. De putten in Pennsylvanië bereiken
wel is waar eene diepte van tweeduizend voet, maar men moet toch
erkennen dat ook te Balakhani de boringen diep en kostbaar zijn. Mijn
geleider wijst mij een put van driehonderd meter, waaraan men een
vol jaar heeft gearbeid en dertigduizend roebels ten koste gelegd,
en die nog niets heeft opgeleverd. Hij brengt mij bij eene andere
schacht, waar men sedert drie maanden te vergeefs poogt, door eene
aardlaag heen te boren. Dit schijnbaar ongeloofelijke feit vindt
zijne verklaring in de geweldige drukking van de gassen, die in het
petroleumhoudend zand zijn opgesloten; aan een manometer gemeten,
bedraagt die drukking honderdvijftig atmospheren. Onder zulk eene
persing is het niet zoo vreemd, dat het geboorde gat zich aanstonds
weer vult; de ontvlambare gassen drijven het zand in de buizen:--het
is een echte Penelope-arbeid.

Heeft men eenige gegevens om de keus te bepalen voor de plaats der
nieuwe putten; is men eenigszins op de hoogte van de vermoedelijke
ligging en diepte der oliebeddingen? In geenen deele. Alles
is aan het toeval overgelaten; ieder graaft en boort waar hij
wil. Sedert twintig jaren heeft men geene aanteekening gehouden van
de boringen, zoo als dat toch in alle mijnen geschiedt; dat toch is
het eenige middel om met zekerheid iets te weten te komen omtrent de
ligging en gesteldheid der beddingen en om noodelooze uitgaven te
vermijden. Maar men baadde in den overvloed, en niemand bekommerde
zich om de toekomst.--Kan dan soms, bij gebrek van waarnemingen en
aanteekeningen, de wetenschap zelve een middel aan de hand doen om
zuinig en doelmatig te werken? Evenmin. Gelijk men met zekerheid niets
weet omtrent den oorsprong van de aardolie, zoo kan men ook slechts
gissingen opperen ten aanzien van de gedaante en de verdeeling der
beddingen in de verschillende geologische aardlagen.

Een punt schijnt vast te staan: namelijk, dat de vroegere hypothese
van eene doorloopende horizontale oliebedding onhoudbaar is. Putten,
op weinige ellen afstands van elkander gegraven, leveren zeer
verschillende uitkomsten op. De eene zal al vrij spoedig naar
een overvloedig reservoir voeren; de anderen zullen volstrekt
niets opleveren of althans tot aanmerkelijke diepte moeten worden
geboord. Mijn geleider sprak mij o. a. van vier putten, om zoo te
zeggen naast elkander gelegen: de eerste was acht-en-zeventig, de
tweede honderd-acht-en-zestig, de derde vijf-en-tachtig, en de vierde
honderd-vijf el diep. Ziehier een ander voorbeeld: vlak bij een ouden
put van twintig meter, die nog altijd olie oplevert, moest men tot
eene diepte van honderd-zes-en-twintig meters boren om eene bedding
te vinden. Om dergelijke verschijnselen te verklaren, heeft men vrij
algemeen de hypothese aangenomen dat de aardolie is opgesloten in
holle ruimten, die onregelmatig van vorm zijn en ook ten aanzien van
diepte en ligging zeer ongelijk verdeeld. De boor kan in die holten
doordringen, maar ook daarlangs heen gaan; twee naburige putten kunnen
gevoed worden uit twee holten, die op zeer verschillende diepte liggen.

Is de boor in een reservoir van aardolie doorgedrongen, dan kan
er tweeërlei gebeuren. Vooreerst kunnen de gassen zich met geweld
een uitweg banen door de schachten van de boor: dan houdt, naarmate
zich het evenwicht herstelt tusschen de onderaardsche spanning en de
atmospherische drukking, de uitbarsting allengs op, en om de petroleum
te verkrijgen, moet men haar oppompen. Maar het kan ook gebeuren dat,
in plaats van gassen, de olie zelve, vermengd met zoutachtig water
en zand, met kracht naar boven wordt gedreven. Is dat het geval, dan
worden de arbeiders in de vichka gewaarschuwd door een oorverdoovend
gebrul, en is het zaak dat zij zich zoo spoedig mogelijk uit de voeten
maken. Somwijlen is de uitbarsting zoo hevig, dat de boor met haar
schacht, ondanks haar gezamenlijk gewicht van omstreeks driehonderd
kilogrammen, in de lucht wordt geslingerd en het bovenste gedeelte
van de stellage geheel wordt vernield. De hoogte van deze fonteinen
is zeer verschillend: men heeft stralen gemeten van meer dan negentig
meter: dat is hooger dan de groote Geijser op IJsland.

Hoe dit te verklaren? Men onderstelt dat de holten, waarvan ik boven
sprak, niet enkel petroleum bevatten, maar ook zoutachtig water
en gassen. Het water en de naphta bevinden zich in het onderste
gedeelte van de holte, van den zak moest ik eigenlijk zeggen; het
bovenste is met saamgeperste gassen gevuld. Naarmate nu de boor in
het eene of het andere gedeelte eene opening maakt, ontsnapt het gas,
of wel de olie wordt, door de geweldige persing der gassen, naar boven
gedreven.--Zoudt ge nu wel willen gelooven, dat die groote springende
fonteinen, die eene massa petroleum van acht millioen liter in de
vier-en-twintig uren opleveren, haar eigenaars niet altijd hebben
rijk gemaakt, maar zelfs meer dan eens geruïneerd? Rondom u is de
grond doorsneden door een netwerk van geulen of kanalen; iedere put
staat met die kanalen in verbinding. Zal de nieuwe put voldoende
opleveren om de kosten te dekken? Zal er misschien een straal van
zestig meters hoogte uit opschieten? Men weet er niets van; en in die
onzekerheid neemt men voorzorgen. Volgt er eene uitbarsting, dan valt
de petroleumregen in de geulen, welke op groote putten uitloopen,
waarin de petroleum eenigen tijd blijft staan om het zand te laten
bezinken; daarna wordt zij door stoommachines in metalen bakken of
reservoirs opgevoerd. In den beginne waren dergelijke verrassingen
volstrekt niet zeldzaam. Maar ook nu nog heeft men geen middel om
den toevoer van zand te verhinderen, dat dikwijls in zoo groote massa
wordt opgeworpen, dat de naburige vichkas daaronder bedolven worden.

De heer Ch. Marvin verhaalt in zijn boek _The Region of the eternal
fire_ (Het land van het eeuwige vuur) de uitbarsting van de fontein
Droejba, waarvan hij getuige was, en die geduchte verwoestingen
aanrichtte. "Het gebrul werd verscheidene mijlen in het rond
gehoord. Het was inderdaad een indrukwekkend schouwspel. De straal
bereikte den top van de vichka (twintig ellen hoog) en, dwars door
de losgeslagen balken heenstuivende, verhief hij zich nog ruim zestig
ellen hooger; toen boog hij zich nederwaarts en daalde als een dichte
donkere regenwolk ter aarde. In de eerste vier-en-twintig uren der
uitbarsting had het uit den put opgeworpen zand zich tot de daken der
magazijnen en schuren opgestapeld; de omringende vichkas waren binnen
een afstand van vijftig meters in het rond, ter hoogte van twee tot
twee-en-een-halve el onder het zand begraven... Bij de opening van
den krater lag het zand zes ellen hoog.

"Hier en daar waren ploegen arbeiders met schoppen gewapend, bezig
met het graven en uitdiepen van de kanalen rondom den put om het vocht
gelegenheid te geven tot wegvloeien; de arbeid was niet zonder gevaar
en nog minder pleizierig; hun hoofd en hunne schouders waren geheel
bedekt met petroleum en zand, en zij moesten uiterst voorzichtig zijn
om niet medegesleept te worden door den geweldigen luchtstroom, die
rondom den voet van den krater loeide... Na door de tallooze geulen en
kanalen te zijn weggevloeid, verzamelde de petroleum zich in kuilen
en diepten, die in vijvers en riviertjes herschapen werden, waarvan
sommigen groot en diep genoeg waren om er in te kunnen varen. Eindelijk
liepen die meertjes over; de naphta groef zich een breed kanaal en
verloor zich in de Kaspische-zee."

Weken achtereen bleef de fontein Droejba met dezelfde kracht aan
het werk, en de overstrooming van petroleum nam zulk een dreigend
karakter aan, dat twee ingenieurs van Petersburg werden gezonden
om de wel te stoppen. Niet alleen behaalde de maatschappij, aan
welke de bron behoorde, geen winst, maar zij werd geruïneerd door de
schadevergoedingen, die zij aan de aangrenzende exploitaties moest
uitbetalen.

Zulke ongevallen komen tegenwoordig niet meer voor. In de eerste plaats
vindt men bijna geene fonteinen meer van die kracht: in den regel
treft men slechts kleine bronnen aan, die in de vier-en-twintig uren
van negenhonderd-duizend tot vijftienhonderd-duizend liter petroleum
opleveren; ten andere zijn de kanalen en vijvers in veel beteren
toestand gebracht; eindelijk hebben de werklieden thans de gewoonte,
om wanneer bij het boren onderaardsche geluiden de nadering van gas
of van vloeistof aankondigen, onmiddellijk aan het boveneinde van
de buis eene soort van stevige ijzeren kap te bevestigen, van eene
kraan voorzien, waarmede men de wegstrooming kan temperen. Heeft
men den tijd, om de opening op die wijze af te sluiten, dan is alle
gevaar verdwenen: er ontstaat geen straal, en men tapt eenvoudig
de olie af als uit een vat. Slechts in zeer zeldzame gevallen is de
opstijging van de naphta zoo snel en tegelijk zoo hevig, dat de kap
niet kan worden geplaatst of wel uiteen wordt geslagen. Zoo kon bij
voorbeeld de groote fontein Nobel niet worden afgesloten. Zij leverde
in vier-en-twintig uren niet minder dan zestien millioen liter naphta,
die zorgvuldig werd verzameld en eene inkomst afwierp van zoowat
anderhalve ton per dag. Ongelukkig bleek die goudmijn na verloop van
een-en-dertig dagen uitgeput. Want de petroleumbronnen duren niet
eeuwig. Doorgaans houdt de fontein het niet langer dan twee maanden
vol: dan is de straal verdwenen, en moet men zijne toevlucht tot de
pomp nemen om de petroleum uit de diepte op te halen. Dit geschiedt
door middel van eene soort van emmer met een zelfwerkende klep, die
ongeveer dertig liter kan bevatten, door een stoommachine in den put
wordt neergelaten en na gevuld te zijn, weer opgehaald.

Wij besluiten onze wandeling met een bezoek aan eene oude fontein,
die in de jaarboeken van Bakoe beroemd zal blijven: tegenwoordig
onderscheidt zij zich wel door niets bijzonders, maar het is toch
altijd iets beroemd te zijn geweest. Deze fontein had de hoogst
merkwaardige eigenschap dat zij met geregelde tusschenpoozen werkte; de
bron, op eene diepte van tweehonderd-tachtig meter ontdekt, heeft eene
maand lang gewerkt, en in dien tijd sprong zij gedurende een minuut,
rustte dan zes minuten, sprong dan weer gedurende eene minuut en
zoo vervolgens. Deze afwisseling was zoo regelmatig, dat men zelfs
met den chronometer geen verschil van eene sekonde heeft kunnen
waarnemen. Mocht ge soms met de reden van dit allerzonderlingste
verschijnsel bekend zijn, dan zult ge den geleerden eene groote
dienst bewijzen, indien gij die hun mededeelt. Het is te begrijpen,
dat de drukking van de onderaardsche gassen vermindert, naarmate de
holte zich ontledigt, en dat dus de kracht, die het vocht naar boven
drijft gaandeweg afneemt en eindelijk ophoudt te werken; maar hoe is
het mogelijk dat zij telkens weer, en dan nog wel met zoo mathematische
regelmatigheid, in werking treedt?

Wij gebruiken het dejeuner met de ingenieurs in dienst van de heeren
Nobel, en hervatten vervolgens onze wandeling door den doolhof
der vichkas, magazijnen, schuren, machines, vijvers en kanalen
vol petroleum. De zon is nog zeer heet: niettemin klauteren wij op
een dier metalen reservoirs, waarin de ongezuiverde naphta wordt
bewaard, alvorens zij naar de distilleerderijen van Bakoe verzonden
wordt. Het is niet mogelijk, deze zuivering op de plaats zelve der
bronnen te bewerkstelligen: dit ware veel te gevaarlijk; men mag hier
zelfs geene sigaar rooken. Maar waartoe dienen die half in den grond
bedolven ijzeren buizen, welke van de reservoirs uitgaan? Ik tel er
zeven met een diameter van vijftien duim. Zij dienen voor het vervoer
van de naphta, welke door middel van een vernuftig toestel door die
pijpen wordt gedreven. Deze inrichting werd voor ongeveer elf jaren
gemaakt; de heeren Nobel hebben daardoor zeker belangrijk voordeel
genoten, maar de invoering van deze nieuwigheid baarde hun ook veel
verdriet. Vroeger werd de ongezuiverde naphta in vaatjes vervoerd,
die met tartaarsche karretjes, _arbas_ genoemd, naar de stad werden
gebracht. Deze lichte, smalle karretjes, die er met hun hooge wielen
zeer wonderlijk uitzagen, maar voor het eigenaardige terrein zeer
geschikt waren, reden onophoudelijk heen en weer tusschen de bronnen
en de stad, en brachten den eigenaars jaarlijks gemiddeld ruim
een millioen gulden op. Het leggen der buizen maakte de karretjes
overbodig; het is dus niet vreemd dat de eigenaars, zich op eens
van hunne inkomsten verstoken ziende, op wraak bedacht waren en bij
herhaling de pijpen vernielden.

De spoorweg van Bakoe naar Balakhani loopt door tot Soerakhani,
weleer het middelpunt der exploitatie, waar nog sommige bronnen in
werking zijn. Maar een enkele buis is voldoende om al de petroleum,
welke hier gewonnen wordt, naar Bakoe af te voeren, en voorwaar niet om
deze bronnen te bezoeken, gaat men naar Soerakhani. Doch hier bevindt
zich de tempel der vuuraanbidders. Te midden van eene ommuurde ruimte
verheft zich een vierkant gebouwtje, met een koepel gedekt, waaruit
een aantal pijpen en buizen te voorschijn komen. Uit al die buizen en
pijpen stroomde weleer het brandende gas: en de scharen der geloovigen
bogen zich ter aarde voor het eeuwige heilige vuur.... Vervlogen
heerlijkheid! Het heiligdom wordt tegenwoordig nog slechts bediend
door twee arme Parsis, die het gas ten geschenke ontvangen van de
eigenaars der naburige bronnen; en sedert jaren zijn hier haast
geen andere pelgrims verschenen, dan de nieuwsgierige, ongeloovige
Westerlingen. Zij exploiteeren het heilige vuur ten eigen bate; ja,
zij spelen er mede. Zij scheppen er een kinderachtig vermaak in,
met een lucifer het gas te doen ontvlammen, dat uit de spleten in
den grond ontsnapt; en dan ontzien zij zich niet om--zij het ook in
onwetendheid--heiligschennis te plegen door de vlam weer uit te blazen!

Den volgenden dag brachten wij een bezoek aan de distilleerderijen
in de zwarte stad te Bakoe. Misschien zou zulk een bezoek den lezer
belangstelling inboezemen, indien hij er zelf bij tegenwoordig was;
eene beschrijving zou hem stellig vervelen: daarom houde ik die
terug.--De kostende prijs der gezuiverde petroleum bedraagt niet meer
dan acht-en-veertig kopeken (ongeveer f 0.60) de honderd liter; de
afval, die als brandstof gebruikt wordt en driemaal meer warmte geeft
dan dezelfde hoeveelheid steenkolen, kost omstreeks vijf-en-twintig
centen de honderd kilo's.

De petroleum wordt tegenwoordig met opzettelijk daarvoor
ingerichte stoombooten naar Astrakhan vervoerd en van daar met
kleinere booten, langs de Wolga naar Tsaritsin gebracht, dat
driehonderd-vier-en-zestig mijlen van de zee verwijderd ligt. Daar
bevindt zich het centraal-depot, dat geheel europeesch Rusland van
petroleum voorziet; de reservoirs kunnen twee-en-twintig millioen
liter bevatten. Daar de Wolga gedurende vier maanden van het jaar met
ijs bezet is, heeft men nog zes-en-dertig andere depots ingericht,
die vóór den winter gevuld worden en te zamen honderd-drie-en-zestig
millioen liter kunnen bevatten.

Er bestaat ook nog een andere weg voor het vervoer der produkten
van Bakoe: namelijk de transkaukasische spoorweg, die Bakoe met
Poti en Batoem verbindt; maar het vervoer langs dien weg komt niet
in vergelijking met dat langs de Wolga. De spoorwegmaatschappij
bezit maar een beperkt aantal wagens, die voor het vervoer van
petroleum geschikt zijn, en kan zelfs niet altijd aan de aanvragen
uit westelijk Europa voldoen. Bovendien schijnen de Russen niet
gezind om den uitvoer te bevorderen van een artikel, dat hun zelven
zoo uitnemend te stade komt. Vrijhandelaars en belanghebbende
industrieelen mogen schreeuwen zoo hard zij willen: de russische
regeering is wijs genoeg, zich daaraan niet te storen. Trouwens, de
waarde der vrijhandelaarstheorieën blijkt ook hier weder. Van 1801
(toen Bakoe bij Rusland werd ingelijfd) tot 1872 was de exploitatie
van de petroleum een monopolie, dat aan een partikulier, den heer
Mirzoef, verleend was. In 1840 bedroeg de opbrengst 3565 ton en in
1872, 24800 ton. In laatstgenoemd jaar werd het monopolie afgeschaft:
iedereen kan nu eene concessie tot ontginning der beddingen krijgen. Te
gelijker tijd werd de amerikaansche petroleum met een inkomend recht
bezwaard, dat verscheidene malen de waarde overtreft en dus met een
verbod gelijk staat. Eensklaps stijgt de opbrengst: in 1873 tot 54.000
ton, in 1876 tot 194,000, in 1886 tot 1.600,000 ton. En de prijs;
is die, na het ophouden van alle concurrentie, gestegen, zoo als
toch volgens de economische wetenschap gebeuren moet? Integendeel:
van dertig gulden per honderd liter is die gedaald tot negen gulden,
zoodat de verlichting in Rusland goedkooper is dan in eenig ander
land! Ook in dit geval bleek de werkelijkheid onbeschaamd genoeg om
zich niet aan de theorie te storen.

Met de zeer moeilijke en ingewikkelde vraag of en wanneer, bij zoo
geweldig stijgende produktie, de voorraad petroleum uitgeput zal raken,
mag ik mij hier niet bezig houden; ook omtrent dit punt loopen de
gevoelens zeer uit een. Ik heb u slechts de merkwaardigheden willen
doen aanschouwen van deze plek, waar wij als tot vroegere geologische
tijdperken worden teruggevoerd. Vergun mij thans mijn taak als afgedaan
te beschouwen.





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Reis naar Merw - De Aarde en haar Volken, 1887" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home