Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Het Nut der Mechanistische Methode in de Geneeskunde
Author: Boerhaave, Herman, 1668-1738
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Het Nut der Mechanistische Methode in de Geneeskunde" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



Team.



REDEVOERING

VAN

HERMAN BOERHAAVE

OVER

HET NUT DER MECHANISTISCHE METHODE IN DE GENEESKUNDE,

DOOR HEM GEHOUDEN IN HET GROOT-AUDITORIUM DER RIJKS-UNIVERSITEIT TE
LEIDEN,

OP DEN 24STEN SEPTEMBER 1703,

BIJ DEN AANVANG VAN ZIJN DERDE AMBTSJAAR.



       *       *       *       *       *



    _Den Edel Groot Achtbaren Heeren_
    Curatoren Der
    Leidsche Universiteit,

Den Heere Jakob, baron van Wassenaer, heer van Obdam,
Hensbroek, Wochmeer, Spierdijk, Zuydwijk, Kernchem, Twikelo, Lage, enz.,
oudste lid van de ridderschap van Holland, ridder in de Deensche
koninklijke orde van den Olifant, kolonel van de ruiterij der Vereenigde
Nederlanden, gouverneur van 's Hertogenbosch, buitengewoon gezant bij
H.H. M.M. de Koningen van Polen en Pruisen, bij Z.H. den Keurvorst van
Hannover en bij onderscheidene Duitsche vorsten, enz. enz.

Den Heere Mr. Hubertus Rosenboom, heer van 's Grevelsregt,
voorzitter van den Hoogen Raad der Nederlanden, enz. enz.

Den Heere Mr. Herman van den Honaart, burgemeester van
Dordrecht en afgevaardigde dezer stad in de Staten van Holland,
dijkgraaf van Alblasserwaarde, enz. enz.

    _Den Edel Achtbaren Heeren_

Den Heere Mr. Jan van den Berg, eersten burgemeester van Leiden
en secretaris van het college van Curatoren.

Den Heere Mr. Coenraad Ruysch,

Den Heere Mr. Abraham van Alphen,

Den Heere Pieter van Dorp,

draagt deze redevoering
met verschuldigden eerbied op
de hun toegewijde
HERMAN BOERHAAVE.


       *       *       *       *       *


REDEVOERING
VAN
HERMAN BOERHAAVE
OVER
HET NUT DER MECHANISTISCHE METHODE IN DE GENEESKUNDE.

Zij, die de krachten der lichamen naar hun massa, vorm en snelheid,
hetzij na een korter of langer onderzoek vastgesteld of door directe
waarneming gevonden, mathematisch berekenen, worden Mechanisten genoemd.
Dezen hebben zich door de practische resultaten hunner wetenschap, welke
op schitterende wijze de waarheid hunner stellingen aantoonden, zoozeer
de achting der weldenkenden verworven, dat men niet licht eene andere
wetenschap zal vinden, die zich ten allen tijde in gelijke mate in
ieders toejuiching mocht verheugen. Is zij niet een wonderbaarlijk
gewrocht van den menschelijken geest, dat door zijne alle verwachting te
boven gaande uitkomsten aan het bovenmenschelijke grenst?

Het zijn immers slechts zeer weinige, algemeen verbreide, zij het dan
ook onbetwistbare, grondbeginselen, op welke haar meest subtiele en
ingewikkelde uitvindingen gebaseerd zijn.

Dit is dan ook de reden, waarom menschen, die gewoon zijn, de dingen op
het eerste gezicht, dus veelal verkeerd, te beoordeelen, of slechts
eerbied te hebben voor beweringen, die in een duister waas gehuld zijn,
voor de grondstellingen dezer wetenschap minachtend de schouders
ophalen. Wie echter op de resultaten van die strengste aller
wetenschappen let, acht haar de hoogste vereering waardig, omdat zij, op
zoo eenvoudigen grondslag opgebouwd, den mensen krachten verleend heeft,
die zijne eigene verre overtreffen. Aan haar immers hebben wij het te
danken, dat geen massa meer onbewegelijk is, hoe gering ook de
beweegkracht zij, waarover wij beschikken.

Haar nut wordt dan ook door alle, zoowel burgerlijke als militaire,
wetenschappen erkend. Zóó algemeen wordt zij gevierd als eene voor
andere wetenschappen onmisbare hulpwetenschap, dat zelfs onkundigen,
als naar gewoonte zichzelf willende verheerlijken door het prijzen van
dingen, welke zij niet verstaan, den bevoegden beoordeelaars dien lof
nazeggen. De geneeskundigen alleen versmaden haar of zijn gemeenlijk,
opzettelijk verzuimend haar nader te bestudeeren, van oordeel, dat zij
niets goeds vermag tot stand te brengen.

Deze meening is nu echter mijns inziens zóó geheel en al bezijden de
waarheid en tevens zóó verderfelijk voor de geneeskunde, dat ik gemeend
heb, geen beter onderwerp te kunnen uitkiezen, om in dit uur voor U te
behandelen. En ik geloof, dat ik zoowel aan uwe verwachting als aan
mijnen wensch voldaan zal hebben, als ik in eenvoudige taal duidelijk
zal hebben aangetoond, _dat de Mechanica voor de Geneeskunde van
buitengewoon belang en ten eenenmale onontbeerlijk is_.

Door de uitgebreidheid van het onderwerp word ik wel genoodzaakt, elke
rhetorische verfraaiing der rede ter zijde te laten. Dat mij dit echter
niet behoeft te verontrusten, daarvoor staat mij de zoo welbekende
strikte eerlijkheid van uw oordeel borg, waarmede gij reeds lang de
vleitaal eener streelende inleiding door uwe afkeuring uit deze slechts
der waarheid gewijde plaats verbannen hebt. Ik ga dus terstond
onbeschroomd tot de behandeling van mijn onderwerp over, daar hij, die
strenge waarheid verkondigt, zich om geenerlei vooroordeel, het moge hem
gunstig of ongunstig zijn, bekommert; slechts geduld en aandacht vergt
hij van zijne hoorders.

Dat de beste algemeene bepaling van het begrip lichaam door de
Wiskundigen gegeven is, acht ik zóó evident, dat ik van niemand eenige
tegenwerping tegen deze bewering verwacht. Den individueelen aard echter
van elk lichaam in het bijzonder, zooals het zich in de natuur voordoet,
zal niemand alleen door logische redeneering uit deze algemeene
definitie der Wiskundigen kunnen afleiden. Daar deze immers
voortgesproten is uit de samenvatting van die eigenschappen, welke alle
lichamen gemeen hebben, met zorgvuldige uitsluiting van alles, wat het
eene lichaam van het andere onderscheidt, zal daaruit met nog zoo
logische redeneering geen enkele gevolgtrekking kunnen afgeleid worden,
die over den bijzonderen aard van eenig lichaam opheldering geeft. En
toch hangt juist van dezen in de eerste plaats de grootere of geringere
werkingskracht der verschillende lichamen af, zoodat de kennis van deze
laatste zonder de kennis van het eerstgenoemde onbestaanbaar is.

Wie derhalve tot de kennis hiervan wenscht te geraken, moet uit het te
bestudeeren voorwerp zelf de bijzondere voorwaarden putten, die zijn
anders onbeteugelde vrijheid van redeneering bij het opsporen van den
eigenaardigen aanleg van het gegeven object nauwkeurig omgrenzen. Deze
voorwaarden echter kunnen slechts door hem gekend worden, die de met de
zintuigen waarneembare werkingen van elk lichaam in het bijzonder heeft
nagegaan. Deze werkingen zijn namelijk het zichtbaar gevolg van de
bijzondere hoedanigheden, welke uit den eigen aard der te onderzoeken
zaak voortkomen; elke nu van deze afzonderlijk maakt ééne
eigenaardigheid dezer zaak uit, en alle te zamen genomen maken zij haar
geheele wezen uit, voor zooverre dat voor de zintuigen waarneembaar is.

Gaat men nu een stap verder door uit deze duidelijk waargenomen feiten
langs wiskundigen weg alles, wat daaruit klaarblijkelijk onafwijsbaar
voortvloeit, af te leiden, dan zal men veel meer ontdekken, dan met
behulp der zintuigen alleen ooit het geval geweest ware. En toch zullen
de op laatstgenoemde wijze verkregen uitkomsten niet minder waar, noch
minder bruikbaar zijn dan de vroeger verkregene.

Buiten deze twee is er geen derde methode, welke de bijzondere
inrichting van het een of andere mechanisme kan helpen opsporen.

Beide methoden nu leiden onveranderlijk tot dit resultaat, dat het
menschelijk lichaam in aanleg volkomen overeenstemt met de geheele ons
omringende natuur.

Zoowel zinnelijke waarneming als verstandelijk overleg leeren ons, dat
het menschelijk lichaam voor hem, die zijne samenstellende deelen met
wetenschappelijken ernst bestudeert, geen enkele afwijking vertoont in
vergelijking met andere lichamen, tenzij dan dat het samengesteld is uit
verscheidene mechanismen van verschillenden vorm, die door er doorheen
stroomende vochten in beweging gebracht worden.

Ons lichaam is nu zoo ingericht, dat zijne vereenigde deelen het
vermogen bezitten, verscheidene en wel zeer verschillende bewegingen
voort te brengen, welke, geheel overeenkomstig de regelen der mechanica,
bepaald worden door de massa, den vorm, de vastheid en de onderlinge
verbinding der deelen. Dit blijkt reeds terstond hieruit, dat, wanneer
een dezer deelen louter ten gevolge der mechanische beweging vernield
of ook slechts de stevigheid der verbinding verminderd is, de vroeger
waargenomen werking stellig uitblijft. Het menschelijk lichaam is dus
een zuiver mechanisch lichaam en vertoont er derhalve alle eigenschappen
van.

Op dezelfde wijze dus als de door de mathematici bestudeerde lichamen
zal ook het menschelijk mechanisme een object van wiskundige behandeling
kunnen zijn, indien men slechts zijne bijzondere door zinnelijke
waarneming behoorlijk vastgestelde eigenschappen als vaste gegevens aan
het onderzoek ten grondslag legt, niet echter zulke eigenschappen, die
geheel willekeurig er aan toegekend en uit eene oneindige
verscheidenheid van mogelijkheden zonder eenigen positieven grond
uitgekozen zijn.

Zeer vele eigenaardigheden nu van het menschelijk lichaam heeft de
ontleedkunde langs verschillende wegen aan het licht gebracht, door den
bepaalden bouw van de grootere deelen, welke het samenstellen, na te
gaan. De kennis van verscheidene eigenschappen der kleinere deelen
hebben wij te danken aan de schoone uitvinding van het microscoop,
hetwelk aantoonde, dat de grootere en de kleinere deelen in aanleg
overeenkomen. Doch ook de leer der vloeistoffen heeft ons vele factoren
doen kennen, door welke de geaardheid, de stuwkracht en de richting der
door onze vaten rondgevoerde vochten bepaald worden. Derhalve zal aan
geen andere wetenschap dan aan de werktuigkunde de voorrang moeten
worden toegekend bij het onder zoeken, ja zelfs ook bij het naar onzen
wil besturen van het menschelijk lichaam, tenzij men misschien mocht
willen aannemen, dat uit de genoemde dingen langs wetenschappelijken weg
niets valt af te leiden.

Doch wie zal gelooven, wie beweren, dat uit zoovele duidelijk
waargenomen feiten, hetzij men elk afzonderlijk behoorlijk overweegt of
ze alle te zamen op de meest oordeelkundige wijze onderling met elkaar
in verband brengt, niets waars, niets zekers, niets bruikbaars kan
worden afgeleid?

Hij, die zoo spreekt, openbaart hierdoor slechts een al te groote
traagheid en sufheid van geest en een allerondankbaarste geringschatting
voor de schoonste uitvindingen, welke wij bezitten.

Het is immers een eigenschap van den arbeidschuwe, uit wanhoop aan den
goeden uitslag niets te durven ondernemen of datgene als onbereikbaar
voor te stellen, waartoe misschien _zijne_ krachten alleen te kort
schieten.

Mocht er echter iemand gevonden worden, die wel toegeeft, dat uit
genoemde feiten langs den weg der redeneering onbekende zaken kunnen
opgehelderd worden, doch slechts den werktuigkundigen het recht hiertoe
ontzegt, laat hij ons dan buiten de mechanica eene andere wetenschap
aanwijzen, die ons beter in staat stelt, de eigenschappen der lichamen
uit te vorschen. Wie dat poogt te doen, moet zich in het hoofd gezet
hebben, dat de aard der dingen het best kan worden opgespoord door van
zulke grondbeginselen uit te gaan, die daar het meest tegen indruischen,
en door zoodanige personen, die het sterkst afwijken van de
onderzoekingsmethode, die door alle weldenkenden als de eenige, welke
ware resultaten oplevert, erkend wordt. Alleen reeds daardoor echter zou
hij zich in zulk een warnet van ongerijmdheden verstrikken, dat ik,
zonder verder, rekening met hem te houden, mijne stelling bewezen mag
achten.

Maar deze bewijsvoering klinkt wat al te nuchter en moet wel, al te zeer
afwijkend van den gebruikelijken betoogtrant, weinigen tot instemming
nopen! En dat is zeer zeker het geval, indien men de kracht van een
betoog afmeet naar het bevattingsvermogen van de meerderheid der
menschen.

Waarom zou ik dan niet, al was het slechts om dezen te voldoen, U de
zaak in het helderste licht voor oogen stellen, van welk licht alle
beoefenaren der geneeskunst, als men hen gelooven mag, een ruim gebruik
maken.

Terwijl ik nu daartoe overga, zie ik mij wel, hoezeer ook tegen mijnen
zin, genoodzaakt, het een en ander uit de anatomie ter sprake te
brengen, dat, daar een dergelijk onderwerp nooit door rhetorische
schrijvers behandeld is, in minder zuiver en gekuischt Latijn moet
worden weergegeven, dat ik echter voor het goed begrip van de zaak zelve
meen niet achterwege te mogen laten.

Dat het grootste gedeelte van ons lichaam met slagaderen doorweven is en
door deze in stand gehouden wordt, is te duidelijk, om betoog te
behoeven. Dat dit de kanalen zijn, die het bloed inhouden en in zijnen
loop richten, en dat hun omvang, in den omtrek van het hart het grootst,
langzamerhand afneemt en ten slotte zóó klein wordt, dat hij niet meer
voor het bloote oog waarneembaar is, dat weten zelfs de slagers. Niet
minder algemeen bekend is het, dat één hoofdstam van deze kanalen, van
het hart uitgaande, zich in zijtakken splitst, die met den hoofdstam
gelijkvormig zijn en op dezelfde wijze als deze zich op hun beurt
splitsen en langzamerhand in omvang afnemen, waarbij echter deze
eigenaardigheid valt op te merken, dat de recht doorloopende hoofdstam
ter plaatse, waar hij zich vertakt, gewoonlijk een wijder opening
vertoont dan de aan dezen driesprong ontspringende zijtakken. Dat echter
al deze vaten zoodanige krommingen beschrijven, dat de zich zijdelings
vertakkende buizen op een oneindig aantal plaatsen wijde hoeken vormen
en dat deze windingen een buitengewonen invloed uitoefenen op de
doorstrooming van het bloed, is eerst voor weinige jaren ontdekt door
hen, die de scherpzinnig gevonden stellingen der wiskunde op
geneeskundige vraagstukken hebben toegepast.

Met welk een bewonderenswaardige, met welk een doeltreffende
kunstvaardigheid heeft de aanbiddelijke Bouwmeester van ons mechanisme
deze buigzame kanalen gevormd!

Hij wilde, dat zij door het tegen hunne wanden drukkende vocht zonder
gevaar voor scheuring zouden kunnen uitgezet worden en verleende hun
tevens het vermogen, tot hun vroegeren omvang vanzelf weder terug te
keeren en het vocht met een krachtigen stoot voort te stuwen, zoodra dit
opgehouden heeft ze uit te zetten.

Malpighi was echter de eerste, die zag, dat de laatste
uiteinden der slagader, in zeer dunne buisjes vertakt, in een vlies, als
in een stevig omhulsel, zijn samengevoegd en daar door middel van nauwe
kanalen wederkeerig met elkander in gemeenschap staan. Hij heeft ons het
eerst den weg leeren vinden in het labyrint der tallooze dwaalwegen,
welke de vloeistoffen, langs deze kronkelpaden voortgedreven, te
doorloopen hebben.

Doch het wonderbaarlijkste, waarbij zich de vinger Gods waarlijk in Zijn
werk openbaart, is wel het volgende.

De takjes, welker loop met zoo groote zorgvuldigheid geregeld is en die
zich hier alle langs banen van gelijke breedte in rechte richting,
zonder zijdelingsche vertakkingen, voortbewegen, vormen, van gedaante
veranderend, de eerste beginselen der aderen en lymphvaten met hunne
boezems.

Dat is het, wat de waarneming met het bloote oog en met het microscoop,
het afbinden der vaten bij levenden, de inspuiting der lijken met
kwikzilver, de beschouwing van het lichaam in ziekelijken toestand en
eindelijk de vergelijking met dieren, visschen, insecten en planten aan
het licht gebracht heeft.

Buiten de genoemde verschijnselen vertoonen de slagaderen er geen enkel;
al wat er verder van verteld wordt, berust op louter verdichting.

Een zeer groot deel van het lichaam derhalve en wel dat deel, hetwelk
voor de instandhouding van het leven van het grootste belang is,
bestaat, werktuigkundig uitgedrukt, uit een kegelvormig, veerkrachtig en
gebogen kanaal, waaruit op verschillende punten kleinere kanalen van
denzelfden vorm ontspringen, die ten laatste door middel van
cylindervormige buisjes wederkeerig in elkaar uitmonden, zoodat het
geheel er als een net uitziet.

Indien het nu waar is--en niets is meer waar dan dat--volgt daar dan
niet uit, dat alle werkingen van de slagaderen op het bloed slechts
bepaald worden door hare zooeven beschreven inrichting?

En ligt het voorts niet ook voor de hand, dat uit dien hoofde al deze
werkingen slechts daaruit af te leiden en te verklaren zijn?

Nu vraag ik U, die als onpartijdige rechters geroepen zijt, in deze zaak
uitspraak te doen! Wie is in staat, de gevolgtrekkingen, die alleen
reeds uit de genoemde verschijnselen afgeleid kunnen worden,
systematisch uiteen te zetten?

Ongetwijfeld slechts hij, die, vertrouwd met de nauwkeurige beschouwing
van figuren en de berekening der veranderlijke kracht, de kunst
verstaat, alleen reeds uit de boven beschreven feiten een menigte
belangrijke besluiten te trekken. En dat is toch geen ander dan de
Werktuigkundige.

Maar laten wij ons nog een weinig verdiepen in de beschouwing van de zoo
uiterst merkwaardige slagader; niet minder dan de kennis van bijna het
geheele menschelijk lichaam zal het loon zijn voor een korte en geringe
inspanning van onzen geest.

Zoodra de groote slagader het hierboven beschreven net gevormd heeft,
zendt zij cylindervormige buizen uit, die zóó nauw zijn, dat zij de
roode bloedlichaampjes niet doorlaten, doch slechts het dunnere,
kleurlooze bloed in zich kunnen opnemen.

Daar hebt ge nu de juiste voorstelling van een lymphvat! Ter zelfder
plaatse zendt de slagader ook een recht doorloopenden stam uit, die,
van grooter omvang dan de lymphvaten, bestemd is, het dikkere, roode,
van het helderder serum ontdane bloed te vervoeren.

Ziedaar den waren oorsprong der aderen!

Deze, die in het begin zeer eng zijn, nemen allengs in omvang toe door
het van alle kanten nieuw toestroomend aderlijk en lymphvocht, zoodat er
ten laatste een nieuwe kegel, gelijk aan dien der slagader, maar zóó dat
de beide kegels elkaar met hunne toppen raken, gevormd wordt.

De vaten, die ik slechts oppervlakkig behandelen kon, ach, hoeveel
schoons bergen zij niet in zich.

Hecht slagaderen, aderen en lymphvaten, op de boven beschreven wijze tot
één geheel vereenigd, aan een vliesachtig oppervlak vast, vlecht daar
zenuwen in en breng hier en daar veerkrachtige vezels aan, rol dit alles
vervolgens tot een kluwen op en ge hebt de inrichting van een klier voor
U.

Zoo dikwijls ik hieraan denk, verdiep ik mij in de beschouwing van het
orgaan, dat zoovele wonderbaarlijke werkingen teweegbrengt, waaraan
echter ook zoovele dwaselijk verzonnen eigenschappen zijn toegeschreven.

U echter, groote Malpighi, die alle hersenschimmen voorgoed
verjaagd hebt, is het door bovenmenschelijken ijver, door ongelooflijke
inspanning en schrander doorzicht gelukt, onwederlegbaar aan te toonen,
dat de schijnbaar zoo ingewikkelde bouw eener klier slechts door de
boven beschreven eenvoudige inrichting tot stand komt!

En hoe belangrijk is deze ontdekking niet! Het geheele lichaam bestaat
immers uit schier niets anders dan uit een samenstel van klieren!

De hersenen, die reeds Hippocrates een klier had genoemd,
worden ons nu door het penseel van Malpighi geschilderd als een
massa, bestaande uit slagaderen, aderen en nerveuze reservoirs en
afvoerkanalen. Lever, milt en nieren zijn slechts uit klieren opgebouwd.

Ook de kweekplaats van het voortplantingsvocht is een kunstig kluwen van
cylindervormige kanalen. Ja, zelfs de verblijfplaats van het embryo, de
woning der ongeboren vrucht, de voorraadkamer des witten nectars, dien
de jonggeborenen drinken, vertoonen zich door hare
afscheidingsprocessen als echte klieren. Dat ook de beenderen en de
vliezen ongeveer op dezelfde wijze gebouwd zijn, wie twijfelt er aan
behalve hij, die nog geen kennis genomen heeft van de onsterfelijke
geschriften van Malpighi, Kerkring en Havers?

Laat mij ten slotte nog uwe aandacht mogen vragen voor eene oplettende
beschouwing der spieren! Wie zich die moeite getroost, zal in haar de
meest doelmatige instrumenten van allerfijnste mechanistische kunst zeer
duidelijk terugvinden! Is immers niet de spier in haar geheel uit
kleinere spieren van gelijken vorm samengesteld? En wat is nu eigenlijk
haar laatste bestanddeel, de vezel? Stellig niets anders dan een ruim
maar tevens zeer dun vlies, dat tot omhulsel dient voor een uiterst nauw
nerveus kanaal, een grooteren omvang heeft dan dat kanaal, waaruit het
voorkomt en slechts met geest[1] gevuld is.

Hoe reusachtig echter de kracht van dit werktuig is, leert men eerst
recht inzien, indien men de hydraulische proeven van Mariotte
bestudeerd heeft in verband met de werktuigkundige verhandelingen van
Cartesius.

Beschouwt aandachtig de longen, die in bouw van de overige organen
verschillen, en ge hebt voor u veerkrachtige, bolvormige zakken, die
afhangen van het afgeknotte uiteinde der luchtpijp; hunne oppervlakte
wordt in den vorm van een net door bloedvaten doorsneden, zij zijn
echter--en dit is een onoplosbaar raadsel--bijna geheel verstoken van
lymphvaten.

Wordt derhalve, zoo hoor ik u vragen, de zoo wonderbaarlijke, de zoo
kunstige bouw van het menschelijk lichaam slechts door een zoo
eenvoudige inrichting tot stand gebracht?

Het is stellig niet anders.

Moge, wie wil, er met minachting wegens zijnen eenvoud op neerzien!

De Werktuigkundige heeft hieromtrent een geheel tegenovergestelde
opvatting: _hij_ heeft juist den hoogsten lof over voor het vernuft van
_hem_, die een werktuig weet te vervaardigen, dat tot het voortbrengen
der verlangde werking het meest geschikt en tegelijkertijd onder alle,
die deze kunnen voortbrengen, het eenvoudigst is.

Welk besluit kunnen wij nu uit dit alles trekken?

Het is dit, dat het menschelijk lichaam een werktuig is, van welks
vaste deelen er sommige bestaan uit vaten, geschikt om de vloeistoffen
te bevatten, te richten, van gedaante te doen veranderen, te verdeelen,
bijeen te zamelen en af te scheiden; andere uit mechanische
instrumenten, die door hunnen vorm, hunne hardheid en de vastheid hunner
verbinding in staat zijn, zoowel anderen deelen tot steun te dienen als
bepaalde bewegingen uit te voeren.

Ik zou uw geduld te zeer op de proef stellen en daardoor aan uwe
waardigheid te kort doen, indien ik alles tot in de kleinste
bijzonderheden wilde uiteenzetten. Slechts dit zult gij wel zoo
vriendelijk zijn te willen aanhooren, dat Hippocrates met de
gansche schare van Babyloniërs, Egyptenaren en Grieken, wier voetstappen
hij volgde, en de geheele Grieksche school, die van hem uitging, niets
anders dan de beide genoemde groepen van lichaamsdeelen hebben kunnen
ontdekken.

De Arabieren hebben, hoe ijverig zij zich ook op de studie der
ontleedkunde toelegden, nooit een derde hieraan kunnen toevoegen.

Raadpleegt Vesalius, die de ontleedkunde in nieuwe banen leidde, diens
mededingers Eustachius en Fallopius,vervolgens ook Harvey en Malpighi,
die zich door hunne ontdekkingen een onsterfelijken naam verworven
hebben, voorts Asellius, Pecquet, Bartholinus, Dathir, Bellini, Glisson,
Wharton en Willis, die elk op hunne beurt oude meeningen voor nieuwe,
betere inzichten hebben doen plaats maken; voegt bij dezen Leal en
Louwer, die de wetten der mechanica op de ontleedkunde toepasten, en
eindelijk Hooke, Pouwer en Leeuwenhoek, die tot de diepste verborgenheden
zijn doorgedrongen, en ge zult vinden, dat zij met al hunne wetenschap,
met alle middelen, welke hun bij hun onderzoek ten dienste stonden, geene
andere dan de twee genoemde bestanddeelen van het menschelijk lichaam
hebben kunnen ontdekken.

Waarom zouden wij dus dulden, dat men andere willekeurig verzint en ons
maar steeds wat op de mouw speldt?

Wat hebben wij hier te doen met elementen, hoedanigheden, vormen,
chemische, bezielde en metaphysische oorzaken, liefde en haat; waar is
hier sprake van, aanleiding tot en behoefte aan zoovele verdichtselen?

Geen enkele school vond hier ook maar een spoor van de door haar
verzonnen verschijnselen.

Slechts de Werktuigkundigen mogen het menschelijk lichaam als hun
gebied van onderzoek beschouwen en in dat geheele lichaam, ten minste
wat zijne vaste deelen aangaat, is niets wat daarbuiten valt.

Derhalve verdienen _zij_ alleen gehoor, moeten slechts _hunne_
uitspraken geraadpleegd, slechts _hunne_ beginselen aanvaard, slechts
_hunne_ methode toegepast worden, wanneer onderzoek gedaan wordt naar de
werking van een orgaan, welks bouw men reeds genoegzaam doorzien heeft.

Slechts _dat_ betoog zal hier van kracht zijn, dat door een in _deze_
wetenschap ervaren Meester geleverd wordt.

U, o mannen, die wellicht niet instemt met mijne woorden, vraag ik, wat
de beteekenis is van den toch zoo eenvoudigen vorm van het hoornvlies,
wat die van de bepaalde oppervlakte en dichtheid van het waterachtig
vocht, van de kristallens en van het glasachtig vocht.

Zegt mij toch, wat de schelpen van het uitwendige oor en de in het
midden eenigszins nauwe en omgebogen, doch aan de beide uiteinden
breedere en recht doorloopende weg van de gehoorgang beteekenen voor het
opvangen en richten der geluidsgolven?

Beschouwt de fijnheid van het trommelvlies, zijnen elliptischen, in de
richting van de binnenzijde van het rotsbeen bollen, vorm en de velerlei
krommingen, welke het door middel van het hamertje, dat daaraan
vastgehecht is en door een afzonderlijke spier in beweging gebracht
wordt, kan aannemen, en zegt mij dan, wat de werking is van deze
inrichting, die zich zelfs bij het geringste dier steeds op dezelfde
wijze en even ingewikkeld vertoont?

Wijst ons ook de strekking aan van het kunstige doolhof, van de schelp,
van het voorportaal, van de dubbele winding van het kegelvormig
slakkenhuis, van het ovale en het ronde venster, van zoovele wonderen
van mechanistische kunst, welke Gods hand hier in de zeer harde rots
heeft uitgehouwen.

Als mijne stellige overtuiging spreek ik het uit, dat gij zonder een
diepgaande kennis van de Werktuigkunde noch zelf er iets van zult kunnen
begrijpen, noch anderen iets van beteekenis er over mededeelen, welke
hulpmiddelen gij bij uw onderzoek ook moogt bezigen.

Moge dit weinige, dat ik over de vaste stoffen zeide, volstaan; het ligt
in de rede, dat ik hieraan het een en ander over de vloeistoffen
toevoeg.

Deze zijn het immers, van welker beweging het leven en van welker
onbelemmerde strooming door de vaten de gezondheid afhangt.

Van hare geaardheid kan echter hij alleen zich een duidelijke
voorstelling maken, die de kleine en beweeglijke lichaampjes kent, door
welker opeenhooping de vloeistof gevormd wordt. Beschouwt men zoo één
enkel lichaampje, dan vertoont het het karakter eener vaste stof en al
zijne werkingen worden derhalve bepaald door massa, beweging en vorm.
Hieruit volgt, dat de werkingen, die elk deeltje eener vloeistof
afzonderlijk teweegbrengt, slechts door den Werktuigkundige langs
experimenteelen weg kunnen opgespoord worden.

Daar dit echter uit het vroeger gezegde vanzelf voortvloeit, zal ik hier
niet verder over uitweiden, maar slechts dit opmerken, dat onze kennis
der vloeistoffen, wat dit punt betreft, nog niet zóóver gevorderd is,
dat zij reeds practische resultaten kan opleveren.

Letten wij daarentegen op de gezamenlijke massa der vloeistof, dan nemen
wij zwaarte en strooming als de eigenschappen waar, welke alle vochten
op aarde met elkander gemeen hebben. De elasticiteit echter, de
verschillende graden van zwaarte, dichtheid, vloeibaarheid en
adhaesievermogen, de snelheid en de bewegingsrichting zijn de
voornaamste eigenschappen, waardoor de vloeistoffen zich onderling
onderscheiden. De invloed nu van al deze eigenschappen is zóó groot, dat
de oorsprong der tallooze verschijnselen, welke het menschelijk lichaam
in normalen toestand te aanschouwen geeft, slechts daarin behoeft
gezocht te worden.

Wie derhalve van dit alles op streng wetenschappelijke wijze een
systematische uiteenzetting weet te geven, verricht daarmede een werk
van het grootste belang voor de bevordering der geneeskunde.

En nu vraag ik U, wie zal de beteekenis der genoemde verschijnselen
kunnen in het licht stellen, verklaren en aantoonen, die niet vertrouwd
is met de Evenwichtsleer der vloeistoffen, dat zoo ingewikkelde
onderdeel der Werktuigkunde?

Dit is de zoo vermaarde wetenschap der Waterbouwkundigen, welke, door
gebruik te maken van wiskundige berekeningen bij de bestudeering der
zooeven door mij genoemde eigenschappen, zeer nuttige en voor de
praktijk bruikbare leerstellingen gevonden heeft.

Heeft zij niet, zich niet bekommerend om de natuurkundige verklaring
der verschijnselen, noch om de werking, die elk deeltje der vloeistof
op zichzelf uitoefent, doch slechts rekening houdend met de voor de
zintuigen waarneembare werking der geheele massa, met toepassing der
wiskundige methode hoogst belangrijke resultaten verkregen, waarvan wij
ook in het dagelijksch leven nut ondervinden?

Hij, die feiten verlangt en zich niet door woorden wil laten overtuigen,
neme de werken van Archimedes, Cartesius,
Stevin, Borelli, Mariotte, Huygens,
Newton en Bellini ter hand.

Hoezeer ware het te wenschen, dat meer bevoorrechte geesten over de nog
onopgeloste problemen op het gebied dezer wetenschap hun helder licht
lieten schijnen.

Mochten toch de Wiskundigen zich op haar toeleggen, haar in alle
richtingen doorvorschen, om ze ons ten slotte met volkomen duidelijkheid
te doen kennen!

Indien zij zich er toe willen zetten, de vraagstukken, rakende de
algemeene werkingen der vloeistoffen, door het licht hunner wetenschap
op te helderen, mogen wij verwachten, dat hun arbeid binnen korten tijd
rijker vrucht voor de geneeskunde zal afwerpen, dan al hare andere
hulpwetenschappen haar tot nog toe hebben opgeleverd.

Wij moeten ons inderdaad ergeren en tegelijkertijd schamen over de
zotternijen, waardoor zij, die, zonder kennis der Werktuigkunde, de
werking der menschelijke lichaamsvochten trachtten uiteen te zetten, een
zoo bij uitstek ernstige wetenschap als de geneeskunde in een
belachelijk daglicht geplaatst hebben.

En ik verklaar ronduit, dat niemand de werkingen der levensvochten kan
begrijpen, die niet vertrouwd is met de wetten der Waterbouwkunde.

Terwijl ik dit met de vrijmoedigheid, den geneesheer eigen, verkondig,
zie ik in mijne verbeelding reeds hen zich tot den strijd gereed maken,
die, ik weet niet waarom, zich en hunne school naar Hermes[2]
noemen.

Zou ik uit deze algemeene leer der vloeistoffen al datgene kunnen
afleiden, wat betrekking heeft op hare bijzondere eigenschappen?

Of zou ik voor de altijd gelijke bewegingen der gisting, voor de
ziedende botsingen der verschillende vloeistoffen of voor de
wonderbaarlijke werkingen der spontane rotting ooit een verklaring
kunnen vinden in de wetten der Mechanica?

Hij, die zulke tegenwerpingen maakt, moge, gedachtig aan hetgeen ik
reeds gezegd heb, ook het volgende in het oog houden.

Want dit is mijne meening hieromtrent; het staat aan U, mijne hoorders,
de juistheid ervan te beoordeelen.

Ik geef toe, dat de proeven der Scheikundigen een, trouwens zeer
beperkt, inzicht kunnen geven in de ontwikkeling van enkele op zichzelf
staande verschijnselen, voor zoover die proeven iets voor onze zintuigen
waarneembaars opleveren, waarbij men dan nog dient rekening te houden
met de bijzondere omstandigheden, waaronder zij plaats hadden.

De scheikunde is derhalve volstrekt onmisbaar voor de medische
wetenschap, daar zij haar de beschikking geeft over een uitgebreide
reeks van waarnemingen en de beste waarnemingsmethoden aan de hand doet.

De Chemie kan dus wel gegevens verschaffen en de voorwaarden, waaronder
deze verkregen zijn, duidelijk omschrijven, doch in geen geval is zij in
staat, vaste regels te geven, volgens welke uit die gegevens verdere
conclusies getrokken kunnen worden.

Doch zelfs indien dit wél het geval ware, ook dan nog was de hoovaardij
van hen misplaatst, die er zich maar steeds dwaselijk op beroemen, enkel
door de beoefening der scheikunde den geheelen schat der medische
wetenschap in bezit te hebben!

Dat immers in ons lichaam, hetzij in normalen of ziekelijken toestand,
meer verschijnselen teweeggebracht worden door de algemeene
eigenschappen der vochten, welke de wiskundigen zich tot taak gesteld
hebben te onderzoeken, dan door die, welke valschelijk verdicht,
twijfelachtig of grootendeels door de Scheikundigen zelf kunstmatig
verwekt zijn, blijkt duidelijk uit het volgende door een ieder
waargenomen feit.

De een lescht zijnen dorst met water, de ander doet zijn lichaam
dagelijks opzwellen door het gebruik van Falerner[3]; deze, aan soberen
kost gewend, stilt zijnen honger met en leeft alleen van vruchten en
meelspijzen, gene overlaadt zijne maag met vleesch, visch, groenten en
met den fijnsten smaak uitgelezen kruiderijen; sommigen voeden zich met
laffe en bijna zoutelooze spijzen, anderen prikkelen hunne ingewanden
met allerlei gezouten, zure en scherpe gerechten.

Toch zien wij, dat, niettegenstaande een zoo groote verscheidenheid van
voedingsstoffen, zoowel personen die tot de eene als die tot de andere
categorie behooren, gedurende vele jaren leven en gezondheid kunnen
behouden, hoe verschillend de lichamen ook zijn, waarmede zij hunne
vochten verzadigen.

Wordt daardoor nu niet ten stelligste bewezen, dat de
levensverrichtingen in meerdere mate afhankelijk zijn van den algemeenen
aard der vloeistoffen, zooals die door de werktuigkundigen ontvouwd is
en zich in het lichaam zelf door de werking der ingewanden openbaart,
dan van de bijzondere eigenschappen van elk deeltje op zich zelf?

Indien gij dit niet genoegzaam bewezen acht door hetgeen hierover te
vinden is in de meesterwerken van Baco van Verulam over leven
en dood[4], door de vrijzinnige voorschriften, die Hippocrates
en Celsus omtrent de voeding van gezonde personen gegeven
hebben, en ten slotte door hetgeen de dagelijksche ondervinding ons
leert, dan zal ik u een voorbeeld aanhalen, ontleend aan
Louwer, een man, aan wiens woorden men, wegens zijn
buitengewone eerlijkheid en scherpzinnigheid, gepaard aan een helder
oordeel, onvoorwaardelijk geloof moet hechten.

Deze toch verzekert, dat eens een door geweldig bloedverlies uitgeputte
jongeling enkel door het toedienen van vleeschsap, dat in zijne aderen
werd opgenomen, er doorheen stroomde en zelfs zonder verandering van
kleur weder uit de wonden te voorschijn kwam, tot het leven
teruggebracht werd.

Doch waartoe woorden te verspillen over eene zaak, die zóó voor zich
zelf spreekt.

Op u beroep ik mij, uw getuigenis roep ik in, doorluchte Geneesheeren,
wier wijsheid dezen kring luister bijzet, wier zegenrijke hand dezer
stad de gave eener onverstoorde gezondheid toebedeelt!

Zien wij ons niet bij het behandelen onzer patiënten tallooze malen
genoodzaakt, al te vloeibare stoffen te verdikken, samengepakte op te
lossen, stilstaande in beweging te brengen en al te lichte stoffen meer
stevigheid te geven?

Hoe uiterst zelden daarentegen worden wij gedwongen, onze aandacht te
wijden aan den strijd der zouten, de vlammen der zwavels en de
geheimzinnige werking van het kwikzilver!

Ja, zelfs zij, die het maar altijd over chemische middelen hebben,
passen, als een ziekte hen dwingt handelend op te treden, met verzaking
van hun eigen leer, ijverig de zooeven door mij genoemde methoden toe.

Indien het dus waar is, dat zooveel te danken is aan de genoemde
eigenschappen der vloeistoffen en de werktuigkundigen het zijn, die deze
naar aller oordeel het best onderzocht hebben, zoo volgt hieruit, dat de
kennis der levensvochten zelve voor den geneesheer verborgen moet
blijven, indien hij niet met de Mechanica vertrouwd is.

Vestigt thans eens uwe aandacht op de werkingen, die een gevolg zijn van
het stroomen der vloeistoffen door de vaten, en nog veel duidelijker zal
de groote beteekenis van de waarheden der Mechanica in het oog springen.

Indien toch de bovengenoemde vloeistoffen in de vaten, zooals wij die
beschreven hebben, stilstaan, dan hebben wij een lijk voor ons.

Indien echter deze vochten zich ongehinderd door die kanalen kunnen
bewegen, aanschouwen wij een levend lichaam.

Wie zich door mijne woorden niet wil laten overtuigen, zal toch wel zijn
eigen oogen willen gelooven.

Denkt u een gevoelig persoon, die door den aanblik van uit eene wonde
stroomend bloed in zwijm gevallen is.

Wij zien hier een doode, maar toch geen gewoon lijk. Immers alle vaste
en vloeibare stoffen, zooals die bij een normaal mensch gevonden worden,
zijn aanwezig; slechts de beweging, die de vochten in omloop brengt,
ontbreekt er aan.

Denkt U vervolgens, dat men, door welk middel dan ook, de zenuwen van
dien persoon heeft weten te prikkelen, zoodat de stof, die het hart in
beweging brengt, weer zijn gewonen loop krijgt, terstond houden alle
droeve verschijnselen van den dood op en keert het leven, opgewekter dan
voorheen, terug.

En niet alleen het leven, maar ook de warmte, de blozende huidskleur,
de lenigheid, het denkvermogen, kortom alle natuurlijke en specifiek
menschelijke levensuitingen keeren tegelijkertijd weder.

Wat merken wij hier van het ontstaan of vergaan van een gisting, een
opbruising, een weerbarstig zout, van een olie- of geestachtig beginsel?

Behalve de beweging wordt er niets toegevoegd of verwijderd; toch zien
wij het leven zelf, dat reeds verloren was, wederkeeren.

Hetzelfde verschijnsel kunnen wij waarnemen bij vogels en insecten, die,
door de winterkoude verstijfd, slechts aan een matige warmte behoeven
blootgesteld te worden, om terstond weer tot het leven terug te keeren.

Er zijn echter menschen, die, hoewel buigend voor de kracht der
waarheid, toch vaak ook stellig vaststaande waarheden weigeren aan te
nemen wegens de te algemeene bekendheid van de feiten, waarop zij
berusten.

Om nu mijne beweringen, die eigenlijk door de genoemde overbekende
feiten reeds voldoende bewezen zijn, ook door een zeldzamer voorbeeld te
staven, noodig ik U uit, met mij een kijkje te nemen in het laboratorium
van Hooke.

Een door vernieling der borstkas bezweken dier zien wij daar, nadat zijn
longen door middel van een aan het strottenhoofd bevestigden blaasbalg
opgeblazen zijn, spoedig tot het leven terugkeeren.

Laten wij vervolgens, nog onder den indruk van dit schouwspel, dat ons
het leven als iets zoo werktuigelijks deed kennen, ons snel tot den
grooten Glisson wenden. Ziet, hoe hij in het lijk van een reeds
lang overledene op wonderbaarlijke wijze de levensverrichtingen
kunstmatig te voorschijn roept door het door middel van een blaas
inspuiten van vocht in de aderen.

Bewijzen al deze als voorbeelden aangevoerde feiten--en men zou er
tallooze kunnen opsommen--niet voldoende, dat ongeveer alles, wat ons
leven en onze gezondheid veroorzaakt en er uit voortkomt, afhangt van
het regelmatig heen en weer stroomen der vochten door de vaten?

Daar nu de Werktuigkundigen alleen het zijn, die de werkingen dezer
beweging en de wetten, waaraan zij gehoorzaamt, volkomen doorzien en in
dat deel hunner wetenschap, dat Evenwichtsleer der gassen en
vloeistoffen genoemd wordt, op overtuigende wijze helder en systematisch
uiteenzetten, moet dit alles mijns inziens ook tot het gebied der
Mechanica gerekend worden.

Maar hier zijn wij nu juist bij een punt aangeland, dat de voorstanders
van de leer der fermenten tot niet weinig zelfverheffing en
zegevierenden jubel aanleiding geeft.

Indien, zoo zeggen zij, de onbelemmerde strooming der vloeistoffen door
de vaten de oorzaak van het leven is, dan is de eerste grond der
beweging in de vloeistof zelve te zoeken en in niets anders. Zij kan dus
slechts gevonden worden in de aan de vloeistof eigen, zeer sterke en
vrij gestadige beweging, een hoedanige slechts in door gisting
aangezette vloeistoffen wordt aangetroffen.

Hen, die zoo spreken, wil ik er aan herinneren, dat de oorsprong van de
beweging der vloeistof in het embryo bij de ouders gezocht moet worden;
dat die beweging, zoolang de vrucht zich in het moederlijf bevindt, door
de koestering der moeder wordt gaande gehouden en vervolgens, na de
geboorte, enkel en alleen aan de inrichting der vaste lichaamsdeelen
haren voortgang te danken heeft. Hij, die den wonderlijken bouw van het
hart, van zijn boezems tot zijn kamers, en den samenhang dier deelen
aandachtig heeft gadegeslagen, alsook de hieruit noodwendig
voortspruitende bewegingen van het bloed, dat uit het hart in de
slagaderen stroomt, uit deze naar het merg der hersenen, de aanhangsels,
de zenuwen, spieren en aderen en zoo weder terug naar het hart, zal de
voortzetting van het levensproces niet anders trachten te verklaren dan
uit de mechanische werking der ingewanden.

Het zal hem immers gemakkelijk vallen, met wiskundige zekerheid te
bewijzen, dat uit slechts één enkelen hartslag in een gezond lichaam
elke verdere werking van het hart vanzelf voortkomt.

Veel minder in aantal en veel eenvoudiger van aard, dan wij ons dat
voorstellen, zijn de voorwaarden voor een goede gezondheid.

De veranderingen, welke het voedsel in ons lichaam ondergaat, zijn veel
eenvoudiger dan men algemeen aanneemt.

De oorzaken van het menschelijk leven zijn minder samengesteld dan wij
zelven meenen.

Indien de bouw van het menschelijk lichaam ons nauwkeurig bekend was,
indien wij volkomen waren ingelicht omtrent den aard der vloeistoffen,
voor zoover die voor onze zintuigen waarneembaar is, dan zou de
mechanica ons spoedig leeren inzien, dat datgene, wat ons nu, wegens
onze onkunde, in de hoogste mate verbaasd doet staan, uit zeer
eenvoudige beginselen voortvloeit.

De waarheid dezer schijnbaar zoo paradoxe bewering kunt gij uit één
enkel voorbeeld opmaken, waaruit U zal blijken, op welk een eenvoudige
en geheel werktuigelijke wijze de allerbelangrijkste verandering in ons
lichaam tot stand komt.

Wanneer men een doorzichtig deel van een levend dier onder een
microscoop legt, dan neemt men duidelijk waar, dat het bloed enkel door
den hartslag naar het uiterste gedeelte der slagaderen gedreven wordt
en, daar aangekomen, ten gevolge van de veerkrachtige samentrekking der
slagader een weinig teruggedreven wordt. Op hetzelfde oogenblik houdt de
hartslag op en vallen de hartkleppen dicht, om het bloed daardoor
gelegenheid te geven, om terug te stroomen.

Dat door dezen afwisselenden aandrang en terugstoot de in massa
verschillende deelen van het bloed in het geheele lichaam hunnen weg
nemen naar de monden van verschillende openingswijdte en door deze nu
eens worden opgenomen, dan weer teruggestooten, dit alles vertoont zich
even helder aan ons oog als het zich boven ons welvende uitspansel.

Niet minder duidelijk zien wij het bloed zich verdeelen in vloeistoffen,
onderling verschillend in kleur en graad van dichtheid, die zich
vervolgens in de aderen weder vermengen; deze verschijnselen hebben
dezelfde oorzaak als de voorgaande.

En nu zal iemand, die geoefend is in het waarnemen van chemische
processen, zelfs met het bloote oog kunnen constateeren, dat dit alles
uitsluitend ten gevolge van een van elders komenden aandrang en de
veerkrachtigheid der bloedvaten, zonder eenig teeken van gisting, tot
stand komt.

Vaak beving mij, terwijl ik in de beschouwing hiervan verdiept was, een
twijfel, of ik wel een deel van een levend dier voor mij zag en niet
veeleer een samenstel van kanalen, door een hoogst bekwaam
werktuigkundige naar het ontwerp van een uitstekend mathematicus
gebouwd, door welke een waterbouwkundige van den eersten rang
vloeistoffen leidde, vaneenscheidde en vermengde.

Wilt gij eindelijk door feiten in het licht gesteld zien, dat de
Werktuigkundigen in staat zijn, door middel van eenvoudige en
betrouwbare proeven zoodanige vraagstukken tot oplossing te brengen, die
nog maar enkele jaren geleden voor onoplosbaar gehouden werden, dan
behoef ik u slechts in herinnering te brengen, welke resultaten op dit
gebied door wiskundigen arbeid verkregen zijn.

Men bestudeere aandachtig de geschriften van Borelli, waarin
deze zich bij de behandeling van medische vraagstukken van de Mechanica
bedient.

Men leze na, welke ingewikkelde problemen Bellini, een geleerde
uit de school van Borelli, met toepassing van dezelfde
beginselen en voortbouwend op de ontdekkingen van Malpighi, als
een tweede Oedipus heeft opgelost.

Vervolgens ook de problemen, die Pitcairn, weleer een sieraad
dezer hoogeschool, aangespoord door het succes van den arbeid der
genoemde geleerden, aan de geleerde wereld heeft voorgelegd en
opgehelderd.

Laat ons ijverig navorschen de verhandelingen van Scheiner,
Cartesius en Huygens over het oog en die van
Kircher, Schelhammer en Morland over het oor
en het gehoor.

Dan zal het toch zeker geen vraag meer zijn, of de Mechanica der
Geneeskunde ten goede komt!

Dan zal blijken, welke resultaten te verwachten zijn, indien
Geneeskundigen, doordrongen van het nut dezer wetenschap, haar op hun
eigen gebied gaan toepassen, en indien met deze methode even lang wordt
voortgegaan als het verkondigen van de dwaze theorieën der
philosophische scholen in de medische wetenschap geduld is geworden.

Dat het boven gezegde juist is en dat derhalve de Mechanica kan
toegepast worden op de Geneeskunde, zal wellicht door ieder beaamd
worden, zoolang er slechts sprake is van de Theorie; voor de practische
uitoefening der Geneeskunde daarentegen wordt elk nut der Mechanica door
de meeste menschen ten stelligste ontkend.

Hoe de bevestiging van het eene en de ontkenning van het andere, hoe
spitsvondig deze onderscheiding ook geformuleerd is, kunnen samengaan,
vermag ik niet te begrijpen.

Want zij, die dit onderscheid maken, zullen onder de Theorie der
geneeskunde toch niets anders verstaan dan de leer, die ons uit de
naaste oorzaken een helder inzicht weet te verschaffen in het leven van
den gezonden mensch.

Is deze definitie juist--en ik geloof niet, dat iemand er eenig bezwaar
tegen zal hebben,--dan volgt hieruit, dat deze wetenschap de beste
hulpmiddelen oplevert voor het opsporen en genezen der ziekten.

Immers hij, die de voorwaarden eener volmaakte gezondheid grondig kent,
zal ook, wanneer een of meer van deze ontbreken, den oorsprong en het
wezen der afwijking, dat is der ziekte, volkomen begrijpen.

Zal nu niet hij, die het helderst inzicht heeft in de naaste oorzaak
eener ziekte, ook voor den meest geschikten persoon moeten gehouden
worden, om die ziekte te bestrijden?

Het gaat er namelijk mede als met een uurwerk; als de wijzer afwijkt,
zal ook een leek de fouten kunnen opmerken, maar ze volgens de regelen
der kunst herstellen zal niemand anders kunnen dan hij, die kennis heeft
van de inrichting van uurwerken en daardoor ziet, wat er aan de
verschillende deelen hapert, hetgeen hem wederom de middelen tot herstel
aan de hand doet.

Zoo kan dus aan het kleinste lichtvonkje der theoretische Geneeskunde
door een bekwaam Meester een fakkel ontstoken worden, die hem bij het
practisch uitoefenen van zijn vak voorlicht.

Wie derhalve het nut der Mechanica voor de theorie der Geneeskunde
erkent, doet het daarmede tevens ook voor de praktijk.

Dit is vooral duidelijk bij dat zoowel om zijn hoogen leeftijd als om
zijn uitgebreide toepassing hooggeëerde deel onzer wetenschap, dat zijn
naam ontleent aan het "met de hand genezen"; oordeelt zelf, of de
chirurgie de uitvindingen der Mechanica ontberen kan.

Welke medicus zal met meer geluk instrumenten tot het herstellen van
gebreken uitvinden dan een zoodanige, die door en door vertrouwd is met
de Werktuigkunde?

De ijle figuurtjes, die men wel eens voor zijn oogen meent te zien
zweven, worden door Geneesheeren, die onbedreven zijn in de Wiskunde,
voor eerste verschijnselen eener aanstaande uitstorting in het
waterachtig vocht gehouden; vandaar dan ook, dat zij het toch zoo teere
oog, ganschelijk verkeerd, met scherpe vochten behandelen, die er vaak
een groote verwoesting in aanrichten.

Hoe geheel anders is echter de geneeswijze geworden, sedert
Willis met wiskundig inzicht den zetel van dit verschijnsel in
het netvlies en de oorzaak er van in de slagaderen gezocht en
Pitcairn dit vermoeden tot zekerheid gebracht heeft.

Zonder gebruikmaking van eenig uitwendig bijtmiddel wordt het kwaad door
aderlating en toediening van een oplossend middel op voor den patiënt
onschadelijke wijze weggenomen, terwijl somtijds ook elke behandeling
onnoodig geoordeeld wordt.

Welk een dwaasheid, een afwijking van het oog, bestaande in een
verkeerde breking der lichtstralen, met oogwaters of drankjes te willen
genezen!

Op hoe afdoende wijze worden daarentegen dergelijke gebreken verholpen
door brillen, welke naar de voorschriften van Huygens voor elke
afwijking in het bijzonder geschikt gemaakt kunnen worden.

Ik wenschte, dat zij, die alle toepassing der Mechanica van de praktijk
der Geneeskunde willen verre houden, maar eerst eens begonnen met
Huygens' werken over het opheffen der gezichtsstoringen te
leeren verstaan.

Deze beroemde Nederlander heeft immers, met gebruikmaking van hetgeen de
anatomie leert over de inrichting van het oog, overigens alleen lettend
op het bijzondere karakter der ziekte, die hij genezen wil, weldra door
louter wiskundige berekeningen een hulpmiddel ontdekt, dat slechts voor
die kwaal afdoende is, welker door het onderzoek aan het licht gebrachte
eigenaardigheid de kern van het probleem had uitgemaakt.

Zonder aan het oog te raken, heft hij de uitwerking der ziekte op en het
onherstelbaar gebrek van het oog zelve wordt door het aanbrengen van een
bijzonder gevormd glas onvoelbaar gemaakt.

Ziedaar schoone voorbeelden, die een zeer duidelijk beeld vertoonen van
de mechanistische methode, door de wiskundigen bij het behandelen van
geneeskundige vraagstukken toegepast, van het nut, dat zij oplevert en
het succes, dat er mede te bereiken valt.

Wanneer men volgens deze methode ook alle overige vraagstukken zal gaan
behandelen--en ik twijfel er niet aan, dat men het langzamerhand wel
zoover zal brengen--dan zullen wij eindelijk eens in het bezit komen van
eene geneeskundige wetenschap, die, op zekerder basis gegrondvest en
vrij van verzinselen, niet ten allen tijde veranderlijk, maar eeuwig
dezelfde zal zijn.

Men brenge nu niet hiertegen in, dat het nog niet bewezen is, dat op de
afwijkingen der vloeistoffen en dus op de oorzaken der inwendige ziekten
en hare leniging met aan de mechanica ontleende hulpmiddelen een
gunstige invloed geoefend kan worden.

Want met die opmerking wordt hetzij deze vraag bedoeld, of dit resultaat
wel ooit te bereiken valt, hetzij deze, hoe het komt, dat het nog niet
bereikt is.

Wordt dit laatste bedoeld, dan hebben wij onbillijke en lastige
beoordeelaars.

Is het niet ergerlijk, te hooren eischen, dat de weinige
Werktuigkundigen, die zich eerst sedert korten tijd op geneeskundig
gebied bewegen, een zoodanig werk reeds geheel volbracht zouden hebben,
waaraan alle anderen te zamen in een tijdsverloop van drieduizend jaren
met vereende krachten nog zelfs geen begin van uitvoering hebben kunnen
geven?

Wordt daarmede niet iets geheel onmogelijks verlangd? Daar immers de
eerste voorwaarde voor het toepassen der mechanica op de geneeskunde
deze is, dat daarbij van de kennis van den bouw der vaste deelen, van
den aard der vloeistoffen en van de verschijnselen, welke zij zoowel in
normalen als in ziekelijken toestand teweegbrengen, als van vaste
gegevens kan worden uitgegaan, is het dan niet ongerijmd, te eischen,
dat zulk een omvangrijke wetenschap, terwijl zij nog in het eerste
stadium harer ontwikkeling verkeert, reeds haar toppunt bereikt zal
hebben?

Is er echter iemand, die meent, dat langs dezen weg nooit ook maar iets
tot stand gebracht zal worden, dan moge hij wel bedenken, dat ziekten,
die door een der vloeistoffen veroorzaakt worden, in verreweg de
meerderheid der gevallen het gevolg zijn van een abnormale strooming
dier vloeistof door de vaten.

Dit leeren ons de waarnemingen van Hippocrates, vergeleken met
die van Sanctorius en met de dagelijks door ons waargenomen
verschijnselen.

En nu zal hij, die een vergelijkende studie gemaakt heeft van de
verschijnselen, welke het menschelijk lichaam zoowel bij het leven,
hetzij in gezonden of ziekelijken toestand, als bij en na den dood te
aanschouwen geeft, den innerlijken grond van zulk een stoornis in de
strooming in den regel zoeken in een verslapping der stuwkracht, een
krampachtige samentrekking der vaten of in afwijkingen der
vloeistoffen, wat betreft hare hoeveelheid, beweging en meer of minderen
graad van dichtheid.

Een aandachtige beschouwing doet ons inderdaad zien, dat de gunstige
werking der middelen, door welke wij de pijn onzer patiënten plegen te
stillen, voornamelijk daaraan te danken is, dat zij de zooeven genoemde
oorzaken der ziekten wegnemen.

Men vergelijke de gulden waarnemingen van Sydenham met de
verhandelingen van Bellini over de aderlating, de prikkels en
de samentrekbaarheid der vezels, en wanneer men daaruit zal geleerd
hebben, dat de heilzame werking der meest gewone geneesmiddelen op
volkomen mechanische wijze wordt voortgebracht, zal men wel de
verwachting durven koesteren, voor de werkingen dezer middelen en de
wijze hunner toepassing langzamerhand vaste regels te zullen zien
opstellen.

Nauwelijks kan ik mij bedwingen, wellicht al te voorbarig, het uit te
spreken, dat de oorzaken der oogenschijnlijk meest ingewikkelde ziekten
eenvoudiger en van meer mechanischen aard zijn dan eenig geneesheer
vermoedt.

Immers de minste en onbeduidenste beschadiging van één deel eener
machine is in staat, tengevolge van zijne beroering met de overige
deelen en den nauwen samenhang van het geheel, op eens de geheele
machine, hoe gaaf ze overigens ook moge zijn, in de war te sturen.

Laat eens in het meest gezonde lichaam een vezeltje eener pees of kleine
zenuw door een zeer fijne naald van het zuiverste staal geprikt worden.

Welk een gruwelijke opeenstapeling van kwalen ziet gij dan voortspruiten
uit een onbeduidend wondje van zoo'n klein deeltje.

Pijn, een roode, opgezwollen plek, gloeiing, klopping, koorts, dorst,
ijlhoofdigheid, stuiptrekkingen en de vreeselijke ontknooping der
tragedie, den dood!

Een doorn of fijne stroohalm verwekt, op een vliesachtige plaats
binnengedrongen, in korten tijd dezelfde verschijnselen.

Waarom zouden wij er ons dan over verwonderen, dat de stekels der
vergiften, de pijlen der besmetting of de prikkels der zouten een
gelijke uitwerking hebben?

Welke wonderlijke veranderingen zien wij in een gezond lichaam niet
plaats grijpen zelfs alleen ten gevolge eener uitwendige beweging!

Stelt U voor, dat iemand, zonder er gewoon aan te zijn, in een bootje
op zee door de golven in een kring rondgedreven of heen en weer
geslingerd wordt; welke verschijnselen doen zich daar niet voor!
Duizeligheid, bleekheid, misselijkheid, braking, angst, allerlei
ziekteleed, tallooze ongelooflijke afwijkingen van het levensvocht, en
dat alles uitsluitend gevolg der beweging!

Wie derhalve weet, dat de vochten ongedeerd blijven, zoolang zij door
den druk, dien de vaten er op uitoefenen, worden voortgedreven, dat zij
echter door stil te staan op een warme en vochtige plaats terstond in
een ziekelijken toestand geraken en ook gezonde deelen aantasten, wie
waargenomen heeft, dat van één enkele onbeduidende afwijking tallooze
andere afwijkingen het onmiddellijk gevolg zijn, zal gemakkelijk inzien,
dat eerst van den mechanistischen geneesheer afdoende middelen hiertegen
te verwachten zijn; wat al ontdekkingen zullen haar ontstaan te danken
hebben aan het in verband brengen der ziekteverschijnselen met de
oorzaken der stoornissen in den bloedsomloop en de regels voor het
overwinnen van den weerstand, het herstellen der veerkrachtige beweging
en het versterken der hartwerking!

Maar, zoo werpt men mij tegen, de macht van onzen geest over ons lichaam
doet ons toch duidelijk zien, dat leven, ziekte en gezondheid uit
niet-mechanische beginselen voortvloeien. Tevergeefsch derhalve is uwe
inspanning, vergeefsch uwe pogingen! IJdel zijn de verwachtingen, die
gij van uwe nuttelooze mechanistische studie koestert!

Het ware te wenschen, dat hij, die dergelijke tegenwerpingen maakte,
zich slechts een onschuldig genoegen daarmede verschafte en dat in zijne
schertsend geuite klacht niet tevens de beklagenswaardige ramp van ons
aller onwetendheid tot uiting gebracht werd!

Want wie heeft ooit in een der samenstellende deelen van onzen geest of
van ons lichaam ook maar iets kunnen ontdekken, dat voor het
wonderbaarlijk samengaan van beide een verklaring oplevert?

Men houde echter wel in het oog, dat alle werkingen, die onze geest in
ons lichaam teweegbrengt, van uitsluitend lichamelijken aard zijn en dat
_deze_ dan toch aan de wetten der Mechanica gehoorzamen.

Wat doet het er toe, dat de eerste oorzaak der verandering _niet_
mechanisch is, als het toch den mechanistischen geneesheer gegeven is,
zonder daarmede rekening te houden, van hare werkingen, die van
_lichamelijken_ aard zijn, kennis te nemen, ze grondig te onderzoeken en
zelfs te besturen, wat toch het eenige doel is, dat hij bereiken wil.

Maar ik bemerk, dat mijne rede, hoewel slechts enkele punten
oppervlakkig behandelend, al te zeer in omvang toeneemt.

Toch komt het mij voor, dat ik op één punt, waaraan mijn tegenstanders
hun krachtigst argument ontleenen, de beweringen van dezen niet
onwederlegd mag laten; ik wil namelijk niet de verdenking op mij laden,
dit punt, door het opzettelijk niet ter sprake te brengen, listiglijk
ontweken te hebben.

Is het niet waar, zoo roepen zij triomfantelijk uit, dat alle
philosophen en Mechanisten, die zich tot nog toe aan de uitoefening der
geneeskunde hebben gewaagd, steeds jammerlijk fiasco gemaakt hebben?
Alle verdere redetwist is dus overbodig, daar het feitelijk en
proefondervindelijk bewezen is, dat hunne wetenschap der geneeskunde
slechts schaadt!

Ik geef toe, dat deze redeneering volkomen juist is, zoolang zij slechts
gericht blijft tegen hen, die tot de scholen behooren, welker aanhangers
zich den weidschen naam van philosoof hebben aangematigd; dit leert ons
de geschiedenis, dit toonen de werken, die deze lieden over
geneeskundige onderwerpen geschreven hebben.

Daar zij zich immers onledig houden met het louter uit eigen verbeelding
opstellen van de beginselen aller dingen, om vervolgens uit de
hoedanigheden, die zij met groote scherpzinnigheid aan die beginselen
hebben toegedicht, den bijzonderen aard van elk lichaam te verklaren,
blijken zij natuurlijk op alle punten gedwaald te hebben; en nu is het
juist de door mij zoo warm aangeprezen mechanistische methode, die dat
duidelijk aangetoond heeft.

De gevolgtrekkingen, waartoe zij langs logischen weg gekomen zijn,
kunnen niet op de werkelijkheid toegepast worden, tenzij eerst is
uitgemaakt, dat die dingen, welke zij als een zeker uitgangspunt voor
hunne redeneeringen hebben aangemerkt, identiek zijn met de beginselen
van de afzonderlijke voorwerpen, die de natuur ons te aanschouwen geeft.

Daar deze beginselen nu echter misschien wel oneindig in aantal en alle
onderling verschillend zijn, zoo blijkt het, dat de waarheid hieromtrent
onmogelijk bij toeval, zooals zij zich inbeelden te kunnen doen, ontdekt
kan worden.

Indien dit zoowel door de zoogenaamde scholastieken als door een groep
van Mechanisten, die tot de school van Cartesius behooren,
ernstig in het oog gehouden ware, dan zouden zij niet in den waan
verkeerd hebben, dat het hun tot taak gesteld was, het menschelijk
lichaam te richten naar voorschriften, die op verdichte beginselen
berusten, maar zij zouden begrepen hebben, dat de elementen der door hen
beoefende wetenschap met behulp der Mechanica door hen opgebouwd moesten
worden uit datgene, wat de waarneming ons omtrent de samenstelling van
den mensch leert.

Indien men echter dit verwijt den mechanistischen Geneeskundige, zooals
ik U dien beschreven heb, naar het hoofd slingert, dan vraag ik bewijzen
voor dien laster.

Natuurlijk zal niemand, men versta mij wel, zoo dwaas zijn te beweren,
dat de meest nauwgezette Wiskundige niet een allerjammerlijkst figuur
als geneesheer kan maken.

Wat zou zulk een bewering wel te beteekenen hebben!

Ik verlang ook niet, dat de Mechanist verstand hebbe van de Geneeskunde,
maar omgekeerd eisen ik van den Geneeskundige kennis der Mechanica.

Het zou allerdwaast zijn, een practisch ervaren Geneesheer ten opzichte
van het genezen van ziekten te willen achterstellen bij een
Werktuigkundige, die ganschelijk onbedreven is in de geneeskunde.

Slechts dit verklaar ik, slechts dit wilde ik door mijne redevoering
duidelijk in het licht stellen, dat van twee geneeskundigen, die gelijke
ervaring in hun vak hebben opgedaan, hij het meest geschikt is om zijne
wetenschap vooruit te brengen, die meer dan de ander met de regelen der
Mechanica vertrouwd is.

Opdat nu echter aan mijne woorden geen scheeve uitlegging gegeven worde,
wat tot mijn grooten spijt reeds zoo dikwijls is voorgekomen, zal ik U
een korte schets geven van den Geneesheer, zooals die mij steeds als een
ideaal voor oogen zweeft.

Stelt hem U voor, bezig met het leggen van den eersten grond voor zijne
geneeskundige studiën, geheel en al verdiept in de wiskundige
beschouwing van figuren en lichamen, gewicht en snelheid, de inrichting
van werktuigen en de werkingen, die daarmede op andere voorwerpen kunnen
uitgeoefend worden.

Terwijl hij door deze studiën zijnen geest oefent, kunnen hem deze
tevens tot nauwkeurig richtsnoer dienen, om duidelijke van onduidelijke,
ware van onware voorstellingen te onderscheiden; tegelijkertijd zal hij,
gedwongen tot langzaamheid in het oordeelen, zich de zoo hoog noodige
voorzichtigheid eigen maken.

Nadat hij aldus geleerd heeft, de enkelvoudige werkingen der niet
samengestelde lichamen na te gaan en deze uit haar ware en ontwijfelbare
oorzaken af te leiden, is zijn geest rijp geworden, om de verschillende
eigenschappen der vloeistoffen, te weten haar vloeibaarheid,
elasticiteit, ijlheid en gewicht, die de hydrostatiek uitvoerig
behandelt, nader te bestudeeren.

Daarna ga hij, zijn denkvermogen aldus gescherpt hebbende, er toe over,
de werkingen, die vloeistoffen op werktuigen en die deze op gene
uitoefenen, volgens streng mathematische methode te onderzoeken,
versterke de op die wijze opgedane kennis door hydraulische,
mechanistische en chemische proeven, terwijl hij de geaardheid en de
werkingen van het vuur, het water, de lucht, de verschillende zouten en
andere dergelijke stoffen nauwkeurig gadeslaat.

Een tweede tafereel vertoont hem ons, zich reeds bevindend binnen de
gewijde ruimte, waar de Geneeskunde zelve beoefend wordt.

Daar zien wij hem zijne oogen, gescherpt en verhelderd door wiskundige
onderzoekingen, zwijgend richten op geopende lijken en op lichamen van
levend geopende dieren.

Aanstonds beschouwt hij met aandacht den bouw, de vormen, de vastheid,
de begin- en eindpunten, de verbindingen en krommingen, de buigzaamheid
en veerkrachtigheid der vaten.

Door dit wonderlijk schouwspel geprikkeld, past hij weldra op de door
hem waargenomen verschijnselen de wetten der Mechanica, welke hem reeds
van vroeger bekend zijn, toe en ontdekt zoodoende de verborgen
eigenschappen der aanschouwde lichaamsdeelen.

Van hoe verschillende, schoone en nuttige hulpmiddelen, waarmede de
vlijt der jongere geleerden de grenzen der ontleedkunde heeft
uitgebreid, zien wij hem gebruik maken.

Terwijl hij zich de door anderen eerst na zeer veel inspanning gedane
ontdekkingen ten nutte maakt, vormt hij zich een duidelijk beeld van den
bouw van het menschelijk lichaam.

Vervolgens zet hij zich aan de bestudeering der levensvochten, welke hij
zoowel in als buiten het levend lichaam met alle middelen, die hem
Anatomie, Chemie en Hydrostatiek ten dienste stellen, alsook met behulp
van het microscoop aan een grondig onderzoek onderwerpt. Eindelijk zal
hij zich dan door zijne van alle kanten bijeenverzamelde gegevens een
volledig overzicht kunnen verschaffen van alle verschijnselen, die het
lichaam in gezonden toestand te aanschouwen geeft.

Ziedaar iemand, die uitsluitend door de gegevens, welke hij zich zelf
verschaft heeft, in staat gesteld is tot het schrijven eener Leer van
den normalen lichaamstoestand!

Met behulp van deze gegevens nu brengt hij, na eerst elk afzonderlijk
nauwkeurig onderzocht en overwogen en ze vervolgens in hun onderlingen
samenhang bestudeerd te hebben, met toepassing van de wetten der
Mechanica en met streng wiskundige regelmaat en behoedzaamheid te werk
gaande, langzaam maar zeker waarheden aan het licht, die, hoewel in die
gegevens opgesloten liggend, niet door zinnelijke waarneming daarin
ontdekt, doch slechts door logische redeneering daaruit afgeleid kunnen
worden.

Aldus worden de naaste oorzaken van iedere werking opgespoord; deze
maakt hij namelijk op uit den hem reeds bekenden aard der
verschijnselen, welke hij bijeenverzameld, onderzocht en onderling
vergeleken heeft, zoodat hij zich langzamerhand, als vrucht van al deze
onderzoekingen, een duidelijk en volledig beeld van het wezen dier
oorzaken zal kunnen vormen.

Welke schoone resultaten zal hij niet kunnen bereiken, die bij zijne
studiën dezen weg volgt!

En zal de wetenschap, op deze wijze verkregen, niet onveranderlijk
vaststaan en even duurzaam zijn als de menschelijke natuur zelve, uit
welker innerlijk wezen zij immers is opgedolven en welke haar eenigen
grondslag uitmaakt?

Zullen de resultaten van zulk een wetenschap niet onbetwistbaar zijn,
die, slechts steunend op wat allen met gelijke beslistheid als waar
erkennen, met de strengste nauwgezetheid behoedzaam voortschrijdt?

Zal die wetenschap niet genoegzaam betrouwbaar en ook voor de praktijk
nuttig zijn, welke bij haar grondig en met toepassing eener onfeilbare
methode ingesteld onderzoek naar de naaste en onder ons bereik vallende
oorzaken slechts van die eigenschappen van het menschelijk lichaam
uitgaat, die stellig vaststaan en duidelijk voor onze zintuigen
waarneembaar zijn?

Ik erken, dat zij op die wijze slechts uiterst langzaam en nauw merkbaar
zal groeien en opwassen; daartegenover staat echter dit belangrijke
voordeel, dat elke, ook zelfs de geringste, vordering, die zij maakt,
een vaste schrede voorwaarts beteekent en een hechten grondslag vormt,
waarop verder voortgebouwd kan worden.

Het laatste tafereel mijner schets eindelijk vertoont U onzen
geneesheer, al dit werk reeds volbracht hebbend en naar den eindpaal
strevend.

Nu dringt hij door tot het allerheilige, tot het binnenste van den
tempel van Aesculapius!

Thans doorvorscht hij de Tafelen van Hippocrates en de zoo
betrouwbare geschriften der Grieken!

Ziet hem uit den overvloedigen schat der geneeskundige schrijvers
vlijtig bijeenverzamelen, wat er overal in hunne werken aan kostelijke
gegevens te vinden is!

Nu eens opent hij, ten einde ze te onderzoeken, lijken, waaraan hij
pathologische afwijkingen ontdekt heeft, dan weer neemt hij bij dieren
ziekten waar, die hij kunstmatig bij deze heeft verwekt; nu eens
verzamelt hij uit eigen ervaring allerlei gegevens omtrent de
uitwerkingen van ziekten en geneesmiddelen, dan weer vult hij de aldus
opgedane kennis aan door het raadplegen van de beste schrijvers op dat
gebied; eindelijk schikt hij al deze gegevens samen, terwijl hij ze
regelt en nauwkeurig overweegt, en vergelijkt de aldus gevonden
resultaten met wat de Theorie hem geleerd heeft, zoodat hij ten slotte
een degelijk inzicht krijgt in den loop en de geneeswijze der
verschillende ziekten.

En hiermede heb ik de laatste hand gelegd aan het voor u geschetste
beeld van den volmaakten geneesheer!

Dat deze hoogte onmogelijk bereikt kan worden zonder de studie der
Mechanica, meen ik thans genoegzaam te hebben aangetoond.

Sinds ik mij op de studie der geneeskunde toelegde, heb ik getracht, dat
beeld te evenaren, mij daarnaar te richten.

Naar dat model den geest te vormen van hen, die zich aan mijne leiding
toevertrouwen, daartoe, Heeren Curatoren, heb ik steeds al mijne
krachten ingespannen, zoolang ik op uw gezag aan deze hoogeschool de
geneeskunde onderwees.

Dat ideaal zal ik, zoolang God mij het leven schenkt, niet ophouden
ijverig na te streven.

Niet door partij te trekken van de dwaze lichtgeloovigheid en de domme
verbazing der onkundige menigte, niet door een verblindenden
woordenvloed, maar door duidelijke en onbetwistbare resultaten zal ik
voor de wetenschap, waaraan wij allen ons leven toevertrouwen, eerbied
trachten af te dwingen.

Moogt gij, voortreffelijke jongelingen, die u met de borst op deze
wetenschap toelegt, door welke het menschelijk geslacht zijn ongestoord
welzijn hoopt verzekerd te zien, het door mij ontworpen beeld van den
idealen geneesheer reeds van uwe eerste studiejaren af aandachtig
beschouwen en er bewondering voor opvatten.

Kwijt u zóó van uwe taak, dat gij u, getooid met de trekken en tinten
van dit beeld, den naam van reddende engelen der menschheid verwerft!

Er is geen wetenschap, die haren beoefenaren schoonere belooningen voor
hunnen arbeid ten deel doet vallen dan de Geneeskunde.

Geen andere is er, die u aangenamer, nuttiger en onmisbaarder voor uwe
medemenschen kan maken.

Geraakt in geestdrift, edelaardige geesten, geraakt in geestdrift voor
de schoonheid dezer kunst, zonder welker hulp voor niemand hier op aarde
het geluk bestaanbaar is!

Dat toch nooit de moeielijkheid dezer studie de onstuimigheid van uwen
vurigen geest beteugele!

Hoogst bezwaarlijk, ik erken het, is de weg, die tot het heiligdom van
Panacea[5] voert.

Doch anderen hebben dezen door hunnen onvermoeiden arbeid geëffend; met
groote dapperheid wisten zij, alle moeilijkheden overwinnend, het
einddoel van hunnen tocht te bereiken; volgt gij nu moedig hun
voorbeeld!

Gij vindt in deze hoogeschool zoodanige leidslieden op het gebied der
geneeskunde, die u veel rijker schatten kunnen toonen dan weleer de
Epidaurische zuilen[6], de Pergameensche boekrollen[7], de Cnidische
wanden[6] en de Coische bladen[7] opleverden.

Gij vindt hier iemand, die de kunst verstaat, met een ongelooflijk gemak
in duidelijke taal de meest verborgen geheimenissen der Wiskunde bloot
te leggen en die u zal leeren, deze op geneeskundige vraagstukken toe te
passen.

Het is Volder, een man, die naar het oordeel der besten onder
ons geboren schijnt voor deze gewijde taak, een man, die verre boven
onzen lof verheven is!

Met een van dankbaarheid vervuld gemoed spreek ik het hier gaarne
openlijk uit, dat ik aan zijne milde voorlichting oneindig veel
verschuldigd ben en steeds, ten minste zoolang ik nog helder van hoofd
ben, zal ik mij mijne groote verplichtingen jegens hem eerlijk en
oprecht voor oogen houden.

Indien gij nu van oordeel zijt, dat ik U tot eenigen steun bij uwe
studiën kan dienen, dan zal ik gaarne, het voetspoor dezer groote mannen
volgend, er met alle macht naar streven, metterdaad het bewijs te
leveren, dat ik mijn belang slechts in het uwe zoek.

Zoolang God mij de kracht verleent, dit ambt naar behooren te vervullen,
zal ik niet ophouden, met U de uitspraken der Ouden en de waarnemingen
der jongeren met onverdroten ijver van alle kanten bijeen te verzamelen,
waarbij ik dan nog de resultaten mijner eigen onderzoekingen, die ik
geef voor wat ze zijn, zal voegen, ten einde, toegerust met al deze
gegevens, met behulp van de door mij zoo uitbundig geprezen Mechanica,
het onze bij te dragen tot den opbouw der medische wetenschap!

Welaan dan, wakkere studiegenooten, laat ons het werk, waartoe mijne
gansche redevoering U aanspoorde, onder de zegenrijke begunstiging van
het thans aangebroken academisch jaar als om strijd aanvatten en het zoo
mogelijk voleinden!

Laat uwe trouwe opkomst bij mijne lessen zulk een geestkracht in mij
ontvonken, dat ik, die mij volkomen bewust ben, wat natuurlijken aanleg
en geleerdheid betreft, bij zeer velen achtergesteld te moeten worden,
in ijver tenminste voor niemand zal behoeven onder te doen.

De hoogste belooning voor mijnen arbeid echter zal ik _dan_ meenen
deelachtig te worden, wanneer het door uwe toejuiching der wereld zal
blijken, dat de door mij betoonde vlijt U ten goede gekomen is, wanneer
de roep van den voorspoed uwer studiën aan deze hoogeschool meerderen
zal verlokken, onder hare leerlingen plaats te nemen.

Slechts als deze mijn wensch in vervulling getreden zal zijn, zal ik,
Edel Groot Achtbare Heeren Curatoren, Edel Achtbare Heeren
Burgemeesters[8], de resultaten van mijn onderwijs, onder uwe
bescherming aan uwe hoogeschool gegeven, met vertrouwen aan uw oordeel
mogen onderwerpen.

Dit beschouw ik als het eenige waardige geschenk, waarin uw verheven
geest behagen zal kunnen scheppen.

Op deze wijze hoop ik, zonder eenige valsche vleierij maar met niet
minder oprechtheid van zin U den dank, waartoe ik mij jegens U verplicht
gevoel, metterdaad te toonen!

Gij toch hebt mij, na mij tot het leeraarsambt te hebben geroepen en
gedurende de twee jaren, waarin ik dit ambt bekleedde, mijne
werkzaamheden aandachtig gadegeslagen te hebben, onverwacht door hoogst
vereerende beloften en nieuwe bewijzen uwer mildheid tot nog meer ijver
geprikkeld.

Onder de vele deugden, die ik in U vereer, is er ééne, die volgens het
mij ter oore gekomen oordeel van wijze mannen hooger dan alle andere
gesteld moet worden: het is de strikte onpartijdigheid, waarmede gij bij
het betoonen van uwe gunst te werk gaat.

Eene voortreffelijke en der wetenschappelijke wereld het allermeest ten
goede komende eigenschap noem ik haar; U door haar latende leiden, hebt
gij slechts belooningen voor werkelijke verdiensten over; alle
gunstbejag stuit op haar af.

Wanneer ik dan ook naar uwe hoogheid van karakter de waarde afmeet van
de onderscheiding, welke gij mij verleend hebt, dan voel ik eenen
onweerstaanbaren drang in mij, om, aangevuurd door zulk een eervol
getuigenis, onverwijld op den ingeslagen weg met frisschen moed voort te
gaan!

Met terzijdelating derhalve van allen ijdelen woordenpraal, die bij
eene dankbetuiging het teeken van onoprechtheid pleegt te zijn en
volstrekt geen genade kan vinden in de oogen van wijze mannen, wil ik U
slechts het volgende plechtig beloven!

Ik zal mij steeds bevlijtigen, uwe waardigheid door het betoonen van den
diepsten eerbied en de uiterste dienstwilligheid hoog te houden!

Ik zal zorg dragen, mijnen ijver tot zulk een hoogte op te voeren, dat
het blijke, dat ik uwe gunst op den hoogsten prijs stel en mij haar door
gepaste middelen steeds in meerdere mate wil trachten te verwerven.

Ik zal er naar streven, de juistheid van het welwillend oordeel, dat gij
over mij geveld hebt, der geheele wereld door mijne daden te doen
blijken!


IK HEB GEZEGD.

VOETNOTEN:

[Voetnoot 1: Met "geest", de vertaling van het Latijnsche "spiritus", is
bedoeld een zeer vluchtige vloeistof, die volgens Boerhaave en
andere oude geneeskundigen in spieren en zenuwen gevonden wordt
(Vertaler).]

[Voetnoot 2: Hermes Trismegistus is de patroon der alchimisten.
In dezen tijd wordt er geen streng onderscheid gemaakt tusschen chemie
en alchimie. (Vertaler).]

[Voetnoot 3: Een bij de Ouden gerenommeerde wijnsoort. (Vertaler).]

[Voetnoot 4: Een van Baco's werken draagt den titel: "Historia
vitae et mortis". (Vertaler).]

[Voetnoot 5: Panacea ("Alheelster") is de naam van een der
dochters van Aesculapius. (Vertaler).]

[Voetnoot 6: Op de zuilen van den Aesculapius-tempel te Epidaurus en op
de wanden van dien te Cnidus stonden opschriften, die melding maakten
van verschillende ziektegevallen en de wijze hunner genezing.
(Vertaler).]

[Voetnoot 7: Bedoeld zijn de werken van Galenus van Pergamum en
Hippocrates van Cos. (Vertaler).]

[Voetnoot 8: Hiermede worden de vier burgemeesters van Leiden
toegesproken. (Vertaler).]





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Het Nut der Mechanistische Methode in de Geneeskunde" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home