Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Het Leven der Dieren - Deel 1, Hoofdstuk 05: Robben; Hoofdstuk 06: Insecteneters
Author: Brehm, Alfred Edmund, 1829-1884
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Het Leven der Dieren - Deel 1, Hoofdstuk 05: Robben; Hoofdstuk 06: Insecteneters" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



Vijfde Orde.

De Robben of Vinvoetigen (Pinnipedia).


In tegenstelling met de Walvisschen worden de Robben, hoewel ook
zij de zee bewonen, door den leek onmiddellijk als Zoogdieren
herkend. De ledematen, die ook bij hen nog ten getale van vier
voorkomen, slepen over den grond, maar zijn toch duidelijk begrensd
en goed herkenbaar. De vingers en de teenen, die altijd tamelijk
goed onderscheiden kunnen worden, zijn bij de meeste Robben volkomen
beweeglijk, en slechts door zwemvliezen verbonden, bij eenige weinige
soorten echter geheel en al door de huid omgeven en onbeweeglijk,
hoewel zij ook in dit geval aan de bovenzijde kleine nagels dragen,
en hieraan herkenbaar zijn. De vreemde indruk, dien de voeten maken,
berust grootendeels op den bouw der teenen, die alle in hetzelfde
vlak gelegen zijn, en waarvan de middelste de overige niet meer in
lengte en stevigheid overtreft. Overigens verschillen de Robben
door hun lichaamsbouw wel aanmerkelijk van alle tot dusver door
ons beschouwde Zoogdieren, maar kunnen toch te dezen aanzien
zeer goed met de Roofdieren, vooral met de Vischotters en Beren,
vergeleken worden. Op dezen grond worden de Vinvoetigen door sommige
dierkundigen met de Roofdieren in één orde vereenigd. De betrekkelijk
kleine kop is vrij duidelijk begrensd en herinnert aan dien van den
Vischotter en van den Beer. De neus onderscheidt zich door zijne
scheef geplaatste, spleetvormige neusgaten, die door de beweegbare
neusvleugels afgesloten kunnen worden; het oog is groot en met een
wenkvlies voorzien; het eveneens voor afsluiting geschikte uitwendige
oor eindelijk is slechts bij één familie eenigermate ontwikkeld; bij
de meeste Robben echter ontbreekt de oorschelp geheel. De korte en
dikke hals gaat onmiddellijk over in den meer of minder rolvormigen
romp, die naar achteren allengs dunner wordt; de staart is tot een
onbeduidend stompje verminderd. De dikke en stevige huid is meestal
alleen met gelijkmatig lang bovenhaar begroeid, dat zich menigmaal
bij wijze van manen verlengt, of is bovendien met meer of minder dicht
bijeenstaande wolharen bekleed. Het gebit en de inwendige lichaamsbouw
vertoonen, behoudens vele punten van overeenkomst met de gelijknamige
deelen der Roofdieren, een zeer bepaald karakter.

De wervelkolom herinnert aan die der Roofdieren; de halswervels zijn
duidelijk van elkander gescheiden en met zeer ontwikkelde uitsteeksels
voorzien. Het ruggedeelte bestaat uit 14 of 15, het lendegedeelte
uit 5 of 6 wervels; 2 à 7 wervels zijn tot het heiligbeen vergroeid,
9 à 15 wervels vormen den staart. De sleutelbeenderen ontbreken. De
beenderen van de ledematen onderscheiden zich door hun geringe lengte;
de beenderen van voorarm en onderbeen blijven steeds van elkander
gescheiden; de hand- en voetwortelbeenderen vertoonen geen afwijkingen
van den gewonen regel.

De Robben zijn over alle zeeën der aarde verbreid, hebben hunne
vertegenwoordigers zoowel in het zuidelijke als in het noordelijke
halfrond en komen zelfs voor in de groote binnenzeeën van Azië,
waarin zij gedeeltelijk gekomen zijn door de stroomen, die er van
uitgaan, en gedeeltelijk ook achtergebleven zijn, toen de gemeenschap
met andere zeeën werd afgesloten. In het noorden leven de meeste,
in het zuiden de meest in 't oogloopende soorten. Gewoonlijk geven
zij de voorkeur aan de nabijheid der kusten; vele ondernemen van tijd
tot tijd reizen van het eene deel der kust naar het andere; dikwijls
ook zwemmen zij de rivieren op. Op het land verkeeren zij slechts in
bijzondere omstandigheden, n.l. gedurende den voortplantingstijd en
terwijl zij nog zeer jong zijn; want hun eigenlijke woonplaats is en
blijft het water. Hier bewegen zij zich met het grootste gemak, terwijl
zij op het land zeer onbeholpen zijn. Met moeite klimmen zij van het
strand op de klippen of bij het drijfijs omhoog; op den vasten bodem
strekken zij zich op hun gemak uit, om zich in de zon te koesteren;
zoodra eenig gevaar hen bedreigt, ontvluchten zij het zoo schielijk
mogelijk in de voor hen zoo gastvrije diepte der zee. Zij verstaan
meesterlijk de kunst van zwemmen en duiken. Het is hun onverschillig,
of hun lichaam met de rugzijde naar boven of naar onderen ligt; zij
bewegen zich zelfs, zooals ik op grond van persoonlijke ervaringen
verzekeren kan, _achterwaarts_. Iedere wending en draaiing, in
't algemeen iedere verplaatsing in 't water, heeft met de grootst
mogelijke behendigheid plaats. "Met bewondering wordt men vervuld,"
schrijft _Haacke_, "wanneer men in de gelegenheid is Robben bij
de vischvangst na te gaan. In een ruimen bak van het Frankforter
aquarium, ziet men van uit de donkere, voor de toeschouwers bestemde
ruimte, hoe de Zeehonden hun uit levende Visschen bestaande prooi
vervolgen. Men verbaast zich over de zekerheid en snelheid, waarmede
zij door doelmatige, nauwkeurig afgemetene draaiingen, wendingen en
buigingen van iedere vin afzonderlijk, door het verlengen en verkorten
van den hals iedere beweging van den beangst door 't water schietenden
Visch weten mede te maken, hetwelk tot gevolg heeft, dat de prooi na
verloop van weinige oogenblikken in den muil van den Zeehond verdwijnt,
alsof zij er in opgezogen werd. Groot is ook de vaardigheid waarmede
onze Zeehonden, terwijl zij rechtop staan in 't water en naar den hen
voederenden oppasser uitzien, door een zachte beweging der achterste
ledematen zich op dezelfde plaats weten te houden." Op het land echter
strompelen zelfs die soorten, welke werkelijk nog gaan kunnen, met
moeite voort, terwijl alle andere op een hoogst eigenaardige, slechts
bij hen voorkomende manier zich voortbewegen. Zij doen dit bijna op
dezelfde wijze als sommige soorten van rupsen. De Zeehond, die zich
op het land van de eene plaats naar de andere wil begeven, gaat met
de borst op den grond liggen, kromt den romp als een Kat naar boven,
steunt dan op het achterste deel van het lichaam, d.w.z. ongeveer op
de flanken, en strekt vervolgens schielijk den romp, waardoor het
voorste deel van 't lichaam naar voren schuift. Zoo komt hij door
afwisselend het voorste en het achterste deel van het lichaam tegen
den grond te drukken, door zich afwisselend te krommen en te strekken,
betrekkelijk snel vooruit. De ledematen doen hierbij in 't geheel geen
dienst; zij moeten alleen dan medehelpen, wanneer het dier naar boven
klimt. Ook gebruikt hij ze op zeer behendige wijze om zich schoon
te maken, zich te krabben, zijn haar glad te strijken, ook wel om er
iets mede vast te houden, b.v. het jong aan de borst te drukken.

Alle Robben zijn in hooge mate gezellig. Alleen ziet men ze bijna
nooit. Hoe eenzamer de streek is, des te talrijker zijn de door
hen gevormde kudden of familiën; hoe minder zij met den mensch in
aanraking komen, des te minder argwaan toonen deze dieren, die in de
bewoonde oorden buitengewoon schuw zijn.

De Robben hebben een nachtelijke levenswijze. Den dag brengen zij het
liefst op het land door; zij slapen, of koesteren zich in de zon. Hier
zijn zij juist het tegendeel van hetgeen zij in het water waren. Van
de behendigheid en vlugheid, waarvan zij de bewijzen leveren in het
natte element, bemerkt men op het land niets; zij vertoonen dan
integendeel het volmaakste beeld van de luiheid. Ieder voorval,
waardoor zij gestoord worden in hun gemakkelijke houding, is hun
hoogst onaangenaam; sommige soorten laten zich bijna niet op de vlucht
jagen. Met wellust strekken en rekken zij zich uit op hun leger, en
stellen afwisselend den rug, de zijden of de buikzijde van het lichaam
aan de vriendelijke zonnestralen bloot; zij knijpen de oogen dicht,
gapen en gelijken over 't geheel genomen meer op doode vleeschklompen
dan op levende dieren; het regelmatig openen en sluiten der neusgaten
is dan het eenige bewijs van leven. Als zij zich volkomen wel bevinden,
en in den voortplantingstijd, verzuimen zij het eten weken achtereen;
eindelijk drijft de honger hen weer naar de zee, waar hun intusschen
zeer vermagerd lichaam weldra weer rond en glad wordt. Volgens
_Haacke's_ onderzoekingen in Frankfort, kunnen zij minstens 6
weken lang honger lijden. De jongen zijn levendige, speelsche en
vroolijke schepsels, de ouden daarentegen dikwijls zeer knorrige,
door hun traagheid letterlijk verbasterde dieren. Men moet echter tot
hun verontschuldiging aanvoeren, dat zij door hun onbeholpenheid op
het land luier schijnen, dan zij werkelijk zijn. Wanneer een gevaar
hen bedreigt, gaan zij, zooals reeds opgemerkt werd, zeer haastig
en snel te water; als het gevaar hen echter te plotseling overvalt,
bevangen angst en schrik hen in zoo hooge mate, dat zij zuchten en
sidderen, en tevergeefs alle mogelijke moeite doen om aan den dood te
ontkomen. Bij het verdedigen van de wijfjes en de jongen daarentegen
geven sommigen, als het noodig is, bewijzen van grooten moed. Op
de eenzaamste eilanden zijn sommige soorten zoo onverschillig voor
vreemde bezoekers, dat zij deze rustig tusschen hen laten doorgaan,
zonder te vluchten; zij worden echter zeer voorzichtig, zoodra zij
den mensch als vernieler van de dierenwereld hebben leeren kennen.

Van hunne zintuigen valt op te merken, dat het gehoor uitmuntend is,
ondanks de ontbrekende of althans kleine oorschelpen; het gezicht
en de reuk daarentegen zijn minder ontwikkeld. Hun stem bestaat uit
heesche geluiden, die soms op het blaffen van een Hond, soms op het
bulken van een kalf of op het loeien van een Rund gelijken.

Elk Robbengezelschap is een familie. Het mannetje heeft altijd
verscheidene wijfjes. Ongeveer 6 à 12 maanden na de paring brengt
het wijfje één jong (zeldzamer twee) ter wereld. De kleintjes zijn
sierlijke en wakkere dieren.

De ouden en de jongen gevoelen veel liefde voor elkander; de moeder
beschut haar jong met gevaar haars levens tegen ieder gevaar. De vader
schept behagen in het vroolijk spel van zijn kind, en geeft dit te
kennen door een vergenoegd gebrom en geknor: door zijn lichaamsbouw is
hij niet in staat metterdaad aan het spel deel te nemen, maar volgt
het snel heen en weer glijden en de buitelingen van het jong met de
oogen. Na verloop van hoogstens 2 maanden zijn de jonge Robben zoover
ontwikkeld, dat zij gespeend kunnen worden. Zij groeien snel. Na 2
à 6 jaar zijn de Robben volwassen, op 25- à 40-jarigen ouderdom zijn
zij afgeleefd.

Dierlijke stoffen van allerlei soort, meestal echter Visschen en
Schaaldieren, vormen het voedsel van de Robben. Enkele soorten zijn,
naar men zegt, gevaarlijk voor verscheidene zeevogels en zelfs
voor andere Robben; deze worden door de kleinere Vinvoetigen niet
lastig gevallen. In Düsseldorf heeft men opgemerkt, dat de Zeehonden
plotseling alle eenden, waarmede zij een tijdlang vreedzaam denzelfden
vijver bewoonden, onder water trokken en doodden. Om hun uitmuntende
spijsvertering nog te bevorderen, slikken eenige Robben, op de wijze
van de Vogels, steenen door; andere vullen, als zij uitgehongerd zijn,
hun maag ingeval van nood met wieren.

De Robbenvangst is een meedoogenlooze slachting van weerlooze dieren,
en kan geen aanspraak maken op den naam van "jacht"; het zoogenaamde
"Robbenslaan" beschouwt men als geheel iets anders dan het edele
jagersbedrijf. Tusschen oud en jong, groot en klein wordt of werd
hierbij geen onderscheid gemaakt, alle werden gedood. Dit heeft ten
gevolge gehad, dat het aantal vertegenwoordigers van nagenoeg alle
soorten van Robben sterk verminderd is, en dat enkele soorten hun
volledigen ondergang te gemoet gaan. Op vele afgelegen eilanden,
die in de vorige eeuw talrijke kudden van deze dieren herbergden,
zijn hiervan thans slechts geringe overblijfselen te zien. Het
vet (de traan), de tanden en de huid van de Robben zijn gezochte
handelsartikelen; dit verklaart den vervolgingsijver van den mensch.

Bijna alle Robben kunnen getemd worden, sommige worden bijna
huisdieren. Zij gaan uit en in, visschen in de zee en keeren vrijwillig
terug in de woning van hun verzorger, leeren dezen kennen en volgen hem
na als een Hond. Enkele heeft men zelfs voor de vischvangst afgericht.

De Orde der Robben wordt in drie zeer natuurlijke familiën
onderscheiden. Bovenaan staan de _Zeehonden_, die in 't geheel geen
oorschelp hebben en het vermogen om op de achterste ledematen te gaan,
volkomen missen. Een tegenstelling met hen vormen de _Oorrobben_, die
het minst van de landdieren afwijken, daar zij nog oorschelpen bezitten
en de achterste ledematen voor het loopen gebruiken. Tusschen deze
beide in staan de _Walrussen_, die wel is waar de oorschelp missen,
maar toch nog de achterste ledematen naar voren kunnen richten tot
steun voor den romp.



De _Zeehonden_ zijn veel algemeener verbreid dan alle overige Robben;
zij bevolken niet alleen de wereldzee, maar ook de groote binnenzeeën,
die door rivieren met den oceaan in gemeenschap staan of in overouden
tijd er deel van uitmaakten, zooals b.v. het meer van Baikal en
de Kaspische Zee. Zij bewonen alle aardgordels, maar zijn vooral
zoowel in de noordelijke als in de zuidelijke koude zone talrijk;
meer bepaaldelijk binnen den noordpoolcirkel is deze familie door
een belangrijk aantal soorten vertegenwoordigd. Op sommige kusten
zijn deze zeer ijverig vervolgde dieren nog zeer veelvuldig; over
't geheel genomen zijn zij nergens zeldzaam, hoewel een aanhoudende
vermindering van hun aantal niet ontkend kan worden.

In aard gelijken zij op de Oorrobben, van welke zij door hun wijze
van beweging op het land in niet geringe mate verschillen; zij zijn
n.l. niet in staat om evenals deze te gaan, maar kunnen zich slechts
een weinig voortschuiven. In het water zijn zij in hun element,
daar behoeven zij voor geen hunner verwanten onder te doen; zij zijn
meesters in het zwemmen en duiken. Met de snelheid van een roofvisch
schieten zij door het water en maken bliksemsnelle wendingen; ook
kunnen zij, zoolang het hun goeddunkt, op een en dezelfde plaats
blijven. Als zij zich met elkander vermaken willen, beschrijven zij
kringen, springen nu en dan met het geheele lichaam boven het water
uit, zitten elkander na onder allerlei plagerij, of spelen ieder voor
zich alsof zij dronken zijn, komen soms met den buik boven 't water,
zwemmen op den rug, draaien en wenden, rollen om en om, in een woord,
gedragen zich hoogst zonderling, verzuimen intusschen niet zelden alle
voorzorgsmaatregelen zoo volledig, dat een behendig jager of vanger,
zonder opgemerkt te worden, hen zoo nabij kan komen, dat hij ze met
een harpoen kan dooden.

Zij dalen tot op aanzienlijke diepten af en blijven in sommige
gevallen geruimen tijd onder water, niet zoo lang echter, als door
sommigen beweerd werd. Als zij niet vervolgd worden, stijgen zij
gemiddeld éénmaal in de minuut naar de oppervlakte om te ademen. Nu
kan het wel gebeuren, dat vervolgde Zeehonden zich drie of vier
minuten lang onder water ophouden; in geen geval echter zijn zij
in staat hier halve uren te blijven, zooals herhaaldelijk beweerd
en door velen geloofd werd. Ook _Fabricius_, die de bij Groenland
voorkomende Zeehonden uitvoerig beschreef, gelooft niet, dat een Rob
het langer dan 7 minuten onder water kan uithouden. De Zeehonden slapen
werkelijk in het water. Door eenige slagen met de vinvormige ledematen,
komen zij van tijd tot tijd met gesloten oogen aan den waterspiegel
om adem te halen, zakken hierna weder naar omlaag en herhalen deze
bewegingen, die naar het schijnt, onbewust geschieden, iedere maal,
dat zij behoefte aan lucht hebben. Uit tal van waarnemingen blijkt,
dat zij ook slapen kunnen, terwijl zij aan de oppervlakte van het
water liggen. De Groenlanders, die deze voor hen uiterst belangrijke
dieren zeer nauwkeurig hebben nagegaan, duiden elk hunner houdingen
in het water met een bepaalde uitdrukking aan, wijl zij uit deze
verschillende houdingen afleiden, of zij een drijvenden Zeehond al
of niet zullen kunnen naderen.

Hoewel de Zeehonden dagen en weken achtereen in de zee leven, en al
hunne zaken in 't water afdoen kunnen, begeven zij zich toch, als
zij uitrusten, slapen, of zich in de zon koesteren willen, gaarne aan
land. Met een enkelen ruk springen zij uit het water ver op het land,
door hunne uitgespreide achtervoeten met geweld en snel tegen elkander
te slaan. Alle Zeehonden zijn gewoon om, als zij angstig zijn, of in
gevaar verkeeren, voortdurend water uit te spuwen, misschien om hun weg
glad te maken. Hoe log hun gang ook zij, toch komen zij snel vooruit;
een loopend mensch moet zich wel een weinig inspannen, als hij een op
't land voortglijdenden Zeehond inhalen wil. Het achterste deel van
het lichaam van den Rob is even beweeglijk als de hals. De Zeehond kan
zich zoo draaien, dat van de voorste helft de rug, van de achterste
de buik naar boven gericht is, of omgekeerd; ook is hij in staat den
kop in alle richtingen te wenden.

Op hoogere breedten kiezen deze dieren, ook wanneer zij er niet toe
gedwongen zijn, bij voorkeur ijsschollen als hun slaapplaats uit, en
blijven hier, rustig uitgestrekt even lang liggen als op zuidelijker
breedten op het door de zon beschenen strand. De speklaag, die bij hen
de huid met de daaronder gelegen deelen verbindt, stelt hen in staat,
uren lang op zulk een koude oppervlakte te liggen, zonder al te veel
warmte af te geven en hierdoor ziek te worden.

De stem van de Zeehonden is soms een heesch geblaf, soms een geloei;
als zij toornig zijn, knorren zij als de Honden.

De Zeehonden werden reeds door de ouden als hoog begaafde dieren
geschilderd. Hunne zinnen schijnen goed en tamelijk gelijkmatig
ontwikkeld te zijn. De neus en de ooren kunnen gesloten worden,
en zien er gedurende het leven soms als afgerond driehoekige gaten,
soms slechts als smalle spleten uit. De neusgaten worden bij elke
ademhaling geopend, hierna onmiddellijk weer gesloten, en blijven, ook
als het dier op het land rust, tot aan de volgende luchtverversching
samengeknepen; de ooren worden slechts in het water en ook hier
niet voortdurend gesloten. In het groote, weinig uitpuilende oog
vult het lichtbruine of donkerbruine regenboogvlies bijna de geheele
ruimte, die door de oogleden wordt vrijgelaten; het wit van 't oog
ziet men zelden. De pupil is niet rondachtig of langwerpig, maar
vierstralig. Opmerkelijk is de zielvolle uitdrukking van het oog van
den Zeehond, opmerkelijk is het evenzeer, dat hij, evenals andere
Robben, bij aandoeningen van allerlei aard, vooral echter bij het
gevoelen van smart, tranen vergiet. Als wij, en waarschijnlijk terecht,
het gezicht als de hoogst ontwikkelde zin van den Zeehond beschouwen,
mogen wij vermoedelijk het gehoor in de tweede plaats noemen. Het was
reeds aan de ouden bekend, dat hij van muziek en zang houdt; zooals
nieuwere waarnemers opmerkten, luistert hij met belangstelling naar
klokgelui en andere luide tonen. _Brown_ verhaalt, dat hij dikwijls
gezien heeft, hoe Zeehonden hunne koppen boven het water staken en met
aandacht luisterden, als de matrozen zongen bij het opwinden van het
anker. De kerk te Hoy op de Orkney-eilanden ligt in de nabijheid van
een smalle zandige bocht, die dikwijls door de Zeehonden bezocht wordt;
deze doen dit, naar het schijnt, niet alleen wegens de ligging van
dit deel der zee, maar ook wegens de kerkklokken, die een bijzondere
aantrekkingskracht op hen oefenen; dikwijls heeft men opgemerkt,
dat zij bij het luiden der klokken regelrecht op de kust afzwommen,
hunne oogen steeds gericht naar de streek, vanwaar de klokketonen
kwamen, en hiernaar verrukt en verwonderd bleven luisteren, zoolang
de klokken geluid werden.

Het is moeielijk een oordeel te vellen over de verstandelijke vermogens
der Zeehonden. Dat zij schrander zijn, is aan geen twijfel onderhevig;
toch gedragen zij zich dikwijls zoo dom en onnoozel, dat men niet weet,
wat men aan hen heeft. In weinig door menschen bewoonde en bezochte
gewesten zijn zij vermetel; gewoonlijk echter nemen zij de grootste
voorzichtigheid in acht, zoodra zij hun doodsvijand hebben leeren
kennen. Zeker is het, dat de waarschuwingen van oudere dieren door
de jongere ter harte genomen worden. Gevangen Zeehonden gevoelen
spoedig vriendschap voor hun verzorger; enkele worden zeer tam,
luisteren naar den naam, die men hun gegeven heeft, komen uit het
waterbekken, waarin zij zich gewoonlijk ophouden, nemen Visschen
aan uit de hand. Enkelen laten zich door iemand dien zij als vriend
beschouwen, betasten en streelen, geven hem een poot, en veroorloven
hem zelfs hun een vuist in den bek te steken, enz.

Naar het schijnt, zijn de Zeehonden voor alle dieren, die niet tot de
Visschen, Weekdieren of Schaaldieren behooren, tamelijk onverschillig;
het zou echter verkeerd zijn, dit op rekening van hun goedaardigheid
te stellen. Bij het zien van Honden worden de gevangene Zeehonden
steeds driftig, zij begroeten hen met een toornig gesnuif en trachten
ze te verjagen door de tanden op elkander te slaan.

Bijzonder liefderijk zijn zij, evenals alle Robben, voor hunne
jongen. Op velerlei wijzen spelen zij met hen, en verdedigen ze ook,
als hun gevaar dreigt, zelfs tegen sterkere vijanden.

Al naar de woonplaats van de Zeehonden heeft de paring in verschillende
maanden plaats. Ongeveer 9 1/2 maand daarna, in de maanden Mei, Juni
of Juli, werpt het wijfje één jong (zeldzamer twee); dit geschiedt
op eenzame, onbewoonde eilanden, liefst op zandige gedeelten van het
strand, in holen, ook wel op rotsblokken en desnoods op ijsvelden. De
jongen komen in volkomen ontwikkelden toestand ter wereld, zijn echter
met een dicht, wit, fijn haarkleed bedekt, dat hen bij 't zwemmen en,
nog meer bij 't duiken hindert, maar dat spoedig door het uit glad
neerliggende, stijve haren bestaande jeugdkleed vervangen wordt. Tot
aan dit tijdstip blijven de wijfjes bij de jongen op het land.

In den Hamburger dierentuin werd den 30en Juni, vroeg in den morgen,
een voldragen jong geboren; de oppasser, dien ik met de verzorging van
den Zeehond belast had, zag 's morgens bij zijn komst het jong reeds
naast de moeder in 't water spelen. Op het land vond ik het geheele
embryonale haarkleed van het pasgeboren dier, een niet onbelangrijke
hoop van zijdeachtig zachte, korte, maar golvende haren, die alle op
een plek van geringen omvang bijeen lagen. Het jong had geen spoor
van het wolhaar meer aan zich; zijn kleur geleek volkomen op die
van de moeder; de verschillende kleuren waren echter frisscher en
glanziger. De oogen keken helder en vroolijk de wereld in. Zelfs de
bewegingen van den jongen wereldburger waren reeds geheel die van
zijne ouders: in het water evenzoo uitmuntend door vlugheid, op het
land even onbehendig. Naar het scheen, had hij zich reeds in de eerste
uren van zijn leven alle begaafdheden van zijn geslacht eigen gemaakt,
zwom op den buik zoowel als op den rug, dook zonder moeite en langen
tijd achtereen, gedroeg zich in een woord als een volwassene. Het
was echter ook als een bijzonder goed ontwikkeld en merkwaardig
groot dier ter wereld gekomen. Het gelukte ons, den kleinen klant,
die reeds in staat was zich te verdedigen, nog op zijn geboortedag
te wegen en te meten: zijn gewicht bedroeg 8.75 KG., zijn lengte 85 cM.

De beide dieren leverden een zeer interessant schouwspel op. De moeder
was blijkbaar zeer in haar schik met haar spruit, en betoonde het in
alle opzichten de grootste genegenheid, terwijl het jong, vroegtijdig
wijs, zijn moeder scheen te begrijpen. Reeds in de eerste dagen
speelden zij met elkander, eerst in het water, later ook op het land.

Voor de bewoners van het hooge noorden zijn de Zeehonden de
belangrijkste van alle dieren. Zonder de Robben zou de Groenlander
niet kunnen leven; van elk deel van hun lichaam trekt hij partij. Maar
ook wij, Europeanen, stellen het gladde, fraaie, waterdichte, vel op
hoogen prijs, en maken gebruik van de traan, ja zelfs van het vleesch
dezer dieren. Het is dan ook geen wonder, dat de Zeehonden in nagenoeg
alle zeeën zoo ijverig mogelijk vervolgd worden. De wijzen van jacht
en de vangst zijn meestal gelijk; het schietgeweer wordt hierbij zelden
gebruikt, in volle zee in 't geheel niet, omdat de gedoode Zeehond als
lood naar de diepte zinkt. Anders is het op sommige lievelingsplaatsen
van deze dieren op het strand. Aan de oostkust van het eiland
Rugen bevindt zich, naar _Schilling_ verhaalt, op een afstand van
verscheidene honderden schreden van de uiterste spits van het hooge
voorland een hoop rotsblokken, die bij gewonen waterstand meer dan 1
M. boven den waterspiegel uitsteekt. Op dezen klip liggen dikwijls
40 à 50 Zeehonden; zij zijn echter schrander genoeg om een boot
niet in hunne nabijheid te laten komen. Dikwijls gelukt het echter,
volgens _Schilling_, van uit de zee op de Zeehonden te schieten, als
men in een kleine boot, met halven wind, zonder gedruisch te maken
koers zet naar de dieren, die op de rotsen slapen. Bij aanhoudend
vriezend weer levert ook de jacht op het ijs soms goede uitkomsten op;
nimmer echter is zij veilig en soms zelfs zeer gevaarlijk. Wanneer
in de Oostzee ook de plaatsen waar strooming is, toegevroren zijn,
houden de Zeehonden hier kunstmatig gaten in 't ijs open, om met de
buitenlucht in gemeenschap te blijven en op het ijs te kunnen kruipen,
als zij slapen gaan. Iedere Zeehond maakt gewoonlijk zulk een opening,
soms ook verscheidene voor zijn uitsluitend gebruik. Naar deze bijten
sluipt men 's nachts op vilten schoenen, om het gedruisch van de
schreden te dempen; men moet echter zorgvuldig letten op weer en wind,
en steeds op zijn hoede zijn.

Aan de oostkust van Zweden heeft dit jachtbedrijf regelmatiger en
veelvuldiger plaats; gewoonlijk wordt hierbij de harpoen, zeldzamer
de buks gebruikt. Enkele Zweedsche zeejagers richten Honden af, die
op het ijs de Robben opsporen en zoo lang bezig houden, tot hunne
meesters er bij gekomen zijn. Op de Faröer jaagt men hoofdzakelijk
gedurende den tijd, waarin de Zeehonden zich met hunne jongen op het
land ophouden. Men noemt de plaatsen, waar de dieren hunne jongen
werpen, de "Later", en daarnaar de maanden, die voor de jacht geschikt
zijn de "Latertijd".

De Groenlanders verstaan misschien beter dan eenig ander volk de
kunst om Zeehonden te jagen; zeer zeker weten zij de lichaamsdeelen
van deze dieren op de meest verschillende wijzen te gebruiken. "De
Groenlanders," zegt _Fabricius_, "hebben er uitnemend slag
van, de roeiriemen zoo te bewegen, dat zij nagenoeg geen geluid
veroorzaken. Wanneer zij een Zeehond boven water zien komen, letten zij
nauwkeurig op zijne houding en bewegingen, om hieruit af te leiden, hoe
zij hem moeten aanvallen. Wanneer het dier geen kwaad ducht, trachten
zij het zooveel mogelijk te naderen om met juistheid den harpoen
te kunnen werpen. Gedurende het roeien moet zoomin de beweging van
de riemen als het vooruitschieten van de boot gedruisch veroorzaken,
zoodat de Zeehond niet in zijn rust gestoord wordt. Hiervoor zijn niet
weinig geoefendheid en behendigheid noodig; de jager bereikt zijn doel
deels door lange en diepe riemslagen, deels door de boot met zijn eigen
lichaam voort te bewegen; velen zijn hierin zoo ervaren, dat zij de
boot naast den Zeehond brengen, zonder dat deze het bemerkt. Is hij
daarentegen voorzichtig genoeg om nu en dan om te kijken, dan is de
jacht moeielijker, maar daarom toch niet hopeloos; het oogenblik waarin
hij onderduikt, moet worden afgewacht, om de boot snel vooruit te doen
schieten, den Zeehond achterna. Wanneer deze den kop boven 't water
steekt, moet de jager zoo stil mogelijk zijn, en zich vooroverbuigen of
achterover gaan liggen, om te maken, dat de boot voor een levenloos in
't water drijvend voorwerp aangezien wordt. Als de Zeehond in 't water
plast en gedurende dit spel, waarbij hij dikwijls zorgeloozer is dan
gewoonlijk, den jager aankijkt, dan fluit deze met den mond om hem nog
argeloozer te maken. Indien hij toch onderduikt, voordat men hem op
den afstand van een harpoenworp genaderd is, zoo let men er goed op,
in welke richting hij zich beweegt, verandert een weinig van plaats,
en kijkt voortdurend uit naar het punt, waar hij weer boven komt, en
zoo voort. Als men dan eindelijk op den rechten afstand gekomen is,
werpt men den harpoen naar hem, en de lijn volgt na. Daar de harpoen
weerhaken heeft, blijkt het dadelijk, of de Zeehond getroffen is of
niet, want deze kan in 't eerstgenoemde geval niet gemakkelijk weg
komen, maar zal het touw meer en meer afwikkelen. Dan is er geen
tijd te verliezen; de jager moet oogenblikkelijk de blaas die aan
het einde van de lijn bevestigd is over boord werpen, daar de boot
anders, als de lijn afgeloopen was, door den Zeehond met geweld zou
worden aangetrokken en licht zou kunnen omslaan. In zulk een geval
schiet de Groenlander er dikwijls het leven bij in; als de Zeehond
hem medesleept, en er geen andere jager in de nabijheid is, die hem
te hulp kan komen, is er voor hem geen redding mogelijk. Wanneer
hij echter de blaas overboord heeft kunnen werpen, is het grootste
gevaar voorbij. Het komt echter soms voor, dat de gewonde Zeehond moed
genoeg heeft om het dunne van huiden gemaakte bootje aan te vallen
en er een gat in te bijten; de jager geraakt hierdoor in gevaar van
te zinken. Men kan deze wijze van jagen daarom, in vele opzichten
gevaarlijk noemen; vele Groenlanders wagen zich er niet aan.

"Indien nu de getroffen Zeehond de blaas, die hij zelden onder water
kan trekken, met zich voortsleept, gaat men na, waarheen de blaas
zich begeeft, volgt haar na, en tracht den Zeehond met lansen af te
maken; de lansen hebben geen weerhaken, maar laten uit de wonde los en
drijven op het water, zoo vaak men ze naar den Zeehond werpt. Door deze
vele wonden en door het voortslepen van de groote met lucht gevulde
blaas wordt hij afgemat. Als men dan eindelijk vlak naast hem komt,
geeft men hem den laatsten, doodelijken slag met den gebalden vuist
op den neus, waardoor hij verdoofd wordt; als het noodig mocht zijn,
steekt men hem ook wel met het vangmes dood. Nu maakt men het dier
gereed om hem naar huis te kunnen sleepen. Vooreerst stopt men alle
wonden met houten proppen dicht, opdat het bloed niet verloren zal
gaan; daarna wordt lucht tusschen de huid en het vleesch geblazen,
opdat de buit des te beter zal drijven. Als men verscheidene Zeehonden
tegelijk vangt, moeten ze aan elkander bevestigd worden; een gelukkige
jager heeft er soms 4 of 5 naar huis te sleepen."

Alle Zeehonden zijn buitengewoon taai van leven; zij blijven alleen
dan op de plaats liggen, als een kogel in de hersenen doordringt, of
het hart treft. Behalve in den mensch hebben de Zeehonden een vijand
in den zeer behendigen Zwaardvisch, een Walvischachtig Zoogdier,
waarvoor alle kleine soorten van Robben in den grootsten angst
vluchten. Door het vraatzuchtige monster vervolgd, springen zij
verscheidene malen achtereen hoog boven het water uit, maken gebruik
van al hun vaardigheid in het zwemmen en duiken, trachten kleine
zeeëngten en ondiepe plaatsen te bereiken, springen op het land
en vergeten in hun doodsangst zelfs hun vrees voor den mensch. Ook
de IJsbeer vervolgt hen onophoudelijk en weet ze zeer behendig te
overmeesteren. Jonge Zeehonden hebben ook nog in de groote Roofvisschen
gevaarlijke vijanden.

De bewoners van de Poolgewesten gebruiken den geheelen Zeehond, niet
alleen de traan en het vel, zooals wij, maar bovendien het vleesch;
dit doen ook de Zweden en Noren. De darmen worden gegeten, of dienen,
nadat zij vooraf geopend, met veel moeite gereinigd en glad gemaakt
zijn, als vensters; ook worden zij voor 't maken van kleederen en
voorhangsels gebruikt. Bijzonder hoog schat men een uit dit materiaal
bijeengelapt opperkleed--de "kapisad" der Groenlanders--, omdat het
volkomen waterdicht is. Het met zeewater gemengde bloed wordt gekookt
en als soep of, nadat men het heeft laten bevriezen, als lekkernij
gebruikt; ook wordt het gekookte bloed vaak in den vorm van ballen
gebracht, die in de zon gedroogd en voor tijden van nood bewaard
worden. De ribben dienen als staven voor het uitspannen der vellen
of worden tot spijkers verwerkt, de schouderbladen gebruikt men als
spaden, uit de pezen vervaardigt men touw enz. Het vel, de traan
en het vleesch zijn echter ook voor de Groenlanders de voornaamste
producten van den Zeehond.



De Rob, wiens levensgeschiedenis de grondslag uitmaakte van het
voorafgaande algemeen overzicht, is onze Zeehond (ook wel _Rob_ en
_Zeerob_, in Zeeland _Dogge_ genoemd; de jongere exemplaren noemt
men wel eens _Zeekat_), bij de Duitschers heet hij _Seehund_, bij de
Engelschen _Seal_, bij de Franschen _Veaumarin_ (_Phoca vitulina_); in
de noordelijke zeeën is hij wijd en zijd verbreid; "langs onze geheele
kust, komt hij voor; bij de eilanden Texel, Vlieland, Terschelling,
Ameland, Schiermonnikoog, Rottum, in de Zeeuwsche stroomen, aan
den mond van de Maas is hij zeer algemeen; in de Zuiderzee, bij
Urk en Schokland dikwijls zeer talrijk, o. a. in December 1861 en
Januari 1862, toen zij in zulk een groot aantal zich daar ophielden,
dat zij onder de Haringen groote verwoestingen aanrichtten en aan
de visscherij afbreuk deden; volgens de visschers," schrijft _Van
Bemmelen_ in 1866, "is hun aantal sedert de laatste jaren toegenomen,
nadat (in Jan. 1857) het betalen  van premiën voor elken gedooden
Zeehond heeft opgehouden. Tegenwoordig schijnt nog alleen stelselmatig
jacht op hem gemaakt te worden op Rottum en op de kust van Schouwen,
vooral te Bruinisse."

De lengte van het volwassen dier, van den snuit tot aan de spits van
den staart gemeten, wisselt af tusschen 1.6 en 1.9 M.; gewoonlijk
zijn de wijfjes merkbaar grooter dan de mannetjes. De kop is eirond
de snuit kort, het groote en donkere oog heeft een schrandere
uitdrukking, de oorschelp is alleen door een kleine, driehoekige
verhevenheid aangeduid, de met stijve snorharen bedekte bovenlip is
dik, maar zeer beweeglijk, de hals kort en dik, het lichaam van de
schouderstreek af tot aan den staart bijna gelijkmatig versmald. Het
haarkleed bestaat uit stijf en en glanzig bovenhaar; over 't algemeen
is het geelachtig grijs van kleur; de teekening wordt gevormd door
onregelmatige, maar over de geheele bovenzijde verdeelde vlekken,
welker kleur van bruinachtig tot zwart afwisselt.

De Zeehond is verbreid over alle noordelijke deelen van den
Atlantischen Oceaan en de geheele IJszee. Te beginnen bij de
Middellandsche Zee, waarin hij soms door den Straat van Gibraltar
binnendringt, bewoont hij alle Atlantische kusten van Europa, hieronder
begrepen de Oostzee; in den Botnischen en Finschen zeeboezem is
hij nagenoeg even talrijk als in de Sond met de Groote en de Kleine
Belt; ook komt hij voor in de Witte Zee; volgens sommige berichten
zelfs aan de kust van Noord-Siberië, en van de Beringstraat af tot
aan Californië; stellig heeft men hem waargenomen op Spitsbergen,
aan de beide kusten van Groenland, in de Davis-straat, de Baffins-
en Hudsons-baaien; langs de Noord-Amerikaansche kust begeeft hij zich
dikwijls tamelijk ver zuidwaarts; hij is volstrekt niet zeldzaam in de
Golf van Mexico; in enkele gevallen bezoekt hij zelfs de noordkust van
Zuid-Amerika. Uit zee dringt hij niet zelden zeer ver in de rivieren
door, en wordt dan dikwijls op grooten afstand van de kust gevonden,
soms zelfs in de steden; zoo b.v. twee malen in Leiden, waar men hem
dagen achtereen heeft zien zwemmen.

De _Gewone Zeehond_ is trouwens niet de eenige aan onze kusten
voorkomende soort van Robben. Vermoedelijk treft men hier ook aan den
_Kleinen Zeehond_ (_Phoca foetida_) en misschien ook den _Klapmuts_
(_Cystophora cristata_, p. 245), wiens eigenlijk woongebied meer
noordelijk gelegen is. Behalve deze vindt men op de Duitsche kusten
ook nog vrij geregeld den _Grijzen Zeehond_ (_Halichoerus grypus_) en
zeldzaam den _Zeemonnik_ of _Monniksrob_ (_Stenorhynchus albiventer_),
die vooral in de Middellandsche zee aangetroffen wordt.

Een aan onzen Gewonen Zeehond verwante vorm, de _Kaspische Zeehond_
(_Phoca caspica_), leeft, zooals reeds uit zijn naam blijkt, afgesloten
van de gemeenschap met den Oceaan, in de Kaspische zee.



De _Zadelrob_, de "_Zwartzijde_" van de Denen en Noren (_Phoca
groenlandica_), verschilt van den Zeehond door den langeren en
platteren kop, het platter voorhoofd en den langwerpiger snuit,
alsmede door den bouw der hand. Bij het oude mannetje is de grondkleur
van de bovendeelen runkleurig grijs, soms lichter, soms donkerder,
terwijl de borst en de buik een verbleekte, roestkleurig getinte,
zilvergrijze kleur vertoonen; scherp steken hierbij af het voorste deel
van 't aangezicht (voorhoofd, wangen en snuit), welks kleur van donker
chocolade-bruin tot zwartachtig bruin afwisselt, en de langwerpige
hoefijzer- of liervormige rugteekening, die meer of minder duidelijk
begrensd en donkerder of lichter van kleur kan zijn. Bij enkele
exemplaren is het "zadel" bandvormig smal, bij andere aanmerkelijk
verbreed. Het wijfje verschilt, behalve door de geringere grootte,
ook door de kleur zoozeer van het mannetje, dat men het voor een
afzonderlijke soort gehouden en onder een anderen naam beschreven
heeft. Het sneeuwwitte haarkleed van de jonge Zadelrobben, wordt na
verloop van verscheidene jaren, door de wijzigingen, die bij iedere
haarwisseling optreden, aan dat van de ouders gelijk.

Het verbreidingsgebied van den Zadelrob is beperkt tot de hoogste
breedtegraden van het noorden, maar strekt zich misschien door de
Beringstraat tot in het noordelijkste gedeelte van den Stillen Oceaan
uit. Enkele exemplaren zijn op verschillende tijdstippen aan de kusten
van Lapland en Noorwegen, en zelfs in de Noordzee waargenomen.



Als vertegenwoordiger van de _Blaasrobben_ (_Cystophora_) beschrijven
wij het dier, dat bij den Robbenslager onder den naam van _Klapmuts_
(_Cystophora cristata_) bekend is. Het is een van de grootste Robben
van de IJszee. Vooral is hij kenbaar aan een blaasvormige uitbreiding
van de huid, die, bij het puntje van den neus beginnend, zich over
de geheele bovenzijde van den snuit en het grootste deel van de
bovenzijde van den kop uitstrekt. Deze blaas kan naar verkiezing met
lucht gevuld en geledigd worden; gevuld, heeft zij een lengte van 25
en een hoogte van 20 cM., en ziet er uit als een muts, die naar het
voorste deel van den kop is afgezakt; geledigd, is zij te vergelijken
met een overlangschen richel, die den neus in twee gelijke deelen
verdeelt. De kop is groot, de snuit dik en stomp, de romp is over
't geheel genomen als die van de andere Robben gebouwd. Het haarkleed
is bij de jonge dieren anders dan bij de volwassene, bij mannetjes en
wijfjes gelijk; het bestaat uit lang bovenhaar en dicht wolhaar; in den
regel is het aan de bovendeelen donker nootbruin of zwart van kleur en
met groote of kleine, ronde vlekken van nog donkerder kleur geteekend;
de onderdeelen zijn echter donkergrijs of roestkleurig zilvergrijs en
ongevlekt. De volwassen mannetjes bereiken een lengte van 2.3 à 2.5
M.; de wijfjes missen de blaas op den kop en zijn aanmerkelijk kleiner.

In vergelijking met de overige Zeehonden van de Noordelijke IJszee
bewoont de Klapmuts, naar het schijnt, een niet zeer uitgestrekt
gebied; nergens komt hij in groote getale voor. Naar _Fabricius_
bericht, is hij het veelvuldigst in de nabijheid van Groenland en
Newfoundland, zeldzamer aan de westkust van IJsland; aan verder
zuidwaarts gelegen kusten komt hij slechts enkele malen voor en is
dan waarschijnlijk verdwaald.

Volgens het overeenstemmend getuigenis van verschillende berichtgevers,
is deze soort een van de moedigste en strijdlustigste van alle
Zeehonden; de jacht op dit dier is daarom niet zelden gevaarlijk. Wel
maakt het, als het op het ijs ligt uit te rusten, den indruk van
onverschillig te zijn voor al wat er in de nabijheid gebeurt; het
staart dan met zijne groote, zwarte oogen tamelijk flauw in de verte;
ongetergd valt het trouwens andere wezens niet aan; het wordt echter
licht zeer opgewonden en is dan geneigd om een hevigen tegenstand
te bieden.



De _Zee-olifant_ (_Macrorhinus leoninus_) komt over 't geheel genomen
in vorm met de overige Robben overeen, maar overtreft hen alle door
zijn grootte; aan de Californische kust heeft men er gevonden, die
6.7 M. lang waren, de meeste zijn echter niet meer dan 5 M. lang. Dit
geldt alleen van de mannetjes, die ongeveer dubbel zoo lang zijn
als de wijfjes, en bovendien ruim driemaal zoo zwaar; het gewicht
van oude mannetjes wordt op niet minder dan 3000 KG. geschat. De
kop is groot, breed en eenigszins verlengd, de snuit is middelmatig
lang, tamelijk breed, naar voren eenigszins versmald en bijna recht
afgeknot, de bovenlip is met stevige donkerbruine snorborstels bezet,
die een lengte van 15 cM. kunnen bereiken; het oog is tamelijk groot,
rond, bolvormig uitpuilend; het oor is buitengewoon klein, men ziet er
eigenlijk niets anders van dan een rondachtig gat, dat niet eens door
een huidzoom omgeven is; de neus eindelijk verschilt aanmerkelijk bij
het mannetje en het wijfje. Dit lichaamsdeel, dat zulk een grooten
invloed heeft op de uitdrukking van het gelaat, is bij het wijfje
van gewonen vorm, maar verlengt zich bij het mannetje tot een slurf,
die aan den mondhoek begint en, van hier gemeten, ongeveer 40 cM. ver
vooruitsteekt; als het dier opgewonden is, kan het zijn slurf ongeveer
tweemaal zoo lang maken. De kleur van het haarkleed is niet alleen
verschillend naar den ouderdom en het geslacht, maar hangt ook af
van den tijd van 't jaar. Onmiddellijk na de haarverwisseling is de
voornaamste kleur van de huid blauwachtig grijs, later gaat deze in
lichtbruin over.

Het verbreidingsgebied van den Zee-olifant omvat de zuidelijke
gedeelten van de wereldzeeën en strekt zich thans nog tot den 50en
graad Z.B. en misschien tot voorbij den zuidelijken poolcirkel
uit. Vroeger kwam hij aan de zuidspits van Amerika en bij de
daaronder gelegen eilanden voor, ook bij het eiland van Robinson,
Juan Fernandez, en aan de zuidelijke gedeelten van de Chileensche
kust, zoo ook bij Nieuw-Zeeland, Tasmanië en vele andere eilanden,
die op deze breedten gelegen zijn; op de meeste van deze plaatsen is
hij echter reeds geheel of bijna geheel uitgeroeid.

Door zijn levenswijze herinnert de Zee-olifant aan de Zee-leeuwen
en Zee-beren. Ook hij onderneemt ieder jaar reizen in het zuidelijk
deel van zijn verbreidingsgebied; zieke en zwakke exemplaren moeten
achterblijven, de gezonde reizen gezamenlijk. In Patagonië komen zij
bij groote troepen in September en October aan, dikwijls reeds in
Juni, en vertrekken tegen het einde van December weder om nog verder
zuidwaarts te trekken. Zoo lang zij zich aan land bevinden, geven zij
de voorkeur aan zand- en grindgrond, maar houden zich ook wel in zoet
water op. Uit den grooten hoop scheiden zich familiën af van 2 tot 5
leden; deze treft men steeds dicht tegen elkander aangedrongen in het
slijk of in de biezen slapend aan. Bij hoogen warmtegraad verkoelen
zij zich, door in het vochtige zand te gaan liggen; met de voorste
ledematen werpen zij dit zand ook op de bovendeelen van hun lichaam,
dikwijls zou men ze eerder voor hoopen zand dan voor levende dieren
houden; ook in dit opzicht herinneren zij dus aan de Dikhuidigen.

Hunne bewegingen op het land zijn zeer onbeholpen en vermoeien hen
zeer. Als zij zeer vet zijn, slingert de romp bij iedere schoksgewijze
beweging als een met gelei gevulde groote blaas heen en weer. Zoodra
zij een korten weg hebben afgelegd, zijn zij vermoeid en moeten
rusten; toch schuiven zij in Californië bij de 5 à 10 M. hooge
duinen op, en bereiken zelfs langs een zeer ongelijken weg plaatsen,
die 20 M. boven den zeespiegel gelegen zijn. In het water maken zij
veel beter figuur. Zij kunnen uitmuntend zwemmen en duiken, maken
plotselinge wendingen, gaan rustig op de golven liggen om te slapen,
laten zich drijven en maken ijverig en behendig jacht op de dieren, die
hun tot voedsel dienen, vooral Koppootige Weekdieren en Visschen. Ook
zij zwelgen wieren en steenen door. Zoo vond _Forster_ in de maag
van een Zee-olifant twaalf ronde steenen, ieder ter grootte van twee
vuisten, die zoo zwaar waren, dat hij zich niet kon voorstellen, hoe
de wanden van de maag aan zulk een groote drukking weerstand hadden
kunnen bieden.

Naar men meent, zijn de zintuigelijke vermogens dezer dieren weinig
ontwikkeld. Zij zijn traag en stompzinnig en laten zich niet licht
in hun rust storen. Zij worden zachtaardig en verdraagzaam genoemd,
omdat men ze nooit ongetergd andere dieren of menschen heeft zien
aanvallen. Kleine Robben, die tot een ander geslacht behooren,
en menschen, die een bad nemen, kunnen veilig in hun nabijheid
zwemmen. _Pernetty_ verhaalt, dat zijne matrozen wel op deze dieren
gereden hebben, als op Paarden, en ze, als zij te langzaam gingen,
door messteken tot een vluggere beweging aanspoorden. "De mannetjes",
zegt _K. von Steinen_, "staarden ons gewoonlijk met opengesperden muil
aan, maar gingen niet van hun plaats. Terwijl zij ons zoo vol stomme
verbazing aankeken, vertoonde zich op hun gelaat een wonderbaarlijk
komisch gebarenspel. Zij gaven hun ontevredenheid lucht door de
dikke neusopzwellingen op en neer te fronzen; zelfs de zwartgalligste
hypochonder zou een pijnlijk lachje niet hebben kunnen onderdrukken
bij het zien van de grimassen dezer met snorren versierde physionomiën;
vooral die van een kromneuzigen ouden heer maakten veel indruk."

Tien maanden na de paring, gewoonlijk in Juli of Augustus, in Patagonië
in 't begin van November, omstreeks één maand na hunne aankomst op de
eilanden, worden de jongen geworpen. Deze zijn bij de geboorte reeds
1.3. à 1.5 M. lang en 40 KG. zwaar; zij worden ongeveer 8 weken lang
door de moeder gezoogd en zorgvuldig opgepast. In de zevende of achtste
week van hun leven, komen zij voor 't eerst onder de leiding van de
moeder in de zee. De geheele troep verwijdert zich langzaam van den
oever en roeit dagelijks verder in zee op. De jongen volgen de ouden
op al deze tochten, maar moeten reeds na verloop van weinige maanden
geheel voor zichzelf zorgen. In het derde levensjaar ontwikkelt zich
bij het mannetje de slurf.

De mensch vervolgt de Zee-olifanten overal waar hij ze vindt. Vroeger
waren deze Robben op hunne eenzame eilanden voor alle vijanden
beveiligd. Ongeveer sedert den aanvang van deze eeuw vervolgt de
Europeesche robbenslager hen overal en neemt hun aantal snel af. Op
onmeedoogende wijze worden deze weerlooze schepsels uitgeroeid.

Voor de jacht op de Zee-olifanten gebruikt men zware knotsen en
lansen van ongeveer 5 M. lengte, met stevige, scherpe punten. Zoo
uitgerust, en bovendien met achterladers van groot kaliber gewapend,
tracht men tusschen de aan land rustende kudde en het water te komen,
maakt hierna door schreeuwen, schieten en andere geluiden, zooveel
leven als maar mogelijk is, en gaat, onder het zwaaien van de geweren,
knotsen en lansen, langzaam op de kudde af, die, door het ongewone
geraas verschrikt, zich in den regel verder landwaarts begeeft. Indien,
gelijk niet zelden gebeurt, een mannetje zich verweert, of door den
kring zijner vijanden tracht heen te breken, dan maakt meestal een
kogel, die hem de hersenen doorboort, een einde aan zijn leven,
of wordt hij door een lans, die hem in den bek gestooten wordt,
opgehouden en gedwongen op het achterste deel van het lichaam te gaan
zitten, waarna twee mannen met hunne zware eiken knotsen toesnellen en
hem door vele slagen op den kop verdooven of dooden. Het vermoorden
hunner metgezellen veroorzaakt zulk een schrik onder de dieren, dat
zij hun tegenwoordigheid van geest geheel verliezen en over elkander
heenklauteren, rollen en tuimelen, wanneer zij de onmogelijkheid inzien
om te vluchten. Onmiddellijk na de slachting begint men de dieren
af te spekken. De stukken spek worden met touwen aaneengebonden,
aan stevige touwen bevestigd en zoo naar het schip gesleept,
waar men ze in kleinere stukken verdeelt en in hiervoor geschikte
ketels uitkookt. Hierdoor wordt een traansoort verkregen, die als
smeermiddel hooger geschat wordt dan die van de Walvisschen. Het
zwarte, tranige, bijna oneetbare vleesch van het dier, heeft weinig
waarde; het hart wordt echter door de matrozen met smaak gegeten;
ook de lever verschaft aan deze volstrekt niet verwende lieden een
heerlijk maal, waarop, naar men bericht, een onoverwinnelijke, vele
uren lang aanhoudende slaperigheid volgt. De gezouten tong wordt
als een ware lekkernij beschouwd. De kortharige, stijve huid levert
een uitmuntend materiaal voor het overtrekken van groote koffers,
ook voor paardentuigen en ander zadelmakerswerk; zij zou echter nog
veel meer gebruikt worden, indien de grootste vellen wegens de vele
litteekens, die er op voorkomen, niet tevens de slechtste waren.

De Zee-olifanten zullen niet lang meer tot de bewoners der aarde
behooren. Zij kunnen zich voor hun wreeden vijand niet eens, zooals
de Walvisschen, in de ontoegankelijke gedeelten van den oceaan
terugtrekken; zij kunnen hun noodlot niet ontgaan, en moeten de
vervolging van den mensch, het onverzadelijkste van alle roofdieren,
verduren, totdat het laatste lid van hun geslacht bezweken zal zijn.



De tweede familie der orde--de _Walrussen_ (_Trichechidae_)--bestaat
uit slechts één geslacht (_Trichechus_), met slechts één soort,
de monsterachtigste van alle Robben. Wij noemen haar _Walrus_, de
Engelschen _Morse_ of _Sea-horse_, de Noorsche robbenslagers Rosmar, de
Lappen _Morske_ (_Trichechus rosmarus_). In geheel volwasssen toestand
heeft dit kolossale dier een lengte van 4.25 M., in zeldzame gevallen
misschien van 5 M., bij een omvang van 2.5 à 3 M. (soms zelfs 4 M.),
terwijl zijn gewicht 1000 KG. kan bedragen. Evenals bij de Zeehonden
is het langwerpige lichaam in het midden het dikst; van hier naar
achteren vermindert de dikte echter niet zoo sterk als bij de andere
Robben. Uit dit kolossale lichaam steken de ledematen als groote
lappen naar buiten en naar onderen uit, zoodat elleboogsgewricht
en kniegewricht zichtbaar zijn. Alle voeten hebben vijf teenen,
die korte, stompe klauwen dragen, welke achter iederen teentop
liggen. De staart is een onbeduidende huidplooi. De Walrus ontleent
zijn eigenaardig voorkomen echter niet zoozeer aan zijn romp, als aan
den betrekkelijk kleinen, ronden en door twee bolvormig gezwollen
tandkassen aan de bovenkaak monstrueus verdikten kop. De snuit is
zeer kort, breed en stomp, de bovenlip vleezig, in twee boogvormige
heften verdeeld, de onderlip daarentegen gezwollen. Aan weerszijden
van den snuit staan op dwarsrijen ronde, afgeplatte, hoornachtige,
van voren naar achteren langer wordende snorborstels; de grootste
zijn zoo dik als de schacht van een ravenpen en 10 cM. lang; er zijn
waarschijnlijk verscheidene honderden van deze haren. De neusgaten
zijn halvemaanvormig; de ver naar achteren geplaatste kleine, glanzige
oogen worden door vooruitstekende oogleden beschut. De gehooropeningen,
waaraan zelfs het geringste spoor van een oorschelp ontbreekt, zijn
aan het achterste deel van den kop gelegen.

Het merkwaardigst is echter het gebit. Vóór aan den snuit worden de 6
snijtanden en 2 hoektanden die bij zeer jonge dieren in de bovenkaak
voorkomen, vervangen door twee kolossale hoektanden, die ver buiten den
bek uitsteken. Deze slagtanden worden dikwijls 80 cM., zeer zelden 90
cM. lang, en wegen dan gemiddeld 2 1/2 à 3 KG., soms zelfs 3 1/2 KG.;
volgens eenige berichtgevers zouden zij zelfs een gewicht van 7 of 8
KG. kunnen bereiken. De bijna volkomen onbehaarde, zeer dikke huid,
is niet slechts geplooid, maar bovendien zoo hard als kraakbeen;
zij is bij de ouden, evenals bij de jongen, meer of minder donker
lederkleurig. Over 't algemeen zijn de slagtanden van het wijfje
wel dunner, maar dikwijls tevens langer en fraaier dan die van het
mannetje, waaraan meer afslijting valt op te merken.

Reeds sedert eeuwen is de Walrus ons door afbeeldingen en
beschrijvingen bekend, die hem echter niet in zijn ware gedaante
voorstellen, en ook van zijn levenswijze een onjuist denkbeeld
geven. De Duitsche bisschop _Albertus Magnus_ gaf in 1265 van
dit dier een met fabels en overleveringen gekruide beschrijving,
waaraan de Noorsche bisschop _Olaus Magnus_ 30 jaren later maar
weinig wist toe te voegen. Een bisschop van Drontheim liet den kop
van een Walrus inzouten en zond dezen in 't jaar 1520 aan Paus Leo
X te Rome. Van dezen kop werd te Straatsburg een afbeelding gemaakt,
waarnaar _Conrad Geszner_ (1665) van den Walrus een tamelijk juiste
beschrijving heeft geleverd. _Martens_, een Hamburger zeevaarder,
die in het einde van de 17e eeuw den Walrus in de IJszee zag, geeft
van zijne ervaringen een goed en uitvoerig verslag; na dien tijd
neemt het aantal beschrijvingen toe en evenzoo onze bekendheid met
de levenswijze van het dier en de wijze waarop het gejaagd wordt.

Evenals zoovele andere dieren, is ook de Walrus, die nog in de
vijftiende eeuw geregeld op de Schotsche kusten aangetroffen
werd, langzamerhand door den mensch naar noordelijker streken
verdrongen. Alleen daar kan hij zich nog staande houden, waar aan het
steeds verder doordringen van de jagers der Noordpoolgewesten paal en
perk wordt gesteld door bezwaren, die slechts in enkele jaren tijdelijk
verminderen. Over het algemeen kan men zeggen, dat hij in alle,
rondom de Noordpool gelegen zeeën, ook thans nog voorkomt, maar zich
volstrekt niet in alle gedeelten van deze zeeën vertoont. Gedurende het
geheele jaar ontmoet men hem bij de noordelijke gedeelten van de Oost-
en Westkust van Groenland, in de Baffins-baai en in alle hiermede in
verbinding staande straten, sonden en bochten tot aan de Beringstraat,
die zijn oostelijk en westelijk verbreidingsgebied verbindt. In de
Beringstraat en de Beringzee kwam hij eenige jaren geleden betrekkelijk
veelvuldig voor. Hier was hij verder zuidwaarts verbreid dan in den
Atlantischen Oceaan, daar men hem op de kust van Alaska, en van de
Aleoeten vrij geregeld waarnam. Tegenwoordig is het aantal Walrussen
in deze zeeën veel verminderd. Nog bewonen deze dieren de kusten van
Nova Zembla en Spitsbergen en de geheele noordkust van Siberië.

Weinige tientallen van jaren geleden trof men den Walrus binnen het
hierboven omschreven verbreidingsgebied, op sommige plaatsen althans,
nog in zeer grooten getale aan, soms bij troepen van vele duizenden,
welker gewicht volgens het getuigenis van de robbenslagers en andere
zeedieren-jagers groote massa's drijfijs, die zonder hen hoog boven den
waterspiegel zouden uitsteken, tot aan dit peil naar beneden drukte;
tegenwoordig ziet men slechts in gunstige omstandigheden nu en dan
honderden van deze dieren bijeen.

De eerste indruk dien de Walrus op den mensch maakt, is niet
gunstig. De oudste zeevaarders vinden hem even afschrikwekkend en
leelijk, als onze tegenwoordige reizigers. Onze Noordpoolreizigers
zeggen, dat, als aan eenig dier den naam "monster" toekomt, dit
dier de Walrus moet zijn; hij verdient dezen naam zoowel door zijn
uiterlijk, als door zijn demonische stem en door zijn onaangename
inborst. Zijn leven schijnt zeer eenvormig te zijn, misschien reeds,
omdat het verkrijgen van voedsel hem minder moeite en tijd kost, dan
aan andere Robben. Uit de onderzoekingen van _Malmgren_ en _Brown_
is gebleken, dat de Walrus zich uitsluitend met dierlijke stoffen
voedt. Beiden vonden in de maag van de door hen onderzochte exemplaren
voornamelijk een soort van Slijkmossel of Gaper (_Mya truncata_), die
in de noordelijke gedeelten van de IJszee alle banken en riffen bedekt,
en een Steenboorschelp (_Saxicava rugosa_). Zij zijn van oordeel,
dat de Walrus zijne kolossale tanden hoofdzakelijk gebruikt om de
bedoelde Schelpdieren van de rotsen los te maken of uit de slib bloot
te woelen. Bovendien verzwelgt hij niet alleen andere in zee levende
Ongewervelde dieren, maar ook de algen, die aan de schelpen der door
hem verorberde Weekdieren vastgehecht zijn, alsmede andere zeeplanten,
voorts zand en grind, gelijk ook vele andere Robben doen. Behalve
Ongewervelde zeebewoners vreet de Walrus trouwens ook Visschen, die
hij zelf vangt, en de overblijfselen van de Walvisschen en Zeehonden,
die door den mensch gedood zijn.

De Walrussen vereenigen zich tot gezelschappen, die een meer of
minder groot aantal leden hebben, al naar de geaardheid van de
door hen bewoonde kust. Sommige van deze gezelschappen bestaan
alleen uit mannetjes, de overige uit de wijfjes met hunne jongen,
zoolang deze nog gezoogd worden. Een enkele ijsschol draagt, naar de
noordpoolreizigers berichten, dikwijls 20 of meer Walrussen. Hunne
donker gekleurde lichamen zijn dicht bij elkander gelegen, de kop
wordt wegens de lange slagtanden zijwaarts gedraaid, of rust op het
lichaam van een der buren: "zoo zijn zij gewoon het grootste deel van
hun leven te verslapen, omdat het zien van de zon, die maandenlang
boven de kim blijft, en het hooren van het eentonig gedruisch van
de branding hun vervelen." Onder de leden van het gezelschap is er
minstens _één_, die de wacht houdt en die bij het opmerken van een
gevaar de overige wekt door zijn krachtige stem te laten weerklinken,
of ingeval van nood ook door een zachten stoot met de slagtanden,
waarna het geheele gezelschap zich gereed maakt tot de vlucht of tot
de verdediging van hun leven. Daar waar de Walrus den mensch nog
niet heeft leeren kennen, trekt een vreemd schip ternauwernood de
opmerkzaamheid van de schildwachten of van de bende in 't algemeen;
zelfs door een kanonschot krijgen zij geen argwaan, omdat alle aan
geknal gewoon zijn in de noordelijke zeeën, waar het ijs dikwijls
met een donderend geraas over groote afstanden barst.

De bewegingen van den Walrus stemmen naar het schijnt nog het meest
met die van de Oorrobben overeen. Op het land is zijn beweging log en
onbehendig; hij kruipt echter niet, maar gaat, waarbij hij gelijktijdig
den linker achterpoot en den rechter voorpoot en vervolgens evenzoo de
beide andere pooten verplaatst. Zijn gang verschilt van dien der andere
overkruis loopende dieren, alleen hierdoor, dat hij van de voorpooten
de teenen, van de achterpooten echter de hiel naar voren richt. Bij
het beklimmen van steile ijsblokken maakt hij, naar men zegt, steeds
gebruik van zijne beide lange slagtanden, waarmede hij zich vasthaakt
in barsten en kloven, om vervolgens het zware lichaam op te trekken,
daarna den hals op nieuw te strekken, en op deze wijze voort te gaan,
tot hij de gewenschte ligplaats bereikt heeft. Als noodzakelijke
hulpmiddelen bij het gaan kan men de bedoelde tanden echter niet
beschouwen, daar de niet minder zwaarlijvige Oorrobben en Zee-olifanten
zonder zulke werktuigen een soortgelijken arbeid verrichten. Eerder
acht ik het waarschijnlijk, dat hij zich met behulp van de slagtanden
een weg door het drijfijs baant. Niet onwaarschijnlijk is het ook,
dat hij er de bijten mede maakt, die hij op gelijke wijze als de
overige Robben gebruikt en openhoudt. Ook bezigt hij zonder twijfel de
hoektanden tot het openwoelen van den grond, waarin hij zijn voedsel
zoekt. Te zijner verdediging dienen zij eveneens; menigmaal heeft
hij er zelfs de planken van een boot mede stuk geslagen. De Walrus
begeeft zich van het land naar het water door zich van hellingen af
te laten glijden, of ook door zich, gelijk andere Robben eveneens
doen, met een sprong in het water te storten. Evenals alle andere
leden van zijn orde beweegt hij zich hier even snel en behendig, als
hij op het land of op het ijs langzaam en onbeholpen is. Hij zwemt
uitmuntend, duikt tot op aanzienlijke diepten en is zeer zeker in
staat verscheidene minuten lang onder water te blijven. Een roeiboot
is niet in staat een zwemmende Walrus te achterhalen; van vermoeienis
schijnt hij niet te weten, hoe lang deze beweging ook duurt.

Zijn stem gelijkt soms op het loeien van een koe, soms op het zware,
grove geblaf van een Hond, maar kan, bij toorn, met recht gebrul
heeten. Gedurende den paartijd verneemt men zijn stem op zulk een
grooten afstand, dat Kapitein _Cook_ en zijne metgezellen hierdoor
bij nacht en nevel steeds van de nabijheid van de kust verwittigd
werden en de koers van het schip tijdig genoeg konden doen veranderen
om een botsing met het ijs te vermijden.

Over den gemoedsaard van den Walrus kan men, op grond van de tot
dusver opgedane ervaringen, moeielijk een oordeel uitspreken; wel mag
men het er voor houden, dat dit dier niet minder schrander is dan de
overige Bobben. Van de scherpte zijner zinnen zegt _Pechuel-Loesche_:
"Het gezicht is slecht, het gehoor reeds veel beter, maar uitmuntend
ontwikkeld is de reukzin, want zij krijgen in gunstige omstandigheden
minstens op een afstand van verscheidene honderden schreden de
lucht van de menschen; men moet dus, als men hen besluipen wil, zeer
zorgvuldig acht geven op den wind." Hoewel de Walrus zich bij zijn
eerste ontmoeting met den mensch zeer onverschillig toont, geeft
de ervaring hem weldra reden om een andere gedragslijn te volgen;
met kracht en verstand verzet hij zich dan tegen den beheerscher
der aarde. Een van zijne meest in 't oogloopende eigenschappen
is de nieuwsgierigheid, die trouwens aan alle Vinvoetigen eigen
is. Bovendien merkt men bij hem een bij de Robben ongewonen moed
op. Evenals met hunne vijanden vechten zij ook met elkander zeer
verwoed; dit geschiedt echter alleen in den paartijd, die gewoonlijk
in de laatste maanden van de lente valt. Omstreeks dezen tijd brullen
de mannetjes op ieder uur van den dag; bovendien vallen zij elkander
aan en scheuren met de slagtanden zulke diepe schrammen in de huid
van hunne tegenstanders, dat deze er even erbarmelijk uitzien, als
andere bij dergelijke tweegevechten gewonde Robben.

Na een draagtijd van ongeveer 12 maanden brengt het wijfje een enkel
jong ter wereld, waaraan het met de trouwste moederliefde gehecht is;
met groote zelfopoffering zorgt het voor de voeding en ontwikkeling
van haar kind en verdedigt het in tijd van nood met den moed en de
woede, die het Walrussengeslacht onderscheiden. Het kleine dier geeft
de duidelijkste bewijzen van kinderliefde en verlaat zijn moeder
ook na den dood niet. Als het jong gedood wordt, kan men rekenen op
den hardnekkigsten tegenstand en de onverzoenlijkste wraakzucht van
de moeder.

Walrussen, die zich op het strand of op een ijsveld bevinden,
zijn weinig te vreezen, omdat hun onbeholpenheid hen verhindert den
mensch met goed gevolg aan te vallen; in het water echter geven zij
duidelijke bewijzen van groote behendigheid en reusachtige kracht. Soms
vallen deze dieren zonder eenige aanleiding den mensch aan en dwingen
dezen tot een niet gewenschten strijd. De noordpoolreizigers _Payer_
en _Copeland_ geven van zulk een voorval de volgende levendige en
aanschouwelijke beschrijving: "Indien een van deze monsters een
boot ziet, verheft het zich verwonderd boven den waterspiegel, laat
onmiddellijk zijn alarmgeschreeuw, een bij schokken uitgestooten
geblaf hooren, zwenkt zoo schielijk mogelijk en zwemt naar het
vaartuig toe. Door zijn geschreeuw worden andere Walrussen aangelokt;
de slapende dieren, waarmede men bij het varen iedere botsing heeft
trachten te vermijden, worden gewekt, en na verloop van korten tijd
wordt de boot nagezwommen door een groot aantal van deze kolossale
beesten, die geweldig tieren en schijnbaar of in werkelijkheid ten
zeerste verbitterd zijn. Het is mogelijk, dat nieuwsgierigheid de
drijfveer is, die hen in beweging brengt; maar de vorm, waarin deze
zich openbaart, is wel zeer ongelukkig gekozen; er bestaat alle
grond voor het vermoeden, dat zij de boot willen doen kantelen, om
haar grondig te leeren kennen. Men moet zich dus gereed maken voor
den strijd, vooral omdat men weldra tot de overtuiging komt, dat het
niet mogelijk is te ontsnappen zelfs door het snelste roeien van vijf
man. De brullende bende Walrussen is nu nog maar op weinige schreden
afstands van de boot, die bespat wordt met het water, die zij duikend
en weer bovenkomend opwerpen. De eerste schoten knallen en werken als
olie in het vuur van hun woede. Een woeste strijd begint: sommigen
slaan met bijlen op de borstvinnen van de afschuwelijke sphinxen,
die hiermede de boot trachten om te werpen en te vernielen, anderen
verdedigden zich met lansen, of beuken met den scherpen kant der
roeiriemen op de dikke schedels der reusachtige monsters, of werpen
moeielijk verteerbare pillen in den als een afgrond wijd opengesperden
bek van de onophoudelijk brullende aanvallers. Een woest geschreeuw
vervult de lucht; de boot en hare verdedigers bewaren met moeite hun
evenwicht; het water schuimt en geraakt in hevige beweging; nieuwe
kampioenen rijzen plotseling uit de diepte op, of komen zwemmend
naderbij; andere zinken doodelijk getroffen naar de diepte, terwijl
het water door hun bloed gekleurd wordt. Het dreigend gevaar, dat de
boot zwaar beschadigd of omgekanteld zal worden door het gewicht van
een Walrus, die met de slagtanden den rand van het vaartuig omvat
houdt, kan dikwijls alleen door het toebrengen van een doodelijke
wonde aan den leidsman dezer even dappere, als volhardende dieren
afgewend worden."

De Europeaan gebruikt van den Walrus de huid, het vet en de tanden. De
huid wordt gelooid, het vet uitgekookt, de tanden worden als ivoor
verwerkt. Het grof vezelige, tranige vleesch wordt door de Europeanen
hoogstens in geval van nood gegeten; de tong wordt echter als
een smakelijk gerecht beschouwd. De volken van het hooge noorden
daarentegen weten van ieder lichaamsdeel van den Walrus partij
te trekken. Van de huid maken zij riemen, touwen en vischnetten,
gebruiken haar ook wel tot bekleeding van hunne zomerverblijven; van
de beenderen vervaardigen zij allerlei werktuigen; de pezen worden
ineengedraaid om als naaigaren dienst te doen; het vleesch is een
zeer geschat voedingsmiddel en het spek komt bij de spijsbereiding
of als brandstof te pas, zoodat eigenlijk geen enkel deel van het
dier ongebruikt blijft.



De leden van de derde familie onzer orde, de _Oorrobben_ (_Otariidae_),
onderscheiden zich van hunne verwanten in de volgende opzichten. De
rand van de gehooropening is voorzien met een kleine, doch goed
ontwikkelde oorschelp. De groote vinvormige ledematen komen duidelijk
uit het lichaam te voorschijn en zijn er goed van te onderscheiden;
een aan den rand gelobde huid strekt zich tot voorbij de teentoppen
uit, de zolen zijn kaal, de achterteenen nagenoeg gelijk van lengte, de
voorteenen nemen van binnen naar buiten in lengte af. Beide geslachten
verschillen aanmerkelijk in grootte, daar de mannetjes in den regel
minstens dubbel zoo lang en drie of vier maal zoo zwaar worden als
de wijfjes.

Alle tot dusver bekende soorten van deze familie komen in zoo hooge
mate met elkander overeen, dat men ze in één geslacht vereenigen
moet; alle hebben ook in hoofdzaak dezelfde levenswijze. Voornamelijk
bewonen zij den Stillen of Grooten Oceaan, leven zoowel aan de met
ijs omzoomde kusten van de Beringstraat als op het vasteland, dat de
Zuidpool omgeeft, en op de daarbij behoorende eilanden, in de gematigde
gordels, zoowel als onder de loodrecht gerichte stralen van de zon der
keerkringsgewesten; ginds ondernemen zij meer of minder uitgestrekte
verhuizingen, hier bewonen zij jaar in jaar uit hetzelfde gebied; op de
meeste plaatsen worden zij onophoudelijk en onmeedoogend vervolgd, van
enkele oorden zijn zij reeds verdreven door den hebzuchtigen mensch,
die om hun vel, vleesch en vet machtig te worden, reeds sedert eeuwen
jacht op hen maakt, en ze bij duizenden slacht.

Bijna iedere bezoeker van San Francisco weet te verhalen van den
Oorrob, dien de matrozen _Zeeleeuw_ (_Otaria Stelleri_) noemen, en
reeds sedert _Stellers_ tijd goed kennen. De mannelijke Zeeleeuw kan
een lengte van 4 M., een omvang van nagenoeg 3 M., en soms een gewicht
van nagenoeg 500 KG. bereiken. De wijfjes zijn aanmerkelijk kleiner,
worden geen 3 M. lang en zelden meer dan 200 KG. zwaar. Door den
bouw van den romp wijkt dit dier minder dan de overige soorten van
zijn familie van de Zeehonden af, toch kan het er, evenmin als deze,
mede verward worden; want behalve aan den karakteristieken vorm der
ledematen is het gemakkelijk te herkennen aan den langwerpigen kop en
langen hals en aan de fiere en gebiedende houding, die het aanneemt,
als het in een toestand van opgewondenheid verkeert. De kleur van de
oude mannetjes biedt veel afwisseling aan; op dezelfde rots vindt men
zwarte, gesprenkelde of roodachtig bruine, donkergrijze en lichtgrijze
exemplaren bijeen. De oude wijfjes zijn gewoonlijk lichtbruin van
kleur; de jongen zijn leikleurig of grijsachtig zwart. De huid is
met korte, aanliggende haren bezet. Bij een andere soort van Oorrob,
wiens verbreidingsgebied zich van de zuidspits van Zuid-Amerika
tot aan Grahamsland uitstrekt, en die vooral op Vuurland veelvuldig
voorkomt--bij de _Manendragende Zeeleeuw_ (_Otaria jubata_)--verlengt
het haar van den nek zich bij het volwassen mannetje tot betrekkelijk
korte manen. Bij de andere soorten van Zeeleeuwen komt deze aan
den Leeuw herinnerende eigenaardigheid niet voor, o.a. niet bij
den eerstgenoemden vorm, die de noordelijke helft van den Stillen
Oceaan bewoont, en niet veel verder zuidwaarts dan de Galapagos-
of Schildpadden-eilanden voorkomt.

Ook op hen wordt ijverig jacht gemaakt; hun spek levert traan, hun
huid dient op de Californische kust voor het bereiden van lijm. De
bewoners van Kamtschatka en Saghalin, van Alaska en de Aleoeten weten,
behalve van het vet en de huid, ook van de overige lichaamsdeelen
dezer dieren een nuttig gebruik te maken.

De hierboven bedoelde Zeeleeuwen-kudde, die eenige klippen in de
nabijheid van San Francisco bewoont, kan zich hier veilig achten,
omdat het verboden is op haar te schieten of haar op een andere wijze
lastig te vallen. Van een bezoek aan deze dieren geeft _Finsch_
het volgende verslag: "Een zeer breede, maar ook zeer stoffige
weg leidt door woeste, schaars begroeide duinen, welker zand in
voortdurende beweging is, zoodat de lucht hierdoor soms als door
een nevel verduisterd wordt, naar het zoogenaamde 'Klippenhuis,' een
uitspanningsoord, dat dicht bij de rotsachtige kust van den Stillen
Oceaan op een afstand van ongeveer drie kwartier uurs van San Francisco
gelegen is, en door de bewoners van deze stad druk bezocht wordt. Reeds
van verre klinkt het ruischen van de hevige branding den naderenden
gast in de ooren; tevens hoort hij echter een vreemdsoortig geblaf,
dat sterker en algemeener wordt, hoe nader hij komt. De oorsprong
van dit geluid zoekend, merkt hij drie hooge, kegelvormige klippen
op, die op een afstand van weinig meer dan 150 passen van den oever
gelegen zijn, en welker onderste gedeelte zich op sommige plaatsen
loodrecht boven de oppervlakte van de zee verheft. Tegen den voet van
deze steenklompen breken de golven met hevig geraas, dat echter niet
zelden overstemd wordt door de levende wezens aan hun top en op hunne
hellingen. Omstreeks 60 kolossale zeedieren liggen op de grootste
van de schuins afhellende rotsen der klip in groepen van hoogstens
15 stuks, of ook wel eenzaam; zij hebben zich in de spleten en op de
smalle kammen der rotsen op hun gemak neergevleid, en worden als 't
ware beheerscht door een buitengewoon groot mannetje, dat op den top
van den rots troont en aan alle bewoners van 'Frisco' onder den naam
'Ben Butler' bekend is. Nu en dan steekt deze hoog geplaatste den kop
omhoog, blaast den dikken hals geweldig op en laat zijn zwaar geblaf
weerklinken, waarmede behalve de zwakkere, fijnere en hoogere stemmen
van alle overige leden van het gezelschap, ook het heesch geschreeuw
der talrijke Meeuwen, het gekras der Zeeraven, die in lange rijen
op de rotskammen en op afgezonderde klippen en rotspunten zitten
en de doffe basstem van de Bruine Pelikanen zich vermengen. Zelfs
de onverschilligste toeschouwer wordt geboeid door het verrassend
schouwspel, dat deze zoo verschillende dieren opleveren en ziet dan
tevens met bewondering, hoe deze schijnbaar zoo logge en stijf-ledige
reuzen de hoogste toppen van de klip beklimmen. Dikwijls ziet men, dat
zij zich in zee begeven, door zich eenvoudig langs den zacht hellenden
rotswand naar beneden te laten glijden, of door van een hoogen spits
zich naar beneden te storten. Als Dolfijnen spelen zij in de golven,
springen soms uit het water, stoeien met elkander, spelen krijgertje
en maken bewegingen, alsof zij onderling verwoed aan 't vechten zijn,
hoewel deze strijd naar alle waarschijnlijkheid niet ernstig gemeend
is en alleen tot tijdverdrijf dient. Met boosaardig opengesperden
muil zullen b.v. twee reuzen vreeselijk tegen elkander brullen, om in
't volgende oogenblik vreedzaam naast elkander te gaan liggen en door
liefkoozingen met de tong van een vriendschappelijke gezindheid blijken
te geven. Uren lang kan men dit voortdurend afwisselend schouwspel
gadeslaan en zal men altijd weer wat nieuws waarnemen en ontdekken."

De Zeeleeuwen verdragen de gevangenschap zeer goed, worden zeer tam
en toonen als zij jong gevangen zijn, een groote gehechtheid aan hun
oppasser. Van de Zeeleeuwen in den Amsterdamschen dierentuin verhaalt
Dr. _Rombouts_ het volgende: "Wat ons vooral opvalt bij den Zeeleeuw,
is zijn verstandig gelaat. Zijne heldere oogen bespieden voortdurend
de omgeving. Hij richt zich zoover mogelijk op de voorpooten op, rekt
zijn hals uit en ziet over de hoofden der toeschouwers in het rond,
alsof hij iets zoekt; plotseling keert hij zich om en schuift over
den rand van het bassin naar de andere zijde, om dan weer op dezelfde
wijze uit te kijken naar datgene wat zijne belangstelling wekt. Gij
zijt nieuwsgierig te weten, wat het zijn kan en keert u om, ten einde
zijn blik te volgen. Gij bemerkt spoedig, dat het de oppasser is,
die door den Zeeleeuw zoo scherp in het oog wordt gehouden. Elke
beweging, die den man maakt, wordt door het dier gevolgd onder het
uitstooten van rauw geblaf."

"De oppasser is intusschen het verblijf van den Zeeleeuw binnen
getreden en nauwelijks wordt dit door het dier bemerkt, of met één
sprong is het weer over den rand van het bassin en in de nabijheid van
den man, wiens komst hij reeds zoo lang heeft verbeid. De oppasser
wandelt bedaard verder en de Zeeleeuw huppelt hem achterna. Beiden
verdwijnen achter het grotwerk, om na een kort tijdsverloop weder
te voorschijn te komen, boven aan den waterval. Met moeite heeft de
Zeeleeuw het zoover gebracht, want klimmen behoort niet tot zijne
dagelijksche bezigheden. Met de voorste ledematen ondersteunt hij zich
boven op den rand van den afgrond, en eensklaps, wanneer de oppasser
een paar vischjes naar beneden werpt, stort hij zich van boven neer in
de golven, die bruischend omhoog spatten. Eenige oogenblikken daarna
zien wij den kop weer boven water komen met den gevangen visch in
den bek. Het dier wordt nooit moede dit kunststuk te verrichten,
wanneer het weet, dat daarmede een vischje te verdienen valt."



De _Zeebeer_ (_Otaria ursina_) is kleiner dan de Zeeleeuw, daar zelfs
de grootste mannetjes van den snuit tot aan het puntje van den staart
slechts 2 à 2.5 M. lang zijn en de wijfjes zelden meer dan de helft
van deze lengte bereiken. De beharing, die aan den hals en aan de
voorzijde merkbaar langer, langs de rugzijde eenigszins verlengd
is, bestaat uit niet bijzonder stijf bovenhaar en uit buitengewoon
zacht en fijn, zijdeachtig wolhaar, dat de huid dicht bekleedt. De
donkerbruine grondkleur van het vel gaat bij enkele exemplaren in
bruinzwart over, is aan den kop, den hals en het voorste gedeelte
van den romp gesprenkeld en neemt aan de onder- en binnenzijde van
de ledematen een lichtere tint aan. Oude wijfjes zijn kenbaar aan
hun zilvergrijze kleur. De jonge dieren hebben een zilvergrijs vel.

Weinige Robben bewonen zulk een uitgestrekt gebied als onze Zeebeer,
die zoowel aan de kusten van Zuidwest-Afrika en Patagonië, op de
Falklands-eilanden, op Nieuw-Zuid-Schotland en Zuid-Georgië als op
het St. Paulus-eiland in den Indischen Oceaan en de Pribylow-eilanden
in de Bering-zee gevonden wordt.

De Zeebeer bezoekt de verschillende eilanden en kusten, waar
hij geregeld aangetroffen wordt, uitsluitend ten behoeve van de
voortplanting; gedurende de overige maanden houdt hij zich voortdurend
in de volle zee op en doet daar verre reizen van het eene gebied naar
het andere. Uit onderzoekingen die gedurende vele opeenvolgende jaren
voortgezet zijn, blijkt echter, dat hij altijd weer naar de bekende
paringsplaatsen terugkeert. Als de tijd, waarin de Zeeberen aan den
vasten wal vertoeven, nadert--op de Pribylow-eilanden ongeveer in
het midden van April--, bemerkt men daar eerst eenige oude mannetjes,
die naar het schijnt, komen om het terrein te verkennen. Langzamerhand
volgen de overige hen na. Bij de keuze van een verblijfplaats op het
land gaan zij met groote omzichtigheid te werk, misschien hebben
zij deze gewoonte eerst aangenomen, nadat de ervaring hun geleerd
had, dat het noodig is, zich zooveel mogelijk in acht te nemen,
voor hun gevaarlijksten vijand, den mensch. Over het algemeen zoeken
zij eilanden op, en kiezen van de groote eilanden die gedeelten der
kusten uit, waar de branding bijzonder hevig is. De minst toegankelijke
rotsen, die zich maar weinig boven de hoogwaterlijn verheffen, dienen
hun hier tijdelijk tot woonplaats.

Twee of drie dagen na de landing brengt ieder wijfje één enkel jong ter
wereld, in hoogst zeldzame gevallen misschien twee. Evenals alle robben
komt de kleine Zeebeer in zeer ontwikkelden toestand en met geopende
oogen ter wereld; hij is bij de geboorte ongeveer 35 cM. lang. In de
eerste weken verlaten de wijfjes hare jongen hoogstens voor eenige
oogenblikken, daarna echter begeven zij zich langeren tijd achtereen
in de zee om voedsel te zoeken. Op het land vergezellen de jongen hare
moeders overal; in de eerste 4 à 6 weken zijn zij echter in 't zwemmen
geheel onbekwaam; zij zouden zonder eenige kans op redding verdrinken,
indien zij toevallig te water geraakten. Eerst na dien tijd leeren zij
het zwemmen langzamerhand; in het eerst gaat hun dit onhandig genoeg
af: zij trachten de zwembewegingen der volwassenen na te volgen,
maar krabbelen altijd zoo schielijk mogelijk weer uit de zee op het
land terug. Mettertijd neemt hun zelfvertrouwen toe; omstreeks het
midden van September zijn zij zeer behendige zwemmers geworden.

Wegens zijn uitmuntend vel is de Zeebeer een nog kostbaarder jachtdier
dan de overige leden zijner familie. De inboorlingen van de door
hem bezochte eilanden dooden hem trouwens ook om het vleesch, dat
een belangrijk bestanddeel van hun voeding uitmaakt en zelfs door
de Europeanen smakelijk wordt genoemd. Van oudsher waren het vooral
de vellen van de jonge Zeeberen, die den jager vergoeding voor zijn
moeite verschaften. Bij de jacht op deze dieren is men echter op even
kortzichtige en zinnelooze wijze te werk gegaan, als bij de jacht
op de andere Zeezoogdieren; binnen weinige jaren is er zulk een
ontzaglijk aantal van gedood, dat enkele vroeger door hen bewoonde
eilanden langzamerhand geheel ontvolkt werden. Tengevolge van later
ingevoerde, de jacht beperkende maatregelen, en vooral sedert Alaska
(met de Aleoeten en de noordwaarts van deze gelegen Pribylow-eilanden)
als territoor in de Vereenigde Staten opgenomen werd, is het aantal
Zeeberen weer eenigszins toegenomen, zoodat men er tegenwoordig
ieder jaar ongeveer 150.000 stuks kan buit maken, waarvan 100.000
alleen op de Pribylow-eilanden en 25000 op het Bering-eiland en het
Kopereiland, die bij de kust van Kamtschatka gelegen zijn en aan
Rusland behooren. De eerste van deze vellen komen te Londen op de
markt en brengen 5 dollars per stuk op. Nog altijd is dit artikel
een der belangrijkste van den geheelen pelterijhandel.



CHAPTER 6

Zesde Orde.

De Insecteneters (_Insectivora_).


De Insecteneters zijn kleine zoolgangers, die door hun voorkomen
meestal sterk de aandacht trekken; zij onderscheiden zich door een
langwerpigen kop en een slurfvormig verlengden neus. Hun romp is
in den regel ineengedrongen; de voorste ledematen, bij eenige zeer
vreemdsoortig gebouwd, bieden bij de overige geen afwijkingen aan;
de achterste ledematen zijn bij velen lang; de zintuigen staan bij
sommige op een hoogen, bij andere op een lagen trap van ontwikkeling;
de bekleeding van het lichaam vertoont alle overgangen van een
fluweelachtig zachte vacht, tot een uit stekels bestaand kleed. In
het gebit komen alle drie soorten van tanden voor. Wat het aantal
en den vorm der snijtanden betreft, wijken de familiën en geslachten
belangrijk uiteen; de hoektanden bereiken bij sommige een aanzienlijke
grootte, en zijn bij andere kleiner dan de snijtanden; alleen de
maaltanden vertoonen bij de Insecteneters in zooverre overeenstemming,
dat de voorste eenspitsig, de achterste meerspitsig zijn. De voeten
hebben meestal vijf teenen, die echter, evenals de handwortel en
de voetwortel zeer verschillend ontwikkeld kunnen zijn. In hun
spierstelsel is vooral belangrijk de sterke ontwikkeling van de
algemeene huidspier, waardoor bij den Egel het samenrollen van het
lichaam en het oprichten der stekels wordt bewerkt. Men kan haar
verdeelen in: een ruggedeelte of kap, dat over de rugvlakte van kop,
hals en romp heengaat, een buikgedeelte, dat de buikvlakte, de zijden
van den romp en het bovenste gedeelte der ledematen bedekt, en den
neertrekker van de kap, die zich over den neus, de bovenlip en de
wangvlakte uitstrekt.

De Insecteneters zijn stompzinnige, brommige, wantrouwige, schuwe,
van eenzaamheid houdende, opvliegende dieren. Verreweg de meeste leven
onder den grond, gravend of woelend, of houden zich althans in zeer
diep verborgen schuilhoeken op; eenige bewonen echter het water,
andere leven in boomen. Door hun verbazingwekkende werkzaamheid
beperken zij aanmerkelijk de vermenigvuldiging van de schadelijke
Insecten en Wormen, van de Slakken en andere lagere dieren, zelfs van
vele kleine Knaagdieren. Zonder uitzondering zijn zij derhalve hoogst
nuttige werklieden in dienst van den mensch; zij worden echter alleen
door de deskundigen naar waarde geschat en geacht; het groote publiek
heeft van hen een afschuw. Men vervolgt deze kleine grondwerkers,
waar men ze ook ontmoet, wegens hun niet fraaie gestalte en hun
levenswijze, en vergeet hierbij geheel en al, wat zij uitrichten,
wie zij zijn. Geheel anders zal iemand handelen, die hun handel en
wandel nauwkeuriger onderzocht heeft. Deze merkt dan zooveel op, dat
hem aantrekt, dat hij zeer spoedig hun gemis aan schoonheid over het
hoofd ziet, en aan allen belangstelling toont en bescherming verleent.

Verscheidene Insecteneters houden een winterslaap en zouden niet
kunnen bestaan, indien de natuur niet op deze wijze voor hen gezorgd
had. Als de koude invalt, breekt er als 't ware een tijdperk van
stilstand aan in het leven der lagere dieren; duizenden en nogmaals
duizenden van de dieren, die aan onze Insecteneters tot voedsel
moeten dienen, slapen of zijn gestorven en hebben alleen hunne
eieren achtergelaten. Hierdoor wordt de aarde onbewoonbaar voor de
vijanden der Insecten; zij moeten, omdat zij niet trekken kunnen
als de Vogels, in zekeren zin het voorbeeld volgen van de dieren,
die voor hun levensonderhoud onontbeerlijk zijn. Zij trekken zich
in verborgen schuilhoeken terug, die zij gedeeltelijk zelf gemaakt
hebben, en vallen hier in een diepen winterslaap, waarin tijdelijk
althans bijna alle levensverschijnselen ophouden, en het lichaam
dus het noodige arbeidsvermogen behoudt voor het leven, dat zij na
hun ontwaken zullen leiden. Alleen die soorten slapen echter, welke
in mindere mate dan de overige leden der orde van roof leven, dus
zij, die, behalve dierlijke stoffen, ook plantaardig voedsel eten,
terwijl juist de ijverigste Insectenroovers hun handwerk zoowel in
den winter als in den zomer uitoefenen. Onder den sneeuw of onder de
aardoppervlakte, zoowel als op den bodem van het water, houdt het
leven, het rooven en het moorden ook zelfs in den winter niet op;
het spreekt van zelf, dat dit ook het geval is in de landen, waar
een altijddurende zomer heerscht, of waar althans geen winterkoude
alles doet verstijven.

De Insecteneters bewonen hoofdzakelijk de gematigde landen van
het noordelijk halfrond; zoowel in Zuid-Amerika als in Australië
ontbreken zij geheel. Waterrijke of op zijn minst vochtige bosschen,
kreupelboschjes, bouwlanden en tuinen zijn hunne meest gezochte
verblijfplaatsen; zij verlaten ze zoo goed als nooit. Hier jagen zij
stil en onhoorbaar; verreweg de meeste doen dit 's nachts, eenige
echter ook, als de zon schijnt.

Over de verdeeling der Insecteneters bestaan bij de dierkundigen
verschillende meeningen; wij onderscheiden ze in zes familiën en
voegen als, zevende familie ook nog een merkwaardig dier van den
Maleischen archipel--de Vliegende Maki--aan deze orde toe. De _Egels_
(_Erinaceidae_), die wij bovenaan plaatsen, zijn zoo eigenaardig, dat
een vluchtige beschrijving voldoende is om ze te herkennen. Het uit
36 tanden bestaande gebit en het stekelkleed zijn de belangrijkste
kenmerken van de weinige soorten, die wij als echte leden van deze
familie aannemen. Alle Egels hebben een ineengedrongen romp; de kop is
niet bijzonder lang, hoewel het aangezicht zich tot een snuit verlengt;
de oogen zijn middelmatig, de ooren tamelijk groot; de korte en dikke
pooten hebben plompe voeten; de voorste zijn altijd met vijf teenen
voorzien, de achterste in den regel ook, hoewel zij er bij uitzondering
maar vier hebben; de staart is kort; de huid van de bovendeelen is
met stijve, korte stekels, die van de onderdeelen met haar bekleed.

Deze familie is over Europa, Azië en Afrika verbreid. Bosschen en
weiden, bouwland en tuinen, uitgestrekte steppen zijn de voornaamste
verblijfplaatsen van hare leden. Hier slaan de Egels in het dichtste
struikgewas, onder heggen en holle boomen, tusschen wortels in
rotskloven, in verlaten holen van andere dieren en op andere plaatsen
hun leger op, of graven zelf korte holen. Zij leven gedurende
het grootste deel van het jaar eenzaam of bij paren en leiden een
zuiver nachtelijk leven. Eerst na zonsondergang ontwaken zij uit
hun sluimering en zoeken hun voedsel, dat bij de meeste uit planten
en dieren, bij eenige echter uitsluitend uit dieren bestaat. Ooft
en andere vruchten, sappige wortels, zaden, kleine Zoogdieren,
Vogels, Kruipende Dieren, Insecten en hunne larven, naakte Slakken,
Regenwormen enz. zijn de spijzen, waarmede de vrijgevige natuur hun
disch voorziet. Bij uitzondering wagen enkele soms een aanval op
grootere dieren en vervolgen b. v. Hoenderachtige Vogels of jonge
Hazen. Zij zijn langzame, logge en tamelijk trage, tot den bodem
beperkte insectenjagers, die bij het gaan met de geheele zool den
grond aanraken. Onder hunne zinnen staat de reuk bovenaan, maar ook
het gehoor is scherp, terwijl het gezicht en de smaak zeer weinig
ontwikkeld zijn en het gevoel voorbeeldeloos stomp is. Wat hunne
geestvermogens betreft, nemen de Egels een zeer lage plaats in. Zij
zijn vreesachtig, schuw en dom, maar tamelijk goedaardig, of liever
gezegd onverschillig, voor de omstandigheden waarin zij leven; zij
kunnen daarom gemakkelijk getemd worden. De wijfjes werpen 3 à 8
jongen, die bij de geboorte blind zijn; de moeder zorgt liefderijk
voor haar kroost en verdedigt het soms met een zekere soort van
moed, welke eigenschap zij in andere omstandigheden in 't geheel
niet openbaart. De meeste Egels hebben de gewoonte zich bij het
geringste gevaar als een bal ineen te rollen, om op deze wijze de
zachte gedeelten van hun lichaam tegen een mogelijken aanval te
beschutten. Deze houding nemen zij ook aan om te slapen. Zij, die
de noordelijke gewesten bewonen, brengen het koude jaargetijde in
onafgebroken winterslaap door; die welke in de keerkringsgewesten
leven, slapen gedurende het droge seizoen.

Het directe nut van deze dieren voor den mensch is zeer
gering. Tegenwoordig althans weet men met een gedooden Egel nagenoeg
niets aan te vangen. Grooter is echter de dienst, dien zij indirect
aan den mensch bewijzen door het verdelgen van een groot aantal
schadelijke dieren. Om deze reden verdienen zij, in plaats van de
verachting, die hen gewoonlijk treft, onze groote belangstelling en
de meest uitgebreide bescherming.

Wanneer op de eerste warme avonden, die de jonge, lachende lente ons
brengt, oud en jong zich naar buiten begeeft om nieuwe levensfrischheid
op te doen in de tuinen, plantsoenen en bosschen, die gedurende
den winter geen levensverschijnselen vertoonden, maar nu tot een
nieuw leven ontwaken, merkt de aandachtige hoorder misschien een
eigenaardig geritsel op in de dorre, afgevallen bladen, gewoonlijk
onder de dichtste heggen en struiken; hij zal ook, wanneer hij
stil blijft staan, weldra de oorzaak van dit geluid ontdekken. Een
klein, halfbolvormig dier, met een opmerkelijk ruig vel, komt uit
de bladen naar boven, speurt en luistert, en vangt onmiddellijk met
gelijkmatig trippelende schreden zijn wandeling aan. Als het nader
komt, aanschouwt men een zeer aardig, spits snuitje, als 't ware een
verfijnde nabootsing van den groveren en stevigeren varkenssnuit,
een paar heldere, vriendelijk rondkijkende oogjes en een stekelig
kleed, dat de geheele bovenkant van het lichaam bedekt, en zich ook
aan de zijden ver naar onderen uitstrekt. Ik stel u hiermede onzen,
of, laat ik liever zeggen, mijn lieven tuinvriend, den _Egel_ voor,
een wel is waar bekrompen, maar vriendelijke, eerlijke en trouwhartige
vent, die onbewust van schuld de wereld rondkijkt, en zich maar niet
voorstellen kan, hoe de mensch zoo gemeen kan zijn, hem die zich zoo
verdienstelijk maakt door het welzijn van anderen te bevorderen, niet
alleen allerlei scheldnamen toe te voegen, maar ook opzettelijk te
vervolgen, en hem zelfs, puur en alleen uit beestachtige moordlust,
dood te slaan.

De beschrijving van onzen _Egel_ (_Erinaceus europaeus_), die beter
nog onder den naam _Stekelvarken_ bekend is (in Overijsel heet hij
_Scherperhaas_, _Echel_ en _Eggel_, in Friesland _Stiekelbaarch_
en _Igel_, in Groningen _Swienigel_, in Drente _Egelkaar_), kan
kort zijn. Het geheele lichaam is zeer gedrongen, dik en kort,
de snuit spits en van voren ingekorven, de mond ver gespleten;
de ooren zijn breed, de zwarte oogen klein. Eenige weinige zwarte
snorharen staan in het gelaat tusschen de witachtig of roodachtig
gele, aan de zijden van neus en bovenlip echter donkerbruine haren;
achter de oogen ligt een witte vlek. Het haar aan den hals en aan den
buik is lichtrood, geelachtig grijs of witachtig grijs; de stekels
zijn in het midden geelachtig en aan den top donkerbruin; aan hun
oppervlakte komen fijne, overlangsche groeven voor ten getale van 24
of 25, daartusschen bevinden zich uitpuilende lijsten; het binnenste
weefsel van den stekel bestaat uit groote cellen. De lengte van het
dier bedraagt 25 à 30 cM., hieronder begrepen de 2.5 cM. lange staart;
de schouderhoogte is ongeveer 12 à 15 cM. Het wijfje onderscheidt zich
van het mannetje, behalve door een eenigszins belangrijker grootte,
door den spitseren snuit, den dikkeren romp en de lichtere, meer
grijsachtige kleur, bovendien is het voorhoofd bij haar gewoonlijk
niet zoo ver benedenwaarts met stekels bezet, waardoor de snuit
een weinig langer schijnt. Op sommige plaatsen onderscheidt men twee
verscheidenheden van den Egel: de "Hondsegel" heeft, naar men beweert,
een stomperen snuit, donkerder kleur en geringere grootte dan de
"Zwijnegel".

Het verbreidingsgebied van den Egel omvat niet alleen geheel Europa
met uitzondering van de koudste landen, maar ook het grootste
deel van Noord-Azië: men vindt hem in Syrië, zoowel als in West-
en Zuidoost-Siberië, en wel in een toestand die van groot welvaren
getuigt; want hij verkrijgt daar, evenals in de Krim, een veel
aanzienlijker grootte dan bij ons. In de Europeesche Alpen ontmoet
men hem tot aan den kromhoutgordel, enkele malen zelfs tot op een
hoogte van meer dan 2000 M. boven den waterspiegel. Hij komt zoowel
in vlakke als in bergachtige streken voor, in wouden, weiden, velden
en tuinen; in geheel West-Europa is hij eigenlijk nergens zeldzaam,
maar ook nergens veelvuldig. Veel talrijker is hij in Rusland, waar
hij, naar het schijnt, bijzonder ontzien wordt.

Een Egel is een potsierlijke gast en tevens een goede, vreesachtige
klant, die eerlijk en ordentelijk met moeite en arbeid door 't leven
gaat. Weinig geschikt voor het gezellig verkeer, leeft hij bijna
altijd alleen of hoogstens met zijn wijfje samen. Onder de dichtste
struiken, onder een hoop takkebossen of in een haag heeft ieder van
hen zich een legerplaats gezocht en deze op de gemakkelijkst mogelijke
wijze ingericht. Het is een groot nest, uit bladen, stroo en hooi
samengesteld, dat in een hol of ander dicht struikgewas aangelegd
wordt. Als er geen door andere dieren of door de natuur gemaakt hol
te vinden is, graaft de Egel zich met veel inspanning zelf een woning
en maakt hierin een nest. De woning is ongeveer 30 cM. diep, en met
twee uitgangen voorzien, de eene naar het zuiden, de andere naar
't noorden gericht. Hij verandert deze openingen echter, evenals de
Eekhoorn, vooral bij hevigen, noordelijken of zuidelijken wind. In
het hooge koorn maakt hij zich gewoonlijk eenvoudig een groot nest.

Als onze stekelige held onderweg een verdacht geluid hoort, blijft
hij staan, luistert en speurt; men bemerkt dan zeer duidelijk, dat
het reukzintuig elk der overige zintuigen, vooral dat van het gezicht,
verre overtreft. Niet zelden komt het voor, dat een Egel den jager "op
den aanstand" vlak voor de voeten loopt, daarna plotseling stilstaat,
om zich heen snuffelt en nu ijlings de vlucht neemt, voor zoover hij
het niet raadzamer acht, onmiddellijk een defensieve houding aan te
nemen, d. w. z. zich tot een bal ineen te rollen. Als dit geschied is,
bemerkt men niets meer van de oorspronkelijke gestalte van het dier;
het is een eivormig lichaam geworden, dat aan de eene zijde een kuiltje
vertoont, maar overigens aan alle zijden tamelijk regelmatig afgerond
is. Dit kuiltje leidt naar den buik en hiertegen zijn de snuit, de
vier pooten en de staart dicht aangedrukt. Terwijl het stekelkleed,
als het dier zich rustig beweegt, er netjes en glad uitziet, en de
duizend spitsen nagenoeg bij wijze van dakpannen over elkander liggen,
gaan zij overeind staan, als de Egel zich ineenrolt, en stralen in
alle richtingen uit, zoodat het dier in een vreeswekkenden stekelbal
veranderd is. Toch is het na eenige oefening niet moeielijk, ook dan
nog een Egel in de handen weg te dragen. Men geeft aan den bal den
stand, dien het dier bij het gaan zou innemen, strijkt de stekels
zachtjes van voren naar achteren terug en heeft er dan niet den
minsten last van.

Aardig is het te zien, hoe de Egel zich ontrolt. Men plaatse
hiertoe het ineengerolde dier op een tuintafel en ga stil daarnaast
zitten. Moeielijk kan men zich een grootere afwisseling van de
gelaatsuitdrukking voorstellen, dan men nu aanschouwen zal. Hoewel de
gemoedsstemming van het dier natuurlijk zeer weinig te maken heeft
met deze veranderingen der wezenstrekken, heeft het er toch allen
schijn van, dat het gelaat van den Egel in den kortst mogelijken
tijd achtereenvolgens alle gemoedstoestanden uitdrukt van de diepste
neerslachtigheid tot de uitbundigste vroolijkheid. Als men zich
stil houdt, begint de Egel na verloop van geruimen tijd er aan te
denken zijn wandeling te hervatten. Een eigenaardige rilling van
het vel duidt het begin van zijn beweging aan. Zachtjes schuift
hij het voorste en het achterste deel van het stekelpantser uiteen,
zet de voeten voorzichtig op den grond en laat langzamerhand zijn
varkenssnuitje voor den dag komen. Nog is de huid van den kop sterk
geplooid en een sombere toorn schijnt uit zijn laag voorhoofd te
spreken; zelfs de zachtaardige oogjes liggen nog diep verborgen
onder ruige wenkbrauwen. Meer en meer ontplooit zich het gelaat, al
verder en verder, wordt de neus in den wind gestoken, hoe langer hoe
meer het pantser teruggeschoven, eindelijk heeft men op eens weer
het goedaardige gezichtje met zijn gewone tevredene en argelooze
bedaardheid voor zich; op dit oogenblik begeeft de Egel zich opnieuw
op weg, alsof er nooit eenig gevaar voor hem bestaan had.

Als een van zijne verwoedste vijanden, een Hond of een Vos, hem
bespeurt, rolt hij zich ten spoedigste ineen, en blijft in deze
houding, wat er ook gebeure. Door het woedende geblaf of geknor van
zijne vervolgers, weet hij, dat zij vast voornemens zijn hem met booze
bedoelingen te lijf te gaan, en wacht zich er wel voor, een van zijne
door erfelijkheid verworven voorrechten prijs te geven. Toch zijn er
middelen genoeg om den Egel te nopen, oogenblikkelijk zijn bolvormige
gestalte op te geven. Als men hem met water begiet, of in het water
werpt, ontrolt hij zich onmiddellijk: dit middel weet niet alleen
"Reintje van der Schalk", maar ook menige Hond ten nadeele van onzen
vriend toe te passen. Door tabaksrook, dien men hem tusschen de
stekels door in den neus blaast, wordt dezelfde uitkomst verkregen.

De Egel is volstrekt geen onhandige of sukkelachtige jager, integendeel
hij kan op de jacht kunststukjes uitvoeren, die een zekere mate van
begaafdheid verraden. Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk uit Insecten;
juist daarom is hij ons nuttig. Hij is echter niet altijd tevreden
met dezen schralen kost, maar verklaart ook aan andere dieren den
oorlog. Van de kleine Zoogdieren of Vogels is geen enkele veilig
voor hem; onder de lagere diersoorten richt hij een groote slachting
aan. Behalve een zeer groot aantal Sprinkhanen, Krekels, Kakkerlakken,
Meikevers, Mistkevers en andere Kevers met hunne larven, verslindt
hij Regenwormen, naakte Slakken, Bosch- en Veldmuizen, kleine Vogels
en zelfs jongen van grootere soorten. Men zou kunnen meenen, dat het
hem niet mogelijk is de kleine, vlugge Muizen te vangen; maar hij
verstaat zijn beroep en brengt zelfs het ongeloofelijk schijnende tot
stand. Eens heb ik hem nagegaan, terwijl hij op de muizenjacht was en
mij terecht verwonderd over zijn slimheid. Hij liep in 't voorjaar
in 't lage koorn rond en bleef plotseling staan voor een muizengat,
snuffelde en speurde in de nabijheid, wendde zich langzaam heen en weer
en scheen eindelijk tot de wetenschap te zijn gekomen, aan welken kant
de Muis zich bevond. Toen kwam zijn snuit hem uitmuntend te pas. Met
groote snelheid wroette hij de gang van de Muis open en haalde haar
werkelijk na verloop van korten tijd in; want het piepen van de Muis
en het tevreden geknor van den Egel bewezen mij, dat de ontmoeting de
bedoelde gevolgen had gehad. Nu was het mij dus duidelijk geworden, hoe
hij in 't open veld Muizen jaagt. Hoe hij het aanlegt om in schuren en
stallen dit vlugge wild te overmeesteren, vernam ik eerst onlangs van
mijn vriend _Albrecht_. Een door dezen onderzoeker in huis gehouden
Egel werd bij 't rondloopen in de kamer plotseling een neuswijze
Muis gewaar, die zich buiten zijn schuilplaats had gewaagd. Met
ongeloofelijke snelheid, die echter de gewone plompheid van beweging
niet bedekken kon, schoot de Egel op de Muis toe, en greep haar, voor
dat zij den tijd had om hem te ontkomen. "Deze fabelachtig vlugge
beweging van het schijnbaar zoo logge dier heb ik later nog dikwijls
waargenomen," schrijft mij mijn vriend; "steeds bracht zij mij aan
't lachen; ik kan er geen juiste vergelijking voor vinden. Bijna was
zij te vergelijken met het door de lucht snorren van een rieten pijl,
die door den wind naar rechts en naar links wordt gedreven, en ondanks
deze afwijkingen, toch weer in de juiste baan komt, en het doel treft."

Veel belangrijker dan deze jachtbedrijven is de strijd, dien de
Egel met de Slangen voert. Hij toont hierbij een moed, dien men
niet van hem verwacht zou hebben. _Lenz_ heeft hierover uitmuntende
waarnemingen gedaan. "Den 14en Augustus", bericht hij, "deed ik
een Egel in een groote kist, waar hij twee dagen later jongen ter
wereld bracht, welker huid reeds met kleine stekels begroeid was en
die hij met trouwe moederliefde verzorgde. Om zijn smaak te leeren
kennen gaf ik hem zeer verschillende soorten van voedsel, en vond,
dat hij Kevers, Regenwormen, Vorschen, zelfs Padden (deze echter
niet zeer graag), Hazelwormen en Ringslangen met groot welbehagen
verslond. Aan Muizen gaf hij echter de voorkeur; ooft at hij alleen,
als hij geen dierlijk voedsel kreeg, en toen ik hem eens twee dagen
achtereen niets anders dan ooft gaf, at hij zoo weinig, dat twee van
zijne jongen uit gebrek aan melk verhongerden.--Ook bij ontmoetingen
met gevaarlijke dieren gaf hij bewijzen van grooten moed. Zoo deed
ik eens in zijn kist acht flinke Hamsters; zooals men weet, zijn
dit zeer kwaadaardige Knaagdieren, waarmede niet te gekscheren
valt. Nauwelijks had hij de lucht gekregen van de nieuwe gasten,
of hij zette vol toorn zijne stekels overeind en deed, den neus
dicht langs den grond schuivend, met de kopsteeksels een aanval op
den naastbijstaanden indringer. Intusschen vernam men van hem een
eigenaardig getrommel, als 't ware een strijdmarsch. Zijne kopstekels
vormden een voor aanval en verdediging geschikten helm. Wat hielp het
den Hamster, dat hij blazend naar den Egel beet: hij verwondde zich
eenvoudig den bek aan de stekels, zoodat het bloed er uit druppelde,
en kreeg intusschen zoovele stooten met den stekelhelm tusschen de
ribben en zoovele beten in de pooten, dat hij bezweken zou zijn,
als ik hem niet het leven had gered. Nu keerde hij zich tegen zijne
andere vijanden en takelde hen zoo toe, dat ik ze wegnemen moest.

"Maar wij moeten tot de hoofdzaak overgaan en onzen held volgen in zijn
strijd tegen de Adders. Terwijl wij ons verbazen over zijne daden,
zullen wij moeten erkennen, dat wij in zijn plaats gesteld, zooveel
moed niet zouden toonen. Den 30en Augustus bracht ik een groote Adder
in de kist van den Egel, die juist bedaard bezig was zijne jongen
te zoogen. Ik had mij vooraf er van vergewist, dat deze Adder op dit
tijdstip genoeg gift bezat, daar zij twee dagen vroeger een Muis zeer
snel gedood had. De Egel rook zijn nieuwe huisgenoote (hij laat zich
nooit leiden door het gezicht, maar steeds door den reuk), stond van
zijn leger op, trippelde, zonder eenige voorzorg in acht te nemen, bij
het vergiftige dier langs, berook haar, terwijl zij lang uitgestrekt
lag, van den staart tot aan den kop en besnuffelde bij voorkeur den
bek van den Slang. Deze begon te sissen en beet den Egel meermalen
in den snuit en in de lippen. Als 't ware spottend met haar onmacht,
lekte hij, zonder te wijken, op zijn gemak het bloed van de wonden, en
kreeg intusschen een flinken beet in de uitgestoken tong. Zonder zich
hierdoor van zijn stuk te laten brengen, ging hij voort het woedende
en telkens weer opnieuw bijtende dier te besnuffelen en raakte het
ook dikwijls met de tong aan, zonder toe te bijten. Eindelijk pakte
hij schielijk den kop van de Slang, verbrijzelde dezen tusschen zijne
tanden, hoe het dier ook tegenspartelde, met giftanden en gifklieren,
en vrat haar vervolgens voor de helft op. Toen hield hij op en ging
weer bij zijne jongen liggen, die hij zoogde. Des avonds vrat hij het
overschot van zijn middagmaal op, en bovendien een jonge, pasgeboren
Adder. Den volgenden dag at hij weder drie pasgeboren Adders en bevond
zich evenals zijn jongen, in blakenden welstand. Ook was er op de
gebetene plaatsen geen spoor van eenige ontsteking of opzwelling waar
te nemen. Sedert dien tijd heeft mijn Egel dikwijls met hetzelfde
gevolg een Adder bevochten; altijd ging aan het verslinden van den
buit het fijnkauwen van den kop vooraf, terwijl hij bij onschadelijke
Slangen dezen regel volstrekt niet in acht nam. Bij voorkeur sleepte
hij al wat er van zijn maal was overgebleven, naar zijn nest mede,
om er te gelegener tijd gebruik van te maken."

Deze mededeelingen zijn ongetwijfeld in alle opzichten
merkwaardig. Moeielijk is het te verklaren, hoe een warmbloedig dier
zonder bezwaar beten kan verduren, die voor andere leden van zijn
klasse doodelijk zijn. Bovendien moet men wel in het oog houden, dat
de beet van de Adder Zoogdieren doodt, die minstens de dertigvoudige
grootte en het dertigvoudige gewicht van den Egel hebben, en dus,
naar men zou veronderstellen, ook veel sterker zullen zijn, dan hij
is. Maar onze stekelheld schijnt werkelijk tegen gif bestand te zijn;
want hij verslindt niet alleen vergiftige Slangen, welker gif, zooals
men weet, alleen nadeel doet, als het direct in het bloed wordt
gebracht, maar ook dieren, die vergiftigingsverschijnselen teweeg
brengen, als zij zich in de maag bevinden, zoo b.v. de algemeen bekende
Spaansche Vliegen, die, wanneer zij eenvoudig met de uitwendige huid in
aanraking komen, hier hevige ontstekingsverschijnselen veroorzaken;
andere dieren zouden reddeloos verloren zijn, na het eten van de
bedoelde vergiftige Kevers.

Zeven weken na de paring werpt het wijfje, 3 à 6, in zeldzame
gevallen zelfs 8 blinde jongen, in een opzettelijk hiervoor gereed
gemaakt leger, onder dichte hagen, hoopen bladen en mos, of in
korenvelden. De pas geboren jongen zijn ongeveer 6.5 cM. lang, zien
er in den beginne wit uit, en schijnen bijna volkomen kaal, daar
de stekels zich meestal eerst later vertoonen. Dat zij reeds bij de
geboorte aanwezig kunnen zijn, heeft _Lenz_ waargenomen bij Egels,
die te zijnen huize ter wereld kwamen (p. 256). De stekels staan
op een zeer zachte, veerkrachtige onderlaag; de rug is nog volkomen
zacht; wanneer men een stekel aanraakt, b.v. met den vinger, prikt
men zich er niet aan, maar drukt hem in den zachten rug naar beneden,
waaruit hij echter dadelijk weer oprijst, zoodra men den vingertop
wegneemt. Alleen wanneer men den stekel zijdelings met den nagel, of
met een ijzeren tangetje aanvat, voelt men, dat hij hard is. Tegen den
herfst zijn de jonge Egels zoover gevorderd, dat ieder hunner zelf zijn
voedsel kan zoeken; voordat de koude dagen komen, zijn zij allen met
smeerbuikjes voorzien, en denken er aan, om, evenals de oude dieren,
een winterkwartier voor zich gereed te maken. Dit is een groote,
verwarde, uit stroo, hooi, bladen en mos samengestelde hoop, van binnen
echter hol en zorgvuldig met zachte bouwstoffen gevoerd. De materialen
voor den nestbouw worden door den Egel op den rug thuis gebracht;
hij verzamelt ze op een vreemdsoortige wijze. Hij wentelt zich n.l. op
de droge bladeren om, daar waar deze het dichtst op elkander gelegen
zijn; er hechten zich tal van bladen aan zijne stekels, waardoor hij
een zeer vreemd voorkomen verkrijgt. Op soortgelijke wijze brengt hij
ook ooft naar huis. Men heeft vaak aan de waarheid van dit verhaal
getwijfeld; _Lenz_ heeft het echter gezien, en tegenover zulk een
waarnemer zou twijfel een misdrijf zijn, waaraan wij ons niet willen
schuldig maken. Zoodra de eerste strenge vorst invalt, begraaft de
Egel zich diep in zijn leger, en brengt hier het koude winterseizoen
in een onafgebroken winterslaap door. De gevoeligheid van het dier,
die reeds in den tijd, waarin het zich op zijn vlugst beweegt, zeer
gering is, neemt thans nog op een merkbare wijze af. De winterslaap
duurt gewoonlijk tot in Maart. In gunstige omstandigheden kan de in
vrijen toestand levende Egel waarschijnlijk 8 à 10 jaren oud worden.

Om een Egel te temmen, heeft men hem eenvoudig op te nemen en
op een voor hem geschikte plaats te brengen. Aan deze veranderde
omstandigheden geraakt hij weldra gewoon; hij verliest in den kortst
mogelijken tijd alle beschroomdheid voor den mensch. Voedsel neemt
hij zonder bezwaar van hem aan; ook zoekt hij het zelf in huis en
hof en nog meer in schuren en bergplaatsen. In sommige streken wordt
hij als huisdier hoog geschat en vooral gebruikt in magazijnen waar
men geen Kat kan houden. Voor het verdelgen van lastige Insecten,
vooral voor het opeten van de leelijke Kakkerlakken, is de Egel
uitnemend geschikt; hij oefent dit beroep zeer ijverig uit. Als
zijn meester hem vriendelijk en verstandig behandelt, en voor een
verborgen schuilhoekje gezorgd heeft, veroorzaakt de gevangenschap
den Egel volstrekt geen verdriet.

Onaangenaam wordt de in huis gehouden Egel door zijn nachtelijk
gestommel. Zijn logge aard blijkt bij zijne zwerftochten evenals
bij iedere andere beweging. Van den spookachtigen gang der Katten
is bij hem niets te bemerken. Ook is hij een onzindelijk dier;
de muskusachtige reuk, dien hij verbreidt, is volstrekt niet
aangenaam. Daarentegen kan hij ons door de potsierlijkheid van
zijne bewegingen genoegen verschaffen. Gemakkelijk gewent hij zich
aan allerlei soorten van voedsel en ook aan de meest verschillende
dranken. Van melk houdt hij bijzonder veel; alcoholische dranken
vallen echter ook wel in zijn smaak en hebben op hem de gewone
uitwerking. _Ball_ verhaalt van zijne gevangene Egels verscheidene
aardige stukjes, o.a. ook, dat hij ze meer dan eens dronken maakte. Hij
gaf aan een van hen zwaren wijn of brandewijn te drinken; de Egel
gebruikte er zooveel van, dat hij zeer spoedig "in kennelijken staat"
verkeerde. Een pas gevangen Egel werd, naar hij bericht, na zijn
eersten roes onmiddellijk tam; dit had ten gevolge, dat de genoemde
onderzoeker later, en steeds met goed gevolg, zijne Egels op deze
wijze temde.

De Egel heeft, behalve den onwetenden, boosaardigen mensch, nog vele
andere vijanden. De Honden haten hem uit den grond van hun hart. Zoodra
zij een Egel ontdekt hebben, doen zij al wat mogelijk is om aan
het stekelige dier hun haat te toonen, o.a. door een voortdurend,
woedend geblaf. De Egel echter volhardt in zijn lijdelijk verzet, zoo
lang de Hond zich met hem bezig houdt en laat het aan den aanvaller
over zich een bloedigen neus te halen. De woede van den Hond vindt
waarschijnlijk zijn grond in de ergernis over de ervaring, dat hij
tegen zijn gepantserden vijand niets kan uitrichten, en bovendien
bij iederen aanval zich kwetst. Vele Jachthonden bekommeren zich
trouwens niet om de stekels, als zij hun woede aan den Egel willen
koelen. Zoo bezat een vriend van mij een Patrijshond, een teef, die
alle Egels, welke zij vond, dadelijk doodbeet. De Vos maakt naar men
zegt, ijverig jacht op den Egel, en weet hem op een valsche manier
te dwingen zich te ontrollen; met de voorpooten wentelt hij den
stekeligen bol langzaam naar het water en werpt hem er in; daar het
dier gevaar loopt te verdrinken, herneemt het zijn gewone houding en
wordt door den Vos, die het naspringt, in 't water doodgebeten. Ook
verhaalt men, dat hij den opgerolden Egel op den rug wentelt, en hem
daarna met den stinkenden inhoud van zijn blaas besproeit; het arme
dier hierdoor tot vertwijfeling gebracht, ontrolt zich en wordt in
't zelfde oogenblik door den aartsdeugniet bij den neus gepakt en
gedood. Op deze wijze komen vele Egels om 't leven, vooral gedurende
hun jeugd. Zij hebben echter een nog veel gevaarlijker vijand in den
Ooruil. "Niet ver van Schnepfenthal," verhaalt _Lenz_, "staat een
rots, de Thorsteen, aan welks top zich vele Ooruilen ophouden. Daar
heb ik dikwijls, behalve den drek en de vederen van deze Uilen, ook
vellen van Egels, en in de uit onverteerbare stoffen bestaande ballen,
die de Uilen uitbraken, stekels van Egels aangetroffen."

Ook nog na zijn dood moet de Egel den mensch diensten bewijzen, althans
in sommige gewesten. Zijn vleesch wordt waarschijnlijk alleen door
Zigeuners en dergelijk rondzwervend gespuis gegeten; deze hebben voor
dit dier een eigenaardige toebereidingswijze uitgedacht. De Egel wordt
door de zwervende kookkunstenaars met een dikke laag goed gekneed,
kleverig leem bedekt en, met dit hulsel voorzien, in het vuur gelegd;
van tijd tot tijd moet het dier omgedraaid worden. Zoodra de leemlaag
droog en hard is, wordt het gebraad van 't vuur genomen; nadat het
een weinig bekoeld is, neemt men het bekleedsel er af, waardoor
meteen de stekels losgeraken en in het leem blijven steken.--De
stekelige huid werd door de Oude Romeinen voor het kaarden van wol,
of liever voor het rouwen van wollen stoffen gebruikt. De egelvellen
waren destijds een handelsartikel van zooveel belang, dat de handel
daarin bij senaatsbesluit geregeld werd. Bovendien gebruikte men het
egelvel bij wijze van hekel. Ook thans nog maken sommige veehouders
van het egelvel gebruik, als zij een kalf het zuigen ontwennen willen;
zij binden n.l. het nog zuiglustige dier een stukje egelvel op den
neus, en laten het dan aan de moeder zelf over, den zuigeling, die
haar nu veel last veroorzaakt, van zich af te weren. Soms wordt het
egelvel in zijn ware gedaante door mutsenmakers tot een vreemdsoortig,
stekelig hoofddeksel verwerkt.



De Insecteneters, welker voorste ledematen als 't ware tot spaden
vervormd zijn, worden in een familie vereenigd, die men wegens haar
betrekkelijk hooge ontwikkeling op die der Egels laat volgen; hare
leden hebben zich bijna geheel onder de aardoppervlakte teruggetrokken
en leiden hier een in alle opzichten eigenaardig leven.

De _Mollen_ (_Talpidae_) zijn over het grootste deel van Europa,
een groot deel van Azië, Zuid-Afrika en Noord-Amerika verbreid. Deze
familie omvat geen groot aantal soorten; het is echter mogelijk,
dat vele Mollen-soorten tot dusver aan de aandacht der deskundigen
ontsnapt zijn. Alle soorten hebben zulke eigenaardige organen en
een zoo in 't oogloopende gestalte, dat zij onmiddellijk kenbaar
zijn. De ineengedrongen romp is rolvormig en gaat zonder duidelijk
merkbare afscheiding in den kleinen kop over, die zich tot een spits
toeloopenden snuit verlengt, terwijl de oogen en ooren onbeduidend
en uitwendig bijna niet of in 't geheel niet zichtbaar zijn. De romp
rust op vier korte pooten: de voorste zijn graafwerktuigen geworden
en in verhouding tot de overige lichaamsdeelen reusachtig groot; de
achterpooten daarentegen zijn smal, langwerpig en gelijken op pooten
van Ratten; de staart is kort of ontbreekt. Het gebit bestaat uit
36 à 44 tanden. Het maaksel en de stand der voorvoeten vereischen
een naar verhouding zoo krachtige ontwikkeling van het bovenste of
voorste gedeelte van de borstkas, als bij geen ander dier voorkomt. Het
schouderblad is smaller en langer, het sleutelbeen dikker en langer
dan bij eenig ander Zoogdier. De bovenarm is buitengewoon breed, de
voorarm sterk en kort. De handwortel bestaat uit tien beenderen. Men
ziet dadelijk in, dat deze reusachtige voorste ledematen alleen voor
't graven kunnen dienen; zij zijn spaden, welker maaksel men zich
ternauwernood volkomener voorstellen kan. Aan deze beenderen hechten
zich buitengewoon krachtige spieren; juist hierdoor wordt de naar
verhouding zeer forsche ontwikkeling van het voorste gedeelte van
't lichaam veroorzaakt.

Alle Mollen bewonen bij voorkeur vlakke, vruchtbare gewesten, hoewel
zij ook wel in bergachtige streken voorkomen. Zij zijn echte kinderen
van de duisternis; het licht is hun zeer onaangenaam. Daarom komen
zij zelden vrijwillig aan de oppervlakte der aarde; zelfs in den
grond zijn zij 's nachts ijveriger werkzaam dan over dag. Door hun
lichaamsbouw zijn zij inderdaad ongeschikt om aan de aardoppervlakte
te verkeeren. Zij kunnen zoomin springen als klimmen, ja zelfs
ternauwernood behoorlijk gaan; toch kunnen verscheidene soorten zich
snel over den grond voortbewegen, waarbij zij dezen alleen met de
zool van de achterpooten en den binnenrand der handen aanraken. Des
te sneller loopen zij in hunne onderaardsche gangen; werkelijk
bewonderenswaardig is de snelheid, waarmede zij deze graven. Ook zijn
zij goed ervaren in de zwemkunst, hoewel zij slechts in geval van
nood dit talent toepassen. De breede handen zijn uitmuntend geschikt
voor roeiriemen en, zooals licht te begrijpen is, worden de krachtige
armen in 't water nog veel minder spoedig vermoeid dan bij het graven
in den grond.

De reuk, het gehoor en het gevoel zijn de meest ontwikkelde zinnen;
het gezichtsvermogen is zeer gering. De stem bestaat uit sissende en
piepende geluiden. De geestvermogens zijn gering, hoewel niet in die
mate, als men gewoonlijk meent te moeten aannemen. Naar het schijnt,
zijn evenwel de zoogenaamde slechte eigenschappen bij hen veel meer
ontwikkeld dan de goede; want alle Mollen zijn in de hoogste mate
onverdragelijke, twistzieke, bijtlustige, roof- en moordzuchtige
dieren, die zelfs den Tijger in wreedheid overtreffen en zeer gaarne
een van hunne soortgenooten opvreten, zoodra hij hun in den weg komt.

Hun voedsel bestaat uitsluitend uit dieren, nooit uit plantaardige
stoffen. Onder den grond levende Insecten van allerlei soort, Wormen,
Pissebedden enz., vormen het hoofdbestanddeel van hun maal. Bovendien
verslinden zij kleine Zoogdieren en Vogels, Vorschen en naakte
Slakken, wanneer zij ze meester kunnen worden. Hun vraatzucht is
even groot als hun beweeglijkheid; zij kunnen slechts zeer korten
tijd zonder bezwaar honger lijden en vervallen daarom ook niet in
winterslaap. Juist om deze reden worden zij nuttig als verdelgers van
Insecten; daarentegen veroorzaken zij door hun woelen in den grond
den menschen veel ergernis.

Een- of tweemaal per jaar werpt het wijfje 3, 4 of 5 jongen en
verpleegt deze met zorg. De kleine dieren groeien schielijk en blijven
ongeveer 1 of 2 maanden bij hun moeder. Dan beginnen zij op de wijze
van hunne ouders zelfstandig voedsel te zoeken. Gevangen Mollen kan
men slechts met groote moeite in 't leven houden, daar men hun groote
vraatzucht niet voldoende bevredigen kan.



De _Mol_--in Gelderland _Graafmuul_, in Friesland _Mole_, in Groningen
_Wule_, in Drente _Wient_ (_Talpa europaea_) genoemd--de type van de
familie, is een soort van een tot Europa en Azië beperkt geslacht,
en kan, daar de kenmerken van de familie reeds opgegeven zijn, met
weinige woorden beschreven worden. De lichaamslengte bedraagt, met
inbegrip van den 2 1/2 cM. langen staart, 15, hoogstens 17 cM., de
schouderhoogte ongeveer 5 cM. De zeer korte pooten gaan in nagenoeg
horizontale richting van den rolvormigen romp uit. Van den zeer
breeden, handvormigen voorpoot wordt de oppervlakte, die bij andere
dieren naar binnen en onderen gericht is, altijd naar buiten en naar
achteren gekeerd. De teenen zijn kort, de middelste heeft de grootste
lengte, de overige worden aan weerszijden langzamerhand korter; alle
zijn door spanvliezen bijna volkomen verbonden. De oogen zijn ongeveer
zoo groot als een papaverzaadje, liggen halverwegen tusschen de spits
van den snuit en de ooren en zijn geheel en al bedekt door de haren
van den kop; zij hebben echter oogleden en kunnen naar verkiezing
buitenwaarts gedrukt en teruggetrokken worden; zij zijn dus voor
het gebruik geschikt. De kleine ooren hebben geen oorschelp. De effen
zwarte beharing is overal zeer dicht, kort en zacht, fluweelachtig. Met
uitzondering van de voorhanden, de zolen der achterhanden, de spits
van den snuit en het uiteinde van den staart bedekt de vacht het
geheele lichaam. Haar glans is vrij sterk en vertoont nu eens een
bruinachtigen, dan weer een blauwachtigen of zelfs witachtigen
weerschijn. Uiterst zelden vindt men gele en witte Mollen.

Het verbreidingsgebied van den Mol strekt zich uit over Europa,
Noord-Afrika en reikt door Azië tot aan den Altaï en zelfs tot
in Japan. In Azië vindt men hem noordwaarts tot aan den Amoer en
zuidwaarts tot aan den Kaukasus; in de Alpen treft men hem nog op een
hoogte van 2000 M. aan. Hij is overal veelvuldig, en vermenigvuldigt
zich daar, waar men hem niet vervolgt, merkwaardig sterk. In Nederland
ontbreekt hij op de meeste eilanden. Volgens _Van Bemmelen_ kwam hij
er vroeger wel voor, maar is er uitgeroeid.

De plaats waar hij zich ophoudt, wordt door hem zelf zeer spoedig
op de duidelijkste wijze aangewezen, daar hij voortdurend nieuwe
hoopen moet opwerpen om te kunnen leven. Deze hoopen geven altijd de
richting en de uitgestrektheid aan van het jachtveld, dat hij op dit
tijdstip doorzoekt. Wegens zijn buitengewone vraatzucht moet hij dit
jachtveld voortdurend vergrooten en daarom ook aanhoudend werken aan de
uitbreiding van zijne onderaardsche gangen. Onophoudelijk graaft hij
horizontale galerijen, of liever loopgraven, op geringe diepte onder
de oppervlakte, en werpt, om de losgewoelde aarde te verwijderen,
de bekende molshoopen. "Van alle inheemsche, onder den grond levende
dieren," schrijft _Blasius_, "besteedt de Gewone Mol de meeste moeite
aan zijne kunstvolle woningen en gangen. Hij heeft niet alleen te
zorgen voor de bevrediging van zijn buitengewoon groote eetlust, maar
moet ook zijn woning en de daarmede in gemeenschap staande gangen
op zulk een wijze inrichten, dat hij tegen de velerlei gevaren,
waaraan hij blootstaat, beveiligd is. De meeste kunst en zorg wordt
vereischt voor het gereed maken van de eigenlijke woning, die zijn
leger bevat. Gewoonlijk bevindt zij zich op een van buiten moeielijk
toegankelijke plaats, onder boomwortels, muren enz.; meestal is zij
ver verwijderd van het dagelijksche jachtveld, waar de loopgraven,
die voor 't verkrijgen van 't voedsel dienen en van dag tot dag in
aantal toenemen, zich op allerlei wijzen vertakken en kruisen. Woning
en jachtveld zijn door een langen, meestal tamelijk rechten loopgang
met elkander verbonden. Behalve deze pijpen en loopgraven worden in den
voortplantingstijd nog andere gangen aangelegd, welker doel later zal
blijken. De plaats waar de eigenlijke woning zich bevindt, is dikwijls
kenbaar aan een aardhoop, die zich weinig boven de oppervlakte verheft,
maar een aanmerkelijken omvang heeft. Zij bestaat inwendig uit een
rondachtige kamer van ruim 8 cM. middellijn, die het gewone verblijf
van den Mol is, en uit twee kringvormige gangen: de grootste gang is
ongeveer even hoog als de kamer gelegen en omgeeft haar op een afstand
van ongeveer 16 à 25 cM.: de kleinste, die een weinig boven de kamer
aangebracht is, loopt ten naastenbij evenwijdig met den ondersten ring
en is er overal nagenoeg even ver van verwijderd. Gewoonlijk leiden
drie schuins naar boven en naar buiten gerichte vluchtgangen van de
kamer naar de kleine kringvormige tunnel, die zelf met de groote,
kringvormige gang in gemeenschap staat, door 5 of 6 schuinsche,
naar onderen en naar buiten gerichte verbindingsbuizen, die steeds
met de zooeven genoemde vluchtgangen afwisselen. Van den ondersten
ring gaan ongeveer 8 à 10 nagenoeg horizontale, al of niet vertakte
vluchtgangen straalsgewijs naar alle richtingen uit, die alweder
afwisselen met de laatstgenoemde verbindingsbuizen; op eenigen
afstand van de woning buigen zij zich meestal om en monden in de
gemeenschappelijke loopgang uit. Ook van den bodem der kamer leidt
een veiligheidsbuis naar beneden, die zich weldra opwaarts kromt en
in den loopgang uitkomt. De wanden van de kamer en van de gangen,
die bij de woning behooren, zijn zeer dicht, vast ineengestampt en
glad gedrukt. De kamer zelf bevat het leger, dat uit zachte bladen
en gras, meestal jonge graanplantjes, mos, stroo, mest of fijne
wortels bestaat; de meeste van deze materialen worden door den Mol
van de oppervlakte van den bodem aangevoerd. Als er van boven gevaar
dreigt, schuift hij het zachte leger ter zijde en vlucht langs den
ondersten uitweg; als de vijand van onderen of van de zijden genaakt,
dan blijven een of eenige van de verbindingsbuizen naar de kleine
kringvormige tunnel voor hem beschikbaar. De kamer biedt hem in alle
omstandigheden een veilige gelegenheid om te rusten en te slapen
en is daarom zijn gewone verblijfplaats, zoolang hij niet bezig
is voedsel te zoeken. Zij is op een diepte van 30 à 60 cM. onder
de oppervlakte gelegen. De loopgang is wijder dan de dikte van het
lichaam, zoodat het dier zich er gemakkelijk en vlug in bewegen kan;
ook hier zijn de wanden door het samenpersen en vastdrukken van den
grond buitengewoon stevig en dicht. Aan de oppervlakte is deze gang
niet, evenals de gewone jachtgangen, aan opgeworpen aardhoopen kenbaar,
daar de aarde bij het graven eenvoudig zijwaarts werd geperst. De
loopgang dient eenvoudig om de woning op de gemakkelijkst en snelst
mogelijke wijze met het jachtveld in gemeenschap te brengen; niet
zelden maken andere onder den grond levende dieren, Spitsmuizen,
Muizen en Padden, van deze gang gebruik; zij moeten echter goed
oppassen, dat zij den Mol hier niet ontmoeten. Van buiten kan deze
tunnel hieraan herkend worden, dat de haar bedekkende grond een weinig
inzakt en dat de hierop groeiende planten verdorren. Zulk een loopgang
is niet zelden 30 à 50 M. lang. Het jachtveld is meestal ver van de
woning gelegen en wordt dag aan dag, des zomers en des winters in
de meest verschillende richtingen doorwoeld en doorzocht. De hierin
voorkomende loopgraven zijn alleen voor tijdelijk gebruik bestemd; zij
dienen tot het verkrijgen van voedsel en worden niet stevig gemaakt;
de hieruit afkomstige aarde wordt aan de oppervlakte geworpen; zoo
ontstaan de molshoopen, die op korten afstand van elkander gelegen
zijn en de richting der loopgraven kenbaar maken. De Mollen bezoeken
hun jachtveld gewoonlijk drie maal per dag: des morgens vroeg, des
middags en des avonds. Zij moeten dus in den regel zes maal per dag
door den loopgang den weg van hun woning naar het jachtveld en terug
afleggen en kunnen bij deze gelegenheid, zoodra de bedoelde buis
ontdekt is, zonder fout in den tijd van weinige uren gevangen worden."

De ruimte binnen de gangen staat nooit onmiddellijk met de buitenlucht
in gemeenschap; deze dringt echter in voldoende hoeveelheid tusschen
de bestanddeelen van de molshoopen door naar binnen om het dier de
noodige zuurstof te verschaffen. Behalve lucht voor de ademhaling
heeft de Mol echter ook water noodig om te drinken; daarom graaft hij
altijd afzonderlijke gangen, die naar nabijgelegen poelen of beken
leiden. Ingeval deze in de nabijheid niet voorkomen, wordt in de
behoefte aan drank voorzien door het graven van een loodrechte gang,
waarin het regenwater zich ophoopt.

Het graven kost den mol weinig moeite. Terwijl hij zich met de
kolossale, spadevormige handen op een bepaalde plaats vasthoudt,
boort hij met behulp van de sterke nekspieren den snuit in den lossen
grond, verkruimelt de hem omgevende aardkluiten met de voorpooten en
werpt ze buitengewoon snel achter zich. Zijne ooren zijn, doordat zij
afgesloten kunnen worden, tegen het binnendringen van zand en aarde
volkomen beveiligd. De losgewoelde grond laat hij in de zooeven door
hem gegraven gang zoolang achter zich liggen, totdat de ophooping hem
te lastig wordt. Dan tracht hij aan de oppervlakte te komen, en werpt
de aarde bij kleine hoeveelheden langzamerhand naar buiten. Gedurende
dezen arbeid is hij bijna voortdurend met een 12 à 25 cM. hooge laag
losse aarde bedekt. In een lichten grond graaft hij met een werkelijk
bewonderenswaardige snelheid. _Oken_ heeft een Mol drie maanden lang
in een kist met zand gehouden; hij nam waar, dat het dier zich,
bijna even snel als een Visch door 't water glijdt, door 't zand
beweegt; de snuit gaat steeds vooraan, daarna komen de voorpooten,
die het zand ter zijde werpen, terwijl de achterpooten medewerken
om het lichaam voort te duwen. Nog sneller beweegt de Mol zich in
de loopgangen, zooals uit zeer aardig bedachte onderzoekingswijzen
(p. 262) gebleken is.

Zooals reeds op p. 259 opgemerkt is, kan hij zich ook in het water
zeer goed redden; er zijn voorbeelden van bekend, dat hij niet alleen
over breede rivieren, maar zelfs over zeearmen gezwommen is.

Het voedsel van den Mol bestaat voornamelijk uit Regenwormen
en Insectenlarven, die onder den grond leven. Bovendien eet hij
Kevers--vooral Meikevers en Mistkevers--en alle overige Insecten, die
hij krijgen kan; ook Slakken en Pissebedden schijnen hem bijzonder te
behagen. Zijn buitengewoon fijne reuk bewijst hem bij het opsporen
dezer dieren goede diensten; hij vangt ze op grootere of kleinere
diepten, al naar zij zelf hooger of lager gaan. Hij jaagt echter
niet alleen in zijne gangen, maar haalt zich af en toe ook van de
oppervlakte, en, naar men zegt, zelfs uit het water een maal. De
Spitsmuis, de Woelmuis, de Vorsch, de Hagedis, de Hazelworm en de
Ringslag, die in zijne gangen verdwalen, zijn verloren.

De honger van dit dier is zoo goed als niet te bevredigen. Hij heeft
iederen dag zooveel voedsel noodig, als zijn eigen lichaamsgewicht
bedraagt, en kan het geen 12 uren zonder eten uithouden. Hiervan
heeft _Flourens_ zich overtuigd door verscheidene zeer merkwaardige
onderzoekingen. Mollen, die door hem gevangen werden gehouden,
versmaadden alle plantaardig voedsel, maar vielen onmiddellijk
op levende Vogels en Vorschen en ook op hunne eigene, zwakkere
soortgenooten aan en verslonden ze; een Pad bleef echter gespaard,
de Mol stierf van honger, zonder dit dier aan te raken.

_Lenz_ plaatste een flinken Mol, dien hij gevangen had zonder hem te
beschadigen, in een kistje, welks bodem met een slechts 5 cM. hooge
laag aarde bedekt was; hier kon men hem meesttijds goed waarnemen,
daar hij geen onderaardsche gangen kon graven. Reeds in het tweede uur
van zijn gevangenschap vrat hij een groot aantal Regenwormen. Allerlei
plantaardig voedsel, ook brood, werd hem voorgezet; dit bleef steeds
onaangeroerd; daarentegen at hij Slakken, Kevers, maden, rupsen
en poppen van Vlinders en vleesch van Vogels en Zoogdieren. Op den
achtsten dag gaf _Lenz_ hem een grooten Hazelworm: oogenblikkelijk
ging hij op het dier af, gaf het een beet en verdween onder den grond,
omdat het zich sterk bewoog. Dadelijk kwam hij echter weer voor den
dag, beet nogmaals en trok zich opnieuw in de diepte terug. Dit deed
hij wel 6 minuten lang; eindelijk werd hij stoutmoediger, pakte de
prooi stevig aan en begon te kauwen, maar had groote moeite met het
stukbijten van de taaie huid. Toen hij er evenwel eerst een gat in had
gemaakt, werd hij zeer onversaagd, drong al vretend steeds dieper door,
maakte krachtige bewegingen met de voorpooten, om het gat wijder te
maken, trok er eerst de lever en de darmen uit, en liet ten slotte
niets over dan den kop, de rugwervels, eenige stukken van de huid en
den staart. Dit geschiedde 's morgens. Des middags vrat hij nog een
groote Tuinslak met gebroken huisje, en des namiddags verslond hij
drie vlinderpoppen. Om 5 uur had hij reeds weder honger en kreeg nu
een Ringslang, die ongeveer 80 cM. lang was; met deze handelde hij
op gelijke wijze als met den Hazelworm.

Bij gevangen Mollen kan men zich zeer duidelijk overtuigen van de
scherpte van hunne zintuigen. Ik deed een Mol in een kist, welks bodem
met een laag aarde van ongeveer 16 cM. dikte bedekte was. Onmiddellijk
woelde hij zich onder den grond. Nu drukte ik den grond vast, en legde
fijn gesneden, rauw vleesch in een hoek. Reeds na verloop van weinige
minuten verhief zich hier de grond, de fijne, buitengewoon buigzame
snuit kwam er boven te voorschijn en het vleesch werd verslonden. De
reuk stelt den Mol in staat het voedsel te ontdekken, zonder dat
hij het behoeft te zien of aan te raken; het reukzintuig is hem
een goede gids door zijne, op een doolhof gelijkende, onderaardsche
gangen. Zijn gehoor is voortreffelijk. Waarschijnlijk gebruikt hij
het vooral om gevaren te ontgaan; want de Mol merkt niet slechts de
geringste trilling van den bodem op, maar hoort ook volkomen duidelijk
ieder gedruisch, dat hem een naderend gevaar doet duchten; hierdoor
gewaarschuwd, tracht hij zich zoo schielijk mogelijk uit de voeten te
maken. Van het gezicht moet worden opgemerkt, dat de Mol wel degelijk
gebruik maakt van zijne oogen; hij laat zich, gelijk bekend is, door
dit zintuig leiden, als hij zwemmend rivieren overtrekt, die te breed
zijn om er onder door te graven. Zoodra hij zich gedrongen ziet om te
zwemmen, schuift hij dadelijk de haren, die de oogen omgeven, uiteen,
zoodat de kleine, glanzige, donkere bolletjes, die hij thans ver naar
buiten gedrukt heeft, goed zichtbaar en voor het gebruik geschikt zijn.

Reeds uit de voorafgaande mededeelingen kan men afleiden, dat de Mol,
in verhouding tot zijn grootte, een vreeselijk roofdier is. Zijn
inborst is hiermede in overeenstemming. Hij is woest, buitengewoon
verwoed, bloeddorstig, wreed en wraakzuchtig; hij leeft eigenlijk met
geen enkel dier in vrede, behalve met zijn wijfje, dat hij trouwens
alleen gedurende den paartijd en zoo lang de jongen klein zijn, bij
zich duldt. Gedurende den overigen tijd van het jaar laat hij geen
enkel levend wezen in zijn nabijheid toe; als gast of medebewoner in
zijn onderaardsche woning, wordt nooit eenig dier, van welke soort
dan ook, opgenomen. Als twee Mollen van dezelfde sekse elkander
ontmoeten, leggen zij steeds de grootst mogelijke woede en ijverzucht
aan den dag. Het spreekt van zelf, dat in den strijd die tusschen hen
ontbrandt, geen kwartier wordt gegeven; het einde van zulk een gevecht
is altijd, dat de overwonnene door den overwinnaar wordt opgegeten.

Een ander leven vangt in den paartijd aan. Dan verlaten de mannetjes
en wijfjes des nachts dikwijls hun hol en zwerven aan de oppervlakte
rond om andere mollenpaleizen op te zoeken en hier bezoeken af te
leggen. Het is gebleken, dat er veel meer mannetjes dan wijfjes
zijn; eindelijk vindt de mannelijke Mol, misschien na velerlei
moeite en strijd, een wijfje en tracht dit door geweld of goedheid
aan zich te verbinden. Hij vestigt zich daarna met zijn liefje in
zijn eigen of in haar hol en legt hier gangen aan, die op de gewone
jachtgangen gelijken, maar voor een geheel ander doel bestemd zijn,
namelijk om het wijfje er in op te sluiten, wanneer zich een medevrijer
vertoont. Zoodra hij zijn lieve wederhelft op deze wijze in veiligheid
heeft gebracht, keert hij onmiddellijk naar zijn tegenstander
terug. Beide verwijden de gangen, waarin zij elkander aangetroffen
hebben, tot een strijdperk en vechten nu op leven en dood. Intusschen
tracht het opgesloten wijfje haar vrijheid te herkrijgen, graaft nieuwe
gangen en verwijdert zich al verder en verder van haar gevangenis;
de overwinnaar ijlt haar achterna en brengt haar weder terug; na
velerlei strijd geraken de beide brommige kluizenaars aan elkander
gewend. Zij graven nu gemeenschappelijk gangen om zich te beveiligen
en ten behoeve van hun kostwinning; het wijfje legt een nest aan voor
hare jongen, in den regel daar, waar drie of meer gangen in een punt
samenkomen, en waar dus bij gevaar zooveel mogelijk gelegenheden om
te vluchten zijn. Het nest wordt gemaakt door een eenvoudige kamer
dicht te bekleeden met zachte, meestal stuk gebeten plantendeelen,
hoofdzakelijk met bladen, gras, mos, stroo en andere dergelijke
stoffen; het ligt gewoonlijk op tamelijk grooten afstand van de vroeger
beschreven woonkamer, waarmede het door een loopgang verbonden is. Na
een draagtijd van ongeveer vier weken werpt het wijfje in dit nest
3 à 5 blinde jongen, die hulpbehoevender zijn dan de jongen van de
meeste andere Zoogdieren. Aanvankelijk zijn zij onbehaard en ongeveer
zoo groot als een groote boon. Maar reeds in hun vroegste jeugd zijn
zij even onverzadelijk als hunne ouders; zij groeien daarom zeer snel.

De moeder wijdt zeer veel zorg aan haar kroost en schuwt geen gevaar,
waar het de veiligheid van hare jongen geldt. Maar ook het mannetje
bemoeit zich met hen, brengt hun Regenwormen en Insecten en neemt bij
overstroomingen behoorlijk zijn deel aan de gevaren van de redding
der jongen, door ze in den bek op een veilige plaats te brengen. Als
zij ongeveer 5 weken oud zijn, hebben zij tennaastenbij de helft van
de grootte der volwassene bereikt, liggen echter nog altijd in het
nest, en wachten tot een van de ouders hun voedsel brengt, dat zij
dan met ongeloofelijke gretigheid in ontvangst nemen en opeten. Als
hun moeder hun ontnomen wordt, wagen zij het soms, gekweld door
den hevigsten honger, in de loopgang te gaan, waarschijnlijk om hun
verzorgster te zoeken; als zij niet gestoord worden, begeven zij zich
eindelijk ook buiten het nest en zelfs aan de oppervlakte, waar zij
met elkander spelen en stoeien. Hunne eerste pogingen om te woelen
zijn nog zeer onvolkomen; zonder eenigen regel in acht te nemen,
maken zij loopgraven onmiddellijk onder de oppervlakte van den bodem,
dikwijls zoo dicht er bij, dat zij nagenoeg niet met aarde bedekt
zijn; slechts zelden beproeven zij het opwerpen van molshoopen. Maar
het verstand komt met de jaren, en reeds in de volgende lente zijn
zij volkomen ervaren in het bedrijf van hunne ouders.

De Mol houdt geen winterslaap, gelijk vele andere Insecteneters doen,
maar is des zomers en des winters voortdurend in beweging. Hij volgt
de Regenwormen en Insecten na en begeeft zich met hen diep in den
grond of naar de bovenste aardlaag.--Van de middelen, die uitgedacht
zijn om de levenswijze van een zoo verborgen levend dier na te gaan,
wil ik er slechts één als voorbeeld aanhalen. Om de snelheid van
de beweging van den Mol in zijne gangen te onderzoeken, plaatste
_Lecourt_ een aantal stroohalmen op een rij in de loopgang, zoodat
zij door den voorbijsnellenden Mol aangeraakt en in beweging gebracht
moesten worden; boven aan deze stroohalmen had hij kleine, papieren
vlaggetjes bevestigd. Nu maakte hij den Mol, die in zijn jachtveld
bezig was, verschrikt door op een hoorn te blazen, totdat het dier
in den loopgang terugkeerde. Achtereenvolgens vielen de vlaggetjes
naar beneden, zoodra de Mol de stroohalmen aanraakte, waardoor de
onderzoeker en zijne helpers in staat gesteld werden om de snelheid
van de bewegingen met zekerheid te bepalen. Deze kwam overeen met
die van een Paard in den draf.

Er is geen twijfel aan, dat de Mol door het wegvangen van Regenwormen,
Veenmollen, engerlingen en andere schadelijke dieren veel nut sticht;
hij moet daarom op alle plaatsen, waar men de door hem opgeworpen
hoopen gemakkelijk uit den weg ruimen kan, als een der nuttigste
Zoogdieren aangemerkt worden. Niet minder waar is het echter, dat
men hem in tuinen niet kan dulden, omdat hij hier door het woelen in
den grond, waaruit kostbare planten hun voedsel trekken, of door het
losmaken van deze gewassen een belangrijke schade aan de kweekerij
zal veroorzaken. Bovendien brengt hij de waterkeeringen, die het
land tegen overstroomingen beveiligen, door zijn woelen in gevaar;
bij hoogen waterstand dringt het water door de gangen heen, en spoelt
ze uit, zoodat op deze wijze een dijkbreuk kan ontstaan. Op de weiden,
in de bosschen, op de akkers is hij onze bondgenoot en verdient hij
onvoorwaardelijk beschermd te worden, op andere plaatsen veroorzaakt
hij ontzaglijk veel ergernis en schade. Men kent vele middelen om
hem te verdrijven; het is echter in alle gevallen het verstandigst
dit werk aan een ervaren mollenjager op te dragen, daar deze de kunst
om Mollen te verdelgen veel beter verstaat, dan beschrijvingen haar
leeren kunnen. Slechts een enkel middel wil ik aangeven, omdat het nog
weinig bekend is en goed helpt. Als men een tuin of een ander stuk
grond dat netjes in orde moet blijven, voor den Mol beveiligen wil,
behoeft men niets anders te doen, dan er omheen een massa afgehouwen
doornstruiken, scherven en andere puntige voorwerpen, ongeveer tot op
een diepte van 60 cM. in den grond te begraven. Zulk een beschermende
muur weert iederen Mol af, want als hij er doorheen dringen wil,
verwondt hij zich het gelaat aan de een of andere spits en bezwijkt
dan in den regel zeer schielijk aan de gevolgen van deze verwonding.

De Mol heeft behalve de mensch nog vele andere vervolgers. De
Bunzingen, Hermelijnen, Uilen en Valken, de Buizerden, Raven en
Ooievaars loeren op hem, terwijl hij de aarde uit zijne loopgraven
naar buiten werkt, de Wezel vervolgt hem zelfs in zijne gangen,
waar hij ook niet zelden een slachtoffer wordt van de Adder. De
Rattenvangers scheppen er genoegen in den gravenden Mol te bespieden,
hem door een plotselinge beweging uit den grond te slingeren en door
eenige beten om 't leven te brengen. Slechts de Vossen, Marters,
Egels en de genoemde Vogels verslinden hem; de andere vijanden laten
hem liggen, nadat zij hem gedood hebben.



De _Klim-egels_ of _Toepei's_ (_Tupaiidae_) vormen een derde familie
van Insecteneters. Letterlijk vertaald beteekent de Duitsche naam
dezer familie "Spitshoorntjes"; hij duidt aan dat deze dieren op
Eekhoorntjes gelijken, hoewel de overeenstemming slechts oppervlakkig
kan zijn. Hun kop loopt uit in een langen snuit, welks stompe spits
gewoonlijk naakt is; de romp is gestrekt, de staart lang of zeer lang,
pluimvormig, tweerijig behaard, de vacht dicht en zacht. De oogen zijn
groot, de ooren langwerpig en afgerond, de voeten hebben naakte zolen
en vijf van elkander gescheiden teenen, die met korte, sikkelvormige
klauwen gewapend zijn. Het wijfje heeft vier tepels aan den buik.

De Klim-egels bewonen Achter-Indië en den Indischen Archipel. Zij
zijn echte dagdieren, die hunne rooverijen in het heldere zonlicht
uitvoeren. Door hun vacht en hunne bewegingen gelijken zij op de
Eekhorentjes; de inboorlingen in de door hen bewoonde landen hebben
voor hen en de Eekhorentjes slechts één naam.

Een van de grootste soorten is de _Tana_ (_Tupaia tana_, _Cladobates
tana_). Deze dieren onderscheiden zich van hunne verwanten,
behalve door de grootte, ook door den langen staart; zij hebben een
donkerbruine, naar zwart zweemende vacht, die aan de onderdeelen
een roodachtig waas vertoont, aan den kop en aan den snuit met grijs
gemengd is. Wat grootte betreft, komt de Tana nog het meest met ons
Eekhorentje overeen; de lengte van zijn lichaam bedraagt niet recht
20 cM., die van den staart evenveel.

De Tana is een vlug en wakker dier, hoewel zijne bewegingen niet zoo
snel zijn als die van onze Eekhorentjes, die zulk een uitstekend
gebruik weten te maken van hunne lange, gekromde nagels en bijna
even behendig zijn in 't klauteren als de Apen. Zijn voedsel bestaat
uit Insecten en vruchten, die hij zoowel in de takken als op den
bodem zoekt.



Nauwkeuriger, hoewel volstrekt niet in voldoende mate, zijn
ons de _Spring-spitsmuizen_ (_Macroscelidae_) bekend, die een
der opmerkelijkste familiën van de orde vormen. Evenals de meeste
Klim-egels door hun staart op de Eekhoorntjes gelijken, herinneren de
Spring-spitsmuizen aan andere Knaagdieren, n.l. aan de Springmuizen,
door de lange, dunne, bijna onbehaarde achterpooten. Bovendien hebben
zij van alle Insecteneters den langsten neus; deze is bij haar een
echte slurf geworden en heeft aanleiding gegeven tot haar Duitschen
naam, die letterlijk vertaald "Slurfspringers" beteekent, terwijl
haar wetenschappelijke naam "Langschenkels" beduidt. De slurf is in
het midden slechts dun behaard en heeft aan den wortel een reeks van
tamelijk lange haren; de spits is geheel kaal. Bovendien vallen aan
den kop de groote oogen, de omvangrijke, van binnen met lijstvormige
plooien voorziene ooren en de lange snorharen in 't oog. De tamelijk
korte, dikke romp rust op ledematen, welker voorste paar zeer van
het achterste verschilt. De achterpooten zijn buitengewoon lang;
zooals reeds gezegd is, komen zij door hun maaksel overeen met die
van andere woestijnbewoners, en wel van de Springmuizen. De vacht is
zeer dicht en zacht. Het gebit bestaat uit 40 tanden.

De _Olifant-spitsmuis_ (_Macroscelides typicus_) is 25 cM. lang,
met inbegrip van den 11 1/2 cM. langen staart en van de bijna 2
cM. lange slurf. De bovendeelen zijn roodachtig bruin of muiskleurig;
de onderdeelen en de pooten evenwel meer of minder zuiver wit.

Dit dier gelijkt door zijn levenswijze volkomen op de andere leden van
zijn familie. Tot dusver heeft men tien soorten van Spring-spitsmuizen
onderscheiden, die zonder uitzondering in Afrika, vooral in Zuid-
en Oost-Afrika thuis behooren en hier de door de zon geblakerde,
kale gewesten verlevendigen. Zij bewonen bij voorkeur de steenachtige
bergstreken en vinden in diepe en moeielijk toegankelijke gaten onder
steenen, in rotsspleten en in holen van andere dieren een toevlucht
bij ieder gevaar, dat zij zelfs in het minst belangrijke vreemde
verschijnsel meenen te ontdekken. Het zijn echte dagdieren, ja zelfs
ware zonlicht-dieren, die zich gedurende de gloeiende middaghitte
het best op hun gemak gevoelen, en dan ook het ijverigst met de
jacht bezig zijn. Hun voedsel bestaat hoofdzakelijk uit Insecten,
die zij behendig weten te vangen, of uit barsten en spleten van
het gesteente te voorschijn brengen. Van hun voortplanting weet men
tot dusver nog niets. Aan gevangen dieren zijn, naar het schijnt,
nog geen waarnemingen gedaan.



Een vijfde familie van onze orde draagt den naam van _Borstelegels_
(_Centetidae_), naar een op Madagaskar levenden, egelachtigen
Insecteneter. Zij hebben een gerekten lichaamsbouw, een langen kop,
die in een tamelijk langen snuit eindigt, kleine oogen en middelmatig
groote ooren, geen of een langen, onbehaarden staart, korte pooten
en vijf met stevige klauwen gewapende teenen aan alle voeten. Hun
huid is deels met stekelige borstels, deels met stijve haren bekleed.



Bij den _Tanrek_ (_Centetes Ecaudatus_), valt de in een spitsen snuit
eindigende kop bijzonder in 't oog. Het geheele lichaam is tamelijk
dicht bedekt met stekels, borstels en haren, die in zekeren zin
ongevoelig in elkander overgaan, althans een duidelijk bewijs leveren,
dat de stekels eenvoudig eigenaardig gevormde haren zijn. Alleen aan
den achterkop, in den nek en aan de zijden van den hals komen ware,
eenigszins buigzame stekels van ongeveer 1 cM. lengte voor. De spits
van den snuit en de ooren zijn naakt; de voeten zijn slechts met korte
haren bedekt. De stekels, de borstels en de haren zijn lichtgeel van
kleur, in het midden zwartachtig bruin geringd; dit laatste is op den
rug meer dan aan de zijden het geval. Het volwassen dier is ongeveer
27 cM. lang.

De Tanrek, die oorspronkelijk alleen op Madagaskar inheemsch was, is
van daar naar Mauritius, Mayotte en Réunion overgebracht; hij bewoont
bij voorkeur bergachtige streken, die rijk zijn aan struiken, varens
en mossen, en graaft hier holen en gangen in den grond, die hem een
schuilplaats verschaffen. Het is een schuw, vreesachtig dier, dat het
grootste deel van den dag in de strengste afzondering doorbrengt, en
niet voor zonsondergang te voorschijn komt. Hij vertoont zich alleen,
zoolang het in de bedoelde landen lente en zomer is, d. w. z. na de
eerste regenbuien, totdat het droge jaargetijde aanvangt. Gedurende de
grootste droogte houdt hij zich in de diepste kamer van zijn hol op,
en brengt hier de maanden April tot November slapend door, evenals onze
Egel den winter. Zijn voedsel bestaat grootendeels uit Insecten, voor
't overige echter ook uit Wormen, Slakken en Hagedissen, en bovendien
uit verschillende vruchten. Voor het water heeft hij, naar het schijnt,
een bijzondere voorliefde.

In de gevangenschap eet de Tanrek rauw vleesch, gekookte rijst en
bananen. Gedurende den dag slaapt hij; des nachts is hij wakker. Als
er in zijn hok een hoop aarde is, wroet hij hierin met zijn snuit als
een Zwijn, en wentelt zich er ook graag overheen. Met zijne krachtige
klauwen doet hij pogingen om zijn hok stuk te maken, wat hem niet
zelden gelukt. Met andere dieren van zijn soort strijdt hij dikwijls,
vooral over het voedsel. Voor zoover mij bekend is, werd hij tot nu
toe nog nooit levend naar Europa gebracht.



Aan de Marters onder de Roofdieren herinneren de _Spitsmuizen_
(_Soricidae_), die de soortenrijkste familie van de orde der
Insecteneters vormen. Evenals gene bezitten zij alle talenten, die een
echt rooversleven mogelijk maken, op de meest verschillende plaatsen
zijn zij thuis; haar moed, haar bloeddorst en haar wreedheid staan
volstrekt niet in verhouding tot haar geringe grootte.

De Spitsmuizen, die naast de Vleermuizen de kleinste van alle
Zoogdieren zijn, hebben een evenredig gebouwd lichaam en herinneren
door haar uitwendig voorkomen aan de Ratten en Muizen. De romp is
slank, de kop lang, de snuit in de lengte gerekt, het gebit zeer
volledig en uit buitengewoon scherpe tanden samengesteld: gewoonlijk
1 snijtand, 2 éénpuntige valsche kiezen en 3 vier- of vijfpuntige
ware kiezen in elke onderkaakshelft, in iedere bovenkaakshelft 1
of 2 valsche kiezen en 1 ware kies meer. Echte hoektanden komen er
dus niet voor. Eigenaardige klieren bevinden zich aan de zijden van
den romp of aan den wortel van den staart. De romp is met zachte,
fluweelachtige haren bekleed, de lippen, de voeten en de staart met
stijvere haartjes; de wangen dragen lange snorren; de zijden van
den voet zijn bezet met stevige, bij de onbehaarde voetzool scherp
afstekende, borstelige haren.

Tegenwoordig zijn de Spitsmuizen over de Oude Wereld en Noord-Amerika
verbreid, in Australië en Zuid-Amerika daarentegen ontbreken zij
geheel. Zij leven zoowel in de vlakten als in hooger gelegen gewesten,
zelfs op de Voor-Alpen en de Alpen, het liefst echter in dichte
bosschen en kreupelhout, op weiden en velden, in tuinen en huizen. De
meeste geven de voorkeur aan vochtige plaatsen, sommige houden zich
in 't water op. Vele leven onder den grond, graven zelf gaten en
gangen, of maken gebruik van die, welke er reeds zijn, nadat zij den
rechtmatigen eigenaar met geweld of list verdreven hebben. Bijna alle
zoeken de duisternis of de schaduw en schuwen droogte, hitte en licht;
zij zijn zelfs zoo gevoelig voor deze werkingen, dat niet zelden de
zonnestralen de oorzaak zijn van haar dood. Al hare bewegingen, van
welken aard ook, hebben buitengewoon snel en behendig plaats. Zij,
die alleen maar loopen, schuiven pijlsnel over den weg; die, welke
zwemmen, zijn in deze kunst even ervaren, als eenig ander op 't land
levend Zoogdier.

Onder de zinnen van de Spitsmuizen bekleedt de reuk, naar het
schijnt, de eerste plaats; de volgende komt aan het gehoor toe, dat
ook zeer goed ontwikkeld is; het oog daarentegen is meer of minder
gebrekkig. Hare geestvermogens zijn gering; een zekeren graad van
verstand kan men haar echter niet ontzeggen. Zij zijn in de hoogste
mate roof- en moordzuchtig; zij behooren tot de vreeselijkste vijanden
van kleine dieren, de grootere ontwijken zij zorgvuldig. Reeds bij het
geringste gedruisch nemen de meeste de wijk naar hare schuilhoeken;
hiervoor bestaan voldoende redenen, daar zij tegenover sterke dieren
zoo goed als weerloos zijn. Van ons standpunt gezien, moeten de
meeste niet alleen als onschuldige en onschadelijke, maar zelfs als
hoogst nuttige dieren beschouwd worden, die ons door de verdelging
van schadelijke Insecten belangrijke diensten bewijzen. Haar voedsel
ontleenen zij namelijk bijna uitsluitend aan het dierenrijk: Insecten
en hunne larven, Wormen, Weekdieren, kleine Vogels en Zoogdieren,
in sommige gevallen echter ook Visschen en vischkuit, Kreeften
enz. vallen haar ten buit. Zij zijn buitengewoon vraatzuchtig en
verslinden iederen dag zooveel als haar eigen gewicht bedraagt. Geen
enkele soort kan gedurende langen tijd honger lijden; daarom houden
zij geen winterslaap, maar verrichten, als het weder maar eenigszins
zacht is, hare werkzaamheden ook op den met sneeuw bedekten bodem,
of zoeken haar voedsel op beschutte plaatsen, b.v. in menschelijke
woningen. De stem van alle soorten van Spitsmuizen bestaat uit fijne,
piepende of kwetterende en fluitende klanken; als zij beangst zijn,
verneemt men van haar jammerende geluiden; alle verbreiden, als zij
in gevaar verkeeren, een meer of minder sterken muskus- of civetreuk,
die haar wel is waar gedurende haar leven niet tegen hare vijanden
beveiligt, maar ten gevolge heeft, dat slechts weinig dieren haar
eetbaar achten. De Honden en Katten b.v. laten de door hen gedoode
Spitsmuizen liggen, zonder ze op te vreten; de meeste Vogels daartegen
zullen, daar de reuk- en smaakzin bij hen minder ontwikkeld zijn,
deze prooi als voedsel niet versmaden.

De meeste Spitsmuizen zijn zeer vruchtbaar, daar zij van vier tot
tien jongen werpen. Gewoonlijk komen deze naakt en met gesloten oogen
ter wereld; zij ontwikkelen zich echter schielijk en zijn reeds na
verloop van een maand in staat haar eigenaardig beroep uit te oefenen.



In de eerste onderfamilie vereenigt men de _Spitsmuizen_ in engeren
zin (_Soricinae_). Zij vormen de kern van de familie, hebben 28 à 32
tanden, een langen en smallen schedel en geen zwemvliezen tusschen
de teenen. In Nederland en Duitschland zijn drie geslachten van deze
onderfamilie vertegenwoordigd.



32 aan den top donkerbruin gekleurde tanden, voeten die aan
alle zijden door korte en zachte haren omgeven zijn, alsook
de gelijkmatige en overal even lange beharing van den staart,
kenmerken de _Spitsmuizen_ in den engsten zin (_Sorex_), welker meest
verbreide vertegenwoordiger--de _Gewone_ of _Bosch-spitsmuis_ (_Sorex
vulgaris_)--tot de meest bekende dieren van ons vaderland behoort. Zij
is iets kleiner dan de Huismuis; haar lengte bedraagt, met inbegrip van
den 4 1/2 cM. langen staart, 11 cM. De kleur van de fijne, fluweelen
vacht wisselt af van helder roodbruin tot het glanzigste zwart;
de zijden zijn altijd lichter van kleur dan de rug, de onderdeelen
grijsachtig wit met bruinachtig waas, de lippen witachtig, de lange
snorren zwart, de pooten bruinachtig; de staart van boven donkerbruin,
van onderen echter bruinachtig geel. Op grond van de ongelijke kleur
heeft men verschillende groepen onderscheiden, die door sommige voor
soorten, door anderen voor variëteiten worden gehouden.

Men vindt de Gewone Spitsmuis in Nederland, Duitschland, Zweden,
Engeland, Frankrijk, Italië, Hongarije en Galicië, waarschijnlijk
ook in het naburige Rusland, in hooge streken, zoowel als in lage,
op bergen en in dalen, in bouwlanden en tuinen, in de nabijheid van
dorpen of in de dorpen zelve en gewoonlijk dicht bij het water. Des
winters komt zij in de huizen of althans in de stallen en schuren. Bij
ons is zij de algemeenste soort van de geheele familie. Zij bewoont
bij voorkeur onderaardsche holen en vestigt zich daarom gaarne in
de gangen van den Mol of in verlaten muizengaten, voor zoover zij
geen door de natuur gevormde barsten en spleten in het gesteente of
in den bodem vindt. In den zachten grond graaft zij met den snuit
en de zwakke voorpooten zelf gangen, die in den regel zeer dicht
onder de oppervlakte gelegen zijn. Evenals de meeste andere leden
harer familie, is ook zij een volkomen nachtdier, dat over dag niet
dan ongaarne zijn onderaardsch verblijf verlaat. Nooit doet zij dit,
zoolang de middagzon schijnt; werkelijk zou men zeggen, dat zij zeer
veel last heeft van de zonnestralen; men veronderstelt dan ook, dat
de talrijke doode Spitsmuizen, die men in 't heetst van den zomer aan
wegen en bij slooten vindt, door de zon verblind, den ingang van hun
hol niet hebben kunnen terugvinden en daarom bezweken zijn.

Onophoudelijk ziet men de Spitsmuis bezig, met haar snuit in alle
richtingen te snuffelen, om voedsel te zoeken; elk dier, dat zij vindt
en overmeesteren kan, is verloren; zij vreet soms zelfs hare eigen
jongen op en in ieder geval de gedoode dieren van haar eigen soort. "Ik
heb," zegt _Lenz_, "dikwijls Spitsmuizen in kisten gehad. Met Vliegen,
Meelwormen, Regenwormen en dergelijk voedsel kan men ze bijna in
't geheel niet verzadigen. Ik moest ieder elken dag een geheele
doode Muis of Spitsmuis of een Vogeltje, zoo groot als zij zelf,
geven. Zoo klein zij ook zijn, vreten zij iederen dag een Muis op en
laten niets dan vel en beenderen over. Zoo heb ik ze dikwijls goed
vet gemest; zij sterven echter, wanneer men ze honger laat lijden,
reeds na verloop van korten tijd. Ook heb ik getracht haar met brood,
rapen, peren, hennep-, papaver-, kool- en kanariezaad enz. te voeden;
zij verhongerden echter liever, dan dat zij er een hap van namen. Als
zij vet gebakken pannekoeken kregen, beten zij er in terwille van
het vet; wanneer zij echter een in een val gevangen Spitsmuis of
Muis vonden, begonnen zij oogenblikkelijk deze te verslinden. Bij
goede verzorging kan een Bosch-spitsmuis maanden lang in een kist in
't leven gehouden worden."

_Welcker_ bond een stevige draad aan den achterpoot van een levende
Spitsmuis, en liet haar op het veld in de door Muizen bewoonde gaten
kruipen. Na verloop van korten tijd kwam uit de gang, waarmede de
proef genomen was, een hoogst beangste Veldmuis naar buiten gekropen,
met de Spitsmuis op haar rug. Het onverzadelijke roofdier had zich met
de tanden aan den nek van zijn slachtoffer vastgehecht, doodde dit in
korten tijd en vrat het op. De bewegingen van de Bosch-spitsmuis zijn
buitengewoon snel en behendig; zij loopt vlug, als 't ware schuivend
over den bodem, springt tamelijk ver, kan bij scheef staande stammen
naar boven klauteren, en in geval van nood tamelijk goed zwemmen. Haar
stem bestaat uit een schel, fijn kwetterend, bijna fluitend, maar zacht
geluid, zooals ook van andere leden harer familie wordt vernomen. De
reuk is ongetwijfeld de volkomenste van hare zinnen. Het komt dikwijls
voor, dat levend gevangen Spitsmuizen, die weder losgelaten worden,
in de val terugkeeren, alleen omdat deze de lucht van Spitsmuizen aan
zich heeft. Naar het schijnt, laat de Spitsmuis zich niet door haar
gezichtsvermogen leiden; ook haar gehoor moet tamelijk zwak zijn; de
fijne neus echter vervangt de beide genoemde zintuigen bijna volkomen.

Er zijn weinig dieren, die zoo ongezellig zijn, en zich tegenover hunne
soortgenooten zoo afschuwelijk gedragen, als de Spitsmuizen; alleen
de Mol evenaart hen in dit opzicht misschien. Niet eens de dieren
van verschillende sekse leven, behalve in den paartijd, in vrede met
elkander. Behoudens de genoemde uitzondering, vreet de eene Spitsmuis
de andere op, zoodra zij haar te pakken kan krijgen. Dikwijls ziet
men twee van deze dieren zoo woedend met elkander vechten, dat men ze
met de handen kan grijpen; zij vormen in den letterlijken zin van 't
woord één klomp, en rollen over den bodem, de tanden stijf in elkanders
lichaam geslagen, de eene de andere vasthoudend met een woede, waarmede
de scherpste Bullenbijter eer zou inleggen. Het is een groot geluk,
dat de Spitsmuizen niet zoo groot zijn als Leeuwen: zij zouden de
geheele aarde ontvolken en ten slotte moeten verhongeren. Het is
een hoogst zeldzaam verschijnsel, dat men de Spitsmuizen vereenigd
ziet tot groote gezelschappen, waarin vrede heerscht of schijnt
te heerschen. _Cartrey_ hoorde eens in de droge bladen een lang
aanhoudend geritsel en geschreeuw, dat, naar hem bleek, veroorzaakt
werd door een talrijke schare van Spitsmuizen, door hem geschat op
ongeveer honderd stuks, die met elkander schenen te spelen en onder
aanhoudend gepiep en gekwetter heen en weer liepen. Waarom zij dit
deden, kon men niet ontdekken; misschien was het een vrijage op groote
schaal. De drachtige Spitsmuis bouwt zich een nest van mos, gras,
dorre bladen en plantenstengels, het liefst in metselwerk of onder
holle boomwortels, voorziet het met verscheidene zijgangen, bekleedt
het van binnen met zachte stoffen en werpt hier tusschen Mei en Juli
5 à 10 jongen, die naakt, met gesloten oogen en ooren ter wereld
komen. Aanvankelijk verzorgt de oude haar kroost zeer liefderijk;
haar liefde bekoelt echter schielijk en de jongen beginnen dan zelf
hun voedsel te zoeken. Zooals reeds opgemerkt werd, zwijgt in dit geval
de stem des bloeds volkomen; iedere Spitsmuis beschouwt reeds in haar
jeugd al het vleesch, dat zij meester kan worden, als voedsel, zij het
dan ook, dat dit vleesch van hare eigen broers en zusters afkomstig is.

Opmerkelijk is het, dat de Spitsmuizen slechts door weinige dieren
gegeten worden. De Katten dooden ze, waarschijnlijk, omdat zij ze
aanvankelijk voor gewone Muizen houden, maar eten ze nooit. Ook de
leden van de Marter-familie versmaden ze, naar het schijnt. Slechts
door eenige Roofvogels, en ook door den ooievaar en de Adder, worden
zij zonder aarzeling en zelfs met smaak verslonden. Zeker is het,
dat de tegenzin van de scherp ruikende Zoogdieren zijn grond heeft in
den afkeer, die bij hen wordt opgewekt door de lucht, welke van de
Spitsmuizen uitgaat. Deze doordringende, op muskus gelijkende lucht
wordt veroorzaakt door twee klieren, die zich aan de zijden van
den romp en wel dichter bij de voorpooten dan bij de achterpooten
bevinden, en gaat over op alle voorwerpen, die met de Spitsmuis in
aanraking komen.

Het is mogelijk, dat het vooroordeel, waaronder de Spitsmuizen in
vele gewesten van Europa te lijden hebben, ook ten deele op deze reuk
gegrond is. Hier en daar, b. v. in Engeland, worden deze onschadelijke
dieren bijna nog meer gevreesd dan vergiftige Slangen. Iedereen ziet
in, dat een Spitsmuis met hare fijne, dunne tandjes den mensch in
't geheel geen kwaad kan doen; toch wordt haar beet voor vergiftig
gehouden, en verwacht men er de vreeselijkste gevolgen van. Zelfs
het aanraken van een Spitsmuis wordt als een stellige voorbode van
de eene of andere ramp aangemerkt; zoowel dieren als menschen, die
op deze wijze door de Spitsmuis "getroffen" zijn, zullen, naar men
beweert weldra ziek worden, ingeval zij niet ten spoedigste een in
zulke gevallen dienstig geacht middel toepassen.



Het kleinste inheemsche Zoogdier is de _Dwergspitsmuis_ (_Sorex
pygmaeus_); in het deel van Europa, dat ten noorden van de Alpen
ligt, vindt men er geen kleiner. Met inbegrip van den 3 1/2 à 3
3/4 cM. langen staart, bedraagt de lichaamslengte van dit diertje
8 1/2 cM. "Er is mij," schrijft _Schlegel_, "slechts één voorwerp
van deze kleine Spitsmuis bekend geworden; het werd in Gelderland
dood op den weg gevonden. Deze soort heeft veel overeenkomst met de
Gewone Spitsmuis, maar zij is een vierde kleiner, haar snuit en haar
staart zijn daarentegen naar evenredigheid langer, en laatstgenoemde
overtreft in dit opzicht den romp. De vacht is op de bovendeelen min
of meer donker grijsbruin, welke kleur op de zijden in het rosgele
trekt en allengs in het witgrijs der onderdeelen overgaat.

"De Dwerg-Spitsmuis bewoont het grootste gedeelte van Midden-Europa
tot in de warmste gewesten van Siberië. Zij houdt zich in boschrijke
streken op, en behoort, zooals het schijnt, nergens onder de algemeen
voorkomende dieren. Waarschijnlijk wordt zij echter wegens haar
kleinheid en omdat zij in het hout verscholen leeft, veelal over het
hoofd gezien. Zij heeft in hare gewoonten veel overeenkomst met de
Gewone Spitsmuis."



Bij de _Veldspitsmuizen_ (_Crocidura_) bestaat het gebit uit 28 à
30 witte tanden. Voor het overige stemmen zij met de leden van het
vorige geslacht overeen.



De _Huis-spitsmuis_ (_Crocidura aranea_), een diertje van 11 1/2
cM. totale en 4 1/2 cM. staartlengte, is aan de bovenzijde bruingrijs,
aan de onderzijde zonder scherpe afscheiding lichter, aan de lippen
en de voeten bruinachtig wit behaard.

"Deze soort," zegt _Van Bemmelen_, "komt waarschijnlijk in ons geheele
land voor; door mij werd zij waargenomen in Noord- en Zuid-Holland,
Utrecht, Gelderland, Overijsel en Groningen." Het verbreidingsgebied
van de Huis-spitsmuis strekt zich van Noord-Afrika over Zuid-,
West- en Middel-Europa tot in Noord-Rusland uit en omvat verder
Centraal-Azië en het noordoosten van Siberië. Naar het schijnt,
komt zij in Engeland, Denemarken en Skandinavië niet voor. Volgens
_Blasius_ is zij in zekeren zin aan veld en tuin gebonden, geeft aan
beide althans bepaaldelijk de voorkeur boven het woud en den woudzoom,
waar zij evenwel soms gevonden wordt. Geen van hare verwanten gewent
zich zoo licht aan de omgeving van den mensch, geen dezer dieren komt
zoo dikwijls in gebouwen, vooral in schuren en stallen, als zij. In
de vrije natuur maakt zij des morgens vroeg en in de avonduren jacht
op allerlei soorten van kleine dieren, van het kleine Zoogdier tot
den Worm; in de huizen snoept zij van den voorraad vleesch, spek en
olie. Bijna in ieder opzicht gelijken hare zeden en gewoonten op die
van de Gewone Spitsmuis.



Een tweede, tot dit geslacht behoorende soort met dertig tanden,
de _Wimper-spitsmuis_ (_Crocidura suaveolens_), verdient vermelding,
omdat zij, met een soort van Vleermuis, het kleinste van alle thans
bekende Zoogdieren is. Haar totale lengte bedraagt slechts 6 1/2
cM., met inbegrip van den 2 1/2 cM. langen staart. De kleur van
de fluweelzachte vacht is licht bruinachtig of roodachtig grijs,
de staart is van boven bruinachtig, van onderen lichter, de snuit en
de pooten zijn vleeschkleurig, de voeten dragen witachtige haartjes;
oudere dieren zijn lichter en roestkleurig, jonge donkerderen meer
grijs. Opmerking verdient de betrekkelijk zeer groote oorschelp.

De Wimper-spitsmuis komt voor in nagenoeg alle landen, die rondom
de Middellandsche Zee en de Zwarte Zee gelegen zijn. Men heeft haar
in het Noorden van Afrika, in het zuiden van Frankrijk, in Italië
en in de Krim gevonden. Haar levenswijze stemt met die van hare
geslachtsgenooten overeen.



Van de overige Spitsmuizen verdient één soort, de _Water-spitsmuis_
of _Graver_ (_Crossopus fodiens_), een afzonderlijke vermelding. Zij
heeft, met inbegrip van den bijna 5 1/2 cM. langen staart, een lengte
van 11 cM. Van hare reeds genoemde verwanten onderscheidt zij zich,
doordat hare teenen aan de onderzijde met stijve, dikke en tamelijk
lange haren bezet zijn, die de rol van zwemvliezen vervullen.

Naar het schijnt, is de Water-spitsmuis over bijna geheel Europa
en een deel van Azië verbreid, en op voor haar geschikte plaatsen
overal te vinden. In de meeste gewesten van ons vaderland komt zij
vrij algemeen voor. De noordelijke grens van het door haar bewoonde
gebied bereikt zij in Engeland en de oeverlanden van de Oostzee, de
zuidelijke grens in Spanje en Italië. In de gebergten begeeft zij zich
tot op aanzienlijke hoogten, in de Alpen tot ongeveer 2000 M. boven
den zeespiegel. Bij voorkeur bewoont zij de wateren in bergachtige
streken, het liefst die, waarin zelfs bij de strengste koude nog
open plaatsen voorkomen, daar deze in den winter, om vrij in en uit
te gaan, onontbeerlijk zijn. Beken in bergachtige woudstreken, waar
zuiver water over een uit zand of grind bestaanden bodem vloeit, welker
oevers met boomen bezet, en door tuinen of weiden omgeven zijn, worden
door haar, naar 't schijnt, gaarne tot verblijfplaats gekozen. Even
gaarne houdt zij zich echter op in vijvers met helder water en een
bedekking van eendenkroos. Soms vindt men haar hier in verbazend
grooten getale. Dikwijls woont zij in het midden van de dorpen, en dan
liefst in de nabijheid van den door 't stroomend water in beweging
gebrachten molen. Zij leeft echter niet uitsluitend in 't water,
maar loopt ook wel rond in de weiden, die bij de beken gelegen zijn,
kruipt onder hooischelven weg, komt in de schuren en stallen, zelfs
in woonhuizen, en wordt waargenomen op velden, die ver van het water
af liggen. In den lossen grond bij het water graaft zij zelf gangen;
liever maakt zij echter gebruik van de gangen der Muizen en Mollen,
die zij in de nabijheid van haar verblijfplaats vindt. Steeds moet de
hoofdgang van haar woning verscheidene uitgangen hebben, waarvan er één
onder den waterspiegel, een andere daarboven gelegen is, en nog andere
haar in staat stellen, om ook aan de landzijde te ontvluchten. Deze
holen dienen het dier als slaapplaats en toevluchtsoord, en verschaffen
het, als het vervolgd wordt, een veilige schuilplaats.

In deze woning brengt de Water-spitsmuis in oorden waar veel geloop
is, gewoonlijk den geheelen dag door; daar, waar zij geen vervolgingen
heeft te vreezen, is zij, vooral in de lente gedurende den paartijd,
ook over dag druk in beweging. Zelden zwemt zij bij den oever langs,
liever gaat zij dwars door het water van den eenen oever naar den
anderen. Als zij een tocht langs de beek wil doen, loopt zij langs
den benedenrand van den walkant, of onder water over den bodem van
de beek. Zij is een bijzonder wakker, schrander en behendig dier,
dat den onderzoeker in ieder opzicht genoegen verschaft.

In verhouding tot haar grootte is de Water-spitsmuis een geweldig
roofdier; zij verslindt niet alleen allerlei slag van Insecten, vooral
zulke die in 't water leven, Wormen, kleine Weekdieren, Kreeften en
andere Schaaldieren, maar ook Kikvorschachtigen, Visschen, Vogels
en kleine Zoogdieren. De Muis, die zij in hare gangen ontmoet, is
verloren; de jeugdige, nog onervaren Kwikstaart, die zich onvoorzichtig
te dicht bij het water waagt, wordt plotseling met dezelfde
bloeddorstigheid overvallen, als de Los toont bij het bespringen van
een Ree, en in weinige minuten om 't leven gebracht; de Kikvorsch,
die zorgeloos voorbij een der uitgangen van het Spitsmuizen-hol
springt, voelt zich bij een der achterpooten gepakt en wordt, in
weerwil van zijn jammerlijk geschreeuw, in de diepte getrokken, waar
hij weldra het leven verliest. Modderkruipers en Voorntjes worden in
kleine inhammen gedreven en hier op een eigenaardige wijze gevangen:
de Water-spitsmuis maakt het water troebel en bewaakt den ingang van
de bocht; zoodra nu een der vischjes haar voorbijzwemmen wil, schiet
zij toe en vangt het in den regel: zij vischt, zooals het spreekwoord
zegt, in troebel water. Maar niet alleen kleine dieren worden door
haar aangevallen; zij kiest zich soms een prooi, welker gewicht het
hare meer dan zestigmaal overtreft; er zal wel geen ander roofdier
zijn, dat een naar evenredigheid zoo grooten buit overvalt en om
't leven brengt:

"Een landeigenaar van mijn kerspel," zoo verhaalt mijn vader, "kweekte
in zijn vijver fraaie Visschen, en had in den herfst van 1829 voor
de vensters zijner woning in een vergaarbak, die wegens het hierin
steeds toestroomende bronwater nooit dichtvroor, verscheidene Karpers
geplaatst om ze bij gelegenheid te eten. De maand Januari van 1830
bracht een koude van 22°, en bedekte bijna alle beken met een dikke
ijslaag; alleen de 'warme bronnen' bleven er van bevrijd. Eens vond de
eigenaar in zijn vergaarbak tot zijn groote ergernis een dooden Karper,
wien de oogen en de hersenen uit den kop gevreten waren. Weinige dagen
daarna vond hij een tweeden Visch, die op dezelfde wijze toegetakeld
was, en zoo verloor hij den eenen Karper na den anderen. Eindelijk
bemerkte zijn vrouw, dat tegen den avond een zwarte 'Muis' bij den
vergaarbak opklauterde, in het water rondzwom, zich op den kop van
een Karper neerzette en zich hier met de voorpooten vasthield. Eer de
vrouw het bevroren venster had kunnen openen, om het dier weg te jagen,
waren den Visch de oogen uitgevreten. Eindelijk was het openen van
het venster gelukt en werd de 'Muis' op de vlucht gedreven. Nauwelijks
echter had deze den bak verlaten, of zij werd door een rondsluipende
Kat gevangen, aan deze weer ontnomen en naar mij gebracht. Het was
onze Water-spitsmuis." "Hierbij moet ik nog doen opmerken, dat het
mij gebrachte exemplaar niet het eenige was, dat aan den bedoelden
vergaarbak bezoeken bracht; de eene voor, de andere na kwam er. De
eigenaar legde toen een vergiftigden karperkop in den bak en doodde
hiermede werkelijk verscheidene Water-spitsmuizen."

De vijanden van de Water-spitsmuizen zijn bijna dezelfde als die,
welke wij bij de behandeling van de Gewone Spitsmuis hebben leeren
kennen. Over dag hebben zij gewoonlijk niets van hen te lijden; wanneer
zij echter 's nachts langs den oever loopen, worden zij dikwijls een
prooi van Uilen en Katten; de laatstgenoemde bepalen zich er echter toe
haar te dooden, en werpen ze wegens haar muskus-lucht vervolgens weg.



De tweede onderfamilie, die der _Bever-spitsmuizen_ (_Miogalinae_),
omvat slechts weinig soorten. Zij vormen wat haar uitwendig voorkomen
betreft, een overgang van de Spitsmuizen tot de Mollen. De romp is meer
ineengedrongen dan bij de overige Spitsmuizen, de hals buitengewoon
kort en even dik als de romp; deze rust op korte pooten, welker vijf
teenen door lange zwemvliezen met elkander verbonden zijn; de staart
is langwerpig, afgerond, tegen het einde bij wijze van een roeiriem
zijdelings samengedrukt, geringd en geschubd en slechts spaarzaam met
haren bezet. De oorschelpen ontbreken en de oogen zijn zeer klein. Het
merkwaardigste aan het geheele dier is de neus, die, met nog meer recht
dan bij de Spring-spitsmuizen een slurf genoemd verdient te worden. Hij
bestaat uit twee lange, dunne, onderling vereenigde kraakbeenige
buizen, en kan door twee groote en drie kleine spieren aan iedere
zijde in alle richtingen bewogen en voor de meest verschillende
verrichtingen, vooral voor het betasten van allerlei voorwerpen,
gebruikt worden. Onder den staartwortel ligt een muskusklier, welker
afscheidingsproduct een buitengewoon sterken reuk verbreidt.

Tot dusver kent men slechts één geslacht, dat tot deze onderfamilie
behoort, en hierin twee, in Zuid-Europa levende soorten: de eene
bewoont de Pyreneeën en de hiermede verbondene gebergten; de andere
is in Zuid-Rusland inheemsch. De eerstgenoemde, de _Bisam-spitsmuis_,
de _Almizilero_ der Spanjaarden (_Myogale pyrenaica_), is een dier
van 25 cM. lichaamslengte, waarvan ongeveer de helft voor den staart
gerekend moet worden.



De _Desman_ of _Woechoechol_ (_Myogale moschata_, afgebeeld op p. 269),
onderscheidt zich van de vorige soort o.a. door zijn grootte, want
zijn lichaamslengte kan wel 42 cM. bedragen, als men den 20 cM. langen
staart mederekent.

De Desman bewoont het zuidoosten van Europa en wel hoofdzakelijk de
stroomgebieden van den Wolga en den Don; hij komt echter ook in Azië
voor, n.l. in Boekharijë. Zijn leven is aan het water verknocht; niet
dan hoogst ongaarne onderneemt hij kleine reizen over land om van
de eene beek naar de andere te komen. Overal waar hij aangetroffen
wordt, is hij veelvuldig. Zijn levenswijze is zeer eigenaardig en
gelijkt op die van den Visch-otter. Hij brengt de helft van zijn
leven onder den grond, de andere helft in 't water door. Stilstaand
of langzaam stroomend water, omsloten door hooge oevers, waarin hij
zich gemakkelijk gangen kan graven, lachen hem het meest toe. Hier
vindt men hem, eenzaam levend of bij paren, in grooten getale.

Uitmuntend geschikt tot het zwemmen en duiken, brengt de Desman een
groot deel van zijn leven in 't water door. Zijn voedsel bestaat uit
Bloedzuigers, Wormen, Waterslakken, Muggen, Watermotten en larven van
andere Insecten. Hoe plomp en onbeholpen hij ook schijnt, toch is hij
zeer behendig en vlug. Zoodra het ijs opengaat, ziet men hem bij den
oever onder het water tusschen de riethalmen en andere waterplanten
rondloopen, zich naar alle richtingen draaien, met snelle bewegingen
van de slurf allerlei dieren opzoeken, en dikwijls, om te ademen aan
de oppervlakte komen. Hoe veelvuldig dit dier is, blijkt hieruit,
dat men voor zijn vel, dat tot het omzoomen van mutsen en andere
kleedingstukken dient, slechts weinige centen betaalt.

_Pallas_ is de eenige natuuronderzoeker, die mededeelingen heeft
gedaan over het leven van dit dier in den natuurstaat; tevens heeft
hij over de levenswijze der gevangen dieren berichten gegeven; in
de gevangenschap houden zij het echter slechts kort uit, zelden
langer dan drie dagen. Zoo aangenaam het gevangen dier is door
zijne beweeglijkheid en levendigheid, zoo onaangenaam is het door
de muskuslucht, die het verbreid; deze is zoo sterk, dat zij niet
slechts het geheele vertrek vervult, maar ook overgaat op alle dieren,
die den Desman als voedsel gebruiken.

Zoomin Half-apen, als Vleermuizen, of Insecteneters, maar met
eigenaardigheden van al deze diergroepen voorzien, hebben
de _Huidvliegers_ vertegenwoordigers van een afzonderlijke
familie (_Galeopithecidae_), die slechts één geslacht bevat
(_Galeopithecus_), den onderzoekers voorlang reeds veel hoofdbrekens
veroorzaakt. Tengevolge van de onzekerheid der dierkundigen, heet de
meest bekende soort van deze diergroep ook nog wel _Vliegende Aap_,
_Vliegende Maki_, _Vliegende Kat_, _Wonderbaarlijke Vleermuis_,
_Vleermuis met behaarde Vlieghuid_ enz.

De Huidvliegers zijn dieren met een slank gebouwd lichaam, van
de grootte van een Kat, hunne middelmatig lange ledematen zijn aan
elkander verbonden door een breede en dikke, aan weerszijden behaarde
huid. Hunne vijf teenen hebben terugtrekbare klauwen; de duim kan
niet aan de overige vingers tegenovergesteld worden. De korte staart
is mede in de "fladderhuid" opgenomen. De kop is betrekkelijk klein,
de snuit zeer verlengd, de oogen zijn middelmatig groot, de ooren
behaard en klein. De "fladderhuid" is geen vlieghuid, maar slechts
een valscherm, waardoor de valbeweging vertraagd en het dier dus
gedragen wordt, gedurende zijn groote sprongen. Met de vlieghuid
der Vleermuizen heeft dit orgaan dus geen overeenkomst. Het is een
voortzetting van de huid, die den romp bekleedt, begint aan den hals,
is met de voorpooten verbonden, omzoomt deze tot aan de hand, strekt
zich, overal ongeveer even ver voorbij den romp reikend, tot aan de
achterhanden uit en loopt van hier tot aan de spits van den staart.

De _Kagoeang_ of _Koebin_ der Maleiers (_Galeopithecus volans_) bereikt
een totale lengte van 60 cM., waarvan 11 of 12 cM. voor den staart
gerekend moeten worden; op den rug is hij dicht, op de voorarmen echter
dun behaard; de okselstreek en de zijden van het lichaam zijn kaal. Aan
de bovenzijde is hij bruinrood, aan de onderzijde een weinig doffer
van kleur; in de jeugd is de kleur van de bovendeelen bruinachtig
grijs, die van de zijden donkerbruin; op elken leeftijd echter zijn
de ledematen en de fladderhuid met lichte vlekken geteekend. Wanneer
men mag aannemen, dat de verschillende vormen, die onder den naam
_Galeopithecus_ beschreven zijn, alle tot één soort behooren, omvat
het verbreidingsgebied van deze soort de Soenda-eilanden, de Molukken,
de Philippijnen en het Maleische Schiereiland tot aan Tenasserim.

Verscheidene reizigers, te beginnen bij _Bontius_, die misschien
met een der door hem genoemde dieren den Kagoeang bedoelt, hebben
van dit dier melding gemaakt; geen hunner heeft echter, voor zoover
mij bekend is, zijn levenswijze uitvoerig beschreven. Aan _Junghuhn_
is het volgende bericht ontleend: "Wij hoorden slechts één gekrijsch,
dit klonk echter zoo vreemdsoortig en zoo angstig, dat wij aan het
geschreeuw van een kind of aan het gekerm van iemand, die een ongeluk
gekregen had, dachten. Akelig en wanhopend weerklonk het van tijd
tot tijd door den stillen nacht; de Haranen schoven dichter bijeen
rondom de wachtvuren; de vrees voor spoken deed hun vroolijk gesprek
verstommen. Weldra echter werd het geheimzinnige verschijnsel voor
ons ontsluierd: de geest of de verongelukte, wiens stem op een uit
de verte komend, angstig geschreeuw geleek, vertoonde zich aan ons
en zweefde langzaam over onze hoofden heen. Het was een Huidvlieger,
die, terwijl hij zich van den eenen boom naar den anderen begaf,
van tijd tot tijd zijn afschuwelijk krijschend geluid liet hooren."

De scherpe klauwen stellen dit dier in staat om behendig te klimmen;
hij gaat om vruchten te plukken en Insecten te zoeken in de boomen
tot hij den top bereikt heeft, en zweeft dan in schuinsche richting
naar een anderen boom; bij deze beweging herinnert hij, naar Von
_Rosenberg_ opmerkt, aan een vlieger. Terwijl hij gaat of klimt,
is zijn valscherm een weinig samengevouwen en tegen het lichaam
aangelegd, zoodat het de beweging niet bemoeilijkt. Als hij zich van
zijn valscherm bedienen wil, loopt hij naar den top van een tak, doet
van hier uit een krachtigen sprong, strekt in de lucht alle ledematen
uit en zweeft nu langzaam van boven naar onderen over tusschenruimten,
die, naar men zegt, niet zelden 60 M. bedragen. Nooit verheft hij
zich _boven_ de plaats, van waar hij is afgesprongen, altijd _daalt_
hij langs een vlak met betrekkelijk geringen hellingshoek naar beneden.

_Wallace_ zag dit dier op Singapore en Borneo, overvloediger echter op
Sumatra in de omstreken van Palembang. "Het is," zegt hij, "traag in
zijne bewegingen, althans over dag; bij het beklimmen der boomen gaat
het slechts eenige voeten achtereen voort en houdt dan een oogenblik
stil, als ware het vermoeid van den arbeid. Gedurende den dag is
het doorgaans in rust, vastgeklampt aan de stammen der boomen. Zijn
olijfkleurige of bruine vacht, besprenkeld met onregelmatige,
witachtige vlekken, gelijk volkomen op de kleur van een met mos
begroeiden stam, en strekt dus zonder twijfel tot bescherming van
het dier. Eens, bij heldere schemering, zag ik een dezer dieren op
een tamelijk open plaats tegen een boomstam oploopen, en vervolgens
in schuinsche richting door de lucht naar een anderen boom zweven,
dien het nabij het ondereind bereikte, en waarin het onmiddellijk
begon op te klimmen. Ik paste den afstand tusschen de beide boomen af,
en bevond, dat deze omstreeks 210 voet bedroeg; daarentegen schatte
ik het bedrag der daling slechts op 35 à 40 voet; deze is dus minder
dan één op vijf. Dit bewijst, naar het mij toeschijnt, dat het dier
eenig vermogen moet bezitten om zich in de lucht te sturen, daar het
anders bij zulk een verren afstand geringe kans zou hebben om juist op
den stam terecht te komen. De _Galeopithecus_ voedt zich met bladen,
heeft een zeer omvangrijke maag en lange, ineengekronkelde darmen. De
hersenen daarentegen zijn zeer weinig ontwikkeld; de staart dient
het dier waarschijnlijk om zich gedurende den maaltijd nog beter
vast te houden. Het onderscheidt zich door zulk een taai leven,
dat het bijna niet mogelijk is, het door een der gewone middelen
van kant te maken. Men zegt, dat dit dier slechts één jong werpt,
en mijn eigene waarneming bevestigt deze bewering; want ik schoot
eens een wijfje met een zeer klein blind en naakt schepseltje aan
haar borst geklampt; het was geheel kaal en sterk gerimpeld, zoodat
het mij de jongen van Buideldieren in het geheugen riep, tot welke
het in enkele opzichten een overgang schijnt te vormen. De vacht,
die zich van den rug over de ledematen en het vlies uitstrekt, is
kortharig, maar uiterst zacht; haar samenstelling gelijkt op die van
de Chinchilla-vacht." Het vel wordt deswege als pelswerk hoog geschat.

Op den bodem beweegt dit dier zich met moeite en op een onbeholpen
wijze. _Jagor_ kreeg op Samar, een van de Philippijnen waar de
Huidvliegers niet zeldzaam zijn, een levend wijfje met haar jong. "Het
scheen een onschadelijk, onbehendig dier te zijn. Toen het van zijne
banden bevrijd was, bleef het op den bodem liggen, alle vier ledematen
zijwaarts gestrekt, zoodat de buik op den grond rustte, en bewoog zich
vervolgens met korte, logge sprongen, zonder zich daarbij op te heffen,
naar den naastbijgelegen wand, die uit geschaafde planken bestond. Toen
de Kagoeang daar aangekomen was, tastte hij lang met de binnenwaarts
gekromde, scherpe klauwen van zijne voorpooten rond, tot het hem
eindelijk duidelijk werd, dat het hem onmogelijk zou zijn op deze
plaats omhoog te klauteren. Zoodra het hem gelukt was, in een hoek,
of door gebruik te maken van een toevallig aanwezige spleet, eenige
voeten omhoog te klimmen, viel hij weldra weer naar beneden, omdat hij
het betrekkelijk veilige standpunt van zijne achterpooten liet varen,
voordat de klauwen van de voorpooten een nieuw aanhechtingspunt hadden
gevonden; de val veroorzaakte hem echter geen leed, daar de schok
door de snel uitgespannen vlieghuid gebroken werd. Het dier had zijne
vergeefsche pogingen zoo vaak herhaald, dat ik er niet verder op lette,
en--na verloop van eenigen tijd was het verdwenen. Ik vond het in een
donkeren hoek onder het dak terug, waar het waarschijnlijk den nacht
wilde afwachten om de vlucht verder voort te zetten. Blijkbaar was
het er in geslaagd den bovenrand van het planken beschot te bereiken
en zijn lichaam tusschen dezen rand en den vast daarop liggenden,
veerkrachtigen, van bamboes gevlochten zolder heen te wringen. Het
arme dier, dat ik voorbarig voor dom en onhandig had gehouden, had
dus in de bestaande omstandigheden de grootst mogelijke behendigheid,
schranderheid en volharding getoond."





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Het Leven der Dieren - Deel 1, Hoofdstuk 05: Robben; Hoofdstuk 06: Insecteneters" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home