Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Over literatuur - Critisch en didactisch, tweede bundel
Author: Campen, M. H. Van, 1874-1942
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Over literatuur - Critisch en didactisch, tweede bundel" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



OVER LITERATUUR

Critisch en Didactisch

van

M.H. VAN CAMPEN


TWEEDE BUNDEL


       *       *       *       *       *


Aan de Nagedachtenis van
Mr. Jacob Nicolaas van Hall



       *       *       *       *       *

I CRITISCH

       *       *       *       *       *


OUDE EN NIEUWE JOODSCHE DICHTKUNST [p.1]


NAAR AANLEIDING VAN EN OVER JACOB ISRAËL DE HAAN'S HET JOODSCHE LIED


I


Zoo ik nu in den aanhef van dit opstel het Sjir ha-Sjirim van Salomo
de zon aan den hemel van Israëls letterkundig genie heet, dan zult ge
het allicht een slecht omen noemen, dat ik mijn geschrift met een zoo
weinig, want zoo veel, zeggende phrase begin. Ik weet dit en toch ...
wat rest mij anders.... Indien gij den dag van dit volk overschouwt--en
diens uren zijn honderdtallen jaren!--en ge ziet elk licht achter zijner
paleizen vensters en op zijn pleinen verbleeken voor dien gloed, het
licht van den Psalmist in den pas dagenden morgen, als een alleenzame
bidlamp boven het hoofd der in gebed worstelenden en verzonkenen; de
glans der luchters, die een Jesja'ja in den middag ontstak, een telkens
weer schichtdreigende, doch zich ook telkens weer verzachtende en milde
glans, als die van vermanende, maar lievende oogen; de roode vlam-kreten
van Jirmejahoe's waakvuren, tegen den avond ontstoken, schimmend en
schijnselend over de flikkerende speren en zwaarden der naderende
verwoesters en ze al kleurend met bloed vóór het bloed. Als ge dit alles
overheerscht [p.2] ziet door dat hemelwijde licht, hoe zoudt ge dit dan
anders dan een zon kunnen heeten. Maar bovenal, hoe begrijpt ge dan, dat
die overheersching toch alleen mogelijk is, niet slechts omdat het licht
van het Hooglied de hoogste krachtsuitdrukking al dier andere glansen
is, maar ook, en vooral, wijl het tevens van dezelfde natuur en
essentieele samenstelling is. Laat bij beurte al dien glans door het
scheidend prisma van uw critischen geest op den donkeren wand van uw
diepste gevoel vallen en zie: van alles blijkt het hoogst-geestelijk
spectrum één.... Overal is het de hoogere, en een gloedende, lyriek;
overal zijn het de kleuren der stralende metaforen; overal de
lichtbanden eener nergens onderbroken zielsmuziek. Maar toch, nergens
zoo rijk, zoo fèl aanwezig als in de afstraling van het Hooglied. Hoe is
hier op verwonderlijk-eenende wijze de zoetste aardsche liefde aan de
mystieke extase gehuwd. Welk een roes der zinnen en welk een
doorgeestelijktheid.... Wat zou het ook anders dan een zon kunnen zijn,
die hièr de bloembedden van Sjaron's geurende rozen en spelemeiende
gelieven verheerlijkt, ginds, en tegelijkertijd, door de boogramen der
aloude tempelgewelven de schemering goudelend komt verrijken, en met "de
kus Zijns Monds", de mystieke aanraking van zijn in sluier van licht
verborgen Oerlicht, de Cheroebiem en de Arke, de voorhangen en de
altaren omgloriet....--Laat ons dit dan begrijpen en vaststellen, dat
dit Lied der Liederen de maatstaf aller Joodsche lyrische kunst moet
zijn, want dat dit Lied, boven alles, de meest wezenlijke bestanddeelen
van het Joodsch, dichterlijk genie omvat. Het antieke Israël bevond zich
toen het werd geschreven, in het zenith zijner grootheid, ongedrukt,
vrij van alle beënging; het kòn zich geven en het gaf zich in de
bloeiende naaktheid eener jeugdige ziel die nog niet de lidteekenen van
schandelijke wonden behoeft te verbergen. Het zong uit in dit lied heel
de zinnelijkheid maar ook heel het extatische godsverlangen van zijn
Oostersch hart; het schiep in dezen zang beelden na beelden, want zijn
jonge ziel was vol liefde en de eenheid der dingen lichtte voor haar;
het dompelde de woorden in een ambrosia van zoetheid en van streeling;
er is een vleien en een lokken, er varen melodieën, [p.3] er zuchten
weggekuste fluisteringen in dit Hebreeuwsch, als ik nooit elders
klank-vereeuwigd heb gevonden. En er is ook een uitbundigheid in, die,
hoog den godenbeker heffend, den deinzenden eenvoud in 't gezicht lacht
... een pralende rijkdom, zóó rijk, dat hij zich zelfs der schamelheid
van een enkelen rhetorischen smuk niet schaamt.[1] En als later, in de
diaspora, na de wreede, met stomheid slaande overheersching der Gothen,
de intocht van het Arabische broedervolk in Spanje voor Israël een
gelukkiger tijd laat dagen, dan klinkt wel uit nieuwe monden een nieuw
lied, maar waarin, zij 't meest flauwer, toch weer al de oeroude
eigenschappen der bijbelsche dichtkunst fonkelen. Hoe verscheiden de
twee allergrootsten van dat tijdperk ook mogen zijn, diè eigenschappen
hebben zij gemeen. De eerste van beiden, naar den tijd niet alleen, maar
ook mijns inziens naar de diepte en hoogte zijner bloedende
menschelijkheid gemeten: Aboe-Ajoeb Soleiman ben Jacha Ibn Gabirol, een
worstelaar met de eigen ziel, een diep-in-gespletene, als wijsgeer
hartstochtelijk-strevend naar een religie-vrije onafhankelijkheid van
denken, telkens naderend dan het pantheïsme, telkens echter ook weer
deinzend voor de consequenties daarvan,[2] maar als gemoedsmensch [p.4]
en als dichter met hart en ziel Jood[3]--hij heeft religieuse zangen
gedicht, zooals het vermaarde Keter Malkoet, waarin een zelfde
beeldenrijkdom, een zelfde gloed en uitbundigheid, een niet mindere
weidschheid van conceptie en voorstelling als die der antieken herleven.
Ja zelfs heeft hij, de hevige hater en hartstochtelijke beminnaar, de
stug in zich-zelf beslotene en van een mateloos zelfgevoel vervulde,
iets van het uit twijfel geboren opstandige van den Kohelet hooger
opgevoerd, en in zijn messcherpe satyre herkent men--o, onloochenbare
rasgemeenschap over een afstand van eeuwen!
--den--grooteren!--stamgenoot van Heinrich Heine[4], terwijl [p.5] de
tweede groote dichter van dat zelfde tijdvak: Aboe-'L-Hassan Jehoeda
ha-Levi, in tegenstelling met zijn voorganger eene uiterst harmonische
natuur, die niet als gene de bittere tweespalt tusschen denken en voelen
kende, in zijn lyriek niet minder het complex van de eigenschappen der
antiek-Joodsche dichtkunst vertoont, zóó zeer, dat sommigen hem, als
dichter en Hebreeuwsch stylist, slechts één meenden te kunnen gelijken,
den onsterfelijken Jesja'ja.[5] En [p.6] deze eigenschappen nu, de meest
essentieele en kenmerkende, zoowel der bijbelsche als na-exilische
Joodsche kunst: de uitbundigheid, de pralende beeldenrijkdom, de
zielsmuziek, zij zouden niet gelijk het geval is, in Israëls diepste
volkspsyche moeten wortelen--als trouwens in die van alle Oostersche
volken in tegenstelling met de Westersche, in wier wereldgrooten alleen
zij zich voornamelijk toonen--zoo gij ze niet in die andere harer
hoogste uitingen, in den aard van haar bespiegelend denken terugvondt.
Nochtans, ik vermoed, dat gij er bezwaar tegen hebt, uit den tuin der
lyriek naar de studeercel der wijsbegeerte te worden gevoerd. En ik weet
dit te billijken. Zij het U en mij dan voldoende, zoo ik uwe aandacht
vestige op slechts één feit: het antieke Israël heeft de wijsbegeerte
niet gekend, zijn contemplatie van Godheid, Ik en Wereld uit zich alleen
in de boekstavingen der spreukmatige wijsheid. Dit, men zal het
gemakkelijk inzien, is voor hetgeen ik bewijzen wilde van het grootste
gewicht. Immers de wijsbegeerte, dat is de zich uit axiomata en in
syllogismen geleidelijk ontwikkelende gedachte, verhoudt zich tot de
spreukmatige wijsheid als de zich vrijwillig beperkende tot de eene
alzijdsche vrijheid verkiezende; als de omzichtige en eenvoudige tot de
sierlievende uitbundigheid; als de droogstemmige en koude abstractie
[p.7] tot het zingende en warme concrete. Wel pogen beide den top van
wijsheids bergketen te bereiken, maar de een begaat den tocht als een
wetenschappelijk geschoolde bergbeklimmer, de rugzak vol instrumenten,
de bijl in de hand, waarmee hij voorzichtig trede na trede hakt; de
ander als een gems, huppelend over de rotsblokken, springend over de
afgronden; de een in zijn moeilijk voortschrijden vol van het
bewijstzijn, dat de geringste misstap hem in den afgrond kan doen
vallen, de ander dartelend aan den rand der gevaren en heerlijk-blij in
zijn goudbruine oogen en op zijn tartend gewei, de vonken van Gods zon
te mogen vangen, als de ander zich beklaagt, dat die verblinding hem
hindert en zijn gletschertreden glibberig maakt.--Nóg beteekenisvoller
dan dit lijkt mij het feit, dat ook in den na-exilischen tijd het
Joodsch genie geen oorspronkelijke wijsbegeerte kon produceeren. Schalke
luim van het lot: het volk, dat Athena vol-wassen en krijgswaardig
toegerust uit het hoofd van zijn hoogsten god zag treden--welk een
vleiend symbool voor de spreukmatige wijsheid, welk een negatie van de
zich geleidelijk-ontwikkelende wijsgeerige gedachte!--heeft aan het
volk der Spreuken de wijsbegeerte geleerd! Op de Grieksche
philosophie rust de Joodsche.--Als nu, wat ik heb gezegd, de waarheid
omtrent deze dingen is--en zij is het--; als ook de meer moderne
Hebreeuwsche en Jargon-dichtkunst[6] de juistheid daarvan komt
bevestigen; indien wij derhalve gerechtigd zijn te concludeeren, dat de
Westersche lyricus, die gene uitbundigheid, dat rijke metaforisch
vermogen en die ziels-muzikale stem mist, daardoor alleen toont geen
zeer groot dichter te zijn,[7] maar dat de Joodsche zanger, wien ze
ontbreken, daardoor [p.8] tevens blijk geeft diepst-psychisch van eigen
ras te zijn vervreemd--hoezeer is het dan niet te betreuren, dat de
eerste Joodsche dichter, die in Nederland zijn kunst aan zijn ras wijdt,
helaas grootendeels deze eigenschappen ontbeert, helaas dus een zoo
ón-Oostersche, een zoo ón-Joodsche kunstenaars-psyche vertoont.
Oostersche uitbundigheid? Zij is hem vreemd, ja, wij mogen wel zeggen,
dat hij haar gering schat, hij is een eenvoudige, wien wij soms niet
dan euphemistisch aldus mogen noemen en voor wien dan de naam schamele,
naar onze meening, beter passen zou. Rijkdom aan beelden, aan metaforen?
Niet één herinner ik mij uit zijn bundel, dat wil dus zeggen: zéker
heeft niet één mij verrukt. Dit vermogen, niet slechts, zooals ik reeds
zei, door alle Oostersche volken bezeten, maar door de allergrootste
dichters van àlle tijden en àlle landen met zooveel liefde als een van
hun hoogste krachten gekweekt--men leze en her-leze bijv. Shelley's
meening daarover én die van Lord Bacon, d.t.p. door hem
aangehaald[8]--hij bezit het niet. Zielsmuziek, dat hooger-melodieuse?
Ja, sòms in zijn allerbeste oogenblikken, maar ach, maar ach, hoeveel
verzen zijn er ook niet van een verbrokkeld en knoeierig metrum, verzen
door een hortend en stootend rhythme tot rijmklankige prozabrokjes
versplinterd. Stel dezen eersten Zionistischen dichter naast den
niet-Zionistischen Querido en nog niet eens naast den schrijver,van
Saul en David, maar naast dien van den Hartjesdag in De Jordaan, en
vraag u af bij wien 't meest de essentieel-Oostersche, de Joodsche
qualiteiten blijken. Stel hem naast Heyermans.... Stel hem naast
Goudsmit en nog niet eens naast dien van het innige Joodsche werk, maar
naast, bijvoorbeeld, den schrijver eener lyrische critiek op Mevr.
Holst's Opstandelingen en vraag u hetzelfde af.... Vergelijk hem met
Canter ... En gij zult gevoelen: of deze vier het wìllen zijn of niet,
naar hun hoogste en naar hun lagere psyche, in hun deugden en hun
gebreken, zijn zij Joden,[9] [p.9] en of de Haan het ook met zijn
heele hart en ziel wìl zijn, hij blééf naar zijn hoogste psyche, slechts
een naar het Joodschap verlangende. Te betreuren noemde ik dit, niet
alleen om hemzelf--al ware 't alleen om hem, het zou reden genoeg zijn,
want al het andere reeds genoemde daargelaten, welk een tragische
tweespalt is er hier niet tusschen de lagere, Joodsche, en de hoogere,
de scheppende, niet-Joodsche individualiteit--; ook niet slechts om
zijne Nederlandsche rasgenooten, want ten slotte, wat dezen betreft: een
ras of rasgroep krijgt ook den dichter, dien het verdient--; maar vooral
om het niet-Joodsche Holland. Want ware ik een Arisch instede van een
Semitisch Nederlander, ik zou voorzeker eens het volgende hebben gezegd:
"Joodsch-Hollandsche kunstenaars, mìjn ras, begrijpt het wel, maakt geen
aanspraak op de dankbaarheid van het uwe; het huisbakken grofheidje van
dat gij mijn gast en ik uw gastheer zou zijn, ik dènk er niet aan, het
te herhalen. Uw volk hier te lande, zich uitend door uwe grootsten, een
Israëls, een Heyermans en een Querido, het heeft met daden getoond, den
grond en de hemelen van Holland, zijn volk en zijn zee lief te hebben
met zùlk een liefde als men niet voor het huis eens liefsten gastheers
voelt, maar slechts voor eigen erf. Zoo erken ik, mijn land is uw erf
gelijk 't het mijne is. Maar toch, schoon het mij niet past, hierover
uit te weiden, deze ééne maal zij 't gedaan ... aarzelend ... om uwent-
en mijnszelfs wil: had dit alles ook niet anders kunnen zijn? Waren onze
vaders hier niet eeuwen vóór de uwe? Overvleugelt ons tal niet met
millioenen het uwe? En nochtans ... als eens uw meest-grootsche verleden
U onweerstaanbaar zal roepen en ge weer in 't aloude Kena'an wonen zult,
zal dan uw ras één land van al de landen, waarin het de eeuwen door
heeft gewoond, zoo zonder eenige bitterheid [p.10] kunnen gedenken als
het mijne? Zoo weet ik: uw genegenheid zal ons eeuwig zijn. Welnu, zorg
gij dan, dat ook onze lievende heugenis aan U een eeuwige zij. Hoe? Door
U-zelf, een kind van uw ras te wezen. Als gij dan zult zijn
heengetrokken en mijn Volk zal, in de toekomende eeuwen, op Holland's
hooge dagen, de juweelschrijnen openen van zijn taal, dan zullen geburen
en vrienden vragen: "Wie schonk u deze vreemde sieraden, die toch
voorzeker exotisch zijn, niet-Westersch is ook immers in vele de
mengeling van verheven schoonheid en gebrekkige leelijkheid. Hadde een
Groote, van welk ras hij zij, ze gemaakt, ik zou de laatste missen, doch
hadde een kleiner Wèsterling ze gewrocht, de eerste ware veel geringer."
En het zal antwoorden met een stillen glimlach: "Deze schonk mij een
vriend, die vele jaren bij mij woonde en vele kunstvaardige zonen had;
eendracht zegende onze verscheidenheid; de een overheerschte den ander
niet; hij achtte mij niet gering om mijn koele soberheid en
zelfbeteugeling, ik hem niet om zijn praallievende onstuimigheid. Zoo
werkten wij, ieder naar eigen diepsten aard, en vulden deze schrijnen,
tot ons beider verlustiging. Hij liet ze mij toen hij ging.... Wanneer
ik ze zie, gedenk ik zijner, mijn vriend, die nu onder de palmen en bij
de olijfbosschen woont".--Evenwel, wanneer gij niet een kind van uw ras
zult willen of kunnen zijn; zoo gij met het groot assimilatie-vermogen;
dat gij ongetwijfeld bezit, ons tot in onze scheppende eigenschappen
zult navolgen en met het ontleende het ras-eigene bedekken, of het
ras-eigene niet eens meer bezitten zult en ons nochtans ietwat als zoon
van uw volk zult schenken, zoodat toch een ieder zal weten, dat dit het
geschenk van een Jood, van een Oosterling was, dan zal mijn volk, als
het in de komende eeuwen zijn vrienden en geburen de kleinoodiën toonen
zal, die gij het liet, voorzeker het smartend antwoord hooren: "Deze
goudsmeedkunst is als de uwe! Uw vriend moge een innige en lieve vriend
zijn geweest, een zwak kunstenaar lijkt hij mij zeker; had hij geen
eigen aard? Had hij den aard zijner vaderen verloren, of hebt ge hem
dien verdrukt, of hebt ge hem dien ontvleid?" [p.11] Dan zal mijn volk
zich schamen om U èn zijn onverdienden smaad en het zal pogen, U niet
meer te gedenken. Weet dit en kies dus"....

Zóó zoude ik gesproken hebben indien ik een Ariër ware. Maar gij schudt
't hoofd en lacht en, àch, ik begrijp U: dezen eenen keer, dat ge in des
dichters beoordeelaar zijn rasgenoot wildet hooren, verdiept deze zich
zonderlinger wijze in den wonderen droom, dat hij een Ariër is! En
voorwaar, ge hebt gelijk: dèze uitbundigheid loopt niet slechts de
Hollandsche spuigaten, maar zelfs die van Haifa en Jaffa uit!



       *       *       *       *       *



II


In alle kunst, ook de hoogste, is de kracht van des scheppers
sentimenten en gedachten de primaire oorzaak van alle
schoonheid--hetzij die kracht zich uite als innigheid, hetzij als
heftigheid of als scherpzinnigheid; zoodra zij een zekeren graad
overstijgt, gevoelen wij hare aanwezigheid als die eener aesthetische
waarde--doch in de lagere kunst is zij de eenige daarvan, daar wordt
zij namelijk vaak een ijverzuchtige godheid die, den tempel der taal met
haar aanwezen vullend, geen ander god naast zich duldt, en dàn:
verhindert zij het verschijnen der hóógste schoonheid daarin. Ik zal
later in dit opstel aantoonen, ten eerste, dat deze scherpe
scheidingslijn tusschen hoogere en lagere kunst in waarheid bestaat en
waaruit zij blijkt; ten tweede, dat de productie van onzen dichter tot
heden grootendeels tot de laatste behoort; maar zoolang ik dat niet
zal hebben gedaan, gelieve de lezer toch wel in 't geheugen te houden,
dat dit mijn meening is, een meening, waarmede de lof dien ik zoo
gelukkig ben dezen kunstenaar te kunnen brengen, nìet in strijd is. Nu
is het wel is waar een feit, dat blijkens diens vroegere, mij bekende
werken, Pathologieën en Libertijnsche Verzen, het zuiver-individueel
sentiment van onzen auteur geen bijzonder hooge mate van kracht bezat en
ofschoon in het eerstgenoemde werk zijn denken die wel [p.12]
bezit--zich uitend in een vaak scherpzinnige redeneerkunst--wordt het
ons toch spoedig duidelijk, dat met de aan van Deyssel's Adriaan
ontleende stijlvormen van dit werk, ook een groot deel van de
genereerende kracht-zelve van dien Meester werd geborgd--een zeer
frequent verschijnsel overigens, in elk geval dat een kleiner kunstenaar
door de aan hem verwante psyche van een grooteren wordt verrukt
--terwijl de Libertijnsche Verzen wel aangenaam-en-curieus-om-te-lezen
maar vlak van een wel wezenlijk doch ònkrachtig en òndiep sentiment
blijken; zoodat, ware in dit alles geen verbetering ingetreden, zelfs
die uitsluitend door de kracht der sentimenten voortgebrachte
schoonheid, ook in dezen bundel niet al te overvloedig zou zijn aanwezig
geweest. Maar die heilzame verandering trad in, want anders en oneindig
beter werd het met den dichter èn prozaïst gesteld, toen hij zich aan de
bron der gemeenschap mocht laven, en zoowel door het wee der verdrukten
en ellendigen ontroerd, als zich bewust werd van de onverbrekelijke
saamhoorigheid met het ras waaruit hij was voortgekomen. Hierdoor rees
zijn sentiment in kracht en macht ver boven de zuiver-individualistische
stemmingssentimentjes van het meerendeel onzer hedendaagsche, kleinere
dichters uit. Want een stemmingssentiment--tot het bezit van een
fundamenteel-individueel sentiment brengen in dezen tijd de
kleineren het zelden of nooit--dat is maar een geurtje van één knopje
aan den menschboom, het ontstaat in den boom, straks bloeit en geurt er
een tweede, aanstonds weer een derde. Telkens als er een is uitgebloeid
en verwelkt, blijft de boom armer achter ... maar de
gemeenschapssentimenten, dàt zijn de fundamenteele, die ook de kleinere
in dezen tijd bezitten kan, zij ontstaan niet in den boom maar in de
aarde, waarin hij wortelt, zij stijgen in hem op en zich vermengend met
zijn wezen versterken zij dit blijvend. Hoe zou het verbloeien van
duizend zijner bloemen hem kunnen verarmen?... Hij drinkt en voedt zich
uit een onmetelijkheid. Geen andere omstandigheid dan deze is de oorzaak
van de zich telkens weer openbarende verjonging der socialistische
dichters in ons land, een Gorter, een Henriette Roland Holst, een [p.13]
Adama van Scheltema, al bewijst dit--ik geef het onmiddellijk toe
--niets voor het lot der kleineren, want het werk dezer drie behoort
nagenoeg geheel en al tot wat ik de hoogere lyriek heb genoemd.[10] En
voorzeker: de opzuigingskracht der wortels en of zij zoo trouw de
moederaarde omklemmen, dat niet elk windstootje uit den hoek van lust of
onlust hen ontwortelen kan--dat zijn ook factoren, waarmede men rekenen
moet. Maar overigens, dit zijn dingen, waarover de criticus der toekomst
spreken mag,--laat mij maar tevreden wezen met te boekstaven dat nu
althans onze dichter best zelf nog weet, wat de oorzaak is zijner
versterking en verrijking:

    Ik dwaalde graag door ijdel schoon bekoord,
    IJdel mijn lied tot dat mijn hart verstond
    Dat ik Dichter van mijn trotsch volk moet zijn.

En het is dan ook niets dan weer een andere vorm van het
gemeenschapssentiment, dat zijn proza van In Russische Gevangenissen
zoover als de hemel boven de aarde boven zijn vroeger proza heeft
verheven. Het is mijn taak niet over dien arbeid te spreken. Slechts dit
eene: om dat kleine werkje vooral heb ik den schrijver liefgekregen. Al
hadde hij niets anders waardevols geschreven, dàt zou zijn naam voor
vergetelheid bewaren. In eere en liefde zal ieder hem er om gedenken,
den moedige, inzichtige en goede. Zijn Hooger-Ik heeft voor immer daarin
de hand naar hem-zelf ook uitgestrekt; zoo hij steun mocht behoeven, hij
kan háár grijpen. En als zijn leven ook verder moet schrijden door de
dorten van leed en berouw--zijn Mozes sloeg ook voor hem op de steenrots
der barbaarschheid, hij drinke het zuivere water....--Is dus, zoo goed
als in dat werk, het gemeenschapsgevoel ook de oorzaak dat Het Joodsche
Lied hoogst waardevolle arbeid werd, deze omstandigheid had tevens tot
gevolg, dat [p.14] waar, zooals ik reeds heb gezegd, des dichters lagere
persoonlijkheid wel, maar zijn hoogere en scheppende niet het Jood-zijn
hervond, diè verzen voller van kracht en dus schooner moesten worden,
welke de meer concrete gevoelens der lagere persoonlijkheid
vertolken--zooals de herinneringen der jeugdjaren--dan gene, welke de
meer abstracte en meer zuiver-ideëele verwoorden, die eerder tot de
sfeer der hoogere persoonlijkheid behooren, zooals de nationale
toekomsthoop en onpersoonlijke historieele herinnering ze vormen. Op
de schoonheid der eerste wees ik reeds vroeger en waar ik dit nu toch
niet beter zou kunnen zeggen, mogen mijne woorden van toen hier worden
herhaald: "Zijn Joodsche Liederen, in De Gids van 1910 verschenen,
zijn van een zeldzame voortreffelijkheid. Het zijn juweeltjes van
stemming en zich-in-liefde-herinneren. Het zijn
verzen-met-geloken-oogen, in een diep-innerlijken droom verzonken en er
zich niet van bewust dat zij hun droom uitspreken, en gehoord worden
buiten zich." Maar ook wees ik toen reeds aan wat ik van minder gehalte
vond: "Het aan Het Joodsche Nationaalfonds gewijde gedicht in De
Beweging van deze maand[11] lijkt mij niet zoo uitmuntend. Het is dunkt
mij te onvrij van min of meer cerebrale, bedàchte, alledaagsche motieven
van nationalen trots en Zionistische toekomsthoop, die niet in de
dichterlijke conceptie en uiting verbijzonderd en verindividualiseerd
zijn." Deze meeningen zijn door het lezen van des dichters geheele
Joodsche werk slechts versterkt. Maar mede heb ik daardoor het klaarder
inzicht in de oorzaak van het verschil tusschen beide soorten van verzen
verkregen, zooals ik dit hierboven heb uitgezegd. Over de aanwezigheid
van dat verschil oordeele de lezer-zelf, al moet ik mij te dezer
plaatse, waar vele dezer gedichten verschenen, van veel citeeren, zooals
van zelf spreekt, onthouden. Een paar schoonheden dus slechts uit de
zeer vele en innige dezer persoonlijke-herinneringsverzen.

(Het einde van Groote Verzoendag):

[p.15]

      Avond. Met koortsig, huivrend hoofd omhuld.
      Bad ieder man zijn eigen doodsgebed
      Stervensbereid. Wie hoort de vale tred
    Des doods komend om onvergeven schuld?

    Maar neen. Wij allen onthulden het hoofd
      Zagen elkanders moede en verblijde oogen.
      God heeft ons uit den Dood in 't Licht getogen,
    In laatste dank worde zijn Naam geloofd.

    Naar ons licht huis. De onvaste voeten tasten
      Wankel in 't gaan. Vader en ik stilzwijgend,
      Met hart, dat snelt en bitteren mond hijgend
    Maar zielsverrukt door bidden en door vasten.[12]

(Uit Na de Paschen, II:)

    En elk jaar heugt schooner U de pracht der verleden jaren,
      Toen ik, jongste, mijn vragen deed,
    En hoorde vader ons den oud gewijden zin verklaren
      Van Drank en bittre beet.

    Hij sneed het kroonkruid, wij proefden wortel en blaadren bitter
      Maar aten snel van 't vruchtenzoet
    En dronken teedren wijn en staarden zalig in 't geschitter
      Van 't licht op feestlijk goed.[13]

En nu van de tweede soort een stukje (uit Verstrooiing):

    Wij waren herders. En wij werden slaven
      Van een trotsch koning in het wreede Egypte.
      Pyramiden bouwden wij, sfinxen, krypten
    Doodensteden met hijgend, hongrend draven.

    Maar toen: met tien Wondren togen wij uit,
      God lei de zee voor onze voeten droog.
      En dreef 't snel water der Jordaan omhoog.
    Een land vol melk en honing werd ons buit.

[p.16]
    Voor veldslaven hadden wij honderd volken.
      In steden en dorpen woonden wij rijk.
      Rustig heerschend. Ons aantal was gelijk
    Aan 't zand der zee en 't water van de wolken.

    Maar met de weelde kwam het ijdel dwalen
      Langs wegen, die Mozes niet heeft gekend,
      Gods Gezicht donkerde, toornend gewend
    Liet hij stormen van doodend onheil dalen.

Wel, het spijt mij, maar ik kan van zoo iets niet anders zeggen, dan dat
ik het een heel gebrekkig en gewrongen proza vind, dat vermoedelijk zoo
gebrekkig en verwrongen werd, omdat het rijmen moest en een vers wilde
zijn.... En is het tot hiertoe van historische herinnering vervuld,
nadat deze zich nog in een tweetal strophen van gelijke onwaarde als de
voorgaande heeft vermeid, wendt het gedicht zich naar de toekomst,
spreekt het de nationale hoop uit:

    Zullen wij keeren? Vriend, wat is 't verlangen,
      Naar 't Vaderland, dat ik in uw hart weet,
      In mijn hart voel, geen enklen dag vergeet,
    Dat onbedwingbaar zingt in mijne zangen?

    Zullen wij keeren? Worden wij landbouwers
      Op 't eigen veld, van dit wreed zwerven wij?
      Slaafsheid draagt zwaar. Maar altijd blijven wij
    Op nieuwe Toekomst de vaste vertrouwers.

Hiermede is het gedicht afgeloopen. Prachtig hoor: dat doet me goed aan
mijn Joodsch hart, en als dat hart nog traditioneel-geloovig ware, dan
zou het me nòg meer goed doen.... Maar eilieve, waar is nu eigenlijk het
aesthetisch schoon van dit vers en waar zijn de krachtige en diepe
gevoelens, die dit schoon hadden moeten veroorzaken. Zeker, de dichter
zègt, dat "'t verlangen ... onbedwingbaar zingt in (zijne) zangen," maar
maakt het geluid van zijn vers dat ook voor ons tot werkelijkheid?...
Komaan, lezer, neem de proef, neem een goed [p.17] gedicht van welken
grooten of kleinen dichter ge maar verkiest, neem, om 't u gemakkelijk
te maken, de door mij gecursiveerde gedeelten der zooeven geciteerde
jeugd-herinneringsverzen, verander daarin op zoodanige wijze de woorden,
dat ge den groveren zinsinhoud niet verminkt, maar daarentegen van
oorspronkelijk rhythme, van metrum, rijmklank niets laat overblijven,
en--ge zult u over het resultaat van uw vandalisme ontzetten: nagenoeg
alles van wat u verrukte of bekoorde is wèg. Maar neem nu dìt vers, maak
er gewoon fatsoenlijk proza van.... Welnu! wat verloort ge?... Niets. Ge
hàdt niets te verliezen!

Intusschen, haalde ik dit vers aan, ik deed het niet, om daardoor den
lezer een denkbeeld te geven van de algemééne waarde dezer gedichten van
de "tweede soort". Als zoodanig voorgesteld, zou dit niets meer of
minder dan een lasterlijke onjuistheid zijn. Ik wilde alleen zeggen: van
de jeugdherinneringsverzen daalt geen van alle tot dit peil.--Maar
overigens: er zijn zeer zeker geslaagde bij, zooals bijvoorbeeld
Bemoediging met dat telkens terugkeerende door zijn veel-evoqueerend
geluid aandoenlijke "Leitmotif":

    Eenmaal zal ons Volk Land en Stad behooren,
    Waar David koning is geweest.

en nog zooveel innigs. Maar andermaal: háált hun innigheid bij die in
menig van die heerlijk-schoone Sabbathliederen, bij, ten voorbeeld, dit:

    Al jeugd vergaat. Moeder, ik ben verdwaald,
      Mijn heete handen tasten in het duister.
      Moeder, ik wil weer terug naar den luister,
    Die van onzen heiligen Sabbath straalt.

Tenzij--tenzij dat geestelijk-zien der verre toekomstverschieten zich
een enkel maal mag verbinden aan de concrete jeugd-herinneringen en
dááruit beeldende en zingende kracht put, zooals in [p.17] Vreugde der
Wet, dat aanvangt met die als biddend opziende filiale verheerlijking:

    De handen van mijn Vader waren teeder
      En oud. Hij hief boven 't geheven hoofd
      Dat schoon symbool: palmentak rankgeloofd
    Met myrtentak, wilgentak en ceder.

Dan dit zacht murmelt als een peins-droomend kind, de oogen zien òp en
vèr, terwijl het droom-gebonden spreekt:

    Palmentakken, O Vader, in het Oost
    Beven die levend in de lichte zon.

Ten slotte zijn warm gevoel ook over het toekomstvisioen laat gloriën:

    Wij zwierven veel. En toch keeren wij weder
      Naar 't Heilig Land, waar milde honing vloeit
      Uit bonte bloemen. Waar de wijndruif gloeit
    En gouden appels rijpen aan den ceder.[14]


Er zijn echter nog groote schoonheden van anderen psychischen oorsprong
in dezen bundel. Zij bevinden zich op die plaatsen, waar de bloeiende en
geurende specifiek-Joodsche jeugdherinneringen doornomrankt,
doorndoorboord worden door het algemeen-menschelijk sentiment van
wroeging om begane zonden. Ik geloof niet, dat één mensch in Holland
zich zoo waarachtig, zoo schaamteloos-waarachtig heeft gegeven--ik bezig
natuurlijk dit woord "schaamteloos" uitsluitend ter kenschetsing der
mate van overgave, zonder daaraan eenige ethische waardebepaling te
verbinden--gelijk deze [p.19] dichter. Bij die hevige wroeging, bij dit
brandend berouw, hoe worden er de ikheidssentimentjes van de meesten
onzer decadenten onwezenlijk en lafjes bij. Hoor dit geluid:

    "Dat iedereen, dien 't hongert, hedenavond binnentrede
      Neme van 't heilig Feest zijn maat"--
    Mijn voet valt doodsvermoeid, o, kon ik keeren tot dien vrede,
      Der vromen toeverlaat.

    Mij walgt van aardschen wijn en eeuwig blijft voor mij gesloten,
      Weelde van het Hemelsch Gezin.
    Aanvaard uw heilloos lot, ziel, deel met uw minne genooten
      Uw onheilvolle min.

    Niet dezen Nacht en niet één Nacht, die volgt van woede of weelde,
      Stel als een schuldloos kind uw vraag,
    Geen antwoord is voor U, die lichtzinnig uw lot verspeelde.
      Dan 't eigen dof geklaag.

Lees ook dat laatste der Sabbathliederen, waar de oude vriend van des
dichters jeugd, de heilige Sabbath-zelve, hem aan het libertijnsch
banket komt manen, tot de idealen en het zuivere leven zijner jonge
jaren weer te keeren. O, mocht ik het citeeren, dit wonder-innige, dit,
schoon ook van diepste smart en martelenden tweestrijd volle, toch
bloeiend-bevallige gedicht.... Doch kan ik er aan denken? Het zou zeker
zes bladzijden van dit maandschrift beslaan!...--Evenwel, ook in deze
soort verzen is een daling te bemerken. Gaat het niet in dit opzicht met
dezen bundel als met het leven der menschen, een ènkele gelukkige
uitgezonderd? De jaren van den aanvang van een leven, zijn dat niet zijn
dichters, en de jaren van den ouderdom zijn die niet zijn rhetorici? Wat
de eerste hebben geprofeteerd, dat preeken de laatste; wat deze
hebben door-leefd, dat door-commentarieeren de andere; ach, hoe
waren deze schóón door kràcht, hoe werden gene léélijk door zwàkte; zij
herhalen en herhalend vergrauwen zij alle de scherpe, schitterende
punten van het "uiterste", waarin [p.20] de schoonheid straalde. Gaat
het niet met de wroegingsverzen in dezen bundel evenzoo? En uit een
zelfde oorzaak. De eerste zijn machtige en heftige, schoone en echte
verzen, de latere naderen bedenkelijk dicht de rhetorica. Die latere
zijn--laat mij exact wezen --vaak slechts ten deele de uiting van het
levend gevoel en ten deele de preekerige, koudere, soms huilerige
herhaling ervan. Het is waar, als ik aldus van die latere spreek, dan
heb ik vooral op het oog een gedicht als dat Aan Leo V. gewijd, een
gedicht van didactische natuur, en didactiek verleidt licht tot den
preektoon. Maar toch--het is ook vol van een verhulde arrogantie--en het
is waarlijk niet het eenige, dat daardoor wordt ontsierd--en dier
aanwezigheid is het beste bewijs, dat het heftige, levende
wroegingsgevoel, zooals dat in de vroegere verzen aanwezig was, en
daar, zooals ook noodwendig is, van zekeren deemoed werd verzeld, hier
niet meer bestond, want: diè wroeging èn arrogantie ... neen, samen gaan
die niet. De preekerige aanmatiging bestaat hierin, dat de dichter, op
grond van het feit, dat hij door het verlaten der Leer tot "zonde" kwam,
een jongeling meent te moeten vermanen, de Leer trouw te blijven opdat
ook hij niet tot zonde vervalle.[15] Wélk een arrogantie is dit en welk
een beschimmeld clericalisme bovendien! Kende onze dichter vrij groote
groepen van het jonge joodsche proletariaat, hoe zou hem zulk een uiting
berouwen.... Die honderden jongelui, met hun aandoenlijk streven naar
ontwikkeling, met hun reinen levenswandel, deze groote kinderen, van wie
het meerendeel geen flauw begrip van Leer of godsdienst heeft. Begrijp
toch Dichter, dat èlk ideaal, mits als zoodanig in waarheid door den
menschengeest gevoeld, hem beveiligt en opheft. Als de tijd één wrak
heeft gemaakt, dan sticht hij een ander. De tijd? Neen de
menschengeest-zelf! Want zooals de levenskiem van den vogel in het ei,
zich vleugels bouwt, zoo bouwt zich de ziel des menschen [p.21] haar
idealen.... Gij, Dichter, die den menschvogel ... een paar vleùgels
... áánpréékt....--Doch genoeg hiervan, liever wijze ik nog op een
andere schoonheid in dezen bundel, de verzen der Demonen. Deze oude
fantasmen heeft de dichter op zeer gelukkige wijze weer bezield, door in
hun evocatie het element van eigen zinnelijkheid te vervlechten. Alleen:
ik heb niet de reden kunnen ontdekken, waarom hij dien ouden demon, dien
armen Ketef Meriri zóó gruwelijk heeft verminkt. Want een horendrager
te zijn, mij dunkt, dat is al erg genoeg, doch een enkele horen te
wezen!...[16]



       *       *       *       *       *



III


Na nu aldus, naar ik hoop, de plaats en de waarde te hebben aangewezen,
welke dezen verzen mogen worden toegekend op hun eigen plan, dat dus,
enkele gedichten uitgezonderd, dat der lagere poëzie is, zij het mij
vergund de eigenschap te noemen, welke de hoogere lyriek van deze
onderscheidt. Die is dan mijns inziens geen andere, dan dat de hoogere
de kenmerken draagt van te zijn voortgebracht door een ziel, die
triomfantelijk en vrij hare sentimenten en gedachten te boven rijst, de
lagere daarentegen duidelijk doet blijken geboren te [p.22] zijn uit
eene, die in die gedachten en sentimenten bleef bevangen.

De triomfeerende ziel is als een zon, die boven een wolkenduister
landschap dagend, gulden zoomen van schoonheid aan die wolken maakt;
de onvrije ziel een zon, die, door de wolken verwonnen, onmachtig
blijft: het strijden en jagen van hun duistere gestalten, het vagen
hunner schaduwen over boomen en vaarten is de eenige schoonheid, die ge
ziet: de kracht der sentimenten en gedachten, zij laten de opkomst der
al te zwak-stralende niet toe.

De eerste is een Cyrano, die vechtend om zijn leven, met de schoonheid
zijner onbevangenheid, de schoonheid van zijn luchtigen lach, van zijn
tartend en dartel woord, van zijn absolute overheersching, de
toeschouwers tot jubel vervoert. Hij strijdt, ja, doch dàt lijkt maar de
bijzaak, tegelijkertijd echter dicht hij een lied, in woorden
en--bewegingen, één rhythme van oppermachtige triomfantelijkheid
doorstroomt àlles, en dàt, dàt schijnt wel voor dien goddelijken
schoonheidsdorstige de hoofdzaak....--De laatste is een log
zwaardvechter, die druipend van bloed en zweet om zijn leven vecht. Zijn
eenige schoonheid is zijn kracht, de massiviteit van zijn lichaam, van
zijn leden en spieren.

De lagere lyriek, zij wekt ons medegevoel en onze liefde op: wij
lijden en strijden mede met dezen zwaardvechter, wij worden duis-en
bewogen als deze wolken; maar de hoogere--zij alleen overstraalt en
verrukt ons.

       *       *       *       *       *

Vlei ik mij nu, te hebben doen gevoelen wat het onderscheid is en waar
de grenslijn ligt tusschen de hoogere en lagere dichtkunst, ik wensch
nochtans niet, wat ik heb gezegd in het vage van het bewijslooze betoog
te laten. Zoo kies ik dan, om aan verzen-zelf de bovengenoemde
eigenschap der hoogere lyriek te demonstreeren, één uit Verwey en een
uit Henriette Roland Holst. Met de kleinere zijde van beider
dichterschap toont onze dichter wel eenige verwantschap, en--die
ingetogenheid en eenvoud, waarnaar hij strééft, zijn bij de
laatstgenoemde volmaakt en overtreffen ver de zijne.

[p.23] Verwey's In Memoriam Patris. (Het vers is te lang, om het hier
in zijn geheel te citeeren en ofschoon het ongetwijfeld een ernstige
schennis is, er een deel uit te lichten, mòet dit nu wel. Vergenoege ik
mij dus met het schoone slot.)

    Daar zijn bloemen, mijn bloemen van zang:
      Zij spreiden een licht om zijn hoofd,
    Een schijnsel om lokken en wang,
      Dat nooit zal worden gedoofd--
    Goeden en grooten begraaft men zoo:
      Zij zijn licht in hun sarkophagen,
    Met een schijnsel van zangen en klagen
      Om het hoofd.

Ziet ge: vooral die door mij gecursiveerde regels vormen zulk een
gulden zoom van schoonheid om den donkeren nevel der herdenking.

Henriette van der Schalk. (Uit: Het Gelukzalig Leven van den Vrome).

    Want zijn hart leeft rustig niet onbewogen
    verheven boven 't armelijk bestaan
    van wie macht'loos te worden aangedaan
    voor verwinning aanzien hun onvermogen
    harten te voelen gespannen als bogen
    onder des levens geweldige aan-
    rakingen en hun dorheid een weerstaan
    noemen der zon waar zij als kracht op bogen.

    Maar 't zijne staat, te midden van de dingen
    niet als een rif, waartegen baren breken
    maar als een meer, dat berg van vlakte scheidt,
    de onstuimige wat'ren die 't binnen-dringen
    herrijzen uit die klare en diepe streken
    als effene stroomen vol statigheid.

Ziet ge: deze door mij gecursiveerde terzinen, die zijn die gulden zoom
van schoonheid, om het zwaar gewolkte der contemplatieve gedachte.

[p.24] Welnu, ik kan slechts herhalen: zulk metaforisch schoon wordt in
het werk van onzen dichter gemist.

Maar den Cyrano wenscht gij te aanschouwen, den man, die spottend en
dichtend om zijn leven vecht; ge wenscht nu die heel vrije, die zeer
koninklijke ziel te zien, die hare lenigheid en vrijheid nóóit
verliest; die te midden van den strijd, van de diepste vertwijfeling,
van de felste opstandigheid, blijft naar de schoonheid tasten èn:
haar grijpt.... Maar laast ge dan nog immer, in die onvolprezen
vertaling van Boutens, Omar Kayyam's Kwatrijnen niet? Scharten's
opstel bracht mij ertoe, U nog niet? Dàn zaagt ge ook niet den oneindig
dieperen, den grootsten Cyrano, dien wellicht ooit de wereld droeg. Zie
dan weer, éven:

    Ik ben een slecht slaaf--: waar is Uw genade?
    Mijn hart is nacht--: waar blijft Uw dageraden?
    Uw hemel kan ik winnen door mijn dienst:
    Dat's loon--: waar zijn Uw gunst en liefdedaden?

Dit is de lenigheid en de triomf van de schoonheid-grijpende ziel te
midden van den hartstocht der opstandigheid....--En dìt, vooral dìt, de
triomf van de lenige en vrije ziel die de schoonheid grijpt te midden
van het vertwijfelen aan den zin en de rechtvaardigheid van het leven:

    In donkren hoek van levens tuin verschrompeld,
    Door 't eenig-welig onkruid overrompeld,--
    O Hart, gelijk een rozeknop beklemd,
    En als een tulp in eigen bloed gedompeld!

Nu begrijpt ge 't: dàn slechts kan men zulk een groot dichter, zulk een
schepper van hoogere lyriek zijn, als niets de ziel weerhouden kan,
overal, op de moeizame steilten en verre hoogten der wereld bloemen van
schoonheid te plukken; het gevaar van den tocht, de gepijnde voeten, het
wildkloppende hart, alles een aansporing te meer om te gaan dáárheen,
daar troost, daar loon te vinden. Keert hij van daar terug--de zeldzame
bloemen die hij plukte verhalen heerlijk van zijn vreeselijken tocht....
En daalde hij ten afgrond, "overdekten hem machtige wateren", hij greep
de parel der schoonheid, en liet ze niet los; aanschouwt hij weer de
zon, hij wordt de louteraar en de smeder van haar goud....--

Dat ònze dichter nu, ofschoon hij die lenigheid en die vrijheid niet
kent, ofschoon hij geen triomfeerende maar een bevangen geest is, toch
in zijn beste verzen den zoom van het gebied van zulker hoogere zielen
lyriek heeft mogen betreden, dat heeft hij daaraan te danken, dat dàn
althans één uitgang van zijn kerker openstond, die waarvoor de muzikale
schoonheid den bevrijde wacht: in die beste verzen leeft het schoon
eener zoet-zinnelijke welluidendheid.

       *       *       *       *       *

Men heeft de meening uitgesproken, dat niet-Joden deze verzen niet
voldoende zouden kunnen waardeeren, omdat zij te subjectief-Joodsch
zouden wezen en dat men althans als Jood moest gebòren zijn, om diep in
hun gevoelssfeer te kunnen doordringen[17]. Dit laatste is op zichzelf
zeer juist, doch het lijkt mij tevens een opmerking, die hier weinig ter
zake doet. De vraag is niet of zekere lezers werkelijk diep in de
gevoelssfeer van een zeker werk kunnen dringen, de vraag is of die
lezers door den dichter in de illusie worden gebracht, dat zij het
doen; of die lezers zóó door des dichters scheppend vermogen in
verrukking worden gebracht, dat zij meenen ook diens gevoelsfeer te
begrijpen. Ik heb vroeger in ditzelfde tijdschrift uiteengezet, dat en
waarom wij niet minder kunnen genieten van een werk welks gevoelssfeer
ons vreemd is, dan van zulk een, waarbij dat niet het geval is;[18] ja,
ik heb aangetoond, dat dit laatste, het medeleven in die gevoelssfeer,
tot zulk een graad kan stijgen, dat het ons juist het aesthetisch
genieten verhindert.[19] Ik vrees dan ook, dat àls de niet-Joodsche
lezer tot het bewustzijn mocht komen van zijn onmacht, deze verzen te
doorvoelen, dit niet zal veroorzaakt worden door zijn niet-Jood-zijn,
maar alleen doordat die verzen hem niet hebben verrukt, hem niet in
die dronkenschap van liefde en bewondering hebben gebracht, waarin hij
wel moest gelooven, dat hij ze doorvoelde en begreep. Want dit konden
dan deze verzen niet, doordat zij maar al te zeer behooren tot wat ik de
lagere lyriek heb genoemd. Ik zal mij natuurlijk wel wachten mijn
vroeger betoog te herhalen. Slechts verwees ik den lezer ernaar, want
ongetwijfeld vult dat vroegere aan wat ik thans ga zeggen. Toen ik
namelijk nu opnieuw nadacht over deze zaken en mij afvroeg, of ik dan
wellicht toch destijds een redeneeringsfout had begaan, toen bood zich
mijn inzicht instede van de ontdekking van een fout, de mogelijkheid om
door een minder abstracte redeneering dan de vroegere, de juistheid
mijner beweringen van eene andere zijde uit te bewijzen. En daarnaar
moge ik hier nog trachten.

Ons geheele actieve zieleleven wordt gevormd door een reeks van
verrichtingen die niet-volledig-begrijpen en niet-volledig-doorvoelen
moeten worden genoemd. Zóó onvolledig, dat het niet-begrepene en
niet-doorvoelde zich meestal tot het begrepene en doorvoelde verhouden
als een onmetelijkheid tot een stip. Doch als datgene, waarmede onze
ziel zich, aldus ten-deele-doorvoelend, bezighoudt, haar door de
majesteit, schoonheid of heerlijkheid zijner verschijning verrukt, dan
worden wij in den waan gebracht, dat we 't volledig begrijpen: wijl
wij ons hebben volgedronken, meenen we: wij hebben dit
leeggedronken. Want wij voelen ons dan zóó verzadigd van geluk, en zóó
rijk en zóó machtig, dat het begrip, hoe in die heerlijkheid iets zou
kunnen zijn, dat òns wezen niet kan bevatten, niet tot ons doordringt.
En in deze illusie brengen ons zoowel de groote machten van het leven
als die der kunst.

[p.27] Het leven: als ons met de dronkenschap en de verrukking van haar
aanwezen de liefde vervult, zoo meenen wij haar diepte en hoogte te
kennen. Wij denken en spreken van haar in vervoering en als uit diepste
weten. Zelfs later is de bloote herinnering aan ons machtig gevoel nog
in staat, ons bijwijlen te doen denken, dat wij haar volledig kenden.
Indien ten tijde onzer vervoering iemand tot ons zou zeggen: "Gij kent
de liefde niet, maar slechts een onnoemelijk klein deeltje harer
onmetelijkheid," wij heetten hem een dwaas, en nochtans--vraag uw rede,
wiè hier de dwaas is.... Dat zéér kleine schelpje van onze ziel, door
die oceaan op het strand geworpen, van zóó weinige harer druppelen
volgestort, of weer ledig van haar, weggevoerd of in haar nabijheid
gelaten, houdt het niet op te ruischen van haar.

En de kunst? Vraag uw rede, of wij kleinen, de liefde en den haat, het
denken en voelen van een Salomo en een Shelley, een Kayyam en een Dante
kunnen dóór-voelen. Zij zegt u duizendmaal: neen, dat kunt gij niet.
Niettemin, zoo wij hen lezen, zoo wij ons begeven in hun invloedsfeer,
dan vervult ons immer weer dezelfde illusie, dezelfde dronkenschap, en
onze van liefde en verrukking verblinde ziel stamelt: O, Heerlijken, ik
zou u niet begrijpen, liever stièrf ik, hier in mijn hàrt voel ik het,
dat ik u niet slechts begrijp, maar dat ik één met U ben, ge hebt mij
tot U genomen, ik leef met U en niet zonder U, ik kan u nooit meer
verlaten....--En nochtans?...

Als de Miltoniaansche Adam onder de heerlijkheid des Eeuwigen in den
visioenen-vollen sluimer der verrukt-overweldigden zinkt ... wat kàn hij
dan meer hebben gedaan dan zich voldrinken uit die oneindige
Heerlijkheid?.... O, Dichter, wij staan vóór u, wij Ariërs, wij
Semieten, wij alle geslachten der aarde, wij allen zien tot u op, wij
wachten uw woord verlàngende. Maar zie, als ge nu spreken zult buiten de
heerlijkheid der Grooten en slechts met de taal van een diep-gevoelig
mensch, zoo zullen slechts de Ariërs u toejuichen en liefhebben, als gij
over de gevoelens en voorstellingen der Ariërs spreekt, en de Semieten
als gij over dier gevoelens spreekt, en elk ras en elk volk slechts
wanneer uwe zegging zich aan hun zielesfeer verbindt. [p.28] En uw loon
zal gering zijn en uw zege onvolledig en die van een sterveling.
Evenwel, wanneer ge, 'schoon slechts sprekend gelijk ieder mensch, ook
de grootste, uit uw eigen zeer beperkte sfeer, toch in de heerlijkheid
en schoonheid der Grooten tot ons zult spreken, dän zullen wij noch
Ariërs, noch Semieten, maar van liefde vervoerden, van verrukking
dronkenen zijn; wij zullen niet dan verheerlijkte menschen, ùw
overwinning onvergankelijk en volledig wezen ... zich hernieuwend van
eeuw tot eeuw.... Dichter wees gij onze Heer, wij zullen uw Adam
zijn....--

       *       *       *       *       *

Eindig ik nu en zie ik rond mij in den kring van gevoelens en gedachten,
die na lezing van dit dichtwerk uit mij ontstonden, dan zie ik menig
gelaat, vragend mij aanziend: "Laat ge mij achter, vergeet gij mij?" En
ik antwoord berustend: Vergeten zal ik u niet, maar u achterlaten, dat
zal wel moeten. Want de literaire criticus als zoodanig valt nimmer den
gedachten- en gevoelsinhoud van den beoordeelde aan, en gij, gedachten
die ik achterlaat, zijt sociologische en wijsgeerige strijders.--Maar al
waart gij geen strijders ... dan nog....--Zoo zag ik, dat de
proletarische toon in deze dichtkunst ontbrak en ik vond er de
sociologische verklaring van, maar wat moet daar de literaire criticus
mee aanvangen? Zoo vond ik tot mijn leedwezen een--soms zelfs
opgeschroefd!--chauvinisme in dezen bundel, een chauvinisme dat ik den
grootsten vijand van gezond nationaliteitsgevoel acht--wat echter heeft
de literaire criticus daar mee van doen? Neen voorzeker, hij niets. Maar
ik--zeer veel! En zoo ik dit alles nu achterlaat, vergeten zal ik het
niet maar het wellicht te zijner tijd uiting geven.--Heb ik veel goeds
maar ook veel kwaads van deze verzen gezegd, het beste bewaarde ik voor
het laatst: Het zal den dichter tot blijvende eere strekken, dat hij de
eerste was, die op grootendeels zuivere en innige wijze in kunst het
verlangen heeft verwerkelijkt, dat in de keur van Holland's Jodendom
leeft, het verlangen: van Joodsche Nederlanders tot Nederlandsche Joden
nu reeds, tot Palestinensische later te worden. Dichter, [p.29] uw kunst
is nu nog slechts de smalle brug over een poel van waan en
bourgeois-satisfaitschap, waarover een kleine groep van Joodsche
idealisten naar de eenheid met hun bewogen-levende, hun
smartelijk-lijdende broeders in andere landen trekt. Moge de Bouwmeester
haar versterken tot eene, zoo breed en monumentaal, dat eens de
tienduizenden van het Hollandsch-Joodsche proletariaat er over zullen
schrijden, blijde en trotsch, de gelederen der Po'alé-Tsion tegemoet.

16 Januari '16.


Noten:

[1] Waarschijnlijk hebben wij toch als zoodanig te beschouwen: "Als een
granaatappel-snede zijn uwe wangen tusschen uw vlechten." Want ware de
rimmon, de granaatappel, niet zulk een geliefkoosd versieringsmotief in
de antieke Joodsche versieringskunst, ware hij niet tevens het symbool
van iets zeer edels, waarmede men gaarne wat men eeren wilde, vergeleek,
dan zou de Dichter hier allicht, door het kiezen eener andere vrucht,
zijne vergelijking treffender hebben gemaakt.

[2] Zijn philosophisch werk, oorspronkelijk in 't Arabisch geschreven en
onder den titel Mekor Chajim = Bron des Levens, fragmentarisch in 't
Hebreeuwsch overgezet door Sjemtob ben Jozef Ibn Falaquera, was reeds
eerder onder den titel Fons vitae door Dominicus Gondisalvi met behulp van
een gedoopten Jood, Avendeath, vertaald. In deze Latijnsche vertaling
heeft het grooten opgang in de Christelijke wereld gemaakt en zoowel de
opmerkzaamheid van Scotisten als Thomisten getrokken. Na aanval op en
verdediging van zijn stelsel door de stichters dier scholen--Thomas van
Aquino had het aangevallen, Duns Scotus zich in menig opzicht een
aanhanger betoond--maakten de volgelingen het tot onderwerp hunner
disputen. Het aardige echter van het geval is, dat men absoluut niet
meer wist, dat zijn auteur een Jood was. Bij de overzetting was de naam
Ibn Gabirol of G'ebrol eerst verbasterd tot Avencebrol, later tot
Avicebron en dezen fantastischen Avicebron hield men voor den een of
anderen vromen monnik! Pas in 1846 werd door den grooten Munk te Parijs
de identiteit van Gabirol met Avicebron onbetwistbaar vastgesteld.


[3] En toch ook in zijn productie als zoodanig voelt men een enkel maal
iets pantheïstisch. Zoo in dit kwatrijn--in de vertaling van Geiger--:

    Du staunst, dass ich zu Weisheitshöhen kühn
    Den Weg besteige, ebnend mir den Pfad?
    Der selbe Geist, der meinen Leib bewegt,
    Ist ein das  All umkreisend Weltenrad.

Ik vestig eens voor al de aandacht der lezers er op, dat ik in deze
studie nimmer uit Hebreeuwsch-Joodsche dichters citeer met het doel:
schoonheid te toonen. Dat is ook mijns inziens vrijwel onmogelijk in
Geiger's vertaling, die niet alleen bijna immer volmaakt rhythme- en
geluid-dóód, maar bovendien, naar zijn eigen verklaring trouwens, vaak
een zich naar den modernen lezer voegende omwerking is. Zelf aan een
vertaling van dit of dat Hebreeuwsche gedicht van Gabirol mijne krachten
te beproeven, daartoe ontbreekt mij nu den tijd, dien ik daarvoor noodig
zou hebben, te meer waar de tekst van zijn profane verzen zeer corrupt
is, en niet gebundeld, maar in allerlei oriëntalistische tijdschriften
verspreid.--Nochtans heeft Geiger ook een enkel keer wel eens gevoelig
vertaald, zóó dit van Samuel Nagdilah, dat--zie overigens volgende
noot--indien men aan de gevaren en verzoekingen van 's mans schitterende
maar benijde positie denkt: een traditioneel-Joodsch vizier onder een
Mohammedaansch vorst, zéér aandoenlijk is:

    Ueber der Zeiten Krümmung
    Ewigem Leben zu reit' ich
    Und zu dem Paradiese
    Ueber die Hölle schreit' ich....


[4] Men oordeele: dit kwatrijn,--en het gaat nog wel op den dichter
Samuel Nagdilah, den machtigen vizier, die zijn beschermer en vriend
was, maar met wien hij later in onmin leefde--:

    Mir war so kalt, mich hat
    Ein solcher Frost durchschnitten,
    Als hörte ich ein Lied
    Von Samuel den Leviten.

Of een ander maal--erger nog: critiek op een Bijbelsch dichter!--; uit
een grooter gedicht:

    Von Salomo dem Weisen war
    Zu Zeiten wohl der Geist gewichen,
    Da hat er einer Lämmerheerde
    Der Zähne Perlenreih' verglichen.

En ten slotte dit zelf-getuigenis:

    Was soll mir's, dem klangreichen Dichter,
    Zu singen vor solchem Gelichter?
    Ist besser, dass ich sie zu Brei hack'
    Denn meine Zung' ist mein Dreizack.


[5] Deze Jehoeda ha-Levi is dezelfde, die door Heine zonderlingerwijze
Jehuda ben Halevi wordt genoemd, en wien hij in zijne Hebräische
Melodien, o.m. "Eine wunderbare, grosse Feuersäule des Gesanges" noemt.
Ziehier twee voorbeelden van zijn echt-Oostersche beeldvorming:

    Die Sonne sinkt, die Nacht erhebt sich
    Der Mond erscheint mit goldnem Rand,
    Die Stern' im Meer gleich, irren Wandrern
    Die unstät zich'n in fernem Land.

Voeldet ge ook niet het bannelingssentiment van den Jood in deze laatste
regels?--En dit, geschreven na op zijn tragischen pelgrimstocht naar
Palestina, van waar hij nimmer terugkeerde, Tyrus te hebben bezocht:

    Heil Tyrus! Deinen Weisen Heil! Sie haben
    In's Herz mir ihre Namen eingegraben
    Und sich zum Meer ein zweites noch erkieset:
    Mein Auge,das von Thränen uberfliesset.

Overigens: hoezeer 't ook geheel eens met hen, die hem als Hebreeuwsch
stylist op één lijn met de groote bijbelsche dichters stellen, geloof
ik, dat hij als dichter onder die Grooten blijft. Hij heeft niet immer
de enorme hartstocht, het werelddragende gebaar van een Jesja'ja. Eerder
nog, dunkt mij, is hem het zoet-idyllische van het Hooglied eigen, aan
welks geluid het zijne ook verwant is. Hij is ook soms--ik spreek nu
alleen van zijn profane verzen--wat klein-speelsch....--Daarbij komt:
ten eerste, dat hij in een doode taal dichtte; ten tweede, dat hij in
een vreemde maatschappij leefde, wier anti- of on-Joodsche richting niet
kan hebben nagelaten, een nadeeligen invloed op zijn
Joodsch-dichterschap te oefenen.

Ook een opvallende uiterlijkheid wijst dien invloed aan. Het liefdeleven
van de hem omringende Arabische samenleving was sterk homosexueel
getint, de geringschatting voor de vrouw algemeen, 't geen tot gevolg
had, dat ook een dichter die een liefdesvers tot een vrouw richtte, den
schijn aannam, tot een man te spreken. Welnu, Jehoeda ha-Levi wien,
zonder eenige twijfel alle homosexueele neigingen volkomen vreemd waren,
en die overigens als streng-traditioneel Jood ze ook als helsche zonde
verfoeide, heeft meer dan eens die Arabische dichterlijke mode gevolgd.
("Il faut remarquer" zegt Luzzatto, geciteerd bij Geiger, "que la
pédérastie était en honneur chez les Arabes (comme chez les Grecs), et
que les poètes juifs parlent de leurs amis comme si c'étaient des
amants").

Een dergelijk gedichtje van zijn hand, door mij uit het Hebreeuwsch
vertaald, waarbij ik alle de geliefde als man travesteerende taalvormen
weer in vrouwelijke omzette, moge ten voorbeeld hier volgen:

    Zij, tot wier losprijs ik mij Gode wijdde,
    Heeft dezen nacht bij harp en zang doorwaakt,
    En daar ik dorstig bij den roemer beidde,
    Aldus, zoet manende, mijn lust gelaakt:
    "Drink, Dichter, wijn ten beker mijner lippen
    Vóór Dageraad den zwarten vool laat glippen,
    Waarop goudverwig 't maangebloemte blaakt."


[6] Men zie mijn derden "Brief over Literatuur" in Over Literatuur,
eerste bundel, en vooral het daarin geciteerde: La Poesie lyrique
Hébraique Contemporaine van Dr. Slousch, benevens mijn studie over Die
Lieder des Ghetto, in mijn Opstellen.

[7] Hoezeer deze kenmerken en niet minder de "omwegen der voorstelling",
welke laatste de heer Scharten meer een specifiek Oostersche
eigenaardigheid in Tagore scheen te achten, inderdaad ook bij den
grooten Westerling aanwezig zijn, daarvan kan zich elk lezer van bijv.
La Vita Nuova--ook, uitgezonderd natuurlijk wat betreft het
oorspronkelijk geluid, in van Suchtelen's voortreffelijke
vertaling--overtuigen.

[8] A Defence of Poetry. Part I.

[9] Hetgeen ook van v. Collem dient te worden gezegd. Tot mijn leedwezen
bemerkte ik destijds, èven te laat, hem niet als vijfde te hebben
genoemd, schoon ik reeds zeer vroeg in Het Jonge Leven de aandacht op
hem had gevestigd en ook in mijn eersten bundel Over Literatuur, zijn
oorspronkelijkheid roemend, van zijn "wrang-joodsche schertsdichtjes"
spreek. Sinds dien is zijn joodsche geaardheid nog veel gterker en
schooner aan den dag getreden. Noot van Juli '19.

[10] Ook van Eeden's telkenmale hervinden van zijn ongerepte
jeugdkrachten,--welk een prachtig blijk daarvan was weer Sirius en
Siderius, die fel- en realistisch-levende vertastbaring van een
allerteersten en hoogen droom--berust m.i. op de omstandigheid, dat hij
zulk een sociaal-voelend kunstenaar en, meer dan dat, een
geboren-"eenheidsstrever" is.--

[11] Juni 1912.

[12] Cursiveeringen van mij.

[13] ibid.

[14] Het is merkwaardig hier te zien, hoe de stemmingen van het
verleden in het geheugen van onzen dichter zuiver bewaard bleven, maar
het feitelijke zich vertroebelde: niet op Vreugde der Wet wordt bij het
gebed de palmtak gebruikt maar op het Loofhuttenfeest.

[15] Men begrijpe wel, dat met "zonde", in dit gedicht niet
voornamelijk bedoeld wordt datgene wat de Schrift-alleen als zoodanig
beschouwt, bijv. het werken op Sabbath, het eten van varkensvleesch,
e.d., maar ook zulke, die ook buiten de Schrift, door de "algemeen
geldende moraal" zonde wordt geacht.

[16] De dichter zegt:

    ... "de duistere Ketef dwarrelt
    In 't schoonste zomeruur, een ossenhoren
    Is zijn gestalte, die sidderend scharrelt.

Deze scharrelende ossenhoren, zonder kop, romp en beenen kwam mij
onmiddellijk zeer onwaarschijnlijk voor--al moet men in dit opzicht,
waar 't demonen betreft, niet al te twijfelziek zijn! En toen ben ik
eens in de Midrasjim gaan snuffelen en zoo vond ik in Bamidbar Rabba,
12, een vrij uitvoerige schildering van dezen demon, waaruit ik het
volgende zinnetje vertaal: "Zijn hoofd gelijkt dat van een kalf en een
horen gaat uit het midden van zijn voorhoofd op ... en hij wentelt zich
als een vat over den grond." Men ziet het: de dichterlijke guillotine
heeft radicaal gewerkt! Nog een andere schoolmeesterlijke opmerking: Zou
de dichter bij een herdruk niet liever als grondslag voor zijn
transcriptie van Hebreeuwsche woorden in Latijnsche letters de
sefardische uitspraak adopteeren, zooals die ook door de niet-Joodsche
Hebraïci wordt gebruikt? En de Ajin waarvan toch niemand meer de juiste
uitspraak kent, inplaats van door ng, door een ' willen aanduiden?
Hoeveel welluidender is Ja'akob Jisraeel, met die fijne
Spaansch-Joodsche e aan het eind, dan Jangakauf Jisroijl.

[17] Ook Is. Querido in een Letterkundige Kroniek, Algem. Handelsbl. van
16 Dec. '15.

[18] De Gids, 1913, IV, blz. 476--77. En Over Literatuur, eerste bundel,
blz. 104--106.

[19] De Gids, 1913, IV, blz. 486. En Over Literatuur, eerste bundel,
blz. 115--116.



       *       *       *       *       *



[p.30] MAURITS SABBE: DE NOOD DER BARISEELE'S


Na dat niet minder kluchtige dan lieflijke, van vogelgefluit,
bloemenkleuren en goeielijk-hartig lachen doorvonkte en doorschalde
werkje De Filosoof van 't Sashuis, dat boekje met precies het tikje
bewùst zóó gearrangeerd zijn; met juist dat wèinigje als houterige
abruptheid in het bewegen der oolijke figuren, dat ook aan de lustige
Jan Klaassen's der Poesjenelle-kelders herinnert; en ook dat
fijn-geurige snuifje van, ik zou zeggen: archaïsche, naïveteit, als
genoeg was, om mij hevig en in een uiterst verheugende openbaring, de
verwantschap van dezen auteur met de groote Spanjaarden--vooral Hurtado
de Mendoza, den beïnvloeder van Brederôo!--te doen voelen; na dit
werkje, dat je lekkertjes glunderen om eigen welgedaanheid ziet, terwijl
je voelt 't dit al even weinig kwalijk te kunnen nemen als aan zekere,
uiterst sympathieke, door geestelijke en lijflijke gezondheid altijd
opgeruimde menschen, gaf Sabbe Een Mei van Vroomheid. En dit beteekende
al dadelijk een enormen vooruitgang, want was er in het eerste boek veel
amusant gekakel en gedoe--om met ons beeld in de landelijk-steedsche
sfeer der beide werken te blijven--van kleurige kippetjes te hooren en
te zien, met daarnaast, hóóger, op 'n boomstam, die oolijke spotlijster
van 'n Sasmeester en dat zoete duifje van 'n Mietje, ook in het tweede
ontbraken in Bazinne Lowijcks en oude Free, het zéér vraatzuchtige
haantje en hennetje niet, máár: te àvond--en welk een plechtig-droeve
avond was dat, na zóó korten dag van jeugd!--zongen daar die van God
gezégende nachtegalen, jonge Free en lieflijke Bethye, hun mystieke
lied, [p.31] waarlijk "fulpen tonen als uit edel metaal geblazen",
zoodat dit werkje niet alleen voortreffelijk was door de prachtige
uitbeelding van twee zoo verschillende levenshoudingen als de
egoïstisch-materialistische en de altruïstisch-mystieke zijn, maar
vooral, omdat het ons de rijke harmonische wijsheid van des schrijvers
ziel deed voelen, welke immers deze beide hevige contrasten zóó kon
beelden, dat zij, in een en 't zelfde werk, dicht naast elkander, zonder
schade voor elkander konden bestaan.--En nu komt Sabbe met een derde
boek en het is zoowaar alweer een genot, den vooruitgang in zijn wezen
en kunnen te zien! Want niet slechts, dat het zich hierin van de vorige
onderscheidt, dat het géén als spròkige werkelijkheid, geen romantiek
is--immers deugdelijke romantiek moet m.i. objectieve beelding van
werkelijk bestaanbare uitzonderingsfiguren zijn--doch zich op een veel
meer algeméén reëel plan beweegt; het verhaalt ook niet, als gene, een
episode slechts uit een leven, maar geeft het gehééle leven, van
nagenoeg twee geslachten zelfs! Dat dit laatste een vooruitgang is, dat
hiervoor een grooter visionnair en episch zoowel als compositorisch
vermogen worden vereischt, zal wel geen betoog behoeven. En hoezeer is
deze schepping geslaagd, welk een òndoorbroken stroom van diepe
menschelijkheid vloeit door dit boek! Daar is allereerst het roerende
drama van de vrouw, die geheel zachtmoedigheid, liefde en dulding, na
een slovige jeugd en een leven naast 'n man die haar wel waardeert en
wel van haar houdt, maar niets van zijn zieleleven uiten kan, juist ten
tijde, dat zij de groote, de éénige vreugde van haar bestaan, het geluk
van haar moeder- en opvoedsterschap zal gaan genieten, sterft, met
kommer en zorg in het hart, om haar beide kleine zoontjes, het
achterlijk jongste vooral, voor wien zij voelt nog onmisbaar te zijn.
Daar is dan, ten tweede, de tragedie van dat achterlijk kind, gehaat
door een feeksige tante, verwaarloosd en getyranniseerd door een stuggen
vader en een ouderen, koud- en egoïstisch-intelligenten broer, in wien
de vader al zijn hoop en genegenheid heeft geplant, voor wien hij zijn
jongste opoffert; daar is dan ook de wanhoop van den vader-zelf, als hij
inziet, hoe harteloos en baatzuchtig [p.32] hij zijn oudsten zoon, bij
wien hij tevergeefs om wat liefde bedelt, heeft gemaakt, hoe
verwaarloosd en geestelijk-vernietigd hij den ander heeft. Dàn wendt hij
zich tot dien. Te laat! De sukkel staart hem onnoozel-lachend aan. En de
ongelukkige oude man heeft nu maar één verlangen, naar zijn vrouw in den
hemel, en een avond komt zij hem uit de bleek-zilveren wolkenpoort van
de stille maan tegemoet, en hij stapt te water en volgt haar.... Dit
alles in het eerste deel. Het tweede behandelt het verder leven, tot hun
dood, der beide zoons, die vrijgezel blijven.... Maar komaan! al wil ik
u nu nog wijzen op dat kostelijke tooneel in de herberg, als de
tyrannieke oudste broer, de dorre notarisklerk, voor 't eerst in z'n
vijf en veertig jarig leven, uit minnekoozen is gegaan, ook omdat ik
hier weer de boven geschetste verwantschap voel, en op dat mooie
figuurtje van Quickelbornée'tje, dat aan de neiging naar het sprokige
van onzen auteur zoo weldoend komt herinneren; al wil ik u zeggen, dat
ook het tikje houterige abruptheid, vooral in het begin van het eerste
deel niet ontbreekt en evenmin de "archaïsche" naïveteit, zooals
bijvoorbeeld, wanneer de schrijver ons nog eens meent te moeten
inlichten omtrent de bedoelingen van de feeksige tante, die wij toch ook
daarzonder, dank zij de uitnemende beelding, door en door kennen--van de
waarlijk bijna ontelbare glansmomenten in dit boek zal ik, uitgezonderd
één, niet meer spreken. Want is het m.i. een voornaam deel van de taak
der critiek, tot het lezen van een boek aan te sporen of daarvan terug
te houden, ik meende in dit geval het eerste beter te kunnen doen door
des schrijvers gehééle figuur even te schetsen dan door van dit zijn
jongste, tweedeelig werk, een analyse te beproeven, die, mij althans, in
zoo kort bestek niet mogelijk ware geweest. Maar dat ééne glans-moment,
wijl het een der diepste levenswaarheden symboliseert, wil ik nièt
verzwijgen: De half-onnoozele zoon kende een oud sprookje, het verhaalde
van een dood moederken, dat wederkeert als de linden bloeien. Hem, wien,
toen hij nog een kindje was, dit zóó heilige waarheid scheen, dat hij,
kort na zijn moeders dood haar sloffen buitenzette, opdat zij die zou
kunnen aantrekken, als zij daarstraks wederkwam--een [p.33]
aanbiddelijk-schoon trekje, niet waar?--hem, die zijn moeder altijd
bleef liefhebben, blijft ook dat sprookje altijd bij, en als nu zijn
ouderdom gelukkig wordt gemaakt door het petekind van zijn broer, dat
hij 't eerst bij het bloeien der linden ziet, dan is 't hem, den
onbewusten kinderlijk-dichterlijke, of zijn moederken uit den dood is
opgestaan, dan voelt hij, dat háár liefde en háár zachtheid hem in dat
kindje zijn weergekeerd.... Ik geloof lezer, dat de onnoozele gelijk
had! Ik geloof, dat niets wat groot of goed of liefelijk was verloren
gaat, maar immer en immer in 't leven wederkeert ... En ik geloof, néén,
ik ziè, lezer, dat ook in Vlaanderenland die wondere linden weer hebben
gebloeid; dat de Moeder, die de blijmoedigheid was, de Moeder, die de
lieftallige eenvoud, het hart, de ziel en de liefde was; die oude
Literatuur die onze harten kende, ons minnelijk berispte en schalk
belachte en gelukkig maakte als nauwelijks één ander, herrezen is ...
Wees wijs als dié onnoozele en open de deuren van uw huis en uw gemoed,
om Haar in wijding en hooge vreugde te ontvangen.

Nov. 1912.


       *       *       *       *       *


[p.34] R. VAN GENDEREN STORT: IDEALEN EN IRONIEËN


--Ziedaar, dacht ik na lezing van Een Roman, het tweede stukje van dezen
bundel, daar heb je nou het echte type van den beginneling-artist, den
man, die zijn Werkplannen, zijn "notities" betreffende een gevalletje,
gefantaseerd of hem ter oore gekomen, goedig en wel en geheel argeloos,
als geacheveerd, àf-gebééld werk laat drukken. Geheel argeloos, zeker,
want wie anders dan zulk een allerliefst-onschuldige zou met het lapje
lokkerig vleesch van dezen titel in de hand de buldoggen der critiek,
die hem anders, een weinig grommend wellicht, zouden zijn
voorbijgeloopen, als tot den aanval nóódigen?! Idealen En ...
Ironieën!... Als dit geen argeloosheid is, is 't dan bravoure?... Maar
neen toch, zelfs de groote Griek was met één Achilleshiel tevreden en de
heer Van Genderen zou zich, wellicht ten believe der nieuwste
chirurgische mode, eenige hebben laten aanenten?! ... Trouwens, die
argeloosheid past zoo wèl bij dat artistiek-dilettantische van vlàk
naast het levensechte, in de levensnàmaak te buitelen, gelijk den
schrijver in dat stukje Een Roman gebeurd is....--Toen ik dit alles
afgefilosofeerd en bij het lezen van Het Bedrog gemeesmuild had: "U
maakt 't u makkelijk, m'n waarde Heer, met uw bedrogen echtgenoot te
laten wegloopen"; Zomer een fraai fantasietje had bevonden (alleen dat
van die "panische communie, waarin zij het teloorgaan in den oerschoot
des levens mystisch beleefden" ... wel te weten: dit alles gezeid van
een griekschigen heer en dame die 'n bain mixte nemen ... hoor 'ns even,
dat kunnen ze in die kunstenaars-[p.35] en high-life-kringen een
panische communie enz. noemen, maar ik ben maar een burgerman ...) toen
ik dit alles dus had afgedaan, zeg ik, geraakte ik tot Het Vest.... En
nu wou ik er wel een lief ding voor geven, als ik den lezer overtuigen
kon, dat 't me niet om 't maken van 'n flauwe scherts te doen is, neen,
werkelijk, ik hèb 't me zièn doen: ik heb Het--zéér dandylike--Vest
opengemaakt, bèrgen vrij onnutte literaturige bagage uit binnen- en
buitenborstzak gehaald en--en dáárop wil ik nu maar neerkomen:--wat
denkt ge wie z'n breedgewelfde borst d'r onder zat?... "Nu van Van
Genderen Stort natuurlijk," zegt ge schouderophalend.... Mis!... van
Falkland!--Gelijk ook in De Tanden--zeer gaaf en fraai--mijn
anthropologische blik een duidelijke verwantschap ontdekte met het gebit
van den Homo Handelsbladensis, al is dit scherper....

Máár, eindelijk! las ik Tobias Peppel.... En nu, wèg van hier, narrige
criticus met je bittere spotternijen! Hier is iets te bewonderen, hier
iets lief te hebben! Die slungel van 'n Peppel is zóó prachtig
neergezet, in zijn weerzinwekkende lamlendigheid, ten voeten uit....
Hièrin breekt van Genderen's revolutionair gevoel, waarzonder geen
waarachtig kunstenaar wordt geboren, zijn opstandsgevoel tegen het
gehate onechte zoo machtig uit.... Och, ik erken het, ik was er soms
niet ver van af, dezen schrijver voor een dier trieste heeren te houden,
in schrikwekkend aantal onder de jongeren te voorschijn tredend, die
zonder noemenswaardig talent, van hun literaire "gedistingeerdheid," hun
"kalme nuchterheid" en kurk-droog gezond-verstand hun schrijversleven
moeten rekken; een dier essayisten--over het leven of over boeken, doet
er niet toe--die teemen, teemen, téémen, onmachtig tot één blijde
opzwaai van levensvolheid, tot één moment van dat fonkelend
zich-zelf-genieten van den geest, dat scheppen is. Maar Tobias Peppel
vóóral heeft mij gelùkkig mijn dwaling doen inzien. De heer Van Genderen
ontdoe zich van dien jammerlijken verfijningsschijn. Hij late dien aan
the mob of gentlemen who write, de verdroogde Physalis-kelken der
literatuur, die met de herfstige blos hunner dorheid in porceleinen
vaasjes zonder aarde of water kunnen prijken, [p.36] òmdat zij dood zijn
en toch zoo knapjes kunnen schudden en rammelend-geluiden alsof er leven
in hun doode bollen zit. Hij getrooste zich de "viesheid" en zwartheid
der vochte aarde, die al het levende voedt.--Van de ijdele gedachte tot
het stralende beeld, zei eens Verwey, en ziedaar de oorlogskreet tegen
de veldwinnende neiging dier onmachtigen, om de--vaak
gecopiëerde!--naakte "gedachte" ten troon te heffen!

Een kunstenaar, en dùs ook de heer Van Genderen Stort, moet beelden.

Nov. 1915.



       *       *       *       *       *


[p.37] JOANNES REDDINGIUS: EEN ROMANTISCHE JONGEN


Het boek opent met de mededeeling, dat Jans, de keukenmeid van
"Karelshoeve", Herman, het romantische jongetje, "met een zoet lijntje
had meegekregen." Nadat hierover in 'n veertiental regels is uitgeweid,
wordt ons ten slotte nog in een vijftiende nadrukkelijk bericht, dat
"Herman en Jans kwamen geloopen van Karelshoeve." Ik vatte dat alles
natuurlijk op als een uitnoodiging om met hen mee te wandelen en te
luisteren naar hun gesprek. Maar ai mij! des heeren Reddingius'
bedoeling was dat klaarblijkelijk niet geweest. Met een zeer onzachten
ruk wendt hij mij om: "'t Buiten dat zij achter zich gelaten hadden, lag
in een grooten tuin." Volgt: een beschrijving--zes bladzijden lang--der
ligging van het buiten en van het leven der menschen in het buiten. Deze
manier van doen nu des heeren R. stemde mij zeer onaangenaam en vond
ik--eerlijk gezegd--buitengewoon onhoffelijk: eerst met Herman en Jans
den weg opgestuurd te worden en daarna, zonder een schijn van reden,
weer onmiddellijk ruw-weg naar het "achtergelaten" buiten te worden
teruggesleept, wel, het was eigenlijk meer dan mijn eigenliefde kon
verdragen!... Toch, ik ben niet rancuneus en was het heele voorval al
weer vergeten, toen ik even later hoorde, dat Herman's moeder hem
verteld had van een kopje met fijne, roode bloemetjes, dat 'n oom
gekregen had van een man, "die, een langen staart dragend, een Chineesch
onderkoning geweest was." Kijk, dacht ik verheugd, dat is een fijn
trekje: de schrijver heeft zich hier heel sterk ingeleefd in het
kinderlijk denkvoelen, [p.38] want, niet waar, voor de kinderlijke
fantasie is die lange staart het treffendste en verwonderlijkste....
Maar o wee, nauwelijks voelde ik mij gelukkig, zóó, door de oogen van
een kind het leven te mogen bekijken, of, zonder eenigen overgang, en
dus nog altijd meenend dat ik het kinderlijk indrukken-verwerken
meeleef, verneem ik, dat Grootmoeder tobde over haar zoon, die
"eereschulden moest afdoen"; dat hij haar dikwijls dreigde, dat hij "een
kogel door zijn kop zou jagen"; dat hij dan door haar geholpen werd "met
zoo en zooveel mille".... Wat drommel! zeg ik nu geërgerd, wat is dat nu
weer ... o, geen wonder! daar heb je--zóó zie je me wel, zóó zie je me
niet--waarachtig meneer Reddingius weer, die me daar pas al van Herman
en Jans heeft weggesleurd en me nu dat weer lapt ... en dat alles zonder
eenige waarschuwing, zonder eenige geldige reden....

Ik zou natuurlijk niet zoo hebben uitgeweid over die eerste bladzijden,
indien zij niet een--helaas zelfs zwak!--beeld gaven van het rommel- en
rammelslag-achtige, het pueriel bij elkaar gesleepte, 't zenuwachtig
van-de-hak-op-de-tak-springerige van het heele boek. De schrijver lijkt
op 'n zeer nerveus huismoedertje, dat met de kinders op zomervacantie
trekt. Heeremetijd, weken van te voren, liep 'r hoofd 'r al om. En nou
de verhuiswagen al twee grachten ver is, ziet ze dat dit vergeten is en
dat, en worden Pietje en Mietje hem achterop gestuurd, om 'm terug te
halen en holt zij trap op trap af, gang in, gang uit. En er wordt weer
opgeladen en afgeladen en vastgeknoopt en losgesjord en dit wordt
gebroken en dat wordt gebuild en de voerman vloekt en de voerman foetert
en de straatjongens komen er bij te pas en er is 'n leven als 'n
óórdeel, dat je hóóren en zièn vergáát.--Want ook: dit boek is als een
verhuiswagen, de heer R. verhuist ook zijn meest onbeteekenende
bezittinkjes naar den buiten der publieke aandacht; de heer R. drááft
heen en weer--'t is werkelijk een pijnlijk gezicht hem zich zoo in 't
zweet te zien werken--en hij laadt op, al maar meer en nooit genoeg, en
'n paar van de aardige dingskes, die in de verhuisboel zijn--veel zijn
er niet--vallen in gruis en de andere, och die kunnen we toch niet
rustig bekijken, want we houen [p.39] ons hart vast om al de ongelukken,
die we zien aandreigen, en krijgen hoofdpijn van de herrie; trouwens:
een verhuiswagen is toch geen salon of museum, niet waar?

De heer Reddingius heeft helaas gemeend, alles te moeten geven wat en
zooals zijn herinnering of observatie--nuchterder dan hij zelf
meent!--hem hot en haar opdrong. Ach, hadde de Verbeelding zich tusschen
hem en zijn onderwerp tot een tijdelijke verduistering der werkelijkheid
bewogen. Een verduistering?!... Ja zeker, want immers, ik bedoel zulk
eene, die der werkelijkheid teederst en meest verborgen licht, in
wáárheid haar corona, zichtbaar worden laat....

Want is het ook niet zóó met deze dingen gesteld, dat slechts nadat de
werkelijkheid èn was verduisterd èn stralend werd herboren, de ziel
zingt, om dat hersteld bezit, als een vogel om den verloren gewaanden en
zóó zonnig herrezen dag?...

Febr. 1913.



       *       *       *       *       *


[p.40] JOANNES REDDINGIUS: ZONNEWENDE


Zoo fellen weerzin, als ik tegen 's heeren Reddingius' proza voelde en
voel--ik kan nog vaak met genoegen aan mijn wreed-harde Gids-critiek op
zijn Een Romantische Jongen denken--zoo hartig bewonder ik zijn verzen.
Hij is wellicht de zoetstemmigste en meest òntcultuurde, in
kinderlijk-zuiver verkeer met de schoonheid van aarde, zon en hemel
levende, natuurdichter, dien we bezitten. Ja waarlijk, zoo het de
schalke bedoeling der rijk-grillige en àl-vermogende.Natuur zou zijn
geweest, eens een geest te scheppen, schoon-menschelijk èn puur eenen
vogel gelijk, in al zijn gedragingen, zij had voorwaar nooit voller haar
bedoeling kunnen verwezenlijken, dan toen zij onzen Reddingius
voortbracht. Gij loopt ievers 'nen schoonen zomeruchtend op de blonde
wegelkens de velden entlang--entre paranthèse ... hoe kom ik plotseling
zoo vlaamschig te schrijven?... Ach ja ... wel drommels!... dat is die
lichte Gezelle-invloed, hier en daar, in deze verzen, welke mij die
onbewuste associatie-parten speelt--en ge hoort den lieven vogelslag,
het zuivere merel- en vinkgefluit in de boomen, zoo'n kort
bekoorlijkheidje als Het liedje dat verloren liep, of zoo'n klein maar
zuiver zelf-karakteriseerinkje--vogels zijn daar bazen in: sommige
fluiten zelfs hun eigen naam!--als die eerste twee strophen van
Vrijheid.... Het liedje is uit, ge staat stil, ge loopt weer voort, ge
zoekt den zanger ... hè, wa's dat?... tik, zeit 't op uw hoed ... hahaha
...onze dichterlijke vogel laat een stukje proza vallen....--Neen,
heusch niet, lezer, niet zoo haastig, lach niet om 't gebeuren noch
schrei om m'n hoed, en evenmin verontwaardig u over mijn zonderlinge
wijze van voorstellen of verdenk mij, dat ik het pastorale beeld zou
willen vervolmaken [p.41] door zelfs oude koeien uit 'n sloot te halen:
ik láát thans Een Romantische Jongen onder den niets verklappenden
waterspiegel rùsten. Maar het toeval wilde, dat, toen ik dezer dagen aan
het lezen van onzen bundel was, langzaam vorderend, juist omdat ik zoo
kalmpjes en lièfjes genóót, dat toèn juist mij De Nieuwe Gids van deze
maand in handen kwam en ik daarin een kritiekje over Marie Metz-Koning's
nieuwe "occulte" boek vond van de hand van onzen dichter--een brokje
proza dus. En weer trof het mij hevig--en nu niet het brokje maar het
feit:--hoe men in zijn proza vaak dezelfde elementen, maar ontbonden en
verworden, hervindt, die in zijn lieve zangen tot bloed en bloeiend
lichaam, tot stralenden oogenglans en klinkende stem zijn geworden. Onze
dichter, die niet als Gorter in diens jeugd--overigens alle vergelijking
ter zijde!--een grieksch-heidensch natuurpoëet, maar een pantheïstisch
vroom-geaarde met drang naar het mystieke is--onze dichter heeft in zijn
verzenbundel deze diepe, heilige vroomheid wel zeer zuiver en innig
geuit, en al zou ik u wel op bijna èlk daarin voorkomend gedicht ter
motiveering van deze mijne meening kunnen wijzen--en al is, mijns
waardeerens, De lucht vol roode waden een al zéér bijzonder juweel van
stemming, schoonheid en wijze vreugde--in geen enkel toch woont zij zoo
diep-in en licht zoo zachtkens naar buiten als in het schoone vers Guido
Gezelle. Nu is, naar ik méén, in dat gedicht de invloed eener bepaalde
modern-westersche mystiek, de Blavatzkyaansche theosophie, wel zeer
duidelijk merkbaar. Zijn "de velden van de Akasha", waarover hier de
dichter spreekt, niet: de "Akasha-kroniek," het "astrale licht," het
"geheugen van den Logos," waarin alle aarde-gebeuren vereeuwigd blijft
en de ingewijde de geschiedenis, ook van de vroegste tijden, kan lezen?
Welnu, moge dit deeltje uit de theosophische leer feit of fictie
zijn--het laat ons hier onverschillig, omdat het hièr voor ons in des
dichters wèrkelijkheid leeft en dèze werkelijkheid ons dan vervult, maar
hoor nù tèvens eens onzen prozaschrijver in bovengenoemd critiekje
boomen over Bulwer's Zanoni en over den Wachter van den Drempel, alsof
deze laatste "intelligentie" een goed persoonlijk-bekende--hij zegt er
immers nog [p.42] wel bij "uit eigen ervaring"--van hem is, en dan
levert u dit stukje proza alles wat u nog mocht hebben ontbroken, om zoo
hel een kijk in dezen geest te krijgen, als ge maar wenschen kondt.
Reddingius dan blijkt een ziel, die slechts wazig- en argeloos-voelend
scheppen kan. Dwingt hem het vaak harde, het denk-arbeid, scherpe
analyse en compositie-gave eischende proza, te treden uit zijne
zacht-zoete verzensfeer, uit zijn gevoelsdroomen, uit zijn neveldeinende
vaagheid, uit de atmosfeer van zijne los van elkaar verschietende
stemmingen, dan gaat het mis, onherroepelijk mis. Dáárom is ook een
scherp-beeldende regel als die mooie "De sneeuwkop heft zijn hoofd vol
wol" zoo uiterst zeldzaam. Dáárom is hem, óók als dichter, het
maatschappij-leven zóó volkomen vreemd. Evenals een lief boerenmeisje
door het aantrekken van steedsch-jufferige kleeren in een plomp- en
linksdoende belachelijkheid kan veranderen, zoo verkeert de kinderlijke
natuurziel van dezen dichter in een met klatergouden todden behangen
pronkerigheid, zoodra zij van uit de landelijke zon- en nevel-wazigheid
in de daglicht-naakte aula van het betoogend proza, in den
kleur-schitterenden schouwburgavond van het maatschappelijk-beeldend
proza treedt. Zijn metaphorisch vermogen is niet groot, maar leg eens
eene discreet-nauwelijks-uitgesproken en mede daarom juist zoo prachtige
vergelijking als in De Witte Kerselaren, naast dat critiekje alweer,
naast: "de moedige vrouw op het witte paard (die) moet door de grijze
nevelen heen" (alles van Marie Metz-koning, wel te verstaan!) en ge ziet
duidelijk in, hoe in zijn proza bet zoete tot het weeïge wordt; de
overgave eener enthousiaste ziel, tot de lichtgeloovigheid van een elken
hechten, verstandelijken steun ontberenden onnoozele, en het
diep-eigen--gelijk in sommige prachtige Strophen van Als de wereld blij
was--mystiek-aanvoelen tot mal-theosophistische napraterij. Want moge
hem, ook in zijne verzen, zijn licht-ontvlambare en door een ander
spoedig overheerschte ziel al te vaak en te weerloos aan vreemde
invloeden prijsgeven--men vergelijke "Mijn prins van vreugd, mijn
onbewuste koning" op blz. 10, met Kloos, Verzen, Tweede Druk, blz. 61 en
63--dat vreemde wordt dàn toch--hoe anders dan in het proza--één [p.43]
met, deel van zijn eigenheid. De heer Reddingius is--waarlijk hij mag
tevreden wezen--een zuiver natuurdichter, dòch: niets anders dan dit:
zelfs van Pan, Tritons en Echo's moet hij afblijven, dat is alweer te
veel cultuur, dat doet hem zijn vogel-argeloosheid verliezen, dat worden
dichterlijke tooneeldingen bij hem: geverfd linnen insteê van
oud-grieksch marmer. Hij zinge tot ons diep verheugen maar lustigjes op
z'n tak, máár ... jà ... als er dàt ... nou ja, u weet wel ... tot zijn
wèlbevinden nu eenmaal bij moèt, welnu, dàn vooruit maar ... 'n nieuwe
hoed zal me den kop niet kosten.--

April 1918.



       *       *       *       *       *


[p.44] FRANS VERSCHOREN: LANGS KLEINE WEGEN


Langs kleine wegen!... Wel, is 't niet waar, mijn beste lezer, dat 't
daar héél liefelijk wandelen kan zijn? Hebben wij niet, gij zoowel als
ik, langs de spiegelende vaartjes en groene hagen de blijdste en diepste
uren onzer jeugd ... verwandeld? En ook wel eens--het groende zoo
noodend en geheimvol aan den kant van het pad--"het vinnich stralen van
de Son ontscholen in 't bosschagie" ... het "bosge" dat niet "clappen
con"!... Neen, neen, ik wil natúúrlijk niet onbescheiden zijn, maar toch
... èventjes: herinnert ge u het oude boerinnetje, dat ge ontmoette, dat
zoo glunder en zoo vroolijk keek, of het bejaarde heertje met de
impertinente spotoogjes achter 't klare brilletje? En, weet ge 't nog,
ge hadt zoo waar plotseling 'n genegenheid voor hen allebei, juist om
hun impertinente gekijk, want ge voelde 't zoo wel: ze hielden ook van
u, omdat ze in u hun eigen jeugd herzagen!... Och lieve spotters, hoe
overmoedig trotsch en jeugdig-rijk maakte òns uw spot, want, wij wisten
't: hoeveel van uw weemoed verborg hij....

Als zóó--zij 't louter toeval--de titel van 'n boek reeds kan doen
droomen, gelukkig en prijzenswaardig dan het boek, dat, gevend wat 't
beloofde, de droomen wijlen laat. En dat is wel heel zeker met
Verschoren's werkje het geval. Er is zoo een heel diepe stilte en
innigheid in dat verhaal van het begijntje, dat verliefd wordt op ouden
Jaan, er zijn zoo een onschuldige humor en struische levenslust in dat
stukje [p.45] over die twee oude vogelvangers, 't Is waar: Het oolijk
Wedervaren van Maruske van Lier, dat zoude ik niet ongaarne uit dezen
bundel gemist hebben. En ongetwijfeld wijst het niet geslaagd zijn van
dit àl te grappig verhaal op een zwakke stee in het talent van onzen
auteur: het leed, en vooral dat van den geringen man, heeft immer iets
eerbiedwaardigs en verteederends in zich-zelf; wat ook een minder
gelukte beschrijving ons ervan mocht onthouden, ons medegevoel vult het
aan; maar zijn plezier, zijn plat en grof plezier.... O, als de
uitbeelder daarvan, zich bevlijtigt het grappige zoo grappig mogelijk te
maken en klucht op klucht te stapelen, en al te weinig daarentegen de
diepere menschelijkheid en de verborgen tragiek laat voelen, dàn wordt
het voor mijn gevoel een clownerie.... Maar overigens heb ik niets dan
lof. Op het Begijnhof, dat 't boek opent, Het Onverwachte, 't
uitmuntende kinderverhaal, dat 't sluit--de heer Verschoren weet wel wat
hij doet!--zijn ongetwijfeld het best. Treedt ge door 't oude en bemoste
poortje van het eerste eerbiedig en met 'n stille verheugenis binnen en
voelt ge u wellicht dan later nu en dan een ietsje teleurgesteld
--wanneer ge uit den lentetuin van het laatste zijt vertrokken, dan zijt
ge die teleurstelling alweer vergeten en ziet nog menigmaal groetend en
dankbaar om.

Maar wel herinnert ge u nog eens: "Langs kleine wegen" heette het ... en
ja, zoo was 't ook. 't Waren altemaal figuurtjes van een vergeten,
platteland, die ge ontmoet hebt, superstitieuse boertjes, drinkers,
platte grollenmakers, een achterhoeksche bevolking van doode stadjes; de
paadjes waarlangs ge traadt zijn mijlen ver verwijderd van het ernstig
en mooi strijdend en strevend leven onzer dagen. Maar, zeg mij, is het
niet eens goed weer te rusten en langs de wijd-overhemelde, eenzame
wegen te gaan ... daar het u is of de onzichtbare landwind zichtbaar
worden zal, zoo neerneigend en opvluchtend speelt dat neuriënde wezen om
u, en is immers met u alleen nu, die het wonder niet zult beklappen, op
dien stillen weg.... En hier is weer de klare vaart en het verre weiland
aan de overzijde.... En uw stok jaagt zachtkens zand op, gelijk gij uw
herinneringen....

[p.46] Maar ik bidde u: laat òns nooit, bij geen enkele ontmoeting, het
oude heertje met de impertinente spotoogjes achter het klare brilletje
zijn.... Waarom zouden wij onzen weemoed bedèkken? Onzen weemoed om het
verloren jeugdige, struisch-natuurlijke en primitieve van ons zoo
verwikkeld en streng geworden leven....

April '13.



       *       *       *       *       *


[p.47] MAURITS WAGENVOORT: HET STIJFHOOFDIGE BRUIDSPAAR

Roman uit den tijd der O.-I. Compagnie.


De schrijver van dit werk heeft nauwlettend zorg gedragen, door zekere
kleine stijlwendingen, een soort van wellevend, deftig, soms
gedempt-grappig vragen-en-antwoorden-spel met zijne lezers, zijn boek
vooral tot een verhaal te maken, een verhaal, gedaan op 'n
joviaal-hoofschen, hier ietwat peinzend-weemoedigen, daar weer
oolijk-schertsenden trant. Mij dunkt, hij wenscht zijn lezers vóóral de
illusie van een persoonlijk contact tusschen hen en zich te suggereeren.
En voorts meen ik, dat hem niets zoo zeer verdrieten zou als te moeten
vernemen, dat hij hun dat door hem beschreven verleden van de Edele
Compagnie tot een waarlijk lévend héden gemaakt, en hun dus ook de
daaruit noodwendig voortvloeiende emoties veroorzaakt had. In 's hemels
naam, zou hij, geloof ik, zeggen, u moet dat allemaal zoo zwaar niet
opnemen; wat voorbij is, is voorbij, vooral niet te diep er op
ingaan.... En wellicht nog eventjes, onder het droomerig neerkijken op
het vuurpuntje van zijn sigaar, er philosopheerend aan toevoegen, dat
het leven nu eenmaal zoo is, alles ups and downs, hé, heden ik, morgen
gij.... Maar onderwijl stiekumpjes-spijtig in zich-zelf denken: wel,
wel, nou heb ik 't toch nog niet luchtig genoeg gedaan! Want deze
beminnelijke en fijne verteller had geen andere bedoeling dan zijn
toehoorders precies zóó licht-weemoedig te stemmen en precies zóó guitig
weer op te vroolijken, dat noch weenen, noch heel hartig en
schuddebuikend lachen hunne spijsvertering zouden [p.48] kunnen schaden.
En daarmee heeft hij volkomen gelijk, want: mij althans praat 't nu
niemand uit het hoofd, dat ik bij hem gemiddagmaald heb, dat we daarna
nog wat hebben zitten schemeren--o, ik herinner mij duidelijk het
weemoedig en peins-spelend vertoon der schaduw- en lichtfiguren, die het
haardvuur den nacht-donkeren wanden liet ontschijnen--en dat hij mij
toen dit verhaal deed. Welnu, ik kan getuigen, dat ik dan ook inderdaad
geen oogenblik door al te diepe emotie uit de genoegelijke
after-dinnerstemming werd gebracht. Dat de verteller mij het verleden
tot iets tastbaar-levends gemaakt of zelfs maar verzichtbaard hebben
zou, ik denk er niet aan hem er van te betichten. Eerlijk gezegd, heb ik
niemand anders gezien, gezien, begrijpt ge, dan den fijngeestigen
gastheer zelf, hoe hij daar zijn sigaar zat te rooken, nu en dan een
teugje uit zijn kopje nam, mij, al verhalend, op den schouder klopte,
guitig knipoogde, weemoedig een traan wegpinkte, kortweg: alles deed wat
nu eenmaal des goeden vertellers is. Maar Aboel Hassan Sjah en Carel
Hartsinck en al die anderen, over wie hij sprak, nee, zièn, dat is iets
anders.... Maar toch ken ik ze wel zoo'n beetje, ze hebben mij wel iets
gedaan, doch ... de zaak is eigenlijk: de heer W. zelf was zóó erg
levend, dat de anderen wel dood moesten zijn, want nog altijd schijnt de
natuur er geen vrede mee te hebben, dat menschen van zeg 1600- èn
1900-zooveel tegelijkertijd léven.

Toen het uit was, en nadat we nog wat zwijgend hadden nagemijmerd,
waakte ik op, en, mijn gastheer aanziende, wilde ik vragen: "Maar meneer
Wagenvoort, permitteer me een vraag: u, die een gerenommeerd auteur zijt
... waarom schrijft u eigenlijk geen boek van dat verhaal?"--Maar ik heb
gelukkig net bij tijds een hoestbui gekregen en de vraag niet
uitgesproken: ik weet, auteurs hebben hun gevoeligheden....

Maar eens heb ik nog een anderen indruk van Het Stijfhoofdige Bruidspaar
gekregen, al was hij aan dezen verwant: toen het als
Handelsblad-feuilleton verscheen. Destijds wist ik natuurlijk heel wel,
dat ik las, zoo avond aan avond, hè. En toch, ook toen was het niet
[p.49] slechts een opluchting, te midden van al de moord- en
doodslaggeschiedenissen, detective-slimmigheidjes en wat dies meer zij;
het was mij als werd ik plotseling in een smokerig bioscoop-zaaltje, met
allerlei gruwelijke en griezelige dwaasheden op het scherm, door een
lieven vriend onder den arm genomen en we wandelden naar buiten, in de
frisch-open straten, en hij vertelde op zijn lieve, kalme, beschaafde
wijze.... Ik zou den heer Wagenvoort willen vragen: wanneer doet ge dat
eens weer?... Vooral ik--maar waarschijnlijk duizenden met mij--heb er
zoo'n behoefte aan: bedenk, ik ben geabonneerd op het Handelsblad en een
booze fee heeft mij bij mijn geboorte be-vloekt, dat ik elken regel
druks dien ik ontmoet, in een minimum tijds zou moeten verslinden.... En
zoo lees ik, moét ik lezen, óók alle romanfeuilletons.... God helpe
mij.... Op 't oogenblik houen we an 'n met coli-bacillen vergiftigd
waterreservoir. D'r moet 'n jong meisje "uit den weg geruimd worden."
...Nu weet ge er al alles van.... Kòm, bid ik u, weer eens wat verhalen
op uw gemoedelijke, beschaafde, logische en vaak zoo veelzeggende
wijze.... Zoo houd ik 't niet uit.... Die juffrouw met de
coli-bacillen--en O! de gedrochten die haar zijn voorafgegaan! en O! die
na haar zullen komen!...--zij bezorgt mij een cauchemar!...

Mei '13.



       *       *       *       *       *


[p.50] SAM. GOUDSMIT: IN DE GROOTE LEERSCHOOL


Wat is het, dat de jeugdig-bloeiendste, de krachtigst-voortschrijdende,
de sterkst-bezielde menschelijkheid in dit werk, epileptisch-plotseling
en -abrupt, met een vergrauwende uitputting bevangt, dat de gestalte als
levenloos inzinkt, de stralende oogen verglazigen, de jong-roode lippen
verbleeken, en dan, weer eensklaps wijkend, haar veroorlooft te
herrijzen, jong-bloeiend gelijk zij was, met oogen, die hun rijke,
innige glans, wangen en lippen die hun kleur hebben herwonnen. En zij
staat weer, krachtig, naast u en schijnt zelfs geen herinnering mee te
dragen aan haar tijdelijken dood.... Maar gij zijt stil en als schuw
geworden en denkt na. Want ge weet 't wel: wat in kunst-leven gelijkt op
het ziek-worden en sterven van Natuur-leven, komt voort uit een aanval
van veronechting alleen.... Maar ge vondt 't toch in zijn levende
geheelheid zoo innig, ge vondt het toch zoo pràchtig waar.... En het
onecht vinden van een deel, te midden van zóóveel overtuigende echtheid,
dat is iets zóó subjectiefs!... Hebt ge u misschien vergist? Wàs die
inzinking er wel?... En ge scheldt uzelf al een hallucinair fantast!
Maar terwijl ge dit denkt ... kijk, kijk! daar is 't weer, daar
verschrompelt 't, daar verbleekt 't weer!... Die veronechting, zij is
er, uw twijfel sproot daaruit voort, dat zij als oorzaak in verhouding
tot hare uitwerking en gevolgen iets zoo gerings lijkt ... zóó gering
... maar toch, het blijkt nu, ook zóó beteekenisvol als ... ja ... als
op het gelaat van een goed-gekenden en geliefden mensch, met schoone
daden en ware woorden, een onbeheerscht trekje, een vluchtig, maar
telkens zich herhalend, bewegen kunnen zijn, die voor ù, èven, dat
schoon- en waar-geachte veronechten. Ook dan voelt ge u bekneld tusschen
[p.51] twee tegenstrijdigheden: ge gelooft vast in uw eigen
doorvoelingsmacht en niet minder in de beteekenis van het kleine en
onbeheerschte, juist omdat het kleine en onbeheerschte is.... Maar: zijn
schoone daden en ware woorden, die ge toch, let wel, met datzelfde
doorvoelingsvermogen waar en echt hebt bevonden?... En ge gaat zoeken
naar een oplossing, een verklaring, want ge houdt van dien mensch. Gij
mòet u zekerheid verschaffen, gij mòet de juistheid of onjuistheid uwer
meening kunnen tasten. Zóó ook is het mij gegaan, bij het beschouwen van
dit boek, zóó zal 't ongetwijfeld ook u gaan, lezers van dit
maandschrift, die hier meer dan eens gelegenheid hadt, het hartige,
bloedrijke, zoo lustig en jong zich in het leven dompelende talent van
Goudsmit te waardeeren en lief te krijgen. Welnu, ik geloof u die
verklaring te kunnen geven. Maar vóór ik u daarvan vertellen ga, dient
ge u even te oriënteeren in den bundel: wat is het bloeiendste, het
sterkst bezielde leven daarin? Ongetwijfeld, meen ik, het joodsche. Zie
eens aan: Goudsmit is ongetwijfeld vooruitgegaan, óók in de beelding van
het niet-joodsche leven. De kleine en zeer goede novellen: De
Onverbeterlijke, De Hengelwedstrijd, Moeder Zijpe's Verjaardag, In de
Engte zijn daar treffende bewijzen van. Maar toch, het àllerbeste, het
àllerinnigst doorvoelt hij nog slechts Joden. Zijn Joden zijn
individuen, zijn Christenen vaak niet meer dan typen. De beste novellen
in dezen bundel acht ik dan ook: Hoe de kleine Sjimmie Neeter burger
werd en Kinderen (de meest geslaagde van die twee: de eerstgenoemde). En
juist in deze beide is het veronechtende element het sterkst aanwezig.
De vraag blijkt nu wel niet slechts meer te zijn: wat is het? maar ook:
hoe komt het juist daar het hevigst tot uiting? En dan ligt schijnbaar
het antwoord voor de hand: joodsche en socialistische tendenz. Maar dit
is niet zoo, men zou het mooie werkschreeuwend onrecht doen, door dit te
beweren; tendenz is er, maar zij is die van het Onbewuste en schaadt
daarom niet. Goudsmit's bewustheid redeneert niet: komaan, dien
socialist en dien jood, die ga ik een beetje opsieren, noch heeft zij de
gewóónte aangenomen dat werkje te doen, maar zijn ònbewuste scheppende
Vermogen, dat bij hem, gelijk bij ieder, [p.52] slechts schoonheid en
goedheid scheppen kan[1] is doordrongen en doordrenkt van liefde tot het
socialisme en het Jood-zijn! Ware deze arbeid er eene van bewuste
tendenz, ik zou haar schoon noch kunst kùnnen vinden. Neen, het is: een
onbeheerschte trek, het is een vluchtig bewegen van het taalgelaat, dat
telkens en telkens weer, woorden en daden, geheel het van leven
tintelende wezen, voor éven, veronecht. Goudsmit--om u dan eindelijk
mijn meening ter overweging te geven--vertaalt het zich verwoordende
denken zijner figuren uit hun denk-taal in zijn schrijf-taal! Gij voelt,
niet waar, de dùbbele fout van dit procédé, de dubbele veronechting? Gij
voelt, hoe onaangenaam een stemming en wreed een twijfel dit valsche
trekje op het frisch-open gelaat dezer kunst, bij machte is in den
aanschouwer te verwekken. Zeker, voor sommige beoordeelaars zal de
verleiding groot zijn te beweren: zulk een invalide, afgedankte,
socialistische sjouwers-knecht, die zóó wijs en breed denkt, als Chajim
Neeter bestaat niet, en die Japie in Kinderen is wel een
uitzonderlijk-hevig en dichterlijk-voelend jongske, gelijk de vader voor
zoo'n doorgaans sluw-genoeg voddenjoodje al bijster naïef en
onpractisch-fantastisch is; maar ik zeg, dat ik alle deze drie figuren
onweersprekelijk zeker als echte menschen voel te leven in Goudsmit's
Scheppende Onbewustheid gelijk óók--wat er feitelijk niets toe doet--in
de dagelijksche levenswerkelijkheid om ons heen. Maar dàt ik hun
echtheid voelen kan, dat wordt veroorzaakt door hun daden en woorden, de
dramatiek in den eigenlijken zin, en de dialoog dus. En tegen dat als
echt voelen botst dan telkens een als ònecht voelen. En dit wordt
veroorzaakt door de foutieve, niet-Chajem-achtige, niet-Japie-achtige,
maar pur et simple Goudsmit'sche uiting van Chajem's en Japie's
denk-voelen. Summa summarum dus: voel ik ze als gehéél-echt te bestaan
in des schrijvers Scheppend Vermogen, ik voel ze als slechts
gedeeltelijk echt in zijn boek. [p.53] En dit is jammer voor het
prachtig-doorvoelde werk. Het is vooral spijtig, omdat zeer zeker die
fout geheel vermeden had kunnen worden door dezen talentvollen
schrijver, die alleen nog meer zelfbeheersching wellicht en technische
discipline behoeft, om zich, geheel zijner waardig, te kunnen uiten.
Voelde hij de ondeugdelijkheid niet van zijn procédé--'t geen
ongetwijfeld het meest gewenschte ware geweest--hij had die toch zeer
gemakkelijk door nadenken kunnen inzien: Is niet een scheppend
kunstenaar ook, in zekeren zin, een interpreteerend? Is een
menschfiguur, gelijk zij verrijst en staat en leeft in de conceptie van
een schrijver, niet een wezen, dat buiten hem zijn eigen leven leeft,
ofschoon het, en dit toch slechts tijdelijk, uitsluitend in hèm leeft?
Is zij niet een compositie, die vertolkt worden moet, met de meeste
piëteit en zóó dat het eigen wezen der compositie, de "bedoelingen" van
den componist, d.i. het Scheppend Onbewuste, tot de volmaaktst mogelijke
uiting komen? Wat zoudt gij zeggen van een interpreteerend musicus, die
in een door hem gespeelde compositie van een waarachtig en meesterlijk
artist, geheele brokken verving door andere tonenreeksen, wijl die naar
zijn meening dragers van dezelfde gevoelswaarden zijn en het voordeel
hebben, lichter-begrijpelijk, of uiterlijk-bevalliger, of korter van
duur te zijn?! Hetzelfde zoudt gij dan wellicht zeggen, niet waar,
als--van een schrijver, die het denk-voelen zijner figuren door zijn
lyrische paraphrase vertolkt, in stede van dat denk-voelen-zelf, in de
taal-zelf daarvan, zij 't resumeerend-gestyleerd, te geven.--Het deere
Goudsmit niet, dat ik uitweide over het foutieve in zijn werk, hij voele
er mijn achting voor zijn gaven, mijn innige waardeering in, en zoo hij
er de bedoeling in proeve, hem als 't ware theoretisch te onderrichten,
dan--heeft hij gelijk. Maar is het doel van ons àller leven niet,
elkander te onderrichten en geest-verhelderend te steunen, en houd ik
mij niet overtuigd, dat hij mij evenzeer iets zou kunnen leeren, wat ik
niet weet of inzie, gelijk ik het hem nu denk en hoop te doen. Want ik
wensch zoo innig, dat zijn volgend werk niet meer met die fout behept
zij. Zij geeft, zelfs aan het geheel, den schijn van het
niet-geacheveerde, het onrijpe.

[p.54] Die erin gewerkte Goudsmit'sche lyriek, ook in de beschrijvingen,
zij vloekt tegen het armelijk bestaan der gebeelde volksmenschen. Het
werk verliest daardoor zijn eigen-tonige, warm-toedekkende,
levenverwekkende en -behoudende atmosfeer. Het staat dan koud en naakt,
het bezwijmt en dreigt te sterven.

En behalve dat: dit lyrisch proza is vaak op zich-zelf van zeer
twijfelachtige qualiteit. De zéér talrijke fijnheden in dit werk, de
soms waarlijk prachtige vondsten van verwoording, zij zijn te vinden in
de psychologiek van het momentaneele geestbewegen der figuren, niet in
de resumeerende psychologiek van hun algemeene voel- en denk-wijze. En
dáár treedt de Goudsmid'sche lyriek op! Zij zijn te vinden in de
zuiver-plastische beelding der dingen, niet in de metaforische weergave
van hun aanzien. En dáár treedt de Goudsmidsche lyriek op. Zij, die
onrijpe lyriek veroorzaakt, dat naast kostbare fijnheidjes zich telkens
valsche beeldspraak en slordigheid vertoonen. Dat zij in de joodsche
schetsen het meest op den voorgrond treedt--ik was u nog een verklaring
daarvan schuldig--ligt m.i. onbetwijfelbaar daaraan, dat 't
joodsche-leven-in-dezen-bundel, het warme, innige, hartstochtelijke,
veel meer met Goudsmit's eigen aard overeenkomt dan 't koelere, grovere
leven-der-Christenen-in-dit-boek en dus veel eerder dan dit laatste een
uitstorting van des schrijvers eigen gevoel kon te weeg brengen.

Ik kan, met het oog op de beschikbare ruimte, geen bewijzen geven, noch
van de gegrondheid mijner bewondering noch van die mijner blaam.
Analysen en citaten, ik moet ze achterwege laten. Maar één schoonheid
wil ik met name noemen, een schoonheid, die altijd in mijn geest als een
kostbaar bezit zal staan: de verrukkelijke--ik zeg het met nadruk--de
verrukkelijke beelding van Chajem en Sjimmie's tocht naar de fabriek,
van Sjimmie's zielontroerend afscheid van Vader, pràchtig van echtheid,
héérlijk van de innigste doorvoeling. Hadde Goudsmit nooit zijn mooie
Zoekenden geschreven, bestond er niets anders van hem dan de beelding
van dit smartelijk gebeuren, zij maakte het tot plicht hem een groot
talent te roemen.

[p.55] En dan ... ja dan is er toch nòg iets, waarover ik even mòet
spreken. De humor in dit werk, de lagere èn de hoogere. De lagere:
goedmoedig-fijne en ingehouden làch alléén, gij vindt hem in De
Hengelwedstrijd. De hoogere: lach èn deernis, tot één zachtkleurige
schoonheid verteederd, hij leeft in de joodsche schetsen op meer dan
ééne plaats, maar het diepst, het rijkst in de paar laatste woorden van
den laatsten zin van Kinderen.

"In een paar woorden, in één zin!" roept ge geringschattend uit, "der
moeite waard." Maar, lezer, ik vrage u, als die humor, zóó broos een
schepsel van zon en tranen met zijn teere kleuren onze levenslanden
overboogt, zouden wij dan niet dankbaar zijn voor die stralende omvaming
van het verspreide, hoe kort zij dure?...

Juni '13.

Noot:

[Footnote 1: Deze bewering ziet er uit als een phrase. Ik mòet daarom
wel de onbescheidenheid hebben, den lezer te verwijzen naar mijn opstel
in De Ploeg van Juli--Aug., 1911: "Over Literaire Kritiek en Is.
Querido's studiën", waarin ik die bewering gemotiveerd heb. (Herdrukt in
mijne Schetsen en CritUcht Opstellen.)]
*
       *       *       *       *


[p.56] MR. J. DERMOÛT: SINGKEP TIN


Mozes verkondt den stamhoofden van Israël, dat zoo hun de beoordeeling
van 't een of ander verwikkeld geval te zwaar mocht vallen, dit voor hem
moet worden gebracht, opdat hij 't berechte. De Heer, wien dit trotsche
woord mishaagt, doet daarop de Tselafgadiaansche moeilijkheden rijzen,
en ook Mozes weet niet.... De literaire critiek hoogmoedigt sinds jaar
en dag tot de kunstlievende en beschaafde gemeente--medici, ingenieurs,
juristen, enz. enz.--"Zoo gij met de beoordeeling van eenig literair
werk geen weg weet, kom tot Mij--met een hoofdletter--en Ik zal het
richten, en," zoo voegt ze er allicht op haar betweterige manier aan
toe, "als Ik u raden mag, beproef zelfs niet een oordeel te geven, breng
het Mij, den Eenig-bevoegde", maar ziedaar ... het lot dat de
hoovaardigen vernedert, doet den heer Dermoût en zijn Oorspronkelijke
Indische Roman verschijnen, en--de critiek staat paf en met haar grooten
mond vol--tijgerlijke--tanden. Welk een onverwachte vernedering! Een
hengelaar, die door zijn prooi te water wordt getrokken, een beul, die
door de veroordeelden wordt geëxecuteerd! En bleef 't daar nog maar bij,
maar o, die gelegenheid tot wraak en Schadenfreude, die ik der
kunstlievende en beschaafde gemeente niet gun. Want helaas, dit weet gij
nog niet en nu zal ik 't wel blozend en lip-bebijtend moeten erkennen:
de residenten, de controleurs, de radjahs, de planters, de
koeliedrijvers en de indologen en met hen de smeden, de timmerlui, de
geologen, de geographen, de zeevaarders, de water-, de scheeps- en de
mijnbouwkundigen, de medici, de machinisten en de smokkelaars, benevens
[p.57] de ... och, ik raak buiten adem, laat me maar zeggen, al de
medewerkers van Meyers Grosses Konversations-Lexicon, àllen, zeg ik u,
en nog meer, nog véél méér, zouden de schitterendste, de diepzinnigste,
de geestdriftigste, de meest eloquente recensies over dezen roman kunnen
schrijven, alleen--de letterkundige niet! Want de heer Dermoût en zijn
hoofdfiguur Bob zijn van àlle markten thuis en dit prettige werk is een
handboek voor àlle ambachten en àlle wetenschappen, maar alleen dàt
iets, dat nietige dingsigheidje waarover een kunstcriticus een oordeel
zou kunnen geven, dat schijnt onze auteur, al schreef hij dan ook een
roman, toevallig of wellicht met de wijze bedoeling, de goden door de
volmaaktheid zijns werks niet te tarten, te hebben overgeslagen. Neen,
zooiets staat er niet in. En toch ... àls ik eens ... die paar
psychologische trekjes ... maar nee, och nee, daarover kan ik waarachtig
toch geen boom gaan opzetten.... Komaan, geen onwaardig geschipper, dan
maar liever deze gulle bekentenis van onmacht, onmacht, m'n hemel, van
hem, wiens taak en plicht het is hier te spreken, om één woord te zeggen
van een boek, waarover de heele wereld wat zeggen kan! Maar mocht dan
ook deze duldzaam aanvaarde vernedering tot boete voor ons àller
hoogmoed strekken, o, mijne broeders in de critiek, en het vertoornde
lot, behagen scheppend in de verbrijzeling onzer harten en neigend tot
genade, den heer Dermoût nog vele, vele handboeken laten
schrijven--ikzelf, o dànk, dànk! heb nu reeds een nieuwe methode van
diamantkeuring van hem geleerd!--maar nimmer, o, nimmermeer een
roman....

Juli '13.



       *       *       *       *       *


[p.58] WALLY MOES: GOOISCHE DORPSVERTELLINGEN


Alle wezenlijke kunstenaars hebben dit gemeen--gelijk ook zij, die de
wetenschap om der wille van haar zelve dienen--dat zij nimmer moede
worden des Levens Gelaat te beschouwen, en hun geen geluk zoo groot,
geen arbeid zoo gewichtig is, als die arbeid, die een geluk, dat geluk,
dat een arbeid is. Zij beschouwen dit Gelaat dan ook niet, òm van zijn
lijnenspel en schoonheid te verhalen, maar, omgekeerd, verhalen zij
ervan, omdat hun contemplatie hen te vol heeft gemaakt van gevoel, dan
dat zij dat langer alleen zouden kunnen dragen. En daarentegen vertoonen
alle pseudo-kunstenaars dèze overeenkomst, dat zij wel telkens èven zien
naar dat Gelaat, maar op de wijze van iemand, die een nu eenmaal
noodzakelijk maar vervelend werk heeft te verrichten, dat hem maar zoo
weinig mogelijk van zijn kostbaren tijd moet kosten. Zoo spoedig
doenlijk wenden zij zich dan ook af en gaan met den rug er naar toe
zitten, en om het weinige heen, dat zij werkelijk gezien hebben,
borduren ze dan veel bedàchte leugentjes en vertellen van dat weinige
zoo veel mogelijk: daarom was 't hun immers alleen te doen. Onder de
eersten behoort ook deze zeer echte kunstenares Wally Moes en het zal
zeer gemakkelijk zijn, ook haar rang te midden van hen te bepalen,
indien wij het volgende hebben opgemerkt. Er zijn artisten--en van de
grootsten--wien de blik uit het Levensgelaat, voortdurend brandend in
hun oogen, als hypnotiseert, zoodat zij als in een droom en onder een
dwang, hun hand de lijnen van het hun geworden beeld voelen trekken;
[p.59] hun bewegen faalt niet; hun schepping trilt en beeft van 't
innigste leven-zelf;--Jozef Israëls, om een schitterend voorbeeld te
noemen, heeft zich een van hen geweten. Er zijn er anderen, die ziènde
èn geboeid door het zien, dàn toch niet verstaan wat zij aanschouwen, en
de schoonheid en beteekenis ervan pas in het herinneringsbeeld
doorvoelen. Dier werkwijze is meestal moeielijk en zwaar; het leven
staat uit een diepe bezonkenheid in hen op, het heeft al zijn
schoonheid, tinten en geuren, behouden, maar gedempt; doch zoo het al
aan blijmoedigheid en losse bevalligheid verloor, het heeft aan zuivere
klaarheid en zachten ernst gewonnen, zooals huizen en boomen aan een
spiegelend grachtje in 'n stad, waar, tegen den avond, een onweer met
veel regen alles in een gewasschen helderte heeft gezet. Ook tot hen
behooren Grooten.--En dan zijn er nog, die ziende onmiddellijk
begrijpen, al te nùchter vaak begrijpen, en al ziende haastig hun
notities neerschrijven. Dat zijn de wel zeer echte, maar vaak als
nonchalant werkende kunstenaars. Zij zien te véél naar het Levensgelaat
en te wèinig naar wat zij schrijven. Onder hen bevindt zich onze Wally
Moes. Mag het haar gebeuren, dat door een gelukkig toeval het
essentieele alleen binnen haar gezichtsveld komt, dan beeldt zij slechts
dat--zoo bijv. Harpje, waarmede haar bundel opent: een meesterstukje!--;
gevalt het daarentegen, dat ze ook het bijkomstige ziet, dan schrijft ze
zonder genade voor zich-zelf of den lezer ook al dat bijkomstige neer,
zooals in Het Wondervrouwtje. Niet zelden verlaagt zij dan haar werk tot
een bijna zakelijke folkloristische essai of een bonte collectie
anecdoten--zoo is bijvoorbeeld de zwijgende figuur Leendert in Getjilp
onverklaard, geen kunst, anecdotisch gebleven, terwijl Donker Laren maar
al te vaak niet boven het zuiver-folkloristische uitkomt--maar is zij
dan tot zoo diep gedaald, dan komt ze plots tot bezinning en stijgt
weer: in een paar gelukkige zinnetjes bewijst zij dan nog, ook veel van
het essentieele te hebben doorvoeld--zie het slot van datzelfde Het
Wondervrouwtje.--Rasschrijfster als zij is, deinst ze voor niets terug,
overwint zij alle moeilijkheden tot volle bevrediging van den lezer en
als spelenderwijs; men behoeft slechts de bedreiging met [p.60] moord
door den teleurgestelden minnaar en den gevaarvollen tocht der beide
spieringvisschers op het Zuiderzee-ijs te lezen--beide in het prachtige
Harpje--om er eens voor al diep van overtuigd te worden. In haar puren
eenvoud, als zonder het te weten, dat zij zoo veelsoortig kostelijks in
haar werk bergt, is zij zoowel romanticus als realist, vol humor als vol
weemoed, beeldt zij even voortreffelijk synthetisch als ze prachtig
psychologisch analyseert--lees eens, om dat laatste vooral te
bewonderen, het mooie Zalige Sien, het slotstukje van den bundel!...

Zoo schijnt ons dan slechts betrekkelijk weinig te wenschen over
gebleven, en toch--is dat weinige wel zóó luttel als het schijnt? Een
wèinig meer rustige aandacht bij de schrijfster, en des lezers genieten
van het essentieele wordt niet meer zoo vaak door het bijkomstige
verlet. Een wèinig meer eerbied bij de kunstenares voor eigen vermogens
en voor het eigen wordende werk, en de taal wint aan die liefelijke
waardigheid, zonder welke een feest van den geest nooit stoorloos
verloopt....

Heeft Wally Moes zich dàt éigen gemaakt, ik ben er zeker van, dat zij
van een goede, een voorname schrijfster zal zijn geworden.

April '14.



       *       *       *       *       *


[p.61] G.F. HASPELS: WISSELEND UITZICHT


Het kwam niet, geloof ik, door het zeeïg-zilte, ruig-stoere en
hel-doorwaaide van Haspels' wijd-open geest, dat ik zoo vaak moest
denken aan die stedekens rond de Zuiderzee, als ik zijn werk las, want
mijn verbeelding meende immers hen dan juist zóó te zien, gelijk zij
zijn zullen wanneer eens ons machtigste binnenwater zal zijn gedempt en
over het nieuwe land nieuw en sterk leven hun doode pleinen en straten,
hun oude huizen binnentrekken zal. En evenmin kwam het, gelijk menig
lezer allicht zou denken, door de onderwerpen, welke onze schrijver bij
voorkeur behandelt. Het onderwerp-an-sich pleegt mij niet zoo te
obsedeeren, dat het boek mij aan iets frisch doet denken als het
onderwerp frisch is of ik het bij iets bedompts zou vergelijken, wanneer
het onderwerp bedompt is. Neen, mij althans doet dit alleen de
behandeling....--Maar het werd veroorzaakt, dunkt mij, door de
half-onbewuste overweging, dat ook de heer Haspels tegelijkertijd zóó
ouwerwetsch èn modern is als zulk een stadje vermoedelijk in de toekomst
zijn zal; het wemelt soms van moderne sentimenten en levensaanvoelingen
bij hem en die wemeling trekt maar, zoo gewoon-weg als hoorde 't niet
anders, door Potgieteriaansche straten--nou ja, natuurlijk: d'r zijn ook
nieuwe buurtjes bijgebouwd!--en Hildebrandsche geveltjes voorbij. Niet
dat hij de hoog-aristocratische zwier, de gesoigneerde wellevendheid of
het onvergelijkelijk stijl-vermogen des eersten bezitten zou--vèrre van
dien! Maar z'n dialogen vooral, natuurlijk niet in zijn schetsen van
volks- en zeemansleven, doch in zijn meer novellistich gecomponeerde
verhalen der "betere" standen [p.62]--verreweg zijn slechtste werk: te
zeer verstandelijk in elkaar gezet, met allerlei bedoelinkjes en
toevalligheidjes, zooals het zéér nàre Vriendschap in dezen
bundel--vertoonen van die Potgieteriaansche speelsche en andere
wendinkjes. En zijn zij al meest van zulk een goedkoope gevatheid als
dien Groote nooit uit de pen hadde gewild en missen zij immer diens
hooge voornaamheid, toch laten zij niet den geringsten twijfel over de
herkomst van den onbewust of bewust onderganen invloed, die in 't
algemeen hun wording heeft beheerscht. En niet, dat hij den droog-fijnen
humor van Hildebrand zou bezitten, neen, daar is hij te robust, te
sterk-, ja laat mij maar gerust zeggen, te groot-levend voor, maar
vooral en vaak bij het beëindigen van zijn novellen en schetsen doet hij
mij aan dien denken ... dan heeft hij iets van zijn manier, dan hoor ik
zijn geluid.... Och ja, ik geloof eigenlijk dat bijna héél dat oude
Holland van de middenjaren der vorige eeuw weer in hem tot nieuw leven
is gekomen, soms tot een ruimer natuurlijker leven, dan het wellicht
ooit bezat; zich in en door hem aan het moderne heeft verbonden. Zijn
hecht aan de "onbewuste" natuur, het aarde-, water- en luchtleven
verknochte aard, neen diè is allerminst van dièn tijd, noch specifiek
van den onze; die, zijn kostbaarste kern, is iets van àlle tijden,
waarin nog vrije en zuiver blijmoedige menschen kunnen bestaan; maar
alles wat in engeren zin tot de litteraire uiting zijner ikheid behoort,
dat is bijna immer beïnvloed door die periode en bijna nooit door die
van '80 of de onze. Tot een visie--ge herinnert u Onder den
Brandaris?--als die der "vier goudgehelmde, goudgepantserde reuzen", die
van Rembrandtiek licht omgloorde "wandstaanders", kwam men niet in
Hildebrand's tijd, nog veel minder tot een bijna sensitivistische
aanvoeling als, terzelfder plaatse, van de "nacht, wind en zee (die)
stonden daar met groote doode oogen verbaasd rond die lichtbron," op het
"zwalkend, in eenzame duisternis verloren scheepje". Dàt komt voort uit
het moderne in Haspels, gelijk ook de zéér ontroerende, pràchtig zonder
één kreukje in één stemming gehouden Zaterdagavond-Herinnering, in dézen
bundel. Maar wèl uit dien verleden tijd, wellicht uit iets van het beste
daarvan, is het [p.63] gedistingeerde, savant-samengestelde In den
Staringskoepel op Visite, eene allerliefste causerie, vol van een
luchtige, elegante eruditie; een gelukkige vervlechting van waarheid en
droomen--godlof allerminst Jonathan'sche!--van natuurbeschrijving en
mensch-typeering, fijntjes-effleureerende letterkundige appreciatie en
prettig-aandoende zelfspot. Kom nou eens om zóó'n stuk bij den pur sang
moderne!... Maar De Medeplichtige, dat toch ook een hartig en goed
stukje is, laat dan weer het zwàk-ouderwetsche kantje zien. Hier als bij
Augusta de Wit's Nellis, een strooper, een boer, die der "wrekende
gerechtigheid" ontvlucht, door een dominee wordt geholpen en in
veiligheid gebracht, maar hoeveel sterker is hier Augusta de Wit, omdat
zij modern-koeler voor het geval staat; omdat zij in een speciaal
moderne onverschilligheid voor het verháál, geen behoefte heeft gevoeld,
dit met ouwerwetsche toevalligheidjes op te sieren tot het van een
schetsje, een tranche de vie, een complete, gecomponeerde novelle zou
geworden zijn. Overigens is er niet véél meer van dezen bundel te
zeggen. De Gouverneur-Generaalsche: een aardig stukje. De Maas voor
Rotterdam en Op Holland's Breede Wateren, nou ja, dat zijn van die
goeiige toast-achtige dingetjes, waarvan je, als je in dezelfde
enthousiaste after-dinner-stemming bent als de spreker,
méé-wijntraan-in-'t-oog-lacht, en anders maar 'n beetje verlegen je lip
bebijt. Terwijl Zwakke Kracht en Vriendschap ... over het laatste heb ik
al even gesproken en welnu: zoo is het eerste ook: beide onbeteekenende,
door geen enkele qualiteit den schrijver waardige verhaaltjes, al opent
Vriendschap dan ook met de bijzonder fraaie en lieve beelding van een
meesje, dat op een zwiependen tak een tuinkamer in en uitwiegt. Maar in
Een Mensch, daar is de schrijver weer op zijn sympathiekst, zijn sterkst
en zijn best; daar is hij weer de wijd-opene, zoowel voor het klein- als
groot-menschlijke zoo diep-ontvankelijke begrijper, zoo heelemaal niets
in elkaar knutselend, zoo gansch niet zich verheven voelend boven zijn
klein-menschelijk onderwerp en daardoor juist zoo prachtig erboven; zoo
ontvangend en gevend het leven in éénen tocht.

[p.64] Naar de taal in engeren zin, als kùnsttaal, als plastisch
materiaal, als rijkdom van éénig-juist beeldende woorden, dáár moet ge
bij dezen ouwerwetsch-modeme eigenlijk heelemaal niet naar kijken. Want
o ho! dan ziet ge wel héél duidelijk dat toen ten jare '80 dat lustige
stormzeetje van De Nieuwe Gids Holland zooveel nieuwen rijkdom
binnenbracht, de stad Haspels aan een léélijk-verzande haven moet hebben
gelegen....--

Sept. '14.



       *       *       *       *       *


[p.65] CORNELIS VETH: GIDS VOOR PADVINDERS, PRIKKEL-IDYLLEN VI


De heer Veth heeft door het schrijven zijner Prikkel-Idyllen onze
literatuur met een bezit verrijkt, waarmede deze deftig-ernstige, dunkt
mij, wel nimmer zal gedroomd hebben nog eens in haar rechtlijnige,
streng-gebeeldhouwde hollandsche-kast te mogen pronken.--Zeker, wij
hebben meer goedlachsche spotters gehad, maar hoe vaak was, in den
nieuweren tijd, dan niet alleen het genre, maar ook de geest
geïmporteerd! De heer Veth deed beter: het uitheemsche genre ter
verrijking van eigen literatuurschat aanvaardend, begreep hij, dat er
van eenige werkelijke en blijvende winste geen sprake zou kunnen zijn,
zoo hij het niet herschiep door en in eigen geest. Het geluk begunstigt
vaak den moedige. Zou het hemzelf niet meegevallen zijn, dat die geest,
eens aan het werk getogen, zóó kostelijk òn-hollandsch bleek in zijn
schaterend-mal fantastisch doorslaan, zoo gelukkig in-hollandsch bleek
in zijn niet aandikken van de geestigheid, in zijn telkens als kleine
fonkellichtjes de écrituur èven overschijnenden en dan weer bescheiden
plots henen glimlach? Zoo ik u een bewijs moest geven van de
aanwezigheid dier uitbundige fantasie, ik zou mij allicht verplicht
achten u dezen geheelen "Gids voor Padvinders" af te schrijven, want zij
komt uitteraard slechts bij het beschouwen van het geheel tot haar volle
recht en is in een klein citaat niet dan zwak en verminkt te geven; maar
zoo ge dien stillen, nauwelijks merkbaren glimlach mocht wenschen te
zien, dat èven trekken der mondhoeken van den verteller, dat èven
schalk-schuin [p.66] kijken zijner oogen, dan is daaraan gemakkelijk te
voldoen. Ziehier: "Jammer, dat wij niet kunnen genieten van het
prachtige uitzicht, dat door gindsche dichte haag pijnboomen aan ons oog
wordt onttrokken.... Maar hoe wisselvallig hier het climaat is, bewijst
de ontzettende cycloon die daar plotseling opkomt en op enkele meters
afstand van ons alles vernielt, eeuwenoude eiken met wortel en al uit
den grond rukt, de planten mijlen ver wegslingert.... Ons uitzicht is nu
meteen vrij gekomen en wij vervolgen dankbaar en vol natuurgenot onzen
weg."

Zelden, nietwaar, zal dat vermaarde "droge" van ons overigens zoo natte
Holland, zich als tegelijkertijd zóó sappig en frisch hebben
geopenbaard. En toch zijn deze prikkel-idyllen van onzen begaafden
spotter, in al hun heuglijke deugdelijkheid nog slechts een begin; een
begin, dat dan ook inderdaad noch het verrassende, noch het min of meer
jeugdig-kleine van bijna elken aanvang van iets zeer
beteekenisvol-nieuws mist. Dat beteekenisvolle, en voor ons land
nagenoeg nieuwe, is: de ontwikkeling van den artiest-criticus in diens
eigen lijn tot scheppend kunstenaar: den schrijver van den Conte en
marge--men kent immers de buitengemeen-fraaie, soms zelfs grootsche
kunstwerkjes van een Lemaitre in dit genre?--welke het air heeft van je
zou zoo zeggen géén critiek te zijn en dit toch, o zoo fijntjes, o zoo
stimuleerend en verheuglijk is.??--Toen ik indertijd, de aandacht mijner
Het Jonge Leven-lezers op de Prikkel-Idyllen vestigend, de parodie, om
hun haar wezen duidelijk te maken, vergeleek bij de sluipwesp, die, haar
eitjes in de rups leggend, ìn het lichaam van deze èn door vernietiging
daarvan, eigen geslacht doet geboren worden en gedijen, was, zoo dunkt
mij nog altijd, dit beeld niet onjuist, zelfs ook indien meer in 't
bijzonder in betrekking tot 's heeren Veth's werk beschouwd, voor zoover
dit er inderdaad nu en dan in slagen mocht, het schadelijk broedsel der
Schundlektur te knauwen, maar hoe onjuist daarentegen was 't in zijn
toepassing op dat werk, wanneer men er op let, hoe geheel zonder
boosheid en venijn het is, hoe gul de lach er in klinkt, hoe open en
luidruchtig het leeft. En juist nu [p.67] de coïncidentie dèzer feiten:
dat de parodie op een boek toch in zekeren zin een Conte en marge van
dat boek kan worden genoemd; dat de Prikkel-Idyllen wel ongetwijfeld
zeer geprononceerde parodieën zijn maar ook even zeker kiem-elementen
van de niet-parodiëerende Conte en marge in zich hebben, èn dat de heer
Veth criticus is, doet mij hopen en verwachten, dat 't hem gegeven moge
zijn, ook dezen schoonen uitlooper van den critischen geest in Holland
te stekken. Zulk een Conte kan van alles in zich bevatten: fijne ironie,
diep levensinzicht--wie zou er zich van kostbaarder gehalte wenschen,
dan er bijvoorbeeld in Lemaitre's En marge des fables de Fénelon (Le
joural du duc de Bourgogne) is--; sublieme verbeelding en
liefdevol-fijne critiek--als in dat prachtige En marge de Don Quichotte
(Dulcinée), om nu maar een paar te noemen. En het genre dezer verhalen
lijkt mij des te edeler, omdat zij bijna immer een moedigen wedkamp om
den prijs der hoogste schoonheid, met het "bekantteekende", meestal
wereldberoemde, werk bedoelen! Dat ook de verovering dezer
literatuursoort al evenzeer een diep ingrijpende veredeling van Veth's
werk als een uiterst beteekenisvolle aanwinst voor onze litteratuur zou
zijn, lijdt geen twijfel. Maar hetzij deze verwachting al dan niet in
vervulling moge gaan, reeds nu past het ons, hem voor deze zijne kunst,
al lijkt die slechts een aanvang vergeleken bij gene, den lof te
brengen, die zoo min den talentvollen kunstenaar als den schepper van
een nieuw genre in onze letterkunde vergeet.

Nov. '14.



       *       *       *       *       *


[p.68] HERMAN ROBBERS: HELENE SERVAES


Misschien, neen zeker, ware het wel wijs èn betamelijker van mij
geweest, nièt over deze roman te schrijven. Want zoo ik het al immer als
iets prettigs heb ondervonden, in een beminnelijk "verzoekinkje" te
worden "geleid", 't zij om mij te mogen vermeien in mijn
weerstandskracht, 't zij om de lang niet verwerpelijke zoete heugenis
aan den ten slotte toch beganen péché mignon te kunnen wijden door het
herdenken van deugdzaam voorafgeganen tweestrijd--helaas! hier was geen
verzoeking en ik werd nergens in geleid, maar voelde mij onmiddellijk
vast besloten het misdrijf te plegen, toen ik inzag dat het te plegen
was.... Of ik dus wel later met een heimelijk-monkelend glimlachje zal
kunnen terugdenken aan dèze zonde? Of ik mij niet schamen zal?...
Komaan, laat me er maar niet verder over piekeren en mij aan het
noodlot, dat mijn ijdelheid nu eenmaal over mij heeft uitgesproken met
die bereidwilligheid en gemoedskalmte onderwerpen, die, verbeeld ik mij,
den meesten mijner geëerde collega's in zulk een geval wel niet héél
vreemd zullen zijn....--

Toen ik Helene Servaes had gelezen stond het vast bij mij, dat ik met
mijn kostbaar critisch inzicht zou gaan geuren--een zonde tegen den bon
ton? best! maar het niet te doen dan toch weer een beleediging van het
nieuwe heiligje, Il Santo Egoismo; en als ik dan toch tusschen twee
zonden kiezen mòet.... En ziedaar dus: het is nu precies vijf jaar
geleden, dat ik in mijn studie over Robbers hem "den dichter-prozaïst
der liefde bij uitnemendheid" onzer literatuur noemde, en, ei, ei! ik
voelde en voel het nog zoo duidelijk: hoevelen zullen [p.69] toen wel
niet binnenkamers om die "overdrevenheid" hebben geglimlacht: de Robbers
van De Roman van een Gezin was juist toen pas zoo een heel andere
gebleken dan die van Bernard Bandt, van Annie de Boogh; dat passievolle
kunnen-beelden van het liefdeleven scheen zoo mèt de eerste jeugd
verdwenen en plaats te hebben gemaakt voor het koeler vermogen van
minder romantischen en bezadigden realist, beelder van economisch en
familiaal groepsleven.... En intusschen! hoe heerlijk heb ik nu toch
maar gelijk gekregen.... Want Helene Servaes is een sterker beelding van
de alles-beheerschende liefde, dan Robbers tot nu toe geschreven had;
van een liefde machtiger dan die van Annie de Boogh, in eene figuur
grooter dan deze. Zoo ook de laatste wordt gedreven te doen wat zij
doet, door haar hartstocht voor den beminden man, zij voelt zeer wel dat
zij aldus slechts naar haar levensgeluk kan gaan en een rampzalig
toekomstleven onvlucht; zij verlangt dan ook niets liever dan haar
gevoel gehoorzaam te zijn. De eerste echter weet ten slotte zeer
bepaald, dat zij door haar liefde voor den getrouwden man Fokkema ia het
ongeluk wordt gestort en gretig verlangt zij, in volle overgave den
goeden en lieven Lucas van der Marel te mogen behooren, en desniettemin
... haar ontzaglijke liefde beheerscht haar en drijft haar naar wanhoop
en dood. Hier is een tragiek bereikt, die in dat andere passievolle werk
werd gemist: die van den tè zwakken mensch in wien een elementaire
natuurkracht opslaat als een vlam; de tragiek van een mensch, die nu
eenmaal voorbestemd is, een "levende toorts" op het Nero-wreed
natuurfeest te zijn.--Hoezeer dan ook Robbers, met het scheppen van dit
werk, tot de eigenlijke roeping zijner kunstenaarsnatuur is
teruggekeerd, blijkt, dunkt mij, overduidelijk uit het feit, dat hij nu,
ouder geworden, nà het schrijven van dat koeler boek De Roman van een
Gezin, niet alleen het geestelijk liefde-doorleven zijner jonge jaren
verdiept en verinnigd maar zelfs verhevigd herwonnen heeft. Dit valt
geen ten deel, wien niet, als kunstenaar, de liefde èn wortel èn vrucht
èn merg des levens is....--

Maar zoo mij een fijngevoelige nu zou vragen of ik, èindelijk en [p.70]
gelùkkig, hiermee aan het einde mijner zelfverheffing ben geraakt en
weer een leesbaar want bescheiden en ingetogen recensent wil worden, ik
zou hem antwoorden: ik denk er nog niet aan! Want vertoont dit werk ook
niet het begin der verwezenlijking eener andere destijds door mij
uitgesproken verwachting? De verwachting, dat eens Robbers' "mystieke
levensbegrijpen zijner jeugd weerkomen zal", dit levensbegrijpen, dat
zich zóó schoon in De Vreemde Plant had geopenbaard en daarna--uit zijn
werk verdwenen was.... Want wie die de beschrijving van Luuk's
gewaarwordingen en liefdevisioen op blz. 184 heeft gelezen, zou niet
merken, dat het dat mystiek doorvoelen was, waarheen des auteurs geest
weer schuchter streefde, of wie ontkennen, dat hij, toen hij zoo innig
dat moment beeldde, waarop Luuk Helene's afscheidsbrief ontvangt, éven
in een van de lagere ingangspoorten der mystiek stond: het sensitivisme?

Toch, die nu meenen zou, dat de pochende recensent te diep in het
glaasje der ijdelheid heeft gekeken, dan dat hij nog helder genoeg zou
zijn, om de fouten te zien, die hij--niet heeft voorspeld, kwame
bedrogen uit. Hij meent althans nog genoegzaam onbeneveld te zijn, om te
mogen beweren, dat ook uit dit werk weer blijkt, hoe het inbrengen van
een zwak pathologisch element in eene overigens niet pathologisch
getinte romanfiguur zelden een voordeel is. Althans ook hier vermindert
ongetwijfeld de hereditaire dispositie tot zelfmoord in Helene het
algemeen menschelijke in haar, leidt des lezers aandacht een weinig af
van haar innigste wezenheid-zelf en maakt zijn zien van haar als een
ziel, die absoluut door de lièfde beheerscht wordt, een weinig troebel
en onzeker--want nu is niet alleen de liefde Heiene's noodlot gebleken
maar die neiging tot zelfmoord heeft haar bestemming mee gedetermineerd;
men denke er zich eens in, hoe in dat wellicht innigste boek-van-liefde
dat onze literatuur bezit, Geertje, de imposante verschijning der liefde
ontzaglijk verzwakt zou zijn geworden, indien ook daar een dergelijk
element ware ingeslopen!--; en ten leste, daar de figuur van Helene--en
ik spreek ook nu niet van de beelding maar van den gebeelden
mensch--althans [p.71] in mijn geheugen immer als a thing of beauty zal
staan, wordt mijn joy for ever daaraan door dat pathologische
aanmerkelijk geschaad, want niet kan de schoonheid van de beelding eens
menschen daardoor lijden maar wel en maar al te zeer de schoonheid van
dien mensch-zelf. Want indien, zooals Helene Servaes, die mensch a thing
of beauty ìs--en als wèlk een aandoenlijk schoon, spiritueel figuurtje
zie ik haar niet!--dan is dat pathologische de barst daarin, de
verminking daarvan....--En voorts meent de recensent niet minder
duidelijk te zien, dat door de sterke concentratie van des kunstenaars
aandacht op de lichtende hoofdfiguur, hij niet gemerkt heeft, dat zijn
helper, de geroutineerde-schrijver, zich nu en dan al te veel met de
andere figuren bemoeide. Er is daardoor in de beelding dezer laatste
hier en daar iets cliché-achtigs gekomen. De vakman Robbers schrijft tè
gemakkelijk, diens stijl is té gul-joviaal en ontaardt soms in diezelfde
routine-gulheid en jovialiteit, die men bijv. ook vaak in het optreden
van populaire volksleiders kan aantreffen. En mede hieraan is het ook te
wijten, dat soms de dialoog te weinig individueel-genuanceerd, naar den
aard der sprekende persoon, is Luuk is menigmaal heelemaal
Croes-achtig--de lezer herinnert zich die prachtige vaderfiguur in De
Roman van een Gezin?--en ook zijn vrienden hebben soms dat zelfde
bruyante, haha'ërige en handtastelijk lawaaiende als deze. Máár dat
minder goede blijft nooit lang. Zooals, dunkt mij, een meester-schilder,
die zich plotseling herinnert, dat daar in den anderen hoek van zijn
atelier, zijn leerling misschien iets god-weet-hoe staat te bederven,
haastig naar deze toeloopt en met een enkelen toets een fout verbetert
en iets kunst-lévends in het werk brengt, zóó springt dan gauw de
kunstenaar Robbers den vakman terzijde, duwt dien even weg, en ... kijk
nou ereis ... hoe aardig en mooi in eenen ... door dat ènkele kleine
trekje.... We genieten weer ...--Dit alles nader te argumenteeren valt
natuurlijk buiten het bestek dezer critiek en trouwens hoe weinig belang
heeft het, vergeleken bij het heuglijke feit, dat de schrijver van dit
boek er het schoonste en meest eigenlijke van zijn kunstenaarsschap,
zooals dat uit zijn jeugdwerken bleek, nu op verder [p.72] gevorderden
leeftijd, versterkt en verinnigd in mocht uiten. En ik zou hier dan ook
gevoeglijk kunnen eindigen, zoo het schrijven over Robbers' herontwaakte
mystieke neigingen en over De Vreemde Plant mij niet een mijner
literaire ergernissen te hevig had doen voelen, dan dat ik haar niet
luchten zou. Dat die prachtige ook door van Deyssel zoozeer geprezen
novelle maar in den, naar ik meen vrijwel vergeten, bundel van Phocius
blijft opgeborgen, ik vind het zonde en jammer. Want de twee andere
verhalen daarin,... vooral Een Kalverliefde.... Het geval doet mij
altijd denken aan dat ongelukkige meisje, dat niet gescheiden werd van
het lijk van het met haar saamgegroeide zusje en daardoor zelf sterven
moest. Waarom ook hier niet resoluut het chirurgisch mes genomen en het
levende, mooie kind van 'r dooie familie bevrijd?... "Ho, ho, dàt gaat
toch te ver, toch zeker te weinig nuchter voor een medisch advies!" hoor
ik hier plotseling en heftig mijn voorzichtige en fijngevoelige
roepen.... Maar och kom, wat zou dat! Is dan in vino--zelfs dien der
ijdelheid--geen veritas?...

Mei '15.



       *       *       *       *       *


[p.73] H. VAN LOON: TROUWELOOZEN


Een caleidoscopisch boek. Een wemeling van figuren, gebeurtenissen en
analysen vermoeit des lezers aandacht en doet hem zich afvragen, of 't
niet te veel gevergd zou zijn, van dezen jongen, schoon zeker
talentvollen auteur reeds te verlangen, dat àl zijn figuren zouden
werkelijk leven, àl zijn gebeurtenissen in duidelijk zichtbaar causaal
verband zouen staan, van àl zijn analysen niet soms de een de ander zou
logenstraffen. En inderdaad, hoe klaarder onze kijk wordt op dit werk,
des te duidelijker blijkt ons, dat we dit alles maar niet moeten
eischen. Want zouden wij dit wel doen, schipperden we niet wat met onze
overtuiging, dat wij feitelijk èlken schrijver zoodanigen eisch mogen
stellen, onze teleurstelling over de afwijzing ervan, bracht er ons
allicht toe, uit gemelijkheid den auteur de lof te onthouden, waarop hij
toch onbetwijfelbaar recht heeft. Overigens, die lof--zoo beteekenisvol
hij ook moge zijn--is spoedig genoeg gezegd: de menschelijkheid van dit
werk en zijn schrijver is een veel-omvattende en innerlijk-rijke, èn: de
uitbeelding is nergens zoo mislukt, dat wij niet overal de aanwezigheid
dier menschelijkheid zouden kunnen voelen. Máár: die voelend ziet men
ook onbetwijfelbaar tegelijkertijd in, dat, hadde de auteur nog wat
gewacht, gewacht namelijk tot hij als kunstenaar de behandelde stof
volkòmen meester was, het werk aan deugdelijkheid véél zou hebben
gewonnen, want nu hij dat niet heeft gedaan, nu hij al te haastig, heel
z'n mooie bouwdoos bij elkaar gegrist, de literatuurtrap komt opgehold,
nu ziet moeder Critiek helaas, dat hij de mooie blokjes en beeldjes
leelijk heeft door elkaar [p.74] gerammeld: daar is een hoekje afgebotst
en hier een spijltje verbrokkeld en de boel past niet meer precies op
elkaar....--En niet alleen dat de logiek van het gebeuren in dit werk en
de logische continuïteit der analysen wel eens zoek zijn, maar er is ook
iets in dezen roman, dat men misschien het best den epischen esprit de
l'escalier zou kunnen noemen: nog hebben wij sommige figuren niet goed
aangekeken of daar staan plotseling weer een paar spiksplinternieuwe
voor ons, en, eindelijk, nadat we die dan een paar bladzijden lang
hulpeloos en vervreemd hebben aangestaard, komt op z'n elf-en-dertigst
en in 'n "naschuitje" pas de verklaring aangewiebeld, wat ze daar nu
eigenlijk te maken hadden.--Verliest dit boek nu en dan voor een wijle
zijn karakter van psychologischen roman, geeft het 't leven in handeling
en dialoog van zijne figuren-zelf, hoe dikwijls, zèker, achten wij 't
ook dàn zéér gelukt, maar ai! welk een onmacht grijnst ons ook somtijds
aan. Men behoeft maar in 't begin die scène te lezen, waarin Lotte Geert
haar ontrouw bekent, om voor een mislukking te staan, die moeielijk als
zoodanig kan worden overtroffen. Ook de dialoog is, door het geheele
werk heen, moge zij slechts zelden slecht kunnen heeten, bijna even
zelden zoo van leven fonkelend, als men het recht heeft te verlangen. En
wat toch in den psychologischen roman, wil hij voortreffelijk heeten,
onontbeerlijk is: een analyse van fijne, diepe vondsten èn een
beeldend-analyseerende taal--zij zijn grootendeels afwezig. Maar in
weerwil van dit alles, al wàre niets anders geslaagd dan die ruige,
tintel-levende figuur van Geert, dan nog zou deze ons duidelijk maken,
dat wij hier met een schrijversaanleg te doen hebben, die zóóveel in
zich bergt, dat ze zich de wat grootscheepsche weelde mag veroorloven,
een omvangrijk en gedeeltelijk minder gelukt werk als dit, ons als zeer
betrouwbare belofte van vele toekomstige volkomen-gelukte en rijpe te
geven. Bezit en hoop dus ... ten slotte blijkt het niet weinig wat de
heer Van Loon ons schenkt.

Febr. 1916.


       *       *       *       *       *


[p.75] CYRIEL BUYSSE: OORLOGSVISIOENEN


Een zeer vermakelijk èn diep-aandoenlijk boek. Ziehier in weinig woorden
de twee ver uiteenloopende eigenschappen van dezen bundel gekenschetst,
eigenschappen, die maar al te zelden beide in het levenswerk van één
auteur worden gevonden, nòg zeldzamer in één boèk voorhanden zijn. Men
moet dan ook al een rasepicus, een volbloed romancier als deze groote
Vlaming zijn, om ze beide in zóó kort bestek, verweven in figuren zóó
vol leven en tevens zóó luchtig èn geacheveerd gebeeld, te kunnen geven.
De satyriek-humoristische verhalen: De heeren Bollekens in oorlogstijd,
Het oorlogshuwelijk van meneer Calkoen en Rikiki vullen meer dan twee
derden van den bundel. De uit hun evenwicht geslagen, smulpapige
rijkaards met "de mooie meid" in de eerste novelle; in de tweede de oude
scharrelaar, die elke twee jaar een andere dienstmeid neemt, en nu tegen
't einde van zijn leven dan toch waarlijk door de toevallen van den
krijg wordt gedwongen met de laatst bij hem in dienst getredene te
trouwen; de generaalsfamilie, die door het kleine schoothondje
getyranniseerd wordt in het derde verhaal--zij alle vermaken, terwijl in
Rikiki, in de boeven-scène, zelfs een Decamerone-achtige atmosfeer wordt
gevoeld. Ook deze verhalen zijn vol van de inwerkingen en 't gebeuren
van den tragischen oorlogstijd, maar toch, het eigenlijk bij zulk een
tijd behoorend groote sentiment liet zich niet dan onderwaardig aan
hunne half-comische figuren verbinden. Het filtert maar zoo'n beetje
door de novellen heen. Maar dan doorleven we in drie vlot geschreven,
anecdotische "niemendalletjes"--waarvan nochtans het middelste, [p.76]
In de vuurlinie, een hooger waarde allicht mag hebben als rake beelding
van den grondvasten Vlaamschen boer--de overgang naar het
diep-aandoenlijke. Dit laatste openbaart zich voor 't eerst zeer sterk
in De Vrijwilliger, den man, die met een bajonetsteek een "vijand"
doodt, en als hij onder zich in de loopgraaf diens brekende oogen ziet,
"pardon" stamelt. Vooral hierin is wel de volle en ònmiddellijk zich
uitende tragiek van den krijg bereikt, terwijl weer eene prachtig
visionnair-beeldende kracht het treffendst in De Vlucht is. Zie eens dit
kleine stukje: "... het scheurde hun door 't hart, maar 't moest, het
moèst, er was geen oogenblik meer te verliezen, zij hoorden de
vernieling in de verte aanloeien, en zij werden meegenomen in den wilden
stroom der vluchtelingen, terwijl daar in de diepte de eerste huizen van
het dorp reeds brandden....

"In volle vaart renden zij het roode westen in. Wat zag het vreeselijk
bloedrood dien avond! De zon was onder, maar hoog en wijd over de kim
had zij haar langzaam-tanend bloedlicht nagelaten, 't Was als een
tafereel der wreede, oude tijden. Somber, voorovergebogen in hun vlucht,
holden, in roodachtige stofwolk, die duizenden en duizenden daar wild op
in...."

En dan bij de lezing van De Moeder, van Singen ... Singen ...! van De
Terugkeer--welke criticus, die geen critiek-machine is geworden, zou
niet zijn wijde aandoeningen van mede-lijden en mede-genieten de volle
heerschappij over zich hebben gelaten.... Het is dan ook mede daaraan,
dat de lezer het heeft te wijten, zoo hij hier het sausje missen moet,
zonder 't welk het gerecht van een Buysse-bespreking door een kok van
dèzen tijd, die op z'n goeden naam gesteld is, niet mag worden
opgediend, het sausje, welks ingrediënten bestaan uit 'n paar lepels
vaderlandsliefde van Buysse, liefst opgewogen tegen en goed vermengd met
die van Streuvels benevens wat droppeltjes gòeie Hòllandsche azijn
erover been....--Helaas, ik arme, ik kan er hem niet aan helpen. Maar
niettemin verwaardige hij zich dit zeer bescheiden schoteltje te
proeven.... Het smaakt alleen naar Buyssensche menschheidsliefde? Ik
ontken 't niet, maar zou dat ook niet voldoende kunnen [p.77] zijn? ...
En komaan, wèg nu maar met deze keukenmeiden-beeldspraak. Ik zegge hem
slechts nog kort en goed tot besluit, dat als in toekomende tijden naar
de qualiteit der vaderlandsliefde van deze twee geniale artisten zelfs
geen vurigste Coq Gaulois meer kraaien zal, nog duizenden hen lievende
en in hun werken verdiepte lezers zullen getuigen: "Hoe hebben deze twee
de memchheid liefgehad." En is het niet deze liefde, waarop het voor de
literatuurcritiek op aankomt? Is het niet deze in tegenstelling met de
andere, die eene der maatstaven van haar oordeel moet zijn?

Febr. 1916.


       *       *       *       *       *


[p.78] VICTOR IDO: DE PAUPERS

Roman uit de Indo-Europeesche samenleving


Het Realisme, eindelijk beu van de kosjere keuken, heeft zich breeduit
aan de Indische rijsttafel gezet. Anders gezeid: het Realisme--we
moesten eigenlijk van 'n soort Naturalisme spreken, maar dat tooverwoord
roept zóó machtige geesten op ...--na jarenlang het leergraag Hollandsch
publiek onderricht te hebben in wat 'n chochem, 'n sjlemiel, 'n souger,
enz. enz. is, heeft nu een cursus geopend in Totok en Indo, mata glap,
ronggèng, etc. Ons leeren is spelen, en loopt 't een beetje mee, dan
kunnen we zonder eenigen twijfel, zooals we vroeger in 'n wip de
moreinoe hebben gehaald, 't volgend jaar het Indisch
groot-ambtenaarsexamen doen. De Paupers althans behoort zeer zeker tot
de buitengemeen prettige leermeesters in al deze wetenswaardigheden,
want een gewoon-goed boek, een boek van gezonde middelmatigheid is het
óók. De schrijver slaagde erin, zoowel uitzonderlijk-nobele figuren,
Tjang Sina en Grootvader Sam Portalis, als die van een zeer zinnelijken
geweldenaar gelijk Boong Portalis, levenswaar te beelden. Natuurlijk
ontbreekt ook in dit Indisch boek het occulte element niet. Maar daarmee
heeft de auteur een beetje geschipperd. Hij heeft de aarzelingen gekend
wier afwezigheid een stuk als De Vader van Augusta de Wit in de
gelegenheid stelde zoo sterk-eerlijk te zijn, zoo volledig te slagen. En
zooals de afwezigheid van dergelijke weifelingen--gelijk ik destijds
uiteenzette[1]--soms de [p.79] visionnaire kracht eens kunstenaars
bewijst, zoo toont de aanwezigheid een zekere visionnaire zwakte aan. En
dit gebrek aan kracht openbaart zich dan ook niet alleen daarin, maar
tevens, zij het slechts een enkel maal, in een verzwakkende herhaling
van het reeds gezegde of in een onverwachte vernuchtering, als ware er
een plotse breuk in het sensitive en visionnaire leven van den auteur
gekomen en of hij, vreemd, vergeten hadde wat hij pas zoo nadrukkelijk
zei. Maar ik herhaal het: dit gebeurt slechts uiterst zelden. Overigens:
niets dan goeds; er leven een paar lieve, jonge vrouwen-figuurtjes in
het verhaal, Daï en Nini. Mr. van Vierzen Pel, de president-rechter, is
in zijn hartstocht voor Daï zoowel als in zijn immer indachtig-zijn aan
zijn positie, zeer raak gebeeld, en dat zonder eenig valsch pathos, of
de geringste mooimakerij. Kortom, om nu maar niet al de welgeslaagde
figuren gedetailleerd te bespreken, de doorschouwingsinnigheid van den
schrijver reikt overal diep genoeg, om ons duidelijk te doen gevoelen,
dat ook deze Indo-Europeesche samen-leving precies als al hare zusteren
van ons tijdvak, eigenlijk een apart-leving is van in dwaasheid en wanen
bevangen, elkaar hatende en minachtende coterie'tjes en individuen.

Juni '16.

Noot:

[1] Zie De Gids van Juni 1915. Blz. 489 e.v., of mijne Nederlandsche
Romancières van onzen Tijd, dat in 1920 bij de Uitgeefster van dit boek
zal verschijnen.



       *       *       *       *       *


[p.80] P. RAËSKIN: PASTOOR HORSMAN


Wie pastoors en dominees louter als novellistische figuren der
Hollandsche literatuur kent, heeft de dominees zelden anders leeren zien
dan, om 't vergoelijkend te zeggen, als een ras van saaie pieten, de
pastoors daarentegen als een groep bruyant-levenslustige menschen, die
om den hemelschen nectar een goed glas aardschen wijn niet versmaden en,
Gode den wierook gunnend, voor zich een edele Havana weten te
waardeeren; vaak ook als naïeve groote-kinderen, met een rotsvast,
primitief geloof in hun religie, soms daarbij tyrannieke autocraatjes,
tòch bijna immer beminnelijk en vóóral: menschelijk. De rollen schijnen
wel waarlijk omgekeerd: aan den eenen kant de dominee, de pater
familias, die nochtans met een gezicht rondloopt--wel te verstaan: in de
literatuur!--als zuchtte hij onder alle ascetische zelfkwellingen en
onthoudingen, die er in het brein van een Yogi zouden kunnen opkomen;
aan den anderen kant de pastoor, die, aan zijn kuischheidsgelofte
getrouw, wèrkelijk een zich hevig pijnend asceet mag heeten en nochtans
de blijmoedigheid en levenslust zelve is. En dìt is dan ook wel de
zuiver-mensehelijke charme der literaire pastoorsfiguur, dat zij zich
nooit op het heel bijzondere harer zelfoverwinning laat voorstaan, ja,
van de hooge waarde daarvan niet schijnt af te weten, en dit daarentegen
het afstootelijke der literaire domineesfiguur, dat zij zich een houding
van onzinnelijk en vergeestelijkt leven geeft, die haar heelemaal niet
toekomt.--De heer Raëskin heeft de dominees de dominees gelaten en zich
ertoe bepaald de pastoorsliteratuur met een zéér liefdevol en in elk
opzicht [p.81] uitnemend en zorgzaam geschreven werkje te verrijken. Het
behandelt de bekeering van een reeds oud en ouderwetsch priester, die
niets van volksbonden en kinderpatronaten moet hebben, tot een modern
herder, die, zelfs véél aan "sociaal werk" doet. Hoe die bekeering zich
langzamerhand onder den invloed van een jong kapelaan voltrekt en het
juist en ten slotte de zonde van dien kapelaan is--hij wordt er door den
pastoor op betrapt, dat hij een meisje omhelst--die de aarzelingen van
den ouden priester overwint en hem, die zijn ontslag reeds wilde vragen,
aan zijn ambt teruggeeft, het wordt door Raëskin met zuiver
psychologisch inzicht, met volkomen ontstentenis van alle mooidoenerij
en in een zeer fijngevoelig beeldende taal weergegeven. Deze laatste is
trouwens door het geheele boek heen zoo opmerkelijk, dat ik het niet
minder als een plicht dan als een genoegen voel er eenige voorbeelden
van te geven. Van een bisschop: "Hij ... boeide door de verrassing, in
zijn grootwaardigheidsbestaan menschengrapjes te willen kennen."--"Over
den ordelijken aanleg dwarste de zon eigen lichtperken, waarin gras en
grint te zaam bloeiden."--De huishoudster "vertilde 't verstelgoed van
haar schoot naar de avondschoone ruimte op de tafel."--En beluister eens
hoe Raëskin's verhaal-stijl mee-rhythmeert met den aard van het
gebeuren. De pastoor heeft besloten zijn ontslag te vragen en neemt een
aanloopje, om dit zijn huishoudster, die hem twintig jaar trouw heeft
gediend, mede te deelen. De vrouw begrijpt hem onmiddellijk. "Ze
verstond uit zijn woorden, dat hij zijn jaren opgeteld had en weg
wilde..." zoo vertelt 't onze schrijver en is er aldus in geslaagd, in
die weinige door mij gecursiveerde woorden van bijbel-plechtige wijding
heel de ontroering dier twee oude menschen op dit voor hen zoo
gewichtige oogenblik te geven--te geven zonder met een woord van die
ontroering-zelve te hebben gerept.--En niettemin, naast zoovele deugden
heeft dit boek deze groote tekortkoming, dat het te ondiep blijft, het
hart-innige leven niet raakt. Dat het sexueele gevoelsleven der
waarlijk-geloovige en kuische priesters--en zulk een is Pastoor
Horsman--een geweldig, schoon soms meer latent, maar dan toch straks
weer [p.82] te heviger oplaaiend, element in hun psychisch complex moet
vormen, wie kan het betwijfelen? En ook: wie langer nadenkt over den
levenslust en de blijmoedigheid dezer, zij 't eenzijdige, asceten, zal
allicht inzien, als ik, dat die levenslust niet slechts niet-strijdig is
met dat ascetisme, maar er zelfs uit voortvloeit. Het wil mij namelijk
toeschijnen, dat zij voortkomt uit de zelf gerustheid, de diep-stille
tevredenheid van den zelfoverwinnaar. Vandaar dan ook deze, ook in dit
boek zoo uitstekend gebeelde, losheid en snaakschheid in den onderlingen
omgang dezer geestelijken: het groote offer hunner machtigste
hartstochten heft hen van zelf boven het pueriel gedoe en den door dat
werkelijke offer overtollig geworden schijn van
"geestelijkheids"-uiterlijkheden uit. En welnu, dit geheele
gevoelsleven, het sexueele complex van worsteling en overwinning of
nederlaag, wordt in dit boek helaas niet aangeraakt--het voorvalletje
met den kapelaan heeft louter compositorische, geen psychologische
waarde--en daardoor wellicht, dunkt mij, niet slechts deze, maar ook
elke andere wellicht mogelijke verklaring van gene blijmoedigheid
gemist.--Vroeg men mij echter wat, naast die groote tekortkoming, wel de
hóógste deugd van dit werk is, ik zou zeggen, dat het trots en in zijn
beperking toch zóó' lééft, dat het bijna de literatuur voor het leven
doet vergeten.... Het doet den lezer droomen naar het leven toe, en al
diens met het boekonderwerp verwante herinneringen roept het op.... O,
die tegenstelling tusschen de hakkelende Pastoor Jansen's niet
alleen--herinner U dien groot-goeden, kinderlijk-zuiveren vriend van
lieven Woutertje!--en de rhetorische Dominee Doelaeker's, maar ook
tusschen de laatsten en de kleiner-menschelijke Pastoor Horsman's--en nu
maar in 's hemels naam: wèl te verstaan: in het leven!--... Hoe jeuken
mij de vingers dáárop door te gaan ... Maar zoo ik 't deed, ik viel uit
mijn literair-critische rol, en het geëerde publiek flóót mij het
tooneel af--terecht!--

Oct. '16.



       *       *       *       *       *



[p.83] LOUIS COUPERUS: DE KOMEDIANTEN


Het is nu al 'n vijf jaar geleden, dat ik mij 'n weinig vroolijk mocht
maken om het Antiek Tourisme des heeren Couperus, sindsdien volgde ik
zijne productie slechts zeer accidenteel ... ontmoette ik 'm eens in
zijn tijdschrift, het was mij genoeg: ik zòcht hem niet, hij boezemde
mij geen belangstelling meer in.... Wat mij interesseert in een eens
gróót gebleken kunstenaar, dat is het, zij 't dalend-en-stijgend,
bewegen van zijn genie, en daar nu de heer Couperus van zijner
jeugdjaren genie voorgoed verlaten scheen en een "vruchtbaar talent" was
geworden, een talent met precieuse stijl-versteeninkjes, trucjes,
maniertjes en routine, werd dit mij weldra een quantité négligeable, al
had ook die quantité een zoo geweldigen omvang dat zij alle
letterkundige bourgeois épateerde tot bezwijmens toe. Deze literaire
zeeslang, die zoo langzamerhand alle de landen "rondom de oude
wereldzee" met hare kronkels omvatte, mocht voor mij zoo dik en lang
zijn als ze maar wou en kon, ze mocht heele scheepsvrachten ouë
Romeinen, Grieken en Aziaten vreten--sinds ik meende zeker te zijn, dat
zij toch nooit meer op 't strand mijner verwachting één wèrkelijken
mènsch zou werpen, één naakten mensch, een Jona, maar louter homunculi,
als uit Dr. Wagner's fleschje, zag ik niet meer naar haar om. Tot plots
... daar wordt me nu dit boek toegezonden: een werk wéér over de antieke
wereld, ditmaal hare comedianten; een werk wéér met maniertjes, trucjes
en zeer kunstmatige verkwijningen en verfijningen, maar tevens een met
eenige figuren van waarlijk-diepe, ruw-teedere menschelijkheid: de
dominus-gregis en de gladiator Carpoforus [p.84] vooral. En gaarne erken
ik ook, dat het boek vol fijne stemmingen is, stemmingen vaak verweven
in den dan zeer zuiver en schoon gestileerden dialoog. Doch het is
jammer, schoon niet dan zeer natuurlijk, dat Couperus, sinds hij een
niet meer door het genie gepossedeerd schrijver is, zich te zeer bewùst
is van wat hij doet, en derhalve als hij merkt iets aardigs te hebben
gedaan, dit met alle geweld nòg mooier wil maken, welke bedoeling dan
natuurlijk steevast de haar tegengestelde uitwerking heeft. Zoo beeldt
hij heel bevallig en soms aandoenlijk de tweeling-comediantjes in dit
boek, 'n beetje perverse jongetjes en tevens de begaafdste
tooneelspelers van hun troep, in al hun verhoudingen van jaloezie en
liefde tot de anderen en ook in hun diepe aanhankelijkheid tot elkaar,
in hun onscheidbaar-één zich voelen: ze worden ziek als ze van elkaar
gescheiden zijn. En nu is één van des auteurs manieren, om deze eenheid
den lezer duidelijk te maken, de beide jongens voortdurend hetzelfde te
laten zeggen, denken, en den een telkens den zin te laten afmaken, dien
de ander heeft begonnen. Een aardig vondstje.

Maar helaas, dit dient hij ons nu zóó vaak en zonder erbarmen toe, dat
je wel wee moèt worden van dit dooreengekakel: dat je de nervositeit
krijgt van iemand in een benauwend gedrang, doordat het is alsof die
jongetjes elkaar aldoor op de hielen trappen.

Een andere maal, bij die uitstekend-gebeelde openingsscène in Nilus'
taveerne, laat hij te midden het vertienvoudigde Jan Steen-rumoer
telkens een ezelskop door een luik komen kijken en zijn I-ha balken.
Máár eilaci, Couperus-zelf heeft weer eens gezien hoè aardig dit is, en
nu wordt hij klaarblijkelijk door zoo een Midsummernight's
Dream-Titania-verliefdheid op dien ezelskop bevangen, dat hij dien ter
eere niets beters weet te doen dan bij deze gelegenheid, van zijn proza
--let maar op:"... om de volte, de veelte, de vaalte van het vage"--een
v-stal te maken. In trouwe: wie begaat nu zóó een alliteratie-trùcje èn
meent, dat-ie iets moois heeft gedaan, behalve een veertienjarig
gymnasiast?! Zoo wisselt voortdurend het kinderlijkst--vaak
kinderachtigst--spel met den diep-menschelijken ernst af. Hoe uitstekend
[p.85] bijv. zijn met weinig trekjes de edele figuren van Plinius den
Jongeren en Tacitus, de geestige van Martialis gebeeld; hoe
zuiver-idyllisch van toon is hun tafelend samenzijn. En zoo dan kon 't
gebeuren, dat ik in mijzelf, al lezend, èn fel spotte, èn genietend
prees.... Ja, laat mij naar waarheid hier boekstaven, dat ik ééns zóó
ontroerde, dat deze mij oude en vertrouwde gedachte jong-heftig uit haar
sluimer zich hief: hoe schoon is het leven naar alle zijden, de ruwe
kracht van het volk èn de decadentie der verfijnden; wanneer zal ik toch
den Eeuwigen Grond benaderen, waaruit heel die wereld van
onafzienbaar-ver fonkelende en elkaar vijandige verscheidenheden
ééndràchtig en diepgevoed geboren wordt.

Dec. '17.



       *       *       *       *       *



[p.86] FELIX TIMMERMANS: HET KINDEKEN JEZUS IN VLAANDEREN


Was het Timmermans' benijdbare bestemming in zijn verrukkelijk Pallieter
een menschenkind tot een god te doen worden, een genieter en god van het
blijde leven--want in waarheid: wie zou in zulk een volkomen-leedlooze
een mensch kunnen herkennen?--In Het Kindeken Jezus, dat wonderlijke,
droom-vage èn droom-felle boek, verhaalt hij het begin der oude en
eeuwig-jonge geschiedenis van den God, die mensch werd, eene
geschiedenis zoo oud als de wereld, doch die in de evangeliën eens haar
onze westersche wereld meest beïnvloedenden vorm vond. Onze schrijver
zou ongetwijfeld de tegenstelling-zelve tusschen deze zijne beide
boeken, tot een magistrale grootheid hebben gevoerd, indien hij na den
Man der Vreugde nu den Man der Smarte hadde gebeeld. Zóó ver en hoog
echter reikte, reeds blijkens den titel van zijn werk, zijn bedoelen
niet. De Christus-tragedie heeft een idyllischen aanvang, en tot dien
aanvang nagenoeg heeft Timmermans zich bepaald: waar zich ook dáármede
reeds het gewèldig-tragische vermengde, waagde hij-zelf, gelijk we
zullen zien, zich aan de beelding nièt. Moeten wij dit alles betreuren?
Ik betwijfel het. Het vermaarde boek van Buber Die Legende des
Baalschem, schoon vòl van het diep-schouwend geestelijk-zien en de
exquis-kunstige beeldende-en verhaal-macht, onverbiddelijk van noode
voor de herschepping van zulk een God-Menschelijk leven, geeft nog
slechts een vermoeden van de dramatische kracht, voor de herschepping
der Christus-figuur vereischt. Zou Timmermans dit alles hebben bezeten?

[p.87] Zouden wij meer hebben gekregen dan de schoonheid, zij het een
rijke of sober-diepe--en ik denk hier aan van Schendel's De Mensch van
Nazareth en óók aan zijn Shakespeare--eener uiterste subjectivatie van
het verheven Object, welke tevens diens transpositie naar een zooveel
lager plan beteekent?... Neen. Want dit boek is niet alleen Ernst, het
is ook een Spel, en ik geloof niet, dat dè beelder van Jezus' leven tot
een dergelijk, zij 't edel, spel nog begeerte zou hebben. Reeds in den
compositorischen opzet van het werk treedt dit ernstig-spelen, deze
spelende ernst aan den dag. De Jood is een Vlaming, Palestina Vlaanderen
geworden, Bethlehem een Vlaamsch dorpje, Nazareth ligt aan de Nethe en
Gent heet flamingantisch-snedig het Vlaamsch Jerusalem, terwijl zelfs de
rabbijnen tot pastoors verontbesnijdenist en vercelibataird zijn! Spel,
nietwaar? Maar de ernst is die der groote liefde, welke den Beminde
dicht bij zich, in eigen land wilde zien leven. En: dat aanschouwelijk
wordt gemaakt als zelden te voren, hoe men den kern van een zelfde
diep-menschelijk gebeuren gelijkelijk beleven kan in het eene land als
in 't andere, in de eene eeuw als de aêr. De eeuwen en de landen zien
wij heengedragen als een licht-vervangbaar décor--het
Goddelijk-menschelijke blijkt het eenige dat is en blijft....--En ernst
in de behàndeling van het gegeven--het boek is er vol van, de
kinderlijk-reinste en die eener religieuse overgave.--Met welk een
kracht is Maria's verrukking, als haar de hemelsche verkondiging
gewordt, gebeeld; met welk eene innigheid haar moederliefde, hare zorgen
en angsten en Jozef's toegewijde nederigheid. Spel, schoon
onvermijdelijk, daarentegen weer: de primitieve levenshonger van het
oersterke boeren-Vlaanderen walmt als een rook-vlammende-en-duisterende
toorts er door heen; zijn oude, verkreupelde venten met hun
kou-verweerde bakkesen dwalen over de wegen; men ruikt den geur van
kermissen en poffertjeskramen. Maar, helaas óók een spel, en ditmaal een
zeer overbodig en zeer de stemming brekend, is bijna de geheele
Herodes-episode: dit is geen beelding van Herodes, maar die van een
poesjenellenkelder-vertooning zijner figuur! En niettemin ook dáárin,
schoon slechts één oogenblik, fel en echt des konings wanhoop; [p.88]
toch óók daarin dit psychologisch fijnheidje, dat Herodes "de schuld
schudde op zijne vrouw": hadde zij hem kinderen geschonken, hij zou den
moord van Bethlehem niet hebben bevolen. Terwijl in ditzelfde deel van
het boek ons evenzeer treft de weldoende zelfkennis van den auteur,
die--ik zinspeelde er reeds op--zich niet wagend aan eene beschrijving
van dien moord, en die toch ook niet willende missen, haar liet geven
door een Kronijkschrijver van Herodes, die wreed-onverschillig het
gebeuren beziet, en van wien men dus noch de epische kracht noch het
meegevoel verlangt, die men van onzen schrijver zou hebben
geëischt!--Vlaanderen, mogen wij met zekerheid na Pallieter en dit werk
zeggen, is een hoogbegaafd schrijver rijker geworden.--Ook nu staat
boven het vertrapte land een ster, die 's volks onverwelkte kracht en
daarmede zijn Verlosser verkondigt ... zijn literatuur.... Zij heeft ook
Timmermans' ziel zegen en macht gegeven, en doe daartoe....--

Dec. '17.



       *       *       *       *       *



[p.89] M.J. BRUSSE: EEN WORSTELAAR


Wonderlijk! Dat zelfde leven, tegen welks stalen rusting gij, moedige
lezer, èn zelfs ik, zoowel in de eerste élan der jeugd als in onze
bedachtzamer jaren, ons zoo menige wonde hebben be-loopen, dat
ònvermurwbaar-harde leven is óók--zóó zacht, zóó plastisch als was. Die
stugge tyran schijnt dan wel de meest slaafsche slaaf geworden, die er
aan zijn hof te vinden is, een slaaf bovendien der oude tijden, die over
meer geheimen van kunst en Wetenschap beschikte dan alle meesters te
zamen, en dier begeerten met één magisch gebaar te stillen wist. Maar
slechts op één voorwaarde metamorphoseert zich het harde Leven aldus.
Bùigt het zich zelfs niet onder den druk van uw wil--een sneeuwworp
gelijk tegen graniet!--het laat zich daarentegen geheel vervòrmen door
uw àlbeheerschende, ingeboren neiging, zooveel sterker dan uw wil!...
Wees een geboren-koopman, en 't Leven wordt u een beurs, een kantoor,
een boekhouder en een brandkast. Wees een geboren wijze: het wordt u een
staâg zich ontvouwend en weer verhullend geheim. Wees een
geboren-ingenieur en het verkeert niet slechts voor u in zijn tegendeel:
een machine, maar laat zich zelfs, u ten pleziere, in telkens weer
nieuwen mechanischen vorm "uitvinden" door u. Dit alles echter, niet
waar, geëerde lezer, weten wij reeds lang; we hebben, zoo niet
Salomo-gelijk, dan toch gelijk Salomo, genoeg jaartjes onder de zon
geleefd, om dat alles te hebben gezien, máár--zooals 't Leven zich
jegens Brusse houdt, dàt hebben gij noch ik óóit aanschouwd. Dàt is een
houding van--ja, het is maar door [p.90] één woord te
kenschetsen--àllerschàndelijkste vertroeteling....--Er zijn 'n paar--ik
heb het meer gezegd--gebòren-kunstenaars in ons land, die tevens
gebòren-journalisten zijn; derhalve dient hen 't Leven, twéévoudig door
hen bedwongen, zoowel tot te doorspeuren jachtveld, als tot een heilig
Brahmanen-woud, naar contemplatie en innerlijkheids-herschepping
noodend. Maar nooit tegelijkertijd wordt het hun die beide. Het zegt:
"Lieven, vóór ge mijn geheim-bloeiende bosschages der
kunstenaarsbezinning intreedt, legt uw jachtwapenen af: dáár wordt niet
gespèurd en vermìnkt, daar wordt aanschòuwd en gelìefd." Dit nu begreep
ik als wijsheid; maar helaas! waar het zijn zoon Brusse betrof, heeft
deze aller partijdige aartsvaders partijdigste Vader het zoo beschikt,
dat Hij hem boven zijne andere kinderen bevoorrechten kon. Tot hèm sprak
hij aldus: "Zoon, véél zij u toegestaan.... Zie, Ik word een mijn voor
u; breek links en rechts zonder erbarmen of verpoozen, mijn duurzaamste
gesteenten uit, en waar de anderen, met éen van de véle die gij delft
tevreden, dat slijpen tot een juweel van licht, en er gouden sieradiën
omheen ciseleeren, wèrp gij die schàtten als kolen op uw wagen, dat de
menschen zullen zeggen: wie dolf zóóveel-en-zóó-achteloos als hij!... En
nòg is Mijn genade niet uitgeput: Sta nu stil in uw werkdrift, zoon....
Zie! Ik plaats mijn scheppende wondermacht in u ... open uw zwarte
mijnwerkershand.... Wàt ziet ge? Wàt fonkelt daarin ... is het niet een
licht-juweel, omzet van gouden spangen?... Welnu, wèrp het mede op uw
wagen, en het deere u niet. Want weet: het is Mijn wil de menschen te
doen vragen: wáár sleep hij dien steen, wáár dreef hij dit goud? In de
onderaardsche schachten, waar hij doorhaast, door de gruismist van
aard-afval; bij het beuken der houweelen en den donder der
diepte-ontploffingen.... Een vluchtende schim, die ademloos grijpt en
breekt en voortijlt en werpt.... Wáár kòn hij dit slijpen, dit
drijven?--Want, zoon, zij weten het nog immer niet, dat Ik hetzelfde op
oneindig vele wijzen maak, Ik, die het omzichtig werk der
fijnst-geslepen beitels doe mislukken, en zoo Mij dit behaagt, met een
houweel mijn teerste beelden drijf.... Gij, [p.91] zoon, zult mijn
kunstenaar èn mijnwerker, mijn scherpzichtige jager èn in u zelf
gekeerde droomer tegelijkertijd zijn...."

Oordeelt nu, lezer, mijne woorden: laat de rommelige levensvolheid van
dit Een Worstelaar langs u been rumoeren: het ploffende storten der
brokken levenserts verdooft u.... Dan plots ... ge zièt iets ... ge
grijpt iets van tusschen de ruwe gevaarten.... Een bééld is 't!
brééd-visionnair gehouwen, màchtig in zijn kleinheid.... En dit, en
dit?... Die fonkeldingen.... Ongelooflijk! psychologisch filigrein....
En dit ... òndoorzichtige zielskristallen, doorzichtig-geslepen....
Hiervan dus luid, en nu ten dùidelijkste formuleerend, beschuldig ik 't
Leven: dat Het dezen nieuwen Jozef een voorraadmaker, een
magazijnmeester èn een ontraadselaar en koninklijk verwerkelijker van
vreemde droomen, in éénen, veroorlooft te zijn.... En zoo ik 't kon, ik
zou deze bevoorrechting verhinderen. Maar ach, wat vermag een menschje
tegen 't Leven, en dan nog wel een armzalig recensent....

Jan. '18.



       *       *       *       *       *



[p.92] EEN ANTISEMITISCH CRITICUS?[1]


Ik had het boek geopend en èven maar den Inhoud doorgezien.... Dan,
zachtkens, liet ik 't vóór mij ter tafel neerglijden, en evenals toen
... in dien machtigen tijd ... toèn! daar het Westen zich tegen het
Oosten verhief en krijgsgerucht de luchten, vulde--al was, gelijk ook in
dien anderen Mâha-Bhârata, dat gerucht meer van speeches dan van
wapengekletter afkomstig--zie ik mijzelf glimlachen, liefdevol
èn--demonisch....--"De Joden in de Literatuur"!... Daar staat het
artikel nu weer voor mij en lacht op zijn beurt ... ja waarlijk! ik zìe
hoe 't lácht, een beetje benepen en verlegen als een aardige,
verstandige kwant, die wel wéét, alweer een malle boodschap van zijn
baas over te brengen, maar nu eenmaal gehoorzamen mòet .... En ik mijmer
weer weg.... Hoe schoon was dat ... die jong-machtige figuur van
Ornstein uit de denkverzonkenheid van zijn wetenschappelijken arbeid te
zien rijzen, en zich te weer stellen ... voor Querido en van Campen?...
Ach wel neen, wàt zouden hem die zijn geweest! maar voor dat mèt zijn
wetenschappelijken hartstocht hem beheerschend toekomst-visioen: een
Jodendom, dat vrij, geestelijk en materieel, zich uit kan leven.... En
hoe schoon ook was, in dien subtielen, kalm-evenwichtigen, polemischen
stijl van Mevrouw Mr. Ornstein de vrouwelijke charme noch het vaste
zelfbedwang [p.93] te zien vervluchtigen voor het vuur--dat de heeren
Scharten, Wiessing en Abas lichtelijk-roosterend vuur--van haar
diep-intuïtief èn wetenschappelijk verwerkt, nóóit afdwalend
nationaliteitsbesef.--Maar dan helaas!...--o, eerste leelijkheid, die
mijn mooi genot kwam storen!--ontwaar ik hoe mijn wenkbrauw-uiteinden
mephistophelisch omhoogrijzen, voel ik mijn neusvleugels trillen van
zàcht-uitgeademde, tráág-gesávoùréérde spotjool.... En ik zie weer Jac.
Levy, een wel begaafde en energisch-opstrevende proletarier, maar toen
te jong, zonder ervaring.... Nauwelijks was hij het Mosgroene Heilige
Bosch ingetreden, om voor de verheven goden, die daar toeven, zijn hart
uit te storten, of er springt een mr.-wiessing op hem af en hapt 'm een
stuk uit zijn eerste-eigengebakken offerkoek ... en ah! welkom! welkom!
dáár is ook weer de heer Abas-van-de-fransche-verzen, welke Querido niet
beoordeelen wou.... Wraak is kòstelijk en zóet, mijn kunstenaarsziel
bemint de schoone wrekers, en dies lijkt mij dan ook de heer de Rosa,
toen hij in De Nieuwe Amsterdammer die wraakneming wilde bestraffen, en
na weigering van zijn stuk er waarachtig ook nog mee naar De Joodsche
Wachter liep, zéér verwèrpelijk en zùùr: had hij niet kunnen weten, dat
"als de redactie (van de Mosgroene natuurlijk, v.C.) zich (tegen opname)
verzet, zijn er steeds naar haar meening redenen voor van moreelen of
intellectueelen aard"? En gebóód dan ook hier inderdaad de
dièpst-begrepen moraliteit niet, dat des heeren Abas wàre beweegredenen
slechts doorheen--een putdeksel bleven stinken?... Maar och, dat is
kleingoed, dat is allemaal kleingoed ... vaarwel Levy, wáárlijk-kranige,
intelligente jongen, die je zoo mooi-autodidactisch uit je
diamantslijpers-ellende hebt opgeworsteld tot een schooner bestaan;
adieu mijnheer Abas, als u je maar vlijtig in het maken van fransche
verzen blijft oefenen, dan zie ik al in niet te ver verschiet den dag
genaken, waarop diezelfde de Rosa u, als den Verlaine Redivivus, een
zijner innigste "Filmpjes" wijdt.... Maar ga nu, ga nu, ik hoor
Scharten's stap, "the step of the master"....--Dàg Scharten!... Maar
néén toch, néén.... Verbeelding! bloeiende, [p.94]lokkende,
verleidelijke, zóó volg ik je niet langer, hìer is de grens; jij zoudt
wel van mijn denken een dialogische klucht willen maken.... Gij
vormwisselende-als-water, fònkel! maar maak den beker van mijn ernst met
je fonkeling vol....--O Scharten, als je destijds had geweten, hoe ik je
uit mijn verte zat te bezien, demonisch-spottend, jawèl, maar toch wel
waarlijk ook met een verteederd medelijden; als je toen mijn blik, en
wat die zeggen wilde, had gevoeld, hoeveel reiner en beter zou dàn je
boek zijn geworden.... Nu krijt je maar: "ik ben geen antisemiet," en
tast, geloof ik, als waar 't naar een wapen, naar een papier in je
zak.... Ah ja, ik ken 't: dat is dat soort dienst-bodengetuigschrift,
dat Mr. Wiessing je in je nood "verleende": "zoo is het ons bekend, dat
Scharten absoluut geen antisemiet is." Ach ik vrees, dat helpt niet
veel, èn jou, èn Mr. Wiessing zal men niet gelooven. Maar luister:
ik--om meer dan een reden is de tijd daartoe gekomen:--ik wasch die smet
van je af in een stróóm van argumenten .... máár bedenk dit wel: wien
een smet wordt afgewasschen, hij wijte het den wasscher niet, dat de
huid in haar ware kleur te voorschijn komt....--

       *       *       *       *       *

Scharten een antisemiet! Medestanders en vrienden, gij, die hem
verontwaardigd dus noemde, vergunt mij dat ik u thans klaarder inzicht
schenk. Overweegt eens allereerst dit: Wàt zou deze hoofsche en elegante
stylist, deze rijk-ontwikkelde kunstenaar-criticus, die met de roomigste
melk van veler landen literaturen is doorvoed, wiens waarlijk-nauwgezet
en gewetensvol onderzoek zijner critiek-objecten de warmste erkenning
verdient; wat zou déze man hebben gedaan, indien hij waarlijk antisemiet
ware geweest? Zou hij niet, vrage ik u, het voorwerp zijner afkeer ter
dege hebben bestudeerd, om het des te zekerder te kunnen treffen. Zou
hij, hij, zich niet in diens literatuur hebben verdiept, en al wat door
groote verdedigers en tegenstanders daarover is geschreven, met zijn
critische loupe hebben bezien? Ja zelfs--wat hadde dit immers uitgemaakt
voor dezen begaafden en polyglottischen literator--zou hij, in den loop
zijner van [p.95] semitischen aanstoot getourmenteerde jaren, niet
althans een weinig Hebreeuwsch hebben geleerd, om toch ééns ten minste
den gehate in diens eigen huis te kunnen bespieden? Gij antwoordt
bevestigend, natuurlijk. En evenwel, hij deed van dat alles niets. En
wat deed hij dan wel?...

Hij schreef:

     Want de schuld der Joden is hun erfelijk ongeloof; hun ongeloof in
     den Christus; hun ongeloof (vertaalt de beschouwer van dezen
     heil-zwangeren onheilstijd) hun ongeloof in de Liefde als de het
     menschdom verlossende kracht,

Hij schreef:

     ... en voor Christus' heilleer bleek het niet rijp (!!)

Is deze van alle wetenschap gespeende, is deze schamel-geestelijke
herkauwer van zoo evidente, een oneindig aantal malen rééds herkauwde en
uitgespògen, dwaasheid, is déze onze voortreffelijke kunstenaar? Bij
mijn ziel: hij lijkt wel een dorpspastoor uit "het donkere Zuiden", die,
gewaarschuwd dat een gevaarlijk-welsprekend en allicht joodsch
S.D.A.P.-redenaar een propaganda-speech komt houden, op den
voorafgaanden Zondag den kansel beklimt, om voor zijn schaapkens de
Joden als de in haat verzonken, baarlijke duivels "kruisigers van
Christus", af te malen, en hen te verzekeren, dat ze voor eeuwig mèt die
verdoemden in de hel zullen branden, als ze zouden komen te luisteren,
al ware 't maar één moment, naar dien verleider, neen erger: dien Jood
(hu!) dien Satan-zelf thans tot ze zendt!... Hoe kwam dan deze
voortreffelijke geest zóó neergedaald? Het lijkt een moeilijk probleem,
maar mij is 't er geen. Ik denk mij de oplossing aldus: levend, doordat
hij zich wellicht verongelijkt voelde--welken mensch, welken kunstenaar
vooral, gebeurt dat niet op z'n tijd!--in een wanen-doorspookt
halfduister van geestelijke depressie, veralgemeende hij zijne
zuiver-persoonlijke, bijzondere en natùùrlijk nog wel ten deele
gefantaseerde grieven, en zag eene tijdelijke ontstemming [p.96] voor
een grondsentiment zijner persoonlijkheid aan. Maar deze psychologie is
u wat te duister, te abstract? Welnu, laat mij haar dan door een
concreet voorbeeld verhelderen. Denk u een vorst--hoe vaak is 't in onze
tijden gebeurd!--die zijn troon door een revolutie ziet bedreigd, en
zijn smartelijken toorn in een pogrom uitviert--is die man dáárom een
antisemiet?! Hij èn anderen denken dat allicht, en niettemin: welk een
dwaling! Hij is immers niets dan een mènsch, die naar de schoone,
bijna-onbewust werkende, traditie van zijn liefdevol geslacht, aldus
zijn onbeheerscht en maar vluchtig gevoel uit. Is het revolutie'tje
overwonnen, is de troon weer bevestigd, dàn wordt hij allicht weer een
beste vent, doet zelfs een jóódsche vlieg geen kwaad, ja zegt wellicht
beminnelijk, dat die schoon is als een vlinder.... Keeren we nu tot
Scharten terug! Eens in die depressie vervallen, verhinderde hem zijn
ongeloofelijke naïveteit zelfs maar een glimp van den waarachtigen aard
zijns voelens te zien.... Maar hier protesteert gij! Gij gelooft
inderdaad niet, zegt ge, aan een dergelijke naïveteit in een immers
juist zoo voortreffelijk cerebraal-begaafde. Welnu vrienden, ik zal U
dwingen te gelooven, ik zal U bewijzen wat ik zeg. Hij schreef:

     Het "schmeichlen" van het Duitsch heb ik nooit kunnen verdragen,
     evenmin als het zoetige woorden-gespuug van den Joodschen
     marskramer.

en is zoo naïef er niet aan te denken, dat men hem zal toevoegen: maar
waarde heer, spreekt ge in 't huis van den gehangene niet wat àl te luid
over het touw? "Schmeichlen", "zoetig woorden-gespuug"! En dit dan:

     ... is het niet de bedroevende waarheid, dat Holland, zonder "De
     Telegraaf" niet eenmaal aan die heftige oppositie der gansche
     menschheid zou hebben deel gehad? Dat "De Telegraaf" voor een àl te
     groot part het geweten van Holland heeft moeten zijn? Het is om die
     reden ... dat de uitnoodiging van "De Telegraaf" tot medewerking,
     wel zéér aantrekkelijk voor mij was.


[p.97] Het slachtoffer, Zionistische medestanders, van ùw
antisemietisme-beschuldiging vergeve mij: ik heb zelden van den meest
ruggebogen duitsch-joodschen commis-voyageur--dè vereeniging dus van
afgrijslijkheden!--een "schmeichlender" en "zoetiger" toon gehoord! Want
zelfs al ware "De Telegraaf" een zoo ideëel-geredigeerd dagblad als
Scharten 't geloofde--gelooft hij 't nog?!--welk eene "schmeichlende"
smakeloosheid blijft het dan niettemin, op den eigen oogenblik, dat men
een betaalde taak van iemand aanvaardt, dien werkgever--ja, want al
leven we ook in nog zoo'n rose Literatuur- en Kunst- en Ideaal-hemel,
eene andere aardsche verhouding is er hier toch niet--dien werkgever,
zeg ik, zoo uitermate-liefelijk te begroeten. Maar och, wellicht vergis
ik mij; wellicht is dat maar dwaze werkmans-trots van mij. Die baaien
rok komt wel vaker uit mijn literatuur-mantel kijken!--

Hij schreef:

     Het is voor mij geen gemakkelijke zaak, te schrijven over twee
     onzer meest bekende critici, Willem Kloos en Is. Querido. Zoo geel
     ik sedert een tiental jaren de verzen, die ik schrijf, niet meer
     uit, omdat ik ook over verzen schrijf, en de gedachte niet kan
     verdragen, dat men daarnaast mijne eigene verzen voor de modellen
     zou willen aanzien van hoe ik vond dat verzen moesten zijn.

Dat, waaràchtig, schreef hij en is zoo naïef er niet aan te denken, dat
men hem zal vragen: maar waarde heer, ge geeft ook immers novellen uit,
en zijt ge dàn plotseling weer nièt bang, dat men die voor door U
omhooggeheven modellen zal aanzien? Komaan, bedenk U eens goed: àls,
bijvoorbeeld, ùwen verzen eens de "lichte godentred" van die van Boutens
eigen was, zoùdt ge ze dan niet ... nee maar, zoudt ge ze dàn heusch ...
heùschelijk niet tòch maar uitgeven?... O, heilige onschuld, ongerepte
naïveteit van een dichter, die zegt, zijne verzen niet uit te geven
omdat hij verzen critiseert O, heilige onschuld, héérlijke naïveteit van
een dichter, die, opdat zijn [p.98] verzen niét gemeten zullen worden,
ze onder de koren-maat der critiek versteekt en daardoor natùùrlijk
bewerkt, dat men ze onmiddellijk--en nu "in één partij"!--meet. Neen,
dan nog maar liever ze in den "ivoren toren" van Verwey, dan nog maar
liever ze in de "schóóne vindbaarheid" van Boutens verborgen! Onder een
korenmaat!... waar een boertje als ik ze uit kan halen ... wel foei, dat
lijkt me toch de léélijke vindbaarheid van maar een grof
verstoppertjesspel....--En welnu, vrienden, hèb ik U nu niet gedwongen
te gelooven; hèb ik U nu niet getoond, waartoe zulke wáánvervulde
naïveteit soms voert? Maar o, ik zie 't al, ge twijfelt niet meer.
Komaan, dan kunnen we verder gaan.

       *       *       *       *       *

"De Telegraaf" heeft, naast menig kwaads, ook onzen criticus goeds
gebracht. Tusschen Gids en het "Meestgelezen Dagblad" is wèl een
contrast, maar juist de felheid daarvan deed Scharten eenige der hem
bedreigende gevaren merken en hem die althans ontgaan. En ook: de
overgang van den een tot den ander heeft immers, in gòed-bekeken
werkelijkheid, veel vaker plaats dan men wellicht denkt: de
deftig-vrijzinnige kerk uìt en het luidruchtige marktplein òp, daar is
bij onzen stedenbouw immers elk kerkganger op verdacht! Scharten wist
zich dan ook onmiddellijk in 't rumoer te schikken, al tè makkelijk, àl
te nederig weliswaar, gelijk we helaas hebben gezien. Hij voelde er
losser te kunnen zijn en hij wèrd 't. Menig boerinnetje, die daar met 'r
mandje met niet-onberispelijke groentetjes stond, heeft-ie jolig berispt
en geprezen.... Die meerdere losheid was zijn winst; maar 'n
patertje-langs-den-kant met ze dansen, dàt deed hij toch nooit: daarvoor
zat de kerksche wijding hem nog te veel in 't bloed. Dat was het behoud
van zijn distinctie. Hij werd fleuriger dan óóit in De Gids. Hoe geestig
is dat vergelijk van de "zonderlinge geluiden" in Anema's poëzie, met
het "ontstellend gebrul van de bloemenmeid in Pygmalion". Hoe
aardig-beeldend weer dit (over het herdenkingsfeest van "De Maatschappij
der Nederlandsche Letterkunde") "wat er van zij, eene dubbel-en-dwarse
herdenking zal het worden, eene herdenking met een onderkin."[2] En zoo
zou ik wel voort kunnen gaan!...--Maar De Telegraaf bracht hem ook een
andere winst: zij gaf hem meer ruimte: in plaats van een vaak
krap-toegemeten Gids-overzicht over een menigte werken, beschikte hij nu
over een feuilleton-ruimte, zoo hij 't wilde voor één boek. Dat kwam
zijn lust tot de analyse, zijn sterkste zijde, ten goede. Zijne fijne
indringingsmacht verfijnde zich nog wellicht. Aanmerkt eens hoe dit
vermogen, ontwarend het diepste innerlijk in eene uiterste
uiterlijkheid, zich prachtig hier toont: (Over Geerten Gossaert) "Trots
is deze ziel als weinige--het is opmerkelijk, in hoevele dezer verzen
het statige of het steigerende paard verschijnt!"[3] En meer nog deed De
Telegraaf--gij zoudt het onmogelijk hebben geacht, en toch: zij schonk
hem den moed, ééns ten minste hartstochtelijk in zijn liefdesuiting te
zijn. Want Scharten was immer een allerkalmste puntje-op-de-i-zetter,
hij dàcht véél grooter dan hij voelde: hij dàcht stèrk en hij vòelde
maar: fijntjes. En als gij goed de waarheid dezer bewering wilt inzien,
dan moet ge eens de in dezen bundel voorkomende unieke gelegenheid
benuttigen, waarbij Scharten eene onbewuste nabootsing van Van Deyssel
heeft geschreven. Ik bedoel die passage, welke bovenaan blz. 56 begint,
waar onze criticus een boekje uit de kast haalt en dat spottend gaat
zitten bekijken. Dat is, buiten eenigen twijfel, eene reminiscentie van
het "snoezig kistje sigaren" uit: Over kunst, of eigenlijk over den Meer
Henri Borel, nog wel een van de koelste stukken van ons aller Meester,
den grooten Brandende-Voeler. En nu moet ge eens goed zien, hoe snel in
het laatstgenoemde stuk het zich in zijn eigen trèf-zekerheid
verknéuterende spèl tot den strak-ingehouden, staal-vlijmen haat-ernst
en verachting steigert, en daarentegen Scharten's spel, 't spel van een
lieven, guitigen plaaggeest blijft. Maar, constateerde ik, dat De
Telegraaf hem ten slotte den moed tot den hartstocht--waarvan ik u
aanstonds het blijk hoop te toonen--heeft geschonken, ik moet erbij
voegen, dat zij dit geschenk-om-over-te-juichen hem bracht op een
manier-om-van-te-huilen.

[p.100] En dat is aldus in zijn werk gegaan. Nauwelijks in de
Telegraaf-sfeer van maniakale anti-Duitschigheid en pro-Ententerigheid
opgenomen--in welker gedachtencomplex Nederland precies zooveel meetelt
als zijn waarde van mògelijk trekpaard voor den Entente-oorlogswagen
bedraagt--werd Scharten's wezen tot in zijn diepste gronden bevrucht,
ontwaakte het tot zijn vurigste kracht. Het wezen van dien Scharten,
die, schoon van duitsche afstamming, in Nederland geboren, een
latijnsch-geaard cosmopoliet is met een niet al te warme liefde--waarvan
de onbewuste plichtmatigheid hem wellicht tot dan bleef verholen--voor
zijn vaderland. Al die gevoelens, welke de Gids-atmosfeer verhinderd
had, in hem tot bewustzijn zelfs te komen, werden hem nu als het
uiterst-prijzenswaardige, als het onschatbaarste dat in hem was,
onthuld. Geringschatting van Holland's volkseigen--prachtig Scharten!
juicht De Telegraaf, dáár motte we weze.--Gesputter tegen die overal in
Holland opstijgende "lamme lauwheid: de Neutraliteit ... die bóvenal
beducht bleek voor het mògelijk uitdagend-schijnen eener ridderlijke
houding".... O, snikt De Telegraaf, da'k dat heb magge beleve ... gauw!
ma lodderein-boîte francaise, beste Alexander, mijn vieux brave,elle zit
dans je linker poche....--"Hoe langer en hoe gruwelijker die waanzin
duurt, hoe onverwoestbaarder dat Bewijs in het bewustzijn der menschheid
zal komen te staan. Wie het dus goed met het menschdom meent,--verlangt
niet naar een ontijdigen vrede. Stelp niet de koorts, doch laat haar
uitwoeden." Bravo! Bravo! gilt De Telegraaf, noù ben je eerst mijn
salontijgertje, noù ben je eerst net zoo'n held-achter-de-sohrijftafel
geworden als ik-zelf!--En dan steken we van wal, hoor, we geven 'm van
katoen. De Hollanders zijn "lauwe Laodicenzen", en wat "een slááfsche
indruk" maakt dat, "al die Duitsche uniformen en petten" op de
Hollandsche soldatenhoofden, alsof ze zoo bij "het
driehonderd-zooveelste Pruisische regiment (moesten) worden ingelijfd."
Tot zelfs eene novelle van een onzer schrijfsters is--let op het
maniakale--Pruisisch-systematisch[4] afgewerkt!--Maar dan--[p.101]bòven
zijn nederigheid jegens De Telegraaf, bòven zijn blijdschap ùit, aan dat
ideëele blad te mogen medewerken, stijgt als een leeuwerik uit een
drenzig, vies burgertuintje zijn zingende ziel den hemel der liefde in.
Bij al dat léélijke heeft hij nu ook van diezelfde Telegraaf--en ziehier
nu de vervulling mijner straks gegeven belofte--het schóóne geschenk van
den moed tot den hartstocht ontvangen. Het geheele innige, van zoete
liefde innige stuk Een avond in Florence is niets anders dan het
heerlijk-schoon gelaat zijner liefde tot Italië, maar kenden wij dit tot
heden als een edel, duurzaam marmer, koel als zijns beeldhouwers
sentimenten, nù is 't overbloosd door die nieuwe, die pas ontstoken vlam
van den hartstocht. Welk een jammer--voor mij--dat mijn genot alweer
niet onvermengd mocht blijven. Want ziehier de storende gedachte, die in
mij rees: o naïeve Scharten, zijt gij de man, die den Jood zóó smadend
zijn vreemdelingschap voor de voeten mocht werpen, gij die zóó over
Holland en zóó over Italië kùnt spreken; die u gebonden voelt "aan dat
heerlijke land, waar gij (u) meer dan érgens elders thuis ging(t)
gevoelen"; gij dien, thans hier in Holland levend, nochtans in
betrekking tot Italië het spraakbeeld naar de lippen dringt van "het in
twee jaren niet terug geziene ouderlijke huis"?! Onderzoek u-zélf, máár:
uw diépste ziel, èn: hoed u ervoor, die onbewust te
vereenzelvigen--schoon-scheppende éénheid als gij beiden vaak zijt--met
de psyche uwer wel cosmopolitisch-beeldend-geniale, maar naar haar
grònd-aard en -wezen stoer-hollandsche vrouw ... en nà dat onderzoek zég
mij: wéét gij u-zèlf geen "eeuwige vreemdeling" in Holland?... De ziel
van Scharten en de ziel van De Telegraaf.... Hier Raemaekers! daar is
een nieuw motief voor een nieuwe prent Soeurs Latines.

       *       *       *       *       *

In dezen bundel van een makkelijk leesbare en zuivere écriture, welke de
grondigheid niet tekort doet; in dezen bundel, puur-eerlijk en
subjectief-juist in wat hij zegt, waar hij zich maar niet tot een
volmaakt onbevoegd gebeunhaas in rassen-theorie, politieke tinnegieterij
en ridicuul-oudbakken, quasi-religieus pseudo-fanatisme verdwaast
[p.102]--in deze opstellen is nog al wat veranderd! Tegelijk met de
verdwijning uit Twee Critici van de prachtig-openhartige, warme
waardeering voor mijn Gids-studie Oude en Nieuwe Joodsche Dichtkunst,
verzonk ook de belofte "daarop terug te komen" in 't niet. Dat begrijp
ik.... Oók mijn "Oostersche kleverigheid" verdween--helaas welk eene
bohémien-artistieke verspilling in dezen duren en gomloozen tijd! Het
zij zoo.... Maar wat had behóóren te verdwijnen: al die dwaasheden,
waarover ik 't had, diè zijn gebleven. Hadt ge ze toch, o Scharten,
geëlimineerd, hoe anders van toon en inhoud ware dit opstel geworden,
ook al hadt ge, o gelóóf me, mijn "Oostersche kleverigheid" dan niet
afgewischt. Dán zou ik niet noodig gehad hebben te bewijzen, dat gij
geen antisemiet waart, gij zelf zoudt 't hebben bewezen. Wie van zich
afwerpt den ontvreemden mantel en liever onder de barre kou des hemels
gaat, dàt is een moedig man; niet hij die zégt: "die mantel behoort een
ander", maar hem tòch dráágt. Wie zélf van zich afwascht den zij 't
léélijken, maar hém toch beschérmend-maskeerenden grime-smeur staat
dichter bij Christus en Zijn Jóódsche Liefde, dan wie Zijn door de
eeuwen verminkte beeld de voeten wascht, o Scharten....--Destijds zweeg
ik--ik voelde mij tot dit zwijgen zedelijk verplicht--ik wachtte op een
latere openlichting van inzicht bij je, op eene ruiterlijke erkenning
van dwaling. Zij zijn niet gekomen. Thans moest ik spreken. Ook tot U
Zionistische vrienden, aan wie ik, naar mij dunkt, wel iets goed te
maken heb! Want ik liet u--ik móest u laten--door mijn zwijgen in den
waan, dat gij voor het aangevallen Jodendom streedt, en och, ge ziet 't
nu betreurend: ge verdedigdet slechts twee menschen--van wel zeer
ongelijke beteekenis, maar beiden slechts: ménschen; ik liet u door mijn
zwijgen in den waan, dat ge tegen 't antisemitisme streedt, helaas, het
was tegen: alweer een ménsch, wiens impressionabele kunstenaarsnatuur
mijns inziens door verongelijking tot bezinninglooze onbillijkheid werd
gedreven. En echter, het valle u licht mij te vergeven. Zulk
schijn-antisemietisme heeft maar al te vaak het meest echte gekweekt,
zooals de comedie-dief op de film veel echte [p.103] diefjes in de zaal.
En was het daarom reeds niet geboden er tegen op te treden? Mijn zwijgen
heeft dan ook niets en niemand geschaad. Het deerde mijn vriend den
aanvaller niet, want het gáf hem integendeel tot inkeer en herroeping
den tijd, en de geringste straf, die hem kon treffen, was toch wel in
een vergroote gedaante voor de menschen te staan. Het schaadde ù niet:
want wat deerde het de vlam van uw edelmoed, wie of wat haar ontstak, nu
zij brandde...?--

Jan. '18


Noten:

[1] Carel Scharten: Kroniek der Nederlandsche Letteren 1916.

[2] Cursiveering van mij.

[3] ibid.

[4] Cursiveering van mij.



      *       *       *       *



[p.104] C.J.A. VAN BRUGGEN: ALS GE NIET ... DAN! EEN VER-BEELDING


Zoodra ge het eerste hoofdstuk--het voorwoord, zoo ge wilt--van Het
verstoorde Mierennest hebt gelezen, ziet ge den zacht-ironischen, den
mild-droevigen en koel-vreugdigen, den schuwen, slechts in wat losse
speelschheid zich uiten willenden geest van den schrijver, ten voeten
uit, voor U. En in dìt boek herkent ge hem weer--hij is nu ietwat
veranderd, maar dit verbaast U niet: gij hebt die verandering
vóórvoeld....--Want ge zaagt ook wel hoe hij kwam aangetreden, deze in
zich-zelf teruggetrokken mensch, door der jaren kronkelende gang, waar
nu en dan schamplichten zijn dàn strak-gehouden gelaat belichtten, maar
ge in de duisternis een weemoedig spotlachje daarop vermoedde--ge zaagt
wel hoè hij opging tot de zelfopenbaring dezer twee boeken. Een
journalistenleven het zijne ... neen, erger: het bestaan van een
kunstcriticus!... Te midden van den grootheidswaan, de ijdele
zelfverheffing, de intrigetjes, het kemphaantjesgekraai, de nerveuse
overspanningen van al die Shakespeartjes en Bouwmeestertjes, heeft hij
dagen èn avonden doorleefd. Onderwijl echter moet hij aldoor stilletjes
naar zijn eigen speelsche droomen hebben gekeken, hoe daar dingen
ontstonden, die toch wel mooi--nee, nièt móói, zal hij op zijn
zich-zelf néérdrukkende wijze hebben gemeend, doch áárdig ... toch wel
aardig ... waren. Maar niet opschrijven, niet opschrijven, kapte hij dan
heftig een nauwelijks gedàchte gedachte af.... Wat is er in godsnaam aan
gelegen naast al het heerlijk-moois, dat de grooten hebben gemaakt ...
en kijk 'us [p.105] al die mallen, die opgejaagden, die
schichtigen....--Hij moet dien dégoût hebben gehad, welken elk
kunstenaar-criticus kent, dien dégoût van den lazaret-dokter aan de
vuur-linie ... te véél wonden, te veel verwrongen gezichten, te veel
mensch wrakken, om Gòds wil hou òp! Maar--de droomen van een
wezenlijk-scheppenden geest als de zijne, zijn sterker dan diens wil.
Zij dwongen hem ten slotte zich te bukken onder hun juk.... Hij gìng
zich uiten.... Maar in 's hemels naam, zoo moet zijn wijze deemoed hem
in een laatste verweer hebben toegefluisterd: zonder iets dat maar op
ophef lijkt, àsjeblieft ... zorg ervoor, dat ze je niet kunnen zitten
aankijken als een wonderdier ... gelùkkig: jij kunt dit leven niet
anders aanvoelen dan als een doelloos spel, bééld 't als zoodanig ...
nog een beetje achteloozer dan je 't wellicht van zelf al zou hebben
gedaan ... òm je maar de vooze gewichtigdoenerij van 't lijf te
houden....--En daar kwam dan het eerst dat vóórwoordelijke eerste
hoofdstuk van Het Verstoorde Mierennest: "Indien de natuur eens
meedeed?".... "Bedenk eens zulk een gril".... "Laat ons het eindloos
getal zulker doode werelden met één vermeerderen"..... "Maar ons
sprookje gaat verder"[1] Dit voorwoord zei den lezers onmiddellijk:
vrienden, trek jullie asjeblieft je galapak uit, je gaat niet naar een
zitting van de Staten-Generaal, maar naar de bijeenkomst van een
debating-club ... begrijpt wèl: er dwìngt ons géén nijpende
wèrkelijkheid tot spreken, noch gaan wij beraden over iets dat is, maar:
wij hebben nu eenmaal lùst tot spreken, en we zullen redeneeren over
iets, dat we veronderstellen te zijn....--Nóóit heeft een werk eene meer
discrediteerende voorrede meegekregen: de verwezenlijking van het
gegeven--het doel van kunst!--in des aanschouwers geest, scheen hier bij
voorbaat onmogelijk gemaakt! Temeer, waar zich de spèl-natuur, de
schaakspel-natuur der verbeelding nog in iets anders accentueerde: in
den ònoorspronkelijken opzet van het verhaal; dien een werelddood
brengenden komeetstaart vol blauwzuur. Want werd [p.106] ons deze opzet
niet onmiddellijk voelbaar als een analogon van een dier, grootendeels
eeuwenoude, "openingen" van het schaakspel, waarmede bijna elke partij,
óók de oorspronkelijkste, óók de geniaalste, begint? Maar dit was dan
ook de schoone triomf, zelfs over mij, die dit alles toch zóó sterk had
doorvoeld, dat den lezer dit áárdige spel, trots àlle tekortkomingen,
trots àlle onwaarschijnlijkheden, langzamerhand tot boèienden ernst
werd!--En toch--ik sprak straks van eene verandering die te voorvoelen
was: in zoo speelsche luim kòn déze scheppende geest niet volharden.
Want weet dit wel: het leven weerspiegelt zich op drie wijzen in de
menschelijke psyche: als doel- en wetten-looze toevalligheid; als
wet-gebonden spel; als doelmatige ernst. En wie nu, als onze schrijver,
meenend in de sfeer der hier als twééde genoemde levensbeschouwing te
verkeeren, toch reeds blijkens de eigenaardige ernst-impressie, welke
zijn werk ten slòtte maakt, in zijn scheppend onbewuste de erkentenis
van de dèrde draagt--diè stijgt, al scheppend, ook bewùst tot deze; die
verláát het spèl. Men ziet dan ook in dit zijn tweede boek duidelijk de
aanvang dezer stijging. Het werd er minder èn meer door. Mìnder: want nu
het puur-fantastisch gegeven is vervangen door dat eener zeer makkelijk
als zoodanig te aanvaarden werkelijkheid, storen ons veel
onwaarschijnlijkheden des te heviger.... En óók minder: omdat de
schrijver niet immer tot de hart-diepte van zijn soms
van-realiteit-nijpend onderwerp daalde, en met name zijn daardoor
geïnspireerde lyriek, hoe fraai die ook op sommige plaatsen zij, als
geheel nog onrijp bleef. Maar méér: door het
sociologisch-bitterder-hekelende van zijn oude en zuiver-gebleven
socialisten-hart; door de toch steviger levende menschelijkheid--de
engelsche professor, de apache, het meisje;--door het prachtig-geestige,
dat het werk doortintelt--de graaf met z'n vier Pommeren! dat is
onovertrefbaar in zijn soort ... dàn vloeien de meest spiritueele
karakteristieken uit zijn pen. Terwijl tusschen dat alles nog kleuren,
vaag, wonderteere van-glansmist-omdeinde visioenen. Naast vrij wat
slordigheid in de taal--soms zeer opmerkelijk in het andere uiterste
overslaande: eene als uit nerveuse behoedzaamheid [p.107] ontstane
verstarring, (een taalgevoel dat, onraad snuffelend, plots waaksch, op
stijve pooten loopt)--zijn er ook wel eenige vreemde stijlinvloeden aan
te wijzen: nàuwelijks èven een de Haansch rhythme; lànger eene
Queridoïaansch-beeldende zegging; zéér lang aangehouden de tóón der
voortreffelijke Prikkelidyllen van Cornelis Veth....--Ik wil nu maar
hopen, dat ik onzen ingetogen auteur niet te veel lof, naar zijn smaak,
heb toegezwaaid, en vooral verzoek ik hem mijne allicht-onjuiste
psychologische analysen te willen verontschuldigen Hij-zelf heeft aan
mijne vermetelheid een weinig schuld! Schoon spel prikkelt tot
medespelen. Jammer slechts dat ik dan een zoo onkundig partner was. Maar
zie, alreeds sta ik op, en de vrije plaats voor het schaakbord aan zijne
Scheppende Droomen latend, trek ik mij in den kring der verheugde en
zwijgende aanschouwers terug.

Febr. '18.


Noot:

[1] Alle cursiveeringen van mij.



       *       *       *       *       *


[p.108] JOH. DE MEESTER: DE KINDSHEID VAN HARLEKIJNTJE


De jòng-geestige, liefdevol-spotlustige verteller, die de Meester
eenmaal was, de verteller van dat onvergetelijk Avontuur van David
Zangvogel èn Petite Reine, benevens de wat
Hildebrand-achtig-gemoedelijke, novellistische verhandelaar, die hij
zoowaar óók soms kon blijken--die beide evenwichtiger wezens bestaan,
blijkens dezen bundel, nauwelijks meer in hem. Zijn nog altijd jeugdige
en rappe geest heeft een toch wat oùwelijk-stèrker physionomie gekregen
... van een vréémde ouwelijkheid, zulk eene als, schoon plòts
geopenbaard, wel altijd bij het wezen moet hebben behoord, of het jong
was dan wel oud; die niets met den vorderenden leeftijd heeft te maken.
Zijn scheppende geest--dáár ben ik er!--lijkt mij de, machtiger dan
vroeger geprononceerde, physionomie van den condor te hebben:
kaalhoofdig, naakt-scherpe oogen, bits-kromme grijpsnavel. Met zijn
fel-flikkerenden blik zoekt hij den hemel af en de aarde over....--Zijn
nerveus-open ziel reageert op alles dat leefbeweegt binnen zijn
gezichtsveld. Alles is hem schoonheidsprooi, hij ziet èn grijpt.... Het
is verwonderlijk wat hij òp kan, wàt hij ver-bijt, wàt hij verslindt en
in hoe korten tijd hij 't doet....--Ziedaar de schrijver des zes, deels
voortreffelijke, deels goede, maar àlle: boeiende, Thuiskomsten; van het
pittige Een geval van Tooneelbescherming en het een beetje, in de figuur
van den schilder, Emants-getinte Oase. Nog altijd is hij de
onverminderd-uitmuntende compositeur van het vlotte, korte verhaal, en
in elk zoo'n verhaal is welhaast een roman saamgedrongen; zij [p.109]
zijn instantané's, maar niet van een-oogenblik-in-'t-leven, doch van
het-leven-in-een-oogenblik. Zijn verhalen zijn vol rillende driften:
hèrsens vòl bevende zenuwen, kloppende aderen. Zijn zinsbouw, zijn taal
zijn incarnatie--pezig-mager, gloed-droog woordvleesch--van zijn vurige,
lijdende, wrang-genietende, het leven een drònk afdwìngende ziel. Warmte
en koude wisselen snel in hem, maar blijvend in hem toch is: iets
hard-staalachtigs, sòms smijdig-vlug als een toestootende degen, maar
soms ook als onverzettelijk omhooggespeerd onder den duister-broeienden
hemel van zijn pessimisme. Donkerte en licht wisselbliksemen dan langs
hem heen, want geen onweer barst in zijn nabijheid los of hij trekt de
ontlading aan ... dan ziet ge fèl den staalglans. Als het gevaarlijke
hemellicht, verraderlijk-snel en wreed, de zich onzichtbaar wanende
zwoel-heimelijke nachtelijkheden der aarde opendekt, vaart het langs hèm
neer, om zich-zelf in den reuk-zwaren grond te begraven. Dit, wat den
schepper in dit werk betreft. De mensch, die niet tot het schepper-zijn
kon stijgen, wijl hij er zooeven vermoeid uit neergezegen was, spreekt
uit het eerste verhaal: De Kindsheid van Harlekijntje. Dáárin leeft de
man, die door de turbulente jacht van scheppende bewogenhden éven
verlaten, zoo graag een héél gewone mensch, dien korten tijd althans,
wil zijn. Daar ziet hij zich nu zitten in een gezellige kamer, en een
anderen mensch tegenover zich.... Heeft die naar hem geluisterd, terwijl
hij scheppend-verhaler was?... De bewonderingswarme blik van dien man
schijnt dat wel te zeggen.... Maar wat doet dat ertoe; van zùlk een
verhaler is nù niets in hem ... hij voelt als een geestelijke koude, een
leegte ... hij voelt een behoefte aan gewóón-menschelijke vriendschap
.... Hij wéét zeker, dat als hij nu in zijn weeken weemoed, zijn drang
naar wat meegevoel, gaat spreken, hij sentimenteel, misschien wel
drakig-melodramatisch zal doen; tòch kan-ie 't niet laten. De oogen
ver-starend, vochtig van verlangensglans, mijmert hij zachtkens over
zijn jeugd, hoe-ie daar in dat oude, kleine stadje, waar zijn ouders
woonden, een jongetje kende, Harlekijntje ... een armzalig, door drank
verdwergd jongetje.... En hij vraagt vertrouwelijk den man tegenover
zich: van die Harlekijntje gesproken: "Heette zijn [p.110] moeder niet
dronken Fie? Was zij uit een Belgisch Seheldedorp".... "Heeft de muziek
Fie gelokt naar de stad?"....--Maar de man tegenover hem ziet hem
koelverbaasd aan. Die begrijpt niet, dat de liefde-gevende schepper
plots een liefde-behoevende mènsch is geworden, en koud antwoordt hij
hem: "Vraagt U mij wie of wat Fie was!... dat wilde ik juist van U
weten.... Wat wilt U toch van mij? Waar is Uw prachtige zèkerheid
gebleven?... O, o ... ik zie 't nu.... U zijt geen schepper meer als
straks.... U zijt 'n mènsch als ik geworden. Ik herken mijn eigen
twijfelen in U helaas, maar ùwe zekerheden herken ik niet meer." En de
man staat op en gaat héén....--O, de Meester, dit is het lot van alle
scheppenden, als dat vreemde heimwee hen naar het gewone mensch-zijn
trekt ...--naar: los te zijn van scheppende droomen; los van die
over-vreeselijke, pijnende gevoeligheid; los van hun onverzadelijke,
dùistere drift naar een vermoede licht, al maar heller begeerd, al maar
heller dan zij ooit hebben gekend ... bevrijd te zijn van dat dunne,
meedeinende, maar nooit wijkende, alles zoo anders kleurende waas, dat
hen van de anderen scheidt. Want nóóit worden zij daaraan geheel
onttogen en nooit hun de zoete vrede der gewone menschen en het
't-zelfde-voelen met dezen gegeven. Blijf daarom je nerveus-trillende,
je van leven kloppende verhalen schrijven; hoe levend en schoon zijn zij
ook weer hier, al zijn, gelijk in al het levende, doode plekken in hen.
Maar mijmer geen Harlekijntjes meer. Wat de mensch beminnenswaard zelfs
acht in zijn evenbroeder, verwerpt en veroordeelt hij nog in hem dien
hij als kunstenaar meende te hooren, terwijl toen de kunstenaar nièt
sprak....--

Febr. '18.



       *       *       *       *       *



[p.111] R.J. SPITZ: UIT HOOFT'S LYRIEK


De heer Spitz maakt zich wel zeer verdienstelijk zoowel jegens de oude
literatuur als jegens den modernen mensch, die hij zich zoozeer beijvert
tot elkander te brengen. Eerst de overzetting van de Beatrijs uit het
Middel-Nederlandsch in het hedendaagsch, een werk, dat, er mogen dan ook
duidelijk-zichtbare vlekjes op zijn aan te wijzen--ik kom er spoedig
elders op terug--toch van een piëteitvollen moed en een schoonheidsbesef
getuigt, die den uitvoerder eeren. Nù deze bescheidener maar niet minder
gewichtige arbeid van het samenstellen eener korte bloemlezing uit
Hooft's lyriek, waarbij echter, daargelaten dat het doen eener keuze
vaak evenzeer een blik gunt in den geest van die haar deed, als een
vertaling in dien van den vertaler, de bloemlezer kans heeft gezien en
wèl gebruikt, om zijn zeer te waardeeren aandeel in het gebodene te
verhoogen door het schrijven eener beknopte, aangenaam-leesbare, zeer
concis-gestelde inleiding, welke met een zekere prettig-aandoende,
vastbesloten flinkheid de dingen bespreekt of noemt, waar 't op aankomt.
Als ge hem, in den eersten zin reeds, zoo terloops hoort zeggen, dat
Hooft's vader "een van de besten en zuiversten van een regentensoort
(was), waarvan de vrijzinnigheid vaak niet meer dan afkeer was van
predikanten-heerschappij en dat meestal slechts voor een vrijheid voelde
die de onderdrukking van anderen als grondslag had en ten eigen bate kon
worden aangewend," dan herkent ge hier onmiddellijk deze uiting als die
van een man, die, ver over zijn vak-omheininkje heen, den wijden
horizont ziet, diens spel van in elkander vervloeiende en elkaar
aanvullende tinten [p.112] begrijpt, en met dat zuiver-eigen begrip zijn
van anderen ontvàngen kennis scheidt, weer samenvoegt, schakeert, en
aldus tot den vollen èigendom van zijn geest maakt. Er klopt iets in
deze zoo aus einem Gusse gegoten inleiding, iets van zoo wàrme
overtuiging ook--men leze bijvoorbeeld die paar regels, waarin de
schrijver "protesteert" tegen een oordeel, dat Hooft een fijner geest
dan Vondel noemt--dat het mij zeer verwonderen zou, indien deze "klop"
niet eens een véél verder dragend geluid uit het brons der taal zou
wekken dan dit, al zal het wel, denk ik, nooit een schóón carillon, maar
slechts een zeer nuttige en, wie weet, ook menig rustig slaapje storende
uur slag zijn. De heer Spitz lijkt mij namelijk niet iemand--het blijkt
m.i. duidelijk uit zijn overzetting van de Beatrijs--van noemenswaardige
kunstenaarsgaven. Intusschen, gewichtiger dan dit alles dunkt mij de
vraag, of zelfs een voortreffelijk uitgaafje als dit bij machte zal zijn
den nieuwen mensch tot de oude kunst te brengen. Bloemlezers van oude
literatuur, in dezen tijd, schijnen mij altijd min of meer op zoo'n oude
dame te lijken, die, als haar coquet kleindochtertje naar haar eerste
bal gaat, uit 'r commode, van achter zeven sloten, een kostbaar antiek
snoer haalt en dit, als in zelf-opofferende innigheid, om het jonge
halsje legt. Maar het kind helaas, ofschoon ze quasi-opgetogen haar
oogen laat schitteren, is er heelemaal niet dankbaar voor ... ze zou
veel liever een van haar moderne snuisterijen dragen, en bovendien: wat
zal Albert, dien ze van de tien dansen zeven heeft beloofd, er wel van
zeggen, dat ze zijn medaillonnetje niet aan heeft?!...--De keus-zelf
overigens lijkt mij hier bijzonder geslaagd. Och ja, natuurlijk:
desiderata blijven er voor mij ontevredene nog altijd. Een kort-regelig
en kunstig vers, ter vertegenwoordiging der soort, als: Ghij suchten
heet, mis ik al even noode, als, na de opgenomen monoloog van Dorilea,
de veel zàngeriger "zang" van Daifilo. En als pendant van Amaril op blz.
14, had ik het geestige en, mij dunkt, den hedendaagschen lezer wel
lijkende Amaril, had jck hajr wt uw tujtjen, er maar bij genomen. Een
bepaalde tekortkoming echter acht ik, dat de fèl-zinnelijke Hooft--hij
had met Boccacio niet slechts zijn humanistische [p.113] neigingen èn
voorkeur voor de letteren boven den koophandel gemeen!--niet door een
vers als Dartelavondt is vertegenwoordigd. Er komt hier, meen ik, een
zelfde tegenzin van den heer Spits, tegen grover-sensueele passages, als
in zijn vertaling van de Beatrijs aan het licht. Maar erger dan eene
tekortkoming: een volstrekt vergrijp vind ik de verminking van Op Liefs
Afweezen. Niet slechts de vijf laatste coupletten, maar zelfs het derde,
dus iets uit het midden, uit een gedicht te snijden...! Bloemen lezen
van een veld en takken afbreken van een boom zijn twee verschillende
dingen! Gelijk ook bloemen lezen iets zeer liefs kan zijn, maar ze
slordig te laten vallen als steken van een breikous, iets bepaald
ònliefs is. Ik doel op eenige drukfouten, die zin of metrum, een enkel
maal zelfs beide, storen, al blijkt, in twee gevallen althans, uit de
noten de juiste lezing wel. In Deuntje: een "wonder-ziek geesje" in
plaats van "wond-ziek." (In hetzelfde gedicht ware 't m.i. beter geweest
Leendertz' noot bij "Gloorroos" over te nemen: de moderne lezer snapt
niet zoo dadelijk, dat dit woord het troetelnaampje van een meisje is.)
Op blz. 26 is zelfs de door Perk opnieuw beroemd geworden regel:

    "En is geen lachje, neen, maer lachens daegheraedt"

verminkt door in plaats van maer te laten staan: man; terwijl in den
regel:

    "Hier streckt de stock het derde been
    "Den ouden man...."

door in plaats van streckt te drukken: sterckt, de gezegde oude man een
kermiswonder-met-drie-beenen is geworden. Ik begrijp dat de
Errungenschaften op dit gebied van den Grootmeester-aller-Bloemlezers,
den jongere in de oogen steken! Maar toch zou ik den heer Spitz, waar
hij voor dèze uitmuntendheid veel te--goed is, willen raden: keer gij
liever tot de zachtere zeden van het pre-Knutteliaansche tijdvak
terug....--

April '18.



       *       *       *       *       *



[p.114] G. VAN HULZEN: VAN DEN ZELFKANT DER SAMENLEVING. ZIJN KIND


De makers der catena fina werden spoedig blind, vertelt Schopenhauer. En
het is mij of ik daarin iets van mijn eigen tijd beleef.... Want wat
dien ouden, Italiaanschen edelsmeden wedervoer, hebben wij dat ook niet
bij zoo menigeen der tachtigers en hunner epigonen te betreuren? Heeft
dat turen op de allerfijnste schakels van innerlijk en uiterlijk
gebeuren, en dat kunstig smeden van gouden woordkettinkjes, sommigen
hunner ten slotte niet het vermogen om te zien gekost, te zien wàt ook,
niet slechts hùn verwonderlijk-fijne vlechtwerk, maar ook heel het
volle, rijke leven?... Zeker: ik geef grif toe: hier vooral kan men van
wisselwerking spreken. Waren de visie op, de neiging naar dat vollere
leven, de gave van den echten menschen-schepper, van nature en meet af
aan, zij het naast hun verbijzonderingsdrang, màchtig in hen geweest,
zouden dàn hunne oogen en handen zich tot verlammens- en blind-wordens
toe hebben kunnen bezighouden met hun onder de loupe bewerkt goud?...
Een ontwikkelingsgang als die van den schrijver van Hulzen wijst mede er
wel op, hoe volstrekt-ontkennend hier het antwoord moet zijn. Van
Hulzen, vooral in 't begin van zijn loopbaan,
tachtiger-epigoon-uit-bewondering en bekoord-zijn, maar allerminst uit
aanleg, heeft óók wel vroeger "catene fine" gemaakt, minutieusen
détailarbeid, máár: op zijn manier: die van den volksman, wien nu
eenmaal de aristocratische neiging tot zoo fijnen arbeid niet in 't
bloed zit en die dan ook mede daardoor ciseleerbeiteltjes en fijn-stalen
hamertjes, allang vóór hij merken [p.115] zou dat zulk werk zijn oogen
verzwakte, in den steek liet, om met den houten boetseerstok in de vette
kleiaard te werken. Waren diè dan ook niet zijn beste boeken, welke,
zich bezighoudend met het lagere en allerlaagste volksleven,
tegelijkertijd, in hun grovere en aard-zuivere menschelijkheid,
afwezigheid van eigenlijke woordkunst en subtiele taalbeheersching,
bewezen hoe zijn vroegere subtiliteit niets dan een kasbloempje was
geweest, ontloken in de hooge temperatuur van het epigonen-enthousiasme?
Ware het daarbij gebleven.... Wie zou er niet blij om zijn, dat een
sterk-begaafde tot zijn oer-eigen natuur weerkeert! Maar helaas: in dit
zijn werk schijnt mij die oude epigoon in Van Hulzen zich op vreemde
wijze om zijn veronachtzaming te hebben gewroken. Hij, die niet langer
edelsmid kon en mocht zijn; die niet langer gouddraad tot fijne
kettinkjes mocht vervlechten, werd hier de fabrieksarbeider, die den
metaaldraad "trekt" en rekt, rekt tot ieder die 't ziet, zichzelf zoo
"gereckt", zoo gemarteld, als die metaaldraad voelt worden! Want, mijn
hemel, wèlke eindelóóze herhalingen in dit boek, geen herhalingen van de
soort, waarin zich het machtig scheppend beproeven, het evolutionnair
modifieeren van een zelfde grondtype, der Natuur weerspiegelt, gelijk ik
dit eens in Querido's werk aanwees, maar integendeel van die welke het
gevolg is van een onmacht, die zich gaan laat, gaan, tot de monden
geeuwen, de oogen tranen, de voeten wankelen van die haar moeten
aanschouwen. Zeker, ook in dat veelszins voortreffelijke boek De Man uit
de Slop viel zulk een herhalen reeds op, maar verderop beterde dat; ik
dacht toen: Van Hulzen, als zoovelen, moet zich eerst "inschrijven" vóór
hij op dreef komt; hièr echter wordt 't hoe langer hoe erger, hier
heeft-ie zich eruitgeschreven. Wèl blijkt dit boek een formidabele
achteruitgang, na het zooeven genoemde werk, na Maria van Dalen vooral,
met die onvergetelijk-prachtige vrouwefiguur; óók als men dankbaar de
aanwezigheid van vele stukjes goede en stemmingsvolle natuurbeschrijving
erkent; óók wanneer men het betreurt aldus over een auteur te moeten
spreken, wiens erbarmingsvolle en diepe menschelijkheid zóó nog de
klamme en lang-slierende druilmist zijner [p.116] onmacht doorlicht, dat
men waarlijk nog vaak, trots een hartkwaalachtig gevoel van weeheid, in
z'n Vrouw Ruffert vooral, een medemensch herkent. Een onmacht overigens,
die niet alleen in compositorische lamlendigheid en een gebrek aan
energische zelfcritiek zich uit, maar ook, zooals na al het voorgaande
wel van zelf spreekt, de taal harkerig maakt èn verslordigt. Hééft de
schrijver wéét van dit alles? En is het thans wellicht ook tot hem
doorgedrongen, hoe walvischachtig een "traan" moet zijn, die iets
"verwarmt", zelfs een "gemoed"? Zoo ja, dan begrijpt hij ook wel waarom
ik mij nog liever met een zijner oude "catene fine" zou hebben geworgd,
dan mij aan dìt rafelige touw, als een makke, critische melkkoe, al heb
ik nù herkauwen geleerd, ter ... "foire sur la place" te laten leiden.

Mei '18.



       *       *       *       *       *



[p.117] HERMAN POORT: LITERATUUR


Des avonds, als de winkellichten zijn ontstoken, flaneert zoo'n nijvere
winkelier 'ns langs zijns gildebroeders étalage-ruiten. Het is in den
rust-avond na den werk-dag een langzaam geschuifel in de schemer-gedekte
straten van menschen, die stil-áán genot willen proeven, het genot van
het vredige feestje, tusschen den werkdag en den te doorslapen nacht,
den nacht zonder bewustzijn, die daar al naderhaast over hun hoofden,
van boven de straten. De oogen der feestelijk-schuifelenden kijken
dwalerig-vaag, en soms in ongewisse staring, als van menschen aan het
digereeren van een zwaar diner. Het zijn dan ook de nà- en de òp-werking
van al wat verstand en gevoel dien dag hebben moeten slikken, die zoo
hun oogen vertroebelen. De nijvere winkelier schuifelt mede, digereert
mede. Maar jawel, is dat, gelijk van den quasi-slaperigen herdershond
naast de kudde moeë schapen, niet maar schijn? Kijk!... plots
ònttroebelt een felle tinteling zijn oogen.... Een hartklopping
veroorzakende aanblik heeft zijn pupillen verwijd ... nerveus grijpt de
hand den kromhakigen stok, die in den schok der ontroering van den arm
is gegleden ... de tanden bevinnigen een snorpunt.... Wat duivel! Een
nieuw soort jam, die hij nièt heeft ...! Hij verwìnt zijn emotie. Hij
strakt den rug. Zijn gezicht maakt hij effen, maar straks--straks zal
zijn blik nòg troebeler zijn, hij heeft iets erbij te digereeren
gekregen.--En welnu, in dezen driewerf gelukkigen rustfeest-avond, na de
vele, vele uren, dat ik de onsjes en half-onsjes mijner meeningen
[p.118] op de dan blinkende, straks weer verdofte schaal mijns oordeels
heb afgewogen, flaneer ook ik--als hij. En ik ben op jacht als hij. Daar
... daar hei je 't nieuwe winkeltje van Poort. Nou ... noù! niet die
jachthonden-gretigheid in je oogen ... kijken ... jùist: 'n
vòlkswinkeltje is 't ... geen gróóte zaak ... nee, en 'n
Barthold-Schwarz-van-'n-etaleur in zijn dienst heeft-ie ook niet....
Maar 't is alles proper en netjes, een winkeltje van oud-hollandsche
heldere zuiverheid en eerlijke waren.... Als Baas de Meester het
uithangbord had moeten schilderen, had-ie d'r vast In den lieven Eenvoud
opgezet.... En ik dacht na ... als 'k eens naar binnen ging en wat
kocht, om 't bij me thuis op m'n gemak na te pluizen.... M'n gezicht
kennen doet Poort toch niet, en 't zou trouwens al 'n "reuze"-toeval
wezen, als-ie zelf in dat filiaaltje zat. ,

Máár, nom d'une pipe, hij zat d'r wèl, èn: dat portret door Pieter de
Mets.... Maar 't viel erg mee, daar niet van; na twee glaasjes waren we
al aan 't tutoyeeren: je moet rekenen, we kenden elkaars zaken al
zóólang, en zoo hebben we tot heel laat, in 't gezellige achterkamertje,
met de warm-gele zoldering en de je knus omstaande wanden geboomd, en
het gerinkel van de winkelbel--die was geen oogenblik in rust--omklonk
hem, denk ik, als de muziek der sfeeren. En ik moest maar van alles
proeven, en dan keek-ie me vragend aan. "Poort, jonge", mocht 'k dan zoo
kopwiebelen, "als je me nou toch zoo god-vergeten-inquisitorisch zit aan
te kijken, dan moet ik je maar eerelik verklaren: je Definities bevallen
me niet; als je mijn nou vóóraf had gevraagd ... diè mót je ook niet in
'n volkswinkeltje verkoopen, dat mòt toch Ersatz worden; àls je ze
tenminste voor de prijs, die jou mééste klanten kunnen besteje, leveren
wilt.... Daar nou ...! in die pot Poezie heb je toch heelemaal geen
epiek gedaan, waar of niet?"... Nou, hij kòn niet nee zeggen, want ik
likte juist de lepel af. Maar je bonbons à liqueur esthétique, die ik
daar heb geproefd, wel drommels, daar leken me wel fijne dingetjes onder
te zitten; je bent toch een kranige kerel, dat je die zoo zelf hebt
gemengd en gebakken. En je Pallieter-saus--'n courant artikel, hè,
Pallieter? [p.119]--smaakt naar meer. Ja hoor, ik zie wel, 't is hier 'n
toffe boel, en mijn zegen heb je.

"Maar toch ... maar toch", en 'k ging weer kopwiebelen, "zie je, óók
voor zoo'n klein volkswinkeltje ... ja got, ik weet d'r alles van ...
val me maar niet in de rede ... zèkèr, je wilt zeggen, je Groningsche
magazijn ... maar och kerel, als iemand 't weet, dan weet ik 't toch
hoeveel betere dingen je daar hebt ... maar hier, zie je.... Daar hei je
nou die trommels Letterkundige critiek en essai ... dat is nou toch
werachies te weinig keus, niet genoeg variatie.... Als ze je nou vragen
naar het merk Querido, wat zeg je dan? En naar Dirk Coster, ik
persoonlijk, as je mijn vraagt, hou van dat merk niet zoo erg, máár,
daar gaat niks van af, heel puik en fijn ìs 't; en naar Verwey en naar
Erens ...? Waarom làch je, schalk duivelskind? Ah ja", en ik moest zelf
lachen--"je zou wel willen hè, dat ik nog één naam noemde, maar nee
vader, je Humor-mosterd, als je maar die Speenhoff-pickles eruit vischt,
is misschien het beste wat je hier hebt, en daarin heb je geen
bijmengseltjes op mijn kosten noodig!" Het was nacht, toen ik naar huis
ging, maar vreemd toch, ik voelde me heelemaal niet moe. Onvertroebeld
in m'n harden kop, voelde ik m'n oogen sterk en vast. En ge zult mij
toestemmen: al was 't dan prettige en lichte kost, ik had toch dien
avond wèl wat te digereeren gekregen....

Mei '18.



       *       *       *       *       *



[p.120] SALAMON DEMBITZER: EEN ZOMER IN GALICIE

Vertaling door Arn. Saalborn


Het schijnt nu eenmaal Hollands lot, zoowel vrij te blijven van de
grootste verschrikkingen van dezen ontzaglijken tijd, als te worden
getart en geplaagd door zijn kleinere misères. En waarom ons dus boos te
maken over dezen bundel juist?... Wat is, bij al de
zoetelijk-hooggestemde arrogantie van het buitenland jegens ons, de
arrogantie en de stroopige sentimentaliteit van dezen jongen,
ongetwijfeld niet onbegaafden schrijver? En naast den voorgewenden
hoogmoed uit het geknauwd-zijn geboren, welke heel het droeve
wereld-leven om ons heen kenmerkt, die, zij het uit de vernedering van
geslachten voortgekomen, geest van blague en ijdele zelfverheffing in 'n
paar vrij onbeteekenende novellettes? Bovendien: aan iederen
leeftijd--ook van de ziel--het zijne; we zouden toch al heel nurksch
moeten zijn, om dezen jongen man, met een hart vol beminnelijk-jeugdige
wereldverachting, verliefdhedens, wijsbegeerte en symboliekerigheid,
niet het genoegen te gunnen, van ons door al deze verhevenheid
volmaakt-geépateerd te toonen--het aan den tijd overlatend, hem het
begrip bij te brengen, dat niet wij de dupe zijner zelfverheffing waren,
maar hij die van onze welwillende onverschilligheid. En bevindt zich dit
werk-zelf al ver ònder het middelmatigste der Nederlandsche literatuur;
van den geest, die het maakte, mag worden getuigd, dat hij zich door een
zeker, helaas haat-geboren, psychologisch-analytisch vermogen, een
decadent-fijne doordringendheid en een hartstochtelijke
ontvankelijkheid, ietwat bóven het middelmatige [p.121] verheft. En dus:
het voor en tegen wel gewogen: het zal geen goed maar ook geen kwaad
doen--laat ons zwijgen. Maar helaas, wie zoo redeneert, houdt er geen
rekening mee, dat affiniteit en plotseling, zij 't door een uitwendige
oorzaak, weer actief wordend atavisme --ge hebt 't nog onlangs bij den
talentvollen Goudsmit gezien[1] --véél vermogen, en dat onze toekomstige
Joodsch-Hollandsche auteurs daarvan, in dit geval, zeer makkelijk de
dupe zouden kunnen worden. "Atavisme?" vraagt ge verwonderd, "zekere
affiniteit, dat is mij duidelijk, maar waar haalt ge het atavisme
vandaan?" Wel, is mijn antwoord, dat donker hoekje, waar het ligt
verscholen, zal ik U wijzen.... De niet minder beminnelijke dan
kunstgevoelige recensent van "Het Volk", die dit bundeltje verschoonend
besprak, noemde het "fantasieën van een Oosterschen droomer". Inderdaad
Oostersch, waarde vriend, zou ik hem willen zeggen, maar niet van het
gloeiende, rijk-edele Oosten, waar de klassieke bakermat van het
semietisch ras ligt, doch van het Europeesche Oosten, waar de hel zijner
vernedering en verslaving wordt gevonden. Niet de sterke en zonbrandende
visioenen van het Hebreeuwsch goudelen in dit werk, maar de koortsheete
en verwilderde schemerdroomen der Ghetti walm-flakkeren erdoor. En ook
veel van het verwerpelijkste dat in de eerste tijden de bevrijding uit
het Ghetto bracht,--het Ghetto, dat ook zoo vroom van stille
studie-gepeinzen kon wezen--is erin: de reactie op de geleden
vernedering; het uitgerekt op stelten loopen nadat men zoo lang gebukt
is gegaan; de pralende hoogmoed, het zich als meer voordoen dan men is;
het zich nog overal en altijd de verongelijkte en vernederde voelen; de
onverzadelijke eerzucht: de begeerte naar het eeuwen ontbeerde; het
smartvolle beluisteren van alles wat over je dierbare zelf wordt gezegd,
nu je voor het eerst in het licht gaat.--Neen, niet dien weg moet gij
op, jonge Joden van Holland. Weest gij geen "Oosterlingen" van Europa,
weest gij Oosterlingen van Azië: de ziel vol zon en wonend tusschen de
bergen, vroom opziend [p.122] naar de hoogten, en kennend U-zelf. Weest
als zùlk een Oosterling weidsch, en, naar uw vrij en eerlijk beleden
aard, slijpt de kostbaarste steenen van uw vinding, vlecht het filigrain
uwer glanzend zich wendende dialectiek, tot sieraden op uw taalgewaad.
En zoo ge zwoel van ziel zijt, met de zwoelheid van de drachtige dag,
verheugt U daarom; doch mocht gij 't zijn met de zwoelheid der
Ghetto-benauwenis en zijn ziekenkamers, weest dan hàrd tegen U-zelf en
gééselt het ùit U.... Maar--ge lacht om mijn vrees...! "Wij, vrije
Hollandsche Joden, in dezen tijd van Joodsche renaissance, zouden zóó
zijn?!" .... En uw jonge zekerheid stráált.... Wèlnù.... misschien hèbt
ge ook wel gelijk, misschien neem ik het wel te tragisch: onze
Dembitzer, meent ge, lijdt welbeschouwd aan wat men eigenlijk cultureele
kinderziektetjes moet noemen, en zoo iets is natuurlijk in het volwassen
Hollandsch gezin, dat die ziektetjes al lang was vergeten, wel een
beetje storend, doch overigens.... En jawel, zeker, dàt is waar: als we
hèm nu maar beter zien worden en opgroeien in ons midden, en gij laat U
niet door die waterpokjes en mazeltjes besmetten, nou dan was het geval
wel 'n beetje lastig voor Holland maar Holland-in-last was 't nog niet.
Maar nog eens--en niet boos worden!--past op, dat gij niet.... Want
waarachtig, zoo'n hééle kinderkamer, dàt zou niet gaan ... al dergelijk
gerei hebben we immers al in '80 aan den uitdrager meegegeven.

Juni '18.


Noot:

[1] In de critiek op diens Droom en Wereld, niet in dezen
bundel opgenomen.



       *       *       *       *       *



[p.123] RENÉ DE CLERCQ: HET ROOTLAND


De tooster en de kunstenaar zijn immer elkanders ergernis geweest. Als
beiden aan 's levens zwaargeladen tafels zitten, schuinoogt de eerste in
lacherig en gòeig-spottend misprijzen--hij is zoo'n altijd-joviale,
bolwangige, rondbuikige en áárdige kwant--naar den laatste, die saaie
piet, die verhevenling, van wie ze, godbetert, zeggen, dat-ie zoo'n
genie is, maar die nou nooit 'ns zoo'n wat je noemt leuken, wàrmen,
hàrtelijken toost kan slaan. En de laatste kijkt in verbazing en afkeer
naar dat van wijn en dùrende geestdrift en vette hartelijkheid zweetende
vetblok tegenover zich, die geen oogenblik zijn dikke lippen tot een
woordloos geheimenis kan adelen; die maar aldoor z'n natsmijdigen
keellach laat losgrollen uit z'n pralend-machtigen schud-romp, en luidop
indiscreet-opgetogen opmerkingen over zijn tafelgenooten slaakt, en dàn
weer tegen z'n glas tikt--voor de zooveelste maal, eindelóós door!--en
drinkt "op de gezondheid", "op het lieve kroost", "op de deugdzaamheid"
van onzen dierbaren vriend A. van onze lieve vriendin B....--"En hij is
waarachtig daar nog in staat," denkt onderwijl de bleekwordende
kunstenaar, z'n woede verbijtend, "om op de blanke halzen, de dikke
kuiten en de prachtig-gewelfde borsten te drinken!" Nee, de kunstenaar
en de tooster, die zijn niet voor elkaar gemaakt, máár de criticus, dat
koud-groene amphibie, dat, als de kikker uit het sprookje, uit het
klaar-vloeiend water der kunst, naar den koningstafel des levens komt
opgekropen, diè heeft een verkneuterend genot aan bèiden èn van hun
verhouding tot elkaar. En soms--maar dan wordt 't een [p.124] schouwspel
voor gòden, en eigenlijk voor hèm te mooi--ziet hij beiden bij beurten
een-en-denzelfden man ontstijgen, als in occulte zelfverdubbeiing,
zelfprojectie. En dit nu, vereerde lezers, dit schouwspel voor gòden, is
mij, zoo nederig en gering als ik hier voor U zit, ten deel gevallen!
Dáár--ten feestmale op Het Rootland. Och, wat deed die van
jovialigheid-glimmende tooster De Clercq druk. Hoe vet glimmerde z'n
mond bij al die dierbare en opgetogen woorden over z'n lieve, heerlijke
tafelgenooten; hoe aardig waren al die zòete tafereeltjes, die hij, na
'n tik aan z'n glas, zoo téékende met--zou je misschien mogen zeggen als
die er spits genoeg voor was:--z'n mond. Och ja, 't was alles zoo móói,
móói, maar toch nooit mooi genoeg voor dien lieven, in-goeien,
alles-en-iedereen-aan-z'n-hart-drukkenden man: "Er ontbrak slechts wat
zonnegoud daarop om dit drietal, als een levende beeldengroep ter
verheerlijking van landelijke kracht, zorg, levenslust en liefde,
waardig te omlijsten." Nou, beste kerel, waarom hei je dat zonnegoud er
dan niet maar bijgeteekend? Als je zóó vol zoeten levenswijn bent, dàn
mag je dàt toch óók wel doen?... Eigenlijk, docht me toen, is het heele
bestel, dat waarom alles draait, van 't feest, 't werk van den tooster,
want: dat een gezonde boer als die Joost Valke, zóó krom zou denken, dat
hij zichzelf gaat opofferen, om z'n meisje òngelukkig te maken, nee,
hoor.... Maar de tooster, hé, diè had die "edelmoedigheid", die
tranenglibberige smart van noode.... Waarvoor? Nou, om er aandoenlijk op
te toosten, natuurlijk!... Maar kijk, nauwelijks had ik van dat alles 'n
weinigje spottig genoten, of de jovialige dikkert en wijdgebarende
zwaardert was plots verschimd ... wèg, èn--daar stond de kunstenaar! Wat
of diè deed? O, dat was zóó anders.... Die spràk: een knoestig uit den
zielsgrond gewassen woord--woordconstructies, voor ons
Noord-Nederlandsch om van te watertanden; die gàf: hartig-levensware
menschscheppingen, teer-schoone, soms doorgeestelijkte
natuurbeschrijvingen.... Met de natuur bemoeide zich de tooster dan ook
nooit, en nà het eerste deel des feestes heb ik 'm gelukkig heelemaal
niet meer gezien. En tòen voltrok zich dan ook een wonderlijke [p.125]
verandering--in mij. Ik zei 't U reeds, dat ik, amphibie, als in 't
sprookje, uit het water naar den koningstafel was opgekropen, maar toen,
alweer als in 't sprookje, veranderde ik in 'n liefde-vollen prins. En
met mijn lievende en prinselijke oogen aanziende deze kunstenaarsziel,
dacht ik: René de Clercq, wat zijt gij toch een schoone mensch.... Welk
'n fijnheden en innigheden en diepten hebt gij. Dat woord van dien door
de boeren mishandelden dokter: ""'t Leven is aardig," zegde hij in zijn
eigen." Hoe subliem. En de stille tragiek van Anneken's afscheid.... Het
minnarijtje van Rik en Maaike in de van bloemenlucht overhuifde
avonden.... Hoe natúúr-zoet. Soms ook spreekt ge een zinnetje als
vlottende muziek. Al het knoestige van uw woord is dan wèg, het zijn
geen woordbóómen meer, het zijn losse, wònderlijke klankjes--géén
melodie--van een Aeolus-harp in uwe boomen.... En neen, ik bedenk mij:
waar ge een tooster waart, waart ge toch waarschijnlijk geen èchte....
Uw overdrijven van het sentiment, was het wellicht niet anders dan dat
van het overvolle volks-kinderlijke hart, dat zóo onleschbare dorst
heeft om allen lief te hebben, dat het de menschen mooier mòet maken,
sòms, om ze te kùnnen beminnen? En trouwens, die tooster is dan toch,
zoo niet rééds bezweken, toch bezwijkend in u.... Toen hij op Het
Rootland verscheen, dat was in 1911...! Sindsdien.... "Die Schenker
woont in Zijn onnaakbre hallen".... Die Schenker, die ook dàt feest gaf,
heeft sedert alsem in den wijn gemengd.... En schonk Hij ù niet De zware
Kroon te dragen....? Maar de lippen van den tooster zag ik wit worden
vanwege de bitterheid en het wrange.... Neen, hij zal niet zooveel meer
spreken in en naast u.... En eens laat hij u, den sterken kunstenaar,
alleen....

Juni '18.



       *       *       *       *       *



[p.126] J.J.L. GREGORY: HET LIED VAN DE ZONDE


Maandag 10 Juni!... In de grondelooze délices mijner àndere analytische
en zwáár-critische kunst, het verheven diamantklooven, verzonken; mijn
brandende aandacht gefascineerd door de blanke wereld van een
flonkerenden octaëder, waarin, gelijk een kwade gedachte in een schoonen
geest, een dier zwarte vlekken duistert, dewelke men greinen noemt,
voelt mijn ziel, plots gestoord, zich naar de oppervlakte der
alledaagschheid zweven.... Een tik op de deur.... Ah! er wordt mij een
pakje recensie-exemplaren gebracht. Dàn glimlach ik toch; geeuwerig en
lacherig strek ik mij behaaglijk tegen den rug van mijn leunstoel en
door mijn onfeilbare instincten geleid, grijp ik naar dit dun en
diabolisch boekje. Dun: o recensenten-geluk! Diabolisch: waar zou ik
anders naar grijpen, ik, die den tijd, welken ik mijn voortreffelijken
werkgevers duur laat betalen, met het lezen van gedichten verdoe en dàn
nog klagerig jank om meer loon; ik, die bij het zien van een
diamantvlekje aan een helsch-zwarte gedachte denk.... En ik ga lezen ...
ik lees deze onsterfelijke regels: "En Paul schreeuwde: Breng me een
jong leven, dat ik het verkrachten kan!" Ik lees: hoe Paul een levende
meeuw de vleugels ontscheurt, en daarmee--o verrukkelijk visioen!--een
heuvel opstormt, en ik knik bewonderend, en denk blij: een Baudelaire't
je en een Lautréamontje.... Maar nòg duivelscher dan dit duiveltje denk
ik ook vèrder en grijns en zie, zie--hoe deze Gregory, dit onnoozele
dwaze schaap, een dag grasjes mummelend in zijn vlakke weidje, plots
dien vuurspuwenden draak, dien Maldoror aan den horizon zag
òpgloedwolken en neergolven [p.127] gelijk een lavastroom, en toen
waterde van angst achter de boomen, als kameelen die den leeuw ruiken;
maar daarna ziende, dat de Vreeselijke weer verdween, Hem ... ging
nadoen! buitelend en blazend in zijn malsche vachtje met z'n goeiïg
snuitje.... Ach, mijn kleine zoon, met wien ik laatst in Artis heb
gewandeld, deed je ook niet zoo? Wéét je 't niet meer of wil je 't niet
meer weten: de leeuw brulde, ik voelde je handje trillen en je gezichtje
betrok. Ik zei: ben je bang, jonkie? en je antwoordde, jij kleine
slimmerd: "nee, maar mijn hoofdje gaat zoo'n pijn doen van dat gebrul."
Toen zijn we maar stil, mijn heldje, naar buiten gegaan, maar nauwelijks
waren we thuis, of--jij werd zoo waar een geweldige leeuw en ik moest
maar in je leeuwerigheid gelooven en mij làten verscheuren! Kom, weet je
wat, dàt is een mooie inval: Pappie gaat nou 'n spelletje bedenken, het
leeuw-en-duivel-spelletje, en dan mag je volgenden Zondag je vriendje
Gregory bij je op visite vragen en dat sàmen met 'm spelen gaan.... Hé
... wat?... ja natúúrlijk, onder de hand chocolade, wat dacht je dan ...
twéé reepen ieder!...--Zaterdagavond 15 Juni! De pret is 'r 'n beetje
voor me af.... Querido vindt 'm reeds een imitatie-Baudelaire en
-Maldoror. Uit puren lust, mijn originaliteit te demonstreeren, zou ik
nou wel willen zeggen, dat-ie 'n namaak-Augustinus is! Maar waarachtig,
het gaat niet.... Baudelaire zou ik me nog kunnen ontgeven, Maldoror
zèker niet. En toch lezer moogt ge daarom volstrekt niet denken, dat ons
Gregorytje door de Lautréamont beïnvloed zou zijn--gij zoudt er den
laatste, dien goddelijk-duivelschen reus al te schandelijk mee
beleedigen. Tja ... hòe zal ik u de verhouding tusschen beiden nu
duidelijk maken.... Kijk, ze is zóó.... Op 'n morgen--het vertelsel is
wat onsmakelijk, maar het verklaart u alles--hoorde ik op 'n atelier,
waar ik werkte, iemand een beruchten smeerpoets vragen: "Zeg, mag 'k
even je vest zien?" "Waarom?" vraagt de smeerpoets. "Ik wou zoo graag
weten, wat je gister hebt gegeten," antwoordt de ander droogjes. En ziet
ge nu lezer, zìet ge: als ik nu het vestje van den heer Gregory maar
èven bekijk en daarop de gore vlek van zijn "gedicht" ontdek, dan roep
ik, [p.128] me op de knieën slaand van pret: O, jij Gregorytje,
Gregorytje, jij hebt, ontken 't niet, gisteren de Lautréamont's Maldoror
gegeten!... En dàt nu is de verhouding....--Les Chants de Maldoror! Wèl
was het mij een vreugde, toen ik den sindsdien helaas, en hoezeer te
vroeg, gestorven vertaler van dit wonderwerk, den begaafden kunstenaar
en arts J. Stärcke, behulpzaam kon zijn bij het vinden van een uitgever.
Want er moge ongetwijfeld in die liefdevolle overzetting veel
schoonheid, vooral van de muzikale harmonieën, verloren zijn gegaan--en
bij welke vertaling gebeurt dat niet--de visioenen vol buiten- maar ook
bòven-menschelijk schoons zijn toch thans aan Holland gebracht. Maar het
is een duivelsch, het is een vrééselijk boek, werpt ge mij tegen....
Ach, lieve vriend ... weet ge wat het mij immer was? Ziedaar: het meest
treffende der pantheïstische levensbeschouwing in kunst verbeeld, de
verluchting van Spinoza's sublieme woorden: God schiep het Al gelijk het
is, "wijl het hem niet aan stof ontbrak om alles van den hoogsten tot
den laagsten graad van volmaaktheid te scheppen." En aan zóó iets raakt
dit schrijvertje.... Maar wat zou het! Hebben zelfs niet de
lucifersfabrikanten, bij het benoemen van hun product, zich den gevallen
Aartsengel ten nutte gemaakt? O Paul-duiveltje van dit Lied van de
Zonde, wees er zeker van, gij althans blééft in uw rol, toen ik aan U de
leelijke pijp ontstak, die ik hiermee den heer Gregory doe rooken....--

Juli '18.



       *       *       *       *       *



IS. QUERIDO: VAN VERBEELDING EN WERKELIJKHEID


Deze bundel is--schoon niet alle opstellen op een zelfde hoogte
staan--een prachtig boek, prachtig vóóral om de rijk genuanceerde
vitaliteit van den mensch, die het schreef; de hartstocht voor héél het
leven, die er in nimmer verzadigde begeerte tot menschscheppen; in
strijdlust; in verlangen om te weten, te doen en te ondergaan, tot
uiting komt. Gij herinnert u den Woudgeest uit De Verdronken Klok, die
woeste bewustwording, die nu òplááiende, straks weer fijntjes
vlijm-vlammende personificatie--dien water-Nickelman brengt hij aan en
van de kook!--van den onblusehbaren leefdrang-zelf? Ik zie hem weer vóór
me--o, die onvergetelijke Heyermans'sehe "Literaire Matinée", waar Mögle
hem fel-levend aanzijn gaf!--nu ik dit boek heb gelezen en 't nog eens
in gedachte òverschouw. Vraag zoo'n wezen niet, in zijn meest
leven-overstelpte oogenblikken, naar wat wij menschen "distinctie"
noemen--een hóóg-prijselijke eigenschap, maar die overigens ook wel,
vaker dan men denkt, uit geestelijke schamelheid wordt geboren--; niet
naar de ingetogenheid, die voorzichtig schrijdt, zeker dàn wanneer haar
tocht een bergtocht is. Neen, hij stijgt springend als een gems van de
dalen naar de toppen, wipt onvoorziens weer van de hoogten in de diepten
neer, houdt al officieele godzaligheid en "geestelijkheid" voor den gek,
keert schalk de orde der dingen om, door zelfs een barbier bij den neus
te hebben, máár--als hij verháált, hóórt ge in zijn woord het
klank-gesprànkel en de dòndering van de klok hèrgalmen, die hij luidde
op zóó vreemde [p.130] wijs ... door hem van rotspunt tot rotspunt te
doen storten! O, oude wagen van de taal, hoe onbeschroomd-moedwillig
heeft deze schrijver je wel eens heftig een van je raderen ontrukt, en
je zwijgende klok tot zingen gebracht door dat gevaarte als een licht
steentje te doen huppelen tegen de weerstanden van zijn genialen
geest.... Zoo hoorde de wereld dan wel een wild en toomloos lied, maar
dat óók was een nieuw geluid, en dat geluid: muziek. En was eindelijk
deze als voortgezwéépte, deze als demonisch voortgejáágde klok ter diepe
gevoelsbedding in rust gezonken, dàn weer ... plòts ... als in den
nàdroom van het leven, roerde een heel andere: de vrouwelijke
teederheid, de mijmerende, klagende en herdenkende teederheid van deze
groote kunstenaarsziel, nog ééns aan de metalen wanden, en de
donderaar-in-den-zonnedag huiverde nu van uit de donkere diepten een
licht en melodieus gerucht naar de zachte en weifelende schemers van het
luisterend hart. Lees maar weer in dìt boek die schoone bladzijden uit
Reisbeschrijvingen, vol teerste jeugdherdenking, mij zijn dèze liever
dan die uit Verbeelding en Werkelijkheid in dien anderen bundel:
Malvina, waarin het sentiment soms door het koesteren van de eigen
persoonlijkheid werd verzoetelijkt. Of voel de teerheid der beeldingen
in Herfst, dien rei der jaargetijden, vol van muziekale plastiek:" ...
de gouden regen fonkelt zijn slanke trossen neer uit hoogen hang." "Er
twinkelde vogelengerucht door de lucht, en van een witten til-kanteel[1]
vloog een zwerm duiven op," met ook die fijne bezinning over het
herfstelijk ruischen der boomen; en dit zéér fraaie,
dichterlijk-wijsgeerige aan het slot: "De Herfst in eigen wisselgestalte
bevestigt den kringgang der dingen, en in zijn praalschoonen dood jubelt
hij juist van het eeuwige wederkeeren". Maar het wilde en toomelooze
lied hoort ge bijvoorbeeld in het geëmotionneerde Nietzsche, mèt het
kleurig Aquarium werk van romantisch intellect en
gevoel....--Intusschen: zeker wanneer ik zoo'n kòrt stukje als dit over
Querido's critisch en lyrisch proza schrijf--en tot het schrijven
[p.181] van omvangrijker studies ontbreekt mij thans ten eenenmale de
tijd--kan ik mijn oordeel, zij het in nieuwe uitingsvormen, slechts
herhalen. Wat ik in 1911, in mijn Over Literaire Kritiek en Is.
Querido's Studiën van hem zei--men kan de essai in mijn bundel Schetsen
en Critische Opstellen vinden--acht ik nog immer volkomen juist: wat ik
daar schreef over zijn deugden en gebreken; wat ik schreef over de
voorkeur, die, zeker bij het oordeelen over een groot schrijver als
deze, het natuurlijkheidsgevoel van den criticus, boven zijn
schoonheidsgevoel als kunstcriterium verdient, en niet minder wat ik
schreef over zijn metaforen- en menschscheppende macht. Die
eigenschappen en ook die tekortkomingen, zij zijn in àl zijn lyriek
aanwezig: daar de ééne meer, ginds weer de àndere. Metaphoren, er zijn
er van de schoonste in dezen bundel. Menschschepping, Pol de Mont,
Streuvels, hun prachtige uitbeelding herinnert aan het allerbeste uit de
Geschreven Portretten. In een geval, waar een schoone metafoor vergezelt
de psychologische doorgronding van den menschschepper, in een
karakteristiek van het menschschepper-zijn-zelf--een heuglijk
samentreffen! --zij het mij veroorloofd, u nog even een citaat te geven,
(over Streuvels): "Hij spreidt zijn stille peinzers-net zoo wijd, van de
lage aarde naar den hemel, en toch zonder hoovaardij. Want hij verwerkt
al de zelfgegaarde wijsheid weer in de nederigste zielen en geeft u de
ontraadseling van een mysterie terug uit een kindermond." Zou men met
dit laatste ook den schepper-zelf van Huib Kilometerboekje niet kunnen
kenschetsen? En als ge opmerkt, dat er, op blz. 24, van Pol de Mont's
"Zeus-achtige stem" wordt gesproken, en pas veel later, in de
uitmuntende metaforisch-synthetische karakteristiek, die op bl. 32
begint, ditzelfde beeld vluchtig-en-fijn wordt uitgewerkt, dan ziet ge
toch wel, dat ook deze wagen-verwrikkende en klokken-neerstortende
Natuurgeest ònder zijn heftige gepassionneerdheid tevens de distinctie
ìn zich heeft. Want is het wezen der waarlijk-gééstelijke distinctie
niet: het beschroomd-beproeven, het dan duldzaam wachten, en ten slotte
het niet-opzichtig uiten van eigen zieleschoon?... Hoe gaarne had ik nog
over andere opstellen in dit boek geschreven, [p.132] zooals over het
geestige Dagboekbladen van Twee Kellners en het door fijne, korte
opmerkinkjes benevens een ontzaglijke belezenheid boeiende Rond
Jean-Jacques Rousseau, en mij tevens in analysen verdiept --ik moet het
laten.... En is het trouwens wel noodig? Is er geen Macbethiaansch
wonder gebeurd, welsprekender getuigend dan ik óóit zou kunnen zijn? Ik
gebruikte daar straks den term: "een groot schrijver." Als ik dàt eens
in 't literair-stormige 1911 had gedaan, gelijk hier: zonder uitvoerige
ontledingen te geven, bewijzen en nog eens bewijzen ...! Maar sindsdien,
o literaire vrienden, die destijds met mij wel twisttet, gebeurde er
iets: hoe verrassend--en welke Macbeth zou dàt hebben voorzien--is 't,
dat het woud uwer meeningen zich is gaan bewegen, en wel in de richting
waarin ìk lang tevoor was gegaan ... èn: dat het èinddoel van dien
wuivenden tocht toch feitelijk ten slotte bleek--een kròning!

Juli '18.


Noot:

[1] Alle cursiveeringen van mij.



       *       *       *       *       *



[p.133] ELLEN: ARIADNE EN DIONYSOS


Als ge 't mij op den man af vraagt, dan, schoon de bekentenis mijn
wansmaak aan het licht brenge: ik heb immer veel meer van namaak- dan
van echt-"antiek" gehouden. Een renaissance-, een Queen Anne-, een
empire-ameublement ... mijn ziel, bezwangerd van vage heugenissen aan
vroegere incarnaties, voelt zich nauwelijks èrgens zoo bekoord als te
midden van zulk een tot tastbaar heden geworden verleden-droom; máár,
let wel: slechts dàn, zoo mijn lichaam niet haar genot met zijn fellen
weerzin tegen duffigheden en wormstekigheden kunne storen. En
derhalve--ik geef de voorkeur aan namaak, mits onberispelijk, boven
echte antiquiteiten. O hout, dacht ik, hierover peinzend, wel in
mij-zelven: toen ge in het blijde leven uw eigen droom, in vaderlandsche
of exotische bosschen droomdet, waart gij zuiver en geurig; waarom dan
zoudt ge duf en besmet zijn, nu een toovenaar-artist u tot het
weven-om-mij-heen eens menschelijk-maatschappelijken droom heeft
gedwongen. Neen, uwe stoer-eiken en uw hoffelijk-mahonie gelaten wensch
ik in mijn vertrekken niet ontsierd door de putjes der wormstekige
pokdaligheid te zien.--En zoo, ge zult het gereedelijk aanvaarden, zou
ook Ellen, nu zij mij in haar Grieksch salonnetje, voor dit Ariadne-en
Dionysos-beeldje noodde, mij allicht luiden bijval hebben ontlokt,
indien dat salonnetje maar van Pander en niet van Scheltema en Holkema,
en haar antieke groepje [p.134] van hout of steen en niet van woorden
ware! Want nu dit laatste het geval is, heeft immers mijn vrees voor de
dufheid of vervallenheid van het echt-antieke en derhalve ook mijn
voorkeur voor den namaak hier geen zin! Want de heldenzetels van Homeros
zijn niet wormstekig geworden, de wandtapijten van Sophocles en
Aischylos rieken niet duf. Tegen hen vermocht zelfs de philologische
conjectuur-worm niets! Wáártoe dan deze namaak? vraag en vroeg ik mij
sinds jaren af. En: hoe overbodig en wat belachelijk-precieuse
knutselarijtjes zijn toch dergelijke dingen, denk ik er nog bovenop!--O,
zeker, indien daar een Shelley, of ook een Kloos, of een Gorter voor mij
leeft, en hij droomt zijn groot-dichterlijk visioen, en de schimmen van
het verleden zien dien schoonen held, en lokken hem in heete en
overweldigende liefde zich te eenen met hen, gelijk de gestorven
geliefde haar lief in Goethe's Die Braut von Korinth, dan, ja dan....
Als de heilige Noodwendigheid, èn op den troonwagen zulker verzen
gezeten, verschijnt, wie kan dan denken aan overbodigheid; wie, mijn
God! aan knutselwerk; wien maakt dan de ontroering niet tot verheerlijkt
aanbidder, die zijn ik, met al diens willetjes en oordeeltjes en
kleinheid, neerwèrpt, het wit gelaat ter aarde, voor die noodlotsraderen
in hun wielewenteling van licht! Maar als--ach vergeef mij, Mevrouw
Ellen, het is eigenlijk ùw schuld niet, maar ook evenmin de mijne, dat
ik U in zulk een vergelijking moet betrekken--als Ellen, niet gezocht en
overweldigd door verliefde Grieksche schimmen, maar integendeel hen
zoekend; in verdienstelijke verzen, die ik hièr prijzen en dáár laken
kan, maar waardoor ik nìmmer wordt verrùkt, haar eeuwig-menschelijk
voelen van verlaten, smachtende en bevredigde liefde, een
antiek-schimmig maskertje voorbindt, och ja, dan vind ik wel wáárlijk
heel wat moois in wat mij aldus te aanschouwen wordt gegeven, en ik zie
ook wel de diepe oogen en de bloeiende tint der echte menschelijkheid
flonkeren achter de wazige tulle, maar ... maar ... omdat het heele
geval mij toch geen oogenblik heeft kunnen doen vergeten, dat ik een
nuchter, twintigste-eeuwsch Amsterdammer ben, kan ik mij helaas ook niet
weerhouden te zeggen: Mevrouw [p.135] Ellen, wist gij met uw ontluikend
talent nu waarlijk in deze emotievolle tijden niets anders te doen, dan
als op een bal-masqué in een pantervel gehuld en den Thyrsus-staf in de
hand langs 's Heeren literatuur-straten te loopen? Dáár! op m'n wóórd:
ik had U wel zoo lief in 'n moderne liberty-blouse gezien....

Juli '18.



       *       *       *       *       *



[p.136] A. VAN COLLEM: LIEDEREN DER GEMEENSCHAP


Een kostbaar boek deze bundel; kostbaar en zwaar van het wijdst-omvamend
sentiment, dat de ziel beleven kan: het sentiment der pantheïstische
levensdoorvoeling. Zij is het die dezen dichter boordevol glans heeft
gemaakt; zij heeft zijn individualistisch-begrensde wezenheid brandende
uitgehold en die niet meer dan zóóveel klaar-doorzichtige en
ijl-tintelende beperkte-eigenheid gelaten, als noodig was om de
vlies-dunne, hel-gestrakte lichtkelk om háár vlam te zijn. Dat is wel
het schoonste, zóó op de grens tusschen het Al- en persoonlijk-bestaan
te leven, en niet te breken, niet te vervloeien; nog een wijle te
duren....--Zóó teer, zóó broos geworden te zijn, en dan, triomphante
lucht- en water-bel, bevracht met der wereld kleurenschatten, op de
oneindige luchtzee èven nog als een aandoenlijke verwonderlijkheid te
zweven....--Dat is wel het schoonste, zoo'n grauw en onaanzienlijk
wolkje te zijn en dan door de Zon tot Zijn drank te worden verkoren.
Zie: daar buigt de Drinker zich reeds over Zijn dronk, en de Zijn
goddelijkheid ontstroomende glansen maken het grauw tot een vloeiing van
levende lichten en kleuren: tot het aan-Zijn-lippen-geheiligde, datgene
wat Hij drinken kan.... En dàn.... maken zij het: Hem zelf....--Het
wordt wel tijd te zeggen, dat hier een zeer bijzonder dichter is
opgestaan; het wordt wel tijd om hier over wat schaarsche technische
gebrekjes heen te zien, en zich blijde op de feestelijk-zonnige stroom
der zich tot bewondering verbreedende waardeering te laten wegdrijven.
Want hoe is deze man [p.137] gegroeid, trots weinig erkenning en
genegenheid, en het laatdunkend-beschermerige van sommige critiek ten
spijt; hoe is hij geworden wat ook ik niet dacht te mogen verwachten.
Lees een monumentaal gedicht als De Man met de Spade, voel hoe zuiver en
rag-teer hiermee een mystieke sensatie werd verwoord, zònder het beeld
der lagere werkelijkheid te doen vervagen, èn: hoe dat
voor-eeuwig-Millet'sche beeld, hìer in die visionnaire sfeer werd
geheven waar zichtbaar is, dat ook een het meest door slaven- en
zwoeg-leven afgetobde en verstompte geest niet buiten het reiken der
weer wekkende en reddende vervoeringen is verworpen....--Welk een
verschil met het bundeltje, een van zijn eerste of wellicht het eerste,
dat ik indertijd in Het Jonge Leven besprak!... Nergens borg het meer
dan een belofte, en hoe vaak gaf het er géén. Wat tusschen dat werk en
het thans besprokene ligt, ik moet helaas biechten het niet te kennen.
Wel had ik met groote bewondering en liefde eenige zijner Gids-gedichten
gelezen--waarvan trouwens in dezen bundel zijn opgenomen--maar dat was
al. En nu!--als ge de vermenschelijking van den god Pallieter wilt
aanschouwen, zie dan dèzen mensch....--Zeker, ook van Collem zou voelen,
door het eten van "Gods fruit" Hem te verheerlijken, ook hij zou den
oven opensluiten als waar' die een heiligdom, en het eten van een
beschuitje met honig zou hij, even juichend, als slot dichten aan een
psalm. Maar--voelt van Collem als Pallieter het "bruur boom", Pallieter
voelt niet als van Collem het "broer mensch". Voelt van Collem zich
gelijk Pallieter door de vreugde van het eenheidsbewustzijn doordringen,
Pallieter voelt niet gelijk van Collem de smart, ook die der
gescheidenheid. De een staat in de durende zegepraal, nu ja, daarvoor is
hij een god; de ander staat in den strijd, maar vóórvoelt zoo sterk en
hel het heil der overwinning, dat het hem is alsof hij reeds daarin
leefde--en ik zoude hieraan toevoegen: "daarvoor is hij mensch", indien
daartoe niet méér dan het gewone menschzijn wierd vereischt, indien men
daarvoor niet een zeer bijzondere en zeer schóóne mensch moest
zijn.--Het is opmerkelijk, dat een van de zwakkere gedichten in dezen
bundel--[p.138] de oude Adam leeft óók nog steeds in van Collem: de nog
soms onbeheerschte, die, als de poëzie-Eva hem een appel biedt, waarin
hij nièt mag bijten, wel even tegenstribbelt, maar toch eindigt met
toehappen--het is opmerkelijk, dat een van de zeer weinige zwakkere
gedichten: De Aarde, juist een treurzang, om dezen volkerenverdervenden
tijd, is. Vergelijk ik dit vers met soortgelijke van de Haan dan voel ik
de laatste als véél zwaarder en magistraler van toon. Dit is droog van
klank en aarzelend-tastend van gang. En ik denk: zou ook hierin niet
weer schuchter schemeren, wat in Pallieter aan den laaien dag treedt:
dat het menschelijk-onvolgroeide pantheïstische geluksgevoel de overgave
aan de smàrt uitsluit?...--Ten slotte: laat ik niet vergeten te zeggen,
dat menige invloed dit werk doorspeelt, maar er tevens in één adem aan
toevoegen, dat, moge dan ook Gorter zijn zonnelach op dit water zien
tintelen en Henriette Roland Holst's mild halflicht uit de diepte
donkeren, de stroom-zelf die van des dichters eigen rijke, innige en
melodieuse ziel is; een stroom, waarop de verzengenieter zich váák zal
voelen: Gezelle's "bladtjen op het water"....

Aug. '18



       *       *       *       *       *



[p.139] C.S. ADAMA VAN SCHELTEMA: ZINGENDE STEMMEN


Werkelijk, wat mij betreft vind ik, dat, om je het ware gevoel voor 'n
zingende stem te làten, het, 1° geen zomer moet zijn en je niet daardoor
genoodzaakt, op je werkkamer met wijd-open raam te zitten; 2° je geen
kroniekje moet hebben te schrijven. Want helaas, nu dit alles wèl het
geval is, en mijn geest bijkans bedolven raakt onder de gulle muziekale
gaven, die Zatermiddags-vroolijke dienstmeisjes en nasaal-galmende
gramophonen, bij beurte of wel alle tezamen, over hem uitstorten--nù
voel ik veel meer voor de stem der stilte dan voor die des gezangs. Er
is--ik begrijp het plots in de exaltatie der wanhoop--slechts één
redmiddel voor mij: door een moedig-geniale daad de hindernis en het
gevaar in een hulpmiddel om te tooveren. Zooals ongetwijfeld Buffalo
Bill van een op hem aanstormenden wilden buffel zou gebruik maken, om,
door verwondelijk-behendig op diens rug te springen, des te spoediger
zijn "hacienda" te bereiken, zoo zàl en mòet de Pegasus van die
melodieuse schoonmaakster daar in 't tuintje tegenover me, mij in 't
berghart van Adama v. Scheltema's Parnassus voeren....--En ziedaar!
nauwelijks heb ik dit wilskrachtig gedacht, of het is mij alsof 't
storende element in haar zang reeds is vervluchtigd, en haar stem en
wezen, in een mysterieuse vereenzelviging met die van Scheltema, mij hèm
des te beter doen verstaan. O, lieve schoonmaakster, gij, die, zoo ge
niet zingt, de buren vàn en tòt elkaar scheldt, hoezeer verheldert gij
nu plots het inzicht, dat ik tot heden in sommige prozauitingen van
onzen dichter had. Ook hij als gij, maar ach, maar ach, hoeveel schooner
is [p.140]hij ... 'n verheven Vesuvius, die, zoo hij geen
vlammenliederen zingt, enquête-antwoorden bráákt. Hij ook als gij:
zingend, en "niet met 'n boekje in 'n hoekje", of decadent-vrindloos
onder "De Windroos", maar boven de schuimende waschtobbe des levens. Hij
als gij: altijd fel op en zeker van de "pointe", èn bij het schelden èn
bij het zingen, en vóóral dáárdoor populair! Ja dit laatste--intusschen,
o mijn schoonmaaksterlijke Pegasus, gij hebt mij gebracht waar ik wezen
moest, laat mij thans met mijn dichter alleen--dit laatste: dat namelijk
bijna elk zijner dichtjes, de zéér schoone en de minder schoone, een
"pointe" heeft, welke de naar een plaats-van-eenheid, naar harmonie en
zekerheid dorstende lezersgevoelens bevredigt: dàt doet het volk hem
zoozeer beminnen; en niet slechts en zelfs niet voornamelijk het volk,
dat men in sociaal-economischen zin zoo heet, maar datgene 't welk men
ter onderscheiding van de geestelijk-superieuren zóó pleegt te noemen.
Neen, niet voor dat "volk", maar voor die van-geest-superieuren slechts,
de weelde en het raffinement der òngewisheid; de weelde, zeg ik, èn het
raffinement; want deze ongewisheid draagt als wellicht diepste en
oorzakelijke kern in zich: den wil, om de zekerheid niet te vroeg, niet
te makkelijk te overmeesteren; zij draagt in zich het genotsbewustzijn
van het uitstellen van het hóógste genot. Aristocratische kat, die de
muis weer loslaat, en zich afwendt, doende alsof ze niet weet dat ze
haar heeft gevangen; en haar dan weer wellustig besluipt....--Voor de
zéér-superieuren, het proeven van die weelde en dat raffinement in het
ijl-lichte van de dwaal-ster Boutens, in de wankelingen en mijmeringen
van Henriette Roland Holst--al hebben die beiden-zelf en vooral de
dichteres, dat alles niet als weelde en raffinement gevoeld--, maar voor
het volk, voor het "volk": de zekerheid, het gevatte, het rake, de
"pointe" van Scheltema! Maar men versta nu toch geenszins als mijn
bedoeling, dat deze eigenschappen zijne verzen, vergeleken bij die van
de zooeven genoemde dichters, noodzakelijk tot iets minderwaardigs
zouden moeten neerdrukken. Volstrekt niet. Daar zijn er in dit
bundeltje, welke ik onder de beste reken, die ik ooit gelezen heb: het
[p.141] schoone Golven, het prachtige De Uitdragers, het fijne Bede en
't Goethe-stille, eenvoudige, en toch in de eerste strophe subtiele,
Herfstbosch. En daarvan hebben de beide middelste toch zeker zoo iets
als een "pointe", en het eerste en laatste een hèldere gewisheid.
Merkwaardig is echter dat een enkel maal het persoonlijk-rhythme niet in
staat is het vers, hoewel steunend op "pointe" èn zekerheid, ten einde
toe te dragen; dan zinkt dit, zooals Moe, tot een poover niemendalletje
in elkaar. Dit Moe heeft mij trouwens doen rillen van ontzetting; zoo
iets desesperant-onsocialistisch,
verwijfd-lettré-decadent-individualistisch en daarbij ook zoo heelemaal
anti-Grondslagenistisch.... Jonge, jonge, waar gaat dat heen....--'n
Aardig half-Goethiaantje-half-Heiniaantje is Le Retour des Hirondelles.
Ik wees reeds vroeger op zoo'n beetje Heiniaanschen invloed bij onzen
dichter, en ik vind de aanwezigheid daarvan nu toch wel een tikje
jammer, want ten slotte was Heine toch een Joodsch kunstenaar,
zooals--Scheltema er "voor geen geld!" een zou willen zijn! En, 't
blijft toch, dunkt me, ook voor hem behartenswaardig, wat de
voortreffelijk-geestige Oproerige Krabbelaar--ook 'n man van de
"pointe"--in Het Volk eens zei--ik citeer uit 't hoofd--: "Mij had men
in m'n jeugd geleerd, dat je niet lastert van de menschen bij wie je
eet, en niet eet bij de menschen, van wie je lastert".... Maar dit is
tenslotte een zaak van ethiek, en een kniesoor is de aestheticus, die
zich daaraan stoort. Laat mij dan ook maar òngerept blij zijn, omdat dit
zoo'n mooie bundel is, en omdat de dichter op z'n poëziehuis 'n wel
onbehouwen--maar dat hindert niets--doch dik-stoomen-kunnenden
proza-schoorsteen heeft staan, want heer-in-den-hemel, als eens al die
walm en stank, die nou daar door heen een uitweg vindt, in de
verzenkamers ware blijven hangen.... En trouwens: wat zou ik zonder dien
schoorsteen moeten beginnen, als ik, bisschoplooze want joodsche
zwarte-Piet, eens "onzen" Scheltema met een gard verrassen wil?...--

Aug. '18.



       *       *       *       *       *



[p.142] HERMAN POORT: GERBRAND ADRIAENSZOON BREDERO


Indien gij over eenig onderwerp slechts zeer weinig zelfgevoelds, in
zeker opzicht, hebt te zeggen, en gij doet dit op nagenoeg
ònpersoonlijke en luchtig-rhetorische wijze--zóó als menig ander dat
vóór u heeft gedaan--dan is er veel kans, dat dit rhetorische, bij
tegenstelling, het zelfgevoelde van dat weinige des te beter zal doen
merken. Maar doet gij het integendeel met groot vertoon van eigen
vinding in stijl en woorden, dàn zal er juist veel kans zijn, dat dit
vertoon--dat immers iets kostbaars en gewichtigs doet verwachten--des te
heviger het weinig-zijn van het zelfgevoelde zal doen opvallen. De
gevolgen van het een als van het ander kent men: men applaudisseert in
een variété bij wat men zou uitfluiten op een concert. Het dunkt mij
goed dit hier te zeggen, wijl het mij waarschijnlijk lijkt, dat het deze
in zijn onderbewustzijn aanwezige waarheid was, waardoor de fijne
literatuur-keurder die Poort is, zich bij het schrijven zijner
evenwichtige, wèl-gecomponeerde en smaakvolle essai heeft laten leiden.
Omdat namelijk zijn aanleg niet voornamelijk in de richting van het
menschenscheppen ligt, had hij voor zoover het een levende en
dramatisch-bewogen voorstelling der Bredero-figuur betreft, slechts
weinig aan te bieden. Daar waar hij den persoon Bredero dus poogt
aanschouwelijk te maken--waar hij hem optreden laat--in zijn
taveerne-leven, op bezoek in het Roemer Visscher-huis, koos hij eene
thans rhetorisch-geworden wijze van voorstellen--eene, zooals men
bijvoorbeeld bij den ouden Thijm vindt--. En gelukkig: deze
bescheidenheid, dit zich [p.43] niet als anders of meer willen voordoen
dan hij is, bracht hier--zeldzaam staaltje van beloonde deugd en van
paarden, die hun verdiende haver krijgen--onmiddellijk het passend loon
mee. Als gij den u overbekenden toon hebt gehoord van zinnetjes als (ik
cursiveer): "Zie daar de guiten in" "De Graaf van Meurs" of in de "
"Handboog-Doelen" .... "Ei zie, hoe hoofsch en vlug in 't nauwe keurs,
zij gracielijk door d'over-volte zwenkt en elk zijn deel geeft, niet
slechts van 't koele bier, maar ook van lachjes, groetjes, vriendelijke
woorden".... "Wie is het, die bij haar gezicht zijn hart het hoogst
voelt kloppen en zoo raadselachtig snel? Wie tracht er weer, in het
donker bij de trog, het "soete soch" den arm om 't lijf te slaan?" of
van die paar lichtelijk-onhandige, imitatieve dialoogbrokjes bij de
ontvangst in den Roemer Visscherkring--als gij, zeg ik, den zoetelijken
toon van zulke antieke-inboedel-phrasetjes hebt beluisterd, dàn
waardeert gij des te meer het zelfgevoeld-nuchtere, fijn-opgemerkte en
doordachte van eene uiting als deze, die Bredero's half onbewusten drang
naar een rijk huwelijk psychologisch verklaart: "Van Adriaen's (des
dichters vader, v.C.) beleid en werkkracht tot opwaartsgaan in
geld-bezit en in maatschappelijk aanzien, had Gerbrand (ik cursiveer
alweer, v.C.) de vage drang geërfd; ze kwam te voorschijn in zijn keuze
van geliefden, de ernstig beminden, met wie hij trouwen wilde en wier
namen tot ons kwamen".--Daar echter waar onze essayist zijne
beschouwingen en oordeel over het werk, over den geestelijken inhoud van
de dichterziel uiteenzet--in dàt opzicht dus, waarin zich reeds zoo
menigmaal zijn voortreffelijke aanleg openbaarde--daar laat hij dan ook
zijn archaïstischen stijl geheel los, en schrijft in den
onvergelijkelijk directer den kern der dingen rakenden modernen. En
omdat hij dan als uitstekend literatuur-keurder veel zelf-gevoelds te
zeggen heeft, doet ook hier de vorm--nù: de niet-rhetorische, de
individueele!--den inhoud op zijn best verschijnen. Aanmerk maar eens,
hoe dan--in het door mij gecursiveerde--het zèlfgevoelde in een
verrassend-fijne wending zijn adaequate uiting vindt: "Het zijn de beste
kunstenaars niet die slechts het welgelijkend portret van hunnen
medemensch ons geven; [p.144]--wie méér vermag, daalt diep in eigen ziel
en herschept van daaruit de waargenomen werkelijkheid tot iets anders,
dat gansch "nieuw en onherkenbaar is;--zóó deed ook Bredero, en wil men
dus toch gaarne weten waar Jerolimo in waarheid leefde, dan zal het dáár
zijn, waar geen archieven-snuffelaar nog zocht: in Gerbrands eigen
hart". Zoo vervlocht zich dan in deze studie het modern- met het
archaïstisch-gestyleerde tot een schoone eenheid. Want hoe menigmaal
leeft in dit opstel niet de zij het oppervlakkige maar geacheveerde
fijnheid van een precieus-antiek miniatuurtje, zacht maar als
onverwrikbaar zijn voornamen aard van reliquie uit ver-voorbije dagen
toonend en handhavend onder het modern-scherpe licht. Het is de
zelfkennis van den auteur, die voor zijn in kracht zéér verschillende
vermogens de aan elk geëvenredigde uitingswijze wist te vinden; het is
de harmonieuse stemming van wijs berusten bij 't erkennen van de grens
van zijn aanleg, welke de sfeer schiepen, waar, in zacht-glimlachende
stilte, het beklijvend-beeldje aan den wand antwoordt op de tinteling
van het licht....--

Oct. '18.



       *       *       *       *       *



[p.145] JO DE WIT: DONKER GELUK


Een boek, dat mij onmiddellijk aan Phil's Amoureuze Perikelen deed
denken. Ook hier, één verhaal uitgezonderd, een reeks van
"liefdedrama's", ook hier, zoo ik mij niet vergis, een eersteling, en
ook hier van een schrijfster. Maar er is tevens een stevig onderscheid,
en wel een, dat zich reeds in de titels der werken toont. Het luchtige
en een beetje gewild-humoristische der "Amoureuze Perikelen" is in
"Donker Geluk" niet te vinden, en de diepe toon van den laatsten titel
allerminst in den eersten. En zoo het meest essentieele geluk, dat door
het lezen van een boek in ons kan worden gewekt, bestaat in het
beluisteren van de schoone "stem", het individueele-rhythme van den
auteur, dan geeft de lezing van dit boek inderdaad wel een donker geluk.
Want het geluid dezer schrijfster is van een diep-sonoor en warm
clair-obscur, 't welk dat van Emmy van Lokhorst mist. En in de gaafheid
van den schoonen stijl, in het wel-overwogene van het juist-gegrepen
woord, treedt een ernstige psyche aan den dag, als slechts zelden zich
zóó in eerste werk vermag te uiten. Sommige verhoudingen mogen in deze
kleine schetsen--en dit "kleine" behelst tevens de verontschuldiging van
het gebrek!--wat onduidelijk zijn, en door hun vaagheid de stoornis van
het zich-niet-geheel-bevredigd-voelen doen opkomen; aan den anderen
kant, en kijk eens hoe opmerkelijk dit is, openbaren zich hier een
voldragen hartstocht-in-'t-doorleven en een trillende nervositeit, die
aan De Meester doen denken, zonder dat zij als bij deze den stijl laten
beven en trappelen op zijn fijne rasbeenen en ge diens sehichtende oogen
en opgestoken ooren [p.146] de dreiging en de weelde van een wereld van
gewaarwordingen ziet ondergaan. Deze overeenkomst bij dit verschil is
vooral in Vreugde te bemerken....--Ik heb dan ook een diepe bewondering,
zoowel voor de psychologie als voor het beschrijvende deel van dit werk.
Dat alles is zeer gaaf en rijp. De dialoog kon hier en daar wat beter
zijn. Geen sprake is er echter van, dat zich hier een lacune in het
klaarblijkelijk zéér groote talent dezer schrijfster zou vertoonen. Een
onbewust te sterk styleeren is er slechts oorzaak van. Men zou wellicht
deze auteur in overweging moeten geven niet tè zeer naar bevrediging van
dien styleeringsdrang te streven. Bij verder doorgevoerden wasdom van
haar kunstenaarsvermogen zou de beeldings-nauwkeurigheid, die nu nog
ongerept-evenwichtig werkt, in precieusheid kunnen ontaarden, 't geen
jammer voor den schoonen eenvoud en de stille wijsheid ware, die nu zoo
teer ook de natuurbeschrijvingen doorschuchteren. "Heel even maar ...
toen was het stiller dan daar voren, of er snaren strakker gespannen
werden, of de teederheid rondom angstvalliger werd." "Zoo vroom, zóó
stil was rondom de mijmering, dat hij onwillekeurig alleen maar
luisterde[1]. Ook nu hij het hoofd wat neeg en naar den grond bleef
zien, voelde hij de goedheid dichtbij--hoorde hij in de stilte de
innigheidsstem. Ongezien was tòch de teederheid der sfeer hem duidelijk.
Zuiverheid en goedheid, anders was er niet." In dergelijke
beschrijvingen van uiterlijk-innerlijkheid leeft een psychische
schoonheid, die wel waard is zoo nauwlettend mogelijk voor elke
ontluistering te worden behoed.--De beelding der sexueele liefde en haar
eigenaardige egocentrische één-tonigheid--er is geen andere liefde, die
het individu, onder den schijn van het zich aan een ander te doen geven,
zóó aan de bekommering der zelf-contemplatie houdt geboeid!--moge op mij
ook in dit werk, de reeds meermalen hier ter plaatse door mij
gekenschetste uitwerking niet hebben gemist, laat mij erkennen hoezeer
dit tevens voor de juistheid der beelding pleit en er ook de
opmerkzaamheid op vestigen, dat in het laatste [p.147] verhaal,
Afscheid, die liefde wordt getoond als aan zichzelve ontgroeid en van
hooger natuur geworden, terwijl de uitbeelding toch even uitmuntend
blijft.--Ook in de herschepping der manlijke psyche is onze schrijfster
zeer gelukkig. Iets van het gulle, het robust-levensvolle van een Ina
Boudier-Bakker leeft in haar arbeid dan. En herinnert het schetsje
Maanavond in zijn fraaie uitbeelding van kinderleven, dus op weer andere
wijze, niet tevens aan deze voortreffelijke kunstenares? Er openbaren
zich vele gaven in dit werk, en vele perspectieven opent het. En denk ik
ook nu weer aan Emmy van Lokhorst, dan voel ik mij geneigd tweeërlei te
gelóóven. Het eerste: dat Jo de Wit--want wie zou ook bij eene
beoordeeling als deze, van eerste werk immers, met volle gewisheid
durven spreken--de meest- en ernstigst-begaafde van beiden is. Het
tweede: dat in het paradijs der jongste novellistiek alleen Eva schijnt
overgebleven. Adam schijnt er te--onnoozel onschuldig voor! Que veux-tu?
Zoo zijn de moderne paradijzen: die niet uit volle begeerte van den boom
des onderscheids van goed en kwaad eet, die nièt zèlf er naar greep, diè
wordt eruit gedreven. Ook de engelen worden zuìverder-critisch. Wat geen
wonder is. Sinds Scharten in den hoogsten hemel der Christelijke Liefde
werd opgenomen, kan men elken Zondagmorgen een heele school Seraphim en
Cherubim aan zijn voeten zien gevlijd, om de heilige woorden van het
juiste critisehe inzicht op te vangen. En de lange gestalte van den
Grooten Leeraar steekt--geen gering paedagogisch voordeel!--nog zelfs
boven de zeshonderd el metende Seraphijnen uit. Het is, bij heldere
lucht, een schoon en treffend gezicht.

Oct. '18.


Noot:

[1] Cursiveering van de schrijfster.



       *       *       *       *       *



[p.148] AUGUSTA PEAUX: GEDICHTEN


Toen ik dezen bundel verzen had gelezen, bevond ik 't noodzakelijk bij
mij-zelf een gelofte af te leggen. En nu ik aanvang erover te schrijven,
acht ik 't niet minder noodzakelijk, haar in 't openbaar te herhalen.
Want de mensch, en vooral de bekóórde mensch, is zwak. En zoo moge ik de
kracht om mijne gelofte te houden, versterken met de vrees voor de
schande, die mij, zoo ik haar publiekelijk brak, zou treffen. En wèl
gelukkig is 't dan ook, dat ik slechts een literator ben! Ai mij, zoo ik
eens staatsman ware; wàt middel had ik dan wel tot zelf steun moeten
aangrijpen....--Maar ziehier dus wat ik mijzelf plechtig beloofde: ik
citeer geen enkel vers. Want ze zelf u te tóónen, en er dàn een nog door
het citaat verkleind kroniekje over te verredekavelen, neen, voor zoo
gering een bejegening zijn deze gedichten te edel en groot. Want vòl
zijn zij zoowel van den ernst van een deemoedig en schoon menschenleven
als van dien eener kunst, die mij van de jeugd af de liefste is geweest:
de verzinnelijkt-geestelijke der tachtigers .... Een deemoedig en schoon
menschenleven, zei ik, en waarlijk: als iemand, gelijk deze vrouwelijke
de Hérédia-in-gewetensvol-geduld, zijn werk een menschenleeftijd
bewaart, slechts schaars er iets van in de tijdschriften publiceert, om
't dan ten slotte in een uiterst-pretentieloos uitgegeven bundeltje te
doen verschijnen, èn een dergelijke arbeid blijkt zulk een schoonheid
als deze te bevatten, dan mag dat niet alleen, maar mòet dat door zijn
beoordeelaar worden gezegd. Hier niet het eerzuchtig bejag eener ijdele
en pralerige kunstenaarsnatuur. Hier het zuiver dienen, de stille en
roerlooze wachting--het wachten, [p.149] niet op roem en eer, die het
talent eens wellicht moge brengen, maar op zijn gerijpte kracht. Hier de
klare en edele, innerlijke rust. O, had ik nu mijn gelofte niet gedaan!
Want daar is één gedicht in dezen bundel--het héét ook Rust--waarin deze
schoone ziel ten volle, juist in haar onverwrikbare, als oud-Indische
wijsheid stil glimlachende afgewendheid van het ijdele en vergankelijke
aan den dag treedt....--En toch--ik heb het wel goed ingezien: hoe
weinig zou het citeeren van dat eene dichtje mij dan weer hebben
bevredigd, en welk een verkeerd want eenzijdig-belicht beeld zou de
lezer allicht daardoor van dezen levensarbeid hebben ontvangen. Ziehier
trouwens hoe ik mij troost: ik neem mij stellig voor, dezen bundel
elders, binnen eenige maanden, op uitvoerig didactische wijze te
behandelen. Er is reden te over toe, want--en dit moge hier reeds, zij
't dan zonder iets te bewijzen, worden gezegd--al het schoone, al het
edel-rijke, dat reeds onze verrukte jeugd in den stijl en het tijdperk
zag leven, dat wij kortweg Nieuwe-Gids noemden, dat is ook hier in eene,
wat ik zou willen noemen nederige en essentieele bijna-volledigheid
aanwezig. In verschillende van de deze volledigheid samenstellende
elementen hebben de groote tijdgenooten van onze dichteres, de een in
dit, de aer weer in een ander, ongetwijfeld hooger schittering ontstoken
en oneindig hartstochtelijker werkdadigheid ontplooid--geen echter heeft
in zoo luttelen omvang zoo veel vereend. Bij haar zijn èn de gedachte èn
het gevoel in de hoogere eenheid der ver-beelding saamgesmolten. Bij
haar is er--schoon veel schaarser: ik zou daarvan slechts een paar
voorbeelden kunnen noemen--ook de neuriënde muziek van het woord, een
liedje, lief en puur simpel. Als een zéér fraai voorbeeld van een uit
gedachte en gevoel ontstaan verbeelden, dat tevens muzikaal doorzongen
is, mag wel het krachtige en zuivere Nieuwe Stad worden genoemd. Bij
haar zijn er de rijke prachten der van geestelijkheid doorgloeide en
verreinde sensualiteit en ook dier schemerdiepten van een 'n geheimvol
leven omhullende wazigheid. Bij haar dan ook de gloeden van Oostersche
visies, als in 't goudelend nacht-donker van Van Looy. En bij haar de
fijne wendingen, subtiel, kort [p.150] en vluchtig, als, op een ander
plan, in critisch proza van Van Deyssel. En gelukkig! háár ook, trots
haar "tachtiger"-aard, heeft ten leste ook het maatschappij-leven niet
onbewogen gelaten: sommige harer beste verzen zijn tijdzangen en uit de
smart van den oorlog geboren. En voor wie haar werk zou willen
vergelijken met dat van sommige dichters van de láátste jaren, moet het
al zeer onderrichtend zijn, een impressie als Werkpaarden naast
"instantanés" te houden, zooals men ze tegenwoordig in weekbladen en
tijdschriften tegen het gewiekste lijf loopt, handelsreizigers in
dichterlijkheid meteen kraakstem en vlugge kneed- en vouwgebaartjes van
emballeurshandigheid. Zie dáárnaast de edele gestalten dèzer verzen, hun
hoog gedrag; beluister hun diep-weerklinkende stem. Zeker, men vindt ook
hier sòms het cerebrale in ongunstigen zin: het gezochte. Somwijlen
slaagt haar rijp technisch meesterschap erin, dat bijna te verhelen,
maar een enkel maal heeft het tè opvallend de gaafheid der beelden
aangetast, dan dat niet een ieder het merken zou. En ook mist men
hier--hetgeen toch een kenmerkende "tachtiger"-eigenschap is--het
uitlaaien der passie; máár het bloeiende leven dezer kleine wereld doet
u toch wel begrijpen dat het binnengrondsche vuur er is. En--hebben wij
dan ook niet aan de onstentenis van dat vulkanisch-tragische natuurdécor
te danken, dat hier tevens een enkel keer de bloemen der koelere
gronden, de schalkheid en de humor bloeien èn er niet misstaan?...--Bij
haar is ook die vol-doortinteldheid van het vers, dat zich-voortvlechten
van schoonheid in schoonheid, als schakel in schakel, tot het als een
gouden band, bezet met meest donker-flonkerende steenen, zich om den
klòppenden pols uwer feestelijke vreugde samensluit; een eigenschap, dit
zich voort vlechten, die, in verband met den indruk, welken hare
gedachten-zwaarte wekt, somwijlen, eventjes en van verre, aan de schoone
ketenachtige verwikkeldheid van het Shakespeariaansch vers doet denken,
en die overigens wel vermoedelijk, in diepsten zielsgrond, verband zal
houden met de vasthoudendheid, waarmede deze geest lang een zelfde
motief bewaart, en daaraan droomig voortspint. Een enkel maal is dit
verschijnsel duidelijk aanwijsbaar. [p.151] Het motief van: het
logenachtige of veinzerige van een stillen vijver, komt voor 't eerst in
In 't Bosch voor, duikt dan, gelijk een stroompje in den grond, neer in
't onderbewuste, vloeit daar klaarblijkelijk voort, om plots in Een
Vijver weer zichtbaar te worden. Hij die, als ik, ook deze eigenschap
een uitvloeisel acht van de stille en trouwe rust, de onbaatzuchtige en
onvertroebelde neiging tot nederig wachten, die deze kunstenares zoozeer
adelen--hij zal allicht, evenzeer als ik, haar geestelijke figuur zien
als een dier beminnelijke vrouwen, op wie, in het dadenrijk en
aanzienlijk gezin, waartoe zij behooren, weinigen aanvankelijk achtten,
maar die, na het voortgegleden zijn der jaren, als het luide leven der
beroemde broers tot zwijgen neigt, stil van toon en met heur kalmen
glimlach nu iets van haar leven en ziel, in heel dien verren en wijden
tijd, openbaart, èn daarmede een tot dan tè achteloos voorbijgeziene
schoonheid, nog door stillen deemoed verzoet....--Ik heb zelden zóózeer
gehoopt, dat mijn woord eenigen invloed moge hebben en velen tot lezen
zal bewegen, als ditmaal.--

Nov. '18.



       *       *       *       *       *



JAN FEITH: ONZE MEDE-DIEREN


Indien de begaafde auteur van dit boek, die, alhoewel in onze
Forensische woon[1] lid der Overheid en hóóg boven mij geplaatst, in
stad, in die aardige Het-Jonge-Leven-buurt, mijn buur en gelijke is,
wel eens daar over de schutting, die onze tuintjes scheidt, in het mijne
heeft getuurd, dan zal hij weten allicht, dat daar een boom staat, een
boom, dien ik indertijd heb--opgezet over: De Dieren in de
Literatuur.... Maar of hij dien kent al dan niet--ik durf nauwelijks op
zooveel belangstelling hopen--mìj kwam die boom op voor mij-zelf zéér
ontstellende wijze in de gedachte, toen ik met de lectuur van dit mijns
buurmans boek tot op blz. 33 gevorderd was.... Want die gedachte was
niet meer of minder dan moorddadig.... Zij had ongeveer dezen
Heiniaanschen inhoud: het eenige wat er nog aan mijn tuintje ontbreekt
is: dat er iemand aan dien boom bengelt ... en met keek ik beulachtig
naar den hals van--m'n buurman....--Ge schrikt, lezer, en begrijpt
niet, dat ik, onschadelijke, zóó iets dacht.... Welnu, laat mij u dan de
psychologische verklaring geven, en met des te meer vrijmoedigheid,
omdat, al verder lezend, mijn moordlust plaats maakte voor zoo Warme
Waardeering, dat ik, zóó als ge me hier ziet, reeds ònder dien zelfden
boom, waaráán ik hem eerst wilde ...---ik dùrf 't woord niet uit te
spreken!--hem een gezellig zitje heb bereid. Mijn moordlust werd dan
door deze overwegingen gewekt: Wat de antieke fabeldichters en wat de
schrijvers van het [p.153] middeleeuwsch dier-epos betreft--er is voor
het feit, dat zij het dier slechts als spiegel der menschheid schenen te
zien, en nauwelijks óóit het dier-zelf, een, dunkt mij, afdoende
verontschuldiging aan te voeren: zooals hun geheele natuurbeschouwing
geocentrisch was, zoo was hun levensbeschouwing in haar diepste wezen
van anthropocentrischen aard; maar wat, in Godes naam, moet ik met een
modern dierbeschrijver beginnen--een làter-tijdgenoot nog wel van
bijv. een London, die het dier-zelf en om zijns zelfs wil uitmuntend
heeft gebeeld--voor wien dat dier louter als spotspiegel van
menschelijke eigenschappen waarde schijnt te hebben, en die mij zelfs
nog al vrij goedkoope aardigheden op een zieke en stervende giraffe niet
spaart. 't Is waar: hij wìst 't wel, en hij zèi 't zelf wel: "Ik mag
niet opnieuw vervallen in mijn onhebbelijke fout van professie, om elk
beest door een menschelijk lorgnet te willen bekijken", maar mijn
beulsgeest antwoordde: "Tenzij ge uw leven blijkt te hebben gebeterd,
aanvaard ik uwe bekentenis als verzachtende omstandigheid niet ... ge
ziet dien boom ... en ik verberg u 't touw niet ... ge weet er alles
van....--En kijk: het bléék zoo waar, tot mijn vreugde, gebeterd!
Aanvankelijk blijft hij nog wel in zijn anthropocentrisch denken geheel
bevangen, maar het wordt van edeler natuur: de giraffen-idylle
verhoudt zich tot dat andere stuk over de stervende giraffe, zooals de
beminnelijke glimlach van den man, die een diep-erbarmingsvol en
teer gevoel wil verbergen, zich verhoudt tot de grijns van het
gebrek-aan-meegevoel. Maar dan plots stijgt onze schrijver--en
gelukkig, op hoe andere wijze dan ik hem eerst had toegedacht!--tot een
veel hooger niveau: hij vergèèt den mensch, zijn onderwerp
absorbeert hem, en dààr leeft hij in weg. Welk een buitengemeen
bekoorlijk en sterk-beeldende kracht bezittend stuk is Verliefde
Visschen daardoor geworden: die hartstocht-vaart der verliefde zalmen,
de zee uit, de rivieren op, omhoog naar de Alpen-beken, herinnerde mij,
zij 't van verre, niet alleen door 't onderwerp, maar wel degelijk ook
door den élan, aan niets minder dan Omeya's De Kameelruiter![2] En dan
dat liefdesfestijn [p.154] der haringen.... Waarlijk, er leeft hier in
de beschrijving-zelve iets van de blanke teerheid van die zilverwolk,
afschijning tot bòven de zee van die parende, verheerlijkt-stralende
wezentjes, zooals ze, opeengedromd, door roofgedierte en visschers
worden gedood ... de stille lichtschijn der liefde, te boven stijgend al
bewogenheid en zelfs de tragiek van den dood....--

Het is, zooals de schrandere lezer allicht reeds heeft begrepen, niet
anders dan natuurlijk, dat juist de aanschouwing van het visschen-leven
den schrijver aan hem-zelf onttoog: dat wat het minst op ons lijkt,
het minst aan ons is verwant, doet ons het vaakst en het
makkelijkst ons-zelf en onze verwantschap vergeten, en boeit op 't
sterkst, zij 't vluchtig, onze aandacht aan zich. En hoe waar dit is,
kunt ge alweer aan het fraaie stuk Plastiek, eene uitmuntende beelding
van reptielenleven, merken. Want zie maar: datgene wat den blik van
onzen geest ons geheele leven fascineert, omdat het ons, bewegelijken,
driftigen, haastigen, zóó vreemd is; dàtzelfde, nu verstoffelijkt,
boeit, thans ook onze lichamelijke oogen, bij den aanblik dèzer dieren
opnieuw: de roerlooze wacht van het Noodlot, de onverbiddelijke
greep van het Noodlot, het ijzige geduld der Eeuwigheid. Maar
vond zoowel mijn wijsgeerig als artistiek denk-voelen in stukken als de
laatstgenoemde alles te prijzen, gelijk in één hierboven genoemd alles
te laken, men denke daarom geenszins, dat ook mijn artistiek besef
nimmer de anthropocentrische dierbeschrijving zou kunnen waardeeren.
Zèker kan het dat: als de schrijver maar, hoewel door zijn
menschelijkheid nog steeds bevangen, zich-zelf ten grootsten
deele--zijn lager-persoonlijke bewuste bedoelingen vooral--maar
vergeet! Hoezeer bewonder ik dan ook de allergeestigste typeering van
Mijn Maraboe en het ongedwongen-aardige van "Pak de Leuning". De
zaak is, dat de zich den schrijver opdringende jeugdherinneringen hem
in dèze stukjes dwongen anthropocentrisch te schrijven en dit
geenszins het gevolg was van den bewusten wil om geestig of aardig te
zijn. Het is de overgave, die alles bepaalt, of het de overgave aan
eene herinnering of wàt anders ook zij. Ik zou mij nog zeer lang met dit
gevoelig werk [p.155] kunnen en willen bezighouden, en zoowel nog op
zeer vele schoonheden de aandacht vestigen--zooals dat
innig-ontfermingsvolle 't Skryverke in Stad--als bijv. aantoonen, dat
het te-lang-gerekte van sommige overigens voortreffelijke geestigheden
in niets dan het aanvankelijk feuilletonnistiseh verschijnen van dezen
arbeid zijn oorsprong vindt.

Eén ding moet mij nog van het hart: het boek toont één verwonderlijke
leemte, te verwonderlijker, waar de auteur het vischleven zoo schoon
beschreef: wáár in Godes naam is zijn appreciatie van de collectie
bakvisch en haar mannelijk complement gebleven, de schoonste en
rijkste collectie, die Artis bezit? Die vrij héétbloedige vischjes,
die coquette, die flirtende, die vrijende, die lieve.... Meneer Feith,
meneer Feith, ge bleeft toch maar een vreemdeling in Jeruzalem, èn: uw
deskundige "leiders waren misleiders", zij hebben u het schóónste niet
getoond.... Had mìj maar geinterviewd. Niet dat ik....
godbeware-me!... Maar ik ken iemand die véél studie van die collectie
heeft gemaakt.... Vorbei ... vorbei.... ein trübes Wort.... Ik doel
hier betreurend, het zij ten overvloede gezegd, op het voorbije der
gelegenheid mij te interviewen ... niet op iets anders!...

April '18.


Noten:

[1] De Forens: Het "Weekblad voor Stad en Land".

[2] Zie: Van Vloten: Oostersche schetsen en verhalen.--



       *       *       *       *       *


[p.156]
HET HELDEN- EN LEERDICHT VAN DEN WERELDOORLOG. [1]


I.

Sinds de groote Florentijn zijn hel- en hemelvaart had voleindigd, en de
koortsende droomen van demonen-vrees en godsliefde der middeleeuwsche
wereld in den greep van zijn onverwrikbaren wil getemd en tot in
schoonheid geordende tafereelen had omgeschapen; sinds hij ze had
volgezongen met zijn ziel--beelden, gemaakt van geluid, en muziek uit
aanschouwing geboren--; sinds dien heeft hij het lieflijke maar vooral
het gruwelijke der wereld met zijn naam en macht overheerscht.
Dantesk, bovenal, was het gruwzame duister, van de schicht-naderende
dreigingen doorrossigd der dood- en lijdens-verbeeldingen; Dantesk was
al wat 'schoon zinnelijk, de vermoede afgrijselijke majesteit der
demonische bòvenzinnelijkheid droeg; Dantesk waren die statige vaste
rhythmen der groote, als wonderen van smeedkunst dooreengestrengelde en
bebloemde poëmen, die het geluid-geworden begrip: wereldheerschappij
zijn; en Dantesk was wel ook het lieflijke, doch mits het door een
goddelijk-hooge tragiek was omstormd en als lekend nevellicht van de
bleeke gelaten der Francesca's en Paolo's afscheen. Maar wàt hem ook
benàderde, in literatuur of in leven, bereiken deed het hem niet. Eens
had de menschheid zich de ontzettende fantasmen van een satanisch
hiernamaals gedroomd, [p.157] een wereld door een demon instede van een
God geregeerd: een hel die oneindig was, pijn die respijtloos duurde en
martelde tot in eeuwigheid, zonden voor immer zonder vergeven, boete
zonder hoop. Toen had hij dat menschelijk-tasten, dat deel van
Menschheids droom aan haar zelve geopenbaard--voor zoover zìj kon
begrijpen. En, de bestemming volgend der half-bewusten, gedreven door
den duisteren drang, haar droomen te kennen, ze te zien leven in den
werkelijken dag, ze te verwerkelijken; gedreven door de donkere
krachten van haar onderbewustzijn in hun stuwing naar het licht; stortte
zij zich in de extatische zelfmartelingen der gekloosterde asketen;
wierp zij zich in den wellust der paring, vereend met dien van moord en
foltering; ja, slaagde zij er zelfs in een de Retz te scheppen, dat
onsterfelijk erotisch monster; en niettemin: nòg bereikte zij de diepte
van haar droom en Dante's beeldingen niet. Zij bracht haar
Conquistadores voort, die, uitmoordend de volkeren, de beenderen der
oude beschavingen verbrijzelden, en, in hun extasen van tot dan
onvermoede weeldegenietingen en machtswellust, van bloed en goud de
glanzende worgring wisten te gieten, die glorie heet. Zij verzon de
inquisitie, met haar brandstapels, haar rad, haar pijnbanken; zij bouwde
de slachtplaatsen der industrie, waar zelfs het kinderlichaam door den
arbeid werd verteerd, de kinderziel vertrapt: de fabrieken waar haar
wàre roem en lieflijkste bloem werden ontluisterd. En toch: zij
bereikte de diepte van haar droom en Dante's beeldingen niet. Zij was
als een groot schepper, als de Goethe van den Werther, die schrijft,
om een geestelijke ziekte die hij in zich draagt, buiten zich, van zich
àf te werpen; die schrijft om zijn eigen onzuiver ik vóór zich te kunnen
zien, om het te kunnen genezen. Maar hàre letters waren dàden, letters
van bloed en vuur, op de gemartelde maar onvernietigbare bladzijden der
jaren, in de zich openende en langzaam ïn hun dreun-zware kanteling weer
sluitende boeken der eeuwen. En toch, zij mocht kreunen van angst en van
verlangen, en rusten van haar vreeselijk werk dag noch nacht,--haar doel
bereikte zij niet, zij bereikte 't niet. Dat was haar droom nog niet.
Iets was nog daarachter, een opperste [p.158] ontzetting, ver en diep
verholen, die zich verwerkelijken moest. Tòt het uur volliep, en ze in
geweldigste inspanning en verscheurende weeën den wereldoorlog baarde.
Tén ... uit de verste afgronden van haar wezen rezen de verholen
droom-schimmen op, verschijningen van afschuw en verbijsterende
ontzetting, en verwerkelijkten zich en traden onder het wijkend licht.
En terwijl hun torenhooge, afgrijselijke vlamgestalten als in een
hemelverbloeding de zon verduisteren, de aarde schreeuwt onder hun gaan,
en de ontwaakte Menschheid zich schijnt gereed te maken den arbeid aan
hare vergoddelijking bewust te beginnen en voort te schrijden op haar
evolutionnaire baan--wenkte de Noodwendigheid, de onfeilbare, die niets
vergeet, die het kleine én het groote als het eene kent; die het
gewicht van den dood eens worms en van dien van armeeën even nauwlettend
weegt, om der wille van hun beider majesteit van noodzakelijkheden; en
uit de verbijstering en den nood, uit het walgelijk knekelhuis der
loopgraven, in de volle nederigheid van zijn groote en reine ziel,
bereid tot overgave aan Menschheids dienst; vàst staand in zijn
wezenheid, toegerust met macht om zijn verheven werk te doen; onder zijn
lompen en achter 't verwoest gelaat veilig en in rust de vruchtbare
rijkdom van zijn geest geborgen, die straks naar buiten zou lichten--zóó
trad een man.... En gelijk eens Dante was geroepen om de infernale
verschrikkingen en hemelsche glanzen van den droom te openbaren, in
beelden blijvend voor altijd, zóó was deze verkoren, om dit de gruwbare
ontzetting en heilbrengende beduidenis van het van-droom-tot
werkelijkheid-gegroeide te doen. Verreweg kleiner dichter dan zijn
feilloos-geweldige voorganger--hetgeen hier niet schaadt, daar de
dichter der werkelijkheid niet de gaven van dien des drooms behoeft[2]
--maar van een welhaast onvergelijkelijk hooge en zuivere
menschelijkheid, een ziel als een spiegelend meer van liefde waarin het
menschbeeld naast dat der sterren straalt, heeft hij zijn werk
verricht. En terwijl [p.159] wij vol wederliefde in hem zien en al de
schoone en fijne bewegingen van zijn geest met onze innigheid bestreden,
beseffen wij slechts geleidelijk wàt zijn woord ons heeft gedaan. Het
heeft het onrein vat van onzen geest met brandenden toorn en afschuw vol
gegoten. En nadat dit éénigermate was gezuiverd van de stofvergoding,
van de ikzucht, van het huichelachtig meegevoel, van het
ijdel-phraseerend denken, waarmee ons leven het de jaren lang had
gevuld, deed hij wat droppels, die waren als een balsem én een dauw er
in leken. Want gelijk de eerste, heelend het geschroeide en gebetene,
voèlde ze onze geest, en gelijk de laatste fònkelen ze hem tegen met in
hun rondingen het licht van een nieuwen dag.... Deze zuivere en schoone
mensch, deze hooge en begaafde broeder van den dichter der Hel, dat is
Henri Barbusse; en zijn werk, het beeld van de verwerkelijking van
den Helle-droom heet: Het Vuur.

       *       *       *       *       *

Hier, bij dezen Dante der werkelijkheid, zijn weer de in slijkpoelen
verzonkenen van Alighieri's zevenden zang; de, als een schildpad in zijn
schild, in modder geharnasten, de "gekroonden met drek." Hier zijn weer
de in gloeiende graven gemartelden, van den zesden hellekring: de
slavenden bij de nachtelijke korveeën, zich plat-drukkend op den onder
den granatenstorm en den spattenden vuurregen golvenden en brandenden
grond, te halver diepte pas ter dekking ingegraven. Hier weer de
badenden in het kokende bloed, van den vijftienden zang: de man verkoold
in granaatvlammen, terwijl een brandende plas van bloed-goud op zijn
lichaam knettert. Hier stuift en kuilt de zandzee, waarop de vuurregen
daalt en waarheen de verdoemden genoopt worden te vluchten: de
zinlooze stormloop onder het spervuur, in de gierende orkaan en
fonteinende vuurstroomen der granaten. Hier wankelen weer de "van
vlammen omhulden": als de ontploffingen de kapotjassen in brand steken.
Hier zijn weer de verdoemden van den twintigsten zang, wien de dood het
hoofd omdraaide op den romp, rugwaarts het lichaam omvouwde, en de
beenen, gelijk bij een zittende onder den buik, omhoog onder de aars.
Hier is weer [p.160] de "schreeuwende menschboom" van den twaalfden
zang: een verstijfd lijk met krijsch-gezicht, wortelend in den top van
een heuvel, deinend en schuddend in den wind. Hier zijn zij van den acht
en twintigsten zang, wie de dood doorhakte "van de kin tot den bilnaad,
dat hun de ingewanden tusschen de beenen hingen." Hier zijn de beknelden
in de storm-gezweepte en ijskoude stroomen van den Coeytus, die Dante
als vezels in het ijs zag, tegen wier hoofden zijn voeten botsten, wier
boven de beknelling uitstekende haarlokken hij kon grijpen. Hier
stierven weer zijn Branca d'Oria's, maar onschuldige, "wier haren," zegt
Barbusse, "rechtop in het water staan als aquariumplanten." Hier zijn
zij wie de dood aan elkander bond, de lijken elkaar omklemd houdend als
in vereeuwigde strijdwoede, en zij die hij, bij de wegweekende
overstrooming der loopgraven, vereende als in goddelijke toewijding tot
elkaar: "twee mannen, die op elkaar steunen om te slapen. Daar zij zich
niet op den wegvlietenden grond, die over hen heen zou golven, konden
uitstrekken, bogen zij zich over elkaar heen, elkaar bij de schouders
vattend en sliepen in, tot aan hun knieën in het veld weggezakt." Hier
sidderen ook weer de van de hoogste tragiek omstormde Danteske teerheid
en liefelijkheden. O, kleine, bleeke Eudore, met je teere lichaam en nog
teederder hart, die met verlof gingt, om na vijftien maanden je jonge
vrouw weer te zien.... De passen blijken niet in orde, zij kan niet tot
hem komen, hij niet tot haar, dan alleen in den voornacht van zijn
verlofeinde.... Maar dan--de regen verdrinkt de aarde--ontmoet hij
andere verlofgangers, die niet weten waar onder dak te komen ... de
beide gelieven, die slechts dien enkelen nacht hebben om gelukkig te
zijn, offeren zich op en deelen hun eene kamer met hen ... de kostbare
nacht, die een liefdefeest voor hen had kunnen zijn, gaat somber te
midden der geeuwende soldaten voorbij.... Zij scheiden onder
hartstochtelijke omhelzingen.... Hij komt weer in de loopgraven terug.
"En wanneer zal ik haar nou weerzien? En zàl ik haar wel terugzien,"
zucht hij tot de kameraden. Hij ziet haar niet weer terug. Een nacht
wordt hij mét drie makkers door het mitraille doorzeefd.... En dan
[p.161] die beide andere gelieven, Farfadet en Eudoxie!... Farfadet, die
nog van haar aanbiddelijke schoonheid als levend en hem toebehoorend
droomt; die zich zeker voelt van een gelukkig leven met haar na den
oorlog, terwijl reeds lang haar lijk wegrottend en afzichtelijk
beschimmeld in een mijngroef tusschen de linies is gevonden....--Of het
ontroerend gesprek tusschen de twee legionnairs--ja, ja, ge weet wel,
dat zijn twee van die "uitvaagsels," van die
"maatschappelijk-verworpenen," van het "vreemden-legioen"!--Barbusse,
uitgeput in den onderaardschen hulppost dicht naast hen neerzittend,
beluistert hen zonder het te willen. De een, doodelijk gekwetst, vraagt
den ander, of die wel weet, dat-ie heel wat op z'n kerfstok heeft en
dat-ie wel heel moeilijk ooit weer in de burger-maatschappij een bestaan
zal kunnen vinden. De ander, woest, zegt: "Hou je smoel! wat kan jou dat
verdomme'?" En de doodelijk-gekwetste antwoordt, dat, daar hij nu toch
gaat sterven, hij van zakboekjes met den ander wil ruilen, dan kan die
onder een nieuwen en eerlijken naam verder leven en heeft een betere
toekomst voor zich! Maar aan Louise, zijn lief, zal-ie 't toch in zijn
afscheidsbrief schrijven, "dan vindt ze dat ik goed gedaan heb en zal ze
beter an me denken." Maar neen, "met iets als een verheven inspanning"
schudt hij dan 't hoofd: "Nee, háár zal ik 't zelfs niet zeggen! Ik weet
wel dat zij het is, maar de vrouwe' zijn zoo praatzuchtig!"--Of ook de
Idylle: Paradijs de coquette schoentjes poetsend van een vijftienjarig
kind; een verheerlijkende glimlach licht over zijn gelaat, en nog in
zijn uitputtingsslaap blijft die stralen. O, hier, hier vooral, laat ons
zacht en voorzichtig treden en met onze gansch liefdevolle en
aandachtige oogen naar de laagte zien. Hièr heft de menschelijke adeldom
zijn schoonste bloemen, terwijl hij nochtans als een kruipplant over een
slijkerigen bodem wart....--

       *       *       *       *       *

Maar deze Dante der werkelijkheid, die bij het zuchten zijner
Francesca's en Paolo's niet bezwijmde; die de volle heerschappij over
al zijn krachten zelfs onder de vuurregens en midden de slachtingen
behield, en als meer dan een òngebroken man: als een schepper, als
[p.162] een glanzend wezen, uit de loopgraven trad; deze Dante, door de
beukende realiteit tot verhevener deemoed geleid dan de ander door den
droom, vertoont op wat men een parallelplaats van eene in Alighieri's
werk zou kunnen noemen, eene ontroerender schoonheid dan daar aanwezig
is. En waarlijk, het is mij een rijk geluk, haar, verholen als zij is,
voor u te mogen opdelven en 'r u te toonen. Toen ik haar ontdekte in het
licht mijner verdere lezing van het werk, bleef het eerste hoofdstuk,
waarin zij zich bevindt, niet slechts een schoone uiting van bewuste
genialiteit voor mij, maar wèrd een wonder van den schrijver onbewust
gebleven en toch zich openbarende inspiratie. Dit hoofdstuk heet Het
Visioen en beeldt niet anders dan een Zwitsersch sanatorium, waar aan
den overkant der bergen, op een galerij de tuberculose-lijders liggen.
Het teekent kort het schuchter en als ingehouden leven dier
ongelukkigen. De courant wordt rondgebracht, en de eerste die haar
leest, zegt: "Het is geschied, de oorlog is verklaard." Deze "peinzers,"
zooals Barbusse dan zegt, "op den drempel der wereld verwijlend,
gelouterd van partijhartstochten, bevrijd van opgedane begrippen, van
verblinding, van de greep der traditiën, zij beseffen schuchter nog den
eenvoud der dingen en de wijd-sperrende mogelijkheden." En in het
gebeuren midden dat woeste bergen-décor, het opstijgen en speurend
kringen der adelaars, het neerbliksemen van het onweder, de schemers
gelijk watervloeden vol vage vormen van verdronkenen op de velden,
aanschouwen zij in een kort visoen heel de ontzaglijke rij der
toekomstige afgrijselijke oorlogsbeelden. Dit nu kan men, gelijk ik zei,
een parallelplaats, in beperkten zin, van Dante's vierden zang, noemen,
omdat: hier evenals daar het storm-stille "Voorportaal" van de Hel
is; omdat hier evenzeer als daar wel geen geluk is, maar ook hier
zoowel als daar geen lijden, vergeleken met hetgeen daarna komt. En
ook hier zoowel als daar is er dus de doorlichtende tegenstelling
tusschen het stille, rustige, beveiligde en nog te dragen leed van het
Voorportaal, en de woeste, de vlijmende, de hulpeloos voortgejaagde,
de ondragelijke smart van de Hel. Maar dàn ziet men ook zich daaruit
een andere en nog beteekenisvoller tegenstelling [p.163] ontwikkelen,
die de hoogere schoonheid, waarvan ik sprak, brengt. Dante, in het
kasteel van de Homerische dichtergroep gekomen, waar de groote denkers
en poëten der Oudheid verblijven, verkondigt zelf volkomen bewust en
luide zijn ontzaglijke grootheid: Homeros begroet hem als den zesde in
zijn verheven kring. Maar in het "Voorportaal" van déze hel, in dit
eerste hoofdstuk van Barbusse's werk, wordt wèl evenzeer des
schrijvers grootheid verkondigd, máár: niet door hem, doch hem
ondanks: door het van hèm niet reppend voorgestelde! Den kunstenaar
onbewust, en onafhankelijk van zijn wil, vrij dus van met trots
verbonden zelfkennis, verheft zich hier de in hem levende Inspiratie
en zegt ons: zie toch, zie, dit geheele tafereel is de symbolische
veruiterlijking van zijn innerlijkst--en nog wel
verkleinde!--wezen, en zegt zijn grootheid. En hij de deemoedige
wist het niet! Want gelijk die "peinzers, op den drempel der wereld
verwijlend, gelouterd van partijhartstochten, bevrijd van opgedane
begrippen, van verblinding, van den greep der traditiën," zóó is ook
hij; en gelijk die eenzamen want in-zichzelf gekeerden, maar
verzorgden, las ook hij in 't omfloerste wereldgebeuren de verholen
beteekenis, de waarheid ìn wat hij zag, de naar geboorte worstelende
kern; máár bedenkt dit wel: Hij was niet slechts aldus in het
voorportaal, maar midden den storm, in de hel.... Beseft dan gij
allen de grootheid, de ongeschoktheid, de reine onbaatzuchtigheid van
dezen mensch, hoe volkomen onbekommerd om eigen lot, in welk een
zelf-ontruktheid, in welk een zelfvergetelheid hij mòet hebben geleefd;
en hebt hem lief, hebt hem oneindig lief....--


       *       *       *       *       *


II

Het kan allicht zijn nut hebben, ook hier iets te tóónen van de wijze
waarop, benevens een weinig van de kern-waarheid, welke hij zag. De
wijze van zien is die van een zéér groot epicus, met veel wijsgeerige en
sociaal-politische bezinning, beheerschte lyrische kracht, machtig
[p.164] beeldend vermogen, en zooals na dit alles vanzelf spreekt,
groote psychologische intuïtie. In die bezinning en in het vooral den
subtielen Franschen geest karakteriseerende van het laisser entrevoir
sa pensée, lijkt hij mij sterk aan Balzac verwant; in de manier van
dialoog-aanwending als beeldend en karakteriseerend hulpmiddel aan onzen
Querido, en het is dan ook dáárom--al mag men er ook, hier en daar, uit
anderen hoofde bezwaar tegen hebben--een voortreffelijke daad van den
door zijn liefde voor beiden en zuivere kunstzinnigheid geleiden
vertaler geweest, dat hij ter overzetting dier dialogen, uit het
"vocabulaire der Burk's" putte, want aldus doende, werd hij een
vruchtenplukker gelijk, die immers meer medeneemt, dan de geplukte
vruchten: ook hij nam den geur van den boomgaard mede, hij vergoedde
het allicht onontkoombare verlies van 't in de dialogen levend episch
fluïde van den grooten Franschman door dat van den aan hem verwanten
grooten Hollander. Het is trouwens niet daarin alleen, dat Barbusse aan
den schrijver van Menschenwee en de beide De Jordaan's doet denken,
het is ook in de wijze, waarop hij de menschen buiten de dialoog
beeldt, in zijn groot-epische heftig van kleur en mouvement doorstormde
visies, gelijk in het verschrikkelijke hoofdstuk Het Vuur, in de
hartverkillende atmospherische stemmingen van De Korvee, in de
chaotische volten van Opbreken. Een ander maal, zooals in Lucifers,
waarin de vier Franschen, op jacht naar vuur, om vleesch te kunnen
braden, in de loopgrapen verdwalen, en in de "Internationale gang" een
Duitsch officier dooden en met diens lucifers terugkomen, is er voor mij
in het beeldend geluid, in het aspect der figuren-plastiek, in het
bonkig trago-komische en in het lacherig-vreeselijke, iets, om ons tot
de modernen te bepalen, van de Maupassant. Dan weer zie ik duidelijk, de
paar malen dat hij natuurleven beschrijft, plots onzen Van Looy voor
mij, zooals in Gewend Geraakt, die prachtige observaties in den
hoenderhof, waar hij in sober-beeldende woorden--elk woordje om zoo te
zeggen een vondst, een levende kleur, een reuk, een beweging--het
verinnerlijkt-geziene schildert. De zaak is, dat, gelijk naar occulte
leering de zielen van veel volmaakt

[p.165] geworden menschen in die eens gods versmelten, in de genialiteit
van Barbusse veel van het beste van veler tijden en landen literaire
kracht is saamgekomen. Er is een menigte van schoone geesten in hem,
maar die zijn toch één, die zijn toch zìjn geest geworden.--Zooveel
mogelijk nu die gedeelten uitkiezend, welke ik kan citeeren, zonder te
zeer den omvang van dit opstel te vergrooten, en mij bij andere slechts
tot enkele vermelding bepalend, zal ik u een weinigje aanwijzen van al
dat schoons. Als voorbeeld van zijn wijsgeerige bezinning vol diepe
psychologie, hier in een subtiel aphoristischen vorm:

     Zij zijn allen, de een als de ander: er is niet één, die niet zegt:
     "Ik ben nièt als de anderen."

     Het spel is voor kinderen een ernstige bezigheid. Alleen volwassen
     menschen spelen.

En dit van zijn Danteske visies, voor zoover die vooral het kenmerk van
een den mythos, historie en leven omvattenden geest dragen: (over den
verliefden Lamuse, den "osmensch," door Eudoxie afgewezen)

     Hij laat zijn groot, dik hoofd hangen. In de meedoogenlooze klaarte
     van de herboren lente, gelijkt hij de arme cycloop, die langs de
     oude oevers van Sicilië doolde, bespot en getemd door de
     helstralende kracht van een kind, als een monsterlijk speeltuig, in
     den aanvang der tijden.

Of dit nog dieper geziene: (Over een soldaat, die, in de loopgraven, een
koperen ring voor zijn vrouw vijlt)

     Hij arbeidt vol vuur. Het is zijn hart dat zich zoo goed mogelijk
     wil uitspreken en zich inspant als voor een stuk schoonschrift.[3]
     In deze ontredderde gaten van de aarde verkrijgen onze mannen, zich
     vol ontzag buigend over de lichte, allereenvoudigste sierselen, zoo
     klein dat de grove hand ze moeilijk vasthoudt en makkelijk
     ontglippen laat, een nog woester, primitiever, menschelijker
     aanzien dan onder welke omstandigheid ook. Men denkt aan den
     eersten uitvinder, den vader der kunstenaars, die aan blijvende
     voorwerpen den vorm van wat hij zag en de ziel van wat hij
     onderging, trachtte te geven.

[p.166] Het zijn de Dantesk-picturale visies, waarbij ik mij helaas
tot nauwelijks meer dan bloote vermelding moet bepalen. Zoo van het
voorbijtrekken der helsch-caricaturale "straatvegers der loopgraven";
van het trekken door het krijtland, waar een witte stuiving de soldaten
in grijsaards vermomt, en zij, stilstaand op een halte, in elkander
"pleisterbeelden meenen te zien."

Aan de beelding van het barbaarsch-Oostersch voorbijschrijden der
kleurlingen ontleen ik dit:

     Onder deze kerels van geel, brons of ebbenhout, zijn enkele
     ernstigen; hun gezichten zijn beangstigend, stil, als zichtbare
     valstrikken. Anderen lachen; hun lach schatert als de klank der
     vreemde muziek van uitheemsche instrumenten en laat hun tanden
     zien.

Soms bereikt zijn visionnairisme een louter-geestelijke helderziendheid,
zooals in die heilige, stràlende regels--blz. 224--225, te veel voor
een citaat!--waarin hij de ziel van den burger-soldaat, op dat opperst
moment vóór den stormloop en waarschijnlijken dood, klaar doorschouwt.
Of gelijk hier: (over het voortschrijden onder sper-vuur, van soldaten
op een open vlakte)

     Het is bijna niet te gelooven, dat elk dezer kleine vlekken een
     wezen van rillend en teer vleesch is, geheel ongewapend in de
     ruimte, vol diepe gedachten, vol innige herinneringen en beelden:
     het is ontstellend, dit gestuif van menschen, even klein als de
     sterren aan den hemel.

     Arme naasten, arme onbekenden, het is nu uw beurt te offeren! Een
     ander keer zal het de onze zijn. Wij zullen morgen wellicht den
     hemel boven onze hoofden hooren vaneenrijten of voelen hoe de aarde
     zich onder onze voeten opent, of aangevallen worden door het
     wondere leger van projectielen en weggevaagd door orkaanstuwingen,
     honderd duizendmaal krachtiger dan de orkaan zelf.

Zóó is het. Zoodra men de wezens en dingen in hùn wáárheid en de
waarheid hunner verhoudingen ziet, dan is het inderdaad niet te
gelooven, wat er met hun stoffelijke wezenheid gebeurt. En ook het
omgekeerde [p.167] is waar, zooals--Barbusse-zelf, de op dat moment
ontluisterde en verduisterde Barbusse het in zijn eigen Godsontkenning
ééns fél demonstreert!...--

       *       *       *       *       *

Hoogst gewichtig ook voor het juist begrip van de gróótheid en den aard
zijner genialiteit, zijn die kleine zinnetjes, die enkele woorden soms,
met, in zulk een enkel woord, een rijkdom van beeldende kracht; woorden
en zinnen, vluchtig en snel, als flitsen, die midden de algemeene
verwoesting, de ongereptheid van het edele landschap van zijn geest, in
een witschitterend licht doen dagen. Zoo over korporaal Bertrand--een
prachtige menschschepping. (Het is na den stormloop door het spervuur,
na de verovering der vijandelijke loopgraven, dat dit gesprek, waarvan
ik een stukje citeer, door de twee helden wordt gevoerd):

     "En toch, vervolgde Bertrand, kijk! Er is één figuur, die zich
     boven den grooten oorlog verhief en die door de schoonheid en
     belangwekkendheid van zijn moed...."

     Op een stok geleund, over hem been gebogen, luisterde ik, het
     geluid van deze stem opvangend, die, in de stilte der schemering,
     uit een bijna altijd zwijgenden mond kwam. Met heldere stem riep
     hij:

     "Liebknecht!"

     Hij stond op, de armen steeds gekruist. Zijn schoon gelaat, even
     diep en rustig als dat van een beeld, viel weer op zijn borst
     neer. Maar nogmaals verbrak hij zijn marmeren zwijgen, om te
     herhalen....

Zoo ook deze plechtig ontroerende metaphoor. (Over een soldaat opduikend
uit zijn slaaphol in de loopgraven):

     Hij komt te voorschijn; zijn grauwe klompige lichaam verschijnt,
     als de nacht in den avond.

       *       *       *       *       *


[p.168] Ongetwijfeld, er zijn ook zekere tekortkomingen in dit
ontzaglijk werk te bemerken en het waar' nutteloos hier van de liefde te
vorderen ze te verhullen. Want de alles doordringende luister van het
geslaagde, overgroote deel, zou toch ook deze verwrongenheden aan ieders
oog openbaren. Daar is allereerst het toevallige. Het doet als
toevallig aan, dat juist weinige uren, ja weinige oogenblikken vóór
Poterloo, "in de vlam van een granaat wegvliegt," hij, in een gesprek
met Barbusse, als zijn vaste verzekerdheid te kennen geeft, dat hij den
oorlog zal overleven. En het is de schuld van den schrijver, dat wij
dien indruk van toevalligheid krijgen. Want, bij den opmarsch nà het
gesprek, in den avond, veroorlooft de auteur den lezer geen oogenblik,
zijn aandacht van Poterloo af te wenden: de auteur spreekt voortdurend
met dezen zijn wapenbroeder, roept hem telkens aan, vraagt hem hoe 't
hem gaat. Hierdoor voelen wij al, dat het nièt goed zal gaan, dat er
iets noodlottigs met dien man daar dadelijk zal gebeuren; wij voelen een
zekeren toeleg bij den schrijver. Die toeleg, zoo raden wij al, is:
de tragiek van het naderend gebeuren te onderstreepen, en zoodra wij
nu zien dat ons vermoeden juist was, verschijnt ons natuurlijk dit
gebeuren als een "gewilde" toevalligheid en wordt de tragiek juist
verzwakt.--Toevallig is ook dat juist Lamuse, die niet tot de genie
behoort, zich aanbiedt als vrijwilliger om de sappeurs bij het maken van
een mijngroef behulpzaam te zijn, en--daarin het beschimmelde lijk van
de door hem geliefde Eudoxie vindt; en nog toevalliger: dat even te
voren een voorval uit Gauchin wordt verhaalt--Gauchin, waar Lamuse
Eudoxie zijn liefde had bekend en was afgewezen--èn dat Farfadet (de
minnaar van Eudoxie) na de opmerking van iemand, dat je "van niks iets
zeggen kan," peinzend "alsof een aanbiddelijk gezicht hem tegenlachte"
mompelt: "Toch zijn er dingen waar je zeker van kunt zijn." Ja, het mag
niet verzwegen: hier blijkt wel héél duidelijk een "Absicht", die
"verstimmt." Deze toevalligheden--de welwillende lezer vergeve mij het
zoo veelvuldig gebruik van een zelfde woord!--zijn dan ook allerminst
... toevallig! Zij spruiten voort uit de hybridische natuur van het
boek. Eenerzijds was het de [p.169] bedoeling van den auteur een
waarheidgetrouw relaas van feitelijke gebeurtenissen te geven,
anderzijds dwong hem zijn krachtige kunstenaarsaanleg een kunstwerk
te scheppen. Maar als iets omtrent den aard van een kunstwerk vaststaat,
dan is het wel dit, dat het een verbeeldingswerk moet zijn. En ziedaar
nu de oorzaak van stoornis en botsing: in een toevalligheid uit een
feiten-relaas berusten wij, zij kan niet onecht en "gewild" zijn,
immers zij is--een feit. Maar bij die in een kunstwerk berusten wij
niet, dáár zijn wij slechts tevree met wat ons als noodwendigheid
verschijnt. En omgekeerd: een geval dat wij in een feiten-relaas als
van-zelf-sprekend aannemen en dat derhalve geen afzonderlijke
vermelding door den auteur voor ons behoeft, zal soms, als het in een
kunstwerk voorkomt, ons juist het ontbreken eener afzonderlijke
vermelding als een hiaat en een slordigheid doen voelen. Zóó het
geval-Farfadet: op blz. 82 staat het vast, dat "hij is opgeroepen achter
het front bij den generalen staf" om kantoorwerk te doen. Voor hem is de
oorlog--het gevaar--voorbij. Maar jawel! tot het eind van het boek zien
wij hem gewoon soldaat blijven, zonder dat er een woord over die
tegenstrijdigheid wordt gekikt, en tenslotte wordt hij zelfs aan beide
oogen gewond! En ziehier dus weer de botsing van het hybridische: omdat
in den schrijver óók de bedoeling en het bewustzijn leefden, een
relaas van feitelijke gebeurtenissen te geven, deelde hij ons niet mede,
bijvoorbeeld dat de oproeping van Farfadet naar achter het front was
ingetrokken. Voor zijn gevoel, van feitelijkheden-vermelder, sprak dat
van zelf, maar voor òns gevoel, dat in dit werk, nevens zijn aard van
feiten-relaas, ook en vooral een kunstvolle herschepping der
realiteit ziet, voor ons spreekt dat allerminst van zelf. Want wij zijn
nu eenmaal gewend, als wij in een kunstwerk een dergelijke achteloosheid
ontmoeten, te zeggen: hé, hier was de auteur klaarblijkelijk vergeten,
wat hij vroeger had verhaald!--Er is meer. Het schijnt mij toe, dat men
ook een enkel maal in de dialogiseering dat hybridische kan herkennen.
Het staat een kunstenaar vrij zijn dialoog te styleeren, dan wel bloot
realistischen--mits innerlijk gehoorden--dialoog te geven. In beide
[p.170] is het groote te bereiken. Maar het staat hem, dunkt mij, niet
vrij, door een zelfden spreker, ja in een zelfde gesprek nog wel, een
mengvorm van beide te scheppen. Want dan veronechten die
ongelijksoortige factoren elkaar. Het is volmaakt in orde, dat Poterloo
in het innig gesprek met zijn vriend zegt: "... ten slotte hebbe' ze een
luizedoosie voor me opgesnord dat groot genoeg was om d'r mijn kop in te
bergen." En het zou ook volkomen in orde kunnen zijn, dat hij in zulk
een gesprek zegt: "ze glimlachte en boog liefelijk haar hoofdje met het
lijstje van blonde haar, waarin de lamp gouë straaltjes scheen." Maar
het is niet in orde, dat dezelfde man allebei zegt. Gestyleerde dialoog
is en blijft voor den lezer: vertolking van realistischen dialoog,
maar omdat ook de gestyleerde door den scheppenden schrijver innerlijk
en als het ongekunsteld-oorspronkelijke werd gehoord, zal hij op den
lezer denzelfden indruk van innerlijke waarachtigheid als de
realistische maken. Maar nochtans--nog daargelaten, dat bijvoorbeeld dit
zinnetje van Poterloo niet juist gestyleerd is--is het niet raadzaam
een valsche roos, in wat roes van scheppende illusie ook gevormd en
getint, náást een echte te leggen, want dan spot-fluistert in haar geur-
en kleuren-taal die echte allicht: "Dat is mijn zuster niet."--Men
begrijpe mij niet verkeerd, ik heb er niets op tegen, dat deze soldaat
zoo innig denkt over zijn vrouw--wat potsierlijke dwaasheid zou dàt
wezen! Waarom zou die prachtige mensch niet zoo kunnen denken--ik heb
er slechts op tegen, dat hij zóó zijn gedachten verwoordt. Dat kan
hij niet. De soldaat Marthereau--voddenraper in het burgerlijk
leven--zegt: "De wind heit de suiker opgelikt." Dat is prachtig. Maar
gesteld eens, dat hij had gezegd iets dergelijks als: "De wind heeft de
sneeuwbonbons verorberd." Dat ware afschuwelijk geweest! En niettemin
geloof ik, dat al is en blijft er te dezen opzichte iets te laken, dit
voor onze Hollandsche ooren waarschijnlijk erger klinkt dan het is. Want
dat den lageren klassen der Latijnsche volken in onderscheiding met de
onze, in diepere gevoelsmomenten van zelf een edeler en schooner taal
naar de lippen dringt, dan hun dagelijksch argot, lijkt mij bij hun
algemeen veel hooger ontwikkeld kunstgevoel [p.171] en aangeboren
literair begrip wel aannemelijk. Wat den waarlijk-meesterlijken
vertaler betreft, zoo er hier al schuld bij hem is, dan is die toch
minimaal en komt slechts hierop neer, dat hij de bezwaren, waarvan ik
reeds sprak, die het gebruik van het "vocabulaire der Burk's" aankleven,
wel ietwat heeft onderschat, en daardoor hier en daar onnoodig de
tegenstelling tusschen de eene soort dialoog en de andere heeft
verscherpt....--Berusten wij derhalve in de erkenning, dat op den zege-
en zonne-wagen van zijn genie gezeten, waarmee hij zich uit den nacht
van den oorlog verhief, Barbusse van zijn ongelijkrassige paarden
ongetwijfeld wel een enkel maal de toomen heeft laten glippen. Maar wat
nood, hij heeft zijn tocht voleind, en uit den afgrond tot ver boven
onze hoofden uitstralend, ons het licht zijner liefde gebracht.


       *       *       *       *       *


III

En voorzeker, met den glans van zijn zien-en-begrijpen heeft hij dan ook
van veel de kern en de waarheid beschenen, en ons gedwongen die te zien.
Zijn epos is ook een leerdicht geworden. Een zeer kleine greep uit het
overrijk bewijsmateriaal kan er u reeds van overtuigen. Hij heeft
gezien: hoe het proletariaat niet alleen steeds de winstmijn, maar ook
het kijkspel der bourgeoisie is geweest; haar diergaarde, welks bewoners
met de zweep geregeerd, maar ook met klontjes suiker liefjes verwend
mochten worden en zelfs, ja zelfs bestreeld met hoogst-eigenhandige
kopaaiïngen, waaraan men dan ook zoowel zijn joviale genegenheid als
zijn heùsch-dùrvigen moed demonstreerde. Men heeft er maar dat scènetje
van het bezoek der journalisten in de loopgraven op aan te kijken, om te
beseffen, met wat inborend sentiment deze liefdevolle dàt háát. Merk hoe
dan de spot een oogenblik het beheerschte gelaat zijner objectiviteit
vervinnigt.--Hij heeft gezien: hoe achter den rug der strijdende legers,
die menigten van martelaren, de groote en de kleine bourgeoisie--allen
die bezitten en graaien om dat bezit te vergrooten--haar weeldebestaan
en winstmakerij voortzetten. [p.172] Daar schrijnt, in Uitstapje, 't
verhaal hoe hij met eenige makkers zijner escouade het verlof in een
groote stad doorbrengt, een vernederingsleed om den zedelijken val der
heerschenden, meer nog dan om het lot der beheerschten; omdat zóó
verlept en nietswaardig der eersten gevoel, zóó ijzingwekkend hun
onwetendheid, zoo bijna làchwekkend-onnoozel somwijlen hunne
onbeschaamdheid is. En in een overstelping van liefde, meer dan van
medelijden, heeft hij de vernedering zijner arme, eenvoudige
metgezellen, onder de tooneelkijker-blikken en schennende woorden dier
weeldezwelgers gevoeld. Hij heeft gezien: hoe zij zich vetmesten, die
"van hun buik hun god maken"; al diegenen, die roepen van achter hun
toonbanken, hun bankierskantoren, hun redactietafels: "wij" moeten
volhouden, "wij" zullen nog meer offers brengen als het moet!--Ja, en
hij heeft ook wel gezien hoe er nog ander dan Pruisisch militairisme
bestaat. Argoval! Het geval-Cajart! de soldaat, die na reeds twee jaar
blaamloos zijn plicht te hebben gedaan, voor een gering vergrijp wordt
gefusilleerd. Hij had zich bij het einde der rustpoos in het
cantonnement schuilgehouden. Als de schrijver terugkeert van de plek,
waar ze den armen kerel, in knielhouding aan een paaltje gebonden,
hebben doodgeschoten, dan ziet hij zijn escouade-genoot Volpatte midden
een groep makkers "een nieuw vertelseltje verhalen van zijn reis bij de
gelukkige achterblijvers." Dàt zijn die "achterbakschen"; nietsnutters
met machtige protectie, die men niet doodschiet als Cajart, maar
integendeel later in de salons, als "helden die in het vuur zijn
geweest" zal bewonderen! Nog ander dan Pruisisch militairisme: lees hoe
meneer de brigade-generaal de soldaten in 't ontspannings-kantonnement
slechts drie avonduren in 't etmaal veroorlooft uit te gaan. Hij wil ze
niet op straat zien! Zoodat ze zich in hun doorregende en tochtige
loodsen zitten te verkniezen.... Ah, hoe heeft zijn heilig sarcasme dat
alles gestriemd; zijn episch sarcasme, dat het gebeuren-zelf de
zweep doet hanteeren, die op de ruggen dezer wisselaars neerklettert;
deze wisselaars, die alles betalen met schijn: een schijn van plicht,
van verstand, een schijn van geestdrift. Hij zelf blijft altijd
objectief, en [p.173] niet slechts met de objectiviteit van den
naturalistischen kunstenaar, maar met die van den
goddelijk-zachtmoedige. Geen enkele zijde van eenige zaak ontsnapt zijn
blik, en geen enkele bedekt hij moedwillig. De poilus mogen bij dat
journalisten-bezoek aan de loopgraven fel-raak spotten en hekelen; dan
plots vraagt zacht-lachend de prachtige korporaal Bertrand: Zijn die lui
dan ook niet noodig? Zijn jelui er niet het eerst bij, om als de
krantenman voorbijkomt, te schreeuwen "Ik! Ik!"--Maar het is dan ook
juist deze objectieve wijsheid, die plots ook onze eigen geestelijke
kwetsuren en een nijpend gevaar opendekt. Want ach, hoe weet zelfs ik
't van mijn beveiligde zelf in dit gelukkig nog gespaarde landje, dat
dit alles zóó is. Lees ik niet met een gemoed van verontwaardiging
overkropt, ten eenen avond, dat het zoo geanimeerd tafelen bij den
Generaal von Eichhorn was, en ten anderen avond, dat de Generaal
Gouraud zoo'n gezellige werkkamer heeft en een derde maal, dat, trots
den oorlog, zoo heerlijk van de wonderschoone Krim en zijn wijnen
was genoten? En niettemin, keer ik, arme voddenraper, niet elken dag
weerom, om de bakken der buitenlandsche correspondenties uit te
schudden, graaiend naar mijn heet verlangd lapje nieuws van den
wereldkrijg? Het is dit journalisme, dat geen schaamte meer kent. En het
kent geen schaamte omdat het geen volledig menschelijk bewustzijn meer
bezit. Het lijkt wel of sommige der gewichtigste centra van zùlk een
bewustzijn hebben opgehouden te functionneeren bij deze "petits êtres
incomplets" en vervangen zijn door instincten en vermogens, waarvan men
het gehééle complex tot nu toe alleen bij zekere groepen van insecten
Waarnam. Want niet alleen dat dit soort journalisten een merkwaardig
vermogen heeft, naar kleur en lijn met zijn omgeving saam te vloeien,
doch ook hun "stijl" kent geen vlucht maar slechts gefladder; en, de
voelsprietjes als in aanbidding omhoog, kruipen zij genottelijk tegen de
voor hen torenhooge militaire laarzen op. Dat Foch zooveel pijpen
krijgt, hoe aandoenlijk. Dat hij stáát op zijn zooveel-uur slaap, hoe
buitengemeen-geniaal én correct! Maar toch: vergat de journalist, die
dit berichtte, niet, dat 's maarschalks soldaten als verontschuldiging
voor hun gemis aan [p.174] stiptheid in deze, de enorme kans kunnen doen
gelden, dat de granaten hen wel in staat zullen stellen hun
sluimer-tekort met woeker in te halen?... En neen! och natuurlijk niet,
het is niet het feit zelf, dat mij hier hindert--een man in de positie
van Foch heeft tot plicht, zijn brein klaar en onvermoeid te
houden--maar het is de botte onkieschheid, de seniele pueriliteit zulker
vermeldingen, die mij doen walgen. Het zijn deze journalisten die den
geest vergiftigen. Zij scheppen fetischen en roepen tot afgodsdienst op.
Er loopt geen generaal over hun rug, of zij kennen hem "een doorborenden
blik" toe, "strengheid voor zichzelf en rechtvaardigheid voor anderen."
"Volkomen rustig"--waarom hij tientallen kilometers achter het front
nièt rustig zou zijn, weet niemand, behalve ik, maar dat heeft dan ook
zijn zéér bijzondere reden--drinkt hij zijn wijn "waaraan men niet zou
zeggen, dat 't oorlog is," rookt genoegelijk zijn sigaar. Neen,
waarlijk, arme groote Hans, ge zoudt niet rustig zijn, zoo ge wist wat
ik weet: dat de meesten van deze uwe waardige bezoekers twee
voorwerpen in hun valies hebben, en beide voor uw hoofd bestemd: een
lauwerkrans zoolang ge succes hebt, doch zoo ge valt: een.... Maar neen,
dat te zeggen: van dat "ignobles Geschirr", blijve Heine's recht voor
altijd! Dit journalisme verleidt het gedupeerde volk tot lief te hebben
wat geen liefde waard is, tot bewonderen van wat het niet beoordeelen
kan. Het is als besmette lucht, die men nu eenmaal inademen moet, maar
waartegen men dan ook als verweer zijn lichaam sterk moet maken. Daarom:
sterk en zuiver zij de geest van den proletariër, niet moede wordend
zich in de smart zijner broeders in te leven, niet weekelijk de oogen
sluitend voor der gruwelen schrik. En er bestaat geen boek, dat hem zóó
zal leeren: te eten de bittere vrucht "van den boom van groot verdriet
en de pit tusschen zijn sterke tanden te vermalen" als Barbusse's boek.
Wel mocht de Voorzitter van den A.N.D.B., onlangs in het Weekblad van
dien bond, in zijn diepgevoeld, aan werk, auteur en vertaler gewijd,
stukje schrijven, dat Het Vuur door een ieder moest worden gekocht.
Maar mij dunkt, in hoopvolle afwachting van het gehoorzamen aan dit
vermaan, dient er ook iets anders te gebeuren. [p.175] Niet een paar,
maar tientallen exemplaren moeten in de uitleen-bibliotheken der
vakvereenigingen ter beschikking staan. En stróómen moeten de leden
daarheen. Gelezen, geliefd en diep begrepen moet het worden in al hun
gezinnen. Want dit is een leerdicht, voor hen geschreven, aan hen
gegeven, de boet- en vertroostings-profetie van een géén god- maar
ménsch-scheppend profeet! Gelijk hier de leering, op een berghoogte en
in een wereld-historisch moment, in de steenen tafelen der ongevoeligste
harten wordt gegrift, gebeurde het niet sinds Mozes. Hier leert het nog
waan-omvangen volk, om het nooit te vergeten, de voosheid van het
chauvinisme, den leugen der verleidelijke militaire schetterphrasen, de
ijdelheid der geraffineerde glorie-beloften. De roem van den soldaat...!
Daar ìs geen roem voor hem. Gelijk hun lichamen in het massa-graf, zoo
worden hun namen in de vergetelheid tezamen bedolven. De roem is voor de
generaals in de gezellige kamers, na de weldoende slaap, voor de
redevoerende staatslieden aan de weeldebanketten. "De liefde van het
vaderland voor zijn dappere verdedigers." Haha! leest gìj maar de
uitbuiting der poilus in de kantonnementen! "Heel het volk staat
vastbesloten achter hen," fanfaronneeren de kranten. En ongetwijfeld,
een deel ervan stáát achter hen, en vastbesloten bovendien: om hun de
zakken te rollen.

     Alles, wat voor den soldaat gefabriceerd wordt, is grof, leelijk en
     van slechte kwaliteit, vanaf hun schoenen van uitgesneden carton,
     door een netwerk van slechte draden bijeengestrikt, tot hun slechte
     gestreepte, slecht in elkaar gezette, slecht genaaide, slecht
     geverfde kleeren....

Wel, voor den duivel, waarom zou het anders zijn? Waarom zou men de
balen, waarin de goedkoopste grondstof voor de oorlogsindustrie: waarin
de soldaat verpakt is, beter maken? Valt dat te rijmen met een
zakelijk beheer? En wat zouden wel de "economische strijders" daarvan
zeggen, zij die beweren (zie blz. 278) "net zoo goed te strijden" als
de poilus?... Hoe zou het "Nationaal Vermogen" kreunen!... O, gij
grootsche visionnair, hoe hebt gij, de ziende midden de al-verblinding,
ook de sociale waarheid aanschouwd!

[p.176]

    "De chauvinisten zijn ongedierte."
    "De oorlog moet gedood, de oorlog!"

Hoe waart gij een mensch; zooveel meer dan enkel een Franschman,
een Oostenrijker, een Duitscher.

     .... Vandaag  heet  het  militairisme  Duitschland".
     "Ja; hoe maar zal het morgen heeten?"

     "Deze oorlog is als de Fransche revolutie die voortgaat."
     "Dus we  zouden  eveneens  voor  de  Pruisen  arbeiden?"
     "Maar," zegt een der ongelukkigen uit het veld, "dat is te hopen."

     "... Overwinnaars te zijn in dezen oorlog ... is dat geen resultaat?"

     Met hun beiden antwoordden zij hem gelijktijdig: "Neen!"

     Twee legers die strijden zijn als één groot leger dat zelfmoord pleegt.

Mijn hart is te vol van verrukking en van smart, ik zal niet verder
vruchteloos pogen, het te bevrijden. En ook--leeft er een twijfel in
mij, die mij wel niet verschrikt, want ik weet te vast de eindigheid van
alle ellende, maar toch: nu deert hij me. En het lijkt mij goed, dat hij
ook anderen deren zal. Wàs die lichtstreep, die Barbusse tusschen de
wolken zag, wel reeds het licht van de zon, was het niet de glanzende
voor, die hij zelf in het duister had getrokken? En zou, zoù wel de
helle-droom na deze zijn eerste volkomen verwezenlijking verdwijnen en
vrij laten de menschheid, haar hemelsche reis te beginnen? Zou daar
geen Louteringsberg tusschen beide zijn, een Louteringsberg, die geen
ziel zich van hem laat bevrijden zonder de schokkende verschrikking
zijner aardbevingen? "Geen oorlog meer na deze." O, treurige held, die
dat riept op het verdronken veld! Ook al bestond er nog een geringe kans
dat de komende vrede een verzoenmgsvrede zou worden, wat dan? En de
wijde mogelijkheden, in den geest en toekomst der overheerschte rassen;
en de nog vage dreiging van het [p.177] verre Oosten, in de onedele
omkanteling zijner oude en edele cultuur naar het wanbegrip van het
Westen?... "Geen oorlog meer"? Zoo de huidige Mensch reeds wist, wat
in hem leeft, dan wist hij ook dit; nù niet....

-- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- --

De heer de Rosa vergeve mij, dat ik hem in dit opstel nauwelijks heb
geëerd of dank gebracht voor wat hij ons schonk. Maar gesteld, dat men
mij naar de Niagara had geleid, en ik, verrukt en ontzet door den
aanblik van dien waterval, door zijn glinster-bliksems en zijn
donderslagen, verzonken in het visioen en mijn ontroering, niet had
gedacht aan mijn gids, zou deze, zoo hij wijs is, dan niet in
zich-zelven zeggen: "In zijn bewondering en geslagenheid lag zijn dank"?
Hoe veel te eer dan zal de heer de Rosa dit begrijpen. Hij die niet
slechts onze gids naar dit Groote, maar een geïnspireerd herschepper
daarvan bleek.

27 Oct. '18.


Noten:

[1] Het Vuur, door Henri Barbusse, vert. door Andries de Rosa.

[2] Men zie voor de motiveering dezer stelling mijn Over Literatuur,
Eerste Bundel blz. 153--154.

[3] Alle cursiveeringen zijn van mij.



       *       *       *       *       *


[p.178]
SLAGVELD-MISÈRE [1]


Vriendelijke lezers van dit blad, voor wier welbevinden ook ik mij toch
een weinig verantwoordelijk voel, vergunt mij u een goeden en zeer
actueelen raad te geven: begeeft u in de nabijheid der slagvelden niet.
Verdun, Vimy, De Nieuwe Amsterdammer, de Yzer, al die wereldvermaarde
namen, zij zijn die van streken, welke, zoo uw leven u lief is, ge
onvoorwaardelijk te mijden hebt. Waar de troepen van Foch en Scharten,
Hindenburg en Wiessing hun heldenstrijd hebben gestreden, daar groeit in
tachtig jaar op den verdorven grond geen blaadje meer dan giftig onkruid
alleen; daar liggen verholen in bodemgaten onontplofte bommen als
slapende duivels. Eén schop er tegen ... en vuuroogen vlammen open, een
donderstem mokert de lucht, en--ge zijt niet meer. Wél is 't een
godvergeten schande, dat ze dáár kinderen laten graven; in al den
onschuld van hun hart wroeten die het helsche tuig op, spelen oorlogje,
en.... Ik spreek helaas en helaas uit ervaring. Zie mij aan!... Ge hebt
me eens gekend, niet waar, als den onberispelijken dandy, bij wien zelfs
Couperus, uitgedoscht voor een voordrachtavond, niet hàlen kon.... En
nù!... mijn kleeren verscheurd en met een hoop slijkmodder overdekt, als
ware ik door tien faecaliën-wagens bespoten.... En dàt is nog het ergste
niet. Jassen zijn er nog bij de vleet, al zijn ze tegenwoordig duur;
dáár zijn trouwens m'n bentgenooten goed voor, die verlaten me nóóit;
maar dat de arme jongen, dien ik het eene oogenblik nog glunder en
goedig lachend de gasbom naar mij zag mikken, mij in 't volgend [p.179]
oogenblik al niet meer herkende, en tot heden toe verwezen vóór zich
staart en zinlooze stamelwoorden mummelt, dat is zóó vreeselijk ... dat
ik ... dat ik....

Victor E. van Vriesland, die naam, welke van nu af aan helaas in de
psychiatrische annalen een van de zeldzaamste gevallen van
plotseling-optredende verstandsverbijstering ten gevolge van
granaatschok zal aanduiden, hoe lief was-ie mij, als die van een
aardigen knaap, dien ik goed heb gekend. Als de dag van vandaag herinner
ik 't me, hoe-ie mij, toen-ie 't over "De cultureele noodtoestand van
het Joodsche Volk" had, op de bovenste plank der Joodsch-Hollandsche
realistische auteurs zette; als de dag van vandaag: hoe-ie geen literair
traantje of zuchtje kon laten of hij stuurde ze mij in een
overdrukpapiertje naar huis. En nu ... nù zegt de arme kerel waarachtig,
dat ik--ik vertaal nauwkeurig uit zijn argot--zooveel als ... een
schoelje ben....--Vorder niet van mij lezer, dat ik, een tragische
heldenpose aannemend, mijn rapier trek.... Ah bah, dat zoudt ook gij
immers in dit geval niet doen....--Daar was in heel die zestien jaren,
dat ik critieken schrijf, niet één mijner tegenstanders, ook de felste
niet--en een recensent heeft er zoo eenige!--die mijn eerlijkheid
betwijfelde, ja er was zelfs niet een, die haar niet uitdrukkelijk
erkende. En dàn zou ik boos zijn, omdat deze malle jongen...? Wáárlijk,
zoo ge thans een glimlach in mijn woord ziet, weet: er is een nog betere
lach in mijn denken....--Het is wèl, het is volmaakt in orde, dat deze
jonge man dat 't eerste zei. Aan elke lente, ook de droevigste, haar
primeurs; daarvoor is zij immers de lente. En indien bij de
krankzinnig-geworden Ophelia's de obscene liedjes behooren, waarom dan
bij de mal geworden Victor's de zinnelooze scheldwoorden niet?...--En
dit is dan ook de pùre en rùstige waarheid: dat er twee elementen zijn
in dezen aanval op mijn naam van eerlijk man, die mij ten volle
ontwapenen, en van mij, als polemist toch waarlijk geen makkelijk heer,
een làm hebben gemaakt; het eene is: het onbetaalbare, heerlijk-dwaze
element van jongensachtigheid, en het andere: het [p.180]
pathologische. Nauwelijk hebt ge, uw lach verbijtend, om een
politieagent voor den al te brutalen kwajongen geroepen, of het woord
besterft u op de lippen en ge roept ontsteld om een arts. Wàcht: ik zal
u beide elementen doen zìen en tàsten.--

       *       *       *       *       *

Het jongensachtige. Dat uit zich in een alleraardigst, ongegeneerd
omspringen met groote namen en zich manhaftig bezighouden met personen
en verhoudingen, die vèr boven eens jongens apperceptie uitgaan. Het is
zoo iets als de straatbengels, die holden door het revolutie-Berlijn en
gilden: "Der Kaiser soll abtreten". Het loopt zoo ongeveer parallel met
iets als een A. en S.-raad op een gymnasium. Verreweg het aardigste
heeft-ie daarin gepresteerd, toen-ie Heijermans plaatste in de kliek
van Stad en Land, welks leden "elkander de hand boven 't hoofd
houden". Uit het artikel van mijn vriend Querido--ik zeg hem hartelijk
dank voor de spontane verdediging van mijn eerlijken naam--zag ik wel
hoe ook hij daarvan heeft genoten, maar neen, zooals ik...! Dàt kon ook
niet, want hij zag 't uit een meer algemeenen, en ik uit een gansch
persoonlijken gezichtshoek. Ik heb met Heijermans geen tien woorden in
m'n leven gewisseld: èven 'ns in den foyer van zijn schouwburg, en èven
op de constitueerende vergadering der Vereeniging van Letterkundigen,
in 1905. Máár.... Victor E. van Vriesland! Dichter! Prozaïst! Criticus!
Moet gìj dan werkelijk met een kunstenaar bittertjes--ah pardon:
Fransche absinth--hebben gedronken, en sigaren--neen, neen, sigaretten
van de Régie--hebben gerookt, om hem te kénnen? Is dat glanzend en
veelbewogen gelaat zijner werken, waarin eens kunstenaars ziel
stráált, u niet voldoende? Is 't u niet méér dan zijn gezicht van
vléésch, dat snel-vergankelijke masker? Dat ge zóó bot waart, om zóó
onbedoeld en dol een klucht neer te schrijven. Scháám u ... maar neen,
ach neen hoor, gij hoeft u niet meer te schamen, ge zijt immers daarna,
helaas, een "pathologisch geval" geworden....--Zoodra ik dat gelezen
[p.181] had, sloeg ik, ofschoon ik alleen was, in een gewoontegebaar van
'n proestlach in te houden, de hand voor den mond. En mijn blij
opgewekte verbeelding zag Heijermans zitten, in zijn werkkamer; de
Mosgroene ligt vóór 'm en het "nicotine-smeuïg" sigarenpijpje is uit
z'n hand op het blad gerold. En terwijl-ie hulpeloos voor zich
uitstaart, denkt-ie: "Hei je nou toch ooit van je leven ... ìk heb het
tooneel van mijn land gemaakt, ìk ben 't die een bijna zevenvoudige
Decamerone uit mijn mouw heb geschud ... en daar komt me die aap van 'n
jonge en vertelt, dat ik 'n kliekgenoot ben van die van Campen, van die
lettré met z'n veertien schetsen en novellen en z'n bundels critieken;
die over boeken kletst in plaats van 't over 't leven te hebben en zich
warm maakt over "aesthetische kwesties," in plaats van menschen te
scheppen, en scheppend te beuken op z'n rotte maatschappij.... En die
houdt mij de hànd boven 't hóófd!"... Toen opende een glimlach zijn
gezicht en ik zag duidelijk en helder, dat hij goedig lachte, als een,
die voor een open venster zit en ziet een jong, stralend
straatjongensgezicht, dat hem een hoonwoord toekeilt en dan weer weg is,
in z'n onbezonnen en mooie jeugd. Maar ik lachte nog eens, en nu
stiller, omdat ik: in zóó vredige erkenning om dit alles lachen kòn....

       *       *       *       *       *

Het flapuiterig-jongensachtige komt ook treffend uit--al bereikt het
daar, insteê van een hoogte van kluchtigheid, een laagte van gemeenheid
--in zijn beschuldiging, dat ik "in hetzelfde artikel" (cursiveering
van v. V.) waarin ik Scharten verweet, dat hij "de Telegraaf" "in 't
gevlei kwam", Querido "kritiekloos had opgehemeld", Querido, "die
redacteur van Stad en Land is". Welnu, de lezer oordeele: na mij zoo
ongeveer een ongeluk te hebben gezocht, heb ik in genoemd artikel dit
zinnetje gevonden (iets anders over Q. stáát er eenvoudig niet, dàt moet
't dus zijn): "Ge (de Zionisten) verdedigdet slechts twee menschen--van
wel zeer ongelijke beteekenis, maar beiden slechts menschen." Waarmede
ik dus onder meer zeggen wilde, dat ik Querido boven mij zelf plaatste.
Er prijs op stellend--wie zou zich na zoo'n afstraffing [p.182] niet
beteren!--zoo "eerlijk als een scheerspiegel" te zijn, zeg ik, ofschoon
nu mijzelf "ophemelend", even onverstoorbaar en koel als waarmee ik al
't andere zeg, nu dìt: als criticus en stylist beschouw ik mij
geenszins als de mindere van Is. Querido, máár: hoeveel keer zou ik wel
aan "granaatschok" moeten hebben geleden, om zóó stapeldol te worden,
dat ik niet zou inzien, als menschenschepper en episch verbeelder
zoo oneindig ver beneden hem te staan, dat zelfs dit te verklàren reeds
belachelijk ware, omdat eenvoudig èlke vergelijking onmogelijk blijkt?
En wanneer ik dan deze "ophemeling" op zoo weinig ophemelende wijze
"debiteer", als ik in 't boven geciteerde zinnetje heb gedaan, dan komt
dit ongegeneerde bengeltje en vergelijkt mij met Scharten, die bij zijn
allereerste optreden in De Telegraaf dat blad "het geweten van
Holland" noemde--èn ziet dus (o wonder!) trots zijn eigen kleinheid
dit groote feit òver 't hoofd, dat: Scharten pas tot de ontdekking van
der Telegraaf voortreffelijkheid kwam, op den eigen oogenblik, dat hij
medewerker werd aan dat blad, en ik daarentegen tot de ontdekking van
Querido's hooge waarde als scheppend kunstenaar was gekomen èn die had
kenbaar gemaakt, lange, lange jaren vóór zelfs van het bestaan van
Stad en Land sprake was. Komaan, vrienden, een stukje
literatuurgeschiedenis en 'n paar data voor de variatie. Querido heeft
over mij zijn eerste critiek in 1908 geschreven--men kan haar herdrukt
vinden in zijn tweeden bundel Letterkundig Leven--. Daarna nog twee,
niet gebundelde, over mijn latere boeken. Alle drie verschenen in het
Handelsblad. En alle drie behooren tot het innigst-liefdevolle, het
zoetst-lyrische, en het waarachtigst-bewonderende dat hij ooit
geschreven heeft, terwijl vooral de eerste--over mijn eersten
critischen bundel--altijd voor mij één schittering van synthetische
mensch-doorgronding en -herschepping, èn scherp-ontledend--bijv.
invloedend-aanwijzend--critisch oordeel is gebleven. Onnoodig te
zeggen, dat hij in geen enkel opzicht van mij afhankelijk was!! Onnoodig
reeds, omdat voor ieder, die innerlijk zien en hooren kan, deze stukken
stràlen en luiden van echtheid. Dit wat hèm betreft; nu wat mìj aangaat.
Mijn eerste studie over hem [p.183] verscheen in 1911 in De Ploeg. Zij
werd mij in de pen gegeven, zoowel door een heftige verontwaardiging,
over de wijze waarop deze man in De Telegraaf was verguisd, als door
een diepe bewondering voor zijn gaven als criticus, in welke
hoedanigheid hij immers juist was aangevallen. Er leek toen toch
waarlijk weinig voordeel aan, om zijn verdediging op te nemen! Wie
stortte toen niet zijn gallige "geestigheid" over hem uit.--Daarna
schreef ik over hem in De Gids, over een critischen bundel; in De
Boekzaal over "De Jordaan".--Tijd en plaats hebben nimmer mijn
critisch oordeel beïnvloed. Ook mijn bewòndering heb ik niet
getemperd, omdat ik in dìt blad schreef, zoo min als mijn afkeuring, in
een ander; en ook het omgekeerde heb ik niet gedaan. Het boek en het
boek alleen, ònafhankelijk van de plaats mijner critiek, bepaalde
mijne afkeuring en bewondering, èn hunne mate. En het zou mij al zéér
makkelijk vallen dit te bewijzen, zoowel met mijn Querido-besprekingen
in "Stad en Land" als met die daarbuiten.--Genoeg. Het is duidelijk na
dit alles, niet waar, dat ik in. 1911 Is. Querido "ophemelde", omdat
ik in 1917 medewerker werd van Stad en Land. En het is even
duidelijk, dat dit hetzelfde is als toen Scharten in Maart 1916 "De
Telegraaf" "het geweten van Holland" noemde, terwijl hij in ...
Maart 1916 medewerker werd van dat blad! Schààm U, meneer van
Vriesland, om dèze clowneske zotheid vooral, als ge het schamen nog niet
hebt verleerd. Gij moogt dan nog wel den geest van een knaap bezitten:
als ge den leeftijd hebt van een jongen man, stelt men U in het
maatschappelijk leven verantwoordelijk als een man....--Maar mijn God
... hòe kon ik dàt zeggen ... ik ellendeling! Hij ìs immers niet meer
verantwoordelijk nà dat ongeluk met die bom.... Al wat ik daar schreef,
is immers maar een verhandeling over het jongensachtige, dat wàs....

       *       *       *       *       *

Het jongensachtige dat wàs, en nog zoo echt wild en onbesuisd aan den
dag trad: ook in de bestrijding van den lof, dien ik den vertaler van
Le Feu toekende. In dat
de-klok-hooren-luiden-en-niet-weten-waar-de-klepel-hangt. In dat
dooreenhaspelen van verschillend-soortige [p.184] waarden en het
verwarren van ten eenenmale verschillende plans van beschouwing met
elkaar. Een boek kan linguistisch-accuraat vertaald zijn en de vertaling
kan, aesthetisch-critisch gesproken, een prul zijn. En omgekeerd: een
boek kan linguistisch niet zéér nauwkeurig zijn overgezet, en de
vertaling kan een meesterstuk wezen. Mij, kunst-critisch beoordeelaar,
raakt de linguistische juistheid der overzetting precies in die mate,
niet minder maar ook niet meer, als zij de kunst-waarde beïnvloed
heeft. Heeft zij die kunstwaarde benadeeld, dan laak ik haar; is dat
niet het geval, dan laat zij mij volmaakt onverschillig. Ik ontken ten
nadrukkelijkste, dat de door van Vriesland aangewezen onnauwkeurigheden
de kunstwaarde van de Rosa's vertaling hebben geschaad. En ik blijf
als mijn meening handhaven, dat hij zijn kunstenaarsaanleg en
meesterschap-als-vertaler prachtig heeft getoond door: zijn
voortreffelijke transpositie uit het Fransch, van stemmingen en het
dialogistisch leven; door: het geven ook, telkens en telkens weer, van
aequivalenten in onze taal, juist voor die scherp-beeldende woorden--ik
heb een enkel voorbeeld in mijn critiek gegeven--in het vinden waarvan
Barbusse zoo heeft uitgemunt. Dat ik overigens met mijne bepaling van de
betrekkelijke waarde der linguistische accuratesse niet alleen sta,
wordt wel door niets beter dan door de houding van de Meester jegens
deze overzetting, bewezen. Hij zegt: "Wij voor ons hebben den vertaler
bewonderd". Hij noemt de Roza "een uitmuntend kenner ook van het
spreek-Fransch". En terwijl toch volkomen uitgesloten is, dat hìj,
ongetwijfeld een van de beste Franschkenners in ons land, die
onnauwkeurigheden niet zou hebben bemerkt. Maar ook hij,
kunstbeoordeelaar evenals ik, zal die foutjes volmaakt onbelangrijk
voor de bepaling van de kunstwaarde der vertaling hebben geacht, en die
derhalve, alweer als ik--zooals van zelf spreekt: hun bestaan daarmee
volstrekt niet ontkennend--aan de als linguisten poseerende
vlooienzoekers ter apige vondst en oppeuzeling hebben overgelaten.--En
nu ... zou ik mij nu, na zooveel zelfbedwang te hebben getoond, nog boos
maken, omdat onze overigens zoo lòslippige kwant ook 'ns voor de
verandering de lippen [p.185] stìjf op elkaar hield geklemd toen-ie ze
had behooren te openen om te vertellen, dat ik niet slechts op de
voordeelen maar tevens op de nadeelen van "het gebruik van 't
vocabulaire der Burks" heb gewezen? Ja ... gij lezers houdt wel van zoo
iets, maar gij hebt makkelijk praten ... gòtbewareme.... En als 'k 'm
nou in m'n drift 'ns 'n ongelukkige slag gaf? Wat dan?... Dan zou ik
immers m'n heele leven 't gevoel houden, dat Herodes na den kindermoord
van Bethlehem moet hebben gehad....

       *       *       *       *       *

En nu het pathologische? vraagt ge. Jawel, dat komt. Maar ik had nu toch
wel veel liever een medisch hoogleeraar in plaats van een schrijver
willen wezen. Dan had ik den ongelukkige, vóor ik mijn college aanving,
met een verpleger de zaal uitgestuurd. Want àls-ie nou 'ns begrijpt wat
ik zeg, dan moet dat toch averechts op zijn--hoewel trouwens
onwaarschijnlijke--genezing inwerken. Maar in Godes naam, vooruit maar,
het belang der gemeenschap gaat nu eenmaal boven dat van het individu.
Daar zijn wij 't, bij uitzondering, in dèzen tijd toch wel allemaal over
eens, niet waar....--Onze patiënt dan heeft het volgende zinnetje
neergeschreven: "Ik bedoel van Campen (die, o jammer, in dit beschaafd
gezelschapsspelletje zijn kunstproza opgaf om kritieken te leveren".)
Nou ... wie doet je wat!... Het "beschaafd gezelschapsspelletje" waarvan
hier sprake is, dat is Stad en Land, en daarin--zoo meent onze
patiënt--heb ik dus mijn kunstproza opgegeven, om kritieken te leveren!
Welnu, luister: ik schrijf niet pas kritieken, sinds ik medewerker werd
aan Stad en Land, ik schrijf er sinds 1903! En ik heb het schrijven
van mijn "kunstproza" niet opgegeven in 1917 maar in 1908...! En ziehier
nu, kort en bondig, de bladen en tijdschriften, waarin ik gedurende al
die jaren critische opstellen en essais heb gepubliceerd: De Kroniek
(van Tak), De Amsterdammer, Het Volk, De Boekzaal, De Ploeg, De Gids
en De Nieuwe Gids. Dat zijn, niet waar, nu niet bepaald obscure
blaadjes? En ofschoon heel het literair ontwikkeld publiek dus moet
weten, dat ik sedert jaren aan critiek-schrijven doe, deze dichter,
prozaist en [p.186] collega in de critiek weet het dus niet. Let wel:
hij weet 't niet. Maar ach, maar ach, hij wist 't natuurlijk wel.
Alleen: de granaatschok heeft klaarblijkelijk zijn geheugen vrijwel
volkomen vernietigd. Gij zult het mij wel willen toestemmen: deze
omstandigheid maakt hem reeds tot een interessant psychiatrisch geval,
maar als een psychiatrisch unicum schat gij hem pas zoodra ge 't
volgende verneemt. Onze patiënt had tot vriend en leeraar een reeds
ietwat bedaagd en hoogst eerbiedwaardig geleerde en kunstenaar. Nu
geviel het eene keer, dat deze man een boek schreef en ik dat vrij
uitvoerig recenseerde. En toen nu mijne kritieken weer eens werden
gebundeld, nam ik ook die erin op. Onze patiënt--die, gelijk ik U reeds
zei, in zijn helderen tijd een aardige jongen was--bracht, naar ik later
vernam, mijn bundel naar zijn geliefden leeraar en vriend, en deze, die
mijn critiek op zijn werk nooit gelezen had, was daar toen buitengemeen
mede verheugd, en hoogstaand man als hij is, aanvaardde hij naast mijn
lof ook mijn in de critiek vervatte, niet geringe blaam en noemde mij
den besten criticus des tijds én: een man van hooge eerlijkheid. En
dat nu dìt gebeuren, waarin hij zelf een rol speelde, en dat op zijn
jeugdig gemoed toch een diepen indruk moet hebben gemaakt, thans zóó
spóórloos uit het brein van dezen beklagenswaardigen lijder blijkt
vervluchtigd, zoodat hij 1° niet meer wist, hoe ik reeds lang geleden
critieken heb geschreven, en 2° trots de hem bekende meening zijns
geliefden leeraars, mijn eerlijkheid heeft aangerand, dàt, nietwaar,
stempelt zijn geval tot een, waarvan men hoogstens de weerga in dat van
die geleerde Russische dame kan vinden, die op een morgen ontwakend, tot
zelfs haar moedertaal vergeten was, en die men voortaan als ware ze een
kind, in alles behulpzaam moest zijn. Helaas, ook in dit laatste ziet
gij maar al te wel de treffende overeenkomst der symptomen. Heb ik ook
dezen jongen man reeds thans niet meer dan eens op het kinderstoeltje
gezet?...--

       *       *       *       *       *

Maar "pathologisch" of "jongensachtig", dat zijn maar de
onderscheidingen der analyse. Stijgt nu langs het pad van mijn
geestelijk [p.187] gehoor en gezicht tot de hoogte der stralende
synthese op. Onderken in zijn wezen de ééne zielshouding, in zijn
uiting de ééne zielskreet.... Toen hij geknield lag voor den
Mosgroenen Troon.... Beluister wat hij toen zeide: "O, opperst en
onvolprezen Heer der Nieuwe Groene, ik heb mij ganschelijk U gegeven. Ik
heb mij vernederd tot er niets meer aan mij te vernederen was. Ik heb
mij ijlings tot Uw dienst gespoed, en eens de gelegenheid mij door Uwe
genade gegeven, Uw heiligen dienaar Scharten de voeten gezalfd, maar van
Campen, den booze, vernietigd. Neem dit in welbehagen aan. Het is waar:
ik heb het verbod van het afleggen van valsch getuigenis overtreden,
toen ik het voorstelde, alsof deze verworpene zijn arbeid uit kliekgeest
had verricht, want van de honderden regels, waaruit dat opstel bestaat,
spreken slechts een tiental over den vertaler, maar nochtans bedenk wel,
o Heer der Groene Scharen, de nietigheid van dit verbod: is het niet
slechts uitgegaan van den God der "Joodsche querulanten"?... Ja, ik heb
mij zoo gebogen in 't stof en gedompeld in 't slijk, dat ik, mijn zij 't
kort verledentje als een verrotte en leege huls achter mij werpend, in
een hetzerig zinnetje het heb doen voorkomen, alsof deze "kliek"
slechts uit een natúúrlijk "het Uilenburgsch idioom" sprekend kringetje
Ghettojoden bestond. Mocht Gij dan ook Uwe ooren niet sluiten, mijn God,
voor mijn Haarlemmerdijksch-antisemietische grap en vergeet haar
verdienste niet: Jozep Loopuit heb ik hem genoemd... bah! zoo'n
Jiddische naam ... Jozep, "Uilenburgsch"-dik, heb ik 'm nagesmoust
uit m'n kelder ... Heer, ik heb mij zelf gebròken in Uw dienst; nu kan
ik niet meer, laat het genoeg zijn. Mag Uw knecht thans ingaan tot uw
vrede?"...

En zìe, zìe nù ook, hoe zich het troostend wonder voltrok. De
duister-dreigende, ondoorvorschbare nacht-gewelven boven den troon
--herziet ge 't wel?--werden van uchtendlicht doorschoten. Als een
bloemige dageraad verscheen de borst des gods, en gelijk het aanschijn
eens halsketens, gelijk het aanschijn van Charivari daaraan hangende,
beukelaar helm en zwaard en inktkoker en vergrootglas, straalde het in
vurige gedaanten, en de verschijning des Charivari's, dreigend [p.188]
gebliksemd hebbende, verwisselde hare gestaltenis, veranderend
genaderijk in gouden engelenkopjes, liefde-hartjes en strikjes. Tóen
sprak een Stem van boven de stralingen: "Nademaal, Mijn Zoon, gij U om
mijnentwil zoozeer bevuild hebt, wasch Ik U af. Nademaal gij U-zelf hebt
verworpen, richt Ik U op. Gìj hebt veel geleden, Mìjn vertroosting zal
rijkelijk zijn. Zie, Ik geef U naam en macht in Mijn Huis. Elke twéé
maanden zult gij op het Perkament der Zaligen één héél stukkie mogen
schrijven van 3/4 kolom, en het zal velen tot gerief en uitkomst in hun
meest benauwde oogenblikken verstrekken, en de zegeningen van Psalm 150,
dewelke ook genaamd wordt Koef-Noen, zullen uw loon zijn. Maar weet,
Mijn zoon, en verkondig het alomme, het einde der dagen van De Nieuwe
Groene is nabij, ja het is haastiglijk te komen. En het zal te dien
tijde geschieden als Mijne vijanden den mond wijd zullen opensperren en
uitbreken in gejuich, dat Ik een nieuwe Tent-van-Wiessing maken zal,
hoedanig geen Kleerekoper ooit heeft aanschouwd noch een Hahn geteekend.
En Ik zal de Salon-Bolsjewieken roepen, mitsgaders de
"Bleeke-Broeder-Fransje's" en zij zullen Stad en Land omkeeren te vuur
en te zwaard en ook van de paleizen der van Hamels en van Eedens geen
steen op den anderen laten. En Ik zal roepen tot den lande Blaricum,
Mijn Woon, en het graf zal de Heilige Aestheten teruggeven, die daar
hebben geleefd en gewerkt; zij die de nimmer gekamde haren tot over den
van extase-vuur gebruinden nek hebben gedragen; en zij die met bloote
beenen liepen vanwege de dreiging des gaten-vallens in de kousen, bij
den zevenvuldigen knieval voor Mijner Muzen troon, en om de moeiten des
stoppens; en zij die van wege hun bezworen onthouding in vijf en twintig
jaar geen druppel water op hun lijf hebben gehad. En ik zal ook tot mij
vergaderen de verfijnden, hen die met welriekende geuren zijn overdauwd,
die in de Lichtstad hebben gewoond, en daar tot de Zuivere Inzichten
zijnde gekomen, voor eeuwig de Onvergankelijke Waarheid hebben
bevestigd, dat niet, gelijk de Vijand de Rosa lasterde, een cocotte
een ketel is, maar dat cocottes (lieve) kippetjes zijn. En zie, ik
zal de Salon-Bolsjewieken doen neerzitten bij de
"Bleeke-Broeder-Fransje's", maar de Ongewasschen Stinkers zal ik
scheiden van de Geurenden, opdat niet hunne neuzen hun een verderf der
zaligheid zullen zijn. Edoch, gezamenlijk zullen zij juichen voor Mijn
Aangezicht. En gij, mijn Knecht, gij nu-droevig-in-uw-hemd-staande, hul
U thans in de lichtglanzen van dit Mijn heerlijk woord: In deze
Nieuwe-Tent-van-Wiessing zult gij een der ópperste onsterfelijken en
zaligen zijn...."--

-- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- --


Mijne vrienden, het doet mij leed, U zoo te hebben moeten teleurstellen,
gij hadt natuurlijk op zoo'n ouwerwetsch "scherp" polemiekje van mij
gehoopt. Het spijt mij, ik kón niet hard zijn tegen mijn gevoel in. Bant
mij deswege niet uit deez' knusse kliek. Een andermaal beter, ik belóóf
't: als 't gaat tegen een geestelijk-volwassene, èn die bij zijn volle
verstand is.

30 Nov.--1 Dec. '18.


Noot:

[1] Polemiek naar aanleiding van een in De Nieuwe Amsterdammer
gepubliceerden aanval op de critische eerlijkheid van mijn opstel: Het
Helden- en Leerdicht van den Wereldoorlog.--



       *       *       *       *       *



CARRY VAN BRUGGEN: OM DE KINDEREN [p.190]


Jodin in de diepste gronden van haar wezen--'t geen allerminst zeggen
wil: in haar bewustzijn--; een kind van het ras, dat, zeker in zijn
eigen taal en bloeitijdperk, geen bladzijde literaire kunst heeft
geschapen, welke niet leeraarde of vermaande, niet aanviel of
verdedigde; een ras van lyrici bovenal--is Mevr. van Bruggen een van de
meest-begaafde en zielvolste schrijfsters van ons land gebleken, èn
kon zij er nochtans niet in slagen, een roman te maken, welke met het
beste werk harer kunstzusters op één lijn kan worden gesteld. Een geest
tè rijk, een hart tè groot, omdat zijn zelfbeheersching te gering is.
Een ziel te hartstochtelijk, om zich onder discipline te bukken, en die
daarom ook zienderoogen verarmde, afkoelend-inkromp, zich niet meer
geven kon in àl haar schoonheid, toen eens gelouterder kunstbegrip en
vaster wil, zich in haar openbarend, haar die discipline opdrongen. Een
menigte van begaafdheden is 't in haar; begaafdheden die, in 't
elkaar-verdringen voor de poorten van het woord, elkander verminken. Het
rusteloos betoogen der essayiste gunt vaak der romancière de
bezinningsstilte voor het beelden niet. De haat en de liefde van de
opstandige rooft telkens de epische auteur de rust, die boven opstand èn
berusting beide is. Dàn gaat de geesteshouding van den epicus in die van
de opstandige, van den apostel teloor. De eerste leeft mede met zijn
schepselen, de laatsten worden geleefd mèt hunne mede-creaturen.
Dàn, in zùlk strijdrumoer, door zùlke vlagen van den strijdbaren,
dóórdrijvenden wil, worden de deuren der diepste onbewustheid als door
een storm dichtgeslagen: het schoonste woord [p.191] blijft ongezegd, de
schoonste verschijning in 't ongekende donker gevangen. Dit haar boek is
zeer wel in twee gedeelten te splitsen. Het eene: waarin het
persoonlijk-rhythme van den vrede en harmonie heerscht: het is dat deel
waar de figuren verblijven, die de schrijfster liefheeft; of waarin de
natuur wordt gebeeld, ja zelfs waarin al datgene leeft, waarvoor zij
noch persoonlijke liefde noch afkeer heeft. Dat deel is schoon en zoet
En om even het wellicht allerbeste daaruit te noemen: Emilie's
droom--dat bezit een voortreffelijkheid, waarvoor ik de diepste
bewondering heb. Maar dan is daar helaas ook dat andere deel: het bagno
der gehaten, waarin het persoonlijk-rhythme van den innerlijken onvrede
en der disharmonie overheerscht--daar wordt het werk een ruzie-, een
kijf- en een roddel-boek. Het is het noodlot--maar het zeer wel
ontkoombare--van de joodsche profeten- of apostelen-natuur, die een
roman schrijft. Want: het is het noodlot van hem, die van het
onpersoonlijke toornen tegen ideeën, zeden, en volkeren tot het
boos-zijn op individuen vervalt. En de romanschrijver lokt den
profeet en apostel voortdurend in dien strik, want het is de levenstaak
van den romanschrijver zich met het scheppen van individuen en der
zich vervlechtende kleine, individueele lotgevallen bezig te houden.
Maar dat, in 't algemeen gesproken, aan dit noodlot, aan dien strik, te
ontkomen valt, is buiten kijf. Te vaak is dit ook door werk in onze taal
bewezen, dan dat hieraan zelfs een schijn van twijfel zou kunnen
bestaan. En zoo nu Mevr. van Bruggen er nièt aan ontkomt, dan mag dat
wel allerminst een reden zijn om het vèle en zèer schoone in haar arbeid
te miskennen, maar het mag ons zeker wèl aanleiding geven een opmerking
te maken, die er zich nochtans, in het bewustzijn dat prikkels een
sterke áántrekkingskracht voor verzenen hebben, wel voor wenscht te
hoeden een raad te zijn. Het is deze: het geven van veel meditatie der
figuren--en welke eindelóóze meditaties geeft deze schrijfster!--en van
psychologische ontleding, versterkt natuurlijk de analytische
vermogens, en dat zijn in hun diepste wezen de middelen van strijd en de
krachten van ontbinding; het plasticeerend-beelden der figuren
daarentegen versterkt de synthetiseerende [p.192] vermogens, en dat
zijn de krachten van het vredige, het harmonische en het
in-stand-houdende. Het zou derhalve voor de hand liggen, dat een
schrijfster als mevr. v. B., wier werk lijdt onder een tekort van de
laatste en een te veel van de eerste, en die bovendien zulk een
prachtigen aanleg voor het plasticeerend beelden heeft, zou pogen aan
dièn aanleg héél haar psychisch wezen tot vrediger sfeer en
zuiver-stille aandacht omhoog te heffen.... Nochtans, hoever is zij
daarvan in dit werk verwijderd! Onder den drang van haar hekellust,
wordt zij soms op het moment-zelf dat zij dien aanleg gehoorzaamt, hem
reeds ontrouw. Dezelfde kunstenares, die buitengemeen-fraaie
natuurbeschrijvingen geeft; die de liefdevolle beelding van een Ard
Hettema vormde, schrijft in hetzelfde boek dit
stuiversblad-novellezinnetje: "een bejaard, kort heertje, bestaande
uit[1] zomersch lichtgrijs ruitjespak, grijzend puntbaardje en
glanzende bruine schoenen". En niettemin zoudt ge u vergissen, als ge
hier ook den "humor" van het stuiversblad achter vermoedde--deze
schrijfster is er verre van, dergelijke geestelooze flauwiteiten neer te
kladden--neen, het is niet anders dan de haat tegen, de hekellust ten
opzichte van het haar antipathieke type: meneer Scheffelaar, dien zij
hier uitviert. Indièn die drang en zijn gevolgen eens kwamen te
vervallen, wel, laat mij ook dit er van zeggen, we zouden er misschièn
ook iets bij verliezen. Allereerst: zeer geestige spot; dan: zekere
uitmuntend-venijnige analysen in figuren-meditaties en daarbuiten. Maar
toch, néén, we zouden immers dit alles niet hoèven te missen, het zou
hoogstwaarschijnlijk niet verdwijnen maar wel van een hooger en fijner
natuur worden. Nu zijn toch, in de analysen en meditaties, de
heel-subtiele, de opperst-fijne plaatsen zeldzaam--ik kon er slechts
een vier of vijftal noteeren--nù is de schrijfster zelfs nog niet allen
vreemden invloed te boven: er zijn bijna-"sensitivistische" gedeelten in
de beschrijving van Frans' wandeling, die mij duidelijk op van Deyssel
geïnspireerd lijken en ook iets van zijn eigenaardige geserreerdheid
vertoonen. [p.193] Dàn echter, in die stiller en zuiverder atmosfeer,
zou dat heel-subtiele, dat opperst-fijne vaker openbloeien; dàn, in die
rustige en zielsdiepe bezinning geen vreemde invloed ongezien meer
kunnen binnensluipen; en dan zou het ook, bij deze rijk-scheppende
natuur, allicht wemelen gaan van waarachtig-dichterlijke schoonheden als
deze: "sleepte hij zijn stok bij den greep achter zich aan, een spoor
van zijïge ritselingen, als volgden hem vogels op den voet." En hoeveel
beter zou de beelding van het kinderleven ook worden, een genre,
waarvoor onze schrijfster reeks zoo menigmaal aanleg heeft getoond--het
kinderleven dat in dit boek niet in de schàduw zelfs, van bijv. Ina
Boudier's scheppingen kan staan. Want waar het beelding is, levend
bewegen, is 't meestal zóó "humor"-rijk, zóó
vettig-van-'n-traan-en-'n-lach.... "De twee kleine meisjes
protesteerden tegen dit stellen van een premie op valsch zingen".
Foei, foei, Mevrouw, U die hier in de sfeer van het kinderleven
behoorde te zijn. U die hier in hun ziel moest leven, en daaruit
spreken, ù schrijft hièr van: "protesteeren" en "het stellen van een
premie"? Zoo zouden wij, niet-scheppenden, dat zacht-grappig
vertellen, wij, die deze sfeer van buiten-af liefjes waardeeren of
beminnen....--En hoeveel te eer zouden dan ook de toevalligheden in de
compositie verdwijnen.... Komaan, hopen wij dat, in de toekomst, de
opstandelinge niet meer der romancière dien innerlijken vrede en
harmonische rust zal rooven, waarzònder het werk der laatste, trotsch al
hare gaven, toch immer slechts tweederangs blijven zou.--

Dec. '18.



       *       *       *       *       *



A.B. KLEEREKOPER: OPROERIGE KRABBELS


Men zou, hing dat uitsluitend van de waarde van dit werkje-zelf af, met
vrij groote zekerheid hebben kunnen voorspellen, dat met de publicatie
daarvan een nieuwe aera in onze vaderlandsche journalistiek zal
aanbreken--een aera, waarin geestigheid, distinctie en populariteit
elkander nièt dooden. Maar helaas, wij weten 't nu allen wel, dat er
deeg is, waartegen èlke gist onmachtig blijkt. En fijngemalen
slaapbollen zijn in dit opzicht ietwat nòg onoverwinnelijker dan zelfs
Posthuma's rijstemeel. Bovendien: in dit land van commodelaadjes,
vakjes, etiquetjes, secten en specialiteiten, druischt het ongetwijfeld
tegen de eerbiedwaardigste separatistische tradities in, dat een
bijzonder geestig journalist tevens een distinctievol stylist is.
Moresco, dien ik mij als de schrijver van "Rustpunten" in De Nieuwe
Courant herinner, was, vóór Kleerekoper, de eenige, die dien gruwel van
overdaad bedreef, en zelfs Barbarossa, gelukkig bezitter van een
natuurlijk-wellende en rijke geestigheid, is dan ook zoo bescheiden niet
de geringste nuance van stylistische schoonheid of distinctie te
vertoonen. En zoo zullen wij maar goed doen met alle gedachten aan een
Kleerekoperiaansch journalistiek tijdvak uit ons te bannen, en
integendeel te verklaren: dit werk is niet alleen een unicum in zijn
vereeniging van spiritueele losheid met compositorische hechtheid en
distinctievollen stijl, maar helaas, het zal dit ook blijven. En: een
unicum niet slechts in de journalistiek, maar ook in de literatuur. Het
ware dan ook 't schromelijk [p.195] onrecht doen, indien ik, ter oorzake
van het feit, dat zijn inhoud voor 't eerst als vluchtig dagbladwerk
verscheen, er de hoogere literaire qualiteiten in zou miskennen. Ai,
welk een fanatiek sektariër zou ik zelf dan moeten zijn! Veeleer dient
met nadruk gezegd, dat de allerbeste uit deze selectie van in Het Volk
verschenen Oproerige Krabbels een nieuw soort prazagedichtjes vormen:
prozagedichtjes van satyriek vernuft en niet zelden ook van meer
liefde-doordrenkte sentimenten. Acht ge, met van Deyssel, die
eigenaardige, van vreugde om de eigen vermogens schitterende, psychische
zekerheid, een onmiskenbaar blijk van de aanwezigheid van literaire
kunst, welnu, doorlees dan maar het heele werkje, en erken, dat ge maar
uiterst weinig hebt kunnen vinden, waarin die zekerheid en vreugde
niet waren. Of vraagt ge naar scheppende verbeelding, bewonder dan
eens Klokkepraat--zie eens in wat luttelen omvang, hier een aan zin en
beeld rijk sociaal sprookje werd neergeschreven. Wenscht ge
compositie--ach, spreekt het niet van zelf, dat bij dezen "man van de
pointe", zooals ik hem onlangs te dezer plaatse noemde[1]; bij dezen
man, die zijn stralendst-openvonkelende uitmuntendheden tot éen
verrassing in de laatste regels bewaart, de compositie meestal volmaakt
is? Let eens goed op dat onvolprezen Vóór de tent van Wiessing, of op
het prachtige Steven-Mulders-buurtje: hoe dat in elkaar zit; hoe ge
dat alles uit des auteurs geest ziét opgroeien en in bloei staan,
snel, zeker, en rijp, als het wonderplantje van een Indischen fakir.
Maar kijk, daar hebt ge 't nu al--ik màg mij feitelijk niet laten
verleiden, enkele stukjes te noemen; want hoe vele, niet minder
uitmuntend dan deze, sla ik dan over en wek daardoor den schijn, als
waren de genoemde min of meer uitzondering. En daar is geen kwestie van!
Onthoud dat maar, want straks doe ik 't natuurlijk tòch weer!...--Doch
wat de geestigheid betreft, die kostbare, gansch-natuurlijke,
overal-bloeiende, ja dáárvan is waarachtig "het eind niet te zien";
dáárbij zou het pure dwaasheid zijn iets anders dan héél het werk als
voorbeeld te [p. 196] noemen. Wònderen van geest heb ik in de Krabbels
gevonden. Hier is datzelfde, zij 't op zooveel nederiger plan, dat
Julius Campe in Heine opmerkte: het bliksemvlug omscheppen van een
waargenomen ding tot een spiritueel-kleurige fonkeling van de eigen
ziel; het vooral slagvaardig, maar ook liefdevurig reageeren, op het
leven, op àl het gebeuren om hem heen. Hier uitte zich dan ook een
geest, die nauw verwant is aan Heine, en voor wien deze geen voorbeeld
ter min of meer onoorspronkelijke navolging, maar wèl zeer duidelijk een
soort van fontaine de jouvence blijkt te zijn, waaraan hij, diep
teugend, zich telkenmale mag verjongen. En ook de stem van dien anderen
verwant, van Multatuli, maar in een andere sfeer dan die der satyre,
meent ge nu en dan te hooren. Er is meer dan een stukje--bijv. ook dat
fraaie De opdracht van den H. Antonius--waarin, tot vaagheid
verruischend in de wegduisterend-diepe gangen van stemmingen en gevoel,
ge een stembuiging van den verteller van het zeeziekte-verhaal in de
Ideeën gelooft te herkennen. Want waarlijk, niet slechts waar de
satyre het grondsentiment zijner stukjes vormt, munt de Krabbelaar
uit. En zou al de dagelijksche lezer van zijn werk in Het Volk niet
zonder grond kunnen beweren, dat hij over het algemeen veel beter slaagt
in zijn hekelend werk dan in dat, waarin hij sentimenten van bewondering
en liefde heeft te verwoorden--dan immers wordt hij wel eens, door het
te bewust aanzetten en opschroeven van het gevoel, zoetelijk en raakt
"ernaast"--er is één sfeer, waar hij ook diè sentimenten feilloos in hun
ongesmukte waarachtigheid en derhalve waarachtige schoonheid weet te
uiten. Dat is de sfeer van het kind. Waar en hoe ook het kind in zijn
werk verschijnt, wordt dat laatste verinnigd en geheiligd.
Fééstelijk wordt het bijna immer, ook al is het treurig; blond wordt 't,
al is het donker; er is dan niets, dat niet zacht-warm is--de zon is
opgegaan! Tot zelfs het koud-flitsende staal van zijn scherpsten spot
geeft dan een af schijn als ware 't blond en warm goud; o zeker, het is
ook dan nog wel een degen, maar het is tot een kostbaren spèldegen, een
sièrdegentje gemaakt, om 't z'n jongen prinsjes aan den gordelriem te
gespen. Want niets is goed genoeg voor hen. [p.197] Dàn is deze
schrijver het aller-àllerechtst; het kind is de goede genius van zijn
menschelijkheid en scheppende kracht en het gevoel voor hèn is de bron
van zijn innigste en meest ware leven. Bijna altijd voert het hem naar
een climax zijner vermogens, nu van dit, straks van een ander. Sòms is
het zijn psychische zekerheid en zelfgevoel, welke door dat
sentiment hun climax bereiken: lees Den Boozen Schook, waarin, na die
voortreffelijke mengeling van beheerscht-joligen spot en vreugdige
kinderliefde, hij in een verrassend-geestige wending eindigt met: "und
nennt man die besten Namen, So wird auch der Meine genannt." Een ander
maal maakt het hem tot een gemarteld ziener en beelder van obsedeerende
verschrikking: De Eeuw van het Kind. Dan weer--De Zonden der
Ouders--doet het zijn vonkend-donkere teederheid tot het witte licht
van het hartstochtelijk-innige openstralen. De Jiddische innigheid,
die de Hebreeuwsch-strenge ijveraars-ziel der Joden in het lijden der
diaspora won; die zoeter straling der oogen, die glans van meegevoel op
het beeld-strenge oude heldengelaat--ook in zìjn schriftuur leeft zij
naast het vaak Bijbelsch-statige. Maar genoeg--'schoon ik u over nog
zooveel moois zou kunnen spreken, laat dit voldoende zijn. Want de
vriend des schrijvers, die voor de keuze dezer stukjes op 'n paar
uitzonderingen na verantwoordelijk is en dat kiezen uit zooveel schoonen
overvloed een boeiend en prettig werk vond, meent zich thans zeker niet
te mogen onttrekken aan het minder prettige van het ondergaan eener
metamorphose in: "den vriend die feilen toont", en heeft de thans nog
beschikbare ruimte daarvoor noodig. Gelukkig intusschen, dat het maar
één feil is! Beste Oproerling, zoo zou ik hem dan kort en bondig willen
zeggen, wees zoo oproerig als je wilt, maar: betreed niet, de
Opperhoogheid van Ons, Literaire Critici, aanrandend, Ons Gebied! Je
oordeel, dat je Marcellus Emants, dien "Meester van de Hollandsche
psychologische roman", gelijk, herinner ik mij wel, Scharten hem noemde,
èn méér dan dat: dien baanbreker nog vóór de tachtigers, deed
plaatsen--in De tent van Wiessing--onder een
mediocriteiten-allegaartje, dat oordeel getuigt meer van vrijmoedigheid
dan van juisten blik. En nu lòs [p.198] van dit geval gesproken--want
als literair-critische faux pas staat 't wèl in je bundel, maar niet in
je Het Volk-krabbels alleen--: als je in een kunstenaar den politieken
tegenstander bestrijd, blijf dan van zijn kunstenaarsschap àf. De
literaire critiek is een schoone zaak, en de politiek eveneens, maar het
gebeurde thans waarlijk niet voor de eerste maal, dat de verbinding van
twee schóóne zaken één léélijke te voorschijn bracht.--

Jan. '19.


Noot:

[1] Zie blz. 141.



       *       *       *       *       *



JOOST MENDES: HET GESLACHT DER SANTELJANO'S [p.199]

Eerste deel: De Verweerde Jaren


Ziehier nu eens een werk, waaraan, in elk geval, de gerechtvaardigheid
van Scharten's uiting: dat hij den genialen Querido geen enkelen
niet-genialen navolger toewenschte, ware te toetsen. Want het moge een
van den voorafgeganen storm onafhankelijk windje uit denzelfden hoek
zijn, dan wel het na-zuchten van den storm; het moge niet dan het gevolg
van een zelfde milieu, engere verwantschap, of wel degelijk ondergane
invloed wezen--zeker is, dat ge hier op menige plaats veel van Querido's
eigenaardigheden zonder Querido's grootheid ontmoet. Deze eigenschap
maakt het boek niet ongenietelijk, noch zelfs stemt zij den lezer
kregel, maar ze wekt een gevoel van spijtigheid in hem. Spijtigheid om
het feit, dat het den auteur, die zich klaarblijkelijk van wat hier
dreigde wèl bewust was, toch niet mocht gelukken, zijn zelf-controle zóó
streng, zijn handhaven van het ònverwant, of ònbeïnvloed-individueele
zóó krachtig te maken, dat mocht het al onvermijdelijk zijn, dat ge hier
telkens een Echo hoort, ge toch evenzeer merkt, dat de Narcis der
zelfstandige schoonheid haar versmaadt! Het gevolg dier verwantschap of
van dien invloed--ìk geloof: bèide zijn oorzaak,--toont zich vooral in
de taal. Hier een overmaat en vooral een heftigheid, schoon volstrekt
niet in die mate dan toch van [p.200] dezelfde soort, als in de
vroegere werken van Querido, maar zonder dat, gelijk daar, de
natuurlijke noodzakelijkheid ons duidelijk wordt. Het lijkt mij hier, op
sommige momenten, meer een laten glippen uit zwakte, dan een opstapelen
uit kracht, en ik zou dan ook nù het verschijnsel geenszins op dezelfde
wijze kunnen verklaren als ik het destijds, over Querido schrijvend, heb
gedaan[1], noch in dezen schrijver zekere loslippigheden mogen
verontschuldigen, die men een grooten, nu eenmaal door zijn
scheppingsdrang respijtloos voortgedreven menschenschepper vergeeft.
Bovendien: in die vroegere werken, waarvan ik zooeven sprak, heeft zeer
zeker Querido muren, duistere, blinde muren van woorden opgestapeld,
zoodat ge u wel eens weg-verloren afvroegt: Wat voor 'n bouwsel is dat?
Waar sta, waarheen ga ik in dit donker? Tòt--daar bloeide plots een
lamplicht, hoog en vast aan ijzeren arm uit den steen zich heffend en
warm goudelend over het duister vlak: één beeldend woord zóó licht, dat
het de zwartheid der anderen verblondde. Maar helaas, waar hièr de muur
er is--het is gelukkig allerminst een Chineesche, die heel het rijk
omsluit--daar is ze ook lantarenlóós. Het dunkt mij vreemd, dat deze
schrijver dit niet heeft kunnen vermijden; hij lijkt mij toch allerminst
een geniaal-voortgestootene, doch veeleer een zich beheerschend
talentvolle en bezonnene van nature te zijn, die de dingen omendeom
bekijkt, en dan, hij moge verrukt zijn of afkeerig, waarlijk wel
zelfbeheersching genoeg heeft, en zich in voldoende mate haasteloos
voelt, om ze zonder harden smak op hun plaats te zetten. Reeds in den
aanvang van dit boekje voelt men diè natuur. Hoe systematisch--de
compositie mede is voortreffelijk door die systematiek--is De Stad
bekeken. Tot daar plots het geluid-van-dat-geordend-sobere op blz. 16
breekt: "Maar kakelend roddelen konde ze", enz. De àndere Mendes maakt
reeds even zijn opwachting.--Het verheuglijke en voortreffelijke echter
in het boek is, dat juist daar waar het òverwant- en
ònbeïnvloed-individueele aan den dag treedt, het zoo goed blijkt. Dat
bewijst [p. 201] onloochenbaar een sterke en vaste kern van eigen
aanleg. Toonen de talrijke psychologische fijnheden van een zeldzame
doordringingskracht dit aan, ook in vele beschrijvingen, en vooral in
de uitmuntende dialogisatie komt het uit, terwijl ook wel degelijk tot
dien eigen ònbeïnvloede kern het zeer concis en scherp op 't leven
betrappend beelden van houdingen en bewegingen behoort: hoe
voortreffelijk is mede daardoor het hoofdstuk Het Hooge Feest
geworden, hoe uitstekend de ruzie-scène in De Kelder met die figuren
van Jonas, de grootmoeder-heerscheres, Mordechai, Sam Piza. En dan
daarneven het stille, bijna-onbewuste, als in poppig-glazige
zwak-verwonderde staring doorgebrachte leven van het moedertje Lea! Hoe
uitmuntend is dat alles voelbaar en zichtbaar gemaakt. Een
uitmuntendheid, waarin allicht ook de figuren van Daan, Ko en Lot zouden
hebben gedeeld, indien zich niet vaak dáár een eigenaardige zoetelijke
woordenstreeling, een knuffelende vertroeteling door den auteur, in de
plaats van een "objectief"-scherpe beelding hadde gesteld. Zoo werd dan
dit eerste deeltje van een klaarblijkelijk nogal uitgebreiden arbeid
belangrijk, niet slechts door wat het belooft, maar reeds aan rijpe
kunst ons schenkt. En het zou wijs van auteur en uitgever beiden zijn
geweest, indien zij, indachtig aan het feit, dat men onvermijdelijk door
heel de geaardheid van het werk-zelf tot een vergelijking met Querido's
machtig genie zou worden gedwongen, daarnevens niet nog den lezer, als
't ware met alle geweld, tot een vergelijking met een buitenlandschen
groote op den koop toe hadden genoodzaakt! De geheele wijze van uitgeven
toch, in acht "deelen",--dit aan het adres van den uitgever die tevens
de uitgever van "Jean-Christophe" is--maar bovenal de "dichterlijke" en
allegorische titels--dit aan het adres van den auteur--waarbij ons zelfs
een duidelijke vingerwijzing naar "La Révolte": "De Revolte dagen",
(welk een opzettelijk want overigens onmogelijk jargon!) niet werd
gespaard, kunnen slechts een herinnering aan Rolland's meesterwerk, ook
en vooral aan de eerste prachtige deelen, wakker roepen, die dit boekje
ten eenenmale doet vergrauwen. Hetgeen men moet betreuren, want de
groote deugden [p.202] welke het in zijn soort eigen zijn, geven
aanleiding tot een aesthetisch genot en een warme waardeering, waarvan
het jammer is, dat zij door althans gansch onnoodig veroorzaakt
vergelijken en herinneren worden gedrukt.[2]

Maart '19.


Noten:


[1] Schetsen en Critische Opstellen, blz. 178.

[2] Nadat het werk, hetzij grootendeels, hetzij geheel, zal zijn
verschenen, hoop ik er uitvoeriger op terug te komen.



       *       *       *       *       *



II DIDACTISCH [0]


       *       *       *       *       *


PIT-TAH, DE GRIJZE WOLF [1] [p.205]


I

Inleiding


Niets is wellicht beter in staat ons van het bestaan van een feilen,
schoon vaak onbewusten hoogmoed in ons menschen te overtuigen, dan na te
gaan hoe in den loop der eeuwen de menschheid de dieren heeft gezien en
vooral hoe die visie op de dierenwereld zich in literaire kunst heeft
geuit. Van het Pancatantra, het oeroud Indisch Sanskrit-werk af, tot,
over den Griek Aesopus--die zelf, naar de geleerden zeggen, een fabel
is!--, de verschillende oude behandelingen van de Reinaert-sage--waarbij
zich sedert kort de voortreffelijke bewerking door Streuvels heeft
gevoegd--, tot ook, eenige eeuwen later den genialen en gracieusen
Franschman La Fontaine, om nu maar de allerberoemdsten, werken en
schrijvers, te noemen, is de dierenwereld nimmer om zich-zelfs-wil in
literaire kunst gebeeld. Zeer zeker ging al dezen schrijvers het
eigenaardige van het dier-leven niet onopgemerkt voorbij, maar dat leven
zagen zij niet als een schoon en stroom, machtig, diep en hunner
aandacht ten volle waardig, ook al hadden zij er nooit de spiegeling
van der menschheid gelaat in gezien, maar zij achtten dien integendeel
juist dáárom alléén hunne bestudeering waard, [p. 206] òmdat zij tot de
menschen konden zeggen: Buig u over dezen stroom en ge zult er àl uwe
bewegingen, uw gelaat en al zijn wisselingen in weerkaatst zien: de
oogenglans uwer vreugde, de wringing en de hette uwer hartstochten; de
deemoedige plooi uwer huichelachtigheid; het brandend staren uwer
wanhoop; ja zelfs een enkel maal de vervoering uwer ziel, uw adeldom.
Het dier had dus alleen belang voor hen, voor zoover het als acteur te
gebruiken viel, wien een menschelijke rol kon worden toebedeeld. Hun
dier-psychologie, zoo er al een enkel maal sprake is van iets, dat
dien naam verdient, zou men met den naam van handboeken-psychologie
kunnen bestempelen, d.w.z. een psychologie van algemeen-vaststaande en
aangenomen normen, waaraan elk waarlijk levend inzicht van den
individueelen kunstenaar ontbreekt, waarin bijvoorbeeld de leeuw nu
eenmaal voor goed de moedige en toch ietwat dupeachtige koning en de vos
de onverbeterlijke en buitengewoon sluwe misdadiger is. De dieren van
het dierenepos en den dierenfabel zijn dan ook, voor zoover tenminste
nog die handboeken-psychologie in toepassing is gebracht, te vergelijken
met de figuren van het schaakspel: zooals die figuren hunne eens en voor
altijd onwrikbaar vaststaande krachten en eigenschappen hebben, die
hunne handelingen bepalen: de koning slechts één pas naar alle
richtingen mag gaan, het paard den driesprong maakt en de wijsheid des
raadsheers hem voor eeuwig overtuigd heeft, dat schuinsmarcheeren het
beste voor hem is,--zóó ook hebben al die dieren, en vooral de
hoofdpersonen, 'n paar ruw getraceerde en als 't ware wisselinglooze en
versteende eigenschappen, die van zulk een aard zijn, dat zij hen
geschikt maken, symbolen van het menschelijke te zijn.

En evenzeer nu als door het samen- en tegenspel der schaakstukken
geheelen van schoonheid kunnen ontstaan, die noch overtroffen worden
door de schoonste gewrochten der schilderkunst noch door die der muziek
of der literatuur, zoo zijn ook door spel en tegenspel dezer als 't ware
psychologisch-kunstmatige en niet naar de doorgronde-werkelijkheid
gebeelde dierfiguren, tafereelen van tot schoonheid gestegen schalkheid,
satyre, wijsgeerig en mensch-kundig [p.207] inzicht ontstaan, die voor
geen andere werken van letterkunde onder hebben te doen. Maar toch kan
men, althans ik, bij het beschouwen van zulken arbeid het gevoel niet
onderdrukken, alsof hier een of andere tekortkoming schuilt, eenig
onrecht is geschied, eenig misbruik is gemaakt. Want heeft men bij het
schaakspel met niets anders dan doodhouten klossen te doen, die geen
enkele geestelijke eigenschap uit zich-zelf bezitten, en in de handen
van den speler slechts tot symbolen van schoonheid kunnen worden,
doordat eens de uitvinder van het spel hun zekere eigenschappen heeft
toegedacht--bij het dier-epos en den fabel heeft men met levende
wezens te doen, die als elk natuurwezen krachten en eigenschappen van
zich-zelf bezitten welke een zooveel mogelijk objectieve en getrouwe
afbeelding overwaard zijn; wezens die het allerminst verdienen slechts
als kapstok van de menschelijke deugden en ondeugden te worden
gebruikt! En iets anders hebben de bovengenoemde schrijvers, gelijk ik
reeds zooeven deed opmerken, toch feitelijk niet gedaan. Het was reeds
mooi, als ze van zulk een handboeken-psychologie gebruik maakten.
Meestal schijnen ze de dieren als 'n soort van ledepoppen te hebben
beschouwd, wien men geheel willekeurig elken stand kon laten aannemen,
elke beweging kon laten maken, die men verkoos, zoodat ze dan ook fabels
dichtten, waarin van het dier waarlijk niets anders dan de naam
aanwezig is.[2] Ongetwijfeld is echter in de fabelen van La Fontaine
de liefde tot de natuur en het dier-zelf in veel grootere mate aanwezig
dan in de zooeven genoemde. Het wemelt in zijn werk van ware juweelen.
Zijn gracieuse verzen in een heerlijk Fransch, zijn fijne feestigheid
ook, hebben in niet weinig gevallen den oorspronkelijken fabel, aan
Aesopus en andere bronnen ontleend, verfraaid en tot ééne ongerepte
zuiverheid en flonkering van beminnelijke en dikwijls allergeestigste,
dan weer diepgevoelde wijsheid gemaakt, maar het zijn natuurlijk fabelen
en leerdichten [p.208] gebleven--het dierleven is er uitsluitend als
spiegel der menschheid. En ook met het dierenepos, met de Reinaertsage
is het niet anders. En als Dr. Doorenbos dan ook zegt: "Bij de gewone
fabel is de les, die men uit de dierenwereld trekken kan, de hoofdzaak;
zij is een bijzondere vorm van de didactische poëzie. In de Germaansche
dieren-sage is het verhaal zelve de hoofdzaak. De sprookjes zelve zijn
vermakelijk, de dieren spelen er de eerste rol in, de menschen staan er
op den achtergrond. Wil men er lessen uit trekken, wil men er een satire
in vinden, dat is het voornaamste niet. Het gedicht moet om den inhoud
zelven belang inboezemen",--dan kan ik wel toegeven, dat dit alles naar
den letter juist is, maar ik moet daarbij voegen: naar den geest
allerminst. Want: de dieren spelen er wel de eerste rol in, maar die
dieren denken en handelen met menschelijk verstand, die dieren zijn
verkapte menschen, zijn menschen in een dierenhuid gestoken, gelijk
in Rostand's Chantecler--Zoo was het dan aan onzen tijd voorbehouden,
een dierenepos, een dierenroman als dit voortreffelijk Pittah voort te
brengen, waarin waarlijk het dier met liefde om zijns-zelfswil wordt
beschouwd; een dierenverhaal, dat ons den schrijver doet zien, zóó
verzonken in de contemplatie van het dierleven, dat dit op het
allereerste plan van het werk staat, en de menschen er slechts in
optreden voor zoover zij invloed hebben op geest of lichaam van het
dier.--Zich zekerheid te verschaffen omtrent de oorzaken van het feit,
dat dergelijk werk niet vóór onze dagen geboren werd, ware dunkt mij
moeilijk. Was het wellicht juist de reïncarnatie- en evolutieleer van
het oude Indië, die trots den daaruit voortspruitenden eerbied voor het
leven van het dier, dit toch beschouwde als een in 'n te laag stadium
van ontwikkeling verkeerend wezen, dan dat het om zijns zelfs wil der
volle kunstenaarsaandacht waardig kon zijn? Maakte ook in het Westen, en
nog wel op veel minder edele wijze, de religieuse wereldbeschouwing den
afstand tusschen mensch en dier daartoe te groot? Of was het aan den
anderen kant wellicht de desolate toestand van de huidige maatschappij,
die den klaarblijkelijk kinderlijk-naïeven, reinen en uiterst gevoeligen
geest van 'n Jack London zich deed keeren [p.209] naar het dier? Wie zal
op dit alles een zèker antwoord kunnen geven.... Mij zij het voldoende
hier het feit te hebben geconstateerd en op zijn belangrijkheid te
hebben gewezen. Want als wij hier vaststellen dat met een werk als dat
van Jack London een nieuwe aera in het dier-epos aanbrak, dan stellen
wij tevens dit belangrijke feit vast: dat voor den mensch een nieuwe
mogelijkheid van zeer verrijkend geestelijk genieten, een nieuwe
mogelijkheid ook van groei van het heilig eenheidsgevoel werd
geboren.--


       *       *       *       *       *


II


Als oud globe-trotter in de literatuurwereld geloof ik, dat het beste
wat ge nu kunt doen, vóór ge dit zéér vreemde hoogland gaat bereizen,
is, schoon ge niet zonder gids zult zijn, U een weinigje op de kaart te
oriënteeren: laat mij U iets van den inhoud van ons boek vertellen. In
Alaska, in den wintertijd, een noordpoolwereld vol van de
verschrikkingen van ijs, sneeuwstormen en duisternis, zijn twee mannen
op reis in een hondenslede. Zij vervoeren een reeds gekist lijk van een
overleden kameraad naar Fort M'Gurry. Door de wolven achtervolgd, zien
zij den eenen trekhond na den anderen, door een wolvin verlokt,
verdwijnen, of liever: zij zien des morgens, dat hij 's nachts verdwenen
is. Ten einde raad besluit een der mannen, op het oogenblik, dat hij
weer een hond, nu nog wel bij dag, door de wolvin ziet weglokken naar de
hongerige wolventroep, gewapend met zijn geweer de slede te verlaten, om
den hond, die niet naar zijn roep hoort, terug te halen. Maar het is te
laat: die is reeds door de wolven omringd, en hij zelf, als hij, in een
uiterste poging om het dier te bevrijden, zich onder de uitgevaste bende
waagt, wordt, nadat hij zijn munitie heeft verschoten, door het
roofgedierte verslonden. De andere man blijft nu in een hopeloozen
toestand, ten slotte van al zijn honden beroofd, alleen achter. Maar
ziedaar: op het punt van zich nu maar moedeloos gewonnen te geven--hij
kan zich onmogelijk langer op de been houden van [p.210] de slaap--met
niets dan een smeulend en uitgaand vuur tusschen de wolven en zich zelf,
wordt hij door een over de bevroren rivier naderend reisgezelschap
ontdekt en bevrijd. Het was waarlijk hoog tijd: het laatste wat hij zag,
vóór hij in slaap viel, was de wolvin, die, vlak bij hem, hem
droefgeestig met een van honger kwijlende bek begeerig zat te bestaren,
als ware hij een brok voedsel, dat wel van haar hoorde, maar dat zij om
de eene of andere reden toch nog niet kon gaan eten!--Dit is de--zeer
verkort weergegeven--inhoud van het Eerste Deel. Die der volgende
wordt gevormd door het verhaal, hoe de nu met de troepgenooten
weggevluchte wolvin, die, eigenlijk evenzeer hond als wolvin van
afstamming, een uit 'n Indianenkamp weggeloopen trekdier is, wordt
bevrucht, en Pittah den wolf-hondelijken held van het boek ter wereld
brengt; hoe diens leven, vol van wreede avonturen, verloopt en hij ten
slotte, na door bestiale woestelingen tot een duivel van haat en
ontembare wildheid te zijn gemaakt, onder den invloed van een edelen
meester allengskens een wezen van hartstochtelijke liefde en
onwankelbare trouw wordt.--De lezer zal allicht hebben opgemerkt, dat ik
den inhoud van het eerste boek, hoe verkort ook, toch veel uitvoeriger
heb weergegeven dan die van het geheele overige werk. Ik deed dit, omdat
ik die eerste hoofdstukken natuurlijk het eerst zal behandelen èn er nog
al veel over te vertellen valt....--Of ge nù al de hééle kaart afkijkt
en U al de détails van heel de te doortrekken streek in het hoofd prent,
dat geeft niets, ge zoudt het dan toch later nog eens willen overdoen.
Zoodat ... nu steek ik de kaart weer in mijn zak en word de
oppermachtige berggids!... Vrienden, reikt mij dan het koord van uw
aandacht, laat mij jelui aan mij vastbinden ....--

       *       *       *       *       *

Leelijkheid en Schoonheid in het "Eerste Deel"

Er zijn van die critici, die, evenals de vrijgrage jongelui op 'n bal,
alleen de schoonheden ten enthousiasten dans voeren en de leelijkerds
maar laten zitten achteraf, maar ik behoor niet tot hen: ik vraag de
[p.211] muurbloemen ook! Uit 'n soort van vrienden-welwillendheid of
zuiver-menschelijk medelijden, denkt ge? Helaas, helaas, hoe kent ge
mij, boosaardig monster, dan slecht! Ik vraag ze, ik vráág ze, deze
leelijkerds op de feestbals der literatuur--maar ik durf het bijna niet
te biechten!--uit de geniepige overweging: Jullie zijt zoo zot geweest
hier te komen, welnu, dan ook vooruit met je onder het volle licht der
kronen!...--

En vrienden, laat mij 't maar bekennen: er zit in deze scherts meer
ernst dan een scherts wellicht te herbergen betaamt. Ik háát het
leelijke en àls ik het naar voren breng, geschiedt dat waarlijk niet ter
verzachting der geringschatting, die het verdient, maar om die des te
scherper te doen treffen....--Als men buitenlanders onze letterkunde wel
eens met de hunne hoort vergelijken, dan blijkt wel dìt hun grootste
bezwaar tegen ònze literatuur, dat het in hàre werken gebeelde leven zoo
weinig-beteekenend, zoo grauw-alledaagsch, zoo klein-burgerlijk, zoo
weinig-bewogen is. Ik herinner mij levendig, dat eenige jaren geleden
een mij onbekende Russische taalleeraar en journalist mij om een
onderhoud verzocht. Hij noodigde mij uit hem eenige Hollandsche romans
en novellenbundels te noemen, die hij met gegronde hoop op succes in 't
Russisch zou kunnen vertalen. Ik noemde hem wat ik te noemen wist. Maar
hij kende dat alles reeds, vond het echter allemaal, te pueriel, te
zeurderig, te alledaagsch en vooral te klein. Er is daar iets van aan.
Maar hoe zou het anders? Hoe kan uit een klein en burgerlijk
maatschappijtje als het onze, een heroïsche literatuur, vooral van
maatschappelijk-hoogeren aard, ontstaan?[3] Slechts met Querido, zei
mijn Rus weer, met dien ware voor zijn doel iets te beginnen, maar och,
dat kon ook niet, want die was weer te locaal!...--Er is daar iets van
aan, zei ik zooeven, jawel, maar van iets anders is nog veel meer aan:
onze letterkunde moge in onze samenleving slechts een armen
voedingsbodem bezitten, zij wist en weet te woekeren met dat [p.212]
armelijk bezit. Onze hedendaagsche literatuur streeft, in 't algemeen
genomen, in verfijning en nauwkeurigheid van beeldende
woordaanwending de buitenlandsche op zij en meestal te boven.--Neem nu
dit boek van een in zijn soort toch eersterangs schrijver als Jack
London. In dit Eerste Deel, alleen reeds op de 3 eerste bladzijden:
"Donkere pijnboomen grijnsden aan weerszijden van de bevroren rivier."
Een "grijnzenden afgrond" is al een ondeugdelijk en ongevoeld
spraakbeeld, maar het is oud en versleten en juist omdat deze
uitdrukking oud en versleten is van het overmatig gebruik, glijdt onze
geest er zoo makkelijk In en neemt genoegen met het gatige vod, zooals
een slecht zittende oude jas ons veelal nog behagelijker is dan een
prachtig getailleerde nieuwe. Maar wat nou zoo iets kersversch als "een
grijnzend pijnwoud" voor een ding is, in dàt begrip daar komt onze
geest, althans de mijne, nièt in en zal er wel evenmin ooit in
komen....--"Maar niettemin waren zij mannen, die dit land van
eenzaamheid en stilte doortrokken, nietige avonturiers op kolossaal
avontuur uit, hun krachten metend met een wereld even verwijderd en
vreemd en levenloos als de eeuwige ruimte." Is het mij al een raadsel,
hoe men iets materieels "verwijderd" kan noemen, terwijl men erin
is, al evenmin werd mij geopenbaard, hoe men, "zijn krachten kan meten
met een wereld die levenloos is." Immers "zijn krachten meten met"
beteekent altijd: "een strijd aangaan met" en nu is er misschien wel
niets in de heele wereld, waarvan men niet zeggen kan, dat men er een
strijd mee wil aangaan, behalve juist het levenlooze! Want iemand, die
zegt tegen iets te strijden, moet zich noodzakelijk dat iets als
levend in eenigen letterlijken of overdrachtelijken zin hebben
voorgesteld, en niet als levenloos. Aan het levenlooze kan men
slechts "zijn krachten beproeven", dat wil zeggen door eenige erop te
verrichten handeling, niet: door strijd ertegen. Natuurlijk, wij
begrijpen wel wat hier wordt bedoeld. "Verwijderd" is hier onzin
geworden, alleen doordat er elke nadere bepaling aan ontbreekt, bijv.:
"verwijderd van de bewoonde wereld," en als ge door "levenloos" heen
"passief" leest, dan is de zaak in orde al is de volzin dan vreeselijk
leelijk en wordt het beeld van die "eeuwige ruimte" nog [p.213]
beroerder dan het nu is. En bovendien: "àls dìt" en "àls dàt," jawel!
maar literatuur behoort geen ruimte te laten voor dergelijke "alsen."
Zij juist moet weten te zeggen, precies te zeggen wàt zij
bedoelt.--"....toen een flauwe, verre kreet zich in de stille lucht
verhief.... Hij had een kermende, verdoemde geest kunnen geweest
zijn...."--Een kreet, die een geest had kunnen geweest zijn? Arme
Satan, wat een nieuwe last bij al z'n oude moeiten: ik zie hem al alle
kreten, die zijn heetgestookten hel ontstijgen, wantrouwend
achternaloopen: of ze geen ontsnappende zielen zijn; een gevallen
aartsengel tot een smokkelaarsspeurenden grenswachter geworden....
Ajai!--Maar komaan, genoeg hiervan, ge denkt nu al, dat ik "vlooien
zoek" en--ge hebt gelijk, máár: het zijn vlooien van de springerigste
soort en juist omdat ze zoo klein zijn, de gevaarlijkste dragers van de
taalverknoeiïngspest. Ik vang ze, om jullie voor die barre ziekte te
bewaren. En dus, bedillers!...

Laat mij intusschen dit stukje niet beëindigen, zonder nog dit te hebben
gezegd: ik ben er vrij zeker van, al las ik het oorspronkelijke werk
niet, dat men deze en dergelijke slordigheden niet der vertaling mag
verwijten. Een Hollandsche vertaalster, die zoo voortreffelijk
dialoog en stemming weet te geven, wie dus klaarblijkelijk de hoogere
gevoeligheid niet ontbreekt, diè, dunkt mij, zal toch ook wel niet
geheel gesloten zijn gebleven voor de lessen der hervormers van '80.
Maar integendeel, zoo mogen wij zonder al te groote vrijmoedigheid
vermoeden, zijn 't fouten van het origineel-zelf, want juist zulke
fouten als een man van veel-produceerende genialiteit gelijk London ze
maakt. Het valt zoo licht te begrijpen: de scheppingsdrang drijft hem
voort, hij ziet visioen na visioen ... hij heeft zoo geen tijd ... in
Amerika zal hij er zelden om op de vingers getikt zijn ... en zoo
gebeuren dan die dingsigheden. Het is trouwens een verschijnsel, dat men
bij veel grooten--en veel-grooteren dan London!--kan waarnemen en uit
gedeeltelijk dezelfde oorzaak verklaren: het hevige voortstuwen van den
scheppingsdrang. En--nu genoeg van het leelijke, keeren we ons tot de
schoonheid.--

[p.214] Zie eens allereerst dit:

     Vóór de honden zwoegde een man op sneeuwschoenen. Achter de slede
     hijgde een tweede man. Op de slede, in de kist, lag een derde man,
     wiens werktijd voorbij was--een man dien de wildernis had
     overwonnen en neergeveld, tot hij zich nooit meer kon bewegen of
     verzetten. De wildernis houdt[4] niet van beweging. Leven
     beleedigt haar, want leven is beweging; en de wildernis tracht
     iedere beweging te dooden. Zij doet het water bevriezen om het te
     beletten naar de zee te loopen. Zij jaagt het sap uit de boomen tot
     zij in hun krachtig merg zijn bevroren. En woester en vreeselijker
     dan alle vervolgt en bedwingt zij den mensch--den mensch, die het
     meest rustelooze in het leven is, die zich altijd verzet tegen de
     bewering, dat alle beweging ten slotte moet komen tot ophouden[5]
     van beweging.

De schoonheid is hier niet alleen aanwezig als schoon van treffende
bespiegeling, zij is het ook--en hier gemoeten wij de eigenlijke
kunst-schoonheid--als zekere levendigheid van den geest, die er, op
bijzondere wijze, in geslaagd is, de begrippen dier treffende
bespiegeling te vertastbaren en aanschouwelijk te maken. Op
bijzondere wijze: louter, door contrasteering; door bij middel van
het bewegelijke der beschrijving des te feller het
aan-beweging-vijandige van het beschrevene te doen gevoelen, en door
de levendigheid der beelding de doodschheid van het gebeelde.
Deze beschrijvingsmethode is ongetwijfeld niet die van bijv. den
objectieven naturalist, want onvermijdelijk dringt zij den auteur-zelf
min of meer op het tooneel zijner schepping, en in plaats dat de lezer,
gelijk in naturalistisch werk, slechts de dingen-zelf, zooals zij door
den kunstenaar werden gezien, te aanschouwen krijgt, worden hem hier, in
de allereerste plaats, de overwegingen getoond, die door de dingen
in den auteursgeest werden gaande gemaakt, en als 't ware door die
overwegingen heen aanschouwt hij pas de dingen-zelf. Het valt niet zoo
makkelijk te zeggen als het lijkt, welke van de twee richtingen de
voorkeur verdient--de "objectieve" of de
binnen-zekere-grenzen-subjectieve. Dat de laatste vooral door het
knoeiwerk van tallooze beunhazen in onverdiend discrediet is gebracht,
en men mede daardoor [p.215] de, nog wel verkeerd want al te volstrekt
opgevatte, "objectiviteits"-leer der naturalisten ten onrechte als de
alleen-zaligmakende heeft aanvaard, lijkt mij onbetwistbaar, al moet men
toegeven, dat de meer subjectieve beschrijvingsmethode--zooals ook een
London ze, naar zijn aard gevariëerd, toepast--uiteraard en dus ook in
haar allerbeste applicaties, hare nadeelen heeft. Als de voornaamste
daarvan kan men noemen: 1° de geringere sterkte van sommige in den lezer
gewekte stemmingsaandoeningen, die door het aanschouwen der louter in
en met hun eigen atmosfeer gebeelde dingen veel eerder ontstaan en
stoorloozer zich ontwikkelen en beklijven dan door het zien dier dingen,
wanneer zij door de min of meer stormige luchten van eens schrijvers
geestig of gevoelig spreken staan ombuid. 2° De onvermijdelijke
splitsing van 's lezers aandacht. Heen en weer geslingerd tusschen het
aanschouwen der dingen en het aanhooren van den auteur, wordt hij een
onrust gewaar, die hij weliswaar, mits zijn temperament hem daartoe in
staat stelt, eerder prikkelend en amusant dan vervelend zal vinden, maar
die hij toch, al naar mate zijn geest evenwichtiger is--een deugd!--wel
degelijk ten slotte als onrust, d.i. iets onaangenaams zal voelen.
Maar aan den anderen kant: de niet geringe voordeelen zijn allicht: een
geestig kunstenaar te hooren tegelijkertijd beeldend- èn
bespiegelend-spreken en vooral: als 't ware den schepper in zijn
werkplaats te zien. Vast staat in elk geval, dat de Engelsche
Grootmeester Charles Dickens met deze subjectief-realistische methode,
wonderen van kunst-heerlijkheid heeft gewrocht. En al reikt London
ongetwijfeld niet tot diens knieën, het valt op, dat de Amerikaan zijn
rasverwantschap zoowel met den grooten Engelschen romancier als met
andere Engelsche schrijvers toont in het bezit van die soort
specifiek-Engelsche geestigheid, die men wellicht als een mengsel van
"drogen" èn gevoeligen humor zou kunnen kenschetsen, waaraan zich dan
helaas soms bij eenige auteurs een min of meer blufferige gewikstheid
paart, die voor een groot deel niets anders dan het grove prat-gaan is
op diezelfde koele zelfbeheersching, welke, in zuiveren staat, wellicht
het meest sympathieke bestanddeel van den Britschen humor [p.216] vormt.
Dìckens hàd dien zuiveren "drogen" en gevoeligen--schoon soms ietwat
sentimenteelen--humor, en dan nog onvergelijkelijk rijk omgloeid door
verrukkelijke stemmingsatmosfeeren van goudelende duisternissen, een
clairobscur van sterrig vonkelenden avondhemel. Kipling heeft, hoewel
oneindig zwakker, dien humor eveneens, máár--met een dosis en een soort
van pocherige gewikstheid in sommige zijner producten, welke die voor
een niet-imperialistischen en niet-chauvinistischen lezer al te zwaar
verteerbaar maakt; in G.K. Chesterton heeft diezelfde humor, zich
verfijnend, zijn hoogtepunt bereikt in het vuurwerk-knetterend en
vonkenspattend paradoxale, en onze London eindelijk heeft iets van
alle drie: het blufferig-gewikste uit zich bij hem langs een omweg op
eene beminnelijke, kinderlijk-naïeve manier, waarover ik in het
volgende artikel zal spreken; de naar het paradoxale neigende
geestigheid doet zich kond, zoowel in een drang om zijn beeldingen een
woord-puntig en met het gebeelde contrasteerend karakter te geven,
als ook wellicht in een schoone, zuiver-artistieke "voorliefde voor het
verduidelijken zijner voorstellingen door inconventioneele, of althans
zelf-hérvonden, en in den nieuwen samenhang inconventioneel wòrdende
vergelijkingen; en den "drogen" humor, uit de koele Engelsche
zelfbeheersching geboren, toont hij vooral in den toon zijner
dialogen.

Ziehier een staaltje van zijn "beeldvorming," zijn scheppen van
vergelijkingen:

     Zij trokken voort zonder spreken, hun adem sparend voor het werk
     hunner lichamen. Aan alle kanten drukte de stilte op hen als een
     tastbare tegenwoordigheid. Zij werkte op hun geest, zooals de vele
     atmosfeeren in diep water drukken op het lichaam van den duiker.
     Zij verpletterde hen onder het gewicht van haar oneindige
     uitgestrektheid en onveranderlijke eenvormigheid. Zij verpletterde
     hen tot in de diepste diepten van hun gemoed, en perste uit
     hen--als sap uit de druiven--al het vuur en de opgewondenheid,
     al de zelfoverschatting der menschelijke ziel, tot zij begrepen hoe
     oneindig klein en onbeteekenend zij waren, stippen en atomen, zich
     met weinig sluwheid en gering verstand bewegend, temidden van het
     spel der groote, blinde elementen en natuurkrachten.

[p.217] Hier bevinden zich na elkaar in één klein stukje een
inconventioneel en een vrijwel "afgezaagd" beeld. Het inconventioneele
en zéér treffende beeld is dat van de "vele atmosfeeren"; het afgezaagde
dat van "als sap uit de druiven." Van den wijn uit dié druiven geperst,
is Noach al dronken geworden! Maar oud als de vergelijking is, vinden
wij haar toch schoon, omdat zij--zie het derde cursief--in eene
lentekleurigheid van frissche gedachten uitrankt, want inderdaad: zulk
een vergelijking is wel als een heel oude stam, maar tevens als zulk een
waaraan de scheppende ziel van een nieuwe lente groenende knoppen doet
botten. Met een echt-rethorisch beeld is dat nóóit het geval; daar
bloesemt niets uit; dat is maar het droge hout, dat een auteur zelf
levert, om er de doodkist voor zijn werk van te timmeren....--

Ten slotte nu een kort voorbeeld van den "drogen"-humorrijken dialoog.
(Nadat in vorige nachten reeds een paar honden door een wolvin zijn
weggelokt, heeft Bill ze nu zoodanig aan stokken en riemen vastgelegd,
dat ze niet kunnen wegloopen, en daarbij met nadruk verzekerd, dat hij
den volgenden dag geen koffie zou drinken, zoo er toch een verdwenen zou
zijn.)

     's Morgens porde Henri het vuur op en maakte het ontbijt gereed,
     begeleid door het gesnurk van zijn kameraad.

     "Je sliep zoo lekker," vertelde Henri hem, toen hij hem wekte voor
     het ontbijt. "Ik had niet den moed je te roepen."

     Bill begon slaperig te eten. Hij zag dat zijn kopje leeg was en
     stak zijn arm uit naar de koffiekan. Maar de kan stond buiten zijn
     bereik naast Henri.

     "Zeg Henri," zei hij vriendelijk, "heb je niet iets vergeten?"

     Henri keek met de grootste aandacht om zich heen en schudde het
     hoofd. Bill hield zijn leeg kopje in de hoogte.

     "Je krijgt geen koffie, Bill."

     "Heb je niet meer?" vroeg Bill haastig.

     "Ja."

     "Ben je bang dat ze niet goed is voor mijn spijsvertering?"

     "Neen."

     Een kleur van drift kwam in Bills gezicht.

     "Dan zou ik wel eens willen weten...."

     "Spanker is weg."

[p.218] Mij dunkt, zelfs in dit kleine stukje zult ge hebben gemerkt,
wat ik bedoelde met dien drogen humor in den toon van den dialoog. En nu
eindigen wij meteen voor dezen keer. De volgende maal over: het
compositorisch-zonderlinge van het Eerste Deel in het geheel van het
werk en de oorzaak daarvan, in verband met zekere karaktertrekken van
London's schrijversfiguur.--


       *       *       *       *       *


III

Het compositorisch-zonderlinge van het "Eerste Deel", in verband met
zekere karaktertrekken van London's schrijversfiguur.


Sluit de oogen en verbeeld je eens fel en heftig, dat ge Sancho Panza
zijt. Het zal je, dunkt mij, niet moeielijk vallen, want, ten eerste,
hebt ge ongetwijfeld wel eens den onsterfelijken Don Quichot, het
meesterwerk van Cervantes, gelezen, en ten tweede: als ik niet zeker
wist, dat ge de schildknaap eens edelen en drakenbekampenden ridders
zijt, dan sprak ik niet eens tot je, want ik vond je geen knip voor den
neus waard! Je kijkt me verbaasd aan: "ik de schildknaap eens
drakenbekampenden ridders?" Maar ik antwoord je kalmpjes weder: ja
zeker, jongelief, want dien je dan soms het socialisme niet? Dat je
met zwarte handen en gezicht alle dagen voor de schijf zit, dat is maar
nietswaardige en onwerkelijke schijn, zooals ook de dwaasheid en de
"droevige figuur" van Don Quichot maar voorbijgaande schijn waren; maar
dat je ziel in rood en hemelsblauw gekleed gaat gelijk het een
schildknaap van den Dagenden Tijd betaamt, dat is, mag ik vertrouwen, de
werkelijkheid, zooals ook de adeldom en de haat tegen onderdrukking,
gemeenheid en roof, in Don Quichot de werkelijkheid waren.--Sluit de
oogen, herhaal ik dus met hypnotischen nadruk; ik zèg je, je bènt Sancho
Panza, je zit voor den rijkgedekten tafel op het door je-zelf
bestadhouderd eiland, je tast toe ... ai! wat is dat?! Nauwelijks heb je
'n hapje gegeten, nauwelijks heb je gedacht: wat [p.219] smaakt dat eten
heerlijk, of de schotel wordt je uit de handen gegrist ....--Open nu
weer je oogen, beveel ik, en ga Pittah lezen; je hebt de eerste drie
hoofdstukken van het boek genoten--één hapje van den schotel gegeten--je
vind ze prettig, gezellig en boeiend, en ... ziedaar ... wèg is plots
het verhaal van Harry en Fort M'Gurry! Je vork, gretig omlaag prikkend,
vindt een heel ander gerecht....--Welnu, beste vrienden, met deze
modernisatie van Sancho's spijtig avontuur is meteen het
compositorisch-zonderlinge van Pittah's "Eerste Deel" aangewezen, de
diepe breuk in de samenstelling van het boek blootgelegd. Laat mij
pogen dit alles nu even door bewijsvoering te verduidelijken. De eerste
drie hoofdstukken verhalen van de lotgevallen en de daden van menschen
en dieren, en vele van de latere hoofdstukken doen hetzelfde, maar de
eerste drie doen het op een heel andere manier dan de latere. In de
eerste drie is de verhaaltrant zóó, dat wij, zooals we tot nu toe bij de
lezing van alle mogelijke werken gewend waren, nagenoeg heel onze
belangstelling mòesten concentreeren op de menschen en slechts een klein
overschotje dier belangstelling op de dieren; in de latere is precies
het tegenovergestelde het geval. Aanvankelijk denken wij een verhaal
over zekere menschen te gaan lezen, waarin, gelijk in zoovele boeken,
die reisbeschrijvingen of jachtverhalen bevatten, de dieren wel een
vrij gewichtige rol vervullen, maar de hoofdrol allerminst; hebben
wij echter het "Eerste Deel" achter den rug, dan merken we plots dat
"de rollen zijn omgekeerd." Of sterker en nog meer naar waarheid gezegd:
eerst zijn de dieren het decor en de menschen de spelers, later zijn de
dieren de spelers en de menschen het decor. En met zulk eene
geringschatting wordt van dan af het menschelijk materiaal door den
auteur beschouwd, dat hij de menschfiguren ook daar waar zij als
spelers optraden, achteraf als décor behandelt, zoodat je tot je
hevige verwondering--die dan ook helaas de lezing van het boek overleeft
en als iets hinderlijks met je schoonste herinneringen er aan blijft
vermengd--nooit meer één syllabe hoort van Harry of de mannen, die hem
redden. Ah! denk je spijtig en gekwetst: voor het verdere verloop van
het spel is het kasteel [p.220] Weedon-Scott[6] noodig, nu wordt in de
pauze de brug-Harry door de tooneelknechts op rollen weggeschoven en
achter de coulissen gebracht ....--En het gezicht dezer plots
openscheurende breuk tusschen het "Eerste Deel" en de latere
hoofdstukken schokt den aanschouwer zoo hevig, dat onze hongerige Sancho
Panza nauwelijks meer verbaasd en ontstemd kan zijn geweest, toen hem
voor zijn neus zijn bord werd weggekaapt. Maar deze ééne oorzaak van
ontstemming in den lezer is in werkelijkheid door drie factoren gevormd.
Ten eerste: het gevoel, alsof men drie hoofdstukken lang voor de mal is
gehouden, 't geen niet zoo heel kort voor een "gijntje" is! Ten tweede:
de omstandigheid dat breuklooze eenheid in den voedingsbodem elk
aesthetisch genotsgevoel zijn voornaamste voedsel en kracht geeft,
verbrokkeling daarentegen van dien bodem het verschrompelen doet. Ten
derde: dat de mensch in den lezer het nooit verdraagt, de
menschelijkheid in een boek achteruitgeschoven te zien voor iets
anders. Desnoods heeft hij er vrede mee, dat zij van den aanvang af,
vóór zijn aandacht in het geding kwam, aan iets anders ondergeschikt
werd gemaakt, mits dat andere hem dan maar hevig boeit; maar hare
vernedering onder zijne oogen, in zijn bijzijn duldt hij niet. Eens
zijne belangstelling gewekt door menschelijkheid op een zeker plan van
het werk, eischt hij onverbiddelijk, dat die menschelijkheid minstens op
dàt plan gehandhaafd blijft en zeker vergeeft hij niet, dat, zooals hier
met Harry e.s. gebeurt, zij wordt weggebezemd en weggespoeld naar een
ondergrondsch gootje. Want gebeurt dit wel, dan vindt hij den schrijver
ook een beetje kinderachtig, dat is: niet ernstig en met slechts
weinig verantwoordelijkheidsgevoel, en tevens acht hij zijn daad een
gevolg van een tekortkoming in zijn talent. Waarmee hij gelijk heeft,
ook hier. En daarmede ben ik van zelf aan het punt gekomen, waarop het
mij mogelijk is, te doen wat ik in mijn vorig artikel beloofde: te
spreken over "zekere karaktertrekken van London's schrijversfiguur" en
over [p.221] de "beminnelijke, kinderlijk-naïeve manier," waarop zich
bij hem "het blufferig-gewikste langs een omweg uit." Welnu: London
is--te oordeelen ook naar andere werken, die ik van hem las, De
Zeewolf en Elam Harnish[7]--nooit een werkelijk en groot
menschenschepper geweest. En houdt men dit in het oog, dan begrijpt
men tevens, hoe hij tot zoo zonderlinge en foutieve compositie als de
door mij gewraakte kwam. Want ware hij waarlijk een groot
menschenschepper geweest, dan had hij ook die wijd-omvattende,
onpersoonlijke menschheidsliefde moeten bezitten, die voor zulk een
volstrekt onmisbaar is, en hàdde hij die liefde bezeten, dan zou hij ook
nooit het element menschelijkheid in zijn werk op zoo
onbewust-geringschattende wijze hebben kunnen behandelen als hij
deed.--Maar na dit te hebben gezegd, zie ik wel aan jelui jong-open
schildknapen-gezichten, dat je 't nog heelemaal niet met mij eens zijt
en in je zelf denkt: "En die prachtig-machtige figuren van Wolf Larsen
en Elam Harnish, die u-zelf daar noemde, meneer v.C?" En ik antwoord:
beste vrienden, juist aan die twee figuren zie ik, dat hij geen
menschenschepper is; dat hij niet zoo zeer een beminnaar van
menschelijkheid is als wel een beminnaar van ééne menschelijke
eigenschap, die der kracht, der geestelijke en lichamelijke kracht.
Hij schept geen grooten mensch, maar hij personifieert groote
kracht, zulk eene die zoo groot is, dat zij heroïsche afmetingen
heeft aangenomen. De capaciteit aldus eene eigenschap te personifieeren,
is geen geringe; zij vooronderstelt in den bezitter-zelf heroïsche
kracht. Alleen: het is de kracht van den grooten menschenschepper niet,
want deze doet met alle of vele eigenschappen der menschelijke ziel, wat
gene slechts met een enkele doet. De menschenschepper van heroïeken
aanleg schept een Mensch, die toch een mensch is, d.w.z. een
veel-zijdigen Mensch, gelijk ook elke wiensch immers voor [p.222] den
liefdevollen begrijper veelzijdig zal blijken; een geniaal schrijver van
heroïeken aanleg, die echter geen menschenschepper is, als London,
schept daarentegen een eewzijdige personificatie. Een Balzac schept
Menschen, een London goden--goden, dat wil immers ook zeggen:
volstrekt- of relatief-eenzijdige personificaties van menschelijke of
natuur-krachten--en wat het aardige en kenschetsende is: onmiddellijk,
van hun geboorte af, worden die goden zìjn afgoden tevens! En ziedaar:
nu heeft ons meteen ons eigen pad naar het "omwegje" geleid, waarop "het
blufferig-gewikste zich op beminnelijke en naïeve wijze bij London uit."
Naïef en beminnelijk--zeker: London is, niet zoo grof, voor eigen
persoonlijke kracht te knielen; evenmin zoo dwaas, de kracht,
gewikstheid en onoverwinnelijkheid en al dergelijk fraais juist het
volk, waarvan hij een zoon is, bij uitsluiting van alle andere naties
toe te kennen. Neen, hij heeft de beminnelijke en kinderlijke
naïveteit van den primitieven en godenscheppenden mensch. Hij
vindt kracht en ietwat blufferig vertoon ervan nu eenmaal
verrukkelijk--ook in het booze, en hij schept zich een waarlijk
vorstelijken Duivel: Wolf Larsen, en knielt voor hem. Hij vindt
kracht, gepaard aan een soort van heroïsche, bovenmenschelijke
gewikstheid nu eenmaal pràchtig--ook in het goede, en hij schept zich
een snelvoetigen handelsgod, een Mercurius, met de vuisten en de
gewelddadigheid van een Mars--maar hoe deze twee dan ook in
werkelijkheid één zijn, heeft ons niets zoo goed als dèze tijd
geleerd!--: Elam Harnish. Hij vindt kracht mooi--ook in der dieren
sfeer, en ziedaar: hij schept Pit-tah, den Heroischen Hond! Maar zoo
werd wat zijn zwakheid in dit boek is tevens zijn sterkte erin: wijl
hij geen groot en werkelijk menschenschepper is, was hij in staat zóó
beslist en voor zoo langen tijd zijn blik van de menschen af te
wenden, en omdat hij een verheerlijker van de kracht is, spoorde dit
mede hem aan zoo liefdevol het dier te bezien, dat hij gevoelde tot
haar levend Beeld te kunnen maken.--En nu ten slotte: dat hij knielt
voor alle drie, èn voor Larsen èn voor Harnish, èn voor Pittah
niet minder, en ze bewonderend zit te bekijken dag na dag en van den
ochtend tot den avond, dáárin kunt [p.223] ge een bewijs te meer zien,
zoo ge dit nog behoeft, dat zijn eigenlijke aard niet die eens
menschenscheppers is. Die is minnaar maar tevens beheerscher van zijn
wereld. Hij leeft wel er in, maar tevens er boven. Ook London heeft
zijn wereld lief en leeft erin, maar haar beheerscher voelt hij zich
niet. Hij is er niet "tevens boven," maar integendeel: er tevens
beneden: hij kijkt er tegen op.--Hiermede meen ik nu mijn
tweevoudige belofte te hebben vervuld. En een echt "verkwistende
diamantbewerker" als ik nu eenmaal ben, ga ik, na mijn eenen schuld te
hebben afgelost, onmiddellijk een tweeden aan: in nog een of twee
artikelen zullen wij het nu verder onverdeeld-prachtige Pittah, naar ik
mag hopen weder genietend bezien.


       *       *       *       *       *


IV

De soort en hoedanigheden der psychologie. De dramatiek.


Gelijk London als schepper van eenzijdige personificaties als ware 't
een overgangsvorm vertegenwoordigt tusschen den van allen
figuur-scheppenden aanleg ontblooten schrijveren den grooten
menschenschepper, zoo blijkt ook in verreweg het grootste deel van zijn
zielkundigen arbeid in ons boek, zijne psychologie tot wat men eene
tusschensoort zou kunnen noemen te behooren. Men kan namelijk m.i. alle
in literair figuurscheppend kunstwerk voorkomende psychologie naar hare
herkomst in drie groepen verdeelen; met andere woorden: er blijkt ons,
dat psychologisch begrijpen op drie hoofdwijzen mogelijk is. Die, welke
wij de eerste wijze zullen heeten, omdat zij de schoonste en machtigste
want meest omvattende is, is de intuïtieve: het begrijpen uit het
onbewuste; het begrijpen zonder bewuste poging daartoe; de ontvangenis
van het inzicht als een geschonken openbaring. Deze wijze van
psychologisch doorgronden, zij moge als intermitteerende gave ook geen
enkelen der kleinere kunstenaars onbekend zijn, is toch, als eene
geheel het werk karakteriseerende eigenschap, slechts bij de
allergrootsten te vinden. Zoo mocht dan ook Balzac haar de zijne noemen,
en ik [p.224] spreek u juist van hem, eerder dan van een zijner
evenknieën, omdat niet alleen uit zijn wèrk blijkt, dat bij op dèze
wijze psychologisch-begreep, maar hij ook heeft medegedeeld, dat en hoe
hij 't vermogen daartoe bezat. Ik doel hier op eenige weinige, maar veel
van hetgeen ik hier zei practisch toelichtende woorden uit zijn Facino
Cane, en 't zij mij veroorloofd de vertaling daarvan even uit mijn
eersten bundel Over Literatuur over te schrijven:

     Bij mij was het opmerken intuïtief geworden,[8] het drong door
     tot in de ziel zonder het lichaam te verwaarloozen, of beter
     gezegd: het doorgrondde zoo goed de uiterlijke détails, dat het ook
     onmiddellijk hun keerzijde begreep; het gaf mij het vermogen zelf
     het leven van het individu te leven, met wien het zich bezighield,
     door mij te veroorloven mij in zijn plaats te stellen, zooals de
     derwisch der Duizend en een Nacht lichaam en ziel aannam der
     personen over wie hij zijn tooverformulier uitsprak.

Noemde ik deze wijze de schoonste en machtigste, de daaraan
tegengestelde is niet slechts haar contrast, omdat zij de minst machtige
van de drie is, maar vooral wijl zij die van het bewust-begrijpen is,
het eindelijk-bereiken van het inzicht na vele wel-bewuste pogingen
daartoe, en dus niet de ontvangenis van het inzicht maar de
verovering ervan. Bij de eerste is zien en begrijpen één--hoe goed
teekent Balzac het plotse en wonderlijke gebeuren ervan als hij
zegt: "zooals de derwisch lichaam en ziel aannam der personen over wie
hij zijn tooverformulier uitsprak"--bij de tweede ontstaat het
begrijpen pas uit een min of meer langdurig denkproces; bij de eerste
wordt de psycholoog degeen dien hij begrijpt: hij begrijpt dien ander
uit dien ander-zelf; bij de laatste vergelijkt de psycholoog
dengeen, dien hij wil begrijpen, met zichzelf en begrijpt dien
ander--natuurlijk veel minder volkomen--uit zich-zelf. En nu is het
zeer opmerkelijk te zien, hoe ook hier weer de wijze, welke tusschen
deze beide ligt, die van London is: hij doet als eerste van een zekere
reeks psychologische inzichten vaak eene intuïtieve vondst, maar dan
houdt weer voor een wijl alle intuïtie bij hem op [p.225] en op dien
eenen intuïtieven grondslag bouwt hij dan vervolgens, aldoor
klaarblijkelijk puttend uit vergelijking met eigen psychische werkingen
en uit wat hem van elders uit de zielkundige behandeling van een
soortgelijk onderwerp bekend is, zijne verdere inzichten op, en dat
soms in een betoogachtigen trant, die levendig herinnert aan de
werkwijze der wijsgeerige logica: daar als premisse: het axioma;
hier als premisse: het intuïtieve inzicht.--

Zoo is het psychologisch doorgronden, dat het jonge wolfje den ingang
van het hol als "een muur van witheid" ziet,[9] een geniale en
intuïtieve vondst, maar bijna al het overige wat, in verband daarmede en
buiten dat verband, over het zich ontwikkelende bewustzijn van het jonge
wolfje wordt vertèld, is een naar de sfeer van het dierleven
overgebracht stuk psychisch menschenleven, zooals men zich dat altijd
heeft voorgesteld te zijn in de allereerste maanden, de
zuigelingmaanden, der ontwikkeling. Er treft hier niets als een geniale
vondst, die je een schok van bewondering zou geven, maar men wordt eene
koele schoonheid van geleidelijke ontplooiing gewaar, waarin men zich
kalm vermeit. En zoodra men terdege zijne gevoelens ontleedt, dan merkt
men, dat men wel bij eene vondst, als die van den "muur van witheid,"
het trillende en emotionneerende mooi der intuïtieve psychologie heeft
ontmoet--bewonderenswaardig èn door haar adelaargelijke, bliksemsnelle
manier van ontdekken èn door wat zij ontdekt--maar bij al dat andere
niet anders heeft genoten dan de strakke schoonheid van het logisch
denken, en wel die bepaalde soort ervan, welke men het logisch
hèr-denken zou kunnen noemen, dat niet schoon is door het vreemde, het
nieuwe, het bijzondere van wat het vindt, maar louter door zijn wezen
van logisch-denken-zelf; zooals voor een dalbewoner, die met een
verrekijker gewapend, een bergbestijger naoogt, die bergbestijger niet
schoon is door de schoonheid van den berg dien hij bestijgt, maar door
het menschelijk mooi van moed, lenigheid, spierkracht, en zekerheid, dat
tot zijn wezen behoort en zich toont in zijn gang en houding. En als
[p.226] ge nu eens goed en duidelijk het onderscheid wilt voelen--ik
hóóp althans, dat ge 't zult kùnnen--tusschen het schokkende,
overstelpende schoon der intuïtief-psychologische vondst en het
kalme, zich geleidelijk ontplooiende mooi der logische redenatie, die
een psychologisch verhandelinkje ten beste geeft, dan moet ge even het
einde van blz. 48 en het begin van 49 lezen. Ziehier (het wolfje
staat--op het punt van in zijns moeders afwezigheid het hol te
verlaten--in den "muur van witheid", in den uitgang):

     Een groote vrees bekroop hem. Dat was nog meer van het vreeselijke
     onbekende. Hij hurkte neer op het uiterste randje van het hol en
     keek de wereld in. Hij was erg bang. Omdat het hem vreemd was, leek
     het hem een gevaar. Daarom stond zijn haar op zijn rug overeind en
     trok hij zijn lippen op in een poging tot een woest en
     vreesaanjagend gegrom. Uit kleinheid en angst daagde hij de heele,
     wijde wereld dreigend uit.

Hebt ge goed op dit stukje, hebt ge vooral goed op den door mij
gecursiveerden zin gelet? Op dat levende en levendige psychologisch
besef èn besef van verhouding? Trof u niet die laatste zin vooral, als
eene schitterende vondst, èn in doorgronding èn in zegging...?--Lees
nu even verder, een enkelen regel maar:

     Er gebeurde niets.


     Hij bleef kijken en in zijn belangstelling vergat hij te grommen.
     Hij vergat ook bang te zijn. Vrees was tegelijk door Groei
     overwonnen, terwijl Groei den vorm van Nieuwsgierigheid had
     aangenomen.[10]

Dit laatste, niet waar, is louter het koeler mooi van het scherpzinnig
logisch-psychologisch verhandelen; de toon is interessant-doceerend en
gij-zelf komt in een staat van leerling-gewillig mooi-vinden. Deze
regels zijn dan ook voortzetting en slot van het een bladzij vroeger
gehouden betoogje: hoe "instinct en wet gehoorzaamheid van hem eischen,"
maar "de Groei, ongehoorzaamheid," zijn moeder en Vrees hem terughouden
van den "witten muur" en Groei daarentegen hem erheen drijft. En toch,
door uw koeler mooivinden heen voelt ge een warmer genot aanluwen: ja,
ziet ge, zooals ik reeds zei, ge hebt wel die ontleding der eerste
ontwikkelingsverschijnselen van het bewustzijn al zoo dikwijls gehoord,
maar wat ge nooit hadt gehoord of gelezen, is wat de schrijver hier
ermee doet: die ontleding toepassen op het bewustzijn van het dier.
Dit nieuwe, dit gewaagde en geslaagde nieuwe is het dat er die warmer,
die inniger bekoring aan geeft. Onze kunstenaar modelleert hier het
kostbare en zware kleed van oude logische schoonheid tot het
verrukkelijk past om de statuur van een nieuwen drager: een nieuw
gegeven....--Anders gezegd: de belichtende zon is helaas niet uit
zijn scheppershanden gekomen, maar de nieuwe vruchtvariëteit, die ge
ziet rijpen in 't licht, dankt wel degelijk aan zijn hovenierschap haar
ontstaan....--

       *       *       *       *       *

Maar dan: heel dat koel docent- en verhandelaarsachtige verliest London,
zoodra hij gelegenheid krijgt zijne waarlijk-geweldige dramatische
kracht in 't spel te brengen; dan vergeet hij alles wat door anderen
geleerd is omtrent mensch- of dier-psychologie. Hij wordt de geniale
ontdekker en de stralend-levende beelder. Zie hem de sexueele
liefde dramatisch behandelen: het gevecht tusschen de drie
mannetjes-wolven om het wijfje. Hoe is hier alles leven en
waarachtigheid, in dien hoogen zin, dat het leven er zich in een nieuwer
en smetteloozer glans van waarheid ont-dekt; hoe krijgt hier het
vluchtig, hartstochtelijk en spannend moment een aspect van statig
eeuwigheidsleven, doordat de diepste grond der sentimenten wordt gezien.
Hier wordt niet geredeneerd, niet verhandeld; elke observatie van den
auteur is raak, want intuïtief en bliksem-hel door hem zelf gezien,
zóó gezien, dat in het uiterlijkheidsleven het innerlijk ligt onthuld.
Het is de waarlijk-lèvende, schèppende psychologie, die geen spraak
behoeft, omdat zij zichzelf beeldt; die geen logische denkmanier heeft
van noode, omdat zij de spontane logica, de logiek van het
natuurleven-zèlf is....

[p.228] Zie eens den ouden wolf in zijn ervaringswijsheid gebruik
maken van het oogenblik, dat zijn nog overgebleven jonge mededinger hem
onachtzaam de onbeschermde bocht van zijn hals toewendt, om in één
scheurenden ruk den grooten slagader door te bijten; zie de wolvin,
gevleid door het haar huldigende doodelijke minnespel "lachend"
zitten toekijken op het besneeuwde veld.... En is het u niet bij die en
de vele dergelijke tooneelen of op de u woest voorbij gezwaaide toorts
der dramatiek nu waarlijk de vlam der psychologie de verre
duisters doorschicht?

Let ook op de dramatiek der ouder- en kinder-liefde: de moeder roovend
de jongen uit het hol van de lynx, om in den tijd van hongersnood haar
nog overlevend wolfje te voeden; het gevecht met de lynx; of Pittah na
'n jaar zijn moeder weer ontmoetend: hij springt haar vroolijk tegemoet,
zij--een wolfmoeder vergeet haar jongen van een vorig jaar--herkent hem
niet meer en haalt hem vinnig den kop open. Lees, bij het allereerste
ontstaan van het jacht-instinct bij het jonge wolfje, zijn avonturen op
den eersten dag: na en nog midden-in al het docentachtige, geleerde
verhandelen over de eerste ontwikkelingsgang in het diertje, wordt door
de dramatische spanning van het door den kunstenaar London gebeelde
gebeuren, ook de kunstenaar in den psycholoog London gewekt: het vecht
en moord-genot in volle hevigheid van trillend leven in de ziel van het
wolfje voelt ge na: als hij het nest met de jonge vogels vindt, ze
verslindt en daarna den kamp met het moeder-sneeuwhoen onderstaat; zijn
schrik en zijn begrijpen van wat dit ook hem te leeren heeft, als hij
een "gevederde pijl", een havik, ziet neerschieten, het sneeuwhoen
grijpen en met het angstkrijschende dier in de klauwen opwaarts vliegen;
met nog op het einde dier magnifieke eerste-dag-episode, die scène van
moederliefde, als de wolvin haar kind, dat dreigt door een wezel te
worden doodgebeten, nog net bijtijds redt.--Bedenk ook wat een
prachtig-gave dramatiek en dus ook dramatisch zich uiten de
psychologie aan den dag treedt in dat tooneel tusschen den ouden wolf
Eénoog, verscholen achter pijnboomen, de lynx en het stekelvarken:

     [p.229] Een half uur verliep--een uur--en er gebeurde niets. De
     stekelbal had, wat onbewegelijkheid betreft, best van steen kunnen
     zijn, de lynx van marmer; en de oude Eénoog had een dood dier
     kunnen wezen. En toch waren de drie dieren vol intense spanning en
     nooit waren zij meer levend geweest dan toen zij dood schenen.

     Eénoog bewoog zich eventjes en staarde met toenemende spanning. Er
     gebeurde iets. Het stekelvarken had eindelijk geloofd dat zijn
     vijand was weggegaan. Langzaam, voorzichtig ontrolde het zijn
     ondoordringbare wapenrusting--geen kwaad vermoedende.

Of let eens op heel dat hartstocht- en conflict-volle leven van Pittah
te midden der hem vijandige jonge honden in het Indianenkamp, en later
onder de tyrannie van den half-krankzinnigen, gedegenereerden "Mooien
Smit." Het is geen toeval dat juist de dramatiek in dit boek den
levenden en oorspronkelijken dierpsycholoog London pas in zijn
volle kracht doet verschijnen. Handeling van het dier lijkt ons
immers wel de eenige toegangspoort, waardoor wij tot zijn ziel kunnen
geraken, en wanneer die handeling culmineert in het conflict, staat
die poort wel het wijdst open. En dus, zoodra we dit bedenken, vergeven
we onzen schrijver graag, dat waar de felle, aan conflicten rijke
handeling nog ontbreekt, hij meer logische redeneeringspsychologie dan
levende, intuïtieve zielkunde geeft. We vergeven hem, maar--vergeten
daarom nog niet, dat de mèèst geniale intuïtie geenerlei toegangspoort
van noode heeft....--.


       *       *       *       *       *


V

De "groote lijn" in het werk.


Is London's verdienste als psycholoog en dramatisch beelder van het
dierleven dus groot, hij zou er geen aanspraak op kunnen maken, de
grondlegger, en naast St. Mars, Chisholm e.a. een der meest beteekenende
schrijvers van het moderne dier-epos te zijn, indien hij niet [p.230]
waarlijk in Pit-tah een dier-epos hadde gegeven; indien hij niet
naast en doorheen de détails, ook de groote lijn in het oog hadde
gehouden en, niet tevreden met losse en, zooals de Engelschman ze noemt:
thrilling sketches uit het dierleven, een weloverwogen en, die eene fout
welke wij vroeger hebben opgemerkt daargelaten, uitstekend gecomponeerd
geheel had geschapen, dat opgang, middaghoogte en neergang van een leven
omsluit; een geheel, dat ook--en dit bedoel ik vooral met "de groote
lijn"--de geboorte, de stijging en den climax eener bepaalde gedachten-
en voorstellingengroep bevat. De gedachten-en voorstellingengroep
namelijk: hoe een natuurlijk-woest maar toch ook met liefdevollen aanleg
begiftigd dier, door de mishandeling der menschen en omstandigheden tot
een wezen van ònnatuurlijken en duivelschen haat vergroeit en hoe dan
weer de psychische verwrongenheid van datzelfde dier zich effent, recht
en opbloeit, onder den weldoenden invloed van goede menschen en gunstige
omstandigheden. Hierdoor heeft het boek een dieperen geestelijken
achtergrond gekregen, en men zal nimmermeer in verbeelding de vele
kleurige en boeiende tooneelen kunnen herzien, die zich afspelen vóór
dien achtergrond, zonder zich dien zelf als het allerschoonste te
herinneren. Want daar was, achter al dat wisselend en fel gebeur, een in
den aanvang nog ijl-wazig en vaag vertoonen, een vertoonen, dat zich
verduidelijkte al meer en meer, zoo dat het was, of elk tooneel, elke
figuur, als in bevallig spel, vóór te verdwijnen een lichtje neerzette
en achter liet, tot op het eind dat ijl-wazige en vage in den glans van
al die lichtjes hel-verklaard stond, en wij opgetogen begrepen wat het
ons wilde zeggen, neen wat het ons meer dan gezègd, wat het ons in en
door al die tooneelen had gebeeld: zich-zelf; want dóór heel dat
gebeuren bleek het nu voor onze oogen stillekens te zijn gegroeid, in
heel dat gebeuren zich langzamerhand te hebben verwerkelijkt, zoodat
wij eindelijk zagen wàt het is: de voorstelling, hoe en waardoor de
liefde ook in het meest hatende wezen dringt, hoe en waardoor zij dit
vervormt tot iets van zich-zelf, en het daarmee meteen al het hoogst
voor hem bereikbare geluk brengt.--

[p.231] Dit karakter van ons boek: een verhaal van de overwinning der
liefde te zijn, staat weliswaar in niet-prettige tegenstelling tot het,
betrekkelijkerwijs gesproken, kleine menschscheppend talent en den
geringen ernst, waarmede de figuur is gebeeld--de mijn-expert Weedon
Scott--die voor Pittah de personificatie dier zijn haat overwinnende
liefde is. Het is dan ook misschien wel het moeilijkste dat er bestaat:
de liefde, zelfs maar eenigszins, te personifieeren, zonder een tikje
zoetelijk te worden--de figuur van "Mooien Smit," den duivel van
Pittah's hel, is dan ook beter geslaagd--maar omdat deze minder gelukte
menschbeelding voorkomt in een dierverhaal, en het dier- en
natuur-verhaal in onze meer-onbewuste verbeelding aan het sprookje is
verwant, waarin wij, zooals van zelf spreekt, 't nooit zoo nauw met de
levenswaarheid der menschkarakters hebben genomen, oefent deze
omstandigheid zoo min als de slecht-romantische toevalligheid van de Jim
Hall-episode op het einde, een bepaald-storenden invloed uit; en op stuk
van zaak verhóógen déze tekortkomingen misschien nog wel de bekoring van
het verhaal, die immers over 't algemeen aan het kinderlijk-aanvallige
der naïveteit niet vreemd is.--En hiermee zij dan de behandeling van
Pittah de grijze Wolf beëindigd.


Noten:

[0] Men zie het Voorwoord bij het didactisch gedeelte van mijn eersten
bundel Over Literatuur, mede ter verklaring van den gemeenzamen stijl en
de moraliseerende uitweidingen in de volgende artikelen.--

[1] Pittah, De Grijze Wolf, door Jack London, naar het Engelsen door
S.J. Barentz-Schönberg.

[2] Een en ander heb ik indertijd in Het Jonge Leven aan één fabel uit
het Pancatantra en één uit Aesopus gedemonstreerd. De beschikbare ruimte
liet mij echter niet toe, ook hier beide verhalen te citeeren.

[3] Men zie hierover Herman Gorter's vermaarde essai: Kritiek op de
Literaire Beweging van '80 in Rolland.

[4] Cursiveering van den schrijver.

[5] ibidem.

[6] De laatste meester van Pittah, een ingenieur, die een liefdevol dier
van hem maakt.--

[7] Uitsluitend in Het Volk, dus in vertaling, maar kon ik derhalve,
zooals ik op blz. 213 zei, niet met afdoende zekerheid beslissen aan
wien, schrijver of vertaalster, de toen gesignaleerde beeld- en
taalmalligheden waren te wijten, het is duidelyk, dat de thans
aangewezen schrijverseigenaardigheden onmogelijk die der vertaalster
zouden kunnen zijn.

[8] Cursiveering ran mij.--

[9] Cursiveering van mij.

[10] Cursiveering van mij.


       *       *       *       *       *


[p.232]
BEATRIJS [1]


Inleiding

I


Welk een enorme sprong! Van Pittah, de grijze Wolf, naar--de sproke
van Beatrijs.... Van den modernen Amerikaan uit het land van
fabelachtige weelde en den ongebreidelden levenshonger der felle
aarde-genieters, naar den middeleeuwschen smachter-naar-God, den
hemel-verwachter en -verlanger, den sobere van zeden en behoeften; van
den dichter van het dier-epos naar dien van het God-verheerlijkend
dicht. De afstand moge hem het grootst lijken, die gewend is de dingen
louter naar hun uiterlijk te waardeeren, toch: wat 'n sprong! En ik wil
je allen wel zeggen, dat ik hem 'n twintig jaar geleden niet zou hebben
gewaagd, bevreesd als ik zou zijn geweest, dat ik, na mijne heldendaad
mij omwendend, mijn heele mij zoo dierbare gezelschap van volgelingen
zou hebben gezien, zich wringend van 't lachen aan de overzijde van den
oversprongen afgrond, en, in stede van mij te volgen, mij uitjouwend om
mijn malle daad. "Wie heette jou te springen, jij nar," zoo zouden mijne
geliefde vakbroeders en -zusters mij ongetwijfeld achterna-gehoond
hebben, "wie heette jou te springen [p.233] van uit ons moderne
goed-beloopbaar landje, òns
landje-van-Multatuli-Büchner-kracht-en-stof-Dageraads-atheïsme, enz.
enz. enz., naar dat ongelukkige strookje drijfzand van middeleeuwsch
bijgeloof, waar je je dood om kan gieren als je 'r alleen maar 'an
denkt; dien dommen tijd, toen ze zoo niks wisten en aan God en den
duivel, aan spoken en heksen geloofden. Dag! We groeten je, veramuseer
je in je eentje!" ....--En nòg, nù, nà die twintig jaar, en terwijl het
plàt- en stòm-materialistisch getij zoo heerlijk aan het verloopen is,
nòg zou ik geaarzeld hebben; want, moge er al eene enorme verbetering
zijn ontstaan, woont niet nog altijd de arbeider aan den zelfkant van
het geestelijk leven? Welk een storm moet niet zelfs heden ten dage in
het centrum opsteken, wil hij daar aan dien uitersten zoom, een vleugje
voelen tegen het hoofd! Maar, lieve vrienden en vriendinnen, schoon ik
derhalve wel weet, dat velen uwer nog altijd veel te vol van eene
zonderlinge levenszekerheid zijn; dat het leven hen nog immer al te
raadselloos is, en dat hunne zekerheid òf door eene naïeve
onwetendheid wordt gedragen, òf door de, overigens natuurlijke, pratheid
op het jonge bezit van wat uitsluitend practisch-maatschappelijke kennis
wordt gestut, wat kennis, die vaak--en hoe kan 't anders na zoo
zorgelijke jeugd!--zoo weinig om het lijf heeft, dat ze zich heel het
leven precies zoo naakt, zoo open en duidelijk denkt als
zichzelf--ofschoon ik dit alles wel weet ... daar werd me een boekje
gezonden met de vraag: "Zou je dat niet eens willen behandelen in Het
Jonge Leven?" Ik bekeek het boekje en toen, onmiddellijk, werd mij de
verzoeking al te groot: òf ik 't wilde, en hoe graag! En bovendien: ik
bekeek ook den breeden rug van den zender en bedacht plots met gnuivend
genoegen, dat die best de helft zou kunnen dragen van mijne misdaad, te
spreken over mystiek, middeleeuwsch godsgeloof en een middelnederlandsch
gedicht. En zoo besloot ik, u met dit alles--schoon niet dan
betrekkelijk vluchtig--op het lijf te vallen. Hoe het boekje heette, ja
dat weet ge nu al; uw nieuwsgierig gezicht geldt natuurlijk den breeden
rug.... Welnu ... maar sjt! hoor ... die rug was van Henri Polak....--


Noot:

[1] Naar aanleiding van: "Beatrijs, Het Middelnederlandsch Gedicht in
Proza naverteld" door B.J. Spitz. "De Zonnebloem" Apeldoorn, 1916.



       *       *       *       *       *


[p.234]
II


Bijna immer wanneer de menschelijke geest een van zijne hoogste en
felste helderziendheden bereikt, ontkomt hij niet aan eene
verblinding. Die verblinding en helderziendheid bestaan dan
gelijktijdig met elkaar. Hij is als een hemel die blind wordt aan zijn
zonneoog als zijn sterren-oogen gaan glanzen. Men spreekt van de
eenzijdigheid sommiger genieën; over de zedeloosheid, het heenloopen
over, en vertreden van alles--behalve hun kunst--van sommige groote
kunstenaars; maar dat eenzijdige en die zede- en gewetenloosheid, zij
zijn van niets anders het gevolg dan van die verblinding welke hunne
helderziendheid begeleidt. Men bewondert de groote mannen, van wie men
zegt, dat zij hun gansche leven lang heel hun wilskracht, heel hun
kunnen op één machtig doel concentreerden en door niets daarbuiten zich
lieten afleiden, máár--denkt men dan werkelijk, dat iets hen had kùnnen
afleiden? Begrijpt men dan niet, dat deze helderzienden van, en daardoor
geboeiden door, dit ééne, blind waren voor al 't andere? En ook elke
tijd--voor zoover hij niet middelmatig was--vertoont, als
complex-van-geestelijkheid beschouwd, die
helderziendheid-èn-verblinding. De negentiende eeuw, die eeuw van
wetenschappelijke stofvergoding, die tijd van weergalooze ontdekkingen
op het gebied der exacte wetenschappen en techniek: hàre helderziendheid
in de analyse werd vergezeld van blindheid voor de allerhoogste
synthese: al te gelukkig slagend in de ontleding--en niettemin voor hoe
klein een deel zelfs daar!--van het stoffelijk samenstel der wereld, had
zij bijna volkomen het innerlijk en innig-ziend gezicht op den Eenenden
Grond van 't Al verloren. Vandaar indertijd--als drab van toch heel
kostbaren wijn--uw vergoding van sommige Multatulianismen, ùw ontkenning
van alles wat ge niet stoffelijk zaagt bestaan.--Anders, neen juist het
tegenovergestelde, de middeleeuwen, waarheen ons huidig onderwerp ons
voert. Daar bestond juist de helderziendheid in het onderkennen van
den Eenenden Grònd, die tevens de innerlijke [p.235] Hèmel van de
menschenziel is, en de blindheid openbaarde zich, in de
geringschatting van, ja de minachting voor het aardsche-als-zoodanig,
het uiterlijke en vooral: het innerlijk-aardsche. Groote daden vlamden
op uit dien tijd, die het kenmerk van dèze helderziendheid-en-blindheid
droegen: de kruistochten, trots al hunne ontaarding; de kruistochten,
ònzaliger maar toch wel degelijk ook zaliger nagedachtenis, mengsel van
afgrijselijke bestialiteit en duivelsche wreedheid, maar ook van een in
onzen tijd bijna ondenkbare godsliefde als zij waren. En zoete gedachten
bloeiden op uit dien tijd ... ach neen, het zijn geen gedàchten, het is
een voelen, dat zwijmelt van liefde; het is een wierook, die maar één
vat ontstijgen kan: de reinste ziel. De groote Jan van Ruusbroec bouwt
er zijn cathedralen van proza, zijne tuinen van
proza--vergoddelijkt-geziene natuurbeelden--vàn én er om heen, en de
"hemellawerke" Hildewijch weeft er droomig en vurig-in-haar-droom, haar
zoete, stil-gestemde, wazig-glorende zangen van, ziet er, als scherp
omlijnde vlamfiguren uit een wemelend vuur, ook haar visioenen aan
ontstijgen.[2] Beiden spreken van, leven in en voor de "minne"; voor
beiden is het leven: liefde: tot God; liefde, die vaak door vreeselijken
strijd--als is dit niet bij Ruusbroec het geval--en uitputtende
worstelingen heen, God als 't ware noopt zich in de Hem lievende ziel te
verwerkelijken, zoodat zij één wordt met Hem, zoo niet "in naturen" dan
toch "in minnen"[3]; beiden spreken dezelfde taal, het woord dier zoete
erkentenis van 's menschen wordende goddelijkheid, waarvan alle volken
eens de waarachtigheid hebben gevoeld. Het is één [p.236] gevoel, dat
van de Indische Gîta, van den Hebreeuwschen Sjirha-Sjirim, van Ruusbroec
en van Hildewijch. Het is het gevoel der mystiek in zijn hoogste
potentie. Hoe begrijpt men dan ook, dat deze twee Grooten en Schoonen
juist door den Sjirha-Sjirim, het Lied-der-Liederen, zoo werden
verrukt.--

       *       *       *       *       *

Het is het levensgevoel der mystiek, wat deze allen gemeen hebben, zei
ik. En tevens duidde ik vluchtig aan, hoè dat levensgevoel zich aan de
voelers-zelve en door hun werken aan ons openbaarde. Maar zoo ge mij
zoudt zeggen, dat ge daaraan niet genoeg hebt en eene zuivere en
scherp-omlijnde definitie begeert, wel dan zou ik U moeten antwoorden,
dat ge een dwaas verlangen uit en ik wel een heel erg ijdele poseur en
droogstoppel zou moeten wezen, om aan dat verlangen toe te geven. Een
dergelijke definitie zou slechts den naam, niet het wezen definieeren,
en zij heeft groote kans, juist omdat hier het wezen zoo hoog en ver aan
zijn naam is ontgroeid, den weetgierige op een dwaalspoor te brengen.
Ja, zelfs al de etymologie van het woord, die terugvoert naar een
Grieksch, dat zooveel als ingewijde in een geheim-symbolischen
gods-dienst beteekent, zou u onmiddellijk aan de-hemel-mag-weten welken
hokuspokus en toovenaarachtige ritualiën doen denken. En nochtans--hoe
ver is de mystiek, waarvan we hier spreken, van dergelijke dingen
verwijderd. Indien ik al met nog ièts mijn woorden van zooeven op dezen
oogenblik kan verduidelijken, dan, dunkt mij, kan het alleen dit zijn:
de mystieke levensstaat is: te leven in zulk een allerzuiverste en
allerinnigste liefde tot God, dat de aldus in volle overgave lievende
mensch zieh zijn eigen wezen voelt ontglippen en verloren gaan in het
wezen Gods, en, in stede dus van zich-zelf langer te voelen of te
kennen, God kent. Dit is de Mystiek, dit is de mystiek van het
Lied-der-Liederen, van Ruusbroec en van Hildewijch.... En voor thans
zij er hier genoeg van gezegd. Want konden ook deze weinige woorden
moeielijk gemist [p.237] worden ter inleiding van de bespreking en het
begrijpelijk maken van het religieus gevoel, waaruit de wonder-teere en
zoete sproke van Beatrijs is opgebloeid, toch zijn diè mystiek en dat
religieus voelen, ofschoon men, en terecht, ook dat van mystischen aard
acht, niet één. Maar de eerste verhoudt zich hier tot het laatste,
zooals een ding zich tot het vermogen om dat ding te beelden
verhoudt, of een daad tot het vermogen om van die daad te
verhalen. Immers: de beelder van een ding en de verhaler van een
daad, moeten wel, verondersteld dat hunne beelding en hun verhaal goed
zijn, een zeer diep en klaar inzicht in de natuur van dat ding en die
daad hebben, maar daarom bezitten zij-zelf de eigenschappen van dat ding
nog niet, en daarom zijn zijzelf nog niet in staat die daad te doen. En
zoo nu, dunkt mij precies, de verhouding tusschen Ruusbroec en
Hildewijch eenerzijds en den onbekenden dichter der Beatrijs
anderzijds. De eersten zijn mystieken en hun werk is, in zijn hoogst
bereiken, een mystiek-gebeuren--dat is dus eene versmelting in liefde
van de menschenziel in God--; de laatste is een aanschouwer en
doorproever van een mystiek gebeuren en zijn werk is een beelding
daarvan, en goed beschouwd is het zelfs dit niet zuiver, maar beeldt het
voornamelijk een gevolg van een in een mensch ten deele zelfs
verleden en verwelkte mystieke liefde, zij het een allerschoonst en
heerlijk gevolg: een "mirakel," waarin een incarnatie van het
Goddelijke, de "soete en suivere Maghet" voor een zwak geworden en in
haar Godsliefde te kort schietende non, den last opneemt en het werk
verricht, door haar van zich geworpen en verlaten ....--Maar dan ook
juist daarom: omdat dit dicht--dat tot de schoonste nalatenschap der
middeleeuwen behoort--niet uit het allerhoogste mystieke
levensgevoel-zelf is geschreven, doch er niet meer dan een reine
nà-klank van is, leek het mij ook als uw eerste in-leiding in die meest
verheven sfeer der middeleeuwsche letterkunde niet al te zwaar. Waarbij
nog dìt komt: in de Beatrijs wordt vooral dàt moment in het mystieke
gebeuren gebeeld, waarop, zooals ik reeds zooeven aanduidde, de liefde
van een mensch tot het Goddelijke verflauwt, en het Goddelijke, in
overgroote genade, uit eigen onbegrensde [p.238] liefdeschat de
ontstane leegte vult, en welnu: dàt moment juist vindt zoo diepen
weerklank in het hart van ons: moderne menschen. De pure en
standvastige zielen van Ruusbroec en Hildewijch staan ver van ons ...
maar het vallen-en-opstaan van Beatrijs, het vallen-en-opstaan, dàt is
het ònze. In Beatrijs ontmoeten de heilige en zondaar elkaar ... in wien
onzer doen zij dit niet? Het is dan ook daarom een algemeen menschelijk
verhaal, deze vertelling van de non, die heimelijk haar klooster
verlaat, om de stem harer aardsche liefde te volgen; die later in de
laagste ontucht leven zal en voor wie in hare afwezigheid de "Fonteyne
boven alle wiven" Maria, in de gedaante der ontrouwe, veertien jaar lang
dier dagelijksche taak waarneemt, zoodat hare zonde "bedekt wordt voor
der menschen oogen" en zij later, zat van aardsche vreugde en leed,
weer, onverdacht van elke smet, tot haar oude klooster inkeeren kan en
een heilig leven hervatten. Het is een verhaal van háár, maar óók--van u
en mij; van háár tijd maar ook van de ònze. Het is een ééuwig
verhaal....--Luister! luister even, hoe het als ware 't de schoonst
denkbare verluchting is van dat troostrijk woord, dat vier eeuwen later
de groote Milton neerschreef:

    . . . . . . . . . . . . . . . . .
    Or, if virtue feeble were,
    Heaven itself would stoop to her.

Dat is toch ook onze hoop, niet waar, of we 't ons willen bekennen of
niet, en wàt ons ook de hemel lijkt en wie ook onze God is: in onze
onvermijdbare zwakheid toch zóó sterk te blijven, dat we 't geschénk van
méérdere kracht niet onwaardig zijn. In onze onontkoombare slechtheid
toch zoo naar-'t-goede-strevend te blijven, dat we de ontkieming in ons
van zuiverder goedheid niet onwaardig zijn--gelijk in haar zwakte
Beatrijs streefde en bleef. Laat ons dan diep en geduldig in dezen
spiegel zien, vrienden.... De volgende maal zal ik een aanvang maken met
het verhaal-zelf te bespreken om dan vervolgens de Middel-Nederlandsche
Beatrijs met deze Navertelling en de Beatrijs van Boutens critisch
te vergelijken, en wellicht zult ge dit dan toch niet geheel
ongenietelijk vinden.


Noten:

[2] Men kan ze vertaald vinden in De Beweging, Juni en Juli '17, door
Albert Verwey. Bij het lezen harer "Geestelijke Liederen" kan de
dissertatie van Dr. Johanna Snellen van groote waarde zijn, en de
daarbij gevoegde woordenlijst doet zeker het eventueel gemis van een
Middelnederlandsch woordenboek minder gevoelen.

[3] Terloops zij hier even opgemerkt, dat met deze beperking: niet "in
naturen", Ruusbroec de opgaande lijn zijner mystiek breekt en haar
verhindert den top te bereiken, waarheen de groote mystiek van heel de
wereld altijd heeft gestreefd. Of zijn rede hem hiertoe bewoog, zooals
Prof. Kalff zegt, en niet veeleer de Roomsche kerkleer?...



       *       *       *       *       *


[p.239]
III

De Middelnederlandsche  Beatrijs


Ik ga dus thans allereerst van de Middelnederlandsche Beatrijs verhalen.
Zal ik sòms den inhoud wat kort moeten samenvatten, een ander maal zal
ik weer wat uitvoeriger kunnen zijn. Citaten zullen mijn verhaal
verlevendigen en om het verstaan dier Middel-Nederlandsche aanhalingen
te vergemakkelijken, zal ik naast den aangehaalden tekstregel, die
geheel of gedeeltelijk verklaring of vertaling behoeft,
woordverklaringen plaatsen. Vermeden wordt immers hiermede het lastig
en storend gekijk naar den voet der kolommen, waar anders soortgelijke
toelichtingen staan. Een cijfertje achter het te vertalen woord of den
geheelen regel, hetzelfde cijfer voor de vertaling of verklaring, op,
voor zoover althans typographisch mogelijk, dezelfde linie, en wij zijn
op 't makkelijkst geholpen.--Het spreekt vanzelf, dat, indien ge belang
mocht stellen in zekere bijzonderheden, die de herkomst van ons
verhalend dicht betreffen, zooals, bijvoorbeeld: wèlke naar alle
waarschijnlijkheid de boeken waren, waarvan, zooals ge onmiddellijk zien
zult, in den aanvang van het verhaal sprake is, ik volstaan kan met U
naar literatuurhistorici als Te Winkel en Kalff te verwijzen, of naar de
tekstuitgave, met toelichting en woordenlijst, van Jonckbloet. Hunne
desbetreffende mededeelingen hier over te schrijven, zou ruimte kosten
en heeft niet den minsten zin, daar zij uw begrijpen en genieten van het
aloude gedicht-zelf in geen enkel opzicht zouden kunnen versterken, en
juist dat begrijpend-genieten het eenige is, waarom het mij, thàns als
immer, te doen is. Welaan dan, luistert!

Na eene korte vermelding van de redenen, die hem tot dichten nopen,
verklaart de schrijver het mirakel van Beatrijs gehoord te hebben van
een "out ghedaghet man," die het verhaal in zijne boeken [p.240] had
gevonden. Beatrijs dan was "hovesch (beschaafd, welgemanierd) ende
subtyl (fijn) van seden," en de dichter meent, dat men haars-gelijke
tevergeefs zou zoeken. Nochtans dunkt het hem niet voegzaam over hare
lijfelijke schoonheid uit te weiden; liever vertelt hij van hare
dagelijksche taak in 't klooster. Na dit gedaan te hebben vaart hij
voort:

    Dese joffrouwe en was niet sonder
    Der minnen1), die groot wonder [1) de liefde]
    Pleecht te werken achter1) lande.1) [1) 1) overal].

en schildert welsprekend de onweerstaanbare macht en dwang der liefde.
En, zegt hij, als men daaraan denkt, dan zal men wel inzien, dat:

    Hier omne en darfmen niet veronnen1) [1) Men hierom niet mag hard vallen]
    Der nonnen, dat si ne conste ontgaen1) [1) de non, dat zij niet kon ontkomen aan]
    Der minnen, diese hilt1) gevaen;1) [1) hield gevangen]
    Want die duvel altoes begheert
    Den mensch te becorne1), ende niet en cesseert,2) [1) te verleiden. 2) en houdt niet op]
    Dagh ende nacht, spade ende vroe,
    Hine doetersine macht toe.1) [1) Doet hij er zijn best voor]
    Met quader liste, als hi wel conde,1) [1) zoo goed hij kon)
    Becordise1) met vleescheliker sonden, [1) bracht hij haar in verzoeking]
    Die nonne, dat si sterven waende.

Ik heb twee woorden in den voorlaatsten versregel gecursiveerd: ge ziet,
onze dichter windt er geen doekjes om. Het is dan ook een der schoonste
eigenschappen van dit middeleeuwsche gedicht, dat het allerminst zijne
verhevenheid ontleent aan de wegdoezeling van de nooden en zorgen der
nederigste menschelijkheid en van het dagelijksche leven. Het laat het
licht van zijn mirakel schijnen over den gansch niet vermooiden bodem
der maatschappelijke en gewoon-menschelijke [p.241] realiteit. En schoon
deze eigenschap, gelijk nog zooveel anders, U wel het duidelijkst zal
opvallen, wanneer wij er aan toe zijn, deze Middelnederlandsche met
Bouten's Beatrijs te vergelijken, wilde ik er toch reeds thans uwe
aandacht op vestigen en zal ook daarmede voortgaan.

Afgestreden, voelt Beatrijs nu, niet langer in het klooster te kunnen
blijven:

    Ic moet leiden een ander leven,
    Dit abyt1) moet ic begheven.2) [1) kloosterkleed. 2) afleggen]
    Nu hort hoeter1) na verghinc: [1) hoe het haar]
    Si sende om den jonghelinc,
    Daer si toe hadde grote lieve,
    Ootmoedelyc met enen brieve,
    Dat hi saen1) te hare quame, [1) spoedig]
    Daer laghe are sine vrame1) [1) Daaraan zou ook hem veel gelegen zyn.)
    Die bode ghinc daer de jonghelinc was.
    Hi nam den brief ende las,
    Die hem sende sijn vriendinne.
    Hoe was hi blide in sinen sinne!
    Hi haeste hem1) te comen daer. [1) zich]
    Sint dat si out waren .XII. jaer
    Dwanc1) die minne2) dese twee, [1) Dwong. 2) liefde]
    Dat si dogheden1) menech wee, [1) leden]

Ook hier weer--in mijn cursief--de onverbloemde menschelijkheid: met
eene aardsche en onverwonnen liefde in 't hart, is Beatrijs het
kloosterleven ingetreden, en zij heeft Jezus dus wel met den mond maar
niet met het hart tot Bruidegom verkoren....--Niet alleen, dat de mensch
ons hierdoor des te menschelijker wordt, maar het mirakel wordt er een
van des te gòddelijker genade.

De jongeling is dus haastig kloosterwaarts gereden. Daar zeggen zij
elkander, hij vóór het getralied venster, zij erachter, onder heftige
bewogenheid hunne durende liefde. Hij stelt haar voor, haar mede te
voeren uit het klooster: wil zij hem den tijd zeggen, dat hij daartoe
wederkome, dan zal hij middelerwijl te haren behoeve allerhande fraaie
kleeren en het schoonste reisgerief koopen. Hij belooft, haar [p.242]
nooit te zullen verlaten, wat hun beiden in de toekomst ook moge
overkomen. Het antwoord is wat ge denken kunt; maar om de kunst,
waarmede ook in dit antwoord alle vooze overspanning verre gehouden
is, en om de erin héérschende reine kalmte eener ook kuische en sterke
liefde, welke in hare meest supreeme oogenblikken het contact met het
gewone dagelijksche leven en hare zorgelijke voorzienigheid niet
verliest, noch, trots hare overgave, eene maagdelijk-schroomvolle
terughoudendheid, zal ik het even voor u afschrijven. De verzen waaruit
dat alles blijkt, cursiveer ik--in het laatste cursief vindt ge die
maagdelijke schroom vol teederheid--.

    "Vercorne vrient," sprac die joncvrouwe,
    "Die1) willic gherne van U ontfaen2) [1) Het pand zijner trouw, 2) ontvangen]
    Ende met U soe verre gaen,
    Dat niemen wete in dit covent1) [1) klooster]
    Werwaert dat wi syn bewent.1) [1) heengegaan]
    Van tavont over .VIII. nachte
    Comt ende nemt mijns wachte1) [1) wacht mij]
    Daer buten in den vergier1) [1) boomgaard]
    Onder enen eglentier.
    Wacht daar mijns, ic come uut
    Endewille wesen uwe bruut
    Te varene1) daer ghi begheert [1) te gaan]
    En si1) dat mi siecheit2) deert, [1) tenzij, 2) ziekte]
    Ocht1) sake die mi si te swaer, [1) of]
    Ic come sekerlike daer,
    Ende ic begheer van U sere
    Dat ghi daer comt, lieve jonchere."

De jongeling gaat been, koopt de schoone kleederen en geschenken,
voorziet zich ook van vijf honderd pond zilver, rijdt op den afgesproken
tijd 's nachts weer naar het klooster en wacht daar Beatrijs in den
boomgaard.--De dichter zegt nu van hem te zullen zwijgen en te willen
verhalen, wat zij tezelfder tijd deed. Nadat zij hare gewone taak had
verricht en heel het klooster te ruste was gegaan,

[p.243]
    Bleef si inden coer1) alleene, [1) hof]
    Ende si sprac haer ghebede,
    Alsi te voren dicke1) dede. [1) dikwijls]
    Si cnielde vorden outaer1) [1) altaar]
    Ende sprac met groten vaer:1) [1) vrees]
    "Maria, moeder, soete name,
    Nu en mach mine lichame
    Niet langer in dabijt1) gheduren2) [1) het kloosterkleed. 2) rustig blijven]
    Ghi kint wel in allen uren
    Smenschen herte ende syn wesen:
    Ic hebbe ghevast ende gelesen,
    Ende genomen discipline1) [1) en mij gekastijd.]
    Hets1) al om niet dat ick pine2) [1) Het is. 2) mij pjjnig.]
    Minne worpt1) mi onder den voet, [1) De liefde werpt mij]
    Dat ic der wereld dienen moet.
    Alsoo waerlike als ghi, here lieve
    Wort gehangen tusschen .IJ.1) dieven, [1) twee.]
    Ende aent cruce1) wort gerecket,2) [1) kruis. 2) uitgerekt, gemarteld]
    Ende ghi Lazaruse verwecket,
    Daer hi lach1) in den grave doet,2) [1) lag. 2) dood]
    Soe moetti1) kinnen minen noet,2) [1) moet Gij. 2) nood.)
    Ende mine mesdaet mi vergheven;
    Ic moet in swaren sonden sneven!"

    Na desen ghinc si uten core
    Tenen1) beelde, daer si vore [1) naar een]
    Cnielde, ende sprac hare ghebede,
    Daer Maria stont ter stede.
    Si riep: "Maria," onversaghet,
    "Ic hebbe u nachtende dag geclaghet
    Ontfermelike mijn vernoy,1) [1) verdriet, ongeluk.].
    Ende mi nes niet te bat een hoy!1) [1) en het heeft my niets geholpen]
    Ic werde mijns sins te male quijt1) [1) Ik zou mijn verstand geheel verliezen]
    Blivic1) langher in dit abijt2) [1) Bleef ik. 2) Kloosterkleed]
    Die covel1) toech si ute al daer [1) kloosterlingen-hoofdkap]
    Ende leidse op onse vrouwen outaer.1) [1) altaar]
    Doe dede si ute hare scoen.
    Nu hort watsi sal doen.
    Die slotele vander sacristien
    Hinc si vor dat beelde Marien;....

[p.244]In mijn cursieven vindt ge--en gelieve daar ter dege op te
letten--den heftigen strijd tegen de aardsche liefde in Beatrijs. Hier,
zooals ik u reeds zei, worstelen de heilige met den zondaar ... de
arme hartstocht-gezweepte mensch, die zoo gaarne heilig en onbevlekt zou
willen zijn en het niet kan!....--Slechts met een schamel onderkleed
aan, treedt zij nu ten klooster uit, en vindt haar lief in den
boomgaard;--hij geeft haar de medegebrachte kleederen en sieraden, zij
verkleedt zich, dan rijden zij heen. Aanschouw nu even die heenvaart,
beluister de overdenkingen, die zij wekt in Beatrijs, zooals zij gebeeld
en gezegd worden in het hier geheel door een gedempt-flonkerenden gloed
van oude schoonheid overwaasde, en zoet-melodieuse, bijbelsch-naïeve
verhaal van onzen dichter:

    Doe1) cussese die jhonghelinc [1 Toen]
    Vriendelike aen haren mout.
    Hem dochte, daer si voer hem stont,
    Dat die dach verclaerde.
    Haestelic ghinc hi tsinen1) paerde. [1) naar zijn]
    Hi settese1) vor hem int ghereide.2) [1) zette haar. 2) zadel]
    Dus voren si henen beide
    Soe verre, dat begon te daghen,
    Dat si hen nyemen1) volghen saghen. [1) niemand]
    Doet1) began te lichtene int oest2) [1) Toen het. 2) oosten]
    Si seide: "God, alder werelt troest,1) [1) troost]
    Nu moeti1) ons bewaren, [1) moet Gij]
    Ic sie den dach verclaren!
    Waric met U niet comen uut,
    Ic soude prime1) hebben gheluut,2) [1) priemtijd. 2) geluid]
    Als ic wilen1) was ghewone [1) vroeger]
    Inden cloestere van religione.1) [1) In het Godgewijde klooster]
    Ic duchte mi1) die vaert sal rouwen; [1) Ik vrees]
    Die werelt hout soe cleine trouwe,1) [1) de trouw der wereld is zoo gering]
    Al hebbic mi ghekeert daer an;1) [1) al heb ook ik mij tot haar gekeerd]
    Si slacht den losen1) coman2) [1) sluwen. 2) koopman]
    Die vingherline1) van formine2) [1) ringen. 2) waardeloos metaal]
    Vercoept voer guldine."1) [1) goudene]

[p.245] Gij ziet hier weer--. in mijn eerste cursief--hoe Beatrijs
zich tot God wendt. Zij is niet als die dwazen, die zeggen: ik heb te
zwaar gezondigd, ik kan nooit weer terugkeeren; doch niet alleen dat zij
voelt, dat eene zonde, die een mensch voor altijd van den Grond der
Wereld zou kunnen scheiden, niet bestaat, maar sterk in het
bewustzijn, dat zij met alle kracht heeft gestreden, doch nu eenmaal
door de liefde mòest overwonnen worden, vraagt zij God haar zelfs op den
zòndigen tocht te beschermen! Dit is diep Godsvertrouwen en diepe
wijsheid meteenen, en als wij ons dit later herinneren, dan zullen wij
ook des te makkelijker begrijpen, waarom juist Beatrijs de redding door
een mirakel had verdiend, hetgeen tevens zeggen wil,--en dáárom vestig
ik, uw letterkundig onderrichter, uw aandacht op dit alles--dat wij dan
ook verstaan, welk een sterk compositeur en psychologisch bouwer
onze dichter is. De plechtige muziek der twee gecursiveerde regels,
beginnend met "Nu moeti"--wat deze betreft: ik kan u slechts waarschuwen
dat zij er is ... verder sta ik machteloos ... men hoort dat of men
hoort dat niet. En zoo is 't ook gesteld met de beide regels van mijn
tweede cursief; ik weet niet welk een donkere weemoed van betreurend
terugzien hen ontstijgt en zich breidt over hen.... Is het de
sonoor-diepe klank der beide O's, vergalmend in de wegduisterende
uit-gang van het vrouwelijk rijm?... Is het 't archaistisch
in-het-verleden-verlorene van het woord "religione"? Ik weet niet,
maar wat ik wel weet is, dat de beelden, de muziek en het weergeven van
Beatrijs' betreurenden twijfel--let op mijn derde en vierde
cursief--volmaakt zijn.--Intusschen, Beatrijs heeft natuurlijk niets
liever, dan van haar twijfel en angst te worden bevrijd, en daar zorgt
haar minnaar dan ook wel voor. Hij werpt de in hare woorden besloten
verdenking verre van zich: zij kan er zeker van zijn, dat niets hen zal
scheiden dan de dood; ware hij eene keizerin waardig, sinds hij Beatrijs
lief heeft, zou hij zelfs zulk een hooge Vrouwe niet begeerd hebben. Zij
zullen ook nooit gebrek behoeven te lijden: de "Vc pont wit
selverijn", (de vijf honderd pond blank zilver) die hij heeft
meegenomen, zijn haar eigendom. (Merk ook hier [p.246] weer, hoe het
verhaal zich, in de beelding van het menschelijk gebeuren, op den bodem
der werkelijkheid blijft handhaven). De gelieven komen nu op hun rit
schoone landen en bosschen voorbij, en, alweer zuiver menschelijk door
den dichter gezien: den jongeling wordt zijn verlangen te sterk:

    Die jonghelinc sach op die suverlike1) [1) zuivere, kuische maagd]
    Daer hi gestade minne toedroech;
    Hi seide: "Lief, waert U ghevoeh,1) [1) welgevallig]
    Wi souden beten1) ende bloemen lesen: [1) afstijgen]
    Het dinct mi hier scone wesen;
    Laet ons spelen der minnen spel."1) [1) het spel der liefde]

Waarop Beatrijs hem dit verontwaardigd antwoordt:

    "Wat segdi", sprac si, "dorper fel1), [1) onbeschaamde, lompe kerel]
    "Soudic beten1) op dat velt, [1) Zou ik afstijgen]
    Ghelijc enen wive die wint gelt
    Dorperlyc1) met haren lichame, [1) snoodelijk]
    Seker soe haddic cleine scame!
    Dit en ware U niet ghesciet1) [1) Dat zoudt ge mij niet hebben voorgesteld]
    Waerdi van dorpers aerde niet.1) [1) Indien ge niet de aard van een boersch-ruwen kerel hadt]
    Ic mach mi bedinken onsochte,1) [1) Mij grieft die gedachte]
    Godsat hebdi diet sochte!1) [1) Ge verdiendet dat God's haat U trof]
    Swighet meer deser tale,1) [1) Houd voortaan zulke taal voor u]
    Ende hort die voghele inden dale,
    Hoe si singen ende hem vervroyen,1) [1) zich verheugen]
    Die tijt sal U te min vernoyen.1) [1) De tijd (dat ge nog wachten moet) zal U dan minder verdrieten]
    _Alsic bi U ben al naect
    Op een bedde wel ghemaect,
    Soe1) doet al dat U ghenoecht,2) [1) Dan. 2) aangenaam is]
    Ende dat uwer herten voeght;1) [1) En dat U lust]
    Ic hebs in mine herte toren
    Dat ghijt mi heden leit te voren._

[p.247] Zie nu eens, vrienden, hoe zuiver-mooi dit alles is: in weinig
trekjes, louter in de woorden door Beatrijs-zelve gesproken, slaagt
onze dichter, zonder eenige toelichting zijnerzijds, erin, haar
geheele reine innerlijk ons te doen zien. Hij sprak van "vleescheliker
zonde" zooeven--wij verstaan nu, dat dit "vleeschelike" in haar, niet
sexueele lust beteekent, máár: lichamelijk verlangen, gewekt door de
geestelijk-menschelijke liefde tot haar lief! Sla nog eens op, hetzij
in mijn eersten bundel Over Literatuur, hetzij in Het Jonge Leven,
wat ik indertijd over Geertje schreef! En zie het onderscheid tusschen
sexueele lust en sexueele liefde. Zijn Geertje en Beatrijs geen
zusters? "Zondigen" zij beiden uit overgroote liefde niet. Vereenigen
zich hier over den afgrond der eeuwen de beide zuster zielen niet? Bij
beiden spreidt de heilige-in-hen over de zondares-in-hen één
waardigheid.... Dit wat het eerste cursief betreft. Wat het tweede
aangaat: dit is grof en plat, nietwaar?... Ja, het is bijna even grof en
plat--schoon op geheel andere wijze en in oneindig edeler
sfeer-van-gebeuren--als die mededeeling van Dante in zijn Hel, dat de
Overste der duivelen het sein voor zijne trawanten om op te trekken gaf,
doordat hij "van zijn achterste een trompet maakte." Onze dichter had
Beatrijs ditzelfde anders kunnen doen zeggen en Dante had ditzelfde
anders kunnen zeggen. Zij deden het niet. Waarom? Om deze eenvoudige
reden, denk ik: Als men iets weergeeft of afbeeldt, moet men dat op zoo
eenvoudige èn sterke wijze doen als maar mogelijk is, want mede
dáárdoor zal de uiting het best bij de geconcipiëerde waarheid
passen. De groote dichter, de groote schrijver handelt aldus van zelf;
moet aldus handelen. Waarom zou hij trouwens pogen het niet te doen?
Uit ethische overwegingen? Maar dat kàn toch niet: hij, die immers op
dien oogenblik de dingen op het verheven plan van noodwendigheid,
waarheid en schoonheid ziet, kan toch geen onreinheid bemerken,
daar op dat plan er geen onreinheid in wat ook aanwezig is. Ik sprak
van Dante in dit verband, maar had zeker met niet minder recht van den
Bijbel en àlle geweldig-groote literatuur kunnen spreken.--Keeren we tot
het verhaal terug. De jongeling schaamt zich en zweert, dat [p.248] hij
hiervan nooit meer spreken zal. Zij vergeeft het hem gaarne: al zou de
schoone Absalom nog bestaan, en zij er zeker van zijn, duizend jaren
gelukkig met hem te leven, zij zou voor hem haar lief niet laten. Ja,
zegt ze:

    "Waric1) in hemelrike gheseten, [1) Ware ik]
    Ende ghi in ertrike1) [1) Op 't aarderijk]
    Ic quame tot U sekerlike.

Om dan voort te gaan met deze psychologisch-prachtig door den dichter
aangebrachte wroegingswending:

    Ay God, latet onghewroken
    Dat ic dullyc1) hebbe gesproken [1) dwaselijk]
    Der minster vroude1) in hemelrike [1) de minste vreugde]
    En es hier ghene vroude ghelike;1) [1) Daaraan is nier geen vreugde gelijk.]

Waarna zij, na de hemelsche vreugde in nog eenige regelen geprezen te
hebben, in de innige, door mij gecursiveerde, vol van overvloeienden
weemoed en teederheid zich weer, als aanvlijend, tot haar lief keert:

    "Diere om pinen die syn vroet:1) [1) Die er voor zwoegen (om den hemel te verwerven) die zijn verstandig]
    Al eest1) dat ie dolen moet [1) is het].
    Endemi te1) groten sonden keren [1) tot]
    Dore U, lieve scone jonchere."

Terwijl nu het gesprek-der-verliefden tusschen hen heen en weder gaat,
vordert hun reis, en, zoo verhaalt nu de dichter kortelijk, komen zij
aan een stad, die schoon gelegen in een dal was. Zij bleven daar zeven
jaar en leidden er een weelderig leven. Maar eindelijk raakte het
medegenomen geld op, zoodat ze al hunne kostbaarheden moesten verpanden
of voor de halve waarde verkoopen, en toen ook dit alles was opgeteerd
wisten zij niet meer waarvan te leven. Zij verstond geen enkel
ambacht--teekenend is hier, hoe de dichter klaarblijkelijk [p.249]
als van zelf sprekend aanneemt dat de lezer wel zal begrijpen, dat de
rijke minnaar geen loonende bekwaamheden bezat!--en tot overmaat van
ramp, dreef schaarschte de prijzen der levensmiddelen omhoog. Hun trots
verbood hen, anderen om brood te vragen. En het weer zeer natuurlijke
en gewoon-menschelijke gevolg van dit alles was, dat:

    Die aermoede maecte een ghesceet1) [1) scheiding]
    Tusschen hen beiden, al waest hen leet.

(Een waarheid, die ook in den nieuweren tijd, blijkens het spreekwoord
"Leege kisten maken twisten" niet onbekend is). En toén bleek dat de man
niet die trouw en standvastigheid van ziel bezat, welke hij zich-zelf
had toegekend. Hij reisde terug naar zijn land en liet haar, in het
nijpendst gebrek, met "Twee uter maten scone kinder" achter.--En nu, o
mijne proletarische erfgenamen van dit schat-rijke legaat der
Middeleeuwen, vergunt, dat uw ietwat droge, boedelbeschrijvende notaris
hier zijn ceel onderbreke voor ditmaal!... Waarmede ik, in andere
woorden, zeggen wil, dat, schoon ik het betreur, middenin de behandeling
der middelnederlandsche Beatrijs te moeten pauseeren, dit nu eenmaal
niet anders kan, omdat ik al ver mijn ruimte heb overschreden.


       *       *       *       *       *


IIIa


Vrienden! even een waarschuwing en een raad vooraf! De--ondiplomatieke
--waarschuwing is: dit artikel is wat moeielijk! De raad: lees je-zelf
de "moeielijke" plaatsen vóór, met strikte inachtneming mijner
accenten en cursiveeringen. Dan hoor je ongeveer, wat ook ik,
innerlijk, heb gehoord. Dan zal het net zijn, of de schrijver-zelf of
een ander, die het stuk volkomen verstaat, het je voorleest, en je zult
zien: het gaat open voor je. Maak den geschreven inhoud tot een
jùist-gesprokenen en--ge begrijpt hem! Hoe ervaar ik dat op den
leesclub-cursus! (Maar het is trouwens een vaak
proefondervindelijk-[p.250] bewezen feit). Door de juiste intonatie,
waarmede ik--overigens afgrijselijk leelijk--een moeilijk maar schoon
vers voorlees, wordt dit ook door hen begrepen, die er daarzonder
allicht niet veel van zouden hebben gevoeld. En ofschoon bij u dat
met-de-juiste-uitdrukking-lezen, aanvankelijk niet anders dan een
als-machinaal volgen mijner accenten en cursiveeringen kan zijn--let
op mijn woorden: het wordt dra een begrijpen! Maar komaan, nu
beginnen we:

Thans door haar minnaar verlaten, vervalt Beatrijs tot de diepste
ellende en vernedering. Eerst willens gezondigd hebbende, wordt zij nù
gedwongen dat zondige te doen. Wat genot wàs, wordt nu de straf
van het genot. Noodbezwaard, verlaagt zij zich thans tot een publieke
vrouw, die van de opbrengst harer ontucht leeft. Die straf echter zoude
geen delgende en weldoende straf zijn geweest, indien ten eerste,
zij-zelf die niet als zoodanig hadde gevoeld, en, ten tweede, niet de
samenhang ervan met hare daden, d.w.z. de rechtvaardigheid ervan,
hadde beseft. Want hoe zoudt ge kunnen worden gelouterd door een
straf, die niet dan wrokgedachten in U wekt? Derhalve--en alweer zei
ik u dit alles slechts om de nu volgende literair-critische opmerking te
maken:--indien dus de dichter niet ervoor had gezorgd, dat Beatrijs èn
het een èn het ander begreep, dan zou hij een slecht en onwaarachtig
dichter zijn geweest, want in plaats van een figuur te scheppen, die
heilige en zondares is, zooals hij bedoelde, zou hij er slechts eene
hebben geschapen, die alleen zondares is en dat blijft; en niet alleen
dat die figuur dan niet zou hebben geleefd voor ons, in de sfeer van
het verhaal waarin zij geplaatst is, maar ook--en ik wees u reeds de
vorige maal op iets dergelijks--de begenadiging van haar met een
mirakel zou ons volkomen onverstaanbaar zijn geworden. En al naar
onzen aard zouden wij hebben gedacht, òf: dit alles is
quasi-dichterlijke malligheid, òf dit is een van die goddelijke
willekeuren, die geenerlei weerklank in mijn menschelijk gemoed
wekken. Doch luister nu maar even, hoe onze zuivere dichter daar wèl
voor gezorgd heeft, onze dichter, die, hoe vreemd de moderne term
toegepast op dezen naïeven middeleeuwer ook moge klinken, tevens een
waarachtig menschenschepper was.

[p.251]
    Si sprac: "Hets1) mi comen toe,2) [1) Het is 2) mij overkomen]
    Dat ic duchte spade ende vroe1) [1) laat en vroeg = altijd]
    Ic ben in vele doghens1) bleven:2) [1) lijden 2) achtergebleven]
    Die ghene heeft mi begheven,
    Daar ic mi in trouwen toe verliet.1) [1) Spitz vertaalt uitmuntend: "hy, op wien ik in volkomen overgave vertrouwd heb"]
    Maria, vrouwe, oft ghi ghebiet,1) [1) indien het u behaagt]
    Bidt vore mi ende mine jonghere1) [1)kinderen]
    Dat wi niet en sterven van honghere.
    Wat salic1) doen elendech wijf? [1) zal ik]
    Ic moet beide siele ende lijf
    Bevlecken met sondeghen daden.
    Maria, Vrouwe, staet mi in staden!1) [1) Sta mij bij]
    Al constic1) enen roc2) spinnen2) [1) kon ik 2) aan het spinrokken werken]
    Ic en mochter niet met1) winnen [1) ik zou er niet mede kunnen]
    In tween weken een broet,1) [1) brood]
    Ic moet gaan dorden1) noet2) [1) door den 2) nood (gedwongen)]
    Winnen buiten stat op toelt1) [1) buiten de stad op het veld]
    Met minen lichame ghelt,
    Daer ik met mach copen spise,1) [1) Waarmee ik voedsel kan koopen]
    Ic en mach in ghere wise1) [1) in geen geval]
    Mine kinder niet begheven."1) [1) hulpeloos laten]
    Dus ghinc si in een sondech leven;
    Want men seit ons over waer,
    Dat si langhe seven jaer,
    Ghemene wijf ter werelt ghinc,
    Ende meneghe sonde ontfinc,
    Dat haer wel was onbequame,1) [1) onaangenaam]
    Die si dede metten lichame
    Daer si cleine gheneuchte1) hadde in, [1) weinig genot, d.i.: in verband met het vorige "onbequame": geen genot]
    Al dede sijt1) om een cranc2) ghewin, [1) Zij het 2) gering]
    Daer1) si haer kinder met1) onthelt.1) [1) 1) Waarmee ... onderhield]
    Wat holpt al vertelt,1) [1) Waartoe dient het te vertellen]
    Die scamelike sonden swaer1) [1) Schaamtewekkende en zware zonden]
    Daer si in was .XIIII. jaer?

En ongetwijfeld, de dichter ziet het weer zeer juist in: hij hoeft ons
dat alles niet te vertellen en hij mag het zelfs niet, want dàn zou
[p.252] dit zoet-teere, heilige mirakel-verhaal al te zeer vergroofd
worden en daarmede onze zachte stemming van niet-smarteloos en óók
niet-vreugdeloos meeleven worden gedeerd. Wij moeten namelijk, zoo wil
de dichter het natuurlijk, wel menschen blijven, maar toch menschen,
zoo weinig hartstochtelijk-geschokt, dat we den uit zijn
mirakelverhaal neerdauwenden goddelijken vrede kunnen genieten!
Intusschen, ge hebt nu in de cursieven van mijn citaat de juistheid
kunnen ontdekken van al wat ik tevoren had gezegd. Beatrijs begrijpt de
samenhang van het haar treffende leed met hare daden, zij--iemand van
hare levensbeschouwing--begrijpt het dus als rechtvaardige straf. Zij
voelt: ze heeft niet alleen haar kuischheidseed gebroken, maar ook--zij,
de religieuse!--te zeer op een mènsch vertrouwd. Tevens zegt ons de
dichter, hoezeer zij haar leven als leed en straf voelt. Zij schept er
geenerlei behagen in. Dat alles kunt gij vinden in mijne cursieven. Maar
in één dezer is nòg een voorname schoonheid, waarop ik u wel
afzonderlijk behoor te wijzen: doordat onze dichter Beatrijs beeldt als
eene, die de zwaarste zonde pleegt ter wille van haar kinderen,
slaagt hij er in, hier zulk eene allerinnigste versmelting van
heilige en zondaar te bereiken, als hij tot dan nog niet had
bereikt.--

En dàn komt de wondere keer in haar leven:

    Als die .XIIIJ. jaer waren ghedaen
    Sinde1) haer God int herte saen2) [1) Zond 2) spoedig]
    Berouwenesse alsoe groet1) [1) groot]
    Dat si met enen swerde1) al bloet2) [1) zwaard 2) bloot]
    Liever liete haer hoet1) afslaen [1) hoofd]
    Dan si meer sonden hadde ghedaen
    Met haren lichame, alsi1) plach2) [1) 1) Zooals zij gewoon was]

Gij hebt dus nu deze twee dingen o.a., in ons gedicht zien gebeuren, die
ge, zoo ge u in het denkleven van onzen vromen dichter verplaatst,
aldus begrijpt: Beatrijs heeft genietend kwaad gedaan, en door
datzelfde kwaad wordt haar tot straf nu leed veroorzaakt. Beatrijs
heeft veel goeds bedreven--gebeden tot Maria; uit liefde gezondigd;
zich voor [p. 253] hare kinderen opgeofferd; haar hart kuisch
gehouden--en daarom wordt haar dit sterke berouw in 't hart gezonden.
Welnu, wat ge hier gezien hebt, is: een van de diepe begrippen der
godsdiensten, in een naief-schoon beeld belijfd. Het is het begrip dat
alles wat den mensch treft, tot hem wordt aangetrokken door zijn
eigen gesteldheid en zelfs iets van het aan-hem-zelf-ontstegene moet
zijn. Vergunt mij de poging, u dit alles duidelijk te maken door dìt
beeld: de regen, die op de aarde neerkomt, wordt aangetrokken door
haar; de regen, die op het dorstige land neerkomt, was ten deele eerst
dit land-zelf ontstegen, terwijl het dorren ging en onmachtig
werd. En toch, en niettemin, hoe schoon en diep eene gedachte dit zij:
in de denksfeer van sommige dierzelfde godsdiensten, welke, zich
veredelend, tot in het hart-zelve der Eeuwigheid schenen te dringen, is
er een veel zuiverder begrepenheid, in welks glans, de begrippen
"zonde", "straf" en "belooning" vale uiterlijkheden worden, een
vergane kleedij. En vóór het eind van dit artikel wil ik u toch ook
dáártoe iets nader brengen. Vervolgen we thans eerst nog ons verhaal.
Beatrijs bidt nu herhaaldelijk en vele dagen lang tot Maria en verlaat
daarop de stad van haar geluk en haar ellende.

    Si nam een kint in elke hant
    Ende ghincker1) met1) dor dat lant [1) 1) ging er mee]
    In armoede, van stede te stede,
    Ende levede bider beden1) [1) En leefde van aalmoezen]
    Soe langhe dolede1) si achter2) lant, [1) doolde 2) door het]
    Dat si den cloester weder vant1) [1) vond]
    Daer si hadde gheweest nonne;
    Ende quam daer savons na der sonne
    In ere1) weduwen huus, spade2): [1) eener 2) laat]
    Daer bat si herberghe dor ghenade
    Dat si daer snachts mochte bliven.
    "Ic mocht U qualyc verdriven,"1)  [1) Het zou mij slecht passen, U weg te jagen]
    Sprac die vrouwe, "met uwen kinderkinen;
    Mi dunckt dat si moede scinen,1) [1) blijken]
    Rust U, ende sit neder,
    Ic sal U deilen weder1) [1) Ik zal met u deelen]
    [p.254]
    Dat mi verleent onse here,
    Doer siene lieven moeder ere.1) [1) Zijn lieve Moeder ter eer]
    Dus bleef si met haren kinden,
    Ende soude gheerne1) ondervinden2) [1) gaarne 2) te weten komen]
    Hoet inden cloester stoet1) [1) Hoe het met het klooster ging]
    --"Segt mi," seitsi,1) "vrouwe goet, [1) sprak zij]
    Es dit covent van joffrouwen?"1) [1) Is dat een nonnenklooster?]
    "Jaet,"1) seitsi "bi miere trouwen2) [1) Dat is het 2) en ik geloof zeker]
    Dat verweent es1) ende rike [1) Dat er zeer ruim wordt geleefd]
    Men weet niewer1) sijns ghelike: [1) nergens]
    Die nonnen diere1) abijt2) in draghen, [1) die er 2) kloosterkleed]
    Ic hoerde nye1) ghewaghen2) [1) nooit 2) gewag maken]
    Van hen negheen gherochte1) [1) eenig (kwaad) gerucht]
    Dies1) si blame2) hebben mochten [1) waarvan 2) blaam]

Beatrijs verwondert zich natuurlijk grootelijks over deze mededeeling.
Zij denkt immers, dat hare schande: ter wille van een man het klooster
te hebben verlaten, wijd en zijd is bekend geworden, en
behoedzaam--merk hoe natuurlijk-levendig ook hier de dialoog is, en
overeenkomstig de situatie--poogt zij door tegenspraak eenige
opheldering van haar gastvrouw te krijgen. Zij had toch gehoord, zegt
ze, dat veertien jaar geleden een non, die kosteres was, heimelijk het
klooster verliet en men nooit vernam, in welk land zij leefde of
gestorven was. Maar nauwelijks heeft zij dit gezegd, of haar gastvrouw
wordt zeer boos en zegt, dat Beatrijs haar wel voor krankzinnig moet
houden, dat zij tegenover háár zóó durft lasteren: juist die kosteres,
van wie ze zoo schandelijk spreekt, is de deugdzaamste en
geestelijkst-levende non van alle kloosters, die maar tusschen de Elbe
en Gironde staan. Als Beatrijs het nog éénmaal mocht wagen, zoo iets te
zeggen, zal ze haar de deur wijzen. Beatrijs, hier voor 'n voor haar
onoplosbaar raadsel staande, verzoekt haar gastvrouw, haar de namen van
vader en moeder dier voortreffelijke kosteres te noemen. En dàn hoort
zij--die van hare eigen ouders!--Dien nacht eenzaam op haar kamer,
versmelt zij in tranen en gebed, en midden haar bidden door slaap
overvallen ziet zij een visioen, en een stem spreekt,tot haar:

[p.255]
    "Mensche, du heves1) soe langhe gecarmt2) [1) ge hebt 2) gekermd, gesmeekt]
    Dat Maria dijns1) ontfarmt; [1) zich over U]
    Want si heeft di verbeden1) [1) Zy heeft vergiffenis voor U afgebeden]
    Ganc1) in den cloester met haestecheden: [1) Ga]
    Du vints1) die doren2) openwide, [1) Gij vindt 2) de deuren]
    Daer du uut ginges ten selven tide
    Met dinen lieve, den jhonghelinc,
    Die di inder noet ave ghinc.1) [1) Die U in den nood verliet]
    Al dijn abijt1) vinstu2) weder [1) Kleederen 2) vindt ge]
    Ligghen opden1) outaer1) neder: [1) 1) op het altaar]
    Wile,1) covele2) ende scoen [1) Sluier 2) hoofdkap]
    Moeghedi1) coenlyc2) ane doen. [1) kunt gij 2) moedig, rustig]
    Des1) danc hoeghelike2) Marien, [1) Daarvoor 2) hoogelijk]
    Die slotele1) van den sacristien, [1) Sleutels]
    Die du vor tbeelde1) hincs1) [1) Het beeld hingt]
    Snachs, doe1) du ute ghincs, [1) toen]
    Die heeft si soe1) doen bewaren, [1) zoo]
    Dat men binnen .XIIII. jaren
    Dijns nye en ghemiste, [1) U nooit miste]
    Soe dat yemen daer af wiste. [1) Zoodat  niemand  er  iets  van  wist]
    Maria es soe wel dijn vrient,
    Si heeft altoes vor die ghedient
    Min no meer na dijn ghelike,1) [1) Geheel in uwe gedaante]
    Dat heeft de vrouwe van hemelrike,
    Sonderse1) dor2) di ghedaen. [1) Zondares 2) voor]
    Si heet1) di inden cloester gaen; [1) beveelt]
    Du en vints nyeman1) op dijn bedde [1) Gij vindt niemand]
    Hets1) van Gode dat ic di quedde2) [1) Het is 2) aanspreek]

Beatrijs, ontwaakt, twijfelt eraan, of het niet de duivel was, die haar
met bedrieglijk-hemelsche stem heeft toegesproken, om haar daardoor des
te dieper in het verderf te storten. Zij smeekt daarom God, dat indien
die stem waarlijk van Zijnentwege en ten goede tot haar kwam, zij zich
andermaal en ten derden male haar doe hooren. Dit gebeurt, weer verneemt
zij het troostend bevel, maar zij durft nog niet, zij kan het nog niet
wagen: de zaligheid en het wonder zijn haar te groot. Ten derden nacht
blijft zij nu wàken, en dan, terwijl [p.256] zich de nu veel dringender
bevelende stem weer doet hooren, wordt tevens de kamer van een geweldig
licht vervuld. Nu twijfelt zij niet langer, en dan schrijft de
eenvoudig-zuivere dichter dit stukje, waarvan ik u het schoonste en
diepst-ontroerende cursiveeren zal.

    Si seide: "Nu en darf mi1) niet twien2) [1) Nu mag niet ik meer 2) twijfelen]
    Dese stemme comt van Gode,
    Ende es1) der maghet Marien bode, [1) is]
    Dat wetic1) nu sonder hone; [1) weet ik]
    Si comt met lichte soe scone.
    Nu en willic1) des niet laten: [1) wil ik]
    Ic wille mi inden cloester maken;
    Ic saelt1) oec2) doen, in goeden trouwen, [1) zal het 2) ook]
    Opten troest1) van onser vrouwen2) [1) Met volkomen betrouwen op 2) Onze Lieve Vrouwe]
    Ende wille mijn kinder beide gader
    Bevelen Gode onsen Vader:
    Hi salse wel bewaeren."
    Doe toeeh si ute1) al sonder sparen2) [1) Toen trok zij uit 2) dralen]
    Haer cleder, daer sise met decte1) [1) waarmee zij hen dekte]
    Liselike1) dat sise niet en wede. [1) Zachtjes]
    Si cussesse1) beide aen2) haren2) mont; [1) kuste hen 2) 2) op hun]
    Si seide: "Kinder, blijft ghesont:
    Op den troest van onser vrouwen1) [1) Mij verlatend op onze Lieve Vrouwe]
    Latic1) U hier in goeder trouwen; [1) Laat ik]
    En hadde si mi niet verbeden,1) [1) Hadde zij het mij niet zoo overredend bevolen]
    Ic en hadde u niet begheven1) [1) niet verlaten]
    Om al tgoet1) dat Rome heeft1) binnen."2) [1) den rijkdom 2) bezit].

De dichter, zien wij dus, is er in geslaagd, op zijne eenvoudige en
naïeve wijze, de moederliefde, in beeld en handeling, zoowel te
midden van leed en vernedering, als te midden der overweldigende glans
eener goddelijke en miraculeuse redding, voor ons te doen leven. Zijn
opge-togenheid over de gòddelijke liefde heeft hem de smartelijke
vreugde noch den adeldom van de mènschelijke doen vergeten. Er is geen
grooter lof voor een dichter noch een mensch....--

[p.257] De volgende maal zullen wij de behandeling dezer Beatrijs ten
einde brengen--er volgt nog veel schoons--laat mij thans nog even
beproeven te doen wat ik straks beloofde. Ik zei: er is een religieuse
denksfeer in de hoogst-veredelde godsdiensten, waar de begrippen
"zonde", "straf" en "belooning" vale uiterlijkheden worden, een vergane
kleedij. En ik zou pogen U tot dit alles iets nader te brengen.--Welnu:
beproeft eens alles wat bestaat als uw gelijken te zien; poogt eens
U-zelf, gedurende weinige oogenblikken, van uw eerbied voor uwe
leiders en geestelijk-meerderen te ontdoen; poogt U-zelf van uwe
geringschatting voor uw minderen te ontdoen; denk aan niets, niets
anders, dan dat zij leven als gij, onderhevig aan ziekte zijn als
gij, speelballen van het lot zijn als gij; zie dan buiten den
geweldigen ring der menschheid naar de nog talrijker wezens, de dieren
en de planten die haar, òpstijgend en zich rekkend naar de levenszon,
omringen: weer ziet ge hetzelfde, zij leven als gij, zij sterven als
gij. Wat ziet ge dus als datgene, waarin zij alle samenkomen? Het
leven, de dood en de afhankelijkheid, niet waar? En wat ziet gij
als hunne onderlinge verschillen? Een, grovere of fijnere,
gradueering van hunne vermogens niet waar? Den een--bepalen we ons nu
tot de menschheid--noemt gij dwaas; den ander verstandig; een derde
wijs. Maar allen bij elkaar, de machtigen en de geringen, trots al hunne
onderlinge verschillen, ziet ge nu toch niet anders dan als heel kleine
kinderen, in de armen van dien éénen, oneindigen God-Vader, het Leven.
Denkt U nu eens, dat dit Goddelijke Leven de altijd door werkende
evolutionnaire tendenz heeft: van den dwaas een verstandige, van den
verstandige een wijze te maken; dat het Leven daartoe allerlei middelen
aanwendt, die òns aangenaam of omaangenaam aandoen; ja dat het
Leven-zelf met dat doel héél ons actief-zijn en heel ons
passief-zijn onverwrikbaar predestineert. En dan ziet ge plots en
duidelijk, dat wat wij "straf" noemden, slechts een van die òns
onaangename middelen ter opvoeding, ter verhooging, en nièts
ànders, is, en wat wij "belooning" noemden: een van die òns aangename
middelen, evenzeer ter opvoeding en verhooging en tot nièts ànders. En
hieruit begrijpt ge tevens [p.258] dat de termen "straf" en "belooning",
voor zoover men ze niet afgescheiden van het begrip "vergelden" kan
denken, hier ònjuiste termen zijn: het Leven vergeldt niet, dat doet
slechts de wraakgierige, of gevleide, of dankbare mensch. Het Leven
kent ook geen "zonden" en "deugden." Het kènt niet anders dan graden
van ontwikkeling, die in hoogere graden moeten overgaan; het wil
niet anders dan: groei.

Ongetwijfeld, ge bemerkt 't allicht nu reeds: hier rijzen tallooze
vragen, hier doemen tallooze moeielijkheden op. Welnu, ik wensch U,
moogt gij spoedig zoozeer groeien, dat gij U met hart en ziel aan het
vinden van een antwoord-voor-Uzelf wijden wilt.--Allicht zult ge nu
intusschen hebben begrepen--wat kan ik voor U zijn, als ge mij niet
kent?--dat wanneer ik, een aanhanger van deze religieuse en wijsgeerige
denkwijze, mij in de verhoudingen van: "straf", "belooning", "zonde" en
"genade" verdiep, ik dat alleen doe, om het wezen van een ander te
begrijpen, zooals hier dat van onzen middeleeuwschen dichter, maar dat
voor mij deze begrippen hebben afgedaan.


       *       *       *       *       *


IIIb


"Hoort wes (wat) si sal beghinnen," zegt nu onze dichter, na te hebben
verhaald, hoe Beatrijs hare kinderen verlaat, om zich naar het klooster
te begeven. En plots glimlachte mijne Verbeelding, en ik antwoordde den
dichter: "Ik hoor, maar--ik kan er u niet voor instaan, dat ook al die
vrienden, die ù ten deele door mìj heen hooren, nog naar U luisteren.
Gij moet namelijk wel weten, lieve Meester, dat zij--droevig gezwegen
van het vele andere, dat hen van U scheidt!--nog wel wat anders te
overdenken hebben in dezen treurigen tijd dan een schoon gedicht. Gij
kùnt er geen flauw begrip van hebben, o Zeer Zuivere, die allicht reeds
eeuwen in de stralende stilte van uw hemelschen droom aan de voeten van
Ruusbroec zit en naar zijne geheimenissen-onderrichtende stem hoort--gij
kunt er geen flaùw begrip van hebben in welk eene troebele
verwarring-der-duisternis wij leven.... "Welnu," onderbreekt gij,
onverfijnde-verfijnde, mij eensklaps schalk, [p.259] "den luister van
mijn licht ontbreekt 't dan althans aan donkeren achtergrond niet!" Ach,
lieve Meester, is mijn wederwoord, nu het U behaagt te schertsen, zie ik
U wel waarlijk als een, die te lang reeds in den hemel leeft, dan dat
hem de nooden der aarde, hoe goed hij ze vroeger ook kende, niet verre
en vreemde zouden geworden zijn. Niet elk licht brengt verlichting in de
aardsche sfeer.... En zoudt gij U dat niet herinneren?... Denk eens aan
de machtige kathedralen van uw tijd.... Als het er avondde en, gelijk
oogleden over slapensreede oogen, de nacht er over het lichten der
kleuren, het juweel- en goud-spiegelen der beelden en altaren was
gedaald, hoe zwak alhoewel schoon, hoe onmachtig en toch licht, blonken
dan al die teer-gele vlammetjes in hunne kleine heiligen-aureolen....
Gedenk dat, lieve dichter, en aanzie dan, hoe een schoon en
teer-wiegelend droomlichtje als het uwe nu eenzaam brandt in de
volksziel van mijn tijd ... een ziel die een kathedraal is, vol
droomende en wakende kleuren, kleuren van winter- en lente-hemels, van
stille en storm-zeeën; vol zinrijke beelden, juweel-bestarde altaren,
nissen vol geheimenis, pilaren vol kracht ... terwijl toch, door de
duisternis, waarmee reeds overlangen tijd de maatschappij-nacht dit
alles overdekt, niemand haar volle schoonheid en weidschheid kent, haar
biddende spitsbogen noch haar wondere vensters, die van het zonlicht,
zoo hen dat maar kon bestreden, een eigen schoon-spelende kleurenbrand
zouden maken.... Ja erger: zij zelve vangt nauw aan zich te kennen, en
dacht zich--zie deze tragedie, dichter--tot vóór geringen tijd een
werkplaats, gebouwd om dag en nacht te dreunen van het zwoegen.... en
nòg kent zij haar aangeboren-gebedgestalte niet en al de opstrevende
hemelbestormende houdingen van haar lichaam, haar hemel-indringende
hoogte en blanke spits.... De klare droomen van haar vensterbeelden zijn
haar tot chimaera's geworden.... En dáárin, in dat donkere paleis, staat
Gij nu teer te branden in uw heiligen-aureool.... Dichter, ik zeg U: ik
weet niet of de zielen mijner vrienden naar U hooren, want die alle zijn
deeltjes, schóóne deeltjes van die kathedraal, doch kennen van wege den
nacht hun waarde en schoonheid niet.... Maar ga Gij maar onverdroten
[p.260] verdroten voort ook dáár te branden ... wellicht, wellicht ...
wie weet ... komen er eenigen tot een aanvang van zelfkennis bij uw
eenzaam lichtje ... ik zal wel uw glans-blije kandelaar zijn ... ja, was
dit mijn gesprek met U niet, als dat wat de vlam en de blaker samen
voeren in de been en weer bevende sprankeling tusschen het
glim-beschenen koper en het stralende licht?...--

       *       *       *       *       *

Dit was mijn gesprek met den dichter, gij waart het onderwerp, vrienden,
zooals ge ziet. Beloon het met nog een weinig aandacht voor zijn
slotwoord....--

Beatrijs is nu moederziel alleen in den stillen nacht kloosterwaarts
getogen. Zij komt aan in denzelfden boomgaard, waar ze haar wereldschen
tocht begon. Zoodra zij zich binnen de muren bevindt--de poort vond zij
geopend--dankt zij Maria innig. Zij vindt alles op zijn plaats, haar
kleeren en schoenen; de sleutels van de sacristie vindt zij terug voor
het Onze-Lieve-Vrouwe-beeld, waar zij ze veertien jaar geleden had
gehangen; zij ziet hoe alles wel verzorgd is, de lampen branden overal
in de kerk; en nadat ze nu de gebedenboeken elk op zijn plaats heeft
gelegd, bidt zij nog tot Maria, of Die haar en hare kinderen, die zij in
zoo zwaar verdriet in het huis van een vreemde moest achterlaten, voor
alle kwaad mocht behoeden. En ... maar neen, het volgende is te
stemmingsvol in het oorspronkelijk dicht, dan dat ik 't U niet weer even
zou overschrijven:

    Bin dien1) was die nacht tegaen [1) Intusschen]
    Dat dorloy1) begonste slaen, [1) uurwerk]
    Daermen middernacht bi kinde1) [1) kende]
    Si nam dat clocseel1) biden1) inde1) [1) 1) 1) het klokketouw bij het eind]
    Ende luude1) metten so wel te tide,2) [1) luidde de metten 2) op den juisten tijd]
    Dat sijt1) hoerden in allen siden.2) [1) zij het 2) overal]
    Die boven opten1) dormter2) laghen [1) op de 2) slaapzaal]
    Die quamen alle sonder traghen1) [1) te talmen]
    Van den dormter ghemene.1) [1) te zamen]
    Sine1) wisten hier af groot no2) clene. [1) Zij 2) noch]
    [p.261] Si bleef inden cloester haren tijt
    Sonder lachter1) ende verwijt; [1) schande]
    Maria hadde ghedient voer1) hare [1) voor]
    Ghelijc of sijt1) selve ware. [1) zij het]
    Dus was die sonderse1) bekeert [1) zondares]
    Maria te love, die men eert,
    Der maghet1) van hemelrike, [1) maagd]
    Die altoes ghetrouwelike
    Haren vrient staet1) in1) staden1) [1) 1) 1) bijstaat]
    Alsi1) in node2) sijn verladen.3) [1) Als die 2) door nood 3) zijn bezwaard]

En let nu eens op, hoe verrukkelijk eenvoudig, hoe schoon naïef, onze
dichter, in mijn eerste cursief, nu verder vertelt:

    Deze joffrouwe, daer1) ik af las1) [1) 1) waarvan ik vertelde]
    Es1) nonne alsi te voren was. [1) Is]
    Nu en willic vergheten niet
    Haer tweer1) kindere, die sie liet [1) twee]
    Ter weduwenhuus1) in groter noet2). [) In het huis der weduwe 2) nood]
    Si en hadden ghelt noch broet.1) [1) brood]
    Ic en can U niet vermonden,1) [1) verhalen]
    Doe1) si haer2) moeder niet en vonden, [1) Toen 2) hun]
    Wat groter rouwe datsi dreven.
    Die weduwe ghincker1) sitten1) neven1) [1) 1) 1) ging naast ze zitten]
    Si hadder op ontfermenisse1) [1) Zy had medelijden met hen]
    Si seide: "Ic wille toter1) abdisse1) [1) 1) naar de abdis]
    Gaen met desen .ij.1) kinden, [1) twee]
    God sal hare int1) herte sinden 2) [1) in het 1) zenden,  d.w.z.: God zal de gedachte in haar opwekken.]
    Dat si hen goet sal doen."

De brave vrouw, in het klooster gekomen, vindt inderdaad de abdis
onmiddellijk bereid, naar het verhaal van haar zonderling wedervaren te
luisteren: hoe deze kinderen door een onbekende vrouw die met hen 's
nachts bij haar onderdak had gevonden, verlaten zijn. De abdis belooft
haar voor hen te zullen zorgen: de vrouw moet ze maar in haar huis
houden, maar kan alles wat zij noodig hebben, dagelijks van het klooster
laten halen. Beatrijs, die, zooals van zelf spreekt, dit alles [p.262]
verneemt, voelt zich gelukkig, dat ook dit ten goede is geschikt en zij
niet langer met zorg en angst aan hare kinderen hoeft te denken.
Maar--zij lijdt zeer hevig onder iets anders:

    Menech suchten ende beven
    Hadsi1) nacht ende dach; [1) had zij]
    Want haer die rouwe1) int herte2), lach3) [1) berouw 2) in het hart 3) lag]
    Van haren quaden sonden,
    Die si niet en dorste1) vermonden2) [1) durfde 2) vertellen, mondeling openbaren]
    Ghenen mensche, no1) ontdecken, [1) noch]
    No in dichten1) oeck vertrecken.1) [1) 1) Noch op schrift te openbaren]

Het is ongetwijfeld waar, dat, naar men heeft gezegd, de dichter, reeds
door zoo zwaren nadruk te leggen op de behoefte van Beatrijs om een
ander deelgenoot van haar geestelijken nood te maken, de onmisbaarheid
van de biecht heeft willen aantoonen, en, daar in zijn tijd de
biechtverplichting door de geloovigen niet bijster stipt zou zijn
nagekomen, de menschen heeft willen aansporen, vooral door het geen
verder in zijn gedicht volgt, dat wel te doen. Maar daarom schijnt het
mij ook niet overbodig, hieraan toe te voegen, dat deze "tendentieuze"
invoeging niet alleen zijn dichtwerk niet heeft geschaad, maar het
zelfs aanmerkelijk ten goede is gekomen--waarvan zoo dadelijk het
bewijs --'t geen dan ook niet anders kon. Indien--om 't zeer kort te
zeggen en hier geen literair-aestetische theorieën aan te snijden, welke
al te zwaar verteerbaar zouden kunnen blijken--indien een zekere
levensbeschouwing zoo door een mensch is doorleefd en
geasssimileerd, dat zij als 't ware tot vleesch en bloed van zijn
wezen is geworden, dan vloeit het belijden, het verdedigen en dus in
zekeren zin: propageeren daarvan, van zelf en natuurlijk uit zijn
wezen voort; dan is dat voor dien mensch niets anders, dan zelfverweer
en zelfbestendiging, en doet het zich, zoo hij kunstenaar is, even
van zelf en vaak onbewuster wijze in zijn werk gelden, als de
rhythmiek van zijn ademhaling, als, kortom, àl zijne eigenschappen van
geest en gemoed, die sterk genoeg [p.263] zijn, om hunne scheppende
aequivalenten aan te kunnen trekken. En niet het uitvieren maar juist
het onderdrukken van den daarmede verbonden scheppenden drang zou dan
een kunst
    Droegen mijn hart, en in zijn armen had
    Hij mijn Meestres, sluimrend in lichtrood kleed;

    Toen riep hij haar; en van mijn hart dat brandde,
    Zag ic hoe zij schuchter, schoon gehoorzaam, at....
    En klagend vlood hij als in bitter leed.

In mijn derde cursief--in het Beatrijs-citaat, wel te
verstaan--vindt ge de verklaring van de symbolische voorstelling. Het is
alles niet dan zuiver schoon en zuiver natuurlijk: Beatrijs is een arm
ongelukkig menschenkind, dat de wroegende herinnering aan hare zonde een
ander openbaren moet. En de jongeling, de engel ... wel wat zou
[p.266] wel natuurlijker voor een engel uit den katholieken hemel
kùnnen zijn, dan een dergelijke ongelukkige op de biecht te wijzen: niet
minder eene werkelijke verlossing dan een verplichting voor
haar?--Beatrijs overwint dan haar schaamte en biecht den abt haar
misdrijf en miraculeuze redding; deze geeft haar absolutie en zegt dan
(en let nu eens op hoe voortreffelijk-compositorisch ook, dit
gedicht is opgebouwd!):

    Hi seide: "Ic sal in een sermoen1) [1) preek]
    U biechte openbare seggen,
    Ende dat soe1) wiselike2) beleggen,3) [1) Zoo 2) wijselijk 3) daarheen leiden]
    Dat ghi ende U kinder mede
    Nemmermeer1) te ghere stede2) [1) nooit 2) in geen enkel opzicht]
    Ghen lachter1) en selt2) ghecrigen,2) [1) schande 2) 2) zult oploopen]
    Het ware onrecht soudement1) swigen, [1) zou men het]
    Die scone miracle, die ons here
    Dede doer siere moeder ere.1) [1) Deed ter eere zijner Moeder]
    Ic saelt1) orconden2) over al; [1) zal het 2) verkondigen]
    Ic hope datter nog bi sal
    Menech sondare bekeren
    Ende onserlieven vrouwen eren."

Ik heette U erop te letten, hoe in mijn citaat iets
voortreffelijk-compositorisch voor den dag zou treden. En
natuurlijk--gij zaagt het reeds in mijn cursief. De vraag zoude immers
geblèven zijn--een gewichtige vraag voor onzen dichter, voor wien het
schrijven van dit gedicht, niet "slechts" het scheppen van een kunstwerk
was, maar veel meer dan dat: het verheerlijken der heilige
Moeder-Maagd--hoe werd dit mirakel ooit bekend aan anderen, hoe kòn 't
aan anderen bekend zijn geworden, waar het toch juist uitteraard een
geheim tusschen de Goddelijke en de begenadigde vrouw was? En ziedaar de
oplossing: de psychologische en religieuze noodzakelijkheid van de
biecht voor Beatrijs, èn een biechtvader, die het zóó weet te plooien,
dat hij, zonder het biechtgeheim te schenden, toch der wereld de
troostende en stichtende wetenschap van het mirakel schenken kan. Mooier
het-een-uit-het-ander-gegroeid had het waarlijk niet gekund!--het
naïef schoone slot:

[p.267]
    Hi--de abt, v.C.--deet verstaan den covende,1) [1) klooster]
    Eer hi thuuswaert1) weder wende, [1 huiswaarts]
    Hoe1) ere1) nonnen was gesciet; [1) wat eene]
    Maer sine wisten niet
    Wie si was; het bleef verholen.
    Die abt voer1) Gode volen2) [1 reed heen 2) God bevolen]
    Der nonnen kinder nam hi beide
    Ende vorese1) in sein gheleide. [1) voerde hen mede]
    Grau abijt1) dedi hen an, [1) Het grauwe kleed]
    Ende si werden goede man.
    Haer moeder hiet Beatrijs.
    Loef Gode ende prijs,
    Ende Maria, die God soghede1) [1) zoogde]
    Ende dese scone miracle toghede.1) [1) toonde, d.i.: deed gebeuren]
    Si halp1) haer uut alre2) noet.2) [1) hielp 2) 2) al haar nood]
    Nu bidden wi alle, cleine ende groet,1) [1) groot]
    Die dese miracle horen lesen,
    Dat Maria moete wesen
    Ons vorsprake int soete dal,
    Daer God die werelt doemen1) sal [1) oordeelen]
                            Amen.

Prachtig niet waar, dat door mij gecursiveerde: in de eerste twee
regels: de evocatie van dien biddenden kring, "klein en groot"--ziè
jelui 't wel?--als zoo'n prentje, een miniatuurtje van een primitieve in
een antiek brevier? En hóórt ge wel, die berustende donkere, als
knielend-afwachtende orgelmuziek der drie laatste regels?...--Welnu,
loonde het genot de moeite niet?... Ja, zoo gaat 't nu eenmaal: nù spijt
't U allicht dat de duikklok, waarin wij ter diepte der tijdzee
onderdoken, reeds wordt opgehaald.... Wij naderen de oppervlakte weer,
de lucht van ònzen tijd zullen wij daar onmiddellijk inademen .... Maar
in elk geval, onze kostbare parelen en vreemde planten hebben wij toch
uit de diepte meegevoerd....--En terwijl wij Boutens' "Beatrijs" gaan
lezen, zullen wij zien ... nu en dan, en vergelijkend ... naar die
parelen en naar die planten....--


Noot:

[4] Hier is de vertaling duister. Het oorspronkelijke heeft: A
ciascun'alma presa e gentil core hetgeen beteekent: Aan elke verliefde
ziel en edel hart.


       *       *       *       *       *


IV

P.C. Boutens' Beatrijs


Als een mensch zich-zelven moe wordt; als hij een afkeer van zichzelf
krijgt; als al datgene wat tot dan zijn trots, zijn geluk, zijn hoogste
doel was, hem plots een ledigheid, een grauwte, een vertwijfeling en een
doellóósheid blijkt; als al datgene wat hem als zijn leven-zelf was, hem
als hèt levenlooze verschijnt--dàn, indien hij sterk en jong is en nog
niet het passieve van den uitgeleefde en welhaast-stervende heeft, dan
wendt hij zich meerendeels om troost, om een nieuw ideaal, tot het
tegengestelde van het oude, van alles wat hij vroeger zoo diep heeft
liefgehad. En gelijk de menschen, zóó de tijd, ja: méér dan de menschen
aldus de tijd, want betrekkelijk zelden schijnt deze--ofschoon ook dat
wel eens gebeurt--te sterven, d.w.z.: breekt abrupt af en wordt
opgevolgd door een, die een ander is dan hij, met als uitvaart-en
geboortklok-bronzen-donder een stormend luien als van de Fransche
revolutie tusschen beide in. En als zulk een tijd, zooals ik reeds zei:
schìjnt te sterven, welnu en inderdaad, dan is 't ook niet meer dan
schijn. Het was maar dat geweldig klokken-gebimbam, dat die illusie
bij ons wekte. Is dat verklonken, is de revolutie voorbij, dan blijkt
wel de tijd toch niet te zijn opgevolgd door een ander, maar hij
zelf is 't, die voortleeft, hij de onder een nieuwen schijn nog in zoo
òverveel òude, hij die is gegroeid, opgebloeid, òf als gekrompen, als
verminkt--hij dezèlfde. Ons geloof in revoluties, als--versta wel:--het
als-bij-tooverslag-alles-veranderende, is mede, dunkt mij, in ons
ontstaan, door ons onbewust verwarren van wat in ons-zelf noodzakelijk
en goed is met dat wat voor de menschheid het goede mag heeten. De
menschenziel heeft, als al het individueele leven, dat zij om zich heen
ziet, den dood noodig, voor haar eigen ontwikkeling--en zoo zij dit nog
niet inziet, dan begrijpt zij toch: voor de ontwikkeling van haar
soort--den dood: dat is haar revolutie, en derhalve concludeeren
[p.269] wij onbewust: ook dat sociaal en cultureel geheel, dat we "een
tijd" noemen, heeft dien dood: die revolutie van noode. Maar zooals ik
reeds zei: óók zelfs die schijn-dood ontbreekt bij den tijd bijna
geheel, en als hij zich-zelf moe geworden is, als hij een afkeer van
zich-zelf krijgt, dan wendt ook hij zich om troost en verheffing naar
een nieuw ideaal, en al de niet-uitgeleefden, al de niet welhaast
stervenden, allen, die werkelijk geestelijk leven in zich hebben, wenden
zich en zoeken mèt hem.... Op de wijde levenszee wapperen en keeren dan
al die duizenden kleinere en grootere vaantjes, in dien dwingenden
wentelstorm des tijds, waarvan te nauwer nood één opperst-wijs en
veelwetend menschenkind kan berekenen, waaruit hij ontstond en waaròm
hij juist dàn opstak.... En evenwel, al die menschen, die zich wenden
mèt de wending des tijds, doen dat niet met het zelfde verlangen,
dezelfde hoop. Zij hebben vaak één schoonheid gemeen--anders dan het
enkele individu, van persóónlijke onlust bevangen--: dat hunne zielen,
niet-egoistisch, open stonden voor de nooden van den tijd, dat die de
hunne zijn geworden; diè schoonheid hebben zij gemeen, maar niet
hetzelfde inzicht in: hòe die nooden zijn te verhelpen. De proletariërs,
hatend het oude, dat hun niets dan druk en ellende heeft gebracht,
waarin zij geen schoonheid kunnen ontdekken, omdat het hùn nooit als
zacht en schoon verscheen, en de anderen er zich wel ter dege voor
hebben behoed den misdeelden te zeggen, hoe schoon het voor de
gelukkigen was--de Proletariers willen liefst volkomen afrekening
daarmede, zij keeren zich tot een visioen, dat is zooals nog niets
was. Hing het van hun wil alleen af, zij namen slechts dàt mee van het
oude, waarvan zij voelen, dat het 't oude-zelf vijandig is. Zoo werd
datzelfde beunhazig, Multatuliaansch filosofisch-materialisme, waarover
ik vroeger sprak, intuïtief door hen zoo geestdriftig omhelsd, omdat het
een machtig vijand van den kerk-dwang en de kerk-verdomming was,
den dwang en verdomming, die het taaist, het huichelachtigst en het
langst het proletariaat zullen pogen te knechten. Intuïtief namen
zij het mede, geestdriftig als ware dat-zelf hun doel; maar
langzamerhand, als zij verstandelijk gaan begrijpen, als zij logisch
[p.270] gaan dènken, dan blijkt dit "doel" hun maar een middel tot het
echte doel te zijn, ja: slechts een middeltje, een dat op de koop toe
zóó, zonder verbetering, niet is te gebruiken. En ook die verbetering,
die veredeling waren wij zoo gelukkig zich te zien voltrekken: in den
geest van de besten hunner verandert die onbekookte "filosofie" in een
drang, om nauwkeurig met de werkelijkheidsfeiten rekening te houden,
om empirisch te werk te gaan--de phrase, het geschetter verachten zij.
Groote winst ongetwijfeld, al blijft hun vaak en lang het nadeel van een
onoverwinnelijken weerzin tegen alle speculatieve en zich met het
bovenzinnelijke moeiende ideologieën. Hun geluksvisioen toetsen zij aan
de werkelijkheid, voortdurend, dag aan dag en uur aan uur, en als zij
iets hebben gemaakt, dat op een deeltje van hun ideaal wel lijkt, maar
het niet is, dan zeggen ze: "neen 't is het niet, het deugt niet." Al
dwingt hun de werkelijkheid het minst-kwade van twee kwaden te
kiezen--zij hèbben een klaren blik gewonnen en die heeft hun geleerd een
hekel aan surrogaten te hebben.--Anders de bourgeoisie in den
kenterenden tijd: diegenen onder haar--op enkele zéér sterk-geestelijke,
met het proletariaat medetrekkenden na--die van het heden àf willen,
omdat het hen onbevredigd laat, omdat zij er zich door voelen besmeurd;
hun verlangen gaat, nu zij iets anders willen, niet naar iets
geheel-nieuws--daarvoor zijn zij aan dat oude, dat hun zooveel geluk
en schoonheid heeft gebracht, te zeer verknocht--maar het gaat naar het
goede en schoone van het oude (het liefst zéér oude: vèr vóór hun
heden), 't welk ze, uit het oude geheel gesneden, tot iets nieuws willen
fatsoeneeren, dat de distinctievolle bekoring van het voorbije toch niet
mist. Hun geest, door afstamming en cultuur vaak, bewust of onbewust,
reactionnair en retrogade, acht het heden, dat hem niet bevredigt,
niet een verdere ontwikkeling zooals zij gaan moest, van het
verleden, en waarvan de nadeelen en gebreken wéér door een verdere
ontwikkeling in de toekomst zullen moeten opgeheven worden, maar hij
acht dat heden een verbastering van dat verleden en wil dáárheen
terug. Zien de socioloog en de politicus de uitwerking dezer
geestesgesteldheid in het economisch en staatkundig leven, de [p.271]
letterkundige ziet haar niet minder sterk in de literatuur, maar het
niet geringe voordeel, dat den laatstgenoemde boven de eersten te beurt
valt is dat hij vaak een toch zeer zeker schoone uitwerking ziet, en
de socioloog en politicus zelden of nooit iets anders dan een
leelijke. En van dat wedervaren van den literator, ga ik u nu een
voorbeeld geven, want de geest van Boutens als dichter van de
Beatrijs, is een van die retrogade en naar het héél oude verleden
tastende geesten, en als zoodanig heeft zijn aard zich volledig èn ook
in zeer treffende schoonheid in dit zijn werk geuit. Duidelijk
aantoonbaar, ziet men hem in dit gedicht naar het oude grijpen, en een
schoon, hem passend deel daaruit snijden en tot iets nieuws
fatsoeneeren. Immers aldus zit de zaak in elkaar--en nu moet ge eens
extra goed opletten, want ik geef u nu als 't ware het program voor,
de samenvatting der vergelijkende analyse, welke volgen zal--: de
middeleeuwsche mirakelenverzameling, waarvan de Beatrijs-legende deel
uitmaakt, was een compilatie van verhalen aan wier historische
waarachtigheid de schrijver-zelf zoowel als het overgroote meerendeel
zijner middeleeuwsche lezers even zeker geloofden, als gij,
bijvoorbeeld, aan het bestaan van uw lichaam. En onder hen, die onze
legende hoorden of lazen, behoorde ook de dichter van de Sproke van
Beatrijs, waarmede gij in mijn vorige artikelen hebt kennis gemaakt. En
zooals nu al zijn tijdgenooten, die het verhaal hadden gelezen, er vast
in geloofden en er hun godsvrucht door voelden gesterkt en geheven, zóó
precies, zóó en niet anders geloofde ook hij en voelde er zijn
godsvrucht door gesterkt; maar: omdat hij een dichter van nature
was, gebeurde in hem nog iets meerders: uit zijn gestegen religieus
gevoel voelde hij een schoon dichtwerk opzingen en hij schreef die zang
op, wellicht in vreugde om de schoonheid-zelf, die hij voelde te
geven, maar zeker verheugd, omdat hij dit reine offer op het altaar
van zijn God kon leggen. Anders Boutens--ik voel mij er zeker van: als
men Boutens zou vragen: "Gelooft gij er waarlijk aan, dat een houten
beeld door de Moeder Gods in een haar tijdelijk dienend lichaam werd
veranderd (zóó is de in zijn Beatrijs op zich-zelf zeer
schoon-gevonden voorstelling), om [p.272] voor een het klooster
ontweken non de dagelijksche taak waar te nemen?" hij zou moeten
antwoorden: "Daar geloof ik niets van", en zelfs: "Van de historiciteit
van het heele mirakel geloof ik niets." En dat, als men hem dan opnieuw
zou vragen: "Wat gelooft ge dan daaromtrent eigenlijk wel, want uw fraai
gedicht blijkt mij toch zekerlijk in religieus gevoel gedrenkt en er
gansch van doortrokken?" hij allicht dit wederwoord zou geven: "Als ge
mij dat zóó vraagt, kan ik u niet antwoorden; mijn religieus gevoel is
wel diep, maar zal, omdat het toch mijn hééle zijn niet vult--het
verband ervan met mijn rede bijvoorbeeld is uiterst los--den schijn
van een uiterste en vervluchtigende vaagheid niet kunnen ontkomen,
zoodra ik het in preciese, redelijke begripstermen, in plaats van in
beeldende voorstellingen, zou willen kenbaar maken. Ik denk eigenlijk,
dat mijn algemeen religieus geloof meer een soort van neo-katholiek,
vaag mysticisme, een hijgen-naar-geloof is, dan geloof-zelf.... Deze
tijd, ziet ge, stoot mij af; nu strek ik mijn verlangende handen uit
naar de middeleeuwen, en naar het kostbaarste en allerheerlijkste dat
deze bezaten: hun eerlijk, eenvoudig, kinderlijk en hart-diep,
onwrikbaar Godsgeloof en ik zeg mij: de bijzondere vorm van hun
godsgeloof, die kinderlijke vorm, kan de mijne niet zijn, maar het
daarin brandende sentiment moet toch wel sterk verwant, ja gelijksoortig
aan het mijne zijn, en dàt mòet ik nu eenmaal, ook als dichter, uiten
... dàt is mijn lèven.... O, kon ik, zoo sprak ik tot mijzelf, al ware
't maar één hunner oude vormen van mijn sentiment vol maken en doen
blozen, want om gansch nieuwe vormen, niet vage maar tastbare, te
scheppen, daarvoor schijnt, helaas en helaas, mijn religieus sentiment
weer niet stèrk genoeg te zijn...."--Zóó, denk ik, zou Dr. Boutens
kunnen antwoorden, en dat ik goede redenen heb, aldus te denken, hoop ik
u zoo aanstonds door mijn analyse te bewijzen. Nu eerst dit nog: wat,
dit alles nu eenmaal zoo zijnde, gebeuren moest, gebeurde. Vorm en
inhoud in de kunst, als in de natuur, zijn één. En precies zóó
stevig-tastbaar of onwezenlijk-vaag zal de vorm zijn, als de ziel,
het sentiment, dat zich erin belichaamt, [p.273] stevig-tastbaar of
onwezenlijk-vaag is. Zoo concreet-stevig, zoo tastbaar als het
religieuse sentiment van onzen middeleeuwer was, zoo concreet-stevig,
zoo aarde-leven-vol werd zijn Sproke, en zoo abstract-vaag als het
religieus sentiment van Boutens is, zoo abstract-vaag, zoo
buiten-het-aardeleven-staande werd zijn Beatrijs.--Daar was in de
middeleeuwen een zuiver-blanke, maar grove schotel van gering aardewerk;
daarop lag het Brood-des-Levens; die schotel ging den kring rond, en die
van het Brood aten, vonden ook, in hun verheerlijkende ziening, den
schòtel schoon. Maar onder hen zat een kunstenaar aan, en zijn hart
drong hem, om dien schotel, die zóó heiligen last droeg, met zijn
innigste kunst te versieren. En de etenden vonden den nu versierden
schotel wel schooner dan hij was, maar toch: onvergelijkelijk schooner
en beter en heerlijker nog: het Brood-des-Levens dat hij
droeg....--Zes eeuwen later staat weder een kunstenaar op; hij vindt
de antieke schaal, dier kleuren en beelden schijnen onder het licht van
dezen tijd verwelkt. Toch verstáát hij het sentiment van hem, die eens
ze schilderde. Welnu, ook zijn hart dringt hem bij dezen schoonen
aanblik: hij zal een dergelijke maken en beschilderen die met zijne
verbeelding der zelfde tafereelen.... Nu is zij gereed.... Maar waar is
het Brood-des-Levens, dat op de oude lag?.... Hij bezit 't niet.... Waar
trouwens de kring der etenden, die het onder innerlijk gebed in heilig
genieten zouden nuttigen?.... In deze tijden eet men niet dit Brood. Men
vréét het brood der schamelheid en der rampen, of het brood der rotte
weelde, uit de gore hondenhokken en van de decadent-broze
"eierschaal"-bordjes van het kapitalisme. In deze tijden ìs ook zùlk een
schotel geen gebruiksvoorwerp meer.... die is, ofschoon van modern
maaksel, tè antiek, haha, die is tè snoepig-mooi.... dat is 'n
wàndbord,dat hangt men aan den muur.... En zóó kwàm hij dan ook te
hangen; in het literaire salonnetje van meneer A., in 't geurig
boudoirtj'e van Mevrouw B., en overal in de doddige werkkamertjes van de
hoogere-burgertjes en gymnasiastjes Dela, Rie en Loes, waar-ie 't zoo
verrukkelijk "doet" naast 't portret van dien dirigent met den
interessànten kop, op wien nu lètterlijk iedereen verliefd
is....--Helaas ... armoede-in-rijkdom van een groot [p.274] dichter, te
zwak voor zìjn tijd, te zwak voor een vroègeren, en alleen sterk in zijn
dróóm.... Nu neem ik dat wandbord in mijn hand, want ik wil het met u
van nabij bekijken; ik wil pogen waar te maken, wat ik heb beweerd.

       *       *       *       *       *

Aldus is het verhaal in Boutens' Beatrijs: Een zeer reine en volmaakt
aan God en Maria overgegeven non leidt in een klooster een begenadigd
leven. Ze is een ideëele figuur van zieleschoonheid, welke, als in haar
volmaakt-natuurlijken vorm, zich in lichaamsschoon heeft gehuld. Zij is
een dier van God-gezegenden, voor wie de menschenharten zich dadelijk
openen, door wier aanblik de vreugde hooger bloeit, het leed al wordt
gelenigd, terwijl zij-zelf, als ze anderer smart verlicht, door die mede
te helpen dragen in haar liefderijke zorgen, dit uit zóó puur-ingeboren,
natuurlijke aandrift doet, dat die in haar gekomen smart haar niet drùkt
en vertroebelt. Voelen de andere nonnen te leven in een "donkre dal van
smart" en bidden zij Maria, dat Zij daarin een glimp van genade moge
zenden, bij haar is 't anders.... Maar kom, maak gij zelf nu maar eens
kennis met de zuivere, stille verzen van dezen dichter, met zijn
waarlijk-verrukkelijke stem:

    Maar of zij vastte of zong of bad,
    Haar was of heur leven zelf bewoog
    In de straten van Gods lichte stad
    En onder Moeders oog.

    Zoo was haar doen één zuivre vreugd:
    Een orgel dat speelt zacht en ver
    Zijn hymnen aan Maria's deugd:
    O Hemels Deur, o Morgenster!

Maar helaas, het klare vijvervlak dier blije ziel blìjft niet zoo
rimpelloos en onbewogen. Eens op een ochtend uitgegaan, om pijn te
verzachten, een ongelukkige te troosten--de dichter verhaalt dit op deze
schoone wijze, waarvan ik het meest opmerkelijke cursiveer:

[p.275]
    En eens op een ochtend in den Mei
    Ging ze uit waar smart haar blijdschap riep,
    Langs akker en blanke huizenrij,
    Toen alles sliep.

--eens alzoo op een ochtend uitgegaan:

    En buiten het dorp aan der wegen sprong
    Kwam door den morgen haar temoet
    Een stem die met den leeuwrik zong.
    Een ridder goed.

Bij het eerste hooren, bij de eerste aanschouwing, treft die stem haar
reeds zoo diep in 't hart, overstelpt die aanblik haar zoozeer, dat:

    Zij kon niet hooren wat hij sprak--
    Was het een vraag, was het een groet?--
    Het was als zong de wind door den tak:
    Ik min u goed.

Niets dan dit vervulde haar gewaarworden. En daar zij hem aanzag, zag
zij ook niet zijn schóónheid, maar slechts:

    ......in oogen brandend klaar
    Smart die zij niet verstond.

In het klooster weergekeerd, hóórt zij niets dan diezelfde zoete stem,
niet anders dan diezelfde onverstane woorden-als-een-lied; vòelt zij
niet anders dan dien "gouden pijn," één zoete foltering. En echter--maar
let tevens eens op het diepe wijsheidsschoon van de door mij
gecursiveerde regels--:

    Geen van haar zustren speurde haar leed,
    Geen van haar zustren sprak ze ervan,
    Omdat die zelve ziet en weet,
    Alleen vertroosten kan.

Dit is, tot het einde, de korte inhoud van wat men den "eersten zang"
van het gedicht zou kunnen noemen.

[p.276] En verder gaat nu het klare verhaal aldus:

    In de stille hal aan den witten wand
    Stond een aloude Lieve-Vrouw
    In strakke plooi en steilen stand
    Van donker-eiken rouw.

    Die was de vertrouwde van Beatrijs,
    En alles wat zij deed en dacht,
    Verhaalde zij haar in woord en gepeis
    Voor iedren nacht.

Als zij de poort 's avonds heeft gesloten, heeft zij het gevoel, of ze,
voor het beeld van Maria staande, als een kind aan moeders schoot staat
en Moeder voor zich alleen heeft. Het strak-houten beeld schijnt voor
haar een heimelijk en teeder leven te krijgen. Den avond na dien dag,
waarop zij den ridder heeft ontmoet, blijft zij zeer lang aan "Moeders
voet" geknield, maar zoo zegt, vooral in het door mij gecursiveerde
gedeelte zeer fraai, de dichter:

    Wel laafde gebed zich uit liefdes stroom,
    Maar haar diepste hart bleef ongerust,
    Als het hart van het kind dat in den droom
    Zijn doode moeder kust.

Zij staat op, treedt naar de poort, maar sluit die niet en gaat den
buitennacht in, om in de donker-overhuivende eenzaamheid omtrent
zich-zelf tot klaarheid te komen....

    Toen door haar wondzeer harte sneed,
    Als een pijl die door de klaarte schoot,
    Van een verdoolde meeuw de kreet?
    Van ziel in nood?

    Smartelijk sloot haar zachte mond;
    Zij week door d'engen duistren kier
    Terug tot waar Maria stond:
    Moeder, ik moet van hier.

[p.277] Ik heb in elk dezer beide strophen een regel gecursiveerd, om op
tweeërlei verschil in opvatting tusschen Boutens en den middeleeuwschen
dichter al vast de aandacht te vestigen. Zooals Beatrijs bij de eerste
ontmoeting met den ridder reeds, "zag in oogen brandend klaar smart
die zij niet verstond," zoo meent zij nu de kreet van een "ziel in
nood" te hooren. Hier niet de frissche, geestelijke-èn-zinnelijke
liefde van de middeleeuwsche non, die, door "den duvel" met
"vleescheliker sonde becord", haren, even als zij
hartstochtelijk-verliefden, minnaar toch zich roept; maar hier het
romantische bleeke-plaatjes-nonnetje; hier het decadent-moderne
vrouwtje, dat dóór het medelijden met het leed van den zoo smachtend
op haar verliefde, pas tot de lièfde komt: de
minnares-in-verpleegsterscostuum! Hier ook niet de langzame
ontwikkeling van het gevoel, de jaren door, tot het 't overheerschende
alvermogende wordt, maar hier de verliefdheid-op-'t-eerste-gezicht,
zoodat dan ook hier "de zoete Beatrijs" tegelijkertijd kinderlijker,
heilig naïef èn in oneindig mindere mate martelares èn zondares is, dan
die van den middeleeuwschen dichter, die, nog afgezien van al het
andere, al vast het kloosterleven is ingetreden met een aardsche en
onverwonnen liefde in 't hart, waartegen zij zelfpijnigend heeft
gestreden. En dat in oneindig mindere mate martelares- en
zondares-zijn--waardoor zij voor ons tevens heel wat aan mede voelbare
menschelijkheid inboet!--accentueert zich ook in het verschil tusschen
de beide soorten zekerheid ten opzichte van de te plegen zondige
liefdedaad, welke beiden Beatrijs-figuren respectievelijk eigen is. De
zekerheid van de middeleeuwsche Beatrijs is die van eene die er gewis
van is hare zedelijke nederlaag te moeten erkennen; die er zeker van
is, haar hartstocht te mòeten gehoorzamen en haar heiligsten
plicht te moeten verzaken; de zekerheid daarentegen van Bouten's
Beatrijs is die van eene die voelt dat een afschijning van de zuivere
caritas: het hooger-menschelijke medegevoel met hem die lijdt, haar
lager-menschelijke liefde heiligt. Háár zekerheid is die van eene, wie
de onoverwinnelijke drang tot het vervullen van een làgeren plicht, de
verzaking van een hóógeren oplegt. Niet de hartstocht trekt haar dus
van den plicht en [p.278] de deugd af, maar de plicht van den
plicht en de làgere deugd van de hóógere deugd. De middeleeuwsche
Beatrijs zegt met dezelfde vastbesloten zekerheid:

    Ic moet leiden een ander leven,
    Dit abijt moetic begheven.

als de moderne Beatrijs zegt:

    Moeder, ik moet van hier.

maar de middeleeuwsche voelt 't heel zeker tevens:

    Dat mi die crancheit sal doen dolen.[5]

en bidt tot Maria:

    Soe moetie kinnen minen noet, (nood)
    Ende mine mesdaet mi vergheven;
    Ic moet in swaren sonden sneven!

terwijl de moderne Beatrijs in haar diepste hart er wel degelijk zeer
verzekerd van is, dat ook Maria wel het edele in hare zonde zal
erkennen en haar nimmer voor goed verwerpen en uit hare genade en
goddelijke liefde verbannen zal, weshalve zij dan ook, op het punt van
het klooster heimelijk te verlaten en na haar nonnengewaad te hebben
uitgetrokken, rustig kan zijn en zeggen:

    En als een kind dat troost, zoo teer,
    Glimlachte zij beslist: Ik moet--
    ik kom weêr.

Zoodat de dichter dan ook met het volste recht mag verhalen:

    Zoo toog die zoete Beatrijs,
    Rustig en recht als een die weet,
    Haar nachtelijke onzeekre reis
    Naar 't hart dat om haar leed.

[p.279] Kort samengevat kan men derhalve de moderne Beatrijs--vooral
als men let op het laatst door mij geciteerde couplet--karakteriseeren
als de in een soort van trance verkeerende heilige, wier aardsche
liefde geen treden uit het gebied harer goddelijke liefde beteekent,
maar slechts een grover-verstoffelijkte incarnatie van de laatste is:
vandaar haar stil-blije "glimlach"; vandaar haar gansch niet wijkend
gevoel van eenheid en betrekkelijke gelijkheid met Maria, die
zij--waarlijk in overheerlijke en verrukkelijke naïveteit, voor welker
beelding onze dichter den hoogsten lof verdient--vóór haar vertrek nog
meent te moeten troosten, als een kind dat zijne moeder verlaat! Vandaar
haar rustige en "wetende" zekerheid, als die van een, die door God-zelf
wordt geleid; eene innerlijke verzekerdheid, zóó groot, dat bij haar
vertrek: (let op het eerste cursief):

    Zij zag niet om, een vlotte schijn
    Verdween zij in de duistre pracht
    Van 't diep en goudelend gordijn
    Der verre nacht.

En vandaar eveneens, bij het afscheid, haar aldus-zien van Onze-Lieve-Vrouwe:

    En bijna blij

    Stond zij nog eens aan Moeders voet:
    Vaarwel, Maria gebenedijd--
    Maria keek bezorgden groet,
    Maar geen verwijt.

Doch hebt gij nu al ongetwijfeld mede mogen opmerken in de citaten, dat
sommige schoonheden--zooals bijv. die in de twee laatst-aangehaalde
coupletten gecursiveerde--van den allereersten rang zijn, dit neemt
toch niet weg, dat, gelijk ik reeds aanduidde, voor onze
diepst-medevoelende menschelijkheid de middeleeuwsche dichter reeds nu
het pleit heeft gewonnen: zijn vertwijfelende, door
liefde-hartstocht [p.280] gezweepte, zijn den hemel voor de aarde
verlatende Beatrijs is een mensch als wij, volop een zuster van ons;
maar Boutens' Beatrijs is als een zuster, zij het weliswaar een
nederiger, nièt van òns maar van die heilige vrouw, die op haar tocht,
ondernomen om Jezus te aanschouwen, aan een water komt, en als de
veerlieden haar weigeren over te zetten zoo ze hen niet met haar lichaam
ter wille is, daarin toestemt, omdat naast haar begeerte Jezus, die
incarnatie der Godheid, te aanschouwen, en naast haar eigen
diep-innerlijke geestelijke reinheid, die ontwijding van haar lichaam
haar iets uiterst gerings lijkt. Want evenals die heilige vrouw midden
die aardsche ontwijding en langs een slijkerigen aardschen weg toch
van uit den hemel tot den hemel ging: van den Jezus-in-haar-ziel tot
den stoffelijken Jezus, en dien in werkelijkheid geen oogenblik verliet,
zóó ook Beatrijs; haar drang tot vertroosting der lijdende
menschelijke liefde houdt klaarblijkelijk voor haar gevoel geen
oogenblik op, een dienen der goddelijke liefde te zijn, en haar lichte
smart bij het vertrek is vertwijfeling noch zonde-besef, het is slechts
de blije smart van de zich-opofferende, die weet een hoogen luister,
zij 't tijdelijk, met een minderen te verruilen. Maar schoon dit alles
en zijn ware beteekenis ten volle erkennend, mag men toch al evenmin
Boutens óók den lof onthouden, dat de beelding van de
kinderlijk-naieve, en heilige Beatrijs klaarblijkelijk met groot
meesterschap en overeenkomstig zijn oorspronkelijke conceptie is
doorgevoerd en volgehouden. En ook de aard van een mirakel-verhaal
heeft zijn gedicht tot hiertoe behouden--al is de vertroosting voor den
gewonen mensch, welke van de middeleeuwsche versie uitging, vrij
volledig verloren gegaan. Want dat een zoo zuivere en heilige wordt
begenadigd--welke troost brengt dit feit aan een armzalig zondig
menschenkind? En overigens: "tot hiertoe" zei ik--zooals wij later
zullen zien, komt er verderop meer dan één trek in voor, die zijn
gedicht tot het peil van de, zij het verfijnde en dichterlijk-schoone,
edelaardig-romantische ballade heeft neergedrukt..--

       *       *       *       *       *

[p.281] De volgende zang opent dan met deze schitterende vondst:

    Ineens, als viel een ster, zoo stond
    De donkre hal vol van verlichten geur
    Maria's oog en wang en mond
    Won gloed en kleur!

    Zij zette 't kindeke van haar arm,
    Zij sloeg den mantel van om haar leên;
    Als een menschkind zoo bloot en arm
    Stond zij op 't kille steen.

Ik zal er wel niet op behoeven te wijzen hoè bekoorlijk van
sprookjes-schoonheid, dit veranderen van het houten beeld in de levende
Maria is; noch hoe schoon de vergelijkingen zijn: "als viel een ster";
"verlichte geur"; of hoe suggestief-beeldend dat 't
kindeken-van-haar-arm-afzetten is; dan wel hoe breed en wijd, in die
eenvoudige woorden: dat "Maria als een menschkind zoo bloot en arm op
't kille steen stond," heel de Christus-tragiek zelve: menschwording,
lijden, eenzaamheid en armoede, ter wille der menschheid, voor ons
opdoemt.--En waar ik mij overigens toch zooveel mogelijk met aanhalen
dien te beperken--gij moet dan ook vooral zèlf het zeer makkelijk
leesbare gedicht lezen--zal ik maar even navertellen dat de verdere
inhoud van het begin dezer zang is, dat de Heilige Maagd nu de gedaante
van Beatrijs aanneemt, haar kleeren aantrekt en haar dienst aanvaardt.
Maar na dit gedaan te hebben, moet ik u alweer onmiddellijk doen
opmerken, dat zoo schoon als deze vondst van onzen dichter nu ook zij,
en in hoe zuivere verzen verwerkt, toch ditzelfde gedeelte tevens een
aanmerkelijke compositorische zwakte van het gedicht aan het licht
brengt. Zooals mét het elimineeren van het bewust zondares-zijn uit de
Beatrijs-figuur, tevens noodwendig het sterkste dramatische conflict,
dat "tusschen den zondaar en den heilige," zooals ik 't noemde, uit het
gedicht moest verdwijnen; zóó verdwijnt ook hier, nu de lezer,
onmiddellijk reeds bij het vertrek van Beatrijs weet, hoezeer Maria haar
genadig is en wàt Zij voor haar doen gaat, elke benieuwdheid [p.282]
naar haar verder lot of naar waarin het mirakel nu eigenlijk bestaat!
Terwijl wij door den middeleeuwschen dichter langzaam, door de
donker-kronkelende gangen van Beatrijs' smartelijk leven, naar de plots
openlichtende klaarte van het reddende wonder worden geleid, en wij
daardoor mede-lijden met haar leed, en haar eindelijk heil niet kennen,
vóór zij zelve het kent, weten wij dit laatste bij Boutens nog vóór
zij-zelve 't weet!--Ongetwijfeld: er komen nog zeer veel fraaie détails,
waarvan ik nu slechts noem, dat er den volgenden ochtend schrik en
droefenis in het klooster zijn, omdat het eiken beeld van Maria is
verdwenen, 't geen de dichter--let vooral op het zeer-lieve der beide
laatste door mij gecursiveerde regels--aldus vertelt:

    Heur hooge nis in de hal stond blind,
    Heur voetstuk leeg;
    Alleen het kleine Christus-kind
    Zat daar en zweeg.

Maar al dergelijke kostbaarheidjes kunnen het feit niet doen vergeten,
dat de opzet van het gedicht: Beatrijs als een min of meer in trance
verkeerende heilige voor te stellen, in plaats van als een zondig
menschenkind, alle diepere en fellere menschelijkheid heeft doen teloor
gaan, en er dan ook onvermijdelijk oorzaak van moest worden, dat het
mirakel verhaal veranderde in een romantische ballade, waarin alle zin
voor de werkelijkheid ten eenenmale zoek is. Van den tijd, verhopen
tusschen vertrek uit en terugkomst van Beatrijs in het klooster,
waarvan de middeleeuwsche dichter ons zoo veel en zoo warm-menschelijk
wist te verhalen, vinden wij in dit gedicht niets: alles blijft in
dezelfde vage trance-sfeer. Op een goeden dag komt Beatrijs, zooals
zij eerst tot de innerlijke zekerheid kwam, dat ze 't klooster verlàten
moest, nu tot de zekerheid, dat zij er weer in moet terùgkeeren. Dat is
alles.--Die terugkomst op zich-zelve is weer wonderschoon van beelding.
Laat mij een paar van die prachtige verzen voor u aanhalen:

[p.283]
    De sombre poort week open wijd
    Bij d'eersten klop. Daar stond
    Beatrijs roereloos gewijd
    Met bleeken mond.

    Want de hal hing vol van wonder licht
    Als rozegeur in puren brand,
    Dat straalde van Moeders aangezicht
    Op zoldering en wand.

    Want de hal was vervuld van licht geluid
    Als veler waatren ver gerucht.
    Zij hoorde den klank van veêl en luit
    Op de doorzongen lucht.

    Zoo stond onnoozele Beatrijs
    Verheerlijkt met Maria mee.
      Eén ademtocht. Der heemlen wijs
      Verging in 't lied der zee.

    Zij zag hoe Moeder beurde en leid',
    Eer licht en lied verzwond,
    Heur vingeren gebenedijd
    Aan benedijden mond.

Ja, dit alles is voorzeker verrukkelijk mooi. Maar als de dichter ons
dan verder verhaalt, dat, na nog wat jaren levens, Beatrijs

    .... doofde en stierf: in stille kerk
    Sliep ze in Maria's tijdlijk kleed.
    Een andere zuster deed het werk
    Dat eens Maria deed.

    Doch weinig zonnen stegen, en
    Daar kwam een pelgrim, moede en grijs,
    Die vroeg den laatsten zegen en
    Zijn graf naast Beatrijs.

    Hij deed zijn sober kort verhaal
    Dat telde de jaren van Mei tot Mei,
    Voor al de zustren in de zaal.
    En toen verstonden zij.

[p.284] Als de dichter, zeg ik, dàt verhaalt, dan waardeeren wij wel
weer den fraaien vondst, waardoor hij het biechten van Beatrijs verving,
maar wij voelen tevens, dat wij nu ook met dien "pelgrim, moede en
grijs," eerst recht midden in de edelaardig-romantische ballade zijn
aangeland, hetgeen dan ook onafwendbaar was, want zooals de
middeleeuwsche dichter ons door zijn van leven-blakende realistische
beschrijvingen langzaam voerde naar zìjne oplossing, puur-menschelijk in
het kader van zijn tijd, en ons den man niet spaarde, die zijn lief in
den steek laat; de verlaten vrouw niet, die van ontucht leven moet; en
over al dat aardsche de heerlijkheid van het wonder en Beatrijs'
visioenen liet stralen; zóó moesten wij ook wel na het vage sprookje
van Boutens, en na in plaats van den mensch Beatrijs de
kinderlijk-pure en heilige Beatrijs te hebben gevonden, belanden bij
den vromen, grijzen en moeden pelgrim van alle edelaardig-romantische
ballades. Dat ten slotte Boutens' Beatrijs, ongelijk de middeleeuwsche,
geen kinderen heeft, is dan ook volkomen in den haak: niet alleen reeds
dat rechtgeaarde ballade-minnaressen nóóit kinderen krijgen, maar ik ben
er zeker van, dat ook het decadent moderne vrouwtje, 't geen zooals ik
reeds opmerkte, Beatrijs óók is, en dat uit des dichters ziel in haar
figuur is overgefladderd, tegen kinderen-krijgen ernstig bezwaar zou
hebben gehad!...--Maar, zal ongetwijfeld menigeen zeggen: is het feit,
dat dit verhaal ex voto is geschreven en aan "Charlie en Elsje"
opgedragen, niet voldoende verklaring en--zoo ge die noodig mocht
achten--verontschuldiging voor zijn gemis aan werkelijkheidszin; voor
zijn gebrek aan menschelijkheid; voor zijn ontstentenis van bijna
alles waarin de middeleeuwsche dichter zoozeer heeft uitgemunt; voor,
ten slotte: zijn herabwürdigung van het mirakelverhaal tot een
sprookje?--Daarop behoort dan echter m.i. met de meeste beslistheid
een ontkennend antwoord te worden gegeven. Men houde niet wat slechts
gevolg is voor oorzaak. Niet omdat hij kinderen nu eenmaal beloofd
had, dit gedicht voor ze te schrijven, werd des dichters geest zóó, dat
hij dat kòn; maar omdat zijn geest zóó was, dat hij 't zóó kon en mòest
schrijven, kon hij dat ook dien [p.285] kinderen beloven. Zeer wel
denkbaar is het geval, dat hij slechts een Beatrijs van deze soort
ware gaan schrijven, omdat hij 't nu eenmaal kinderen had beloofd, en
't dus daarom in zekeren voor kinderen verstaanbaren stijl moest
dichten, maar dàn ware zijn gedicht onherroepelijk een prul geworden.
Dat 't dit niet werd, en integendeel een fraai kunstwerk, bewijst
dat zijn belofte en zijn voor-kinderen-schrijven overeenkwamen met
waartoe zijn scheppende kracht hier in staat was en waartoe zij was
geaard, zoodat dan ook dit "ex voto" en de opdracht "Voor Charlie en
Elsje", van de meest volslagen onwaarde ter verklaring of
"verontschuldiging" zijn.--En hiermede zij nu de bespreking van Bouten's
Beatrijs beëindigd. Immers, ik meen, naast veel anders, ook te hebben
aangetoond, van hoe een buiten-het-aarde-leven-staande sprokige
vaagheid dit gedicht is; maar wat deze eigenschap op haar beurt weer
bewijst, dat kunt gij in mijn vorig opstel vinden. Thans nog een enkel
artikel over de Navertelling van R.J. Spitz.


Noot:

[5] Alle cursiveeringen zijn van mij.


       *       *       *       *       *


V.

Beatrijs, naverteld door R.J. Spitz


De heer Spitz heeft ongetwijfeld een voortreffelijk werk gedaan, met de
Middelnederlandsche Beatrijs "na te vertellen," d.w.z.: behoudens
enkele uitlatingen en wijzigingen, waarop ik zoo dadelijk zal terugkomen
--te vertalen. Maar die voortreffelijkheid zie ik vooral daarin, dat
zijn arbeid wellicht menigeen zal aansporen het oorspronkelijke te
gaan lezen, met behulp van zijn overzetting, waardoor het voor
ongeoefenden zoo lastige en vervelende naslaan van een woordenboek kan
worden vermeden. Want--en hierop lette men wel:--zoude zijn werk sommige
lezers er toe brengen zich met dat werk alléén tevreden te stellen, dan
is m.i. de verdienste van dezen vertaler in een schuld, en geen
geringen, verkeerd. Een schuld, niet jegens die lezers, die allicht
toch nooit op de gedachte zouden zijn gekomen, het oorspronkelijke te
lezen, maar jegens den ouden dichter, wiens werk zulke [p.286] lezers
zich nu misschien verbeelden zóó te hebben leeren kennen, dat zij het in
zijn ware en diepste wezen konden beluisteren, terwijl dit absoluut niet
het geval is. De vertaling is, in den min of meer luchtigen zin, waarin
journalistische critiek zulk eene qualificatie pleegt cadeau te doen,
een goède vertaling; maar de literaire kunst-critiek, of hij die hàre
middelen gebruikt, om nog onervarenen wat kunstgevoel bij te brengen, en
hetgeen zij daarvan bezitten zuiver te houden--diè kan zulk eene
overzetting eenige ernstige bedenkingen niet sparen. Wat mij betreft:
vooral deze twee dingen vielen mij in de vertaling en in den vertaler
op: 1 °. dat zij geen kunstwerk is en hij geen noemenswaardige
kunstenaarsgaven bezit; 2°. dat zij beiden te fatsoenlijk zijn. En zij
het, dat men mijne bevoegdheid van literair criticus in twijfel zou
mogen trekken, wel niemand zal mij het recht ontzeggen, te beoordeelen
waar het "te" der fatsoenlijkheid begint, want bedenkt: heb ik niet meer
dan een kwarteeuw op klooverswinkels gewerkt en vormden diè niet immer
de hoogeschool van het fatsoen?... Zoodat ik dan ook dáármee begin!

De eerste maal dan, dat de heer Spitz, bij het maken zijner vertaling
een aanval van te-groote-fatsoenlijkheid kreeg, was bij de passage,
waar, terwijl Beatrijs en haar minnaar, den morgen na de nachtelijke
vlucht uit het klooster, het bosch en bloemenveld voorbij rijden, de
minnaar aan het woord is. Dan luidt de vertaling aldus:

     "Lief," zeide hij, "ware 't U gevallig, we zouden van het paard
     kunnen stijgen en bloemen plukken. Ik denk dat het hier heerlijk
     zijn zal."

Hier heeft nml. de heer Spitz het vers:

    Laet ons spelen der minnen spel

verdonkeremaand.

En de tweede aanval overviel hem--en als literair arts fluister ik ù,
die 't toch weten moét, in: twéé zulke aanvallen, zóó kort na elkaar ...
dat is bepaald gevaarlijk ...--als Beatrijs antwoordt. Dan aldus de
vertaling:

[p.287]
     "Wàt zegt ge," antwoordde ze toornig, "onbeschaamde dorper, zou ik
     neerzitten op het veld, 'lijk een vrouw, die geld wint met haar
     lichaam, waarlijk, ik zou weinig schaamte moeten kennen. Dit zoudt
     ge niet gezegd hebben, hadt ge niet den aard eens dorpers! 't Mag
     mij wel rouwen, dat ik met u ben gegaan; God's straf verdient ge,
     door mij zoo iets te durven voorstellen. Houd voortaan zulke taal
     voor u en luister naar de vogels, hoe ze zingen en hoe blij ze
     zijn, dan zal de tijd u niet zoo lang vallen. Als we eenmaal in de
     eenzaamheid van het echtelijk slaapvertrek bijeen zijn, dan moogt
     ge doen wat ge nu verlangt. Er is groote droefheid in mij om wat
     ge van mij gevraagd hebt.

Hier is het door mij gecursiveerde gedeelte een verfatsoenlijking van:

    Alsic bi u ben al naect
    Op een bedde wel ghemaeckt,
    Soe doet al dat u ghenoecht,
    Endedat uwer herten voeght;...

De heer Spitz heeft, toen hij aan deze beide flauwten, die
tegelijkertijd flauwiteiten waren, toegaf, en zich niet als een kerel op
de been hield, verscheidene dingen uit het oog verloren, welke hij beter
erin hadde gehouden.

1°. Door dien eenen versregel uit het voorstel van den minnaar te laten
vervallen en toch Beatrijs haar bulder-antwoord te laten geven, wordt
het vóórstel, in zijn juisten zin, pas verstaanbaar door de weigering
ervan! En zal het tevens gebeuren, dat de lezer verontwaardigd
uitroept: "Wel, dat is me 'n lieve zus, dat onschuldige nonnetje, diè
het 't achter de mouwen; die snapt werachies nog eerder wat die jongen
van haar wou dan ik 't deed!", zoodat: de heer Spits wel erg fatsoenlijk
is gebleven, máár: Beatrijs ònfatsoenlijk heeft gemaakt!

2°. Dat een ontvluchte non--en dan nog wel eene met het gevoel en het
bewustzijn van Beatrijs!--tot haar minnaar spreekt van "het echtelijk
slaapvertrek," dat hen zou wachten, is een onbetaalbare zotheid. Maar
bovendien: men vergelijke eens vooral de beide laatste regels in het
citaat uit het origineel, met dat: "dan moogt ge doen [p.288] wat ge nu
verlangt." In de eerste voelt ge de levenswarme kuischheid van de vrouw,
die, zelve véél meer liefdevol dan zinnelijk, uit liefde den man het
te-veel aan zinnelijkheid in zijn liefde vergeeft, omdat zij begrijpt:
dat is nu eenmaal des mans--en hem toegeeflijk-belovend berustigt; in de
woorden der vertaling daarentegen voelt ge: de
pruimenmondjes-preutschheid van de woord-kuische. Dit laatste wordt
namelijk veroorzaakt doordat de regel: "Ende dat uwer herten voeght"
niet juist is overgezet, waardoor de voorstelling der
gemoedsliefde--opluwend in het origineel uit het woord herten--hier
heelemaal niet bij Beatrijs schijnt te bestaan en zij alléén de
aanstaande grof-zinnelijke daad schijnt te zien, waarmee ze dan tevens
natuurlijk het overheerschend-zinnelijke van haar eigen voelen verraadt!
En overigens: had de heer Spitz niet kunnen en moeten begrijpen, dat
hij, door dat "middeleeuwsch-ruwe" moderniseerend te "beschaven," iets
van het tijd-eigenaardige uit het gedicht wegsneed en hiermede allicht
zijn levensduur bekortte, want dit is toch wel één van de oorzaken--zij
het een zeer bijkomstige--van het voortleven van een kunstwerk uit
vroeger tijd: dat de begeerte naar de allerfijnst-intieme èn
psychologische kennis van dien tijd er door bevredigd kàn worden, soms,
als nergens anders?... Ach, wij menschen!... wij klagen over "den tand
des tijds," en laten ons-zelf als valsche tanden--en hòe valsch!--in
zijn kaken zetten, om zijn knaagvermogen te verhoogen!...

       *       *       *       *       *

"Maar," werpt ge mij tegen, "behoort dàt allemaal onder de rubriek "te
fatsoenlijk" thuis; kan men het niet evengoed onder het hoofd: "Tekort
aan kunstenaarschap" rangschikken?" En inderdaad, mijne geachte jonge
vrienden, die tot mijn matelooze verrassing nog niet door deze
verhandeling in-slaap-verveeld zijt--als ge mìj vraagt: ik weet 't zelf
niet.... Daar zijn van die grensgevallen.... Maar komaan, laat ons niet
twisten over een naam! Ziehier nog zoo'n grensgeval: de heer Spitz
schijnt nu eenmaal een onuitroeibaren haat tegen "zoogen" [p.289] te
hebben. Waar hier met geen mogelijkheid eenig fatsoenlijkheids-begrip in
't spel kan zijn, ben ik geneigd te vragen: heeft hij een agentuur van
zuigflesschen, of de vertegenwoordiging van 't een of ander kindermeel,
dat hij met het wóórd "zoogen" wellicht ook de dààd uit de wereld wil
helpen? Het blijft gissen. Maar ongetwijfeld is 't een ònschuldig
genoegen, dat men zich verschaft, wanneer men "die God soghede" met
"Gods Moeder" vertaalt. Edoch, deze "zoogen"-haat wordt een bepaald
duivelskwaad, als men "diene soghede" overzet met: "die hem de
moederborst reikte." Hier is het geen grensgeval meer; hier zijn we
zèker en middenin bij het gebrek aan fijn taalgevoel, bij het
tekort-aan-artisticiteit aangeland. Het is natuurlijk een goedkoope
aardigheid, om den vertaler te vragen, of dat "aanreiken" hier, waar het
toch een god gold, op een zilver dan wel een goud presenteerblaadje
geschiedde; maar die goedkoope aardigheid welt dan ook vanzelf naar de
lippen, als weerslag op de àllergoedkoopste want tot den laatsten draad
toe afgedragen en nietswaardige rhetoriek der vertaling, hier. "Muziek
lokt van een ziel muziek weer los," zong Gorter. En hier hei-je daarvan
nou 'ns 'n verrukkelijk voorbeeld!--Is het ook niet evenzeer rhetorisch,
als men dit stuk, met dien prachtigen door mij gecursiveerden regel:

    Daar die voghele hadden feest.
    Si maeckten soe groot gescal,
    Dat ment hoerde overal ...

vertaalt met: "waar de vogels luide en jubelend hun lied zongen"?
(daarbij op den koop toe--ik zei toch: rhetorica is niet duur!--den
mooisten regel totaal verdonkeremanend!) Neen, onze vertaler heeft
nergene het fijne gevoel eens kunstenaars gehad, noch waar hij liet
vervallen, noch waar hij toevoegde. Ai, zou ik den heer Spitz willen
zeggen, het "gij zult er niet aan toevoegen en er niet van afnemen," dat
is ook voor de vertalers van de groote dichters geschreven!--Nòg een
voorbeeld van "eraf nemen." Als de heer Spitz schrijft:

[p.290]
     Ze zond den jongeling, tot wien ze zoo groote liefde droeg een
     brief, waarin ze hem verzocht, dat hij zeer spoedig tot haar komen
     moest; ook hem zou daaraan veel gelegen zijn. De jongeling las den
     brief, dien zijn vriendin hem zond en in zijn hart was vreugde.
     Snel maakte hij zich op om tot haar te gaan.

dan kapt hij tusschen: "veel gelegen zijn" en: "De jongeling las" dezen
versregel weg:

    Die bode ghinc daer de jonghelinc was

en ook vóór: "las" de woorden: "Hi nam." En dat alles had hij volstrekt
nièt mogen doen. Hij heeft waarschijnlijk gedacht: die oude dichter had
te veel den tijd, wat is-ie breedsprakig. Mis, waarde Heer. Met dat
in-stukken-hakken-der-handeling, in dat verlangzaamde tempo--dat uit die
"breedsprakigheid" is ontstaan--is de plechtigheid en het gewicht
van dit voor Beatrijs supreeme levensmoment, dat over heel haar
toekomst beslist, gebeeld: tot plasticeerenden klank en rhythme
geworden!

En nu een toevoeging. De dichter zegt:

    Nu gaet si met groten weene
    Ten cloester waert moeder eene.

De vertaler schrijft:

     In diepe droefheid gaat ze naar het klooster--moederziel alleen
     --door de stille geheimenis van den nacht.

Van het door mij gecursiveerde is in den origineelen tekst niets te
vinden. De heer Spitz heeft hier vermoedelijk gedacht: ik zal dat nou
'ns op z'n "modern-stemmingvols" móói maken. Maar ach, waarde Heer, ge
hebt het leelijk gemaakt, want er kon ons waarlijk niets ergers
gebeuren, dan dat het "stemmingvolle" gezicht van het moderne hier om
dit eeuwenoude kerkhoekje kwam kijken....--[p.291] En dan: een waarlijk
kunstenaar-vertaler vertaalt niet slap, ten minste niet zóó slap. Als
hij in een door hem te vertalen gedicht een sehàt ontmoet als deze:

    Goet berou mach als (kan alles) ghewouden

(een schat: omdat in dat ééne woord ghewouden = overweldigen, macht
krijgen over iets, de mystieke strijd van den zondaar met de zich nog
terughoudende genade Gods is geheeld), dan weet hij niet hoè
spoedig, en niettemin met hoè voorzichtige en teeder-aanrakende handen,
hij die zal bergen in zijne overzetting; en hij dènkt er eenvoudig niet
aan, zóó iets sterks en groots met het slappe: "welgemeend berouw
brengt immer vergeving" te vertalen. Maar ook, en ten slotte: al
zouden deze voorbeelden ons niet het tekort aan kunstenaarsgaven van den
vertaler hebben bewezen, dan nog zouden wij dit hebben bemerkt aan het
feit, dat in dit proza geen "stem" klinkt, er geen persoonlijk
rhythme, als eene alles dragende flonkerende, of grijze, doffe stroom,
door vloeit, dat ons het in de vertaling natuurlijk verdwenen rhythme
van den ouden dichter althans éénigszins zou kunnen vergoeden. De heer
Spitz zal hier wellicht brommen: waartoe dit verwijt, heb ik mij dan
ooit voor kunstenaar uitgegeven? Neen, antwoord ik dan, maar men heeft
het recht te verwachten, dat gij het in voldoende mate zult blijken te
zijn, indien gij een werk als dit onderneemt. Gij hebt--de fout van
zoovelen--het waarachtige, maar niet genoegzaam sterke schoonheidsbesef,
dat ge u eigen wist; de piëteitvolle liefde, die ge voelde--en wier
beider wezen men dan ook wel degelijk in uwe vertaling bespeurt--met de
macht verward, die als schoonheid-herscheppende waarden te doen
gelden.... Neen, dit is uw werk niet, het is uw werk nòg niet, althans.
Het is arbeid voor een Boutens, een Van Suchtelen, een Verwey. En zoo
nauw luistert dit, dat ik zelfs denk, dat het wellicht ook geen werk zou
zijn voor bijv. onzen grooten en genialen Meester Jacobus van Looy,
omdat diens stijl allicht weer te zwaar en te verwikkeld voor zóó
naïeven eenvoud [p.292] zou blijken. Met uw Uit Hooft's Lyriek,
dáármee waart ge op den goeden weg: die kranige voorrede, daar zat iets
mooi-eigens in. Frank en fleurig droegt ge uw eigen gedachten voor, op
eigen toon. Doch dit vreemde was u te groot, en daarom kwam uw goede en
nog pas ontluikende eigenheid niet boven, maar daarentegen een nièt
goede, een als linksche, als hakkelende eigenheid, gelijk bij een
kind, dat uit schroom zich dommer toont dan het is, als het staat voor
den meester, dien gróóten, gewèldigen man. Hetgeen alles niet wegneemt,
dat ge, zooals ik reeds zei, een uitmuntend werk hebt gedaan, omdat ge
op iets kostelijks, het grootste deel van het lezend publiek nagenoeg
onbekend, weer de aandacht hebt gevestigd en dat gedaan hebt met ernst
en toewijding, want: met het volle talent, waarover gij
beschikte....--Doch over het algemeen ben ik van oordeel, dat men eerst
met het publiceeren van bewerkingen of vertalingen van andermans werk
mag beginnen, indien men reeds een zeker meesterschap verworven heeft.
Waarom?... Toen ik het diamantklooven leerde, sloeg ik menig kostbaar
steentje van m'n goeien leerbaas kapot, máár--mijn ouders hadden hem dan
ook een niet onaanzienlijk leergeld betaald.... Wàt echter zoudt gij een
dichter betalen, als ge zijn diamanten vergruizeld hadt?... Maar m'n
hemel, daar heb ik, maar pratend met den heer Spitz, heelemaal niet meer
tot m'n jonge vrienden gesproken. En waarachtig, statig zijn ze al aan
't knikkebollen. Heidaar!... Hola! wordt 'ns wakker.... Ik heb 'n goeie
tijding voor jullie.... Hoera! Hoera! die ouwerwetsche Beatrijs is
uit!... Kijk, daar stommelen ze al, zich de oogen bewrijvend, met blije
gezichten de banken uit....--



       *       *       *       *       *



VERTALINGEN

Blz. 4 Du staunst: Gij verwondert U dat ik, mij een pad banend, moedig
den weg naar de hoogten der Wijsheid bestijg? Dezelfde geest die mijn
lichaam beweegt, is een het Al omcirkelend Wereldrad.--

Blz. 4 Ueber der Zeiten: Over der tijden bultigen weg rijd ik naar het
Eeuwige Leven en ik schrijd tot het Paradijs over de hel.--

Blz. 4 Mir war so kalt: Mij doorsneed zulk een huiverkoude, alsof ik
een lied van Samuel den Leviet hoorde.--

Blz. 5 Von Salomo: Van Salomo den Wijze was eens de Geest geweken:
toen vergeleek hij der tanden parelenrij met een lammerkudde.--

Blz. 5 Was soll mir's: Waartoe zou ik, de klankrijke dichter, zingen
voor zulk gespuis? Waar mijn tong toch ook mijn drietand kan zijn, is
het beter haar te gebruiken, om hen tot brij te hakken.--

Blz. 5 Eine wunderbare: Een wonderbare, groote vuurzuil des gezangs.--

Blz. 5 Die Sonne sinkt: De zon gaat onder, de nacht rijst op en met
goud omrand verschijnt de maan; in zee bewegen de sterren, gelijk
verdwaalde reizigers, rusteloos door verre landen trekkend.

Blz. 5 Heil Tyrus!: Heil U Tyrus! Uwen Wijzen heil. Hun naam hebben zy
mij in 't hart gedolven. En bij hun zee zich een tweede verworven: mijn
oog dat van tranen overvloeit.--

Blz. 6 "Il faut remarquer": "Men moet niet uit 't oog verliezen", zegt
Luzzatto, geciteerd bij Geiger, "dat de pederastie bij de Arabieren
(evenals bij de Grieken) in hoog aanzien stond, en de Joodsche dichters
van hun vrienden spreken alsof dezen hun minnaars waren.

Blz. 164 laisser entrevoir sa pensée: het laten doorschemeren van zijn
gedachte.

Blz. 168 "Absicht", die "verstimmt": bedoeling die ontstemt.

Blz. 197 Und nennt man: En noemt men de beste namen, dan wordt ook de
mijne genoemd.

Blz. 238 Or, if virtue: Of, zoo de Deugd te zwak ware (om ten Hemel te
stijgen) dan zou de Hemel nederdalen tot haar.--


       *       *       *       *       *


BIBLIOGRAPHISCHE NOTITIE


De artikelen uit de jaren tot en met '16 zijn verschenen in De Gids.

De andere in het Weekblad voor Stad en Land.

De artikelen in het didactisch deel, in Het Jonge Leven.



       *       *       *       *       *



INHOUD


I

CRITISCH


Oude en Nieuwe Joodsche Dichtkunst. (Naar aanleiding van en over
Jacob Israël de Haan's Het Joodsche Lied)--pag. 1

Maurits Sabbe: De Nood der Bariseele's--pag. 30

R. van Genderen Stort: Idealen en Ironieën--pag. 34

Joannes Reddingius: Een Romantische Jongen--pag. 37

Joannes Reddingius: Zonnewende--pag. 40

Frans Verschoren: Langs kleine Wegen--pag. 44

Maurits Wagenvoort: Het stijfhoofdige Bruidspaar--pag. 47

Samuel Goudsmit: In de Groote Leerschool--pag. 50

Mr. J. Dermoût: Singkep Tin--pag. 56

Wally Moes: Gooische Dorpsvertellingen--pag. 58

G.F. Haspels: Wisselend Uitzicht--pag. 61

Cornelis Veth: Gids voor Padvinders, Prikkel-Idyllen VI--pag. 65

Herman Robbers: Helene Servaes--pag. 68

H. van Loon: Trouweloozen--pag. 73

Cyriel Buysse: Oorlogsvisioenen--pag. 75

Victor Ido: De Paupers--pag. 78

P.A. Raëskin: Pastoor Horsman--pag. 80

Louis Couperus: De Comedianten--pag. 83

Felix Timmermans: Het Kindeken Jezus in Vlaanderen--pag. 86

M.J. Brusse: Een worstelaar--pag. 89

Een Antisemietisch Criticus? (Carel Scharten: Kroniek der Nederlandsche
Letteren, 1916)--pag. 92

G.J.A. van Bruggen: Als ge niet ... Dan! Een ver-beelding--pag. 104

Joh. de Meester: De kindsheid van Harlekijntje--pag. 108

R.J. Spitz: Uit Hooft's Lyriek--pag. 111

G. van Hulzen: Van den Zelfkant der Samenleving. Zijn kind--pag. 114

Herman Poort: Literatuur--pag. 117

Salamon Dembitzer: Een Zomer in Galicië. Vertaling door Arn. Saalborn--pag. 120

René de Clercq: Het Rootland--pag. 123

J.L. Gregory: Het Lied van de Zonde--pag. 126

Is. Querido: Van verbeelding en werkelijkheid--pag. 129

Ellen: Ariadne en Dionysos--pag. 133

A. van Collem: Liederen der Gemeenschap, Tweede Deel--pag. 136

G.S. Adama van Scheltema: Zingende Stemmen--pag. 139

Herman Poort: Gerbrand Adriaenszoon Bredero--pag. 142

Jo de Wit: Donker Geluk--pag. 145

Augusta Peaux: Gedichten--pag. 148

Jan Feith: Onze Mededieren--pag. 152

Het Helden- en Leerdicht van den Wereldoorlog. (Het Vuur door Henri
Barbusse. Vert. door Andries de Rosa)--pag. 156

Slagveld-Misère, Polemiek--pag. 178

Carry van Bruggen: Om de Kinderen--pag. 190

A.B. Kleerekoper: Oproerige Krabbels--pag. 194

Joost Mendes: De Santeljano's. Eerste deel; De Verweerde Jaren--pag. 199



II

DIDACTISCH

Jack London: Pit-tah, de grijze wolf. Vert. door S. Barentz-Schönberg.--pag. 205

Beatrijs (de Middelnederlandsche)--pag. 232

Beatrijs (door P.C. Boutens)--pag. 268

Beatrijs (naverteld door R.J. Spitz)--pag. 285

Vertalingen--pag. 293

Bibliographische Notitie--pag. 294





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Over literatuur - Critisch en didactisch, tweede bundel" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home