Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Reis naar Yucatan - De Aarde en haar Volken, 1886
Author: Charnay, Désiré, 1828-1915
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Reis naar Yucatan - De Aarde en haar Volken, 1886" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



Reis naar Yucatan

door

Désiré Charnay


(uit "De Aarde en haar Volken," jaargang 1886)



Bij allen, die zich bezig houden met de zoo belangwekkende studie
van de amerikaansche oudheid, dat wil zeggen met de studie der
beschaving en der geschiedenis van Amerika vóór de ontdekking door
Columbus en de verovering door de Spanjaarden en andere europeesche
mogendheden,--bij die allen is de naam van den heer Désiré Charnay
geen onbekende. Hij gaf ons belangrijke studiën over het oude Mexico en
andere landen van Centraal-Amerika, die hij zelf bereisde, voornamelijk
met het doel om de nog overgebleven sporen en gedenkteekenen eener
ondergegane beschaving te leeren kennen, en daarmede winst te doen
voor de oplossing van zoo menig gewichtig vraagstuk op ethnografisch
gebied. De lezers van _De Aarde_ brachten wij nog niet met den
arbeid van den heer Charnay in kennis: wij willen dit thans doen,
door hem te vergezellen op zijne reis naar het schiereiland Yucatan,
niet een der minst belangrijke landstreken van Centraal-Amerika.


I


Den 1_sten_ December 1881 wierp de boot het anker uit op de reede van
het dorp Progreso, de tegenwoordige haven van het schiereiland. Er woei
een vrij harde noordenwind, en als trouwens alle groote stoomschepen,
moesten wij het anker uitwerpen op vier à vijf mijlen afstands van
den wal, dien wij ter nauwernood konden zien: de kleine gebouwen van
Progreso krompen op dien afstand tot mikroskopische huisjes samen. Deze
kust met hare ondiepten en zandbanken staat sinds lang ter kwader
naam; evenmin als wij, konden de eerste spaansche ontdekkers haar
van nabij naderen. Bij ruw weer is de ontscheping zeer gevaarlijk;
maar de bootslieden zijn zoo voor hunne taak berekend, dat zij ons
zonder eenig letsel, uitgenomen een aanval van zeeziekte, aan den
kleinen houten havendam brengen.

Yucatan is een groot schiereiland, waarvan de vorming nog niet voltooid
is. Het noordelijk gedeelte, waar de kalkachtige bodem nog maar met
eene dunne laag teelaarde is bedekt, is eene dorre kale vlakte; in het
midden wordt de grond, sinds langer gevormd, vruchtbaarder en minder
vlak; in het zuiden eindelijk verheffen zich vrij hooge heuvels, die
in verband staan met de vertakkingen van de sierra Madre, welke zich
door geheel Centraal-Amerika uitstrekt. Het schiereiland, dat noch
rivieren, noch stroomende wateren heeft, strekt zich van het zuiden
naar het noorden in de golf van Mexico uit, tusschen den achtsten en
den twaalfden graad oosterlengte van Mexico, en den achttienden en
den twee-en-twintigsten graad noorderbreedte.

De eerste berichten omtrent Yucatan, of althans omtrent zijne bewoners,
zijn afkomstig van Columbus zelven, die op den 30_sten_ Juli 1502, toen
hij op het Pijnboomeneiland, ten zuiden van de noordwestpunt van Cuba,
vertoefde, van den kant van het westen eene groote boot zag naderen,
uit een enkelen boomstam gehouwen, bemand met vier-en-twintig roeiers
en voerende een cacique (opperhoofd, vorst) met zijne familie. Verder
wordt verhaald, dat deze lieden het sedert bekend geworden yucatansche
kostuum droegen, en dat er zich aan boord van de boot, hetzij ten
gebruik van de reizigers, hetzij om daarmede handel te drijven,
koeken of brooden van maïs bevonden, benevens verschillende dranken
uit maïs bereid; voorts cacao, groote houten zwaarden met sneden van
obsidiaan, koperen bijlen en katoenen stoffen, zoo zacht als zijde
en met levendige verwen gekleurd.

Ik twijfel er zeer aan of wij in dit verhaal werkelijk met Yucateken
of Mayas te doen hebben. Die groote, acht voet breede boot, uit een
enkelen boomstam gehouwen, kan niet uit Yucatan afkomstig zijn, een bij
uitnemendheid droog en, althans in zijn noordelijk gedeelte, tamelijk
dor en kaal land. Bovendien kan men niet aannemen dat de Mayas, die
een rotsachtig, vlak en droog land bewoonden, waar geen rivieren zijn,
ervaren zeelieden waren; koperen bijlen waren er bij hen wel niet
veel te vinden, evenmin als obsidiaan; eerst op hunne tweede reis,
onder Gryalva, vonden de Spanjaarden zulke bijlen in Tabasco.

Het komt mij dus waarschijnlijk voor, dat de boot, waarvan Columbus
spreekt, van Tabasco kwam: eene landstreek, toen niet minder beschaafd
dan Yucatan, maar bovendien doorsneden door groote rivieren en bedekt
met een weelderigen plantengroei, waar de inboorlingen te kiezen
hadden tusschen ceders en andere woudreuzen om de groote kano's te
vervaardigen, waarvan het verhaal melding maakt. Deze inboorlingen
gingen evenals de Mayas gekleed; maar de voorraad cacao vooral
pleit ten voordeele van mijne onderstelling, want de cacao is in
Yucatan niet inheemsch, maar was en is nog steeds een der voornaamste
voortbrengselen van Tabasco.

Wat mij het meeste verwondert in dit verhaal, is dat Columbus, bij
de voor hem zoo geheel onverwachte verschijning van die groote sloep
met hare beschaafde bemanning, niet op de gedachte is gekomen om
deze zeevaarders te volgen, ten einde te zien van waar zij kwamen:
hadde hij dit gedaan, dan zou hij ook de eerste zijn geweest die de
beschaafde landen van Amerika had ontdekt.

De eer der ontdekking van het schiereiland behoort nu aan Vincente
Yanez Pinzon, die in gezelschap van Juan Diaz Solis in 1506 langs
de oostkust van Yucatan voer, maar zonder haar te verkennen. In 1511
eindelijk leed Valdivia, die met twintig Spanjaarden van Darien kwam
en naar Cuba ging, schipbreuk op de riffen, bekend onder den naam van
de Alacranes. De bemanning, in eene sloep saamgepakt, werd, na eene
omzwerving van dertien dagen, door den stroom op eene onbekende kust
geworpen. Dat was de kust van Yucatan; de schipbreukelingen, wier
aantal door dorst en honger tot dertien geslonken was, bevonden zich
aan de oostelijke punt van het schiereiland, bij kaap Catoche. Zij
werden door de inboorlingen gevangen genomen en bestemd om geofferd
en gegeten te worden; allen ondergingen dat lot, met uitzondering van
twee, Geronimo de Aguilar en Gonzalo Guerrero, van wie wij nog nader
spreken zullen. Deze ontdekking was dus bloot toevallig; opzettelijke
ontdekkingstochten werden eerst eenige jaren later ondernomen.

In 1517 doet Cordova een verkenningstocht langs het noordoosten van
het schiereiland; hij volgt de kust van het oosten naar het westen
en bespeurt verschillende groote steden en hooge pyramiden; hij gaat
te Campêche aan land, waar hij tempels vindt aan Kukulcan, den god
Quetzalcoatl der Tolteken, gewijd; op de muren van die tempels zag
hij groote slangen in relief uitgehouwen, gelijk aan die waarmede de
buitenmuur van den grooten tempel te Mexico prijkte. Door gebrek aan
water gedrongen, landde Cordova aan de westkust, te Potonchan, thans
Champoton, waar hij, in een gevecht met de Indianen, zeven-en-vijftig
zijner manschappen verloor, terwijl geen enkele van zijn volk
ongekwetst bleef. Ook later vond Cortez nergens zoo hardnekkigen
tegenstand en zoo geduchte vijanden; want in de gevechten, die hij
vijftien dagen lang tegen de Tlascalteken, de moedigsten onder alle
indiaansche stammen der hoogvlakten, moest leveren, verloor hij niet
meer dan drie man.

In 1518 landt Gryalva te Cozumel, op de oostkust van Yucatan; vandaar
verkent hij eene groote stad aan de kust, Tuloom, Pamal of Paalmul;
vervolgens richt hij zich noordwaarts en vaart, als zijn voorganger,
langs de kust van het schiereiland. Ook hij houdt te Campêche en
Potonchan op, gaat Tabasco verkennen en dringt door tot de eilanden
Sacrificios en Ulua, vlak tegenover de plek, waar later Vera-Cruz
zou verrijzen.

In 1519 volgt Cortez denzelfden weg; maar gelukkiger dan zijne beide
voorgangers, vindt hij in Yucatan Aguilar, die hem als tolk zal dienen,
en op de kust van Tabasco ontvangt hij, uit handen van een cacique,
Marina, het indiaansche meisje, die als het ware de beschermengel
werd van zijne expeditie.

Het zonderlingste is dat de Spanjaarden nooit den waren naam hebben
geweten van het land, dat zij veroverd hadden. De naam Yucatan zou,
naar sommigen zeggen, zijn afgeleid van de woorden _Chac-Nuitan_
(wij begrijpen niet), waarmede de inboorlingen antwoordden op de
vraag der Spanjaarden naar den naam van hun land. Anderen verklaren
dien naam weer op andere wijze en wagen de wonderlijkste gissingen,
die elkander lijnrecht tegenspreken. Trouwens dit behoeft ons niet te
verwonderen, als wij bedenken dat de geschiedschrijvers op achttien
verschillende manieren den naam schrijven van Montezuma, dien keizer
met wien de Spanjaarden toch van nabij bekend waren! Men kan zich
eenigszins voorstellen met hoeveel moeite de lezing der kronieken
gepaard gaat; eerst wanneer men op de plaatsen zelve geweest is,
is het mogelijk achter de waarheid te komen. Wij zullen al deze
gissingen en onderstellingen laten rusten, en beproeven of wij met
behulp van de overgebleven monumenten de verborgenheden van den
ouden tijd kunnen ontsluieren. Juist hier hebben de Indianen tal van
herinneringen achtergelaten.

Het is niet der moeite waard, zich in het dorp Progreso op te houden:
het is eene verzameling van pakhuizen, winkels en ellendige krotten,
midden in het zand; de uiterst eenvoudige havendam verkeert in zeer
verwaarloosden toestand. De tijd ontbreekt ons voor verder onderzoek,
want de trein, die ons naar Merida moet brengen, vertrekt ten tien
uren; en de vele koffers van onze bagage moeten nog eerst door de
beambten der douane worden nagezien. Deze heeren zijn overigens zoo
beleefd mogelijk: van mijne vijf-en-twintig koffers wordt er maar een,
en dat nog voor den vorm, geopend; allen beijveren zij zich om ons
zoo spoedig mogelijk te helpen. Toch is het goed, zijne bagage niet
uit het oog te verliezen, want de commissionairs zijn bijzonder vlug
met andermans goed, zoo als ik later tot mijne schade ondervond. De
stoomfluit gilt, en wij vertrekken.

Progreso is omringd door een gordel van moerassen, die een zeer
treurigen aanblik opleveren; dan komen wij aan eene steenachtige
vlakte, hier en daar met struiken en onkruid begroeid. Het is een
eentonig, dor landschap; maar de bewoners hebben toch dien kalen
dorren grond zeer winstgevend weten te maken. Ter wederzijde van den
weg strekken zich onafzienbare _henequen_-plantages uit: eene agave
met smalle en lange bladeren, waaruit zeer stevige en fraai glanzende
draden vervaardigd worden, die op de amerikaansche markten grooten
aftrek vinden. Links en rechts wijzen verspreide boomgroepen de
woningen van de eigenaars der plantages aan; de hooge schoorsteenen,
waaruit de rook opstijgt, zijn die van de fabrieken, waarin de
bewerking van de henequen-bladeren plaats heeft. Wij ontmoeten op
onzen weg nog zeer enkele dorpen: voor de deur der langwerpige, met
riet gedekte hutten, zitten bronskleurige vrouwen met korte rokken
en omgeven door talrijke groepen naakte kinderen, die den voorbij
snorrenden trein met verbaasde oogen aanstaren.

Na een rit van drie uren komen wij te Merida. Hotels zijn hier niet,
waaruit volgt dat de verschijning van een reiziger eene zeldzaamheid
is; evenmin staan er huizen te huur, hetgeen pleit voor de welvaart
der stad, want vroeger stonden er een aantal huizen leeg. Wij loopen
gevaar, onder den blooten hemel te moeten overnachten; en niet dan
met veel moeite gelukt het ons, eene kleine kamer van vijf el in het
vierkant te vinden, waar wij met ons drieën moeten logeeren: mijn
secretaris, mijn bediende en ik zelf. In de geheele stad is maar een
restaurant--en welk een restaurant! Maar het komt er niet op aan:
het is ons om de ruïnen en de oude monumenten te doen, en niet om
een lekkere keuken. Bovendien worden wij geïntroduceerd in eene
amerikaansche club, waar wij onze avonden aangenaam kunnen doorbrengen.

Merida werd in 1542 gesticht door Francisco de Montejo, tijdens
zijne tweede expeditie: want de veroveraar slaagde er eerst bij deze
tweede expeditie in, dit kleine dappere volk te onderwerpen en eene
der merkwaardigste nationaliteiten van Amerika te vernietigen. Hij
kwam hier voor het eerst in 1527; hield Chichen gedurende twee jaren
bezet, en moest zich toen, overwonnen en uitgehongerd, terug trekken
om te Mexico versterking te gaan halen. Bij zijne tweede expeditie
gelukte het Montejo eindelijk, door het verraad van een opperhoofd,
vasten voet in het land te winnen. De verovering van Yucatan kostte
inderdaad meer inspanning, meer menschenlevens en meer tijd dan de
verovering van geheel Mexico; en ook na dien tijd moest de overwinnaar
voortdurend op zijne hoede zijn tegen telkens dreigende opstanden van
een volk, dat het vreemde juk verafschuwde en altijd gereed was naar
de wapenen te grijpen.

Het zou wel der moeite waard zijn, meer in bijzonderheden met deze
langdurige worsteling bekend te zijn; maar oneindig belangwekkender
ware de kennis van de geschiedenis van het volk, dat ons zulke
schoone monumenten heeft achtergelaten. Deze monumenten, die tot
zoo velerlei gissingen en hypothesen aanleiding hebben gegeven,
zijn heden ten dage de eenige overgebleven getuigen van die in
geheimenissen gehulde beschaving. Toch ontbraken tijdens de verovering
de authentieke documenten geenszins: manuscripten op aloëpapier en
op geitenvel, kaarten, afgodsbeelden, vaatwerk, nog levende traditiën
en overleveringen: ziedaar bouwstoffen genoeg, waarvan de toenmalige
schrijvers gebruik hadden kunnen maken om ons eene uit de bronnen
geputte geschiedenis te geven van de oude beschaving der Mayas. Maar
de Spanjaarden dachten aan geheel andere dingen; en op het voorbeeld
van den bisschop Zumarraga van Mexico, die de jaarboeken der Azteken
vernietigde, verbrandde ook de bisschop Landa, van Merida, te Campêche
alle documenten, die hij kon bijeen brengen. Na dit schoone auto-da-fé
zette hij zich aan het schrijven zijner geschiedenis van Yucatan! Zeker
eene zonderlinge wijze van behandeling der bronnen!

Ons blijft dus niets anders over dan met de meeste nauwgezetheid alle
sporen en herinneringen van den vroegeren toestand uit te vorschen en
te onderzoeken, en door de studie van de monumenten en bas-reliefs,
door vergelijking van deze kunstwerken met anderen die ons bekend zijn,
te trachten een beeld te ontwerpen van dat verleden, dat steeds nader
bij komt, hoe meer men het bestudeert. Men heeft meermalen aan deze
monumenten eene tot in het belachelijke overdreven oudheid toegekend:
inderdaad zijn zij betrekkelijk modern, zoo als ik nader, op onzen
tocht, hoop te bewijzen.

Merida werd gebouwd op de plaats van het oude Ti-hoo of T-hoo, eene
der grootste yucatansche steden, waarvan de overlevering echter
ter nauwernood melding maakt. Volgens het zeggen der Spanjaarden,
was de stad sedert lang verlaten; uit de feiten zelven schijnt
echter te blijken dat zij nog bewoond was. Wel waren de pyramiden
met struiken en distels begroeid, maar de daarop rustende gebouwen
waren, naar de verklaring van Landa, nog ongeschonden in wezen;
en Francisco de Montejo kon in de stad zijn intrek nemen met zijne
troepen en het contingent der Indianen van Mani. Bovendien verhaalt
de jongste geschiedschrijver van Yucatan, de heer Eligio Ancona, van
een beroemden tempel, H-Chum-Cáan genoemd, hetgeen zooveel beteekende
als: het middelpunt en de grondslag des hemels. De inwoners van T-hoo
waren bijzonder gehecht aan dit hoog vereerde heiligdom; en om die
bijgeloovige vereering uit te roeien, was het, volgens Cogolludo
noodig, den tempel af te breken en hem te vervangen door eene aan
Sint-Antonius gewijde kapel.

Uit deze mededeeling blijkt, dunkt mij, onwedersprekelijk dat de
tempels en paleizen van Merida ook nog na de komst der Spanjaarden
bestonden en dat daarin nog dienst werd gedaan; maar deze tempels
en paleizen beantwoordden gewis niet aan de overdreven beschrijving
van den abt Brasseur. Op het gebied der archeologie vooral is het
zeer gevaarlijk, aan de verbeelding vrij spel te laten; het gezond
verstand is ook hier de beste gids; en zucht naar het wonderbare spant
ons bij het onderzoek soms gevaarlijke strikken. Laat mij daarvan
een sprekend voorbeeld verhalen. Landa geeft ons eene beschrijving
van het voornaamste gebouw, dat uit vier vleugels bestond, rustende
op pyramiden; deze vleugels omgaven eene langwerpige binnenplaats,
die door hare gedaante herinnerde aan het paleis der nonnen, dat wij
te Uxmal zullen bezoeken, en door haar bouwstijl aan een der paleizen
van Kabah, welke wij eveneens zullen zien. De twee hoofdvleugels nu
bevatten vijftien vertrekken van twaalf voet lengte, hetgeen te zamen
honderd-tachtig voet bedraagt; voegt men daar nu veertig voet bij voor
de dikte der muren, dan krijgen wij tweehonderd-twintig voet voor
het geheele gebouw. Volgens de teekening hebben de beide terrassen,
die het paleis dragen, eene meerdere oppervlakte van tachtig voet:
zijnde een totaal van driehonderd voet voor het terras, waarop het
paleis was gebouwd. Deze cijfers schijnen de verbeelding van den abt
te hebben ontvlamd: de driehonderd voet worden tot drieduizend voet
voor het geheele monument. Het is maar een nul te veel, doch het
maakt nog al eenig verschil!

De stad Merida, met de bouwstoffen der indiaansche stad opgetrokken,
heeft, als alle spaansche steden in de Nieuwe-Wereld, de gedaante van
een groot dambord, gevormd door rechte straten en zuiver vierkante
blokken huizen. In het midden bevindt zich een groot plein, dat thans
in een soort van square is herschapen, met eene waterlooze fontein,
dorre en verschroeide bloemperken, en jonge boompjes, in welker schaduw
misschien het verre nageslacht eens zal mogen wandelen.--De eene zijde
van dit plein wordt ingenomen door het stadhuis, een groot gebouw met
twee galerijen boven elkaar, en volkomen gelijkende op alle stadhuizen
in de spaansche koloniën. Daar tegenover verrijst de kathedraal, die
inderdaad een monument mag worden genoemd voor eene stad, welke thans
eene bevolking telt van dertigduizend zielen, maar waarschijnlijk
nog geen tienduizend inwoners had toen deze kerk werd gesticht. Het
heiligdom dagteekent toch uit de laatste jaren der zestiende eeuw,
toen de kolonie nog pas in haar opkomst was en over zeer weinig
hulpmiddelen had te beschikken: de inwoners moesten waarlijk voor hunne
godsdienst veel over hebben om de zware onkosten van dit werk te kunnen
bestrijden. De kerk, in 1598 voltooid, kostte vijftienhonderd-duizend
francs: eene som, die gelijk staat met omstreeks vijftien millioen,
naar de tegenwoordige geldswaarde berekend.--De voorgevel wordt ter
wederzijde geflankeerd door twee sierlijke torens; het inwendige maakt
een grootschen indruk: het bestaat uit drie ruime schepen, waarvan de
gewelven gedragen worden door twaalf kolossale zuilen in het midden,
en door twintig anderen van gelijke afmeting, die ten deele in de
muren gevat zijn. In de zijschepen bevinden zich kleine kapellen;
en het geheel vertoont dien stempel van soliediteit, die aan alle
gewrochten der veroveraars eigen was.

Ten zuiden van het plein staat het huis van Francisco de Montejo:
dit huis, het oudste van Merida, is eene kostbare herinnering uit de
eerste tijden der verovering: het werd in 1549 gebouwd. De zuilen ter
wederzijde van de deur dragen twee spaansche soldaten; aan iedere
zijde van het venster der eerste verdieping staat het beeld van
een gewapenden ridder, wiens voeten rusten op een neergehurkten
Indiaan. Deze voorgevel met zijn zuilen, zijn standbeelden,
zijn wapenschilden, medaillons en lijsten, is een aardig staaltje
van den renaissance-stijl in Amerika; maar zoo het plan door een
Spanjaard werd geteekend, werd het werk zelf waarschijnlijk door
Indianen uitgevoerd, want toen dit huis gebouwd werd, was het getal
der Spanjaarden nog zeer gering: zij waren nog een troep soldaten
en avonturiers, die het allen als eene vernedering zouden hebben
beschouwd, steenhouwersarbeid te verrichten. Zij vonden trouwens
bij de Indianen de werklieden, die zij noodig hadden: de Mayas,
die hun land met zoo vele merkwaardige monumenten hadden versierd,
waren bekwaam genoeg om ook deze en dergelijke werken uit te voeren:
nog heden staan zij bekend als de beste metselaars van Amerika.

Met uitzondering van deze gebouwen, bestaat de stad uit eene
verzameling van lage huizen met platte daken en getraliede vensters;
sommigen hebben, bij uitzondering, eene bovenverdieping. Van buiten
trekken zij door niets de aandacht; maar inwendig zijn zij uitnemend
ingericht: groote, ruime, luchtige vertrekken komen uit op eene door
moorsche galerijen omgeven binnenplaats, die met bloemen, heesters
en palmen is versierd en een recht aangenaam verblijf oplevert.

Alle leven en beweging trekt zich samen op en om de markt: overal
elders is de stad als uitgestorven. Daar ziet men de voornaamste
winkels en handelskantoren; Spanjaarden, Indianen en mestiezen bewegen
zich hier, in hunne eigenaardige kleederdrachten, onophoudelijk heen
en weder. In de naburige straten ziet men groepjes indiaansche vrouwen,
op de trottoirs neergehurkt voor haar kleine uitstallingen van vruchten
en groenten. De markt zelve levert een schilderachtigen aanblik op:
die schaar van vrouwen, in haar bevallig sneeuwwit gewaad, maakt
een verrassenden indruk. In lange rijen staan zij daar, de schouders
ontbloot of met een glanzend witte roboza bedekt en bieden zwijgend
of met een stillen glimlach hare eenvoudige koopwaren aan. Gij ziet
daar vrouwen van allerlei leeftijd, mooien en leelijken, maar de
smaakvolle kleeding geeft aan allen eene eigenaardige bekoorlijkheid.


II


De Mayas zouden, naar men zegt, tot de oudste rassen behooren,
hoewel men niets omtrent hun oorsprong weet; hun type en hun taal
onderscheidt hen evenzeer van de omwonende stammen als van die der
hoogvlakten. De Maya is evenmin verwant aan de Otomis van Mexico
als aan de Roodhuiden van Noord-Amerika, waaruit de onhoudbaarheid
blijkt van de theorie, die alle volken van geheel Amerika als tot
een en hetzelfde ras behoorende beschouwt. Men zegt dat de Mayas in
het bezit waren eener oorspronkelijke beschaving, die zich hetzij
rechtstreeks, hetzij door tusschenkomst van bevriende stammen,
in Guatemala, Chiapas en Yucatan zou hebben uitgebreid; maar deze
hypothese, samenhangende met de onderstelling eener hooge oudheid
van deze kultuur, mist allen deugdelijken grond. Volgens deze zelfde
theorie zouden de monumenten en de ruïnen, die men in de gewesten van
Centraal-Amerika vindt, overblijfselen zijn van deze oorspronkelijke
inlandsche beschaving; maar op grond van onze jongste ontdekkingen,
durven wij dit ten stelligste tegenspreken. Wij weten toch, en alle
traditiën stemmen daarin overeen, dat de hier bedoelde landen, tegen
het einde der elfde en het begin der twaalfde eeuw, door de Tolteken
werden veroverd en beschaafd; en wanneer wij daarbij in aanmerking
nemen, dat alle onderling overeenkomende monumenten aan hetzelfde
ras moeten behooren; dat wij afdoende bewijzen bezitten van den
architektonischen zin en de technische bekwaamheid der Tolteken; dat
bovendien de bouwstijl en de dekoratie der monumenten volkomen overeen
stemmen met de beschrijvingen, die de geschiedschrijvers ons gegeven
hebben van de tolteeksche tempels en paleizen op de mexicaansche
hoogvlakten,--dan mogen wij met vrij veel zekerheid vaststellen,
dat er in Centraal-Amerika nooit eene andere kultuur bestaan heeft
dan de tolteeksche; althans, zoo er ooit eene andere bestaan heeft,
dat daarvan geen enkel spoor is overgebleven, zoodat wij met haar
geene rekening hebben te houden.

De Tolteken zouden dus de Mayas gemaakt hebben tot hetgeen zij
waren: een onder meer dan een opzicht belangwekkend volk, dat mede
zijn deel moet hebben bijgedragen tot de schepping der kunstwerken,
waaraan Yucatan zoo rijk is; dat eene zeer krachtige nationaliteit
vormde, en beter en langer tijd dan eenig ander ras aan de vreemde
overheerschers weerstand bood.

Zoo als hij nog heden ten dage, na eene meer dan driehonderdjarige
onderdrukking en vernedering is, onderscheidt de Maya zich nog van alle
indiaansche stammen. Ik vind de Mayas een mooi slag van menschen, en
ik betwijfel zeer of er onder de landbouwende klassen in Europa, naar
evenredigheid, zoo veel welgebouwde menschen en zoo veel verstandige en
intelligente koppen te vinden zijn. Zij hebben een rond hoofd, zwarte
oogen, een gebogen neus, een kleinen mond en welgevormde ooren, fraaie
tanden, een vooruitstekende kin en eene breede borst; hunne kleur is
vrij licht bruinrood; hun haar is grof, zwart en niet krullend.

Hunne oude maatschappelijke organisatie schijnt te wijzen op
eene vroegere verovering. Aan het hoofd der hierarchie stond de
koning; op hem volgden de priesters, dan de adel, dan het volk,
dan de slaven. Alle lasten en opbrengsten drukten op het volk;
de grond was gemeenschappelijk eigendom, en elke Indiaan bebouwde
het hem aangewezen stuk; de wijze van bebouwing was reeds toen
dezelfde als nog tegenwoordig. Daar de rotsachtige bodem van het
schiereiland geene gelegenheid aanbiedt tot ploegen, was de ploeg
onbekend, evenals de Spanjaarden, die den ploeg kenden, er toch geen
gebruik van maakten. Daarbij was de grond niet enkel steenachtig,
maar bovendien met wouden bedekt; men kapte dus eenige maanden voor
den regentijd de boomen om en verbrandde ze, nadat zij genoegzaam
gedroogd waren, zoodat hunne asch tot bemesting kon dienen; vervolgens
boorde men met een puntigen stok gaten in de aarde om daarin maïs
te zaaien. Deze wijze van bebouwing had natuurlijk ten gevolge dat
de grond lang braak moest liggen; de verdeeling der landerijen was
dan ook zoo geregeld, dat de akker eerst na verloop van vijf jaren
weer in bebouwing kwam. Slechts een vijfde gedeelte van den grond
werd dus werkelijk bebouwd; en hoe snel de boomen ook opschoten, kon
het bosch zelden iets meer zijn dan hakhout. De opbrengst van den
oogst werd in magazijnen geborgen, en vervolgens aan elke familie,
naar gelang van hare behoeften, een deel uitgereikt.

De Indiaan moest niet alleen den grond bebouwen, maar ook jagen en
visschen, en langs de kust het zout inzamelen, en dat alles onder
opzicht van daarvoor opzettelijk aangestelde ambtenaren, die over
de opbrengst beschikten; de vrouwen en meisjes moesten spinnen en
weven. De koningen, priesters en edelen leefden dus in overvloed en
onbekommerd, te midden van feesten en uitspanningen van allerlei aard;
maar zij voerden ook oorlog, en de Indiaan moest steeds gereed zijn om
zijn heer in den krijg te volgen. De oorlogen waren talrijk genoeg,
maar zij duurden kort: het lot van den veldtocht werd doorgaans in
een enkelen slag beslist. Het ging daarbij wreedaardig toe: men kende
geen medelijden met den overwonnen vijand; alles werd geplunderd
en uitgemoord, en wat men niet mede kon nemen, werd vernield of
verbrand. Dit verklaart ons het groote aantal van verwoeste steden
en van nieuwe monumenten, die na afloop van den oorlog weder werden
opgebouwd.

Als zij ten krijg uittogen, beschilderden de Mayas, even als vele
andere volksstammen, hun gelaat, en Bernal Diaz del Castillo, die
meermalen met hen vocht, verhaalt ons dat zij een soort van harnas van
gevoerd katoen droegen: eene wapenrusting, die de Spanjaarden onder
Cortez later van hen overnamen; zij waren gewapend met boog en pijlen,
met lans en schild, met slingers en groote houten slagzwaarden. Zij
versierden hun hoofd met schitterend gekleurde vederbossen en verfden
zich het gelaat wit en zwart, sommigen ook steenrood.

Was men van den krijgstocht teruggekeerd, dan werd die verf
weggewasschen en vervangen door een onvernietigbare tatouage: dit
tatoueeren was, naar het schijnt, een privilege voor de edelen
en de krijgslieden, die op deze wijze de herinnering aan hunne
heldendaden bewaarden en zich van de massa des volks onderscheidden;
Cogolludo verhaalt dat zij hun lichaam versierden met allerlei
figuren en afbeeldingen van dieren, zooals arenden, tijgers, slangen
en anderen. De jeugdige krijgsman begon met een of twee van deze
symbolische figuren; maar elke nieuwe overwinning moest door een nieuw
teeken worden herdacht, zoodat het lichaam van in den krijg vergrijsde
helden eindelijk geheel met deze hiëroglyphen bedekt was. Volkomen
dezelfde gewoonte heerscht nog tegenwoordig in Nieuw-Zeeland en op
andere eilanden van den Stillen-oceaan.

De kleederdracht van de lieden uit de volksklasse was bij uitstek
eenvoudig en bestond uit een kleinen doek, die de plaats verving van
het traditioneele vijgenblad; trouwens het warme, aangename klimaat
liet dit minimum van kleeding toe. Aguilar, een Spanjaard, die acht
jaren lang krijgsgevangene was bij de Yucateken, was zoo volkomen
gewend aan dit primitieve kostuum, dat hij met de europeesche kleeding
niet meer terecht kon. De kinderen liepen tot hun tweede jaar naakt;
de kleine meisjes droegen om haar middel een koord, waaraan eene
schelp hing; bisschop Landa, die ons dit mededeelt, voegt er bij dat
het als eene groote zonde en eene schandelijke daad werd beschouwd,
haar deze schelp te ontnemen vóór haar doop, die gemeenlijk tusschen
het derde en het twaalfde jaar plaats had.

De kleeding der adellijke mannen en vrouwen was zeer rijk en bestond
uit tunica's en mantels van katoen, met verschillende figuren
geborduurd of in sprekende kleuren beschilderd. De Mayas lieten hun
haar groeien, maar knipten het op het voorhoofd boven de wenkbrauwen
af; zij hadden weinig baard en trokken dien uit; de lieden van hooge
geboorte en de jongelieden naar de mode moesten scheel zien: dit gold
in de oogen der dames als bijzonder schoon. Om dit voorrecht deelachtig
te worden, lieten de moeders een vlok hair over den neus der kinderen
hangen, waarnaar zij onwillekeurig moesten kijken, zoodat zij eindelijk
scheel zagen. De Mayas doorboorden ook hunne ooren, hunne lippen en hun
neus, en droegen daarin houten en metalen ringen en andere sieraden.

Evenals bij de Azteken, de Totonaken, de bewoners van Palenqué en de
Peruanen, heerschte ook bij hen de gewoonte der schedelmisvorming; maar
dit gebruik was verre van algemeen en gold vermoedelijk ook als een
privilege voor de adellijke familiën en de priesterkaste. Torquemada
verhaalt daaromtrent het volgende: "Ten einde zich een woest en
krijgshaftig voorkomen te geven, geldt voor hunne vorsten, in sommige
provinciën, het gebod om zich het gelaat en het hoofd (met behulp der
vroedvrouwen en der moeders) te misvormen, en daaraan eene puntige en
langwerpige gedaante te geven, gepaard met een breed voorhoofd." Ten
aanzien van Tlaxcala voegt hij erbij: "Sommigen hebben een puntig hoofd
en een plat voorhoofd; anderen gelijken op die Mexicanen en die lieden
van Peru, wier schedel eenigzins de gedaante heeft van een hamer (?) of
van een schip (?), die de fraaiste van allen is."--Heel duidelijk is
deze beschrijving niet; vermoedelijk wil Torquemada te kennen geven,
dat het hoofd buitengewoon langwerpig was. Landa zegt: "De vrouwen
gingen zeer ruw met haar kinderen om; het kleine schepseltje was
nauwelijks vier of vijf dagen oud, of zij legden het op den grond, op
een bed van stokjes en riet, met het gezichtje voorover; dan klemden
zij het hoofdje tusschen twee plankjes en drukten het met kracht,
totdat, na verloop van eenige dagen, het hoofd den vereischten platten
vorm had aangenomen." Deze operatie was zoo pijnlijk en gevaarlijk,
dat vele kinderen op het punt stonden daaraan te bezwijken; de
schrijver zelf had een kind gezien, waarvan de schedel achter de
ooren gespleten was: hetgeen ongetwijfeld meermalen moest gebeuren.

De moderne geschiedschrijver Eligio Ancona beschrijft als volgt de
politieke organisatie des lands voor de verovering: "Een of meer
vorsten regeerden met onbeperkte macht; de priesters beheerschten
het geweten; de edelen bekleedden alle openbare betrekkingen;
de overgroote meerderheid des volks was in twee kasten verdeeld:
plebejers, die alle lasten hadden te dragen voor het onderhoud der
bevoorrechte standen, en slaven, die geheel aan de willekeur van den
meester waren prijsgegeven.--Op politiek gebied, de autokratie; in
stede van godsdienst, fanatisme; eene zeer onvolkomen beschaving en
ontwikkeling, uitsluitend in handen der priesterkaste; bij de massa,
onwetendheid en verdierlijking; slavenhandel en menschenoffers; de
vrouw buiten de maatschappij zoo wel als buiten de familie gesloten;
en bovenal de onrustige, onverzadelijke eerzucht der caciquen,
telken dage en onder de nietigste voorwendsels het bloed des volks
doende stroomen."

Deze beschouwing verraadt in ieder woord haar modern, doctrinair
karakter: ge gevoelt het aanstonds, hier spreekt een man, in wiens mond
de afgesleten fraseologie der negentiende eeuw bestorven ligt. Dit is
zeker, dat, ondanks al deze gruwelen, dit kleine volk niet ongelukkig
was, veel meer het tegendeel: het land was dicht bevolkt, en de
monumenten leggen nog getuigenis af van den bloei der kunst. Wat
heeft dit volk nu wel van de Spanjaarden ontvangen? Hebben zij zijn
lot verbeterd; is het door hen minder onwetend geworden; is het peil
der zedelijkheid werkelijk verhoogd? Voor de verovering werd Yucatan
door ettelijke millioenen Indianen bewoond; tegenwoordig zijn er ter
nauwernood nog honderdduizend over, en dezen verkeeren in ellendiger
toestand en zijn dieper gezonken dan ooit te voren. Vanwaar dit? De
verklaring is gemakkelijk genoeg: ieder volk heeft de godsdienst die
het waard is en die het beste past bij zijne geestelijke ontwikkeling;
elke beschaving is geschikt voor het volk, dat haar uit zich zelve
ontwikkelt of van anderen overneemt en dan zoodanig wijzigt dat het
zijn eigen karakter daarin ontplooien kan en ruimte en vrijheid
van beweging vindt in gebruiken en instellingen, overeenkomende
met zijn aard en zijn aanleg. Of die beschaving, in onze oogen en
gemeten met onzen maatstaf, hoog of laag staat, is eene kwestie van
ondergeschikt belang; aprioristische beschouwingen, uitgaande van
eene of andere abstracte theorie, doen niets ter zake: de eenige
vraag is, of die bepaalde kultuurtoestand past voor het volk,
bij hetwelk wij dien aantreffen. En het antwoord op die vraag kan
alleen de historie geven. Zooveel is zeker, en de indiaansche stammen
van Centraal-Amerika leveren daarvan op nieuw het bewijs, dat het
opdringen van nieuwe instellingen en gebruiken, van eene vreemde,
laat het zijn hoogere beschaving, den ondergang en den dood van een
volk ten gevolge kan hebben.

Wij moeten met een enkel woord gewag maken van de vrouwen van gemengd
bloed, die tot de voornaamste bekoorlijkheden van Merida en andere
steden van Yucatan behooren. Deze mestiezen vormen als het ware eene
kaste op zich zelve en schijnen zonder morren de geringschatting te
dragen, waarmede zij over het algemeen behandeld worden; zij weten
zich echter op verschillende wijze daarover te wreken, waarbij de
bekoorlijkheid der vrouwen van geen geringe dienst is. Deze vrouwen
schijnen allen mooi, en al zijn ze niet werkelijk mooi, hebben zij
toch eene bijna onwederstaanbare aantrekkelijkheid. Dat is zeker
voor een groot deel toe te schrijven aan haar smaakvol kostuum,
bestaande uit eene wijde tunica met korte mouwen, en op de borst
vierkant uitgesneden. Deze tunica, _uipile_ genoemd, is van boven
en van onderen versierd met roode, groene, of blauwe borduursels,
bloemen, bladeren, vogels, en heeft, evenals de uitstaande rok,
een breeden zoom van kant. Zij steken een zilveren haarspeld door
haar prachtig, gitzwart haar, dat in twee zware tressen is verdeeld;
haar vingers zijn overladen met ringen, en om haar hals dragen zij
lange gouden kettingen, vaak haar geheele fortuin.

Deze mestiezen wonen in de voorsteden, in kleine langwerpige
huisjes met rieten daken; de buitenmuren zijn doorgaans met schuine
ruiten versierd, bezaaid met kleine steentjes op de kruispunten
der lijnen. Zulk eene hut heeft stellig zeer veel overeenkomst met
de woningen der Mayas in den tijd voor de verovering; de wijze van
decoratie herinnert ook aan het beeldhouwwerk der oude paleizen. Van
binnen vindt men geen andere meubelen dan een hangmat, een paar koffers
tot berging van de kleedingstukken bij feestelijke gelegenheden,
en een _butaca_, een kleinen fauteuil met eene lage rugleuning en
met leer bekleed.--Deze voorsteden zijn inderdaad bosschen: bij
iedere woning behoort een terrein van omstreeks een tiende bunder,
beplant met eene bijzondere soort van boom, _ramon_ genoemd, waarvan
de bladeren tot voedsel dienen voor de lastdieren.

Men leeft over het algemeen te Merida zeer stil en huiselijk; de
dames gaan weinig uit; men ziet haar zelden in de vuile straten, die
geen riolen hebben, vol kuilen en gaten zijn en in den regentijd in
moerassen zijn herschapen. Zij hebben geene andere afleiding dan het
bezoeken der kerk, en des avonds, van vijf tot zes uur, een toertje
met rijtuig. De eerste kerkdienst begint reeds des morgens tusschen
drie en vier uren; op dit onmogelijke uur worden, tot schrik van
alle vreemdelingen, alle klokken geluid, hetgeen een allesbehalve
aangenaam concert is.

Het gezellig verkeer is echter te Merida zeer levendig: letterkundige
bijeenkomsten, danspartijtjes, concerten, schouwburgen, dagbladen
en tijdschriften:--men vindt er van alles; er is wrijving genoeg van
denkbeelden en een opgewekt litterair leven. Twee geschiedschrijvers,
Eligio Ancona en de canonigo Crescentio Ancona, schilderen in
hunne verhalen de heldendaden der veroveraars, het lijden der
eerste kolonisten, de innerlijke partijtwisten en beroeringen en de
bloedige episoden van den burgeroorlog. De Yucateken zijn niet alleen
staatsambtenaren, zoo als dat meestal het geval is met de Mexicanen der
hoogvlakten: zij drijven ook handel en leggen zich toe op industrie:
in hun land wordt dit arbeidsveld niet, als bijna overal elders,
aan de vreemdelingen overgelaten. Zij zijn een eigenaardig ras, door
harde beproevingen geleerd en gestaald; een jong en levenslustig ras,
bij hetwelk de noodlottige invloed van het klimaat zich, naar het
schijnt, alleen toont in de kleine gestalte en het overwicht van het
vrouwelijk element in de bevolking. Men kan den Yucateken misschien
al te groote winzucht verwijten, die er hen toe brengt met name den
vreemdeling op onbeschaamde wijze te plunderen. Ik kan uit eigen
ondervinding daarvan een merkwaardig voorbeeld mededeelen.

Ik wilde een huis huren met den amerikaanschen consul, die overal
rondkeek en mij inmiddels aan zijne talrijke vrienden voorstelde. Wij
werden overal met de meeste welwillendheid ontvangen; men betuigde
zijn spijt, dat men ons niet kon helpen; men verklaarde zich overigens
geheel tot onze dienst bereid; maar daar bleef het bij. Eindelijk
zeide een van de vriendelijksten en ijverigsten, een dagbladschrijver,
tot ons: "Ik heb wat gij zoekt; in die straat heb ik een huis; hier
is de sleutel; gaat het eens zien; als het u aanstaat, is het tot
uwe beschikking." Wij gaan het huis zien, dat echter voor ons niet
geschikt blijkt; terugkeerende loopen wij even bij onzen vriend aan
om te zeggen, dat wij het niet nemen. Maar Aymé, de consul, vergeet
den sleutel terug te geven en brengt dien eerst na verloop van vijf
dagen, zich verontschuldigende over het verzuim.

"O, dat is niets, antwoordt onze vriend: maar ik krijg dertig francs
van u.

--Dertig francs: waarvoor? vraagt Aymé.

--Waarvoor? Wel, gij hebt den sleutel vijf dagen gehouden; vijf dagen,
tegen zes francs per dag, dat maakt dertig francs. Mij dunkt, dat is
eenvoudig genoeg."

Het was inderdaad zeer eenvoudig; en er schoot niet anders over dan
te betalen. Wij hadden evenwel de voorzichtigheid, van dat heerschap,
wiens naam ik niet noemen wil, eene kwitantie te vragen.

De Yucateken zijn er op gesteld, meester in hun eigen land te blijven
en hunne eigene zaken te beheeren. Met meer ondernemingsgeest bezield,
energieker en hooghartiger dan hun volksgenooten op de hoogvlakten,
hebben zij voor den aanleg van spoorwegen en andere openbare werken
geen beroep gedaan op de kapitalen der Yankees; uit hun eigen, waarlijk
niet overvloedige middelen hebben zij de kosten bestreden. Wel vorderen
de werken langzaam, maar de Yucateken mogen er dan ook roem op dragen,
dat zij er niemand dank voor hebben te brengen.

Het is inderdaad treffend te zien, hoe dit kleine volk, dat zoo
vreeselijk door binnenlandsche oorlogen en beroerten werd geteisterd
en vergeefs elders om hulp smeekte, zich weer heeft opgericht,
met ijver en inspanning zijne hulpbronnen ontwikkelt en de bittere
beproevingen te boven komt. In tegenoverstelling van hunne trage
en verkwistende buren, zijn de Yucateken arbeidzaam en zuinig: twee
onmisbare deugden, die zij zich verwierven in den moeielijken strijd
tegen de ongunstige omstandigheden, waarin zij geplaatst waren:
de betrekkelijke armoede van den grond, het ontbreken van minerale
schatten, en die verschrikkelijke verdelgingsoorlog, die het volk op
den rand des ondergangs bracht.

De geschiedenis van dien oorlog is dramatisch in hooge mate; ik zal
haar hier niet vertellen, maar slechts aanstippen dat de bewegingen
onder de Indianen, reeds in 1761 begonnen, in 1846 tot een geweldigen
algemeenen opstand leidden, die nog niet geheel onderdrukt is. Men
mag echter aannemen, dat de bloedige oorlog ten einde loopt; de wilde
trekt zich voor de beschaving terug en ziet schier met den dag zijn
gebied inkrimpen.


III


Nadat wij te Merida eenige dagen hadden vertoefd, maakten wij ons
gereed voor een uitstapje naar Aké. Dit uitstapje was inderdaad
een reisje _en famille_, want Louis Aymé, de amerikaansche consul,
die ook in archeologie liefhebberde, en die reeds meer dan eens de
ruïnen bezocht had, wilde mij vergezellen; maar mevrouw Aymé, eene
Amerikaansche, gaf daartoe alleen hare toestemming, onder voorwaarde
dat zij ook mede zou gaan; en daar Shuty niet alleen thuis kon blijven,
moesten wij hem ook mede nemen. Shuty was de gunsteling van mevrouw,
een mooi hondje, met lange zijdeachtige haren. Met inbegrip van mijn
secretaris en mijn bediende, waren wij dus met ons zessen: wij hadden
mitsdien twee rijtuigen noodig.

Aké is eene hacienda, hofstede, van don Alvaro Peon, bij wien ik een
bezoek ga afleggen om hem vergunning te vragen tot het bezichtigen
der ruïnen, en tevens een brief van aanbeveling voor den majordomo
of intendant. Don Alvaro deed meer dan van hem verlangd werd: niet
tevreden met den brief van aanbeveling, zond hij zijn chineeschen
bediende met allerlei levensmiddelen en benoodigdheden, opdat het
ons aan niets ontbreken zou.

Wie in het binnenland reizen wil, heeft tusschen twee vervoermiddelen
te kiezen: de groote kales, eene soort van diligence, bij ieder bekend;
en den _volan coché_, het eigenlijke nationale rijtuig. Wij kozen
het laatste. De volan coché is geheel van hout, met uitzondering
alleen van de ijzeren banden om de wielen. Op een zwaar en lomp
onderstel rust, gedragen door twee lederen riemen, een soort van
langwerpige bodemlooze bak of kist; over een van touw gevlochten net
wordt een dunne matras uitgespreid, om het schokken en stooten minder
hinderlijk te maken. Voorop zit de koetsier; van achteren is plaats
voor de bagage; terwijl ook een aantal voorwerpen onder aan het net
hangen. Reist men alleen, dan gaat men lang uit op de matras liggen;
maar is men met zijn drieën, dan moet men op turksche manier, met
samengevouwen beenen, gaan zitten: eene houding, welke iemand, die
daaraan niet gewoon is, in het eind onuitstaanbare kramp bezorgt. De
inlanders zitten met hun zessen of achten--hoe, begrijpt men niet--in
zulk een wagen. Hoewel de bak volkomen in evenwicht hangt, schokt
en slingert hij toch op eene geweldige manier; en wanneer de half
dronken koetsier zijn drie muildieren in vollen ren laat draven over
de ongelijke, rotsige wegen, schokt en hotst het rijtuig zoo hevig,
dat de reizigers door en over elkander geworpen worden. Gevaar is
er echter niet; het verwonderlijkste is dat er nooit iets aan het
rijtuig breekt, en op al mijne tochten ben ik maar eens omgevallen.

Aké ligt tien mijlen ten oosten van Merida. Wij volgen den weg naar
Izamal, ter wederzijde omzoomd door onafzienbare velden met agaven
beplant, en laten ter rechterhand twee met ruïnen bekroonde heuvels
liggen. Vervolgens komen wij aan het dorp Tixpeual, waar de Spanjaarden
in 1541 een langdurig en bloedig gevecht moesten leveren. Het dorp
ziet er zoo armoedig uit en heeft zoo veel bouwvallige en verwoeste
huisjes, als ware de veldslag eerst gisteren geleverd; dat komt, omdat
de opstandelingen in 1848 tot aan de poorten van Merida doordrongen
en Tixpeual in de asch legden. Maar de gansche landstreek, met haar
weinige vervallen dorpen, haar eenzame wegen en schralen plantengroei,
maakt een zeer somberen indruk.

Drie mijlen verder wijzen palmboschjes de ligging aan van Tixkokob,
waarvan al de inwoners zich bezig houden met het vervaardigen van
hangmatten. In de openstaande huizen, ziet men overal de witte, gele,
blauwe, roode of veelkleurige netten uitgespannen; deze hangmatten, de
eenige soort van bedden waarvan de Indianen gebruik maken, zijn zeer
goedkoop: zij kosten niet meer dan drie à vijf francs; de mooisten
komen uit de omstreken van Valladolid.

Te Tixkokob waar wij een kop chocolade gebruikten, verlaten wij den
grooten weg, en slaan een zijweg in, waarop wij alle gelegenheid
hebben om met den volan coché nader kennis te maken. De rotsen zijn
steil, en het rijtuig schokt op de merkwaardigste wijze: wij zitten
te dansen als de poppen in een poppenkast.--Het was inmiddels avond
geworden; de indiaansche hutten, in de duisternis verloren, waren nog
maar alleen kenbaar aan het wegstervende schijnsel van de niet langer
onderhouden wordende vuren; de omtrekken der pyramiden teekenden zich
in zwarte massa's tegen den donker blauwen hemel; overal heerschte
een doodelijke stilte, alleen afgebroken door het knarsen en kraken
van het hotsende en stootende rijtuig. Wij vonden den toegang tot de
hacienda gesloten: men verwachtte ons niet meer. Op het luid geblaf
der honden verscheen de majordomo; hij liet de zware balken wegruimen,
die de poort barrikadeerden; weldra waren wij geïnstalleerd en sliepen
in de vervallen, verwaarloosde zaal der heerenhuizinge.

Aké is eene hacienda voor de veeteelt; en men had ons gewaarschuwd,
dat het, overal waar runderen zijn, wemelt van garrapaten. Wij hadden
dus alle mogelijke voorzorgen genomen, want deze verfoeilijke houtluis
is het geduchtste insekt dat ik ken. Wij knoopten al onze kleeren
dicht; wij staken de pijpen van onze pantalons in hooge laarzen; wij
stopten zoo veel mogelijk alle denkbare openingen. Mevrouw Aymé, in
een sierlijk bloomerskostuum, scheen ook tegen de indringers gewapend;
maar Shuty, de aardige Shuty, hoe zou hij zich verdedigen? Ten slotte
bleek dat al onze voorzorgen ons niets baatten. De hongerige garrapate
laat zich door niets weerhouden; schier onmerkbaar en dunner dan
een velletje papier, dringt zij overal door, ook door onzichtbare
openingen; wij ondervonden het tot onze schade.

Wij gaan uit om den cénoté op te zoeken; Shuty springt vroolijk
blaffend voor ons uit. Wat is een cénoté? Yucatan heeft noch stroomen,
noch rivieren, maar daarentegen een zeer uitgestrekten onderaardschen
waterplas, meer of minder diep beneden de oppervlakte, naarmate de
kalklaag dikker of dunner is; nabij de kust is het water zeer dicht
bij den beganen grond, in het binnenland vindt men het eerst op
aanmerkelijke diepte. Men noemt nu cénotés de inzinkingen van den
bodem, die tot dit water toegang geven. Is het water op geringe
diepte onder den grond, en is de kalklaag slechts aan den eenen
kant verteerd, dan verkrijgt men een onregelmatige spelonk, die
over de geheele breedte open is. Heeft de kalklaag eene middelbare
dikte en stroomt het onderaardsche water in bepaalde richting,
dan wordt de bodem regelmatig ondermijnd, tot de bovenlaag, niet
langer steun vindende, instort; zóó ontstaat een reusachtige put,
meestal van ronde gedaante, zooals de cénotés van Chichen-Itza. Is de
kalklaag daarentegen zeer dik, dan tast het water slechts de weeke,
zachte deelen aan waarvan een gedeelte instort, waardoor somtijds in
de bovenste laag eene smalle opening ontstaat: zoo krijgt men eene
werkelijke grot, met stalactiten en stalagmiten versierd, zooals te
Sacalun en te Valladolid; somwijlen ook is de cénoté niet meer dan
eene reusachtige onderaardsche ruimte, zooals te Bolonchen.

Het is opmerkelijk dat alle beschaafde nederzettingen in Yucatan zich
hebben gevormd om deze natuurlijke waterbekkens; want in den beginne
hadden de kolonisten vermoedelijk niet de noodige hulpmiddelen om
putten of waterbakken te graven, noch ook om kunstmatige reservoirs
te maken, zoo als zij het later te Uxmal deden.

De cénoté van Aké behoort tot de eerste kategorie; de toegang vormt
als het ware een grooten boog, die een zeer schilderachtig en bijna
indrukwekkend voorkomen heeft. Op den achtergrond, omstreeks twintig
voet beneden het gewelf, en dertig beneden den beganen grond, ziet men
een groot bekken vol frisch en helder water, waarin eene menigte kleine
vischjes zwemmen, terwijl zwermen van zwaluwen in alle richtingen de
grot doorkruisen en de ruimte vullen met haar vroolijk geroep.

Van den cénoté begeven wij ons naar de ruïnen, die onze bedienden
inmiddels bezig waren van den overvloedigen plantengroei te
zuiveren. In afwachting dat zij daarmede gereed waren, dwaalden
wij rond door de bosschen, uitziende naar ruïnen, zonder eenig
kwaad vermoeden ons een weg banende door de verraderlijke takken
der boomen, maar welhaast stikkende van de hitte in onze nauw
sluitende kleeding. Niemand voelde zich onwel of klaagde over iets
buitengewoons. Shuty was de eerste, die teekenen gaf van een abnormalen
toestand; bij het verlaten van den cénoté was hij onrustig geworden;
hij stond eensklaps stil en beet zich in zijne pooten of maakte
zonderlinge sprongen; maar steeds vroolijk, levendig en aardig,
vervolgde hij, luid blaffende, zijn weg. Wij gingen toen door het
dichte hout; en de min of meer gekunstelde vroolijkheid van Shuty
maakte plaats voor wezenlijken angst; zijn blaffen ging over in
janken; hij beet zich met woedende heftigheid, rolde zich in het gras
en begon zoo akelig te huilen, dat zijne meesteres hem opnam: het
lichaam van het arme dier was geheel en al overdekt met wriemelende
garrapaten: wij zelven werden onmiddellijk door dit ongedierte
aangetast.--Gelukkig vonden wij bij onze tehuiskomst een uitnemend
dejeuner, door den chineeschen kok van don Alvaro klaar gemaakt;
maar eer wij aan tafel gingen, begaven wij ons een voor een naar een
kabinetje om ons van ongedierte te zuiveren en op nieuw toilet te
maken. Mevrouw Aymé en Shuty bleven verder tehuis en waagden zich
niet meer aan ontdekkingstochten.

De ruïnen van Aké zijn zoo goed als onbekend. Stephens, de
amerikaansche onderzoeker, spreekt er in zijn belangrijk reisverhaal
slechts ter loops van. Hij noemt de groote galerij een kolossaal werk,
en het paleis in zijn geheel een gewrocht van reuzen; de ruïnen hebben,
volgens hem, het merk van hooger ouderdom dan andere monumenten. Hij
voegt er bij, dat volgens Cogolludo de Spanjaarden op hun tocht eene
stad ontmoetten, Aké genaamd, waar zij een gevecht moesten leveren
tegen eene groote menigte Indianen. Stephens vergist zich; als hij
Cogolludo nauwkeuriger had gelezen, zou hij bemerkt hebben dat de
stad, waarvan de geschiedschrijver spreekt, niet dezelfde is als die
hij heeft bezocht. De ligging van de stad Aké verwijdert haar ten
eenemale van den weg, dien de veroveraars volgden.

Francisco de Montejo landde toch aan de oostkust van Yucatan,
tegenover het eiland Cozumel; hij trok dus van het oosten naar het
westen, door Koba, eene stad vol monumenten, die nog op acht mijlen
afstands van Valladolid gevonden worden, en bereikte eene plaats,
Cé-Aké genoemd, waar hij bloedige gevechten moest leveren. Van daar
ging hij naar Chichen-Itza, waar hij twee jaren bleef. Dit geschiedde
op zijne eerste expeditie in 1527; het Cé-Aké waarvan hier sprake is,
lag dus omstreeks vijf-en-dertig mijlen oostwaarts van de ruïnen van
Aké, waar wij ons thans bevinden.

Aké was ongetwijfeld eene zeer volkrijke stad; vijftien a twintig
pyramiden van verschillende grootte, met de bouwvallen van
paleizen gekroond, zijn over eene oppervlakte van een vierkante
mijl verspreid. De belangrijkste ruïnen schijnen een rechthoek te
vormen, en omsluiten eene ruimen binnenhof, die zorgvuldig geëffend
is, en in welks midden nog een steen overeind staat, die door de
Indianen _picoté_ wordt genoemd. Dit was de straf- of geeselpaal,
dien men ook te Uxmal en andere plaatsen vindt, en die zoowel voor
als na de verovering, in geen enkel indiaansch dorp ontbrak. Te
Tenosiqué verhaalde mij een oud man, dat hij, nog geen dertig jaar
geleden, dien steenen paal op het midden van de markt had gezien. De
veroordeelde Indiaan werd geheel naakt aan den picoté gebonden, om
daar het bepaalde aantal stokslagen te ontvangen. Ik vond dezelfde
gewoonte te Tumbala, een indiaansch dorp op den weg van Palenqué naar
San-Christobal. Volgens de begrippen der Indianen, wischt de straf
de schuld uit; en ik heb Indianen ontmoet, die, om hun geweten tot
rust te brengen, zelven aanhielden om eene bestraffing, die niemand
hun zocht op te leggen.

Nemen wij thans de ruïnen nader in oogenschouw. Aan den
noordwestelijken uithoek verrijst eene pyramide van twee verdiepingen,
saamgesteld uit groote steenblokken zonder kalk; zij heeft eene hoogte
van omstreeks veertig voet, en eindigt in een klein vertrek, waarvan
het dak is ingestort, maar waarvan de muren nog ten deele overeind
staan. Wij vinden hier dezelfde constructie terug, die wij reeds te
Tula, te Teotihuacan en te Palenqué hebben opgemerkt, en die wij ook
nog in de andere oude steden van Yucatan zullen aantreffen.

Dit monument met het kleine vertrekje, dat voor bewoning ten eenemale
ongeschikt is, kan onmogelijk een paleis zijn geweest; wij mogen
veilig aannemen dat wij hier met een tempel te doen hebben; en
dat te meer omdat deze pyramide een deel schijnt uit te maken van
het daaraan grenzende monument, waarboven zij zich verheft. Dit
laatste monument herinnert door zijne rechthoekige gedaante, aan
de soortgelijke gebouwen, die wij te Tula en te Teotihuacan gezien
hebben en die men met den naam van citadellen bestempelt, maar die
inderdaad niet anders waren dan de vermaarde Tlachtli, de kaatsbaan,
waarvan alle geschiedschrijvers melding maken. Het kaatsspel was bij
uitnemendheid het nationale spel der Tolteken, die het ook in Tabasco
en Yucatan invoerden. Wij zullen zulk een tlachtli, beter bewaard,
te Uxmal en te Chichen-Itza terugvinden. Waarschijnlijk hadden er,
vóór den aanvang van het spel, in dien kleinen tempel godsdienstige
ceremoniën plaats.

Een weinig meer ten zuidoosten zien wij een monument, dat tot velerlei
gissingen aanleiding heeft gegeven. Het is eene langwerpige pyramide,
met een zonderling gebouw gekroond. Het geheel ongewone voorkomen,
de buitengewoon groote trap, die zonderlinge architektuur, geheel
afwijkende van het gewone karakter der yucatansche monumenten:
dit alles verplaatst ons als het ware in eene nieuwe wereld. Het
zonderlinge monument bestond uit zes-en-dertig pilaren, waarvan er
nog negen-en-twintig over zijn, geplaatst op het bovenvlak van eene
langwerpige pyramide of liever een terras van zes el hoogte. Men
bereikt dat plat langs een reusachtige trap van ruwe steenblokken,
van anderhalve tot twee el lengte, en van dertig tot vijftig duim
hoogte. De pilaren waren gemiddeld vier el vijf-en-zeventig duim hoog,
te oordeelen althans naar de hoogsten en best bewaarden, die nog
voorhanden zijn; zij bestaan uit tien blokken van een el twintig duim
in lengte en breedte, en tusschen de veertig en vijftig duim hoogte.

Men had mij gezegd dat de steenen eenvoudig op elkander waren gelegd,
en dat de bouwmeesters te Aké geen kalk of cement hadden gebruikt. Dit
is onjuist; bij onderzoek blijkt toch dat wel de buitenzijden der
blokken, waaruit de pilaar bestaat, werden behouwen, maar dat de
binnenzijden ruw werden gelaten. Daar nu die binnenzijden niet juist
op elkander konden passen, moest men de ledige ruimten aanvullen met
kleine steenen, die nog voorhanden zijn, en werd ongetwijfeld tot
bedekking gebruik gemaakt van kalk of cement.

De heer Aymé, de amerikaansche consul te Merida, loochent dit
laatste; en daar de kalk verdwenen is, kan ik hem niet met de stukken
overtuigen, en moet wachten tot eene nieuwe ontdekking de juistheid
mijner meening bewijze. Deze zes-en-dertig pilaren, in drie evenwijdige
rijen geplaatst, vormen een rechthoek; de esplanade waarop zij staan,
heeft eene lengte van vijf-en-zestig el veertig duim, bij eene breedte
van veertien el veertig duim; de richting der pyramide, die aan de
uiteinden afgerond is, is van het noorden naar het zuiden; de trap
bevindt zich aan de zuidzijde.

Welke was nu de bestemming van dit wonderlijke gebouw? Was het
eenvoudig eene open galerij? Men vindt hoegenaamd geen puin
op het plat van de pyramide; was er dus vroeger eene bedekking,
dan moet dit dak uit hout en riet hebben bestaan, waarvan niets is
overgebleven. Was dit gedenkteeken bestemd om de herinnering aan een
of ander persoon of feit te bewaren? Wij kunnen op die vragen geen
antwoord geven. Zeker is dit monument in geheel Yucatan volstrekt
eenig in zijne soort; maar het draagt hoegenaamd geen monumentaal
karakter.--Gewisselijk ontbreekt het niet aan commentaren; maar het
is bekend, dat de commentatoren dikwijls de schrijvers en ook de
monumenten zeer veel meer laten zeggen, dan zij werkelijk doen: van
nature zijn zij geneigd, het vreemde, het verrassende, het onmogelijke
boven het eenvoudige en voor de hand liggende te verkiezen. Sommige
reizigers hebben, ten aanzien van de ruïnen van Aké, hunner fantazie
den vrijen teugel gevierd en theorieën verkondigd, die den nuchteren
opmerker verbijsteren. Ziehier een staaltje van zulke buitensporigheid.

Het monument, waarvan wij spreken, zou de herinnering moeten bewaren
aan tijdperken of regeeringen, en ieder steenblok zou een Ahan Katun
of een Katun moeten voorstellen. Volgens de oude tijdrekening der
Mayas omvat een Ahan Katun een tijdvak van vier-en-twintig, en een
Katun een van twee-en-vijftig jaren. Daar er nu zes-en-dertig pilaren
zijn, ieder uit tien blokken bestaande, krijgen wij in het eerste
geval een tijdvak van achtduizend-zeshonderd-veertig jaren, en in
het tweede eene periode van achttienduizend-zevenhonderd-twintig
jaren. Ik behoef wel niet op te merken, dat het onderste blok, voor
achttienduizend-zevenhonderd-twintig jaar gelegd, reeds lang verdwenen
zou zijn vóór het aanbrengen van het laatste blok, dat nog eenige
eeuwen ouder zou zijn dan de verovering. Bovendien dragen alle blokken
het kenmerk van gelijken ouderdom. Maar eigenlijk is het niet noodig,
over dergelijke buitensporige dwaasheden veel woorden te verspillen.

Is het niet eenvoudiger, aan te nemen dat dit vreemdsoortige monument
eene galerij was, vroeger met riet overdekt, en die hetzij voor
openbare spelen, hetzij voor vergaderingen of plechtige ceremoniën
bestemd was? De ligging midden tusschen de andere monumenten schijnt
voor deze onderstelling te pleiten.

Na dit monument opgemeten te hebben, begeven wij ons naar eene andere
ruïne, _Akabua_, dat wil zeggen, huis der duisternis, genoemd. De
vertrekken zijn inderdaad donker, daar zij hun licht uitsluitend
ontvangen door de in andere kamers uitkomende deuren. Ook daar,
als overal elders, vinden wij de zoogenaamde _boveda_, het door
vooruitspringende lagen gevormde gewelf, dat wij ook in de monumenten
der Hindoes en der Tolteken aantreffen. Dit dusgenoemde, oneigenlijke
gewelf is hier te Aké sterker gebogen: een gevolg van de gebruikte
materialen, want, even als de pyramiden, is dit gewelf saamgesteld uit
die groote onbehouwen steenblokken, waarvan het gebruik ook aan deze
monumenten den naam van cyclopische bouwgewrochten heeft doen geven.

Toch is die benaming niet goed gekozen: immers de dusgenoemde
cyclopische constructie bestaat uit veel grooter blokken van
onregelmatige gedaante, maar zoo volkomen op elkander passende, dat men
er niets tusschen kan steken; de steenen daarentegen in de ruïnen van
Aké hebben allen denzelfden vorm: het zijn dikke, niet behouwen zerken,
die door aanmerkelijke tusschenruimten van elkander gescheiden zijn.

Ik maakte mijn gids, den heer Aymé, daarop opmerkzaam, en zeide tot
hem: "Gij beweert dat er bij de gebouwen van Aké noch kalk, noch cement
is gebruikt, en dat men er nooit beeldhouwwerk, noch eenige decoratie
welke ook heeft ontdekt. Ik kan dit niet toegeven, hoewel de feiten
mij in het ongelijk schijnen te stellen. Hier staan wij voor een
raadsel, dat wij moeten trachten op te lossen. De stichters van deze
gebouwen hebben zich zeker niet zoo veel moeite en inspanning getroost,
om hun werk onvoltooid te laten. Wij moeten dus aannemen, dat deze
zerken eenmaal volkomen aan elkander sloten, en dat de tijd ze heeft
afgeknaagd en verwijderd; maar dan moeten wij aan deze monumenten een
ouderdom toekennen, die volstrekt onaannemelijk is. Bovendien ziet
ge dat deze steenen nog geheel in denzelfden toestand verkeeren,
als toen zij uit de groeve werden gehaald; ook zijn zij hier in
de binnenkamers niet beter geconserveerd dan aan de buitenmuren,
hetgeen toch het geval moest zijn. Ik kom dus tot het besluit dat al
deze steenen, van de muren zoowel als van de gewelven, vroeger met
cement bestreken en, volgens de gewoonte, ook beschilderd waren.

"Toon mij het bewijs van hetgeen gij zegt, antwoordde hij, en ik zal
u gelooven."

Ik moest zwijgen, en wij begaven ons naar eene hooge pyramide, met
een ruïne gekroond.

"Laat ons dit paleis gaan zien, zeide ik tot Aymé.

--Er is niets te kijken: het zijn muren en meer niet; ik heb het
vroeger al bezocht; antwoordde hij.

--Laat ons toch maar eens gaan zien," hernam ik. En wij gingen.

Op het plat van de pyramide gekomen, was het eerste wat ik zag een
zeer fraai bas-relief van cement, bestaande uit schuine ruiten en
afgeplatte bollen. Dit bas-relief vormde de rechterlijst van een
groot kader, waar binnen verschillende figuren geplaatst waren,
waarvan men nog de overblijfselen kon ontdekken. Een laag cement van
ongeveer een el dik bedekte de steenen, vulde de ledige ruimten en
maakte de geheele oppervlakte glad en effen. Wij vonden zelfs nog
sporen van de oude beschildering.

"Wat zegt ge nu? vroeg ik aan mijn reisgezel.

--Gij hadt gelijk," antwoordde hij.

Inderdaad was door deze ontdekking een einde gemaakt aan alle
tegenspraak.


IV


Van Aké begeven wij ons naar Izamal, waar wij ten drie uren aankomen.

Izamal is eene van de voornaamste steden der provincie, of liever
een groot, aardig dorp met tusschen de vijf- en zesduizend inwoners;
het vlek maakte een des te aangenamer indruk, omdat men er zoo pas
het feest van den heiligen schutspatroon had gevierd, bij welke
gelegenheid de huizen, de openbare gebouwen en zelfs de vervallen
muren in de buitenwijken opnieuw waren gewit. Behalve zijne nette
woningen, bezit Izamal ook nog twee pleinen, door sierlijke moorsche
zuilengangen omringd.

Wij moeten hier even een uitstapje maken op historisch gebied,
waarbij opnieuw de betrekkelijke jonkheid zal blijken der beschaving
in Yucatan, in tegenspraak met de bewering van sommigen, die zich te
zeer door hunne verbeelding laten leiden en aan deze beschaving een
bespottelijken ouderdom toekennen.

Evenals Merida en andere steden van het schiereiland, verrees ook
Izamal op de plek, waar eene indiaansche stad stond. Evenals elders,
was ook hier het eerste werk der Spanjaarden, de tempels en paleizen
te verwoesten, de geschreven dokumenten te vernietigen, en zoo veel
mogelijk elk spoor en elke herinnering van de inlandsche beschaving
uit te roeien. Bisschop Landa, wiens werk over de zaken van Yucatan
omstreeks 1566 geschreven werd, dat is dus vijf-en-veertig jaar na
de verovering, spreekt van de gebouwen te Izamal, waarvan er toen
nog twaalf in wezen waren, en deelt ons mede, dat de stichters
dier monumenten onbekend waren. Lizana daarentegen, die in 1628,
zestig jaren later, schreef, en die veel minder dan Landa in de
gelegenheid was om zich bekend te maken met de oude traditiën en
legenden, vertelt ons uitvoerig de geschiedenis dier monumenten;
van de twaalf bouwwerken, waarvan zijn voorganger melding maakt,
kent hij er wel is waar slechts vijf, maar hij weet de namen, die
Landa niet wist: wij zullen dus zijne opgave volgen.

Landa, die eerst zegt dat men den oorsprong dezer monumenten niet
kende, deelt ons later mede, dat zij door het nog bestaande ras
der inlandsche bevolking waren gesticht: immers, onder het puin
der verwoeste monumenten, heeft men fragmenten gevonden van naakte
menschenbeelden en andere versierselen, zoo als de Indianen nog heden
van bijzonder sterke cement vervaardigen. In een graf vindt hij kunstig
bewerkte voorwerpen van steen, gelijk aan die welke de Indianen nog
tegenwoordig bij wijze van geld gebruiken. Even als te Merida, waar
hij genoodzaakt was, eene kapel te verwoesten, om een einde te maken
aan de godsdienstige vereering van het oude heiligdom, bestond ook
hier, volgens Landa, eene groote pyramide, waarvan wij de afbeelding
geven op bladz. 32. De kapel, welke deze pyramide bekroonde, bestond
in zijn tijd nog: hij geeft er eene beschrijving van en zegt dat zij
opgetrokken was uit zorgvuldig gehouwen, met beeldwerk versierde
steenen. Met echt-zuidelijke overdrijving, voegt hij aan zijne
beschrijving de opmerking toe: "Dit monument is zoo hoog, dat men er
versteld van staat." Toch bedraagt die hoogte nauwelijks tachtig voet!

Het monument bestond uit twee gedeelten: de bijna tweehonderd el breede
basis met een ruim terras of platform, en de kleine pyramide, aan de
noordzijde van dit terras. Op het terras stond het volk, om getuige
te zijn van de godsdienstige plechtigheden, die ten aanschouwe van
allen op den top der pyramide werden volbracht. In de kapel, waarvan
Landa spreekt, stond het afgodsbeeld. Wij spreken hier bij analogie:
want wij weten dat dit het gebruik was te Mexico en in de steden der
Tolteken, Teotihuacan en Cholula.

Volgens Lizana droeg deze groote pyramide den naam van Kinich-Kakmó,
omdat op den top een tempel stond, waarin het beeld van een afgod,
die aldus werd genoemd. Deze naam zou zooveel beteekenen als: "Zon,
met het vurig stralende gelaat." De tempel was dus een zonnetempel,
met de daarbij behoorende pyramide, evenals te Teotihuacan.

Ten zuiden van deze pyramide verrees eene andere, niet minder breed,
maar eindigende in een terras en dus minder hoog dan de eerste;
zij heette Ppapp-Hol-Chac, dat wil zeggen: "Huis der hoofden en der
bliksemstralen." Daar woonden de priesters, vermoedelijk in een fraai
paleis, zoo als men die ook in andere steden vindt. De Spanjaarden
bouwden op die plek een aan Sint-Franciscus gewijd klooster, benevens
de parochiale kerk, die zeer mooi is.

De derde pyramide, ten oosten, droeg een tempel toegewijd aan
Ytzama-ul, Itzamna of Zamna, den legendarischen stichter van de stad
Izamal. "Deze koning of deze afgod, zegt Landa, werd door de Indianen
voorgesteld onder de gedaante van eene hand; zij beweren dat men
de zieken en zelfs de dooden tot hem bracht en dat de god hen door
de aanraking met zijne hand genas of weder tot het leven opwekte;
daarom noemde men den tempel Kab-ul, hetgeen beteekent de werkzame,
de wondervolle hand."--Deze tempel, waar zoo vele wonderen gewrocht
werden, was het doel van scharen van bedevaartgangers: daarom had men
naar de vier windstreken groote wegen of heerbanen aangelegd, die tot
aan de grenzen van het land waren doorgetrokken en naar Guatemela,
naar Chiapas en naar Tabasco voerden. Nog heden, zegt onze schrijver,
vindt men op verscheidene plaatsen sporen van die wegen.

Wij zelven hebben de overblijfselen gevonden van den met cement
geplaveiden weg, die van Izamal naar den oever der zee liep, tegenover
het eiland Cozumel. Wij moeten hierbij opmerken, dat deze manier van
wegen te maken bij voorkeur aan de Tolteken eigen was, zoo als wij
reeds vroeger in de gelegenheid waren te constateeren.

In den naam van den tempel, Kab-ul, de werkzame hand, herkennen
wij zonder moeite Hueman, de lange handen, het groote opperhoofd
en de wetgever der Tolteken van Tula, die door verschillende
geschiedschrijvers voor denzelfden gehouden wordt als Quetzalcoatl,
dien wij in Yucatan terugvinden onder den naam van Cuculkan, hetgeen
hetzelfde beteekent.

De vierde, meer voorwaarts gelegen pyramide droeg de woning van den
opperbevelhebber des legers, die den titel voerde van Hunpictok,
hoofdman over achtduizend steenen lansen. Op den top dezer pyramide
vindt men niets dan puin; in het onderste gedeelte, dat van gelijke
constructie is als de piramide te Aké, bevond zich het door Stephens
beschreven beeld, dat thans verdwenen is, en ziet men nog heden, aan
de oostzijde, de figuur, op bladz. 28 afgebeeld. Aan dit beeld kunnen
wij de manier van werken der bouwmeesters duidelijk waarnemen. Deze
kolossale kop heeft eene hoogte van vier ellen; de oogen, de neus, de
onderlip zijn gevormd uit ruwe steenblokken, die, even als de wangen,
met versche cement zijn bestreken; de ornamenten ter rechter- en ter
linkerzijde zijn evenzoo van cement; aan de versierselen links, die
beter bewaard zijn gebleven, bespeuren wij nog die dubbele spiralen,
zinnebeeldige voorstellingen van den wind of den adem, het woord,
die wij reeds zoowel te Mexico als te Palenque hebben gezien en die
wij te Chichen-Itza zullen terugvinden.

Aan de westzijde van deze pyramide, waar men een gedeelte van de basis
heeft blootgelegd, zien wij een der fraaiste bas-reliefs, die wij in
Yucatan hebben ontmoet. De hoofdfiguur is een liggende tijger met een
menschenhoofd; het beeldwerk is van cement; de modeleering der figuren
is voortreffelijk; deze tijger met het aangezicht van een mensch
herinnert ons aan de teekens der mexicaansche ridderorden, arenden,
tijgers en sperwers. De orde van den tijger was de voornaamste van
allen; en niets past beter bij de bestemming, die het paleis, volgens
de legende, zou hebben gehad, dan deze symbolische voorstelling van
de kracht en den moed: eene waardige versiering der woning van den
opperbevelhebber van het leger van Izamal.

Al deze monumenten, de pyramide met den zonnetempel, de tempel van
Quetzalcoatl, het paleis van den vorst en de woning der priesters,
leveren het bewijs dat Izamal, op het tijdstip der verovering,
eene zeer talrijke bevolking had en een der hoofdpunten was van
de nederzettingen der Tolteken; voorts weten wij zeker, dat de
godsdienstoefeningen geregeld in de heiligdommen plaats grepen en
door het volk werden bijgewoond. Dit is echter onbestaanbaar met den
hoogen ouderdom, dien sommigen aan deze stad willen toekennen.

Wij vertrokken van Izamal ten vier uren in den morgen; het landschap
maakte op ons een bij uitnemendheid treurigen indruk. Op een afstand
van vier mijlen ontmoeten wij slechts een dorp, Sitilpech genoemd,
eene verzameling van armoedige, meest ledigstaande hutten.

In Yucatan bemoeit de administratie zich waarschijnlijk niet met de
dienst der telegrafen en posterijen. Reeds te Merida had ik daarvan de
ondervinding opgedaan, daar toch een aantal telegrammen, waarvoor ik
zeer duur moest betalen, niet ter plaats hunner bestemming kwamen, of
althans onbeantwoord bleven. Bij navraag gaf men mij ten antwoord, dat
de telegraaflijn in geen goeden toestand verkeerde. Op onzen tocht kon
ik mij daarvan overtuigen. De aanleg van deze lijn moet inderdaad zeer
goedkoop zijn geweest, en de kosten van onderhoud zijn vermoedelijk
gelijk nul. Er was wel een draad, maar er waren geen palen en geen
isolators. Die ongelukkige draad liep langs den zoom van het bosch,
vastgemaakt aan een of anderen tak; boog de tak, dan hing de draad
neer; brak hij, dan viel de draad op den grond; nu eens zweefde hij
even boven den bodem, dan weer lag hij, als lusteloos en wanhopig,
slap op de struiken en rotsen. Die draad was te beklagen: maar nog meer
te beklagen waren zij die betaalden, om haar weer in orde te brengen,
of die er gebruik van maakten zonder eenig nut. Echter werkte hij toch
van tijd tot tijd, die rampzalige telegraaf: hij was er ten minste,
en onder dat opzicht onderscheidde Yucatan zich gunstig van Tabasco,
waar de telegrafen onmiddellijk na den aanleg weer verdwenen, omdat
de inwoners de draden voor hun eigen gebruik aanwendden.

Na een zeer vermoeienden rit kwamen wij des avonds ten zeven uren te
Citas. Het was volslagen donker, en men wachtte ons niet meer. Voor
onze ontvangst was niets in gereedheid gebracht; de dorpelingen waren
blijkbaar met deze verrassing alles behalve ingenomen. Waar zouden wij
overnachten? Daar de school voor het oogenblik ledig stond, werd die
ons ten gebruike afgestaan; wij gingen allen te zamen aan den arbeid,
zetten de tafels en banken op zij, en maakten zoodoende ruimte voor
onze hangmatten en veldbedden. Maar het souper:--dat is een lastig
ding! De tijd is verstreken, en de dorpelingen hebben geen lust, weer
aan het werk te gaan. Gelukkig komen de rechter en de burgemeester ons
bezoeken: dank zij hunne tusschenkomst, wordt de zaak nog geschikt;
de hoop op eene goede winst vermurwt de harten, en wij kunnen ons
avondmaal gebruiken.

Te Citas moeten wij den grooten weg verlaten om de bosschen in
te gaan; wij moeten dus hier onze rijtuigen achterlaten, en in
de plaats daarvan ons dragers, ezels en muildieren aanschaffen:
daartoe is natuurlijk tijd noodig, en het verblijf te Citas is
in het minst niet uitlokkend. De dorpelingen zijn onwillig; zij
vragen een dubbel loon en blijven weg als zij geprest worden. Een
vreemdeling, die zulke verre reizen onderneemt om ruïnen te zien,
waarin de Indiaan hoegenaamd geen belang stelt, moet iemand zijn
die met zijn geld geen weg weet: het is dus niet meer dan billijk
dat hij betale. Nu, de Indianen van Yucatan zijn niet de eenigen,
die zoo redeneeren.--Eindelijk krijgen wij dan toch onze dragers,
tegen een derde boven den gewonen prijs. Paarden zijn schaarsch: zij
moeten geprest worden; het militair geleide wordt ons gracieuselijk
toegestaan. Natuurlijk zijn noch de soldaten, noch de paarden gereed;
wij zelven moeten ook nog verschillende toebereidselen voor de reis
maken. Bovendien zijn de paden in het bosch dicht gegroeid; de afstand
naar Pisté bedraagt zeven mijlen; het eerste wat wij te doen hebben,
is dus mannen uit te zenden om den weg te banen. Zij gaan op weg,
en wij houden ons verder met onze uitrusting bezig, daar wij eerst
den volgenden dag zullen vertrekken.

Tegen den avond kregen wij eene uitnoodiging tot het bijwonen van
een bal. Tot mijne verbazing vernam ik dat er te Citas gedanst werd,
ondanks het gevaar, waarin het dorp steeds verkeerde ten gevolge
van den opstand der Indianen, die elk oogenblik het vlek konden
overvallen, de woningen verbranden en de dorpelingen vermoorden of
medevoeren. Natuurlijk namen wij de uitnoodiging aan.

De straten van Citas zijn geene straten, maar kleine ketens van steile
rotsen, door miniatuurafgronden gescheiden, waarin de vreemdeling zeer
gemakkelijk armen en beenen breken kan. Wij gaan dus op weg, ieder door
twee Indianen geleid, want het huis, waar het feest wordt gegeven,
is vier- of vijfhonderd el van het dorp verwijderd en het is buiten
pikdonker. Wij komen zonder ongelukken ter plaatse onzer bestemming.

In eene hut van armoedig voorkomen, verlicht door het schijnsel van
drie vuren, zijn een half dozijn vrouwen bezig met het gereedmaken
der spijzen; ik zie gansche stapels van kippen, kalkoenen en groote
stukken varkensvleesch, die gekookt of gebraden moeten worden. Buiten
zijn andere vrouwen bezig met het malen van maïs, het kneden van het
deeg of het bakken van koeken, die warm gegeten worden.

Een met riet overdekte open loods, waarin eenige walmende lampen
hangen, dient tot balzaal. Eene rij banken en eenige met leder
bekleede stoelen zijn voor de dames bestemd; in het midden van het
lokaal staan de heeren, met bloote voeten, een witte pantalon, een
wijd loshangend hemd en een gekleurden doek om den hals. Het is er
vol: het gansche dorp is hier vergaderd; althans al de Indianen en
mestiezen, maar weinig ladinos, dat wil zeggen blanke vrouwen.

"Het is een Indiaan, die dit feest geeft en de kosten betaalt," zeide
de rechter tot mij; "zulk een feest, dat dikwijls verscheidene dagen
of liever verscheidene nachten duurt, kost veel geld. Dit feest zal,
na afloop van alles, misschien driehonderd piasters (vijftienhonderd
francs) hebben gekost: voor een mesties, zoowel als voor een Indiaan,
vertegenwoordigt die som eene heele fortuin. Maar voor zulk eene
gelegenheid zal hij al zijn geld uitgeven; hij draagt daar roem op;
en eerlang zal het de beurt zijn van een anderen Indiaan, om een
dergelijk feest te geven.

--Maar," hernam ik, "dat is voor die lieden de ondergang; wat moeten
zij daarna beginnen?

--Precies hetzelfde wat zij te voren deden," antwoordde de rechter;
"zij keeren tot hunne milpas, dat wil zeggen hunne plantages, terug. Is
de oogst overvloedig, dan leven zij op den ouden voet voort, telkens
eenige stuivers besparende om op hunne beurt een feest te kunnen geven;
mislukt de oogst, dan binden zij hun maag toe; is er hongersnood,
dan sterven zij van gebrek. De zorg voor den dag van morgen is hun,
als allen onbeschaafden volken, ten eenemale vreemd, en de bitterste
ervaringen zijn machteloos om hen op dit punt te genezen."

Deze feestelijke plechtigheid is voor ons een nieuw bewijs voor de
taaie levenskracht der aloude traditiën, waaraan men vasthoudt, ook al
verstaat en begrijpt men ze sinds lang niet meer. Gij zoudt vergeefs
tot deze lieden de vraag richten, vanwaar zij de zonderlinge gewoonte
hebben om voor zulk een feest al hun geld uit te geven? Zij zouden
u op die vraag niet kunnen antwoorden: wij moeten het voor hen doen.

Wij vinden bij Landa een bericht, dat ons licht geeft. Na gesproken
te hebben van de slemppartijen der Mayas en hunnen hartstocht voor
feesten en gemeenschappelijke maaltijden, gaat de geschiedschrijver
aldus voort:

"Zij verteerden dikwijls bij een enkel feest alles wat zij gedurende
een langen tijd met zwaren arbeid gewonnen hadden. Zij vierden hunne
feesten op tweeërlei wijze. De eerste gold voor de edelen en de lieden
van aanzien: het gebruik wilde dat ieder der gasten, op zijne beurt,
een feest gaf gelijk aan dat waarop hij genoodigd was. Aan elk der
gasten gaf men een gebraden kip, brood en uit cacao bereiden drank
in overvloed; en na afloop van den maaltijd, een mantel om zich te
bedekken en een kleinen piedestal met een daarop geplaatsten beker,
die zoo fraai mogelijk bewerkt was. Kwam een der gasten inmiddels te
sterven, dan ging de verplichting om den maaltijd te geven op zijne
erfgenamen of familie over."--Is dat niet hetzelfde gebruik, hetwelk,
zoo als wij zien, nog heden heerscht? En verder: "Bij deze maaltijden
werd den gasten te drinken gegeven door schoone vrouwen, die, na hun
den beker toegereikt te hebben, zich omkeerden en zoo met afgewend
gelaat wachtten tot de gast den beker geledigd had. De indiaansche
vrouwen volgen nog dezelfde gewoonte, als zij haar mannen bedienen."

Wij verlaten vroegtijdig het bal, want wij moeten morgen ochtend
vroeg vertrekken. Onze manschappen zijn gereed; muildieren en dragers
hebben hun vracht; de paarden zijn gezadeld; een deel van het militair
geleide gaat als voorhoede op weg; wij volgen. Het pad is de oude weg
naar Pisté, die nu bijna geheel is dichtgegroeid, zoodat wij achter
elkander moeten loopen en niet dan met moeite voortkomen. De tocht
is vrij vervelend: wij trekken altijd door het dichte kreupelhout,
vol lianen en doornen, waarboven slechts enkele palmen en hoogstammige
boomen zich verheffen.

Wij komen te Pisté, waarvan niets meer over is dan de gehavende
en vervallen kerk, waarin thans eene afdeeling van vijf-en-twintig
soldaten is gelegerd, als een uiterste voorpost tegen de Indianen. De
manschappen moeten drie maanden in deze wildernis blijven, eer
zij afgelost worden. Het gevaar is niet groot, want de Indianen,
die opgestaan waren om hunne vrijheid te heroveren en uit wraak hun
overwonnen vijanden vermoordden, gaan nu nog maar alleen op roof uit.


V


Het was laat in den namiddag, toen wij de ruïnen bereikten. Hoewel ik
vroeger reeds tweemalen te Chichen was geweest, doortrilde mij toch
een gevoel van blijde verrassing, toen ik in de verte het dusgenoemde
Castillo ontdekte, tronende op zijne steile pyramide van zeventig
voet hoogte.

Wij hadden nauwelijks tijd gehad, ons in het Castillo te installeeren,
toen de avond viel. Het was een aangrijpend schouwspel. Statig dreef
de maan aan den onbewolkten, met tintelende sterren bezaaiden hemel,
en goot haar licht uit over de eindelooze met bosch bedekte vlakte;
op den voorgrond teekenden zich de grillige gestalten van muren of
dichtbegroeide heuvels en terpen. Met deze ruïnen bekend, kon ik mijn
reisgenooten elk monument aanwijzen.

Het Castillo vormt het middelpunt der ruïnen; ten oosten, aan den
voet der pyramide, lag het marktplein, met twee kleine, daartoe
behoorende paleizen; ten noorden, de ruïnen van een fraai gebouw
en de gewijde cénoté, met den tempel ter bewaking van het bassin;
ten noordwesten de beroemde Kaatsbaan; ten oosten en ten zuidoosten,
de Chichanchob, de Caracol, de tweede cénoté, het paleis der Nonnen,
de Akab-sib, en verder, de sedert lang verlaten hacienda. Wij spraken
half fluisterend over het geheimzinnig verleden van die doode stad,
die wij zouden trachten uit het graf op te roepen; geen enkel geluid
steeg uit de wijde vlakte tot ons op: alom een plechtige stilte als
op een kerkhof, slechts nu en dan afgebroken door het geroep der
schildwachten, die met geregelde tusschenpoozen elkander waarschuwden.

Toen de dag was aangebroken, vertoonde zich een ander schouwspel,
niet minder schoon. De vlakte, geheel met een dichten nevel overdekt,
waarboven de pyramiden en de begroeide terpen uitstaken, scheen een
kalme zee, met groene eilanden bezaaid; de horizon tooide zich, bij
het rijzende licht, met de heerlijkste kleuren; lichte, doorschijnende
nevelwolkjes zweefden door de ruimte, telkens wisselend van vorm en
tint. Eindelijk verscheurde zich de nevelsluier en smolt weg voor
de zonnestralen, niets achterlatende dan de schitterende droppels,
als diamanten over de bladeren van het geboomte verspreid.

De zoogenoemde steden der Mayas verschilden ten eenemale van onze
tegenwoordige steden; de Spanjaarden vergeleken de eerste steden,
die zij hier zagen, met de steden in hun vaderland, met Sevilla bij
voorbeeld; maar deze vaak herhaalde vergelijking is toch verre van
juist. Voor zoo ver wij daarover thans, naar de overblijfselen, kunnen
oordeelen, bestonden deze steden uit eenige groepen van gebouwen, die
wij overal terugvinden, namelijk: een of meer tempels, de paleizen van
den vorst en van de caciquen of hoofden, en gebouwen voor de openbare
dienst bestemd. Deze groepen waren, schijnbaar zonder plan of orde,
over eene aanmerkelijke oppervlakte verspreid; de tusschenruimten
werden ingenomen door tuinen, waartusschen met cement geplaveide
wegen liepen; in den omtrek stonden de hutten der bedienden en slaven.

Chichen-Itza--dat wil zeggen, nabij de put van de Itza--ontleent haar
naam aan den cénoté of de twee cénotés, aan welker zoom de bevolking
zich had neergezet. Chichen is jonger dan Izamal en Aké, maar ouder
dan Uxmal: evenals deze laatste stad, behoort zij tot den tijd, toen
men bij het bouwen geen cement, maar gehouwen steenen gebruikte. De
berichten, die wij omtrent de stad bezitten, zijn zeer schraal en zeer
onzeker, zoo als trouwens alles wat wij aangaande Yucatan weten. Dit
alleen is met zekerheid bekend, dat Chichen, omstreeks de helft
der vijftiende eeuw, door hare inwoners verlaten werd. De bevolking
verhuisde in massa--de oorzaak dier verhuizing is onbekend--en stichtte
in de lagune van Peten, ruim honderd mijlen meer zuidwaarts, een klein
vorstendom, waarvan de hoofdstad Tayasal werd genoemd, dat door Cortez
op zijn tocht naar Honduras werd bezocht, en dat eerst in 1697--alzoo,
nog geen tweehonderd jaar geleden--door de Spanjaarden werd veroverd.

"Wij weten dus dat Chichen, omstreeks zestig jaar vóór de aankomst
der Spanjaarden nog bewoond was, en dat hare monumenten toen nog
ongeschonden in wezen waren. Het is trouwens meer dan waarschijnlijk,
dat deze stad, die bevoorrecht was niet twee groote en onuitputtelijke
water-reservoirs--een onschatbaar bezit in een land, dat van water
is ontbloot,--al spoedig nadat zij door hare inwoners verlaten was,
op nieuw bevolkt werd en dat zij aldus haar leven voortzette tot op
het tijdstip der verovering.

De eerste bezetting door de Spanjaarden had plaats in 1527. Montejo
landde, tegenover het eiland Cozumel, op de oostkust van Yucatan,
met vierhonderd soldaten. Hij liet zijne schepen achter, onder de
hoede der matrozen, en trok, onder het geleide van een Indiaan van
Cozumel, naar het binnenland: dit verhaalt de Bachiler Valencia,
die zijn verhaal schreef in 1639, te Valladolid woonde en van een
der veroveraars afstamde. Bovendien blijkt ten duidelijkste uit de
namen der steden, die Montejo doortrok, dat de expeditie haar weg nam
van het oosten naar het westen; bij de tweede expeditie daarentegen,
in 1541, toen de Spanjaarden te Champoton landden, trokken zij van
het westen naar het oosten.

Montejo kwam te Coni, dat van de kaart verdwenen is, trok door de
provincie Choaca, en bereikte Kaba; van Kaba begaf hij zich naar Aké,
een dorp, dat, zoo als wij reeds opmerkten, niet moet worden verward
met de stad Aké, waarvan wij de ruïnen hebben bezocht. Daar stuitte hij
op eene talrijke menigte Indianen, die hem den weg wilden versperren;
het kwam tot een gevecht, het bloedigste dat de Spanjaarden hadden
te leveren; en voor de eerste maal leerde Montejo het dappere volk
kennen, waartegen hij te kampen zou hebben. Ondanks hunne vuurwapenen,
die vreeselijke verwoestingen aanrichtten in de dichte drommen der
Indianen, ondanks hunne ijzeren harnassen, die hen bijna onkwetsbaar
maakten, moesten de Spanjaarden twee dagen achtereen vechten, om
den hardnekkigen tegenstand hunner vijanden te overwinnen. Van Aké
begaf Montejo zich naar Chichen-Itza, dat men hem, volgens Herrera,
had aangewezen als eene bij uitnemendheid geschikte plaats om zich
daar te vestigen. De stad was dus bewoond. Montejo nam te Chichen
zijn intrek in de gebouwen, waarvan wij nader zullen spreken; hij
vestigde zich daar te midden van eene bevolking, die ten gevolge van
het vreeselijke gevecht bij Aké, door den schrik als verlamd was.

In den eersten tijd ondervonden de Spanjaarden dus geene moeilijkheden
en ontbrak het hun aan niets; maar allengs begon het den Indianen te
verdrieten, in het onderhoud te moeten voorzien van deze vreemden,
die ieder per dag meer gebruikten dan voor het onderhoud eener
geheele indiaansche familie gedurende eene maand noodig was;
zij weigerden zich langer te onderwerpen aan de afpersingen en
wreede mishandelingen van deze bandieten. Nu werden niet langer
levensmiddelen naar het kamp gebracht; eindelijk verdwenen de
Indianen, de veroveraars in eene eenzame wildernis achterlatende. Op
den overvloed van straks volgde nu gebrek en hongersnood; om zich
levensmiddelen te verschaffen, moesten de Spanjaarden verre tochten
naar de omliggende dorpen ondernemen en daar met geweld nemen, wat men
hun niet vrijwillig wilde afstaan: van daar onophoudelijke gevechten;
de Spanjaarden hadden honderd-vijftig hunner manschappen verloren,
en de overgeblevenen waren allen gewond. Montejo, die waarschijnlijk
de gemeenschap met zijne schepen had onderhouden, zag zich genoopt tot
den terugtocht. Het omliggende land was geheel door Indianen bezet,
en de terugtocht werd uiterst bezwaarlijk. Na een bloedig gevecht,
waarin Montejo een deel van zijne beste manschappen verloren had,
volgde een zeer donkere nacht, die bij uitstek gunstig scheen voor
de vlucht. Hij beval de grootst mogelijke stilte, liet de hoeven
der paarden omwikkelen, opdat men hen op den rotsigen grond niet
hooren zou; om de waakzaamheid der Indianen te verschalken, liet hij
vervolgens een zijner honden aan een buigzamen paal, waaraan een bel
bevestigd was, vastbinden; en op eenigen afstand, buiten het bereik
van den hond, een stuk vleesch nederleggen, dat het hongerige dier
vergeefs trachtte te bereiken. Het gelui van de bel en het janken
van den hond brachten de Mayas in den waan, dat hunne vijanden nog
steeds in hun kamp waren. Inmiddels trokken de Spanjaarden in alle
stilte naar het noorden, in de richting van Cilan. Toen het dag werd,
bespeurden de Indianen dat zij misleid waren geworden: woedend zetten
zij de vluchtelingen na, die niet dan met groote moeite de zeekust
en het grondgebied van een vredelievenden vorst bereikten, die hun
eene schuilplaats bood.

Het paleis der Nonnen (el palacio de las Monjas) is een der
voornaamste paleizen van Chichen-Itza; men heeft er een klooster van
gemaakt, evenals van het groote gebouw te Uxmal, dat denzelfden naam
draagt. Sommige schrijvers verhalen namelijk, dat bij de Azteken
in Mexico de gewoonte heerschte, om jonge meisjes van aanzienlijke
familie en omstreeks twaalf jaren oud, gedurende zekeren tijd aan de
goden te wijden. De meesten verlieten den tempel om in het huwelijk
te treden; sommigen verbonden zich, door plechtige gelofte, voor
haar geheele leven. Sahagun deelt mede dat deze meisjes, kleine
priesteressen of zusters genoemd, in de bijgebouwen van den tempel
woonden, onder streng opzicht van daartoe aangestelde vrouwen; zij
leidden daar een kloosterleven, en waren aan zeer strenge regelen
onderworpen. Haar hair werd afgeknipt; zij moesten des nachts opstaan
om te bidden en den tempel te reinigen; zij vastten bijna onophoudelijk
en pijnigden en martelden zichzelven op allerlei wijze ter eere der
goden. Zij doorboorden zich de tong en de ooren met scherpe doornen,
sliepen steeds geheel gekleed, om elk oogenblik haar arbeid te
kunnen hervatten, gingen altijd met neergeslagen oogen, en moesten
de doodstraf ondergaan voor iedere inbreuk op de strenge regelen der
godsdienstige tucht. Zij waren dus inderdaad nonnen.

Het paleis bestond uit een middengebouw en twee vleugels; de plaat op
bladz. 37 geeft den voorgevel van den linkervleugel te aanschouwen,
die zeer schoon en uitmuntend goed bewaard is gebleven. Deze façade
bestaat uit drie vooruitspringende lijsten, die twee friesen begrenzen,
waarvan de versiering uit dezelfde motieven is saamgesteld. Op de
eerste fries ziet men twee omlijste hoog-reliefs, waarop mannen zijn
voorgesteld in neergehurkte houding; het lichaam van den een is gevat
in de schaal van een schildpad; de reusachtige, groteske figuren in het
midden en aan de hoeken van de eerste fries vindt men ook aan de façade
van het hoofdgebouw, en met geringe wijzigingen op alle monumenten
van Yucatan.--Het hoofdgebouw van het paleis der Nonnen leunt tegen
eene pyramide, op welker terras of platform een zeer net bewerkt gebouw
verrijst, bevattende kleine kamers met twee nissen tegenover elke deur,
en gescheiden door een gang, die op den westelijken uithoek van de
pyramide uitkomt. Op dit tweede gebouw rust nog een derde van kleiner
afmetingen: het geheel vormt dus een paleis van drie verdiepingen.

Wij keeren terug tot het gebouw waarin wij onzen intrek genomen
hebben, dat ten onrechte den naam van Castillo draagt en eigenlijk een
tempel was. Het rust op eene pyramide met vier trappen, naar de vier
windstreken gekeerd; de plaat op bladz. 40 stelt den westelijken gevel
voor. De pyramide, waarvan de basis vier-en-vijftig meters bedraagt,
bestaat uit negen terrassen, door loodrechte muren gedragen; zij is
gekroond met een gebouw, waarvan de zijden ongeveer twaalf el lang en
breed zijn, bij eene hoogte van zes el vijftig duim. Het bovenvlak
van de pyramide verheft zich een-en-twintig el boven de vlakte;
de trap bestaat uit negentig treden van ongeveer twaalf el breed.

Uit deze constructie blijkt dat de naam van Castillo, kasteel, vesting,
nog niet zoo ten eenemale onjuist is: immers zoowel in Yucatan als op
de hoogvlakten, dienden de tempels in tijd van oorlog als vestingen;
op die reusachtige trappen en terrassen verzamelden zich, in den
uitersten nood, de uitgelezenste krijgslieden, om den zegevierenden
vijand tegen te houden en hun leven zoo duur mogelijk te verkoopen. De
verdediging van zulk eene vesting kon lang worden volgehouden; en
wanneer de bezetting inderdaad uit onverschrokken mannen bestond,
die tot sterven bereid waren, dan moest de bestorming van elk dezer
terrassen stroomen bloeds kosten. Wij zien daarvan een voorbeeld
bij de bestorming van den grooten tempel te Mexico: de Spanjaarden
werden bij herhaling terug geslagen, en Cortez moest zich zelf aan de
spits zijner soldaten plaatsen, om achtereenvolgens de vier terrassen
der pyramide te veroveren; het gevecht werd nog voortgezet op het
bovenste plat, waar zich de Azteken hadden vereenigd, die tot den
laatsten man werden gedood.

De noordelijke façade, die tevens de voornaamste was, moest, nog
ongeschonden, een grootschen indruk maken. Zij bestaat uit eene portiek
met twee massieve kolommen, onderling verbonden door houten lijsten,
waarop de dubbele kroonlijst van de fries rust, in het midden versierd
met een groot medaillon. Deze portiek geeft toegang tot eene galerij,
die de geheele breedte van het gebouw inneemt; uit de galerij komt men
door eene enkele deur in een groot vertrek, zeer waarschijnlijk het
heiligdom, waarvan het dubbele gewelf gedragen werd door twee pilaren
met vierkante kapiteelen. De trap tegenover deze façade was breeder
dan die aan de drie anderen; ter wederzijde zag men, bij wijze van
leuning, een reusachtige gevederde slang, van onderen uitloopende in
een monsterachtigen kop met wijd geopenden bek en uithangende tong. De
kolommen, de pilaren, de deurposten en houten lijsten zijn bedekt met
beeldhouwwerk en bas-reliefs. Even als de paleizen te Mexico en te
Palenqué, hadden ook de paleizen te Chichen geene deuren, maar werden
de openingen slechts met matten of gordijnen gesloten; men vindt dan
ook geen sporen van scharnieren, maar wel kleine gaten in de zuilen,
waarin de koorden voor de gordijnen werden vastgemaakt.

Toen Landa omstreeks 1560 Chichen bezocht, was deze voorgevel nog
ongeschonden; geen steen ontbrak aan de negen terrassen van de
pyramide, en de tempel vertoonde zich nog zoo als hij uit de hand
der bouwmeesters was gekomen. Landa maakt ook gewag van de twee
slangen ter wederzijde van de groote trap. "De galerij diende voor het
ontsteken van reukwerk, en boven de deur ziet men een groot in steen
uitgehouwen medaillon, waarvan de beteekenis mij onbekend is. Rondom
dit gebouw bevinden zich een aantal anderen, groot en goed gebouwd;
de tusschenruimte is bekleed met cement, die een aaneengesloten geheel
vormt en geheel nieuw schijnt, zoo hard is de kalk, waarvan zij de
cement maken."

Die lagen van cement, die wij ook elders gevonden hebben, zijn eene
kenmerkende eigenaardigheid van de kunst der Tolteken. Te Chichen
zijn die cementlagen nu verdwenen; maar uit de beschrijving van Landa
blijkt, dat in zijn tijd de bodem nog niet met planten en kruiden was
begroeid: hetgeen bewijst, dat de stad nog niet lang geleden verlaten
was. De uitmuntende toestand van de gebouwen, van de pyramiden en van
dit plaveisel van cement, in een land waar de plantengroei zoo krachtig
en welig is, bewijst dit nog te meer en wel op de meest afdoende wijze.

In dezen tempel trof ons voor het eerst de verrassende overeenstemming
tusschen de tolteeksche beeldwerken en bas-reliefs op de hoogvlakten,
en de bas-reliefs van deze stad in Yucatan. Deze monumenten zijn,
naar mijne overtuiging, afkomstig van de Tolteken, en van betrekkelijk
jongen datum. Ziehier het bewijs voor deze meening.

De balustrade van de groote trap verbeeldt, zoo als wij zagen, eene
gevederde slang, geheel overeenkomende met die aan den muur van den
tempel te Mexico. De gevederde slang was het symbool van Quetzalcoatl,
een god der Tolteken en der Azteken: in Yucatan was zij het teeken
van Cuculkan, een god der Mayas; in beide talen hebben de twee namen
dezelfde beteekenis, namelijk die van _gepluimde slang_. Dit beeld,
dat op de gebouwen van Yucatan veelvuldig voorkomt, diende ook ter
versiering van de huizen der aanzienlijken te Mexico. Clavigero zegt
ons dat de Azteken, in hunne bouworde, de kroonlijst bezigden, en
dat men aan sommige gebouwen eene reusachtige slang in relief zag,
die zich om alle openingen van het paleis slingerde, en zich zelve
in den staart scheen te bijten.

De twee pilaren van den voorgevel vertoonen eene onmiskenbare
overeenkomst met eene tolteeksche zuil, die wij te Tula hebben
gezien: ook hier zijn de schachten met vederen versierd en vertoonen
de basementen den kop van een slang. Uit alles blijkt dus dat deze
tempel aan Cuculkan was gewijd. Ook het kapiteel van den pilaar te
Chichen-Itza verdient de aandacht. Het is geheel gebeeldhouwd: in het
midden ziet men eene staande figuur, die met haar opgeheven armen het
entablement schijnt te torsen. Deze gestalte met haar langen baard
is wederom eene voorstelling van den tolteekschen god Quetzalcoatl,
die onder verschillende gedaanten werd afgebeeld. Zijne kleeding is
buitengewoon rijk: aan de polsen draagt hij breede armbanden, en op
het hoofd een reusachtig tooisel van vederen; om zijn hals hangt een
lange keten van edelgesteenten, en zijne laarsjes zijn met lederen
rosetten versierd.


VI


Ik heb reeds gezegd, dat er te Chichen-Itza twee cénotés zijn,
reusachtige kuilen, met loodrechte wanden, waarin het water door
onderaardsche beken wordt aangevoerd. Deze twee natuurlijke reservoirs
hebben ongetwijfeld aanleiding gegeven tot de keuze van deze plaats
voor de stichting eener stad en voor de nederzetting eener talrijke
bevolking in den omtrek. De inwoners van Chichen konden zich de moeite
sparen om diepe putten te boren; evenmin behoefden zij kunstmatige
waterbakken of vijvers aan te leggen: de natuur zelve had gezorgd
voor een rijken overvloed van water, een voorraad, die onuitputtelijk
was en ook bij de grootste droogte nooit verminderde. Een van deze
cénotés bevond zich in het midden van de stad, en werd dan ook het
meeste gebruikt; door middel van eene glooiing, waartegen men eene
soort van trap had gemaakt, daalde men naar het water af; de andere,
de heilige cénoté, ligt ten noorden van het Castillo, buiten den
kring der gebouwen en op de grenzen der stad. Om dezen te bereiken,
moeten wij ons een weg banen midden door het bosch; halverwege vinden
wij de helft van een groot beeld van Tlaloc, en in de onmiddellijke
nabijheid groote hoopen van puin, overblijfselen van twee tempels,
aan wier voet wij weder het beeld terugvinden van de gepluimde slang,
Quetzalcoatl of Cuculcan, die de voornaamste godheid der bevolking
van Chichen schijnt te zijn geweest.

De cénoté, die ongeveer honderd-vijftig el verder ligt, is langwerpig
van gedaante; het water is niet te bereiken, want de loodrechte
wand is omstreeks twintig el hoog en biedt nergens eene gelegenheid
tot afdalen. Het water schijnt groen van kleur: dit kan het gevolg
zijn van de aanzienlijke diepte, of ook de weerspiegeling van het
dichte gebladerte rondom den put. Deze eenzame cénoté, waarvan de
wanden met distels, struiken, heesters en lianen begroeid zijn, te
midden van het bosch, maakt een somberen indruk. Deze plek was eens
gewijd als bedevaarts- en offerplaats; Chichen was eene heilige stad,
en deze cénoté behoorde tot de voornaamste heiligdommen. Een kleine
tempel, waarvan wij nog de ruïnen kunnen ontdekken, verrees aan zijn
zoom; aan de lokale godheid werden hier niet enkel halskettingen
van edelgesteenten, gouden en zilveren vazen geofferd, maar ook
volwassen menschen en kinderen, die vermoedelijk hier in de diepte
werden geworpen.

Landa maakt zoowel van den cénoté als van den tempel melding; een
breede, fraai geplaveide weg voert daarheen; hij vindt er vazen en
allerhande soort van offergaven; hij voegt er bij, dat er nog in 1560
menschenoffers werden geslacht.

Mij dunkt, dit is duidelijk genoeg. Meer dan veertig jaren na de
verovering bestaat de tempel nog ongeschonden, vol van afgodsbeelden
en van wijgeschenken, door de toen levende Indianen daar gebracht;
er wordt nog voortdurend dienst in gedaan, en men ziet er afbeeldingen
van Mayas in hun nationaal kostuum. Hoe kan men dan beweren, dat deze
tempels het werk zijn van een verdwenen ras en dagteekenen uit een
tijdvak vóór onze christelijke jaartelling? Het verhaal van Landa
moet iedereen de oogen openen. De stad was tijdens de verovering nog
betrekkelijk jong, en ongetwijfeld bewoond toen Francisco de Montejo
haar voor het eerst in 1527 bezette: immers in 1560 werden de tempels
nog door de geloovigen bezocht.

Van den heiligen cénoté begeven wij ons naar de Kaatsbaan, het
voornaamste en het best bewaard gebleven van al dergelijke gebouwen,
die voor het bij uitnemendheid nationale spel der Indianen waren
bestemd. Het bestond uit twee evenwijdig loopende, zware gemetselde
muren, ongeveer honderd el lang en tien el dik; de afstand tusschen
de muren bedraagt vijf-en-dertig el. Aan het uiteinde dier muren
bevinden zich twee kleine gebouwtjes, waarvan dat aan de noordzijde
slechts een enkel vertrek bevat, van eene op zuilen rustende galerij
of portiek voorzien, waar de aanzienlijke heeren, beveiligd tegen de
brandende zonnestralen, op hun gemak het spel konden gadeslaan. Over
de architektuur en de uitwendige dekoratie van dat gebouwtje kunnen
wij in den tegenwoordigen toestand geen oordeel meer vellen; maar van
binnen was het zeer rijk versierd: de zuilen en muren zijn geheel
met bas-reliefs bedekt, die echter door den tijd in hooge mate
geleden hebben.

Dit groote monument alleen, waarvan alle geschiedschrijvers melding
maken en dat zij Tlachtli en Tlachco noemen, is op zich zelf reeds
een afdoend bewijs voor den tolteekschen invloed in Yucatan, want dit
gebouw komt geheel overeen met de voor het kaatsspel bestemde lokalen
op de hoogvlakten. De groote afmetingen en de rijke versiering van
den Tlachtli te Chichen-Itza, waarvan wij bereids eene proeve hebben
gegeven (zie bladz. 36), leveren ons het bewijs, dat het geliefkoosde
spel van de bewoners der hoogvlakten in Yucatan niet minder in eere
werd gehouden.

Wij mogen Chichen-Itza niet verlaten, zonder nog te spreken van de
beide beelden, op de bladz. 33 en 35 afgebeeld. Het eene is afkomstig
van Chichen, waar het eenige jaren geleden gevonden werd; het andere
is afkomstig uit den omtrek van Tlascala in de onmiddellijke nabijheid
van Mexiko: alzoo op grooten afstand van het eerste. Naar de meening
van doctor Hamy, waarmede ik mij geheel kan vereenigen, stellen de
beide beelden den tolteekschen god Tlaloc voor, den god van den regen
en den overvloed.

Een enkele blik op de beide beelden is voldoende om ons te overtuigen,
dat zij denzelfden persoon moeten voorstellen. Het verschil in de wijze
van bewerking doet niets ter zake: het is blijkbaar dezelfde persoon,
in dezelfde houding, met dezelfde kom op den buik om den regen op
te vangen, en hetzelfde soort van kapsel of hoofddeksel. Het eene
beeld is van kalksteen en het andere van basalt; dat uit den omtrek
van Tlascala is misschien van zuiver tolteekschen arbeid en dan zeer
oud; maar van waar het ook afkomstig moge zijn, het is zeer stellig
tolteeksch van karakter en verspreidt dus ook licht over het andere
beeld van Chichen-Itza.



Van Merida begeven wij ons naar Ticul in het zuiden, om vandaar uit
de fraaie ruïnen van Kabah te bezoeken. Van dezen tocht is niets te
zeggen: het landschap van Yucatan is bij uitnemendheid eentonig,
de eene weg gelijkt volmaakt op den anderen. In deze streek zijn
de woningen of hofsteden minder ver van elkander verwijderd,
maar onderscheiden zich overigens niet van de haciendas in andere
streken. Als naar gewoonte, in den vroegen morgen vertrokken, komen
wij omstreeks negen uren te Uayalceh; de muildieren moeten eenige
rust nemen, en wij maken daarvan gebruik om te ontbijten.

In deze groote hofsteden moet men voor de genoten gastvrijheid betalen;
maar de reizigers worden er goed ontvangen; men beijvert zich om u
te bedienen en de prijzen zijn matig. Terwijl ons maal wordt gereed
gemaakt, gaan wij de hacienda bezien. Uayalceh is een indiaansch
woord, dat "de rust van het hert" beteekent; de dusgenoemde plantage
is waarschijnlijk de voornaamste in Yucatan. Men verbouwt hier, behalve
de noodige maïs voor de voeding van het talrijke personeel, uitsluitend
henequen; dit gewas is trouwens winstgevend genoeg, want men verzekert
mij dat de netto opbrengst vijftigduizend piasters bedraagt, dat
is omstreeks tweehonderd-vijftigduizend francs. De hacienda is voor
een millioen te koop! Dat geeft dus eene rente van vijf-en-twintig
percent! Het spijt mij, dat ik geen millioen beschikbaar heb.

Op de hacienda leeft eene bevolking van niet minder dan twaalfhonderd
personen, die allen een of anderen arbeid verrichten. De kinderen
zijn in de woning, onder het opzicht van een ouden Indiaan, bezig met
het schoonmaken van een gewas, waarvan de naam mij onbekend is. Hun
vroolijk gezang weergalmt door het geheele huis. Vrouwen gaan en
komen, in lange rijen achter elkander, naar en van de noria, om de
waterkruiken te vullen, die zij op haar hoofd dragen. Men zou zich in
den tijd der aartsvaders verplaatst wanen, kwam niet de stoommachine
den indruk bederven.

Des avonds omstreeks vijf uren komen wij te Ticul, waar, door de
goede zorgen van onzen vriend Don Antonio Fajardo, voor ons een huis
in gereedheid is gebracht, dat wij aanstonds betrekken.

Ticul mag in waarheid eene stad worden genoemd; welvarend en mooi,
goed gelegen, niet ver van de heuvelreeks, die van het noordwesten
naar het zuidoosten het schiereiland doorsnijdt. Alle sporen van
den indiaanschen oorlog schijnen hier uitgewischt; alles ziet er
splinternieuw uit, uitgezonderd de kerk en het groote klooster, waar
de door Stephens zoo hoog geroemde abt Carillo woonde, en dat bijna
een bouwval is. Daar woont in een der haast niet bruikbare kamers de
nieuwe pastoor, een vroolijk, voorkomend, aangenaam man, de broeder
van den zoo even genoemden abt, van wien de amerikaansche reiziger
ons zoo veel goeds vertelt.

De inwoners van Ticul zijn zeer vriendelijk en ontvangen ons met
groote hartelijkheid. Evenmin als elders in Yucatan, vindt men ook
hier een hotel; maar in de kleine _tienda_, waarin wij onzen intrek
nemen, vonden wij eene goede bediening en eene vrij wat betere tafel
dan te Merida. Daar ontvangen wij geregeld bezoek van eenigen der
voornaamste burgers van Ticul, die ons helpen bij onze studie en met
wie wij onze avonden op de aangenaamste wijze doorbrengen.

Ons doel was in de eerste plaats de ruïnen van Kabah te bezoeken, die
tot de hacienda Santa-Ana behooren; maar tusschen de hacienda en de
ruïnen strekt zich een bosch van vier mijlen uit, waardoor geen enkele
weg loopt. Don Antonio geeft mij den raad eenige manschappen vooruit te
zenden, om een weg te banen; en op last van den burgemeester zal een
troep Indianen van het dorp Santa-Helena den arbeid verrichten. Wij
zullen twee dagen geduld moeten oefenen; en daar er op de hacïenda
Yokat een feest of kermis zal worden gevierd, dringt de eigenaar,
die niemand anders is dan onze vriend Fajardo, er op aan, dat wij
daarbij tegenwoordig zullen zijn. Zoo gezegd, zoo gedaan.

Deze feesten in Yucatan worden zeer druk bezocht en lokken een
aantal menschen, ook al worden zij buiten op het land gevierd. Het
feest te Yokat moest drie dagen duren; stierengevechten, dansen,
maaltijden in de open lucht, kramen en tenten van allerlei soort,
niets zal er ontbreken; en van tien mijlen in den omtrek stroomt de
bevolking er heen. De weg is vol van voetgangers en _volans cochés_:
deze wonderlijke rijtuigen, opgepropt met fraai uitgedoste vrouwen,
schijnen welhaast bewegelijke bloemenkorven.--De hacienda, mooi gelegen
aan den voet van een steilen heuvel, bestaat uit ruime gebouwen en
prachtige tuinen; de gelukkige eigenaar is zeer verheugd als ik hem
mijn oprecht gemeend compliment maak over zijne kostbare bezitting.

Wij wonen de mis bij, gevolgd door eene preek in de taal der Mayas, die
zeer zacht en welluidend klinkt; voor kapel dient eene lange galerij,
waar een groot aantal mooie vrouwen, in haar fraaie rijk geborduurde
kleederen en met gouden kettingen versierd, liggen neergeknield
of op den grond zitten; allen volgen met eerbiedige aandacht de
heilige handeling. Nauwelijks heeft de priester het _Ita missa est_
uitgesproken, of zij zweven weg, als een dartele vogelenzwerm.

Daarop volgden de voorstellingen; ik druk de kleine handjes der
koninginnen van het feest, drie jonge meisjes van vijftien tot achttien
jaar, waarvan de eene met volle recht eene schoonheid van den eersten
rang mag worden genoemd. Er worden ververschingen gepresenteerd;
en elke van deze bekoorlijke jonge meisjes komt haar rozenlipjes aan
mijn glas zetten: dit is zoo het gebruik.

Intusschen groeit de menigte van oogenblik tot oogenblik aan; zij vult
de ruime binnenplaatsen van de hacienda en het uitgestrekte terrein
voor de woning; daar bevindt zich de circus voor de stierengevechten,
een groot amphitheater van takken, met verwonderlijke vlugheid door
de Indianen in elkaar gezet. Het geheel bestaat uit planken, takken,
palmbladen, lianen, zonder een enkelen spijker: en toch zit alles
vast en zal dit luchtig getimmerte, zonder gevaar van bezwijken,
het gewicht kunnen torschen van ettelijke duizenden toeschouwers.

Daartegenover bevindt zich de balzaal, van takken en groen gemaakt;
en verder, in bonte wanorde door elkander, een aantal kraampjes
en winkeltjes, waar allerlei soorten van drank, vooral ook koppig
engelsch bier, worden verkocht, en waarvoor de dorstige klanten
elkaar verdringen. Er wordt sterk gedronken; de opgewondenheid neemt
hand over hand toe; het is een geraas, een geschreeuw een gejuich,
dat hooren en zien vergaat.

Het uur voor de stierengevechten is gekomen; de circus is overvol;
voor mij ligt de aantrekkelijkheid van het schouwspel minder in
de kampplaats, dan wel in het publiek, hoofdzakelijk bestaande uit
mestiezen-vrouwen, stralende van vreugde en genot, uitgedost in haar
fraaiste kleederen, schitterende in de bontste kleuren, in roode,
gele en blauwe borduursels, die zoo goed uitkomen tegen de sneeuwwitte
jurken, te midden van wolken van kant, waartusschen de gouden kettingen
en edelgesteenten vonkelen. Welk een betooverende aanblik! En, vreemd,
niet waar? er zijn daar ruim tweeduizend toeschouwers en daaronder
hoogstens drie- of vierhonderd mannen: men zou zeggen, dat men zich
in eene vergadering van dames bevond. Deze wanverhouding tusschen
het mannelijk en het vrouwelijk element is een verschijnsel, dat men
in alle heete landen aantreft, waar het blanke ras zich gevestigd
heeft. Op Java zijn van de zeven kinderen, die geboren worden,
gemiddeld vijf meisjes. Hier schijnt het verschil nog grooter: de
verhouding is hier, naar men zegt, van zeven of acht op tien. Mijn
gastheer heeft acht dochters en twee zoons; op eene bevolking van
honderd-elf-duizend blanken of mestiezen, zou men dus ter nauwernood
twee-en-twintigduizend mannen tellen. Deze schromelijke wanverhouding,
het onwedersprekelijk bewijs van den achteruitgang en de verbastering
van het ras, komt natuurlijk niet voor bij de indiaansche bevolking,
die op honderd-vijftigduizend zielen wordt geschat, en die dus het
evenwicht eenigermate zou helpen herstellen. Men moet echter ook
niet vergeten, dat de onophoudelijke burgeroorlogen en de langdurige
gevechten met de Indianen onder de mannelijke bevolking groote
verwoestingen hebben aangericht; misschien is ook daaraan voor een deel
het ontzaglijk overwicht van het vrouwelijk element toe te schrijven.

Vermoeid van het oorverdoovend geraas, van valsche muziek en eindeloos
herhaalde dansen, keer ik naar Ticul terug, waar ik tijding hoop te
vernemen van mijne werklieden. Bij mijne tehuiskomst hoor ik inderdaad
dat de weg naar de ruïnen gebaand is, en dat ik vertrekken kan wanneer
het mij behaagt.


VII


Don Antonio gaat met ons naar de hacienda Santa-Ana, waarvan hij
administrateur is; wij zullen daar ons hoofdkwartier vestigen, en
de volans-cochés zullen ons, langs den nieuw geopenden weg, naar de
ruïnen brengen. Santa-Ana ligt vier mijlen van Ticul verwijderd;
Kabah ligt nog een mijl verder. Deze zeer oude nederzetting werd
gedurende den burgeroorlog verlaten, maar begint zich tegenwoordig
weder eenigzins te herstellen. De bouwmaterialen heeft men in de
onmiddellijke nabijheid voor het grijpen; zij zijn afkomstig uit een
groep belangrijke pyramiden, die vroeger met gebouwen waren gekroond,
welke thans geheel in puin liggen. Onder die materialen merken wij
vierkante, geheel nieuwe pilaren op, met dorische kapiteelen; en,
hetgeen opmerkelijk is, de kanten dezer pilaren zijn even als onze
steenen behouwen en vertoonen de duidelijke sporen van een metalen
werktuig, dat van tanden moest zijn voorzien. Het schijnt mij
onaannemelijk, dat deze pyramiden, tempels en paleizen, met hunne
beeldwerken en bas-reliefs, met behulp van steenen werktuigen zouden
zijn vervaardigd: de Indianen moeten, om zulke werken te hebben kunnen
voltooien, in het bezit zijn geweest van metalen instrumenten. Zij
gebruikten, naar het schijnt, bijlen en andere werktuigen van koper
met tin gemengd, die bijzonder hard moeten zijn geweest.

De geschiedschrijvers maken ter nauwernood gewag van de ruïnen van
Kabah, evenmin als van die van Labnah, Sacbey, Iturbide en vele
andere groepen van oude dorpen, op den afstand van dertig of veertig
mijlen ten zuiden van Merida; nu en dan spreken zij van de vorsten
dier vlekken als van de lieden van de Sierra, omdat deze vlekken
of steden aan de andere zijde waren gelegen van de heuvelketen,
die Yucatan doorsnijdt.

Te oordeelen naar hare monumenten, moet Kabah echter eene van
de belangrijkste steden van het schiereiland zijn geweest; hooge
pyramiden, reusachtige terrassen met indrukwekkende ruïnen bedekt,
triomfbogen, paleizen, beslaan eene aanzienlijke oppervlakte. Deze
gebouwen, met die van Uxmal, welke wij zoo aanstonds zullen bezoeken,
en die van Chichen-Itza, welke wij reeds kennen, kunnen ons een
volledig denkbeeld geven van de architektuur in Yucatan, en leveren
tevens het afdoend bewijs voor de eenheid der beschaving in het
schiereiland.

Al deze monumenten, van de oudste tot de jongste, hebben denzelfden
oorsprong, zijn afkomstig van hetzelfde volk en vertoonen allen,
met eenige varianten, denzelfden karaktertrek. Zie het eerste paleis
van Kabah: de voorgevel is op de weelderigste wijze versierd, maar wij
vinden hier dezelfde kolossale figuren terug, die wij te Chichen hebben
gezien, en die het best zijn te vergelijken met die reusachtige houten
afgodsbeelden, uit boven elkander geplaatste hoofden bestaande, die van
de eilanden in den Stillen-oceaan afkomstig zijn. De versiering van dit
monument is tot in het buitensporige overdreven: de architektonische
lijnen, ja ik zou bijna zeggen, het gebouw zelf verdwijnt geheel en
al, om plaats te maken voor ornamenten. De zeer vervallen toestand,
waarin het monument verkeert, laat niet meer toe, een oordeel over het
geheel te vellen; maar deze vijftig el breede voorgevel met zijne alles
overstelpende dekoratie moet een zonderlingen indruk hebben gemaakt.

Evenals alle monumenten in Yucatan, verrees ook dit paleis op
eene pyramide van twee verdiepingen; voor het gebouw strekte zich
eene ruime esplanade uit, waarop zich ter wederzijde twee breede
waterbakken bevonden en in het midden de zuil voor de strafoefeningen,
de _picoté_. Het inwendige van het paleis bevat eene dubbele reeks
van zalen, de schoonste, die wij nog gezien hebben. Zij hebben eene
lengte van ongeveer negen, bij eene breedte van ruim drie el, en zijn
zes el hoog. In alle zalen waren de wanden beschilderd en met beelden
en opschriften bedekt, zoo als blijkt uit de brokstukken die ons nog
zijn overgebleven: het is zelfs waarschijnlijk, dat de gebouwen geheel
beschilderd waren. De polychromie was dus bij de Yucateken in gebruik,
even als bij de volken der oude wereld. Ook bij hen werd, even als
in de klassieke oudheid, de schilderkunst nooit van de bouwkunst
gescheiden: die beide kunsten vulden elkander aan, en hetgeen wij nu
eene schilderij noemen, bekleedde toen slechts eene zeer onderschikte
plaats. Ook hier besteedde de kunstenaar zijne voornaamste zorg aan
de uitwendige dekoratie; en die levendige sprekende kleuren, in zoo
weelderigen rijkdom aangebracht op de breede gevels, moeten, met de
warreling der monsterachtige figuren, niet weinig hebben bijgedragen
tot verhooging van de zeker echt barbaarsche pracht dezer wonderlijke
gebouwen.

Het tweede paleis ligt honderd-vijftig el ten noordoosten van het
eerste; het verheft zich evenzoo op eene pyramide, en heeft ook
zijne esplanade met twee waterbakken en een _picoté_; maar het staat
bovendien op een tweede terras, dat eene reeks zalen bevat, die geheel
zijn verwoest. In het midden bevindt zich de trap, gedragen door een
soort van gewelf, die toegang geeft tot het gebouw.

Dit zeer lage paleis--de hoogte bedraagt niet meer dan vijf
el--onderscheidt zich door zijn eenvoud, tegenover de overladen
versiering van het andere. De gevel, die bijna nog in zijn geheel
aanwezig is, heeft eene breedte van vijftig el; in dien gevel zijn
zeven openingen, waarvan twee toegang geven tot twee kleine en
nauwe vertrekjes. Het benedenste gedeelte van den muur is zonder
versiering; de fries boven de weinig uitstekende kroonlijst bestaat
uit kleine zuilen, bij drietallen gegroepeerd, met een vlakken muur
tusschenbeiden. Het achterste gedeelte van het paleis is geheel
vernield.

Links van dit monument verrijst eene pyramide met verschillende
verdiepingen, voorzien van vier trappen, die naar de bovenste terrassen
voerden, waar de gebouwen geheel in puin liggen. Deze pyramide is
omringd door vertrekken van verschillende afmetingen, waarvan de deuren
of toegangen soms door pilaren in tweeën gescheiden zijn. De posten
en drempels der deuren zijn van steen, even als in het tweede paleis;
voor het meerendeel zijn die posten zeer goed bewaard gebleven.

Omtrent de geschiedenis van Kabah verkeeren wij niet ten eenemale in
het duister. Wij zeiden reeds, dat bij de verschijning der Spanjaarden,
Yucatan in verschillende onafhankelijke vorstendommen of heerlijkheden
was verdeeld. Maar een eeuw vroeger voerde de vorst van eene zekere
stad, Mayapan genoemd, den schepter over het geheele schiereiland:
hij had de aan zijn vorstendom grenzende gewesten onderworpen en,
als naar gewoonte, hunne hoofdsteden verwoest. De caciquen van de
Sierra, waartoe ook de vorsten van Kabah, Uxmal enz. behoorden,
waren onder de verwonnelingen.

De vorst van Mayapan kon zijn gezag alleen staande houden met behulp
van eene mexikaansche bezetting: dit geeft ons een datum. Wij
weten namelijk dat de Azteken schatplichtig waren aan den koning
van Azcapozalco, en dat zij eerst onder de regeering van Itzcoatl,
omstreeks het jaar 1425, hunne onafhankelijkheid herwonnen; dat zij
echter eerst onder de regeering van Montezuma I, omstreeks 1440,
invloed verwierven en veroverend optraden; zij konden dus eerst in
dezen tijd aan den vorst van Mayapan hulptroepen zenden.

Om zijne heerschappij te verzekeren en zijne vazallen in onderwerping
te houden, dwong de koning van Mayapan de hoofden der voornaamste
familiën om als gijzelaars aan zijn hof te vertoeven; het juk der
overheersching drukte des te zwaarder en scheen te hatelijker, omdat
de overwinnaar steunde op de hulp van vreemde soldaten. De andere
vorsten sloten onderling een verbond, waaraan ook de bewoners van
de Sierra deelnamen; het kwam tot een oorlog; de koning van Mayapan
werd overwonnen en zijne stad geheel verwoest. De gevangen gehouden
caciquen keerden naar hunne woonsteden terug.

Dit geschiedde in 1420, volgens Landa; maar volgens Herrera, wiens
chronologie veel juister schijnt en door beter bewijzen gestaafd, in
1460. "Volgens hem verliepen er zeventig jaar tusschen de verwoesting
van Mayapan en de komst der Spanjaarden: Montejo nu hield van 1528
tot 1531 Chichen bezet. Herrera verzekert ook, dat na de verdeeling
van het land in onafhankelijke gewesten, de bevolking zich zoo sterk
vermenigvuldigde, dat het geheele land slechts eene enkele stad scheen;
men bouwde overal tempels en paleizen: "het is daarom dat er zoo velen
van zijn." Ook Landa zegt hetzelfde: ook hij verzekert dat de bevolking
buitengewoon toenam en dat er tempels in menigte gebouwd werden,
"zoodat men die heden nog overal ziet, en dat men in de bosschen,
te midden van het woud, groepen van huizen en verwonderlijk schoon
bewerkte paleizen vindt."

De monumenten, waarvan wij de ruïnen nog heden kunnen bestudeeren,
zijn dus in geenen deele uit lang vervlogen eeuwen, uit voorhistorische
tijden afkomstig.

De weg van Kabah naar Santa-Helena is een der beste, die wij nog
ontmoet hebben: hij is vrij breed, goed belommerd en niet al te
oneffen. Was deze bruikbare weg voor ons reeds eene verrassing,
eene nog grootere wachtte ons, toen wij het prachtige indiaansche
dorp Santa-Helena bereikten.

Dit dorp beslaat eene aanzienlijke uitgestrektheid gronds, die,
even als eene nieuwerwetsche stad, in regelmatige vierkante
vakken is verdeeld; elk vak, met groote boomen beplant, is weder
gesplitst in perceelen van ongeveer tweeduizend el in oppervlakte,
omringd door muren van gedroogden steen, waarop de woning van den
eigenaar staat. Eenige bloeiende heesters en vruchtboomen vormen
kleine bosschages, en nabij de woning ziet ge een soort van groote
horde van rijswerk, twee meter in het vierkant en op palen rustende,
waarover een laag teelaarde is gespreid. In dit hangende tuintje
kweekt de eigenaar bloemen en eenige groenten. Een zwerm van gevogelte
stoffeert het stille plekje: het gekakel van kippen, het gekwaak van
eenden en het geklok van kalkoenen vermengt zich met het geknor van
varkens. Alles teekent welvaart, bijna overvloed.

Dit dorp was voor mij bijna eene openbaring uit het verleden. Zoo moet,
zeide ik tot mij zelven, een dorp der Mayas er hebben uitgezien. Uit
hetgeen wij voor oogen hebben, kunnen wij zonder moeite en met meer dan
waarschijnlijkheid tot de vroegere toestanden besluiten; de eeuwenoude
traditiën, de overgeërfde begrippen en voorstellingen, geheel de
omgeving oefenen een zoo machtigen invloed op de menschen uit, dat er
in de indiaansche organisatie niet veel veranderd kan zijn. Van waar
zou ook zulke verandering gekomen zijn? De Spanjaarden hebben wel,
ook in Yucatan, hunne godsdienst ingevoerd, en dat geschiedde meer
door geweld, dan langs den weg der overtuiging; maar zij konden noch
de bebouwing des lands, noch de kleederdracht, noch de zeden, noch
de taal veranderen. Zij zelven ondergingen, door de aanraking met het
onderworpen ras, gaandeweg eene zeer wezenlijke verandering; en indien
het hun al gelukte de plaats in te nemen van de oude beheerschers des
lands, zoo traden zij toch onder menig opzicht, eenvoudig in hun spoor.

Yucatan was eene feodaliteit, waarvan de sporen nog geheel te
herkennen zijn; overal langs de wegen en in de bosschen, vindt men
de overblijfselen van meer of minder belangrijke gebouwen, die het
middelpunt vormden van eene nederzetting, van eene groote plantage:
de twee, drie of vier pyramiden, vroeger met monumenten bedekt,
stellen ons nog in staat ons een denkbeeld te maken van de macht en
het aanzien van den cacique, die daar weleer zijn zetel had.

Tegenwoordig zijn die nederzettingen ongetwijfeld minder talrijk en
minder belangrijk, want de bevolking is tot minder dan een tiende
geslonken, dank zij het vaderlijk regeeringsstelsel der veroveraars;
maar de steden, dorpen en haciendas hebben dezelfde bestemming én
staan nog op de oude plaats: daar zijn er maar weinigen, in wier
onmiddellijke nabijheid men geen ruïnen vindt en die niet zijn gebouwd
met de materialen, van de vroegere monumenten afkomstig. Overal
heeft de Spanjaard de plaats ingenomen van den overwonnen cacique;
er is niets veranderd, dan alleen dat de oude adellijke familie tot
armoede en slavernij is vervallen.

In het wezen der zaak is niets veranderd: de hacienda met haar gebouwen
in spaansch-moorschen stijl heeft de plaats ingenomen van het paleis
der vorsten of de nederiger woning van den edelman. Maar even als
vroeger, omgeven de hutten der arbeiders en onderhoorigen ook nu het
huis van den heer, en die hutten vertoonen nog heden het beeld der
vroegeren: ook zij zijn langwerpig van vorm, met riet gedekt, en,
wanneer de bewoner maar eenigszins welgesteld is, versierd met die
kleine ruitvormige teekeningen, eene flauwe afschaduwing der rijke
dekoratie van de paleizen der vroegere vorsten.--Alleen de godsdienst
is veranderd: de kerk heeft den tempel verdrongen: maar wie zal zeggen,
in welke mate de oude heidensche wereldbeschouwing nog leeft in de
harten dezes volks? Van Santa-Helena begeven wij ons naar Uxmal, waar
ons de administrateur, Don Luïz Perez, wachtte. De hacienda is niet
meer de verlaten, eenzame woning van voorheen: er heerscht thans leven
en beweging, en overal is alles in volle werkzaamheid. In plaats van
eene eenvoudige hut, aanschouwt ge een statig gebouw, dat ruime zalen
en vertrekken bevat en met eene op kolommen rustende veranda prijkt. In
de werkplaats zijn dag en nacht honderden Indianen aan den arbeid; een
spoorweg loopt van de hacienda naar de plantages en de met muildieren
bespannen wagens voeren onophoudelijk vrachten suikerriet aan; er is
een rustelooze beweging, een komen en gaan van menschen en paarden
en vee: alles teekent leven en welvaart. Maar evenals vroeger, is de
woning ongezond; en de majordomo klaagt bitter over de sluipkoortsen,
die zijne gezondheid ondermijnen.

De ruïnen zijn twee mijlen van de hacienda verwijderd.

Uxmal, de mededingster van Chichen, is reeds meermalen beschreven;
wij zullen ons dus hier tot het voornaamste bepalen. Daaronder komt
de eerste plaats toe aan het zoogenaamde paleis van den gouverneur,
buiten kijf het grootste en het prachtigste van alle oude monumenten
in Amerika; zijne ligging op drie opeenvolgende terrassen verhoogt nog
het effekt van dit tegelijk sobere en rijke gebouw. Hoewel sedert drie
eeuwen verlaten, schijnt dit paleis nog bijna nieuw; het zou geheel
ongeschonden zijn, indien de vroegere eigenaars niet de steenen van
het onderste gedeelte hadden laten weghalen om daarmede hunne hacienda
te bouwen.

Het zoogenaamde paleis der nonnen beslaat een groot parallelogram,
gevormd door vier fraaie gebouwen, wier bij uitnemendheid rijke
ornamentatie aanstonds de aandacht trekt. De noordelijke vleugel van
dit paleis bevat een stuk van een kleiner en ongetwijfeld ouder gebouw:
naar men vermoedt, zou dit het overblijfsel zijn van een paleis,
dat deel uitmaakte van eene vroegere stad Uxmal, die, naar men zegt,
verwoest werd. Het laatste paleis dagteekent vermoedelijk uit den
tijd na den val van Mayapan.

Het huis van den Dwerg, ook het huis van den Waarzegger genoemd,
is een zeer fraaie tempel op den top eener zeer steile pyramide,
die eene hoogte bereikt van bijkans honderd voet. De tempel bestaat
uit twee gedeelten: het eene staat op het bovenste terras; het
andere is bij wijze van souterrain daartegen aangebouwd en met den
gevel naar het westen gekeerd. Deze soort van kapel was zeer rijk
versierd en waarschijnlijk aan den dienst van een der voornaamste
goden gewijd. Twee groote trappen, een ten oosten en een ten westen,
voeren naar de beide gebouwen.

Pater Cogolludo bezocht dien tempel in 1656; hij verhaalt ons dat
de trap zoo steil was dat hij er duizelig van werd, en dat hij in
een der zalen van het gebouw offeranden van cacao vond en sporen
van copal, die men er sedert kort gebrand had: hieruit blijkt dus,
dat de Indianen van Uxmal, honderd-vijftien jaren na de verovering,
nog aan hunne goden offerden. Daaruit blijkt ook, dat de tempel nog in
wezen was en dat de Indianen er nog hunne oude eeredienst uitoefenden.

Uxmal is de eenige stad, waar de gebouwen zoo geplaatst zijn, dat
men ze gezamenlijk overzien kan. Bepaaldelijk wordt de aandacht
getrokken door eene groote pyramide zonder monument, met eene breede
vlakke kruin, die den naam draagt van _Cerro de los sacrificios_,
heuvel der offeranden, waar de menschenoffers plaats grepen. Deze
pyramide zou dan eene navolging zijn van de mexikaansche tempels,
welke uit eene pyramide bestonden, met kleine houten kapellen waarin
de beelden van de afgoden stonden, en den _techcatl_, een blok steen
met bolle oppervlakte, waarop het slachtoffer werd uitgestrekt, zoodat
de vooruitstekende borst gemakkelijk door het mes van den priester
kon worden opengesneden, die er vervolgens het hart uitnam. Het
menschenoffer geschiedde altijd ten aanschouwe van het volk, aan
den rand der pyramide, van waar men vervolgens het lijk naar beneden
wierp, opdat de toeschouwers het onder zich zouden kunnen verdeelen
en verslinden.

De Tolteken daarentegen, bij wie het menschenoffer niet in gebruik was,
hadden werkelijk tempels op hunne pyramiden, naar de beschrijving te
oordeelen, geheel overeenkomende met die, welke men in Yucatan ziet,
waar zij deze wijze van bouwen invoerden en ontwikkelden. Vinden
wij dus bij de Mayas het menschenoffer en de daarmede verbonden
anthropophagie, dan kunnen wij dit gebruik alleen aan mexikaansche
invloeden toeschrijven: alle geschiedschrijvers verklaren dan ook
eenstemmig dat het de Azteken waren, die deze afschuwelijke gewoonte
in het schiereiland invoerden. Maar wij weten dat deze Azteken niet
voor het jaar 1440 als hulptroepen naar Mayapan konden komen. De voor
het voltrekken der menschenoffers bestemde monumenten kunnen dus niet
ouder zijn dan de tweede helft der vijftiende eeuw.

Ik kan te dezer plaatse deze kwestie van den ouderdom der monumenten
van Yucatan niet in alle bijzonderheden bespreken; op deugdelijke
gronden ben ik overtuigd dat de steden van het schiereiland, op
verschillende tijden door de veroverende Tolteken gesticht, voor het
meerendeel niet ouder zijn dan de elfde eeuw, en dat de jongsten uit
de vijftiende eeuw dagteekenen.

Wij nemen afscheid van de ruïnen en slaan den weg in naar Muna,
een aanzienlijk vlek, waar een feest gevierd wordt. Welk een aantal
feesten! Bijna in elk dorp, dat wij doortrekken, is het feest. Dat is
eene uitmuntende gelegenheid om te drinken; het wemelt van beschonkenen
en de herbergen zijn vol van Indianen, die het verfoeilijke bier
drinken. Maar ge hoort geen geschreeuw en ziet geen vechtpartijen of
ergerlijke tooneelen: zelfs in hunne dronkenschap zijn deze lieden stil
en vreedzaam. De een gaat op den grond liggen; een ander ziet u met
verglaasde oogen aan; een derde wil u uit louter teederheid omhelzen.

Op het marktplein waggelt een mooie, rijzige mesties, met een
blauwen hoed op en geheel in het nieuw gestoken; hij valt, maar
richt zich weer op, dank zij de krachtige hulp van zijne moeder en
zijne vrouw, die hem zoo goed zij kunnen ondersteunen en trachten
weg te voeren. Dicht bij ons, op de trappen van de herberg, waar
wij onzen intrek genomen hebben, richt een jonge Indiaan zich op:
aarzelend kijkt hij naar den winkel, waaruit hij naar buiten is
getuimeld, en die hem zoo onwederstaanbaar lokt met al die gevulde
flesschen. Twee schreden verder staat zijne kleine vrouw, die hem
wacht, en hem met haar zachte stem toefluistert, "_Coox...._ laat
ons gaan." Maar hij gaat niet: de verzoeking is hem te sterk: hij
keert in de herberg terug en komt naar buiten met een gevuld glas,
dat hij zijne echtgenoote aanbiedt. De Indiaansche keert zich om,
omsluiert zich het gelaat, drinkt het glas leeg, en zegt tot haar
gemaal, maar op nog zachter toon: "_Co.....ox_." Hij, denkende haar
overreed te hebben, lacht onnoozel, keert in de herberg terug, drinkt
nog een glas en gaat nu, bijna bewusteloos, met dof starende oogen,
weer op de trap liggen. "_Co....ox....coox_," herhaalde de vrouw op
klagenden toon; maar hij hoorde haar niet meer. De ongelukkige zal
daar misschien den geheelen nacht blijven liggen, en zijne vrouw zal
bij hem waken tot de dag aanbreekt.

Wij vernachtten te Abala in eene verlaten hut, en kwamen den volgenden
morgen ten tien uren, te Merida.


VIII


Wij gaan te Progreso aan boord van de _Asturias_, een stoombootje zoo
groot als een notendop, met slechts vier slaapplaatsen. Gelukkig zijn
wij de eenige passagiers. De zee is kalm, en den volgenden morgen vroeg
komen wij te Campêche. Daar het bootje maar zeer weinig diepgang heeft,
kunnen wij dicht genoeg de kust naderen om het panorama van de stad
te kunnen genieten; grootere stoomschepen moeten ook hier, even als
te Progreso, het anker uitwerpen op vier mijlen afstands van de kust,
van waar men ter nauwernood het land kan zien.

Campêche werd gebouwd op de plek, waar eene oude indiaansche stad
stond, en waar Antonio de Cordova zich ophield bij zijne eerste
ongelukkige expeditie van 1517. De Indianen kwamen de vreemdelingen
tegemoet, en, zegt Bernal Diaz del Castillo, "zij geleidden ons
naar zeer uitgestrekte gebouwen, die de kapellen van hunne goden
bevatten. Op de muren dier gebouwen zag men bas-reliefs, reusachtige
slangen verbeeldende; daarnaast, geschilderde afbeeldingen van
goden, rondom een soort van altaar, waarop nog versche bloeddroppelen
zichtbaar waren. Een groot aantal mannen en vrouwen kwamen naderbij,
glimlachende en vriendelijk; naar het scheen, enkel gedreven door
de begeerte om ons te zien."--Maar het tooneel veranderde weldra:
men bracht vuurpotten, waarin geurig riet brandde, en priesters,
wier haren doortrokken waren van bloed, beduidden den Spanjaarden dat
zij deze kust moesten verlaten, eer de vuurpotten waren uitgebrand,
anders zouden zij vermoord worden. De Spanjaarden verwijderden zich
aanstonds, en keerden eerst in 1541 te Campêche terug. Tempels en
pyramiden zijn sedert lang verdwenen, maar zoowel deze gebouwen als de
eigenaardige versiering, de zonderlinge ceremoniën, die priesters met
hunne bloedige haren--dit alles herinnert ons levendig aan Mexico. Wat
is er van die tempels en pyramiden geworden? Als alle gebouwen langs
de kust of in de onmiddellijke nabijheid der spaansche nederzettingen,
zijn zij van de aarde verdwenen; zij behoorden tot dezelfde bouworde
als de monumenten in het binnenland, die aan de vernielingswoede der
veroveraars ontsnapten en die, zij het ook als ruïnen, nog bestaan.

Toen Campêche later de rijkste stad van Yucatan was geworden, werd
zij bij herhaling door fransche en engelsehe zeeschuimers geplunderd;
om de stad tegen die bijna periodiek wederkeerende rooverijen te
beveiligen, omgaf men haar met een zwaren muur en bracht haar in
staat van tegenweer. Die muur, waaraan de stad toen hare veiligheid
dankte, beknelt en benauwt haar nu, en verhindert hare uitbreiding. Het
voorkomen van Campêche verschilt van dat van Merida: de kromme bochtige
straten der voorsteden, de grachten met haar ophaalbruggen en de zware
muren geven haar het karakter eener vesting, waarop zij roem draagt:
metterdaad werd zij slechts eene enkele maal belegerd door de inwoners
van Merida, die haar niet konden overmeesteren. De straten loopen
niet rechtlijnig, zoo als in alle andere steden der republiek; en de
ongelijke huizen, die ook hooger zijn dan in de mexikaansche steden,
geven aan Campêche een minder oostersch voorkomen. Monumenten zijn
er niet, en de kathedraal is meer dan eenvoudig.

De rijke kooplieden bezitten, buiten de stad, villas en
buitenverblijven, _fincas_ genoemd, waar de tropische flora al haar
weelde en overstelpenden rijkdom ten toon spreidt, en die de stad
met een krans van groen omringen.--Uit zee gezien, maakt Campêche,
zoo als het daar ligt tegen het hellende strand, tusschen twee fraai
gevormde heuvelen, een zeer schilderachtigen indruk.

De boot zou hier een dag stilhouden. Ik haastte mij aan land te gaan
om de hand te drukken van een mijner beminnelijkste correspondenten,
don José Ferrer, die mij reeds herhaaldelijk, met den vriendelijksten
aandrang, gastvrijheid had aangeboden, ingeval mijne studiën mij naar
Campêche mochten voeren. Ik vond daar een alleraangenaamst interieur,
en bracht in den blijden familiekring, onder zang en muziek en vroolijk
gesprek, een dag door, dien ik niet gemakkelijk vergeten zal.

Om vier uren in den namiddag moest ik weer naar onze drijvende notendop
terugkeeren om naar Carmen te stoomen, en reeds verheugde ik er mij
over dat wij nog alleen aan boord waren, toen eene groote sloep vol
passagiers de boot naderde. Het was een troep tooneelspelers, achttien
personen sterk, vergezeld van honden, katten en papegaaien. Dat was een
ramp! Het vooruitzicht toch, in dit gezelschap, een paar dagen op zee
te moeten doorbrengen, was alles behalve aangenaam: te minder daar wij
vriendelijk verzocht werden, de hutten te ontruimen, die de troep reeds
voor lang had afgehuurd. Niet zonder moeite kon ik bewerken, dat men
mijn secretaris Lucien ongemoeid zou laten, die met hevige koorts te
bed lag. Zijn kermen trok de aandacht van de komedianten, en de vrouwen
maakten zich ongerust over de nabijheid van den zieke. "Wat scheelt hem
toch? vroegen zij, op angstigen toon. Het is toch niet de gele koorts?

--Waarschijnlijk wel;" antwoordde ik met een zeer ernstig gezicht;
en de verschrikte troep ontruimde dadelijk de hutten om zich naar
het andere einde van het schip terug te trekken.--Wij namen weer
bezit van onze bedden en brachten een zeer aangenamen nacht door,
zoodat wij des morgens verkwikt te Carmen aankwamen.

Carmen is de groote stapelplaats van het onder den naam van
Campêchehout bekende verfhout; de stad is rijk; een aantal
handelshuizen hebben groote fortuinen gewonnen in dien weinig bekenden
handel, die een langdurig verblijf in het land vordert en eene volkomen
kennis eischt van de plaatselijke toestanden en van de menschen,
met wie men in aanraking komt. Een van de voornaamste huizen is dat
van de heeren Anizan, waarvan ik vroeger den stichter had gekend:
hij was dood, maar zijn broeder don Benito en zijn zoon don Pancho
waren nog in leven. Wij hadden elkander in geen vijf-en-twintig jaren
gezien, en wij waren dus alle drie vrij wat veranderd: men herkende
mij eerst nadat ik mijn naam had genoemd. Maar nu was ik ook aanstonds
een lid der familie; ik knoopte met don Benito een gesprek aan over
de ruïnen, waarmede hij volkomen vertrouwd was. Hij had juist eene
zeer merkwaardige ontdekking gedaan. Don Benito is eigenaar van een
zeer groot eiland in de Usumacinta, het eiland del Chimal, waar men
oude pyramiden, graven en overblijfselen van tempels vindt. Bij het
doen van opgravingen had men nu kanonnen gevonden van gebakken aarde,
anderhalve el lang, met kogels eveneens van gebakken aarde, waarvan
hij mij enkele exemplaren aanbood. Dit aarden kanon schijnt inderdaad
iets zeer vreemds, maar bij nadenken wijkt mijne verbazing en kan
ik mij de zaak zeer goed verklaren. Het schijnt mij zeer natuurlijk,
dat ten gevolge van den grooten veldslag, dien Cortez tegen de troepen
van Tabasco moest leveren bij Centla--tegenwoordig Comalcalco--waarbij
hij al zijne krachten moest inspannen en waarin vooral de artillerie
uitstekende diensten bewees,--het schijnt mij natuurlijk, zeg ik,
dat de Indianen, ten hoogste getroffen door de vreeselijke uitwerking
van het nieuwe wapentuig, eene poging hebben beproefd om het na te
maken. Zonder zich rekenschap te geven van de werking van het kruit
en onbekend met het ijzer, vergenoegden zij zich, in hunne naieve
onwetendheid, met het nabootsen van dit moorddadig wapentuig in
aarde, denkende dat zij daarmede hetzelfde doel zouden bereiken als
de Spanjaarden met hun geschut.

Bij den dood van den cacique werden de kanonnen en de kogels van
gebakken aarde met hem begraven. Ook hieruit wederom blijkt de jonge
dagteekening van sommigen dezer grafheuvelen.

De vaart van Carmen naar Frontera duurt twaalf uren; juist een jaar
nadat wij deze plaats verlaten hadden, stapten wij er weer aan
land. Er is niets veranderd: de kleine aanlegsteiger ziet er nog
wat meer vervallen uit dan ten vorigen jare; en de slechte herberg,
waarin wij toen onzen intrek namen, hangt nog altijd op haar palen
boven het slijkerig bed der rivier, waarvan zij de verderfelijke
uitwasemingen uit de eerste hand ontvangt. Er is evenwel geene keus:
deze afschuwelijke fonda is de eenige, en overal elders zouden wij
ongetwijfeld aan hetzelfde gevaar zijn blootgesteld. De stad is in
de hoogste mate ongezond; de directeur der douane is gedurende mijne
afwezigheid gestorven; pokken, dysenterie en gele koorts heerschten
om strijd in dit rampzalig stadje, dat driehonderd inwoners verloren
had. Maar een goede genius beschermt de reizigers: wij blijven gespaard
en zetten onze studiën voort, in afwachting dat eene stoomboot of
een ander vaartuig ons hooger op de rivier zal kunnen brengen.

Mijne nasporingen langs de kust en de rivier hebben mij in staat
gesteld, met vrij groote zekerheid de plaats te bepalen, waar de oude
hoofdstad Centla eens stond. De Grysalva van heden komt niet overeen
met de rivier van vroeger: zij liep toen meer dan twintig mijlen meer
westwaarts, in de bedding van de rio Seco, nabij de stad Comalcalco,
waarvan wij de ruïnen hebben bezocht; hetzij door eene werking der
natuur, hetzij op kunstmatige wijze, werd haar loop veranderd. Ik heb
daarvan het bewijs. Tijdens zijne expeditie en zijn grooten veldslag
tegen de inwoners van Tabasco, hield Cortez zich op aan den mond van
eene rivier, die zich met twee monden in zee uitstortte: las dos Bocas,
een naam, die nog heden wordt gebruikt voor de uitmonding van de rio
Seco. Van zijne vaartuigen konden slechts de allerkleinste door den
mond der rivier binnenvaren; bij Frontera daarentegen loopen schepen
van twaalf voet diepgang dagelijks zonder eenige moeite binnen. De
geschiedschrijver bericht ons dat Cortez zich terugtrok op een klein
eiland, tegenover het dorp, bij Frontera bevindt zich slechts een
zeer groot eiland, maar dat ligt ongeveer een mijl lager.

Herrera gewaagt ook van eene voorde, waarvan de soldaten van Cortez
gebruik maakten om de rivier te doorwaden, ten einde de verschansingen
der Indianen te gaan verkennen. Op de plaats waarvan hij spreekt,
kan er in de Grysalva nimmer eene voorde zijn geweest: overal is
de rivier buitengewoon breed en zeer diep. Zoowel hieruit, als uit
andere bijzonderheden, die Herrera mededeelt, blijkt dat de groote
veldslag geleverd werd aan de oevers van de rio Seco, en dat daar
ook de indiaansche hoofdstad Centla lag, tegenwoordig Comalcalco.

Gedurende mijn verblijf te Frontera houd ik mij vooral bezig met het
opsporen van oud aardewerk, en het gelukt mij eene vrij volledige
verzameling bijeen te brengen. Wel zijn de indiaansche afgodsbeelden
van terra-cotta in Tabasco niet zeldzamer dan elders,--men vindt er
eene menigte in de bosschen--maar in den regel slaat men ze stuk;
tot hiertoe heeft niemand zich de moeite gegeven, ze te verzamelen;
in het museum te Mexico vindt men er geen enkel exemplaar van.

Onder degenen die ik heb bijeengebracht, vindt men verschillende
beelden, meer of minder overeenkomende met die van de hoogvlakten. Ik
voeg hier (blz. 144) de afbeelding van twee der fraaiste en volledigste
bij. Als ik zeg fraaiste, is dat maar bij manier van spreken, want de
aarde is ruw en grof, de figuren zijn monsterachtig en onbeholpen, en
men zou zeggen, dat de vervaardigers er zich bij voorkeur op toelegden
om iets grotesks en leelijks voort te brengen. Maar als bewijzen van
de mate van kunstontwikkeling bij de Indianen, en dus als historische
dokumenten, hebben ook deze wanstaltige beelden waarde en betekenis.

Intusschen volgen de dagen maar steeds, in vervelende eentonigheid op
elkander, en er is geen spoor van een stoomboot te ontdekken. De dood
velt rechts en links zijne slachtoffers, maar daar wij midden in het
karnaval zijn, wordt er niet minder pret gemaakt en gedanst. De jonge
meisjes van de stad verschijnen in het logement, bijdragen vragende
voor de kosten van het bal; onder haar zijn er die er heel aardig
uit zien, en daar men ook ons uitnoodigt, teekenen wij mede. Mannen,
bij wijze van maskerade in onmogelijke lompen gehuld, loopen door de
straten, gevolgd door jongens en vrouwen, die luidkeels lachen om
hunne kwinkslagen; er worden zwermen afgestoken, koperinstrumenten
schetteren, geaccompagneerd door het knarsen en janken van guitaren:
het bal begint. De menigte stroomt er heen; wij gaan mede om getuigen
te zijn van de reeds vroeger aanschouwde tooneelen en van dezelfde
eentonige dansen. Julien, mijn bediende, is de koning van het feest:
hij is jong, welgemaakt en danst verrukkelijk: de schoonen van
Frontera zijn op hem verzot en dingen om zijn gunst; wel eenigszins
tot ergernis van Lucien, die hem niet uit het oog verliest, maar
hem zijn geluk vergeeft: want, zegt hij, hij is zachtaardig,
dienstvaardig, bescheiden en hij poetst onze laarzen beter dan
iemand anders. Deze min of meer kwaadaardige opmerking gaat verloren
onder een onbeschrijfelijk gerucht: daar is een twist uitgebarsten,
doorgaans het gevolg van gekrenkten minnenijd, die zich wreekt door
een dolkstoot of een pistoolschot. Eensklaps knalt een schot te midden
der menigte: algemeene verwarring en luid geschreeuw van de dansers;
men schiet toe; de moordenaar wordt gevat door eenige vrienden, die
hem zeer kalm naar het politie-bureau brengen. Het slachtoffer, aan
de linkerzijde van het hoofd getroffen, zakt in elkaar; men draagt
hem weg, en het bal gaat, na deze kleine stoornis, weer zijn gang.

Eindelijk verschijnt eene kleine stoomboot, die de rivier moet opvaren,
de kapitein wil ons wel opnemen, maar zonder zich tot iets te verbinden
en zonder te zeggen, waar hij ons zal afzetten. Ook kunnen wij geen
prijs te weten te komen; men zal niet meer van ons vragen dan billijk
is: maar dat billijke zal wel zoo hoog mogelijk gesteld worden:
wij ondervonden dat later.

Wij vertrekken; maar reeds den volgenden dag, te Jonuta, vindt de
kapitein den waterstand onrustwekkend laag: hij aarzelt, of hij de
reis wel zal voortzetten! Onze dringende verzoeken laten hem tamelijk
onverschillig; eindelijk besluit hij toch voort te stoomen, vooral
omdat hij eene groote sloep op sleeptouw heeft genomen, vol Indianen
en koopwaren. Deze sloep is intusschen eene belemmering te meer voor
onze vaart; en toen het avond geworden was, voeren wij zoo in den
blinde door de ondiepe rivier, dat wij omstreeks middernacht aan den
grond raakten. Wij ontwaken door den schok: het kwaad is geschied. Te
vergeefs laat de machinist zijne machine voor- en achteruit werken:
wij zitten als een muur. Tot overmaat van ramp heeft het sleeptouw
zich om de schroef gewikkeld, zoodat iedere beweging onmogelijk is.

Wij zijn op tien mijlen afstands van iedere menschelijke woning,
en wanneer het water nog meer zakt, hebben wij het aangename
vooruitzicht, dat wij in deze positie den was van het volgende
saizoen kunnen afwachten. De dag breekt aan, en het geval blijkt
minder hopeloos: de bemanning gaat te water, en de kapitein, met een
mes gewapend, duikt onder om het touw door te snijden dat de schroef
omklemt. Deze begint weer te werken, en nu komt er ook beweging in de
boot; omstreeks tien uren raken wij weer vlot, en wij sukkelen voort
tot aan Monte-Christo, een armoedig dorp aan den linkeroever van de
Usumacinta, waar de kapitein ons aan wal zet.

Onze bagage wordt op den oever neergezet, en nu komt het op betalen
aan; ik vraag wat wij schuldig zijn. "Vijfhonderd francs," antwoordt
de kapitein. Ik weet dat elke tegenspraak nutteloos is, maar toch
veroorloof ik mij de opmerking, dat de boot de groote zware sloep
op sleeptouw heeft, bemand met vier Indianen, plus den eigenaar en
eene vracht koopwaren, en dat men van dien man niet meer dan vijftig
francs voor het traject had gevraagd; ik verzoek dus te mogen weten,
waarom men mij zoo veel meer rekent;--maar de kapitein geeft eenvoudig
ten antwoord: "Het is vijfhonderd francs." Er schiet niet anders over
dan te betalen.

Nu rijst de vraag, hoe wij verder zullen komen. Als wij de rivier
volgen, hebben wij vier of vijf dagen noodig om Ténosiqué te bereiken;
over land, dwars door de bosschen, bedraagt de afstand niet meer dan
vier-en-twintig uren.

Dank zij de tusschenkomst van een Franschman, in dezen uithoek
verzeild, gelukt het ons, binnen weinige uren, ons eene kano met de
noodige roeiers en levensmiddelen aan te schaffen; ik vertrouw ons
geld en al onze verdere bagage aan de hoede van mijn getrouwen Julien,
die zich zoo spoedig mogelijk bij ons zal voegen. Lucien en ik nemen
een gids en paarden, en gaan den volgenden morgen op weg.

Het weer is prachtig, de grond is droog, de weg gemakkelijk; alles
gaat naar wensch; en na door eene uitgestrekte savane te zijn gereden,
volgen wij, in de schaduw van het geboomte, den oever der rivier tot
aan de monding van de Chacamas, die wij doorwaden. Toen kwamen wij in
het woud; onze paarden, die op eene zeer onaangename manier draven,
vliegen, zoo hard zij kunnen. Onze gids, die aan deze manier van
reizen gewoon is, wil ons zeker in één stuk de twintig mijlen laten
afleggen, die ons van Ténosiqué scheiden; daarom maakt hij zooveel
mogelijk spoed. Wij hebben moeite om hem te volgen, en de weg dunkt ons
minder fraai. Op het nauwe pad, dat wij volgen, struikelen onze paarden
telkens over rotsblokken en stukken hout; de takken der boomen slaan
ons in het gezicht: en links en rechts, van achteren en van voren,
omstrengelen ons de lianen, dreigende ons van het paard te sleuren
of te worgen. Welk een afschuwelijke weg! De gids rent maar altijd
door, zonder zich in het minst om ons te bekommeren; wij verliezen
hem uit het oog, en, uitgeput van vermoeienis, laten wij onze paarden
voortstappen, min of meer in den blinde het half gebaande pad volgende.

Een rit van zes uren had onzen honger geprikkeld: en toen wij eindelijk
den gids weder vonden, die ons aan den oever eener beek wachtte,
was de eerste vraag:

"Waar zijn onze levensmiddelen?

--Welke levensmiddelen?

--Wel, het ontbijt, dat men heden morgen voor ons heeft gereed
gemaakt."

De ongelukkige had het vergeten; en om onzen honger te stillen,
moesten wij ons tevreden stellen met wat rhum en water.

Hoe ook afgemat, hervatten wij den tocht, om tegen drie uren eene der
krommingen van de Usumacinta te bereiken, waar zich de hut van den
veerman bevond. Daar waren kippen, dus ook eieren: wij plunderen de
arme hut en besproeien ons zeer eenvoudig maal met groote plassen
posolé, een mengsel van gemalen maïs en water, maar zonder onzen
brandenden dorst te lesschen.

Wij steken over naar den anderen oever, en komen, na een rit van twee
uren te Cabecera, een armoedig dorp, op drie mijlen afstands van
Ténosiqué. Onze gids wil doorrijden, maar wij weigeren volstandig,
en worden gastvrij ontvangen door twee oude dames, die ons kippensoep
en gebakken visch voorzetten, welke ons heerlijk smaken. Na een vrij
rustigen nacht kwamen wij den volgenden morgen vroeg te Ténosiqué.


IX


Ténosiqué is het laatste dorp in de vlakte; de eerste heuvelen van de
Cordillera verheffen zich op twee mijlen afstands; de Usumacinta komt
daar, van de steilte nederdalend, met zeer sterk verval, tusschen
twee bergen te voorschijn. Een weinig verder begint de sierra met
haar doolhof van onbekende valleien, waarin de Lacandons hun verblijf
hebben gevestigd. Dat is de plaats onzer bestemming; maar om er te
komen, hebben wij vele moeilijkheden te overwinnen.

Ténosiqué ligt op eene hoogte, waardoor het tegen periodieke
overstroomingen beveiligd is; maar even als alle van de hoofdplaatsen
verwijderde dorpen, bestaat het uit armzalige hutten, en leidt men er
een vrij ellendig leven. Men bezorgt ons een hut, waarvan het rieten
dak rust op vier wanden van biezen met aarde besmeerd; ondanks wij dit
lokaal herhaalde malen laten aanvegen, worden wij toch opgegeten door
het ongedierte en gemarteld door de muskieten. Natuurlijk is er geen
enkel meubel: gelukkig hebben wij onze hangmatten en veldbedden bij
ons. Dit ellendige nest dagteekent niettemin uit de eerste tijden
na de verovering, en bestond zeer waarschijnlijk reeds voor dien
tijd als indiaansch dorp. In den laatsten tijd heeft dit vergeten
dorp eene zekere bekendheid verworven. Ten gevolge van de toenemende
zeldzaamheid van het mahoniehout in de bosschen van Tabasco, zijn de
handelaars in deze kostbare houtsoort gedwongen geworden, hunne agenten
tot naar de onbekende valleien van den staat Chiapas, naar de oevers
van de Usumacinta, en zelfs naar Guatemala te zenden. Ténosiqué is
daardoor de stapelplaats geworden voor alle produkten van dien aard,
die uit Guatemala komen, en de woonplaats van de geëmploieerden der
beide huizen, die tot dusver dezen handel gemonopoliseerd hebben.

De geschiedenis van een blok mahoniehout is merkwaardig genoeg:
ik zal mij de vrijheid veroorloven, ze aan mijn lezer te vertellen.

Niet iedereen kan zulk eene exploitatie op touw zetten; daartoe behoort
een aanzienlijk kapitaal en eene volledige kennis van de plaatselijke
gesteldheid, benevens de geschiktheid om met de menschen, met wie
men in aanraking komt, om te gaan. Meer dan een, verlokt door het
vooruitzicht der buitensporige winst, heeft zich, door gebrek aan
kennis en ondervinding, geruïneerd.

Het mahoniehout zelf kost niets; de boomen staan daar in dichte
gelederen, recht als dennen, hoog en prachtig; de staat legt u slechts
eene zeer geringe belasting op van vijf francs per stuk. Gij hebt ze
voor het nemen: maar juist daar ligt de moeilijkheid. Vooreerst moet
een plek opgespoord worden, waar mahonieboomen in menigte te vinden
zijn. De handelaar heeft daarvoor speciale agenten, _monteros_
genoemd. De montero is een ondernemend, moedig, energiek man,
gewend aan het wilde leven in de bosschen en bestand tegen alle
vermoeienissen; hij begeeft zich op weg, gevolgd door twee Indianen
en een muilezel, die de mondbehoeften draagt; hij neemt zijn revolver
en zijn geweer mede, niet zoo zeer als veiligheidsmaatregel, maar om
te kunnen jagen, want als de levensmiddelen zijn opgeteerd, moet hij
op die wijze in het onderhoud van drie menschen voorzien. Hij verlaat
de bekende paden, en trekt het oerwoud in, waar hij zich met behulp
van zijn sabel, een smallen doortocht moet banen, die zich achter
hem aanstonds weer sluit; somwijlen blijft hij twee of drie maanden
lang in deze onbekende wildernis, telken avond een hut van takken en
bladeren bouwende, als schuilplaats tegen de tropische stortregens,
vechtende tegen de wilde dieren, dagen achtereen rondzwervende
door moerassige streken, waar de vochtige grond verpestende dampen
uitwasemt, bezwangerd met koortsmiasmen. Steeds zoekt hij overal
naar het kostbare hout; hij telt de boomen, hij merkt ze, en geeft,
als hij terug keert, aan zijn chef het juiste getal op.

Hij heeft nu de lokaliteit bestudeerd, heeft zich rekenschap gegeven
van de bezwaren, aan de exploitatie verbonden, en de kosten van
transport berekend; er moet eene keus gedaan worden, want hij kan
niet alles medenemen. Hoe vele prachtige boomen heeft hij niet op zijn
zwerftochten ontmoet; welke schatten heeft zijn oog niet aanschouwd,
die toch voor hem onbereikbaar zijn! Volslagen gemis van wegen,
een zeer ongelijk, bergachtig terrein, een allesoverweldigende
plantengroei, ziedaar de bezwaren, die men moet overwinnen, om den
schat meester te worden. Hoe zal men dat aanleggen? De weg is te maken;
maar er moet noodzakelijk eene rivier in de onmiddellijke nabijheid
zijn, want zoodra de afstand meer dan twee mijlen bedraagt, wordt de
exploitatie, met het oog op de kosten, onmogelijk. De rivier is de
steeds bereidvaardige helpster, die zich kosteloos met het vervoer
belast: zij voert de kostbare blokken mede en brengt ze, ondanks alle
hinderpalen, rotsen, watervallen en stroomversnellingen, ongedeerd
voor uwe deur.

Het terrein is nu verkend; een beëedigd landmeter gaat er heen om
de grenzen te bepalen: en de houthakkers kunnen nu aan het werk
gaan. Neen, zoover zijn wij nog niet: er is gebrek aan handen;
de arbeiders zijn schaarsch, en allen zijn gehuurd--dat wil zeggen,
moeten werken om hunne schuld af te doen bij de ondernemers, die zonder
dit van ouds in zwang zijnde stelsel, niemamd zouden kunnen vinden
om voor hen te werken. Zij leggen het dus zoo aan, dat de Indianen
bij hen in schuld komen; en is het eenmaal zoo ver, dan zijn zij de
slaven van hunne schuldeischers. Daar de Indiaan zwak van karakter is,
zorgeloos en op drank verzot, raakt hij telkens meer in de schuld,
en zoo is hij feitelijk veroordeeld tot levenslangen dwangarbeid. Komt
hij te sterven, dan is de zoon verantwoordelijk voor de schuld van den
vader en treedt in diens plaats; dat is nog de aloude wet der Mayas,
die nog steeds van kracht is. Zonder deze wet zouden wij, ondanks hooge
werkloonen, geen mahoniehout hebben; want evenmin als de bewoners
van welk ander tropisch gewest ook, werkt de Indiaan vrijwillig, en
het geld heeft voor hem weinig bekoring. Daar de Indiaan zijn meester
niet verlaten kan, zoolang zijn schuld niet aangezuiverd is, betaalt
de nieuwe ondernemer die ten einde zich werklieden te verschaffen;
zoo kost iedere arbeider twee-, drie- tot vijfduizend francs; en
somwijlen heeft men twee- tot driehonderd man noodig. Ge ziet dus,
dat de ondernemer over kapitaal moet kunnen beschikken.

De arbeiders begeven zich op weg, en worden door den montero naar de
bepaalde plaats geleid. Daar, midden in het woud, op dertig, veertig,
zestig mijlen van iedere menschelijke woning, worden de ranchos
opgeslagen, en rusteloos heen en weer trekkende konvooien voorzien
de nieuwe kolonie van de noodige werktuigen en levensmiddelen. Dat
is nog niet alles; de boomen worden geveld; men ontdoet ze van het
spint--het zachte hout onder de schors--; men zaagt ze in blokken,
en de kostbare waar groeit tot stapels: maar de rivier is verre, en de
stammen staan op vrij grooten afstand van elkander: bijna voor iederen
stam moet een pad gebaand worden! En wie zal ze vervoeren? Ossen;
maar ossen zijn in de provincie nog zeldzamer dan mannen; men moet
ze dus gaan halen aan gene zijde van de Cordillera, in de vlakten van
Chiapas, op honderd-vijftig mijlen afstands. Zij zijn daar niet duur:
voor twintig piasters (honderd francs), kan men zeer goede beesten
hebben; maar de afstand, de bezwaren van de reis, het onvoldoende
voedsel doen de kudde dikwijls tot op een vierde slinken; het woud
ligt bezaaid met lijken, en de weinige ossen, die eindelijk behouden
ter bestemder plaatse aankomen, verkeeren in een zeer ellendigen
toestand en kosten ieder meer dan vierhonderd francs.

Maar ook nu houdt de sterfte nog aan: vele dieren bezwijken ten
gevolge van vermoeienis en het ongewone, ontoereikende voedsel,
dat hoofdzakelijk uit bladeren en _ramon_ bestaat. Bovendien maken
de arbeiders, die hun honger naar versch vleesch moeilijk kunnen
bedwingen, dikwijls met opzet dat er een ongeluk gebeurt, zoodat een
os moet worden gedood. Telkens moeten nieuwe dieren worden aangevoerd,
en het blok mahoniehout wordt aardig duur.

Eindelijk is de oever der rivier bereikt. Daar wordt elk blok aan
de zes kanten met een cijfer gemerkt, en van den hoogen oever in de
bedding geworpen. Bij den eerstvolgenden was zal het water al die
blokken medevoeren; blijft er bij ongeluk een hier en daar, op een
rots of in een bocht van den oever vastzitten, dan wordt het toch in
het volgende jaar medegevoerd.

In den tijd als de wateren der rivier zwellen, begeven de Indianen
van Ténosiqué zich met lichte kanos naar de plaats, waar de Usumacinta
uit de bergen te voorschijn treedt, naar de zoogenaamde Boca del rio,
om daar de mahonie blokken op te wachten, die de rivier bij honderden
medevoert; zij krijgen twee-en-een halve franc per blok, en het
is onder hen een hartstochtelijke wedstrijd, wie de moeste blokken
machtig zal worden. Daar elk blok gemerkt is, rangschikken zij ze naar
de eigenaars, binden ze tot vlotten en voeren ze zoo naar het dorp. Al
die arbeid, al die moeiten en gevaren, al die uitgaven zijn noodig,
waarde lezers, om u van mahoniehout te voorzien; en nu heb ik nog niet
gesproken van de epidemieën, die het vee doen sterven, van de koortsen,
waaraan de arbeiders bezwijken, van monteros, die met het geld op
den loop gaan of het verspillen, en van andere kwade kansen meer.

Intusschen heb ik zelf met allerlei moeielijkheden te worstelen,
die mijn vertrek vertragen. Ik ontvang zulke tegenstrijdige
berichten omtrent de ruïnen, wier ontdekking ik mij ten doel heb
gesteld, dat ik soms geneigd ben aan eene algemeene samenspanning,
eene onverklaarbare mystificatie te gelooven. De ruïnen bestaan;
de persoon zelf, die ze voor het eerst zag, geeft mij daarvan de
uitdrukkelijke verzekering. Zij zijn ver verwijderd, vijftig mijlen
ver, aan de andere zijde van de sierra, op den linker oever van de
Usumacinta; een weg is er niet, maar de richting, die ik volgen moet,
is bekend. Ik houd mij dan ook onledig met de toebereidselen voor
den tocht, maar mijne handen zijn gebonden.

Daar ik aanbevelingsbrieven bij mij had voor de beide handelshuizen in
het dorp, had men mij, bij mijne komst, alle mogelijke beloften gedaan,
maar geene enkele daarvan gehouden. Ik had op zijn minst vijftien
manschappen noodig, benevens veertien muildieren en drie paarden; er
waren noch paarden, noch muilezels, noch manschappen. Om de laatsten
te verkrijgen, liet ik twintig mijlen in het rond nasporingen doen,
onder aanbieding van dubbel loon; wat de muildieren betreft, gaf men
mij te kennen, dat er eerlang een konvooi uit Peten verwacht werd:
na eenige dagen rust, zouden de muildieren wel weer voor den tocht
geschikt zijn. Ik had levensmiddelen: rijst, bonen en beschuit,
maar geen vleesch. Met moeite kon ik twee stieren machtig worden,
die geslacht werden en wier vleesch in lange reepen werd gesneden,
gezouten en gedurende drie dagen in de zon gedroogd. Dit vleesch,
_tasajo_ genoemd, kan zoo lang bewaard worden als men wil.

Inmiddels had men eenige manschappen bij elkander gebracht, en
men verzekerde mij, dat de anderen zouden volgen; maar de zoo
vurig verlangde muildieren kwamen niet opdagen. Eindelijk, op een
avond, den achtsten dag van onze gedwongen gevangenschap, hooren
wij kreten en het getrappel van hoeven. Wij ijlen naar buiten: dat
waren de muildieren! Ik tel ze haastig: daar zijn er twaalf; wij zijn
gered! Neen, nog niet; want den volgenden morgen ontwaarde ik, tot mijn
schrik, in welken rampzaligen toestand de arme dieren verkeerden. Zij
waren bijkans levende geraamten, overdekt met afzichtelijke, stinkende
wonden, half dood, en ten eenemale buiten staat om eene zoo langdurige
en bezwaarlijke reis te ondernemen.

De eigenaar verzekerde mij evenwel, dat zij na acht dagen rust weder
zouden kunnen vertrekken, mits zij slechts de helft van de gewone
vracht hadden te dragen. De schurk kon met des te meer gerustheid
die verzekering geven, daar hij er vast op rekende dat de meeste
muilezels onderweg zouden bezwijken, in welk geval ik ze hem, tegen
den prijs van nieuwe dieren, zou moeten vergoeden: hetgeen later ook
inderdaad gebeurde. Maar ik vermoedde niets van deze sluwe berekening,
en wij hielden ons onledig met onze laatste toebereidselen.

De manschappen verschenen; voor de muildieren werden nieuwe pakzadels
en tuigen gemaakt, omdat de oude geheel versleten waren; men verdeelde
de vrachten onder het opzicht van den chef der muilezeldrijvers, die
het bestuur der karavaan op zich zou nemen, en ik moest een gedeelte
van mijn materieel achterlaten. Dit was niet alles; de montero, die
ons als gids zou dienen, verzekerde mij dat wij niet rechtstreeks naar
de ruïnen konden gaan: op een zeker punt aan den rechteroever van de
rivier gekomen, moesten wij de Usumacinta ongeveer vijf mijlen ver
afzakken, om dan aan den linkeroever, vlak tegenover de monumenten,
aan land te gaan. Het was dus noodig, eenige manschappen vooruit te
zenden, om een weg door het woud te banen en ook eene groote kano te
timmeren, die ons naar de puinhoopen der oude stad brengen zou.

Den volgenden dag gingen dan ook zes man op weg, met het beste
muildier, dat de noodige levensmiddelen droeg en de gereedschappen voor
het maken der boot; wij zelven zouden later volgen. Na velerlei getob
en oponthoud konden wij dan toch eindelijk den vijftienden Maart 1882
vertrekken. De muildieren zijn niet genezen: men heeft hunne wonden
gewasschen, dat is alles; en onder den druk der nieuwe vrachten zullen
deze wonden op schrikbarende wijze verergeren: ik ben overtuigd, dat
enkele dieren bezwijken zullen. Maar wat te doen? Ons rest geen keus:
reeds bij het vertrek, en hoe wel slechts eene halve vracht te dragen
hebbende, schijnen de arme dieren onder den last te bezwijken.

Wij zijn midden in het woud; de weg is afschuwelijk, of liever,
er is in het geheel geen weg: doornstruiken, lianen, kreupelhout,
omgevallen boomen houden ons elk oogenblik tegen; het pad is zoo smal,
dat de muilezels telkens tegen de takken stooten, waardoor hunne vracht
wordt verschoven, en zoo weinig gebaand, dat men zeer oplettend moet
zijn om het spoor niet geheel bijster te raken. Wij komen slechts zeer
langzaam vooruit: de eerste dag der reis is altijd de moeilijkste; men
moet de muildieren, die zeer onwillig zijn, voortsleepen en daarbij
zeer streng in het oog houden, want zij peinzen voortdurend op een
middel om te ontsnappen. Omstreeks het midden van den dag zijn er
twee muildieren verdwenen; na een uur zoeken worden zij terug gevonden.

Wij hebben nu de vlakte verlaten en trekken in zuidoostelijke richting
voort, naar den voet van de Cordillera. Het woud wordt prachtig:
reusachtige stammen, door lianen als kabeltouwen omstrengeld, palmen
van meer dan honderd voeten hoogte, pandanussen met kolossale bladeren,
vermengd met slanke ceders en mahonieboomen, wier ruwe schors aan onze
eiken herinnert, vormen een schilderachtig, grootsch en indrukwekkend
geheel. Men wordt des bewonderens niet moede, en men zou wenschen, in
deze bosschen zijn leven te slijten, indien men niet zoo schrikkelijk
te lijden had van allerlei ongedierte, met name van muskieten en van
onze oude vijanden, de garrapaten.

De chef der karavaan regelt de dagreizen en bepaalt telkens de plaats,
waar men voor den nacht kampeeren zal; hij moet volkomen met het woud
bekend zijn, want men kan alleen daar ophouden, waar water voor onze
muildieren te vinden is en ook dien boom, _ramon_ genaamd, waarvan de
bladeren gedurende de reis hun eenig voedsel zijn. Doorgaans kampeert
men op eene kleine hoogte, te midden van eene ruime open plek, waar
reeds anderen hun kamp hebben opgeslagen, en waar de grond van boomen
en kreupelhout gezuiverd is. De hooge boomen blijven alleen staan,
en hunne machtige takken beveiligen ons tegen den killen nachtelijken
dauw. Deze kampementen dragen op de kaart een naam, hoewel er noch
eene hut, noch eene levende ziel te vinden is; maar zij dienen den
muilezeldrijvers als rust- en verkenningspunten op hunne tochten
van Peten naar Ténosiqué. Bij onze aankomst aan de bepaalde halt,
worden de beesten ontladen; de bagage wordt met de pakzadels op rijen
geplaatst; daarna begint men de arme dieren te verbinden. Deze eerste
dag heeft hunne wonden op schromelijke wijze verergerd. De mannen
gaan het bosch in om ramon te zoeken; men hoort hunne bijlslagen
tegen den stam, vervolgens, het gekraak van den neervallenden boom,
overstemd door hunne vreugdekreten. Kort daarna keeren zij terug,
gebogen onder eene geweldige vracht van groenende takken, die onder
de hongerige muildieren worden verdeeld. Inmiddels maakt Julien onze
veldbedden gereed, en de kok van den troep legt zijn vuur aan om ons
souper te bereiden. Het menu is steeds hetzelfde: een groote ketel
met tasajo, rijst of bonen met eene portie beschuit, en tot toegift
een kop koffie. Toch is er soms eenige afwisseling, naarmate wij
op de jacht gelukkig zijn geweest: apen, wilde kalkoenen, pécaris,
alles is ons welkom.

De avond valt; de manschappen, rondom de vuren gezeten, rooken en
praten; dan wordt het nacht, en ieder vlijt zich neer op een bed van
groene bladeren, beveiligd door een muskietenscherm. Onze slaap is
niet vast, en wordt telkens gestoord door zonderlinge geluiden: het
brullen of knorren van wilde dieren, het schreeuwen van nachtvogels
en het verschrikkelijk gehuil der brulapen.--Voor het aanbreken van
den dag zijn wij weer op de been; met het ontbijt, het optuigen der
muildieren en het verdeelen der bagage zijn ruim twee uren gemoeid,
en de zon staat reeds hoog aan den hemel, als de karavaan zich op
weg begeeft.

De eene dag gelijkt volkomen op den anderen, behoudens de uiterst
zeldzame ontmoeting van een uit Peten terugkeerenden reiziger. Deze
geheele streek is rijk aan ruïnen, en alles bewijst dat zij vroeger,
voor de komst der Spanjaarden, bebouwd en bevolkt was; te midden van
deze uitgestrekte eenzame wouden vindt men nog de sporen van groote
steden, waarvan de geschiedschrijvers der verovering nog melding
maken. Die steden, die dorpen en tempels zijn van de aarde verdwenen,
en de eens zoo talrijke bevolking is geslonken tot enkele familiën,
in de wouden verloren: de verbasterde en diep gezonken afstammelingen
van het ongelukkige ras.

Onze tocht wordt met den dag moeilijker, want wij hebben reeds twee
muildieren verloren, die waarschijnlijk wel de prooi der jaguars
zullen zijn geworden. Hunne vrachten zijn tusschen de anderen verdeeld
moeten worden; en om onze dieren zoo veel mogelijk te verlichten,
gaan wij beurtelings te voet.

Op den zevenden dag van onze reis, des morgens vroeg, begonnen wij te
voet de berghellingen te beklimmen. Hoewel deze bergen niet hooger
waren dan omstreeks vierhonderd-vijftig el, was de bestijging toch
een zeer zwaar en moeilijk werk, dat groote inspanning vorderde. Kort
daarna bereikten wij de vlakte en sloegen ons kamp op aan de oevers
van de rio Chotal, die zich in de Usumacinta uitstort. Het woud is
hier verwonderlijk schoon, en rijk aan allerlei wild; papegaaien en
aras doen de lucht weergalmen van hunne snijdende kreten; geelgekuifde
hoccos bewegen zich zwijgend in de hoogste takken, van waar groote
brulapen ons met nieuwsgierige blikken gadeslaan; een troep wilde
zwijnen rent in dolle vaart langs ons heen.

Wij bevinden ons in het land der Lacandons: hier en daar ontdekken
wij sporen van vroegere bebouwing, vruchtboomen en overblijfselen
van verlaten hutten. De Lacandons hebben zich uit deze streek
teruggetrokken bij de komst der houthakkers. Des avonds komen wij
eindelijk ter plaatse onzer bestemming, aan den paso Yalchilan,
en slaan wij ons kamp op aan den rechteroever van de Usumacinta.


X


Het was reeds laat, toen wij op deze plek, waar geene hut of spoor van
menschelijke woning te vinden is, aankwamen; wij waren allen uitgeput
van vermoeienis, en de tijd ontbrak om ons bivouak in behoorlijke
orde te brengen. Tot mijne verwondering vonden wij geen spoor van de
mannen, die vooruit waren gezonden en die ons hier moesten afwachten
met de door hen getimmerde boot; hunne afwezigheid boezemde mij eenige
ongerustheid in. Den volgenden morgen maakten de manschappen voor
ons eene soort van woning gereed; anderen gingen weer het bosch in,
om een muilezel op te zoeken, die achter gebleven was. Zij vonden
het arme dier, ruim twee mijlen verder op den grond liggende, half
dood van vermoeienis, honger en dorst. De mannen ontdeden den ezel
van zijne vracht, dien zij onderling verdeelden; maar het ongelukkige
dier had niet lang genot van die welwillendheid, want de jager die den
troep vergezelde, doodde een prachtig zwijn, dat de muilezel nu naar
het kamp moest dragen, en dat daar met groot gejuich ontvangen werd.

Tegen den middag verschenen eindelijk de canoëros; aanstonds vroeg
ik hun, hoe ver zij met hun arbeid waren gevorderd. De timmerman
antwoordde met zekere verlegenheid, dat de kano nog niet klaar was;
dat zij verschillende boomen hadden omgehakt, die later bij de
bewerking bleken ongeschikt te zijn voor de vervaardiging van de
canoa: dat was een ongeluk, en niet hunne schuld; maar binnen eenige
dagen zouden zij met hun werk gereed zijn. Ik volgde hen naar hunne
werkplaats, omstreeks een mijl stroomafwaarts: ik vond daar inderdaad
twee boomen op den grond liggen, waarvan de een, in ruwe omtrekken,
de gedaante van eene kano vertoonde, maar nog geheel uitgehold moest
worden. Hadden de werklieden zes dagen noodig gehad, om het zoover
te brengen, dan hadden zij er minstens nog acht noodig, om het werk
te voltooien. Blijkbaar hadden zij hun tijd verbeuzeld met jagen en
visschen en luieren, en hadden zij zich niet om mij bekommerd.

Maar een oponthoud van acht dagen was onmogelijk, want de
levensmiddelen slonken ziender oog, en hoewel ik den voorraad voor
veertig dagen had berekend, zou hij ter nauwernood voor twintig
toereikend zijn. In alles behalve opgewekte stemming keerde ik naar
het kamp terug, niet wetende wat te doen. Ik kon wel den oever der
rivier volgen tot tegenover de ruïnen, die aan de overzijde lagen:
daartoe moest een pad van omstreeks twintig kilometers lengte door
het woud worden gebaand en vervolgens een vlot getimmerd om de rivier
over te steken. Maar ik kon dan slechts een gedeelte van mijn materieel
medenemen; en bovendien, zouden de manschappen mij willen volgen? Zij
en de muilezels waren slechts gehuurd tot den paso Yalchilan, en zeer
vermoedelijk zouden zij weigeren verder te gaan, want zij zijn van
niets zoo afkeerig als van arbeid, meer dan strikt noodig is.

Terwijl mijne blikken daar over die breede, snelvlietende rivier
dwaalden, ontdekte ik, stroomopwaarts, een vaartuigje, waarin een
onbekende zat. Hij was gekleed met een lang hemd en liet zich met
den stroom afdrijven, terwijl hij zich met een palmblad tegen de
zonnestralen beschermde. Maar niet zoodra had de Lacandon--want het was
een Lacandon--ons bespeurd, of hij greep zijne pagaai en wendde zijne
boot. Gelukkig verstond een mijner manschappen zijne taal; hij riep
den cayuco toe, en beloofde hem allerlei moois, als hij bij ons wilde
komen. De Indiaan kwam: het was een grijsaard, gehuld in eene lange
tuniek of hemd met wijde mouwen; hij drukte mij glimlachend de hand
en ging mede naar het kamp, schuw rechts en links omziende. Behalve
zijne van grof katoen gemaakte tuniek, droeg hij om het hoofd een
doek van dezelfde stof; om zijn hals hing eene reusachtige ketting,
bestaande uit twintig rijen zaden, glaskralen, tanden van dieren en
eenige muntstukken; in de hand hield hij zijn boog en pijlen.

De grijsaard was gelukkig een opperhoofd: ik liet hem de geschenken
zien, die ik voor hem en de zijnen had medegebracht: bijlen, sabels,
katoenen stoffen, messen, zout en vischtuig. De oude man was geheel
verbluft, en verzekerde dat hij zijne onderdanen met mij in aanraking
zou brengen. Mijn tolk vroeg hem, of hij ons kanos kon leenen: hij
had er twee, en de tolk ging dadelijk met hem mede, om de booten te
halen. Het was niet veel, maar toch altijd beter dan niets.

Den volgenden morgen had ik eene vreemde ontmoeting. Ik stond aan
den oever der rivier, uitziende naar de kanos, toen ik eensklaps
eene vrij groote boot zag verschijnen, waarin drie mannen, die geen
Indianen waren. Van waar kwamen zij, en waar gingen zij heen? Een
bittere gedachte schoot mij eensklaps door de ziel: deze mannen
behoorden tot eene andere expeditie, die mij vóór was geweest. Dat
was het gevolg van mijn lang oponthoud te Ténosiqué!

Ik riep de boot aan, die aan den oever kwam, en ik vernam van die
onbekenden, dat zij levensmiddelen hadden gevraagd bij de Lacandons,
maar niets hadden kunnen krijgen dan tomaten, en verder dat zij naar
de ruïnen terugkeerden, waar zich een zekere don Alfredo bevond.

"Wie is don Alfredo? vroeg ik aan een der mannen.

--Wel, antwoordde hij, dat is don Alfredo.

--Heel goed: maar wat voert hij daar in de ruïnen uit?

--Hij wandelt.

--Met u hoevelen zijt gij?

--Wij zijn met ons zestienen, en wij hebben geen levensmiddelen meer.

--Hebt gij nog eene andere kano?

--Ja, wij hebben er nog een groote.

--Welnu, zeide ik, ik heb levensmiddelen." Daarop mijne manschappen
roepende, liet ik naar de kano de helft van een wild zwijn, een zak
met tasajo, rijst en beschuit brengen.

"Ziedaar levensmiddelen voor u en voor uw meester: gij zult drie lieden
van mijn volk medenemen, en don Alfredo verzoeken, dat hij mij morgen
zijne groote kano zende. Hier is mijn kaartje, dat gij hem moet ter
hand stellen. Gaat nu en keert zoo spoedig mogelijk terug!"

Ik begon nu dadelijk toebereidselen voor mijn vertrek te maken; maar ik
had niet gerekend op de koorts, die mij juist des morgens aantastte. De
aanval was zeer hevig; ik ijlde en was geheel machteloos. Zoodra
de crisis voorbij was, nam ik eene goede dosis quinine en ging een
paar uren rusten. De kano kwam; en hoe ziek ik ook was, liet ik mij
toch aan boord dragen; zes onzer Indianen met Lucien gingen mede. De
anderen bleven achter onder de hoede van Julien. Mijn hoofd gloeide;
slechts met groote moeite kon ik blijven zitten; alles werd mij groen
en geel voor de oogen. De sterke stroom voerde ons mede, en na eene
vaart van drie uren kwamen wij aan een grooten steenhoop, die op de
rotsen aan den linkeroever der rivier was opgericht. Wij waren ter
plaatse onzer bestemming. Met een kloppend hart ging ik aan wal;
een der Indianen, die wij daar aantroffen, was bereid mij als gids
te vergezellen; wij togen het bosch in, om don Alfredo op te zoeken.

Wij hadden nauwelijks driehonderd ellen afgelegd, toen ik een rijzig
jonkman naar mij toe zag komen, in wien ik aanstonds een Engelschman
herkende. Wij gaven elkander de hand; hij had op mijn kaartje mijn naam
gelezen, dien hij kende; hij noemt mij den zijnen: "Alfred Maudsley,
van Londen"; en ziende dat ik van mijne verbazing nog niet bekomen was,
voegde hij er aanstonds bij:

"Maak u niet ongerust over mijne tegenwoordigheid: een bloot toeval
heeft mij eer dan u naar deze ruïnen geleid; het omgekeerde had
evengoed kunnen gebeuren; ik ben geen mededinger, en gij hebt niets te
vreezen. Ik reis eenvoudig voor mijn pleizier; gij zijt een geleerde,
en de stad komt u toe; geef haar een naam; onderzoek, maak teekeningen
en kopieën, zoo veel ge wilt; gij zijt hier te huis. Ik ben niet van
plan, iets te schrijven of uit te geven; maak des noods geene melding
van mij, en behoud uwe ontdekking geheel voor u zelven. En laat mij u
nu tot gids mogen verstrekken; ik heb een paleis laten gereed maken,
en uwe woning wacht u."

Deze kieschheid trof mij zeer; maar ik mocht het voorstel van mijn
nieuwen vriend niet aannemen: aan ons beiden komt de eer toe der
ontdekking van deze nieuwe stad, waar wij te zamen hebben gearbeid,
en waaraan ik den naam heb gegeven van Lorillard, ter eere van
den edelmoedigen man, die voor een deel de kosten mijner expeditie
wilde dragen. De stad ligt op den linkeroever van de Usumacinta,
in een soort van neutraal terrein tusschen Guatemala en de twee
mexikaansche provinciën Chiapas en Tabasco. Zij werd voor omstreeks
twaalf jaren ontdekt door een zekeren Suarez en sedert bij herhaling
door de monteros bezocht.

Het is zeer moeilijk, zich rekenschap te geven van den juisten omvang
der stad en van het aantal gebouwen; de bodem is zoo dicht begroeid,
dat een nauwkeurig onderzoek onmogelijk is, althans met de gebrekkige
middelen, waarover men ter plaatse beschikken kan. Maar voor zoo ver
men naar vergelijking mag oordeelen, moet de stad Lorillard, als alle
indiaansche steden, waarvan wij reeds gesproken hebben, hebben bestaan
uit een vijftien- of twintigtal verschillende monumenten, tempels en
paleizen, woningen van den cacique en de voornaamste hoofden, omgeven
door de hutten van de lieden uit de volksklasse en de slaven. Deze
monumenten verrijzen op terrassen, ongeveer twintig ellen van de
rivier verwijderd, en verheffen zich vervolgens, amphitheatersgewijze,
op natuurlijke heuvelen, die de bouwmeesters benuttigd hebben, en die
zij in esplanaden hebben verdeeld, welke door muren worden gesteund
en van trappen zijn voorzien.

De schikking is geheel dezelfde als te Palenqué; de tempels en paleizen
zijn minder talrijk en minder aanzienlijk; zij zijn ook ruwer bewerkt,
schoon men over dit laatste misschien niet juist kan oordeelen,
omdat de geheele uitwendige dekoratie, die uit cement bestond, is
verdwenen.--Het eerste monument dat wij bestudeeren is een tempel,
die op eene pyramide van ongeveer honderd-twintig voet hoogte is
gebouwd. Ik noem dit gebouw een tempel, omdat het een groot steenen
afgodsbeeld bevat, benevens verscheidene nissen, waarin kleinere
beelden moeten gestaan hebben, want de wanden zijn zwart van den rook
der offeranden.

Het hoofd van het beeld is van den romp gescheiden en het gelaat is
deerlijk geschonden, maar toch behoort het beeld tot het schoonste,
wat wij tot dusver in Tabasco en Yucatan gezien hebben. Het stelt
een mannelijk wezen voor, zittende op oostersche wijze, met de beenen
onder het lijf gevouwen en de handen rustende op de knieën; de kalme,
waardige houding doet u onwillekeurig aan Boeddha denken. Op het hoofd
draagt het beeld een reusachtig, monsterachtig kapsel, dat de gansche
figuur verplettert. De kleeding is rijk versierd met kralen en parelen
en drie groote medaillons, twee op de schouders en een op de borst.

Rondom het beeld en in ieder vertrek van den tempel vindt men eene
menigte vazen van grof aardewerk en in vorm meest overeenkomende met
ondiepe kommen; de randen zijn met gedrochtelijke menschenhoofden
versierd. Deze vazen werden gebruikt voor het ontsteken van reukwerk;
wij vinden ze terug in alle gebouwen die voor de eeredienst bestemd
schijnen geweest te zijn.

Achter dien tempel en op eene veel hoogere pyramide, vindt men het
belangrijkste monument van de stad Lorillard. Op eene ruime esplanade
stonden daar, in een rechthoek, zes paleizen, waarvan er nog maar
een gedeeltelijk in wezen is. De andere gebouwen zijn niet meer dan
vormelooze puinhoopen. Dit paleis was misschien de woning van den vorst
of eene soort van vesting; in ieder geval was het prachtig gelegen. Van
het terras of de esplanade had men een heerlijk uitzicht; en op nieuw
bewonderde ik den praktischen zin van deze bouwmeesters. De pyramiden,
waarop zij hunne paleizen plaatsten, waren eene werkelijke behoefte in
dit heete en ongezonde land: deze manier van bouwen bezorgde frissche
lucht en was tevens eene verdediging tegen de muskieten en andere
insekten; en bovendien, welk een prachtig panorama ontplooide zich
voor de oogen, bij morgen en avond, over de omringende heuvelen, over
de rivier, over de tuinen en plantages aan de overzijde, en aan den
anderen kant, naar het zuiden, over de wijde vlakte, aan den horizon
begrensd door de schemerende lijnen van de Cordillera.

Het paleis, dat wij bewonen, ligt lager en dichter bij de rivier. Het
was meer vervallen en geschonden dan de tempel en droeg sporen
van dezelfde versiering; maar de constructie scheen slordiger. De
deuren zijn van verschillende afmetingen, en de posten zijn nu eens,
zonder schijnbare reden, recht, dan weer scheef geplaatst; ook is de
verdeeling der openingen en der nissen zeer onregelmatig. Van binnen
is dit paleis een ware doolhof van smalle gangen en kleine vertrekken;
in het achterste gedeelte, in een donker souterrain, waarheen een
sterk glooiende gang afdaalt, bevinden zich twee smalle zalen, die
tot aan de zoldering met steen en gruis gevuld zijn; naar ik vermoed,
zijn dit graven. Althans te Palenqué vond ik in dergelijke vertrekken,
geraamten en vazen. Het gebouw is twintig ellen breed en zestien diep.

Ik heb reeds vroeger gesproken over de gebeeldhouwde deurposten,
in steen of in hout, die ik in de meeste steden van Yucatan, onder
andere ook te Chichen, heb aangetroffen; maar de schoonsten vond
ik te Lorillard. Mijne lezers mogen zich daarvan overtuigen door de
afbeeldingen van twee dezer kleine monumenten op bladz. 157 en 160.

Het kleinste maakt deel uit van den bovendrempel van de middelste
poort des tempels; het paneel heeft een lengte van een el twaalf duim
bij eene breedte van twee-en-tachtig duim. In het midden zien wij
twee figuren, beiden het hoofd gedekt met hooge myters met vederen
versierd; evenals bij het afgodsbeeld, waarvan ik hierboven sprak,
zijn hunne schouderen bekleed met een korten mantel met paarlen
en medaillons en lange franjes getooid; een rijk versierde maxtli
omgordt hunne heupen en hunne voeten zijn in laarzen gestoken,
met lederen riemen bezet.--Deze twee figuren, van verschillende
grootte, schijnen een man en eene vrouw te moeten voorstellen; uit
hunne houding zou men moeten opmaken, dat zij eene godsdienstige
handeling verrichten. De grootste heeft in iedere hand een kruis,
de kleinste alleen in de rechterhand. Het zijn gewone, zoogenaamde
latijnsche kruisen, waarvan de armen met bloemen zijn versierd en die
van boven zijn gekroond met een symbolieken vogel. Ik meen in deze
voorstelling den god Tlaloc te herkennen, den god van den regen en
de vruchtbaarheid, wiens symbool een kruis was; te Palenqué vinden
wij dien god op dezelfde wijze voorgesteld.

Het tweede bas-relief (bladz. 157) is buiten kijf het merkwaardigste
monument, dat wij in Amerika hebben aangetroffen, en dat inderdaad
kunstwaarde heeft. Afgezien van het onmogelijk gelaatsprofiel der beide
figuren--dat trouwens zuiver conventioneel is--zijn de twee beelden
voortreffelijk van bewerking. De voorstelling draagt een godsdienstig
karakter: wij zijn getuigen van eene offerplechtigheid. Een der
personen, die in knielende houding, ongetwijfeld een priester, heeft
zich een met doornen bezet touw door de tong gestoken. De staande
figuur is evenzeer een priester, die, met een grooten palmtak in
de hand, den martelaar schijnt aan te moedigen. Nu weten wij dat de
Mexikanen zich zelven op de gruwelijkste manier pijnigden; dag en nacht
vergoten zij hun bloed in de tempels, ter eere der goden. Torquemada
deelt ons daaromtrent het volgende mede, sprekende over de martelingen,
die de priesters van Quetzalcoatl zich zelven aandeden:

"Ziehier de martelingen, die de priesters van Camaxtli te Tlascala en
die van Quetzalcoatl te Cholula zich zelven oplegden. De priesters
kwamen bijeen onder het voorzitterschap van den oudste hunner,
_achcantli_ genoemd; en na een vijfdaagsche vasten, met verschillende
boetedoeningen gepaard, sloot men hen op in den voornaamsten tempel van
Camaxtli, waar zij eene menigte stokken met zich namen, zoo lang als
een arm en zoo dik als een vuist ongeveer; dan kwamen timmerlieden,
die vijf dagen gevast en gebeden hadden, om deze stokken, volgens
aanwijzing, tot zeer dunne staafjes te maken, waarna men hun buiten
den tempel te eten gaf; vervolgens kwamen de werklieden, die messen
van obsidiaan moesten maken, en zij vervaardigden een aantal messen,
waarmede de tongen der priesters moesten worden doorboord, en zij
legden die neder op een witten doek.

"Daarna volgden gebeden; en als de oude en de jonge priesters te zaam
gekomen waren en gereed voor de offerande, boorde de bekwaamste onder
de werkmeesters hun met een mes een groot gat in de tong.

"Aanstonds stak nu de voornaamste _achcantli_ in zijne doorboorde tong
meer dan vier- of vijfhonderd van die staafjes, die de timmerlieden
gemaakt hadden; de andere oude priesters deden desgelijks, en diegenen
onder de jongeren, die den meesten moed hadden, volgden hun voorbeeld
na.

"Als deze afschuwelijke operatie volbracht was, trachtte de oudste,
die als hoofd gold, ondanks de duldelooze pijn, te zingen, om de
jongeren aan te moedigen tot het volbrengen der ceremonie."

Ons bas-relief stelt ons dus zulk eene offerande aan Quetzalcoatl
of Cuculcan voor, en de tempel, die met deze beeldwerken prijkte,
was aan dien god gewijd.

Eene bijzonderheid, die de geschiedschrijver aan het slot van hetzelfde
hoofdstuk vermeldt, geeft ons de verdere verklaring van het bas-relief.

"Gedurende dien vastentijd--zegt Torquemada--begaf de voornaamste
_achcantli_ zich naar de steden en de dorpen, om de lieden te vermanen
tot de voorbereiding van het groote offerfeest; en tot teeken droeg
hij in de hand een grooten groenen tak.

Dit is duidelijk genoeg. Daar staat de priester met den palmtak in
de hand, waarvan de bladeren rusten op het symbolische teeken van
den wind, waarmede Quetzalcoatl zoo dikwijls wordt afgebeeld. Wij
vinden dus te Lorillard de eeredienst van Tlaloc en van Quetzalcoatl,
de godheden der Tolteken, ook door de Azteken vereerd, en wier dienst
in de veroverde landen werd ingevoerd.

Ons bezoek aan de stad Lorillard, waarvan de indiaansche naam mij
onbekend is, was hiermede afgeloopen. Niet dan met spijt verliet ik
deze nieuwe stad, waar ik mij gaarne langer had opgehouden, want ik
was er zeker van, dat er nog vele nieuwe en misschien belangrijke
ontdekkingen waren te doen. Anderen, in gunstiger omstandigheden
verkeerende, zullen de aangevangen taak, naar ik vertrouw, voltooien
en ook de monumenten op den rechter oever opsporen, van welker bestaan
ik mij verzekerd houde, maar die ik niet heb kunnen vinden.

Wij gaan weer aan boord, en hebben bijna een ganschen dag noodig,
om stroomopwaarts den afstand af te leggen, dien wij, de rivier
afzakkende, in drie uren hadden afgelegd. De stroom is zoo sterk,
dat somwijlen onze manschappen, die de kano voorttrekken, worden
meegesleept; echter komen wij toch vooruit.

Ik hoopte te Yalchilan de Lacandons te vinden, die men mij had
beloofd; zij waren er echter niet, maar het oude opperhoofd had
iederen dag een bode gezonden om te vernemen of wij reeds waren
teruggekeerd; de geschenken, die ik hem had toegezegd, hadden te
zeer zijne begeerlijkheid opgewekt, dan dat ik vreesde dat hij zijn
woord niet zou houden. Den volgenden morgen verscheen hij ook in het
kamp met zijne twee vrouwen en vier jongelieden. Zij waren allen op
dezelfde wijze gekleed: zij droegen een soort van lang wijd hemd of
tuniek met korte mouwen; dit kleedingstuk van grof katoen is zeer
plooibaar en wordt door de vrouwen geweven. Deze tunieken vertoonden
roode vlekken, die ik eerst voor slijkspatten hield; later bleek mij,
dat zij bij wijze van versiering moesten dienen, en dat de verfstof,
waarmede deze ornamenten worden aangebracht, uit de beziën van een
struik wordt getrokken, waarvan de naam mij onbekend is. Daar zij de
kunst niet verstaan, om het geheele kleedingstuk te verven, maken de
Lacandons er deze roode vlekken op; ik vermoed dat dit een bijzonder
privilege is van het opperhoofd en zijne vrouwen, want de hemden van
de jongelieden vertoonen geen spoor van de versiering.

Mannen en vrouwen dragen om den hals zware kettingen, vervaardigd
van verschillende zaden, tanden van apen en wilde zwijnen, nagels
van vogels en muntstukken. Hunne lange, ongekamde ruwe haren hangen
in wanorde om hun hoofd en hals; de vrouwen steken daar een paar
arendsvederen in. Zoowel aan de hemden als aan de halskettingen
schijnen zij bijzondere waarde te hechten, want al mijne pogingen om
een dezer voorwerpen machtig te worden, waren vruchteloos; daarentegen
waren zij aanstonds bereid, mij hunne pijlen en bogen af te staan.

De Lacandons bedienen zich nog van steenen bijlen, waarmede zij de
boomen omhakken, als zij in het bosch een plek willen bebouwen. Met
de grootste dankbaarheid namen zij evenwel de stalen bijlen, de
sabels en messen aan, die ik hun ten geschenke gaf, benevens zout,
waaraan zij gebrek hebben en dat zij zeer gebrekkig vervangen door
de asch van eene zekere houtsoort.

De Lacandons zijn baardeloos, van middelbare gestalte en welgemaakt;
eene van de vrouwen is zelfs mooi te noemen: maar te oordeelen
naar hunne fletsche kleur en bleeke lippen, schijnen allen aan
bloedarmoede te lijden, hetgeen mede een gevolg kan zijn van hun
leven in de donkere, vochtige bosschen. Zij spreken de oude taal der
Mayas, en leven van de jacht, de vischvangst en het bebouwen hunner
kleine akkers. Hunne hutten zijn zindelijk, en men vindt er altijd
een voorraad van tabak en katoen, van maïs en vruchten; zij hebben
geen aardewerk, maar behelpen zich met kalebassen. Hunne voorvaderen
stonden, voor den ondergang van hun volk, op vrij wat hooger trap
van beschaving.


XI


Om van Yachilan naar Peten te gaan, kan de reiziger tusschen twee
wegen kiezen: hij kan de Usumacinta opvaren, die eenige uren verder den
naam aanneemt van rio de la Passion; of wel, dwars door de bosschen,
den zoogenoemden Camino Real (koninklijke heerbaan) volgen, die
feitelijk niet anders is dan een afschuwelijk, onbruikbaar voetpad,
waarvan de Indianen gebruik maken.

Maar nog afgezien van haar sterk verval, maakt de rivier zuidwaarts
een zeer grooten omweg, alvorens zij zich naar Libertad wendt; en hoe
slecht de landweg ook moge zijn, toch is hij altijd minder bezwaarlijk
voor onze manschappen, die zwaar beladen kano's tegen stroom moesten
optrekken; bovendien hebben wij onze muildieren, die op ons wachten,
en die door de dagen van rust, aan den oever der rivier doorgebracht,
nog volstrekt niet op hun streek zijn gekomen. Zij zijn nog even
mager als vroeger, en nog steeds bedekt met afschuwelijke wonden,
die door de reis erger zullen worden. Wij slaan dus het pad in,
dat twee dagreizen verder, op den weg naar Peten uitloopt.

Omstreeks het midden van onze eerste dagreis, ontmoeten wij Pepe Mora,
den onverschrokken montera; hij is zeer vermagerd en ziet er zeer
afgemat uit: de koorts laat hem niet los, maar hij wil zijn post
niet verlaten, voor hij het geheele district heeft onderzocht; hij
denkt zelfs over de stichting van eene kolonie en heeft oranjeappels
en cherimayos gezaaid, waarvan de roode vrucht bijna geen pit heeft;
hij geeft ons eenig zaad van deze zeldzame soort en voegt er een zak
met gerookt wilde zwijnenvleesch bij. Wij bedanken den braven man,
dien wij niet weder zullen zien, en komen omstreeks vier uren aan
onze eerste pleisterplaats.

De kleine rivier die ons tot richtsnoer heeft gediend is niet diep:
zij heeft nauwelijks drie voet water, maar de oevers zijn buitengewoon
steil; de beladen muildieren dalen niet dan met weerzin langs die bijna
loodrechte helling naar beneden, maar eens in het frissche water,
willen zij er niet meer uitkomen. De muilezel die mijne bagage met
mijne aanteekeningen en clichés droeg, deed nog beter: hij ging op de
diepste plek in het riviertje liggen, zoodat alleen zijn kop boven
water uitstak. Ik kon een kreet van schrik niet onderdrukken, want
ik dacht aanvankelijk dat al mijne dokumenten verloren zouden zijn;
gelukkig was dit niet het geval, maar wij moesten een gedeelte van den
nacht gebruiken om bij onze vuren mijne kleederen en mijne photografiën
te drogen. Des morgens was het kwaad gelukkig weer hersteld.

Dien eigen avond bereikten wij het gedeelte van het woud, waar wij
een zekeren voorraad levensmiddelen hadden verborgen en een onzer
paarden stervende achtergelaten hadden. De levensmiddelen waren nog in
goeden staat: de apen en andere stroopers hadden onze beschuit en ons
gedroogd vleesch ontzien en de kisten met wijn waren nog ongeschonden;
van het paard konden wij geen spoor ontdekken: het arme dier was
waarschijnlijk dieper in het bosch ingegaan en daar gestorven, of
misschien door de tijgers verscheurd.

Den volgenden morgen sloegen wij den weg in naar Peten, en kwamen
vier dagen later te Sacluc, dat tegenwoordig Libertad wordt genoemd.

Libertad, de zetel van den prefect van Peten, is het laatste bewoonde
vlek van Guatemala, zoo als Tenosique van Tabasco; het draagt geheel
denzelfden stempel als alle spaansch-indiaansche dorpen in de warme
luchtstreek: ook hier hetzelfde ruime, met gras begroeide plein,
dezelfde armoedige kerk en enkele onaanzienlijke woningen in het
rond. Er is te Libertad aan alles gebrek, en de hongersnood schijnt er
permanent; wij zouden van honger zijn omgekomen, zonder de beambten
van de monteria van de heeren Jamet en Sastre van San-Juan Bautista,
die zoo goed waren ons een huisje te verhuren en ons een deel van hun
voorraad wilden afstaan. Trouwens, dat het dorp nog bestaat, heeft
het te danken aan het weinige vertier dat de hakkers van mahoniehout
hier nog aanbrengen.

Van Libertad loopt de weg in noordelijke richting naar Flores, aan het
meer van Peten, dertig kilometers verder. Flores is het oude Tayasal;
het bevallige dorp, zoo schoon gelegen midden in het fraaie meer en
door zijn gordel van bergen omringd, staat op dezelfde plek, waar eens
de stad der Mayas verrees. Want zij was wel degelijk eene maya stad,
waarvan de inwoners, Itzaes genoemd, de afstammelingen waren van die
emigranten, die onder aanvoering van hun Canek, omstreeks 1440, de
stad Chichen-Itza in Yucatan verlieten en van wie wij reeds gesproken
hebben. Daar, in deze heerlijke streek, omringd door krijgshaftige
stammen, die dezelfde taal spraken, vormden de Itzaes op nieuw eene
eigene nationaliteit, van zoo krachtig leven, dat zij tot het einde
der zeventiende eeuw weerstand bood aan den invloed der spaansche
overheerschers. Huizen, paleizen, tempels en pyramiden zijn verdwenen;
maar toch is het ons mogelijk de geschiedenis te reconstrueeren en
op nieuw het betrekkelijk moderne dezer monumenten aan te toonen.

Eerst in 1696 slaagde de gouverneur van Yucatan, Martin Ursua, er in,
zich van de stad meester te maken en dit kleine volk ten onder te
brengen. Maar hij had daarvoor niets minder dan een leger noodig:
opzettelijk voor dit doel werd een weg aangelegd, die in rechte
lijn vam Campêche naar Peten liep. Midden in de bosschen stuitte
de expeditie op eene stad, Nohbecan genoemd, met groote tempels vol
afgoden; en toen de gouverneur aan de oevers van het meer Chaltuna
kwam, was hij even als Cortez gedwongen, vaartuigen te bouwen om de
stad te kunnen belegeren. De bestorming greep plaats op den tweeden
Maart 1696, en nog dienzelfden dag werd Tayasal ingenomen.

Zonderling genoeg, werd de stad in een oogwenk verlaten: al de
bewoners, mannen vrouwen en kinderen, ontsnapten over de lagune,
hetzij met behulp van hun prauwen, hetzij zwemmende; de meesten
verdwenen voor altijd. Martin Ursua had eene wildernis veroverd.

Dit zeer opmerkelijke feit toont ons den onverzoenlijken haat, dien de
Indianen jegens de Spanjaarden koesterden, en verklaart ons tevens,
hoe steden, die tijdens de verovering nog dichtbevolkt waren, op
een gegeven oogenblik eensklaps geheel verlaten zijn. Het is nu ook
duidelijk, dat men zich niet op dit verlaten zijn beroepen kan ten
bewijze van de oudheid dier steden.

De stad Tayasal bevatte in 1696 een-en-twintig tempels, terwijl zij
er in 1618 maar twaalf telde; in den loop der zeventiende eeuw waren
er dus negen nieuwe tempels verrezen, en daaronder de schoonste van
allen, volgens de getuigenis van Villa Gutierre Soto Mayor.

"De groote tempel was met zijn spitsbooggewelf geheel van steen
gebouwd; hij was vierkant met een fraaien peristijl en van fraai
bewerkte steenen; elke zijde had eene breedte van twintig _vares_,
en hij was zeer hoog." Is het niet of men eene beschrijving leest van
het Castillo van Chichen, vierkant als dat van Tayasal, van dezelfde
afmetingen en eveneens met een fraai peristijl.

Wij erkennen dus in Tayasal de dochter van Chichen-Itza; haar
moeder hebben wij te begroeten in Tikal, waarheen wij den lezer
gaan voeren. De voorname reden van de verhuizing der Itzaes naar het
zuiden was ons onbekend: Tikal zal daarover licht verspreiden; wij
waren nog in het onzekere omtrent de richting en den voortgang van
de tolteeksche kolonisatie in Yucatan: Tikal zal met onwederlegbare
bewijzen op onze vragen een antwoord geven; Tikal eindelijk zal een
geheel nieuw probleem oplossen en ons bekend maken met den invoed
der tolteeksche beschaving in de noordelijke steden van Guatemala,
Coban, Copan, Quiriga.

Tikal ligt ongeveer vijf-en-veertig kilometers ten noordoosten van
Flores, aan de zuidelijke grens van het schiereiland Yucatan. Deze stad
werd laatstelijk bezocht door twee wetenschappelijke onderzoekers:
door Bernouilli en door Alfred Maudsley. Bernouilli werd ontijdig
door den dood aan zijn werkkring ontrukt en het verhaal zijner reis
is verloren gegaan, maar gelukkig heeft hij belangrijke en zeer
merkwaardige dokumenten omtrent Tikal nagelaten. Deze dokumenten,
waardoor wij in staat worden gesteld, der stad hare plaats in de
geschiedenis aan te wijzen, bestaan in een twaalftal stukken gesneden
hout, die de reiziger door Indianen van Flores uit de tempels liet
wegnemen. De andere reiziger Alfred Maudsley schijnt van Guatemala
zijne bijzondere studie te hebben gemaakt en heeft zich door zijne
werken bereids een welverdienden naam verworven. De aanteekeningen
en photografieën, die hij van Tikal heeft medegebracht, zijn ons bij
de beschrijving der stad van zeer groote dienst geweest.

De belangrijkste gebouwen zijn de tempels, op hooge pyramiden
gebouwd, die terrasvormig zijn aangelegd. Aan de voorzijde bevindt
zich de groote trap, die naar de poort van den tempel voert;
de tempel zelf staat eenigszins achterwaarts op het plat, en de
achterzijde der pyramide loopt veel steiler af dan de voorzijde en
de beide kanten. Datzelfde merkten wij ook te Lorillard zoowel als
te Palenque op.

De basis van de pyramide heeft een breedte van honderd-vier-en-tachtig
engelsche voeten en eene diepte van honderd-acht-en-zestig; de trap
is acht-en-dertig engelsche voeten breed. Deze trap heeft eene lengte
van honderd-twaalf voet; de gemiddelde hoogte van de pyramide zou
dus negentig voet bedragen; de tempel is een-en-veertig voet breed
en acht-en-twintig voet lang; de hoogte bedraagt ongeveer veertig
voet, met inbegrip van den zoogenaamden dekoratieven muur, die geheel
begroeid is.

Al deze tempels gelijken op elkander; hunne meest kenmerkende
eigenaardigheid is de geweldige dikte der muren, voorts de nissen ter
wederzijde van het voornaamste vertrek en de regelmatige versmalling
van het gebouw naar de achterzijde. Het inwendige van zulk een tempel
bestaat uit twee of drie smalle, evenwijdig loopende gangen, die
door middel van breede openingen gemeenschap hebben met een zaal of
dwarsgang aan de voorzijde. De houten posten dier poorten of openingen
zijn rijk gebeeldhouwd. In de tempels zijn de muren hooger dan in de
paleizen, en vormt het zoogenoemde gewelf, dat eveneens hooger is,
een scherper hoek. Blijkbaar was deze constructie noodig ter wille
van den geweldigen dekoratieven muur, die het gebouw in figuurlijken
zin verplettert, en het ook in letterlijken zin zou gedaan hebben,
als de bouwmeester daartegen niet de noodige voorzorgen had genomen
door de dikte der muren, de verlenging van het gewelf en de weinige
breedte der gangen of kamers.

Maudsley zegt, dat hij in die tempels geen enkel afgodsbeeld noch
eenig ander voorwerp van vereering vond; maar hierin vergist hij
zich. Indien hij toen reeds Lorillard had bezocht en Palenque gekend,
zou hij begrepen hebben dat al het snijwerk in hout eene godsdienstige
beteekenis had, dat deze voorstellingen de plaats der afgodsbeelden
bekleedden en rechtstreeks in verband stonden met de eeredienst.

Laat ons een blik werpen op die beeldwerken. Eene eerste plaats
bekleedt daaronder een groot bas-relief in hout, dat ongetwijfeld deel
uitmaakte van een altaar en eene treffende gelijkenis heeft met de
steenen bas-reliefs, die wij te Palenque hebben gevonden. Dit paneel
heeft ongeveer dezelfde afmetingen: het is een el vijf-en-negentig duim
hoog en twee el acht-en-twintig duim breed. Evenals op de gebeeldhouwde
zerken van Palenque, zien wij hier twee figuren in hoog relief, omgeven
van die wonderlijke, barbaarsche en vaak onverklaarbare ornamenten
en attributen, die een kenmerk zijn van de amerikaansche beeldwerken.

De letters van de opschriften ter rechter en ter linker zijde zijn
verwonderlijk goed bewaard gebleven en kunnen onmogelijk tot een
verwijderd tijdperk behooren; die letters of teekens zijn overigens
geheel dezelfden, die wij te Lorillard en te Palenque hebben gevonden,
en die wij straks te Copan zullen wedervinden. De hoofdfiguur neemt
hier het midden van het paneel in, in plaats van aan de rechter of
linker zijde te staan, zoo als op de zerken van Palenque, waar het
beeld der godheid het midden inneemt.

Deze hoofdfiguur is een man, in staande houding, het hoofd gedekt
met een allerwonderlijkst kapsel, overladen met allerlei grillige
gedrochtelijke ornamenten en uitloopende in reusachtige vederbossen
of pluimen: in een woord, een monsterachtig hoofddeksel, waarvan de
onzinnige wanstaltigheid ten volle voor het barbaarsche dezer kunst
getuigt. In de rechterhand houdt dit personage een soort van schepter,
gekroond met vederen of den staart van een vogel: zijn linkerarm is
halverwege bedekt door een soort van schild. Zijne kleeding is zeer
rijk; behalve een met paarlen versierde halskraag of schoudermantel
draagt hij eene lange en rijk geborduurde tuniek, die bijna tot
aan de voeten afhangt. Onnoodig te zeggen, dat de teekening van het
menschenbeeld zoo gebrekkig en onbeholpen mogelijk is.

Onder het opschrift ter rechterzijde ziet men symbolische ornamenten,
waarvan de beteekenis niet te raden is; onder het opschrift ter
linkerzijde bespeurt men--althans met eenigen goeden wil--eene tweede
monsterachtige figuur, die geacht kan worden een mensch te verbeelden,
op een soort van trapje gezeten. Maar de voornaamste figuur, hoewel
zij de minste plaats inneemt, is onzes inziens het menschenhoofd
boven de hoofdfiguur aangebracht, en dat ongetwijfeld de zon moet
voorstellen. De zoogenoemde vlammen, die te midden van allerlei andere,
onbegrijpelijke, barbaarsche ornamenten, aan beide zijden van dezen
monsterachtigen kop zijn aangebracht, laten daaromtrent geen twijfel
over; wij mogen dus als zeker aannemen, dat dit bas-relief eenmaal
in een aan de zon gewijden tempel was geplaatst.

Wij allen weten dat de zonnedienst algemeen heerschte bij alle
amerikaansche natiën; het is dus niet vreemd, dat wij dienzelfden
cultus ook te Tikal vinden. De tempels, de pyramiden, de opschriften,
de zinnebeelden en figuren dragen echter een bijzonder lokaal karakter,
dat herinnert aan de godsdienstige monumenten der hooge bergplateaux
en ons het recht geeft, ook hier van den invloed der tolteeksche
beschaving te spreken.

Uit alles wat wij gezien en gezegd hebben, volgt dat ook Tikal
eene stad was, behoorende tot die tolteeksche beschaving, waarvan
wij den gang en de ontwikkeling hebben gevolgd van Comalcalco tot
Palenque en Ocosingo, die den loop der rivieren opwaarts volgende,
de stad Lorillard heeft gesticht en vervolgens Tikal bereikt, om zich
later eenerzijds in Yucatan uit te breiden, waar zij eene vroegere
tolteeksche nederzetting ontmoet, en anderzijds in het noorden
van Guatemala door te dringen, waar zij Coban, Copan en Quiriga
zal stichten.

Tikal, verder van het punt van uitgang verwijderd, is natuurlijk
jonger dan de steden die wij reeds beschreven hebben, maar zij
vertegenwoordigt ons een der belangrijkste tijdperken van deze
zoo zeer eigenaardige beschaving, die toch altijd halverwege in de
barbaarschheid bleef steken. Van daar drong de meer beschaafde stam
in het noorden van het schiereiland door: wij vinden daarvoor niet
slechts de materieele bewijzen in de steden langs den gevolgden weg,
zooals bij voorbeeld de stad Nohbecan, die Martin Usua op zijn marsch
naar Tayasal ontdekte, maar wij mogen ons ook beroepen op de getuigenis
der historie.

Herrera verhaalt, dat in den tijd toen de opperhoofden van de eerste
tolteeksche immigratie, die der Cocomes, regeerden, het land werd
overweldigd door lieden uit het land der Lacandons, Chiapas enz.;
deze indringers zwierven gedurende veertig jaren door de woestijnen
van Yucatan en kwamen tot op tien mijlen afstands van Mayapan, te
midden der heuvelen van Uxmal, waar zij prachtige gebouwen oprichtten.

Deze indringers werden aangevoerd door opperhoofden, Tutulxius genoemd;
zij waren zoo vreedzaam van natuur dat zij geen wapenen hadden en de
dieren op de jacht met lasso's vingen of vallen uitzetten.

Volgens Landa verhaalden de Indianen dat van den kant van het zuiden
talrijke stammen met hunne opperhoofden in Yucatan waren gedrongen;
naar het schijnt waren die immigranten uit Chiapa afkomstig, hoewel de
Indianen dat niet met zekerheid konden zeggen, maar Landa vermoedt het
ook op taalkundige gronden; deze stammen zwierven gedurende veertig
jaren in de woestijn en kwamen in de sierra op tien mijlen afstand
van Mayapan.

Reeds bij ons bezoek te Palenque werden wij getroffen door het
bij uitstek vreedzaam en godsdienstig karakter der beeldwerken,
waarop wij nooit iets hebben gevonden dat aan den oorlog of aan
wapenfeiten herinnert. Na de bijna geheele uitroeiing van hun ras,
hebben de naar elders verhuizende Tolteken de rol van veroveraars,
die zij niet langer konden volhouden, laten varen, en er zich meer op
toegelegd om de barbaarsche stammen, die zij op hun weg ontmoetten,
te bekeeren en te beschaven. Zij traden meer op als zendelingen en
predikers en wonnen op die wijze de inlanders voor zich, even als
de Boeddhisten op Java deden, waar zij de taal hunner bekeerlingen
overnamen en prachtige tempels ter eere van Boeddha stichtten. Zoo
namen ook de Tolteken de taal over van de landen, die zij beschaafden,
en bouwden ook tempels en paleizen, die echter de vergelijking met
de javaansche monumenten niet kunnen doorstaan.

Uit dit alles blijkt dus overtuigend dat de tolteeksche stammen uit
het zuiden in Yucatan zijn gekomen. Wij hadden dus recht te beweren,
dat de gewone verklaring van het verlaten van Chichen-Itza door
hare inwoners, omstreeks het jaar 1440, niet aannemelijk was; wat
ook verder tot dien uittocht aanleiding moge gegeven hebben, zeker
moet de hoofdreden gezocht worden in de nog levende herinnering aan
de door hunne voorvaderen gestichte koloniën in het zuiden van het
schiereiland. Tikal moet het middelpunt van die nederzettingen zijn
geweest; Tikal bestond misschien toen nog; de caciquen van Chichen
hadden ongetwijfeld betrekkingen met die stad onderhouden, en toen
zij den weg insloegen naar deze stad, de bakermat van hunne familie,
handelden zij geheel in den geest der traditie.


XII


Als wij geloof mogen hechten aan het verhaal, dat de pastoor van
Santa-Cruz del Quiché aan Stephens deed, dan bestond er te Coban eens
groote stad, die hij bezocht had en waarvan hij met groote verbazing
gewaagde. Nooit heeft iemand ons over deze stad gesproken, die tot
dusver aan de nasporingen der reizigers is ontsnapt; maar het is
zeer waarschijnlijk dat Coban eene nederzetting was van dien tak der
Tolteken, die Tikal stichtte en die zich van daar naar het oosten
richtte, waar hij achtervolgens Copan en Quiriga, in de provincie
Chiquimula, grondvestte.

Copan was ten tijde van de verovering nog eene bloeiende stad, evenals
Utatlan, Itatlan, Xelahu, Patinamit en andere steden in Guatemala, door
Alvaredo verwoest. Hernandez de Chaves, een zijner onderbevelhebbers,
kreeg in last zich van Copan meester te maken. Dit geschiedde in
1530. Volgens Juarros, wiens zegsman Francisco de Fuentes de stad
bezocht, was de groote circus van Copan in 1700 nog ongeschonden
in wezen.

De zonderlingste en merkwaardigste monumenten van Copan zijn de uit
één steenblok gehouwen afgodsbeelden, die wij ook reeds, zij het ook
minder afgewerkt, te Tikal hebben aangetroffen. Wij vinden te Copan
dezelfde inscripties, dezelfde bas-reliefs en dezelfde godheden,
als in de steden die wij reeds vroeger bezochten; Copan is echter
de jongste van deze steden, daar zij het verst van het uitgangspunt
der immigranten verwijderd was. Ondanks zijn niet licht te misleiden
gezond verstand en zijne buitengewone helderheid van inzicht, heeft
Stephens toch de monumenten van Copan niet begrepen. Trouwens, Copan
was de eerste stad die hij bezocht; hij dacht hier de werken voor zich
te hebben eener geheel oorspronkelijke beschaving, die hij met geene
andere in verband wist te brengen. Zonder het te weten, begon hij bij
het einde en vermoedde niet dat hij de laatste monumenten eener oude
beschaving voor zich had. Later, beter ingelicht, oordeelde hij anders
en bracht zijn helder inzicht hem van zelf op het spoor der waarheid.

Stephens geeft ons in de eerste plaats de afbeelding van een te Copan
gevonden menschenhoofd, waarin hij een koning meent te herkennen. Bij
nadere beschouwing van dien gebaarden kop, die in eene reusachtige
draken- of slangenmuil is gevat, herkennen wij daarin het beeld van den
god Quetzalcoatl; de type is een weinig veranderd, maar de kenmerkende
attributen ontbreken ook hier niet. Hij draagt een hoofddeksel
van dooreengevlochten slangen, of misschien een soort van tulband,
dien wij op andere monumenten in Guatemala zullen wedervinden. Wij
bezitten geene nauwkeurige beschrijving van de monumenten van Copan,
en te oordeelen naar hetgeen Stephens zegt, schijnt het dat zij
verschillen van die, welke wij bestudeerd hebben. De inrichting
der stad zou ons doen denken aan die der mexikaansche steden,
evenals bij de andere hoofdsteden in Guatemala, omdat die steden,
evenals in Mexico, op bergplateaux gebouwd, een ander voorkomen
hadden dan de steden in de heete vlakte, Comalcalco, Palenque,
Chichen. Uxmal en anderen. De tak van den tolteekschen stam, die
zich langs den Stillen-Oceaan gevestigd had, had de traditiën van het
gemeenschappelijke vaderland, van Anahuac, behouden en volgde zoowel
in levenswijze, als bij den bouw van tempels, paleizen en huizen,
de oude gewoonten: een natuurlijk gevolg van de overeenkomst tusschen
de vroegere en latere omgeving. De andere hoofdtak, die in een andere
natuur en andere omgeving was gekomen, moest zich, ook wat de bouworde
aangaat, daarnaar voegen en alzoo in meerdere of mindere mate van den
voorvaderlijken type afwijken. Te Copan ontmoetten de beide takken
elkander weder, en de bouwstijl onderging eene verandering door het
opnemen van verschillende elementen.

Wij hebben reeds vroeger, bij ons bezoek te Kabah, gesproken van de
overdrijving en overlading in de ornamentiek, die het kenmerk is der
perioden van kunstverval: een verschijnsel, dat zich bijna bij alle
volken heeft voorgedaan. Bijna overal zien wij de in den aanvang zoo
strenge en sobere monumenten, zeer schaars met ornamenten versierd,
langzamerhand al rijker en weelderiger worden; de architektonische
lijnen treden op den achtergrond voor het ornament, dat al meer
en meer voortwoekert en eindelijk tot overlading, gemaaktheid en
wansmaak voert. De gothiek levert ons daarvan een sprekend voorbeeld,
en de arabische kunst in Spanje niet minder.

De Tolteken van Copan getuigen ook op hunne beurt van de waarheid dezer
opmerking; en men behoeft inderdaad geen archeoloog te zijn, om bij
het aanschouwen van deze monumenten te verklaren dat zij niet tot de
eerste, maar veelmeer tot de laatste periode eener kunstontwikkeling
behooren. De bewerkers van de monolithen, waarvan wij boven reeds
spraken, hebben hier alle ornamenten en alle architektonische
motieven bijeengebracht, die hunne voorgangers bij hunne paleizen,
hunne tempels hunne bas-reliefs en hunne godenbeelden hadden aangewend.

En niet alleen vermenigvuldigen zij de motieven en ornamenten,
zij stellen zelfs in één beeld verschillende goden voor: getuige
het beeld, waarvan wij de afbeelding en face geven en waarin men
gemakkelijk vier onderscheidene goden herkent. De groote middenfiguur,
die uit een drakenmuil te voorschijn komt, herinnert ons aanstonds
aan Quetzalcoatl, maar het is het hoofd eener vrouw, wier kostuum
ons de attributen te aanschouwen geeft van een Tlaloc van Palenque,
met zijne menschenhoofden als gordel versiersels; deze koppen zijn
hier geplaatst boven een krans of slinger van maïshalmen, die een der
attributen is zoowel van Chalciutlicue, de echtgenoote van Tlaloc,
als van Centeotl, de mexikaansche Ceres, de godin van den oogst. Dit
beeld zou dus tegelijkertijd Quetzalcoatl, Tlalco, Chalciutlicue
en Centeotl moeten voorstellen. Wij weten reeds, dat men te Mexico
de drie eersten meermalen vereenigd afbeeldde en dat hun feest op
denzelfden dag werd gevierd.

Laat ons nu een blik werpen op het zoo merkwaardige altaar, waarmede
wij door Stephens bekend zijn geworden. Dat altaar, waarvan wij op
bladz. 308 de afbeelding geven, is zes voet lang en vier voet hoog; het
bovenste gedeelte is verdeeld in zes-en-dertig vakken met hiëroglyfen.

Aan elke zijde van het altaar zien wij vier personen, die met
gevouwen beenen, naar oosterschen trant, op kussens zitten; het
profiel is minder schuin dan bij andere beeldwerken, waarschijnlijk
uit vroegeren tijd; het hoofddeksel is een soort van tulband, zoo
als in Guatemala gebruikelijk was. Deze typen zijn nieuw voor ons,
maar wij vinden ze nevens ons reeds bekende typen: een verschijnsel,
dat zijne verklaring vindt in het feit, dat de twee takken van het
tolteeksche ras, na eene lange scheiding van misschien twee eeuwen,
elkander hier weder voor het eerst ontmoetten en in zekere mate
samensmolten. Dit zonderlinge monument is als het ware de uitdrukking
van die vermenging: het is guatemalto-tolteeksch door de figuren en
zuiver tolteeksch door de symbolische teekens, die hetzij op iedere
figuur, hetzij op de kleeding, hetzij op het kussen aangebracht,
ons den naam en de hoedanigheid van iederen persoon mededeelen. Dat
herinnert aan de bas-reliefs van Chichen; maar het altaar is vooral
tolteeksch door zijne opschriften, waarvan de letterteekens bijna
geheel dezelfden zijn als die der inscripties van Lorillard. De
kunst van Copan draagt zoo geheel een tolteeksch karakter, dat Diego
Grarcia Palacio, in een brief aan den koning van Spanje, Filips II,
in 1574 geschreven, verhaalt dat hij de monumenten van Copan als
bouwvallen aantrof, maar dat zij hem toeschenen ver verheven te zijn
boven gebouwen van gelijksoortigen aard, die door de inwoners dezer
streken waren gesticht.

"De onder de Indianen aangenomen overlevering, zoo zegt hij, schrijft
de stichting dezer monumenten toe aan emigranten uit Yucatan"; en
Palacio is mede van die meening, daartoe gebracht door de overeenkomst
in stijl tusschen deze monumenten en die welke men in Yucatan en
Tabasco aantreft.

Wij zien dus te Copan de laatste voortbrengselen van eene oude kunst
en hare vermenging met eene andere, niet minder oude kunst. Misschien
zou deze samenvloeiing tot hooger ontwikkeling hebben geleid en zou
de amerikaansche beschaving en de amerikaansche kunst, aan haar
eigen historische ontvouwing overgelaten, zich gaandeweg aan de
windselen der barbaarschheid, waarin zij nog gevangen lag, hebben
ontworteld. Maar de ontdekkingstocht van Columbus en de verschijning
der Spanjaarden maakten aan die ontwikkeling een einde en vernietigden
de oorspronkelijke beschaving van het indiaansche ras, om er iets voor
in de plaats te stellen dat nooit meer was en is dan eene karikatuur
der europeesche beschaving.


XIII


Van Copan naar Oaxaca is een lange reis, waarvoor wij twee maanden
noodig hebben. De beschikbare ruimte ontbreekt ons, om dezen langen
en vermoeienden tocht, dwars over de groote keten der Cordillera,
in bijzonderheden te beschrijven. De weg voerde ons meermalen door
wonderschoone indrukwekkende wouden, door prachtige landschappen, maar
hij was vermoeiend in de hoogste mate: nu eens gingen wij, zwoegend
en hijgend, te voet, dan reden wij te paard, somwijlen zelfs moesten
wij door menschen gedragen worden; zonder de vriendelijke hulp van de
pastoors in het gebergte, zou het ons moeite genoeg gekost hebben, de
plaats onzer bestemming te bereiken. Eindelijk, eindelijk bereikten
wij de vallei van Oaxaca en kwamen in de stad van denzelfden naam:
menschen en beesten waren ter dood vermoeid en uitgeput.

Om naar Mitla te gaan, keeren wij op onze schreden terug en begeven ons
naar Santa-Lucia, beroemd om zijne hanengevechten. Twee mijlen verder
ligt, verscholen onder het dichte lommer van goyaven, cherimoias en
granaatboomen, het aardige, bevallige dorp Santa-Maria del Tule. De
reusachtige boom, Sabino genaamd, die het pleintje van eene kleine
kapel overschaduwt, is door de gansche republiek bekend; van verre
gezien, gelijkt de omvangrijke kruin een klein bosch; van nabij wekt
de oude boom onwederstaanbaar onze bewondering door zijn geweldigen
omvang en zijne onuitputtelijke levenskracht.

Op het dikste punt heeft de stam een omtrek van veertien schreden of
ongeveer dertien el; tot op twintig voeten boven den grond behoudt
hij bijna dezelfde afmeting. Daar splitst zich de reusachtige stam,
en zijne machtige takken, in omvang gelijk aan honderdjarige eiken,
verspreiden tot op honderd voeten afstands hunne verkwikkende
schaduw. Hij is niet zoo hoog, als zijn geweldige omvang eigenlijk
zou vorderen: ik reken dat hij niet hooger is dan negentig voet.

De Indianen bewaken den eerwaardigen boom met angstvallige zorg,
opdat geen profane hand hem schende. Zij koesteren jegens den Sabino
eene bijgeloovige vereering; niemand mag hem bezoeken dan onder
hun geleide; elken dag reinigen zij den grond rondom den voet des
booms; en zij zouden nooit toelaten, dat iemand een takje of twijgje
afbrak. Sommige reizigers verklaren dit wonder van het plantenrijk
door de vereeniging van drie verschillende stammen, die saamgegroeid
zouden zijn. Wij hebben den boom nauwkeurig onderzocht, en niets dan
een enkelen stam kunnen ontdekken, die, naar het zich laat aanzien,
nog eeuwen kan leven.

Naar het oosten versmalt zich de vallei: de weg loopt door Tlacolula,
en voert langs de heuvelen, aan wier voet ge in de steengroeven
nog blokken ziet, door de oude bouwmeesters van Mitla ten deele
bewerkt. Rechts afslaande, zouden wij te San-Dionysio komen, het
laatste dorp der vlakte; maar wij slaan links af, waar in eene
bijna onbebouwde vallei, door naakte bergen omgeven, de ruïnen der
paleizen van Mitla onze aandacht vragen. Er waait hier onophoudelijk
een sterke wind, die alles doet uitdrogen; er groeit hier bijna niets
dan de zoogenaamde _pitayoles_, die dichte hagen vormen en waarvan
de vrucht zeer lekker smaakt, ongeveer als de aardbei.

De ruïnen van Mitla, die ten tijde van de verovering eene aanzienlijke
ruimte besloegen, bestaan nu slechts uit overblijfselen van zes
paleizen en drie pyramiden. De pastorie is het eerste gebouw
ten noorden, op de helling van den heuvel. Het is eene ordelooze
samenvoeging van binnenplaatsen en gebouwen, waarvan sommige wanden
met mozaïeken in relief zijn versierd. Onder de uitspringende lijsten
vindt men sporen van zeer onbeholpen schilderwerk, waarbij zelfs
de eenvoudige rechte lijn niet in acht is genomen: het zijn zeer
ruwe, barbaarsche figuren van goden, benevens lijnen die elkander
kruisen, maar waarvan de beteekenis ons ten eenemale ontgaat. Men
vindt diezelfde uiterst onbeholpen muurschilderingen in elk paleis,
waar zij op eene of andere wijze tegen den invloed van de lucht en
het weder beschut waren.

De kerk van het dorp, die aan dit gebouw grenst, is geheel opgetrokken
met de bouwstoffen van de oude paleizen.

Lager, ter linkerzijde, ziet men eene geknotte pyramide, van
indiaanschen oorsprong, waarop eene moderne kapel is gebouwd. De
pyramide is voorzien van een steenen trap. De Spanjaarden zorgden er
voor, dat er geen spoor meer te vinden is van den tempel, die weleer
op het plat moet hebben gestaan. Het groote paleis, dat nog in zijn
geheel is en waaraan alleen het dak ontbreekt, bestaat uit een groot
laag gebouw, waarvan de voornaamste, naar het zuiden gekeerde gevel
het schoonste en belangrijkste, en tevens het best geconserveerde der
monumenten van Mitla is. Deze gevel heeft eene breedte van veertig
meters; daarachter bevindt zich eene zaal van gelijke breedte,
waarvan de zoldering gedragen werd door zes monolithpijlers van
ongeveer veertien voet hoogte. Drie breede en lage deuren geven
toegang tot deze zaal, waarvan de vloer bedekt was met eene dikke
laag cement. Rechts voert eene donkere smalle gang naar eene eveneens
bepleisterde binnenplaats, waarvan de muren, evenals de voorgevel
van het paleis, met mozaïekpaneelen en figuren in steenen lijsten
zijn versierd. Deze binnenplaats is vierkant; op haar komen vier
lange en smalle kamers uit, die van onder tot boven met mozaïeken en
relief zijn bedekt. De posten der deuren zijn geweldige steenblokken,
die een omvang hebben van vijf of zes meter.

Het tweede en het derde paleis hebben zeer sterk geleden. Van het
tweede is alleen de poort met haar gebeeldhouwde post staande gebleven,
benevens twee pijlers in de hal. Van het vierde paleis is vooral
de zuidelijke gevel zeer goed bewaard gebleven. Maar zuidwestwaarts
bevinden zich nog vier andere paleizen, die half gesloopt en onder
den grond begraven zijn, waarboven de muren nog slechts ter hoogte
van drie of vier voet uitsteken. De Indianen hebben tusschen deze
ruïnen en op de binnenplaatsen hunne woningen gevestigd.

De bouwmaterialen van deze monumenten zijn zeer eenvoudig: zij zijn
opgetrokken uit aarde, met groote keien vermengd en met eene soort
van steenen tegels bekleed. Onder de ruïnen strekken zich kelders
uit; zij werden reeds eenmaal geopend, maar de vijandige houding der
Indianen noodzaakte den toegang weder te sluiten, eer men de kelders
had kunnen onderzoeken en zien wat zij bevatten.

Wij weten niet met juistheid uit welken tijd de monumenten van Mitla
dagteekenen, maar zij kunnen kwalijk ouder zijn dan die, waarvan
wij reeds gesproken hebben. Hun ondergang dagteekent echter reeds
van vroeger tijd: Orozco y Berra verzekert dat zij verwoest werden
door Ahuizotl, dat is dus tusschen de jaren 1490 en 1500; overigens
valt de verwantschap tusschen deze gebouwen en de tolteeksche of
mexikaansche monumenten niet te miskennen. Mitla was eene beroemde
heilige plaats en de begraafplaats der koningen van Teotzapotlan. Toen
de gebouwen nog ongeschonden waren, bevatten zij vier gebeeldhouwde
kompartimenten boven den grond, waarmede vier andere lokalen onder
den grond overeen kwamen.

Een der eerstgenoemde vertrekken was bestemd voor de woning van
den opperpriester; een ander voor de huisvesting der priesters; het
derde vertrek was voor den koning, als hij te Mitla kwam; het vierde
eindelijk voor de heeren, die het heiligdom bezochten. De woning
van den opperpriester was rijker versierd dan de andere vertrekken,
want zij bevatte een troonzetel met een kussen en een rugleuning,
beiden met tijgervel bekleed. De dekoratie der andere kamers bestond
uit fijne beschilderde matten, gelooide huiden en stoffen om zich
gedurende den slaap te dekken.

Van de onderaardsche kamers diende het middelste als heiligdom; de
afgodsbeelden waren op eene groote zerk geplaatst, die het altaar
verving; het tweede was de begraafplaats der opperpriesters; in het
derde werden de koningen begraven. Het vierde, dat naar men zegt
zeer groot was, werd gedragen door rijen pijlers, even als de groote
zaal boven den grond; de toegang tot dit vertrek werd met eene groote
zerk gesloten. Daar, in dezen ruimen kelder, wierp men de lijken der
slachtoffers en der in den oorlog gevallen krijgsbevelhebbers. Sommige
vrome boetelingen vroegen, als eene gunst, vergunning om op deze
heilige plaats te mogen sterven; was dit verzoek toegestaan, dan
geleidden de priesters deze vrijwillige slachtoffers naar den ingang
van den kelder, wentelden de zerk af, zeiden den martelaars vaarwel en
sloten den ingang weder, zoodat de ongelukkigen levend begraven werden.

De opperpriester, die den titel voerde van Huiyatoo (de groote
schildwacht, hij die alles ziet), was met onbeperkte macht bekleed
en stond boven den koning, die hem vreesde en eerbiedigde; de lieden
uit het volk konden zijn aangezicht niet aanschouwen, zonder hunne
vermetelheid met den dood te bekoopen. Als eenige middelaar tusschen
de goden en de menschen, was hij ook de eenige uitdeeler van gaven
en voorrechten: iets als de groote lama in onzen tijd.

Burgoa, aan wien wij deze bijzonderheden ontleenen, schijnt de ruïnen
van Mitla niet bezocht te hebben: althans hij spreekt in zijne
beschrijving slechts van een paleis, terwijl er in zijn tijd nog
acht bestonden. Maar zeker is het te verwonderen, dat de mexikaansche
regeering, in het bezit van zoo uitvoerige en nauwkeurige gegevens,
geene opgravingen heeft laten doen in de paleizen van Mitla. Men zou
daar eene onuitputtelijke mijn kunnen vinden van de belangrijkste
zaken: afgodsbeelden, sieraden, aardewerk en wat niet meer. Men
bedenke slechts dat daar de koningen begraven werden, bekleed met hunne
prachtigste kleederen, het lichaam versierd met vederen, halskettingen
van goud en edelgesteenten en andere sieraden; in de linkerhand hielden
zij hun schild, in de rechter hun staf. Misschien zelfs zou men er
handschriften vinden, die tegenwoordig zoo uiterst zeldzaam zijn.

	*	*	*	*

Tot dusver de heer Charnay, wiens reisverhaal, onderdeel van een
uitgebreid werk, hier afbreekt. Naar wij vertrouwen, zal het onzen
lezers, tot recht verstand en toelichting van het voorafgaande,
niet onwelkom zijn, een beknopt samenvattend overzicht van de
overblijfselen en monumenten eener vroegere beschaving, bepaaldelijk in
Centraal-Amerika, te ontvangen. Het betreft hier een veld van studie,
dat bij ons nog weinig bekend en bearbeid is, en waarvan toch het hooge
belang voor de algemeene kultuurgeschiedenis niet te miskennen valt.

De amerikaansche antiquiteiten, de monumenten van de eigenaardige
beschaving der oorspronkelijk amerikaansche volken, behooren deels tot
een voorhistorischen tijd, deels tot den tijd der Tolteken en hunner
opvolgers de Azteken, aanvangende omstreeks de zevende eeuw onzer
jaartelling; of wel tot het rijk der Inka's in Peru, uit de dertiende
eeuw. Zij worden in drie hoofdgroepen verdeeld, die zoowel geografisch
als historisch gescheiden zijn: namelijk, in noord-amerikaansche,
centraal-amerikaansche en zuid-amerikaansche antiquiteiten. Van
de eersten en de laatsten kunnen wij nu niet spreken: slechts zij
hier opgemerkt, dat de noord-amerikaansche antiquiteiten, die weder
in drie groepen worden gesplitst en bijna het geheele gebied der
Vereenigde-Staten omvatten, een veel lageren trap van beschaving
aanduiden, dan die van Zuid- en vooral van Centraal-Amerika. Dit
neemt echter niet weg, dat ook de in Noord-Amerika, met name in
het stroomgebied van den Mississippi gevonden overblijfselen van
gebouwen en voorwerpen van kunstnijverheid de onwedersprekelijke
bewijzen zijn voor eene vrij wat hoogere beschaving, dan waarop
later, bij de aanraking met de Europeanen, de indiaansche stammen
van Noord-Amerika stonden.

De belangrijkste overblijfselen van de oud-amerikaansche beschaving
bezitten, buiten kijf, de hooglanden van Centraal-Amerika, Mexiko,
Guatemala en Yucatan. Met name zijn het de gewrochten van bouw- en
beeldhouwkunst, die hier deels als op zich zelven staande monumenten
in de nabijheid van nog bewoonde plaatsen, deels tot groepen vereenigd
als overblijfselen en ruïnen van voormalige steden, de aandacht tot
zich trekken. Hoewel zij in het algemeen en in hoofdzaak hetzelfde
karakter eener zeer eenvoudige kunst vertoonen, kunnen zij toch
in twee afdeelingen worden onderscheiden, die elk tot eene andere
kunstperiode behooren. Tot de oudere en tevens hooger ontwikkelde
periode behooren de monumenten in Oaxaca, Guatemala en Yucatan, die
van tolteekschen oorsprong zijn; tot de jongere azteeksche periode
behooren de monumenten, die men in Mexiko en in het algemeen binnen
de grenzen van het oude rijk der Azteken vindt. Eene meer nauwkeurige
splitsing naar nationaliteit en tijdvakken is nog aan vele twijfelingen
en bezwaren onderhevig.

Sedert Antonio del Rio in 1787, op last van den gouverneur van
Guatemala, de ruïnen van Palenque bezocht, maar vooral sedert zijn
verslag, in 1822, in eene engelsche en eene fransche vertaling het
licht zag, hebben vele andere reizigers en geleerden de monumenten
dezer landstreek onderzocht en in beeld en schrift meer algemeen
bekend gemaakt. In Mexiko zijn de voornaamste overblijfselen ruïnen
van tempels en van vestingwerken: welke groepen van bouwwerken echter
meermalen samenvallen, in zoo verre de tempels ook zelven vestingen
waren. Zij onderscheiden zich vooral door hun massieven bouw,
maar getuigen tevens van smaak en van eene vrij hoog ontwikkelde
kunst. De voornaamste tempel van Mexiko lag in het midden der stad
en was zoo groot, dat hij, volgens Cortez, ruimte aanbood voor
vijfhonderd paarden. Hij vormde eene pyramide van vijf verdiepingen,
acht-en-dertig meter hoog, met een basis van vijf-en-negentig meter,
en twee torens. Pyramiden van meer of minder merkwaardigen bouw vindt
men op een aantal andere plaatsen; ruïnen van oude steden vindt men
bij Tula, de oude Toltekenstad, bij Papantla in Vera-Cruz, bij Mopilca
in dezelfde provincie, bij Palenque, bij Ocosingo en elders.

Grondvorm van de geheele architektuur in Centraal-Amerika is de
pyramide, die voornamelijk in godsdienstige monumenten, minder
duidelijk in eigenlijke tempels en nog minder in paleizen, aan het
licht treedt. De teokalli's (godshuizen), die men onder zeker opzicht
reusachtige altaren zou kunnen noemen, zijn altijd vierzijdige,
nauwkeurig naar de windstreken georiënteerde, van boven afgeknotte
pyramiden, waarop zeer dikwijls nog kapellen of andere gebouwen
verrezen. Hare wanden stijgen soms in onafgebroken helling naar boven;
maar meestal verheffen zij zich in verschillende, hoogstens acht,
verdiepingen, die of wel afzonderlijke terrassen vormen, of alleen
door omloopende, meestal versierde galerijen aangewezen worden. Naar
het plat voeren breede en steile trappen, die meest aan eene, soms
ook aan twee of meer zijden zijn aangebracht; enkele malen zijn ook
de verschillende terrassen of verdiepingen door trappen onderling
verbonden. Rondom de teokalli's lagen de woningen der priesters,
benevens andere lokalen voor de dienst der goden bestemd. Doch ook bij
andere gebouwen dan de teokalli's vinden wij den pyramiden vorm terug,
en wel door het regelmatig afnemen der grootte van de verschillende
verdiepingen.

De architektuur der Mexikanen getuigt niet van eene hooge
kunstontwikkeling, maar kenmerkt zich door strenge consequentie
in den stijl; alle details en onderverdeelingen zijn naar de
eenvoudigste beginselen en regelen ontworpen. Voor de versiering
der wandoppervlakten gebruikte men rechtlijnige, maar vaak zeer
samengestelde vakken of kassetten, voorts golvende lijnen, zigzags
en dergelijke figuren. In hun geheel genomen, vertoonen de op
den vlakken grond, of op gewone terrassen, of ook wel op het plat
der teokalli's geplaatste gebouwen, de gedaante van eenvoudige,
vierkante steenklompen, met rechtlijnig overdekte portalen, en
eenvoudige pijlers, waarboven zich dikwijls een rijk versierde,
dikwijls overladen, geweldig groote fries--door Charnay dekoratiemuur
genoemd--verheft. Het dak is horizontaal of bestaat ook wel uit een
soort van gewelf, dat door trapsgewijze over elkander liggende zerken
wordt gevormd. Deze wijze van bedekking en het gemis van eigenlijke
zuilen maken het aanleggen van groote zalen of hallen onmogelijk.

De meeste gebouwen zijn met beeldwerken versierd, hetzij reliëfs,
hetzij standbeelden in eigenlijken zin. Deze beeldwerken, die blijkbaar
van verschillende volken en uit verschillende tijden afkomstig zijn,
getuigen zoowel van onbeholpenheid als van barbaarschen wansmaak in de
zonderlinge overlading. Bij vergelijking met egyptische, assyrische,
indische of oud-grieksche beeldwerken, staan de monumenten der
amerikaansche skulptuur op een zeer lagen trap. Niet alleen dat
alle individualiteit en uitdrukking aan de beelden ontbreekt, maar
de navolging der natuur is zoo gebrekkig, dat de meeste figuren iets
monsterachtigs hebben. Somwijlen doen zij ons denken aan de wanstaltige
afgodsbeelden van de bewoners der Zuidzee-eilanden. In hoeverre deze
hoogst gebrekkige, onbeholpen kunst de kiem van hoogere ontwikkeling
in zich bevatte, kunnen wij in het midden laten. Eene geschiedenis
der amerikaansche kunst is zeker nog niet te schrijven.

In Centraal-Amerika zijn vooral Honduras en Yucatan rijk aan
antiquiteiten en ruïnen. In den eerstgenoemden staat zijn de
beroemdste ruïnen die van Copan; in Yucatan kent men reeds meer dan
vijftig ruïnen, die door haar omvang en deels ook door haar pracht
de bewondering wekken. De paleizen bestaan dikwijls uit verschillende
gebouwen boven elkander; kolossale trappen voeren van het eene terras
naar het andere; ter wederzijde zijn die trappen met slangen versierd,
wier kop den grond aanraakt, terwijl het reuzenlijf zich naar boven
kronkelt. Terwijl de monumenten uit lateren tijd met versieringen
overladen zijn, kenmerken zich de oudste gedenkteekenen door eenvoud,
ernst en soliditeit; zoo als, bij voorbeeld, de pyramidale tempel
van Palenque in Guatemala, waarvan de voorgevel met figuren en
opschriften is versierd, terwijl van binnen mythologische beeldwerken
en bas-reliefs de wanden bedekken.

Ook elders in Centraal-Amerika heeft men merkwaardige overblijfselen
eener vroegere beschaving gevonden; zoo in Costa-Rica, waar massieve
sieradiën van goud, kleine godenbeelden van brons, goud en koper,
en bevallig vaatwerk nog getuigen van de aanwezigheid eener hooger
beschaafde bevolking dan de Indianen; voorts aan de Mosquitokust en
vooral in Nicaragua, waar de eilanden in de meren nog belangrijke
ruïnen bevatten, die nog maar voor een deel onderzocht zijn.

De Tolteken, van wie in het reisverhaal van Charnay bij herhaling
gesproken wordt, zijn een amerikaansche volksstam, die vermoedelijk
in de vijfde of zesde eeuw onzer jaartelling, van een meer noordelijk
gelegen land, Huehuetlapallan genoemd, naar Anahuac verhuisden en
daar omstreeks het midden der zevende eeuw de stad Tollan (Tula)
stichtten. Door verovering en vreedzame overeenkomsten breidden de
Tolteken allengs hun gebied uit en bereikten een betrekkelijk vrij
hoogen trap van beschaving. Omstreeks de elfde of twaalfde eeuw onzer
jaartelling stond het rijk der Tolteken op het toppunt van bloei en
macht; door ongelukkige oorlogen en andere rampen geraakte het allengs
in verval. Tegen het midden der twaalfde eeuw werden de Tolteken
uit een deel hunner woonplaatsen verdrongen door de Chichimeken, die
anderhalve eeuw later gevolgd werden door het krijgshaftige volk der
Azteken, die in 1325 de stad Tenochtitlan (Mexiko) stichtten en allengs
meester werden van het geheele land. De nieuwe veroveraars namen ook
hier de beschaving en kunst hunner hooger ontwikkelde voorgangers, de
Tolteken, over; deze laatsten weken allengs naar zuidelijker streken,
met name naar Yucatan, waar zij gaandeweg met de inheemsche stammen
samensmolten of uitstierven.





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Reis naar Yucatan - De Aarde en haar Volken, 1886" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home