Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: De omwenteling van 1830
Author: Conscience, Hendrik, 1812-1883
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "De omwenteling van 1830" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



DE

OMWENTELING VAN 1830

DOOR

HENDRIK CONSCIENCE

[Illustration]

DE

OMWENTELING VAN 1830

UITTREKSEL
uit de REVUE CONTEMPORAINE, aflevering van Januari 1851[1]



Petrus Conscience, vader van onzen schrijver, was Franschman en geboren
te Besançon. Door het lot tot den krijgsdienst geroepen, werd hij
soldaat in de _marine_ van Napoleon, en geraakte tot den graad van
opperstuurman _(chef de timonerie)_ aan boord van het oorlogschip _la
Ville de Bordeaux_. Driemaal krijgsgevangen genomen, doorstond hij eene
lange en wreede opsluiting in de Engelsche pontons te Normancross.
Eindelijk door uitwisseling vrij geworden, kwam hij zich te Antwerpen
vestigen, waar hij het ambt van onderhavenmeester op de groote
oorlogstimmerwerf bekwam. Hij trouwde niet lang daarna met eene
Vlaamsche vrouw, en uit dit huwelijk werd, den 3^{den} December 1812,
Hendrik Conscience geboren.

Het kind was uiterst zwak en ziekelijk: men geloofde, dat het niet zou
leven. Een Fransche geneesheer, met name Tartare, voorzeide, dat het zou
kwijnen tot zijne zeven jaar; maar dat het zou gered zijn, indien het
dezen ouderdom overleefde. Twee jaren later werd Petrus Conscience een
tweede zoon geboren, zoo groot en sterk als de eerste zwak en lijdend
was.

Op dit tijdstip bezweek de groote Napoleon onder de vereenigde macht der
bondgenooten; en de onderhavenmeester verloor zijn ambt. Als een moedig
man beproefde hij een ander beroep. Zijne echtgenoote hield eenen
kruidenierswinkel. Hij zelf legde zich toe op eenen anderen handel: hij
kocht oude schepen, om ze af te breken en de stukken er van afzonderlijk
te verkoopen. Een weinig later begon hij eenen gelijkslachtigen handel
in oude boeken, bestemd om tot _boterpapier_ te worden verbruikt.

Deze nijverheid, van eenen letterkundigen aard, ten minste door de
stoffen, die zij behandelde, oefende eenen gewissen invloed op de
toekomst van Hendrik Conscience uit. Elken dag hielden gansche wagens
met boeken voor de ouderlijke woning stil; de dichters, de geleerden, de
geschiedschrijvers werden op eenen uitgestrekten zolder neergeworpen, om
er den oogenblik af te wachten, dat men hen tot koffiezakken of
suikerpakjes zou vervormen.

Hendrik Conscience kende geen grooter vermaak dan deze arme bannelingen
der letterkunde in hun treurig verblijf te gaan bezoeken; hij
doorbladerde één voor één al deze boekdeelen, die op voorhand tot eenen
smadelijken dood waren veroordeeld. De bladzijden bleven stom voor hem;
maar de prenten, die tot zijne oogen en tot zijne inbeelding spraken,
openbaarden hem somtijds de geheimzinnige beteekenissen, welke hij
wenschte te doorgronden. Hij hechtte zich bovenal aan de werken over
geneeskunst, over natuurlijke geschiedenis en over verre reizen, om de
eenvoudige reden, dat deze meer prenten en _beeldekens_ behelsden. Zijn
geliefd boek droeg voor titel: _Johan Nieuhofs Gedenkweerdige Zee- en
Landreizen_. Het was een oud foliant, gansch vervuld met beeltenissen
van wilde mannen en vreemde gedierten, en gedrukt te Amsterdam, bij
Jacob van Meurs, in 1682.

Evenwel, gedurende de avondstonden in den huiselijken kring leerde zijn
vader hem de letteren van het ABC onderscheiden, en, bij rassche
vorderingen, kon Hendrik spoedig lezen. Van dit oogenblik verslond hij,
om zoo te zeggen, den vaderlijken boekenstapel.

Ontwikkelde zich zijn geest, zoo goed stond het niet met zijn lichaam,
dat krachteloos en kwijnend bleef. Zooverre reikte welhaast de
verslapping zijner leden, dat hij niet meer kon gaan dan met krukken.
Allengs werd dit middel zelfs ontoereikend, en men zag zich verplicht
den zieken jongen van de eene plaats naar de andere te dragen. Hij
bracht alsdan dagelijks vele uren door, in een hoogen stoel met kussens,
achter het venster, droevige en zwijgende aanschouwer van de spelen der
andere kinderen, die onder zijnen treurigen blik in vrijheid en in
vreugde hunne lichaamskrachten ontwikkelden.

Zoo het meesttijds gebeurt, had Consciences moeder eene groote
voorliefde voor datgene harer kinderen, dat ziek en lijdend was. Zij
leerde hem eenvoudige gebeden, sprak hem veel van Gods goedheid en
vertelde hem, honderdmaal opnieuw, allerlei aardige vertelsels, welke
het kind met vurige gretigheid aanhoorde, vooral als zij van wonderbaren
of bovennatuurlijken aard waren.

De arme moeder, overtuigd dat haar zoon eenen zekeren dood was
toegewijd, en hem willende bereiden tot het uiterst oogenblik, sprak hem
onophoudend van den schoonen hemel daarboven, en maakte hem van dit
ander vaderland de eenvoudigste, maar tevens de verleidendste
schilderingen. Het was een prachtige lusthof vol schoone boomen, waarvan
men naar begeerte de blozende vruchten mocht plukken; het waren
vlietende beken, helder als kristal, waarop lieve bootjes vol kinderen
wiegelend dreven. Daar speelden men met de engelen; daar hoorde men
onverpoosd eene onzeglijk schoone muziek; daar was men nooit ziek; daar
kende men verdriet noch smart; men was er licht als een vogel, want men
had er vleugelen, en men werd er zelf een engel; en de goede God
wandelde door den schoonen hof en deelde glimlachend suikergoed uit, zoo
lekker en zoo zoet, dat het niet te zeggen is. Bij deze schildering zag
het kind met verbazing zijne moeder de woorden uit den mond, en wenschte
innig om het oogenblik van zijn vertrek naar het andere vaderland, dat
men zoo prachtig en zoo verleidend voor zijne inbeelding schetste.

Omtrent den ouderdom van zeven jaar gebeurde er, volgens de voorzegging
van M. Tartare, een beslissende omkeer in de gezondheid van Hendrik.
Zonder sterk te worden, kreeg hij allengs het gebruik zijner leden
terug, en kon leven als de andere kinderen zijner jaren. Hij trad alsdan
met zijnen broeder in eene lagere school en deed er zulke snelle
vorderingen, dat hij welhaast zijne medeleerlingen vooruitstreefde. Op
hetzelfde tijdstip trof hem een groot ongeluk: de dood ontrukte zijne
goede moeder aan zijne liefde...

Zijn vader, onder wiens leiding hij nu zou opgroeien, had gansch
bijzondere gedachten over de opvoeding der kinderen. Hij meende, dat men
zooveel mogelijk hunnen geest evenals hun lichaam zich moet laten
ontwikkelen door eigene ondervinding en eigene krachten.

Hendrik had diensvolgens eenen vrijen loop en kon naar lust tusschen de
straatjongens der wijk zich mengen, des daags met hen op de naaste
markten spelen, of ze des avonds op den keldermond der ouderlijke woning
rond zich verzamelen, om er op beurt _vertelsels_ te vertellen. Wat men
hier verhaalde, was niet van _Blauwbaard_, van het _Ezelsvel_, of van
eenige andere volksvertellingen, uit Fransche boeken vertaald. Het waren
meest legenden en overleveringen, gehecht aan eenig gebouw of straat der
stad. Het spreekt van zelf, dat spoken, tooverheksen, mirakels en
allerlei bovennatuurlijke wezens en voorvallen daarin eene voorname
plaats bekleedden, en dat er elken avond van het nationale spook der
Antwerpenaars, _de Lange Wapper_, iets wonderbaars of iets schrikkelijks
werd verteld. Men kan wel vermoeden, dat Hendrik, wiens verbeelding
gedurende zijne lange kwijnziekte zich bovenmate had ontwikkeld, de
beste verteller en de schilderachtigste spreker was.

Gedurende twee jaren was Hendrik insgelijks een ijverige bezoeker van
den _Polichinellenkelder_ of het Antwerpsen marionettenspel, waar men
voor eenen stuiver op de eerste plaats werd toegelaten en de vertooning
kon bijwonen van _Doctor Faustus, Ourson en Valentyn, Genoveva van
Brabant_ en vele andere treurspelen uit de middeleeuwen.

Terzelfdertijd besteedde Hendrik al zijn speelgeld om één voor één zich
al de verhalen aan te schaffen, welke men _Blauwe boeken_ noemt, als:
_Fortunatus beurze, Reinaert de Vos, de Vier Aymonskinderen, Malegys, de
Vrouwenpeirle_, enz. Al zijne gedachten strekten naar het wonderbare, al
zijn lust vestigde zich op verhalen van een fabelachtigen of
bovennatuurlijken aard.

De lichaamszwakheid van Hendrik, die niet was verdwenen, alhoewel zijne
gezondheid was verbeterd, stelde hem, tegenover de makkers zijner
kindsheid, in eenen staat van minderheid en onderwerping, die zwaar op
zijne inborst woog en hem eene uitzonderlijke vreesachtigheid
inboezemde. Overtuigd van deze lichamelijke minderheid, poogde hij niet
haar te loochenen of er tegen op te staan. Wanneer hij weenende te huis
kwam, met een blauw oog of eenen bloedenden neus, dan gaf zijn vader, de
fiere zeeman, hem den raad zich te verdedigen, in stede van om zoo
weinig als een meisje te krijten; maar Hendriks vredelievende inborst
werd er niet door gewijzigd en nooit ontstond in hem de bekoring om
opnieuw de tegenstrevers te gaan uitdagen, wier overmacht hij lijdzaam
erkende. In alle ander geval nochtans toonde hij moed en zelfs
vermetelheid; hij zwom in de Schelde als eene waterrat, waagde zich op
het ijs, wanneer niemand den voet er op zetten durfde, en klom als een
eekhoorn op alles, wat maar eenigen kans aanbood om den hals te breken.
Maar de _mensch_, de sterke mensch, was een wezen, voor welks oogslag
hij zich altijd vreesachtig bukte en welks gramschap hij nooit durfde
verwekken of trotsen.

"Ofschoon ik later," zegt hij zelf, "als man, mij van de menschenvrees
bijna geheel heb ontdaan, gevoel ik nu nog dikwijls, dat deze springveer
hare kracht op mijn doen en laten uitoefent. Het _ik_, voor zooveel men
alleenlijk de eigene inborst bedoele, is niets anders dan het geheel der
indrukken, die men in zijn eerste kindsheid heeft ontvangen; en hoezeer
eene latere opvoeding en latere voorvallen den mensch wijzigen, het kind
blijft immer van binnen in hem voortleven."

Wij hebben op dit zonderling feit aangedrongen, omdat het tot verklaring
dient van vele gebeurtenissen, die in Consciences levensbeschrijving
zijn verhaald, en die anders moeilijk zouden uit te leggen zijn.

Hendrik was tien jaar oud geworden, toen zijn vader eensklaps het
voornemen opvatte om de stad te verlaten en buiten in de volledigste
eenzamheid te te gaan leven. Petrus Conscience verkoos ten dien einde
eene plaats te midden der velden, _de Groene Hoek_ genaamd, ongeveer een
kwartuurs van de Borgerhoutsche Poort gelegen. Die streek, waar men nu,
ten gevolge van het openen der ijzeren banen, vele huizen heeft
gebouwd, was alsdan zeer eenzaam. De vader bouwde daar een soort van
kluis, te midden van eenen grooten tuin, en bracht er zijne woning over.
Daar leefden zijne zonen in eene schier volstrekte afgezonderdheid. Hun
vader was dikwijls afwezig en soms vele dagen op reis voor zaken van
zijnen handel, dien hij nog niet had verlaten. Hendrick Conscience en
zijn broeder verdeelden onder elkander den arbeid van de huishouding en
van den hofbouw. Slechts elken Zaterdag kwam eene oude vrouw hunne taak
verlichten en het grove werk der week afdoen. Wat de eigenlijke
opvoeding der beide jongens betreft, daarvan was geen spraak meer. "God
en de Natuur," zegt Conscience zelf, "werden voortaan onze eenige
meesters."

Op deze wijze verliepen er drie jaren, drie jaren van eenzaamheid en
droomerij, gedurende dewelke Hendrik, van alle speelgenooten verwijderd,
niets meer had om zijnen geest bezig te houden dan het gezicht der
werken Gods. Laten wij hem zelven den invloed beschrijven, door dit
prachtig schouwspel op zijn gemoed uitgeoefend.

"Het is dáár, in de kluis _ten Groenen Hoek_," zegt hij, "dat in mij een
innig gevoel der natuurschoonheid ontstond. Toen ik, bij het aanbreken
der Lente, voor de eerste maal er ontwaakte, was alles, wat mij
omringde, geheel nieuw voor mij. Ik voelde de zoele lucht mij in de
longen dringen; ik zag de dauwdruppelen in het hart der bloemen
glinsteren, het zonnelicht tusschen de kruiden spelen, de zingende
vogelen in het geboomte dartelen, duizende diertjes onder mijne oogen
wemelen.... Ik hoorde den nachtegaal zijne liefelijke tonen gorgelen,
het morgenlied van mindere zangers door de ruimte galmen, het gesnor der
werkzame honigbij aan mijne ooren dommelen... Alles, alles rond mij zong
en juichte van levensblijheid, onder eenen blauwen hemel, zoo breed als
mijne gansche wereld en zoo onpeilbaar diep als de oneindigheid zelve!

"Dit aangrijpend schouwspel, de stilte die mij omringde, de eenzaamheid
waarin ik leefde, deden eenen machtigen indruk op mijnen geest; en nu
werd ik in de volle beteekenis des woords een droomer. Ik sleet mijn
leven in eene altijddurende mijmerij, en er ontstond tusschen mij en de
schepsels, die rond mij groeiden en leefden, een soort van onuitlegbare
samenneiging als waren planten en dieren voor mij gezellen en vrienden
geweest, die bewustheid hadden van mijne tegenwoordigheid en van mijne
liefde.....

"Bij zulke beschouwingen zag ik meer in de natuur dan zij werkelijk
bevat, en zij kreeg voor mij, boven hare ware schoonheid nog al de
pracht, haar door eene geestdriftige verbeelding bijgezet. Een gevoel
van eerbiedige bewondering voor het werk des Scheppers groeide in mij,
en niet zelden hief ik den ontstelden blik in de hoogte, om dankbaar op
tezien tot Hem, die alles heeft gemaakt."

Men herkent aan deze woorden des schrijvers de bron, waaraan hij heeft
geput tot het opstellen van het schoone werk _Eenige bladzijden uit het
boek der natuur_. Het is inderdaad gedurende zijn verblijf in de kluis
_ten Groenen Hoek_, dat Conscience den grijsaard heeft ontmoet, wiens
zoet en indrukwekkend beeld zijn gansche werk beheerscht en, met de
poëzie der verbeelding, het tevens de bekoorlijkheid der waarheid
bijzet.

Hendrik leefde te midden dezer indrukken tot op zijn veertiende jaar.

Op dit tijdstip werd de toestand van het huisgezin door eene gewichtige
gebeurtenis veranderd. Vader Conscience werd zijne lange eenzaamheid
moede, ging een tweede huwelijk aan, ofschoon hij reeds zijn zeven en
veertigste jaar had bereikt, verkocht de Muis _ten Groenen Hoek_, en
ging zich metterwoon te Borgerhout, eene gemeente bij Antwerpen,
vestigen. Zijne nieuwe echtgenoote was eene jonge vrouw van vijf en
twintig jaar, goed en eenvoudig van harte, en die, volgens wat
Conscience zegt, voorzag, dat God haar kinderen zou verleenen. Haar
vooruitzicht verwezenlijkte zich inderdaad: haar werden beurtelings
negen kinderen geschonken. Bij den spoedigen aangroei des huisgezins
begon zij, als eene zorgvuldige moeder, de strengste spaarzaamheid in te
voeren, en eischte, dat de beide jongens, die nu groot genoeg waren om
een beroep of ambacht te leeren, wierden opgeleid, om zoohaast mogelijk
hunnen eigen kost te kunnen verdienen, zooals men zegt. In eenen
geheimen raad, waarin naar gewoonte de belanghebbenden niet werden
geroepen, besliste men dat de oudste, die geleerd was, onderwijzer zou
worden, en de tweede, die struisch en sterk was, schrijnwerker.

Er was alsdan in het voorgeborchte Borgerhout eene school, welke onder
de leiding van M. Verkammen, een man, dien Conscience met dankbaarheid
noemt, voor geene van de beste scholen der stad moest achteruitstaan. De
jonge Hendrik werd er heengezonden, eerst als leerling; maar welhaast
werd hij er hulponderwijzer voor de mindere klassen. M. Verkammen nam
belang in zijnen veelbelovenden leerling en gaf hem les in het Engelsch,
met zulk goed gevolg, dat Hendrik zich op weinig tijd in staat vond om
zich met nut van deze taal te bedienen. Later ging hij over naar het
gesticht van den heer Shaw, in de stad, om er zijne kennis der Fransche
taal te volledigen. Eindelijk zijne studiën geëindigd hebbende, werd
hij, op aanbeveling van den heer Shaw, als ondermeester aanvaard in het
gesticht van den heer Delin, waar de kinderen der edellieden en der
voornaamste burgers hunne opvoeding beginnen. Daar werd hij belast met
het onderwijs der mindere klassen. Hij had alsdan den ouderdom van
zestien jaar bereikt. Wij zullen de voorvallen niet beschrijven, die het
verblijf van Conscience in dit gesticht kenmerken. De voornaamste
aantrekkelijkheid van dit verhaal zou slechts kunnen bestaan in de
bevallige eenvoudigheid der beschrijving en in de fijnheid der
opmerkingen, welke men in den oorspronkelijken tekst aantreft. Wij
spoeden ons liever om tot een beslissend tijdstip in het leven van
Hendrik Conscience te geraken.

De omwenteling van 1830 was in Frankrijk losgeborsten. De weergalm er
van deed zich in gansch Europa gevoelen.... Hier laten wij nu het woord
aan den schrijver; hij zelf gaat ons de gebeurtenissen verhalen, die
zijn lot veranderden en zijne loopbaan eene nieuwe richting kwamen
geven.



DE OMWENTELING VAN 1830



I


Ten dien tijde waren België en Holland onder eenen zelfden vorst
vereenigd en maakten het koninkrijk der Nederlanden uit. Zoo was de
toestand sedert 1815.

Langzamerhand was er echter zekere ijverzucht tusschen de beide
broederstammen ontstaan. In de Wetgevende Kamers toonden de Belgische
leden eenen hardnekkigen geest van tegenstand aan het Staatsbestuur. Men
klaagde met bitsigheid, dat de vruchten en voordeelen van het
gezamenlijk leven der beide stammen bijna uitsluitelijk aan inboorlingen
van Holland werden toegeëigend, en dat men de Belgische provinciën
schier als een wingewest behandelde. Twisten over vrijheden en over
Godsdienst kwamen de tweedracht nog aanvuren.

Wat mij betreft, ik wist niets van hetgeen er op het veld der staatkunde
geschiedde; dagbladen kwamen mij nooit onder het oog; en in alle geval,
de twisten en aanvechtingen in de Kamers hadden jaren lang, geen ander
merkbaar doel, dan den invloed van Noord-Nederland op de
Zuiderprovinciën aan te toonen.

Maar toen in Juli 1830 de tijding in België kwam, dat de troon der
Bourbons door eenen zegepralenden volksopstand was verbrijzeld geworden,
dan werd het woord _Vrijheid_ eensklaps met geestdrift uitgesproken en
zelfs tot in de scholen herhaald.

Vrijheid! Hoe moest dit woord niet tot mijn jong gemoed spreken; met
welke onbewuste hoop moest ik het niet begroeten, ik, die sedert vier
jaren mijn leven aanschouwde als eene ondragelijke slavernij! Vrijheid
was voor mij het middel om de gehoorzaamheid aan mijne stiefmoeder te
ontloopen, vrijheid was mijne manwording, de verlossing van het
smachtend schoolleven, mijne opbeuring uit de zielesmait en uit de
vernedering, die mij het leven zoo bitter en zoo somber hadden
gemaakt.....

Meer zeide het woord niet tot mijn gemoed; maar toch, het dreef mij het
bloed naar de hersens, het deed mijnen boezem zwellen; het verbreedde
mijnen gezichtskring op eenmaal, en het toonde mij wel eene onbestemde,
doch tevens eene betere en minder duistere toekomst.

In den nacht van den 25^{sten} Augustus 1830 borst de omwenteling te
Brussel los. De krijgsmacht werd uit de stad gedreven, en het oud
driekleurig Brabantsch vaandel ten teeken van 's volks zegepraal op den
toren van het stadhuis uitgestoken.

Den 23^{sten} September naderde prins Frederik der Nederlanden met een
leger van 10,000 man en overmeesterde de Warande bij het koninklijk
paleis.

Intusschentijd waren uit al de provinciën, maar voornamelijk uit het
Waalsche gedeelte des lands, talrijke opstandelingen komen toeloopen;
ja, zelfs hadden gansche scharen Fransche vrijwilligers zich naar
Brussel begeven. Men was diensvolgens aldaar eenigszins bestand om het
leger van prins Frederik het hoofd te bieden.

Na een hevig gevecht, dat drie dagen zonder verpoozing duurde, werden de
Hollandsche troepen tot den aftocht gedwongen, en begaven zich naar
Antwerpen, waar het sterk kasteel, onder bevel van den ouden krijgsheld
baron Chassé, hun een vast steunpunt aanbood. Zij werden op de hielen
gevolgd door de vrijwilligers van Brussel, en moesten na verschillige
gevechten bij Duffel, Lier en Waelhem hunnen aftocht nog bespoedigen.

Antwerpen had nog geen deel aan den opstand genomen, ofschoon de
gemoederen er hevig aan het gisten waren geraakt. Het gesticht, waar ik
het ambt van ondermeester vervulde, was, evenals alle andere scholen
gesloten; ik bevond mij te Borgerhout in de woning mijns vaders, elken
dag van 's morgens tot 's avonds rondloopend om de geruchten der straat
op te vatten, en hijgend naar de beloofde vrijheid, zonder echter te
beseffen, hoe zij iets tot verandering van mijnen bijzonderen toestand
kon bijdragen.

Op eenen morgen was ik met mijnen broeder in het veld, toen wij
eensklaps uit de verte het doffe gedonder van kanonnen hoorden. Een gil
van blijdschap ontsnaptg ons, terwijl wij in geestdrift uitriepen:

"De Belgen! Daar zijn de Belgen!"

En zonder te weten wat wij deden, liepen wij uit al onze macht in de
richting der gemeente Berchem, van waar het gedommel des geschuts scheen
te komen. Nauwelijks waren wij de brug der Herenthalsche vaart
overgeraakt, of wij zagen niet verre van ons, achter het geboomte, de
rookwolken van eenen grooten brand in de hoogte stijgen. Een oude man,
eene vrouw, en een jong meisje liepen ons kermend voorbij; zij hielden
elk eene koe bij een zeel en dreven de dieren, onder droevig misbaar,
met geweld vooruit. Zoozeer moest hen de schrik getroffen hebben, dat
zij op eene ondiepe plaats der vaart in het water sprongen en hun vee op
den anderen boord brachten, waarna zij even gejaagd in de richting van
Borgerhout wegvloden.

Dit vertoog had eene wijl onze aandacht gevestigd gehouden; doch
zoohaast het verdwenen was, begaven wij ons weder op weg en naderden
eindelijk den brand.

Het was op Zurenborg, tusschen Borgerhout en Berchem; er stond eene
groote hoeve in volle vlam. De obitsen of veldbommen der Belgen hadden
den brand veroorzaakt. Reeds was de stal ten gronde vernield; een
twaalftal half verkoolde lijken van koeien lagen er tusschen de
smeulende puinen van het strooien dak.

Wij vonden eenige Hollandsche soldaten bezig met uit de rompen van het
verbrande vee stukken vleesch te snijden om er van te eten. Mijn broeder
en ik, wij proefden er insgelijks van: het was bitter als gal en smaakte
onzeglijk naar den versmachten rook van stroo.

Daar ik nog het voorkomen had van een kind, en mijn broeder jonger was
dan ik, lieten de Hollanders ons zonder mistrouwen bij den brand staan.
Eén raadde ons vriendelijk aan, de plaats te verlaten, dewijl er gevaar
voor ons leven was; doch wij hingen den held uit en bleven juist, omdat
men ons raadde te vertrekken.

Ondertusschen vloog er nog van tijd tot tijd eene obits over de
brandende hoeve. Wij hoorden geweerschoten bij duizenden, en wel
klaarblijkend waren de beide legers in strijd tegen elkander; maar het
werkelijk gevecht scheen meer naar den kant van Berchem te geschieden.

Het was de heuglijke stond, dat de heldhaftige jonge graaf Frederik van
Merode in de rangen der Belgen doodelijk gewond nederviel...

Eene obits plofte niet verre van ons neder en drong een paar voeten diep
in den grond van een veld; de Hollandsche soldaten navolgende, legden
wij ons ten gronde, totdat de veldbom zou gesprongen zijn.

Na eene lange wijl wachtens richtten de soldaten zich weder op, en ik
hoorde zeggen, dat de wiek of lont der obits was uitgedoofd. Wij
naderden tot de plaats waar ze was gevallen; ik delfde ze met de handen
uit den grond.

Mijn hoogmoed over het bezit der obits was uitermate groot; met dezen
oorlogsbuit op den arm kwam ik bij de Hollandsche soldaten staan, en ik
hief het hoofd met zelfvoldoening in de hoogte, als moest men mij om
mijne stoutheid bewonderen. Weinig acht schenen de Hollanders op mij en
mijne obits te geven; zij stonden nu met geveld geweer achter de muren
der brandende hoeve, en loerden aandachtig in de verte op iets, dat hen
scheen te verschrikken.

Eensklaps hoorden wij de trom met snel geroffel achter een verwijderd
kreupelhout slaan, en onmiddellijk ontplooide zich in de verte eene
schaar mannen met blauwe kielen. Het waren de Belgen, die dezen voorpost
der Hollanders door een hevig geweervuur aanvielen.

De Hollandsche soldaten, te weinig in getal om tegenstand te bieden,
verlieten de hoeve in allerijl; het gezicht hunner vlucht trof ons met
schrik; mijn broeder en ik, die nog altijd de obits in den arm droeg,
wij liepen uit al onze kracht van de hoeve weg, en brachten in
Borgerhout het nieuws van der Belgen zegepraal.

Inderdaad, de Belgen waren in het gevecht te Berchem overwinnaars
gebleven; de Hollandsche krijgsmacht had zich binnen de wallen der stad
teruggetrokken.

Op den middag reeds was een gedeelte der Belgische vrijwilligers
in het gansche voorgeborcht en in de gemeente Borgerhout door
logement-biljetten geherbergd. Ten onzen huize kregen wij twee zeer
jonge Brusselaars, die niets deden dan juichen over de waarschijnlijke
verlossing des lands, en met zulke geestdrift de woorden vaderland,
vrijheid en onafhankelijkheid uitspraken, dat mij, bij het hooren hunner
manhaftige taal, de tranen uit de oogen wilden springen van bewondering.

Een hunner kon geen twee jaar ouder zijn dan ik; hij insgelijks was te
Brussel ondermeester geweest, en de stemming zijns geestes kwam met de
mijne nauw genoeg overeen. Nog denzelfden dag werd hij mijn vriend. Ik
volgde hem waar hij ging; ja, zelfs wanneer hij niet verre van de
stadswallen, achter eene barricade onder een hagel van _biscayens_ op de
Hollandsche soldaten vuurde, bleef ik aan zijne zijde, totdat hij met
mij huiswaarts keerde.

Wanneer men de zoogenaamde _Belgen_ in menigte bijeenzag, leverden hunne
rangen een zonderling vertoog op, waarvan men zich nu geen juist
denkbeeld meer vormen kan. De eigenlijk aangenomen kleederdracht scheen
te bestaan in eenen blauwen kiel, aan hals en armen met dunne roode
koordjes afgezet, en in eene haren klak of muts, waaruit van boven een
gedeelte neerhing als een lakensch puntzakje. Officiers en sergeanten
waren herkennelijk aan een driekleurig lint, dat met eenen strik om den
arm was geknoopt. Evenwel degenen, die dus gekleed waren, vormden de
meerderheid niet; de overigen droegen allerlei kleederen en gewaad:
tusschen frakken, vesten en grauwe kielen, zag men ook hier en daar
eenen Hollandschen soldatenrok of den dolman eens huzaars zich
uitlossen; burgerhoeden, klakken, schako's of kolbaks, ja, zelfs
Waalsche slaapmutsen met roode strepen, kon men boven de scharen der
vrijwilligers zien dooreenwemelen.

Eveneens was het met de wapening dezer mannen. Aanschouwde men eenen
dergenen, die uit eigen middelen zich naar lust had kunnen uitrusten,
dan droeg hij onfeilbaar den voormelden blauwen kiel van fijn linnen en
de haren muts; daarbij had hij lakensche schachten om de beenen, tot aan
de knieën met witte knoopjes gesloten. Zijne wapens bestonden in eenen
uiterst schoonen jachttweeloop met ingesneden versiersels; eene kromme
officierssabel met stalen scheede sleepte hem achterna, en in zijnen
gordel staken twee groote pistolen, elk met dubbelen loop.

Maar op vijfhonderd was er zoo slechts één; de overigen droegen meest
geweren, die men in de Hollandsche kazernen en magazijnen had gevonden,
of welke men krijgsgevangenen en _deserteurs_ had ontnomen; dan, er
waren er insgelijks oneindig velen, die een verroest jachtgeweer,
dikwijls zonder haan of pistool, of eene piek, of eene bajonet op eenen
bezemstok voor eenig wapen hadden.

Niet minder gemengd waren de menschen zelven; men kon in eenen hoop
vrijwilligers, hij mocht dan weinig talrijk zijn, de tongvallen van al
onze provinciën hooren, en zelfs Franschen en Duitschers aan hunne
spraak herkennen.

Al deze mannen waren uiterst vuil en beslijkt; zij schenen op den
slechten toestand hunner kleeding hoogmoed te dragen, en zouden zich wel
gewacht hebben het zwartsel van het buskruid van hun aangezicht te doen
verdwijnen. Ik heb zelfs gezien, dat sommigen zich natgemaakt poeder
rond de lippen wreven, om er nog schrikkelijker uit te zien.

Waar de vrijwilligers te zamen waren, werd onophoudend met geestdrift
gezongen, en men kon uit de verte de galmen hunner strijdhaftige
blijdschap boven de huizen hooren vlotten. Soms zongen zij het
Brabantsch omwentelingslied _la Brabançonne_; doch meesttijds was het de
krijgszang van den Parijschen opstand, met het referein:

En avant! marchons
Contre leurs canons;
A travers le fer, le feu des bataillons,
Courons à la victoire!

De _Marseillaise_ hoorde men zelden.

Het ware den Belgischen vrijwilligers nimmer mogelijk geworden, door
eigen macht binnen de sterke vesting te geraken; doch terwijl zij van
verre geweerschoten tegen de wallen losten en door de _biscayens_ en
_kartetsen_ der Hollanders nutteloos eenige mannen verloren, was het
volk binnen Antwerpen zelf in opstand geraakt.

Des morgens was ik met mijnen vriend, den Brusselaar, op
St.-Willebrords, niet verre van de barricade, die dicht bij de stad,
omtrent de danszaal _De Gouden Appel_, opgeworpen was. Wij hielden ons
schuil achter de huizen der straat. Den ganschen nacht had men in de
stad een hevig geweervuur gehoord, en klonk het er nog met meer
aanhoudendheid.

Ik had een pistool, dat weleer eenen Franschen dragonder had toebehoord,
en dat ik te huis had weggenomen. Nu stond ik te midden der Belgen; ik
sprak en juichte van vrijheid en van vaderland, als hadde ik aan al de
gevechten van Brussel, van Waelhem en van Berchem deelgenomen. Niemand
vond het kwalijk of ongerijmd, dewijl men elkander tusschen zulken
bijeengeraapten hoop menschen onmogelijk kon kennen.

Ten huize van mijnen vriend Jan De Laat moest een voornaam overste
geherbergd zijn; want ik zag, hoe alle oogenblikken lieden met brieven
daar uit- en ingingen, en eindelijk, toen de tijding zich verspreidde,
dat de Antwerpenaars, twee der stadspoorten hadden vermeesterd, werd
insgelijks, zoo het mij toescheen, uit de woning van De Laat het teeken
gegeven tot het roffelen van het _appel_.

Al de Belgen, welke in ons voorgeborcht zich bevonden, liepen te zamen.
Met ontrolde Vaandels trok hunne verwarde schaar stadwaarts op. Mijn
vriend, de Brusselaar, was een waaghals; alhoewel wij nog niet goed
wisten, hoe wij zouden worden ontvangen, deed hij geweld om vooraan te
blijven; ik verliet hem geen oogenblik en liep als een ander held, met
mijn groot pistool in de vermoeide vuist, juichend nevens zijne zijde.

Toen wij op de stadsbruggen waren, zagen wij nog Hollandsche soldaten
boven over de Borgerhoutsche poort, langs de binnenwallen naar het
kasteel optrekken. Wij kwamen echter, zonder ernstigen tegenstand te
ontmoeten, binnen de stad, en werden er jubelend ontvangen door de
gewapende Antwerpenaars, die de Hollanders tot den aftocht hadden
gedwongen.

Nevens de poort, op den hoek der straat die men _Meulenberg_ noemt,
stond een hoop arme vrouwen te juichen en _leven de Belgen!_ te
schreeuwen; zij schenen dol of dronken. Onder dezen kreeg een leelijk,
oud wijf mij in het oog. Mijne uiterste jonkheid boezemde haar
waarschijnlijk bewondering of medelijden voor mij in; want zij sprong
met de twee armen vooruit op mij toe en riep:

"Ach, mijn klein Belgsken-lief! Kom hier, kind, u moet ik toch eens
kussen, al stond er de koning bij!"

Zij sprong mij zoo vurig en zoo woest aan den hals, dat ik, onder het
onverwacht geweld zwichtend, met wijf en al op den rug ten gronde viel
en mij ter dege aan het achterhoofd bezeerde.

Mijn vriend, de Brusselaar, verjaagde het dolle mensch en hielp mij te
been.

Op dit oagenblik bracht men het lijk eener Hollandsche marketentster
van boven den wal; bloed stroomde nog over hare kleederen, en het
jenevertonneken sleepte aan zijne riemkens haar achterna.

Deze vrouw was, bij het wegvluchten der laatste Hollandsche soldaten,
een eind achteruitgebleven; zij liep boven de poort voorbij, juist toen
de vrijwilligers begonnen er onder door te komen. De eersten, die haar
zagen, wilden niet op eene vrouw schieten; doch de marketentster keerde
zich om, toonde hun den rug, en met de hand er op slaande, deed zij een
alsdan bekend teeken van verachting en spot. Een geweer mikte op haar,
en de stoute vrouw viel ten gronde; een kogel was haar door het hart
gegaan.

Het gezicht van het lijk weerhield ons een oogenblik; dan volgde ik
mijnen vriend den Brusselaar naar de Groote Markt, waar al de geweren
ten teeken van vreugde werden afgeschoten, onder aanheffen van een
onbeschrijfelijk geschreeuw en gejubel.

Mijn vriend beweerde, dat ik ook schieten moest, en om mij dit mogelijk
te maken, laadde hij mijn groot pistool, dat misschien sedert Napoleons
tijd nog geen vuur had gezien.

Hij gaf het mij in de hand en leerde mij, hoe ik den arm gebogen moest
houden, om het stooten van het wapen te voorkomen. Ik deed wat hij zeide
en loste stoutelijk den slag. Hoe het kwam, weet ik niet; maar het
pistool gaf een machtigen knal en rukte mij, als het ware, het gansch
gebeente uiteen. Mijn elleboog en schouder deden mij zoo zeer, dat mijn
vriend meende te barsten van lachen bij de pijnlijke en droeve
gezichten, die ik trok.

De smart verminderde echter spoedig. Wij bleven op de markt; de burgers
brachten voedsel en drank aan, en ik at uit éénen pot met mijnen vriend.

Omtrent twee uren na den middag gingen wij over de Graanmarkt, waar men
bezig was met het _arsenaal_ uit te planderen. Ik zag er allerlei lieden
komen uitgestroomd, elk met een nieuw geweer op den schouder; en dewijl
het bezit van een nieuw geweer mijn innigste verlangen was, verzocht ik
den Brusselaar met mij er binnen te gaan, om te beproeven, of ik
insgelijks een wapen zou kunnen bekomen.

Na lang dringen en stooten geraakte ik in een magazijn, waar vele lange
houten kisten opeengestapeld lagen; uit eene van deze nam ik een geweer.
Mijnen vriend zag ik niet meer omtrent mij; hoezeer ik ook in het
arsenaal rondzocht, ik kon hem niet meer vinden.

Bij den ingang van het gesticht staande, schouwde ik met angst op de uit
en instroomende menigte; en toen ik na een uur wachtens mijnen vriend
nog niet had gezien, zou ik wel van verdriet geweend hebben. De
Brusselaar was mijn moed, mijne macht, mijne hoedanigheid van man; nu ik
hem had verloren, was ik weder een kind geworden, dat nog niet tot de
hoogte zelfs van eenen omwentelingssoldaat was opgegroeid.

Eene bijzonderheid, die ik na eerst aan mijn geweer en aan al de geweren
uit het arsenaal bemerkte, was, dat de Hollanders, vóór hunnen aftocht
naar het kasteel, al de hanen er van hadden medegenomen; en zoo liepen
er dus eene menigte mannen in de stad rond met vuurwapens, die tot
schieten onbekwaam waren.

Terwijl ik nog altijd voor het arsenaal stond en innerlijk God bad, dat
Hij mij toch zou toelaten den Brusselaar weder te vinden, hoorde ik van
verre doffe kanonknallen en welhaast daarop klonk over de stad de
akelige noodkreet: "het bombardement! het bombardement!"

En inderdaad, toen de Belgen, ondanks zeker wapenbestand, dat er
gesloten was geworden, dicht onder het kasteel verschenen en daar, bij
het einde der Kloosterstraat, een arsenaal wilden overrompelen, dat nog
eene Hollandsche bezetting in had, dan gaf baron Chassé bevel om de stad
met bommen en gloeiende kogels te beschieten. De talrijke
oorlogsschepen, die in de Schelde voor de Werf op stroom lagen, voegden
hun vuur bij dat des kasteels en der forten, en zoo werd Antwerpen in
alle richtingen met verbrijzelende kogels of brandstichtende bommen
overdekt.

Zonder op het gevaar te letten, dwaalde ik tot den laten avond van de
eene straat naar de andere, over alle plaatsen en markten, met mijn
geweer zonder haan op den schouder, om, indien het mogelijk ware, mijnen
vriend den Brusselaar te ontdekken. Ik vond hem niet en heb hem zelfs,
sedert het oogenblik onzer scheiding in het arsenaal, nooit meer gezien,
hetgeen mij doet vermoeden, dat hij dien dag aan de Werf of in de
Kloosterstraat moet gesneuveld zijn.

Te elf uren des avonds bevond ik mij op de Groote Markt, omtrent de
Hoofdwacht. Het bombardement was alsdan op het hevigst: de stad scheen
te daveren onder de ontzaglijke losdondering van het geschut der
oorlogsschepen. Van uit den grond des kasteels gingen menigvuldige
bommen in de hoogte en beschreven haren tragen loop door het ruim, om op
de eene of andere markt te barsten en alles rondom zich te dooden of te
verbrijzelen. Men hoorde de eenzame stilte der straten soms eensklaps,
bij het springen eener bom, door een vervaarlijk gerinkel vervangen: al
de ruiten der huizen vielen door den feilen schok in gruis ten gronde.

's Rijks Entrepôt of Handelsstapel, waar voor millioenen en millioenen
goederen van alle natiën geborgen waren, stond in vollen brand; de oude
Sint-Michielskerk werd insgelijks door het vuur verslonden; tot boven
haren toren golfden de reusachtige vlammen als eene gloeiende zee,
welker roode baren door den wind werden voortgezweept. Wolken gensters
en gansche brokken vuur dreven als een stroom uit den vulkaan, waarin de
koopwaren, uit al de streken der wereld samengevoerd, met ijselijk
gebruis lagen te koken en te branden. De hemel was als met bloed
geverfd; men kon in de verlatene straten alles in een vaal en akelig
licht onderscheiden. Een gewisse ondergang scheen der gansche stad
beschoren!...

Op dit oogenblik kwam een overste bij de Hoofdwacht roepen: "Mannen van
goeden wil! _Des hommes de bonne volonté_."

Zoo riep men telkens, wanneer men mannen noodig had, om ergens hulp te
brengen. Er was nog geene inrichting, en ieder deed wat hij wilde.

De overste zeide, dat er achter het stadhuis, nog drie _caissons_, dat
is wagens met buskruid, stonden, en men deze noodzakelijk ter stad uit
moest voeren, wilde men ze niet in de lucht zien springen.

Ik bood mij aan met eenige anderen; wij stapten nevens de caissons en
de paarden voort, als eene wacht tot beschutting aangesteld.

Zonder hinder kwamen wij tot omtrent de Borgerhoutsche poort; maar dan
werd het ons onmogelijk door de saamgepakte menigte te geraken, die
huilend en kermend bad en smeekte om de stad te mogen verlaten.

Als gewapend krijgsman drong ik door het volk en naderde de poort om te
zien, wat er geschiedde.

Daar trof mij een schouwspel, dat ik nimmer vergeten zal. Ik zag er
moeders met zieke wichtjes in den arm, oude afgeleefde vrouwen en
grijsaards, kinderen in menigte, allen geknield, met de handen biddend
opgestoken en met tranen in de oogen de wacht smeeken, dat men toch de
poort voor hen zou openen. Zij boden geld en goud in overvloed, en
sloegen met schrik en afgrijzen den blik terug in de stad, van waar het
bloedroode licht van den vuurgloed hun in de oogen glinsterde.

Eenigen werden in mijn bijzijn de stad uitgelaten; doch toen, op verzoek
van onzen overste, de poort eindelijk wagenwijd werd geopend om onze
caissons door te laten, sprong een blijde schreeuw uit de menigte
op,--en allen, mannen, vrouwen, kinderen, zieken en kreupelen, stroomden
juichend en God om zijne genade dankend de poort uit.

Hoe er geenen onder onze wagens verpletterd werden, is mij
onbegrijpelijk; want, om niet door de wachten teruggedreven te worden,
kropen er velen op handen en voeten tusschen de wielen en tusschen de
paarden onzer caissons.

Ten einde een denkbeeld te geven van den onmatigen schrik, die de
Antwerpenaars bevangen had, zal ik hier terloops een feit verhalen,
waarvan de getuigen nog leven.

In de Lange Nieuwstraat, ten huize van een kuiper, hielden de lieden
zich gedurende het bombardement in hunnen kelder verborgen, toen een bal
of eene bom niet verre van daar, in de Cellebroedersstraat, eene schouw
afwierp. Het gerucht, dat uit den val der steenen op de daken ontstond,
verschrikte de verborgene lieden zoozeer, dat zij den kelder in allerijl
verlieten, hem toesloten, de stadspoort uitvloden, en uren en uren verre
bleven gaan, vooraleer zij zich in veiligheid dorsten wanen. De arme man
werd eerst na achtenveertig uren uit den kelder geholpen door
voorbijgangers, die zijn gekerm hadden gehoord.

Uit de stad geraakt zijnde, brachten wij onze caissons door het
voorgeborcht op eene vlakte, het Borgerhoutsveld genaamd, en stelden ze
daar tusschen eene kleine herberg en den hoogen, steenen molen.

Men riep ons in de herherg om elk zijn nummer te geven en de wachtbeurt
te regelen. Ik verstoutte mij, op de vraag des oversten eene
vreesachtige aanmerking te maken over de wegen, welke op dit veld
uitkwamen. Een der vrijwilligers, ik geloof, dat hij een Antwerpenaar
was, aanschouwde mij met misprijzen en riep, terwijl hij met de kolf van
zijn geweer ten gronde stampte:

"Wat meent die _blano-bec!_ Ik wil met geene kinderen ter wacht zijn!"

En mij onder het lachen der anderen mijn geweer ontnemende, zeide hij:

"Ga naar huis, manneken, bij uwe moeder, en vraag...eene borst!"

Zonder iets op deze vernederende scherts te antwoorden, verliet ik het
wachthuis met verbroken hart. Hadde ik de stoutheid gehad om tegen den
spotter in te gaan en mijn recht ter verdediging van het vaderland te
doen gelden, men hadde mij waarschijnlijk geëerbiedigd en gelijk
gegeven; doch het lag in mijne inborst, voor den _mensch_ immer te
zwichten, wanneer hij zich als persoon dreigend tegenover mij stelde.
Het moge onuitlegbaar schijnen, het is echter zoo; tegen vuur, kanonnen
en alle stoffelijke gevaren kon ik staan zonder merkelijken schrik; maar
den _mensch_ alleen vreesde ik als een wezen, voor hetwelk ik altijd
moest wijken. Dit gevoel lag in mij sedert mijne eerste kindsheid, omdat
mijne lichamelijke macht te verre beneden de strekking en de begeerten
van mijn hart en van mijnen geest gebleven was. Mijne zonderlinge
opvoeding had ook niet weinig bijgedragen om mijne _menschenvrees_ te
doen aangroeien.

Met den boezem opgekropt van verdriet en schaamte, treurende om het
verlies van mijnen vriend den Brusselaar, sukkelde ik langzaam naar
mijns vaders woning, die ik gansch met gevluchte lieden vond opgevuld.
In al de kamers lag het beddegoed tusschen busselen stroo uitgespreid.
Wel dertig stedelingen zouden ten onzent eene schuilplaats en herberge
vinden.

Zoo was het in alle huizen, stallen en schuren rondom Antwerpen; de
dorpen, tot op vijf uren afstands, krielden van Antwerpsche
huisgezinnen.

Ik kreeg van mijnen vader eene harde berisping, omdat ik zoo lang
uitgebleven was; doch wanneer ik in tegenwoordigheid der vreemde gasten
vertelde, wat ik had gedaan en gezien, dan verkalmde mijns vaders
gramschap, en hij vond het braaf, dat ik zooveel onverschrokkenheid had
getoond.

Het bombardement was denzelfden nacht nog opgeschorst geworden, ten
gevolge van eenen wapenstilstand, waarvan baron Chassé zelf de
voorwaarden had bepaald. Deze liepen echter meest daarop uit, dat het
kasteel, de schepen en de forten, benevens het Vlaamsche Hoofd over de
Schelde in het rustig en onverstoord bezit der Hollanders zouden worden
gelaten, zoolang het wapenbestand door geene der beide partijen zou
worden opgezegd.

Des anderen daags was ik uiterst treurig. Mij vloeiden allerlei
zonderlinge gepeinzen door het hoofd; ik mijmerde van schitterende
wapenfeiten en van oorlogsroem: soms zag ik mij zelven in
tegenwoordigheid des vijands op het oogenblik van den aanval; ik hief
het zwaard in de hoogte, en mij vooruitwerpende, riep ik al mijne
makkers tot heldenmoed op. Dank aan mijne welsprekendheid, werd de
vijand geslagen, en iedereen in het Belgisch leger bewonderde den
zwakken jongen, die zooveel manhaftigheid had getoond.

Na zulken droom kwam de onttoovering. De held herinnerde zich, dat hij
gisteren nog zijn geweer zonder tegenspraak zich had laten ontnemen, en
dat men hem spottend had gezegd: "Ga naar uwe moeder, manneken!"

Dan overwoog ik zeer ernstig, dat de waarde van den mensch niet zelden
afhangt van het tijdstip zijner geboorte; want indien ik tien jaren
vroeger ter wereld ware gekomen, niemand zou mij nu de hoedanigheid van
_man_ betwist hebben, en ik hadde kunnen beproeven, of er waarlijk eene
heldenziel in mijnen boezem leefde. Het einde dezer gepeinzen was, dat
ik voor eenen spiegel mij van hoofd tot voeten beschouwde, en mijn
gelaat zoo streng als mogelijk plooide. Ik erkende zelf dat er nog veel
_kind_ in mijne uiterlijke gedaante stak; en van spijt ten gronde
trappelend, betreurde ik het ongeluk van zoo klein te zijn.

Evenwel, de denkbeelden van oorlogsroem ontstonden immer opnieuw in mijn
hooid. Ik was eenen gansenen dag _man_ geweest; die herinnering was te
verleidend om mij niet onweerstaanbaar tot zich terug te lokken.

Dienzelfden dag nog zeide ik aan mijnen vader, dat ik soldaat wilde
worden, om voor de vrijheid van mijn vaderland te strijden; hij poogde
mij te doen begrijpen, dat ik nog te jong was; doch ik hield mijn
voornemen staande. Waarschijnlijk geloofde hij aan mijne beslissing
niet; want hij verliet mij met eenen glimlach van schertsenden twijfel,
die alleen genoegzaam was om mij te ontmoedigen en mijne krijgsdroomen
in rook te doen vergaan.

Vier dagen nog bleef ik besluiteloos ronddwalen, met nijd en begeerte de
_Belgen_ aanziende, die door ons voorgeborcht trokken, om zich naar de
Hollandsche grenzen te begeven. Mij was geboodschapt geworden, dat ik
ten huize van den heer Delin komen moest, om er mede te helpen tot het
schikken der school, die tijdens het _bombardement_ gansch het onderste
boven was geraakt.

Zoohaast ik de poort mijner schole zag, ontstond er eene opbruising in
mijn bloed;--daar binnen was mijne gevangenis.....en ik hoorde het woord
_vrijheid_ in tooverende galmen uit al de straten der stad mij
tegenklinken!

Het was laat in den namiddag, toen ik, half dwaas in het hooid, de
schole verliet en vol gepeinzen naar het Groen kerkhof en naar de Groote
Markt dwaalde, in de hoop van er Belgen te zien.

Op de laatstgenoemde plaats bemerkte ik een huis, voor welks venster in
groote letteren stond geschreven: _Bureau d'engagement._

Een gansch uur bleef ik, met den blik op dit huis gevestigd, roerloos
staan. Eene onbeschrijfelijke ontsteltenis had mij aangegrepen; mijn
boezem hijgde, mijn hart klopte onstuimig, mijne wangen gloeiden. Er
werd in mijn binnenste een koortsige strijd geleverd: ik kon soldaat
worden en aldus het onbetwistbaar recht aanwinnen om als man de wapenen
voor de vrijheid te voeren;--maar mijn vader, zou hij wel toestemmen in
deze daad?... Ik zag hem in den geest voor mij staan; zijn strenge blik
ontnam mij allen moed; zijn ontzaglijk woord deed mij beven.... Dan weder
herinnerde ik mij al de wonden, door schaamte in het hart geslagen, en
ik overwoog met angst, dat mijne schole weder ging geopend worden. Mijne
ziel murmelde van vrijheid, mijn geest droomde van roem en van groote
daden. Onder de toovermacht van zulke aandoening, bezweek eindelijk
mijne vrees, en ik trad sidderend het bureel binnen.

Vier of vijf officieren, waaronder een kapitein met name Fichaux,
stonden er voor eenen lessenaar. Op mijne aanvraag liet men mij eene
dienstverbintenis voor _twee jaren_ teekenen, die men mij, vier maanden
later, in eene nieuwe voor _vijf jaren_ deed veranderen.

Mijn ouderdom was alsdan tusschen de zeventien en achttien jaren.

Ik kreeg een logement-biljet voor het huis van M. Van Erthorn, op de
Kleine Markt, waar slechts een knecht en eene dienstbode zich bevonden.

Hier vroeg ik pen en papier en begon aan mijnen vader eenen brief te
schrijven, waarin ik hem meldde, dat ik als _vrijwilliger onder de
Belgen_ voor twee jaren had geteekend; ik vroeg hem verontschuldiging,
indien deze beslissing hem mocht mishagen, en sprak oneindig veel van
vrijheid en van de plichten jegens het vaderland. Ik eindigde met een
teeder vaarwel, hem tevens aankondigende, dat ik des anderen daags, vóór
den middag, met vele andere vrijwilligers naar de grenzen zou
vertrekken.

Na een rusteloozen nacht stond ik op met het krieken van den dag; ik
bezat een guldenstuk, dat mij door eenen der vluchtelingen ten onzen
huize was geschonken. Voor dit geld kocht ik van eenen _Belg_ eene oude
sabel zonder scheede en eene patroontasch zonder draagband. Dit laatste
kruistuig hing ik met een koord over den schouder; een dun lederen
riemken bevestigde de sabel aan mijne zijde.

Dus aangetakeld, wandelde ik de stad op en neer, met het hoofd in de
hoogte en het hart vol blijde fierheid. Belachelijk was alsdan zulke
uitrusting niet; er liepen er oneindig velen, die zelfs niet hadden dan
een groot mes of eene Hollandsche schako, om te toonen, dat zij in
dienst des vaderlands waren getreden.

Mijne hoedanigheid van wettig soldaat, welke niemand mij nu betwisten
kon, gaf mij een groot vertrouwen; en toen het tien uren sloeg, ging ik
op het Groen kerkhof zonder schroom in de rangen der vrijwilligers
staan, die evenals ik moesten worden ingelijfd in de nieuwe compagniën,
om eenige uren later naar de grenzen te vertrekken.

Terwijl men bezig was met het oproepen der namen, beving mij eensklaps
een hevige schrik; mijn vader wandelde in de verte over en weder op de
plaats, en keerde het hoofd naar alle zijden, ongetwijfeld om mij te
ontdekken. Ik zag aan de strengheid van zijnen blik en aan het plooien
zijner lippen, dat hij diep was verstoord.

Mij zoo klein makende als het mogelijk was, hoopte ik aan zijnen
zoekenden oogslag te ontsnappen, toen men onverwachts mijnen naam
opriep. Mijn vader had het gehoord en kwam rechtstreeks naar de plaats,
waar ik stond.

Mij bij het oor grijpend, alsof ik geen soldaat ware geweest, trok hij
mij, in het gezicht mijner makkers, uit de rangen en zeide bevelend:

"Kom, volg mij!"

Ik meende van schaamte te sterven; doch ik was dermate gewoon mijnen
vader te eerbiedigen, dat ik met gebogen hoofd hem achterna ging tot
voor het _Paleis van Justitie_, waar hij staan bleef en mij bitterlijk
en met luider stemme berispte over hetgeen hij mijn ontloopen uit het
ouderlijk huis noemde. Hij beweerde, dat mijne dienstverbintenis van
geener waarde was, en wilde mij mede naar huis hebben; doch mijn smeeken
scheen hem eindelijk te overwinnen. Dan veranderde hij eensklaps van
gedachten.

"Het is geene gekke daad van uwentwege?" vroeg hij. "Wat gij gedaan
hebt, is het gevolg van een rijp beraad? Welaan, strijd voor uw
vaderland. Het soldatenleven zal u misschien goed doen, en daarbinnen
uit uw hoofd de droomen doen verhuizen, die u beletten _man_ te worden.
Komaan dan, ik zal u eenen kiel en eene haren muts koopen, dat gij ten
minste aan uwe kameraden gelijkt."

Ditmaal was mijn vader mild met mij; hij kocht mij eenen fijnen kiel met
roode boordsels, eene schoone haren muts en eenen verlakten gordelband.

Terwijl men op het Groen kerkhof nog immer bezig was met de nieuwe
compagniën te vormen, wandelde ik met mijnen vader over en weder. Hij
legde mij uit wat het soldatenleven is, en poogde mij op voorhand te
wapenen tegen de wederwaardigheden, welke ik er zou ontmoeten. Onder
anderen zeide hij:

"Ziet gij wel, karakters als het uwe zijn voor het krijgsleven niet
gevormd: gij zijt te teergevoelig. Een zacht woord maakt u blijde, maar
ook een hard woord maakt u diep ongelukkig. Wanneer u iets onaangenaams
wedervaart, loopt gij er dagen lang mede in het hoofd, en, droomend,
overdrijft gij alles. Van deze gewoonte moet gij u ontdoen, en u bestand
maken tegen de schijnbare ruwheid uwer gezellen en oversten. Overtuig u
op voorhand, dat de soldaten, ook de officieren, meest altijd de
krachtigste woorden bezigen tot het uitdrukken der gewoonste dingen.
Indien gij dit uit het oog verliest, zult gij u dagelijks tienmaal
gewond gevoelen, wegkruipen, droomen en treuren. Het is tijd, dat gij
_man_ wordt, vermits gij mannendaden wilt doen."

Een geroffel der trom brak eindelijk mijns vaders wijze raadgevingen; de
vrijwilligers gingen vertrekken.

Toen mijn vader tot vaarwel mij in de armen drukte, murmelde hij nog:

"En Hendrik, gedenk immer het spreekwoord: _ieder is het kind zijner
eigene werken_. Van nu af is uw lot in uwe handen; het zal zijn, wat gij
het zelf zult maken."

De tranen stonden hem in de oogen; ik weende snikkend en voelde zijnen
laatsten handdruk schier niet.

In mij stond de gedachte om hem te volgen en den soldatendienst te
ontvluchten; doch nu begonnen de trommen den marsen te slaan, en ik zag
de compagniën zich bewegen om te vertrekken. Met het aangezicht nog nat
van tranen, liep ik in mijn gelid ... en weg was ik naar de grenzen!



II


Wij bleven eenige dagen te Oostmalle, op vijf uren gaans van Antwerpen.
Hier kwam mijn vader mij bezoeken, met het inzicht om de bescherming
mijner officiers voor mij in te roepen. Hij bleef lang in gezelschap met
den overste onzer compagnie, die een Franschman was, en sprak
waarschijnlijk met hem over Napoleons tijd, over de roemrijke
wapenfeiten der Fransche legers en over de rampen der keizerlijke
vloten; want toen ik mijnen vader uitgeleide had gedaan en te Oostmalle
wederkeerde, sloeg de overste mij vriendelijk op den schouder, terwijl
hij mij zeide:

"Uw vader heeft _den grooten man_ gediend; hij is een oude zeewolf, die
zijn bloed voor het vaderland heeft gestort. Dit is mij voldoende om
zijnen zoon voor te staan waar ik kan; de brave man hoefde het mij zoo
dringend niet te verzoeken. Ik maak u korporaal; later zullen wij zien
wat ik voor u nog kan doen. Zorg intusschen, dat gij wat soldaat wordet;
maar geef den moed niet op: ik zal mij uws vaders woorden herinneren en
u helpen."

Drie weken later (den 31^{sten} November 1830) te Turnhout werd ik
_fourier_ gemaakt. De titel van onderofficier, welken ik nu bekwam,
klonk mij in de ooren als de aankondiging eener schitterende loopbaan,
en ik schreef naar huis, dat ik God dankte, omdat Hij mij niet alleen
het voornemen had doen opvatten van soldaat te worden, maar nog
daarenboven mij de noodige stoutheid had vergund om het uit te voeren.

Dat ik te midden der woeste vrijwilligers zoo goed in mijnen schik was
en geene merkelijke vernedering meer onderging, dit had ik te danken aan
den officier, die het bevel over mijne compagnie voerde. Hij heette
Schmit, en had, zeide men, van zijne zestien jaar in de jonge _garde_
van Napoleon gediend. Hoog van gestalte en schoon van lichaamsbouw was
hij; uiterst behendig in de schermkunst met sabel en degen, krikkel op
het punt van eer, moedig tot overdrevenheid, vroolijk van inborst en
geestig in al zijne gezegden; daarbij goed van harte en onbekwaam om
iemand leed te doen of met inzicht te bedroeven; in één woord, het ware
beeld van den _Franschen soldaat_, zooals hij ons in poëzie wordt
voorgeschetst.

Deze had mij zichtbaar onder zijne bescherming genomen en waakte met
vaderlijke bezorgdheid en met waren edelmoed over _son petit fourrier_,
zooals hij mij altijd noemde. Aan hem was ik mijne spoedige verheffing
tot fourier verschuldigd.

De onderofficiers, mijne gezellen in de 3^{de} compagnie van het 3^{de}
bataljon der _Jagers-Niellon_, waren insgelijks goede jongens, en hun
gedrag ten mijnen opzichte was even alsof zij samengespannen hadden, om
hun _fourierken_ tegen alle ongeval te verdedigen. Met hen ook had mijn
vader te Oostmalle gesproken. Onder dezen, mijne beschermers en
ambtgenooten, was de sergeant-majoor Collette, van Brussel, en een
sergeant van Luik, met name Deguée, die mij lachende zijnen zoon noemde,
en waarlijk uit rechtzinnige goedheid met de sabel het minste ongelijk
zou hebben gewroken, dat men mij hadde durven aandoen.

Aldus omringd van goede vrienden, gevoelde ik den overgang van den
burgerstand tot het soldatenleven niet anders, dan door de onbeperkte
onafhankelijkheid, welke wij genoten. De vrijwilligers zonder
verbintenis, die de overgroote meerderheid van ons regiment uitmaakten,
toonden zich wars van alle onderschikking en verdedigden hunne
persoonlijke vrijheid tegen den minsten schijn van tucht. Zij gingen
naar huis voor zoovele dagen als het hun beliefde, en keerden weder in
de rangen, zonder dat men hen durfde bestraffen. De officiers hadden nog
geene regelmatige benoeming; het behoud van hun ambt hing af van de
willekeur der mannen, waarover zij moesten bevelen. Hieruit volgde, dat
ieder deed wat hij wilde, en het gansche regiment nog bestond uit vrije
burgers, die geenen krijgsdwang erkenden. Wij hadden geene
soldatenkleeding en oefenden ons niet in den wapen-handel. Wie tweemaal
elken dag op het _appel_ verscheen, was een vlijtig man en mocht zeggen,
dat hij aan al zijne plichten had voldaan. Het overige van den tijd
sleten velen in de herbergen; de anderen bleven ten huize der burgers of
boeren, bij wie zij ingekwartierd lagen; en, dewijl de vaderlandsliefde
der Kempenaars hun de Belgen zeer deed beminnen, werden dezen aanschouwd
en behandeld als waren het leden van het huisgezin.

De vrijwilligers, die men naar hunnen generaal _Chasseurs-Niellon_
noemde, bleven werkeloos in Turnhout of op de naaste dorpen liggen, tot
het einde der maand December. Alsdan vertrokken wij met een sneeuwig
weder naar den kant van Limburg, om, zoo men ons zeide, den vijand in te
wachten, die uit de vesting Maastricht eene krijgsmacht over de heide
naar Holland wilde zenden.

Wat hiervan zij, men hield ons tegen den avond staan op eene onmeetbare
heide, die wel tot eenen voet hoogte met sneeuw was overdekt.

De wind was in het Oosten gekeerd en zoo koud, dat wij ons de handen
voor de ooren hielden, om ze niet te laten bevriezen.

Bevel werd er gegeven, dat wij te dezer plaatse den nacht op bivak
zouden doorbrengen, dit wil zeggen, dat wij op de sneeuw konden slapen,
indien wij niet liever tot den morgen met stampen en armenslaan ons
wilden verwarmen. Onze verwondering was groot; de mijne bovenal.

Ik zag niets voor mijne oogen dan eene onafzienbare vlakte, waarvan de
eentonige witheid het gezicht verbijsterde. Slechts langs één zjjde, op
een vierendeel uurs afstand, begrensde een hoog mastbosch de kimme, en
daarachter wel een uur verre, schoot de klokketoren van een dorp in de
hoogte: het was de gemeente Baelen, op de grenzen der provincie Limburg.

Wij hadden sedert ons vertrek uit Turnhout nog geen voedsel genuttigd.
Dewijl de Belgen sedert de omwenteling immer bij burgers en boeren waren
ingekwartierd geweest, bestond er nog geen voorraaddienst in het leger;
wij hadden diensvolgens het vooruitzicht, dat wij hier zonder eten
zouden blijven.

Zoohaast de moedigsten dezen toestand hadden begrepen, begonnen zij
naar middelen uit te zien om vuur en voedsel te bekomen. Er werden
ploegen of _corvées_ ingericht, om hout uit het mastbosch te halen Nog
geen half uur was het geleden, of honderden mannen kwamen ieder met
eenen sparreboom naar het bivak gesleurd. Voor elke compagnie werd een
vuur ontstoken, dat allengs grooter en grooter wordende, eer het op de
heide donker was, zijne slingerende vlammen tot dertig voet hoog deed
stijgen.

Deze eerste nacht van het bivak liet op mijn gemoed eenen diepen indruk
na;--de nijpende koude vergetend stond ik, uren lang, in stomme
verbazing op het ontzettend schouwspel te staren, dat zich daar voor
mijn oog ontrolde.

Achttien vuren, uit stapels mastboomen in de hoogte golvend, verlengden
hunne rij over de vlakte. De hemel blaakte boven onze hoofden; de sneeuw
zelve scheen te branden; en dewijl, bij het dansen der vlammen, de
vurige tonen van het bloedroode licht dan eens met de helderheid des
bliksems, dan weder met vale rosheid over de heide golfden, was het voor
de oogen en voor den geest, alsof eene onstuimige zee van onzichtbaar
vuur over de sneeuw hadde gevlot...

Bij eilen gloed, als een zwerm duivels rond het vuur krielend, zag men
de donkere schimmen der vrijwilligers tegen de vlammen zich uitlossen,
in menigte gaan en komen, boomen op het vuur werpen, of den brandstapel
met geweld omrukken, ten einde zijne woede nog aan te hitsen. Op zulk
oogenblik gingen gansche wolken gensters en brandende vonken ten hemel
en dreven als een groot vuurwerk over het leger.

Door de eentonige nachtstilte der vlakte klonk het even eentonig, doch
ontzaglijk gekraak der duizende boomstammen, die eenige oogenblikken
vroeger nog groen in het woud stonden te groeien en nu, in den schoot
der vlammen, als dunne twijgen werden verslonden. Tusschen dit
overheerschend gerucht galmde de stem der vrijwilligers, die elkander
bij hunne namen riepen; soms ook wel ontstond in de verte het lied _en
avant, marchons_! of men hoorde het noodgehuil van een varken, dat men
bezig was met kelen, of het gebrul eener koe, die door onze _maraudeurs_
of voedselzoekers uit een naburig gehucht was weggehaald.

Omtrent mij werd een kalf met sabelhouwen neergeveld en oogenblikkelijk,
zooals het was gevallen, in stukken gehakt.

Een sergeant duwde mij eenen lap vleesch in de hand; en, de anderen
navolgend, begon ik het aan het reusachtig vuur te braden.

Vermits wij niet dicht bij den gloed konden naderen, staken wij het
vleesch op de punt van den laadstok onzes geweers en hielden het aldus
op eenen afstand in de vlam. Wanneer het dan eenigszins was verbrand,
aten wij het gebraden gedeelte er af, en herhaalden deze handeling
totdat er ons niets meer van het vleesch overschoot.

Bijna den ganschen nacht bleven wij te been; doch tegen den morgen
overviel ons eene onoverwinnelijke slaapzucht. Velen legden zich neder,
op vier of vijf stappen van het vuur, en sluimerden op den grond even
goed als in een donzen bed.

Niets aan het lijf hebbend dan eenen lijnwaden kiel over mijn zwart
schoolkleed, zat ik als gevoelloos rond te staren. Mijn aangezicht en
mijne borst waren brandend van den blaak des vuurs, terwijl mijn rug,
door den scherpen oostenwind aangedaan, schier bevroor van koude.

Allengs verzwaarde mijn hoofd; ik legde mij neder, blikte nog eene wijl
in de vlammen, en viel dan in slaap.

Toerf ik twee uren later ontwaakte en meende op te staan, was het mij
onmogelijk. Men had het vuur laten verzwakken, en het water van de
gesmolten sneeuw was onder mij vastgevrozen. Men moest letterlijk met
sabelhouwen mijnen kiel van den grond loshakken, vooraleer ik mij
oprichten kon. Ik bibberde van koude; mijne ledematen waren verstijfd;
ik was bleek en gansch moedeloos.

Zoo bleven wij drie dagen en drie nachten, zonder ander voedsel dan wat
er werd geroofd, op de sneeuw rond de groote vuren gelegerd. Reeds den
tweeden dag had het zonderling schouwspel zijne aantrekkelijkheid voor
mij verloren; ik bewoog mij langzaam en voelde iets in mij, alsof ik
ziek worden ging. Mijne vrienden der compagnie bemerkten het wel; zij
omringden den _petit fourrier_ met de liefderijkste zorgen en hadden
zelfs eenen bussel hooi gebracht om hem er op te laten slapen.

Den derden dag was het mij nog erger; ik zat ineengekropen onder eenige
boomstammen, die men als beschutting tegen den wind had opgericht; ik
dacht aan mijnen vader, aan mijn leven in de kluis, aan mijnen broeder
en aan alles, wat ik op aarde meest beminde....

De sergeant Deguée, mijn goede beschermer, wilde mij naar den
regimentsdokter leiden om een briefje tot inkwartiering te Baelen te
bekomen; doch het kwetste mijne fierheid zoo diep, te moeten zwichten
voor iets, waaraan mijne meeste gezellen wederstonden, dat de schaamte
mij nog meer deed lijden dan mijne onpasselijkheid. Ik had mij _man_
gewaand, en ik bezweek als een _kind_ onder koude en derving van gewoon
voedsel! In mijne spijt antwoordde ik mijne vrienden, dat men om mij
niet moest bezorgd zijn, dat het wel zou overgaan, en meer andere
machtspreuken, die slechts de laatste teekenen waren mijner worsteling
tegen het noodlot, dat mij vernederen zou.

In den namiddag waren er eindelijk karren met voorraad in het bivak
verschenen, en ik werd geroepen, om als fourier de mannen van _corvée_
naar de karren te vergezellen. Ofschoon de koorts mij schrikkelijk deed
beven en mij nauwelijks toeliet op mijne beenen te staan; alhoewel de
pijn in het hoofd mij verbijsterde, begaf ik mij vooruit en toonde mij
bereid tot het volvoeren van mijnen dienst; doch de officier Schmit
wilde het niet toelaten, en liep zelf om den bataljonsdokter te halen.
Deze gaf mij een briefje, waarmede ik naar Baelen zou gaan; en de
burgemeester zou mij, bij het vertoonen van het schrift, in een huis van
het dorp doen herbergen.

De tranen schoten mij in de oogen, toen ik op het gelaat mijner vrienden
zulk diep medelijden met mijnen ellendigen toestand bespeurde. De
sergeantmajoor Collette en de sergeant Deguée dwongen mij tot het
aanvaarden van geld; een korporaal van Verviers, met name Fabry, stak
eene halve zijde gerookt spek in mijnen ransel; want, zeide hij, er was
op een uur in het ronde niets meer te vinden, en het vleesch kon mij van
dienst zijn.

[Illustration: Ik klopte en bleef kloppen: men opende niet.]

Dus beladen met wenschen tot herstelling en met allerlei bewijzen van
vriendschap, begaf ik mij op weg naar het dorp Baelen. Ik stapte
langzaam en rustte dikwijls. De vermoeidheid zich bij de ijzing der
koorts voegende, werd ik eindelijk zoo moedeloos, dat ik mijne handen
schier op mijn geweer liet bevriezen, zonder nog de kracht te hebben om
het zware wapen van schouder te veranderen.

Toen ik, dus voortsukkelend, het dorp bereikte, was het donker geworden.
De huizen waren gesloten en ik zag er geene boeren op de straat; slechts
vrijwilligers, die het bivak waren ontloopen, zwermden er rond en
sloegen, onder ruw geschreeuw, met de kolf des geweers tegen de deuren,
om te worden binnengelaten.

Men wees mij het huis des burgemeesters; ik klopte en bleef kloppen: men
opende niet. Dan, eindelijk antwoordde men mij van boven uit een
venster, dat er geen logement in het dorp meer was, en dat de generaal
zelf verboden had nog eenen enkelen _Belg_ te herbergen.

Ik bleef eene wijl verpletterd staan, en zou wellicht voor de deur des
burgemeesters mij neergelegd hebben; doch mijne koorts en mijne
hoofdpijn waren verminderd. Het gevoel des hongers verkrampte mijn
ingewand.

Door den nood voortgezweept, klopte ik op de deuren der huizen,
waarbinnen ik nog licht zag; aan de meeste kreeg ik geen antwoord; de
overige waren opgevuld met vrijwilligers, die vloekten en tierden, dat
zij geene levende ziel meer zouden binnenlaten.

De wanhoop vervulde mij het hart. Krachteloos, uitgeput van vermoeidheid
en schier bezwijkend van honger, geraakte ik tot bij de laatste huizen
des dorps: overal vergeefsche moeite om toegelaten te worden ... en
sterkmoedigheid, om de deuren aan stukken te slaan of de lieden te
dwingen, ontbrak mij gansch!

Dáár zag ik eensklaps in de verre velden een lichtje! Men moge er om
lachen; maar dat lichtje, evenals in het vertelsel van _Duimken_ en in
vele andere volksvertellingen, blonk mij in de oogen als eene star der
hoop. Ik stapte er op aan en bleef, om het te bereiken, wel vijfmaal
verder gaan dan ik had verwacht.

Het was een klein, leemen huisje, tegen de baan naar Roslaer. Ik klopte,
en men opende oogenblikkelijk.

Een schreeuw van schrik ontvloog den inwoners, als zij mij met het
geweer in de hand zagen binnentreden, en zij begonnen smeekend mij te
zeggen, dat zij niets meer bezaten. Men had hunne kiekens en hunne
eenige geit beroofd; zelfs hun laatste brood hadden de Belgen
weggehaald.

Ik zeide hun, dat ik ziek was, vertelde in weinige woorden, hoe ik in
het dorp vruchteloos had gebeden en gesmeekt om een nachtverblijf, en
eindigde met hun om een plaatsken in hunne hut te verzoeken, totdat de
morgen kwame.

Mijne jonkheid en de klagende toon mijner stem troffen de goede lieden;
zij wezen mij eenen stoel bij het smeulend vuur, hielpen allen te gelijk
om den ransel van mijne schouders te krijgen, en zeiden mij onder
betuigingen van vriendschap en medelijden, dat hun huisje gansch tot
mijnen dienst stond. Een bed konden zij mij niet geven; maar op de
schelf, boven het geitenstalleken, lag hooi: daarin kon ik slapen, en de
baas zou wel zorgen, dat ik er geene koude leed. Geen ander eten was er
in huis dan een zwart roggebrood, dat ergens voor de rondzoekende
vrijwilligers was verborgen geweest; van dit brood mocht ik nemen wat
mij beliefde.

De hut was bewoond door eenen man en zijne vrouw en door hunne dochter,
een meisje van omtrent de zeventien jaar. Deze laatste beklaagde den
armen _Belg_ met luider stemme, en aanschouwde hem met zulk liefderijk
medelijden, dat haar zoete blik alleen mij troost in den boezem goot en
mij als het ware uit de moedeloosheid opriep.

Ik wilde den lieden geld geven: doch man en vrouw stonden met
verontwaardiging tegen mijn aanbod op. Konden zij iets ten mijnen
dienste er voor bekomen, dan zouden zij het wel aanvaarden; maar er was
nergens in de gansche gemeente iets voor geld te bekomen.

Dan slechts schoot mij te binnen, dat korporaal Fabry eenige ponden spek
in mijnen ransel had gestoken. In allerhaast sneed ik er van aan
stukken; de pan werd over het vuur gehangen ... en weinige oogenblikken
later zat ik met mijne nieuwe huisgenooten aan den disch.

Ik vertelde van mijne ouders, van mijn vorig leven en van mijn
wedervaren op het bivak. Eer ik mij tot de rust begeven zou, waren wij
alle vier zulke goede vrienden en bekenden, alsof ik sedert mijne
kindsheid van het huisgezin hadde deelgemaakt.

De man bracht mij boven het stalleken, maakte eene diepte in het hooi,
deed mij er in nederliggen, schikte dan nog meer hooi boven mijn lichaam
en op mijne voeten, en wenschte mij dan den goeden nacht.

Welhaast doordrong eene milde warmte mijne leden, en met haar stroomde
er nieuw leven mij door het hart. Mij dacht, een koning, op het fijnste
zwanendons rustend, kon niet zoo zacht en zoo verkwikkend liggen als ik
nu, tusschen het gastvrije hooi boven den geitenstal lag uitgestrekt. Ik
dankte God met innig gevoelde erkentenis om Zijne goedheid,--en,
zwemmend op den zoelen stroom van allerlei blijde gedachten, viel ik in
eenen wellustigen sluimer.

Des morgens wekte men mij niet; het was reeds lang dag, eer ik van zelf
ontwaakte.

Toen ik beneden kwam, vond ik de koffie op de tafel staan en de goede
lieden die op mij hadden gewacht om te ontbijten. Mijn blik viel op het
meisje; zij lachte mij eenvoudig, doch zoo minnelijk toe, dat ik het
hoofd boog, en schaamrood op mijn voorhoofd voelde klimmen.

Omtrent den middag kwam er een officier, vergezeld van eene talrijke
wacht, wien gelast was al de huizen te doorzoeken en de vrijwilligers
naar het bivak te doen terugkeeren. Het briefje van den dokter
beschermde mij tegen de uitdrijving.

De koorts greep mij in den vooravond weder aan, evenwel met minder
hevigheid; en na drie telkens verminderde aanvallen, was ik gansch
genezen.

Zoo bleef ik omtrent tien dagen in de hut, meesttijds bij het vuur onder
den schouwmantel gezeten en in stille, diepe mijmering mijn oog op de
jonge maagd houdend, die niet verre van mij zat te spinnen. Wanneer ik
aan de minste beweging van haar hoofd kon raden, dat zij den blik tot
mij ging richten, keerde ik met schuchterheid mijn gezicht ter zijde.

Zij scheen mij schoon, de tengere, zoete maagd, met hare frissche wangen
en helderblauwe oogen! Zoo schoon en zoo zuiver, dat zij mij voorkwam
als een engelijk beeld, omhuld met eenen wasemkring van kuischheid en
van betooverende onnoozelheid. In mijn eenvoudig gemoed wenschte ik, dat
God mij hadde toegelaten haar broede te zijn. Hoe gelukkig en hoe blijde
hadde ik mijn leven aan hare zijde gesleten!

Des avonds, wanneer moeder en vader ook rondom het vuur gezeten waren,
dan moest ik vertellen. Omdat ik wist, dat het Bethken vermaak deed,
spande ik al de krachten mijner verbeelding in, en ik schiep en
schilderde de zonderlingste voorvallen, die mijne toehoorders zoozeer
boeiden, dat zij uren lang, met gapende monden, op mijne verhalen
luisterden. De ziel der maagd, terwijl zij dus met hare groote oogen mij
aanschouwde, scheen op haar gelaat te zweven: onder den indruk van haren
hemelreinen blik voelde ik de macht mijns geestes verdubbelen: ik werd
_dichter_ door de opwelling van een voor mij nog onbewust gevoel....

Bethken was ten uiterste in haren schik met _onzen Belg_, zooals zij mij
noemde; zij roemde zijn verstand als eene wonderheid; zij was hem
vriendelijk en nam hem bij de hand, wanneer zij hem ter tafel wilde
loepen; maar haar voorhoofd bleef leliewit, en als het schaamrood mijne
wangen kleurde, glimlachte zij met schuldelooze vrijheid.

Op eenen namiddag kwam een korporaal mijner compagnie mij verwittigen,
dat het regiment des anderen daags 's morgens, te negen uren, het bivak
zou verlaten, om naar de kanten van Gheel of van Moll te vertrekken, en
dat ik mij gereed moest houden om de compagnie te volgen, hetzij te voet
of op een der vrachtkarren.

Dien avond vertelde ik geene vertelsels, wij waren allen in stilte
rondom het vuur gezeten en treurden over het noodlottig afscheid.
Bethken jammerde over _haren armen Belg_, die zeker in het woeste en
harde soldatenleven weder ziek zou worden, ik betuigde den goeden lieden
mijnen dank en deed geweld om bij de herhaalde bewijzen van zoete,
zusterlijke genegenheid, mij door Bethken gegeven, niet in tranen los te
barsten.

Des anderen daags 's morgens, toen wij in de verte de marschtrommen
hoorden, gaf Bethken mij twee boterhammen en twee hardgekookte eieren,
welke zij van de meid des pastoors had gekregen: die moest ik, of ik
wilde of niet, in mijnen ransel steken. Dan volgde het treurig afscheid;
wij drukten elkaar met vochtige oogen de hand, en de goede lieden
beloofden, dat zij God voor mij zouden bidden.

Bethken volgde _haren Belg_ van verre, tot in het dorp, waar mijn
regiment juist op de groote baan verscheen. Ik voegde mij in den rang
der onderofficieren mijner compagnie, die over mijne wederkomst
jubelden, terwijl zij met blijdschap riepen: "Ah, daar is ons
fourierken!"

In het voorbijtrekken zag ik Bethken nog; ik boog het hoofd, want er
sprongen tranen in mijne oogen; en nog dieper werd ik ontroerd, als ik
verder mij omkeerende, het droeve Bethken tegen een huis met het
voorschoot voor het aangezicht zag staan....

De eieren, welke zij mij had geschonken, nuttigde ik dien dag met
kloppend hart; ook eene der beide boterhammen; maar de tweede liet ik
tot aandenken in mijnen ransel. Maanden lang werd zij bewaard; ja,
zoolang, dat zij gansch in morzelen was gevallen. Langer nog bleef het
beeld van het zoete Bethken mij volgen; doch het verzwakte mettertijd,
en er bleef mij niets van over dan de dankbare herinnering aan de zorg
en de vriendschap, door eenvoudige hutbewoners mij bewezen.

Slechts zestien jaren later heb ik het dorp Baelen voor de tweede maal
gezien, en ik heb mij ter plaatse begeven, waar de zieke Belg eens zulke
liefderijke verpleging vond. De hut was verdwenen; niemand wist mij met
eenige juistheid te zeggen, waarheen de ouders van Bethken of zij zelve
waren vertrokken of versukkeld. Men scheen slechts door eene
twijfelachtige herinnering nog te weten, dat daar ooit het leemen
hutteken van eenen armen werkman had gestaan. Een tweede bezoek te
Baelen leverde mij geenen beteren uitslag op.



III


Van het bivak bij Baelen trokken wij naar het kleine stedeken Gheel en
zijne omliggende dorpen; dan naar Moll, en eindelijk weder naar
Turnhout.

Hier kwam mijn vader mij bezoeken en bleef twee dagen met mij; ik vernam
van hem, dat mijn broeder Jan Balthazar, evenals ik, dienst had genomen
in het Belgische leger, en dat hij vrijwilliger was in een regiment, dat
omtrent Westwezel op de grenzen lag.

Mijn vader moest den eersten dag zijner aankomst reeds met mijne
oversten gesproken hebben; want tusschen woorden van vaderlijke
genegenheid en van aanmoediging, mengde hij voortdurend vermaningen, om
mij te doen begrijpen, dat ik wat meer _mensch_ en wat meer _man_ moest
zijn, en, zooals hij zeide, het voorkomen van een wittebroodskind moest
pogen af te schudden. Ik begreep hem wel en was hem dankbaar voor zijnen
raad; doch ik meende, dat mijne inborst beter was dan het ruw en
schijnbaar gevoelloos karakter, dat men van een echt soldaat scheen te
eischen. Mijn vader keerde te voet naar huis en zou, van den vroegen
morgen tot den avond, niet veel minder dan tien uren wegs afleggen. Ik
vergezelde hem twee uren verre, omhelsde hem en keerde dan weder naar
Turnhout.

De vrijwilligers, sedert eenige maanden reeds op de grenzen werkeloos
gehouden, begonnen te morren, omdat men hen niet tegen den vijand
leidde; doch men deed hun verstaan, dat de groote mogendheden van Europa
te Londen bezig waren met over het lot van België te beramen; en, dewijl
Holland weigeren zou zich aan hunne beslissing te onderwerpen, moest men
slechts wat geduld hebben: het spel zou wel voor goed aan den gang
geraken.

Ondertusschen zwierven wij, tot de maand Juli 1831, gedurig in de
Antwerpsche Kempen rond, overal op de dorpen en gehuchten bij de boeren
herbergende.

Nu was het Lente geworden; ik beleefde voor de eerste maal het ontwaken
der natuur in het nog oorspronkelijk Kempenland. Jong als de hernieuwde
schepping was mijn hart, frisch en zuiver als de heide mijne
droomachtige ziel.

Niet mijne latere reizen door de Kempen hebben mij het gevoel van de
schoonheid der heide gegeven; alsdan, toen ik eerst de kindsheid
ontgroeide, heb ik hare indrukken in mij vergaderd, hare kruiden geteld,
hare geruchten afgeluisterd, ben ik in hare geheimen gedrongen en heb ik
ze geliefd en bemind, als hadde mijne wiege op hare maagdelijke vlakte
gestaan.

De frissche herinnering aan dit gelukkig tijdvak mijns levens heeft mij
twintig jaren later nog doen uitroepen:

"Wat moet in de jonkheid onze ziel toch beminnend en machtig zijn, dat
zij alles, wat haar omringt, in zich zelve opsluit en met eene
onvergankelijke liefdewolk omhult. Menschen, boomen, huizen, woorden,
alles,--levend of levenloos,--wordt een gedeelte van ons eigen wezen;
aan elk voorwerp hechten wij eene herinnering, zoo schoon en zoo zoet
als onze jeugd zelve. Onze ziel loopt over van kracht; zij spat vonken
en sprankels van haar leven over al het geschapene; en, terwijl wij
onophoudelijk het geluk tegenjuichen, dat ons, kinderen of jongelingen,
te wachten staat, juicht en zingt alles in de natuur, eenstemmig met
ons."

"Ach, hoe bemin ik de weide, den lindeboom, de pachthoeve, het kerksken
en alle andere dingen, die mij zagen, toen de rozen der jeugd en de
leliën der zuivere levenspoëzie mij den schedel sierden! Zij hebben
genoten wat ik genoot; ik zag ze weelderig groeien en lachend in het
zonnelicht glanzen, toen ik vroolijk was en dartelend vooruitstroomde in
de onbekende baan der menschelijke bestemming. Zij zijn mijne oude
speelgenooten, mijne gezellen; elk van haar roept iets aangenaams, iets
verrukkends tot mij; zij spreken de taal mijns harten; al de fijnste
snaren mijner ziel trillen weder met jeugdige kracht bij dien roep ...
en in stille, godsdienstige aandoeningen dank ik den Heer, dat Hij,
zelfs in het bevrozen hart van den afgesloofden mensch, nog de zoete
bron der herinnering vlieten laat!"

Het was insgelijks gedurende den eersten tijd van mijn soldatenleven,
dat ik de bewoners der Kempen, hunne gewoonten en hunne eenvoudige, doch
uiterst schoone inborst leerde kennen en doorgronden. Het Belgisch
fourierken, waar hij met een logement-biljet verscheen, deed zich
spoedig beminnen door menschen, wier karakter zoozeer met het zijne
overeenkwam in zachtheid, in levenslust en in eene onuitlegbare zucht
tot mildheid en tot liefde. Hij zat met de lieden bij het vuur rondom
den koeketel en vertelde wondere dingen; hij voegde de handen te zamen
en bad met hen aan den disch; hij volgde hen ter kerke en knielde nevens
hen; hij liep met de jongelieden naar het veld en hielp aan den arbeid;
maar bovenal was hij de lieveling der kinderen, die met hoogmoed aan
beide zijne handen wandelden en niet zelden tranen stortten, als de
Belg, hun goede vriend, naar een ander dorp vertrekken moest.



IV


Nadat de _Chasseurs-Niellon_ acht maanden in volle rust op de dorpen
gelegen hadden, werden zij op eenen regelmatigen voet ingericht, onder
de benaming van 2^{de} regiment jagers te voet, en kregen nu eerst
soldatenkleederen van groen laken met roode boordsels.

Er liepen geruchten, dat de Hollanders bezig waren met het vergaderen
eener groote krijgsmacht, en dat zij eenen inval in België wilden wagen.
Deze geruchten ontstonden en vergingen menigmaal.

Ondertusschen werden wij, op het einde der maand Juli 1831, al te zamen
op eene heide omtrent Turnhout vergaderd. Daar werd, onder het aanheffen
van een ontzaglijk gejubel, uitgeroepen, dat vorst Leopold, als eerste
koning der Belgen, zijne intrede in Brussel had gedaan en volgens
voorvaderlijk gebruik 's lands grondwet had bezworen.

Twaalf dagen later, in den nacht van den 1^{sten} tot den 2^{den}
Augustus, terwijl wij gerust in onze logementen te Oud-Turnhout sliepen,
werden wij eensklaps door de alarmtrom gewekt en liepen op de gewone
vergaderplaats der compagnie te zamen.

Men leide ons door de duisternis en langs afgelegen banen naar eene
onmeetbare heide tusschen Ravels, Baerle-Hertog en Weelde. Hier vonden
wij het overige van ons regiment, alsook een ander bataljon
vrijwilligers, reeds gelegerd.

Men deed ons de wapens en patroontasschen onderzoeken, ten einde met den
morgen strijdvaardig te zijn; want de vijand was met groote macht over
de grenzen gekomen en bevond zich niet verre van ons. Wij hoorden
inderdaad, in de richting van het dorp Weelde, gebriesch van paarden en
bijwijlen een zeker onuitlegbaar dof gerucht, dat ons de nabijheid van
eene groote menigte menschen aankondigde.

In de duisternis drukten wij elkaar met geestdrift de handen; wij waren
blijde, dat het ons eindelijk werd vergund, ons bloed voor het vaderland
te vergieten. Niemand onder ons twijfelde aan de overwinning; onze moed
was groot, en ons vertrouwen zonder palen.

Op mij deed echter het naderen van eenen grooten veldslag eenen diepen
indruk; na in de eerste machtspreuken en wederzijdsche aanhitsingen te
hebben deelgenomen, liet ik het hoofd op de borst zinken, en ik dacht
aan mijnen vader en aan al wie mij te huis dierbaar waren. Deze zucht,
naar de beminde dingen is als het testament der ziel: wie jong is en
verre van zijne geboorteplaats in een groot gevaar verkeert, zal altijd
gevoelen, hoe zijn geest een droevig en teeder vaarwel toewerpt aan al
wat zijn hart betreurt en vreest te zullen verliezen.

Om den lezer eenigszins de voorvallen te doen begrijpen, welke gaan
volgen, is het noodig eenige inlichtigen over dezen inval der Hollanders
te geven.

Het Belgische leger was in eenen beklaaglijken toestand; te Brussel had
men den tijd besteed aan de gewichtige beraadslagingen over onze
onvergelijkelijk schoone Grondwet en over de keus eens Konings. Op het
papier had men eene eerbiedwekkende krijgsmacht ingericht, doch deze
bestond niet werkelijk. Geen voorraaddienst voor oorlogstijd was er
ingericht; niets was voorzien: de regimenten vóór den vijand hadden
zelfs niet meer buskruid onder hun bereik, dan men op eenen enkelen dag
verbruiken kon. Vele generaals en de meeste officieren hadden nooit
eenen regelmatigen krijg gevoerd: moed en onversaagdheid was er genoeg;
maar ondervinding en beleid ontbrak er gansch.

De Belgische krijgsmacht,--buiten de burgerwachten, die meer hinder dan
hulp bijbrachten,--kon beloopen tot de 30,000 man en was in twee groote
afdeelingen gescheiden. De eerste, het _Scheldeleger_, lag rondom
Antwerpen, onder bevel van generaal De Tieken de Terhove, die zijn
hoofdkwartier op het dorp _Schilde_ hield; de tweede, het _Maasleger_,
lag rondom Hasselt, onder bevel van generaal Daine.--Tusschen deze beide
legers bleef een afstand van dertien uren gaans!

De Hollanders hadden integendeel hun leger tot den inval met eene
uiterste doelmatigheid vergaderd en ingericht; hunne krijgsmacht, onder
bevel van den Prins van Oranje en den Prins van Saksen-Weimar, telde
40,000 man geregelde troepen en 30,000 man der _schutterij_; daarenboven
4,000 ruiters en 72 stukken geschut.

De eene helft der Hollandsche troepen rukte langs Limburg tegen het
Maasleger in; de andere helft zakte naar Turnhout af, om op Antwerpen
in te dringen.

Ons regiment jagers te voet, dat met eenige onregelmatige bataljons op
de Ravelsche heide lag, vormde de zoogenaamde _brigade d'avant-garde_ of
voorwacht. Wij waren al te zamen 800 man en hadden twee veldkanonnen;
een twintigtal jagers te paard waren ons toegevoegd om den postdienst te
verrichten.

De afdeeling der Hollanders, die te Weelde op den Belgischen bodem had
stand gevat, was eene voorwacht van 1,000 man.

Van al deze bijzonderheden wisten wij niets; slechts één ding was ons
bewust, namelijk dat de Hollanders dáár waren en dat wij gingen
strijden.

Zoohaast de morgenschemer de nachtelijke duisternis had vervangen,
werden de twee vleugelcompagniën van elk bataljon als scherpschutters
tegen den vijand gezonden; de middelcompagniën, waartoe ik behoorde,
bleven langen tijd als _réserve_, werkeloos bijeengeschaard.

Een hevig geweervuur bleef den ganschen dag aanhouden; maar dewijl men
uit gebosschen en van achter boomen schoot, hadden wij weinig
gekwetsten. Eenige Hollandsche jagers werden krijgsgevangen gemaakt, of,
beter gezegd, zij liepen tot ons over. Geen enkele kende Hollandsen of
Fransch: allen waren Pruisen of Zwitsers.

Naarmate het geweervuur duurde, begon men het gebrek aan voorraad te
gevoelen: op den middag reeds kwamen de jagers te paard de pakken
kardoezen uit de patroontasschen der middelcompagniën halen, om ze naar
de scherpschutters te dragen.

De gedachte, dat wij eerlang zonder buskruid vóór den vijand zouden
staan, verontrustte onze officieren. In mijne tegenwoordigheid deed onze
dappere generaal Niellon onzen eenigen, doch ledigen voorraadwagen
bijbrengen, en riep eenen sergeant uit onze compagnie, met name Nagels,
eenen stoutmoedigen jongeling uit Fontaine-l'Évêque. De generaal schreef
met potlood, en den kop van zijnen zadel tot lessenaar nemende, een
bevel om buskruid te halen.... naar Antwerpen! De sergeant zou met den
_fourgon_ over den steenweg vliegen; en, verongelukten er paarden, hij
moest maar andere bij de boeren nemen, al ware het met geweld der
wapenen.

Ondertusschen vuurden wij zonder verpoozing op de Hollandsche
voorposten; zij deden eveneens op onze uitgezette schutters.

Zóó kwam de nacht zonder ander voorval; in mijne compagnie had elk man
nog tien kardoezen, en er moesten dagen verloopen, eer wij er andere
zouden bekomen.

Wij konden niet begrijpen, waarom men ons niet had laten vooruitgaan, om
den vijand in zijne legerplaats aan te vallen; voorwaar, zoo meenden
wij, hij zou bij onze verschijning de wijk genomen hebben, vermits hij,
ondanks zijne groote macht, ons niet durfde aangrijpen. Het gebrek aan
buskruid had velen verbitterd, en in stilte werd er onder de soldaten
reeds gemord van verraad en verkooperij.

Den volgenden morgen, toen de nachtelijke dampen in de hoogte stegen,
zagen wij eerst op de verre kimmen eene grijze streep, die scheen te
bewegen; zij verlengde zich over de gansene heide.

Allengskens werd het ons duidelijk, dat het een drom ruiters was,
waarschijnlijk kurassiers, want van hunnen hals tot achter hunne paarden
daalde een wijde mantel, die hun in ons oog de gestalte en de vormen van
reuzen gaf. Op de ruiters volgde eene dikke wolk voetgangers, wier
duizenden en duizenden geweren met bliksemend gefonkel in de eerste
zonnestalen schitterden. Het hield niet af; wellicht scheen in het
verschiet de gansche heide, zoo wijd het gezicht reiken kon, met
vijandelijke scharen overdekt.

Gedurende den nacht was het gansche leger der Hollanders zijne
voorposten genaderd; en, terwijl de kurassiers eenen omweg deden, om de
baan naar Antwerpen te gaan bezetten, ontplooide het zijne drommen over
de vlakte, als om ons den strijd aan te bieden.

Met verbaasdheid, doch zonder vrees schouwden wij op de onmeetbare reeks
vijanden, die langzaam en met uitgespreide vleugelen naar ons kwam
afgezakt. De krijgsmacht, die wij zagen, mocht tot de 20,000 man
beloopen; zij voerde 40 stukken geschut en had eene talrijke
ruiterij;--wij waren 800 man, hadden geene ruiterij en slechts twee
veldkanonnen.

Wij stonden met den rug tegen een jong mastboschken; vóór ons, op
eenigen afstand, lag een veen of waterplas. Onze twee veldkanonnen waren
wel honderd stappen vooruit, achter den hoek van een ander dennenbosch
verborgen en met schroot geladen.

Ik vergat den krijg en het gevaar, zoozeer greep het ontzaglijk
schouwspel mijne inbeelding aan; de zon was in eene helderblauwe lucht
opgerezen, en zij fonkelde zoo tooverend in het glinsterend ijzer der
wapenen, dat de reeks der Hollandsche troepen mij voorkwam als een
stroom van tintelend vuur.

De losbarsting van een tiental zware kanonnen riep mij op uit mijne
vergetelheid: ik beefde en was vervaard ... maar bij de tweede ontploffing
was die ontsteltenis of liever die siddering des harten reeds verdwenen:
er bleef mij niets over dan de overtuiging des gevaars en eene koortsige
zucht om te strijden, als moest de dadigheid van den kamp mij verlossen
van een gevoel, dat mij lastig en pijnlijk was.

De kanonskogels der Hollanders vielen meest in het veen en deden het
water wonderhoog ten hemel springen; slechts één onzer gezellen werd
gedood door eenen kanonsbal, die hem vóór den mond was heengevlogen,
doch hem niet anders had geraakt.

Wij morden hevig en wilden vooruit; maar onze officieren smeekten ons,
dat wij toch niets zonder bevel des generaals zouden bestaan,--en,
dewijl de officiers in ons regiment zoo niet ontzien, echter meestal
bemind werden, bleven wij, tandenknarsend van ongeduld, in onze rangen
staan.

Nog eenige oogenblikken, en het Hollandsche leger zou tot onder bereik
van geweervuur ons genaderd zijn; wij zagen dien gewenschten stond met
blijdschap te gemoet.

De vijand hield zijne slagorde staan; hij zond door eene opening een
zestiental lanciers te paard op ons af; wij hielden ons gereed om er
duchtig onder te schieten. Deze ruiters zouden slechts eene verkenning
doen en bespieden, welke macht de Belgen tegen hunne vijanden konden
stellen.

Alzoo de lanciers met hunne oranjekleurige vaantjes een eind vooruit
kwamen gereden, begaven zij zich, tot hun ongeluk, onder het bereik
onzer twee verborgene kanonnen. Eene dubbele losbarsting galmde over de
heide: tien of twaalf ruiters en zoovele paarden vielen dood of gewond
ter aarde; de overigen vluchtten in allerijl terug naar de slagorde huns
legers.

Op dit gezicht van dit eerste voordeel, hoe gering het ook ware,
ontstond er een onbeschrijfelijk gejubel onder de Belgen, en allen
sprongen vooruit onder het donderend geroep van: "_Leve de Vrijheid!
Leve Leopold!_"

Geen twijfel of deze 800 man zouden zich zonder aarzelen tegen den
ontelbaren drom des vijands geworpen hebben; en wie weet wat er ware
geschied? Een zekere dood was hun, wel is waar, beschoren; doch hoe duur
zouden zij in die eerste drift hun leven niet verkocht hebben? Misschien
had de indruk van zulk heldhaftig bezwijken zwaar gewogen in de
weegschaal der latere gebeurtenissen.... Maar de meesten dezer
opgewondene strijders moesten, uithoofde van het veen, eenen omweg doen,
en dit gaf den officieren den tijd hen te wederhouden.

Terwijl de oversten met open armen aan het vermetel vooruitloopen
tegenstand boden, donderde het geschut der Hollanders met vernieuwde
kracht; hunne gansche slagorde zakte vooruit, als om wraak te nemen over
het gebeurde, en wij hijgden van blijde ontsteltenis bij de nadering van
den slag.

Op dit oogenblik kwam een onzer jagers te paard onzen generaal eene
haastige boodschap brengen. De Hollandsche kurassiers hadden de baan
naar Antwerpen afgesneden; de Belgen waren langs alle zijden omsingeld!

Hoezeer de vrijwilligers huilden van woede en zich de vuisten ten
bloede beten, er was niets aan te doen; wij moesten de heide verlaten,
terugwijken naar Turnhout, en verder eenen doorgang naar het binnenland
zoeken, om, ware het mogelijk, aan eene zekere nederlaag of
gevangenneming te ontsnappen.

In goede orde, en nog gereed tot eenen hevigen tegenstand, trokken wij
af naar Turnhout. De stad had het voorkomen van een graf: geen levend
wezen was er op de straten te zien; deuren en vensters waren gesloten
gelijk in het midden des nachts. Dit vertoog deed eenen ongunstigen
indruk op onzen geest, en het was inderdaad niet aanmoedigend, al de
inwoners dus gevlucht of verkropen te zien, alsof zij, reeds vroeger dan
dien dag, ons onbekwaam hadden geacht om hunne haardsteden te
verdedigen.

In Turnhout bleef ons regiment niet stil; wij trokken de Herenthalsche
baan in en slingerden door bosschen, voetpaden en veldwegen immer met
versnelden marsch voort.

Het was uitermate heet; de oogstzon brandde onverdraaglijk boven onze
hoofden; wij hadden eten noch drinken.

Reeds te Casterlee deed de felle dorst het bevel der officieren voor
eene wijl miskennen. Er stond in dit dorp, in den hof des pastoors, een
groote appelboom, overladen met vruchten, die slechts twee maanden later
eetbaar zouden zijn. De boom werd door honderden mannen bestormd,
beklommen, gebroken en ontbladerd. Men smeekte, men vocht om eene beet
der wrange vruchten.... De zure smaak, meende men, zou het branden van
den dorst koelen.

Zoo bleven wij acht dagen tusschen Lier en Leuven in de grootste hitte
dwalen, elken dag tien of twaalf uren gaande, zonder voedsel en drank,
en letterlijk verzengd door de hitte. Wij aten de schors der mastboomen
en droegen voor den dorst eenen geweerkogel in den mond; des nachts
lagen wij op den grond en verstijfden van den overvloedigen morgendauw.

Men zeide onder ons, dat wij nog altijd door de Hollanders ingesloten
waren, en dat ons gaan en komen voor doel had aan de vervolging des
vijands te ontsnappen, om ons omtrent Leuven met het groote Belgische
leger te vervoegen.

Wat hiervan zij, wij kwamen dikwijls op banen en in dorpen, waar het
Hollandsche leger ons inderdaad was voorafgegaan; want wij vonden
onderweg _pompons_ en andere kleine dingen, die onze vijanden al gaande
hadden verloren.

Op eenen middag hield men ons staan in de nabijheid van een dorp,--ik
meen dat het Boisschot heet,--waar nog het stroo lag, dat den Hollanders
tot nachtleger had gediend.

Uitgeput van vermoeidheid en van honger, lieten wij ons op een veld
nedervallen om te rusten; wij hadden daags te voren weinig voedsel
gevonden, en van dezen dag hadden wij nog niets gegeten.

Mij werd bevolen, dat ik met een tiental mannen van goeden wil naar het
dorp zou gaan, om nooddruft voor onze compagnie te zoeken en met dank of
met geweld, te nemen wat er te vinden was.

De stoutste en ruwste vrijwilligers boden zich aan. Toen wij in het dorp
kwamen, waren de inwoners gevlucht; wij braken de deuren met kolfslagen
open, doch ontdekten niets dat eetbaar was.

In het midden van het dorp vonden wij eenen man en eene vrouw, die hun
huis niet hadden verlaten. Op onzen eisch om brood of ander voedsel te
hebben, antwoordden zij ons klagend, dat de Hollanders daags te voren
alles hadden weggenomen. Mijne vrijwilligers, door de wanhoop des
hongers gedreven, begonnen den man met het plat van de sabel te slaan en
hem met nog ergere behandeling te dreigen.

Na langen tegenstand leidde de verschrikte man ons achter in den hof, en
groef daar uit den grond drie zeer groote roggebrooden, die in eenen zak
gewikkeld waren. Wij namen de brooden mede en ook den zak.

Na vruchteloos nog vele ontruimde huizen te hebben doorzocht, kwamen wij
buiten het dorp in eene leemen hut, waar eene jonge vrouw met een kind
van drie of vier jaar zich bevond. Op onze dreigende vragen haalde zij
eene roggeboterham uit de wiege van haar kind; en ons die toereikende,
zeide zij met tranen in de oogen:

"Ziet, vrienden, dit is al wat mij overblijft: ik had het bewaard voor
mijn arm schaapken."

Reeds had een mijner makkers de boterham aanvaard, en meende er een stuk
af te bijten; maar de anderen hielden hem met geweld terug en deden hem
het geringe stuk brood in den zak werpen.

Door een diep medelijden met de ongelukkige moeder aangedaan, wilde ik
haar de boterham doen terug geven. Te vergeefs; het spreekwoord is waar:
hongerige magen hebben geene ooren.

Dan vatte ik de hand der vrouw en vroeg haar of zij in een naburig dorp
voor geld geen brood zou krijgen.

Op haar bevestigend antwoord staken al mijne makkers de hand in den
zak; de meesten gaven elk een stuk van vijf en twintig centen; eenigen
gaven iets minder, ik gaf iets meer, en zoo kreeg de arme vrouw omtrent
vijf franken.... Tranen ontliepen haar nu nog overvloediger; het was van
dankbaarheid: hare stem klonk de weldadige _stroopers_ zegenend
achterna.

Onderweg maakten mijne gezellen een _komplot_ aangaande de boterham; zij
werd gedeeld: wij kregen ieder een stuk zoo groot als een vinger.

Op het bivak werden de drie roggebrooden eerst met sabelhouwen in groote
brokken gehakt en dan verder met messen gesneden. Van den kapitein tot
den laatsten soldaat, elk bekwam er iets van.

Den 10^{den} Augustus, in den namiddag, gingen wij voorbij de
wijnheuvels van het dorp Wesemael, op ongeveer anderhalve mijl van
Aerschot. Hier vonden wij vele karren met brood en vleesch, die ons tot
voorraad waren bestemd.

Men hield het regiment staan, en brandwachten werden op groote afstanden
uitgezet, alsof wij ter dezer plaatse op bivak zouden blijven; de
weinige jagers te paard, die ons van Turnhout af hadden vergezeld,
werden op hoogten en op verre banen gezonden, om alle nadering van
gevaar intijds te kunnen vernemen.

Uit elke compagnie riep men eenige stoute mannen te zamen; dezen zouden
naar Wesemael gaan en halen wat er noodig is tot het koken van
vleeschsoep.

Na een half uur tijds stond voor iedere compagnie eene groote koeketel,
op steenen verheven en met water gevuld. Men hakte het vleesch met
sabels aan stukken en legde het in de ketels; vele mannen kwamen
toegeloopen met koolen van alle kleuren, met selder, met ajuin, met
salade: al wat maar groen en eetbaar was, wierp men boven de zwemmende
bonken vleesch. De vuren kraakten, de aangehitste vlammen kronkelden
rondom de ketels, en al de mannen der compagnie stonden met begeerigen
blik en vochtigen mond de veel belovende bobbels na te zien, die in
menigte uit den grond van het ziedende water opklommen.

Men zou meenen, dewijl wij brood in overvloed hadden, dat de honger ons
nu niet aandreef. Inderdaad, zóó was het; doch het raadselwoord van ons
innig verlangen naar de vleeschsoep ligt in _warm eten_. Het was nu
reeds eenige dagen geleden, dat wij niets anders dan koud eten genuttigd
hadden, en dan nog in ontoereikende hoeveelheid. Nu gingen wij warm
vleesch eten! In onze meening,--in de meening onzer verhongerde
magen,--was niets zoo lekker en zoo onbegrijpelijk versterkend als _warm
eten_.

Reeds toen het water slechts eenigen tijd gezoden had, waren er mannen,
die met de punt hunner bajonet, zooals zij op het geweer stak, een
koolsblad of eenen struik selder poogden op te visschen. De anderen
stelden zich tegen de rooverij: men stiet elkander weg; er werd
gevochten en geworsteld tot zooverre, dat de oversten zich verplicht
zagen bij elken ketel twee schildwachten te zetten.

Eindelijk toen de soep eenigen tijd gezoden had en de oogen vet zich
boven het water begonnen te vertoonen, riep men algemeenlijk, dat het
vleesch genoeg gekookt had. Waarschijnlijk zou het nog niet half gaar
zijn; maar van den nood eene deugd gemaakt: indien het slechts van de
warmte was doordrongen, zou het wel goed smaken.

De oversten toonden zich bereid om den algemeenen wensch te voldoen; nog
eenige minuten, en het regiment zou eten.

Wie eene gamelle had, hield ze in de hand gereed; iedereen had zijn
knipmes geopend: de lippen verroerden met die eigendommelijke
uitdrukking van iemand, die zich aan het smaken van lekkere spijzen
verwacht.

Op dit uiterst oogenblik komt een jager te paard in vollen draf
aangerend en zegt eenige haastige woorden tot den generaal. Onmiddellijk
ontstaat het geroffel der trom, die elkeen te wapen en in zijn gelid
roept. Het Hollandsche leger is in onze nabijheid; wij zijn achthonderd,
zij waarschijnlijk tienduizend of meer. Daarenboven, wij mogen niet
strijden; onze bevelen luiden, dat wij den vijand moeten pogen te
ontkomen, om ons te Leuven met het leger onder bevel des Konings te
vereenigen.... Er is geen tijd tot beraadslagen: de ketels worden
omgeworpen; sommige mannen steken een brok vleesch of een kool op hunne
bajonet; doch het ziedend water, dat hun in den hals of op hunne
kameraden druipt, doet hun het geredde voedsel wegsmijten; de oversten
dwingen de compagniën tot een spoedig vertrek.... en eenige minuten
later zijn wij verre van daar, op de baan naar Aerschot, nog immer
mijmerend van het warm eten en de lekkere vleeschsoep, die onder ons
gezicht over den grond is weggestroomd....

Wij brachten den nacht buiten de stad Aerschot door, op eene hoogte
tegen de baan naar Hauwaert, waar wij nog een gedeelte van het 9^{de}
linie-regiment aantroffen. Hier kookten wij ons vleesch op het bivak,
zonder gestoord te worden, en kregen buskruid.

In den morgen werden wij onvoorziens te wapen getrommeld; onze
brandwachten beweerden, dat eene talrijke afdeeling Hollandsche lanciers
op den steenweg naar Diest zich vertoonde. Dewijl de hoogte, waarop wij
ons bevonden, nevens voormelden weg voortloopt en hem diensvolgens
beheerscht, zouden wij de vijandelijke ruiterij pogen te bereiken en ze
van boven de heuvelen met voordeel aanvallen. Dit ten minste werd er
onder ons verteld, toen wij reeds het bivak hadden verlaten.

Uren lang gingen wij met verhaaste stappen, zonder iets te vernemen. De
zon stond te branden aan den diep blauwen hemel; het was
onbeschrijfelijk heet; en dewijl wij, zonder eene baan te volgen, dwars
door havervelden en aardappelloof onzen marsch rusteloos voortzetten,
waren wij eindelijk door hitte en dorst tot zooverre uitgeput, dat
sommige mannen zich ten gronde lieten vallen en weigerden op te staan.
Wanneer het geviel, dat wij in eenen hollen weg traden, zooals er in die
landstreek vele zijn, legden gansche gelederen, ondanks den wil der
officieren, zich met den mond tegen de vochtige wanden der baan, waaruit
een ijzerachtig water sijperde, en zoo zogen wij uit de aarde eenig
vocht op, om onzen verterenden dorst te koelen. Velen onzer zaaiden
hunne kleedingstukken langs de baan, bovenal de kapotten, om het gewicht
van hunnen ransel te verminderen.

Omtrent den middag, toen wij buiten adem en schier versmacht van dorst,
gevoelloos en met hangend hoofd voortstapten, beklommen wij eenen
heuvel, waarboven een molen en een huis stonden. Zoohaast hadden wij den
top des heuvels niet bereikt, of een bataljon van het 9^{de} regiment,
dat ons vergezelde, liep in wanorde uiteen naar een bornput, welke met
zijne hooge wip nevens het huis zich vertoonde. Een aantal onzer jagers,
dit ziende, stormden insgelijks uit hunne rangen om, ware het mogelijk,
eene teug water te bekomen.

Rondom den bornput werd er een waar gevecht geleverd: men sleurde, men
stiet, men stompte, men wondde elkander, om omtrent den emmer te
geraken. Velen, die geen ander middel zagen om hunnen dorst te lesschen,
staken hun brandend hoofd in den emmer en dronken zóó het ijskoude
water, totdat men ze er van wegrukte. De dokters en vele oversten baden
en smeekten de mannen, dat zij zich toch niet aldus aan eenen zekeren
dood zouden blootstellen; zij dreigden en sloegen met hunne degens, het
hielp niets: wij waren als razend van dorst.

Onderwijl was er een wolk andere mannen op den grooten wijngaard
gevallen, die zijne groene ranken over den gevel van des molenaars huis
uitspreidde: druiven, bladeren, twijgen, ja, het hout zelf, tot in den
wortel toe, werd verslonden en tot lafenis genuttigd en verknabbeld.
Voor vijftig cents kreeg ik twee druivekorrels van eenen soldaat onzer
compagnie; ik was gelukkig: de zure smaak bracht mij vocht in den
mond....

Na eenigen tijd bemerkten onze oversten wel, dat hunne poging om de
mannen van den bornput te houden, vruchteloos zouden blijven. De
trommen hieven den marsch aan, en wij vertrokken. Ten halve den heuvel
zag ik eenige mannen met paarse wangen en koolzwarte lippen op den rug
uitgestrekt liggen: zij waren levenloos, het koude water had hen gedood.

Na een uiterst moeilijken marsch en veel gaan en keeren, zonder een voor
ons merkbaar doel, kwamen wij des avonds, toen het reeds donker was,
boven eene hoogte bij het dorp Lubbeck, op twee mijlen van Leuven.

Hier sloegen wij ons bivak neder en kookten aardappelen in koeketels,
welke wij uit het dorp hadden gehaald.

Onze oversten zeiden ons, dat er des anderen daags een beslissende
veldslag zou geleverd worden; zij vuurden onzen moed aan, herinnerden
ons de dagen der omwenteling en bezwoeren ons om als ware Belgen voor
land en Koning te strijden.

In de vlakte, beneden de heuvelen, was de Hollandsche krijgsmacht
gelegerd; zij had haren staf bij het dorp Winghe; doch hare voorposten
strekten zich tot in onze nabijheid uit.

Onze uitgezette brandwachten hadden de gewoonte, elkander van verre
onverpoosd de volgende woorden toe te roepen: "_Sentinelles, prenez
garde à vous!_" waarop de Duitsche of Zwitsersche soldaten, die rondom
het bivak der Hollanders waakten, den onzen spottend toeriepen:

"_Was der Hund sch..... fresst du !_"

Het meerendeel van het Belgische leger bevond zich te Leuven, onder
bevel van Koning Leopold; ons regiment, met twee bataljons van het
9^{de}, was een der voorwachten. Diensvolgens mochten wij ons overtuigd
houden, dat wij bij het krieken van den komenden dag den eersten
aanstoot des vijands zouden doorstaan hebben.

Alhoewel deze zekerheid wel van aard was om ons den slaap moeilijk te
maken, waren de gekookte aardappelen niet zoohaast genuttigd, of allen
legden zich ter aarde, en vielen, onder de vermoeidheid bezwijkend, in
eenen zwaren sluimer. Ik luisterde nog eene wijl op den roep der
schildwachten, die akelig door de nachtstilte rondom ons bivak herklonk
en voortliep; ik dacht aan onzen zonderlingen toestand, droomde van
Borgerhout en mijnen vader, en sloot dan insgelijks de verzwaarde
oogleden ... om, evenals mijne makkers, ze niet meer te openen dan
onder den knal van geweren en kanonnen....



V


Terwijl wij dus in volle vergetelheid sliepen, was er een Hollandsch
regiment jagers in stilte ons genaderd. Deze scherpschutters, over den
grond kruipend, hadden zich in eene linie uitgespreid, in een breed
haverveld, dat zich nevens ons bivak verlengde.

De eerste morgenschemer daagde in het Oosten; wij sliepen nog even
bewusteloos en vast..... toen eensklaps eene donderende ontploffing ons
tegelijk deed opspringen. Honderden kogels huilden ons rondom de ooren;
velen onzer makkers waren getroffen en lagen te spartelen in hun bloed.
Er bleef een oogenblik van onbeschrijfelijke verwarring onder ons; dus
verrast, opschietend uit den loodzwaren slaap, duizelig en dwaas, grepen
wij het eerste geweer het beste en begonnen tot verdediging op de
vijandelijke jagers te schieten, wier hoofden wij nu in groote menigte
boven de haver zagen uitsteken. Zij gaven ons geenen tijd om onzen
toestand te herkennen, en vuurden onophoudend op onze dooreenslingerende
schaar.

Mijn vriend en ambtgenoot, de fourier Walgraff, die zich te verre
vooruitgegeven had, werd op eens door drie kogels, waarvan een in de
zijde, getroffen en viel neder; de drie gebroeders Grad, Jules, Ange en
Lucien, liepen tot dicht bij de Hollandsche schutters en haalden, onder
eenen hagel kogels, den gevallen fourier uit het bereik des vijands weg,
Lucien ontving een geweerschot in den arm[2].

Welhaast gelukte het onzen oversten, ons in gelederen te schikken, en
dan boden wij den vijand een hardnekkigen, doch hopeloozen tegenstand.

Een soldaat mijner compagnie, Blancpain genaamd,--een zeer bloode kerel,
die beroemd was, omdat hij eenen ganschen emmer aardappelen in eens kon
opeten,--kreeg eenen kogel op het kruis zijner draagbanden en sloeg met
zooveel geweld achterover, dat hij mij bijna omverre wierp. Men wilde
hem wegrukken, ofschoon hij gevoelloos scheen als een lijk; doch hij
opende de oogen met zonderlinge verbaasdheid, en vroeg gansch eenvoudig
aan mij:

"Fourier, ben ik niet dood?"

Men hief hem van den grond en duwde hem opnieuw in zijn gelid.

Onderwijl werd het geweervuur met groote hevigheid voortgezet, totdat
een andere troep jagers onze vijanden kwam versterken.

Dan deden de oversten ons een honderdtal stappen terugwijken en brachten
ons bij het dorp Lubbeck in eenen boomgaard, die omringd was met eene
dikke beukenhaag, welker stammen over kruis in elkanderen waren
vastgegroeid.

Van achter deze beschutting verdedigden wij ons nog eenigen tijd met
voordeel, alhoewel een hagel kogels over onze hoofden en tusschen onze
gelederen huilde. Velen onzer gezellen werden getroffen; bij het
schetterend geknal der geweren mengde zich ook bijwijlen de pijnlijke
schreeuw der gekwetsten.

Wij hadden moed genoeg, en het voorbeeld van onzen grootmajoor Maenhout
ware alleen toereikend geweest om ons onversaagdheid in te spreken. Deze
bataljonsoverste was te paard gezeten en meer dan anderen blootgesteld
aan het vijandelijk vuur. Onze officieren wilden hem doen afstijgen;
doch hij, met eenen koelen glimlach op de lippen, sloeg zijn paard
streelend met de hand op den hals, om het te bedaren, terwijl hij
onbewogen zeide:

"Pietje, Pietje, stil, Pietje; het is niets, Pietje!"

Op dit oogenblik verscheen eene Hollandsche batterij veldkanonnen boven
den heuvel; zij stelden zich op eenen afstand van ons, borst los met
ontzettend gedonder en stuurde eene wolk schroot op ons af. Gelukkig was
het schot te hoog gemikt; het regende bladeren en takken van de
appelboomen, onder welker kruinen wij stonden.

De plaats was niet meer te behouden; nutteloos zouden wij tot den
laatsten man vernietigd worden, indien wij langer in den boomgaard
bleven.

Al strijdend weken wij terug tot den hollen weg, die naar Leuven
afdaalde; wij werden door het geschut der Hollanders vervolgd en moesten
dikwijls onze richting veranderen, om in de plooien des gronds eene
borstweer tegen de vijandelijke ballen te zoeken.

Hoezeer wij ook in gevaar verkeerden, drukten wij elkander onze
bewondering uit over de snelheid, met welke het Hollandsch veldgeschut
zich bewoog; en waarlijk, het scheen over heuvelen en diepten te
vliegen.

De kanonskogels schoten meest over onze hoofden weg; wij vervorderden
onzen aftocht zonder merkelijk verlies en zonder onzen stap te
bespoedigen. Hier gaf onze bataljonsoverste eene bittere vermaning aan
eenen officier, die de twee handen met verrassing aan zijne schako
geslagen had, omdat een kanonsbal huilend nevens zijn oor was
voorbijgegaan.

Omtrent den middag geraakten wij behouden binnen Leuven, waar wij nevens
de Tiensche poort, uitgeput van vermoeidheid, ons ten gronde
nederzetten.

Terwijl wij in Lubbeck hadden gestreden, waren nog andere onzer
voorwachten buiten Leuven aangevallen geweest. Men vertelde ons, dat het
12^{de} regiment der Belgen grootendeels was vernietigd geworden.

Eenige soldaten van de troepen, die in Leuven gebleven waren, kwamen bij
ons en verhaalden met groot misbaar, hoe het gansche Maasleger door
verraad was bezweken en op de vlucht geslagen, zoodat wij, verkocht
zijnde door onze oversten zelven, vruchteloos aan den overmachtigen
vijand zouden pogen te weerstaan. Niets is verderfelijker in een leger
vóór den vijand, dan de verdenking dat men verraden is; ook werden wij
door deze schrikkelijke mare zeer ontmoedigd; en het is slechts later,
toen wij onzen dapperen koning Leopold evenals den minsten soldaat het
vijandelijk vuur zagen trotsen, dat er ons weder vertrouwen in den
boezem zonk.

Tot meerdere verstaanbaarheid der voorvallen dienen hier eenige
uitleggingen te worden gegeven.

Bij den inval der Hollanders op onze grenzen was het Belgische leger,
zooals gezegd is, in twee groote afdeelingen gescheiden. Generaal Daine
voerde het bevel over eene dezer afdeelingen, het Maasleger genaamd, en
was omtrent Hasselt aan het hoofd van 15000 man. Hem was bevel gezonden
om naar Leuven af te wijken en zich daar met het Scheldeleger te
vereenigen, om gezamenlijk den vooruitrukkenden vijand eenen
beslissenden veldslag aan te bieden. Misverstand in het begrijpen der
bevelen, anderen zeggen stijfhoofdigheid vanwege generaal Daine, gaf
aanleiding tot eene noodlottige vertraging in het uitvoeren der
ontvangene bevelen. Het Maasleger werd door de Hollanders afgesneden en
met overmacht aangetast; het verdedigde zich lang en moedig; doch
eindelijk werd het tot eenen verwarden aftocht gedwongen en nam de wijk
naar de stad Luik. Dáár bevonden zich nu de overblijfsels van de helft
der Belgische krijgsmacht; terwijl het gansche Hollandsche leger,
voorwaar wel 60,000 man sterk, zich gereedmaakte om Leuven te omsingelen
en ons tot eenen wanhopigen strijd te dwingen.

Ik heb later in een boek gelezen, dat de Belgen te Leuven slechts 7,000
man telden[3]. Dit schijnt mij eene onwaarheid: met de hulptroepen der
burgerwacht moest onze macht wel tot de 20,000 man reiken, zoo ten
minste was alsdan onze overtuiging, en de bestaande dingen beloochenden
ons gevoelen niet.

[Illustration: .... Eenen priester als kanonnier bij een der stukken
staan.]

Terwijl wij op de binnenvesten van Leuven ten gronde lagen en werkelijk
sliepen, bewoog zich het Hollandsche leger; zijne eene helft trok in
dikke kolommen en onder bereik van ons grof geschut over de heuvelen,
die nevens de stad zich verlengen.

Er werd van wederzijde een hevig kanonvuur geopend; en gedurende langen
tijd galmde het gedonder van meer dan vijftig stukken onverpoosd door de
lucht.

Ons regiment lag niet verre van de batterijen; alles geschiedde op
eenige stappen van ons. Mijne gezellen hadden zich in de eerst
opgericht; maar ziende, dat slechts de kanonnen tot den strijd werden
gebezigd, legden de meesten zich weder met het hoofd op hunnen ransel en
sluimerden even vast in, alsof het gebeurende hen niet raakte. Mocht ook
al een kanonsbal iemand onder hen tot slachtoffer komen uitkiezen, het
waken kon het niet beletten.

Ik, door het tooneel van den kanonnenstrijd getroffen, bleef rechtzitten
en hield het oog op de batterijen gevestigd. Dáár zag ik tot mijne
groote verwondering eenen priester als kanonnier bij een der stukken
staan en het geschut op den vijand mikken; hij droeg de kleederen van
zijn ambt en had den tikkenhaan op het hoofd. Allen, die niet sliepen,
bewonderden den pastoor, die aan de stukken zwoegde en arbeidde, als
hadde hij zijn gansche leven dezen dienst gedaan. Een angstschreeuw
ontvloog ons, toen wij in de nabijheid des priesters eenen wagen of
_caisson_ met buskruid in de lucht zagen springen. Eene wijl betreurden
wij zijnen waarschijnlijken dood; doch niet zoohaast was de dikke
rookwolk opgeklaard, of wij zagen hem ongedeerd en even werkzaam bij
zijn kanon staan[4].

Onze koning reed te paard nevens de batterijen; zijn gelaat was
onbewogen en droeg dien stempel van stille, indrukwekkende kalmte, welke
den wijzen vorst nu ook nog bij den eersten blik doet eerbiedigen en
beminnen door alwie hem nadert. Zijne tegenwoordigheid bracht moed en
vertrouwen in aller harten; de hoop dat wij, door hem aangevoerd, de
overwinning nog konden behalen, verlichtte den nevel, dien de verdenking
van verraden te zijn over onzen geest geworpen had.

Terwijl elks aandacht op het vuur der batterijen gekeerd bleef, hadden
de Hollanders op den IJzerenberg, nevens den steenweg naar Mechelen,
stand genomen. Van deze hoogte konden zij de stad Leuven tot puin
schieten. Daarenboven had eene hunner afdeelingen den steenweg op
Brussel bezet en ons diensvolgens de gemeenschap met de hoofdstad
afgesneden.

Eensklaps bracht men onzen oversten zekere bevelen; wij werden in
allerhaast in dichte gelederen geschikt en tot eene kolom gevormd. Men
zeide in weinige woorden, dat wij met den Koning aan het hoofd den
IJzerberg stormenderhand gingen beklimmen, om kost wat kost, den vijand
uit dezen dreigenden stand weg te slaan; dat wij als _voorwachtbrigade_
aan het hoofd der kolom zouden vooruitrukken en den aanval beginnen, en
wij te toonen hadden, dat de oude vrijwilligers van Niellon het
vertrouwen des Konings waardig waren....

Wij ontvingen het nieuws met blijdschap en onder luid gejubel; doch men
beval ons het stilzwijgen, om alle verwarring te voorkomen.

Opgevolgd door het gansche leger, trokken wij de Mechelsche poort uit,
tot aan den voet van den IJzerberg, waarboven de vijand ons verwachtte.

Hier werd onze luitenant Van Diepenbeek door eenen kogel in het
voorhoofd gedood.

De trommen begonnen storm te slaan; de horens en trompetten deden hunne
aanjagende tonen galmen; het bevel _au pas de charge!_ klonk ons in de
ooren; wij sprongen tegen den berg op en geraakten, na eene wijl van den
vurigsten marsch, tamelijk verward op de vlakke hoogte. Onvoorziens
vielen wij tegen eene machtige batterij kanonnen, die op ons losdonderde
en velen onzer makkers ter neder wierp. Deze schrikkelijke ontploffing
bracht eene zekere aarzeling in onze rangen; doch op de stem onzer
officieren sprongen wij weder met gevelde bajonet vooruit, met het
inzicht om de kanonnen des vijands te overrompelen.

Den sergeant-majoor Honoré, eenen mijner vrienden, werden de twee beenen
door eenen kanonsbal afgerukt; onzer dokter, de heei Dardespinne, deed
den gewonde op zijn eigen paard zetten om hem uit den slag te voeren. De
arme Honoré deed nog het Brabantsch volkslied in de hoogte galmen,
terwijl bloed en leven hem uit de gepletterde leden golvend
ontstroomden.

Ondertusschen werd de berg door de andere gedeelten van ons leger
insgelijks en met evenveel aandrift beklommen; de Hollanders konden dien
eersten aanstoot niet wederstaan en weken terug naar het midden huns
legers. Zij gaven aldus aan het Belgische leger tijd en plaats om zijne
regimenten te ontplooien; en, toen onze stormloop tegen de dikste wolk
der vijanden was gestuit geworden, begon er op de gansche linie een heet
gevecht, dat zich voor alsdan nog bij geweervuur en kanongebulder op
eenigen afstand bepaalde.

Hier stortte een onzer trommelaars, Bilocq genaamd, door eenen kogel in
het been getroffen, ten gronde.

Een sergeant van ons bataljon, een Brusselaar met name Jacques, was
zoodanig door strijdlust aangejaagd, dat hij bij het terugwijken der
Hollanders met eenige grenadiers zijner compagnie door hunne slagorde
was geraakt, en onverwachts tegen de ruiters aanviel, die den
oppergeneraal des vijands, Prins van Saksen-Weimar, omringden. De
Belgische sergeant richtte reeds zijne bajonet tot den prins en meende
hem te doorsteken; doch de ruiters vielen in macht op hem aan: hij en
zijne gezellen werden neergesabeld. Men wilde den sergeant voorts
afmaken en dooden; de prins weerhield zijne mannen, nam den dapperen
Jacques onder zijne bescherming en deed hem achteruit van het slagveld
dragen.[5]

De veldslag duurde voort; ik, als eenvoudig strijder kon niet weten wat
er op eenige stappen van mij geschiedde; ik zag niets vóór mij dan eene
onmeetbare wolk rook, die de slagorde des vijands afteekende; ik hoorde
niets dan de duizenden geweerschoten, die zich tot een aanhoudend geknal
vermengden, de ontzaglijke stem der kanonnen, die den IJzerberg onder
onze voeten deden sidderen, het gefluit der kogels, het gehuil der
ballen en bijwijlen ook het gekerm mijner broeders, die met afgerukte
leden of doorboorde ingewanden nedervielen en eenen pijnlijken
doodskreet slaakten of, stervend, nog den nationalen roep aanhieven:
"_Leve de Vrijheid! Leve Leopold!_"

Op dit oogenblik kreeg ons regiment bevel om zich langs de zijden des
vijands uit te spreiden en hem door een scherpschuttersvuur te
verontrusten.

Wij zakten den berg af, tusschen de stad Leuven en het slagveld; dáár
werden wij volgens krijgsgebruik over eene lange uitgestrektheid gronds
verdeeld, derwijze, dat op elke vijf of zes stappen zich slechts een
paar mannen bevonden.

De grond was zeer bewogen en de velden nog met den oogst overdekt,
zoodat wij wel de Hollanders, onze vijanden, op de helling van den berg
zagen staan, maar echter onze eigene gezellen slechts gedeeltelijk
konden zien.

Ik bevond mij met eenen soldaat boven den boord van eenen hollen weg,
die wel tien voet diepte had; en, alhoewel wij zeer van den vijand
verwijderd waren, schoten wij onverpoosd op zijne rechterzijde.

Onderwijl hoorden wij, hoe op den berg het gedonder der kanonnen
aanhoudend boven de strijders galmde en hoe de strijd daar meer en meer
in hevigheid toenam.

Eensklaps klonk over de vlakte, waar wij ons bevonden, een akelige
waarschuwingskreet: "de ruiterij! _la cavalerie! la cavalerie!_" En
inderdaad, wij zagen eene wolk vijandelijke dragonders den berg
afzakken, om ons te komen bevechten.

Men zegt gewoonlijk onder de soldaten, dat een voetganger voor eenen
ruiter niet hoeft te vreezen. Voor oude en geoefende soldaten moge dit
eene waarheid zijn; voor ons, die als vrijwilligers onzen tijd bij de
boeren hadden gesleten, was het er echter geheel anders mede gesteld.
Het gezicht van die groote mannen, op groote paarden gezeten en met
bliksemende zwaarden in de hand, boezemde ons zoo niet vrees dan toch
angst in. Wij stonden bij paren, verre van elkander, en konden onze
officiers niet zien. Zoo verlaten of afgezonderd moesten wij den aanval
afwachten der ruiterij, die in groote menigte den berg afdaalde!

Eens in de vlakte geraakt zijnde, verdeelden de dragonders zich
insgelijks in eene lange reeks; en, als hadde elk eenen scherpschutter
tot slachtoffer uitgekozen, reden zij bij paren met slingerende zwaarden
op ons los.

Ik begreep, dat mijn laatste uur gekomen was; ik voelde mij verbleeken,
mijn ingewand sidderde; en van dan af hield ik mijnen blik met zooveel
vastheid op de twee vijanden gericht, die ons schenen uitgekozen te
hebben, dat mijn makker van mijne zijde verdween, zonder dat ik het
bemerkte.

Minder dan een boogschot waren de dragonders van mij verwijderd, toen ik
mijn geweer op hen afschoot zonder er een' te raken; ik meende nog te
laden, doch ik liet de kardoes uit mijne hand vallen; want ik had
nauwelijks den tijd om de bajonet tot verdediging te vellen.

Een der twee dragonders sprong ter zijde door de haver, waarschijnlijk
om mijnen kameraad aan te vallen. Mij dacht, ik hoorde zijnen laatsten
doodskreet mij in de ooren galmen!

Ik hield de bajonet vooruit, welbesloten om, indien het mogelijk ware,
mij hardnekkiglijk te verdedigen. De overtuiging, dat ik sterven ging,
ontrukte mij eenen zucht der treurnis, eenen afscheidsgroet aan het
leven.

Het zwaard des dragonders bliksemde mij in de oogen; hij riep, dat ik
mij overgeven zou; doch ik bleef met den verslindenden blik van den
doodsangst sprakeloos de plaats zoeken, waar ik hem of zijn paard zou
kunnen wonden.

Het moet zijn, dat het paard verschrikt of onbedwingbaar was; misschien
dat de dragonder zelf mijn wapen ontweek, om mij van ter zijde onder
bereik van zijn zwaard te krijgen; want, ofschoon dit alles
ongeloofelijk snel geschiedde, zwenkte mijn vijand twee- of driemaal
rondom mij, tot zooverre dat het mij gelukte, zijn paard eene wonde aan
den schouder toe te brengen.

Wat er verder tusschen hem en mij gebeurde, weet ik niet. Terwijl ik het
hoofd afkeerde om zijn slingerend zwaard te ontwijken, voelde ik, dat
een felle slag mij trof, en ik in eene diepte tuimelde, die voor mijne
geschokte inbeelding grondeloos scheen te zijn. Ik daalde en daalde,
alsof ik in de eeuwigheid wegzonk....

Met geweer en ransel was ik achterover in den hollen weg gestort en
bleef daar, door den val bedwelmd, een oogenblik roerloos op den rug
liggen; evenwel, het bewustzijn keerde onmiddellijk in mij terug. Ik
opende de oogen en zag verbaasd in het ronde; mijn blik ging ten hemel,
en ik dankte God, dat Hij mij zoo wonderbaar van eenen zekeren dood had
gered.

Boven mij hoorde ik nog twee pistoolschoten lossen. Ik meende de plaats
te ontloopen; doch mijn linkervoet, wanneer ik hem opheffen wilde,
ontrukte mij eenen schreeuw der pijn. Desniettegenstaande sukkelde ik
door den hollen weg voort in de richting der stad.

Toen ik den steenweg bereikte en op de plaats kwam, waar wij allereerst
stormenderhand den IJzerberg hadden beklommen, was de veldslag verloren
en het grootste gedeelte onzes legers in volle vlucht. Nog één of twee
regimenten, streden wijkend boven den berg.

De poort der stad Leuven, die op den Mechelschen steenweg uitziet,
spuwde als het ware kanonnen, karren en wagens bij honderden; de
voerlieden er van sloegen op de paarden met zweepen en sabels..... en
alles rolde als een verwarde stroom over de baan naar Mechelen.

Nevens mij stond een sergeant van mijn regiment, met name Lemaigre, die
nu kapitein is. Terwijl hij zich de haren van woede en razernij
uitrukte, zag hij in de verte eene batterij Belgische artillerie uit
Leuven komen aangerend, bestaande uit acht stukken van twaalf pond
ijzer. Geen ander overste dan een sergeant scheen over de batterij te
bevelen; en dewijl Lemaigre hem persoonlijk kende, hield hij hem staan
en bezwoer hem, dat hij toch de batterij tegen de zijde des vijands zou
stellen, om zóó onze beslissende nederlaag te vertragen en den aftocht
een ogenblik te dekken.

De sergeant des kanonniers,--mijn vriend Lemaigre noemde hem
Mathieu,--volgde den raad en brandde al zijne stukken los; eene wolk
schroot drong in de rangen des vijands, en er deed zich werkelijk eene
aarzeling in zijnen aanval op de laatste dapperen onzes legers bemerken.

Ik verliet deze plaats en sleepte mijnen voet met onbeschrijfelijke pijn
achterna, tot op eenigen afstand, waar ik over eene groote afspanning,
tegen eenen boom der baan mij nederzette.

Onderwijl was ook het laatste regiment der Belgen bezweken, en nu was
het gansche leger in aftocht.

Op dien stond liep van mond tot mond de schreeuw: "_Armistice!
armistice!_ Wapenstilstand! Vrede!"

Maar ofschoon de wijkende Belgen dit woord herhaalden, gaven zij er toch
geen gehoor aan; misschien omdat nog uit de verte eenige schaarsche
kanonschoten over de vlakte donderden.

Dan zag ik plotseling voor de afspanning onzen koning Leopold, te paard
gezeten en omringd van eenige stafofficieren; hij scheen met hen te
beraadslagen, en reed welhaast met zijn geleide naar Leuven op, in de
richting van het vijandelijk leger. Ik had het gelaat des Konings
aandachtig beschouwd: eene droeve, doch grootsche kalmte maakte het
indrukwekkend, zelfs op dezen smartelijken oogenblik.

De Hollanders vervolgden de Belgen niet; geen geweervuur liet zich nog
vernemen: er was inderdaad een wapenstilstand gesloten, waarvan de
mogelijkheid en de reden slechts door eenige uitleggingen kunnen worden
verstaanbaar gemaakt.

De Conferentie der groote Europeesche Mogendheden, te Londen vergaderd,
had de scheiding van Holland en Belgie uitgesproken; en het was om zich
tegen deze beslissing te verzetten, dat de Koning van Holland den inval
in Belgie had gewaagd. Frankrijk was gelast, desnoods met geweld de
uitvoering van den wil der Conferentie te verzekeren. Met dit inzicht
was er sedert lang een Fransch leger van 50,000 man op onze
Zuidergrenzen vergaderd. Bij het vernemen der tijding van het verlies
van het Maasleger hadden de Fransche generaals met reden gemeend, dat de
Belgen weinig kans hadden om tegen hunnen overmachtigen vijand te staan;
en zij waren met hun leger over de grenzen gerukt, om koning Leopold ter
hulp te snellen.

Juist toen de veldslag van Leuven op het hoogste was en de meeste
Belgische regimenten met groot verlies den IJzerberg afgedreven werden,
boden de eerste Fransche officieren, als zendelingen huns generaals,
zich bij den hoofdstaf der Hollanders aan, en deden den Prins Van Oranje
en den Prins van Saksen-Weimar begrijpen, dat, indien er nog één
kanonsbal geschoten werd, het Fransche leger in naam der Mogendheden,
hun eenen nieuwen veldslag zou komen aanbieden, waarin de Hollanders
ontwijfelbaar zouden bezwijken. Een Engelsch zaakgelastigde, dien wij
dien dag meermaals met onzen Koning gezien hadden, was daar insgelijks
tegenwoordig. Er werd een wapenbestand getroffen, waarbij men bepaalde,
dat alle vijandelijkheden zouden ophouden, en dat het Hollandsche leger
des anderen daags,--wel door de Franschen opgevolgd, doch
ongehinderd,--naar de grenzen zou vertrekken. Het geschiedde zoo.

[Illustration: Wij werden elk in een bed gelegd.]

Wanneer alles rondom mij stil geworden was, richtte ik mij op en poogde
van boom tot boom voort te gaan. Mijn voet was zeer gezwollen; ik had
mijnen schoen in stukken gesneden, om hem te kunnen uitdoen, en ik
sukkelde nu onder het lijden van hevige pijnen, langzaam nevens den
steenweg voort, van tijd tot tijd mij nederzettende om te rusten.

De avond begon reeds te vallen; en ik lag weder met den rug tegen eenen
boom der baan, wanneer een open fourgon voorbijreed, waarin nog eenige
gekwetste soldaten zich bevonden. Men vroeg mij, waarom ik daar zoo
eenzaam bleef zitten; op mijn antwoord hieven de voerlieden mij in den
fourgon.

Toen wij te Mechelen kwamen, vonden wij al de straten overdekt met
Belgische soldaten van alle regimenten en wapenen, die in de grootste
verwarring op de steenen uitgestrekt lagen en sliepen. Ik bleef in den
fourgon tot den morgen, als wanneer ik met behulp van eenen kameraad mij
naar de Antwerpsche poort begaf, waar de verstrooide mannen van ons
regiment zouden vergaderen. Na de oproeping der namen zouden wij
Mechelen verlaten en weder den steenweg naar Leuven optrekken.

Omtrent elf uren des morgens was alles tot het vertrek gereed; eenige
gekwetsten, waaronder ik zelf, lagen op karren en zouden volgen.

Bij de poort der stad werden de karren echter teruggehouden, en er werd
bevel gegeven om de gekwetsten naar het hospitaal te voeren.

Het hospitaal, waarbinnen men ons bracht, was slechts voorloopig
ingericht, en men noemde het eene _infirmerie_.

Wij werden elk in een bed gelegd; er kwamen zusters van liefde, die ons
allerlei goed voedsel, wijn, lekkernijen en zelfs geld gaven. Een
heelmeester verbond mijnen voet..... en, alhoewel mijne pijn nog uiterst
hevig was, viel ik welhaast in eenen diepen slaap, die bijna tot den
volgenden morgen duurde.

Mijn voet bleef zeer pijnlijk gloeiend tot den tienden dag; dan kwam er
eene spoedige beternis, eene week later kon ik reeds de _infirmerie_
verlaten, om mij naar mijn regiment te begeven, dat zich in en rondom
Dendermonde bevond.



VI


De slag van Leuven en de voorvallen, die hem waren voorafgegaan, hadden
elkeen de overtuiging gegeven, dat onze nederlaag alleenlijk toe te
wijten was aan de slechte inrichting des legers en aan de afwezigheid
van het gevoel der onderschikking, zoowel tusschen de officieren als
tusschen de soldaten. Het Staatsbestuur, door eenen ervaringrijken
koning aangedreven, hield zich onverwijld met de herinrichting des
legers bezig; men zou den officiers, die de noodige bekwaamheid niet
bezaten, hun ontslag geven, andere, oudgediende oversten in hunne plaats
stellen, de tucht strengelijk doen handhaven, en met onverbiddelijke
krachtdadigheid de gedachte van persoonlijke onafhankelijkheid
versmachten, welke de vrijwilligers in het leger hadden gebracht.

Bij mijnen terugkeer in het regiment had men mij aangewezen, om
voorloopig het ambt van sergeant-majoor in eene andere compagnie te gaan
waarnemen. Ik deed mijn uiterste best om de gunst mijner nieuwe oversten
te verdienen, en arbeidde zes halve nachten om de achtergeblevene
schriften der compagnie gansch in orde te brengen. Men sprak grooten lof
van mijnen ijver en van mijne bekwaamheid; niemand twijfelde of ik zou
tot den graad van sergeant-majoor worden verheven. In dezelfde
overtuiging schreef ik met hoogmoed en blijdschap aan mijnen vader
aangaande mijne onfeilbare verhooging, en ik ontving daarover zijne
liefderijke gelukwenschen.

Eenige dagen later kwam de generaal-inspecteur Olivier te Dendermonde,
om de herinrichting van ons regiment te bestieren. Vele
officieren,--onze kolonel zelfs,--werden op halve soldij weggezonden of
verplaatst; anderen, die wij niet kenden, werden ons tot oversten
gegeven; de nauwe uitvoering der tuchtwetten werd verzekerd, en zoo
kreeg ons regiment een gansch nieuw voorkomen.

Toen men de benoemingen tot de openstaande plaatsen van onderofficier
wilde doen, werd ik door den nieuwen kolonel onderzocht. Ik was slechts
negentien jaar oud; en, tot overmaat van ongeluk, deed mijne magerheid
en iets kinderlijks in mijn opzicht, mij nog veel jonger schijnen.

Met mijne bekwaamheid had de kolonel wel vrede; maar een
sergeant-majoor, zeide hij, moet ontzag kunnen inboezemen, dewijl hij in
eene compagnie de ware werkspil is en met de uitvoering der ontvangene
bevelen is belast. Nu men voor doel had, de tucht in het leger te doen
eerbiedigen, mocht men geene kinderen tot sergeant-majoor aanstellen.

Hij deed mij met goedheid in de stemme begrijpen, dat ik nog te jong en
te klein was om zulk gewichtig ambt naar behooren te vervullen; ik had
tijd genoeg om te wachten, en men zou zich mijner herinneren, wanneer
het nieuwe regiment aan de nieuwe inrichting zou gewend zijn. Ik werd
ter zelfder tijd aangewezen, om in eene nieuwe compagnie van het eerste
bataljon mijnen vorigen dienst van fourier te hernemen.

Het was met het hoofd onder smart en spijt gebogen, dat ik de woning des
kolonels en de stad verliet, om mij naar het dorp te begeven, waar onze
compagnie alsdan geherbergd lag.

Onderweg dreven mij allerlei treurige gepeinzen door het hoofd; ik morde
met bitterheid tegen mijnen geringen ouderdom en mijne kleine gestalte,
en klaagde het den boomen, dat mijn uiterlijk voorkomen mij als een kind
met minachting deed behandelen, ofschoon, volgens mijne meening, een
krachtig mannenhart, mij in den boezem klopte. Daarbij voegde zich de
overweging, dat mijn vader mijne teleurstelling met verdriet zou
vernemen en mij misschien van laatdunkendheid zou beschuldigen! Mijne
vrienden in het regiment zouden weten, waarom ik tegen de algemeene
verwachting niet was verhoogd geworden.... Omdat ik nog te veel aan een
kind geleek! Dewijl deze reden mij reeds veel had doen lijden, en
waarlijk in het krijgsleven mij een bestendige hinderpaal en eener bron
van kleinachting was geweest, was ik ten uiterste gevoelig geworden aan
allen twijfel aangaande mijne hoedanigheid van man.

Twee dagen later werd ik bij mijne nieuwe compagnie ingelijfd. Dáár
kende mij niemand, en ook niemand scheen geneigd om mijn stil en zoet
karakter te ontzien of te sparen.

Nu begint voor mij een tijdstip van ramp en lijden, van ziekte der
inbeelding, van droomachtige zelfverknaging, van kwalen, die mij alle
lichaamskracht zullen ontrooven en mij tot op den boord van het graf
moeten voeren....

De kapitein mijner nieuwe compagnie was een zonderling man, wiens
inborst en daden als een ondoorgrondelijk raadsel iedereen verwonderden;
hij had vele jaren als stafofficier onder de Turken gediend: ik
twijfelde somwijlen, of hij zelf niet een Turk was, die zich voor eenen
Franschman deed doorgaan.

Tamelijk lang van gestalte was hij, hoekig en baldadig in al zijne
bewegingen, uiterst ruw, kort en streng in al zijne woorden. Zijne
kleine, grijze oogen fonkelden in diepe holen, en hun doordringende blik
was indrukwekkend voor ieder, als de blik des arends. Meest stampte hij
onder het spreken geweldig met de scheede van zijnen sabel op den grond,
mengde de krachtigste soldatenwoorden, tusschen zijne rede en had de
gewoonte, onverpoosd naar alle kanten in het ronde te spuwen. Somwijlen
zou men gewaand hebben, dat hem iets in de hersens faalde en hij
zinneloos was.

In zulke oogenblikken was het hem eenerlei wie voor hem stond:
officieren of soldaten, ieder moest zwichten en zijne harde verwijten in
stilte verkroppen. Geraakte hij in twist met zijne gelijken, hij liet
hooren, dat hij gereed was, om met sabel of pistool zijn woord gestand
te doen; en dikwijls was een tweegevecht--voor hem altijd gelukkig
afloopend--het einde zijner schijnbare ruwheid.

Met sommigen zijner oversten was hij even hard; ook werden door dezen
niet zelden pogingen aangewend om hem ernstigere straffen te doen
ondergaan, dan men er bij het regiment kon opleggen. Hoe het kwam, weet
niemand, maar telkenmaal--zelfs voor het krijgsgerechtshof--kreeg hij
gelijk en bleef ongehinderd. Zijne verdedigingen, welke hij zelf
schriftelijk opstelde, waren ongemeen krachtig en talentvol: wie hem tot
tegenstrever had, kwam er nooit ongedeerd van af.

Vele redenen maakten hem echter bij de meeste soldaten der compagnie
bemind en ontzien; eenigen zelfs zouden voor hem zonder aarzelen hun
leven in gevaar gebracht hebben, indien hij het hadde verlangd. In den
slag van Leuven had hij zich als een onversaagd officier gedragen, en
zich meer dan eens met wonderbare vermetelheid ten doel der vijandelijke
kogels vooruitgeworpen. In alle gevallen, waar het mogelijk was,
verdedigde hij de soldaten tegen de mindere officiers en onderofficiers;
soms ook wel tegen de hoogere oversten. Een groot gedeelte zijner soldij
schonk hij aan de wakkerste mannen der compagnie tot drinkgeld weg, en
toonde zich bij vlagen zoo goedhartig en zoo mild jegens hen, dat men
hem roemde als een voorbeeld van belangeloosheid en van edelmoed.

Wat hij niet lijden kon, was de zachtheid van taal en zeden, welke
sommige officiers uit het burgerlijk leven hadden behouden. Hij schold
zulke manieren uit voor verwijfdheid en zwoer, dat elkeen onder zijn
bevel _soldaat_ zou worden in den vollen zin des woords, of er onder zou
bezwijken.

Met eene opmerkelijke ruwheid bezat deze onbegrijpelijke man een diep en
vlug verstand; hij was zeer geleerd en wist over zaken van krijgsdienst
zooveel als een generaal hoeft te weten. Daarenboven pleitten vele
zijner daden in hem voor zekere goedheid des harten. Dit mengsel van
allerlei hoedanigheden maakte hem tot een soort van raadselachtig wezen,
dat den meesten eenen geheimzinnigen schrik of ten minste een gevoel van
verwijdering inboezemde.

Deze kapitein zou mijn overste worden! Men begrijpt lichtelijk tot
hoeverre mijne inborst, mijne zwakheid en mijne lijdzame
achterhoudendheid hem moesten mishagen.

Toen ik, met den ransel op den rug en het geweer op den schouder, voor
de eerste maal bij mijne nieuwe compagnie mij vertoonde, stonden de
mannen tot eenen oogenschouw der wapenen in gelederen geschaard. De
adjudant-majoor van het bataljon leidde mij tot de compagnie en
verwijderde zich, terwijl hij kortweg zeide: "Kapitein, ziehier uwen
nieuwen fourier!"

Het was een onuitdrukkelijke blik van spijt en minachting, dien de
kapitein op mij wierp; hij aanschouwde mij van hoofd tot voeten, keerde
rondom mij, spuwde langs alle kanten met gramstorig gemor en riep dan,
als in woede, tusschen vele indrukwekkende woorden, die men niet
nederschrijft:

"Ah sa, wat hebben ze ginder in het hoofd? Of meenen ze, dat mijne
compagnie eene kinderschool is! Men spot met mij! Er zijn andere mannen
noodig om de _gaillards_ mijner compagnie te bevelen. Wij zullen het
zien: het zal er niet bij blijven!"

En onder het uitspreken dezer woorden liep hij verder de Markt op naar
den kant, waar zich de kolonel en de groot-majoor bevonden.

Ik was, van schaamte bevend, in mijn gelid tusschen de onderofficieren
gaan staan, en van daar zag ik, hoe de kapitein voor den kolonel
geweldig met armen en beenen gebaarde en zijne sabel ten gronde stiet.
Mij was het klaarblijkend, dat hij zich tegen mijne benoeming in zijne
compagnie verzette en weigerde mij als fourier te aanvaarden.

Hij gelukte echter in zijne pogingen niet, vermits hij, een oogenblik
later, vloekend en morrend tot mij kwam geloopen, mij nog eens van hoofd
tot voeten beschouwde, en dan op scherpen toon zeide:

"Het is wel, wij zullen zien! Maak dat gij recht in uwe schoenen loopt,
en toon, dat gij haar op uwe tanden hebt, of gij zult een zuur leven met
mij hebben!"

Den bliksem van zijnen oogslag niet kunnende verdragen, liet ik het
hoofd voorovergaan.

"Hoofd recht, en zie mij in de oogen!" riep de kapitein.

Ik weet niet, maar het was mij, alsof iets vreeselijks uit zijnen blik
mij in de ziele drong; en opnieuw boog ik het hoofd, van benauwdheid en
van schaamte schier bezwijkend.

"Wie heeft om Gods wil zulke soldaten geschapen? Hij beeft als een oud
wijf!" morde de kapitein met verachting.

"Te twee uren in mijne herberg!" beval hij. "Wij zullen beproeven of het
mogelijk is, iets van u te maken."

Verder bemoeide hij zich niet meer met mij, dan alleenlijk dat hij nog
bijwijlen eenen minachtenden blik op mij wierp. Ik was zoozeer onthutst
door deze ruwe behandeling, dat ik bijna niet wist wat te antwoorden op
de vragen en bevelen, mij door den sergeant-majoor, mijnen
onmiddellijken overste, toegestuurd.

Te twee uren begaf ik mij naar de herberg des kapiteins. Mij sidderde
het hart, en ik was benauwd, alsof mij iets zeer ongelukkigs moest
overkomen.

In zijne kamer toegelaten, vond ik hem bij eene tafel aan het schrijven;
hij sprong, op met eene geweldige beweging, beschouwde mij eene wijl,
beklaagde zich nog, dat ik hem tot fourier was gegeven, en vroeg mij
dan, van waar ik was, en wat ik had geleerd.

Met zoete, nederige stemme vertelde ik hem van mijnen vader en van mijne
vorige bestemming tot het onderwijzerschap. Ik beloofde hem mijn
uiterste best te zullen doen om hem te believen, en smeekte hem, mij
toch niet zoo ruw te behandelen, dewijl mij dit oneindig meer verdriet
aandeed dan hij mij wilde veroorzaken.

In het eerst scheen hij met genoegen of met geduld op mijne uitleggingen
te luisteren; maar mijn gebed tot zachtere behandeling deed hem in woede
ontsteken, of ten minste hij gebaarde, dat het hem tot het uiterste punt
der gramschap had vervoerd.

Nu rolden de toornige woorden als een vloed van zijne lippen, en uit
zijn oog schoten gensters, die mij deden sidderen; dan weder verkalmde
hij en beweerde, dat ik van den groven borstel noodig had om _soldaat_
te worden. Andere malen greep hij mij gulhartig bij de hand en zeide:

"Gij zijt vervaard van mij? Gij beeft? Hoe kreegt gij het toch in uw
hoofd, soldaat te worden? Gij trekt gezichten, alsof gij nog op den
schoot uws moeders zaat! Kom, schep moed, ik zal eenen man van u maken.
Wat ik doe, is voor u goed.... Maar zoo gij kind wilt blijven, dan
vindt gij geene verschooning voor mijne oogen: ieder moet zijn' stiel
doen, en het is al veel te lang, dat men in het leger _muscadyns_ en
oude wijven hunnen vrijen gang laat gaan."

Mijne vreesachtige antwoorden en bovenal de moedelooze toon mijner stem
bevielen hem niet. Opnieuw begon hij mij te bedreigen en voor kind en
melkbaard te schelden, tot zooverre dat ik, onder eene ware
verschriktheid bezwijkend, in tranen losborst.

Dan kende zijne woede geene palen meer; hij vatte mij bulderend bij den
schouder, duwde mij de kamer uit en sloot de deure toe.

Met vermorzeld hart, gansch moedeloos en van de toekomst schrikkend,
sukkelde ik naar mijne herberg, waar ik den sergeant-majoor mijn
wedervaren vertelde.

Deze poogde mij te doen begrijpen, dat de kapitein inderdaad zonderlinge
manieren had, maar dat men het niet ernstig opvatten moest, dewijl hij
zelf het zoo niet meende; dat hij in den grond een goed hart had, en
niemand wetens en willens kwaad zou doen; ja, dat het gebeurde een
bewijs was, dat hij veel geneigdheid voor mij gevoelde, en
rechtzinnelijk moeite wilde doen om mij _soldaat_ te maken, eene
hoedanigheid, die mij klaarblijkend ontbrak.

Hoe het zij, de wijze, op welke men mijne inborst wilde veranderen,
krenkte mij den geest en maakte mij wanhopig. Elken dag overlaadde de
kapitein mij met harde woorden, en poogde als het ware mijn lijdzaam
gemoed tegen zijne ruwe behandeling in opstand te brengen; hij scheurde
mijn schrijfwerk onder alle voorwendsels aan stukken, strafte mij om de
minste schijnreden, en vernederde mij bloedig in tegenwoordigheid der
soldaten, die ik in vele gevallen te gebieden had.

Welhaast verlieten wij Dendermonde, om in het kamp bij Diest te gaan
liggen, waarna wij eenigen tijd op de dorpen geherbergd bleven, en
eindelijk te Bergen-Henegouw in de groote kazerne geraakten.

In November 1831 vertrokken onze sergeant-majoors naar het _depôt_, om
er de schriften der compagniën door wederzijdsche vergelijking in orde
te brengen. Zij bleven zes maanden afwezig, en lieten gedurende dien
tijd de fouriers met de vervulling van hun ambt belast. Dezen laatsten
werd een korporaal toegevoegd, om hen in hunne dubbele hoedanigheid te
helpen.

Nu vielen mij eene groote verantwoordelijkheid en ongemeen veel
bezigheid ten laste; mijne vreesachtigheid maakte mij de taak veel
zwaarder dan zij was; ik kon schier niet slapen van ongerustheid en
bekommernis, en beging daarom juist nu en dan wel eens eenen misgreep in
de uitvoering der ontvangen bevelen.

Mijn kapitein bleef nog immer bij zijn inzicht om, zooals hij zeide, een
_soldaat_ van mij te maken. Bijna elk uur van den dag moest ik nu met
hem in aanraking komen; hij bejegende mij telkens met ontmoedigende
hardheid, strafte mij onbarmhartiglijk en vervulde mijn neergeknakt
gemoed met hopeloosheid en met schrik.

Langzamerhand werd mijne inbeelding krank; mijn verstand geraakte in de
war; de kapitein met zijne bliksemende oogen kreeg voor mij de vormen
van een geheimzinnig wezen, van eenen boozen geest. Zijne stem deed mij
sidderen; des nachts droomde ik van vervaarlijke dingen, van uitteren en
van sterven, en telkens stond de vreeselijke beeltenis des kapiteins bij
mijne doodsponde te lachen, als verblijdde hem het laatste oogenblik
zijner uitgeputte prooi.... Ook mijn lichaam vermagerde spoedig; de
wangen werden mij geel en doorschijnend, en alhoewel ik mij zelden over
mijn lot beklaagde, gevoelde ik iets in mij, dat mij een vroegen dood
voorspelde.

Dat mijn kapitein een boosaardig man was, mag men niet gelooven; maar
wat doet het er toe? De inbeelding, wanneer zij met ziekelijke
ontsteltenis is getroffen, schept spoken en ondergaat hunnen invloed,
alsof zij werkelijk bestonden.--Met mij was het zoo gesteld.

Ik was tot zooverre geraakt, dat ik elk mensch voor eenen vijand en voor
een zielloos en kwaadaardig wezen aanschouwde, en ik haatte in mijn
binnenste de wereld en het leven, wier onschuldig slachtoffer ik mij
waande te zijn.

Mijne gezellen vluchtte ik; des avonds, wanneer mij geene haastige
bezigheden tot den arbeid dwongen, zat ik eenzaam in mijne kamer, met
het hoofd op de handen, te mijmeren en te droomen van mijn vorig leven;
alsdan somtijds tot eene ziekelijke begeestering der smart opgevoerd,
sprak ik tot God, Hem zeggende, dat ik mij verduldig boog onder het
gewicht van Zijnen arm, en lijdzaam het lot te gemoet zag, dat Zijn wil
mij had beschikt.

Terwijl mijne kameraden zich buiten de kazerne vermaakten en den avond
in vreugde doorbrachten, hield ik mij dus bezig met mijn eigen hart te
verknagen en mij de gemoedskracht te ontnemen, die er noodig was om niet
onder het verdriet te bezwijken....

Ik leed aan de schrikkelijke en meest altijd doodelijke kwaal, die men
_landziekte_ of _heimwee_ noemt...

Het heimwee is eene zonderlinge en geheimzinnige ziekte der hersens. Zij
vindt hare meeste slachtoffers onder de jonge soldaten; eenige ook onder
de scholieren, die verre van het ouderlijk huis met dwang in eene
kostschool worden opgevoed; of onder jonge kloosterlingen, of onder
jonge gevangenen: in éen woord, onder zulke menschen, die te vroeg van
de geboorteplek zijn weggerukt en nog iets van de teergevoeligheid
hunner kindsheid hebben behouden.

Wanneer een soldaat de landziekte krijgen zal, bekomt zijn gelaat eene
bleeke kleur van eenen eigendommelijken toon; zijne oogen worden
weifelend en bewegen langzaam; het hoofd nijgt hem op de borst. Hij
schijnt altijd in diepe mijmering verzonken; en, spreekt men hem hard
toe, hij schiet met verrassing uit zijnen droom, als iemand die
ontwaakt. Niets kan hem vermaken; zijn lach, indien hij nog bekwaam is
om te veinzen, is bitter en droef als eene klacht. Hij vlucht zijne
vrienden en is liefst alleen; wanneer zijne gezellen de kazerne
verlaten, om uit wandelen te gaan, blijft hij in de kamer; als zij te
huis zijn, verbergt hij zich in den eenen of anderen hoek der kazerne om
ongezien met het hoofd op de borst in vrijheid te kunnen droomen.

Altijd mijmert hij van dezelfde dingen; zijne oogen zien het vaderlijke
huis en de bergen, waar zijne wiege stond. Hij spreekt tot zijne
afwezige moeder; hij noemt de namen der vrienden zijner kindsheid; hij
ziet en hoort alles, wat hem te huis dierbaar was. In dezen engen kring
beweegt zich zijne ziel; en, of hij onder de wapens zij of niet, wat hij
doe of verrichte, er is geene plaats voor andere gedachten meer in zijn
hoofd.

Door deze _eendenkerij_ vervallen zijne hersens welhaast in eene durende
verlamming, die voor gevolg heeft, dat het lichaam de noodige
zenuwsappen niet meer toegezonden worden.

Allengs begint de maag van den heimzieken soldaat voedsel te weigeren;
hij vermagert spoedig, laat zijne leden krachteloos hangen en beweegt
zich met eene opmerkelijke traagheid. Onderwijl geschiedt er in zijn
binnenste iets vervaarlijks: zijne longen verdrogen, verengen en baren
in de verholenheid zijner borst die ronde verhardingen, welke een
doodvonnis zijn.... Hij begint te kuchen en te hoesten.... Men schrijft
hem een briefje om naar het hospitaal te gaan; zijne kameraden zien hem
met treurigen oogslag achterna, terwijl hij de kaserne uitsukkelt.... Zij
weten wel, dat hij niet wederkeeren zal...!

Er zijn zoovele jonge soldaten, welke dien weg ingaan! En het zijn de
begaafdste zielen, de gevoeligste harten; want een ruw jongeling of een
kerel met stoffelijke neigingen krijgt het heimwee niet.

Vele regimentsdokters pogen, wanneer zij de teekens dezer ziekte in
eenen loteling bespeuren, hem een verlof te bezorgen, om voor eenige
dagen naar het ouderlijk huis terug te keeren. Mochten zij allen dus
handelen! Er is geen ander geneesmiddel: al het overige dient slechts om
den noodlottigen loop der kwaal te verhaasten. Maar men moet het
aanwenden, zoohaast de gemakkelijk herkenbare teekenen der kwaal zich
openbaren; want heeft het heimwee eens de kiemen des doods in de longen
neergelegd, dan is het voor alle menschelijke hulp te laat.

Die ijselijke ziekte ondermijnde mijn leven;--ik hoestte echter nog
niet....

Tot overmaat van ongeluk _deserteerde_ omtrent dien tijd de korporaal,
dien men mij als hulp had toegevoegd. Hij had de schriften der
broodlevering vervalscht en zeven paar nieuwe beddelakens verkocht of
medegenomen. Deze laatste voorwerpen en eene groote hoeveelheid brood
moest ik te goed doen; men zou de waarde er van, die eene voor mij
aanzienlijke som beliep, op mijne soldij afhouden. Daarbij, men
beschuldigde mij van lafheid.

Dien dag onderstond ik vanwege mijnen kapitein eene wreede berisping,
die mij verpletterde en de laatste vonk van levenslust in mij verdoofde.

In den loop van den avond, terwijl ik in eenzaamheid zat te treuren,
werden mijne leden allengskens ijskoud; alles beefde met groot geweld
aan mijn lichaam. Geneigd om immer den zwartsten kant der zaken te zien,
meende ik, dat mijn stervensuur ging naderen; doch, alzoo ik mij nu op
mijn bed had neergelegd, begonnen mijne hersens te gloeien en mijne huid
te blaken, alsof mijn leger een brandstapel ware geworden. Zoo duurde
het den halven nacht, totdat ik eindelijk in eenen lastigen slaap
wegzonk. Eene zenuwkoorts had mij aangedaan, en nu keerde deze kwaal
eiken dag op ongeregelde uren met hernieuwde kracht terug.

Evenals aan iederen ontmoedigden soldaat, boezemde het hospitaal mij
eenen hevigen schrik in: ik had de overtuiging, dat, indien ik eens
onder de poort van het ziekenhuis moest doorgaan, zij zich nimmer weder
voor mij zou openen, dan alleen tot het wegvoeren van mijn lijk. Daarom,
ik verborg mijne kwaal en smeekte de weinigen, die er van wisten, dat
zij toch niets er over zouden zeggen.

Den dag na den eersten aanval had ik eenen brief vol verzuchtingen en
vol tranen voor mijnen vader geschreven; zelfs had ik er eenen zin in
gesteld, die beteekende, dat hij zich haasten moest, wilde hij de
zekerheid hebben mij nog in leven te zien; doch de gedachte, dat ik
mijnen vader te veel schrik en verdriet zou aandoen, deed mij eenen
anderen brief schrijven, waarin ik mij bepaalde bij droeve klachten en
bij het gebed om een bezoek van hem te ontvangen.

Hij antwoordde mij, dat hij binnen vijf of zes dagen te Bergen zou
komen; maar hij schreef ook onder anderen:

"Gij zegt dat uw kapitein u behandelt als eenen slaaf? Wat beteekent
dit? Wat doet gij dan om zoo te worden bejegend? Ik geloof, dat er veel
van uwe schuld in dit alles is: uw karakter is niet wat het zou moeten
zijn. De _philosophische_ gedachten, die u door het hoofd rollen, zijn
de oorzaak van uw misnoegen en van uwen onwil. Dit is het wat u
onaangenaam maakt bij uwe oversten en kameraden, die uwe bewegingen van
ontevredenheid wel bemerken, bovenal wanneer gij iets te doen hebt, dat
u niet aanstaat. Geloof mij, verander van gedachten; zoo niet, zult gij
ongelukkig zijn, zoowel in den burgerstand als onder dienst. Het leven
is geen droom, al zeggen het de _philosofen_; het is een werkelijke
strijd; het lot is de vijand, en men overwint hem met hem onversaagd in
de oogen te zien."[6]

Mijn goede vader kende mijn hart; hij wist, wat er te veel en wat er te
weinig in was, en nu ook wees hij mij de wonde mijns gemoeds met
klaarheid aan. In den toestand, waarin ik mij bevond, kon ik hem echter
niet begrijpen; zijne wijze vermaningen vielen als olie in het vuur
mijner verterende smart, en ik waande mij door iedereen op de wereld
verlaten, ook door mijnen vader!

Des anderen daags greep de koorts mij in den morgen aan; en het was
reeds tien uren, wanneer ik, van de eerste koude huiverende, nog half
gekleed op mijn bed lag.

Op dit oogenblik trad de kapitein in de kamer; ik sprong verschrikt ten
gronde en bedwong de siddering des koorts een kort oogenblik; doch de
kwaal was mij meester en deed mij onmiddellijk met meer geweld beven.
Mijne bleeke wangen en blauwachtige lippen verrieden ook genoeg mijnen
toestand.

Mij doordringend bezien hebbende, zeide de kapitein:

"Gij hebt de koorts? Stel u op het ziekenrapport: gij moet naar het
hospitaal."

Hij zag, hoe dit woord mij met angst en vervaardheid sloeg.

"Wat beteekent dit?" vroeg hij.

"Ach, kapitein," smeekte ik, met de handen biddend te zaam gevouwen,
"doe mij niet naar het hospitaal gaan; ik ben zeker, dat ik er zal
sterven!"

"Zinnelooze droomer!" morde hij, "ik geloof inderdaad, dat gij de
waarheid zegt! Kom aan, schep moed, volg mij, _ik_ zal u genezen!"

En, alzoo ik nu met trage bewegingen mijne kleederen aantrok, begon hij
van ongeduld te bulderen, mij mijne _lamheid_ te verwijten en mij
zoodanig met ruwe woorden te overladen, terwijl hij zijn inzicht om zelf
mij te genezen herhaalde, dat ik schier van schrik bezweek, in de
gedachte, dat hij iets ijselijks met mij voorhad.

Ik volgde hem evenwel, daar hij de kazerne verliet, om met mij naar
zijne woning te gaan. Zoo diep rampzalig in mijn gemoed was ik, dat ik
onderweg met glinsterende oogen eenen bedelaar aanschouwde, en in mij
zelven met een gevoel van heeten nijd uitriep:

"Hoe gelukkig! Hij is vrij!"

Ware het mij vergund geworden, mijne soldatenkleederen en mijn
fourierschap tegen de gescheurde plunje en tegen de ellende van dien
bedelaar te verwisselen, hoe hadde ik God gedankt om die weldaad! Hoe
hadde ik door eenen blijden zegekreet mijne verlossing begroet!

Terwijl wij de hooge straat naar de markt opklommen, ontmoette ons de
kolonel des regiments, M. Le Hardy.

Van verre reeds bezag hij mij met opmerkzaam medelijden, en, genaderd
zijnde, vroeg hij den kapitein:

"Wat heeft toch uw arme fourier? Hij schijnt wel ernstig ziek? Gij moest
hem wat rust gunnen."

Uit mijne oogen lichtte eene vonk der dankbaarheid den medelijdenden
overste tegen. De kapitein vervorderde echter zijnen weg, terwijl hij
groetend antwoordde:

"Eene lichte ontsteltenis, kolonel; het is zijn hoofd, dat niet deugt.
Ik ga hem genezen...."

Eindelijk kwamen wij in zijne woning en op de kamer, waar hij zich
gewoonlijk hield. Hij kondigde mij aan, dat hij mij een geneesmiddel zou
doen nemen, dat mij onfeilbaar en voor altijd genezen zou; zijne oogen,
die op mij gevestigd waren, schenen mij met een geheimzinnig vuur te
flikkeren; zijne woorden waren dubbelzinnig en voor mij
schrikverwekkend.

Ik durf het bijna niet bekennen; maar mijne zieke inbeelding zeide mij,
dat de kapitein mij vergif ging aanbieden! Ik sidderde; en, op mijne
beenen waggelend, steunde ik mij met de hand aan den rug van eenen
stoel.

De kapitein had intusschen eene kas geopend. Hij haalde er eene flesch
uit, en schonk een donkergroen vocht in een glas.

Groen was voor mijnen geest de eigen kleur van vergif. Onzeglijk werd
mijn schrik; als met versteendheid geslagen, zag ik het glas mij tot de
lippen naderen!

In het eerst weigerde ik van het gevreesde vocht te drinken; doch ik kon
het tegen den kapitein niet lang uithouden, en welhaast, mij in mijn lot
gelatende als iemand, die den marteldood aanvaardt, ledigde ik de helft
van het glas in een enkele koortsige teug. De groene drank was bitter
als gal, en liep daarbij brandend door mijn ingewand.

Mij hebbende doen nederzitten, begon de kapitein op vriendelijken toon
eene lange rede over de hoedanigheden van een goed soldaat; hij
beloofde als een vader voor mijne verhooging te zullen zorgen, indien ik
slechts man wilde worden en, zooals hij zeide mijn kindervel wilde
uitschudden. Hij noemde mijne droomachtige gevoeligheid eene ellendige
_sensiblerie_, die zelfs in een meisje van zestien jaar belachelijk zou
schijnen.

Hoe gegrond zijne redenen ook mochten zijn, ik aanschouwde ze, in de
dweepzucht des lijdens, als louter valschheid en spot; ik hoorde ze aan
met een versteend en gesloten hart.

Onderwijl had de kapitein mij het glas doen ledigen en het ten tweeden
male gevuld. Wanneer insgelijks deze tweede hoeveelheid vochts door mij
gedronken was, begonnen mijne denkbeelden op eene vreemde wijze in de
war te geraken; en als de kapitein mij dwong tot antwoorden, had ik
moeite om te spreken.

Dan stond hij van zijnen zetel op en zeide:

"Het is genoeg; ga nu naar de kazerne, kruip in uw bed en blijf rusten,
zoolang gij wilt. Ik zal bevelen geven, dat niemand u store; laat u noch
aan dienst, noch aan schrijfwerk gelegen; ik geef u vier dagen verlof en
volle vrijheid.... Welnu, sta op, zeg ik; vertrek!"

Ik verliet de kamer. Wat ik had, wist ik niet, maar ik moest mij met
beide handen aan de leuning van de trap steunen om niet te vallen.

Toen ik op de straat getreden was en na een twintigtal stappen den
indruk der lucht onderging, greep ik mij aan het ijzer van een venster
vast: de huizen begonnen in woeste vaart rond mij te draaien; ik zag
dansende lichten voor mijne oogen, en ik verloor in de bliksemsnelle
wentelkolk, waarin ik scheen weg te zinken, mijn bewustzijn geheel en
gansch.... Ik was dronken: voor de eerste maal mijns levens!

Bij geluk ging op dit oogenblik een sergeant van ons bataljon in de
straat voorbij: hij hief mij van den grond op en leidde mij naar de
kazerne, waar men mij in mijn bed legde.... Dat ik dien ganschen dag
veel zieker was dan te voren, behoeft niet te worden gezegd.

Mijn kapitein had bevel gezonden, dat ik mijne kamer onder geen
hoegenaamd voorwendsel mocht verlaten.

Slechts den derden dag zag ik hem voor de eerste maal weder; hij vond
mij, terwijl ik met ongemeenen eetlust een groot stuk vleesch nuttigde.

"Zoo, zoo!" riep hij, "het schijnt, dat het geneesmiddel goed gewerkt
heeft!--En de koorts, is zij teruggekeerd?"

Het speet mij, te moeten bekennen, dat ik waarlijk van de koorts was
genezen; want inderdaad, ik had de minste huivering niet meer gevoeld,
sedert ik van het groene vocht had gedronken.

De goede uitslag zijner poging scheen den kapitein zeer te verblijden.
Hij moedigde mij opnieuw aan tot het verdrijven mijner zinnelooze
gedachten, zooals hij ze wel eenigszins met reden noemde; en dan
eindelijk mij een stuk van vijf franken in de hand duwende, verliet hij
mij, zeggende:

"Gij hebt geen geld? Dáár, wandel nu en zoek eenig vermaak. Wat de
beddelakens betreft, die men u ontstolen heeft, denk er niet te veel
aan: ik zal die zaak wel regelen."

Met tegenzin begaf ik mij, volgens zijn bevel, ter wandeling buiten de
stad; ik dwaalde er uren lang in eenzaamheid, droomend van mijne
ijselijke slavernij, van den vurigen haat, dien ik meende, dat de
kapitein mij toedroeg, van der menschen onrechtvaardigheid en van
allerlei andere dingen, die mijne krankzinnige dweepzucht konden voeden.

Bij het terugkeeren naar de stad ontmoette ik eenen kreupelen man, die
mij eene aalmoes vroeg. Ik gaf hem het stuk van vijf franken, mij door
den kapitein geschonken. De bedelaar aanschouwde mij met verbaasden
blik, als wilde hij mij vragen, of ik wel bij mijne zinnen was. Een
soldaat, die vijf franken wegschenkt, moest in zijne oogen zot of iets
dergelijks zijn! Wel een vierendeel uurs bleef de verbaasde man mij
achterna zien; wat mij betreft, ik was tevreden, dat het geld van hem,
dien ik de oorzaak van mijn ongeluk waande, uit mijnen zak verdwenen
was, zonder dat mijn geweten mij kon verwijten, iets er van te hebben
gebruikt.

Des anderen daags kwam mijn vader te Bergen. Toen mijne oogen hem zagen,
vloog ik hem weenend aan den hals en bezwijmde schier van aandoening.
Mijne bleeke wangen boezemden hem een diep medelijden in: liefderijk en
troostend waren zijne woorden in het eerst, doch na eene wijl begon hij
eene hevige berisping tegen mijn gedrag uit te spreken, bovenal toen ik
den kapitein van wreedheid en van haat tegen mij beschuldigde.

Mijn vader, om te weten, wat er in mijne brieven gegrond kon zijn, was
tot den kapitein gegaan, vooraleer naar de kazerne te komen; hij was
door hem gulhartig en vriendelijk onthaald geworden, had ten zijne
huizen het middagmaal genomen, had met hem gesproken over Napoleon en de
oorlogen van het keizerrijk; in één woord, men had hem bejegend als
eenen broeder. De kapitein had hem ook uitgelegd, dat al mijn lijden
slechts in mijne inbeelding bestond, hoe hij zich vele moeite gaf om mij
van mijne droomkwaal te genezen; hij had hem gerustgesteld over mijnen
toestand en hem beloofd, voor mij als voor zijn eigen kind te zullen
zorgen.

Het spreekt van zelf, dat mijn vader in zulke gemoedsstemming mijne
klachten niet kon goedkeuren. Hij laakte mijne dwaze denkbeelden met
bitterheid; ja, hij werd gram en spijtig als hij zag, dat mijne
overtuiging door geene woorden of bewijzen te veranderen was, en ik met
eene onplooibare stijfhoofdigheid allen troost, die mij ongelijk gaf,
wegwierp als eene onrechtvaardigheid.

Na anderhalve dag verblijf te Bergen, keerde mijn vader mistroostig naar
Antwerpen terug. Ik gevoelde mij ongelukkiger dan te voren. Niemand,
niemand kon mij begrijpen, zelfs niet mijn vader!



VII


In den loop der maand Mei 1832 borst eensklaps de choleraziekte in
Bergen los; het was hare eerste verschijning in België. Deze
schrikkelijke kwaal, die voor zoovele huisgezinnen eene bron van smart
en ongeluk moest zijn, werd mijne redding.

Om de soldaten zooveel mogelijk van de ziekte te bevrijden, verspreidde
men ons regiment op de dorpen der provincie Henegouwen; deze bewegingen
en het vrijere leven bij de boeren gaven mijnen geest wat rust en mijn
lichaam den tijd om zijne krachten een weinig te herstellen. Mijne
bleekheid verdween; en, alhoewel ik nog zeer mager bleef, scheen toch
het gevaar des doods van mij afgekeerd. Mijn sergeant-majoor was uit het
depôt teruggekeerd; daardoor werd ik verlost van zorgen en
hoofdbrekerij, welke in den toestand mijns geestes veel hadden
bijgebracht om mijne zinnen te verwarren.

Wij vertrokken welhaast naar de provincie Limburg, om het Hollandsch
garnizoen der stad Maastricht te bewaken; op de dorpen rondom deze
vesting bleven wij eenigen tijd bij de boeren geherbergd.

In zekere gemeente, niet verre van Meersen, geraakte ik over zaken van
dienst in twist met eenen sergeant onzer compagnie, die een zeer ruwe
en ongemeen sterke kerel was. In zijne gramschap sloeg hij mij geweldig
in het aangezicht, en misschien zou hij mij nog verder mishandeld
hebben, zoo niet de sergeant-majoor mijne verdediging genomen hadde. Men
sprak wel van een noodig tweegevecht, om mijne gekrenkte eer te
herstellen; doch mijn moed was te verre weg om aan zulk iets te durven
denken.

De kapitein vernam het gebeurde en deed mij naar zijne herberg komen. Op
zijn bevel verhaalde ik hem wat er was geschied; maar ik sprak
waarschijnlijk op een toon van uiterste zwakheid, want mijne woorden
deden hem opbruisen van spijt en gramschap. Toen eindelijk mijne
opgehouden tranen losbraken, nam hij mij bij den schouder en stiet mij
ten huize uit, zeggende, dat hij mij van mijne kinderachtige lafheid zou
genezen, even gelijk hij mij van de koorts genezen had.

Een half uur daarna kwam de sergeant-majoor mij melden, dat ik voor vier
dagen in de politiekamer moest gezet worden, en dat ik hem onmiddellijk
te volgen had om mijne straf te onderstaan.

De politiekamer was een vertrek in een steenen huis des dorps; ik ging
er zonder groote ontroering naar toe, want ik wist, dat vier dagen
gevangenis voor mij vier dagen van eenzaamheid en van rust waren.

Hoe verschrikte ik echter niet, toen ik, nadat de deur achter mij was
gesloten, een aangezicht, van blijde wraakzucht en van haat verkrampt,
uit eenen duisteren hoek des vertreks mij zag tegengrijnzen.... Het was
de sergeant, die mij een uur te voren had geslagen!

[Illustration: Te slaan en te stampen.]

Verpletterd en sidderend, bleef ik met gebogen hoofd staan, zonder mij
te verroeren.

"Ah, ah, domme lafaard," brulde de sergeant, "nu heb ik u in mijne
klauwen! Gij hebt voor den kapitein eenen hoop valschheden over mij
gezegd; maar nu zult gij het duur gaan betalen!"

Bij deze woorden begon hij mij zonder ophouden te schudden, te slaan en
te stampen. Van angst en vervaardheid schier bewusteloos, liet ik mij
zonder klacht of tegenspraak over en weder stooten als iemand, die allen
moed opgeeft en zich gedwee aan een onvermijdelijk lot overlevert.
Slechts toen mijn vijand zich vermoeid gevoelde, gunde hij mij eene
verpoozing, terwijl hij zich nederzette en, met de vuist dreigend, mij
toeriep:

"Ellendige bloodaard! Dat laat zich hoonen en mishandelen als een kind,
waar ziel noch hart insteekt! Gij gelooft dat het gedaan is? dat ik u
gerust zal laten? Neen, neen, geen oogenblik rust zult gij hebben:
meteenen zal ik u de kapot eens voor goed uitkloppen: elk half uur zult
gij knoflook eten, dat u hooren en zien vergaan!"

Met het aangezicht naar den muur gekeerd, stond ik in eenen hoek der
donkere kamer; tranen vloeiden uit mijne oogen, en ik sidderde in de
gedachte, dat de sergeant mij een ongeluk zou doen.

Niet lang bleef ik aan mijne wanhopige gepeinzen overgeleverd;
onvoorziens rukte de hand mijns vijands mij geweldig uit den hoek en
smeet mij met eenen krachtigen zwaai tot aan den anderen kant der kamer.
Opnieuw begon hij mij te slaan en te stooten, totdat hij weder, om te
rusten, zich van mij vewijderde.

Zoo duurde het den ganschen dag.

Alhoewel ik deze bemerking slechts later maakte, was het echter
klaarblijkend, dat de sergeant mij niet ernstig wilde bezeeren; want met
al zijn slaan en schudden voelde ik toch geene blijvende pijn aan mijne
leden.

Op dit oogenblik echter deed mijn verschrikt gemoed mij gelooven, dat
hij zich wel vast voorgenomen had, mij dood te martelen; en het was met
ijzing, dat ik den avond zag dalen, in de overtuiging, dat mijn vijand
mij des nachts zou kunnen doodslaan. Ik had reeds meer dan eens op
wanhopigen toon om hulp geschreeuwd; doch de schildwacht voor de deur,
noch de lieden uit den huize schenen er aandacht op te geven.

Het was reeds duister in de politiekamer, toen de sergeant opnieuw tegen
mij inviel en, onder het schokken en schudden, mij voor de eerste maal
zulke gevoelige pijn veroorzaakte, dat een schreeuw der smart mij
ontvloog. De overtuiging dat mijn laatste uur gekomen was, voerde mij
tot eene zinnelooze vertwijfeling, en bracht eenen ganschen omkeer in
mijn gemoed. In blinde razernij ontstoken, begon ik mij met verrassend
geweld te verdedigen: ik stompte met vuisten, ik krabde, ik beet, ik
scheurde als een zwak dier, welks krachten door de vrees des doods zijn
verdubbeld.

Met verbaasdheid liet de sergeant mij los, om het bloed te stelpen, dat
hem ten neuze uitvloeide; hij bulderde, vloekte en dreigde met
verschrikkelijke woorden, dat hij mij onmiddellijk den hals ging breken;
doch ik, sidderend van ontroering, zeide hem op heeschen toon:

"Kom, ik verwacht u, ik ben gereed, mijn leven ben ik moede; maar ik
zal het u duur verkoopen Kom, dat het eindige! Kom!"

Hij schoot inderdaad op mij toe en gaf mij eenen bedwelmenden vuistslag
op het voorhoofd; ik boog wel de knie onder zijn geweld, maar even ras
sprong ik in de hoogte en begon opnieuw in het wild te slaan, te stampen
en te krabben. Ik moest mijnen tegenstrever zeer pijnlijk in het
aangezicht getroffen hebben, want hem ook ontsnapte een kreet der pijn,
en hij verwijderde zich voor goed van mij.

Dan zeide hij, onder vele grove woorden:

"Ik vecht niet meer in de duisternis. Morgen vroeg zullen wij onze
rekening vereffenen: ik zal u vermorzelen, u vertrappen onder mijne
voeten!"

"Ah," riep ik hem toe, "bij dag of bij nacht, het is mij gelijk; gij
moogt met mij doen wat gij wilt, ik ben tot alles gereed. Het is
beslist: sterven of niet, zoo gij mij nog met den vinger aanraakt,
scheur ik u het vleesch van het aangezicht!"

De sergeant scheen te zwichten voor de onbegrijpelijke opgevoerdheid
mijns geestes; misschien vreesde hij, dat ik zinneloos geworden was.
Althans, hij raadde mij aan, in het stroo neer te liggen en te slapen;
des anderen daags 's morgens zouden wij vechten, totdat één van beiden
ter plaatse bleve liggen.

Uren lang staarde ik in de donkere ruimte; mijne borst scheen mij tot
eene ongewone breedte gezwollen; ik hijgde met machtige ademhalingen; de
vuisten waren mij krampachtig gesloten; het voorhoofd gloeide mij van
gramschap en van strijdlust. Meer dan eens meende ik op te staan en
mijnen vijand tot een nieuw en beslissend gevecht te dwingen; niet
omdat ik hem haatte, maar er gebeurde iets onuitlegbaars in mij.

Nu had ik ééns in mijn leven tegen een bijzonder mensch gestaan, zonder
plooien. Hij was sterk als een reus, en ik had hem overwonnen! De moed
en de onversaagdheid waren dus krachten, die tegen lichaamssterkte
bestand zijn?

Zulke overwegingen vervulden mijnen boezem met blijdschap. Voortaan zou
ik mij niet meer laten hoonen!

Den volgenden morgen, als het licht geworden was, konden wij op
elkanders aangezicht de teekens van den strijd bemerken; wij hadden elk
een blauw oog, en het aangezicht van mijnen makker was daarenboven met
sporen mijner nagelen overdekt.

Hij was merkelijk bedaard en bepaalde zich nu met mij te zeggen, dat ik
tegen hem in tweegevecht zou gaan, zoohaast wij uit de politiekamer
zouden vrijgelaten worden. Ik antwoordde hem met stil, doch vast
besluit, dat mij alles gelijk was; maar dat ik, als uitgedaagde, de
pistolen tot het tweegevecht verkoos, om reden dat door dit wapen de
zaak zich spoediger en ernstiger liet beslissen: het ergste was mij het
beste....

Omtrent zeven uren des morgens werd de sergeant uit de politiekamer
gelaten; ik bleef diensvolgens alleen.

In de eenzaamheid begon ik te overwegen, wat mij was geschied en hoe ik
den sterken en gevreesden kerel tot rust en tot zwijgen had gedwongen.
Mij door de inbeelding aanjagend, tooverde ik al de personen voor mijne
oogen, die mij ooit hadden mishandeld of gehoond; ik sprak met luider
stemme en hield redevoeringen, om dezen mijnen vijanden te doen
verstaan, dat ik geene minachting meer wilde verdragen en mij over elke
beleediging zou wreken. Allerlei machtspreuken rolden mij in klinkende
bewoordingen van de lippen; en zooverre voerde mij de koorts des
geestes, dat ik mij de vuisten tegen de muren ten bloede bezeerde, als
waren deze de vijanden geweest, die ik tot den strijd had uitgedaagd.
Het spreekt van zelf, dat het grootste gedeelte mijner bedreigingen
tegen mijnen kapitein waren gericht.

Een uur na het vertrek des sergeants stelde men mij insgelijks in
vrijheid!

Nu durf ik niet vooronderstellen, dat de kapitein den sergeant bevolen
had, mij te mishandelen. Misschien heeft hij hem slechts gezegd, dat hij
moest pogingen doen om mij wat los te schudden; of, zooals hij in zijne
soldatentaal zich kon uitdrukken: "_Tâche donc de le dégourdir un peu._"

Hoe het zij, in dien tijd meende ik mij verzekerd te mogen houden, dat
de sergeant slechts gedaan had, wat hem letterlijk was bevolen geworden.
In deze overtuiging zou ik den kapitein dankbaar moeten geweest zijn;
want hij had mij werkelijk van mijne kinderachtige blooheid genezen en
mij eensklaps tot _man_ gemaakt, iets wat ik, zonder de krachtdadigste
middelen, in vele jaren waarschijnlijk niet zou geworden zijn.

In mijne herberg komende, vond ik den sergeant, die op mij scheen te
wachten.

Zonder hem den tijd te gunnen om iets te zeggen, liep ik naar den koffer
des sergeant-majoors, nam er twee pistolen uit en sprak:

"Hier zijn twee wapenen; kom, dat het spoedig beslist zij!"

"De kapitein heeft allen verderen twist tusschen ons verboden," was
zijn antwoord.

"Zulks kan mij niet wederhouden!" riep ik.

"Maar, fourier, misschien hebt gij zelden of nooit met een pistool naar
het doel geschoten; ik integendeel, tref eenen pijpekop op dertig
stappen...."

"Het is gelijk; maak zooveel beslag niet; mijn moed zou kunnen
verkoelen; nu gevoel ik mij sterk. Kom!"

Mij de hand reikende, zeide de sergeant met stillen glimlach:

"Het is de gewoonte, ja de wet der eer, dat het tweegevecht onderblijft,
zoohaast eene der beide partijen haar ongelijk bekent. Welnu, fourier,
het lag niet in mijn inzicht u te bezeeren. Het was eene grap, die
ongelukkiglijk door uwen hardnekkigen tegenstand in een ernstig gevecht
is veranderd. Ik heb mij over u bedrogen, en ik erken, dat ik ongelijk
had. Vergeet wat er is geschied en laat ons vrienden zijn als te voren!
Indien nog iemand u een kwaad woord durft toesturen, hij zal mij tot
vijand hebben.--Welnu?"

Mijn gemoed verweet mij mijne hardheid; want inderdaad, deze sergeant,
hoe ruw ook van taal en omgang, was in den grond een goede jongen, die
meer dan eens bewijzen van genegenheid had gegeven. Ik greep zijne hand
met gulhartigheid en stemde toe in de verzoening.

De sergeant hield zijn woord: sedert dit voorval bleef hij altijd mijn
vriend.

Dienzelfden morgen deed de kapitein mij bevel brengen om naar zijne
herberg te gaan. Ditmaal gevoelde ik mij geenszins ontsteld; het hart
klopte mij wel krachtig, doch in volle vrijheid, en ik hitste mij
zelven onderweg tot stoutheid aan, om mijnen kapitein eens en voor
altijd te doen begrijpen, dat ik als een man wilde behandeld worden.

Toen ik voor hem verscheen, zag hij eene wijl mij sprakeloos in de oogen
met denzelfden blik, die mij zoo dikwijls heeft doen sidderen. Ik
schouwde hem onversaagd in het aangezicht, zóó vast, dat hij zelf het
moede werd, en eindelijk, het hoofd schuddende, met een en glimlach
uitriep:

"Gij zijt zinneloos op mijn woord! Gij ziet er knap uit, met uw blauw
oog!"

"Kapitein, gij hebt mij doen roepen," zeide ik op ernstigen toon, "ik
wacht uwe bevelen."

Nogmaals zag hij mij diep in de oogen, en, bemerkende dat mijn gelaat
even onbewogen bleef, vroeg hij in gedachten:

"Nu, zeg mij, is het ditmaal gemeend? Of hebt gij weder de koorts?"

Ik antwoordde niet. De kapitein zette zich neder; en, met het
doordringend oog immer op mij gevestigd, beval hij:

"Nu, zeg mij, wat is er in de politiezaal omgegaan? Ik weet het reeds;
zorg aldus, dat gij waarheid spreket,--of anders!"

Zonder de minste bijzonderheid te verzwijgen, verhaalde ik hem mijn
wedervaren met den sergeant; en zelfs voegde ik er bij, dat het
tweegevecht slechts was ondergebleven, omdat mijn tegenstrever zijn
ongelijk had bekend. Tot slot zeide ik:

"En nu, kapitein, laat mij toe u te zeggen, dat ik wel vast en
onherroepelijk heb besloten, voortaan zelfs geenen schijn van minachting
meer te verdragen, van niemand hoegenaamd...."

"Van mij ook niet?" bulderde de kapitein met geveinsde gramschap.

Ik liet mij evenwel niet ontroeren en herhaalde:

"Van niemand.... Ik weet, kapitein, dat gij mijn overste zijt; maar
dezelfde wet, die mij aan uwe bevelen onderwerpt, legt u insgelijks de
rechtvaardigheid tot plicht op. Ik heb overwogen, dat het toch
voordeeliger is, met gevaar des levens zelfs tegen geweld en onrecht op
de staan, dan uit te teren en langzaam te sterven van verdriet...."

"Wat beteekent dit?" riep hij uit. "Weet gij wel, dat wij hier vóór den
vijand zijn, en ik, bij de minste weigering tot gehoorzaamheid, over uw
lot kan beschikken?"

Met koele stijfhoofdigheid antwoordde ik:

"Mijnen dienst zal ik doen, kapitein, beter dan te voren; maar ik
herhaal het u, ik wil behandeld zijn als een man!"

"En zoo het mij beliefde, u anders te behandelen, wat zoudt gij doen?"

"Ik weet het niet: eene zinneloosheid misschien."

"Onbegrijpelijk!" morde hij, terwijl hij van zijnen stoel opstond en
twee- of driemaal rond de kamer stapte.

Eensklaps sprong hij op mij toe, greep mij de hand, schudde ze zeer
hevig en wees mij eenen stoel.

"Gij zijt een zonderlinge geest; er zijn veel goede dingen in u, doch
zij liggen nog in de war. Kon het slechts klaar in uw hoofd worden! Zit
neer: ik wil met u een ernstig onderhoud hebben."

"Zit neer!" herhaalde hij met ongeduld.

Zoohaast ik zijn bevel had gehoorzaamd, langde hij eene flesch en twee
glazen uit eenen koffer.

"Trek zulk afkeerig gezicht niet," morde hij.

"Meent gij, dat ik u weder van het groene vocht wil doen drinken? Neen,
ik bewaar dat sterke alsembitter om de koorts te genezen. Ziehier een
glas fijnen Madera-wijn. Neem aan! Drink, ik wil het!"

Er was niets aan te doen; ofschoon al zijne woorden en zijne
vriendelijkheid mij bitteren spot schenen, moest ik het glas tot den
bodem ledigen.

"Luister nu, fourier," sprak hij op zoeten, bedaarden toon. "Ik heb uwen
ouden vader beloofd, dat ik zou pogingen doen, om uwe inborst de
vastheid te geven, die haar ontbreekt. Uw hoofd is hard; ik beken, dat
het mij vele moeite heeft gekost. Gij hebt gemeend, dat ik boos tegen u
was, dat ik u haatte? Ik heb het u inderdaad doen gelooven, omdat het
noodig was tot mijn doel; maar gij hebt verstand genoeg om te begrijpen,
dat ik mij niet elken dag zoo bijzonder met u zou hebben bezig gehouden,
indien geen gevoel van geneigdheid of van achting, al ware het slechts
voor uwen vader, mij hadde aangedreven. Genoeg daarover. Indien ik mij
niet bedrieg,--wie kan het weten met een veranderlijken kerel als
gij?--indien ik mij niet bedrieg, is er nu sterkmoedigheid genoeg in
uwen boezem gegroeid, om u voortaan toe te laten, den last en de
wederwaardigheden van het krijgsleven zonder plooien te dragen, ja zelfs
om deze baan met geluk en tevredenheid te doorwandelen. Evenwel, geloof
mij, uwe inborst is gevaarlijk voor u zelven: zij kent geene maat.
Indien ik nu voortvoer met mijne pogingen om u uit uwe schadelijke
droomzucht los te rukken, zoudt gij u misschien te veel _man_ willen
toonen, gekheden begaan en u zelven ongelukkig maken. Dit zou uwen
ouden vader verdriet aandoen. Alzoo, ik zal mij voortaan jegens u
houden, alsof ik met een echt soldaat te doen had. Verrechtvaardig gij
van uwen kant dit vermoeden, en gij zult ondervinden, dat ik geen boos
mensch ben, gelijk gij het tot nu toe waarschijnlijk hebt gedacht. Uw
vader hoopt, dat gij eens officier worden zult; hij heeft zijn vaderland
onder Napoleon met eere gediend en ziet het krijgsleven aan als eene
schoone loopbaan. Het hangt van uwen wil af, zijne liefderijke hoop te
verwezenlijken. Wat mij betreft, ik zal naar mijn vermogen er toe
helpen."

Ik luisterde verbaasd op de woorden des kapiteins; zulken toon van
ongeveinsde kalmte en van ware goedhartigheid had ik nooit in zijne stem
opgemerkt, en ik vroeg mij zelven met wantrouwen, of ik zijne
betuigingen van genegenheid voor waarheid of voor spot te nemen had.

Intusschen had de kapitein ten tweeden male wijn in mijn glas
geschonken; en opstaande, zeide hij met dezelfde bevelende blikken en
scherpen toon, die hem eigen waren:

"Drink,--en houd u voortaan recht in uwe schoenen!--Geloof niet, dat ik
van zin ben u te behandelen als eenen porseleinen soldaat, dien men
vreest te breken. Ik ben kapitein, en ieder moet het weten. Wat gezegd
is, blijft gezegd. Ga nu naar uwe herberg, herkauw mijne woorden
onderweg zeer goed, en hang er al droomende geene nuttelooze staarten
aan."

Ik deed wat hij mij had bevolen, en overwoog zijne woorden zoo lang en
zoo diep, dat mijne spijt tegen hem--mijn haat zou ik moeten
zeggen--verminderde, verkoelde en geheel verging. Alhoewel ik het nog
voor mij zelven poogde te verbergen, toch erkende ik innerlijk, dat ik
ten minste grootendeels door overdrijving had gedwaald.

Van dien tijd af was deze kapitein niet bijzonder barsch meer tegen mij;
ja, hij betoonde mij somwijlen achting en vriendschap. Hij bleef wel
dezelfde als te voren, wierp mij nog bij gelegenheid eenen vloed harde
woorden naar het hoofd, spuwde en bulderde, evenals hij het jegens
iedereen deed; doch nu had ik begrepen, dat deze uiterlijke gebaren en
woorden hem niet uit het hart kwamen. Ik genoot rust en vrede; mijne
lichaamskrachten herstelden zich geheel; en, alhoewel ik weinig lust in
het soldatenleven vond, ik leed er geen verdriet meer.


EINDE.


NOTEN:

[Noot 1: Nog vóór het verschijnen der eerste uitgave van _de
Omwenteling van 1830,_ gaf de heer Leon Wocquier, professor aan de
Hoogeschool te Gent, daarvan eene Fransche vertaling in de _Revue
contemporaine_, die hij deed voorafgaan door eenige korte biographische
aanteekeningen over de eerste levensjaren van Hendrik Conscience. Uit
deze aanteekeningen van de hand van genoemden hoogleeraar geven wij hier
dit uittreksel.]

[Noot 2: Er waren in ons regiment zeven gebroeders Grad, te Ath, in
de provincie Henegouwen, van eenen zelfden vader en eene zelfde moeder
geboren. Allen waren dappere jongelieden, die zich in elke gelegenheid
onderscheidden. Lucien, Ange en Jules zijn nu kapiteins in het Belgische
leger; één is brigadier der douane, twee zijn sergeants in
keurregimenten, en de beide overigen zijn sedert gestorven. Onder allen
was Jules langen tijd mijn bijzondere vriend.]

[Noot 3: _La Belgique depuis 1830_, par CH. POPLIMONT. Gand, D.
Verhulst, 1848.]

[Noot 4: Deze priester is om het verhaalde feit met het eerekruis
van Leopold begiftigd geworden.]

[Noot 5: De sergeant Jacques had vele wonden, waarvan vier of vijf
aan het hoofd. De Prins van Saksen-Weimar heeft hem in het hospitaal te
Leuven doen verzorgen en hem, zoo men zeide, zelf aan den Koning der
Belgen aanbevolen. Nu is de heer Jacques kapitein in het Belgische
leger; het eerekruis op zijne borst is de belooning zijner moedige daad
in den slag van Leuven.]

[Noot 6: Ik heb de oorspronkelijke brieven mijns vaders en de mijne nog
meestendeels in bezit.]





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "De omwenteling van 1830" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home