Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: De kleine Johannes
Author: Eeden, Frederik van, 1860-1932
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "De kleine Johannes" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



DE KLEINE JOHANNES

van

FREDERIK VAN EEDEN



Aan mijn vrouw



I


Ik zal u iets van den kleinen Johannes vertellen. Het heeft veel van een
sprookje, mijn verhaal, maar het is toch alles werkelijk zoo gebeurd.
Zoodra gij het niet meer gelooft, moet ge niet verder lezen, want dan
schrijf ik niet voor u. Ook moogt ge er den kleinen Johannes nooit over
spreken, als ge hem soms ontmoet, want dat zou hem verdriet doen en het
zou mij spijten, u dit alles verteld te hebben.

Johannes woonde in een oud huis met een grooten tuin. Het was er
moeilijk den weg te vinden, want in het huis waren veel donkere
portaaltjes, trappen, kamertjes en ruime rommelzolders, en in den tuin
waren overal schuttingen en broeikasten. Het was een heele wereld voor
Johannes. Hij kon er verre tochten in maken en hij gaf namen aan alles
wat hij ontdekte.

Voor het huis had hij namen uit het dierenrijk: de rupsenzolder, omdat
hij er rupsen groot bracht; het kippenkamertje, omdat hij daar eens een
kip gevonden had. Die was er niet van zelve gekomen, maar daar door
Johannes' moeder te broeien gezet. In den tuin koos hij namen uit het
plantenrijk, en lette daarbij vooral op de voortbrengselen, die voor hem
van belang waren. Zoo onderscheidde hij een frambozenberg, een
dirkjesbosch en een aardbeiëndal. Heel achter was een plekje, dat hij
het paradijs noemde en daar was het natuurlijk erg heerlijk. Daar was
een groot water, een vijver, waar witte waterleliën dreven en het riet
lange fluisterende gesprekken hield met den wind. Aan de overzijde lagen
de duinen. Het paradijs zelf was een klein grasveldje aan dezen oever,
omringd door kreupelhout, waartusschen het nachtegaalskruid hoog
opschoot. Daar lag Johannes dikwijls in het dichte gras en tuurde
tusschen de schuifelende rietbladen door naar de duintoppen over het
water. Op warme zomeravonden was hij daar altijd en lag uren te staren,
zonder zich ooit te vervelen. Hij dacht aan de diepte van het stille,
heldere water voor zich, hoe gezellig het daar moest zijn, tusschen die
waterplanten, in dat vreemde schemerlicht, en dan weer aan de verre,
prachtig gekleurde wolken, die boven de duinen zweefden, wat daar wel
achter zou zijn en of het heerlijk zou zijn daarheen te kunnen vliegen.
Als de zon juist was ondergegaan, stapelden de wolken zich daar zóó
opeen, dat ze den ingang van eene grot schenen te vormen en in de diepte
van die grot schitterde het dan van zachtrood licht. Dat was wat
Johannes verlangde. Kon ik daarin vliegen! dacht hij dan. Wat zou daar
wel achter zijn? Zou ik daar eenmaal, eenmaal kunnen komen ...

Maar hoe dikwijls hij dat wenschte, telkens viel de grot in vale,
donkere wolkjes uiteen, zonder dat hij er dichter bij konde komen. Dan
werd het koud en vochtig aan den vijver en hij moest weer zijn donker
slaapkamertje in het oude huis gaan opzoeken.

Hij woonde daar niet geheel alleen; hij had een vader, die hem goed
verzorgde, een hond die Presto en een kat die Simon heette. Natuurlijk
hield hij van zijn vader het meest, maar Presto en Simon achtte hij
volstrekt niet zooveel beneden hem, als een groot mensch dat zou doen.
Hij vertrouwde zelfs meer geheimen aan Presto dan aan zijn vader, en
voor Simon gevoelde hij een eerbiedig ontzag. Nu, dat was geen wonder!
Simon was een groote kat met glanzig zwart vel en een dikken staart. Men
kon hem aanzien, dat hij volkomen overtuigd was van zijn eigen grootheid
en wijsheid. Hij bleef altijd even deftig en voornaam, zelfs als hij
zich verwaardigde even met een rollende kurk te spelen, of achter een
boom een vergeten haringkop op te knauwen. Bij de dolle uitgelatenheid
van Presto kneep hij minachtend de groene oogen toe en dacht: Nu ja! Die
honden weten niet beter.

Begrijpt ge nu, dat Johannes ontzag voor hem had? Met den kleinen
bruinen Presto ging hij heel vertrouwelijk om. Het was geen mooi of
voornaam, maar een bizonder goedig en schrander hondje, dat nimmer
verder dan twee pas van Johannes weg te krijgen was en geduldig zat te
luisteren naar de mededeelingen van zijn meester. Ik behoef u niet te
zeggen, hoeveel Johannes van Presto hield. Maar hij had toch ook heel
wat ruimte in zijn hart voor anderen over. Vindt ge het vreemd, dat zijn
donker slaapkamertje met de kleine ruitjes daar ook een groote plaats
innam? Hij hield van het behangsel met de groote bloemfiguren, waarin
hij gezichten zag en waarvan hij de vormen zoo dikwijls bestudeerd had,
als bij ziek was of 's morgens wakker lag, hij hield van het eene
schilderijtje dat er hing, waarop stijve wandelaars waren afgebeeld, die
in een nog stijver tuin wandelden langs gladde vijvers, waarin
hemelhooge fonteinen spoten en kokette zwanen zwommen; het meest hield
hij echter van de hangklok. Hij wond die altijd met zorg en aandacht op
en hield het voor een noodzakelijke beleefdheid naar haar te kijken als
zij sloeg. Dat ging natuurlijk alleen zoolang Johannes niet sliep. Was
de klok door een verzuim stil blijven staan, dan voelde Johannes zich
zeer schuldig en vroeg haar duizendmaal vergeving. Gij zoudt misschien
lachen, als ge hem met zijn kamer in gesprek hoordet. Maar let eens op
hoe dikwijls gij bij u zelven spreekt. Dat schijnt u in 't geheel niet
belachelijk. Johannes was bovendien overtuigd, dat zijne hoorders hem
volkomen begrepen en had geen antwoord noodig. Maar heimelijk wachtte
hij toch wel eens een antwoord van de klok of het behangsel.

Schoolkameraden had Johannes wel, maar vrienden waren het eigenlijk
niet. Hij speelde met hen en smeedde samenzweringen op school en vormde
rooverbenden met hen buiten, maar hij voelde zich eerst recht thuis als
hij alleen met Presto was. Dan verlangde hij nimmer naar jongens, en
voelde zich volkomen vrij en veilig.

Zijn vader was een wijs en ernstig man, die Johannes dikwijls medenam op
lange tochten door wouden en duinen; dan spraken ze weinig en Johannes
liep tien schreden achter zijn vader, de bloemen groetend, die hij
tegenkwam en de oude boomen, die zoo altijd op dezelfde plaats moesten
blijven, vriendelijk met zijn handje langs de ruwe schors strijkend. En
ruischend dankten hem dan de goedige reuzen.

Soms schreef zijn vader letters in het zand bij het voortgaan, één voor
één, en Johannes spelde de woorden, die zij vormden en soms ook stond de
vader stil en leerde Johannes den naam van een plant of dier.

En Johannes vroeg ook dikwijls, want hij zag en hoorde veel raadselachtigs.
Domme vragen deed hij vaak; hij vroeg waarom de wereld was zooals zij was,
en waarom dieren en planten dood moesten gaan, en of er wonderen konden
gebeuren. Maar Johannes' vader was een wijs man en zeide niet alles wat hij
wist. Dat was goed voor Johannes.

's Avonds voor dat hij slapen ging, deed Johannes altijd een lang gebed.
Dat had de kindermeid hem zoo geleerd. Hij bad voor zijn vader en voor
Presto. Simon had het niet noodig, dacht hij. Hij bad ook heel lang voor
zichzelven en het slot was meestal de wensch, dat er toch eens een
wonder mocht gebeuren. En als hij amen gezegd had, keek hij gespannen in
het half duistere kamertje rond, naar de figuren van het behangsel, die
nog vreemder schenen in het zwakke schemerlicht, naar den deurknop en
naar de klok, waar nu het wonder zou beginnen. Maar de klok bleef altijd
hetzelfde wijsje tikken en de deurknop bewoog zich niet, het werd geheel
duister en Johannes viel in slaap, zonder dat het wonder gekomen was.

Maar eenmaal zou het gebeuren, dat wist hij.



II


Het was warm aan den vijver en doodstil. De zon, rood en afgemat van
haar dagelijksch werk, scheen een oogenblik op een verren duinrand uit
te rusten, vóór ze onderdook. Bijna volkomen spiegelde het gladde water
haar gloeiend aangezicht weer. De over den vijver hangende bladen van
den beuk maakten van de stilte gebruik om zich eens aandachtig in den
spiegel te bekijken. De eenzame reiger, die tusschen de breede bladen
van de waterlelie op één poot stond, vergat dat hij uitgegaan was om
kikkers te vangen en tuurde in gedachten verzonken langs zijn neus.

Daar kwam Johannes op het grasveldje, om de wolkengrot te zien. Plomp!
plomp! sprongen de kikvorschen van den kant. De spiegel trok rimpels,
het zonnebeeld brak in breede strepen en de beukenbladen ritselden
verstoord, want zij waren nog niet klaar met hun beschouwing.

Vastgebonden aan de naakte wortels van den beuk lag een oude kleine
boot. Het was Johannes streng verboden daarin te gaan. O, wat was dezen
avond de verzoeking sterk! Reeds vormden zich de wolken tot een
ontzaglijke poort, waarachter de zon ter ruste zou gaan. Schitterende
rijen wolkjes schaarden zich ter zijde als een goudgeharnaste lijfwacht.
Het watervlak gloeide mede, en roode vonken vlogen als pijlen door het
oeverriet.

Langzaam maakte Johannes het touw der boot van de beukenwortels los.
Daar te drijven, midden in de pracht! Presto was reeds in de boot
gesprongen en eer zijn meester het zelf wilde, schoven de riethalmen
vaneen en dreven zij beiden weg in de richting van de avondzon. Johannes
lag op den voorsteven en staarde in de diepte van de lichtgrot. Vleugels!
dacht hij, nu vleugels! en daarheen!

De zon was verdwenen. De wolken gloeiden door. In het oosten was de
hemel donkerblauw. Daar stond een rij wilgen langs den oever. Roerloos
staken zij hun smalle witte blaadjes in de stille lucht. Tegen den
donkeren achtergrond scheen dat prachtig bleekgroen kantwerk.

Stil! wat was dat? Het schoot als een suizeling over het watervlak, als
een lichte windvlaag, die een spitse vore in het water groeft. Het kwam
van de duinen, van de wolkgrot.

Toen Johannes omzag, zat een groote blauwe waterjuffer op den rand der
boot. Zoo groot had hij er nog nimmer een gezien. Zij zat stil, maar
haar vleugels bleven in een wijden cirkel trillen. Het scheen Johannes,
dat de punten van haar vleugels een lichtenden ring vormden.

Dat moet een vuurvlinder zijn, dacht hij, die zijn heel zeldzaam.

Doch de ring werd grooter en grooter en de vleugels trilden zoo snel,
dat Johannes niet meer dan een nevel zag. En langzamerhand zag hij uit
dien nevel twee donkere oogen schitteren, en een lichte, ranke gestalte,
in een teederblauw kleedje, zat op de plaats van de libel. In het blonde
haar was een krans van witte winden en aan de schouders gazen
haftvleugels, die als een zeepbel in duizend kleuren schitterden.

Een huivering van geluk doortintelde Johannes. Dát was een wonder!

'Wilt ge mijn vriend zijn?' fluisterde hij.

Dat was wel een zonderlinge wijze om een vreemde aan te spreken, maar
het ging hier niet gewoon toe. En hij had een gevoel, alsof hij het
vreemde, blauwe wezen al lang kende. 'Ja Johannes!' hoorde hij en de
stem klonk als het schuifelen van het riet in den avondwind of het
ruischen van den regen op de bladen in het bosch.

'Hoe moet ik u noemen?' vroeg Johannes.

'Ik ben geboren in den kelk eener winde. Noem mij Windekind!'

En Windekind lachte en staarde Johannes zoo vertrouwelijk in de oogen,
dat het hem wonderbaar zalig te moede werd. 'Het is vandaag mijn
verjaardag,' zeide Windekind, 'ik ben hier in den omtrek geboren, uit de
eerste stralen der maan en de laatste der zon. Men zegt wel dat de zon
vrouwelijk is. Dat is niet waar. Hij is mijn vader.'

Johannes nam zich voor, morgen op school van _den_ zon te spreken. 'En
kijk! daar komt het ronde, blanke gezicht van mijne moeder al te
voorschijn. Dag moeder! O, o, wat kijkt zij weer goedig en bedrukt!'

Hij wees naar de Oosterkimmen. Groot en glanzig rees daar de maan aan
den grauwen hemel, achter het kantwerk der wilgen, dat zwart tegen de
lichte schijf afstak. Zij zette werkelijk een zeer pijnlijk gezicht.

'Kom! kom! moeder! het is niets. Ik kan hem immers vertrouwen!'

Het schoone wezen trilde vroolijk met de gazen vleugels en tikte
Johannes met de Irisbloem, die hij in de hand had, op de wang. 'Zij
vindt het niet goed dat ik bij u gekomen ben. Gij zijt de eerste. Maar
ik vertrouw u, Johannes. Gij moogt nooit, nooit aan een mensch mijn naam
noemen of over mij spreken. Belooft gij dat?'

'Ja, Windekind,' zei Johannes. Het was hem nog zoo vreemd. Hij voelde
zich onuitsprekelijk gelukkig maar vreesde zijn geluk te verliezen.
Droomde hij? Naast hem op de bank lag Presto kalm te slapen. De warme
adem van zijn hondje stelde hem gerust. De muggen krioelden op het
watervlak en dansten in de zoele lucht, evenals gewoonlijk. Het was
alles zoo klaar en duidelijk om hem heen. Het moest waarheid zijn. En
altijd voelde hij dat Windekinds vertrouwelijke blik op hem rustte.

Daar klonk weer de zoet-ruischende stem:

'Ik heb u vaak hier gezien, Johannes. Weet ge waar ik was? Soms zat ik
op den zandgrond van den vijver tusschen de dichte waterplanten en zag
naar u op, als ge over het water heenboogt, om te drinken of om de
watertorren en salamanders te bekijken. Maar mij zelven zaagt gij nooit.
Dikwijls ook keek ik naar u uit het dichte riet. Daar ben ik heel veel.
Daar slaap ik meestal, als het warm is. In een leeg karkietennest. Ja!
dat is heel zacht.'

Windekind wiegde vergenoegd op den rand van de boot en sloeg met zijn
bloem naar de muggen.

'Nu kom ik u wat gezelschap houden. Het is anders zoo eentonig, uw
leven. Wij zullen goede vrienden zijn en ik zal u veel vertellen. Veel
beter dingen dan de schoolmeesters u wijs maken. Die weten er volstrekt
niets van. En als gij mij niet gelooft, zal ik u zelven laten zien en
hooren. Ik zal u meenemen.'

'O, Windekind! lieve Windekind! kunt gij mij daarheen medenemen?' riep
Johannes, en wees naar den kant, waar zooeven het purper licht van de
ondergaande zon uit de gouden wolkenpoort gestraald had. Reeds ging het
heerlijk gevaarte in grijze nevelen vervloeien. Toch drong de bleekroode
glans nog uit de verste diepte te voorschijn. Windekind staarde in het
licht, dat zijn fijn gezichtje en zijn blonde haren verguldde, en
schudde zachtkens het hoofd. 'Nu niet! nu niet! Johannes. Ge moet niet
dadelijk te veel vragen. Ik zelve ben nooit nog bij Vader geweest.'

'Ik ben altijd bij mijn vader,' zeide Johannes.

'Neen! dat is uw vader niet. Wij zijn broeders, mijn Vader is ook de
uwe. Maar uw moeder is de aarde en daarom verschillen wij veel. Ook zijt
ge in een huis bij menschen geboren en ik in een windekelk. Dat laatste
is stellig beter. Maar wij zullen het toch goed samen vinden!'

Toen sprong Windekind luchtig op de zijde van de boot, die niet bewoog
onder dien last, en kuste Johannes op het voorhoofd.

Wat was dat een vreemde gewaarwording voor Johannes! Het was of alles om
hem heen veranderde.

Hij zag alles nu veel beter en juister, dacht hij. Hij zag hoe de maan
nu veel vriendelijker keek, en hij zag, dat de waterlelies gezichten
hadden, waarmede zij hem verwonderd en peinzend aanstaarden.

Hij begreep nu op eens, waarom de muggen zoo vroolijk op en neer dansten,
altijd om elkaar heen, op en neer, tot ze met hun lange beenen het water
raakten. Hij had er wel eens aan gedacht, maar nu begreep hij het van zelf.

Hij hoorde ook wat het riet fluisterde en hoe de boomen aan den oever
zachtjes klaagden, dat de zon was ondergegaan.

'O, Windekind! ik dank u, dat is heerlijk. Ja, wij zullen het wel goed
samen vinden!'

'Geef mij een hand,' zei Windekind, en sloeg de veelkleurige vleugels
uit. Toen trok hij Johannes in de boot voort over het water, door de
plompebladen, die in het maanlicht glinsterden.

Hier en daar zat een kikvorsch op een blad. Maar nu sprong hij niet in
't water als Johannes kwam. Hij maakte alleen een kleine buiging en
zeide: 'Kwak!' Johannes boog beleefd terug, hij wilde zich vooral niet
ingebeeld toonen.

Daar kwamen zij aan het riet, dat was breed en de geheele boot verdween
er in, zonder dat zij het land bereikten. Maar Johannes vatte zijn
geleider stevig vast en toen klauterden zij tusschen de hooge halmen
aan land.

Johannes meende wel, dat hij kleiner en lichter was geworden, maar dat
was misschien verbeelding. Toch herinnerde hij zich niet dat hij ooit
tegen een riethalm had kunnen opklimmen.

'Let nu goed op,' zei Windekind, 'nu zult ge iets aardigs zien.'

Zij wandelden tusschen het hooge gras onder donker kreupelhout, dat hier
en daar een smal, glanzig straaltje van het maanlicht doorliet.

'Hebt ge 's avonds de krekels wel eens gehoord, Johannes, in de duinen?
Het lijkt of zij een concert maken niet waar? en ge kunt nooit hooren,
waar het geluid vandaan komt. Nu, zij zingen nooit voor hun pleizier,
maar dat geluid komt van de krekelschool, waar honderd krekeltjes hun
lessen van buiten leeren. Wees nu stil, want wij zijn er haast.'

Shrrr! Shrrr!

Het kreupelhout werd minder dicht, en toen Windekind met zijn bloem de
grashalmen uiteen schoof, zag Johannes een helder verlicht open plekje,
waar de krekeltjes bezig waren tusschen het dunne, spichtige duingras
hun lessen te leeren.

Shrrr! Shrrr!

Een groote, dikke krekel was meester en overhoorde. Eén voor één
sprongen de leerlingen naar hem toe, altijd met één sprong heen en één
sprong weer naar hun plaats terug. Wie mis sprong moest op een
paddestoel te pronk staan.

'Luister goed Johannes! dan kunt ge misschien óók wat leeren,' zei
Windekind.

Johannes verstond zeer goed wat de krekeltjes antwoordden. Maar het leek
niets op wat de meester op zijn school vertelde. Eerst kwam geographie.
Van de werelddeelen wisten zij niets. Zij moesten alleen 26 duinen
kennen en twee vijvers. Van hetgeen verder was kon niemand iets weten,
zei de meester, en wat er van verteld werd, was ijdele fantasie.

Toen kwam de botanie aan de beurt. Daarin waren ze allen erg knap en
werden veel prijzen uitgedeeld, uitgezochte jonge en malsche
grashalmpjes van verschillende lengte.

Maar de zoölogie verbaasde Johannes het meest. De dieren werden verdeeld
in springende, vliegende en kruipende. De krekels konden springen en
vliegen en stonden dus bovenaan, dan volgden de kikvorschen. Vogels
werden met alle teekenen van afschuw hoogst schadelijk en gevaarlijk
genoemd. Eindelijk werd ook de mensch besproken. Het was een groot,
nutteloos en schadelijk dier, dat zeer laag stond, daar het vliegen noch
springen kon, maar dat gelukkig zeldzaam was. Een klein krekeltje, dat
nog nooit een mensch gezien had, kreeg drie slagen met een rietje, omdat
hij den mensch bij vergissing onder de onschadelijke dieren telde.

Zoo iets had Johannes nog nooit gehoord.

Toen riep de meester op eens: 'Stilte! springoefening!' Dadelijk hielden
alle krekeltjes op met lessen leeren en begonnen op heel kunstige en
bedrijvige wijze haasje-over te spelen. De dikke meester het eerst.

Dat was zulk een vroolijk gezicht, dat Johannes in de handen klapte van
pret. Op dat geluid stoof de heele school in een oogenblik het duin in
en werd het doodstil op het grasveldje.

'Ja, dat komt er van, Johannes. Ge moet u niet zoo lomp gedragen! Men
kan toch wel merken, dat gij bij menschen geboren zijt!'

'Het spijt mij, ik zal mijn best doen. Maar het was ook zoo aardig!'

'Het wordt nog veel aardiger,' zei Windekind.

Zij staken het grasveldje over en bestegen de duin aan de andere zijde.
Oef! dat was zwoegen in het dikke zand; maar toen Johannes Windekind bij
het lichte blauwe kleedje greep, vloog hij er vlug en luchtig tegen op.
Halverwege den top was een konijnenhol.

Het konijntje, dat er thuis hoorde, lag met kop en voorpooten uit den
ingang. De duinrozen bloeiden nog en haar fijne, zachte geur mengde zich
met dien van het thijmkruid, dat op den duintop groeide.

Johannes had dikwijls konijntjes in hun hol zien verdwijnen en dan
gedacht: hoe zou het daarbinnen uitzien? Hoeveel zouden er daar wel bij
elkaar zitten en zouden zij het niet benauwd hebben?

Hij was dan ook zeer verheugd, toen hij zijn metgezel aan het konijntje
hoorde vragen of zij het hol eens mochten bezien. 'Wat mij betreft,
wel!' zeide het konijntje. 'Maar het treft ongelukkig, dat ik van avond
juist mijn hol heb afgestaan voor het geven van een weldadigheidsfeest,
en dus eigenlijk geen baas ben in mijn huis.'

'Ei! Ei! is er een ongeluk gebeurd?'

'Ach ja!' zei het konijntje weemoedig: 'Een groote ramp! Wij komen het
in geen jaren te boven. Een duizend sprongen hier vandaan is een
menschenhuis gebouwd, zoo groot! zoo groot!--En er zijn menschen komen
wonen met honden. Er zijn wel zeven leden van mijn familie bij omgekomen
en nog driemaal zooveel van hol beroofd. En het is met het geslacht Muis
en de familie Mol nog erger gegaan. Ook de Padden hebben zwaar geleden.
Nu hebben wij een feest op touw gezet voor de nagelaten betrekkingen.
Ieder doet het zijne, ik geef mijn hol. Men moet wat over hebben voor
zijne medeschepselen.'

Het meewarige konijntje zuchtte en haalde met den rechter voorpoot het
lange oor over zijn kopje, om er een traan mede uit het oog te wisschen.
Dat was zoo zijn zakdoek.

Daar ritselde iets in het helm en een dikke, logge gedaante kwam op het
hol toe scharrelen.

'Kijk!' riep Windekind, 'daar komt vader Pad ook al aangehuppeld. Wel!
wel! durft ge nog zoo laat op 't pad, Pad!'

De Pad nam geen notitie van de scherts. Aardigheden op zijn naam
verveelden hem al lang. Bedaard legde hij een volle korenaar, netjes in
een droog blad gewikkeld, bij den ingang neer en klom behendig over den
rug van het konijntje in het hol. 'Mogen wij binnengaan?' zeide Johannes,
die erg nieuwsgierig was. 'Ik zal ook wat geven.'

Hij herinnerde zich dat hij in zijn zak nog een beschuitje had. Een rond
beschuitje van Huntley en Palmers. Toen hij het te voorschijn haalde,
bemerkte hij eerst hoe klein hij geworden was. Hij kon het nauwelijks
met twee handen tillen en begreep niet hoe het nog in zijn broekzak
gezeten had. 'Dat is zeer kostbaar en zeldzaam!' riep het konijntje.
'Dat is een kostbaar geschenk!'

Eerbiedig liet het aan beiden den toegang vrij. Het was donker in het
hol en Johannes liet Windekind maar vóórgaan. Spoedig zagen zij een
bleekgroen lichtje naderen. Het was een glimworm, die welwillend aanbood
hen voor te lichten.

'Het belooft een genoeglijke avond te worden,' zeide de glimworm onder
't voortgaan. 'Er zijn al veel gasten. Gij zijt elfen, naar mij
toeschijnt, niet waar?' De glimworm keek daarbij eenigszins wantrouwend
naar Johannes.

'Gij kunt ons als elfen aandienen,' antwoordde Windekind.

'Weet ge dat uw koning van de partij is?' ging de glimworm voort.

'Is Oberon hier? Wel dat doet mij recht veel genoegen,' riep Windekind,
'ik ken hem persoonlijk.'

'O?' zeide de glimworm, 'ik wist niet dat ik de eer had ...' en zijn
lichtje ging bijna uit van schrik. 'Ja Z.M. houdt gewoonlijk meer van de
buitenlucht, maar voor een liefdadig doel is hij altijd te vinden. Het
zal wel een luisterrijk feest zijn.'

Dat was het inderdaad. De groote zaal in het konijnenhol was prachtig
versierd. De vloer was platgetreden en met geurig thijm bestrooid; dwars
voor den ingang hing een vleermuis aan de achterpooten. Deze riep de
namen der gasten af en diende tevens als gordijn, dat was een
zuinigheidsmaatregel. De wanden der zaal waren smaakvol gedecoreerd met
dorre bladen, spinnewebben en kleine hangende vleermuisjes. Tallooze
glimwormen kropen daartusschen en over de zoldering rond, en vormden een
alleraardigste beweeglijke verlichting. Er was aan 't eind der zaal een
troon gebouwd van stukjes vermolmd hout, die licht gaven. Dat was een
mooi gezicht!

Er waren veel gasten. Johannes voelde zich maar half thuis in de vreemde
menigte en drong dicht tegen Windekind aan. Hij zag er vreemde dingen.
Een mol sprak druk met een veldmuis over de fraaie verlichting en de
decoratie. In een hoekje zaten twee dikke padden hoofdschuddend tegen
elkaar te jammeren over het aanhoudend droge weer. Een kikvorsch poogde
gearmd met een hagedis een wandeling door de zaal te maken, wat hem
slecht afging, daar hij verlegen en gejaagd was en telkens te ver
sprong, waarbij hij soms de wandversiering danig in wanorde bracht.

Op den troon zat Oberon, de elfenkoning, omringd door een klein gevolg
elfen, die eenigszins minachtend op de omgeving neerzagen. De koning
zelf was naar vorstenwijze allerminzaamst en onderhield zich vriendelijk
met verschillende gasten. Hij kwam van een reis uit het Oosten en had
een vreemd gewaad van schitterend gekleurde bloembladen aan. Zulke
bloemen groeien hier niet, dacht Johannes. Op het hoofd droeg hij een
donkerblauw bloemkelkje, dat nog een frisschen geur verspreidde, als was
het zooeven geplukt. In de hand hield hij den meeldraad van een
lotosbloem als koningsstaf.

Alle aanwezigen waren vol stillen lof over zijn goedheid. Hij had het
maanlicht in de duinen geroemd en gezegd dat de glimwormen hier bijna
even schoon waren als de Oostersche vuurvliegen. Ook had hij met
genoegen naar de wandversiering gekeken en een mol had zelfs opgemerkt,
dat hij goedkeurend met het hoofd had geknikt.

'Ga mede,' zei Windekind tot Johannes, 'ik zal u voorstellen.' En zij
drongen tot aan 's konings zitplaats door.

Oberon spreidde de armen vol vreugde uit, toen hij Windekind herkende en
kuste hem. Dit gaf een gefluister onder de gasten en afgunstige blikken
van het elfengevolg. De twee dikke padden in den hoek mompelden samen
iets van 'vleiers' en 'kruipen' en 'niet lang duren'; toen knikten ze
elkaar veelbeteekenend toe.

Windekind sprak lang in een vreemde taal tot Oberon en wenkte toen
Johannes om dichterbij te komen.

'Geef mij de hand, Johannes!' zei de koning. 'Windekind's vrienden zijn
de mijne. Waar ik kan, zal ik u bijstaan. Ik zal u een teeken van ons
verbond geven.' Oberon maakte van zijn halsketen een klein gouden
sleuteltje los en gaf dat aan Johannes, die het vol eerbied aannam en
vast in zijne hand sloot. 'Dat sleuteltje kan uw geluk zijn,' ging de
koning voort. 'Het past op een gouden kistje dat kostbare schatten
bevat. Maar wie dat heeft, kan ik u niet zeggen. Gij moet maar ijverig
zoeken. Als gij goede vrienden met mij en Windekind blijft en
standvastig en trouw zijt, zal het u wel gelukken.' De elfenkoning
knikte daarbij hartelijk met het schoone hoofdje en overgelukkig dankte
Johannes hem.

Daar begonnen drie kikkers, op eene kleine verhevenheid van vochtig mos
gezeten, de inleiding tot een langzame wals te zingen en er vormden zich
paartjes. De niet dansenden werden door een groen hagedisje, dat als
ceremoniemeester werkzaam was en schutterig heen en weer vloog, naar de
kanten gedrongen, tot groote ergernis van de twee padden, die klaagden
dat zij niets konden zien, en daarna begon de dans.

Dat was eerst grappig. Ieder danste op zijn eigen manier en verbeeldde
zich natuurlijk, dat hij het veel beter deed dan de anderen. De muizen
en kikvorschen sprongen hoog op hun achterste pooten, een oude rat
draaide zoo woest, dat alle dansers voor hem op zij weken, en ook een
vette boomslak waagde een toertje met een mol, maar gaf het spoedig op,
onder voorwendsel dat ze er een steek van in de zij kreeg, de ware reden
was, dat ze het niet best kon.

Het ging echter zeer ernstig en plechtig toe. Men maakte er een
gewetenszaak van, en gluurde angstig naar den koning om een teeken van
goedkeuring op zijn gelaat te zien. Maar de koning was bang om
ontevredenen te maken en keek zeer strak. Zijn gevolg rekende het
beneden hunne danskunst mede te doen.

Johannes had zich bij dien ernst lang goed gehouden. Doch toen hij een
klein padje zag rondzwieren met een lange hagedis, die het ongelukkige
padje soms hoog boven den grond tilde en een halven cirkel in de lucht
liet beschrijven, barstte zijn vroolijkheid in een schaterlachen uit.

Dat gaf opschudding. De muziek zweeg. De koning keek verstoord om. De
ceremoniemeester vloog in volle vaart op den lacher toe en verzocht hem
dringend zich wat gepaster te gedragen. 'Dansen is een ernstige zaak,'
zeide hij, 'en volstrekt geen bezigheid om uit te lachen. Het is hier
een deftig gezelschap, waar men niet zoo maar voor de grap danst. Ieder
deed zijn best en niemand verlangde uitgelachen te worden. Dat is een
grofheid. Men is hier bovendien op een treurfeest om droevige redenen.
Men moet zich hier fatsoenlijk gedragen en niet handelen, alsof men bij
menschen was!'

Daar verschrikte Johannes van. Overal zag hij vijandige blikken. Zijn
vertrouwelijkheid met den koning had hem vele vijanden bezorgd.

Windekind trok hem ter zijde:

'Het is maar beter, dat wij weggaan, Johannes!' fluisterde hij, 'gij
hebt het weer verkorven. Ja! Ja! dat komt er van, als men bij menschen
is opgevoed!'

Haastig glipten zij onder de vleugels van den vleermuisportier door en
kwamen in de duistere gang. De beleefde glimworm wachtte hen op.

'Hebt gij u goed geamuseerd?' vroeg hij. 'Hebt gij koning Oberon
gesproken!'

'O ja! het was een vroolijk feest,' zei Johannes, 'moet gij hier altijd
in de donkere gang blijven?'

'Dat is eigen vrije keuze,' zeide de glimworm op weemoedig bitteren
toon. 'Ik houd niet meer van die ijdelheden.'

'Kom,' zeide Windekind, 'dat meent gij niet.'

'Het is zooals ik zeg. Vroeger,--vroeger was er een tijd dat ik ook naar
feesten ging en danste en mij met zulke beuzelingen ophield. Maar nu ben
ik door het lijden gelouterd, nu ...'

En hij werd zoo geroerd, dat zijn lichtje weder uitging. Gelukkig waren
zij dicht bij den uitgang en het konijntje, dat hen hoorde aankomen,
ging een weinig op zijde, zoodat het maanlicht naar binnen scheen.

Zoodra zij bij het konijntje buiten waren, zeide Johannes: 'Vertel ons
uwe geschiedenis eens, glimworm!'

'Ach!' zuchtte de glimworm, 'die is eenvoudig en droevig. Zij zal u niet
vermaken.'

'Vertel haar, vertel haar toch maar,' riepen allen.

'Nu: gij weet dan toch allen wel, dat wij glimwormen zeer bijzondere
wezens zijn. Ja, ik geloof dat niemand zou durven tegenspreken, dat wij
glimwormen het hoogst begaafd zijn van al wat leeft.'

'Waarom? dat weet ik niet,' zeide het konijntje.

Met minachting vroeg de glimworm toen: 'Kunt gij licht geven?' 'Neen!
dat nu wel niet,' moest het konijntje bekennen.

'Nu, _wij_ geven licht! Allen! En wij kunnen het laten schijnen of
verdooven naar willekeur. Licht is de beste gave der natuur, en licht
geven het hoogste, waartoe een levend wezen komen kan. Zou iemand nog
onzen voorrang willen betwisten! Wij mannetjes hebben bovendien vleugels
en kunnen mijlen ver vliegen.'

'Dat kan ik ook niet,' bekende het konijntje nederig.

'Door de goddelijke gave des lichts, die wij hebben,' ging de glimworm
voort, 'ontzien ons ook andere dieren, geen vogel zal ons aanvallen.
Alleen één dier, het laagste onder allen, zoekt ons en neemt ons mede.
Dat is de mensch, het verfoeilijkst gedrocht der schepping.'

Johannes keek Windekind aan bij dezen uitval, als begreep hij het niet.
Doch Windekind glimlachte en wenkte hem te zwijgen. 'Eens vloog ik
vroolijk rond, als een helder dwaallicht tusschen de donkere heesters.
En op een eenzaam, vochtig grasveldje, aan den oever van een sloot, daar
woonde zij, wier bestaan onafscheidelijk aan mijn geluk was verbonden.
Schoon schitterde zij in bleeken smaragd-glans, als zij tusschen de
glanshalmen rondkroop en machtig bekoorde zij mijn jong hart. Ik vloog
om haar heen en deed mijn best door verwisseling van glans hare aandacht
te trekken. Dankbaar zag ik, hoe zij mijn groet bespeurde en zedig haar
lichtje verduisterde. Sidderend van aandoening was ik op het punt mijn
vleugels samen te vouwen en in verrukking bij mijne stralende geliefde
neer te zinken, toen een ontzaglijk geluid de lucht vervulde. Donkere
gestalten naderden. Het waren menschen. Ik nam verschrikt de vlucht.
Zij joegen mij na, en sloegen naar mij met groote, zwarte dingen. Doch
sneller dan hun logge beenen droegen mij mijne vleugels.' 'Toen ik
terug kwam ...'

Hier begaf den verhaler de stem. Eerst na een oogenblik van stille
aandoening, waarin de drie hoorders eerbiedig zwegen,--ging hij voort:

'Gij kunt het reeds vermoeden. Mijn teedere bruid,--de glansrijkste en
schitterendste onder allen, zij was verdwenen, medegesleept door den
boosaardigen mensch. Het stille, vochtige grasveldje was vertrapt en
haar geliefd plekje aan de sloot was duister en ledig. Ik was alleen op
de wereld.'

Hier haalde het gevoelige konijntje wederom een oor naar beneden om een
traan uit het oog te wisschen.

'Sinds dien tijd ben ik veranderd. Ik heb een walg van alle ijdele
vermaken. Ik denk alleen aan haar, die ik verloren heb en aan den tijd
dat ik haar zal wederzien.'

'Zoo! hebt ge daar nog hoop op?' vroeg het konijntje verheugd. 'Ik heb
meer dan hoop, ik heb zekerheid. Daarboven zal ik mijne geliefde
wederzien.'

'Maar ...' wilde het konijntje inbrengen.

'Konijn!' zeide de glimworm ernstig, 'ik kan mij begrijpen, dat iemand
twijfelt, die in het duister moet rondtasten. Maar wanneer men kan zien,
met eigen oogen zien? dan is elke onzekerheid mij een raadsel. Daar!'
zeide het glimwormpje en keek vol eerbied naar den van sterren
fonkelenden hemel. 'Daar zie ik hen! al mijn vaderen, al mijn vrienden
en ook haar, duidelijk stralen, in nog heerlijker glans dan hier op
aarde. Ach! wanneer zal ik mij uit dit lage leven kunnen opheffen, en
tot haar vliegen, die mij lonkend wenkt? Ach! wanneer? wanneer?'

Zuchtend verliet het glimwormpje zijne toehoorders en kroop weder in het
donkere hol.

'Arm schepsel!'zeide het konijntje, 'ik hoop dat hij gelijk heeft.'

'Ik hoop het ook,' voegde Johannes er bij.

'Ik vrees er voor,' zeide Windekind, 'maar het was zeer aandoenlijk.'

'Lieve Windekind,' begon Johannes, 'ik ben heel moe en heb slaap.'

'Kom dan naast mij, ik zal u met mijn mantel toedekken.'

Windekind nam zijn blauwe manteltje en spreidde dat over Johannes en
zichzelven uit. Zoo legden zij zich neer, in het geurige mos op de
duinhelling, de armen om elkanders hals geslagen.

'Uwe hoofden liggen wat laag,' riep het konijntje, 'wilt ge die tegen
mij laten rusten?'

Dat deden zij.

'Nacht moeder!' zeide Windekind tot de maan.

Toen sloot Johannes zijn gouden sleuteltje vast in de hand, vlijde zijn
hoofd tegen het donzige vel van het goede konijntje en sliep rustig in.



III


Waar is hij dan, Presto? Waar is het kleine baasje dan? Welk een schrik,
wakker te worden in de boot, in het riet--geheel alleen, de baas
spoorloos verdwenen. Het was om angstig van te worden.

En loop je hem nu al zoolang te zoeken, onder voortdurend zenuwachtig
piepen? Arme Presto! Hoe kon je ook zoo vast slapen en niet merken dat
de baas uit de boot ging? Anders word je dadelijk wakker, zoodra hij
eenige beweging maakt.

Nauwelijks kon je herkennen, waar de baas aan land was gegaan en hier in
de duinen ben je nu het spoor geheel bijster geraakt. Het ijverig
snuffelen hielp niet. Welk een wanhoop! de baas weg! spoorloos weg! Zoek
dan Presto, zoek hem dan!

Wacht! daar recht voor je, tegen die duinhelling, ligt daar niet een
kleine donkere gedaante? zie eens goed!

Een oogenblik staat het hondje onbeweeglijk, en ziet ingespannen in de
verte. Dan strekt het op eens den kop vooruit en holt, vliegt met al de
kracht van zijn vier dunne pootjes, naar dat donkere plekje op de
duinhelling.

Maar toen dat werkelijk het zoo smartelijk vermiste baasje bleek te
zijn, toen vond hij alle pogingen nog ontoereikend om zijn gansche
blijdschap en dankbaarheid uit te drukken. Hij kwispelde, verdraaide
zijn geheele lijfje, sprong, jankte, blafte en duwde zijn kouden neus
den lang gezochte likkend en snuffelend in 't gezicht.

'Koest, Presto, in je mand!' riep Johannes half slapend.

Hoe dom van den baas! Er is geen mand in de buurt, zoover men zien kan.

Langzaam begon de schemering te dagen in de ziel van den kleinen slaper.
Het snuffelen van Presto, dat was hij iederen morgen zoo gewoon. Maar
voor zijn geest hingen nog lichte droombeelden van elfen en maneschijn,
als morgennevelen om een duinlandschap. Hij vreesde dat de kille adem
van den ochtend die zou verjagen. 'Oogen toehouden,' dacht hij, 'anders
zie ik de klok en het behangsel weer, als altijd!'

Maar hij lag vreemd. Hij voelde, dat hij geen deken had. Langzaam en
voorzichtig opende hij de oogleden op een kier.

Helder licht. Blauwe hemel. Wolken.

Toen opende Johannes de oogen wagenwijd en zeide: 'Is het dan toch
waar?'

Ja, hij lag midden in het duin. Vroolijke zonneschijn verwarmde hem,
frissche morgenlucht ademde hij in, een fijne nevel omgaf de bosschen in
't verschiet. Hij zag alleen den hoogen beuk bij den vijver en het dak
van zijn huis, dat uitstak boven het groen. Bijen en kevers gonsden om
hem heen, boven hem zong de stijgende leeuwerik, in de verte klonk
hondengeblaf en het gerucht der verwijderde stad. Het was alles klare
werkelijkheid.

Maar wat had hij gedroomd en wat niet? Waar was Windekind? en het
konijntje?

Hij zag geen van beiden. Alleen Presto zat zoo dicht mogelijk bij hem en
keek hem in afwachting aan.

'Zou ik aan 't slaapwandelen geweest zijn?' prevelde Johannes zacht.

Naast hem was een konijnenhol. Maar zoo waren er zooveel in 't duin. Hij
richtte zich op om het goed te bezien. Wat voelde hij daar in de nog
vastgesloten hand?

Een tinteling liep van de kruin van zijn hoofd tot zijn voeten, toen hij
de hand opende. Daar schitterde een klein gouden sleuteltje.

Een tijd lang zat hij sprakeloos.

'Presto! zeide hij toen, terwijl de tranen hem in de oogen kwamen.
'Presto, het is _toch_ waar!'

Presto sprong op en trachtte door blaffen zijnen meester aan 't verstand
te brengen, dat hij honger had en naar huis wilde.

Naar huis? Ja! daaraan had Johannes niet gedacht en hij had er weinig
zin in. Maar spoedig hoorde hij door verschillende stemmen zijn naam
roepen. Toen begon hij te begrijpen, dat zijn gedrag volstrekt niet
braaf en fatsoenlijk zoude gevonden worden en dat hem lang geen
vriendelijke woorden te wachten stonden.

Een oogenblik scheelde het weinig, of zijn vreugdetranen waren in één
moeite door, tranen van angst en berouw geworden. Maar toen dacht hij
aan Windekind, die nu zijn vriend was, zijn vriend en vertrouweling, aan
het geschenk van den elfenkoning en aan die heerlijke, onbetwistbare
waarheid van al het gebeurde en hij zocht kalm en op alles voorbereid
den weg naar huis op.

De ontmoeting viel niet mede. Zoo erg had hij zich de onrust en vrees
van zijn huisgenooten niet voorgesteld. Hij moest plechtig beloven,
nimmer meer zoo ondeugend en onvoorzichtig te zijn.

'Dat kan ik niet,' zeide hij vastberaden. Daar zag men vreemd van op.
Hij werd ondervraagd, gesmeekt, bedreigd. Maar hij dacht aan Windekind
en hield vol.

Wat konden hem straffen schelen als hij Windekind's vriendschap maar
behield en wat zou hij niet voor Windekind willen lijden! Vast klemde
hij het sleuteltje aan zijn borst en de lippen opeen, terwijl hij iedere
vraag met schouderophalen beantwoordde. 'Ik kan niets beloven,' zei
hij weer.

Doch zijn vader zeide: 'Laat hem nu maar met vrede, het is hem ernst. Er
moet iets bijzonders met hem gebeurd zijn. Eens zal hij het ons wel
vertellen.'

Johannes glimlachte, at zwijgend zijn boterham en sloop naar zijn
kamertje. Daar sneed hij een stuk van het gordijnkoord af, deed er het
kostbare sleuteltje aan en hing het zich om den hals op de bloote borst.
Toen ging hij getroost naar school.

Het ging zeer slecht dien dag op school. Hij kende zijn lessen geen van
alle en lette volstrekt niet op. Voortdurend vlogen zijn gedachten naar
den vijver en naar de wonderbare gebeurtenissen van den vorigen avond.
Hij kon het zich nauwelijks denken, dat een vriend van den elfenkoning
nu weer verplicht zou zijn, sommen te maken en werkwoorden te vervoegen.
Maar het was toch alles waar geweest, en niemand om hem heen wist er
iets van of zou het kunnen gelooven of begrijpen, zelfs de meester niet,
hoe barsch hij ook keek en hoe minachtend hij Johannes ook een luien
rekel noemde. Blijmoedig verdroeg hij de kwade aanteekening en maakte
hij het strafwerk, dat zijn verstrooidheid hem op den hals haalde.

'Zij hebben er toch geen van allen begrip van. Zij mogen mij uitschelden,
zooveel zij willen. Ik blijf Windekind's vriend, en Windekind is mij meer
waard dan zij allemaal te zamen. Ja, met den meester er bij.'

Dat was niet eerbiedig van Johannes. Maar zijn achting voor zijn
medemenschen was, na al het kwaad dat hij er den vorigen avond van had
moeten hooren, niet gestegen.

Doch, zooals het meer gaat, hij wist zijne wijsheid nog niet verstandig
genoeg te pas te brengen, of liever, te verzwijgen.

Toen de meester vertelde, dat alleen de mensch door God met rede was
begaafd en als heerscher was gesteld over alle andere dieren, begon hij
te lachen. Dat bezorgde hem een slechte aanteekening en eene ernstige
vermaning. En toen zijn buurman uit een themaboek den volgenden zin
oplas: 'De ouderdom van mijne moedwillige tante is groot, maar niet zoo
groot als die van de zon'--riep Johannes haastig en luide: 'van _den_ zon!'

Allen lachten hem uit en de meester, verbaasd, over zulk een aanmatigende
domheid, zooals hij het noemde, liet Johannes schoolblijven en honderdmaal
overschrijven: 'De ouderdom van mijne moedwillige tante is groot, maar
niet zoo groot als die van de zon, het grootst echter is mijne aanmatigende
domheid.'

De scholieren waren verdwenen en Johannes zat eenzaam in het groote
schoollokaal te schrijven. Het zonlicht scheen vroolijk naar binnen,
deed duizenden stofjes glinsteren op zijn weg en vormde op den gewitten
muur lichte plekken, die met de wisseling der uren langzaam voortkropen.
De meester was weggegaan en had de deur hard toegeslagen. Johannes was
reeds aan de twee-en-vijftigste moedwillige tante, toen een klein, vlug
muisje, met zwarte kraaloogjes en zijdeachtige oortjes, uit den versten
hoek van het lokaal onhoorbaar langs den muur kwam loopen. Johannes
hield zich doodstil om het aardige diertje niet te verjagen. Het was
niet schuw en kwam tot dicht bij Johannes' zitplaats. Toen gluurde het
een tijdlang met de kleine heldere oogjes scherp in het rond en sprong
behendig met één sprong op de bank en met een tweeden op den lessenaar,
waaraan Johannes schreef.

'Ei, ei!' zeide deze, half bij zichzelven, 'jij bent eerst een dapper
muisje!'

'Ik zou niet weten voor wien ik bang moest zijn,' zeide een fijn
stemmetje, en het muisje liet de tandjes zien alsof het lachte.

Johannes was reeds aan veel wonderlijks gewend, maar zette nu toch weer
groote oogen op. Zoo midden op den dag en op school, 't was ongeloofelijk.

'Voor mij behoef je niet bang te zijn,' zeide hij zacht, uit vrees het
muisje te verschrikken, 'kom je van Windekind?'

'Ik kom u even zeggen, dat de meester groot gelijk heeft en dat ge uw
strafwerk ruim verdiend hebt.'

'Maar Windekind zei toch dat de zon mannelijk was, de zon was onze
vader.'

'Ja, maar dat behoeft niemand anders te weten. Wat hebben de menschen
daarmee te maken. Ge moet nooit over zulke teedere zaken met menschen
spreken. Daar zijn zij te grof voor. De mensch is een verbazend
boosaardig en lomp wezen, die liefst alles vangt en doodtrapt wat onder
zijn bereik komt. Daar hebben wij, muizen, ondervinding van.'

'Maar muisje! waarom blijf je dan in zijn buurt? Waarom ga je niet ver
weg, naar de bosschen?'

'Ach, dat kunnen wij niet meer. Wij zijn het stadsvoedsel te veel
gewend. En als men voorzichtig is en altijd oppast hun vallen en hun
zware voeten te mijden, dan is het onder menschen wel uit te houden.
Wij zijn gelukkig nog al vlug. Het ergst is, dat de mensch zijn eigen
logheid verhelpt door een verbond te sluiten met de kat, dat is een
groote ramp, maar in het bosch zijn uilen en sperwers, en sterven moeten
wij toch eenmaal allen. Nu, Johannes, onthoud mijn raad, daar komt de
meester!'

'Muisje! muisje! ga niet weg. Vraag aan Windekind wat ik met mijn
sleuteltje doen moet. Ik heb het om mijn hals gehangen, op mijn bloote
borst. Maar Zaterdag word ik verschoond en ik ben zoo bang dat iemand
het zien zal. Zeg mij, waar ik het veilig bergen kan, muisjelief!'

'Onder den grond, altijd onder den grond, daar is alles het veiligst.
Wil ik het bewaren?'

'Neen! niet hier op school.'

'Begraaf het dan buiten in de duinen. Ik zal aan mijn neef de veldmuis
laten weten, dat hij er op passen moet.'

'Dank je muisje!'

Bom! Bom! Daar kwam de meester aanstappen. In den tijd dat Johannes zijn
pen indoopte, was het muisje verdwenen. De meester, die zelf naar huis
verlangde, schold Johannes achtenveertig strafregels kwijt.

Twee dagen lang leefde Johannes in voortdurenden angst. Hij werd streng
in het oog gehouden en alle gelegenheid, om naar de duinen te ontsnappen,
hem ontnomen. Het werd Vrijdag en nog liep hij met het kostbare sleuteltje
rond. Den volgenden avond moest hij verschoond worden, men zou het
sleuteltje ontdekken en hem afnemen, hij ijsde bij de gedachte. In huis
of tuin durfde hij het niet verbergen, geen plekje scheen hem veilig
genoeg.

Het werd Vrijdagavond en de schemering begon te vallen. Johannes zat
voor het venster van zijn slaapkamer en keek verlangend naar buiten,
over de groene heesters van den tuin, naar de verre duinen. 'Windekind!
Windekind! help mij,' fluisterde hij angstig.

Daar ruischte een zachte vleugelslag naast hem, hij rook den geur van
leliën van dalen en hoorde plotseling de bekende, zoete stem.

Windekind zat naast hem op de vensterbank en liet de klokjes van een
lelie van dalen aan den slanken stengel wiegelen.

'Zijt gij daar eindelijk! Ik heb zoo naar u verlangd!' zeide Johannes.

'Ga met mij mede, Johannes, wij zullen uw sleuteltje gaan begraven.'

'Ik kan niet,' zuchtte Johannes droevig.

Doch Windekind vatte hem bij de hand, en hij gevoelde hoe hij, licht als
het gepluisde zaadje van een paardebloem, wegzweefde door de stille
avondlucht.

'Windekind,' zeide Johannes onder het zweven, 'ik houd zooveel van u. Ik
geloof dat ik alle menschen voor u zou willen geven en Presto ook.'

Windekind zeide: 'en Simon?'

'O, het kan Simon niet zooveel schelen, of ik van hem houd. Ik geloof,
dat hij dat te kinderachtig vindt. Simon houdt alleen maar van de
vischvrouw en dat ook alleen maar, als hij honger heeft. Gelooft ge, dat
Simon een gewone kat is, Windekind?'

'Neen, hij is vroeger een mensch geweest.'

Hoe-oe-oe! boms! daar vloog een dikke meikever tegen Johannes aan. 'Kunt
gij niet beter voor u uitkijken,' bromde de meikever 'dat elfengoed
vliegt maar, alsof het de heele lucht in pacht had! Dat heb je van die
nietsdoeners, die altijd maar voor hun plezier rondzwerven, iemand als
ik die zijn plicht doet, altijd voedsel zoekt en zoo hard eet, als hij
kan, wordt er door uit den koers gebracht.'

Onder luid gebrom vloog hij verder.

'Neemt hij ons kwalijk, dat wij niet eten?' vroeg Johannes.

'Ja, dat is zoo meikever-gewoonte. Bij de meikevers wordt het als
hoogste plicht beschouwd, veel te eten. Wil ik u eens de geschiedenis
van een jongen meikever vertellen?'

'Ja doe dat, Windekind.'

'Het was een mooie, jonge meikever, die pas uit den grond was gekropen.
Nu, dat was een groote verrassing. Een geheel jaar had hij onder de
donkere aarde gezeten en gewacht op den eersten warmen avond. En toen
hij zijn kop uit de kluitjes stak, bracht al dat groen en het wuivende
gras en de zingende vogels hem geheel in verlegenheid. Hij wist niet,
wat hij eigenlijk beginnen moest. Hij betastte de grashalmpjes in de
buurt met zijn sprieten en stak die waaiervormig uit. Daaraan merkte
hij, Johannes, dat hij een mannetje was. Hij was heel mooi in zijn
soort, had glanzige, zwarte pooten, een dik, bestoven achterlijf en een
borstschild, dat als een spiegel glom. Gelukkig zag hij al gauw, niet
ver van hem vandaan, een anderen meikever, wel niet zoo'n mooien, maar
een die al een dag vroeger uitgevlogen en dus al heel oud was. Heel
bescheiden, omdat hij nog zoo jong was, roept hij dezen aan.

'Wat wou je, vriendje!' zegt de tweede uit de hoogte, omdat hij zag, dat
het een nieuweling was, 'wou je mij den weg vragen?'

'Neen, ziet u! zeide de jongste beleefd, 'maar ik weet niet, wat ik hier
doen moet. Wat doet men zoo als meikever?'

'Zoo! zoo!' zeide de ander, 'weet je dat niet. Nu, dat neem ik niet
kwalijk, ik ben óók zoo geweest; luister maar goed, dan zal ik het je
zeggen. De hoofdzaak in het meikever-leven is eten. Niet ver hier
vandaan is een kostelijke lindenhaag, die is daar voor ons gezet om er
zoo vlijtig mogelijk van te eten.'

'Wie heeft die lindenhaag daar neergezet?' vroeg de jonge kever.

'Wel, een groot wezen, dat het heel goed met ons meent. Iederen morgen
komt hij langs de haag en wie dan het meeste gegeten heeft, neemt hij
tot zich, in een heerlijk huis, waar een helder licht schijnt en waar
alle meikevers gelukkig bijeen zijn. Wie echter, in plaats van te eten,
den ganschen nacht blijft rondvliegen, wordt door de vleermuis gevangen.'

'Wie is dat?' vroeg de nieuweling.

'Dat is een vreeselijk monster met scherpe tanden, dat plotseling achter
ons aan komt vliegen en ons onder afgrijselijk gekraak opeet.' Toen de
kever dat zeide, hoorden ze boven zich een schel gepiep, dat hun door
merg en been drong.

'Hu! dat is hij,' riep de oudste. 'Pas op voor hem, jonge vriend. Wees
dankbaar dat ik je bijtijds heb gewaarschuwd. Je hebt een ganschen nacht
voor je, verknoei dien nu niet. Hoe minder je eet hoe meer kans je hebt
door de vleermuis te worden verslonden. En alleen zij, die zich een
ernstige levensroeping kiezen, komen in het huis met het heldere
schijnsel. Denk er om! Een ernstige roeping!'

'Toen scharrelde de kever, die een heelen dag ouder was, tusschen de
grashalmen verder en liet den eersten getroffen achter. Weet je wat een
roeping is, Johannes? Niet! Nu, dat wist die jonge kever ook niet. Het
stond met eten in verband, dat begreep hij. Maar hoe moest hij bij die
lindenhaag komen? 'Vlak naast hem stond een slanke, stevige grashalm,
die zachtjes wiegelde in den avondwind. Dien pakte hij maar vast beet,
met zijn zes kromme pootjes. Het scheen een hoog gevaarte van beneden
gezien en erg steil. Toch wilde de meikever er in. 'Dat is een roeping!'
dacht hij, en begon moedig te klimmen. Het ging langzaam, dikwijls gleed
hij terug, maar hij vorderde; en toen hij eindelijk in het dunste topje
was geklommen en mede wiegelde met de schommelingen, voelde hij zich
voldaan en gelukkig. Welk een uitzicht had hij hier! Het scheen hem,
alsof hij de wereld overzag. Hoe zalig was het, zoo van alle kanten door
lucht te zijn omgeven! Gretig zoog hij het achterlijf vol. Hoe wonderlijk
werd het hem daarbij te moede! Nog hooger wilde hij!

'Hij lichtte de dekschilden in verrukking op, liet de vliezige vleugels
even trillen. Hooger wilde hij! Hooger! Weer trilden zijne vleugels, de
pooten lieten den grashalm los en--O, vreugde ... Hoe-oe-oe! daar vloog
hij vrij en vroolijk in de stille, warme avondlucht.'

'En toen?' vroeg Johannes.

'Het vervolg is niet vroolijk. Dat vertel ik u later wel eens.'

Zij waren over den vijver heengevlogen. Een paar late, witte kapelletjes
fladderden met hen mede.

'Waar gaat de reis heen, elfen?' vroegen zij.

'Naar de groote duinroos, die daar bloeit tegen gindsche helling.'

'Wij gaan mede! wij gaan mede!'

Reeds van verre was zij zichtbaar, met haar talrijke teedergele
zijde-zachte bloemen. De knopjes waren rood gekleurd en de geopende
bloemen vertoonden roode streepjes, als teekenen van den tijd toen zij
nog knoppen waren.

In eenzame rust bloeide de wilde duinroos en vervulde den omtrek met
haar wonderzoete geuren. Zoo heerlijk zijn die, dat de duin-elfen
daarvan alleen leven.

De vlinders dwarrelden op haar toe en kusten bloem aan bloem. 'Wij komen
u een schat toevertrouwen,' riep Windekind, 'wilt gij dien voor ons
hoeden?'

'Waarom niet? waarom niet?' fluisterde de duinroos, 'het wachten
verveelt mij niet, en ik denk hier niet vandaan te gaan, als men mij
niet weghaalt. Ook heb ik scherpe doornen.'

Toen kwam de veldmuis, de neef van het muisje uit school, en groef een
gang onder de wortels van de roos. Daar droeg hij het sleuteltje in.

'Als gij het nu weer hebben wilt, dan moet gij mij weer roepen. Dan
behoeft gij de roos geen schade te doen.'

De roos vlocht zijn gedoornde twijgen dicht over den ingang en zwoer
plechtig het trouw te bewaken. De kapelletjes waren getuigen.

Den volgenden morgen werd Johannes in zijn eigen bedje wakker, bij
Presto, de klok en het behangsel. Het koord om zijn hals en het
sleuteltje daaraan waren verdwenen.



IV


Jongen! Jongen! Wat is zoo'n zomer toch criant vervelend,' zuchtte één
van de drie groote kachels, die op een zolder in het oude huis, in een
donkere hoek bij elkaar stonden te kniezen, 'weken lang heb ik geen
levende ziel gezien en geen verstandig woord gehoord. En dan die leegte
van binnen. 't Is afschuwelijk!'

'Ik zit vol spinnewebben,' zei de tweede, 'dat zou 's winters ook niet
gebeuren.'

'En ik ben zoo stoffig, dat ik mij dood zal schamen, als tegen den
winter de zwarte man weer verschijnt, zooals van Alphen zegt.' Die
wijsheid had de derde kachel natuurlijk van Johannes opgevangen, als
deze 's winters voor den haard versjes opzeide.

'Gij moet niet zoo oneerbiedig over den Smid spreken,' zeide de eerste
kachel, die de oudste was, 'dat hindert mij!'

Ook eenige tangen en aschschoppen die hier en daar op den grond lagen,
in papier gewikkeld tegen 't roesten, gaven duidelijk hun
verontwaardiging te kennen over die lichtzinnige uitdrukking.

Doch plotseling verstomde het gesprek, want het zolderluik werd
opgeheven, een lichtstraal drong tot in den duisteren hoek door en
stelde het geheele gezelschap in hun stoffige verwarring ten toon.

Het was Johannes, die hun gesprek kwam storen. De zolder had altijd een
groote aantrekkelijkheid voor hem. Nu, na al de vreemde gebeurtenissen
van den laatsten tijd kwam hij er dikwijls. Hij vond er rust en
eenzaamheid. Ook was er een venster, dat door een luik gesloten was en
naar den duinkant uitzag. Het was een groot genot, dat luik plotseling
te openen, en na het geheimzinnig schemerduister van den zolder op eens
het wijde, hel verlichte landschap voor zich te zien, begrensd door de
blanke, zacht-golvende duinreeks.

Er waren drie weken na dien Vrijdagavond verloopen, zonder dat Johannes
iets van zijn vriend bespeurd had. Het sleuteltje was nu ook weg en
niets was hem nog tot zeker bewijs, dat hij niet gedroomd had. Dikwijls
kon hij de vrees niet wegredeneeren, dat het alles toch maar inbeelding
was geweest. Hij werd er stil onder, en angstig maakte zijn vader de
opmerking, dat Johannes na dien nacht in de duinen zeker een ziekte
onder de leden had gekregen. Johannes echter verlangde naar Windekind.

'Zou hij net zooveel van mij houden, als ik van hem?' mijmerde hij,
terwijl hij aan het zoldervenster stond en over den groenen, bloemrijken
tuin staarde, 'waarom zou hij dan niet meer en langer bij mij komen. Als
ik kon ... Maar misschien heeft hij meer vrienden. Zou hij daar ook van
houden, meer dan van mij. Ik heb geen andere vrienden, geen één. Ik houd
alleen van hem. Zoo veel! o zoo veel!'

Tegen den diep-blauwen hemel zag hij een vlucht van zes witte duiven
afsteken, die met kleppenden vleugelslag over het huis zwenkten. Het
scheen of één gedachte hen dreef, zoo snel en gelijktijdig veranderden
zij telkens van richting, als om volop te genieten van de zee van
zonlicht waarin zij zweefden.

Op eenmaal vlogen zij naar Johannes' dakvenstertje toe en streken met
veel gefladder en wiekgeklepper op de dakgoot neer, waar zij bedrijvig
kirrend heen en weer bleven trippelen. Een van hen had een rood veertje
in zijnen vleugel. Hij pluisde en trok er zoolang aan, totdat hij het in
den bek hield, toen vloog hij op Johannes toe en gaf het hem.

Nauwelijks had Johannes het aangenomen, of hij voelde dat hij zoo licht
en vlug werd als een der duiven. Hij strekte de leden uit, de
duivenvlucht vloog op, en Johannes zweefde in hun midden mede, in de
ruime, vrije lucht en den helderen zonneschijn. Niets was om hem, dan
het reine blauw en de helle schittering der blanke duivenvleugels.

Zij vlogen over den grooten tuin naar het bosch, waarvan de dichte
boomtoppen in de verte wuifden als de golven van een groene zee.
Johannes keek naar beneden en zag zijn vader voor het open raam zitten
in de huiskamer, Simon zat met gevouwen voorpooten in de vensterbank en
koesterde zich in de zon. 'Zou zij mij zien?' dacht hij, maar hij durfde
niet roepen.

Presto holde door de tuinpaden en snuffelde in iederen heester, achter
elken muur, en krabbelde tegen elk deurtje van broeikas of oranjerie, om
zijn baasje te vinden.

'Presto! Presto !' riep Johannes. Het hondje zag op en begon te
kwispelstaarten en klagelijk te janken.

'Ik kom terug, Presto! wachten!' riep Johannes, maar hij was al te ver
weg.

Zij zweefden boven het bosch en de kraaien vlogen krassend uit de hooge
toppen, waarin zij hun nesten hadden. Het was in 't midden van den zomer
en de geur der bloeiende linden steeg in wolken uit het groene woud
omhoog.

In een leeg nest, op den top van een hooge linde zat Windekind, met zijn
krans van windekelken op het hoofd. Hij knikte Johannes toe.

'Zijt ge daar! dat is goed,' zeide hij. 'Ik heb u laten halen. Nu kunnen
wij lang bijeen blijven--als ge wilt.'

'Ik wil wel graag,' zeide Johannes.

Toen dankte hij de vriendelijke duiven, die hem gebracht hadden en
daalde met Windekind in het bosch af.

Daar was het frisch en schaduwrijk. De wielewaal floot, altijd bijna
hetzelfde maar toch eenigszins anders.

'De arme vogel,' zei Windekind, 'hij was eens een paradijsvogel. Dat
ziet ge nog wel aan zijn vreemde gele vederen, maar hij is veranderd en
uit het paradijs verjaagd. Er is een woord, dat hem zijn vroegere
prachtige kleeding kan teruggeven en hem weer in het paradijs brengen.
Maar dat woord is hij vergeten. Nu probeert hij dag aan dag, om het
terug te vinden. Het lijkt er wel iets op, maar het rechte is het niet.'

Tallooze vliegen glinsterden als zwevende kristallen in de zonnestralen,
die door het donkere loover drongen. Als men aandachtig luisterde, kon
men hun gonzen hooren als een groot eentonig concert, dat het gansche
bosch vervulde. Het was alsof de zonnestralen zongen.

Dik, donkergroen mos bedekte den grond en Johannes was weder zoo klein
geworden, dat het hem een nieuw bosch op den bodem van het groote bosch
toescheen. Wat sierlijke stammetjes! En hoe dicht groeiden zij opeen!
Het was moeilijk er tusschen door te komen en het moswoud scheen
ontzettend groot.

Daar kwamen zij aan een mierenpaadje. Honderden mieren liepen bedrijvig
af en aan, sommige stukjes hout, blaadjes of grassprietjes in de kaken
dragend. Het was zulk een gewoel, dat Johannes er bijna duizelig van werd.

Het duurde lang, voor dat een der mieren hen te woord wilde staan. Zij
hadden het allen zoo druk. Eindelijk vonden zij een oude mier, die was
aangesteld om de bladluisjes, waarvan de mieren den honingdauw trekken,
te bewaken. Daar zijn kudde erg rustig was, kon hij zich wel een poosje
met de vreemdelingen bemoeien en hun het groote nest laten zien. Het was
aan den voet van een ouden boomstam aangelegd, zeer groot en honderden
gangen en kamertjes rijk. De bladluisherder gaf uitleg en leidde de
bezoekers overal rond, tot in de kinderkamers, waar de jonge larven uit
de witte windsels kruipen. Johannes was verbaasd en opgetogen.

De oude mier vertelde, dat men in groote drukte leefde wegens den
veldtocht, die eerstdaags ophanden was. Men zou een andere mierenkolonie,
niet ver verwijderd, met een groote macht gaan overvallen, het nest
vernielen en de larven rooven of dooden, daarvoor zouden alle krachten
noodig zijn en men moest dus eerst het dringendste werk afdoen.

'Waarom is die veldtocht?' zeide Johannes, 'dat lijkt mij niet mooi.'

'Neen! neen!' zei de luizenhoeder, 'het is een zeer schoone en
lofwaardige tocht. Ge moet denken, het zijn de Strijd-mieren, die wij
gaan aanvallen, wij gaan hun geslacht uitroeien en dat is een zeer
goed werk.'

'Zijt gij dan geen Strijd-mieren?'

'Zeker niet! Wat denkt ge wel? Wij zijn Vrede-mieren.'

'Wat beteekent dat dan?'

'Weet ge dat niet? Dat zal ik u uitleggen. Eens waren alle mieren
voortdurend aan 't vechten, geen dag ging er om zonder groote
slachtingen. Toen kwam er een wijze, goede mier, die bedacht dat het
veel moeite zou besparen, als de mieren onderling afspraken niet meer
te vechten.

'Toen hij dat zeide, vond men het erg vreemd en om die reden begon men
maar met hem in kleine stukjes te bijten. Later kwamen nog andere mieren
die hetzelfde meenden. Ook die werden in kleine stukjes gebeten. Maar
eindelijk kwamen er zooveel, dat het stukbijten te veel werk was voor
de anderen.

'Toen noemden zij zich Vrede-mieren en hielden allen vol dat de eerste
Vrede-mier gelijk had; wie dat tegensprak beten zij op hun beurt in
stukjes. Op die manier zijn tegenwoordig bijna alle mieren Vrede-mieren
geworden, en de stukjes van de eerste Vrede-mier worden met zorg en
eerbied bewaard. Wij hebben den kop. Den echten. Wij hebben al twaalf
andere kolonies verwoest en uitgemoord, die beweerden den echten kop te
hebben. Nu zijn er nog maar vier over die dat doen. Zij noemen zich
Vrede-mieren, maar het zijn natuurlijk Strijd-mieren, want wij hebben
den echten kop en de Vredemier had maar één kop. Nu gaan wij eerstdaags
de dertiende kolonie uitroeien. Dat is dus wel een goed werk.'

'Ja! Ja!' zeide Johannes--'het is heel merkwaardig!'

Hij was eigenlijk een beetje bang geworden, en voelde zich veel rustiger,
toen zij den gedienstigen herder dankend vaarwel hadden gezegd en ver van
het mierenvolk wiegelend op een grashalm zaten uit te rusten, in de
schaduw van een sierlijk varenblad.

'Hu!' zuchtte Johannes, 'dat was een bloeddorstig en dom gezelschap.'

Windekind lachte en schommelde met zijn grashalm op en neder.

'O!' zei hij, 'gij moet hen niet dom noemen. De menschen gaan naar de
mieren om wijs te worden.'

Zoo toonde Windekind aan Johannes alle wonderen van het bosch, zij
vlogen beiden tot de vogels in de boomtoppen en in de dichte heesters,
daalden af in de kunstige woningen van de mollen, en zagen het bijennest
in den ouden boomstam.

Eindelijk kwamen zij aan een open plek, omringd door kreupelhout.
Kamperfoelie groeide er in grooten overvloed. Overal slingerden zich de
weelderige twijgen over de struiken en prijkten de welriekende
bloemkransen tusschen het groen. Een zwerm meesjes sprong en fladderde
tusschen de blaadjes, onder luidruchtig getjilp en gekwetter.

'Laat ons hier wat blijven,' vroeg Johannes, 'hier is het heerlijk.'

'Goed,' zeide Windekind. 'Dan zult ge ook iets grappigs zien.'

Op den grond stonden blauwe klokjes in het gras. Johannes ging naast een
zitten en begon een gesprek over de bijen en de kapellen. Dat waren
goede vrienden van het klokje en daarom vlotte het gesprek ook spoedig.

Wat was dat? Een groote schaduw kwam over het gras en iets als een witte
wolk daalde op het klokje neer ... Nauwelijks had Johannes tijd om weg te
komen, en vloog naar Windekind, die in een hoogbloeiende kamperfoelie-
bloem zat. Toen zag hij dat de witte wolk een zakdoek was en bom! daar
ging een dikke juffrouw op den zakdoek zitten en op het arme klokje dat
er onder was.

Hij had geen tijd om het te beklagen, want gerucht van stemmen en
gekraak van takken vervulden de open plek van het bosch. Een menigte
menschen naderde.

'Nu zullen wij lachen,' zeide Windekind.

Daar kwamen zij aan, de menschen. De vrouwen met manden en parapluies in
de hand, de mannen met hooge, rechte, zwarte hoeden op. Ze waren meest
allen zwart, erg zwart. In het zonnige, groene bosch zagen zij er uit
als groote, leelijke inktvlekken op een prachtig schilderij.

Er werden heesters uiteengedrongen, bloemen neergetrapt, nog vele witte
zakdoeken uitgespreid en de lijdzame grassprietjes en de geduldige
mosplantjes gaven zuchtend mede onder het gewicht dat ze te torsen
kregen en vreesden nimmer van den slag te herstellen.

Sigarenrook krinkelde over de kamperfoelie-struiken en verdreef nijdig
den teederen geur hunner bloemen.

Harde stemmen verjaagden den vroolijken meezenzwerm, die onder verschrikt
en verontwaardigd getjilp in de naaste boomen toevlucht zocht.

Een man rees op uit de menigte en ging op een heuveltje staan. Hij had
lang, blond haar en een bleek gezicht. Hij zeide iets en toen deden alle
menschen hunnen mond erg wijd open en begonnen te zingen, zoo hard, dat
de kraaien krassend opvlogen van hunne hooge nesten en de nieuwsgierige
konijntjes, die van den duinrand gekomen waren om eens te kijken,
verschrikt aan 't loopen gingen en een kwartier lang bleven doorloopen,
toen zij reeds veilig weder in 't duin waren.

Windekind lachte en sloeg den sigarenrook voor zich weg met een varentak,
Johannes kwamen de tranen in de oogen, echter niet van den rook.

'Windekind,' zeide hij, 'ik wilde weg, het is zoo leelijk en zoo hard.'

'Neen, wij moeten nog blijven. Gij zult lachen, het wordt nog grappiger.'

Het zingen hield op en de bleeke man begon te spreken. Hij schreeuwde
hard, opdat allen hem zouden verstaan, maar wat hij zeide klonk erg
vriendelijk. Hij noemde de menschen broeders en zusters en sprak van de
heerlijke natuur en de wonderen der schepping, van Gods zonneschijn en
van de lieve vogelen en bloemen ...

'Wat is dat?' vroeg Johannes. 'Hoe spreekt hij daarover? Kent hij u? Is
hij een vriend van u?'

Windekind schudde minachtend het omkranste hoofdje.

'Hij kent mij niet, de zon, de vogelen, de bloemen evenmin. Het is alles
logen wat hij zegt.'

De menschen luisterden allen zeer aandachtig. De dikke juffrouw, die op
het blauwe klokje zat, begon verscheiden malen te huilen en wischte de
tranen met haar rokslip af, omdat zij haar zakdoek niet gebruiken kon.

De bleeke man zeide, dat God ter wille van hun bijeenkomst de zon zoo
vroolijk had laten schijnen; toen lachte Windekind en wierp van uit de
dichte bladen een eikel op zijn neus.

'Hij zal het anders ondervinden,' zeide hij, 'mijn vader zou voor hem
schijnen, wat verbeeldt hij zich wel.'

Doch de bleeke man was te veel in vuur geraakt om op den eikel te
letten, die uit de lucht scheen te vallen, hij sprak lang en hoe langer
hoe harder. Op 't laatst werd hij rood en blauw in 't gezicht, balde de
vuisten en schreeuwde zoo luid, dat de bladeren trilden en de grashalmen
ontzet heen en weer wiegelden. Toen hij eindelijk tot bedaren gekomen
was, begonnen allen weer te zingen.

'Wel foei!' zeide een meerle, die van een hoogen boom het rumoer
aanhoorde. 'Is dat een afschuwelijk leven maken! Ik heb nog liever dat
er koeien in het bosch komen. Hoor dat eens aan. Wel foei!'

Nu! de meerle is een kenner en heeft een fijnen smaak.

Na het gezang haalden de menschen uit manden, doozen en zakken, allerlei
eetwaren voor den dag. Er werden papieren uitgespreid en broodjes en
sinaasappelen verdeeld. Ook flesschen en glazen kwamen te voorschijn.

Toen riep Windekind zijn bondgenooten bijeen en begon den smullenden
troep te belegeren.

Een dappere kikvorsch sprong op den schoot van een oude juffrouw, vlak
naast het broodje dat zij juist wilde gaan opeten en bleef daar zitten,
als verbaasd over zijn eigen stoutmoedigheid. De juffrouw gaf een
ijselijken gil en staarde ontzet den aanvaller aan, zonder zich te
durven verroeren. Het moedige voorbeeld vond navolging. Groene rupsen
kropen onverschrokken over hoeden, zakdoeken en broodjes, overal angst
en schrik teweegbrengend; groote dikke kruisspinnen lieten zich aan
glinsterende draden neer in bierglazen, op hoofden of halzen en een luid
gegil volgde steeds hunnen aanval; tallooze vliegjes bestormden de
menschen regelrecht in 't gezicht en offerden hun leven voor de goede
zaak, door zich op spijzen en dranken te storten en ze met hun lichaam
onbruikbaar te maken. Eindelijk kwamen de mieren in onafzienbare scharen
en tastten den vijand op de meest onverwachte plaatsen bij honderden
tegelijk aan. Dat bracht een verwarring en ontsteltenis teweeg! Haastig
vlogen mannen en vrouwen van de zoo lang verdrukte mos- en grasplantjes
op; ook het arme, blauwe klokje werd bevrijd, door den welgeslaagden
aanval van twee oorwurmen op de beenen van de dikke juffrouw. De
vertwijfeling nam toe: dansend en springend, onder de zonderlingste
gebaren, trachtten de menschen hun vervolgers te ontkomen. De bleeke man
bood lang weerstand en sloeg met een zwart stokje in 't rond, doch een
paar baldadige meezen, die geen aanvalsmiddel te laag achtten en een
wesp, die hem door zijn zwarte broek heen in de kuit stak, stelden hem
buiten gevecht.

Toen kon de vroolijke zon zich niet langer goed houden en verborg het
aangezicht achter een wolk. Groote regendroppels daalden op de
strijdende partijen. Het was alsof door den regen plotseling een bosch
van groote, zwarte paddestoelen uit den grond opschoot. Dat waren de
regenschermen die werden uitgespannen. Vrouwen sloegen de rokken over
het hoofd, waardoor witte onderrokken, wit gekouste beenen en schoenen
zonder hakken zichtbaar werden. O, wat had Windekind een pret! hij moest
zich aan den bloemstengel vasthouden van 't lachen.

Dichter en dichter stroomde de regen, hij begon het bosch met een
grauwen, glinsterenden sluier te omhullen. Kletterende waterstralen
vielen van parapluies, hooge hoeden en zwarte jassen, die glommen als de
schilden van de watertor, de schoenen zoenden en smakten in den
doorweekten grond. Toen gaven de menschen het op, en dropen bij kleine
troepjes zwijgend af, een menigte papieren, ledige flesschen en
sinaasappelschillen als onoogelijke sporen van hun bezoek, achterlatend.
Op het open veldje in het bosch werd het weder eenzaam en hoorde men
spoedig niets meer dan het eentonige ruischen van den regen.

'Nu, Johannes! nu hebben wij ook menschen gezien. Waarom lacht gij ook
niet om hen?'

'Ach, Windekind! zijn alle menschen zoo?'

'O! er zijn nog veel erger en leelijker. Soms razen en tieren zij en
vernielen al wat mooi en heerlijk is. Zij hakken boomen om en zetten er
plompe, vierkante huizen voor in de plaats. Zij vertrappen de bloemen
moedwillig en dooden voor vermaak elk dier, dat onder hun bereik komt.
In hun steden, waar zij opeen kruipen, is alles vuil en zwart en de
lucht bedompt en vergiftigd door stank en rook. Zij zijn geheel vervreemd
van de natuur en hun medeschepselen. Daarom maken zij zulk een dwaas en
droevig figuur, als zij er in terugkeeren.'

'Ach! Windekind! Windekind!'

'Waarom weent gij, Johannes? Gij moet niet weenen, omdat gij bij
menschen geboren zijt. Ik heb u immers lief en u verkoren onder allen.
Ik heb u de taal van vlinders en vogelen geleerd en den blik der bloemen
doen verstaan. De maan kent u, en de goede, milde aarde heeft u lief als
haar liefste kind. Waarom zoudt ge niet blij zijn, daar ik uw vriend ben?'

'O, Windekind dat ben ik! dat ben ik! maar ik moet toch huilen om al die
menschen!'

'Waarom? Gij behoeft niet bij hen te blijven, als u dat verdriet doet.
Gij kunt hier wonen en mij altijd vergezellen. Wij zullen huizen in het
dichtste van het bosch, in de eenzame, zonnige duinen of in het riet aan
den vijver. Ik zal u overal brengen, op den bodem van het water tusschen
de waterplanten, in de paleizen van elfen en in de woningen van de
kabouters. Ik zal met u zweven over velden en wouden, over vreemde
landen en zeeën. Ik zal spinnen fijne kleederen voor u laten maken en u
vleugels geven, zooals ik ze draag. Wij zullen leven van bloemengeur en
met de elfen in het maanlicht dansen. Als de herfst komt, zullen wij met
den zomer medetrekken, daarheen waar de hooge palmen oprijzen, waar
kleurige bloemtrossen aan de rotsen hangen en het donkerblauwe zeevlak
schittert in de zon. En ik zal u altijd sprookjes vertellen. Wilt ge dat
Johannes?'

'Zal ik nimmermeer onder menschen wonen?'

'Onder menschen wacht u eindeloos verdriet, verveling, vermoeienis en
zorg. Dag aan dag zult gij tobben en zuchten onder den last van uw
leven. Zij zullen uwe teedere ziel stooten en pijnigen door hun
grofheden. Zij zullen u ter dood vervelen en martelen. Hebt gij de
menschen meer lief dan mij?'

'Neen! neen! Windekind, ik wil bij u blijven!'

Nu kon hij toonen, hoeveel hij van Windekind hield. Ja! hij wilde allen
en alles voor hem verlaten en vergeten. Zijn kamertje, Presto en zijn
vader. Vol vreugde en vastberaden herhaalde hij zijn wensch.

De regen hield op. Onder grauwe wolken door straalde een heldere
glimlach van de zon over het woud, op de vochtige glanzende bladeren en
op de droppels, die aan elk twijgje en halmpje fonkelden en de
spinnewebben sierden, die over het eikenloof gespannen waren. Langzaam
steeg een fijne nevel uit den vochtigen grond tusschen het kreupelhout
omhoog, duizend zoele droomerige geuren medevoerend. De meerle vloog nu
in den hoogsten boomtop en zong in korte, innige melodieën tot de
dalende zon, als wilde zij toonen welke zang hier paste, in de plechtige
avondstilte, bij de zachte begeleiding der vallende droppen.

'Is dat niet schooner dan menschengeluid, Johannes? Ja! de meerle weet
wel den juisten toon te treffen. Hier is alles harmonie, zoo volkomen
zult ge ze bij menschen nooit vinden.'

'Wat is harmonie, Windekind?'

'Dat is hetzelfde als geluk. Het is dat, waarnaar alles streeft. Ook de
menschen. Doch zij doen als jongens, die een vlinder willen vangen. Zij
jagen haar juist weg door hun domme pogingen.'

'Zal ik haar bij u vinden?'

'Ja Johannes! Maar dan moet gij de menschen vergeten. Het is een slecht
begin, bij menschen geboren te zijn, maar gij zijt nog jong, gij moet
alle herinneringen aan uw menschenleven van u afzetten, bij hen zoudt
gij dwalen en in verwarring, strijd en ellende geraken, het zou met u
gaan als met den jongen meikever, van wien ik u vertelde.'

'Wat is daarmede verder gebeurd?'

'Hij heeft het heldere schijnsel gezien, waarvan de oude kever sprak;
hij dacht niet beter te kunnen doen, dan er dadelijk heen te vliegen.
Regelrecht vloog hij in een kamer en viel in menschenhanden. Drie dagen
lang is hij daar gemarteld, hij heeft in kartonnen doosjes gezeten, men
heeft hem draadjes aan de pooten gebonden en zoo laten vliegen, toen
heeft hij zich losgerukt, een vleugel en een poot verloren en is
eindelijk, hulpeloos op een vloerkleed rondkruipend en nog vruchteloos
pogend den tuin te bereiken, door een zwaren voet verpletterd.

'Alle dieren, Johannes, die in den nacht ronddolen, zijn zoo goed
kinderen van de zon als wij. En al hebben zij nimmer hunnen
schitterenden vader gezien, toch drijft hen een onbewuste herinnering
immer weer tot al waaraan licht ontstraalt. En duizenden arme schepsels
der duisternis vinden een jammerlijken dood door die liefde tot de zon,
van wie zij sinds lang gescheiden en vervreemd zijn. Zoo brengt een
onbegrepen, onweerstaanbare neiging de menschen ten verderve in de
schijnbeelden van dat Groote Licht, dat hen deed ontstaan en dat zij
niet meer kennen.'

Vragend zag Johannes op naar Windekind's oogen. Doch zij waren diep en
geheimvol, als de donkere hemel tusschen de sterren.

'Bedoelt gij God?' vroeg hij eindelijk schuchter.

'God?' De diepe oogen lachten zacht. 'Ik weet, Johannes, waaraan gij
denkt, als gij dien klank uitspreekt. Aan den stoel voor uw bed,
waartegen gij het lange gebedje iederen avond zegt, aan de groen saaien
gordijnen voor het kerkraam, waarnaar gij Zondagmorgen zoo lang kijkt,
aan de kapitale letters van uw bijbeltje, aan het kerkezakje met den
langen steel, aan leelijk gezang en een muffe menschenlucht. Wat gij met
dien naam bedoelt, Johannes, is een belachelijk schijnbeeld, in plaats
van de zon, een groote petroleumlamp, waarop honderden en duizenden
mugjes hulpeloos zitten vastgeplakt.'

'Maar hoe heet dan dat Groote Licht, Windekind? en tot wien moet ik dan
bidden?'

'Johannes, het is alsof een schimmelplantje mij vroeg hoe de aarde
heette, die met haar ronddraait. Was er een antwoord op uw vraag, gij
zoudt het verstaan als een aardworm de muziek der sterren. Doch bidden
zal ik u leeren.'

En met den kleinen Johannes, die in stille verwondering over Windekind's
woorden peinsde, vloog hij uit het bosch omhoog, zoo hoog, dat over den
duinrand een lange, als goud fonkelende streep zichtbaar werd. Zij
vlogen voort, de grillig beschaduwde duinvlakte gleed onder hun blikken
weg en breeder en breeder werd de lichtstreep. De groene kleur der
duinen week, vaal zag het helm en vreemde, bleekblauwe planten groeiden
er tusschen. Nog een hooge heuvelreeks, een lang gestrekte, smalle
zandstrook en dan de wijde, ontzaglijke zee.

Blauw was het groote vlak, tot aan de kimme, maar onder de zon straalde
een smalle strook in verblindend roode schittering. Een lange, donzig
witte schuimrand omzoomde het zeevlak, zooals hermelijn het blauw fluweel
omzoomt.

En aan de kimme scheidde lucht en water een fijne, wonderbare lijn. Een
wonder scheen zij: recht en toch gebogen, scherp en toch onbestemd,
zichtbaar en toch onnaspeurlijk. Zij was als de toon eener harp, die
lang en droomend naklinkt, die schijnt weg te sterven en toch blijft.

Toen zette de kleine Johannes zich op den duinrand en staarde ...,
staarde in lang, roerloos zwijgen totdat het hem was, alsof hij ging
sterven, alsof de groote, gouden deuren van het heelal zich statig
ontsloten en zijne kleine ziel het eerste licht der oneindigheid
tegenzweefde.

En totdat de tranen, die in zijn wijd geopende oogen welden, de schoone
zon omfloersten en de pracht van hemel en aarde deden wegdeinzen in een
duistere, trillende schemering ...

'Zoo moet gij bidden!' zeide toen Windekind.



V


Hebt gij wel eens op een fraaien herfstdag door het bosch gedwaald? Als
de zon zoo stil en helder op het rijkgetinte loover schijnt, als de
takken kraken en de dorre bladeren ruischen onder uw voet?

Dan schijnt het woud zoo moede, het kan nog slechts deinzen en leeft in
oude herinneringen. Een blauwe nevel omringt het, als een droom, met
geheimzinnige pracht en de glinsterende herfstdraden zweven door de
lucht in trage golving, als schoone, doellooze mijmeringen.

Doch uit den vochtigen grond, tusschen mos en dorre bladeren, verrijzen
dan plotseling en raadselachtig de wonderlijke gestalten der
paddestoelen. Sommige dik, wanstaltig en vleezig, andere slank en
rijzig, met geringden steel en schitterend gekleurden hoed. Dat zijn
zonderlinge droombeelden van het woud.

Dan ziet men ook op vermolmde boomstronken tallooze kleine, witte
stompjes, met zwarte topjes, alsof zij verbrand waren. Sommige wijze
menschen houden ze voor een soort zwammen. Doch Johannes leerde beter:

Het zijn kaarsjes. Zij branden in stille herfstnachten, dan zitten er de
kaboutermannetjes bij en lezen in kleine boekjes.

Dat leerde hem Windekind op zulk een stillen herfstdag, en Johannes ademde
droomstemming in met den doffen geur, die uit den boschgrond opsteeg.

Hoe komen de bladeren van den eschdoorn zoo zwartgevlekt?

'Ja, dat doen de kabouters ook,' zei Windekind. 'Als zij des nachts
geschreven hebben, gooien zij des morgens de rest van hun inktpotjes
over die bladeren uit. Zij houden niet van dien boom. Van esschenhout
maakt men kruisjes en stelen voor kerkezakjes.'

Johannes werd nieuwsgierig naar die kleine, vlijtige kabouters, en hij
liet Windekind beloven, hem bij één van hen te brengen.

Lang was hij reeds bij Windekind geweest, en hij was zoo gelukkig in
zijn nieuw leven, dat hij nog weinig berouw gevoelde over zijn belofte,
al het achtergelatene te vergeten. Er waren geen tijden van angst of
eenzaamheid, waarin altijd het berouw komt. Windekind verliet hem nooit,
en bij hem was elke plek een te huis. Rustig sliep hij in het wiegelend
nest van een karkiet, dat tusschen de groene riethalmen hing, al brulde
de roerdomp en krasten de kraaien nog zoo onheilspellend. Geen angst
voelde hij bij kletterenden regen of suizenden storm, dan school hij in
holle boomen, of konijnenholen, en kroop dicht onder Windekinds
manteltje en luisterde naar zijn stem die sprookjes verhaalde.

En nu zou hij de kabouters zien.

't Was een goede dag daarvoor. Zoo stil! zoo stil! Johannes meende reeds
hun fijne stemmetjes en het geschuifel hunner voetjes te hooren, doch
het was nog middag. De vogelen waren bijna allen weg, alleen de lijsters
smulden aan de helroode bessen. Eén zat gevangen in een strik. Met
uitgespreide vleugels hing zij daar en spartelde, tot het scherp
omknelde pootje bijna vaneen scheurde. Spoedig bevrijdde haar Johannes,
en onder blij getink vloog zij ijlings weg.

De paddestoelen hadden het druk onder elkaar.

'Zie mij eens!' zeide een dikke duivels-zwam. 'Hebt ge ooit zoo iets
gezien? Zie hoe dik en wit mijn steel is en hoe mijn hoed glimt. Ik ben
de grootste van allen. En dat in één nacht!' 'Ba!' zeide de roode
vliegenzwam, 'gij zijt zeer lomp. Zoo bruin en grof. Ik wiegel op mijn
slanken steel als een riethalm. Ik ben prachtig rood als de
lijsterbessen en sierlijk gespikkeld. Ik ben schooner dan allen.'

'Stil!' zeide Johannes, die hen wel kende van vroeger dagen: 'gij zijt
beiden giftig.'

'Dat is een deugd,' zei de vliegenzwam.

'Zijt gij een mensch bij geval?' bromde de dikke schamper. 'Dan mag ik
lijden dat gij mij opeet.'

Dat deed Johannes echter niet. Hij nam dorre takjes en stak die in den
vleezigen hoed. Dat stond gek en alle andere lachten. Ook een troepje
dunne paddestoelen met bruine kopjes, die gezamenlijk in een paar uur
waren opgeschoten en elkaar verdrongen om in de wereld te kijken. De
duivelszwam werd blauw van kwaadheid. Daar kwam zijn giftige aard mee
aan den dag.

Aardsterren hieven haar ronde, opgeblazen hoofdjes op vierpuntige
voetstukjes. Van tijd tot tijd vloog een bruin wolkje uiterst fijn
poeder uit de opening van het ronde hoofdje. Waar dat poeder neerviel in
vochtigen bodem, zouden zich draden door de zwarte aarde vlechten en het
volgende jaar honderden nieuwe aardsterren opschieten.

'Welk een schoon bestaan!' zeiden zij tot elkaar.

'Stuiven is het hoogste levensdoel! Welk een geluk te kunnen stuiven zoo
lang men leeft!'

En met aandachtige toewijding dreven zij de kleine poederwolkjes in de
lucht.

'Hebben zij gelijk, Windekind?'

'Waarom niet? Wat kan voor hen hooger zijn? Gelukkig dat zij niet meer
verlangen, want zij kunnen niet anders.'

Toen de nacht was gedaald en de schaduwen der boomen tot een gelijkmatig
duister waren ineengevloeid, hield het geheimzinnige woudleven niet op.
De takjes kraakten en knapten, de dorre blaadjes ritselden hier en daar,
tusschen het gras en in het kreupelhout. Johannes voelde den tocht van
onhoorbare vleugelslagen en was bewust van de nabijheid van onzichtbare
wezens. Nu hoorde hij toch duidelijk stemmetjes fluisteren en voetjes
trippelen. Zie, daar in de duistere diepte der struiken gloeide even een
klein, blauw vonkje en verdween. Daar weder een en weder! Stil ... als
hij goed luisterde, hoorde hij geschuifel in de bladeren vlak bij
hem,--bij dien donkeren boomstronk. De blauwe lichtjes kwamen er achter
te voorschijn en hielden stil op den top.

Overal zag Johannes nu lichtglansen glimmen, zij zweefden tusschen het
donkere loover, dansten met kleine sprongen langs den grond, en ginds
straalde een groote tintelende massa als een blauw vreugdevuur.

'Wat is dat voor een vuur?' vroeg Johannes. 'Dat brandt prachtig!'

'Dat is een vermolmde boomstam,' zeide Windekind. Zij gingen op een
stil, helder lichtje af.

'Nu zal ik u aan Wistik voorstellen. Dat is de oudste en wijste der
kabouters.'

Dichterbij gekomen, zag Johannes hem bij zijn kaarsje zitten. Duidelijk
kon men bij den blauwen schijn het gerimpeld gezichtje met den grijzen
baard onderscheiden; hij las hardop met saamgetrokken wenkbrauwen. Op
het hoofd droeg hij een eikelkapje met een klein veertje, vóór hem zat
een kruisspin en luisterde naar de voorlezing.

Toen de twee naderden, keek de kabouter zonder het hoofd op te heffen,
uit zijn boekje op en trok de wenkbrauwen in de hoogte. De kruisspin
kroop weg. 'Goeden avond!' zeide de kabouter. 'Ik ben Wistik. Wie zijt
gij beiden?'

'Ik heet Johannes. Ik wilde graag met u kennis maken. Wat leest gij
daar?'

'Dat is niet voor uwe ooren bestemd,' zeide Wistik; 'dat is alleen voor
kruisspinnen.'

'Laat het mij ook eens zien, lieve Wistik!' vroeg Johannes.

'Dat mag ik niet. Dat is het heilige boek der spinnen, dat bewaar ik en
mag ik nooit uit mijn handen geven. Ik heb de heilige boeken van torren
en vlinders en egels en mollen en al wat hier leeft. Zij kunnen niet
allen lezen en als zij nu iets willen weten, lees ik het hun voor. Dat
is een groote eer voor mij, een post van vertrouwen, begrijpt ge?'

Het mannetje knikte een paar malen zeer ernstig en stak een
wijsvingertje op.

'Waaraan waart gij nu bezig?'

'Aan de geschiedenis van Kribbelgauw, den grooten held der kruisspinnen,
die heel lang geleden leefde en een net had, dat over drie boomen
gespannen was, waarin hij millioenen vliegen op één dag ving. Vóór
Kribbelgauw's tijd maakten de spinnen geen netten en leefden van gras en
doode beestjes; maar Kribbelgauw was een knappe kop en bewees, dat ook
levende beestjes tot spinnenvoedsel gemaakt waren. Toen vond Kribbelgauw
ook de kunstige netten uit, door moeilijke berekeningen, want hij was
een groot wiskunstenaar. En de kruisspinnen maken nog altijd haar netten
precies, draadje aan draadje zooals hij het geleerd heeft, maar veel
kleiner. Want het spinnengeslacht is erg ontaard. Kribbelgauw ving
groote vogels in zijn net en vermoordde duizend van zijn eigen kinderen,
dat was nog eens een groote spin. Eindelijk is er een geweldige storm
gekomen en heeft Kribbelgauw met zijn net en de drie boomen, waaraan het
vastzat, mede door de lucht gesleept, naar verre bosschen, waar hij nu
eeuwig vereerd wordt om zijn grooten moordlust en vlugheid.'

'Is dat alles waar?' vroeg Johannes.

'Het staat in dit boekje,' zeide Wistik.

'Gelooft gij het?'

De kabouter kneep één oog dicht en legde den wijsvinger langs den neus.

'In de heilige boekjes van andere dieren, waarin over Kribbelgauw
gesproken wordt, heet hij een verfoeilijk en verachtelijk monster. Maar
ik houd er mij buiten.'

'Is er ook een kabouterboekje, Wistik?'

Wistik keek Johannes eenigszins wantrouwend aan.

'Wat zijt gij eigenlijk voor een wezen, Johannes? Gij hebt zoo iets ...
zoo iets ... menschelijks, zou ik zeggen.'

'Neen! neen! wees gerust, Wistik,' zeide Windekind toen, 'wij zijn
elfen. Maar Johannes heeft vroeger veel menschen gezien. Gij kunt hem
echter vertrouwen. Het zal hem geen kwaad doen.'

'Ja! ja! dat is goed en wel, maar ik heet de wijste der kabouters en ik
heb lang en ijverig gestudeerd vóórdat ik wist wat ik weet. Nu moet ik
voorzichtig zijn met mijn wijsheid. Als ik te veel vertel, verlies ik
mijn reputatie.'

'Maar in welk boekje denkt gij dan, dat het rechte staat?'

'Ik heb veel gelezen, maar ik geloof niet, dat ik dat boekje ooit
gelezen heb. Het is niet het elfenboekje, ook niet het kabouterboekje.
Toch moet het er zijn.'

'Het menschenboekje misschien?'

'Dat ken ik niet, maar ik zou het niet denken. Want het ware boekje moet
groot geluk en grooten vrede brengen, daarin moet nauwkeurig staan,
waarom alles is zooals het is, zoodat niemand iets meer kan vragen of
verlangen. Nu, zóó ver zijn de menschen, geloof ik, niet.'

'O! O neen!' lachte Windekind.

'Is er stellig zulk een boekje?' vroeg Johannes gretig.

'Ja! ja!' fluisterde het kaboutertje, 'ik weet het uit oude, oude
verhalen. En--stil!--ik weet ook waar het is en wie het vinden kan.'

'O! Wistik! Wistik!'

'Waarom hebt gij het dan nog niet?' vroeg Windekind.

'Geduld maar, dat zal wel gebeuren. Enkele bizonderheden weet ik nog
niet. Doch spoedig zal ik het vinden. Ik heb er mijn leven lang voor
gewerkt en naar gezocht. Want voor hem, die het vindt, zal het leven
zijn als een eeuwige herfstdag, blauwe lucht omhoog en blauwe nevel
rondom, doch geen vallend blad zal ritselen, geen takje zal kraken en
geen druppel zal tikken, de schaduwen zullen niet veranderen, en het
goud op de boomtoppen zal niet verbleeken. Wat ons licht schijnt, zal
duister zijn, en wat ons gelukkig schijnt, zal droevig wezen voor hem
die dat boekje gelezen heeft. Ja! dit alles weet ik, en ik zal het ook
eenmaal vinden.'

Het kaboutertje trok de wenkbrauwen zeer hoog op en legde den vinger op
zijn mond.

'Wistik zoudt gij mij kunnen leeren ...' begon Johannes; doch eer hij kon
uitspreken, voelde hij een hevige windvlaag en zag een groote, zwarte
gedaante vlak boven zich, die snel en onhoorbaar voorbijschoot.

Toen hij weer naar Wistik keek, zag hij nog even een voetje in den
boomstronk verdwijnen. Wip! was het kaboutertje voorover in zijn hol
gesprongen, met boek en al. Het kaarsje begon flauwer en flauwer te
branden en ging opeens uit. Het zijn zeer bizondere kaarsjes.

'Wat was dat?' vroeg Johannes, zich in het duister angstig aan Windekind
vastklemmend.

'Een nachtuil,' zeide Windekind.

Zij zwegen beiden een tijdlang. Toen vroeg Johannes: 'Gelooft gij wat
Wistik gezegd heeft?'

'Wistik is niet zoo wijs als hij zelf denkt. Zulk een boekje vindt hij
nimmer, en gij ook niet.'

'Maar bestaat het?'

'Dat boekje bestaat zooals uw schaduw bestaat, Johannes! Hoe hard gij
loopt en hoe omzichtig gij grijpt, gij zult haar niet inhalen of vatten.
En eindelijk merkt ge dat ge u-zelven zoekt. Wees niet dwaas en vergeet
dien kabouterpraat! Ik zal u honderd mooiere geschiedenissen vertellen.
Ga mede; wij zullen naar den rand van 't bosch gaan en zien hoe onze
goede Vader de witte wollen dauwdekens van de slapende weilanden
licht. Ga mede!'

Johannes ging, doch Windekinds woorden begreep hij niet en zijn raad
volgde hij niet. En terwijl hij den schitterenden herfstmorgen zag
rijzen, mijmerde hij over het boekje, waarin stond, waarom alles is
zooals het is, en herhaalde zachtjes bij zichzelve: 'Wistik! ...'



VI


Toen scheen het hem, de volgende dagen, alsof het niet zoo vroolijk en
prettig meer was bij Windekind in het bosch en de duinen. Zijn gedachten
waren niet geheel meer vervuld van al hetgeen Windekind zeide en hem
liet zien. Telkens moest hij weder over dat boekje peinzen en daarover
durfde hij niet spreken. Wat hij zag, scheen hem niet zoo mooi en
wondervol meer als vroeger. De wolken waren zoo zwart en zwaar en
maakten hem angstig, als zouden zij op hem neerkomen. Het deed hem pijn,
als de herfstwind rusteloos de arme, moede boomen schudde en zweepte,
dat de bleeke achterkant der groene bladeren boven kwam en geel loof en
dorre takken opvlogen in de lucht.

Wat Windekind vertelde, gaf hem geen voldoening. Veel begreep hij niet,
en nimmer kreeg hij een volkomen duidelijk en bevredigend antwoord,
wanneer hij een van zijn oude vragen deed.

Dan moest hij weer aan dat boekje denken, waarin alles zoo klaar en
eenvoudig geschreven stond, en aan dien eeuwig zonnigen stillen
herfstdag, die dan volgen zou.

'Wistik! Wistik!'

Windekind hoorde het.

'Johannes! gij zult toch een mensch blijven, vrees ik. Zelfs uw
vriendschap is als die van menschen, de eerste, die tot u sprak na mij,
heeft al uw vertrouwen weggenomen. Ach, mijn moeder had wel gelijk!'

'Neen Windekind! maar gij zijt zooveel wijzer dan Wistik, gij zijt ook
zoo wijs als dat boekje. Waarom zegt gij mij alles niet? Zie, nu! waarom
blaast de wind door de boomen, dat zij moeten buigen en weer buigen?
Zie, zij kunnen niet meer, de mooiste takken breken, en bij honderden
laten de blaadjes los ook al zijn ze nog groen en frisch. Ze zijn zoo
moede en kunnen niet meer vasthouden, en toch worden ze telkens weer
opnieuw geschud en geslagen door dien ruwen nijdigen wind. Waarom is
dat? Wat wil de wind?'

'Arme Johannes! dat is menschentaal!'

'Laat het stil worden, Windekind! Ik wil stilte en zonneschijn!'

'Gij vraagt en wilt als een mensch, daarvoor is antwoord noch
vervulling. Als gij niet beter leert vragen en wenschen, zal de
herfstdag nimmer voor u aanbreken, en gij wordt als de duizenden
menschen, die Wistik gesproken hebben.'

'Zijn er zooveel?'

'Ja, duizenden! Wistik hield zich heel geheimzinnig maar toch is hij een
prater, die zijn geheim niet verzwijgen kan. Hij hoopt het boekje bij de
menschen te vinden, en deelt zijn wijsheid aan ieder mee, die hem
misschien kan helpen. En al veel ongelukkigen heeft hij er mede gemaakt.
Zij gelooven hem en gaan het boekje zoeken, met evenveel ijver als
sommigen de kunst om goud te maken. Zij offeren alles op, vergeten al
hun bedrijf en geluk en sluiten zich op tusschen dikke boeken, vreemde
stoffen en werktuigen. Zij wagen hun leven en gezondheid, ze vergeten
den blauwen hemel en de goede, milde natuur en ook hun medemenschen.
Soms vinden zij mooie en nuttige dingen als goudklompen, die zij uit hun
holen op de lichte, zonnige aardoppervlakte gooien, doch zelf bekommeren
zij zich daar niet om, laten anderen er van genieten en graven en
wroeten ingespannen en rusteloos in het duister voort. Geen goud zoeken
zij, maar het boekje. Sommigen versuffen ook onder den arbeid, vergeten
hun doel en hun wensch en dwalen af tot jammerlijk gebeuzel. Dan heeft
de kabouter hen kindsch gemaakt. Men ziet ze torentjes van zand bouwen
en tellen hoeveel korrels er noodig zijn voordat ze omvallen; ze maken
watervalletjes en berekenen precies elk bochtje en golfje, dat het water
maken zal; ze graven kuiltjes en besteden al hun geduld en vernuft, om
die mooi glad en zonder steentjes te krijgen. Stoort men die arme
verdwaasden in hun werk en vraagt men wat zij doen, dan zien zij u
ernstig en gewichtig aan, schudden het hoofd en mompelen: 'Wistik!
Wistik!' Ja, dit alles is de schuld van dien kleinen, naren kabouter.
Pas op voor hem, Johannes!'

Doch Johannes staarde voor zich naar de zwaaiende en piepende boomen;
boven zijn heldere kinderoogen plooide zich de teedere huid tot rimpels.
Nog nooit had hij zoo ernstig gekeken.

'Maar toch, ge hebt het zelf gezegd, het boekje was er! O, ik weet zeker,
daar staat ook in van het Groote Licht, dat gij mij niet noemen wilt.'

'Arme, arme Johannes!' zeide Windekind, en zijn stem was boven het roezig
geruisch van den storm als een vredig choraalgezang, dat van verre klonk.
'Heb mij lief, heb mij lief met uw geheele wezen. In mij vindt gij meer
dan dat wat ge wenscht. Gij zult begrijpen wat gij u niet denken kunt, en
gij zult zelf zijn, wat gij verlangt te kennen. Aarde en hemel zullen uw
vertrouwden, de sterren zullen uw naasten, de oneindigheid zal uw woning
zijn.

'Heb mij lief, heb mij lief! omvat mij als de hoprank den boomstam,
blijf mij trouw als het meer den bodem, in mij alleen is al uw rust,
Johannes!'

Windekind's woorden zwegen, doch het was alsof het choraalgezang
voortduurde. Uit verwijderde verte scheen het aan te zweven, plechtig en
gelijkmatig, door het razen en suizen van den wind, vredig als het
maanlicht, dat door de jagende wolken scheen.

Windekind breidde de armen uit, en Johannes sliep aan zijne borst,
beschermd door het blauwe manteltje.

Doch in den nacht werd hij wakker. De stilte was plotseling en
onmerkbaar over de aarde gekomen, de maan onder de kimmen gedaald.
Roerloos hing het afgematte loover, zwijgende duisternis vervulde
het bosch.

Daar kwamen de vragen in snelle, spookachtige opvolging in Johannes'
hoofd terug en dreven het nog zoo jonge vertrouwen voor zich uit. Waarom
waren de menschen zoo? Waarom moest hij hen verlaten? hun liefde
verliezen? Waarom moest het winter worden? Waarom moesten de bladeren
vallen en de bloemen sterven? Waarom? Waarom?

Daar dansten in de diepte van 't kreupelhout weder de blauwe lichtjes.
Zij kwamen en gingen. Ingespannen staarde Johannes hen na. Hij zag het
groote, heldere lichtje glanzen op den donkeren boomstronk. Windekind
sliep vast en rustig. 'Nog één vraag!' dacht Johannes en gleed onder het
blauwe manteltje weg.

'Zijt ge daar weer!' zeide Wistik en knikte hartelijk. 'Dat doet mij
zeer veel genoegen. Waar is uw vriend?'

'Daarginder. Ik wilde u alleen nog één vraag doen. Wilt gij mij daarop
antwoorden?'

'Gij zijt bij menschen geweest, niet waar? Is het u om mijn geheim te
doen?'

'Wie zal dat boekje vinden, Wistik?'

'Ja, Ja! dat is het! dat is het! Wilt ge mij helpen, als ik het u zeg?

'Als ik kan, zeker!'

'Luister dan, Johannes!' Wistik zette verbazend groote oogen en trok
zijn wenkbrauwen hooger op dan ooit. Toen fluisterde hij langs den rug
van zijn handje: 'Menschen hebben het gouden kistje, elfen hebben den
gouden sleutel, elfenvijand vindt het niet, menschenvriend slechts opent
het. Lentenacht is de rechte tijd, en roodborstje weet den weg.'

'Is dat waar? Is dat waar?' riep Johannes en dacht aan zijn sleuteltje.

'Ja!' zeide Wistik.

'Waarom vond het nog niemand dan? Zooveel menschen zoeken er naar.'

'Ik heb geen mensch, geen mensch gezegd, wat ik u vertrouwd heb. Ik vond
nog nooit een elfenvriend.'

'Ik heb het, Wistik! ik kan u helpen!' Johannes juichte en klapte in de
handen. 'Ik zal het Windekind vragen.'

Weg vloog hij over mos en dorre bladeren. Doch hij struikelde telkens,
en zijn tred was zwaar. Dikke takken knapten onder zijn voet, waar hij
anders geen grashalmpje boog.

Daar was de dichte varenplant, waaronder zij geslapen hadden, wat leek
zij hem laag.

'Windekind!' riep hij. Doch hij schrikte van het geluid van zijn stem.

'Windekind!' Het klonk als een menschenstem, een schuwe nachtvogel vloog
krijschend op.

Ledig was het onder den varenstruik, Johannes zag niets.

De blauwe lichtjes waren verdwenen; het was kil en grondeloos duister om
hem heen. Boven zich zag hij de zwarte schimmen der boomkruinen tegen de
sterrenlucht.

Nog ééns riep hij. Toen durfde hij niet meer. Zijn stem was een schennis
in de stilte, en Windekinds naam scheen een spotklank.

Toen viel het arme Johannesje neder en snikte in radeloos berouw.



VII


Kil en grauw was de morgen. De zwarte glimmende takken, door den storm
ontbladerd, weenden in den mist.

Over het natte, neêrgeslagen gras liep de kleine Johannes haastig voort,
voor zich uit starend naar den kant, waar het woud lichter werd, als had
hij daar een doel. Zijn oogen waren rood van 't weenen en strak van
angst en jammer. Zoo had hij den ganschen nacht geloopen, alleen zoekend
naar het licht, met Windekind was het veilig thuisgevoel weg. In elke
donkere plek zat het spook der verlatenheid, en hij durfde niet omzien.

Eindelijk kwam hij aan den boschrand. Hij zag over een weiland, waarop
een fijne, klamme regen langzaam neêrstreek. Er stond een paard midden
in, naast een kalen wilgeboom. Het stond onbeweeglijk met gebogen kop,
en het water droppelde traag van zijn glimmende zijden en uit de
saamgepakte manen.

Johannes liep door, langs het bosch. Hij keek met matten, angstigen blik
naar het eenzame paard en den grauwen regennevel en kreunde zacht.

'Nu is alles uit,' dacht hij; 'nu zal de zon wel nooit meer terugkomen.
Nu zal het altoos voor mij blijven zooals hier.'

Toch durfde hij in zijn wanhoop niet stilstaan, dan zou het vreeselijkste
komen, dacht hij.

Toen zag hij het groote hek van een buitenplaats en een huisje, onder
een lindeboom met helder-gele bladeren.

Hij ging het hek in en liep door de breede lanen, waar de bruine en gele
lindebladeren in een dikke laag den grond bedekten. Langs de grasperken
groeiden paarse asters en andere kleurige herfstbloemen verwilderd dooreen.

Hij kwam aan een vijver. Daarbij stond een groot huis met lage ramen en
glazen deuren. Rozenstruiken en klimop groeiden tegen de muren. Het was
overal doodsch en gesloten. Half ontbladerde kastanjeboomen stonden stil
rondom, en op den grond, tusschen het afgevallen loover, zag Johannes de
glimmend bruine kastanjes blinken.

Toen week het kille, doode gevoel van hem. Hij dacht aan zijn eigen
huis, daar waren ook kastanjeboomen, en altijd ging hij in dezen tijd de
gladde kastanjes zoeken. Hij begon plotseling te verlangen, alsof hij
een bekende stem had hooren roepen. Hij zette zich op een bank bij het
groote huis en schreide zich rustig.

Een eigenaardige geur deed hem opkijken. Er stond een man bij hem, met
een wit voorschoot om en een pijp in den mond. Om zijn middel had hij
strooken lindebast, waarmede hij de bloemen opbond. Johannes kende dien
reuk zoo goed, hij deed hem aan zijn eigen tuin denken en aan den tuinman,
die hem mooie rupsen bracht en spreeuweneieren voor hem uithaalde.

Hij schrikte niet, al was het een mensch, die bij hem stond. Hij vertelde
den man dat hij verlaten en verdwaald was, en dankbaar volgde hij hem naar
de kleine woning onder den geelgebladerden lindeboom.

Daarbinnen zat de tuinmansvrouw en breide zwarte kousen. Over het
turfvuurtje op de haardplaat hing een groote ketel water te koken. Op de
vloermat bij het vuur zat een kat met gevouwen voorpooten, juist zooals
Simon gezeten had, toen Johannes van huis ging.

Johannes werd bij het vuur gezet, om zijn voeten te drogen. 'Tik!--Tik!
--Tik!--Tik!' zeide de groote hangklok. Johannes keek naar den stoom,
die suizend uit den ketel vloog, en naar de kleine vlammetjes, die vlug
en grillig om de turven huppelden. 'Nu ben ik onder menschen,' dacht hij.

Dat was niet naar. Hij voelde zich kalm en rustig. Zij waren goed en
vriendelijk en vroegen hem, wat hij nu het liefst wilde. 'Het liefst
wilde ik hier blijven,' antwoordde hij.

Hier had hij rust, en als hij naar huis ging, zouden er verdriet en
tranen komen. Hij had moeten zwijgen, en men zou hem zeggen, dat hij
kwaad had gedaan. Hij zou alles terug moeten zien en alles nog eens
moeten denken.

Wel verlangde hij naar zijn kamertje, naar zijn vader, naar Presto, maar
hij droeg liever het stille verlangen hier, dan het pijnlijke moeilijke
wederzien. En het was of hij hier aan Windekind kon blijven denken, en
thuis niet.

Windekind was nu zeker weggegaan. Ver weg naar het zonnige land, waar de
palmen over de blauwe zee heenbuigen. Hij wilde hier boete doen en op
hem wachten.

Daarom smeekte hij de beide goede menschen, of hij bij hen mocht
blijven. Hij zou gehoorzaam zijn en voor hen werken. Hij zou helpen den
tuin en de bloemen te verzorgen. Alleen dezen winter maar. Want hij
hoopte in stilte, dat Windekind met de lente zou terugkomen.

De tuinman en zijn vrouw dachten dat Johannes was weggeloopen, omdat hij
thuis hard behandeld werd. Zij hadden medelijden met hem, en beloofden
hem, dat hij blijven mocht.

Hij bleef en hielp de bloemen in den tuin verzorgen. Een slaapkamertje
gaf men hem, met een bedstede van blauwe planken. Daaruit zag hij 's
ochtends de natte, gele lindebladeren langs het venster strijken en 's
nachts de donkere stammen heen en weer wiegelen, waarachter de sterren
schuilevinkje speelden. Nu gaf hij namen aan de sterren en noemde de
helderste: Windekind.

Aan de bloemen, die hij meest alle kende van huis, vertelde hij zijne
geschiedenis. Aan de ernstige, groote asters, aan de kleurige zinnia's,
aan de witte chrysanthen, die zoo lang bleven bloeien in het ruwe
najaar. Toen alle andere bloemen dood waren, stonden de chrysanthen nog,
en zelfs toen op een morgen de eerste sneeuw gevallen was en Johannes
vroeg naar haar kwam kijken, staken zij haar vroolijke gezichtjes op en
zeiden: 'Ja, wij zijn er nog! Dat hadt ge niet gedacht!' Zij hielden
zich goed, doch twee dagen later waren zij allen dood.

Maar in de serre prijkten dan nog palmen en boomvarens en hingen de
vreemde bloemtrossen der orchideeën in de vochtige zoelte. Met
verwondering staarde Johannes in haar prachtige kelken en dacht aan
Windekind. Hoe kil en kleurloos scheen alles dan, als hij buiten kwam,
de natte sneeuw met de zwarte voetstappen en de rafelende, druipende
boomgeraamten.

Alleen als de sneeuwvlokken uren en uren achtereen zwijgend waren
neergezegen, zoodat de twijgen bogen onder het aangroeiend dons, liep
Johannes graag in de violette schemering van het sneeuwbeschaduwd bosch.
Dat was stilte, maar geen dood. En het was bijna schooner dan zomergroen,
als het blinkend wit der gekruiste takjes tegen den helderblauwen hemel
afstak, of als een te zwaar beladen struik het sneeuwloof van zich af
liet glijden, zoodat het, tot een schitterend wolkje verstuivend, daalde.

Eens op zulk een wandeling, toen hij zoo ver gekomen was, dat hij niets
om zich zag dan sneeuw en sneeuwdragende takken,--half wit, half
zwart--en alle geluid en leven verdoofd schenen in het glinsterend
donzen hulsel, gebeurde het, dat hij een klein, wit diertje snel voor
zich uit meende te zien loopen. Hij volgde het,--het geleek op geen
diertje, dat hij kende,--doch toen hij het wilde grijpen, verdween het
schielijk in een boomstronk. Johannes tuurde in de ronde zwarte opening
waarin het verdwenen was, en dacht: 'Zou dat Wistik zijn?'

Hij dacht niet veel aan hem. Het scheen hem slecht, en hij wilde zijn
boete niet verzwakken. En het leven bij de twee goede menschen deed hem
weinig vragen. Wel moest hij 's avonds voorlezen uit een dik boek waarin
veel over God gesproken werd, doch hij kende dat boek en las gedachteloos.

Den nacht echter na die wandeling in de sneeuw, lag hij wakker in zijn
bedstede en keek naar het koude schijnsel der maan op den vloer. Daar
zag hij opeens twee kleine handjes, die boven de beddeplank uitkwamen en
zich stevig om den rand haakten. Toen verscheen de punt van een wit
pelsmutsje tusschen de twee handjes, en eindelijk zag hij een paar
ernstige oogjes onder hoog getrokken wenkbrauwen.

'Goeden avond, Johannes!' zeide Wistik. 'Ik kwam u even herinneren aan
onze afspraak. Gij kunt het boekje nog niet gevonden hebben, want het is
nog geen lente. Maar denkt gij er wel om? Wat is dat voor een dik boek,
waarin ik u heb zien lezen? Dat kan het echte niet zijn. Denk dat niet.'

'Dat denk ik niet, Wistik,' zeide Johannes. Hij keerde zich om en wilde
slapen. Doch het sleuteltje wilde hem niet uit het hoofd. En als hij
voortaan in het dikke boek las, dacht hij er bij, en hij zag dan
duidelijk dat het niet het echte was.



VIII


'Nu zal hij komen!' dacht Johannes, toen de eerste maal de sneeuw was
weggesmolten en hier en daar de sneeuwklokjes bij groepjes te voorschijn
kwamen. 'Zou hij nu komen?' vroeg hij aan de sneeuwklokjes. Doch zij
wisten het niet en bleven met hangende hoofdjes naar de aarde kijken,
alsof zij beschaamd waren over hun haast en wel weer weg wilden kruipen.

Konden zij maar! De verstijvende oostenwind begon alras weer te blazen,
en de sneeuw stapelde zich hoog over de voorbarige stumpertjes.

Weken later kwamen de viooltjes, hun zoete geur zweefde tusschen het
kreupelhout, en toen de zon lang en warm op den mossigen grond geschenen
had, ontloken ook de blonde primula's bij honderden en duizenden.

De schuwe violen met haar sterke geuren waren geheimzinnige voorboden
van komende heerlijkheid, doch de vroolijke primula's waren de blijde
werkelijkheid zelve. De ontwaakte aarde had de eerste zonnestralen
vastgehouden en maakte er een gouden siersel van. 'Nu dan! nu komt hij
toch zeker!' dacht Johannes. Met spanning bezag hij de knoppen aan de
takken hoe zij van dag tot dag langzaam zwollen en zich uit de schors
loswrongen, tot de eerste bleekgroene puntjes tusschen de bruine
schubben te voorschijn kwamen. Lang bleef Johannes op die groene
blaadjes kijken, hij zag ze toch nooit bewegen, en als hij zich even had
omgedraaid, schenen ze grooter geworden. 'Ze durven niet, als ik hen
aankijk,' dacht hij.

Reeds begon het groen schaduw te werpen. Nog was Windekind niet gekomen,
geen duif was bij hem neergestreken, geen muisje had tegen hem gesproken.
Als hij tot de bloemen sprak, knikten zij slechts even en antwoordden
niet. 'Mijn straf is nog niet om,' dacht hij.

Toen kwam hij op een zonnigen lentemorgen bij den vijver van het huis.
De ramen waren alle wijd geopend. Zouden er menschen in gekomen zijn?

De vogelkers-struik, die aan den vijver stond, was al heelemaal met
teedere blaadjes overdekt, alle twijgen hadden fijne, groene vleugeltjes
gekregen. Op het gras bij de vogelkers lag een meisje. Johannes zag
alleen haar licht-blauw kleedje en blond haar. Een roodborstje, dat op
haar schouder zat, pikte uit haar hand.

Op eenmaal wendde zij het hoofd om en zag Johannes. 'Dag jongetje!'
zeide zij en knikte vriendelijk.

Weer tintelde het Johannes van het hoofd tot de voeten. Dat waren
Windekind's oogen, dat was Windekind's stem.

'Wie zijt ge?' vroeg hij. Zijn lippen beefden van aandoening. 'Ik ben
Robinetta! en dit is mijn vogel. Hij zal niet schuw voor je zijn. Hou je
van vogels?'

Het roodborstje was niet schuw voor Johannes. Het vloog op zijn arm. Dat
was juist als vroeger. Het moest toch Windekind zijn, dat blauwe wezen.

'Vertel me eens hoe je heet, jongetje,' zeide Windekind's stem.

'Kent gij mij niet? Weet ge niet, dat ik Johannes heet?'

'Hoe zou ik dat weten?'

Wat beteekende dat? Het was toch die bekende, zoete stem, het waren toch
die donkere, hemeldiepe oogen.

'Hoe zie je mij zoo aan, Johannes? Heb je mij ooit meer gezien?'

'Ja ik geloof het wel.'

'Dat heb je toch zeker gedroomd.'

Gedroomd? dacht Johannes. Zou ik alles gedroomd hebben? Of zou ik nu
droomen?

'Waar zijt gij geboren?' vroeg hij.

'Heel ver van hier, in een groote stad.'

'Bij menschen?'

Robinetta lachte. Het was Windekind's lach. 'Ik geloof het wel. Jij
niet?'

'Ach ja, ik ook!'

'Spijt je dat? Hou je niet van menschen?'

'Neen! Wie zou van menschen houden?'

'Wie? Wel, Johannes, wat ben je een raar jongetje! Hou je meer van
dieren?'

'O, veel meer, en van bloemen.'

'Ik doe dat eigenlijk ook wel eens. Een enkelen keer. Maar dat is niet
goed. Wij moeten van menschen houden, zegt Vader.'

'Waarom is dat niet goed? ik houd van wien ik wil, of het goed is of
niet.'

'Foei, Johannes! Heb je dan geen ouders of iemand die voor je zorgt? Hou
je niet van hen?'

'Ja,' zeide Johannes nadenkend. 'Ik houd van mijn vader. Maar niet,
omdat het goed is. Ook niet omdat hij een mensch is.'

'Waarom dan?'

'Dat weet ik niet, omdat hij niet is als andere menschen, omdat hij ook
van bloemen en vogels houdt.'

'Dat doe ik ook Johannes! dat zie je.' En Robinetta riep het roodborstje
op haar hand en sprak het vriendelijk toe.

'Dat weet ik,' zeide Johannes. 'Ik houd ook veel van u.'

'Nu al? Dat is vlug!' lachte het meisje. 'Van wie hou je wel het
meeste?'

'Van ...' Johannes weifelde. Zou hij Windekind's naam noemen? De vrees,
dat die naam hem tegenover menschen mocht ontvallen, was onafscheidelijk
van al zijn denken. En toch, was dit blonde wezen in het blauwe kleed
Windekind niet? Wie anders kon hem dat gevoel van rust en geluk geven?
'Van u!' zeide hij opeens en zag met vollen blik in de diepe oogen.
Moedig waagde hij die volkomen overgave, maar hij was toch angstig en
wachtte gespannen de ontvangst van zijn kostbaar geschenk.

Weer lachte Robinetta met helderen lach, doch zij vatte zijne hand, en
haar blik werd niet koeler, haar stem niet minder innig.

'Wel, Johannes,' zeide zij, 'waarmeê heb ik dat zoo op eens verdiend?'
Johannes antwoordde niet en bleef haar aanzien met groeiend vertrouwen.
Robinetta stond op en legde haar arm om Johannes' schouders. Zij was
grooter dan hij.

Zoo wandelden zij door het bosch en plukten groote bundels sleutelbloemen,
totdat zij wel weg konden schuilen onder den berg van doorschijnend geel
gebloemte. Het roodborstje vloog mede van tak tot tak en gluurde naar hen
met schiiterende zwarte oogjes.

Zij spraken niet veel, doch keken elkaar dikwijls van ter zijde aan. Zij
waren beiden verbaasd over hun ontmoeting en half onzeker, wat zij van
elkaar denken moesten.

Doch spoedig moest Robinetta terug, het speet haar.

'Nu moet ik weg, Johannes! Maar wil je nog eens wandelen met me? Ik vind
je een aardig jongetje,' zeide zij bij 't heengaan.

'Wiet! wiet!' zei het roodborstje en vloog haar achterna.

Toen zij weg was, en alleen haar beeld bij hem achterbleef, twijfelde
hij er niet meer aan wie zij was.

Zij was dezelfde wie hij al zijn vriendschap had gegeven, de naam
Windekind klonk flauwer in hem en verwarde met Robinetta.

En alles werd weer om hem heen, zooals het vroeger geweest was. De
bloemen knikten vroolijk, en haar geur verdreef het weemoedig verlangen
naar huis, dat hij tot nu toe gevoeld en gekweekt had. Tusschen het
teedere groen, in de lauwe, mollige lentelucht, voelde hij zich op eens
thuis, als een vogel, die zijn nest gevonden had. Hij moest de armen
uitstrekken en diep ademhalen. Hij was zoo gelukkig. Op den weg naar
huis zweefde de lichte blauwe gestalte met de blonde haren voor hem uit,
altijd voor hem uit, welken kant hij ook opkeek. Het was alsof hij in de
zon gekeken had en het zonnebeeld overal met zijn blik medevloog.

Van dien dag af ging Johannes elken helderen morgen naar den vijver. Hij
ging vroeg, zoodra hij gewekt werd door het kijven der musschen in de
klimopbladeren om zijn venster, en het gekwetter en gerekte getjilp der
spreeuwen, die op de dakgoot fladderden en krieuwden in den jongen
zonneschijn. Dan snelde hij vlug door 't vochtige gras tot dicht bij het
huis en wachtte achter de seringenstruiken, totdat hij de glazen deur
hoorde opengaan en de lichte gedaante op hem toe zag komen.

Dan wandelden zij door het bosch en door de duinen, waaraan het bosch
grensde. Zij spraken over al wat zij zagen, over de boomen en de planten
en duinen. Johannes had een vreemd, duizelig gevoel, als hij met haar
liep, hij dacht zich somtijds weer zoo licht dat hij door de lucht zou
kunnen vliegen. Doch dat gebeurde nooit. Hij vertelde de geschiedenissen,
die hij van de bloemen en dieren wist door Windekind. Doch hij vergat hoe
hij ze geleerd had, en Windekind bestond niet meer voor hem, alleen
Robinetta. Hij genoot, als zij tegen hem lachte en hij vriendschap zag in
haar oogen en hij sprak tot haar, zooals hij vroeger tot zijn hondje
gesproken had: alles wat in hem opkwam, zonder weifeling of schuwheid.
De uren, dat hij haar niet zag, dacht hij aan haar, en elke bezigheid
deed hij met de vraag, of Robinetta het goed of mooi zou vinden.

En zij-zelve scheen altoos zoo blij, als zij hem zag; dan glimlachte zij
en liep haastiger. Zij had hem ook gezegd dat zij met niemand zoo graag
wandelde als met hem.

'Maar, Johannes,' vroeg zij eens, 'hoe weet je al die dingen? Hoe weet
je wat de meikevers denken, wat de lijsters zingen, hoe het er in het
konijnenhol en op den bodem van het water uitziet?'

'Ze hebben het mij verteld,' antwoordde Johannes, 'en ik ben zelf in een
konijnenhol geweest en op den bodem van het water.'

Robinetta trok de fijne wenkbrauwen samen en keek hem half spottend aan.
Doch zij vond geen valschheid.

Zij zaten onder seringenboomen, waarvan dikke, paarse bloemtrossen
afhingen. Vóór hen lag de vijver, met riet en kroos. Zij zagen de zwarte
torretjes in kringen over het vlak glijden en roode spinnetjes bedrijvig
op en neder duiken. Het krioelde van wriemelend leven daar. Johannes
keek, in herinneringen verzonken, in de diepte en zeide:

'Daar ben ik eens gedoken; ik gleed langs een riethalm af en kwam op den
bodem. Die is heelemaal met dorre bladeren bedekt, dat loopt zoo licht
en zacht. Het is altijd schemerig, groene schemering, want het licht
valt door het groene kroos. En boven mijn hoofd zag ik de lange, witte
worteltjes van het kroos neerhangen. Er kwamen salamanders om mij heen
zwemmen, die zijn heel nieuwsgierig. Het is vreemd, als zulke groote
dieren zoo over je heen zwemmen, en ik kon niet ver vooruitzien, daar
was het donker, maar ook groen. En uit dat donker kwamen de dieren als
zwarte schaduwen te voorschijn. Watertorren met roeipooten en platte
wantsen, soms ook een klein vischje. Ik ging heel ver, uren ver, geloof
ik, en midden in was een groot bosch van waterplanten, waar slakken
tegenop kropen en waterspinnen glinsterende nestjes bouwden.
Stekelbaarsjes schoten er door en bleven mij soms met open mond en
trillende vinnen aankijken, zoo verbaasd waren ze. Daar heb ik kennis
gemaakt met een aal, wien ik bij ongeluk op zijn staart trapte. Die
heeft mij van zijn reizen verteld; hij was tot in zee geweest, zeide
hij. Men had hem daarom koning gemaakt in den vijver, want niemand was
zoover geweest. Hij lag altijd in de modder te slapen, behalve wanneer
hij eten kreeg, dat anderen hem brachten. Hij at verschrikkelijk veel.
Dat was omdat hij koning was, men wilde graag een dikken koning, dat
stond deftig. O, het was prachtig mooi in dien vijver!'

'Waarom kun je dan nu niet meer daarheen gaan?'

'Nu?' vroeg Johannes en keek haar met groote peinzende oogen aan.

'Nu? Nu kan ik niet meer. Ik zou daar verdrinken. Maar het is niet
noodig. Ik ben liever hier, bij de seringen en bij u.'

Robinetta schudde verwonderd het blonde hoofdje en streek Johannes over
het haar. Toen keek ze naar haar roodborstje, dat aan den rand van den
vijver allerlei lekkernijen scheen te vinden. Hij keek even op en bleef
beiden een oogenblik met zijn heldere oogjes aanzien.

'Begrijp jij er iets van, vogelijn?'

Het vogelijn keek heel slim en ging toen voort met zoeken en pikken.

'Vertel mij verder, Johannes, van wat je gezien hebt.'

Dat deed Johannes gaarne, en Robinetta luisterde, geloovig en
aandachtig.

'Maar waarom is dat alles opgehouden? Waarom kun je nu met mij niet
gaan? daar overal heen? Ik wilde ook graag.'

Johannes spande zijne herinnering in, doch een zonnig waas bedekte den
donkeren afgrond, dien hij was overgegaan. Hij wist niet juist meer, hoe
hij zijn vorig geluk verloren had.

'Ik weet het niet recht, gij moet er niet naar vragen. Een naar klein
wezentje heeft alles bedorven. Maar nu is het er weer. Nog beter dan
vroeger.'

De seringengeur daalde uit de heesters op hen neer en het gegons der
vliegen over het watervlak en de stille zonnestralen doordrongen hen met
zoete bedwelming. Totdat een bel op het huis met piependen zwaai begon
te luiden, en Robinetta haastig wegvloog.

Toen Johannes dien avond in zijn kamertje kwam en naar de maan-schaduwen
der klimopbladeren keek, die over de ruiten schoven, scheen het alsof er
tegen het glas getikt werd.

Johannes dacht dat het een klimopblad was, dat in den nachtwind trilde.
Doch het tikte zoo duidelijk, telkens driemaal achtereen, dat Johannes
zachtkens het venster opende en behoedzaam rondzag. De klimopbladeren
tegen het huisje glansden in den blauwen schijn, onder hen was een
duistere wereld vol geheim: daar waren holen en spelonken, waarin het
maanlicht kleine, blauwe vonkjes wierp, die hun duisternis nog
dieper maakten.

Toen Johannes lang in die wondervolle schaduwwereld had gestaard, zag
hij eindelijk den vorm van een klein mannetje, vlak naast het venster,
verscholen onder een groot klimopblad. Hij herkende Wistik dadelijk aan
de groote, verwonderde oogen onder de hooggetrokken wenkbrauwen. Op het
puntje van Wistik's langen neus tekende de maan een klein vonkje.

'Hebt ge mij vergeten, Johannes? Waarom denkt ge er nu niet aan? Het is
de rechte tijd. Hebt ge roodborstje den weg niet gevraagd?'

'Ach, Wistik, waarnaar zou ik vragen? Ik heb alles wat ik verlangen kan.
Ik heb Robinetta.'

'Maar dat zal niet lang duren. En gij kunt nog gelukkiger worden en
Robinetta zeker ook. En moet het sleuteltje dan daar blijven liggen?
Denk eens hoe heerlijk als gij beiden het boekje vindt. Vraag er
roodborstje naar; ik zal u helpen als ik kan.'

'Ik kan er altijd naar vragen,' zeide Johannes.

Wistik knikte en klom vlug naar beneden.

Nog lang keek Johannes naar de donkere schaduwen en de glanzende
klimopbladeren voor hij naar bed ging.

Den volgenden dag vroeg hij het roodborstje of het den weg wist naar het
gouden kistje. Robinetta hoorde verwonderd. Johannes zag het roodborstje
knikken en schuins naar Robinetta gluren. 'Hier niet! hier niet!' tjilpte
het vogeltje.

'Wat bedoel je, Johannes?' vroeg Robinetta.

'Weet ge er niets van, Robinetta? Weet ge niet, waar het te vinden is?
Wacht ge niet op het gouden sleuteltje?'

'Neen, neen! Vertel eens, wat is dat?'

Johannes vertelde wat hij van dat boekje wist.

'En ik heb het gouden sleuteltje; ik dacht dat gij het gouden kistje
hadt. Is het niet zoo, vogelijn?'

Doch het vogelijn deed of het niets hoorde en fladderde tusschen het
jonge, lichte beukengroen.

Zij zaten tegen een duinhelling, waarop kleine beuke- en sparreboomen
stonden. Een groen paadje liep er schuins tegen op, en zij zaten aan den
rand daarvan, in dik, donkergroen mos. Zij konden over de toppen der
laagste boompjes heen zien, op een groene looverzee met licht- en donker-
getinte golven.

'Ik geloof wel, Johannes,' zei Robinetta nadenkend, 'dat ik voor je
vinden kan, wat je zoekt. Maar wat bedoel je met dat sleuteltje? Hoe kom
je daaraan?'

'Ja, hoe was dat, hoe was dat ook weer?' prevelde Johannes en staarde
over het groen in de verte.

Als waren zij plotseling in het zonnige blauw ontstaan, kwamen hem
opeens twee witte vlinders voor den blik. Zij dwarrelden, trilden en
schitterden in het zonlicht, met onbestemde, grillige vlucht. Doch zij
kwamen dichterbij.

'Windekind! Windekind!' fluisterde Johannes opeens in herinnering.

'Wie is dat? Windekind!' vroeg Robinetta.

Het roodborstje vloog kwetterend op, en de madelieven tusschen het gras
vóór hem, schenen Johannes opeens geweldig verschrikt aan te staren, met
hun wijde, witte oogjes.

'Gaf die je dat sleuteltje?' vroeg het meisje verder. Johannes knikte en
zweeg, doch zij wilde meer weten. 'Wie was dat? Heeft die je alles
geleerd? Waar is hij?'

'Nu is hij er niet meer. Nu is het Robinetta, niemand anders dan
Robinetta, alleen Robinetta.' Hij omvatte haar arm en drukte er zijn
hoofdje tegen.

'Mal jongetje!' zeide zij en lachte. 'Ik zal je het boekje laten vinden,
ik weet waar het is.'

'Maar dan moet ik den sleutel gaan halen, en die is ver weg.'

'Neen, neen dat behoeft niet. Ik vind het zonder sleutel, morgen, morgen,
ik beloof het je.

Toen zij naar huis gingen, fladderden de kapelletjes voor hen uit.

Johannes droomde dien nacht van zijn vader, van Robinetta en van vele
anderen. Het waren allen goede vrienden; zij stonden om hem heen en
zagen hem innig en vertrouwelijk aan. Doch op eenmaal waren de gezichten
veranderd, hun blikken koel en spottend, hij keek angstig om, aan alle
zijden wreede vijandige gezichten. Hij voelde een namelooze beklemming
en werd schreiend wakker.



IX


Reeds lang zat Johannes te wachten. De lucht was kil, en groote wolken
dreven dicht over de aarde, in statige, eindelooze opvolging. Ze
breidden sombergrauwe, wijd golvende mantels uit en krulden haar
trotsche koppen in het klare licht, dat daarboven scheen. Wondersnel
wisselden zonlicht en schaduw op de boomen, als een telkens opvlammend
vuur. Het werd Johannes angstig daarbij te moede; hij peinsde over het
boekje, niet recht geloovend, dat hij het heden vinden zou. Tusschen de
wolken, veel hooger, ontzaglijk hoog, zag hij het heldere, strakke blauw
en daarop teedere, witte wolkjes, fijngepluimd, kalm zich uitstrekkend
in onbeweeglijke rust. 'Zóó moet het zijn,' dacht hij, 'zoo hoog, zoo
licht, zoo stil.' Daar kwam Robinetta. Het roodborstje was niet bij haar.

'Het is goed, Johannes,' riep ze luid; 'je mag komen en het boek zien.'

'Waar is het roodborstje?' vroeg Johannes twijfelend.

'Dat is niet meegekomen, we gaan toch immers niet wandelen.'

Hij ging mede, voortdurend bij zich-zelven denkende: 'Het kan niet, zóó
kan het niet, het moest alles heel anders zijn.'

Doch hij volgde het glanzig-blonde haar, dat hem voorlichtte. Ach! nu
ging het droevig met den kleinen Johannes. Ik wenschte, dat zijn
geschiedenis hier eindigde. Hebt gij wel eens heerlijk gedroomd, van een
toovertuin met bloemen en dieren, die u liefhadden en tot u spraken? En
hebt gij dan wel in uw droom het besef gekregen, dat gij spoedig zoudt
ontwaken en al die heerlijkheid verliezen? Dan poogt gij vruchteloos
haar vast te houden en wilt het koude morgenlicht niet zien.

Zulk een gevoel had Johannes toen hij medeging.

Hij kwam in een huis, in een gang, waar zijn voetstappen weerklonken.
Hij rook de lucht van kleederen en spijzen; hij dacht aan lange dagen,
toen hij thuis had moeten blijven, aan schoolwerk, aan al wat somber en
koud in zijn leven was geweest.

Hij kwam in een kamer met menschen. Hij zag niet hoeveel. Zij praatten,
doch toen hij binnenkwam werd het stil. Hij lette op het vloerkleed, het
had groote, onmogelijke bloemen met schelle kleuren. Zij waren even
vreemd en wanstaltig als die van het behangsel in zijn slaapkamer thuis.

'Is dat nu dat tuinmansjongetje?' zeide een stem recht tegenover hem.
'Kom maar hier, vriendje, je behoeft niet bang te zijn.'

En een andere stem klonk plotseling naast hem: 'Nu, Robbi, je hebt daar
wel een aardig vrijertje.'

Wat beteekende dat alles? Weer kwamen boven de donkere kinderoogen van
Johannes diepe rimpels, en verward en verschrikt keek hij rond.

Daar zat een zwart gekleede man en keek hem met koude, grijze oogen aan.

'En je wilde zoo kennis maken met het boek der boeken? Het verwondert
me, dat je vader, dien ik als een vroom man ken, je dat niet heeft
gegeven.'

'U kent mijn vader niet, die is ver weg.'

'Zoo! nu, dat is hetzelfde. Ziehier, mijn vriendje! lees hier veel in,
het zal je op je levensweg ...'

Doch Johannes had het boek reeds herkend. Zóó kon hij het ook niet
krijgen, het moest heel anders gaan. Hij schudde het hoofd.

'Neen, neen! dat is het niet wat ik bedoel. Dit ken ik. Dit is het niet.'

Hij hoorde geluiden van verbazing en voelde de blikken, die hem van alle
zijden staken.

'Wat? Wat meen je, mannetje?'

'Ik ken dit boekje, het is het menschenboek. Maar het geeft niet genoeg,
anders zou er rust zijn onder de menschen en vrede. En die zijn er niet.
Ik bedoel iets anders, waaraan niemand twijfelen kan die het ziet,
waarin staat, waarom alles is zooals het is, precies en duidelijk.'

'Hoe is 't mogelijk? Waar heeft de jongen dat vandaan?'

'Wie heeft je dat geleerd, vriendje?'

'Ik geloof dat je verkeerde boeken gelezen hebt, jongen! en die napraat!'

Zoo klonken de stemmen. Johannes voelde zijn wangen gloeien, het begon
hem te duizelen, de kamer draaide, en de groote bloemen op het
vloerkleed zweefden op en neer. Waar was het muisje, dat hem zoo trouw
waarschuwde op school, dien eersten dag? Het was nu noodig.

'Ik praat het niet uit boeken na, en die het mij geleerd heeft is meer
waard dan gij allen. Ik ken de taal van bloemen en dieren, ik ben hun
vertrouwde. Ik weet ook wat menschen zijn en hoe zij leven. Ik ken al de
geheimen van feeën en kabouters, want mij hebben zij lief, meer dan de
menschen.'

Muisje! muisje!

Johannes hoorde proesten en lachen, om hem en achter hem. Het zong en
suisde in zijn ooren.

'Hij schijnt Andersen gelezen te hebben.'

'Hij is niet recht bij 't hoofd.'

De man voor hem zeide: 'Als je Andersen kent, mannetje! dan moest je
meer van zijn eerbied hebben voor God en zijn Woord.'

'God!' dat woord kende hij, en hij dacht aan de les van Windekind.

'Ik heb geen eerbied voor God. God is een groote petroleumlamp, waardoor
duizenden verdwalen en verongelukken.'

Geen gelach, maar een angstige stilte, waarin afschuw en ontzetting
voelbaar rondwaarden. Johannes voelde de stekende blikken in den rug.
Het was als in zijn droom van den vorigen nacht.

De zwart-gekleede man stond op en nam hem bij den arm. Dat deed pijn en
brak bijna zijn moed.

'Hoor eens, jongen, ik weet niet of je niet wijs bent of diep bedorven,
maar die goddeloosheid duld ik hier niet. Ga heen en kom niet meer onder
mijn oogen, zeg ik. Ik zal navraag naar je doen, maar in deze buurt zet
je geen voet meer. Verstaan?'

Aller blikken waren koud en vijandig evenals dien nacht.

Johannes zag angstig rond.

'Robinetta! Waar is Robinetta!'

'Jawel, mijn kind bederven! Pas op, als je ooit weer tot haar spreekt!'

'Neen! laat me bij haar! Ik wil niet van haar weg. Robinetta!' schreide
Johannes.

Doch zij zat angstig in een hoek en keek niet op.

'Voort, bengel! hoor je niet? Pas op, als je 't hart hebt weer te
komen!'

En de pijnlijke greep leidde hem door de klinkende gang, de glazen deur
rammelde, en Johannes stond buiten, onder de donkere, laag drijvende
wolken.

Hij weende niet meer en staarde stil voor zich uit, terwijl hij langzaam
voortliep. De droevige rimpels boven zijn oogen waren dieper, en gingen
niet meer weg.

Het roodborstje zat in een lindenhaag en keek naar hem. Hij stond stil
en staarde zwijgend terug. Doch er was geen vertrouwen meer in de
schuwe, glurende oogjes, en toen hij een stap naderde, vloog het vlugge
diertje in een snorrende vlucht heen. 'Weg! weg! een mensch,' tjilpten
de musschen, die op het tuinpad bij elkaar zaten, en zij vlogen naar
alle zijden uiteen.

Ook de opene bloemen lachten niet, maar staarden ernstig en onverschillig,
zooals zij bij iederen vreemde doen.

Doch Johannes vatte die teekens niet, maar dacht aan de krenking, die de
menschen hem hadden aangedaan. Het was hem of zijn innig binnenste door
koude, harde handen was ontwijd. 'Zij zullen mij gelooven,' dacht hij;
'ik zal mijn sleuteltje halen en het hun toonen.'

'Johannes! Johannes!' riep een fijn stemmetje. Daar zat een vogelnestje
in een hulstboom, en de groote oogen van Wistik keken over den rand.
'Waar gaat ge heen?'

'Het is alles uw schuld, Wistik,' zeide Johannes. 'Laat mij met rust!'

'Wat doet ge er ook met menschen over te spreken, menschen begrijpen u
toch niet. Waarom zegt ge die dingen aan menschen? dat is heel dom.'

'Zij hebben mij uitgelachen en pijn gedaan. Het zijn ellendige wezens!
ik haat ze.'

'Neen Johannes, ge houdt van hen.'

'Neen! neen!'

'Anders zou het u minder verdriet doen, dat zij niet zijn als gij; dan
zou het u niet kunnen schelen, wat zij zeggen. Ge moet u minder om
menschen bekommeren.'

'Ik wil mijn sleuteltje. Ik wil het hun toonen.'

'Dat moet ge niet doen, ze zouden u toch niet gelooven. Waartoe zou het
dienen?'

'Ik wil mijn sleuteltje, onder den rozenstruik. Weet ge dien te vinden?'

'Ja wel! bij den vijver, niet waar? Ja dien weet ik.'

'Breng mij er dan, Wistik!'

Wistik klom op Johannes' schouder en zeide hem den weg. Zij liepen den
ganschen dag, het woei en van tijd tot tijd vielen regenbuien, doch
tegen den avond werden de wolken stil en verlengden zich tot lange
gouden en grauwe strooken.

Toen zij aan het duin kwamen, dat Johannes kende, werd het hem week te
moede en hij fluisterde telkens 'Windekind! Windekind!'

Daar was het konijnenhol, en de duin, waartegen hij eens geslapen had.
Het grijze rendiermos was week en vochtig en kraakte niet onder zijn
voet. De rozen waren uitgebloeid en de gele Teunisbloemen met haar
bedwelmenden, flauwen geur staken bij honderden de kelken op. Hooger nog
rezen de lange, trotsche toortsplanten met dikke, vilten bladeren.

Zoekend speurde Johannes naar het fijne, bruinachtige loof van de
duinroos.

'Waar is zij, Wistik, ik zie haar niet.'

'Ik weet er niet van,' zeide Wistik. 'Gij hebt het sleuteltje verborgen,
ik niet.'

Waar de roos gebloeid had, was een veld vol gele Teunisbloemen, die
wezenloos naar boven keken. Johannes vroeg haar en ook de toortsplanten;
die waren echter veel te trotsch, want haar lange bloemtros stak ver
boven hem uit, en hij vroeg het aan de kleine, driekleurige viooltjes op
den zandgrond.

Doch niemand wist iets van de duinroos. Ze waren allen van dezen zomer.
Zelfs de verwaande toortsplant, die zoo hoog was.

'Ach, waar is zij? waar is zij?'

'Hebt _gij_ mij ook al beet genomen?' zeide Wistik. 'Ik dacht het wel,
dat heb je altijd met menschen.'

En hij liet zich van Johannes' schouder glijden en liep weg tusschen het
helm.

Wanhopend staarde Johannes rond, daar stond een klein duinrozestruikje.

'Waar is de groote roos,' vroeg Johannes, 'de groote die hier vroeger
stond?'

'Wij spreken niet met menschen,' zeide het struikje.

Dat was het laatste, wat hij hoorde, al het levende om hem zweeg, alleen
de helmen suisden in den zachten avondwind.

'Ben ik een mensch?' dacht Johannes. 'Neen, dat kan niet, dat kan niet.
Ik wil geen mensch zijn. Ik haat de menschen.'

Hij was moede en dof van geest. Hij ging liggen aan den rand van 't
veldje, op het weeke, grijze mos, dat een vochtigen, sterken geur
verspreidde.

'Nu kan ik niet terugkeeren, en nu zie ik Robinetta ook niet weer. Zou
ik niet doodgaan, als ik haar niet heb? Zou ik blijven leven en een
mensch zijn, een mensch zooals die anderen, die mij uitlachten?'

Daar zag hij op eenmaal de twee witte vlinders weer, die van den kant
der ondergaande zon naar hem toe fladderden. Gespannen volgde hij hun
vlucht. Zouden zij hem den weg wijzen? Zij vlogen hem over 't hoofd,
elkaar naderende en weer verlatende, om elkaar heen dwarrelende in
wispelturig spel. Langzaam verwijderden ze zich van de zon en zweefden
eindelijk over den rand der duinen naar het bosch, waarvan alleen de
hoogste toppen nog kleurden in den avondschijn, die rood en schel onder
de lange sombere wolkenrijen uit lichtte.

Johannes volgde hen. Doch toen ze boven de eerste boomen waren, zag hij
hoe een donkere schaduw hen in onhoorbare fladdervlucht achtervolgde en
inhaalde. Het volgende oogenblik waren zij verdwenen. De zwarte schaduw
schoot snel op hem toe, en angstig dekte hij het gezicht met de handen.

'Wel, vriendje! wat zit je daar te huilen?' klonk een scherpe,
spotachtige stem vlak naast hem. Johannes had een groote vleermuis op
zich zien afkomen, doch toen hij opkeek, stond een zwart mannetje op het
duin, niet veel grooter dan hij-zelf. Hij had een groot hoofd met groote
ooren, die donker afstaken tegen den lichten avondhemel, en een mager
figuurtje met dunne beenen. Van zijn gezicht zag Johannes alleen de
kleine, schitterende oogen.

'Heb je iets verloren, kereltje? Dan zal ik je helpen zoeken,' zeide
hij. Doch Johannes schudde zwijgend het hoofd.

'Kijk eens! wil je die van mij hebben?' begon hij weer en opende zijn
hand.

Daarin zag Johannes iets wits, dat van tijd tot tijd even bewoog. Het
waren de witte kapelletjes, die stervend met de gescheurde en gebroken
vleugeltjes trilden. Johannes voelde een huivering, alsof iemand hem
tegen het achterhoofd blies, en angstig keek hij naar het vreemde
wezen op.

'Wie zijt gij?' vroeg hij.

'Wou je mijn naam weten, ventje? Nu, zeg maar Pluizer, familjaarweg
Pluizer. Ik heb nog wel mooier namen, maar die begrijp je toch niet.'

'Zijt gij een mensch?'

'Wel nu nog mooier! Nu heb ik nogal armen en beenen en een hoofd, kijk
eens wat een hoofd! en nu vraagt zoo'n jongen nog of ik een mensch ben.
Maar, Johannes! Johannes!' En het mannetje lachte met een piepend,
doordringend geluid.

'Hoe weet ge wie ik ben?' vroeg Johannes.

'O, dat is voor mij een kleinigheid. Ik weet nog heel wat meer. Ik weet
ook waar je vandaan komt en wat je hier komt doen. Ik weet verbazend
veel, bijna alles.'

'Ach, mijnheer Pluizer ...'

'Pluizer, Pluizer, geen complimenten.'

'Weet ge dan ook ...' Doch Johannes zweeg plotseling. 'Het is een mensch,'
dacht hij.

'Van je sleuteltje, bedoel je? Wel zeker!'

'Maar ik dacht niet, dat menschen daarvan konden weten.'

'Domme jongen! En Wistik heeft het al zoovelen verklapt.'

'Kent ge Wistik dan ook?'

'O ja! een van mijn beste vrienden, en ik heb veel vrienden. Maar ik
wist dat ook zonder Wistik. Ik weet veel meer dan Wistik. Wistik is een
goed ventje, maar dom, buitengewoon dom. Ik niet! lang niet!' En Pluizer
klopte zelfvoldaan met zijn mager handje op zijn groot hoofd.

'Weet je, Johannes,' ging hij voort, 'wat een groot gebrek van Wistik
is? Maar je moet het hem nooit zeggen, want dan wordt hij erg boos.'

'Nu, wat dan?' vroeg Johannes.

'Hij bestaat niet. Dat is een groot gebrek, maar hij wil het niet weten.
En hij zegt van mij, dat ik niet besta, maar dat liegt hij. Of ik besta!
Drommels goed!'

En Pluizer stak de kapelletjes in zijn zak en ging plotseling voor
Johannes op zijn hoofd staan. Toen grijnsde hij erg leelijk en stak een
lange tong uit. Johannes, die zich toch al niet op zijn gemak gevoelde
alleen met dit wonderlijk wezen, bij den vallenden avond in het eenzame
duin, rilde nu van angst.

'Dit is een alleraardigste manier om de wereld te bekijken,' zeide
Pluizer, nog steeds op zijn hoofd staande. 'Als je wilt, zal ik je het
ook leeren. Je ziet alles veel scherper en veel natuurlijker.'

En hij spartelde met de spillebeentjes in de lucht en wendde zich op de
handen om. Toen de roode avondgloed op het omgekeerde gelaat viel, vond
Johannes het afschuwelijk, de kleine oogjes knipten in het licht en
lieten het wit zien, aan den kant waar men het niet gewoon is.

'Zie je, zoo schijnen de wolken de vloer, en de aarde het deksel van de
wereld. Dat kun je evengoed volhouden als het tegenovergestelde. Boven
of onder is er toch niet. Een mooie wandelplaats zou het op die wolken
zijn.'

Johannes keek naar de lange wolken. Hij vond dat zij op een geploegd
land geleken met roode voren, alsof er bloed uit opwelde. Boven de zee
straalde de poort van de wolkgrot.

'Kan men daarheen gaan en daarin komen?' vroeg hij.

'Gekheid!' zei Pluizer en stond eensklaps weer op zijn beenen, tot
groote verlichting van Johannes. 'Gekheid! Als je daar bent, is het
precies als hier, en dan lijkt dat moois een eindje verder. In die mooie
wolken dáár is het mistig, grijs en koud.'

'Ik geloof u niet,' zeide Johannes; 'nu zie ik eerst goed dat ge een
mensch zijt.'

'Och kom! geloof je mij niet, beste jongen, omdat ik een mensch ben? en
wat ben je zelf dan wel voor bizonders?'

'O Pluizer, ben ik ook een mensch?'

'Wat dacht je! een elf? Elfen worden niet verliefd.' En Pluizer ging
vlak voor Johannes zitten, de beenen onder zich gekruist en grijnsde hem
strak aan. Johannes voelde zich onbeschrijfelijk beklemd en verlegen
onder dien blik en had zich wel willen wegstoppen of onzichtbaar maken.
Doch hij kon zijn oogen niet meer afwenden.

'Alleen menschen worden verliefd, Johannes, hoor je! en dat is maar goed
ook, anders waren ze er al lang niet meer. En jij bent verliefd als de
beste, al ben je nog zoo klein. Aan wie denk je op 't oogenblik?'

'Aan Robinetta!' fluisterde Johannes nauwelijks hoorbaar.

'Naar wie verlang je het meest?'

'Robinetta!'

'Zonder wie denk je niet te kunnen leven?'

Johannes' lippen bewogen geluidloos: 'Robinetta!'

'Nu dan, ventje,' grinnikte Pluizer, 'wat verbeeld je je dan, een elf te
zijn? Elfen worden niet verliefd op menschenkinderen.'

'Maar het was Windekind ...' stamelde Johannes in zijn verlegenheid. Toen
keek Pluizer ontzettend valsch en greep Johannes met zijn beenige handjes
bij de ooren.

'Wat is dat voor onzin! Wou je mij met dien snuiter bang maken? Die is
nog veel dommer dan Wistik, veel dommer. Hij weet er niets van. En wat
erger is, hij bestaat heelemaal niet en heeft nooit bestaan. Ik besta
alleen, begrijp je? En als je mij niet gelooft, zal ik je laten voelen,
dat ik er ben.'

En hij schudde den armen Johannes hard bij de ooren. Deze riep:

'Maar ik heb hem toch zoo lang gekend, en ik ben zoo ver met hem
weggetrokken.'

'Gedroomd heb je, zeg ik. Waar is dan je sleuteltje, he? Maar nu droom
je niet, voel je wel?'

'Au!' riep Johannes, want Pluizer kneep.

Het was reeds donker, en de vleermuizen vlogen nu dicht langs hunne
hoofden en piepten schril. De lucht was zwart en zwaar, geen blad bewoog
in het bosch.

'Mag ik naar huis gaan?' smeekte Johannes.'Naar mijn vader?'

'Je vader? wat wil je daar doen?' zei Pluizer. 'Die man zal je wel
vriendelijk ontvangen, nadat je zoo lang bent weggebleven.'

'Ik verlang naar huis,' zeide Johannes, en hij dacht aan de huiskamer
met het heldere lamplicht, waar hij zoo vaak bij zijn vader zat,
luisterend naar het krassen van diens pen. Daar was het vredig en
gezellig.

'Ja, dan hadt je maar niet weg moeten gaan en weg moeten blijven, ter
wille van dien mallen snuiter, die niet bestaat. Nu is het te laat. En
het komt er ook niet op aan, ik zal wel voor je zorgen. Of ik het doe of
je vader, dat is eigenlijk precies hetzelfde. Zoo'n vader, dat is toch
maar verbeelding. Heb je hem soms zelf uitgezocht? Denk je dat er geen
anderen zijn even goed en even knap? Ik ben even goed en veel knapper,
veel knapper.'

Johannes had geen moed tot antwoorden, hij sloot de oogen en knikte
flauw.

'En bij die Robinetta moet je het ook niet zoeken,' ging het mannetje
voort. Hij legde de handen op Johannes' schouders en praatte dicht
aan zijn oor.

'Dat kind hield je even goed voor den gek als die anderen. Heb je niet
gezien dat ze in den hoek bleef zitten, en geen woord zeide, toen je
werd uitgelachen? Ze is niets beter dan al die anderen. Ze vond je een
aardig jongetje en heeft met je gespeeld, zooals ze met een meikever zou
spelen. Het kon haar niet schelen of je wegging. En van dat boekje wist
ze niets. Maar ik wel, ik weet waar het is, en ik zal het je helpen
zoeken. Ik weet bijna alles.'

En Johannes begon hem te gelooven.

'Ga je met mij mede? Wil je met mij zoeken?'

'Ik ben zoo moe,' zeide Johannes, 'laat mij ergens slapen.'

'Ik houd anders niet van slapen,' zei Pluizer, 'daar ben ik te levendig
voor, een mensch moet altijd kijken en denken. Maar een poosje zal ik je
met rust laten. Tot morgen.'

Toen zette hij het vriendelijkste gezicht, dat hij zetten kon, Johannes
keek strak in de glinsterende oogjes, tot hij niets anders zag. Zijn
hoofd werd zwaar, hij leunde tegen de bemoste duinhelling. De oogjes
schenen verder en verder te lichten, totdat zij sterren waren aan den
zwarten hemel; het was alsof hij het geluid van verre stemmen hoorde,
alsof de aarde zich onder hem verwijderde, toen hield zijn denken op.



X


Nog eer hij goed ontwaakt was, had hij een vaag besef, dat er iets
bijzonders met hem was gebeurd, terwijl hij sliep. Doch hij was niet
begeerig het te weten en om zich heen te zien. Hij wilde weer terug in
den droom, die als een trage nevel langzaam wegtrok, daarin was
Robinetta weder naar hem toegekomen en had hem over het haar gestreken,
zooals vroeger, daarin had hij zijn vader weer gezien en Presto, in den
tuin met den vijver.

'Au!' dat was pijn. Wie deed dat? Johannes opende de oogen en zag in de
grauwe morgenschemering een klein mensch vlak bij zich, die hem aan de
haren trok. Hij lag in een bed en het licht was mat en ongelijk, als in
een kamer.

Doch het gezicht, dat over hem heenboog, bracht hem op eenmaal weder al
de ellende en somberheid van gisteren te binnen. Het was Pluizer's
gezicht, minder spookachtig en meer menschelijk, maar even leelijk en
angstwekkend als den vorigen avond.

'Och neen! laat mij droomen,' zeide hij.

Doch Pluizer schudde hem: 'ben je mal, luiaard, droomen is dwaasheid,
daarmee kom je niet verder. Een mensch moet werken en denken en zoeken.
Daar ben je een mensch voor.'

'Ik wil geen mensch zijn. Ik wil droomen.'

'Dat helpt niet. Je moet. Je bent nu onder mijn hoede en met mij samen
zul je werken en zoeken. Alleen met mij kan je vinden wat je verlangt.
En ik zal je niet verlaten totdat wij het gevonden hebben.' Johannes
voelde een vage ontzetting. Doch het was alsof een overmacht hem drukte
en dwong. Willoos onderwierp hij zich.

Weg waren duinen, boomen en bloemen. Hij was in een klein, schemerig
verlicht kamertje, daarbuiten zag hij, zoover hij zien kon, huizen en
weder huizen, somber en grauw, in lange, eentonige rijen.

Rook steeg overal op in dikke kronkels en sloeg als een bruinachtige
nevel in de straten neer. En op die straten liepen de menschen als
groote, zwarte mieren haastig dooreen. Een verward gerucht steeg dof en
aanhoudend uit hun massa op.

'Zie Johannes,' zei Pluizer, 'is dat nu niet aardig? Dat zijn nu allen
menschen en al die huizen zoover je zien kunt, nog verder dan die blauwe
toren daar, zijn ook vol menschen, van boven tot beneden vol. Is dat
niet merkwaardig? Dit is nog wat anders dan een mierenhoop.'

Johannes luisterde met angstige nieuwsgierigheid, alsof hem een groot,
verschrikkelijk ondier vertoond werd. Het was hem alsof hij op den rug
van het monster stond, het zwarte bloed door dikke aderen zag stroomen
en den donkeren adem uit honderd neusgaten zag stijgen. En hij werd bang
voor het onheilspellend grommen der ontzaglijke stem.

'Zie hoe hard al die menschen loopen, Johannes,' ging Pluizer voort.
'Je kunt zien dat zij haast hebben en iets zoeken, niet waar? Maar het is
grappig, dat geen een precies weet wat hij zoekt. Als ze nu een poosje
gezocht hebben, dan komen ze iemand tegen, die heet Hein ...'

'Wie is dat?' vroeg Johannes.

'O! een goede kennis van me, ik zal je wel eens aan hem voorstellen. Nu
die Hein zegt dan: 'Zoek je mij?' Daarop zeggen de meesten gewoonlijk:
'O neen!  ... jou bedoel ik niet!' maar dan antwoordt Hein weer: 'Er is
toch niets anders te vinden dan mij.' Dan moeten ze zich wel met Hein
tevreden stellen.'

Johannes begreep, dat hij van den dood sprak.

'En gaat dat altijd, altijd zoo?'

'Welzeker, altijd. Er komen echter iederen dag weer een massa nieuwen en
die beginnen dagelijks te zoeken, zonder te weten waarnaar, en zoeken en
zoeken totdat ze eindelijk Hein vinden, zoo gaat het al een aardig
poosje lang en zoo zal het ook nog wel een poosje blijven aanhouden.'

'Zal ik ook niets anders vinden, Pluizer, niets anders dan ...'

'Ja, Hein vind je zeker eens, maar dat doet er niet toe, zoeken maar!
altijd blijven zoeken!'

'Maar het boekje dan, Pluizer, gij zoudt mij het boekje laten vinden.'

'Nu! wie weet! ik heb het niet tegengesproken. Wij moeten zoeken,
zoeken. Wij weten tenminste waarnaar wij zoeken. Dat heeft ons Wistik
geleerd. En er zijn er, die hun geheele leven zoeken om te weten
waarnaar zij eigenlijk zoeken. Dat zijn de wijsgeeren, Johannes. Maar
als Hein komt, is het met hun gezoek óók uit.'

'Dat is vreeselijk, Pluizer.'

'O neen, volstrekt niet. Hein is een heel goedig man. Maar hij wordt
miskend.'

Iemand stommelde buiten de kamerdeur op de trap. Klos! Klos! klonk het
op de houten treden.

Klos! Klos! nader en naderbij. Toen tikte iemand tegen de deur en het
was alsof ijzer op hout tikte.

Er kwam een groote man binnen. Hij had diepliggende oogen en lange,
magere handen. Een koude tocht woei in het kamertje.

'Welzoo,' zeide Pluizer, 'zijt gij daar, ga zitten! Wij spraken juist
over u. Hoe gaat het u?'

'Druk, druk!' zeide de lange man en wischte zich het koude zweet van het
beenige bleeke voorhoofd.

Roerloos en schuw staarde Johannes in de diepliggende oogen, die strak
op hem gericht waren. Zij waren zeer ernstig en donker, doch niet wreed,
niet vijandig. Na eenige oogenblikken ademde hij weer vrijer en klopte
zijn hart minder hevig.

'Dit is Johannes,' zeide Pluizer, 'hij heeft van een zeker boekje
gehoord, waarin staat, waarom alles is zooals het is, en dat zullen wij
nu samen gaan zoeken, niet waar?' Toen lachte Pluizer veelbeteekenend.

'Zoo! zoo! nu dat is goed!' zeide de Dood vriendelijk, en knikte
Johannes toe.

'Hij is bang het niet te vinden, maar ik zeide hem maar eerst vlijtig te
zoeken.'

'Zeker!' zeide de Dood, 'vlijtig zoeken is het beste.'

'Hij dacht, dat gij zoo verschrikkelijk waart. Nu zie je toch Johannes,
dat je je vergist hebt, niet waar?'

'Ach ja!' zeide de Dood welwillend, 'men spreekt veel kwaad van mij. Ik
heb geen innemend uiterlijk, maar ik meen het toch goed.'

Hij glimlachte flauw, als iemand die met ernstiger dingen vervuld is dan
waarover hij spreekt. Toen wendde zich zijn donkere blik van Johannes af
naar buiten en dwaalde peinzend over de groote stad.

Lang waagde Johannes het niet te spreken, eindelijk zeide hij zacht:

'Zult gij mij medenemen?'

'Wat meen je, mijn jongen?' zeide de Dood, opkijkend uit zijn mijmering:
'Neen! nu nog niet. Gij moet opgroeien en een goed mensch worden.'

'Ik wil geen mensch worden als de anderen.'

'Kom! kom!' zeide de Dood, 'daar is niets aan te doen.'

Men kon hooren, dat dit een dagelijksche term van hem was. Hij ging
voort.

'Mijn vriend Pluizer kan u leeren, hoe men een goed mensch wordt. Men
kan het op verschillende wijzen, maar Pluizer leert het ook uitstekend.
Het is iets zeer schoons en begeerlijks een goed mensch te zijn. Daar
moet ge niet op neer zien, ventje!'

'Zoeken, denken, kijken!' zei Pluizer.

'Zeker, zeker!' zei de Dood; en toen tot Pluizer: 'Bij wien zult ge hem
brengen?'

'Bij docter Cijfer, mijn oud-leerling.'

'A ja! dat is een goed leerling. Dat is een zeer fraai voorbeeld van een
mensch. Bijna volmaakt in zijn soort.'

'Zal ik Robinetta weerzien?' vroeg Johannes bevend.

'Wie bedoelt het ventje?' vroeg de Dood. 'O! hij is al verliefd geweest
en verbeeldde zich toch een elf te zijn, hi! hi! hi!' lachte Pluizer
geniepig!

'Neen! beste jongen, dat gaat niet,' zei de Dood, 'die dingen zul je bij
docter Cijfer wel verleeren. Wie zoekt wat gij zoekt, moet al het andere
verliezen. Alles of niets.'

'Ik zal een mensch uit één stuk van hem maken, ik zal hem eens laten
zien wat eigenlijk verliefdheid is, dan zal hij er zich wel doorheen
pluizen.'

En Pluizer lachte vroolijk, de Dood richtte weer zijn zwarte oogen op
den armen Johannes, die met moeite het snikken bedwong. Want hij
schaamde zich voor den Dood.

Deze rees plotseling op. 'Ik moet heen,' zeide hij, 'ik verpraat mijn
tijd. Er is hier veel te doen. Goeden dag, Johannes! wij zullen elkander
nog wel weerzien. Gij moet niet bang voor mij zijn.'

'Ik ben niet bang voor u, ik wilde dat ge mij medenaamt. Toe! neem mij
liever mede!'

Doch de Dood wees hem zacht terug, hij was dergelijke vragen gewend.

'Neen! Johannes, ga nu aan uw werk, zoek en zie! Vraag mij niet meer. Ik
vraag maar eens en dan is het tijd genoeg.'

Toen hij verdwenen was gedroeg Pluizer zich weer zeer buitensporig. Hij
sprong over stoelen, buitelde over den grond, kroop op de kast en den
schoorsteenmantel en voerde halsbrekende kunsten uit in de open vensters.

'Dat was nu Hein! mijn goede vriend Hein!' riep hij, 'vond je hem niet
aardig? Een beetje leelijk en knorrig van uitzicht. Maar hij kan ook
heel vroolijk zijn, als hij plezier heeft in zijn werk. Maar dikwijls
verveelt het hem. 't Is ook wel wat eentonig.'

'Wie zegt hem, Pluizer, waarheen hij gaan moet?'

Pluizer gluurde Johannes valsch en uitvorschend aan.

'Waarom vraag je dat? Hij gaat zijn eigen gang, hij neemt wie hij
krijgen kan.'

Later heeft Johannes anders gezien. Doch nu wist hij niet beter of
Pluizer sprak waarheid in alles.

Zij gingen op de straat en bewogen zich door de krioelende menigte. De
zwarte menschen liepen dooreen, lachten, praatten, zoo vroolijk dat
Johannes zich moest verwonderen. Hij zag hoe Pluizer velen toeknikte,
maar niemand beantwoordde den groet, allen keken vóór zich alsof ze
niets gezien hadden.

'Ze loopen nu te lachen,' zeide Pluizer, 'alsof zij mij geen van allen
kenden. Maar dat schijnt maar zoo. Als ik alleen met hen ben, kunnen ze
mij niet negeeren en dan zijn ze ook zoo vroolijk niet.' En onder het
gaan was Johannes zich bewust dat er iemand achter hem liep. Als hij
omkeek zag hij den langen, bleeken man, die met groote, onhoorbare
schreden tusschen de menschen schreed. Hij knikte Johannes toe.

'Zien de menschen hem ook?' vroeg Johannes aan Pluizer.

'Ja zeker! allen, maar zij willen hem ook niet kennen. Nu ik gun hun
dien trots!'

De drukte en het geraas brachten Johannes in een soort verdooving, die
hem zijn leed deed vergeten. De smalle straten en de hooge huizen, die
het hemelblauw in rechte strooken verdeelden, de menschen die langs hem
af en aan gingen, het slepen der voetstappen en het ratelen der wagens
verstoorden de oude visioenen en den droom van dien nacht, als een storm
de beelden in een waterspiegel. Het was hem alsof er niets anders
bestond dan muren, ramen en menschen, alsof hij mede moest doen, mede
draven in het rusteloos, ademloos gewoel.

Toen kwamen zij in een stille buurt, waar een groot huis stond met
grauwe, sierlooze ramen. Het zag er streng en onvriendelijk uit.
Daarbinnen was het stil en rook Johannes een mengeling van vreemde,
scherpe geuren, met een dompige kelderlucht tot grondtoon. In een kamer,
vol wonderlijke werktuigen, zat een eenzame man. Hij was omringd door
boeken, glazen en koperen voorwerpen, allen vreemd voor Johannes. Er
viel een enkele zonnestraal over zijn hoofd heen in de kamer en fonkelde
op flesschen met fraai gekleurde stoffen. De man tuurde ingespannen door
een koperen buis en zag niet op.

Toen Johannes naderkwam hoorde hij hem mompelen: 'Wistik! Wistik!'

Naast den man, op een lang, zwart bankje, lag iets wits en wolligs, dat
Johannes niet goed kon onderscheiden.

'Goeden morgen, docter!' zei Pluizer, maar de docter keek nog niet op.

Toen schrikte Johannes, want het witte voorwerp waarnaar hij ingespannen
keek, kwam op eens in krampachtig rukkende beweging. Wat hij gezien had,
was het witte buikdons van een konijntje. Het kopje met den beweeglijken
neus lag achterover in ijzer geklemd, en de vier pootjes waren strak
gebonden naast het lichaam. Kort duurde de wanhopige poging om zich te
bevrijden, toen lag het beestje weder stil en alleen de snelle beweging
van de bloedige keel toonde dat het nog leefde.

En Johannes zag het ronde, goedige oog dat zoo wijd staarde in
machteloozen angst en het was of hij het herkende. Ach! was dat niet
het zachte lijfje, waartegen hij gerust had in dien eersten, zaligen
elfennacht? Oude herinneringen drongen met geweld in hem boven. Hij
vloog op het diertje toe:

'Wacht! wacht! arm konijntje, ik zal u helpen.' En haastig trachtte hij
de koordjes los te knoopen, die de teere pootjes striemden.

Doch zijn beide handen werden tegelijk vastgegrepen en een scherpe lach
klonk aan zijn oor.

'Wat beduidt dat, Johannes? Ben je nog zóó kinderachtig? Wat moet de
docter wel van je denken?'

'Wat wil die jongen? wat doet hij hier?' vroeg de docter verbaasd.

'Hij wilde een mensch worden, daarom kwam ik met hem bij u. Maar hij is
nog wat klein en kinderachtig. Dit is niet de manier om te vinden wat je
zoekt, Johannes!'

'Neen! dit is de manier niet,' zeide de docter.

'Docter, maak dat konijntje los!'

Doch Pluizer kneep hem de beide handen, dat hij ineenkromp. 'Wat hebben
wij afgesproken, mannetje?' siste hij hem in 't oor. 'Zoeken zouden wij,
niet waar? Wij zijn hier niet in de duinen, bij Windekind en bij stomme
dieren. Wij zouden menschen zijn, menschen! versta je. Als je een kind
wilt blijven, als je niet sterk genoeg bent om mij te helpen, laat ik je
gaan, zoek dan alleen!'

Johannes zweeg en geloofde. Hij wilde sterk zijn. Hij sloot de oogen, om
het konijntje niet te zien.

'Beste jongen!' zeide de docter, 'je schijnt nog wat teergevoelig om te
beginnen. Het is waar, de eerste maal is zoo iets naar om te zien. Ik
zelf zie het altijd ongaarne en vermijd het zooveel mogelijk. Doch het
is onontbeerlijk. En je moet begrijpen: wij zijn menschen en geen
dieren, en het heil van de menschheid en van de wetenschap gaat boven
dat van eenige konijnen.'

'Hoor je!' zei Pluizer, 'de wetenschap en de menschheid!'

'De man der wetenschap,' ging de docter voort, 'staat hooger dan alle
andere menschen. Maar hij moet dan ook de kleine gevoeligheden, die de
gewone menschen kennen, laten varen voor dat ééne groote: de wetenschap.
Wilt ge zulk een mensch worden? was dat uw roeping, mijn jongen?'

Johannes weifelde, hij wist nog niet recht wat een roeping was, zoomin
als de meikever.

'Ik wilde het boekje vinden,' zeide hij, 'waar Wistik van sprak.'

De docter keek verbaasd en vroeg: 'Wistik?'

Doch Pluizer zei snel: 'Hij wil het, docter, ik weet het wel. Hij wil de
hoogste wijsheid zoeken, hij wil het wezen der dingen begrijpen.'

Johannes knikte, 'Ja!' Zoover hij begreep, was dat zijn bedoeling.

'Nu, dan moet je sterk zijn, Johannes, en niet klein en teerhartig. Dan
zal ik je helpen. Maar bedenk: alles of niets.'

En Johannes hielp met sidderende handen de losgemaakte koorden weer
vaster om de pootjes van het konijntje strikken.



XI


'Wij zullen toch eens zien,' zeide Pluizer, 'of ik je niet evenveel
moois vertoonen kan als Windekind.'

En toen zij den docter vaarwel hadden gezegd en beloofd spoedig weer te
komen, leidde hij Johannes rond in alle hoeken der groote stad, hij
toonde hem, hoe het groote monster leefde, hoe het ademde en zich voedde,
hoe het in zich-zelve verteerde en uit zich-zelve weer opgroeide.

Doch hij had voorliefde voor de sombere achterbuurten, waar de menschen
dicht opeengepakt zaten, waar alles grauw en groezelig, de lucht zwaar
en bedompt was.

Hij ging met hem in een der groote gebouwen, waaruit de rook opsteeg,
dien Johannes den eersten dag gezien had. Er heerschte een verdoovend
geraas, overal rammelde, ratelde, stampte en dreunde het, groote wielen
wentelden en lange riemen schoven slingerend voort; zwart zagen muren en
bodem, de vensters waren gebroken of bestoven. Hoog rezen de geweldige
schoorsteenen boven het zwarte gebouw uit en zonden dikke, kronkelende
rookzuilen op. In dat gewoel van raderen en werktuigen zag Johannes tal
van menschen met bleek gelaat, met zwarte handen en kleederen, zwijgend
en rusteloos werken.

'Wie zijn dat?' vroeg hij.

'Raderen, ook raderen,' lachte Pluizer, 'of menschen, zoo je wilt. Wat
ze daar doen, doen ze dag in, dag uit. Men kan op die manier ook mensch
zijn, in hun soort altijd.'

En zij kwamen in vuile straatjes, waar het strookje hemelblauw zoo smal
leek als een vinger en nog verduisterd werd door uitgespannen kleederen.
Daar krioelde het van menschen; ze verdrongen elkaar, schreeuwden,
lachten en zongen ook somtijds. In de huizen waren de kamertjes zoo
klein, zoo donker en bedompt, dat Johannes nauwelijks durfde ademen. Hij
zag havelooze kinderen over den kalen vloer kruipen en jonge meisjes met
verwilderd haar, die liedjes neurieden voor magere, bleeke zuigelingen.
Hij hoorde twisten en schelden, en alle gezichten om hem zagen moede, of
dom en onverschillig.

Het greep Johannes aan met een vreeselijke smart. Het had niets gemeen
met zijn vroeger leed, daarvoor schaamde hij zich.

'Pluizer,' vroeg hij, 'hebben die menschen altijd hier geleefd, zoo
akelig en ellendig? Ook toen ik ...'

Hij durfde niet verder gaan.

'Welzeker, en dat is gelukkig. Zij leven volstrekt niet akelig en
ellendig, zij zijn hier gewend en weten niet beter. Het is dom,
onverschillig vee. Zie die twee vrouwen daar, voor haar deur zitten! Zij
kijken zoo tevreden in de vuile straat, als jij vroeger naar je duinen!
Om die menschen behoef je niet te huilen. Dan kan je wel om de mollen
huilen, die nooit het daglicht zien.'

En Johannes wist niet te antwoorden en wist ook niet waarom hij toch
huilen moest. En te midden van het luidruchtige drijven en woelen zag
hij steeds den bleeken, holoogigen man voortschrijden, met
geruischloozen tred.

'Toch een goede man, nietwaar?' zeide Pluizer, 'de menschen hieruit weg
te halen. Maar toch zijn ze hier even bang voor hem.'

Toen de nacht was gedaald, en de honderden lichtjes in den wind
flikkerden en lange, wiegelende beelden in het donkere water wierpen,
gingen beiden langs de stille straten. De oude, hooge huizen schenen
vermoeid tegen elkander geleund te slapen. De meesten hadden hun oogen
gesloten. Doch hier en daar schemerde nog een venster met matten, gelen
glans.

Pluizer vertelde aan Johannes lange verhalen van hen die daarachter
woonden, van de pijnen, die daar werden uitgestaan, en van den strijd,
die daar tusschen ellende en levenslust gestreden werd. Hij spaarde hem
niets, het somberste, het laagste en platste zocht hij uit, en grinnikte
van genoegen, als Johannes bij zijn verschrikkelijke verhalen bleek werd
en zweeg.

'Pluizer,' vroeg Johannes op eenmaal, 'weet gij iets van het Groote
Licht?'

Hij dacht, dat die vraag hem redden zou uit de duisternis, die dichter
en drukkender om hem samendrong.

'Praatjes! Praatjes van Windekind!' zeide Pluizer. 'Hersenschimmen en
droomerijen! Er zijn alleen menschen, en ik-zelf. Dacht je, dat een God
of iets van dien aard er vermaak in zou hebben, zoo'n rommel te regeeren
als het hier op aarde is? En zoo'n groot licht zou er niet zoovelen hier
in 't donker laten.'

'En die sterren, die sterren dan?' vroeg Johannes, als verwachtte hij,
dat die zichtbare grootheid het lage voor hem zou kunnen verheffen.

'Die sterren? Weet je wel waarvan je praat, ventje? Het zijn geen
lichtjes daarboven, zooals de lantaarns, die je hier om je heen ziet.
Het zijn allen werelden, elke veel grooter dan deze wereld met haar
duizenden steden, en middenin zweven wij als een klein stofje, en er is
geen onder of boven, en naar alle zijden zijn werelden, al maar werelden,
en dat houdt nimmer, nimmer op.'

'Neen! Neen!' riep Johannes angstig, 'niet zeggen, niet zeggen! Ik zie
lichtjes op een groot donker veld boven mij.'

'Ja, zien kun je niet anders dan lichtjes. Al staarde je je leven lang
omhoog, je zoudt niet anders zien dan lichtjes op een donker veld boven
je. Maar je kunt, je _moet_ weten, dat het werelden zijn, noch boven,
noch onder, waarin dit kluitje met zijn armzalig, wriemelend
menschenzootje niets is, en als niets zal verdwijnen. Spreek dus niet
meer van 'de sterren', als waren het er een paar dozijn, het is een
dwaasheid.'

Johannes zweeg. De grootheid, die het lage zou verheffen, verpletterde
het.

'Komaan,' zei Pluizer, 'nu zullen we iets vroolijks gaan zien.' Bij
tusschenpoozen kwamen de golven van een lieflijk slepende muziek hen
tegemoet. Op een donkere gracht was een groot huis, waar het licht hel
uit vele, hooge vensters brak.

Een lange stoet rijtuigen stond er voor. Het stampen der paarden klonk
hol door de nachtelijke stilte, en hun koppen knikten: ja! ja!
Glimlichtjes blonken op de zilveren knoppen van het tuig en op het
vernis der wagens.

Binnen was het een-en-al licht. Half verblind staarde Johannes in de
schittering van honderden vlammen, van bonte kleuren, van spiegels en
bloemen. Lichte gestalten streken langs de vensters, naar elkaar toe
buigend, met lach en handgebaar. Tot ver achter in de zalen bewogen zich
de rijkgetooide menschen met langzamen tred of met snelle, wiegelende
draaiing. Een verward gerucht van gelach en blijde stemmen, slepende
schreden en ruischende gewaden drong tot op straat door, meegedragen op
de golven der weeke, bedwelmende muziek, die Johannes reeds van verre
gehoord had. Op straat, dicht bij de ramen, stonden een paar donkere
gestalten, waarvan alleen de gezichten vreemd en ongelijk werden
verlicht door den glans, waarin zij gretig staarden.

'Dat is mooi, dat is heerlijk!' riep Johannes; hij genoot bij het zien
van zooveel kleur en licht en bloemen. 'Wat gebeurt daar? Mogen wij
daarin?'

'Zoo, vindt je dit nu toch mooi? Of verkies je soms liever een
konijnenhol? Zie die menschen eens lachen en buigen en schitteren; zie
eens hoe deftig en glad die mannen, hoe bont en opgeschikt die vrouwen!
En welk een aandacht bij het dansen, alsof het de gewichtigste zaak ter
wereld was.'Johannes dacht terug aan het bal in het konijnenhol en hij
zag veel, dat hem er aan herinnerde. Doch alles was hier grooter en
schitterender. De jonge vrouwen met haar rijken tooi schenen hem zoo
schoon als elfen, als zij de lange, blanke armen ophieven en het hoofd
half ter zijde wendden in den dans. De bedienden gingen statig rond en
boden heerlijke dranken aan, met eerbiedige buiging.

'Hoe prachtig! hoe prachtig!' riep Johannes.

'Erg mooi, vindt je niet?' zei Pluizer. 'Maar nu moet je ook eens wat
verder kijken dan je neus lang is. Je ziet nu niets dan lieve, lachende
gezichten niet waar? Nu, het grootste deel van al die lachjes is leugen
en gemaaktheid. Die vriendelijke, oude dames aan den kant zitten daar
als hengelaars om een vijver; die jonge vrouwen zijn het aas, de heeren
zijn de visschen. En hoe lief ze ook met elkaar keuvelen, ze rnisgunnen
elkaar nijdig elke vangst. Als een van die jonge vrouwen plezier heeft,
dan is het omdat ze mooier is aangekleed of meer heeren om zich lokt dan
de andere, en het plezier van de heeren ontstaat vooral door die bloote
halzen en armen. Achter al die lachende oogen en vriendelijke lippen
schuilt iets heel anders. Zelfs die eerbiedige knechts denken lang niet
eerbiedig. Als het op eens uitkwam wat allen waarlijk dachten, dan zou
de partij gauw gedaan zijn!'

En toen Pluizer hem alles wees, zag Johannes duidelijk de gemaaktheid in
gezichten en gebaren en de ijdelheid, afgunst en verveling, die door het
lachend masker heen gluurden of plotseling uitkwamen als het even werd
afgelegd.

'Nu,' zeide Pluizer, 'men moet hen maar laten begaan. Die menschen
moeten zich toch amuseeren. En anders kunnen zij het niet.'

Johannes voelde dat er iemand achter hem stond. Hij zag om. Het was de
welbekende, lange gestalte. Het bleeke gelaat was grillig door den
hellen glans verlicht, zoodat de oogen groote, donkere plekken vormden.
Hij prevelde zachtkens bij zichzelven en wees met den vinger in de
lichte zaal.

'Zie,' zeide Pluizer, 'hij is weer aan 't uitzoeken.'

Johannes zag waarheen de vinger wees. En hij zag hoe de oude dame onder
het gesprek even de oogen sloot en de hand aan het hoofd bracht, en hoe
het schoone, jonge meisje haar drentelen even staakte en met een lichte
rilling vóór zich, staarde.

'Wanneer?' vroeg Pluizer aan den Dood.

'Dat is mijn zaak,' zeide deze.

'Ik wilde Johannes ditzelfde gezelschap nog eens laten zien,' zeide
Pluizer en knipoogde grijnzend. 'Kan dat?'

'Van avond?' vroeg de Dood.

'Waarom niet?' zeide Pluizer. 'Daar is uur noch tijd. Wat nu is, is
altijd geweest, en wat worden zal, is er reeds.'

'Ik kan niet mede,' zeide de Dood, 'ik heb te veel werk. Doch noem den
naam van dat wat wij beiden kennen, en gij zult ook zonder mij den weg
vinden.'

Zij gingen toen een eindweegs door de eenzame straten, waar de
gasvlammen flikkerden in den nachtwind en het donkere koude water tegen
de grachtwallen kabbelde. De weeke muziek klonk flauwer en flauwer en
verdoofde eindelijk in de groote rust, die over de stad lag.

Daar klonk op eens van omhoog, met vollen galmenden metaalklank, een
luid en feestelijk lied.

Plotseling viel het neer van den hoogen toren, op de slapende stad, in
de droeve duistere ziel van den kleinen Johannes. Verwonderd zag hij op.
De klokkenzang hield aan, met helderen, kalmen klank, die zich jubelend
verhief en forsch de doodsche stilte scheurde. Vreemd schenen hem die
blijde tonen, die feestzang te midden van stillen slaap en donkeren rouw.

'Dat is de klok,' zei Pluizer, 'die is altijd even vroolijk, jaar in,
jaar uit. Elk uur zingt zij ditzelfde lied met gelijke kracht en
opgewektheid. En des nachts klinkt het blijder dan des daags, alsof de
klok juichte dat zij niet behoeft te slapen, dat zij altijd door even
gelukkig kan zingen, waar duizenden onder haar weenen en lijden. Doch
het vroolijkst klinkt het wanneer er iemand gestorven is.'

Nogmaals verhief zich de jubelende galm.

'Eens, Johannes,' ging Pluizer voort, 'zal achter zulk een venster in
een stille kamer een flauw lichtje branden. Een droevig lichtje, dat
peinzend trilt en de schaduwen op den wand doet dansen. Er zal geen
gerucht zijn in de kamer, dan nu en dan een zacht, onderdrukt snikken.
Er zal een bed staan met witte gordijnen, met lange schaduwen in de
plooien. En in dat bed zal iets liggen, wit en stil. Dat zal de kleine
Johannes geweest zijn. O, dan zal op eens datzelfde lied luid en lustig
in die kamer breken en 't eerste uur bezingen na zijn dood.'

Twaalf zware slagen dreunden door de lucht met lange tusschenpoozen. Bij
den laatsten kreeg Johannes op eenmaal een gevoel alsof hij droomde, hij
liep niet meer maar zweefde een eind boven de straat, aan Pluizer's
hand. In snelle vaart streken hem de huizen en lantaarns voorbij. De
huizen stonden nu minder dicht opeen. Ze vormden alleenstaande rijen,
met donkere geheimzinnige gaten er tusschen, waar het gaslicht kuilen,
plassen, puin en balken grillig verlichtte. Eindelijk kwam een groote
poort, met zware zuilen en een hoog hek. In een oogwenk waren zij er
over gezweefd en kwamen neer op vochtig gras naast een grooten zandhoop.
Johannes dacht in een tuin te zijn, want hij hoorde 't ruischen van
boomen in 't ronde.

'Let nu goed op, Johannes, en houd dan nog eens vol, dat ik niet meer
kan dan Windekind.'

Toen riep Pluizer luide een korten, somberen naam, die Johannes deed
huiveren. Van alle zijden herhaalde de duisternis den klank, en de wind
voerde hem op in gierend draaien, totdat hij wegstierf in de hooge lucht.

En Johannes zag hoe de grashalmen hem boven 't hoofd reikten, en hoe de
kleine steen, die zooeven laan zijn voeten ag, hem nu het gezicht
belemmerde. Pluizer naast hem, even klein als hij, vatte den steen met
beide handen en wentelde dien met alle krachten om. Een verward geroep
van fijne, hooge stemmetjes rees van den vrij geworden bodem op.

'Hei! wie doet dat? Wat beteekent dat? Lomperd!' klonk het dooreen.

Johannes zag zwarte gestalten haastig door elkaar loopen. Hij herkende
den vluggen, zwarten loopkever, den glimmend bruinen oorworm met zijn
fijne knijpers, pissebedden met haar ronde ruggen en slangachtige
duizendpooten. In 't midden trok een lange aardworm zich bliksemsnel in
zijn gang terug.

Pluizer ging dwars door de tierende en scheldende bende op het hol van
den aardworm toe.

'Heidaar! lange, bloote slungel! kom eens voor den dag met je rooden
puntneus!' riep Pluizer.

'Wat moet je?' vroeg de worm uit de diepte.

'Jij moet er uit, omdat ik er in wil, hoor je, kale zandeter!'

Voorzichtig rekte de pier zijn spitsen kop uit de opening, tastte er
eenige malen mee in 't rond en trok toen langzaam het naakte, geringde
lijf verder naar de oppervlakte.

Pluizer keek rond naar de andere dieren, die nieuwsgierig om hem heen
drongen.

'Een van jelui gaat mede en licht vóór. Neen, zwarte kever, je bent te
dik, en jij met je duizend pooten zoudt me duizelig maken. Ha, jij daar,
oorworm! jouw gezicht bevalt me. Ga mede en draag het licht in je
scharen! Loopkever, loop! en zoek een dwaallicht of haal een fakkel van
hout, dat rottend is.'

De dieren kregen ontzag voor zijn gebiedende stem en gehoorzaamden.

Toen daalden zij af in de wormengang. Voorop de oorworm met het lichtend
hout, dan Pluizer, dan Johannes. Het was eng en duister daar beneden.
Flauw zag Johannes de zandkorrels door het matte, blauwe schijnsel
verlicht. Zij schenen groot als steenen, half doorschijnend, tot een
gladden, vasten wand geschuurd door het lichaam van de pier. Deze
laatste volgde nieuwsgierig. Johannes zag achter zich haar spitsen kop
zich nu eens snel vooruit strekken, dan weer wachten tot het lange lijf
nader aangetrokken was. Zij daalden zwijgend, lang en diep. Waar
Johannes het pad te steil werd, steunde Pluizer hem. Er scheen geen
einde te zullen komen; altijd nieuwe zandkorrels, en steeds kroop de
oorworm voort, zich wendend en buigend met de kronkelingen van de gang.
Eindelijk werd de weg breeder en weken de wanden vaneen. De zandkorrels
werden zwart en vochtig; boven vormden ze een gewelf, waarlangs
waterdroppels glinsterende strepen trokken en waardoor boomwortels zich
strekten als verstijfde slangen.

Daar rees plotseling voor Johannes' blik een loodrechte wand, zwart en
hoog, die de geheele ruimte voor hem afsloot. De oorworm wendde zich om.

'Ziezoo! Nu is het zaak, daar-achter te komen. Dat zal de pier wel
weten, die is hier te huis.'

'Kom, wijs ons den weg!' zei Pluizer.

Langzaam schoof de aardworm het geringde lijf tot bij den zwarten wand
en betastte dien zoekend. Johannes zag, dat het hout was. Hier en daar
was het tot bruinachtige stof vervallen. Daar boorde de worm zich in, en
het lange, lenige lijf gleed in drie tusschenpoozen weg.

'Nu jij!' zei Pluizer en duwde Johannes in de kleine ronde opening. Een
oogenblik dacht deze te stikken in den zachten, vochtigen molm; toen
voelde hij zijn hoofd vrij komen en werkte zich met moeite geheel uit de
opening los. Een groote ruimte scheen hem te omgeven. De grond was hard
en vochtig, de lucht dik en ondragelijk benauwd, Johannes durfde nauw
ademen en wachtte in nameloozen angst.

Hij hoorde Pluizer's stem, die hol klonk als in een grooten kelder.

'Hier Johannes, volg me!'

Voor zich voelde hij den grond rijzen tot een berg. Aan Pluizer's hand
beklom hij dien, in de diepe duisternis. Het was alsof hij op een kleed
liep, dat meegaf onder zijn tred. Hij strompelde over kuilen en heuvels,
Pluizer volgend, die hem medetrok tot een vlakke plaats, waar hij zich
vastklemde aan lange halmen, die als buigzaam riet waren in zijn hand.
'Hier staan wij goed! Licht!' riep Pluizer.

Daar daagde het matte licht uit de verte, met zijn drager dalend en
rijzend. Hoe nader het kwam en hoe meer het flauwe gloren de ruimte
vervulde, des te vreeselijker werd Johannes' beklemming.

De berg, dien hij betreden had, was lang en wit; het riet, dat hij
omklemde, was bruin en krulde in glinsterende golven naar omlaag.

Hij herkende de rechte gestalte van een mensch, en de kille vlakte,
waarop hij stond, was het voorhoofd.

Vóór hem lagen, als twee diepe, donkere kuilen, de ingezonken oogen, en
het blauwe licht scheen op den dunnen neus en de grauwe lippen, in
akeligen, stijven doodenlach geopend.

Uit Pluizer's mond klonk een schelle lach, die dadelijk smoorde in de
vochtige houtwanden.

'Dit is nu een verrassing, Johannes!'

De lange worm kwam aankruipen tusschen de plooien van het lijkkleed; hij
schoof zich behoedzaam tegen de kin op en glipte over de strakke lippen
in de zwarte mondholte.

'Dit is nu de schoonste uit de danspartij, die je schooner vond dan een
elf. Toen stroomden zoete geuren uit haar kleederen en haren, toen
lonkten haar oogen en lachten haar lippen. Zie nu eens!'

Bij al zijn ontzetting was er toch ongeloof in de oogen van Johannes.
Zoo snel? Die pracht was zoo even, en nu reeds ...? 'Geloof je mij
niet?' grijnsde Pluizer. 'Er ligt een halve eeuw tusschen toen en nu.
Daar is uur noch tijd. Wat eenmaal was, zal altijd zijn, en wat worden
zal, is altijd geweest. Je kunt het niet denken, maar moet het gelooven.
Het is hier alles waarheid, alles wat ik je toon is waar! waar! Dat kon
Windekind niet zeggen.'

Grinnikend sprong Pluizer rond op het doodengelaat en bedreef de
afschuwelijkste scherts. Hij zat op de wenkbrauw en trok bij de lange
wimpers het ooglid op. Het oog, dat Johannes vroolijk had zien
schitteren, staarde dof en rimpelig wit in het schemerlichtje. 'Nu
vooruit!' riep Pluizer, 'er valt nog meer te zien!'

De pier kroop langzaam uit den rechter mondhoek te voorschijn en de
bange tocht werd voortgezet.

Niet terug, maar langs nieuwe, even lange en sombere wegen. 'Nu komt een
oude,' zeide de aardworm, toen weder een zwarte wand den weg afsloot.
'Deze is hier al zeer lang.'

Het was minder vreeselijk dan de vorige maal. Johannes zag slechts een
verwarde massa, waaruit bruinachtige beenderen staken. Honderden wormen
en insecten waren er zwijgend bezig. Het licht gaf opschudding.

'Van waar komt gij? Wie brengt hier licht? Dat hebben wij niet noodig.'

En snel schoten zij weg tusschen plooien en in holten. Doch zij
herkenden een soortgenoot.

'Zijt ge in die hiernaast geweest?' vroegen de wormen. 'Het hout is nog
hard.'

De eerste worm ontkende. 'Hij wil het buitenkansje voor zich houden,'
zeide Pluizer zacht tot Johannes.

Verder trokken zij, Pluizer gaf uitleg en wees aan, wie Johannes bekend
waren. Er kwam een misvormd gezicht met starende, uitpuilende oogen,
dikke, zwarte lippen en wangen. 'Dit was een deftig heer,' zeide hij
toen vroolijk, 'je had hem moeten zien, zoo rijk, zoo voornaam en zoo
ingebeeld. Zijn opgeblazenheid heeft hij gehouden.'

Zoo ging het voort. Er waren ook magere, uitgeteerde gestalten met wit
haar, dat blauw glinsterde in het zwakke licht, en kleine kinderen met
groote hoofden en oudachtige denkersgezichten.

'Zie, die zijn eerst na hun dood oud geworden!' zei Pluizer. Zij kwamen
bij een man met vollen baard en opgetrokken lippen, wiens witte tanden
blonken. Midden in het voorhoofd had hij een rond zwart gaatje.

'Deze heeft Hein een handje geholpen. Waarom niet een beetje geduld? Hij
was toch wel hier gekomen.'

En weer kwamen gangen en nieuwe gangen en weer rechte gestalten met
strakke, grijnzende gezichten en roerlooze, over elkaar gelegde handen.

'Nu ga ik niet verder,' zei de oorworm, 'ik weet hier geen weg meer.'

'Laat ons omkeeren,' zei de pier. 'Nog één, nog één!' riep Pluizer.

Verder ging de tocht.

'Het bestaat alles wat je ziet,' zei Pluizer onder het voortgaan, 'het
is alles waar. Eén ding alleen is niet waar. Dat ben je zelf, Johannes.
jij bent hier niet, en je kunt hier niet zijn.'

En hij schaterlachte, als hij den angstigen, wezenloozen blik van
Johannes bij zijn woorden zag.

'Dit is de laatste! werkelijk de laatste!'

'De gang loopt dood, ik ga niet verder,' zeide de oorworm knorrig.

'Ik wil verder!' zeide Pluizer, en waar de gang eindigde, begon hij met
beide handen te graven. 'Help mij, Johannes!'

Willoos in zijn ellende, gehoorzaamde deze en groef de vochtige, fijne
aarde weg.

Zwijgend en zwoegend werkten zij door, totdat het zwarte hout kwam.

De pier had den geringden kop ingetrokken en was achteruit verdwenen. De
oorworm liet het licht vallen en ging terug.

'Zij komen er niet in, het hout is te nieuw,' zeide hij bij 't heengaan.

'Ik wil,' zei Pluizer en scheurde met de haakvingers lange, witte
splinters krakend uit het hout.

Een vreeselijke beklemming drukte Johannes. Doch hij moest, hij kon niet
anders.

Eindelijk kwam de donkere ruimte open. Pluizer nam het licht en kroop
haastig naar binnen.

'Hier, hier!' riep hij en liep naar het hoofdeinde.

Doch toen Johannes bij de handen kwam, die stil over elkaar gevouwen op
de borst lagen, moest hij rusten. Hij staarde op de magere, witte
vingers, half verlicht aan de bovenzijde. Op eenmaal herkende hij ze,
hij herkende den vorm en de plooien der vingers, de gedaante der lange
nagels, nu donkerblauw verkleurd. Hij herkende een bruin vlekje aan den
wijsvinger.

Het waren zijn eigene handen.

'Hier, hier!' riep Pluizer's stem van het hoofdeinde. 'Zie eens, herken
je hem?'

Nog wilde de arme Johannes zich weer oprichten en op het licht toegaan,
dat hem wenkte. Doch hij kon niet meer. Het lichtje verglom tot volkomen
duisternis, en hij viel bewusteloos.



XII


Diep zonk hij weg in den slaap, tot in de diepte waar geen droomen zijn.

Toen hij uit die duisternissen herrees, langzaam, naar het grauwe, koele
licht van den morgen, streek hij door bonte, zachte droomen uit vroeger
tijd. Hij ontwaakte en zij gleden van zijn ziel als dauwdroppelen van
een bloem. Kalm en vriendelijk was de uitdrukking van zijn oogen, half
nog starend in het wemelen der lieflijke beelden.

Doch in pijn, als een lichtschuwe, sloot hij ze voor het vale daglicht.
Hij zag, wat hij ook den vorigen morgen gezien had. Het scheen hem ver
en lang geleden. Doch uur na uur kwam hem weer te binnen, van den
droevigen morgen tot den vreeselijken nacht. Hij kon niet gelooven, dat
al die verschrikkingen in éénen dag waren verschenen. Het begin van zijn
ellende scheen zoo ver, verloren in grauwen mist.

Spoorloos gleden de zachte droomen van zijn ziel, Pluizer schudde hem,
en de sombere dag begon, traag en kleurloos, de voorlooper van vele,
vele andere.

Doch wat hij den vorigen avond op dien bangen tocht gezien had, bleef
hem bij. Was het slechts een afschuwelijk visioen geweest?

Toen hij Pluizer er weifelend naar vroeg, keek deze hem spottend en
verwonderd aan.

'Wat bedoel je?' vroeg hij.

Doch Johannes zag den spot niet in zijn blik, en vroeg of het niet
waarlijk zoo geschied was, hij zag het nog zoo scherp en duidelijk
voor zich!

'Maar Johannes, wat ben je toch dom! Zulke dingen kunnen immers niet
gebeuren!'

En Johannes wist niet wat hij denken moest.

'We zullen je gauw aan 't werk zetten. Dan zul je zulke domme vragen
niet meer doen.'

En zij gingen naar den docter Cijfer, die Johannes zou helpen vinden,
wat hij zocht.

Doch in de drukke straten hield Pluizer eenmaal plotseling stil en wees
Johannes een mensch uit de menigte.

'Ken je hem nog?' vroeg Pluizer en schaterde het uit toen Johannes bleek
werd en den man verschrikt nastaarde.

Hij had hem den vorigen nacht gezien, diep onder de aarde.

Vriendelijk ontving hen de docter en deelde Johannes zijn wijsheid mede.
Uren luisterde hij dien dag, en vele dagen daarna.

Wat hij zocht had de docter nog niet gevonden. Doch hij had het bijna,
zeide hij. Hij zou Johannes zoo ver brengen als hij zelve was en dan
zouden zij er beiden wel komen.

Johannes leerde en luisterde, ijverig en geduldig, dagen en maanden
lang. Hij gevoelde weinig hoop, doch hij begreep, dat hij nu dóór moest
gaan, zoo ver mogelijk. Hij vond het vreemd, dat terwijl hij licht
zocht, het hoe langer hoe duisterder om hem werd. Het begin van al wat
hij leerde was het best, doch hoe dieper hij doordrong hoe doodscher en
duisterder. Hij begon met planten en dieren, met al wat om hem was en
als hij er lang op gestaard had, werden het cijfers. Alles viel uiteen
tot cijfers, bladen vol cijfers. Dat vond docter Cijfer heerlijk, en hij
zeide, dat het hem licht werd, als de cijfers kwamen, doch voor Johannes
was dat duisternis.

Pluizer verliet hem niet en dreef en zweepte hem voort, als hij
moedeloos en vermoeid was. Alle oogenblikken van genot of bewondering
bedierf hij hem.

Johannes verbaasde en verheugde zich, toen hij leerde en zag, hoe fijn
de bloemen waren gebouwd, hoe zij vruchten vormden en hoe de insecten
hen onwetend hielpen in die taak.

'Dat is toch prachtig,' zeide hij, 'hoe juist is dat alles berekend en
hoe fijn en doelmatig gemaakt.'

'Ja, verbazend doelmatig,'zei Pluizer, 'jammer dat het grootste deel van
die doelmatigheid en fijnheid tot niets dient. Hoeveel bloesems worden
vruchten en hoeveel pitten worden boomen?'

'Maar het schijnt toch alles naar een groot plan gemaakt,' antwoordde
Johannes. 'Zie! de bijen zoeken honing voor zich zelven en weten niet
dat zij de bloemen helpen, en de bloemen lokken de bijen door hun kleur.
Het is een plan, en zij werken beide mede zonder het te weten.'

'Dat lijkt heel mooi, maar er mankeert veel aan. Als de bijen kans zien,
bijten zij een gat onder in de bloem en maken de heele ingewikkelde
inrichting te schande. Een slimme plannenmaker, die zich door een bij
voor den gek laat houden.'

Bij het wonderbare samenstel van menschen en dieren ging het nog erger.
Van al wat Johannes schoon en kunstig toescheen, toonde hij de
onvolkomenheid en de gebreken. Het gansche heer van kwalen en ellende
dat mensch en dier treffen kan, toonde hij hem, met voorliefde het
walgelijkste en afzichtelijkste kiezend.

'Die plannenmaker, Johannes, was erg slim, maar bij alles wat hij maakte
vergat hij iets, en de menschen hebben handen vol werk, om al die
gebreken zoo goed mogelijk bij te lappen. Zie maar om je heen! een
parapluie, een bril, zelfs kleeren en huizen, het is alles menschelijk
lapwerk. Het hoort volstrekt niet bij het plan. Maar de plannenmaker
heeft niet bedacht dat menschen het koud zouden hebben en boeken zouden
lezen en duizend dingen meer zouden gaan doen, waarvoor zijn plan niet
deugde. Hij heeft zijn kinderen kleertjes gegeven, zonder te denken,
dat zij er uit zouden groeien. Nu zijn bijna alle menschen lang hun
natuurpakje ontgroeid. Nu gaan zij alles zelf doen en storen zich
volstrekt niet meer aan den plannenmaker en zijn plannen. Wat hij hun
niet gegeven heeft, nemen ze brutaal en eigenmachtig, en waar het hem
blijkbaar te doen was hen te doen sterven, ontduiken zij den dood soms
voor langen tijd, door allerlei kunstgrepen.'

'Maar het is de schuld van de menschen,' riep Johannes, 'waarom wijken
zij moedwillig af van de natuur?'

'O domme Johannes! als een kindermeid een onnoozel kind met vuur laat
spelen en het brandt zich, wie heeft dan schuld? Het kind dat geen vuur
kende, of de meid die wist dat het kind zich branden zou? En wie is
schuld, als de menschen afdwalen in ellende en onnatuur, zijzelve of de
alwijze plannenmaker, bij wien zij als onwetende kinderen zijn?'

'Maar zij zijn niet onwetend, zij wisten ...'

'Johannes! als gij een kind zegt: 'raak dat vuur niet aan! het doet
pijn' en als het kind het dan toch doet, omdat het niet weet wat pijn
is, kunt gij u dan van schuld vrij pleiten en zeggen: 'zie! het kind was
niet onwetend'? Gij toch wist, dat het uwen raad niet zou achten.
Menschen zijn dwaas en dom als kinderen. Doch glas is bros en leem is
week. En wie menschen maakt en hun dwaasheid niet rekent, is als hij die
wapenen maakt van glas en niet bedenkt dat zij zullen breken, en pijlen
van leem en niet bedenkt, dat zij zullen buigen.'

En de woorden vielen als droppelen vloeiend vuur op Johannes' ziel. En
in zijn borst zwol het grootste leed, dat zijn vroegere smarten verdrong
en hem vaak deed weenen, in de stille, slapelooze uren van den nacht.

Ach! slaap! slaap! Er kwam een tijd, na lange dagen, dat slaap hem het
liefste was van alles. Daarin was geen gedachte en geen leed; en zijn
droomen brachten hem altijd tot zijn vroeger leven terug. Heerlijk
scheen het hem, als hij er van droomde, doch overdag kon hij zich niet
meer te binnen brengen, hoe het geweest was. Hij wist alleen, dat zijn
verdriet en verlangen van vroeger beter waren, dan het ledige, doode
gevoel dat hij nu kende. Hij had eens smartelijk naar Windekind verlangd,
hij had eens uur aan uur op Robinetta gewacht. Hoe heerlijk was dat
geweest!

Robinetta! Verlangde hij nog? Hoe meer hij leerde, hoe meer zijn
verlangen week. Want ook dat werd ontleed en Pluizer legde hem uit wat
liefde was. Toen schaamde hij zich en docter Cijfer zeide dat hij er nog
geen cijfers van maken kon, maar dat het wel spoedig gebeuren zoude. Zoo
werd het duisterder en duisterder om den kleinen Johannes.

Hij had een flauw gevoel van dankbaarheid, dat hij Robinetta niet
herkend had op zijn vreeselijken tocht met Pluizer.

Als hij Pluizer er over sprak, zeide deze niets en lachte slim. Maar
Johannes begreep dat het niet was geweest, om hem te sparen.

De uren dat Johannes niet leerde en werkte, gebruikte Pluizer, om hem de
menschen te laten zien. Hij wist hem overal te brengen, in de ziekenhuizen,
waar in groote zalen de zieken lagen, lange rijen bleeke, uitgeteerde
gezichten met doffe of pijnlijke uitdrukking, waar een naargeestige stilte
was, slechts door kuchen en kermen gebroken. En Pluizer wees hem, wie van
hen nimmer die zalen zouden verlaten. En als op een bepaald uur stroomen
menschen het huis binnenkwamen om hunne zieke verwanten te bezoeken, zeide
Pluizer: 'Zie! die allen weten, dat ook zij eens in dit huis en in die
droeve zalen terecht zullen komen, om er in een zwarte kist uitgedragen te
worden.'

'Hoe kunnen zij nog ooit vroolijk zijn?' dacht Johannes.

En Pluizer bracht hem op een klein bovenzaaltje, waar een weemoedig
halfduister heerschte en waar de verwijderde klanken van een piano uit
een naburig huis onophoudelijk en droomerig doordrongen. Daar wees
Pluizer hem onder de anderen een zieke, die suffend voor zich uit
staarde naar een smal zonnestraaltje, dat traag langs den muur kroop.

'Die ligt daar al zeven jaar,' zeide Pluizer. 'Hij is zeeman geweest en
heeft de palmen van Indië, de blauwe zeeën van Japan, de bosschen van
Brazilië gezien. Nu amuseert hij zich al de lange dagen van zeven lange
jaren, met dat zonnestraaltje en dat pianospel. Hij komt hier niet meer
vandaan; maar het kan nog even lang duren.'

Na dien dag was het Johannes' bangste droom, op eens te ontwaken in dat
zaaltje, in dat weemoedig halfduister bij die droomerige klanken, om tot
het einde toe niets anders meer te zien dan het gaande en komende licht.

Pluizer bracht hem ook in de groote kerkgebouwen en liet hem luisteren
naar wat daar gezegd werd. Hij bracht hem bij feesten, bij groote
plechtigheden, in de binnenvertrekken van vele huizen.

Johannes leerde de menschen kennen, en het gebeurde hem somtijds, dat
hij aan zijn vroeger leven moest denken, aan de sprookjes, die Windekind
hem verteld had, en aan zijn eigen ontmoetingen. Er waren menschen die
hem aan het glimwormpje herinnerden, dat in de sterren zijn gestorven
makkers meende te zien, of aan den eenen meikever, die een dag ouder was
dan de andere en zooveel over een roeping gesproken had, en hij hoorde
verhalen, die hem aan Kribbelgauw, den held der kruisspinnen, deden
denken; of aan den aal, die niets deed en gevoed werd omdat een dikke
koning deftig stond. Zich-zelven vergeleek hij wel met den jongen
meikever, die niet wist wat een roeping was en in het licht vloog. Hij
voelde zich alsof hij hulpeloos en verminkt op het vloerkleed rondkroop,
met een draadje om 't lijf, een scherp draadje, waaraan Pluizer rukte
en trok.

Ach, den tuin zou hij wel niet meer vinden, wanneer zou de zwarte voet
komen en hem verpletteren?

Pluizer bespotte hem, als hij over Windekind sprak. En langzamerhand
begon hij te gelooven, dat Windekind er nooit geweest was.

'Maar, Pluizer! dan is het sleuteltje er ook niet, dan is er niets!'

'Niets! Niets! Er zijn menschen en cijfers, dat is alles waar, dat
bestaat, eindeloos veel cijfers.'

'Maar, Pluizer, dan hebt ge mij bedrogen. Laat mij uitscheiden, laat mij
niet meer zoeken, laat mij alleen!'

'Weet je niet meer wat de Dood gezegd heeft? Een mensch zou je worden,
een volmaakt mensch.'

'Ik wil niet, het is vreeselijk.'

'Je moet, je hebt ééns gewild. Zie docter Cijfer eens, vindt die het
vreeselijk? Word zooals hij is.'

Het was waar. Docter Cijfer scheen altijd rustig en gelukkig. Onvermoeid
en onverstoorbaar ging hij zijn weg, studeerend en onderrichtend, tevreden
en gelijkmoedig.

'Zie hem,' zeide Pluizer, 'hij ziet alles en ziet ook niets. Hij bekijkt
de menschen alsof hij zelf een ander wezen ware, dat niets met hen
uitstaande heeft. Hij gaat tusschen kwalen en ellenden als een onkwetsbare
en verkeert met den dood als een onsterfelijke. Hij verlangt alleen te
begrijpen wat hij ziet, en hij vindt alles even goed wat hij te weten komt.
Hij is met alles tevreden, zoodra hij het bereikt. Zóó moet je ook worden.'

'Maar dat kan ik nooit.'

'Ja, dat kan ik niet helpen.'

Dat was immer het hopelooze einde van hun gesprek. Johannes werd dof en
onverschillig, zocht en zocht, niet meer wetend waarnaar en waarom. Hij
werd als de velen, die Wistik gesproken hadden.

't Werd winter, en hij merkte het nauwelijks.

Op een killen, mistigen morgen, toen de natte, vuile sneeuw op de
straten lag en van boomen en daken droop, ging hij met Pluizer zijn
dagelijkschen gang.

Op een plein ontmoette hij eenige jonge meisjes, op een rij, met
schoolboeken in de hand. Ze wierpen elkaar met sneeuw en lachten en
stoeiden. Helder klonken haar stemmetjes over het besneeuwde plein. Men
hoorde geen geluid van voetstappen of rijtuigen, alleen de rinkelende
bellen der paarden of het rammelen van een winkeldeur. Helder klonk de
blijde lach door de stilte. Johannes zag hoe een der meisjes hem aankeek
en bleef nastaren. Zij had een bontmanteltje om en droeg een zwarten
hoed. Hij kende haar gelaat zeer goed, maar wist toch niet wie zij was.
Zij knikte eens, en nog eens.

'Wie is dat? ik ken haar.'

'Ja, dat is wel mogelijk. Zij heet Maria. Sommigen noemen haar
Robinetta.'

'Neen, dat kan niet. Zij lijkt niet op Windekind. Het is een gewoon
meisje.'

'Ha! ha! ha! Zij kan niet lijken op niemand. Maar zij is wie zij is. Je
hebt naar haar verlangd, ik wil je nu wel bij haar brengen.'

'Neen, ik wil haar niet zien. Ik had haar liever dood gezien, zooals de
anderen.'

En Johannes keek niet meer om, maar liep haastig door en prevelde:

'Dat is het laatste, er is niets! niets!'



XIII


Het klare, warme zonlicht van een eersten lentemorgen stroomde over de
groote stad. Helle stralen vielen in 't kamertje, waar Johannes woonde;
op de lage zoldering trilde en schommelde een groote lichtplek,
weerkaatsing van het rimpelend water der gracht.

Johannes zat voor het raam in den zonneschijn en staarde over de stad.
Zij was geheel van uitzicht veranderd. De grauwe mist was een glanzig
blauw zonnewaas geworden, dat het einde der lange straten en de torens
in de verte omhulde. De lichtkanten der leien daken schitterden
zilverwit, alle huizen hadden heldere lijnen en lichte vlakken door het
zonlicht, er was een warme tinteling in de bleekblauwe lucht. Het water
scheen levend geworden. De bruine knopjes der iepeboomen waren dik en
glanzig, en luidruchtige musschen fladderden tusschen de takjes.

Het werd Johannes zoo zonderling te moede, terwijl hij staarde. De
zonneschijn bracht hem in een zoete verdooving.

Er was vergetelheid en dadelijke weelde in. Droomend staarde hij op de
schittering der golfjes, op de zwellende iepeknopjes, en hij luisterde
naar het tjilpen der musschen. Er was vreugde in dat geluid.

Zoo week was hij in langen tijd niet gestemd geweest; zoo gelukkig had
hij zich in langen tijd niet gevoeld.

Dat was de oude zonneschijn, dien hij herkende. Dat was de zon die hem
vroeger naar buiten riep, naar den tuin, waar hij dan, in de luwte van
een oud muurtje, op den warmen grond ging liggen, en lang kon genieten
van al dat licht en die warmte, starend op de halmpjes en kluitjes vóór
hem, gekoesterd in de zon.

Het was hem zoo wèl in dat licht, het gaf hem het veilige thuisgevoel,
zooals hij zich herinnerde dat het heel vroeger was, in de armen van
zijn moeder. Hij moest aan al het verledene denken, doch hij weende of
verlangde niet. Hij zat stil en droomde, niet anders wenschend dan dat
de zon blijven mocht.

'Wat suf je daar, Johannes?' riep Pluizer, 'je weet ik houd niet van
droomen.'

Johannes hief smeekend de peinzende oogen op.

'Laat mij nog wat zoo blijven,' zeide hij. 'De zon is zoo goed.'

'Wat vindt je aan die zon?' zeide Pluizer. 'Het is toch niets anders
dan een groote kaars, of je in kaarslicht of zonlicht zit is volmaakt
hetzelfde. Zie! die schaduwen en die lichte plekken op straat, dat is
toch niets anders dan het schijnsel van een licht, dat wat stil brandt
en niet flikkert. En dat licht is eigenlijk een heel klein vlammetje,
dat op een heel klein stukje van de wereld schijnt. Daar! daar! voorbij
dat blauw, onder en boven ons, is het donker, koud en donker! daar is
het nu nacht, nu en altijd.'

Doch zijn woorden hadden geen invloed op Johannes. De stille, warme
zonnestralen doordrongen hem en vervulden zijn geheele ziel, het was
licht en vredig in hem.

Pluizer nam hem mede naar het kille huis van docter Cijfer. Een tijd
lang nog zweefden de zonnebeelden voor zijn geest, toen verflauwden zij
langzamerhand en midden op den dag was het geheel duister in hem.

Doch toen de avond kwam en hij weder door de straten der stad ging, was
de lucht zoel en vol vochtige voorjaarsgeuren. Alles geurde sterker en
in de enge straten beklemde het hem. Maar op de open pleinen rook hij
het gras en de knoppen van buiten. En boven de stad zag hij het voorjaar
in de rustige wolkjes, in het teedere rood van den westelijken hemel.

De schemering spreidde een zachten, grijzen nevel over de stad, vol
fijne tinten. Het werd stil in de straten, alleen een straatorgel in de
verte speelde een weemoedige wijs, de huizen schenen zwarte schimmen
tegen den rooden avondhemel, als tallooze armen staken ze hun grillige
spitsen en schoorsteenen op.

Het was Johannes als een vriendelijke glimlach der zon, toen zij voor
het laatst lichtte over de groote stad, vriendelijk als de glimlach die
een dwaasheid vergeeft. En de zoelte streek Johannes liefkoozend langs
de wangen.

Toen kwam er een groote weemoed in Johannes' hart, zoo groot dat hij
niet verder kon gaan en diep ademend zijn gezicht moest opheffen naar
den wijden hemel. Het voorjaar riep hem en hij hoorde het. Hij wilde
antwoorden, hij wilde komen. Het was alles berouw en liefde en
vergeving in hem.

Verlangend staarde hij omhoog en tranen gleden uit zijn droeve oogen.

'Kom! Johannes! doe niet zoo raar, de menschen kijken!' zei Pluizer.

De lange, eentonige huizenrijen strekten zich aan beide zijden somber en
naargeestig uit. Een jammer in de zoele lucht, een klaagtoon tusschen
het roepen van de lente!

De menschen zaten aan de deuren en op de stoepen, om de lente te
genieten. Het scheen Johannes een bespotting. De vuile deuren stonden
open en de bedompte ruimte daarbinnen wachtte hen. Nog rekte het orgel
in de verte zijn weemoedige tonen.

'O! kon ik hier uit wegvliegen, ver weg, naar de duinen, naar--de zee!'

Doch hij moest mede naar het hooge kleine kamertje en hij lag wakker
dien nacht.

Hij moest denken aan zijn vader en de lange wandelingen, die hij met hem
maakte, als hij tien passen achter hem liep en zijn vader letters voor
hem schreef in het zand. Hij moest aan de plaatsen denken, waar de
viooltjes groeien tusschen het kreupelhout en aan de dagen, dat hij ze
met zijn vader gezocht had. Den ganschen nacht zag hij het gezicht van
zijn vader, zooals het was, als hij des avonds bij het stille lamplicht
naar hem zat te kijken en luisterde naar het krassen van zijn pen.

Iederen morgen vroeg hij Pluizer toen, om nog ééns terug te mogen gaan,
naar zijn huis en zijn vader, om nog ééns zijn tuin en de duinen te
mogen zien. Nu merkte hij dat hij zijn vader meer had liefgehad dan
Presto en zijn kamertje, want het was om hem dat hij het vroeg.

'Zeg mij alleen hoe het met hem is en of hij nog boos op mij is, dat ik
zoolang ben weggebleven.'

Pluizer haalde de schouders op. 'Al wist je dat nu, wat zou het je
helpen?'

Doch de lente bleef hem roepen, luider en luider. Iederen nacht droomde
hij van het donkergroene mos aan de duinhellingen en van zonnestralen,
die door het fijne, jonge groen schenen.

'Het kan zóó niet langer duren,' dacht Johannes, 'ik kan het niet
uithouden.'

En vaak, als hij niet slapen kon, stond hij zachtjes op, ging naar het
venster, en staarde in den nacht. Hij zag hoe de dommelige, donzen
wolkjes langzaam langs de maanschijf schoven, vreedzaam drijvend in een
zee van zachten glans. Hij dacht hoe nu daar in de verte de duinen
sliepen in den zoelen nacht, hoe wondervol het moest zijn in de lage
boschjes, waar geen van de jonge blaadjes zou bewegen en waar het zou
geuren van vochtig mos en jonge berkenspruiten. Hij meende van verre het
golvende koor der kikvorschen te hooren, dat zoo geheimzinnig aanzweeft
over de velden, en het lied van den eenigen vogel, die de plechtige
stilte mag begeleiden, die zijn zang zoo zacht en klagend begint en zoo
plotseling afbreekt, waardoor de stilte nog stiller schijnt. En het riep
hem, het riep hem alles. Hij boog het hoofd op de vensterbank en snikte
op zijn arm.

'Ik kan niet! ik kan het niet dragen. Ik zal wel gauw sterven, als ik
niet komen mag.'

Toen Pluizer hem den volgenden dag wekte, zat hij nog bij het venster,
waar hij was ingeslapen met het hoofd op den arm.

De dagen vergingen, werden lang en warm, en er kwam geen verandering.
Doch Johannes stierf niet en zijn smart moest hij dragen.

Op een morgen zeide docter Cijfer tot hem: 'Gaat ge mede Johannes, ik
moet een zieke bezoeken.'

Docter Cijfer was bekend als een geleerd man en velen riepen zijn hulp
in tegen ziekte en dood. Reeds dikwijls was Johannes met hem medegegaan.

Pluizer was bizonder vroolijk dien morgen. Hij ging telkens op het hoofd
staan, danste en buitelde, en bedreef allerlei uitgelaten scherts. Hij
grinnikte voortdurend geheimzinnig, als een die een ander een verrassing
bereid heeft. Johannes vreesde hem zeer in die stemming.

Docter Cijfer bleef echter ernstig als altijd.

Zij gingen een verren weg dien morgen. In een spoortrein en te voet. Zij
gingen verder dan anders, nog nooit was Johannes buiten de stad
medegenomen.

Het was een warme, zonnige dag. Uit den spoortrein zag Johannes de
groote, groene weiden voorbijgaan met langgepluimd gras en grazende
koeien. Hij zag witte vlinders fladderen boven het bloemrijke land, waar
de lucht trilde van zonnehitte.

Doch opeens voelde hij een tinteling, daar strekte zich de lange,
golvende duinreeks uit!

'Nu Johannes!' grinnikte Pluizer. 'Nu krijg je toch je zin, zie je wel!'

Half ongeloovig bleef Johannes naar de duinen staren. Zij kwamen nader
en naderbij. De lange slooten aan beide zijden schenen om hun middelpunt
te draaien en snel vlogen enkele woningen langs den weg voorbij.

Toen kwamen de boomen: dichtbebladerde kastanjeboomen, rijkelijk bloeiend
met duizenden groote, witte of roode bloemtrossen, donker-blauwgroene
dennen, groote, statige linden.

Het was toch waarheid, hij ging zijn duinen weerzien.

De trein stond stil, en toen liepen de drie te voet, onder schaduwrijk
loof.

Daar was het donkergroene mos, daar waren de ronde plekken der zonnestralen
op den boschgrond, dat was de geur van berkenspruiten en dennenaalden.

'Is het waar! is het werkelijk waar?' dacht Johannes, 'zou het geluk komen?'

Zijn oogen schitterden en zijn hart klopte sterk. Hij begon te gelooven
aan zijn geluk. Deze boomen, dezen grond kende hij, dit boschpad was hij
vaak gegaan.

Zij waren alleen op den weg. Doch Johannes moest omkijken, alsof hen
iemand volgde. En hij meende tusschen het eikenloof de donkere figuur
van een mensch te zien, die telkens door de laatste kronkeling van het
pad verborgen bleef.

Pluizer keek hem valsch en geheimzinnig aan. Docter Cijfer liep met
lange schreden en staarde naar den grond.

De weg werd hem bekender en vertrouwder, iederen steen, ieder struikje
kende hij, toen verschrikte Johannes op eenmaal hevig, want hij stond
voor zijn eigen huis.

De kastanjeboom voor het huis breidde zijn groote, handvormige bladen
schaduwend uit. Tot boven in den hoogen top prijkten de prachtig witte
bloesems in de volle, ronde loovermassa.

Hij hoorde het geluid der opengaande deur, dat hij zoo goed kende, en
hij rook den geur van zijn eigen huis. Daar herkende hij de gang, de
deuren, alles stuk voor stuk, met een smartelijk gevoel van verloren
vertrouwelijkheid. Het was alles een deel van zijn leven, van zijn
eenzaam, mijmerend kinderleven. Tegen al die voorwerpen had hij
gesproken, hij had met hen geleefd in zijn gedachteleven, waarin hij
geen mensch toeliet. Doch nu voelde hij zich gescheiden en afgestorven
van het gansche oude huis, met zijn kamers en gangen en portaaltjes. Hij
voelde dat die scheiding onherroepelijk was en het was hem alsof hij een
kerkhof bezocht, zoo weemoedig en droevig.

Was Presto hem maar tegemoetgesprongen, dan zou het minder akelig zijn,
maar Presto was zeker weg of dood.

Doch waar was zijn vader?

Hij keek terug naar de open deur en den zonnigen tuin daarbuiten, en zag
den man, die hem op weg scheen te achtervolgen, nu reeds op het huis
toeschrijden. Hij kwam nader en nader en scheen grooter te worden bij
het naderen. Toen hij bij de deur was vervulde een groote, kille schaduw
de gang. Toen herkende Johannes den Man.

Het was doodstil in huis en zij gingen zwijgend de trap op. Er was een
trede, die altijd kraakte onder den tred, dat wist Johannes. En nu
hoorde hij haar driemaal kraken, het klonk als pijnlijk kreunen. Doch
onder den vierden voetstap was het als een doffe snik.

En boven hoorde Johannes een gekreun, zacht en zoo regelmatig als
langzaam klokgetik. Het was een pijnlijk akelig geluid.

De deur van Johannes' kamertje stond open. Hij wierp er even een schuwen
blik in. De wonderlijke bloemfiguren van het behangsel staarden hem
verbaasd en wezenloos aan. De hangklok stond stil.

Zij gingen naar de kamer van waar het geluid kwam. Het was zijns vaders
slaapkamer. De zon scheen vroolijk naar binnen, op de gesloten, groene
gordijnen van het bed. Simon de kat zat op de vensterbank in den
zonneschijn. Er heerschte een beklemmende geur van wijn en kamfer. Het
zachte kreunen klonk nu van nabij.

Johannes hoorde fluisteren van stemmen en schuifelen van voorzichtige
voetstappen. Toen werden de groene gordijnen opgeslagen.

Hij zag het gezicht van zijn vader, dat hij zoo dikwijls voor zich had
gezien den laatsten tijd. Doch het was geheel anders. De vriendelijke,
ernstige uitdrukking was weg en het keek strak en benauwd. Het was
vaalbleek, met bruine schaduwen. De tanden waren zichtbaar in den
halfgeopenden mond en het wit der oogen onder de halfgesloten oogleden.
Het hoofd lag weggezonken in het kussen en regelmatig hief het zich bij
het kreunen even op, om dan weer moede op zij te vallen.

Roerloos stond Johannes bij het bed en staarde met wijde strakke oogen
naar dat bekende gezicht. Hij wist niet wat hij dacht, hij durfde geen
vinger bewegen, hij durfde die oude, bleeke handen niet vatten, die slap
op het witte linnen lagen.

Het was alles zwart om hem, de zon en de lichte kamer, het groen
daarbuiten en de blauwe lucht van zooeven, al wat achter hem lag, het
werd zwart, zwart, dof en ondoordringbaar. En in dien nacht zag hij
alleen dat bleeke hoofd daar vóór hem. En hij moest alleen denken aan
dat arme hoofd, dat zoo moede scheen, en zich telkens en telkens weer
met smartelijk geluid moest opheffen.

Daar kwam een oogenblik verandering in de regelmatige beweging. Het
kreunen hield even op, de oogleden gingen langzaam open, de oogen
staarden zoekend rond en de lippen trachtten iets te zeggen.

'Dag vader!' fluisterde Johannes en staarde angstig bevend in de
zoekende oogen. De matte blik rustte toen even op hem en een flauw,
flauw glimlachje rimpelde de holle wangen. De smalle, saamgeplooide hand
werd van het linnen opgeheven en maakte een onzekere beweging naar
Johannes, toen viel zij krachteloos weder neer.

'Kom! kom!' zeide Pluizer, 'geen scène hier.'

'Ga uit den weg, Johannes,' zeide docter Cijfer, 'wij moeten zien wat er
te doen valt.' De docter begon het onderzoek, doch Johannes ging weg van
het bed en stond voor het raam. Hij keek naar het zonnige gras en de
heldere lucht en naar de breede kastanjeblaren, waarop dikke vliegen
zaten, die blauw glansden in den zonneschijn. Het kreunen begon weer met
dezelfde gelijkmatigheid.

Een zwarte meerle huppelde tusschen het hooge gras in den tuin, groote
rood- en zwarte vlinders dwarrelden over de bloemperken, uit het loover
der hoogste boomen drong het zachte, vleiende gekir der houtduiven tot
Johannes door.

Hier binnen hield het kreunen aan, altijd door, altijd door. Hij moest
er naar luisteren, en het kwam regelmatig, onafwendbaar als de vallende
droppel, die krankzinnig maakt. In spanning wachtte hij bij elke
tusschenpooze en telkens kwam het weer, verschrikkelijk als de voetstap
van den naderenden dood.

En daarbuiten heerschte warme, weelderige zonnevrede. Alles koesterde
zich en genoot. De grashalmen trilden en de bladeren ritselden van zoete
weelde, boven de hooge boomtoppen, diep in het wemelende blauw, zweefde
een reiger met kalmen vleugelslag.

Johannes begreep het niet, het was hem alles een raadsel. Het was zoo
verward en duister in zijn ziel. 'Hoe kan dit alles tegelijk in mij
zijn!' dacht hij.

'Ben ik dit werkelijk? Is dat mijn vader, mijn eigen vader? Van mij,
mij, Johannes?'

Het was hem alsof hij van een vreemde sprak. Het was alles een verhaal,
dat hij gehoord had. Hij had iemand hooren vertellen van Johannes en van
het huis, waar hij woonde en van zijn vader, dien hij verlaten had en
die nu sterven ging. Hij was het zelf niet, hij had het hooren vertellen.
Het was wel een droevig verhaal, recht droevig. Maar het ging hem niet aan.

Ja! ja! toch. Hij was het zelf, hij! Johannes!

'Ik begrijp de zaak niet,' zeide docter Cijfer, zich oprichtende, 'het
is een raadselachtig geval.'

Pluizer kwam bij Johannes staan.

'Kom je niet eens kijken, Johannes, het is een belangrijk geval. De
docter weet het niet.'

'Laat mij,' zeide Johannes, zonder zich om te wenden. 'Ik kan niet
denken.'

Doch Pluizer ging achter hem staan en fluisterde scherp in zijn oor,
zooals zijn gewoonte was.

'Niet denken! Dacht je dat je niet denken kon? Dat heb je mis. Je moet
denken. Al kijk je nu in het groen en in de blauwe lucht, dat helpt
niet. Windekind komt toch niet. En de zieke man dáár gaat toch dood. Dat
heb je even goed gezien als wij. Maar wat zou zijn kwaal zijn, denk je?'

'Ik weet het niet! ik wil het niet weten.'

Johannes zweeg en luisterde naar het kreunen, het klonk zacht klagend en
verwijtend. Docter Cijfer maakte aanteekeningen in een boekje. Bij het
hoofd van het bed zat de donkere gestalte, die hen gevolgd was, het
hoofd gebogen, de lange hand naar den zieke gestrekt en de diepliggende
oogen naar de klok gericht.

Het scherpe fluisteren aan zijn oor begon weer.

'Waarom zie je zoo bedroefd, Johannes? Nu heb je toch je zin. Daar
liggen de duinen, daar zijn de zonnestralen door het groen, daar
fladderen vlinders en zingen vogels. Wat verlang je nu nog? Wacht je
Windekind? Als hij ergens is, moet hij dáár zijn. Waarom komt hij nu
niet? Zou hij bang zijn voor dien donkeren vriend aan het hoofdeneind?
Die was er toch altijd.'

'Zie je nu wel dat het alles verbeelding geweest is, Johannes?'

'Hoor je dat kreunen wel? Het klinkt al zachter dan zooeven. Je kunt
hooren dat het wel gauw heelemaal zal ophouden. Nu, wat is dat? Er
hebben er al zooveel gekreund, ook toen jij hier buiten rondliep
tusschen de duinrozen. Waarom sta je nu hier te treuren en gaat niet de
duinen in, als vroeger? Zie! alles bloeit en geurt en zingt daar, alsof
er niets gebeurt. Waarom doe je niet mee in al die vroolijkheid en
dat leven?'

'Eerst klaag je en verlang je, nu breng ik je waar je zijn wilde en nu
is het weer niet goed. Zie! ik laat je gaan, ga door het hooge gras, lig
in die koele schaduw, laat de vliegen om je gonzen en ruik den geur van
het jonge kruid! ik laat je vrij, ga nu! Zoek Windekind nu weer!'

'Je wilt niet? Geloof je nu dan toch alleen in mij? Is het waar wat ik
je verteld heb? Loog Windekind of ik?'

'Hoor het kreunen! Zoo kort en zwak. Het zal gauw stil zijn.'

'Zie maar niet zoo angstig om, Johannes. Hoe eer het stil is, hoe beter.
Nu zullen er geene lange wandelingen meer komen, nu zul je niet meer
naar viooltjes zoeken met hem. Met wie zou hij die twee jaren gewandeld
hebben, denk je? toen je weg waart? Ja, je kunt het hem nu niet meer
vragen. Dat zul je nooit weten. Nu moet je je wel met mij tevreden
stellen. Als je mij wat vroeger gekend hadt, zou je nu niet zoo
jammerlijk kijken. Je bent nog lang niet zooals je wezen moet. Denk je
dat docter Cijfer in jouw geval zoo kijken zou? Het zou hem even
bedroefd maken als die kat, die daar spint in den zonneschijn. En dat is
goed. Waartoe dient die rampzaligheid? Hebben de bloemen je die geleerd?
Die treuren ook niet als er een geplukt wordt. Is dat niet gelukkig? Zij
weten niets, daarom zijn zij zoo. Jij bent eens begonnen met iets te
weten, nu moet je ook alles weten om gelukkig te worden. Dat kan ik
alleen je leeren. Alles of niets.'

'Luister naar mij. Wat scheelt het of dat je vader is? Het is een mensch
die sterft, dat is een gewone zaak.'

'Hoor je het kreunen nog? Erg zwak niet waar? Het zijn nu wel de laatsten.'

Johannes zag naar het bed in bange beklemming.

Simon de kat sprong van de vensterbank, rekte zich uit en legde zich
spinnend naast den stervende in het bed.

Het arme, moede hoofd bewoog niet meer, het lag stil in het kussen
gezonken, doch uit den half geopenden mond kwamen nog regelmatig de
korte, matte klanken.

Zij werden zachter, zachter, nauwelijks hoorbaar.

Toen wendde de Dood de donkere oogen van de klok naar het ingezonken
hoofd en hief de hand op. Daarna werd het stil.

Een vale schaduw viel over het strakke gelaat.

Stilte, doffe, leege stilte!

Johannes wachtte, wachtte.

Doch de regelmatige klank keerde niet weer. Het bleef stil, een groote,
suizende stilte.

De spanning van het luisteren der laatste uren hield op, en het was
Johannes of zijn ziel werd losgelaten en neerviel in een zwart en
grondloos ledig. Hij viel dieper, en dieper. Het werd stiller en
duisterder om hem.

Daar klonk Pluizer's stem, als op een grooten afstand.

'Ziezoo! dat verhaaltje is weer uit.'

'Dat is goed,' zeide docter Cijfer, 'nu kunt gij zien wat het geweest
is. Ik laat dat aan u over. Ik moet heen.'

Half nog in een droom zag Johannes glinsterende messen blinken.

De kat zette een hoogen rug. Het werd koud naast het lichaam, en hij
zocht weer den zonneschijn.

Johannes zag hoe Pluizer een mes nam, het zorgvuldig beschouwde en er
mede naar het bed ging.

Toen schudde Johannes de verdooving van zich af. Eer Pluizer bij het bed
was, stond hij vóór hem.

'Wat wilt ge? vroeg hij. Zijn oogen waren wijd geopend in ontzetting.

'Wij zullen zien wat het geweest is,' zeide Pluizer.

'Neen!' zeide Johannes, en zijn stem was laag als een mannenstem.

'Wat beteekent dat?' zeide Pluizer met grimmig flikkerenden blik.

'Kun jij mij verbieden? Weet je niet hoe sterk ik ben?'

'Ik wil niet,' zeide Johannes. Hij sloot de tanden opeen en haalde diep
adem. Vast staarde hij Pluizer aan en strekte de hand naar hem uit.

Doch Pluizer naderde. Toen greep Johannes hem bij de polsen en worstelde
met hem.

Pluizer was sterk, hij wist het, nog nooit had hij hem weerstaan. Doch
hij liet niet af, en zijn wil brak niet.

Het mes schitterde voor zijn oogen, hij zag vonken voor zijn blik en
roode vlammen, doch hij gaf niet toe en bleef worstelen. Hij wist wat er
komen zou als hij bezweek. Hij kende het, hij had het vroeger gezien.
Doch wat daar achter hem lag was zijn vader, en hij wilde het niet zien.

En terwijl zij hijgend worstelden, lag achter hem het doode lichaam
gestrekt en bewegingloos, zooals het gelegen had op het oogenblik, toen
de stilte kwam, het wit der oogen zichtbaar als een smalle streep, de
mondhoeken opgetrokken tot strakken grijnslach.

Alleen als beiden in hun strijd tegen het bed stootten, schudde het
hoofd zachtjes heen en weer.

Nog hield Johannes vol, de adem begaf hem en hij zag niets meer. Een
sluier van bloedrood licht was voor zijn oogen. Toch hield hij vol.

Toen verzwakte langzamerhand de weerstand der beide polsen onder zijn
greep. Zijn spieren ontspanden zich, zijn armen vielen slap langs zijn
lijf en zijn gesloten handen waren ledig.

Toen hij opzag was Pluizer verdwenen. Alleen de Dood zat bij het bed en
knikte.

'Dat was goed van u, Johannes,' zeide hij.

'Zal hij weerkomen?' fluisterde Johannes. De Dood schudde het hoofd.

'Nooit. Wie hem eenmaal aandurft, ziet hem nooit weer.'

'En Windekind? Zal ik nu Windekind weerzien?'

Lang keek de sombere man Johannes aan. Zijn blik was niet angstwekkend
meer, maar zacht en ernstig, hij trok Johannes aan, als een groote diepte.

'_Ik_ alleen kan u bij Windekind brengen. Door mij alleen kunt ge het
boekje vinden.'

'Neem mij dan mede, er is nu niemand meer, neem mij nu ook mede, zooals
de anderen, ik wil niets anders meer ...'

Nogmaals schudde de Dood het hoofd.

'Gij hebt de menschen lief, Johannes. Gij wist het niet, maar gij hebt
hen altijd liefgehad. Gij moet een goed mensch worden. Het is een schoon
ding een goed mensch te zijn.'

'Ik wil niet, neem mij mede ...'

'Het is niet zoo. Gij wilt. Gij kunt niet anders!'

Toen werd de lange, donkere gestalte nevelig voor Johannes' oogen, zij
vervloeide in vage vormen, een ijle, grijze mist zweefde in 't vertrek
en trok weg langs de zonnestralen.

Johannes boog het hoofd over den rand van het bed en schreide bij den
dooden man.



XIV

Na langen tijd hief hij het hoofd op. De zonnestralen vielen schuin naar
binnen en hadden een rooden glans. Het schenen rechte, gouden staven.
'Vader! Vader!' fluisterde johannes.

Buiten vervulde de zon de geheele natuur met een wolk van schitterend
gouden gloed. Elk blad hing roerloos en alles zweeg in plechtige
zonnewijding.

En langs het licht daalde een zachte suizeling naar binnen. Het was als
zongen de lichte stralen.

'Zonnezoon! Zonnezoon!'

Johannes hief het hoofd op en luisterde. Het ruischte in zijn ooren.

'Zonnezoon! Zonnezoon!'

Het was als Windekind's stem. Die alleen had hem zoo genoemd, zou hij
hem nu roepen?

Doch hij zag naar het gelaat naast hem, hij wilde niet meer luisteren.

'Arme, lieve vader!' zeide hij.

Doch plotseling klonk het weer om hem, van alle zijden om hem, zoo
sterk, zoo dringend, dat hij huiverde van wonderbare aandoening.

'Zonnezoon! Zonnezoon!'

Johannes stond op en staarde naar buiten. Welk licht! welk heerlijk
licht. Het stroomde over de volle boomkruinen, het tintelde tusschen de
grashalmen en vonkelde in de donkere schaduwplekken. De gansche lucht
was er mede vervuld, tot hoog in het blauw, waar zich de eerste, teedere
avondwolkjes vormden.

Over het grasveld tusschen de groene boomen en heesters zag hij de
duinen. Op hun toppen lag rood goud en in hun schaduwen hing het blauw
des hemels.

Rustig lagen zij gestrekt in een kleed van teedere tinten. De fijne
golving hunner omtrekken was vredebrengend als een gebed. Johannes
voelde weder hoe het was, toen Windekind hem had leeren bidden.

Was zij daar niet, de lichte gestalte in het blauwe kleed? Zie! daar
midden in het licht, wat daar schemert in een waas van goud en blauw, is
dat niet Windekind, die hem wenkt?

Johannes vloog naar buiten in den zonneglans. Daar stond hij een oogwenk
stil. Hij voelde de heilige wijding van het licht, en durfde zich
nauwelijks bewegen, waar het loover zoo stil was.

Doch daar vóór hem was de lichte gestalte weer. Het was Windekind,
zeker! hij was het. Het stralende hoofdje naar hem toegekeerd, de mond
half geopend, als om te roepen. Hij wenkte hem met de rechterhand. In de
linker hield hij iets omhoog. Hoog hield hij het met de toppen der
slanke vingers, en het flonkerde en schitterde in zijn hand.

Met een blijden kreet van geluk en verlangen snelde Johannes naar de
geliefde verschijning. Doch ze verhief zich en zweefde vóór hem uit met
lachend gelaat en wenkende hand. Soms raakte zij de aarde in langzame
daling, maar dan rees zij weder op, licht en snel en zweefde verder als
het zaadpluis, dat de wind voortdrijft.

Johannes wilde zich ook verheffen en zweven, zooals vroeger en zooals in
zijn droom. Doch de aarde trok zijne voeten, en zijn tred bleef zwaar op
den grazigen grond. Hij moest met moeite zijn weg zoeken door de
struiken, wier loover ritselend langs zijn kleederen streek en wier
takken hem striemden in het gelaat. Zwoegend moest hij de mossige
hellingen der duinen beklimmen. Doch hij volgde onvermoeid en zijn oog
werd niet afgewend van Windekind's stralende verschijning, van wat daar
blonk in de hooggeheven hand.

Daar was hij midden in duin. In de gloeiende valleien bloeiden de
duinrozen en zagen met hun duizenden bleekgele kelkjes in het zonlicht.
Ook bloeiden er vele andere bloemen, helder blauwe, gele en purperen,
zwoele hitte lag in de kleine dalen en koesterde de geurige kruiden.
Sterke, harsachtige geuren hingen in de lucht. Johannes rook ze terwijl
hij voortging, het thijm rook hij en den geur van het droge rendiermos,
dat kraakte onder zijn voet. Het was bedwelmend heerlijk.

En voor het liefelijk beeld dat hij vervolgde, zag hij de bonte
duinvlinders fladderen. Kleine zwarte en roode kapelletjes, en het
zandoogje, het vroolijke vlindertje met de zijdeachtige vleugeltjes van
het teederste blauw. Om zijn hoofd snorden de gouden kevers, die op de
duinroos leven en dikke hommels dansten gonzend tusschen het
geblakerde duingras.

Wat was het heerlijk, wat zoude hij gelukkig zijn, als hij maar bij
Windekind was. Doch Windekind zweefde verder en altijd verder. Ademloos
moest hij volgen. De groote bleekbebladerde doornstruiken hielden hem
tegen en krasten hem met hun doornen; de vale, wollige toortsplanten
schudden de lange hoofden, als hij ze wegduwde in zijn vaart. Hij klom
tegen de zandige walletjes op en kwetste zijn handen aan het
stekelig helm.

Hij drong door de lage berkenboschjes waar het gras hem tot de knieën
reikte en de watervogels opvlogen van de kleine vijvers, die glinsterden
tusschen de struiken. Dichte witbloeiende meidoorns mengden hun geur met
dien van het berkenloof en van de munthe, die talrijk groeide op den
moerassigen grond.

Doch toen hielden de boschjes, het groen en de kleurige bloemen op.
Alleen de wonderlijke, bleekblauwe zeedistel groeide tusschen het vale,
dorre helm.

Op den top der laatste hooge duinenrij zag Johannes Windekind's beeld.
Verblindend schitterde het in zijn opgeheven hand. Geheimzinnig lokkend
klonk een groot gestadig bruisen van gene zijde, door een koelen wind
overgedragen. Het was de zee. Johannes voelde dat hij haar naderde en
langzaam klom hij de laatste helling op. Daarboven viel hij op de knieën
en staarde over de zee.

Toen hij zich boven den duinrand verhief, omgaf hem een roode gloed. De
avondwolken hadden zich ter uitvaart van het licht geschaard. Als een
wijde kring van geweldige rotsblokken met roodgloeiende randen omgaven
zij de dalende zon. Op de zee was een breede weg van levend purpervuur,
een vlammende, schitterende lichtweg, leidende naar den ingang des
verren hemels.

Achter de zon, waarin het oog nog niet staren kon, wemelden teedere
tinten van blauw en rose dooreen, in de diepte van de lichtgrot.
Daarbuiten langs den ganschen wijden hemel glansden roode vlammen en
strepen, lichte vlokjes van bloedig dons en vegen van uiteenvloeiend
vuur.

Johannes wachtte, totdat de zonneschijf den gloeienden weg die tot hem
leidde, aan het verste einde aanraakte.

Toen zag hij neder, en dichtbij was het lichte beeld, dat hij gevolgd
was. Een vaartuig, klaar en glinsterend als kristal, dreef bij het
strand op de breede vuurbaan. Aan het eene einde der boot stond
Windekind's ranke gedaante, met het gouden voorwerp dat blonk in zijn
hand. Aan het andere einde herkende Johannes den duisteren Dood.

'Windekind! Windekind!' riep Johannes. Doch in denzelfden tijd dat
Johannes het wondere vaartuig naderde, zag hij naar den horizon. In het
midden van de lichte ruimte, door de grove, vurige wolken omgeven, zag
hij een kleine, zwarte gestalte. Zij werd grooter en grooter, langzaam
naderde een mensch, rustig schrijdend over de woelende, vurige wateren.

De roodgloeiende golven rezen en daalden onder zijn voet, doch kalm en
rustig kwam hij nader.

Het was een mensch, zijn gelaat was bleek en zijn oog diep en donker.
Zoo diep als de oogen van Windekind, doch in hun blik was eindeloos
zachte weemoed, zooals Johannes dien nimmer in andere oogen gezien had.

'Wie zijt gij?' vroeg Johannes. 'Zijt gij een mensch?'

'Ik ben meer!' zeide hij.

'Zijt gij Jezus, zijt gij God?' vroeg Johannes.

'Noem die namen niet,' zeide de gestalte, 'zij waren heilig en rein als
priestergewaden en kostelijk als voedend koren, doch zij zijn tot draf
geworden voor de zwijnen en tot narrekleederen voor de dwazen. Noem hen
niet, want hun zin is tot dwaling, hun wijding tot spot geworden. Wie
mij kennen wil, werpe die namen weg en luistere naar zichzelven.'

'Ik ken u! ik ken u!' zeide Johannes.

'Ik was het, die u deed weenen om de menschen, terwijl gij uwe tranen
niet begrijpen kondet. Ik was het, die u deed liefhebben, waar gij uwe
liefde niet verstondt. Ik ben bij u geweest, en gij hebt mij niet
gezien, ik heb uwe ziel bewogen en gij hebt mij niet gekend.'

'Waarom zie ik u nu eerst?'

'Vele tranen moeten de oogen verhelderen, die mij zullen zien. En niet
voor uzelven alleen, maar voor mij moet gij weenen, dan zal ik u
verschijnen en gij zult mij herkennen als een ouden vriend.'

'Ik ken u. Ik herkende u. Ik wil bij u zijn.'

Johannes strekte de handen uit. Doch de mensch wees op het glinsterende
vaartuig, dat langzaam voortdreef op den vurigen weg.

'Zie!' zeide hij, 'dat is de weg naar alles wat gij verlangd hebt. Een
andere is er niet. Zonder die beiden zult ge het niet vinden. Doe nu uwe
keuze. Daar is het Groote Licht, daar zult gij zelve zijn wat gij
verlangt te kennen. Daar!' en hij wees naar het donkere Oosten, 'waar de
menschheid is en haar weedom, daar is mijn weg. Niet het dwaallicht, dat
gij gedoofd hebt, maar ik zal u begeleiden. Zie nu, gij weet het. Doe
uwe keuze.'

Toen wendde Johannes langzaam het oog van Windekind's wenkende gestalte
af en strekte de handen naar den ernstigen mensch. En met zijnen
begeleider ging hij den killen nachtwind tegemoet, den zwaren weg naar
de groote, duistere stad, waar de menschheid was en haar weedom.

       *       *       *       *       *

Wellicht vertel ik u eenmaal meer van den kleinen Johannes, doch op een
sprookje zal het dan niet meer gelijken.





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "De kleine Johannes" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home