Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: De Koran - Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding - omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz.
Author: Kazimirski Biberstein, Albin de, 1808-1887 [Translator], Japikse, Nicolaas, 1872-1944 [Contributor], Keyzer, Salomo, 1823-1868 [Editor]
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "De Koran - Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding - omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz." ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



                            De Koran

                       Voorafgegaan door
                     Het leven van Mahomed,
                   Eene inleiding omtrent de
           Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz.


Met ophelderende aanmerkingen en historische aanteekeningen van

     M. Kasimirski, Dr. L. Ullmann, Dr. G. Weil en R. Sale

                 Uitgegeven onder toezicht van

                         Dr. S. Keyzer


                          Vierde druk

                     Waaraan is toegevoegd

          Een overzicht van de geschiedenis der Turken
    voornamelijk in hunne verhouding tot het overige Europa

                              Door

                         Dr. N. Japikse

               Met 3 in kleuren gedrukte Kaartjes

                      Rotterdam--D. Bolle



VOORBERICHT BIJ DEN TWEEDEN DRUK.


Toen de eerste druk van den Koran, nu 20 jaar geleden onder toezicht
van den bekwamen Hoogleeraar Keyzer bij mij het licht zag, werd
er bepaald op gewezen, dat de kennis van de godsdienstgebruiken
der Mahomedanen een noodzakelijk vereischte is, om tot een juiste
beoordeeling te komen der geduchte macht, die haar hoofdzetel in
Konstantinopel heeft, en vandaar zich over geheel Azië en Afrika
uitstrekt.

Honderd dertig millioen Mahomedanen staan in de voornaamste
werelddeelen steeds gewapend tegenover drie honderd zestig millioen
Christenen.

Gedurende meer dan twaalf eeuwen is de Turk de openbare vijand van
den Christen en heeft deze laatste den Mahomedaan als zijn erfvijand
leeren beschouwen.

En toch is de Christen over het algemeen al zeer oppervlakkig in
zijne beschouwing van den Muzelman, slechts schaars bekend met den
godsdienst van Mahomed.

Sinds meer dan twaalf eeuwen hebben honderden millioenen menschen
in dit geloof hun levensgids gevonden. Men noeme dezen godsdienst
een dwaling: 't is zeker, dat geen Christensecte tot op dezen dag
voor haar geloof zóó heeft geleden en gestreden als deze geminachte
Muzelman voor het zijne.

De leer van Mahomed heeft slechts drie geloofsartikelen: "Er is
maar één God;"--"Mahomed is Zijn profeet;"--"Niemand kan het lot,
dat éénmaal onveranderlijk over hem is vastgesteld, ontgaan!"

Mahomed noemde zichzelf Gods profeet,... de Christenwereld noemde
Mahomed een kwakzalver. Het is bezwaarlijk aan te nemen, dat een
Godsdienst, waarin honderden millioenen schepselen, van gelijke
beweging als wij, leven en sterven, gedurende nu meer dan twaalf
eeuwen,.... dat zulk een godsdienst geheel op kwakzalverij berust.

Wanneer wij er Mahomed een verwijt van maken, dat hij zijn
godsdienstige leerstellingen doordreef met het zwaard, dan mogen wij,
Christenen, niet vergeten, dat de grondlegger van onzen godsdienst
wel een godsdienst des vredes en der liefde predikte, doch dat Karel
de Groote eveneens het zwaard gebruikte om de door hem overwonnen
volkeren tot het Christendom te bekeeren.

En als de Christen zijn Bijbel hoog in eere houdt, dan zien wij, dat de
eerbied, die den Muzelman voor zijn Koran heeft vooral niet minder is.

Is het Mahomedanisme in Europa nog een groote kracht, gelijk
uit den laatsten worstelstrijd met Rusland blijkt; blijft het in
het Britsch-Indische rijk het allesbeheerschend element, ook in
onze Nederlandsch-Indische bezittingen is het opgegroeid tot eene
verbazende macht.

Sedert Europa en Indië in versnelde gemeenschap zijn, de afstand
tusschen beiden van maanden tot weken is ingekrompen, elke maand
honderden van Europa naar Azië afreizen, is de noodzakelijkheid
vermeerderd om de grondbeginselen te kennen van de kracht, die daar
alles beheerscht, welker voorhoede reikt tot aan de grenzen van
Rusland en Oostenrijk, en eenmaal zelfs voor de poorten van Weenen
de vlag van den profeet ontplooide.

Ziedaar, waarom het wenschelijk mag genoemd worden, dat een tweede
vermeerderde druk van de Nederduitsche vertaling van den Koran daarin
een licht ontsteke, dat velen welkom zal zijn.


Haarlem 1878.                                    J. J. van Brederode.



VOORBERICHT BIJ DEN VIERDEN DRUK.


Wat de vorige uitgever, in zijn Voorbericht bij den Tweeden Druk,
ten opzichte van doel en strekking van dit boek heeft gezegd, is
heden nog even juist en actueel als het destijds was; bij dezen
vierden druk behoeft daaraan niets te worden toegevoegd.

Alleen aangaande het Overzicht van de Geschiedenis der Turken, zij
opgemerkt, dat dit hoofdstuk door Dr. N. Japikse geheel opnieuw werd
geschreven ten behoeve van den derden druk, en thans weder door hem
werd herzien.

De drie kaartjes bij dit hoofdstuk behoorend werden speciaal voor
deze uitgave ontworpen en geteekend door den heer H. Hettema Jr.


Rotterdam 1916.                                             D. Bolle.



INHOUD.



I.

Levensschets van Mahomet 1

II.

De Koran. Algemeen overzicht 41

III.

De Islam. Algemeen overzicht 57

IV.

De Koran.


    I. Inleiding. Gegeven te Mekka.--7 verzen 69
    II. De Koe. Gegeven te Medina.--286 verzen 70
    III. De familie Imram. Gegeven te Mekka.--200 verzen 108
    IV. De Vrouwen. Gegeven te Medina.--175 verzen 129
    V. De Tafel. Gegeven te Medina.--120 verzen 152
    VI. Het Vee. Gegeven te Mekka.--165 verzen 171
    VII. Al Araf. Gegeven te Mekka.--205 verzen 189
    VIII. De Buit. Gegeven te Medina.--76 verzen 211
    IX. De Verklaring van Vrijstelling. Gegeven te Medina.--130
    verzen 219
    X. Jonas. Gegeven te Mekka.--109 verzen 235
    XI. Hoed. Geopenbaard te Mekka.--123 verzen 245
    XII. Jozef. Gegeven te Mekka.--111 verzen 260
    XIII. De Donder. Gegeven te Mekka.--43 verzen 276
    XIV. Abraham. Geopenbaard te Mekka.--52 verzen 282
    XV. Al Hedjr. Geopenbaard te Mekka.--99 verzen 288
    XVI. De Bij. Gegeven te Mekka.--128 verzen 294
    XVII. De nachtelijke Reis. Geopenbaard te Mekka.--111
    verzen 309
    XVIII. De Spelonk. Geopenbaard te Mekka.--110 verzen 322
    XIX. Maria. Geopenbaard te Mekka.--98 verzen 336
    XX. T. H. Geopenbaard te Mekka.--135 verzen 344
    XXI. De Profeten. Geopenbaard te Mekka.--112 verzen 355
    XXII. De Pelgrimstocht. Gegeven te Mekka.--78 verzen 365
    XXIII. De ware Geloovigen. Geopenbaard te Mekka.--118
    verzen 374
    XXIV. Het licht. Geopenbaard te Medina.--64 verzen 381
    XXV. Al Forkan. Geopenbaard te Mekka.--77 verzen 393
    XXVI. De Dichters. Geopenbaard te Mekka.--228 verzen 400
    XXVII. De Mier. Gegeven te Mekka.--95 verzen. 410
    XXVIII. De geschiedenis (of de lotgevallen). Gegeven te
    Mekka.--88 verzen 419
    XXIX. De Spin. Geopenbaard te Mekka.--69 verzen 429
    XXX. De Grieken. Geopenbaard te Mekka.--60 verzen 435
    XXXI. Lokman. Geopenbaard te Mekka.--34 verzen 441
    XXXII. De Aanbidding. Gegeven te Mekka.--30 verzen 445
    XXXIII. De Verbondenen. Geopenbaard te Medina.--73 verzen 448
    XXXIV. Sara. Geopenbaard te Mekka.--54 verzen 461
    XXXV. De Engelen, of de Schepper. Geopenbaard te Mekka.--45
    verzen 468
    XXXVI. Y. S. Geopenbaard te Mekka.--83 verzen 472
    XXXVII. Zij die zich in orde scharen. Geopenbaard te
    Medina.--182 verzen 478
    XXXVIII. S. Geopenbaard te Mekka.--88 verzen 485
    XXXIX. De Scharen. Geopenbaard te Mekka.--75 verzen 491
    XL. De ware Geloovige. Geopenbaard te Mekka.--85 verzen 498
    XLI. De duidelijk Uitgelegden. Geopenbaard te Mekka.--54
    verzen 505
    XLII. Overweging. Geopenbaard te Mekka.--53 verzen 510
    XLIII. De gouden Versierselen. Geopenbaard te Mekka.--89
    verzen 515
    XLIV. De Rook. Geopenbaard te Mekka.--59 verzen 520
    XLV. De Nederknieling. Geopenbaard te Mekka.--36 verzen 523
    XLVI. Alahkaf. Geopenbaard te Mekka.--35 verzen 526
    XLVII. Mahomet. Geopenbaard te Medina.--40 verzen 530
    XLVIII. De Overwinning. Geopenbaard te Medina.--29 verzen 534
    XLIX. De Binnenvertrekken. Geopenbaard te Medina.--18
    verzen 539
    L. K. Geopenbaard te Mekka.--45 verzen 541
    LI. De Verspreiding. Geopenbaard te Mekka.--60 verzen 544
    LII. De Berg. Geopenbaard te Mekka.--49 verzen 547
    LIII. De Ster. Geopenbaard te Mekka.--62 verzen 549
    LIV. De Maan. Geopenbaard te Mekka.--55 verzen 552
    LV. De Barmhartige. Geopenbaard te Mekka.--78 verzen 555
    LVI. De Onvermijdelijke. Geopenbaard te Mekka.--96 verzen 558
    LVII. Het IJzer. Geopenbaard te Mekka of te Medina.--29
    verzen 562
    LVIII. De Klaagster. Geopenbaard te Medina.--22 verzen 565
    LIX. De Landverhuizing. Geopenbaard te Medina.--24 verzen 568
    LX. Zij, die beproefd is. Geopenbaard te Medina.--13 verzen 571
    LXI. Slagorde. Geopenbaard te Mekka.--14 verzen 574
    LXII. De Vergadering. Geopenbaard te Medina.--11 verzen 575
    LXIII. De Huichelaars. Geopenbaard te Medina.--11 verzen 577
    LXIV. Wederzijdsche Teleurstelling. Gegeven te Mekka.--18
    verzen 578
    LXV. De Echtscheiding. Geopenbaard te Medina.--12 verzen 579
    LXVI. Het Verbod. Geopenbaard te Medina.--12 verzen 581
    LXVII. Het Koninkrijk. Geopenbaard te Mekka.--30 verzen 584
    LXVIII. De pen. Geopenbaard te Mekka.--52 verzen 586
    LXIX. De onvermijdelijke Dag. Geopenbaard te Mekka.--52
    verzen 588
    LXX. De trappen. Geopenbaard te Mekka.--44 verzen 590
    LXXI. Noach. Geopenbaard te Mekka.--29 verzen 592
    LXXII. De Geniussen. Geopenbaard te Mekka.--28 verzen 594
    LXXIII. De Omwikkelde. Geopenbaard te Mekka.--20 verzen 596
    LXXIV. De (met den mantel) Bedekte. Geopenbaard te Mekka.--55
    verzen 598
    LXXV. De Opstanding. Geopenbaard te Mekka.--50 verzen 600
    LXXVI. De Mensch. Geopenbaard te Mekka.--31 verzen 601
    LXXVII. De Gezondenen. Geopenbaard te Mekka.--50 verzen 603
    LXXVIII. Het nieuws. Geopenbaard te Mekka.--41 verzen 605
    LXXIX. Zij, die de zielen uitscheuren. Geopenbaard te
    Mekka.--46 verzen 606
    LXXX. Hij fronste het Voorhoofd. Geopenbaard te Mekka.--42
    verzen 607
    LXXXI. De opgevouwen Zon. Gegeven te Mekka.--29 verzen 609
    LXXXII. De gespleten Hemel. Geopenbaard te Mekka--19 verzen 610
    LXXXIII. De Bedriegers. Geopenbaard te Mekka.--36 verzen 611
    LXXXIV. De geopende Hemel. Geopenbaard te Mekka.--25 verzen 612
    LXXXV. De Hemelteekenen. Geopenbaard te Mekka.--22 verzen 613
    LXXXVI. De Nachtster. Geopenbaard te Mekka.--17 verzen 614
    LXXXVII. De Verhevenste. Geopenbaard te Mekka.--22 verzen 615
    LXXXVIII. De Overvallende. Geopenbaard te Mekka.--26 verzen 616
    LXXXIX. De Morgenschemering. Geopenbaard te Mekka.--30
    verzen 617
    XC. Het Grondgebied. Geopenbaard te Mekka.--20 verzen 618
    XCI. De Zon. Geopenbaard te Mekka.--15 verzen 619
    XCII. De Nacht. Geopenbaard te Mekka.--21 verzen 619
    XCIII. De Ochtendglans. Geopenbaard te Mekka.--11 verzen 620
    XCIV. Hebben wij niet geopend? Gegeven te Mekka.--8 verzen 621
    XCV. De Vijg. Gegeven te Mekka of te Medina.--8 verzen 621
    XCVI. Het gestolde Bloed. Geopenbaard te Mekka.--19 verzen 622
    XCVII. Al Kadr. Geopenbaard te Mekka of te Medina.--5
    verzen 623
    XCVIII. Het duidelijke Teeken. Geopenbaard te Mekka of te
    Medina.--8 verzen 623
    XCIX. De Aardbeving. Geopenbaard te Mekka of te Medina.--8
    verzen 624
    C. De Oorlogspaarden. Geopenbaard te Mekka of te Medina.--11
    verzen 625
    CI. De Slag. Geopenbaard te Mekka.--8 verzen 625
    CII. De Begeerte zich te Verrijken. Geopenbaard te Mekka of
    Medina.--8 verzen 626
    CIII. De Namiddag. Geopenbaard te Mekka.--3 verzen 626
    CIV. De Lasteraar. Geopenbaard te Mekka.--9 verzen 627
    CV. De Olifant. Geopenbaard te Mekka.--5 verzen 627
    CVI. De Koreïshieten. Geopenbaard te Mekka.--4 verzen 628
    CVII. De Aalmoes. Geopenbaard te Mekka of te Medina.--7
    verzen 628
    CVIII. Al Kauther. Gegeven te Mekka.--3 verzen 629
    CIX. De Ongeloovige. Geopenbaard te Mekka.--6 verzen 630
    CX. De Hulp. Geopenbaard te Mekka.--3 verzen 630
    CXI. Aboe Lahab. Geopenbaard te Mekka.--5 verzen 631
    CXII. Gods Eenheid. Geopenbaard te Mekka of te Medina.--4
    verzen 631
    CXIII. De Dageraad. Geopenbaard te Mekka of te Medina.--5
    verzen 632
    CXIV. De Menschen. Geopenbaard te Mekka of te Medina.--6
    verzen 632



V.

Algemeen Register der voornaamste onderwerpen in den Koran behandeld,
en der noten desbetreffende 633

VI.

Kort Overzicht van de Geschiedenis der Turken, voornamelijk in hunne
verhouding tot het overige Europa 667


    I. Inleiding 667
    II. De Opkomst en Bloei der Turksche macht in Europa 675
    III. De Achteruitgang der Turksche macht in Europa 691



I.

LEVENSSCHETS VAN MAHOMET.


De _Koran_ is eene onregelmatige en onsamenhangende verzameling van
zedelijke, godsdienstige, burgerlijke en politieke voorschriften,
gemengd met vermaningen, of beloften en bedreigingen, met het leven
hier namaals in betrekking staande, zoowel als van verhalen, die
nu eens getrouw en dan weêr op ongetrouwe wijze, aan de bijbelsche
oudheid, aan de Arabische overleveringen, en zelfs aan de geschiedenis
van de eerste eeuwen des Christendoms ontleend zijn. Evenzeer vindt
men er toespelingen op zaken die gebeurd zijn ten tijde dat de Koran
geschreven is, op pogingen door den nieuwen godsdienst aangewend,
om overwicht te krijgen op den afgodendienst, of op de worstelingen
die zij had te bestaan. Die toespelingen zijn echter, doorgaans,
in zulke algemeene en onbepaalde uitdrukkingen vervat, dat zin en
beteekenis ons dikwijls zouden ontsnappen, indien wij hier geen
geleiders vonden in de uitleggers van den Koran en de historische
verhalen ten opzichte der vestiging van den _Islam_ of het _Islamisme_.

Niet meer dan drie van Mahomets tijdgenooten worden, in het
voorbijgaan, door den Koran genoemd. Wat Mahomet zelven betreft, wordt
deze alleen vermeld bij wijze van toespraak, die God verondersteld
wordt tot hem te richten. Daaruit volgt, dat de Koran ons bijna geene
narichten geeft omtrent het leven en den persoon van den profeet
der Arabieren. Deze bijzonderheid is overigens in overeenstemming
met het algemeene en erkende karakter van den Koran: deze toch stelt
Gods woord voor, dat aan Mahomet geopenbaard en door diens mond aan
het Arabische volk overgeleverd is. Als een muzelman een gezegde uit
den Koran aanhaalt, dan zegt hij nooit: Mahomet heeft het gezegd;
maar: God (of de Allerhoogste, het Opperwezen) heeft het gezegd;
en het was daarom niet te wachten, dat God aan de medeburgers van
Mahomet bijzonderheden omtrent diens verwanten, zijn' oorsprong en
zijne levensgevallen zou openbaren [1]. Dat stilzwijgen van den Koran
wordt echter door de overlevering ruimschoots vergoed, en wij bezitten
over Mahomet, ten minste van het oogenblik dat hij als Godsgezant
optrad, historische bronnen, die, hoezeer met legenden vermengd,
den beoefenaar tot een onbedriegelijk richtsnoer verstrekken, waaraan
zijne openbaringen verbonden kunnen worden.

De gezellen van den profeet (de _Ashab_), zijne helpers (de _Ansar_),
de aanhangers van den profeet die hun vaderland om de zaak van den
nieuwen eeredienst hadden verlaten (de _Moehadjirs_), allen die
Mahomet gevolgd zijn (de _Tabi'_, in het meervoud _Tabi'in_), en
allen die dezen hebben opgevolgd, hadden het zich tot plicht gesteld,
òok de minst beteekenende bijzonderheden uit het leven van hunnen
apostel, wetgever en zoowel geestelijk als tijdelijk opperhoofd,
met godsdienstigen eerbied te bewaren en aan hunne nazaten over te
leveren. Die bijzonderheden zijn overgegaan in de eerste historische
boeken, door de Muzelmannen [2] samengesteld, en vormen heden ten dage
een werkelijk en onmisbaar gedeelte van elk werk over de algemeene
geschiedenis, en dus voorzeker van eene geschiedenis der Arabieren. Men
bevroedt gemakkelijk, dat door de godsdienstige geestdrijverij onder
een volk, hetwelk, over het algemeen, ongeletterd en van het overige
gedeelte der wereld afgezonderd was, waarin menige twijfelachtige
verhalen en verdachte overleveringen hebben moeten binnensluipen; dat
de fictie en het wonderbaarlijke, voor zeker gedeelte, gemengd zijn in
de geschiedenis van Mahomets zending, even als dit in de geschiedenis
van de meeste andere godsdiensten plaats heeft. Misschien kan echter
de geschiedenis van Mahomets zending, gemakkelijker dan eenige andere
godsdienst uit het Oosten, van dat inmengsel van versiering en het
wonderbaarlijke worden ontdaan, voor hetwelk slechts een Muzelman
zich verplicht acht, met eerbiedigheid te blijven staan. Maar zelfs
indien men er het karakter van heiligheid aan ontneemt, is zoowel het
ontstaan als de voortplanting van het Islamisme desniettemin een der
buitengewoonste gebeurtenissen in de jaarboeken des menschdoms.

Het is niet overbodig hier te doen opmerken, dat het groote
Arabische schiereiland niet altijd door éen volk van hetzelfde ras
en met dezelfde taal is bewoond geworden. De Arabische schrijvers
onderscheiden er drie verschillende menschenrassen, die elkander
in Arabië hebben opgevolgd en die allen Arabieren genoemd zijn
geworden. Het eerste ras wordt er aangeduid door den naam van
Arabieren, _el-Ariba_ [3] volbloed-Arabieren of van onvermengd ras,
of met andere woorden, oorspronkelijke Arabieren. Dit ras bevat de
volken, die langen tijd voor Mahomet uitgestorven of uitgeroeid
waren. Dit zijn de _Adieten_, de _Thémoedieten_, de _Amalika_ of
_Amalekieten_, de bevolkingen van _Tasm_ en _Djadis_, die, volgens
de Arabische geschiedschrijvers, uit Sem of Cham, zonen van Noach,
zijn gesproten. Het tweede ras is dat van de Arabieren, _Moetéarriba_
(Arabieren die dat zijn geworden). Men beschouwt deze als voortgekomen
uit Kaktan of Joktan, zoon van Heber; dezen hebben zich aanvankelijk
in het gebied van _Yemen_ (in _Gelukkig Arabië_) gevestigd, van waar
zij zich naar alle overige gedeelten van Arabië hebben verbreid,
door het uitzenden van volkplantingen, en nu eens door zich met
de oorspronkelijke stammen te vermengen, of dan eens door hen te
vervangen in het uitsluitende bezit van verschillende streken. De
Himyarieten behooren tot de _Moetéarriba_-Arabieren, of, zoo als
Caussin de Pergeval hen noemt, _secondaire_ Arabieren. Het derde ras
is dat van de _Moesta'riba_-Arabieren, (die met de andere Arabieren
gelijk zijn gesteld); dit zijn de afstammelingen van Ismaël, den zoon
van Abraham. Deze hebben zich in het gebied _Hedjaz (woest Arabië_)
gevestigd en achtereenvolgens zich in al de andere gedeelten van Arabië
verspreid: dit zijn de tertiaire, of Ismaëlitische Arabieren. Tot
dat ras behooren de Arabieren, die sedert onheugelijke tijden
rondom _Mekka_ gevestigd zijn, en in het bijzonder het geslacht der
Koreïshieten, waaruit Mahomet geboren werd. Alhoewel de Arabieren de
grootste zorg hebben gedragen om hunne geslachtslijsten te bewaren,
zijn toch al de pogingen der Arabische geschiedschrijvers, om de
rechtstreeksche afstamming vast te stellen van Mahomet tot Ismaël,
gedurende een tijdverloop van twintig eeuwen, vruchteloos geweest;
maar over het algemeen komen zij wel overeen betrekkelijk zijne
geslachtsrekening tot Adnan, die voor een' afstammeling van Ismaël
gehouden wordt. Neemt men drieëndertig jaren voor elk menschengeslacht
aan, dan kan men het tijdvak van Adnan op omstreeks 130 jaren voor
Chr. stellen, zoodat er dan alleen enkele namen overblijven van
degenen, welke door de geschiedschrijvers vermeld worden, om de heele
tijdruimte aan te vullen, die er verloopen is tusschen Ismaël, den
zoon van Abraham, en Adnan, een' persoon die meer nabij ons tijdvak
heeft geleefd.

Hoe groot nu ook die gaping zij, zoo bestaat er toch geen eenige grond
om het geslachtsregister van Mahomet in twijfel te trekken. Integendeel
zijn er twee beschouwingen, die ten voordeele daarvan schijnen te
pleiten. In de eerste plaats zijn dit onderscheiden gedeelten van den
Bijbel, te beginnen met de boeken van Mozes tot aan de profeten [4],
die daarin overeenkomen, dat zij de Arabieren uit _Woest Arabië_
(van _Hedjaz_ en _Mekka_) als Ismaëlieten beschouwen, en voorts
ook de eerbied dien zij voor de nagedachtenis van Abraham hebben
bewaard. Inderdaad zou, volgens de overlevering uit den tijd voor
Mahomet, de vermaarde tempel van _Caaba_, die ten doel strekte van de
pelgrimstochten der Arabieren, en veel ouder is dan de stad _Mekka_
zelve, door Abraham gedurende zijn verblijf in Arabië opgericht zijn;
en eindelijk in dienzelfden tempel, welke eene soort van pantheon
voor de Arabieren is geworden, zag men, ten tijde van Mahomet, een
figuur, die Abraham, den stichter der eeredienst van den eenigen God,
voorstelde en naast de Arabische godheden of de Christen heiligen
geplaatst was. Moge nu die aaneenschakeling al of niet gegrond zijn,
moge zij zeer oud wezen of nabij het tijdstip van den Islam liggen,
zooveel is waar, dat die afkomst van Mahomet eene belangrijke rol in
zijne zending speelt, en niet weinig tot zijn' opgang bijgedragen
moet hebben. Vooral in den aanvang van zijn apostelschap, toen het
er nog op aankwam, de Arabieren van de afgodendienst los te maken,
vond Mahomet in het voorbeeld van Abraham een grooten steun voor den
door hem gepredikten godsdienst, en hij plaatste dien godsdienst
onder de bescherming van een' persoon, wiens nagedachtenis onder
zijne landgenooten algemeen geëerbiedigd werd.

De stad _Mekka_ is niet vroeger dan in de vijfde eeuw onzer jaartelling
gesticht; maar de vallei van _Mekka_ strekte sedert de vroegste
tijden tot verblijf der Arabische stammen, die zich in den omtrek
der overblijfsels van den _Caaba_-tempel nedersloegen, waarvan zij
de bewaking en het bestuur als eene eer en als gevende aanspraak op
den eersten rang, elkander onafgebroken betwistten. Omstreeks het
jaar 200 der gewone jaartelling, werd een der afstammelingen van
Adnan, Firh geheeten en El Koreïsh bijgenaamd, de stamvader van den
vermaarden stad der Koreïshieten, die in het vervolg een' grooten
invloed te _Mekka_ verkreeg. Kossaï, een van zijn afstammelingen
in het vijfde geslacht, slaagde er niet alleen in, de _Khozzaas_,
een andere Arabischen stam, als beheerders van _Mekka_ uit den zadel
te lichten, maar ten einde die belangrijke betrekking ten eeuwigen
dage aan zijn geslacht te verzekeren, wist hij de Koreïshieten te
belezen, rondom den _Caaba_-tempel eene stad te bouwen, waarvan de
verschillende gedeelten door de leden van den uitgestrekten stam der
Koreïshieten bewoond zouden worden. Voor zich zelven bouwde Kossaï een
huis, dat aanzienlijker dan de andere was, en vestigde er den zetel
van den raad (_nadwa_), waarin al de Koreïshieten toegang hadden en
waarin alle zaken in het openbaar werden behandeld. In dat Raadhuis
(_Dar-ennadwa_) ontvingen de Koreïshieten, als zij een' anderen stam
gingen bevechten, de banier uit handen van Kossaï. Op Kossaïs raad
gaven de Koreïshieten hunne toestemming om zich aan eene belasting te
onderwerpen, _rifada_ (hulp) genaamd, welke zij, in het tijdvak van den
pelgrimstocht, aan Kossaï betaalden, en die door dezen werd besteed om
aan de behoeftige pelgrims, gedurende drie dagen dat zij te _Mina_,
op eenigen afstand van _Mekka_, verbleven, kosteloos levensmiddelen
te verschaffen. Kossaïs gezag vermeerderde nog, toen hij op zijnen
persoon eenige andere posten wist te vereenigen, die met den dienst in
den _Caaba_-tempel in verband stonden. Die ambten waren de volgenden:
_sikaïa_, bestuurder van het water en de uitreiking daarvan, _hidjaba_,
wachter van den _Caaba_-tempel en van den dienst in dezen. Bij dezen
ambten dient men die te voegen van _rifada_, de ontvangst van de
belasting der hulpverstrekking, van _liwa_, die het recht gaf eene kap
van witte stof aan den standaard der Koreïshieten te hechten, als deze
ten strijde gingen, en van _nadwa_, raad, zijnde het voorzitterschap
van de vergadering Eenige mindere betrekkingen werden door Kossaï aan
andere Arabische stammen overgelaten. Door het vorenstaande ziet men,
dat de Koreïshieten, omstreeks twee honderd jaren voor Mahomet (tegen
het jaar 440 na Chr.) niet alleen te _Mekka_ in het bezit waren van een
regelmatig gevestigd gezag, maar ook dat hun invloed en aanzien zich
naar buiten verbreidden, en eindelijk dat de naam der Koreïshieten,
door den toevloed van pelgrims naar de alouden tempel van _Caaba_,
in al de gedeelten van Arabië bekend was. Door den handel dien
zij met voortbrengsels van _Gelukkig Arabië_ (_Yemen_) in _Syrië_,
_Mesopotamië_ en _Egypte_ dreven, en van waar zij, in ruiling, stoffen,
graan en andere voorwerpen [5] terugbrachten, hadden zij een zekere
gegoedheid, ja zelfs aanmerkelijke rijkdommen verkregen.

Kossaï of Koesseï had vier zonen. Abdeddar, Abdelozza, Abd en
Abdmenaf. Wij zullen alleen over dezen laatsten tijd spreken, omdat
hij in de rechte lijn de voorzaat van Mahomet is. Abdmenaf werd
evenzeer vader van vier zonen, zijnde: Abdchams, Nowfal, Hachim,
en Mottalib. Hachim, die de rijkste der broeders en, bijgevolg,
het best in staat was, in de behoefte der pelgrims te voorzien en de
zaken van _Mekka_ te besturen, werd met de gewichtigste betrekking
der vereeniging bekleed.

Deze voerde onder de Koreïshieten 't gebruik in, jaarlijks twee
karavanen uit te zenden: de eene des winters, naar _Yemen_ en de
andere, 's zomers, naar _Syrië_, ook was hij het, die het eerst aan
de behoeftige Koreïshieten eene soort soep uitdeelde, welke _tharid_
genoemd werd en samengesteld was uit vleeschnat en tot kruim gewreven
brood, hetgeen oorzaak was, dat zijn oorspronkelijke naam Amr in dien
van Hachim--den kruimelaar--veranderd werd. En den naam van Hachmieten
wordt aan den geheelen opgaanden zijtak van Mahomet gegeven.

Cheïba, de zoon van Hachim, werd ook Abdelmottalib genaamd, omdat
hij door zijn oom Mottalib als zoon werd aangenomen. Hij volgde zijn
vader te _Mekka_ in diens gewichtigste ambten op, te weten in die
van _sikaïa_ en _rifada_. Zijne edelmoedigheid en zijn braaf gedrag
hadden hem de algemeene achting doen winnen. Deze hoedanigheden scheen
echter in de oogen zijner landgenooten het middel niet, te vergoeden,
dat hij maar een' eenigen zoon had; want evenals de Israëlieten,
stelden de Arabieren den hoogsten prijs op een groot aantal mannelijke
nakomelingen. Dat denkbeeld was bij de Arabieren zóó vast geworteld,
dat Abdelmottalib op zekeren dag van een' zijner landgenooten
beleedigingen moest ondergaan, omdat hij maar één' zoon had. In zijne
ergernis zwoer hij, dat indien God hem tien mannelijke kinderen gaf,
hij hem er één' voor den _Caaba_ van zou offeren. Abdelmottalibs
wensch werd verhoord. Na de geboorte van zijn' eersten zoon (528 na
Chr.) tot het jaar 569 kreeg hij twaalf zonen en zes dochters. Op
zekeren dag verzamelde hij, vast besloten zijn eed te vervullen,
de tien oudste van zijne zonen; hij deelde hun den eertijds door hem
gedane eed mede; een ieder van deze wilde er zich aan onderwerpen,
het slachtoffer te worden, en allen begaven zich naar den _Caaba_
voor den afgod _Hobal_ om te loten. Het lot viel op Abdallah, die
door zijn' vader het meest werd bemind. Het offer stond op het punt
volbracht te worden, op eene plaats die gewoonlijk bestemd was voor
het slachten der offers, toen de Koreïshieten toesnelden, den arm
van Abdelmottalib tegenhielden en hem rieden, eene waarzegster te
raadplegen die zich te _Kaïbar_ bevond, dat eene versterkte en door
Israëlieten bewoonde Stad was. De waarzegster vroeg, wat de boete was,
die voor een' manslag werd betaald, en toen men haar antwoordde, dat
de boete tien kameelen bedroeg, ried zij, Abdallah aan de eene zijde,
en aan de andere tien kameelen te plaatsen; dat men daarna het lot
zou raadplegen, en verklaarde zich dit tegen Abdallah, dat men wederom
tien kameelen bij de eerste voegen en daarmede telkens voortgaan zou,
tot het lot op de kameelen viel. Abdelmottalib onderwierp zich aan
de uitspraak der waarzegster, en nademaal het lot tienmalen achtereen
ten nadeel van Abdallah uitviel, kocht de vader zijn' eed eerst tegen
honderd kameelen los. Sedert dien tijd werd de bloedprijs onder de
Arabieren op honderd kameelen bepaald. Dadelijk na deze gebeurtenis
huwde Abdelbottalib zijnen zoon Abdallah uit aan Amina, de dochter
van Wahb, een' der afstammelingen van Abdmenaf. Uit dit huwelijk werd
Mahomet geboren. [6]

Mahomets geboortejaar kan niet gemakkelijk worden vastgesteld. Er
zijn echter drie gegevens, die dienen kunnen om het ten minste bij
benadering te bepalen. Volgens de overlevering zou Mahomet gezegd
hebben: "Ik ben geboren onder de regeering van den rechtvaardigen
koning." Die rechtvaardige koning was Kesra Anoechirvan (Kosroës
_de Groote_), die zevenenveertig jaren en acht maanden heeft
geregeerd. Neemt men nu met een' Arabischen geschiedschrijver
(Ibn El-athir) aan, dat Mahomet zeven jaren en acht maanden voor
Anoechirvans dood ter wereld kwam, dan zou zijn geboortejaar in het
jaar 570 n. Chr. vallen. Ten andere valt Mahomets geboorte, volgens
de overlevering, in het jaar van den krijgstocht van den Æthiopischen
koning Abraha tegen _Mekka_ (zie de noot op hoofdstuk CV van den
Koran). Deze krijgstocht eindigde door de volkomene vernieling van
Abrahas leger; maar de Arabische geschiedschrijvers stemmen zoo weinig
ten aanzien van dien krijgstocht overeen, dat Mahomets geboorte in het
34e of in het 40e of in het 41e, of in het 42e jaar der regeering van
Kesra Anoechirvan zou vallen. Ook is algemeen de meening aangenomen,
dat Mahomet, in 632, in den ouderdom van drie en zestig jaren gestorven
zij, waardoor zijne geboorte in het jaar 569 zou vallen. Hierdoor
ontstaat een nieuw vraagpunt, en wel dat, of het cijfer van die drie
en zestig jaren, bij benadering, is opgegeven in maanjaren, gelijk
die bij de Arabieren in gebruik zijn, of dat daarbij gerekend zij op
de tusschenvoeging welke in 413 geschied is [7].

De Muzelmansche godvruchtigheid bleef niet ten achter bij de
ingeschapen neiging, die de wieg van buitengewone menschen door
den glans van mirakelen en merkwaardige natuurverschijnsels doet
omringen. Die godvruchtigheid is oorzaak, dat de verhalen daarvan
volgaarne worden aangenomen, zonder bron of grondslag te onderzoeken;
door diezelfde beweegoorzaak worden zij voortgeplant en als geloofspunt
vastgesteld. Volgens die verhalen, welke wij niet met stilzwijgen
zouden kunnen voorbijgaan, omdat zij den Muzelman altijd voor den
geest zijn, zoude, op het oogenblik waarop de toekomstige profeet der
Arabieren geboren werd, de geheele wereld in beweging geweest zijn. Het
paleis van Cosroë te _Clesiphon_ schudde, en veertien van zijne torens
stortten in: het heilige vuur der _pyreen_ ging uit, in weerwil van
het onafgebroken toezicht der _magiërs_; het meer van _Sawa_ droogde
uit, de groot-_moubed_ der Perzianen droomde, dat _Perzië_ door de
Arabische kameelen en paarden bezet zou worden, en Amina verhaalde
haren schoonvader, dat zij gedurende hare zwangerschap had gedroomd,
dat een buitengewoon licht zich uit haren boezem verspreidde om de
wereld te verlichten; Abdelmottalib, eindelijk, die op zekeren dag
zijn kleinzoon was komen zien, bemerkte tot zijne verwondering, dat
hij besneden geboren was. Het kind, dat door zijnen grootvader Mahomet
genaamd werd (en hij was de eerste die dezen naam onder de Arabieren
droeg), werd door zijne moeder toevertrouwd aan eene Bedouinsche
min, die Halima heette, en welke het naar heuren stam in de woestijn
medenam. Na twee jaren werd hij gespeend, maar zijne aanwezigheid in
Halimas gezin, had daar zoo veel geluk en overvloed in schijnen te
brengen, dat zij Amina verzocht haar het kind te laten opvoeden. De
overlevering verhaalt, dat het kind aan eene ziekte onderhevig was,
waarvan men zich geene rekenschap wist te geven, maar welke men aan
de werking des duivels toeschreef [8]. Toen Mahomet later een voorval
verhaalde, dat grooten schrik aan zijne min had gebaard, zeide hij,
dat, in zijne kinderjaren, toen hij met zijne jeugdige makkers in de
vlakte speelde, twee in het wit gekleede mannen, dat engelen waren,
hem op den grond geworpen, de borst geopend en het hart er uitgenomen
hadden, om het te wasschen en te zuiveren.

Een hoofdstuk van de Koran (hoofdstuk XCIV) begint inderdaad met
woorden die aldus vertaald kunnen worden; _Openen wij niet den boezem_,
of _zetten wij de borst niet uit_, of wel; _hebben wij_ de _borst niet
geopend_. Terwijl nu zekere uitleggers daarin slechts een figuurlijke
uitdrukking zien, voor een hart, dat door God geschikt is gemaakt om
de wijsheid en de openbaring er in op te nemen, willen andere er eene
toespeling in vinden op het voorval, dat door de overlevering vermeld
wordt, en volgens hetwelk Mahomets hart werkelijk door de engelen
gewasschen en gereinigd, en zoodoende sedert zijne kindsheid een
uitverkoren vat zou zijn geworden. Overigens is dat niet het eenige
gedeelte van den Koran, waarin een figuurlijke of overdrachtelijke
uitdrukking, ingevolge de overlevering, eene gewrongen uitlegging en
een' bovennatuurlijken en wonderbaarlijken zin hebbe verkregen (zie
Hoofdst. XVII, LIV). Op den ouderdom van zes jaren verloor Mahomet
zijne moeder en werd door zijn' grootvader Abdelmottalib opgenomen,
die hem eene vaderlijke genegenheid toedroeg. Drie jaren later ontviel
Mahomet ook die steun, daar Abdelmottalib in den ouderdom van meer
dan tachtig jaren stierf. Toen belastte Aboe-Talib, zijn oom, zich
met hem en nam hem later met zich naar _Syrie_, waarheen de karavaan
der Koreïshieten Arabische voortbrengselen ging voeren. Toen zij
te _Bosra_ waren gekomen, ontmoetten zij een' Arabischen christen
monnik, welken de Arabieren Bahira en de Christenen Bjirdjis (George)
of Serdjis (Sergius) noemden. Er wordt verhaald, dat Bahira door
Mahomets uiterlijk getroffen zou zijn geweest en in diens gelaat zijne
toekomstige bestemming hebben weten te lezen, en dat hij, bij het
afscheid nemen van de Arabische karavaan, Aboe Talib aanbevolen zou
hebben over Mahomet te waken en hem te bewaren voor de kunstenarijen
der Joden, die het op zijn leven zouden toeleggen, indien zij tot de
ontdekking kwamen, dat hij, Bahira, in dien knaap _het zegelmerk der
profetie_ had ontdekt. Dit zegelmerk van profetie was, naar men zegt,
een teeken, dat Mahomet tusschen de schouders had, even als dit het
geval met al de andere profeten en met al zijne voorzaten uit den stam
Ismaël was, maar op eene veel duidelijker wijze dan bij deze allen.

Bij den terugkeer van dien tocht nam Mahomet, veertien jaren oud
zijnde, aan den tweeden der oorlogen deel, die bij de Arabieren bekend
zijn onder den naam der oorlogen van _el-fidjar_, of der schending van
de heilige maand, of ook van de misdaad, welke oorlogen de Koreïshieten
tegen den stam der _Benou-Hawasin_ voerden. Volgens het verhaal echter
van Mahomet zelven, dat door de overlevering bewaard is gebleven,
bepaalde zich het aandeel, dat hij in dien tweeden oorlog nam, bij
het oprapen der pijlen, die door de vijanden afgeschoten waren, en
deze aan zijn ooms ter hand te stellen, welke een werkdadiger deel
in den strijd namen. De overlevering heeft geen enkel belangrijk
feit van Mahomets leven bewaard, gedurende de tien jaren, die na
deze gebeurtenis verliepen. Alles wat men weet is, dat de jeugdige
Koreïshiet, door zijn gedrag en manier van handelen, zijne snedigheid
en ernstig karakter, dat tot gepeinzen en eenzaamheid neigde, de
achting en eerbied zijner medeburgers wist te winnen.

Op den ouderdom van vijfentwintig jaren belastte hij zich met het
doen eener handelreize naar _Syrië_ voor eene rijke weduwe, Khadidja
genaamd, dochter van Khowaïlid, even als Mahomet gesproten uit Kossaï,
over wien boven gesproken is. Mahomet kweet zich met zulk een goed
gevolg van zijne taak, dat Khadidja een gunstige meening voor hem
opvatte. Dit gunstige denkbeeld nam nog toe, toen Khadidjas' slaaf, die
Mahomet naar _Syrië_ had vergezeld, haar verhaalde, dat hij onderweg
Mahomet eens door twee engelen met hunne vleugels tegen de hitte der
zonnestralen had zien beschutten. Khadidja bood Mahomet derhalve hare
hand aan en alhoewel zij op dat tijdstip tusschen de dertig en veertig
telde, dat een meer dan rijpe leeftijd voor eene Arabische vrouw is,
nam Mahomet den voorslag spoedig aan. Naar het gebruik der Arabieren,
biedt de man, aan de door hem te huwen vrouw eene huwelijksgift aan,
welke _sadak_ wordt genoemd: Mahomet bood dan ook Khadidja, als
zoodanige gift, twintig kameelen aan. Het huwelijksmaal, waaraan de
verwanten van man en vrouw deel namen, was schitterend en vroolijk
en werd door dans en muziek begeleid, en voor de talrijke gasten
werden twee kameelen geslacht. Bij Khadidja kreeg Mahomet weldra
een zoon, dien hij El-kachim noemde en sedert dien tijd werd hij
Aboelkachim (vader van El-kachim) genoemd. Khadidja schonk hem nog
twee zonen, die echter op zeer jeugdigen leeftijd stierven, en vier
dochters. In het jaar van zijn huwelijk met Khadidja, werd Mahomet
lid van eene vereeniging, die zich onder de Koreïshieten had gevormd
tot bescherming der vreemdelingen, of der zwakke burgers van _Mekka_
tegen de onrechtvaardigheden der machtige Koreïshieten, en hij stelde
er altijd eene eer in, tot deze vereeniging te hebben behoord, welke
zelfs nog na de vestiging van het Islamisme bleef bestaan. Sedert zijn
huwelijk hield Mahomet zich weinig meer met handelszaken bezig, maar
wijdde zich meer aan godsdienstige bespiegelingen. In die neiging werd
hij vooral versterkt door een' neef zijner vrouw, Waraka Ibn Raufa
genaamd, welke reeds te voren den afgodendienst had verworpen, die
in _Arabie_ heerschte, en zoowel den Mozaïschen als den Christelijken
godsdienst had leeren kennen. Door dezen Waraka, die niet ongeletterd
was, had hij waarschijnlijk het Israëlietische Monotheïsme leeren
kennen, en Mozes en Christus als Godsgezanten aanzien; maar beide
godsdiensten schenen hem de oorspronkelijke zuiverheid verloren te
hebben. Alleen Abraham, die menschenmin met het geloof aan een eenig
God verbond, scheen hem in den Bijbel, dien hij ten deele vervalscht
achtte, de beste verpersoonlijking van een' Godsgezant. Bovendien
kon hij, bij die keuze en het voorstellen van Abraham als toonbeeld,
op te meer sympathie rekenen, nademaal diens herinnering niet slechts
in geheel _Arabie_ nog levendig was, maar de overlevering hem daar,
als stamvader, in eerbiedig aandenken gehouden had en hem was blijven
vereeren als den grondvester des heiligen tempels, naar welken men
sedert onheugelijke tijden in bedevaart optrok.

Wij hebben reeds gezegd, dat Mahomet in zijne jeugd de algemeene
achting had weten te winnen; zijne erkende eerlijkheid had hem
El-Emin, de rechtschapene, de vertrouwen verdienende, de getrouwe
doen noemen. Eene toevallige gebeurtenis, die er plaats had toen hij
vijfendertig jaren oud was, schonk hem in de oogen zijner medeburgers
nog meer aanzien. In 605 besloten de Koreïshieten den _Caaba_-tempel
te herbouwen, die eenige jaren te voren door brand vernield was. De
eerbied voor dat overblijfsel uit de Ismaëlitiesche oudheid boezemde
aan alle takken van den stam der Koreïshieten een' buitengewonen
ijver in: tegelijkertijd werd echter daardoor een wederkeerige
naijver opgewekt. Toen de werkzaamheden van den bouw gevorderd
waren tot de hoogte waar de zwarte steen geplaatst moest worden,
die het voorwerp van bijzondere vereering was, betwistten al de
takken der Koreïshieten elkander de eer van die taak. De mannen van
twee takken des stams, die besloten hadden hunne aanspraken tegen
al de anderen staande te houden, dompelden hunne handen in een vat
dat met bloed gevuld was, en zwoeren veeleer te sterven dan toe te
geven. De werken werden geschorst, en men riep eene vergadering in
het binnenste van den tempel zelven bijeen, om over de middelen te
beraadslagen, ten einde den burgeroorlog af te wenden, die dreigde
uit te barsten. Een oude Koreïshiet deed nu eensklaps den voorslag,
den eerste, die de ruimte zou binnentreden waar de vergadering werd
gehouden, tot scheidsman te nemen. Men kwam dit overeen, en toen
nu aller blikken op den ingang gevestigd waren, verscheen El-Emin
(Mahomet) en werd tot scheidsrechter genomen. Hij doet een' mantel op
den grond uitspreiden, kiest de vier aanzienlijkste personen uit de
vier voornaamste takken van den stam, en laat elk van hen eene slip
van den mantel vasthouden, waarop de steen rust. Zoodra de steen door
dit middel op voegzame hoogte is geheven, vat Mahomet hem met zijne
eigene handen, om hem in den muur te bevestigen, en bevredigt dusdoende
de aanspraken der mededingers, terwijl hij bovendien een aanzienlijk
deel in die verrichting neemt. Weinig tijds daarna verloor Mahomet al
de mannelijke kinderen, die Khadidja hem had gebaard; derhalve ook
omdat de schaarschte van levensmiddelen, die toen zich te _Mekka_,
voornamelijk bij de mingegoede en met een talrijk gezin bezwaarde
personen deed gevoelen, nam hij den jongen Ali, zoon van zijnen oom
Aboe-Talib tot zich. Sedert dien tijd was Ali zijn onafscheidelijke,
trouwe gezel en zijn verkleefdste volgeling. Dikwijls vervulde hij
de betrekking van secretaris bij hem, huwde later Mahomets dochter
Fatima en werd eindelijk tot _Khalif_ verheven.

Eerst op veertigjarigen ouderdom voelde Mahomet zich geroepen, een
nieuwe godsdienst aan de Arabieren te prediken. Te zijnen tijde vormde
het Arabische ras niet een enkel volk: de Perzen en Romeinen oefenden
op de Arabische stammen, die het dichtste bij de provinciën der Perzen
en van het Romeinsche keizerrijk woonden, een zekere heerschappij uit,
ofschoon die ten deele in naam bestond. De Arabieren der woestijn
daarentegen leefden in volslagen onafhankelijkheid en zonder dat zij
eenig middenpunt van nationaal gezag bezaten. Zij beleden ook niet
allen denzelfden godsdienst: onder de Arabieren in de steden had zich
de Christelijke godsdienst verspreid; eenige stammen, die evenzeer in
steden gevestigd waren, beleden den Mozaïschen godsdienst, zooals de
stammen der _Koraïza_, _Nadhir_, die _Yathrib_ (_Medina_) en _Khaibar_
bewoonden; maar de overgroote meerderheid der Arabieren was aan den
afgodendienst overgegeven. De _Caaba_-tempel, die, gelijk wij hebben
gezien, werd aangemerkt als de vroegere verblijfplaats van Abraham
en de zetel van den dienst aan een eenig God, was het middenpunt
geworden van al de Arabieren, die den afgodendienst volgden. Elke
stam had eene godheid, een' bijzonderen afgod dien hij aanbad; maar
even als het Romeinsche heidendom, in zijn pantheon of afgodentempel,
aan alle eerediensten eene plaats inruimde en zelfs geneigd was er
Christus in toe te laten, zoo waren ook de Arabieren zeer verdraagzaam
ten aanzien der godheden, van welken oorsprong die ook waren, als men
maar den eeredienst van de hunne eerbiedigde, en niet aan de gebruiken
en bijgeloovigheden raakte, die in de zeden waren overgegaan. Bij
een zwervend volk, dat door zijne geographische ligging van het
overige der wereld afgescheiden en bijna in den toestand van wilden
was, konden de wetenschappen en kunsten der andere staten, die in
beschaving meer vooruit waren, zich alleen met moeite en door middel
der handelsbetrekkingen met het Romeinsche Keizerrijk en _Perzië_
verspreiden, welke betrekkingen zeer beperkt waren, even als dit het
geval was met de voortbrengselen, welke dat volk kon aanbieden en
met de behoeften die het had te voldoen.

De oude schriften der Himyarieden (van _Yemen_) waren bijkans
verloren gegaan; die der Hebreeuwen en der Syriërs gingen alleen de
Israëlietische Christelijke Arabieren aan, en datgene wat bekend
is onder den naam van _Dejzm_, en in _Mekka_ weinig tijds voor
Mahomets geboorte werd ingevoerd, was alleen aan een klein getal
bekend. De Arabieren der woestijn kenden derhalve geene andere
bezigheid dan den oorlog, geene andere geschiedenis dan die van hunne
geslachtsrekening. Zij bekreunden zich dan ook om niets dan om hunne
kudden schapen en kameelen; zij beoefenden geene andere kunsten dan
de dichtkunst en hunne taal, die buigbaar, bovenal zeer rijk en,
naar men zou zeggen, sedert hare geboorte aan zeer vaste regels
gebonden was. Ten tijde van Mahomet bestonden de hartstochten, zeden
en gebruiken der Arabieren in dobbelspelen, het dikwijls onmatig
gebruik van wijn, de veelwijverij, welke overigens aan alle volken
van het Semitische ras gemeen was, het sluiten van huwelijken, die
elders voor bloedschande werden gehouden; in liefdesavonturen en
persoonlijke wraakoefeningen, die dikwijls in hardnekkige oorlogen
tusschen geheele stammen ontaardden; het gebruik om de meisjes
levend te begraven, ten einde zich zoo van vele monden te ontdoen,
die in tijden van schaarschte overbodig zouden zijn; het stelen en
rooven, dat dikwijls met gastvrijheid en edelmoedige vormen gepaard
was. Op dat tijdstip werd de aldus gevestigde Arabische maatschappij
door niets ter wereld tot eenige daad naar buitengedreven. In zulke
oogenblikken van kalmte heeft de maatschappij meer tijdruimte om in
eigen boezem te zien. Zoowel het Joden- als het Christendom maakten
weinig proselieten, maar beiden traden vrijelijk op en predikten,
juist onder begunstiging van de godsdienstige onverschilligheid of
den twijfel, die meer verbreid was dan men wel denkt. Juist uit die
innerlijke werking eener heidensche maatschappij heeft het voorgevoel
kunnen ontstaan van eene op handen zijnde hervorming, welke door
eenige schrijvers ten tijde van Mahomet werd aangeduid, maar welke ons
toeschijnt, noch aan dat tijdstip eigen, noch genoegzaam betoogd te
zijn. Mahomet was niet de eenige die zich door den beklagenswaardigen,
zedelijken toestand der Arabieren getroffen voelde, maar hij was de
eenige, die de vastberadenheid bezat en vooral de roeping gevoelde,
daarin verandering te brengen. Indien men op de overlevering afgaat,
die uit zijn eigen verhaal is geput, dan openbaarde zich dat besluit in
hem als een plaatselijke lichtstraal. Mahomet, die ernstig van aard was
en van nature tot peinzen overhelde, dwaalde dikwijls in de ravijnen
rond die nabij _Mekka_ lagen, en werd toen ongetwijfeld reeds door het
denkbeeld beheerscht, dat God uit het binnenste eens bergs tot hem zou
spreken, even als tot Mozes, over wien hij op zijne reize naar Syrië,
of in zijne gesprekken met de Joden en de Christenen, of wel met een'
Arabier--Waraka, zoon van Nowval, een neef van Khadidja--een man die,
gelijk wij boven zeiden, in de schrift bedreven was [9], had hooren
spreken. Tot dien tijd kon hij ter goeder trouw wezen.

Hij had de gewoonte de maand _ramadhan_ op den berg _Hira_, nabij
_Mekka_, in afzondering door te brengen. Op zekeren nacht (in December
610 of Januari 611), zond Khadidja, toen zij hem niet meer naast zich
vond, bedienden uit om hem op te zoeken. Ondertusschen kwam Mahomet
terug en verhaalde haar het volgende: "Ik lag in diepen slaap, toen een
engel mij in droom verscheen. Hij hield een stuk zijden stof in zijne
handen dat met schriftkarakters bedekt was; hij bood het mij aan met
de woorden: '_Lees!_'--_Wat zal ik lezen?_ vroeg ik. Hij omwikkelde
mij toen met die stof en herhaalde zijn gezegde _'Lees!'_ Ik herhaalde
mijne vraag; _Wat zal ik lezen?_ Hij antwoordde: _'Lees! In den naam
van den God die alle dingen heeft geschapen, lees; bij den naam van
uwen Heer, die edelmoedig is; Hij is het die het schrift onderwezen
heeft. Hij heeft den mensch geleerd wat deze niet wist'_ [10]. Ik sprak
die woorden na den engel uit en hij verwijderde zich. Ik ontwaakte
en ging uit om naar de berghelling te gaan. Daar hoorde ik boven mijn
hoofd eene stemme die sprak: 'O Mahomet! _gij zijt de gezant van God en
ik ben_ Gabriël.' Ik sloeg de oogen op en bemerkte den engel; ik bleef
onbewegelijk staan, met den blik op hem gevestigd, tot hij verdween."

Khadidja was door dat verhaal getroffen, en deelde het aan Waraka mede,
van wien wij boven hebben gesproken. Sedert dien tijd ontving Mahomet,
die naar _Mekka_ terug was gekeerd, gedurig goddelijke openbaringen,
door tusschenkomst van den engel Gabriël (Djebreil). De eerste zaak
welke de engel hem onderwees, bestond in het gebed, door wasschingen
voorafgegaan. Op zijne beurt onderwees Mahomet dit aan Khadidja,
die langs dien weg de eerste proseliet van het Islamisme werd:
zijn tweede bekeerling was Ali, de zoon van Aboe-Talip. Vervolgens
Zeïd of Seïd, zijn aangenomen zoon, die de eenige van Mahomets
volgelingen is, welke in den Koran wordt vermeld [11]. Bovendien
wordt aangehaald Abdelcaaba, bijgenaamd _el-Atik_, (de edele),
een man, wien, uithoofde zijner kennis van de Arabische geslachten,
groote eerbied werd toegedragen. Hij was bekleed met een ambt van
boet- of lijfstraffelijk rechter, en moest uitspraak doen in zaken
van moord en boeten, en men wendde zich tot hem tot het uitleggen
van droomen. Toen Abdelcaaba (dienaar van den _Caaba_) het nieuwe
geloof aannam, welks grondslagen nauwelijks gevormd waren, nam hij
ook den naam aan van Abdallah (dienaar Gods, en dus gelijk staande
met Gottschalk en Godschalk), terwijl hij later, toen hij zijne
dochter Aïcha aan Mahomet ter vrouw gaf, den naam van Aboebekr
(vader der maagd) aannam. Dit nu is dezelfde, die vervolgens de
eerste _Khalif_, of opvolger van Mahomet werd. De eerste bekeeringen
tot het nieuwe geloof, welks voornaamste en steeds zeer gewichtig
leerstuk, de volstrekte eenheid Gods was, en hetwelk de strekking
had tot afschaffing der afgoderij [12] geschiedden in het geheim, en
gedurende drie jaren was Mahomets zending alleen bij zijne aanhangers
bekend. Dit wordt door den geloofwaardigsten geschiedschrijver van
Mahomets zending gezegd. Deze omstandigheid verdient opmerking:
zij verklaart ten deele het zeer treffende verschil, dat er
bestaat tusschen de laatste hoofdstukken van den Koran (die, wat
den stijl betreft, zeer veel overeenkomst hebben met het hoofdstuk,
dat, volgens Mahomets verhaal, het eerste geopenbaard is geworden)
en de hoofdstukken die, volgens de tegenwoordige redactie van den
Koran, de voorste plaatsen innemen. Deze dragen den stempel van eene
godsdienstige geestdrijverij, die zich in het onbepaalde uitgiet en
zich aan niets stelligs hecht, terwijl de lange hoofdstukken afkomstig
zijn van een' man, die met zijne tegenstanders aan het worstelen is;
van een' zendeling, die voor een volk spreekt; van een' wetgever.

Op Gods stellig bevel begon Mahomet zijn' godsdienst in het openbaar
te prediken. Zijn eerste predikingen wekten in den aanvang alleen
spotternij en gelach op; zijne volharding, zijne lastigheid, zijne
stoutmoedigheid om in den _Caaba_ zelven de vernieling der afgoden
te prediken, gaf, van de zijde der Arabieren, weldra aanleiding tot
beleedigingen, tegen welke hij nochtans door zijne ooms beschermd
werd, hoezeer dezen het Islamisme nog niet hadden omhelsd. Mahomet
had aanvallen en handtastelijkheden te verduren; somtijds dreigde
men hem om te brengen; dikwijls vervolgde de samengerotte menigte
hem met geschreeuw en gejouw, en men schold hem dan: logenaar,
bedrieger, gek en bezetene. Tot een van die tusschengebeurtenissen
zijner zending heeft hoofdst. LXXIV betrekking, dat hem geopenbaard
werd om hem over dit hoonen te troosten en hem aan te moedigen, zijn'
arbeid voort te zetten. Het aantal zijner aanhangers nam voortgaande
toe gedurende de pelgrimsreis naar _Mekka_, toen de bedevaartgangers,
die uit alle hoeken van _Arabie_ bijeengestroomd waren, en wien
zijne predikingen niet onbekend konden zijn, het verhaal van deze
naar hunne woonplaatsen terug brachten. Op deze wijze werd het getal
zijner aanhangers te _Yathria_ (_Medina_) door nieuwe aanhangers
vermeerderd, welke hem weldra tot groote hulp waren. Ten gevolge
der geheime bekeeringen en der openbare predikingen zag men, gelijk
dit verschijnsel bij het invoeren van nieuwe godsdiensten, ja zelfs
bij wijzigingen en hervormingen van bestaande, zich altijd heeft
opgedaan, dikwijls gezinnen in twee godsdienstpartijen verdeeld. In
zulke gevallen baarden de vernederingen, die den lasteraar der
goden kwistig werden toegevoegd, een onverzoenlijken en hevigen
haat. Aangezien nochtans eenige daad van geweld, op Mahomet gepleegd,
onmisbaar tot bloedvergieten zou hebben geleid, stelden eenige
Koreïshieten bij hem eene laatste poging in het werk, _Mekka_ te
verlaten, of zijne predikingen te staken. Men bood hem rijkdommen
en eereplaatsen in zijne geboortestad aan, en wilde eindelijk zich
verbinden, de bekwaamste geneesheeren te doen komen, om hem van
zijne ziekte te genezen zoo zijne handelingen inderdaad het gevolg
van geestverbijstering of van den invloed des duivels waren. Tot
eenig antwoord begon Mahomet, voor hen die tot hem spraken, met het
opzeggen van het hoofdstuk Ha-mim: _Zie hier de openbaring, die van
den grootmoedige over den barmhartige komt_, enz., zijnde hoofdstuk
XLI. Toen de Koreïshieten zagen dat zij hem niet konden overtuigen,
vroegen zij hem ten minste eenige wonderwerken van God voor _Mekka_
te verkrijgen. Het antwoord door Mahomet gegeven is, in menig opzicht,
hoogst opmerkelijk en spreekt te zijner gunste; want hij zeide, dat
zijne zending alleen bestond in het prediken van den eeredienst aan
den eenigen God, en de menschen tot de waarheid te roepen, maar dat
hem het doen van wonderwerken niet gegeven was.

De Koreïshieten, die door dit antwoord ongeduldig waren geworden,
beschuldigden hem toen, dat hij alleen de weerklank van eenige
Christenen was [13], en het ontbrak in _Mekka_ niet aan menschen,
voor wie die voorgewende openbaringen des Hemels niets anders waren,
dan een onsamenhangend weefsel van verhalen, die, èn wat vorm èn
wat wezen betreft, veel minder beteekenden dan de godsdienstige
boeken en zelfs dan de historische of poëtische geschriften der
andere volken [14]. Volgens eenige levensbeschrijvers van Mahomet,
zouden de Koreïshieten eene deputatie naar de rabbijnen van _Yathrib_
(_Medina_) hebben gezonden, om hun Mahomet af te malen, hun een kort
bericht over diens godsdienst te geven en om hun te vragen wat zij
er van dachten. De rabbijnen zouden, volgens die levensbeschrijvers,
geantwoord hebben: "vraagt hem, wie zekere lieden der verloopen eeuwen
zijn, wier voorval een wonder vormt? Wie is de man die de grenzen der
aarde ten oosten en ten westen heeft bereikt? Wat is de ziel? Antwoordt
hij nu," zouden zij gezegd hebben, "op die en die wijze, dan is hij
werkelijk een profeet, zoo niet, dan is hij een bedrieger." Toen
de afgezondenen te _Mekka_ terug waren gekeerd, deden zij Mahomet
de drie vragen; hij beloofde des anderen daags te antwoorden, maar
uithoofde hij vergeten had daarbij te voegen: _als het Gode behaagt_,
strafte God hem en deed hem veertien dagen op die openbaring wachten,
gedurende welken tijd de ongeletterde man daarop eenig antwoord wist
in te winnen. Na verloop van veertien dagen eindelijk antwoordde
hij door de geschiedenissen der zeven slapers en van Alexander _de
Groote_ (hoofdstuk XVIII). Wat de vraag ten aanzien der ziel betrof,
antwoordde hij, juist ter snede, dat God alleen wist, wat deze was
[15]. Zijne levensbeschrijvers zeggen, dat die zegepraal van Mahomet
op de ongeloovigen de teleurstelling en wrok der Koreïshieten ten
top voerde, en zij toen een' ieder verboden, de predikingen des
profeets aan te hooren. Door de strenge maatregelen die men tegen
de aanhangers van den nieuwen eeredienst nam, werd een zeker aantal
(in het vijfde jaar van Mahomets zending, zijnde in het jaar 615)
weldra gedwongen, _Mekka_ te verlaten en een toevluchtsoord in
_Abyssinie_ te zoeken. Daar werden zij met welwillendheid door den
koning van _Abyssinie_ ontvangen, die christen was. Spoedig werd
de eerste landverhuizing door eene tweede gevolgd: in het geheel
bedroegen die twee groepen honderd vijftien personen van beiderlei
geslacht. De Koreïshieten zonden eene deputatie naar _Abyssinie_, om
de uitlevering dier uitgewekenen te vragen; maar de koning weigerde
dit, terwijl hij hun gedrag in zoodanige uitdrukkingen lof toezwaaide,
dat zij, volgens de Muzelmansche geschiedschrijvers, tot een bewijs
konden strekken voor zijn heimelijk overhellen naar den Islam.

De partij van den nieuwen eeredienst werd op dat tijdstip onvoorziens
versterkt, door dat er zich een man bijvoegde, die sedert in de
Mohammedaansche jaarboeken zeer vermaard is geworden, en welke, meer
dan al de anderen, bijdroeg, om dezen eeredienst te verbreiden. Dit
was Omar, de zoon van Khattar, die, even als zijn vader, aanvankelijk
Mahomet zeer vijandig was en, uithoofde van zijnen moed en zijne
hevigheid, zich bij de Muzelmannen zeer gevreesd had gemaakt. De Islam
had in zijne familie, en vooral bij de vrouwelijke leden, toegang
gevonden. Onder deze was Fatima zijne zuster; maar de vrees voor haren
broeder gaf haar aanleiding om den Koran niet anders dan in het geheim
te lezen. Op zekeren dag verraste Omar haar te midden van dat lezen,
en vervoerd door toorn kwetste hij haar. Op het zien van het vloeien
des bloeds zijner zuster bedaart hij eensklaps; daarop doet hij zich
eenige verstrooide bladen van den Koran toonen; hij staat opgetogen
van bewondering, is tegelijk verteederd, en begeeft zich dadelijk tot
Mahomet, om in zijne handen belijdenis van het Muzelmansche geloof af
te leggen. Al die gelukkige gebeurtenissen wekten bij den grooten
hoop der Koreïshieten zwaren wrok op twee takken van den stam,
namelijk die der _Hachim_ en die der _Mottalib_, welke uithoofde
hunner verwantschap met Mahomet, hem een' machtigen steun gaven. Er
werd een verbond tegen die twee takken gevormd, met het doel, hen van
alle burgerlijke en handelsbetrekkingen uit te sluiten, en deze soort
van ban werd geschreven door eene, op perkament geschreven acte, die
in den _Caaba_ nedergelegd werd. Deze maatregel baarde aan de beide
in den ban gelegde takken ernstige ongerustheid ten aanzien van hunne
veiligheid. Zij besloten derhalve, op een enkel punt van _Mekka_ samen
te trekken, in plaats van, gelijk tot hiertoe het geval was geweest,
huizen te bewonen, die door de stad verspreid waren. Dit gebeurde in
het zevende jaar van Mahomets zending.

Deze staat van vijandelijkheid in de Muzelmansche of niet-Muzelmansche
gezinnen der Koreïshieten, duurde tot in het tiende jaar der zending;
toen besloot men eene verzoening te bewerken; maar op zekeren dag,
terwijl men over deze zaak beraadslaagde, verscheen Aboe-Talib, de
oom van Mahomet, en verkondigde aan de afgoden-dienende Koreïshieten,
dat Mahomet door eene openbaring vernomen had, dat de acte van het
verbond, die in den _Caaba_ was bewaard, door God aan de wormen
ten prooi gegeven was. Men begaf er zich heen en vond, naar het
bericht der geschiedschrijvers, het perkament door de wormen geheel
weggeknaagd, met uitzondering der woorden: "In Uwen naam, o God,"
die zich aan het hoofd bevonden. Aangezien de acte nu vernietigd was,
viel ook het verbond uiteen, en de gezinnen die in den ban gedaan
waren, betrokken hunne oude woningen weder. Het blijkt intusschen
niet, dat de afgodendienaars door die voorgewende bewijzen voor
het goddelijke van Mahomets zending zóó sterk getroffen zouden zijn
geworden, dat zij daardoor den Islam zouden hebben omhelsd. Mahomet,
die in zijn geboortestad teruggestooten werd, begaf zich naar _Taif_
eene stad die met _Mekka_ wedijverde; maar zijne predikingen ontmoetten
er even sterke tegenkanting, beleedigingen en haat. Mahomet keerde
toen weder naar _Mekka_ terug en gedroeg zich voorzichtiger; hij
predikte toen niet meer in het openbaar en onthield zich ook van
het beleedigen en bespotten der afgoden. Zijn verblijf te _Mekka_
werd nochtans steeds onhoudbaarder, vooral toen hij zich in 619 of
620, door den dood van Aboe-Talib [16] en Khadidja, van hunnen steun
beroofd zag. In zulk een gevaarlijken toestand was het voor Mahomet
van gewicht, eenige andere stad te vinden, die tot middenpunt voor
zijnen werkkring kon dienen. Hij vond deze te _Yathrib_. Die stad was
hoofdzakelijk bewoond door twee stammen van afgodendienende Arabieren
en twee Joodsche stammen.

De Arabieren, die de Israëlieten hadden hooren spreken van de
te verwachten verschijning eens profeets, welke de geheele wereld
aan zijn bestuur onderwerpen zou, en waarmede deze natuurlijk den
te verwachten Messias bedoelden, voelden zich niet ongeneigd, het
verhaal van de predikingen, door Mahomet te _Mekka_ gehouden, gunstig
op te nemen. De pelgrimstocht naar _Mekka_ bracht hen gemakkelijk in
betrekking met Mahomet, en ten gevolge van eenige enkele bekeeringen
van Arabieren uit _Yathrib_, begon de nieuwe eeredienst er weldra
talrijke aanhangers te bezitten. In het elfde jaar van Mahomets
zending, hadden twaalf personen, die van _Yathrib_ gekomen waren,
met hem eene samenkomst op den berg _Akaba_, een' heuvel in de
nabijheid van _Mekka_, in welke bijeenkomst hij hun de hoofdpunten
van zijn' godsdienst ontvouwde en hen vermaande, die te volgen. Deze
bijeenkomst is bekend onder den naam van _de eerste eed van Akaba_,
omdat die twaalf personen daar zwoeren, de voorschriften door Mahomet
ingeprent te volgen. Op dat tijdstip zijner zending vergde hij van
zijne bekeerlingen nog niet, zich ter verdediging van zijn godsdienst
te wapenen, maar het duurde niet lang of zij verbonden zich daartoe,
en wel bij de volgende gelegenheid: in het volgende jaar, zijnde het
twaalfde zijner zending, of het jaar 622, begaf eene karavaan van de
inwoners van _Yathrib_ zich naar _Mekka_; zij was samengesteld uit
Muzelmannen en afgodendienaars. Onder begunstiging van den nacht,
toen de afgodendienaars in diepen slaap waren gedompeld, hadden de
Muzelmannen eene geheime samenkomst met Mahomet; daarin beloofden
zij hem te ondersteunen en eene schuilplaats te verleenen, ja zij
noodigden hem zelfs, zich bij hen te komen vestigen. "Als wij het
leven voor u laten, wat zal dan onze belooning zijn?" vroegen zij
hem. "Het Paradijs!" antwoordde Mahomet--"Maar als wij tot het
welgelukken uwer onderneming bijdragen, zult gij ons dan niet
verlaten om naar _Mekka_ terug te keeren?"--"Nooit! Ik zal bij
u leven en sterven!" hernam hij, en deze belofte werd met een'
handslag bezegeld. Tot eer van Mahomet dient men hier te doen
opmerken dat deze belofte nimmer door hem gebroken, maar met de
meeste eerlijkheid gehouden is, (wat ook de geschiedenis bevestigt)
welke gronden en omstandigheden hem later daartoe ook mochten hebben
uitgelokt. Dit was _de tweede, of groote eed van Akaba_ ook de _eed
der vrouwen_ genoemd. Welke pogingen men ook moge hebben aangewend,
om het verbond met de Arabieren van _Yathrib_ zeer geheim te houden,
werd het echter aan de Koreïshieten bekend, waarop deze besloten,
zich van Mahomet te ontdoen. Nademaal Mahomet de mogelijkheid
voorzag, dat er geweldige maatregelen konden worden genomen, drong
hij bij vele Muzelmannen van _Mekka_ aan, naar _Yathrib_ uit te
wijken. Deze Muzelmannen zijn bekend onder den naam van _moehadjirs_
(uitgewekenen). Mahomet zelf, eindelijk, wist de waakzaamheid zijner
vijanden te ontgaan, die al zijne stappen bespiedden, en verliet
_Mekka_ in de eerste helft van Juni des jaars 622 [17]. Deze vlucht,
_hidjret_ genaamd, waarvan wij _hedjira_ of _hegira_ hebben gemaakt,
is het aanvangspunt der Mahomedaansche jaartelling. Deze is nochtans
zeventien jaren later, onder den Khalif Omar ingesteld. Op zijne
vlucht werd Mahomet door Aboe Bekr vergezeld. De twee vluchtelingen,
die door een' troep Koreïshieten vervolgd werden, verborgen zich in
eene grot van den berg _Thour_, op drie mijlen zuidelijk van _Mekka_
gelegen. Reeds maakten de Koreïshieten, die hem vervolgden, zich
gereed om er binnen te dringen, toen zij bemerkten, dat eene duif
aan den ingang van het hol twee eieren had gelegd, en eene spin
haar webbe had gesponnen. Daaruit maakten zij op, dat niemand kort
geleden in die grot kon zijn doorgedrongen en verwijderden zich
[18]. Mahomet kwam na eenige omwegen, ten noorden van _Mekka_, op
den weg naar _Yathrib_, waar hij in het begin van Juli 622 aankwam,
nadat hij te _Koba_, een dorp op twee mijlen afstands van _Yathrib_,
den eersten steen voor de eerste Muzelmansche moskee had gelegd.

Dadelijk na zijne aankomst te _Yathrib_, begon hij eene moskee te
bouwen en vestigde zijne woonplaats in die stad, welke van dien
tijd _Medinet-en-nabi_ (stad van den profeet) of _el-Medineh_
(de stad), _Medina_ begon genoemd te worden. De twee Arabische
stammen van _Yathrib_, die, na jaren van haat en oorlog, door den
Islam verzoend waren, ontvingen de benaming van _ansar_ (helpers,
bondgenooten), zoodat Mahomets aanhangers op dit tijdstip bestonden
uit de _moehadjirs_ (uitgewekenen van _Mekka_) en de _ansar_ (van
_Medina_), die allen begrepen werden onder den naam van _ashab_
(gezellen).

De Muzelmannen die zich op deze wijze te _Medina_ kwamen vestigen,
waren niet aan de genade der inwoners overgegeven; maar om hunne
veiligheid nog beter te verzekeren, sloot men eene overeenkomst,
waarbij hunne wederzijdsche betrekkingen en hunne rechten werden
vastgesteld.

Krachtens die overeenkomst moesten de Koreïshieten, inwoners van
_Mekka_, en de Arabieren van _Medina_ voortaan slechts een enkel volk
uitmaken. Onder die bepalingen kwamen er ook voor, van eenen aard,
welke men niet alleen in dat verwijderd tijdstip en uitsluitend in
het Muzelmansche burgerlijk wetboek aantreft, maar waarvan nog negen,
tien en elf eeuwen daarna en nog later, de wetboeken van de meeste
Europeesche volken bedroevende en menschonteerende stalen opleveren,
terwijl die nog in den tegenwoordigen tijd--om maar iets te noemen--ten
aanzien der Russische lijfeigenen enz. in Europa voorkomen; van andere
werelddeelen willen wij niet eens spreken. De bedoelde bepalingen
waren, b.v., dat een Muzelman geen' Muzelman mocht dooden, om den
dood van een' ongeloovige te wreken, en ook niet voor een' ongeloovige
tegen een' Muzelman partij mocht trekken. Voorts moesten de rijke en
machtige lieden de zwakken eerbiedigen. Geene partij der geloovigen
mocht afzonderlijk vrede met de ongeloovigen sluiten. De Israëlietische
bondgenooten der Muzelmannen moesten voor alle beleedigingen of
afpersingen beveiligd worden, en mochten hunnen godsdienst vrijelijk
uitoefenen; maar zij moesten zich ook bij de Muzelmannen voegen,
om _Medina_ tegen alle aanvallen te verdedigen, of moesten tot
de oorlogskosten bijdragen. Eindelijk vond men er eene bepaling,
volgens welke iedere twist, die er mocht ontstaan tusschen hen, welke
het verbond hadden gesloten, aan het oordeel van God en van Mahomet
zou worden onderworpen. Om elken naijver tusschen de _Ansar_ en de
_Moehadjirs_ te voorkomen, vormde Mahomet eene soort van broederschap,
in welke een ieder van de _Ansar_ bij een' _Moehadjir_ gevoegd was. Op
dat tijdstip waren vele godsdienstige instellingen en voorschriften nog
niet gevestigd: zoo wendde men zich, b.v., bij het gebed naar de zijde
van _Jeruzalem_, dat noordelijk lag, gelijk men de Israëlieten zich
daarheen zag wenden, in stede van zich zuidelijk, naar den _Caaba_
te keeren. De _edhan_ of _izan_--de oproeping tot het gebed--werd
eerst eenige maanden na Mahomets vestiging te _Medina_ vastgesteld,
maar er bestond reeds eene zekere organisatie, die alleen de bezegeling
der zegepraal noodig had om te wortelen. Zoodanige overwinning kwam
Mahomets werk weldra ter hulp. Het was in de maand _Ramadhan_ van
het jaar 624 en in het tweede jaar der _hedjira_. Mahomet had toen
vernomen, dat eene karavaan van _Syrië_, tusschen _Medina_ en de zee,
naar _Mekka_ terugkeerde. Hij nam het besluit haar aan te vallen;
maar het hoofd der karavaan, die van Mahomets voornemen onderricht
werd, deed ijlings te _Mekka_ hulp vragen. Die van _Mekka_ kwamen, ten
getale van omtrent duizend manschappen en honderd paarden, de karavaan
helpen. Mahomet had niet meer dan driehonderd veertien manschappen,
die slechts zeventig kameelen bezaten; dit was dus één kameel op
vier of vijf personen, die den kameel beurtelings bereden. Bij dien
troep waren slechts drie paarden, wier namen, zoowel als de kleinste
bijzonderheden dier onderneming, bewaard zijn gebleven. In weêrwil
van het mindere aantal zijner lieden, viel Mahomet de Koreïshieten te
_Bedr_ aan en sloeg hen, na een' tamelijk warmen strijd van eenige
uren, op de vlucht. Dat gevecht had plaats den 16den dag der maand
_Ramadhan_ in het tweede jaar der _hedjira_. De Muzelmannen, die
zelven over hunne zegepraal verbaasd stonden, schreven die aan de
hulp der engelen toe, welke zij, naar hun zeggen, de ongeloovigen
hadden zien bestrijden; en Mahomet zegt uitdrukkelijk in den Koran
(III, 119 en VIII, 9), dat God drieduizend engelen te zijner hulpe
had gezonden. In het begin van het gevecht onthield Mahomet zich in
eene hut, en zond vurige gebeden tot God op; doch zoodra de strijd
algemeen was geworden, kwam hij er uit, en terwijl hij zich onder de
strijdenden mengde, wierp hij eene handvol zand op de vijanden. Die
trek wordt onder de door Mahomet verrichte wonderwerken geteld.

De karavaan die kennis had van Mahomets bewegingen, vermeed
_Bedr_ en naderde de zee, terwijl zij tevens den weg naar _Mekka_
vervolgde. Mahomet, die de hoop had opgegeven haar nog te bereiken,
keerde met de gevangene Koreïshieten en den krijgsbuit naar _Medina_
terug. Behalve het na kort proces en spoedig ter dood brengen van
eenige Koreïshieten, door wie Mahomet voorheen beleedigd en zijne
zending bespot was, hadden al de andere gevangenen reden, over
de menschelijkheid der Muzelmannen voldaan te zijn. Na verloop
van zes weken werden die gevangenen door de bewoners van _Mekka_
losgekocht. Wel verre dat de laatstgenoemden door de nederlaag van
_Bedr_ ontmoedigd zouden zijn geweest, besloten zij integendeel
daarover wraak te nemen, en besteedden de helft der winst welke
de ontzette karavaan had gemaakt, aan het uitrusten der troepen;
terzelfder tijd stuurden zij zendelingen uit, om de Arabische stammen
ten krijg tegen Mahomet op te zetten. Zij hadden weldra drieduizend
strijders vereenigd, waaronder een zeker aantal, die hunne vrouwen
mede namen, welke in last hadden op tambourijns te slaan, liederen
ter eere van de bij _Bedr_ gedoode krijgslieden te zingen, en door
hare aanwezigheid den ijver harer mannen aan te vuren. Het leger der
Koreïshieten trok eerst op _Medina_ aan, toog de stad toen voorbij
en nam ten noordoosten, nabij den berg _Ohod_, eene stelling in.

Mahomet trok _Medina_ aan het hoofd van duizend man uit, om de
Koreïshieten aan te vallen. De Muzelmannen putten hun vertrouwen uit
de herinnering van den gelukkigen uitslag te _Bedr_; de Koreïshieten
daarentegen vonden zich bemoedigd door hun getal en hunnen haat;
en hun aanvoerder had twee afgodsbeelden met zich gevoerd, om den
moed zijner troepen aan te wakkeren. De strijd was zeer hardnekkig,
en reeds waande Mahomet dat hij overwinnaar was, toen een gedeelte
zijner troepen bij het vervolgen van den vluchtenden vijand zich
op de bagage wierp om die te plunderen. De Koreïshieten hereenigden
zich toen en vielen de Muzelmannen aan. Mahomet stort in een ravijn
en wordt door een' steen getroffen, die hem een tand aan stukken
slaat; desniettemin roept hij zijn krijgsmakkers toe: "wie wil zijn
leven voor mij geven? Hij die zijn bloed met het mijne vermengt,
zal niet door het helsche vuur bereikt worden." Men snelde te
zijner hulp, maar eenigen van zijne dapperste krijgsmakkers werden
daarbij gedood, en de Muzelmannen trokken naar een hollen weg terug,
waar zij door de Koreïshieten niet vervolgd werden. Het gevecht bij
_Ohod_ was verloren en men vatte van wederzijde het voornemen op,
het volgende jaar elkander te _Bedr_ nogmaals te ontmoeten. In den
Koran heeft Mahomet de oprechtheid gehad, de nederlaag van _Ohod_
niet te verzwijgen, maar toe te schrijven aan het te groot vertrouwen
der Muzelmannen op hunne krachten en aan de groote hebzuchtigheid,
waarmede zij zich op den buit hadden geworpen. Bij die gelegenheid
was het, dat Mahomet verbood de dooden van het slagveld te vervoeren
om die elders te begraven. Hij verbood zelfs hun het bloed af te
wasschen, daar hij zeide, dat de martelaars op den dag der opstanding
met hunne bloedende wonden verschijnen en eene muskuslucht van zich
geven zouden. Hij beval hun slechts aan, een gebed voor de lijken
te doen. Wij zouden de grenzen van deze levensschets te buiten gaan,
door hier een omstandig verhaal te geven van de tochten, de marschen en
gevechten, waartoe Mahomet, in de jaren die op de gevechten van _Bedr_
en _Ohod_ volgden, bij zijne botsingen, vooral met de afgodendienaars,
verplicht was. Wij zullen ons derhalve bij een zeer beknopt verslag van
die worstelingen bepalen. De Koreïshieten kwamen in het vierde jaar der
_hedjira_ niet opdagen voor het treffen bij _Bedr_, gelijk men elkander
in het vorige jaar beloofd had, doch daarentegen vormde zich tegen
Mahomet een verbond van Arabische en Joodsche stammen, naar Mahomets
meening vooral op aandrijven der Joden van _Medina_, die den stam
van _Koraïza_ uitmaakten. Dit verbond liep uit op het belegeren van
_Medina_ en aangezien de Muzelmannen op drie zijden van _Medina_ eene
gracht groeven, is die oorlog bekend onder den naam van _den oorlog der
gracht_. Deze gebeurtenis had plaats in het vijfde jaar der _hedjira_
(627), en op dat verbond heeft het hoofdstuk uit den Koran betrekking,
het welk _Al-ahzab_ (de verbondenen) heet, zijnde het XXXIIIe. Bij die
gracht hadden eenige gevechten tusschen de belegerden en de belegeraars
plaats. Het beleg duurde omstreeks eene maand, maar door den naijver
welken de heimelijke aanhangers van Mahomet in het leger wisten op
te wekken, ging het verbond, dat tienduizend man telde weldra uiteen
en het beleg werd toen opgeheven. Aan het hoofd van drieduizend man
ging Mahomet nu, terecht of niet, wraak nemen op den Joodschen stam
_Koraïza_--aan den anderen waagde hij zich niet--en belegerde hen in
hunne versterkingen. De _Koraïza_, die geene levensmiddelen hadden,
gaven zich na eenigen tijd over. Mahomet deed toen al de hoofden
ombrengen en verdeelde al de overigen benevens hunne vrouwen,
hunne kinderen en al hunne roerende en onroerende eigendommen,
onder de Muzelmannen. In het zesde jaar der _hedjira_ ondernam
Mahomet, zoowel in eigen persoon als door zijne krijgsbevelhebbers,
eenige kruistochten tegen onderscheidene Arabische stammen, welke hij
spoedig onderwierp. Zonder moeite namen deze den Islam aan. Uit dien
tijd verhalen Mahomet's levensbeschrijvers een' menschlievenden trek
van hem ten aanzien der afgodendienende Koreïshieten. Er waren eenige
pas bekeerde stammen die geweigerd hadden _Mekka_ van levensmiddelen
te voorzien, waar toen schaarschte daarvan was, doch Mahomet hief
dat verbod op. Het was evenzeer na een' dezer krijgstochten--dien
tegen de _Mostaliks_--dat de gebeurtenis voorviel met Aïsha, Mahomets
vrouw, die door het algemeen gerucht beschuldigd werd, in misdadige
betrekking te staan tot een jong Muzelman. De openbaring nu, vervat
in Hoofdstuk XXIV is door Mahomet niet alleen gewijd aan het doel
om Aïsha te zuiveren van de lasteringen te haren aanzien verbreid,
maar ook om in het vervolg de rechtspleging in gevallen van overspel
te regelen. In het zesde jaar der _hedjira_ beschouwden Mahomet en de
Muzelmannen, die sedert hunne vlucht uit _Mekka_ niet ter bedevaart
naar den heiligen tempel waren geweest, het als plicht, dit te
bewerkstelligen. Mahomet deed daartoe de Koreïshieten verlof vragen,
tegelijkertijd verklarende, dat zijne bedoelingen vredelievend waren,
hetzij nu dat hij werkelijk geene andere voornemens koesterde, hetzij
dat hij op eenige gunstige gebeurtenis wachtte, om zich van _Mekka_
meester te maken, bij gelegenheid dat hij deze bedevaart zou houden
aan het hoofd der Muzelmannen, bij welke zich de Arabieren zouden
hebben gevoegd, welke nog den afgodendienst waren toegedaan. Maar de
Koreïshieten lieten zich niet gemakkelijk belezen om dat verlof toe te
staan, en al de stappen door Mahomet gedaan, hadden alleen tot uitslag,
het sluiten eener overeenkomst, welke als eene zedelijke nederlaag kan
worden beschouwd. Deze overeenkomst bepaalde: 1º. een tienjarig bestand
zal getrouwelijk tusschen de Muzelmannen en de Koreïshieten in acht
worden genomen; 2º. ieder persoon die de Koreïshieten mocht verlaten,
om, zonder verlof zijner hoofden, tot Mahomet over te gaan, zal aan
de Koreïshieten uitgeleverd worden; 3º. zij die van Mahomets partij
tot die der Koreïshieten mochten overgaan, zouden niet uitgeleverd
worden; 4º. den Arabischen stammen wordt vrijheid gelaten, zich met
de Koreïshieten of met de Muzelmannen te verbinden; 5º. Mahomet
en de zijnen zullen onmiddellijk zich uit den omtrek van _Mekka_
terugtrekken; 6º. het volgende jaar zullen zij den _Caaba_ kunnen
bezoeken, maar zij zullen er niet langer dan drie dagen blijven,
en geene andere wapens dragen dan hunne sabels, die zij niet uit
de scheede zullen trekken. Deze overeenkomst, waarin het gewone
verschijnsel--overmoed tegen de zwakken, kruipen voor de sterken
zichtbaar was--mishaagde den Muzelmannen zeer, maar Mahomet deed,
vooral ten aanzien der artikelen 2 en 3, opmerken, dat God degenen niet
zou verlaten, welke aan de Koreïshieten mochten worden overgeleverd,
en wat diegenen betrof, welke tot de afgodendienaars mochten overgaan,
dat het openlijke verlaten door eenige huichelaars veeleer voor-
dan nadeel was. Deze overeenkomst werd gesloten te _Hodaïbiia_.

Voor dat jaar moest Mahomet van de bedevaart naar _Mekka_ afzien,
en zelfs weinig tijds na het sluiten der overeenkomst, toen een
Koreïshiet tot den Islam overging en door zijne hoofden opgeëischt
werd, haastte zich Mahomet om hem uit te leveren, waarover de
Muzelmannen zeer misnoegd waren; maar hij deed het stilzwijgen der
overeenkomst ten aanzien der vrouwen gelden, toen eenige vrouwen
na het verlaten van _Mekka_ in zijn kamp den Islam kwamen omhelzen,
en gaf haar niet aan hare mannen terug, die haar kwamen opeischen. In
hetzelfde jaar, het zesde der _hedjira_, zond Mahomet een' gezant aan
den koning van _Perzië_, om bij hem aan te dringen tot het aannemen
van zijn godsdienst. De brief dien hij Cosroës toezond, begon met de
volgende woorden: Mohammet zoon van Abdallah, gezant van God, aan Kesra
(Cosroës), koning van _Perzië_. Men kan begrijpen met welke verachting
dat schrijven door de Perzianen ontvangen moet zijn, als men weet,
dat deze al de Arabieren als een lomp en barbaarsch volk beschouwden,
dat ten deele aan de macht van _Perzië_ onderworpen was. De koning
en de koningin verscheurden Mahomets brief. Toen deze het vernomen
had, riep hij uit: "Dat God zijn rijk verscheure!" en deze vloek
werd aangezien als een onfeilbaar voorteeken van den spoedigen val
der Perzische monarchie. Die voorzegging werd echter eerst in het
achttiende jaar der _hedjira_ onder het khalifaat van Omar vervuld.

Volgens de Muzelmansche geschiedschrijvers werden de gezantschappen,
die door Mahomet aan den koning van _Abysenie_ en den gouverneur van
_Egypte_ werden gezonden, met eerbied ontvangen. Het zevende jaar der
_hedjira_ werd door eene belangrijke overwinning gekenmerkt en wel
door die op de Joden van _Khaïbar_, eene stad die door onderscheidene
forten verdedigd werd, en die drie of vier dagreizen van _Medina_,
te midden eener vruchtbare landstreek was gelegen. Mahomet toog naar
_Khaïbar_ aan het hoofd van veertien honderd man, waarbij twee honderd
ruiters. Het beleg duurde omstreeks twaalf dagen, en de Muzelmannen
vonden er een' krachtigen tegenstand; maar na eenige hardnekkige
gevechten, in welke Ali, Mahomets schoonzoon zich onderscheidde, werden
al de forten, het een na het andere ingenomen, en daardoor de macht der
Joden van _Khaïbar_ vernietigd. Maar aangezien zij aan hun land waren
gehecht, bleven zij in het bezit er van; dit was echter niet langer
als eigenaars, maar als pachters der Muzelmannen, en dit tengevolge
eener met Mahomet gesloten overeenkomst. Deze wederrechtelijke en
door niets te weeg gebrachte nederlaag der Israëlieten, deed bij
eene van Mahomets vrouwen, die ook tot dezen godsdienst behoorde,
de zucht ontstaan haar landgenooten te wreken. Zij gaf hem daarom
een stuk vergiftigd schapenvleesch te eten, en alleen ternauwernood
was het, dat hij aan den dood ontsnapte.

De overmeestering van _Khaïbar_ werd door die van _Fadak_ gevolgd,
zijnde dit een vlek dat tot _Khaïbar_ behoorde. Mahomet maakte _Fadak_
tot zijn bijzonder eigendom, hetwelk aan zijn dochter Fatima overging,
die met Ali gehuwd was. De Israëlieten van _Wadi-l-Kora_ ondergingen
hetzelfde lot, en die van _Taima_, op de grenzen van _Syrië,_
achtten het voorzichtig, eene onvermijdelijke vernieling voor te
komen, en zonden hunne onderwerping aan Mahomet in. In hetzelfde
jaar zond de nieuwe profeet een' gezant aan keizer Heraclius [19]
die zich toen, bij zijn terugkeer van den veldtocht naar _Perzië_,
in _Syrië_ bevond. De Muzelmansche levensbeschrijvers zeggen,
dat Heraclius den Muzelmansche gezant met onderscheiding ontving;
maar de gezantschappen die Mahomet aan twee Ghassanidisch-Arabische
vorsten zond, welke leenmannen van het Romeinsche keizerrijk waren,
werden met verontwaardiging en verachting ontvangen; in zijne brieven
had Mahomet hen uitgenoodigd, het Islamisme te omhelzen.

Op het einde van het zevende jaar der _hedjira_ (629), hetgeen
het tijdstip was voor de bedevaart naar _Mekka_, vastgesteld in de
overeenkomst, die in het vorige jaar met de Koreïshieten gesloten
was geworden, kon Mahomet eindelijk de gelofte van het bezoeken
der heilige plaatsen volbrengen, en hij volbracht haar op vreedzame
wijze. Hij trok _Mekka_ binnen, te midden van een grooten toeloop
van afgodendienaars. Hij zat op zijn wijfjes-kameel _Koswa_ en werd
omringd door zijne leerlingen, die te voet waren en de sabel op zijde
hadden. Hij nam al de godsdienstgebruiken waar, en wel niet alleen
diegene, welke sedert onheugelijke tijden ingesteld waren, en door
niets gekenmerkt werden wat naar afgoderij geleek, maar ook die, welke
hij, in zijne hoedanigheid van apostel, zelf pas had ingesteld. De
zeven omgangen rondom den _Caaba_, de zeven gangen tusschen de heuvels
van _Safa_ en _Merwa_, het slachten der offers in de vallei van
_Mina_ en het Muzelmansche gebed, dat door zijn bijzonderen uitroeper
aangekondigd werd, kortom alles had vreedzaam en in ongestoorde orde
plaats; maar de Koreïshieten stonden er op, dat hij, onmiddellijk na
het verblijf van drie dagen, dat door de overeenkomst was bepaald,
vertrekken zou, en wilden zelfs niet de uitnoodiging aannemen tot
een gastmaal, dat Mahomet hun voor zijn vertrek wenschte te geven.

Tengevolge van dien vreedzamen tocht, welke Mahomet wist dienstbaar te
maken aan het vermeerderen zijns aanziens in de oogen der Arabieren,
en die oorzaak werd dat er vele en belangrijke bekeeringen plaats
hadden, ondernam de profeet der Arabieren, die reeds door den glans
eens vorsten omringd was, een' krijgstocht tegen het Romeinsche
keizerrijk, of om beter te zeggen tegen de Ghassanidisch-Arabische
vorsten, die aan de Romeinen schatplichtig waren, en door Romeinsche
troepen ondersteund werden. Een Muzelmansch leger, drie duizend
man sterk en door zijn' vrijgemaakten slaaf Seïd aangevoerd, toog
naar _Moeta_, een vlek in het zuid-oostelijke uiteinde van _Syrië_,
en had daar bloedige gevechten te bestaan tegen de Arabieren en
Romeinen, die veel sterker in getal waren. De uitslag van dien
oorlog was voor de Muzelmannen noodlottig. Nadat zij achtereenvolgens
twee opperbevelhebbers hadden verloren, waren zij genoodzaakt naar
_Medina_ terug te trekken. Intusschen deed dat verlies Mahomets macht
niet verzwakken; want eenige Bedouynsche stammen haastten zich het
Islamisme te omhelzen en zich onder zijne banier te scharen; daaronder
behoorde de stam _Abs_, waartoe de vermaarde held Antara [20] had
behoord. Mahomet, welke de afgezanten van dien stam ontving, zeide
hun dat Antara, voor eenige jaren gestorven, de Bedouynsche held was,
welken hij het sterkst had verlangd te zien. Om al den voorspoed in
Arabië de kroon op te zetten, ontbrak Mahomet nog maar de vermeestering
van _Mekka_. Daartoe deed zich in het achtste jaar der _hedjira_,
eene gunstige gelegenheid op, toen de stam _Khozaa_, die Mahomets
bondgenoot was door de overeenkomst, twee jaren vroeger te _Hodaïbiia_
geteekend, door den stam _Doïl_ (bondgenoot van _Mekka_) en door die
van _Mekka_ zelven werd aangevallen. Mahomet achtte zich daarvoor
van alle verplichtingen ontslagen, en besloot dadelijk de meeste
partij van die breuk te trekken; daarom wees hij de openingen der
Koreïshieten af, ten aanzien eener voldoening en eener schikking. Hij
vertrok uit _Medina_ op den 10den dag der _ramadhan_ van het achtste
jaar der _hedjira_ (630) aan het hoofd der _Ansar_ en der _Moehadjir_,
en waarbij onderweg zich de stammen kwamen voegen, die kortelings tot
zijne leer waren overgegaan. Volgens Mahomets geschiedschrijvers beliep
dat leger tien duizend man. Tien dagen later trok het Muzelmansche
leger de heilige stad binnen, zonder dat er eenige verdediging plaats
had en zelfs zonder veel wederstand; zóó geheim had men den beraamden
tocht weten te houden, en zóó snel waren de bewegingen geschied;
maar een troep Koreïshieten, die de Muzelmansche voorhoede bij het
intrekken van _Mekka_ aanviel, werd nedergesabeld en alleen Mahomets
spoedige aankomst op de slagplaats was in staat, een groot aantal
schuldelooze offers te sparen. Zeventien bewoners van _Mekka_ werden
van de algemeene kwijtschelding uitgesloten, en Mahomet gaf verlof hen
te dooden, al waren zij ook in den _Caaba_ verborgen. Mahomet begaf
zich dadelijk naar den tempel, ging er zevenmalen omheen, en raakte met
eerbiedigheid den zwarten steen met zijn' _mihdjan_ aan, zijnde dit
een staf, die aan het eene einde omgebogen was. Hij vroeg vervolgens
den sleutel van den tempel en drong in het binnenste door. Hij zag er
beelden en voorstellingen van engelen, die op de muren geschilderd
waren, eene houten duif die aan de zoldering was opgehangen en die
vermoedelijk ontleend was, hetzij aan de Oud-Testamentaire vrededuif,
aan de duif der Samaritanen, of misschien aan het zinnebeeld van het
Nieuwe Testament; voorts een beeld, hetwelk men zeide dat van Abraham
te zijn, en hetwelk de pijlen in de hand had, door middel van welken
de Arabieren gewoon waren het lot te raadplegen. In den tempel waren
drie honderd zestig afgodsbeelden vereenigd; naarmate Mahomet deze
voorbijging, hief hij zijn _mihdjan_ op, en na dat teeken verbrijzelde
men die terstond, terwijl hij de woorden sprak: "De waarheid verscheen
en de logen verdween." Op het middaguur klom zijn bijzondere uitroeper,
Belal genaamd, op den _Caaba_ en verkondigde het uur van het gebed.

Denzelfden dag werd de geheele bevolking van _Mekka_ verwittigd,
dat zij zich had te begeven naar den heuvel _Safa_, om den profeet
te erkennen en hem den eed van gehoorzaamheid _bi'at bi'a_ te doen,
welke daarin bestond, dat een ieder Mahomet de hand moest geven. Bij
die gelegenheid was Omar Mahomets vertegenwoordiger; hij stak elk
der omstanders de hand toe, terwijl Mahomet op een' verheven zetel
geplaatst was. Na de mannen, werden de vrouwen toegelaten, om evenzeer
den eed te doen; zij beloofden, noch schelmerij, overspel, hoererij
noch kindermoord te plegen, en zich aan geen liegen of kwaadspreken
schuldig te maken.

Mahomet bleef omstreeks veertien dagen te _Mekka_. Gedurende dien
tijd deed hij, in den omtrek, de afgodsbeelden en de tempels der
afgodendienaars vernielen, en zond detachementen ruiterij uit, om de
bewoners der omgelegen streken tot den Islam te roepen. Hoezeer hij
zijne troepen had bevolen, hunne wapenen niet anders dan alleen in
den uitersten nood te gebruiken, volgden eenige hoofden deze orders
niet op en richtten moordtooneelen aan, welke Mahomet zich verplicht
achtte, openlijk te ontkennen als op zijn bevel geschied te zijn,
en die te veroordeelen. Een enkele machtige stam, die sedert lang
naijverig op de Koreïshieten was, weigerde zich te onderwerpen, en
trok tegen _Mekka_ op. Mahomet trok die stad binnen aan het hoofd van
een indrukwekkend leger, en het gezicht van die strijdmacht boezemde
de Muzelmannen een zoodanig vertrouwen in, dat zij zich onverwinbaar
achtten. Dat vertrouwen wordt echter in den Koran (IX:25) gegispt;
inderdaad toen dan ook, de Muzelmannen eene enge vallei binnentrokken
en te _Honaïn_ aankwamen, dat op tien mijlen afstands van _Mekka_
is gelegen, werden zij door de _Hawazin_, en wel met zulke hevigheid
aangevallen, dat er wanorde in hunne gelederen ontstond, en dat
het Mahomet eerst na de uiterste pogingen gelukte, de vluchtenden
tot staan te brengen en hen te hereenigen. Hij beval zijn' witten
muilezel _Doldol_ te gaan liggen, en wierp toen, even als te _Bedr_,
eene handvol zand naar den vijand, en door dit wonderwerk, zeggen de
geschiedschrijvers verschafte hij zich de overwinning. De vijand werd
op de vlucht gedreven en trok af naar _Taif_, eene stad ten westen van
_Mekka_ gelegen, en omringd door eene zeer vruchtbare streek, welke
stad door den handel rijk geworden en door muren omringd was. Toen
nu de belegering der stad lang begon te duren, wilde Mahomet eerst al
de wijngaarden in den omtrek verwoesten, maar zag, op de aanhoudende
verzoeken van de Arabieren uit den omtrek, daarvan af; terzelfder
tijd deed hij echter afkondigen, dat iedere slaaf die uit _Taif_
naar het leger der Muzelmannen overliep, vrij zoude zijn. In weêrwil
nochtans dat daarop een aanmerkelijk getal overloopers aankwamen,
hield de stad hare verdediging vol, en Mahomet achtte het raadzaam
het beleg op te breken, nadat hij twintig dagen lang vergeefsche
pogingen had aangewend om de stad te onderwerpen. Het mislukken van
dien tocht werd echter door de onderwerping van andere stammen vergoed.

Toen Mahomet te _Medina_ terugkwam, liet hij te _Mekka_ een'
onderbevelhebber achter, die belast was met het bestuur over de feesten
en plechtigheden der pelgrimstochten. Wat hierbij opmerking verdient,
is, dat de afgodendienaars onder de Arabieren, die er aankwamen, van
die plechtigheden niet uitgesloten waren. Het volgende jaar echter
deed Mahomet dit gebruik eindigen en gebood, dat de afgodendienaars
volstrektelijk zouden uitgesloten wezen, waarbij hij hun een' termijn
van vier maanden liet, om zich te bekeeren.

Het 9e jaar der _hedjira_ (631) was getuige van de bekeering
en onderwerping van eenige andere, zoowel heidensche als
christenstammen. De bekeering der laatsten had plaats na eene
redetwist, die door Mahomet zelven werd gehouden met bisschoppen en
Christenen van _Nedjram_, in welken redetwist de Christenen, volgens
het zeggen van de Muzelmansche geschiedschrijvers, zich overwonnen
verklaarden. Op het einde van hetzelfde jaar richtte Mahomet, die
vernomen had, dat er een Romeinsch leger tegen de Muzelmannen in
aantocht was, eene algemeene oproeping aan al de ongeloovigen, en
vereenigde een leger van dertigduizend man, dat hij naar _Taboek_
op de grenzen van _Syrië_ voerde. Men zag toen, dat de tijding van
het aanrukken der Romeinen valsch was, maar de aanwezigheid van zulk
een aanmerkelijk leger had de onderwerping van _Aïla_ tengevolge, dat
eene handeldrijvende stad aan de _Roode zee_ was, en ook van eenige
plaatsen in de nabijheid van _Taboek_ gelegen. De stad _Taïf_, die,
ten vorige jare de aanvallen van Mahomet had wederstaan, onderwierp
zich in dit jaar evenzeer. Dit jaar werd dan ook _het jaar der
gezantschappen_ genoemd, uithoofde van het aantal deputatiën die
elkander onophoudelijk opvolgden, om aan Mahomet de onderwerping van
steden en stammen te komen betuigen.

Het volgende jaar, zijnde het 10e der _hedjira_ (632), groeide het
aantal bekeeringen en onderwerpingen nog altijd aan. Tot hiertoe
zich hebbende bepaald bij _Hedjaz_ en de noordelijke streken van
_Arabië_, breidden zij zich, van toen, naar de zuidelijke en oostelijke
gedeelten uit. Nu huldigden de streken, welke bekend zijn onder de
namen _Hadramaut_, _Yemen_ en _Nedjd_ den eeredienst onder een eenig
God en tegelijk ook de profetenzending van Mahomet. Het dient daarbij
opgemerkt te worden, dat de profeet der Arabieren zich niet tevreden
hield met de belijdenis van den eeredienst des eenigen Gods, als die
niet het erkennen zijner zending tot gevolg had. "Er is geen andere
God dan God (_Allah_) en Mahomet is Gods gezant", was de vastgestelde
formule: dit waren de twee onmisbare getuigenissen (_Chehadeteïn_),
om aangezien te worden als Muzelman (_Moeslim_), of als man die aan
Gods wil onderworpen is.

Het werk van Mahomet was dan nu, na twintigjarige, volhardende
pogingen, verricht, de eerste helft van welk tijdverloop hem niet
anders dan teleurstelling scheen te bereiden, en hem niets anders dan
bespotting, beleedigingen en haat had opgeleverd. Om den gelukkigen
uitslag zijns arbeids plechtig te vieren, maakte Mahomet, in het 10e
jaar der _hedjira_, zijn voornemen kenbaar, eene plechtige bedevaart
naar _Mekka_ te doen, en dadelijk stroomde van alle zijden van _Arabië_
eene groote menigte toe, om hem in dat herkomstige godsdienstgebruik
te vergezellen. Volgens eenigen bestond de stoet uit negentig duizend,
volgens anderen uit honderdveertigduizend man. Toen de karavaan te
_Mekka_ was aangekomen, verrichtte Mahomet al de plechtigheden, welke
door het gebruik waren vastgesteld; zeide de gebeden op en begaf zich
den volgenden dag naar den berg _Arafat_, waar hij eene toespraak
hield, welke vervolgens werd herhaald door een' Koreïshiet, die eene
doordringende stem bezat, ten einde de menigte, die langs de helling
van den berg bijeen was, hem zouden kunnen hooren. Die toespraak, welke
door de overlevering is bewaard gebleven, bevatte een beknopt overzicht
van de voornaamste voorschriften, die in den Koran vervat zijn. De
aanspraak prentte rechtvaardigheid, menschelijkheid, welwillendheid,
broederschap tusschen de Muzelmannen, goede behandeling der vrouwen
en rechtschapenheid bij alle betrekkingen van het maatschappelijk
verkeer in; zij verbood ook het invoegen van dagen, om de maanmaanden
te verbeteren. Mahomet eindigde met de woorden: "Ik laat u eene wet
achter, die u voor dwaling zal behoeden; eene wet, die duidelijk en
stellig is; een boek eindelijk, dat van boven is neêrgezonden." Hij
besloot met uit te roepen: "O! mijn God! heb ik mijne zending
vervuld?" waarop aller stem antwoordde: "Ja, gij hebt haar vervuld!"

Den volgenden dag, zijnde voor de slachtoffers bestemd, offerde
Mahomet, met eigen hand, drieënzestig kameelen en schonk aan
drieënzestig slaven de vrijheid, welk getal juist gelijk was aan
zijnen ouderdom, in maanjaren geteld, welker behoud hij pas had
aanbevolen. Vervolgens deed hij zich het hoofd kaal scheren; want
gedurende den pelgrimstocht is het niet geoorloofd, het hoofd te
scheren of de nagels te knippen. De personen die het dichtst bij
hem waren, verdeelden toen de afgesneden haren onder elkaâr. De
bedevaartstocht, waarvan wij zoo even hebben gesproken, wordt de
afscheidspelgrimage genoemd. In Mahomets aanspraak op den berg
_Arafat_ had hij doen doorschemeren, dat het hem wellicht niet
zoude vergund zijn, _Mekka_ weêr te zien. Inderdaad werd hij eenigen
tijd na zijn' terugkeer te _Medina_ ziek. Hoezeer die krankte zijne
lichaamskrachten verzwakte, werden zijne geestvermogens er niet door
benadeeld. Gedurende die ongesteldheid vormde hij het plan voor eenen
nieuwen tocht tegen de Romeinsche provinciën, en wees zelfs Oekama, den
zoon van zijn vrijgemaakten slaaf Seïd, aan, als het hoofd der troepen,
die dezen krijgstocht zou aanvoeren. Omstreeks dat tijdsgewricht brak
er een storm in _Arabië_ zelf uit. In drie verschillende provinciën,
noemden drie onderscheidene personen zich profeet der Arabieren. Een
van dezen was Tolaïka, de tweede was Mossaïlama, en de derde Aïhama
(die ook el-Aswad of _de zwarte_ werd genaamd) van den stam der
_Ans_ of der _el Ansia_. Deze profeten, welke door de Muzelmannen
niet anders dan als valsche profeten konden worden beschouwd, hadden
onder de kortelings bekeerde, maar van _Medina_ verwijderde stammen
eenige vorderingen gemaakt; en Mossaïlama richtte zelfs een schrijven
aan Mahomet, waarin hij hem voorsloeg, de macht met hem te deelen,
aangezien zij beiden gelijkelijk profeten en Godsgezanten waren. Op
deze boodschap antwoordde Mahomet door de volgende woorden: "Mahomet,
gezant van God, aan Mossaïlama, den bedrieger. Heil, hun die den
rechten weg volgen [21]. De aarde behoort aan God en Hij geeft haar
bezit aan wien het hem behaagt. Zij alleen die den Heer vreezen, hebben
voorspoed." De uitdrukkingen van dat antwoord gaven te kennen, dat
Mahomet niet van de beslissing der wapenen zoude laten afhangen, aan
wien de macht zou behooren; in afwachting daarvan zond hij aan zijne
legerhoofden bevelen, om de vorderingen der bedriegers te beletten. Hem
werd echter alleen de nederlaag van el-Aswad bekend, welke door een'
van zijne eigene bevelhebbers werd gedood. Meer vernam hij niet; want
de koorts die hem verlaten had, keerde na weinig tijds terug en deed
al zijne krachten zinken. Toen hij gevoelde, dat hij al zwakker en
zwakker werd, vestigde hij zich in het verblijf zijner vrouw Aïsha,
en bepaalde zeer nauwkeurig de wijze waarop hij begraven wilde worden.

"Zoodra gij mij gewasschen en in de doodskleederen zult hebben gehuld,"
zeide hij tot zijne verwanten, "zult gij mij, op dit bed, aan den rand
van mijn graf plaatsen, dat in ditzelfde vertrek gegraven moet worden,
op de plaats waar ik mij nu bevind; daarna zult ge mij alleen laten
en wachten tot de engel Gabriël en al de engelen des hemels voor mij
gebeden hebben. Vervolgens zult gij binnen komen, namelijk eerst mijn
gezin en hierna al de Muzelmannen, om bij mij te bidden."

In weêrwil zijner zeer groote zwakte, begaf hij zich nog, door zijn
beide neven ondersteund, naar de moskee of Mahomedaansche kerk,
en toen hij er het gestoelte (_minber_) had bestegen, hield hij de
volgende toespraak aan de Muzelmannen.

"O! Muzelmannen, heb ik iemand onder u geslagen, zie hier dan mijn rug;
laat hij mij terugslaan. Is er iemand door mij beleedigd geworden, laat
hij mij dan beleediging met beleediging vergelden; heb ik iemand zijn
goed ontroofd, laat hij het dan terug nemen. Men vreeze niet, daardoor
mijn' haat op te wekken; de haat ligt niet in mijne natuur [22]." Een
persoon kwam toen drie dirhems [23] van hem terug vorderen. Mahomet gaf
hem die dadelijk terug, met de woorden; "Het is beter schande in deze
wereld, dan in de andere te hebben." Toen hij, eenige dagen daarna,
zich te zwak gevoelde om het bed te verlaten, zeide hij eensklaps,
in een oogenblik waarin hij schier aan het ijlen was geraakt, tot
de omstanders: "Laat men mij inkt en papier brengen; ik zal u een
geschrift geven, dat u altijd voor dwaling zal behoeden." Maar Omar
belette het uitvoeren van dat bevel. "De profeet is aan 't ijlen,"
zeide hij. "Hebben wij niet den Koran om ons te leiden?" Onderwijl
men aan't twisten was over de vraag, of men de bevelen moest uitvoeren
van iemand die reeds stervende was, zeide Mahomet tot de omstanders:

"Gaat heen! het is niet voegzaam in tegenwoordigheid van den gezant
Gods aldus te twisten."

Hij verscheen nog eens in de moskee, waartoe men uit zijne kamer
toegang had, en dezen keer gaf hij de aanbeveling, den Koran te
volgen, als eene onfeilbare gids te midden der beproevingen, die de
Muzelmannen stonden te wachten. Deze raadgevingen werden uitgesproken
met eene krachtige en helderklinkende stem die scheen aan te duiden,
dat de krachten terugkeerden. Dit was echter niet meer dan het laatste
opflikkeren van een licht, dat weldra uit zoude gaan. Toen hij in
zijn vertrek was teruggekeerd, bleef hij eenige uren ineengezakt
zitten, nadat hij eenige afgebroken woorden had uitgesproken, als:
"Mijn God ... ja... met den gezel van boven (de engel Gabriël)." Hij
stierf op de knieën van Aïsha, den 13den dag der maand _Rabi_ van
het tiende jaar der hedjira (8 Juni 632), hetgeen Maandag was. Zijn
graf is derhalve te _Medina_, welke stad, uit dien hoofde den bijnaam
_monewwereh_, de verlichte, heeft verkregen. De tijding van zijnen dood
verspreidde zich weldra te _Medina,_ en veroorzaakte er eene algemeene
verslagenheid. Eenigen wilden het niet gelooven, anderen waren geneigd
om weder tot den afgodendienst terug te keeren; maar Aboe Bekrs
besluit, dat met spoed genomen werd, verstikte de wanorde in de kiem
en vestigde voor altijd de toekomst van den Islam. Door hetgeen hier
gezegd is, ziet men, dat Mahomet volstrekt geen opvolger had aangewezen
[24]. Bij zijn afsterven liet hij geen enkel kind van het mannelijk
geslacht na. Hij had in alles vijftien vrouwen gehuwd en met twaalf van
haar echtelijke gemeenschap gehad. Met uitzondering van Israhim, een
zoon, welken hij bij de Kophtische Maria had, die eerst zijn bijwijf
en naderhand zijne vrouw was geweest, en welke zoon vóór hem stierf,
waren ook al de andere kinderen hem door zijne eerste vrouw, Khadidja,
gebaard, en de zonen der overige vrouwen vóór hem gestorven. Dit waren
vier zonen: Kacim, Taiib, Tahir, Abdallah, en vier dochters: Fatima,
die gehuwd was met Ali, Rokaïa en Omm Kolthoem, beiden gehuwd met
Othman, die later Khalif was, en eindelijk Zeïnab (Zenobia). Onder
diegene zijner vrouwen, welke eenige vermaardheid hebben verkregen,
behooren: Khadidja, dochter van Kwowaïlid; Aïsha, dochter van Aboe
Bekr; Hafsa, dochter van Omar; Omm Habiba, dochter van Aboe Sofian,
een der machtige Koreïshieten; Safia eene Israëlietin en Zeïnab,
dochter van Djahch, die eerst gehuwd was aan zijn vrijgemaakten slaaf
Seïd (zie Hoofdstuk XXXIII ten aanzien van dat huwelijk). Negen van
zijne vrouwen overleefden Mahomet; maar aangezien hij de Muzelmannen
had verboden, haar na zijn dood te huwen (XXXIII : 53), hertrouwde
geene van haar. Dat aantal vrouwen is lijnrecht in strijd met het
voorschrift van den Koran, waarbij aan de Muzelmannen verboden wordt,
te gelijk meer dan vier wettig gehuwde vrouwen te hebben, (Hoofdst. IV)
maar het was een voorrecht, dat Mahomet, in zijne hoedanigheid van
geestelijk opperhoofd en profeet, voor zich zelven had ingeroepen.

Mahomet had, zegt men, in tegenwoordigheid van Aboe Bekr verklaard,
dat al wat een profeet bij diens dood bezat, weer aan het volk,
dat is aan den Staat, terug moest komen. Bij zijnen dood ging men
waarschijnlijk van deze woorden uit, om aan zijne vrouwen een jaargeld
op de schatkist aan te wijzen, en, anderdeels, om zijner dochter
Fatima de eigendom te ontnemen van _Fadak_, een vlek, dat op de joden
veroverd was. Krachtens de voorschriften van den Koran, had het hoofd
van den Staat, die ook het geestelijke hoofd, of de opperpriester was,
aanspraak op het vijfde gedeelte van den buit welke op den vijand was
veroverd. Nadat Mahomet zijn vijfde gedeelte, na elken gelukkigen tocht
had genomen, besteedde hij een groot gedeelte aan ondersteuning van
armen, weduwen en weezen. Zijne matige en eenvoudige levenswijze, zijne
onafgebroken werkzaamheid brachten hem niet tot bovenmatige uitgaven;
maar het onderhouden van een groot aantal vrouwen, waarvan elkeen
een afzonderlijk huis of verblijf bewoonde, verzwolg zijn vermogen.

Hij bezat tweeëntwintig paarden, twee ezels _Ofair_ en _Ya'foer_; vijf
muilezels, vijf wijfjes kameelen, welke hij bereed, waartoe ook die
behoorde, welke bekend was onder den naam van _Koswa_ (met afgesneden
ooren); voorts nog twintig melkkameelen, honderd schapen en eenige
geiten. Van negen sabels was diegene de beroemdste, welke naderhand
in het bezit van Ali overging en _dhoelfikar_ heette; zijnde een
sabel die bestond uit twee klingen, welke naar de punt uiteenliepen;
voorts had hij drie lansen, drie bogen, zeven harnassen, drie schilden,
een standaard (_liwa_) van een witte kleur, en een andere, die zwart
was en _okuk_ (zwarte adelaar), genoemd werd, en welke, naar men
zegt, nog dezelfde is, dien men tot op onze dagen, onder den naam
van _sandjak sherif_ (doorluchtige vaan) te Konstantinopel bewaard
heeft. Vervolgens liet hij na: een mantel (_borda_) thans nog in de
laatstgenoemde stad bewaard, onder den naam van _kherkaï sherifsh_
en, naar men zegt, dezelfde welken Mahomet aan den dichter Ca'b gaf,
die zijne lofrede had geschreven. De groene tulband werd later het
onderscheidingsteeken van de afstammelingen, die uit zijne dochter
Fatima waren voortgesproten, terwijl de zwarte dat van den zijtak werd,
die uit Abbas, den stamvader des Abbassiden, voortgesproten waren.

Mahomet was, wat zijn uiterlijk voorkomen betreft, van middelbare
gestalte en had een stevig gebouwd en welgevormd lichaam. Hij had
zwarte oogen, zwart, sluik haar, een' arendsneus, gladde en blozende
wangen, en zijne tanden stonden een weinig van een. In weêrwil van
zijn gevorderden ouderdom, bemerkte men nauwelijks eenige grijze
haren aan hem. Overigens had hij, naar het gebruik der Arabieren,
de gewoonte, die zwart te verven, en zijne nagels door middel der
_henna_ te kleuren, en _collyre_ op zijn oogleden te doen. Hij was
er op gesteld, een spiegel te gebruiken, of zich in een met water
gevuld vat te spiegelen, om zijn tulband in orde te schikken. Wat
zijne neigingen betreft, vermeldt men van hem de woorden: "waar ik
ter wereld het meest op gesteld ben, zijn de vrouwen en de reukwerken,
maar wat mij de ziel verstrekt, is het gebed." Het innemende van zijn
uiterlijk voorkomen werd overigens door eene sterke uitdrukking van
goedheid en minzaamheid verhoogd. Hij verliet nimmer het eerst dengeen
die hem aansprak, en trok zijne hand nooit terug, vóór de hand van
dengeen die haar drukte, werd teruggetrokken. In Hoofdstuk LXXX doet
hij zich een streng verwijt, omdat hij een armen man op onvriendelijke
wijze had ontvangen. Hij gebruikte nochtans de voorzorg, zich van de
lostigheden en de onbeschoftheid zijner medeburgers te vrijwaren, door
gedeelten van den Koran, waarin de regelen der wellevendheid worden
onderwezen. Hij, die zich bovenal met zijn voornamen doel bezig hield,
wist scheldwoorden en beleedigingen met geduld te verdragen, en vond
niet het minste behagen in het voldoen zijner persoonlijke wraak, als
het goede gevolg zijner zaak die nutteloos maakte. Na het innemen van
_Mekka_, voerde men een zijner hardnekkigste vijanden voor hem; hij
zweeg geruimen tijd en eindigde met hem vergiffenis te schenken. "Ik
heb gezwegen," zeide hij tot zijne aanhangers "in afwachting,
dat er een opstaan en dien man dooden zou." Zij antwoorden daarop:
"wij hebben een teeken van u, o profeet, afgewacht," Hij hernam:
"Teekens van verstandhouding geven, die een verraad zouden zijn, voegt
den profeet niet." Daarmede scheen hij eenigermate kenbaar te maken,
hoedanig men het zwijgen van den profeet tegenover een vijand had uit
te leggen. De overlevering heeft onderscheidene trekken uit Mahomets
leven bewaard, die hem als een zeer zachtaardig, zeer menschelijk
en zeer welwillend man schetsen, ten aanzien van allen die aan hem
verknocht waren. Hij had echter een diep gevoel van de hekeldichten,
door sommige dichters der afgodendienaars geschreven, en belastte
eenigen van hem, die zijne partij hadden omhelsd, hun te antwoorden. De
vermaardste dier aan Mahomet verknochte dichters zijn Hassan, zoon van
Thabit en Ca'b, zoon van Zohaïr. Wat hemzelven betreft, was poëzie hem
zóó vreemd, dat men voorbeelden van hem aanvoert, waarin hij, bij het
herhalen van het vers eens dichters, de woorden derwijze verplaatste,
dat maat en rijm er geheel door verloren gingen. Het oordeel, dat hij
in den Koran (hoofdstuk XXVI), over de dichters in het algemeen velt,
mag doen aannemen, dat hij evenzeer geneigd was, zich, in zijn'
Muzelmanschen staat, zonder hen te behelpen, als Plato het was,
om hen uit zijne republiek te verjagen. Terzelfder tijd dient men te
erkennen, dat de godsdienstige overspanning, welke het medeslepen door
den nieuwen eerdienst voorbracht, de poëtische verheffingen van het
heidendom eenklaps heeft onderdrukt. Een beroemd Arabisch dichter,
Lebid genaamd, schreef geene verzen meer, van het oogenblik dat hij
Muzelman was geworden, en Mahomets lofdichters kunnen niet wedijveren
met Amrilkaïs, Chanfara, Tarafa enz.

Het laat zich moeilijk beslissen, of Mahomet lezen en schrijven
kon. Het gedeelte van den Koran, waarin de engel Gabriël hem zegt:
"Lees!" en zijn antwoord: "wat zal ik lezen?" zoude doen aannemen,
dat hij kon lezen, terwijl de omstandigheid, dat hij weinige dagen
voor zijnen dood, pen en inkt vroeg, om zijne meeste beschikkingen op
te schrijven, grond schijnt te leveren tot het veronderstellen, dat
hij schrijven kon. In allen gevalle en hoe het daarmee gelegen zij,
bediende hij zich gaarne van zijne secretarissen, welke nederschreven
wat hij hun voorzegde. Die geheimschrijvers waren Ali, Othman, Seïd,
Obaï, Moawia. Wat nu eenige letterkennis betreft, gelijk die, op
dat tijdstip, onder de Israëlieten en Christenen kon bestaan, zoo
bezat hij deze niet, en kende van de heilige schriften dier beide
godsdiensten alleen brokstukken, gelijk men ze in gesprekken of van
hooren zeggen opdoet. Dit is dan ook oorzaak, dat eenige bijbelsche
verhalen, welke door den Koran worden aangevoerd, verminkt en verward
zijn, en dat het valsche en twijfelachtige er, bijna doorgaans, naast
het ware en echte ligt. Overigens erkent Mahomet zelf, dat hij een
ongeletterd profeet (_ommi_) is, die tot de ongeletterden gezonden
was, hetgeen waarschijnlijk geschiedde om zijn karakter, als man die
door den hemel bezield was, des te beter te doen uitkomen. Eenige
Muzelmansche schrijvers wenden nochtans voor, dat het woord _ommi_
(moederlijk, of gelijk men is als men uit het moederlijf komt, te
weten: onwetend, ongeletterd), als het op Mahomet toegepast wordt,
niets anders beteekent, dan dat hij geboortig was van _Mekka_,
welke stad _Ommoel-Koera_ of _moeder der steden_, genoemd wordt
[25]. De eigen bekentenis, welke Mahomet bij herhaling van zijne
gebrekkige kunde aflegt en van zijne onbekendheid ten aanzien der
toekomst, zijn voor zijne metgezellen, en nog veel meer voor de latere
geslachten, geen beletsel geweest, om hem de gaaf toe te schrijven,
in de toekomst te lezen en mirakelen te doen. De godsdienstige
overspanning, de ijver voor het uitbreiden van eenen godsdienst,
die reeds grond had gewonnen, en ook het godsdienstbedrog--al welke
oorzaken aanleiding geven tot zoodanige wonderwerken, welke in geene
enkele der verkondigde godsdiensten ontbreken--hebben zich tot de
onwetenden en lichtgeloovigen gewend en Mahomet als den bewerker van
duizende mirakels doen voorkomen [26]. Daarbij bleef men echter zelfs
niet staan. Toen, op de natuurlijke helling van eenen eeredienst
in de ontwikkelingsperiode, de godsdienstige redetwisten over de
leerstukken geopend werden; toen de Muzelmansche eerdienst met het
joden- en christendom in aanraking kwam, werd men tot de verzekering
gebracht, dat de Koran, die voor eene rechtstreeksche openbaring
van God en zijn woord werd verklaard, eene zaak even eeuwig als God,
en niet geschapen was.

Zoodra men zekerheid had, dat Mahomet gestorven was, begonnen de
twisten over de keuze van een' _Khalif_. Aangezien Ali echter niet
daaraan deel nam, zoo had de partij die voor Aboe Bekr was, alleen
de aanspraken van een deel van die van _Medina_ te bestrijden, aan
welker hoofd Saad Ibn Ibada stond. Aboe Bekrs welsprekendheid en Omars
zielskracht, gevoegd bij de tweespalt tusschen _Medinas_ inwoners,
waren oorzaak van het beslissen der zege, en dat de eerstgenoemde door
de aanzienlijkste Muzelmannen te _Medina_ gehuldigd werd. Wij vermelden
hier nog, dat zijne grafstede, vroeger in de woning van Aïcha of
Aïsha gelegen, later, door de vergrooting der moskee, binnen deze kwam.

Nog het een en ander willen wij omtrent zijne vrouwen hierbij voegen
en terwijl wij de Kophtische Maria, welke hij van den stadhouder
van Egypte ten geschenke had gekregen, slechts in het voorbijgaan
aanvoeren; omdat zij aanleiding heeft gegeven tot eenige merkwaardige
Koranverzen, zullen wij eenige oogenblikken langer verwijlen bij Aïsha
of Aïcha, die evenzeer oorzaak is van het ontstaan van een gedeelte
des Korans. Met Aïsha, de dochter van Aboe Bekr verloofde Mahomet zich
eenige maanden na Khadidjas dood; aangezien zij echter toen niet ouder
dan zeven jaren was, huwde hij haar eerst later te _Medina_. Zij was
de eenige van Mahomets vrouwen, welke hij niet als weduwe gehuwd had,
en zij werd ook het meest door hem bemind. Zij oefende een' grooten
invloed op hem uit en gaf het bestaan aan de meeste overleveringen,
welke tot grondslag dienen, zoowel van de Muzelmansche legenden,
als van de geschiedenis der vestiging van het Islamisme, terwijl zij
zelfs eene rol speelde in de burgeroorlogen, die onder het Khalifaat
van Othman begonnen en met de overwinning der Omejjaden eindigden.

Alvorens echter over te gaan tot het mededeelen der gebeurtenis,
waardoor Aïsha aanleiding gaf tot een gedeelte van den Koran, en
waardoor eene belangrijke bijdrage wordt geleverd tot de kennis van
Mahomet als wetgever en profeet, noemen wij nog eene andere zijner
vrouwen. Dit is Hafsa, de dochter van Omar, welke evenzeer aanleiding
gaf tot het ontstaan van eene plaats in den Koran, en bovendien
degene was, bij welke de eerste verzameling bewaard bleef van de
fragmenten des Korans, door Aboe Bekr bijeen gebracht, en waarvan
Othman verdere afschriften maakte. De bedoelde plaats in den Koran,
waartoe Hafsa aanleiding gaf, ontstond bij de volgende gelegenheid:
Mahomet had namelijk op zekeren dag eene heimelijke bijeenkomst met de
reeds genoemde Maria, en wel, op zeer onvoegzame wijze, in de woning
van Hafsa, die hen bijeen vond. Om nu de minijverige en gekwetste
echtgenoot tevreden te stellen, beloofde hij niet weêr gemeenschap met
Maria te hebben. Hafsa maakte desniettemin geen geheim van de zaak,
en Mahomet werd door zijn' geheelen harem, maar vooral door Hafsa en
Aïsha met zulke kleinachting behandeld, dat hij eene geheele maand
in een zolderkamertje alleen doorbracht. Toen echter dreigde hij,
in naam des Hemels, met echtscheiding, en veroorloofde zich, evenzeer
ten gevolge eener openbaring, weder den omgang met Maria [27].

De Openbaring en de wet op overspel, waartoe Aïsha aanleiding
gaf, ontstond bij eene belangrijke gebeurtenis. Aïsha (of Aïcha)
vergezelde Mahomet op een' veldtocht tegen de _Benoe Moestalik_. Zij
bleef nochtans op den laatsten dag van den terugkeer achter, toen de
troepen in de vroegte opbraken, en kwam toen met Moeattal, die tot
de achterhoede behoorde eenige uren later te _Medina_ aan. Daardoor
gold Aïsha in de oogen der menigte natuurlijk als een overspeelster,
en Mahomet vond in dat voorval grond genoeg, om aan hare echtelijke
trouw te twijfelen; want hare verontschuldiging scheen hem niet
geheel voldoende. Zij verklaarde namelijk, dat zij, toen zij in haren
draagstoel wilde stijgen, haar halsketen gemist had, en dat zij weder
was teruggekeerd, om die op te zoeken. Intusschen hadden nochtans
hare kameeldrijvers, meenende dat zij werkelijk ingestegen was,
den draagstoel, als gewoonlijk, op den kameel vastgebonden en dezen
voortgedreven. Toen zij nu terug kwam, was de draagstoel verdwenen,
en de manschap reeds zoover vooruitgetrokken, dat zij dezen niet meer
kon inhalen. Mahomet behandelde haar koel en met onverschilligheid,
gedurende de ziekte, waaraan zij--schijnbaar of werkelijk--kort na hare
aankomst leed, en liet haar zelfs later naar het huis harer ouders
brengen. Geheel _Medina_ sprak over dat voorval, en zelfs Mahomet
maakte er bij zijne vrienden geen geheim van, dat hij aan Aïshas
onschuld twijfelde. Omstreeks eene maand nochtans na die treurige
gebeurtenis, zegepraalde de liefde voor Aïsha, en misschien ook het
gevoel voor zijn' oudsten en getrouwsten aanhanger--zijn schoonvader
Aboe Bekr--bij hem, op den minnenijd en het wraakgevoel. Hij bezocht
haar toen in haars vaders woning en verklaarde, na een' aanval
van vallende ziekte, door welke zijne openbaringen dikwijls werden
voorafgegaan, in naam des Hemels, dat zij onschuldig was. Diegenen,
welke op de meest bepaalde wijze tegen zijne vrouw hadden gesproken,
werden gegeeseld, en deze straf werd ook van toen af, tegen een' ieder
bepaald, welke eens anderen vrouw van ontrouw beschuldigt en zijne
beschuldiging niet door vier geloofwaardige getuigen kan bewijzen. [28]

De zwakheid, welke Mahomet in zijne betrekking tot het vrouwelijke
geslacht vertoonde, en die gewis reeds volstaat om een zeer
dubbelzinnig licht op zijn karakter als profeet te werpen, is
overigens de eenige, welke wij in zijn bijzonder leven opmerken. In
elk ander opzicht was hij een toonbeeld van huisselijke en gezellige
deugd. In zijne woning, manier van leven en spijze, heerschte de
grootste eenvoud, ja zelfs was daarin somtijds gebrek en armoede. Hij
maakte zoo weinig aanspraak op hulde, dat hij niet wilde, dat zijne
aanhangers hem eenigerhande uiterlijk bewijs van eerbied zouden
geven, ja dat hij diensten welke hij zelf verrichten kon, niet eens
van zijne slaven aannam, zoodat hij dikwijls in persoon ter markt
ging, om levensmiddelen in te koopen en deze zelf toebereidde, zijne
kleederen verstelde, zijn geiten melkte en zijne woning veegde. Een elk
had vrijen toegang tot hem, en zelfs op straat verleende hij elkeen
gehoor, welke iets had te verzoeken. Zijne weldadigheid en mildheid
waren onbegrensd, zoodat hij, in spijt van zijn groot aandeel in
allen buit, altijd arm bleef en bij zijnen dood slechts weinige dinars
naliet. Niet alleen jegens armen echter maakte zijne weldadigheid zich
kenbaar; hij zocht ook, op alle mogelijke wijzen, alle andere lijdenden
te troosten. Niemand was in _Medina_ ziek, of hij bezocht hem, en
niemand stierf daar ter stede, of hij voegde zich bij hen die het
lijk volgden. Niemand ondervond eene onrechtvaardigheid, die hij niet
ter hulpe ijlde; overal waar het gold, den zwakke tegen den sterke te
verdedigen, was hij. Alleen waar de staatkunde het gebood, kon hij zich
tot de grootste wreedaardigheden laten wegslepen; maar in alle overige
gevallen, toonde hij zich uiterst toegevend en grootmoedig. Men vindt
wel menige voorbeelden van ter dood gebrachte misdadigers of werkzame
vijanden van den Islam, maar in evenredigheid van den duur zijner
heerschappij is het aantal van dezen zeer gering. Een der bloedigste
moordtooneelen richtte hij onder de _Benoe Koraïza_ aan. Dit was niet
zoo zeer uit godsdiensthaat, als wel omdat zij hem in het oogenblik
van gevaar verlaten hadden, en tot den vijand waren overgegaan; iets
waardoor hij zijn' ondergang nabij was geweest. Moesten wij nu Mahomet,
die zich profeet en Godsgezant noemt, niet strenger beoordeelen dan een
gewoon opperhoofd der Arabieren, dan zouden, in onze oogen, de vlekken,
welke wij in zijne levensgeschiedenis waarnemen, des te gemakkelijker
verdwijnen, uithoofde zij door de zeden en gebruiken van zijnen tijd
zijn te rechtvaardigen. Wij zouden hem een' sluwen staatsman noemen,
welke, ten deele uit liefde tot zijn volk, ten deele uit eerzucht,
groote zaken heeft volvoerd. Ook als verbeteraar der zeden, als
verkondiger van het monotheïsmus of stelsels van de eenheid Gods,
der leer van de onsterfelijkheid der ziel en de vergelding, welke hij
't eerst in _Arabië_ deed wortelen, kunnen wij hem onzen bijval en,
met het oog op zijn menigvuldig lijden in den eersten tijd, zelfs onze
bewondering niet onthouden. Dat hij echter volstrekt niet opgewassen
was tegen de rol van stichter van eenen nieuwen godsdienst en van
wetgever, blijkt uit een nauwkeurig onderzoek van den Koran, niet
minder dan uit zijn leven.



II

DE KORAN.

Algemeen overzicht.


Wat wij Mahomet niet kunnen vergeven, is, dat hij zijne voorgewende of
werkelijke openbaringen, welke, gelijk hij zelf zich dikwijls uitdrukt,
de geloovigen voor alle tijden licht en leiding zouden verschaffen,
niet bij zijn leven, volgens chronologische orde, of volgens den
inhoud, tot een geheel heeft doen verzamelen [29].

De Muzelmannen, wel is waar--doch blijkbaar alleen met het doel om
hunnen profeet te verontschuldigen en de echtheid des Korans te
verdedigen--stellen vast, dat dit niet noodig was, omdat de door
hem geopenbaarde verzen door zijne volgelingen van buiten geleerd,
en langs dien weg aan de vergetelheid onttrokken werden. Zien wij
echter niet bij Mahomets dood, dat, behalve Aboe-Bekr, niemand iets
van een vers wist, waarin Mahomets sterfelijkheid bepaald uitgedrukt
zou geworden zijn? [30]

Stelt ook Omar niet vast, dat het vers, waarbij, echtbreuk met
den dood wordt gestraft, en eenige andere verloren zouden zijn
gegaan? En hoe dikwijls werden niet vroegere voorschriften door
latere veranderd, zonder dat altijd degenen, welke zich de vroegere
voorschriften in het geheugen hadden geprent, bij het herroepen
tegenwoordig waren? Moest Mahomet toen niet veronderstellen--wat
naderhand inderdaad gebeurde--dat er ten minste over de letter zijner
openbaringen, later twist zou ontstaan. Moest hij niet vreezen,
dat men er geheel vreemdsoortige dingen onder zoude schuiven? Dit
toch moest hij te eerder, omdat hij aanneemt, dat zoowel de Joden
als de Christenen de Heilige Schrift vervalscht hebben? Voor deze
zorgeloosheid nu weten wij geen' anderen grond op te geven, dan dat de
meeste dusgenoemde openbaringen alleen door de omstandigheden van het
oogenblik in het leven werden geroepen, en derhalve niet meer dan een
tijdelijke beteekenis hadden, zoodat het bewaren van deze, hem niet
zeer gewichtig scheen te zijn. Voorts schijnt het, dat hij, uithoofde
der menigvuldige tegenstrijdigheden in zijne openbaringen vervat,
hebbe geaarzeld, deze als een geheel aan de toekomst over te geven,
terwijl hij ook vóór zijnen dood, waarvan hij natuurlijk het oogenblik
niet kende, speelruimte wilde houden om er verbeteringen en bijvoegsels
in te brengen. De volgende overlevering van een rechtzinnigen Muzelman
toont ons, hoe gewichtig het voor Mahomet was, zijne openbaringen elk
oogenblik te kunnen wijzigen, wat niet zoo gemakkelijk had kunnen
geschieden, indien hij die, bijeengebracht en gerangschikt, aan de
handen der geloovigen had overgegeven. Toen het vers verscheen: "Zijn
ook misschien zij die te huis blijven, (voor God) gelijk aan hen die
voor hun geloof strijden [31]?" zeide Abd Allah Ibn Djahsh en Ibn Um
Maktum tot Mahomet: "Wij zijn blind, en zou nu geene uitzondering met
ons gemaakt worden?" en dadelijk openbaarde hem God: "Met uitzondering
dergenen, welke lichaamsgebreken hebben." De profeet deed zich hierop
het schouderblad brengen, waarop dit vers geschreven was en beval
zijnen secretaris Zeïd Ibn Thabit, die woorden er bij te voegen. "Ik
verbeeld mij--verhaalde Zeïd naderhand--als zag ik nog die plaats naast
eene spleet op het schouderblad." Eene andere overlevering, volgens
welke Abd Allah Ibn Masoed, een der gezellen van Mahomet, des avonds
een vers opschreef, dat hij den volgenden ochtend niet meer vond,
en tot wien Mahomet zeide, dat het weder in den hemel teruggenomen,
of met andere woorden, dat het door hem des nachts uitgewischt was,
bewijst, dat, indien eene nieuwe openbaring met eene vroegere streed,
hij er zich niet mede vergenoegde, deze als niet geldig te verklaren,
maar haar vernietigde, zoo het nog in zijne macht stond. Nog eene
onbetwiste overlevering in den Koran zelf [32] bevestigt dit, gelijk
ook, dat, indien herroepen openbaringen reeds van buiten waren geleerd,
zij weder moesten worden vergeten. Wij gelooven derhalve niet te
ver te gaan, door aan te nemen, dat, volgens Mahomets bedoeling,
de Koran in het geheel geene herroepene plaatsen moet bevatten, en
dus Aboe Bekr tegen den wil des profeets handelde, toen hij verzen,
welke desniettemin opgeteekend, of bij eenig Muzelman in het geheugen
gebleven waren, in den Koran opnam. Mahomet immers heeft zelfs de
goddelijkheid des Korans ook, onder anderen, willen betoogen door de
omstandigheid, dat die vrij van tegenstrijdigheden was.

Maar hebben wij Mahomet eens gekenschetst als een man, die er voor
terugdeinsde, datgene wat hij, in eene reeks van drieëntwintig
jaren, in den naam des Hemels had verkondigd, aan de geloovigen als
een volkomen godsdienst- en wetboek achter te laten; hebben wij hem
daarin de grootste schuld opgeladen, die tegen zijne waarheidsliefde
en rechtschapenheid spreekt, zoo mogen wij toch de gebreken, welke
wij thans in den Koran waarnemen, niet hem, maar wel aan Aboe Bekr en
Othman toeschrijven. Na den oorlog met den valschen profeet Mossaïlama,
die aan vele Koranlezers het leven kostte, liet de eerstgenoemde alles
wat van Mahomets openbaringen op perkament, palmbladen, beenderen,
steenen en andere ruwe schrijfmaterialen opgeteekend en onder de
Muzelmannen verstrooid was, bijeenzamelen en, uit wezenlijke of
gehuichelde vroomheid, zonder eenigerlei zifting opzamelen.

Ook de khalif Othman, die later eene tweede redactie van den Koran
bezorgde [33], droeg geene zorg voor diens inwendige verbetering
en rangschikking, maar vestigde zijn oogmerk slechts op één punt,
en wel om er weder eenheid in te brengen, uithoofde reeds in zijnen
tijd onderscheidene lezingen van den Koran in omloop waren, die
natuurlijk onder de geleerden tot hevige twisten aanleiding gaven. Hij
deed derhalve, naar de oorkonden, welke door Zeïd, onder Aboe Bekr,
verzameld en door Omars dochter Hafsa bewaard geworden waren, nieuwe
afschriften vervaardigen, welke slechts in zooverre van die van Aboe
Bekr verschilden, dat de onderscheiden lezingen, welke door dezen
opgenomen waren, achterwege bleven en daarin slechts ééne leeswijze
opgenomen werd. Aan de kritiek des Korans bracht Othman nochtans
het grootste nadeel toe, door het bevel, hetwelk hij gaf, al de
vroegere afschriften van den Koran te verbranden, zoodat slechts de
lezingen die van hem waren uitgegaan, in de kopieën van deze, voor het
nageslacht bewaard bleven. Wel is waar de Muzelmannen stellen vast,
dat die varianten alleen verschillen van dialecten hadden gegolden,
nademaal de Koran door Mahomet zelven in zeven verschillende dialecten
geopenbaard zoude zijn geworden, en dat Othman, onder deze, het dialect
gekozen had, hetgeen het nauwste met dat der Koreïshieten verwant
was. Maar deze stelling is tegenover eene gezonde kritiek niet alleen
onhoudbaar, zij is ook in strijd met andere erkende en geloofwaardige
Muzelmansche overleveringen. In de eerste plaats toch wordt verhaald,
dat Omar het 25e hoofdstuk eens door Hisham anders had hooren lezen,
dan het hem door Mahomet geopenbaard was geworden. Hij geleidde hem
derhalve tot den profeet en deed dat hoofdstuk door hem herhalen;
toen zei ook hij het op, en Mahomet gaf beiden gelijk, terwijl
hij verklaarde, dat de Koran naar zeven verschillende leeswijzen
geopenbaard was geworden. Wij gelooven reeds uit die overlevering te
kunnen besluiten, dat er hier geen sprake van eenige provincialismen
kan zijn; want dan hadden immers niet beiden het geheele hoofdstuk
behoeven te lezen. De genoemde stelling der Muzelmannen wordt echter
nog krachtiger door de volgende overlevering wedersproken: "Elk
jaar in de maand Ramadhan herhaalde Mahomet voor den engel Gabriël,
wat tot dat tijdstip van den koran geopenbaard was: men zegt zelfs,
dat hij in zijn laatste levensjaar dit twee malen zoude herhaald
hebben. Zoo dikwijls hij nu eene nieuwe lezing er bij voegde, of iets
wegliet, waaruit de eerste zeven uitgaven ontstonden, prentten zijne
volgelingen zich die wijzigingen dadelijk in het geheugen; en handelden
overeenkomstig die bijvoegsels of veranderingen [34]. Hier zien wij
duidelijk dat de voorgewende, van elkaâr afwijkende openbaringen,
waardoor Mahomet, in gevallen, als dat tusschen Omar en Hisham, zich
uit elke verlegenheid vermocht te redden, niet alleen de uitdrukkingen
maar ook den inhoud betroffen. Onder de verschillen die Othman wegliet,
behooren derhalve ook dezulken en zijne weglatingen bepaalden zich
geenszins alleen bij dialectverschillen, gelijk men tot hiertoe
meende. Door het vernietigen van alle varianten of tekstverschillen,
wilde Othman dus éénen Koran vormen, over welks inhoud niet meer
getwist kon worden Aan de zuiverheid en gelijkmatigheid, uit het
oogpunt van spelling en spraakleer, schijnt hij echter minder zorg
besteed te hebben. In dien zin verstaan wij dan ook eene overlevering,
volgens welke Otham, toen hij in de afschriften des Korans, welke op
zijn bevel waren vervaardigd, spelfouten ontdekt had, gezegd zoude
hebben: "Laat die staan! De Arabieren zullen die wel verbeteren." Op
dezelfde wijze begrijpen wij ook de volgende overlevering, waaraan
door de Muzelmannen de zonderlingste uitleggingen worden gegeven,
om elken twijfel aan de reinheid van den Koran tegen te gaan: "Hisman
de zoon van Urwas verhaalt, dat zijn vader eens Aïsha gevraagd had,
hoe er toch zoo menigvuldige feilen tegen de Arabische woordvoeging
in den Koran hadden kunnen ontstaan;" waarop hem geantwoord werd,
"dat dit het gevolg van misslagen der afschrijvers was geweest."

De handelwijze moge nu ook door de politiek gerechtvaardigd kunnen
worden; uit het oogpunt nochtans der kritiek, zoowel als uit dat van
het geloof, moet zij veroordeeld worden, en de ontevredenheid der
geloovigen zoowel als der geleerden nog verhoogen. Ongelukkigerwijze
waren de afschriften van den Koran toen ook nog zóó zeldzaam, dat het
hem werkelijk schijnt gelukt te zijn, al die er bestonden te verzamelen
en te verbranden, en degenen welke eigenhandig door hem geschreven,
of de afschriften, die naar deze vervaardigd en aan de hoofdsteden van
het rijk toegezonden waren, aan den geheelen Islam op te dringen. Het
valt nochtans te betwijfelen, of Othmans exemplaar zóó lang bewaard
gebleven zij [35], en door de Mahomedaansche Masorethen, tot het
vaststellen van den tekst kon worden gebruikt, gelijk onderscheidene
Muzelmannen aannemen. Daarentegen is het bewaard blijven der door hem
bezorgde afschriften, zoowel als der kopieën, welke door onderscheidene
tijdgenooten vervaardigd zijn, wel schier niet aan eenigen twijfel
onderhevig [36]. Men kan derhalve bepaald aannemen, dat, na Othman,
niet verder wezenlijke veranderingen in den Korantekst, of ten minste
opzettelijke toevoegsels of weglatingen plaats vonden. Desniettemin
mogen wij echter ook de oudste der bekende afschriften niet volkomen
als het werk van Othman aanzien, omdat ten tijde van Othman het
Arabische schrift nog geene teekens bezat ter onderscheiding van
eenige naar elkander gelijkende letters, of toonteekens tot aanwijzing
der verschillende klinkers had. Deze punten en strepen werden eerst
in de tweede eeuw gebezigd, toen er ten aanzien van menige letters
en klinkers reeds twijfelingen bestonden. Daardoor zijn dan ook,
tot op onzen tijd, vele daaruit ontstane en van elkaâr afwijkende
lezingen bewaard gebleven; die dikwijls den grootsten invloed op den
zin uitoefenen.

Onbegrijpelijk blijft het altoos, dat Othman, die, bij de redactie
van den Koran, op minder bezorgde en nauwlettende wijze dan Aboe
Bekr te werk ging, niet ook een deel hebbe weggelaten van de wetten,
leerstellingen en legenden, welke somwijlen met dezelfde woorden
zijn herhaald, en welke Mahomet wel onderscheiden keeren kon hebben
voorgedragen, doch hem voorzeker eigenlijk maar eenmaal hebben kunnen
geopenbaard worden; ook voorts dat hij niets voor het vaststellen
van eene stelselmatige en tijdrekenkundige orde in de reeks van
Soeren of hoofdstukken en verzen hebbe gedaan. De wanorde die in den
Koran heerscht, verwart niet alleen den Europeeschen geleerde, al
is hij uiterst bekend met Mahomets leven, maar zelfs de degelijkste
Muzelmansche uitleggers weten dikwijls geen raad, en twisten met
elkaêr, zoowel over enkele verzen, als over geheele kapittels; over
de aanleiding tot hunne verschijning, en of zij reeds van Mekka, dan
wel van Medina, na Mahomets vlucht of uittocht, dagteekenen. Maar
zelfs ook waar zij tijd en aanleiding der openbaring op bepaalde
wijze vermelden, zijn zij niet te vertrouwen, omdat zij meer de
doode letter eener overlevering volgen, die dikwijls valsch is, dan
wel dat zij op een zelfstandigen, levenden, kritischen geest gegrond
zijn. Dat de indeeling des Korans in honderd veertien hoofdstukken,
gelijk zij thans voor ons liggen, niet van Mahomet afkomstig is
gelijk de rechtzinnige Muzelmannen gelooven, is in het leven van
Mahomet bewezen; ofschoon niet tegengesproken kan worden, dat Mahomet
ten minste een deel van den Koran in afdeelingen openbaarde, die hij
Soeren of hoofdstukken noemde. Zij die den Koran van buiten leerden,
hebben mogelijk, om hun geheugen ter hulp te komen, een bijzonderen
naam aan elke afdeeling gegeven. Van vele dier afdeelingen, vooral
van de oudste, schijnt echter het grootste gedeelte verloren gegaan
of opzettelijk vernietigd te zijn, zoodat nog slechts hare namen
en weinige verzen er van overgebleven zijn, terwijl bij de latere
en uitgebreider afdeelingen, vele gedeelten bijeen werden geworpen,
welke volstrekt niet bij elkaêr behooren.

Wij hebben gepoogd, niet alleen den tijd der verschijning van de
geheele hoofdstukken, maar ook, vooral bij de wetgevende stukken uit
Medina, dien der afzonderlijke gedeelten van elk hoofdstuk te bepalen.

Bij deze laatsten is het ons ook doenlijk geweest eene juiste
tijdorde der afzonderlijke hoofdstukken op te geven, terwijl die
uit Mekka, omdat zij algemeener van aard zijn en sterk op elkaâr
gelijken, in slechts drie tijdvakken zijn verdeeld. Bij het bepalen
der tijdorde dienden ons tot leiddraad: _a._ Duidelijk blijkende
betrekkingen op historische gebeurtenissen, waarvan het tijdstip
uit andere biographische bronnen bekend is; _b._ Het karakter
der openbaring, dat na den uittocht van Mekka geheel verandert,
aangezien Mahomet niet meer uitsluitend als hervormer, maar ook als
stichter van eenen nieuwen godsdienst en wetgever optreedt, en _c._
De uitwendige vorm; omdat Mahomet, in den eersten tijd zijner leer,
zijne voordrachten, zoo al niet streng naar de regels der prosodie,
nochtans in poteïsche, rhytmische taal kleedde, gelijk dit bij de
vroegere Arabische waarzeggers plaats vond, terwijl hij in lateren tijd
anders schreef, deels opzettelijk, om niet voor dichter of waarzegger
te worden aangezien, deels omdat hij zich zelven uitgeput had, doch
vooral ook omdat het hem, op latere jaren en op zijn standpunt als
godsdienststichter, regeerder en wetgever, aan wezenlijke, innerlijke
begeestering mangelde; zoodat hij zelfs dáár een geheel prozaïschen
vorm bezigde, waar hij hetzelfde onderwerp behandelt, dat vroeger
zijne geheele ziel had doorgloeid.

Naardien de hoofdstukken, in welke Mahomet, in zekeren zin, zelfs eerst
tot 's Heeren gezant gewijd wordt, voorzeker de oudsten zijn, zoo nemen
wij de overlevering opzichtens de beide het eerst geopenbaarden aan,
en geven als de zoodanigen op het 96e en 74e. Wij doen hier echter
opmerken, dat waarschijnlijk eenige andere verzen of hoofdstukken,
die verloren gegaan, in andere hoofdstukken gevoegd, of misschien later
opzettelijk vernietigd zijn, en welke de kern der oorspronkelijke leer
van Mahomet bevatten, gelijktijdig zijn verschenen; want blijkbaar
zijn slechts de eerste vijf verzen van het 96e hoofdstuk en de eerste
zeven verzen van het 74e hoofdstuk als eene wijding tot profeet aan te
zien. In de volgende verzen is er slechts sprake van de zoodanigen, die
Mahomet geen gehoor schenken en met den Koran spotten. Overigens duiden
reeds de eerste woorden van hoofdstuk 96, zoo al niet rechtstreeks op
een volslagen godsdienstboek, dan toch ten minste op eene gelijktijdig
verschenen openbaring, welke hij lezen en voorlezen moest. Het 31e vers
van het 74e hoofdstuk behoort gewisselijk tot een later tijdvak. Ook
de eerste acht verzen van hoofdstuk 73 rekenen wij onder de oudsten;
de tien volgende verschenen later, en het laatste voorzeker eerst te
Medina. Zonder twijfel behooren ook vers 77-104 van het 26e hoofdstuk
tot de vroegste openbaringen, in welke Mahomet opgeroepen wordt,
slechts één God te aanbidden en zijne stamgenoten voor afgoderij te
waarschuwen; en evenzeer hoofdstuk 106, hetwelk voornamelijk op de
Koreïshieten betrekking heeft. Daarop volgt dan hoofdst. 111, dat
een verwensching bevat, die gericht is tegen Mahomets oom Aboe Lahab,
welke, gelijk wij uit biographische bronnen weten, tegen zijnen neef
een steen ophief, toen deze zijn eerste prediking hield. Evenzeer is
dit waarschijnlijk het geval met de laatste zes verzen van het 15e
hoofdstuk waarin hem bevolen wordt, zijne leer luide en niet alleen
voor stamgenooten en vrienden te verkondigen. Het geheele overige
gedeelte van hoofdstuk 15 behoort tot het tweede tijdvak.

Nu volgt eene reeks hoofdstukken, waarin Mahomet zelfs vermaand
wordt, standvastig op het betreden pad te blijven, en zich door de
tegenspraak der Mekkanen niet van het geloof aan een eenigen God te
laten aftrekken; daarin wordt voorts de goddelijkheid des Korans
verkondigd. Mahomets karakter als profeet, als des Heeren gezant
wordt nauwkeurig opgegeven; van dat der bezetenen, der dichters,
der toovenaars en waarzeggers onderscheiden, en de leer van de
opstanding en vergelding tegen de spotzieke Arabieren verdedigd. Al
deze hoofdstukken welke wij in de eerste vijf jaren van Mahomets
zending plaatsen, dragen den stempel eener echte begeestering en van
eene diepe, innige overtuiging, en degene welke op Mahomet zelven
betrekking hebben, zelfs dien van een wezenlijk visioen. Dit gaat
zoo ver, dat men tot het denkbeeld moet komen, dat Mahomet zelf, ten
minste in den eersten tijd, slechts het werktuig van een' wezenlijken
hervormer was, die hem als engel verscheen. Hoe laten zich wel
anders verzen verklaren, in welke aan Mahomet bevel wordt gegeven,
den Koran, zoolang die hem wordt voorgelezen, niet na te zeggen,
maar te wachten, tot de engel voleindigd hebben zou [37]. Hoe zou
men anders eene verklaring kunnen geven van zoodanige verzen, waarin
hem bevolen wordt, zich van de ongeloovigen te verwijderen, als zij
met den Koran spotten, en, indien de satan hem dit gebod mocht doen
vergeten, het althans op te volgen zoodra hij het zich herinnerde
[38]? Is het wel denkbaar, dat Mahomet tot zich zelven zou hebben
gezegd: Wellicht laat gij een deel der openbaring achterwege, omdat
het gesnap der spotters u de borst vernauwt [39]; of: volgt gij hunne
(der ongeloovigen) begeerten, dan is God uw beschermer niet meer
[40]; of: als gij den Koran leest, dan neem uwe toevlucht bij God
tegen den Satan [41]. Deze en soortgelijke verzen, bij welke zich
geen bedrog laat veronderstellen--want wij kunnen daarin slechts
eene gekunstelde naïviteit zien, die al te zeer zou strijden met
de waarheid der leerstellingen, welke in den eersten tijd werden
geopenbaard en met de geestdrift waarmede zij voorgedragen zijn--geven
ons derhalve aanleiding, ook bij andere uit dien tijd, elke verdenking
van opzettelijke misleiding, zelfs van Mahomets zijde te verwijderen,
en hem veeleer voor een godsdienstigen dweper vol zelfmisleiding,
dan voor een bedrieger te houden.

Ten aanzien der hoofdstukken, in welke, behalve de leer van God,
Mahomet, den Koran en van de opstanding, slechts hier en daar ook
eenige zedelijke voorschriften gevlochten zijn, die de leer van elken
godsdienst vormen, en waarin ook niet meer dan korte aanwijzingen
voorkomen van vroegere volken, die, uithoofde van hun ongeloof, zijn
ondergegaan, kan men, uithoofde van hunnen gelijksoortigen inhoud en
vorm, de tijdorde niet met eenige nauwkeurigheid bepalen. Uit dien
hoofde tellen wij diegene, welke wij in dat tijdvak plaatsen, naar de
volgorde op, gelijk zij in de vroeger vermelde overlevering op elkaar
volgen. Wij behoorden hier dan ook niet met hoofdstuk 81 te beginnen,
dat volgens die overlevering na het 111e hoofdstuk volgt, omdat dit
hoofdstuk, gelijk vooral uit vers 23 volgt, waarschijnlijk te gelijk
met het 53e hoofdstuk verscheen. Beide spreken over Mahomets visioen,
in hetwelk hij geloofde in den hemel gedragen te zijn, en dat, volgens
de opgave van de meeste levensbeschrijvers, eerst na zijnen terugkeer
van Taïf plaats had [42]. Nademaal echter hunne schrijfwijze tot de
oudste behoort gelijk reeds blijkt uit hun volslagen afwijken van het
hoofdstuk der geniën, dat werkelijk eerst na de terugkomst van Taïf
verscheen, zoo is voorzeker in beide sprake van eenig ander visioen,
en deze verzen werden eerst later, valschelijk, tot ondersteuning van
de legende der hemelvaart gebezigd. Dit is des te waarschijnlijker,
nademaal vers 17 en 18 van het 53e hoofdstuk, zelfs volgens de
Muzelmansche levensbeschrijvingen, kort na den eersten veldtocht
naar Abyssinië verschenen, en aanleiding geven tot terugkeer der
eerste uitgewekenen [43]. Slechts, vers 30, 31 en 32 schijnen tot de
laatste verzen uit Mekka te behooren. Na de bovengenoemde hoofdstukken
komen de 68e, 87e, 92e, 89e, 93e en 94e soeras. Het 103e hoofdstuk
volgt, dat waarschijnlijk, evenals menig ander hoofdstuk, slechts uit
afzonderlijke verzen bestaat, die geen eigen hoofdstuk moesten vormen,
of van welke een gedeelte verloren is. Hierna komen de hoofdstukken
100, 108, 102 en 107. Hoofdstuk 109, hetgeen onderscheidene uitleggers
zelfs tot de Medinasche tellen, behoort gewis niet tot het eerste
tijdvak, maar in het tweede, waarin. Mahomets leer reeds zóó zeer
verbreid was, dat de afgodendienaars hem eenige concessiën wilden
doen. Dan volgen hoofdstuk 105, 113, 114, 112, 80, 97, 91, 85, 90,
95, 101, 75, 104, 77 en 86. Vervolgens 70 [44], 78, 79, 82 en 84,
in welken de dag des oordeels, op meesterlijke wijze, in zeer korte,
rhytmische zinnen wordt geschilderd; evenzeer hoofdstuk 56, 88,
52, 69 en eindelijk 83. Ook hoofdst. 99, hetwelk door onderscheiden
Muzelmannen onder de Medinasche wordt gerangschikt, behoort nog tot
de oudste van Mekka.

Het tweede tijdvak omvat ook nog zeer poëtische hoofdstukken; in
welken tijd Mahomet reeds meer als profeet dan als een in verrukking
verkeerende optreedt, en waarbij men in zijne voorstelling reeds meer
spel en kunst, dan rechtstreeksche uitgietingen van een overvloeiend
gemoed opgemerkt. Mahomet komt reeds meer in bijzonderheden, zoo wel in
het gispen der bijgeloovige Mekkanen, als opzichtens zijne grondvesting
des waren geloofs. De hel en het paradijs worden gaandeweg wijdloopiger
beschreven; ook worden er de goddelijke attributen nader bepaald en
met bewijsgronden gestaafd. De legenden der profeten vermeerderen en
worden bepaalder van teekening, hetgeen reeds bij die van Mekka den
argwaan opwekte, dat Mahomet een medearbeider had. Deze argwaan wordt
zelfs uitgedrukt en niet behoorlijk wederlegd [45]. Immers indien ook
zij, welke door de Mekkanen als zijn leermeesters worden aangezien,
vreemdelingen en de Arabische taal niet volkomen machtig waren, zoo
konden zij hem des niettemin de stof voor zijne openbaringen geleverd
hebben, welke hij dan vrij bewerkte. Totdat tijdvak, hetgeen zich
tot Mahomets terugkeer van Taïf uitstrekt, rekenen wij te behooren,
behalve de reeds genoemde ook de hoofdstukken: 1, 51 [46], 36, 50,
54, 44, 19, 20, 21, 23, 25, 67, 37, 38, 43 en 71, en eindelijk nog
55 en 76, welke door vele Muzelmannen worden aangezien, als te Medina
geschreven te zijn.

De hoofdstukken in de laatste jaren te Mekka verschenen, en welke
zich van toen nog maar zeldzaam boven het gewone proza verheffen,
doch in welke echter nog veel redenaarstalent aanwezig is, zijn de
hoofdstukken: 7, 72, 35, 27, 28, 17, 10, 11, 12, 6, 31, 34, 39, 40, 32,
42, 45, 46, 18, 16, 14, 41, 30, 29, 13 en 64. De beide laatste worden
gewoonlijk onder de Medinasche hoofdstukken geteld. In het laatste
vindt men, wel is waar, in het 14e vers: "O gij, die gelooft!" eene
wijze van aanspreken, die gewoonlijk in de Medinasche hoofdstukken
voorkomt; doch deze wijze van aanspreken kan door Mahomet nochtans
reeds te Mekka gebezigd zijn geworden, als hij iets openbaarde,
wat diegenen betrof, welke reeds tot den Islam bekeerd waren.

Alvorens wij tot de hoofdstukken overgaan, die te Medina geschreven
zijn, en bij welke, uithoofde zij tot historische feiten in betrekking
staan, eene nauwkeuriger tijdsbepaling mogelijk en, uit genoemden
hoofde, ook noodzakelijker is, moeten wij nog enkele aanmerkingen laten
volgen, over de hoofdstukken die te Mekka geschreven zijn. Volgens
eene Muzelmansche overlevering zou vers 93 van het 6e hoofdstuk niet
dan later verschenen zijn en op valsche profeten betrekking hebben,
welke eerst na Mahomets uittocht opkwamen. Intusschen kan het mogelijk
wezen, dat Mahomet, zonder toespeling op anderen, alleen om des te
meer geloof te vinden, gezegd hebbe: Bestaat er wel iets snooders,
dan God logen toe te dichten, of te zeggen: mij is iets geopenbaard,
indien dit niet waar is, enz. Als wilde hij daardoor zeggen; hoe kunt
ge mij voor zoo goddeloos houden?

Vers 30 van het 7e hoofdstuk moet gelijkerwijze eerst in Medina en wel
eveneens eerst na de verovering van Mekka verschenen zijn, hetgeen
ontwijfelbaar is, indien men dat vers als een gebod aanneemt. Het
blijft echter altijd mogelijk, dat het slechts een vermaning ware
tegen de Koreïshieten, welke den bedevaartgangers nieuwe kleederen
wilden opdringen, of hen dwongen, maakt den tempel om te trekken;
zoodat het reeds vroeger verschenen kon zijn.

Van het 17e hoofdstuk is voorzeker vers 35 (waar gezegd wordt: "wij
hebben den bloedverwant eens vermoorden reeds macht over een moordenaar
gegeven," en waarin waarschijnlijk op hoofdstuk 2 vers 173 wordt
verwezen), eerst in Medina verschenen, waar Mahomet een uitvoerende
macht bezat. Ook vers 78 kon eerst te Medina geopenbaard zijn; want er
wordt van eene poging gesproken, om Mahomet uit het land te verdrijven,
hetgeen die van Mekka werkelijk gedaan hadden. De volgende echter en
vers 83 kunnen reeds in Mekka geopenbaard zijn; want reeds voor de
verovering van die stad kon hij zeggen: "De waarheid is gekomen, de
leugen is ontvloden." Wat het eerste vers van dit hoofdstuk betreft,
zoo houden wij het niet alleen niet te behooren tot die, welke in
Mekka zijn geschreven, maar voor een, dat eerst na Mahomets dood
verdicht, of bij vergissing in den Koran opgenomen is. Onderscheiden
Koranplaatsen pleiten er voor, dat Mahomet zelf de nachtelijke reize,
naar Jeruzalem en den hemel, slechts als een visioen aangezien wilde
hebben. Reeds Mahomets gedurige verzekeringen, dat hij niet meer dan
een prediker en geen wonderdoener was [47], behoorde ook overigens de
geloovigen te overtuigen, dat er geen grond voorhanden is, om hier
aan het doen eener werkelijke reize, gelijk ook aan eene gespleten
maan te denken. Desniettemin had deze legende zich spoedig na den
dood van den profeet verbreid, en langs dien weg kon ook dit vers,
door eenig geloovige voor zich zelven opgeteekend, wellicht reeds
ten tijde van Aboe Bekr, in den Koran overgegaan zijn. Dat vers komt
overigens volstrekt niet bij het daaropvolgende, is voor een ieder,
die de legende niet kent, onverstaanbaar, en bovendien voor dengeen,
die er mede bekend is, duister en taalkundig onjuist. Woordelijk
luidt het vers: "Geprezen zij degeen, die met zijn knecht des nachts
reisde, van den heiligen tempel naar den verwijderden tempel, wiens
omgeving wij gezegend hebben [48], opdat wij hem onze wonderen
toonen. Gewisselijk hij is de hoorende, de zienden."

In vers 85 van hoofdst. 28 moet, volgens eenige Koranverklaarders, aan
Mahomet voorspeld zijn, dat hij eens naar Mekka terug zou keeren. Ten
gevolge daarvan zou dat vers zeker in Medina, of tenminste daarheen
geschreven moeten zijn. Er komt echter een woord in voor (Maad)
hetgeen woordelijk "plaats des terugkeers" beteekent, zoodat daarmede
even goed de wereld hier namaals, als Mekka bedoeld kan zijn.

Vers 9 en 10 van hoofdstuk 29 schijnen ook naar Medina verplaatst
te moeten worden; want daarin wordt gezegd: dat zekere lieden zich
van de geloovigen afscheiden, indien zij in kommer zitten, maar zich
weder bij hen voegen als er bijstand van God komt; dat echter God
de ware geloovigen wel van de huichelaars weet te onderscheiden. De
vijf eerste verzen van Hoofdstuk 30, welke betrekking hebben op de
zegepraal der Perzen op de Grieken, behooren tot het vroegere tijdvak.

Het 15e vers eindelijk van het 46e Hoofdstuk, ten minste de tweede
helft er van, welke door de Muzelmannen betrokken wordt op Aboe Bekr,
wiens vader, zoon en kleinzoon zich tot den Islam bekeerden, is niet
minder verdacht dan het 1e van Hoofdstuk 17.

Tot de nog overige drieëntwintig Medinasche Soeras overgaande,
volgen wij het algemeene gevoelen, en noemen de 2e Soera (die van
de Koe) als de eerste van Medina, omdat Mahomet in den eersten tijd
voorzeker niets belangrijkers te doen kon hebben dan de Joden, die te
Medina in grooten getale aanwezig waren en grooten invloed bezaten,
te zijnen voordeele te stemmen, en dit wel te meer, nademaal hij te
Mekka zich dikwijls op de getuigenis der Joden beroepen had [49]. Dit
is het thema, waarover namelijk het eerste gedeelte van dat hoofdstuk
loopt. Hij toont de Joden van Medina uit hunne eigene geschiedenis
aan, hoe het hun, zelfs toen Mozes onder hen was, aan waar geloof en
vertrouwen had ontbroken, en stelt Abrahams natuurlijken godsdienst
tegenover het strenge Mozaïsme en het van dogmas zoo zeer vervulde
Christendom. Hij kent geene andere verboden spijzen dan bloed (wat
overigens ook in het vroegere Christendom verboden was) aas of krengen,
varkensvleesch en wat ter eere van eenigen afgod geslacht was [50]. En
dit verbod komt ook reeds in Mekkasche hoofdstukken voor, in verband
met verschillende andere gebruiken, die onder de bewoners van Mekka
heerschten [51]. Ook schrijft hij in den eersten tijd geen ander
gebod voor, dan het geloof aan God, engelen, opstanding, profeten en
hunne openbaring; milddadigheid jegens armen, weezen, bloedverwanten,
reizigers en slaven; gebed, vervulling van zijn woord en lijdzaamheid
in het ongeluk. Op de richting des lichaams bij het gebed komt het niet
aan; God is Heer van het Oosten en Westen [52]. Op deze algemeene leer
der plichten, door Mahomet in den vroegsten tijd van zijn verblijf te
Medina geopenbaard, volgden intusschen andere wetten, welke eerst in
het tweede jaar verschenen. De oorlog tegen ongeloovigen wordt er nu
bevolen en zelfs in de heilige maanden veroorloofd. Niemand mag zich
echter in al te groote gevaren storten, en in zulke gevallen mag het
gebed zelfs onder het rijden of gaan verricht worden, terwijl het
anders ten deele staande, deels knielend gedaan wordt. Mekka wordt
nu als de plaats aangewezen, waarheen men zich bij het doen van het
gebed moet richten. Het genot van den wijn en de hasardspelen wordt
zoo al niet bepaald verboden, dan toch ten minste gegispt. De maand
Ramadhan wordt als vaste-maand bepaald. Ook worden in dien tijd eenige
wetten ten opzichte van gezondheids-maatregelen en omtrent burgerlijke
en lijfstraffelijke aangelegenheden bepaald. Van dien aard zijn de
bepalingen omtrent de reiniging der vrouwen [53]; testamenten [54],
schuldverbintenissen [55], woeker [56], echtscheiding en rechten der
vrouwen [57], huwelijk met ongeloovigen [58] en moord [59] Alleen
vers 192-199, welke de voorschriften omtrent de bedevaart bevatten,
behooren voorzeker tot een lateren tijd, en wel waarschijnlijk tot
het 6e of 7e jaar der hedjirah.

Gelijktijdig met het tweede Hoofdstuk, en alleen tot zijne aanvulling,
verscheen waarschijnlijk het 98e Hoofdstuk, dat voornamelijk tegen de
ongeloovige Joden en Christenen gericht is, en evenzeer het 62e, dat
het gebod behelst over het vieren van den Vrijdag, of eigenlijk over
de godsdienstoefening op dien dag, voorafgegaan door een twistgeschrijf
tegen de Joden, en bijna met dezelfde woorden als in het 2e Hoofdstuk.

Het 65e Hoofdstuk is slechts ten deele eene herhaling, deels eene
aanvulling der huwelijkswetten, welke in het 2e Hoofdstuk vervat
zijn, en moet derhalve ook omstreeks denzelfden tijd geplaatst
worden. Hoofdstuk 22, dat het verlof bevat tot het oorlog voeren, over
de bedevaart handelt, gelijk zij door Abraham is vastgesteld [60] en
over het loon, dat de landverhuizers verbeidt, die sterven of gedood
worden, behoort ook tot dezen tijd; maar, zelfs volgens het gevoelen
de Mahomedanen is een gedeelte daarvan reeds te Mekka verschenen;
want het bevat meer redetwisten tegen de afgodendienaars van _Mekka_
dan tegen de bewoners van Medina. Vers 51-53, in welke Mahomet eene
concessie terug neemt, welke hij aan de ongeloovigen heeft gedaan, en
eene vroegere openbaring aan de kunstenarijen des satans toeschrijft,
laten hierover niet den minsten twijfel bestaan.

Tot de eerste Medinasche Hoofdstukken behoort eigenlijk ook het 4e,
waarin het verdere over het huwelijksrecht en het daarmede in verband
staande erfrecht is bevat [61] en voorts verbod van den zelfmoord
[62], bepalingen omtrent doodslag bij vergissing [63]; eenige
krijgswetten, bijzonder tot bevrijding der te Mekka teruggehouden
geloovigen: twistreden tegen afgodendienaars, Joden en Christenen [64],
verordeningen over het gebed in den oorlog en de reiniging vóór dezen,
en eindelijk nog eenige algemeene, zedelijke vermaningen, zooals
over milddadigheid zonder vertoon te maken [65], rechtschapenheid
[66] en waarheid [67].

Aangezien het derde hoofdstuk, of tenminste een gedeelte daarvan,
gezonden werd om de Muzelmannen over het verlies bij Ohod te troosten,
zoo is het voorzeker in het derde jaar der hedjirah verschenen. De
overige verzen van dat Hoofdstuk, welke ten deele twistgeschrijf en ten
deele vriendelijk tegemoet komen ten aanzien van Joden en Christenen
bevatten, met verwijzing op Abrahams geloof, kunnen ouder zijn:
doch v. 82 daarentegen, dat elken niet-Muzelman in alle eeuwigheid
verdoemt, is gewis eerst later verschenen.

Eene opmerkelijke bijzonderheid voeren wij uit Hoofdstuk 33 vers 47
aan. Nadat daarin gezegd is, de ongeloovigen en huichelaars niet na
te volgen (of zoo als anderen vertolken, niet naar hen te luisteren),
besluit het vers met te bevelen, hun geen leed te doen.

Hoofdstuk 48 betreft de verongelukte bedevaart, of den tocht van
Hoedeïbia, en wordt daarin het verdrag, met de Mekkanen gesloten,
als eene verovering afgeschilderd, en de onmiddellijk daarop volgende
oorlog van Cheribar vermeld. Ook de drie verzen, welke het 110e
Hoofdstuk vormen, zijn waarschijnlijk in dien tijd, zoo niet zelfs na
de verovering van Mekka verschenen. Zoo is het ook met Hoofdstuk 61:
vooral vers 13, waarin evenzeer de spoedige verovering wordt beloofd,
en de vier eerste verzen, waarin den geloovigen verweten wordt, dat zij
hun woord niet houden; waarbij hun achterblijven van den tocht naar
Mekka wordt bedoeld. Eindelijk nog Hoofdstuk 60, dat het huwelijk
tusschen geloovigen en ongeloovigen ontbindt--hetgeen dadelijk na
den terugkeer van Hoedeïbia plaats had--en het huldigings-formulier
der vrouwen voorschrijft. Het begin van dat Hoofdstuk zoude kort
voor de verovering zijn verschenen, toen Hatib Ibn Baltaa zijne
vrienden te Mekka van Mahomets voornemen wilde onderrichten. Het
gebod, geene ongeloovigen tot vrienden te kiezen, wordt nochtans
zoo dikwijls herhaald, dat het waarschijnlijk ook reeds vroeger werd
medegedeeld, nademaal de vriendschapsbetrekkingen tusschen geloovigen
en ongeloovigen reeds lang te voren niet wenschelijk kon toeschijnen.

Hoofdstuk 49, welks begin op het gedrag der afgevaardigden van
de Thakifieten betrekking heeft, verscheen na de verovering van
Mekka. In de volgende verzen tracht Mahomet de eendracht tusschen
de verwonnelingen en de veroveraars te herstellen, en waarschuwt
voor wantrouwen, argwaan, beluisteren, achterklap en geboortetrots,
omdat die ondeugden onvrede tusschen de geloovigen bewerkten, welke
elkander als broeders moesten beminnen.

Het vijfde Hoofdstuk eindelijk bevat eenige verzen, welke Mahomet bij
zijne laatste bedevaart geopenbaard heeft, en dat derhalve door eenige
Muzelmannen als het laatst verschenen wordt beschouwd. Daartoe tellen
wij diegenen, welke betrekking op de bedevaart hebben, en eenige
spijswetten, vooral die, welke in het vierde vers herhaald zijn;
uit hoofde van de tweede helft, waarin de godsdienstlessen thans
als volkomen worden erkend. Het gebod van het wrijven met zand, bij
gebrek aan water [68], bevindt zich reeds in een vroeger Hoofdstuk,
en is, zelfs naar de Muzelmansche overlevering, ouder. Zoo is het
ook met den zoen voor een' niet gehouden eed [69], waarop reeds in
Hoofdstuk 66 v. 2 wordt geduid.

Ook de wet, om bij testamenten twee getuigen te doen onderteekenen
[70], is waarschijnlijk reeds vroeger, met vers 176 van het 2e
Hoofdstuk, verschenen. Evenzeer het gispen van het wijn drinken en
dobbelspel [71]. Alleen de wet, die den diefstal met het afhouden
der hand straft, kan nog bij de laatste bedevaart zijn gegeven. Het
overige gedeelte van het hoofdstuk, dat Bijbelsche legenden bevat,
en voorts twistgeschrijf tegen Joden en afgodendienaars, maar meer
nog tegen Christenen, en vooral tegen de leer der Drieëenheid,
is voorzeker nog ouder. Dit bewijst hoofdzakelijk v. 85, waarin de
Christenen vrienden der muzelmannen genoemd worden, hetgeen althans
na den slag van Moeta en den veldtocht van Taboek niet meer gezegd
kon worden; ook vers 73, waarin, even als in Hoofdstuk 2 v. 59, den
geloovigen Joden en Christenen eene zalige toekomst wordt beloofd,
terwijl in het 3e Hoofdstuk wordt gezegd [72]: wie eenen anderen
godsdienst dan den Islam aanhangt, wordt door haar niet (bij God)
aangenomen en behoort in de toekomstige wereld tot de verdoemden;
en evenzeer Hoofdstuk 48 v. 17: "wie niet aan God en zijnen gezant
gelooft, voor zulke ongeloovigen hebben wij de hel bereid". Immers het
is niet aan te nemen, dat Mahomet in den laatsten tijd verdraagzamer
en vrijzinniger jegens Joden en Christenen geworden zij, daar hun
zelfs verboden wordt, het gebied van Mekka te betreden.



III

DE ISLAM.

Algemeen overzicht.


Wij zullen thans van de geschiedenis der uiterlijke ontwikkeling van
den Koran en de ontleding zijner deelen, tot het innerlijke wezen
overgaan, en hem meer beschouwen met betrekking tot het blijvend
gehalte en in zijn geheel als godsdienst- en wetboek. Wij zullen met
de geloofsleer van den Koran beginnen, zonder juist een dogmatiek
in de streng wetenschappelijke beteekenis van het woord te geven,
of in de subtiliteiten der latere, scholastieke dogmatici te treden;
eensdeels dewijl ons dit te ver zou voeren, en anderdeels omdat,
vooral bij een natuur-mensch als Mahomet, ook niet in het minst aan
een systematisch leerstelsel kan worden gedacht. Dit blijkt reeds
ten duidelijkste daaruit, dat de gewichtigste leerstellingen van den
Islam, om hare onbestemdheid, niet minder dan die van het Christendom,
een onderwerp der heftigste polemiek en later zelfs van de bloedigste
oorlogen en vervolgingen zijn geworden; een verschijnsel, dat bij
de volgelingen van Mahomet meer bevreemdend is dan bij die van
Christus. Het Christendom toch is rijker aan geloofsstellingen, dan
het Mahomedanismus, en leerstellingen als die van de Drieënigheid,
van de wonderbare geboorte van Christus en diens opstanding, van
de sacramenten en van de kerken, geven meer stof tot verschillende
opvatting dan die van den Islam, welke slechts één eenige God kent,
in Mahomet een profeet ziet en volstrekt niets van priesterdom
weet, zelfs hoewel latere Imams zich, uit staatkundige redenen,
tot hoogepriesters willen verheffen. Maar niet alleen het innerlijk
wezen van het Christendom was eerder er toe geschikt, scheidingen te
doen ontstaan, ook de wijze waarop het aan de nakomelingschap werd
medegedeeld, begunstigde het sectenwezen meer dan de Islam. Christus
zelf droeg zijne leerstellingen slechts mondeling en bij gelegenheid,
grootendeels zonder stelsel en samenhang voor; zijne woorden werden
eerst lang na zijnen dood opgeteekend, in vreemde talen vertolkt en
met subjective meeningen vermengd, zoodat reeds de in vele punten
van elkander afwijkende bronnen van het Christendom de kiem tot
verschillende godsdienstbegrippen in zich moesten bevatten. Mahomet
daarentegen liet zelf, indien al niet den geheelen Koran, zoo als
de Muzelmannen gelooven, dan toch een groot deel zijner openbaringen
opteekenen, en het kleinere deel werd reeds twee jaren na zijnen dood
aan het schrift overgeleverd, en dat wel in de Arabische taal; in de
taal, waarin de profeet sinds zijne jeugd dacht, en welke ook die van
zijn volk was en bleef. Desniettemin werd ook de Islam reeds in de
eerste eeuwen der hedjira in vele secten verdeeld, en geloofsoorlogen,
even bloedig als die door het Christendom veroorzaakt, verstoorden het
Mahomedaansche rijk. Slechts omdat Mahomet er niet in het minst aan
had gedacht, een bepaald leerstellig systeem te vormen, kon ook later,
toen onder zijne volgelingen een sterkere drang naar kennis ontwaakte,
dan dit bij hem het geval was geweest, over menig punt in zijne leer
op verschillende wijze worden gestreden. Mahomet vorderde namelijk
van zijne volgelingen slechts het geloof aan één eenigen, eeuwigen,
alomtegenwoordigen, onzichtbaren, almachtigen, alwetenden, alwijzen,
algerechten, algenoegzamen en genadigen God, schepper en onderhouder
van het heelal, voorts aan Mahomet en de hem voorafgegane profeten,
als overbrengers der goddelijke openbaringen, die de menschen voor
dwaling behoeden en tot heil voeren zullen; aan de engelen, als de
werktuigen van Gods wil, en eindelijk aan de opstanding der dooden en
een leven hier namaals, waarin de vromen voor hunne werken beloond en
de zondaren gestraft zullen worden. Hoe eenvoudig echter ook deze,
bijna op ieder blad des Korans terugkeerende, drie grondleeren
van den Islam: God, openbaring en laatst oordeel zijn, werden zij
toch een voorwerp van strijd, zoodra slechts bij de Mohamedanen,
nog voor zij met de Grieksche philosophie nader bekend werden, het
verlangen levendig werd, deze leer eene speculatieve volmaking te
geven, die zelfs aan Mahomet, welke gewoonlijk slechts sprak naar den
oogenblikkelijken drang van het gevoel, geheel vreemd was. Menig punt,
dat oppervlakkig en beeldsprakig in den Koran was voorgesteld, naar
den aard zijner verzameling, waardoor de werkelijke samenhang van twee
op elkander volgende verzen, en ook de tijd of de aanleiding hunner
verschijning, nooit bepaald kan worden opgegeven, en menig schijnbare
of werkelijke tegenspraak, openden natuurlijk een uitgebreid slagveld
voor alle afwijkenden secten, wat in dezelfde mate nog in omvang
won, toen de wijsgeerige studien der Arabieren zich uitbreiden, en
al hetgeen op dit gebied verkregen was, door kunstmatige verklaring
in de godgeleerdheid gebracht en uit de heilige schrift afgeleid
moest worden.

Mahomet verliet deze wereld, zonder ook slechts de minste bepaling
omtrent zijne opvolging gemaakt te hebben. Wij vinden niet alleen geene
plaats in den Koran, welke over den toestand van het rijk na zijnen
dood handelt, maar ook geene authentieke, mondelinge overlevering,
zoo als reeds uit de vergezochte bewijzen van iedere partij voor
hun recht op het khalifaat blijkt; immers of Mahomet vermeed, in
het geheel van zijne vergankelijkheid te spreken, en de verzen die
hem sterfelijk noemen, zijn door Aboe Bekr tusschen gevoegd, of hij
waagde het niet, door bevoorrechting der eene partij zich de andere
tot vijand te maken. Het gold namelijk niet alleen tusschen Ali en
Aboe Bekr te kiezen, en zijne geliefde dochter Fatima of zijne vrouw
Aïsha--die vol intrigues was--in hare hoop teleur te stellen, maar ook
tusschen de met hem uitgeweken burgers van Mekka en die van Medina,
aan wier bescherming en bijstand hij de uitbreiding zijner macht
had te danken. Intusschen was het ook mogelijk, dat hij zich in het
algemeen niet gerechtigd achtte, in een land, waar de republikeinsche
regeeringsvorm steeds de overhand had, eene erfelijke monarchie in
te stellen, en dat hij daarom liever zweeg, in de verwachting, dat
de beste zijner makkers zich wel den weg tot de heerschappij zoude
banen. Hoe het zij, in geen geval mag de erfelijk monarchale, en
nog minder de volstrekt despotische regeeringsvorm der Muzelmansche
rijken, aan Mahomet zelf, of aan den door hem gestichten godsdienst
worden toegeschreven zoo als dit dikwijls door Europeesche geleerden
is geschied. Mahomet zelf wilde in het geheel niet als wereldlijk
heerscher maar slechts als profeet worden aangezien. Toen hij, bij de
verovering van Mekka, te midden der bondgenooten en uitgewekenen Abel
Sofaïn voorbijtrok en deze tot Abbas zeide: "bij God, het rijk van
uwen neef is groot," hernam Abbas: "Hij is een groot profeet." Daar
Mahomet zich echter de laatste profeet noemde, zoo kan ook dan na
hem geen sprake zijn van een goddelijk recht op eene geestelijke
macht. Dit blijkt ook uit het eigen gedrag van Aboe Bekr bij de
keuze der khalifen, die in het algemeen slechts van de voorrangen
der uitgetrokkenen sprak en geene eigene rechter deed gelden, ja
zelfs Omar of Aboe Ubeida tot khalif voorstelde. Was nu ook deze
voorstelling misschien niet ernstig gemeend, omdat hij te voren wist,
dat beiden de heerschappij bij zijn leven niet zouden overnemen,
dan bewijst dit toch ten minste, dat de hoofden van het volk en geen
aangeboren rechten over de opvolging zouden beslissen. Als wetgever
kon een Muzelmansch vorst in het geheel geene macht hebben; want de
Koran zou de eeuwige wet der Muzelmannen blijven, en was zeker ook in
den eersten tijd des Islams volkomen toereikend. In den Koran echter
wordt niet slechts het leven der geloovigen gewaarborgd, maar ook hunne
bezittingen. Het eerste kan slechts den moordenaar ontnomen worden,
en van het laatste kunnen alleen de wettelijk bepaalde belastingen
gevorderd worden. De verrichtingen van het opperhoofd van den staat
bestonden dus, naar het begrip van den Koran eenvoudig in het waken
voor de navolging der wet, in de handhaving der militaire macht, in
haar gebruik, tot bevestiging en uitbreiding van het geloof. Mahomet
dus verantwoordelijk te maken voor den regeeringsvorm, welke zijne
opvolgers hebben ingevoerd, of zelfs voor de gruwelen, door enkele
Moslemische heerschers gepleegd, ware nog veel onbillijker, dan
indien wij het despotismus van verschillende Christelijke staten uit
het Evangelie wilden afleiden. Gelijk overigens in het Christendom
dikwijls is beproefd geworden, de erfelijke en onbegrensde macht op
de Heilige Schrift te doen steunen [73], zoo bekwam ook in den Islam
de wereldlijke macht reeds vroeg eene godsdienstige wijding, en de
leer van het Imamaat vormt een tegenhanger van die der kerk. Terwijl
intusschen de factische khalifen, namelijk de drie eersten, zich
nog meer als wereldlijke dan als geestelijke navolgers van Mahomet
beschouwden, en hun recht meer op de keuze, of minstens op de
overeenstemming der Muzelmannen steunden, grondden de aanhangers
van Ali en zijn geslacht reeds onder de heerschappij van Othman,
bijzonder echter gedurende den oorlog met Muawia en diens overwinning,
hunne aanspraken op een vormelijk erfrecht. De Imams werden toen als
bijzondere door God verlichte menschen aangezien, en ten laatste zelfs
als eene incarnatie der Godheid vereerd en aangebeden. De versmade,
ware Imams bleven zelfs na hunnen dood een voorwerp van vereering
en hoop voor hunne partij, daar spoedig ook het geloof aan hunne,
eens plaats te hebben terugkeer tot herstelling van het recht en
der waarheid zich vormde, even als bij de Joden ten opzichte van
den Messias.

De eene partij, die wij met den algemeenen naam van Schiïten zullen
aanduiden, zonder ons met het bijzondere der verschillende secten
bezig te houden, in welke zij verdeeld werden, had overigens de meest
overdreven begrippen van de waardigheid en de heiligheid van den
Imam. Andere Muzelmannen echter zagen, reeds ten tijde van Ali, in het
khalifaat slechts eene zuiver staatkundige instelling, die het welzijn
der volken tot eersten grondslag zou hebben. Zij leerden daarom dat
het Imamaat, op zich zelven beschouwd, in het geheel niet noodig is,
dat iedere deugdzame, hij zij vrij of slaaf, uit welk geslacht hij
ook afstamme, daartoe kon worden verheven, en dat, indien de Imam of
khalif niet aan zijn heiligen plicht voldeed, de wet veroorloofde,
en zelfs gebood, zich tegen hem te verzetten en hem te bekampen. Deze
meening, die natuurlijk door de machthebbenden ten sterkste werd
bestreden, en wier bekenners den naam Charïdjiten [74] ontvingen, vond
zelfs onder de meest geleerde mannen van de eerste eeuw der hedjira
talrijke aanhangers, en bewijst genoegzaam, dat de heilige schrift der
Muzelmannen niet ter gunste van het khalifaat spreekt, gelijk zich dat
later vormde. Merkwaardig en pleitende voor den zoogenaamden orthodoxen
Islam is het, dat deze leer hier verdoemd en hare bekenners als ketters
werden bestraft, hoewel, naar eene zeer oude, authentieke overlevering,
Aboe Bekr zelf, in zijne eerste rede, die hij als khalif in de moskee
te Medina hield, zeide: "O, gijlieden! Gij hebt mij tot uw opperhoofd
gekozen, hoewel ik niet de voornaamste onder u ben. Handel ik recht,
zoo weigert mij uwe medewerking niet, bega ik een onrecht, zoo biedt
mij tegenstand!.... Gehoorzaamt mij, zoo lang ik God en zijnen gezant
gehoorzaam. Handel ik echter tegen de geboden van God en zijnen gezant,
weigert mij dan gehoorzaamheid!"

Ook de leer van het goddelijke raadsbesluit is, in de strengheid
en consequentie, die alle vrijheid van 's menschen wil vernietigt,
gelijk zij door menigen orthodoxen Muzelman opgevat en door alle
vijanden van den Islam voorgesteld wordt, meer eene uitvinding
der politiek, dan van het geloof. In den Koran verschijnt zij meer
tot bekamping der vrees, tot bevestiging van het vertrouwen en der
onderwerping aan den wil des Heeren, tot troost in het ongeluk en
tot bewaring der bescheidenheid in het geluk, dan tot verlamming
der menschelijke werkzaamheid, of wel tot berooving der zedelijke
vrijheid. Roekeloosheid wordt uitdrukkelijk in den Koran verboden
[75]. Voorzichtigheid wordt zeer dikwijls aanbevolen, en zelfs het
gebed, de hoogste ceremoniëele wet van den Islam, ondergaat eene
wijziging, zoo, door de verrichtingen volgens het voorschrift,
de biddende in gevaar kon worden gebracht [76]. En indien het ook
dikwijls wordt herhaald, dat God de menschen naar Zijnen wil voedsel
geeft, zoo wordt toch nergens daarmede bedoeld, dat de Muzelmannen
de handen werkeloos in den schoot moeten leggen. Veeleer is het zelfs
veroorloofd, op den heiligen Vrijdag, na de verrichting van het gebed,
zijne zaken te verrichten [77]. Ook moet slechts een klein gedeelte
van den Koran bij het gebed worden gelezen, naardien velen het land
moeten doorkruisen om hun levensonderhoud te zoeken [78]. Enkele andere
plaatsen, in welke eene zekere zorgeloosheid tot deugd wordt verheven,
kunnen dus slechts daarop doelen, dat de mensch door versaagdheid
niet al te zeer in de zorgen voor zijn onderhoud moet worden
tegengehouden, en daardoor zijne hoogere plichten, het trachten naar
Gods welbehagen, door oefening der deugd, op den achtergrond plaatse,
gelijk ook de apostel Petrus schrijft [79] "Werp al uwe zorgen op Hem
(God), want Hij zorgt voor u". Wat de leerstelling van de volstrekte
voorbestemming van den mensch tot zaligheid of tot lijden betreft,
is Mahomets, geheel op vrees en verwachting gebouwd godsdienststelsel
niet alleen er tegen, daar hij voortdurend tot gelooven en tot vrome
handelingen, om het loon in het paradijs, vermaant, en voor ongeloof
en zonden waarschuwt, om de straf in de hel, en dus noodzakelijk
ook het toekomstig lot van den mensch van zijn eigen wil afhankelijk
moet maken; maar bovendien wederleggen eenige plaatsen in den Koran
zulk eene Augustiniaansche predestinatieleer ten stelligste. Daar
zij echter door de orthodoxe Imams aangenomen en voortdurend in alle
Europeesche werken den stichter van den Islam worden toegeschreven
en verweten. Zoo moeten wij hier uitvoeriger zijn en meer bewijzen
voor Mahomets leer van de vrijheid des wils aanvoeren, dan eigenlijk
noodig zou zijn. De mondelinge overleveringen kunnen wij omdat men er
zich niet op kan verlaten, noch hier, noch bij andere verschillen in
aanmerking nemen. Wat hiervan in dit opzicht kan worden aangenomen,
blijkt voor den onderzoeker genoegzaam daaruit, dat zij Mahomet reeds
vooruit laten zeggen: De Islam zou zich in drie-en-zeventig secten
verdeelen, onder welke de bekenners van den vrijen wil als de Magiërs
van den Islam worden aangeduid. Wij mogen alzoo op dit punt slechts
naar den Koran verwijzen [80].

Deze verzen, bij welke nog vele andere gevoegd kunnen worden, bewijzen
genoegzaam, dat Mahomet niet slechts de consequente predestinatieleer,
zooals zij door eenige secten in het Christendom en door de Djabariten
en eenige andere secten in den Islam ontwikkeld werd, niet huldigde,
maar dat hij in het algemeen veel meer nabij het Pelagiaansche
stelsel was, dan het nieuw opgevatte Augustiaansche systeem. Hoe
ware het overigens mogelijk, daar hij den val van den mensch niet
als Augustijn en de Christelijke kerk aanneemt, en de leer der
erfzonde loochent, die alleen de volstrekte predestinatieleer met
de goddelijke gerechtigheid en heiligheid kan verzoenen. Volgens
de leer van den Koran werd namelijk het eerste menschenpaar, om
zijne ongehoorzaamheid, wel uit het hemelsche paradijs op de aarde
verstooten, en ook wordt, voor zoo verre de eerste zonde door de zege
van de baatzuchtigheid over Gods wil werd begaan, het menschenras
wederkeerige haat en onvrede voorspeld; de Koran weet echter niets van
eenen zich voortplantenden toestand van innerlijk verderf, ten gevolge
der zonde van Adam, en neemt zich op vele plaatsen in acht voor het
denkbeeld eener toerekening van vreemde zonden. Mahomet kent daardoor
ook geene andere genade, dan de openbaring door profeten, deels tot
volmaking der menschelijke erkenning van het goede en het kwade,
deels als hulp tegen de verzoekingen van den satan, wien de mensch
door zijnen val geheel werd prijs gegeven, of eigenlijk zich zelven
nog meer heeft blootgesteld. Adam had berouw over zijne zonde en God
schonk het menschenpaar weder genade, terwijl hij zeide: "Verwijdert
u van hier; ik zal u eene leiding geven: wie deze leiding volgt zal
vrees noch droefheid kennen. Die deze echter niet gelooven en onze
teekenen verloochenen, worden ten eeuwigen vure gedoemd [81]." Iedere
profeet, van Adam tot Mahomet, is diensvolgens een door God gezonden
verlosser; om echter verlost te worden: dat is, tot het ware begrip
en tot hoogere erkenning te geraken en, ten gevolge daarvan, weder de
zaligheid van het paradijs te genieten, is het geloof aan de openbaring
en het handelen daarnaar noodig. Beiden hangen zij echter alleen van
den menschelijken wil af. Geheel werkeloos, blijft intusschen, ook
bij het individu, de Goddelijke wil naar de leer van den Koran niet,
maar hij uit zich voortdurend, naar gelang van het innerlijke van den
mensch, als genade of gerechtigheid. Mahomet geeft namelijk ook toe,
wat Pelagius aan Augustinus toestond; te weten, dat God desgenen
meening in het geloof sterkt, die den wil tot het goede heeft,
terwijl hij dengeen, bij wien de zucht naar het booze den boventoon
voert, aan zijn altijd toenemend bederf overlaat, en dus in zekeren
zin verhardt. Ook blijft het natuurlijk aan de raadsbesluiten der
Hemelsche wijsheid overgelaten, op welken tijd en welk volk Zij door
hare leiding genade wil schenken. Deze concessie der rede aan het
geloof, welke zoowel in het Oude als in het Nieuwe Testament niet te
loochenen is [82], maar geene onvoorwaardelijke predestinatie, wordt
op verschillende plaatsen gepredikt [83]. Uit deze verzen blijkt ten
duidelijkste, dat de mensch, met betrekking tot geloof en deugd, geen
werktuig der Goddelijke willekeur is, maar dat hij het in zijne macht
heeft, het ware te gelooven en het goede te willen; dat God echter
den voor het goede en ware vastbaren mensch ondersteunt, terwijl
hij degenen, welke hun hart sluiten voor Zijne, zich als openbaring
uitende genade, aan hunne verdorvenheid overlaat. De woorden, die
dikwijls in den Koran worden gevonden, dat God leidt wien Hij wil
en in dwaling laat wien Hij wil, welke, uit hun verband gerukt, in
elk geval tot de leer van Augustinus konden voeren, moeten daarom,
naar gelang van hun verband (hetgeen echter, zoo als wij reeds hebben
gezegd, niet altijd met zekerheid is te ontdekken), of in het algemeen
op de zending van een profeet, òf op den goddelijken bijstand tot
ontwikkeling van het geloof toegepast worden, hetwelk identisch is
met het goede door zijnen wil te ondersteunen, terwijl het, door eene
bijzondere inwerking, dwingen van den roekelooze tot gelooven, met de
Hemelsche gerechtigheid zou strijden, en daarom ook niet in Haren wil
kan liggen. Dit denkbeeld blijkt duidelijk uit het 209e vers van de
tweede Soera, waar onmiddellijk na de woorden; "God zond de profeten
om de waarheid te verkondigen," volgt: "en God leidt de geloovigen
naar de waarheid," en daarna: "God leidt op den rechten weg wien hij
wil." Evenzoo ook in het 19e vers der 39e Soera. Iederen onpartijdigen
lezer moet het daarom klaar zijn, dat Mahomet de vrijheid van den
menschelijken wil in geenen deele loochende. Overigens trad reeds in
de eerste eeuw der hedjira eene hevige oppositie op, tegen de door de
regeering begunstigde bekenners der predestinatieleer, bij welke zich
zelfs een zoon van Omar aansloot. Zij werd echter natuurlijk door de
Omejaden bestreden en onderdrukt, dewijl hunne heerschappij, die op
list en geweld berustte, tot hare ondersteuning en rechtvaardiging,
te zeer behoefte had aan de leer der goddelijke raadsbesluiten en der
predestinatie van alle menschelijke handelingen. Maabad, die aan het
hoofd dezer oppositie stond, zeide luide van zijne tegenstanders:
"Deze lieden vergieten het bloed der menschen en wagen het dan te
beweren, dat al onze handelingen vooraf door een goddelijk raadsbesluit
bepaald zijn." Maar inderdaad werd hij dan ook wegens zijne meening,
niet omdat zij tegen de heilige schrift aandruischte, maar omdat zij
voor de willekeur van den heerscher gevaarlijk was, in het tachtigste
jaar der hedjira, op bevel van den khalif Abd-Almalik, door den wreeden
Haddjadi gefolterd en daarna opgehangen [84]. Desniettegenstaande
plantte zich zijne leer voort, riep de secte der Mutaral in het
leven en bleef zelfs niet zonder invloed op den orthodoxen Islam,
die wel aan de leerstelling der voorbestemming van de uitverkorenen
en verworpenen vasthoudt, doch inderdaad zonder dialectische
consequentie, de predestinatie niet tot de enkele goede of slechte
handelingen van den mensch uitbreidt, en dien ten gevolge ook, zoo
als vele Christelijke dogmatici, eigenlijk slechts ten gevolge van
vooruitweten eene predestinatie aanneemt [85]. De Koran verwerpt
echter, zoo als uit de door ons aangehaalde verzen blijkt, ook dit
dogma en bevat geene enkele plaats, die zoo beslissend daarvoor
zou kunnen pleiten, als die van het Evangelie (Apost. XIII vs. 48
en Rom. VIII vs. 28-30 enz.). Wij zullen ons niet lang meer met de
overige leerstellingen van den Islam ophouden, deels dewijl zij niet
zoo diep in het innerlijke wezen van het geloof grijpen, en minder
betrekking op het leven hebben, deels omdat hare verdere ontwikkeling
eerst tot een lateren tijd behoort, en dus met Mahomet en den Koran,
waarmede wij ons hier bijzonder bezig houden, minder in verband
staan dan met de Arabische wijsbegeerte. Al deze dogmen baarden vele
tegenstrijdigheden en secten, daar de eenen aan de letter des Korans
hingen, en de anderen eener meer vrije uitlegging de voorkeur gaven;
dewijl de eenen zich blindelings aan de voorgewende uitspraken van den
profeet onderwierpen, de anderen de wetten der onveranderlijke rede
boven alles plaatsten, en met de elementen der Grieksche wijsbegeerte
naar eenheid in het godsdienststelsel streefden.

Aangezien wij hier niet verder willen gaan dan de bondgenooten
van den profeet, volgen wij ook de geschiedenis der dogmen van
den Islam niet langer, en merken slechts ten slotte nog aan, dat,
hoezeer Mahomet ook in den Koran op het geloof aan een eenigen God,
aan de profeten en de onsterfelijkheid der ziel aandringt, toch ook,
op tallooze plaatsen, niet minder het volgen der geopenbaarde leer,
een deugdzame, reine levenswandel, naar de voorschriften van den Koran,
van den waren geloovige gevorderd en als het middel aangeduid worden,
om Gods welbehagen en de zaligheid van het paradijs te erlangen. Men
begaat dus ook hierin, omtrent den stichter van den Islam een
onrecht, als men beweert, dat hij aan de uitoefening der deugd en
het bekampen der hartstochten in het geheel geene waarde hecht,
en slechts geloof vordert. Hoe dikwijls vindt men in den Koran de
woorden terug: "die gelooven en goede daden verrichten, komen in
het paradijs," en dergelijken meer. Daar intusschen deze dwaling in
den nieuweren tijd weder is herhaald, verwijzen wij hier naar eenige
plaatsen in den Koran [86]. Indien dus op andere plaatsen, al gewis,
het paradijs aan hen wordt beloofd, die aan God gelooven en voor
de zaak Gods kampen, dan wordt daardoor in het geheel niet gezegd,
dat de overige door God geopenbaarde voorschriften ter zijde mogen
gesteld worden. Veeleer wordt bij den waren geloovige, die bereid is
zijn leven ieder oogenblik voor zijnen God te offeren, eene volkomene
heerschappij over de menschelijke hartstochten en een strikt volgen
van den goddelijken wil, die in den Koran wordt verkondigd op den
voorgrond geplaatst. De Muzelmansche dogmatici, die toch nog minder
met Mahomet mogen worden verwisseld, dan de kerkvaderen met Christus,
nemen wel aan, dat de geloovige, niettegenstaande zijne slechte
handelingen, niet eeuwig uit het paradijs verstooten blijft, maar
zij geven toch toe, dat hij eerst voor zijne ondeugd wordt gestraft,
[87]. Overigens is toch ook door Christelijke secten beweerd, dat
het ongeloof alléén den naam van zonde verdient en den mensch in het
toekomstige leven wordt aangerekend, maar dat hij voor de goede werken
op geene belooning aanspraak heeft.

Als hervormer, hetgeen Mahomet oorspronkelijk was en wilde zijn,
verdient hij onze volkomene hulde en bewondering. Een Arabier,
die de schaduwzijde van het toenmalige Joden- en Christendom
openbaarde, en niet zonder levensgevaar trachtte, het veelgodendom
te verdringen en zijn volk de leer van de onsterfelijkheid der
ziel in te prenten, verdient niet alleen naast de grootste mannen
der geschiedenis geplaatst te worden, maar ook, in zeker opzicht,
den naam van profeet. Zoodra hij echter ophoudt te verdragen, zoodra
hij der waarheid door het zwaard de zegepraal tracht te verschaffen,
en in den naam Gods nieuwe ceremoniëele, burgerlijke, politie- en
lijfstraffelijke wetten voorschrijft, drukt hij op zijne woorden den
stempel van menschelijke zwakheid en vergankelijkheid.

De ceremoniëele wetten van den Islam zijn wel niet zoo talrijk als men
gewoonlijk in Europa gelooft, maar een enkele is er bij, welke Mahomet
ten minste van de blaam zuivert, dat hij in zijne voorschriften de
zinnelijkheid der Arabieren zou hebben begunstigd. Wij bedoelen het
vasten van den Ramadhan. Men verbeelde zich de gloeiende zandwoestijnen
van Arabië [88] met het verbod, gedurende eene geheele maand, van
zonsopgang tot zonsondergang, zich met eenigerhande spijzen te laven,
en ook geen droppel water te drinken, en men zal de vervulling der
Mahomedaansche voorschriften niet meer zoo gemakkelijk vinden, en
ook niet meer kunnen beweren, dat zij geen kamp tusschen geest en
lichaam vorderen. Het dagelijks vijf malen te verrichten gebed, met de
voorafgaande reiniging, is om zijne kortheid en omdat ieder het voor
zich verrichten kan, minder bezwaarlijk, terwijl de pelgrimstocht naar
Mekka eenmaal gedurende het leven, slechts voor hem verplichtend is,
wiens omstandigheden zulk eene reis veroorloven.

De gewichtigste politiewetten bestaan in het verbod van hazardspelen,
van het genieten van den wijn, het bloed van gestorvene, of ter eere
eens afgods geslachte dieren en van het varkensvleesch.

De staatswetten van den Islam bepalen de op te brengen belastingen, de
deeling van den buit, en de betrekking der geloovigen, zoowel tot de
afgodendienaars als tot de Joden en Christenen. Volgens de strengere
wet der laatste jaren, moeten de eerstgenoemde beoorloogd worden,
tot alle neiging tot afgoderij ophoudt, en de laatsten tot zij zich
onderwerpen en schatting opbrengen. Wij hebben reeds bemerkt, dat
Mahomet, hoewel hij, als mensch, onder de toenmalige omstandigheden
niet anders leeren en handelen kon, nochtans door deze krijgswetten
zijn profetisch karakter in zijn naaktheid heeft getoond. Hoe groot
echter de verzoeking is, indien men eenmaal tot de macht is geraakt, om
die tot het bekampen en onderdrukken van andersdenkenden te gebruiken,
heeft ook het Christendom genoegzaam bewezen, van den dag dat het
den troon der Cesars besteeg tot op den huldigen dag.

Het strafrecht van den Koran is uiterst vrijgevig. De doodstraf wordt
slechts voor tegennatuurlijke vermenging der geslachten en moord
toegepast; en willen de bloedverwanten van een vermoorden liever eene
schadeloosstelling aannemen, dan zich wreken, dan blijft zelfs de
moordenaar in het leven. Ook echtbrekers worden, ten minste in den
tot ons gekomen Koran, niet met den dood gestraft. Voor lichamelijke
verwondingen wordt geene wraak geduld, maar alleen geldstraffen,
of liever schadeloosstelling.

De strengste crimineele wet, die echter kan worden gerechtvaardigd
door de noodzakelijkheid, om de aangeboren lust der Arabieren tot
diefstal en rooftochten te onderdrukken, is het afkappen der hand
voor elke toeëigening van eens anderen goed.

De burgerlijke wetten van den Koran betreffen vooral het erf en
huwelijksrecht, en hare hoofdstrekking is de vaststelling van de
rechten der vrouwen en beperking van den willekeur des mans. De
veelwijverij wordt niet opgeheven, doch aan voorwaarden onderworpen,
welke de ware geloovige slechts zelden kan vervullen. De huwelijkstrouw
wordt ook de man tot plicht gesteld. Een ander deel der burgerlijke
wetgeving betreft het lot der slaven, hetwelk Mahomet niet minder
dan dat der vrouwen tracht te verzachten. De geheele opheffing
der slavernij wordt voorbereid en in grondbeginsel, vooral bij
geloovigen, uitgesproken. Een volkomen emancipatie was echter, bij
de voortdurende oorlogen, in welk slechts door de verandering der
gevangenen in slaven den overwonnenen het leven kon worden gespaard,
schier niet mogelijk. De armoede van den Koran aan burgerlijke wetten,
hetwelk deels te verklaren is uit de eenvoudige omstandigheden waarin
men leefde, meer echter nog daardoor dat hij waarschijnlijk daar, waar
hij het bestaande behield, niets openbaarde, werd spoedig gevoeld. Men
beriep zich echter ten eerste op mondelinge uitspraken van Mahomet,
daarna op het voorbeeld van een eersten khalif, later op de besluiten
der eerste Imams, en eindelijk, toen onder de geheel veranderde
omstandigheden ook deze niet meer toereikend waren, handelde men
analogisch: zoodat altijd de moeilijkste vraag, over een of ander
onderwerp, al zou het ook den nadruk of de stoomvaart hebben betroffen,
door een Muzelmansche rechtsgeleerde even goed als door een rabijn,
een christen geestelijke die naar de kanonnieke wet, of door een
jurist die naar het Romeinsche recht uitspraak doet, in naam des
Hemels kon worden opgelost.

De zedeleer van den Koran eindelijk kan als het volkomenste gedeelte
van dit merkwaardige boek worden beschouwd. Zij is wel niet, even
als de andere bouwstoffen, die er den inhoud van vormen, in een
kapittel bij elkander verzameld; maar de schoonste zedekundige
grondbeginselen en voorschriften loopen als gouden draden door
het geheele weefsel van bijgeloof en misleiding, Ongerechtigheid,
wraakzucht inbeelding, hoogmoed, logen, veinzerij, kwaadsprekerij,
smaad, spot, gierigheid, verkwisting, buitensporigheid, ijdelheid,
praal, wantrouwen en argwaan worden als goddelooze ondeugden verklaard;
daarentegen worden milddadigheid, menschlievendheid, bescheidenheid,
toegevendheid, geduld, standvastigheid, tevredenheid, oprechtheid,
rechtschapenheid, tucht, vrede en waarheidsliefde, doch voor alles
vertrouwen en onderwerping, als deugden aanbevolen, welke Gode het
welgevalligst zijn.



IV.

DE KORAN [89].



EERSTE HOOFDSTUK.

INLEIDING [90].

Gegeven te Mekka--7 verzen.


In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God [91].

1. Lof aan God, meester des heelals [92]. 2. Den lankmoedige, den
albarmhartige. 3. Rechter op den dag des gerichts. 4. U bidden wij aan,
Uwe hulp roepen wij in. 5. Voer ons langs den rechten weg. 6. Langs
den weg dergenen, die zich in Uwe weldaden verheugen [93]. 7. Niet
langs den weg dergenen, die Uwen toorn hebben opgewekt, en niet op
dien der dwalenden [94].



TWEEDE HOOFDSTUK.

DE KOE [95].

Gegeven te Medina--286 verzen.


In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. A. L. M. [96] Dit is het boek, waaromtrent geen twijfel bestaat;
de richtsnoer van de godvreezenden, 2. Van hen, die de mysteriën [97]
gelooven, het gebed nauwlettend doen, en weldaden verspreiden van de
bezittingen, die wij hun verleenen. 3. Van hen, die aan openbaringen
gelooven, u van boven gezonden en voor u gezonden [98]; van hen die
aan het volgend leven [99] gelooven. 4. Zij alleen zullen door hunnen
Heer worden geleid; zij alleen zullen welzalig zijn. 5. Den boozen is
het gelijk, of gij hun de waarheid verkondigt of niet. 6. God heeft
hunne harten en ooren verzegeld, hunne oogen geblinddoekt en eene
verschrikkelijke straf wacht hen. 7. Er zijn menschen, die zeggen: "Wij
gelooven aan God en aan het jongste gericht," en toch behooren zij niet
tot het getal der geloovigen. 8. Zij trachten God en de geloovigen te
misleiden; maar zij zullen slechts zich zelven misleiden, en begrijpen
het niet. 9. Eene ziekte zetelt in hunne harten, en God zal die slechts
doen toenemen [100]; eene pijnlijke straf blijft hun bewaard; want
zij hebben de profeten [101] voor leugenaars gehouden. 10. Als men hun
zegt: "Verleidt de wereld toch niet" [102] dan antwoorden zij: "Verre
van daar, wij zijn rechtschapen lieden." 11. Helaas! zij misleiden
de wereld, maar zij begrijpen het niet. 12. Zegt men hun: "Gelooft
toch, gelijk zoo veel anderen gelooven," [103] dan antwoorden zij:
"Zullen wij gelooven als de zotten?" Helaas! zij zelven zijn zotten,
maar zij gevoelen het niet. 13. Ontmoeten zij geloovigen, dan zeggen
zij: "Wij gelooven ook,'" maar zoodra zij weder bij hunne verleiders
[104] zijn, zeggen zij: "Wij houden het met u, en deze bespotten wij
slechts." 14. Maar God zal met hen spotten: Hij zal hen langen tijd
in hunne dwaling laten, onzeker heen en weder geslingerd. 15. Zij
zijn het, die de dwaling voor de munt der waarheid gekocht hebben;
maar hun handel heeft hun geen winst opgebracht; want zij zijn van den
rechten weg afgedwaald. 16. Zij gelijken op hem, die een vuur ontsteekt
[105] en dat, wanneer het zijn licht op de omringende voorwerpen heeft
geworpen [106], door God wordt uitgebluscht, hen in de duisternis
latende opdat zij niet kunnen zien. 17. Doof, stom en blind zijn zij
en kunnen daarom op den afgelegden weg niet terugkeeren [107]. 18. Of
zij zijn gelijk aan hen, die, wanneer een van regen zwangere wolk met
donder en weêrlicht [108] van den hemel nederdaalt, voor het gerol
van den donder en omdat zij den dood vreezen, hunne ooren met hunne
vingers dichtstoppen, terwijl God de ongeloovigen aan alle zijden
aangrijpt. 19. Weinig is er slechts noodig, opdat de bliksem hun
het gezicht ontroove; als de bliksem alles om hen heen verlicht,
wandelen zij in zijn licht; wordt het weder duister om hen heen,
dan staan zij onbewegelijk. Als God slechts wilde, zou Hij hen van
het gezicht en gehoor berooven; want Hij is Almachtig. Menschen [109]
dient uwen Heer, die u en uwen voorgangers heeft geschapen, opdat gij
Hem vereert. 20. Hij heeft u de aarde tot een tapijt en den hemel tot
een overwelfsel gegeven. Hij laat het water van den hemel stroomen,
om vruchten tot uw onderhoud voort te brengen. Stel dus geen gelijke
naast God, tegen beter weten aan. 21. Twijfelt gij aan het boek, dat
wij onzen dienaar hebben geopenbaard, brengt dan, al is het slechts een
der hoofdstukken voort, die het bevat, roept uwen getuigen buiten God
[110] ter hulp, indien gij waarheid spreekt. 22. Doet gij dit niet,
en gij zult het niet doen, vreest dan voor de ongeloovigen het vuur
dat menschen en steenen [111] verteert. 23. Verkondig hun die gelooven
en wel doen, dat zij tuinen tot woonplaats zullen hebben, van beken
doorsneden, Iederen keer als zij eenig voedsel van de vruchten dier
tuinen zullen nemen, zullen zij uitroepen: "Ziedaar de vruchten,
waarmede wij ons vroeger hebben gevoed", zoo zullen zij daarop gelijken
[112]. Daar zullen zij reine en onbevlekte vrouwen vinden, en eeuwig
zullen zij daar verwijlen. 24. Voorwaar God behoeft zich niet te
schamen, vergelijkingen met insecten of nog kleinere voorwerpen te
maken [113]. De geloovigen wisten, dat slechts waarheid van hunnen
Heer komt; maar de ongeloovigen zeggen: "Wat heeft God met deze
vergelijkingen bedoeld? Hij doet velen daardoor dwalen en wijst anderen
daardoor terecht, maar slechts de boozen zullen dwalen. 25. Die het met
God aangegane verbond verbreken; die het door hem vereenigde zullen
scheiden, die verderf op aarde stichten, zullen ondergaan. 26. Hoe
kunt gij God verloochenen? Gij waart eens dood; Hij heeft u het leven
hergeven en Hij zal u weder dooden en weder levend maken; dan zult
gij eens tot hem terugkeeren? 27. Hij is het, die alles op de aarde
voor u geschapen heeft, daarna den hemel uitbreidde en dien tot zeven
hemelen maakte; Hij, de alwetende." 28. Toen God tot de engelen zeide:
"Ik wil een stadhouder op aarde [114] plaatsen," zeiden zij: "Zult
Gij er een plaatsen, die daar wanorde sticht en bloed vergiet? Wij
echter zingen Uw lof en heiligen U." Hij zeide echter; "Ik weet wat gij
niet weet." 29. God leerde daarop aan Adam de namen van alle dingen,
en vertoonde die daarop aan de engelen, zeggende: "Noem mij de namen
dezer dingen indien gij oprecht zijt." Zij antwoordden: 30. "Geloofd
zijt Gij! wij weten slechts wat Gij ons hebt geleerd; want Gij zijt de
Alwetende, de Alwijze." 31. God zeide: "Adam, noem hun de namen." Toen
hij (Adam) dit had gedaan, zeide God: "Heb ik u niet gezegd, dat ik
de geheimen van hemel en aarde ken, en weet wat gij bekent en wat gij
verbergt?" 32. En toen wij tot de engelen zeiden: "Knielt voor Adam,
deden zij het, slechts Eblis [115] weigerde; hij was ongeloovig,"
[116]. 33. Wij zeiden: "o Adam bewoon den tuin [117] met uwe vrouw
en geniet er van wat gij wilt, maar nadert dezen boom niet [118];
anders zult gij zondaar zijn. 34. Maar Satan verleidde hen en
dreef hen er uit, en wij zeiden; "Weg van hier [119]; de een zij
des anderen vijand [120]; de aarde zal uwe woonplaats zijn en tot
tijdelijk gebruik. 35. Daarop leerde Adam woorden des gebeds van
God, en hij keerde tot den Heer terug; want Hij is de lankmoedige en
barmhartige. 36. Wij zeiden: Verwijdert u van hier, Ik zal u eene
leiding geven; wie deze leiding volgt, zal vrees noch droefheid
kennen. 37. Die deze echter niet gelooven en onze teekenen [121]
verloochenen, worden ten eeuwigen vure gedoemd. 38. o Kinderen Israëls
[122] bedenkt het goede, dat ik u heb gedaan; weest getrouw aan
mijn verbond; ook ik wil daaraan getrouw zijn, en vereert slechts
mij, en gelooft wat wij tot bevestiging uwer vroegere openbaring
thans geopenbaard hebben, en weest niet de eersten, welk niet
daaraan gelooven; en verruil het niet met nietigheden en vereert
mij. 39. Kleedt de waarheid niet in het gewaad der leugen en verbergt
de waarheid niet tegen beter weten aan. 40. Doet nauwkeurig het gebed,
geeft aalmoezen en buigt u met hen die zich buigen [123]. 41. Hoe zoudt
gij anders de menschen tot vroomheid aansporen, zoo gij het welzijn
uwer eigene ziel vergeet. Gij leest het boek [124]: moet gij het dan
niet ook verstaan. 42. Roept geduld en gebed ter hulpe; het gebed is
licht voor den geloovige. 43. Die gelooven, dat zij eens hunnen Heer
zien, en tot Hem terugkeeren zullen. 44. o Kinderen Israëls, herinnert
u de weldaden, die ik u heb bewezen, terwijl ik u boven alle volkeren
bevoorrechtte. 45. Vreest den dag, waarop geene ziel genoegdoening
voor eene andere zal kunnen geven, geene smeeking van anderen
aangenomen, waarop geen losgeld ontvangen zal worden; waarop niets
kan helpen. 46. Denkt er aan, hoe wij u van Pharaos volk hebben gered,
dat u met hardheid onderdrukte, uwe zonen doodde en slechts uwe vrouwen
[125] liet leven; dit zij u een groot bewijs voor de goedheid van uwen
God. 47. Gedenkt, hoe wij de zee ter uwer redding hebben gespleten
en voor uw oogen Pharaos volk lieten verdrinken [126]. 48. Gedenkt,
dat, toen ik gedurende veertig nachten met Mozes sprak, gij het kalf
[127] hebt aangebeden; en gij hebt snood gehandeld. 49. Wij hebben u
later vergeven, opdat gij dankbaar zoudt zijn. 50. Wij gaven Mozes
de schriften en de onderscheiding [128], opdat gij op den rechten
weg zoudt geleid worden. 51. Mozes zeide tot zijn volk: Gij hebt uwe
zielen door dit kalf verontreinigd, keert tot uwen Schepper terug of
doodt u zelven; dit zal uwen Schepper welgevalliger zijn. Hij zal zich
weder tot u wenden; want Hij is vergevensgezind en albarmhartig. 52. En
toen gij tot Mozes zeidet: O Mozes, wij willen u niet eerder gelooven,
dan na dat wij God met eigen oogen hebben gezien, toen kwam er straf
over u, terwijl gij er naar zaagt. 53. Wij wekten u op na uwen dood,
opdat gij het dankbaar zoudt erkennen. 54. Wij gaven wolken om u te
overschaduwen en zonden manna en kwartels [129], zeggende: eet van
de heerlijke spijzen, die wij u hebben gegeven. Zij hadden ons geen
leed gedaan, maar zich zelven. 55. Wij zeiden: Gaat in deze stad
[130], geniet naar welbehagen van hetgeen zich daar bevindt: treedt
de poort aandachtig binnen, en roept uit: Vergiffenis Heer! [131]
Wij willen u uwe misstappen ook vergeven, en het geluk der goeden
verhoogen. 56. Maar de boozen veranderen dit woord met een ander
[132], wat hun niet was gegeven, en wij hebben onzen toorn op de
boozen uit den hemel neêrgezonden, om hunne goddeloosheid te straffen
[133]. 57. Mozes bad God om water, en wij zeiden: "sla met uwen
staf op de rotsen," en er ontsprongen twaalf bronnen, opdat allen
hunne bron zouden erkennen. Eet en drinkt van de weldaden die God
u geeft, en doet geen boosheid meer op aarde. 58. Toen zeidet gij:
O Mozes! wij kunnen niet langer immer dezelfde spijzen verdragen;
bid uwen Heer, dat hij voor ons de vruchten der aarde doe groeien,
groenten, komkommers, knoflook, linzen en uien [134]. Mozes antwoordde:
"Verkiest gij het slechte boven het goede? keert dan naar Egypte terug,
daar vindt gij wat gij verlangt." Vernedering en armoede spreidden
zich over hen uit; zij waren in den goddelijken toorn vervallen,
daar zij niet aan zijne wonderen geloofden, en brachten hunne
profeten onrechtvaardig ter dood [135]. Ziedaar het gevolg van hunne
weêrspannigheid en hun geweld. 59. De geloovigen, het mogen Joden,
Christenen en Sabëisten [136] zijn, indien zij slechts aan God en aan
den oordeelsdag gelooven en wel doen, zullen door hunnen Heer beloond
worden; noch vrees noch droefheid zal over hen komen. 60. Toen wij het
verbond met u sloten en den berg Sinaï [137] over uw hoofd verhieven,
zeiden wij: Ontvangt met vastheid hetgeen wij u geopenbaard hebben;
bedenkt den inhoud, en bewaart dien. 61. Maar gij zijt daarop er van
afgekeerd; en had God u niet beschermd en zich over u erbarmd, dan
waart ge reeds lang verdelgd. Gij wist reeds wat hun was wedervaren
die den Sabbat hadden ontwijd, en tot welken wij zeiden: "Verandert
in apen en zijt uit de maatschappij gestooten" [138]. 62. En wij
lieten hen dienen tot een voorbeeld voor hunne tijdgenooten en voor
hunne nakomelingen, en tot eene waarschuwing voor de vromen. 63. Toen
Mozes tot zijn volk zeide: "God gebiedt u eene koe te offeren," [139]
toen antwoordden zij; "Spot gij met ons?" Hij zeide: "God beware mij
tot de zotten te behooren." Zij antwoordden: "Bid uwen Heer voor ons,
dat hij ons duidelijk verklare welke een koe dit zijn moet."--"God
wil," zeide hij, "Dat dit noch eene oude koe, noch een vaars zij,
maar van middelbaren ouderdom. Doet derhalve wat u bevolen is." 64. De
Israëlieten antwoordden: "Bid uwen Heer, ons duidelijk te verklaren
welke kleur zij moet hebben."--"God zeide," antwoordde hij, "zij zijn
rood en geel, en aangenaam voor het oog des beschouwers." 65. "Bid
uwen Heer, ons duidelijk te verklaren hoe deze koe moet zijn; want
wij vinden wel koeien die elkander gelijken, en zij zullen dan alleen
goed in onze keuze geleid worden, als God het wil." 66. Mozes hernam:
"God zegt u: "Het zij eene koe die niet vermagerd is door het beploegen
of besproeien van het veld, maar het zij eene zonder gebrek." "Nu,"
zeiden zij, "komt gij met de waarheid." Zij doodden de koe, doch er
ontbrak weinig aan of zij hadden het niet gedaan [140]. 67. Indien gij
iemand vermoord hebt en over de daders strijdt, dan zal God uitbrengen
wat gij geheim houdt. 68. Wij bevalen den doode met een deel der koe
[141] te slaan [142] en God zal den doode weder levend maken; Hij toont
u zijne wonderen, opdat gij wijs zoudet worden. 69. Maar spoedig daarop
werden uwe harten verhard; zij zijn als steenen en nog harder; want uit
sommige steenen ontspringen bronnen, andere splijten en er vloeit water
uit; andere zakken in elkander uit vreeze voor God; maar inderdaad,
God is niet onbekend met uwe daden. 70. Meent gij thans dat zij u
gelooven zullen. Maar een deel van hen heeft het woord Gods vernomen:
maar zij hebben het daarna, tegen beter weten aan, verdraaid. 71. Als
zij de geloovigen ontmoeten, zeggen zij; wij gelooven, doch als zij
onder zich bij elkander komen, zeggen zij; wilt gij hun dan verhalen,
wat God u geopenbaard heeft, opdat zij u daarover voor uwen Heer
zouden bestrijden. Begrijpt gij dat niet. 72. Weet gij dan niet,
dat God kent wat zij verbergen en wat zij openbaren. 73. Er zijn
wel onwetende menschen onder hen, welke de schrift (de vijf boeken)
niet verstaan, maar alleen de leugenachtige verhalen, en zij weten
het niet. Wee hun, welke de schrift met hun eigene handen schrijven,
en uit nietige winzucht zeggen [143]: "Dit is van God. Wee hun om
hunner handen schrift, wee hun om hunne winzicht. 74. Zij zeggen: als
het vuur ons kwetst, zal dit slechts voor weinige dagen zijn [144];
zeg hun: Hebt gij deze verzekering van God? zal God om u zijne gelofte
breken? Of zegt ge iets van God wat gij niet weet? 75. Waarlijk, die
slechte daden [145] verricht en der zonde vervalt, dien treft eeuwig
vuur. 76. Die echter gelooft en goed doet, komt voor eeuwig in het
paradijs. 77. Toen wij met de kinderen Israëls een verbond sloten,
bevalen wij: Vereert een eenigen God, weest goed omtrent uwe ouders,
bloedverwanten, weezen en armen, en wenscht den menschen slechts
goeds; doet het gebed en geeft aalmoezen; doch spoedig daarop zijt
gij enkelen uitgezonderd, afgevallen en daarvan afgekeerd. 78. Toen
wij een verbond met u sloten, geen bloed te vergieten, niemand
uit zijne woning te verdrijven, hebt gij verklaard daaraan vast te
houden. 79. Doch spoedig daarop hebt gij elkander vermoord [146],
een deel uwer uit hunne woningen verjaagd. Gij stondt elkander bij
in vijandschap en ongerechtigheid. Maar komen zij als gevangenen tot
u, dan koopt gij hen weder, hoewel het u verboden was, hen uit hunne
woningen te verjagen. Gelooft gij dan slechts een deel van uwe schrift
en wilt gij het andere loochenen? Wie dit doet, dien zal schande
treffen in dit leven, en de hardste straf op den dag der opstanding;
want God is niet onopmerkzaam omtrent hetgeen gij doet. 80. Het zijn
diegene welke dit leven ten koste van het toekomstig verkoopen; hunne
straf wordt niet verzacht en nimmer worden zij geholpen. 81. Eens
openbaarden wij Mozes de schrift, lieten hem door nog andere boden
volgen, rusteden Jezus, den zoon van Maria, met kracht van overtuiging
uit en wij gaven hem den heiligen geest [147]. Maar telkens als een
dezer boden iets bracht wat u niet beviel, bleeft gij halsstarrig:
eenige hebt gij van bedrog beschuldigd, en anderen gedood. 82. Zij
zeiden: "Onze harten zijn onbesneden," [148]. Maar God heeft hen om
hun ongeloof vervloekt, en slechts weinigen hebben geloofd. 83. Toen
zij nu de schrift van God ontvingen, waardoor hunne vroegere schriften
werden bevestigd, en hoewel zij vroeger om hulp tegen de ongeloovigen
hadden gesmeekt, wilden zij toch deze loochenen, hoewel zij die kennen,
Gods vloek ruste op deze ongeloovigen. 84. Voor eene nietigheid hebben
zij hunne zielen verkocht. Zij loochenen de openbaring Gods [149]
uit nijd: want God zendt zijne gunsten aan zijne dienaren, die hem
behagen. Toorn op toorn komt over hen; schandelijke straf treft de
ongeloovigen. 85. Zegt men hun: Gelooft wat God heeft geopenbaard,
dan antwoorden zij: Wij gelooven slechts aan datgene, wat ons werd
geopenbaard [150], en zoo loochenen zij al het daarop volgende,
hoewel het waarheid is en het vroegere slechts bevestigt. Zeg hun:
Waarom hebt gij dan, als gij geloovigen zijt de vroegere profeten
Gods gedood? 86. Toen Mozes met wonderkracht tot u kwam, hebt gij
desniettegenstaande een kalf vereerd en boos gehandeld. 87. Toen wij
een verbond met u sloten en den berg boven u verhieven, zeiden wij:
Neemt met vastheid aan wat wij openbaren, en hoort. Zij antwoorden:
Wij hoorden het wel, maar wij gehoorzamen niet, en zij moesten het
kalf in hun hart drinken [151]. Zeg hun: Een zware taak legt uw geloof
u op, zoo ge er een hebt [152]. 88. Zeg hun: Indien gij dan eens eene
bijzondere woning bij God, gescheiden van de overige menschen hoopt,
dan moet gij den dood verlangen, indien gij oprecht zijt. 89. Maar
nimmer wenscht gij dien, om het werk uwer handen, dewijl God de
booswichten kent. 90. Gij zult vinden, dat juist zij, meer nog dan de
afgodendienaars, dit leven vurig wenschen; ieder bidt dat hij duizend
jaren moge leven. Maar al zou hij ook duizend jaren leven, dan nog zou
hij de straf niet ontgaan want God ziet wat zij gedaan hebben. 91. Zeg:
Wee den vijand van Gabriël [153], die u, door Gods wil de openbaring
ingegeven heeft; diegeene welke gij reeds bezit, bevestigend als
een richtsnoer en eene belofte voor de geloovigen. 92. Wee hem,
die den vijand van God, van zijn engelen, zijne boden, van Gabriël
en Michaël is. Waarlijk God is een vijand der ongeloovigen. 93. Wij
hebben u overtuigende kracht van wonderen gegeven [154], en niemand
kan die betwijfelen dan de goddeloozen. 94. Hoe dikwijls zij ook ons
geloof bezweren, een deel van hen verwerpen het toch: ja de meesten
onder hen gelooven niet daaraan. 95. Toen de apostel Gods tot hen
kwam, de schrift bevestigende, die hen reeds vroeger was gegeven,
wierp een deel der schriftgeleerden het boek Gods achter hunnen rug,
als kenden zij het niet. 96. Zij volgden de plannen, die de duivelen
tegen den koning Salomo [155] hadden verzonnen; en Salomo was geen
ongeloovige, maar de duivels waren het, en leerden de menschen
tooverkunsten, die de beide engelen van Babel: Haroet en Maroet
[156], waren medegedeeld. Maar zij leeren deze kunst niemand, tenzij
hij zegge: "Wij zijn geneigd tot de verzoeking," wees daarom geen
ongeloovige. Van hen leerde men ook wat oneenigheid tusschen man en
vrouw sticht, maar zij doen niemand kwaad dan met Gods toestemming. Wat
zij leeren brengt nadeel en heeft geen nut, en daarbij wisten zij,
dat hij die deze kunst had gekocht, geen deel aan het leven hier
namaals zou hebben. Voor een onzaligen prijs hebben zij hunne zielen
verkocht. Hadden zij het geweten! 97. Ach! hadden zij maar geloofd
en God gevreesd, dan ware hun een schooner loon geworden. Indien zij
het hadden geweten! 98. O, gij geloovigen, zegt niet Raïna, maar
Ondhorna [157] en gehoorzaamt; den ongeloovigen wacht eene groote
straf. 99. De ongeloovigen en de schriftbezitters wenschen, even
als de heidenen, dat geenerhande gunst van uwen Heer op u nederdale;
maar God beweldadigt wien hij wil; want God is almachtig. 100. Als
wij verzen uit dit boek afschaffen of u doen vergeten, dan geven
wij betere, of vervangen die door gelijksoortige. Weet gij dan niet
dat God almachtig is. 101. Weet gij niet dat hij regeerder van den
hemel en van de aarde is; en gij buiten hem geen beschermer en helper
hebt? 102. Wilt gij van uwen profeet vorderen wat men eens van Mozes
vorderde [158]? Maar wie het geloof tegen het ongeloof verwisselt, is
reeds van den weg afgedwaald. 103. Velen der bezitters van de schrift
wenschen, dat gij, nadat gij geloovig zijt geworden, weder ongeloovig
zoudt worden, uit nijd hunner zielen, daar zij de waarheid hebben
gezien. Vergeeft hun, laat hen gaan, tot God gebiedt [159]; want God is
almachtig. 104. Verricht het gebed, geeft aalmoezen; en het goede wat
gij hier voor uw zielenheil doet, vindt gij eens bij God weder; want
God weet wat gij doet. 105. Zij zeggen: slechts Joden en Christenen
komen in het paradijs, zegt hun echter: Toont uwe bewijzen, indien
gij waarachtig zijt. 106. Neen, wie zijn aangezicht tot God wendt,
en deugdzaam is [160], ontvangt belooning van zijnen Heer; noch vrees,
noch droefheid zullen hem treffen. 107. De Joden zeggen: De Christenen
gronden zich op niets, de Christenen zeggen: de Joden gronden zich
op niets, en toch lezen beiden de schriften. Zij die niets kennen
[161], spreken evenzoo. Maar God zal eens, op den dag der opstanding,
datgene beslechten, waarover zij thans oneenig zijn. 108. Wie
is onrechtvaardiger dan hij, welke de tempelen beletten wil, waar
Gods naam geprezen zal worden en deze tracht te vernietigen. Slechts
sidderend kunnen zij die binnentreden. Zij zullen in deze wereld door
smaad, in de toekomende door strenge straf getroffen worden. 109. God
is Heer van Oost en West, en waar gij u heen wendt, is het oog van God
[162]: want God is alomtegenwoordig en alwetend. 110. Eenigen zeggen;
God heeft kinderen voortgebracht. Dit zij verre [163]! Hemel en aarde
behoort hem en alles gehoorzaamt hem. 111. De schepper van hemel
en aarde is bezitter van alles; zoo hij slechts bezielt, indien hij
slechts zegt: Wees! dan bestaat het. 112. En zij die niets kennen,
zeggen: wij willen niets gelooven, tot God zelf met ons spreekt, of
gij ons wonderen toont. Zóó zeiden anderen, die vóór hen bestonden;
hunne harten zijn gelijk. Wij hebben reeds genoeg bewijzen gegeven
voor hen die gelooven wilden. 113. Wij hebben u in waarheid gezonden,
met goede tijdingen en ook straffende, maar zij die ter helle
zullen gaan, zullen u zelfs niet ondervragen. 114. Maar de Joden
en Christenen zullen niet eerder met u tevreden zijn, dan zoo gij
tot hunnen godsdienst overgaat; zeg echter slechts: het richtsnoer
dat van God komt, is het ware. En waarlijk, indien gij hun verlangen
waart nagekomen, na de reeds door u verkregen kennis [164], gij hadt
bij God geene bescherming en geene redding gevonden. 115. Zij wie wij
de schrift hebben gegeven en die haar lezen, zooals zij gelezen moet
worden, gelooven er aan; die welke er echter niet in gelooven, storten
zich in de ellende. 116. O Kinderen Israëls, herinnert u het goede,
dat ik u heb gedaan, dat ik u boven de andere natiën bevoorrecht
heb. 117. Vreest den dag waarop de eene ziel niets voor de andere
vermag, waarop geen losgeld aangenomen worden, geene bemiddeling baten
en geene redding zijn zal. 118. Toen God Abraham met zekere woorden
beproefde [165] en deze Zijne geboden vervulde, zeide God: Ik stel
u aan als hoogsten priester [166] voor de menschen. Hij antwoordde:
En mijn gezin ook? God antwoordde: de boozen zijn niet begrepen in
mijn verbond. 119. En toen wij een huis tot verzameling der menschen
en een toevluchtsoord oprichtten [167] zeggende: Neemt Abrahams huis
[168] bedeplaats, sloten wij een verbond met Abraham en Ismaël, dat
zij dit huis zouden reinigen, zoowel voor die welke er om heen gaan,
als voor diegenen welke het bezoeken en zich er biddend nederwerpen
[169]. 120. Toen Abraham zeide: Heer maak dit eene plaats van zekerheid
en geef aan zijne bewoners, die aan God en aan het laatste oordeel
gelooven, het voedsel uwer vruchten, toen antwoordde God: ook de
ongeloovigen wil ik spijzen, maar slechts met weinig en hen dan in het
vuur der hel drijven. Eene harde reis zal dat zijn. 121. Toen Abraham
en Ismaël den grondslag voor dit huis legden, baden zij: o Heer neem
het genadig van ons aan; want gij hoort en kent alles. 122. Heer,
maak ons u geheel onderworpen [170] en onze nakomelingen tot een
u onderworpen volk; toon ons onze heilige ceremoniën en wend u tot
ons; want gij zijt de genadige en barmhartige. 123. Heer zend een
gezant onder hen, die hun uwe wonderen openbare, en hun de schrift
[171] en de wijsheid verklare en hen zuivere; want gij zijt de
machtigste en wijste. 124. Wie zal afkeer voor den godsdienst van
Abraham hebben? Slechts hij, wiens hart ingebeeld is. Wij hebben hem
reeds op deze wereld gekozen en in de andere zal hij tot het getal
der rechtvaardigen behooren. 125. Toen God tot hem zeide: wees mij
onderworpen, antwoordde hij: ik onderwerp mij den meester van het
heelal. 126. En Abraham leerde zijnen kinderen dien godsdienst, en ook
Jacob deed dat, zeggende: O mijn kinderen! waarlijk, God heeft dezen
godsdienst voor u uitverkoren; sterft niet zonder God onderworpen te
zijn (muzelmannen). 127. Waart gij tegenwoordig, toen Jacob op het
punt was te sterven, en tot zijne zonen zeide: Wien wilt gij vereeren
na mijnen dood? Zij antwoordden: wij zullen uwen God aanbidden, en
den God uwer vaderen Abraham, Ismaël en Izaak; den eenigen God; hem
willen wij onderworpen zijn. 128. Dit volk is voorbijgegaan; zij hebben
wat zij verdienden: gij zult mede ontvangen wat gij zult verdienen,
en men zal u niet vragen wat anderen gedaan hebben. 129. Zij zeggen:
weest Joden of christenen, dan zijt gij op den rechten weg. Zegt hun:
Wij volgen het geloof van Abraham, den waren geloovige, die geen
afgodendienaar was. 130. Zegt; wij gelooven aan God en wat hij ons
heeft geopenbaard, en wat hij heeft geopenbaard aan Abraham, Ismaël,
Izaak en Jacob en de stammen, en aan datgene wat Mozes, Jezus en de
profeten door hunnen God werd gezonden. Wij maken geen onderscheid
tusschen hen, en zijn God onderworpen. 131. Gelooft gij nu wat wij
gelooven, dan zijt gij op den rechten weg; dwaalt gij echter daarvan
af, dan maakt gij tweespalt. God zal u ondersteunen tegen hen; want God
hoort en weet alles. 132. Wij hebben Gods doop en wat is beter dan Gods
leer [172]? Hem dienen wij. 133. Wilt gij met ons over God strijden
[173]? Wie is onze God en de uwe? Wij hebben onze handelingen en gij
de uwe, en wij zijn hem oprecht onderworpen. 134. Wilt gij zeggen
dat Abraham, Izaak, Jacob en de stammen, Joden of Christenen zijn
geweest? Zegt: zijt gij wijzer dan God? En wie is schuldiger dan hij,
die de getuigenis verduistert welke hij van God heeft ontvangen? Maar
God is niet onopmerkzaam nopens hetgeen gij doet. 135. Dit volk is
voorbijgegaan; wat het verdiende, heeft het ontvangen, en ook gij
zult ontvangen wat gij verdient hebt; maar men zal u niet vragen wat
anderen gedaan hebben. 136. De dwazen onder de menschen zullen vragen:
Wat heeft hen van hunne Kebla afgewend, welke zij vroeger aangenomen
hadden [174]? Zegt hun; God behoort het Oosten en het Westen;
hij geleidt wien hij wil op den rechten weg. 137. Zoo hebben wij u
geplaatst als een bemiddelend volk [175], opdat gij getuigen zoudt
zijn tusschen de menschen, en dat de apostel een getuigen tegen u
zou wezen. 138. Wij hebben de Kebla daarom veranderd, opdat men zou
kunnen onderscheiden tusschen hen, welke hem volgen en diegenen welke
hem den rug toekeeren [176]. Menigeen hindert dit, doch niet hun die
door God worden geleid. Maar God beloont uw geloof [177]; want God is
genadig en barmhartig omtrent de menschen. 139. Wij hebben gezien,
dat gij uw gezicht naar den Hemel wendt, maar wij willen het eene
richting geven die u aangenaam is. Wendt daarom uw gezicht naar
den heiligen tempel; waar gij u ook bevindt, wendt uw aangezicht
daarheen. Zij die de schrift ontvingen, weten het wel, dat deze
waarheid van hunnen Heer komt, en God is niet onopmerkzaam omtrent
hunne daden. 140. En indien gij zelfs de bezitters der schrift nog
zoo vele bewijzen zoudt brengen, zouden zij nog uw Kebla niet volgen;
volgt dus de hunne niet. Zelfs onder hen volgt de eene den andere niet
na [178]. Indien gij echter, na de kennis welke gij hebt opgedaan, hun
verlangen zoudt volgen, dan behoordet gij tot de goddeloozen. 141. Zij
die de schrift bezitten, kennen hem (onzen apostel), zoo goed als zij
hunne eigen kinderen kennen [179], maar velen van hen verbergen de
waarheid tegen hun beter weten aan. 142. De waarheid komt van uwen
Heer, behoort dus niet tot den twijfelenden. 143. Ieder volk heeft
eene richting van den hemel, waarheen het zijn gezicht wendt; keert u
echter tot de betere, dan zal God u eens terugbrengen, waar gij ook
zijn moogt; want God is almachtig. 144. En aan welke plaats gij ook
komen moogt, wendt uw aangezicht naar den heiligen tempel; want dit
is de waarheid die van uwen God komt, en God is niet onopmerkzaam
nopens hetgeen gij doet. 145. Van waar gij ook komen moogt, wendt
uw aangezicht naar den heiligen tempel. Waar gij ook mocht zijn,
wendt uw aangezicht daarheen, opdat de menschen geen voorwensel tot
strijden tegen u hebben. Wat de goddeloozen betreft, vreest hen niet,
maar vreest mij, opdat ik u mijne genade verleene en op den rechten
weg voere. 146. Wij hebben u een apostel uit uw midden gezonden,
om u onze wonderen te brengen; om u te reinigen en u het boek en
wijsheid te leeren, en u te onderrichten nopens datgene wat ge nog niet
weet. 147. Denkt aan mij, opdat ik u gedenke. Weest dankbaar en wordt
niet ongeloovig. 148. O geloovige! smeekt hulp met geduld en gebed;
want God is met de geduldigen. 149. Zegt niet van hen welke op Gods weg
[180] gedood werden; "Zij zijn dood," maar; "Zij leven," [181] want dit
verstaat zij niet. 150. Waarlijk wij willen u beproeven door vrees en
honger, en door schade, welke gij aan vermogen, leven en vruchten zult
lijden. Maar verkondig heil aan de vrome lijdenden. 151. Hun die bij
een ongeluk uitroepen: Wij behooren God en keeren eens tot hem terug
[182]. 152. Over hen komt Gods zegen en barmhartigheid: zij zijn op
den rechten weg. 153. Ook Safa en Merwa [183] zijn gedenkstukken van
God, en wie in bedevaart naar den tempel gaat of die plaats bezoekt,
dien treft geen kwaad, indien hij om beiden heen gaat. Die het goede
uit eigene beweging doet, zal beloond worden; want God beloont alles
en is alwetend. 154. Zij die de duidelijke leer en leiding verbergen,
welke wij geopenbaard en in de schrift geleerd hebben, worden van God
vervloekt en, allen die vloeken, zullen hen vervloeken [184]. 155. Maar
zij die berouw hebben, en zich beteren en terugkeeren, neem ik weder
in genade aan; want ik ben genadig en barmhartig. 156. Waarlijk zij
die niet gelooven en ongeloovig sterven, hun treft Gods vloek en de
vloek van de engelen en van al de menschen. 157. Eeuwig zal die op
hen rusten; hunne straf wordt niet verzacht en nimmer zal God op hen
nederzien [185]. 158. Uw God is een eenige God; er is geen God buiten
hem, de albarmhartige. 159. In de schepping van hemel en aarde, en
de wisseling van nacht en dag; in het schip dat op de zee zeilt,
met hetgeen nuttig voor de menschen is, en in het water dat God
van den hemel doet stroomen, om de in den nood verkeerende aarde te
doen herleven, waarop hij de verschillende diersoorten verspreidt;
in de verandering der winden, en de beweging der wolken, tot het
verrichten van den dienst tusschen hemel en aarde [186] bestemd,
zijn wonderen voor nadenkende menschen gelegen. 160. Toch zijn er
nog menschen, die afgoden naast God plaatsen, en deze beminnen,
zooals men slechts God moet beminnen; maar zij die gelooven,
beminnen God nog inniger. O mochten de ongeloovigen, wanneer de
straf hen bereikt, het inzien, dat God alleen alle macht is, en dat
Hij streng in zijne straffen is. 161. Wanneer de verleiden zich eens
van de verleiders afzonderen [187] en de straffen zien, en hoe alle
banden tusschen hen scheuren. 162. Dan zullen de verleiders zeggen:
Indien wij konden herleven, dan zouden wij ons van hen afscheiden,
zooals zij thans ons vlieden. Zoo zal God hun hunne werken toonen,
dan zullen zij zuchten van smart, maar zullen niet uit het vuur
komen. 163. O menschen! geniet wat goed en geoorloofd is op aarde,
en volgt niet de stappen van satan; want hij is uw verklaarde
vijand. 164. Hij beveelt u het booze en schandelijke, en leert u van
God zeggen wat ge niet kent. 165. Als men hun zegt: Volgt datgene wat
God heeft gezonden! dan antwoordt gij: Neen, wij volgen de gebruiken
onzer vaderen. Maar waren hunne vaderen dan geen onverstandigen en
verkeerd geleiden? 166. De ongeloovigen gelijken op iemand, die een
man roept, welke slechts den klank der stem en het geluid hoort,
zonder de woorden te kunnen onderscheiden. Doof, stom en blind zijn
zij, en verstaan het niet. 167. O geloovigen! geniet het goede dat wij
u tot voeding hebben gegeven, en dankt God daarvoor, indien gij Hem
vereert. 168. Er is u verboden, doode dieren, bloed, varkensvleesch
en elk dier te eten, waarover men een anderen naam dan dien van
God heeft aangeroepen [188]. Maar hij die gedwongen, onvrijwillig
of zonder boos opzet daarvan geniet, zal geene zonde begaan hebben;
want God is genadig en barmhartig. 169. Hun die verbergen wat God in
de schrift geopenbaard heeft, en het voor een nietig loon verkoopen,
zullen de ingewanden door vuur verteerd worden. God zal hen op den dag
der opstanding niet aanspreken en hen niet voor rein verklaren, en zij
zullen eene strenge straf ondergaan. 170. Zij zijn het, die de ware
richting voor de dwaling verwisselen en genade voor straf; maar wat
zullen zij van het vuur moeten lijden. 171. Daarom zullen zij lijden,
omdat God dit boek met waarheid openbaarde, en zij die daarover in
strijd komen, in eene groote dwaling geraken. 172. De godvruchtigheid
bestaat niet daarin, dat gij uw gezicht (bij het gebed) naar het
Oosten of het Westen wendt. Godvruchtig is hij die aan God gelooft,
aan den jongsten dag en de engelen, en de schrift en de profeten:
die van zijn vermogen geeft aan aanverwanten; weezen en armen en
de vreemdelingen, en hun die vragen; hij die gevangenen loskoopt,
het gebed verricht en aalmoezen geeft; die aangegane verbintenissen
nakomt; die geduldig is in tegenspoed, nood en krijgsgevaar; hij
is rechtvaardig; hij is godvreezend. 173. O geloovigen! u is het
vergeldingsrecht voor den doodslag voorgeschreven. Een vrije man tegen
een vrijen man, een slaaf tegen een slaaf, eene vrouw voor eene vrouw
[189]. Indien echter de broeder [190] den moordenaar vergeeft, dan kan
deze toch naar rechterlijke uitspraak en billijkheid bestraft worden
[191]. 174. Dit is genade en barmhartigheid van uwen Heer. Wie dit
echter overtreedt, zal eene groote straf ondergaan. 175. In deze
wedervergeldingswet [192] ligt uw leven, indien gij verstandig en
godsvruchtig zijt. 176. U is voorgeschreven: Indien een uwer op het
punt is van te sterven en vermogen nalaat, zal hij daarvan, naar
billijkheid [193], zijne ouders door testament achterlaten. Het is
een plicht voor geloovigen. 177. Die echter dit testament vervalscht,
nadat hij het kent, laadt schuld op zich [194]. God hoort en weet
alles. 178. Vermoedt men echter, dat hij die het testament achterliet,
eene dwaling of eene onrechtvaardigheid heeft begaan, en zoekt men
het te schikken, dan laadt men geene schuld op zich; want God is
vergevend en barmhartig. 179. O geloovigen! eene vaste is u bevolen,
even als die uwen voorgangers bevolen was, opdat gij godvreezend
zoudt zijn. 180. Een zeker getal dagen zult gij vasten. Indien
echter iemand onder u ziek of op reis is, dan zal hij een gelijk
getal andere dagen vasten. Die het echter kan [195] en het toch
niet doet, moet daarvoor een arme voeden [196]. Hij die dit echter
vrijwillig doet, handelt beter, en nog beter indien hij de vasten
daarbij in acht neemt. Mocht gij dat inzien. 181. De maand Ramadan,
waarin de Koran werd geopenbaard, als eene leiding voor de menschen
en tot onderscheiding van goed en kwaad, zult gij vasten. Daarom
laat hem welke onder u tegenwoordig is [197] die maand vasten; doch
hij die ziek of op reis is, zal later een gelijk getal andere dagen
vasten. God wil het u gemakkelijk maken; hij wil slechts dat gij
de bepaalde vastendagen houdt en God verheerlijkt, omdat hij u op
den rechten weg geleid heeft, en dat ge hem zoudt danken. 182. Als
mijne dienaren u omtrent mij ondervragen, zal ik nabij hem zijn;
ik wil het gebed hooren van hen die mij gelooven; doch dat zij naar
mij luisteren, en mij gelooven; opdat zij langs den rechten weg
geleid mochten worden. 183. Het is veroorloofd, in den nacht van
den vastentijd uwe vrouwen te naderen [198]. Zij zijn uw deksel
en gij het hunne. God weet dat gij u zelven (daarin) bedriegt,
daarom keert hij tot u terug en vergeeft u dit. Nadert haar daarom
en begeert ernstig wat God u veroorloofd heeft, en eet en drinkt,
tot gij bij den ochtendglans een witten draad van een zwarten draad
kunt onderscheiden; dan vast gij tot den nacht: nadert haar niet
en brengt den tijd in het bedehuis door. Dit zijn de grenzen die
God heeft gesteld [199]; komt die niet te nabij. Zoo leert God den
mensch zijne teekenen [200], opdat zij hem vreezen. 184. Verteert
uw vermogen niet onder u in ijdele zaken [201]; besteekt den rechter
niet daarmede, om het vermogen van uwe naasten onrechtvaardig, tegen
uw eigen geweten, te bekomen. 185. Zij zullen u ondervragen omtrent de
maansveranderingen. Antwoord; zij dienen om den mensch den tijd en de
bedevaart naar Mekka te bepalen. De gerechtigheid bestaat niet daarin,
dat gij uwe huizen van achteren ingaat [202]; maar hij is rechtvaardig,
die God vreest. Gaat daarom uwe huizen door de deur binnen, en vreest
God, opdat gij gelukkig moogt zijn 186. Strijdt voor Gods weg [203]
tegen hen die u bestrijden, maar begaat geene ongerechtigheid en
begint niet met de vijandelijkheden; want God bemint de zondaren
niet. 187. Doodt hen overal waar gij hen vindt, verdrijft hen van
waar zij u verdrijven; want de verzoeking tot afgoderij is sterker
dan de doodslag. Bestrijdt hen nochtans niet in de nabijheid van
den heiligen tempel: zoo ze u echter daar aangrijpen, doodt hen ook
daar. Dit zij het loon der ongeloovigen. 188. Indien zij zich beteren,
dan is God genadig en barmhartig. 189. Bestrijdt hen daarom, tot de
verzoeking ophoudt en Gods richting gezegevierd heeft. Maar indien
zij zich beteren, dan geene vijandelijkheid meer, behalve tegen de
boozen. 190. Zelfs de maand Haram voor de maand Haram, en de heilige
grenzen van Mekka als wedervergeldingsrecht [204]. Wie u vijandig
aangrijpt, grijpt gij op gelijke wijze aan. Vreest God en weet dat God
met hen is die hem vereeren. 191. Draagt bij tot verdediging van Gods
weg, en stort u niet met eigene hand in het verderf [205]. Doet goed;
want God bemint hen die goed doen. 192. Doet de bedevaart en bezoekt
den tempel [206], en indien gij belegerd zijt, brengt dan een klein
offer. Scheert uw hoofd niet, tot uw offer de offerplaats bereikt
heeft. Wie echter ziek is, of aan eene hoofdziekte lijdt, moet boete
doen door vasten, aalmoezen geven, of een ander offer [207]. Indien
gij veilig zijt voor vijanden, en iemand nalaat het bedehuis tot de
bedevaart te bezoeken, zal hij een klein offer brengen. Wie dit echter
niet kan, vaste drie dagen gedurende de bedevaarten en zeven na den
terugkeer; te zamen dus tien dagen. Dit zal hij doen, wiens gezin
niet in den heiligen tempel tegenwoordig is. Vreest God en weet dat
hij streng in zijne straffen is. 193. De bedevaart moet in de bekende
maanden geschieden [208]. Wie echter de bedevaart ondernemen wil,
zal zich van den bijslaap moeten onthouden, even als van alle onrecht
en krakeel gedurende de reis. Het goede echter wat gij doet, ziet
God. Voorziet u van het noodige voor de reis, doch het meest noodige
is vroomheid. Daarom vereert mij, gij die verstandig zijt. 194. Het
is geene zonde indien gij gunsten van uwen God afsmeekt [209]. Als
gij met de sterke schreden den berg Arafat [210] afdaalt, gedenkt
dan God nabij de heilige plaats [211] en denkt aan hem, daar hij u op
den rechten weg heeft gebracht en gij vroeger tot de dwalenden hebt
behoord. 195. Gaat dan in optocht zooals de anderen, en bidt God om
genade; want God is genadig en barmhartig. 196. Als gij uwe heiligen
gebruiken hebt voleindigd, denkt dan aan God, zooals gij aan uwe
vaderen denkt, maar met meer eerbied. Er zijn menschen die zeggen:
O Heer! geef ons ons deel in deze wereld. Deze hebben geen deel in
het volgende leven. 197. Er zijn anderen die zeggen: O Heer! geef
ons goed in deze en in de volgende wereld en bevrijd ons van het
vuur der hel. 198. Zij zullen het deel hebben dat zij verdienen;
want God is snel in het opmaken van rekeningen [212]. 199. Gedenkt God
op de bepaalde dagen [213]. Die het vertrek uit de vallei van Mina zal
hebben verhaast, zal niet schuldig zijn. Ook hij niet die nog langer
blijft, indien hij God slechts vreest. Vreest daarom God en weet dat
gij eens tot hem verzameld wordt. 200. Er is een man die u verbazen
zal door zijn spreken in dit leven, en die God tot getuige zal roepen
over de gedachten van zijn hart; maar hij is de hardnekkigste uwer
tegenstanders. 201. Zoodra hij zich echter van u verwijdert, haast
hij zich, verderf op de aarde aan te richten, en vernietigt alles
wat groeit en opschiet. Maar God bemint het verderf niet. 202. En
indien iemand tot hem zegt: "Vrees God" dan maken zich trotschheid en
misdaad van hem meester; maar de hel zal zijne belooning zijn [214],
en dat is eene ongelukkige rustplaats. 203. Een ander heeft zichzelven
verkocht om God te behagen [215]. God is barmhartig voor hen die hem
dienen. 204. O geloovigen neemt den waren godsdienst aan, volgt niet
de voetstappen van satan, hij is uw verklaarde vijand. 205. Indien
gij echter afwijkt na de u geopenbaarde teekenen, weet dan dat God
almachtig en alwijs is. 206. Of verwachten de goddeloozen dat God zelf
met de engelen in de schaduw der wolken tot hen zal komen. Maar het
is reeds bepaald; eens zal alles tot God terugkeeren. 207. Vraag de
kinderen Israëls hoeveel duidelijke teekenen ik hun heb gegeven. Wie
echter Gods genade verwisselt nadat hij die bekomen heeft, voor dien is
hij een strengbestraffend God. 208. Het leven in deze wereld is voor
hen die niet gelooven en de geloovigen bespotten; maar zij die God
vreezen, zullen boven hen staan op den dag der opstanding; want God is
genadig zonder maat omtrent dengene die hem behaagt. 209. De menschen
hadden vroeger één geloof, en God zond hen profeten, om hun het heil
te verkondigen en met straffen te bedreigen. Door hen openbaarde
hij de schrift in waarheid, om tusschen de menschen en het voorwerp
hunner twist uitspraak te doen. Maar juist nadat zij de schrift
hadden ontvangen, twisten zij uit nijd met elkander. En God leidt de
geloovigen naar die waarheid, waarover zij twisten, naar zijnen wil;
want God leidt op den rechten weg wien hij wil. 210. Gelooft gij in
het paradijs te komen, zonder dat gij ondergaan hebt wat anderen voor
u hebben geleden? Zij ondergingen ongeluk, tegenspoed en droefheid,
zoodat de apostel en zij die met hem geloofden, uitriepen: Wanneer
komt Gods hulp? Waarlijk Gods hulp is nabij. 211. Zij zullen u vragen,
welke aalmoezen zij moeten geven. Zeg hun: Geeft aan ouders, verwanten,
weezen, armen en reizigers. God kent het goede dat gij doet. 212. De
oorlog is u voorgeschreven en gij haat dien. 213 Mogelijk dat gij
haat wat u goed is en dat gij mint wat u nadeel doet. God weet het,
maar gij weet het niet. 214. Zij zullen u ondervragen omtrent den
oorlog in de maand Haram. Antwoordt hun: Slecht is het in deze maand
krijg te voeren, maar af te wijken van Gods weg, hem niet getrouw te
zijn en den heiligen tempel, en zijn volk er uit te verdrijven, is nog
veel slechter. De verzoeking (tot afgoderij) is erger dan de krijg (in
de heilige maand). Zij zullen niet ophouden u te bestrijden, tot het
hun gelukt is, u van uw geloof af te brengen; maar degene onder u, die
van zijn geloof afvallig wordt en als ongeloovige sterft, diens werken
zullen op deze en op de volgende wereld te vergeefs zijn. Zij zullen
ter hel gedoemd wezen en eeuwig daarin blijven. 215. Zij echter die
gelooven en hun land verlaten, en strijden voor Gods zaak, zij mogen op
Gods genade hopen; want God is genadig en barmhartig. 216. Zij zullen u
ondervragen omtrent wijn [216] en gelukspel [217]. Zeg hun: In beiden
is groote zonde, maar ook nut voor de menschen [218]; maar de zonde
is grooter dan het nut. Zij zullen u vragen, wat zij aan aalmoezen
moeten besteden. 217. Antwoord hun: Uw overvloed. Zoo heeft God u
zijne teekens geopenbaard, opdat gij zoudt nadenken. 218. Over deze en
de volgende wereld. Zij zullen u vragen omtrent weezen. Zeg hun: Het
beste is goed met hen te handelen. 219. Zoodra gij u met hen inlaat,
zijn zij uwe broeders. God weet den gerechtige van den ongerechtige
te onderscheiden, en indien God wil, kan hij u bedroeven; want God
is machtig en wijs. 220. Huwt niet met vrouwen die afgoden dienen,
tot zij geloovig geworden zijn; waarlijk een slavin die gelooft,
is beter dan eene vrije die niet gelooft; zelfs indien deze u
meer behaagt. Huwt ook geene aan een afgodendienaar uit, tot hij
geloovig is geworden; want eene geloovige slaaf is beter dan een
vrije afgodendienaar; zelfs indien deze u meer bevalt. 221. Zij
noodigen u tot het vuur der hel. God noodigt u tot het paradijs
en tot de vergiffenis, zooals hij wil. Hij verklaart de menschen
zijne teekens, opdat zij hem gedenken. 222. Zij zullen u ondervragen
omtrent de maandelijksche reiniging der vrouwen. Zeg hun: Dit is een
onreinheid. Scheidt u daarom gedurende de maandelijksche reiniging
van de vrouwen af; komt haar niet nabij, tot zij gereinigd zullen
zijn. Maar als zij gereinigd zijn, gaat dan tot haar, zoo als
God u heeft bevolen. Want God bemint hen die berouw hebben en de
reinen. 223. Uwe vrouwen zijn uw veld. Gaat in uw veld zoo als gij
wilt, maar doet eerst iets wat goed is voor uwe zielen. Vreest God en
weet dat gij eens voor hem zult verschijnen. Kondigt de geloovigen
goede daden aan. 224. Maakt God niet tot onderwerp uwer eeden,
dat gij rechtvaardig, vroom en vredebevorderend zult zijn; want God
weet en hoort alles. 225. God zal u niet straffen voor een onbedacht
woord in uwe eeden; hij zal u straffen voor de voorbedachtzaamheid
uws harten. God is genadig en mild. 226. Hun die de gelofte afleggen,
zich van hunne vrouwen te onthouden, is het vergund, zich vier maanden
te bedenken; nemen zij dan die gelofte terug, dan is God verzoenend
en barmhartig. 227. Besluiten zij bepaald tot eene echtscheiding,
dan ziet God het en weet het. 228. De vrouwen die gescheiden zijn,
zullen zoo lang wachten, tot zij driemaal hare reiniging gehad hebben,
en zij zullen niet verbergen, wat God in haar lichaam heeft geschapen,
als zij aan God en aan den jongsten dag gelooven. Hare mannen zullen
rechtvaardiger zijn, door haar in dien staat te hernemen indien
zij hereeniging verlangen. Zij zullen dan wederkeerig naar het
rechtvaardige voorschrift omgaan; maar de man heeft de macht over de
vrouw, God is machtig en wijs. 229. De echtscheiding mag tweemaal
plaats hebben; dan moet hij haar met rechtvaardigheid behandelen,
of met edelmoedigheid ontslaan. Het is u niet veroorloofd iets te
behouden wat gij haar hebt geschonken, tenzij gij beiden vreest,
Gods geboden niet te kunnen vervullen. Vreest gij echter Gods geboden
niet te kunnen vervullen, dan is er geene zonde in, dat zij zich
door haar weduwgift loskoope. Dit zijn de geboden Gods (overtreedt
die niet); wie die overtreedt, behoort tot de zondaren. 230. Scheidt
hij zich nogmaals (ten derden male) van haar, dan mag hij haar niet
weder terug nemen, of zij moest weder met een ander man getrouwd
en van dien gescheiden zijn [219]; dan is het geene zonde, indien
zij zich weder vereenigen, als zij meenen Gods geboden te kunnen
vervullen. Dit zijn de geboden Gods, welke hij het volk heeft bekend
gemaakt, dat verstandig is. 231. Maar indien gij u van uwe vrouwen
scheidt en zij hebben haren voorgeschreven tijd vervuld, dan moet gij
haar met billijkheid behouden, of met edelmoedigheid ontslaan. Houdt
haar echter niet met geweld terug, om onrechtvaardig omtrent haar
te handelen. Wie dit doet, bezondigt zijne eigene ziel. Maakt de
teekenen van God niet tot spotternij, en herinnert u Gods weldaden
jegens u, en dat hij het boek en de wijsheid tot u gezonden heeft tot
onderricht. Vreest God en beseft dat hij alwetend is. 232. Indien gij
u van uwe vrouwen scheidt, en zij hebben den haar voorgeschreven tijd
vervuld, verhindert haar dan niet een anderen man te nemen, indien zij
zich naar billijkheid willen vereenigen. Dit is tot onderricht van hen
onder u, die aan God en den jongsten dag gelooven. Dit is gerechter
en reiner [220] voor u God weet, maar gij weet niet. 233. Moeders
zullen hare kinderen twee volle jaren zogen, indien de vader wil dat
de zoging volkomen zij. De vader zal verplicht zijn, haar voeding en
kleeding naar billijkheid (gedurende dien tijd) te geven. Niemand is
echter verplicht, boven zijne krachten te gaan. Noch de moeder zal
in hare belangen ten opzichte van het kind benadeeld worden, noch de
vader. De erfgenaam van den vader heeft dezelfde plichten. Indien de
echtgenooten verkiezen, het kind (vóór den bepaalden tijd) te spenen,
zal dit geene zonde zijn. En indien gij verkiest, eene min voor het
kind te nemen, zal dit geene zonde zijn, ingeval gij haar ten volle
betaalt wat gij haar hebt beloofd. Vreest God en weet dat hij alles
weet wat gij doet. 234. Indien zij die sterven vrouwen nalaten,
moeten deze vier maanden en tien dagen wachten.

Is deze tijd verloopen, dan is het geene zonde, als zij naar
billijkheid met zich zelven handelen. God weet wat gij doet. 235. Ook
is er geene zonde in, zoo gij vóór dezen tijd [221] openlijk eene
vrouw ten huwelijk vraagt of dit voornemen in uwen boezem verborgen
houdt. God kent uwe wenschen. Doet haar echter geene beloften in het
geheim, dan wanneer gij dit met kuische woorden doet. 236. Gaat echter
de verbintenis zelve niet aan, tot de bestemde tijd is verloopen:
weet, dat God kent wat in uwe harten geschiedt, en weet, dat hij
genadig en barmhartig is. 237. Ook is het geene zonde, zich van de
vrouw te scheiden, zoo lang gij haar niet aangeraakt of haar nog
geene huwelijksgift toegekend hebt; doch dan moet gij, de rijke
en de arme, ieder naar omstandigheden en billijkheid, voor haar
onderhoud zorgen. Dit is de plicht der rechtvaardigen. 238. Verstoot
gij eene vrouw vóór gij haar hebt aangeraakt, maar nadat gij haar
eene huwelijksgift hebt toegekend, dan zult gij haar de helft geven
van hetgeen gij haar toegekent hebt, behalve wanneer zij, of hij die
het huwelijks-contract in handen heeft, van alles afziet. Zijt gij
echter toegevend, dan nadert gij de vroomheid des te meer. Vergeet
de edelmoedigheid niet onder u. God ziet wat gij doet. 239. Neemt
het gebed in acht; vooral het middengebed [222]. Bidt God met
eerbied. 240. Vreest gij (eenig gevaar, bidt dan) te voet of te paard;
zijt ge in zekerheid, gedenkt dan God, die u heeft geleerd wat gij
nog niet wist. 241. Zij onder u die sterven en vrouwen achter laten,
moeten haar onderhoud voor een jaar achter laten, zonder haar uit
het huis te verdrijven. Verlaten zij het vrijwillig, dan hebt gij
er geene zonde van, indien zij naar billijkheid met zich zelven
handelen. God is machtig en wijs. 242. De gescheiden vrouwen zijt
gij mede verplicht naar billijkheid te onderhouden, zoo als het den
godvruchtige betaamt. 243. Dit heeft God u duidelijk voorgeschreven,
opdat gij het zoudt verstaan. 244. Hebt gij hen nog niet beschouwd
die hunne woningen verlieten (zoo waren er duizenden) uit vrees voor
den dood [223]. God zeide tot hen: Sterft. Daarop wekte Hij hen weder
op; want God is genadig voor de menschen, doch het grootste gedeelte
hunner bedankt hem niet voor zijne weldaden. 245. Kampt voor des Heeren
godsdienst, en beseft dat God alles hoort en kent. 246. Wie wil God
tegen goede renten leenen? Veelvoudig verdubbeld geeft hij het hem
weder; want God verbreidt en beperkt zijne weldaden naar zijnen wil, en
tot hem keert gij eens terug. 247. Hebt gij nog niet teruggeblikt op de
vergadering der kinderen Israëls, na den tijd van Mozes, toen zij tot
den profeet zeiden: stel een koning over ons, dat wij voor des Heeren
godsdienst mogen strijden. Hij antwoordde; Zult gij misschien niet
weigeren te vechten, als u de oorlog bevolen wordt? Zij antwoordden;
Zouden wij niet kampen voor den godsdienst onzes Heeren; wij die uit
ons land verdreven en van onze kinderen gescheiden zijn? Toen hun nu
echter de krijg werd bevolen, vloden zij op weinigen na. Maar God
kent de goddeloozen. 248. En hun profeet zeide tot hen: Waarlijk,
God heeft Talut [224] als koning over u gesteld; toen zeiden zij:
Hoe zal hij over ons regeeren, daar wij den schepter meer waardig
zijn dan hij; daarbij bezit hij geene rijkdommen? De profeet zeide:
God heeft hem voor u gekozen; hij heeft hem uitgerust met voordeelen
van geest en lichaam. God geeft de regeering wien hij wil: God is
goed en wijs. 249. De profeet zeide tot hen: een teeken van zijn rijk
zal zijn, dat de arke [225] waarin de Godheid woont, tot u zal komen
en ook de reliquieën, welke door de gezinnen van Mozes en Aäron zijn
achtergelaten. Engelen zullen u die brengen. Dit zijn teekenen voor
u, indien gij geloovig zijt. 250. Toen nu Talut met zijne soldaten
uittrok, zeide hij: God wil u aan de rivier beproeven. Wie daaruit
drinken zal, is niet met mij, doch wie daaruit niet drinkt, zal met
mij zijn. Hij die echter met de vlakke hand een weinig daaruit schept,
is daarvan uitgezonderd. Maar op weinigen na dronken allen daaruit
[226]. Toen zij nu de rivier waren overgetrokken, hij en die met
hem geloofden, riepen zij: Wij hebben heden geene kracht tegen Jalut
[227] en zijne soldaten. Zij echter die geloofden dat zij God eens
zouden zien, zeiden: Hoe dikwijls heeft niet reeds een klein leger,
door Gods hulp, een talrijker leger overwonnen. God is met de geduldig
volhardenden. 251. Toen zij nu tot den strijd met Jalut en zijn leger
optrokken, zeiden zij: O Heer! stort geduld over ons uit, sterk
onzen voet en help ons tegen dit ongeloovige volk. 252. Door Gods
wil overwonnen zij, en David doodde Jalut. En God gaf hem het rijk
[228] en wijsheid, en leerde hem, wat hij wilde. Zou God den mensch
niet door den mensch binnen de grenzen houden, dan ware de aarde reeds
verdorven. Maar God is genadig voor zijne schepselen. 253. Dit zijn de
teekens van God, en wij openbaren u die in waarheid; want gij behoort
tot de gezanten. 254. Onder de apostelen hebben wij eenigen boven de
anderen bevoorrecht. Met eenige sprak God zelf, anderen bevoorrechte
hij nog meer. Jezus, den zoon van Maria, gaven wij kracht van teekenen
en versterkten hem met den heiligen geest [229]. Indien God gewild
had, dan zouden de later levenden, nadat hun zulke duidelijke teekens
waren geopenbaard, niet van meening verschillen. Maar zij zijn van
verschillende meening. Eenige gelooven, anderen gelooven niet. En
indien het Gode behaagd had, zouden zij niet onder elkander strijden;
maar God doet wat hij wil. 255. O geloovigen! geeft aalmoezen van
hetgeen wij u schonken, tot de dag komt, waarop noch onderhandeling,
noch vriendschap, noch bemiddeling zal zijn. Goddeloozen zijn de
ongeloovigen. 256. God is de eenige God; buiten hem is geen God,
de levende, de eeuwige [230]. Hem bereikt sluimering noch slaap;
hem behoort wat in den hemel en op aarde is. Wie kan bemiddelaar bij
hem zijn, zonder zijnen wil. Hij weet wat was, wat zijn zal, en de
menschen begrijpen slechts wat hij hun wil leeren. Zijn troon [231] is
over hemel en aarde uitgespreid en de bewaking van beide kost hem geene
moeite. Hij is de verhevene, de machtige. 257. Laat geen dwang in den
godsdienst zijn. De ware leer is duidelijk van de valsche onderscheiden
[232]. Wie echter den Tagut [233] verloochent en aan God gelooft, rust
op eenen staf, die nimmer breekt. God hoort en weet alles. 258. God is
de beschermer der geloovigen. Hij voert hen door de duisternis naar
het licht. 259, De ongeloovigen hebben geen anderen beschermer dan
Tagut, die hen uit het licht in de duisternis zal leiden; zij behooren
tot de hel, en eeuwig zullen zij daar blijven. 260. Hebt gij niet
teruggeblikt op hem die met Abraham over God heeft gestreden [234],
omdat God hem het koninkrijk had gegeven. Toen Abraham zeide: Mijn Heer
is hij, die leven geeft en doodt. Hij antwoordde: Ook ik maak levend
en dood. Abraham hernam: Hij brengt de zon van het Oosten hierheen,
breng gij die van het Westen. De ongeloovige was verbaasd. God leidt
de ongeloovigen niet. 261. Of hebt ge niet teruggeblikt op hem die
eene stad voorbijging, welke verwoest was tot op den grond [235]
en zeide: Hoe zal God deze stad weder doen herleven, nadat zij dood
is. God liet hem daarop sterven en eerst na honderd jaren weder
opstaan, en God zeide: Hoe lang hebt gij hier doorgebracht? Hij
antwoordde: een dag of een deel van eenen dag. En God zeide: Neen,
gij hebt hier honderd jaren doorgebracht. Zie op uw spijs en drank;
zij zijn nog niet bedorven. Zie ook op uwen ezel, dien wij als een
teeken voor de menschen hebben ingesteld. Betracht deze hoe wij die
opwekken en met vleesch omkleeden. Toen hij dit wonder zag, riep
hij uit: Nu weet ik dat God almachtig is. 262. Toen Abraham zeide;
O Heer! toon mij, hoe gij de dooden levend maakt [236], zeide God:
Wilt gij nog niet gelooven? Ja, maar ik vraag slechts om mijn hart
gerust te stellen. God zeide, neem daartoe vier vogels [237], snijd
die in stukken, en leg een stuk op iederen berg; roep ze daarna en zij
zullen tot u komen; want weet dat God almachtig en wijs is. 263. Zij
die hun vermogen voor des Heeren Godsdienst verteren, gelijken een
zaadkorrel, die zeven aren oplevert en waarvan iedere aar honderd
zaadkorrels voortbrengt; want God geeft tweevoudig aan hen die hem
behagen; God is goed en wijs. 264. Zij die hun vermogen voor des
Heeren Godsdienst verteren en die gaven niet terugvorderen, en ook
geen strijd daarom beginnen, zullen door hunnen Heer beloond worden;
hun treft vrees noch droefheid. 265. Woorden van vriendelijkheid en
vergeving zijn beter dan eene aalmoes door onvriendelijkheid gevolgd
[238]. God is rijk en genadig. 266. O geloovigen! maakt uwe aalmoezen
toch niet ijdel door verwijtingen of onvriendelijkheid, evenals
diegenen, welke slechts aalmoezen geven, opdat de lieden het zullen
zien, maar niet aan God en aan den jongsten dag gelooven. Zij gelijken
de kiezelsteenen die op de aarde liggen; het moge er op regenen, zij
blijven toch hard. Hunne zaken zullen hun geene winst aanbrengen; want
God leidt de ongeloovigen niet. 267. Zij echter die aalmoezen geven om
God te behagen en tot heil hunner zielen, gelijken eenen tuin, die op
eenen heuvel ligt waarop een sterke regen valt, en die zijne vruchten
tweevoudig voortbrengt; en indien er geen regen op valt, wordt hij
toch door den dauw bevochtigd, God ziet wat gij doet. 268. Begeert
een uwer een tuin te hebben met palmboomen en wijnstokken [239],
door beken besproeid, waarin alle soorten van vruchten voorkomen;
dat door hem een hooge ouderdom worde bereikt; dat hij kinderen hebbe
die hem gelijk zijn, en dat een vreeselijke storm met vlammen dien
tuin verwoeste? Zoo verklaart God u zijne teekens, opdat gij zoudt
nadenken. 269. O geloovigen! geeft aalmoezen van de goede zaken
die gij verworven hebt, en van datgene wat wij voor u uit de aarde
hebben doen voortkomen, en zoekt niet het slechtste voor aalmoezen
uit. 270. Zoo als gij zelven het niet hebt ontvangen, of het moest
door wederzijdsch goedvinden zijn met hem die het u aanbood. Weet,
dat God groot en hooggeprezen is. 271. Satan bedreigt u met armoede
[240] en beveelt u met schandelijkheden. God belooft u vergeving en
rijkdom, en waarlijk God is mild en wijs. 272. Hij geeft wijsheid
aan wien hij wil, en degene die de wijsheid heeft ontvangen, bezit
een groot goed; maar slechts de wijzen bedenken dit. 273. Wat gij
aan aalmoezen geeft en wat gij gelooft, God weet het; zondaren worden
niet beschermd. Maakt gij uwe aalmoezen bekend, het is goed; maar zoo
gij verbergt wat gij den armen geeft, dan is het nog beter. Dit zal
al uwe zonden uitwisschen. God weet wat gij doet. 274. Gij zijt niet
verplicht hen terecht te wijzen, God leidt wien hij wil. Wat gij aan
aalmoezen geeft is voor uw heil; wat gij geeft, geeft het met het
doel, Gods aangezicht te zien [241]. Wat gij den armen goed doet,
zal u eens betaald worden, en gij zult niet onrechtvaardig behandeld
worden. De armen die in den godsdienstoorlog bezig zijn, kunnen het
land niet doorloopen om hun onderhoud te zoeken. De onwetenden houden
hen om hunne bescheidenheid voor rijk. Aan hunne merken zult gij hen
erkennen [242]; zij vragen niet met onbescheidenheid. Het goede wat
gij hun doet is God bekend. 275. Zij die nacht en dag aalmoezen van
hun vermogen geven, in het geheim en openbaar, zullen hun loon van den
Heer ontvangen, en vrees noch droefheid zal hen bereiken. 276. Zij,
die van woeker leven, zullen eens weder opstaan, als bezetenen,
die door Satan zijn aangeraakt, en wel omdat zij zeggen: "Koophandel
staat gelijk met woeker." Maar God heeft den handel veroorloofd
en den woeker verboden. Wie nu, door Gods waarschuwing, zich
daarvan onthoudt, ontvangt vergeving voor het verledene, en zijn
lot wordt dan door Gods wil geregeld. Zij echter die tot den woeker
terugkeeren, zullen deelgenooten der hel zijn: eeuwig zullen zij daarin
blijven. 277. God geeft den woeker geen zegen, de aalmoezen zal hij
vermeerderen. God bemint de Goddeloozen niet. Zij die gelooven, goed
doen, het gebed verrichten en aalmoezen geven, hebben loon van hunnen
Heer te verwachten, en vrees noch droefheid zal hen bereiken. 278. O
geloovigen! vreest God en geeft den woeker [243] terug, dien gij in
handen hebt, voor zoo ver gij geloovigen zijt. 279. Doet gij dit echter
niet, verwacht dan den oorlog met God en zijnen apostel. Maar bekeert
gij u, dan zal u uw kapitaal verblijven. Doet niemand onrecht, dan
zal u geen onrecht geschieden. 280. Valt een schuldenaar de betaling
moeilijk, wacht dan tot zij hem gemakkelijker is; schenkt gij zijn
schuld hem echter, als aalmoes, des te beter voor u; indien gij
het weet. 281. Vreest den dag waarop gij tot God zult terugkeeren,
dan ontvangt iedere ziel het loon dat zij verdient, en niemand zal
onrecht gebeuren. 282. O geloovigen! indien gij bij eene schuld u voor
een bepaalden tijd verbindt, doet het dan schriftelijk. Een schrijver
schrijve dit nauwkeurig voor u neder. De schrijver schrijve alleen en
niet anders dan zoo als het hem door God geleerd is. Laat hem schrijven
zoo als de schuldenaar het hem voorzegt, naar waarheid; hij vreeze
God zijnen Heer en vervalsche niets. Is echter de schuldenaar dwaas
of zwak, of kan hij zelf niet voorzeggen, dan zegge zijn voogd [244]
naar waarheid, en neme twee mannen onder u tot getuigen. Kent gij
geene twee mannen, neemt dan een man en twee vrouwen, van die welke
u geschikt voorkomen, tot getuigen; indien zich eene dezer (vrouwen)
vergist, kan de andere haar helpen. De getuigen mogen niet weigeren,
indien zij geroepen worden. Versmaadt het niet op te schrijven, hetzij
een groote of kleine schuld, met het tijdstip van betaling. Dit zal
rechtvaardiger zijn in het oog van God; het dient tot verzekering
en neemt allen twijfel weg. Maar is het eene zaak, die gij dadelijk
tusschen u beiden afmaakt, dan zal het geene zonde zijn indien gij
niets opschrijft; maar neemt getuigen indien de een den ander iets
verkoopt. Maar doe den schrijver noch den getuige geweld. Handelt
gij echter anders, dan begaat gij eene zonde. Vreest God: hij zal u
onderrichten; want hij weet alles. 283. Zijt gij echter op reis en
vindt gij geen schrijver, neemt dan een onderpand. Vertrouwt echter de
een den ander zonder dat, dan geve hij, wien het vertrouwd werd, het
vertrouwde weder terug en hij vreeze God. Weiger geene getuigenis. Wie
het verbergt, heeft een boos hart, en God weet wat gij doet. 284. Gode
behoort wat in den hemel en op aarde is. Hij zal u rekenschap vragen
van hetgeen in uwe harten is, hetzij gij het openbaar maakt of
verbergt. Hij zal vergeven en bestraffen wien hij wil; want God is
almachtig. 285. De profeet gelooft aan hetgeen hem geopenbaard is,
en alle geloovigen gelooven aan God, aan zijne engelen, aan zijne
schrift en aan zijne profeten. Zij zeggen: Wij maken geen onderscheid
tusschen zijne profeten [245]. Wij hooren en wij gehoorzamen. U,
o Heer bidden wij om genade; want tot U keeren wij terug. 286. God
dwingt niemand boven zijne kracht te gaan; maar het loon van het goede
en kwade hetwelk men gedaan heeft, zal men ontvangen. O Heer! bestraf
ons niet, indien wij door verzuim of vergissing gezondigd hebben. Leg
ons het juk niet op, dat gij hun hebt opgelegd, die vóór ons leefden
[246]. O Heer, leg ons niet meer op, dan wij dragen kunnen. Wees ons
genadig, vergeef ons, erbarm u onzer. Gij zijt onze beschermer. Help
ons tegen de ongeloovigen.



DERDE HOOFDSTUK.

DE FAMILIE IMRAM [247].

Gegeven te Mekka--200 verzen.


In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. A. L. M. [248]. Er is geen andere God dan God, de levende en
eeuwig levende. 2. Hij heeft u het boek in waarheid geopenbaard,
dat het vroeger geopenbaarde bevestigt. Hij openbaarde de thora en
het evangelie reeds vroeger, als leiding voor de menschen. Thans
heeft hij de onderscheiding [249] gezonden. 3. Waarlijk, zij die Gods
teekenen niet gelooven, zullen eene vreeselijke straf ontvangen; want
God is machtig en kan zich wreken. 4. Niets is voor God verborgen van
hetgeen in den hemel en op aarde is. Hij is het, die u in het lijf uwer
moeder naar zijn welbehagen gevormd heeft; buiten hem, den machtige
en wijze, is geen God. 5. Hij is het, die u de schrift zond, waarin
verschillende verzen klaar en duidelijk zijn, die de grondzuilen van
het boek zijn; anderen zijn beeldsprakig [250]. Zij nu, welker harten
twijfelen, willen het beeldsprakige volgen, uit liefde tot scheiding
en uit lust tot vertolking daarvan. Maar God alleen kent hunne ware
beteekenis. Maar zij, die grondig in hunne kennis zijn, zeggen: Wij
gelooven daaraan; het geheel is van onzen Heer. Zoo denken slechts de
verstandigen. 6. O Heer! laat onze harten niet meer dwalen, nadat gij
ons op den rechten weg hebt geleid. Schenk ons Uwe barmhartigheid;
want gij zijt de gever. 7. O Heer! gij zult eens, op eenen bepaalden
dag, de menschen verzamelen, daaraan is geen twijfel; want God
herroept zijne belofte niet. 8. Den ongeloovigen zal echter vermogen
noch kinderen bij God hebben. Zij zullen tot voedsel van het vuur
verstrekken. 9. Op de wijze van het volk van Pharao [251] en die welke
vóór hen geleefd hebben, beschouwden zij mijne teekens als leugens,
God heeft hen gegrepen om hunne zonden, en God is streng in zijne
straffen. 10. Zeg tot de ongeloovigen: Gij zult overwonnen en in de hel
verstooten worden, en een onzalig verblijf hebben. 11. Gij hebt reeds
een wonder gezien in deze twee legers, die op elkander stieten; de eene
schaar kampte voor des Heeren godsdienst, de andere was ongeloovig. De
eene hield de andere voor twee malen zoo sterk als zich zelve [252];
want God sterkt met zijne hulp wien Hij wil. Waarlijk, daarin was een
voorbeeld voor verstandige menschen. 12. Den menschen werd prikkel en
begeerte tot vrouwen, kinderen, goud en zilver, edele paarden [253],
kudden en akkers ingeplant; dit zijn allen slechts de genietingen van
dit leven, doch de schoonste terugkeer is die tot God. 13. Zeg, kan
ik u betere dingen dan deze verkondigen? De vromen zullen bij hunnen
Heer eens tuinen vinden met wateren doorsneden, en eeuwig zullen zij
daarin verblijven; onbevlekte vrouwen en Gods welbehagen zijn hun ten
deel, God slaat zijne dienaren gade. 14. Die zeggen: o Heer! wij zijn
geloovigen; vergeef ons onze zonden en bevrijd ons van de straf van
het hellevuur. 15. Zoo spreken de geduldigen, de waarheidminnenden,
de aandachtigen; zij die aalmoezen geven en bij iederen zonsopgang
om Gods genade smeeken. 16. God heeft het zelf betuigd, dat er
buiten hem geen God bestaat: de engelen en de menschen met verstand
begaafd, bevestigen het in waarheid: Er is geen andere God dan hij,
de machtige en wijze. 17. De ware godsdienst des Heeren is de Islam,
en zij die de schrift hadden ontvangen, werden het niet eerder oneens,
dan nadat de kennis onder hen was gekomen; toen werden zij uit nijd
oneens met elkander; maar hij die niet in de teekenen van God gelooft,
wete, dat God snel is om rekenschap te vragen. 18. Indien zij met
u twisten, zeg dan: Ik heb mij aan God overgegeven, evenals zij die
mij volgen. 19. Zeg tot hen, die de schrift hebben ontvangen en tot
de onwetenden: [254] Neemt gij den Islam aan? Zoo zij hem aannemen,
zijn zij op den rechten weg; zoo zij echter weigeren, moet gij hun
slechts prediken; want God ziet zijne dienaren. 20. En diegenen
welke de teekenen Gods loochenen en de profeten zonder oorzaak
dooden, en hen vermoorden die recht en gerechtigheid prediken,
verkondig hun eene pijnlijke straf. 21. Deze zijn het, wier werken
voor deze en de toekomstige wereld verloren zijn; en zij zullen
niemand hebben om hen te helpen. 22. Hebt gij hen niet opgemerkt,
die een deel der openbaring hebben ontvangen [255]? Zij werden op de
schrift van God gewezen, daar deze de strijdpunten besliste [256];
maar een deel van hen keerde zich om en verwijderde zich. 23. Dit
deden zij omdat zij zeiden: "Het Hellevuur treft ons slechts een
bepaald aantal dagen," en zoo vervielen zij, door eigene denkbeelden
in den godsdienst, tot dwaling [257]. 24. Hoe zal het zijn, als wij
hen op den dag verzamelen, waarover geen twijfel is, en iedere ziel
zijn verdiend loon zal ontvangen? Niemand zal dan onrechtvaardig
behandeld worden. 25. Zeg: o God! gij die het rijk bezit, gij geeft
het rijk aan wien gij wilt, en gij ontneemt het wien gij wilt, en gij
verhoogt en gij vernedert wien gij wilt. In uwe hand is al het goede;
want gij zijt almachtig. 26. Op den nacht laat gij den dag en op den
dag den nacht volgen; gij brengt het leven uit den dood voort. Gij
geeft voedsel aan wien gij wilt, zonder maat. 27. Laten de geloovigen
geene ongeloovigen, in plaats van geloovigen tot beschermers nemen. Zij
die dit echter doen, hebben van God in niets op bijstand te hopen,
of gij moest gevaar van hen vreezen; maar God zelf zal u beschermen
en gij zult eens tot hem komen. Zeg: gij moogt geheim houden wat in
uwe harten is, of het openbaar maken. God weet het; want hij weet wat
in den hemel en wat op aarde is; God is almachtig. 28. Op den jongsten
dag zal iedere ziel het goede tegenwoordig vinden wat zij gedaan heeft,
en zal wenschen, dat tusschen haar en het booze hetwelk zij verricht
heeft, eene groote klove moge zijn. God zal u echter zelf beschutten;
want hij is genadig omtrent zijne dienaren. 29. Zeg: Indien gij God
mint, volgt mij. God zal u beminnen en uwe zonden vergeven, want God
is vergevend en barmhartig. Zeg: gehoorzaamt God en zijnen profeet;
wendt gij u echter af, weet, God bemint waarlijk de ongeloovigen
niet. 30. Zekerlijk, God heeft Adam en Noach en het gezin van Abraham
en de familie Imram [258] boven alle andere menschen gekozen. Het
eene geslacht sproot uit het andere voort. God hoort en kent
alles. 31. Gedenkt dat de vrouw van Imram [259] zeide: O Heer! ik heb
u geofferd hetgeen in mijnen boezem is, om aan u te worden gewijd;
neem het aan; want gij hoort en weet alles. Toen zij gebaard had,
zeide zij: Heer! waarlijk, ik heb een meisje voortgebracht (God wist
wel wat zij voortgebracht had), en een knaap is niet gelijk een meisje
[260]. Ik heb haar Maria genaamd; haar en hare nakomelingschap stel
ik onder uwe bescherming tegen den gesteenigden satan [261]. 32. God
nam haar met welgevallen aan [262], en liet een uitmuntenden tak uit
haar voortspruiten Zacharias droeg zorg voor haar. Toen Zacharias in
hare kamer kwam, vond hij spijzen bij haar [263]. O Maria! van wien
bekomt gij dit? Zij antwoordde: Van God; want God spijst wien hij
wil, zonder het te rekenen. 33. Daarop bad Zacharias God, en zeide:
o God! schenk mij eene gezegende nakomelingschap; want Gij zijt de
verhoorder der gebeden. Terwijl hij nog in de kamer stond te bidden,
riepen de engelen hem toe: 34. God verkondigt u de geboorte van
Yahia [264], die Gods woord zal bevestigen. Hij zal een eerwaardig en
kuisch man [265] zijn en een rechtvaardig profeet. 35. Hij antwoordde:
Hoe zal ik een zoon krijgen; ik ben reeds door den ouderdom bereikt
[266] en mijne vrouw is onvruchtbaar? De engel antwoordde: God doet
wat hij wil. 36. Zacharias zeide: o Heer! geef mij een teeken. Hij
antwoordde: Dit zal u een teeken zijn, dat gij drie dagen lang slechts
met gebaarden tot de menschen zult kunnen spreken. Gedenk uwen Heer
dikwijls, en loof hem des avonds en des ochtends. 37. De engelen zeiden
tot Maria: God heeft u gekozen, gezuiverd en boven alle andere vrouwen
der wereld uitverkoren. 38. O Maria! wees uwen Heer onderdanig; vereer
hem en kniel neder met hem, die voor hem nederknielen [267]. 39. Dit
is eene geheime geschiedenis, die wij u openbaren. Gij waart er niet
bij, toen zij hunne roeden wierpen, wie zorg voor Maria zou dragen;
gij waart niet er bij, toen zij er om streden [268]. 40. De engelen
zeiden verder; o Maria! God verkondigt u zijn woord; zijn naam
zal zijn: Jezus Christus, zoon van Maria. Heerlijk zal hij zijn
in deze en in de toekomstige wereld, en een van hen die in Gods
nabijheid zijn. 41. En hij zal tot de menschen spreken als kind in
de wieg [269] en als volwassen man, en zal een vroom man zijn. 42. O
Heer! antwoordde Maria: Hoe zal ik een zoon baren, terwijl geen man
mij heeft aangeraakt!" De engel antwoordde: God doet wat en hoe hij
wil; en heeft hij eene zaak besloten, dan zegt hij slechts: Wees, en
het is. 43. Hij zal hem ook onderwijzen in de schrift en de wijsheid,
in de thora en het evangelie en hem tot de kinderen Israëls zenden,
zeggende: Ik kom tot u met teekens van uwen Heer. Ik wil u uit klei
een vogel maken [270], ik zal er op blazen, en hij zal, met Gods
verlof, een levende vogel worden, en ik zal den blindgeborene en den
melaatsche genezen, en met Gods verlof dooden levend maken [271]. Ik
zal u zeggen wat gij eet en verder in uwe huizen verricht. Dit
alles zal u een teeken wezen, indien gij geloovig zijt. 44. Ik
kom om de thora te bevestigen, die gij vóór mij hebt ontvangen;
ik zal u het gebruik van eenige zaken veroorloven, die u vroeger
verboden zijn. Ik kom tot u met teekens van uwen Heer. Vreest God en
gehoorzaamt mij. Hij is mijn en uw Heer. Vereert hem; dit is de rechte
weg. 45. Toen Jezus hun ongeloof zag, zeide hij: Wie wil mij voor Gods
zaak helpen. De apostelen antwoordden: Wij willen Gods helpers zijn;
wij gelooven aan God; betuig het, dat wij geloovigen zijn. 46. O
Heer! wij gelooven aan wat gij geopenbaard hebt, wij gelooven uwen
afgezant; schrijf ons daarom in, bij het getal der getuigen. 47. De
Joden verzonnen eene list; God bedacht beter tegen hen, en God is
de listigste. 48. God zeide: o Jezus! ik wil u doen sterven [272]
en u tot mij verheffen [273], en u van de ongeloovigen bevrijden;
en hen die u gevolgd zijn, wil ik boven de ongeloovigen plaatsen, tot
den dag der opstanding. Gij zult allen tot mij terugkeeren, en ik zal
tusschen u richten over de strijdpunten. 49. Ik zal de ongeloovigen
in deze en in de volgende wereld streng bestraffen, en niemand zal
hen helpen. 50. Maar zij die gelooven en doen wat goed is, zullen hun
loon ontvangen; want God bemint de onrechtvaardigen niet. 51. Deze
teekens en wijze waarschuwingen maken wij u bekend. 52. In de
oogen van God is Jezus gelijk aan Adam; hij schiep hem uit stof en
zeide: Zij, en hij was. 53. Deze waarheid komt van God; wees dus
geen twijfelaar. 54. Indien iemand, nadat gij de ware kennis hebt
gekregen, daarover [274] met u twisten wil, zeg dan: Kom, laat ons
onze en uwe zonen te zamen roepen, onze en uwe vrouwen, onze en uwe
slaven, en tot God bidden, en Gods vloek over de leugenaars inroepen
[275]. 55. Dit is eene ware geschiedenis, en er is geen God, buiten
God en God is machtig en wijs. 56. Indien zij omkeeren; waarlijk, God
kent de goddeloozen. 57. Zeg: o gij! die de schrift hebt ontvangen,
komt en laat ons de volgende vereeniging tusschen ons vinden: Laat
ons slechts God vereeren, en geen schepsel met hem gelijk stellen,
en dat geen van ons een ander, buiten God, als Heer erkenne [276]
en aanbidde. Weigeren zij dit, zeg dan: Wees getuige, dat wij trouwe
geloovigen zijn. 58. O gij! die de schrift hebt ontvangen, waarom
twist gij omtrent Abraham? De thora en het evangelie werden toch
eerst na zijnen tijd geopenbaard. Begrijpt gij dit niet? 59. Gij,
die immer twist omtrent zaken, welke gij kunt weten, waarom strijdt
gij omtrent zaken, die gij niet kunt weten. God weet, maar gij weet
niet. 60. Abraham was noch Jood noch Christen, maar hij was vroom
en God onderworpen en geen afgodendienaar. 61. Die, welke Abraham
volgen, komen hem het dichtst nabij, en zijn profeet (Mahomet) en de
geloovigen. God is de beschermer der geloovigen. 62. Eenigen van hen
die de schrift hebben ontvangen, zouden u willen verleiden, maar zij
verleiden slechts zich zelven, en zij bemerken het niet. 63. O gij
bezitters der schrift! waarom loochent gij Gods teekenen, terwijl
gij zelven er getuigen van waart. 64. O gij! die de schrift hebt
ontvangen, bemantelt de waarheid toch niet met de onwaarheid, om
de waarheid te verbergen, terwijl gij die kent [277]. 65. Eenigen
van hen, die de schrift bezitten, zeggen: Geloof des ochtends aan
het boek, den geloovigen gezonden, en loochen het des avonds weder;
opdat zij weder terugkeeren [278]. 66. Geloof slechts hem, die uwen
godsdienst volgt. Zeg: De ware leiding is Gods leiding; indien zij
ook een ander is geopenbaard, zooals zij u gegeven is. Zullen zij voor
God met u strijden? Zeg hun: Al het goede is in Gods hand. Hij geeft
het aan wien hij wil; want hij is goed en wijs. 67. Hij zal zijne
barmhartigheid verleenen aan wien hij wil; want God bezit groote
genade. 68. Onder hen die de schrift hebben ontvangen zijn er, die
gij een talent kunt toevertrouwen; zij zullen u dit teruggeven [279];
maar er zijn ook anderen, die u een, hun geleenden dinar, niet zullen
teruggeven, indien gij hen niet aanhoudend dit herinnert. 69. Dit
geschiedt omdat zij zeggen: Wij hebben geen verplichting omtrent
de onwetenden. Maar zij liegen omtrent God, tegen beter weten aan,
70. Hij, die zijne verplichtingen nakomt en God vreest, dien bemint
God. 71. Die met Gods verbond handel drijven en met hunnen eed, voor
een nietigen prijs, hebben geen deel aan het volgende leven; op den dag
der opstanding zal God hen niet aanspreken. Hij zal geen enkelen blik
op hen werpen en hen niet reinigen; maar zij zullen een strenge straf
ondergaan. 72. Velen van hen lezen hunne vervalschingen van de schrift
zóó voor, dat gij zoudt gelooven, dat het werkelijk in de schrift
voorhanden was. Dit is niet zoo in de schrift, en zij antwoorden: Dit
is van God, maar het is niet van God, en zij zeggen leugens van God,
tegen beter weten aan. 73. Het past den mensch niet, nadat God hem de
schrift, wijsheid en de profetie heeft gegeven, dat hij daarop tot
de menschen zegge: Bidt mij aan, even als God [280]; maar het past
hem te zeggen: Volmaakt u in de schrift, die gij kent, en oefent u
er in. 74. God gebiedt u niet, dat gij engelen of profeten voor uwe
meesters zoudt nemen [281]. Zou hij u gebieden ongetrouw te worden,
nadat gij trouwe geloovigen (Muzelmannen) zijt geworden. 75. Toen God
het verbond der profeten aannam, zeide hij hun: Dit is de schrift
en de wijsheid die ik u geef. Hierna zal een gezant tot u komen en
datgene wat ik u thans geef, bevestigen. Gij moet hem gelooven en
hem ondersteunen. God sprak voorts: Hebt gij ernstig besloten, mijn
verbond aan te nemen? Zij antwoordden: wij zijn vast besloten. Daarop
zeide God: weest dus getuigen, en ik zal met u getuige zijn. 76. Hij
die dan terug treden wil behoort tot de zondaren. 77. Verlangen zij
eenen anderen godsdienst dan dien des Heeren, terwijl wat in den hemel
en op aarde woont, hetzij vrijwillig of gedwongen, hem onderworpen is
en alles eens tot hem moet terug keeren. 78. Zegt: Wij gelooven aan
God, aan hetgeen hij ons geopenbaard heeft, en aan datgene wat hij aan
Abraham, en Ismaël, en Izaak, Jacob en de stammen heeft geopenbaard,
en aan datgene wat aan Mozes, Jezus en de profeten door hunnen Heer
werd geopenbaard. Wij maken geen onderscheid tusschen hen. Wij zijn
God onderworpen (Muzelmannen). 79. Die eenen anderen godsdienst dan
den Islam aanneemt, wordt door God niet aangenomen, en hij zal in
de toekomstige wereld tot hen behooren die vergaan. 80. Hoe zou God
de menschen kunnen leiden, die ongeloovigen zijn geworden, nadat zij
geloovigen zijn geweest en betuigd hebben, dat de apostel waarachtig
was, en zij getuigen waren van de teekens. God leidt de goddeloozen
niet. 81. Hunne belooning zal zijn, dat Gods vloek hen zal treffen,
en die der engelen en van alle menschen. 82. Eeuwig zullen zij
daaronder gebukt gaan; hunne kwelling zal niet verzacht worden,
en nimmer zal een blik hen treffen. 83. Niet evenzoo zal het zijn
met hen, welke berouw hebben en boete doen; want God is genadig en
barmhartig. 84. Zij echter, die ongetrouw zijn geworden nadat zij
geloofd hebben, en nog in ongetrouwheid toenemen, hun berouw wordt
nimmer aangenomen; want zij blijven in hunne dwaling. 85. Waarlijk,
zij die niet gelooven en als ongeloovigen sterven, van hen worden
alle schatten der aarde niet aangenomen, indien zij zich daarmede
willen los koopen; zij zullen eene strenge straf ondergaan en zullen
geen verdediger hebben. 86. Nimmer zult gij de gerechtigheid bereiken,
dan nadat gij aalmoezen zult hebben gegeven van hetgeen gij lief hebt;
en God weet wat gij geeft. 87. Het gebruik van alle spijzen was den
kinderen Israëls geoorloofd, uitgezonderd datgene wat Israël zich
zelven verbood, vóór de thora werd gegeven. Zeg: breng de thora en
lees die, indien gij oprecht zijt. 88. Wie dus God leugens toedicht,
behoort tot de goddeloozen. 89. Zeg: God is waarachtig; volgt daarom
den godsdienst van den rechtgeloovigen Abraham die geen afgodendienaar
was. 90. De eerste tempel voor de menschen gesticht, was die te Becca
[282], tot zegen en tot rechtsnoer voor alle menschen. 91. Daarin zijn
duidelijke teekens. Dit is de plaats van Abraham, en wie die betreedt,
zal veilig zijn. Het is de plicht van alle menschen die het kunnen,
een pelgrimstocht daarheen te doen. 92. Wat de ongeloovigen betreft,
God heeft geen schepsel noodig. 93. Zeg: o gij! die de schrift hebt
ontvangen, waarom gelooft gij Gods teekenen niet? God is getuige van
al hetgeen gij doet. 94. Zeg: o gij! die de schrift hebt ontvangen,
waarom wilt gij de geloovigen van den weg Gods afleiden? Gij tracht
hen te verwarren, en gij zijt zelven getuigen. Maar God is niet
onopmerkzaam omtrent hetgeen gij doet. 95. O geloovigen! Indien gij
eenigen van hen volgt, die de schrift hebben ontvangen, dan zullen
zij u ongeloovig maken, nadat gij geloovig zijt geweest. 96. Hoe
kunt gij echter ongeloovig worden, indien men u de teekens van God
voorleest, en zijn gezant onder u is? Wie God vast aankleeft, wordt
op den rechten weg gevoerd. 97. O geloovigen! vreest God met oprechte
vrees en sterft niet, zonder dat gij trouwe geloovigen (Muzelmannen)
zijt. 98. Kleeft allen God sterk aan [283] en verlaat hem niet, en
gedenkt de weldaden, die hij u heeft bewezen. Terwijl gij vijanden
waardt, heeft hij uwe harten vereenigd, en gij zijt door zijne genade
een volk van broeders geworden. 99. Gij waart aan den rand van het
hellevuur, en hij bevrijdde u. God maakte u zijne teekens bekend,
opdat gij op den rechten weg zoudt mogen geleid worden. 100. Opdat
gij een volk zoudt worden, dat de anderen tot het goede zou brengen,
het goede gebiedende, het slechte verbiedende. Dit volk zal gelukkig
zijn. 101. Weest niet als zij die zich gescheiden hebben, en die nog
oneenig zijn [284], nadat zij de duidelijke leer hebben ontvangen; zij
zullen eene strenge straf ondergaan. 102. Op den dag der opstanding
zullen eenige blanke, anderen zwarte gezichten hebben. God zal
zeggen tot hen die zwarte gezichten hebben; zijt gij ongeloovigen
geworden, nadat gij geloovigen waart? Ontvangt dan de straf voor
uw ongeloof. 103. Zij wier gezichten blank zijn, zullen Gods genade
ontvangen en die eeuwig genieten. 104. Dit zijn Gods teekenen; die wij
u in waarheid openbaren. 105. Hem behoort alles wat in den hemel en op
aarde is, en tot hem zullen eens alle dingen terugkeeren. 106. Gij zijt
het beste volk dat ooit onder de menschen is opgestaan: gij beveelt wat
rechtvaardig is, verbiedt wat slecht is, en gelooft aan God. En indien
zij, die de schrift hebben ontvangen, geloofd hadden, waarlijk het ware
beter voor hen geweest. Er zijn eenige geloovigen onder hen [285],
maar het grootste gedeelte hunner zijn goddeloozen. 107. Zij zullen
u slechts weinig nadeel kunnen toebrengen, en als zij met u kampen,
zullen zij vluchten en niet geholpen worden. 108. Overal waar men hen
vindt, zal smaad hen treffen, behalve indien zij een verbond met God
en de menschen sluiten. Gods toorn laden zij op zich, en gebrek zal hen
treffen, omdat zij Gods teekenen geloochend, de profeten onrechtvaardig
gedood, en oproer en boosheid gesticht hebben. 109. Maar de bezitters
der schrift zijn niet allen gelijk. Er zijn rechtschapene onder hen
[286], die elken nacht doorbrengen met nadenken over Gods teekenen
en hen te aanbidden. 110. Zij gelooven aan God en aan den jongsten
dag; zij gebieden wat goed is, verbieden wat slecht is en streven
naar goede daden; zij behooren tot de vromen. 111. Het goede zal niet
onbeloond blijven: want God kent de vromen. 112. Niets zal bij God de
ongeloovige helpen: noch vermogen noch kinderen. Zij worden aan het
hellevuur overgeleverd en zullen eeuwig daarin blijven. 113. Wat zij
in deze wereld uitleenen, gelijkt een hevigen, kouden wind, die over
het staande koren van de menschen waait en het verwoest. God is niet
onrechtvaardig omtrent hen; zij waren veeleer onrechtvaardig omtrent
zich zelven. 114. O gij geloovigen! sluit geene vriendschap met hen
die niet tot de uwen [287] behooren; zij laten niet na, u te verleiden;
zij wenschen slechts uw verderf. Hunnen haat hebben zij reeds met den
mond uitgesproken, maar wat in hunne borst blijft besloten, is nog
verderfelijker. Wij hebben u daarvan reeds bewijzen gegeven, indien
gij deze slechts verstaat. 115. Ziet, gij bemint hen, en zij beminnen
u niet. Gij gelooft aan de geheele schrift; indien zij u ontmoeten,
zeggen zij: wij gelooven; zijn zij echter heimelijk bij elkander
gekomen, dan bijten zij zich uit toorn tegen u op de nagels. Zeg hun:
sterft van toorn; God kent het binnenste uws harten. 116. Als het u
goed gaat, zullen zij bedroefd zijn, en indien u een ongeluk overkomt,
zijn zij van vreugde vervuld. Indien gij echter geduldig zijt en
God vreest dan zullen hunne listen u niet schaden; want God weet
wat zij doen. 117. Herinner u den dag, toen gij met het aanbreken
van den dag uwe familie verliet, om de geloovigen een kamp voor den
oorlog te bereiden [288], God hoorde en wist het. 118. Toen twee van
de heerscharen den moed verloren [289] en God hen ondersteunde. Op
God moeten de geloovigen dus vertrouwen. 119. God heeft u geholpen
bij den slag van Bedr, toen gij zwakker in getal waart. Vreest dus
God en weest dankbaar. 120. En toen gij tot de geloovigen zeidet:
Is het niet genoeg, dat God u met drieduizend van den hemel dalende
engelen helpt? 121. Waarlijk indien gij volhardt en God vreest, dan
zal, indien de vijand u plotseling overvalt, God u met vijfduizend
uitgeruste engelen versterken. 122. En God verkondigt dit als
eene gelukkige tijding, opdat uwe harten gerust zouden zijn. Er
is geene andere hulp dan bij God, de machtige, de wijze. Dat hij
de ongeloovigen met den wortel zal uitroeien, of verdelgen, en
dat zij omvergeworpen of bestraft zullen worden, is u onnoodig te
weten. 123. Het gaat u niet aan, of God hen bestraft of hun vergeeft;
het zijn zondaren [290]. 124. Gode behoort alles wat in den hemel en
op aarde is; hij vergeeft en straft wien hij wil; God is genadig en
barmhartig. 125. O geloovigen! vermijdt den woeker, door tweevoudig
te verdubbelen. Vreest God, opdat gij gelukkig zijt. 126. Vreest het
vuur, voor de goddeloozen bereid, en gehoorzaamt God en den profeet,
om Gods genade te verwerven. 127. Wedijvert om de genade van uwen
Heer te ontvangen en het paradijs, dat, zoo groot als de hemel en
de aarde, bestemd is voor de godvreezenden. 128. Voor hen die in
goede en slechte tijden aalmoezen geven, hunnen toorn beheerschen
en de menschen vergeven; want God mint de goeden. 129. Degenen, die
nadat zij eene booze daad bedreven of een zonde begaan hebben, God
gedenken en om vergeving bidden--en wie kan buiten God hunne zonden
vergeven?--en niet volharden in het booze dat zij erkennen. 130. Deze
allen zullen genade van hunnen Heer ontvangen, en tuinen van beken
doorsneden, waarin zij eeuwig zullen wonen. Hoe heerlijk is het loon
van hen die wel handelen. 131. Reeds vóór u waren er voorbeelden
van straffen op boozen. Doorloop de aarde, en zie hoe het einde was
van hen, die Gods gezanten van bedrog hebben beschuldigd. 132. Dit
boek is eene verklaring aan de menschen, een richtsnoer en vermaning
voor u, vromen. 133. Weest dus niet ontmoedigd en treurig. Gij zult
de bovenhand behouden, indien gij gelooft. 134. Zoo gij in den krijg
eene wonde ontvangt, dan heeft de booze mede er eene ontvangen [291]
en wij laten de dagen zoo afwisselend op elkander volgen onder de
menschen, opdat God hen kenne die gelooven en wie martelaars onder u
zijn (God mint de boozen niet). 135. Om de geloovigen te beproeven
en de ongeloovigen te verdelgen. 136. Gelooft gij dan het paradijs
binnen te gaan, vóór God hen kent, die voor hem gekampt en volhard
hebben. 137. Gij verlangdet den dood vóór hij nabij was [292], gij
hebt dien gezien en gij beschouwdet dien. 138. Mahomet is slechts
een gezant. Andere gezanten zijn reeds vóór hem gestorven: indien
hij zou sterven of gedood worden, zoudt gij dan op uwe voetstappen
willen terugkeeren? Maar hij die op zijne voetstappen terugkeert,
schendt God niet, en God zal de dankbaren beloonen. 139. Geene ziel
kan sterven dan op Gods verlof, naar het boek waarin de bestemming
van alle dingen is opgeschreven [293]. Wie de belooning in deze
wereld verlangt, zullen wij die geven; wij zullen haar echter ook
hun geven, die hunne belooning in het toekomstige leven verlangen. De
dankbaren zullen wij beloonen. 140. Hoevele profeten kampten met hen,
die tienduizendmaal zoo sterk waren; toch lieten zij den moed
niet zakken om hetgeen zij doorstonden, terwijl zij voor des
Heeren godsdienst kampten, en gedroegen zich niet zwak en niet
verachtelijk. God mint hen die geduldig volharden. 141. En zij
zeiden niet anders dan: o Heer vergeef ons onze zonden en wat wij in
onze daden misdreven hebben; sterk onze voeten en sta ons bij tegen
de ongeloovigen. God gaf hun daarvoor in deze wereld belooning en
een heerlijk loon in de toekomstige; want God bemint hen die goed
doen. 142. O geloovigen! indien gij naar de ongeloovigen luistert,
zullen zij op uwe vroegere voetstappen terug brengen, opdat gij
afvallig zoudt worden, en u in het verderf storten. 143. God is
uw beschermer en hij is de beste helper. 144. Wij vervullen het
hart der ongeloovigen met schrik, omdat zij God nog andere wezens
hebben toegedicht, waartoe zij geene macht hadden. Het vuur zal
hunne woning wezen, en de verblijfplaats der goddeloozen zal
verschrikkelijk zijn. 145. God had reeds zijne beloften vervuld,
toen gij, met zijnen wil, de vijanden hebt verslagen; maar gij liet
den moed zinken, streedt over de bevelen, werd oproerig, hoewel hij
u de vervulling uwer wenschen [294] had getoond. 146. Eenige onder u
kozen deze wereld, anderen weder de toekomstige. Hij heeft u op de
vlucht gejaagd om u te beproeven; maar hij heeft u reeds vergeven;
want God is genadig omtrent de geloovigen. 147. Herinnert u, hoe gij
tegen de hoogte opgeklommen zijt, en naar geen uwer omzaagt, terwijl
de profeet u riep [295]. Toen liet God bedroefenis op bedroefenis over
u komen, opdat gij geene droefheid zoudt gevoelen over het verlies
van den buit en over andere treurige gebeurtenissen. God kent al uwe
daden. 148. Toen liet God, na de droefheid, tot verkwikking, eenigen in
diepen slaap vallen [296]. Een ander deel der uwen werd verontrust door
zich zelven, terwijl zij valsche en dwaze denkbeelden van God hadden,
en zeiden: zal een gedeelte van die zaak met ons gebeuren [297]. Zeg:
waarlijk, alles behoort God. Zij verbergen gedachten in hunne harten,
die zij u niet openbaren, zeggende: indien een dergelijke zaak met ons
gebeurd ware, wij waren hier niet geslagen geworden [298]. Antwoordt
hun: Indien gij zelfs in uwe huizen waart gebleven, dan hadden toch
zij, wier dood bestemd was, naar buiten naar de plaats moeten gaan
om daar te sterven. God wilde daardoor de gevoelens en gedachten
uwer harten onderzoeken; want God kent het binnenste van het hart
der menschen. 149. Zij die zich op den dag des slags tusschen de
beide legers verwijderden, werden door satan verleid, tot straf van
eenigerhande misdaad door hen bedreven; maar God heeft hun thans
vergeven; want God is vergevend en genadig. 150. O geloovigen! weest
niet als de ongeloovigen, die van hunne broeders zeggen, als zij het
land doorreizen, of naar den oorlog gaan: Indien zij met ons waren
gebleven, zouden zij niet gestorven of niet gedood zijn. God heeft
dit gedaan om hun hart te beproeven. God geeft leven en dood, en ziet
wat gij doet. 151. En indien gij ook gedood wordt, of sterft voor de
verdediging van des Heeren godsdienst, waarlijk dan is Gods genade
en barmhartigheid beter dan alle wereldsche schatten. 152. Hetzij
gij sterft of gedood wordt, gij wordt tot God verzameld. 153. En
wat de barmhartigheid betreft, die gij hun van God hebt geopenbaard,
gij o Mahomet! waart mild omtrent hen; waart gij strenger en harder
geweest, dan hadden zij zich zekerlijk van u gescheiden. Vergeef hun
dus en vraag vergiffenis voor hen, en raadpleeg hen omtrent de zaak
van den oorlog, en nadat gij hebt beraadslaagd, vertrouwt op God;
want God bemint die op hem vertrouwen. 154. Indien God u helpt,
dan kan u niemand overwinnen; indien hij u echter verlaat; wie zou
u dan na hem kunnen helpen? Vertrouw daarom op God. 155. Het is de
gewoonte van den profeet niet, te bedriegen [299]. Hij, die bedriegt,
zal op den dag der opstanding met zijn bedrog moeten verschijnen
[300]. Dan zal iedere ziel het loon ontvangen wat zij heeft verdiend,
en niemand zal onrechtvaardig behandeld worden. 156. Zou hij, die
naar Gods welbehagen leeft, evenzoo behandeld worden als hij, die
Gods toorn heeft op zich geladen, en de hel zijne woning zijn? Eene
ongelukkige reis zal dat zijn, 157. Er zullen graden van belooning en
straf bij God zijn; want God ziet wat gij doet. 158. God heeft ook
daardoor zijne goedheid omtrent de geloovigen getoond, dat hij hun
een apostel uit hun midden heeft gezonden, om hun zijne teekens te
leeren en hen te reinigen, en hen te onderwijzen in de wijsheid [301],
daar zij vroeger in eene openbare dwaling verkeerden. 159. Toen u een
onheil geschiedde (bij Ohod) nadat gij reeds twee gelijke voordeelen
had behaald, zeidet gij: Van waar komt ons dit? Antwoord: Dit is van
u zelven [302]; want God is almachtig. 160. En wat u trof op den dag,
toen de twee legers elkander ontmoeten, was zekerlijk door Gods wil,
opdat hij de geloovigen en de goddeloozen zou leeren kennen. Toen
men hun zeide: komt, vecht voor des Heeren godsdienst en drijft den
vijand terug, zeiden zij: Indien wij konden vechten zouden wij u
volgen. Toen waren zij het ongeloof nader dan het geloof. 161. Zij
spraken met hunne monden, wat niet in hunne harten was: maar God
wist wat zij verborgen. 162. Die te huis gebleven waren, zeide van
hunne broeders: Hadden zij ons gevolgd, dan waren zij niet geslagen
geworden. Antwoord hun: Keert den dood dan van u af, indien gij
waarheid zegt. 163. Rekent hen toch niet onder de dooden, die voor
des Heeren godsdienst zijn gevallen: zij leven bij hunnen God, die
hen voor eeuwig verzorgt. 164. Zij verblijden zich om de weldaden,
waarmede God hen heeft overladen, en verheugen zich om degenen, die
na hen zullen komen, maar nog niet bij hen zijn, en die door vrees
noch droefheid zullen getroffen worden. 165. Zij verheugen zich om de
weldaden en de genade die zij van hem hebben ontvangen, en omdat hij
de belooningen der geloovigen niet verloren laat gaan. 166. Zij, die
God en zijnen apostel gevolgd zijn en nadat zij te Ohod verwond waren,
even als zij die goede daden verrichten en God vreezen, zullen eene
ruime belooning ontvangen. 167. Tot hen zeiden de menschen: Waarlijk:
de bewoners van Mekka hebben zich reeds met macht tegen u uitgerust:
vreest hen dus; maar dit vermeerderde slechts hun vertrouwen, en
zij zeiden: God is onze hulp en de beste beschermer. 168. Daarom
kwamen zij ook met Gods gunst en weldaden terug: geen ongeluk had
hen getroffen, en zij volgden Gods welbehagen; want zijne genade is
oneindig. 169. Satan wil u vrees voor zijne vrienden veroorzaken;
doch vreest niet hen, maar mij alleen, indien gij geloovigen
zijt. 170. Laten zij u niet bedroeven, die het ongeloof zoo haastig
najagen: zij zullen God nooit het minst schaden. God zal hun geen deel
in de toekomstige wereld geven, en zij zullen eene gestrenge straf
ondergaan. 171. Waarlijk, zij die het geloof tegen ongeloof verruilen,
kunnen God niet de minste schade toebrengen, maar eene gestrenge straf
wacht hen. 172. Laten de ongeloovigen toch niet denken, dat, zoo wij
hun leven verlengen en gelukkig maken, dit eene weldaad zij: neen! wij
verlengen hun leven en maken het gelukkig, opdat zij slechts hunne
zonden vermeerderen en eene strengen straf zouden ondergaan. 173. God
zal de geloovigen niet langer in den toestand laten, waarin gij
u thans bevindt, dan tot dat hij de slechten van de goeden heeft
afgezonderd. 174. God zal u ook niet met zijne geheimen bekend
maken [303]; maar God kiest hiertoe een zijner gezanten; naar zijn
welbehagen. Gelooft daarom in God en zijne Gezanten: indien gij gelooft
en God vreest, zult gij eene ruime belooning ontvangen. 175. Laat
ook zij die gierig zijn met de weldaden, die hun door Gods goedheid
zijn geworden, niet gelooven dat hunne gierigheid tot hun geluk
dient: neen zij dient veeleer tot hun verderf. 176. Wat zij met
gierigheid verzameld hebben, zal op den dag der opstanding hun als
een halsband om den hals gehangen worden [304]. God is erfgenaam van
hemel en aarde; hij kent al uwe daden. 177. God heeft reeds de woorden
gehoord van hen die zeiden: God is arm en wij zijn rijk. Wij willen
opschrijven wat zij gezegd hebben, even als den moord der profeten,
die zij zonder oorzaak hebben begaan en wij willen tot hen zeggen:
Neemt nu de straf der verbranding aan. 178. Dit zullen zij ondergaan
voor het booze, dat zij met hunne handen hebben verricht; want God
is niet onrechtvaardig omtrent zijne dienaren. 179. Anderen zeggen:
God heeft ons beloofd, dat wij geen gezant zouden moeten gelooven,
dan alleen indien hij met een offer tot ons komt, dat dadelijk door
het vuur verteerd wordt. 180. Antwoord: Reeds vóór mij zijn gezanten
gekomen met duidelijke bewijzen en met het wonder waarvan hij spreekt:
waarom hebt gij hen dan gedood, indien gij waarheidlievende menschen
zijt? 181. Beschuldigen zij u van bedrog o Mahomet! de gezanten vóór u
werden reeds van bedrog beschuldigd, terwijl zij duidelijke bewijzen
medebrachten en de schrift het verlichtende boek. 182. Iedereen zal
den dood proeven, en op den dag der opstanding zult gij uw loon
ontvangen; en hij, die zich ver van het vuur heeft verwijderd en
in het paradijs zal toegelaten worden, zal gelukkig zijn; want het
aardsche leven is bedriegelijk bezit. 183. Gij zult beproefd worden
in uwe bezittingen en in u zelven, en gij zult vele harde woorden
moeten aanhooren van hen, die de schrift vóór u hebben ontvangen en
van de afgodendienaars; maar weest geduldig en vreest God; want zoo
is het vastbesloten. 184. En toen God een verbond sloot met hen, die
hij de schrift gaf, met den last, die den menschen bekend te maken
en haar niet te verbergen, wierpen zij dit achter hunne ruggen en
verkochten het voor een lagen prijs. Hoe slecht was de prijs dien
zij er voor ontvingen. 185. Denk niet dat zij, die zich verblijden
in hetgeen zij gedaan hebben, en wenschen geprezen te worden om
hetgeen zij niet gedaan hebben, denk niet dat zij van de straf zijn
uitgesloten; eene groote straf wacht hen. 186. God is de Heer over
hemel en aarde. Hij is de almachtige. 187. In de schepping van hemel
en aarde; in de afwisseling van dag en nacht zijn teekens voor hen
die nadenken. 188. Die staande, zittende en liggende aan God denken
en, bij het nadenken over de schepping van hemel en aarde, uitroepen:
O Heer! gij hebt dit niet zonder reden geschapen. Lof zij u. Red ons
van de straf des vuurs. 189. O, Heer! indien gij iemand in het vuur
stort, zult gij hem met schande bedekken. De goddeloozen hebben geene
hulp van u te hopen. 190. O Heer! wij hebben een prediker gehoord
[305], die ons tot geloof aanspoorde, zeggende: Gelooft in uwen
Heer! en wij geloofden. 191. O Heer! vergeef ons dus onze zonden;
wisch onze misstappen uit en laat ons met de vromen sterven. 192. O
Heer! geef ons ook wat gij door uwe gezanten hebt beloofd, en bedek
ons niet met schande op den dag der opstanding. Gij verbreekt uwe
belofte niet. 193. God antwoordde hun, zeggende: Ik laat geene
goede daad verloren gaan, wie die ook gedaan hebbe; hetzij man of
vrouw [306]. De eene onder u is uit den andere gesproten. 194. Zij
die hunne woonplaatsen hebben verlaten en uit hunne huizen werden
verdreven, voor mijnen godsdienst hebben geleden, en in den slag zijn
omgekomen, wil ik van alle schuld bevrijden, en zal hen brengen in
de tuinen van wateren doorsneden. 195. Dit is de belooning van God;
dit is de schoonste belooning. 196. Laat u niet verblinden door den
voorspoed der ongeloovigen [307]. IJdel genot [308]. Hunne woning zal
de hel zijn; een ongelukkig verblijf. 197. Maar zij, die God vreezen,
zullen tuinen bewonen met wateren doorsneden, en zullen eeuwig daarin
verblijven. Dit is de belooning van God. Wat van God komt, is beter
voor de geloovigen. 198. Onder hen die de schrift hebben ontvangen,
zijn er, die God gelooven en in hetgeen u is gezonden, en hetgeen
hun is gezonden; die zich aan God onderwerpen en Gods teekenen niet
voor een geringen prijs verkoopen. 199. Zij zullen hunne belooning
van God ontvangen; want God is vlug in het samenstellen. 200. O,
geloovigen! weest geduldig; streeft er naar, in geduld uit te munten;
weest standvastig en vreest God, opdat gij gelukkig zijt.



VIERDE HOOFDSTUK.

DE VROUWEN [309].

Gegeven te Medina--175 verzen.


In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. O menschen! vreest uwen God, die u uit eenen man geschapen heeft
en uit dezen diens vrouw, en uit beiden vele mannen en vrouwen deed
ontstaan. Vreest God, tot wien gij voor elkander bidt [310], en eert
de vrouw [311] die u heeft geboren: want God waakt over u. 2. Geeft
de weezen hun vermogen (als zij meerderjarig zijn geworden), en
geeft hun geen slecht voor goed [312]. Verteer hun vermogen niet,
door het bij het uwe te voegen; want dit is eene groote zonde. 3. En
indien gij vreest, niet rechtvaardig te kunnen zijn omtrent de weezen
(der vrouwelijke kunne), neem dan, naar uw behagen, twee of drie,
of vier vrouwen, maar niet meer [313]. Indien gij echter toch vreest,
niet rechtvaardig te kunnen zijn, neem dan eene, of eene der slavinnen
die gij u verworven hebt [314]. Dan zal het u gemakkelijker zijn,
niet van den rechten weg af te dwalen. En geef uwe vrouwen insgelijks
hare huwelijksgiften [315], en indien zij u vrijwillig daarvan
een deel afstaan, geniet het dan met gemak en nut. 4. Vertrouw
het vermogen der zwakken van zinnen [316], hetwelk God u tot hun
onderhoud heeft gegeven, niet in hunne handen, maar voed hen; geef
hun kleederen en spreek vriendelijk met hen. 5. Onderzoekt de weezen
[317] tot zij de jaren des huwelijks hebben bereikt [318]. Vindt
gij hen in staat, om hunne zaken zelf te besturen, geeft hun dan
hun vermogen terug. Neemt u in acht, dat gij het niet buitensporig
verteert en haast u niet. 6. Want zij groeien op [319]. Dat de rijke
voogd zich in acht neme, het geld van zijn pupil aan te raken, en
laat hij, die arm is, naar billijkheid van hun vermogen genieten
[320]. 7. Als gij hun het vermogen overgeeft, neemt dan getuigen in
hunne tegenwoordigheid. God vordert rekenschap van uwe daden en dat
is voldoende. 8. De mannen komt een deel toe van hetgeen ouders en
bloedverwanten nalaten, de vrouwen moeten mede een deel hebben van
hetgeen ouders of bloedverwanten nalaten [321], hetzij weinig of veel;
een bepaald deel komt hun toe. 9. Indien de verwanten, weezen en armen
tegenwoordig zijn bij de deeling, verdeel dan een gedeelte onder hen,
en spreek hen ten minste vriendelijk aan, indien er weinig aanwezig
is. 10. Laat degenen huiveren, weezen te bedriegen, die jonge kinderen
nalaten, en voor hen vreezen. Zij moesten God vertrouwen en slechts
eene gepaste taal voeren [322]. 11. Zij, die het vermogen der weezen
onoprecht verteren, brengen het vuur in hunne ingewanden, en zullen
eens in heete vlammen braden. 12. God heeft u dit, betreffende uwe
kinderen, geboden. Een knaap zal zooveel hebben als het deel van twee
vrouwen [323]; maar indien het alleen vrouwen zijn, en meer dan twee,
zullen zij twee derden der nalatenschap [324], en indien er maar eene
is, zal zij de helft [325] hebben. En de ouders van den overledene
zullen ieder een zesde gedeelte ontvangen van hetgeen hij nalaat,
indien hij een kind heeft achtergelaten. Indien hij geen kind nalaat,
en zijne ouders zijne erven zijn, zal de moeder een derde [326]
hebben. En indien hij broeders heeft, zal zijne moeder een zesde
hebben, nadat de legaten [327] en de schulden van den erflater zullen
betaald zijn. Gij weet niet, of uwe kinderen of uwe ouders u nuttiger
zijn. Dit is een bevel van God, de alwetende en alwijze. 13. Buitendien
moogt gij aanspraak maken op de helft van hetgeen uwe vrouwen nalaten,
indien zij geene kinderen hebben; en indien zij kinderen bezitten,
dan zult gij het vierde ontvangen van hetgeen zij nalaten, nadat
de legaten en hare schulden zullen betaald zijn. 14. Zij zullen ook
het vierde hebben van hetgeen gij zult nalaten. Indien gij kinderen
hebt, zullen zij het achtste gedeelte hebben van hetgeen gij nalaat,
nadat uwe legaten en schulden zullen zijn betaald. 15. En indien het
vermogen van een man of eene vrouw door een verwijderde bloedverwant
wordt geërfd [328], en hij of zij een broeder of zuster heeft,
dan zal ieder van hen beiden een zesde gedeelte der nalatenschap
[329] ontvangen. Indien er meer zijn, zullen zij een derde gedeelte
gelijk deelen, na betaling der legaten en schulden. 16. Zonder
daardoor aan anderen nadeel toe te brengen. Dit is een bevel van
God; hij is wijs en genadig. 17. Dit zijn Gods bevelen. En wie God
en zijne gezanten gehoorzaamt, zal door God in tuinen geleid worden
van stroomen doorsneden. Hij zal eeuwig daarin verblijven, en dit
zal eene groote gelukzaligheid zijn. 18. Maar hij die God en zijne
gezanten ongehoorzaam is en zijne bevelen overtreedt, zal in het vuur
der hel komen. Hij zal daarin eeuwig verblijven en eene schandelijke
straf ondergaan. 19. Indien uwe vrouwen aan eene afschuwelijke daad
[330] schuldig zijn, roep dan vier getuigen van u tegen haar, en
indien deze tegen haar getuigen, sluit haar op in afzonderlijke
vertrekken, tot de dood haar bevrijdt, of dat God haar een weg tot
redding schenkt. 20. Indien twee uwer dezelfde misdaad begaan, straf
hen beiden [331]; maar indien zij berouw hebben en zich beteren, laat
hen met rust; want God is vergevingsgezind en barmhartig. 21. Waarlijk,
bij God is verzoening voor hen, die in onwetendheid gezondigd en er
spoedig berouw over hebben. God vergeeft hun; want God is alwetend
en wijs. 22. Maar er is geene verzoening voor hen, die het booze
doen tot de dood hen treft, en dan eerst zeggen: Ik heb berouw; ook
voor hen niet die als ongeloovigen sterven. Voor dezen hebben wij
een strenge straf bepaald. 23. O geloovigen! het is niet geoorloofd,
de erfgenamen van vrouwen te worden, tegen haren wil, noch haar te
beletten te trouwen; om daardoor een deel te ontvangen van hetgeen
gij haar gegeven hebt, behalve indien zij eene openbare misdaad [332]
hebben begaan; maar ga goed met haar om. Indien gij haar echter haat,
dan kan het mogelijk zijn, dat gij iets haat, waarin door God groot
geluk voor u is bereid. 24. Indien gij eene vrouw tegen eene andere
wilt verruilen [333], en hadt gij reeds eene van haar een talent
gegeven, dan nog moogt gij niets daarvan terugnemen [334]. Zoudt
gij het haar ook door eene onrechtvaardigheid en klaarblijkelijke
oneerlijkheid willen afnemen? 25. En hoe zoudt gij het haar ook willen
afnemen, dewijl gij innig met elkander verbonden zijt geweest en uwe
vrouw uwe plechtige gelofte heeft ontvangen. 26. Huw de vrouwen niet,
die de echtgenooten van uwe vaders waren, hetgeen reeds geschied is;
want het is schandelijk en afschuwelijk, en eene slechte daad. 27. Het
is u verboden te huwen met uwe moeders, uwe dochters en uwe zusters,
en uwe tantes, zoowel van vaders als van moeders zijde; de dochters
van uwe broeders en zusters, uwe voedsters [335], uwe zoogzusters,
de moeder uwer vrouwen en uwe stiefdochters, welke gij onder uwe
bescherming hebt genomen, en uit vrouwen geboren zijn, met welke gij
reeds omgang hebt gehad. Hebt gij echter geen omgang met haar gehad,
dan is er geene zonde in met haar te huwen. Huw ook niet met de vrouwen
uwer zonen, die uit u zijn ontsproten, noch twee zusters, behalve wat
reeds is geschied [336]; want God is genadig en barmhartig. 28. Het
is verboden, getrouwde vrouwen te huwen, behalve diegene, welke als
slavinnen [337] in uwe handen zijn gevallen. Zoo gebiedt God het
u. Al het overige wat hier niet wordt verboden, is geoorloofd. Gij
kunt uw vrouwen nemen naar uw vermogen, maar altijd sober levende en u
niet aan ongebondenheid overgevende. En voor het genoegen dat gij met
haar smaakt, zult gij haar eene belooning geven [338], overeenkomstig
hetgeen is voorgeschreven. Het zal geene misdaad van u zijn, indien
gij daarenboven eene andere overeenkomst met elkander aangaat, na
het volvoeren van hetgeen is voorgeschreven; want God is alwetend
en wijs. 29. Hij onder u, die niet rijk genoeg zal zijn, vrije [339]
vrouwen die geloovig zijn te huwen, zal met slavinnen huwen, indien
zij geloovig zijn; want God kent uw geloof [340]. Gij zijt de een uit
den ander voortgekomen [341]; huw haar daarom met de toestemming harer
meesters, en geef haar een bruidschat, volgens hetgeen rechtvaardig
is. Laat haar kuisch, niet schuldig aan overspel zijn en geene
liefdesbetrekkingen onderhouden. 30. En indien zij gedurende het
huwelijk overspel plegen, zullen zij de helft der straf ondergaan,
die voor vrije vrouwen is bepaald [342]. Dit is bepaald voor degenen
onder u, die vreezen te zondigen door vrije vrouwen te huwen; maar het
is beter voor u, geene slavin te huwen. God is genadig en mild. 31. God
wil u deze voorschriften verklaren en u leiden in de richting van hen,
die u zijn vooraf gegaan, en genadig omtrent u zijn. God is alwetend
en wijs. 32. God wil barmhartig omtrent u zijn; maar zij die hunne
hartstochten volgen, verlangen, dat gij zult afwijken langs eene
steile helling. God is geneigd, zijnen godsdienst licht voor u te
maken, daar de mensch zwak geschapen is. 33. O geloovigen! verteert
uwe bezittingen niet onder u in ijdelheid [343], tenzij het bij
wederzijdsche verbintenis tusschen u is bepaald; doodt u niet onder
elkander [344]. Waarlijk, God is lankmoedig omtrent u. 34. Hij,
die zoodoende, door boosheid en ondeugd zal handelen, zal door het
vuur der hel verteerd worden, en dit is God gemakkelijk. 35. Indien
gij de groote zonden weet te vermijden [345], welke u verboden zijn,
zullen wij uwe overtredingen vergeven, en zullen u met eere binnen
het paradijs voeren. 36. Begeer niet wat God den een boven den ander
uwer heeft geschonken. De mannen zullen ieder een deel hebben van
hetgeen zij gewonnen hebben, en de vrouwen zullen het deel hebben
van hetgeen zij zullen hebben gewonnen; daarom zult gij God om zijne
goedheid vragen. Hij is alwetend. 37. Wij hebben ieder de erfgenamen
aangewezen, die de erfenis zullen ontvangen, door vader en moeder
en bloedverwanten bij hunnen dood nagelaten. En hun met wien uwe
rechterhanden verbintenissen hebben gesloten, zult gij een deel van
de erfenis geven [346]; want God is getuige van alle dingen. 38. De
mannen zullen de voorkeur boven de vrouwen hebben, door de voordeelen,
waarmede God den een heeft begiftigd, om boven de anderen uit te
munten, en omdat zij van hun vermogen besteden om hunne vrouwen te
onderhouden. De deugdzame vrouwen zijn gehoorzaam en onderworpen;
zij bewaren zorgvuldig, gedurende de afwezigheid harer mannen [347],
wat God haar bevolen heeft ongeschonden te bewaren. Gij zult haar
bestraffen, wier ongehoorzaamheid gij hebt te vreezen. Sluit haar
in afzonderlijke vertrekken op [348] en tuchtigt haar [349]. Maar
indien zij u gehoorzaam zijn, zoekt dan geen twist met haar. God
is verheven en groot. 39. Indien gij eene breuk tusschen de beide
echtgenooten vreest, kies dan een scheidsrechter [350] in zijne familie
en een scheidsrechter in hare familie: indien de echtgenooten zich
wenschen te vereenigen, zal God hen in goede verstandhouding doen
leven; want hij is alwetend en wijs. 40. Dien God en verbind geen
schepsel met hem [351]. Wees goed voor uwe vaders en moeders, voor
bloedverwanten, weezen, armen, uwen nabuur, die u bestaat [352] en
ook voor den nabuur die vreemdeling is; voor uwe makkers, reizigers
en voor hen die uwe rechterhand zal bezitten (slaven). God bemint
de hoovaardige en snoevende menschen niet. 41. Die gierig zijn en
de gierigheid anderen aanbevelen, en verbergen wat God hun in zijne
goedheid heeft gegeven. Wij hebben den ongeloovigen eene schandelijke
straf bereid. 42. Hij bemint degenen niet, die aalmoezen geven om
door de menschen te worden opgemerkt, en in God noch in den jongsten
dag gelooven. Hij, die satan tot makker heeft, bezit een slechten
makker. 43. Wat zouden zij verloren hebben, indien zij aan God en
den laatsten dag geloofden; indien zij aalmoezen gaven van weldaden
die God hun heeft geschonken, naardien God de daden der menschen
kent. 44. Waarlijk, God zal geen onrecht doen, aan wien het ook zij,
zelfs niet ter zwaarte van een atoom [353]. Indien het eene goede
daad is, zal hij die verdubbelen, en daarvoor eene groote belooning
schenken. 45. Wat zullen de ongeloovigen doen, wanneer wij een getuige
uit ieder volk tegen hen zullen brengen, o Mahomet! en uwe eigene
getuigenis tegen hen zullen inroepen. Op dien dag zullen zij, die niet
geloofd hebben en wederspannig jegens den profeet zijn geweest, veeleer
willen, dat de aarde hen had verzwolgen. Maar zij zullen zich op
geenerlei wijze voor God kunnen verbergen. 46. O geloovigen! komt niet
om te bidden, indien gij beschonken zijt, totdat ge zult verstaan wat
gij zegt; noch wanneer gij bezoedelt zijt. Wacht, tot gij uw aangezicht
gewasschen hebt, ten minste wanneer gij niet op reis zijt. Maar indien
gij ziek of op reis zijt, of uwe natuurlijke behoeften hebt voldaan,
of eene vrouw hebt aangeraakt, en geen water [354] vindt, neemt dan
zuiver, fijn zand en wrijft uw aangezicht en uwe handen daarmede; want
God is genadig en vergevingsgezind. 47. Hebt gij hun niet opgemerkt,
onder welke een deel der schrift werd geopenbaard? Zij verkoopen
dwaling en zouden u den rechten weg willen doen verlaten; maar God
kent uwe vijanden wel. God is een voldoende beschermer. God is een
toereikend helper. 48. Onder de Joden zijn sommigen, die de woorden
uit hunne schrift verplaatsen en zeggen: Wij hebben gehoord, maar wij
hebben niet gehoorzaamd. Hoort wat gij tot nu toe niet gehoord hebt,
en hoort ons, ook zonder onze meening te verstaan, en zie naar ons;
zoo verwarren zij de woorden met hunne tongen en lasteren den waren
godsdienst. 49. Maar indien zij zouden gezegd hebben: Wij hebben
gehoord en wij gehoorzamen; hoort naar ons en sla ons gade [355],
waarlijk het ware beter voor hen en rechtvaardiger. Maar God heeft
hen verwenscht om hunne ongetrouwheid; daarom zullen slechts eenigen
kunnen gelooven [356]. 50. Gij, aan wie de schriften zijn gegeven,
gelooft aan hetgeen God u heeft nedergezonden, om uwe geheiligde
boeken te bevestigen, alvorens wij de trekken van uwe aangezichten
uitwisschen, en die elders heen wenden [357], of u vervloeken, zoo
als wij hen vervloekten, die den sabbathdag schonden [358], en het
bevel van God was volvoerd. 51. Waarlijk, God zal hun niet vergeven,
die een gelijke naast hem plaatsen. Hij zal de andere zonden vergeven
[359] aan wien hij wil, maar zij die een ander met hem gelijk zullen
hebben gesteld, hebben eene groote zonde begaan. 52. Hebt gij hen
niet gezien die zich rechtvaardigden [360]? Maar God zal slechts
hen rechtvaardigen die hem behagen; hun zal geen haar gekrenkt
worden. 53. Ziet, hoe zij een leugen tegen God bedenken. Dat is
genoeg voor een duidelijke zonde, 54. Hebt gij hen niet opgemerkt,
die, na een deel van de schrift te hebben ontvangen, aan valsche
goden en afgoden gelooven [361], en die den ongetrouwen zeggen, dat
zij een meer waren weg dan de geloovigen volgen. 55. Dat zijn zij,
die door God vervloekt zijn; en onder hen die God zal vervloeken,
zullen zij zeker geen helper vinden. 56. Zouden zij een deel van het
koninkrijk hebben; zij die niet het kleinste deel aan de menschen
hebben gegeven? 57. Benijden zij de weldaden, die God aan anderen
heeft geschonken? Wij hebben het geslacht van Abraham een boek van
wijsheid gegeven, en wij gaven hun een groot koninkrijk. 58. Onder
hen gelooven eenigen aan den profeet, en anderen hebben zich van hem
afgewend; maar het vuur der hel is een toereikende straf. 59. Waarlijk,
zij die onze teekenen niet gelooven, zullen in het hellevuur geworpen
worden; zoodra hunne huid goed verbrand zal zijn, zullen wij hen met
een andere huid bedekken, om hun de marteling te doen gevoelen. God
is machtig en wijs. 60. Zij die gelooven en goed handelen, zullen wij
brengen in tuinen door rivieren besproeid; daarin zullen zij eeuwig
wonen, en daar zullen zij zich met geheel kuische vrouwen verheugen
en wij zullen hen in eeuwige schaduwen brengen. 61. God beveelt u,
den eigenaars terug te geven wat gij van hen onder uwe bewaring hebt,
en als gij tusschen menschen richt, dat gij eerlijk zult richten. En
waarlijk, het is eene schoone deugd die God u aanbeveelt; want God
hoort en ziet alles. 62. O geloovigen! gehoorzaamt God en gehoorzaamt
den gezant; en hun onder u die de macht uitoefenen; en indien gij
omtrent eene of andere zaak verschilt, brengt dan uw geschil voor God
[362] en den profeet, indien gij in God en den jongsten dag gelooft;
dit is beter en de beste wijze van beslissing. 63. Hebt gij hen niet
gezien, die beweren, aan datgene te gelooven wat u is geopenbaard en
wat vóór u werd geopenbaard? Zij verlangen voor Thagut [363] te worden
gericht, hoewel het hun verboden is, in hem te gelooven. Maar satan
wil hen ver van de waarheid leiden. 64. En wanneer men hun zegt: Keert
tot het boek terug, dat den godsgezant van boven is nedergezonden,
ziet gij de goddeloozen zich met tegenzin van u afwenden. 65. Maar wat
zullen zij doen, aan welke, als een gevolg van het werk hunner eigen
handen, een groot ongeluk zal overkomen? Zij zullen tot u komen en
bij God zweren, dat zij slechts het goede en de eendracht verlangen
[364]. 66. God weet, wat in de harten dier menschen is verborgen;
laat hen daarom alleen. Waarschuw hen en richt een woord tot hen,
opdat hunne zielen daarvan worden doordrongen. 67. Wij hebben
geen apostel gezonden, dan opdat hij door het verlof van God mocht
worden gehoorzaamd; maar indien zij, nadat zij hunne eigen zielen
hebben beleedigd [365], tot u komen en God vergiffenis vragen, en
de godsgezant vraagt vergiffenis voor hen, zullen zij God zeker tot
vergeving gezind en barmhartig vinden. 68. Ik zweer bij uwen God,
zij zullen niet geloovig zijn, dan nadat zij u rechter over hunne
geschillen zullen hebben gemaakt, en niets in te brengen hebbende
tegen hetgeen gij hebt beslist, zullen zij zich daaraan geheel
onderwerpen. 69. Indien wij hun hadden bevolen, zich zelven te
dooden, of hunne huizen te verlaten, zouden zij het, eenigen van hen
uitgezonderd, niet gedaan hebben. En indien zij gedaan hadden wat hun
bevolen werd, waarlijk, het zou beter voor hen zijn geweest, en meer
geschikt om hun geloof te bevestigen. 70. Wij zouden hen rijkelijk
beloond en op den rechten weg geleid hebben. 71. Zij, die in God en
den profeet gelooven, zullen onder hen zijn, die God genadig was;
onder de profeten, de oprechten, de martelaars, de godvruchtigen, en
dat is het uitmuntendste gezelschap. 72. Dit is Gods goedheid; en Gods
wetenschap is toereikend. 73. O geloovigen! neemt uwe voorzorgen [366]
tegen den oorlog en rukt in gedeelten of gezamenlijk op. 74. Er is
menigeen onder u, die u langzaam zal volgen, en indien gij tegenspoed
zult ondervinden, zal hij zeggen: God heeft mij eene bijzondere gunst
bewezen, dat ik niet met hen was. 75. Maar indien God u voorspoed
geeft, zal hij zeggen (als was er geene vriendschap tusschen u en en
hem: God gave, dat ik met hen ware geweest; ik zou groote verdienste
hebben verworven. 76. Laten zij daarom voor Gods zaak strijden, die
het tegenwoordige leven voor het toekomstige willen verruilen; want
hij die voor Gods zaak strijdt, hetzij hij geslagen wordt of overwint
[367] waarlijk, wij zullen hem eene groote belooning schenken. 77. En
waarom zoudt gij niet voor Gods zaak strijden, als de zwakken, de
vrouwen, de kinderen uitroepen: O Heer! breng ons uit deze stad, wier
bewoners dwingelanden zijn; zend ons een beschermer van u; geef ons
een verdediger van u. 78. Zij die gelooven strijden voor Gods zaak,
maar zij die niet gelooven strijden voor de zaak van Thagut. Strijdt
daarom tegen de vrienden van satan: en waarlijk de listen van satan
zullen onmachtig zijn. 79. Hebt gij hen niet gezien tot welke was
gezegd: Onthoudt uwe handen van den oorlog [368], weest standvastig
in het gebed en geeft aalmoezen? Maar als de strijd hun wordt bevolen
vreest een deel hunner de menschen, zooals zij God moesten vreezen,
of met nog grooter vrees, en zeggen: O Heer! waarom hebt gij ons
bevolen ten strijd te gaan, en waarom hebt gij ons niet veroorloofd,
ons naderend einde [369] af te wachten? Antwoordt hun: Het genot van
dit leven is klein, maar het toekomstige leven is het ware goed voor
hen, die God vreezen; en daar zult gij in het minst niet bedrogen
worden. 80. Waar gij ook mocht wezen zal de dood u bereiken; al waart
ge in hooge torens. Indien God hen begunstigt, zeggen zij: Dit is
van God, maar indien hun kwaad overkomt, zeggen zij: Dit is van u, o
Mahomet [370]! Zeg hun: Alles komt van God; en wat ontbreekt dit volk,
dat zij zoo ver verwijderd zijn van hetgeen hun werd gezegd? 81. Wat
goeds u ook overkome, het komt van God. Het kwaad komt van u zelven
[371]. Wij hebben een gezant onder de menschen gezonden. Gods
getuigenis is toereikend. 82. Hij, die den gezant gehoorzaamt,
gehoorzaamt God. Wij hebben u niet gezonden, om eene beschermer voor
hen te zijn, die zich van u afwenden. 83. Zij zeggen: Wij gehoorzamen,
maar als gij van hen vertrokken zijt, dan bepeinst een deel hunner,
gedurende den nacht zaken, die tegen datgene strijden, wat gij
zeidet. Maar God zal opschrijven wat zij des nachts overdenken. Laat
hen daarom alleen en vertrouw op God; want Gods bescherming is steeds
toereikend. 84. Onderzoeken zij den Koran niet nauwkeurig? Indien
die van iemand anders dan God afkomstig was, zouden zij daarin
niet menige tegenstrijdigheid gevonden hebben? 85. Indien zij een
bericht ontvangen, waardoor hun zekerheid of vrees wordt ingeboezemd,
verspreiden zij dat onmiddellijk; maar indien zij het den gezant en
hunne opperhoofden vertelden, zouden zij, die waarheid begeerden,
haar uit den mond van deze laatsten hooren. Indien Gods genade en
zijne barmhartigheid niet over u waakten, zoudt gij, eenigen van u
uitgezonderd [372], satan volgen. 86. Strijdt daarom voor Gods zaak,
en legt niemand iets moeielijks op, behalve u zelven; spoort echter
de godvruchtigen tot den strijd aan, misschien wil God den moed der
ongeloovigen verkleinen; want God is sterker dan zij, en meer in staat
te straffen. 87. Hij, die tusschen menschen treedt met een loffelijk
doel, zal een gedeelte daarvan genieten, en hij die met een slecht
doel daartusschen treedt, zal een deel daarvan genieten. God overziet
alles. 88. Indien gij gegroet wordt, groet dan nog vriendelijker,
of beantwoordt het op dezelfde wijze. God rekent alles. 89. God! Er
is geen God buiten hem; hij zal u zeker op den dag der opstanding
verzamelen; daaraan is geen twijfel; en waar is meer waarheid, dan
in hetgeen God zegt? 90. Weshalve zijt gij omtrent de goddeloozen
[373] in twee deelen gesplitst? Dewijl God hen heeft verstooten om
hetgeen zij hebben bedreven? Wilt gij hen geleiden, dien God heeft
doen verdwalen? Gij zult geen weg vinden voor hem, dien God doet
dwalen. 91. Zij willen u ongetrouw maken, zooals zij ongetrouwen
zijn, en dat gij gelijk zij zult wezen. Kiest daarom geene vrienden
onder hen, totdat zij hunne woonplaats voor Gods zaak zullen hebben
verlaten. Indien zij het geloof den rug toewenden, grijpt en doodt hen,
waar gij hen mocht vinden, en kiest geen vriend of beschermer onder
hen. 92. Uitgezonderd zij, die eene schuilplaats bij uwe bondgenooten
mochten zoeken, of zij, die tot u komen, en die hun hart verbiedt, om
òf tegen u, òf tegen hun eigen volk te strijden [374]. Indien het God
behaagd had, zou hij hun hebben veroorloofd tegen u gestemd te zijn,
en zij zouden tegen u gestreden hebben. Maar indien zij aftrekken
van u en niet tegen u strijden, en u den vrede aanbieden, verbiedt
God u, hen aan te tasten of te dooden. 93. Gij zult anderen vinden,
die begeerig zullen zijn, uw vertrouwen te winnen, en op denzelfden
tijd het vertrouwen van hun eigen volk te bewaren. Telkenmale dat zij
tot de wanorde terugkeeren, zullen zij verjaagd worden; en indien zij
niet van u aftrekken, en den vrede niet aanbieden en niet ophouden u
te bestrijden, zult gij hen aangrijpen en hen overal dooden, waar gij
hen mocht vinden. Over hen geven wij u eene volstrekte macht. 94. Het
is verboden, dat een geloovige eenen geloovige doode, tenzij het bij
ongeluk plaats hebbe [375]. Hij, die een geloovige bij ongeluk doodt,
zal daarvoor een geloovige uit de slavernij moeten verlossen en de
familie den bloedprijs betalen [376], tenzij de familie dien als
aalmoezen uitreike; en indien de verslagene tot eene u vijandige
natie behoort en een waar geloovige is, zult gij een geloovige moeten
bevrijden [377], maar indien hij van een met u verbonden volk is,
zult gij een bloedprijs aan zijne familie betalen en een geloovige
bevrijden. En hij, die geen slaaf vindt, zal twee achtereenvolgende
maanden vasten als eene boete door God opgelegd. God is alwetend en
wijs. 95. Maar hij, die een geloovige opzettelijk doodt, zal met de
hel gestraft worden; eeuwig zal hij daarin verblijven [378], en God
zal toornig tegen hem zijn; hij zal hem vervloeken en eene groote
straf voor hem bereiden. 96. O geloovigen! indien gij oprukt om den
waren godsdienst te verdedigen, onderricht u met nauwkeurigheid,
en zegt niet tot hem, die u groet, gij zijt geen waar geloovige, uit
begeerte naar toevallige bezittingen dezer wereld [379]. God is zeer
rijk. Zoo gedroegt gij u vroeger, maar God was genadig omtrent u;
onderricht u dus nauwkeurig; want God is wel bekend met hetgeen gij
doet. 97. De geloovigen, die te huis zullen blijven zonder gekwetst
te zijn, en zij, die hunnen bezittingen en hunne personen voor Gods
zaak gebruiken zullen niet gelijk gesteld worden. God heeft hun,
die hunne bezittingen en hunne personen voor dat geval gebruiken,
een meer verheven rang gegeven boven hen, die te huis blijven. God
heeft inderdaad ieder het paradijs beloofd, maar God heeft hun de
voorkeur gegeven die strijden, boven hen die te huis blijven. 98. Meer
verheven rangen nabij hem, barmhartigheid en genade. Waarlijk God is
vergevingsgezind en genadig. 99. Daarenboven hebben de engelen tot
hen gezegd, welken zij het leven benamen, omdat zij hunne eigene
zielen hadden verdoemd: Wie waart gij? Zij antwoordden: Wij waren
de zwakken der aarde [380]. De engelen hernamen: Was Gods aarde niet
groot genoeg, dat gij daar geene schuilplaats vondt [381]. Daarom zal
de hel hunne woning wezen. Welk een slecht verblijf zal het hunne
zijn. 100. Uitgenomen de zwakken onder de menschen, de vrouwen en
kinderen; zij, die niet in staat zouden zijn eene list uit te denken,
en niet op den weg werden geleid, dezen zal God misschien vergeven;
want God is vergevingsgezind en genadig. 101. Hij, die zijn land
verlaat voor de zaak van het ware geloof Gods, zal op aarde een
aantal personen vinden, die gedwongen zullen zijn hetzelfde te doen
en overvloedige hulpbronnen bezitten. En hij, die zijn huis verlaat
en tot God en zijn gezant toevlucht neemt, zal, indien hem den dood op
dien weg overvalt [382], God verplicht zijn, te beloonen; want God is
genadig en barmhartig. 102. Indien gij in het land ten oorlog trekt,
zal het geene misdaad zijn, indien gij uwe gebeden nalaat, zoo gij
vreest, dat de ongeloovigen u mochten aantasten; want de ongeloovigen
zijn uwe openlijke vijanden. 103. Maar wanneer gij, o Mahomet! onder
hen mocht zijn en met hen mocht bidden, laat een deel hunner het
gebed met u verrichten, en laat hen hunne wapens nemen; en als zij
aangebeden [383] zullen hebben, laten zij achter u staan en laat
een ander gedeelte komen, dat niet gebeden heeft, en laat hen met u
bidden; en laat hen voorzichtig wezen en gewapend zijn. De ongeloovigen
zouden willen, dat gij uwe wapenen en uwe goederen zoudt achterlaten,
opdat zij u eenklaps zouden kunnen aanvallen. Het zal geene misdaad
zijn, indien gij door regen wordt belet, of indien gij ziek zijt,
dat gij uwe wapens niet opvat, maar neem uwe voorzorgen. God heeft
de ongeloovigen eene schandelijke straf bereid. 104. En als gij het
gebed zult hebben geëindigd, herdenkt God, hetzij staande, zittende of
op uwe zijde liggende. Maar indien gij in zekerheid zijt, volbrengt
uwe gebeden; want het gebed op de bepaalde uren is den godvruchtige
geboden. 105. Wees niet zorgeloos bij de vervolging van den vijand,
indien gij ook lijdt; want zij zullen lijden zooals gij lijdt, en
gij hoopt van God, wat zij niet kunnen hopen; en God is alwetend en
wijs. 106. Wij hebben u het boek met de waarheid gezonden, opdat gij
tusschen de menschen zoudt kunnen richten door dat, wat God u heeft
gegeven. Wees geen verdediger van den zondaar [384], maar vraag God
vergiffenis voor uwe kwade bedoelingen; want God is vergevingsgezind
en genadig. 107. Redetwist niet met hen, die elkander bedriegen;
want God bemint hem niet, die een bedrieger of onrechtvaardige is
[385]. 108. Zij kunnen zich aan de menschen onttrekken, maar aan God
kunnen zij zich niet onttrekken; want hij is hun nabij, als zij des
nachts iets spreken wat hem mishaagt [386], en God begrijpt wat zij
doen. 109. Ziet, gij zijt het, die in het tegenwoordige leven voor
hen gepleit hebt. Maar wie zal op den dag der opstanding met God
voor hen redetwisten, of wie zal hun schuts zijn? 110. Hij, die kwaad
bedrijft, of zijn eigen ziel verderft, en daarna van God vergiffenis
vraagt, zal Hem vergevingsgezind en barmhartig vinden. 111. Hij,
die eene zwakheid begaat, begaat die tegen zijne eigen ziel, God is
alwetend en wijs. 112. En hij, die eene zonde of een misstap doet,
en deze daarna op een onschuldige werpt, zal waarlijk de schuld van
laster en verklaarde onrechtvaardigheid op zich laden. 113. Indien de
vergevingsgezindheid en de genade van God niet met u waren geweest,
waarlijk een deel van hen zou getracht hebben u te verleiden [387];
maar zij zullen zich zelven alleen verleiden en u in het geheel
niet deren. God heeft u het boek en de wijsheid gezonden, en heeft
u geleerd wat gij niet wist [388]; want de gunst van God omtrent
u was groot. 114. Er is geen goeds in de menigte hunner bijzondere
gesprekken, behalve van hem, die het geven van aalmoezen aanbeveelt,
of wat rechtvaardig is, of tot vereeniging strekt der menschen. Hij,
die dit doet uit begeerte om God te behagen, waarlijk wij zullen hem
eene groote belooning geven. 115. Maar hem, die zich van den gezant
scheidt, nadat hem de ware richting is geopenbaard, en een anderen weg
dan dien der ware geloovigen volgt, zullen wij datgene doen bereiken,
waarheen hij zich wendt, en zullen hen veroordeelen om in het vuur
der hel te worden verbrand: en dat zal hem een ongelukkig verblijf
zijn. 116. Waarlijk, God zal hem niet vergeven, die een ander naast
hem plaatst, maar hij zal, buiten dat, alles vergeven wat hem behaagt;
en hij, die een ander naast God plaatst is misleid en op een grooten
verkeerden weg geraakt. 117. De ongeloovigen roepen naast hem slechts
vrouwelijke godheden aan [389], en zij roepen slechts den oproerigen
satan aan. 118. God vloekte hem, en hij zeide: ik maak mij van een
deel uwer dienaren meester [390]; ik zal hen verleiden, hun ijdele
begeerten ingeven en hen bevelen, en zij zullen de ooren van het
vee afsnijden [391], en ik zal hen beheerschen, en zij zullen Gods
schepping veranderen [392]. Maar hij, die satan als zijn schutspatroon
naast God kiest [393], zal zeker eindelijk verloren zijn. 119. Hij
doet hun beloften en geeft hun ijdele begeerten; maar satan doet
hun slechts bedriegelijke beloften. 120. Hunne verzamelplaats zal de
hel zijn; daartegen zullen zij geene schuilplaats vinden. 121. Maar
zij, die gelooven en goede werken doen, dezen zullen wij zeker in
tuinen brengen, met rivieren doorsneden; eeuwig zullen zij daarin
verblijven, overeenkomstig Gods ware belofte; en wat is meer waar
dan hetgeen God zegt? 122. Het zal niet overeenkomstig uwe begeerten
zijn, en niet overeenkomstig de begeerten van hen, die de schriften
hebben ontvangen. Hij, die kwaad bedrijft, zal daarvoor in gelijke
mate worden beloond, en zal geenerlei beschermer of helper naast God
vinden. 123. Maar hij, die goede werken doet, hetzij een man of vrouw,
en een waar geloovige is, zal in het paradijs worden toegelaten,
en zal niet het minst worden benadeeld. 124. Wie is beter in den
godsdienst dan hij, die zich aan God overgeeft en goed doet, en de wet
van Abraham den Vrome volgt? naardien God Abraham tot zijnen vriend
heeft genomen. 125. Aan God behoort alles wat in den hemel en op
de aarde is. God omvat alles. 126. Zij zullen u raadplegen omtrent
alles. Antwoord: God heeft u daaromtrent onderricht; en wat u is
gelezen in het boek nopens vrouwelijke weezen, die gij niet geeft
wat u is bevolen, en die gij nooit wilt huwen [394]; nopens zwakke
kinderen, en dat gij rechtvaardig tegenover weezen moet handelen:
wat gij ook goed doet, God weet het. 127. Indien eene vrouw misbruik
of tegenzin van haren echtgenoot vreest, zal het geene misdaad zijn,
indien zij de zaak in der minne wil schikken [395]; want verzoening is
beter. De zielen der menschen zijn van nature tot gierigheid geneigd,
maar indien gij weldadig zijt en God vreest, is God wel bekend met
hetgeen gij doet. 128. Gij kunt nimmer gelijkelijk omtrent uwe vrouwen
handelen; tracht het echter; wend u daarom niet met tegenzin van uwe
vrouw af [396], noch verlaat haar als eene die geschorst is [397],
maar indien gij haar tevreden stelt en vreest haar te misbruiken,
zal God genadig en barmhartig zijn. 129. Maar indien gij van elkander
scheidt, zal God u beiden uit zijnen overvloed voldoen [398]; want
God is almachtig en wijs. 130. Gode behoort wat in den hemel en op
aarde is. Wij hebben hun, die de schriften vóór u hebben ontvangen,
even als u zelven reeds geboden, zeggende: Vreest God, en weest niet
ongeloovig; want weet dat Gode alles behoort wat in den hemel en
op aarde is, en God is almachtig en zelf genoegzaam. 131. Want Gode
behoort wat in den hemel en op aarde is, en God is een helper, die
machtig genoeg is [399]. 132. O menschen! indien het hem behaagt,
neemt hij u weg en brengt anderen voort; Want God is in staat
dit te doen. 133. Hij, die een belooning van deze wereld begeert,
waarlijk, de belooning van deze wereld is bij God evenals die van de
toekomstige. God hoort en ziet alles. 134. O ware geloovigen! neemt
de rechtvaardigheid in acht wanneer gij getuigenis voor God aflegt;
zij het ook tegen u zelven, of uwe ouders, of betrekkingen, hetzij die
arm of rijk mochten wezen; want God is meer waard dan zij beiden, volgt
daarom niet uw eigen hartstocht, zoodat gij afwijkt. En indien gij
weigert of u onttrekt, God is wel bekend met hetgeen gij doet. 135. O
ware geloovigen! gelooft aan God en zijn gezant, en het boek dat hij
door zijn gezant heeft nedergezonden, en het boek dat hij vroeger
nederzond. En hij die niet in God gelooft, en zijne engelen, en zijne
geschriften; en zijne gezanten, en den jongsten dag, doolt zeker op
een breeden dwaalweg. 136. Daarenboven zal God hun die geloofden,
en daarna ongeloovig werden, en dan weder geloofden, en daarna niet
geloofden en in ongeloovigheid toenamen, op geenerlei wijze vergeven,
noch hen op den rechten weg leiden. 137. Zeg den goddeloozen, dat zij
eene pijnlijke straf zullen ondergaan. 138. Zij die de ongeloovigen tot
hunne beschermers nemen, veeleer dan de geloovigen, is dat om kracht
bij hen te zoeken? naardien toch Gode alle kracht behoort. 139. En
hij heeft u reeds in het boek geopenbaard [400]: Als gij de teekens
van God zult hooren, zal men die niet gelooven, maar zullen zij met
verachting bespot worden. Zit daarom niet neder met hen die niet
gelooven, tot zij een ander gesprek aanvangen; anders zult gij hun
gelijk worden. God zal de goddeloozen en de ongeloovigen zeker te zamen
in de hel vereenigen. 140. Zij, die wachten om te zien wat u overkomt,
of God u de overwinning schenkt, zeggen: zijn wij niet met u? [401]
Maar indien den ongeloovige eenig voordeel te beurt valt, zeggen zij:
Waren wij niet boven u geplaatst, en hebben wij u niet tegen de
geloovigen verdedigd. God zal onder u richten op den dag der
opstanding, en God zal de ongeloovigen niet boven de geloovigen
beloonen. 141. De veinsaards handelen bedriegelijk met God, maar
hij zal hen bedriegen; en als zij opstaan om te bidden, staan zij
zorgeloos; zij doen het om door de menschen gezien te worden, en denken
slechts een weinig aan God [402]. 142. Drijvende tusschen het eene en
het andere, en noch tot dezen noch tot genen behoorende [403]; en hij
die door God afgeleid zal zijn, zal den waren weg niet vinden. 143. O
ware geloovigen! neemt de ongeloovigen niet tot uwe beschermers, in
plaats der geloovigen. Wilt gij God eene onwraakbare getuigenis tegen
u geven? 144. De huichelaars zullen op den laagsten grond van het vuur
zijn, en gij zult niemand vinden om hen te helpen. 145. Maar zij,
die berouw gevoelen en zich bekeeren, en zich vast aan God gehecht
hebben, en de oprechtheid van hun geloof aan God zullen bewijzen,
zullen onder de geloovigen geteld worden, en God zal den geloovigen
zekerlijk eene groote belooning toekennen. 146. En waarom zou God u
eene straf opleggen, indien gij dankbaar zijt en gelooft? want God
is genadig en wijs. 147. God bemint hem niet, die kwaad spreekt in
het openbaar, tenzij hij, die gelasterd wordt om hulp roept; en God
hoort en weet alles. 148. Hetzij gij het goede uitbazuint of het
verbergt, hetzij gij het kwade vergeeft; waarlijk God is genadig
en machtig. 149. Zij, die niet in God gelooven en zijne gezanten,
en een onderscheid maken tusschen God en zijne gezanten, en zeggen:
Wij gelooven in sommigen der profeten en verwerpen anderen van
hen, en willen zoo doende een middenweg zoeken. 150. Dit zijn ware
ongeloovigen; en wij hebben de ongeloovigen eene schandelijke straf
bereid. 151. Maar zij, die in God en zijne gezanten gelooven, en geen
onderscheid tusschen hen maken, hun zullen wij hunne belooning geven;
God is genadig en barmhartig. 152. Zij, die de schriften hebben
ontvangen, zullen u vragen, dat gij hun een boek uit den hemel
zult doen nederdalen: zij vroegen te voren aan Mozes een grooter
iets dan dit; want zij zeiden: Doe ons God op zichtbare wijze zien
[404], maar een vuurwind van den hemel verwoestte hen, om hunne
boosheid. Daarop namen zij het kalf om het te aanbidden [405], nadat
er duidelijke bewijzen onder hen waren gekomen. Maar wij vergaven
hun dat, en schonken Mozes duidelijke kracht om hen te straffen
[406]. 153. En wij verhieven den berg (Sinaï) boven hen [407] als
een pand van ons verbond, en zeiden tot hen: Ga deze poort biddende
binnen [408]. Wij zeiden hun ook: Schendt den Sabbath niet. En wij
ontvingen eene stellige verbintenis van hen. 154. Maar omdat [409]
zij hun verbond hebben geschonden, en niet in Gods teekenen geloofd,
de profeten onrechtvaardig gedood, en gezegd hebben: Onze harten
zijn onbesneden, heeft God die dichtgezegeld, wegens hun ongeloof,
daarom zullen zij niet gelooven, behalve eenigen van hen. 155. En
omdat zij niet in Jezus geloofden, en eene ernstige lastering omtrent
Maria hebben uitgedacht [410]. 156. En gezegd hebben: Waarlijk wij
hebben Christus Jezus, den zoon van Maria, den gezant van God gedood;
doch zij sloegen hem niet dood en kruisigden hem niet, maar iemand,
die hem geleek, werd in zijne plaats gesteld [411], en waarlijk zij,
die nopens hem twistten [412], verkeerden in eene dwaling, en hadden
geene bepaalde kennis daarvan, maar volgden slechts eene meening. Zij
doodden hem niet werkelijk; God heeft hem tot zich opgenomen, en God
is machtig en wijs. 157. En er zal geen enkele onder hen zijn, die de
schriften hebben ontvangen, welke niet in hem zal gelooven, vóór zijn
dood [413], en op den dag der opstanding zal hij een getuige tegen hen
zijn [414]. 158. Wegens de boosheid van hen, die Joodschgezind zijn,
hebben wij hun goede dingen verboden, die hun vroeger veroorloofd
waren. 159. En omdat zij menigeen van Gods weg uitsluiten en woeker
hebben gedreven, wat hun verboden was, en de goederen van anderen
ijdel hebben verteerd [415], hebben wij voor velen hunner, daar zij
ongeloovigen zijn, eene pijnlijke straf bereid. 160. Maar degene onder
hen, die met grondige kennis zijn uitgerust [416], en de geloovigen,
die gelooven in hetgeen hun door u werd nedergezonden, en dus wat hun
vóór u werd nedergezonden, en die de bepaalde tijden in acht nemen
en aalmoezen geven, en in God en den oordeelsdag gelooven, dezen
zullen wij eene groote belooning geven. 161. Waarlijk wij hebben u
geopenbaard, zooals wij Noach openbaarden en de profeten, die hem
opvolgden; zooals wij aan Abraham openbaarden, en Ismaël, en Izaak
en Jacob en de stammen, en aan Jezus, aan Job, aan Jonas, aan Aäron,
aan Salomo; en wij gaven de psalmen aan David. 162. Wij zonden u
apostelen, waarvan wij u te voren spraken, en andere gezanten, welke
wij u niet bekend maakten, en God sprak met Mozes. 163. Wij zonden
gezanten, om u goede tijdingen te brengen en u te waarschuwen, opdat de
menschen geene verontschuldiging tegenover God zouden kunnen aanvoeren,
nadat de gezanten waren gekomen. God is machtig en wijs. 164. God is
getuige van de openbaring, die u is nedergezonden; hij zond die met
zijne bijzondere kennis: de engelen zijn medegetuigen; maar God is
een toereikende getuige. 165. Zij, die niet gelooven en anderen van
Gods weg afvoeren, zijn op den verwijderden weg verdwaald. 166. Zij,
die niet gelooven en onrechtvaardig handelen, hun zal God op geenerlei
wijze vergeven; nimmer zal hij hun den rechten weg toonen. 167. Of
het moest den weg der hel zijn, waarin zij eeuwig zullen verblijven,
en dat is gemakkelijk voor God. 168. O menschen! thans is de apostel
onder u gekomen met waarheid van uwen Heer; gelooft dus; het is
beter voor u. Maar indien gij niet gelooft; alles, wat in den hemel
en op aarde is behoort Gode; en God is alwetend en wijs. 169. O
gij! die de schriften hebt ontvangen, overschrijdt de juiste grenzen
van uwen godsdienst niet [417]; zegt nimmer iets anders van God
dan de waarheid. Waarlijk, Christus Jezus, de zoon van Maria,
is Gods apostel, en zijn woord, dat hij in Maria overbracht, en
een geest van hem. Gelooft dus in God en zijne gezanten, en zegt
niet; Er zijn drie goden [418]: doet dit niet; het zal beter voor
u zijn. God is slechts één God. Het is verre van hem, dat hij een
zoon heeft! Hem behoort wat in den hemel en op aarde is, en God is
een voldoende beschermer [419]. 170. Christus versmaadt niet trotsch,
Gods dienaar te zijn, noch de engelen, die hem naderen. 171. En hij,
die zijnen dienst versmaadt en die door hoovaardij is vervuld, God
zal hen allen voor zich verzamelen. 172. Hen, die gelooven en doen wat
goed is, zal hij hunne belooning geven, en zal die met zijne mildheid
vermeerderen, maar hen, die versmaden en trotsch zijn, zal hij gestreng
straffen. 173. Zij zullen niemand naast God vinden, die hen kan helpen
of ondersteunen. 174. O, menschen! thans is een duidelijk bewijs van
uwen Heer tot u gekomen, en wij hebben een blijkbaar licht [420] tot u
gezonden. Hen, die in God gelooven en zich streng aan hem vasthouden,
zal hij in zijne genade en overvloed leiden, en hij zal hen langs den
rechten weg tot zich voeren [421]. 175. Zij zullen u ondervragen. Zeg
hun, God geeft u deze bepalingen nopens de meer verwijderde graden
van bloedverwantschap. Indien een man zonder kroost sterft en hij
eene zuster heeft, dan zal zij de helft hebben van hetgeen hij zal
nalaten [422], en hij zal van haar erven [423], bijaldien zij geen
kroost heeft. Maar indien er twee zusters zijn, zullen zij twee derden
hebben van hetgeen hij zal hebben nagelaten, en indien er broeders en
zusters zijn, zal de man zooveel hebben als het deel van twee vrouwen,
God verklaart u dit, opdat gij niet zoudt dwalen; en God is alwetend.



VIJFDE HOOFDSTUK.

DE TAFEL [424].

Gegeven te Medina--120 verzen.


In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. O, ware geloovigen! weest getrouw aan uwe verbintenissen. Het is
u geoorloofd het redelooze vee te eten [425], behalve datgene, wat u
verboden is; uitgezonderd het wild, dat geoorloofd is op andere tijden
te gebruiken, maar niet terwijl gij op den pelgrimstocht zijt. God
beveelt hetgeen hem behaagt. 2. O, ware geloovigen! schendt niet de
heilige voorschriften van God [426], noch de heilige maand, noch de
offerande, noch de versierselen daaraan hangende [427]. Eerbiedigt
hen, die naar het heilige huis reizen, om de gunst des Heeren te
zoeken en hem te behagen. 3. Maar indien gij uwen pelgrimstocht
hebt volbracht, jaagt dan. En laat de boosheid van hen, die u zouden
willen beletten, den heiligen tempel binnen te gaan [428] u niet tot
onrechtvaardigheden verlokken. Helpt elkander naar rechtvaardigheid
en vroomheid, maar ondersteunt elkander niet in onrechtvaardigheid
en boosheid; vreest dus God; want God is een streng straffer. 4. Het
is u verboden te eten van dieren, die van zelven zijn gestorven,
voorts bloed en varkensvleesch, en datgene waarover een andere naam
dan die van God is aangeroepen [429] en datgene wat gesmoord is,
of door een slag of een val, of door de horens van een ander dier
is gedood, en dat door een wild dier [430] is verscheurd, behalve
datgene wat gij hebt gedood [431]; ook datgene wat voor afgoden [432]
werd geofferd. Het is u eveneens verboden te verdeelen door het lot,
met pijlen te trekken [433]. Dit is verboden. Heden wacht de wanhoop
hun, die van hunnen godsdienst zijn afgedwaald; vreest dus hen niet,
maar vreest mij. 5. Heden heb ik uwen godsdienst voor u volmaakt
[434] en heb ik mijne genade voor u voltooid [435], en heb ik den
Islam voor u gekozen, om uwen godsdienst te zijn. Maar hij, die
door hongersnood gedreven en zonder de bedoeling te hebben van te
zondigen, mocht eten van hetgeen wij hebben verboden, waarlijk God
zal hem genadig en barmhartig zijn. 6. Zij zullen u vragen, wat hun
veroorloofd is. Antwoord: de dingen, die goed [436] zijn, zijn u
geoorloofd. De prooi der jachtdieren [437], die gij als honden zult
hebben afgericht, naar de wetenschap, die gij van God hebt ontvangen,
is u geoorloofd te eten. Eet daarom van hetgeen zij u zullen hebben
verschaft, en herdenkt daarbij den naam Gods [438], en vreest God;
want God is snel in het rekenen. 7. Heden is het u geoorloofd zulke
dingen te eten, die goed zijn, en het voedsel van diegenen, aan wie
de schriften werd gegeven [439] is u mede als geoorloofd toegestaan;
en uw voedsel is hun geoorloofd. En gij moogt vrije vrouwen huwen,
die geloovig zijn, en ook vrije vrouwen van hen, die de schriften
vóór u hebben ontvangen [440], als gij haar heuren bruidschat hebt
toegekend. Leeft kuisch met haar; bedrijft nimmer hoererij, noch
neemt haar als bijzit [441]. Hij, die het geloof verzaakt, diens
werk zal ijdel zijn, en in het volgende leven zal hij vergaan. 8. O,
ware geloovige! indien gij u tot het gebed gereed maakt, wascht dan uw
aangezicht, en uwe handen tot onder de ellebogen; wrijft u het hoofd,
en ook de voeten tot aan de hielen. 9. En indien gij eene vrouw hebt
beslapen, reinigt u. Maar indien gij ziek of op reis zijt, indien
gij aan eene natuurlijke behoefte hebt voldaan, of indien gij vrouwen
hebt aangeraakt, en gij vindt geen water, neemt dan fijn en zuiver zand
[442], en wrijft uw aangezicht en u uwe handen er mede. God wil u geene
moeite veroorzaken, maar hij wil u zuiveren en zijne gunst omtrent
u volmaken, opdat gij hem dankbaar zoudt zijn. 10. Gedenkt dus Gods
gunst omtrent u en het verbond, dat hij met u heeft aangegaan, toen
gij zeidet: Wij hebben gehoord, en zullen gehoorzamen [443]. Vreest
God; want God kent het meest verborgene gedeelte van des menschen
borst. 11. O, ware geloovigen! weest rechtvaardig, wanneer gij als
getuigen voor God verschijnt, en laat de haat omtrent iemand u niet
verleiden, boos te handelen. Weest rechtvaardig; dit brengt u nader
tot de vroomheid, en vreest God; want God is geheel bekend met hetgeen
gij doet. 12. God heeft hun beloofd, die gelooven en doen wat recht is,
dat zij vergiffenis en eene groote belooning zullen ontvangen. 13. Maar
zij, die niet gelooven en onze teekens van onwaarheid beschuldigen,
zullen makkers der hel zijn. 14. O, ware geloovigen! herinnert u Gods
gunst omtrent u, toen zekere mannen hunne handen naar u uitstrekten;
maar hij stiet hunne handen terug [444] die u wilden deren. Vreest
dus God, en dat de geloovigen in hem vertrouwen. 15. God nam vroeger
het verbond der kinderen Israëls aan, en wij kozen twaalf hoofden
uit hun midden, en God zeide [445]: Waarlijk ik ben met u; indien
gij het gebed doet en aalmoezen geeft, en in mijne apostelen gelooft,
en hen ondersteunt en God tegen goede renten [446] leent, zal ik uwe
slechte daden vergeven, en u in tuinen voeren, met rivieren doorsneden;
maar onder u, die na deze waarschuwingen niet gelooft, dwaalt van den
rechten weg af. 16. Maar omdat zij hun verbond hebben geschonden,
hebben wij hen gevloekt en hunne harten versteend; zij rukken de
woorden van den Pentateuches van hunne plaats, en hebben een deel
vergeten van hetgeen hun werd onderwezen; en gij zult niet ophouden
slechte daden bij hen te ontdekken, bij eenigen van hen uitgezonderd;
maar vergeef hun [447] en schenk hun daarvoor genade; want God bemint
den milde. 17. En van hen, die zeggen: Wij zijn Christenen; wij hebben
eene verbintenis aangenomen; maar zij hebben een gedeelte vergeten
van hetgeen hun werd onderwezen; derhalve hebben wij vijandschap en
haat onder hen doen ontstaan tot den dag der opstanding, en God zal
hun dan zeker mededeelen, wat zij hebben verricht. 18. O gij, die
de schriften hebt ontvangen, thans is onze apostel onder u gekomen,
om u vele plaatsen duidelijk te maken, welke gij in de schriften hebt
verborgen [448], om vele anderen daarvan voorbij te gaan [449]. Thans
is het licht in een duidelijk boek van God tot u gekomen. Daarmede
zal God hem leiden, die zijn wil op de paden des vredes zal volgen,
en hem voeren door zijn wil uit de duisternis tot het licht,
hij zal hem richten op den rechten weg. 19. Zij, die zeggen, dat
Christus, de zoon van Maria, God is, zijn ongeloovigen. Zeg hun:
Wie zou God kunnen tegengaan, indien het hem behaagt had Christus,
den zoon van Maria, en zijne moeder en al, die op de aarde zijn,
te verdelgen? 20. Want Gode behoort het koninkrijk des hemels en der
aarde, en wat daar tusschen is; hij schept wat hem behaagt, en God is
almachtig. 21. De Joden en Christenen zeggen, wij zijn de kinderen
Gods en zijne geliefden. Antwoord: Waarom straft hij u dan voor uwe
zonden? Maar gij zijt slechts menschen, van diegenen, welke hij heeft
geschapen. Hij vergeeft aan wie het hem behaagt, en hij straft wie
hem behaagt; en Gode behoort het koninkrijk des hemels en der aarde,
en alles wat tusschen beide is; en tot hem keert alles terug. 22. O
gij! die de schriften hebt ontvangen, thans is onze apostel onder u
gekomen, om u den waren godsdienst te verklaren, gedurende de schorsing
der apostelen [450], opdat gij niet meer zoudt zeggen: Er kwam niemand
tot ons, die goede tijdingen bracht, noch eenige waarschuwer: maar
nu is een bode van goede tijdingen en een waarschuwer tot u gekomen;
want God is almachtig. 23. Toen Mozes tot zijn volk zeide: O, mijn
volk! gedenk Gods gunst omtrent u, sedert hij profeten onder u heeft
aangewezen en u koningen heeft gegeven [451], en u heeft geschonken,
wat hij geene natie ter wereld [452] heeft gegeven. 24. O, mijn
volk! ga het heilige land binnen, dat God voor u heeft bestemd,
en wendt u niet om; opdat gij niet omvergeworpen en vernield mocht
worden. 25. Zij antwoorden: O, Mozes! dit land wordt door een volk van
reuzen bewoond [453], en wij zullen er op geenerlei wijze binnen gaan,
dan nadat zij het hebben verlaten; maar indien zij het verlaten, zullen
wij er binnentrekken. 26. Twee mannen [454] van hen die God vreesden,
nopens welke God genadig was geweest, zeiden: Treedt de poort binnen,
en zoodra gij die binnentreedt, zult gij overwonnen hebben; vertrouwt
dus in God, indien gij ware geloovigen zijt. 27. Zij hernamen: O,
Mozes! wij zullen het land nimmer binnentreden terwijl zij er in
vertoeven; ga dus, gij en uw God en strijd; want wij zullen hier
blijven. 28. Mozes zeide: O Heer! waarlijk ik ben geen meester
over iemand buiten mij en mijn broeder; maak dus een onderscheid
tusschen ons en het goddelooze volk. 29. God antwoordde: Waarlijk
het land zal hun gedurende veertig jaren ontzegd zijn; gedurende
welken tijd zij op de aarde zullen dwalen [455]: pleit dus niet
alzoo voor het goddelooze volk. 30. Verhaal hun ook de geschiedenis
van de twee zonen van Adam [456] naar waarheid. Toen zij hun offer
brachten [457] en het van een hunner werd aangenomen [458], en het
van den andere niet werd aangenomen, zeide Kaïn: Waarlijk ik zal u
dooden: Abel antwoordde: God neemt alleen het offer van den vrome
aan. 31. Indien gij zelfs uwe hand tegen mij opheft om mij te dooden,
zou ik de mijne niet uitstrekken om u te dooden; want ik vrees God,
den heer van alle schepselen [459]. 32. Ik heb liever dat gij mijne
onrechtvaardigheid en uwe eigene onrechtvaardigheid draagt, en dat
gij een makker in het vuur verkrijgt; want dat is de belooning van
den onrechtvaardige. 33. En zijne ziel drong hem, zijn broeder te
dooden en hij doodde hem; zoodat hij tot hen behoorde die verdoemd
zijn. 34. En God zond eene raaf die de aarde krabde, om hen te toonen,
hoe hij het lichaam van zijn broeder moest verbergen, en hij zeide:
Wee over mij! ben ik niet in staat gelijk deze raaf te zijn, dat ik
het lijk van mijn broeder zou kunnen verbergen? en hij behoorde tot
hen die berouw hebben. 35. Daarom bevolen wij de kinderen Israëls,
dat hij, die eene ziel doodt, zonder dat die eene ziel hebbe gedood,
of eene misdaad op aarde hebbe bedreven [460], zal zijn alsof hij
alle menschen had gedood [461], doch hij die iemand het leven redt,
zal zijn alsof hij het leven van alle menschen had gered. 36. Onze
apostels kwamen later tot hen, met duidelijke wonderen, maar zelfs
daarna waren velen hunner zondaren op aarde. 37. Maar de belooning
van hen die tegen God en zijn apostel strijden, en er op bedacht zijn,
op aarde slecht te handelen, zal wezen, dat zij gedood zullen worden,
of gekruisigd, of dat hunne voeten aan de tegenovergestelde zijden
zullen worden afgesneden of dat zij uit het land zullen worden gebannen
[462]. Dit zal hunne ongenade in deze wereld zijn, en in de volgende
zullen zij een strenge straf ondergaan, 38. Behalve zij, die berouw
zullen gevoelen, alvorens gij hen in uwe macht hebt; want weet, dat
God vergevingsgezind en genadig is. 39. O, ware geloovigen! vreest
God en begeert eene engere verbinding met hem, en strijdt voor zijnen
godsdienst, opdat gij gelukkig moogt zijn. 40. Daarom zij die niet
gelooven, al hadden zij wat op de aarde is, en zelfs tweemaal zooveel,
waarmede zij zich van de straf op den dag der opstanding zouden
willen loskoopen, het zal niet van hen worden aangenomen, maar zij
zullen eene pijnlijke straf ondergaan. 41. Zij zullen begeeren het
vuur te verlaten, maar zij zullen het niet verlaten, en hunne straf
zal doorloopend zijn. 42. Indien een man of eene vrouw mocht stelen,
zult gij hun de handen afsnijden [463], als vergelding voor hetgeen
zij hebben bedreven; dit is eene voorbeeldige straf door God bepaald,
en God is machtig en wijs. 43. Maar hij, die berouw zal hebben na zijn
onrechtvaardigheid en zich verbetert; waarlijk, God zal zich tot hem
wenden [464]; want God is geneigd tot vergeven en genadig. 44. Weet
gij niet, dat het koninkrijk des hemels en der aarde Gode behoort? Hij
straft wie hem behaagt, en hij vergeeft wie hem behaagt; want God is
almachtig. 45. O, Profeet! laat u niet door hem bedroeven, die zich
naar ongetrouwheid spoeden [465], of door hen die met hunne monden
zeggen: wij gelooven, doch wier harten niet gelooven [466], of door
de Joden, die het oor gretig aan de leugens en aan anderen leenen
[467]. Zij verdraaien de woorden der wet van hunne plaatsen [468]
en zeggen: indien u dit gebracht wordt, gelooft het, maar indien dit
u niet gebracht wordt, hoedt u er dan voor [469]; want wie zou hem
van dwaling kunnen redden, dien God op een dwaalweg wil voeren. Zij
wier harten het God niet behaagt te zuiveren, zullen schande in deze
wereld ondergaan, en strenge straf in de volgende. 46. Zij leenen
het oor aan de leugens en eten wat verboden is [470]. Maar indien
zij tot u komen, om door u gericht te worden, richt dan tusschen
hen, of verlaat hen [471], en indien gij hen verlaat, zullen zij
u volstrekt niet deren. Maar indien gij aanneemt te richten, richt
dan tusschen hen met rechtvaardigheid; want God bemint hen, die de
rechtvaardigheid in acht nemen. 47. En hoe zullen zij zich aan uwe
beslissing onderwerpen, terwijl zij de wet hebben verlaten, die Gods
oordeel bevat? Maar zij zullen daarna hunne aangezichten afwenden
[472]; doch dit zijn geene ware geloovigen. 48. Waarlijk wij hebben
hun de wet nedergezonden, bevattende de goede richting en licht. De
profeten, die tot den waren godsdienst behoorden, richtten de Joden
naar dat boek; de leeraren en priesters richtten volgens de gedeelten
van Gods boek; en zij waren er getuigen van [473]. Vrees dus geene
menschen maar vrees mij; en verkoop mijne teekens niet voor een lagen
prijs. En zij die niet richten volgens hetgeen God heeft geopenbaard,
zijn ongeloovigen. 49. Wij hebben hun daarin bevolen, leven voor leven
[474], en oog voor oog, en neus voor neus, en oor voor oor, en mond
voor mond, en dat kwetsuren ook door wedervergelding [475] zouden
gestraft worden. Maar hem die den prijs der straf in aalmoezen zal
weggeven, zal dit als eene voldoening [476] zijn. Zij die niet richten
volgens hetgeen God heeft geopenbaard zijn onrechtvaardig. 50. Wij
hebben ook Jezus den zoon van Maria gezonden, om de voetstappen
der profeten te volgen, overeenkomstig de wet die vóór hem werd
nedergezonden, en wij gaven hem het evangelie, bevattende richting
en licht; mede bevestigende de wet, die te voren was gegeven en eene
richting en waarschuwing voor hen, die God vreezen. 51. Opdat zij,
die het evangelie hebbende ontvangen, mochten richten volgens hetgeen
God daarin had geopenbaard; en zij die niet richten, volgens hetgeen
God heeft geopenbaard, zijn zondaren. 52. Wij hebben u ook het boek,
den Koran, gezonden, met waarheid, bevestigende de schrift, welke
te voren was geopenbaard en dat haar voor verminking behoedt. Richt
dus tusschen hen, overeenkomstig hetgeen God heeft geopenbaard, en
volgt hunne begeerten niet, door van de waarheid af te dwalen, die u
is geworden. Ieder uwer hebben wij eene wet gegeven en een open weg
[477]. 53. En indien het Gode had behaagd, zou hij zeker één volk van
u hebben gemaakt; maar hij heeft uwe getrouwheid willen beproeven,
nopens de inachtneming van hetgeen hij u heeft gegeven. Streeft er dus
naar, elkander in goede daden te overtreffen. Gij zult allen tot God
terugkeeren en dan zal hij u datgene verklaren, waarover gij getwist
hebt. 54. Daarom, o Mahomet! richt tusschen hen overeenkomstig
hetgeen God heeft geopenbaard, en volg hunne begeerten niet,
maar neem u in acht, uit vrees dat zij u noodzaken, van een deel
dezer voorschriften af te dwalen, die God u heeft nedergezonden;
en indien zij zich afwenden [478], weet dan, dat het Gode behaagt,
hen voor eenige hunner misdaden te straffen; want een groot getal
der menschen zijn zondaren. 55. Verlangen zij dus het oordeel der
onwetendheid [479]? Maar wie is beter dan God, om tusschen hen te
richten die waarlijk gelooven? 56. O, ware geloovigen! neemt niet de
Joden of Christenen tot vrienden; zij zijn elkanders vrienden; maar hij
uwer, die hen tot vrienden neemt, is zekerlijk een hunner. Waarlijk,
God leidt de onrechtvaardigen niet. 57. Gij zult hen zien, in wier
harten eene zwakheid heerscht, hoe zij zich haasten, zeggende:
wij vreezen, dat ons eenigerhande tegenspoed overkomt; maar het is
God gemakkelijk, de overwinning te schenken, of een bevel van Hem,
dat zij berouw mogen gevoelen, omtrent hetgeen zij in hun binnenste
hebben besloten. 58. En zij die gelooven, zullen zeggen: zijn dit
de menschen die, met den plechtigsten eed, bij God zwoeren, dat zij
zeker tot ons behoorden [480]? Hunne werken zijn ijdel geworden en
zij behooren tot de verdoemden. 59. O, ware geloovigen! hij van u,
die van zijnen godsdienst afstand doet, God zal zeker een ander volk
brengen, dat hij zal beminnen en dat hem zal beminnen. Dat volk zal
nederig omtrent de geloovigen en gestreng omtrent de ongeloovigen zijn;
zij zullen voor den godsdienst des Heeren strijden en de afkeuring van
den lasterende niet vreezen. Dit is Gods goedheid; hij schenkt dien
aan wien het hem behaagt. God is groot en wijs. 60. Waarlijk uw schuts
is God en zijn, apostel; en zij die gelooven, die de bepaalde tijden
van het gebed in acht nemen en aalmoezen geven en zich nederbuigen, om
God te aanbidden. 61. En zij die God en zijn apostel en de geloovigen
als hunne vrienden [481] kiezen, behooren tot de partij van God en
zullen de zege behalen. 62. O, ware geloovigen! kiest als uwe vrienden
niet hen, wie de schriften vóór u waren gegeven, of de ongeloovigen,
die uwen godsdienst tot het onderwerp van hunne lachlust en bespotting
maken; maar vreest God, indien gij ware geloovigen zijt. 63. Noch
hen, die, wanneer zij hooren bidden, daarvan een onderwerp van
lachlust en bespotting maken [482]; zij doen dit omdat zij het
niet begrijpen. 64. Zegt: o gij! die de schriften hebt ontvangen,
verwerpt gij ons om eene andere reden, dan omdat wij in God gelooven,
in hetgeen ons werd nedergezonden, en dat wat vroeger nedergezonden
werd, en omdat het grootste deel van u zondaren zijn? 65. Zeg hun:
zal ik u eene vreeselijker zaak verkondigen dan diegene, welke gij
van God kunt verwachten? Zij die God heeft gevloekt, en omtrent welke
God toornig was; die hij in apen en varkens veranderde [483]; zij die
Taghut [484] aanbidden, zijn in den slechtsten staat en dwalen verder
van den weg. 66. Toen zij tot u kwamen, zeiden zij: wij gelooven, doch
zij traden in uw gezelschap met ongetrouwheid en gingen daarmede van
u weg; maar God kent goed wat zij verbergen. 67. Gij zult velen van
hen zien, wedijverende in oneerlijkheid en onrechtvaardigheid, en die
verboden spijzen eten. Hoe verachtelijk zijn hunne daden. 68. Indien
hunne wetgeleerden en priesters het niet waren, die hun verboden
zonden te begaan en ongeoorloofde spijzen te eten, welke verachtelijke
daden zouden zij niet bedrijven! 69. De Joden zeggen, de hand van
God is geketend. Hunne handen zullen geketend zijn [485], en zij
zullen gevloekt worden, om hetgeen zij hebben gezegd. Neen! zijne
beide handen zijn geopend; Hij beschikt naar zijn welbehagen. Wat u
van uwen Heer is neder gezonden zal de zonde en de ongetrouwheid van
velen hunner vermeerderen, en wij hebben de vijandschap en den haat
tusschen hen geplaatst, tot op den dag der opstanding. Zoo dikwijls zij
het oorlogsvuur zullen ontsteken, zal God het uitblusschen [486], en
zij zullen in hun binnenste besluiten, slecht op aarde te handelen;
maar God bemint de boozen niet. 70. Daarom, indien zij, die de
schriften hebben ontvangen, gelooven en God vreezen zullen wij zeker
hunne zonden uitwisschen, en wij zullen hen in genoegelijke tuinen
voeren; en indien zij den pentateuch in acht nemen en het evangelie
en dat wat vroeger door hunnen Heer werd nedergezonden, zullen zij
zeker eten van goede spijzen, van boven hen en onder hunnen voet
[487]. Onder hen zijn er, die oprecht handelen; maar hoe slecht is het
wat velen onder hen doen! 71. O, profeet! maakt het geheel bekend, wat
u door uwen Heer werd nedergezonden; want indien gij het niet doet,
vervult gij niet uwen last, en God zal verdedigen tegen de boozen
[488]; want God leidt de ongeloovigen niet. 72. Zeg: o gij! die de
schriften hebt ontvangen, gij zijt met niets grondig bekend, indien gij
niet den pentateuch en het evangelie in acht neemt, en dat wat door
uwen Heer is nedergezonden. Dat wat door uwen Heer is nedergezonden,
zal zeker de boosheid en de ontrouw van velen hunner vermeerderen;
maar bekreun u niet om de ongeloovigen. 73. Waarlijk zij die gelooven
[489], en de Joden, en de Sabeïsten en de Christenen, wie hunner in
God gelooven, in den jongsten dag, en weldoen, geen vrees zal over
hen komen en nimmer zullen zij bedroefd worden [490]. 74. Wij hebben
vroeger het verbond van de kinderen Israëls aangenomen en gezanten
tot hen gezonden. Zoo dikwijls een apostel tot hen kwam, met dat
wat hunne zielen niet begeerden, beschuldigden zij sommigen van hen
van misleiding, en doodden eenigen van hen. 75. Zij verbeeldden zich
dat zij daarvoor niet zouden worden gestraft, en zij werden blind en
doof [491]. Daarop wendde God zich tot hen, daarna werden velen van
hen blind en doof, maar God zag wat zij deden. 76. Zij zijn zeker
ongeloovigen, die zeggen: waarlijk, Christus, de zoon van Maria, is
God, daar toch Christus zeide: O, kinderen Israëls! dient God, mijn
Heer en de uwe; wie een ander naast God plaatst, zal door God van het
paradijs uitgesloten worden, en het hellevuur zal zijne woning zijn;
en de goddeloozen zullen niemand hebben, die hen helpt. 77. Zij zijn
waarlijk ongeloovigen, die zeggen: God is de derde der drieëenheid
[492], want er is geen God behalve den eenigen God, en indien zij
niet terugkomen van hetgeen zij zeggen, eene pijnlijke straf zal
hun worden opgelegd, daar zij ongeloovigen zijn. 78. Zullen zij dus
niet tot God terugkeeren en hem vergiffenis vragen? God is genadig
en barmhartig. 79. Christus, de zoon van Maria, is niets meer dan
een apostel: andere apostels zijn hem voorafgegaan, en zijne moeder
was eene vrouw van waarheid [493]. Zij beiden gebruikten voedsel
[494]. Gij ziet hoe wij de teekenen Gods onder hen openbaarden, en
ziet dan hoe zij zich afwenden. 80. Zeg hun: wilt gij aanbidden naast
God, wat u kan deren noch nuttig zijn? God hoort en ziet. 81. Zeg:
o gij! die de schriften hebt ontvangen, overschrijdt de ware grenzen
in uwen godsdienst niet [495], door onwaarheid te spreken, noch
volgt de begeerten van het volk, dat vroeger dwaalde, en dat velen
heeft verleid en den rechten weg [496] heeft verlaten. 82. Zij,
die onder de kinderen Israëls niet geloofden, werden door de tong
van David en door die van Jezus, den zoon van Maria [497], gevloekt
[498], omdat zij oproerig en verdorven waren; zij verboden elkander
de zonden niet die zij bedreven, en wee hun om hetgeen zij hebben
bedreven. 83. Gij zult velen ongeloovigen tot hunne vrienden zien
nemen. Wee over hen, om hetgeen hunne zielen hun hebben ingegeven
[499], en weshalve God toornig over hen is; en zij zullen eeuwig
in de marteling blijven. 84. Maar indien zij in God hadden geloofd,
in den profeet en hetgeen hem werd geopenbaard, hadden zij hem niet
als vrienden genomen; maar velen hunner zijn boosdoeners. 85. Gij
zult zeker vinden, dat de hevigsten in vijandschap omtrent de ware
geloovigen, de Joden en de afgodendienaars zijn, en gij zult zeker
vinden, dat zij onder hen, die het meest er toe overhellen, vriendschap
met de trouwe geloovigen te sluiten, diegene zijn, welke zeggen: wij
zijn Christenen. Dit komt, omdat er priesters en monniken onder hen
zijn, en omdat zij niet van hoogmoed vervuld zijn. 86. En wanneer
zij, hetgeen den apostel werd nedergezonden, zullen hooren lezen,
zult gij hunne oogen zien overstroomen van tranen, door de waarheid
die zij zullen ontdekken [500], zeggende: o Heer! wij gelooven;
schrijf ons dus op met hen, die getuigenis afleggen der waarheid
van den Koran. 87. En wat zou ons verhinderen in God te gelooven en
de waarheid, die tot ons is gekomen, en ernstig te begeeren, dat
God ons met de rechtvaardigen in het paradijs leide? 88. Daarvoor
heeft God hen beloond, om hetgeen zij hebben gezegd, met tuinen van
rivieren doorsneden; eeuwig zullen zij daarin verblijven; en dat
is de belooning voor den rechtvaardige. Maar zij die niet gelooven,
en onze teekens van valschheid beschuldigen, zij zullen makkers der
hel zijn. 89. O ware geloovigen! verbiedt niet de goede dingen, die
God u heeft veroorloofd [501], maar zondigt niet; want God bemint
de zondaars niet. 90. Eet hetgeen God u tot voedsel heeft gegeven,
hetgeen wettig en goed is, en vreest God, in wien gij gelooft. 91. God
zal u niet straffen voor een onbedacht woord in uwe eeden [502], maar
hij zal u straffen voor hetgeen gij plechtig zweert en schendt. En de
boete voor zulk een eed zal zijn, het voeden van tien arme lieden met
zulk middelmatig voedsel als dat, waarmede gij uw gezin voedt, of hen
te kleeden, of het bevrijden van den nek van een waren geloovige uit de
slavernij; maar hij die aan geen dezer drie dingen zal kunnen voldoen,
moet drie dagen vasten [503]. Dit is de boete voor uwe geschondene
eeden, indien gij onverdacht zweert. Let daarom op uwe eeden. Zoo
verklaart God u zijne teekens, opdat gij dankbaar moogt zijn. 92. O
ware geloovigen! waarlijk, wijn en spelen [504], en beelden [505] en
het raadplegen van pijlen zijn een gruwel van satans vinding: mijdt die
dus, opdat gij gelukkig moogt zijn. 93. Satan tracht tweedracht en haat
onder u te zaaien, door middel van wijn en spelen, en u te verwijderen
van de herdenking van God en de geboden. Wilt gij u dus daarvan niet
onthouden? Gehoorzaamt God en gehoorzaamt den apostel, en hoedt u;
maar indien gij u afwendt, weet dan dat de plicht van onzen apostel
alleen bestaat in het openbaar te prediken. 94. Zij die gelooven en
goede werken doen, zullen niet gezondigd hebben, indien zij van wijn
of spel gebruik hebben gemaakt, alvorens wij het verboden, indien
zij God vreezen, en gelooven en goede werken verrichten, en voortaan
God vreezen, en gelooven en volharden God te vreezen en wel te doen
[506]; want God bemint hen die goed doen. 95. O ware geloovigen! God
zal u zeker (op den pelgrimstocht) beproeven met wild, dat gij met
uwe handen of uwe lansen zult kunnen vangen, opdat God zou kennen,
wie hem in het geheim vreest; maar wie daarin zondigt zal een strenge
straf ondergaan. 96. O ware geloovigen! doodt geen wild, terwijl gij
aan den pelgrimstocht deelneemt. Hij onder u, die een dier opzettelijk
heeft gedood, zal een gelijk dier moeten teruggeven, als datgene wat
hij doodde, in huisdieren [507], overeenkomstig de beslissing van
twee rechtvaardige personen, om als een offer naar den Caaba-tempel
te worden gebracht, of ter vergoeding daarvan zal hij armen voeden,
of, in plaats daarvan vasten, opdat hij de afschuwelijkheid van zijne
daad moge gevoelen. God heeft vergeven wat voorbij is, maar hij die
nogmaals zondigt, op dien zal God zich wreken; want God is machtig en
in staat tot wraak. 97. Het is u geoorloofd, in de zee te visschen
[508] en wat gij vangt te eten, als leeftocht voor u en voor hen
die reizen, maar het is u niet geoorloofd op het land te jagen,
terwijl gij de ceremoniën van den pelgrimstocht vervult. Vreest
daarom God; want eens zult gij tot hem verzameld worden. 98. God
heeft den Caaba, het heilige huis, als eene inrichting voor den
mensch gemaakt, en heeft de heilige maand bevolen, en het offer en
de versierselen daaraan te hangen, opdat gij zoudt weten, dat God
kent wat in den hemel en op aarde is, en dat God alwetend is. Weet,
dat God gestreng straft, en dat God ook vergevingsgezind en genadig
is. 99. De plicht van onzen profeet is alleen om te prediken, en God
weet hetgeen gij toont en wat gij verbergt. 100. Zeg: kwaad en goed
zullen niet gelijk geschat worden, ofschoon de overvloed van kwaad
u behaagt [509]. Vreest dus God, gij die verstand hebt, opdat gij
gelukkig moogt zijn. 101. O ware geloovigen! onderzoekt niet zulke
dingen, die, als zij u werden verklaard, u smart zouden veroorzaken;
maar indien gij daaromtrent ondervraagt op het tijdstip waarop de
Koran geheel zal zijn geopenbaard, zullen zij u verklaard worden,
God vergeeft uwe nieuwsgierigheid; want God is vergevingsgezind en
genadig. Menschen die vóór u waren, hebben daaromtrent onderzocht,
en werden later ongeloovig. 102. God heeft niets voorgeschreven
omtrent Bahîra, noch omtrent Sâïba noch nopens Wasîla, noch nopens
Hâmi [510], maar de ongeloovigen hebben een logen betreffende God
uitgedacht, en het grootste gedeelte hunner verstaan niet. 103. En
toen tot hen gezegd werd: Komt tot hetgeen God heeft geopenbaard en
tot den apostel, antwoordden zij: Het geloof dat wij bij onze ouderen
vonden, is toereikend voor ons, terwijl hunne vaders niets kenden
en niet geleid werden. 104. O ware geloovigen! neemt uwe zielen in
acht. Hij die dwaalt, zal u niet deren; want gij wordt op den rechten
weg geleid. Met God zult gij terugkeeren, en hij zal u verhalen wat
gij hebt gedaan. 105. O ware geloovigen! laat getuigen onder u kiezen,
als de dood een uwer nadert, op het oogenblik dat hij testament maakt;
neem twee rechtvaardige menschen onder u, of twee anderen van een
verschillenden stam, of van een ander geloof dan gij zijt [511],
indien gij reizende op aarde zijt en het doodsgevaar u overvalt. Gij
zult hen beiden opsluiten na het namiddaggebed [512], en zij zullen
bij God zweren indien gij aan hen twijfelt, en zij zullen zeggen: Wij
verkoopen onze getuigenis niet, voor welken prijs ook; zelfs niet aan
iemand, die met ons is verwant, en wij zullen de getuigenis van God
niet verbergen; want dan zouden wij zeker tot het getal der zondaren
behooren. 106. Maar indien het blijkt, dat beiden aan oneerlijkheid
schuldig zijn geweest, zullen twee anderen in hunne plaats worden
gesteld, van degenen die hen van valschheid hebben overtuigd, en wel
de twee naasten in den bloede; en zij zullen bij God zweren, zeggende:
Waarlijk, onze getuigenis is meer waar dan de getuigenis van deze
beide; wij hebben niet pogen te verleiden; want dan zouden wij tot
het getal der onrechtvaardigen behooren. 107. Dit zal gemakkelijker
zijn, dat de menschen eene getuigenis afleggen overeenkomstig hare
ware bedoeling, of zij zullen vreezen, dat een andere eed na hunnen
eed mocht worden afgelegd. Vreest daarom God en luistert; want God
leidt de onrechtvaardigen niet. 108. Op zekeren dag [513] zal God
de apostels vereenigen en tot hen zeggen: Welk een antwoord werd u
gegeven, toen gij voor het volk hebt gepredikt, naar hetwelk gij werd
afgezonden? Zij zullen antwoorden: Wij hebben geene kennis, maar gij
kent de geheimen. 109. Als God zal zeggen: o Jezus! zoon van Maria:
gedenk mijne gunst omtrent u en omtrent uwe moeder, toen ik u sterkte
met den heiligen geest [514], opdat gij tot de menschen in hunne wieg
zoudt spreken, en toen gij zijt opgegroeid [515]. 110. En toen ik u
de schrift onderwees en wijsheid, en de wet en het evangelie; en toen
gij, door mijn verlof, slijk in den vorm van een vogel hebt gebracht,
en dat gij er in hebt geblazen en dat het door mijn verlof een vogel
werd, en dat gij een blindgeborene en een melaatsche door mijn verlof
hebt genezen, en toen gij, door mijn verlof [516], de dooden hunne
graven deedt verlaten, en toen ik de kinderen Israëls terug hield u te
dooden [517], toen gij met duidelijke wonderen tot hen waard gekomen en
sommigen van hen, die niet geloofden, zeiden: Dit is slechts tooverij
[518] 111. En toen ik de apostelen gebood, zeggende: Gelooft in mij en
in mijn gezant, antwoordden zij: Wij gelooven, en gij zijt getuige,
dat wij Gode zijn onderworpen. Gedenk, toen de apostelen zeiden:
112. O, Jezus, zoon van Maria! is uw Heer in staat, ons eene tafel
uit den hemel te doen nederdalen [519]? Hij antwoordde: Vreest God,
indien gij ware geloovigen zijt. 113. Zij zeiden: Wij verlangen er
van te eten, en dat onze harten voldaan mogen worden, en dat wij
mogen weten, of gij ons de waarheid hebt verhaald, en dat wij er
getuigen van mogen zijn. 114. Jezus de zoon van Maria, zeide: O God,
onze Heer! laat eene tafel tot ons uit den hemel nederdalen; dat de
dag van hare nederdaling een feestdag voor ons worde: voor den eerste
van ons en voor den laatste van ons, en een teeken van u; en voorzie
haar van voedsel voor ons; want gij zijt de beste voorziener. 115. God
zeide: Waarlijk ik zal haar tot u doen nederdalen; maar hij van u,
die daarna nog ongeloovig zal zijn, zekerlijk zal ik hem straffen met
eene straf, en ik zal de andere schepselen ongestraft laten. 116. En
als God tot Jezus zal zeggen: O Jezus, zoon van Maria! hebt gij tot
de menschen gezegd: Neemt mij en mijne moeder als twee goden naast
God? zal hij antwoorden: Geloofd zijt gij: verre zij het het van
mij, te zeggen wat niet waar is; indien ik dit had gezegd, zoudt gij
het zekerlijk weten; gij weet wat in mij is, maar ik weet niet wat
in u is; want gij kent alle geheimen. 117. Ik heb hun niets gezegd,
dan wat gij mij hebt geboden; namelijk: Aanbidt God, mijn Heer, en ùw
Heer; en ik was getuige van hunne daden, zoo lang ik onder hen bleef;
doch sedert gij mij tot u hebt opgenomen [520], waart gij hun bewaker;
want gij zijt getuige van alle dingen. 118. Indien gij hen straft; gij
hebt de macht en zij zijne uwe dienaren, en indien gij hun vergeeft;
gij kunt het; want gij zijt machtig en wijs. 119. God zal zeggen:
Deze dag is een dag waarop de rechtvaardigen hunne rechtvaardigheid
zullen vermeerderd zien: zij zullen tuinen bezitten met wateren
doorsneden; eeuwig zullen zij daarin verblijven. God heeft behagen
in hen geschept, en zij hebben behagen in hem geschept. Dit zal een
groot geluk zijn. 120. Gode behoort de heerschappij over hemel en
aarde en al wat zij bevatten, en hij is almachtig.



ZESDE HOOFDSTUK.

HET VEE [521].

Gegeven te Mekka [522].--165 verzen.


In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God [523].

1. Geloofd zij God, die de hemelen en de aarde heeft geschapen, en de
duisternis en het licht heeft ingesteld: desniettegenstaande plaatsen
zij, die niet in den Heer gelooven, andere goden naast hem. 2. Hij
is het, die u uit slijk heeft geschapen, en daarna het einde van uw
leven heeft bepaald. Dat vooruit bepaalde einde is in zijne macht;
nog twijfelt gij er aan. 3. Hij is God in den hemel en op aarde; hij
weet wat gij heimelijk doet; en wat gij openbaart, en weet wat gij
verdient. 4. Er kwam geen enkel teeken tot hen, van de teekenen van
hunnen Heer, of zij wendden zich er af. 5. En zij hebben de waarheid
geloochend, nadat zij tot hen was gekomen: maar eene boodschap zal
tot hen komen, nopens hetgeen zij bespot hebben. 6. Hebben zij niet
opgemerkt, hoe vele geslachten wij vóór hen hebben vernietigd. Wij
hebben hen op de aarde geplaatst op eene wijze zooals wij u niet
hebben geplaatst [524]. Wij hebben den hemel gezonden om overvloed
op hen te doen regenen, en gaven hun rivieren, die onder hunnen voet
stroomden; daarna hebben wij hen om hunne zonden vernietigd, en hebben
andere geslachten na hen doen opstaan. 7. Zelfs indien wij hun een
boek hadden nedergezonden, op papier geschreven, en zij hadden het
met hunne handen aangeraakt, zouden de ongeloovigen zekerlijk hebben
gezegd: Dit is slechts tooverij [525]. 8. Zij zeggen, dat zoolang geen
engel tot hen werd nedergezonden, zij niet zullen gelooven. Maar indien
wij een engel hadden nedergezonden, zou hunne zaak reeds bepaald zijn,
en zij zouden geen oogenblik berouw gevoeld hebben. 9. En indien wij
een engel als onzen boodschapper hadden aangewezen, zouden wij hem in
den vorm van een mensch [526] gezonden hebben; en wij zouden dien voor
hen hebben gekleed, gelijk zij gekleed zijn. 10. Andere apostelen zijn
vóór u bespot, maar de straf waarmede zij spotten, heeft de spotters
bereikt. 11. Zeg hun: Doorloopt de aarde en ziet wat het einde van
hen was, die onze profeten van bedrog beschuldigden. 12. Zeg: Wien
behoort wat hemel en aarde bevatten? Zeg: Aan God. Hij heeft zich
zelven barmhartigheid voorgeschreven. Hij zal u zeker op den dag der
opstanding verzamelen; daaraan is geen twijfel. Zij, die niet gelooven,
verwoesten hunne eigene zielen. 13. Hem behoort alles wat bij nacht of
bij dag gebeurt; hij hoort en ziet alles. 14. Zeg: Zal ik een anderen
beschermer kiezen dan God, de schepper van hemel en aarde, die alles
voedt en door niemand gevoed wordt? Zeg: Waarlijk, mij is bevolen,
de eerste te zijn die den Islam belijdt en het werd mij gezegd: Gij
zult op geenerlei wijze een afgodendienaar zijn. 15. Zeg: Waarlijk,
ik vrees de straf van den grooten dag, indien ik ongehoorzaam
jegens mijnen Heer mocht zijn. 16. Indien zij van iemand op dien
dag wordt afgewend, zal God genadig omtrent hen zijn geweest, en
dat eene blijkbare verlossing zijn. 17. Indien God u door eenig leed
bedroeft, zal niemand het van u kunnen afnemen, uitgezonderd hij zelf;
indien hij echter eene weldaad bewijst, is het omdat hij almachtig
is. 18. Hij is de opperheer over zijne dienaren; en hij is wijs en
alwetend. 19. Zeg: Wat is het sterkste bij het afleggen van getuigenis
[527]? Zeg: God; hij is getuige tusschen mij en u. En deze Koran werd
mij geopenbaard, opdat ik u daardoor zou waarschuwen, en ook hen
tot welke hij zal komen. Gelooft gij inderdaad dat er andere goden
behalve God zijn? Zeg: Ik belijd dit niet. Zeg: Waarlijk, hij is eén
God en ik ben onschuldig aan hetgeen gij met hem vereenigt. 20. Zij,
wie wij de schrift hebben gegeven, kennen onzen apostel zooals zij
hunne eigene kinderen kennen [528]: maar zij, die hunne eigene zielen
verwoesten, zullen niet gelooven. 21. Wie is onrechtvaardiger dan
hij, die eene leugen omtrent God verzint [529], of zijne teekenen
van bedrog beschuldigt? Waarlijk, de booze zal niet bloeien. 22. En
op den dag der opstanding zullen wij hen allen verzamelen, en dan
zullen wij zeggen tot hen, die anderen met God vereenigen: Waar zijn
uwe makkers [530], van wien gij u verbeeldt, dat zij het van God
zijn? 23. Maar zij zullen geene andere verontschuldiging hebben,
dan dat zij zullen zeggen: Bij God, onzen Heer, zweren wij, dat
wij geene afgodendienaars waren. 24. Zie hoe zij tegen zich zelven
liegen, en hoe de goden zich hebben verborgen, die door hen werden
uitgevonden [531]. 25. Er zijn er onder hen, die luisteren, als gij
den Koran leest, maar wij hebben sluiers over hunne harten geworpen,
dat zij het niet zouden verstaan, en eene doofheid in hunne ooren; en
indien zij zelfs alle soorten van teekens zagen, zouden zij er niet
aan gelooven; en hunne ongeloovigheid zal zoo groot worden, dat zij
zelfs tot u zullen komen om met u te twisten. De ongeloovigen zullen
zeggen: Dit zijn niets anders dan dwaze fabelen uit oude tijden. 26. En
zij zullen anderen verbieden er aan te gelooven, en zich er verre van
verwijderen; maar zij zullen hunne eigene zielen slechts vernietigen,
en dat gevoelen zij niet. 27. Indien gij hen zaagt, als zij in het
vuur der hel zullen worden geplaatst, en zij zullen zeggen: Gave
God dat wij in de wereld mochten worden teruggezonden; wij zouden
dan de teekens van onzen Heer niet van bedrog beschuldigen, en wij
zouden ware geloovigen worden. 28. Ja, het is hun duidelijk geworden,
wat zij vroeger verborgen, en indien zij zelfs in de wereld werden
teruggezonden, zouden zij zekerlijk terugkeeren tot datgene wat hun
verboden werd; en zij zijn zekerlijk leugenaars. 29. En zij zeggen:
Er is geen ander leven dan dit leven; nimmer zullen wij opgewekt
worden. 30. Maar indien gij kondet zien, als zij voor hunnen Heer
zullen worden geplaatst [532]! Hij zal tot hen zeggen: Was dit niet de
waarheid? Zij zullen antwoorden: Ja, bij onzen Heer! God zal zeggen;
Onderga dus de straf, omdat gij niet hebt geloofd. 31. Zij zijn
verloren, die de verschijning voor God in het volgende leven als eene
onwaarheid verwerpen, tot op het uur [533] dat hen onvermijdelijk
zal verrassen. Dan zullen zij zeggen: Helaas dat wij gedurende
onzen leeftijd ons zelven achteloos hebben vergeten, en zij zullen
hunne lasten op hunne schouders dragen; en zal het niet kwaad zijn,
waarmede zij beladen zullen wezen? 32. Dit tegenwoordige leven is
niets anders dan een spel en een ijdel vermaak; maar, waarlijk,
het volgende leven, zal beter zijn voor hen die God vreezen. Zult
gij dat niet begrijpen? 33. Nu weten wij, o Mahomet! dat het u
grieft wat zij spreken! men beschuldigt niet u van valschheid;
maar de ongeloovigen loochenen Gods teekenen. 34. En reeds vóór
u werden er apostelen voor leugenaars gehouden; zij verdroegen de
beschuldigingen en de onrechtvaardigheid, tot op het oogenblik dat
onze hulp tot hen kwam; want niemand kan Gods woorden veranderen;
en gij hebt eenige inlichting ontvangen omtrent hen, die vroeger
door hem werden gezonden. 35. Indien hun afkeer u grieft, indien gij
een holte kondet opzoeken, waardoor gij tot het binnenste der aarde
zoudt kunnen doordringen, of eene ladder, waardoor gij tot in den
hemel zoudt kunnen opklimmen, om hun een teeken te kunnen toonen,
dan zoudt gij het doen; doch uwe pogingen zouden vruchteloos zijn;
want indien het Gode behaagde, zou hij hen allen in de ware richting
kunnen leiden; wees dus geen der onwetenden [534]. 36. Hij zal alleen
hun een gunstig antwoord geven, die met aandacht zullen luisteren; en
God zal de dooden opwekken; want tot hem zullen zij terugkeeren. 37. De
ongeloovigen zeggen, dat, zoo lang hun geen wonder van den Heer zal
worden geopenbaard, zij niet zullen gelooven. Antwoordt: Waarlijk,
God is in staat een wonder te doen; maar het grootste deel hunner
weet het niet [535]. 38. Er is geene diersoort op de aarde, noch
een vogel die met zijne vleugels vliegt, welke niet, gelijk gij, een
volk vormt [536]. Wij hebben niets in het boek onzer besluiten [537]
vergeten; want tot hunnen Heer zullen zij terugkeeren [538]. 39. Zij,
die onze teekens van logen beschuldigen, zijn doof en stom en wandelen
in duisternis; God zal doen dwalen wien hij wil, en wie hem behaagt,
zal hij op den rechten weg brengen. 40. Zeg: wat denkt gij? indien Gods
straf over u komt, of het uur der opstanding, zult gij dan een ander
dan God aanroepen; spreekt, indien gij oprecht zijt? 41. Ja! Hij is
het dien gij zult aanroepen; en hij zal u bevrijden van hetgeen u hem
doet aanroepen, indien het hem behaagt, en gij zult de goden vergeten
die gij met hem vereenigt. 42. Wij hebben reeds gezanten gezonden
onder de volkeren die vóór u bestonden, en hebben hen door onrust en
tegenspoed bedroefd, opdat zij zich zouden vernederen. 43. Toen de
door ons gezonden droefheid over hen kwam vernederden zij zich niet,
maar hunne harten werden versteend, en satan bereidde voor hen wat zij
bedreven [539]. 44. En toen zij hadden vergeten, wat hun gewaarschuwd
was, openden wij de deuren van alle weldaden voor hen [540], tot op
het oogenblik, dat zij in vreugde gedompeld over de weldaden die
zij hadden ontvangen, eensklaps door ons werden aangegrepen en in
wanhoop gestort werden. 45. En het grootste gedeelte des volks,
dat slecht gehandeld had, werd afgesneden: geloofd zij God, de
Heer aller schepselen! 46. Zeg: wat denkt gij? indien God uw gehoor
en uw gezicht weg nemen, en uwe harten verzegelen zou; welke god,
behalve God, zou die u terug geven? Zie, op hoeveel verschillenden
wijzen, wij de teekenen van Gods eenheid vertoonen, en toch wenden
zij er zich van af. 47. Zeg tot hen: wat denkt gij? indien Gods straf
onverwachts over u kwame, of openlijk [541], zou dan iemand behalve
de goddeloozen omkomen? 48. Wij zenden onze gezanten niet anders dan
goede tijdingen dragende, en bedreigingen aan te kondigen. Wie dus
gelooven en berouw gevoelen zullen, over deze zal geene vrees komen;
nimmer zullen zij bedroefd worden. 49. Maar zij die onze teekens van
leugen zullen beschuldigen, zullen door een straf worden overvallen,
omdat zij slecht hebben gehandeld. 50. Zeg: ik zeg niet tot u, de
schatten van God zijn in mijne macht, of dat ik de verborgenheden
van God ken; ik zeg u niet dat ik een engel ben: ik volg alleen wat
mij werd geopenbaard. Zeg: Zullen de blinde en de ziende gelijk
gesteld worden? Zult gij dat niet overwegen? 51. Predik het tot
hen, die vreezen voor hunnen Heer verzameld te worden; zij zullen
schuts noch voorspraak hebben, behalve Hem; misschien zullen zij hem
vreezen. 52. Verdrijf hen niet, die des ochtends en des avonds God
aanroepen, uit begeerte zijn aangezicht te zien [542]. Het komt u niet
toe, een oordeel over hen uit te spreken, evenmin als het hun behoort,
een oordeel over u uit te spreken: indien gij hen dus verdrijft zult
gij tot de onrechtvaardigen behooren. 53. Dit hebben wij een deel
hunner door een ander deel getoond, opdat zij zouden mogen zeggen:
zijn dat diegene onzer, omtrent welke God genadig is geweest? Kent God
hen niet, die dankbaar zijn? 54. En wanneer zij, die gelooven, tot u
komen, zeg: Vrede zij over u. Uw Heer zelf heeft zich de barmhartigheid
voorgeschreven; indien een uwer door onwetendheid slecht handelt en
daarna berouw gevoelt en boete doet, voor dien zal hij zeker genadig
en barmhartig zijn. 55. Zoo zetten wij onze teekens duidelijker uiteen,
opdat het pad der boozen bekend zou zijn. 56. Zeg: Waarlijk, het is mij
verboden, de valsche goden te aanbidden, die gij naast God aanroept:
Zeg: ik wil uwe begeerten niet volgen; want dan zou ik dwalen,
en ik zou nimmer een hunner zijn, die op den rechten weg worden
geleid. 57. Zeg: ik houd mij aan de verklaring, die ik van mijnen
Heer heb ontvangen: doch gij hebt logens nopens hem uitgedacht. Wat
gij wilt dat verhaast zal worden, is niet in mijne macht [543];
het oordeel behoort alleen aan God. Hij zal de waarheid doen kennen,
en hij is de beste beslisser. 58. Zeg: Indien wat gij wenscht te zien
verhaasten in mijne macht ware, zou de zaak tusschen u en mij bepaald
zijn; maar God kent den onrechtvaardige. 59. Hij bezit de sleutels
der geheimen; niemand kent die buiten hem; hij weet wat op het droge
land en in de zee is; er valt geen blad af, of hij weet het; nergens
is een eenvoudige zaadkorrel in de duistere gedeelten der aarde,
nergens een groen of verdord spruitje, dat niet in het duidelijke boek
is opgeschreven [544]. 60. Hij is het die maakt dat gij des nachts
kunt slapen, en weet wat gij des daags hebt gedaan; hij zal u eens
opwekken, opdat de vooruit bestemde eindpaal uws levens vervuld worde;
want tot hem zult gij terug keeren en hij zal u verklaren wat gij
hebt bedreven. 61. Hij is de meester zijner dienaren, en hij zendt
de beschermengelen, om over u te waken, tot op het oogenblik dat de
dood u verrast: dan ontvangen onze gezanten den stervenden mensch,
en zij zullen onze bevelen nakomen [545]. 62. Daarna zult gij tot
God terugkeeren, uw waren Heer; behoort hem het oordeel niet? Hij
is de snelste in het opmaken eener rekening. 63. Zeg, wie bevrijdt
u van de duisternis des lands en der zee, wanneer gij hem nederig
en in stilte aanroept, zeggende: Waarlijk, indien gij ons bevrijdt
[546] van deze gevaren, zullen wij zeker dankbaar zijn? 64. Zeg:
God bevrijdt u daarvan en van iedere tegenspoed en droefenis, en toch
plaatst gij andere goden naast hem [547]. 65. Zeg: Hij is in staat u
eene straf te zenden van boven [548] of van onder uwe voeten [549],
of de tweedracht onder u te brengen en aan den een de geweldenarijen
van den ander te doen gevoelen. Zie hoe verschillend wij onze teekens
vertoonen, opdat gij die eindelijk zoudt verstaan. 66. Dit volk heeft
de openbaring, die gij gebracht hebt, van valschheid beschuldigd,
hoewel het de waarheid is. Zeg: Ik ben geen waker over u; iedere
profetie heeft haren bepaalden tijd van vervulling; en daarna zult
gij dien kennen. 67. Als gij hoort, dat de ongeloovigen over onze
teekens spreken, verwijder u dan, tot zij een ander onderwerp voor
hunne gesprekken hebben gekozen; en indien satan u dit voorschrift
doet vergeten, blijf dan niet langer bij de goddeloozen, zoodra gij
het u weder herinnert. 68. Men zal er geene rekenschap voor vragen
aan hen, die God vreezen, doch zij dienen zich te herinneren, dat zij
God vreezen [550]. 69. Verwijder u van hen, die hunnen godsdienst als
een spel en een tijdverdrijf beschouwen, en welke het tegenwoordige
leven heeft verblind, en waarschuw hen, door den Koran, dat eene
ziel wordt gestraft voor hetgeen zij heeft bedreven. Zij zal geen
schuts of beschermer naast God hebben, en indien zij den grootsten
losprijs zouden kunnen betalen, zou die niet worden aangenomen. Zij,
die aan het verderf zijn overgegeven, om hetgeen zij hebben gedaan,
zullen kokend water moeten drinken, en zij zullen eene strenge straf
ondergaan, omdat zij niet geloofd hebben. 70. Zeg: Zullen wij, naast
God hen aanroepen, die ons nuttig zijn noch bestraffen kunnen? En
zullen wij op onzen weg terugkeeren, nadat God ons heeft geleid,
evenals hij, die door de duivels op den verkeerden weg werd gebracht,
terwijl hij op de aarde ronddoolt en thans makkers heeft, die hem
tot den rechten weg terugroepen, zeggende: kom tot ons? Zeg: Gods
richting is de ware; men heeft ons bevolen, ons aan den Heer van alle
schepselen te onderwerpen. 71. Neem de bepaalde tijden van het gebed
in acht, en vreest hem; want hij is het, voor wien gij zult verzameld
worden. 72. Hij is het, die de hemelen en de aarde in waarheid heeft
geschapen; en wanneer hij tot een ding zegt: wees! dan is het. 73. Zijn
woord is de waarheid; hem zal het koninkrijk zijn op den dag, waarop
de trompet zal klinken: Hij kent wat geheim of openbaar is; Hij is de
wijze, de alwetende. 74. Abraham zeide tot zijn vader Azer [551]: neemt
gij beelden tot goden [552])? Waarlijk, ik bemerk, dat gij en uw volk
in eene duidelijke dwaling verkeert. 75. En zoo deden wij Abraham het
koninkrijk van hemel en aarde zien, opdat hij een mocht worden van hen,
die oprecht gelooven. 76. En toen de nacht hem omsluierde, zag hij eene
ster, en hij zeide: Dit is mijn Heer; doch toen zij verdween, zeide
hij: Ik bemin de goden niet die verdwijnen. 77. En toen hij de maan zag
opgaan, zeide hij: Dit is mijn God; doch toen zij verdween, zeide hij:
indien God mij niet geleidt, zal ik verdwalen. 78. En toen hij de zon
zag opgaan, zeide hij: Dit is mijn heer, dit is de grootste; doch toen
zij verdween, zeide hij: O mijn volk! ik ben onschuldig aan datgene,
wat gij naast God plaatst. 79. Ik wend mijn aangezicht tot hem, die
den hemel en de aarde heeft geschapen; ik ben een waar geloovige en ik
behoor niet tot de afgodendienaars, 80. En zijn volk spotte met hem,
en hij zeide: Wilt gij met mij over God twisten? Hij heeft mij op den
rechten weg geleid, en ik vrees hen niet, die gij naast hem plaatst,
tenzij God iets verlangt; want hij is alwetend [553]. Zult gij dit
niet in overweging nemen? 81. En hoe zou ik vreezen, wat zij, naast
God plaatsen, naardien gij niet vreest goden naast hem te plaatsen,
zonder dat God u daartoe eenige macht heeft gegeven? Zeg: welke der
beide partijen is de zekerste, indien gij het verstaat? 82. Zij die
gelooven en hun geloof niet met onrechtvaardigheid omkleeden [554],
zullen zekerheid genieten en op den rechten weg geleid worden. 83. En
dit is onze bewijsreden, waarvan wij Abraham hebben voorzien, opdat
hij daarvan tegen zijn volk gebruik zou maken: Wij verheffen hen, die
ons behagen; want uw Heer is wijs en alwetend. 84. En wij gaven hun
Izaak en Jacob; en wij hebben hen beiden geleid; en vroeger hadden
wij reeds Noach geleid en onder zijne afstammelingen [555] hebben
wij ook David en Salomo, en Job [556], en Mozes en Aäron geleid. Zoo
beloonen wij hen, die goed handelen. 85. Zacharias en Johannes, en
Jezus en Elias [557], waren allen rechtvaardigen. 86. En Ismaël, en
Elisa en Jonas [558] en Loth [559]; deze allen hebben wij begunstigd
boven alle andere stervelingen. 87. Zoo ook hebben wij onder hunne
vaderen en hunne kinderen, onder hunne broeders een groot aantal
uitverkorenen op den rechten weg geleid. 88. Zoo is Gods richting; hij
leidt wie hem van zijne dienaren behaagt. Indien de menschen andere
goden naast hem plaatsen, zullen hunne daden geheel vruchteloos
zijn. 89. Deze zijn de personen, welken wij de schrift gaven en
wijsheid, en profetie; doch indien deze [560] daarin niet gelooven,
zullen wij de zorg daarvoor aan een volk opdragen, dat daarin zal
gelooven. 90. Dit zijn de personen, die door God werden geleid; volg
daarom hunne richting. Zeg tot de bewoners van Mekka: Ik vraag van u
geene belooning voor het prediken van den Koran; het is slechts eene
waarschuwing aan alle schepselen. 91. Zij waardeeren God niet zoo
als hij het verdient [561], als zij zeggen: God heeft niets aan de
menschen geopenbaard [562]. Zeg: Wie heeft dan het boek geopenbaard,
dat Mozes heeft gebracht, om er het licht en den gids der menschen
van te maken; het boek, dat gij op bladen schrijft; het boek, dat
gij vertoont, en waarvan gij echter een groot gedeelte verbergt? Gij
zijt onderricht geworden, van hetgeen gij evenmin als uwe vaderen
wist. Zeg hun: God is het, en laten zij zich dan met hunne ijdele
gesprekken vermaken. 92. Dit boek, hetwelk wij hebben nedergezonden,
is gezegend; het bevestigt datgene, wat vóór u werd geopenbaard, en
werd u gegeven, opdat gij het zoudt prediken in de stad Mekka en aan
hen, die in den omtrek wonen. Zij, die in het volgende leven gelooven,
zullen ook daaraan gelooven, en zij zullen den tijd van het gebed
nauwkeurig in acht nemen. 93. Wie is slechter dan hij, die eene leugen
tegen God uitdenkt of zegt! Dit werd mij geopenbaard, als hem niets
werd geopenbaard, en die zegt: Ik zal eene openbaring voortbrengen,
gelijk aan die, welke door God is nedergezonden? [563] Indien gij
de goddeloozen in de doodsangsten zaagt en de engelen hunne handen
uitsteken, zeggende: werpt uwe zielen weg; heden zult gij een strenge
straf ondergaan, voor hetgeen gij valsch nopens God hebt gesproken,
en omdat gij zijne teekenen hebt versmaad. 94. En nu komt gij alleen
tot ons [564], zooals wij u het eerst schiepen, en liet de weldaden,
die wij u hebben geschonken achter u; en wij zien de tusschenpersonen
niet, die gij als Gods makkers hebt beschouwd [565]. De banden,
die u vereenigden, zijn gebroken, en wat gij hebt verzonnen, heeft
u verlaten [566]. 95. God maakt dat de graankorrel en de dadelpit
zich voortplanten. Hij brengt het leven uit den dood voort [567]. Dit
is God. Waarom hebt gij u dus van hem afgewend? 96. Hij veroorzaakt,
dat de morgen verschijnt, en heeft den nacht bevolen voor de rust, en
de zon en de maan tot bepaling van den tijd. Dit is de beschikking van
den machtigen, den wijzen God. 97. Hij is het, die de sterren voor u
heeft bevolen, dat gij daardoor geleid zoudt worden in de duisternis,
te land en ter zee. Wij hebben overal teekens doen schitteren voor
hen, die verstaan willen. 98. Hij is het die u uit ééne ziel heeft
voortgebracht, en eene zekere verzamelplaats en eene rustplaats voor
u geschapen heeft [568]. Wij hebben teekenen doen schitteren voor
hen, die verstandig zijn. 99. Hij is het, die water van den hemel
nederzendt. Daardoor doen wij de spruiten van alle planten ontkiemen;
daardoor hebben wij het groen voortgebracht, waaruit wij het graan in
aren doen opschieten, en palmboomen, uit welker takken nederhangende,
dichte trossen dadels voortkomen, en tuinen met wijngaarden beplant,
en olijven en granaatappelen, die op elkander gelijken en van elkander
verschillen. Zie op hunne vruchten, als zij vruchten dragen, en hoe zij
rijpen. Waarlijk, daarin zijn teekens voor hen, die gelooven. 100. Zij
hebben de geniussen [569] met God vereenigd, terwijl hij het is,
die ze heeft geschapen. In hunne onwetendheid schrijven zij hem zonen
en dochters toe. Geloofd zij hij, en het zij verre van hem, wat zij
met hem vereenigen. 101. Hij is de maker van hemel en aarde. Hoe
zou hij kinderen hebben? hij die geene gezellin heeft? Hij heeft
alle dingen geschapen en is alwetend. 102. Dit is God uw Heer. Er
is geen God buiten hem, de schepper van alle dingen: dien hem dus;
want hij zorgt voor alle dingen. 103. De blikken der menschen kunnen
hem niet bereiken. Hij bereikt alle blikken. Hij is de barmhartige
[570], de wijze. 104. Thans zijn er duidelijke aanwijzingen van uwen
Heer tot u gekomen. Hij die deze ziet, ziet ze in zijn eigen voordeel
en die er blind voor blijft, het is zijn nadeel. Ik ben uw bewaker
niet. 105. Zoo verklaren wij onze teekens op verschillende wijzen,
opdat zij zouden zeggen, gij hebt met ijver geleerd; [571] en opdat wij
hen er van zouden onderrichten, die ons verstaan. 106. Volg datgene,
wat u reeds van uwen Heer werd geopenbaard; er is geen God buiten
hem; verwijder u dus van de afgodendienaars. 107. Indien het Gode
had behaagd, zouden zij onschuldig aan afgoderij zijn geweest. Wij
hebben u niet tot bewaker over hem aangesteld: noch om op hunne
belangen toe te zien. 108. Beschimp de godheden niet, die zij naast
God aanroepen; zij konden op hunne beurt, in hunne buitensporigheid,
God beleedigen. Zoo hebben wij ieder volk zijne daden aangewezen. Later
zullen zij tot hunnen Heer terugkeeren, die hun zal herhalen wat zij
hebben verricht. 109. Zij hebben bij God gezworen, met den meest
plechtigen eed, dat indien hun een teeken werd geopenbaard, zij
zekerlijk daaraan zouden gelooven. Zeg: Waarlijk, de teekens staan
alleen in Gods macht, en hij veroorlooft u niet te begrijpen, dat,
als die komen, zij niet zullen gelooven [572]. 110. En wij zullen
hunne harten en hun gezicht van de waarheid afwenden; want zij
geloofden er voor de eerste maal niet aan [573], en wij zullen hen
verlaten, opdat zij in hunne dwaling mogen voortgaan. 111. En hoewel
wij hun engelen hadden gezonden, en de dood tot hen had gesproken,
en wij alle dingen voor hun oog [574] voor hen hadden verzameld,
wilden zij niet gelooven, tot het Gode behaagde; maar het grootste
deel hunner weet het niet. 112. Zoo hebben wij voor iederen profeet
een vijand doen ontstaan; de verleiders van menschen en geniussen,
die elkander afzonderlijk klinkende gesprekken [575] inbliezen, om te
verblinden; maar indien het God had behaagd, zouden zij het niet hebben
gedaan. Verlaat hen dus, en ook datgene, wat zij valschelijk hebben
uitgedacht. 113. Laat de harten van hen, die niet in het volgende
leven gelooven, zich daartoe neigen, en laat hen zelven er behagen in
scheppen en laat hen winnen wat zij winnen. 114. Zal ik een anderen
rechter naast God zoeken, om tusschen ons te richten? Hij is het, die
u het boek van den Koran heeft toegezonden, onderscheidende goed en
kwaad; en zij, welke wij de schrift gaven, weten dat zij van den Heer
werd nedergezonden met waarheid. Wees dus niet een van hen, die er aan
twijfelen. 115. De woorden van uwen Heer zijn volmaakt in waarheid
en rechtvaardigheid; er is niemand die deze woorden kan veranderen
[576]. Hij hoort en kent alles. 116. Maar indien gij het grootste
deel gelooft van hen, die op de aarde zijn, zullen zij u van Gods weg
afleiden; zij volgen slechts een onzeker gevoelen en spreken niets
dan leugen. 117. Waarlijk, God kent hen, die van zijnen weg afgaan,
en kent hen wel, die op den rechten weg worden gevoerd. 118. Eet van
hetgeen, waarbij de naam van God is herdacht [577], indien gij aan
zijne teekens gelooft [578]. 119. En waarom zoudt gij niet eten van
datgene, waarover Gods naam is uitgesproken? aangezien hij u duidelijk
verklaarde, wat hij u heeft verboden, uitgenomen datgene, waarvan
gij genoodzaakt zijt te eten. Sommigen brengen anderen in dwaling,
door hunne hartstochten, zonder kennis te bezitten; maar God kent
de zondaren. 120. Verlaat het binnenste en het buitenste der zonde
[579]; want zij die de zonde begaan, zullen de belooning ontvangen,
naar hetgeen zij hebben verricht. 121. Eet dus niet van datgene,
waarbij Gods naam niet is herdacht; want dit is zeker zonde. De duivels
zullen hunne vrienden ingeven, daarover met u te twisten, doch indien
gij hen gehoorzaamt, zijt gij zekerlijk afgodendienaars. 122. Zal hij
die dood geweest is, en dien wij tot het leven hebben teruggebracht,
en dien wij een licht hebben geschonken, waarmede hij onder de menschen
zou kunnen wandelen, als degene zijn, die in de duisternis wandelt en
die daaruit niet kan geraken? Zoo werden de daden der ongeloovigen
vooruit bereid. 123. Zoo hebben wij in iedere stad hoofdlieden van
de boozen aldaar geplaatst, opdat zij er valstrikken zouden spannen
[580]; doch zij zullen hunne eigene zielen slechts strikken spannen
en zij weten het niet [581]. 124. En als hun een teeken [582] wordt
geopenbaard, zeggen zij: wij zullen op geenerlei wijze gelooven,
tot ons eene openbaring worde gebracht, evenals diegene, welke aan
Gods zendelingen werd gegeven [583]; God weet het beste, wien hij tot
zijnen zendeling zal verkiezen. De schande in Gods aangezicht bedreven,
zal op hen vallen, die boos handelen, en eene strenge straf voor het
kwaad, dat zij bedreven. 125. En hij, wien het Gode behaagt te leiden,
zal zijne borst openen om het geloof van den Islam te ontvangen:
doch wien het hem zal behagen in dwaling te brengen, diens borst
zal hij sluiten en vernauwen als diegene, welke zich ten hemel wil
verheffen. [584] Zoo legt God eene vreeselijke straf aan hen op, die
niet gelooven. 126. Dit is Gods rechte weg. Thans hebben wij hun,
die overdenken willen, onze teekenen duidelijk verklaard. 127. Zij
zullen eene woonplaats des vredes bij hunnen Heer hebben, en hij zal
hun beschermer zijn voor datgene, wat zij hebben gedaan. 128. Denk aan
den dag, waarop God hen allen verzamelen en zeggen zal: verzameling
van geniussen [585]; gij hebt te veel misbruik van de menschen
gemaakt [586], en hunne vrienden onder de menschen zullen zeggen:
O Heer! de een van ons heeft van den andere diensten genoten en wij
zijn tot den gestelden eindpaal [587] genaderd, dien gij ons hebt
bepaald. God zal zeggen: het hellevuur zal uwe woning zijn; daarin
zult gij eeuwig verblijven, tot het Gode zal behagen uwe smarten
te lenigen; want uw Heer is wijs en alwetend. 129. Zoo plaatsen wij
sommigen der onrechtvaardigen boven anderen van hen, om hetgeen zij
hebben bedreven. 130. O verzameling van geniussen en menschen! kwamen
er geene zendelingen van u zelven tot u [588] die u mijne teekens
herhaalden, en die u de verschijning van dezen dag voorspelden? Zij
zullen antwoorden: wij leggen getuigenis tegen ons zelven af: het
tegenwoordige leven verblindde hen, en zij zullen tegen zich zelven
getuigen, dat zij ongeloovigen waren. 131. En dit was Gods handelwijze
[589]; want God is niet de verwoester der steden, die haar verdelgt
uit boosheid, terwijl hare bewoners zorgeloos waren. 132. Ieder zal
graden van belooning genieten, naarmate van hetgeen zij zullen bedreven
hebben; want God is niet onopmerkzaam nopens hetgeen zij doen. 133. En
uw Heer is rijk en vol van barmhartigheid. Indien het hem behaagt,
kan hij u vernietigen, en hij kan uit u doen voortkomen wie hem
behaagt, zooals hij u uit de nakomelingschap van een ander volk heeft
doen voortspruiten. 134. Waarlijk, datgene, waarmede men u bedreigt,
zal gebeuren, en gij zult het niet kunnen voorkomen. 135. Zeg tot de
bewoners van Mekka; O mijn volk! handel overeenkomstig uwe kracht;
waarlijk, ik zal handelen overeenkomstig mijnen plicht [590]. 136. En
hierna zult gij kennen, wat de belooning van het paradijs is. De
goddeloozen zullen niet bloeien. 137. Die van Mekka bestemmen een
deel van hetgeen hij in hunnen oogst en onder hun vee heeft doen
geboren worden, voor God, en zeggen dit behoort God (volgens hun
verbeelding), en dit aan onze gezellen [591]. En dat wat voor hunne
gezellen is bestemd, komt niet tot God, en hetgeen voor God bestemd is,
zal tot hunne makkers komen. 138. Hoe verkeerd oordeelen zij [592]. Zoo
hebben hunne gezellen verscheidene der afgodendienaars ingegeven, hunne
kinderen te dooden [593], opdat zij hen in het verderf zouden kunnen
voeren, en dat zij hunnen godsdienst duister konden maken, en hen
daarin verwarren [594]. Maar indien het Gode had behaagd, zouden zij
dit niet hebben gedaan; verlaat hen dus en datgene wat zij valschelijk
uitdenken. 139. Zij zeggen ook: Dit vee en deze aardvruchten zijn
geheiligd, niemand zal daarvan eten dan die ons behaagt (gelijk zij
zich verbeelden); deze dieren mogen niet tot lastdieren gebruikt worden
[595]; en over deze dieren wordt Gods naam niet uitgesproken, als
zij die slachten [596]; zoo denken zij een leugen tegen hem uit, maar
God zal hen beloonen voor hetgeen zij valschelijk uitdenken. 140. En
zij zeggen: De jongen van deze dieren mogen onze mannen eten, maar
onze vrouwen niet; doch indien de vrucht on voldragen is, mogen ze
beiden haar eten [597]. God zal hen beloonen voor hun onderscheid
maken. Hij is verstandig en wijs. 141. Zij zijn onredbaar verloren,
die hunne kinderen dwazelijk, zonder kennis [598], hebben vermoord
[599], en verboden hebben, wat God hun tot voedsel heeft gegeven,
terwijl zij eene leugen tegen God uitdachten. Zij dwaalden en werden
niet op den rechten weg geleid. 142. Hij is het, die de wijngaarden
heeft geschapen, zoowel die door houten latwerk zijn gestut, als
zij die het niet zijn [600], en palmboomen en de granen verschillende
soorten voedsel opleverende, en olijven en granaatappelen, die elkander
gelijk en niet gelijk zijn. Eet van hunne vruchten als zij vruchten
dragen, en betaal den prijs daarvoor op den dag van den oogst [601];
doch verkwist niet [602]; want God bemint den verkwister niet. 143. En
God heeft u sommige dieren gegeven, die tot het dragen van lasten
zijn geschapen, en sommigen die alleen geschapen zijn om geslacht te
worden. Eet van hetgeen God u tot voedsel heeft gegeven, en volg de
stappen van satan niet; want hij is uw verklaarde vijand. 144. Vier
paren vee heeft God u gegeven: een paar schapen en een paar geiten
(elk van twee soorten). Zeg tot hen: heeft God de twee mannetjes
van de schapen en van de geiten, of de twee wijfjes verboden, of
dat wat de lichamen der wijfjes bevatten? Zeg mij met zekerheid,
indien gij waarheid spreekt. 145. En God gaf u een paar kameelen
en een paar runderen. Zeg, heeft hij de twee mannetjes van dezen,
of de twee wijfjes verboden, of wat de lichamen der beide wijfjes
bevatten [603]? Waart gij tegenwoordig toen God u dit beval? En wie
is onrechtvaardiger dan hij, die eene leugen tegen God uitdenkt,
opdat hij onverstandige menschen zou kunnen verleiden? Waarlijk,
God leidt de onrechtvaardigen niet. 146. Zeg: ik vind in datgene,
wat mij werd geopenbaard, geenerlei ding verboden om te eten,
dan doode dieren, bloed dat gevloeid heeft [604] en varkensvleesch;
want dat is eene afschuwelijkheid, of datgene wat ontwijd is, doordat
het in den naam van een ander dan God is gedood. Doch hij, die door
den nood mocht gedwongen zijn, en het niet uit ongehoorzaamheid eet,
noch met de bedoeling om te zondigen, waarlijk, hem zal God barmhartig
en goedertieren zijn. 147. Den Joden hebben wij ieder dier verboden,
dat eene ongespleten hoef heeft, en wij verboden hun het vet van ossen
en schapen, behalve het vet dat zich op hunne schouders en ingewanden
[605] en datgene wat zich aan de beenderen bevindt [606]. Dat is om hen
voor hunne onrechtvaardigheden te straffen; en waarlijk wij spreken
de waarheid. 148. Indien zij u van bedrog beschuldigen, zeg: Uw Heer
is met eene uitgebreide genade bekleed, maar zijne gestrengheid zal
van den booze niet kunnen worden afgewend. 149. De afgodendienaars
zullen zeggen: Indien het Gode had behaagd, zouden wij noch onze
vaderen afgodendienarij schuldig zijn geweest. Volgens hen zouden wij
het gebruik van geenerlei ding verboden hebben. Zoo beschuldigden zij
die hen voorafgingen, de profeten van bedrog, tot zij onze gestrenge
straf ondervonden. Zeg: indien gij eenige kennis hebt van hetgeen
gij zegt, laat het zien; doch gij volgt slechts meeningen en zijt
leugenaars. 150. Zeg: Alleen God heeft de macht tot de duidelijkste
aanwijzing; want indien het hem had behaagd, zou hij u allen hebben
geleid. 151. Zeg: Breng uwe getuigen bij, die verklaren kunnen,
dat God dit heeft verboden. Maar indien zij dit getuigen, getuig
dan niet met hen, noch volg de begeerten van hen, die onze teekens
van valschheid beschuldigen, en die niet gelooven in het volgende
leven, en afgodsbeelden met hunnen Heer gelijk stellen. 152. Zeg:
Kom [607]! ik zal u voorlezen, wat uw Heer u heeft verboden; weest
niet schuldig aan afgodendienst, weest eerbiedig jegens uwe ouders,
en doodt uwe kinderen niet, uit vrees tot armoede te vervallen. Wij
zorgen voor u en hen; en nadert de hatelijke zonden [608] niet, zoowel
openlijke als geheime, en doodt de ziel niet, welke God u verboden
heeft te dooden, behalve voor eene rechtvaardige zaak [609]. Dit heeft
hij u bevolen, opdat gij zoudt begrijpen. 153. Raakt het vermogen van
den wees niet aan, behalve tot de vermeerdering daarvan, totdat hij
de jaren zijner manbaarheid heeft bereikt; en gebruikt eene goede
maat en een nauwkeurig gewicht. Wij zullen geene ziel eene last
opleggen, dan die zij kan dragen. En als gij recht spreekt, neemt
dan de rechtvaardigheid in acht, hetzij dit voor of tegen iemand
is, die met u verwant mocht zijn, en vervul Gods verbond. Dit heeft
God u bevolen, opdat gij het overwegen en weten zoudt. 154. Dit is
mijn rechte weg; volg dien dus, en volg niet het pad van anderen,
opdat gij niet afgeleid moogt worden van dat van God. Dit heeft hij
u bevolen, opdat gij hem zoudt vreezen. 155. Wij gaven Mozes ook het
boek der wet, een volkomen leiding voor hem, die wel wil handelen,
en eene verklaring omtrent alle noodige dingen, en eene richting
en genadebewijs, opdat de kinderen Israëls aan het verschijnen voor
hunnen God zouden gelooven. 156. En dit boek, dat wij thans hebben
nedergezonden, is gezegend; volg het dus en vrees God, opdat gij genade
moogt ondervinden. 157. Gij zult niet meer zeggen: De schriften werden
alleen aan twee volkeren gezonden, die vóór ons leefden, en wij hebben
geene kennisse van hunne plichten. 158. Gij zult niet meer zeggen:
indien ons een boek met goddelijke openbaringen ware nedergezonden,
waarlijk wij zouden beter dan zij zijn geleid geworden [610]. En
thans is eene duidelijke verklaring, en eene richting en eene genade
van uwen Heer tot u gekomen; en wie is onrechtvaardiger dan hij, die
leugens omtrent Gods teekenen uitdenkt, en zich van hem afwendt? Wij
zullen hen die zich van onze teekenen afwenden, met eene strenge
straf beloonen, omdat zij zich hebben afgekeerd. 159. Wachten zij tot
de engelen tot hen komen, of dat hun Heer komt om hen te straffen,
of dat sommige van Gods teekenen hen verrassen? Op den dag waarop
sommige van uws Heeren teekenen zullen verschijnen, zal het geloof
daaraan geene ziel bevoordeelen, die daaraan niet vroeger geloofde,
of in zijn geloof niet goed handelde [611]. Zeg: indien gij wacht,
zullen ook wij wachten. 160. Nader hen niet, die eene scheiding in
hunnen godsdienst maken [612] en zich in secten verdeelen; hunne zaak
behoort alleen aan God; daarna zal hij hun verklaren, wat zij gedaan
hebben. 161. Hij, die met goede werken mocht verschijnen, zal daarvoor
eene tienvoudige belooning ontvangen; doch hij, die met slechte daden
verschijnt, zal slechts eene gelijke straf daarvoor ontvangen, en zij
zullen niet onrechtvaardig behandeld worden. 162. Zeg: Waarlijk, mijn
Heer heeft mij geleid op een rechten weg, eenen waren godsdienst:
het geloof van Abraham, den waren geloovige, en hij was geen
afgodendienaar. 163. Zeg: Mijne gebeden en mijne aanbidding, en mijn
leven en mijn dood zijn Gode gewijd; den Heer van alle schepselen, die
geen gelijke heeft. Dit werd mij geboden, en ik ben de eerste Moslem
[613]. 164. Zeg: Zal ik een ander Heer begeeren naast God? Hij is toch
de Heer van alle dingen. Alle zielen handelen slechts voor zichzelve
en geene ziel zal de last van eene andere dragen. Tot uwen Heer zult
gij terugkeeren, en hij zal u datgene verklaren waarover gij thans
twist. 165. Hij is het, die u heeft aangewezen, uwe voorgangers op
aarde op te volgen, en sommigen uwer boven anderen in verschillende
graden heeft verheven, opdat hij u zou kunnen bewijzen, wat Hij voor
u heeft verricht. Uw Heer is stipt in zijne straffen, maar hij is
tevens genadig en barmhartig.



ZEVENDE HOOFDSTUK.

AL ARAF [614].

Gegeven te Mekka [615].--205 verzen.


In naam van den lankmoedigen en barmhartigen God.


1. A. L. M. S. [616] Een boek werd u nedergezonden; laat dus geen
twijfel daaromtrent in uwe borst bestaan, opdat gij hetzelfde zoudt
verkondigen, en dat het eene vermaning voor den geloovige zij. 2. Volg
datgene, wat u van uwen Heer werd nedergezonden, en volg geene anderen
naast hem. Hoe weinig denkt gij daaraan! 3. Hoe vele steden hebben
wij verwoest, die des nachts door onze wraak werden overvallen, of
terwijl zij in het middaguur uitrustten. 4. En hunne smeeking, toen
onze straf hen bereikte, was niets anders dan dat zij zeiden: waarlijk
wij zijn goddeloos geweest. 5. Hen zullen wij zeker tot verantwoording
oproepen, aan welk een profeet werd gezonden; en wij zullen ook
hen ter verantwoording oproepen, die hun werden toegezonden. 6. En
wij zullen hun hunne daden met verstand verklaren; want wij waren
niet afwezig. 7. De weging der menschelijke daden op dien dag zal
rechtvaardig zijn; en zij wier weegschalen, met goede daden gevuld,
zwaar zijn, zullen gelukkig wezen. 8. Maar zij, wier weegschalen
licht zullen wezen, zijn zij, die hunne zielen hebben verloren,
omdat zij onze teekens geloochend hebben. 9. En thans hebben wij u
op de aarde geplaatst, en hebben u daarop van voedsel voorzien; doch
hoe weinig dankbaar zijt gij? 10. Wij schiepen u en vormden u daarop,
en zeiden vervolgens tot de engelen: aanbidt Adam, en zij baden hem
aan, uitgenomen Eblis, die niet onder hen behoorde, welke hem aanbaden
[617]. 11. God zeide tot hem: Wat belet u, Adam te aanbidden, naardien
ik het u had bevolen? Hij antwoordde: Ik ben voortreffelijker dan
hij; mij hebt gij van vuur en hem van slijk geschapen. 12. God zeide:
Vertrek dan uit het paradijs; want het past niet, u op deze plaats
met hoogmoed te wapenen. Vertrek van hier! Gij zult tot het getal der
verworpelingen behooren. 13. Hij zeide: Geef mij uitstel tot den dag
der opstanding. 14. God zeide: Waarlijk, gij zult tot de uitgestelden
[618] behooren. 15. De duivel zeide: Omdat gij mij verdoemd hebt,
zal ik hen op uwen rechten weg afwachten. 16. Daarna zal ik hen
van voren en van achter aanvallen; ik zal mij op hunne rechter- en
op hunne linkerzijde [619] vertoonen, en waarlijk gij zult slechts
weinigen vinden, die u erkentelijk zullen zijn. 17. Vertrek van hier,
zeide de Heer tot hem, met verachting bedekt en verworpen; en wat hen
betreft, die u volgen, ik zal de hel met u allen vullen. 18. Gij,
Adam, woon met uw vrouw in het paradijs en eet van zijne vruchten,
overal waar gij wilt: nader echter dezen boom niet, opdat gij niet
tot de onrechtvaardigen moogt behooren. 19. En satan gaf hun beiden
in, dat hij hun hunne naaktheid zou ontdekken, die hun tot hiertoe
verborgen was; en hij zeide: Uw Heer heeft u dezen boom slechts
verboden, opdat gij geene engelen worden noch onsterfelijk zijn
zoudt. 20. En hij zwoer hun, zeggende: Waarlijk, ik ben een dergenen,
die u goed raden. 21. En hij deed hen vallen, door hen te verblinden
[620]. En toen zij van den boom hadden geproefd, ontdekten zij hunne
naaktheid [621], en zij vlochten bladeren uit het paradijs [622]
aaneen, om zich te bedekken. En hun Heer riep hen, zeggende: Heb ik
u dezen boom niet verboden, en zeide ik niet tot u: waarlijk satan
is uw verklaarde vijand. 22. Zij antwoordden daarop: O Heer! wij
hebben onrechtvaardig met onze eigene zielen gehandeld, en indien
gij ons niet genadig zijt, zullen wij zekerlijk behooren tot hen,
die verloren zijn. 23. God zeide: Vertrekt! de een zal des anderen
vijand zijn. Gij zult op aarde een tijdelijk verblijf en een tijdelijk
genot vinden. 24. Hij zeide: Daarop zult gij leven en sterven,
en eens zult gij daarvan verdwijnen. 25. O kinderen van Adam! wij
hebben u kleederen [623] gezonden, om uwe naaktheid te bedekken,
en kostbare versierselen; doch het kleed der vroomheid is beter. Dit
is een van Gods teekenen, welke gij misschien zult overwegen. 26. O
kinderen van Adam! laat satan u niet verleiden, zooals hij uwe ouders
uit het paradijs verdreef, door hen van hunne kleeding; te berooven,
opdat hij hun hunne naaktheid zou kunnen toonen. Waarlijk, hij en
zijne makkers zien u, van waar gij hem niet ziet [624]. Wij hebben
de duivels aangewezen om de beschermers te zijn van hen, die niet
gelooven. 27. En als zij eene zondige daad hebben bedreven, zeggen
zij: Wij hebben het door onze vaderen zien verrichten; God heeft het
bevolen. Zeg hun; God beveelt geene schandelijke daden; zegt gij
van God wat gij niet weet? 28. Zeg: Mijn Heer heeft mij bevolen,
rechtvaardigheid in acht te nemen. Wendt uwe aangezichten naar de
plaats, waar men aanbidt, roept hem aan, en bewijst hem de oprechtheid
van uwen godsdienst. Zooals hij u uit het niet deed voortkomen, zal
hij u tot zich verzamelen. Sommigen heeft hij geleid, en een deel heeft
hij met recht in dwaling gelaten, daar zij de duivels tot beschermers
naast God namen, en zich verbeeldden, dat zij op den rechten weg werden
geleid. 29. O kinderen van Adam! trekt uwe schoonste kleederen aan,
indien gij u naar eene plaats van aanbidding begeeft [625], en eet
en drinkt [626], doch maakt u niet schuldig aan buitensporigheid;
want hij bemint degenen niet, die zich aan buitensporigheid schuldig
maken. 30. Zeg: Wie heeft het gebruik verboden van Gods gepaste
versierselen, welke hij voor zijne dienaren heeft voortgebracht,
en de goede dingen, welke hij tot voedsel heeft geschapen? Zeg: Deze
dingen zijn voor hen die gelooven, in dit leven, maar bijzonder op den
dag der opstanding. Zoo verklaren wij onze teekens duidelijk aan hen,
die verstaan. 31. Zeg: Waarlijk, mijn Heer heeft alle slechte zaken
verboden, zoowel die verborgen als openlijk zijn, en oneerlijkheid
en onrechtvaardig geweld; en hij heeft u verboden, datgene met God
te vereenigen, waartoe hij u geene macht heeft nedergezonden, of om
nopens God te zeggen, wat gij niet kent. 32. Voor ieder volk is vooraf
een eindpaal vastgesteld; indien dus de voor hen bepaalde tijd is
bereikt, zullen zij zelfs geen uur uitstel verkrijgen, en nimmer zal
die korter gesteld worden. 33. O kinderen van Adam! waarlijk, profeten
van u zullen tot u komen, die u mijne teekens zullen voorzeggen:
hij die God zal vreezen en berouw betoonen, zal door geene vrees
worden aangedreven; hij zal nimmer bedroefd worden. 34. Doch zij die
onze teekens van valschheid beschuldigen en deze versmaden, zullen de
gezellen van het hellevuur zijn en eeuwig daarin verblijven. 35. En
wie is onrechtvaardiger dan hij, die een leugen tegen God smeedt,
of zijne teekens van valschheid beschuldigt? Aan die menschen zal,
ingevolge het eeuwige boek, een deel van het goede dezer wereld
worden toegekend, tot op het oogenblik, dat onze zendelingen [627],
terwijl zij hen oproepen, hun zullen vragen: Waar zijn de afgoden,
die gij naast God hebt aangeroepen? Zij zullen antwoorden: Zij zijn
van ons verdwenen; en zij zullen tegen zich zelven getuigen, dat zij
ongeloovigen waren. 36. God zal bij de opstanding tot hen zeggen: Gaat
met de volkeren van geniussen en menschen, die u zijn voorafgegaan,
in het hellevuur; zoo dikwijls eene natie zal binnentreden, zal zij
hare zuster vloeken [628], tot zij alle achtervolgens daar binnen zijn
getreden. De laatste van hen zal van den eerste zeggen: O, Heer! deze
heeft ons verleid; leg hem dus eene dubbele straf in het hellevuur
op. God zal antwoorden: Die straf zal voor allen verdubbeld worden
[629], maar gij weet het niet. 37. En de eerste van hen zal tot den
laatste zeggen: Welk voordeel hebt gij boven ons? Gevoel de straf, die
gij door uwe daden hebt gewonnen. 38. Waarlijk, hun die onze teekens
van valschheid zullen beschuldigen, en deze trotsch verwerpen, hun
zullen de deuren des hemels niet geopend worden [630]; nimmer zullen
zij het paradijs binnentreden, tot een kemel door het oog van eene
naald gaat [631], en zóó zullen wij de boosdoeners beloonen. 39. Hun
bed zal de hel zijn, en zij zullen met dekens van vuur bedekt worden;
en zóó zullen wij de onrechtvaardigen beloonen. 40. Doch zij,
die gelooven en doen wat recht is (en wij zullen geene ziel eene
zwaardere last opleggen dan die zij kan dragen), zullen de gezellen
van het paradijs zijn; eeuwig zullen zij daarin verblijven. 41. En
wij zullen alle wrok van hunne harten wegnemen [632]. Rivieren zullen
aan hunnen voet stroomen, en zij zullen zeggen: Geloofd zij God, die
ons tot zijne zaligheid heeft geleid; want wij zouden niet recht zijn
geleid geworden, indien God ons niet geleid had; thans zijn wij door
bewijzen overtuigd, dat de profeten van onzen Heer met waarheid tot
ons kwamen. En het zal hun worden verkondigd: Dit is het paradijs,
waarvan gij de erfgenamen zijt geworden, als eene belooning voor
hetgeen gij gedaan hebt. 42. En de bewoners van het paradijs zullen
de bewoners der hel toeroepen: Nu hebben wij gevonden, dat hetgeen
onze Heer ons heeft beloofd, waarheid is, hebt gij ook gevonden, dat
hetgeen uw Heer u heeft beloofd, waarheid is? Zij zullen antwoorden:
Ja, een heraut zal deze woorden tusschen hen uitroepen: Gods vloek
zij over de boozen. 43. Die de menschen van Gods weg afleidden,
en dien bochtig trachtten te maken en niet in het volgende leven
geloofden. 44. En tusschen de gezegenden en de verdoemden zal een
sluier zijn. Op Al Araf [633] zullen de menschen staan, en ieder van
hen aan hunne onderscheidingsmerken kennen; en zij zullen de bewoners
van het paradijs aanroepen, zeggende: Vrede zij over u; doch zij
zullen er niet binnentreden, hoezeer het hunne ernstige begeerte
mocht zijn [634]. 45. En als zij hunne oogen naar de gezellen van
het hellevuur wenden, zullen zij zeggen: O, Heer! plaats ons niet bij
de goddeloozen. 46. En zij, die op Al Araf staan, zullen tot zekere
menschen [635] roepen, die zij aan hunne onderscheidingsmerken zullen
herkennen; zeggende: Waartoe hebben uwe opeengehoopte rijkdommen en
uw hoogmoed u gediend? 47. Zijn dit de menschen nopens wie gij hebt
gezworen, dat God hun geene genade zou schenken [636]? Treedt gij in
het paradijs, geene vrees zal over u komen; nimmer zult gij bedroefd
worden [637]. 48. En de bewoners van het hellevuur zullen de bewoners
van het paradijs aanroepen; zeggende: Giet een weinig water op ons af,
van de ververschingen, die God u heeft geschonken [638]. Zij zullen
antwoorden: God heeft die voor de ongeloovigen verboden. 49. Die van
den godsdienst hun spel en het onderwerp hunner spotternijen hebben
gemaakt, terwijl het ondermaansche leven hen verblindde; daarom zullen
wij dezen dag hen vergeten, gelijk zij de verzameling van dezen dag
vergaten, en dewijl zij het loochenden, dat onze teekens die van God
waren. 50. En thans hebben wij die van Mekka een boek met openbaringen
gebracht; wij hebben het met kennis verklaard, als eene richting en
eene genade voor hen, die gelooven zullen. 51. Wacht gij van iemand
anders de uitlegging daarvan [639]? Op den dag, waarop de verklaring
daarvan zal komen, zullen zij die haar vroeger vergaten, zeggen: Thans
zijn wij door bewijzen overtuigd, dat de profeten van onzen Heer met
waarheid tot ons kwamen; zouden wij dus middenpersonen hebben, die voor
ons tusschenbeiden treden? of zouden wij in de wereld teruggezonden
worden, opdat wij andere werken zouden mogen doen, dan hetgeen wij
gedurende onzen leeftijd deden? Doch thans hebben zij hunne zielen
verdorven, en dat wat zij goddeloos uitdachten, is hun ontvlucht
[640]. 52. Waarlijk, uw Heer is God, die de hemelen en de aarde in
zes dagen heeft geschapen, en daarna zijn troon beklom. Hij bestemde
den nacht om den dag te omhullen, en de dag volgt dien snel op. Hij
schiep ook de zon en de maan en de sterren, die geheel aan zijn bevel
zijn onderworpen. Is niet de geheele schepping en hare besturing
de zijne? Geloofd zij God, de Heer van alle schepselen. 53. Roep
uwen Heer nederig en in het geheim aan; want God bemint de zondaren
niet [641]. 54. En handel niet slecht op aarde na hare hervorming
[642], en roep hem met vrees en begeerte aan; want Gods genade is
den rechtvaardige nabij. 55. Hij is het die de winden zendt [643],
welke voor zijne genade zijn uitgespreid, tot zij groote regenwolken
aanbrengen, welke wij naar het doode land [644] zenden; en wij
doen daarna water nedervallen, waardoor wij allerlei vruchten doen
voortspruiten. Zoo zullen wij de dooden uit hunne graven doen komen,
misschien zult gij dat overwegen. 56. Op eene goede aarde zullen de
vruchten overvloedig voortspruiten, door het verlof van den Heer; doch
uit het slechte land zullen zij niet dan schaarsch voortkomen. Zoo
verklaren wij de teekenen der goddelijke voorzienigheid aan hen
die dankbaar zijn. 57. Wij zonden vroeger Noach [645] tot zijn volk
en hij zeide: O mijn volk! bid God aan, gij hebt geen anderen God
dan hem [646]. Waarlijk ik vrees voor u de straf van den grooten dag
[647]. 58. De opperhoofden van zijn volk antwoordden hem: Wij zien dat
gij in eene grove dwaling verkeert. 59. Hij antwoordde: O mijn volk! er
is geen dwaling in mij; doch ik ben een zendeling van den Heer aller
schepselen. 60. Ik breng u de zendingen van mijnen Heer en ik raad
u ten goede; want ik weet van God wat gij niet weet. 61. Verwondert
het u, dat eene waarschuwing van uwen Heer tot u is gekomen, door
iemand van u, om u te waarschuwen, u zelven te behoeden, opdat gij
misschien genade zoudt mogen verwerven? 62. En zij beschuldigden hem
van bedrog; doch wij redden hem en die met hem in de ark waren [648],
en wij verdronken hen, die onze teekens van valschheid beschuldigden;
want zij waren blind. 63. En tot den stam Ad [649] zonden wij hunnen
broeder Hoed [650]. Hij zeide: O mijn volk! aanbid God; gij hebt geen
anderen God dan hem; wilt gij hem niet vragen? 64. De opperhoofden
van hen onder zijn volk die niet geloofden, antwoordden: Waarlijk,
wij zien dat gij door dwaasheid wordt geleid, en wij houden u voor
een der leugenaars. 65. Hij antwoordde: O mijn volk! ik word niet
door dwaasheid geleid; maar ik ben een gezant bij u van den Heer
aller schepselen. 66. Ik breng u de boodschappen van mijn Heer,
en ik ben een geloovige raadgever voor u. 67. Verwondert gij u, dat
eene vermaning tot u gekomen is van uwen Heer, door een man van u,
opdat hij u zou waarschuwen? Herinner u dat hij u aan het volk van
Noach heeft doen opvolgen, dat hij u eene reusachtige gedaante heeft
gegeven. Herinner u Gods weldaden, opdat gij gelukkig zoudt mogen
zijn. 68. Zij zeiden tot hem: Zijt gij tot ons gekomen, dat wij God
alleen aanbidden en de goden verlaten zouden, die door onze vaderen
werden aangebeden? Zorg dat uwe bedreigingen in vervulling gaan,
indien gij oprecht zijt. 69. Hoed antwoordde: Thans zullen weldra
Gods wraak en toorn op u nederkomen. Wilt gij met mij twisten over
de namen welke gij en uwe vaderen hebt genoemd [651], en waartoe God
u geene macht heeft gegeven? Wacht daarop, dan zal ik een dergenen
zijn die met u wachten. 70. En wij bevrijdden hem en hen die met
hem hadden geloofd, door onze genade, en wij sneden het grootste
gedeelte af van hen die onze teekens van valschheid beschuldigden
en geene geloovigen waren. 71. En tot den stam Thamoed [652] zonden
wij hunnen broeder Saleh. Hij zeide: O, mijn volk! aanbid God;
gij hebt geen God naast hem. Thans is een duidelijk teeken tot
u gekomen van uwen God. Deze kameel van God is een teeken voor u
[653], laat hem in Gods weide grazen; doe hem geen kwaad, opdat
u geen pijnlijke straf bereike. 72. En herinner u dat hij u heeft
aangewezen tot opvolgers van den stam van Ad, en u eene woning op de
aarde heeft aangewezen; in hare valleien bouwt gij u kasteelen en de
rotsen bouwt gij tot huizen [654] uit. Herinner u dus Gods weldaden,
en doe daarom geen geweld op aarde door slecht te handelen. 73. De
opperhoofden van zijn volk, door trotschheid opgeblazen, zeiden tot
hen, die zij voor zwak hielden; namelijk, tot hen die geloofden:
Weet gij dat Saleh door zijnen Heer werd gezonden? Zij antwoordden:
Wij gelooven aan zijne zending. 74. Doch zij die door hoogmoed waren
opgeblazen, zeiden: Waarlijk, wij gelooven niet aan datgene waarin gij
gelooft. 75. En zij sneden den voet van den kameel af, en overtraden
onbeschaamd het bevel van hunnen Heer, zeggende: O Saleh! zorg dat
uwe bedreigingen in vervulling gaan, indien gij een hunner zijt die
door God werden gezonden. 76. Daarop volgde eene geweldige schudding
des hemels [655], die hen verraste, en des ochtends werden zij in
hunne woningen gevonden, voorover liggende op hunne borst en dood
[656]. 77. En Saleh verliet hen en zeide: O mijn volk! thans heb
ik u de zending van mijnen Heer overgebracht, ik ried u ten goede;
doch gij bemint hen niet die u ten goede raden. 78. En denk aan
Loth [657], toen hij tot zijn volk zeide: Zult gij zonden begaan,
die geen volk ooit vóór u heeft bedreven? 79. Zult gij de mannen in
plaats van de vrouwen misbruiken? Waarlijk, gij zijt een volk aan
buitensporigheden overgeleverd. 80. Maar het antwoord van zijn volk
was niet anders, dan dat zij tot elkander zeiden: Verdrijf hen [658]
uit uwe stad; want zij zijn menschen die zich zelven rein houden van
de zonden welke gij bedrijft. 81. Daarom bevrijdden wij hem en zijn
gezin, uitgenomen zijne vrouw; zij was eene dergenen die achterbleven
[659]. 82. En wij deden een regen van steenen op hen nederstorten
[660]. Zie dus wat het einde der zondaren was. 83. En tot Madian
[661] zonden wij hunnen broeder Shoaïb [662]. Hij zeide tot hen:
O mijn volk! aanbid God, gij hebt geen God buiten hem. Thans is een
duidelijk teeken [663] van uwen Heer tot u gekomen. Geef dus volle
maat en ruim gewicht; ontneem den menschen niet wat hun verschuldigd is
[664], en handel nimmer slecht op aarde, na hare hervorming [665]. Dit
zal beter voor u zijn, indien gij gelooft. 84. En plaats u niet in
hinderlaag op iederen weg, en leidt niet hen van Gods weg af, die in
hem gelooven; gij wilt dat pad kronkelend maken. En herinner u dat
gij slechts klein in getal waart, en dat God u heeft vermenigvuldigd,
en onthoud hoe het einde was van hen die slecht handelden. 85. En
indien een deel uwer gelooft in hetgeen waartoe ik werd gezonden,
terwijl een ander dit verwerpt, wacht geduldig tot God tusschen ons
richte; want hij is de beste rechter. 86. De opperhoofden van zijn
volk, die door hoogmoed waren opgeblazen, antwoordden: wij zullen u,
o Shoaïb! en zij die met u gelooven, uit onze stad verdrijven, of gij
moet tot onzen godsdienst terugkeeren. Hij zeide: Hoe! ofschoon wij
er een afkeer van hebben? 87. Wij zouden zekerlijk eene leugen tegen
God uitdenken, indien wij tot uwen godsdienst terugkeerden, nadat God
ons daarvan heeft bevrijd, en wij hebben geene reden daartoe terug te
keeren, tenzij het Gode onzen Heer mocht behagen ons te verlaten. Onze
God omvat ieder ding door zijn verstand. Wij hebben ons vertrouwen
in God gesteld. O Heer! richt tusschen ons en ons volk met waarheid;
want gij zijt de beste rechter. 88. En de opperhoofden van zijn volk,
dat niet geloofde, zeiden: Indien gij Shoaïb volgt, zult gij zekerlijk
verdorven zijn. 89. Daarom verraste hen een storm van den hemel,
en des ochtends werden zij, in hunne woningen, dood en voorover
liggende gevonden. 90. Zij, die Shoaïb van bedrog beschuldigden,
verdwenen, als hadden zij nooit daar gewoond; zij die Shoaïb van bedrog
beschuldigden zijn verloren. 91. En hij ging van hen weg, zeggende:
O mijn volk! thans heb ik u de bevelen van God gepredikt, en ik heb u
ten goede geraden; doch waarom zou ik mij bedroeven om een ongeloovig
volk. 92. Wij hebben nimmer een profeet in eene stad gezonden; doch
wij hebben hare inwoners met tegenspoed en rampen getroffen, dat zij
zich zouden vernederen. 93. En wij gaven hun goed voor kwaad in ruil,
tot zij, alles in hun geheugen uitwisschende, zeiden: Tegenspoed
en voorspoed kwam ook vroeger over onze vaderen. Daarom namen
wij plotseling wraak op hen, op het oogenblik dat zij er niet
aan dachten. 94. Maar indien de bewoners dezer steden geloofd
en God gevreesd hadden, zouden wij zekerlijk zegeningen over hen
hebben uitgestort, zoowel van den hemel als van de aarde. Maar zij
beschuldigden onzen apostel van valschheid, zoodat wij ons op hen
wreekten voor datgene waaraan zij schuldig waren. 95. Waren dus de
bewoners dier steden verzekerd, dat onze straf niet des nachts over
hen zou komen terwijl zij sliepen? 96. Of waren de bewoners dier
steden verzekerd, dat onze straf niet des daags over hen zou komen,
terwijl zij zich aan de vermaken overgaven? 97. Achtten zij zich
dus veilig voor Gods krijgslist [666]? Maar niemand zal zich zeker
achten voor Gods krijgslist, behalve zij die verdoemd zijn. 98. En
is het niet duidelijk bewezen voor hen die de aarde van hare vroegere
bewoners hebben geërfd, dat, indien het ons behaagde, wij hen om hunne
zonden kunnen kastijden? Doch wij zullen hunne harten verzegelen
en zij zullen niets hooren. 99. Wij zullen u eenige verhalen van
die steden vertellen. Hunne apostelen waren met duidelijke wonderen
tot hen gekomen; doch zij waren niet geneigd te gelooven in datgene
wat zij vroeger voor leugens hielden. Zoo zegelt God de harten der
ongeloovigen dicht. 100. En wij vonden, in het grootste gedeelte van
hen geen trouw aan hun verbond; maar wij bevonden dat het grootste deel
van hen boosdoeners waren. 101. Daarom zonden wij, na de bovengenoemde
apostelen, Mozes met onze teekens tot Pharao en zijne prinsen,
die hen onrechtvaardig behandelden [667]; doch ziet hoe het einde
der zondaren was. 102. En Mozes zeide: O Pharao! waarlijk, ik ben
een apostel, door den Heer van alle schepselen gezonden. 103. Het is
rechtvaardig dat ik van God niets anders dan de waarheid zegge. Thans
ben ik tot u gekomen met een duidelijk teeken van uwen Heer; zend
dus de kinderen Israëls met mij weg. Pharao antwoordde: Indien gij
met een wonder komt, toon het, indien gij waarheid spreekt. 104. Hij
wierp daarom zijn staf weg en, onthoud het, hij werd eene slang
[668]. 105. Hij trok zijne hand uit zijne borst en, onthoud het,
zij was voor de toeschouwers wit geworden 106. De opperhoofden
van het volk van Pharao zeiden: Deze man is waarlijk een behendig
toovenaar. 107. Hij tracht u van uw land te berooven; wat denkt gij
dus te doen. 108. Zij antwoordden: Stel hem en zijn broeder door
ijdele beloften voor eenigen tijd uit, en zend, in dien tusschentijd,
personen naar de steden. 109. Die alle behendige toovenaars [669]
zullen verzamelen en tot u voeren. 110. Zoo kwamen de toovenaars tot
Pharao en zij zeiden: zullen wij zekerlijk eene belooning ontvangen,
indien wij de zege over hem behalen? 111. Hij antwoordde: ja, en
gij zult zeker tot hen behooren, die mijnen troon naderen. 112. Zij
zeiden: O Mozes! zult gij uwen staf wegwerpen, of zullen wij dit
vooraf doen? 113. Mozes antwoordde: Werpt uwe staven eerst weg;
en toen zij die hadden weggeworpen, betooverden zij de oogen der
menschen die tegenwoordig waren en verschrikten hen, en zij deden een
groot tooverstuk. 114. En wij spraken door eene openbaring tot Mozes;
zeggende: Werp uwen staf weg en, onthoudt het, hij verzwolg de staven
die in slangen waren veranderd [670]. 115. Daardoor was de waarheid
bevestigd, en dus wat zij gemaakt hadden ijdel geworden. 116. En
Pharao en zijne toovenaars waren overwonnen en beschaamd. 117. De
toovenaren bogen zich biddende. 118. En zij zeiden: Wij gelooven in den
Heer aller schepselen. 119. Den Heer van Mozes en Aäron. 120. Pharao,
zeide: Hebt gij in hem geloofd, alvorens ik u verlof heb gegeven? Gij
hebt dit schelmstuk vooruit in de stad gesmeed, om er de inwoners
uit te verdrijven. Weldra zult gij zien. 121. Want ik zal uwe voeten
en uwe handen aan de tegenovergestelde zijden doen afsnijden [671]
en daarna zal ik u allen doen kruisigen [672]. 122. De toovenaren
antwoordden: Wij zullen zekerlijk tot onzen Heer terugkeeren. 123. Want
gij wreekt u alleen op ons, omdat wij in de teekenen van onzen Heer
gelooven, toen zij ons werden geopenbaard. O Heer! schenk ons geduld,
en doe ons als Muzelmannen sterven. 124. En de opperhoofden van
Pharao's volk zeiden: Wilt gij Mozes en zijn volk laten vertrekken,
opdat zij op de aarde zouden zondigen en u en uwe goden verlaten
[673]? Pharao antwoordde: wij zullen hunne mannelijke kinderen
doen dooden, en wij zullen hunne vrouwelijke kinderen sparen,
en zoo zullen wij de zege over hen behalen. 125. Mozes zeide tot
zijn volk: Vraag God om ondersteuning en lijdt geduldig; want de
aarde behoort Gode en hij geeft haar tot erfenis, aan diegene zijner
dienaren, welke hem behagen, en het einde van hen die hem vreezen,
zal voorspoedig zijn. 126. Zij antwoordden: Wij werden bedroefd
door het dooden onzer mannelijke kinderen, voor gij tot ons kwaamt
en ook sedert gij tot ons zijt gekomen. Mozes zeide: Misschien wil
God uwe vijanden verdelgen, en u hun op aarde doen opvolgen, opdat
hij moge zien hoe gij dan handelt. 127. En wij straften vroeger het
volk van Pharao met onvruchtbaarheid en schaarschheid hunner vruchten,
teneinde hen te waarschuwen. 128. Toen zij weder voorspoedig werden,
zeiden zij: Dit komt ons toe; maar indien er kwaad over hen komt,
schrijven zij het aan den tegenspoed van Mozes toe en van hen die met
hem waren. Was niet hun tegenspoed van God afkomstig [674]? Maar de
meesten van hen wisten het niet. 129. En zij zeiden tot Mozes: Welk
wonder gij ons ook toont, om ons daarmede te betooveren, wij zullen
daaraan niet gelooven. 130. Daarom zonden wij over hen overstrooming
[675], sprinkhanen, ongedierte, kikvorschen en bloed, als duidelijke
teekenen; doch zij bleven hoogmoedig en werden snoodaards. 131. En
toen de plaag over hen kwam, zeiden zij: Roep uwen God voor ons aan,
overeenkomstig het verbond dat hij met u heeft gesloten. Waarlijk,
indien gij de plaag van ons wegneemt, zullen wij u zekerlijk gelooven,
en wij zullen de kinderen Israëls met u laten gaan. Maar toen wij
de plaag van hen hadden afgenomen, tot de tijd was verloopen, die
God had bepaald, braken zij hunne belofte. 132. Daarom namen wij
wraak op hen en verdronken hen in de Roode Zee [676], omdat zij onze
teekens van valschheid beschuldigd en verwaarloosd hadden. 133. En wij
deden het zwakke volk de oostelijke en westelijke streken der aarde
erven [677], welke wij met vruchtbaarheid zegenden, en het genadige
woord van uwen Heer in de kinderen Israël vervuld, omdat zij met
geduld hadden geleden, en wij verwoestten de werken, welke Pharao
en zijn volk hadden gemaakt, en datgene wat zij hadden opgericht
[678]. 134. En wij deden den kinderen Israëls door de zee trekken,
en zij kwamen tot een volk, dat afgoden aanbad [679], en zij zeiden:
O Mozes! maak ons een God, evenzoo als de goden van dit volk. Mozes
antwoordde: Waarlijk, gij zijt een onwetend volk. 135. Want de
godsdienst dien zij hebben, zal verwoest worden, en wat zij doen
is ijdel. 136. Hij zeide: Zou ik u een anderen god zoeken dan God,
die u boven alle andere volken heeft verheven? 137. En gedenk dat wij
u van het volk van Pharao verlosten, die u jammerlijk verdrukte; zij
doodden uwe mannelijke kinderen en lieten uwe vrouwelijke leven; daarin
lag eene zware beproeving van uwen Heer. 138. En wij bepaalden Mozes
eene vaste van dertig nachten [680] alvorens wij hem de wet gaven,
en wij voegden er tien bij; en de bepaalden tijd van zijnen Heer was
in veertig nachten vervuld. En Mozes zeide tot zijn broeder Aäron,
wees gij gedurende mijne afwezigheid, mijn afgezant bij mijn volk;
handel oprecht en volg den weg der snooden niet. 139. En toen Mozes,
op den voor hem bepaalden tijd kwam, en zijn Heer tot hem sprak [681],
zeide hij: o Heer! laat mij uw glans zien opdat ik u aanschouwe. God
zeide: Gij zult mij op geenerlei wijze aanschouwen; maar zie den berg
[682] aan, en indien deze vast op zijne plaats staat zult gij mij
zien. Toen echter zijn Heer met glans op den berg [683] verscheen,
veranderde hij dien in stof. En Mozes viel in zwijm neder. 140. En
toen hij tot zich zelven kwam, zeide hij: Geloofd zijt gij! Ik keer
tot u terug met berouw, en ik ben de eerste der ware geloovigen
[684]. 141. God zeide tot hem: o Mozes! Ik heb u boven alle menschen
uitverkoren, door u met mijne opdrachten te vereeren, en door met u
te spreken; ontvang dus wat ik u heb gebracht, en wees een van hen
die dankbaar zijn. 142. En wij schreven voor hem op de tafels [685]
eene waarschuwing omtrent alles, en eene beslissing in ieder geval
[686] en zeiden: Ontvang die met eerbied, en beveel uw volk, dat zij
stipt overeenkomstig die voorschriften leven. Ik zal u de woning der
snooden toonen. 143. Ik zal degenen van mijne teekens afleiden, die
zich trotsch en zonder rechtvaardigheid op aarde gedragen, en hoewel
zij ieder teeken zien, daarin niet zullen gelooven; en ofschoon zij
het pad der rechtvaardigheid zien, dat niet zullen betreden; maar die,
indien zij het pad der dwaling zien, dien weg zullen inslaan. 144. Zoo
zal het geschieden, daar zij onze teekens van bedrog beschuldigen
en die veronachtzamen. 145. Maar wat hen betreft, die de waarheid
van onze teekens loochenen en de ontmoeting in het volgende leven,
hunne werken zullen ijdel zijn. Zouden zij anders beloond worden
dan overeenkomstig hetgeen zij hebben verricht? 146. En het volk van
Mozes nam, na zijn vertrek, een lichamelijk kalf [687], dat loeide
[688], van hunne versierselen [689] vervaardigd. Zagen zij niet, dat
ik niet tot hen sprak, noch hen op den weg geleidde? 147. Maar zij
beschouwden het als hunnen god en handelden slecht. 148. Doch toen zij
met droefheid berouw gevoelden, en zagen, dat zij verdwaald waren,
zeiden zij: Waarlijk, indien onze Heer geene barmhartigheid met ons
heeft en ons niet vergeeft, zullen wij zeker tot hen behooren, die
verloren zijn. 149. En toen Mozes tot zijn volk terugkeerde, vol van
toorn en verontwaardiging, zeide hij: Gij hebt een snoode daad na mijn
vertrek bedreven. Hebt gij het bevel van uwen Heer verhaast [690]? Hij
nam de tafelen [691] en greep zijn broeder bij het hoofdhaar en haalde
hem onder zich. En Aäron zeide tot hem: Zoon mijner moeder, waarlijk
het volk heeft mij overheerd, en het had slechts weinig gescheeld
of zij hadden mij gedood: laat mijne vijanden zich dus niet over
mij verblijden, noch plaats mij onder de boozen. 150. Mozes zeide:
O Heer! vergeef mij en mijn broeder en ontvang ons in uwe genade:
want gij zijt de barmhartigste der barmhartigen. 151. Waarlijk, zij
die het kalf tot hunnen god namen, de verontwaardiging des Heeren
zal over hen komen [692], en schande in dit leven. Zoo zullen wij
degenen beloonen, die leugens uitdenken. 152. Maar voor hen, die
snood handelen en daarna berouw betoonen en in God gelooven, zal God
later goedertieren en barmhartig zijn. 153. En toen de toorn van Mozes
was bedaard, nam hij de tafelen [693]. De letters die er op gehouwen
waren, bevatten de leiding en de barmhartigheid voor hen, die hunnen
Heer vreezen. 154. En Mozes koos zeventig mannen uit zijn volk, ten
einde met hem den berg te bestijgen op het door ons bepaalde tijdstip;
en toen een storm, vergezeld van donder en bliksem, hen wegnam [694],
zeide hij: O Heer! indien het u had behaagd, hadt gij hen en ook mij
reeds te voren verdelgd; wilt gij ons verdelgen om hetgeen de dwazen
onder ons hebben bedreven? Dit is alleen uwe beproeving; waarmede
gij in dwaling brengt wien het u behaagt, en hem zult leiden die u
behaagt! Gij zijt onze schuts, vergeef ons dus en wees ons genadig;
want gij zijt de meest vergevingsgezinde der
vergevingsgezinden. 155. Beschenk ons met het goede in deze wereld en
in het volgende leven; want door u worden wij geleid. God antwoordde:
Ik zal mijne straf opleggen aan wien het mij behaagt, en mijne
barmhartigheid strekt zich over alle dingen uit; en ik zal haar
toekennen aan hen, die mij vreezen en aalmoezen geven, en in mijne
teekens zullen gelooven. 156. Die den gezant volgen; den ongeletterden
gezant [695], dien zij in hunne boeken, in den Pentateuchus en in het
Evangelie vinden aangeduid; hij zal hun gebieden wat rechtvaardig
is en hun verbieden wat slecht is, en zal hun gebruik als wettig
veroorloven van de dingen die vroeger verboden waren [696], en hij
zal de dingen verbieden die slecht zijn [697], en hij zal hen van
hunne zware lasten ontheffen en van de ketenen die op hen rusten
[698]. En zij die in hem gelooven, die hem vereeren en ondersteunen
en het licht volgen dat met hem werd nedergezonden, zullen gelukkig
zijn. 157. Zeg: O menschen! waarlijk, ik ben Gods gezant en aan u allen
gericht [699]. 158. Hem behoort het koninkrijk des hemels en der aarde;
er is geen God buiten hem; hij geeft leven en doet sterven. Gelooft
dus in God en zijn gezant, den ongeletterden profeet, die zelf in
God en zijn woord gelooft, en volgt hem, opdat gij goed geleid moogt
worden. 159. Er is een deel van het volk van Mozes, die anderen met
waarheid leiden, en rechtvaardig nopens hen handelen. 160. En wij
verdeelen hen in twaalf volksstammen. En wij spraken door openbaring
tot Mozes, toen zijn volk drank van hem verlangde, en wij zeiden:
Sla de rots met uwen staf, en twaalf fonteinen [700] stroomden er
uit, en iedere stam wist, uit welke fontein hij moest drinken. En
vervolgens deden wij hen door wolken overschaduwen, en manna en
kwakkels [701] op hen nedervallen, zeggende: Eet van de dingen die
wij u tot voedsel hebben gegeven; maar zij beleedigden niet ons,
doch hunne eigene zielen. 161. Herinner u, toen men tot u zeide:
Woont in deze stad [702] en eet van hare voortbrengselen zoo veel
gij wilt; en smeekt vergiffenis, en treedt de poort biddende in; wij
zullen u uwe zonden vergeven en de bezittingen vermeerderen van hen,
die goed handelen. 162. Maar de goddeloozen onder hen veranderden de
uitdrukking in eene andere, die niet tot hen was gebruikt. Daarom
zonden wij onze kastijding uit den hemel op hen neder, omdat zij
zondigden. 163. En vraag hun nopens de stad [703], die aan de zee was
gelegen, toen zij op den Sabbathdag zondigden; toen hun visch op den
Sabbathdag tot hen kwam, duidelijk op het water verschijnende, maar
op den dag dat zij geen rustdag vierden, kwam hij niet tot hen. Zoo
beproefden wij hun omdat zij boosdoeners waren. 164. En toen een
deel hunner tot de anderen zeide: Waarom waarschuwt gij een volk,
hetwelk God verdelgen of met eene gestrenge kastijding straffen
wil? Antwoordden zij: Dit is eene verontschuldiging voor ons bij
uwen Heer [704] ten einde zij zich zullen behoeden. 165. Maar toen
zij de waarschuwingen hadden vergeten, redden wij de degenen, die hun
verboden kwaad te bedrijven, en wij legden hun die gezondigd hadden,
eene gestrenge straf op, daar zij slecht gehandeld hadden. 166. En
toen zij trotsch weigerden, datgene te laten, wat hun was verboden,
zeiden wij tot hen: verandert in apen, en wordt uit de maatschappij
der menschen verdreven. En herdenk, hoe uw Heer verklaarde, dat hij
den Joden zekerlijk tot den dag der opstanding een volk zou zenden,
dat eene harde verdrukking op hen zou uitoefenen [705]; want uw
Heer is stipt in bestraffing, doch hij is ook gereed te vergeven
en barmhartig. 167. En wij verstrooiden hen onder de volkeren der
aarde. Sommigen van hen zijn deugdzame personen, en sommigen van
hen zijn anders. En wij beproefden hen door voor- en tegenspoed,
opdat zij van hunne ongehoorzaamheid mochten terugkeeren. 168. En
eene nakomelingschap volgde hen op, die het boek der wet erfde en
de tijdelijke goederen dezer wereld ontving [706], en zeide: Het zal
ons zekerlijk worden vergeven; en indien hun een tijdelijk voordeel
gelijk het vorige wordt aangeboden, nemen zij het mede aan. Is niet
het verbond van het boek der wet met hen aangegaan, dat zij niets dan
waarheid van God zouden spreken [707]? Zij lezen echter thans ijverig
wat daarin staat. Doch de genieting van het volgende leven zal beter
voor degenen zijn, die God vreezen. Begrijpt gij dat niet? 169. En ook
voor hen, die het boek der wet vasthouden en standvastig in het gebed
zijn; want wij zullen nimmer dulden, dat het loon der rechtvaardigen
verloren ga. 170. En toen wij den berg Sinaï over hen oprichtten
[708], als ware het een deksel, en zij zich verbeeldden, dat die op
hen viel, zeiden wij: ontvang de wet die wij u hebben gebracht met
eerbied; en gedenk wat daarin is bevat, opdat gij u in acht moogt
nemen. 171. En toen de Heer uit de lendenen der zonen van Adam hunne
nakomelingschap voortbracht [709], en hen koos om tegen hen zelven
te getuigen, zeggende: Ben ik uw Heer niet? antwoordden zij: Ja,
wij leggen getuigenis af. Dit is geschied, opdat gij op den dag der
opstanding niet zoudt zeggen: waarlijk wij wisten het niet. 172. Opdat
gij niet zoudt zeggen: waarlijk onze vaderen waren vroeger schuldig
aan afgodendienarij; en wij zijn hunne nakomelingschap, die hen
opvolgde; zoudt gij ons dus verdelgen, om hetgeen leugenaars hebben
bedreven? 173. Zoo verklaren wij onze teekens, opdat zij van hunne
dwalingen mogen terugkeeren. 174. En verhaal den Joden de geschiedenis
van hem, dien wij onze teekens brachten [710], en die zich daarvan
afwendde; daarom volgde satan hem, en hij werd een van hen, die verleid
werden. 175. En indien het ons had behaagd, zouden wij hem zekerlijk
daardoor tot wijsheid hebben verheven, maar hij bleef aan de aarde
gehecht en volgde zijne eigen begeerten [711]. Hij gelijkt op een
hond, die, wanneer gij hem wegjaagt, de tong uitsteekt, of indien gij
u van hem verwijdert, mede de tong uitsteekt. Dit is de gelijkenis
van hen, die onze teekens van valschheid beschuldigen. Herhaal hun
dus deze geschiedenis, opdat zij die in overweging zouden mogen
nemen. 176. De overeenkomst is slecht van hen, die onze teekens van
valschheid beschuldigen en hunne eigene zielen beleedigen. 177. Maar
die door God geleid mocht worden, zal goed geleid zijn, en wien
hij mocht afwenden zal verloren zijn. 178. Wij hebben voor de hel
een groot aantal geniussen en menschen geschapen die harten hebben,
waarmede zij niets verstaan; die oogen hebben, waarmede zij niets
zien; die ooren hebben waarmede zij niets hooren. Deze zijn gelijk de
redelooze dieren; zij dwalen zelfs meer dan de redelooze dieren. Dit
zijn de achteloozen. 179. De schoonste namen komen God toe [712];
noem hem dus daarbij en verwijder u van hen, die deze zondig mochten
gebruiken [713]. Zij zullen het loon ontvangen voor hetgeen zij hebben
bedreven. 180. En onder hen die wij hebben geschapen, is een volk,
dat anderen met waarheid leidt en rechtvaardig is. 181. Maar hen,
die onze teekens van leugens beschuldigen, zullen wij trapsgewijze
verdelgen, op eene wijze die zij niet kennen [714]. 182. En ik zal
hun toestaan een lang en voorspoedig leven te genieten; want mijne
list is onfeilbaar. 183. Begrijpen zij niet, dat er geen duivel in hun
metgezel (Mahomet) is. Hij is niets dan een openbaar prediker. 184. Of
beschouwen zij het koninkrijk des hemels en der aarde niet, en de
dingen die God heeft geschapen; en denken zij er niet aan, dat hun
einde misschien nabij is? En in welke nieuwe verklaring zullen zij
na deze gelooven? 185. Hij wien God zal doen dwalen, zal geen gids
hebben, en hij zal hen in hunne goddeloosheid verlaten, zonder kennis
dwalende. 186. Zij zullen u ondervragen nopens het laatste uur;
op welk tijdstip de komst daarvan is bepaald? Antwoord: Waarlijk,
de wetenschap daarvan behoort mijn Heer; niemand zal den bepaalden
tijd daarvan verklaren, behalve hij. De verwachting daarvan is
smartelijk in den hemel en op aarde; hij zal niet dan onverwachts tot
u komen. 187. Zij zullen u ondervragen, als waart gij daarmede goed
bekend. Antwoord: Waarlijk, de kennis daarvan, behoort alleen aan
God, maar het grootste deel der menschen weet het niet. 188. Zeg:
Ik heb geen macht om mij te verschaffen wat mij nuttig is, noch
om te vermijden wat mij nadeelig is, tenzij God het wil. Indien
ik Gods geheimen kende, zou ik zekerlijk overvloed van goederen
bezitten; nimmer zou mij kwaad treffen. Waarlijk, ik ben slechts
een aankondiger van beloften en een boodschapper van goede tijdingen
voor hen die gelooven. 189. Hij is het, die u uit één man geschapen
en zijne vrouw uit hem voortgebracht heeft, opdat hij met haar mocht
wonen; en nadat hij met haar geleefd had, droeg zij een lichten last,
waarmede zij gemakkelijk wandelde. Maar toen het zwaarder werd, riep
zij God haren Heer aan, zeggende: Indien gij ons een welgemaakt
kind schenkt, zullen wij dankbaar zijn. 190. Maar toen hij hun
een welgeschapen kind had gegeven, plaatsten zij makkers naast hem,
voor hetgeen hij hun had geschonken [715]. Maar God is te verheven om
anderen met hem te vereenigen. 191. Willen zij valsche goden met hem
vereenigen, die niets scheppen, maar die zelf geschapen zijn, en hen
nimmer ondersteunen noch zich zelven helpen kunnen? 192. En indien
gij hen tot de ware richting uitnoodigt, zullen zij u niet volgen:
het zal u gelijk zijn, of gij hen uitnoodigt, of dat gij rustig
blijft. 193. Waarlijk, de valsche goden welke gij naast God aanroept,
zijn dienaren, evenals gij [716]. Roep hen dus aan, en laten zij u
antwoord geven, indien gij waarheid spreekt. 194. Hebben zij voeten,
om er mede te loopen? Of hebben zij handen, om iets aan te vatten? Of
hebben zij oogen, om er mede te zien? Of hebben zij ooren, om er
mede te hooren? Zeg: Roept uwe makkers; denkt eene list tegen mij
uit en geeft mij geen uitstel. Ik vrees niets. 195. Want mijn schuts
is God, die het boek van den Koran nederzond, en hij ondersteunt den
rechtvaardige. 196. Maar zij die gij naast God aanroept, kunnen noch u
bijstaan, noch zich zelven helpen. 197. En indien gij hen aanroept om u
te leiden, zullen zij u niet hooren. Gij ziet hen naar u blikken, maar
zij zien niet. 198. Gebruik toegevendheid, beveel het goede en blijf
ver van den onwetende. 199. En indien satan u iets slechts ingeeft,
zoek dan eene toevlucht bij God; want hij hoort en ziet. 200. Waarlijk,
zij die God vragen, indien eene verzoeking van satan tot hen komt,
gedenken de goddelijke bevelen en, onthoud het, zij zien duidelijk het
gevaar der zonde. 201. De broederen der duivels zullen hen slechts
verder in dwaling brengen, en later zullen zij zich daarvoor niet
behoeden. 202. En indien gij hun geen vers van den Koran brengt,
zeggen zij: Hebt gij het nog niet samengesteld? Antwoord: Ik volg
alleen datgene wat mij van mijnen Heer werd geopenbaard. Dit boek
bevat duidelijke bewijzen van uwen Heer, en is eene leiding van
barmhartigheid voor hen die gelooven. 203. En als de Koran wordt
voorgelezen, luistert dan, en bewaart het stilzwijgen, opdat gij
genade moogt verwerven. 204. En peinst nopens uwen Heer in uw eigen
hart, met nederigheid en vrees, en zonder luid te spreken, zoowel des
avonds als des ochtends, en weest niet onachtzaam. 205. De engelen,
die met mijn Heer zijn, versmaden zijnen dienst niet trotsch, maar
zij vieren zijn lof en bidden hem aan.



ACHTSTE HOOFDSTUK.

DE BUIT [717].

Gegeven te Medina [718].--76 verzen.


In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Zij zullen u vragen nopens den buit. Antwoord: De verdeeling van
den buit behoort Gode en zijn gezant. Vreest dus God, en tracht uwe
geschillen in der minne te schikken. Gehoorzaam God en zijn gezant,
indien gij ware geloovigen zijt. 2. Waarlijk, de ware geloovigen
zijn zij, wier harten vreezen als God wordt genoemd, en wier geloof
vermeerderd wordt, zoo hun zijne teekens worden herinnerd en die op
God vertrouwen. 3. Die de bepaalde tijden van het gebed in acht nemen,
en aalmoezen geven van hetgeen wij hun hebben geschonken. 4. Deze zijn
waarlijk geloovigen; zij zullen hoogere graden van gelukzaligheid
van hunnen Heer genieten, en vergiffenis en een overvloedig
vermogen. 5. Toen uw Heer u van uw huis wegvoerde, met waarheid, en
een deel der geloovigen afkeerig van uwe leiding waren. 6. Twistten
zij met u nopens de waarheid, nadat die hun was kenbaar gemaakt [719];
op geene andere wijze dan alsof men hen ter dood had gevoerd, en zij
dit met hunne oogen hadden gezien [720]. 7. En herinner u, toen God
u een der twee deelen beloofde, dat het u zou worden gegeven [721],
en gij begeerdet dat het deel, hetwelk niet van wapens was voorzien
[722] aan u zou worden overgeleverd; maar God wilde de waarheid zijner
woorden bekend maken, en het grootste deel der ongeloovigen afsnijden
[723]. 8. Om de waarheid openbaar te maken en de leugen te verdelgen,
ofschoon de boozen er afkeerig van mogen zijn. 9. Toen gij hulp
van uwen Heer hebt gevraagd [724], en hij u antwoordde: Waarlijk,
ik zal u ondersteunen met duizend engelen, die elkander geregeld
opvolgen. 10. En dit deed God alleen als goede berichten [725] voor
u, en opdat uwe harten daarbij vertrouwend zouden blijven; want de
overwinning komt alleen van God, en God is machtig en wijs. 11. Toen
een slaap u overviel, als een teeken van zekerheid van hem, en hij
water van den hemel op u nederzond, opdat hij u daarmede zou zuiveren,
en hij de afschuwelijkheid van satan van u zou afnemen, en hij uwe
harten en uwen voet daardoor zou mogen bevestigen. 12. Ook toen uw Heer
tot de engelen sprak: Waarlijk ik ben met u; bevestigt dus hen die
gelooven. Ik zal schrik in de harten der ongeloovigen werpen. Slaat
dus hunne hoofden af, en slaat al de toppen hunner vingers af
[726]. 13. Dit zullen zij ondergaan, omdat zij God en zijn gezant
wederstand hebben geboden: en wie God en zijn gezant wederstand biedt,
waarlijk, die zal gestreng door God gestraft worden. 14. Dit zal uwe
straf zijn; gevoelt die dus; ook zullen de ongeloovigen de straf van
het hellevuur ondergaan. 15. O ware geloovigen! als gij de ongeloovigen
ontmoet, in grooten getale tegen u optrekkende, wendt u dan niet van
hen af. 16. Want wie hen op dien dag zijn rug mocht toewenden, tenzij
hij zich ter zijde wende om te strijden, of zich tot een ander deel der
geloovigen terugtrekke, zal Gods verontwaardiging over zich doen komen,
en zijne woning zal de hel zijn. Welk een slecht verblijf! 17. En gij
dooddet hen niet, welke te Bedr werden verslagen; maar God doodde hen
[727]. Gij slingerdet niets, o Mahomet! ofschoon gij scheent het te
slingeren, maar God doet het [728] om de geloovigen door eene schoone
proef te beproeven; want God begrijpt en weet alles. 18. Dit geschiedde
opdat God de listen der ongeloovigen mocht verijdelen. 19. Gij hebt
de overwinning verlangd, o ongeloovigen! en de overwinning heeft
zich tegen u gekeerd. Indien gij de eersten zijt, die ophoudt den
gezant te bestrijden, zal u dat voordeeliger zijn. Maar indien gij
terugkeert om hem aan te vallen, zullen wij mede terugkeeren om hem
te ondersteunen, en uwe krachten zullen u volstrekt van geen voordeel
wezen, alhoewel die ook talrijk mochten zijn; want God is met de
geloovigen. 20. O ware geloovigen! gehoorzaamt God en zijn gezant,
en wendt u niet van hem af, nu gij de waarschuwingen van den Koran
hoort. 21. En weest niet als zij die zeggen: Wij hooren, als zij niet
hooren. 22. Waarlijk, de slechtsten van de dieren der aarde tegenover
God, zijn de dooven en de stommen, die niet begrijpen. 23. Indien
God slechts iets goeds in hen had ontdekt, zou hij hun zekerlijk
hebben doen hooren; maar indien hij hen had doen hooren, zouden
zij zich gewis afgewend en zich ver verwijderd hebben. 24. O ware
geloovigen! antwoordt God en zijn apostel, indien hij u het leven
geeft; en weet dat God zich tusschen den mensch en zijn hart plaatst
[729], en dat gij voor hem zult verzameld worden. 25. Hoedt u voor
de verzoeking [730]; zij zal niet hen in het bijzonder treffen,
die goddeloos onder u zijn, maar u allen in het algemeen; en weet,
dat God gestreng in het straffen is. 26. En gedenkt, dat, toen gij
zwak en in kleinen getale in het land waart [731], gij vreesdet door
uwe vijanden verdelgd te worden; maar God gaf u een toevluchtsoord,
en hij ondersteunde u met zijne hulp, en beschonk u met goede dingen,
opdat gij dankbaar zoudt zijn. 27. O ware geloovigen! bedriegt God
en zijn gezant niet: schendt nimmer uw geloof met uw weten. 28. En
bedenkt, dat uw rijkdom en uwe kinderen eene beproeving voor u zijn,
en dat Gods belooning groot is. 29. O ware geloovigen! indien gij God
vreest, zal hij u eene onderscheiding verleenen. Hij zal uwe zonden
vergeven, en u vergiffenis schenken; want zijne genade is groot. 30. En
herinner u, toen de ongeloovigen een komplot tegen u smeedden; toen
zij u wilden aangrijpen, en dooden of verjagen. God spande op zijne
beurt tegen hen samen [732]; en waarlijk, God is het beste in staat,
een samenspanning te verijdelen. 31. En als onze teekens voor hen
worden herhaald, zeggen zij: Wij hebben het gehoord; indien het ons
behaagde, konden wij iets dergelijks uitspreken; dit zijn slechts
fabelen der ouden [733]. 32. En toen zij zeiden: O God! indien dit de
waarheid van u is, laat dan steenen uit den hemel op ons nedervallen,
of leg ons eene andere gestrenge straf op. 33. Maar God was niet
geneigd hen te straffen, zoolang gij u onder hen bevondt, noch was
God geneigd hen te straffen, toen zij vergiffenis vroegen. 34. Maar
zij kunnen geene verontschuldiging aanvoeren, waarom God hen niet
zou straffen, naardien zij de geloovigen hebben belet, den heiligen
tempel te bezoeken [734], hoewel zij er de bewakers niet van zijn. De
bewakers daarvan zijn alleen, die God vreezen; maar het grootste deel
hunner weet het niet. 35. En hun gebed in het huis des Heeren is geen
ander dan gefluit en handgeklap [735]. Ondergaat dus de straf, omdat
gij ongeloovigen zijt geweest. 36. Zij die niet gelooven, wenden hunne
rijkdommen aan, om den weg van God [736] te versperren. Zij zullen die
verspillen, maar daarna zal het een bitter berouw voor hen zijn, en zij
zullen eindelijk overwonnen worden. 37. En de ongeloovigen zullen in de
hel verzameld worden. 38. God zal de slechten van de goeden scheiden;
hij zal de slechten op elkander stapelen; hij zal er een bundel
van vormen en dien in het vuur der hel werpen. Dan zullen de boozen
verloren zijn. 39. Zeg tot de ongeloovigen dat, indien zij ophouden
u weerstand te bieden, hun zal vergeven worden wat reeds voorbij is;
maar indien zij voortgaan u aan te vallen, zal de voorbeeldige straf
van de vroegere bestrijders der profeten, die reeds voltrokken is,
eveneens op hen worden toegepast. 40. Strijd dus tegen hen, tot er geen
verzet meer ter gunste der afgodendienarij, en geen andere godsdienst
dan die van uwen Heer besta. Indien zij ophouden, waarlijk dan ziet
God wat zij doen. 41. Maar indien zij zich afwenden, weet dan, dat God
uw schuts is. Hij is de beste schuts en de beste Helper. 42. En weet,
dat, indien gij eenigen buit bekomt, een vijfde deel daarvan aan God
en den gezant behoort en aan zijne bloedverwanten, en aan de weezen,
de armen en de reizigers [737] indien gij aan God gelooft, en aan
hetgeen wij door onzen dienaar op den dag der onderscheiding hebben
nedergezonden; op den dag waarop de twee legers elkander ontmoeten; en
God is almachtig. 43. Toen gij gelegerd waart op de meest nabijgelegen
zijde der vallei, en zij gelegerd waren op de verste zijde, en de
karavaan zich lager bevond, en indien gij wederzijds bepaald hadt
slag te leveren, zoudt gij zekerlijk die bepaling hebben geschonden
[738]; maar gij werdt, zonder eenige voorafgaande bepaling, tot den
strijd gebracht, opdat God de zaak zou vervullen, welke hij besloten
had te doen plaats hebben. 44. Opdat degeen die omkwam, zou omkomen,
na een blijkbare aanwijzing, en hij die het moest overleven, door
hetzelfde teeken leven mocht. God hoort en weet alles. 45. Herinner u,
toen uw Heer den vijand in uwen slaap en weinig in getal aan u deed
verschijnen [739]; en indien hij u dien in grooten getale had doen
verschijnen, zoudt gij den moed verloren en daarover getwist hebben
[740], maar God behoedde u daarvoor; want hij kent de binnenste
deelen van de borst der menschen. 46. En toen hij hem zich voor u
deed vertoonen, deed hij hem weinig talrijk voor uwe oogen schijnen;
hij verminderde het getal in uwe oogen, opdat God de zaak zou mogen
vervullen, welke hij besloten had te doen; en tot God zullen alle
dingen terugkeeren. 47. O ware geloovigen! indien gij een deel der
ongeloovigen ontmoet, weest onverwrikbaar en gedenkt God dikwijls,
opdat gij voorspoedig zoudt mogen zijn. 48. En gehoorzaamt God en zijn
gezant, en weest niet verdeeld; daardoor zoudt gij ontmoedigd worden,
en al uw welslagen hangt van u af; maar volhardt met geduld; want God
is met hen die volharden. 49. En weest niet als zij, die onbeschaamd
hunne huizen verlieten en met pralen onder de menschen verschenen, en
van den weg van God afwenden; want God begrijpt wat zij doen. 50. En
gedenkt, toen satan hunne daden voor hen vooraf beschikte [741] en
zeide: Niemand zal u heden overwinnen; en ik zal zeker nabij zijn,
om u te helpen. Maar toen de beide legers elkander in het gezicht
kwamen, wendde hij hun den rug toe, zeggende: Waarlijk, ik bemoei
er mij niet mede, ik zie wat gij niet ziet, ik vrees God, want God
is gestreng in het straffen [742]. 51. Toen de huichelaars, en zij
in wier harten een gebrek zetelde, zeiden: Hun geloof verblindt hen
[743]. Maar hij die zijn vertrouwen in God stelt, weet dat hij machtig
en wijs is. 52. En zoo gij hadt gezien toen de engelen de ongeloovigen
doodden; toen sloegen zij hunne aangezichten en hunne ruggen [744]
en zeiden tot hen: Gevoelt gij de pijn der verbranding? 53. Dit
zult gij ondergaan, om hetgeen uwe handen voor u hebben verricht,
en omdat God niet onrechtvaardig omtrent zijne dienaren is. 54. Hun
lot gelijkt dat van het volk van Pharao en der ongeloovigen, die
hen zijn voorafgegaan. God verdelgt hen om hunne zonden. God is
sterk en gestreng in zijne straffen. 55. Dit is geschied, omdat
God de weldaden niet verandert, waarmede hij de menschen overlaadt,
zoolang zij niet veranderen wat in hunne zielen is, en hetwelk God
alles hoort en ziet. 56. Zij hebben gehandeld evenals het volk van
Pharao en evenals zij die het vooraf gingen; die de teekens van
hunnen Heer loochenden. Daarom verdelgden wij hen in hunne zonden
en wij overstroomden het volk van Pharao; want zij waren allen
zondaren. 57. Waarlijk de slechtste dieren in Gods oog zijn zij, die
hardnekkige ongeloovigen zijn, en niet willen gelooven. 58. Evenals
zij, die een verbond met u aangaan en later hun verbond bij iedere
geschikte gelegenheid schenden en God niet vreezen. 59. Indien gij hen
in den strijd gevangen neemt, verstrooi hen en stel een voorbeeld voor
hen die na hen zullen komen, opdat zij gewaarschuwd mogen zijn. 60. Of
indien gij eenig verraad van een volk vreest, verwerp zijn verbond
en behandel het dan op gelijke wijze; want God bemint de verraders
niet. 61. En denkt niet [745] dat de ongeloovigen Gods wraak ontgaan;
want zij zullen Gods macht niet verminderen. 62. Verzamel dus alle
krachten die gij tegen hen hebt, en troepen paarden, waarmede gij den
vijand Gods moogt verschrikken, en ook uw vijand en alle ongeloovigen
buiten hen, welke gij niet kent, maar die God kent. En wat gij voor
de verdediging van Gods geloof besteedt, zal u worden terug betaald
en gij zult niet onrechtvaardig worden behandeld. 63. Indien zij
tot vrede overhellen, zult gij mede daartoe neigen, en stel uw
vertrouwen in God; want hij hoort en weet alles. 64. Maar indien
zij trachten u te verraden, dan zal God uw helper zijn. Hij is
het, die u door zijne ondersteuning heeft geholpen en door die der
geloovigen, en hij heeft hunne harten vereenigd. Indien gij alle
rijkdommen der aarde zoudt hebben verspild, zoudt gij hunne harten
niet hebben kunnen vereenigen, maar God vereenigt hen; want hij is
almachtig en wijs. 65. O profeet! God is uw steun, en die der ware
geloovigen welke u volgen [746]. 66. O profeet! zet de geloovigen
tot oorlog aan; indien twintig uwer volhardend zijn, zullen zij twee
honderd overwinnen, en indien er een honderd van u zijn, zullen zij
duizend overwinnen van degenen die niet gelooven, daar zij een volk
zijn dat niet begrijpt. 67. God heeft uwe taak gemakkelijk gemaakt;
want hij weet dat gij zwak waart. Indien er een honderd van u zijn
die volharden, zullen zij twee honderd overwinnen, en indien er
duizend van u zijn zullen zij tweeduizend [747] overwinnen, door
Gods verlof; want God is met hen die volharden. 68. Het was nimmer
een profeet gegeven, gevangenen te maken zonder groote slachtingen
op aarde te doen plaats hebben [748]. Gij verlangt het goede dezer
wereld, en God wil u dat der volgende geven; want God is machtig
en wijs. 69. Indien u vooraf geene openbaring van God ware gegeven,
zou u eene strenge straf zijn opgelegd voor het losgeld, dat gij van
de gevangenen te Bedr [749] hebt verkregen. 70. Eet dus van hetgeen
gij hebt verworven, van hetgeen geoorloofd en goed is; want God is
barmhartig en genadig. 71. O profeet! zeg tot de gevangenen die in
uwe handen zijn: Indien God weet, dat er eenig goed in uwe harten
is, zal hij u beter geven dan hetgeen van u werd genomen en hij zal
u vergeven; want God is genadig en barmhartig. 72. Maar indien zij
trachten u te bedriegen [750], waarlijk, dan hebben zij God bedrogen;
daarom heeft hij u de macht over hen gegeven, en God is alwetend en
wijs. 73. Zij die geloofd hebben en hun land zijn ontvlucht, en hunne
bezittingen en hunne personen aan den strijd, voor den godsdienst
van hunnen Heer, wijdden, en zij die den profeet eene schuilplaats
hebben verleend en hem hebben bijgestaan, zullen als elkanders naaste
bloedverwanten worden beschouwd [751]. Maar zij die geloofd hebben en
hun land niet zijn ontvlucht, zullen geene bloedverwanten van u zijn,
tot zij hunne woningen eveneens hebben verlaten. Maar indien zij uwe
hulp voor het geloof inroepen, zult gij die verleenen, tenzij het tegen
degenen mocht wezen, die uwe bondgenooten zijn; en God ziet wat gij
doet. 74. Laat de ongeloovigen elkanders bloedverwanten zijn. Zoo
lang gij dit niet ook doet, zullen er wanorde en groote plagen
over de aarde heerschen. 75. Maar zij die geloofd en hunne woningen
verlaten, en voor des Heeren waren godsdienst hebben gestreden, en
den profeet eene schuilplaats verleend en hem ondersteund hebben,
deze zijn waarlijk geloovigen, zij zullen vergiffenis en edelmoedige
ondersteuning ontvangen. 76. En zij, welke sedert dien tijd geloofd en
hunne woningen verlaten hebben, en met u streden, behooren eveneens
tot de uwen. En zij, die door bloedverwantschap verbonden zijn,
zullen, als elkanders naaste bloedverwanten, boven vreemdelingen
worden beschouwd, overeenkomstig Gods boek. God kent alle dingen.



NEGENDE HOOFDSTUK.

DE VERKLARING VAN VRIJSTELLING [752].

Gegeven te Medina.--130 verzen.


1. Eene verklaring van vrijstelling van God en zijn gezant,
aan zoodanige afgodendienaars, met welke gij een verbond hebt
aangegaan. 2. Ga en reis gedurende vier maanden [753] met zekerheid
op aarde, en weet dat gij God niet zult verzwakken, en dat God de
ongeloovigen zal schandvlekken. 3. En eene verklaring van God en zijn
gezant voor het volk, op den dag van den grooteren pelgrimstocht [754],
dat God vrij is, en ook zijn gezant, omtrent de afgodendienaars. Daarom
zal het beter voor u zijn, indien gij berouw betoont; maar indien
gij u afwendt, weet dan, dat gij God niet zult verzwakken. Kondig
den ongeloovigen eene pijnlijke straf aan. 4. Uitgenomen zulke
afgodendienaars waarmede gij een verbond hebt aangegaan, en die dit
later op geenerlei wijze schenden, noch een ander tegen u bijstaan
[755]. Handhaaf dus het verbond dat gij met hen hebt aangegaan, tot
hun tijd zal zijn verloopen; want God bemint hen die hem vreezen. 5. En
wanneer de maanden, waarin het u niet geoorloofd is hen aan te vallen,
zullen zijn verloopen, dood dan de afgodendienaars waar gij hen moogt
vinden; maak hen gevangen, beleger hen en wacht hen op iedere geschikte
plaats op. Maar indien zij berouw mochten betoonen, en de bepaalde
tijden voor het gebed in acht nemen en de voorgeschrevene aalmoezen
geven, stel hen dan in vrijheid; uw God is genadig en barmhartig. 6. En
indien een der afgodendienaars u ondersteuning vraagt, verleen hen die,
opdat hij Gods woord hoore, en voer hem daarna naar eene veilige plaats
[756]. Dit zult gij doen; want zij kennen de uitnemendheid van uwen
godsdienst nog niet. 7. Hoe zouden de afgodendienaars tot een verbond
met God en zijn gezant worden toegelaten, uitgenomen zij met welke gij
een verbond in den heiligen tempel sluit. Zoo lang zij getrouw omtrent
u handelen, handel ook gij getrouw omtrent hen; want God bemint hen,
die hem vreezen. 8. Hoe kunnen zij een verbond met u hebben? Indien
zij de overhand boven u hebben, zullen zij noch ontzag voor uwe
bloedverwantschap, noch voor uw geloof hebben. Zij zullen u met hunne
monden toestemmen, doch hunne harten zullen afkeerig van u wezen;
want het grootste gedeelte hunner zijn snoodaards. 9. Zij verkoopen
Gods teekenen voor een nietigen prijs en versperren zijn weg; voorzeker
het is boos wat zij verrichten. 10. Zij eerbiedigen bij de geloovigen
noch bloedverwantschap noch geloof; en dat zijn de zondaren. 11. Maar
indien zij berouw betoonen, en de bepaalde tijden voor het gebed
in acht nemen, en aalmoezen geven, zullen zij uwe broederen in den
godsdienst zijn. Wij verklaren onze teekens duidelijk voor hen, die
geneigd zijn te begrijpen. 12. Maar indien zij hunne eeden na het
aangaan van hun verbond schenden, en uwen godsdienst aantasten, tast
dan de aanvoerders der ongeloovigen aan (want bij hen bestaat geene
trouw), opdat zij hunne verraderijen staken. 13. Wilt gij niet strijden
tegen hen, die hunne eeden geschonden en samengezworen hebben, om Gods
gezant te verjagen? Zij waren de zondaren. Zoudt gij hen vreezen? Het
is rechtvaardiger, dat gij God vreest, indien gij ware geloovigen
zijt. 14. Valt hen dus aan; God zal hen door uwe handen straffen; hij
zal hen met schaamte bedekken, en zal u de overwinning op hen schenken;
en hij zal de borst genezen van hen die gelooven. 15. En hij zal de
verontwaardiging uit hunne harten wegnemen; want hij zal zich wenden
tot hen, die hem behagen. God is alwetend en wijs. 16. Verbeelddet gij
u, dat gij verlaten zoudt worden, alsof God hen nog niet kende, die
voor zijnen godsdienst streden, en naast God en zijn apostel niemand,
maar de geloovigen tot hunne vrienden kozen? God is wel bekend met
hetgeen gij doet. 17. En waarom zouden de ongeloovigen Gods tempelen
bezoeken? daar zij zelven getuigen van hun ongeloof tegen hunne eigene
zielen zijn. De werken dier menschen zijn ijdel, en zij zullen eeuwig
in de hel verblijven. 18. Maar hij alleen zal Gods tempelen bezoeken,
die in God en den laatsten dag gelooft en volhardend in het bidden
is: die de voorgeschreven aalmoezen geeft en God vreest. Deze zal
misschien tot hen behooren, die op den rechten weg worden geleid
[757]. 19. Rekent gij het reiken van drank aan de bedevaartgangers en
het bezoeken van den heiligen tempel, als daden van dezelfde verdienste
als diegene, welke door hem worden verricht, die in God en den laatsten
dag gelooft en voor Gods eeredienst strijdt? Zij zullen voor God
niet gelijk zijn; want God leidt de onrechtvaardigen niet. 20. Zij
die geloofd hebben en hun land verlieten, en hunne bezittingen en hun
persoon aan de verdediging van Gods waren eeredienst wijdden, zullen
door God op de hoogste trap van eer worden gesteld, en deze zijn het,
die gelukkig zullen wezen. 21. Hun Heer zendt hun goede tijdingen
van genade, van welwillendheid en van tuinen, waar zij bestendige
genoegens zullen smaken. 22. Zij zullen daarin eeuwig verblijven;
want de belooning van God is groot. 23. O ware geloovigen! kiest uwe
vaderen of uwe broeders niet tot uwe vrienden, indien zij ongeloof
boven geloof beminnen; en wie uwer hen tot zijne vrienden mocht kiezen,
zal onder de goddeloozen worden geteld. 24. Zeg: Indien uwe vaderen en
uwe zonen, en uwe broeders en uwe vrouwen, en uwe bloedverwanten en het
vermogen dat gij hebt verworven en uw handel, welks verval gij vreest,
en de woningen waarin gij u beweegt, u dierbaarder zijn dan God en
zijn apostel, en de vooruitgang van zijnen godsdienst, wacht dan tot
God zijn bevel zendt; want God leidt de goddeloozen niet. 25. God
heeft u in verschillende gevechten bijgestaan, en hoofdzakelijk
in den slag van Honein [758], waar gij u in uw groot aantal hebt
verheugd; maar het was u niet voordeelig, en de aarde was u te eng
[759], niettegenstaande zij ruim was; daarop zijt gij heengetrokken
en hebt u afgewend. 26. Later zond God zijn bescherming [760] op zijn
apostel en op de geloovigen neder, en hij zond engelenscharen neder,
die gij niet zaagt, en strafte hen, die niet geloofden; en dit was de
vergelding der ongeloovigen. 27. Hierna zal God zich slechts wenden
tot hen die hem behagen [761]; want God is barmhartig en genadig. 28. O
ware geloovigen! waarlijk de afgodendienaars zijn onrein; laat hen dus
na verloop van dit jaar [762] den heiligen tempel niet naderen. Indien
gij de armoede vreest door het afsnijden van handelsgemeenschap met
hen, zal God u van zijn overvloed verrijken, indien het hem behaagt:
want God is alwetend en wijs. 29. Strijdt tegen degenen, die noch aan
God: noch aan den jongsten dag gelooven [763], en niet verbieden wat
God in zijn apostel hebben verboden, en den waren godsdienst niet
belijden van hen, aan wie de schriften werden geopenbaard, tot zij
door het recht van onderwerping schatting hebben betaald [764], en
zij vernederd zijn. 30. De Joden zeggen: Ozaïr is de zoon van God,
en de Christenen zeggen Christus is de zoon van God [765]. Dat is
wat zij met hunne monden zeggen. Zij bootsen de taal na van hen,
die in vroegere tijden ongeloovigen waren. Dat God hun den oorlog
aandoe. Hoe dwaas zijn zij! 31. Zij kiezen hunne priesters en hunne
monniken tot hunne heeren naast God [766], benevens Christus, de zoon
van Maria, hoewel het hun is geboden, slechts één God te aanbidden;
en er is geen God buiten hem. Het zij verre van hem wat zij met hem
vereenigen. 32. Zij trachten het licht van God door hunne monden
uit te blusschen; maar God wil slechts zijn licht volmaken, hoewel
de ongeloovigen daarvan een afkeer hebben. 33. Hij is het, die zijn
apostel met de leiding en den waren godsdienst heeft gezonden, opdat
hij zijnen voorrang boven iederen anderen godsdienst zou aantoonen,
hoewel de afgodendienaars er afkeerig van mogen zijn. 34. O ware
geloovigen! waarlijk, velen der priesters en monniken verteren het
vermogen der menschen in ijdelheid [767] en versperren den weg van
God. Maar hun, die goud en zilver verzamelen en het niet voor den
vooruitgang van Gods waren dienst gebruiken, verkondig eene gestrenge
straf. 35. Op den dag des oordeels zullen hunne schatten sterk verhit
worden in het vuur der hel, en hunne voorhoofden en hunne zijden en
hunne ruggen zullen daarmede gebrandmerkt worden, en hunne pijnigers
zullen hun zeggen: Dit zijn de schatten, welke gij voor uwe ziel
hebt vergaderd. Proef dus wat gij hebt verzameld. 36. Het volkomen
getal van Gods maanden is twaalf [768], die door Gods boek [769]
werden ingesteld, op den dag, dat hij de hemelen en de aarde schiep:
vier daarvan zijn geheiligd. Dit is de ware godsdienst. Handel hierin
dus niet onrechtvaardig met u zelven. Maar val de afgodendienaars in
alle maanden aan, daar zij u evens in alle maanden aanvallen, en weet,
dat God met degenen is die hem vreezen. 37. Waarlijk, het overbrengen
van een geheiligde maand op eene andere maand is eene overmaat van
ongeloof. De ongeloovigen zijn daardoor in eene dwaling gebracht;
zij staan toe, dat een maand in het ééne jaar worde geschonden,
en verklaren die in een ander jaar voor heilig, opdat zij het getal
maanden zouden volmaken, die volgens Gods bevel heilig moeten gehouden
worden; en zij veroorloven, wat God verboden heeft. Het slechte hunner
daden is hun door den Satan bereid; want God leidt de ongeloovigen
niet. 38. O ware geloovigen! wat scheelde u, dat, toen men u zeide:
vertrekt, om voor Gods eeredienst te strijden, gij u als bewaard ter
aarde hebt gebogen? Verkiest gij het tegenwoordige leven boven het
volgende? Maar de genietingen van dit leven zijn slechts onbeduidend
in vergelijking met die van het volgende. 39. Indien gij niet vertrekt
als gij ten oorlog wordt opgeroepen, zal God u met eene gestrenge
straf tuchtigen, en hij zal een ander volk op uwe plaats stellen [770],
hetgeen hem volstrekt niet zal deren; want God is almachtig. 40. Indien
gij den profeet niet bijstaat, waarlijk, dan zal God hem bijstaan, zoo
als hij dat vroeger deed, toen de ongeloovigen hem uit Mekka verdreven,
den tweede van de twee [771], toen zij beiden in het hol waren. Toen
zeide hij tot zijne gezellen: Weest niet bedroefd; want God is met
ons. En God zond zijne zekerheid op hem neder en versterkte hem met
legers en engelen, die gij niet zaagt. En hij vernederde het woord
van hen, die niet geloofden en Gods woord werd verheven; want God
is machtig en wijs. 41. Trekt ten strijd, lichten en zwaren [772],
en wijdt uwe bezittingen en uwe personen aan den vooruitgang van Gods
geloof. Dit zal beter voor u zijn, dat gij het weet. 42. Indien het
een nabij gelegen voordeel of eene gemakkelijke reis ware geweest,
zouden zij u zeker zijn gevolgd; maar de weg scheen hun lang, en
thans zweren zij bij God, zeggende: Indien wij daartoe in staat
waren geweest, zouden wij u zeker hebben gevolgd. Zij vernietigen
hunne eigene zielen; want God weet dat zij leugenaars zijn. 43. God
vergeve het u! waarom gaaft gij hun verlof te huis te blijven [773],
voor dat het u was bewezen, dat zij waarheid spraken, en voor dat gij
de leugenaars kendet? 44. Zij, die in God en den jongsten dag gelooven,
zullen u geen verlof vragen om er van ontslagen te worden, hun vermogen
en hunne personen aan den vooruitgang van Gods waar geloof te wijden;
en God kent hen, die hem vreezen. 45. Waarlijk, zij alleen zullen u
verlof vragen, die niet in God en den jongsten dag gelooven en wier
harten nopens het geloof twijfelen; terwijl zij in hunnen twijfel
heen en weder worden geslingerd. 46. Indien zij geneigd zouden zijn
geweest, met u te vertrekken, zouden zij zekerlijk voor dat doel
een voorraad van wapens en benoodigdheden hebben gereed gemaakt;
maar God was er afkeerig van, hen te laten vertrekken; hij heeft hen
traag gemaakt en hij zeide tot hen: zit stil met hen die stil zitten
[774]. 47. Indien zij met u waren vertrokken, zouden zij slechts een
last voor u geweest zijn, en heen en weder geloopen, en tot opstand
aangezet hebben; en er zouden sommigen onder u zijn geweest, die
hun gehoor zouden gegeven hebben; maar God kent de boozen. 48. Reeds
vroeger trachtten zij opstand te veroorzaken [775], en zij verwarden
uwe zaken, tot de waarheid verscheen en Gods bevel duidelijk werd
gemaakt, hoewel zij er afkeerig van waren. 49. Sommigen van hen
zeggen tot u: Geef mij verlof achter te blijven, en stel mij aan geene
verzoeking bloot. Zijn zij er niet reeds toe vervallen? Maar de hel zal
de ongeloovigen verwoesten. 50. Indien gij met geluk wordt bedeeld,
bedroeft het hun, maar indien u een ongeluk overkomt, zeggen zij:
Wij hebben onze maatregelen vooraf genomen, en zij wenden zich af,
en verheugen zich, dat gij ongelukkig zijt. 51. Zeg: Niets zal ons
overkomen, dan wat God over ons heeft besloten; hij is onze schuts,
en in God stelt de geloovige zijn vertrouwen. 52. Zeg: Verwacht gij
dat ons iets anders zal overkomen, dan een der twee uitmuntendste
dingen, overwinning of martelaarschap? Maar wij verwachten omtrent u,
dat God u eene straf oplegt, hetzij van hem zelven of door onze handen
[776]. Wacht dus, om te zien wat het einde zal zijn; want wij zullen op
u wachten. 53. Zeg: Besteedt uw geld, zoowel vrijwillig als gedwongen,
voor vrome doeleinden; het zal niet van u worden aangenomen daar gij
goddeloozen zijt. 54. En niets verhindert hunne gaven aan te nemen,
dan dat zij niet in God en zijn apostel gelooven, en dat zij het gebed
niet anders dan onachtzaam verrichten, en hun geld voor Gods geloof
slechts onwillig besteden. 55. Laten hunne rijkdommen of hunne kinderen
u dus niet verwonderen. Waarlijk, God wil hen slechts door die zaken
op deze wereld straffen, en dat hunne zielen hen verlaten, tijdens zij
ongeloovigen zijn. Zij zweren bij God, dat zij tot de uwen behooren,
maar zij behooren niet tot u; doch zij vreezen. 56. Indien zij een
toevluchtsoord, of holen, of een onderaardsch gewelf vinden, wenden
zij zich af en begeven zich zoo spoedig mogelijk daarheen. 58. Er zijn
ook onder hen, die slechte berichten omtrent u verspreiden, nopens uwe
uitdeeling van aalmoezen; maar indien zij een deel daarvan ontvangen,
zijn zij wel tevreden, doch indien zij geen deel daarvan ontvangen,
onthoudt het, zijn zij toornig. 59. Maar indien zij tevreden waren
geweest met datgene, wat God en zijn apostel hun hebben gegeven,
en zoo zij gezegd hadden: God is onze steun; God zal ons van zijn
overvloed geven, evenals zijn Profeet, en wij begeeren slechts God:
waarlijk het zou beter voor hen geweest zijn. 60. Aalmoezen moeten
alleen uitgereikt worden aan de armen, de hulpbehoevenden [777] en aan
hen, welke gebruikt worden om die te verzamelen en te verdeelen, en
aan hen wier harten voor den Islam gewonnen zijn; voor het vrijkoopen
van slaven, en aan hen die schuld hebben en niet betalen kunnen;
voor de bevordering van Gods geloof en aan den reiziger. 61. Dit
is een bevel van God, en God is alwetend en wijs. Er zijn sommigen
onder hen, die den profeet belasteren en zeggen: Hij is een oor
[778]. Antwoord: Hij is een goed oor voor u [779]; hij gelooft in God
en hij vertrouwt den geloovige. 62. En hij is eene genade voor degenen
van u, die gelooven. Maar zij die Gods apostel beleedigen, zullen
eene smartelijke straf ondergaan. 63. Zij zweren u bij God, dat zij
u zouden willen behagen; maar het zou beter zijn dat zij Gode en zijn
apostel behaagden, indien zij ware geloovigen zouden zijn. 64. Weten
zij niet, dat hij, die God en zijn apostel weêrstand biedt, zonder
twijfel met het vuur der hel gestraft worden, en daarin voor eeuwig
verblijven zal? Dit is eene groote schande. 65. De huichelaars
vreezen, dat eene Soera nopens hen mocht worden geopenbaard, om
hun te verklaren, wat zich in hunne harten bevindt. Zeg tot hen:
Gij spot, maar God zal zekerlijk aan het licht brengen, wat gij
vreest te zien openbaren. 66. En indien gij hun de reden van deze
bespotting vraagt, zeggen zij: Waarlijk, wij spraken slechts met
elkander en schertsten onder ons. Zeg: spot gij met God en zijne
teekens en met zijn apostel? 67. Tracht niet u te verontschuldigen;
gij zijt ongeloovigen geworden, na geloofd te hebben. Indien wij
een deel uwer vergeven, zullen wij een ander deel straffen, daar
zij boozen waren. 68. Huichelende mannen en vrouwen zetten elkander
wederkeerig aan; zij gebieden wat slecht is, en verbieden wat goed is,
en sluiten hunne handen om geene aalmoezen te geven. Zij hebben God
vergeten; daarom heeft God ook hen vergeten: waarlijk de huichelaars
zijn goddeloozen. 69. God bedreigt de huichelaars, zoowel mannen
als vrouwen, en de ongeloovigen met het vuur der hel; eeuwig zullen
zij daarin blijven; dit zal hun verdiende loon zijn. God heeft hen
vervloekt, en zij zullen eene voortdurende pijniging ondergaan. 70. Gij
handelt evenals zij, die vóór u bestonden. Zij waren sterker dan
gij en hadden meer overvloed van rijkdommen en van kinderen; en zij
genoten van hun vermogen in deze wereld, evenals gij, die uw vermogen
hier geniet, gelijk zij, die u vooraf gingen, hun vermogen genoten. En
gij mengt u in ijdele gesprekken, evenals zij zich daarin mengden. De
daden van dezen zijn ijdel, zoowel in deze als in de volgende wereld,
en zij zijn het die verloren gaan. 71. Waart gij niet bekend met de
geschiedenis van hen, die vóór hen bestonden? Van het volk van Noach,
van Ad en van Themoed, en van het volk van Abraham, en van de bewoners
van Madian, en van de steden die verwoest werden [780]? Hunne apostelen
kwamen tot hen met duidelijke aanwijzingen, en God was niet geneigd
hen onrechtvaardig te behandelen; maar zij handelden onrechtvaardig
met hunne eigene zielen. 72. En de geloovige mannen en de geloovige
vrouwen zijn elkanders vrienden. Zij bevelen wat rechtvaardig is
en verbieden wat slecht is, en zij zijn volhardend in het gebed,
en reiken de vastgestelde aalmoezen uit, en zij gehoorzamen Gode en
zijne gezanten. Voor hen zal God genadig zijn; want hij is machtig en
wijs. 73. God beloofde den waren geloovigen, zoowel mannen als vrouwen,
tuinen door rivieren besproeid, waarin zij eeuwig zullen verblijven;
hij beloofde hun heerlijke woningen in de tuinen van eeuwig verblijf
[781]; maar Gods goede gezindheid zal hunne uitnemendste belooning
zijn. Dat zal een groot heil wezen. 74. O Profeet! onderneem den
oorlog tegen de ongeloovigen en de huichelaars, en wees gestreng
omtrent hen; want hunne woning zal de hel zijn. Welk een ongelukkig
verblijf! 75. Zij zweren bij God, dat zij niet zeiden waarvan zij
worden beschuldigd, en toch hebben zij het woord van ongeloovigheid
geuit en werden ongeloovigen, nadat zij den Islam hadden omhelsd. En
zij vormden een plan, maar konden het niet volvoeren; en zij vormden
het niet, dan omdat God en zijn gezant hen door hunne goedheid hebben
verrijkt [782]. Indien zij zich bekeeren, zal het beter voor hen zijn;
maar indien zij terugtrekken, zal God hen met eene strenge pijniging
straffen, zoo wel in deze als in de volgende wereld, en zij zullen
noch eenen schuts op aarde noch eenen beschermer hebben. 76. Er
zijn sommigen van hen die een verbond met God hebben aangegaan,
zeggende: Waarlijk, indien hij ons van zijnen overvloed geeft,
zullen wij aalmoezen schenken en rechtvaardigen worden. 77. Maar
toen hij hun van zijn overvloed had gegeven, werden zij gierig,
keerden zich om en wendden zich ver weg. 78. Daarom liet God
huichelarij in hunne harten opvolgen, tot den dag dat zij voor hem
zullen verschijnen, om rekenschap te geven van hunne schending der
beloften, die zij Gode hebben gedaan, en omdat zij bedriegelijk hebben
gehandeld. 79. Weten zij dan niet, dat God kent wat zij verbergen en
hunne onderlinge gesprekken, en dat God alle geheimen kent? 80. Zij die
de geloovigen belasteren wegens de onverplichte aalmoezen, of omdat
dezen daaraan niet dan met veel moeite kunnen voldoen, en hen daarom
bespotten, God zal hen bespotten en zij zullen eene gestrenge straf
ondergaan. 81. Of gij al dan niet vergiffenis voor hen vraagt, het zal
gelijk zijn. Indien gij zeventig maal vergiffenis voor hen vraagt, zal
God hun op geenerlei wijze vergeven [783]. Dit is omdat zij niet in God
en zijn gezant gelooven; en God leidt de goddeloozen niet. 82. Zij die
bij de expeditie van Taboec te huis bleven, waren verblijd achter den
profeet te blijven, en ongeneigd hunne bezittingen en hunne personen
te wagen voor den vooruitgang van Gods waren godsdienst, en zij zeiden
onderling: Trek niet in de hitte op. Zeg: het hellevuur zal heeter
zijn; indien zij dit maar begrepen! 83. Laat hen dus weinig lachen;
zij zullen des te meer weenen, als eene vergelding voor hetgeen zij
hebben gedaan. 84. Indien God u terugbrengt tot sommigen van hen,
en zij u verlof vragen, met u ten oorlog te mogen trekken; zeg dan:
Gij zult niet met mij vertrekken; nimmer zult gij een vijand met mij
bekampen: het behaagde u de eerste maal te huis te blijven; zit dus
thans te huis met hen die achterblijven. 85. Nimmer zult gij voor een
van hen die gestorven is, bidden; sta nimmer bij zijn graf stil [784],
omdat zij niet in God en zijn gezant geloofden, en in hunne boosheid
stierven. 86. Laten hunne rijkdommen en hunne kinderen uwe verwondering
niet opwekken; Gods bedoeling is alleen hen daardoor in deze wereld
te straffen en hen door hunne zielen te doen verlaten, terwijl zij
ongeloovigen zijn. 87. Indien eene Soera [785] wordt nedergezonden,
waarin gezegd wordt: Geloof in God en trek ten oorlog met zijn gezant,
vragen de rijksten onder hen u verlof om achter te blijven, en zeggen:
Sta ons toe tot hen te behooren, die te huis blijven. 88. Zij zijn
er toe geneigd, met hen achter te blijven, en hunne harten zijn
verzegeld; daarom begrijpen zij niet. 89. Maar de gezant en zij die
met hem hebben geloofd, wagen hunne bezittingen en hun leven om God
te dienen; zij zullen de geneugten van het volgende leven smaken
en gelukkig zijn. 90. God heeft tuinen voor hen gereed gemaakt,
met rivieren doorsneden; eeuwig zullen zij daarin blijven. Dit zal
eene groote zaligheid zijn. 91. En zekere Arabieren van de woestijn
kwamen om zich te verontschuldigen, en baden, dat zij achter mochten
blijven. Zij die God en zijn gezant van logen hadden beschuldigd,
bleven te huis. Maar eene pijnlijke straf zal hun worden opgelegd die
niet gelooven. 92. Zij die zwak, of door ziekte aangetast zijn, of zij
die geene middelen hebben om tot den oorlog bij te dragen [786], zullen
geene zonde doen indien zij te huis blijven, zoo zij zich geloovig
omtrent God en zijn gezant gedragen. Hun die rechtvaardig zijn, zal
geen kwaad geschieden; want God is genadig en barmhartig. 93. Noch
hun die u zijn komen verzoeken, hun benoodigdheden (rijdieren) voor
de reis te verschaffen, en die, toen gij hebt geantwoord: Ik heb geene
benoodigdheden om u te geven, terugkeerden met de tranen in de oogen,
uit verdriet dat zij geene middelen konden vinden om tot den tocht
bij te dragen [787]. 94. Maar er bestaat reden van gisping voor hen,
die u verlof vragen, te huis te mogen blijven, als zij rijk zijn. Het
behaagt hun met degenen te zijn, die achterblijven, en God heeft
hunne harten dichtgezegeld; daarom begrijpen zij niet. 95. Zij zullen
zich bij u verontschuldigen, als gij tot hen zijt teruggekeerd; zeg:
Verontschuldigt u niet; wij zullen u op geenerlei wijze gelooven. God
heeft ons met uw gedrag bekend gemaakt, en God zal op uwe daden acht
geven en ook zijn gezant, en hierna zult gij voor hem gebracht worden,
die weet wat verborgen en wat duidelijk is, en hij zal u verklaren wat
gij hebt bedreven. 96. Zij zullen, als gij tot hen zijt teruggekeerd,
u bij God bezweren, dat gij hen alleen zult laten [788]. Laat hen dus
alleen; want zij zijn afschuwelijk, en de hel zal hunne woning zijn,
als eene vergelding voor hetgeen zij hebben bedreven. 97. Zij zullen u
bezweren, dat gij welwillend omtrent hen moogt zijn; maar indien gij
welwillend omtrent hen zijt, waarlijk, dan zal God niet welwillend
zijn omtrent degenen die slecht handelen. 98. De Arabieren van de
woestijn zijn nog hardnekkiger in hun ongeloof en hunne huichelarij;
en het is gemakkelijker voor hen, onbekend te zijn met de bevelen
van hetgeen God Zijnen gezant heeft nedergezonden [789] en God
is alwetend en wijs. 99. Onder de Arabieren van de woestijn zijn
er die, wat zij voor God hebben besteed, als eene schatting [790]
rekenen te zijn, en wachten dat u eene wisseling der fortuin [791]
mocht overkomen. Eene wisseling ten kwade zal over hen komen; want
God hoort en weet alles. 100. En onder de Arabieren van de woestijn
zijn er, die in God en den jongsten dag gelooven en die, hetgeen voor
God wordt besteed, als een middel achten, om nader tot God gebracht
te worden en de geboden van den gezant te verwerven. Is het middel
tot die nadering niet in hunne handen? God zal hen in zijne genade
opnemen; want God is barmhartig en genadig. 101. Wat de leiders en
de hoofden der Mohajerin en de Ansars betreft, en degenen die hen in
het uitoefenen van weldaden, hebben gevolgd, God is voldaan over hen,
en zij zijn voldaan over hem, en hij heeft tuinen voor hen bereid
met rivieren doorsneden. Eeuwig zullen zij daarin verblijven. Dit zal
eene groote zaligheid zijn. 102. Onder de Arabieren van de woestijn,
die rondom u wonen, zijn huichelachtige personen [792], en onder
de bewoners van Medina zijn sommigen die hardnekkig in huichelarij
zijn. Gij kent hen niet, o profeet! maar wij kennen hen; wij zullen
hen zekerlijk tweemaal straffen [793]; daarna zullen zij tot eene
pijnlijke kastijding verwezen worden. 103. Anderen nebben hunne
misdaden bekend; zij hebben eene goede daad met eene andere vermengd,
die slecht is; misschien zal God zich tot hen wenden; want God is
barmhartig en genadig. 104. Neem aalmoezen van hunne bezittingen aan,
opdat gij hen moogt zuiveren en van hunne zonden reinigen; bid voor
hen; want uwe gebeden zullen hen gerust stellen, en God hoort en
weet alles. 105. Weten zij niet, dat God boete van zijne dienaren
en aalmoezen aanneemt, en dat God geneigd tot vergeven en barmhartig
is? 106. Zeg tot hen: Handelt zooals gij wilt, maar God ziet uw werk,
evenals zijn gezant en de ware geloovigen, en gij zult gebracht
worden voor hem, die alles kent wat geheim gehouden en wat openbaar
gedaan wordt, en hij zal u verklaren wat gij hebt bedreven. 107. Er
zijn anderen, die met verlangen Gods besluit afwachten, hetzij hij
hen zal straffen, of dat hij zich tot hen zal wenden; maar God is
alwetend en wijs. 108 Er zijn sommigen die een tempel hebben gebouwd
om de geloovigen te schaden en ongeloof voort te planten; om verdeeling
tusschen de ware geloovigen te zaaien en als eene hinderlaag voor hen,
die in vroegeren tijd tegen God en zijn gezant hebben gestreden; en
zij zweren, zeggende: Waarlijk, wij hebben geen ander doel dan goed te
handelen; maar God is getuige, dat zij zekerlijk liegen. 109. Zet daar
nimmer den voet om te bidden. Er is een tempel, sedert den eersten
dag van zijn bouw op godsvrucht gegrondvest [794]. Het is beter dat
gij daar den voet zet om te bidden; daarin zijn menschen, die er naar
haken, gezuiverd te worden; want God bemint den reine. 110. Is dus
hij beter, die zijn gebouw op Gods vrees heeft gesticht en om hem te
behagen, of hij, die zijn gebouw heeft gesticht op den rand van eene
zandbank, die door de wateren wordt weggespoeld, zoodat die met hem in
het hellevuur stort? God leidt de goddeloozen niet. 111. Hun gebouw,
dat zij gesticht hebben, zal niet ophouden eene aanleiding tot twijfel
in hunne harten te zijn, tot hun hart in stukken is gesneden [795];
en God is alwetend en wijs. 112. Waarlijk, God heeft van de ware
geloovigen hunne zielen en hunne bezittingen aangekocht, waartegen
hij hun de geneugten van het paradijs zal schenken, op voorwaarde, dat
zij voor Gods zaak zullen strijden tenzij zij dooden of gedood worden;
de belofte daarvan wordt verzekerd door de wet, het evangelie en den
Koran. En wie komt zijne verbintenis getrouwer na dan God? Verheug u
dus in de verbintenis, welke gij hebt aangegaan. Dit zal eene groote
gelukzaligheid zijn. 113. De berouwvollen en zij die God dienen en
hem loven, en vasten en nederbuigen en aanbidden, en datgene bevelen
wat rechtvaardig is, en verbieden wat slecht is, en de bevelen van
God nakomen, zullen eveneens met het paradijs worden beloond: breng
dus goede tijdingen tot de geloovigen. 114. Het is den profeet niet
geoorloofd, noch hun die ware geloovigen zijn, voor afgodendienaars
te bidden, zelfs indien zij tot hunne bloedverwanten behooren, nadat
het hun bekend is geworden, dat zij bewoners der hel zullen zijn
[796]. 115. Ook Abraham vroeg geene vergiffenis voor zijn vader,
anders dan ter voldoening eener belofte, welke hij hem had gedaan
[797]; maar toen het hem bekend werd, dat deze een vijand van
God was, onttrok hij zich daaraan [798], en waarlijk, Abraham was
meêdoogend en menschelijk. 116. God is niet geneigd een volk in
dwaling te leiden [799], nadat hij het ten goede heeft geleid, dan
nadat hij heeft verklaard wat het heeft te vermijden; want God is
alwetend. 117. Waarlijk aan God behoort de heerschappij van hemel
en aarde; hij schenkt leven en hij doet sterven, en gij hebt geen
schuts of helper naast God. 118. God heeft den profeet vergeven en
den Mohajerin en Ansars, die hem in de ure des gevaars volgden, toen
de harten van een groot deel hunner zoo nabij het afdwalen waren;
daarna wendde hij zich tot hen; want hij was meêdoogend en genadig
omtrent hen. 119. Ook is hij verzoend met de drie die achter bleven
[800], zoodat de aarde, hoe ruim zij ook is, te beperkt voor hen werd,
en hunne lichamen te klein werden voor hunne zielen, en zij kwamen
tot de overtuiging, dat er tegen God geen schuilplaats was, tenzij
men zijne toevlucht tot hem nam. Hij wendde zich daarop tot hen,
opdat zij berouw mochten gevoelen; want God is vergevingsgezind
en genadig. 120. O ware geloovigen! vreest God en weest met de
oprechten. 121. Er bestond geene reden waarom de bewoners van Medina
en de Arabieren van de woestijn, die rondom hen wonen, achter Gods
gezant zouden blijven staan, of zich boven hem zouden verheffen. Dit
is onredelijk, daar zij niet door dorst of vermoeienis of honger
werden geteisterd, bij de verdediging van Gods waren godsdienst;
naardien zij geen stap deden die de ongeloovigen kon vertoornen;
naardien zij van de zijde van den vijand niets ondervonden, wat hun
niet voor eene goede daad werd aangerekend; want God duldt niet dat
de belooning der rechtvaardigen verloren ga. 122. En zij dragen
geene som bij, hetzij klein of groot; zij trekken geen stroom
door, of het wordt voor hen opgeteekend; opdat God hen met eene
belooning beschenke, die datgene zal overtreffen, wat zij gedaan
hebben. 123. De geloovigen zijn niet verplicht allen te gelijk ten
strijde te trekken. Indien een deel van iederen stam niet vertrekt,
geschiedt dit om zich met ijver in hunnen godsdienst te onderrichten
[801], en om hun volk te vermanen, indien zij terugkeeren, opdat het
volk op zijne goede zij. 124. O ware geloovigen! voert oorlog tegen de
ongeloovigen die u nabij zijn [802] en laten zij u gestreng vinden,
en weet dat God met degenen is die hem vreezen. 125. Als eene Soera
wordt nedergezonden, zijn er sommigen van hen die zeggen: kan dit
uw geloof vermeerderen? Zij zal het geloof vermeerderen van hen die
gelooven, en zij zullen zich verblijden. 126. Maar bij hen, wier
harten gebrekkig zijn, zal de tegenwoordige twijfel nog vermeerderd
worden, en zij zullen in hun ongeloof sterven. 127. Zien zij niet,
dat zij ieder jaar eens of tweemaal worden beproefd [803]. En toch
hebben zij geen berouw en overwegen niet. 128. En als eene Soera wordt
nedergezonden, zien zij elkander aan, zeggende: ziet ons iemand? daarna
wenden zij zich af, God zal hunne harten afwenden van de waarheid,
omdat zij niet begrijpen. 129. Thans is een gezant van uw eigen
volk tot u gekomen, een uitmuntend persoon; het is droevig voor hem
dat gij zonden begaat; hij is vol zorg voor u, en medelijdend en
genadig omtrent de geloovigen. 130. Indien zij zich afwenden, zeg:
God is mijn helper; er is geen God buiten hem. Op hem vertrouw ik,
en hij is de Heer van den grootschen troon.



TIENDE HOOFDSTUK.

JONAS [804].

Gegeven te Mekka.--109 verzen.


In naam van den lankmoedigen en barmhartigen God.

1. Elif. Lam. Ra. Dit zijn de teekenen van het wijze boek. 2. Was
het eene vreemde zaak voor de bewoners van Mekka, dat wij onzen
wil aan een hunner [805] hebben geopenbaard, zeggende: Waarschuw
de menschen indien zij niet gelooven, en breng goede tijdingen
aan hen die gelooven, en zeg, dat zij van hunnen Heer de belooning
voor hun geloof zullen ontvangen? De ongeloovigen zeggen: Dit is
duidelijke tooverij. 3. Waarlijk, uw Heer is God, die de hemelen
en de aarde in zes dagen geschapen heeft, en daarop zijnen troon
besteeg om de regeering over alle dingen op zich te nemen. Er is
geen tusschenpersoon, dan met zijn verlof [806]. Dit is God uw Heer:
dien hem dus. Wilt gij dit niet overwegen? 4. Tot hem zult gij allen
terugkeeren, overeenkomstig Gods zekere belofte, want hij doet een
schepsel ontstaan, en daarna doet hij het terugkeeren, opdat hij
degenen die gelooven en doen wat goed is, met rechtvaardigheid zou
kunnen beloonen. Wat de ongeloovigen betreft, zij zullen kokend water
drinken en zullen eene gestrenge straf ondergaan, omdat zij ongeloovig
waren. 5. Hij is het die de zon bevolen heeft des daags te schijnen
en de maan als een licht bij nacht. Hij heeft hare standpunten
bepaald, opdat gij het getal jaren zoudt kennen en de berekeningen
van den tijd. God heeft dit niet zonder doel, maar met waarheid
geschapen. Hij legt zijne teekens hun uit, die begrijpen. 6. En
waarlijk, in de wisseling van dag en nacht, en in alles wat God in
den hemel en op aarde heeft geschapen, zijn teekens voor degenen
die hem vreezen. 7. Zij die niet hopen, ons op den jongsten dag te
ontmoeten, en zich met het tegenwoordige leven tevreden stellen, zich
daaraan met zekerheid toevertrouwen en die onverschillig zijn voor
onze teekens. 8. Hunne woning zal het hellevuur zijn wegens hetgeen
zij hebben bedreven. 9. Maar wat degenen betreft die gelooven en
rechtvaardig handelen, hun Heer zal hen, om hun geloof, leiden; zij
zullen rivieren bezitten die door lusttuinen stroomen. 10. Daar zal
hun gebed zijn: Geloofd zijt gij o God! en daar zal hunne groete [807]
zijn: Vrede! 11. En het einde van hun gebed zal zijn: Geloofd zij God,
de Heer van alle schepselen! 12. Indien God het kwade bij de menschen
wilde verhaasten, zooals hunne begeerte is om het goede te zien
bespoedigen, waarlijk, dan zou hun einde spoedig gekomen zijn; maar wij
laten hen, die ons niet na hunnen dood hopen te zien, zich blindelings
aan hunne dwalingen overgeven. 13. Indien een mensch kwaad overkomt,
bidt hij tot ons, liggende op zijne zijde, of zittende of staande
[808], maar indien wij hem van zijne bedroeving verlossen, vervolgt hij
zijne vroegere levenswijze, alsof hij ons niet had aangeroepen om hem
tegen het kwaad te verdedigen, dat hem was overkomen. Zoo werd dus,
wat de zondaren bedreven, hun voorbereid. 14. Wij hebben vroeger de
geslachten vernietigd die vóór u bestonden, o bewoners van Mekka! toen
gij onrechtvaardig hadt gehandeld, en onze gezanten tot hen waren
gekomen met duidelijke wonderen, en zij niet wilden gelooven. Zoo
vergelden wij de schuldigen. 15. Daarna deden wij u hen op aarde
opvolgen, opdat wij zouden zien, hoe gij wildet handelen. 16. Indien
onze duidelijke teekens hun worden medegedeeld, zeggen degenen,
die niet hopen, ons bij de opstanding te zien: Breng een Koran die
van dezen verschilt, of breng er eenige verandering in. Antwoord:
Het is niet voegzaam voor mij, dat ik dien naar mijn welgevallen zou
veranderen: Ik volg alleen datgene wat mij werd geopenbaard. Waarlijk,
ik vrees de straf van den grooten dag, indien ik mijn Heer ongehoorzaam
zou zijn. 17. Zeg: Indien het Gode had behaagd, zou ik ze (de verzen)
u niet voorlezen en nimmer zou ik u die hebben doen kennen. Ik heb
reeds tot den ouderdom van veertig jaren [809] onder u gewoond,
alvorens ik die ontving. Zult gij het dan niet begrijpen? 18. En
wie is onrechtvaardiger dan hij die eene leugen tegen God uitdenkt,
of zijne teekens van valschheid beschuldigt? Waarlijk, de boozen
zullen geen voorspoed genieten. 19. Zij aanbidden naast God datgene,
wat hun schaden noch bevoordeelen kan, en zij zeggen: Dit zijn onze
tusschenpersonen bij God. Antwoord: Zoudt gij God iets in den hemel of
op de aarde kunnen doen kennen wat hij niet kent? [810]. Geloofd zij
hij! en het zij verre van hem [811], wat gij met hem vereenigt! 20. De
menschen beleden vroeger slechts éénen godsdienst [812], doch zij
werden daarna verdeeld, en indien Gods woord, waardoor hunne straf
werd uitgesteld, niet vooraf geopenbaard ware geworden, zou het
onderwerp hunner geschillen thans beslist zijn. 21. Zij zeggen dat,
zoolang hun geen teeken van hunnen Heer wordt nedergezonden, zij
niet zullen gelooven. Antwoord: Waarlijk, het verborgene is alleen
aan God bekend; wacht dus, en ik zal met u wachten. 22. En toen wij
de bewoners van Mekka onze genade deden proeven, nadat zij door
ongelukken waren overvallen, onthoudt het, dachten zij eene list
tegen onze teekens uit. Zeg hun: God is behendiger in het uitvoeren
eener list dan gij. Waarlijk, onze gezanten schrijven op wat gij
bedriegelijk uitdenkt. 23. Hij is het, die u op de vaste aarde en op
de zee geleidt: als gij u in schepen bevindt en daar mede zeilt door
een gunstigen wind, verheugt gij u daarin. En als hen een ongunstige
wind overvalt en de golven van alle zijden op hen aankomen, en zij
zich door onvermijdelijke gevaren bedreigd zien, roepen zij God
aan met een oprecht geloof, zeggende: Waarlijk, indien gij ons van
dit gevaar bevrijdt, zullen wij dankbaar zijn. 24. Maar toen hij
hen had bevrijd, onthoudt het, gedroegen zij zich boos op aarde,
zonder rechtvaardigheid. O menschen! waarlijk, het geweld dat gij
uwe eigene zielen aandoet, is alleen voor het vermaak van dit leven;
daarna zult gij tot ons terugkeeren en wij zullen u verklaren wat
gij hebt gedaan. 25. Waarlijk, de gelijkenis van het tegenwoordige
leven is niet anders dan water, dat wij van den hemel nederzenden,
en waarmede de voortbrengselen der aarde zijn vermengd, waarvan de
menschen eten en het vee, tot de aarde, na het opslorpen er van, haar
kleed ontvangt en met verschillende planten wordt bedekt. Hare bewoners
verbeelden zich, dat zij er de macht over hebben; maar ons bevel komt
des nachts of bij dag, en dadelijk is het met den oogst, alsof er den
vorigen dag nog niets ware geweest. Zoo leggen wij onze teekens uit,
voor hen die overwegen. 26. God noodigt u tot de woning des vredes
[813] en leidt op den rechten weg wien het hem behaagt. 27. Zij,
die goed handelen, zullen de uitmuntendste belooning ontvangen, en
een overvloedig toevoegsel [814]. Noch zwartheid noch schaamte zal
hun aangezicht bedekken. Zij zullen het paradijs bewonen en daarin
voor eeuwig verblijven. 28. Maar zij die kwaad bedrijven, zullen de
vergelding des kwaads ontvangen, daaraan gelijk, en zij zullen met
schaamte bedekt worden (want zij zullen geen beschermer tegen God
hebben, alsof hunne aangezichten met de diepe duisternis des nachts
bedekt waren. Dezen zullen het hellevuur bewonen; eeuwig zullen zij
daarin blijven. 29. Op den dag der opstanding zullen wij hen allen
verzamelen; daarna zullen wij tot de afgodendienaars zeggen: Gaat
naar uwe plaats, gij en uwe gezellen [815], en wij zullen hen van
elkander scheiden en hunne gezellen zullen tot hen zeggen: Gij hebt
ons niet aangebeden [816]. 30. En God is een toereikend getuige op uwe
aanbidding van ons. 31. Daar zal iedere ziel ondervinden naar hetgeen
zij heeft bedreven, en zij zullen voor God gebracht worden, haren
waren Heer: en de valsche godheden, die zij in ijdelheid uitdachten,
zullen voor hen verdwijnen. 32. Zeg: Wie voorziet u van voedsel uit
den hemel en van de aarde? of wie heeft de volstrekte macht over het
gehoor en het gezicht? en wie brengt het leven uit den dood voort? en
wie regeert alle dingen? Zij zullen zekerlijk antwoorden: God! Zeg:
Wilt gij hem dus niet vreezen? 33. Dit is dus God, uw ware Heer, en
wat blijft er anders, buiten de waarheid, over dan dwaling? Hoe zijt
gij dus van de waarheid afgewend? 34. Zoo heeft zich dit woord van God
bij de boozen bewaarheid, dat zij nimmer zullen gelooven. 35. Zeg:
Is er een van uwe gezellen, die een schepsel voortbrengt en het
daarna tot het niet doet terugkeeren? Zeg: God brengt een schepsel
voort en doet het daarna tot het niet terugkeeren. Hoe hebt gij u
dus van zijn geloof afgewend? 36. Zeg: Is er een van uwe gezellen
die tot de waarheid leidt? Zeg: God geleidt tot de waarheid. Is dus
niet hij meer waardig gevolgd te worden, die tot de waarheid geleidt,
dan hij die niet geleidt, tenzij hij zelf geleid worde? Wat is dus
de oorzaak dat gij zoo oordeelt? 37. En het grootste gedeelte hunner
volgt slechts eene onzekere meening; maar eene meening vervangt de
waarheid geenszins. Waarlijk, God weet wat zij doen. 38. De Koran zou
door niemand hebben kunnen samengesteld worden, behalve door God; het
is eene bevestiging van hetgeen te voren werd geopenbaard, en eene
uitlegging der schrift: daaraan is geen twijfel: hij werd door den
Heer van alle schepselen nedergezonden 39. Zeggen zij: Mahomet is het,
die hem heeft uitgedacht? Antwoord: Brengt dan een hoofdstuk voort
dat daaraan gelijk is, en roept wien gij wilt ter uwer ondersteuning
aan naast God, indien gij waarheid spreekt. 40. Maar zij hebben,
datgene van valscheid beschuldigd, waarvan zij geen begrip hebben;
hoewel de verklaring daarvan tot hen gekomen zij. Evenzoo deden zij,
die vóór hen bestonden en hunne profeten van bedrog beschuldigden:
maar onthoudt wat het einde der onrechtvaardigen was! 41. Er zijn
sommigen van hen, die daaraan gelooven, en er zijn sommigen van hen,
die niet daaraan gelooven [817] en hun Heer kent de boosdoeners
wel. 42. Indien zij u van bedrog beschuldigen, zeg: Ik heb mijn werk
en gij hebt uw werk: gij zult onschuldig zijn aan hetgeen ik doe en
ik zal onschuldig zijn aan hetgeen gij doet. 43. Er zijn sommigen van
hen die naar u luisteren; maar wilt gij de dooven hoorend maken, als
zij niets verstaan? 44. En er zijn sommigen van hen die naar u zien;
maar wilt gij de blinden leiden, als zij niet zien. 45. Waarlijk,
God wil met niemand in eenig opzicht onrechtvaardig handelen;
maar de menschen handelen onrechtvaardig met hunne eigene zielen
[818]. 46. Op zekeren dag zal hij hen allen verzamelen, als waren zij
niet langer gebleven [819] dan één uur van een dag; zij zullen elkander
kennen. Dan zullen zij vergaan, die de ontmoeting met God hebben
geloochend, en niet op den rechten weg werden geleid. 47. Hetzij wij
u een gedeelte der straf doen zien, waarmede wij hen hebben gestraft,
of wij u voor dien tijd doen sterven. Tot ons zullen zij terugkeeren;
daarna zal God getuige zijn van hetgeen zij doen. 48. Aan ieder volk
werd een profeet gezonden, en toen hun profeet kwam, werd het geschil
tusschen hen met eerlijkheid beslist, en zij werden niet onrechtvaardig
behandeld. 49. De ongeloovigen zeggen: Wanneer zullen deze bedreigingen
vervuld worden, indien gij waarheid spreekt? 50. Antwoord: Ik ben noch
in staat om mij zelven voordeel te verschaffen, noch om ongeluk van
mij af te wenden, dan wanneer het Gode behaagt. Voor ieder volk is
een bepaald tijdstip vastgesteld; indien dus hun tijd is verloopen,
zullen zij zelf geen uur uitstel erlangen; maar ook hunne straf zal
nimmer vervroegd worden. 51. Zeg: Verhaal mij, indien u Gods straf bij
nacht of bij dag overvalt, welk gedeelte daarvan zullen de goddeloozen
wenschen verhaast te zien [820]? 52. Als zij op u nederkomt, zult
gij er dan aan gelooven? Ja, dan zult gij er aan gelooven. Maar gij
zult uitstel wenschen, als vroeger het verhaasten. 53. Dan zal tot
de goddeloozen gezegd worden: Onderga de straf der eeuwigheid; zoudt
gij anders willen ontvangen dan de vergelding voor hetgeen gij hebt
bedreven? 54. Zij zullen van u begeeren te weten, of dit inderdaad
waar is: Antwoord: Bij mijn Heer! het is zekerlijk waar: nimmer
zult gij Gods macht verzwakken, noch die ontkomen. 55. Waarlijk,
indien iedere ziel die slecht gehandeld heeft, alles zou hebben,
wat op aarde is, zou deze zich daarmede gewillig op den laatsten dag
willen loskoopen. Zij zullen hun berouw verbergen [821], nadat zij
de straf zullen hebben gezien, en het geschil tusschen hen zal met
eerlijkheid worden beslist en zij zullen niet onrechtvaardig behandeld
worden. 56. Behoort niet alles wat in den hemel en wat op aarde is aan
God? Is Gods belofte geene waarheid? Maar het grootste deel hunner weet
het niet. 57. Hij geeft leven en hij doet sterven, en tot hem zult
gij allen terugkeeren. 58. O menschen! thans is eene waarschuwinge
van uwen Heer tot u gekomen en een geneesmiddel voor den twijfel,
die in uwe borst bestaat, en eene leiding en genade voor de ware
geloovigen 59. Zeg: Door de genade van God en zijne barmhartigheid;
dat zij er zich dus in verheugen; dit zal hun voordeeliger zijn dan de
wereldsche rijkdommen, welke zij bijeenvergâren. 60. Zeg: verhaal mij
van datgene wat God u tot voedsel heeft nedergezonden, hebt gij een
deel geoorloofd en een ander deel ongeoorloofd verklaard [822]? Zeg:
Heeft God u geoorloofd, dit onderscheid te maken, of denkt gij eene
leugen tegen God uit? 61. Maar wat zal op den dag der opstanding de
meening van hen zijn, die een leugen tegen God uitdenken? Waarlijk, God
heeft eene onmetelijke goedheid omtrent de menschen; maar het grootste
gedeelte hunner zijn niet dankbaar. 62. Gij zult u in geenerhande
omstandigheid bevinden; gij zult geen enkel woord in den Koran lezen,
noch zult gij iets doen, of wij zullen uwe getuigen zijn, als gij
daardoor wordt bezig gehouden. Zelfs het gewicht van een atoom [823]
is, noch in den hemel, noch op de aarde, voor uwen Heer verborgen. Er
is geen enkel ding lichter of zwaarder dan dit, hetwelk niet in
het duidelijke boek werd opgeschreven. 63. Zijn Gods vrienden niet
de personen die door geen vrees zullen worden aangedaan en die niet
bedroefd zullen worden? 64. Zij, die in God gelooven en vreezen, zullen
goede tijdingen in dit leven en in het volgende ontvangen. 65. Er is
geene verandering in Gods woorden. Dit zal eene groote gelukzaligheid
zijn. 66. Laat hunne gesprekken [824] u niet bedroeven. Alle glorie
behoort aan God; hij hoort en ziet alles. 67. Is niet alles wat in
den hemel en op aarde woont aan God onderworpen? Waarom volgt gij
dus degenen die afgoden naast God aanroepen? Zij volgen slechts eene
ijdele meening en bedenken niets dan leugens. 68. Hij is het, die den
nacht voor u heeft bevolen, opdat gij daarin rust zoudt nemen, en den
helderen dag voor den arbeid; waarlijk, daarin zijn teekens voor hen,
die luisteren. 69. Zij zeggen: God heeft een zoon. Verre zij dit van
hem. Hij is zich zelven toereikende. Hem behoort alles wat in den hemel
en op aarde is. Hebt gij machtiging om aldus te spreken? Zegt gij van
God wat gij niet weet? 70. Zeg: Waarlijk, zij die een leugen tegen
God uitdenken, zullen geen voorspoed hebben. 71. Zij mogen tijdelijk
in deze wereld genieten, maar daarna zullen zij tot ons terugkeeren,
en dan zullen wij hun eene gestrenge straf doen ondervinden, daar zij
ongeloovigen waren. 72. Herlees hun de geschiedenis van Noach [825],
toen hij tot zijn volk zeide: O mijn volk! indien mijn verblijf onder
u en mijne herinnering van Gods teekenen u bedroeven, stel ik in
God mijn vertrouwen. Smeedt dus uw plan tegen mij en verzamelt uwe
valsche goden, maar verbergt uw voornemen niet in het duister. Komt
dus tegen mij op en draalt niet. 73. En indien gij u afwendt van mijne
vermaningen, vraag ik daarvoor geene belooning van u [826]. Ik verwacht
mijne belooning van God alleen, en mij is bevolen mijn vertrouwen in
hem te stellen. 74. Maar zij beschuldigden hem van bedrog, zoodat wij
hem bevrijdden en degenen die met hem in de arke waren, en wij deden
hen den zondvloed overleven, doch wij deden hén verdrinken, die onze
teekens van valschheid beschuldigden. Onthoud dus hoe het uiteinde was
van hen, die door Noach gewaarschuwd werden. 75. Wij zonden na hem
gezanten tot de verschillende volkeren [827] en deze kwamen tot hen
met duidelijke teekenen, doch zij waren niet geneigd te gelooven in
datgene, wat zij te voren als valsch hadden verworpen. Zoo verzegelen
wij de harten der zondaren. 76. Na hem zonden wij Mozes en Aäron tot
Pharao en zijne vorsten met onze teekens [828], doch zij gedroegen
zich trotsch en waren zondig. 77. En toen de waarheid van ons tot
hen kwam, zeiden zij: Waarlijk, dit is duidelijke tooverij. 78. Mozes
zeide tot hen: Spreekt gij aldus van de waarheid, nadat die tot u is
gekomen? Is dit tooverij? Maar de toovenaars zullen geen voorspoed
genieten. 79. Zij zeiden: Zijt gij tot ons gekomen om ons af te
leiden van den godsdienst, welken wij onze vaderen zagen beoefenen,
opdat gij beiden het bevel over het land zoudt kunnen voeren? Maar wij
gelooven u niet. 80. En Pharao zeide: Breng alle kundige toovenaars tot
mij. En toen de toovenaars waren gekomen, zeide Mozes tot hen: Werpt
wat gij te werpen hebt. 81. En toen zij hunne staven en koorden hadden
nedergeworpen, zeide Mozes tot hen: De tooverij die gij hebt gedaan,
zal God zekerlijk ijdel maken; want God doet de daden der boozen
niet gelukken. 82. En God wil de waarheid zijner woorden bevestigen,
niettegenstaande den tegenzin der zondaren. 83. En niemand geloofde in
Mozes, behalve een geslacht van zijn volk [829], uit vrees voor Pharao
en zijne vorsten, opdat die hen niet zouden onderdrukken. En Pharao
was machtig op de aarde, en was zekerlijk een der zondaren. 84. En
Mozes zeide: O mijn volk! indien gij aan God gelooft, stel dan uw
vertrouwen in hem, indien gij aan zijn wil onderworpen zijt. 85. Zij
antwoordden: Wij stellen ons vertrouwen in God: o Heer! duld niet dat
wij door onrechtvaardigen lijden. 86. Maar bevrijd ons door uwe genade
van de ongeloovigen. 87. En wij spraken door ingeving tot Mozes en zijn
broeder, zeggende: Maakt woningen voor uw volk in Egypte gereed; vormt
uw huizen tot eene plaats van aanbidding [830], weest volhardend in
het gebed en brengt den waren geloovigen goede tijdingen. 88. En Mozes
zeide: O Heer! waarlijk, gij hebt Pharao en zijn volk schitterende
versierselen en rijkdommen in dit leven geschonken, o Heer! opdat
zij van uwen weg mochten worden afgeleid. O Heer! vernietig hunne
rijkdommen en verhard hunne harten, opdat zij niet gelooven, voordat
zij uwe gestrenge straf hebben gezien. 89. God zeide: Ulieder gebed is
verhoord [831]; wees dus oprecht [832] en volg den weg der onwetenden
niet. 90. En wij deden de kinderen Israëls door de zee trekken, en
Pharao en zijn leger vervolgden hen op eene hevige en vijandige wijze,
tot hij op het punt was te verdrinken, en toen zeide: Ik geloof dat
er geen God is buiten hem, in wien de kinderen Israëls gelooven en
ik ben een der onderworpenen [833]. 91. Thans gelooft gij, nadat gij
te voren oproerig en een der snoodaards waart? 92. Heden zullen wij
uw lichaam [834] van den bodem der zee doen oprijzen, opdat gij een
teeken moogt zijn voor hen die na u zullen wezen; en waarlijk, een
groot aantal menschen zijn onachtzaam omtrent onze teekens. 93. En
wij bereidden voor de kinderen Israëls eene uitmuntende woning in het
land Kanaän, en wij brachten goede dingen voor hun onderhoud voort en
zij twistten niet nopens den godsdienst, dan nadat de kennis tot hen
was gekomen. Waarlijk, hun Heer zal op den dag der opstanding nopens
datgene tusschen hen richten, waaromtrent zij verschillen. 94. Indien
gij in twijfel verkeert nopens eenig gedeelte van datgene, wat wij u
hebben nedergezonden [835], vraag dan hun, die het boek der wet vóór u
hebben gelezen. Thans is de waarheid van uwen Heer tot u gekomen; wees
dus niet een van hen die twijfelen. 95. Wees nimmer een van degenen
die Gods teekenen van valschheid beschuldigen, opdat gij niet tot
de verworpenen moogt behooren. 96. Waarlijk zij, tegen wie dat woord
van uwen Heer werd uitgesproken, zullen niet gelooven. 97. Zelfs al
werden hun alle wonderen getoond, dan nadat zij de gestrenge, voor
hen toebereide straf zullen gezien hebben. 98. En indien dit niet
zoo ware, zou menige stad, van de vele die verwoest werden, geloofd
hebben, en het geloof harer inwoners zou hun ten voordeele hebben
gestrekt; maar niemand van hen geloofde, vóór de uitvoering van hun
doemvonnis, uitgenomen het volk van Jonas [836]. Toen zij geloofden
bevrijdden wij hen van de straf der schande in deze wereld en lieten
hun, voor zekeren tijd, hun leven en hunne bezittingen genieten
[837]. 99. Maar indien het uw Heer had behaagd, zouden allen die
op aarde zijn, algemeen geloofd hebben. Wilt gij dus de menschen
met kracht noodzaken, ware geloovigen te zijn? 100. Geene ziel
kan gelooven dan met Gods verlof, en hij zal zijne verontwaardiging
uitstorten over hen die niet gelooven. 101. Zeg: Beschouw alles wat in
den hemel en op aarde is. Maar teekens noch predikers zijn van eenig
nut voor degenen die niet willen gelooven. 102. Verwachten zij dus een
ander dan een verschrikkelijk oordeel, dat over degenen geveld werd,
die u voorafgingen? Zeg: Wacht en ik zal met u wachten. 103. Dan
zullen wij onze gezanten bevrijden en hen die gelooven. Dit is
eene rechtvaardigheid welke wij verschuldigd zijn, dat wij de ware
geloovigen bevrijden. 104. Zeg: O bewoners van Mekka! indien gij in
twijfel verkeert nopens mijnen godsdienst, waarlijk, ik verklaar u,
dat ik de afgoden niet aanbid, die gij naast God aanbidt; maar ik
aanbid God, die u zal doen sterven; en het is mij bevolen, een der ware
geloovigen te zijn. 105. En het werd mij gezegd: Wend uw aangezicht
naar den waren godsdienst en wees vroom en nimmer een van degenen,
die anderen naast God plaatsen. 106. Roep nimmer naast God aan, datgene
wat u bevoordeelen noch deren kan, want indien gij het doet, zult gij
zekerlijk tot de onrechtvaardigen behooren. 107. Indien God u door een
ongeval bedroeft, is er niemand die het van u kan afnemen behalve hij;
en indien hij u iets goeds toekent, is er niemand die zijne goedheid
kan beletten. Hij kent het toe aan degenen zijner dienaren die hem
behagen; en hij is genadig en barmhartig. 108. Zeg: O menschen! thans
is de waarheid van uwen Heer tot u gekomen. Hij dus, die geleid zal
worden, zal ten voordeele zijner eigene ziel worden geleid: maar
hij die dwaalt zal slechts ten nadeele zijner ziel dwalen. Ik ben uw
bewaker niet. 109. O profeet! volg wat u werd geopenbaard, en volhard
met geduld, tot God zal richten; want hij is de beste rechter.



ELFDE HOOFDSTUK.

HOED [838].

Geopenbaard te Mekka.--123 verzen.


In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Al R. Dit boek waarvan de verzen voor verdraaiing behoed
en duidelijk zijn verklaard, is eene openbaring van den wijzen
en al wetenden God. 2. Opdat gij geen anderen God zoudt dienen
(waarlijk, ik ben een aanwijzer van bedreigingen, doch ik breng u
goede tijdingen van hem). 3. En dat gij vergiffenis van uwen Heer
zoudt vragen en daarna tot hem gewend worden. Hij zal u van een goed
deel doen genieten, tot een vooraf bepaalden tijd, en aan iedereen
die dit door goede daden heeft verdiend, zal hij zijne overvloedige
belooning schenken. Maar indien gij u afwendt, waarlijk, dan vrees ik
voor u de straf van den grooten dag. 4. Tot God zult gij terugkeeren,
en hij is almachtig. 5. Leggen zij geene plooien in hunne harten
[839], ten einde hunne voornemens voor hem te verbergen. 6. Als zij
zich zelven met hunne kleederen bedekken, kent hij dan niet wat zij
verbergen en wat zij laten zien? 7. Want hij kent de binnenste deelen
van de harten der menschen [840]. 8. Er is geen schepsel dat op aarde
kruipt, of God voorziet het van voedsel, en hij kent zijne woning
en de plaats waar het zich verbergt. Het geheel is geschreven in het
duidelijke boek van zijne besluiten. 9. Hij is het, die de hemelen en
de aarde in zes dagen heeft geschapen (maar vóór die werden geschapen
was zijn troon boven de wateren), ten einde u bewijzen te leveren,
en te zien wie van u in goede daden wilde uitmunten. 10. Indien gij
zegt, dat gij na den dood zekerlijk zult worden opgewekt, zullen
de ongeloovigen zeggen: Dit is slechts duidelijke tooverij. 11. En
waarlijk, indien wij hunne straf tot een bepaalden tijd verschuiven,
zullen zij zeggen: Wat belet, dat dit reeds nu geschiede? Zal zij dan
niet over hen komen op een dag, waarop niemand aanwezig zal zijn om
die van hen af te wenden, en zal datgene wat zij hebben bespot, hen
niet omstrikken? 12. Waarlijk, indien wij den mensch van onze genade
doen proeven, en daarna van hem aftrekken, zal hij zeker wanhopig
[841] en ondankbaar worden. 13. En indien wij hem onze gunst doen
ondervinden, nadat hem een ongeval is overkomen, zal hij zekerlijk
zeggen: De ongevallen die mij zijn overkomen, zijn van mij afgewend,
en hij zal vroolijk en trotsch worden. 14. Uitgenomen zij die met
geduld volharden, en doen wat goed is; zij zullen vergiffenis krijgen
en eene groote belooning ontvangen. 15. Wellicht zult gij vergeten,
een deel te openbaren van datgene, wat u werd geopenbaard, en zal
uw hart angstig worden, tot zij zeggen; Zoolang hem geen schat
wordt nedergezonden, of een engel met hem komt, om hem tot getuige
te verstrekken, zullen wij niet gelooven. Waarlijk, gij alleen zijt
een aankondiger, en God is de beheerscher van alle dingen. 16. Zullen
zij zeggen: Hij heeft den Koran uitgedacht? Antwoord: Brengt dan tien
[842] hoofdstukken voort, door u zelven uitgedacht gelijk aan dit;
en roept aan wien gij wilt om u te helpen, behalve God, indien gij de
waarheid spreekt. 17. Maar indien zij, die gij tot uwe hulp roept,
u niet hooren, weet dan, dat dit boek slechts door Gods kennis is
geopenbaard, en dat er geen God buiten hem is. Wilt gij dus Moslems
worden? 18. Zij die het tegenwoordige leven met zijne uiterlijke
pracht kiezen, hun zullen wij de belooning hunner werken in dit leven
schenken, en deze zal voor hen niet worden verminderd. 19. Zij zijn
het, voor wie geene andere vergelding in het volgende leven is bestemd,
behalve het hellevuur. Wat zij in dit leven hebben gedaan zal verloren
gaan, en datgene wat zij hebben verricht, zal ijdel zijn. 20. Zal
hij dus vergeleken worden met hem, die de duidelijke verklaring
van zijn heer volgt en wien eene getuigenis van hem [843] wacht,
voorafgegaan door het boek van Mozes [844], dat als een leiddraad
werd geopenbaard en uit genade voor het menschelijk geslacht? Deze
gelooven in den Koran; maar wie der verbonden ongeloovigen daarin niet
gelooft, wordt met het hellevuur bedreigd, en die bedreiging zal zeker
worden verwezenlijkt. Voed dus geen twijfel daaromtrent; want het is
de waarheid van uwen Heer; maar het grootste deel der menschen zal
niet gelooven. 21. Wie is onrechtvaardiger dan hij, die eene leugen
tegen God uitdenkt? Zij zullen op den dag der opstanding voor den Heer
worden geplaatst, en de getuigen [845] zullen zeggen: Zij zijn het,
die leugens tegen hunnen Heer uitdenken. Zal Gods vloek niet komen over
de onrechtvaardigen? 22. Die de menschen afleiden van Gods weg en dien
krom trachten te maken, en niet in het volgende leven gelooven? Zij
waren niet in staat om op aarde Gods macht tegen te gaan, noch om zijne
straf te ontduiken; nimmer hadden zij eenigen schuts buiten God: hunne
straf zal verdubbeld worden [846]. Zij kunnen hooren noch zien. 23. Zij
zijn het, die hunne zielen in het verderf hebben gestort, en de
afgoden die zij valschelijk uitdachten, hebben hen verlaten. 24. Er
is geen twijfel aan, dat zij de ellendigsten in het volgende leven
zullen zijn. 25. Maar zij die gelooven en goede daden verrichten, en
zich voor hunnen Heer verootmoedigen, zullen het paradijs bewonen;
eeuwig zullen zij daarin verblijven. 26. De overeenkomst der beide
gedeelten [847] is als de blinde en de doove, en als hij die ziet en
hoort. Zouden zij als gelijken beschouwd worden? Zoudt gij dus niet
nadenken? 27. Wij zonden vroeger Noach [848] tot zijn volk, en hij
zeide: Waarlijk, ik ben belast, u duidelijk te onderrichten. 28. Opdat
gij God alleen zoudt aanbidden. Waarlijk, ik ducht voor u de straf
van een vreeselijken dag. 29. En de opperhoofden van het volk, die
niet geloofden, antwoordden: Wij zien, dat gij slechts een mensch zijt
gelijk aan ons en wij zien niet dat u iemand volgt, behalve zij, die
de laagsten van ons zijn; die in u hebben geloofd door een overhaast
oordeel [849]. Wij bespeuren geene verdienste in u boven ons; maar
wij houden het er voor, dat gij alle leugenaars zijt. 30. Noach zeide:
O mijn volk: zeg mij: Indien ik eene duidelijke verklaring van mijnen
Heer heb ontvangen en hij mij zijne genade heeft geschonken, en deze
voor u verborgen is, willen wij u die dan opdringen, terwijl gij er
afkeerig van zijt? 31. O mijn volk! ik vraag geene rijkdommen van
u, voor het onderricht dat ik u heb gegeven; mijne belooning komt
alleen van God. Ik wil degenen niet verdrijven die geloofd hebben
[850]; waarlijk, zij zullen voor hunnen Heer verschijnen op den
dag der opstanding; maar ik zie dat gij onwetenden zijt. 32. O mijn
volk! wie zal mij tegen God bijstaan, indien ik hen verdrijf? Wilt
gij dus niet overwegen? 33. Ik zeg u niet: De schatten van God zijn
in mijne macht, noch zeg ik: Ik ken Gods geheimen, noch zeg ik:
Waarlijk ik ben een engel [851]; noch zeg ik van degenen op welke gij
verachtende blikken slaat: God zal hun op geenerlei wijze goed doen
(God weet het beste wat in hunne zielen is); want dan zou ik zekerlijk
een onrechtvaardige zijn. 34. Zij antwoorden: O Noach! gij hebt reeds
met ons getwist, en hebt de twisten tusschen ons vermenigvuldigd;
daarom breng thans de straf over ons, waarmede gij ons hebt bedreigd,
indien gij waarheid spreekt. 35. Noach zeide: Waarlijk, God alleen zal
die over u brengen, indien het hem behaagt, en gij zult die niet kunnen
verhoeden, noch ontgaan. 36. Indien het Gode behaagt u in dwaling te
leiden, zal mijn raad nimmer u tot voordeel kunnen strekken, hoewel
ik tracht u ten goede te raden. Hij is uw Heer, en tot hem zult gij
terugkeeren. 37. Mochten de bewoners van Mekka zeggen: Mahomet heeft
den Koran uitgedacht? Antwoord: Indien ik dien hebbe uitgedacht,
zal de schuld op mij komen, en laat mij onschuldig zijn aan datgene,
waaraan gij schuldig zijt. 38. En het werd Noach geopenbaard, zeggende:
Waarlijk, niemand van uw volk zal gelooven, behalve hij die reeds
heeft geloofd; wees dus niet bedroefd, om hetgeen zij doen. 39. Maar
maak eene ark in onze tegenwoordigheid, overeenkomstig den vorm en de
afmetingen welke wij u hebben geopenbaard; en spreek niet tot mij ten
behoeve van hen, die onrechtvaardig hebben gehandeld; want zij zijn er
toe gedoemd, te verdrinken. 40. En hij bouwde de ark (en zoo dikwijls
eenigen van zijn volk hem voorbij gingen, bespotten zij hem [852];
maar hij zeide tot hen: Ofschoon gij ons nu bespot, zullen wij u later
bespotten, gelijk gij ons bespot, gij spot, doch gij zult zekerlijk
weten. 41. Wien eene straf zal worden opgelegd, die hem met schaamte
zal bedekken, en op wien eene voortdurende straf zal vallen. 42. Zoo
hielden zij zich bezig, tot onze straf ten uitvoer werd gebracht, en
de oven water uitgoot [853]. En wij zeiden tot Noach: Breng een paar
[854] van iedere diersoort en uw gezin [855] in de ark, uitgenomen
hij, over wien de straf werd uitgesproken [856] en zij die gelooven
[857]. Doch behalve enkelen [858] geloofden zij niet met hem. 43. En
Noach zeide tot hen: scheept u in, in den naam van God; terwijl het
schip vooruitgaat en terwijl het stil ligt [859]; want mijn Heer is
genadig en barmhartig. 44. En de ark dreef met hen tusschen golven als
bergen [860], en Noach riep zijn zoon [861] die van hem gescheiden
was, zeggende: Scheep u met ons in, mijn zoon, en blijf niet bij de
ongeloovigen. 45. Hij antwoordde: Ik wil op een berg gaan, die mij
voor het water zal behoeden. Noach antwooordde: Heden is er geene
zekerheid voor Gods besluit, uitgenomen voor hem, voor wien hij genade
zal hebben. En eene golf ging tusschen hen door, en hij was een van
hen die verdronken. 46. En het werd gezegd: O aarde, zwelg uwe wateren
op, en gij, o hemel, houd uw regen terug! En dadelijk zakte het water,
en het besluit was vervuld, en de ark bleef op den berg Al Jûdi [862]
en er werd gezegd: Weg met de goddeloozen! 47. En Noach riep zijn Heer
aan, en zeide: O Heer! waarlijk, mijn zoon behoort tot mijn gezin,
en uwe belofte is waar; want gij zijt de rechtvaardigste van hen die
oordeelen. 48. God antwoordde: O Noach! waarlijk, hij behoort niet
tot uw gezin; uwe tusschenkomst voor hem is geen rechtvaardig werk
[863]. Vraag dus niet van mij, waarvan gij geene kennis hebt; ik
waarschuw u, geen onwetende te worden. 49. Noach zeide: O Heer! ik
neem mijne toevlucht tot u; onthef mij er van, u te vragen wat ik
niet weet; en tot gij mij vergeeft en barmhartig voor mij zijt, zal
ik tot hen behooren die verdoemd zijn. 50. Het werd tot hem gezegd:
O Noach! kom uit de ark [864] met vrede van ons, en zegeningen op u
en op een deel van hen, die met u zijn; maar een deel van hen [865]
zullen wij van de geneugten dezer wereld doen genieten, en daarna
zal hun eene gestrenge straf in het volgende leven door ons opgelegd
worden. 51. Dit is eene geheime geschiedenis, die wij u openbaren;
gij kendet die niet, noch uw volk voor dezen; volhard dus met geduld;
want een gelukkig uiteinde is voor de godvruchtigen bewaard. 52. En
tot den stam Ad zonden wij hunnen broeder Hoed [866]. Hij zeide: O,
mijn volk! aanbid God! gij hebt geen God, behalve hem. Gij denkt
slechts valschheid uit, door afgodsbeelden en tusschenpersonen
van uw eigen maaksel op te richten. 53. O mijn volk! ik vraag u
hiervoor geene belooning; mijne belooning verwacht ik slechts van
hem, die mij heeft geschapen. Wilt gij dus niet begrijpen? 54. O
mijn volk! vraag vergiffenis van uwen Heer en wend u tot hem; hij zal
een overvloedigen regen uit den hemel op u nederzenden [867]. 55. En
hij zal uwe kracht vermeerderen, door u nog verder kracht te schenken
[868]; wend u dus niet af, om kwaad te bedrijven. 56. Zij antwoordden:
O Hoed! gij hebt ons geen bewijs gebracht van hetgeen gij meldt: wij
willen dus onze goden niet verlaten, om hetgeen gij zegt: wij gelooven
u niet. 57. Wij zeggen niet anders, dan dat sommige onzer goden u met
droefheid hebben getroffen [869], en hij antwoordde: Waarlijk, ik roep
God tot getuige, en legt ook gij getuigenis af, dat ik onschuldig er
aan ben, dat gij andere goden met God vereenigt. 58. Spant dus allen
tegen mij samen en draalt niet. 59. Want ik stel mijn vertrouwen in
God, mijn en uw Heer. Er is geen dier dat hij niet van voren bij zijn
haarlok vasthoudt [870]. Waarlijk, mijn Heer bewandelt den rechten
weg. 60. Maar indien gij u afwendt, heb ik u reeds datgene verklaard,
waarmede ik tot u werd gezonden, en mijn Heer zal een ander volk in
uwe plaats stellen, en gij zult hem volstrekt niet deren, want mijn
Heer is de bewaker van alle dingen. 61. En toen onze straf kwam,
om ten uitvoer gebracht te worden, bevrijdden wij Hoed, en zij die
met hem hadden geloofd, door onze genade, en wij bevrijdden hen van
eene strenge straf. 62. En deze stam van Ad verwierp met voordacht de
teekens van zijnen Heer, was ongehoorzaam aan zijne gezanten, en volgde
het bevel van ieder oproerig en bedorven mensch. 63. Daarvoor werden
zij in deze wereld door een vloek vervolgd, en zij zullen daardoor
ook op den dag der opstanding vervolgd worden, met den toeroep: Was
Ad niet ongeloovig omtrent zijn Heer? Werd er niet gezegd: Weg met
Ad, het volk van Hoed? 64. En tot den stam van Thamoed zonden wij
hunnen broeder Saleh [871]. Hij zeide tot hen: O mijn volk! aanbid
God, gij hebt geen God buiten hem. Hij is het, die u uit de aarde
voortbracht en u eene woning daarop heeft geschonken. Vraag hem dus
vergiffenis en wend u tot hem; want mijn Heer is nabij, en gereed
te antwoorden. 65. Zij antwoordden: O Saleh! Gij waart een persoon,
in wien wij voor dezen onze hoop hadden gesteld. Verbiedt gij ons
datgene te aanbidden, wat door onze vaderen werd aangebeden? Maar
wij verkeeren zekerlijk in twijfel nopens den godsdienst, tot welken
gij ons uitnoodigt; als zijnde te recht verdacht. 66. Saleh zeide:
O mijn volk! zeg mij; indien ik eene duidelijke verklaring van mijn
Heer heb ontvangen, en hij mij zijne genade heeft doen genieten, wie
zal mij dan ondersteunen tegen Gods wraak, indien ik hem ongehoorzaam
ben? Gij zoudt slechts mijn val vergrooten. 67. En hij zeide: O
mijn volk! deze wijfjes-kameel van God is een teeken voor u; laat
haar vrijelijk op Gods aarde weiden en doe haar geen leed, opdat u
geen snelle straf treffe. 68. Doch zij doodden haar, en Saleh zeide:
Verblijd u in uwe woningen gedurende drie dagen [872], waarna gij
verdelgd zult worden. Dit is eene onfeilbare voorzegging. 69. En
toen ons besluit tot uitvoering komen zou, bevrijdden wij Saleh en
hen die met hem geloofden, door onze barmhartigheid, van de ongenade
van dien dag; want uw Heer is de sterke, de machtige God. 70. Maar
een vreeselijk onweder kwam uit den hemel op degenen neder, die
onrechtvaardig hadden gehandeld, en des morgens werden zij in hunne
woning dood, en voorover liggende gevonden. 71. Als hadden zij er
nimmer in gewoond. Thamoed geloofde niet in zijn Heer. Werd Thamoed
niet ver weg verworpen? 72. Ook kwamen onze gezanten [873] later
tot Abraham met goede tijdingen. Zij zeiden: Vrede zij met u. En
hij antwoordde: En op u zij vrede; en hij draalde niet en bracht een
gebraden kalf. 73. En toen hij zag dat hunne handen het vleesch niet
aanraakten  [874], mishaagde hem dit en hij voedde vrees voor hen
[875], Maar zij zeiden Vrees niet; want wij zijn tot het volk van
Lot gezonden. 74. En zijne vrouw Sara stond er bij en lachte, en zij
beloofden haar Izaak, en na Izaak, Jacob. 75. Zij zeide: Helaas! zal
ik een zoon baren, terwijl ik oud ben en deze mijn man ook in jaren
gevorderd is [876]? Waarlijk, dit zou een wonder zijn. 76. De engelen
antwoordden: Verwondert gij u over de uitkomst van Gods bevel? Gods
genade en zijne zegeningen mogen op u zijn, en op de leden van het
huisgezin [877]; want hij is aanbiddenswaardig en roemrijk. 77. En
toen Abrahams vreeze was geweken, twistte hij met ons nopens het volk
van Lot; want Abraham was een zacht, medelijdend en inschikkelijk
mensch. 78. De engelen zeiden tot hem: O Abraham! onthoud u hiervan;
want thans is het bevel van uwen Heer gekomen, om hunne straf ten
uitvoer te brengen, en eene onvermijdelijke straf is gereed, om
op hen neder te komen. 79. En toen onze gezanten tot Lot kwamen,
was hij bezorgd om hen [878] en zijn arm was zwak voor hen [879] en
hij zeide: Dit is een treurige dag. 80. En zijn volk kwam tot hem;
zij vielen op hem aan, en zij waren reeds vroeger schuldig door
zonde. Lot zeide tot hen: O mijn volk! deze mijne dochters mocht
gij veeleer misbruiken. Vreest dus God, en beschaamt mij niet, door
mijne gasten te verongelijken. Is er geen rechtschapen man onder u
[880]? 81. Zij antwoordden: Gij weet dat wij uwe dochters niet noodig
hebben, en gij weet wel wat wij begeeren. 82. Hij zeide: Indien ik
kracht genoeg bezat, om u wederstand te bieden, of indien ik mijne
toevlucht kon nemen tot een krachtigen steun, zou ik het zekerlijk
doen. 83. De engelen zeiden: O Lot! waarlijk, wij zijn de gezanten van
uwen Heer, zij zullen u op geenerlei wijze aanraken. Ga dus heen, met
uw gezin, gedurende dezen nacht, en laat zich niemand van u omkeeren:
maar wat uwe vrouw betreft [881], wat over hen zal komen zal ook
haar treffen. Waarlijk, de voorzegging hunner straf zal des ochtends
vervuld worden: Is de ochtend niet nabij? 84. En toen ons bevel kwam,
keerden wij die steden om, en wij lieten steenen van gebakken klei
[882] op haar nederregenen, den een na den ander, en zij waren door
uwen Heer gemerkt [883]; en zij zijn niet ver verwijderd van hen die
onrechtvaardig handelen [884]. 85. En tot Madian zonden wij hunnen
broeder Shoaïb. Hij zeide: O mijn volk! aanbid God; gij hebt geen God
buiten hem; en verminder geen maat of gewicht. Waarlijk, ik zie dat
gij in een gelukkigen toestand verkeert [885]; maar ik vrees voor u
de straf van den dag, die de goddeloozen zal omstrikken. 86. O mijn
volk! geef volle maat en juist gewicht, en verminder der menschen
bezittingen niet; pleeg nimmer onrechtvaardigheid op aarde, door
slecht te handelen. 87. Het minste deel, dat u zal overblijven als eene
belooning van God, nadat gij rechtvaardig omtrent anderen zult hebben
gehandeld, zal beter voor u zijn, dan rijkdom door bedrog verkregen,
indien gij ware geloovigen zijt. 88. Ik ben geen bewaker van u. 89. Zij
antwoordden: O Shoaïb! zijn het uwe gebeden die u gelasten, ons de
goden te doen verlaten, welke door onze vaderen werden aangebeden,
of dat wij met onze bezittingen niet zouden doen, wat wij verkiezen
[886]. Gij alleen zijt, naar het schijnt, de wijze man, en geschapen
om tot leidsman te strekken. 90. Hij zeide: O mijn volk! Zeg mij,
indien ik eene duidelijke verklaring van mijn Heer heb ontvangen en
hij mij een schoon deel zijner gaven heeft geschonken, en ik u niet
wil veroorloven wat hij heeft verboden, zoek ik dan iets anders dan
uwe verbetering, met al mijne macht? Mijn steun is God alleen; in
hem vertrouw ik, en tot hem wend ik mij. 91. O mijn volk! laat niet
de tegenstand dien gij mij biedt, eene wraak over u brengen, gelijk
aan de wraak die over het volk van Noach, of het volk van Hoed, of
het volk van Saleh kwam. Het einde van het volk van Lot is niet zeer
ver van u verwijderd [887]. 92. Vraag dus vergiffenis van uwen Heer,
en wend u tot hem; want mijn Heer is genadig en liefderijk. 93. Zij
antwoordden: O Shoaïb! wij verstaan niet veel van hetgeen gij zegt,
en wij zien dat gij een man zonder macht [888] onder ons zijt; indien
het niet om uw gezin ware, zouden wij u zekerlijk hebben gesteenigd,
en gij zoudt niet de overhand op ons gehad hebben. 94. Shoaïb zeide: O
mijn volk! is mijn gezin naar uw oordeel meer waardig dan God? en werpt
gij hem zorgeloos achter u? Waarlijk, God begrijpt wat gij doet. 95. O
mijn volk! arbeid naar uwen aard, ik zal zekerlijk naar mijnen plicht
arbeiden [889]. En gij zult vernemen. 96. Wien eene straf zal worden
opgelegd, die hem met schaamte zal bedekken, en wie een leugenaar
is. Wacht dus het uur; want ook ik zal met u wachten. 97. Toen dus ons
besluit tot uitvoering kwam, bevrijdden wij Shoaïb en hen die met hem
geloofden, door onze genade, en een vreeselijk onweder kwam neder op
hen, die onrechtvaardig hadden gehandeld; en des ochtends werden zij
dood in hunne huizen, en voorover liggende gevonden. 98. Als hadden
zij nimmer op aarde gewoond. Werd Madian niet van de aarde verdreven,
terwijl Thamoed daarvan verwijderd werd? 99. En wij zonden vroeger
Mozes met onze teekens en duidelijke kracht tot Pharao en zijne
vorsten [890]; maar deze volgden het bevel van Pharao, hoezeer het
bevel van Pharao hen niet op den rechten weg leidde. 100. Pharao zal
zijn volk voorafgaan op den dag der opstanding, en hij zal hen in de
hel voeren. Een ongelukkige weg zal het zijn, waarop zij geleid zullen
worden. 101. Zij werden in dit leven door een vloek gevolgd, en op den
dag der opstanding zal de vergelding ellendig zijn, die hen gegeven
zal worden. 102. Dit is een deel van de geschiedenis der steden, welke
wij u verhalen. Van deze staan sommige, terwijl andere geheel verwoest
zijn [891]. 103. En wij behandelden hen niet onrechtvaardig, maar zij
handelden onrechtvaardig met hunne eigene zielen; en hunne goden die
zij, naast God, aanriepen, waren hun volstrekt niet tot voordeel,
toen Gods besluit op hen zou worden uitgevoerd; zij hebben hunnen
val slechts verhaast. 104. En zoo was de straf, die door uwen Heer
werd opgelegd, toen hij de onrechtvaardige steden strafte; want zijne
straf is smartelijk en gestreng. 105. Waarlijk hierin is een teeken
voor dengeen, die de straf van den laatsten dag vreest: dit zal een
dag zijn, waarop alle menschen zullen verzameld worden, en dit zal een
dag zijn, waarop getuigenis zal worden afgelegd. 106. Wij stellen dien
niet uit, dan tot een vooraf bepaalden tijd. 107. Als die dag komt,
zal geene ziel spreken om zich zelve te verontschuldigen, noch om
voor een ander tusschen beide te treden, dan door Gods verlof. Van
hen zal de een ellendig, een ander gelukkig zijn. 108. En zij die
ellendig zullen zijn, worden in het hellevuur geworpen; daar zullen zij
weenen en jammeren [892]. 109. Zij zullen daarin zoo lang verwijlen,
als de hemelen en de aarde duren [893], behalve wat door den Heer,
naar zijn behagen, van hunne straf zal worden afgenomen; want uw Heer
doet wat hem behaagt. 110. Maar zij die gelukkig zullen zijn, worden
in het paradijs toegelaten; zij zullen daarin zoo lang verblijven,
als de hemelen, en de aarde voortduren, behalve wat uw Heer, naar hem
behaagt, bij hunne gelukzaligheid zal voegen; eene weldadigheid, die
niet gestoord zal worden. 111. Verkeer dus niet in twijfel, nopens
hetgeen deze menschen aanbidden; zij aanbidden niets anders, dan
hetgeen hunne vaderen vóór hen aanbaden, en wij zullen hun zekerlijk
hun volkomen gedeelte geven, dat volstrekt niets verminderd zal
zijn. 112. Wij gaven vroeger aan Mozes het boek der wet, en daarover
rezen twisten onder zijn volk, en ware niet een voorafgaand besluit
van uwen Heer genomen, om gedurende dit leven geduldig nopens hen te
zijn, zoo zou het verschil tusschen hen zekerlijk uitgemaakt zijn. En
uw volk is ook naijverig en twijfelachtig nopens den Koran. 113. Maar
aan ieder van hen, zal uw Heer de belooning voor hunne werken geven;
want hij weet zeer goed wat zij doen. 114. Wees gij dus onwrikbaar,
zooals u bevolen is, en laat degeen mede standvastig zijn, die met
u wordt bekeerd, en zondig niet, want hij ziet wat hij doet. 115. En
neig niet tot hen die onrechtvaardig handelen, opdat het hellevuur u
niet bereike; want gij hebt geene beschermers behalve God; tegen hem
zult gij niet geholpen worden. 116. Bid dan geregeld des ochtends
en des avonds, en in het voorgedeelte van den nacht [894]; want
goede werken verdrijven de snoode. Dit is eene waarschuwing voor
hen, die nadenken. 117. Volhard dus met geduld; want God zal de
rechtvaardigen niet vergelden, door hen te verdoemen. 118. Waren
degene van de geslachten voor u, begiftigd met verstand en deugd,
welke verboden goddeloos op aarde te handelen, meer dan slechts
eenigen van hen, welke wij bevrijdden? Maar zij, die onrechtvaardig
waren, volgden de geneugten, welke zij op deze wereld genoten [895],
en waren goddeloozen [896], 119. En uw Heer was niet geneigd, de
steden onrechtvaardig te verwoesten [897], welker bewoners zich
oprecht gedroegen. 120. En indien het uw Heer had behaagd, zou hij
alle menschen van éénen godsdienst gemaakt hebben; maar zij zullen
niet ophouden onder elkander te verschillen, behalve zij, voor wie
uw Heer genade zal hebben. Daartoe heeft hij hen geschapen; want het
woord van uwen Heer zal vervuld worden, toen hij zeide: Waarlijk, ik
zal de hel met menschen en geniussen beiden vullen. 121. Alles wat
wij van de geschiedenissen der gezanten hebben verhaald, vertellen
wij u, opdat daardoor uw hart moge bevestigd worden; en daardoor is de
waarheid tot u gekomen en tevens eene waarschuwing en eene vermaning
voor de ware geloovigen. 122. Zeg tot hen die niet gelooven: handelt
overeenkomstig uwen staat, wij zullen zekerlijk volgens onzen plicht
[898] handelen. Wacht het uur af, want ook wij wachten dit af. 123. Aan
God is bekend wat in den hemel en op de aarde geheim is, en tot hem
zal alles terugkeeren. Aanbidt hem dus en stelt uw vertrouwen in hem;
want uw Heer is niet onopmerkzaam voor hetgeen gij doet.



TWAALFDE HOOFDSTUK.

JOZEF [899].

Gegeven te Mekka [900]--111 verzen.


In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. E. L. R. Dit zijn teekens van het duidelijke boek: 2. Hetwelk wij
in de Arabische taal hebben nedergezonden, opdat gij het misschien
zoudt verstaan. 3. Wij verhalen u de uitmuntendste geschiedenis,
door u dezen Koran [901] te openbaren, waarop gij vroeger geen
acht hebt geslagen [902]. 4. Jozef zeide tot zijn vader: O mijn
vader! waarlijk, ik zag in mijn droom elf sterren en de zon en
de maan; ik zag hen mij gehoorzamen. 5. Toen zeide Jacob: O mijn
kind! herhaal uw visioen niet aan uwe broeders, opdat zij u geene
hinderlaag spreiden [903]; want de duivel is de verklaarde vijand
van den mensch. 6. En zoo zal overeenkomstig uwen droom; uw Heer u
kiezen, en u de vertolking der duistere gezegden [904] geven, en hij
zal zijne gunst uitstorten op u en op het gezin van Jacob, zooals
hij dit vroeger heeft vervuld aan uwe vaderen Abraham en Izaak;
want uw Heer is alwetend en wijs. 7. Waarlijk, in de geschiedenis
van Jozef en zijn broeders zijn teekens van Gods bescherming voor hen
die vragen. 8. Eens zeiden de broeders van Jozef tot elkander: Jozef
en diens broeder [905] zijn onzen vader dierbaarder dan wij; en toch
maken wij een grooter getal uit: waarlijk onze vader verkeert in eene
duidelijke dwaling [906]. 9. Doodt Jozef dus, of verdrijft hem naar
een afgelegen en onbewoond gedeelte der aarde, en het aangezicht van
uwen vader zal tot u gewend worden en gij zult daarna rijke menschen
zijn [907]. 10. Een van hen [908] sprak en zeide: Doodt Jozef niet en
laat hem tot op den bodem van den put neder; en een of ander reiziger
zal hem ophalen, indien gij dit niet doet. 11. Zij zeiden tot Jacob:
O vader! waarom vertrouwt gij ons Jozef niet toe, daar wij oprecht
voor hem zijn en hem goeds toewenschen? 12. Zend hem morgen met
ons naar het veld, opdat hij zich moge vermaken [909] en spelen;
en wij zullen zijne makkers zijn. 13. Jacob antwoordde: Het grieft
mij, dat gij hem medeneemt, en ik vrees dat de wolf hem verscheure
[910], dewijl gij achteloos nopens hem zijt. 14. Zij zeiden: Waarlijk
indien de wolf hem verslond, terwijl wij zoo velen zijn [911], zouden
wij inderdaad zwak wezen [912]. 15. En toen zij hem met zich hadden
genomen, en overeengekomen waren, hem tot op den bodem des puts neder
te laten [913], voerden zij hun voornemen uit; en wij zonden hem
eene openbaring [914] zeggende: Gij zult hun hierna deze hunne daad
verklaren, en zij zullen niet bemerken, dat gij Jozef zijt. 16. En
zij kwamen des avonds tot hunnen vader, weenende. 17. Zij zeiden:
Vader! wij hebben ons verwijderd en hebben een wedloop gehouden
[915]; wij hebben Jozef met onze reisgoederen verlaten, en de wolf
heeft hem verscheurd; doch gij wilt ons niet gelooven, hoewel wij de
waarheid spreken. 18. En zij vertoonden zijn onderste kleedingstuk,
met ander bloed geverfd. Jacob antwoordde: gij zelf hebt dat in uw
eigen belang bedreven [916]; maar geduld is het beste, en Gods hulp
roep ik in, om mij in staat te stellen, het ongeluk te dragen, dat
gij mij verhaalt. 19. En zekere reizigers kwamen en zonden een man
[917] om water voor hen te halen; en hij liet zijn' emmer neder [918]
en zeide: goed nieuws [919]! dat is een jongeling. En zij verborgen hem
[920], omdat zij hem als een stuk koopwaar willen verkoopen; maar God
wist wat zij deden. 20. En zij verkochten hem voor een lagen prijs:
voor eenige stuivers [921] en stelden weinig waarde in hem. 21. En de
Egyptenaar, die hem kocht [922], zeide tot zijn vrouw [923]. Gebruik
hem met eere; misschien kan hij ons dienstig zijn; of laten wij hem als
onzen zoon aannemen [924]. Zoo hebben wij de plaats van Jozef op aarde
vooraf gereed gemaakt, en wij leerden hem de vertolking der duistere
gezegden; want God is wel in staat zijn doel te bereiken: maar het
grootste deel der menschen begrijpt het niet. 22. En toen hij zijnen
ouderdom van kracht had bereikt, schonken wij hem wijsheid en kennis;
want zoo beloonen wij den rechtvaardigen. 23. En zij, in wier huis hij
zich bevond, begeerde dat hij zich bij haar zou leggen, en zij sloot de
deuren en zeide: Kom hier. Hij antwoordde: God beware mij! Waarlijk,
mijn heer [925] heeft mij gastvrijheid verleend, en de ondankbare zal
geen voorspoed genieten. 24. Maar zij hield bij hem aan, en hij had
dezelfde bedoeling; doch hij ontving eene duidelijke waarschuwing
van zijnen Heer [926]. Zoo wendden wij het kwaad en de onreinheid
van hem af, daar hij een onzer oprechte dienaren was. 25. En zij
begaven zich beide naar de deur: de een om te ontvluchten, de andere
om hem te weerhouden; en zij scheurde zijn kleed van achteren. En zij
ontmoette haren heer bij de deur. Zij zeide: wat zal de vergelding
zijn van hem, die kwaad in uw gezin tracht te bedrijven: gevangenis
of eene pijnlijke straf? 26. En Jozef zeide: zij vroeg mij bij haar
te liggen. En een getuige van haar gezin [927] legde getuigenis af,
zeggende: Indien zijn kleed van voren gescheurd is, spreekt zij de
waarheid en is hij een leugenaar. 27. Maar indien zijn kleed van
achteren is gescheurd, liegt zij en spreekt hij de waarheid. 28. En
toen haar man zag, dat zijn kleed van achteren gescheurd was, zeide
hij: Dit is eene doortrapte boosheid; want waarlijk uwe boosheid is
groot. 29. O Jozef! houd u niet meer met deze zaak bezig; en gij, o
vrouw! vraag vergiffenis voor uwen misdaad; want gij zijt een schuldig
mensch. 30. En zekere vrouwen zeiden in het openbaar [928] in de stad:
De vrouw van den edelman heeft den knecht verzocht hij haar te liggen;
hij heeft hare borst door zijne liefde ontvlamd. Wij zien dat zij op
een duidelijken dwaalweg is. 31. En toen zij het gesprek over haar
boos gedrag had gehoord, zond zij tot haar, en maakte een middagmaal
voor haar gereed en gaf aan ieder van haar een mes, en zeide tot
Jozef, onder haar te verschijnen. En toen zij hem zagen, prezen zij
hem zeer. [929] Zij sneden hunne eigen handen af [930] en zeiden: O
God! dit is geen sterveling; hij is een engel die den hoogsten eerbied
verdient. 32. En zijne meesteren zeide: Hij is het die mij uwen blaam
heeft berokkend. Ik verzocht hem met mij te liggen; maar hij weigerde
aanhoudend. Maar indien hij niet volbrengt wat ik hem gebied, zal hij
zekerlijk in de gevangenis worden geworpen, en zal tot de ellendigsten
behooren. 33. Jozef zeide: O Heer! eene gevangenis is verkieselijker
voor mij, dan de misdaad, waartoe zij mij willen verleiden, en indien
gij hare kunstgrepen niet van mij afwendt, zal ik aan mijne neiging
voor haar toegeven en zal ik tot de dwazen behooren. 34. Daardoor
verhoorde hem zijn Heer, en wendde hare kunstgrepen van hem af:
want hij hoort en ziet alles. 35. En het behaagde hun, [931], zelfs
nadat zij de bewijzen zijner onschuld hadden gezien, hem voor eenigen
tijd gevangen te houden. 36. En twee van des konings dienaren traden
met hem in de gevangenis. [932] Een van hen [933] zeide: Het scheen
mij in mijn droom toe, dat ik wijn uit druiven perste. En de andere
zeide: Het scheen mij in mijn droom toe, dat ik brood op mijn hoofd
droeg, waarvan de vogels aten. Geef ons de uitlegging onzer droomen;
want wij bemerken, dat gij een deugdzaam mensch zijt. 37. Jozef
antwoordde: Er zal nog geen voedsel, om u te onderhouden, tot u komen;
maar ik zal u de uitlegging daarvan geven, alvorens dit tot u kome
[934]. Deze kennis is een deel van hetgeen mij door God is geleerd;
want ik heb den godsdienst van hen verlaten, die niet in God gelooven
en die het volgende leven loochenen. 38. Ik volg den godsdienst
mijner vaderen: Abraham, Izaak en Jacob. Het is ons niet geoorloofd,
iets met God te vereenigen. Deze kennis van de goddelijke eenheid
is ons gegeven, door de goedheid van God omtrent ons en nopens den
mensch; maar het grootste gedeelte der menschen is ondankbaar. 39. O
mijne medegevangenen! zijn een aantal heeren beter, of de eenig ware
en almachtige God? 40. Zij, die gij naast hem aanbidt, zijn slechts
ijdele namen [935], die door u en uwe vaderen zijn uitgedacht, waarvan
God geen bewijs heeft gegeven. Het oordeel behoort aan God alleen,
die bevolen heeft, dat gij niemand naast hem zoudt aanbidden. Dit is
de ware godsdienst; maar het grootste gedeelte der menschen weet het
niet. 41. O mijne medegevangenen! waarlijk, een uwer zal zijn heer
wijn toedienen, evenals vroeger, maar de andere zal gekruisigd worden
en de vogels zullen van zijn hoofd komen eten. De zaak, waaromtrent
gij mij ondervraagt, is onherroepelijk vastgesteld. 42. En Jozef
zeide tot hem, die, naar zijn oordeel, de persoon was, welke bevrijd
zou worden: Gedenk mij in tegenwoordigheid van uwen heer. Maar de
duivel veroorzaakte, dat hij vergat, bij zijn heer melding van Jozef
te maken [936], waardoor deze eenige jaren [937] in de gevangenis
bleef. 43. En de koning van Egypte [938] zeide: waarlijk ik zag in
mijn' droom zeven vette koeien, die zeven magere koeien verslonden, en
zeven groene korenaren en zeven verdroogde korenaren. O edelen! legt
mij mijn visioen uit, indien gij in staat zijt dit te doen. 44. Zij
antwoordden: Het zijn verwarde droomen; wij zijn niet bedreven in het
uitleggen van zulke droomen. 45. En Jozefs medegevangene, die bevrijd
was, zeide (want hij herinnerde zich Jozef, na verloop van eenigen
tijd): Ik zal u de uitlegging daarvan geven, laat mij dus tot den
persoon gaan, die mij dien droom zal verklaren. 46. En hij ging naar
de gevangenis en zeide: O Jozef! waarheidlievend man, geeft ons de
uitlegging van zeven vette koeien, die zeven magere koeien verslonden,
en van zeven groene korenaren en zeven verdroogde korenaren, welke de
koning in zijn' droom zag, opdat ik kunne terugkeeren tot de personen
die mij hebben gezonden, en zij dit wellicht mogen verstaan. 47. Jozef
antwoordde: Gij zult zooals gewoonlijk zaaien, en het graan dat gij
gemaaid zult hebben, zult gij in zijne aren laten [939], behalve
eene kleine hoeveelheid, waarvan gij moogt eten. 48. Dan zullen,
na deze, zeven jaren van strengen hongersnood komen, die verteren
zullen, wat gij als voorraad daarvoor hebt verzameld, behalve eene
kleine hoeveelheid die gij bewaard zult hebben. 49. Dan zal er een
jaar komen, dat de menschen veel regen hebben [940] en de druiven
uitpersen zullen. 50. En toen de opperschenker dit had overgebracht,
zeide de Koning: Breng hem tot mij. En toen de boodschapper tot
Jozef kwam, zeide deze: Keer tot uwen heer terug en vraag hem af,
wat de bedoeling der vrouwen was, die hare handen afsneden [941];
want mijn Heer kent den valstrik wel dien zij mij spannen [942] 51. En
toen de vrouwen voor den koning waren verzameld, zeide hij tot haar:
Wat was uwe bedoeling [943] toen gij Jozef tot eene onwettige liefde
aanspoordet? Zij antwoordden: God zij geloofd! Wij weten geen kwaad
van hem. De vrouw van den edelman (Aziz) zeide: Thans is de waarheid
duidelijk geworden: Ik verzocht hem bij mij te liggen, en hij is een
dergenen die waarheid spreken. 52. En toen Jozef daarmede bekend was,
zeide hij: Deze ontdekking heeft thans plaats gehad, opdat mijn heer
wete, dat ik hem niet ongetrouw was tijdens zijne afwezigheid, en dat
God den aanslag der bedriegers niet leidt. 53. Ik wil mij ook niet
volstrekt rechtvaardigen [944] want iedere ziel is aan het kwaad
onderworpen, uitgenomen degene voor wie mijn Heer genade heeft;
want mijn Heer is genadig en barmhartig. 54. En de koning zeide:
Breng hem tot mij, ik wil hem in mijnen eigenen en bijzonderen
dienst nemen. En toen Jozef tot den koning was gevoerd en hij met
hem gesproken had, zeide de vorst: Van heden af zijt gij vast bij ons
geplaatst, en gij zult met onze zaken vertrouwd zijn [945]. 55. Jozef
antwoordde: Geef mij het beheer over de voorraadplaatsen van het land;
want ik zal daarvan een verstandige bewaarder zijn. 56. Zoo plaatsten
wij Jozef in het land, opdat hij zich daarin eene woning zou kiezen,
waar het hem mocht behagen. Wij schenken onze genade aan wien het
ons behaagt, en wij laten de belooning niet verloren gaan van hen
die goed handelen. 57. En waarlijk, de belooning van het volgende
leven is beter voor hen die gelooven en God vreezen. 58. Vervolgens
kwamen Jozefs broederen en wendden zich tot hem, en hij herkende
hen, doch zij herkenden hem niet. 59. En toen hij hen van hunne
levensmiddelen had voorzien, zeide hij: Breng uwen broeder tot mij,
den zoon van uwen vader. Ziet gij niet dat ik de volle maat geef en
dat ik mijne gasten gul ontvang? 60. Maar indien gij hem niet tot
mij brengt, zal u door mij geen koren meer gemeten worden, en gij
zult niet meer in mijne tegenwoordigheid komen. 61. Zij antwoordden:
Wij zullen trachten hem van zijn vader te verkrijgen, en wij zullen
zekerlijk volvoeren wat gij verlangt. 62. En Jozef zeide tot zijne
dienaren: Leg hun geld [946], dat zij voor hun koren hebben betaald,
in hunne zakken, opdat zij het bemerken als zij tot hun gezin zijn
teruggekeerd; misschien komen zij tot ons terug. 63. En toen zij tot
hunnen vader waren teruggekeerd, zeiden zij: O vader! het is verboden
ons nog koren te meten, tenzij wij onzen broeder Benjamin mede nemen;
zend dus onzen broeder met ons, en men zal ons koren afleveren; en,
waarlijk, wij zullen hem voor alle ongevallen behoeden. 64. Jacob
antwoordde: Zou ik hem u met beter gevolg toevertrouwen, dan ik u
vroeger uwen broeder Jozef toevertrouwde? Maar God is de beste bewaker,
en hij is de barmhartigste. 65. En toen zij hunne zakken openden,
vonden zij dat hun geld was teruggegeven, en zij zeiden: O vader! wat
verlangen wij meer? Dit ons geld is ons teruggegeven; wij zullen dus
wederkeeren en koren voor onze gezinnen koopen; wij zullen voor onzen
broeder zorgen, en wij zullen een kameellast meer ontvangen dan den
laatsten keer. Dit is eene kleine hoeveelheid [947]. 66. Jacob zeide:
ik wil hem volstrekt niet met u zenden, tenzij gij mij eene plechtige
belofte aflegt en bij God zweert, dat gij hem zekerlijk tot mij zult
terugbrengen, behalve wanneer zich een onoverkomelijke hinderpaal
daartegen opdoet. En toen zij hem hunne plechtige belofte hadden
gegeven, zeide hij: God is getuige van hetgeen wij zeggen. 67. En hij
zeide: Mijne zonen treedt de stad niet allen door ééne poort binnen,
maar gaat door verschillende poorten binnen. Doch deze voorzorg zal
u niet tot voordeel strekken tegen Gods besluit; want het oordeel
behoort Gode alleen: in hem stel ik mijn vertrouwen, en laat hen,
die zoeken onderworpen te zijn, dit in hem stellen. 68. En toen
zij de stad binnenkwamen, zooals hun vader hun had bevolen, was het
hun niet van oordeel tegen Gods besluit, en het diende alleen om de
begeerte van Jacobs ziel te bevredigen, die het hun had gelast; want
hij was begiftigd met de kennis, waarin wij hem hadden onderwezen;
maar het grootste deel der menschen begrijpt niet. 69. En toen zij in
tegenwoordigheid van Jozef kwamen, ontving hij zijnen broeder Benjamin
als zijn gast en zeide: Waarlijk, ik ben uw broeder [948]; wees dus
niet bedroefd om hetgeen zij tegen mij hebben bedreven. 70. En toen
hij hen van hunne levensmiddelen had voorzien, legde hij zijn beker
[949] in den zak van zijn broeder Benjamin. En een uitroeper riep
hen achterna, zeggende: O gezelschap van reizigers! waarlijk gij zijt
dieven. 71. Zij keerden zich om en zeiden: Wat vermist gij? 72. Men
antwoordde hun: wij vermissen den beker van den vorst, en hij die dien
terugbrengt, zal een kameellast koren ontvangen, en ik sta daarvoor
borg. 73. Jozefs broeders antwoordden: Wij zweren bij God, dat gij
wel weet, dat wij niet komen om snood in het land [950] te handelen,
en evenzeer dat wij geene dieven zijn. 74. De Egyptenaren zeiden:
Wat zal de vergelding zijn voor hem, die blijken zal den beker te
hebben gestolen, indien het blijkt dat gij leugenaars zijt. 75. De
broeders van Jozef antwoordden: Als eene vergelding voor hem, in
wiens zak de beker zal gevonden worden, zal hij uw gijzelaar zijn:
zoo vergelden wij de onrechtvaardigen, die schuldig zijn aan diefstal
[951]. 76. Daarop begon hij hunne zakken te onderzoeken, alvorens hij
den zak van zijn broeder onderzocht, en hij haalde den beker uit den
zak van zijn broeder. Wij verschaften Jozef deze list. Hij zou zich
volgens de wet van den Koning van Egypte niet van zijn broeder hebben
kunnen meester maken [952], indien God het niet had veroorloofd. Wij
verheffen tot den rang van kennis en eer, wie ons behaagt, en er is
een die wijs is, boven allen die met kennis zijn begiftigd. 77. Zijne
broeders zeiden: Indien Benjamin schuldig aan diefstal zij, is zijn
broeder Jozef vroeger ook schuldig aan diefstal geweest [953]. Maar
Jozef verborg deze dingen in zijn hart en ontdekte zich niet aan hen,
en hij zeide bij zich zelven: Gij zijt in een meer beklagenswaardigen
toestand dan wij beiden. God weet beter waarover gij spreekt. 78. Zij
zeiden tot Jozef: Edele Heer! deze jongeling heeft een ouden vader,
neem dus een van ons in zijne plaats; want wij zien dat gij een
edelmoedig mensch zijt. 79. Jozef antwoordde: God verhoede, dat
wij iemand anders zouden nemen dan hem, bij wien wij onze goederen
vonden; want dan zouden wij zekerlijk onrechtvaardig zijn. 80. En
toen zij wanhoopten, Benjamin terug te krijgen, verwijderden zij
zich om afzonderlijk met elkander te beraadslagen. En de oudste van
hen zeide [954]: Weet gij niet dat uw vader eene plechtige belofte
van u heeft ontvangen, in den naam van God, en hoe bedriegelijk
gij vroeger omtrent Jozef hebt gehandeld? Ik zal dus op geenerlei
wijze het land Egypte verlaten, tot mijn vader mij verlof geeft,
tot hem terug te keeren, of dat God mij zijnen wil bekend maakt;
want hij is de beste rechter. 81. Keert tot uwen vader terug,
en zegt: O vader! waarlijk, uw zoon heeft een diefstal gepleegd;
wij zijn van niets meer getuigen dan van hetgeen wij weten, en wij
konden niet waken tegen hetgeen wij niet voorzagen. 82. Onderzoek in
de stad waarin wij zijn geweest en bij het gezelschap van kooplieden
waarmede wij zijn aangekomen, en gij zult vinden dat wij de waarheid
spreken. 83. En toen zij waren teruggekeerd en aldus tot hunnen vader
hadden gesproken, zeide hij: Gij zelven hebt dat alles zoo ingericht;
maar ik zal geduldig zijn; misschien zal God mij hen allen terug
geven: want hij is de alwetende en wijze. 84. Hij wendde zich van
hen af en zeide: O hoezeer ben ik door Jozef bedroefd! En zijne
oogen werden door treuren wit [955] daar hij door zware droefheid
overstelpt was. 85. Zijne zonen zeiden: Bij God, zult gij dan nimmer
ophouden van Jozef te spreken tot gij aan de poort des doods zijt
gevoerd, of tot de smart uwe dagen eindigt. 86. Hij antwoordde:
ik breng mijne smart, die ik niet kan dragen, en mijne droefheid
voor God, omdat ik door openbaring van God weet, wat gij niet weet
[956]. 87. O mijne zonen! gaat en doet onderzoek naar Jozef en zijn
broeder, en wanhoopt niet aan Gods genade want niemand wanhoopt aan
Gods genade, behalve de ongeloovigen. 88. Daarom keerden de broeders
van Jozef naar Egypte terug en toen zij in zijne tegenwoordigheid
kwamen, zeiden zij: Edele heer, de hongersnood heerscht bij ons
en ons gezin, en wij zijn met eene kleine som gelds [957] gekomen;
geef ons dus volle maat, en schenk ons koren als aalmoes; want God
beloont hen die aalmoezen geven. 89. Jozef zeide tot hen: Weet
gij wat gij aan Jozef en zijn broeder deedt, toen gij niet wist
wat de gevolgen daarvan zouden zijn [958]? 90. Zij antwoordden:
Zijt gij werkelijk Jozef [959]? Hij antwoordde: Ik ben Jozef en
dit is mijn broeder. Thans is God genadig nopens ons geweest. Want
wie God vreest en met geduld volhardt, zal eindelijk hulp vinden;
want God zal de belooning der rechtvaardigen niet laten verloren
gaan. 91. Zij zeiden: Bij den naam van God, thans heeft God u boven ons
gekozen en waarlijk, wij zijn zondaars geweest. 92. Jozef antwoordde:
Heden zal ik u geene verwijtingen doen. God vergeeft u; want hij is
de genadigste der genadigen. 93. Vertrekt met dit mijn onderkleed
[960], legt het op mijns vaders aangezicht, en hij zal zijn gezicht
terug krijgen; en komt dan tot mij met uw geheele gezin. 94. En
toen het reisgezelschap van Egypte was vertrokken om zijne reis naar
Canaän te aanvaarden, zeide hun vader tot hen die nabij hem waren:
Waarlijk, ik bemerk den reuk van Jozef [961], hoewel gij denkt dat
ik ijl. 95. Zij antwoordden: Bij den naam van God, gij verkeert in
uwe oude dwaling. 96. Maar toen de boodschapper van goede tijdingen
[962] met Jozefs onderkleed was gekomen, dekte hij het over zijn
gelaat en hij kreeg zijn gezichtsvermogen terug. 97. En Jacob zeide:
Verhaalde ik u niet, dat ik van God wist hetgeen gij niet wist? 98. Zij
antwoordden: O vader! vraag vergiffenis van onze zonden voor ons;
want, waarlijk, wij zijn zondaars geweest. 99. Hij hernam: Ik zal
zekerlijk vergiffenis voor u van mijn Heer vragen; want hij is genadig
en barmhartig. 100. En toen Jacob en zijn gezin in Egypte aankwamen
en bij Jozef waren binnengeleid, ontving hij zijne ouders bij zich
[963] en zeide: Gaat, door Gods gunst, in volle zekerheid Egypte
binnen. 101. En hij verhief zijne ouders op een verheven zetel,
en zij vielen met zijne broeders op hunne aangezichten en betoonden
hem eerbied [964]. En hij zeide: O mijn vader! dit is de beteekenis
van mijn visioen, dat ik vroeger zag; thans heeft mijn Heer het
bewaarheid. En zekerlijk hij is mij genadig geweest, daar hij mij uit
de gevangenis voerde en u hierheen heeft gebracht uit de woestijn,
nadat de duivel tweedracht tusschen mij en mijne broeders had gezaaid;
want mijn Heer is genadig voor dengeen die hem behaagt, en hij is de
alwetende, de wijze God. 102. O Heer! gij hebt mij een deel van het
koninkrijk gegeven; gij hebt mij de vertolking van duistere gezegden
geleerd. Schepper van hemel en aarde! gij zijt mijn beschermer in deze
en de volgende wereld. Doe mij als een Moslem sterven en vereenig mij
met de rechtvaardigen [965]. 103. Dit is eene geheime geschiedenis,
die wij u, o Mahomet! openbaren, hoewel gij niet tegenwoordig waart
bij de broeders van Jozef, toen zij hun plan overlegden en een aanslag
tegen hem smeedden. Maar het grootste deel der menschen zullen, hoewel
gij het ernstig begeert, niet gelooven. 104. Gij zult van hen geene
belooning vragen voor uwe mededeeling van den Koran! het is slechts
eene waarschuwing aan alle schepselen. 105. En hoeveel teekens er ook
in den hemel en op de aarde zijn, zoowel van het bestaan als van de
eenigheid en voorzienigheid van God; zij gaan die voorbij en wenden
zich af. 106. En het grootste deel hunner gelooft niet in God, zonder
nog schuldig te zijn aan afgodendienarij [966]. 107. Zijn zij er dan
van verzekerd, dat Gods zware kastijding hen niet zal overvallen, of
dat het uur des oordeels hen niet plotseling zal bereiken, als zij de
nadering niet verwachten? 108. Zeg tot de bewoners van Mekka. Dit is
mijn weg. Ik noodig u door een duidelijk wonder tot God; ik en hij die
mij zal volgen, zijn, God zij geloofd, geene afgodendienaars. 109. Wij
zenden u geene gezanten, behalve menschen, aan welke wij onzen
wil openbaren en die wij kiezen onder hen die in steden wonen
[967]. Wilt gij niet de aarde rond trekken en zien wat het einde
was van hen die u zijn voorafgegaan? Maar de woning van het volgende
leven zal zekerlijk beter zijn voor hen die God vreezen. Wilt gij dus
niet begrijpen? 110. Toen eindelijk onze gezanten wanhoopten aan het
slagen hunner pogingen, en de menschen dachten, dat zij leugenaars
waren, kwam onze hulp tot hen, en wij bevrijdden wie ons behaagde;
maar onze wraak werd van de zondaren niet afgewend. 111. Waarlijk, in
de geschiedenissen der profeten en hun volk is een leerzaam voorbeeld
gelegen voor hen, die met verstand zijn begaafd. De Koran is geen
nieuw uitgevonden sprookje, maar eene bevestiging der schriften die
te voren zijn geopenbaard, en eene duidelijke uitlegging van iedere
zaak, die zoowel met betrekking tot het geloof als tot beoefening
noodig is en eene leiding en eene genade voor hen die gelooven.



DERTIENDE HOOFDSTUK.

DE DONDER [968].

Gegeven te Mekka [969].--43 verzen.


In naam van den lankmoedigen en barmhartigen God.

1. A. L. M. R. [970]. Ziehier de teekens van het boek, en hetgeen
u nedergezonden werd van uwen Heer is de waarheid; maar het grootste
deel der menschen wil niet gelooven. 2. Het is God die den hemel zonder
zichtbare pijlers heeft verheven, en toen zijn troon beklom, en de zon
en de maan heeft onderworpen om hunne diensten te verrichten. Ieder der
hemellichamen legt een bepaalden weg af. Hij beschikt alle dingen. Hij
toont zijne teekenen duidelijk, zoodat gij verzekerd moogt zijn,
dat gij uwen Heer op den jongsten dag zult zien. 3. Hij is het
die de aarde heeft uitgespreid en daarop vaste bergen en rivieren
geplaatst, en die van elke vrucht twee verschillende soorten heeft
verordend [971]. Hij doet door den nacht den dag bedekken. Daarin
liggen zekere teekenen voor hen die nadenken. 4. En op de aarde zijn
stukken land van verschillenden aard [972], ofschoon aan elkander
grenzende, alsmede wijngaarden, en zaden en verschillende palmboomen
uit denzelfden wortel en afzonderlijk uit verschillende stammen
spruitende. Zij worden door hetzelfde water besproeid, maar wij
maken sommigen uitmuntender tot voedsel dan andere. Daarin liggen
zekerlijk teekens voor hen die nadenken. 5. Indien gij u verwondert,
dat de ongeloovigen de opstanding loochenen, dan moet gij u zekerlijk
verwonderen als zij zeggen [973]: Nadat wij tot niet zijn veranderd,
zullen wij dan tot een nieuw schepsel worden gevormd? 6. Zij zijn
het die niet in hunnen Heer gelooven; zij zullen banden [974]
om hunne halzen hebben, en deze zullen de bewoners der hel zijn;
daar zullen zij eeuwig verblijven. 7. Zij zullen u vragen veeleer
het kwade dan het goede te verhaasten [975]; hoewel zij reeds
voorbeelden van de goddelijke wraak hebben gezien. Waarlijk, de
Heer bezit inschikkelijkheid omtrent de menschen, niettegenstaande
hunne boosheid; maar de Heer is ook streng in het straffen. 8. De
ongeloovigen zeggen: Zoolang hem geen teeken door zijn Heer wordt
neder gezonden, zullen wij niet gelooven. Gij zijt alleen gelast te
verkondigen en geen bewerker van mirakelen; en tot ieder volk werd er
een leider gezonden. 9. God weet wat elke vrouw in haren boezem draagt,
en hoeveel de schoot nauwer of wijder wordt. Door hem wordt ieder ding
geregeld, overeenkomstig eene bepaalde maat. 10. Hij weet wat geborgen
en wat geopenbaard is. Hij is de groote, de verhevenste. 11. Hij van u
die zijne woorden verbergt, en hij die ze in het openbaar verkondigt;
ook hij die zich in den nacht tracht te verbergen en hij die zich
gedurende den dag openlijk vertoont, allen zijn zij gelijk voor Gods
kennis. 12. Ieder van hen heeft engelen, die elkander wederkeerig
opvolgen, zoowel vóór hem als achter hem geplaatst; zij waken op Gods
bevel over hem. Waarlijk, God zal zijne genade, die op de menschen
rust, niet veranderen, tot zij de geneigdheid hunner zielen door zonde
veranderen. Als hij hen wil straffen, kan niets hem dat verhinderen;
naast hem hebben zij geen beschermer. 13. Hij is het die den bliksem
voor u doet verschijnen, om vrees in te boezemen en hoop op te wekken
[976], en die de bezwangerde wolken vormt. 14. De donder verheft zijnen
lof [977], en de engelen doen het vol vrees voor hem. Hij zendt zijne
bliksemschichten en treft daarmede wien het hem behaagt, terwijl gij
nopens God twist [978]; want hij is de almachtige, de wijze. 15. Hij
alleen is waardig te worden aangebeden, en de afgoden, die zij naast
hem aanroepen, zullen hen volstrekt niet hooren; evenmin als degeen
wordt verhoord, die zijne handen naar het water uitstrekt, opdat
het tot zijn mond opstijge, ofschoon het hem nimmer kunne bereiken;
de smeeking der ongeloovigen is geheel verkeerd. 16. Alles wat in
den hemel en op aarde is, aanbidt God vrijwillig of gedwongen [979],
evenals hunne schaduwen des ochtends en des avonds zich voor hem buigen
[980]. 17. Zeg: Wie is de Heer van hemel en aarde? Antwoord: God! Zeg:
hebt gij daarom onder u zelven beschermers naast hem gekozen, die niet
in staat zijn, hetzij te helpen, hetzij zich zelven tegen ongevallen
te verdedigen? Zeg: zullen de blinde en de ziende gelijk geschat
worden? of zullen duisternis en licht gelijk gesteld zijn? Zullen zij
andere goden naast God plaatsen, welke zij geschapen hebben, zoo als
God heeft geschapen, zoo dat de beide scheppingen zich in hunne oogen
met elkander verwarren? Zeg veeleer: God is de schepper van alle
dingen; hij is de eeuwige glorierijke God. 18. Hij doet water van
den hemel nederdalen, en de vloeden stroomen, overeenkomstig hunne
afmetingen; de stroom voert het schuim mede dat op de oppervlakte
drijft, en uit de metalen, die de menschen op het vuur smelten,
om daaruit versierselen of vaatwerk te vormen, rijst schuim op, dat
daaraan gelijk is. Zoo maakt God waarheid en ijdelheid bekend. Maar
het schuim wordt weggenomen; en datgene wat den menschen nuttig is,
blijft op de aarde. Zoo brengt God gelijkenissen voort. Dengenen
die hunnen Heer gehoorzamen, zal de uitnemendste belooning worden
toegekend; maar zij die hem niet gehoorzamen, al bezaten zij alles
wat op de geheele aarde is, en nog meer, zij zullen dit alles te
vergeefs als losgeld geven. Hunne rekening zal verschrikkelijk
zijn, en de hel hunne woning. Welk een vreeselijk rustbed zal
dat wezen! 19. Zal dus hij, die weet wat hem van zijnen Heer werd
nedergezonden waarheid is, gelijkelijk worden beloond als hij die blind
is? Alleen de voorzichtigen zullen nadenken. 20. Zij die getrouwelijk
de verbintenissen vervullen, met God aangegaan, en zijn verbond niet
verbreken. 21. Die verbinden wat God heeft bevolen te verbinden [981]
en die God vreezen en eene slechte rekening duchten. 22. Zij, die door
de begeerte om Gods aangezicht te zien, volhardend in tegenspoed zijn;
die het geheel met nauwgezetheid volvoeren, die in het geheim of in
het openbaar van de bezittingen geven, welke wij hun hebben toegekend,
en die hunne zonden door hunne goede werken uitwisschen; hun zal het
paradijs tot belooning strekken. 23. De tuinen van eeuwig verblijf
[982], waar wij zullen binnen treden, evenals ieder die onder
hunne vaderen, hunne vrouwen en hunne nakomelingschap rechtvaardig
zal hebben gehandeld en de engelen zullen door elke poort tot hen
binnengaan zeggende: 24. Vrede zij met u! omdat gij volhard hebt met
geduld. Welk eene uitnemende belooning is het paradijs! 25. Maar zij
die het verbond van God schenden, nadat dit werd ingesteld, en die
afscheiden wat God heeft bevolen te vereenigen, en snood op aarde
handelen, over hen zal een vloek komen, en zij zullen eene ellendige
woning in de hel hebben. 26. God geeft zijne weldaden in overvloed aan
dengeen welke hem behaagt, en beperkt, die naar zijn welbehagen. De
bewoners van Mekka verheugen zich in het tegenwoordige leven, hoewel
dit leven, in vergelijking met het volgende, slechts een tijdelijk
voordeel is. 27. De ongeloovigen zeggen: zoo lang hem geen teeken van
zijn Heer wordt nedergezonden, zullen wij niet gelooven. Antwoord:
Waarlijk, God zal in dwaling brengen wien het hem behaagt, en zal
dengeen tot zich voeren, die berouw toont. 28. Zij die gelooven, en
wier harten in zekerheid rusten in de overpeinzing van God. Rusten
de harten der menschen niet zeker in de herdenking van God? Zij die
gelooven en doen wat recht is, zullen de gelukzaligheid genieten en
eene gelukkige opstanding deelachtig worden. 29. Zoo hebben wij u
tot een volk gezonden, dat door andere volkeren werd voorafgegaan,
tot welke eveneens profeten werden gezonden; opdat gij hun zoudt
mededeelen wat wij u hebben geopenbaard, daar zij niet gelooven in den
barmhartigen God. Zeg hun: Hij is mijn Heer; er is geen God buiten
hem, en hem vertrouw ik, en tot hem moet ik terugkeeren. 30. Indien
een Koran werd geopenbaard, waardoor bergen zouden worden bewogen,
of de aarde gespleten, of de dooden tot spreken gebracht [983]
het ware ijdel. Maar alles behoort aan God. Weten de geloovigen dan
niet, dat, indien het Gode behaagde, alle menschen door hem geleid
zouden worden. 31. De tegenspoed zal niet ophouden de ongeloovigen
te bedroeven, om hetgeen zij hebben bedreven, of zich nabij hunne
woningen neder te zetten [984], tot dat Gods belofte kome [985];
want God is niet in tegenspraak met zijne belofte. 32. Ook voor
u waren mijne gezanten voorwerpen van spotternij, en ik heb de
ongeloovigen toegestaan, een lang en gelukkig leven te genieten;
maar daarna strafte ik hen, en hoe gestreng was de straf die ik
hun oplegde. 33. Wie is het dus die boven elke ziel is geplaatst,
om waar te nemen wat zij doet? Zij plaatsen anderen naast God. Zeg:
Noemt hen: zoudt gij God willen leeren wat hen tot nu onbekend op
aarde was? Of zijn uwe goden slechts ijdele namen [986]? Maar de
bedriegelijke handelwijze der ongeloovigen was hun voorbereid, en
zij zijn van den rechten weg afgeleid; want hij dien God zal doen
dwalen zal geen leider hebben. 34. Zij zullen straf in dit leven
ondergaan; maar de straf van het volgende leven zal strenger wezen,
en er zal niemand zijn om hen tegen God te ondersteunen. 35. Dit is
de beschrijving van het paradijs dat aan den vrome is toegezegd. Het
wordt door rivieren besproeid, en zijn voedsel is eeuwig, evenals
zijn lommer: dit zal de belooning zijn van hen die God vreezen. Maar
de vergelding der ongeloovigen zal het hellevuur zijn. 36. Zij, aan
wie wij de schriften hebben gegeven, verheugen zich in hetgeen hun
werd geopenbaard [987]. Maar er zijn sommigen der verbonden Arabieren,
die een gedeelte daarvan loochenen [988]. Zeg hun: Waarlijk mij werd
bevolen, God alleen te aanbidden en niemand naast hem te plaatsen;
hem roep ik aan, en tot hem zal ik terugkeeren. 37. Met dat doel
hebben wij den Koran nedergezonden: een wetboek in de Arabische
taal. En waarlijk indien gij uwe begeerten volgt, na de kennis die u
werd geschonken, zal er niemand zijn om u tegen God te beschermen of
te ondersteunen. 38. Wij zonden u vroeger profeten, en wij gaven hun
vrouwen en kinderen [989], en geen profeet had de macht met een teeken
te komen dan door Gods verlof. Elke eeuw had zijne openbaring. 39. God
zal afschaffen en bevestigen naar zijn welbehagen. Bij hem berust
het oorspronkelijke van het boek [990]. 40. Hetzij wij u een deel
der straf doen zien, waarmede wij hen hebben bedreigd, hetzij
wij hen doen sterven, alvorens hun die werd opgelegd, waarlijk,
uwe zending is te prediken; maar ons behoort het, eene ernstige
rekening te vragen. 41. Zien zij niet, dat wij in hun land komen en
dat wij de grenzen daarvan vernauwen, door de overwinning der ware
geloovigen? Als God oordeelt, kan niemand zijn oordeel omverwerpen,
en hij zal snel zijn in het opmaken der rekening. 42. Hunne voorgangers
dachten vroeger sluwe aanslagen tegen hunne profeten uit; maar God is
meester van iedere geslepen list. Hij weet wat iedere ziel verdient,
en de ongeloovigen zullen zekerlijk eens weten wie met het paradijs
zal worden beloond. 43. De ongeloovigen zullen zeggen: Gij zijt niet
door God gezonden. Antwoord: God en hij die de schriften begrijpt,
zijn mij voldoende getuigen tusschen mij en u.



VEERTIENDE HOOFDSTUK.

ABRAHAM [991].

Geopenbaard te Mekka.--52 verzen.


In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. E. L. R. Dit boek hebben wij u nedergezonden, opdat gij de menschen
van de duisternis tot het licht zoudt voeren, en met het verlof van
hunnen Heer, op den glorierijken en prijzenswaardigen weg. 2. Hij
is God, wien alles toebehoort wat in den hemel en op de aarde
is, en wee over de ongeloovigen; want eene gestrenge straf wacht
hen. 3. Die het tegenwoordige leven boven het toekomstige beminnen
en de menschen afvoeren van Gods weg, en dien kronkelig trachten
te maken, deze verkeeren in eene dwaling, die ver van de waarheid
verwijderd is. 4. Wij hebben geen apostel gezonden dan met de taal van
zijn volk, opdat hij hun hunnen plicht duidelijk zou kunnen verklaren
[992], want God doet dwalen naar zijn welbehagen en leidt dengeen die
hem behaagt; en hij is de machtige, de wijze. 5. Wij zonden vroeger
Mozes met onze teekens en gaven hem bevelen, zeggende: Leid uw volk
uit de duisternis tot het licht, en herinner hun de gunsten van God
[993]; waarlijk, daarin zijn teekens voor ieder lijdzaam en dankbaar
mensch. 6. En herinner u toen Mozes tot zijn volk zeide: Herdenk de
gunst van God omtrent u, toen hij u van het juk van Pharao bevrijdde:
deze verdrukte u vreeselijk; en zij doodden uwe mannelijke kinderen
en lieten uwe vrouwelijke kinderen leven [994]. Dit was een harde
proef van uwen Heer. 7. En toen uw Heer door den mond van Mozes eene
verklaring aflegde, zeide hij: Waarlijk, ik wil mijne weldaden omtrent
u vermeerderen, indien gij dankbaar zijt; maar indien gij ondankbaar
zijt, waarlijk, dan zal mijne straf gestreng zijn. 8. En indien gij
ongeloovig zijt, en de geheele aarde met u, dan nog is God rijk en
lofwaardig. 9. Hebt gij de geschiedenis der volkeren, uwe voorgangers,
niet gehoord? namelijk van het volk van Noach, en van Ad en van Thamoed
[995] en van degenen die hen opvolgden. 10. Wier getal niemand kent,
behalve God? Hunne gezanten kwamen tot hem met duidelijke wonderen;
maar zij brachten hunne handen aan hunne monden uit verontwaardiging,
en zeiden: Wij gelooven de boodschap niet, waarmede gij voorgeeft
belast te zijn, en wij verkeeren in twijfel nopens den godsdienst
waartoe gij ons uitnoodigt. 11. Hunne gezanten antwoordden: Bestaat
er eenige twijfel nopens God, den schepper van hemel en aarde? Hij
noodigt u niet tot het ware geloof, opdat hij een deel uwer zonden
zou kunnen vergeven [996] en uwe straf kunnen verschuiven, door
u tijd tot berouw te geven, tot een bepaalden oogenblik. 12. Zij
antwoordden: Gij zijt slechts een mensch, gelijk wij; gij tracht ons
van de goden af te leiden, die door onze vaderen werden aangebeden;
breng ons dus door een wonder een duidelijk bewijs, dat gij de waarheid
spreekt. 13. Hunne gezanten antwoordden hun: Wij zijn niets anders dan
menschen gelijk gij, maar God is goedertieren voor diegenen zijner
dienaren, welke hem behagen; en het ligt niet in onze macht, u een
wonderdadig bewijs voor onze zending te geven. 14. Tenzij met het
verlof van God; laat dus de godvruchtige op God vertrouwen. 15. En
waarom zouden wij God niet vertrouwen, die ons op onze wegen heeft
geleid? Daarom zullen wij met geduld het kwaad verdragen, waarmede
hij ons bezoekt, en laat degenen hun vertrouwen in God stellen, die
trachten, het ergens in te plaatsen. 16. En zij die niet geloofden,
zeiden tot hunnen gezanten: wij zullen u zekerlijk uit ons land
verdrijven, of gij zult tot onzen godsdienst terugkeeren. En hun Heer
sprak tot hen door openbaring, zeggende: Waarlijk, wij zullen de boozen
verdelgen. 17. En wij zullen u na hen op aarde doen wonen. Dit is de
belooning van hen, die mij en mijne bedreigingen vreezen. 18. En zij
vroegen ondersteuning van God [997], en ieder hoovaardig en oproerig
mensch werd vernietigd. 19. De hel ligt onzichtbaar voor hem en
hij zal vuil water [998] te drinken ontvangen. 20. Hij zal het met
kleine teugen afslokken, en hij zal het niet licht door zijne keel
kunnen doen gaan, door de walgelijkheid; de dood zal hem van alle
kanten aanstaren, maar hij zal niet sterven, en voor hem zal eene
grievende pijniging gereed zijn. Dit is de gelijkenis van hen die
niet in hunnen Heer gelooven. 21. Hunne werken zijn gelijk aan asch,
die door den wind op een stormachtigen dag wordt voortgedreven; zij
zullen niet in staat zijn, een blijvend voordeel te verkrijgen van
hetgeen zij hebben bedreven. Dit is eene dwaling, die zeer ver van de
waarheid is verwijderd. 22. Ziet gij niet dat God de hemelen en de
aarde met wijsheid heeft geschapen? Indien het hem behaagt, kan hij
verdelgen en een nieuw schepsel in uwe plaats voortbrengen. 23. Dit
is gemakkelijk voor zijne macht. 24. En zij zullen allen op den
jongsten dag in Gods tegenwoordigheid worden gebracht; en de zwakken,
die zich onder hen bevinden, zullen tot de sterken zeggen [999]:
Waarlijk, wij hebben u op de aarde opgevolgd; wilt gij dus niet een
deel der goddelijke wraak van ons afwenden? 25. Zij zullen antwoorden:
Indien God ons op den rechten weg had geleid, zouden wij u zekerlijk
geleid hebben [1000]. Het is ons onverschillig, of wij onze plagen
met ongeduld dragen, of dat wij die met geduld verduren, want wij
bezitten geen weg om daaraan te ontkomen. 26. En satan zal zeggen,
nadat het oordeel zal zijn uitgesproken: Waarlijk, God deed u eene
belofte van waarheid; ook ik deed u eene belofte, maar ik bedroog u;
ik had echter de macht niet om u te dwingen. 27. Maar ik riep u slechts
en gij antwoorddet mij: beschuldigt mij dus niet, maar beschuldigt u
zelven [1001]. Ik kan u niet helpen en gij kunt mij niet bijstaan. Toen
gij mij naast God hebt geplaatst, achtte ik mij niet als zijns gelijke
[1002]. Eene gestrenge straf is den onrechtvaardige bereid. 28. Maar
zij die geloofd en rechtvaardig gehandeld hebben, zullen binnen
geleid worden, in tuinen die door rivieren worden besproeid; eeuwig
zullen zij daarin verblijven, door het verlof van hunnen heer, en zij
zullen begroet worden met het woord Vrede [1003]. 29. Weet gij niet
waarbij God een goed woord vergelijkt? Het is een goede boom; zijne
wortels zijn stevig in den grond bevestigd en zijne takken reiken tot
den hemel. 30. Die boom brengt in ieder jaargetijde door des Heeren
wil vruchten voort. God spreekt met de menschen door gelijkenissen,
opdat zij onderricht zouden mogen worden. 31. En de gelijkenis van
een slecht woord is een slechte boom, die uit den grond is gescheurd
en geene vastheid bezit [1004]. 32. God zal degenen, die gelooven,
door het standvastige woord des geloofs, zoowel in dit leven als
in het toekomstige, bevestigen [1005]; maar God zal den booze in
dwaling brengen; want God doet wat hem behaagt. 33. Hebt gij hen niet
opgemerkt, die Gods genade in ongetrouwheid hebben veranderd [1006],
en hun volk in het huis des verderfs hebben doen afdalen; namelijk is
de hel. 34. Zij zullen daarin geworpen worden om te verbranden, en dat
zal een ongelukkigen woning zijn. 35. Zij richten ook afgodsbeelden
op als Gods gelijken, opdat zij de menschen van zijnen weg zouden
afleiden. Zeg hun: Geniet de geneugten van dit leven voor eenigen
tijd; maar daarna zal uw verblijf in het hellevuur zijn. 36. Zeg tot
mijne dienaren die geloofd hebben, dat zij volhardend in het gebed
moeten zijn, en dat zij aalmoezen moeten schenken van hetgeen wij hun
hebben gegeven, zoowel in het geheim, als in het openbaar; alvorens
de dag komt, waarop noch koop noch verkoop, noch vriendschap zal
bestaan. 37. God is het die de hemelen en de aarde heeft geschapen en
het water van den hemel doet nederdalen, door middel van hetwelk hij
vruchten voor uw onderhoud voortbrengt; en door zijn bevel noodzaakt
[1007] hij de schepen voor uwen dienst op zee te zeilen; ook dwingt
hij de rivieren u cijnsbaar te zijn: evenzoo noodzaakt hij de zon
en de maan, die hunne loopbanen met ijver afleggen, u te dienen,
terwijl hij den dag en den nacht aan uwen dienst heeft onderworpen. Hij
geeft u van alles wat gij hem vraagt, en gij zoudt niet in staat zijn
de weldaden op te rekenen, die God u heeft geschonken. Waarlijk, de
mensch is onrechtvaardig en ondankbaar. 38. Gedenk, toen Abraham zeide:
O Heer! maak dit land [1008] tot eene plaats van volkomen veiligheid,
en dat ik en mijne kinderen [1009] het aanbidden van afgodsbeelden
mogen vermijden. 39. Want, o Heer! zij hebben reeds een groot aantal
menschen verleid. Wie mij dus volgt, zal tot mij behooren: en omtrent
hem die mij niet gehoorzaamt, zult gij genadig en barmhartig zijn
[1010]. 40. O Heer! ik heb een deel mijner afstammelingen [1011]
in eene onvruchtbare vallei doen wonen, nabij een heilig huis, o
Heer! opdat zij volhardend in het gebed zouden mogen zijn. Vergun dus
dat de harten van sommige menschen [1012] gunstig voor hen gestemd
worden, en schenk hun alle soorten van vruchten [1013], opdat zij
dankbaar zouden mogen zijn. 41. Heer! gij weet alles wat wij verbergen,
en alles wat wij openbaren; want voor God is niets verborgen, tenzij op
de aarde of in den hemel. Geloofd zij God, die mij op mijne oude jaren
Ismaël en Izaak heeft gegeven; want mijn Heer verhoort de ootmoedige
beden. 42. O Heer! vergun dat ik het gebed in acht neme, gelijk een
gedeelte mijner nakomelingschap [1014]. O Heer! en verhoor mijne
bede. O Heer! vergeef mij en mijnen ouders [1015] en den geloovigen
op den dag dat de rekening zal worden opgemaakt. 43. Denk niet,
o profeet, dat God niet opmerkt wat de goddeloozen doen. Hij stelt
slechts hunne straf uit tot den dag, waarop de oogen der menschen op
den hemel zullen worden gevestigd. 44. Zij zullen zich haasten vooruit
te komen, als de stem des engels tot het oordeel zal oproepen; zij
zullen hunne hoofden opheffen, maar zij zullen niet in staat zijn hun
gezicht af te wenden van het voorwerp, waarop dat zal zijn gevestigd,
en hunne harten zullen ledig wezen. Daarom dreig de menschen met
den dag, waarop hun de straf zal worden opgelegd. 45. Waarop zij,
die onrechtvaardig hebben gehandeld, zullen zeggen: O Heer! geef
ons uitstel tot een nabij gelegen tijdstip. 46. En wij zullen uwe
oproeping tot het geloof gehoorzamen en uwe gezanten volgen. Maar men
zal hun antwoorden: Zwoert gij niet vroeger, dat gij nimmer zoudt
veranderen [1016]? 47. Thans woont gij in de verblijven van hen,
die hunne eigene zielen onrechtvaardig hebben behandeld [1017], en
het is u duidelijk, hoe wij met hen hebben gehandeld [1018], en wij
stelden u hunne vernietiging als voorbeelden. Zij gebruiken hunne
grootste listen om der waarheid weerstand te bieden; maar hunne list
is duidelijk voor God, die in staat is hunne plannen te verijdelen,
al waren hunne listen zoo groot, dat de bergen daardoor, konden worden
bewogen. 48. Denk dus niet, o profeet, dat God zou willen handelen
tegen zijne belofte van hulp aan zijne gezanten gedaan; want God is
machtig en in staat te wreken. 49. De dag zal komen waarop de aarde
in eene andere aarde, en de hemelen in andere hemelen zullen worden
veranderd [1019]; en de anderen zullen uit hunne graven opstaan, om
voor den eenigen, den almachtigen God te verschijnen. 50. Dan zult
gij de boozen zien, hoe hunne handen en voeten met ketenen beladen
zijn. 51. Hunne onderkleederen zullen van pek zijn, en het vuur zal
hunne aangezichten bedekken, opdat God iedere ziel vergelde volgens
zijne werken; want God is snel in zijne rekeningen. 52. Dit is eene
voldoende vermaning voor de menschen, opdat zij daardoor zouden
gewaarschuwd zijn; dat zij zouden weten, dat er slechts één God is,
en dat zij die met verstand zijn begaafd, zouden nadenken.



VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

AL HEDJR [1020].

Geopenbaard te Mekka.--99 verzen.


In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. E. L. R. Dit zijn de teekens van het boek en van den duidelijken
Koran. 2. De tijd zal komen, waarop de ongeloovigen zullen wenschen,
dat zij Moslems mochten zijn geweest [1021]. 3. Sta hun toe te eten en
te genieten in deze wereld, en laat hun hoop voeden; doch hierna zullen
zij hunne dwaasheid kennen. 4. Wij hebben geene stad verwoest, zonder
dat een vastgestelde tijd van berouw voor haar bepaald werd. 5. Geen
volk zal gestraft worden voordat zijn tijd zal zijn gekomen, en
deze zal niet worden verschoven. 6. De bewoners van Mekka zeggen
tot Mahomet: O gij! wien de vermaning [1022] werd nedergezonden,
gij zijt zekerlijk door den duivel bezeten. 7. Zoudt gij niet met een
gevolg van engelen tot ons zijn gekomen, indien gij de waarheid hadt
gesproken? 8. Antwoord: Wij zenden geene engelen neder, dan bij eene
voegzame gelegenheid [1023]. Dan zullen de ongeloovigen niet meer
worden uitgesteld. 9. Waarlijk, wij hebben den Koran nedergezonden,
en wij zullen dien zekerlijk voor vervalsching behoeden. 10. Wij
hebben vroeger, vóór u, gezanten tot de oude secten gezonden. 11. En
er kwam geen gezant tot hen, dien zij niet tot het voorwerp hunner
spotternijen maakten. 12. Evenzoo zullen wij de harten der zondige
bewoners van Mekka er toe brengen, hunnen profeet te bespotten. 13. Zij
zullen niet in hem gelooven niettegenstaande de straf der volkeren
reeds vroeger werd uitgevoerd. 14. Indien wij hun de poorten der
hemelen zouden ontsluiten, en zij reeds gereed zouden zijn daar
binnen te gaan [1024]. 15. Zouden zij veeleer uitroepen: Onze oogen
zijn slechts verblind door dronkenschap, of wij bevinden ons onder
den indruk eener zinsbeguicheling. 16. Wij hebben de twaalf teekens
in den hemel geplaatst en die in verschillende vormen voorgesteld
voor hen, die acht geven. 17. Wij verdedigen deze tegen de aanslagen
van iederen duivel [1025] welke met steenworpen werd teruggedreven
[1026]. 18. Behalve hij, die aansluipt om te luisteren, en op wien
dan eene zichtbare vlam wordt afgeschoten [1027]. 19. Wij hebben
ook de aarde uitgespreid en vaste bergen daarop geplaatst, en wij
hebben alle planten in eene bewonderingswaardige orde daaruit doen
spruiten. 20. En wij hebben daarop levensbehoeften voor u geplaatst
en voor de wezens, welke gij niet onderhoudt. 21. Er is geene zaak,
waarvan de voorraadschuren niet in onze handen zijn, en wij deelen
die slechts in eene bepaalde mate uit [1028]. 22. Wij zenden ook de
winden, die de bezwangerde wolken voortstuwen en wij zenden water
van den hemel waarvan wij u geven te drinken, en hetwelk gij niet
bewaart. 23. Waarlijk, wij geven leven en doen sterven, en wij
zijn de erfgenamen van alle dingen [1029]. 24. Wij kennen hen die
vooruit gaan, en wij kennen hen die achterblijven [1030]. 25. En uw
Heer zal hen op den laatsten dag verzamelen; want hij is alwetend en
wijs. 26. Wij schiepen den mensch van gedroogde klei, van zwart slijk,
in een vorm gebracht [1031]. 27. Vóór hem hadden wij reeds de geniussen
uit een fijn vuur gemaakt. 28. En gedenk, toen de Heer tot de engelen
zeide: Waarlijk, ik heb den mensch geschapen van gedroogde klei,
van zwart slijk, in een vorm gebracht. 29. Als ik hem dus volkomen
gevormd en mijn geest in hem geblazen zal hebben zult gij dan voor
hem nedervallen en hem aanbidden? 30. En al de engelen baden Adam
gezamenlijk aan. 31. Behalve Eblis, die weigerde met hen te zijn,
welke hem aanbaden. 32. En God zeide tot hem: Wat verhindert u met
degenen te zijn, die Adam aanbidden? 33. Hij antwoordde: Ik zal den
mensch niet aanbidden; dien gij gevormd hebt van gedroogde klei,
van zwart slijk, in een vorm gekneed. 34. God zeide: Ga dus heen;
want gij zult met steenen verdreven worden. 35. En een vloek zal op u
rusten tot op den dag des oordeels. 36. De duivel zeide: O Heer! geef
mij uitstel tot den dag der opstanding. 37. God antwoordde: Waarlijk,
gij zult tot hen behooren, die uitstel hebben verkregen. 38. Tot den
dag van den bepaalden tijd [1032]. 39. De duivel (Eblis) antwoordde:
Omdat gij mij hebt nedergeworpen, zal ik het kwade behagelijk voor
den mensch maken, en hen allen verleiden. 40. Uwe oprechte dienaren
zullen alleen gespaard worden. 41. God zeide: Dit is de rechte
weg. 42. Wat mijne dienaren betreft, gij zult geene macht over hen
hebben; maar alleen over hen, die verleid zullen worden en die u
zullen volgen. 43. De hel is zekerlijk voor hen allen bestemd. 44. Zij
heeft zeven ingangen; voor iederen ingang zal een bijzonder aantal
hunner worden aangewezen. 45. Maar zij, die God vreezen, zullen in
tuinen wonen, te midden van fonteinen. 46. De engelen zullen tot hen
zeggen: Treedt hier binnen in vrede en zekerheid. 47. Wij zullen alle
valschheid uit hunne harten wegnemen [1033]. Zij zullen als broeders
zijn, en tegen over elkander zitten [1034] op rustbanken. 48. Geene
vermoeienis zal hen kwellen, en nimmer zullen zij uit die woonplaats
worden geworpen. 49. Verklaar mijne dienaren, dat ik de genadige,
de barmhartige God ben. 50. En dat mijne straf eene gestrenge straf
is. 51. En verhaal hun de geschiedenis van de gasten van Abraham
[1035]. 52. Toen zij bij hem binnentraden en hem groetten, zeide hij:
Gij hebt ons bevreesd gemaakt. 53. En zij antwoordden: Vrees niets:
wij brengen u de belofte van een wijzen zoon. 54. Hij zeide: Brengt
gij mij de belofte van een zoon, nu ik oud geworden ben? Wat verhaalt
gij mij derhalve? 55. Zij zeiden: Wij hebben u de waarheid verhaald;
wanhoop dus niet. 56. Hij antwoordde: En wie wanhoopt aan Gods genade,
behalve zij die dwalen? 57. En hij zeide: Wat is dus uwe zending, o
gezanten van God? 58. Zij antwoordden: Waarlijk, wij werden gezonden
om een zondig volk te verdelgen. 59. Maar wat de leden van Lots gezin
betreft, zullen wij allen redden. 60. Uitgenomen zijne vrouw. Wij
hebben besloten, dat zij zal achterblijven om met de ongeloovigen
te worden verwoest. 61. En toen de boodschappers tot het gezin van
Lot kwamen, 62. zeide hij tot hen: Waarlijk, gij zijt een volk, dat
mij onbekend is. 63. Zij antwoordden: Maar wij zijn tot u gekomen
om de straf uit te voeren, waaromtrent uwe medeburgers in twijfel
verkeeren. 64. Wij verhalen u eene zekere waarheid, en wij zijn
gezanten der waarheid. 65. Breng dus uw gezin gedurende den nacht
weg, en volg gij achter hen; en laat zich niemand uwer omkeeren,
maar ga waarheen men u beveelt [1036]. 66. En wij gaven hem dit
bevel, daar dit volk, tot op den laatsten man, vóór den volgenden
dag moest zijn verdelgd. 67. En de bewoners der stad kwamen tot Lot,
zich verblijdende in het nieuws der aankomst van vreemdelingen. 68. En
hij zeide tot hen: Waarlijk, dit zijn mijne gasten; doe mij dus niet
in ongenade vervallen, door hen te misbruiken. 69. Maar vreest God
en bedekt mij niet met schande. 70. Zij antwoordden: Hebben wij u
niet verboden een mensch te ondersteunen? 71. Lot hernam: Dit zijn
mijne dochters, maak dus eerder van haar gebruik, indien gij vast
besloten hebt nopens hetgeen gij wilt doen. 72. Zoo waar gij leeft,
zij dwaalden in beschonkenheid [1037]. 73. Daarom overviel hun een
vreeselijke storm van den hemel, bij het opgaan der zon. 74. En
wij keerden de stad ten onderste boven en lieten er een regen op
nedervallen van steenen uit gebakken klei. 75. Waarlijk, daarin zijn
teekens voor de menschen, die deze aandachtig nagaan. 76. En deze
steden werden gestraft, tot het banen van een rechten weg voor den
mensch, om dien te bewandelen. 77. Waarlijk, hierin is een teeken voor
de ware geloovigen. 78. De bewoners van het bosch van Midian [1038]
waren mede goddeloos. 79. Daarom namen wij wraak op hen [1039]. En
zij werden beide verdelgd, om als een duidelijk voorbeeld te dienen
voor de menschen, ten einde daarnaar hunne daden te richten. 80. En
de bewoners van Al Hedjr [1040] beschuldigden Gods gezanten eveneens
van bedrog. 81. En wij toonden hun onze teekens; maar zij wendden
zich ver daarvan af. 82. Zij hieuwen huizen in de bergen uit om
zich te beveiligen. 83. Maar een vreeselijk onweder van den hemel
overviel hen des morgens. 84. Wat zij gedaan hadden, was volstrekt
niet voordeelig voor hen. 85. Wij hebben de hemelen en de aarde,
en wat zich daartusschen bevindt, niet dan in onrechtvaardigheid en
niet te vergeefs geschapen, en het uur des oordeels zal zekerlijk
komen. Vergeef dus uw volk, o Mahomet! met eene barmhartige
vergiffenis [1041]. 86. Waarlijk, uw Heer is de schepper van u en
van hen, en weet wat het nuttigste is. 87. Wij hebben u reeds zeven
verzen gebracht, die dikwijls moesten worden herhaald [1042], en
den heerlijken Koran. 88. Werp uwe blikken niet op de goede dingen,
welke wij aan onderscheidenen der ongeloovigen hebben geschonken,
en begeer die niet [1043]. Wees nimmer bedroefd over hen. Gedraag u
zachtmoedig omtrent de ware geloovigen. 89. Zeg hun: Waarlijk, ik ben
een openbaar prediker. 90. Indien zij niet gelooven, zullen wij hun
eene gelijke straf opleggen, als aan de verdeelers [1044]. 91. Die
den Koran in verschillende deelen onderscheiden. 92. Want door uw
Heer, o Mahomet! zullen wij hen ondervragen. 93. Nopens al hunne
daden. 94. Openbaar dus wat u werd bevolen en, wend u af van de
afgodendienaars. 95. Wij zullen u zekerlijk bijstaan tegen de
spotters [1045]. 96. Die een anderen God met God vereenigen. Zij
zullen zekerlijk hunne dwaasheid kennen. 97. En wij weten, dat gij
diep gegriefd zijt door het verhaal van hetgeen zij zeggen. 98. Maar
verheerlijk den lof van uwen Heer en aanbid hem. 99. En dien uwen Heer,
tot de dood [1046] u overvalt.



ZESTIENDE HOOFDSTUK.

DE BIJ [1047].

Gegeven te Mekka [1048].--128 verzen.


In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Het besluit van God zal zekerlijk worden uitgevoerd; verhaast het
dus niet. Geloofd zij hij! en ver zij het van hem wat gij met hem
vereenigt. 2. Hij zal de engelen, door zijn bevel doen nederdalen
met eene openbaring tot degenen zijner dienaren, welke hem behagen,
zeggende: Verkondigt dat er geen God buiten mij is, en vreest mij
dus. 3. Hij heeft de hemelen en de aarde geschapen om zijne waarheid
te doen blijken; ver zij het van hem wat gij met hem vereenigt. 4. Hij
heeft den man van zaad geschapen, en thans is de mensch een bepaalde
betwister der opstanding [1049]. 5. Hij heeft op dezelfde wijze het
vee voor u geschapen, van hetwelk gij de kleederen verkrijgt om
u warm te houden [1050], benevens andere voordeelen, terwijl gij
er tevens van eet. 6. Het is tegelijk eene eer voor u als gij het
des avonds naar huis drijft, en als gij het des morgens wegvoert
om het te weiden. 7. En zij dragen uwe lasten naar eene verwijderde
plaats, welke gij op geene andere wijze zoudt kunnen bereiken dan met
groote moeielijkheid voor u zelven; want uw Heer is goedertieren en
barmhartig. 8. Ook heeft hij paarden en muildieren en ezels geschapen
om daarop te kunnen rijden, en als een sieraad voor u; en hij schiep
evenzoo andere dingen, welke gij niet kent. 9. Het behoort Gode,
de menschen te onderrichten nopens den rechten weg, en er zijn er,
die daarvan afdwalen: maar indien het hem had behaagt, zou hij u
zekerlijk allen geleid hebben. 10. Hij is het, die regenwater van
den hemel nederzendt, waarvan gij kunt drinken en waarvan de planten
waarmede gij uw vee spijst, haar voedsel ontvangen. 11. Door middel
van het water doet hij koorn, olijven en palmboomen, druiven en alle
soorten van vruchten voor u ontspruiten. Waarlijk, hierin is een
teeken van de goddelijke macht en wijsheid voor hen die aandachtig
gadeslaan. 12. En hij heeft den nacht en den dag aan uwen dienst
onderworpen, en de zon en de maan en de sterren, die gedwongen zijn
op zijn bevel te dienen. Waarlijk, hierin liggen teekenen voor hen die
begrijpen willen. 13. Hij heeft u ook de oppermacht gegeven over alles
wat hij voor u op aarde heeft geschapen, door zijne verschillende
kleuren onderscheiden. Waarlijk, hierin is een teeken voor hen die
er over denken. 14. Hij is het, die de zee aan u heeft onderworpen,
opdat gij er visschen [1051] uit zoudt mogen eten en er versierselen
[1052] uit mogen halen om u op te schikken; en gij ziet de schepen
hare golven doorklieven, opdat gij zoudt trachten door koophandel u met
zijnen overvloed te verrijken, en dat gij dankbaar zoudt zijn. 15. En
hij heeft op de aarde vastgewortelde bergen geplaatst, dat die
zich met u zouden bewegen [1053], en ook rivieren en paden, opdat
gij geleidt zoudt worden. 16. Hij heeft tevens teekenen geplaatst,
waardoor de menschen hunnen weg zouden kennen; en zij worden door de
sterren geleid [1054]. 17. Zal dus God die schept, evenals hij zijn,
die niet schept? Dient gij dus niet na te denken. 18. Indien gij
poogt Gods gunsten te berekenen, zult gij niet in staat zijn haar
getal te tellen. Waarlijk. God is genadig en barmhartig. 19. En God
kent wat gij verbergt en wat gij openbaart. 20. Maar de afgoden,
welke gij buiten God aanbidt, scheppen niets, maar zijn zelven
geschapen. 21. Zij zijn dood en niet levend, en zij weten volstrekt
niet, 22. wanneer zij zullen opstaan [1055]. 23. Uw God is een eenig
God. Wat hen betreft, die niet in het volgende leven gelooven, hunne
harten loochenen het meest duidelijke, en zij verwerpen de waarheid
met trotschheid. 24. Daaromtrent is geen twijfel, maar God kent wat
zij verbergen en wat zij ontdekken. 25. Waarlijk, hij bemint den
trots niet. 26. En toen men hun vroeg: Wat heeft uw Heer aan Mahomet
nedergezonden? antwoordden zij: Fabelen uit oude tijden. 27. Zoozeer
zijn zij aan dwaling overgegeven, dat zij hunne eigene lasten zonder
verlichting op den dag der opstanding zullen dragen, en ook een deel
der lasten van hen welke zij deden dwalen zonder kennis. Zal het geen
zware last zijn dien zij zullen dragen? 28. Hunne voorgangers smeedden
vroeger aanslagen. God tastte hun gebouw tot in de grondslagen aan:
het dak viel van boven op hen neder, en eene straf kwam over hen, van
waar zij die niet verwachtten [1056]. 29. Ook op den dag der opstanding
zal hij hen met schande bedekken en zal hij zeggen: Waar zijn mijne
makkers, over welke gij getwist hebt? Zij, aan wie verstand zal zijn
gegeven [1057], zullen antwoorden: Op dezen dag zullen schande en
ellende over de ongeloovigen komen. 30. Zij welken de engelen des doods
bij het sterven zullen afwachten omdat zij onrechtvaardig met hunne
zielen gehandeld hebben, zullen in het oogenblik des doods aanbieden,
zich te onderwerpen, zeggende: Wij hebben geen kwaad bedreven. Maar
de engelen zullen antwoorden: Ja, waarlijk, God kent wat gij hebt
bedreven. 31. Gaat dus de poorten der hel binnen, om daarin voor
eeuwig te verblijven; en het verblijf van den trotsche zal ellendig
zijn. 32. En tot de godvreezenden zal gezegd worden: Wat heeft uw
Heer nedergezonden? Zij zullen antwoorden: Allerlei weldaden. Aan hen
die rechtvaardig handelen, zal eene uitmuntende belooning in deze
wereld worden geschonken, maar de woning, van het volgende leven
zal beter, en de woning van den vrome gelukkig zijn! 33. Namelijk
tuinen van eeuwig verblijf, waar zij zullen binnentreden; rivieren
zullen daar stroomen, en daar zullen zij genieten wat zij zouden mogen
wenschen. Zoo zal God den vrome beloonen. 34. Tot de rechtvaardigen,
welke de engelen bij het sterven ontvangen, zullen zij zeggen: Vrede
zij over u! Gaat het paradijs binnen, als eene belooning voor hetgeen
gij hebt gedaan. 35. Verwachten de ongeloovigen iets anders dan dat de
engelen tot hen komen, om hunne zielen van hunne lichamen te scheiden,
of dat het besluit van hunnen Heer op hen worde uitgevoerd? Zoo
handelen zij die vóór hen waren en God handelde niet onrechtvaardig
nopens hen, door hen te verdelgen: maar zij handelden onrechtvaardig
met hunne eigene zielen. 36. De booze daden welke zij bedreven
hadden, bereikten hen en het goddelijke oordeel, dat zij bespot
hadden, stortte op hen neder. 37. De afgodendienaars zeggen: Indien
het Gode had behaagd, zouden wij niets buiten hem hebben aangebeden,
wij en onze vaderen; wij zouden slechts verboden hebben wat hij zelf
verbood. Zij die hen voorafgingen, handelden evenzoo. Maar moeten de
gezanten iets anders doen dan openbaar prediken? 38. Wij hebben vroeger
bij ieder volk een gezant doen opstaan, om hen te vermanen, zeggende:
Aanbidt God en vermijdt Thagut [1058]. En sommigen van hen werden
door God geleid, terwijl anderen bestemd waren af te dwalen. Gaat
dus over de aarde, gij Koreïshieten, en ziet wat het einde was van
hen, die hunne gezanten van bedrog beschuldigden. 39. Indien gij,
o profeet, ernstig wenscht dat zij geleid mogen worden, weet dan, dat
God dengeen niet leidt, omtrent wien hij besloten heeft, hem in dwaling
te brengen: zij zullen geenerlei helper hebben. 40. En zij zweren op
de meest plechtige wijze bij God, zeggende: God zal de dooden niet
opwekken. En toch, de belofte is waar. Hij zal het dus doen, maar
het grootste deel der menschen weet het niet. 41. Hij zal hen doen
verrijzen, opdat hij hun duidelijk de waarheid zou kunnen toonen,
waaromtrent zij thans verschillen, en opdat de ongeloovigen weten
dat zij leugenaars zijn. 42. Indien wij willen, dat iets bestaat,
zeggen wij slechts: Zij, en het is. 43. Wat hen betreft, die hun
land zijn ontvloden voor Gods zaak, nadat zij onrechtvaardig waren
vervolgd, waarlijk, wij zullen hun eene uitmuntende woning in deze
wereld schenken; maar de belooning van het volgende leven zal grooter
zijn. Indien zij dat slechts kenden! [1059]. 44. Zij die met geduld
volharden en hun vertrouwen in hunnen Heer stellen, zullen overvloed
van geluk hebben, zoowel in dit leven als in het volgende. 45. Wij
hebben vóór u niemand anders als onze gezanten gezonden, dan mannen
[1060], met welke wij door openbaring spraken. Vraag dus aan hen,
die met de bewaring der schriften zijn belast, indien gij niet
weet dat dit de waarheid is. 46. Wij zonden hen met duidelijke
wonderen en beschreven openbaringen, en wij hebben u dezen Koran
[1061] gezonden, opdat gij den mensch zoudt verklaren wat hem reeds
werd nedergezonden, en opdat hij zou nadenken. 47. Zijn zij, die
kwaad tegen hunnen profeet hebben gesmeed, zeker, dat God de aarde
onder hen niet zal doen vaneen splijten, of dat hen geene straf zal
treffen, vanwaar zij die niet verwachten. 48. Of dat hij hen niet
zal kastijden, als zij bezig zijn van eene plaats naar eene andere
te reizen, of met arbeiden? Want zij zullen niet in staat zijn,
Gods macht te verzwakken. 49. Of dat hij hen niet zal kastijden door
eene trapsgewijze vernietiging? Maar uw Heer is waarlijk genadig
en barmhartig door u uitstel te verleenen. 50. Beschouwen zij de
dingen niet die God heeft geschapen, wier schaduwen naar de rechter-
en linkerzijde worden geworpen, om God [1062] te aanbidden en zich
voor hem neder te buigen? 51. Alles wat zich, zoowel in den hemel
als op de aarde, beweegt, die dieren en ook de engelen aanbidt God,
en zij zijn niet door trotschheid opgeblazen. 52. Zij vreezen hunnen
Heer, die boven hen is verheven, en doen wat hun bevolen is. 53. God
zeide: Neemt geene twee goden onder u; want er is slechts één God,
en vreest mij. 54. Hem behoort alles wat in den hemel en op de aarde
is, en hem is de mensch eeuwig gehoorzaamheid schuldig. Zoudt gij dus
iets buiten God vreezen? 55. Welke weldaden gij ook hebt ontvangen,
zij zijn zekerlijk van God, en indien gij door het ongeluk bedroefd
wordt, richt gij uwe smeekingen tot hem. 56. En indien hij u van het
booze verlost, geeft een deel der uwen makkers aan hunnen Heer. 57. Om
hunne ondankbaarheid te betoonen voor de gunsten welke wij hun
hebben geschonken. Verheugt u in de genietingen van dit leven; maar
hier namaals zult gij weten, dat gij de goddelijke wraak niet kunt
ontkomen. 58. En zij geven aan de afgoden, die geen verstand hebben
[1063], een deel van het voedsel dat wij hun hebben geschonken. Ik
zweer u bij God, gij zult zekerlijk ter verantwoording worden geroepen,
voor hetgeen gij verkeerdelijk hebt uitgedacht. 59. Zij schrijven
aan God dochters toe [1064]; dit zij ver van hem! en zij begeeren
die niet voor zich zelven [1065]. 60. En indien aan een hunner het
bericht wordt gegeven van de geboorte eener dochter, wordt zijn
aangezicht donker [1066] en hij is diep bedroefd. 61. Hij verbergt
zich voor het volk, wegens de slechte tijding die hem is medegedeeld;
bij zichzelven nadenkende, of hij er de schande van ondergaan, of
haar in het stof begraven zal. Is hun oordeel niet slecht? 62. En
die niet in het volgende leven gelooven, moet gij gelijk stellen
met al het booze; maar vereenig God slechts met het meest verhevene
[1067]; want hij is machtig en wijs. 63. Indien God de menschen voor
hunne onrechtvaardigheid zou straffen, zou hij geen levend wezen op
aarde laten; maar hij geeft hen uitstel tot een bepaalden tijd; en
als hun tijd zal gekomen zijn, zullen zij geen uur uitstel ontvangen,
en hunne straf zal ook niet vervroegd worden. 64. Zij schrijven aan God
toe wat zij zelve haten, en hunne tongen spreken eene leugen uit, als
zij zeggen, dat de belooning van het paradijs voor hen is bestemd. Er
bestaat geen twijfel, of het vuur der hel voor hen is gereed gemaakt,
en dat zij daarin zullen nedergeworpen worden, vóór het overige deel
der zondaren. 65. Ik zweer bij God, dat wij vroeger gezanten hebben
gezonden tot de volkeren, die vóór u bestonden, maar Satan maakte hunne
werken voor hen gereed; hij was hun schuts in deze wereld [1068] en
in de volgende zullen zij eene gestrenge pijniging ondergaan. 66. Wij
hebben u den Koran met geen ander doel nedergezonden, dan dat gij
hun de waarheid zoudt verklaren, waaromtrent zij thans verschillen,
en tot leiding en genade voor hen die gelooven. 67. God zendt water
van den hemel neder en doet de aarde na haren dood herleven. Waarlijk,
hierin is een teeken der opstanding, voor hen die luisteren. 68. Ook
het vee is voor u een voorbeeld tot onderricht; wij geven u te
drinken van hetgeen zich in zijn buik bevindt, tusschen verteerde
stoffen en bloed; namelijk zuivere melk, die met genoegen wordt
genoten door hen die haar drinken. 69. En van de vruchten der
palmboomen, en van de druiven verkrijgt gij een bedwelmenden drank
en ook een goed voedsel [1069]. Waarlijk hierin is een teeken,
voor hen die begrijpen willen. 70. Uw Heer sprak door ingeving tot
de bij, zeggende: Bouw u huizen in de bergen en in de boomen, en
van de stoffen waarmede de menschen korven voor u bouwen. 71. Eet
van iedere vruchtsoort en wandel op de gebaande wegen van uwen Heer
[1070]. Uit hare buiken komt eene vloeistof van verschillende kleur
[1071] welke een geneesmiddel voor de menschen bevat. Waarlijk,
hierin is een teeken voor hen die nadenken. 72. God heeft u geschapen,
en hij zal u later doen sterven, en het leven van menigen uwer zal
tot een uitgeleefden ouderdom verlengd worden, zoodat hij alles zal
vergeten wat hij wist; want God is wijs en machtig. 73. God doet
sommigen uwer in wereldsche bezittingen boven anderen uitmunten;
maar degenen welke hij doet uitmunten, geven hunne bezittingen niet
aan hunne slaven, die door hunne rechterhand wordt bezeten, opdat zij
gelijke bezitters daarvan worden [1072]. Loochenen zij daarom Gods
weldaden? 74. God heeft u vrouwen gekozen onder de uwen en u van
uwe vrouwen kinderen en kleinkinderen geschonken, en heeft u goede
dingen tot voeding gegeven. Wilt gij dus gelooven in datgene wat
ijdel is, en ondankbaar Gods goedheid loochenen? 75. Zij aanbidden
naast God afgodsbeelden die niets bezitten, waarmede zij zich kunnen
onderhouden, noch in den hemel, noch op aarde, en welke geene macht
hebben. 76. Vergelijk dus niets met God [1073]; want God weet alles
en gij weet niets. 77. God stelt u als eene vergelijking een slaaf
voor, die over niets macht bezit en dengeen, wien wij een grooten
voorraad hebben geschonken en die daarvan openlijk en heimelijk [1074]
aalmoezen geeft; zullen deze beiden gelijk geschat worden? Goddank,
neen! Maar het grootste deel der menschen weet het niet. 78. God
stelt ook als eene vergelijking twee mannen voor, waarvan de een
stom geboren, en niet in staat is iets te doen of te verstaan:
maar een last voor zijn meester is: waarheen hij hem ook zende,
hij zal hem niets goeds brengen. Zal deze man en hij die meester
over zijne spraak is en verstaat, en die beveelt wat rechtvaardig
is en den rechten weg volgt, gelijk geacht worden [1075]? 79. Aan
God alleen is het geheim van hemel en aarde bekend. De handeling van
het laatste uur [1076] zal zijn als de tijdruimte van een oogenblik,
of wellicht nog spoediger; want God is almachtig. 80. God heeft u
voortgebracht uit de ingewanden uwer moederen. Gij wist niets en hij
gaf u de zintuigen van het gehoor en het gezicht, en het verstand,
opdat gij dankbaar zoudt zijn. 81. Hebt gij een blik geworpen op de
vogelen, die de lucht doorklieven? God alleen kan hunne vlucht stuiten;
niemand beschut hen buiten God. Waarlijk, hierin zijn teekens voor
hen die gelooven. 82. God heeft u ook huizen gegeven, om tot woningen
voor u te dienen en heeft ook uwe tenten van dierenhuiden voorzien,
die licht zijn, om op den dag van uw vertrek naar andere plaatsen
overgebracht te worden, en gemakkelijk te spannen op den dag, dat gij
er in woont; hij heeft u voorzien van wol, bont en haar van uw vee;
van kleederen en benoodigdheden voor tijdelijk gebruik. 83. En God
heeft u verschaft van hetgeen hij geschapen heeft, en gemakken om u
tegen de zon te beveiligen, en hij heeft u schuilplaatsen in de bergen
verstrekt en kleederen gegeven, om u voor de hitte te beschutten
[1077], en maliënkolders, om u in uwe oorlogen te beschermen. Zoo
vervult hij zijne gunst nopens u, opdat gij u aan zijn wil zoudt
onderwerpen. 84. Maar indien de Arabieren zich afwenden, zijt gij
slechts met de openbare prediking belast. 85. Zij erkennen Gods
goedheid en loochenen die later [1078]; maar het grootste deel hunner
zijn ongeloovigen [1079]. 86. Op zekeren dag zullen wij een getuige
van ieder volk doen opstaan; dan zullen zij, die ongeloovigen waren,
zich niet kunnen verontschuldigen, en zij zullen niet in gunst worden
opgenomen. 87. En als zij, die onrechtvaardig hebben gehandeld, de
pijniging zullen zien, die voor hen is bereid, welke noch verminderd,
noch uitgesteld voor hen zal worden. 88. En als zij, die zich aan
afgodendienst hebben schuldig gemaakt, hunne valsche goden [1080]
zullen zien, zullen zij zeggen: O Heer! dit zijn onze afgoden,
welke wij buiten u aanroepen. Maar zij zullen zich omkeeren en hun
antwoorden: Waarlijk, gij zijt leugenaars. 89. En op dien dag zullen
de zondaren God hunne onderwerping aanbieden; en de valsche godheden
welke zij hebben uitgedacht, zullen verdwijnen. Wat hen betreft, die
ongeloovig waren, en anderen van Gods weg hebben afgeleid. 90. Wij
zullen hen straf op straf doen ondergaan, omdat zij anderen hebben
verleid. 91. Op zekeren dag zullen wij uit ieder volk een getuige
van de hunne tegen hen doen opstaan, en wij zullen u, o Mahomet,
tot een getuige tegen deze Arabieren maken. Wij hebben u het boek van
den Koran nedergezonden, tot uitlegging van alle dingen, die zoowel
in het geloof als in het leven noodig zijn, en tot eene richting, en
genade en goede tijdingen onder de Moslems. 92. Waarlijk, God beveelt
rechtvaardigheid en weldadigheid, en het geven aan verwanten wat
noodig is; en hij verbiedt zonde, onrechtvaardigheid en verdrukking:
hij waarschuwt u, opdat gij zoudt overwegen [1081]. 93. Vervul uw
verbond met God [1082], als gij een verbond met hem aangaat, en schend
uwe eeden niet, nadat gij die plechtig hebt afgelegd. Gij hebt God tot
getuige over u gesteld, en waarlijk God weet wat gij doet. 94. Gelijk
niet op de vrouw, die vernietigde wat zij gesponnen had; die den
draad losdraaide, nadat zij hem stevig had gesponnen [1083]; door
elkander bedriegelijke eeden te doen, omdat het eene deel sterker is
dan het andere. Waarlijk, God beproeft u slechts hierin, en hij zal u
dat duidelijk maken op den dag der opstanding, waaromtrent gij thans
verschilt. 95. Indien het Gode had behaagd, zou hij u zekerlijk tot één
volk hebben gemaakt; maar hij brengt in dwaling naar zijn welbehagen,
en hij zal leiden wie hem behaagt. Eens zal men u rekenschap van uwe
daden vragen. 96. Bedien u niet van uwe eeden als van een middel om
te bedriegen, opdat uw voet, die thans vaststaat, niet uitglijde en
opdat gij de straf niet moogt ondervinden, omdat gij u van den weg
tot God hebt afgewend, en gij eene gestrenge straf in het volgende
leven zoudt lijden. 97. Verkoop ook het verbond met God niet tot een
geringen prijs [1084]; want God heeft u eene betere belooning bereid,
indien gij wilt begrijpen. 98. Datgene wat gij bezit, gaat voorbij,
maar hetgeen bij God is, blijft; en wij zullen hen die volharden,
zekerlijk overeenkomstig de verdienste hunner daden beloonen. 99. Hij
die rechtvaardigheid oefent, hetzij hij een man of eene vrouw mocht
wezen en een waar geloovige is, wij zullen hem zekerlijk tot een
gelukkig leven opwekken, en wij zullen hem de schoonste belooning
geven, welke zijne daden hebben verdiend. 100. Indien gij den Koran
leest, zoek dan toevlucht bij God, opdat hij u moge behoeden tegen
Satan, die met steenen werd verdreven [1085]. 101. Doch hij heeft
geene macht over hen die gelooven en die vertrouwen in hunnen Heer
stellen. 102. Maar zijne macht strekt zich alleen uit over hen, die
hem tot hunnen schuts kiezen, en die God makkers geven. 103. Indien
wij in dezen Koran een vers door een ander vervangen (en God weet het
beste wat hij openbaart), dan zeggen de ongeloovigen: Gij alleen hebt
deze verzen uitgedacht; maar de meesten hunner weten de waarheid van
de leugen niet te onderscheiden. 104. Zeg: De heilige geest [1086]
heeft u deze van uwen Heer met waarheid nedergebracht, opdat hij
degenen zou mogen bevestigen die gelooven, en tot eene richting diene
en goede tijdingen aan de Moslems brenge. 105. Wij weten ook dat zij
zeggen: Waarlijk, een zeker man leert hem den Koran samenstellen. De
taal van den persoon dien zij willen aanduiden is eene vreemde taal:
maar diegene waarin de Koran is geschreven, is de duidelijke Arabische
taal [1087]. 106. Wat hen betreft die niet in Gode teekenen gelooven,
God zal hen niet leiden, en zij zullen eene pijnlijke marteling
ondergaan. 107. Waarlijk, zij die niet in Gods teekenen gelooven,
denken eene leugen uit, en zij zijn de leugenaars. 108. Hij die God
loochent, nadat hij heeft geloofd, behalve hij die tegen zijn wil werd
gedwongen, en wiens hart standvastig blijft in het geloof, zal streng
gekastijd worden [1088]; maar op hem, die uit eigen wil ongeloovig is,
zal Gods verontwaardiging nederkomen en hij zal eene gestrenge straf
ondergaan. 109. Dit zal hun vonnis zijn, omdat zij het tegenwoordige
leven boven het volgende hebben bemind en omdat God de ongeloovigen
niet leidt. 110. Die zijn zij wier harten, gehoor en gezicht door
God zijn verzegeld. Zij zijn zorgeloos; maar het is ontwijfelbaar,
dat zij in het volgende leven zullen gestraft worden. 111. Uw Heer
zal echter gunstig zijn voor degenen die hunne woning zijn ontvlucht,
nadat zij waren vervolgd [1089], en die door geweld genoodzaakt worden
het geloof te verloochenen, en die tot verdediging van den waren
godsdienst hebben gestreden, en met geduld zijn blijven volharden;
waarlijk, voor hen zal uw Heer genadig en barmhartig zijn, nadat
zij hunne oprechtheid zullen hebben betoond. 112. Op een zekeren dag
zal iedere ziel voor zich zelve pleiten [1090], en iedere ziel zal
beloond worden naar hetgeen zij zal hebben bedreven, en zij zal niet
onrechtvaardig worden behandeld. 113. God stelt u als vergelijking eene
stad voor, die veilig en rustig was, en tot welke de levensmiddelen
van alle zijden in overvloed kwamen; maar zij verloochende, ondankbaar,
Gods gunst, waardoor God haar buitengewone hongersnood en vrees deden
gevoelen, om hetgeen zij had gedaan. 114. En thans is uit hun midden
een gezant gekomen tot de bewoners van Mekka, en zij beschuldigen
hem van bedrog; daarom zal hun eene straf worden opgelegd, naardien
zij onrechtvaardig handelen. 115. Eet van hetgeen God u tot voedsel
heeft gegeven, hetgeen nuttig en goed is, en wees dankbaar voor
Gods goedheden, indien gij hem aanbidt. 116. Hij heeft u alleen het
gebruik verboden van hetgeen dood is, en bloed en varkensvleesch,
en hetgeen in den naam van een ander dan God is gedood [1091]. Maar
omtrent hem, die door den nood gedwongen werd, van deze dingen te
eten en die niet willens of opzettelijk zondigde, zal God zekerlijk
genadig en barmhartig zijn. 117. En zeg niet, waarmede uwe tongen
eene leugen uitdrukken: Dit is wettig en dit onwettig [1092], om
eene leugen nopens God uit te denken; want zij die iets nopens God
uitdenken, zullen geen voorspoed genieten. 118. Zij zullen slechts
weinig genoegen in deze wereld smaken en in de volgende zullen zij eene
pijnlijke marteling ondergaan. 119. Den Joden verboden wij wat wij u
reeds vroeger verhaalden [1093], en wij behandelden hen daarin niet
onrechtvaardig; maar zij handelen zelven onrechtvaardig omtrent hunne
eigene zielen. 120. Uw Heer zal genadig zijn omtrent dengenen die kwaad
bedrijven door onwetendheid, en later berouw gevoelen en boete doen;
waarlijk, voor hen zal uw Heer, na hun berouw, genadig en barmhartig
zijn. 121. Abraham was een voorbeeld van waren godsdienstijver,
gehoorzaam aan God en vroom. Hij was geen afgodendienaar. 122. Hij was
dankbaar voor zijne weldaden. Daarom koos God hem en leidde hem op den
rechten weg. 123. Wij beloonden hem in deze wereld, en in de volgende
zal hij tot de rechtvaardigen behooren. 124. Wij hebben ook tot u,
o Mahomet! door openbaring gesproken, zeggende: Volg den godsdienst
van Abraham, die vroom en geen afgodendienaar was. 125. De Sabbat werd
alleen voor hen bepaald, die daaromtrent met hunnen profeet verschillen
[1094], en uw Heer zal op den dag der opstanding zekerlijk tusschen hen
richten, nopens datgene, waaromtrent zij verschillen. 126. Noodig,
door wijsheid en zachte vermaning, de menschen uit, den weg van
uwen Heer te bewandelen. Twist gij met hen, doe het dan op de meest
gepaste wijze; want uw Heer weet wel wie van zijn drempel afdwaalt en
wie op den waren weg zijn geleid. 127. Indien gij u op iemand wreekt,
neem dan eene wraak, geëvenredigd aan het kwaad dat u wordt aangedaan
[1095]; maar indien gij het kwade geduldig ondergaat, zal dit beter
voor den lijdzame zijn. 128. Wees dus geduldig; maar gij zult dit
niet kunnen doen dan met Gods hulp. Bedroef u niet op het verhaal der
ongeloovigen, en verkeer ook niet in angst om hetgeen zij uitdenken;
want God is met hen die hem vreezen en oprecht zijn.



ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

DE NACHTELIJKE REIS [1096].

Geopenbaard te Mekka [1097].--111 verzen.


In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Geloofd zij hij, die zijn dienaar des nachts van den geheiligden
tempel van Mekka naar den meer verwijderden tempel van Jeruzalem
[1098] heeft overgebracht, waarvan wij den omtrek hebben gezegend,
om hem sommige onzer teekenen te doen zien; want God hoort en ziet
alles. 2. En wij gaven aan Mozes het boek der wet en bepaalden dat die
tot leiddraad zou dienen voor de kinderen Israëls, zeggende: Neemt
u in acht, dat gij geen anderen schuts buiten mij kiest. 3. O gij,
nakomelingen van hen, welke wij met Noach in de ark hebben bewaard
[1099]! waarlijk, hij was een dankbare dienaar. 4. En wij verklaarden
opzettelijk aan de kinderen Israëls in het boek der wet, zeggende:
Gij zult zekerlijk tweemaal [1100] op de aarde kwaad bedrijven,
en gij zult u met een mateloozen hoogmoed verhoovaardigen. 5. En
toen de straf, voor de eerste dezer zonden bedreigd, tot uitvoering
kwam, vaardigden wij onze dienaren, met buitengewone oorlogskracht
begiftigd, tegen u af [1101]; zij drongen in de binnenste vertrekken
uwer huizen door, en de voorzegging werd vervuld. 6. Daarna gaven
wij u, op uwe beurt, de overwinning over hen [1102] en wij schonken
u vermeerdering van welvaart en kinderen, en wij maakten u tot een
talrijker volk. 7. Zeggende: Indien gij goed doet, zult gij omtrent
uwe eigene zielen wel handelen, en indien gij kwaad doet, doet gij
dit mede nopens uwe eigen zielen. Toen de straf, voor de latere zonde
bedreigd, tot uitvoering kwam, zouden wij vijanden tegen u, om u te
bedroeven [1103] en den tempel binnen te treden, zooals zij dien den
eersten keer binnentraden, en om daarna te verwoesten wat zij hadden
veroverd. 8. Misschien zal uw Heer hierna genadig omtrent u zijn;
maar indien gij voor de derde maal zondigt en dus terugkeert, zullen
wij mede terugkeeren en u kastijden [1104]; en wij hebben de hel tot
gevangenis voor de ongeloovigen bestemd. 9. Waarlijk deze Koran leidt
op den meest rechten weg, en verkondigt den geloovigen. 10. Die
goede werken verrichten dat zij eene groote belooning zullen
ontvangen. 11. Want hun, die niet in het volgende leven gelooven,
hebben wij eene gestrenge straf bereid. 12. De mensch bidt voor het
kwade zooals hij voor het goede bidt [1105], want de mensch is haastig
[1106]. 13. Wij hebben den nacht en den dag bevolen, als twee teekens
van onze macht; daarna bluschten wij het teeken van den nacht uit,
en wij deden het teeken van den dag voortschijnen, opdat gij zoudt
trachten, weldaden van uwen Heer te verkrijgen door het vervullen
uwer plichten, en opdat gij het getal jaren en de berekening van
den tijd zoudt kennen, en wij hebben iedere noodige zaak door eene
duidelijke uitlegging verklaard. 14. Het noodlot [1107] van iederen
mensch hebben wij om zijn hals bevestigd [1108], en op den dag der
opstanding zullen wij hem een boek toonen, waarin zijne daden zijn
vermeld en dat hem geopend zal worden aangeboden. 15. Lees uw boek,
(zullen de engelen dan tot hem zeggen), uwe ziel zal heden eene
voldoende rekening tegen u opmaken. 16. Hij die op den rechten weg
zal worden geleid, zal alleen ten voordeele van zijne eigene ziel
worden geleid, en hij die dwaalt, zal alleen tegen zijne eigene ziel,
met de last van eene andere worden bezwaard. Wij straffen nooit een
volk dan nadat wij eerst een gezant hadden afgevaardigd, om hen te
waarschuwen. 17. En als wij besloten hadden eene stad te verwoesten,
gelastten wij hare in overvloed levende inwoners, onzen gezant te
gelooven; maar zij handelden misdadig; daarom werd dat vonnis tegen
die stad rechtvaardig uitgesproken en wij verdelgden haar. 18. En hoe
vele geslachten hebben wij sedert Noach doen ondergaan! want uw Heer
kent en ziet op voldoende wijze de zonden zijner dienaren. 19. Hem
die dit voorbijgaande leven heeft gekozen, zullen wij in deze wereld
spoedig geven wat ons behaagt; daarna hebben wij de hel voor zijn
verblijf bereid; daar zal hij verbrand worden, bedekt met schande
en beroofd van alle genade. 20. Maar hij die het volgende leven
kiest en daarheen zijne pogingen doet strekken, terwijl hij een waar
geloovige is, diens pogingen zullen den Heer aangenaam zijn. 21. Wij
verleenen de gaven van uwen Heer aan dezen en aan genen; want Gods
gaven zullen niemand worden geweigerd. 22. Gedenk hoe wij sommigen
hunner in welvaart en waardigheid hebben doen uitmunten; maar het
volgende leven zal belangrijker zijn in graden van eer en van grootere
uitnemendheid. 23. Plaats geen anderen God naast den waren God; want
gij zoudt met schande en vernedering worden bedekt. 24. Uw Heer heeft
u bevolen, niemand buiten hem te aanbidden, en dat gij uwen ouders
gehoorzaamheid zoudt betoonen; hetzij een hunner of wel beiden den
ouderdom met u bereiken [1109]. Zeg dus niet tot hen: Foei! noch
doe hen verwijtingen, maar spreek met eerbied tot hen. 25. Wees
nederig omtrent hen en vol teederheid, en zeg: O Heer! heb genade
voor hen beiden; want zij hebben mij opgevoed toen ik nog klein
was. 26. God kent wat in uwe ziel is; hij weet of gij rechtvaardig
zijt. 27. Hij zal genadig zijn omtrent hen, die met oprechtheid tot
hem terugkeeren. 28. Geef uwen naaste terug, wat gij hem schuldig zijt
[1110], en ook aan den arme en den reiziger, en verteer uw vermogen
niet roekeloos. 29. Want de roekeloozen zijn broederen des duivels
[1111], en de duivel was ondankbaar omtrent zijn Heer. 30. Maar
indien gij u verwijdert van hen, die in nood verkeeren, zonder hen te
helpen, in afwachting der genade welke gij van uwen Heer hoopt [1112],
spreek dan ten minste met zachtheid tot hen. 31. Laat uwe hand niet
aan uwen nek gebonden zijn, en open die ook niet op toomlooze wijze
[1113], opdat gij geene blaam verdienet en niet tot armoede gebracht
wordet. 32. Waarlijk, dan eens reikt God zijne gaven met volle handen
uit aan degenen, die hem behagen, en dan weder is hij karig voor
wie hem behaagt; want hij kent en ziet zijne dienaren. 33. Doodt uwe
kinderen niet uit vrees voor armoede; wij zullen voor hen en u zorgen:
waarlijk, het is eene groote zonde hen te dooden [1114]. 34. Vrees
het overspel; want het is zonde en eene slechte weg. 35. Dood nimmer
de ziel, welke God u heeft verboden te dooden, tenzij het voor eene
rechtvaardige zaak mocht zijn [1115]; en wij hebben den naastbestaande
van hem, die onrechtvaardig gedood wordt, de macht gegeven, voldoening
te vragen [1116]; maar laat hem de grenzen der gematigdheid niet te
buiten gaan, door den moordenaar op eene te gruwelijke wijze te dooden,
of door het bloed van zijn vriend op een ander te wreken dan op den
persoon, die den moord heeft begaan, naardien hij door deze wet wordt
ondersteund [1117]. 36. En bemoei u niet met het vermogen van den wees,
behalve om het te vermeerderen, tot hij zijn ouderdom van sterkte
[1118] heeft bereikt, en kom uw verbond na; want de vervulling van
uw verbond zal u hier namaals worden toegerekend. 37. En geef volle
maat, als gij iets meet, en weeg met eene goede weegschaal. Dit zal
beter zijn en gemakkelijker ter bepaling van hetgeen ieder toekomt
[1119]. 38. En volg niet datgene, waarvan gij geene kennis hebt
[1120]; want het gezicht, het gehoor en het hart, alles zal op den
jongsten dag worden onderzocht. 39. Wandel niet trotsch op aarde;
want gij kunt die niet splijten, noch de bergen in grootte gelijk
worden. 40. Dat alles is kwaad, en verfoeielijk voor het gezicht
van uwen Heer. 41. Deze voorschriften maken een deel uit van de
wijsheid, die u door uwen Heer is geopenbaard. Richt geen anderen
God naast uwen God op, opdat gij niet in de hel geworpen, bestraft en
vernederd wordet. 42. Heeft uw Heer u bij voorkeur zonen geschonken,
en voor zich zelven dochters onder de engelen gekozen [1121]? Door
dit uit te spreken zegt gij eene godslastering. 43. Wij hebben
verschillende onderrichtingen en herhalingen in dezen Koran gebruikt,
opdat de menschen gewaarschuwd zouden zijn; doch het deed hen slechts
meer er toe overhellen, de waarheid te ontvluchten. 44. Zeg tot de
afgodendienaren: Indien er andere goden met hem waren, zooals gij
zegt, zouden zij zeker eene gelegenheid zoeken, om een aanslag tegen
den bezitter van den troon te smeden [1122]. 45. God behoede; en ver,
zeer ver zij het van hem, wat zij uitspreken! 46. De zeven hemelen
loven hem, en de aarde en alles wat daarin is: er bestaat geen ding
dat niet zijn lof verkondigt; maar gij begrijpt die verkondiging
niet. Hij is genadig en barmhartig. 47. Als gij den Koran leest,
plaatsen wij tusschen u en hen, die niet in het volgende leven
gelooven, een donkeren sluier. 48. En wij bedekken hunne harten,
opdat zij niet zouden begrijpen, en verzwaren hun gehoor. 49. En
indien gij, bij het herhalen van den Koran, slechts van uwen Heer
[1123] melding maakt, wenden zij u den rug toe en ontvluchten de
leer zijner eenheid. 50. Wij weten wel met welk doel zij hooren, als
zij naar u luisteren, als zij in het geheim onder elkander spreken,
en als eindelijk de boozen tot elkander zeggen: Gij volgt slechts
een betooverden man. 51. Onhoudt welke bijnamen zij u geven. Maar
zij zijn bedrogen; zij kunnen de waarheid nimmermeer vinden. 52. Zij
zeggen ook: Nadat wij tot beenderen en stof zijn geworden, zullen
wij dan zekerlijk als een nieuw schepsel opstaan? 53. Antwoord:
Zelfs indien gij van steen of ijzer waart, of zelfs van iets, wat,
volgens uwe meening, onmogelijk zou kunnen opgewekt worden. Maar
zij zullen zeggen: Wie zal ons doen herleven? Antwoord: Hij die u de
eerste maal schiep. En zij zullen hun hoofd om u schudden, zeggende:
Wanneer zal dit plaats hebben? Antwoord: Misschien is het nabij. 54. Op
dien dag zal God u uit uwe graven oproepen, en gij zult gehoorzamen,
terwijl gij zijn lof verkondigt [1124] en het zal u toeschijnen,
als waart gij daar slechts korten tijd verbleven [1125]. 55. Zeg tot
mijne dienaren, dat zij met zachtheid tot de ongeloovigen spreken,
opdat zij hen niet verbitteren; want Satan zaait tweedracht onder hen,
en Satan is een verklaarde vijand der menschen. 56. Uw Heer kent
u wel: indien het hem behaagt, zal hij u straffen [1126]; en wij
hebben u niet gezonden om hun bewaarder te wezen. 57. Uw Heer kent
alle personen, in den hemel en op aarde. Wij hebben sommige profeten
bijzondere gunsten boven andere geschonken, en wij gaven David de
psalmen [1127]. 58. Zeg: Roep hen ter hulp, welke gij u verbeeldt
dat goden buiten hem zijn, en gij zult zien, dat zij niet in staat
zijn u van het booze te verlossen, of het af te keeren. 59. Zij,
welke gij aanroept [1128], begeeren zelven nader met hunnen Heer
te worden verbonden, trachtende hem zoo nabij mogelijk te komen;
zij hopen mede op zijne genade en vreezen zijne straf; want de straf
van uw Heer is vreeselijk. 60. Er is geene stad, welke wij niet vóór
den dag der opstanding zullen bestraffen. Dit is in het boek onzer
eeuwige besluiten opgeschreven. 61. Niets had ons verhinderd, u met
wonderen te zenden, behalve dat de vroegere volkeren die van bedrog
hebben beschuldigd. Wij gaven den stam van Thamoed op zijn verzoek,
zichtbaar de wijfjes kameel; doch zij handelden onrechtvaardig er mede
[1129], en wij zonden geen profeet met wonderen, dan om schrik in te
boezemen. 62. Gedenk toen wij tot u zeiden: Waarlijk, uw Heer omringt
de menschen door zijne kennis en macht. Wij hebben het visioen bepaald
[1130], hetwelk wij u toonden, en ook den boom [1131], dien wij in
den Koran hebben gevloekt, alleen tot eene aanleiding van twist voor
de menschen, en om hen met angst te slaan, maar dit zal hen slechts
met meer weerspannigheid doen zondigen. 63. En gedenk, toen wij
tot de engelen zeiden: Aanbidt Adam, en zij baden hem allen aan,
behalve Eblis, die zeide: Zou ik hem aanbidden dien gij van klei
hebt geschapen? 64. En hij zeide: Ziet gij hem, dien gij meer dan
mij hebt vereerd? waarlijk indien gij mij uitstel verleent tot den
dag der opstanding, zal ik zijne geheele nakomelingschap uitroeien,
een klein getal uitgezonderd. 65. God antwoordde: Vertrek; ik geef u
uitstel; maar de hel zal uwe vergelding zijn met allen die u volgen:
waarlijk eene ruime vergelding voor uwe misdaden [1132]. 66. En lok
door uwe stem allen tot verleiding, welke gij kent en val hen op
alle zijden met uwe ruitere en met uwe voetknechten aan, en wees hun
deelgenoot in hunne rijkdommen en hunne kinderen, en doe hun beloften,
(doch de duivel zal hun slechts bedriegelijke beloften doen). 67. Wat
mijne dienaren betreft, zult gij geene macht over hen hebben; want
uw Heer is een toereikende schuts voor hen die vertrouwen in hem
stellen. 68. Het is uw Heer die de schepen op zee voorwaarts voor u
drijft, opdat gij zoudt trachten, u zelven (door handel) van zijnen
overvloed te verrijken; want hij is barmhartig omtrent u. 69. Als
u een ongeval op zee overkomt, worden de valsche godheden, welke gij
aanroept, door u vergeten, behalve hij zelf, maar wanneer hij u redt en
op het droge brengt, wendt gij u van hem af, en keert tot uwe afgoden
terug; want de mensch is ondankbaar [1133]. 70. Zijt gij dus zeker dat
hij u niet door het droge land zal doen verzwelgen, of dat hij geen
dwarrelwind tegen u zal zenden die het zand voortdrijft, ten einde u
te overstelpen? Dan zult gij niemand vinden om u te beschermen. 71. Of
zijt gij zeker, dat hij u niet nog eens, ten tweeden male, tot de zee
zal terugbrengen; dat hij geen hevigen wind tegen u zal zenden en dat
hij u niet zal doen verdrinken, omdat gij ondankbaar zijt geweest? Maar
dan zult gij niemand vinden, die u in dat ongeluk tegen ons kan
verdedigen. 72. En wij hebben de kinderen van Adam met onderscheidene
bijzondere voorrechten en gunsten vereerd; wij droegen hen ter land
en ter zee en hebben hen van goed voedsel voorzien, en wij hebben
hen de voorkeur gegeven boven velen der schepselen welke wij hebben
geschapen, door hun groote voorrechten te verleenen. 73. Op een zekeren
dag zullen wij alle menschen oproepen, om met hunne opperhoofden [1134]
te worden geoordeeld, en zij die het boek, dat hun gegeven werd, in de
rechterhand hebben, zullen hun boek met vreugde en voldoening lezen
en geen haar zal hun gekrenkt worden [1135]. 74. En wie in dit leven
blind is geweest, zal ook blind in het volgende leven zijn en zal het
meeste van den drempel der gelukzaligheid afdwalen. 75. Het scheelde
slechts weinig, of de ongeloovigen hadden u in verzoeking gebracht,
u van de vermaningen te verwijderen, welke wij u hebben geopenbaard,
opdat gij iets anders omtrent ons zoudt uitdenken, en dan zouden zij
u als hunnen vriend hebben beschouwd. 76. En indien wij u niet hadden
bevestigd, zoudt gij er zekerlijk zeer nabij zijn geweest, eenigszins
tot hen over te hellen. 77. Dan zouden wij u zekerlijk de straf des
levens en de straf des doods [1136] hebben doen ondervinden, en gij
zoudt niemand hebben gevonden om u tegen ons te verdedigen. 78. De
ongeloovigen hebben evenzeer getracht, u het land te doen verlaten,
om u daaruit te verdrijven [1137]; maar dan zouden zij daarin niet
dan gedurende korten tijd na u zijn gebleven [1138]. 79. Dit is
de wijze van handelen welke wij ons zelven hebben voorgeschreven
met betrekking tot onze gezanten, welke wij reeds vóór u hebben
gezonden, en gij zult geene verandering vinden in de wegen welke wij
hebben gevolgd. 80. Doe uw gebed geregeld bij het ondergaan der zon
[1139], bij de eerste duisternis van den nacht [1140] en het gebed
van den ochtendstond [1141]: want het gebed van den ochtendstond
geschiedt in het bijzijn van de engelen die daarvan getuigenis geven
[1142]. 81. En besteed ook een deel van den nacht aan het gebed, als
een onverplicht werk voor u: misschien zal uw Heer u tot een eervolle
plaats oproepen [1143]. 82. En zeg: O Heer! doe mij door een gunstige
ingang binnentreden en doe mij door een gunstige uitgang uitgaan
[1144] en verleen mij eene ondersteunende macht voor u. 83. En zeg: de
waarheid is gekomen, en de logen is ontvloden; want de logen is bestemd
om te ontvlieden. 84. Wij zonden al datgene van den Koran neder, wat
tot geneesmiddel en genade voor de ware geloovigen kan dienen; maar
het zal slechts het verderf der onrechtvaardigen vergrooten. 85. Als
wij den mensch weldaden bewijzen, verwijdert hij zich en verbergt
ondankbaar zich voor ons; maar indien het kwaad hem bereikt, wanhoopt
hij aan onze barmhartigheid. 86. Ieder handelt naar zijne eigene
wijze; maar uw heer weet, wie op de meest ware wijze op zijnen weg
wordt geleid. 87. Zij zullen u ondervragen omtrent den geest [1145],
antwoord: De geest werd geschapen op bevel van mijn Heer [1146]; maar
er zijn slechts weinigen onder u die kennis hebben [1147]. 88. Indien
het ons behaagde zouden wij zeker wegnemen wat wij u hebben geopenbaard
[1148]. In dat geval zoudt gij niemand hebben gevonden, die u daarin
tegen ons zou hebben bijgestaan. 89. Tenzij door de genade van uwen
Heer; want zijne goedheid omtrent u is groot. 90. Zeg: Waarlijk;
indien de menschen en de gewassen zich zouden vereenigen, met het
doel, een boek gelijk aan dezen Koran voort te brengen, zouden zij
geen kunnen voortbrengen, dat daaraan gelijk zij; hoewel de een van
hen den ander zou ondersteunen. 91. En wij hebben in dezen Koran den
menschen, op verschillende wijze, figuurlijke vergelijkingen gegeven,
maar het grootste deel der menschen weigeren, alleen uit ongeloof, die
te ontvangen. 92. Zij zeggen: Wij zullen niet in u gelooven, tot gij
een waterstraal voor ons uit de aarde doet opspringen. 93. Of indien
gij een tuin van palmboomen en wijngaarden hebt en dat gij uit het
midden rivieren in overvloed doet ontspringen. 94. Of indien gij een
deel der hemelen op ons doet nedervallen, of dat gij God en de engelen
doet verschijnen, om borg voor u te blijven. 95. Of dat gij een huis
van goud hebt, of dat gij met eene ladder tot den hemel opklimt; nimmer
zullen wij gelooven dat gij daarvan alleen zijt afgestegen [1149],
tot gij een boek tot ons doet nederdalen, brengende getuigenis
van u hetgeen wij zouden kunnen lezen. Antwoord: Mijn Heer zij
geloofd! Ben ik iets anders dan een mensch die als gezant wordt
afgevaardigd. 96. En niets verhindert de menschen te gelooven,
als eene leiding tot hen is gekomen, dan dat zij zeggen: Heeft God
een mensch als zijn gezant nedergezonden? 97. Antwoord: Indien de
engelen op aarde hadden gewandeld als rustige inwoners, zouden wij
zekerlijk een engel als onzen gezant van den hemel tot hen hebben
nedergezonden. 98. Zeg: God is een voldoende getuige tusschen mij
en u; want hij kent en ziet zijne dienaren. 99. Wie door God geleid
wordt, zal goed geleid zijn, en hij, wien hij zal doen dwalen, zal
geene hulp buiten hem verzamelen op den dag der opstanding, liggende
op hunne aangezichten, blind, stom en doof; hun verblijf zal de hel
zijn. Zoo dikwijls het vuur daarvan zal worden uitgebluscht, zullen
wij eene nieuwe vlam doen ontstaan om hen te martelen. 100. Dit zal
hunne vergelding zijn, omdat zij niet in onze teekens gelooven,
en zeggen: als wij tot beenderen en stof veranderd zullen zijn,
zullen wij dan zekerlijk als nieuwe schepselen opstaan? 101. Zien
zij niet, dat God, die de hemelen en de aarde schiep, in staat is
andere lichamen te vormen, gelijk aan de hunne? En hij heeft hen
een beperkten tijd bepaald [1150]: dit is ontwijfelbaar; maar de
goddeloozen verwerpen de waarheid alleen uit ongeloof. 102. Zeg:
Indien gij de schatten der genade van mijnen Heer bezat zoudt gij
u onthouden daarvan gebruik te maken, uit vrees die te verkwisten
[1151]; want de mensch is begeerlijk. 103. Wij gaven vroeger aan Mozes
de macht om negen duidelijke teekens te toonen [1152]. En vraag de
kinderen Israëls nopens het verhaal van Mozes, toen hij tot hen kwam
en Pharao tot hem zeide: Waarlijk, ik geloof dat gij, o Mozes! door
eene betoovering beheerscht zijt. 104. Mozes antwoordde: Gij weet wel,
dat niemand deze duidelijke teekens heeft nedergezonden, behalve de
Heer van hemel en aarde; en ik geloof dat gij, o Pharao! een verloren
man zijt. 105. Daarom wilde Pharao hen uit het land drijven, maar wij
deden hem verdrinken, en allen die met hem waren. 106. En wij zeiden na
zijne verdelging tot de kinderen Israëls: Woont in het land, en als de
belofte van het toekomstige leven in vervulling zal komen, zullen wij
u allen bij elkander brengen om geoordeeld te worden. Wij hebben den
Koran met waarheid nedergezonden, en met waarheid daalde die neder;
en wij zonden dien, om alleen een boodschapper van goede tijdingen te
zijn en tot aankondigen van bedreigingen. 107. Wij hebben den Koran
gescheiden, door dien bij gedeelten te openbaren, opdat gij dien den
mensch met overleg zoudt voorlezen, en wij hebben dien nedergezonden,
naar gelang de gelegenheid dit vereischte. 108. Zeg: Hetzij gij al of
niet in den Koran gelooft, zij die werden begiftigd met de kennis der
schriften, welke vroeger zijn geopenbaard en hun herhaald werden,
zij vallen op hunne aangezichten [1153] en aanbidden, zeggende:
Onze Heer zij geloofd; want de belofte van onzen Heer is zekerlijk
vervuld! 109. Zij vallen weenende op hunne aangezichten neder, en het
hooren daarvan vermeerdert hunne nederigheid. 110. Zeg: Roep God aan,
of aanbid den barmhartige; want het is gelijk, met welken dier beide
namen gij hem aanroept: hij toch bezit de meest uitmuntende namen
[1154]: Spreek uw gebed niet overluid uit, noch met eene te zachte
stem [1155], maar volg een middenweg tusschen deze beiden. 111. Zeg:
Geloofd zij God, die geen kind voortgebracht, die geen deelgenoot in
het koninkrijk, en niemand noodig heeft om hem voor vernedering te
bewaren; en verheerlijk hem, door zijne grootheid te verkondigen.



ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

DE SPELONK [1156].

Geopenbaard te Mekka [1157].--110 verzen.


In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God

1. Geloofd zij God, die zijnen dienaar het boek van den Koran
nedergezonden, en daarin geene kromming geplaatst heeft. 2. Die het
tot een rechten weg heeft gemaakt, bestemd om de ongeloovigen met eene
strenge kastijding namens God te bedreigen, en om den geloovigen die
rechtvaardigheid oefenen, goede tijdingen te brengen, dat zij eene
uitmuntende belooning zullen ontvangen; namelijk het paradijs, waarin
zij eeuwig zullen verblijven. 3. En om dengenen te waarschuwen, die
zeggen: God heeft een afstammeling geteeld. 4. Daarvan hadden zij noch
hunne vaderen kennis. Het woord dat uit hunnen mond komt, is eene grove
zonde: zij zeggen niets anders dan leugen. 5. Misschien wilt gij u uit
droefheid over hen dooden, door uwe ernstige zorg om hen te bekeeren,
indien zij in deze nieuwe openbaring niet gelooven. 6. Wij hebben
hetgeen op de aarde ter harer versiering is, beschikt om de menschen
te beproeven, ten einde te weten wie door zijne daden uitmunt. 7. Maar
al deze versierselen zullen wij in stof doen verkeeren. 8. Begrijpt
gij, dat de makkers van de spelonk [1158] en Al Rakim [1159], een
onzer teekens waren en een mirakel? 9. Toen de jonge menschen hunne
toevlucht in de spelonk namen, zeiden zij: O Heer! schenk ons genade
en verzeker ons een rechtvaardig gedrag. 10. Daarom sloegen wij hunne
ooren met doofheid, zoodat zij gedurende een groot aantal jaren zonder
stoornis in de spelonk sliepen. 11. Daarna wekten wij hen, opdat wij
zouden weten, welke der beide partijen het tijdverloop juister zou
kunnen tellen, gedurende hetwelk zij hier waren geweest. 12. Wij
zullen u hunne geschiedenis met waarheid verhalen. Waarlijk,
zij waren jonge lieden, die in hunnen Heer hadden geloofd, en
wij hadden hen overvloedig geleid. 13. En wij versterkten hunne
harten met standvastigheid, toen zij zich voor den tyran bevonden,
en zij zeiden: Onze Heer is de Heer van hemel en aarde; wij zullen
nimmer een anderen God buiten hem aanroepen: want dan zouden wij
zeker eene misdaad begaan. 14. Deze onze medeburgers hebben andere
goden buiten hem gekozen, hoewel zij geen duidelijk bewijs voor
hen aanvoeren; en wie is onrechtvaardiger dan hij, die eene leugen
tegen God uitdenkt. 15. En zij zeiden tot elkander: Indien gij u zult
scheiden van hen en van de godheden welke zij, behalve God [1160],
aanbidden, en in de spelonk vlucht, dan zal uw Heer u zijne genade
rijkelijk schenken, en uwe zaken ten beste schikken. 16. Gij zoudt de
zon, toen zij opging, de spelonk rechts hebben zien voorbijgaan en,
toen zij onderging, zich aan de linkerhand [1161] van hen verwijderen;
en zij bevonden zich in het ruime gedeelte van de spelonk [1162]. Dit
was een der teekens van God. Wie door God geleid zal worden, zal recht
geleid zijn en degeen, dien hij zal doen dwalen, zal iemand vinden, om
hem te verdedigen of te leiden. 17. En gij zoudt gezegd hebben, dat zij
waakten [1163], terwijl zij sliepen en wij deden hen naar de rechter-
en naar de linkerzijde omwenden [1164]. En hun hond [1165] strekte
zijne voorpooten naar den ingang van de spelonk uit; maar indien gij
plotseling waart gekomen, zoudt gij u zeker hebben afgewend en van
hen gevloden zijn, en op hun gezicht zou de vrees u vervuld hebben
[1166]. 18. Daarna wekten wij hen uit hunnen slaap, opdat zij zich
wederkeerig zouden ondervragen. Een van hen sprak en zeide: Hoe lang
zijt gij hier verbleven? Zij antwoordden: Wij zijn er een dag of een
gedeelte van een dag gebleven. De ander zeide: Uw Heer kent het beste
den tijd dien gij daar hebt doorgebracht [1167], en zend thans een uwer
met dit geld naar de stad [1168], en laat hij zien welke der inwoners
het beste en goedkoopste voedsel hebben, en laat hij u daarvan voor
uw onderhoud medebrengen; en dat hij zich omzichtig gedrage en uwe
schuilplaats aan niemand ontdekke. 19. Waarlijk, indien zij tegen u
opkwamen, zouden zij u steenigen, of u dwingen tot hunnen godsdienst
weder te keeren; en dan zoudt ge nimmer gelukkig kunnen zijn. 20. En
zoo maakten wij hunne medeburgers bekend met hetgeen wij hen deden
wedervaren, opdat zij zouden weten dat de belofte van God waarheid
en het jongste uur aan geen twijfel onderhevig is [1169], ofschoon
zij daaromtrent onder elkander hebben getwist [1170]. En zij zeiden:
Richt een gebouw boven de spelonk voor hen op; hun Heer kent het best
hunnen toestand. Zij, wier meening in deze zaak besliste, antwoordden:
wij zullen zekerlijk eene kapel voor bouwen [1171]. 21. Sommigen
zeggen: De slapers waren drie in getal en de hond was de vierde
[1172]; anderen zeggen: Zij waren vijf in getal en hun hond was de
zesde [1173]; naar een geheimzinnige zaak radende, anderen zeggen:
Zij waren zeven in getal en hun hond was de achtste [1174]. Zeg:
Mijn Heer kent hun getal het beste; niemand zal dit kennen behalve
enkelen. 22. Twist dus niet nopens hen, behalve op duidelijke wijze en
overeenkomstig hetgeen u werd geopenbaard, en ondervraag geen Christen
nopens hen. 23. Zeg nimmer: Ik zal dit zekerlijk morgen doen; tenzij
gij er bijvoegt: Indien het Gode behaagt [1175]. En herdenk uwen Heer
als gij dit vergeet [1176], en zeg: God is in staat mij gemakkelijk te
leiden, opdat ik de kennis der waarheid van deze gebeurtenis nabij zou
kunnen komen. 24. En zij bleven drie honderd jaren in hunne spelonk en
daarenboven negen jaren [1177]. 25. Zeg: God weet het best hoe lang
zij daar bleven; hem zijn de geheimen van hemel en aarde bekend; doe
hem zien en hooren [1178]. Hunne bewoners hebben geen schuts buiten
hem; niemand doet hij in het nemen of de kennis van zijn besluit
deelen. 26. Lees wat u werd geopenbaard in het boek van uwen Heer,
zonder het denkbeeld te hebben, daarin eenige verandering te kunnen
brengen [1179]; niemand heeft de macht zijne woorden te veranderen,
en gij zult niemand vinden tot wien gij uwe toevlucht buiten hem kunt
nemen, indien gij daarnaar mocht trachten. 27. Wees inschikkelijk
omtrent hen, die hunnen Heer des ochtends en des avonds aanroepen,
en die zijne gunst trachten te verwerven. Laten uwe oogen zich
niet van hen afwenden, om den pronk van dit leven te zoeken [1180],
en gehoorzaam dengene nimmer, wiens hart wij zorgeloos omtrent ons
hebben doen zijn [1181], die zijne lusten volgt en de waarheid achter
zich laat. 28. En zeg: De waarheid is van uwen Heer; laat dus ieder,
naar hij wil, gelooven of ongeloovig zijn. Waarlijk, wij hebben den
onrechtvaardige het hellevuur bereid, waarvan de rook en de vlam
hem als eene tent zullen omringen. En als zij hulp verlangen, zal
men hun water geven, gloeiend als gesmolten metaal, waardoor hunne
aangezichten zullen verbrand worden. Welk eene ellendige vergelding, en
welk een onzalig verblijf! 29. Wat hen betreft, die gelooven en goede
werken doen, wij zullen de belooning van degenen, die rechtvaardigheid
oefenen, niet doen verloren gaan. 30. Voor hen zijn tuinen tot eeuwig
verblijf [1182] gereed gemaakt, die door rivieren zullen worden
besproeid; zij zullen daarin met gouden armbanden worden versierd,
en met groene kleederen van fijne zijde en satijn gekleed worden,
terwijl zij op tronen zullen zitten. Welk eene heerlijke belooning
en welk een gemakkelijk verblijf! 31. Stel hun als een vergelijking
twee menschen voor [1183], van welke wij aan een twee wijngaarden
hebben geschonken en welke wij met palmboomen hebben omringd,
terwijl wij koorn tusschen die beiden hebben doen opgroeien. Ieder
der tuinen bracht elk jaargetijde zijne vruchten voort, en zij waren
niet onvruchtbaar. 32. En wij deden eene rivier in het midden daarvan
stroomen, en hij bezat een grooten overvloed. En hij zeide tot zijn
makker, terwijl hij met hem redetwistte: Ik ben rijker dan gij,
en bezit een talrijker gezin. 33. En hij ging in zijn tuin [1184],
terwijl hij aan onrechtvaardigheid jegens zijne eigene ziel schuldig
was, en zeide: Ik denk niet dat deze tuin ooit zal vervallen. 34. Ik
geloof niet, dat het jongste uur zal aanbreken, en indien ik tot mijn
Heer zou terugkeeren, zou ik een beteren tuin dan dezen in ruil vinden
[1185] 35. En zijn makker zeide, redetwistende, tot hem: Gelooft gij
niet in hem, die u uit stof schiep en daarna uit zaad voortbracht,
en u vervolgens tot een volmaakt mensch heeft gevormd? 36. Wat mij
betreft, God is mijn Heer, en ik zal geene andere godheid met mijn
Heer vermengen. 37. En als gij uwen tuin binnentreedt, zult gij dan
niet zeggen: Wat God behaagt, zal geschieden; er is geene macht buiten
God. Hoewel gij ziet, dat ik in rijkdom en getal van kinderen onder u
sta. 38. Is mijn Heer wel in staat mij een beter geschenk dan uw tuin
te geven; hij zal eenige pijlen van den hemel daartegen afzenden,
zoodat die onvruchtbaar stof worde. 39. Of zijn water zal diep in
de aarde zinken, zoodat gij het niet meer kunt terugvinden. 40. En
zijne bezittingen werden door verwoesting omringd, nadat zijn makker
hem gewaarschuwd had; hij draaide daarop de palmen zijner handen
uit spijt en droefheid om, wegens hetgeen hij daaraan had besteed;
want de wijnranken hingen aan de staken en waren van hare vruchten
beroofd: Gave God, dat ik geene andere godheid met mijn Heer zou hebben
vereenigd! 41. Er was geen leger dat hem tegen God kon verdedigen, en
hij was niet in staat om zich tegen zijne wraak te beschermen. 42. De
bescherming behoort alleen aan God; hij is de beste looner en kan
alles den besten uitslag geven. 43. Stel hun eene vergelijking van
het tegenwoordige leven voor. Het is als water, dat wij van den
hemel nederzenden; het gras der aarde is daarmede vermengd en nadat
het groen en bloeiende is geweest, wordt het des ochtends tot droge
stoppels, die door den wind worden verspreid; want God is in staat
alle dingen te doen. 44. Welvaart en kinderen vormen het versiersel
van het tegenwoordige leven, maar goede werken, die altijd voortduren,
zijn beter voor het oog van uwen Heer, ten opzichte der belooning,
en beter met het oog op het geen gij hebt te hopen. 45. Op een zekeren
dag zullen wij de bergen doen verdwijnen [1186] en gij zult de aarde
vlak en effen zien verschijnen; en wij zullen de menschen verzamelen
en geen hunner achterlaten. 46. En zij zullen in duidelijke orde voor
uwen Heer worden geplaatst en hij zal tot hen zeggen: Thans zijt gij
naakt tot ons gekomen, zooals wij u de eerste maal schiepen; maar
hij dacht, dat wij onze belofte niet aan u zouden vervullen. 47. Het
boek, waarin ieders daden zijn opgeschreven, zal in zijne hand worden
gegeven, en gij zult de zondaren in grooten schrik zien verkeeren,
om hetgeen daar in staat, en zij zullen zeggen: Wee over ons! wat
bedoelt dit boek? Het vergeet noch eene kleine daad noch eene groote,
maar het stelt die allen op, en zij zullen voor hunne oogen vinden
wat zij hebben verricht; en uw Heer zal met niemand onrechtvaardig
handelen. 48. Gedenk toen wij tot de engelen zeiden; Aanbidt Adam:
en zij aanbaden hem allen, behalve Eblis [1187], die een der geniussen
[1188] was, en zich van het bevel van zijnen Heer afwendde. Wilt gij
dus hem en zijne nakomelingen tot uwe beschermers naast mij kiezen,
niettegenstaande zij uwe vijanden zijn? Zulk eene verandering
zal ellendig zijn voor de goddeloozen! 49. Ik riep hen niet om
tegenwoordig te zijn bij de schepping der hemelen en der aarde, noch
bij de schepping van hen zelven; ik nam nooit zulke verleiders tot
mijne helpers. 50. Op zekeren dag zal God tot de afgodendienaars
zeggen: Roept hen aan, omtrent welke gij hebt uitgedacht dat zij
mijne makkers zijn, om u te beschermen. Zij zullen hen roepen,
doch zij zullen hun niet antwoorden, en wij zullen eene vallei van
vernietiging tusschen hen plaatsen [1189]. 51. De zondaren zullen het
hellevuur zien; zij zullen weten dat zij er in geworpen zullen worden,
en zij zullen geen weg vinden om dat te vermijden. 52. Wij hebben
den mensch in dezen Koran op verschillende wijzen vergelijkingen van
iederen aard voorgesteld, maar de mensch laakt met spitsvondigheid de
meeste dingen, die daarin voorkomen. 53. Niets verhindert de menschen,
nu hun eene leiding is geschonken, te gelooven, en vergiffenis van
hunnen Heer te vragen, en toch wachten zij wellicht tot de straf van
hunne voorgangers op hen zal worden toegepast, of dat de kastijding
van het volgende leven openlijk op hen nederkomt. 54. Wij zonden
onze gezanten om goede tijdingen te brengen en te waarschuwen. Zij,
die niet gelooven, twisten met ijdele bewijsgronden, om daardoor
der waarheid hare uitwerking te ontnemen, en kiezen mijne teekenen
en de waarschuwingen die hun werden gedaan, tot onderwerp hunner
spotternijen. 55. En wie is onrechtvaardiger dan hij, die bekend is
gemaakt met de teekens van zijn Heer, maar zich ver daarvan verwijdert
en vergeet wat hij vroeger verricht heeft? Waarlijk wij hebben sluiers
over hunne harten geworpen, dat zij den Koran niet zouden verstaan,
en wij wierpen zwaarte in hunne ooren. 56. Indien gij hen tot de ware
richting oproept, zullen zij die nog altijd niet volgen. 57. Uw Heer is
barmhartig en vol van genade; indien hij hen had willen straffen voor
hetgeen zij hebben bedreven, zou hij zeker hunne straf hebben verhaast,
maar eene bedreiging is tegen hen aangekondigd [1190], en zij zullen
geene toevlucht buiten hem vinden. 58. De vroegere steden [1191] hebben
wij verwoest, toen zij onrechtvaardig handelden, en wij waarschuwden
deze, voor hare verdelging. 59. En gedenk, toen Mozes tot zijn dienaar
Josua, den zoon van Nun, zeide: Ik zal niet ophouden voorwaarts te
gaan, tot ik op de plaats kom, waar de twee zeeën elkander ontmoeten,
of ik zal gedurende langen tijd [1192] reizen. 60. Maar toen zij aan
de samenstrooming der beide zeeën [1193] waren gekomen, vergaten zij
hunnen visch, die zij met zich hadden genomen [1194], en de visch nam
zijn weg vrijelijk [1195] in de zee 61. En toen zij die plaats waren
voorbij gegaan, zeide Mozes tot zijn dienaar: Breng ons middagmaal;
want wij zijn vermoeid van deze onze reis. 62. Zijn dienaar antwoordde:
Weet gij wat mij is overkomen. Toen wij ons nabij de rots ophielden,
vergat ik waarlijk den visch, en niemand deed mij dien anders vergeten
dan Satan, opdat ik u dien niet zou herinneren. En de visch nam zijn
weg, op wonderdadige wijze, in de zee. 63. Mozes zeide: Dit is wanneer
wij hebben gezocht, en zij wendden zich beiden om en keerden den weg
terug, langs welken zij waren gekomen. 64. Toen zij nabij de rots
kwamen, vonden zij een onzer dienaren, [1196] wien wij onze genade
verleend, en met onze wijsheid onderricht hadden. 65. En Mozes zeide
tot hem: Zal ik u volgen, opdat gij mij een deel zoudt kunnen leeren
van hetgeen u werd onderwezen, als eene richting voor mij? 66. Hij
antwoordde: Gij kunt waarlijk niet bij mij blijven. 67. Want hoe
kunt gij deze dingen geduldig doorstaan, waarvan gij de beteekenis
niet begrijpt? 68. Mozes antwoordde: Gij zult zien, dat ik geduldig
zal wezen, indien het God behaagt: Ik zal u in niets ongehoorzaam
zijn. 69. Hij zeide: Indien gij mij dus volgt, ondervraag mij dan
nopens niets, tot ik u de bedoeling daarvan verklaar. 70. Zij begaven
zich daarop beiden naar het strand der zee en beklommen een schip,
en hij maakte er een gat in [1197]. En Mozes zeide tot hem: Hebt
gij er een gat in gemaakt om degenen te doen verdrinken die aan boord
zijn? Thans hebt gij een vreemde zaak bedreven. 71. Hij antwoordde: Heb
ik u niet gezegd, dat gij niet geduldig genoeg zoudt zijn, om bij mij
te kunnen blijven? 72. Mozes zeide: Gisp mij niet, omdat ik uw bevel
heb vergeten en leg mij geene te groote moeielijkheid op in hetgeen
mij wordt bevolen. 73. Zij verlieten dus het schip en gingen voort,
tot zij een jongeling ontmoeten; en hij doodde hem [1198]. Mozes zeide:
Hebt gij een onschuldigen persoon gedood, zonder dat deze een ander
heeft gedood? Gij hebt eene onrechtvaardige daad bedreven. 74. Hij
antwoordde: Heb ik u niet gezegd, dat gij niet bij mij zoudt kunnen
blijven? 75. Mozes zeide: Indien ik u voortaan omtrent iets ondervraag,
sta mij dan niet toe, u te vergezellen: verschoon mij thans. 76. Zij
gingen dus verder, tot zij bij de inwoners van zekere stad [1199]
kwamen, en zij vroegen die inwoners om voedsel; doch deze weigerde
hen te ontvangen. En zij vonden daar een muur staan, die op het punt
was van om te storten, en hij zette dien overeind [1200]. Daarop zeide
Mozes tot hem: Indien gij hadt gewild, zoudt gij zeker eene belooning
daarvoor hebben ontvangen. 77. Hij antwoordde: Dit zal eene scheiding
tusschen mij en u zijn, maar ik zal u eerst de beteekenis verklaren
van datgene, wat gij niet met geduld hebt kunnen afwachten. 78. Het
vaartuig behoorde aan zekere arme menschen [1201], die hunne zaken
op zee deden, en ik wilde het onbruikbaar maken, omdat er een koning
achter hen was [1202], die ieder goed schip met geweld nam. 79. Wat den
knaap betreft, zijne ouders waren ware geloovigen, en wij vreesden,
dat hij, die een ongeloovige is, hen zou dwingen zijne verdorvenheid
en zijn ondank te dulden. 80. Daarom begeerden wij dat hun Heer hun
een rechtvaardiger kind in ruil voor hem zou geven, en dat hen meer
zou beminnen [1203]. 81. En de muur behoorde aan twee weesknapen [1204]
der stad, en onder den muur was een schat verborgen, die hun behoorde,
en hun vader was een rechtvaardig man, en het behaagde uw Heer, dat
zij hunnen vollen ouderdom zouden bereiken en hunnen schat zouden
wegnemen door de genade van uwen Heer; en ik deed, wat gij gezien
hebt, niet uit eigen wil, maar door Gods leiding. Dit is de vertolking
van hetgeen gij niet met geduld hebt kunnen afwachten. 82. De Joden
zullen u ondervragen nopens Dhoe'lkarnein [1205]. Antwoord; Ik zal u
zijne geschiedenis verhalen. 83. Wij maakten hem machtig op aarde en
wij gaven hem de middelen om alles te doen wat hem behaagde. 84. En
hij vervolgde zijnen weg, tot hij aan de plaats kwam waar de zon
onderging, en hij zag dat die in eene bron van zwart slijk [1206]
onderging; en hij vond zeker volk [1207] in hare nabijheid. 85. En
wij zeiden: O Dhoe'lkarnein! straf dit volk, of behandel het
edelmoedig. 86. Hij antwoordde: Wie hunner onrechtvaardigheid
bedrijft, zullen wij zekerlijk in deze wereld straffen, daarna zal
hij tot zijn Heer terugkeeren en deze zal hem met eene gestrenge
straf kastijden. 87. Maar hij die gelooft en doet wat goed is,
zal de uitmuntendste belooning ontvangen, en wij zullen hem slechts
gemakkelijk uit te voeren bevelen geven. 88. Daarna zette hij zijn weg
voort. 89. Tot hij aan de plaats kwam waar de zon opging [1208], en
hij zag dat die opging over zeker volk, aan hetwelk wij niets hadden
gegeven, om zich tegen hare hitte te beschutten [1209]. 90. Zoo was
het, en wij begrepen, door onze kennis, de krachten die met hem
waren. 91. En hij zette zijne reis voort van het zuiden naar het
noorden. 92. Tot hij tusschen de twee bergen kwam [1210], aan welker
voet hij zeker volk vond, dat weinig verstond van hetgeen gezegd werd
[1211]. 93. En zij zeiden: O Dhoe'lkarnein! waarlijk Gog en Magog
verwoesten het land [1212]; zullen wij u dus schatting betalen,
op voorwaarde dat gij een muur tusschen ons en hen bouwt? 94. Hij
antwoordde: De macht, waarmede mijn Heer mij heeft voorzien, is beter
dan uwe schatting; maar helpt mij ijverig en ik zal een sterken muur
tusschen u en hen plaatsen. 95. Brengt mij groote stukken ijzer,
tot de ruimte tusschen de beide zijden van deze bergen gevuld is. En
hij zeide tot de werklieden: Blaast het vuur met uwe blaasbalgen, tot
daardoor het ijzer rood en heet als vuur worde. En hij zeide daarna:
Brengt mij gesmolten koper, opdat ik het er op werpe. 96. Toen nu
deze muur was voltooid, konden Gog, en Magog dien muur beklimmen noch
doorsteken [1213]. 97. En Dhoe'lkarnein zeide: Dit is eene genade van
mijn Heer. 98. Maar als de voorzegging van mijn Heer in vervulling gaat
[1214], zal hij den muur in stof doen verkeeren; en de voorzegging van
mijn Heer is waarheid. 99. Op dien dag zullen wij sommigen van hen
onstuimig als golven op elkander doen drukken [1215]) en de trompet
zal geblazen worden, waarop wij hen allen zullen vereenigen. 100. Op
dien dag zullen wij de hel voor de ongeloovigen beschikken. 101. Wier
oogen gesluierd waren voor mijne herinnering en die mijne woorden
niet wilden hooren. 102. Denken de ongeloovigen dat ik hen niet zal
straffen, omdat zij mijne dienaren als hunne beschermers naast mij
kiezen? Waarlijk, wij hebben de hel tot verblijf voor de ongeloovigen
gereed gemaakt. 103. Zeg: Zullen wij u degenen doen kennen, wier werken
ijdel zijn. 104. Wier pogingen in deze wereld ten kwade zijn gericht,
en die nochtans denken goed te handelen? 105. Zij zijn het die niet
gelooven aan de teekenen van hunnen Heer, of dat zij voor hem zullen
verzameld worden, waardoor hunne werken ijdel zijn; en wij zullen
hun geenerlei gewicht op den dag der opstanding geven. 106. Dit zal
hunne belooning zijn; namelijk de hel, omdat zij niet geloofd, en
mijne teekens en gezanten bespot hebben. 107. Maar wat hen betreft,
die gelooven en goede werken doen, zij zullen de gaarden van het
paradijs tot hun verblijf hebben. 108. Zij zullen voor eeuwig daarin
verblijven en zullen geene verandering daarin wenschen. 109. Zeg:
Indien de zee inkt ware, om de woorden van mijn Heer te beschrijven,
waarlijk dan zou de zee eerder te kort schieten, dan dat de woorden
van mijn Heer zouden falen; zelfs indien wij daartoe eene andere,
gelijke zee zouden gebruiken. 110. Zeg: waarlijk, ik ben slechts een
mensch zoo als gij zijt. Het is mij geopenbaard, dat uw Heer een
eenige God is; laat dus hem, die voor zijn Heer wil verschijnen,
rechtvaardig handelen, en laat hem in de aanbidding van zijn Heer
geen ander met hem vereenigen.



NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

MARIA [1216].

Geopenbaard te Mekka [1217].--98 verzen.


In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. [1218] C. H. Y. A. S. Zie hier eene herinnering van de genade van
uwen Heer, omtrent zijn dienaar Zacharias. 2. Toen hij zijn Heer
aanriep met eene geheime aanroeping. 3. En zeide O Heer! waarlijk
mijne beenderen zijn verzwakt en mijn hoofd is wit geworden door
grijsheid. 4. En ik was nimmer ongelukkig in mijne gebeden tot u, o
Heer! 5. Maar ik vrees mijne bloedverwanten, die mij zullen opvolgen;
want mijne vrouw is onvruchtbaar: geef mij dus een opvolger uit mijn
eigen lichaam van u. 6. Die mijn erfgenaam zal zijn en een erfgenaam
van het gezin van Jacob; en geef, o Heer! dat hij door u aangenomen
worde. 7. En de engel antwoordde hem: O Zacharias! waarlijk wij brengen
u tijdingen van een zoon, wiens naam Yahya zal zijn. 8. Wij hebben
niemand vóór hem dien naam doen dragen [1219]. 9. Zacharias zeide: Hoe
zal ik een zoon hebben, terwijl ik zei dat mijne vrouw onvruchtbaar is,
en ik thans tot hoogen ouderdom gekomen en afgeleefd ben? 10. De engel
zeide: Zoo zal het zijn. Uw Heer zeide: Dit is mij gemakkelijk. Ik
heb u vroeger geschapen, toen gij nog niets waart. 11. Zacharias
antwoordde: O Heer! geef mij een teeken. De engel hernam: Uw teeken zal
zijn, dat gij in drie nachten niet tot de menschen zult spreken [1220]
hoewel gij u in volmaakte gezondheid bevindt. 12. En hij ging tot zijn
volk uit het vertrek en hij maakte hun teekenen [1221], alsof hij wilde
zeggen: Geloofd zij God, des ochtends en des avonds. 13. En wij zeiden
tot zijn zoon: O Johannes! ontvang het boek der wet, met het besluit,
dat te leeren en in acht te nemen. En wij schonken hem wijsheid,
toen hij nog slechts een kind was. 14. En onze genade en zuiverheid
des levens [1222]; en hij was een vroom mensch en deed zijnen plicht
omtrent zijne ouders, en hij was trotsch noch weerspannig. 15. Vrede
zij op hem! den dag dat hij werd geboren, en den dag waarop hij
zal sterven, en ook den dag waarop hij tot het leven zal worden
opgewekt. 16. Herdenk in het boek van den Koran het verhaal van Maria,
toen zij zich van haar gezin naar eene plaats ten Oosten verwijderde
[1223]. 17. En een sluier nam, om zich aan de blikken van anderen te
onttrekken [1224]. Wij zonden onzen geest Gabriël tot haar, en hij
verscheen haar in de gedaante van een volmaakt mensch. 18. Zij zeide:
Ik zoek eene schuilplaats bij den genadigen God, opdat hij mij tegen
u verdedige. Indien gij hem vreest zult gij mij niet naderen. 19. Hij
antwoordde: Waarlijk, ik ben de boodschapper van uwen Heer, en ik
ben gezonden om u een heiligen zoon te geven. 20. Zij zeide: Hoe
zal ik een zoon hebben; geen man heeft mij aangeraakt, en ik ben
geene ontuchtige vrouw. 21. Gabriël hernam: Zoo zal het zijn. Uw Heer
zeide: Dit is mij gemakkelijk, en wij zullen het doen, ten einde hem
tot een teeken voor de menschen en tot eene genade van ons te doen
zijn. Het is eene besloten zaak. 22. Zij ontving hem dus [1225], en
zij verwijderde zich, met hem in haren schoot, naar eene afgelegen
plaats [1226]. 23. En de pijnen der geboorte overvielen haar nabij
den stam van een palmboom [1227]. Zij zeide: God gave dat ik vóór dit
oogenblik ware gestorven; dat ik vergeten en in vergetelheid verloren
ware [1228]. 24. En hij die beneden haar was, riep haar toe [1229],
zeggende: Wees niet bedroefd! God heeft eene beek aan uwe voeten
doen stroomen. 25. Schudt den stam van den palmboom, en rijpe dadels
zullen op u nedervallen [1230]. 26. Eet en drink en stel uw hart
[1231] gerust. Indien gij een man ziet die u ondervraagt. 27. Zeg
dan: Waarlijk, ik heb den Barmhartige een vasten toegewijd, zoodat
ik dezen dag volstrekt niet tot een man spreken zal. 28. Zij bracht
het kind tot haar volk, hem in hare armen dragende. En zij zeiden
tot haar: O Maria! gij hebt eene vreemde zaak bedreven. 29. O Zuster
van Aäron [1232]! uw vader was geen slecht man, en uwe moeder geen
ontuchtige vrouw. 30. Maar zij maakte teekenen tot het kind om hun
te antwoorden. En zij zeiden: Hoe kunnen wij tot hem spreken, die
nog een kind in de wieg is? 31. Daarop zeide het kind: Waarlijk,
ik ben Gods dienaar; hij heeft mij het boek gegeven en mij tot een
profeet gemaakt. 32. En hij heeft gewild, dat ik gezegend zou zijn,
overal waar ik mij ook zou mogen bevinden; hij heeft mij bevolen,
het gebed in acht te nemen en aalmoezen te geven, zoo lang ik zal
leven. 33. Hij heeft mij gehoorzaam omtrent mijne moeder gemaakt en
hij zal mij niet trotsch of ellendig doen worden [1233]. 34. Vrede
zij op mij, den dag, waarop ik werd geboren en den dag waarop ik
zal sterven, en den dag, waarop ik tot het leven zal worden opgewekt
[1234]. 35. Dit was Jezus de zoon van Maria, die het woord der waarheid
zou spreken, waaromtrent zij twijfelen. 36. Het is niet passend
voor God dat hij een zoon zou hebben; zulk eene lastering zij verre
van hem. Als hij over iets besluit zegt hij slechts: Wees! en het is
[1235]. 37. Waarlijk, God is mijn Heer en ùw Heer; dien hem dus; dit is
de rechte weg. 38. De partijen verschillen onder elkander nopens Jezus;
maar wee over hen, die ongeloovigen zijn, wegens hunne verschijning op
den grooten dag. 39. Doe hen hooren en doe hen zien op den dag, waarop
zij tot ons zullen komen om geoordeeld te worden; maar de goddeloozen
verkeeren heden in eene duidelijke dwaling. 40. Waarschuw hen voor den
dag der zuchten, als de zaak zal worden bepaald, terwijl zij thans
in achteloosheid zijn verzonken en niet gelooven. 41. Waarlijk, wij
zullen de aarde erven en al de schepselen die zich daarop bevinden
[1236], en tot ons zullen zij allen terugkeeren. 42. En herdenk
Abraham en het boek van den Koran; want hij was iemand van groote
geloofwaardigheid en een profeet. 43. Toen hij tot zijnen vader zeide
[1237]: O mijn vader! waarom aanbidt gij datgene, wat noch hoort, noch
ziet en u volstrekt niet van voordeel is? 44. O mijn vader! waarlijk,
mij werd een deel van kennis geschonken, dat u niet is gegeven; volg
mij dus; ik zal u op den effen weg leiden. 45. O mijn vader! dien Satan
niet: want Satan was weêrspannig tegen den Barmhartige. 46. O mijn
vader! waarlijk, ik vrees, dat u eene straf van den Barmhartige zal
worden opgelegd, en gij een makker van Satan wordt. 47. Zijn vader
antwoordde: Verwerpt gij mijne goden, o Abraham! Indien gij niet
ophoudt, zal ik u zekerlijk steenigen; verlaat mij dus voor langen
tijd. 48. Abraham antwoordde: Vrede zij op u! Ik zal van mijnen Heer
vergiffenis voor u vragen; want hij is genadig omtrent mij. 49. Ik wil
mij van u scheiden en van de afgoden, welke gij naast God aanbidt,
en ik zal mijn Heer aanroepen; misschien ben ik niet ongelukkig in
mijne gebeden tot den Heer. 50. En toen hij zich had gescheiden
[1238] van hen en van de afgoden, welke zij naast God aanriepen,
gaven wij hem Izaäk en Jacob, en wij maakten ieder van hen tot
een profeet. 51. En wij gaven hun, door onze genade de profetiën
en kinderen en welvaart, en wij deden hen de hoogste aanbeveling
verdienen [1239]. 52. En gedenk Mozes in het boek van den Koran;
want hij was zeer oprecht, een gezant en een profeet. 53. En wij
riepen hem van de rechterzijde van den berg Sinaï, en deden hem
naderen om zich in het bijzonder met ons te onderhouden. 54. Wij
gaven hem door onze genade, zijn broeder Aäron, een profeet, als zijn
helper. 55. Herdenk ook Ismaël in hetzelfde boek; want hij was getrouw
aan zijne beloften [1240], gezant en profeet. 56. En hij beval zijn
gezin, het gebed in acht te nemen en aalmoezen te geven, en hij was
zijnen Heer aangenaam. 57. En herdenk Edris [1241] in hetzelfde boek;
want hij was een rechtvaardig mensch. 58. Wij verhieven hem tot een
hooge plaats [1242]. 59. Dit zijn zij, voor wie God weldadig was,
onder de profeten der nakomelingschap van Adam en van hen, welke wij
in de ark met Noach bewaarden, en van de nakomelingschap van Abraham,
en van Israël, en van hen welke wij geleid en gekozen hebben. Toen
hun de teekens van den Barmhartige waren voorgelezen, vielen zij
aanbiddende neder en weenden. 60. Maar een volgend geslacht is na
hen gekomen, dat het gebed verwaarloosde en zijne lusten volgde:
zij zullen zekerlijk in de hel worden nedergestort. 61. Behalve
zij, die berouw toonen en gelooven, en doen wat rechtvaardig is;
deze zullen in het paradijs komen en in het minst niet gekrenkt
worden. 62. Tuinen van eeuwig verblijf zullen hunne belooning zijn,
welke de Barmhartige zijnen dienaren heeft beloofd, als een onderwerp
des geloofs; en zijne belofte zal zekerlijk vervuld worden. 63. Daar
zullen zij geene ijdele gesprekken hooren, maar vrede [1243], en hun
voedsel zal daar des ochtends en des avonds voor hen worden gereed
gemaakt. 64. Dit is het paradijs, dat wij als eene erfenis zullen geven
aan hen, die godvruchtig zijn. 65. Wij [1244] dalen niet uit den hemel
neder dan op het bevel van uwen Heer; aan hem behoort al wat voor of
achter ons is en wat zich in de tusschenliggende ruimte bevindt. Uw
Heer vergeet u nimmer. 66. Hij is de Heer van hemel en aarde en van
hetgeen daar tusschen is; aanbidt hem dus en weest volhardend in zijne
aanbidding. Kent gij een van denzelfden naam als hij? [1245] 67. De
mensch zegt [1246]: Nadat ik dood zal wezen, zal ik dan werkelijk
levend uit het graf worden gebracht? 68. Gedenkt de mensch niet, dat
wij hem vroeger schiepen, toen hij niets was? 69. Maar ik zweer u bij
uwen Heer, dat wij hen en de duivels zekerlijk zullen verzamelen,
om hen te oordeelen [1247]; dan zullen wij hen op hunne knieën
rondom de hel plaatsen. 70. Daarna zullen wij van iedere partij
degenen verwijderen, die het weerspannigst tegen den Heer waren
[1248]. 71. Wij weten het beste, wie van hen het meeste waard is,
daarin verbrand te worden [1249]. 72. Er is niemand van u, die
haar niet zal naderen [1250]; dit is een vast besluit van uwen
Heer. 73. Daarna zullen wij hen bevrijden, die godvruchtig waren;
doch wij zullen de goddeloozen op hunne knieën daarin laten. 74. Als
hun onze duidelijke teekens worden voorgelezen, zeggen de ongeloovigen
tot de ware geloovigen: Wie der beide partijen bekleedt de verhevenste
plaats en vormt de uitmuntendste verzameling [1251]? 75. Maar hoeveel
geslachten hebben wij vóór hen verwoest, die hen in welvaart en
in uiterlijk aanzien overtroffen? 76. Zeg: Aan hem die in dwaling
verkeert, zal God een lang en voorspoedig leven schenken. 77. Tot
zij zien waarmede zij worden bedreigd; hetzij de straf van dit
leven of die van het jongste uur, en hierna zullen zij weten,
wie in den slechten toestand verkeert en het zwakste van krachten
is. 78. God zal tot de goede richting bijdragen van hen die op den
rechten weg zijn geleid. 79. En de goede werken, die eeuwig blijven,
zijn voor het aangezicht van uwen Heer, wat de belooning betreft,
beter dan wereldsche bezittingen, en verkieslijker met betrekking tot
de toekomstige belooning. 80. Hebt gij hem gezien, die niet in onze
teekenen gelooft, en zegt: Zekerlijk zullen mij rijkdommen en kinderen
worden geschonken [1252]? 81. Is hij bekend met de geheimen der
toekomst, of heeft hij een verbond met den Barmhartige aangegaan, dat
het zoo zal wezen? Volstrekt niet. 82. Wij zullen zekerlijk opschrijven
wat hij zegt, en zijne straf vermeerderen. 83. En wij zullen zijn
erfgenaam wezen van datgene, waarvan hij spreekt [1253], en op den
jongsten dag zal hij alleen en naakt voor ons verschijnen. 84. Zij
hebben andere goden naast God genomen, opdat zij hun tot zegen [1254]
konden zijn. Volstrekt niet. 85. Hierna zullen zij hunne aanbidding
loochenen [1255] en hunne tegenstanders [1256] worden. 86. Ziet gij
niet, dat wij de duivels tegen de ongeloovigen zenden, om hun door
hunne ingevingen tot het kwaad te verlokken? 87. Haast u dus niet het
verderf op hen af te smeeken; want wij geven hun een bepaald aantal
dagen van uitstel. 88. Op een zekeren dag zullen wij de godvruchtigen
op eervolle wijze voor den Barmhartige verzamelen, als gezanten,
die in de tegenwoordigheid van een vorst komen. 89. Maar wij zullen
de zondaren in de hel drijven, zoo als het vee in het water wordt
gedreven. 90. Zij zullen geene voorspraak verkrijgen, behalve hij,
die een verbond van den Barmhartige heeft ontvangen [1257]. 91. Zij
zeggen: De Barmhartige heeft kinderen gebaard. Welk eene godslastering
hebt gij daarmede uitgesproken! 92. Er is slechts weinig toe noodig,
opdat de hemelen bij deze woorden verscheurd worden, en de aarde
in tweeën gespleten worde en de bergen nedervallen. 93. Omdat zij
kinderen aan God beschrijven, terwijl het Gode niet past kinderen
te baren. 94. Waarlijk, er is niemand in den hemel of op aarde, die
den Barmhartige niet als zijn dienaar zal naderen. Hij omringt hen
door zijne kennis en macht, en telt hen met nauwkeurigheid. 95. Zij
zullen allen op den dag der opstanding voor hem verschijnen, verlaten
zoowel van helpers als volgelingen. 96. Maar wat degenen betreft,
die gelooven en goede werken doen, de Barmhartige zal hun liefde
schenken [1258]. 97. Waarlijk, wij hebben den Koran gemakkelijk voor
uwe tong gemaakt door hem in uwe taal te geven, opdat gij daardoor den
godvruchtige onze beloften verklaren, en het twistzieke volk dreigend
waarschuwen zoudt. 98. En hoevele geslachten hebben wij niet vóór
hen verdelgd? Vindt gij, dat er een aan hen gebleven is? Of hebt gij
slechts een zucht over hen gehoord.



TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

T. H. [1259].


1. T. H. Wij hebben u den Koran niet nedergezonden om u ongelukkig
te maken [1260]. 2. Maar als eene waarschuwing voor hem die God
vreest. 3. Zijnde nedergezonden door hem, die de aarde schiep en
de verheven hemelen. 4. De Barmhartige zit op zijn troon. 5. Aan
hem behoort alles wat in den hemel en op de aarde, en alles wat daar
tusschen, en wat zich onder de aarde bevindt. 6. Indien gij uwe gebeden
met luide stem uitspreekt, weet dat dit voor God niet noodig is;
want hij weet wat in het geheim wordt gezegd en wat nog meer verborgen
is. 7. God! er is geen God buiten hem; hij heeft de meest uitmuntende
namen [1261]. 8. Zijt gij onderricht geworden nopens de geschiedenis
van Mozes [1262]? 9. Toen hij vuur zag, zeide hij tot zijn gezin:
Blijf hier; want ik bemerk vuur. 10. Misschien kan ik u een brandend
stuk hout daarvan medebrengen, of zal ik de richting van onzen weg
door het vuur vinden [1263]. 11. En toen hij naderbij gekomen was,
riep hem eene stem toe zeggende: O Mozes! 12. Waarlijk, ik ben uw Heer;
leg ons uwe schoenen af [1264]; want gij zijt in de heilige vallei
Towa. 13. En ik heb u gekozen; luister dus aandachtig naar hetgeen u
is geopenbaard. 14. Waarlijk, ik ben God; er is geen God buiten mij:
aanbid mij dus en doe uw gebed ter mijner herinnering. 15. Waarlijk,
het uur komt; ik zal het gewis duidelijk verkondigen. 16. Opdat
iedere ziel hare vergelding moge ontvangen voor hetgeen zij met
overleg heeft gedaan. 17. Laat hij, die niet daarin gelooft en die
zijne lusten volgt, u niet er van afhouden, daaraan te gelooven,
opdat gij niet verdoemd wordet. 18. Wat hebt gij in uwe rechterhand,
Mozes? 19. Hij antwoordde; Het is mijn staf, waarop ik leun, en
waarmede ik bladeren voor mijne kudde afbreek, en welken ik ook
voor andere doeleinden bezig. 20. God zeide tot hem: Werp dien weg;
o Mozes! 21. En hij wierp dien weg en zie hij werd eene slang [1265],
die voortliep. 22. God zeide: Vat haar aan en vrees niet [1266]; wij
zullen haar tot haren vorigen toestand terugbrengen. 23. En leg uwe
rechterhand onder uwen linkerarm en zij zal wit worden, zonder eenig
nadeel. Dit zal een ander teeken wezen. 24. Opdat wij u eenige onzer
grootste teekenen zullen doen zien. 25. Ga tot Pharao; want hij is zeer
goddeloos. 26. Mozes antwoordde: Heer! verwijd mijne borst. 27. En
maak mij gemakkelijk wat gij mij hebt bevolen. 28. En ontbindt den
knoop van mijne tong. 29. Opdat zij mijne woorden kunnen verstaan
[1267]. 30. Geef mij een raadgever uit mijn gezin. 31. Namelijk Aäron,
mijn broeder. 32. Omgord mijne lendenen met hem. 33. En maak hem
tot mijn makker in de zaak [1268]. 34. Opdat wij u dankbaar loven
en u dikwijls herdenken mogen. 35. Want gij ziet ons. 36. God
antwoordde: Nu is aan uw verzoek voldaan, o Mozes! 37. En wij
zijn vroeger genadig omtrent u geweest. 38. Toen wij uwe moeder
openbaarden wat haar geboodschapt werd [1269], zeggende: 39. Leg
uwen zoon in eene kist en werp hem in zee, en de rivier zal hem op
het strand werpen, en mijn vijand en zijn vijand zal hem opnemen en
opvoeden [1270]. 40. En ik schonk u van mijne liefde [1271], opdat
gij onder mijne oogen zoudt opgevoed worden. 41. Toen uwe zuster
heen ging en zeide: Zal ik u tot iemand brengen, die het kind wil
zogen [1272]? Toen brachten wij u tot uwe moeder terug, opdat zij
gerustgesteld worden en niet bedroefd zijn zou. Gij dooddet eene
ziel en wij redden u van het ongeluk [1273]; en wij beproefden u
met verschillende proeven. 42. En later woondet gij eenige jaren
[1274] onder de inwoners van Madian. Daarop kwaamt gij herwaarts,
overeenkomstig ons besluit, o Mozes! 43. En ik heb u voor mij zelven
gekozen; 44. gaat dus, gij en uw broeder [1275], met mijne teekenen
en wees niet achteloos in mijne herdenking. 45. Gaat tot Pharao;
want hij is zeer goddeloos. 46. En spreekt bedaard tot hem; misschien
zal hij nadenken, of onze bedreigingen vreezen. 47. Zij antwoordden:
O Heer! waarlijk, wij vreezen dat hij zeer gewelddadig omtrent ons zal
handelen, of dat hij nog buitensporiger zal zondigen. 48. God hernam:
Vreest niet; want ik ben met u. Ik zal hooren en zien. 49. Gaat
dus tot hem en zegt: Waarlijk wij zijn de gezanten van uwen Heer;
zendt dus de kinderen Israëls met ons en mishandel hen niet. Wij
zijn met een teeken van uwen Heer tot u gekomen; en vrede zij op
hem, die de ware richting zal volgen. 50. Waarlijk, het is ons reeds
geopenbaard, dat hem eene straf zal worden opgelegd, die ons van bedrog
beschuldigen en zich afwenden zal. 51. En toen zij hunne zending
hadden medegedeeld, zeide Pharao: Wie is uw Heer o Mozes? 52. Hij
antwoordde: Hij geeft alle dingen; hij heeft die geschapen, en leidt
door zijne voorzienigheid. 53. Pharao zeide: Wat was dan de bedoeling
der vroegere geslachten [1276]? 54. Mozes antwoordde: De kennis
daarvan is bij mijn Heer. in het boek zijner besluiten; mijn Heer
dwaalt noch vergeet. 55. Hij is het, die de aarde als een bed voor u
heeft uitgespreid, en daarop paden voor u heeft gemaakt; hij is het,
die den regen van den hemel nederzendt, waardoor wij verschillende
soorten van planten doen voortspruiten. 56. Zeggende: Eet van een
gedeelte en voedt uw vee met het andere deel daarvan. Waarlijk, hierin
zijn teekenen voor hen, die met begrip zijn begaafd. 57. Wij hebben
u uit aarde geschapen en tot haar zullen wij u doen terugkeeren,
en wij zullen u ten tweede male daaruit doen voortkomen. 58. En wij
toonden Pharao al onze teekenen, welke wij Mozes gemachtigd hadden
uit te voeren, doch hij verklaarde die tot logens en weigerde te
gelooven. 59. En hij zeide: Zijt gij tot ons gekomen, opdat gij ons
door uwe toovenarijen het bezit van ons land zoudt kunnen ontrooven, o
Mozes? 60. Waarlijk, wij zullen u dezelfde toovenarij doen zien; bepaal
dus eene samenkomst tusschen ons en u; wij zullen er niet ontbreken en
ook gij niet, op eene gelijke plaats. 61. Mozes antwoordde: Laat onze
ontmoeting zijn op den dag van uw plechtig feest [1277], en laat het
volk zich op den vollen dag verzamelen. 62. En Pharao ging van Mozes
weg en verzamelde de behendigste toovenaars bij elkander om zijne list
uit te voeren, en kwam daarna op de bepaalde samenkomst. 63. Mozes
zeide tot hem: Wee kome over u! verzin geene leugen tegen God
[1278]. 64. Hij zou u door zijn oordeel geheel verdelgen; want hij
die leugens uitdenkt, zal niet gelukkig zijn. 65. En de toovenaars
twistten onder elkander nopens hunne zaak en spraken met elkander in
het geheim. 66. En zij zeiden: Deze twee zijn zekerlijk toovenaars;
zij trachten u, door hunne toovenarij, het bezit van uw land te rooven,
en uwe voornaamste en aanzienlijkste lieden weg te voeren. 67. Verzamel
dus al uwe kunstmiddelen en schaar u daarna in orde; want hij die heden
de bovenhand behoudt, zal gelukkig zijn. 68. Zij zeiden: O Mozes! wilt
gij uwen staf het eerste wegwerpen, of zullen wij de eersten zijn die
onze staven wegwerpen? 69. Hij antwoordde: Werpt gij uwe staven het
eerste weg. En zie, hunne koorden en hunne staven schenen hem toe,
door hunne tooverij als slangen te loopen [1279]. 70. Daarom koesterde
Mozes vrees in zijn hart. 71. Maar wij zeiden tot hem: Vrees niet;
want gij zult de bovenhand behouden. 72. Werp dus den staf weg, die
zich in uwe rechterhand bevindt, en hij zal de schijnbare slangen
verslinden welke zij gemaakt hebben; want hetgeen zij gemaakt hebben
is slechts de kunstgreep van een toovenaar, en een toovenaar zal
niet gelukkig zijn van waar hij ook moge komen. 73. En de toovenaars
vielen neder toen zij het wonder zagen, dat door Mozes was uitgevoerd,
en zij aanbaden, zeggende: Wij gelooven in den Heer van Aäron en van
Mozes! 74. Pharao zeide tot hen: Gelooft gij in hem, alvorens ik u
verlof geef? Waarlijk, hij is uw meester, die u in de toovenarij heeft
onderricht. Maar ik zal zekerlijk uwe handen en uwe voeten aan de
tegenovergestelde zijde afsnijden, en ik zal u kruisigen aan stammen
van palmboomen [1280], en gij zult weten, wie van ons gestrenger in
het straffen is, en uwe smarten langer kan doen aanhouden. 75. Wij
zullen nimmer meer eerbied voor u hebben, zeiden zij, dan voor deze
duidelijke wonderen, die ons getoond zijn, of ook voor hem die ons
heeft geschapen. Spreek dus de straf over ons uit, welke gij op
het punt staat uit te spreken; want gij kunt alleen in dit leven
straffen. Waarlijk, wij gelooven in onzen Heer, opdat hij ons onze
zonden moge vergeven en de toovenarij, welke gij ons hebt gedwongen uit
te oefenen; maar God kan beter beloonen en is meer dan gij in staat,
de straf te verlengen. 76. Waarlijk, al wie op den dag des oordeels
voor zijn Heer zal verschijnen met misdaden belast, zal de hel tot
belooning hebben; hij zal daarin noch sterven, noch leven. 77. Wie
een waar geloovige was en rechtvaardigheid zal hebben uitgeoefend,
voor dezen zijn de graden van het grootste geluk bereid. 78. Namelijk
tuinen van eeuwig verblijf [1281], die door rivieren zullen besproeid
worden. Eeuwig zullen zij daarin verblijven, en dit zal de belooning
zijn voor hem, die zuiver zal wezen. 79. En wij spraken door openbaring
tot Mozes, zeggende: Vertrek met mijne dienaren des nachts uit Egypte
en sla de wateren met uwen staf, en maak hun een droog pad door de
zee [1282]. 80. Vrees niet dat Pharao U zal overvallen, en wees niet
bang. 81. En toen Mozes aldus had gehandeld, vervolgde Pharao hem
met zijne strijdmachten, en de wateren der zee overdekten hen. En
Pharao deed zijn volk dwalen en hij leidde hen niet op den rechten
weg. 82. Aldus, o kinderen Israëls! bevrijdden wij u van uwen vijand,
en wij wezen u de rechterzijde van den berg Sinaï aan, om Mozes te
spreken en hem de wet te geven, en wij deden manna en kwakkels op u
nederdalen [1283], zeggende: 83. Eet van de goede dingen, welke wij u
tot voedsel hebben gegeven, en zondig daarin niet [1284], opdat mijne
verontwaardiging niet opgewekt worde; want hij over wien mijn toorn
zal komen, zal verloren zijn. 84. Maar ik zal barmhartig zijn omtrent
hem, die berouw gevoelen en gelooven zal, en doet wat goed is, en die
op den rechten weg zal volgen. 85. Wat heeft u, o Mozes! uw volk doen
verlaten om de wet te ontvangen? 86. Hij antwoordde: Zij volgen mijne
voetstappen, en ik heb mij gehaast tot u te gaan, opdat ik u aangenaam
zou mogen wezen. 87. God zeide: Wij hebben uw volk sedert uw vertrek
reeds beproefd [1285], en Al Sameri [1286] heeft hen tot afgoderij
verleid. 88. Daarom keerde Mozes vertoornd en zeer bedroefd tot zijn
volk terug [1287]. 89. En hij zeide: O mijn volk! heeft uw Heer u
niet de uitmuntendste belofte gedaan [1288]? Scheen de tijd van mijne
afwezigheid u te lang toe? Of begeerdet gij dat de verontwaardiging
van uwen Heer over u zou komen, en hebt gij daarom de belofte niet
gehouden, welke gij mij gaaft? 90. Zij antwoordden: Wij hebben niet
geschonden hetgeen wij u uit eigen beweging beloofden: maar men
beval ons, verscheiden lasten goud en zilver van de versierselen
des volks aan te dragen, en wij wierpen die in het vuur, en evenzoo
wierp Al Sameri er in, hetgeen hij had verzameld, en hij bracht er
een lichamelijk kalf uit voort [1289], dat loeide. En Al Sameri en
zijne makkers zeiden: Dit is uw God en de God van Mozes; doch hij
had hem vergeten en is weggegaan om een ander te zoeken. 91. Zagen
zij dus niet, dat hun afgod hun geen antwoord gaf en niet in staat
was hen te benadeelen of voordeel te doen? 92. En Aäron had vroeger
wel tot hen gezegd: O mijn volk! door dit kalf wordt gij slechts
beproefd; want uw Heer is barmhartig: volgt mij dus en gehoorzaamt
mijn bevel. 93. Zij antwoorden: Wij zullen nimmer ophouden het
kalf te aanbidden, tot dat Mozes bij ons terugkeert. 94. En toen
Mozes was teruggekeerd, zeide hij: O Aäron! wat verhinderde u mij
te volgen, toen gij zaagt dat zij zich afwendden [1290]? Zijt gij
ongehoorzaam aan mijn bevel geweest? 95. Aäron antwoordde: O zoon
mijner moeder! trek mij niet bij mijn baard, of bij het haar van mijn
hoofd. Waarlijk, ik vreesde dat gij mij zoudt zeggen: Gij hebt eene
scheiding tusschen de kinderen Israëls gemaakt, en gij hebt mijne
woorden niet in acht genomen [1291]. 96. Mozes zeide tot Al Sameri:
Wat was uw voornemen, o Sameri? Hij antwoordde: Ik zag wat zij niet
zagen [1292]; daarom nam ik eene handvol stof van de voetstappen
van Gods gezant en wierp het in het gesmolten kalf [1293]; want mijn
gemoed bracht mij daartoe. 97. Mozes zeide: Verwijder u; uwe straf
in dit leven zal zijn, dat gij hen welke gij ontmoet, zult zeggen:
Raak mij niet aan [1294]! en gij zijt met vreeselijker pijnen in het
volgende leven bedreigd, welke gij nimmer zult ontkomen. Werp thans uw
oog op uwen god, dien gij met zooveel onderwerping hebt aangebeden;
waarlijk wij zullen dien verbranden [1295], tot stof verkeeren en in
de zee werpen. 98. Uw God is de ware God, buiten wien geen andere God
bestaat; hij bevat alle dingen door zijne wijsheid. 99. Zoo geven wij
u, o Mahomet! het verhaal, van hetgeen vroeger is geschied, en wij
hebben u eene vermaning van ons gegeven. 100. Hij die zich daarvan
afwendt, zal zekerlijk eenen last van schuld op den dag der opstanding
torschen. 101. Hij zal dien eeuwig dragen; en een ondragelijke last
zal het op den dag der opstanding zijn [1296]. 102. Op dien dag zal
de trompet klinken, en wij zullen de zondaren op dien dag verzamelen
die dan grijze oogen zullen hebben [1297]. 103. Zij zullen met eene
zachte stem tot elkander spreken, zeggende: Gij zijt er niet langer dan
tien dagen gebleven [1298]. 104. Wij weten wel dat hunne opperhoofden
willen zeggen, als zij zullen antwoorden: Gij zijt niet langer dan
een dag gebleven. 105. Zij zullen u ondervragen, nopens de bergen;
antwoord: Mijn Heer zal die tot stof verkeeren en verspreiden. 106. Hij
zal die in eene effen vallei veranderen; gij zult geen deel daarvan
hooger of lager dan het ander zien. 107. Op dien dag zal de mensch
den engel volgen, die hem tot het oordeel zal oproepen, niemand zal de
macht hebben zich van deze af te wenden en hunne stemmen zullen zacht
klinken voor den Barmhartige; ook zult gij niets anders hooren dan den
doffen klank van hunnen voet. 108. Op dien dag zal de tusschenkomst
van niemand voor den ander voordeelig zijn, behalve van hem, aan wien
de Barmhartige verlof [1299] zal gegeven hebben en die de bekentenis
van het ware geloof zal hebben uitgesproken. 109. God kent wat vóór
hen en wat achter hen is, maar ze begrijpen dat niet. 110. Hunne
gezichten zullen voor den levenden en den onveranderlijken God
vernederd worden [1300]. En hij die zijne onrechtvaardigheid draagt,
zal ongelukkig worden. 111. Maar hij die goede werken doet en een
waar geloovige is, zal geene onrechtvaardigheid of geene vermindering
vreezen van zijne belooning door God. 112. En zoo hebben wij dit boek
nedergezonden, zijnde een Koran in de Arabische taal, en wij hebben
daarin verschillende bedreigingen en beloften opgenomen, ten einde
de menschen God zouden vreezen, en opdat dit eenige overpeinzing
in hen zou opwekken. 113. Hoogverheven zij dus God, de Koning,
de Waarheid! Wees niet haastig in het ontvangen of overbrengen van
den Koran, alvorens u die geheel geopenbaard zij [1301], en zeg:
Heer! vermeerder mijn verstand. 114. Wij gaven vroeger een bevel
aan Adam; maar hij vergat het [1302] en at van de verboden vrucht,
en wij vonden geen vast besluit in hem. 115. En gedenk toen wij tot de
engelen zeiden: Aanbidt Adam, en zij baden hem aan, maar Eblis weigerde
[1303]. En wij zeiden: O Adam! dit is een vijand van u en uwe vrouw,
neem u dus in acht, opdat hij u niet uit het paradijs verwijdere; want
dan zoudt gij ellendig zijn. 116. Waarlijk wij hebben een voorraad
voor u verzameld, opdat gij daarin niet van honger zoudt omkomen, of
naakt zoudt zijn. 117. Ook zult gij daarin niet van dorst sterven,
noch door hitte lastig gevallen worden. 118. Maar Satan blies hem
slechte ingevingen in, zeggende: O Adam! zal ik u naar den boom der
eeuwigheid brengen en naar eene macht die nimmer eindigt? 119. Zij
aten beiden daarvan, zagen hunne naaktheid, en naaiden bladeren
van het paradijs bij elkander om zich te bedekken [1304]. En zoo
werd Adam ongehoorzaam aan zijn Heer, en werd verleid. 120. Later
nam de Heer zijn berouw aan, en hij wendde zich tot hem en leidde
hem. 121. En God zeide: Gaat allen heen; gij zult elkanders vijanden
zijn. Maar later zal eene leiding van mij tot u komen [1305]. 122. En
wie mijne leiding volgt zal niet dwalen, en hij zal niet ongelukkig
zijn. 123. Maar wie zich van mijne vermaning afwendt zal waarlijk
een ellendig leven leiden. 124. En wij zullen hem blind voor ons
doen verschijnen op den dag der opstanding. 125. En hij zal zeggen:
O Heer! waarom hebt gij mij blind voor u gebracht, terwijl ik vroeger
helder zag? 126. God zal antwoorden: Wij hebben aldus gehandeld, omdat
onze teekens tot u zijn gekomen en gij die vergat, en evenzoo zult gij
op dezen dag worden vergeten. 127. En zoo zullen wij hem vergelden,
die achteloos is en niet in de teekens van zijn Heer gelooven zal; en
de straf van het volgende leven zal strenger en drukkender zijn dan de
straf van dit leven. 128. Is het den bewoners van Mekka niet bekend,
hoeveel geslachten wij vóór hen hebben verdelgd, in wier woonplaatsen
zij wandelen [1306]? Waarlijk, hierin zijn teekenen gelegen voor
hen, die met verstand zijn begaafd. 129. En indien te voren niet
een besluit van uwen Heer tot hun uitstel ware uitgegaan, zou hunne
verdelging noodzakelijk zijn gevolgd; maar er is een zekere tijd door
God voor hunne straf vastgesteld. 130. Daarom, o Mahomet! verdraag
met geduld wat zij zeggen en verhef den lof van uwen Heer voor het
opgaan der zon en voor haren ondergang, en loof hem in de uren des
nachts en op de uiteinden van den dag [1307], opdat gij waardig
moogt zijn Gods gunst te ontvangen. 131. En werp uwe oogen niet op
datgene wat wij aan verschillende ongeloovigen hebben verleend, om
zich er in te verheugen: namelijk den glans van dit leven [1308],
om hen daardoor te beproeven; want het deel van uwen Heer [1309]
is beter en van langeren duur. 132. Beveel uw gezin het gebed in
acht te nemen, en gij, volhard er in. Wij verlangen niet van u,
dat gij zult arbeiden om voedsel voor ons te verwerven; wij zullen
u voorzien; want voor de vroomheid is eene goede belooning weggelegd
[1310]. 133. De ongeloovigen zeggen: Zoo lang hij niet met een teeken
van zijn Heer tot ons zal komen, zullen wij niet in hem gelooven. Is
er door de openbaring van den Koran niet eene duidelijke verklaring
tot hen gekomen van hetgeen in de vroegere deelen van de schrift is
bevat? 134. Indien wij hen door een oordeel hadden verdelgd, vóór de
Koran werd geopenbaard zouden zij bij de opstanding hebben gezegd:
O Heer! hoe konden wij gelooven, naardien gij ons geen gezant hebt
gezonden, om uwe teekenen te doen volgen, alvorens wij vernederd en
met schande bedekt werden? 135. Zeg: Ieder onzer wacht de uitkomst;
wacht dus; want gij zult zekerlijk hierna weten, wie den rechten weg
hebben gevolgd, en welke op den rechten weg zijn geleid.



EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

DE PROFETEN [1311].

Geopenbaard te Mekka--112 verzen.


In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. De tijd nadert, waarop de bewoners van Mekka rekenschap zullen
moeten afleggen, en nochtans zijn zij achteloos en hebben zich van
de overdenking daarvan afgewend. 2. Er komt geene waarschuwing tot
hen van hunnen Heer, die hun onlangs in den Koran werd geopenbaard,
of als zij die hooren, maken zij haar tot een voorwerp van hunnen
spot. 3. Hunne harten denken slechts aan vermaken. En zij die
onrechtvaardig handelen, spreken heimelijk met elkander, zeggende:
Is deze Mahomet iets meer dan een mensch gelijk gij? Wilt gij dus
naar een tooverij luisteren, terwijl gij duidelijk bemerkt, dat
het niets anders is. 4. Zeg: Mijn Heer weet wat in den hemel en op
aarde wordt gesproken; hij hoort en ziet alles. 5. Maar zij zeggen:
De Koran is een weefsel van droomen; hij heeft dien uitgedacht;
hij is een dichter; laat hem dus met een wonder tot ons komen, op
dezelfde wijze als de vroegere profeten werden gezonden. 6. Geene
der steden welke wij verdelgd hebben, geloofde de wonderen welke zij
voor hunne oogen zagen geschieden. Zullen deze dus gelooven indien
zij een wonder zien? 7. Wij zonden geene andere gezanten vóór hen,
dan menschen, aan welke wij onzen wil openbaarden. Vraag het hun die
met de schrift bekend zijn, indien gij dit niet weet. 8. Wij gaven
hun geen lichaam, dat onderhouden kan worden zonder dat zij voedsel
gebruikten, en zij waren niet onsterfelijk. 9. Maar wij vervullen onze
belofte omtrent hen; wij bevrijdden hen en degenen die ons behaagden,
maar wij verdelgden de zondaren. 10. O Koreïshieten! wij hebben u het
boek van den Koran nedergezonden, waarin gij beroemd gemaakt wordt;
zult gij dit niet begrijpen? 11. En hoevele steden die goddeloos waren,
hebben wij omgekeerd, terwijl wij andere volkeren na deze hebben doen
opstaan? 12. En toen zij onze strenge wraak gevoelden, vluchtten zij
ijlings uit die steden. 13. En de engelen zeiden spottenderwijze
tot hen: Vlucht niet, maar keert terug tot uwe vermaken en tot
uwe woningen; misschien zult gij ondervraagd worden [1312]. 14. Zij
antwoordden: Helaas! waarlijk, wij waren onrechtvaardig [1313]. 15. En
deze hunne weeklacht hield niet op, dan nadat wij hen, gelijk het
afgemaaide en geheel uitgedroogde koren, hadden uitgespreid. 16. Wij
schiepen, de hemelen en de aarde en al wat daartusschen is, niet
tot onze uitspanning [1314]. 17. Indien het ons behaagd had, ons te
vermaken, zouden wij het gedaan hebben met hetgeen ons past [1315],
zoo wij hadden besloten dit te doen. 18. Maar wij zullen de waarheid
tegenover de ijdelheid plaatsen en de eerste zal de laatste doen
verdwijnen. Ziedaar hetgeen verdwijnt. Wee over u! om hetgeen gij
aan God toeschrijft. 19. Alles wat in den hemel en op aarde bestaat,
is aan hem onderworpen, en de engelen, die in zijne tegenwoordigheid
zijn, rekenen hen niet beneden zich, hem te aanbidden, en worden dit
niet moede. 20. Zij prijzen hem des nachts en des daags en vermoeien
zich niet. 21. Hebben zij goden van de aarde genomen? Zullen zij den
doode tot het leven opwekken? Indien er in den hemel of op aarde goden
behalve God waren, zouden zij allen vernietigd worden [1316]. 22. Maar
het zij verre van God wat zij nopens hem uitdenken; nopens hem, den
Heer van den troon. 23. Er zal hem geene rekenschap gevraagd worden
nopens hetgeen hij zal doen; maar van hen zal rekenschap gevraagd
worden. 24. Hebben zij andere goden naast hem geplaatst? Zeg: lever
uw bewijs daarvoor. Dit is de vermaning van hen die tegelijk met mij
bestaan en de vermaning van hen die voor mij bestonden [1317] maar
het grootste deel hunner kent de waarheid niet en wendt zich daarvan
af. 25. Wij hebben vóór u geen gezant nedergezonden, of wij openbaarden
hun, dat er geen God buiten mij is; dient mij dus. 26. Zij zeggen; de
Barmhartige heeft kinderen gebaard, en de engelen zijn zijne dochters
[1318]. Verre zij dit van hem! Zij zijn slechts zijne eerbiedige
dienaren. 27. Zij zeggen niets voor hij heeft gesproken [1319], en zij
voeren zijn bevel uit. 28. Hij weet wat vóór hen en wat achter hen is;
zij zullen voor niemand tusschen beiden treden. 29. Behalve voor wien
hem zal behagen, en zij beven uit vrees voor hem. 30. Die engel die
zeggen zal: Ik ben een god naast hem, zullen wij met de hel vergelden;
want zoo vergelden wij den onrechtvaardige. 31. Weten de ongeloovigen
dus niet, dat de hemelen en de aarde vast waren, en dat wij die van
een gescheiden hebben [1320], en dat wij door middel van water het
leven aan alle dingen geven? Zullen zij dus niet gelooven? 32. En
wij plaatsten vaste bergen op de aarde, opdat zij zich niet met hen
zou bewegen [1321], en wij maakten breede doorgangen er tusschen,
voor paden, opdat zij op hunne reizen zouden geleid worden. 33. En wij
maakten den hemel tot een goed ondersteund dak. Maar zij wenden zich af
van de teekens, die zich daarin bevinden, en vergeten dat zij Gods werk
zijn. 34. Hij is het, die den nacht en den dag en de zon en de maan
heeft geschapen; al de hemellichamen bewegen zich snel, ieder in zijne
eigen sfeer. 35. Wij hebben het eeuwige leven vóór u aan niemand in dit
leven geschonken; zouden zij dus onsterfelijk zijn indien gij sterft
[1322]? 36. Iedere ziel zal den dood proeven, en wij zullen u beproeven
met kwaad en met goed, en tot ons zult gij terugkeeren. 37. Als de
ongeloovigen u zien, ontvangen zij u slechts met spotternij, zeggende:
Is dit dezelfde die met verachting van uwe goden spreekt? Maar zij
zelven gelooven niet wat hun omtrent den Barmhartige wordt medegedeeld
[1323]. 38. De mensch is van overhaasting geschapen [1324]. Ik zal u
hierna mijne teekens toonen, zoodat gij niet zult wenschen dat die
verhaast worden. 39. Wanneer zal deze bedreiging vervuld worden,
indien gij de waarheid spreekt? 40. Indien zij die gelooven, niet
wisten dat de tijd zekerlijk zal komen, waarop zij niet in staat
zullen zijn het vuur der hel van hunne aangezichten of hunne ruggen
af te keeren, waarbij zij niet geholpen zullen worden, zouden zij
dien niet verhaasten. 41. Maar de dag der wraak zal plotseling over
hen komen en hen met verbazing treffen: zij zullen niet in staat zijn
het te voorkomen, noch om uitstel te verkrijgen. 42. Andere gezanten
werden vóór u bespot, maar de straf, waarmede zij spotten, viel op de
spotters. 43. Zeg tot de spotters: Wie zal u bij dag of bij nacht tegen
den Barmhartige verdedigen? En toch verwaarloozen zij de herdenking
van hunnen Heer. 44. Hebben zij goden die hen tegen ons kunnen
verdedigen? Zij zijn niet in staat zich zelven te helpen, en nimmer
zullen zij door hunne makkers tegen ons worden bijgestaan. 45. Maar
wij hebben deze menschen en hunnen vaderen veroorloofd, wereldlijken
voorspoed te genieten, zoo lang hun leven zal duren. Bemerken zij niet
dat wij in het land der ongeloovigen komen en zijne grenzen aan alle
zijden vernauwen? Zullen zij dus de overwinnaars zijn? 46. Zeg: Ik
predik u alleen de openbaring van God; de dooven willen uwe roepstem
niet hooren, als gij onder hen predikt. 47. Indien de lichtste adem
van de straf van uwen Heer hen bereikt, zullen zij zekerlijk zeggen:
Helaas! waarlijk, wij waren onrechtvaardig. 48. Wij zullen juiste
weegschalen instellen voor den dag der opstanding, geene ziel zal
onrechtvaardig worden behandeld; al zij de verdienste of de schuld
eener daad zoo zwaar slechts als een mostaardzaadkorrel, wij zullen
die openbaar voorbrengen, en het is voldoende dat wij die rekening
hebben ingesteld. 49. Wij gaven vroeger aan Mozes en Aäron de wet,
zijnde eene onderscheiding tusschen goed en kwaad en tot een licht en
een waarschuwing voor de godvruchtigen. 50. Die hunnen Heer in het
geheim vreezen en het uur des oordeels duchten. 51. Ook is dit boek
eene gezegende vermaning welke wij van den hemel hebben nedergezonden;
zult gij die dus loochenen? 52. En wij gaven vroeger aan Abraham zijne
leiding, en wij wisten dat hij de openbaringen waardig was, waarmede
hij werd begunstigd. 53. Gedenk, toen hij tot zijn vader en zijn volk
zeide: Wat zijn deze beelden, waaraan gij zoo geheel zijt onderworpen
[1325]? 54. Zij antwoordden: Wij zagen die door onze vaderen
aanbidden. 55. Hij zeide: Waarlijk, gij en uwe vaderen hebben in eene
duidelijke dwaling verkeerd. 56. Zij zeiden: Verhaalt gij ons ernstig
de waarheid, of spot gij met ons? 57. Hij hernam: Waarlijk, uw Heer is
de Heer der hemelen en der aarde, hij is het die deze heeft geschapen,
en ik ben een van hen die daarvan getuigenis afleggen. 58. Ik zweer bij
God, dat ik uwe afgodsbeelden een trek zal spelen, nadat gij u daarvan
zult hebben verwijderd en dezen den rug zult hebben toegewend. 59. En
gedurende de afwezigheid des volks ging hij in den tempel, waar de
afgodsbeelden stonden, en hij brak die allen in stukken, behalve het
grootste, opdat zij dit de schuld zouden toeschrijven van hetgeen
er gebeurd was [1326]. 60. En toen zij teruggekeerd waren en de
veroorzaakte verwoesting zagen, zeiden zij: Wie heeft dit aan onze
goden bedreven? Hij is zekerlijk een goddeloos persoon. 61. En sommigen
van hen antwoordden: Wij hoorden een jongman vol verwijtingen van
hen spreken; hij is Abraham genaamd. 62. Zij zeiden: Brengt hem dus
voor het volk, opdat het getuigenis tegen hem aflegge. 63. En toen
hij voor de vergadering was gebracht, zeiden zij tot hem: Hebt gij
dit aan onze goden gedaan, o Abraham? 64. Hij antwoordde: Neen: deze,
de grootste van hen, heeft het gedaan; maar vraagt hun of zij kunnen
spreken. 65. En zij kwamen tot zich zelven en zeiden tot elkander:
Waarlijk, gij zijt de goddeloozen. 66. Later keerden zij tot hunne
vroegere hardnekkigheid terug en zeiden: Waarlijk, gij weet wel dat
deze niet spreken. 67. Abraham antwoordde: Bidt gij dus naast God aan,
wat u noch bevoordeelen noch deren kan? Schande over u en over datgene
wat gij naast God aanbidt! Begrijpt gij het niet? 68. Zij zeiden:
Verbrandt hem en wreekt uwe goden; indien gij dit doet handelt gij
wel. 69. En toen Abraham op den brandstapel was geworpen, zeiden wij:
O vuur! wees koud en beveilig Abraham [1327]. 70. En zij trachtten
hem een valstrik te spannen, doch wij deden hen het onderspit delven
[1328]. 71. En wij bevrijdden hem en Lot door hen in het land te
brengen, waarin wij alle schepselen hebben gezegend [1329]. 72. En
wij schonken hem Izaäk en Jacob als een buitengewoon geschenk, en
wij maakten hen allen tot rechtvaardige menschen. 73. Wij maakten hen
ook tot voorbeelden van godsvrucht [1330], opdat zij anderen door ons
bevel zouden mogen leiden, en wij gaven hun het verrichten van goede
werken in, het inachtnemen des gebeds en het geven van aalmoezen,
en zij dienden ons. 74. En aan Lot gaven wij wijsheid en kennis,
en wij bevrijdden hem uit de stad, die zoovele misdaden bedreef;
want daar was een zondig en boos volk [1331]. 75. En wij leidden
hem in onze genade; want hij was een oprecht mensch. 76. En gedenk
Noach, toen hij smeekte om de verwoesting van zijn volk voor de boven
vermelde profeten, en wij hoorden hem en bevrijdden hem en zijn gezin
van eene groote droefheid. 77. En wij beschermden hem tegen het volk
dat onze teekens van valschheid beschuldigde; want zij waren zondaren,
weshalve wij hen allen verdronken. 78. En herdenk David en Salomo,
toen zij een oordeel uitspraken over een veld, waarin de schapen
van zeker gezin zich des nachts, zonder schaapherder hadden gevoed,
en wij waren getuigen van hun oordeel. 79. En wij deden Salomo [1332]
dit begrijpen. En wij schonken hun beiden wijsheid en kennis, en wij
dwongen de bergen en de vogels, ons met David te loven; wij deden
dit. 80. En wij leerden hem de kunst, maliënkolders voor u te maken
[1333], om u in uwe oorlogen te beschutten; zult gij dus niet dankbaar
zijn? 81. En aan Salomo onderwierpen wij een sterken wind [1334],
die op zijn bevel naar het land ging, dat wij onzen zegen hadden
geschonken [1335]; en wij kenden alle dingen. 82. Ook onderwierpen wij
verschillende duivels aan zijn bevel, die voor hem doken om parelen
op te visschen en andere werken voor hem te verrichten [1336]. En
wij waakten over dezen. 83. En gedenk Job [1337], toen hij zijn Heer
aanriep, zeggende: Waarlijk, het ongeluk heeft mij bereikt; doch gij
zijt de genadigste der genadigen. 84. Daarom verhoorden en bevrijdden
wij hem van het kwaad dat op hem drukte, en wij gaven hem zijn gezin,
en nog meer, door onze genade terug, als eene vermaning voor hen
die God dienen. 85. En gedenk Ismaël en Edris [1338] en Dhu'lkefl
[1339]. Zij waren allen geduldige menschen. 86. Daarom leidden wij hen
in onze genade; want zij waren rechtvaardigen. 87. En herdenk Dhu'lnun
[1340] toen hij in woede vertrok en dacht, dat wij onze macht niet
op hem konden uitoefenen. En hij riep in de duisternis uit [1341]:
Er is geen God buiten u, geloofd zijt gij! Waarlijk, ik was een
onrechtvaardige. 88. Daarom verhoorden wij hem en bevrijdden hem van
droefheid; want zoo bevrijden wij de ware geloovigen. 89. En gedenk
Zacharias, toen hij zijn Heer aanriep, zeggende: o Heer! laat mij niet
kinderloos; maar gij zijt de beste erfgenaam. 90. Daarom verhoorden
wij hem en wij schonken hem Yahia (Johannes); en wij stelden zijne
vrouw in staat hem een kind ter wereld te brengen. Deze trachtten er
naar, in goede werken uit te munten, en riepen ons met liefde en vrees
aan, en verootmoedigden zich voor ons. 91. En gedenk haar die hare
maagdelijkheid bewaarde [1342], en welke wij van onzen geest inbliezen,
terwijl wij haar en haren zoon als een teeken voor alle schepselen
instelden. 92. Waarlijk deze uw godsdienst is een godsdienst [1343],
en ik ben uw Heer; dien mij dus. 93. Maar de menschen hebben onder
elkander afscheiding in hunnen godsdienst gemaakt; doch zij zullen
allen voor ons verschijnen. 94. Wie goede werken zal doen en een
waar geloovige is, diens pogingen zullen niet miskend worden, en wij
zullen die voor hem opteekenen. 95. Een onverbreekbare vloek ligt op
iedere stad, welke wij verwoest zullen hebben, opdat zij niet weder
in de wereld terugkeere. 96. Tot Gog en Magog een doorgang voor hen
zullen hebben geopend [1344], en zij zullen snel van iederen hoogen
berg afdalen [1345]. 97. En de ware belofte zal hare vervulling nabij
zijn, en de oogen der ongeloovigen zullen met verbazing gevestigd
worden, en zij zullen zeggen: Helaas! wij waren vroeger achteloos
omtrent dezen dag; waarlijk, wij waren goddeloozen. 98. Waarlijk,
o bewoners van Mekka! gij en de afgoden welke gij naast God aanbidt,
zullen als brandhout in het hellevuur geworpen worden; gij zult
derwaarts gaan. 99. Indien deze waarlijk goden waren, zouden zij er
niet binnen gaan: zij allen zullen eeuwig daarin verblijven. 100. Op
die plaats zullen zij angstig zuchten, en zij zullen er niets hooren
[1346]. 101. Wat hen betreft, voor wie de meest uitmuntende belooning
van het paradijs door ons werd bestemd, zij zullen ver van daar
verwijderd worden. 102. Zij zullen niet het minste gedruisch er van
hooren, en zij zullen eeuwig de gelukzaligheid genieten, welke hunne
zielen begeeren. 103. De groote schrik zal hen niet verwarren, en de
engelen zullen hen ontmoeten om hen geluk te wenschen, zeggende: Dit
is de dag die u werd beloofd. 104. Op dien dag zullen wij de hemelen
oprollen, zoo als de engel Al Sijil [1347] het boek oprolt, waarin de
daden van ieder mensch zijn vermeld. Gelijk wij het eerste schepsel
uit niets maakten zullen wij het bij de opstanding vertoonen. Dit
is eene belofte, welker vervulling van ons afhangt; wij zullen die
zekerlijk uitvoeren. 105. Wij hebben, na de verkondiging der wet,
in de psalmen geschreven, dat mijne rechtvaardige dienaren de aarde
zullen erven [1348]. 106. Waarlijk, in dit boek is een toereikend
onderricht bevat voor hen die God aanbidden. 107. O Mahomet! wij hebben
u niet gezonden dan uit de genade voor alle schepselen. 108. Zeg:
Mij is niets geopenbaard, dan dat uw God een eenig God is: zult gij
u dus aan hem onderwerpen? 109. Maar indien zij aan de belijdenis
van Gods eenheid den rug toewenden, zeg dan: Ik verklaar u allen
gelijkelijk den oorlog; maar ik weet niet of datgene waarmede gij
bedreigd wordt, nabij of verwijderd is. 110. Waarlijk, God kent
het gesprek dat in het openbaar wordt gevoerd, en hij kent ook wat
gij in het geheim zegt. 111. Ik weet het niet, maar misschien is het
uitstel dat u verleend werd eene proef voor u, opdat gij een voorspoed
van deze wereld voor eenigen tijd zoudt mogen genieten. 112. Zeg: O
Heer! oordeel tusschen mij en mijne tegenstanders met waarheid. Onze
Heer is de Barmhartige, wiens hulp moet ingeroepen worden tegen de
lasteringen en de leugens welke gij uitspreekt.



TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

DE PELGRIMSTOCHT [1349].

Gegeven te Mekka [1350].--78 verzen.


In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. O menschen! vreest uwen Heer. Waarlijk, de schok van het laatste uur
[1351] zal een vreeselijke zaak wezen. 2. Op den dag, waarop gij het
zult zien, zal iedere vrouw die zog [1352] geeft, het kind vergeten dat
zoogt, en iedere zwangere vrouw zal haren last wegwerpen, en gij zult
de mannen schijnbaar dronken zien, maar zij zullen niet wezenlijk
beschonken wezen; doch de straf van God zal streng zijn. 3. Er
is een man die, zonder kennis [1353], twist nopens God, en iederen
oproerigen duivel volgt. 4. Omtrent hem is geschreven, dat al wie hem
tot beschermer zal kiezen, zekerlijk door hem verleid en door hem in
de marteling der hel gevoerd zal worden. 5. O menschen! indien gij
in twijfel verkeert nopens de opstanding, neemt dan in overweging,
dat wij u het eerst schiepen uit stof der aarde, daarna van zaad,
daarna van een weinig gestold bloed [1354], daarna van een stuk
vleesch, voor een gedeelte volkomen en voor een gedeelte onvolkomen
gevormd, ten einde onze macht duidelijk voor u te maken; en wij deden
wat wij verkozen in den schoot blijven, tot den bepaalden tijd der
verlossing. Daarna brachten wij u, als kinderen voort; vervolgens
veroorloofden wij u, uwen ouderdom van volle kracht te bereiken;
de een uwer sterft in zijne jeugd en een ander uwer is uitgesteld
tot een hoogen ouderdom, zoo dat hij alles vergeet wat hij wist. Gij
zaagt de aarde somtijds opgedroogd en onvruchtbaar; maar indien wij den
regen daarop nederzenden, wordt zij in beweging gebracht en zwelt op,
en brengt alle soorten van weelderige planten voort. 6. Dit toont,
dat God de waardheid is; dat hij de dooden ten leven opwekt en dat
hij almachtig is. 7. Dat het uur des oordeels zekerlijk zal komen,
daaraan is geen twijfel en dat God hen zal opwekken die zich in de
graven bevinden. 8. Er is een man die nopens God twist, zonder een
boek dat hem verlicht [1355]. 9. Hij wendt zich trotsch af, ten einde
de menschen van Gods weg af te leiden. Schande zal hem in deze wereld
wachten; en op den dag der opstanding zullen wij hem de marteling
der verbranding doen ondergaan. 10. Dan zal tot hem gezegd worden:
Dit ondergaat hij om hetgeen uwe handen vroeger bedreven; want God is
niet onrechtvaardig nopens den mensch. 11. Er zijn sommige menschen die
God op eene wankelende wijze dienen, staande als bij de grens [1356]
van den waren godsdienst. Indien aan een van hen goed wedervaart,
is hij voldaan, maar indien hem eenige beproeving overkomt, wendt
hij zich af, met verlies in deze en in de volgende wereld. Dit is
een duidelijk verderf. 12. Hij zal dus naast God aanroepen, wat
hem deren noch bevoordeelen kan. Dit is eene dwaling die van de
waarheid verwijdert. 13. Hij zal dengeen aanroepen, die hem veeleer
verderfelijk dan voordeelig is. Dit is zeker een ellendige beschermer,
en een ellendige makker. 14. Maar God zal hen die gelooven en goede
werken verrichten, in tuinen leiden, waarin rivieren stroomen; want
God doet wat hem behaagt. 15. Laat hij, die denkt dat God zijn gezant
in deze wereld en in het toekomstige leven geene hulp zal verleenen,
een touw aan den hemel bevestigen en laat hem daarna een eind aan
zijn leven maken, en hij zal zien, of zijne kunstgrepen datgene de
uitwerking kunnen benemen, welke hem toornig maakt [1357]. 16. Zoo
zonden wij den Koran neder, zijnde duidelijke teekens; want God leidt
wie hem behaagt. 17. Wat de ware geloovigen betreft, en de Joden,
de Sabbeïsten, de Christenen, de Magiërs en de afgodendienaars,
waarlijk God zal op den dag der opstanding tusschen hen richten;
want God is getuige van alle dingen. 18. Bemerkt gij niet dat alle
schepselen, zoowel in den hemel als op de aarde God aanbidden [1358];
de zon, de maan, de sterren, de bergen, de boomen, de dieren en
een groot gedeelte der menschen? Maar velen hebben eene kastijding
verdiend. 19. En hij dien God verachtelijk zal hebben gemaakt, zal
door niemand vereerd worden; want God doet wat hem behaagt. 20. Er
zijn twee tegenovergestelde partijen, die nopens hunnen Heer
twisten [1359]. En zij die niet gelooven, zullen met kleederen van
vuur omhangen worden, en kokend water zal op hunne hoofden gegoten
worden. 21. Hunne ingewanden en hunne huiden zullen daardoor verteerd,
en zij zullen met ijzeren staven geslagen worden. 22. Zoo dikwijls zij,
door de smart hunner martelingen, zullen trachten de hel te verlaten,
zullen zij daar weder worden teruggebracht en hunne pijnigers zullen
tot hen zeggen: Ondergaat de pijn der verbranding. 23. God zal hen die
gelooven en rechtvaardig handelen, in tuinen voeren, waarin rivieren
stroomen; zij zullen daar versierd worden met gouden armbanden en
paarlen, en hunne kleederen zullen van zijde wezen. 24. Zij worden
tot goede woorden [1360] en op een heerlijken weg geleid. 25. Maar
zij die ongeloovig zullen wezen, den weg van God versperren en de
menschen verhinderen, den heiligen tempel van Mekka te bezoeken,
welke wij hebben aangewezen tot eene plaats van aanbidding voor
alle menschen; want zoowel de inwoners als de vreemdelingen hebben
een gelijk recht dien te bezoeken. 26. En wie trachten zal dien op
goddelooze wijze te ontheiligen, hen zullen wij een gestrenge straf
doen lijden. 27. Herinner u, dat wij de plek van het gebouw van den
Caaba tot een verblijf aan Abraham gaven [1361], zeggende: Vereenig
niets met mij, en houdt mijn huis rein voor hen die het bezoeken,
en die opstaan en nederbuigen om te aanbidden. 28. En verkondig het
volk een plechtigen pelgrimstocht [1362]. Laten zij te voet of op snel
loopende kameelen uit verwijderde streken tot u komen. 29. Opdat zij
getuigen mogen zijn van de voordeelen die voor hen voortspruiten uit
het bezoeken van deze heilige plaats [1363], en dat zij den naam van
God mogen herdenken op de bepaalde dagen [1364], uit dankbaarheid
voor de kudden, welke hij hun heeft geschonken. Eet dus daarvan,
en voedt den nooddruftige en den arme. 30. Laat hen daarna een
einde maken aan de achteloosheid nopens hunne personen [1365], en
laat hen hunne geloften voldoen [1366] en om het oude huis trekken
[1367]. 31. Laat hen dit doen. En wie de heilige geboden van God in
acht zal nemen [1368], zal eene belooning bij God vinden. Alle soorten
van vee zijn u geoorloofd te eten, uitgenomen wat u reeds in vroegere
plaatsen van den Koran als verboden is voorgelezen. Ontvliedt den
gruwel der afgoden en vermijdt onwaarheid te spreken [1369]. 32. Weest
God onderworpen en vereenigt geene andere goden met hem; want wie
een ander met God verbindt, is gelijk aan datgene, wat van den hemel
valt, wat de vogels wegvoeren of de wind naar eene ver verwijderde
plaats overbrengt [1370]. 33. Dit is zoo. Wie Gods gedenkteekenen
eerbiedigt [1371], verricht eene daad die uit de vroomheid des harten
ontspruit. 34. Gij verkrijgt verschillende voordeelen van het vee,
tot offeranden aangewezen, tot den tijd voor de slachting bepaald;
en de plaats der offerande zal in het oude huis zijn. 35. Voor de
belijders van iederen godsdienst [1372] hebben wij verschillende riten
vastgesteld, opdat zij den naam van God zouden mogen herdenken bij
het slachten van het vee, dat hij voor hen heeft geschapen. Uw God is
een eenig God, onderwerp u dus geheel aan hem en breng goede tijdingen
aan hen, die zich ootmoedig betoonen. 36. Wier harten, als Gods naam
wordt vermeld, door vrees, worden getroffen, en hun, die geduldig
doorstaan wat hun overkomt, die hunne gebeden in acht nemen, en
aalmoezen geven van hetgeen wij hun hebben geschonken. 37. De kameelen
voor offeranden gedood, hebben wij u aangewezen als zinnebeelden van
uwe gehoorzaamheid aan God; ook verkrijgt gij andere voordeelen van
hen. Herdenk dus den naam van God over hen, als gij hen doodt, in
de juiste orde op hunne voeten staande [1373], en als zij dood zijn
nedergevallen eet dan er van, en geef er van te eten, zoowel aan hem,
die tevreden is met hetgeen hem gegeven wordt, zonder dat hij vraagt,
als aan hem die vraagt [1374]. Zoo hebben wij u de oppermacht over
hen gegeven, opdat gij ons dankbaar zoudt zijn. 38. Hun vleesch wordt
niet door God aangenomen, noch hun bloed, maar uwe vroomheid wordt
door hem aangenomen. Zoo hebben wij u de oppermacht over hen gegeven,
opdat gij God zoudt verheerlijken voor de openbaringen, waardoor hij
u heeft geleid. En breng den rechtvaardige de goede tijding. 39. Dat
God de kwade voornemens der ongeloovigen tegen de ware geloovigen
zal verijdelen; want God bemint de booze ongeloovigen niet. 40. Aan
hen is verlof gegeven, de wapenen tegen de ongeloovigen op te vatten,
als zij onrechtvaardig door hen vervolgd worden (en God is zekerlijk in
staat hen te ondersteunen). 41. Die onrechtvaardig uit hunne woningen
werden verjaagd, en om geene andere redenen, dan dat zij zeggen: Onze
Heer is God [1375]! Indien God het geweld van sommige menschen niet
door andere had verijdeld, waarlijk, dan zouden kloosters, kerken,
synagogen en de tempels der Moslems, waarin de naam van God dikwijls
wordt herdacht, geheel verwoest zijn [1376]. En God zal zekerlijk
dengeen ondersteunen, die zich aan zijne zijde zal bevinden; want God
is sterk en machtig. 42. En hij zal degenen ondersteunen, die, als wij
hen op aarde nederzetten, het gebed in acht nemen en aalmoezen geven,
en bevelen wat rechtvaardig en verbieden wat onrechtvaardig is. En aan
God staat het einde van alle dingen. 43. Indien zij u, o Mahomet! van
bedrog beschuldigen, neem dan in aanmerking, dat, vóór hen, het volk
van Noach en de stammen van Ad en Thamoed en het volk van Abraham en
het volk van Lot en de bewoners van Madian hunne profeten van bedrog
beschuldigden; ook Mozes werd van leugen beschuldigd; en ik verleende
een groot uitstel aan de ongeloovigen, maar daarna kastijdde ik hen;
en hoe vreeselijk was de verandering welke ik in hunnen toestand
bracht! 44. Hoevele steden hebben wij verwoest, die goddeloos waren
en die thans onder hare eigene bouwvallen zijn begraven. En hoevele
bronnen en trotsche kasteelen werden er niet verlaten? 45. Reisden zij
niet door het land? En hebben zij geene harten om er mede te begrijpen,
en ooren om er mede te hooren? Waarlijk, hunne oogen zijn voor deze
niet blind, maar de harten, die zich in hunne borsten bevinden zijn
blind. 46. Zij zullen bij u er op aandringen, de bedreigde straf te
verhaasten; maar God zal niet nalaten te volbrengen waarmede hij heeft
bedreigd. Een dag met uwen Heer staat gelijk met duizend jaren uwer
berekening [1377]. 47. Aan hoevele steden gaf ik niet uitstel? maar
zij waren goddeloos. Doch daarna kastijdde ik haar; en tot mij zullen
zij komen, om op den laatsten dag geoordeeld te worden. 48. Zeg:
O menschen! waarlijk, ik ben slechts een openbaar prediker onder
u. 49. En zij die gelooven en goede werken doen, zullen vergiffenis
en eene heerlijke belooning verwerven. 50. Maar zij die trachten onze
teekenen krachteloos te maken, zullen bewoners der hel zijn. 51. Wij
hebben geen' gezant of profeet vóór u gezonden, of als hij las,
gaf Satan hem eene verkeerde gedachte in [1378]. Maar God zal nietig
maken wat Satan hun inblaast, en God zal zijne teekens bevestigen;
want God is alwetend en wijs. 52. Maar God veroorlooft het te doen,
opdat de ingevingen van Satan eene beproeving zouden zijn voor hen,
wier hart door ziekte is aangedaan en wier boezem verhard is (want
waarlijk de goddeloozen zijn ver van de waarheid verwijderd). 53. Opdat
zij wien verstand werd geschonken, zouden mogen weten, dat dit
boek de waarheid van hunnen Heer is en zij daarin zouden gelooven,
en opdat hunne harten daarop zouden vertrouwen; want waarlijk, God
is de leider op den rechten weg van hen die gelooven. 54. Maar de
ongeloovigen zullen niet ophouden daaraan te twijfelen, tot dat het
uur des oordeels plotseling over hen zal komen, of dat de straf
van een droevigen dag [1379] hen overvalt. 55. Op dien dag zal
het koninkrijk Gods zijn; hij zal tusschen hen richten. En zij die
beloofd zullen hebben, en rechtvaardigheid uitgeoefend, zullen in
tuinen des vermaaks verblijf houden. 56. Maar zij die niet geloofd
zullen hebben en onze teekenen van valschheid hebben beschuldigd,
zullen eene schandelijke straf ondergaan. 57. En wat hen betreft,
die hunne woning zullen hebben verlaten voor de zaak van Gods waar
geloof, en daarna gedood of gestorven zullen zijn, aan dezen zal God
eene uitmuntende belooning geven; en God is de beste belooner. 58. Hij
zal hen het paradijs binnenleiden, op eene wijze die hun behagen zal;
want God is wijs en genadig. Zoo is het. 59. Wie eene wraak zal nemen
gelijk aan de schade welke hem werd toegebracht [1380], en daarna
onrechtvaardig zal worden behandeld [1381], waarlijk God zal hem
ondersteunen; want God is barmhartig en vergevensgezind. 60. Dit
zal gedaan worden, dewijl God den nacht op den dag en den dag op
den nacht doet volgen, en omdat God zoo wel hoort als ziet. 61. Dit
is omdat God waarheid is, en dewijl hetgeen zij naast hem aanroepen,
ijdelheid is, en omdat God de verhevene, de machtige is. 62. Ziet gij
niet, dat God water van den hemel nederzendt en dat de aarde groen
wordt? want God is barmhartig en wijs. 63. Aan hem behoort alles
wat in den hemel en op de aarde is, en God volstaat in zich zelven,
en is waardig geprezen te worden. 64. Ziet gij niet, dat God alles
wat op de aarde is en de schepen, die op de zee zeilen, door zijn
bevel aan uwen dienst heeft onderworpen? Hij ondersteunt den hemel,
dat die niet dan op zijn verlof op de aarde nedervalle [1382]: want
God is genadig omtrent den mensch en barmhartig. 65. Hij is het die
u leven heeft gegeven, en u later zal doen sterven, daarna zal hij
u bij de opstanding tot het leven doen verrijzen; maar waarlijk de
mensch is ondankbaar. 66. Voor de belijders van iederen godsdienst
hebben wij zekere gebruiken vastgesteld, welke zij in acht moeten
nemen. Laten zij dus niet met u daarover twisten, maar noodig hen
tot uwen Heer; want gij volgt den rechten weg. 67. Maar indien zij in
woordenwisseling met u treden, antwoord: God weet wel wat gij doet;
68. God zal tusschen u richten op den dag der opstanding, nopens
datgene waarover gij thans verschilt. 69. Weet gij niet dat God alles
kent wat in den hemel en op aarde is? Waarlijk, dit is geschreven
in het boek zijner besluiten, en dit is God gemakkelijk. 70. Zij
aanbidden naast God datgene, waaromtrent hij geen overtuigend bewijs
heeft nedergezonden, en waarvan zij geene kennis bezitten, maar de
onrechtvaardigen zullen niemand ter hunner ondersteuning hebben. 71. En
als hun onze duidelijke teekens worden herhaald, zult gij in de houding
der ongeloovigen minachting daarvoor bemerken; en zij zijn gereed
degenen gewelddadig te behandelen, die hun onze teekenen verhalen. Zeg:
Zal ik u iets vreeselijkers dan dit verklaren? Het vuur der hel,
waarmede God dengenen heeft bedreigd die niet gelooven, is vreeselijk;
dat zal eene ongelukkige reis wezen. 72. O menschen! er wordt u eene
vergelijking voorgesteld: luistert er dus naar. Waarlijk, de afgoden,
welke gij naast God aanroept, kunnen zelfs geene eenvoudige vlieg
scheppen, al waren zij ook allen tot dat doel vergaderd; en indien
eene vlieg hun iets ontneemt, kunnen zij het haar niet ontrukken
[1383]. De aangebedene en de aanbidder zijn beiden onmachtig. 73. Zij
weten God niet op zijne rechte waarde te schatten; want God is sterk
en machtig. 74. God kiest gezanten onder de engelen [1384]; want
God hoort en ziet alles. 75. Hij kent wat vóór hen en wat achter hen
is en tot God zal alles terugkeeren. 76. O ware geloovigen! buigt u
neder en knielt, aanbidt uwen Heer en oefent rechtvaardigheid uit,
opdat gij gelukkig moogt zijn. 77. En strijdt ter verdediging van
Gods waar geloof, zooals het u toekomt daarvoor te strijden. Hij
heeft u gekozen, en heeft u geenerlei moeilijkheid opgelegd in den
godsdienst welken hij u heeft gegeven: den godsdienst van uwen vader
Abraham. Hij heeft u Moslems genoemd. 78. Zoo wel te voren als in
dit boek, opdat onze gezant een getuigen tegen u zal kunnen zijn, op
den dag der opstanding, en opdat gij getuigen zoudt mogen zijn tegen
het overige gedeelte der menschen. Wees dus volhardend in het gebed,
geef aalmoezen en hecht u standvastig aan God. Hij is uw meester,
en hij is de beste meester en de beste beschermer.



DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

DE WARE GELOOVIGEN.

Geopenbaard te Mekka--118 verzen.


In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Gelukkig zijn de ware geloovigen. 2. Die zich verootmoedigen in hun
gebed. 3. Die alle ijdele gesprekken vermijden. 4. En die aalmoezen
geven; 5. Die hunne vleeschelijke lusten weten te beheerschen. 6. En
die hunne genietingen bepalen tot hunne vrouwen, of de slaven welke
door hunne rechterhand worden bezeten; want dan zullen zij zonder
blaam zijn. 7. Maar zij die gemeenschap met andere vrouwen hebben,
deze zijn waarlijk zondaren. 8. En zij die rechtschapen het hun
toevertrouwde bewaren en hun verbond rechtvaardig uitvoeren. 9. En
die den tijd, voor het gebed bepaald, in acht nemen. 10. Deze zullen
de erfgenamen zijn. 11. Die het paradijs zullen erven: eeuwig zullen
zij daarin verblijven. 12. Wij schiepen den mensch van eene fijne
soort klei. 13. Daarna plaatsten wij hem als zaad in eene veilige
bewaarplaats [1385]. 14. Daarna vormden wij het zaad tot gestold
bloed, en wij maakten het gestolde bloed tot een stuk vleesch;
vervolgens vormden wij het stuk vleesch tot beenderen; wij bekleedden
deze beenderen met vleesch, en brachten het daarna als eene nieuwe
schepping voort [1386]. Geloofd zij dus God, de uitmuntendste schepper
[1387]. 15. Hierna zult gij sterven. 16. En daarna zult gij, op den dag
der opstanding, in het leven teruggeroepen worden. 17. Wij hebben zeven
hemelen boven u geschapen [1388], en wij zijn niet achteloos omtrent
hetgeen wij schiepen. 18. Wij zenden den regen in zekere hoeveelheid
van den hemel neder, en wij doen dien op de aarde blijven; wij zijn
zekerlijk ook in staat u daarvan te berooven. 19. En wij doen door
dezen regen tuinen van palmboomen en wijngaarden voor u ontspruiten,
waarin gij vele vruchten bezit en waarvan gij eet. 20. En wij deden
voor u ook den boom oprijzen, die op den berg Sinaï ontsproot
[1389]; die olie voorbrengt en een sap dat goed is voor hen die
het eten. 21. Gij bezit eveneens eene onderrichting in het vee;
wij geven u te drinken van de melk die zich in hunnen buik bevindt,
gij trekt daaruit vele voordeelen en gij eet er van. 22. En op hen en
op schepen wordt gij vervoerd [1390]. 23. Wij zonden Noach vroeger
tot zijn volk en hij zeide: O mijn volk! dient God: gij hebt geen
God buiten hem; vreest gij dus niet voor de gevolgen, indien gij
andere goden aanbidt? 24. En de opperhoofden van zijn volk dat niet
geloofde, zeiden: Deze is slechts een mensch gelijk gij zijt; hij
tracht alleen zich eene oppermacht over u aan te matigen. Indien
het Gode had behaagd, u een profeet te zenden, zou hij zekerlijk
engelen hebben gezonden; wij hebben dit niet van onze voorouders
gehoord. 25. Waarlijk, hij is slechts een man, die door den duivel
is bezeten; wacht dus gedurende eenigen tijd nopens hem. 26. Noach
zeide: O Heer! help mij; zij beschuldigen mij van logen. 27. En wij
openbaarden hem onze bevelen: zeggende: Maak de ark voor ons gezicht
en overeenkomstig onze openbaring. En als ons besluit tot uitvoering
zal komen en de oven water koken en uitwerpen zal. 28. Breng er
dan van elke diersoort een paar in, en ook uw gezin; behalve degene
over wien een vonnis van vernietiging werd uitgesproken [1391], en
spreek niet tot mij ten behoeve van hen die onrechtvaardig waren;
want zij zullen verdronken worden. 29. En wanneer gij en zij die met
ons zullen wezen, tot de ark zullen ingaan, zeg dan: Geloofd zij God,
die ons van de goddeloozen heeft verlost! 30. En zeg: O Heer! doe mij
uit deze ark op eene door u gezegende plaats komen; want gij zijt
het best in staat, mij ongedeerd daaruit te brengen. 31. Waarlijk,
hierin lagen teekens onzer almacht, en wij beproefden de menschen
daardoor. 32. Daarop deden wij een ander geslacht na hen opstaan
[1392]. 33. En wij zonden hun een apostel uit hen [1393], die zeide:
Aanbidt God; gij hebt geen God buiten hem: zoudt gij dus zijne wraak
niet vreezen? 34. En de opperhoofden van zijn volk, dat niet geloofde,
dat de ontmoeting des volgenden levens loochende, en aan hetwelk wij
overvloed in dit leven schonken, zeiden: Dit is slechts een mensch
zooals gij zijt: hij eet van hetgeen gij eet. 35. En hij drinkt
van hetgeen gij drinkt. 36. En indien gij een mensch gehoorzaamt,
die met u gelijk staat, waarlijk, dan zijt gij verloren. 37. Dreigt
hij u dat gij, nadat gij dood zijt, en tot stof en beenderen zijt
geworden, levend uit uwe graven zult worden voortgebracht? 38. Weg,
weg met hetgeen waardoor gij wordt bedreigd! 39. Er is geen ander
leven buiten ons tegenwoordig leven; wij sterven en wij leven,
en wij zullen niet weder worden opgewekt. 40. Hij is slechts een
mensch, die eene leugen tegen God uitdenkt: doch wij zullen hem niet
gelooven. 41. Hun profeet zeide: O Heer! verdedig mij, nu zij mij van
bedrog beschuldigen. 42. God antwoordde: Na een korten tijd zullen
zij zekerlijk hunne weerspannigheid berouwen. 43. Daarom werd hun,
rechtvaardig, eene gestrenge straf opgelegd, en wij deden hen gelijken
op het bezinksel, dat door den stroom wordt medegevoerd [1394]. Weg
dus met de goddeloozen! 44. Daarna deden wij andere geslachten na hen
[1395] opstaan. 45. Geen volk zal voor zijn bepaalden tijd gestraft
worden; ook zal die niet worden uitgesteld. 46. Daarna zonden wij
onze profeten, den een na den ander. Zoo dikwijls onze profeet tot
een volk kwam, beschuldigden zij hem van bedrog, en wij deden hen
achtereenvolgens elkander in de verdelging opvolgen, en maakten hen
slechts tot onderwerpen der overlevering. Weg dus met de ongeloovige
volkeren! 47. Later zonden wij Mozes en Aäron, zijn broeder, met
onze teekens en duidelijke macht. 48. Tot Pharao en zijne vorsten;
maar zij weigerden trotsch in hem te gelooven; want het was een
hoovaardig volk. 49. En zij zeiden: Zullen wij gelooven aan twee
mannen, die ons gelijk zijn en wier volk onze slaven zijn? 50. En
zij beschuldigden hen van bedrog; daarom behoorden zij tot hen die
verdelgd werden. 51. Wij gaven vroeger het boek der wet aan Mozes,
opdat de kinderen Israëls daardoor geleid zouden worden. 52. En wij
bestemden den zoon van Maria en zijne moeder tot een teeken, en wij
bereidden een verblijf voor hen, op een verheven gedeelte der aarde
[1396], zijnde een plaats van vrede en zekerheid, en door stroomende
bronnen bevochtigd. 53. O profeten! eet van de dingen die goed zijn
[1397]; want ik weet wel wat gij doet. 54. Deze uw godsdienst is
een godsdienst [1398], en ik ben uw Heer; vreest mij dus. 55. Maar
de menschen hebben den godsdienst in verschillende secten verdeeld;
ieder gedeelte verheugt zich in hetgeen zij volgen. 56. Laat hen dus in
hunne verwarring tot een zekeren tijd [1399]. 57. Denken zij dat wij
hun een lang leven zullen schenken, en hun bezittingen en kinderen
tot hun heil geven. 58. Dat wij ons zullen haasten, hun allerlei
bezittingen te schenken. 59. Waarlijk, zij die in ontzag zijn uit
vrees voor hunnen Heer. 60. En die gelooven in de teekens van hunnen
Heer. 61. En die geene makkers aan hunnen Heer toeschrijven. 62. Die
aalmoezen geven, en wier harten van vrees zijn doordrongen, omdat zij
eens tot hunnen Heer moeten terugkeeren. 63. Deze spoeden zich naar het
goede en zijn de eersten om het te ontvangen. 64. Wij willen geene ziel
eenige moeielijkheid opleggen, behalve datgene waartoe zij in staat
is. Bij ons is een boek dat de waarheid spreekt, en zij zullen niet
onrechtvaardig worden behandeld. 65. Maar hunne harten zijn verzonken
in achteloosheid nopens dezen godsdienst, en zij hebben werken, die
verschillen van de door ons vermelde; maar zij gaan voort die uit te
voeren. 66. Tot wij diegenen hunner, welke zich in groote bezittingen
verheugen, met eene gestrenge straf kastijden [1400]; onthoudt het,
daar zij dan luid om hulp zullen roepen [1401]. 67. Maar er zal
worden geantwoord: Roept heden niet om hulp; want gij zult door ons
niet ondersteund worden. 68. Mijne teekens werden u voorgelezen;
maar gij hebt u afgewend. 69. U trotschelijk verheffende, omdat
gij den heiligen tempel bezit; des nachts samenspraken houdende
en dwaas sprekende. 70. Beschouwen zij dus niet aandachtig wat tot
hen is gesproken, terwijl eene openbaring tot hen is gekomen, die
niet tot hunne voorvaderen kwam? 71. Of kennen zij hunnen apostel
niet en verwerpen zij hem daarom. 72. Zullen zij zeggen dat hij
een uitzinnige is? Neen! hij is met de waarheid tot hen gekomen;
maar het grootste gedeelte hunner verwerpt de waarheid. 73. Indien
de waarheid hunne begeerte zou hebben gevolgd, waarlijk dan zouden
de hemelen en de aarde, en alles wat er in is, bedorven zijn geweest
[1402]. Maar wij hebben hun eene vermaning gezonden, en zij wenden
zich er van af. 74. Zult gij hun eene belooning vragen? De belooning
van uwen Heer is beter; hij is de beste belooner van weldaden. 75. Gij
noodigt hen gewis tot den rechten weg uit. 76. Maar zij die niet in het
volgende leven gelooven, dwalen zekerlijk van dien weg af. 77. Indien
wij deernis met hen gehad, en hen van het kwaad verlost hadden,
dat over hen gekomen is [1403], zouden zij zekerlijk stijfhoofdiger
in hunne dwaling hebben volhard, in verwarring ronddwalende. 78. Wij
kastijdden hen vroeger met een strijd [1404], maar zij verootmoedigden
zich voor hunnen Heer noch richtten hunne smeekingen tot hem. 79. Tot
wij voor hen eene deur openden, waaruit eene gestrenge straf [1405]
voortkwam, waarna zij tot wanhoop vervielen. 80. God is het die
in u de zintuigen des gehoors en van het gezicht heeft geschapen,
opdat gij onze oordeelen zoudt opmerken, en harten, opdat gij die met
ernst zoudt beschouwen; maar hoe weinigen uwer zijn dankbaar! 81. Hij
is het die u op aarde heeft voortgebracht, en voor hem zult gij
vereenigd worden. 82. Hij is het die leven geeft en doodt, en hij is
het van wien de wisseling van nacht en dag afhangt: begrijpt gij dit
niet? 83. Maar de geloovige bewoners van Mekka zeggen evenals hunne
voorgangers zeiden. 84. Zij zeggen: Als wij dood zijn, en tot stof en
beenderen zullen zijn geworden, zullen wij dan werkelijk weder tot het
leven worden opgewekt? 85. Wij zijn daarmede reeds bedreigd geworden,
evenals vroeger onze vaderen; dit zijn slechts oude fabelen. 86. Vraag
hun: aan wien behoort de aarde en alles wat daarop is? Spreekt, indien
gij het weet. 87. Zij zullen antwoorden: Aan God. Zeg: Wilt gij dit
niet bedenken? 88. Zeg: Wie is de Heer der zeven hemelen en de Heer
van den prachtigen troon? 89. Zij zullen antwoorden: God. Zeg: Wilt
gij hem dus niet vreezen? 90. Zeg: In wiens hand is het koninkrijk
van alle dingen; wie ondersteunt dengeen die hem behaagt, maar wordt
zelf door niemand ondersteund? Spreekt indien gij het weet? 91. Zij
zullen antwoorden: God. Zeg: Waarom laat gij u dan misleiden. 92. Ja,
wij hebben hen tot de waarheid gebracht, en zij zijn zekerlijk
leugenaars indien zij het loochenen. 93. God heeft geen kroost
gebaard, noch is er eenig God naast hem. Indien dit niet zoo ware,
zou iedere God zekerlijk hebben weggenomen wat hij had geschapen
[1406], en zouden sommigen hunner zich zekerlijk boven de anderen
hebben verheven [1407]. Verre zij datgene van God wat zij nopens hem
verklaren! 94. Hij kent wat verborgen en wat openbaar gemaakt is; het
zij dus verre van hem, de deelgenooten in zijne eer te hebben welke
zij hem toeschrijven! 95. Zeg: O Heer! Zoudt gij mij zekerlijk de
wraak willen doen zien waarmede zij zijn bedreigd. 96. O Heer! plaats
mij niet onder de goddeloozen. 97. Want wij zijn zekerlijk in staat,
u datgene te doen zien waarmede zij bedreigd werden. 98. Wendt het
kwade door het betere af [1408]: wij kennen de lasteringen wel,
die zij tegen u uitspreken. 99. En zeg: O Heer! ik vlucht tot u
als eene schuilplaats tegen de ingevingen der duivelen. 100. En ik
neem mijne toevlucht tot u, o Heer! om hen te verdrijven; opdat zij
niet tegenwoordig met mij zouden zijn [1409]. 101. Het loochenen der
ongeloovigen houdt niet op, dan tot den dood een van hen overvalt,
die dan zegt: O Heer! doe mij tot het leven terugkeeren. 102. Opdat ik
doen moge wat rechtvaardig is, door het ware geloof te belijden dat
ik verwaarloosd heb [1410]. In geenen deele. Waarlijk, dit zijn de
woorden welke gij zult spreken; maar achter hen zal een hek [1411]
zijn tot op den dag der opstanding. 103. Als dus de trompet zal
klinken, dan zal er geen verwantschap meer tusschen hen bestaan. Dan
zullen zij elkander niet om hulp vragen. 104. Zij wier weegschaal
door goede werken zwaar is, zullen gelukkig wezen. 105. Maar zij
wier weegschalen licht zullen wezen, zijn degenen die hunne zielen
verliezen en eeuwig in de hel zullen verblijven. 106. Het vuur zal
hunne aangezichten verteren en zij zullen hunne monden uit angst
samentrekken. 107. En er zal tot hen gezegd worden: Werden mijne
teekenen u niet herinnerd en hebt gij die niet van valschheid
beschuldigd? 108. Zij zullen antwoorden: O Heer! ons ongeluk
beheerschte ons en wij wendden ons af. 109. O Heer! neem ons weg uit
dit vuur; indien we tot onze vroegere zonden terugkeeren, zijn wij
zekerlijk onrechtvaardig. 110. God zal hun zeggen: Gij blijft er in,
en richt het woord niet tot mij. 111. Toen een gedeelte van mijn
dienaren uitriep: O Heer! wij gelooven: vergeef ons dus en wees
ons genadig; want waarlijk gij zijt de genadigste. 112. Hebt gij
hen met spotternijen ontvangen, zoodat deze u mijne vermaning deden
vergeten [1412], en gij hebt hun tot voorwerpen uwer spotternijen
gemaakt. 113. Ik heb hen heden beloond, omdat zij de beleedigingen,
welke gij hun hebt aangedaan, met geduld hebben gedragen: waarlijk,
zij genieten een groot geluk. 114. God zal zeggen: Hoeveel jaren hebt
gij op aarde doorgebracht? 115. Zij zullen antwoorden: Wij hebben daar
een dag of een gedeelte van een dag doorgebracht [1413], maar vraag
hun die rekening te houden [1414]. 116. God zal zeggen: Gij zijt daar
slechts korten tijd gebleven, maar gij weet het niet. 117. Denkt gij
dat wij u slechts uit ijdelheid hebben geschapen en dat gij later
niet voor ons gebracht zult worden? Verheven zij dus God de Koning,
de Waarheid! Er is geen God buiten hem, de Heer van den glansrijken
troon. Wie naast den waren God een anderen God zal aanroepen, omtrent
welken hij geen duidelijk bewijs heeft, zal zekerlijk voor zijn Heer
daarvan rekenschap moeten afleggen. Waarlijk, de ongeloovigen zullen
geen voorspoed genieten. 118. Zeg: O Heer! vergiffenis, en schenk
mij genade; want uwe genade is onbeperkt.



VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

HET LICHT [1415].

Geopenbaard te Medina.--64 verzen.


In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Deze Soera hebben wij van den hemel nedergezonden en hebben die
verplichtend gemaakt, en wij hebben duidelijke teekens geopenbaard,
opdat gij gewaarschuwd zoudt zijn. 2. Den overspeler en de overspelige
zult gij elk honderd zweepslagen geven [1416]. En laat geen medelijden
nopens hen u terughouden, Gods oordeel te volvoeren [1417], indien
gij in God en den laatsten dag gelooft; en laat sommigen der ware
geloovigen getuigen hunner straf zijn [1418]. 3. De overspeler zal geen
andere huwen dan eene ontuchtige vrouw of eene afgodendienares. En eene
ontuchtige zal geen man kunnen kiezen om daarmede te huwen, behalve een
overspeler of een afgodendienaar. Dergelijke huwelijken zijn den waren
geloovigen verboden [1419]. 4. Zij die eerbare vrouwen van overspel
beschuldigen [1420], en geene vier getuigen tot staving van het feit
kunnen aanwijzen [1421] zullen met vier en tachtig zweepslagen worden
gestraft. Neem daarenboven hunne getuigenis nimmermeer aan; want zij
zijn ellendige misleiders. 5. Behalve zij, die naderhand berouw zullen
toonen en boete doen; want voor hen zal God barmhartig en genadig
wezen. 6. Zij die hunne vrouwen van overspel mochten beschuldigen
en daarvoor geene getuigen, buiten hunnen persoon, kunnen aanwijzen,
zullen viermalen bij God zweren, dat zij de waarheid spreken. 7. En
bij de vijfde maal zal hij Gods vloek over zich inroepen, indien hij
een leugenaar is. 8. En de vrouw zal niet gestraft worden, indien
zij vier malen bij God zweert, dat hij een leugenaar is. 9. En de
vijfde maal door Gods toorn over zich in te roepen, indien, hetgeen
de man verklaard heeft, waar zij [1422]. 10. Indien het niet ware
dat God inschikkelijk, en genadig omtrent u is, en vergevingsgezind
en wijs, zou hij onmiddellijk uwe misdaden straffen. 11. Wat degenen
onder u betreft, die de leugen omtrent Aïsha [1423] hebben openbaar
gemaakt, denk niet dat dit een kwaad voor u is; integendeel, het is
beter voor u. Ieder hunner zal gestraft worden, overeenkomstig de
onrechtvaardigheid waaraan hij schuldig zal zijn [1424], en degeen
hunner die getracht heeft haar te verzwaren [1425], zal eene gestrenge
straf ondergaan. 12. Toen gij de beschuldiging hoordet, hebben de
geloovigen van beiderlei kunne niet innerlijk goed gedacht? Hebben
zij niet gezegd: Het is eene duidelijke logen? 13. Hebben zij vier
getuigen daarvoor aangewezen? Dus, aangezien zij de getuigen niet
hebben aangewezen, zijn zij zekerlijk logenaars voor de oogen van
God. 14. Ware het niet door Gods lankmoedigheid omtrent u, en zijne
genade in deze wereld en in de volgende, waarlijk, dan zou u eene
gestrenge straf opgelegd zijn geworden voor de lastering welke gij hebt
verspreid, toen gij datgene met uwe tongen openbaardet en met uwen
mond spraakt, waarvan gij geene kennis hebt, en het licht achttet,
terwijl het eene belangrijke zaak in Gods oogen was. 15. Zeidet gij,
toen gij het hoordet: Het voegt ons niet daarover te spreken. God
beware! Dit is eene groote lastering. 16. God heeft u gewaarschuwd,
opdat gij voortaan niet tot dezelfde misdaad moogt terugkeeren,
indien gij ware geloovige zijt. 17. En God verklaart u zijne teekenen;
want God is alwetend en wijs. 18. Waarlijk, zij die er genoegen in
scheppen, lasteringen omtrent de ware geloovigen te verspreiden,
zullen eene pijnlijke straf ondergaan. 19. Zoowel in deze wereld als
in de volgende. God weet, maar gij weet niets. 20. Indien God niet
lankmoedig en genadig omtrent u ware en zich barmhartig betoonde, dan
zoudt gij zijne wraak hebben gevoeld. 21. O ware geloovigen! volgt de
stappen van den duivel niet; want wie de stappen des duivels volgt,
aan dien zal hij menigvuldige misdaden bevelen, en datgene wat niet
geoorloofd is. Indien God niet zoo lankmoedig en genadig omtrent u
ware, dan zouden er niet zoovelen uwer van hunne schuld zijn gezuiverd
geworden; maar God zuivert wie hem behaagt; want God hoort en ziet
alles. 22. Laat degenen van ulieden, die overvloed van welvaart
bezitten en de machtigen niet zweren, dat zij hunne verwanten niets
zullen geven, en aan de armen en aan hen die hunne woning voor de zaak
des Heeren waren godsdienst hebben verlaten, maar laten zij liever
vergeven en welwillend omtrent hen handelen. Zoudt gij niet begeeren
dat God u vergaf [1426]? En God is genadig en barmhartig. 23. Zij
die valschelijk eerbare vrouwen beschuldigen, welke zich slechts op
eenigszins achtelooze wijze gedragen en ware geloovigen zijn, zullen
gevloekt worden in deze wereld en in de volgende, en zij zullen eene
gestrenge straf ondergaan [1427]. 24. Eens zullen hunne eigen tongen
getuigenis tegen hen afleggen, en hunne handen en hunne voeten, nopens
hetgeen zij hebben bedreven. 25. Op dien dag zal God hun hunne juiste
schuld betalen, en zij zullen weten, dat God de blijkbare waarheid
is. 26. De zondige vrouwen zullen aan de zondige mannen en de zondige
mannen aan de zondige vrouwen worden verbonden, maar de deugdzame
vrouwen zullen met de deugdzame mannen worden gehuwd, en de deugdzame
mannen met de deugdzame vrouwen. Deze zullen gereinigd worden van de
lasteringen, welke lasteraars omtrent haar zullen hebben verspreid;
zij zullen vergiffenis en heerlijke gaven ontvangen. 27. O ware
geloovigen! treedt geene huizen binnen, behalve uwe eigene huizen,
dan nadat gij verlof gevraagd en het gezin daarvan gegroet hebt; dit
is beter voor u menschen; gij zult dit in acht nemen. 28. En indien
gij geene menschen in die huizen mocht vinden, treedt er dan niet
binnen, tenzij u verlof worde verleend; en als tot u gezegd wordt:
Keert terug, dan keert gij terug. Dit zal voegzamer voor u zijn
[1428], en God is bekend met hetgeen gij doet. 29. Gij zult geene
misdaad doen, wanneer gij onbewoonde huizen binnentreedt [1429]. Daar
moogt gij het u gemakkelijk maken. God weet wat gij openbaart en
wat gij verbergt. 30. Zeg tot de ware geloovigen, dat zij hunne
oogen beheerschen en zich van onzedelijke handelingen onthouden, dit
zal reiner voor hen wezen; want God is wel bekend met datgene wat
zij doen. 31. En zeg tot de geloovige vrouwen, dat zij hare oogen
nederslaan, en hare zedigheid bewaren, en hare versierselen niet
ontdekken [1430], behalve wat daarvan noodzakelijk zichtbaar wordt
[1431], en laat haar heure sluiers over haren boezem werpen [1432]
en hare versierselen niet vertoonen, tenzij aan hare echtgenooten
[1433] of hare vaders, of de vaders harer echtgenooten, of hare
zoons of de zoons harer echtgenooten, of hare broeders, of de zonen
harer broeders, of de zonen harer zusters [1434] of hunne vrouwen
[1435] of de slaven welke hare rechterhand zal bezitten [1436],
of hare mannelijke dienstboden, die geene vrouwen noodig hebben
[1437] of aan de kinderen, die de naaktheid der vrouw nog niet kunnen
onderscheiden. En laten zij geene beweging met haren voet maken, dat
daardoor de versierselen welke zij verbergen, ontdekt worden [1438]. En
weest allen tot God gewend, o ware geloovigen! opdat hij gelukkig
moogt zijn. 32. Huwt de onverbondenen onder u [1439], en verbindt,
die het rechtschapenste onder uwe mannelijke en vrouwelijke dienstboden
zijn. Indien zij arm zijn, zal God hen van zijnen overvloed verrijken;
want God is goed en wijs. 33. En laat degenen, die door hunne armoede
geene partij kunnen vinden, zich voor ontucht behoeden; dan zal God
hen van zijnen overvloed verrijken. Indien een uwer slaven [1440] u
zijne vrijheid bij geschrifte [1441] vraagt, geef hem die dan, indien
gij hem die waardig oordeelt [1442], en geef van Gods rijkdommen welke
u zijn geschonken [1443]. En dwingt niet uwe vrouwelijke dienstboden,
indien zij kuisch willen leven, zich te laten onteeren, ten einde u de
voorbijgaande genoegens dezer wereld te verschaffen; maar indien zij
daartoe worden gedwongen, waarlijk, dan zal God genadig en barmhartig
omtrent die vrouwen zijn wegens den dwang [1444]. 34. Thans hebben
wij u duidelijke teekenen geopenbaard, en eene geschiedenis, gelijk
aan sommige der geschiedenissen van diegenen welke u voorafgingen
[1445], en eene vermaning voor de godvruchtigen. 35. God is het licht
van hemel en aarde. Dat licht is als eene nis, waarin zich eene lamp
bevindt; eene lamp in een glas besloten; een glas dat zich vertoont
als ware het eene lichtende ster. Het is verlicht met de olie van een
gezegenden boom, van een olijfboom, die noch van het Oosten noch van
het Westen is [1446]. Er is slechts weinig toe noodig om die olie licht
te doen geven, zelfs als zij door geen vuur wordt aangemaakt. Dit is
een licht met een licht [1447]. God zal door dit licht leiden wie
hem behaagt. God stelt den menschen vergelijkingen voor; want God
kent alle dingen. 36. In de huizen waarvan God de oprichting heeft
veroorloofd [1448], opdat daarin zijn naam zou mogen worden herdacht,
verkondigen de menschen zijn lof des ochtends en des avonds. 37. Die
noch door handel noch door verbintenissen van het herdenken van
God en van het in acht nemen des gebeds en het geven van aalmoezen
worden afgetrokken, den dag vreezende, waarop de harten en oogen der
menschen zullen worden verward; 38. Opdat God hen zou mogen beloonen,
overeenkomstig de grootste verdienste van hetgeen zij hebben verricht,
en hun van zijnen overvloed eene uitmuntende belooning toekennen;
want God beschenkt zonder maat wie hem behaagt. 39. Maar wat de
ongeloovigen betreft, hunne werken zijn gelijk aan den damp in eene
vlakte [1449] die door den dorstige voor water wordt gehouden, totdat
hij bij zijne nadering vindt, dat het niets is, maar hij vindt God
met zich [1450], die hem zijne rekening ruim betalen zal, en God is
snel in het opmaken der rekening; 40. Of als de duisternis, verspreid
over eene diepe zee, met golven bedekt die over andere golven rollen,
waarboven wolken liggen, en daarboven duisternis boven duisternis;
de mensch strekt zijne hand uit en ziet het niet. Indien God den
mensch geen licht geeft, waar zal hij het dan vinden? 41. Hebt gij
niet overwogen, dat alle schepselen, zoowel in den hemel als op
de aarde Gods lof verkondigen; ook de vogels die hunne vleugelen
uitspreiden? Ieder kent zijn gebed en zijnen lofzang, en God weet
wat zij doen. 42. Aan God behoort het koninkrijk van hemel en aarde,
en tot God zal alles op den laatsten dag terugkeeren. 43. Ziet gij
niet dat God de wolken spelend voortdrijft, die verzamelt en daarna
ophoopt? Gij ziet ook den regen die uit haar midden valt: men zou
zeggen dat hij groote bergen van hagel uit den hemel doet nederdalen,
waarmede hij bereikt wien hij wil en welke hij afwendt van wien hij
wil. De glans zijns bliksems behoeft slechts weinig om het gezicht te
benemen. 44. God doet den nacht op den dag volgen; waarlijk, hierin
is eene onderrichting voor hen die verstand bezitten. En God heeft
ieder dier van water geschapen [1451]; het eene kruipt op den buik,
terwijl een ander op twee voeten en een ander weder op vier voeten
gaat. God schept naar zijn welbehagen; want God is almachtig. 45. Nu
hebben wij duidelijke teekens nedergezonden, en God leidt wie hem
behaagt op den rechten weg. 46. De huichelaars zeggen: Wij gelooven
in God en zijn gezant en wij gehoorzamen; maar daarna wendt zich een
deel hunner af en zijn geene ware geloovigen. 47. En als zij voor God
en zijn gezant worden opgeroepen opdat hij tusschen hen zou mogen
richten, dan verwijdert zich een deel hunner. 48. Maar indien het
recht aan hunne zijde ware, zouden zij gekomen zijn en zich aan hem
hebben onderworpen. 49. Zetelt er eene ziekte in hun hart? twijfelen
zij? of vreezen zij dat God en zijn gezant onrechtvaardig omtrent
hen zullen handelen? Maar zij zijn boozen [1452]. 50. De woorden der
ware geloovigen, als zij voor God en zijn gezant worden opgeroepen,
om gericht te worden, zijn slechts: Wij hebben gehoord en gehoorzamen;
en zij zijn het die voorspoed zullen genieten. 51. Zij die God en
zijn gezant zullen gehoorzamen en God vreezen, en ootmoedig nopens
hem zullen zijn, zullen eene groote gelukzaligheid genieten. 52. Zij
zweren bij God met den meest plechtigen eed, dat, indien gij het hun
beveelt, zij hunne huizen en hunne bezittingen zullen verlaten. Zeg:
Zweert niet! gehoorzaamheid is meer waard en God is wel bekend met
hetgeen gij doet. 53. Zeg: gehoorzaamt God en gehoorzaamt den gezant,
maar indien gij u afwendt, zal men hem er geene rekenschap van vragen;
men verwacht van hem slechts zijne werken, even als men van u de
uwe verwacht. En indien gij hem gehoorzaamt, zult gij geleid worden;
maar de plicht van onzen gezant is slechts openbare prediking. 54. God
beloofde aan diegenen uwer, welke gelooven en goede werken verrichten,
dat hij hen den ongeloovigen op de aarde zou doen opvolgen, zooals hij
hen die vóór u waren, den ongeloovigen van hunnen tijd liet opvolgen
[1453], en dat hij voor hen den godsdienst, welke het hem behaagd heeft
hun te geven, vaststellen, en hunne vrees in gerustheid veranderen
zal. Zij zullen mij aanbidden en geen ander met mij verbinden. Maar
zij die hierna nog ongeloovig zullen wezen, zijn boozen. 55. Neemt
het gebed in acht, geeft aalmoezen en gehoorzaamt den gezant, opdat
gij genade moogt verwerven. 56. Denk niet dat de ongeloovige Gods
voornemens op aarde ijdel zullen maken; en hun verblijf hierna zal
het hellevuur wezen; eene ellendige woning zal dat zijn! 57. O ware
geloovigen! laat uwe slaven en diegenen onder u, welke den ouderdom
der rijpheid nog niet hebben bereikt, verlof vragen, alvorens zij
drie malen des daags in uwe tegenwoordigheid komen [1454]; namelijk
vóór het ochtendgebed [1455], als gij des middags uwe kleederen aflegt
[1456] en na het avondgebed [1457]. Dit zijn drie tijdstippen voor u,
waarop gij alleen moet wezen; er zal voor u geene misdaad in liggen,
noch voor hen, indien zij op andere tijdstippen zonder verlof tot
u ingaan, daar gij in voortdurende aanraking met elkander zijt. Zoo
verklaart God u zijne teekenen; want God is alwetend en wijs. 58. En
als uwe kinderen den ouderdom van rijpheid bereiken, laat hen dan
ten allen tijde verlof vragen om in uwe tegenwoordigheid te komen,
op dezelfde wijze als zij verlof vroegen, die dien ouderdom voor hen
bereikten. Zoo verklaart God u zijne teekenen; want God is alwetend
en wijs. 59. Wat zulke vrouwen betreft, die geene kinderen meer baren
en die, om haren vergevorderden leeftijd, niet meer hopen te huwen,
zal er geene misdaad voor haar in zijn, dat zij hare opperkleederen
afleggen, zonder echter hare versierselen te toonen [1458]; maar
indien zij zich hiervan onthouden, zal het beter voor haar zijn. God
hoort en ziet alles. 60. Het zal geene misdaad voor den blinde, noch
zal het eene misdaad voor den lamme, noch zal het eene misdaad voor
den zieke of voor u zelven wezen, dat gij in uwe huizen eet [1459],
of in de huizen uwer vaders, of in de huizen uwer moeders, of in de
huizen uwer broeders, of in de huizen uwer zusters, of in de huizen van
uwe ooms van vaders of moeders zijde, of in de huizen uwer tantes van
vaders of moeders zijde, of in de huizen waarvan gij de sleutels in uw
bezit hebt, of in het huis van uwen vriend. Er zal geene misdaad voor u
in liggen, hetzij gij te zamen of afzonderlijk eet [1460]. 61. En als
gij de huizen binnentreedt, groet u dan wederkeerig [1461], u in Gods
naam eene goede en gelukkige gezondheid toewenschende. Zoo verklaart
God u zijne teekenen, opdat gij die zoudt mogen verstaan. 62. Waarlijk,
zij alleen zijn ware geloovigen, die in God en zijn gezant gelooven, en
die, wanneer zij met hem om eene zaak zijn vergaderd [1462], zich niet
verwijderen, dan nadat zij verlof van hem hebben verkregen. Waarlijk,
zij die verlof van u vragen, zijn zij die in God en zijn gezant
gelooven. Als zij u dus verlof vragen om te vertrekken, ten behoeve
van eene hen betreffende zaak, geef dan verlof aan dengene van hen,
voor welken gij het geschikt zult oordeelen, en vraag vergiffenis voor
hen van God [1463]; want God is barmhartig en genadig. 63. Laat het
noemen van den gezant niet bij u geacht geworden, alsof gij u onder
elkander noemdet [1464]. God kent diegenen uwer, welke zich heimelijk
uit de vergadering verwijderen, en zich achter elkander verbergen. Maar
laat hen, die zijn bevel niet gehoorzamen zorg dragen, dat hun geene
ramp in deze wereld overvalle, of hun niet eene gestrenge straf in het
volgende leven worde opgelegd. 64. Behoort niet alles wat in den hemel
en op aarde is, aan God? Hij weet wel in welken staat gij u bevindt,
en op een zekeren dag zullen zij voor hem worden verzameld, en hij
zal hun verklaren wat zij hebben bedreven; want God kent alle dingen.



VIJF EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

AL FORKAN [1465].

Geopenbaard te Mekka.--77 verzen.


In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Gezegend zij hij die den Forkan aan zijn dienaar heeft geopenbaard,
opdat deze een prediker voor alle schepselen zou zijn; 2. Aan wien het
koninkrijk des hemels en der aarde behoort; die geene nakomelingschap
heeft geteeld, en geen deelgenoot in zijn koninkrijk heeft; die
alle dingen heeft geschapen en daarover naar zijn bepaalden wil
beschikt. 3. Zij hebben buiten hem andere goden gekozen, die niets
hebben geschapen, maar zelven geschapen zijn [1466]. 4. En die noch
in staat zijn het kwaad van zich af te weren, noch zich het goede
te verschaffen, en die noch over den dood, noch over het leven
bevelen, noch de kracht bezitten, waardoor de dooden weder worden
opgewekt. 5. En de ongeloovigen zeggen: Deze Koran is niets anders
dan eene door hem uitgedachte leugen, en anderen hebben hem daarin
bijgestaan [1467]; maar zij spraken eene onrechtvaardige zaak en eene
leugen uit. 6. Zij zeggen ook: Dit zijn fabelen der ouden, welke hij
heeft doen nederschrijven, en zij worden hem des ochtends en des avonds
voorgezegd. 7. Zeg: Het is geopenbaard door hem, die de geheimen van
hemel en aarde kent. Waarlijk, hij is barmhartig en genadig. 8. En
zij zeggen: Welk soort gezant is deze? Hij nuttigt voedsel en wandelt
in de straten [1468]. zooals wij doen. Tot hem een engel zal worden
nedergezonden om met hem te prediken; 9. Of tot hem een schat worde
nedergezonden, of hij een tuin bezitte, van welks vruchten hij mag
eten, zullen wij niet gelooven. De goddeloozen zeggen ook: Gij volgt
slechts een betooverd man. 10. Zie wat zij nopens u denken; maar zij
zijn verdwaald, en zullen nimmer, eene juiste gelegenheid hebben,
om het licht te vinden, 11. Gezegend zij hij, die, wanneer het hem
behaagt, eene betere belooning voor u zal bereiden, dan diegene waarvan
zij spreken; namelijk tuinen, door welke rivieren stroomen, en hij
zal u paleizen schenken. 12. Maar zij verwerpen het geloof aan het
uur des oordeels als eene leugen. 13. En wij hebben voor hen, die het
geloof aan dat uur verwerpen, een brandend vuur gereed gemaakt; als het
hen van verre zal zien, zal het vreeselijk brullen en woeden. 14. En
als zij, te zamen gebonden, in een enge plaats daarvan zullen worden
geworpen, zullen zij daar om den dood roepen, 15. Maar men zal hun
antwoorden: Roep heden niet om één dood, maar roep om verscheiden
dooden. 16. Zeg: Is dit beter, of een tuin van eeuwigen duur, die den
vrome is beloofd? Deze zal hun als een belooning en een verblijf worden
gegeven. 17. Daarin zullen zij alles hebben wat hun behaagt, terwijl
zij daarin eeuwig zullen verblijven. Dit is eene belofte, welke zij
uit de handen van hunnen heer kunnen vorderen. 18. Op een zekeren dag
zal hij hen verzamelen, en alles wat zij naast God aanbidden, en hij
zal tot de aangebedenen zeggen: Hebt gij deze mijne dienaren verleid,
of dwaalden zij uit eigen beweging van den rechten weg af? 19. Zij
zullen antwoorden: God verhoede! Het was ons onmogelijk, andere
beschermers buiten u te kiezen, maar gij veroorloofdet hun en hunnen
vaderen overvloed te genieten, waardoor zij uwe vermaning vergaten,
en verloren gingen. 20. En God zal tot hunne aanbidders zeggen: Thans
hebben deze u van leugen overtuigd in hetgeen gij zegt. Zij kunnen
noch uwe straf afwenden, noch u eenige ondersteuning schenken. 21. En
dengenen van u die aan onrechtvaardigheid schuldig zal zijn zullen
wij eene gestrenge pijniging doen ondergaan. 22. Wij hebben geene
gezanten, vóór u gezonden dan die, als de andere menschen, voedsel
nuttigden en door de straten wandelden, en wij maakten sommigen
uwer tot een middel ter beproeving voor anderen [1469]. Wilt gij
met geduld volharden, nu uw Heer uwe volharding gadeslaat. 23. Zij
die niet hopen ons bij de opstanding te ontmoeten, zeggen: Zoolang
de engelen niet tot ons worden nedergezonden, of wij zelven onzen
Heer niet zien, zullen wij niet gelooven. Waarlijk, zij gedragen
zich overmoedig en hebben op vreeselijke wijze gezondigd. 24. Op
den dag waarop zij de engelen zullen zien komen [1470], zullen er
geene blijde tijdingen voor de zondaren zijn, en zij zullen zeggen:
Dit zij verre van ons verwijderd. 25. Dan zullen wij komen tot de
werken, welke zij gewrocht hebben, en wij zullen die tot stof maken,
dat naar alle zijden wordt heenverspreid. 26. Op dien dag zullen zij,
welke voor het paradijs zijn bestemd, gelukzalig in hun verblijf
wezen, en des middags eene heerlijke rustplaats hebben [1471]. 27. Op
dien dag zal de hemel door de wolken gekliefd en de engelen zullen
nedergezonden worden en zichtbaar nederdalen [1472]; 28. Op dien
dag zal het ware koninkrijk geheel aan den Barmhartige toebehooren,
en die dag zal moeielijk zijn voor de ongeloovige. 29. Op dien dag
zal de onrechtvaardige [1473] uit angst en wanhoop, in zijne handen
bijten, en zeggen: Ach! had ik slechts den weg der waarheid met den
gezant gekozen. 30. Wee over mij! Ach! had ik niet zulk een [1474]
tot mijn vriend gekozen. 31. Hij lokte mij van Gods vermaning af,
nadat die tot mij was gekomen; want de duivel is de verrader van den
mensch. 32. En de gezant zal zeggen: O Heer! mijn volk acht dezen Koran
als een ijdel samenstelsel. 33. Op dezelfde wijze hebben wij iederen
profeet de zondaren tot vijanden gegeven. Maar uw Heer is een voldoend
leider en verdediger. 34. De ongeloovigen zeggen: Zoolang de Koran
hem niet in zijn geheel en op eens worde nedergezonden [1475], zullen
wij niet gelooven. Maar wij hebben dien op deze wijze geopenbaard,
opdat wij daardoor uw hart zouden mogen bevestigen [1476], en wij
hebben die allengs, bij onderscheiden gedeelten voorgezegd. 35. Zij
zullen nimmer met een vreemde vraag tot u komen, of wij zullen u de
waarheid tot antwoord en eene uitmuntende uitlegging brengen. 36. Zij
die op hunne aangezichten in de hel zullen worden geworpen, zullen
in den ellendigsten toestand verkeeren en het verst van den weg
des heils verwijderd zijn. 37. Wij gaven vroeger aan Mozes het
boek der wet, en wij wezen hem Aäron, zijn broeder, tot raadgever
aan. 38. En wij zeiden tot hen: Gaat tot het volk dat onze teekenen
van valschheid beschuldigt. En wij verdelgen hem met eene volslagen
vernietiging. 39. En herdenk het volk van Noach, toen zij onze gezanten
van bedrog beschuldigden; wij verdronken hen en maakten hen tot een
teeken onder de menschen. En wij hebben voor den onrechtvaardige
een pijnlijke straf gereed gemaakt. 40. Gedenk ook Ad en Thamoed,
en zij die te al Rass woonden [1477], en vele andere geslachten
in dat tijdperk. 41. Aan ieder hunner stelden wij voorbeelden ter
zijner vermaning, en ieder hunner verdelgden wij door eene geheele
vernietiging. 42. De Koreïshieten zijn de stad dikwijls voorbij
getrokken, waarop wij een vreeselijke regen hebben doen nedervallen
[1478]. Hebben zij niet gezien waar die eens stond? Maar zij hopen
niet te worden opgewekt. 43. Als zij u zien, zullen zij u slechts
met spot ontvangen, zeggende: Is hij dat, dien God als zijn gezant
heeft gezonden? 44. Waarlijk, hij had ons bijna van de aanbidding
van onze goden afgetrokken, indien wij niet gestreng waren blijven
volharden in onze onderwerping aan hen. Maar als zij de straf zullen
zien, welke voor hen is gereed gemaakt, zullen zij 't hierna weten,
wie meer van het rechte pad is afgedwaald. 45. Wat denkt gij? Zult
gij de beschermer wezen van hem, die zijn hartstocht tot zijn God
heeft genomen [1479]? 46. Verbeeldt gij u dat het grootste gedeelte
hunner hoort of begrijpt? Zij zijn slechts gelijk aan het redelooze
vee, ja, zij dwalen meer van het ware pad af. 47. Beschouwt gij de
werken van uwen Heer niet, hoe hij de schaduw vóór het opgaan der
zon uitdrijft? Indien het hem had behaagd, zou hij deze voor eeuwig
onbewegelijk hebben gemaakt. Daarna doen wij de zon oprijzen en tot
gids strekken. 48. En daarna verminderen wij die gemakkelijk. 49. Hij
is het, die den nacht bevolen heeft, u als een kleed te dekken,
en de slaap om u rust geven, en hij heeft den dag voor het waken
ingesteld. 50. Hij is het, die de winden zendt, door welke de
waterwolken voortdrijven, als de voorboden zijner genade [1480];
en wij zenden zuiver water [1481] van den hemel neder. 51. Opdat
wij daardoor eene doode streek zouden doen herleven, en om daarmede
te drenken hetgeen wij hebben geschapen, zoowel vee als menschen,
in grooten getale [1482]. 52. En wij verdeelen het onder hen op
verschillende tijden, opdat zij zouden mogen overdenken; maar het
grootste deel der menschen weigert, alleen uit ondankbaarheid, te
overwegen [1483]. 53. Indien het ons zou hebben behaagd, hadden wij een
spreker naar iedere stad gezonden. 54. Gehoorzaam dus den ongeloovigen
niet, maar bied hun met dit boek een hevigen weerstand. 55. Hij is het
die de twee zeeën heeft vereenigd: deze zoet en verfrisschend, gene,
zout en bitter, en hij heeft eene afscheiding tusschen haar geplaatst
[1484], en eene grens die niet overschreden kan worden. 56. Hij is
het die den mensch van water heeft geschapen [1485] en de banden des
bloeds en der verwantschap tusschen hen heeft doen ontstaan; want uw
Heer is machtig. 57. Zij aanbidden naast God datgene wat hen deren
noch bevoordeelen kan, en de ongeloovige is een medestander van de
duivel tegen zijn Heer [1486]. 58. Wij hebben u slechts gezonden om een
boodschapper van goede tijdingen te zijn en tot bedreiging. 59. Zeg:
ik vraag van u geene belooning voor deze mijne prediking, behalve de
bekeering van hem, die begeeren zal, den weg van zijn Heer te kiezen
[1487]. 60. En stel uw vertrouwen in hem die leeft en niet sterft,
en verkondig zijn lof (hij is voldoende bekend met de zonden zijner
dienaren). Die in zes dagen de hemelen en de aarde heeft geschapen
en alles wat daartusschen is, en daarna zijn troon besteeg. De
Barmhartige: vraag den wijze nopens hem. 61. Als den ongeloovige wordt
gezegd: Aanbidt den Genadige! hernemen zij: En wie is de Genadige
[1488]? Zullen wij aanbidden wat gij ons beveelt? En dit voorschrift
doet hen het geloof nog meer ontvluchten. 62. Gezegend zij hij die
de twaalf teekenen in de hemelen heeft gesteld, en daarin des daags
eene lamp [1489] plaatste en de maan die des nachts schijnt. 63. Hij
is het die den nacht en dag bevolen heeft elkander op volgen, voor hem
die overwegen wil, of zijne dankbaarheid verlangt te betoonen. 64. De
dienaren van den Barmhartige zijn zij, die zedig op de aarde wandelen,
en die, als de onwetende tot hen spreekt, antwoorden: Vrede. 65. En
die de nacht doorbrengen in de aanbidding van hunnen Heer, opstaande
om tot hem te bidden. 66. En die zeggen: O Heer! leid ons van de
pijniging der hel af; want de marteling daarvan duurt eeuwig. Waarlijk,
het is een ellendig verblijf en eene slechte rustplaats. 67. Die,
wanneer zij giften doen, ruim noch karig zijn; maar den juisten
middenweg daartusschen in acht nemen [1490]. 68. En die geen anderen
god naast den waren God aanroepen, noch de ziel dooden welke God
verboden heeft te dooden, behalve voor eene rechtvaardige zaak, of
die zich niet aan ontucht schuldig maken. Maar hij die dit doet,
zal de vergelding zijner zonde ontmoeten. 69. Zijne straf zal op
den dag der opstanding verdubbeld worden, en hij zal, met schande
bedekt, die eeuwig verduren. 70. Behalve zij die berouw betoonen
en gelooven, en rechtvaardige werken doen zullen: voor hen zal God
hunne vroegere zonden in goede werken veranderen [1491]; want God is
vergevingsgezind en barmhartig. 71. En wie berouw betoont en doet wat
rechtvaardig is, waarlijk, hij keert zich tot God met eene aannemelijke
bekeering. 72. En zij die geene valsche getuigenis afleggen, en welke,
als zij bij een ijdel gesprek tegenwoordig zijn, dit op betamelijke
wijze ontduiken, 73. En die, als zij door de teekens van hunnen Heer
worden vermaand, niet nedervallen alsof zij doof en blind waren, maar
opstaan, en daaraan een aandachtig oor leenen. 74. En die zeggen: O
Heer! verleen ons, in onze vrouwen en in onze kinderen, dezulken, die
de voldoening onzer oogen zijn, en maak ons tot toonbeelden onder hen
die u vreezen. 75. Deze zullen beloond worden met de hoogste afdeeling
in het paradijs, opdat zij met standvastigheid hebben volhard, en
zij zullen daar het heil en den vrede vinden. 76. Eeuwig zullen zij
daarin verblijven. Het zal een uitmuntend verblijf, en eene heerlijke
rustplaats wezen. 77. Zeg: God bekreunt zich niet om u, of gij hem al
dan niet aanroept: gij hebt zijn gezant reeds van bedrog beschuldigd;
maar hierna, zal u eene voortdurende straf worden opgelegd.



ZES EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

DE DICHTERS [1492].

Geopenbaard te Mekka [1493].--228 verzen.


In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. T. S. M. [1494]. Dit zijn de teekens van het duidelijke
boek. 2. Misschien bedroeft gij u doodelijk, omdat de bewoners van
Mekka niet geloovig willen worden. 3. Indien het ons behaagde, zouden
wij hun een overtuigend teeken uit den hemel kunnen nederzenden,
waarvoor zij hunne nekken nederig zouden krommen. 4. Maar er komt
van den Barmhartige, geene nieuwe vermaning tot hen welke naar de
omstandigheden dit vereischen, wordt geopenbaard, waarvan zij zich
niet afwenden. 5. En zij hebben deze van valschheid beschuldigd;
maar er zal een boodschap tot hen komen, waarmede zij niet zullen
spotten. 6. Hebben zij de aarde niet beschouwd, en gezien hoe veel
verschillende planten, van allerlei edele soorten wij daaraan doen
ontspruiten? 7. Waarlijk, hierin is een teeken; maar het grootste
deel hunner zijn ongeloovigen. 8. Waarlijk, uw Heer is de machtige,
de barmhartige God. 9. Herdenk, toen uw Heer Mozes riep, zeggende:
Ga tot het onrechtvaardige volk: 10. Het volk van Pharao. Zullen zij
mij niet vreezen? 11. Mozes antwoordde: O Heer! waarlijk, ik vrees,
dat zij mij van logen zullen beschuldigen. 12. En dat mijne borst
vernauwd worde en dat mijn tong niet gereed zij tot spreken [1495];
wijs Aäron dus aan om mijn helper te wezen. 13. Ook kunnen zij
mij eene misdaad tegenwerpen [1496], en ik vrees dat zij mij zullen
dooden. 14. God zeide: Zij zullen u volstrekt niet dooden: gaat dus met
uwe teekenen; want wij zullen met u zijn, en wij willen hooren wat er
tusschen u en hen geschiedt. 15. Gaat dus tot Pharao en zeg: Waarlijk,
wij zijn de gezant [1497] van den Heer van alle schepselen. 16. Zend
de kinderen Israëls met ons weg. 17. En toen zij hunne boodschap
hadden overgebracht, antwoordde Pharao: Hebben wij u niet onder ons
opgevoed, toen gij nog een kind waart, en hebt gij niet gedurende
verscheidene jaren van uw leven onder ons gewoond [1498]? 18. Gij
hebt de daad bedreven, welke gij bedreven hebt; en gij zijt een
ondankbare. 19. Mozes hernam: Inderdaad, ik deed het, en ik was een
van hen die dwaalden [1499]. 20. Daarom ontvluchtte ik u, dewijl ik u
vreesde; maar mijn Heer heeft mij wijsheid geschonken en mij tot een
zijner gezanten aangewezen. 21. En is de gunst, welke gij mij hebt
geschonken, dat gij de kinderen Israëls tot slaven maaktet? 22. Pharao
zeide: En wie is dan de Heer van alle schepselen? 23. Mozes antwoordde:
de Heer van alle hemel en aarde en van alles wat daartusschen is;
indien gij lieden van verstand zijt. 24. Pharao zeide tot degenen,
die in zijne nabijheid waren: Hoort gij niet? 25. Mozes zeide:
Uw Heer en de Heer uwer voorvaderen. 26. Pharao zeide tot hen die
tegenwoordig waren: Uw gezant, die tot u werd gezonden is zeker bezeten
[1500]. 27. Mozes zeide: de Heer van het Oosten en van het Westen
en van alles wat daartusschen is; indien gij lieden van verstand
zijt. 28. Pharao zeide tot hem: Waarlijk, indien gij een anderen
God naast mij kiest [1501], zal ik u gelijk doen wezen aan hen die
gevangen zijn [1502]. 29. Mozes antwoordde: Wat! niettegenstaande ik
met een overtuigend wonder tot u kom? 30. Pharao hernam: Toon het dan,
indien gij de waarheid spreekt. 31. En hij wierp zijn staf neder, en
ziet deze werd eene zichtbare slang. 32. En hij trok zijne hand uit
zijne borst en, ziet, zij was wit voor de toeschouwers, 33. Pharao
zeide tot de vorsten, die in zijne nabijheid waren: Waarlijk, deze
man is een behendige toovenaar. 34. Hij tracht u door zijne tooverij
het bezit van u land te ontrooven: wat denkt gij dus te doen? 35. Zij
antwoordden: Stel hem en zijn broeder door goede woorden voor eenigen
tijd uit, en zend mannen in de steden, die verzamelen. 36. En tot u
brengen alle behendige toovenaren. 37. Zoo werden de toovenaren op
een bepaalden tijd, op een plechtigen dag bijeenvergaderd. 38. En tot
het volk werd gezegd: Zijt gij bijeenvergaderd? 39. Ja, antwoordde
het volk onder zich, en wij zullen de toovenaren volgen, indien
zij de overwinning behalen. 40. Toen de toovenaars gekomen waren,
zeiden zij tot Pharao: zullen wij zekerlijk eene belooning ontvangen,
indien wij de overwinning behalen? 41. Hij antwoordde: Ja, en gij
zult mijn persoon mogen naderen. 42. Mozes zeide tot hen: Werpt
neder wat gij neder te werpen hebt. 43. Daarop wierpen zij hunne
koorden en hunne staven neer, en zeiden: Waarlijk, door de macht
van Pharao zullen wij de overwinnaars zijn. 44. En Mozes wierp zijn
staf neder, en ziet, de staf verzwolg wat zij valschelijk hadden
uitgedacht. 45. Daarop wierpen zich de toovenaars biddend neder 46. En
zeiden: Wij gelooven in den Heer van alle schepselen. 47. De Heer van
Mozes en Aäron. 48. Pharao zeide tot hen: Hebt gij in hem geloofd,
voor ik u verlof heb gegeven? Waarlijk hij is uw hoofd, die u de
tooverij heeft geleerd [1503]; maar later zult gij zeker mijne kracht
kennen. 49. Ik zal uwe handen en uwe voeten aan de tegenovergestelde
zijden afsnijden, en ik zal u allen doen kruisigen. 50. Zij antwoorden:
Dit zal geen nadeel voor ons zijn; want wij zullen tot onzen Heer
terugkeeren. 51. Wij hopen dat onze Heer ons onze zonden zal vergeven,
ons die de eersten waren welke geoorloofd hebben [1504]. 52. En
wij spraken door openbaring tot Mozes, zeggende: Trek voort met
mijne dienaren, des nachts; want gij zult vervolgd worden. 53. En
Pharao zond beambten in de steden om strijdkrachten te verzamelen
54. Zeggende: Waarlijk de Israëlieten maken slechts eene kleine
hoop volk uit. 55. En zij zijn verwoed op ons. 56. Maar wij vormen
eene welvoorziene menigte. 57. Zoo deden wij hun hunne tuinen, hunne
fonteinen, 58. hunne schatten en heerlijke woningen verlaten. 59. Zoo
deden wij, en wij deden die den kinderen Israëls erven [1505]. 60. En
zij vervolgden hen bij het opgaan der zon. 61. En toen de beide legers
in elkanders gezicht waren gekomen, zeiden de makkers van Mozes: Wij
zullen zekerlijk worden overwonnen. 62. Mozes antwoordde: Volstrekt
niet: want mijn Heer is met mij; hij zal mij zekerlijk leiden. 63. En
wij bevalen Mozes door openbaring, zeggende: Sla de zee met uwen
staf. En toen hij haar had geslagen werd zij in twaalf afdeelingen
verdeeld; ieder deel, dat een pad was, scheen een groote berg. 64. En
wij lieten de anderen naderen. 65. En wij bevrijdden Mozes en allen
die met hem waren. 66. Daarna verdronken wij de anderen. 67. Waarlijk
daarin was een teeken; maar het grootste aantal hunner geloofden
niet. 68. Waarlijk, uw Heer is de machtige en de barmhartige. 69. En
herinner hun de geschiedenis van Abraham. 70. Toen hij tot zijnen vader
en zijn volk zeide: Wat aanbidt gij? 71. Zij antwoordden: Wij aanbidden
afgoden, en wij dienen deze alle dagen met standvastigheid. 72. Abraham
zeide: Hooren zij u als gij hen aanroept? 73. Of bevoordeelen,
noch deren zij u? 74. Zij antwoordden: Neen; maar wij zagen dat onze
vaderen hetzelfde deden. 75. Hij zeide: Wat denkt gij: De goden die gij
aanbidt. 76. En welke door uwe voorvaderen werden aangebeden. 77. Zijn
mijne vijanden, behalve slechts de Heer van alle schepselen. 78. Die
mij heeft geschapen en mij op den rechten weg leidt. 79. En die
mij geeft te eten en te drinken; 80. En die mij geneest als ik ziek
ben; 81. En die mij zal doen sterven en mij daarna tot het leven zal
terugbrengen. 82. En die, naar ik hoop, mij mijne zonden op den dag des
oordeels zal vergeven. 83. O Heer! verleen mij wijsheid en vereenig mij
met de rechtvaardigen. 84. En geef, dat nog de laatste nakomelingschap
met eer van mij spreke [1506]; 85. En maak mij tot een erfgenaam
van den tuin der heerlijkheid; 86. En vergeef mijn vader die tot de
afdwalenden heeft behoord [1507]. 87. En bedek mij niet met schande
op den dag der opstanding; 88. Op den dag, waarop noch rijkdommen,
noch kinderen van eenig voordeel zullen kunnen zijn. 89. Behalve
voor hem, die met een oprecht hart tot God zal komen; 90. Als het
paradijs voor het gezicht der vromen gebracht zal worden. 91. En
de hel geheel zal verschijnen voor hen die gedwaald zullen hebben;
92. En tot hen zal gezegd worden: Waar zijn uwe godheden, 93. welke
gij naast God dient? Zullen zij u van straf bevrijden, of zullen zij
zich zelven bevrijden? 94. En zij zullen in de hel geworpen worden;
zoowel zij [1508], als diegenen, welke tot hunne aanbidding werden
verleid, 95. En het geheele heir van Eblis. 96. De verleiden zullen
daar met hunne valsche goden twisten, zeggende: 97. Bij God, wij
verkeerden in eene duidelijke dwaling. 98. Toen wij u met den Heer
van alle schepselen gelijk stelden. 99. De zondaren alleen hebben
ons verleid. 100. Thans hebben wij geene tusschentreders. 101. Noch
eenigen vriend die voor ons zorgt. 102. Indien het ons veroorloofd
ware, nog slechts eenmaal in de wereld terug te keeren, zouden wij
zekerlijk ware geloovigen worden. 103. Waarlijk, hierin was een teeken;
maar het grootste gedeelte hunner gelooven niet. 104. Uw Heer is de
machtige, de barmhartige. 105. Het volk van Noach beschuldigde Gods
zendingen van bedrog. 106. Toen hun broeder Noach tot hen zeide:
Wilt gij God niet vreezen? 107. Waarlijk, ik ben een geloofbare
boodschapper voor u. 108. Vreest dus God en gehoorzaamt mij. 109. Ik
vraag geene belooning van u voor mijne prediking tot u; ik verwacht
mijne belooning slechts van den Heer van alle schepselen. 110. Vreest
dus God en gehoorzaamt mij. 111. Zij antwoorden: Zullen wij u gelooven,
die alleen door de laagsten uit het volk gevolgd wordt? 112. Noach
zeide: Ik heb geene kennis van hetgeen zij deden [1509]. 113. Zij
zijn mijn Heer alleen rekenschap verschuldigd; begreept gij
dit slechts! 114. Daarom zal ik de geloovigen niet verdrijven
[1510]. 115. Ik ben slechts een openbaar prediker. 116. Zij hernamen:
Zekerlijk, o Noach! indien gij niet ophoudt op deze wijze te handelen
zult gij gesteenigd worden. 117. Hij zeide: O Heer! waarlijk, mijn volk
houdt mij voor een leugenaar. 118. Richt dus in het openbaar tusschen
mij en hen, en bevrijd mij en de ware geloovigen, die met mij zijn,
119. Daarom bevrijdden wij hem, en degenen, die met hem waren in
de ark, met menschen en dieren gevuld. 120. En daarom verdronken
wij de overigen. 121. Waarlijk, hierin was een teeken; maar het
grootste deel hunner geloofde niet. 122. Uw Heer is de machtige,
de barmhartige, 123. De stam van Ad beschuldigde Gods boodschapper
van logen. 124. Toen hun broeder Hud tot hen zeide: Wilt gij God
niet vreezen? 125. Waarlijk, ik ben een geloofbaar boodschapper
tot u. 126. Vreest dus God en gehoorzaamt mij. 127. [ik vraag van
u geenerlei belooning voor mijne prediking tot u; ik verwacht mijne
belooning slechts van den Heer van alle schepselen. 128. Bouwt gij
een scheidspaal op iedere hoog gelegen plaats, om u te vermaken
[1511]? 129. En richt gij prachtige werken op, in de hoop die eeuwig
te bezitten? 130. En als gij uwe macht uitoefent, oefent gij die met
onbarmhartigheid en gestrengheid uit [1512]. 131. Vreest God, door
deze dingen te verlaten en gelooft mij] [1513]. 132. En vreest hem,
die u datgene heeft geschonken, wat gij kent. 133. Hij heeft u vee
geschonken en kinderen; 134. En tuinen en fonteinen. 135. Waarlijk,
ik vrees voor u de straf van een gestrengen dag. 136. Zij antwoordden:
Het is ons gelijk, of gij ons al dan niet vermaant. 137. Wat gij
ons predikt is slechts een verzinsel der ouden. 138. Nimmer zullen
wij gestraft worden voor hetgeen wij hebben gedaan. 139. En zij
beschuldigden hem van bedrog, en daarom verdelgden wij hen. Waarlijk,
hierin was een teeken; maar het grootste deel hunner geloofde
niet. 140. Uw Heer is de machtige, de barmhartige. 141. De stam van
Thamoed beschuldigde Gods gezanten eveneens van leugen. 142. Toen hun
broeder Saleh tot hen zeide: Wilt gij God niet vreezen? 143. Waarlijk,
ik ben een geloovig boodschapper voor u. 144. Vreest dus God en
gehoorzaamt mij. 145. Ik vraag geene belooning van u, voor mijne
prediking tot u: ik verwacht mijne belooning van niemand anders
dan van den Heer van alle schepselen. 146. Zult gij altijd in het
zekere bezit blijven van de dingen die hier zijn, 147. Waaronder
tuinen en fonteinen. 148. En korenvelden en palmboomen, wier takken
met bloemen zijn beladen? 149. En wilt gij voortgaan, u woningen
uit de bergen te houwen, terwijl gij u onbeschaamd gedraagt
[1514]? 150. Vreest God en gehoorzaamt mij. 151. En gehoorzaamt
niet het bevel der zondaren. 152. Die snood op aarde handelen,
en die zich niet verbeteren. 153. Zij antwoordden: Waarlijk, gij
zijt bezeten. 154. Gij zijt slechts een mensch gelijk wij; toon
ons een teeken indien gij de waarheid spreekt. 155. Saleh zeide:
Deze wijfjes-kameel zal u een teeken zijn, zij zal haar deel water
hebben en gij zult beurtelings uw deel water hebben op een zekeren,
voor u bepaalden dag [1515]. 156. En deer haar niet, opdat u de straf
van een vreeselijken dag niet worde opgelegd. 157. Maar zij doodden
haar en berouwden hunne boosheid. 158. Want de straf, waarmede zij
bedreigd waren geworden, overviel hen. Waarlijk, hierin was een
teeken; maar het grootste deel van hen geloofde niet. 159. Uw Heer
is de machtige, de genadige. 160. Het volk van Lot beschuldigde
Gods boodschappers eveneens van bedrog. 161. Toen hun broeder Lot
tot hen zeide: Wilt gij God niet vreezen? 162. Waarlijk, ik ben een
geloofbaar boodschapper tot u. 163. Vreest dus God en gehoorzaamt
mij. 164. Ik vraag geene belooning van u, voor mijne prediking:
Ik verwacht mijne belooning van geen ander dan van den Heer van
alle schepselen. 165. Nadert gij de mannelijke wezens onder de
menschen. 166. en verlaat gij uwe vrouwen, die uw Heer voor u
heeft geschapen. Waarlijk, gij zijt zondaren. 167. Zij zeiden:
Indien gij zoo voortgaat, o Lot! zult gij zekerlijk uit onze stad
worden verdreven. 168. Hij zeide: Waarlijk, ik behoor tot hen,
die uwe daden verfoeien. 169. O Heer! bevrijd mij en mijn gezin
van hetgeen zij bedrijven. 170. Daarom bevrijdden wij hem en zijn
geheel gezin. 171. Behalve eene oude vrouw, zijnde zijne vrouw, die
omkwam met hen die achtergebleven waren. 172. Daarna verdelgden wij de
overigen. 173. En wij deden eene bui van steenen op hen nederregenen,
en vreeselijk was de regenbui die op degenen nederviel, welke te
vergeefs waren gewaarschuwd. 174. Waarlijk, hierin was een teeken; maar
het grootste deel hunner geloofde niet. 175. Uw Heer is de machtige,
de genadige. 176. Ook de bewoners van het woud [1516] beschuldigden
Gods gezanten van bedrog. 177. Toen Shoaib tot hen zeide: Wilt gij
God niet vreezen? 178. Waarlijk ik ben een geloovig boodschapper
voor u. 179. Vreest dus God en gehoorzaamt mij. 180. Ik vraag geene
belooning van u, voor mijne prediking; ik verwacht mijne belooning
van niemand anders dan van den Heer van alle schepselen. 181. Geeft
juist gewicht en weest geene bedriegers. 182. En weegt met een gelijke
weegschaal. 183. En vermindert niet wat den menschen toekomt; bedrijft
geen geweld op aarde; en handelt niet slecht. 184. En vreest hem die
u en de vroegere geslachten heeft geschapen. 185. Zij antwoordden:
Waarlijk gij zijt bezeten. 186. Gij zijt niets meer dan een mensch
gelijk wij en waarlijk, wij houden u voor een leugenaar. 187. Doe
thans een deel van den hemel op ons nedervallen, indien gij de
Waarheid spreekt. 188. Shoaib zeide. Mijn Heer weet het beste wat
gij doet. 189. En zij beschuldigden hen van bedrog; daarom overviel
hen de straf van den dag der schaduwgevende wolk [1517], en dit
was de straf van den vreeselijken dag. 190. Waarlijk, hierin was
een teeken; maar het grootste deel hunner geloofde niet. 191. Uw
Heer is de machtige, de barmhartige. 192. Dit boek is zekerlijk eene
openbaring van den Heer van alle schepselen. 193. Welke de getrouwe
geest [1518] op uw hart heeft doen nederdalen. 194. Opdat gij een
prediker voor uw volk zoudt zijn, 195. In de duidelijke Arabische
taal. 196. Waarvan de getuigenis door de schriften van vroegere tijden
wordt geleverd. 197. Was het geen teeken voor hen, dat de wijze mannen
onder de kinderen Israëls die kenden? 198. Hadden wij het aan een der
vreemdelingen geopenbaard. 199. En hij zou het hun hebben voorgelezen,
dan zouden zij daaraan niet hebben willen gelooven. 200. Zoo deden wij
hardnekkig ongeloof in de harten der zondaren binnentreden. 201. Zij
zullen daarin niet gelooven, dan nadat zij eene pijnlijke straf hebben
gezien. 202. Deze zal plotseling over hen komen, en zij zullen deze
niet voorzien. 203. En zij zullen zeggen: zal ons uitstel worden
verleend? 204. Verlangen zij dus dat onze straf zal worden verhaast
[1519]? 205. Wat denkt gij? Indien wij hun toestaan het voordeel van
dit leven voor vele jaren te genieten. 206. En datgene, waarmede
zij bedreigd werden, later over hen komt. 207. Wat zal het hen van
voordeel zijn, wat zij hebben genoten? 208. Wij hebben geene stad
verwoest, dan nadat er vooraf gezanten waren heengezonden. 209. Ten
einde de bewoners daarvan te waarschuwen, ook behandelden wij hen
niet onrechtvaardig. 210. De duivelen daalden niet neder met den
Koran, zooals de ongeloovigen voorgeven; 211. Dat komt niet overeen
met hun doel; ook zijn zij niet in staat zulk een boek voort te
brengen. 212. Want zij zijn er ver van verwijderd, het gesprek der
engelen in den hemel te hooren [1520]. 213. Roep geen anderen god
met den waren God aan, opdat gij niet tot een van hen wordet, die
ter straffe zijn gedoemd. 214. En vermaan uwe naaste betrekkingen
[1521]. 215. En gedraag u met zachtmoedigheid omtrent de ware
geloovigen die u volgen. 216. En indien zij ongehoorzaam omtrent u
zijn, zeg dan: Waarlijk ik ben zuiver van hetgeen gij doet. 217. En
vertrouw in den machtigsten, den barmhartigsten God. 218. Die u ziet
als gij opstaat, 219. En uw gedrag onder hen die aanbidden [1522];
220. Want hij ziet en hoort alles. 221. Zal ik u verklaren op wie de
duivelen nederdalen? 222. Zij dalen neder op iederen leugenachtigen
en zondigen persoon [1523]. 223. Zij leeren wat gehoord is geworden
[1524], maar het grootste deel hunner zijn leugenaars. 224. En zij die
dwalen, volgen de stappen der dichters. 225. Ziet gij niet dat zij, als
van hunne zinnen beroofd, door iedere vallei wandelen [1525]? 226. En
dat zij zeggen, wat zij niet doen [1526]? 227. Behalve zij die gelooven
en goede werken doen en God dikwijls herdenken [1527]. 228. En die zich
zelven verdedigen, nadat zij onrechtvaardig zijn behandeld geworden;
terwijl zij die onrechtvaardig handelen, hierna zullen weten, welke
handeling zij te wachten hebben.



ZEVEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

DE MIER. [1528]

Gegeven te Mekka--95 verzen.


In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. T. S. Dit zijn de teekenen van den Koran en van het duidelijke
boek. 2. Eene leiding en goede tijding voor de ware geloovigen. 3. Die
hun gebed geregeld verrichten en aalmoezen geven, en vast in het
volgend leven gelooven. 4. Wat hen betreft, die niet in het volgende
leven gelooven, wij hebben hunne werken voor hen gereed gemaakt [1529],
zij zullen door verbazing getroffen worden, over hunne teleurstelling,
als zij weder zullen worden opgewekt. 5. Zij zijn het, welken eene
strenge straf in dit leven en in het toekomstige wacht: zij zullen
de ongelukkigsten zijn. 6. Gij hebt den Koran voorzeker van een
wijzen en alwetenden God ontvangen. 7. Gedenk, toen Mozes tot zijn
gezin zeide: Waarlijk, ik bemerk vuur, ik zal u tijdingen daarvan
brengen, of ik zal u een brandend hout daarvan brengen, ten einde
u te verwarmen [1530]. 8. En toen hij nabij het vuur was gekomen,
riep hem eene stem toe: Gezegend hij, die in, en hij die nabij het
vuur is [1531], en geloofd zij God, de Heer van alle schepselen! 9. O
Mozes! waarlijk, ik ben God, de machtige, de wijze. 10. Werp thans uwen
staf neder. En toen hij zag dat deze zich bewoog als ware die eene
slang, week hij achteruit en vlood, en keerde zich niet om. En God
zeide: O Mozes! vrees niet; want mijne gezanten hebben niets van mij
te duchten. 11. Behalve hij die onrechtvaardig zal hebben gehandeld;
maar voor wien daarna kwaad door goed zal hebben vervangen, ben ik
genadig en barmhartig [1532]. 12. Steek uwe hand in uwe borst, en
uwe hand zal wit en ongedeerd te voorschijn komen; dit zal een der
negen teekenen [1533] voor Pharao en zijn volk wezen; want zij zijn
zondaren. 13. En toen onze zichtbare teekenen tot hen waren gekomen,
zeiden zij: Dit is duidelijke tooverij. 14. En zij loochenden deze,
uit onrechtvaardigheid en trotschheid, hoewel hunne zielen zekerlijk
wisten, dat die van God waren; maar gedenk, wat het einde der zondaren
was. 15. Wij schonken vroeger verstand aan David en Salomo, en zij
zeiden: Geloofd zij God, die ons boven zoo menige zijner geloovige
dienaren heeft doen uitmunten! 16. En Salomo was David's erfgenaam
[1534], en hij zeide: O menschen! men heeft ons geleerd, de taal der
vogelen te verstaan [1535], en alles werd ons geschonken; dit is een
duidelijk teeken van Gods gunst. 17. En Salomo's legers werden onder
hem vergaderd, bestaande uit geniussen, menschen en ook vogelen; en zij
werden in verschillende troepen gerangschikt. 18. Toen zij in de vallei
der mieren kwamen [1536], zeide eene mier, toen zij de heirscharen zag
naderen: O, mieren! gaat in uwe woningen, opdat Salomo en zijn leger
u niet onder den voet trede, zonder het te bemerken. 19. En Salomo
glimlachte op die woorden, en zeide: O Heer! geef dat ik dankbaar zij
voor uwe gunst, waarmede gij mij en mijne vaderen hebt begunstigd,
en dat ik moge doen wat recht is en u behaagt; en leid mij door uwe
genade in het paradijs, onder uwe dienaren, de rechtvaardigen. 20. En
hij zag de vogelen en hij zeide: Wat is de reden dat ik de kievit
niet zie [1537]? Is hij afwezig? 21. Waarlijk, ik zal hem straffen
met eene strenge kastijding [1538], of ik zal hem dooden, tenzij
hij mij eene gegronde verontschuldiging make. 22. En het duurde
niet lang, voor hij zich aan Salomo vertoonde, en zeide: Ik heb eene
plaats gezien, welke gij niet gezien hebt, en ik kom tot u van Saba,
met zeker nieuws. 23. Ik vond eene vrouw [1539], die daar regeerde,
die voorzien is van alles, wat begeerlijk is voor een vorst, en een
prachtigen troon heeft [1540]. 24. Ik vond dat zij en haar volk de zon
naast God aanbaden, en Satan heeft hunne werken in hunne oogen goed
doen schijnen, en hen van den weg der waarheid afgeleid (waardoor zij
niet recht geleid worden). 25. Opdat zij God niet zouden aanbidden,
die aan het licht brengt wat in den hemel en op aarde is verborgen,
en kent wat zij verbergen en wat zij ontdekken. 26. God! Er is geen
God buiten hem, den Heer van den grootschen troon. 27. Salomo zeide:
wij zullen zien of gij de waarheid hebt gesproken, dan of gij een
leugenaar zijt. 28. Gaat met dezen brief van mij en werp dien onder hen
neder; wend u daarna van hen af en wacht, om te weten, welk antwoord
zij zullen geven. 29. En toen de koningin van Saba den brief had
ontvangen [1541], zeide zij: O edelen! waarlijk, mij is een eervolle
brief overgebracht. 30. Hij is van Salomo, en dit is de inhoud:
In den naam van den barmhartigsten God. 31. Staat niet op tegen mij,
maar komt en geeft u aan mij over [1542]. 32. Zij zeide: O edelen! raad
mij in mijne zaak, ik wil omtrent niets besluiten, tenzij gij getuige
daarvan zijt en het goedkeurt. 33. De edelen antwoordden: Wij zijn
met sterkte begiftigd, en met groote dapperheid in den oorlog; maar
het bevel komt u toe: weet dus wat gij wilt bevelen [1543]. 34. Zij
zeide: Waarlijk, als de koningen eene stad met geweld binnentrekken,
plunderen zij die en vernederen hare machtigste inwoners en zoo zullen
dezen met ons handelen. 35. Maar ik zal hun geschenken zenden, en ik
zal wachten, om de nadere inlichtingen te vernemen, welke degenen
zullen terugbrengen, die derwaarts worden afgezonden. 36. En toen
de gezant der koningin tot Salomo kwam [1544], zeide de vorst: Wilt
gij mij met rijkdommen beschenken? Waarlijk, hetgeen God mij heeft
gegeven, is beter dan hetgeen hij u heeft geschonken. Uwe geschenken
maken u ijdel [1545]. 37. Keer tot het volk van Saba terug. Wij zullen
zekerlijk met strijdkrachten tot hen komen, welke zij niet in staat
zullen zijn tegenstand te bieden, en wij zullen hen vernederd uit hunne
stad drijven, en zij zullen tot schande gebracht worden. 39. En Salomo
zeide: O edelen! wie wil mij haren troon brengen, alvorens zij kome
en zich aan mij overgeven? Een vreeselijke genius [1546] antwoordde:
Ik zal u dien brengen, voor gij van uwe plaats opstaat [1547]: want
ik ben instaat het te volvoeren, en ik ben getrouw; 40. En een ander,
die de kennis der schriften bezat [1548], zeide; Ik zal u dien in
een oogwenk brengen [1549]. En toen Salomo den troon voor zich zag
geplaatst, zeide hij: Dit is eene gunst van mijn Heer, om mij te
beproeven, of ik dankbaar of ondankbaar zal zijn, en hij die dankbaar
is, is dankbaar in zijn eigen voordeel; maar indien iemand ondankbaar
is, waarlijk, dan is mijn Heer zelfgenoegzaam en milddadig. 41. En
Salomo zeide tot zijne dienaren: Verandert haren troon, dat zij dien
niet herkenne, opdat wij mogen zien, of zij op den rechten weg wordt
geleid, of dat zij tot hen behoort, die niet op den rechten weg worden
gevoerd. 42. En toen zij tot Salomo was gekomen [1550], zeide men tot
haar: Is uw troon gelijk aan dezen? Zij antwoordde: Men zou zeggen
dat hij dezelfde was. En ons werd vóór haar de kennis geschonken, en
wij waren aan God onderworpen [1551]. 43. Maar datgene wat zij buiten
God aanbad, heeft haar van de waarheid afgeleid; want zij behoorde
tot een ongeloovig volk. 44. Men zeide tot haar: Treed het paleis
binnen [1552], en toen zij het zag, dacht zij dat het een groot water
was, en zij ontblootte hare beenen, door haar kleed op te lichten,
om het te doorwaden [1553]. Daarop zeide Salomo tot haar: Waarlijk,
dit is een paleis met glas geplaveid. 45. Daarop zeide de koningin: O
Heer! waarlijk, ik heb onrechtvaardig met mijne eigene ziel gehandeld
en ik onderwerp mij met Salomo aan God, den Heer van alle schepselen
[1554]. 46. Zoo zonden wij ook vroeger tot den stam van Thamoed hun
broeder Saleh, die tot hen zeide: Dient God. En ziet, zij werden in
twee gedeelten gescheiden, die met elkander twistten [1555]. 47. Saleh
zeide: O mijn volk! waarom verhaast gij het kwade veeleer dan het goede
[1556]? Weshalve smeekt geen vergiffenis, van God, opdat gij genade
moogt erlangen: gij zijt anders verloren. 48. Zij antwoordden: Wij
voorzien kwaad van u en die met u zijn. Saleh hernam: Het kwaad dat
gij voorspelt, hangt van God [1557] af, maar gij zijt een volk, dat
beproefd wordt, door eene wisseling van voor- en tegenspoed. 49. En er
waren negen menschen in de stad, die schandelijk op de aarde handelden
en zich in niets met rechtschapenheid gedroegen. 50. Deze zeiden tot
elkander: Zweert wederkeerig bij God, dat wij Saleh en zijn gezin des
nachts zullen overvallen, en daarna zullen wij tot dengeen zeggen,
die het recht heeft zijn bloed te wreken: Wij waren volstrekt niet
tegenwoordig bij de uitroeiing van zijn gezin: en wij spreken de
waarheid. 51. En zij vormden eene samenspanning tegen hen en zij
bemerkten het niet. 52. En zie, wat was de uitkomst van hunne listen
[1558]: wij verdelgden hen geheel en al hun volk 53. En deze hunne
woningen blijven ledig, om de onrechtvaardigheid, welke zij hebben
bedreven. Waarlijk, hierin is een teeken voor hen die begrijpen. 54. En
wij bevrijdden hen, die geloofden en God vreesden. 55. En gedenk Lot,
toen hij tot zijn volk zeide: Begaat gij eene zonde, hoewel gij de
verfoeielijkheid daarvan ziet? 56. Nadert gij vol lusten de mannen en
verlaat gij de vrouwen? 57. Maar het antwoord van zijn volk was niet
anders dan dat zij zeiden: Drijft het gezin van Lot uit uwe stad;
want zij zijn menschen, die zich rein houden van de daden, welke gij
bedrijft. 58. Daarom bevrijdden wij hem en zijn gezin, behalve zijne
vrouw, omtrent welke wij besloten, dat zij een van hen zou zijn,
die achter zouden blijven om verdelgd te worden. 59. En wij deden
eene bui van steenen op hen nederregenen; en vreeselijk was de bui,
die neerviel op hen, welke te vergeefs waren gewaarschuwd geworden
[1559]. 60. Zeg: Geloofd zij God en vrede op zijne dienaren, welke
hij gekozen heeft! Is God meer waard, of de valsche goden, welke zij
met hem vereenigen? 61. Moet niet hem de voorkeur worden gegeven, die
de hemelen en de aarde heeft geschapen, en regen uit den hemel voor
u nederzendt, waardoor wij heerlijke tuinen doen voortspruiten? Het
is niet in uwe macht, de boomen daarvan te doen opgroeien. Is er een
andere god deelgenoot met den eenigen God? Waarlijk, het is een volk,
dat van de waarheid afwijkt. 62. Is niet hij waardiger te worden
aangebeden, die de aarde heeft opgericht en rivieren in haar midden
heeft doen vloeien, en onbeweegbare bergen daarop heeft geplaatst
en eene afscheiding tusschen de twee zeeën heeft gesteld [1560]. Of
is er eene andere god, die gelijk is aan den eenigen God? Maar
het grootste gedeelte van hen overdenkt niet. 63. Is niet hij de
waardigste, die den bedroefde verhoort [1561] als hij hem aanroept,
en het kwade wegneemt, dat hem bedroeft, en die u tot de opvolgers
uwer voorvaderen op de aarde heeft gemaakt? Hoe weinigen beschouwen
deze dingen. 64. Is niet hij de waardigste, die u leidt op de donkere
paden des lands en der zee, en die de winden zendt, welke de wolken
voortdrijven als de voorboden zijner genade [1562]! Is er een andere
god die met den eenigen God gelijk kan worden gesteld? Verre zij het
van God, de deelgenooten zijner macht te hebben, welke gij met hem
vereenigt. 65. Is niet hij de waardigste, die een schepsel voortbrengt
en het na den dood weder opwekt, en die u voedsel van hemel en aarde
geeft? Is er, bij den waren God een andere god, die dit doet? Zeg: Geef
uw bewijs daarvoor, indien gij de waarheid spreekt. 66. Zeg: Niemand,
in den hemel, of op aarde kent wat verborgen is behalve God. Ook
begrijpen zij niet. 67. Wanneer zij zullen worden opgewekt. 68. En
toch hebben zij door hunne kennis eenig begrip van het volgende leven;
maar zij verkeeren daaromtrent in eene onzekerheid; ja, zij zijn blind,
nopens de wezenlijke omstandigheden daarvan. 69. En de ongeloovigen
zeggen: Als wij en onze vaderen in stof zullen zijn veranderd, zullen
wij dan levend het graf ontstijgen? 70. Waarlijk, wij zijn vroeger
daarmede bedreigd, zoowel wij als onze vaderen. Dit zijn slechts
fabelen van de ouden. 71. Zeg tot hen: Gaat over de aarde, en ziet
wat het einde der zondaren was. 72. En weest niet bedroefd om hen:
voedt volstrekt geene ongerustheid over de listen welke zij tegen u
zullen uitdenken. 73. En zij zullen zeggen: Wanneer zal deze bedreiging
worden vervuld; zeg, indien gij de waarheid spreekt? 74. Antwoord:
Misschien zal een deel der straf, welke gij verlangt dat verhaast
zal worden, dicht achter u volgen. 75. Waarlijk, de Heer is vol
lankmoedigheid omtrent den mensch; maar het grootste gedeelte hunner is
niet dankbaar. 76. Waarlijk, uw Heer kent wat hunne borsten verbergen
en wat zij ontdekken; 77. En er is niets in den hemel of op de aarde
verborgen, of het is in een duidelijk boek opgeschreven. 78. Waarlijk,
deze Koran verklaart aan de kinderen Israëls het meerendeel der
punten waaromtrent zij verschillen. 79. En het is zekerlijk eene
leiding en eene genade voor de ware geloovigen. 80. Uw Heer zal den
strijd tusschen hen door zijn eind-vonnis beslissen, en hij is de
Machtige, de Wijze. 81. Stelt dus uw vertrouwen in God; want gij
steunt op de duidelijke waarheid. 82. Waarlijk, gij zult de dooden
niet hoorende maken, noch zult gij de dooven uwe oproeping tot het
ware geloof doen hooren, als zij zich verwijderen en u hunne ruggen
toewenden. 83. Ook zult gij de blinden er niet toe brengen zich uit
hunne dwaling te redden. Gij zult u door niemand doen hooren, behalve
door hen die in onze teekenen gelooven, en deze zijn geheel aan ons
onderworpen. 84. Als bet oordeel gereed zal zijn om op hen neder te
komen, zullen wij een dier [1563] uit de aarde doen voortkomen dat
tot hen zal spreken [1564]: Waarlijk, de menschen gelooven niet vast
in onze teekenen. 85. Op den dag der opstanding zullen wij uit ieder
volk degenen verzamelen, die onze teekenen van valschheid zullen
hebben beschuldigd; zij zullen verhinderd worden zich onder elkander
te mengen. 86. Tot zij op de plaats des oordeels zullen aangekomen
zijn. En God zal tot hen zeggen: Hebt gij mijne teekens van valschheid
beschuldigd, hoezeer gij die met uwe kennis niet begrijpt? Of welke
beweegreden hebt gij om aldus te handelen? 87. En het vonnis der
verdoemenis zal op hen nederkomen, omdat zij onrechtvaardig hebben
gehandeld, en zij zullen geen woord tot hunne verontschuldiging
spreken. 88. Zien zij niet dat wij den nacht hebben ingesteld, opdat
zij daarin zouden rusten, en den dag, die een groot licht geeft, om te
arbeiden. Waarlijk, hierin zijn teekenen voor hen die gelooven. 89. Op
dien dag zal de trompet klinken, en allen die in den hemel en op de
aarde zijn, zullen met schrik worden getroffen, behalve zij, wie het
Gode behagen zal daarvan uit te zonderen [1565], en allen zullen zij
in eene nederige houding voor hem komen. 90. En gij zult de bergen
zien, en gij zult u verbeelden dat zij stevig zijn bevestigd; maar
zij zullen voorbijgaan evenals de wolken voorbijgaan. Dit zal het
werk van God zijn, die alle dingen goed geschikt heeft, en hij is
wel bekend met hetgeen gij doet. 91. Hij die rechtvaardigheid zal
hebben uitgeoefend, zal eene belooning ontvangen, grooter dan de
verdienste daarvan. Deze zullen verzekerd zijn tegen de vreeselijkheid
van dien dag [1566]. 92. Maar zij die kwaad zullen hebben bedreven,
zullen op hunne aangezichten in de hel worden nedergeworpen. Zult
gij de belooning voor iets anders ontvangen dan voor datgene, wat gij
zult hebben verricht? 93. Waarlijk, mij is bevolen den Heer van dit
grondgebied (van Mekka) te vereeren, die het heeft geheiligd. Aan hem
behooren alle dingen, en mij is bevolen een Moslem te zijn. 94. En den
Koran te herinneren. Hij die daardoor zal worden geleid, zal tot zijn
eigen voordeel worden gericht, en zeg tot hem die zich zal afwenden:
Waarlijk, ik waarschuw slechts. 95. En zeg: Geloofd zij God! hij zal
u zijne teekenen toonen [1567], en gij zult die kennen, en uw Heer
is niet onopmerkzaam nopens hetgeen gij doet.



ACHT EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

DE GESCHIEDENIS (OF DE LOTGEVALLEN) [1568].

Geopenbaard te Mekka [1569].--88 verzen.


In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. T. S. M. Dit zijn de teekens van het duidelijke boek. 2. Wij
willen u, o Mahomet! sommige gedeelten van de geschiedenis van
Mozes en Pharao, met waarheid opzeggen, ten behoeve van hen, die
gelooven. 3. Pharao verhief zich in het land Egypte, en hij deed
zijn volk in afdeelingen splitsen [1570]: hij verdrukte één gedeelte
van hen [1571], door hunne kinderen te dooden en hunne vrouwelijke
kinderen te laten leven; want hij was een verdrukker. 4. En het
behaagde ons genadig te zijn nopens de zwakken van het land, en hen
tot toonbeelden van godsdienst te maken, en tot erfgenamen van de
welvaart van Pharao en zijn volk [1572]; 5. En om eene plaats voor
hen op de aarde te vestigen, en Pharao en Haman [1573] en hunne
strijdkrachten de vernietiging van hun koninkrijk en van hun volk
te vertoonen, welke zij trachtten te vermijden. 6. En wij leidden de
moeder van Mozes door openbaring, zeggende: Zoog hem, en indien gij
voor hem vreest werp hem in de rivier; vrees dan niet meer en wees
niet bedroefd; want wij zullen hem u teruggeven en zullen hem tot
een onzer gezanten aanwijzen [1574]. 7. En toen zij het kind in het
korfje gelegd en het in de rivier geworpen had, nam het gezin van
Pharao hem op, terwijl de Voorzienigheid wilde, dat hij een vijand
en eene droefheid voor hen zou worden. Waarlijk Pharao en Haman en
hunne krijgers waren zondaren. 8. En de vrouw van Pharao zeide: Dit
kind is een vermaak voor het oog, zoowel voor u als voor mij [1575]:
dood hem niet; misschien kan het gebeuren, dat hij ons van dienst zij;
of laten wij hem tot onzen zoon aannemen. En zij voorzagen de gevolgen
niet van hetgeen zij deden. 9. En het hart der moeder van Mozes werd
met vrees vervuld, en zij zou bijkans zijne afkomst hebben ontdekt,
hadden wij haar hart niet met standvastigheid gewapend, opdat zij
een van hen zou wezen, die Gods beloften gelooven. 10. En zij zeide
tot zijne zuster: Volg hem. En zij bespiedde hem op een afstand en de
anderen bemerkten het niet. 11. Wij stonden hem niet toe, de borsten
der minnen te nemen, welke verschaft waren, alvorens zijne zuster kwam
[1576] en zeide: Zal ik u tot eene min brengen die hem voor u zoogen
en zorg voor hem dragen zal? En, op hunne begeerte bracht zij zijne
moeder tot hen. 12. Zoo gaven wij hem aan zijne moeder terug, opdat
zij zich weder zou troosten en opdat zij niet bedroefd zou worden,
en opdat zij weten zou, dat de belofte van God waar was; maar het
grootste deel der menschen kent de waarheid niet. 13. En toen Mozes
zijn ouderdom van rijpheid had bereikt en tot een volwassen mensch
was geworden, schonken wij hem wijsheid en kennis; zoo beloonen wij
den deugdzame. 14. En hij ging in de stad op een tijdstip, dat de
bewoners daarvan niet opletten, wat er in de straat gebeurt [1577], en
hij vond daar twee mannen, die met elkander vochten: de een behoorde
tot zijne vijanden [1578]. En hij die tot zijn volk behoorde, riep
zijne hulp in tegen hem, die tot de tegenpartij behoorde, en Mozes
sloeg hem met de vuist en doodde hem; maar daar hij bedroefd was om
hetgeen er geschied was, zeide hij: Dit is het werk van den duivel
[1579]; want, hij is een verleider en een openbare vijand. 15. En
hij zeide: O Heer! waarlijk, ik heb mijne eigene ziel mishandeld;
vergeef mij dus. Zoo vergaf God hem: want hij is vergevensgezind en
barmhartig. 16. Hij zeide: O Heer! bij de gunsten waarmede gij mij hebt
begiftigd, ik zal in het vervolg de zondaren niet ondersteunen. 17. En
den volgenden ochtend was hij bevreesd in de stad, en toen zag hij om
zich heen, als vreesde hij gevaar; en ziet, hij dien hij den vorigen
dag had bijgestaan, riep hem toe hem ten tweeden male te helpen. Maar
Mozes zeide tot hem: Gij zijt een krakeelzuchtige. 18. En toen hij
hem, die een vijand van hen beide was, trachtte te grijpen, zeide
hij: O Mozes! wilt gij mij dooden, zooals gij gisteren een man hebt
gedood? [1580] Gij tracht slechts een verdrukker op aarde te wezen,
en zoekt niet een bijlegger van twisten te zijn. 19. Een zeker man
[1581] kwam uit een ander deel der stad haastig aanloopen en zeide:
O Mozes! waarlijk, de overheden beraadslagen nopens u, om u ter
dood te brengen. Vertrek dus: waarlijk, ik raad u wel. 20. Daarom
verliet hij de stad in groote vrees, dan eens naar dezen, dan weder
naar genen weg ziende, of men hem ook vervolgde. En hij zeide:
O Heer! verlos mij van de onrechtvaardigen. 21. En toen hij naar
Madian reisde, zeide hij: Misschien wil mijn Heer mij op den rechten
weg leiden. 22. Toen hij aan den bron van Madian was aangekomen,
vond hij, nabij haar, een gezelschap van mannen, die bezig waren
hunne kudden te drenken. 23. Bij hen vond hij twee vrouwen, die hare
schapen op eenigen afstand hielden. En hij zeide tot haar: Wat doet
gij hier? Zij antwoordden: Wij zullen onze kudden niet drenken, dan
nadat de schaapherders de hunne zullen hebben weggedreven; want onze
vader is een achtingswaardig man van hoogen ouderdom. 24. Daarop
drenkte Mozes hare schapen voor haar [1582] en leidde die daarna
in de schaduw, zeggende: O Heer! waarlijk, mij ontbreekt het goede,
dat gij mij hebt doen ontmoeten. 25. Een der meisjes kwam tot hem,
beschaamd aantredende en zeide: Mijn vader roept u, opdat hij u
zou mogen beloonen voor de moeite welke gij hebt genomen, door onze
schapen voor ons te drenken. En toen hij tot Shoaib gekomen was en
hem de geschiedenis zijner lotgevallen had verteld, zeide hij tot
hem: Vrees niet, gij zijt den onrechtvaardige ontkomen. 26. En een
der meisjes zeide: Mijn vader, neem dien man, tegen bepaald loon in
dienst; de beste dienaar dien gij kunt huren is een geschikt en trouw
persoon [1583]. 27. En Shoaib zeide tot Mozes: Waarlijk, ik wil u
eene van deze mijne twee dochters ten huwelijk geven, op voorwaarde,
dat gij mij gedurende acht jaren zult dienen, en het ligt geheel aan
u, mij tien jaren te dienen; want ik wil u geen onrecht opleggen,
en zoo het Gode behaagt, zult gij bevinden, dat ik een eerlijk man
ben. 28. Mozes antwoordde: Aldus zij het verbond tusschen mij en u,
en op welk der beide tijdstippen ik vertrek, zal er geene misdaad in
wezen indien ik dan uw dienst verlaat. God is getuige van datgene,
wat wij zeggen. 29. En toen Mozes den bepaalden tijd had bereikt
[1584], en met zijn gezin naar Egypte reisde, zag hij vuur aan de
zijde van den berg Sinaï. En hij zeide tot zijn gezin: Blijft gij
hier; want ik zie vuur: misschien kan ik eenige tijding van den
weg brengen [1585], of wel een stuk brandend hout van het vuur,
opdat gij verwarmd zoudt mogen worden. 30. En toen hij daar kwam,
riep een stem hem van de rechterzijde der vallei, op den geheiligden
bodem, uit den boom aan, zeggende: O Mozes! waarlijk, ik ben God,
de Heer van alle schepselen. 31. Werp uwen staf neder. En toen
hij zag, dat de staf zich bewoog als ware het eene slang, trok hij
terug en vluchtte, zonder zich om te keeren. En God zeide tot hem:
O Mozes! nader en vrees niet; want gij zijt in zekerheid. 32. Steek
uwe hand in uwen boezem en zij zal wit weder daaruit komen, zonder
eenig ongemak: trek uw hand tot u terug [1586], welke gij uit vrees
hebt uitgestoken. Dit zullen twee duidelijke teekens van uwen Heer
wezen voor Pharao en zijn vorsten; want zij zijn zondaren. 33. Mozes
zeide: O Heer! waarlijk, ik heb een van hen gedood en ik vrees, dat
zij mij ter dood zullen brengen. 34. Maar mijn broeder Aäron heeft
eene welsprekender tong dan ik; zend hem met mij, als een helper,
opdat hij mij geloof doe vinden; want ik vrees dat zij mij van bedrog
zullen beschuldigen. 35. God zeide: Wij zullen door uwen broeder uwen
arm sterken, en wij zullen ieder van u buitengewone macht geven, zoodat
zij nimmer in onze teekenen tegen u zullen opmogen. Gij beiden en zij,
die u zullen volgen, zullen de overwinnaars zijn. 36. En toen Mozes met
onze duidelijke teekenen tot hen kwam, zeiden zij: Dit is niets dan een
bedriegelijk goochelstuk; nimmer hebben wij onder onze voorvaderen van
iets dergelijks gehoord. 37. En Mozes zeide: Mijn Heer weet het beste,
wie met eene leiding van hem komt, en wie in dit, even als in het
volgende leven, met een goeden uitslag zal worden bekroond; maar de
onrechtvaardigen zullen geen voorspoed genieten. 38. En Pharao zeide:
O Vorsten! ik wist niet, dat gij een anderen god buiten mij bezat
[1587]. Daarom o Haman brand mij klei tot steenen en bouw mij een
hoogen toren [1588], opdat ik tot den God van Mozes moge opstijgen:
want waarlijk, ik houd hem voor een leugenaar. 39. En hij, zoowel als
zijn leger, gedroegen zich onbeschaamd en onrechtvaardig op de aarde,
en verbeeldden zich, dat zij niet voor ons zouden worden gebracht,
om gericht te worden. 40. Daarom grepen wij hem en zijn heir en
wierpen hem in zee. Onthoudt dus wat het einde der onrechtvaardigen
was. 41. En wij gaven hun bedriegelijke goden, die hunne volgers tot
de hel uitnoodigden, en op den dag des oordeels zullen zij tegen
de straf niet beschut worden. 42. Wij vervolgen hen met een vloek
in dit leven en, op den dag der opstanding zullen zij met schande
worden verworpen. 43. En wij gaven aan Mozes het boek der wet,
nadat wij de vroegere geslachten hadden verdelgd, om de harten der
menschen te waarschuwen, en tot eene leiding en tot eene genade,
opdat zij wellicht zouden nadenken. 44. Gij, o profeet, waart niet
in de westerzijde van den berg Sinaï, toen wij Mozes zijnen last
overgaven; ook waart gij geen van hen, die tegenwoordig waren toen hij
haar ontving. 45. Maar wij deden vele geslachten na Mozes' opstaan en
hun leven werd verlengd. Gij hebt niet onder de bewoners van Madian
gewoond, om hen onze teekenen te herinneren; maar wij hebben u in ieder
opzicht volkomen onderricht. 46. Ook waart gij niet aan de zijde van
den berg tegenwoordig, toen wij Mozes riepen: maar gij zijt gezonden
uit genade van uwen Heer opdat gij zoudt prediken voor een volk,
tot hetwelk voor u nog geen prediker was gekomen [1589], opdat zij
gewaarschuwd zouden worden. 47. En opdat, indien een ramp over hen
zou zijn gekomen, om hetgeen hunne handen voor bedachtelijk hebben
bedreven, zij niet zouden zeggen: O Heer! is het ons niet te vergeven,
nu gij geen gezant tot ons hebt gezonden, opdat wij uwe teekenen zouden
volgen en ware geloovigen worden? 48. Maar indien de waarheid van ons
tot hen komt, zeggen zij: Indien hij niet dezelfde macht als Mozes
ontvangt om wonderen te bewerken, zullen wij niet gelooven. Hebben
zij niet evenzoo de openbaring verworpen, die vroeger aan Mozes werd
gegeven? Zij zeggen: Twee listige bedriegerijen [1590] hebben elkander
wederkeerig ondersteund: en zij zeggen: Waarlijk wij verwerpen die
beide. 49. Zeg: Toon dan een boek van God, dat beter is dan deze twee,
opdat ik het volge, indien gij de waarheid spreekt, 50. Maar indien
zij u geen antwoord geven, weet dan, dat zij slechts hunne eigene
begeerten volgen, en wie dwaalt sterker van de waarheid af dan hij,
die zonder eene leiding van God zijne eigene begeerte volgt? Waarlijk,
God leidt de onrechtvaardigen niet. 51. En thans hebben wij ons woord
tot hen doen komen, opdat zij gewaarschuwd zouden zijn. 52. Zij aan wie
wij de schriften hebben gegeven, welke voor hen werden geopenbaard,
gelooven daarin. 53. En als deze hun worden voorgelezen, zeggen zij:
Wij gelooven daarin: het is zekerlijk de waarheid van onzen Heer;
waarlijk wij waren Moslems voor zij tot ons kwamen. 54. Dezen zullen
hunne belooning tweemaal ontvangen [1591], omdat zij hebben volhard
en het kwaad door het goede afwenden en aalmoezen uitdeelen van
datgene wat wij hun hebben geschonken. 55. En die, op het hooren
van ijdele gesprekken, deze ontwijken en zeggen: Wij hebben onze
werken en gij hebt uwe werken. Vrede zij over u [1592]! wij zoeken
niet naar betrekkingen met den onwetende. 56. Waarlijk, gij kunt niet
leiden wien gij wilt; maar God leidt wien hem behaagt, en hij weet het
beste, wie zich onderwerpen wil om geleid te worden. 57. De bewoners
van Mekka zeggen: Indien wij dezelfde richting als gij volgen, zullen
wij gewelddadig uit ons land gedreven worden [1593]. Hebben wij geene
zekere wijkplaats voor hen opgericht [1594], waarheen vruchten van
allerlei soort heenvloeien, als een bewijs onzer goedheid. Maar het
grootste deel hunner begrijpt het niet. 58. Hoe vele steden hebben
wij verwoest, wier bewoners in gemak en overvloed leefden? en hunne
woningen zijn na hen niet bewoond, uitgenomen voor een korten tijd
[1595], en wij waren de erfgenamen hunner welvaart [1596]. 59. Maar
uw Heer verwoestte deze steden niet, dan nadat hij een profeet naar
de hoofdstad had gezonden, om hun onze teekenen te herinneren. Ook
verwoestten wij die steden niet, dan nadat de inwoners hunnen
profeet hadden mishandeld. 60. De dingen, die u gegeven zijn, zijn
de genietingen van het tegenwoordige leven en zijne pracht; maar
datgene, wat met God is, is beter en duurzamer. Wilt gij dit niet
begrijpen. 61. Zal hij dus, aan wien wij eene uitnemende belofte
van toekomstig geluk hebben gedaan, en die deze zal ontvangen,
gelijk staan met hem, wien wij de genietingen van dit leven hebben
geschonken, doch die, op den dag der opstanding, een van hen zal wezen,
die aan de eeuwige straf zullen worden overgeleverd? 62. Op dien dag
zal God tot hen komen en zeggen: Waar zijn mijne deelgenooten die,
naar uwe gedachten met mij zijn? 63. En zij, over wie het vonnis der
verdoemenis rechtvaardig zal geveld zijn, zullen zeggen: Deze, o Heer,
zijn het, welke wij hebben verleid; wij verleidden hen, zoo als wij
werden verleid, maar nu verlaten wij hen geheel en wenden ons tot
u. Zij aanbaden niet ons maar hunne eigene hartstochten [1597]. 64. En
tot de afgodendienaars zal gezegd worden: Roept hen thans aan, welke
gij met God vereenigt; en zij zullen hen aanroepen; maar deze zullen
hun niet antwoorden; en zij zullen de voor hen gereed gemaakte straf
zien, zij zullen wenschen, dat zij zich hadden onderworpen om geleid te
worden. 65. Op dien dag zal God tot hen komen en zeggen: Welk antwoord
hebt gij aan onze gezanten gegeven? 66. Maar zij zullen niet in staat
zijn daarvan op dien dag rekenschap te geven [1598]. Ook zullen zij
geen ander om verlichting vragen. 67. Zij echter die berouw gevoelen,
gelooven en doen zullen wat recht is, mogen verwachten gelukkig te
zijn. 68. Uw Heer schept naar zijn welbehagen en kiest vrijelijk;
maar zij (de valsche goden) hebben geene vrije keuze. Geloofd
zij God, en verre zij hij verwijderd van de afgoden welke zij met
hem vereenigen. 69. Uw Heer kent zoowel de geheime boosaardigheid
welke zij in hunne borst verbergen, als den openbaren haat dien zij
ontdekken. 70. Hij is God; er is geen God buiten hem. Hem zij de lof,
zoowel in dit leven als in het volgende. Hem behoort het oordeel,
en voor hem zult gij op den jongsten dag worden verzameld. 71. Zeg:
denkt gij? Indien God u met eeuwigen nacht wilde bedekken tot
op den dag der opstanding welke god, buiten God zou u dan licht
brengen? Wilt gij dus niet luisteren. 72. Zeg: Wat denkt gij? Indien
God u aanhoudend dag gaf, tot den dag der opstanding, welke god,
buiten God, zou u dan nacht brengen, opdat gij daarin zoudt kunnen
rusten? Wilt gij dus niet overwegen? 73. In zijne genade heeft hij
den nacht voor u gemaakt, opdat gij daarin zoudt rusten, en den
dag, opdat gij gedurende dezen zoudt trachten door uwen arbeid,
voorraad voor u zelven van zijn overvloed te verkrijgen, en dat gij
dankbaar zoudt zijn. 74. Op een zekeren dag zal God hen oproepen en
zal zeggen: Waar zijn mijne deelgenooten, van welke gij u verbeeldt,
dat zij de goddelijke macht met mij deelen? 75. En wij zullen een
getuige uit ieder volk nemen [1599] en zeggen: Brengt hier uw bewijs
voor hetgeen gij hebt gezegd. En zij zullen weten, dat de waarheid
bij God alleen is; en de godheden welke zij uitgedacht hebben, zullen
hen verlaten. 76. Karoen behoorde tot het volk van Mozes [1600], maar
hij gedroeg zich onbeschaamd omtrent zijne stamgenooten, want wij
hadden hem zoo veel schats gegeven, dat het dragen zijner sleutels
onderscheidene sterke mannen vorderde [1601]. Toen zijn volk tot
hem zeide: Praal niet buitensporig; want God bemint dengene niet,
die overmatig op hunne rijkdommen bogen. 77. Maar tracht door de
welvaart, welke God u gegeven heeft, de toekomstige verblijfplaats
van het paradijs te verkrijgen [1602]. Vergeet uw aandeel niet in
deze wereld, maar wees goed omtrent anderen zoo als God goed omtrent
u was, en tracht niet snood op aarde te handelen; want God bemint de
snoodaards niet. 78. Hij antwoordde: Ik heb deze rijkdommen slechts
ontvangen, om de kennis, die met mij is. Wist hij niet, dat God vóór
hem reeds onderscheiden geslachten had vernietigd, die machtiger dan
hij in sterkte waren en grooteren overvloed van rijkdommen hadden
verzameld? En den zondaren zal niet gevraagd worden, hunne misdaden te
ontdekken. 79. En Karoen ging met zijne pracht onder zijn volk voort
[1603]. En zij die het tegenwoordig leven beminden, zeiden: O! hadden
wij denzelfden rijkdom, als die aan Karoen werd gegeven. Waarlijk,
hij is meester van groote schatten. 80. Maar zij, aan welke verstand
werd geschonken, antwoordden: Ongelukkigen die gij zijt! de belooning
van God in het volgende leven zal beter wezen voor hem, die gelooven
en goede werken doen zal; maar niemand zal die erlangen dan zij, die
met vastberadenheid volharden. 81. Wij spleten den grond, om hem en
zijn paleis te verzwelgen, en zijne knechten konden hem niet redden en
hij werd van de straf niet verlost. 82. Den volgenden ochtend zeiden
zij, die den vorigen dag zijnen toestand hadden benijd: Ja! waarlijk,
God schenkt eene overvloedige belooning aan dengeen die hem behaagt;
en hij is spaarzaam naar zijn welbehagen. Indien God niet genadig
omtrent ons ware geweest, waarlijk, de aarde zoude ons mede hebben
verzwolgen. Ja! de ongeloovigen zullen geen voorspoed hebben. 83. Wat
het toekomstige verblijf van het paradijs betreft, wij zullen het
hun geven, die trachten, zich op aarde niet te buiten te gaan, of
slecht te handelen; want eene gelukkige ontknooping wacht alleen den
godvruchtige. 84. Wie goed doet, zal eene belooning ontvangen, die de
verdienste daarvan zal overtreffen; maar wat hen betreft, die snood
handelen, deze zullen slechts vergolden worden, overeenkomstig datgene
wat zij zullen hebben verricht. 85. Waarlijk, hij die u den Koran heeft
gegeven, als een gids voor het geloof en het leven, zal u zeker naar
Mekka terugbrengen [1604]. Zeg: Mijn Heer weet het beste, wie met een
ware leiding komt en wie in eene duidelijke dwaling verkeert. 86. Gij
hebt niet verwacht, dat u het boek van den Koran zou worden geschonken;
maar gij hebt het door de genade van uwen Heer ontvangen. Ondersteunt
de ongeloovigen dus niet. 87. Laten zij u ook niet afwenden van Gods
teekenen, nadat die u zijn nedergezonden, en noodig de menschen tot
uwen Heer uit, en wees geen afgodendienaar. 88. Roep nimmer een anderen
god te zamen met den waren God aan; er is geen god buiten hem. Ieder
ding zal vergaan, behalve hijzelf. Hem behoort het oordeel, en voor
hem zult gij op den jongsten dag worden verzameld.



NEGEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

DE SPIN [1605].

Geopenbaard te Mekka [1606].--69 verzen.


In den naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. A. L. M. [1607] Verbeelden zich de menschen, dat het toereikend
voor hen is, te zeggen: Wij gelooven, zonder dat zij beproefd zijn
[1608]. 2. Wij beproefden vroeger degenen, die hun voorafgingen;
want God kent zekerlijk hen die oprecht zijn, en hij zal voorzeker
de leugenaars kennen. 3. Denken zij, die kwaad bedrijven, dat
zij ons zullen verhinderen, wraak op hen te nemen? Zij oordeelen
slecht. 4. Voor hen, die hopen God te ontmoeten, zal Gods bepaalde tijd
zekerlijk komen, en hij hoort en weet alles. 5. Wie er naar streeft,
den waren godsdienst voort te planten, streeft naar het voordeel van
zijne eigene ziel; want God heeft geen zijner schepselen noodig. 6. En
wat degene betreft, die gelooven en rechtvaardig handelen, wij zullen
hunne slechte daden uitwisschen, en wij zullen hun eene belooning
geven, overeenkomstig de grootste verdiensten hunner daden. 7. Wij
hebben den mensch bevolen, eerbiedig omtrent zijne ouders te zijn,
maar indien zij trachten u over te halen, om datgene met mij te
vereenigen, waarvan gij geene kennis hebt, gehoorzaam hen niet. Tot
mij zult gij terugkeeren, en ik zal u verklaren wat gij gedaan
hebt. 8. Hen, die gelooven en rechtvaardig handelen, zullen wij
zekerlijk onder de godvruchtigen het paradijs binnenleiden. 9. Er
zijn sommige menschen die zeggen: Wij gelooven in God; maar als
zulk een voor Gods zaak wordt beproefd, schat hij de vervolging
der menschen even smartelijk, als de straf van God. Als u God eenig
voordeel schenkt, zeggen zij: Waarlijk wij zijn met u. Weet God dan
niet wat in de borst zijner schepselen schuilt? 10. Waarlijk God kent
de ware geloovigen wel en hij kent de huichelaars. 11. De ongeloovigen
zeggen tot hen die gelooven: Volg onzen weg, en wij zullen uwe zonden
dragen. Zij zullen echter geenerlei deel hunner zonden dragen; want
zij zijn leugenaars. 12. Maar zij zullen zekerlijk hunne eigene
lasten dragen, en andere lasten buiten hunne eigene [1609]; en zij
zullen op den dag der opstanding nopens datgene onderzocht worden,
wat zij valschelijk hebben uitgedacht. 13. Wij zonden vroeger Noach
tot zijn volk, en hij bleef duizend jaren min vijftig jaren onder
hen [1610], en de zondvloed nam hen weg, omdat zij onrechtvaardig
handelden. 14. Maar wij bevrijden hen en degenen, welke met hem in
de ark waren, en wij maakten die [1611] tot een teeken voor alle
schepselen. 15. Wij zonden ook Abraham. Hij zeide tot zijn volk:
Dient God en vreest hem; dat zal beter voor u zijn, indien gij het
begrijpt. Gij aanbidt slechts afgoden naast God en denkt leugens
uit. 16. Waarlijk, zij welke gij naast God vereert, zijn niet in staat
u het noodige te geven. Zoekt dus het noodige bij God, dient hem,
en weest dankbaar; tot hem zult gij terugkeeren. 17. Indien gij mij
van bedrog beschuldigt, waarlijk vele volkeren vóór u hebben hunne
profeten eveneens van bedrog beschuldigd, maar alleen het openbaar
prediken, is den gezant als plicht opgelegd. 18. Zien zij niet hoe
God alle schepselen voortbrengt en die later doet herleven? Waarlijk
dit is voor God gemakkelijk. 19. Zeg: Ga over de aarde en zie hoe hij
oorspronkelijk schepselen voortbrengt, daarna zal God hen door een
nieuwe schepping doen herleven; want God is almachtig. 20. Hij zal
straffen naar zijn welbehagen, en hij zal genade hen voor dengeen
die hem behaagt. Op den dag des oordeels zult gij voor hem worden
gebracht. 21. En gij zult zijn bereik niet ontkomen: noch op aarde,
noch in den hemel [1612]. Nimmer zult gij eenigen schuts of verdediger
buiten God hebben. 22. Wat hen betreft, die niet in Gods teekenen
gelooven, of daaraan, dat zij hem bij de opstanding zullen ontmoeten,
deze zullen aan mijne genade wanhopen, en voor hen is eene pijnlijke
straf gereed gemaakt. 23. En het antwoord van zijn volk was slechts
dat zij zeiden: Doodt of verbrandt hem. Maar God redde hem van het vuur
[1613]. Waarlijk, hierin waren teekenen voor hen die geloofden. 24. En
Abraham zeide: Gij hebt afgoden naast God gekozen, uit gehechtheid aan
dit leven, welke bij u bestaat: maar op den dag der opstanding zal de
een uwer den ander verloochenen, en de een van u zal den ander vloeken;
het hellevuur zal uw verblijf wezen, en er zal niemand zijn om u te
bevrijden. 25. Lot geloofde in hem. En Abraham zeide: Waarlijk, ik
vlucht van mijn volk naar de plaats welke mijn Heer mij heeft bevolen;
want hij is de Machtige, de Wijze. 26. En wij gaven hem Izaäk en Jacob,
en wij plaatsten onder zijne nakomelingen het geschenk der profetie
en de schriften; wij gaven hem zijne belooning in deze wereld, en in
de volgende zal hij een der rechtvaardigen wezen. 27. Wij zonden ook
Lot, toen hij tot zijn volk zeide: Bedrijft gij eene zonde, welke nog
geen volk voor u heeft bedreven? 28. Nadert gij vol lusten de mannen;
valt gij hen op de groote wegen aan [1614] en begaat gij zonde in uwe
vergaderingen [1615]? En het antwoord van zijn volk was geen ander,
dan dat zij zeiden: Doe de wraak Gods op ons nederkomen, indien gij
de waarheid spreekt. 29. Lot zeide: O Heer! verdedig mij tegen dit
bedorven volk. 30. En toen onze gezanten met goede tijdingen tot
Abraham kwamen [1616], zeiden zij: Wij zullen zekerlijk de inwoners
van deze stad verdelgen; want hare bewoners zijn zondaren. 31. Abraham
antwoordde: Waarlijk, Lot woont daar. Zij hernamen: Wij weten wel wie
daarin woont; wij zullen hem en zijn gezin zekerlijk bevrijden behalve
zijne vrouw: zij zal eene van degenen zijn, die achterblijven. 32. En
toen onze gezanten tot Lot kwamen, was hij bedroefd om hen, en zijn
arm was onmachtig om hen te verdedigen [1617]. Maar zij zeiden:
Vrees niet en wees niet treurig; want wij zullen u en uw gezin
bevrijden, behalve uwe vrouw; want zij zal eene wezen van hen, die
achterblijven. 33. Wij zullen zekerlijk de wraak des hemels over
de bewoners dezer stad brengen, omdat zij zondaren waren 34. En
wij hebben daarvan een duidelijk teeken gelaten [1618] voor hen
die begrijpen willen. 35. En tot de bewoners van Madian zonden wij
hunnen broeder Shoaib, en hij zeide tot hen: O mijn volk? dient God,
verwacht den laatsten dag en zondigt niet, door snood op aarde te
handelen. 36. Maar zij beschuldigden hem van bedrog, waardoor een
storm van den hemel [1619] hen overviel; en des ochtends werden zij
in hunne woningen dood en voorover liggende gevonden. 37. En wij
verdelgden ook de stammen van Ad en Thamoed; en gij weet wel wat
er nog van hunne woningen is overgebleven. En Satan deed hen hunne
werken goed vinden en wendde hen zijwaarts van den weg der waarheid,
hoewel zij doorzicht hadden. 38. Ook verdelgden wij Karoen, en Pharao
en Haman. Mozes kwam tot hem met duidelijke wonderen. Zij gedroegen
zich echter onbeschaamd op de aarde; maar zij konden onze wraak niet
ontkomen. 39. Hen allen verdelgden wij in hunne zonden. Tegen sommigen
hunner zonden wij een hevigen wind [1620], sommigen werden door een
vreeselijken orkaan van den hemel verdelgd [1621], sommigen deden wij
door de aarde verzwelgen [1622] en sommigen van hen verdronken wij
[1623]. Nimmer was God geneigd hen onrechtvaardig te behandelen, maar
zij handelden onrechtvaardig met hunne eigene zielen. 40. Degenen,
die andere beschermers naast God nemen, gelijken op de spinnekop, die
zelve zich eene woning vervaardigt: maar het zwakste van alle huizen
is zekerlijk dat van een spinnekop, indien zij dit wisten. 41. God
kent echter de dingen, welke zij buiten hem aanroepen, en hij is de
Machtige, de Wijze. 42. Deze vergelijking stellen wij den menschen
voor; maar niemand verstaat die; behalve de denkende. 43. God
heeft de hemelen en de aarde in waarheid geschapen; waarlijk,
hierin is een teeken voor de ware geloovigen. 44. Herdenkt wat u
van het boek des Korans werd geopenbaard, en weest standvastig in
het gebed; want het gebed behoedt den mensch voor vele misdaden en
voor hetgeen laakbaar is, en de herdenkingen van God is zeker een der
belangrijkste plichten: God weet wat gij doet. 45. Twist niet met hen
die de schriften hebben ontvangen dan op de zachtste wijze [1624],
behalve met diegene van hen, welke zich slecht tegenover u gedragen,
en zeg: Wij gelooven in de openbaring, welke ons werd nedergezonden
en ook in hetgeen u werd nedergezonden. Onze God en uw God is één,
en hem zijn wij onderworpen. 46. Zoo hebben wij u het boek van
den Koran nedergezonden, en zij aan wie wij de vroegere schriften
hebben gegeven, gelooven daarin; en onder deze Arabieren zijn er ook
die daarin gelooven, en niemand verwerpt onze teekenen, behalve de
hardnekkige ongeloovigen. 47. Gij kondt geen (goddelijk) boek voor dit
lezen, noch kondt gij het met uwe rechterhand schrijven. Toen zouden
de tegensprekers terecht aan den goddelijken oorsprong daarvan hebben
getwijfeld. 48. Maar het geeft duidelijke teekens in de borst dergenen
die verstand hebben ontvangen; want niemand verwerpt onze teekenen;
behalve de onrechtvaardigen. 49. Zij zeggen: Zoolang geen teeken van
zijn Heer wordt nedergezonden, zullen wij niet gelooven. Antwoord:
Teekenen zijn alleen in de macht van God, en ik ben slechts een
openbaar prediker. 50. Is het niet toereikend voor hen, dat wij u
het boek van den Koran hebben nedergezonden om hun voorgelezen te
worden? Waarlijk, hierin is eene genade en eene vermaning voor hen
die gelooven. 51. Zeg: God is een toereikende getuige tusschen mij
en u. 52. Hij kent alles wat in den hemel en op aarde is, en zij
die in ijdele afgoden gelooven en God loochenen, zullen gestraft
worden. 53. Zij zullen van u eischen, dat gij de straf verhaast,
welke zij u tarten op hen te doen nederkomen [1625]. Indien er echter
geen bepaalde tijd voor hun uitstel ware geweest, zou de straf reeds
op hen zijn nedergekomen; maar zij zal hen zekerlijk plotseling
overvallen, en zij zullen het niet voorzien. 54. Zij eischen van u,
dat gij spoedig een wraak op hen zult doen nederkomen; maar de hel zal
de ongeloovigen zekerlijk omringen. 55. Op een zekeren dag zal hunne
straf hen plotseling overvallen; zoowel van boven hen als van onder
hunne voeten zal God hun toeroepen: Proef de vergelding van hetgeen
gij hebt bedreven. 56. O mijne dienaren, die geloofd hebt; waarlijk,
mijne aarde is ruim; dient mij dus [1626]. 57. Iedere ziel zal den
dood ondergaan; daarna zult gij tot ons terug keeren. 58. En wat hen
betreft die geloofd en rechtvaardigheid uitgeoefend zullen hebben,
wij zullen hen zekerlijk in de hoogere gedeelten van het paradijs
huisvesten; rivieren zullen onder hen stroomen, en eeuwig zullen
zij daar verblijven. Hoe heerlijk zal de belooning zijn van hen, die
rechtvaardigheid hebben uitgeoefend! 59. Die met geduld volharden en
hun vertrouwen in den Heer stellen. 60. Hoe vele dieren zijn er niet
die voor hun voedsel niet zorgen? God is het die hen en u voorziet,
en hij hoort en kent alles. 61. Waarlijk, indien gij de bewoners van
Mekka vraagt: Wie heeft de hemelen en de aarde geschapen, en de zon
en de maan gedwongen hunnen loop te volgen? zullen zij antwoorden:
God. Waarom liegen zij dan in de erkenning van andere goden? 62. God
voorziet diegenen zijner dienaren met overvloed welke hem behagen,
en is karig omtrent hen indien het hem behaagt; want God is alwetend
[1627]. 63. Waarlijk, indien gij hun vraagt: Wie zendt den regen
van den hemel en verkwikt daardoor de aarde, nadat die reeds dood
was? zullen zij antwoorden: God. Zeg: God zij geloofd! Maar het
grootste deel hunner begrijpen niet. 64. Het tegenwoordige leven is
slechts een tijdverdrijf en een spel; maar het toekomstige verblijf in
het paradijs is het werkelijke leven. Indien zij dit wisten, zouden
zij het eerste niet boven het laatste verkiezen. 65. Als zij in een
schip zeilen, roepen zij God aan, en belijden hem oprechtelijk den
waren godsdienst; maar als hij hen veilig aan land brengt, keeren zij
tot hunnen afgodendienst terug; 66. Om zich ondankbaar te betoonen voor
datgene wat wij hun hebben geschonken, en opdat zij de vermaken van dit
leven zouden mogen genieten; maar hierna zullen zij de ontknooping
kennen. 67. Zien zij niet dat wij het grondgebied van Mekka tot
eene onschendbare en zekere wijkplaats hebben gemaakt, terwijl de
menschen in den omtrek worden geplunderd? Gelooven zij daarom in
datgene wat ijdel is, en erkennen niet Gods goedheid? 68. Maar wie
is onrechtvaardiger dan hij die eene logen tegen God uitdenkt, of
de waarheid loochent, nadat die tot hem is gekomen? Is de hel niet
het verblijf voor de ongeloovigen? 69. Wie zijne uiterste pogingen
aanwendt om onzen waren godsdienst voort te planten, dien zullen wij
op onze wegen leiden; want God is met den rechtvaardige.



DERTIGSTE HOOFDSTUK.

DE GRIEKEN [1628].

Geopenbaard te Mekka. [1629].--60 verzen.


In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. A. L. M. [1630]. De Grieken zijn door de Perzen overwonnen [1631] in
een zeer nabij gelegen gedeelte van het land; maar na hunne nederlaag
zullen zij de andere op hunne beurt [1632]. 2. Binnen eenige jaren
overwinnen. Aan God behoort de beschikking hierover, zoowel voor
hetgeen voorbij is, als voor hetgeen komen zal. 3. Op dien dag zullen
de geloovigen zich verblijden 4. In het voordeel door God verleend;
want hij verleent goeden uitslag aan degene die hem behaagt, en hij
is de Machtige, de Barmhartige. 5. Dit is de belofte van God: God
zal niet in tegenspraak met zijne belofte handelen; maar het grootste
deel der menschen kennen Gods waarachtigheid niet. 6. Zij kennen het
uiterlijke aanzien van het tegenwoordige leven; maar zij zijn zorgeloos
nopens het volgende leven. 7. Overdenken zij niet bij zich zelven,
dat God de hemelen en de aarde, en ook alles wat daartusschen is,
niet anders dan in waarheid heeft geschapen en voor hen een bepaald
tijdvak aangewezen heeft? Waarlijk een groot aantal der menschen
verwerpen het geloof aan hunne toekomstige ontmoeting van den Heer bij
de opstanding. 8. Gaan zij niet over de aarde, en zien zij niet wat
het einde was van degenen die hen voorafgingen? Deze overtroffen de
bewoners van Mekka in kracht, braken de aarde open [1633] en woonden
daar in grooteren overvloed en voorspoed dan zij; en hunne gezanten
kwamen met duidelijke wonderen tot hen, en God was niet geneigd,
hen onrechtvaardig te behandelen; maar zij mishandelden hunne eigene
zielen door hun hardnekkig ongeloof. 9. En het einde van hen, die snood
gehandeld hadden, was slecht, omdat zij Gods teekens van valschheid
beschuldigden en bespotten. 10. God brengt schepselen voort en doet
die daarna tot hem terugkomen. Tot hem zult gij wederkeeren. 11. En
op den dag waarop het uur zal komen, zullen de zondaren stom van
wanhoop worden. 12. Zij zullen geene tusschenpersonen hebben onder de
afgoden welke zij met God vereenigen. En zij zullen de valsche goden
verloochenen, welke zij met hem vereenigen. 13. Op den dag waarop het
uur zal komen, zullen de ware geloovigen en de ongeloovigen gescheiden
zijn. 14. En zij die geloofd en rechtvaardigheid uitgeoefend zullen
hebben, zullen zich vermeien in een schoonen bloemgaard. 15. Maar
wat hen betreft, die niet geloofd en onze teekens en de ontmoeting in
het volgende leven verworpen zullen hebben, zij zullen aan de straf
worden overgeleverd. 16. Verheerlijkt dus God als de avond u overvalt,
en als gij des ochtends opstaat. 17. Hij zij geloofd in den hemel en
op aarde, en bij zonsondergang en als gij des middags rust. 18. Hij
brengt het levende uit het doode voort, en hij brengt het doode uit
het levende voort [1634], en hij verkwikt de aarde, nadat die dood
was. Evenzoo zult gij uit uwe graven worden voortgebracht. 19. Een
zijner teekenen is, dat hij u van stof heeft geschapen; en, onthoudt
het, gij zijt menschen geworden die over de oppervlakte der aarde zijn
verspreid. 20. En een ander zijner teekenen is, dat hij u vrouwen uit
u zelven heeft geschapen, opdat gij met haar zoudt samenwonen, en hij
heeft liefde en teederheid tusschen u geplaatst. Waarlijk, hierin zijn
teekenen voor hen die begrijpen. 21. Tot zijne teekenen behooren ook
de schepping van de hemelen en de aarde, en de verscheidenheid uwer
talen en uwe gelaatskleur. Waarlijk, hierin zijn teekenen voor menschen
van verstand. 22. En tot zijne teekenen behooren uw slaap bij nacht
en bij dag, en uwe pogingen om u van zijn overvloed te voorzien;
waarlijk, hierin zijn teekens voor hen die luisteren. 23. Onder
zijne teekens behoort ook, dat hij u den bliksem toont om schrik
te verwekken, en hoop op regen te geven, en dat hij water uit den
hemel nederzendt en daardoor de aarde verkwikt, nadat die stervende
was. Waarlijk, hierin zijn teekenen voor hen die begrijpen. 24. En
onder zijne teekenen is er een; namelijk dat de aarde en de hemel
op zijn bevel stil staan. Als hij u hierna uit de ingewanden der
aarde zal oproepen, zult gij daaruit voortkomen. 25. Aan hem zijn
allen onderworpen die zich in de hemelen en op aarde bevinden; allen
zijn hem gehoorzaam. 26. Hij is het die oorspronkelijk een schepsel
voortbrengt en daarna weder tot hem terugvoert, en dit is hem zeer
gemakkelijk. Hij eischt terecht de meest verheven vergelijking in den
hemel en op de aarde [1635], en hij is de Machtige, de Wijze. 27. Hij
stelt u vergelijkingen voor, aan u zelven ontleend. Hebt gij onder
de slaven, welke door uwe rechterhand worden bezeten, een deelgenoot
in het vermogen dat wij u hebben geschonken, zoodat gij daarvan
gelijke bezitters met hen wordt, of dat gij hen vreest, zoo als gij
elkander vreest [1636]? Zoo leggen wij onze teekens duidelijk uit,
voor hen die begrijpen. 28. Maar zij die onrechtvaardig handelen,
door anderen naast God te plaatsen, volgen hunne eigene lusten zonder
kennis; en wie zal degenen richten, welke God doet dwalen? Zij zullen
niemand hebben om hem te helpen. 29. Weest dus godvruchtig en wendt uw
aangezicht naar den waren godsdienst; de instelling van God, die den
mensch heeft geschapen om haar te omhelzen. Er is geene verandering
in hetgeen God heeft geschapen [1637]. Dit is de ware godsdienst;
maar het grootste deel der menschen weet het niet. 30. Weest tot hem
gewend en vreest hem; zijt standvastig in het gebed, en dient geene
afgoden. 31. Van hen die eene scheuring in hunnen godsdienst hebben
gemaakt, en in verschillende secten zijn verdeeld, verblijdt iedere
secte zich in hare eigen meening. 32. Als tegenspoed hen treft,
roepen zij hunnen Heer aan, zich tot hem wendende; daarna als hij
hun van zijne genade heeft doen proeven, vereenigt een deel van hen
andere godheden met hunnen Heer. 33. Om zich ondankbaar te betoonen
voor de gunsten, welke wij hun hebben geschonken. Verblijdt u dus in
de ijdele vermaken dezer wereld; maar hierna zult gij de gevolgen
kennen. 34. Hebben wij hun eenig gezag nedergezonden, dat van de
valsche goden spreekt; welke zij met hem vereenigen [1638]? 35. Als
wij de menschen de weldaden der genade doen smaken, verblijden zij
zich daarin; doch indien hun kwaad overkomt, om hetgeen hunne handen
te voren hebben bedreven, wanhopen zij [1639]. 36. Zien zij niet dat
God een overvloedigen voorraad schenkt aan degenen die hem behagen en
spaarzaam is naar zijn wil? 37. Geef hem, die met u verwant is, datgene
wat gij hem in billijkheid verplicht zijt, en ook aan den arme en den
vreemdeling; dit is beter voor hen die Gods aangezicht zoeken, en zij
zullen voorspoed genieten. 38. Wat gij in woeker zult geven [1640], om
het uwe met der menschen bezittingen te vergrooten, zal niet vergroot
worden, dan door Gods zegen; maar wat gij aan aalmoezen geeft voor Gods
zaak, daarvoor zult gij eene tweevoudige belooning ontvangen. 39. God
is het die u geschapen en van voedsel voorzien heeft; daarna zal
hij u doen sterven, en daarna zal hij u ten leven opwekken. Is er
een uwer valsche goden, die in staat is het minste dezer dingen
te doen? Geloofd zij hij en verre zij het van hem, wat zij met hem
vereenigen. 40. Verderf [1641] is te land en ter zee verschenen, om de
misdaden door menschenhanden bedreven; ten einde zij daardoor een deel
der vruchten zouden proeven van hetgeen zij hebben gewrocht, opdat zij
misschien van hunne slechte wegen zouden mogen terugkeeren. 41. Zeg:
Ga over de aarde en zie wat het einde was van hen die voor u waren: het
grootste deel hunner waren afgodendienaars. 42. Wend dus uw aangezicht
naar den rechten godsdienst, alvorens de dag kome, dien niemand van
God kan verwijderen. Op dien dag zullen zij in twee groepen worden
gescheiden. 43. Die een ongeloovige mocht zijn geweest, zal de lasten
van zijn ongeloof dragen, en die gedaan zullen hebben, wat recht is,
zullen zich rustplaatsen in het paradijs spreiden; 44. Opdat hij van
zijne overvloedige milddadigheid degenen mogen beloonen, die geloofd en
rechtvaardig gehandeld zullen hebben; want hij bemint de ongeloovigen
niet. 45. Onder zijne teekenen is er een: dat hij de winden zendt,
welkome tijding dragende van regen, opdat hij u van zijne genade zou
mogen doen proeven en opdat de schepen op zijn bevel mogen zeilen,
en gij dankbaar wezen zoudt. 46. Vóór u zonden wij gezanten onder
die verschillende volkeren; zij kwamen met duidelijke bewijzen tot
hen en wij namen wraak op degenen die zondig handelden. Het was onze
plicht de ware geloovigen te ondersteunen. 47. Het is God die de
winden zendt, en de wolken doet oprijzen, deze naar zijn welbehagen
in den hemel uitspreidt en naderhand verdrijft; en gij kunt den
regen uit haar midden zien voortkomen, en als hij dien op degenen
zijner dienaren uitgiet welke hem behagen, worden zij met vreugde
vervuld. 48. Hoewel zij, voor hij hun werd nedergezonden en vóór
dien troost, wanhopig waren. 49. Beschouw daarom de sporen van Gods
genade hoe hij de aarde verkwikt na haren kwijnenden staat. Waarlijk,
hij zal de dooden doen opstaan; want hij is almachtig. 50. Indien
wij een verzengenden wind zonden, en zij zouden hun koren zien geel
worden en verbranden, zouden zij zeker ondankbaar worden, in weerwil
onzer vroegere gunsten. 51. Gij kunt de dooden niet doen hooren, noch
kunt de dooven uwen kreet doen vernemen, als zij zich verwijderen en
u hunne ruggen toewenden. 52. Ook kunt gij den blinde niet uit zijne
dwaling leiden. Gij zult niemand hoorend maken, behalve hen die in
onze teekenen gelooven; want deze zijn ons onderworpen. 53. Het is God
die u vol zwakheid heeft geschapen, en u, na de zwakte, kracht heeft
gegeven: maar na de kracht zal hij u wederom tot zwakte terugbrengen
en tot grijze haren. Hij schept wat hem behaagt, en hij is de Wijze,
de Machtige. 54. Op den dag waarop het laatste uur zal komen, zullen
de zondaren willen zweren. 55. Dat zij niet langer dan een uur zijn
gebleven [1642]. Op dezelfde wijze spraken zij gedurende hunnen
leeftijd leugens uit. 56. Maar zij aan wie kennis en geloof werd
geschonken, zullen zeggen: Gij zijt gebleven, overeenkomstig Gods boek
[1643], tot den dag der opstanding; maar gij wist het niet. 57.Op dien
dag zal hunne verontschuldiging degenen niet helpen, die onrechtvaardig
hebben gehandeld; ook zullen zij niet meer worden uitgenoodigd, zich
bij God aangenaam te maken. 58. En thans hebben wij den mensch in dezen
Koran vergelijkingen van allerlei aard voorgesteld; maar indien gij
de ongeloovigen een vers daarvan brengt, zullen zij zekerlijk zeggen;
Gij zijt slechts verkondigers van ijdele leugens. 59. Zoo heeft God
de harten dichtgezegeld van hen die niet gelooven. 60. Maar gij,
o Mahomet, volhard met standvastigheid; want God is waar, en laten
niet zij u tot wankelen brengen, die geene zekere kennis bezitten.



EEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

LOKMAN. [1644]

Gegeven te Mekka [1645]--34 verzen.


In den naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. A. L. M. Dit zijn de teekens van het wijze boek. 2. Eene leiding
en eene genade voor de rechtvaardigen. 3. Die de tijden voor het
gebed bepaald in acht nemen, aalmoezen geven en vast overtuigd zijn
van het toekomstige leven. 4. Deze worden door hunnen Heer geleid
en zullen voorspoed genieten. 5. Er is een man die een beuzelachtig
verhaal voortplant [1646], om de menschen zonder kennis van Gods
weg af te leiden, en hem te doen bespotten. De zoodanigen zullen
eene schandelijke straf ondergaan. 6. En als hem onze teekenen worden
medegedeeld, keert hij zich met verachting af, als hoorde hij die niet,
en als ware er eene doofheid in zijne ooren. Kondig hem dus eene
gestrenge straf aan. 7. Maar zij die gelooven en rechtvaardigheid
uitoefenen, zullen tuinen des vermaaks genieten. 8. Eeuwig zullen
zij daarin verblijven. Dit is de zekere belofte van God; en hij is
de Machtige, de Wijze. 9. Hij heeft de hemelen geschapen, zonder
zichtbare zuilen om die te ondersteunen, en vastgewortelde bergen op
de aarde geplaatst opdat zij zich niet met u zoude bewegen [1647],
en hij heeft haar met alle soorten van dieren bevolkt: en wij zenden
regen van den hemel neder, en doen allerlei soorten van edele gewassen
daarop voortspruiten. 10. Dit is de schepping van God: toont mij nu wat
zij geschapen hebben, welke naast hem worden aangebeden? Waarlijk,
de goddeloozen verkeeren in eene duidelijke dwaling. 11. Daarom
schonken wij wijsheid aan Lokman [1648] en geboden hem, zeggende:
Wees God dankbaar; want wie dankbaar is, zal in het voordeel van zijn
eigen ziel wezen, en indien iemand ondankbaar mocht zijn, waarlijk,
dan volstaat God voor zich zelven; en hij is waardig geprezen te
worden. 12. En gedenk, toen Lokman tot zijn zoon zeide, terwijl
hij hem vermaande: O mijn zoon! geef God geen deelgenoot; want het
veelgodendom is eene groote snoodheid. 13. Wij hebben den mensch
bevelen gegeven nopens zijne ouders [1649], (zijne moeder bewaarde
hem in haren boezem met zwakheid en smart, en hij wordt na twee jaren
gespeend), zeggende: Wees dankbaar jegens mij en jegens uwe ouders:
Tot mij zullen allen komen om geoordeeld te worden. 14. Maar indien
uwe ouders trachten, u datgene met mij te doen vereenigen, waarvan gij
geene kennis hebt, gehoorzaam hen niet: houd hun gezelschap in deze
wereld, in hetgeen redelijk mocht wezen, maar volg den weg van hem,
die zich oprechtelijk tot mij wendt [1650]. Daarna zult gij tot mij
terugkeeren, en dan zal ik verklaren wat gij hebt bedreven. 15. O mijn
zoon! waarlijk, iedere zaak, hetzij die goed of kwaad zij, hetzij
die de zwaarte van een korrel mostaardzaad hebbe en in eene rots,
of in de hemelen of in de aarde zij verborgen, zal door God aan het
licht worden gebracht; want God is helderziende en alwetend. 16. O
mijn zoon! wees standvastig in het gebed, en beveel wat rechtvaardig
is; verbied het kwade en wees geduldig onder de rampen die u zullen
treffen: want dit is een volstrekt noodzakelijke plicht voor alle
menschen. 17. Verwring uw aangezicht niet tot verachting der menschen,
noch wandel onbeschaamd over de aarde; want God bemint den verwaanden,
den ingebeelden mensch niet. 18. Wees gematigd in uwe schreden
en verzacht uwe stem; want de onaangenaamste van alle stemmen is
zekerlijk de stem van ezels [1651]. 19. Ziet gij niet dat God alles,
wat in den hemel en op aarde is, aan uwen dienst heeft onderworpen,
en zijne gunsten overvloedig over u heeft uitgestort, zoowel uit- als
inwendig [1652]? Er zijn sommigen, die zonder kennis en zonder eene
leiding, en zonder een voorlichtend boek nopens God twisten. 20. En
als er tot hen wordt gezegd: Volgt wat God heeft geopenbaard,
antwoorden zij: Neen! wij zullen volgen wat wij hebben bevonden dat
onze vaderen deden. Maar wat! ofschoon de duivel hen tot de marteling
der hel noodigt? 21. Die zich aan God onderwerpt en rechtvaardigheid
uitoefent houdt zich aan een sterk handvatsel vast en Gode behoort
de uitkomst van alle dingen. 22. Maar wie een ongeloovige is, laat
diens ongeloof u niet bedroeven; tot ons zullen zij terugkeeren;
dan zullen wij hun verklaren, wat zij gedaan hebben; want God kent
de binnenste gedeelten van de borst der menschen. 23. Wij zullen hun
deze wereld voor een korten tijd doen genieten; daarna zullen wij
hen tot een strenge straf voeren. 24. Indien gij hun vraagt, wie de
hemelen en de aarde heeft geschapen, zullen zij zekerlijk antwoorden:
God. Zeg: God zij geloofd! maar het grootste deel hunner begrijpt het
niet. 25. Aan God behoort alles wat in den hemelen op aarde is; want
God is de Almachtige, de Prijzenswaardige. 26. Indien alle boomen
die zich op de aarde bevinden, pennen waren, en hij zou daarna de
zee tot zeven zeeën van inkt doen opzwellen, zouden Gods woorden niet
uitgeput zijn [1653]; want God is almachtig en wijs. 27. Uwe schepping
en uwe opstanding zijn hem slechts als de schepping en de opstanding
van ééne ziel [1654]. Waarlijk, God hoort en ziet alles. 28. Ziet
gij niet, dat God den dag door den nacht doet vervangen, en den
dag aan den nacht doet opvolgen, en de zon en de maan dwingt u te
dienen? Ieder dezer lichten legt zijne baan gedurende een bepaald
tijdvak af, en God is wel bekend met hetgeen gij doet. 29. Dit laat
zich verklaren door de goddelijke kennis en macht, omdat God het
ware wezen is, en omdat alles wat gij naast hem aanroept, ijdel is,
en omdat God de verhevene, de groote God is. 30. Ziet gij niet, dat
de schepen door de gunst van God de zee bevaren, opdat hij u zijne
teekenen zou kunnen toonen. Waarlijk, hierin zijn teekens voor ieder
geduldig en dankbaar mensch. 31. Als de golven hen bedekken, zooals
schaduw afwerpende wolken, roepen zij God aan, en bekeeren zich tot
den zuiveren godsdienst: maar als hij hen ongedeerd aan land brengt,
zijn er van hen, die tusschen het ware geloof en de afgoderij
twijfelen. Niemand verwerpt echter onze teekenen, behalve de
trouweloozen en de ondankbaren. 32. O menschen! vreest uwen Heer,
en ducht den dag, waarop de vader geene voldoening hoe gering ook,
voor zijnen zoon, noch een zoon voldoening voor zijnen vader zal
kunnen geven. 33. Zekerlijk, de belofte van God is waar. Laat
het tegenwoordige leven u dus niet misleiden, en laat de bedrieger
[1655] u niet omtrent God verblinden. 34. Waarlijk, de kennis van het
uur des oordeels is bij God, en hij doet den regen op zijn eigen,
bepaalden tijd nederdalen, en hij weet, wat zich in den schoot der
vrouwen bevindt. Geene ziel weet, wat zij morgen zal winnen en geene
ziel weet in welk land zij zal sterven [1656]; maar God is wijs en
volkomen bekend met alle dingen.



TWEE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

DE AANBIDDING [1657].

Gegeven te Mekka.--30 verzen.


In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. A. L. M. De openbaring van dit boek, dit lijdt geen twijfel, is
van den Heer van alle schepselen. 2. Zullen zij zeggen: Mahomet heeft
het uitgedacht? Neen, Mahomet! het is de waarheid van uwen Heer,
opdat gij zoudt prediken voor een volk, tot hetwelk vóór u geen
prediker werd gezonden [1658]; opdat zij ten goede geleid mochten
worden. 3. God is het, die de hemelen en de aarde heeft geschapen en
alles wat daartusschen is, in zes dagen, en toen zijn troon beklom;
gij hebt geen schuts of tusschenpersoon buiten hem. Wilt gij dit
niet bedenken? 4. Hij regeert alle dingen, van den hemel tot de
aarde: hierna zal alles tot hem terugkeeren, op den dag, welks
lengte duizend jaren zal wezen [1659], van diegene volgens welke gij
rekent. 5. Hij is het, die de toekomst en het tegenwoordige kent; de
Machtige de genadige. 6. Hij is het, die ieder ding dat hij schiep,
buitengewoon goed gemaakt en den mensch het eerst van klei gevormd
heeft. 7. En daarna zijne nakomelingschap uit een uittreksel van
een verachtelijken droppel water maakte [1660]. 8. Hem daarna in
een geschikten vorm bracht, hem van zijn geest inblies, en u de
zintuigen van het gehoor en gezicht heeft geschonken, en harten om
te verstaan. Hoe weinig dankbaar zijt gij daarvoor! 9. En zij zeggen:
Als wij in de aarde bedolven zullen liggen, zullen wij dan als nieuwe
schepsels worden opgewekt? 10. Ja, zij loochenen de ontmoeting van
hunnen Heer bij de opstanding. 11. Zeg: De engel des doods, die boven
u is gesteld, zal u doen sterven: dan zult gij tot uwen Heer worden
teruggebracht. 12. Indien gij het zoudt kunnen aanschouwen, als de
zondaren hunne hoofden voor hunnen Heer zullen nederbuigen, zeggende:
O Heer! wij hebben gezien en wij hebben gehoord; sta ons dus toe in de
wereld terug te keeren en wij zullen doen wat recht is, nu wij zeker
zijn van de waarheid van hetgeen ons werd gepredikt, dan zoudt gij een
verbazend gezicht zien. 13. Indien het ons zou hebben behaagd, hadden
wij zekerlijk iedere ziel hare leiding gegeven; maar het woord dat van
mij is uitgegaan, moest noodzakelijk worden vervuld, toen ik namelijk
zeide: Waarlijk ik zal de hel met geniussen en menschen te zamen vullen
[1661]. 14. Proef dus de marteling welke voor u is gereed gemaakt,
dewijl gij het komen van dezen uwen dag hebt vergeten: wij hebben ook
u vergeten. Proef dus de eeuwig durende straf voor hetgeen gij hebt
verricht. 15. Waarlijk, zij alleen gelooven in onze teekenen, die,
wanneer zij daardoor gewaarschuwd worden, in aanbidding nederzinken,
den lof van hunnen Heer verkondigen en niet van trotschheid zijn
vervuld. 16. Die hunne lichamen van hunne bedden opheffen, onder het
aanroepen van hunnen Heer met vrees en hoop; die aalmoezen uitdeelen
van hetgeen wij hun hebben geschonken. 17. Geene ziel [1662] kent de
volkomen voldoening, die heimelijk voor hen (de deugdzamen) is gereed
gemaakt als eene belooning voor hetgeen zij hebben verricht. 18. Zal
dus hij, die een waar geloovige is, als degeen wezen, die een
goddelooze zondaar is. Zij zullen niet gelijk staan. 19. Wat hen
betreft, die gelooven en doen wat rechtvaardig is, zij zullen tuinen
van eeuwig verblijf bezitten, als eene ruime belooning, voor hetgeen
zij hebben verricht. 20. Maar wat hen betreft, die goddeloos zondigen,
hun verblijf zal het hellevuur wezen. Zoo dikwijls zij zullen trachten
daaruit te gaan, zullen zij daarin teruggesleept worden, en men zal tot
hen zeggen: Proeft de marteling van het hellevuur, welke gij als eene
logen verwerpt. 21. En wij zullen hun de lichtere straf dezer wereld
doen lijden, buiten de strengere straf der volgende wereld; misschien
zullen zij berouw gevoelen. 22. Wie is onrechtvaardiger dan hij, die
door de teekens van zijnen Heer is gewaarschuwd en zich daarna er van
afwendt? Wij zullen zekerlijk wraak nemen op de zondaren? 23. Wij gaven
vroeger het boek der wet aan Mozes; verkeer dus niet in twijfel omtrent
de openbaring daarvan, en wij gelastten, dat het eene leiding voor de
kinderen Israëls zou zijn. 24. En wij wezen leeraren onder hen aan,
die het volk op ons bevel zouden leiden, indien zij met geduld volhard
en standvastig in onze teekenen geloofd zouden hebben. 25. Waarlijk,
uw Heer zal tusschen hen richten op den dag der opstanding, nopens
datgene, waaromtrent zij hebben verschild. 26. Is het hun niet bekend,
hoe vele geslachten wij voor hen hebben verdelgd, door welker woningen
zij wandelen [1663]? Waarlijk, hierin zijn teekenen: zullen zij dus
niet luisteren? 27. Zien zij niet dat wij den regen over een land
voeren, dat van gras ontbloot en uitgedroogd is, en daaruit graan
voortbrengen, waarvan hun vee en ook zij eten? Zullen zij dit niet
overwegen? 28. De ongeloovigen zeggen tot de ware geloovigen: wanneer
zal deze beslissing tusschen ons plaats hebben, indien gij de waarheid
spreekt? 29. Antwoord: Op den dag dier beslissing [1664] zal het geloof
van hen, die niet geloofd zullen hebben, hun niet baten: ook zullen
zij geen langer uitstel ontvangen. 30. Vermijdt hen dus, en verwacht
den uitslag. Waarlijk, zij verwachten eenig voordeel op u te behalen.



DRIE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

DE VERBONDENEN [1665].

Geopenbaard te Medina--73 verzen.


In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. O profeet! vrees God, en gehoorzaam de ongeloovigen en de
huichelaars niet [1666]. Waarlijk, God is alwetend en wijs. 2. Maar
volgt datgene, waar u van uwen Heer is geopenbaard; want God is
wel bekend met hetgeen gij doet. 3. Stelt uw vertrouwen in God;
want God is een voldoende beschermer. 4. God heeft den mensch geene
twee harten gegeven; ook heeft hij uwe vrouwen (van welke sommigen
uwer zich scheiden, haar daarna als hunne moeders aanziende)
niet tot uwe ware moeders gemaakt, ook heeft hij uwe aangenomen
zonen niet tot uwe ware zonen gemaakt [1667]. Dit zijn slechts
de woorden die in uwen monden zijn; maar God spreekt de waarheid,
en hij leidt op den rechten weg. 5. Noemt hen die aangenomen zijn,
de zonen hunner wezenlijke vaders, die zal rechtvaardiger zijn in de
oogen van God. En indien gij hunne vaders niet kent, laat hen dan
zijn als broeders in den godsdienst en uwe makkers; en er zal geen
misdaad in liggen dat gij op deze wegen dwaalt [1668]; maar wat uwe
harten opzettelijk ontwerpen zal misdadig zijn; want God is genadig
en barmhartig. 6. De profeet is den waren geloovigen nader dan hunne
eigene zielen [1669] en zijne vrouwen zijn hunne moeders [1670]. Zij
die door bloedverwantschap zijn verbonden, zijn, overeenkomstig het
boek van God, elkander nader verwant dan de andere ware geloovigen en
de Moharejun [1671]; maar doet wat voegzaam en redelijk is omtrent
uwe verwanten in het algemeen. Dit wordt in Gods boek opgeschreven
[1672]. 7. Gedenkt, toen wij het verbond van de profeten aannamen,
en van u, o Mahomet! en van Noach, en Abraham, en Mozes en Jezus
den zoon van Maria, en een standvastig verbond van hen ontvingen
[1673]. 8. Opdat God de waarheidsprekers omtrent hunne waarachtigheid
zou kunnen ondervragen [1674]. En hij heeft eene smartelijke straf
voor de ongeloovigen gereed gemaakt. 9. O ware geloovigen! herdenkt
Gods gunst omtrent u, toen legers van ongeloovigen tegen u opkwamen
[1675], en wij zonden hun een wind, en scharen van engelen, welke gij
niet zaagt [1676]. En God onthield wat gij deedt. 10. Toen zij tegen
u opkwamen, van boven u en van onder u, en toen uw gezicht beneveld
werd en uwe harten u, door vrees, tot in uwe keelen stegen, en gij
omtrent God verschillende denkbeelden uitdacht. 11. Toen werden
de ongeloovigen beproefd, en met eene hevige beving tot sidderen
gebracht. 12. En toen de huichelaars, en zij in wier hart een gebrek
huisde zeiden: God en de gezanten hebben u slechts eene bedriegelijke
belofte gedaan. 13. En toen een partij van hen zeide: [1677] O bewoners
van Yathreb [1678] er is hier geen plaats van zekerheid voor u; keert
dus terug naar huis. En een deel van hen vroeg verlof van den profeet
om te mogen vertrekken, zeggende: Waarlijk, onze huizen zijn zonder
verdediging en aan den vijand blootgesteld; maar zij waren niet zonder
verdediging en hunne bedoeling was slechts te ontvluchten. 14. Indien
op dat oogenblik de vijand van de aangrenzende gedeelten de stad
waren binnengetrokken; en men had hun gevraagd, de ware geloovigen te
verlaten en tegen hen te strijden, zouden zij zekerlijk daarin hebben
toegestemd; maar in dat geval waren zij er niet in gebleven [1679]
dan voor een korte poos. 15. Zij hadden vroeger een verbond met God
gesloten, dat zij hunne ruggen niet zouden keeren; en de nakoming
van hun verbond met God zal hier namaals worden onderzocht. 16. Zeg:
De vlucht zal u van geen voordeel zijn. Indien gij den dood of het
gevecht ontvlucht, zult gij slechts weinig van het leven in deze
wereld genieten. 17. Zeg: Wie is het die u tegen God zal verdedigen,
indien het hem behaagt u met kwaad te treffen, of indien het hem
behaagt u genade te betoonen? Zij zullen buiten God niemand vinden,
om hen te beschutten of te ondersteunen. 18. God kent reeds degenen
onder u, die anderen verhinderen zijnen profeet te volgen, en die
tot hunne broeders zeggen: Komt hier tot ons; en die niet dan op
flauwe wijze in den slag komen [1680]. 19 Dit is, omdat zij gierig
omtrent u zijn [1681]; maar als de vrees hen bereikt, ziet gij hen
naar u opzien om hulp; hunne oogen rollen dan als de oogen van hem
die op sterven ligt. Doch als hunne vrees voorbij is, varen zij met
scherpe tongen tegen u uit, terwijl zij vol begeerte zijn omtrent het
beste en meest waardige gedeelte van den buit. Dezen gelooven niet
oprechtelijk; daarom heeft God hunne werken krachteloos gemaakt, en
dit is God gemakkelijk. 20. Zij verbeeldden zich, dat de verbondenen
niet zouden aftrekken en het beleg opheffen; en indien de verbondenen
ten tweedenmale opkwamen, zouden zij wenschen in de woestijn te wezen,
onder de Arabieren die in tenten wonen [1682] en daar slechts naar
nieuws van u te vernemen; want hoewel zij dien tijd met u waren,
vochten zij niet dan flauw. 21. Gij hebt in Gods gezant een uitmuntend
voorbeeld voor hem, die op God en op den laatsten dag hoopt, en God
dikwijls herdenkt. 22. Toen de ware geloovigen de verbondenen zagen,
zeiden zij: Dit is wat God en zijn profeet ons hebben voorspeld
[1683]. God en zijn profeet hebben de waarheid gesproken, en het
vermeerdert slechts hun geloof en hunne onderwerping aan God. 23. Van
de ware geloovigen vervullen sommigen rechtschapen wat zij God hebben
beloofd [1684]; sommigen van hen hebben hunne loopbaan geëindigd
[1685], en sommigen van hen verwachten hetzelfde voordeel [1686],
en zij veranderen hunne belofte niet, door daarvan in het minst af
te wijken. 24. God zal degenen die hun verbond rechtschapen zijn
nagekomen, voor hunne getrouwheid beloonen en de huichelachtigen
straffen, of, naar zijn welbehagen hun genade schenken; want God is
vergevensgezind en genadig. 25. God heeft de ongeloovigen met hunne
woede teruggedreven. Zij verkregen geen voordeel uit dien krijg, en
God was een toereikende beschermer voor de geloovigen in den slag;
want God is sterk en machtig. 26. Hij deed degenen van hen die de
schriften hebben ontvangen en de verbondenen ondersteunden, uit hunne
sterkten komen [1687]. en hij wierp schrik en verslagenheid in hunne
harten; gij versloegt een deel van hen, en een deel van hen maaktet
gij krijgsgevangenen. 27. God heeft u hun land, hunne huizen en hunne
welvaart doen erven, en een land, dat gij nog niet betreden hebt
[1688]; want God is almachtig. 28. O profeet! zeg tot uwe vrouwen:
Indien gij naar dit leven en zijne pracht streeft, komt, en ik zal u
een schoon deel en een eervol ontslag geven [1689]. 29. Maar indien
gij God en zijn profeet zoekt en ook het volgende leven, waarlijk,
dan heeft God voor haar van u, die deugd betracht een groote belooning
gereed maakt. 30. O vrouwen van den profeet! wie uwer eene duidelijke
zonde zal bedrijven, daarvoor zal de straf tweevoudig toegepast
worden [1690]; en dit is gemakkelijk voor God. 31. Maar wie u
gehoorzaam zal wezen aan God en zijn gezant, en doen wat recht is,
deze zullen wij hare belooning tweemaal geven [1691], en wij hebben
een onbekrompen deel in het paradijs voor haar gereed gemaakt. 32. O
vrouwen van den profeet! gij zijt niet gelijk andere vrouwen. Indien
gij God vreest, toont dan niet te veel voorkomendheid in uwe woorden,
opdat de man, in wiens hart een gebrek huist, geene begeerte hebbe;
maar spreekt eene gepaste taal. 33. Zit gerust in uwe huizen, en
geeft u niet over aan de uiterlijke praal van de vroegere tijden van
onwetendheid [1692]; neemt de bepaalde tijden voor het gebed in acht,
geeft aalmoezen en gehoorzaamt God en zijn gezant; want God begeert
alleen de schande der ijdelheid van u af te nemen, nu gij tot het
gezin van den profeet behoort, en u door eene volkomen zuivering
te reinigen. 34. En herdenkt wat in uwe huizen is gelezen van Gods
teekenen, en van de wijsheid in den Koran geopenbaard is; want God
is scherpziende en wel bekend met uwe daden. 35. Waarlijk de Moslems
van beiderlei kunne en de ware geloovigen van beide geslachten,
en de vrome mannen en de godvruchtige vrouwen, en de mannen van
rechtvaardigheid en de vrouwen van rechtvaardigheid en de nederige
mannen en vrouwen, en de gevers van aalmoezen van beiderlei kunne,
en de mannen en vrouwen die vasten, en de kuische mannen en de
kuische vrouwen, en degenen van beiderlei kunnen die God dikwijls
gedenken, voor dezen heeft God vergiffenis gereed gemaakt en eene
groote belooning. 36. Het is niet gepast voor een waar geloovige,
onverschillig van welke kunne, als God en zijn gezant eene zaak hebben
besloten, dat zij de vrijheid nemen hunne eigene keuze te volgen. Wie
aan God ongehoorzaam is en aan zijn gezant, dwaalt waarlijk met eene
duidelijke dwaling. 37. En gedenk, toen gij zeidet tot hem, omtrent
wien God barmhartig is geweest [1693] en aan wien gij mede gunsten
hebt verleend [1694]. Behoud uwe vrouw voor u zelven en vrees God: en
gij datgene in uw gemoed verbergdet, wat God bepaald had, dat ontdekt
zou worden, en de menschen vreesdet, terwijl het rechtvaardiger ware
geweest, God te vreezen. En toen Zeïd omtrent hare zaak had besloten,
en vastgesteld had, zich te laten scheiden, verbonden wij haar door
het huwelijk aan u, opdat er geene misdaad op de ware geloovigen
zou worden geladen, door het huwen van de vrouwen hunner aangenomen
zonen, nadat zij verstooten waren [1695]; en het bevel van God werd
vervuld. 38. Er wordt geene misdaad op den profeet geladen, door te
doen hetgeen God hem heeft veroorloofd overeenkomstig het Godsbevel,
met betrekking tot hen die hem voorafgingen (want het bevel van
God is een bepaald besluit). 39. Voor hen, die de boodschappen van
God brachten en hem vreesden, en niemand vreesden buiten God. God
volstaat voor allen. 40. Mahomet is niet de vader van een uwer, maar
de gezant van God, en het zegel der profeten [1696]. God kent alle
dingen. 41. O ware geloovigen! herdenkt God dikwijls, en verkondigt
zijn lof des ochtends en des avonds. 42. Hij is het, die barmhartig
voor u is, en zijne engelen zijn uwe bemiddelaars, opdat hij u uit de
duisternis tot het licht zou mogen leiden; en hij is barmhartig omtrent
de ware geloovigen. 43. Hunne groete op den dag, waarop zij hem zullen
ontmoeten, zal wezen: Vrede! en hij heeft eene eervolle belooning voor
hen gereed gemaakt. 44. O profeet! Waarlijk, wij hebben u gezonden,
om een getuige, een overbrenger van goede tijdingen, en een verkondiger
van bedreigingen te wezen. 45. Gij zijt een uitnoodiger tot God, door
zijn welbehagen, en een schijnend licht. 46. Breng dus goede tijdingen
tot de ware geloovigen, dat zij grooten overvloed van God zullen
ontvangen. 47. En gehoorzaam niet de ongeloovigen en de huichelaars,
en, geef geen acht op hunne slechte behandeling: maar vertrouw op
God: Gods ondersteuning is volstaande. 48. O ware geloovigen! indien
gij vrouwen huwt, die geloovig zijn en haar daar na verstoot zonder
haar te hebben aangeraakt, dan is u niets voorgeschreven, wat gij
na hare echtscheiding, omtrent haar hebt te vervullen [1697]; maar
geeft haar een geschenk [1698] en ontslaat haar vrijelijk met een
eervol ontslag. 49. O profeet! wij hebben u uwe vrouwen toegestaan,
aan welke gij haren bruidschat hebt gegeven, en ook de slaven welke
door uwe rechterhand worden bezeten, van den buit dien God u heeft
verleend [1699], en de dochters uwer ooms, en de dochters uwer moeien,
zoowel van vaders zijde, als van moeders zijde, die met u van Mekka
zijn gevlucht, en elke andere geloovige vrouw, indien zij zich aan
den profeet overgeeft [1700], voor het geval, dat de profeet haar tot
zijne vrouw wil nemen. Dit is een bijzonder voorrecht, dat u boven
de overige ware geloovigen is verleend [1701]. 50. Wij weten wat
wij hun nopens hunne vrouwen hebben bevolen, en omtrent de slaven,
welke door hunne rechterhand worden bezeten, opdat het u tot geene
misdaad zou worden aangerekend, indien gij van het u verleende
voorrecht gebruik maakt; want God is barmhartig en genadig. 51. Gij
moogt de beurt van dezulke uwer vrouwen uitstellen, als u mocht behagen
en gij moogt haar tot u nemen, die u zal behagen en haar, die gij
zult begeeren van degenen, welke gij vroeger verworpen hebt, en er
zal daarin geene misdaad voor u liggen [1702]. Dit zal gemakkelijker
zijn, opdat zij geheel tevreden mogen wezen, en niet bedroefd worden,
om hetgeen gij elke van haar zult geven, God kent alles wat in uwe
harten is, en God is alwetend en barmhartig. 52. Het zal u niet
geoorloofd wezen, daarna andere vrouwen te nemen  [1703], noch eene
uwer vrouwen tegen andere te ruilen, niettegenstaande hare schoonheid
u behage, behalve de slaven welke door uwe rechterhand zullen worden
bezeten. En God merkt alle dingen op. 53. O ware geloovigen! treedt
de huizen van den profeet niet binnen, tenzij het u geoorloofd worde
met hem te eten, zonder den gepasten tijd af te wachten; maar als
gij uitgenoodigd zijt, treedt dan binnen. En als gij zult gegeten
hebben, scheidt dan van elkander, en blijft niet om vertrouwelijke
gesprekken aan te knoopen, want dit doet den profeet ongemak aan. Hij
schaamt zich, u te verzoeken weg te gaan; maar God schaamt zich niet
de waarheid te zeggen. En als gij zijne vrouwen iets wilt vragen,
vraagt het haar dan achter een gordijn [1704]. Dit zal zuiverder voor
uwe harten en de hare wezen. Het is niet gepast voor u, den profeet
van God eenig ongemak aan te doen, of zijne vrouwen na hem te huwen
[1705]; want dit zou eene bedroevende zaak voor het gezicht van God
wezen. 54. Hetzij gij eene zaak vertoont of dit verbergt, waarlijk, God
kent alle dingen. 55. Er zal geene misdaad in liggen, noch voor hare
vaders, noch hare zoons, noch hare broeders, of hare broeders zonen,
of hunne vrouwen, of de slaven welke hare rechterhand zal bezitten,
met haar te spreken [1706], terwijl zij ongesluierd zijn. Vreest God
[1707]; want God is getuige van alle dingen. 56. Waarlijk, God en
zijne engelen zegenen den profeet. O ware geloovigen! zegent hem
mede en groet hem met eene eerbiedvolle groete [1708]. 57. Wat hen
betreft die God en zijn profeet beleedigen, God zal hen in deze
en in de volgende wereld vloeken, en hij heeft eene schandelijke
straf voor hen gereed gemaakt. 58. En zij die de ware geloovigen,
van welke kunne ook, zullen beleedigen, zonder dat zij dit verdienen,
zullen zekerlijk de schuld van laster en van eene klaarblijkelijke
onrechtvaardigheid dragen. 59. O profeet! spreek tot uwe vrouwen,
en uwe dochters, en de vrouwen der ware geloovigen, dat zij hare
opperkleederen omslaan [1709] indien zij naar buiten wandelen;
dit zal geschikter zijn om haar als huisvrouwen van eerbaar gedrag
te doen kennen, opdat zij niet door onwelvoegelijke woorden of
daden beleedigd worden, God is barmhartig en genadig. 60. Waarlijk,
indien de huichelaars, en zij, in wier harten een gebrek huist, en
zij die onrust te Medina veroorzaken, niet ophouden, zullen wij u
zekerlijk tegen hen opwinden om hen te tuchtigen; voortaan zal het
hun niet veroorloofd wezen nabij u daarin te wonen, behalve voor
een korten tijd. 61. En zij zullen vervloekt wezen; waar zij ook
zullen gevonden worden, zal men hen grijpen en met eene algemeene
slachting dooden. 62. Overeenkomstig de uitspraak van God nopens hen,
die vroeger bestonden: en gij zult geenerlei verandering in Gods
uitspraak vinden. 63. De menschen zullen u ondervragen nopens de
nadering van het laatste uur; antwoord: Waarlijk, de kennis daarvan
is alleen met God, en hij zal u niet onderrichten; misschien is
het uur nabij. 64. Waarlijk, God heeft de ongeloovigen gevloekt en
een fel vuur voor hen gereed gemaakt. 65. Eeuwig zullen zij daarin
verblijven, en zullen geen schuts of verdediger vinden. 66. Op den dag,
waarop hunne aangezichten in het hellevuur zullen worden gewenteld:
zullen zij zeggen: O dat wij God en zijn gezant slechts gehoorzaamd
hadden! 67. En zij zullen zeggen: O Heer! Waarlijk, wij hebben onzen
vorsten en onzen grooten mannen gehoorzaamd, en zij hebben ons van
den rechten weg afgeleid. 68. Heer, geef hun het dubbele onzer straf,
en vloek hen met een zwaren vloek! 69. O ware geloovigen! weest niet
als zij, die Mozes beleedigden; maar God zuiverde hem van de lastering,
welke zij nopens hem hadden gesproken [1710], en hij werd in Gods oog
geacht [1711]. 70. O ware geloovigen! vreest God en laat de waarheid
uwe woorden besturen. 71. Opdat God uwe werken voor u moge verbeteren,
en u uwe zonden vergeven; en wie God en zijn gezant gehoorzaamt,
zal eene groote gelukzaligheid genieten. 72. Wij stelden het geloof
aan de hemelen, de aarde en de bergen voor, en zij weigerden zich er
mede te belasten, en waren er bevreesd voor. De mensch belastte er
zich mede [1712]; doch niettemin handelde hij onrechtvaardig omtrent
zich zelven en dwaas [1713]. 73. God zal de huichelachtige mannen en de
huichelachtige vrouwen, en de afgodendienaars en de afgodendienaressen
straffen, en God zal zich tot de ware geloovigen wenden, zoowel de
mannen als de vrouwen; want God is genadig en barmhartig.



VIER EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

SABA [1714].

Geopenbaard te Mekka.--54 verzen.


In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God,

1. Geloofd zij God, aan wien alles behoort, wat in de hemelen en op
aarde is, en geloofd zij hij in de volgende wereld; want hij is wijs
en alwetend. 2. Hij kent alles wat de aarde binnentreedt [1715], en
alles wat daaruit komt [1716], en alles wat van den hemel nederdaalt
[1717], en alles wat daarheen opstijgt [1718]. Hij is barmhartig en
vergevensgezind. 3. De ongeloovigen zeggen: Het uur des oordeels zal
tot ons niet komen. Antwoord: Ja! bij mijn Heer, het zal zekerlijk
tot u komen: hij is het die de verborgen geheimen kent, zelfs tot
het gewicht van een atoom, hetzij zich dit in den hemel of op aarde
bevindt; ieder ding hetzij het kleiner of grooter dan dit mocht
zijn, is hem bekend, en het is opgeschreven in het duidelijke boek
zijner besluiten. 4. Opdat hij hen moge beloonen, die geloofd en
rechtvaardigheid uitgeoefend hebben; zij zullen vergiffenis en eene
eervolle belooning ontvangen. 5. Maar zij, die trachten onze teekenen
krachteloos te doen zijn, zullen de straf eener pijnlijke marteling
ontvangen. 6. Zij, aan wie de kennis is gegeven, zien dat het boek,
hetwelk u van uwen Heer werd geopenbaard, de waarheid is en op den
glorierijken en loffelijken weg leidt. 7. De ongeloovigen zeggen
tot elkander: Zullen wij u een man toonen, die u zal profeteeren,
dat als gij door een volkomen bederf zult zijn uiteengerukt, gij
als een nieuw schepsel zult opstaan? 8. Hij heeft eene leugen nopens
Gods uitgedacht, of liever hij is bezeten. Zeg: Zij, die niet in het
volgende leven gelooven, zullen in straf en eene eindelooze dwaling
vervallen. 9. Hebben zij dus niet overwogen, wat voor hen is en wat
achter hen is, van den hemel en de aarde? Indien het ons behaagt,
zullen wij de aarde zich doen openen en hen verzwelgen, en zullen
wij een deel des hemels op hen doen nedervallen; waarlijk hierin is
een teeken voor iederen dienaar, die zich tot God keert. 10. Wij
schonken vroeger aan David van onze uitnemende gaven en zeiden: O
bergen! zingt beurtelings lofliederen met hem; en wij dwongen ook
de vogels zich daarbij te voegen [1719]. En wij maakten het ijzer
zacht voor hem, zeggende: Maak hiervan volkomen maliënkolders [1720],
en schik de kleine plaatjes waaruit zij zijn samengesteld, op juiste
wijze, en oefen rechtvaardigheid uit, o gezin van David! want ik zie
wat gij doet. 11. En wij onderwierpen den wind aan Salomo [1721]; des
ochtends gedurende eene maand, en des avonds gedurende eene maand. En
wij maakten eene fontein van gesmolten koper, om voor hem te vloeien
[1722]. En sommige der geniussen waren door den wil van zijn Heer
verplicht, in zijne tegenwoordigheid te arbeiden, en wie van hen zich
van ons bevel afwendde, zullen wij de pijn van het hellevuur doen
proeven. 12. Zij maakten voor hem wat hem behaagde, zooals paleizen
en standbeelden [1723], en groote schotels, als vischvijvers [1724],
en ketels, die vaststonden op hunne treeften [1725] en wij zeiden:
Oefen rechtvaardigheid uit, o gezin van David! en wees dankbaar;
want weinigen mijner dienaren zijn dankbaar. 13. Toen wij hadden
besloten, dat Salomo zou sterven, ontdekte hun niets zijnen dood,
behalve het kruipend gedierte der aarde, dat zijn staf doorknaagde
[1726]. En toen zijn lijk nederviel, begrepen de geniussen volkomen,
dat, indien zij hadden geweten wat geheim is, zij niet zoolang in
die vernederende straf waren gebleven [1727]. 14. De afstammelingen
van Saba [1728] hadden vroeger een waarschuwend teeken in hunne
woonplaats: namelijk twee tuinen, aan de rechter- en aan de linkerhand
[1729]. Er werd hun gezegd: Eet van den overvloed van uwen Heer,
en weest hun dankbaar: gij hebt een goed land en een barmhartig
Heer. 15. Maar zij wenden zich af van hetgeen wij hun hadden bevolen
weshalve wij de overstrooming van de al Arem [1730] tegen hen zonden;
en wij veranderden hunne twee tuinen voor hen, in twee tuinen die
bittere vruchten voortbrachten, tamarissen [1731] en eenige kleine
vruchten van den lotusboom. 16. Dit gaven wij hun als vergelding,
omdat zij ondankbaar waren. Wordt iemand zoo vergolden, behalve de
ondankbare? 17. En wij plaatsten tusschen hen en de steden welke
wij gezegend hebben [1732], (bloeiende bij elkander gelegen steden)
en wij maakten de reis daartusschen gemakkelijk; zeggende: Reist er
door des nachts en des daags, in zekerheid. 18. Maar zij zeiden! O
Heer! plaats een grooteren afstand tusschen onze wegen, en zij waren
onrechtvaardig omtrent zich zelven. Wij maakten hen tot eene bespotting
onder de volkeren en wij verspreidden hen met eene geheele verstrooiing
[1733]. Waarlijk, hierin zijn teekens voor ieder lijdzaam en dankbaar
mensch. 19. En Eblis vond, dan zijne meening omtrent hen, waar was
[1734]. Allen volgden hem, behalve een deel der ware geloovigen
[1735]. 20. Hij had echter geene macht over hen, behalve om hen in
verzoeking te brengen, opdat wij dengeen zouden mogen onderkennen, die
in het toekomstige leven gelooft, van hem, die daaraan twijfelt. Uw
Heer merkt alle dingen op. 21. Zeg tot de afgodendienaren: Roept hen
aan, welke gij u verbeeldt goden te zijn naast God: zij zijn geene
meesters over de zwaarte van een atoom in den hemel of op aarde,
noch hebben zij eenig deel in de schepping of de regeering daarvan,
noch is een van hen helper daarbij. 22. In zijne tegenwoordigheid zal
geene voorspraak van dienst wezen, behalve de bemiddeling van hem,
aan wien God verlof zal geven om voor anderen tusschen beiden te
treden [1736]. Zij zullen afwachten tot de schrik van hunne harten
zal zijn weggenomen [1737], en zij tot elkander zullen zeggen: Wat
zegt uw Heer? Zij zullen antwoorden: Dat wat rechtvaardig is. Hij is
de verhevene, de groote God. 23. Zeg: Wie voorziet u van voedsel van
den hemel en de aarde? Antwoord: God. Of wij, of gij volgen de ware
richting, of verkeeren in eene duidelijke dwaling. 24. Zeg: Gij zult
niet ondervraagd worden, nopens hetgeen wij zullen hebben misdaan,
noch zal ons rekenschap gevraagd worden, om hetgeen gij zult hebben
bedreven. 25. Zeg: Onze Heer zal ons op den jongsten dag allen
verzamelen; dan zal hij met waarheid tusschen ons richten, en hij is
de Rechter [1738], de Alwetende. 26. Zeg: Toon mij hen, welke gij als
deelgenooten met hem vereenigt? Neen! hij is veeleer de machtige,
de wijze God. 27. Wij hebben u niet anders gezonden, dan tot den
mensch in het algemeen; als een boodschapper van goede tijdingen en
een aankondiger van bedreigingen; maar het grootste deel der menschen
begrijpt niet. 28. En zij zeggen: Wanneer zal deze bedreiging worden
vervuld, indien gij de waarheid spreekt? 29. Antwoord: U is eene
bedreiging aangekondigd van een dag, dien geen uwer vertragen noch
verhaasten zal. 30. De ongeloovigen zeggen: Wij zullen op geenerlei
wijze in dezen Koran gelooven, noch in dat gene, wat vóór deze
werd geopenbaard [1739]. Indien gij het slechts kondet zien, als de
onrechtvaardigen voor hunnen Heer zullen worden geplaatst. Zij zullen
elkander verwijtingen doen. De zwakken zullen tot de machtigen der
aarde zeggen: [1740] Zonder u, zouden wij waarlijk ware geloovigen
zijn geweest. 31. De machtigen zullen tot de zwakken zeggen: Zijn
wij het, die u belet hebben, de ware richting te volgen, toen zij
u aangewezen werd? Gij zelven draagt de schuld er van. 32. En de
zwakken zullen antwoordden: Neen, de listige plannen, door u des
nachts en der daags beraamd, hebben ons ongeluk veroorzaakt, toen
gij ons hebt bevolen, dat wij niet in God moesten gelooven en dat
wij andere goden, als gelijkstaande met hem, zouden oprichten. En zij
zullen hun berouw verbergen [1741], nadat zij de straf zullen hebben
gezien, die voor hen is gereed gemaakt. En wij zullen jukken leggen
op den nek van hen, die niet zullen hebben geloofd. Zouden zij op
eene andere wijze worden beloond, dan in overeenstemming met hetgeen
zij hebben verricht? 33. Wij hebben geen waarschuwer tot eenige stad
gezonden, of de inwoners die in overvloed leefden, zeiden: Waarlijk,
wij gelooven niet aan uwe zending. 34. En de bewoners van Mekka zeiden
ook: Wij hebben grooteren overvloed van kinderen en rijkdommen dan gij;
niet wij zullen hiernamaals worden gestraft. 35. Antwoord: Waarlijk,
mijn Heer zal overvloedigen voorraad schenken aan wien hem behaagt
en spaarzaam wezen naar zijn welbehagen; maar het grootste deel der
menschen weet dit niet. 36. Noch uwe rijkdommen, noch uwe kinderen
zijn de dingen, die u nader tot ons zullen doen komen. Alleen zij
die gelooven en rechtvaardigheid uitoefenen, zullen eene dubbele
belooning ontvangen, voor hetgeen zij gedaan zullen hebben, en zij
zullen in zekerheid, in de verhevenste afdeelingen van het paradijs
wonen. 37. Maar zij, die trachten zullen onze teekens krachteloos te
maken, zullen aan de straf worden overgeleverd. 38. Zeg: Waarlijk,
mijn Heer zal overvloedigen voorraad schenken aan dengeen zijner
dienaren, die hem behaagt en hij zal spaarzaam wezen naar zijn
welbehagen; en wat gij aan aalmoezen geeft, zal hij u teruggeven
en hij voorziet het best van voedsel. 39. Op een zekeren dag zal
hij hen allen bij elkander verzamelen; dan zal hij tot de engelen
zeggen! Bidden deze u aan? 40. En de engelen zullen antwoorden:
God behoede! Gij zijt onze vriend, en niet deze. Zij baden geniussen
(duivels) aan; het grootste deel hunner gelooft in hen. 41. Op dien
dag zal de een uwer niet in staat zijn, den ander van voordeel te
wezen of nadeel toe te brengen. En. wij zullen zeggen tot hen, die
onrechtvaardig gehandeld hebben: Proeft de pijn van het hellevuur,
dat gij als eene leugen, verwerpt. 42 Als hun onze duidelijke teekenen
worden voorgelezen, zeggen zij van u, o Mahomet: Dit is slechts een
man, die u van de goden tracht af te wenden, welke door uwe vaderen
werden aangebeden. En zij zeggen van den Koran: Dit is slechts
eene leugen, die godslasterlijk werd verzonnen. De ongeloovigen
zeggen van de waarheid, als die tot hen komt: Dit is slechts eene
duidelijke tooverij. 43. Wij hebben hun, vóór u, geene boeken der
schrift gegeven, waarin zij zich zouden kunnen oefenen, noch hebben
wij vóór u hun een waarschuwer gezonden. 44. Zij die vóór hen waren,
beschuldigden hunnen profeet op dezelfde wijze van bedrog; maar deze
verkregen niet het tiende gedeelte der rijkdommen en der sterkte welke
wij aan de anderen schonken, en zij beschuldigden mijne gezanten
van valschheid. Hoe gestreng was echter mijne kastijding. 45. Zeg:
Waarlijk, ik raad u eene zaak, namelijk dat gij twee aan twee voor
God staat, of afzonderlijk [1742]; overweeg dan ernstig, en gij
zult bevinden, dat er geene uitzinnigheid bij uwen makker Mahomet
heerscht. Hij is slechts gezonden om u voor eene gestrenge straf te
waarschuwen. 46. Zeg: Ik vraag geenerlei belooning van u voor mijne
prediking [1743]). Het is u overgelaten [1744], al of niet te geven
[1745]. Ik verwacht mijn belooning alleen van God, en hij is getuige
van alle dingen. 47. Zeg: Waarlijk, mijn Heer zendt de waarheid tot
zijne profeten neder. Hij kent alle geheimen. 48. Zeg: De waarheid is
gekomen; de leugen is verdwenen en zal niet meer terugkeeren. 49. Zeg:
indien ik dwaal, waarlijk, dan zal ik slechts tegen mijne eigene ziel
dwalen, maar indien ik richtig geleid word, zal het door datgene wezen,
wat mijn Heer mij heeft geopenbaard; want hij is gereed te verhooren
en nabij hen die hem aanbidden. 50. Indien gij het kondt zien als
de ongeloovigen zullen beven [1746], en geene schuilplaats vinden en
van eene nabijgelegen plaats zullen worden weggenomen [1747]. 51. En
zeggen zullen: Wij gelooven in hem. Maar hoe zullen zij het geloof van
zulk eene afgelegen plaats ontvangen [1748]? 52. Nu zij hem te voren
geloochend en de geheimen van het geloof gesmaad hebben, terwijl zij
er zoo ver af waren? 53. En eene afscheiding zal geplaatst worden
tusschen hen en datgene wat zij zullen begeeren. 54. Zooals het
reeds is geschied met hen, die zich vroeger evenals zij gedroegen,
omdat zij in twijfel verkeerden, waardoor ergernis is voortgesproten.



VIJF EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

DE ENGELEN, OF DE SCHEPPER. [1749].

Geopenbaard te Mekka--45 verzen.


In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Geloofd zij God, de schepper van hemel en aarde, die de engelen
tot zijne boodschappers maakte, voorzien van twee, drie en vier
paren vleugels [1750]. God voegt aan zijne schepselen toe, wat hem
behaagt; want God is almachtig. 2. De genade welke God rijkelijk
aan den mensch zal schenken, kan door niemand worden teruggehouden;
wat hij terughoudt kan door niemand buiten hem worden geschonken,
en hij is de Machtige, de Wijze. 3. O Menschen! herdenkt Gods gunst
omtrent u; is er een ander schepper buiten God, die u van voedsel van
den hemel en de aarde voorziet? Er is geen God buiten hem. Waarom
zijt gij dus afgewend van de erkenning zijner eenigheid? 4. Indien
zij u van bedrog beschuldigen, herinner u dan, dat de gezanten vóór u
mede van bedrog werden beschuldigd; doch tot God zullen alle dingen
terugkeeren. 5. O menschen! waarlijk de belofte van God is waar,
laat dus het tegenwoordige leven u niet misleiden, noch laat de
verleider u omtrent God verblinden. 6. Satan is een vijand van u;
houdt hem dus voor een vijand. Hij noodigt zijne bondgenooten slechts
uit, om bewoners der hel te wezen. 7. Voor hen die niet gelooven, is
daar eene gestrenge kastijding gereed gemaakt. 8. Maar voor hen die
gelooven zullen en doen wat recht is, blijft genade en eene groote
belooning bereid. 9. Zal dus hij wien slechte daden als goed werden
bereid en die zich verbeeldde dat die goed waren, gelijk zijn aan hem,
die tot het rechtvaardige gezind is en de waarheid vereert? Waarlijk,
God zal doen dwalen naar zijn welbehagen, en zal richten wien hem
behaagt. Laat dus uwe ziel, o Mahomet! zich niet door zuchten verteren,
wegens hunne weerspannigheid; want God weet wel wat zij doen. 10. God
is het, die de winden zendt, en wolken op doet rijzen: wij drijven
die naar eene doode plaats en verkwikken daardoor de aarde, nadat
die dood was. Zoo zal de opstanding wezen. 11. Wie ooit uitnemendheid
begeert, aan God behoort alle uitnemendheid; tot hem stijgen de goede
woorden op, en hij zal de rechtvaardige daden verheffen. Maar wat
hen betreft, die zondige listen uitdenken [1751], zij zullen eene
gestrenge straf ondergaan, en de plannen dier menschen zullen ijdel
gemaakt worden. 12. God schiep u het eerst van stof en daarna van zaad
[1752], en hij heeft u tot man en vrouw gemaakt. Geene vrouw ontvangt
of brengt voort, dan met zijne kennis. Niets wordt gevoegd bij den
ouderdom van hem wiens levens is verlengd, noch wordt iets van zijnen
ouderdom verminderd, of het is opgeschreven in het boek van Gods
besluiten. Waarlijk, dit is gemakkelijk voor God. 13. De twee zeeën
[1753] kunnen niet met elkander vergeleken worden; deze is frisch,
zoet en aangenaam te drinken, maar gene is zout en bitter [1754]. Toch
eet gij visch uit beide [1755] en haalt gij er versierselen uit [1756]
om die te dragen. Gij ziet ook hoe de schepen hare golven doorploegen,
opdat gij u van Gods overvloed, door den koophandel zoudt trachten te
verrijken; misschien zult gij dankbaar wezen. 14. Hij doet den nacht
aan den dag opvolgen en hij doet den nacht door den dag vervangen,
en hij dwingt de zon en de maan haren dienst te verrichten: ieder
van haar loopt een bepaalde baan af. Dit is God, uw Heer; hem is het
koninkrijk. Maar de afgoden welke gij naast hem aanroept, hebben zelfs
de macht niet over het vlies van eene dadelpit. 15. Indien gij hen
aanroept, zullen zij uwe aanroepingen niet hooren; en al zouden zij
u ook hooren, dan nog zouden zij u niet antwoorden. Op den dag der
opstanding zullen zij loochenen dat gij hen met God hebt vereenigd,
en niemand zal u de waarheid verklaren, dan hij die daarmede bekend
is. 16. O menschen! gij hebt behoefte aan God, maar God volstaat zich
zelven en hij moet geprezen worden. 17. Indien het hem behaagt, kan hij
u wegnemen en een nieuw schepsel in uwe plaats voortbrengen. 18. Dit
zal voor God niet moeielijk wezen. 19. Eene beladen ziel zal den last
van eene andere niet dragen, en indien eene zwaar beladen ziel eene
andere aanroept, om een deel van hare lasten te dragen, dan zal geen
deel daarvan door den persoon worden gedragen die aangeroepen wordt,
al zij hij ook nog zoo nabij verwant. Gij zult degenen vermanen,
die hunnen Heer in het geheim vreezen en standvastig in het gebed
zijn. Die zich zuivert van de schuld van ongehoorzaamheid, zuivert
zich ten voordeele van zijne eigene ziel; want allen zullen op den
jongsten dag voor God worden verzameld. 20. De blinde en de ziende
zullen niet gelijk gesteld worden; noch duisternis en licht, noch de
koele schaduw en de verzengende wind. 21. Evenmin zullen de levenden
en de dooden gelijk gesteld worden [1757]. God zal degenen doen hooren
die hem behagen; maar gij zult niet hen doen hooren die zich in hunne
graven bevinden [1758]. Gij zijt slechts een prediker. 22. Inderdaad,
wij hebben u met waarheid gezonden, als een overbrenger van goede
tijdingen en een aankondiger van bedreigingen. Er was geen volk, of
een prediker heeft in verloopen tijden onder hen verkeerd. 23. Indien
zij u van bedrog beschuldigen, zij die vóór hen waren beschuldigden
hunne gezanten eveneens van bedrog. Hunne gezanten kwamen tot
hen met duidelijke wonderen, met goddelijke geschriften [1759]
en met het voorlichtende boek. [1760] 24. Daarna kastijdde ik hen
die ongeloovigen waren; en hoe gestreng was mijne wraak! 25. Ziet
gij niet dat God regen van den hemel nederzendt en dat wij daardoor
vruchten van verschillende kleuren [1761] voortbrengen. Ook op de
bergen zijn sommige streken wit en rood, van verschillende kleuren
[1762], en andere zijn donker zwart, en onder de menschen en dieren,
en het vee zijn er wier kleuren eveneens verschillend zijn. Alleen
diegene zijner dienaren vreezen God, welke met verstand zijn begaafd,
waarlijk, God is machtig en vergevensgezind. 26. Waarlijk, die Gods
boek lezen en standvastig in het gebed zijn, en die aalmoezen geven van
hetgeen wij hun hebben geschonken, zoowel in het geheim als openlijk,
hopen op een goed dat niet zal verloren gaan. 27. God zal hun het loon
ten volle betalen en hun eene meer dan overvloedige toelage zijner
vrijgevigheid schenken; want hij is gezind de misslagen zijner dienaren
te vergeven, en hunne pogingen te beloonen. 28. Datgene wat wij u van
het boek (den Koran) hebben geopenbaard, is de waarheid; bevestigende
de schriften die te voren werden geopenbaard; want God is alwetend en
aanschouwt zijne dienaren. 29. En wij hebben het boek van den Koran
als erfgoed gegeven aan degenen onzer dienaren die daartoe door ons
werden uitgekozen. 30. Er is menigeen onder hen, die zijne eigen ziel
beleedigt [1763], en er is een ander van hen die den middenweg houdt
[1764], en er is een ander van hen, die, door Gods verlof, de overigen
in goede werken overtreft. Dit is eene groote uitnemendheid. Zij
zullen in tuinen van eeuwig verblijf worden binnengeleid; zij
zullen daar worden getooid met armbanden van goud en paarlen, en
hunne kleederen zullen van zijde wezen. 31. En zij zullen zeggen:
Geloofd zij God, die de droefheid van ons heeft afgenomen! Waarlijk,
onze Heer is gereed de zondaren te vergeven. 32. Hij heeft ons, door
zijne goedheid, rust doen genieten in eene woning van eeuwigen duur,
waarin kwijning noch eenige vermoeienis ons zal bereiken. 33. Maar
voor de ongeloovigen is het hellevuur gereed gemaakt: er zal niet
over hen worden besloten, hen ten tweeden male te doen sterven (om
hunne straf te doen eindigen;) ook zal geen deel hunner straf verlicht
worden. Zoo zal iedere ongeloovige worden beloond. 34. En zij zullen
overluid in de hel schreeuwen; zeggende: Heer! neem ons van hier,
en wij zullen rechtvaardigheid oefenen, en niet hetgeen wij vroeger
hebben bedreven. Maar men zal hun antwoorden: Hebben wij uw leven niet
lang genoeg doen zijn, opdat hij die kon overdenken, gewaarschuwd
zou wezen; en is de prediker [1765] niet tot u gekomen? 35. Proeft
dus de pijnen der hel. En de onrechtvaardigen zullen geen helper
hebben. 36. Waarlijk, God kent de geheimen zoowel van den hemel
als van de aarde; want hij kent de binnenste deelen van de borst
der menschen. 37. Hij is het, die u heeft gemaakt, om de plaats
op de aarde te bekleeden. Wie ongeloovig zal wezen, op dien drukke
zijn ongeloof, en hun ongeloof zal voor de ongeloovigen slechts nog
meer verontwaardiging in de oogen des Heeren doen ontstaan, en hun
ongeloof zal hunne verdoeming slechts vermeerderen. 38. Zeg: Wat
denkt gij van uwe godheden, welke gij naast God aanroept? Toont mij,
welke gedeelte der aarde zij hebben geschapen; of hadden zij eenig
deel in de schepping der hemelen? Hebben wij den afgodendienaars eenig
boek met openbaringen gegeven, waaruit zij eenig bewijs zouden kunnen
ontleenen tot wettiging hunner handelwijze? Neen! maar de goddeloozen
doen elkander slechts bedriegelijke beloften. 39. Waarlijk, God schoort
de hemelen en de aarde, opdat zij niet zouden bezwijken, en indien
zij bezweken, zou, buiten hem, niemand die kunnen ondersteunen. Hij is
genadig en barmhartig. 40. De Koreïshieten hebben met een plechtigen
eed bij God gezworen, dat indien er een prediker tot hen ware gekomen,
zij volgzamer zouden zijn geleid geworden dan eenig ander volk; maar nu
een prediker tot hen gekomen is, heeft dit slechts den afkeer van de
waarheid in hen vermeerderd. 41. Evenals hunne verwaandheid op aarde
en hunne booze verzinsels: maar de booze verzinsels zullen alleen de
uitdenkers daarvan omstrikken. Verwachten zij iets anders dan de straf,
waarmede de ongeloovigen van vroegere tijd werden vergolden? Want gij
zult geene verandering in Gods bevel opmerken. 42. Gij zult geenerlei
wijziging in Gods weg vinden. 43. Zijn zij niet over de aarde gegaan,
en hebben zij niet gezien, wat het einde was van degenen, die vóór
hen waren, hoewel zij machtiger en sterker waren dan zij? God wordt
niet gedwarsboomd door eene zaak, noch in den hemel noch op aarde;
want hij is wijs en machtig. 44. Indien God de menschen strafte
naar gelang van hetgeen zij bedrijven, zou hij zelfs geen dier op de
oppervlakte der aarde hebben gelaten; maar hij schenkt u uitstel tot
een bepaalden tijd. 45. En als hun tijd zal zijn gekomen, waarlijk,
dan zal God zijne dienaren beschouwen.



ZES EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Y. S. [1766].

Geopenbaard te Mekka--83 verzen.


In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Ya Sin. Ik zweer bij den onderrichtenden Koran. 2. Dat gij
een der gezanten van God zijt. 3. Gezonden om den rechten weg te
toonen. 4. Dit is eene openbaring van den machtigen, den barmhartigen
God. 5. Opdat gij een volk zoudt waarschuwen, welks vaderen niet
gewaarschuwd waren en dat in achteloosheid leeft. 6. Ons oordeel
[1767] is rechtvaardig uitgesproken tegen het meerendeel. Immers,
zij zullen niet gelooven. 7. Wij hebben jukken [1768] op hunnen nek
gelegd, die tot aan hunne kin reiken, en zij zijn gedwongen hunne
hoofden overeind te houden; 8. En wij hebben een staak vóór hen,
en een staak achter hen geplaatst, en wij hebben hen met duisternis
bedekt; daarom zullen zij niet zien. 9. Het zal hun gelijk zijn,
hetzij gij al of niet tot hen predikt: zij zullen niet gelooven
[1769]. 10. Maar gij zult alleen met goeden uitslag prediken tot
hem, die de vermaning van den Koran volgt, en den Barmhartigen in
het geheim vreest. Breng dus goede tijdingen van genade tot hen en
eene eervolle belooning. 11. Waarlijk, wij zullen de dooden tot het
leven terugbrengen, en hunne werken opteekenen, welke zij voor zich
uit zullen hebben gezonden, en hunne voetstappen, die zij achter
zich zullen hebben gelaten [1770]; en iedere zaak plaatsen wij in
een duidelijk register. 12. Stel hun, als een voorbeeld, de bewoners
der stad van Antiochië voor, toen de Apostelen van Jezus daarheen
kwamen [1771]. 13. Toen wij twee van deze tot hen zouden; maar zij
beschuldigden hen van bedrog. Daarom versterkten wij hen met een
derden. En zij zeiden: Waarlijk wij zijn u door God gezonden. 14. De
inwoners antwoordden: Gij zijt niet anders dan menschen, zooals
wij zijn; nimmer heeft de Barmhartige u iets geopenbaard: gij maakt
slechts een leugen bekend. 15. De apostelen hernamen: Onze heer weet,
dat wij werkelijk tot u zijn gezonden. 16. En onze plicht is alleen
in het openbaar te prediken. 17. Die van Antiochië zeiden. Waarlijk,
wij voorzien kwaad van u; indien gij niet met prediken ophoudt, zullen
wij u zekerlijk steenigen, en u zal eene smartelijke straf door ons
worden opgelegd. 18. De apostelen antwoordden: Uwe kwade voorspelling
is met u zelven [1772]; doch gij wilt in uwe dwalingen volharden,
niettegenstaande gij gewaarschuwd zijt. Waarlijk, gij zijt een volk,
dat overmatig zondigt. 19. En zeker man [1773] kwam angstig van de
verder gelegen gedeelten der stad, en zeide: O mijn volk! volgt de
gezanten van God. 20. Volgt hen, die geene belooning van u vragen; want
deze worden op den rechten weg geleid. 21. Welke reden heb ik er voor,
hem niet te vreezen, die mij geschapen heeft, en tot wien gij allen
zult terugkeeren. 22. Zal ik andere goden buiten hem kiezen? Indien
het den Barmhartige behaagt, mij te bedroeven, zal hunne bemiddeling
mij volstrekt niet baten, ook kunnen zij mij niet bevrijden. 23. Dan
zou ik in eene duidelijke dwaling verkeeren. 24. Waarlijk, ik geloof
in uwen Heer; luistert dus naar mij. 25. Maar zij steenigden hem en
toen hij stierf, werd tot hem gezegd: Treed het paradijs binnen. 26. En
hij zeide: O, dat mijn volk wist, hoe genadig God mij is geweest! want
hij heeft mij hoogelijk vereerd. 27. En nadat zij hem hadden gedood,
zonden wij geen leger van den hemel tegen zijn volk af, noch de
andere werktuigen van vernietiging, welke wij in vroegere dagen
tegen de ongeloovigen afzonden. 28. Er was slechts een kreet van
Gabriël uit den hemel en, zie, zij werden geheel uitgeroeid. 29. O,
hoe ellendig zijn de menschen! Geen gezant kwam tot hen of zij lachten
hem met verachting uit. 30. Overwegen zij niet, hoeveel geslachten
wij vóór hen hebben verdelgd? 31. Waarlijk, zij zullen niet tot hen
terugkeeren. 32. Maar allen, in het algemeen, zullen voor ons worden
verzameld. 33. Een teeken der opstanding voor hen is de verdroogde,
doode aarde [1774]; wij verkwikken die door den regen, en doen daaruit
verschillende soorten van granen voortkomen, waarvan zij eten. 34. En
wij vormden daar tuinen van palmboomen en wijngaarden, en wij deden
er fonteinen ontspringen. 35. Opdat zij van hunne vruchten en van
den arbeid hunner handen zouden mogen eten. Zullen zij daarvoor
niet dankbaar wezen? 36. Geloofd zij hij, die alle soorten heeft
geschapen, zoowel van de planten welke de aarde voorbrengt, als
onder de menschen en onder de dingen, welke zij niet kennen. 37. De
nacht is mede een teeken voor hen: wij nemen den dag daarvan weg en,
zie, zij zijn met duisternis bedekt. 38. En de zon spoedt zich naar
hare rustplaats [1775]. Dit is de beschikking van den machtigen, den
wijzen God. 39. En voor de maan hebben wij zekere verblijfplaatsen
aangewezen [1776], opdat zij verandere, en weder gelijk worde aan
den ouden, gekromden tak van een palm [1777]. 40. Het is der zon
niet gegeven de maan in haren loop te bereiken, noch dat de nacht
den dag vooruitstreeft; maar ieder dezer lichten beweegt zich in
eene afzonderlijke sfeer. 41. Het is ook een teeken voor hen, dat
zij hunne nakomelingschap in een schip bewaarden met alles gevuld
[1778]. 42. En dat wij voor hen andere, daaraan gelijke inrichtingen
hebben gevormd [1779], waarop zij rijden. 43. Indien het ons behaagt,
verdrinken wij hen, en er is niemand om hen te helpen; ook worden
zij niet bevrijd. 44. Tenzij door onze genade, en opdat zij zich
nog eenigen tijd in dit leven zouden mogen verheugen. 45. Toen tot
hen werd gezegd: Vreest hetgeen vóór u en hetgeen achter u is [1780]
opdat gij genade moogt verwerven, keerden zij van u weg. 46. En gij
brengt hun geen teeken van de teekenen van uwen Heer, of zij wenden
zich daarvan af. 47. En als hun wordt gezegd: Geeft aalmoezen van het
geen God u heeft geschonken, zeggen de ongeloovigen, spottenderwijze,
tot hen die gelooven: Zullen wij dengenen voeden, dien God kan voeden,
zoo het hem behaagt [1781]? Waarlijk, gij verkeert in eene duidelijke
dwaling. 48. En zij zeggen: wanneer zal deze belofte der opstanding
vervuld worden, indien gij de waarheid spreekt? 49. Zij wachten
slechts op een klank van de trompet [1782], die hen zal overvallen,
terwijl zij met elkander twisten. 50. En zij zullen geen tijd hebben
om eenige beschikking over hunne bezittingen te maken, en zij zullen
niet tot hun gezin terugkeeren. 51. De trompet zal weder klinken;
en ziet, zij zullen uit hunne graven voortkomen en zich naar hunnen
Heer spoeden. 52. Zij zullen zeggen: Wee over ons! wie heeft ons van
ons bed gewekt [1783]? Dit is wat de Barmhartige ons heeft beloofd,
en zijne gezanten spraken de waarheid. 53. Het zal slechts één
klank van den trompet zijn, en ziet, zij zullen allen voor ons
worden verzameld. 54. Op dien dag zal geene ziel in het minste
onrechtvaardig worden behandeld; ook zult gij niet anders vergolden
worden, dan overeenkomstig hetgeen gij zult hebben verricht. 55. Op
dien dag zullen de bewoners van het paradijs geheel met vreugde vervuld
zijn. 56. Zij en hunne vrouwen zullen in schaduwrijke boschjes rusten,
tegen heerlijke zetels leunende. 57. Daar zullen zij vruchten hebben,
en zij zullen alles verkrijgen, wat zij zullen begeeren. 58. Vrede zal
het woord zijn, dat den rechtvaardige door den barmharigen God zal
worden toegesproken. 59. Maar hij zal tot de zondaren zeggen: Weest
gij, o zondaren! dezen dag van de rechtvaardigen gescheiden. 60. Beval
ik u niet, o zonen van Adam! dat gij Satan niet zoudt aanbidden, daar
hij voor u een openlijke vijand was. 61. En zeide ik niet: Vereert
mij; dit is de ware weg. 62. Maar thans heeft hij een groot aantal
uwer verleid; begrijpt gij het niet? 63. Dit is de hel, waarmede gij
werdt bedreigd. 64. Heden wordt gij er in geworpen om verbrand te
worden, omdat gij ongeloovig waart. 65. Op dien dag zullen wij hunne
monden dichtzegelen, opdat zij die niet te hunner eigen verdediging
kunnen openen, en hunne handen zullen tot ons spreken, en hunne voeten
zullen getuigenis afleggen van hetgeen zij hebben bedreven. 66. Indien
het ons behaagde, konden wij hunne oogen uitsteken, en zij zouden
naijverig op den weg voorthollen, dien zij gewoon zijn te kiezen; en
hoe zouden zij hunne dwaling zien? 67. En indien het ons behaagde,
zouden wij hen in andere gedaante kunnen hervormen; zij zouden
niet instaat zijn te vertrekken, en zij zouden geen berouw gevoelen
[1784]. 68. Hem, wien wij een lang leven schenken, doen wij het lichaam
door ouderdom krommen. Zullen zij dit niet begrijpen? 69. Wij hebben
Mahomet de dichtkunst niet geleerd [1785]; ook is het niet nuttig
voor hem, een dichter te wezen. Dit boek is slechts eene vermaning
van God en een duidelijke Koran. 70. Opdat hij die leeft [1786],
daardoor moge gewaarschuwd worden; en het vonnis der veroordeeling
zal rechtvaardig op de ongeloovigen worden uitgevoerd. 71. Overwegen
zij niet, dat wij onder de dingen, welke onze handen hebben gewrocht,
veel van verschillende soorten hebben geschapen, waarvan zij bezitters
zijn. 72. En dat wij hun dat hebben onderworpen? Sommige van deze
dienen om er op te rijden, en sommige voeden hen. 73. Zij ontvangen
daarvan nog andere voordeelen, en drinken van hare melk. Zullen zij
dus niet dankbaar wezen? 74. Zij hebben andere goden naast God genomen,
in de hoop, dat zij daardoor zouden worden ondersteund. 75. Maar deze
zijn niet in staat, hun eenige ondersteuning te verleenen: zij zijn
het veeleer, die als leger vóór hunne godheden dienen. 76. Laten hunne
woorden u dus niet bedroeven: wij kennen wat zij heimelijk verbergen,
en datgene wat zij openlijk ontdekken. 77. Weet de mensch niet, dat
wij hem van zaad hebben geschapen? Maar ziet, hij is een openlijke
bestrijder der opstanding. 78. Hij stelt ons eene vergelijking
voor, en hij vergeet zijn schepping (zijn oorsprong). Hij zegt: Wie
zal de beenderen, als zij verrot zijn, tot het leven terugbrengen
[1787]? 79. Antwoord: Hij zal ze tot het leven terugbrengen, welke
die het allereerst voortbracht: want hij is bedreven in iedere soort
van schepping. 80. Wie geeft u vuur uit den groenen boom [1788],
waarmede gij uwe brandstof ontsteekt. 81. Is hij, die de hemelen
en de aarde geschapen heeft, niet in staat nieuwe wezens gelijk
aan hen te scheppen. 82. Zijn bevel, als hij een ding verlangt,
is slechts dat hij zegt: Wees! en het is. 83. Geloofd zij dus hij,
in wiens hand het koninkrijk van alle dingen is, en tot wien gij op
den jongsten dag zult terugkeeren.



ZEVEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

ZIJ DIE ZICH IN ORDE SCHAREN.

Gegeven te Médina.--182 verzen.


In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Ik zweer bij de engelen, die zich in orde scharen [1789]. 2. En
bij hen die de wolken voortdrijven en verspreiden. 3. En bij hen,
die den Koran lezen als eene vermaning, 4. Waarlijk, uw Heer is
eenig. 5. De Heer van hemel en aarde en van alles wat daartusschen is,
en de Heer van het Oosten [1790]. 6. Wij hebben den ondersten hemel
met het versiersel der sterrren getooid. 7. En wij hebben daarin een
wachter tegen iederen weerspannigen duivel geplaatst. 8. Opdat zij
niet luisteren naar het gesprek der verheven vorsten (want zij worden
van alle zijden bestormd), 9. En eene zware marteling is voor hen
gereed gemaakt. 10. Behalve hij, die een woord steelsgewijze opvangt,
en door eene vlammende schicht wordt getroffen [1791]. 11. Vraag
daarom den bewoners van Mekka, of zij van nature sterker zijn dan
de engelen welke wij hebben geschapen? Waarlijk wij hebben hen van
harde klei geschapen. 12. Gij verbaast u over Gods macht en hunne
weêrspannigheid; maar zij spotten over de bewijsmiddelen, welke
aangevoerd worden om hen te overtuigen. 13. Als zij gewaarschuwd
worden, nemen zij geene waarschuwing aan. 14. En als zij iets
zien, spotten zij er mede. 15. En zeggen: Dit is niet anders dan
duidelijke tooverij. 16. Nadat wij dood zullen wezen en tot stof en
beenderen zijn geworden, zullen wij dan werkelijk tot het leven worden
opgewekt. 17. En onze voorvaderen ook? 18. Antwoord: Ja! en dan zult
gij veracht wezen. 19. Er zal slechts eenmaal op de trompet worden
geblazen, en zij zullen rond zien. 20. En zullen zeggen: Wee over
ons! Dit is de dag des oordeels. 21. Dit is de dag der onderscheiding
tusschen de rechtvaardigen en de zondaren, dien gij als eene leugen
verwerpt. 22. Verzamel degenen, die onrechtvaardig hebben gehandeld
en hunne makkers, en de afgoden welke zij aanbaden. 23. Naast God, en
leidt hen op den weg der hel. 24. En plaats hen voor Gods vierschaar;
want zij zullen geroepen worden om rekenschap af te leggen. 25. Wat
deert u, dat gij elkander niet verdedigt? 26. Maar op dien dag
zullen zij zich aan Gods oordeel onderwerpen. 27. En zij zullen
elkander naderen en onder elkander twisten. 28. En de verleiden
zullen zeggen tot hen die hen hebben verleid: Waarlijk, gij kwaamt
tot ons met voorspellingen van voorspoed. 29. En de verleiders zullen
antwoorden: Neen! gij waart veeleer geene ware geloovigen; want wij
hadden geene macht over u, om u te dwingen, maar gij hebt vrijwillig
gezondigd. 30. Daarom werd het vonnis van onzen Heer rechtvaardig over
ons uitgesproken, en wij zullen zekerlijk zijne wraak proeven. 31. Wij
verleidden u, maar wij dwaalden ook zelven. 32. Zij zullen op
dezen dag dus beiden deelgenooten van dezelfde straf zijn. 33. Zoo
zullen wij met de zondaren handelen; 34. Want toen er tot hen werd
gezegd: Er is geen god buiten den waren God, bliezen zij zich op
met hoogmoed. 35. En zeiden: zullen wij onze goden voor een bezeten
dichter verlaten? 36. Neen! hij komt met de waarheid en legt getuigenis
af voor de vroegere gezanten. 37. Gij zult zekerlijk de pijnlijke
martelingen der hel proeven. 38. En gij zult niet vergolden worden,
dan overeenkomstig uwe werken. 39. Maar wat de oprechte dienaren Gods
betreft. 40. Zij zullen een zekeren voorraad in het paradijs hebben:
41. Namelijk heerlijke vruchten, en zij zullen geëerd worden. 42. Zij
zullen in tuinen des vermaaks geplaatst worden. 43. Leunende in
tegenover elkander geplaatste zetels [1792]. 44. Een beker zal
onder hen worden rondgereikt, gevuld aan eene heldere fontein;
45. Een heerlijkheid voor hen, die er van zullen drinken. 46 Het
zal het verstand niet benevelen, en zij zullen er niet door bedwelmd
worden. 47. En nabij hen zullen de maagden van het paradijs liggen,
hare blikken, behalve van hunne bruidegommen, van ieder een afwendende,
hebbende groote, zwarte oogen, en gelijkende op de eieren van een
struisvogel, zorgvol met vederen bedekt [1793]. 48. En zij zullen
zich tot elkander wenden, en elkander vragen doen. 49. En een van
hen zal zeggen: Waarlijk, ik had een vertrouwden vriend, terwijl ik
op de wereld leefde. 50. Die tot mij zeide: Zijt gij een van hen, die
de waarheid der opstanding betuigen? 51. Nadat wij dood zullen zijn,
en tot stof en beenderen veranderd wezen, zullen wij dan zekerlijk
worden geoordeeld? 52. Dan zal hij tot zijne makkers zeggen: Wilt
gij nederzien? 53. En zij zullen nederzien en hem in het midden der
hel ontwaren. 54. En hij zal tot hem zeggen: Bij God! er ontbrak
weinig aan, of gij hadt mij verdorven. 55. En was het niet door de
genade van mijnen Heer, dan ware ik zeker aan eene eeuwige marteling
overgeleverd geworden. 56. Zullen wij een anderen dan onzen eersten
dood sterven? 57. Of ondergaan wij eenige straf? 58. Waarlijk,
wij genieten eene groote gelukzaligheid. 59. Laten de arbeiders
arbeiden om eene gelukzaligheid gelijk deze te verwerven. 60. Is dit
een beter onthaal, of de boom van al Zakkum? [1794] 61. Waarlijk,
wij hebben dien aangeduid als eene aanleiding tot twist onder de
onrechtvaardigen [1795] 62. Het is een boom die aan den bodem der
hel ontspruit. 63. De vrucht daarvan gelijkt op de hoofden van
duivelen [1796]. 64. De verdoemden zullen daarvan eten, en hunne
buiken daarmede vullen. 65 Vervolgens zal hun een mengsel van vuil en
kokend water te drinken worden gegeven. 66. Daarna zullen zij in de
hel terugkeeren. 67. Zij bevonden dat hunne vaderen dwalende waren
[1797]. 68. En zij traden haastig in hunne voetstappen; 69. Want
het meerendeel der oude volken dwaalden vóór hen. 70. Wij zonden
vroeger waarschuwers tot hen; 71. Maar zie hoe ellendig het einde
was van degenen, die gewaarschuwd werden. 72. En die niet onze
oprechte dienaren waren. 73. Noach riep ons in vroegere dagen aan,
en wij verhoorden hem genadiglijk. 74. En wij bevrijdden hem en zijn
gezin uit de groote ellende. 75. Wij deden zijne nakomelingschap
den zondvloed overleven, om de aarde te bevolken. 76. En wij lieten
hem de volgende begroeting door de verste nakomelingschap geven:
77. Vrede zij op Noach onder alle schepselen! 78. Zoo beloonen wij
de rechtvaardigen. 79. Want hij was een van onze dienaren, de ware
geloovigen. 80. Daarna verdronken wij de anderen. 81. Abraham was
mede van zijnen godsdienst [1798]; 82. Toen hij met een volkomen
hart tot zijn Heer kwam. 83 Toen hij tot zijn vader en zijn volk
zeide: Wat vreest gij? 84. Kiest gij bij voorkeur valsche goden boven
den waren God? 85. Wat is dus uwe meening opzichtens den Heer aller
schepselen? 86. En hij beschouwde de sterren. 87. En zeide: Waarlijk,
ik zal ziek wezen [1799] en niet bij uwe offeringen tegenwoordig
zijn. 88. En zij keerden zich af en verlieten hem [1800]. 89. En
Abraham wendde zich in het geheim tot hunne goden, en zeide spottende
tot hen: Eet gij niet van het vleesch dat u is voorgezet? 90. Wat
deert u, dat gij niet spreekt? 91. En hij keerde zich tot hen,
en sloeg hen met zijne rechterhand en vernietigde hen. 92. En zijn
volk kwam haastig tot hem. 93. Hij zeide: Aanbidt gij de beelden
die gij zelven snijdt? 94. Terwijl God u heeft geschapen en ook
datgene wat gij maakt. 95. Zij zeiden: Richt een brandstapel voor
hem op en werp hem in het gloeiende vuur. En zij smeedden eene list
tegen hem. 96. Maar wij deden hem het onderspit delven en bevrijdden
hem [1801]. 97. En Abraham zeide: Waarlijk, ik ga tot mijnen Heer
[1802], die mij zal richten. 98. O Heer! geef mij eene rechtvaardige
nakomelingschap. 99. Daarom maakten wij hem bekend, dat hij een zoon
zou bekomen, die een zachten aard zou hebben. 100. En toen hij den
ouderdom der jongelingschap had bereikt [1803], en zich met hem in de
verrichtingen van den godsdienst kon vereenigen. 101. Zeide Abraham
tot hem: O mijn zoon! waarlijk, ik zag in een droom, dat ik u als
eene offerande zoude aanbieden [1804]. overweeg dus wat gij meent,
dat ik zal doen. 102 Hij antwoordde: O mijn vader! doe wat u bevolen
werd; indien het Gode behaagt, zult gij bevinden dat ik het lijdzaam
zal ondergaan. 103. En toen zij beiden zich aan den goddelijken wil
hadden onderworpen, en Abraham zijn zoon voorover op het aangezicht had
gelegd [1805]. 104. Riepen wij hem toe: O Abraham! 105. Gij hebt aan
uw visioen geloofd. Zoo beloonen wij den rechtvaardige. 106. Waarlijk,
dit was eene duidelijke proef. 107. En wij losten zijn zoon met een
edel slachtoffer uit. 108. En wij lieten hem de volgende groete
door de verste nakomelingschap bewaren; 109. Namelijk: Vrede zij
op Abraham! 110. Zoo beloonen wij den rechtvaardige; 111. Want
hij was een onzer geloovige dienaren. 112. Wij verblijdden hem
met de belofte van Izaäk, een rechtvaardigen profeet. 113. En wij
zegenden hem en Izaäk; en onder hunne nakomelingschap waren eenige
rechtvaardigen, en anderen, die klaarblijkelijk hunne eigene zielen
nadeel toebrachten. 114. Wij waren ook vroeger genadig omtrent
Mozes en Aäron. 115. En wij bevrijdden hen en hun volk van eene
groote ellende. 116. Wij ondersteunden hen tegen de Egyptenaren,
en zij werden overwinnaars. 117. Wij gaven hun het duidelijke
boek der wet. 118. Wij leidden hen op den rechten weg. 119. En
wij lieten de volgende groete door de verste nakomelingschap voor
hen bewaren; 120. Namelijk: Vrede zij op Mozes en Aäron! 121. Zoo
beloonen wij de rechtvaardigen. 122. Want zij waren twee onzer
geloovige dienaren. 123. En Elias [1806] was mede een dergenen,
die door ons werden gezonden. 124. Toen hij tot zijn volk zeide:
Vreest gij God niet? 125. Roept gij Baal aan, en verzaakt gij
den uitmuntendsten schepper? 126. God is uw Heer en de Heer uwer
voorvaderen. 127. Maar zij beschuldigden hem van bedrog. 128. Weshalve
zij aan de eeuwige straf zullen worden overgeleverd, behalve de
oprechte dienaren Gods 129. En wij lieten de volgende groete door de
verste nakomelingschap voor hem bewaren. 130. Namelijk: Vrede zij op
Ilyasin [1807]! 131. Zoo beloonen wij den rechtvaardige. 132. Want hij
was een onzer geloovige dienaren. 133. En Lot was mede een dergenen,
die door ons werden gezonden. 134. Toen wij hem en zijn geheel gezin
bevrijden. 135. Behalve eene oude vrouw, zijne huisvrouw, die omkwam
met hen die achterbleven. 136. Daarna verdelgden wij de anderen
[1808]. 137. En gij, o bewoners van Mekka! komt de plaatsen voorbij
waar zij eens hebben gewoond, als gij des ochtends reist. 138. En des
nachts. Zult gij dan niet begrijpen? 139. Jonas was mede een dergenen
die door ons werden gezonden [1809]. 140. Toen hij in een geladen
schip vluchtte [1810]. 141. En zij die aan boord waren, lootten onder
elkander en hij werd veroordeeld [1811]. 142. En de visch verzwolg
hem; want hij had eene bestraffing verdiend. 143 En indien hij
niet eene ware geweest van hen die God loven [1812]. 144. Waarlijk,
dan ware hij, tot den dag der opstanding, in den buik van den
visch gebleven. 145. En wij wierpen hem op het naakte strand,
en hij was ziek [1813]. 146. Wij deden een pompoenplant [1814]
over hem heen groeien. 147. Wij zonden hem daarna tot een volk van
honderdduizend zielen of meer. 148. En zij geloofden: daarom lieten
wij hun dit leven nog voor eenigen tijd genieten. 149. Vraag aan de
bewoners van Mekka of uw Heer dochters heeft gelijk zij zonen hebben
[1815]? 150. Hebben wij ook de engelen van het vrouwelijke geslacht
geschapen, en waren zij er getuigen van? 151. Zeggen zij niet, volgens
hunne eigene, valsche uitvinding: 152. God heeft eene nakomelingschap
gebaard? en zij zijn niet werkelijk leugenaars? 153. Heeft hij bij
voorkeur dochters boven zonen verkozen? 154. Gij hebt geene reden
aldus te oordeelen. 155. Wilt gij dus niet vermaand wezen? 156. Of
hebt gij een duidelijk bewijs voor hetgeen gij zegt? 157. Brengt
thans uw boek der openbaringen voor den dag, indien gij de waarheid
spreekt. 158. En zij maken hem tot een verwante der geniussen [1816],
terwijl de geniussen weten, dat hij, die zulke dingen verklaart,
aan de eeuwige straf zal worden overgeleverd. 159. (God is verheven,
boven datgene wat zij nopens hem verklaren): 160. Maar niet Gods
oprechte dienaren. 161. Maar gij en de goden, welke gij aanbidt,
162. Zullen niemand nopens God verleiden. 163. Behalve hem die
bestemd is om in de hel verbrand te worden. 164. Er is niemand van
ons, of hij heeft een bestemde plaats. 165. Wij scharen ons in orde,
166. Gods bevelen afwachtende, en wij verkondigen den goddelijken
lof [1817]. 167. De ongeloovigen zeiden: 168. Indien wij door een
boek met goddelijke openbaringen waren begunstigd geworden, van
diegene welke aan de ouden werden geschonken. 169. Zouden wij zeker
oprechte dienaren Gods zijn geweest; 170. Maar thans, nu de Koran is
geopenbaard, gelooven zij daarin niet; doch hier namaals zullen zij
het gevolg van hun ongeloof kennen. 171. Ons woord werd vroeger aan
onze dienaren, de gezanten, gegeven. 172. Dat zij zekerlijk tegen de
ongeloovigen zouden ondersteund worden, 173. En dat onze legers de
overwinning zouden behalen. 174. Wend u dus gedurende eenen tijd van
hen af. 175. En zie de rampen die hen zullen bedroeven; want zij zullen
uwe toekomstige overwinning en uwen voorspoed zien. 176. Trachten
zij daarom onze wraak te verhaasten? 177. Waarlijk, wanneer die in
hunne afgesloten hoven zal nederdalen, zal het een slechte ochtend
zijn voor hen, die te vergeefs werden gewaarschuwd. 178. Wend u dus
voor eenigen tijd van hen af. 179. Hierna zullen zij uwe overwinning
en hunne straf ontwaren. 180. Geloofd zij uw Heer, de Heer die verre
verheven is boven hetgeen zij van hem verklaren! 181. Vrede zij op
zijne gezanten. 182. En geloofd zij God, de Heer van alle schepselen!



ACHT EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

S.

Geopenbaard te Mekka.--88 verzen.


In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

S [1818]. 1. Ik zweer bij den Koran, gevuld met
waarschuwingen. Waarlijk, de ongeloovigen zijn verkleefd aan
trotschheid en twist. 2. Hoevele geslachten hebben wij voor hen
verdelgd en zij riepen om genade; maar het was geen tijd meer om aan
de straf te ontkomen. 3. Zij zijn verbaasd, dat een uit hen geboren
waarschuwer tot hen is gekomen. En de ongeloovigen zeggen: Deze man
is een toovenaar en een leugenaar. 4. Verklaart hij dat de goden één
God zijn? Waarlijk dit is eene zonderlinge zaak. 5. En de voornaamste
lieden onder hen vertrokken [1819], zeggende tot elkander: Gaat en
volhardt in de vereering uwer goden, waarlijk; u er van af te trekken
is de bedoelde zaak [1820]. 6. Wij hebben niet van zoo iets in den
laatsten godsdienst gehoord. [1821]. Dit is niets dan eene valsche
uitvinding. 7. Werd hem bij voorkeur boven een ander onzer eene
waarschuwing nedergezonden? Waarlijk, zij verkeeren in eene dwaling
omtrent mijne waarschuwing; doch zij hebben mijne wraak nog niet
geproefd. 8. Zijn de schatten der genade van uwen Heer, den Machtige,
den Milddadige, in hunne handen? 9. Is het koninkrijk der hemelen en
der aarde, en van hetgeen er tusschen is, in hun bezit? Indien dit zoo
is, laat het dan met ladders (touwen) ten hemel opstijgen. 10. Maar
hunne legers, hoe talrijk die ook mochten zijn, zullen op de vlucht
gejaagd worden. 11. Het volk van Noach, de stam van Ad en Pharao,
de bezitter der staken [1822] beschuldigden, voor hen, de profeten
van bedrog. 12. Ook de stam van Thamoed en het volk van Lot, en
de bewoners van het woud nabij Madian [1823] deden dit en waren de
bondgenooten tegen Gods gezanten. 13. Zij allen deden niet anders,
dan hunne gezanten van valschheid beschuldigen, waardoor mijne wraak
rechtvaardig op hen werd uitgeoefend. 14. En deze wachten slechts
op een klank der trompet, die niet uitgesteld zal worden. 15. En
zij zeggen spottende: O Heer! geef ons ons deel voor den dag der
rekenschap. 16. Verdraag geduldig wat zij bedrijven en herinner hen
onzen dienaar David, die met sterkte [1824] begaafd was; want hij was
iemand, die zich ernstig tot God wendde. 17. Wij dwongen de bergen,
onzen lof met hem te verkondigen, des avonds en bij het opgaan
der zon; 18. Alsook de vogelen die zich tot hem verzamelen [1825],
en die allen dikwijls met dat doel bij hem terug keerden. 19. Wij
stichten zijn koninkrijk, en wij gaven hem wijsheid en welsprekendheid
van woorden. 20. Is het verhaal der twee twistende [1826] tot uwe
kennis gekomen, toen zij, over den muur, in de bovenste vertrekken
kwamen? 21. Toen zij tot David binnenkwamen, en hij bevreesd voor
hen was [1827], zeiden zij: Vrees niet, wij zijn twee tegenstanders,
die een twist met elkander te beslechten hebben. De een van ons heeft
den ander nadeel toegebracht: richt dus tusschen ons met waarheid:
wees niet onrechtvaardig en leid ons op den rechten weg. 22. Deze,
mijn broeder heeft negenennegentig schapen, en ik had slechts eene
ooi, en hij zeide: Geef mij die, om ze te houden, en hij overwon
mij in den twist, dien wij te zamen hadden. 23. David antwoordde:
Waarlijk hij heeft u slecht behandeld, door u uwe ooi te vragen,
als eene bijvoeging tot zijne eigen schapen; en velen van hen, die
eene zaak met elkander hebben, benadeelen elkander, behalve zij,
die gelooven en doen wat rechtvaardig is. Maar hoe weinigen zijn
dat! En David bemerkte, dat wij hem door deze gelijkenis hadden
beproefd, en hij vroeg vergiffenis van zijn Heer; hij viel neder,
boog zich en betoonde berouw [1828]. 24. Daarom vergaven wij hem
zijne fout, en hij zal toegelaten worden om ons te naderen, en hij
zal eene uitmuntende verblijfplaats in het paradijs hebben. 25. O
David! wij hebben u aangewezen, als een uitverkoren vorst op de aarde;
oordeel dus tusschen de menschen met waarheid, en volg niet uw eigen
hartstocht, opdat hij u niet van Gods weg doe afdwalen; want zij die
van Gods weg afdwalen, zullen eene ernstige straf ondergaan, dewijl
zij den dag van hulp hebben vergeten. 26. Wij hebben de hemelen
en de aarde en wat daartusschen is, niet in ijdelheid geschapen
[1829]. Dit is het oordeel der ongeloovigen; maar wee over hen, die
niet gelooven, hun deel is het hellevuur. 27. Zullen wij met hen,
die gelooven en goede werken verrichten, evenzoo doen, als met hen,
die verderfelijk op aarde handelen? Zullen wij met den vrome even als
met den zondaar handelen? 28. O Mahomet! wij hebben u een gezegend boek
nedergezonden, opdat gij aandachtig over de teekenen daarvan zoudt
nadenken, en de met verstand begiftigde menschen gewaarschuwd zouden
mogen wezen. 29. En wij gaven aan David Salomo. Welk een uitmuntende
dienaar! want hij wendde zich dikwijls tot den Heer. 30. Toen de
paarden, staande op drie pooten, en den grond met den kant van den
vierden poot aanrakende en vlug in hunnen loop, des avonds voor hem
werden ten toon gesteld [1830]. 31. Zeide hij: Waarlijk, ik heb de
liefde der aardsche goederen bemind, boven de herdenking van mijn
Heer, en heb den tijd besteed aan het beschouwen dezer paarden,
terwijl de zon door den sluier des nachts is verborgen; breng de
paarden weder voor mij. 32. En toen zij teruggebracht waren, begon
hij hunne pooten en halzen af te snijden. 33. Ook beproefden wij
Salomo, en plaatsten een nagebootst (misvormd) lichaam op zijn troon
[1831]. Daarna wendde hij zich tot God. 34. En zeide: O Heer! vergeef
mij en mijn koninkrijk, dat door niemand na mij zal worden verkregen;
want gij zijt de schenker van koninkrijken. 35. En wij onderwierpen
den wind aan hem, die op zijn bevel zachtjes heengleed, werwaarts wij
dien richtten. 36. En wij onderwierpen hem ook de duivels en, onder
deze, degenen die behendig waren in het bouwen en van het duiken naar
parelen. 37. En wij leverden hem anderen over, die geketend waren,
zeggende: 38. Dit is ons geschenk; wees dus mild, of wees spaarzaam
tegenover wien gij dit geschikt zult oordeelen [1832], zonder daarvan
rekenschap af te leggen. 39. En hij zal ons naderen, en een heerlijk
verblijf in het paradijs hebben. 40. En gedenk onzen dienaar Job
[1833], toen hij tot zijnen Heer riep, zeggende: Waarlijk, Satan
heeft mij met rampen en pijn bedroefd. 41. En er werd tot hem
gezegd: Strijk de aarde met uwen voet; en toen hij dit had gedaan,
ontsprong er eene fontein, en er werd tot hem gezegd: Dit is voor u,
om u er mede te wasschen, te verfrisschen en om te drinken. 42. En
wij gaven hem zijn gezin terug, en nog eens zooveel bovendien,
door onze genade. 43. En wij zeiden tot hem: Neem een handvol
(of bundel) [1834] in uwe hand en sla er uwe vrouw mede [1835],
en breek uwen eed niet [1836]. Waarlijk, wij bevonden, dat hij een
geduldig persoon was. 44. Welk een uitmuntend dienaar was hij: want
hij was iemand, die zich dikwijls tot ons wendde. 45. Gedenk ook
onze dienaren Abraham, Izaäk en Jacob, die dappere en voorzichtige
menschen waren. 46. Waarlijk, wij zuiverden hen met eene volkomene
zuivering, door de herdenking van het volgende leven. 47. En zij
waren goede menschen en voor ons aangezicht uitverkoren. 48. En
gedenk Israël, en Elisha [1837] en Dhoe'lkefl [1838]: want deze
allen waren goede menschen. 49. Dit is eene vermaning. Waarlijk, de
vromen zullen eene uitnemende plaats hebben, om er terug te keeren;
50. Namelijk, tuinen van eeuwig verblijf, waarvan de ingangen voor
hen zullen openstaan. 51. Als zij daarin nederliggen, zullen zij er
verschillende soorten vruchten en dranken vinden. 52. En nabij hen
zullen de maagden van het paradijs zitten, hare blikken van ieder
afwendende; behalve van hare bruidegommen, van gelijken ouderdom als
zij [1839]. 53. Dit is, wat u vóór den dag der rekenschap beloofd
werd. 54. Dit is onze overvloed, die niet falen zal. 55. Dit zal
de belooning der rechtvaardigen wezen. Maar voor de zondaren is
eene slechte schuilplaats gereed gemaakt; 56. Namelijk de hel:
zij zullen daarin geroepen worden om verbrand te worden, en dat zal
eene ellendige rustplaats wezen; 57. Proef dit, zal men hun zeggen;
namelijk kokend water en het bedorven vocht, dat uit de lijken der
verdoemden vloeit. 58 En verschillende andere dingen van dezelfde
soort. 59. En er zal tot de verleiders gezegd worden: Deze schaar,
die door u werd geleid, zal te zamen met u, van boven neder in de
hel geworpen worden. Zij zullen niet verwelkomd worden; want zij
zullen het vuur binnengaan om verbrand te worden. 60. En de verleiden
zullen tot hunne verleiders zeggen: Waarlijk, gij zult niet verwelkomd
worden; gij hebt deze kastijding over ons gebracht, en de hel is een
ellendig verblijf! 61. Zij zullen zeggen: O Heer! verdubbel in het
hellevuur de marteling van hen, die deze straf over ons gebracht
hebben. 62. En de ongeloovigen zullen zeggen: Waarom zien wij de
menschen niet, welke wij onder de zondaren telden. 63. En die wij met
spot ontvingen? Of missen onze oogen hen? 64. Inderdaad, dat is eene
waarheid; namelijk de twist onder de bewoners van het hellevuur. 65. O
Mahomet! zeg tot de afgodendienaars. Waarlijk, ik ben slechts een
waarschuwer, en er is geen god, buiten den eenen, eenigen God, den
Almachtige. 66. Den Heer van hemel en aarde en alles wat daartusschen
is, den Machtige, den Vergever van zonden. 67. Zeg: het is eene
gewichtige zending. 68. Waarvan gij u afwendt. 69. Ik had geene kennis
van de verheven vorsten [1840], toen zij omtrent de schepping van den
mensch twistten. 70. (Het werd mij slechts geopenbaard als een bewijs,
dat ik een openbaar prediker was); 71. Toen uw Heer tot de engelen
zeide: Ik zal den mensch van klei scheppen. 72. Als ik hem geschapen,
en hem mijn geest zal hebben ingeblazen, valt gij voor hem neder,
en aanbidt hem [1841]. 73. En al de engelen vereerden hem in het
algemeen. 74. Behalve Eblis, die door hoogmoed was opgeblazen en een
ongeloovige werd. 75. God zeide tot hem: O Eblis! wat verhindert u,
datgeene te vereeren, wat ik met mijne handen heb geschapen. 76. Zijt
gij opgeblazen door ijdele trotschheid? of zijt gij werkelijk iemand
van verheven verdienste? 77. Hij antwoordde: Ik ben uitnemender
dan hij. Gij hebt mij van vuur geschapen, en hem hebt gij van klei
gemaakt. 78. God zeide tot hem: Ga dus weg van hier; want gij zult
van de genade verdreven (gesteenigd) worden. 79. En mijn vloek zal
op u rusten, tot den dag des oordeels. 80. Hij hernam: O Heer! geef
mij uitstel tot den dag der opstanding. 81. God zeide: Waarlijk,
gij zult een van hen zijn, die uitstel zullen ontvangen. 82. Tot den
dag van den bepaalden tijd. 83. Eblis zeide: Ik zweer bij uw macht,
dat ik hen allen zal verleiden. 84. Behalve uwe dienaren, die bijzonder
onder hen gekozen zullen worden. 85. God zeide: Het is een rechtvaardig
vonnis, en ik spreek de waarheid; ik zal zekerlijk de hel met u vullen,
en met dezulken die u volgen; allen te zamen [1842]. 86. Zeg tot de
bewoners van Mekka: Ik vraag geenerlei belooning van u, voor deze
mijne prediking, noch ben ik een van hen, die zich meester maken van
een deel van datgene wat hun niet toebehoort. 87. De Koran is niets
anders dan een vermaning aan alle schepselen. 88. En na een zekeren
tijd zult gij zekerlijk weten, wat van het daarin geschonkene, waar is.



NEGEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

DE SCHAREN [1843].

Geopenbaard te Mekka. [1844]--75 verzen.


In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. De openbaring van dit boek is van den machtigen den wijzen
God. 2. Waarlijk, wij hebben u dit boek met waarheid geopenbaard:
dient dus God, en vertoont hun den waren godsdienst. 3. Zijt gij
Gode geen waren godsdienst verschuldigd? 4. Maar wat hen betreft,
die zich andere beschermers naast hem uitkiezen, zeggende: Wij
aanbidden hen alleen, opdat zij ons nader tot God zouden mogen
brengen, waarlijk, God zal tusschen hen richten, nopens hetgeen
waaromtrent zij verschillen. 5. Waarlijk, God zal dengeen niet
richten, die leugenaar of ondankbaar is. 6. Indien God begeerd zou
hebben, een zoon te bezitten, zou hij zeker naar zijn welbehagen
gekozen hebben, uit datgene wat hij geschapen heeft. Maar zoo iets
zij verre van hem! Hij is de eenige, de almachtige God. 7. Hij heeft
de hemelen en de aarde geschapen met waarheid: hij doet den dag door
den nacht opvolgen, en hij doet den nacht door den dag vervangen, en
hij dwingt de zon en de maan hare diensten te volbrengen: ieder van
haar haast zich, een bepaalden tijdkring te voltooien. Is hij niet
de Machtige, de Vergever van zonden? 8. Hij schiep u uit een man,
en vormde daarna uit hem zijne vrouw; en Hij heeft u vier paren vee
[1845] geschonken. Hij vormde u, in de ingewanden uwer moeders door
verschillende, trapsgewijze vormingen [1846], in de de duisternis van
drie sluiers [1847]. Dit is God uw Heer; hem behoort het koninkrijk;
er is geen God buiten hem. Waarom hebt gij u dus van zijne vereering
tot den afgodendienst gewend? 9. Indien gij ondankbaar zijt, waarlijk,
God heeft u niet noodig; doch hij bemint geene ondankbaarheid bij
zijne dienaren; maar indien gij dankbaar zijt, zal hij zich zeer met
u verheugen. Eene beladen ziel zal den last eener andere niet dragen;
daarna zult gij tot uwen Heer wederkeeren, en hij zal u verklaren
wat gij verricht hebt en u dienovereenkomstig beloonen; 10. Want hij
kent de binnenste deelen uwer borsten. 11. Als de droefheid een mensch
overvalt, roept hij zijnen Heer aan en wendt zich tot hem; maar daarna,
als God hem van zijne gunst heeft geschonken, vergeet hij het Wezen,
dat hij te voren heeft aangeroepen, en stelt anderen gelijk met God,
opdat hij de menschen van hunnen weg zou afleiden. Zeg tot zulk een
man: Geniet dit leven in uwe ongetrouwheid voor een korten tijd;
maar hierna zult gij zekerlijk een der bewoners van het hellevuur
zijn. 12. Zal hij, die zich in de uren des nachts aan het gebed
overgeeft, nedergebogen en staande, en die zorg draagt voor het
volgende leven en op de genade van zijn Heer hoopt, behandeld worden
als de goddeloozen? Zeg: Zullen zij, die hunnen plicht kennen en zij,
die dien niet kennen, gelijk staan? Waarlijk alleen de man van verstand
zal gewaarschuwd worden. 13. Zeg: o mijne dienaren, die gelooft! vreest
uwen Heer. Zij, die goed in deze wereld doen, zullen goede belooning in
de volgende ontvangen [1848] en Gods aarde is ruim [1849]. Waarlijk,
zij die met geduld volharden, zullen hunne belooning, zonder maat
ontvangen. 14. Zeg: Mij is bevolen God te vereeren en hem den zuiveren
godsdienst te wijden, en mij is bevolen de eerste Moslem te zijn [1850]
15. Zeg: Waarlijk, ik vrees de straf van den grooten dag, indien ik
mijn Heer ongehoorzaam ben. 16. Zeg: ik vereer God, terwijl ik hem
eenen zuiveren godsdienst wijde. 17. Maar gij aanbidt, buiten hem,
wat gij wilt. Zeg: Waarlijk, zij zullen de verliezers zijn, die op
den dag der opstanding hunne eigene zielen en hunne gezinnen zullen
verliezen; is dit geen duidelijk verlies? 18. Boven hen zullen daken
van vuur, en onder hen vloeren van vuur wezen. Daarmede bedreigt God
zijne dienaren; vreest mij dus, o mijne dienaren! 19. Maar zij, die
de vereering van afgoden vermijden en tot God gewend zijn, zullen
goede tijdingen ontvangen. Breng dus goede tijdingen tot mijne
dienaren, die naar mijn woord luisteren, en volgen wat daarin het
uitnemendst is. Dit zijn degenen die God richt en dat zijn menschen
van verstand. 20. Kunt gij dus hem, o Mahomet! over wien het vonnis
der eeuwige straf rechtvaardig werd uitgesproken, of hem bevrijden,
die bestemd is het hellevuur te bewonen. 21. Maar voor hen, die hunnen
God vreezen, zullen verheven verblijfplaatsen in het paradijs gereed
gemaakt wezen, waarboven andere vertrekken zullen gebouwd zijn, en
onder welke rivieren zullen stroomen. Dit is Gods belofte, en God
zal niet te kort doen aan zijne belofte. 22. Ziet gij niet, dat God
water van den hemel nederzendt en dit in de aarde doet gaan om er
bronnen van te vormen, en daardoor graan (planten) van verschillende
soorten voortbrengt? Daarna doet hij die verdorren, en gij ziet haar
geel worden; en daarna doet hij die tot stof worden. Waarlijk hierin
is eene onderrichting voor mannen van verstand. 23. Zal dus hij,
wiens borst verwijd is, om den godsdienst van den Islam te ontvangen,
en die het licht van zijn Heer volgt, zoo als hij wezen, wiens hart
versteend is omtrent de herdenking van God! Zij verkeeren in eene
duidelijke dwaling. 24. God heeft een uitnemend woord geopenbaard;
een boek, dat overeenkomstig zichzelven is, en herhaalde vermaningen
bevat. De huid van hen die hunnen Heer vreezen, krimpt uit vrees
daarvoor ineen, daarna worden, bij de herdenking van hunnen Heer,
hunne huiden en ook hunne harten zacht. Dit is de leiding van God;
hij wil daardoor leiden wien hem behaagt, en hij, dien God zal doen
dwalen, zal geen leider hebben. 25. Zal dus hij, die op den dag der
opstanding verplicht zal wezen, zich met zijn aangezicht te beschutten
[1851] tegen de gestrengheid der straf, gelijk zijn aan hem, die
daarvoor veilig is? Den goddeloozen zal gezegd worden: Proeft wat
gij hebt verdiend. 26. Zij die vóór hen waren, beschuldigden hunnen
gezanten van bedrog; daarom kwam eene straf op hen, van waar zij het
niet verwachtten. 27. En God vernederde hen in dit leven, maar de straf
van het volgende leven zal zekerlijk grooter wezen. Indien zij mannen
van verstand waren, zouden zij dit weten. 28. Wij hebben den mensch
thans, in dezen Koran, alle soorten van gelijkenissen voorgesteld,
opdat hij gewaarschuwd zou wezen. 29. Een Arabische Koran waarin geen
bochten zijn [1852]; opdat zij God zouden vreezen. 30. God stelt
als eene gelijkenis een man voor, die verscheidene makkers heeft,
welke onder elkander verschillen, en een man die zich geheel aan een
persoon overgeeft [1853]: zullen dezen met elkander gelijk gesteld
worden? Dank den Heere. Neen! Maar het meerendeel hunner begrijpen
niet. 31. Waarlijk, gij, o Mahomet! zult sterven. 32. En gij zult
met elkander daarover, op den dag der opstanding, voor uwen Heer
twisten. 33. Wie is onrechtvaardiger dan hij, die eene leugen omtrent
God uitdenkt, en waarheid loochent als die tot hem komt? Bestaat er
dan geene woning in de hel voor de ongeloovigen. 34. Maar hij die
waarheid brengt, en hij die daaraan geloof hecht  [1854], dat zijn
zij die God vreezen. 35. Zij zullen alles verkrijgen, wat zij voor het
aangezicht van hunnen Heer ook mogen begeeren; dit zal de belooning der
rechtvaardigen wezen. 36. God zal het slechtste uitwisschen van hetgeen
zij hebben bedreven, en zal hun hunne belooning geven, overeenkomstig
de uiterste verdiensten van het goede, dat zij gedaan zullen
hebben. 37. Is God geen toereikend beschermer van zijn dienaar? Zij
zullen nog trachten u bevreesd te maken voor de valsche godheden
welke zij nevens God aanbidden [1855]. Maar hij, wien God doet dwalen,
zal niemand hebben om hem te leiden. 38. En hij, die door God gericht
wordt, zal door niemand kunnen misleid worden. Is God niet machtig,
en in staat te wreken? Indien gij hun vraagt, wie de hemelen en de
aarde heeft geschapen, zullen zij zekerlijk antwoorden: God. 39. Zeg:
Denkt gij dus, dat de godheden, die gij naast God aanroept, in
staat zijn, mij van zijne bezoeking te verlossen, indien het Gode
behaagt mij te bezoeken? of dat zij in staat zijn, zijne genade te
weerhouden, indien het hem behaagt mij genade te betoonen? Zeg: God
is mijn toereikende ondersteuner; laten zij in hem hun vertrouwen
stellen, die dat in niemand trachten te plaatsen. 40. Zeg: O mijn,
volk! handelt gij overeenkomstig uw vermogen; waarlijk, ik zal
handelen overeenkomstig het mijne. 41. Hierna zult gij weten aan
wien van ons eene straf zal worden opgelegd, die hem met schaamte
bedekken, en op wien eene zware straf nederkomen zal. 42. Waarlijk,
wij hebben u het boek van den Koran, tot onderrichting van den mensch,
in waarheid geopenbaard. Wie daardoor gericht zal worden, zal gericht
zijn ten voordeele zijner eigene ziel, en wie dwalen zal, zal slechts
tegen zijne ziel dwalen; en gij zijt geen bewaker van hen. 43. God
neemt de zielen der menschen, op den tijd van hunnen dood tot zich
en ook van hen, die niet sterven, neemt hij de ziel in hunnen slaap
[1856], en hij onthoudt haar hun, omtrent welke hij het besluit
des doods heeft genomen [1857]; maar hij zendt de overigen tot een
bepaald tijdperk terug [1858]. Waarlijk, hierin zijn teekenen voor hen
die overwegen. 44. Hebben de Koreïshieten afgoden genomen tot hunne
tusschenpersonen bij God? Zeg: Wat! niettegenstaande deze geene macht
over iets bezitten, noch verstand bezitten. 45. Zeg: Tusschentreding
is geheel in Gods bestiering [1859]: hem is het koninkrijk van hemel
en aarde, en hierna zult gij tot hem terugkeeren. 46. Als de eenige
God wordt vermeld, krimpt het hart van spijt ineen van hen, die niet
in het volgende leven gelooven; maar als de valsche goden, die naast
hem vereerd worden, vermeld worden, ziet, dan zijn zij met vreugde
vervuld. 47. Zeg: O God! schepper van hemel en aarde, die weet wat
geheim en wat duidelijk is, gij zult tusschen uwe dienaren richten
nopens datgene waaromtrent zij verschillen. 48. Indien zij, die
onrechtvaardig handelen, meesters waren van alles wat op de aarde is
en nog meer daarenboven, waarlijk, zij zouden het geven om zich zelven
los te koopen, van de smart der straf op den dag der opstanding, en
daar zullen hun, van God verschrikkingen verschijnen, welke zij zich
nimmer konden verbeelden. 49. En daar zullen hun hunne booze daden
duidelijk verschijnen, en datgene, waarover zij gespot hebben, zal hen
omringen. 50. Als de mensch door droefheid wordt getroffen, roept hij
ons aan, doch daarna, als wij hem van onze gunst hebben geschonken,
zegt hij: ik heb het alleen ontvangen wegens Gods bekendheid met mijne
verdiensten [1860]. Integendeel, het is eene proef; maar het meerendeel
hunner weet het niet. 51. Zij die vóór hen waren, zeiden hetzelfde
[1861]; maar datgene wat zij gewonnen hebben, is hun niet van voordeel,
en het booze, dat zij hebben bedreven, valt op hen. 52. En al wie van
Mekka's bewoners onrechtvaardig zal hebben gehandeld, op dien zullen
eveneens de booze daden vallen, welke zij verdiend hebben, [1862];
nimmer zullen zij de goddelijke wraak verijdelen. 53. Weten zij niet,
dat God zijnen voorraad overvloedig besteedt aan wien hem behaagt,
en dat hij spaarzaam is naar zijn welbehagen? Waarlijk, hierin zijn
teekenen voor hen die gelooven. 54. Zeg: O mijne dienaren! die tegen
uwe eigene zielen hebt gezondigd, wanhoopt niet omtrent Gods genade;
gij weet dat God alle zonden vergeeft [1863]; want hij is genadig en
barmhartig. 55. En weest tot uwen Heer gekeerd en onderwerpt u aan hem,
voor de bedreigde straf u overvalle; want dan zult gij niet geholpen
worden. 56. En volgt de uitmuntendste onderrichtingen, die u van
uwen Heer zijn nedergezonden, alvorens de straf plotseling op u
nederkome, en gij de nadering daarvan niet bemerkt. 57. En eene
ziel zegt, helaas! Ik was zorgeloos omtrent mijn plicht nopens God;
waarlijk, ik was een spotter. 58. Of die zegt: Indien God mij zou
geleid hebben, waarlijk, dan ware ik een vrome geweest. 59. Of die
zegt, op het zien der gereedgemaakte straf: indien ik nog eens in de
wereld kon terugkeeren, zou ik een rechtvaardige worden. 60. Maar God
zal antwoorden: Mijne teekens kwamen vroeger tot u, en gij hebt die
van valschheid beschuldigd; gij waart opgeblazen door trotschheid
en werd een ongeloovige. 61. Op den dag der opstanding zult gij de
aangezichten van hen, die leugens omtrent God hebben uitgedacht,
zwart zien worden. Is er geen verblijf voor de laatdunkenden in de
hel gereed gemaakt? 62. Maar God zal degenen bevrijden die hem zullen
vreezen, en hen in hunne plaats van veiligheid leiden: het kwaad zal
hen niet bereiken en zij zullen niet bedroefd worden. 63. God is de
schepper van alle dingen, en hij is de beheerscher van alle dingen. Hem
behooren de sleutels van hemel en aarde; en zij die niet in de teekens
van God gelooven, zullen te gronde gaan. 64. Zeg: Gebiedt gij mij
daarom iets anders dan God te aanbidden, gij dwazen? 65. Nadat het u
door openbaring is gezegd, en ook tot de profeten die vóór u waren,
zeggende: Waarlijk, indien gij deelgenooten met God vereenigt, zullen
al uwe werken zonder eenig nut wezen, en gij zult zekerlijk een van
hen zijn, die te gronde gaan. 66. Vreest dus veeleer God, en weest
dankbaar. 67. Maar zij schatten God niet op de juiste waarde, terwijl
de geheele aarde op den dag der opstanding, slechts eene handvol
voor hem zal uitmaken, en de hemelen in zijne rechterhand ineengerold
zullen worden. Geloofd zij hij, en verre verheven boven de afgoden,
welke zij met hem vereenigen! 68. Eene trompet zal geblazen worden
[1864], en allen die in den hemel en op aarde zijn, behalve zij,
omtrent welke het Gode zal behagen, hen van het algemeene lot uit te
zonderen [1865], zullen den geest geven. Daarna zal nog eens geblazen
worden, en ziet, zij zullen verrijzen en opzien. 69. En de aarde zal
schitteren door het licht van haren Heer, en het boek zal opengelegd
worden, en de profeten en martelaren zullen als getuige worden
gebracht; en er zal met waarheid tusschen hen worden geoordeeld;
en zij zullen niet onrechtvaardig behandeld worden. 70. En iedere
ziel zal ten volle worden beloond, overeenkomstig hetgeen zij zal
hebben verricht; want hij weet volkomen wat zij doen. 71. En de
ongeloovigen zullen bij scharen in de hel worden gedreven, totdat,
als zij daar zullen aankomen, hare poorten zullen worden geopend, en
de bewaarders daarvan zullen tot hen zeggen: Kwamen geene gezanten
uit uw midden tot u, die de teekens van uwen Heer herinnerden, en
u voor de ontmoeting van dezen uwen dag waarschuwden. Zij zullen
antwoorden: Ja; maar het vonnis van eeuwige straf is rechtvaardig
over de ongeloovigen uitgesproken [1866]. 72. Men zal tot hen zeggen:
Treedt de poorten der hel binnen, om daarin voor eeuwig te wonen,
en ellendig zal het verblijf der trotschen zijn! 73. Maar zij, die
hunnen Heer hebben gevreesd, zullen bij scharen naar het paradijs
worden geleid, tot zij daar zullen aankomen; en de poorten daarvan
zullen dadelijk worden opengezet, en de wachten daarvan zullen tot
hen zeggen: Vrede zij op u! gij waart goed: treedt dus het paradijs
binnen, ten einde daar voor eeuwig te verblijven. 74. En zij zullen
antwoorden: Geloofd zij God, die zijne belofte heeft vervuld en ons
de aarde heeft doen erven [1867], opdat wij in het paradijs zouden
wonen, waar het ons behaagt. Hoe uitmuntend is de belooning van hen,
die rechtvaardigheid uitoefenen! 75. En gij zult de engelen zien,
gaande in optocht om den troon, den lof van hunnen Heer verkondigende,
en er zal met waarheid tusschen hen worden geoordeeld, en zij zullen
zeggen: Geloofd zij God, de Heer van alle schepselen!



VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

DE WARE GELOOVIGE [1868].

Geopenbaard te Mekka--85 verzen.


In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Ha. Mim. De openbaring van dit boek is van den machtigen, den
wijzen God. 2. Den vergever van zonden, en den aannemer van berouw,
die streng in het straffen is. 3. Hij is lankmoedig. Er is geen God
buiten hem; en voor hem zal de algemeene verzameling op den jongsten
plaats hebben. 4. Niemand twist tegen de teekenen van God, behalve de
ongeloovigen; maar laat hunne voorspoedige ondernemingen in het land
[1869], u niet met ijdelen schijn verleiden. 5. Het volk van Noach
en de verbonden ongeloovigen, die na hen kwamen, beschuldigden hunne
verschillende profeten van bedrog, en ieder volk broedde slechte
plannen tegen zijne profeten, opdat zij hen in hunne macht zouden
krijgen; en zij twistten met ijdele woorden, om daardoor de waarheid
krachteloos te maken. Deswege kastijdde ik hen, en hoe gestreng was
mijne straf. 6. Zoo is het vonnis van uwen Heer met rechtvaardigheid
op de ongeloovigen toegepast geworden, en zij zullen de bewoners van
het hellevuur zijn. 7. De engelen, die den troon van God dragen, en zij
die in zijnen omtrek staan [1870], verkondigen den lof van hunnen Heer
en gelooven in hem, en zij vragen vergiffenis voor de ware geloovigen,
zeggende: O Heer! gij omringt alle zaken door uwe genade en kennis;
vergeef dus hun, die berouw betoonen en uw pad volgen, en bevrijd hen
van de pijnen der hel. 8. O Heer! leid hen ook in tuinen van eeuwig
verblijf, welke gij hun hebt beloofd, en iederen persoon van hunne
vaders en hunne vrouwen en hunne kinderen die recht zal handelen:
want gij zijt de machtige, de wijze God. 9. Bevrijd hen van het kwaad;
want al wie zich van boosheid zal vrij houden, zult gij op dien dag uwe
genade toonen, en dit zal eene groote gelukzaligheid wezen. 10. Maar
de ongeloovigen zullen op den dag des oordeels eene stem hooren, die
hun zal toeroepen: Waarlijk de haat van God omtrent u, is smartelijker
dan uw haat jegens u zelven, toen gij tot het geloof werdt geroepen
en niet gelooven wildet. 11. Zij zullen zeggen: O Heer! gij hebt
ons den dood tweemaal gegeven en gij hebt ons tweemaal het leven
geschonken [1871], en wij belijden onze zonden. Is er dus geen weg,
om aan dit vuur te ontkomen? 12. En men zal hun antwoorden: Dit is u
wedervaren, omdat, als er van een eenigen God tot u werd gepredikt,
gij niet geloofdet; maar indien eene meervoudigheid van goden met hem
werd vereenigd, gij geloofdet; en het oordeel behoort den hoogen,
den grooten God. 13. Hij is het, die u zijne teekenen toont, en u
voedsel van den hemel nederzendt; maar niemand zal vermaand worden,
dan hij, die zich tot God wendt. 14. Roep dus God aan, en wijd hem
eenen zuiveren godsdienst, hoewel de ongeloovigen afkeerig daarvan
zijn. 15. Hij is het wezen van verheven aard, de bezitter van den
troon, die den geest op zijn bevel nederzendt, aan diegenen zijner
dienaren, welke hem behagen, opdat hij den mensch voor den dag
der ontmoeting zou waarschuwen [1872]. 16. Op dien dag zullen de
menschen uit hunne graven verrijzen, en niets wat hen betreft, zal
voor God verborgen zijn. Aan wien zal op dien dag het koninkrijk
behooren? Aan den eenigen, den almachtigen God. 17. Op dien dag
zal iedere ziel overeenkomstig hare verdiensten worden beloond;
op dien dag zal geene onrechtvaardigheid plaats hebben. Waarlijk,
God zal snel zijn in het opmaken der rekeningen. 18. Waarschuw
hen dus, o profeet! voor den dag die spoedig zal naderen, als de
harten der menschen tot hunne kelen opstijgen en hen smoren. 19. De
ongeloovigen zullen geen vriend of tusschenpersoon hebben, die gehoord
zal worden. 20. God zal het bedriegelijke oog kennen en datgene wat
hunne borsten verbergen. 21. En God zal met waarheid oordeelen; maar
de valsche goden, welke zij naast hem aanroepen, kunnen volstrekt
niet oordeelen; want God alleen hoort en ziet alles. 22. Zijn zij
niet over de aarde gegaan, en hebben zij het einde niet gezien van
hen, die vóór hen waren? Deze waren machtiger dan zij in sterkte,
en lieten aanzienlijker sporen van hunne macht op de aarde; doch God
kastijdde hen om hunne zonden, en er was niemand om hen bij God te
ondersteunen. 23. Dit ondergingen zij, omdat hunne apostelen met
duidelijke teekens tot hen waren gekomen en zij niet geloofden:
daarom kastijdde God hen: want hij is sterk en gestreng in het
straffen. 24. Wij zonden vroeger Mozes met onze teekenen en duidelijke
macht, 25. Tot Pharao, en Haman, en Karoen [1873], en zij zeiden: Hij
is een toovenaar en een leugenaar. 26. En toen hij met waarheid van ons
tot hen kwam, zeiden zij: Doodt de zonen van hen, die met hem hebben
geloofd, en redt het leven hunner dochters [1874]; maar de list der
ongeloovigen was ijdel. 27. En Pharao zeide: Laat mij alleen, opdat
ik Mozes doode [1875], en laat hem zijnen Heer aanroepen. Waarlijk,
ik vrees dat hij uw godsdienst zal doen veranderen, of geweld op de
aarde zal doen heersenen [1876]. 28. En Mozes zeide tot zijn volk:
Waarlijk, ik heb toevlucht tot mijn Heer en uw Heer genomen ten einde
mij te verdedigen tegen iederen trotschen persoon, die niet aan den
dag der rekenschap gelooft. 29. En een man, van het gezin van Pharao
[1877], die een waar geloovige was en zijn geloof verborg, zeide:
Wilt gij een mensch ter dood brengen omdat hij zegt: God is mijn Heer,
terwijl gij ziet, dat hij met duidelijke teekenen van uwen Heer tot u
is gekomen? Indien hij een leugenaar is, zal de straf zijner valschheid
op hem vallen, maar indien hij de waarheid spreekt, zullen eenige
dier vonnissen, waarmede hij u bedreigt, op u nederkomen; waarlijk,
God leidt niet hem, die een zondaar of een leugenaar is. 30. O mijn
volk! heden is u het koninkrijk, en gij zijt machtig; maar wie zal
ons tegen den geesel van God verdedigen, als die op ons nederkomt
[1878]. Pharao zeide: Ik stel u alleen voor, wat mij het geschiktste
dunkt, en ik leid u alleen op het rechte pad. 31. En hij die geloofd
had, zeide: O mijn volk! waarlijk, ik vrees voor u een dag, gelijk aan
dien van de verbondenen tegen de profeten, in vroegere tijden. 32. Een
toestand gelijk aan dien van het volk van Noach, en de stammen van
Ad en Thamoed. 33. En van hen, die na hen hebben geleefd; want God
wil niet dat er eenige onrechtvaardigheid op zijne dienaren worde
uitgeoefend. 34. O mijn volk! waarlijk, ik vrees voor u den dag,
waarop de menschen elkander zullen aanroepen [1879]. 35. Den dag
waarop gij van de rechtbank zult afgewend, en naar de hel gedreven
worden zult gij niemand hebben, om u tegen God te ondersteunen. En
hij dien God zal doen dwalen, zal geen leider hebben. 36. Jozef
kwam, vóór Mozes, met duidelijke teekens tot u, maar gij hieldt
niet op te twijfelen omtrent den godsdienst, dien hij u predikte,
tot gij zeidet, toen hij stierf: God zal op geenerlei wijze een
anderen profeet na hem zenden. Zoo deed God dengeen dwalen, die een
zondaar en een twijfelaar is. 37. Zij, die Gods teekenen betwisten,
zonder dat er een bewijs tot hen is gekomen, zijn in groote verachting
bij God en bij hen die gelooven; zoo verzegelt God ieder trotsch en
weêrbarstig hart. 38. En Pharao zeide: O Haman! bouw mij een toren,
opdat ik de sferen kunne bereiken: 39. De sferen des hemels en dat
ik den God van Mozes [1880] moge zien; want waarlijk, ik houd hem
voor een leugenaar. 40. Zoo vertoonden Pharaos snoode werken zich
lofwaardig voor hem; hij wendde zich van het rechte pad af, en de
listen van Pharao eindigden slechts met verlies. 41. En hij die
geloofd had, zeide: O mijn volk! volg mij: ik wil u op den rechten
weg leiden. 42. O mijn volk! waarlijk, dit tegenwoordige leven is
slechts een tijdelijk genot, maar het volgende leven is de woning van
onwrikbare duurzaamheid. 43. Wie kwaad bedrijft, zal slechts vergolden
worden in gelijke evenredigheid daarmede, maar wie goed doet, hetzij
man of vrouw, en een waar geloovige is, zal onder de uitverkorenen
zijn, die het paradijs binnengaan, en daarin overvloediglijk zullen
worden voorzien. 44. O mijn volk! wat mij betreft, ik noodig u tot de
gelukzaligheid uit; maar gij noodigt mij tot het hellevuur. 45. Gij
noodigt mij uit, God te loochenen, en datgene met hem te vereenigen
waarvan ik geene kennis; maar ik noodig u tot den Machtigste, den
Vergever van zonden. 46. Het is ontwijfelbaar, dat de valsche goden,
waartoe gij mij uitnoodigt, niet verdienen aangeroepen te worden
noch in deze, noch in de volgende wereld: dat wij tot God moeten
terugkeeren, en dat de zondaren de bewoners van het hellevuur zullen
wezen. 47. En gij zult u dan herinneren wat ik thans tot u zeg. Wat
mij betreft, ik onderwerp mijne zaak aan God; want God beschouwt zijne
dienaren. 48. Daarom bevrijdde God hem van het kwaad, dat zij tegen hem
hadden uitgedacht, en eene gestrenge straf omringde het volk van Pharao
[1881]. 49. Zij zullen, des ochtends en des avonds, aan het hellevuur
zijn blootgesteld [1882], en op den dag waarop het oordeel zal plaats
hebben, zal hun worden gezegd; Treed binnen, o volk van Pharao! in de
gestrengste marteling. 50. En denk aan den tijd, als de ongeloovigen,
in het hellevuur met elkander zullen twisten, en de zwakken tot
de hoovaardigen (de grooten) zullen zeggen: Waarlijk, wij waren uwe
volgers; wilt gij ons dus niet van een deel van dit vuur redden? 51. De
hoovaardigen zullen antwoorden: Waarlijk, wij zijn allen gedoemd daarin
te lijden; want God heeft thans zijne dienaren geoordeeld. 52. En zij,
die in het vuur zullen wezen, zullen tot de wachters der hel zeggen
[1883]: Roept uwen Heer aan, opdat hij ons voor een dag deze straf
verlichte. 53. Zij zullen antwoorden! kwamen uwe gezanten niet,
met duidelijke bewijzen, tot u? Zij zullen zeggen: Ja. De bewaarders
zullen daarop zeggen: Roept dus God aan: maar zijne aanroeping door
de ongeloovigen zal slechts ijdel wezen. 54. Wij zullen zekerlijk
onze profeten en hen die gelooven, in dit tegenwoordige leven helpen,
en op den dag waarop de getuigen zullen opstaan. 55. Een dag waarop de
verontschuldiging der ongeloovigen hen niet zal baten; maar een vloek
zal hen wachten en een ellendig verblijf. 56. Wij gaven vroeger aan
Mozes eene leiding, en wij lieten het boek der wet, als eene erfenis
voor de kinderen Israëls, na; als eene leiding en eene vermaning voor
menschen, die verstand bezitten. 57. Daarom, o profeet! verdraag de
beleedigingen der ongeloovigen met geduld; want de belofte van God
is waar. Vraag vergiffenis voor uwe dwaling [1884] en verkondig den
lof van uwen Heer, des avonds en des ochtends. 58. Wat hen betreft,
die de teekenen van God bestrijden, zonder dat hun een overtuigend
bewijs werd geopenbaard, er is slechts trotschheid in hunne borsten;
doch zij zullen hun verlangen niet verkrijgen; vlucht dus tot God,
als een toevluchtsoord; want hij hoort en ziet alles. 59. Waarlijk,
de schepping van hemel en aarde is grooter dan de schepping van den
mensch, maar het meerendeel der menschen begrijpt het niet. 60. De
blinde en de ziende zullen niet gelijk gesteld worden, noch zij die
gelooven en rechtvaardigheid uitoefenen met de boosdoeners. Hoe
weinigen overwegen dit in hun binnenste! 61. Het laatste uur zal
zekerlijk komen: dit is ontwijfelbaar; maar het meerendeel der
menschen gelooft het niet 62. Uw Heer zeide: Roept mij aan en ik zal
u verhooren, maar zij die met trotschheid mijnen dienst versmaden,
zullen met schande de hel binnen gaan. 63. God is het, die den nacht
voor u heeft aangewezen, om daarin uwen rust te nemen, en den dag om
u licht te geven. Waarlijk, God is milddadig omtrent den mensch; maar
het meerendeel der menschen is ondankbaar. 64. Dit is God, uw Heer,
de schepper van al dingen; er is geen God buiten hem; waarom hebt gij
u dan van zijne vereering afgewend? 65. Zoo zijn degenen afgewend,
die Gods teekenen weerstand bieden. 66. God is het, die u de aarde
heeft gegeven tot een vasten grond, en de hemel als eene overdekking;
die u gevormd heeft, uwe vormen schoon heeft gemaakt en u met
goede dingen voedt. Dit is God, uw Heer. Daarom zij God gezegend,
de Heer van alle schepselen! 67. Hij is de levende God, en er is
geen God buiten hem. Roept hem dus aan, en wijdt hem den zuiveren
godsdienst. Geloofd zij God, de Heer van alle schepselen! 68. Zeg:
Waarlijk, het is mij verboden de godheden te aanbidden, welke gij
buiten God aanroept, nadat er duidelijke bewijzen van mijnen Heer
tot u zijn gekomen, en mij is bevolen, mij aan den Heer van alle
schepselen te onderwerpen. 69. Hij is het, die u het eerste van stof
schiep, daarna van zaad en gestold bloed, en u vervolgens als kinderen
uit de ingewanden uwer moeders voortbracht; daarna veroorloofde hij
u, uwen ouderdom van volle sterkte te bereiken, en vervolgens tot
oude menschen op te groeien (maar sommigen van u sterven voor dien
leeftijd), en den bepaalden tijd van uw leven te bereiken [1885],
opdat gij misschien zoudt begrijpen. 70. Hij is het, die leven geeft en
sterven doet, en als hij iets besluit, zegt hij slechts: Wees! en het
is. 71. Bemerkt gij hen niet, die tegen de teekenen van God twisten,
hoezeer zij van het ware geloof zijn afgewend? 72. Zij, die het boek
van den Koran van valschheid beschuldigen, en ook de andere schriften
en andere leeren, welke wij onze vroegere profeten hebben gezonden om
te prediken, zullen hierna hunne dwaasheid kennen. 73. Als de kragen
zich om hunne nekken zullen bevinden, zullen zij geketend in de hel
worden gesleept; daarna zullen zij in het vuur worden verbrand. 74. En
er zal tot hen worden gezegd: Waar zijn de goden, welke gij met God
hebt vereenigd? Zij zullen antwoorden: Zij hebben zich zelven aan ons
onttrokken; ja, wij riepen vroeger een niets aan [1886]. Zoo leidt
God de ongeloovigen in dwaling. 75. Dit is u wedervaren, omdat gij
u onbeschaamd op aarde hebt verheugd, in datgene wat valsch was, en
waarom gij met toomelooze vreugde waart vervuld. 76. Gaat de poorten
der hel binnen, om daarin voor eeuwig te verblijven; en het verblijf
der hoogmoedigen zal ellendig zijn! 77. Daarom volhard met geduld,
o Mahomet! want de belofte van God is waar. Hetzij wij u een deel der
straf doen zien, waarmede wij hen bedreigden, hetzij wij u doen sterven
vóór gij het ziet; zij zullen op den jongsten dag voor ons worden
verzameld. 78. Wij hebben vóór u een groot aantal profeten gezonden;
van sommige onder welke wij u de geschiedenissen hebben geopenbaard,
en de geschiedenissen van andere hebben wij u niet medegedeeld; maar
geen gezant heeft de macht een teeken voor te brengen, tenzij door het
verlof van God. Als dus het bevel van God zal komen, zal het oordeel
met waarheid worden uitgesproken, en dan zullen zij ten gronde gaan,
die de teekens van God zonder uitwerking trachten te doen zijn. 79. Het
is God die u het vee heeft gegeven, teneinde gij op sommige dieren
zoudt kunnen rijden en van andere zoudt kunnen eten. 80. Gij ontvangt
daarvan ook andere voordeelen [1887], en door deze volbrengt gij de
zaak, welke gij u innerlijk hebt voorgesteld, en door hen wordt gij
te land, en door schepen ter zee vervoerd. 81. En hij toont u zijne
teekenen. Welke van Gods teekenen zult gij dus loochenen? 82. Gaan
zij niet over de aarde, en zien zij niet wat het einde was van hen,
die vóór hen bestonden? Deze waren talrijker dan zij en machtiger in
sterkte, en lieten aanzienlijker gedenkteekenen van hunne macht op
aarde; maar wat zij verworven hadden was hun van geen voordeel. 83. En
toen hunne apostelen tot hen kwamen met duidelijke bewijzen hunner
zending verheugden zij zich vol overmoed in de kennis, die met
hen was [1888], doch de straf, waarover zij hadden gespot, omringde
hen. 84. En toen zij onze wraak zagen, zeiden zij: Wij gelooven in God
alleen en wij doen afstand van de afgoden, welke wij met hem hebben
vereenigd. 85. Maar hun geloof baatte hen niet, nadat zij onze wraak
hadden gezien. Dit was het bevel van God, dat vroeger in acht genomen
werd, nopens zijne dienaren, en de ongeloovigen deed te gronde gaan.



EEN EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

DE DUIDELIJK UITGELEGDEN. [1889].

Geopenbaard te Mekka--54 verzen.


In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Ha. Mim. Dit is een boek van den Barmhartigste. 2. Een boek,
waarvan de verzen duidelijk zijn uitgelegd [1890], een Arabische
Koran; tot onderricht van een volk, dat verstaat; 3. Brengende
goede tijdingen, en bedreigingen aankondigende, maar het meerendeel
hunner wendt zich af en luistert niet daarnaar. 4. En zij zeggen:
onze harten zijn gesluierd voor de leer waartoe gij ons uitnoodigt;
er is doofheid in onze ooren, en eene gordijn tusschen ons en ulieden;
handel dus zooals gij gepast zult oordeelen; want wij zullen handelen
overeenkomstig onze eigene gevoelens. 5. Zeg: Waarlijk, ik ben slechts
een mensch zooals gij. Mij is het geopenbaard, dat uw God één God
is; richt dus uwen weg naar hem, en vraagt vergiffenis voor hetgeen
voorbij is. En wee over de ongeloovigen. 6. Die de bepaalde aalmoezen
niet geven, en in het volgende leven niet gelooven! 7. Maar wat hen
betreft, die gelooven en rechtvaardigheid uitoefenen, zij zullen
eene eeuwigdurende belooning ontvangen. 8. Zeg: Gelooft gij werkelijk
niet in hem, die de aarde in twee dagen schiep [1891], en stelt gij
anderen met hem gelijk? Hij is de heer van alle schepselen! 9. En hij
heeft vastgewortelde bergen op de aarde geplaatst [1892], die zich
daarboven verhieven. Hij zegende haar en voorzag haar van het voedsel
der schepselen, die aangewezen waren de bewoners daarvan te zijn, in
vier dagen [1893], gelijkelijk, voor hen die vragen [1894]. 10. En
hij ondernam de schepping des hemels: en deze was rook [1895], en
hij zeide tot den hemel en tot de aarde: Komt, hetzij gehoorzaam of
tegen uwen wil. Zij zeiden: Wij komen gehoorzaam aan uw bevel. 11. En
hij vormde die in zeven hemelen in twee dagen, en openbaarde aan
iederen hemel zijne verrichting. En wij tooiden den lageren hemel
met lichten, en plaatsten eene wacht van engelen daarin [1896]. Dat
is de beschikking van den machtigen, den wijzen God. 12. Indien de
bewoners van Mekka zich aan deze onderrichtingen onttrekken, zeg:
Ik kondig u eene plotselinge vernietiging aan, zooals de vernietiging
van Ad en Thamoed. 13. Toen de profeten tot hen kwamen, voor hen en
achter hen [1897], zeggende: Vereert God alleen, antwoordden zij:
Indien het onzen Heer zou hebben behaagd, gezanten af te vaardigen,
zou hij zeker engelen hebben gezonden, en wij gelooven de zending
niet, waarmede gij zijt belast. 14. Wat den stam Ad betreft, zij
gedroegen zich, zonder reden, onbeschaamd op de aarde en zeiden:
Wie is machtiger dan wij in sterkte? Zagen zij niet dat God, die hen
geschapen heeft, machtiger dan zij in sterkte was? En zij verwierpen
onze teekenen met voordacht! 15. Daarom deden wij een fellen wind
van ongeluk tegen hen opsteken [1898], opdat wij hun de straf der
schande in deze wereld zouden doen proeven; maar de straf van het
volgende leven zal nog schandelijker wezen, en zij zullen daartegen
niet worden beschermd. 16. En wat Thamoed betreft wij leidden hen,
maar zij beminden de blindheid meer dan de ware richting; daarom
overviel hen het vreeselijk gedruisch van eene schandelijke straf,
om hetgeen zij hadden verdiend. 17. Maar wij bevrijdden hen die
geloofden en God vreesden [1899]. 18. En waarschuw hen voor den dag,
waarop de vijanden van God in het hellevuur bijeenverzameld zullen
worden, en in onderscheiden scharen zullen optrekken. 19. Totdat,
wanneer zij daar zullen aangekomen zijn, hunne ooren, hunne oogen en
hunne huiden getuigenis tegen hen zullen afleggen, van datgene wat
zij verricht zullen hebben. 20. En zij zullen tot hunne huiden zeggen:
Waarom legt gij getuigenis tegen ons af? Deze zullen antwoorden: God
heeft ons doen spreken; hij die de spraak schenkt aan alle wezens, hij
schiep u eens, en tot hem zijt gij teruggekeerd. 21. Gij kondt u niet
verbergen terwijl gij zondigdet, opdat uwe ooren en uwe oogen en uwe
huiden geene getuigenis tegen u konden afleggen [1900]; maar gij dacht,
dat God onbekend was met vele dingen welke gij deedt. 22. Dit was
uwe meening welke gij van uwen Heer uitdacht; dit heeft u ten gronde
gericht, en gij zijt verloren. 23. Laten zij hunne marteling verdragen:
het hellevuur zal hun verblijf zijn. Ofschoon zij om genade smeeken,
zullen zij die niet erlangen. 24. En wij zullen hun de duivels tot
onafscheidbare makkers geven, die hun valsche denkbeelden voorstelden,
welke zij nopens deze tegenwoordige wereld en de volgende voedden; en
voor hen is het vonnis juist passend, dat vroeger werd uitgesproken
over de volkeren van geniussen en menschen die voor hen waren, en
waardoor zij ten gronde gingen. 25. De ongeloovigen zeggen: Luister
niet naar dezen Koran, maar voer ijdele gesprekken bij de lezing
daarvan, opdat gij de stem van den lezer, door uwe spotternijen en uw
lachen, bedekt. 26. Daarom zullen wij de ongeloovigen zekerlijk eene
gestrenge straf doen ondergaan. 27. En wij zullen zekerlijk het booze
vergelden, dat zij bedreven zullen hebben. 28. Dit zal de vergelding
van Gods vijanden zijn; namelijk het hellevuur; daarin is voor hen
een eeuwigdurend verblijf gereed gemaakt, als eene vergelding, wegens
het voorbedachtelijk verwerpen onzer teekenen. 29. En de ongeloovigen
zullen in de hel gillen: O Heer! toon ons degenen der geniussen en
menschen [1901], die ons hebben verleid, en wij zullen hen onder
onze voeten werpen, opdat zij vernederd en veracht worden. 30. Wat
hen betreft die zeggen: Onze Heer is God, en zij die zich oprechtelijk
gedragen, de engelen zullen tot hen nederdalen [1902] en zeggen: Vreest
niet, en treurt ook niet; maar verheugt u in de hoop van het paradijs,
dat u is beloofd. 31. Wij zijn uwe vrienden in dit leven, en in datgene
wat komen zal; daarin zult gij hebben, wat uwe zielen zullen begeeren,
alles wat gij zult verlangen. 32. Daarin zult gij alles verkrijgen,
waarom gij zult vragen, als een geschenk van den barmhartigen en
genadigen God. 33. Wie spreekt beter dan hij, die tot God noodigt,
rechtvaardigheid uitoefent, en zegt: Ik ben een Moslem? 34. Goed en
kwaad zullen niet gelijk gesteld worden. Vergeld het kwade met goed,
en ziet: de man, die uw vijand was, zal uw beschermer en warmste vriend
worden. 35. Maar niemand zal deze volmaaktheid bereiken, behalve zij,
die lijdzaam zijn; ook zal niemand die bereiken, behalve hij, die met
een zeer gelukkig gemoed begiftigd is. 36. En indien u door Satan
eene slechte ingeving wordt aangeboden, neem dan uwe toevlucht tot
God; want hij is het, die alles ziet en weet. 37. Onder de teekenen
zijner macht zijn de dag en de nacht, de zon en de maan. Vereer de
zon niet, noch de maan, maar vereer God, die haar heeft geschapen,
indien gij hem wilt dienen. 38. Maar indien zij trotschelijk zijnen
dienst versmaden, waarlijk, de engelen die met uwen Heer zijn prijzen
hem nacht en dag, en zijn niet vermoeid. 39. En onder zijne teekenen
is een ander, dat gij het land woest ziet, maar als wij er regen op
nederzenden, wordt het in beweging en gisting gebracht. En hij die
de aarde verkwikt, zal zekerlijk ook de dooden bezielen; want hij is
almachtig. 40. Waarlijk, zij die goddeloos onze teekenen miskennen,
zijn niet voor ons verborgen. Is dus hij beter, die in het hellevuur
zal worden geworpen, of hij die op den dag der opstanding zeker
zal verschijnen? Doet wat gij wilt, maar hij ziet gewis alles
wat gij doet. 41. Waarlijk, zij die niet in de vermaning van den
Koran gelooven, nadat die tot hen is gekomen, zullen eens ontdekt
worden. Zekerlijk, het is een boek van onschatbare waarde. 42. Geene
ijdelheid zal het bereiken, noch van voren noch van achteren [1903];
het is een openbaring van den wijzen God, wiens lof terecht wordt
verkondigd. 43. De ongeloovigen van Mekka zeggen u niets anders,
dan datgene, wat vóór u, tot de profeten werd gezegd; waarlijk, hun
Heer is tot de vergiffenis geneigd, en hij is mede in staat ernstig
te kastijden. 44. Indien wij den Koran in eene vreemde taal hadden
geopenbaard [1904], zouden zij zekerlijk gezegd hebben: Wij zullen
dien niet ontvangen, zoo lang de teekenen daarvan niet duidelijk
zijn uitgelegd. Is dan het boek in eene vreemde taal geschreven,
en de persoon, aan wien het werd gericht een Arabier? Antwoord: Het
is een zekere gids voor hen die gelooven, en een heelmiddel tegen
twijfel en onzekerheid; maar voor hen, die niet gelooven, een zwaar
gehoor in hunne ooren, en het is eene duisternis die hen bedekt, deze
zijn gelijk degenen, die van eene afgelegene plaats worden aangeroepen
[1905]. 45. Wij gaven vroeger het boek der wet aan Mozes en er rees een
twist over. Indien er vooraf geen besluit van uwen Heer ware uitgegaan,
ten einde den tegenstanders dier openbaring uitstel te verleenen,
waarlijk, dan zou de zaak tusschen hen zijn besloten geworden, door
de vernietiging der ongeloovigen; want zij verkeerden daaromtrent
in een zeer grooten twijfel. 46. Hij die goed doet, verricht dit
ten voordeele zijner eigene ziel, en hij die kwaad bedrijft doet het
tegen zijne ziel; want uw Heer is niet onrechtvaardig omtrent zijne
dienaren. 47. Hem is de kennis van het uur des oordeels voorbehouden,
en er komt geene vrucht uit den knop voort, die haar omwikkeld houdt,
noch ontvangt eene vrouw in hare ingewanden, noch wordt zij van
hare vrucht bevrijd, dan met zijne kennis. Op den dag waarop hij
hen tot zich zal roepen, zeggende: Waar zijn de makkers, welke gij
mij hebt toegeschreven? zullen zij antwoorden: Wij verzekeren u, dat
daar voor geen getuige onder ons is [1906]. 48. En de afgoden, welke
zij te voren aanriepen zullen zich aan hen onttrekken, en zij zullen
bemerken, dat er geen weg zal wezen om te ontkomen. 49. Het vermoeit
den mensch niet, het goede te vragen, maar als het kwade hem overvalt,
vertwijfelt en wanhoopt hij. 50. En indien wij hem onze genade doen
genieten, nadat hem droefenis bereikt, zegt hij zekerlijk: Dit is men
mij schuldig, wegens mijne verdiensten; ik geloof niet, dat het uur des
oordeels ooit zal komen, en indien ik voor mijn Heer word gebracht,
zal ik zeker bij hem den uitnemendsten toestand bereiken. Maar wij
zullen dan aan hen die niet geloofd hebben, datgene verklaren, wat
zij verricht hebben en wij zullen hen zekerlijk de meest gestrenge
straf doen ondergaan. 51. Als wij den mensch gunsten verleenen, wendt
hij zich af en vertrekt, zonder zijnen dank te betuigen: maar als het
kwaad hem bereikt, bidt hij dikwijls. 52. Zeg: Wat denkt gij? Indien
de Koran van God is en gij daaraan niet gelooft, wie zal dan onder eene
grootere dwaling liggen dan hij, die daarvan sterk afwijkt? 53. Hierna
zullen wij hun onze teekenen toonen in de verschillende streken der
aarde en in henzelven, tot dat het hun duidelijk worde, dat dit boek
de waarheid is. Is het u niet toereikend, dat uw Heer getuige is van
alle dingen? 54. Zijn zij niet in twijfel nopens de ontmoeting van
hunnen Heer, bij de opstanding? Omvat hij niet alle dingen?



TWEE EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

OVERWEGING. [1907]

Geopenbaard te Mekka [1908]--53 verzen.


In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Ha. Mim. Aïn. Sin. Kap. Zoo openbaart de wijze God u zijnen wil,
en op dezelfde wijze openbaarde hij dien aan de profeten, die voor
u waren. 2. Aan hem behoort alles wat in den hemel en op aarde is,
en hij is de verheven, de groote God. 3. Er is weinig toe noodig,
dat de hemelen door de ontzaglijkheid zijner majesteit, vaneen
worden gescheurd; de engelen verkondigen den lof van hunnen Heer,
en vragen vergiffenis voor hen, die op de aarde wonen. Is God niet
de Vergever van zonden, de Barmhartige? 4. Maar wat hen betreft, die
andere goden tot hunne beschermers nevens hem nemen, God slaat hunne
daden gade; want gij zijt geen opzichter over hen. 5. Zoo hebben wij
u een Arabischen Koran geopenbaard, opdat gij de stad Mekka zoudt
waarschuwen, en de Arabieren die er omheen wonen, en dat gij hen met
den dag der algemeene verzameling zoudt bedreigen, waaraan niet te
twijfelen valt. Een deel zal dan in het paradijs worden geplaatst en
een ander deel in de hel. 6. Indien het Gode had behaagd, zou hij hen
allen éénen godsdienst hebben doen belijden; maar hij leidt in zijne
genade dengeen die hem behaagt, en de onrechtvaardigen zullen geen
beschermer of helper hebben. 7. Nemen zij andere beschermers naast
hem, terwijl toch God de eenige, ware beschermer is? Hij bezielt en
doodt, en is almachtig. 8. Over welke zaak gij ook moogt verschillen,
de beslissing daarvan behoort aan God. Dit is God, mijn Heer, op
hem vertrouw ik, en tot hem wend ik mij. 9. De schepper van hemel en
aarde heeft u vrouwen van uwe eigene soort gegeven, en mannelijke en
vrouwelijk vee, waardoor hij u vermenigvuldigt. Er is niets aan hem
gelijk, en hij is het, die alles hoort en ziet. 10. Hem behooren de
sleutels van hemel en aarde; hij geeft overvloedigen voorraad aan
wien hem behaagt, en hij is spaarzaam naar zijn welbehagen: want
hij kent alle dingen. 11. Hij heeft u den godsdienst aangewezen,
welken hij aan Noach gaf, dien wij u, o Mahomet! hebben geopenbaard,
en welken wij aan Abraham, Mozes en Jezus hebben aanbevolen, zeggende:
Neemt dezen godsdienst in acht, en weest daarin niet verdeeld. De
aanbidding van één God, waartoe gij hen uitnoodigt, is bedroevend
voor de ongeloovigen. 12. God zal daartoe verkiezen wien hem behaagt,
en hij zal door die aanbidding leiden, wie berouw betoont. 13. Zij,
die in verleden tijden leefden, waren niet onder elkander verdeeld,
dan nadat de kennis van Gods eenheid tot hen was gekomen, en dit was
door hunne eigene verdorvenheid. Indien Gods woord, dat de straf op
een vooraf bepaalden tijd uitstelde, niet vroeger ware uitgesproken,
zou er reeds tusschen hen zijn beslist. Zij, die de schriften na hen
hebben geërfd [1909], verkeeren zekerlijk daaromtrent in een verwarden
twijfel [1910]. 14. Noodig hen dus uit, het zekere geloof te ontvangen,
en dring bij hen aan, zooals u is bevolen. Volg niet hunne ijdele
begeerten, en zeg: Ik geloof in al de schriften welke God heeft
nedergezonden, en mij is bevolen rechtvaardigheid tusschen u uit te
oefenen. God is onze Heer en uw Heer: aan ons zullen onze werken worden
toegekend, en aan u zullen uwe werken worden toegeschreven: laat er
tusschen ons en u geen krakeel bestaan; want God zal ons allen op den
jongsten dag verzamelen en tot hem zullen wij terugkeeren. 15. Wat hen
betreft, die nopens God twisten, nadat zij zich reeds aan hem hadden
onderworpen, door het ontvangen van zijnen godsdienst, hun twist zal
ijdel zijn in het gezicht van hunnen Heer. Zijne gramschap zal over hen
komen, en zij zullen eene gestrenge straf ondergaan. 16. God is het,
die de schrift en de weegschaal van het ware oordeel met waarheid heeft
nedergezonden, en wat zal u onderrichten, of het uur nabij is? 17. Zij,
die daaraan niet gelooven, wenschen het langs den weg der spotternij te
verhaasten; maar zij die gelooven, beven daarvoor en weten dat het de
waarheid is. Verkeeren niet zij, die omtrent het jongste uur twisten,
in eene dwaling? 18. God is goed voor zijne dienaren, hij zorgt voor
hen die hem behagen, en hij, de Almachtige, is gestreng. 19. Hij
die het veld des volgenden levens ter bebouwing verkiest [1911],
zullen wij eene vermeerdering zijner bebouwing schenken, en wie het
veld van deze wereld ter bebouwing verkiest, dezen zullen wij de
vruchten daarvan geven; maar hij zal geen deel in het volgende leven
hebben. 20. Hebben de afgodendienaars godheden die hun een godsdienst
bevelen, welken God niet heeft veroorloofd? Maar indien het besluit
niet ware genomen tot uitstel hunner straf, tot den dag waarop de
ongeloovigen van de ware geloovigen zullen worden gescheiden, waarlijk,
dan zou reeds tusschen hen zijn geoordeeld; want de onrechtvaardige
zal zekerlijk eene pijnlijke marteling ondergaan. 21. Op dien dag zult
gij de onrechtvaardigen in grooten schrik zien, om hunne booze daden,
en de straf daarvan zal op hen nederkomen; maar zij die gelooven
en goede werken doen, zullen de heerlijke perken van het paradijs
bewonen; zij zullen bij hunnen Heer alles verkrijgen wat zij zullen
begeeren. Dit is de grootste belooning. 22. Dit is wat God aan zijne
dienaren beloofde, die gelooven en goede werken verrichten. Zeg: Ik
vraag geenerlei belooning van u, voor deze mijne prediking, behalve de
liefde jegens uwe verwanten; en hij die het goede verdiend zal hebben
door eene goede daad, aan dien zullen wij de verdienste van eene andere
goede daad toevoegen; want God is tot vergeven geneigd, en gereed te
beloonen. 23. Zeggen zij: Mahomet heeft lasterlijk eene leugen nopens
God uitgedacht? Indien het Gode behaagde, kon hij uw hart dichtzegelen
[1912], en de leugen volkomen vernietigen en de waarheid in zijne
woorden staven: want hij kent de binnenste deelen der menschelijke
borst. 24. Hij is het, die het berouw van zijne dienaren aanneemt,
zonden vergeeft en weet wat gij doet. 25. Hij zal zijn oor neigen tot
hen, die gelooven en rechtvaardigheid uitoefenen, en zal van zijne
gunsten bijvoegen, boven hetgeen zij zullen vragen of verdienen; maar
de ongeloovigen zullen eene gestrenge straf doorstaan. 26. Indien
God den menschen zijne gunsten in overvloed schonk, zouden zij zich
zekerlijk onbeschaamd op aarde gedragen; maar hij zendt met mate
tot ieder neder die hem behaagt: want hij ziet en kent den toestand
zijner dienaren wel. 27. Hij is het, die den regen nederzendt, nadat
de menschen daaraan hebben gewanhoopt; hij spreidt zijne genade uit,
en hij is de schuts die, terecht, moet worden geprezen. 28. Onder zijne
teekenen is de schepping van hemel en aarde, van de levende schepselen,
waarmede hij beiden heeft gevuld. Hij is in staat hen voor zijne
rechtbank te verzamelen, wanneer hem dit behaagt. 29. Welk ongeluk u
ook treffe, het is u door God toegezonden, om hetgeen uwe vaders hebben
verdiend, en toch vergeeft hij vele dingen. 30. Gij zult de goddelijke
wraak op aarde niet verijdelen, en gij zult geen ondersteuner of helper
tegen God hebben. 31. Onder zijne teekenen behooren ook de schepen,
die met vlugheid de golven der zee klieven, en als hooge bergen
oprijzen; indien het hem behaagt, doet hij den wind ophouden en de
schepen op den rug van het water stil liggen (waarlijk hierin zijn
teekenen voor iederen lijdzame en dankbare). 32. Of hij vernietigt
die door schipbreuk, om hetgeen hunne bemanning heeft verdiend. Doch
hij vergeeft vele dingen. 33. En zij, die onze teekenen betwisten,
zullen weten, dat er geen weg voor hen zal wezen, om onze wraak te
ontkomen. 34. Welke dingen u ook zijn geschonken, zij zijn slechts het
genot van dit tegenwoordige leven; maar de belooning, die met God is,
blijft beter en duurzamer, voor hen die gelooven, en hun vertrouwen in
hunnen Heer stellen; 35. En die hatelijke en lage misdaden vermijden,
en vergeven, als zij misnoegd zijn; 36. En die naar hunnen Heer
luisteren en standvastig in het gebed zijn, en wier zaken geregeld
worden door wederzijdsche raadpleging, en die aalmoezen geven van
hetgeen wij hun hebben geschonken; 37. En hij, die, wanneer hem nadeel
is toegebracht, het zelf wreekt [1913]. 38. En de wedervergelding van
het kwaad daaraan geëvenredigd doet zijn; maar hij die vergeeft en
met zijn vijand verzoend is, zal zijne belooning van God ontvangen
[1914]; want hij bemint de onrechtvaardigheid niet. 39. En hij
die zich zelven zal wreken, nadat hem nadeel zal zijn toegebracht;
40. Opzichtens dezen is het niet geoorloofd, hen daarvoor te straffen;
maar is alleen geoorloofd hen te straffen, die de menschen onrecht
doen en onbeschaamd op aarde tegen de rechtvaardigheid handelen;
deze zullen eene gestrenge straf ondergaan. 41. Die beleedigingen
geduldig verdraagt en vergeeft, waarlijk, het is een noodzakelijk
werk. 42. Hij, dien God zal doen dwalen, zal hierna geen ondersteuner
hebben. Gij zult de goddeloozen zien. 43. Die zeggen zullen als zij de
straf zullen aanschouwen, welke voor hen is gereed gemaakt: Is er geen
weg om in de wereld terug te keeren? 44. En gij zult hen aan het vuur
der hel blootgesteld zien, verplet door de schande welke zij zullen
ondergaan; zij zullen zijdelings en steelsgewijze naar het vuur zien,
en de ware geloovigen zullen zeggen: Waarlijk, de verliezers zijn zij,
die op den dag der opstanding hunne eigene zielen en hunne gezinnen
hebben verloren. Zullen de goddeloozen niet in de eeuwige marteling
verblijven? 45. Zij zullen geene ondersteuners hebben om hen tegen
God te verdedigen, en dien God zal doen dwalen, zal geen weg tot de
waarheid vinden. 46. Luister naar uwen Heer alvorens de dag komt, dien
God niet zal achterhouden, Gij zult geen toevluchtsoord op dien dag
hebben, noch zult gij in staat zijn uwe zonden te loochenen. 47. Maar
indien zij, tot wie gij predikt, zich van uwe vermaningen afwenden,
waarlijk, wij hebben u niet gezonden om een bewaker over hen te wezen;
uw plicht is slechts om te prediken. Als wij den mensch van onze
genade doen proeven, verblijdt hij zich daarin, maar indien hem kwaad
overvalt, om hetgeen zijne handen vroeger hebben bedreven, waarlijk,
dan wordt de mensch ondankbaar. 48. Aan God behoort het koninkrijk van
hemel en aarde. Hij schept wat hem behaagt; hij geeft dochters of zonen
aan wie hem behaagt. 49. Of hij geeft hun kinderen van beiderlei kunne,
en hij doet, naar zijn welbehagen kinderloos blijven; want hij is wijs
en machtig. 50. Het is niet weggelegd voor den mensch, dat God op eene
andere wijze tot hem zou spreken dan door afzonderlijke openbaring, of
van achter een sluier [1915]. 51. Of door een gezant af te vaardigen,
om, door zijn verlof, datgene te openbaren, wat hem behaagt; want hij
is hoog en wijs. 52. Zoo hebben wij door ons bevel eene openbaring
gedaan [1916]. Gij begreept voor dat tijdstip niet, noch wat het
boek van den Koran, noch wat het geloof was; maar wij hebben dit als
een licht aangewezen; wij willen daardoor diegenen onzer dienaren
leiden, welke ons behagen, en gij zult hen zekerlijk op den rechten
weg leiden. 53. Den weg van God, aan wien alles behoort, wat in den
hemel en op de aarde is. Zullen niet alle dingen tot God terugkeeren?



DRIE EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

DE GOUDEN VERSIERSELEN. [1917].

Geopenbaard te Mekka. [1918].--89 verzen.


In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Ha. Mim. Bij het duidelijke boek, 2. Waarlijk, wij hebben dit als
een Arabischen Koran bevolen, opdat gij dien zoudt begrijpen. 3. En
het is zekerlijk in het oorspronkelijke boek [1919] geschreven, dat
door ons bewaard, heerlijk en vol van wijsheid is. 4. Zullen wij dus
de vermaning van u afwenden en u daarvan berooven, omdat gij een volk
van overtreders zijt? 5. Hoeveel profeten hebben wij tot de vroegere
volkeren gezonden? 6. En er kwam geen profeet tot hen, of zij lachten
verachtelijk, 7. Daarom vernietigden wij volkeren die machtiger
dan deze in sterkte waren, en het voorbeeld der vroegere volkeren
is voor hen geplaatst. 8. Indien gij hun vraagt wie de hemelen,
en de aarde schiep, zullen zij zekerlijk antwoorden: De machtige,
de wijze God schiep die. 9. Wie heeft de aarde als een bed voor u
uitgespreid, en heeft daarop paden voor u gemaakt, opdat gij geleid
zoudt worden? 10. En wie zendt den regen bij mate neder waardoor
wij een dood land verkwikken? (Zoo zult gij uit uwe graven worden
opgewekt). 11. En wie heeft al de verschillende dingen geschapen, en
u schepen en vee gegeven? 12. Waardoor gij vervoerd wordt, opdat gij
stevig op hunne ruggen zoudt zitten, en de gunst van uwen Heer zoudt
gedenken, als gij daarop zit, en zeggen zoudt: Geloofd zij hij, die
deze schepen en dieren aan onzen dienst heeft onderworpen! want wij
zouden die door eigene macht niet hebben kunnen bemeesteren. 13. En
tot onzen Heer zullen wij zekerlijk terugkeeren. 14. Toch hebben
zij sommige zijner dienaren als zijne kinderen gehouden; waarlijk de
mensch is klaarblijkelijk ondankbaar. 15. Heeft God dochters genomen
uit de wezens, die hij heeft geschapen, en heeft hij zonen uit u
gekozen? 16. Maar als aan een van hen het bericht wordt gebracht
der geboorte van een kind dier kunne, welke zij den Barmhartige
als hem gelijk toeschrijven, dan wordt zijn aangezicht zwart en hij
is met spijt vervuld [1920]. 17. Schrijven zij daarom aan God eene
vrouwelijke nakomelingschap toe, uit de wezens die onder versierselen
worden opgevoed en zonder reden twisten? 18. En maken zij de engelen,
die de dienaren des Barmhartigen zijn vrouwelijk? Waren zij bij hunne
schepping tegenwoordig? Hunne getuigenis zal nedergeschreven worden,
en zij zullen daaromtrent op den dag des oordeels ondervraagd
worden. 19. En zij zeggen: Indien het Gode had behaagd, zouden
wij hen niet hebben vereerd. Zij hebben geene kennis daarvan, zij
spreken slechts eene ijdele leugen uit. 20. Hebben wij hun ooit te
voren een boek met openbaringen vóór dit gegeven, en houden zij dat
in hunne bewaring? 21. Neen! Maar zij zeggen: Waarlijk, wij bevonden
dat onze vaderen dezen godsdienst uitoefenden, en wij richten ons
naar hunne voetstappen. 22. Wij zouden geen prediker voor u, naar
geene stad, of de bewoners daarvan, die in overvloed leefden, zeiden:
Waarlijk, wij bevonden dat onze vaderen eenen godsdienst uitoefenden,
en wij traden in hunne voetstappen. 23. En de prediker antwoordde:
Wat! niettegenstaande ik u eenen meer waren godsdienst breng, dan
die welken gij bevondt dat door uwe vaderen werd gevolgd? En zij
hernamen: Waarlijk, wij gelooven datgene niet, wat gij gezonden zijt te
prediken. 24. Daarom namen wij wraak op hen; en aanschouw wat het einde
was van hen, die onze gezanten van bedrog beschuldigden. 25. Herdenk
toen Abraham tot zijn vader en tot zijn volk zeide: Waarlijk ik ben
rein van de goden welke gij vereert. 26. Ik aanbid slechts hem die mij
heeft geschapen: voor hem zal ik mij op den waren weg richten. 27. En
hij (Abraham) beval, dat dit een vaste leer voor zijn nakomelingschap
zou wezen, opdat zij van den afgodendienst zouden worden afgewend, naar
de vereering van den eenigen, waren God. 28. Waarlijk, ik heb dezen
bewoners van Mekka en hunnen vaderen veroorloofd in voorspoed te leven,
tot de waarheid tot hen zou komen en een duidelijke gezant. 29. Maar
nu de waarheid tot hen is gekomen, zeggen zij: Dit is een goochelstuk,
en wij gelooven niet daaraan. 30. En zij zeggen: Indien deze Koran
aan sommige voorname menschen van elke der beide steden [1921] ware
nedergezonden, zouden wij dien hebben ontvangen. 31. Deelen zij dan de
genade van uwen Heer uit [1922]. Wij verdeelen den noodigen voorraad
onder hen, in dit tegenwoordige leven, en wij verheffen sommigen van
hen, eenige graden boven de anderen, opdat de een van hen zich door
den ander van hen doe dienen, en de genade van uwen Heer is meer waard
dan de rijkdommen welke zij bijeenverzamelen. 32. Indien het niet
ware, geheel het menschelijk geslacht ongeloovigen te zien worden,
waarlijk, dan hadden wij aan hen, die niet in den Barmhartige gelooven,
zilveren daken op hunne huizen gegeven, en zilveren trappen, waardoor
zij daarin hadden kunnen opklimmen; 33. En zilveren zetels om er op
te leunen. 34. En gouden versiersels; want dit alles is de voorraad
van dit leven; maar het volgende leven met uwen Heer zal voor degenen
wezen, die hem vreezen. 35. Wie van de vermaning van den Barmhartige
zal afdwalen, zullen wij aan een duivel vastketenen, en hij zal zijn
onafscheidelijke makker wezen. 36. De duivels zullen de menschen
van het pad der waarheid afwenden, en zij zullen zich verbeelden,
op den waren weg te zijn geleid. 37. Totdat, wanneer de mensch op
den jongsten dag voor ons zal verschijnen, hij tot den duivel zal
zeggen [1923]: Had God gegeven, dat er tusschen ons een afstand ware
geweest, als van het Oosten tot het Westen! O welk een vreeselijke
makker zijt gij! 38. Maar geene wenschen zullen u op dien dag baten;
want gij zult deelgenooten derzelfde straf zijn. 39. Kunt gij, o
profeet! den doove hoorend maken, of den blinde richten, en hem, die
in eene duidelijke dwaling verkeert? 40. Hetzij wij u uit hun midden
wegnemen, wij zullen zekerlijk wraak op hen nemen. 41. Of hetzij wij
u de uitvoering der straf doen zien, waarmede wij hen hebben bedreigd,
wij zullen zekerlijk de overmacht over hen hebben. 42. Houdt dus
de leer vast, die u werd geopenbaard; want gij bewandelt den waren
weg. 43. Zij is een gedenkteeken voor u en uw volk, en hierna zult gij
ondervraagd worden, nopens de inachtneming daarvan. 44. Ondervraag onze
gezanten, welke wij vóór u hebben gezonden [1924], of wij godheden,
buiten den Barmhartige, ter vereering hebben aangewezen. 45. Wij
zonden vroeger Mozes met zijn teekenen tot Pharao en diens vorsten,
en hij zeide: Waarlijk, ik ben de gezant van den Heer van alle
schepselen. 46. En toen hij met onze teekenen tot hen kwam, ziet, toen
lachten zij verachtelijk om hem. 47. Wij toonden hun echter teekenen
waarvan het eene grooter dan het andere was, en wij legden hun eene
straf op [1925], opdat zij wellicht zouden worden bekeerd. 48. En zij
zeiden tot Mozes: O toovenaar! bid uwen Heer voor ons, overeenkomstig
het verbond, dat hij met u heeft gesloten; want wij zullen zekerlijk
goed geleid worden. 49. Maar toen wij de plaag van hen afnamen, ziet,
toen braken zij hunne belofte. 50. En Pharao richtte eene bekendmaking
tot zijn volk, zeggende: O mijn volk! is het koninkrijk Egypte niet
mijn, en deze rivieren [1926], die onder mij stroomen? Ziet gij
niet? 51. Ben ik niet beter dan deze Mozes, die een verachtelijk
persoon is, 52. En zich slechts zelden verstaanbaar kan uitdrukken
[1927]. 53. Zijn hem dan gouden armbanden gegeven [1928], of volgen
de engelen hem in geregelden optocht? 54. En Pharao haalde zijn volk
tot een lichtvaardig gedrag over, en het gehoorzaamde hem; want zij
waren zondaren. 55. En toen zij onze woede hadden uitgelokt, namen wij
wraak op hen en wij verdronken hen allen. 56. Wij maakten hen tot een
voorbeeld, en eene waarschuwing voor anderen. 57. Toen de zoon van
Maria als een voorbeeld werd gesteld, ziet, toen schreeuwde uw volk
het, door overmaat van vreugde, uit [1929]. 58. Zij zeiden: Zijn onze
goden beter dan hij, of is Maria's zoon beter dan onze goden? Zij
hebben u deze vraag slechts voorgesteld, als eene aanleiding tot
twist. Ja, zij zijn twistgierige menschen. 59. Jezus is slechts een
dienaar (een mensch), dien wij met onze gunsten overlaadden, en wij
wezen hem als een voorbeeld voor de kinderen Israëls aan, 60. (Indien
het ons behaagde, ja, waarlijk, dan konden wij uit u zelven engelen
voortbrengen, om u op de aarde op te volgen). 61. En hij zal een
teeken zijn van de nadering van het jongste uur [1930]; twijfelt er
dus niet aan; volgt mij; dit is de ware weg. 62. Laat Satan er u niet
van afwenden; want hij is uw openlijke vijand. 63. En toen Jezus met
duidelijke wonderen kwam, zeide hij: Thans ben ik met wijsheid tot
u gekomen, en om u een deel te verklaren van de dingen, nopens welke
gij verschilt. Vreest dus God en gehoorzaamt mij. 64. Waarlijk God is
mijn Heer, en uw Heer; vereert hem dus; dit is de ware weg. 65. En
de verschillende partijen onder hen geraakten in twist met elkander
[1931]. Maar wee over hen, die onrechtvaardig hebben gehandeld,
om de straf van een droevigen dag. 66. Verwachten de ongeloovigen
iets anders dan het uur des oordeels; dat het plotseling tot hen
moge komen, terwijl zij het niet voorzien? 67. De vertrouwdste
vrienden zullen op dien dag elkanders vijanden zijn, behalve de
godvruchtigen. 68. O mijne dienaren! er zal op dien dag geene vrees tot
u komen, en gij zult niet bedroefd worden. 69. Wie in onze teekenen
hebben geloofd en aan mijn wil onderworpen (Moslems) zijn geweest,
tot hen zal men zeggen: 70. Treedt gij het paradijs binnen, gij en
uwe vrouwen, met groote vreugde. 71. Gouden schotels zullen onder
hen worden rondgedragen en bekers, en daaruit zullen zij genieten,
wat hunne zielen zullen begeeren, en waarin hunne oogen vermaak
zullen scheppen, en eeuwig zult gij daarin verblijven. 72. Dit is
het paradijs, dat gij geërfd hebt, als eene belooning voor hetgeen
gij hebt verricht. 73. Gij hebt daar vruchten in overvloed, voedt u
daarmede. 74. Maar de zondaren zullen voor eeuwig in de marteling
der hel verblijven. 75. Zij zal voor hen niet verlicht worden, en
zij zullen daarin vertwijfelen. 76. Wij handelden niet onrechtvaardig
met hunne eigene zielen, maar zij zelven. 77. Zij zullen luid roepen,
zeggende: O Malek! [1932] treedt voor ons tusschen beiden, opdat uw
Heer onze marteling door vernietiging doe eindigen. Hij zal antwoorden
[1933]: Waarlijk, gij zult voor eeuwig hierin verblijven. 78. Wij
brachten u vroeger de waarheid, maar het meerendeel uwer hadden er
afschuw van. 79. Hebben de ongeloovigen een stelsel opgemaakt, om onzen
profeet te verschalken? 80. Verbeelden zij zich, dat wij hunne geheimen
en hunne gesprekken niet hooren? Ja, en onze gezanten, die hen volgen
[1934], schrijven die neder. 81. Zeg: Indien de Barmhartige een zoon
had, zou ik de eerste zijn, die hem vereerde. 82. Verre zij het van
den Heer van hemel en aarde, den Heer des troons, datgene wat zij van
hem betuigen! 83. Laat hen dus door ijdelheid waden, en zich vermaken,
tot zij aan hunnen dag komen, waarmede zij werden bedreigd. 84. Hij,
die de God in den hemel is, is ook God op aarde, en hij is de Wijze,
de Alwetende. 85. Gezegend zij hij, wien het koninkrijk van hemel en
aarde behoort en alles wat daartusschen is, met wien de kennis van het
laatste uur is, en voor wien gij zult worden verzameld. 86. Degenen,
welke zij nevens God aanroepen, hebben het voorrecht niet, anderen
tot voorspraak te strekken, behalve zij, die getuigenis der waarheid
afleggen en haar kennen [1935]. 87. Indien gij hun vraagt, wie hen
heeft geschapen, zullen zij zekerlijk antwoorden: God. Waarom zijn
zij dus tot de vereering van anderen afgewend? 88. God hoorde ook,
toen de profeet zeide: O Heer! waarlijk, deze zijn ongeloovigen, en
hij antwoordde: 89. Wend dus van hen af en zeg: Vrede [1936]!--Hierna
zullen zij hunne dwaling kennen.



VIER EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

DE ROOK [1937].

Geopenbaard te Mekka. [1938]--59 verzen.


In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Ha. Mim. Bij het doorzichtige boek van den Koran. 2. Waarlijk
wij hebben dit in eenen gezegenden nacht [1939] nedergezonden:
want wij hadden ons verbonden zoo te handelen. 3. In den nacht
waarin, gij duidelijke wijze, het besluit van ieder bepaald ding is
nedergezonden [1940]. 4. Als een bevel van ons. Waarlijk wij waren
immer gewoon, gezanten met openbaringen, met zeker tusschenpoozen te
zenden. 5. Als bewijs der genade van uwen Heer; want hij is het die
alles hoort en ziet. 6. De Heer van hemel en aarde en van alles wat
daar tusschen is; indien gij menschen van vast geloof zijt. 7. Er
is geen God buiten hem: hij geeft leven en hij doet sterven; hij
is uw Heer en de Heer uwer voorvaderen. 8. Thans vermaken zij zich
door te twijfelen. 9. Maar sla hen gade, op den dag dat de hemel een
zichtbaren rook zal voortbrengen. 10. Die den mensch zal bedekken
[1941]. Dit zal eene martelende plaag wezen. 11. Zij zullen zeggen: O
Heer! neem deze plaag van ons af; waarlijk wij zullen ware geloovigen
worden. 12. Wat heeft onze vermaning hen in dezen toestand gebaat,
toen een duidelijke gezant tot hen kwam. 13. En zij zich van hem
verwijderden, zeggende: Deze man is door anderen onderricht [1942],
of hij is een uitzinnig mensch. 14. Indien wij de plaag eenigermate van
u afnemen, zult gij zekerlijk tot uwe ongetrouwheid terugkeeren. 15. Op
den dag waarop wij hen fel en met groote macht zullen aanvallen [1943],
waarlijk, dan zullen wij wraak op hen nemen. 16. Wij beproefden het
volk van Pharao vóór hen, en een achtingswaardige gezant kwam tot
hen. 17. Zeggende: Zendt de dienaren van God tot mij [1944], waarlijk,
ik ben een verzoenend zendeling voor u. 18. En staat niet op tegen
God, want ik kom met eene duidelijke macht tot u. 19. Ik zoek eene
schuilplaats bij mijn Heer en uw Heer, opdat gij mij niet steenigt
[1945]. 20. Indien gij mij niet gelooft, scheidt dan voor het minst
van mij [1946]. 21. En toen zij hem van bedrog beschuldigden, riep
hij zijn Heer aan, zeggende: Dit is een zondig volk. 22. En God
zeide tot hem: Trek des nachts met mijne dienaren voort; want gij
zult vervolgd worden, en laat de zee gespleten achter u, opdat de
Egyptenaren er in gaan. 23. Want zij vormen eene schaar, gedoemd
om verdronken te worden. 24. Hoe vele tuinen en fonteinen. 25. En
bezaaide korenvelden en schoone woningen. 26. En voordeelen welke
gij geniet, lieten zij niet achter zich? 27. Zoo ontnamen wij hun
het bezit daarvan, en wij gaven het, als eene erfenis, aan een ander
volk [1947]. 28. Hemel noch aarde hebben om hen geweend [1948]; en
zij verkregen geen uitstel. 29. Wij bevrijdden de kinderen Israëls
van eene schandelijke mishandeling. 30. Van Pharao; want hij was
hoovaardig en een zondaar. 31. Wij kozen hen, voorbedachtelijk,
boven alle volkeren. 32. Wij toonden hun verschillende teekenen,
waarin een duidelijke proef was gelegen. 33. Waarlijk deze bewoners
van Mekka (ongeloovigen) zeggen: 34. Zekerlijk zal ons bepaald
einde geen ander dan onze eerste, natuurlijke dood wezen; nimmer
zullen wij weder worden opgewekt. 35. Breng dan onze voorvaderen
tot het leven terug, indien gij de waarheid spreekt. 36. Zijn
zij beter of het volk van Tobba [1949]. 37. En zij die vóór hen
bestonden? Wij verdelgden hen, omdat zij zonden bedreven. 38. Wij
hebben de hemelen en de aarde, en alles wat daar tusschen is, niet
geschapen, bij wijze van uitspanning. 39. Wij hebben die in waarheid
(ernst) geschapen [1950]; maar het grootste deel hunner begrijpt
het niet. 40. Waarlijk, de dag der scheiding zal de bepaalde tijd
van hen allen wezen. 41. Een dag, waarop de meester en de dienaren
elkander niet van voordeel zullen wezen, en niet geholpen zullen
worden. 42. Uitgezonderd zij, aan welke God genade zal verleend hebben:
want hij is de Machtige, de Genadige. 43. Waarlijk, de vrucht van
den boom van al Zakkoem. 44. Zal het voedsel van den goddelooze wezen
[1951]. 45. Als de droesem van olie, zal het in de buiken der verdoemde
koken (als gesmolten metaal). 46. Zooals het koken, van het heetste
water. 47. Men zal tot de volvoerders van Gods wil zeggen: Grijpt
den snoodaard en sleept hem naar het midden der hel. 48. En werpt
op zijn hoofd de marteling van heet water; 49. Zeggende: Proef dit;
want gij zijt de machtige en eerbiedwaardige persoon. 50. Waarlijk,
dit is de straf waaraan gij twijfeldet. 51. Maar de vromen zullen op
eene plaats van zekerheid worden gehuisvest. 52. Tusschen tuinen en
fonteinen. 53. Zij zullen gekleed worden in fijne zijde en satijn,
en zij zullen met de aangezichten tegenover elkander zitten. 54. Zoo
zal het wezen, en zij zullen huwen, met schoone meisjes, die groote,
zwarte oogen hebben. 55. Op die plaats zullen zij, in volle zekerheid,
zich alle soorten van vruchten doen toedienen. 56. Zij zullen daar
den dood niet proeven na den eersten dood, en God zal hen van de
hellepijnen bevrijden. 57. Het is door den genadige goedheid van uwen
Heer. Dit zal eene groote gelukzaligheid wezen. 58. Daarenboven hebben
wij den Koran gemakkelijk gemaakt, door dien in uwe eigen taal te
openbaren, opdat gij tot het einde vermaand zoudt wezen. 59. Daarom,
o Mahomet! wacht den uitslag af; want ook zij wachten slechts, u door
een of ander onheil te zien overvallen.



VIJF EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

DE NEDERKNIELING. [1952]

Geopenbaard te Mekka.--36 verzen.


In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Ha. Mim. De openbaring van dit boek is van den machtigen, den wijzen
God. 2. Waarlijk, zoo wel in den hemel als op de aarde zijn teekenen
van de goddelijke macht voor de ware geloovigen. 3. En in de schepping
van u zelven, en de dieren, over de aarde verspreid, zijn teekenen voor
hen, die juist oordeelen. 4. In de wisselvalligheid van nacht en dag,
en den regen, dien God van den hemel nederzendt, waarmede hij de aarde
verkwikt, nadat die dood was, en in de verandering der winden zijn
mede teekenen voor hen die begrijpen. 5. Dit zijn de teekenen van God;
wij herinneren u daaraan met waarheid. In welke openbaring zult gij dus
gelooven, nadat gij God en zijne teekenen hebt verworpen? 6. Wee over
iederen leugenachtigen en goddeloozen persoon. 7. Die de teekens van
God hoort, welke hem worden voorgelezen, en daarna trotsch in zijne
ongetrouwdheid blijft volharden, al hoorde hij die niet! Bedreig
hem met eene pijnlijke straf. 8. En degeen, welke, als hij tot de
kennis van een onzer teekenen komt, die met spot ontvangt; voor dezen
is eene schandelijke straf gereed gemaakt. 9. Vóór hen ligt de hel,
en wat zij ook zullen gewonnen hebben, zal hun volstrekt niet baten;
noch de afgoden welke zij, naast God, tot hunne schutsgeesten hebben
genomen; en zij zullen eene pijnlijke straf ondergaan. 10. Dit is de
ware leiding; en voor hen, die niet aan de teekenen van God gelooven,
is de straf eener pijnlijke marteling gereed gemaakt. 11. Het is God,
die de zee aan u heeft onderworpen, ten einde de schepen daarop zouden
mogen zeilen, op zijn bevel, en dat gij door den handel voordeelen
zoudt trachten te behalen van zijne mildheid, en dat gij dankbaar
zoudt zijn. 12. Hij verplicht alles wat in den hemel en op aarde is,
u te dienen; het geheel behoort hem. Waarlijk, hierin zijn teekenen
voor hen die overwegen. 13. Zeg tot de ware geloovigen, dat zij
degenen vergiffenis schenken, die niet hopen op de dagen van God
[1953], ingesteld, opdat hij de menschen beloone, overeenkomstig
hetgeen zij zullen verricht hebben. 14. Hij, die doet wat recht is,
doet dat ten voordeele van zijne eigene ziel, en wie kwaad doet, doet
het daartegen; hierna zult gij tot uwen Heer terugkeeren. 15. Wij gaven
den kinderen Israëls het boek der wet, de wijsheid en de profetie,
en wij voedden hen met goede dingen en verkozen hen boven alle
natiën. 16. Wij gaven hun volkomene bevelen nopens de zaak van den
godsdienst; en zij vervielen niet tot verschil, dan nadat de kennis
tot hen was gekomen, en wel door wederzijdsche afgunst. Maar op den
dag der opstanding zal God hunnen twist beslechten, nopens datgene,
waaromtrent zij verschillen. 17. Later wezen wij u, o Mahomet! aan,
om eene wet te verkondigen, nopens de zaak van den godsdienst;
volg die dus, en volg niet de begeerten van hen, die onwetend zijn
[1954]. 18. Waarlijk, zij zullen u volstrekt niet baten tegen
God. De onrechtvaardigen zijn elkanders beschermers, maar God is
de beschermer der godvruchtigen. 19. Deze Koran geeft den mensch
duidelijke voorschriften, en is eene leiding en eene genade voor
hen, die rechtvaardig oordeelen. 20. Verbeelden de bedrijvers van
onrechtvaardigheid zich, dat wij met hen zullen handelen, zooals
met degenen, die gelooven en goede werken doen; zoodat hun leven en
hun dood gelijk zullen wezen? Zij oordeelen slecht. 21. God heeft de
hemelen en de aarde in waarheid geschapen; hij zal iedereen beloonen,
overeenkomstig hetgene hij zal verricht hebben; en zij zullen niet
onrechtvaardig behandeld worden. 22. Wat denkt gij? Hij, die zijne
eigene lust boven God verkiest, en dien God voorbedachtelijk heeft
doen dwalen, en wiens ooren en wiens hart hij heeft dichtgezegeld, en
over wiens oogen hij een sluier heeft geworpen, wie zal dien richten,
nadat God hem aan zijn lot zal hebben overgelaten? 23. Zij zeggen:
er is geen ander leven, buiten ons tegenwoordig leven. Wij sterven en
wij leven, en niets dan de tijd vernietigt ons. Maar zij hebben geene
kennis van deze zaak; zij volgen slechts eene ijdele meening. 24. En
als hun onze duidelijke teekenen worden herinnerd, kunnen zij geen
ander bewijsmiddel daartegen aanvoeren, dan dat zij zeggen: Breng onze
vaders, die dood zijn, tot het leven terug, indien gij de waarheid
spreekt. 25. Zeg: God gaf u leven en deed u daarna sterven; hierna
zal hij u op den dag der opstanding bijeenverzamelen; daaraan is geen
twijfel; maar het meerendeel der menschen begrijpt het niet. 26. Aan
God behoort het koninkrijk van hemel en aarde; en den dag waarop het
uur zal worden bepaald, zullen degenen te gronde gaan, die den Koran
van ijdelheid beschuldigen. 27. En gij zult ieder volk geknield
zien [1955]. Ieder volk zal voor zijn boek van rekenschap worden
geroepen, en men zal tot hem zeggen: Dezen dag zult gij beloond worden,
overeenkomstig datgene wat gij hebt verricht. 28. Dit ons boek zal met
waarheid nopens u spreken; daarin hebben wij alles nedergeschreven,
wat gij hebt gedaan. 29. Wat hen betreft, die geloofd en goede werken
verricht zullen hebben, hun Heer zal hen in zijne genade omvatten:
dit zal duidelijke gelukzaligheid zijn. 30. Wat echter de ongeloovigen
betreft, tot hen zal gezegd worden: Werden u niet mijne teekenen
herinnerd? maar gij verwierpt die trotsch en werdt zondaren! 31. En
toen tot u werd gezegd: Waarlijk, de belofte van God was waar; en wat
het uur des oordeels betreft, dit is ontwijfelbaar, antwoorddet gij:
Wij weten niet wat het uur des oordeels is; wij hebben slechts eene
onzekere meening, en wij hebben daaromtrent geene zekerheid. 32. Maar
op dien dag zal het kwade van hetgeen zij zullen hebben verricht,
voor hen verschijnen, en datgene, waarom zij hebben gespot, zal
hen overal omringen. 33. Er zal dan tot hen worden gezegd: Dezen
dag zullen wij u vergeten, gelijk gij de ontmoeting van dezen uwen
dag hebt vergeten; het hellevuur zal het verblijf zijn, en gij zult
niemand hebben om u te bevrijden. 34. Dit zult gij ondergaan, dewijl
gij de teekenen van God tot onderwerp van uwen spot hebt gemaakt, en
het leven der wereld heeft u misleid. Daarom zullen zij op dien dag
niet worden weggenomen om weder op aarde te verschijnen, en er zal
hun niets meer gevraagd worden, waardoor zij Gods welbehagen op zich
zouden kunnen vestigen. 35. Geloofd zij dus God, de Heer der hemelen,
en de Heer der aarde, de Heer van alle schepselen. 36. En glorie aan
hem in den hemel en op aarde; want hij is de machtige, de wijze God.



ZES EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

ALAHKAF [1956].

Geopenbaard te Mekka.--35 verzen.


In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Ha. Mim. De openbaring van dit boek is van den machtigen den
wijzen God. 2. Wij hebben de hemelen, de aarde, en alles wat daar
tusschen is, niet anders geschapen dan in waarheid [1957], en voor
een bepaald tijdperk [1958] maar de ongeloovigen wenden zich af van de
waarschuwing, welke hun is gegeven. 3. Zeg: wat denkt gij? Toont mij,
welk deel der aarde geschapen is door de afgoden, welke gij aanbidt? Of
hadden zij eenig aandeel in de schepping der hemelen? Brengt mij een
boek, dat vóór dit boek werd geopenbaard, of slechts de sporen der
wetenschap die dit aantoonen, en indien gij menschen van waarheid
zijt. 4. Wie verkeert in eene grootere dwaling dan hij, die naast
God datgeene aanbidt, wat hem, tot op den dag der opstanding, geen
antwoord kan geven, en afgoden, die er geen acht opslaan, dat zij
worden aangeroepen. 5. Die, als de menschen bij elkander verzameld
zullen zijn, om geoordeeld te worden, hunne vijanden worden, en hunne
aanbidding ondankbaar loochenen zullen? 6. Als hun onze duidelijke
teekens worden herinnerd zeggen de ongeloovigen van de waarheid [1959],
als die tot hen komt: Dit is een duidelijk tooverstuk. 7. Zullen
zij zeggen: Mahomet heeft het (den Koran) uitgedacht? Antwoord:
indien ik het heb versierd, waarlijk, dan zult gij geenerlei gunst
voor mij van God verkrijgen. Doch hij kent de beleedigende taal,
welke gij daaromtrent uitspreekt. Hij is een toereikende getuige
tusschen mij en u, en hij is barmhartig en genadig. 8. Zeg: ik ben
niet alleen onder de gezanten [1960]; ik weet niet wat met mij, of
met u, hiernamaals zal worden gedaan; ik volg niets dan hetgeen mij is
geopenbaard (ik ben niets meer dan een openbaar waarschuwer). 9. Zeg:
Wat is uwe meening? Indien dit boek van God is, en gij daarin niet
gelooft, en een getuige uit de kinderen Israëls legt de getuigenis
af van zijne overeenstemming met de wet [1961] en gelooft daarin,
terwijl gij het daarentegen trotschelijk verwerpt; zijt gij dan geene
zondaars? waarlijk God leidt den onrechtvaardige niet. 10. Maar zij die
niet gelooven, zeggen van de ware geloovigen: Indien de leer van den
Koran goed ware geweest, hadden zij die niet vroeger dan wij omhelsd
[1962]. En als zij daardoor niet geleid worden, zeggen zij: Dit is
eene overoude leugen. 11. Het boek van Mozes werd vóór den Koran
geopenbaard, om een gids en een bewijs van Gods genade te wezen;
en dit is een boek, waardoor het boek, van Mozes wordt bevestigd,
en dat in de Arabische taal is gegeven, om hen die onrechtvaardig
handelen, bedreigingen aan te kondigen, en om goede tijdingen tot de
rechtvaardigen te brengen. 12. Wat hun betreft die zeggen: Onze Heer
is God, en die zich oprecht gedragen, hen zal geen vrees bereiken, en
zij zullen niet bedroefd worden. 13. Deze zullen de bewoners van het
paradijs zijn; eeuwig zullen zij daarin verblijven, ter belooning voor
hetgeen zij gedaan zullen hebben. 14. Wij hebben den mensch geboden,
zijne ouders goed te behandelen; zijne moeder baarde hem uit hare
lendenen met pijn, en bracht hem met pijn voort; en de tijdruimte der
zwangerschap en de zoging tot aan zijne spening, is dertig maanden. Hij
bereikt den ouderdom van zijne sterkte, en den ouderdom van veertig
jaren en zegt: [1963]. O Heer! spoor mij aan door uwe ingeving opdat
ik dankbaar moge zijn voor uwe gunsten, waarmede gij mij en mijne
ouders hebt begiftigd, en dat ik rechtvaardigheid mogen uitoefenen,
naar uw welbehagen, en wees mij en mijne nakomelingschap genadig;
want ik ben tot u gewend en ik ben een Moslem. 15. Dit zijn zij,
van welke wij de goede werken aannemen, welke zij hebben verricht,
en wier slechte daden wij voorbij gaan; en zij zullen onder de
bewoners van het paradijs zijn: Dit is eene ware belofte, welke in
deze wereld is gedaan. 16. Hij die tot zijne ouders zegt: Foei! gij
belooft mij, dat ik uit het graf opgeroepen en weder levend worden
zal, nadat verscheiden geslachten voor mij voorbijgegaan zijn, en
niemand van hen is teruggekeerd [1964]. Zijne ouders zullen Gods
bijstand voor hem inroepen en tot hunnen zoon zeggen: Wee u! Geloof;
want de belofte van God is waarheid. Maar hij zal antwoorden: Dit zijn
slechts dwaze fabelen der ouden. 17. Dit zal een zijn dergenen, wier
vonnis reeds op de volkeren van geniussen en menschen, die vóór hen
waren, rechtvaardig is toegepast. Zij zullen zekerlijk te gronde gaan
[1965]. 18. Voor ieder is een zekere graad van geluk of ellende gereed
gemaakt, overeenkomstig hetgeen zij verricht zullen hebben, opdat God
hen voor hunne werken moge beloonen, en zij niet onrechtvaardig worden
behandeld. 19. Op een zekeren dag zullen de ongeloovigen voor het
hellevuur geplaatst worden, en men zal tot hen zeggen: Gij ontvingt uwe
goede dingen, gedurende den tijd uws levens, terwijl gij in de wereld
waart; gij hebt die verkwist en hebt u gehaast die te genieten; daarom
zult gij op dezen dag met de straf der schande worden vergolden, omdat
gij u onbeschaamd op de aarde hebt gedragen, zonder rechtvaardigheid
en omdat gij gezondigd hebt. 20. Gedenk den broeder van Ad [1966],
toen hij in Alahkaf tot zijn volk predikte, waar voor hem en na hem
predikers waren, zeggende: Vereert niemand buiten God; waarlijk,
ik vrees voor u de straf van den grooten dag. 21. Zij antwoordden:
Zijt gij tot ons gekomen, om ons van de vereering onzer goden af te
wenden? Breng ons thans de straf, waarmede gij ons bedreigt, indien
gij een waarachtig mensch zijt. 22. Hij zeide: Waarlijk, de kennis
van den tijd, wanneer u uwe straf zal worden opgelegd, is met God,
en ik verklaar u slechts datgene, waartoe ik gezonden ben om het u te
prediken; maar ik zie, gij zijt een onwetend volk. 23. En toen zij de
voorbereiding zagen, die voor hunne straf werd gemaakt, namelijk eene
wolk die de lucht doortrok, en naar hunne valleien dreef, zeiden zij:
Dit is eene doortrekkende wolk, die ons regen brengt. Hoed antwoordde:
Neen, het is datgene waarvan gij verlangd hebt, dat het verhaast
zou worden; een wind, waarin eene gestrenge wraak is. 24. Deze zal,
op het bevel van den Heer, alles verwoesten [1967]. En des ochtends
was er niets te zien, behalve hunne ledige woningen. Zoo vergelden
wij de zondaren. 25. Wij hebben hen in denzelfden, gelukkigen staat
als u geplaatst, o bewoners van Mekka! en wij hebben hun ooren,
oogen en harten gegeven; maar noch hunne ooren, noch hunne oogen,
noch hunne hart