Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: De val van Antwerpen (october 1914)
Author: Muls, Jozef, 1882-1961
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "De val van Antwerpen (october 1914)" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



DE VAL VAN ANTWERPEN
(10 Oktober 1914)
door Jozef Muls



Inhoudstabel

Bldz.

I. De Laatste Dagen van den Vrede
II. De Oorlogsverklaring
III. Bij de Burgerwacht
IV. In de Celgevangenis
V. Wat Wij van den Oorlog Vernamen
VI. In en Om de Forten van Antwerpen
VII. De Zeppelin
VIII. De Verspieder
IX. In de Ambulances
X. De Zelfmoord
XI. Antwerpen Hoofdstad
XII. Het Uitzicht der Straten
XIII. De Stijgende Neerslachtigheid
XIV. De Beschieting der Forten
XV. Inferno
XVI. Rond de Stad
XVII. Op Sint-Michielstoren
XVIII. Een Nare Dag
XIX. De Kardinaal te Antwerpen
XX. De Groote Vooravond
XXI De Aankondiging van het Bombardement
XXII. De Laatste Uren
XXIII. De Vlucht der Honderd-Duizend
XXIV. Op den Weg der Ballingschap



DE VAL VAN ANTWERPEN
door Jozef Muls



I-De Laatste Dagen Van Den Vrede



Tegen het einde van Juli 1914 ging eenieder gedrukt onder de
hevige spanning die over heel Europa was gekomen. Men voelde
het naderen van de verschrikkelijke orkaan die ging losbarsten. Het
was ontstellend grootsch en tragisch die algemeen-europeesche
ontroering. De menschen wilden niet den oorlog maar gingen voort
naar het onvermijdelijke met den stijgenden angst in hun hart. Wij
wisten op ons machten wegen, zwaarder dan de blokken waaronder
de helden van Aischulos gebogen gingen. Die duister-werkende
machten zouden, fataal, den oorlog ontketenen waarin alle volken
dooreen gingen woelen als in een maalstroom.

's Vrijdags, in den nacht van 31 Juli, hadden de klokken van alle
torens in Belgie storm geluid, als in de tijden der oude Gemeenten.
De groote klok, Carolus, bromde een uur lang, hoog in den hemel,
boven het donkere Antwerpen en alle klokken van alle kerken, ver
en bij in de stad, beantwoordden de zware en sombere stem die nu
den nood verkondde. Tusschen twee fakkeldragers, in den rooden
gloed hunner brandende toortsen, had een politie-officier, op de pui
voor het stadhuis, het bevel tot de algemeene mobilisatie afgelezen.
De nachtelijke straten zagen zwart van 't krielende volk dat rondliep
in groote opgewondenheid. De politie-agenten gingen van deur tot
deur en riepen overal: "Met of zonder brief eenieder moet zijn depot
vervoegen"--Want er was haast bij en alle soldaten konnen niet
regelmatig aan huis verwittigd worden.

Maar die algemeene mobilisatie was toch maar om de grenzen te
bewaken, om, als in 't jaar 70, de overloopende vijandelijke
soldaten te ontwapenen en onze onzijdigheid te doen eerbiedigen
zoo dachten we toen nog... Het was wel hard in den vroegen morgen,
van zaterdag, al die reeds bejaarde mannen in hunne vaak-niet-meer-
passende militaire uniformen afscheid te zien nemen van vrouw
en kinders, maar gevaar zouden zij toch niet lijden. Het was een
drukte aan alle stations. Ik zag moeders weerkeeren met betraande
oogen als van een laatst en hopeloos vaarwel...

De angst der menschen uitte zich te Antwerpen, lijk overal, door het
loopen naar de winkels om hun noodrust, door het bestormen der
Banken voor hun geld. Honderden en honderden stonden te
wachten voor de gesloten poort der Nationale Bank en de opeen-
gepakte drom slingerde weldra, langs het voetpad, heel het gebouw
rond. Aan de deuren der kruideniers wachtten de koopers hunne
beurt af en stonden in lange rijen tot op de straat. Het was te zien
hoe vooral de rijken nu met zich zelf bekommerd waren; zij reden
huiswaarts in met eetwaren-volgestapelde koetsen en deftige stijve
burger-vrouwen waren niet verlegen om, met zijn tweeën, zware
pakken naar huis te dragen.

De oorlog was verklaard door Oostenrijk aan Serbië en achter-
eenvolgens ook door Duitschland aan Rusland en Frankrijk. Hoe
had die oude vermolmde Habsburger, Frans-Jozef, het aangedurfd,
met een voet in 't graf, nog te bevelen dat honderd-duizenden
jonge menschen voor hem zouden sterven! Ik hoor nog het
onheilspellende roepen "la guerre! la guerre!" van de gazetleurders
die langs mijn vensters draafden. Tegelijk kwam ons het nieuws toe
van den moord op Jaurès. Ging er misschien revolutie ontvlammen
in Frankrijk, na al wat er in de laatste dagen voorviel. Alle horizonten
waren vol verschrikking.

Ik voelde seffens die beklemdheid om het hart die de voorbode is
van alle geweldige dingen die met ons gebeuren.

Verantwoordelijkheden schoten wakker. Wat moest er gedaan
worden? Kommernissen kwamen op. Wat ging er met ons land, met
nabestaanden en vrienden niet gebeuren? Het was uit met de orde,
de rust, het schoone harmonische bewegen van het vredevolle
leven, het stille en zekere wentelen van de dagen.

En toch bleef er hoop dat wij in Belgie buiten het groot conflict
zouden zijn gebleven. Het was wel beangstigend de orkaan zoo
nabij te weten, maar wij voelden ons nog veilig in ons land. Waren
wij geen onzijdige staat, door de oorlogvoerenden plechtig erkend
en beschermd?

Ik herdenk nog altijd dien zondag, 2 Augustus. Wij genoten in Belgie
de laatste uren van den vrede... Ik was met mijn gezin in ons
zomerhuisje te Capellenbosch. Door de groote spiegelruit van het
lange lage raam der leefkamer, lag het schoone landschap van
onzen hof, open, in al zijne groene zomersche pracht. De
schildering der kamer in oranje-roze kleur, de antieke meubels, de
bloemen die de kamer versierden, alles rondom ons sprak
van geruste weelde. De groene muziekkamer lag zoo stemmig,
tusschen de opengeschoven, rood-gebloemde zijden gordijnen en,
in de kleur-ramen boven het klavier, droomden donkere populieren
bij spiegelend water. Door het kleine venstertje dat van mijn
werkplaats op de leefkamer uitzicht geeft, kwam een roze schijn van
de donker-rood geschilderde muren. Wonderbaar samentreffen, na
het middagmaal, bij de koffie, had ik voorgelezen uit het boek van
Léon Bloy, "Sueur de Sang," waarin de baldadigheid der Duitschers
beschreven staat in 't jaar '70. Wij dachten toen nog dat het maar
literatuur was. Hoe rap zouden wij leeren dat het slechts,
getemperd, de afschuwelijkste werkelijkheid weergaf.

Ik ging daarna in den gang zitten in een ligstoel met Oorlog en
Vrede van Tolstoj, open op mijn knieen. Maar ik las niet. Is het
noodig te lezen wanneer je eigen gedachten bewegen schooner
dan je ze in een boek kunt vinden? Ik zag alles in een wonderen
glans. Het was of ik het waarlijk met weemoed,--te veel angsten
waren reeds geboren,--voor het laatst zoo rustig zien zou. Ik
mijmerde op een tekst uit het evangelie van den dag: "Gij hebt
uwen vrede niet gekend..." De purper-blauwe muren van den hall
waren rondom mij, ginder hoog was een fries van oranje rooskens
en boven mijn hoofd de kleurige koepel met een roode bloem in 't
midden. Boven de groote openstaande huisdeur waren drie
engelen in geschilderd gebrand glas, met amethisten vleugels en
oranje bloemen aan hunne voeten. Achter mij wist ik het perspektief
van ronde bogen die den gang vormen en uitzicht geven op de
rosse stammen en het grijze groen van ons mastenbosch, waaruit
nu bij poozen een zacht gemurmel werd vernomen. In den grooten
boog der open poort, als in een kader, lag de hof en de blauwe
hemel daar boven, als een wonderschoon schilderij. Het had nu en
dan zoo wat geregend, van dien zilveren zachten zomerregen die
alles nog schooner maakt. Het regende nu niet meer. De witte en
gouden wolken dreven lijk schepen door de blauwe lucht. Soms
hoopten zij te samen achter en boven de boomen van het eilandje,
in den vijver voor het huis, tot hooge ontzaglijke bergen en reuzige
ijstoppen. Er kwam een windje door de witte berken, in de
grasvlakte, en er regenden blinkende druppeltjes van de fijne
trillende blaadjes. Het was of de boomen rilden van een heimelijken
wellust in de warme gulden zon...

Over den weg, van aan de verre hof-poort, kwamen toen buren
aangewandeld. Ik dacht aan een gewoon bezoek, maar zij stonden
daar voor mij met kommervolle gezichten.

--"Luxemburg is bezet! Weet ge 't al? ... Het lijdt geen twijfel of België
zal worden overrompeld."

Zij vroegen om raad wat ze doen moesten. Zij dorsten niet meer
buiten te blijven, zij waren bezorgd voor hun meisje. Ik ontwaakte uit
mijn droom en werd daar, opeens, gesteld voor een oorlogsvizioen:
overrompeling, brandstichting, moord, plundering, verkrachting...

Mijn huisgenooten kwamen toen ook buiten en er werd gesproken,
bekommerd en vertrouwend dooreen. Mijn oude vader lachte "met
al dien ongewettigden schrik" zooals hij 't noemde. Zijn hof was de
wereld en hij zag hoe rustig de blauwe hemel er boven stond, hoe
goed de perzikken rijpten op zijne fruitboomen, hoe weelderig de
erwten en de boonen oprankten langs de staken. Het kon niet zijn
dat de Duitschers onze onzijdigheid zouden schenden...

Maar van af dat oogenblik was alle rust uit mij heen en ik
voorvoelde, vaag en onduidelijk, al de ellenden die over ons
land en ons zelf gingen komen. Het is zoo altijd met groote
bekommernissen. Je weet niet juist wat het is of wat zal gebeuren
maar je hart wordt zwaar van drukkend en nijpend wee en het
harmonische bewegen van den geest verzwindt in een chaos van
duister-woelende gedachten en onbestemde angsten.

Dienzelfden avond, om 7 uur, overhandigde de duitsche gezant te
Brussel eene nota aan onze Regeering waarbij vrije doorgang
gevraagd werd voor het duitsche leger op ons grondgebied. Het
was de onvermijdelijke oorlog.

Maar dat wisten wij toen nog niet, dien zachten schoonen avond,
den laatsten avond van den vrede.



II-De Oorlogsverklaring



Ik reed 's anderdaags, 3 Augustus, als naar gewoonte naar
Antwerpen met den morgentrein. De stad was vol soldaten. De
Kipdorpvest werd door linietroepen afgesloten. Generaal Dufour, de
militaire gouverneur, had er zijn hoofdkwartier in de kazerne.

Al voortstappende door de straten, ontmoette ik de trommelaars die
de burgerwachten opriepen en, op de hoeken, hier en daar, zag ik
menschen samenscholen om een wit plakkaat te lezen: Hollandsch
Limburg was, zoo gezegd, reeds bezet door de Duitschers en
Antwerpen werd in staat van beleg verklaard. "Staat van beleg!" Dat
klonk zoo akelig in de ooren. Wij gingen dan toch heelemaal
aan den dans komen. Overal reeds zag ik de shako's van de
burgerwachten opdagen. Voor het paleis van den koning op de Meir
stonden zij in gelid. De belgische driekleur woei boven den geveltop
met zijn bloemenslingers en vazen. Ja het was de oorlog en
wanneer ik terug trok, naar het station, kon ik met moeite de tranen
terugdringen die uit mijn oogen wilden breken. Ik was innerlijk
verlegen om mijne gevoeligheid. Wij moesten mee in de ontzaglijke
menschen-slachting.

Wat te doen? Ik vond het voor mijn huisgenooten toch geruster in
de stad, binnen de vesten. Wij hadden toen nog onze illuzie's over
versterkte steden en maanden-lange belegeringen.

Toen ik met den middagtrein, om een uur op den buiten kwam,
geraakte mijn gemoed weer eenigzins tot kalmte. Was het dan toch
wel oorlog? Wij zaten zoo rustig aan tafel bij het open raam. De
natuur was toch zoo schoon en zoo vreedzaam rondom ons. Geen
geluid dan het zacht geruisch der berken in de grasvlakte en het ver
en staag gemurmel van het dennenbosch.

Waarom de menschen uit dien vrede weghalen en brengen in de
koorts en de opwinding der groote stad. Maar toch het moest, het
was beter, voorzichtiger, allen meenden 't zoo. Alles scheen toch
zoo verschrikkelijk snel te zullen toegaan. Wie kon vandaag weten
wat morgen zou gebeuren? Geen tijd mocht verloren. Alles werd
ingepakt. De tapijten werden opgerold, naar den zolder gesleurd en
geborgen onder de balken. Wij sloten de luiken. Ons lachend
zomerverblijf scheen in enkele oogenblikken een doodenhuis
geworden.

Over den anders-zoo-rustigen steenweg, voor ons hof, zagen wij,
als in waanzinnige vlucht, auto's en rijtuigen van alle slag voorbij
snellen, volgeladen met kisten en pakken. De stad scheen voor
eenieder het zekere toevluchtsoord. Het vreedzame platte land
werd verlaten voor de ingebeelde zekerheid eener vesting.

Ik kwam rond vijf uur in de stad terug. Op de Keizerlei waren er
groote samenscholingen van menschen. Men huilde en tierde voor
de duitsche koffiehuizen. Uithangborden vielen aan scherven,
blazoenen van duitsche maatschappijen werden neergehaald.

De belgische vlaggen verschenen aan alle gevels. Het was nu
bekend geworden dat het groote duitsche rijk zijn ultimatum had
gezonden en den oorlog verklaarde aan het kleine en vreedzame
België. Dienzelfden morgen om 7 uur was het antwoord onzer
regeering reeds overhandigd met de bevestiging dat elke aanslag
op ons recht van onschendbare natie door alle middelen zou
worden afgeweerd.

Door de van-volk-krielende straten schreeuwden de krantventers
langs alle kanten oorlogsnieuws: De engelsche vloot bewoog
voorbij de Oosterschelde; het gerucht liep zelf dat zij de Schelde op
vaarde en dat de engelsche soldaten nog dienzelfden avond bij de
antwerpsche burgers zouden worden ingekwartierd. De russische
legers rukten op Kœnigsberg af, maar de bezetting van hollandsch
Limburg was onwaar bevonden, de staat van beleg werd opgeheven...

Ik verademde. Wij konden dan nog wat buiten blijven. Het was toch
zoo rustig ginder in de bosschen. Men hoorde er niets van al 't
gewoel hier en het schrikbarend nieuws. Zoo was mijn gevoelen
toen ik dien avond weer op ons landhuis kwam in de stilte der
natuur.

Wij woonden er nog tot woensdag 5 Augustus. Doch het waren
droeve dagen. De luiken bleven dicht. De keuken en een klein
kamertje daarnaast alleen waren open nog en in gebruik. Wij zaten
er lijk landverhuizers met onze kisten en manden. De oorlog was
dan toch onwederroepelijk begonnen voor ons landje... De vrouwen
lazen toen reeds met verkropt gemoed en snikken in hare keel het
nieuws van het eerste belgisch bloed dat voor het vaderland
vloeide. Want in den nacht van 3 tot 4 Augustus waren de duitsche
troepen gewelddadig onze grens overgeschreden. Twaalf regimenten
ruiterij hadden het land van Herve overrompeld en de eerste botsing
gebeurde tegenover de vernielde Maasbrug van Visé.

Maar wij waren fier over het nobele antwoord dat onze regeering op
het duitsche ultimatum had gegeven. De besluiten genomen in de
buitengewone Parlements-zitting van 4 Oogst, waar heel ons
Vorstenhuis aanwezig was, vervulde ons gemoed met nationale
trots en ons hart bonsde bij de proclamatie van den koning aan
het leger "Vlamingen denkt aan den Guldensporenslag! Walen
herinnert u de 600 Franchimontezen!" Dat klonk heroïsch want wij
wisten dat onze jeugdige, vroeger zoo stille vorst, nu zelf naar de
grens trok om aan het hoofd van zijn leger den vadergrond te
verdedigen.

Het was een grootsch en onvergetelijk ogenblik! Wij waren een land
en een volk dat vastberaden zijn stem had laten hooren in de
wereld en wij waren de eersten om den ontzaglijken strijd te
beginnen, waar niemand nog de afschuwelijkheid van vermoedde.
In de heerlijkste tijden onzer geschiedenis, wanneer de trotsche
gemeenten bloeiden en de belforten werden gebouwd, hingen wij
nog, door onze prinsen, van het Huis van Frankrijk, van het Huis
van Burgondië, van Spanje of Oostenrijk af en onze akkers waren
steeds de slagvelden geweest van voor ons vreemde belangen en
heerschzuchtigheden.

Maar nu eindelijk hadden wij de kans om voor ons zelf te vechten.
Wij maakten geschiedenis, of beter gezegd, wij zetten nu eens voor
goed onze meest eigen geschiedenis voort, van de stammen die
vochten tegen Caesar tot de wevers en beenhouwers die streden
op den Groeninger kouter en de vrijschutters der brabantsche
omwenteling in de 18e eeuw. Wij werden een factor in de
wereldhistorie. En de Koning, die bij den aanvang van den
reusachtigen strijd de herinnnering opriep der oude gemeenten, die
stelde de poorten van 't Verleden wagenwijd open om den
onafgebroken stoet te wijzen van helden die vochten en stierven
voor dezen grond en waar de jeugd van nu haar plaats ging achter
nemen. Door zijn woorden had die Koning het heden met het
verleden verbonden. Hij was niet langer meer de afstammeling van
die kleine duitsche prinsen van het Huis van Saxen-Coburg-Gotha,
maar de rechtstreeksche erfgenaam der graven van Vlaanderen en
Namen, der hertogen van Brabant en Burgondië. Hij werd de vorst
van een eeuwenoud volk dat altijd voor zijn vrijheid gevochten had
en nooit ten onder was gegaan.



III-Bij De Burgerwacht



Ik ging mij aanbieden hij de burgerwacht waarvan ik tot dan toe was
ontslagen geweest. Zij was belast met het bewaken der omheining
van Antwerpen. Ik aanzag het als een ernstige taak. Wij stonden
onder algemeen legerbevel.

Het militarisme bestond niet in België. Maar de militaire geest was er
levend, die geest die van elk burger een soldaat maakt die zijn
leven veil heeft voor het land. Hoe onbeholpen en nutteloos de
inrichting later ook mocht blijken, het was die militaire geest die de
burgerwachten van Antwerpen en elders gewetensvol hun plicht
deed doen. Het was die geest die in de eerste dagen van den
oorlog meer dan 30000 vrijwilligers deed opkomen uit alle streken.
Ik zag heele scharen van jonge mannen stoetsgewijs naar de
kazernen trekken onder de toejuichingen der bevolking. Iedereen
was blij het uniform en de wapens te dragen en zich zoo een lid van
de landsverdediging te weten in dezen grooten nood.

Op donderdag, 6 Augustus, betrok ik voor 't eerst de wacht op de
vesten aan de Berchemsche poort en dienzelfden nacht sliep ik
voor 't eerst ook in een soldatenbed in de Sint Joris Kazerne. Ik
herinner mij nog die lange witgekalkte slaapzalen met ijzeren
bedden. De geweerkolven bonsden telkens op de houten vloeren.
De ransels werden losgegespt. Een tijd werd er nog gegekt en
geroepen maar weldra lagen al de lijven onder de dekens. In den
schijn van een enkel verouderd olielampje ging er soms een arm
omhoog of een jongen die luidop droomde verbrak de ronkende
stilte.

Dienzelfden nacht werd ik, met een patroelje, naar het militaire
gasthuis gezonden, in de Maria-lei. Er was een trein van gekwetsten
verwacht, de eersten die daar aankwamen, en wij zouden voor de
poort de orde handhaven.

Er stond een almoezenier in het portaal, een majoor-dokter deed de
berrie's gereed zetten en gaf vermaningen om kalm te blijven. Wij
gingen dan de eerste bloedige wrakken zien uit dezen geweldigen
oorlog, misschien van dat skadron lanciers, van het 2de regiment,
die te Plainevaux, ten zuiden van Luik, een heel regiment duitsche
ruiters hadden gechargeerd en aldus de drie-vierden hunner
manschappen in een ongelijken strijd verloren. Wij waren ontroerd.
Maar het bericht kwam dat de aangekondigde trein in een andere
richting was gezonden. Wij stonden daar doelloos, in eene
eenzame straat, waar het regende...

Wij kregen verlof om in een wachtzaal van het gasthuis den morgen
af te wachten. Een dokter, die mij kende, nam mij mee in een der
groote slaapzalen, waar ik mij in volle uitrusting op een bed
neerstrekte. Ik sliep niet. Het was zoo vreemd in dat gasthuis te
liggen naast die ontelbare rijen lege beddekens en in den reuk van
iodoform die alles doortrok. Ik wist toen nog niet hoe ik later in mijn
ballingschap, zoovele lange lijdensweken zou doorgebracht hebben
in de droeve hospitalen van vreemde steden. Maar een geheim
voorgevoel beklemde mij. Ik kreeg een voorsmaak van de lichamelijke
misères die mij te wachten stonden. Geluidloos kwam er nu en dan
door het halfduister een kloosterzuster voorbij.

Wij hadden 24 uren dienst in de kazerne of op wacht en 12 uren
rust, dat wij naar huis mochten. Ik zou onder de wapens echter niet
veel uitrichten. Het was op wacht staan of op een bank aan de
stadspoorten zitten,--voor wie niet mee deed aan de gelagen in de
herbergen,--en 's avonds van den tweeden dag, in regiment, van
Berchem naar de kazerne stappen.

Luid en blij zongen toen de wachten op marsch. Het scheen wel
een parade in 't begin, als zij hunne hooge zwarte vilten hoeden
droegen met de waaiende zwart-blauwe haneveren en hunne lange
blauwe mantels die links en rechts, hoeksgewijs, moesten worden
opgeknoopt om den gang niet te hinderen. Er hing als een
feestlucht over de stad: door alle straten het kleurgewemel der
waaiende vlaggen, de menschen alle dagen van de week in hun
zondagsche pak, kuierend of verteer makend in de volgepropte
koffiehuizen en terrassen alsof het kermis ware geweest. Engeland
was nu ook in den oorlog gekomen. Duitschland stond alleen tegen
half Europa. De overwinning aan onze zijde scheen onvermijdelijk
en in een nabije toekomst. De Franschen zegevierden reeds te
Altkirch en Mulhouse was ingenomen. De vlaggen onzer bondgenooten
werden geestdriftig begroet aan de gevels op onzen weg. Gehuil en
gefluit en geroep van "er aus" klonk voor de deuren der gekende
duitsche huizen.

Wij aten op de groote koer der Sint Joris kazerne, ieder in zijn
hoekje, uit eene gamelle, gingen daarna slapen in de zwart-ijzeren
bedden, om dan weer 's nachts in de stad te patroeljeeren of hier of
daar een post te bezetten.

Ik moet wel geen vechtersbloed in mijn aderen hebben, want
wanneer ik op wacht stond, op de vesten, droomden mijne oogen
over de pracht der velden en door de heilige rust der nachten of ik
keek naar de groote stad. Van af de hooge groene wallen gezien,
was zij zoo schoon met al hare torens en de groezeling der daken.
Ik keek er naar als naar iets dat misschien zou vergaan...

Ik herinnner mij nog dit enkel incident uit mijn diensttijd. Men had
ons verwittigd dat er kans bestond dat dien nacht duitsche auto's
probeeren zouden de stad binnen te dringen, zooals er gedaan
geweest was te Luik door vijandelijke officieren die een aanslag
hadden beraamd op het leven van generaal Leman. Wij moesten
dus oppassen. Ik was dien avond van het corps de garde, in de
kazerne aan de Oude-Baan. Ik had wat gegeten en lag uitgestrekt,
in mijn kleeren, op de brits, tusschen mijn luidop ronkende
kameraden. Rond elf uur moest ik, voor twee uren, de wacht
betrekken. Ik kreeg mijn post buiten de poorten, op den berg der
genie-werken, waarover een aarde-weg loopt om langs het spoor
naar Mortsel te gaan. De nacht was schoon, zoo maanhelder dat de
sterren verbleekten. Het was zomer en zoel en zoo rustig alom. Het
deed wee aan het hart niet te kunnen genieten van de pracht der
dagen en te bedenken dat de kanonnen van Luik aan 't bulderen
waren en zoovele belgische jongens ginder in de maanlichte velden
roerloos neerlagen voor eeuwig. Achter mij strekte de donkere lijn
der verouderde wallen met, van afstand tot afstand de hooger
uitstekende mamelons tegen den rossen gloed der nachtelijke stad.
Voor mij en van op mijn hoogte zag ik de velden tot aan Luithagen,
tot aan Deurne. Het graan stond nog in maandels op de akkers. Het
waren lijk donkere tenten van een kamp die scherpe schaduwen
afteekenden in het maanlicht. De geur van het dorrend stroo en van
de warme aarde kwam met vlagen tot mij. Van tijd tot tijd reed door
de velden, in de richting van Brussel of Antwerpen, een lange
reizigerstrein en de lichtende ramen slingerden als een vuurlijn
voorbij. Ik stapte over en weer met mijn geweer op den schouder.
Traag gaan de uren voorbij in de nachtelijke eenzaamheid. Ik telde
de slagen der klok op den nabijgelegen toren van Berchem.
Eindelijk zag ik uit de donkere grot der stadspoort een patroelje,
klein in het maanlicht, verschijnen en toekomen om mij af te lossen.
Ik trok terug naar mijn corps-de-garde en strekte mij uit op de brits.
Ik lag maar nauwelijks neer toen ik, buiten, den korten knal van een
geweerschot vernam. Mijn maten hoorden het ook. Zouden dat die
duitsche auto 's zijn? Wij sprongen allen op, grepen naar onze
geweren, gespten onze bajonetten aan en liepen, onder geleide van
een serjant, naar de bres die in de wallen was aangebracht op den
mechelschen steenweg. Ik hoorde naast mij de geweren openen,
laden en met een knak weer toesluiten. Ik stak ook een kogel op het
mijne. Zou er waarlijk te schieten vallen? Wie zou er getroffen
worden van ons? Wij tuurden uit over de baan: niets te zien in het
licht der maan, de rust van den nacht. Dan plots komt over
den steenweg een man aangeloopen, zijn geweer omhoog. Wij
verkennen een burgerwacht. Buiten adem vertelt hij dat hij, op
wacht staande, twee mannen zag voorbij sluipen. Hij vroeg hun het
wachtwoord. Zij antwoordden niet. Hij vuurde, maar zij waren
verdwenen. Wij bleven nog een tijd op onze hoede, maar niets
kwam opdagen. De wacht trok weer terug. Het was mijn eenig
vechtincident, als ik het zoo mag noemen. Ik bleef talmen bij de
open bres en stapte over en weer tusschen Berchem-kerk en de
hooge groene wallen. De morgen zat reeds in het oosten. Vuurrood
begon de hemel te schemeren. Ik zag toen dat de mogelijke aanval
der duitsche auto's toch als ernstig was opgenomen, want in een
loopgraaf, door de bres, en achter een uitgestrektheid van
prikkeldraadversperringen, zaten soldaten van de linie-troepen
gereed achter een paar mitrailleuzen, de reesem blinkende kogels
op het kanon geschoven. Zij stonden nu ook op en wandelden met
hoog-toegeknoopte mantels in de kille klammigheid van den
wordenden dag. Wij begonnen te praten om den tijd door te krijgen.
Ik voelde mijn voeten verkillen in het nat van het gras der vesten.
Traag klonken de uren van den Berchemschen toren. Eindelijk
sloeg het klokke zes. Ik ging terug naar de kazerne. De gelederen
werden reeds gevormd om terug naar de stad te trekken voor den
rusttijd. Wij gingen weer 12 uur vrij af krijgen. Het was telkens een
genot terug thuis te zijn en mijn burgerpak te kunnen aantrekken. Ik
voelde mij niets geen soldaat. Ik verlangde een onmiddellijk-nuttiger
en daadrijker leven. De burgerwacht gaf dat niet. Het was eene
ontgoocheling. Hoe zou ik 't best naar mijn vermogens het
vaderland dienen?



IV-In De Celgevangenis



Het was niet voorbeschikt dat ik lang onder de actieve wapens zou
blijven. Na een week werd ik door de militaire overheid aangezocht
om als duitsch vertaler bij den krijgsraad dienst te nemen. Het was
eentonig werk dat ik, dag aan dag verrichtte in de celgevangenis,
waar een substituut van den krijgsauditeur zetelde.

Ik bedenk nu weer den eersten dag mijner bezigheden daar. Het
was te doen in een klein kamertje. Achter een tafel zaten de
substituut, een commandant der jagers, een luitenant der
gendarmerie, een griffier en ik. Door de open tralievensters zagen
wij de gewone gevangenen, in hun wit pak en op klompen, over en
weer wandelen, elk in zijn afgezonderd hofje. Over de stad klonken
de zwaar-bonzende doodsklokken der cathedraal voor de dood van
Paus Pius X. Wat had die heilige zachte man wel gedacht en gezeid
in zijn laatste uren over dezen oorlog? Ignis ardens had de profeet
van hem voorspeld, Religio depopulata was de roep voor zijn
opvolger. Wie dacht hieraan en hoe gingen de grootste gebeurtenissen
verloren in de algemeene ontreddering van de wereld!

Alle duitschers die moesten worden uitgedreven, werden eerst in 't
gevang opgesloten om een verhoor te ondergaan. Waren zij
dienstplichtig, dan werden zij gevangen gehouden. Waren zij het
niet, lijk oude menschen vrouwen en kinderen, dan werden zij, na
verhoor, twee maal per dag, naar het station gebracht en per
speciale trein naar Holland gevoerd.

Er deden zich natuurlijk vele ongelukkige gevallen voor: menschen
die nooit van een oorlog iets hadden vermoed en hun keizer
verwenschten; vrouwen met een sleep van kinderen die uit haar
huis en broodgewin werden weggetrokken en dikwijls, zonder een
cent, over de grenzen gezet. Wegens den overvloed der arrestaties
zaten zij soms dagen achtereen op een verhoor te wachten met
den doodschrik op het lijf. Een heel ongewettigde schrik, want nooit
werd er bij mijn weten een Duitscher veroordeeld. Maar hunne
houding deed mij gissen hoe brutaal en ongenadig de overheden
moesten toegaan in hun eigen land. Er waren van die arme
stakkers die, als zij binnen werden gebracht, voor ons al snikkende
op hunne knieën vielen en met biddende handen om genade
riepen, meenende dat zij hun doodvonnis gingen hooren. Ik heb
den angst voor den dood toen op vele aangezichten gelezen. Er
waren er die niet konden spreken en hun wee opkropten tot dat
hunne kaken begonnen te beven en de tranen in blinkende
druppels traag uit hun oogen rolden. God waarom moesten zoo
menschen tegenover elkander staan! Ik zie nog altijd dat klein,
bleek, phtisiek oostenrijker-joodje, dat werd aangehouden omdat
men in zijn valies suspecte papieren banden had gevonden met
vreemde teekens beschreven. De onwetende gendarmen dachten
aan telegramberichten. Maar het bleek een godsdienstig voorwerp
te zijn: hebreeuwsche verzen uit den Talmud, op parkamenten
reepels geschreven, die de Israëlieten, tweemaal 's daags, in een
doosje, op het hoofd dragen. De sukkelaar kende enkel poolsch en
kon zich amper in het duitsch doen verstaan, maar snikkende en op
zijn knieën, voerde hij den joodschen ritus uit, om te bewijzen
waartoe die vreemde dingen dienden. Toen ik hem duidelijk maakte
dat hij niets te vreezen had en enkel zou worden over de grenzen
gezet--wat konden wij met dat menschen-wrak nog doen?--kuste
hij mijne handen en ik voelde zijne koude lippen en het nat van zijne
tranen op mijne vingers.

Ik herinner mij ook nog twee slanke jonge vrouwtjes, die als
danseressen met een kunstemakers-wagen reisden. Zij waren uit
de omstreken van Hannover. Ik dacht aan de figuur, die in het
tweede deel van De Kleine Johannes voorkomt, en waar Johannes
op verliefd geraakte. Een van de twee droeg een kindje van enkele
maanden, een mager borelingske, dat zij liet zuigen aan haar klein
borstje, dat uitstak tusschen de plooien van haar kleurig rood-en-
groene kleed. De andere had, in een vuil beddelaken, al bijeen
gebonden wat zij kon redden en ging er letterlijk onder gebogen.
Zoo had ik ze zien binnen brengen in het gevang. Ik had er
medelijden mee en kon zorgen dat ze seffens in verhoor werden
genomen en nog dienzelfden dag, van allen angst verlost, op reis
mochten naar Holland. Ik zie nog altijd hare oogen die mij stil-
lachend dankten.

Er waren in die dagen menschen die met politie of burgerwacht te
doen hadden omdat zij een zoogezegd duitsche hoed droegen, de
groene tint was zeer gevaarlijk. Op aanklacht van buren drongen
burgerwachten, met de bajonet op het geweer, huizen en kamers
binnen. Zij hielden huiszoeking of namen den vermoedelijken
verspieder in arrestatie. Er werd verteld van moffen in nonnekleeren
of met valsche baarden. Antwerpen voelde een echte haat tegen al
wat duitsch was, een haat sterker dan elders in het land, omdat de
vijand hier zoo hartelijk was onthaald geweest en zoo vrij zijn
gangen had mogen gaan.

Er waren ook Belgen die onschuldig verdacht en gevangen zaten.
In die dagen heb ik begrepen wat de "terreur" moet geweest zijn
tijdens de fransche revolutie. De aanklacht van 't is gelijk wie, het
minste onschuldig teeken of een verkeerd uitgelegd woord waren
voldoende om iemand te doen aanhouden. Ik zou van mijn eigen
vrienden in 't gevang ontmoeten en helpen verlossen. Ik ken er een
die, uit zijn droefheid en zijn wrok, een stuk literatuur schreef in zijn
cel en het mij in dankbare herinnering bij zijn vrijstelling
overhandigde met nog vochtige oogen.

Wij hadden soms oprecht beklagenswaardige gevallen te
onderzoeken: De forten van Luik vielen alle van 12 tot 17 Augustus
1914 maar om krijgsredenen, die ik hier onbesproken laat, bleef het
heeten dat zij nog altijd stand hielden en dat duurde zoo tot 24
Augustus. Welnu de enkele soldaten, die nog uit die forten konden
ontsnappen, en in burgerkleeren, op lijfsgevaar, door de duitsche
linies geraakten, werden allen aangehouden, zoodra zij zich te
Antwerpen aanboden om terug in dienst te treden. Een heele tijd
hield men ze in 't gevang afgezonderd om hen te beletten het
gerucht van den val der forten te verspreiden.

Wij namen ze een voor een in verhoor. Zoo wisten wij, uit
den eigen mond der verdedigers zelf, hoe eerst de forten van
Chaudfontaine, Evegnée, Barchon en Pontisse door de duitsche
kanonnen werden onder vuur genomen en hoe de aanvallers overal
met verschrikkelijke verliezen werden achteruit geslagen. Hoe daarna
het fort Boncelles het te verduren had en het belgisch leger daar
wijken moest voor de overmacht. Wij rilden op onze stoelen als wij
ze, in hunne eenvoudige boeren-of werkmanstaai, hoorden
verhalen van die 42 cm. bommen, die zij, uren aan elkaar, op en
rond de pantsertorens hunner forten hadden hooren donderen, hoe
zij geen adem meer konden halen in den stikkenden rook der
salpeterstoffen. Van de vluchtelingen uit het fort Loncin hoorden wij
hoe generaal Leman zich daar had teruggetrokken en het er nog
dagen uithield zonder eenige betrekking met de wereld; hoe
eindelijk het kruitmagazijn ontplofte en de stukken beton der
koepels en de bergen van aarde in de lucht sprongen lijk fonteinen,
met de wegvliegende stukken van menschenlichamen; hoe zij die
nog ontsnapten slechts, door duisternissen rook en vuur, en onder
het geklaag en geroep van onzichtbare gekwetsten en stervenden,
nog uit de puinen geraakten en den dag weer zagen. Het waren
helden, hunne oogleden waren nog zwart van kruit, er waren er met
verbrande handen en wij moesten ze afgezonderd houden in een
gevang, als zij smeekten om voort te mogen vechten. De aarzeling
der krijgsoverheid duurde gelukkiglijk niet langer en weldra kwam
het verlof om ze in vrijheid te stellen en ik zelf werd gelast hun
eenige vaderlandsche woorden toe te spreken om hun duidelijk te
maken dat zij niet voor een vergrijp maar wel uit voorzichtigheid in 't
gevang weerhouden waren geweest. Ik was toen reeds dienstdoende
griffier geworden bij den substituut van den krijgsauditeur. Ik zie
nog altijd, in mijne herinnering, die kloeke jongens: ze werden allen
bijeen gebracht in een groote zaal van 't gevang en na enkele
aanmoedigende woorden gingen zij blij en zonder morren hun post
vervoegen.

Toen wij het gevang verlieten, dien avond, zei mij de jonge luitenant
der gendarmerie:

--"Indien er inderdaad 42 cm. bommen gebruikt werden tegen Luik,
dan weerstaat geen enkel fort van Antwerpen." Wij dachten aan
het onvermijdelijke dat zou gebeuren.



V-Wat Wij Van Den Oorlog Vernamen



De menschen leefden voort in hunne huizen en kamers in eene
schier-volledige onbewustheid. Wie dacht er ernstig binnen de
wallen van Antwerpen aan de groote ontschakeling van de wereld?
Het ergste wat er van den oorlog verwacht werd was een beleg der
stad, dat maanden, een jaar lang misschien kon duren. Maar ieder
meende genoegzaam voor proviand gezorgd te hebben om die
harde tijden met kalmte tegemoet te zien. Ondertusschen werd alles
in de huishoudingen wel vereenvoudigd en op spaarzaamheid
ingericht. De menschen werden ook gemeenzamer onder elkaar,
schenen te verbroederen, vergaten het onderscheid van klassen en
fortuin onder het dreigement dat als een donkere wolk nu over alle
hoofden hing. Maar de Engelschen, de Franschen, de Russen, de
Japanners, de Serbiërs en de Montenegrijnen waren immers daar.
Het lot van Duitschland was toch beslist. En ons eigen leger dan?
Had het Duitschland niet geklopt onder de forten van Luik? Had de
vijand niet een wapenstilstand van 24 uren gevraagd om zijn
dooden te begraven? 25000 man, zoo ging de mare, liet hij op dat
eerste slagveld. Was de finantieele failliet van dat land niet
aanstaande? Ging de hongersnood er niet weldra langs de straten
huilen? Zou de revolutie den Keizer en heel zijn militaire caste niet
weldra omverwerpen?

Wel moesten de burgers stilaan gewaar worden dat er iets aan 't
veranderen was. De haven lag stil en leeg van schepen. De straten
waren vol wandelende werkeloozen. Uitdeelingen van geld en goed
gebeurden aan armen en vrouwen van soldaten. Maar dat kon zoo
gerust een tijdje voortgaan. Het scheen al niet veel erger dan in tijd
van algemeene werkstaking. Waren wij ook niet in de vacantie-
maanden? In Oktober was alles misschien gedaan en voorbij en
kon het werk weer hernomen worden met nieuwen moed. Duitschland
zou gekneveld liggen achter den Rhijn en voor alle aangerichte
schade rijkelijk moeten betalen.

Ik herinner mij nog de stemming van mijn eigen huis. Om den dienst
te vergemakkelijken zaten wij meestal in onze groote wit-steenen
keuken met het gele koperwerk en het blinkende pottengerij langs
de muren. Bij de maaltijden spraken wij over de uitlandige
huisgenooten en de verwanten in het bezette land. Tegen den wand
in het vensterlicht van den hof hadden wij landkaarten opgehangen:
de kaart van Europa met de oorlogvoerende staten, de kaart der
Rhijnprovincie. Wij volgden de bewegingen der Russen rond
Lemberg en Kœnigsberg. Misleid door de al te optimistische
belgische dagbladen zagen wij ze in onzen geest al oprukken naar
Berlijn en dan keken wij naar de Rhijnprovincie hoe wij die bij België
en Holland en Frankrijk gingen voegen. Hoe leuk zou het niet zijn,
toekomend jaar, met een belgisch abonnement, een reisje te doen
langs den Rhijn en er Rudesheimer te drinken alsof wij t' huis
waren...

Die voorstellingen schijnen nu kinderachtig en belachelijk. Maar in
de eerste dagen van Augustus had de groote massa van ons volk
niet het minste benul van de vervaarlijke oorlogsmachine die
Duitschland op ons had afgezonden. De generale staf en de
overheden alleen wisten van het half millioen-sterke leger dat de
Maas was overgekomen en zich tegenover de Gethe in front had
gesteld. Het volk wist wat het las in zijn kranten: de wonderbare
weerstand van Luik en hoe de duitsche regimenten er letterlijk
werden neergemaaid, de weerstand op de Gethe met den slag van
Haelen, waar heele skadronnen duitsche dragonders sneuvelden
en de vijand wijken moest, dooden en gekwetsten op het slagveld
achterlatend.

Doch dat waren in werkelijkheid slechts incidenten, ontmoetingen
van voorposten, heel ons legertje van 180.000 man en in
werkelijkheid misschien maar 120.000, zijnde enkel een voorpost
van de groote krijgsmachten van Frankrijk en Engeland die ons
tijdig hadden moeten ruggesteunen.

De droeve waarheid was dat ons leger zich eerst achter de Gethe,
daarna achter de Dijle had moeten terugtrekken uit vrees van zijn
linkervleugel omsingeld te zien door aanzienlijke legermachten die
reeds op Aerschot en Diest dregen. De Franschen konden eerst op
18 Augustus de Maas-bruggen van Hastière tot Namen bezetten en
het gros van hun 5de leger was toen nog maar in aantocht te
Philippeville. De Engelschen hadden maar juist Maubeuge bereikt.
Geen aansluiting dus met het belgisch leger. Maar daar gaven de
kranten geen uitleg over. Wij wisten alleen dat op 20 Augustus ons
leger blinnen de Antwerpsche vesting was samen getrokken en
dienzelfden dag Brussel door de Duitschers werd bezet.

Toch werden de dagbladen met gretigheid gelezen in die dagen. Er
gebeurde zooveel om en rond den oorlog en dat mocht verteld
worden. Zoo vernamen wij achtereenvolgens de verschrikkelijke
wandaden der Duitschers in ons land: de moorderijen en de
brandstichting te Visé, de menschenslachtingen van Dinant
en Tamines, de verwoesting van Leuven en van de oude wereldberoemde
bibliotheek, het platleggen der gansche stad Dendermonde, de
aanslagen op het schoone Mechelen en den ouden Sint Romboutstoren.
De verslagen der belgische regeering over de verkrachting van
het volkenrecht--en die in de dagbladen verschenen--brachten
ons de veropenbaring van willekeurige terechtstellingen van
burgers te Aerschot, verkrachtingen van vrouwen en meisjes,
moordaanslagen op kinderen, grijsaards en geestelijken. Zoo
werd de oorlog van Duitschland tegen België als een inval van
barbaren. Zoo ontstond in de menschen die waanzinnige schrik,
ondenkbaar in onze beschaafde eeuw, en die heele dorpen en
steden deed vluchten voor den vijand, als voor een aardbeving
of de voortstuwende lava van een vuurberg.

Van de groote buitenlandsche episoden van den oorlog wisten de
menschen weinig of niets. De belgische dagbladen vertelden
vertelsels en, nu dat zij op zich zelf moesten teren, werden zij van
dag tot dag meer onbeduidend. Niets bepaalds werd vernomen van
de fransche en de engelsche nederlagen te Charleroi en te Mons,
niets van den val van Maubeuge en den zegevierenden inval der
duitsche legers in Frankrijk,--de verhuizing der fransche regeering
van Parijs naar Bordeaux was maar een voorzorgsmaatregel--niets
van het achteruitslaan der Russen in Oost-Pruisen door Hindenburg.
Wij teerden op den russischen stoomwals die op weg was naar Berlijn.

Dat optimisme der kranten, die strenge censuur hadden misschien
hun nut. Kon de gansche waarheid wel gevoeglijk gezegd worden?
Zou zij geen paniek verwekt hebben? Kon het o. a. duidelijk worden
gemaakt aan de bevolking dat wij op 't oogenblik dat de duitsche
aanval zich voordeed, juist een periode van grondige militaire
verandering doormaakten? Dat eerst in 1918 de voorziene leger-
vergrooting tot 350.000 man zou worden bereikt? Dat het zwaar
geschut ons geheel en al ontbrak? Ik denk dat ons volk genoeg
gezond verstand en weerstandsvermogen rijk was om de volle
waarheid te kunnen verdragen. Maar de regeering oordeelde er
anders over en ons volk bleef onwetend.

Ik die dagelijks, in den Kunstkring, de Times las en de hollandsche
kranten en ook door mijn functies wat vernam en wist, met
verschrikking, wat er gebeurde, ik kon mijn huisgenooten slechts
met moeite van de werkelijkheid overtuigen.

De zegepraal aan de Marne, rond half September 1914, moest de
groote rustpoos brengen in de brutale overwinningen van de
Duitschers op het wester-front en deed weer eens groote doch
ijdele hoop opgaan voor ons land. Maar dan kwam weer het
hartverscheurende nieuws: de vernieling der cathedraal van Reims!
Het schoonste werk van menschenhanden op deze aarde! Waar
gingen wij toch heen?

Met volharding en vertrouwen werd er gebeden in alle kerken. De
vlaggen der bondgenooten en de nationale driekleur hingen uit
boven de hoog-altaren. De tempels stroomden vol in dezen
grooten landsnood. De kanselredenaars lieten verschrikkelijke
vermaningen hooren, riepen Sodom en Gomorrha weer op en hoe
de verwoesting over die steden was gekomen omdat er geen 10
rechtvaardigen gevonden waren. Leefden wij ook niet in zonden en
riepen die niet de bliksems van den hemel op onze stad?
Bijzondere gebeden werden gelezen tot lafenis van de zielen der
gesneuvelde soldaten. Het was aangrijpend. Een rilling liep door de
scharen der geloovigen, vele oogen weenden. In de Augustijnen
kerk, mijn eigen parochie, zag ik het volk staan tot op de straat. In
de vallende duisternis gloeide de open poort van het inwendig licht.
Ik hoorde het machtig gedreun van het orgel en de stemmen der
menschen die zongen de "Brabançonne".



VI-In En Om De Forten Van Antwerpen



Het onderzoek van sommige krijgszaken vereischte reizen en
verplaatsingen van het auditoraat waar ik dan d. d. griffier was. Wij
bolden zoo in een auto heel de omgeving van Antwerpen af.

Ik zag de omliggende forten der verouderde verdedigingslijn,
Merxem, Wijneghem, Borsbeeck, Oude-God, Wilrijk. Ik zag de
verwoesting die het belgisch leger voor de verdediging der stad
overal had aangericht. Ik kwam in die gewelfde wit-gekalkte
kazematten, langs donkere trappen en gangen, onder duistere
gewelven, waar wij commandanten en officieren vonden, met in
verschillende weken niet meer geschoren baarden, en die met
hunne soldaten nog alles in 't werk stelden om die verouderde
stellingen toch nog in staat van verweer te brengen.

Ik bedacht toen hoe wij ze vroeger op onze wandelingen, naar het
Peersbosch of naar Schilde en s' Gravenwezel, ontmoetten. Het
waren oasissen van groen, verdoken achter hooge schoone
boomen, in de Lente bedolven onder het gele goud der
bremstruiken. Zij schenen nooit in een oorlog te zullen gebruikt
worden, zoo rustig en schilderachtig kwamen zij ons voor. Hun
uitzicht had iets tooverachtigs en romantisch. Nu was alles op
kilometers in het rond afgehakt en neergehaald. De prachtige
eeuwenoude dreven van beuken, eiken of olmen waren als in eene
reusachtige orkaan omgekomen en verdwenen. De stompels staken
uit ten allen kant, soms breed en rond als tafels en maakten het land
tot een gruwzame wildernis. Men kon zien van het eene fort naar het
andere. Zij schenen in de verte lijk kleine heuvels boven de effen vlakte,
waar de puinhoopen lagen der afgebroken huizen en nog hier en daar
een gebouw te smeulen stond of te branden en er een ander, in een
wolk van stof en vuur, door dynamiet in de lucht vloog.

Overal in de vroeger rustig-schoone velden, in de verwoeste
bosschen en tuinen, waar eens lachende villa's stonden en
weelderige kasteelen, waren loopgrachten gegraven en, over
groote uitgestrektheden, pindraad-versperringen aangelegd. Er
werd verteld van heele velden die ondermijnd waren, van lege
tonnen met latjes en aarde gedekt waarin de aanvallers onverhoeds
moesten neertuimelen. De wegen waren afgesloten door hooge
wagens of dwarsgelegde boomen of takken en in ons vrij land kon
men nergens meer door, zonder het wachtwoord te kennen of
speciale papieren op zak te dragen. Overal dregen de schildwachten
met gevelde bajonet.

Hoe meer de tijd vorderde zoo grooter werd het verlangen naar den
buiten, naar de open natuur. Het was de vrije wereld naast de
steeds strengere beknelling der belegerde vesting. Op een zondag
wilde ik nog eens met mijn huisgenooten naar ons landgoed te
Cappellenbosch. Maar 't was lastig en ongewoon. Wij moesten
onze plaats-bewijzen vragen aan 't winket tusschen twee
gendarmen. Een speciale pas met den zegel van den krijgs-
gouverneur was noodig om weg te mogen. De treinen reden maar
tot Cappellen, wij moesten een uur te voet naar Cappellenbosch.

Het was een ellendige tocht door het oorlogsvernielingswerk. Door
de boomenweelde van een wijdsch en duister park was een spoor
aangelegd en een locomotief stond zwart en ontzaglijk, onder de
kruinen van reuze-beuken waardoor ruw een weg was gebaand. De
prachtige eiken-dreef, van Capellen tot aan het kruispunt van het
spoor op Holland, lag plat met al de bosschen en hoven links en
rechts van de baan. Over 50 jaar zou de jammer van den oorlog
nog in deze streek gevoeld worden. Want huizen kunnen nog na
korten tijd herbouwd, maar boomen behoeven meer dan een
menschenleven om boom te zijn in hunne volle pracht. Niet alleen
het geslacht van heden maar de toekomst zou lijden van deze
gruwelen en het lieve aanschijn van het land verminkt zien. Zoo
dacht ik toen...

Over de eindelooze vlakten, die daar open lagen, zagen wij de
forten van Ertbrand, Brasschaet, Cappellen, Schooten, als groote
molshoopen boven het land, vol verkoolde stammen, smeulende
takkenbossen en prikkeldraadversperringen, waar vroeger
bosschen stonden of gras en wilde bloemen groeiden. Van afstand
tot afstand liepen weer de loopgraven door de velden. Op de
wegen waren er poorten van aardewerk, waarachter kanonnen en
mitrailleuses stonden in schietgaten. Overal wachtposten die de
papieren onderzochten, heel het geteisterde landschap vol
kappende, zagende en brandstokende soldaten.

De onmiddellijke omgeving van ons goed was gespaard gebleven.
Daar bestond de oude twee-dubbele eikendreef nog, daar zagen wij
nog de ontzaglijke purpere en groene beuken in de diepten der
weiden en, langs de baan, die lage baksteenen en witgekalkte
huisjes, onder roode daken. De zomerwindjes fluisterden door de
blaren en deden het machtig landschap zinderen en bewegen van
een ingetogen leven. De vogels piepten. Een kwikstaartje liep voor
ons uit op de straatsteenen. Het was zoo heilig-rustig en eenzaam
alom. Het scheen hier zoo ver van alle verschrikking en geweld dat
men weer ging twijfelen aan de werkelijkheid van den oorlog. God
en 't was toch oorlog!

Als wij de zwart-ijzeren poort met de gulden lansen van onzen hof
openden, kwamen wij in een paradijs van vrede, groen en bloemen.
Blauwen-hemel-spiegelend lag de groote vijver met zijn eilandje vol
zilveren berken en donkere masten. De bloemperken--steen-en
vuur-roode geraniums, goudgele escholzia 's, roze gele en oranje
begonia 's--lagen hier en daar verspreid in de grasvlakten. De
zware trossen der hortensia 's bewogen op den wind. Diep in den
hof op den achtergrond van het dennenbosch, lag het huis met het
witte portaal en de blauwe luiken onder het hoog rood-pannendak.
Wij waren als geesten die sprakeloos kwamen dolen rond een oord
van liefde en geluk, waar zij alle sinds lang zouden gestorven zijn
en dat hun niet meer toebehoorde...

Het scheen mij een oogenblik alsof wij slaapwandelaars waren,
maar weldra geurde weer kook van eten door het huis, als op die
gezellige zondagen dat wij allen te samen waren en met vrienden
gouden samoswijn dronken, boven de trappen voor de groote
huisdeur, in de warme schaduw van den gevel. Vader en ik wij
plukten fruit in den groenselhof, heele korven appelen en perzikken.
Wij herinnerden ons hoe die boomen gebloeid hadden, wit en rozig
in de laatste lente, schooner dan jaren voorheen, in die lente die
nog niet wist van dezen gruwelijken najaarstijd. En de vruchten
waren zoo prachtig zoo ontelbaar dit laatste overvloedsjaar dat de
vele jaren van armoede en ellenden zou voorafgaan.

Wij aten den noen in het licht-groen geschilderde kamertje naast de
keuken, bij het open raam. Er stonden nog bloemen op de tafel. Wij
dronken koffie en rookten onze cigaren. Wij liepen in den namiddag
nog een laatsten keer door die smalle kronkelende wegen, vol
ritselende mastspelden, door de wegen die wij met ons eigen
handen door het bosch hadden aangelegd met hunne schoon-
buigende lijnen om de aardigste plekken en de mooiste boomen te
ontmoeten. Het was de laatste wandeling die wij er zouden doen.

Wij hadden groote pakken bij, als wij terug naar de stad trokken.
Een mensch wil altijd alles redden en meedragen wat bij zijn leven
zoo lang reeds behoort. Op een wandeling te voet van ons huis tot
Cappellen waren dat lastige "impedimenta", maar wij schrikten er
niet voor terug en elk droeg gaarne zijn last. De trein die uit
Cappellen vertrok, moest stoppen bij de vesten, aan eene halte,
speciaal daarvoor aangelegd. Soldaten sprongen met de bajonet op
het geweer in de compartimenten en onderzochten papieren en
pakken der reizigers. Het was voor mij eene echt-russische
impressie.



VII-De Zeppelin



De dagen van geweld en verschrikking moesten nog komen.
Worden ze niet dikwijls voorafgegaan van een schijnbare rust, als
ware het om ons de tegenstelling des te bitterder te doen voelen.
Zoo was het althans voor mij.

Dien zondag 23 Augustus was een rustige dag geweest. Ik was in
mijn werkkamer gaan zitten na het avondeten. Ik vernam van uit de
keuken hoe mijn huisgenooten luidop hun avondgebed lazen. Kort
daarna hoorde ik hunne voeten door den gang en over den
marmeren trap naar boven sleffen. Ik las de Histoire de Belgique
van Pirenne. In den huidigen landsnood scheen het nog 't best ons
te verdiepen in 't geen wij vroeger geweest waren. Ik voelde ons
land verzwakken en als in stervensgevaar en ik gaf mij de illuzie het
uur onzer dood te vertragen door een terugkeer naar het verleden.

Maar ik voelde de rust van ons groot slapend huis weldra op mij
wegen als een levende aanwezigheid. Het ging niet meer om te
lezen en ik zag stil-mijmerend mijn kamer rond. Het elektrische licht
viel, gedempt, van uit den dof-kristallen bol aan de licht-gele
zoldering. Ik zag de wijn-roode gordijnen toegeschoven, in breede,
alle gerucht-smoorende plooien, hangen voor de ramen. De rood-
mahonie-houten meubels en bibliotheken droegen hier en daar gele
glimmende licht-vegen. Op het donker-groene behangselpapier der
wanden hingen mijne kunstplaten, teekeningen en schilderijtjes
in hunne stemmige kaders. Nevens de deur blonk mijne oud-
grieksche icone als een massieve gouden plaat. Ik keek naar de
mooi-gebonden ruggen mijner boeken in groen, bruin, blauw rood
leder of wit pergament met hier en daar wat dof verguldsel. Ik moest
opstaan om ze te gaan betasten tot op de hoogste planken met
mijn bleekwordende vingers. Ik begon te snuisteren in mijn
bibliotheek en ontdekte boeken die ik sinds lang vergeten was en
die mij weer aantrokken om het genot dat ik er vroeger aan
beleefde. Moe van staan en lezen wilde ik weer gaan zitten. Mijn
oogen vielen toe. Het zou maar best zijn te gaan slapen. Ik
droomde dien nacht en zag in mijn huis een samenkomst van alle
rassen, een verwarde vergadering van Chinezen en Kozakken, van
Turken en Hindoes, van negers en blanken... Uit de duizeling
waarin ik verkeerde schoot ik plotseling als met een schok wakker.

Ik hoorde een groot gerommel als van donder en dacht aan een
onweder. Maar weer daverde een geweldige slag. De oorlog kwam
terug voor mijn geest. De stad werd zeker onverwacht beschoten.
Ik ging zien aan het venster maar eene ontzettende ontploffing
kraakte zoo nabij in de stad dat de ruiten rammelden en ik
werktuiglijk achteruitsprong voor 't geweld. Ik kleedde mij aan en
liep naar de kamer mijner ouders. Mijn zuster kwam ook uit haar
deur daarover in haar witte nacht-japon. Ik zag bij het aarzelende
licht van een nachtpitje, vader en moeder overeind zitten, te midden
der wit-grauwe frommeling der beddelakens. Hunne bleeke en door
den slaap nog verouderde en doorrimpelde gezichten keken
verdwaasd en verschrikt.

--"Het is de beschieting!"

--"Het zijn misschien maar signalen of proefschoten."

--"Laat ons bidden" zei iemand en ik hoorde paternoster-beiers
tegen elkaar rollen in een hand.

Ik liep naar boven om uit de hoogste vensters over de stad te zien.
Ik hoorde toen heel duidelijk het geronk van schroeven, hoog ievers
in de lucht, maar zag niets. Het werd mij duidelijk nu dat het een
Zeppelin was.

Herhaaldelijk daverden er nog ontploffingen over de stad, maar
steeds op verder en verder afstand. Telkens gingen er als
bliksemschichten door de lucht. Het waren de losbarstingen van
bommen die het moordschip uitwierp. Ik hoorde èen gekletter van
ruitscherven en enkele geweer knallen, van burgerwachten,
waarschijnlijk, die vruchteloos op den Zeppelin vuurden.

Toen werd weer alles stil. Ik zag O.L.V. toren hoog boven de
groene-en-mauve omschemerde huizen uitsteken als een omdoezelde
silhouette. De beiaard "rammelde" en het klonk drie uur in den
vaaglichtenden dag. In de straat beneden gingen deuren en vensters
open, menschen riepen rap en angstig tegen elkaar of liepen in de
richting der ontploffingen. Wij gingen weer slapen.

's Morgens na het ontbijt trok ik uit de vernieling zien in de stad. Er
was een ongemeene drukte in de straten. Negen of tien bommen
waren er geworpen. Twee dicht bij mijn huis, waarvan een in de
Schermersstraat, waar twee dienstmeisjes in haar bed werden
gedood, en een, juist achter mijn hofje, op het Sint Elisabeths
gasthuis. In de Twaalfmaanden straat was eene woning tot op den
grond ineen gestort. Op de Stadswaag, in de Lozana en de Justicie
straat waren groote kuilen in de kasseien, vensters en deuren aan
spaanders, diepe putten in de gevels en de arduinboorden. 10
menschen waren gedood en meer dan 40 gekwetst, allen non-
combattanten. In een huis werd eene vrouw gevonden die letterlijk
was gepulveriseerd. Een andere die uit haar venster leunde werd
het hoofd afgeslagen zoo dat de bloedstraal als een fontein naar
beneden spoot.

Naar de plaatsen te oordeelen, waar de projectielen gevallen
waren, kon men gissen wat het eigenlijke doelwit geweest was van
de laffe aanranders, en de bladen vernoemden de Minerva-fabriek
te Berchem, de Nationale bank, het Sint Elisabeths gasthuis, het
koninklijk Paleis en de Falcon kazerne. Vooral de aanslag op het
Paleis verwekte een algemeen afgrijzen. Onze Vorsten verbleven
daar, onze dappere Koning, onze teere en geliefde Koningin, de
jonge Prinsjes, en het beeldschoone prinsesje Marie-José. Het was
afschuwelijk te bedenken dat Duitschland kalm een aanslag op hun
leven had beraamd en ons met een keer van heel ons vorstenhuis
had kunnen berooven. Ook ging Koningin Elisabeth dadelijk, als
eene bezorgde moeder, hare kinderen naar Engeland in veiligheid
brengen, om daarna weer kalm en onverstoorbaar, hare plaats
naast den Koning in te nemen.

De verbeelding van het volk was zeer getroffen geweest door het
ongewoone en afschuwelijke van den aanslag zoo dat er een
buitengewoone verscheidenheid van folkoristische prenten en
kleurdrukken aan 't licht kwamen, waar de verraderlijke vaart van
het luchtschip op afgebeeld stond boven de nachtelijke stad, terwijl
de vallende bommen, met vuurspattend geweld, op de pleinen en in
de straten openkraakten.

De menschen in hunne huizen verzonnen allerlei verdedigings-
middelen tegen een mogelijken tweeden aanslag en richtten hunne
kelders in tot een zeker toevluchtsoord. De bovenverdiepingen
werden voortaan als hoogst gevaarlijk beschouwd. Van hoogerhand
werden dringend maatregelen genomen om het gevaar te keer te
gaan.

Sedert dien Zeppelin-aanslag leefden wij 's nachts te Antwerpen in
de volledigste duisternis. Om acht uur moest alles gesloten zijn en
werd alle tramverkeer geschorst. Nergens mocht uit de vensters der
huizes een spleetje licht meer komen of er werd gescheld door
politie-agenten of patroeljeerende burgerwachten. De straten en
pleinen waren niet meer te herkennen in de donkerte. Ik ging elken
avond uit om het fantastische schouwspel te genieten van die
nachtelijke stad. Het was een middeleeuwsch vizioen.

Ik herinner mij nog het vreemde, benauwelijke van dien eersten
nacht. Ik stapte over het Groen Kerkhof, het geleek met zijn
boomen een donker bosch waarvan het eind niet was te ontwaren.
De straten rond de hoofdkerk waren donkere holen en putten
waarboven, over de huizen de hemel vaag schemerde. Het motregende
een weinig. De vlaggen die nog te treuren hingen aan de gevels
hadden geen kleur meer. Het waren donkere voolen die zwaar sloegen
van het nat tegen de ruiten. De Sint Jacobstoren stond ginder als
een groote inktzwarte burg met op zijn top een wanhopig-
slaande-zwart-uitziende vlag, als een dood-signaal. Van uit de
verre donkere diepte van de Meir kwamen toen twee groote
gloeiende bollen aangereden van een auto. De stralenbundels
gleden verblindend over de kasseien en bespatteden de huisgevels
die een oogenblik opdoken uit de duisternissen, als waren zij van
rood en geel glimmend marmer. Door de zwarte lucht boven de
stad gingen de blauw-zilverige stralen der zoeklichten, lange
schitterende strepen, die soms een wijle onbeweeglijk op den hemel
geschreven stonden, soms grootsch en traag bewogen en een
wolkje gingen beschijnen of plots, lijk balken lichts, wegvielen achter
de huizen in den zwarter wordenden nacht.

Wanneer het nog zoel weer was, zaten de menschen in de arme
buurten op banken en stoelen aan de deuren. Zij waren niet
zichtbaar in de duisternis maar in 't voorbijgaan hoorde men het
stemgeruisch. Het roode vonken van een pijp, het vlammetje van
een aangestreken lucifer deed soms de gezichten opleven uit de
donkerte. Voorbijgangers liepen je op het lijf zonder dat je ze had
zien aankomen.

De lieden meenden voortaan alle soort vreemde en geheime
dingen in het zwarte zwerk te zien. Groepjes keken met aandacht
naar een groote ster, beweerden dat zij traag bewoog en zeker het
lichtje moest zijn van een vijandelijk vliegenier of van een
luchtschip.

Met het wassen van de maan werd de stad éene betoovering. Het
maanlicht lag lijk sneeuw tusschen de links en rechts donker-
opbonkende gevels. De huizen in de schaduwkanten vlokten bijeen
tot groote gevaarten, vreemde silhoutten van burgten en
cathedralen, op den gloor van den hemel. De O.L.V. toren, maan-
beschenen, leek als van oud-zilver en zijn lange schaduw viel zwart
over de daken, over de steenen der Groote Markt, tot op den
roosachtigen gevel van het stadhuis.

De beiaard zong niet meer.



VIII-De Verspieder



Wij zouden dien namiddag, 26 Augustus, per militaire auto, naar
Puers rijden, dicht tegen de vuurlijn. Het ging om het onderzoek
eener vespiedingszaak. Een duitsch soldaat werd in burgerkleeren
aangehouden te Buggenhout bij Puers. Hij beweerde dat hij niet
langer meer tegen de Belgen wilde vechten, dat hij bij zijne
aankomst te Brussel den 20en Augustus gedeserteerd was,
burgerkleeren had gekocht en te voet het land was ingegaan tot hij
te Buggenhout werd aangehouden. De militaire overheid nam die
verklaring niet aan. Het bleek inderdaad dat nabij Buggenhout het
belgisch leger in een valstrik was gelokt en vele manschappen door
een troep uhlanen werden gedood. Onze man werd verdacht de
hand in dat spel te hebben.

Ik geloofde aan zijn onschuld. Ik had hem op last van den krijgs-
auditeur in het gevang te Antwerpen ondervraagd. Hij antwoordde
op alles heel rechtzinnig. Ik kon maar al te best begrijpen dat er
onder de Duitschers menschen moesten zijn die er genoeg van
hadden. Op eene vraag van mij: "haben sie ihre ältern noch?"
kwam het "ja wohl" maar nauwelijks uit zijne kroppende keel en
twee dikke tranen sprongen lijk vanzelf uit zijne oogen. Ik zag zijn
angst voor den dood en hoe een woord over zijn huis al zijn
onderdrukten weemoed deed los komen. Vader, moeder, die waren
zoo ver en konden hem niet meer helpen in dezen nood.

De krijgsauditeur had ons belast nauwkeurig onderzoek te doen ter
plaatse en werden zijne vermoedens door de getuigenissen
bevestigd dan zou de verdachte morgen voor den kop worden
geschoten. Wij reden met onze auto naar Puers: de substituut, een
commandant-assesseur en ik als griffier. Wij waren alle in uniform
en gewapend, de chauffeur had zijn geweer, want zoo dicht bij den
vijand moesten wij op mogelijke hinderlagen berekend zijn.

Wij trokken den Rupel over, langs een houten brug, door de genie
daar geslagen. Op den anderen oever zagen wij, over eene
onafzienbare lengte, den sleep van amunitie-wagens en kanonnen
van het aftrekkend belgisch leger dat te Sempst, Weerde en
Eppeghem gevochten had.

In het vlakke landschap langs de rivier scheen het als een schilderij
uit den tijd van Napoleon: De kanonniers op hunne schuddende
stukken droegen zwarte colback's met koper-belegde stormbanden
en roode koorden. Een skadron lanciers kwam aangereden, blauw
en geel met hoog-opgestoken lansen en waaiende penoenen. Hoog
op hunne paarden zaten gendarmen met de monumentale beremutsen
der grenadiers van de oude garde. Ginder in de verte schetterden
de wijnroode broeken en groene tunieken van gidsen.

Het viel mij toen op dat ons leger misschien nog het eenige was ter
wereld waar de oorlog de heroïsche beteekenis behouden had van
schoone gevechten in schitterende uniformen naast het aardkleurige
en machinale van den duitschen krijg.

Op 24 Augustus had onze generale staf bericht gekregen van
geweldige gevechten die tusschen het fransch-engelsche leger en
de Duitschers op de Samber en in de richting van Mons geleverd
werden. Het scheen het gunstig oogenblik om een uitval te wagen
tegen het duitsch observatieleger dat voor Antwerpen lag. Die uitval
geschiedde op 25 en 26 Oogst. De Belgen heroverden Hofstade en
de bosschen van Schiplaeken alsook Sempst, Weerde en Eppeghem.
Doch, na afloop der veldslagen aan de Samber, kon deze aanval
niet meer worden voortgezet en nu zagen wij de troepen die er aan
deel namen terug in het versterkte kamp komen. Wij geraakten met
moeite door het getrappel der paarden, het gehots der wielen, tot in Puers.

Wij zetelden op het vredegerecht en lieten daar de getuigen voor
ons verschijnen. Ik bedacht dat de woorden die ik ging opteekenen
over het leven van een mensch zouden beslissen. Indische
spreuken kwamen mij te binnen: "Hij die den stok droeg waarmee
een man werd geslagen is schuldig aan moord. Hij die den stift hield
bij het neerschrijven van een onrechtvaardig vonnis is schuldig
aan moord." Door de open ramen hoorden wij aanhoudend het
getrappel der paarden, het gebons der kanonnen op de kasseien
het gedreun der voetzolen van het aftrekkend leger. Het was
halfdonker geworden in de zaal. Door het lawaai konden wij
nauwelijks de getuigen verstaan. Ik teekende alles stipt op en
voelde me gelukkig geen enkel bewijs tegen den man te vinden.

Ik dacht er later dikwijls op na hoe nauwlettend en eerlijk wij het
strafrecht toepasten op den vijand, terzelfder stonde dat onze eigen
weerlooze en onschuldige landgenooten, mannen, vrouwen en
kinderen, zonder een schijn van onderzoek veroordeeld werden en
laffelijk vermoord, nadat zij dikwijls hun eigen graf hadden moeten
delven.

Wij reden terug naar de stad in onze auto. In de schemering zagen
wij de laatste munitie-wagens van het aftrekkende leger. De
uniformen der ruiters die de karren voerden waren bijna niet meer te
herkennen. Lanciers droegen shako's van jagers, jagers mutsen
van kanonniers, alle wapens en alle drachten waren gemengd. De
infanteristen in hunne donker-blauw-bestoven mantels schenen
dood-moe. Velen hadden hunne rood-afgeboorde ronde mutsjes
van eene groene klep voorzien tegen zon en regen. In den avond
schenen zij als zoovele ooglijders of blinden die voortstrompelden
langs de baan. De caissons en de kanonnen waren nog behangen
met groene takken en stroo om ze voor vijandelijke vliegeniers
onkennelijk te maken. Mitrailleuses werden door honden getrokken
wien de tong van draven uit den muil hing. Achter de laatste karren
liepen jonge priesters met bestoven togen, minderbroeders op
bloote voeten in sandalen, die dienst deden als brancardiers, den
witten band met het roode kruis rond den arm.

Aan de brug over den Rupel en in de richting van Boom zagen wij
nog en weer, aftrekkende troepen. Wij moesten telkens wachten
om door de verwarring van paarden, wagens en voetvolk te komen.
In de weiden langs den weg lagen de eerste kudden van vluchtelingen,
arme menschen met pak en zak uit have en goed verjaagd.

Want de Duitschers, razend om den uitval der Belgen, hadden de
wreedste baldadigheden, brandstichting en moord, in de terugbezette
dorpen bedreven.

In de straten van Boom stonden onafzienbare rijen van auto's, door
het leger gerekwireerd. Het waren alle private rijtuigen die vroeger
mooie dames en heeren in soirée-kleeren naar de schouwburgen
voerden en nu, bestoven, vuil, onkennelijk daar stonden, volgeduwd
met zakken meel, brooden of oorlogsgetuig.

Wat er met onzen verspieder verder gebeurd is weet ik niet, maar
ter dood veroordeeld werd hij zeker niet. Hij zal wel met de andere
verdachten en krijgsgevangenen, na den val van Antwerpen, naar
Engeland zijn overgebracht. Hoe dikwijls zijn wij zoo van verre
tochten tegen den avond terug de stad ingereden, die stad waar het
begon te woelen en te gisten van heel het leven van het land dat er
nu was samengetrokken. Wanneer ik toen de torens, van ver in de
velden, zag uitsteken boven de wallen en de huizen, tegen een
rooden zonsondergang, dacht ik altijd aan het tragisch einde dat
eens zou komen. Sint Jans toren van Borgerhout, Sint Jacobstoren,
O. L. V. toren, in onze bliksemsnelle vaart door de van-volk-krielende
straten volgden zij elkaar op. De belgische driekleur woei als
wanhopig op hunne toppen. Hoe lang nog?



IX-In De Ambulances



Overal in de stad waren de ambulances. Wie over de Meir stapte
zag boven den hoogen achterbouw van het Sint Jan Berchmans
college de witte vlag waaien met het roode kruis. Telkens
ondervond ik dezelfde huivering, wanneer dat bloedig teeken van
den oorlog mij opviel in die wijde hemelruimte daar boven de
huizen. Vele scholen waren in hospitaal herschapen en het bleef
een verrassend gezicht, dat aller oogen trok, de witte kappen der
ziekediensters voor de vensters te zien bewegen of de reeds
herstellende soldaten met wit omwonden kwetsuren en moe gelaat
op het leven van de straat te zien turen. Boven de feestzaal van
den Dierentuin woei ook de roode kruis-vlag en het gaf een weeke
stemming tusschen de stammen der tanende najaarsboomen de
genezenden te zien liggen in hunne leunstoelen op het ruime
luchtige terras langs den hof. Het engelsche hospitaal was in een
meisjesschool der Leopoldslei en het amerikaansche in het
zomerlokaal der Harmonie. Altijd was er drukte om die gebouwen
en wanneer de gekwetsten in snelle grijze auto's werden
aangevoerd drumden de voorbijgangers met bezorgde gezichten
samen om ze op de berrie's te zien uitdragen en binnenvoeren.

Vele private hospitalen waren er ook in de stad. Kringen en
maatschappijen die hunne lokalen bereidwillig hadden afgestaan en
de verzorging bekostigden. Sommige rijke burgershuizen hielden
zieken en de roode-kruis vlag stak er uit aan den gevel.

In het lokaal der sociale werken, in mijn eigen straat, had ik alles
van 't begin af zien in gereedheid brengen: de groote zaal met
de beddekens, de kamer met de verbanden, de apotheek, de
voorraadkamer voor kleedingstukken, de keuken. Alles was netjes
in orde. De geburen hadden geholpen in het bijbrengen van al wat
ontbrak. De ziekendienst werd er waargenomen door de meest-
offervaardige jonge vrouwen. Ik zelf had mijn hulp aangeboden in
geval die mocht vereischt worden. Zoo werd ik eens in den nacht
van 13 September opgescheld. Een onverwacht groot aantal
gekwetsten was in aantocht.

Op 9 September was inderdaad een nieuwe uitval der antwerpsche
bezetting bevolen geweest. De slag aan de Marne was toen aan
gang. Het duitsche observatie-leger werd merkelijk verminderd om
den duitschen aftocht te versterken en tot staan te brengen. De
Belgen hadden aldus Aerschot heroverd, een peloton jagers
geraakten zelfs tot in Leuven, de ijzeren weg van Mechelen op
Leuven was een oogenblik opnieuw in onze handen en de vijand
werd zelfs tot in Brussel verontrust. Doch wanneer het groot gevaar
in Frankrijk geweken was, riepen de Duitschers hun leger terug en
eene razende tegenaanval begon op 12 September en sloeg onze
troepen terug te Rotselaer en Wezemael en drong op 13 September
ons leger weer binnen het antwerpsche kamp. Wij kregen nu de
talrijke gekwetsten uit die dagen. De gewone ziekediensters
konden ze niet alle tijdig genoeg bezorgen en hadden hulp gevraagd.

Ik was dadelijk buiten. In de nachtelijke straat, zonder een lantaarn,
was alleen het licht uit de ruiten van opgeeischte tramwagens die
behoedzaam reden met de gekwetsten. Op berrie's werden zij nu
reeds de open poort der ambulance binnengedragen.

Links en rechts, overal in de zaal lagen zij neer op den grond,
wachtend om op een bed gedragen te worden. Nog altijd werden
nieuwe gewonden aangebracht. Hun soldatenpak was gehavend,
beslijkt en gescheurd. Zij roken naar regen, zweet en bloed. Er
waren er die bewustloos lagen met toeë oogen en vale gezichten.
Anderen kloegen zachtkreunend hunne pijn. Verpleegsters gingen
rond om de dorstigen te laven. Ik stapte door die neergestrekte
menschen-wrakken en een dokter belastte mij het voorloopig
verband aan enkele reeds in-hun-bed-rustende soldaten af te
nemen.

Het eerste wat ik onder handen kreeg was een doorschoten been.
Het lag in een stuk geplooid blik met hooi errond en windels.

Naar mate ik het verband loswikkelde onder het zacht-gekreun van
den gekweste, kwam de flauwe geur van bloed mij in den neus. De
doktor volgde achter mij voor de zuivering en het nieuw verband. Ik
ging tot het volgende bed over. Er lag een klein soldaatje van de
jongste klas. Hij had zijn linker bil omwonden. Voorzichtig ontwond
ik de bloeddoordrenkte doeken. Een krater van rauw rood vleesch
kwam te voorschijn in het blank-schoone jeugdige lichaam. Een
shrapnel-stuk had de vleeschen afgrijselijk verwoest. De wonde
begon nu weer te sijpelen in traag loopende bloedstrepen...

Het was een algemeene beweging door de zaal van dragers die de
berrie's nederplaatsten, van verpleegsters die de gekneusde
lichamen ontkleedden en in de beddekens hielpen, van dokters die
den eene na den andere alle gekwetsten nazagen en bevelen
gaven voor verzuivering en verband. Het was hartverscheurend die
stukken menschheid daar in gekreun en geklaag te zien liggen, die
beeldschoone blanke lichamen hopeloos doorkorven en verminkt.

Ik bleef er voortdurend belang in stellen en af en toe bezocht ik de
zieken die ik geholpen had. Zij herkenden mij. Het was een blijheid
te zien hoe gelukkig en met verhelderde oogen zij uitkeken van hun
bed naar de deur, mij te gemoet op het verwacht bezoek. Zij
vertelden dan van hun leven vroeger in den goeden tijd van vrede,
van hunne hoop dat het weldra ging gedaan zijn en zij toch niet
meer terug zouden moeten in het vuur. Hunne witte zwakke handen
zochten naar eene foto van vrouw of kind op het tafeltje waar zij
zorgzaam sigaretten en wat sneukelgoed geborgen hielden. Het
was een vreugde ook ze te zien beteren en de zaal uit sukkelen tot
op de koer, slepend soms op krukken maar blij van weer op te zijn
of een kort wandelingsken in de stad te mogen doen.

Er was een luitenant onder de gekwetsten die mij bijzonderheden
vertelde over den slag die van Aerschot tot aan Vilvoorden gewoed
had langs het kanaal van Leuven en den ijzeren weg naar Brussel.
Hij lag met zijne mannen in eene gracht langs de straat, in 't zicht
van Weerde, dat zij moesten veroveren. De belgische kanonnen
hadden uren aan elkaar een moordend vuur gericht op het dorp.
Zonder ophouden ging het geknetter en geronk van geweren en
mitrailleuses. In den namiddag, rond vijf uur, zwegen de duitsche
stukken en werd een algemeene aanval bevolen. "Ik floot op mijne
mannen" zoo verhaalde de luitenant, "wij sprongen uit onze
schuilplaats en, met jubelkreten, stormden wij vooruit over velden,
hagen grachten en bareelen. Wij waren bijna tot aan de eerste
huizen van Weerde gekomen, toen de duitsche kanonnen, opnieuw
begonnen te schieten. Het was een list geweest. Heel mijne
kompagnie werd letterlijk neergemaaid, ik zelf kreeg een kogel in
mijn been en tuimelde neer. Met enkele mijner soldaten, gekwetst
als ik, kon ik mij nog voortslepen naar de plaats van waar wij
vertrokken waren." Zoo vernam ik in dat hospitaal bijzonderheden
die niet te lezen stonden in de bladen.

Ik kwam er ook soms laat in den avond na mijn werkzaamheden in
het gevang. Half duister was de zaal met hier en daar een
nachtlichtje en rustig van gelijkmatig zacht geronk. Soms een die de
koorts nog wakker hield en die de waakster voor den nacht met
stille fluisterstem trachtte te sussen.



X-De Zelfmoord



Met de nieuwe maan was de duisternis weer volledig 's nachts in de
stad. Beangstigend werd dan de aanblik van de straten. Alles kreeg
andere aspecten. Het was om te verdolen in dien inktzwarten nacht.
Het leek een doode stad uit verre tijden waarover een vloek zou zijn
gevallen.

En toch leefden daar voort achter al die donkere gevels die
duizenden van menschen als eene onhoorbare groezeling van
larven. Het scheen mij altijd of er iets gruwelijks ging gebeuren
achter die als met-rouw-behangen hooge muren, in die kuilen en
grotten en kelders die de straten en de pleinen waren. Het was als
eene Edgard-Poeachtige creatie, eene fantastische droomstad, in
zijne waanzinnige verbeeelding als kader uitgedacht voor een
moord of het plotselinge ontdekken van een geraamte of een lijk...

En de rust en de stilte van die stad, zij deed de werkelijkheid van
den oorlog vergeten. De schijnen van zoeklichten op de donkere
lucht waren als de onwerkelijke fosforesceerende gewaden van
witte schimmen die het duistere zwerk bevolkten. Het ver en dof
gedommel dat soms werd vernomen was als het staag geronk van
den nacht zelf. Het werd een zinnelooze waan.

Om het bitter-zoete van dien waan, om het huiverig-aantrekkelijke
van akelige mogelijkheden, ging ik elken avond weer uit met een
vaag vermoeden van het onvermijdelijk-verrassende en afschuwelijke
dat ik zou ontmoeten.

De steeds zeldzamer wordende wandelaars waren herleid tot de
waarde van het gloeiend vuurken hunner cigaar of pijp dat rood
aankwam of verdween in de duisternis. Waren dat geesten die daar
doolden of de dwaallichtjes van een ziltig oud kerkhof?

Doch telkens na een poos, wenden de ogen aan die duisternissen
en ging men de mensch-fantomen erkennen. In de Jezusstraat
waar de telegraaf-centrale gevestigd is, schrok ik telkens voor een
donkere schim die er in de duisternis bewoog en die ik slechts aan
het vage licht-geflits van zijn dolk-bajonet voor een soldaat erkende.
Op de Meir bleven soms eenzame voorbijgangers sprakeloos staan
staren naar het zwarte Paleis van den Koning waar, door een slecht
gesloten luik aan een raam, een lijntje licht bleef gloren. De vorsten
woonden daar en de koninklijke kinders hadden er geleefd tot aan
den eersten Zeppelin-aanslag. Donker bewogen de schildwachten
over en weer op de stoep. De Schoenmarkt was afgesloten door
een duister-bewegende muur van sprakelooze gestalten, soldaten
die het gouverneurs-paleis,--waar de generale staf gevestigd was--
tegen een mogelijken aanslag moesten beschermen. Wie langs de
Eiermarkt zijn weg voortzocht door den nacht, kwam opnieuw op
vaag-glimmende bajonetten stuiten, die den toegang tot de
Beddestraat versperden. Het was alsof de schildwachten onverwacht
opdoken uit de muren, sluipmoordenaars gelijk, maar die niemand
aanvielen.

Een nacht ging ik met benauwelijk-luid-klinkende stappen langs de
Burgtgracht, onder de vervaarlijke opbonking van het vleeschhuis.
Ik schrok: een menschenarm kwam op mij neer van uit het duister
der slaapstille huizenrij en ik hoorde fezelend verzoeken uit een
vette-vrouwen-keel. God ging dat leven ook nog voort achter die
donkere muren!

Ik geraakte in de Koepoortstraat en trok op de Paardenmarkt af. De
arabesk der huisnokken was fantastisch op de zwart-blauwe lucht.
Het hooge-koor van Sint Paulus dreeg ontzaglijk en stak vooruit als
het voorkasteel van een spookschip boven de lager daken. De wind
huilde als door de strak-gespannen koorden van een driemaster.
Was de vliegende Hollander hier komen landen in dees gruwelijken
nacht?

Het doodstille Klapdorp wentelde in donkerder nacht-diepten voort,
laaglanend als een kelder, tot eindelijk de vaal-groene vlakte der
Paardenmarkt daar voor mij openlag, als een omneveld meer in
een bergland. Hoe rustig was weer alles. Daar even nog had ik het
heimelijk gefluister vernomen van twee buren die op den drempel
van een duister poortje afscheid namen van alkaar... Toen
plotseling het afschuwelijke: het stille doek van den donkeren nacht
in stukken gescheurd door luide moord-geschreeuw.

Was dat het verschrikkelijke dat ik sedert dagen verwachtte? Ik ging
op het erbarmelijk geluid af maar zag niets. Andere menschen
moesten ook uit de duisternissen zijn toegesneld. Een ervan droeg
een kleine lantaarn waarvan de gele schijn nu viel op het van schrik
vertrokken gelaat van een vrouw met loshangende haren en op
onze eigen gezichten die bleek opleefden uit den nacht. Met
snikken in haar keel vertelde de vrouw dat er een lijk lag in haar
huis van een die zelfmoord moest hebben gepleegd; dat zij van
schrik was weg gevlucht.

"Och God och God hij heeft zijn keel overgesneden..."

Wij gingen met haar mee. Haar wild geroep en het voortdurend
snikken deed een vizioen van bloed reeds voor mijn oogen opgaan.
De toegesnelde buren dropen weg de eene na den andere. Wij
waren nog met ons tweeën, een duistere man en ik, toen wij
aankwamen waar de vrouw ons wees, in een nauwe steeg. Het was
een eenkamerig huisje met een zolder. De vrouw opende de deur
en sprong met een gruwel weer achteruit. De schijn van het verlicht
vertrek sloeg ons verblindend in de oogen en viel in een breede
lichtstreep in de donkere steeg en op de vrouw die daar huiverend
staan bleef.

--"Boven! Boven" jammerde zij.

 Wij klauterden den rechten steektrap op en daar, onder de pannen,
op den houten vloer, tusschen twee beddebakken, in den flauwen
schijn van een kaars, lag een man met rood-gezwollen gelaat de
tong reeds uit den mond, met de koord die aan de zolderkram
moest gebroken zijn diep in de vleeschen van den nek. Een
stuiptrekking bewoog de beenen. Ik sneed de spannende koord met
mijn zakmes over. Wij droegen de logge massa op het bed. De
man rook naar genever. Witte broesem kweilde nu uit zijn mond. Hij
zuchtte een paar keer en diep als een drenkeling en kwam weer op
adem. Toen ging weldra het gelijkmatig zwaar geronk van den
dronkaard. Wij kwamen weer buiten. De vrouw was weg maar in de
duisternis daar verder hoorden wij nog het voortdurend misbaar als
van een zinnelooze. Haar roepen van moord schreeuwde de
donkere huizen langs.



XI-Antwerpen Hoofdstad



Met den dag kwam er nu een grooter zenuwachtigheid in de stad.
Wij waren zoo goed als geheel afgezonderd van het overige
gedeelte van het land. Dit land was thans beperkt tot de provinciën
Limburg, Antwerpen en de beide Vlaanders. De vlottende grens van
ons nog vrij gebied liep over Hasselt, Diest, Aerschot, Mechelen,
Aelst, Kortrijk, naar Frankrijk toe. Daar werden de gevechten
geleverd tusschen ons leger en de overweldigers. Aerschot,
Mechelen, Dendermonde werden beurtelings heroverd en weerom
verloren. Het nog bruikbare treinverkeer, dat in de bladen werd
afgekondigd, was de beste kontrool der uitgestrektheid van ons
land en, met den dag, werd dat verkeer meer beperkt rond
Antwerpen.

Een tweede Zeppelin-bezoek,--dat gelukkig in het voorgeborcht
Deurne kon worden afgewezen,--de vijandelijke vliegeniers die af
en toe bommen wierpen en vruchteloos werden omzweefd in den
stadshemel door de witte wolkjes der ontploffende shrapnels onzer
kanonnen, alles wees er op hoe wij het mikpunt geworden waren
van den vijand en de tijd aanstaande was dat wij ook op onze beurt
van aanschijn tot aanschijn tegenover den oorlog en zijn gruwelen
zouden komen te staan.

Wij voelden ons reeds als gevangenen. Wij waren aan de
strenge tucht van een stad-in-staat-van-beleg onderworpen. De
vreemdelingen hadden op regelmatige dagen hunne toelating tot
verblijf te vernieuwen en werden uit angst voor verspieders, nog
steeds aan nauwlettender toezicht onderworpen. Alle openbare
gebouwen en ook de bankhuizen werden bewaakt door burgerwachten.
Om een telegram te verzenden hoefde men zijne papieren te
vertoonen aan de van-post-zijnde wachten, de bajonet op het
geweer. Het vrij verkeer in en uit de stad was belemmerd. De passen
werden nagezien aan de vesting-poorten die voor den nacht
gesloten bleven. Wie den overzetboot nam naar het Vlaamsch
Hoofd of er vandaan kwam, moest ook door een haag van burgerwachten.
Het onderzoek gebeurde natuurlijk op joviale wijze, zooals het
burgerwachten paste, die met medeburgers te doen hadden.
Toch gebeurde het mij wel eens dat, waar mijn uiterlijk niet echt-nationaal
voorkwam, ik aan een scherper inquisitie werd onderworpen.
Het eenige verweer tegen die onaangenaamheden was het uniform,
dat weldra niemand, die het dragen mocht, nog aflegde.

Het aanschijn van de stad was veranderd. Vele vluchtelingen uit het
bezette land en uit de verwoeste en uitgebrande steden, hadden er
een wijkplaats gezocht bij vrienden of verwanten. De eigen
ingezetenen begonnen reeds te trekken naar Holland, Engeland en
Frankrijk. Vele rijke-burgers-huizen stonden verlaten met gesloten
luiken. Nieuwe armoede ten gevolge der werkeloosheid kwam aan 't
licht. Eene overwegende meerderheid van officieren en soldaten
gaf het uitzicht aan de straten.

Doch hetgeen te midden der herrie van leger en burgerwacht,
van overbevolking, van werkeloozen en dolende armen, een
onverwacht aanzien gaf aan de stad, was de aanwezigheid van het
Hof in het Paleis op de Meir, sedert 17 Oogst, de vestiging der
regeering en de overkomst uit Brussel van de vreemde gezanten.
Antwerpen was de hoofdstad geworden en reeds werden toebereidselen
genomen om het Opera tot parlement en het Atheneum tot paleis
voor den Senaat in te richten.

Schier elken morgen kon men de koninklijke palfreniers de paarden
van het Hof, twee aan twee, de stad zien uitleiden voor hunne
dagelijksche wandeling in de omliggende parken. Voor het Paleis
bewogen schildwachten langs de Meir en de Wapperstraat, waar
doorgang voortaan was verboden. Een gendarm hield post voor de
poort om boodschappers en koeriers te woord te staan en wanneer
de poort openging was er een tweede gendarm om de boodschap
aan te nemen of den koerier bij een adjudant toe te laten. Het bleef
een graag verteld en aanhoord nieuwtje hoe Koning Albert elken
dag gezien werd, rijdend in zijn snelle auto naar een stadspoort, op
weg naar de vuurlijn. 's Zondags stonden de menschen te wachten
op de stoepen, nu dat het geweten was dat de Vorst de mis ging
bijwonen in de Sint Jacobskerk, in datzelfde weelderig renaissancekoor,
waar de plaats van Peter Pauwel Rubens nog wordt aangewezen in
het hooge gestoelte van blinkend ouden eik.

Het ministerie van buitenlandsche zaken was in het Athenaeum op
de Gemeenteplaats gevestigd. Ik zag er minister Davignon soms de
hellende stoep afdalen met zijn kalm en kommerloos gelaat. Alsof
het zeker was dat alles op zijn best zou afloopen, zoo glimlachte zijn
mond in den milden vierkant-geschoren baard.

De raad der Kroon zetelde in het Grand-Hotel op de Mechelsche
plein. Hier ook stonden soldaten in hunne wachthuizekens en kon
men af en toe volksvertegenwoordigers of ministers zien binnen of
buiten gaan of boyscouts met koeriers komen aangefietst. Een dag
zag ik er Frans van Cauwelaert in het portaal. Zijn baard scheen
zwarter om het bleeke zorgensmoede gezicht. In de nabije
Lindenstraat had ik de ministers Van de Vijvere en Helleputte
ontmoet die, ietwat verloren na eene kabinetszitting, langs de
winkelramen kuierden. Een ochtend vond ik minister Poullet, met
afwezige oogen moet ik zeggen, naar de prentkaarten van een
papierhandel staan kijken. Een auto snorde voorbij met Schollaert
erin. Hij verdween in de richting van den Mechelschen steenweg.
Die reed voorzeker naar het hoofdkwartier te velde, op inlichtingen
van de bevelvoerende generaals. Zoo zag ik ook een namiddag
door het drukke beweeg der Kammenstraat, de auto van den
Kardinaal. Hij reed op het Grand-Hotel toe, wellicht om overleg te
plegen met de regeering. Door de glimmende spielgelruiten der
limousine, trof mij het rozerood van zijn kalot en handschoenen en
verkende ik zijn ascetisch-heilig gelaat, als een verouderde
Christus-kop van Memling, vol kommer nu in die benarde oogenblikken.
Hij was toen pas uit Rome weergekeerd van de Paus-verkiezing en
had zijn oude Leuvensche universiteit verwoest en zijn eigen
bisschoppelijk paleis te Mechelen tot puin geschoten gevonden.

Er was altijd groote drukte op de Schoenmarkt voor het Hotel St-
Antoine, waar de vreemde gezanten gevestigd waren. Lange rijen
equipages en auto's stonden er langsheen de stoep met de
benaming der legaties waartoe zij behoorden. Het was voldoende
dat iemand een russisch of engelsch militair attaché daar had zien
uitkomen om seffens de onmogelijkste gissingen te opperen. Van
mond tot mond vergrootend liepen de onwaarschijnlijkste maren
door de stad: de Engelschen dregen met een groot leger van uit
Limburg om de Duitschers te omsingelen; de Russen waren geland
te Oostende. Een half dozijn fransche soldaten in een militaire auto
te zien rijden over de boulevards was genoeg om, voordien dag ten
minste, de vaste hoop te doen ontstaan dat de Duitschers in
Frankrijk waren teruggeslagen en weldra België zou worden
ontruimd.

De vreemde gezanten die het hotel St-Antoine betrokken wisten het
natuurlijk wel beter. Maar hun leven was er schijnbaar niet minder
kommerloos om geworden. Door de open ramen op de Groenplaats
zag men heeren in rok en dames in soirée-kleeren bewegen door
de salons, te midden der vreemde schitterende uniformen. In de
restauratiezaal zat zacht-keuvelend en keurig volk, blij-gezind als in
een badstad, rond de goudverlichte tafeltjes waarop de elektrische
lampjes als zoovele roode en gele bloemen bloeiden. In den
wintertuin, onder de palmen, zaten dandy's aan een kopje koffie of
een likeur te proeven, terwijl Habana-geur met de blauwe
rookspiralen door de halle ging zweven.



XII-Het Uitzicht Der Straten



De hoofdstraten bleven vol beweeg van werkeloozen die met
kuieren wel den dag moesten doorkrijgen Alles had belang voor
deze op nieuwtjes of geruchten uitzijnde wandelaars. De weg van
het station tot aan het Groen kerkhof bleef het onvermijdelijke veld
waar wat te oogsten viel.

Aan het station was het de drukte van burgerwachten, bezig met
vluchtelingen, aankomende gekwetsten, uitgedreven vreemdelingen,
aangehouden verspieders, vertrekkende soldaten en ambulanciers.

Op de Meir bleef het volk staan kijken naar de auto's die wachtten
voor het Ministerie van Oorlog, dat in de stadsfeestzaal gevestigd
was. Het uitgaan van een staf-officier was een gebeurtenis en op
zijn gelaat werd nagespeurd of er geen teekens van wel of
tegenslag te beletten vielen. Het voorbij rijden der ambulance-auto's
bracht woeling onder de menschen die aan 't rennen gingen om bij
tijds voor 't hospitaal van Sint Jan Berchmans college te staan en
de gekwetsten te zien uitdragen. Groepen bleven staan lezen aan
de menigvuldige witte zwart-gedrukte plakkaten die af en toe op
bevel van den krijgs-gouverneur in de stad werden aangeplakt met
voorschriften aangaande het vreemdelingen-verblijf, met
verordeningen over het licht, het sluiten der taveernen, het sterke-
drank-verbod of met afbeeldingen van geallieerde vliegtuigen of
luchtschepen of uniformen der verbonden legers.

De meest-lachende verschijningen in de stad waren wel onze
boyscouts of padvinders. Men zag ze overal die kinderen van niet
meer dan 14 jaar met hunne groote sombrero's, hunne groene
manteltjes en de groene kousen omgeslagen onder de bloote witte
knieën. Zij hadden hun hoofdkwartier op de Yzeren Waag achter
het beeld van Theodoor van Rijswijck. Van daaruit werden zij
afgevaardigd bij de ministeries, in de gasthuizen en droegen
aanhoudend boodschappen naar alle hoeken van de stad en op
den buiten.

De terrassen der café's zaten vol officieren, krijgsdokters,
apothekers en brancardiers die vrijaf hadden; vol burgers ook die
zenuwachtig de gebeurtenissen discuteerden. Eene nieuwe vlucht
van lichtekooien, door het leger aangetrokken, was in de straten
neergestreken. De gazetleurders holden als hardloopers aan de
menigte voorbij. Het was hun verboden nog namen van kranten of
oorlogsnieuws te roepen, maar het werd als een wedren om eene
bepaalde wijk te bereiken en 't was nauwelijks dat ge ze in hunne
vlucht een krant vermocht af te koopen. Waanzinnig bolden door de
stad de militaire auto's met officieren en bedienden. Huilend en
gillend gingen de trompen. Geen politie-wetten op de snelheid
waren langer nog van tel. Als bolieden vlogen de wagens over de
lanen en door de drukst bewandelde wijken alsof er telkens het heil
van 't land of 't behoud des konings van afhing.

Aan de Schelde zag het Noorder-wandelterras steeds zwart van
volk dat te kijken stond naar den duitschen transatlantieker
"Gneisenau", die in een militair hospitaal was herschapen. Men kon
er de herstellende soldaten op ligstoelen uitgestrekt zien met wit-
omwonden kwetsuren. Een telefoondraad ging van de boot over het
terras om met de stad in verbinding te blijven. Maar hoe rampzalig
was het uitzicht van den stroom! Heel die grootsche bocht
kaaimuren, van Austruweel tot Hoboken, lag leeg van schepen. Al
de kranen waren met hunne eenbaarlijke armen stadwaarts
gekeerd en de kettingen wiegelden doelloos op den wind in de ijlte.
Van de vlotbrug, aan den voet van het oude grijze Steen, vertrok
een houten brug-op-schuiten naar den vlaamschen oever. Wij
hadden er, den 5den September, aanzienlijke afdeelingen ruiterij
zien overtrekken met een sleep van kanonnen, om Dendermonde
op de Duitschers te heroveren en de verbindingslijn tusschen
Antwerpen en de kust vrij te houden.

Verder, stroomopwaarts, langsheen de kaai waar de Red
Star booten komen aanleggen, was, onder de hangars, het
automobielpark van het leger ingericht. Er stonden daar honderden
auto 's van alle slag, meest particuliere rijtuigen, die werden
opgeëischt en thans, in grijze kleur geschilderd, de twee groot-
zichtbare letters droegen S.M.. Wie van ver of nabij met het leger in
betrekking stond kon daar gemakkelijk een pracht-rijtuig
bemachtigen met de noodige bons voor naphta-bussen en banden
die er tot hooge stapels waren bijeen gebracht. Ik zag er eens, te
midden van een zwarten drom nieuwsgierige gapers een onzer
geblindeerde auto 's staan. Het was een ronde stalen koepel op vier
wielen en door een schietgat stak de mond van een klein kanon.
Deze motorwagens waren de schrik der Duitschers en het was
geweten dat de Prins de Lagne met Graaf de Villermont op zoo een
auto waren omgekomen bij eene stoutmoedige verkenning rond
Herenthals.

Elken morgen zag ik langs mijne ramen eene ontelbare kudde
ossen en koeien voorbij komen die verder door de Leemstraat
tot buiten de poorten in de veeparken werden gedreven, tot
voorraadstapels voor het leger en de bevolking. De straat was er
telkens letterlijk van vol. Zij sprongen tot op de stoepen tot grooten
angst der toeziende winkelvrouwen en de drijvers hadden het druk
om hunne kudde voort te helpen wanneer soms een bronstig beest
te midden der straat een koe besprong en zijn hoorns hoog tegen
de huisgevels of de glimmende winkelramen opstak.

Een dag ook werd er een heel regiment van bij de 400 duitsche
landsturmers gevangelijk de stad binnen gevoerd. Ik zag ze van uit
de diepte der Zuiderlei aankomen tusschen de boomen. Zij gingen
in eene rosse wolk van stof. Het volk liep uit alle straten en huizen
dien kant uit. Gendarmen te paard reden voorop en achteraan
volgde de drom van voortstappende mannen. De toeschouwers
stonden nu in dichte haag links en rechts van de laan. Ik verkende
de blauwe tunieken en zwarte met-koper-belegde pinhelmen der
landsturmers. Het waren gehavende stakkers, met onverzorgde
gezichten en bestoven kleeren. Ik zie er nog altijd een met een
buikje en rood-rosse haren. Zij gingen ontwapend en moe tusschen
de belgische soldaten die het geleide vormden. Het volk huilde en
tierde uit schorre kelen, ik zag van-haat-vertrokken-gelaten en
uitpuilende oogen, ik hoorde gesis en gefluit. Zoo trokken zij heel de
stad door, langsheen de lanen, over de Meir en naar de Schelde,
waar zij op een boot werden gestoken. Het antwerpsche volk zag in
die bende de vertegenwoordigers van het gehate ras dat Visé,
Dinant, Tamines, Leuven en Dendermonde had platgebrand en
zooveel onschuldig bloed vergoot: De opwinding door de straten
deed mij denken aan het Romeinsche volk dat huilde en vuisten
balde tegen de Barbaren die in den triomf van een Cesar door
Rome werden gevoerd.



XIII-De Stijgende Neerslachtigheid



Was het om den moed er in te houden dat deze vertooning was
bevolen geworden? Want het begon er alles behalve triomfantelijk
uit te zien te Antwerpen. De havelooze kudden van vluchtelingen
die elken dag toekwamen waren het hartverscheurend bewijs hoe
verschrikkelijk het land geweld leed onder den knel van den
overweldiger. Toen Leuven en Aerschot werden in brand gestoken,
toen Dendermonde werd verwoest, toen Mechelen onder vuur werd
genomen, moesten er dringend maatregelen getroffen worden
opdat die gedwongen volksverhuizingen, die haar heil en toevlucht
zochten in de schijnbare zekerheid eener vesting, de reeds
omsingelde stad niet zonden overbevolken en tot hongersnood
brengen. Met heele drommen werden zij voortaan naar Oostende
gevoerd en op schepen gezet in bestemming voor Bngeland. Een
dag zag ik hoe de gevluchte Mechelaars in vergadering bijeen
geroepen waren op het Groen Kerkhof en door hun burgemeester
werden aangemaand terug hunne haardsteden te betrekken of naar
Engeland af te reizen. De Groote Markt stroomde vol, elken dag,
van menschen die uitwijkingspassen wilden bekomen. Lijk kudden
vee stonden zij gestapeld tusschen bareelen om beurt om beurt in
de bureelen te worden toegelaten. Er kwam een angst onder de
bevolking en steeds geraakten er meer huizen dood van bewoners
en als voor rouw gesloten. Die vluchtenden werden door de
overblijvenden doorgaans slecht besproken als laffelingen of
broeksch... zooals het woord door de dagbladen gangbaar was
gemaakt. Was de duitsche nederlaag niet aanstaande? Was ons
leger niet ongeschonden? Was Antwerpen geen oninneembare
vesting?

Maar zij die bleven begonnen toch ook teekens van bekommernis
te geven. Hier en daar werd al een vlag ingehaald aan een gevel. Ik
hoorde van menschen die hunne rijkdommen in den grond hadden
gedolven, die hunne wijnkelders lieten toemetselen, die
kunstvoorwerpen naar de brandkasten der bankhuizen droegen. Na
het eerste Zeppelin-bezoek hadden zich ook vele luidjes in hunne
kelders gehuisvest. Een zedig zinken kachelpijpje klom verstoken
van uit den keldermond tot op de eerste verdieping en liet
vermoeden hoe zelfs voor verwarming was gezorgd. Er waren
kelders die als recht-gezellige huiskamertjes waren ingericht met
schapraaien, tafels stoelen, lampen en tapijten onder den voet. Er
waren ook menschen die hunne daken van metalen platen lieten
voorzien en met aardzakjes bedekken tot eene bom-vrij-gewaande
beschutting.

Het werd treuriger en treuriger. De afwezigheid van alle ernstig
nieuws op een oogenblik der voor het vaderland geweldigste
gebeurtenissen, deed ons onder eene ondragelijke drukking leven.
Het was een sombere tijd en wij dronken lavende teugen aan
troebele en onzuivere bronnen van hoop, om weer dorstig een
oogenblik nadien en in de zwartste neerslachtigheid neer te zitten.
De geestdrift der eerste dagen was nu gekoeld. Het werd een stille
gelatenheid met toch diep in alle harten het onwrikbaar betrouwen in
eene betere toekomst. Het was ook of wij dof en gevoelloos gingen
worden voor het allermenschelijkste leed, nu het leed over heel de
wereld als een donkere engel vleugelde en de eindeloosheid van
nog te gebeuren wee niet was te overzien.

Dat trof mij telkens in die dagen wanneer ik eene begraving zag aan
een sterfhuis of voor 't portaal eener kerk. Die waren zoo verlaten
en eenzaam. Vrienden of verwanten waren weg of niet eens
verwittigd. Haastig reed de lijkwagen alleen naar een afgelegen
kerkhof. Waren ze te beklagen die toen heengingen? Zij zouden het
leed der komende dagen niet meer moeten dragen. En toch het
was zoo wreed om te bedenken dat die den nood der tijden niet
waren te boven gekomen en de uitkomst van deze geweldige
wereld-tragedie niet zouden zien. Dan kwam in mij het wilde,
onstuimige verlangen van te leven, te leven, om toch eens getuige
te zijn hoe uit de wanorde van het oogenblik de harmonie der
nieuwe tijden zou groeien...

Ik stapte zoo mijmerend, een morgen, de O. L. V. Kerk binnen
onder den hoogen antwerpschen toren. Door de diepte der grijze
beuken zag ik de kruisoprichting van Rubens aan katrolkoorden
naar den kerkvloer dalen. Mijn hart kromp van ontsteltenis. Het
sublieme gewrocht dat voor ons als met de kerk vereenzelvigd was,
dat ons in de diepte der zijbeuken, telkens, als het geweldige drama
van den Kalvarieberg zelf, voor oogen was gekomen, het hong daar
nu scheef te bengelen als een oud-verkocht meubel dat moest
weggevoerd. De Kruisafdoening stond reeds op den grond. Ik zag
hoe Juliaan de Vriendt, de bestuurder der kunstacademie, het
wegruimen bestuurde en in dit treurig oogenblik nog zijn artiesten-
curiositeit naar boven voelde komen en met kennersoogen en
tastende vingertoppen de empâtementen van den grooten meester
onderzocht. Dan werden de reusachtige drieluiken door verhuizers
de kerk uitgedragen tot op een natie-wagen, die langs het
Zuiderportaal gereed stond. Nu zag ik hoe in 't volle licht der straat
een groot wit doek werd neergelaten over het vruchtschoone
lichaam van den Gekruisigde.

Het waren de stille maar zekere teekens van het droevig doch staag
naderend einde.



XIV-De Beschieting Der Forten



De tragische dagen waren thans begonnen. Sedert 28 September
hoorden wij, zonder ophouden, het doffe brommen der kanonnen.
Sedert het bombardement van 't jaar 30 had Antwerpen dergelijk
geluid niet meer vernomen. Sedert den franschen tijd was het
geleden dat wij nog belegerd werden. De gang van den tijd bracht
weerom den oorlog rond onze wallen met een nieuw en nooit-
vermoed geweld.

Overdag scheen het wel te bedaren, het gerij en het menigvuldige
leven der groote stad smoorden de verdere geluiden. Maar tegen
den avond en binst den nacht ging het eendelijk gebons als van
zware deuren, toeslaande op het steenen gewelf van oude kelders.
Het brutale was daar bezig, het gebas der oorlogsbeest, ginder aan
de uiterste grenzen der antwerpsche vesting.

Waren het de duitsche stukken van 42. die wij hoorden? Waren het
onze forten of onze veldkanonnen die antwoordden? Het kon niet
goed uitgemaakt worden, 's nachts te Antwerpen. Tusschen slaap
en wake kwam het ons wel voor als een ver onweer, een staag
gerommel van donder, waar wij aan wenden, dat ons plots weer
opviel, bij 't ontwaken, en, in de duizeling, ons voorkwam als het
gonzen van de lucht zelf. Het scheen mij soms dan ook alsof wij
waren als vervolgde menschen, die met hun nog geredde schatten
gevangen zaten in diepe donkere katakomben, waar zij nog wel
door de duistere gangen en onder de lage gewelven konden
bewegen, maar nooit meer zouden uitgeraken, en aan de uiterste
poorten hooren zij het onverbiddelijk gebeuk van den vijand die elk
oogenblik kan binnenstormen met roof en verdelgingszucht...

Het was nacht rondom ons, ook overdag. Want wij kregen weinig of
geene berichten over die beslissende mokerslagen die op onze
gepantserde borstweer werden toegebracht.

Maar zonder juist nieuws voelde eenieder dat er iets geweldigs aan
't gebeuren was en spijts de hoopvolle zekerheden die de burgers
elkaar lieten opdringen, hing er als een gedurige angst in de lucht.

Ik had eene nieuwe bediening gekregen. Met enkele andere
advocaten werd ik aangesteld als burgerlijk afgevaardigde van den
krijgsgouverneur om toezicht uit te oefenen op de duitsche
handelshuizen waarvan de firmanten waren uitgedreven of in
hechtenis genomen. Mijn werk was thans vrijer dan wanneer ik heel
den dag als tolk of griffier in 't gevang doorbracht. Ik was aldus in de
gelegenheid mij een klaarder denkbeeld te vormen van den
algemeenen toestand en het uitzicht van Antwerpen. Ik lag als het
ware aan het hart van de stad en hoorde haar harteklop. Ik liet in mij
hare gevoelens terugwerken van angst en van vertrouwen. Elke
dag zou voortaan in mijn geheugen aangeteekend blijven met eene
kapitale gebeurtenis; elke dag zou ik een nieuw vertrouwen zien
onstaan of een laatste hoop zien verijdelen tot het noodlottig uur
van den onwederroepelijken ondergang.

Op dinsdag, 29 September, liep het gerucht in de stad dat Lier
was gebombardeerd. De bevolking was gevlucht en ondanks de
strengste maatregelen om de vluchtelingen den toegang tot
Antwerpen te beletten waren er vele door geraakt. Zij vertelden, hier
en daar, wat zij gezien hadden en beleefd. Er viel niet meer aan te
twijfelen. De mare verspreidde zich als loopend vuur.

De Duitschers naderden dus Lier! Elke Antwerpenaar is er
meermaals te voet of per fiets naar toe getrokken, kent de rust van
het begijnhof, de groote koele Sint Gumarus kerk vol zware pracht,
de boompjes langs de Nethe, de steenen brug, de winkeltjes met
de beroemde liersche vlaaikens... De bommen vielen daar te
midden dat oude stille leven. Dat was bij de deur. Eene groote
verslagenheid begon in de stad te heerschen.

In 't naar-huis-keeren, den nanoen van dien dag, zag ik door de
Huidevettersstraat een auto rijden met burgerwachten van Lier. Een
bevriend kunstschilder zat er bij en die wuifde naar mij toe met een
duitsche pin-helm als een glorierijke tropee. Die namen het dan toch
luchtig op. Zou het gerucht misschien niet overdreven zijn? Werd de
vijand mogelijk teruggeslagen?

Thuis vond ik, in mijn werkkamer, een motocyclist-vrijwilliger die een
zending volbracht had bij den generalen staf en van den tijd die
hem overbleef gebruik maakte om mij met een hartelijk bezoek te
verrassen. Die scheen aan de verschrikkingen van den oorlog
reeds heelemaal gewend te zijn, want zonder de minste ontsteltenis
vertelde hij mij, voor waar, dat ons leger ten zuiden van Mechelen
had moeten wijken en op 28 September het bombardement van
Waelhem en St Kathelijne Waver was begonnen. De welgerichte 42
cm. bommen hadden, zoo verzekerde hij mij, denzelfden dag nog
die twee forten bijna onbruikbaar gemaakt.

"Het is geen spel meer hoor, gelijk het ginder thans toegaat.
Wanneer de zware stukken, die daar ievers beneden Mechelen, op
béton-vloeren moeten staan, hunne reusachtige projectielen doen
neerkomen rond onze forten, dan springen er torenhooge fonteinen
van aarde in de lucht. Sneltreinen voor Antwerpen zoo hebben wij
die bommen gedoopt, zoo snorren zij door de lucht met eene
verbazende snelheid, zoo razen zij door den hemel met een
vervaarlijk geluid. In den avond ziet ge de dorpen met roode
vlammen branden op een horizont van lood. De menschen slaan
overal op de vlucht onder een regen van shrapnels."

Ik was nog niet van mijn verslagenheid bekomen toen mijn vriend,
voor mijn drempel, luchtig en welgezind op zijn motor sprong en
tuffend de straat uitreed. Van een voorbij-rennende kranten-
verkooper kocht ik een blad en er stond in vette letters op te lezen
dat de forten van Liezele, Breendonck en Bornhem hardnekkig
stand hielden en een aanval van den vijand, te Blaesveld met
verschrikkelijke verliezen werd teruggeslagen. Hetgeen naderhand
ook wel waar bleek. Doch waarom de andere droever waarheid
verzwegen? waarom de menschen in dwaling laten verkeeren? Zoo
moest ik van mijn huisgenooten dien avond aan tafel hooren dat zij
van verschillende kanten vernomen hadden dat Von Beseler aan
den commandant van Waelhem voorstellen zou gedaan hebben
om zijn fort over te geven maar deze, sterk in zijn hoop het uit te
houden, kranig zou geweigerd hebben; wat dachten die Duitschers
wel!

Zulke voorstellingen bleven ingang vinden bij velen, schenen zelfs
meer dan waarschijnlijk. De menschen grepen naar goed nieuws
als drenkelingen naar een plank. Wij zouden nu wel gaan zien
dat de oninneembare vesting van Antwerpen te vergeefs werd
aangetast. Aan omsingelen en uithongeren viel immers niet te
denken, zoo oreerden de kamerstrategen. Waarom vertwijfelen?
Die er anders over dachten, waren slechte vaderlanders. Die ander
nieuws rondstrooiden waren onruststokers, verspieders, landverraders
en die moesten worden aangeklaagd.



XV-Inferno



Ik bezocht 's anderdaags, 30 September, een paar ambulances in
de stad. Nieuwe zieken en gekwetsten waren daar toegekomen.
Hier was ik zeker de meest betrouwbare getuigen te vinden van
hetgeen binst de laatste dagen gebeurd was. Er waren afschuwelijk
verminkten die ik eerbiedig en zwijgend moest voorbijgaan. Ik zag
een jonge man, bleek en vaal en als levenloos, met een bloedig-
verbrijzelden arm, op een ziekewagentje naar de operatie-zaal
voeren. Maar een bevriend dokter bracht mij in een zaal waar
soldaten lagen die heelemaal of bijna niet gekwetst waren, maar in
een zenuw-crisis van het slagveld werden weggevoerd en nu nog
over heel hun lichaam beefden, terwijl hunne wijd-open oogen idioot
keken van de verschrikking die zij hadden doorgemaakt.

Zij kwamen meestal uit de forten van Waelhem, Sint Kathelijne
Waver, Koningshoyckt en Lier. Op onze vragen vertelden zij, met
een terughoudenheid alsof het niet mocht, hoe het er geheel
onhoudbaar was geworden. Vijf uur aan elkaar waren de bommen
op en rond hunne koepels gevallen. Van een soldaat uit het fort van
Lier, die als bij mirakel slechts lichte kneuzingen had opgeloopen,
vernamen wij hoe de pantsertoren van zijn fort als door een
reuzenhand werd uit zijn put gerukt en weggeslingerd.

Er waren ook soldaten die bij de troepen hoorden die de
tusschenruimten der uiterste fort-lijn verdedigden. Hunne haastig-
aangelegde loopgraven werden zoo hevig onder vuur genomen dat
alles weldra lag dooreen geschoten tot een strook land van
onzeggelijke en gruwzame wildernis.

Doch ik zal nooit het gezicht vergeten van die twee kanonniers die
uit de forten van Dorpsveld en Boschbeek geraakten. Hunne
gelaten waren geheel vertrokken en vervormd van het afgrijselijke
dat zij hadden doorleefd. Het scheen alsof zij uit een hel waren
gekomen waarvan de ontzetting hun nog als een nachtmerrie
vervolgde.

Het was niet gemakkelijk iets van ze te vernemen. Met nog
bevende lippen gingen zij eindelijk toch aan 't praten. Zij wisten niet
meer wat rondom hen te velde gebeurde. Zij hoorden slechts de
aanhoudende losbrandingen die alles daveren deden, als bij een
aardbeving. De koepel, waarin zij als het ware gevangen zaten te
midden der ongeloofelijkste ontketening van helsch geweld, was als
een schip dat geschud en gebeukt werd in den vreeselijksten storm.
Het gefluit en gesis der kogels, het geronk der snelvuurgeweren
joeg als rukwinden om hen heen. Zij konnen met moeite slechts
naast hunne stukken blijven, zoo helden zij langs alle kanten, zoo
begon de vloer onder hunne voeten te deinen, zoo begonnen de
wanden rondom hen te bewegen en te kraken. "Eindelijk" zoo
vertelde eene, "is onze koepel in breede scheuren opengesprongen."
Uit de woorden van den andere kon ik opmaken dat de massieve-
betonbouw van zijn fort in den grond zonk als onder de macht van
een reusachtigen plethamer.

Geen enkel bepaald nieuws in de bladen over al het gruwelijke dat
aan 't gebeuren was. Integendeel de bladen meldden dat de forten
onbeschadigd waren. In de kranten van donderdag avond 1
October stond zelfs te lezen dat er nog steeds verschrikkelijk
gevochten werd ten zuiden van de Nethe. Ons leger had wel de wijk
genomen tot aan deze rivier, maar de forten van Lier en
Koningshoyckt hielden den vijand in bedwang, die, tusschen
Tallaert en Lier, met bloedige verliezen werd achteruit gedreven.

De gemoederen werden nog maar steeds gerust gesteld. Ik dacht
bij mij zelf: wat een neerzinking, wat een paniek zal dat worden
wanneer de volle waarheid eens toch zal bekend geraken.
Ondertusschen bleef het een vaderlandsche plicht die waarheid te
verzwijgen of te loochenen. Een burger die uit de omstreken der
vuurlijn kwam en aan een kennis op de tram vertelde dat ons leger
overmand was, het niet langer meer kon uithouden en weldra
achter de Nethe een wijkplaats zou moeten zoeken, hoorde ik heftig
toespreken door een reiziger: dat het leugens waren om de geesten
te verwarren en te ontmoedigen, dat hij te zwijgen had, of dat hij
zou weten waar hem aan te klagen.

Waar zouden de menschen met zulke voorlichting, met zulke
gemoedsgesteltenis, een zekerheid gevonden hebben, wanneer nu
toch elk uur het bestaan der stad, de onafhankelijkheid van het land
kon beslist worden.

Toen ik weer huiswaarts trok dien avond scheen het mij of ik met
een verschrikkelijk geheim rond liep en ik vroeg mij zelf af of
ik uit geen akelige droom was ontwaakt. Want heel die groote
overbevolkte stad rondom mij leefde voort van gissingen, van
tegenstrijdige geruchten en, schier onaangetast, bleef het
vertrouwen in de onverwinbaarheid der steeds geroemde antwerpsche
vesting.



XVI-Rond De Stad



Het verlangen om mij met eigen oogen van den toestand te
overtuigen bracht mij weer eens buiten de poorten.

Ik had gelegenheid om in den vroegen morgen van 1 october met
een proviand-trein mee te rijden tot Hemixem, op de Schelde,
zuidwest van Antwerpen.

Ik zag een paar forten der tweede verdedigingslijn. Die lagen rustig
nog en zoo vereenzaamd in de ringsom open gelegde velden. De
harde vlakke beton-bouwen staken witgrijs omhoog uit het frisch-
groen gras der aarde-werken. Maar ik wist nu wat hun sterkte te
beduiden had wanneer eens het geweld en de verschrikking van
den nieuwen oorlog errond zouden komen spoken.

Onze trein was pas in het goederen-station toegekomen, of ik zag,
over den steenweg uit Hemixem-dorp, een onafzienbare sleep auto
's en motorwagens, in een rosse stofwolk, komen aangereden. Dan
volgden ook nog vele leverancie-wagens, door paarden getrokken
en waar de firma's van groote warenhuizen uit Brussel of Antwerpen
nog op te lezen stonden met, in een hoek, de haastig-overgeschilderde
aanwijzing van den legerdienst waarvoor zij werden gerekwireerd.
Het lossen van den trein begon en elke wagen kreeg zijne vracht:
amunitie-brooden met duizenden, zakken met peulvruchten,
aardappelen en haver, eetwaren in blikjes, bussen met naphta en
wat weet ik nog, hoopen en hoopen van alle soort proviandeering
die dagelijks door een leger verslonden wordt.

Ik stapte het station uit in de richting van Hoboken. Over de lege
gronden langs de baan, bewogen pelotons rekruten, nog in hun
burgerpak en die door onderofficieren gedrild werden. De bevelen
klonken schreeuwerig door de lucht.

Van uit Hoboken vertrok een houten brug-op-schepen over de
Schelde naar Cruybeke, waar het rustig veermanshuis, met zijn
witten gevel en rood dak, zoo schilderachtig boven den groenen dijk
uit stak. Vele rekruten liepen hier ook te kuieren nabij de
aanlegplaats of keken naar den traag vlietenden breeden stroom.
Enkele waren reeds voorzien van een stuk militaire kleeding, een
muts of een tuniek of een ceinturon. Die waren de strijders van
morgen, de slachtoffers ook misschien van dezen gruwelijken
oorlog die als een onverzaadbare Moloch al het jonge volk, de
bloem van een volk verslindt. Ik erkende een paar vrienden,
gelukkig wat te kunnen praten. Zij gingen misschien morgen naar
Oostende vertrekken of verder naar Frankrijk, in een kamp, om hun
leertijd uit te doen. In onzen afscheidshanddruk, in onze oogen was
er iets van vrees, van onzekerheid of wij elkaar nog ooit wel zouden
weerzien.

Stroomopwaarts, uit de richting van Rupelmonde en Bornhem,
kwam bij poozen het gebrom van het kanon, hier duidelijk hoorbaar.
Het scheen mij zelfs dat er in de verte wolken van rook opdampten
boven den vlaamschen oever. Maar nergens toch de minste
ontsteltenis, noch bij de burgers, noch bij de soldaten; en ik wist
nochthans dat onze uiterste fortenmuur, in den derden en vierden
sector, nagenoeg geheel openlag en de vijand ons veldleger over
de Nethe had gedreven.

Tegen den middag was ik weer terug met mijn trein in de stad. In
den namiddag trok ik nog eens naar Cappellenbosch. Ginder in het
Noorden der antwerpsche vesting viel misschien eenige weerslag
der gebeurtenissen waar te nemen, werden mogelijk aanstalten
gemaakt voor den aftocht van het leger.

Ik vond soldaten langs alle wegen. Het dorp Cappellen was als een
kamp, zoo liep het er vol. Mannen die vrij-af hadden, kuierden door
de nog gespaarde bosschen. Hier en daar ook een die bezoek had
van zijn vrouw of zijn lief. Die zaten dicht bij elkaar op den boord
eener gracht of op den stam van een neergevelden boom, te praten
of wat lekkers op te eten dat de vrouw, wie weet van hoe ver, in een
zorgelijk toegeknoopt pakje had meegebracht.

Ik kwam weer op ons landhuis. Hoe verlaten en naargeestig lagen
de kamers. De meubels stonden er doelloos. In de stilte hoorde ik
eene oude eiken kast kraken alsof er een ziel uit spreken wilde.
Boeken lagen links en rechts om nooit meer gelezen te worden.
Ik haakte een gekleurde plaat van den rooden muur in mijn
werkvertrek. Dit zou ik toch nog meenemen als herinnering. Het
was de blijde geboorte van Botticelli. Voor de kribbe met Maria,
Jozef, het kindeken en de goedaardige dieren, waren engelen
die de herders omarmden en kusten: Vrede den menschen van
goeden wil... Ik dacht aan geluk om schoonheid, geluk om liefde...
Het is geweest! Het is geweest! Wanneer kennen wij nog eens den
vrede en de weelde van het stille genot! Mijn keel was
toegeschroefd van weerhouden snikken. Ik voelde de groote
droefheid die over heel de wereld weegt. Ik hoorde in mijn
verbeelding het almachtig rumoer der millioenen legers, het
gedreun der regimenten het gerol der kanonnen en oorlogswagens,
over alle wegen van Europa. Waar is de stilte, de verrukking die
eens toch mijn bezit was?

Ik sloot de deur op den hof, waar de avond begon te dwalen en gele
schijnen van den hemel nog lichtten uit het vlakke donkere water
van den vijver.

Over den steenweg van Cappellen naar Esschen waren toen reeds
vervoerdiensten met postkoetsen ingericht om het opgeschorste
treinverkeer te vervangen. Ik kwam er een paar tegen op weg naar
de grens. Vele menschen trokken ook te voet dien kant op. Het was
een achtiend-eeuwsch gezicht, dat reizen te voet en te paard en
met de traag rijdende koetsen. Menschen die elkaar vervoegden
langs de baan begonnen te kouten en zetten samen de lange reis
voort. Mij reed een witte huifkar voorbij met een dikke bruine merrie
bespannen. Er zaten twee kloosterzusters in en die vroegen of ik
niet mee wilde tot Cappellen. Mijn uniform wekte goedhartigheid. Ik
nam mijn plaats in nevens den voerman.

In de vallende duisternis schenen de wachtposten, aan de aarde-
poorten op den weg, oktrooien uit den ouden tijd, die voor de
kasteelheeren tol hieven op de trekkende reizigers. Onze papieren
werden nagezien en de zusters deelden telkens appelen en peren
uit, aan de van dienst-zijnde soldaten. Zij stapten af voor de poort
van haar klooster te Cappellen en ik ging de trein nemen tot
Antwerpen.

Maar niets toch had ik gezien dat op ontreddering geleek. Alles was
rustig nog alsof het zoo nog weken kon voortgaan.



XVII-Op Sint-Michielstoren



Ik trok 's anderdaags, vrijdag 2 october, rond elf uur in den morgen
met mijn vriend Karel van den Oever, naar de Sint Michielskerk op
het Zuid. Wij hadden afspraak met den kosterszoon om den toren
te beklimmen en van daaruit den aan-gang-zijnden slag aan den
horizont waartenemen. De waterlijding was in Antwerpen geschorst
dien zelfden morgen. De vijand was dus meester van de Nethe. De
strijd om het bezit der stad naderde zonder twijfel de tweede
verdedigingslijn.

De kerk was leeg. Wij vonden langs binnen het torendeurtje en
weldra stonden wij, boven de klokkenkamer, door de hooge rond-
geboogde galmgaten te turen in de richting van Mechelen.

Het duurde een tijd eer wij onzen weg vonden door de wijde
eindeloosheid, die onder onze oogen open lag. Alles smolt in elkaar
tot een olijfgroen landschap, velden, boomen, wegen en verre
dorpjes. Maar op eens kregen wij Sint Rombouts toren in 't gezicht.
Die stond als een hooge af geknotte mast, schalieblauw boven den
einder. Dan zagen wij, laag bij den grond, links van den toren en
naar het Oosten toe, eene golvende wolkenbank met striemingen
van rood licht, het was de vuurlijn. Sint Rombouts stak er boven uit,
alsof die oude steenen reus zelf in 't gedrang was gekomen van zijn
vechtende en stervende kinderen. De aarde scheen aan den
horizont te bewegen en te branden. Immeraan dampten wolken van
witten en blauwen rook omhoog waardoor, af en toe, een roode
lichtflits gleed en de wolkjes roos begloorde. Nader bij Antwerpen
en naar onze schatting boven de streek tusschen Contich en Duffel
steeg een verkenningsballon omhoog en de geel-beglansde worst
ging zweven met den sleep van zijn slank-buigenden kabel, die als
een ragfijne spinnewebdraad op het luchtvlies zichtbaar bleef.
Vreemd hong die wanstaltige massa in het vlekkeloos hemelblauw.
Dadelijk begon daarrond het spelend gedans van de witte wolkjes
der openknarsende shrapnels. Maar de ballon bleef drijven,
ongedeerd, traag wendend en keerend in den wind, boven de
belgische troepen die daar moesten gelegerd zijn.

Wij luisterden aandachtig naar de ruimte met dien gruwelijken dijk
van rook en vuur aan de einder. Maar wij hoorden niets dan het
staag geruisch der groote stad aan onze voeten. Geen enkele, zelfs
gedempte rommeling van kanonnen kwam ons toe van uit de verte.
Heel het land lag eenzaam en schijnbaar zoo rustig.

Vliegeniers kwamen toen aangevlogen, als groote vogels
opduikend uit de luchtdiepten, en streken neer in breede spiralen tot
op het vliegplein van Wilrijck. Het ronken hunner schroeven klonk
nu, heel nabij, als het gedreun van orgels.

De Schelde, waarvan de wit-glimmende wenteling door de wester-
galmgaten te zien was, lag leeg van schepen, verlaten en
naargeestig als een gevloekte stroom. Aan den overkant strekte het
Vlaamsche land, als een grauw-gele woestenij, mijlen en mijlen ver
met de torens van Zwijndrecht, Melsele, Beveren, achter elkaar, en
het donker betooverd puin van Rubenskasteel, heel nabij in de
olijfgroene polders, waardoor wit de grachten blonken. Wij dachten
toen nog niet aan den aftocht van ons leger, dat langs daar zijn
redding zou moeten zoeken in een rusteloozen trek van Antwerpen
tot aan den Yzer, altijd voort altijd voort, zonder genade. Nu kwam
nog niets den vrede van dat land verstooren. De wielschepen van
den overzetdienst deden gezapig hunne reizen over den stroom en
kleintjes klauterden menschen en wagens den steenen dijk op van
Sint Anna.

Hoe sterft toch het grootste getier van wapenen op eenige uren
afstand uit! Ginder heel ver, woedde de slag maar hoe kalm en
ongestoord lag nog de stad en hoe zeker in het midden van die
groote ruimten van vrye ongeschonden velden. Zou daar toch ook
eens slag geleverd worden? Zou ons leger, achteruit wijkend, elk
stuk grond daar, voet voor voet, verdedigen, om den vijand, aan
geen prijs, door te laten tot de stad die nu de laatste wijkplaats was
van het vaderland? Wij bleven hopen zoolang zij niet gevallen was.

Maar toen wij, afgedaald van onzen toren, weer door de straten
liepen, wisten wij maar al te wel hoe dreigend de nood was, Met
eigen oogen hadden wij de vuurlijn gezien. Die lijn zou nauwer en
nauwer toesluiten rond de stad en wat ging dan haar lot zijn
morgen? Wij stapten sprakeloos voort en mijn vriend zag met
weemoed naar de huizen die hij minde en die tot gruis-en steen-
hoopen konden worden neergebeukt.

Ik zat in den nanoen, niet zonder gejaagdheid, de hollandsche
kranten te lezen in den Kunstkring. De "Times" werd niet meer
toegelaten, daar stonden de gebeurtenissen te klaar in beschreven.
Eensklaps dreunde kanongebulder over de stad. Wij sprongen op,
de enkele lezers die daar rustig zaten in de lederen zetels van het
fluisterstille kabinet.

Wij liepen naar een terras op den tuin vanwaar eene wijde
hemelruimte boven de huizen zichtbaar was. Eene duitsche Taube
snorde door de lucht en dreef recht over de plaats waar wij stonden.
Het was de dood die over ons heen vloog, want bommen waren
reeds gevallen en nieuwe bommen konden worden uitgeworpen.

Was het onbedachtzaamheid die ons staan hield onbewogen, terwijl
wij aandachtig door de lucht het spel volgden der omzwevende
wolkjes van de ontploffende schrapnels? Was het een wraakachtig
verlangen den vijandelijken vlieger als een gekwetste vogel te zien
neer tuimelen uit dien blauwen hemel? Was het misschien wel
onverschilligheid voor alle werkelijk gevaar waar toch niets meer
tegen te doen valt? Was het een onbewust vertrouwen dat ons uur
nog niet gekomen was?

Ik dacht aan die zielesterkte waar Marcus Aurelius van gewaagt, die
onbewogenheid der ziel die zich voegt naar hare lotsbestemming en
naar de omstandigheden waar zij geen meesterschap meer over
heeft. Sterven op dat oogenblik, zoo scheen het mij, had toch niets
bitters meer indien het zoo beschikt was.

De Taube ging aan 't stijgen, buiten 't bereik onzer kanonnen en
verdween weldra als een onbeduidend stipje in het wit-blauw der
hemeldiepten. De kanonnen zwegen.

Bommen waren te Berchem gevallen en hadden een vrouw en een
kind gedood. De vijandelijke vliegenier had ook strooibiljetten
uitgesmeten waar op te lezen stond dat de bevolking van
Antwerpen bedrogen werd en de val der stad aanstaande was. Dat
nieuws werd door de bladen met spotternij vermeld. Onze forten
zouden bewijzen of Antwerpen stand hield ja of neen.



XVIII-Een Nare Dag



Zaterdag, 3 october, is wel voor mij de meest nare dag geweest van
het beleg van Antwerpen.

Het gerucht liep, in den morgen, dat de regeering en de vreemde
gezanten gingen vertrekken naar Oostende en al de hospitalen
moesten worden ontruimd. Dat viel te verwachten, het einde was
nabij, maar hoe droef die harde zekerheden te ondervinden!

Ik ontving het bezoek van een vrijwilliger-kanonnier, uit het fort van
Wijneghem, die met verlof in stad was. Hij vertelde mij uit zekere
bron vernomen te hebben dat de tegenaanvallen die ons leger
waagde op de Nethe, vruchteloos gebleven waren en aan ons volk
verschrikkelijke verliezen hadden gekost. De stille kempische rivier
lag vol lijken en vloeide rood van bloed. Het fort van Dorpsveld was
in de lucht gesprongen met zijn bevelvoerder en laatste
verdedigers. Te Koningshoyckt was een munitie-magazijn ontploft
en het fort onbruikbaar geworden. Tallaert lag vernield, Lier werd
verlaten en ons leger was nu bepaald heelemaal achter de Nethe
teruggeweken. "Onze forten zijn van karton" zoo voer mijn
zegsman voort, met een bitteren lach van spijt en radeloosheid om
de lippen, "van karton, zeg ik je, tegen die monsterkanonnen waar
Brialmont nooit op gerekend had. Het is de eeuwige strijd tusschen
het pantser en de bom en de bom moest onvermijdelijk overwinnen.
Indien je geen duitsche pinhelmen als overwinnaars over enkele
dagen in je straat wil ontmoeten, dan raad ik je stellig aan zoo haast
mogelijk te vertrekken. De val van Antwerpen is beslist. Het is
slechts een kwestie van dagen nog, wat zeg ik, van uren
misschien."

Ik beproefde, zwakjes moet ik zeggen, die stellige verklaringen in
twijfel te trekken, gesteund als ik was door den algemeenen geest
die nog in de stad bleef heerschen en op eene onmogelijke
verlossing wachtte, maar mijn vriend lachtte, ietwat medelijdend,
alsof hij te zeker wist wat ons te wachten stond.

Toen ik weer alleen zat in mijn werkvertrek, werd ik voor 't eerst ten
volle bewust van het onwederroepelijke. Het was hartverscheurend!
Ik voelde mij in de stemming vaneen man, wien de dokter de
ongeneesbaarheid en het aanstaande einde van een geliefd wezen
heeft aangekondigd. Hij staat machteloos bij de sponde, nog gaat
de ademhaling, nog klopt het hart heel zwakjes, maar de
oogenblikken zijn geteld en vallen een voor een in de eeuwigheid
als de laatste korrels van den Zandlooper.

Er was niets meer aan te doen!

O bitterheid der herinnering! Voor twee maanden leefden wij hier
nog in gelukzaligen vrede, waren er schepen op de Schelde uit alle
werelddeelen, klonk de beiaard uit O. L. V. Toren, bewogen de
menschen blij en feestelijk langs de straten, stonden al die oude
huizen en groote kerken daar met hun onveranderbaar gelaat vol
oude rust en zekerheid.

De overweldigers die reeds Luik hadden ingenomen en Leuven en
Brussel en Mechelen en zoovele steden en dorpen op onzen
vadergrond, zouden ook Anwerpen binnenrukken met het hoonend
geluid hunner gillende pijpers, Antwerpen, de stad van Rubens, de
trotsche, blijde stad van stoeten en landjuweelen vol ongeziene
pracht en schittering.

De val dezer stad had een tragischer beteekenis dan die van
andere steden in het land. Zij was ons laatste toevluchtsoord en zij
is gekend over heel de wereld. De waterbanen uit alle zeeën loopen
er henen. De schepen uit Bombay en Calcutta, uit Melbourne en
Valparaiso, uit New-York en Shanghaï hielden den steven naar haar
gewend.

Ik heb deze stad bemind als geen andere op de wereld met eene
liefde van alle dagen en alle nachten. Wanneer ik ver van haar was,
heb ik naar haar verlangd met een ongeneesbar heimwee en,
varend over vreemde zeeën, hoorde ik haar roemen door het
scheepsvolk als een verre droomstad, verholen achter de
eindeloosheid der zoute wateren, in de diepe rustige golf der breede
en kalme Schelde...

En nu is haar val nabij. De zonen van heel het land vermogen niet
haar te redden ten koste van hun bloed...

Waar zijn de millioenen-legers van de Russen, de Franschen, de
Engelschen dat wij zoo gansch alleen aan ons droevig lot zijn
overgelaten. Moet deze stad dan toch onwederroepelijk met hare
onafzienbare kaaimuren en dokken, met hare torens en kerken,
met hare onschatbare kunstgewrochten, de prooi worden van
Duitschland en de uitspattingen zien der onbeschofte vreugde van
een vijandelijken triomf! De klokken uit de domtorens van Keulen en
Aken van Coblenz en Frankfurt, van Berlijn en van Weenen zullen
feestluiden bij den ondergang van dit voor ons onaantastbaar
heiligdom!

Heel den dag vervolgden mij die martelende gepeinzen.

Wanneer ik op straat kwam, las ik verslagenheid op alle gezichten.
Voor het Sint Elisabeth-gasthuis zag ik de tramwagens volladen met
de erbarmelijke vracht van nog hulpbehoevende gekwetsten... Het
ongeluk hing in de lucht. Eene atmospheer van angst, van bange
verwachting drukte zwaar over heel de stad. De dingen die
gebeurden waren te geweldig dat zij niet, zelfs zonder mededeeling
der kranten, op elk burger een weerslag zouden gehad hebben.
Voorgevoel? Telepathie? wat weet ik, maar 't was zeker dat
onze nederlaag op de Nethe en het openkraken onzer sterkste
pantsertorens, ofschoon de menschen er niets juist over wisten, als
door luchttrillingen tot in elk hart den zwaren klop verwekten van de
hevigste ontroering. Zoodat alle menschen dof en moedeloos
gingen loopen met een borst vol nijpend wee.

Ik zocht naar stilte en eenzaamheid. Werktuiglijk gingen mijn
schreden naar de Wilrijcksche poort. In de groene koelte van het
Nachtegaalpark, onder de hooge zwaarruischende beuken van
Middelheim, heb ik zoo dikwijls over mijn leven nagedacht en rust
en sterkte gevonden. Misschien kon ik er nu ook weer tot kalmte
komen met mij zelf en leeren berusten in het Lot. Het zou daar
eenzaam zijn en verlaten. Wie dacht nu in de stad aan die verre-
koele boomen?

Maar ik was nauwelijks de poort uit of ik zag de baan afgesloten
door soldaten en over heel de diepte van den steenweg op Wilrijck,
de dichte drang van vluchtelingen stadwaarts gekeerd. De forten
der tweede verdedigingslijn werden dus onder vuur genomen dat
de dorpelingen van zoo dicht bij Antwerpen reeds op de vlucht
sloegen. Het was een erbarmelijk gezicht: hoogopgestapelde
karren vol meubels en beddegoed, voortgedreven koebeesten en
schapen, handkarretjes met een arme huisraad volgeduwd en
duizenden menschen, wien toegang tot de stad werd ontzegd.
Waar moesten die dompelaars nu heen? Naar het Noorden en het
Westen liepen nog de eenige vrije wegen.

Ik moest terug, er viel niet aan te denken door dat gewoel te
geraken. Ik tramde weer tot in het hart der stad.

Eene groote verrassing wachtte mij daar: de engelsche mariniers
waren aangekomen. De burgers liepen rond in blijde opgewektheid.
De trieste stemming van heel den dag scheen geweken voor eene
nieuwe opleving van hoop. Gezang van Tipperary klonk mij tegen
van uit de kromming der Koornmarkt en weergalmde tegen de oude
trapgevels. Ja, daar waren de Tommys in hunne kakhi-uniformen
en hun flinke stap dreunde door de straat met het gerol hunner
snelvuur-geweren. Zij hadden lachende gezichten, bij 't gejuich en
geroep der links en rechts op de stoepen geschaarde menigte.
Vrouwen wierpen bloemen uit en staken sneukelgoed en vruchten
toe aan de kranig voorbij tiegende jongens. Zware marine-stukken
waren over de vlotbrug van den vlaamschen oever gekomen en
reden nu met een daverend geluid van ijzer over de kasseien der
Suikerrui.

Wij waren dan toch niet heelemaal verlaten. Engeland ten minste
kwam ons ter hulp. De regeering vertrok niet meer en de gasthuizen
werden niet voort ontruimd. Churchill, de lord der engelsche
admiraliteit, was naar Antwerpen gekomen en pleegde reeds
overleg met onzen generalen staf. De zaken gingen een andere
wending nemen onder zijn beheer! Antwerpen was gered!

Het waren de laatste opflakkeringen van hoop, zekere voorboden
van het einde. Ik liet mij niet meer meeslepen in dien laatsten roes.
Ik had de vlucht gezien van duienden aan onze poorten. Ik wist
dat onze vesting openlag voor den vijand. Wat konden 2000
engelschen doen, wanneer vijftig--en honderdduizend niet
voldoende waren geweest om den inval der Barbaren te stuiten. De
avond begon te dalen en de straten lagen wit-grijs in de
deemstering. Toen zag ik op O.L.V. Toren een rood-en-wit-
gekartelde vlag verschijnen. De menschen in hunne vreugde
begrepen niet dat nood-signaal. Het was een voorteeken van het
aanstaande bombardement. De oude eerbiedwaardige steenen van
Antwerpen riepen om genade.



XIX-De Kardinaal Te Antwerpen



O 't bitter zoete van dien laatsten zondag! Ik wandelde langs de
boulevards, onder de groene platanen. Tot mij kwam het vele
klokgewemel uit de oude stad, alle de klokken der groote kerken die
luidden voor de hoog-mis. Dat gaf altijd eene stemming van
feest, van blijde opgetogenheid, wanneer dan tusschendoor
de schetterende fanfaren van eene voorbijtiegende harmonie
maatschappij uit een verdere straat werden vernomen. Nu
kwam de bittere herinnering op aan vroegere dagen van vrede en
rust. Ik heb mij, kind zijnde, reeds zoo bewust gelukkig gevoeld bij
die bekende klokke-muziek. Ik kende de vrome stemmen uit alle
torens. God! het waren dezelfde zware gonzingen en de heldere
bimbammen van altijd die mij den zondags-hemel blauwer deden
schijnen en van zon de gevels lichter. Nu luidden zij den nood die in
alle harten genesteld zat en 't kwam mij voor dat het blijde
klankgeweef van vroeger bedeesder was geworden en schuchter
om een geluk waarvan de broosheid thans was gebleken. Ons bleef
niets meer dan bitterheid en spijt; de laatste illuzie van een
mogelijke verlossing was nu voor goed dood. De klokken zongen
ons leed.

Wit-en-rood-gekartelde vlaggen staken nu uit op alle publieke
gebouwen. Ik zag er wapperen langsheen mijn wandeling, boven
het Opera, den nederlandschen Schouwburg, het Atheneeum en
dieper in de stad boven Sint Andries, Sint Jacob, en Sint Paulus.
Flink-uitslaande vlaggen wekken altijd een gevoel van fiere
vreugde. Maar nu... dat wit en rood gewemel op de zonnelooze en
parel-grijze lucht deed denken aan de nood-signalen van schepen
die vergaan.

Er was een groote rust overal, een doffe stilte en eene
verschrikkelijke ijlte. Waagden de menschen 't niet meer buiten te
komen en zaten zij te dubben in angstige verwachting achter al die
bleeke zieke gevels van een stad die sterven ging?

Tegen den middag kwam er toch weer beweging in de groote
straten, gingen de menschen met hun zondagschen tred over de
Schoenmarkt en de Meir, toeterden weer de militaire auto 's en
klonken dringender de bellen van de trams door de drukte en 't
rumoer.

De meest besproken gebeurtenis van dien dag was de overkomst
van Kardinaal Mercier naar Antwerpen. Dat gaf gerustheid tot in het
meest dreigende gevaar. De blikken verhelderden. Dat voelden de
menschen toen reeds: de regeering kon gedwongen worden te
vertrekken, de Koning en het leger zouden misschien eerstdaags
de stad en het land moeten verlaten, maar de Kardinaal was een
macht en een kracht die zou blijven en 't ontredderde schip van 't
Vaderland, met zekere hand en vasten blik voort sturen door de
orkaan. Hij had toen nog niet die heldhaftige brieven en protesten
geschreven, uitspraak van den nood, de verzuchtingen en de
verontwaardigingen van een heel volk en die over heel de aarde
weerklank zouden vinden. Hij had zich toen nog niet, met de
imponeerende grootschheid van zijn onkreukbaar gezag, tegen
duitsche dwingelandij en willekeur gesteld en woorden gesproken
die ontzag en eerbied afdwongen en hem maakten, in afwezigheid
van den Koning en de regeering, tot den Regent van het verdrukte
en platgetrapte België, veel meer nog, tot de hoogste en zuiverste
zedelijke macht, eenige toevlucht nog van het Recht en de
Rechtvaardigheid en die als een arke Noachs zou uitsteken boven
de wateren van den nieuwen zondvloed van alschrikkelijkheden die
Europa gingen overweldigen en weldra de heele wereld.

Maar toen reeds was er glorie rond hem. Keerde hij niet pas weer
uit Italië, waar hij bijna tot Paus van Rome werd verkozen, bij eene
eerste stemming der fransche kardinalen in het jongste konklaaf.
Frankrijk en Engeland hadden hem toegejuicht op zijn terugtocht,
die werd als een triomf. En nu zou hij pontificeeren in de
antwerpsche kathedraal en openbare gebeden opdragen voor het
behoud der stad in haren uitersten nood.

Ik ging er heen. De reusachtige kerk was proppensvol. Ik vond met
moeite slechts een plaatsje om tegen een der laatste pijlers te
leunen, van waar ik de zee van menschen overzag die de zeven
beuken vulden. Ik kon niets waarnemen van den dienst in de O. L.
V. Kapel, niets dan de felle gloed der vele kaarsen op het wit-
marmeren autaar, onder het donkere gewelf. Het orgel dreunde en
de choralen zongen.

Toen plots, in de plechtige stilte die volgde, klonk de stem van den
Kardinaal die de liturgische gebeden psalmodieerde.

Er ging een schok door mijn lijf. Ik dacht mij weer in het Paus
college te Leuven, waar ik diezelfde stem gehoord had, twee jaar
lang, bij de verklaring der wijsbegeerte. Ik deed mijn oogen toe. De
oorlog was ver van mijn gedacht. Ik zag het vroeg-verouderde
gelaat van mijn professor met de onvergeetbaar-zachte en diepe
oogen, het beenderige gelaat met den machtigen schedel en het
vooruitspringende stralende voorhoofd, waarover soms een lange
grijze haarvlecht neerzakte en dat ging versmallen naar den milden,
goeden mond met de zware onderlip boven de wilskrachtige kin.
De twee diepe groeven, die van den scherpen neus naar de
mondhoeken daalden, waren de zekere teekens van een ascetisch
leven vol grondige overpeinzing. Ik zag weer zijne groote magere
witte hand die, betoogend opgeheven, toen reeds was als de
zegening van een middeleeuwschen kerkvader. Ik dacht hoe ik
soms, na de lessen, naast zijne hooge eerbiedwaardige gestalte
geloopen had, van het Paus-college naar de Vlaming-straat,
pratend over mijn twijfelend gemoed of over lezingen die ik toen
deed van Péladan en Léon Bloy en hoe zijn groot hart luisterde naar
mijne jonge en onbesuisde woorden. Ik zag hem weer terug in zijn
neo-gotisch huisje van het Leo XlII instituut, waar hij mij eens
ontving en sprak over een zeldzaam werkje van St Thomas, De
Pulchro et Bono en waar geschilderde reducties hongen van
diezelfde Kruis-oprichting en Afdoening van Rubens die hier thans
uit de kerk waren weggeruimd. Zijn leerend woord had velen van
het jong geslacht gevormd die nu leden en streden voor het
Vaderland. Zou ik ook misschien mijn bloed eens moeten geven?

Het lof was ten einde. De deken van Antwerpen zei de laatste
gebeden. Luider dan de andere aanroepingen klonk het: Spaar
heer, spaar uw volk, wil in eeuwigheid U niet vertoornen tegen ons...
Het was waarlijk de smachtende verzuchting nu der duizenden die
hier baden in deze oude kathedraal, terwijl een woeste en
bloedgierige vijand met kanongebulder dreeg aan de poorten van
de stad. Dat was als de echo, over eeuwen, van die algemeene
smeeking die eens ging door oude abdijen en kloosterkerken: Van
de woede der Noormannen verlos ons Heer!

Er kwam woeling onder het volk, wegen werden gebaand door de
dichte drommen om de processie door te laten die nu, met vanen
en flambouwen en gezang, traag kwam getogen uit den ommegang
van het verre koor, tot de uiterste diepten der groote kerk. Het
goudlaken der koorkappen van de zingende priesters glom in 't licht
der wassen kaarsen. Onder een zijden baldakijn ging de Kardinaal
met de blinkend-gouden remonstrans in handen. Belgerinkel trilde
en damp van wierook steeg geurend omhoog en hing te drijven
door de beuken.

Ik ging de kerk uit en wilde naar het zuider-wandel-terras aan de
Schelde. De nauwe straatjes die de kathedraal omgeven krielden
van het volk. Over de Koornmarkt en langs de Suikerrui reden
zwaar-daverende londensche autobussen, met de kleurig-beschilderde
reclame-borden, en waar de aanwijzingen van London bridge, Liverpool
street, Charing Cross of Golders Green nog op te lezen stonden. Zij
waren van binnen volgeduwd met oorlogsmateriaal en buiten, op de
hooge impériales zaten de kakhi-soldaten en lachten lustig naar
de opgetogen wandelaars.

Het wandelterras zag zwart van het vriemelende volk. Over de
deinende houten brug voor het Steen, kwamen de laatste roode-en-
gele autobussen van den vlaamschen oever aangerold. De late zon
speelde met gulden schijnen op de wemelende menigte. Ik had nog
even den vluchtigen indruk van eene blij-levende stad langs den
glorierijk-begloorden Schelde-stroom.

Heerlijk avonduur dat argeloos genoten werd, dien laatsten zondag
in het vrije Antwerpen! Wat zou de dag van morgen brengen?



XX-De Groote Vooravond



Dinsdag avond, 6 october. Het was reeds nacht en omstreeks 11
uur. Ik zat in mijn werkkamer te lezen in den stillen schijn van een
elektrisch lampje. Ik had Gezelle's Tijdkrans in handen genomen.

De seizoenen van Vïaanderen gingen aan mijn oogen voorbij in die
liefelijke gedichten. Het was winter: het ruwrijmde, het brimmelde,
de bonte kraaien vlogen over de sneeuwvelden; het werd lente:
daar viel een leeksken licht op des dichters handen, hij ging de
gedaagde doornhagen vragen waarom zij nog niet bloeiden, hij
vond de lieve Leie vol breedgerugde waterkimmen, de leeuwerik
vloog als een pijl naar den hemel, de nachtegaal zong zijn klagend
lied, de nieuwe blaren stonden als geluw-groene le-gerscharen op
de boomen, de bloemen ontloken bij de watergracht, de avonden
werden zacht en zoet van heilige rust; de zomer kwam: de dichter
ging naar 't koren luisteren, "t vaart een fijn gelispeld leven--deur de
toppen allemaal--daar de diepere stammen beven--deunende als
een donder taal", hij stond als een kind aan zee, bewonderend het
spel te volgen van de blijde witgetopte baren; de herfst begon en de
blaren rezen, het regende droefgeestigheid en de dichter dacht in
weemoed aan de dood en riep om hulp van uit zijn donkere diepten.

Milde en machtig mededoogen
keert uw onbermhertig oogen
toch niet af
van mijn nietheid die benepen
voelt de dood haar henensiepen
naar het graf.

Ik las... en dof kwam aan mijn ooren, bij poozen het verre brommen
van 't kanon.

Hoe waren deze gedichten bloemen van een vrede! Ik zag ze nu
als de hoogste bloei van een reeds besloten tijd. Het was het beste
dat wij hadden voortgebracht. Wanneer zouden wij dergelijk geluid
nog ooit vernemen in ons platgetrapte land? Want 't was nu de
roode wijn-oogst voor ons Volk. De vruchten van een traag-barende
Lente en van een Zomer die ons zonder einde scheen gingen nu de
wijnpers in en onder den pletterenden voet van den geweldigen
wijngaardman. Waren de besten uit de jongelingschap, die nu vocht
en stierf, niet innerlijk gevormd geweest door des grooten dichters
woord? Het Vaderland waar zij hun bloed voor gaven was het
paradijs van zijne zangen. Hij leerde het beminnen met de
onstuimige liefde die opvoert naar die hoogten waar de heldendaden
worden gesteld...

Weer gromde luider het kanon. Het bleef aanhouden en de
losbrandingen versmolten in elkaar door de verte. Ik moest mijn
lezing staken, heel de lucht was vol gedommel en het trok nu heel
mijn aandacht. Het werd geweldiger nu ik luisterde in de groote stilte
van den nacht. Het was als het gebrom der aarde zelf die geweld
leed in de duisternis. Het scheen mij of de wereld overspannen
stond door een koepel van geluid, door een reusachtige en
voortdurend-ronkende bronzen gong. Ik dacht aan de trompen van
den Apocalyps die zoo, op den jongsten dag, uit de vier
windstreken, over de aarde moeten ronken en de menschen-
drommen oproepen voor het laatste oordeel.

Ik sloeg mijn mantel om en liep de straat op in de richting van 't
centraal station. De geweldige koepel had glimmingen van een
stalen pantser in het blauwig vuur dat de stad overbrandde. Donker
bonkte de vierkante onderbouw omhoog als een babylonisch terras.
Wat waren al die trotsche opstapelingen van steen die, in een
oogwenk, konden storten in elkaar.

Ik wandelde voort door de verlaten, donkere straten, in de richting
van Borgerhout, van waar het oorlogs-geluid mij scheen te komen.
De huizen blokten kolossaal op de vlammige lucht. Ik hoorde den
stap en de stemmen van de nachtwakers, die sinds korten tijd, op
eigen initiatief der burgers, wacht hielden tegen Zeppelin-gevaar.

Gedurige flikkeringen gloorden door de lucht als de lichtstriemingen
van een ver onweer. Toen plotseling kraakte een slag zoo geweldig
dat ik staan bleef en den bons voelde van mijn hart. De straat
schokte en dreunde, er liep als eene siddering van de aarde onder
mijne voeten. Ging de stad zelf nu werkelijk beschoten worden?
Was het een fort dat in de lucht sprong of een Zeppelin die bommen
wierp? Ik hoorde, ver en bij, door de straten, de onzichtbare wakers
alarm kleppen en verschrikt op de deuren der huizen bonzen om de
menschen te manen naar hunne kelders te vluchten.

Maar 't werd na een poos weer stiller, het staag kanongegrom zelf
scheen te bedaren in de verte.

Toen kwam een ander groot lawaai aanstuwen uit den nacht. Ik
bleef staan en luisterde aandachtig naar die vreemde gonzing van
de lucht. Het werd ontzettend. Het was een benauwelijk gejoel als
door doolhoven. Dan vernam ik duidelijk het gedreun van
honderden en honderden paardenhoeven. Het werd een
duivelachtig leven. De nacht rondom mij werd als een hel waardoor
heel de ruiterij van den afgrond aan kwam draven.

Eindelijk trokken aan mij voorbij de eerste donkere ruiters en het
bleef een stoet zonder einde die de stad introk. Ik kwam terug op
mijne stappen en bleef loopen naast het dreunend getrappel van de
paarden. Het was de aftocht van ons leger. Het hoofd van den stoet
moest reeds diep in het hart der stad toegekomen zijn, en nog altijd
joeg aan mij voorbij het gedraaf van nieuw-aanrukkende, bijna
onkennelelijke ruiters, die nu met rammelende kanonnen en
caissons door de dreunende straten reden.

Ik volgde den sleep tot aan de Schelde. In den zwakken schijn van
een halve maan, die zilverig gloorde in den breeden zwarten
stroom, zag ik de donkere, nare vlucht, kleintjes voortschuiven naar
den Vlaamschen oever, over de lange houten brug waarvan de
balken schokten.

Toen ik weer t' huis was en te slapen poogde, rommelde het nog
heel den nacht door van rollende kanonnen.



XXI-De Aankondiging Van Het Bombardement



In den morgen van woensdag 7 october, stond er te lezen in de
bladen dat het bombardement der stad aanstaande was en de
burgers konden vluchten langs de eenig overgebleven vrije wegen
van het Noorden en het Noord-Westen.

Ik was reeds vroeg de straat op. Overal stonden de menschen aan
hunne deuren, in groepjes, de noodlottige aankondiging te
bespreken. Het was te zien dat het nieuws algemeene ontzetting
verwekte in de stad. Bij de meeste luidjes gingen immers nu eerst
de oogen met verbazing open. Zonder eenigen overgang werden zij
plotseling gesteld voor het allerschrikkelijkste: het bombardement
hunner huizen, den val hunner stad. Wat wisten zy anders van den
oorlog dan hetgeen zij stil op hunne kamers in hun antwerpsch
krantje hadden gelezen en dat vertelde hun gisteren nog dat de
zaken goed stonden, dat er geen de minste reden was tot
verontrusting, het nachtelijk kanon-gebulder zelfs mocht niemand
beangstigen: het waren proefscheuten met de zware engelsche
marine-stukken.

Toch ontstond er geen paniek. De burgers beoordeelden kalm wat
hen te doen stond. Tot vluchten werd vrij algemeen besloten, maar
de middelen om die vlucht te verwezenlijken bleven een ernstig
vraagstuk. Nagenoeg alle taxi's en de meeste paarden werden
sinds lang voor oorlogsdienst gerekwireerd. Het trein-verkeer over
de twee nog-bruikbare lijnen, Vlaamsch hoofd-Gent en Antwerpen-
Esschen, was onzeker en beperkt en de Vlaamsche lijn bleef dan
nog voorbehouden aan de laatste trekkende soldaten en eerst en
vooral aan de gekwetste en herstellende die nu in een rampzaligen
stoet van alle kanten toekwamen aan de vlotbrug voor het Steen.

Het was deerniswekkend om aan te zien: vele die zich
voortsleepten op krukken met nog dik-omzwachtelde voeten,
andere bleek en zwak met in-witte-windels-gedragen armen of het
hoofd omwonden en die door verpleegsters moederlijk werden
ondersteund, enkele zelfs die, meer dood dan levend, op berrie's
moesten worden aangedragen. Het was als de toevlucht van alle
ziekten en misères op de beroemde ets van Rembrandt, maar zij
kwamen niet naar een Christus die hen zou genezen, zij vluchtten
de dood of de gevangenschap die hen wachtte wanneer zij bleven
in de stad.

Toen ik weer huiswaarts keerde, door een arme volkstraat, zag ik
een van die lange zwarte koolwagens vol stoelen zetten om zoo
een paar buur-gezinnen naar de nederlandsche grens te voeren.

Mijn huisgenooten besloten ook dienzelfden ochtend te vertrekken
naar ons landhuisje te Cappellenbosch, waar het voor 't oogenblik
nog veilig scheen. Zij hadden gelukkig nog een rijtuig kunnen huren
dat hen tot in Cappellen zou voeren. Met verkropt gemoed werd het
oude familie-huis verlaten met niets dan het allernoodigste voor de
onzekere reis. Wij bleven samen tot aan Deurne-poort. Hier moest
afscheid worden genomen... nog de laatste wuiving van een hand
uit het portier en ik zag de zwarte koets voortrijden in den
onafgebroken stoet van allerhande gespannen en te midden een
reeds drukke toeloop van beklagenswaardige vluchtelingen. Ik bleef
alleen van ons gezin achter in het bedreigde Antwerpen.

Ik wilde terug de stad in, maar in de hemel-ruimte, boven het
plein voor de vestingpoort, beschreef eene duitsche Taube
hare reusachtige kringen, heffend en dalend tusschen de
openknarsende schrapnels onzer kanonnen die over de huizen
donderden. De menschen vluchtten ijlings naar alle kanten om
eene beschutting te zoeken onder het rood-steenen gewelf der
poort of achter de muren der omliggende gebouwen. Een zuster,
die waarschijnlijk pas uit de stilte van haar klooster was vertrokken,
bleef alleen achter op het groote plein en stond daar bedremmeld
en hulpeloos. Ik ging haar halen en bracht ze veilig onder de poort.

De Taube dreef weer af naar het Noorden, als het ware om de
burgers op hunne vlucht te volgen en schrik aan te jagen, want
bommen werden toen niet geworpen.

Op de Turnhoutsche baan zag ik menschen hunne keldermonden
met kolen, zand of aarde dichtsluiten. Er was groote ontsteltenis
overal, maar velen die nog aarzelden of zij wel trekken zouden,
velen ook die niet weg konnen of zich geen volle rekenschap gaven
van 't gevaar.

De antwerpsche historie telt meer dan een bombardement. Dat van
Baron Chassé in het jaar '30 lag nog zoo ver niet in 't verleden en
ieder had er in zijn familie, door grootvader of grootmoeder, wel
eens hooren van vertellen. De sinjoren zouden dat nu ook wel
doorkomen en zij hielden eerst en vooral van hun huis.

In 't voorbijgaan, trok ik even het centraal-station binnen. Alle
winketten waren gesloten. De reizigers liepen vrij de groote hal
binnen langs de hooge marmeren trappen. Ik volgde den drang en
zag een trein bestormen die, reeds volgepropt, op vertrekken stond
naar Holland. De menschen klauterden tot op de daken en hielden
zich vast op de stijgplanken. Het werd hier een zinnelooze vlucht die
op paniek geleek.

Ik ging van daar naar de Kipdorp-vest, waar het bestuur gevestigd
was waarvan ik door mijn nieuwe bezigheden afhing. Al de bureelen
waren met de regeering reeds naar Oostende vertrokken. Geene
verplichting weerhield mij langer nog in de stad. Ik was vrij maar nog
besluiteloos.

Toen ik weer in mijn buurt kwam zag ik hoe nog maar steeds alle
menschen aan hunne deuren stonden en, als om raad of hulp of
een bemoedigend woord, uitkeken naar de voorbijgangers. Luidjes
die mij vroeger niet schenen te kennen groetten mij nu als met een
innigheid. "Die is nog hier en rustig in 't gevaar!" zoo blikten hunne
vertrouwende oogen mij hartelijk te gemoet.

Over de andere stoep kwam burgemeester Jan de Vos aangestapt,
op zijn dagelijksche gang naar het stadhuis. Hij liep verstrooid in zijn
donker-grijze redingote, de licht-grijze girondin op het hoofd, ietwat
gebogen, zwaar van kommer en verantwoordelijkheden, in deze
hachelijke uren. Hij beantwoordde geen enkelen groet van de vele
lieden die hem eerbiedig nakeken en nu eerst recht gevoelden hoe
hij was de burgervader waarop men rekenen mocht. De innerlijke
overweging volgend, keken star de afwezige oogen van achter de
glimmende lorgnonglazen, waarvan het zijden koordje argeloos
neerhing langs zijn zwart en witte snor en zijn rood gerimpeld
gelaat. Ik had den indruk van een man die eenvoudig een held zou
zijn als 't noodig was en het eigen leven niet zou achten in 't gevaar.

In den namiddag ging ik een vriend opzoeken om te vernemen wat
hij zinnens was te doen.

--"Wat zijt ge bleek!" zoo was de bezorgde vraag die mij begroette
"Uw gelaat draagt de sporen van ontzetting. Voelt ge u niet wel of is
het angst?"

Ik keek verwonderd op doch stelde mijn vriend gerust:

--"Ik voel mij wel, goddank, mijn huisgenooten zijn weg, in veiligheid
en 'k ben van dien kant zonder kommer. Voor mij zelf ken ik geen
vrees en, indien ik angst gevoel, dan is 't voor deze stad en alles
wat hier kan vergaan. Voelt gij het ook niet, beste, er is iets nieuws
over ons gekomen, onze weelderige vrede is voor goed verstoord,
al de trotsche kooplui dezer stad zijn geschokt in hunne ikzuchtige
genieting, de koffers worden geledigd, de fortuinen storten in elkaar,
een rukwind waait alle vensters open en jaagt zelfs oude en zieke
menschen op de straat langs alle wegen van de wereld. Ons volk
lijdt, wij gaan nu lijden met ons volk, wij gaan ons deel hebben in de
moorderijen, in de brandstichting, in de vermorzeling van dit
geslacht, heel het grootsche gebouw van onze voorvaders stort in
puin. Ja ik weet het, door onze kleinheid tegenover het almachtige
Duitschland heeft onze strijd eene glorie verworen, die aan de
antieke tijden denken doet. Als wij uit dien oorlog vrij en
onafhankelijk weer eens te voorschijn komen, dan is er met ons in
de geschiedenis iets gebeurd, dan hebben wij een roem verworven
die van geslacht tot geslacht zal voortgegeven worden als de
kostbaarste schat onzer nationale fierheid. De gemakzucht en de
zinnelijkheid die alle zedelijke energie gingen sloopen, die alle
enthousiasme verzwakten hebben van de zweep gekregen en
komen zoo gauw niet meer weerom. Er overkomt ons iets dat ons
diepste wezen moet veranderen en ons tot een volk maken dat
eerbied afdwingt voor heel de wereld. Maar nu, nu op dit oogenblik,
nu lijden wij, nu voelen wij alleen de gruwelen van dezen tijd en hoe
de ijzeren hand van den dwingeland reeds op ons weegt, wij lijden
omdat wij voor lang niet meer volledig zullen kunnen leven, wij lijden
om alles wat vergaat voor eeuwig in het aanschijn van ons lieve
land. Die pijnlijke ondervinding mag te lezen staan op ons gelaat.
Het is niet te verwonderen dat wij er de sporen van dragen, ik zou
mij eer schamen moest het anders wezen."

Mijn vriend aanhoorde geduldig mijn ietwat zenuwachtige uitval, die
zijn kijk op mijn innerlijk gemoed bij mij had uitgelokt. Wij gingen
kalmtjes voort met praten over de mogelijkheden die nog in de lucht
hingen. Hij wilde weg, maar aarzelde zijn mooi huis, met de
schilderijen, de boeken, de zeldzaamheden die hem lief waren te
verlaten. Ik werd gewaar dat in die uiterste oogenblikken niet slechts
de wil en de koele redeneering--te veel onbekenden kwamen in het
vraagstuk voor--maar wel de omstandigheden, een onvoorzien
voorval, een luim, de beslissende daad uitlokten van te blijven of te
gaan en wij namen nog geen besluit.

Ik ging weer naar mijn huis. Over de Schoenmarkt reed er een
grijze auto aan mij voorbij. Ik erkende den Koning. Het was
ongeveer drie uur in den namiddag. Hij reed langs de Koornmarkt
naar de Schelde toe, Ik kende die richting, zij was voor dagen reeds
de baan van allen aftocht. Onze vorst verliet dus ook de stad! Onze
ministers en de vreemde gezanten waren vertrokken, ons leger was
nagenoeg geheel over den stroom en op weg door Vlaanderen,
Winston Churchill was weg in een auto naar Oostende. Mijn besluit
stond vast. Ik zou vertrekken. Deze stad ging in de handen van den
vijand vallen, ik zou moeten de gehate soldaten en de trotsche
officieren door mijn straat en aan mijn huis zien voorbij gaan. Wij
zouden ons aan den willekeur van een glorie-dronken overwinnaar
moeten onderwerpen. Wat waren geld en goed en alle duurbaarste
herinneringen, vergeleken bij de vrijheid daarbuiten, met alle
mogeijlkheden om naar mijn beste krachten voor het vaderland te
werken?



XXII-De Laatste Uren



Ik lag in mijn zetel, keek mijn kamer rond en peinsde.

Hier heb ik zoo vele dagen van mijn leven hard gewerkt. Hier heb ik
eindelijk klaarte gezien in mijn jonge droomen. Hier ben ik uit de
onbewustheid losgeworsteld en heb ik geestdrift gekend tot groote
daden.

Langs de wanden stonden de vele boeken die mij lief waren, hingen
de prenten en de schilderijtjes die bij mijn leven hoorden en bij de
bewegingen van mijnen geest. Ik keek naar de ronding en de
kleuren van een vaasje; ik zag het slanke gebaar van de
tanagrabeeldjes boven mijn boekenkast; aan den donkeren wand
naast het venster was de bittere mondplooi van een Beethoven-
masker.

Ik voelde weemoed naar boven komen.

--Er valt nu niets meer te doen dan kalm van alles te scheiden. Hoe
nutteloos is al ons gehaast, heel onze zenuwachtige bedrijvigheid
het was een waan. Wij meenen soms tot iets noodzakelijk te zijn en
alles gaat voort als wij verdwijnen. Hoe ijdel blijken nu al de
gewichtige gesprekken die hier werden gevoerd! De werken waar ik
met heel mijn ziel aan hing zullen voor jaren moeten rusten en
misschien nooit meer hernomen worden. Een andere tijd begint en
een nieuw leven. Al het oude wordt als een versleten kleed afgelegd
en daargelaten.

--Daar in die schuiven liggen brieven van geliefde wezens die ik op
mijn zwerftochten door de wereld heb ontmoet en die uit de
millioenen onbekenden naar mij zijn toegekomen en boven alles lief
geweest. Die brieven bevatten de uitspraak van hun hart, van hun
innigste denken, van hun beste geloof, van hun vurigste betrachting
en verlangens.

Ik trok de schuiven open.

--Zou ik ze meenemen? Neen er viel niet aan te denken. Wat zou ik
kunnen dragen op een tocht, te voet misschien naar de grenzen,
niets dan mijn eigen noodzakelijkste goed. Zou ik ze verbranden?
Neen dat mocht niet, 't was onmogelijk al het teerste en schoonste
te vernietigen, dat in momenten van hoogste zielestemming was
ontloken of geklaagd werd van uit afgronden van smart. Ik zou
misschien alles eens terug vinden, wie weet?

Ik sloot de schuiven en borg den sleutel.

Ik liep het huis af, een laatsten keer, alle kamers door, waar wij
zoovele jaren hadden geleefd en vreugde en droefheid gekend en
gedeeld. Mijn voorzaten keken mij aan van uit hunne oude vergulde
kaders, al die stille en verre menschen die geleefd hadden in tijden
van rust en onverstoorbaren vrede: grootvader met zijne
bakkebaarden en de roze hand op den hecht van zijn krommigen
officierssabel uit den tijd van Leopold I; Grootmoeder uit Holland,
met haar strak-gesloten mond vol stil-verbeten droefheid, haar
vader vocht in 't verre Indië en zij was vroeg verlaten en alleen;
Overgrootmoeder met de witte muts en de zware gouden halsketting
en de gouden horlogie op het blinkend zwart zijden kleed; een vroeg
gestorven tante uit Haspengouw, als een meisje, met een roode
roos in haar hand en een fijn juweeltje dat van uit de haarschijding
neerhing op haar maagdelijk voorhoofd tusschen de platgestreken
bandeaux. Ik was de eenige die hier overbleef om een laatste blik te
wisselen met hunne onveranderbare oogen, een laatste blik voor
dat die oude en vertrouwde gestalten voor eeuwig zouden vergaan
misschien in de verwoesting dezer stad!

Overal stonden of lagen voorwerpen die herinneringen opwekten
aan blijde en droeve dagen, aan verre reizen. Ik nam een
geciseleerde dolk in mijn handen dien ik eens meebracht uit een
duisteren juweelenwinkel van den Arminski Bazar te Tiflis. Mijne
vingers gleden langs een poolsch tapijt dat ik kocht in de oude
hallen van Krakow.

Ik bleef staan droomen voor een schilderij van mijn vriend Lefebvre,
een groot landschap dat in de voorkamer een heele wand bedekte.
Het was de Lente, de kerzelaars stonden in de bloem, een witte
weelde zoover de oogen gingen en heel kleintjes aan den einder
was daar een kerktorentje en wat huizen van Mortsel-dorp, waar
ik vroeger eens woonde. De zon speelde door die witte maagdelijkheid
en deed de purpere anemonen in de weiden tintelen van glans.
Het was een feest van kleuren en van licht. Het werd zoo dwaas
in dit angstig uur, het was om te huilen dat die kunst zoo onbewogen
bleef, vol paradijs-geluk, wanneer alles over enkele uren in elkaar kon
storten en de flarden van dit schilderij niet meer zouden te vinden
zijn onder de puinen en het stof of de verkoolde balken van dit huis.

Het is de tijd om aan alles vaarwel te zeggen. Het is de tijd om uit
zich zelf alleen te leven, om te weten, eens voor goed, dat niets
belang heeft dan onze eigen denkende, voelende, onsterfelijke ziel.
Wat heeft dit stoffelijk leven te beduiden? Waarom, als de bode van
de dood nu tijgend aan de deur staat, nog willen talmen en
uitrekenen dat het beter straks dan nu, over een jaar dan dezen
nacht zou zijn. Het ware laf een stond daarover te dubben of even
maar te aarzelen.

Wat is het zelfs dat deze schoone stad ten onder gaat wanneer
haar lot beslist is?

De historie moet haar verloop hebben. Daar is niets tegen te doen.
De O.L.V. Toren zal instorten wanneer zijn uur gekomen is. Rome
en Athene en Carthago zijn ook verwoest door overwinnende
legers. Andere steden zijn vergaan voor eeuwig. Het was noodig
om een nieuwe orde in de wereld.

Er gebeuren dingen waar wij of niemand op deze aarde de regeling
van bezitten. Wij zijn niet meester van het Lot. Zijn wij meester zelfs
over ons zelf? Alles is ijdel, alles is waan. God alleen bestaat en
regeert de wereld. Al wat gebeurt is aanbiddelijk en goed.

Er kwam berusting in mijn hart. Ik voelde geen haast meer, geene
drift, geene eigenliefde, geen verwijt tegen het lot. Ik sloeg mijn
mantel om, stak mijn tasch onder den arm, sloot de deur en trok de
straat op.

Het was omtrent acht uur. De stad lag doodsch en grijs alsof een
vroege nacht er reeds begon te dolen. Er waren bijna geen
menschen meer op de baan. De huizen al gesloten. Hier en daar
werd nog haastig een kelder met aarde en assche toegestampt,
bangelijk en geniepig. De winkelramen waren dicht gemaakt met
geel houten planken, andere die haastig nog de luiken voor kregen.

Het was tragisch die stad te zien liggen in de angstige verwachting
van hetgeen te gebeuren stond. Zij was gaaf nog en heel, maar
over een paar uren moesten de bommen, als een regen van vuur,
over haar nederkomen en de roode haan zou kraaien over hare
torens en huizen. Zij zou den inval kennen der Barbaren. Langs
hare straten en op hare pleinen zouden misschien de moorderijen
en de slachtingen herhaald worden van Aerschot, Dinant, Andenne,
Tamines, Leuven en Dendermonde. Dezen langen weerstand zou
de vijand doen uitboeten in een bad van bloed. De groote markt zou
de orgieën zien van vreugde-dronken overwinnaars, die Deutschland
ueber alles, brallend zouden zingen in den rossen gloed der oude
gildehuizen, als roode toortsen opbrandend naar den hemel.

Werktuiglijk stapte ik het centraal station binnen, als wilde ik weer,
lijk vroeger, de trein gaan vinden die mij, na de dagtaak, elken
avond voerde naar de verre rust der mastebosschen. Alle bareelen
stonden open, geen toezicht nergens meer. Het was geen uur om
nog een trein te treffen en toch ik vond er een die op vertrekken
stond naar Esschen. Ik kreeg een plaatsje in de volgepropte
wagens, De menschen waren zenuwachtig opgeruimd. Alles ging
zoo broederlijk gemeenzaam toe. De angst van 't oogenblik werd
als geloochend door de onverschillig en drukdoende tongen. Have
en goed werd weliswaar verlaten, maar 't was immers maar voor
korten tijd, en 't leek zoo aardig dat kosteloos reisje naar Holland.

De trein was in beweging gekomen, traag van de over groote
vracht. Ik zocht door de vensters een laatste glimp van O. L. V.
Toren die wit-grijs uitstak boven de daken op de sombere
avondlucht; de slanke naalden van Sint Josef spietsten boven de
duistere boomen van het park. Het stadszicht gleed voorbij en was
verzwonden, wij reden de donkere velden in.

Rond half tien was ik te Cappellenbosch. Hoe gelukkig scheen het
gele lamplicht mij tegen van uit het verre vaderhuis in den van-
geuren-loomen avondtuin. Ik vond mijn gezin weer gezeten rond de
wijde tafel met vrienden, die uit samenhoorigheidsgevoel, in deze
bange tijden, nu kwamen huizen onder ons dak.



XXIII-De Vlucht Der Honderd-Duizend



De nacht was over ons landhuis, de groote, heilige nacht, waarin
geen arbeid meer verricht wordt, zegt het Evangelie. Maar de
werklieden der duisternissen waren bezig. Rond middernacht, het
verschrikkelijk uur, begon het en de slapende aarde schokte van 't
geweld.

De ramen van mijn slaapvertrek stonden open en ik lag te luisteren
met een kloppend hart.

Het was of de donkere koepel van den nacht op een ontzettend
rythme geramd werd en de doffe bonzen nadreunden door de
ledige ruimte. En telkens volgde de stilte, zoeter na 't geweld, en
door het zwijgen van de lucht ging het gemurmel van de dennen,
het knerzelend schuren van twee takken op elkaar, het gorgelend
gekwaak van een late puid in den vijver... Ik zag de nachtelijke
blauwte met sterren boven de zwart-fluweelige boomkruinen... tot
weer klonk de mokerslag, almachtig, en de nachtkoepel trilde van
den donderenden schok.

Ik lag te druilen en te droomen en wanneer ik soms toch
indommelde vernam ik na een poos weerom het brommend geluid,
alsof het nader was gekomen, alsof een geweldige man nu
dringend op de zware huisdeur bonsde, zoodat de gang galmde als
een klok en de muren daverden.

En weer gewekt, ging mijn gedacht naar de verre stad. Elke schok
die hier werd gevoeld deed ginder een huis of een kerk misschien
instorten of opbranden in den nacht. Werd er mogelijk nog
gevochten, een radeloos tweegevecht door de laatste bres
tusschen de duitsche en de engelsche kanonnen. Ik luisterde en
wilde de donders onderscheiden van elkaar. Neen het was niet
mogelijk nog te blijven hopen. Het was telkens de zelfde slag,
dezelfde davering, dezelfde bons, als vernomen door dikke muren,
boemmm... boemmm... regelmatig, zonder ophouden, zonder
genade.

Toen de morgen klaarde, hoorde ik over den steenweg, voor ons
hof, het honderdvoudige gerucht van massa's in beweging: wagens
rolden over de kasseien, paardenhoeven stampten, honden blaften,
koeien loeiden lang en klagend, als riepen zij de weiden, en aldoor
ging het moede slepende geluid van duizenden voetzolen. Het was
het groot tumult van een heel volk dat verhuizde. Het was
aangekomen van ver uit de deemstering van den ochtend en het
zwol als het geruisch van vele waters, als de vloed van een zee
door een dijkbreuk en erbovenuit klonk, onverbiddelijk, het
ontzettend rythme van de verre losbrandingen boemmm...boemmm...

Wij waren allen vroeg op en zaten sprakeloos rond de groote tafel
ons morgenbrood te breken. Wij dachten aan Antwerpen dat
geen stad meer was maar een vuurpoel, wij dachten aan de
honderduizenden die vluchtten over alle wegen naar het Noorden.
Het oud moederken van onze vrienden lachtte krankzinnig met haar
oud doorrimpelde gezichtje en prevelde schietgebeden.

Ik liep den hof door, naar den straatweg toe en zag nu den
onafgebroken stoet van vluchtelingen trekken, ellendig! Paarden en
wagens, stootkarren en fietsen spoedden voorbij, als voortgezweept
onder de dreiging van een ijselijk onweer; kudden van beurelende
runders en kudden van angstige menschen; moeders die huilende
kinders voortsleepten aan beide handen, zonen die een lammen of
zieken vader op een kruiwagen vervoerden, luidjes die, met
vereende krachten, trokken of stieten aan karretjes, volgestapeld
met een paar stoelen, een tafel, een matras, een kacheltje, een
vogelkooi, mannen met afgetrapte zolen en barvoets, vrouwen met
krom-geloopen hooge hakken en een bebloemden en bepluimden
zomerhoed die afhing op hare losgeraakte haren, absurd.

Ik bleef staan kijken, als aan den grond genageld en de tranen
braken uit mijn oogen. Het was mijn volk dat vluchtte en die
duizenden joegen voort, als zinneloos en verloren, met rood-
vlammende gezichten, zij ijlden als verjaagde dieren die de dood
ontvluchten, alsof uhlanen met gevelde speer hun op de hielen
zaten; zij gingen met starre blikken en gebogen hoofden alsof de
zoldering van den hemel ging instorten bij 't gedaver van de aarde.
Want door den grond, onder de voeten der rampzaligen, ging, maar
aldoor voort, het sidderend gedreun der verre losbrandingen...
boemmm... boemmm... als een aanhoudend dreigement dat vloekte
door de lucht.

Het was een visioen van Isaïas! Het was een Dies irae vol
verschrikking, de Godsteistering van een heel volk.

Ik ging stroomopwaarts van de vliedende menigte. Hier en daar lag
een groepje te rusten aan den boord van den weg. Zij konnen niet
verder meer van ochtend. Er waren er die kwamen van Lier, van
Heijst-op-dea Berg, van Kessel... Er waren er die reeds acht volle
dagen vluchtten en onder den blooten hemel hadden geslapen.
Twee natiewagens van Antwerpen rolden nu traag voorbij met
trossen van mannen, vrouwen en kinders. Ik begon stilaan in de
vlucht enkele bekende gezichten te ontmoeten. Ja die menschen
had ik nog meer gezien. Die kwamen voorzeker reeds uit Antwerpen.
Ik hield ze staan praten. Zij woonden "op het Zuid". Zij waren van vier
uur in den morgen reeds op weg. Rond middernacht was het
bombardement begonnen. Het was om krankzinnig te worden in
de kelders, waar zij gevlucht hadden gezeten.

Uur na uur klonken de donders der ontploffingen en tusschenin
floten de bommen door de lucht, het was als een gehuil van katten
in den nacht, als het geklaag van moegemartelde kinderen en dan
weer ging de knal van een doeltreffend projectiel of smolten de
losbrandingen in elkaar tot een gebrom van onbeschrijfelijk geweld.
Door de keldermonden zagen zij den rooden gloed, door de
brandende huizen geprojecteerd, op den zwarten hemel der in
volledigste duisternissen gedompelde stad. De trompen der
brandweer-motorwagens gingen gillend door de straten, maar
alleen de stoomspuiten konden gebezigd worden in de nabij-de-
dokken-gelegen wijken, want iedereen wist dat, sedert den val van
Waelhem, de stad zonder water was. Verlaten honden huilden
jammerklagend en dan dreunde weer een bons, gevolgd door het
gekraak van honderden ruiten en het gekletter van den scherven-
regen op de kasseien. Er waren menschen die een Zeppelin
hadden zien drijven boven de stad, donker en afschuwelijk, als een
ontzaglijk monster dat het vernielingswerk bestuurde. Zij waren
eindelijk, vol angst en vrees uit hunne kelders gekropen en langs de
boulevards gevlucht. Het liep er toen reeds vol van volk. Over de
Zuiderlei, de Nijverheidslei, de Kunstlei, de Handelslei dreef de
onafgebroken stroom van allerlei rijtuigen, wagens en menschen in
de richting van het Noorden. Het was eene begankenis, eene
boetprocessie van rampzaligen; uit alle straten kwamen zij toe,
geladen met pakken en korven, met het allernoodigste of het
kostbaarste en meestbeminde dat zij hadden willen redden. Toen
brandden reeds vele huizen op het Zuid. In de Kasteelpleinstraat, in
de Tolstraat waren heele rijen, vlammend in elkaar gestort.
Bommen vielen dien nacht op het Gerechtshof en de Bank. Het
Museum stond in brand vertelde mij iemand en heel Berchem en
Zurenborg "lagen al plat".

Een oude dokwerker uit het schipperskwartier vertelde mij van de
vlucht die hij gezien had langs de Schelde. Trekschuiten,
mosselbakken, slepers, roeibooten, zeilschepen, al wat maar varen
kon werd gebruikt, om de verschrikking der beschoten en
brandende stad te ontkomen. De menschen sprongen van op de
hooge kaaimuren in de tot-zinkens-toe volgeladen vaartuigen. Het
was een wemeling van zwarte booten op de vlakte van den
breeden stroom in den rooden gloed der petroleum-tanks die
brandden in de richting van Hoboken.

Met een zwaar hart kwam ik weer op ons landhuis. De groote weide
rond den vijver lag vol grazende koeien. Eene witte huifkar was
tot voor de huistrappen gereden en twee boeren-gezinnen
kampeerden onder onze vensters. Zij kwamen van Berlaer en
hadden gevraagd om den nacht in onzen hof door te brengen. De
beesten konnen niet verder meer en de menschen waren dood-
vermoeid.

Ik vond mijn huisgenooten besloten van naar Engeland te trekken.
De pakken waren reeds gemaakt. De vlucht der honderdduizenden
werkte aanstekelijk. Het werd als een nood ons te mengen in den
naren aftocht, ons deel te nemen in het droeve lot van ons wreed-
geteisterde volk. Maar al die laatste handelingen gebeurden als in
slaapwandel terwijl, ginder ver, maar aldoor ging het doffe geblaf
der zware duitsche kanonnen.

Ik dacht aan de duizenden vluchtelingen die op dat zelfde oogenblik
op weg moesten zijn door Vlaanderen, langs alle wegen, naar de
zee. Een half millioen menschen zonder dak te midden der herrie
van een aftrekkend leger van afgebeulde soldaten en moeizaam
voortrollende oorlogswagens.



XXIV-Op Den Weg Der Ballingschap



De dag ging voorbij en de avond begon te dalen. Nog immer
gonsde het rumoer der vlucht over den steenweg. Ik zag het witte
hoofd van mijn ouden vader uitsteken tusschen de perelaars van
zijn moestuin. Nog wrocht hij met zijn hakje om wat onkruid te
wieden langsheen de groenten-bedden. Hij kon van zijn hof niet
scheiden.

Maar het uur was gekomen. Ik zag vader, na een laatsten oogslag
op zijne boomen naar het huis toewandelen met zijn tragen zekeren
stap. Ik hoorde hem buiten achter den muur nog eenige laatste
aanduidingen geven voor het verzorgen der planten en het bergen
van de bloemknollen. Dan trad hij de kamer binnen.

--"Zijn wij gereed", vroeg hij "en is er niets vergeten? Dan zullen wij
maar optrekken."

Voor de achterdeur van het huis stond een karretje gereed met een
ezel, armelijk gespan dat door de boeren, die den nacht op ons
goed zouden doorbrengen, geleend werd om ons gepak tot aan de
grens te voeren. Alles was reeds opgeladen. Het oud moederken
werd vooraan gezet en liet haar kinderen lijdzaam met haar begaan.
Onze vrienden stonden al buiten te wachten. Een oude benediktijner
 monnik uit het nabijgelegen klooster, die ons op 't laatste oogenblik
kwam bezoeken, zou nu meeloopen tot aan Putte. Moeder en mijn
zuster zochten nog iets boven, ik stak nog een boek in mijn zak.
Vader knoopte zijn overjas toe, zette zijn groote, zwarten vilt op
en greep naar zijn wandelstok, den pelgrimstaf voortaan.

Wij waren buiten. Vader sloot de deur en zorgzaam als altijd borg hij
den sleutel alsof hij over een paar weken ons weer behouden terug
ging brengen naar zijn huis.

Hij zou die gesloten deur nooit meer openen weerom....

--"Wij zullen langs den boschkant gaan", zei hij, "dan ontkomen wij 't
gewoel". Hij was de geleider die de wegen kende en hij ging voorop
met zijn nog kloeken, vasten stap. De kleine karavaan volgde.

Wij moesten nog een tijdje langs den steenweg. Het vluchten der
honderdduizenden duurde daar maar aldoor voort. Strompelend
spoedden de menschen den dreigenden avond in. Er reed een
stootkar aan ons voorbij, waarboven, op een matras, een oude man
bewustloos neerlag met een wasgeel onbewogen gelaat en toeë
oogën. Was het een stervende of reeds een lijk dat daar werd
weggevoerd? Uit het duister van een groepje dennen klonken de
snijdende hulpkreten vam eene vrouw in barensnood. Honden
huilden naar den kwijnenden hemel en in de verte ging, zonder
ophouden, het doffe brommen van 't kanon.

Wij namen een zijweg langs den boschkant naast de
Calmpthoutsche heide, die eindelooze heide waar ik zoo dikwijls, in
den vroegen morgen, te paard was doorgedraafd en waar mijn
oogen nu het "Huis ten Heuvel" zochten van mijn vriend Em. de
Bom...

Ik zag een groepje jonge antwerpsche schilders met pak en zak, de
wijde rosse vlakte intrekken, in de richting van de Kambuis. In de
verte staken nog de witte duintoppen omhoog in de laatste klaarte.

Klein en hulpeloos was onze vlucht tegen de lage sparreboomen,
waar de nacht reeds woonde. Soms glom een lichtje daar binnen
van een vuurtje of een kaars en de omzittende menschen deden
aan als roovers uit een angstige vertelling. Wij gingen door het
mulle zand met de knerzelende mastspelden. In den staal-blauwen
koepel, over de heide, ontvonkten de eerste starren. Ik dacht aan
een Kerstnacht... wanneer, langs alle wegen, de volkeren op weg
waren voor de optelling van Caesar Augustus. Reisden wij ook niet
naar eene optelling van alle doolaards door de wijde wereld? De
kleine koewachter had moeite om ons ezelken voort te drijven en
wij moesten duwen soms aan het piepende karretje met onze
pakken en het krankzinnig-lachende oude moederken. De grijze
monnik met zijn zwarte pij en de afhangende kap scheen wel Sint
Jozef, zooals hij ging, ietwat gebogen, onder zijn grooten hoed,
langsheen de diepe grauwe vlakte. De jonge vrouw van een onzer
vrienden droeg een kindje onder haar hart. Zouden wij wel plaats
vinden in een gasthof dezen nacht en in welken verlaten stal ging
dat nieuwe kindje geboren worden?

Wij kwamen aan de nederlandsche grens. Hier liepen wij verloren in
den immer-zwellenden stroom van vluchtelingen, die in dichte
massa's aandrongen op de grens-bareelen. Maar hier waren
soldaten die vriendelijk deden met de menschen. Wij stapten
verademend en haast-gelukkig op nederlanschen bodem.

Toen blikten wij terug naar het Zuiden. Boven de vlakke landen, aan
den einder, waaierde wijd, den hoogen hemel in, een ontzaglijke
aureool die, frambozig-roos, naar alle kanten den lucht-koepel
begloorde. Antwerpen brandde achter de kim en onze verbijsterde
gezichten zagen rood van het verre vuur.

Wij namen afscheid van den goeden ouden pater en hij trok met
den koewachter, het ezelken en het piepende karretje weer terug
naar het donkere van kanon-gebulder doorvloekte land.

Nergens was er nog plaats, zelfs maar een stoel te vinden in de
dorpsherbergen. Zoo zat er alles volgepropt. Onder het borstbeeld
van Jordaens--den vlammenden schilder der vlaamsche vreugde,
die vroeger zoo gemoedelijk lachend neerzag op de luidruchtige
kermissen van Putte en de rondedansen van boeren en stedelingen,
onder het gewaai der vlaggen en bij het gespeel der zinderende
muziek--lagen nu de moede kudden van de ontelbare dakloozen,
neergehurkt in stomme lijdzaamheid.

Een jonge luitenant van de hollandsche grenswacht, die van den
kerktoren kwam daarover, vertelde ons wat hij gezien had van de
verre gloeiende stad.

--"Staat O. L. V. toren nog recht?" vroeg mijn zuster.

Waarachtig het was het eenige dat ons nog bekommerde van al
wat wij ginder achter lieten.

--"Ja, goddank, geen enkele toren werd getroffen, maar het brandt
schier overal, groote rookwolken gaan op ten zuiden van de stad"
zoo zei de luitenant en hij ging vriendelijk voort met ons te praten.
Hij moest met zijn motocyclette naar Bergen-op-Zoom. Hij zou een
auto voor ons doen komen. Onze vrienden vonden bij hunne
Putsche familie een onderkomen voor den nacht. Wij bleven daar
wachten ook tot de beloofde auto kwam, die ons veilig voerde naar
het eerste hollandsche stadje.

Wij keken door de ramen naar den verren gloed aan den einder, het
ontzettend vreugdevuur bij den triomf der vijanden van ons land.
Vader en moeder die over ons zaten, kwamen mij plots veel ouder
voor, nu die ontwortelde menschen schommelend reden door den
nacht, op den weg der ballingschap, het onbekende te gemoet.

Dienzelfden avond konden wij nog vertrekken met den trein naar
Middelburg en, diep in den nacht, werden wij daar onthaald door
hartelijke menschen die ons brachten naar een gastvrij huisje, in de
Lange Delft.

 's Anderdaags werden wij wakker bij de klingelende muziek van
vele klokjes op den toren van 't Stadhuis. Dat geluid van vrede
stemde ons weemoedig, na al wat wij ondervonden van den oorlog.

Wij bleven daar tot zondag ochtend eer wij weg konnen naar
Londen. De rust van het aardige schilderachtige stadje, de genegen
goedheid van de menschen die ons herbergden, waren een troost
voor onze pijnlijk-geschokte harten. Ik liep te dwalen langs de oude
straatjes met de lachende glimmende huizekens. Ik zag de oude
ruime kerk als een schilderij van Saenredam,--van bleek ivoor
schenen de zware zuilen en de hooge wanden met paarse schaduwen
hier en daar, blauw en rozig lagen de vlakke plavuizen, lichtblauw was
de hemel door de in-lood-gevatte ruitjes van de spitsboogramen,
huisnokken en roode daken schemerden daar door en heldere dag
gleed langs de koperen kroonluchters en de kleurige schilden in de
zwarte lijsten. Ik wandelde langs de rechte kanalen van het eiland
Walcheren. Vlak en vreedzaam lagen, beneden de dijken, de groene
weiden vol grazend vee. Ik wilde weer rustig worden, den oorlog
vergeten. Het kon niet lang meer duren toch...

Zaterdag avond, 10 October, had ik te mijmeren gezeten op het
rustige binnenhof met de roode klinksteenen van de oude abdij
waar de najaarsblaren rezen, waar de beiaard-liedekens en de
vrome zware stem van de kerkklok klonken als rustige stemmen uit
den hoogen hemel boven de karteling van huizen en gekanteelde
muren.

Ik ging weer aankloppen in de Lange Delft. Onze gastvrouw stak mij
sprakeloos een kranten-buletin toe: Antwerpen was overgegeven!
De Duitschers hadden hunne intree gedaan binnen onze stad. Ik
liep naar boven. Vader stond sprakeloos door het venster te turen.
Moeder en zuster weenden.

Antwerpen was gevallen!

Neuilly-sur-Seine, Lente 1917.


Het Einde





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "De val van Antwerpen (october 1914)" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home