Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Max Havelaar - Of de koffiveilingen der Nederlandsche Handelsmaatschappy
Author: Multatuli, 1820-1887
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Max Havelaar - Of de koffiveilingen der Nederlandsche Handelsmaatschappy" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



             MAX HAVELAAR


                OF DE

            KOFFIVEILINGEN

                 DER

      NEDERLANDSCHE HANDELMAATSCHAPPY

                 DOOR

               MULTATULI


                AAN DE

        DIEP VEREERDE NAGEDACHTENIS

                 VAN

   EVERDINE HUBERTE BARONESSE VAN WYNBERGEN

                  DER

              TROUWE GADE

                  DER

       HELDHAFTIGE LIEFDEVOLLE MOEDER

                  DER

              EDELE VROUW



   "J'ai souvent entendu plaindre les femmes de poëte, et sans doute,
   pour tenir dignement dans la vie ce difficile emploi, aucune qualité
   n'est de trop. Le plus rare ensemble de mérites n'est que le strict
   nécessaire, et ne suffit même pas toujours au commun bonheur. Voir
   sans cesse la muse en tiers dans vos plus familiers entretiens,
   --recueiller dans ses bras et soigner ce poëte qui est votre mari,
   quand il vous revient meurtri par les déceptions de sa tâche;--ou bien
   le voir s'envoler à la poursuite de sa chimère ...  voilà l'ordinaire
   de l'existence pour une femme de poëte. Oui, mais aussi il y a le
   chapître des compensations, l'heure des lauriers  qu'il a gagnés à la
   sueur de son génie, et qu'il dépose pieusement aux pieds de la femme
   légitimement aimée, aux genoux de l'Antigone  qui sert de guide en ce
   monde à cet "aveugle errant;"--

   Car, ne vous-y-trompez pas: presque tous les petits-fils d'Homère
   sont plus ou moins aveugles à leur façon;--ils voient ce que nous ne
   voyons pas; leurs regards pénètrent plus haut et plus au fond que les
   nôtres; mais ils ne savent pas voir droit devant eux leur petit
   bonhomme de chemin, et ils seraient capables de trébucher et de se
   casser le nez sur le moindre caillou, s'il leur fallait cheminer sans
   soutien, dans ces vallées de prose où demeure la vie."

   (HENRY DE PÈNE)


GERECHTSDIENAAR. Mynheer de rechter, daar is de man die _Barbertje_
vermoord heeft.

RECHTER. Die man moet hangen. Hoe heeft hy dat aangelegd?

GERECHTSDIENAAR. Hy heeft haar in kleine stukjes gesneden, en
ingezouten.

RECHTER. Daaraan heeft hy zeer verkeerd gedaan. Hy moet hangen.

LOTHARIO. Rechter, ik heb _Barbertje_ niet vermoord! Ik heb haar gevoed
en gekleed en verzorgd. Er zyn getuigen die verklaren zullen dat ik 'n
goed mensch ben, en geen moordenaar.

RECHTER. Man, ge moet hangen! Ge verzwaart uw misdaad door eigenwaan.
Het past niet aan iemand die ... van iets beschuldigd is, zich voor 'n
goed mensch te houden.

LOTHARIO. Maar, rechter, er zyn getuigen die het zullen bevestigen. En
daar ik nu beschuldigd ben van moord ...

RECHTER. Ge moet hangen! Ge hebt _Barbertje_ stukgesneden, ingezouten,
en zyt ingenomen met uzelf ... drie kapitale delikten! Wie zyt
ge, vrouwtje?

VROUWTJE. Ik ben _Barbertje_.

LOTHARIO. Goddank! Rechter, ge ziet dat ik haar niet vermoord heb!

RECHTER. Hm ... ja ... zoo! Maar het inzouten?

BARBERTJE. Neen, rechter, hy heeft me niet ingezouten. Hy heeft my
integendeel veel goeds gedaan. Hy is 'n edel mensch!

LOTHARIO. Ge hoort het, rechter, ze zegt dat ik 'n goed mensch ben.

RECHTER. Hm ... het _derde_ punt blyft dus bestaan. Gerechtsdienaar,
voer dien man weg, hy moet hangen. Hy is schuldig aan eigenwaan.
Griffier, citeer in de praemissen de jurisprudentie van _Lessing's_
patriarch.

_(Onuitgegeven Tooneelspel)_



EERSTE HOOFDSTUK[1]


Ik ben makelaar in koffi, en woon op de Lauriergracht, N° 37. Het is myn
gewoonte niet, romans te schryven, of zulke dingen, en het heeft dan ook
lang geduurd, voor ik er toe overging een paar riem papier extra te
bestellen, en het werk aantevangen, dat gy, lieve lezer, zoo-even in de
hand hebt genomen, en dat ge lezen moet als ge makelaar in koffi zyt, of
als ge wat anders zyt. Niet alleen dat ik nooit iets schreef wat naar
een roman geleek, maar ik houd er zelfs niet van, iets dergelyks te lezen,
omdat ik een man van zaken ben. Sedert jaren vraag ik my af, waartoe zulke
dingen dienen, en ik sta verbaasd over de onbeschaamdheid, waarmede een
dichter of romanverteller u iets op de mouw durft spelden, dat nooit
gebeurd is, en meestal niet gebeuren kan. Als ik in _myn_ vak--ik ben
makelaar in koffi, en woon op de Lauriergracht N° 37--aan een principaal
--een principaal is iemand die koffi verkoopt--een opgave deed, waarin
maar een klein gedeelte der onwaarheden voorkwam, die in gedichten en
romans de hoofdzaak uitmaken, zou hy terstond Busselinck & Waterman nemen.
Dat zyn ook makelaars in koffi, doch hun adres behoeft ge niet te weten.
Ik pas er dus wel op, dat ik geen romans schryf, of andere valsche opgaven
doe. Ik heb dan ook altyd opgemerkt dat menschen die zich met zoo-iets
inlaten, gewoonlyk slecht wegkomen. Ik ben drie en veertig jaren oud,
bezoek sedert twintig jaren de beurs, en kan dus voor den dag treden, als
men iemand roept die ondervinding heeft. Ik heb al wat huizen zien vallen!
En gewoonlyk, wanneer ik de oorzaken naging, kwam het me voor, dat die
moesten gezocht worden in de verkeerde richting die aan de meesten gegeven
was in hun jeugd.

Ik zeg: _waarheid en gezond verstand_, en hier blyf ik by. Voor de
_Schrift_ maak ik natuurlyk een uitzondering. De fout begint al van
Van Alphen af, en wel terstond by den eersten regel over die "_lieve
wichtjes_." Wat drommel kon dien ouden heer bewegen, zich uittegeven
voor een aanbidder van myn zusje Truitje die zeere oogen had, of van myn
broêr Gerrit die altyd met zyn neus speelde? En toch, hy zegt: "dat hy
die versjes zong, door _liefde_ gedrongen." Ik dacht dikwyls als kind:
"man, ik wilde u graag eens ontmoeten, en als ge my de marmerknikkers
weigerde, die ik u vragen zou, of myn naam voluit in banket--ik heet
_Batavus_--dan houd ik u voor een leugenaar. Maar ik heb Van Alphen
nooit gezien. Hy was al dood, geloof ik, toen hy ons vertelde dat myn
vader myn beste vrind was--ik hield meer van Pauweltje Winser, die
naast ons woonde in de Batavierstraat--en dat myn kleine hond zoo
dankbaar was. We hielden geen honden, omdat ze zoo onzindelyk zyn.

Alles leugens! Zoo gaat dan de opvoeding voort. Het nieuwe zusjen is van
de groenvrouw gekomen in een groote kool. Alle Hollanders zyn dapper en
edelmoedig. De Romeinen waren bly dat de Batavieren hen lieten leven.
De Bey van Tunis kreeg een kolyk als hy het wapperen hoorde van de
nederlandsche vlag. De hertog van Alva was een ondier. De eb, in 1672
geloof ik, duurde wat langer dan gewoonlyk, expres om Nederland te
beschermen. Leugens! Nederland is _Nederland_ gebleven, omdat onze oude
luî goed op hun zaken pasten, en omdat ze het ware geloof hadden. Dàt
is de zaak!

En dan komen later weer andere leugens. Een meisjen is een engel. Wie
dit het eerst ontdekte, heeft nooit zusters gehad. Liefde is een
zaligheid. Men vlucht met het een of ander voorwerp naar het einde der
aarde. De aarde heeft geen einden, en die liefde is ook gekheid. Niemand
kan zeggen dat ik niet goed leef met myn vrouw--zy is een dochter van
Last & Co, makelaars in koffi--niemand kan iets op ons huwelyk aanmerken.
Ik ben lid van _Artis_, zy heeft een sjaallong van twee-en-negentig
gulden, en van zulk een malle liefde die volstrekt aan het einde der
aarde wil wonen, is toch tusschen ons nooit spraak geweest. Toen we
getrouwd zyn, hebben wy een toertje naar den Haag gemaakt--ze heeft daar
flanel gekocht, waarvan ik nog borstrokken draag--en verder heeft ons de
liefde nooit de wereld ingejaagd. Dus: alles gekheid en leugens!

En zou _myn_ huwelyk nu minder gelukkig wezen, dan van de menschen die
zich uit liefde de tering op den hals haalden, of de haren uit het
hoofd? Of denkt ge dat myn huishouden iets minder wel geregeld is, dan
het wezen zou als ik voor zeventien jaar myn meisjen in _verzen_ gezegd
had dat ik haar trouwen wilde? Gekheid! Ik had dit toch even goed kunnen
doen als ieder ander, want verzenmaken is een ambacht, zeker minder
moeielyk dan ivoordraaien. Hoe zouden anders de ulevellen met deviezen
zoo goedkoop wezen?--Frits zegt: "_Uhlefeldjes_" ik weet niet, waarom?
--En vraag eens naar den prys van een stel billardballen!

Ik heb niets tegen verzen op-zichzelf. Wil men de woorden in gelid
't zetten, goed! Maar zeg niets wat niet waar is. "_De lucht is guur,
en 't is vier uur_." Dit laat ik gelden, als het werkelijk _guur_ en
_vier uur_ is. Maar als 't kwartier voor drieën is, kan ik, die myn
woorden niet in 't gelid zet, zeggen: "_de lucht is guur, en 't is
kwartier voor drieën_." De verzenmaker is door de _guurheid_ van den
eersten regel aan een vol uur gebonden. Het moet voor hem juist _een,
twee_ uur, enz. wezen, of de lucht mag niet guur zyn. _Zeven_ en _negen_
is verboden door de maat. Daar gaat hy dan aan 't knoeien! Of het weêr
moet veranderd, òf de tyd. Eén van beiden is dan gelogen.

En niet alleen die verzen lokken de jeugd tot onwaarheid. Ga eens in den
schouwburg, en luister dáár wat er voor leugens aan den man worden
gebracht. De held van 't stuk wordt uit het water gehaald door iemand
die op 't punt staat bankroet te maken. Dan geeft hy hem zyn halve
vermogen. Dat kan niet waar zyn. Toen onlangs op de Prinsengracht myn
hoed te-water woei--Frits zegt: _waaide_--heb ik den man die hem my
terugbracht, een dubbeltje gegeven; en hy was tevreden. Ik weet wel dat
ik iets meer had moeten geven als hy myzelf er uit gehaald had, maar
zeker myn halve vermogen niet. 't Is immers duidelyk dat men op die wys
maar tweemaal in 't water hoeft te vallen om doodarm te wezen. Wat het
ergste is by zulke vertooningen op het tooneel, het publiek gewent zich
zóó aan al die onwaarheden, dat het ze mooi vindt en toejuicht. Ik had
weleens lust zoo'n heel parterre in 't water te gooien, om te zien wie
dat toe juichen gemeend had. Ik, die van waarheid houd, waarschuw ieder
dat ik voor 't opvisschen van myn persoon geen zoo hoog bergloon betalen
wil. Wie met minder niet tevreden is, mag me laten liggen. Alleen Zondags
zou ik iets meer geven, omdat ik dan myn kantilje ketting draag, en een
anderen rok.

Ja, dat tooneel bederft velen, meer nog dan de romans. Het is zoo
aanschouwelyk! Met wat klatergoud en wat kant van uitgeslagen papier,
ziet er dat alles zoo aanlokkelyk uit. Voor kinderen, meen ik, en voor
menschen die niet in zaken zyn. Zelfs als die tooneelmenschen armoede
willen voorstellen, is hun voorstelling altyd leugenachtig. Een meisje
wier vader bankroet maakte, werkt om de familie te onderhouden. Heel
goed. Daar zit ze dan te naaien, te breien of te borduren. Maar tel nu
eens de steken die ze doet gedurende het heele bedryf. Ze praat, ze
zucht, ze loopt naar 't venster, maar werken doet ze niet. De familie
die van dezen arbeid leven kan, heeft weinig noodig. Zoo'n meisjen is
natuurlyk de heldin. Ze heeft eenige verleiders de trappen afgeworpen,
ze roept gedurig: "o myne moeder, o, myne moeder!" en stelt dus de deugd
voor. Wat is dat voor een deugd, die een vol jaar noodig heeft voor een
paar wollen kousen? Geeft dit alles niet valsche denkbeelden van deugd,
en "_werken voor den kost?_" Alles gekheid en leugens!

Dan komt haar eerste minnaar--die vroeger klerk was aan 't kopieboek,
maar nu schatryk--op-eens terug, en trouwt haar. Ook weer leugens. Wie
geld heeft, trouwt geen meisjen uit een gefailleerd huis. En als ge
meent, dat dit op het tooneel er dóór kan als uitzondering, blyft toch
myn aanmerking bestaan, dat men den zin voor waarheid bederft by het
volk, dat de uitzondering als regel aanneemt, en dat men de publieke
zedelykheid ondermynt, door het te gewennen iets toetejuichen op het
_tooneel_, wat door elk fatsoenlyk makelaar of koopman voor een
bespottelyke krankzinnigheid wordt gehouden in de _wereld_. Toen _ik_
trouwde, waren wy op 't kantoor van myn schoonvader--Last & Co--met ons
dertienen, en er ging wat om!

En nog meer leugens op het tooneel. Als de held met zyn styven komediestap
weggaat om 't verdrukte vaderland te redden, waarom gaat dan de dubbele
achterdeur altyd vanzelf open? En verder, hoe kan de persoon die in verzen
spreekt, voorzien wat de ander te antwoorden heeft, om hem 't rym gemakkelyk
te maken? Als de veldheer tot de prinses Zegt: "_mevrouw, het is te laat,
de poorten zyn gesloten_" hoe kan hy dan vooruit weten, dat zy zeggen wil:
"_welaan dan, onversaagd, men doe het zwaard ontblooten?_" Want als zy nu
eens, hoorende dat de poort toe was, antwoordde dat ze dan wat wachten zou
tot er geopend werd, of dat zy een andermaal eens terug zou komen, waar
bleef dan maat en rym? Is het dus niet een pure leugen, als de veldheer de
prinses vragend aanziet, om te weten wat ze doen wil na 't poortsluiten?
Nog-eens: als 't mensch nu eens lust had gehad te gaan slapen, in plaats
van iets te ontblooten? Alles leugens!

En dan die beloonde deugd! O, o, o! Ik ben sedert zeventien jaren
makelaar in koffi--Lauriergracht, N° 37--en heb dus al zoo-iets
bygewoond, maar het stuit my altyd vreeselyk, als ik de goede lieve
waarheid zóó zie verdraaien. Beloonde deugd? Is 't niet om van de deugd
een handelsartikel te maken? Het _is_ zoo niet in de wereld, en 't is
_goed_ dat het niet zoo is. Want waar bleef de verdienste, als de deugd
beloond werd? Waartoe dus die infame leugens altyd voorgewend?

Daar is by-voorbeeld Lukas, onze pakhuisknecht, die reeds by den vader
van Last & Co heeft gewerkt--de firma was toen Last & Meyer, maar de
Meyers zyn er lang uit--dàt was dan toch wel een deugdzaam man. Geen
boon kwam er ooit te-kort, hy ging stipt naar de kerk, en drinken deed
hy niet. Als myn schoonvader te Driebergen was, bewaarde hy het huis, en
de kas, en alles. Eens heeft hy aan de Bank zeventien gulden te veel
ontvangen, en, hy bracht ze terug. Hy is nu oud en jichtig, en kan niet
meer dienen. Nu heeft hy niets, want er gaat veel by ons om, en we
hebben jong volk noodig. Welnu, ik houd dien Lukas voor zeer deugdzaam,
maar wordt hy nu beloond? Komt er een prins die hem diamanten geeft, of
een fee die hem boterhammen smeert? Waarachtig niet! Hy is arm, en blyft
arm, en dit moet ook zoo wezen. _Ik_ kan hem niet helpen--want we hebben
jong volk noodig, omdat er zooveel by ons omgaat--maar al _kon_ ik, waar
bleef zyn verdienste, als hy nu op zyn ouden dag een gemakkelyk leven
leiden kon? Dan zouden alle pakhuisknechts wel deugdzaam worden, en
iedereen, hetgeen Gods bedoeling niet wezen kan, omdat er dan geen
byzondere belooning voor de braven overbleef hier-namaals. Maar op een
tooneel verdraaien ze dat ... alles leugens!

_Ik_ ben ook deugdzaam, maar vraag ik hiervoor belooning? Als myn zaken
goed gaan--en dit doen ze--als myn vrouw en kinderen gezond zyn, zoodat
ik geen gemaal heb met dokter en apteker ... als ik jaar-in jaar-uit een
sommetje kan ter-zy leggen voor den ouden dag ... als Frits knap opgroeit,
om later in myn plaats te komen als ik naar Driebergen ga ... zie, dan
ben ik heel tevreden. Maar dit alles is een natuurlyk gevolg van de
omstandigheden, en omdat ik op de zaken pas. Voor myn deugd eisch ik niets.

En dat ik toch deugdzaam bèn, blykt uit myn liefde voor de waarheid.
Deze is, na myn gehechtheid aan het geloof, myn hoofdneiging. En ik
wenschte dat ge hiervan overtuigd waart, lezer, omdat het de
verontschuldiging is voor 't schryven van dit boek.

Een tweede neiging, die my even sterk als waarheidsliefde beheerscht, is
de hartstocht voor myn vak. Ik ben namelyk makelaar in koffi, Lauriergracht
N° 37. Welnu, lezer, aan myn onkreukbare liefde voor de waarheid, en aan
myn yver voor de zaken, hebt gy te danken dat deze bladen geschreven zyn.
Ik zal u vertellen hoe dit is toegegaan. Daar ik nu voor 't oogenblik
afscheid van u neem--ik moet naar de beurs--noodig ik u straks op een
tweede hoofdstuk. Tot weerziens dus!

Eilieve, steek het by u ...'t is een kleine moeite ... het kan te-pas
komen ... ei zie, daar is het: een adreskaartje! Die Co ben ik, sedert
de _Meyers_ er uit zyn ... de oude Last is myn schoonvader.


        _______________________________
       |                               |
       |          LAST & Co            |
       |                               |
       |      MAKELAARS IN KOFFI       |
       |                               |
       |     Lauriergracht, N° 37      |
       |_______________________________|



TWEEDE HOOFDSTUK


Het was slap op de beurs, maar de voorjaarsveiling zal 't wel goed maken.
Denk niet dat er niets by ons omgaat. By Busselinck & Waterman is 't nog
slapper. Een vreemde wereld! Men woont zoo iets by, als men zoo'n twintig
jaren de beurs bezoekt. Verbeeld u dat ze daar getracht hebben--Busselinck
& Waterman, meen ik--my Ludwig Stern aftenemen. Daar ik niet weet of gy
aan de beurs bekend zyt, wil ik u even zeggen dat Stern een eerst huis
is in koffi te Hamburg, dat altyd door Last & Co is bediend geworden.
Heel toevallig kwam ik daar achter ... ik meen achter de knoeiery van
Busselinck & Waterman. Zy zouden een kwart procent van de courtage laten
vallen--onderkruipers zyn het, anders niet!--en zie nu eens wat ik gedaan
heb om dien slag afteweren. Een ander in myn plaats had misschien aan
Ludwig Stern geschreven dat hy ook wat zou laten vallen, dat hy hoopte op
konsideratie om de langdurige diensten van Last & Co ... ik heb uitgerekend
dat de firma, sedert ruim vyftig jaren, vier ton aan Stern verdiend heeft.
Die konnexie dateert van 't kontinentaal stelsel, toen wy dekoloniale waren
insmokkelden van Helgoland. Ja, wie weet wat 'n ander al zoo zou geschreven
hebben. Maar neen, onderkruipen doe ik niet. Ik ben naar _Polen_ gegaan[2]
liet me pen en papier geven, en schreef:

    _Dat de groote uitbreiding die onze zaken den laatsten tyd genomen
    hadden, vooral door de vele geëerde orders uit Noord-Duitschland_  ...

't Is de zuivere waarheid!

     ..._dat die uitbreiding eenige vermeerdering van ons personeel
    noodzakelyk maakte_.

't Is de waarheid! Gister-avend nog was de boekhouder na elven op
't kantoor, om zyn bril te zoeken.

    _Dat vooral zich de behoefte deed gevoelen aan fatsoenlyke,
    welopgevoede jongelieden, voor de korrespondentie in het duitsch.
    Dat wel-is-waar veel duitsche jongelingen, in Amsterdam aanwezig,
    hiertoe de vereischte bekwaamheden bezaten, maar dat een huis dat
    zich respekteert_  ...

't Is de zuivere waarheid!

   ..._by de toenemende ligtzinnigheid en onzedelykheid onder de jeugd,
   by het dagelyks aangroeien van het getal fortuinzoekers, en met het
   oog op de noodzakeijkheid om soliditeit van gedrag, hand-aan-hand te
   doen gaan met soliditeit in de uitvoering, van de gegeven orders_ ...

't Is, waarachtig, alles de zuivere waarheid!

     ..._dat zulk een huis_--ik bedoel Last & Co, makelaars in koffi,
    Lauriergracht N°. 37--_niet omzichtig genoeg wezen kon met het
    engageeren van sujetten_.

Dit alles is de zuivere waarheid, lezer! Weet ge wel, dat de jonge
Duitscher, die op de beurs by pilaar 17 stond, weggeloopen is met de
dochter van Busselinck & Waterman? Onze Marie wordt ook al dertien in
September.

   ..._dat ik de eer had gehad van den heer Saffeler te vernemen_
   --Saffeler reist voor Stern--_dat de geachte chef der firma, de heer
   Ludwig Stern, een zoon had, den heer Ernest Stern, die ter volmaking
   zyner kommercieele kennis, eenigen tyd in een hollandsch huis
   wenschte geëmploieerd te zyn. Dat ik met het oog op_ ...

Hier herhaalde ik weer al die onzedelykheid, en vertelde de geschiedenis
der dochter van Busselinck & Waterman. Niet om iemand zwart te maken ...
neen, bekladden ligt nu juist heelemaal niet in myn manier! Maar ... het
kan nooit kwaad dat ze 't weten, dunkt me.

   ..._dat ik met het oog dáárop, niets liever wenschte dan den heer
   Ernest Stern belast te zien met de duitsche korrespondentie van ons
   huis_.

Uit kiesheid vermeed ik alle toespeling op honorarium of salaris. Maar ik
voegde er by:

   _Dat, indien de heer Ernest Stern het verblyf ten onzen huize
   --Lauriergracht N° 37--wilde voor lief nemen, myn vrouw zich bereid
   verklaarde als een moeder voor hem te zorgen, en dat zyn linnengoed
   in huis zou versteld worden_.

Dit is de zuivere waarheid, want Marie stopt en maast heel lief. En
ten-slotte:

   _Dat by ons de Heer gediend werd_.[3]

Die kan hy in zyn zak steken, want de Sterns zyn Luthersch. En ik
verzond myn brief. Ge begrypt dat de oude Stern niet goedschiks by
Busselinck & Waterman kan overgaan, als de jonge by ons aan 't kantoor
is. Ik ben zeer benieuwd naar het antwoord.

Om nu terug te komen op myn boek. Voor eenigen tyd kom ik 's avends door
de Kalverstraat, en bleef staan kyken naar den winkel van een kruienier,
die zich bezighield met het sorteeren van een partytje _Java, ordinair,
mooi-geel, Cheribonaard, iets gebroken, met veegsel_, dat me zeer
interesseerde, want ik let altyd op alles. Daar viel my op-eenmaal een
heer in 't oog, die daarnaast voor een boekwinkel stond en me bekend
voorkwam. Hy scheen ook my te herkennen, want onze blikken ontmoetten
elkander gedurig. Ik moet betuigen dat ik te verdiept was in 't veegsel,
om terstond optemerken, wat ik namelyk later zag, dat hy vry kaal in de
kleeren stak. Anders had ik de zaak daarby gelaten. Maar op-eens schoot
my de gedachte in, dat hy misschien reiziger was van een duitsch huis,
die een solieden makelaar zocht. Hy had dan ook wel iets van een
Duitscher, en van een reiziger ook. Hy was zeer blond, had blauwe oogen,
en in houding en kleeding iets dat den vreemdeling verraadde. In-plaats
van een behoorlyken winterjas, hing hem een soort van sjaal over den
schouder--Frits zegt "shawl" maar dit doe ik niet--alsof hy zoo van de
reis kwam. Ik meende een klant te zien, en gaf hem een adreskaartje:
_Last & Co, makelaars in koffi, Lauriergracht N° 37_. Hy hield het by
de gasvlam, en zeide: "ik dank u, maar ik heb me vergist. Ik dacht het
genoegen te hebben een ouden schoolkameraad voor me te zien, maar ...
_Last_? Dit is de naam niet."

--Pardon, zei ik--want ik ben altyd beleefd--ik ben m'nheer Droogstoppel,
Batavus Droogstoppel. _Last en Co_ is de firma, makelaars in koffi,
Lauriergr ...

--Wel, Droogstoppel, kent ge my niet meer? Zie my eens goed aan.

Hoe meer ik hem aanzag, hoe meer ik my herinnerde hem meer gezien te
hebben. Maar, zonderling, zyn gelaat deed my de uitwerking alsof ik
vreemde parfumerien rook. Lach hier niet om, lezer, straks zult ge zien
hoe dit kwam. Ik ben verzekerd dat hy geen drup reukwerk by zich droeg,
en toch rook ik iets aangenaams, iets sterks, iets wat me herinnerde aan
... daar had ik het!

--Zyt gy het, riep ik, die my van den Griek hebt verlost?

--Wel zeker, zeide hy, dat was _ik_. En hoe gaat het _U_?

Ik vertelde dat we met ons dertienen op 't kantoor waren, en dat er
zooveel by ons omging. En toen vroeg ik hoe het hèm ging, wat me later
speet, want hy scheen niet in goede omstandigheden te verkeeren, en ik
houd niet van arme menschen, omdat er gewoonlyk eigen schuld onder loopt,
daar de Heer niet iemand verlaten zou, die hem trouw gediend had. Had ik
eenvoudig gezegd, "we zyn met ons dertienen, en ... goeien avend verder!"
dan was ik van hem af geweest. Maar door dat vragen en antwoorden werd
het hoe langer hoe moeielyker--Frits zegt: _hoe langs zoo_ moeielyker,
maar dit doe ik niet--_hoe_ moeielyker dus, om van hem verlost te worden.
Aan den anderen kant moet ik ook weer erkennen dat ge dan dit boek niet
hadt te lezen gekregen, want het is een gevolg van die ontmoeting. Ik
houd er van, het goede optemerken, en wie dit niet doen, zyn ontevreden
menschen die ik niet lyden kan.

Ja, ja, hy was het, die my uit de handen van den Griek had verlost! Denk
nu niet dat ik ooit door zeeroovers ben genomen geweest, of dat ik twist
heb gehad in den Levant. Ik heb u reeds gezegd dat ik na myn trouwen,
met myn vrouw naar den Haag ben gegaan. Daar hebben wy het Mauritshuis
gezien, en flanel gekocht in de Veenestraat. Dit is het eenige uitstapje
dat de zaken my ooit hebben veroorloofd, omdat er zooveel by ons omgaat.
Neen, in Amsterdam zelf had hy om-mynentwil een Griek den neus aan 't
bloeden geslagen. Want hy bemoeide zich altyd met dingen die hem niet
aangingen.

Het was in drie of vier en dertig, geloof ik, en in September, want er
was kermis te Amsterdam. Daar myn oude luî van voornemen waren een
predikant van my te maken, leerde ik latyn. Later heb ik myzelf dikwyls
afgevraagd, waarom men latyn moet verstaan, om in 't hollandsch te
zeggen: "God is goed?" Genoeg, ik was op de latynsche school--nu zeggen
ze _gymnasium_--en daar was kermis ... in Amsterdam, meen ik. Op de
Westermarkt stonden kramen, en als ge een Amsterdammer zyt, lezer, en
nagenoeg van myn leeftyd, zult ge u herinneren hoe daaronder één was,
die uitmuntte door de zwarte oogen en de lange vlechten van een meisje,
dat als een Griekin gekleed was. Ook haar vader was een Griek, of
althans hy zag er uit als een Griek. Ze verkochten allerlei reukgoed.

Ik was juist oud genoeg om het meisje mooi te vinden, zonder evenwel den
moed te hebben haar aantespreken. Dit zou my ook weinig gebaat hebben,
want meisjes van achttien jaren beschouwen een jongen van zestien, als
een kind. En hierin hebben ze groot gelyk. Toch kwamen wy, jongens van
_quarta_, altyd 's avends op de Westermarkt om dat meisje te zien.

Nu was hy die daar voor me stond met zyn sjaal, eens daarby, schoon hy
een paar jaren jonger was dan de anderen, en dus nog te kinderachtig om
naar de Griekin te kyken. Maar hy was de _primus_ van onze klasse--want
knap was hy, dit moet ik erkennen--en hy hield veel van spelen, stoeien
en vechten. Dáárom was hy by ons. Terwyl we dus--we waren wel met ons
tienen--vry ver van de kraam af, naar die Griekin stonden te kyken, en
beraadslaagden hoe wy 't moesten aanleggen om kennis met haar te maken,
werd er besloten geld by-een te leggen om iets in die kraam te koopen.
Maar toen was de goede raad duur, om te weten wie de stoute schoenen zou
aantrekken om het meisjen aantespreken. Ieder wilde, maar niemand durfde.
Er werd geloot, en het lot viel op my. Nu erken ik, dat ik niet gaarne
gevaren trotseer. Ik ben man en vader, en houd ieder die het gevaar zoekt,
voor een gek, wat ook in de Schrift staat. Het is my inderdaad aangenaam
optemerken hoe ik my in myn denkbeelden over gevaar en zulke dingen, gelyk
ben gebleven, daar ik thans over zoo-iets nog juist dezelfde meening
koester, als dien avend toen ik daar by de kraam van den Griek stond, met
de twaalf stuivers die we saamgelegd hadden, in de hand. Maar zie, uit
valsche schaamte durfde ik niet zeggen dat ik niet durfde, en bovendien,
ik moest wel vooruit, want myn makkers drongen me, en weldra stond ik voor
de kraam.

Het meisje zag ik niet: ik zag niets! Alles werd me groen en geel voor de
oogen. Ik stamelde een _aoristus primus_ van ik weet niet welk werkwoord ...

--_Plaît-il?_ zeide zy.

Ik herstelde my eenigszins, en ging voort:

--_Meenin aeide thea_, en ... dat Egypte een geschenk van den Nyl was.

Ik ben overtuigd dat ik in de kennismaking zou geslaagd zyn, indien niet
op dat oogenblik een myner makkers uit kinderachtige baldadigheid my een
zoo harden stoot in den rug had gegeven, dat ik heel onzacht tegen de
uitstalkast aanvloog, die op halvemanshoogte de voorzy van de kraam
afsloot. Ik voelde een greep in myn nek ... een tweeden greep veel lager
... ik zweefde een oogenblik ... en vóór ik recht begreep hoe de zaken
stonden, was ik in de kraam van den Griek, die in verstaanbaar fransch
zei dat ik een _gamin_ was, en dat hy de policie roepen zou. Nu was ik
wel dicht by het meisje, maar genoegen deed het me niet. Ik schreide, en
bad om genade, want ik zat vreeselyk in angst. Maar het baatte niet. De
Griek hield me by den arm, en schopte my. Ik zocht naar myn makkers--we
hadden juist dien morgen veel over Scaevola te doen gehad, die zyn hand
in 't vuur stak, en in hun latynsche opstellen hadden ze dit zoo heel
mooi gevonden--jawel! Niemand was daar gebleven om voor _my_ een hand in
't vuur te steken ...

Zóó meende ik. Maar zie, daar vloog op-eens myn Sjaalman door de
achterdeur de kraam in. Hy was niet groot of sterk, en pas een jaar of
dertien oud, maar hy was een vlug en dapper mannetje. Nog zie 'k zyn
oogen flikkeren--anders zagen ze flauw--hy gaf den Griek een vuistslag,
en ik was gered. Later heb ik gehoord dat de Griek hem duchtig geslagen
heeft, maar omdat ik een vast principe heb, me nooit te bemoeien met
dingen die me niet aangaan, ben ik terstond weggeloopen. Ik heb het dus
niet gezien.

Ziedaar de reden waarom zyn trekken me zoo aan reukwerk herinnerden, en
hoe men in Amsterdam twist kan krygen met een Griek. Als op latere
kermissen die man weer met zyn kraam op de Westermarkt stond, ging ik my
altyd elders vermaken.

Daar ik veel van wysgeerige opmerkingen houd, moet ik u toch even zeggen,
lezer, hoe wonderbaar de zaken dezer wereld aan elkander hangen. Als de
oogen van dat meisje minder zwart waren geweest, als ze korter vlechten
had gehad, of als men my niet tegen die winkelkast had aangeworpen, zoudt
ge nu dit boek niet lezen. Wees dus dankbaar dat dit zoo gebeurd is.
Geloof me, alles in de wereld is goed, zóó als het is, en ontevreden
menschen die altyd klagen, zyn myn vrienden niet. Daar hebt ge Busselinck
& Waterman ... maar ik moet voortgaan, want myn boek moet af voor de
voorjaarsveiling.

Ronduit gezegd--want ik houd van de waarheid--was my het weerzien van
dien persoon niet aangenaam. Ik bemerkte terstond dat het geen soliede
konnexie was. Hy zag zeer bleek, en toen ik hem vroeg hoe laat het was,
wist hy 't niet. Dit zyn dingen, waar een mensch op let, die zoo'n
twintig jaar de beurs bezocht heeft, en zooveel heeft bygewoond. Ik heb
al wat huizen zien vallen!

Ik meende dat hy rechts zou gaan, en zei dat ik links moest. Doch zie,
hy ging ook links, en ik kon dus niet vermyden in gesprek te treden.
Maar ik bedacht gedurig dat hy niet wist hoe laat het was, en bespeurde
bovendien dat zyn jasje tot aan de kin was dichtgeknoopt--dat een zeer
slecht merk is--zoodat ik den toon van ons onderhoud wat flauw blyven
liet. Hy verhaalde my dat hy in Indie was geweest, dat hy getrouwd was,
dat hy kinderen had. Ik had daar niets tegen, maar vond er niets
belangryks in. By de Kapelsteeg--ik ga anders nooit door die steeg,
omdat het voor een fatsoenlyk man niet staat, vind ik--maar ditmaal
wilde ik by de Kapelsteeg rechts-af-slaan. Ik wachtte tot wy dat
straatje byna voorby waren, om goed te doen blyken dat zyn weg rechtuit
leidde, en toen zei ik zeer beleefd ... want beleefd ben ik altyd, men
kan nooit weten hoe men later iemand noodig heeft:

--Het was me byzonder aangenaam u weer te zien, m'nheer ... _r_ ... _r_!
En ... èn ... èn ... ik rekommandeer me! Ik moet hierin.

Toen keek hy me heel gek aan, en zuchtte, en vatte opeens een knoop van
myn jas ...

--Beste Droogstoppel, zeide hy, ik heb u iets te vragen.

Er ging my een rilling door de leden. Hy wist niet hoe laat het was, en
wilde my iets vragen! Natuurlyk antwoordde ik dat ik geen tyd had, en
naar de beurs moest, schoon het avend was. Maar als men zoo'n twintig
jaren de beurs heeft bezocht ... en iemand wil u iets vragen, zonder te
weten hoe laat het is ...

Ik maakte myn knoop los, groette heel beleefd--want beleefd ben ik altyd
--en ging de Kapelsteeg in, wat ik anders nooit doe, omdat het niet
fatsoenlyk is, en fatsoen gaat my boven alles. Ik hoop dat niemand het
gezien heeft.



DERDE HOOFDSTUK


Toen ik een dag daarna van de beurs kwam, zei Frits dat er iemand
geweest was om my te spreken. Naar de beschryving was het de
Sjaalman. Hoe hy me gevonden had  ... nu ja, 't adreskaartje! Ik
dacht er over, myn kinderen van school te nemen, want het is
lastig, nog twintig, dertig jaren later te worden nagezeten door
een schoolkameraad die een sjaal draagt in plaats van een jas, en
die niet weet hoe laat het is. Ook heb ik Frits verboden naar de
Westermarkt te gaan, als er kramen staan.

Den volgenden dag ontving ik een brief met een groot pak. Ik zal
u den brief laten lezen:

   _Waarde Droogstoppel!_

Ik vind dat hy wel had kunnen zeggen: _Weledele Heer Droogstoppel_,
omdat ik makelaar ben.

   _Ik ben gisteren ten-uwent geweest met het doel u een verzoek te
   doen. Ik geloof dat gy in goede omstandigheden verkeert_ ...

Dit is waar: we zyn met ons dertienen op 't kantoor.

   ..._en ik wenschte gebruik te maken van uw krediet, om een zaak
   tot-stand te brengen, die voor my van groot gewicht is_.

Zou men niet denken dat het om een order op de voorjaarsveiling te doen
was?

   _Door velerlei omstandigheden ben ik op 't oogenblik eenigszins om
   geld verlegen_.

Eenigszins? Hy had geen hemd aan. Dat noemt hy _eenigszins_!

   _Ik kan myn lieve vrouw niet alles geven wat tot veraangenaming des
   levens noodig is, en ook de opvoeding myner kinderen is, uit een
   geldelyk oog, niet zooals ik wenschen zou_.

Veraangenaming des levens? Opvoeding van de kinderen? Meent ge dat hy
voor zyn vrouw een loge in de Opera huren wilde, en zyn kinderen op een
instituut doen te Genève? 't Was najaar, en vry koud ... welnu, hy
woonde op een vliering, zonder vuur. Toen ik dien brief ontving, wist ik
dit niet, maar later ben ik by hem geweest, en thans nog ben ik verstoord
over den zotten toon van zyn geschryf. Wat drommel, wie arm is, kan zeggen
dat hy arm is! Armen moeten er zyn, dit is noodig in de maatschappy, en 't
is Gods wil. Als hy maar geen aalmoes vraagt, en niemand lastig valt, heb
ik er volstrekt niet tegen dat hy arm is, maar die opsiering van de zaak
komt niet te-pas. Luister verder:

   _Daar op my de verplichting rust, in de behoeften der mynen te
   voorzien, heb ik besloten een talent aantewenden, dat, naar ik
   geloof, my gegeven is. Ik ben dichter_ ...

Poeh! Ge weet, lezer, hoe ik en alle verstandige menschen daarover denken.

   ... _en schryver. Sedert myn kindsheid drukte ik myn aandoeningen in
   verzen uit, en ook later schreef ik dagelyks neder wat er omging in
   myn ziel. Ik geloof dat er onder dat alles eenige opstellen zyn, die
   waarde hebben, en ik zoek daarvoor een uitgever. Maar dit is juist
   het moeielyke. Het publiek kent my niet, en de uitgevers beoordeelen
   de werken meer naar den gevestigden naam van den schryver, dan naar
   den inhoud_.

Juist zooals wy de koffi naar de renommee van de merken. Wel zeker! Hoe
anders?

   _Als ik dus mag aannemen dat myn werk niet geheel zonder verdienste
   is, zou dat toch eerst na de uitgave blyken, en de boekhandelaars
   vragen de betaling van drukloon, enz. vooruit_ ...

Daar hebben ze groot gelyk in.

   ... _wat my op die oogenblik niet gelegen komt. Daar ik evenwel
   overtuigd ben dat myn arbeid de kosten dekken zou, en gerust daarop
   myn woord durf verpanden, ben ik, aangemoedigd door onze ontmoeting
   van voorgisteren_....

Dat noemt hy aanmoedigen!

   ... _tot het besluit gekomen u te vragen of ge voor my by een
   boekhandelaar zoudt willen borg-staan voor de kosten eener eerste
   uitgave, al ware het slechts van een klein boekdeeltje. Ik laat de
   keus van die eerste proeve geheel aan u over. In het pak dat
   hiernevens gaat, zult ge vele handschriften vinden, en daaruit zien
   dat ik veel gedacht, gewerkt en bygewoond heb_ ...

Ik heb nooit gehoord dat hy zaken deed.

   ... _en als de gaaf van wèl zeggen me niet geheel-en-al ontbreekt, is
   het gewis niet door gebrek aan_ indrukken, _dat ik niet slagen zou_.

   _In afwachting van een vriendelyk antwoord, noem ik my uw ouden
   schoolmakker_ ...

En zyn naam stond er onder. Maar dien verzwyg ik, omdat ik er niet van
houd, iemand in opspraak te brengen.

Waarde lezer, ge begrypt hoe gek ik stond te kyken, toen men my daar zoo
op-eens wilde verheffen tot makelaar in verzen. Ik ben zeker dat die
Sjaalman--zoo zal ik hem maar blyven noemen--als de man me by-dag had
gezien, zich met zulk een verzoek niet tot my zou gewend hebben. Want
deftigheid en fatsoen laten zich niet verbergen. Maar 't was avend, en
ik trek het me dus niet aan.

Het spreekt vanzelf dat ik van die gekheid niets weten wilde. Ik zou het
pak door Frits hebben laten terugbrengen, maar ik wist zyn adres niet,
en hy liet niets van zich hooren. Ik dacht dat hy ziek was, of dood,
of zoo-iets.

De vorige week was er krans by de Rosemeyers, die in suiker doen. Frits
was voor het eerst meegegaan. Hy is zestien jaar, en ik vind het goed
dat een jong mensch in de wereld komt. Anders loopt hy naar de
Westermarkt of zulke dingen. De meisjes hadden piano gespeeld en
gezongen, en by 't dessert plaagden ze elkaar met iets dat in de
voorkamer scheen gebeurd te zyn, terwyl wy achter aan 't _gentsch
whisten_ waren, iets waarin Frits betrokken scheen. "Ja, ja, Louise,
riep Betsy Rosemeyer, geschreid heb je! Papa, Frits heeft Louise aan
't schreien gemaakt."

Myn vrouw zei hierop dat Frits dan voortaan niet meer mee zou naar den
krans. Ze dacht dat hy Louise geknepen had, of zoo-iets wat niet te-pas
komt, en ook ik maakte my gereed er een hartig woordje bytevoegen, toen
Louise riep:

--Neen, neen, Frits is heel lief geweest! Ik wou dat hy 't nog-eens
deed!

Wàt dàn? Hy had haar niet geknepen, hy had gereciteerd, daar hebt ge 't.

Natuurlyk ziet de vrouw van 't huis gaarne dat er aan het dessert een
aardigheidje plaats heeft. Dat vult. Mevrouw Rosemeyer--de Rosemeyers
laten zich _mevrouw_ noemen, omdat ze in suiker doen, en aandeel in een
schip hebben--mevrouw Rosemeyer begreep dat wat Louise aan 't schreien
had gemaakt, ook òns vermaken zou, en vroeg een dacapo aan Frits, die
zoo rood zag als een kalkoen. Ik begreep óm de wereld niet, wàt hy dan
toch opgesneden had, want ik kende zyn repertoire op een haar. Dat was:
de _godenbruiloft, de boeken van het Oude-Testament op rym, en een
epizode uit de bruiloft van Kamacho_, dat de jongens altyd zoo aardig
vinden, omdat er iets van een "brillekiek" in komt. Wat er onder dit
alles wezen kon dat tranen uitlokte, was my een raadsel. 't Is waar,
zoo'n meisje schreit gauw.

"Toe, Frits! Och ja, Frits! Kom, Frits!" Zoo ging het, en Frits begon.
Daar ik niet houd van dat bestudeerd spannen van des lezers
nieuwsgierigheid, zal ik maar terstond zeggen dat ze te-huis het pak
van Sjaalman hadden opengemaakt, en daaruit hadden Frits en Marie een
neuswysheid en een sentimentaliteit geput, die me later veel last in
huis gehaald hebben. Toch moet ik erkennen, lezer, dat dit boek ook uit
dat pak komt, en ik zal me naderhand hierop behoorlyk verantwoorden,
want ik hecht er aan, dat men my beschouwe als iemand die de waarheid
lief heeft, en die goed voor zyn zaken is. Onze firma is _Last & Co,
Makelaars in koffi, Lauriergracht, N° 37_.

Toen reciteerde Frits een ding dat van nonsens aan-één hing. Neen 't
hing niet aan-een. Een jong mensch schreef aan zyn moeder, dat hy
verliefd was geweest, en dat zyn meisje met een ander getrouwd
was--waarin ze groot gelyk had, vind ik--dat hy echter, in weerwil
hiervan, altyd veel van zyn moeder hield. Zyn deze laatste drie regels
duidelyk of niet? Vindt ge dat er veel omslag noodig is, om dat te
zeggen? Welnu, ik heb een broodje met kaas gegeten, daarna twee peren
geschild, en ik was ruim half gereed met het orberen van de derde, voor
Frits klaar was met die vertelling. Maar Louise schreide weer, en de
dames zeiden dat het heel mooi was. Toen vertelde Frits, die, geloof ik,
meende dat hy een groot stuk had uitgevoerd, dat hy 't ding in dat pak
had gevonden van den man die een sjaal droeg, en ik legde aan de heeren
uit, hoe dat in myn huis kwam. Maar van de Griekin sprak ik niet, omdat
Frits er by was, en ook zeide ik niets van de Kapelsteeg. Ieder vond dat
ik heel goed had gehandeld, me van dien man aftehelpen. Straks zult ge
zien dat er ook andere dingen in dat pak waren van meer solieden aard,
en daarvan komt een-en-ander in dit boek, omdat de _Koffiveilingen van
de Handelmaatschappy_ er mee in verband staan. Want ik leef voor myn vak.

Later vroeg my de uitgever of ik hier niet by voegen wilde, wat Frits
gereciteerd had. Ik wil 't wel doen, mits men wete dat ik me niet ophoud
met zulke dingen.[4] Alles leugens en gekheid! Ik houd myn aanmerkingen
terug, anders wordt myn boek te dik. Ik wil hier alleen byzeggen, dat
die vertelling zoo omstreeks 1843 in de buurt van Padang geschreven is,
en dat dit een inferieur merk is. De koffi, meen ik.

       Moeder, 'k ben wel ver van 't land
     Waar me 't leven werd geschonken,
     Waar myn eerste tranen blonken,
       Waar ik opwies aan uw hand...
       Waar uw moedertrouw der ziel
     Van den knaap haar zorgen wydde,
     En hem liefdryk stond ter-zyde,
       En hem ophief als hy viel...
     Schynbaar scheurde 't lot de banden
       Die ons bonden, wreed van-een..
     'k Sta hier wel aan vreemde stranden
       Met myzelf en God, alleen...
     Maar toch, moeder, wat me griefde,
       Wat me vreugd gaf of verdriet,
     Moeder, twyfel aan de liefde,
       Aan het hart uws zoons toch niet!

    't Is nog nauwlyks twee paar jaren
       Toen ik 't laatst op gindschen grond
       Zwygend aan den oever stond
     Om de toekomst in te staren...
       Toen ik 't schoone tot my riep
     Dat ik van de toekomst wachtte,
     En het heden stout verachtte,
       En my paradyzen schiep...
       Toen, door alle stoornis heen
       Die zich opdeed voor myn schreên,
     't Hart zich koen een uitweg baande,
     En zich droomend zalig waande...

       Maar die tyd, sints 't laatst vaarwel
     Hoe gezwind ook ons onttogen,
       Onbevatbaar bliksemsnel,
     Als een schim voorbygevlogen...
       O, hy liet in 't voorwaarts gaan,
       Diepe, diepe sporen staan!
      'k Proefde vreugde en smart met-één,
    'k Heb gedacht en 'k heb gestreden,
    'k Heb gejuicht en 'k heb gebeden:
      't Is me als vlogen eeuwen heen!
      'k Heb naar levensheil gestreefd,
    'k Heb gevonden en verloren,
     En, een kind nog kort te-voren,
       Jaren in één uur doorleefd!

     Maar toch, moeder! wil 't gelooven,
       By den Hemel die my ziet,
     Moeder! wil het toch gelooven,
     Neen, uw kind vergat u niet!

    'k Minde een meisje. Heel myn leven
       Scheen my door die liefde schoon.
      'k Zag in haar een eerekroon,
     Als een eindloon van myn streven,
     My door God ten doel gegeven.
       Zalig door den reinen schat
     Die Zyn zorg my toegewogen,
       Die Zyn gunst geschonken had,
     Dankte ik met een traan in de oogen.
       Liefde was met godsdienst één...
     En 't gemoed dat opgetogen,
     Dankend opsteeg tot den Hoogen,
       Dankte en bad voor haar alleen!

     Zorgen baarde my die liefde,
       Onrust kwelde my het hart,
       En ondraaglyk was de smart
     Die my 't week gemoed doorgriefde.
      'k Heb slechts angst en leed gegaard,
     Waar ik 't hoogst genot verwachtte,
     En voor 't heil waarnaar ik trachtte,
       Was me gif en wee bewaard...

    'k Vond genot in 't lydend zwygen!
      'k Stond standvastig hopend daar,
     Onspoed deed den prys my stygen:
      'k Droeg en leed zoo graag voor haar!
    'k Telde ramp noch onspoedsslagen,
     Vreugde schiep ik in verdriet,
     Alles, alles wilde ik dragen...
       Roofde 't lot my haar slechts niet!

     En dàt beeld, _my_ 't schoonste op aarde,
       Dat ik omdroeg in 't gemoed
       Als een onwaardeerbaar goed,
     En zoo trouw in 't hart bewaarde...
     _Vreemd_ was 't eenmaal aan myn zinnen!
       En al houdt die liefde stand
     Tot de laatste snik van 't leven
       Me in een beter vaderland
     Eind'lyk haar zal wedergeven...
    'k Had _begonnen_ haar te minnen!

       Wat is min die eens _begon_,
     By de liefde _mèt_ het leven
    't Kind door God in 't hart gedreven
       Toen het nog niet staam'len kon?
       Toen het aan de moederborst,
     Nauw den moederschoot onttogen,
      't Eerste vocht vond voor den dorst,
    't Eerste licht in moederoogen?

       Neen, geen band die vaster bindt,
     Vaster harten houdt omsloten,
     Dan de band, door God gesloten
       Tusschen 't moederhart en 't kind!

     En een hart, dat zóó zich hechtte
       Aan het schoon dat even blonk,
       Dat me niets dan doornen schonk,
     En geen enkel bloempje vlechtte...
       Zou datzelfde hart de trouw
     Van het moederhart vergeten?
       En de liefde van de vrouw
     Die myn eerste kinderkreten
       Opving in 't bezorgd gemoed?
     Die my, als ik weende, suste,
     Traantjes van de wangen kuste,
       Die my voedde met haar bloed?

     Moeder! wil het niet gelooven,
       By den hemel die my ziet,
     Moeder! wil het niet gelooven,
       Neen, uw kind vergat u niet!

     'k Ben hier vèr van wat het leven
     Ginds ons zoets en schoons kan geven
       En 't genot van de eerste jeugd,
     Vaak geroemd en hoog geprezen,
     Kan wel hier myn deel niet wezen:
      't Eenzaam harte kent geen vreugd.
     Steil en doornig zyn myn paden,
       Onspoed drukt me diep ter-neer,
     En de last my opgeladen
       Knelt me, en doet het hart me zeer...
     Laat het slechts myn tranen tuigen,
       Als zoo menig moed'loos uur
       Me in den boezem der Natuur,
    't Hoofd zoo treurig neer doet buigen...

       Vaak, als my de moed ontzonk,
     Is de zucht me schier ontvloden:
     "Vader! schenk me by de dooden,
       "Wat het leven my niet schonk!
     "Vader! geef me aan gene zyde,
       "Als de mond des doods my kust,
     "Vader! geef me aan gene zyde
       "Wat ik hier niet smaakte... _Rust_!"

     Maar, bestervend op myn lippen,
       Steeg de beê niet tot den Heer...
      'k Boog wel beî myn knieën neer,
    'k Voelde wel een zucht me ontglippen,
       Maar het was: "_nog niet, o Heer!
       "Geef my eerst myn moeder weer!_"



VIERDE HOOFDSTUK


Voor ik verder ga, moet ik u zeggen dat de jonge Stern gekomen is. Het
is een aardig ventje. Hy schynt vlug en bekwaam, maar ik geloof dat hy
_schwärmt_. Marie is dertien jaar. Zyn uitzet is heel netjes. Ik heb hem
aan 't kopyboek gezet, om zich te oefenen in den hollandschen styl. Ik
ben benieuwd of er spoedig orders van Ludwig Stern zullen komen. Marie
zal een paar pantoffels voor hem borduren ... voor den jongen Stern,
meen ik. Busselinck & Waterman hebben achter 't net gevischt. Een
fatsoenlyk makelaar onderkruipt niet, dat zeg _ik_!

Den dag na dat kransje by de Rosemeyers, die in suiker doen, riep ik
Frits, en gelastte hem my dat pak van Sjaalman te brengen. Ge moet
weten, lezer, dat ik in myn gezin zeer stipt ben op godsdienst en
zedelykheid. Welnu, den vorigen avend, juist toen ik myn eerste peer had
geschild, las ik op het gelaat van een der meisjes, dat er iets in dat
vers voorkwam, dat niet pluis was. Ikzelf had niet naar 't ding
geluisterd, maar ik had bemerkt dat Betsy haar broodje verkruimelde, en
dit was my genoeg. Ge zult inzien, lezer, met iemand te doen te hebben,
die weet wat er in de wereld omgaat. Ik liet me dus door Frits dat
fraaie stuk van den laatsten avend voorleggen, en ik vond heel spoedig
den regel die Betsy's broodje verkruimeld had. Er wordt daar gesproken
van een kind dat aan de borst van de moeder ligt--dit kan er dóór--maar:
"dat ter-nauwer-nood aan den moederlyken schoot onttogen is" zie, dit
vond ik niet goed--om daarover te _spreken_, meen ik--en myn vrouw ook
niet. Marie is dertien jaar. Van _kool_ of _ooievaars_ wordt by ons aan
huis niet gesproken, ook niet van den _Volewyk_, maar zóó de zaken by
den naam te noemen, vind ik onbehoorlyk, omdat ik zoo op zedelykheid
gesteld ben. Ik deed Frits, die dat ding nu eenmaal "uitwendig wist"
zooals Stern dit noemt, beloven dat hy 't nooit weer opzeggen zou
--althans niet voor hy lid van _Doctrina_ wezen zal, omdat daar geen
jonge meisjes komen--en toen borg ik het in myn lessenaar, het vers
meen ik. Maar ik moest weten of er niet meer in dat pak was, dat
aanstoot geven kon. Daar ging ik aan 't zoeken en bladeren. Alles lezen
kon ik niet, want ik vond er talen in, die ik niet verstond, maar zie,
daar viel myn oog op een bundel: "_Verslag over de Koffikultuur in de
Residentie Menado_."

Myn hart sprong op, omdat ik makelaar in koffi ben--_Lauriergracht, N°
37_--en _Menado_ is een goed merk. Dus die Sjaalman, die zulke
onzedelyke verzen maakte, had ook in koffi gewerkt. Ik zag nu 't pak met
een heel ander oog aan, en vond er stukken in, die ik wel niet alle
begreep, maar die werkelyk kennis van zaken aantoonden. Er waren staten,
opgaven, berekeningen met cyfers, waaraan geen rym te bekennen was, en
alles was met zulk een zorg en nauwkeurigheid bewerkt, dat ik, ronduit
gezegd--want ik houd van de waarheid--op het denkbeeld kwam dat die
Sjaalman, als de derde klerk eens uitviel--wat gebeuren kan, daar hy oud
en stuntelig wordt--heel goed diens plaats zou kunnen innemen. Het
spreekt vanzelf dat ik eerst informatiën nemen zou naar eerlykheid,
geloof en fatsoen, want ik neem niemand op 't kantoor, voor ik dáárvan
zeker ben. Dit is een vast principe van me. Gy hebt het gezien uit myn
brief aan Ludwig Stern.

Ik wilde voor Frits niet weten dat ik eenig belang begon te stellen in
den inhoud van dat pak, en stuurde hem daarom weg. 't Werd my inderdaad
duizelig, toen ik zoo den eenen bundel vóór, den anderen na, opnam, en
de opschriften las. Het is waar, er waren veel verzen onder, maar ik
vond veel nuttigs ook, en ik stond verbaasd over de verscheidenheid der
behandelde onderwerpen. Ik erken--want ik houd van de waarheid--dat ik,
die altyd in koffi gedaan heb, niet in staat ben de waarde van alles te
beoordeelen, maar, ook zonder deze beoordeeling, de lyst der opschriften
alleen was reeds kurieus. Daar ik u de geschiedenis van den Griek verteld
heb, weet ge reeds dat ik in myn jeugd eenigszins ben gelatinizeerd
geworden, en hoezeer ik my in korrespondentie onthoud van alle citaten
--wat op een makelaars kantoor ook niet te-pas komen zou--dacht ik echter
by het zien van dat alles: _multa, non multum_. Of: _de omnibus aliquid,
de toto nihil_.

Maar dit was eigenlyk meer uit een soort van wrevel, en uit zekeren
aandrang om de geleerdheid die voor my lag, in 't latyn aantespreken,
dan wel omdat ik het precies meende. Want, waar ik 't een of ander stuk
wat langer inzag, moest ik erkennen dat de schryver me toescheen wel op
de hoogte van zyn taak te staan, en zelfs dat hy een groote soliditeit
in zyn redeneeringen aan den dag legde.

Ik vond daar verhandelingen en opstellen:

   _Over het_ SANSKRIT, _als moeder van de germaansche taaltakken_.

   _Over de strafbepalingen op kindermoord_.

   _Over den oorsprong van den adel_.

   _Over het verschil tusschen de begrippen_: ONEINDIGE TYD _en_:
   EEUWIGHEID.

   _Over de kansrekening_.

   _Over het boek van_ JOB. (Ik vond nog iets over _Job_, maar dat waren
   verzen.)

   _Over proteïne in de athmospherische lucht_.

   _Over de staatkunde van Rusland_.

   _Over de klinkletters_.

   _Over cellulaire gevangenissen_.

   _Over de oude stellingen omtrent het_: HORROR VACUI.

   _Over de wenschelykheid der afschaffing van strafbepalingen op
   laster_.

   _Over de oorzaken van den opstand der Nederlanders tegen Spanje_,
   NIET _liggende in de begeerte naar godsdienstige of
   staatkundige vryheid_.

   _Over het_ PERPETUUM MOBILE, _de cirkelkwadratuur en den wortel van
   wortellooze getallen_.

   _Over de zwaarte van het licht_.

   _Over den achteruitgang der beschaving sedert het ontstaan des
   Christendoms_. (Hè?)

   _Over de yslandsche Mythologie_.

   _Over den_ EMILE _van_ ROUSSEAU.

   _Over de Civiele Rechtsvordering, in zaken van koophandel_.

   _Over_ SIRIUS _als middelpunt van een zonnestelsel_.

   _Over Inkomende-Rechten als ondoeltreffend, onkiesch, onrechtvaardig,
   en onzedelyk_. (Daarvan had ik nooit iets gehoord.)

   _Over verzen als oudste taal_. (Dat geloof ik niet.)

   _Over witte mieren_.

   _Over het tegennatuurlyke van School-Inrichtingen_.

   _Over de prostitutie in het huwelyk_. (Dat is een schandelyk stuk.)

   _Over hydraulische onderwerpen in verband met de rystkultuur_.

   _Over het schynbaar overwicht der westersche beschaving_.

   _Over kadaster, registratie en zegel_.

   _Over kinderboekjes, fabels en sprookjes_. (Dit wil ik wel eens
   lezen, omdat hy op waarheid aandringt.)

   _Over bemiddeling, in den handel_. (Dit bevalt me volstrekt niet. Ik
   geloof dat hy de makelaars wil afschaffen. Maar ik heb het toch
   ter-zyde gelegd, omdat er een-en-ander in voorkomt, dat ik gebruiken
   kan voor myn boek.)

   _Over successierecht, een der beste belastingen_.

   _Over de uitvinding der kuisheid_. (Dit begryp ik niet.)

   _Over vermenigvuldiging_. (Deze titel klinkt heel eenvoudig, maar er
   staat veel in dit stuk, waaraan ik vroeger niet gedacht had.)

   _Over zeker soort van geest der Franschen, een gevolg der armoede van
   hun taal_. (Dit laat ik gelden. Geestigheid en armoede ... hy kan
   het weten.)

   _Over het verband tusschen de romans_ van AUGUST LAFONTAINE _en de
   tering_. (Dit wil ik eens lezen, omdat er van dien _Lafontaine_
   boeken op zolder liggen. Maar hy zegt, dat de invloed zich eerst
   openbaart in het tweede geslacht. Myn grootvader las niet.)

   _Over de macht der Engelschen buiten Europa_.

   _Over het Godsgericht in de middeleeuwen, en thans_.

   _Over de rekenkunde by de Romeinen_.

   _Over armoede aan poëzie by toonzetters_.

   _Over pietistery, biologie en tafeldans_.

   _Over besmettelyke ziekten_.

   _Over den moorschen bouwtrant_.

   _Over de kracht der vooroordeelen, blijkbaar uit ziekten die door
   tocht veroorzaakt heeten te zyn_. (Heb ik het niet gezegd, dat de
   lyst kurieus was?)

   _Over de duitsche eenheid_.

   _Over de lengte op zee_. (Ik denk dat op zee alles wel even lang zal
   wezen als op 't land.)

   _Over de plichten van de Regeering omtrent publieke
   vermakelijkheden_.

   _Over de overeenstemming tusschen de schotsche en friesche talen_.

   _Over prozodie_.

   _Over de schoonheid der vrouwen te Nîmes en te Arles, met een
   onderzoek naar het stelsel van kolonisatie der Phoeniciërs_.

   _Over landbouwkontrakten op Java_.

   _Over het zuigvermogen van een nieuw-modelpomp_.

   _Over legitimiteit van dynastien_.

   _Over de volksletterkunde in Javaansche rhapsoden_.

   _Over de nieuwe wyze van reven_.

   _Over de perkussie, toegepast op handgranaten_. (Dit stuk dateert van
   1847, dus van vóór Orsini.)

   _Over het begrip van eer_.

   _Over de apokriefe boeken_.

   _Over de wetten van_ SOLON, LYKURGUS, ZOROASTER _en_ CONFUCIUS.

   _Over de ouderlyke macht_.

   _Over_ SHAKESPEARE _als geschiedschryver_.

   _Over de slaverny in Europa_. (Wat hy hiermee bedoelt, begryp ik
   niet. Nu, zoo is er meer!)

   _Over schroefwatermolens_.

   _Over het souverein recht van gratie_.

   _Over de chemische bestanddeelen der ceylonsche kaneel_.

   _Over de tucht op koopvaardyschepen_.

   _Over de opiumpacht op Java_.

   _Over de bepalingen omtrent het verkopen van gif_.

   _Over het doorgraven der landengten van Suez, en de gevolgen
   daarvan_.

   _Over de betaling, van landrenten in naturâ_.

   _Over de koffikultuur te Menado_. (Dit heb ik al genoemd.)

   _Over de scheuring van het romeinsche ryk_.

   _Over de_ GEMÜTHLICHKEIT _der Duitschers_.

   _Over de skandinavische_ EDDA.

   _Over den plicht van Frankryk, om in den indischen Archipel zich een
   tegenwicht tegen Engeland te verschaffen_. (Dit was in 't fransch, ik
   weet niet waarom?)

   _Over het azyn maken_.

   _Over de vereering van_ SCHILLER _en_ GÖTHE _in den duitschen
   middenstand_.

   _Over de aanspraken van den mensch op geluk_.

   _Over het recht van opstand by onderdrukking_. (Dit was in 't
   javaansch. Ik ben dien titel eerst later te weten gekomen.)

   _Over ministerieele verantwoordelykheid_.

   _Over eenige punten in de krimineele rechtsvordering_.

   _Over het recht van een volk, te eischen dat de opgebrachte belasting
   ten-zynen-behoeve worde aangewend_. (Dat was weer in 't javaansch.)

   _Over de dubbele_ A _en de grieksche_ ETA.

   _Over het bestaan van een onpersoonlyken God in de harten der
   menschen_. (Een infame leugen!)

   _Over den styl_.

   _Over een konstitutie voor het Ryk INSULINDE_. (Ik heb nooit van dat
   Ryk gehoord.)

   _Over het gebrek aan ephelkustiek in onze taalregels_.

   _Over pedanterie_. (Ik geloof dat dit stuk met veel kennis van zaken
   geschreven is.)

   _Over de verplichting van Europa aan de Portugezen_.

   _Over boschgeluiden_.

   _Over brandbaarheid van water_. (Ik denk dat hy sterk water bedoelt.)

   _Over de melkzee_. (Ik heb daarvan nooit gehoord. Het schynt iets in
   de nabyheid van Banda te zyn.)

   _Over zieners en profeten_.

   _Over elektriciteit als beweegkracht, zonder week yzer_.

   _Over ebbe en vloed der beschaving_.

   _Over epidemisch bederf in staathuishoudingen_.

   _Over bevoorrechte Handelmaatschappyen_. (Hierin komt een-en-ander
   voor, dat ik noodig heb voor myn boek.)

   _Over etymologie als hulpbron by ethnologische studien_.

   _Over de vogelnestklippen aan de javasche Zuidkust_.

   _Over de plaats waar de dag aanvangt_. (Dit begryp ik niet.)

   _Over persoonlyke begrippen als maatstaf der verantwoordelykheid in
   de zedelyke wereld_. (Bespottelyk! Hy zegt dat ieder zyn eigen
   rechter moet wezen. Waar zou dat heen?)

   _Over galanterie_.

   _Over den versbouw der Hebreën_.

   _Over de_ CENTURY OF INVENTIONS _van den Markies van Worcester_.

   _Over de niet-etende bevolking van het eiland Rotti by Timor_. (Het
   moet daar goedkoop leven zyn.)

   _Over het menschen-eten der Battah's, en het koppensnellen der
   Alfoeren_.

   _Over het wantrouwen op de publieke zedelykheid_. (Hy wil, geloof ik,
   de slotenmakers afschaffen. Ik ben er tegen.)

   _Over_ "het recht" _en de_ "rechten."

   _Over_ BÉRANGER _als wysgeer_. (Dit begryp ik weer niet)

   _Over den afkeer der Maleiers van den Javaan_.

   _Over de onwaarde van het onderwys op de zoogenaamde hoogescholen_.

   _Over den liefdeloozen geest onzer voorouders, blykbaar uit hun
   begrippen omtrent God_. (Alweer een goddeloos stuk!)

   _Over den samenhang der zintuigen_. ('t Is waar, toen ik hem zag,
   rook ik rozenolie.)

   _Over den puntwortel van den koffiboom_. (Dit heb ik ter-zy gelegd
   voor myn boek.)

   _Over gevoel, gevoeligheid_, SENSIBLERIE, EMPFINDELEI, _enz_.

   _Over het verwarren van Mythologie en Godsdienst_.

   _Over de saguweer in de Molukken_.

   _Over de toekomst van den nederlandschen handel_. (Dit is eigenlyk 't
   stuk dat me bewogen heeft, myn boek te schryven. Hy zegt dat er niet
   altyd zulke groote koffiveilingen zullen gehouden worden, en ik leef
   voor myn vak.)

   _Over Genesis_. (Een infaam stuk!)

   _Over de geheime genootschappen der Chinezen_.

   _Over het teekenen als natuurlyk schrift_. (Hy zegt dat een
   pasgeboren kind teekenen kan!)

   _Over waarheid in poëzie_. (Wel zeker!)

   _Over de impopulariteit der ryst pelmolens op Java_.

   _Over het verband tusschen Poëzie en mathematische wetenschappen_.

   _Over de Wajangs der Chinezen_.

   _Over den prys van de Java-koffi_. (Dit heb ik ter-zy gelegd.)

   _Over een europeesch muntstelsel_.

   _Over besproejing van gemeene velden_.

   _Over den invloed van de vermenging, van rassen op den geest_.

   _Over evenwicht in den handel_. (Hy spreekt daarin van wisselagio. Ik
   heb het ter-zy gelegd voor myn boek.)

   _Over het standhouden van aziatische gewoonten_ (Hy beweert dat _Jezus_
   een tulband droeg.)

   _Over de denkbeelden van_ MALTHUS _omtrent het cyfer der bevolking,
   in verband met de onderhoudsmiddelen_.

   _Over de oorspronkelyke bevolking van Amerika_.

   _Over de havenhoofden te Batavia, Samarang en Soerabaja_.

   _Over bouwkunde, als uitdrukking van denkbeelden_.

   _Over de verhouding der europesche ambtenaren tot de Regenten op
   Java_. (Hiervan komt een-en-ander in myn boek.)

   _Over het wonen in kelders, te Amsterdam_.

   _Over de kracht der dwaling_.

   _Over de werkeloosheid van een Opperwezen, by volmaakte
   natuurwetten_.

   _Over het zoutmonopolie op Java_.

   _Over de wormen in den sagopalm_. (Die worden, zegt hy, gegeten ...
   bah!)

   _Over de Spreuken, den Prediker, het Hooglied, en de_ PANTOENS _der
   Javanen_.

   _Over het_ JUS PRIMI OCCUPANTIS.

   _Over de armoede der schilderkunst_.

   _Over de onzedelykheid van het hengelen_. (Wie heeft ooit daarvan
   gehoord?)

   _Over de misdaden der Europeërs buiten Europa_.

   _Over de wapenen der zwakkere diersoorten_.

   _Over het_ JUS TALIONIS. (Alweer een infaam stuk! Daarin kwam een
   gedicht voor, dat ik zeker allerschandelykst zou gevonden hebben, als
   ik 't uitgelezen had.)[5]

En dit was nog niet alles! Ik vond, om van de verzen niet te spreken--er
waren er in velerlei talen--een aantal bundeltjes waaraan het opschrift
ontbrak, romancen in het maleisch[6] krygszangen in het javaansch, en
wat niet al! Ook vond ik brieven, waarvan velen in talen die ik niet
verstond. Sommigen waren aan hem geschreven, of liever het waren slechts
afschriften, doch hy scheen daarmee zeker plan te hebben, want alles was
door andere personen geteekend voor: _gelykluidend met het oorspronkelyke_.
[7] Dan vond ik nog uittreksels uit dagboeken, aanteekeningen en losse
gedachten ... sommigen werkelyk heel los.

Ik had, zooals ik reeds zeide, eenige stukken ter-zy gelegd, omdat ze my
toeschenen in myn vak te-pas te komen, en voor myn vak leef ik. Maar ik
moet erkennen dat ik met de rest verlegen was. Hem het pak terugzenden,
kon ik niet, want ik wist niet waar hy woonde. Het was nu eenmaal open.
Ik kon niet loochenen dat ik 't had ingezien, en dit zou ik ook niet
gedaan hebben, omdat ik zoo van de waarheid houd. Ook gelukte 't me niet
het weer zóó te sluiten dat er van 't openen niets blyken kon. Bovendien
mag ik niet ontveinzen dat eenige stukken die over koffi handelden, my
belang inboezemden, en dat ik gaarne daarvan gebruik maken zou. Ik las
dagelyks hier-en-daar eenige bladzyden, en ik kwam hoe langer hoe
meer--Frits zegt: "_hoe langs zoo meer_" maar dit doe ik niet--_hoe_
meer, zeg ik, tot de overtuiging dat men makelaar in koffi moet wezen,
om zóó juist te weten te komen wat er in de wereld omgaat. Ik ben
overtuigd dat de Rosemeyers, die in suiker doen, nooit zoo-iets onder
de oogen hebben gehad.

Nu vreesde ik dat die Sjaalman op-eens weer voor me zou staan, en dat hy
me weer iets te zeggen hebben zou. Het begon me nu te spyten dat ik dien
avend de Kapelsteeg was ingegaan, en ik zag in, dat men nooit den
fatsoenlyken weg verlaten moet. Natuurlyk had hy my om geld gevraagd, en
van zyn pak gesproken. Ik had hem misschien iets gegeven, en als hy my
dan den volgenden dag die massa schryvery had toegezonden, ware het myn
wettig eigendom geweest.[8] Ik zou dan de tarwe hebben kunnen scheiden
van het kaf, ik had er de nummers uitgehouden, die ik noodig had voor
myn boek, en de rest verbrand, of in de papiermand geworpen, hetgeen ik
nu niet doen kon. Want als hy terugkwam, zou ik het moeten leveren, en
hy, ziende dat ik belang stelde in een paar stukken van zyn hand, zou
zeker te veel daarvoor vorderen. Niets geeft den verkooper meer
overwicht, dan de ontdekking dat de kooper om zyn waar verlegen is. Zulk
een pozitie wordt dan ook door een koopman die zyn vak verstaat, zooveel
mogelyk vermeden.

Een ander denkbeeld--ik sprak er reeds van--dat bewyzen moge hoe
ontvankelyk het bezoeken van de beurs iemand laten kan voor
menschlievende indrukken, was dit. Bastiaans--dit is de derde bediende
die zoo oud en stuntelig wordt--was den laatsten tyd, van de dertig
dagen zeker geen vyf-en-twintig binnen geweest, en àls hy aan 't kantoor
komt, doet hy nog dikwyls zyn werk slecht. Als eerlyk man ben ik
tegenover de firma--_Last & Co_, sedert de Meyers er uit zyn--verplicht
te zorgen dat ieder zyn werk doe, en ik mag niet uit verkeerd begrepen
medelyden of overgevoeligheid, het geld van de firma wegwerpen. Zóó is
myn principe. Ik geef liever dien Bastiaans uit myn eigen zak een
driegulden, dan dat ik voortga hem de zevenhonderd gulden 's jaars
uittebetalen die hy niet meer verdient. Ik heb uitgerekend dat die man
sedert vier-en-dertig jaren, aan inkomen--zoo van _Last & Co_, als
vroeger van _Last & Meyer_, maar de Meyers zyn er uit--de som van byna
vyftien duizend gulden genoten heeft, en dit is voor een burgerman een
aardig sommetje. Er zyn er weinig in dien stand, die zooveel bezitten.
Recht tot klagen heeft hy dus niet. Ik ben op deze berekening gekomen
door dat stuk van Sjaalman over de multiplikatie.

Die Sjaalman schryft een goede hand, dacht ik. Bovendien, hy zag er
armoedig uit, en wist niet hoe laat het was ... hoe zou 't wezen, dacht
ik, als ik hem de plaats van Bastiaans gaf? Ik zou hem in dat geval
zeggen dat hy my "m'nheer" moest noemen, maar dit zou hyzelf wel
begrypen, want een bediende kan toch zyn patroon niet by den naam
aanspreken, en hy ware misschien voor zyn leven geholpen. Hy zou kunnen
beginnen met vier- of vyfhonderd gulden--onze Bastiaans heeft ook lang
gewerkt voor hy tot zevenhonderd opklom--en ik had een goede daad
gedaan. Ja, met driehonderd gulden zou hy wel kunnen beginnen, want daar
hy nooit in zaken geweest is, zou hy de eerste jaren als leertyd kunnen
beschouwen, wat dan ook billyk is, want hy kan zich niet gelyk-stellen
met menschen die veel gewerkt hebben. Ik ben zeker dat hy met tweehonderd
gulden tevreden zou zyn. Maar ik was niet gerust over zyn gedrag ... hy
had een sjaal om. En bovendien, ik wist niet waar hy woonde.

Een paar dagen daarna, waren de jonge Stern en Frits te zamen op een
boekverkooping geweest in _het Wapen van Bern_.[9] Ik had Frits verboden
iets te koopen, maar Stern, die ruim zakgeld heeft, kwam met eenige
prullen t'huis. Dit is zyn zaak. Doch zie, daar vertelde Frits dat hy
Sjaalman gezien had, die by de verkooping geëmploieerd scheen. Hy had de
boeken uit de kasten genomen, en die op de lange tafel voortgeschoven
naar den afslager. Frits zei dat hy zeer bleek zag, en dat een heer die
daar het opzicht scheen te hebben, hem bekeven had, omdat hy een paar
jaargangen van de _Aglaia_ had laten vallen, wat ik dan ook zeer onhandig
vind, want dit is een allerliefste verzameling van dames handwerken. Marie
heeft het samen met de Rosemeyers, die in suiker doen. Ze knoopt er uit ...
uit de _Aglaia_ meen ik. Maar onder dat kyven had Frits gehoord dat hy
vyftien stuivers daags verdiende. "Denk je dat ik van plan ben vyftien
stuivers daags aan jou weg te gooien?" had die heer gezegd. Ik rekende uit,
dat vyftien stuivers daags--ik denk dat de zon-en feestdagen niet meetellen,
anders had hy een maand of jaargeld genoemd--tweehonderd vyf-en-twintig
gulden 's jaars uitmaken. Ik ben snel in myn besluiten--als men zoo lang
in zaken is, weet men altyd terstond wat men te doen heeft--en den volgenden
morgen vroeg was ik by Gaafzuiger. Zoo heet de boekhandelaar die de
verkooping gehouden had. Ik vroeg naar den man die de _Aglaia_ had laten
vallen.

--Die heeft zyn congé, zei Gaafzuiger. Hy was lui, pedant en ziekelyk.

Ik kocht een doosjen ouwels, en besloot terstond het met onzen Bastiaans
nog wat aantezien. Ik kon er niet toe besluiten, een oud man zoo op-straat
te zetten. Streng, maar, waar het wezen kan, zachtmoedig, is altyd myn
principe geweest. Ik verzuim echter nooit, iets te vernemen wat te-pas kan
komen in de zaken, en daarom vroeg ik aan Gaafzuiger waar die Sjaalman
woonde? Hy gaf my 't adres, en ik schreef het op.

Ik peinsde gedurig over myn boek, maar daar ik van waarheid houd, moet
ik ronduit zeggen dat ik niet wist, hoe ik 't daarmee zou aanleggen. Eén
ding staat vast: de bouwstoffen die ik in Sjaalman's pak gevonden had,
waren belangryk voor de makelaars in koffi. De vraag was maar, hoe ik
handelen moest om die bouwstoffen behoorlyk te schiften en by-een te
brengen. Ieder makelaar weet van hoeveel gewicht een goede sorteering
der kavelingen is.

Maar ... schryven--buiten de korrespondentie met de principalen--ligt
zoo niet in myn kring, en toch voelde ik dat ik schryven moest, omdat
misschien de toekomst van 't vak er van afhangt. De inlichtingen die ik
in de bundels van Sjaalman vond, zyn niet van dien aard, dat _Last & Co_
het nut daarvan voor zich alleen kunnen houden. Als dit zoo ware,
begrypt ieder dat ik niet de moeite zou nemen een boek te laten drukken
dat Busselinck & Waterman ook te lezen krygen, want wie een konkurrent
op den weg helpt, is een gek. Dit is een vast principe van me. Neen, ik
zag in dat er een gevaar dreigt, dat de heele koffimarkt bederven zou,
een gevaar dat alleen door de vereende krachten van alle makelaars kan
worden afgeweerd, en zelfs is 't mogelyk dat deze krachten daartoe niet
eens voldoende zyn, en dat ook de suikerraffinadeurs--Frits zegt:
_raffineurs_, maar ik schryf _nadeurs_. Dit doen de Rosemeyers ook, en
die _doen_ in suiker. Ik weet wel dat men zegt: _geraffineerde_ schelm,
en niet: _geraffinadeerde_ schelm, maar dit is omdat ieder die met
schelmen te doen heeft, zich zoo kort mogelyk van de zaak afhelpt--dat
ook de raffinadeurs dan, en de handelaren in indigo er by noodig zullen
wezen.

Als ik zoo al schryvende nadenk, komt het me voor, dat zelfs de
scheepsreederyen er eenigszins in betrokken zyn, en de koopvaardyvloot
... zeker, dit is waar! En de zeilenmakers ook, en de minister van
finantien, en de armbesturen, en de andere ministers, en de pasteibakkers,
en de galanteriekramers, en de vrouwen, en de scheepsbouwmeesters, en de
groothandelaars, en die in 't klein verkoopen, en de huisbewaarders, en
de tuinluî.

En--zonderling toch, hoe de gedachten onder 't schryven in iemand opkomen
--myn boek gaat ook de molenaars aan, en de dominees, en hen die Holloway-
pillen verkoopen, en de likeurstokers, en de pannenbakkers, en de menschen
die van staatsschuld leven, en de pompenmakers, en de touwslagers, en de
wevers, en de slachters, en de klerken op een makelaarskantoor, en de
aandeelhouders van de Nederlandsche Handelmaatschappy, en eigenlyk, wel
beschouwd, alle anderen ook.

En den koning ook ... ja, den Koning vooral!

Myn boek _moet_ de wereld in. Hiertegen is niets te doen! Laat dan
Busselinck & Waterman het ook te lezen krygen ... afgunst is myn zaak
niet. Maar knoeiers en onderkruipers zyn ze, dit zeg _ik_! Ik heb 't
vandaag nog aan den jongen Stern gezegd, toen ik hem in _Artis_
introduceerde. Hy mag 't gerust schryven aan zyn vader.

Zoo zat ik dan voor een paar dagen nog vreeselyk in den brand met myn
boek, en zie, Frits heeft my op den weg geholpen. Ik heb dit hemzelf
niet gezegd, omdat ik niet goed vind, iemand te laten merken dat men
verplichting aan hem heeft--dit is een principe van me--maar wáár is
het. Hy zei dat Stern zoo'n knappe jongen was, dat hy zulke snelle
vorderingen in de taal maakte, en dat hy duitsche verzen van Sjaalman
in 't hollandsch vertaald had. Ge ziet, de verkeerde wereld was in myn
huis: de _Hollander_ had in 't duitsch geschreven, en de _Duitscher_
vertaalde in 't hollandsch. Als ieder zich by zyn eigen taal had
gehouden, zou er moeite gespaard zyn. Maar, dacht ik, als ik myn boek
door dien Stern schryven liet? Als ik er wat by te voegen heb, schryf
ikzelf van-tyd tot-tyd een hoofdstuk. Frits kan ook helpen. Hy heeft een
lystje van woorden die met twee _e_'s geschreven worden, en Marie kan
alles in 't net schryven. Dit is met-één voor den lezer een waarborg
tegen alle onzedelykheid. Want dit begrypt ge toch, dat een fatsoenlyk
makelaar aan zyn dochter niets in handen geven zal, wat niet strookt met
zeden en fatsoen.

Ik heb toen de beide jongens over myn plan gesproken, en ze vonden het
goed. Alleen scheen Stern, die een tint van letterkunde over zich
heeft--zooals veel Duitschers--stem te willen hebben in de wyze van
uitvoering. Dit beviel me nu wel niet zeer, maar omdat de voorjaarsveiling
op-hand is, en ik van Ludwig Stern nog geen orders heb, wilde ik hem niet
te sterk kontrarieeren. Hy zei dat: "als de borst hem gloeide van gevoel
voor het ware en schoone, geen macht ter-wereld hem beletten kon de tonen
aanteslaan, die met zulk een gevoel overeenstemmen, en dat hy veel liever
zweeg, dan zyn woorden omklemd te zien door de onteerende kluisters der
alledaagsheid."--Frits zegt: _scheid_, maar dit doe ik niet. 't Woord is
lang genoeg zoo.--Ik vond dit nu wel heel gek van Stern, maar myn vak gaat
me vóór alles, en de Oude is een goed huis. We stelden dus vast:

   1° Dat hy alle weken een paar hoofdstukken zou leveren voor myn boek.

   2° Dat ik in zyn geschryf niets zou veranderen.

   3° Dat Frits de taalfouten verbeteren zou.

   4° Dat ik nu-en-dan een hoofdstuk schryven zou, om aan 't boek een
   soliede voorkomen te geven.

   5° Dat de titel zou wezen: _de koffiveilingen der Nederlandsche
   Handelmaatschappy_.

   6° Dat Marie het net afschrift zou maken voor den druk, maar dat men
   geduld met haar hebben zou, als de wasch kwam.

   7° Dat de afgewerkte hoofdstukken elke week op den krans zouden
   worden voorgelezen.

   8° Dat alle onzedelykheid zou worden vermeden.

   9° Dat myn naam niet op den titel zou staan, omdat ik makelaar ben.

   10° Dat Stern een _duitsche_, een _fransche_, en een _engelsche_
   vertaling van myn boek zou mogen uitgeven, omdat--zoo beweerde
   hy--zulke werken beter in 't buitenland worden begrepen dan by ons.

   11° (_Hierop drong, Stern zeer sterk aan_) Dat ik Sjaalman een riem
   papier, een gros pennen, en een kruikjen inkt zenden zou.

Ik nam met alles genoegen, want er was groote haast by myn boek. Stern
had den volgenden dag zyn eerste hoofdstuk gereed, en ziedaar, lezer,
de vraag beantwoord, hoe 't komt dat een makelaar in koffi--_Last & Co,
Lauriergracht N° 37_--een boek schryft, dat op een roman gelykt.

Nauwelyks echter was Stern aan zyn werk begonnen, of hy stuitte op
moeielykheden. Buiten de zwarigheid om uit zooveel bouwstoffen het
noodige uittezoeken en te rangschikken, kwamen er gedurig in de
handschriften woorden en uitdrukkingen voor, die hy niet begreep, en die
ook mij vreemd waren. Het was meestal javaansch of maleisch. Ook waren
hier-en-daar verkortingen aangebracht, die moeielyk te ontcyferen waren.
Ik zag in, dat we Sjaalman noodig hadden, en daar ik het voor een jong
mensch niet goed vind, dat hy verkeerde konnexien aanknoopt, wilde ik
noch Stern noch Frits daarheen zenden. Ik nam suikergoed mee, dat
overgebleven was van den laatsten krans-avend--want ik denk altyd aan
alles--en ik zocht hem op. Schitterend was zyn verblyf niet, maar de
gelykheid voor alle menschen, dus ook wat hun woningen aangaat, is een
hersenschim. Hyzelf had dit gezegd in zyn verhandeling over de
aanspraken op geluk. Bovendien, ik houd niet van menschen die altyd
ontevreden zyn.

Het was in de Lange-leidsche-dwarsstraat, op een achterkamer. In 't
onderhuis woonde een uitdrager die allerlei dingen verkocht, kopjes,
schotels, meubels, oude boeken, glaswerk, portretten van Van Speyk, en
zoo al meer. Ik was zeer bang iets te breken, want in zoo'n geval
vorderen de menschen altyd meer geld voor de zaken, dan ze waard zyn.
Een klein meisje zat op de stoep, en kleedde haar pop aan. Ik vroeg of
m'nheer Sjaalman daar woonde? Ze liep weg, en de moeder kwam.

--Ja, die woont hier, meneer. Gaat uwee maar de trap op, na 'et eerste
pertaal, en dan de trap na 'et tweede pertaal, en dan nog 'en trap, en
dan is uwee-d-er, want uwe komt er vanzelf. Myntje, ga 'es eefe segge
datter 'en heer is. Wie kanse segge, dat er is, meneer?

Ik zei dat ik m'nheer Droogstoppel was, makelaar in koffi, van de
Lauriergracht, maar dat ik mezelf wel zou aandienen. Ik klom zoo hoog
als gezegd was, en hoorde in het derde portaal een kinderstem zingen:
_strakjes komt vader, die zoete papa_. Ik klopte, en de deur werd
geopend door een vrouw of dame--ik weet zelf niet recht wat ik van haar
maken moest. Ze zag zeer bleek. Haar trekken droegen sporen van
vermoeidheid, en deden me denken aan myn vrouw als de wasch beredderd
is. Ze was gekleed in een wit lang hemd, of jak zonder schoot, dat haar
tot de knieën hing, en aan de voorzyde met een zwart speldje was
vastgemaakt. In plaats van een behoorlyke japon of rok, droeg ze
daaronder een stuk donker gebloemd lynwaad, dat eenige malen om het lyf
gewikkeld scheen, en hare heupen en knieën vry nauw omsloot. Er was geen
spoor van plooien, wydte of omvang, zooals dit by een vrouw toch
behoort. Ik was bly dat ik Frits niet gezonden had, want haar kleeding
kwam me zeer onkiesch voor, en het vreemde daarvan werd nog verhoogd
door de losheid waarmee ze zich bewoog, als vond ze zich heel goed zoo.
Het mensch scheen volstrekt niet te weten dat ze er niet uitzag als
andere vrouwen. Ook kwam het me voor, dat ze volstrekt niet verlegen was
over myn komst. Ze verborg niets onder de tafel, verschoof de stoelen
niet, en deed niets van wat toch het gebruik is, als er een vreemdeling
komt van een deftig voorkomen.

Ze had, als een Chinesche, de haren achterover gekamd, en die achter het
hoofd in een soort van strik of knoop saamgebonden. Later heb ik
vernomen dat haar kleeding een soort van _indische dracht_ is, die ze
daar-te-lande _sarong_ en _kabaai_ noemen, maar ik vond het heel leelyk.

--Is u juffrouw Sjaalman? vroeg ik.

--Wien heb ik de eer te spreken? zeide zy, en wel op een toon waarin
iets lag, alsof ook ik wat _eer_ had moeten brengen in myn vraag.

Nu, van komplimenten houd ik niet. Met een principaal is dit wat anders,
en ik ben te lang by de zaken, om myn wereld niet te kennen. Maar om
daar veel omslag te verkoopen op een derde verdieping, vond ik niet
noodig. Ik zei dus kort-af, dat ik m'nheer Droogstoppel was, makelaar in
koffi, _Lauriergracht, N° 37_, en dat ik haar man spreken wilde. Wel ja,
waarom zou ik omslag maken?

Ze wees my een matten stoeltjen aan, en nam een klein meisje op den
schoot, dat op den grond zat te spelen. De kleine jongen dien ik had
hooren zingen, zag me strak aan, en bekeek me van 't hoofd tot de
voeten. Die scheen ook volstrekt niet verlegen! Het was een knaapje van
een jaar of zes, ook al vreemd gekleed. Zyn wyd broekje reikte
ter-nauwernood tot de helft van de dy, en de beentjes waren bloot van
daar tot aan den enkel. Heel indecent, vind ik. "Kom je om papa te
spreken?" vroeg hy op-eens, en ik begreep terstond dat de opvoeding van
dat knaapje veel te wenschen overliet, anders had hy: "komt u" gezegd.
Maar omdat ik met myn houding verlegen was, en wel wat praten wilde,
antwoordde ik:

--Ja, kereltje, ik kom om je papa te spreken. Zou hy spoedig komen, denk
je?

--Dat weet ik niet. Hy is uit, en zoekt geld om een verfdoos voor me te
koopen. (Frits zegt: _verwdoos_, maar dit doe ik niet. _Verf_ is _verf_,
en geen _verw_.)

--Stil, myn jongen, zei de vrouw. Speel wat met je prenten of met de
chinesche speeldoos.

--Je weet immers dat die m'nheer gister alles heeft meegenomen.

Ook zyn moeder noemde hy: _je_, en er scheen een "heer" geweest te zijn,
die alles "meegenomen had" ... een vroolyk bezoek! De vrouw scheen ook
niet opgeruimd, want ter-sluik wischte zy haar oog af, terwyl zy 't
kleine meisje by haar broertje bracht. "Dáár, zeide zy, speel wat met
Nonni." Een rare naam. En dit deed hy.

--Wel juffrouw, vroeg ik, verwacht u spoedig uw man?

--Ik kan 't niet bepalen, antwoordde zy.

Daar liet op-eens de kleine jongen, die met zyn zusje _schuitjevaren_
gespeeld had, deze in den steek, en vroeg my:

--M'nheer, waarom zeg je tegen mama: _juffrouw_?

--Hoe dan, kereltje, zei ik, wat moet ik dan zeggen?

--Wel ... zooals andere menschen! De _juffrouw_ is beneden. Ze verkoopt
schotels en priktollen.

Nu ben ik makelaar in koffi--_Last & Co, Lauriergracht, N° 37_--we zyn
met ons dertienen op 't kantoor, en als ik Stern meereken, die geen
salaris ontvangt, zyn er veertien. Welnu, _myn_ vrouw is: _juffrouw_, en
moest ik nu tegen dàt mensch: _mevrouw_ zeggen? Dit ging toch niet!
Ieder moet in zyn stand blyven, en wat meer is, gister hadden de
deurwaarders den boel weggehaald. Ik vond myn: _juffrouw_ dus wèl, en
bleef er by.

Ik vroeg waarom Sjaalman zich niet by my had aangemeld om zyn pak terug
te halen? Ze scheen er van te weten, en zei, dat zy op-reis waren
geweest, en wel naar Brussel. Dat hy daar voor de _Indépendance_ gewerkt
had, maar dat hy er niet had kunnen blyven, omdat zyn artikels oorzaak
waren dat het blad aan de fransche grenzen zoo dikwyls werd afgewezen.
Dat ze sedert eenige dagen in Amsterdam teruggekeerd waren, omdat
Sjaalman hier een betrekking zou krygen ...

--Zeker by Gaafzuiger? vroeg ik.

Ja, dat was het! Maar dit was tegengeloopen, zeide zy. Nu, hiervan wist
ik meer dan zyzelf. Hy had de _Aglaia_ laten vallen, en was lui, pedant
en ziekelyk ... precies, dáárom was hy weggejaagd.

--En, ging ze voort, dat hy zeker dezer dagen by my komen zou, en
misschien wel juist naar my toe was, om antwoord te vragen op 't verzoek
dat hy my gedaan had.

Ik zei dat Sjaalman maar eens komen zou, maar dat hy niet moest schellen,
want dit is zoo lastig voor de meid. Als hy wat wachtte, zei ik, zou de
deur wel eens opengaan, als er iemand uit moest. En toen ging ik heen, en
nam myn bruidsuikers weer mee, want, ronduit gezegd, het beviel me daar
niet. Ik voelde me niet op myn gemak. Een makelaar is toch geen kruier,
dunkt me, en ik beweer dat ik er fatsoenlyk uitzie. Ik had mijn jas met
bont aan, en toch zat ze daar zoo eenvoudig, en praatte zoo kalm met haar
kinderen, alsof ze alleen was. Bovendien ze scheen geschreid te hebben, en
ontevreden menschen kan ik niet verdragen. Ook was 't er koud en ongezellig
--zeker omdat de boel weggehaald was--en ik houd veel van gezelligheid in
een kamer. Onder het naar-huis gaan besloot ik het met Bastiaans nog eens
aantezien, omdat ik niet gaarne iemand op-straat zet.

Nu volgt de eerste week van Stern. Het spreekt vanzelf dat er veel in
voorkomt, dat my niet bevalt. Maar ik moet me houden aan artikel _twee_,
en de Rosemeyers hebben 't goed gevonden. Ik geloof, dat ze Stern in de
hoogte steken, omdat hy een oom heeft te Hamburg die in suiker doet.

Sjaalman was er inderdaad geweest. Hy had Stern gesproken, en aan dezen
eenige woorden en zaken uitgelegd, die hy niet begreep. Die Stern niet
begreep, meen ik. Ik verzoek nu den lezer de volgende hoofdstukken
doortebyten, dan beloof ik naderhand weer iets van meer solieden aard,
van _my_, Batavus Droogstoppel, makelaar in koffi: _Last & Co,
Lauriergracht, N° 37_.



VYFDE HOOFDSTUK


Er was des morgens te tien ure een ongewone beweging op den grooten weg
die de afdeeling _Pandeglang_ verbindt met _Lebak_[10] "Groote weg" is
misschien wat veel gezegd voor 't breed voetpad dat men, uit beleefdheid
en by-gebrek aan beter, de "weg" noemde. Maar als men met een vierspannig
rytuig vertrok van _Serang_, de hoofdplaats der residentie _Bantam_, met
het voornemen zich te begeven naar _Rangkas-Betoeng_, de nieuwe hoofdplaats
van 't _Lebaksche_, kon men nagenoeg zeker zyn, te-eeniger-tyd daar
aantekomen. 't Was dus een weg. Wel bleef men gedurig steken in den modder,
die in de _Bantamsche_ laaglanden zwaar, kleierig en klevend is, wel was
men telkens genoodzaakt de hulp interoepen van de bewoners der naastby
gelegen dorpen--ook al waren ze niet zéér naby, want de dorpen zyn niet
menigvuldig in die streken--maar als men er dan eindelyk in geslaagd was,
een twintigtal landbouwers uit den omtrek by-een te krygen, duurde het
gewoonlyk niet zeer lang, voor men paard en wagen weder op vasten grond
had gebracht. De koetsier klapte met de zweep, de loopers--in Europa zou
men, geloof ik, zeggen "palfreniers" of liever, er bestaat in Europa niets
wat met deze loopers overeenkomt--die onvergelykbare loopers dan, met hun
korte dikke zweepjes, huppelden weer aan de zyde van het vierspan, kreschen
onbeschryfelyke geluiden, en sloegen de paarden ter-aanmoediging onder
den buik. Zóó hoste men dan eenigen tyd voort, tot het verdrietig oogenblik
weer daar was, dat men tot over de assen wegzonk in den modder. Dan begon
het geroep om hulp op-nieuw. Men wachtte geduldig tot die hulp kwam, en ...
sukkelde verder.

Dikwyls, als ik dien weg langs ging, was 't my als zou ik hier of daar
een wagen vinden met reizigers uit de vorige eeuw, die in den modder
gezakt, en vergeten waren. Maar dit is me nooit voorgekomen. Ik
veronderstel dus dat allen die ooit dezen weg langs kwamen, eindelyk zyn
aangeland waar ze wezen wilden.

Men zou zich zeer vergissen, wanneer men zich van den geheelen grooten
weg op Java, een denkbeeld vormde naar den maatstaf van dien weg in
't _Lebaksche_. De eigenlyke heirbaan met zyn vele zytakken, die de
maarschalk Daendels met groote opoffering van volk deed aanleggen[11]
is inderdaad een prachtig stuk werks, en men staat verbaasd over de
geestkracht van den man die, ondanks alle bezwaren welke zyn benyders
en tegenstanders in 't moederland hem in den weg legden, den onwil der
bevolking en de ontevredenheid der hoofden durfde trotsen, om iets
tot-stand te brengen, dat thans nog de bewondering van iederen bezoeker
opwekt en verdient.

Geen paardenpostery dan ook in Europa--zelfs niet in Engeland, Rusland
of Hongarye--kan met die op Java worden gelyk gesteld. Over hooge
bergruggen, langs diepten die u doen yzen, vliegt de zwaar bepakte
reiswagen in één galop voort. De koetsier zit als op den bok genageld,
uren, ja, gansche dagen achtereen, en zwaait de zware zweep met yzeren
arm. Hy weet juist te berekenen waar en hoeveel hy de hollende paarden
moet inhouden, om na vliegend dalen van een berghelling, ginds aan
dien hoek ...

--Myn God, de weg is ... weg! We gaan in een afgrond, gilt de onervaren
reiziger, daar is geen weg ... daar is de diepte!

Ja, zoo schynt het. De weg kromt zich, en juist als één galopsprong
verder, vasten grond zou doen verliezen aan 't voorspan, wenden zich de
paarden, en slingeren het voertuig den hoek om. Ze vliegen de berghoogte
op, die ge een oogenblik vroeger niet zaagt, en ... de afgrond ligt
achter u.

Er zyn, by zulke gelegenheid, oogenblikken dat de wagen alleen rust op
de raderen aan de buitenzyde van den boog dien ge beschryft: de
middelpuntvliedende kracht heeft de binnenwielen van den grond geheven.
Er behoort koelbloedigheid toe, de oogen niet te sluiten, en wie voor
't eerst op Java reist, schryft aan zyn familie in Europa, dat hy in
levensgevaar verkeerd heeft. Maar wie er te-huis behoort, lacht om
dien angst.

Het is myn doel niet, vooral niet in het begin van myn vertelling, den
lezer lang bezig te houden met het beschryven van plaatsen, landschappen
of gebouwen. Ik vrees te zeer hem afteschrikken door wat zweemen zou
naar langdradigheid, en eerst later, als ik gevoel dat hy voor my
gewonnen is, als ik uit blik en houding bemerk dat het lot van de heldin
die ergens van 't balkon eener vierde verdieping springt, hem belang
inboezemt, dan laat ik, met stoute verachting van alle wetten der
zwaartekracht, haar zweven tusschen hemel en aarde, tot ik myn hart heb
lucht gegeven in de nauwkeurige schets der schoonheden van het
landschap, of van 't gebouw dat daar ergens schynt geplaatst te zyn om
een voorwendsel aan de hand te doen tot een veelbladzydig vertoog over
middeleeuwsche architektuur. Al die kasteelen gelyken op elkaar.
Onveranderlyk zyn ze van heterogeene bouworde. Het _corps de logis_
dagteekent altyd van eenige regeeringen vroeger dan de aanhechtsels die
onder dezen of genen lateren koning daarby zyn gevoegd. De torens zyn in
vervallen staat ...

Waarde lezer, er zyn geen torens. Een toren is een denkbeeld, een droom,
een ideaal, een verzinsel, onverdragelyke grootspraak! Er zyn halve
torens, en ... torentjes.

De geestdryvery die torens meende te moeten zetten op de gebouwen die
opgericht werden ter-eere van dezen of genen heilige, duurde niet lang
genoeg om ze te voleinden, en de spits die de geloovigen naar den hemel
moet wyzen, rust, gewoonlyk een paar omgangen te laag, op de massieve
bazis, 'tgeen denken doet aan den man zonder dyen op de kermis. Alleen
_torentjes, kleine naaldjes_ op dorpskerken, zyn afgewerkt.

Het is waarlyk niet vleiend voor de westersche beschaving, dat zelden
het denkbeeld om een groot werk tot-stand te brengen, zich lang genoeg
heeft kunnen staande houden om dat werk voleind te zien. Ik spreek nu
niet van ondernemingen welker afwerking noodig was om de kosten te
dekken. Wie juist weten wil wat ik bedoel, ga den Dom te Keulen zien. Hy
geve zich rekenschap van de grootsche opvatting van dat gebouw, in de
ziel des bouwmeesters Gerhard von Riehl ... van 't geloof in de harten
des volks, dat hem in-staat stelde dat werk aantevangen en voorttezetten
... van den invloed der denkbeelden die zùlk een kolos noodig hadden om
als zichtbare voorstelling te dienen van het ongezien godsdienstig
gevoel ... en hy vergelyke deze overspanning met de richting, die eenige
eeuwen later het oogenblik deed geboren worden, waarop men 't werk staakte.

Er ligt een diepe kloof tusschen Erwin van Steinbach en onze bouwmeesters!
Ik weet dat men sedert jaren bezig is deze kloof te dempen. Ook te Keulen
bouwt men weder aan den Dom. Maar zal men den afgebroken draad weer kunnen
aanhechten? Zal men terugvinden in _onze_ dagen, wat _toen_ de kracht
uitmaakte van kerkvoogd en bouwheer? Ik geloof het niet. Geld zal wel te
bekomen zyn, en hiervoor is steen en kalk te-koop. Men kan den kunstenaar
betalen, die een plan ontwerpt, en den metselaar die de steenen legt. Maar
niet voor geld te-koop is 't verdwaald en toch eerbiedwaardig gevoel dat
in een bouwontwerp een dichtstuk zag, een dichtstuk van graniet, dat luid
sprak tot het volk, een dichtstuk in marmer, dat dáár stond als een
onbewegelyk voortdurend eeuwig gebed.

Op de grens tusschen _Lebak_ en _Pandeglang_ dan, was op zekeren morgen
een ongewone beweging. Honderden gezadelde paarden bedekten den weg, en
duizend menschen voor 't minst--wat veel was voor die plek--liepen in
bedryvig wachten heen-en-weer. Hier zag men de hoofden der dorpen, en
de distriktshoofden uit het _Lebaksche_, allen met hun gevolg, en te
oordeelen naar den schoonen bastert-arabier die in zyn ryk tuig op den
zilveren watertrens knabbelde, was ook een hoofd van hoogeren rang op
deze plaats aanwezig. Dit was dan ook het geval. De Regent van _Lebak_,
_Radhen Adhipatti Karta Natta Negara_[12] had met groot gevolg
_Rangkas-Betoeng_, verlaten, en ondanks zijn hoogen ouderdom de twaalf
of veertien palen afgelegd, die zyn woonplaats scheiden van de grenzen
der naburige afdeeling _Pandeglang_.

Er werd een nieuwe adsistent-resident verwacht, en het gebruik, dat in
Indie meer dan ergens kracht van wet heeft, wil dat de beambte die met
het bestuur eener afdeeling belast is, feestelyk worde ingehaald by zyn
aankomst. Ook de kontroleur, een man van middelbaren leeftyd, die sedert
eenige maanden na den dood van den vorigen adsistent-resident, als
eerstopvolgende in rang het bestuur had waargenomen, was daar tegenwoordig.

Zoodra het tydstip der komst van den nieuwen adsistent-resident bekend
was, had men in-aller-yl een _pendoppo_ doen oprichten, een tafel en
eenige stoelen daarheen gebracht, en eenige ververschingen gereed gezet.
In deze _pendoppo_ wachtte de Regent met den kontroleur de aankomst van
den nieuwen chef af.

Na een hoed met breeden rand, een regenscherm, of een hollen boom, is
een _pendoppo_ zeker de eenvoudigste uitdrukking van het denkbeeld:
_dak_. Verbeeld u vier of zes bamboezen palen in den grond geslagen, die
aan de boveneinden met elkander verbonden zyn door andere bamboes,
waarop een deksel is vastgehecht van de lange bladen van den waterpalm,
die in deze streken _atap_ heet, en ge zult u dusdanige _pendoppo_
kunnen voorstellen. Het is, zooals ge ziet, zoo eenvoudig mogelyk, en
het moest hier dan ook slechts dienen als _pied à terre_ voor de
europesche en inlandsche beambten die daar hun nieuw opperhoofd kwamen
verwelkomen aan de grenzen.

Ik heb me niet volkomen juist uitgedrukt, toen ik den adsistent-resident
het opperhoofd, ook van den Regent, noemde. Een uitweiding over 't
mechanismus van het bestuur in deze landstreken is hier, tot juist begrip
van hetgeen volgen zal, noodzakelyk.[13]

Het dusgenaamd _Nederlandsch Indie_--'t adjektief _nederlandsch_ komt me
eenigszins onnauwkeurig voor, doch 't werd officieel aangenomen[14]--is,
wat de verhouding van het moederland tot de bevolking aangaat, te
splitsen in twee zeer verschillende hoofddeelen. Een gedeelte bestaat
uit stammen welker vorsten en vorstjes de opperheerschappy van Nederland
als _suzerein_ erkend hebben, doch waarby nog altyd het rechtstreeksch
bestuur, in meer of minder mate gebleven is in handen van de ingeboren
Hoofden zelf. Een ander gedeelte, waartoe--met een zeer kleine, wellicht
maar schynbare, uitzondering--geheel Java behoort, is rechtstreeks
onderworpen aan Nederland. Van cyns of schatting of bondgenootschap is
hier geen spraak. De _Javaan_ is _nederlandsch onderdaan_. De Koning van
Nederland is zyn koning. De afstammelingen zyner vorige vorsten en
heeren zyn _nederlandsche_ beambten. Ze worden aangesteld, verplaatst,
bevorderd, door den Gouverneur-generaal die in-naam van den _Koning_
regeert. De misdadiger wordt veroordeeld en gevonnisd naar een wet die
van 's Gravenhage is uitgegaan. De belasting die de Javaan opbrengt,
vloeit in de schatkist van _Nederland_.

Van dit gedeelte slechts der nederlandsche bezittingen, dat alzoo
inderdaad deel uitmaakt van het _Koningryk der Nederlanden_, zal in deze
bladen hoofdzakelyk sprake zyn.

Den Gouverneur-generaal staat een Raad ter-zyde, die echter op zyn
besluiten geen _beslissenden_ invloed heeft. Te Batavia zyn de
onderscheidene bestuurstakken verdeeld in "departementen" aan welker
hoofd Direkteuren geplaatst zyn, die den schakel uitmaken tusschen het
opperbestuur van den Gouverneur-generaal en de Residenten in de
provincien. By behandeling evenwel der zaken van _politieken aard_,
wenden zich deze beambten rechtstreeks tot den Gouverneur-generaal.

De benaming _Resident_ is herkomstig uit den tyd toen Nederland nog
slechts _middelyk_ als _leenheer_ de bevolking beheerschte, en zich
aan de hoven der nog regeerende Vorsten door _Residenten_ liet
vertegenwoordigen. Die Vorsten bestaan niet meer, en de residenten
zyn, als gewestelijke Gouverneurs of _Praefecten_, bestuurders van
landschappen geworden. Hun werkkring is veranderd, doch de naam
is gebleven.

Het zyn deze residenten, die eigenlyk het nederlandsch gezag tegenover
de javaansche bevolking vertegenwoordigen. Het volk kent noch den
Gouverneur-generaal, noch de Raden van Indie, noch, de Direkteuren te
Batavia. Het kent slechts den _Resident_, en de beambten die onder hem
het besturen.

Een dusdanige residentie--er zyn er, die byna een millioen zielen
bevatten--is verdeeld in drie, vier of vyf afdeelingen of
regentschappen, aan welker hoofd _Adsistent-Residenten_ geplaatst zyn.
Onder dezen weder wordt het bestuur uitgeoefend door kontroleurs,
opzieners en een tal van andere beambten die noodig zyn voor de inning
der belastingen, voor het toezicht over den landbouw, voor het oprichten
van gebouwen, voor de waterstaats-werken, voor de policie en voor het
rechtswezen.

In elke afdeeling staat een inlandsch hoofd van hoogen rang met den
titel van _Regent_, den adsistent-resident ter-zyde. Zoodanig Regent,
hoewel zyn verhouding tot het bestuur en zyn werkkring geheel die is van
een _bezoldigd beambte_, behoort altyd tot den hoogen adel des lands, en
dikwyls tot de familie der vorsten die vroeger in dat landschap of in de
nabuurschap onafhankelyk geregeerd hebben. Zeer staatkundig wordt alzoo
gebruik gemaakt van hun alouden feodalen invloed--die in Azie over 't
geheel van groot gewicht is, en by de meeste stammen als punt van
godsdienst wordt aangemerkt--dewyl door het benoemen dezer hoofden tot
beambten, een hierarchie wordt geschapen, aan welker spits het
nederlandsch gezag staat, dat door den Gouverneur-generaal wordt
uitgeoefend.

Er is niets nieuws onder de zon. Werden niet de _Ryks-, Mark-, Gau-_, en
_Burggraven_ van het duitsche Ryk evenzoo door den Keizer aangesteld, en
meestal gekozen uit de Baronnen? Zonder uitweiding over den oorsprong
des adels, die geheel in de natuur ligt, wensch ik toch plaats te geven
aan de opmerking hoe in òns werelddeel en ginds in 't verre Indie,
dezelfde oorzaken dezelfde gevolgen hadden. Een land moet op verren
afstand geregeerd worden, en hiertoe zyn beambten noodig, die 't
centraaal gezag vertegenwoordigen. Onder het stelsel van militaire
willekeur, kozen de Romeinen hiertoe de _Praefecten_, in den aanvang
gewoonlyk de bevelhebbers der legioenen die 't bedoelde land hadden
ten-onder gebracht. Zulke landstreken bleven dan ook: _provincien_, dat
is: _win_gewesten. Maar toen later het centraal gezag des duitschen Ryks
behoefte voelde, eenig ver gelegen volk aan zich te binden op andere
wyze dan door stoffelyk overwicht alleen, zoodra een verwyderde streek
werd beschouwd als door gelykheid in afkomst, taal en gewoonten tot het
Ryk te behooren, deed zich de noodzakelykheid gevoelen, iemand met de
leiding der zaken te belasten, die in dat land te-huis behoorde niet
alleen, maar door zyn stand boven zyn medeburgers in die streken
verheven was, opdat de gehoorzaamheid aan de bevelen des Keizers,
gemakkelyk werde door de samengaande neiging tot onderwerping aan hem
die met de uitvoering dezer bevelen belast was. Hierdoor werden dan
tevens geheel of gedeeltelyk de uitgaven vermeden, voor een staand leger
ten-laste der algemeene staatskas, of, zooals meestal geschiedde,
ten-laste van de gewesten zelf, die door zoodanig leger moesten bewaakt
worden. Zoo werden de eerste Graven gekozen uit de Baronnen des lands,
en strikt genomen is dus 't woord _graaf_ geen adellyke titel, doch
slechts de benaming van een met zeker _ambt_ belasten persoon. Ik geloof
dan ook dat in de middeleeuwen de meening gold, dat de duitsche Keizer
wel 't recht had, graven, d.i. _landschapsbestuurders_, en hertogen,
d.i. _heiraanvoerders_, te benoemen, doch dat de Baronnen beweerden, wat
hun geboorte aangaat, aan den Keizer gelyk te zyn en alleen van God
aftehangen, behoudens de verplichting den Keizer te dienen, voor-zoo-ver
deze met hun toestemming, en uit hun midden gekozen was. Een graaf
bekleedde een _ambt_ waartoe hem de Keizer had geroepen. Een baron
beschouwde zich als baron "_door de genade Gods_." De graven
vertegenwoordigden den Keizer, en voerden als zoodanig _diens_ banier,
d.i. den Standaard van het Ryk. Een baron bracht volk op de been onder
zyn eigen vaan, als _baanderheer_.

De omstandigheid nu, dat graven en hertogen gewoonlyk uit de baronnen
werden gekozen, bracht te-weeg dat zy het gewicht hunner betrekking in
de schaal legden by den invloed dien zy aan hun geboorte ontleenden, en
hieruit schynt later, vooral toen men aan de erfelykheid dezer
betrekkingen was gewoon geraakt, de voorrang ontstaan te zyn, dien deze
titels hadden boven dien van baron. Nog heden-ten-dage zou menige
vryheerlyke familie--zonder keizerlyk of koninklyk patent, dat is een
zoodanige familie, die haren adel afleidt van het ontstaan des lands,
die _altyd_ van adel was _omdat_ ze van adel was--_autochthoon_--een
verheffing tot den gravenstand, als derogeerend afwyzen. Er zyn
voorbeelden van.

De personen die met het bestuur van zoodanig graafschap belast waren,
trachtten natuurlyk van den Keizer te verkrygen dat hun zoons, of,
by-gebreke daarvan, andere bloedverwanten, hen in hun betrekking zouden
opvolgen. Dit geschiedde dan ook gewoonlyk, schoon ik niet geloof dat
ooit het recht op deze opvolging _organisch_ is erkend geworden, althans
wat deze beambten in de _Nederlanden_ aangaat, by-voorbeeld, de graven
van Holland, Zeeland, Henegouwen of Vlaanderen, de hertogen van Brabant,
Gelderland, enz. Het was in den beginne een gunst, weldra een gewoonte,
en ten-slotte een noodzakelykheid, maar nooit werd deze erfelykheid wet.

Nagenoeg op gelyke wyze--wat de keus der personen aangaat, daar hier
geen spraak is van gelykheid in werkkring, hoewel ook in dit opzicht
zekere overeenstemming in 't oog valt--staat aan het hoofd eener
afdeeling op Java, een inlandsch beambte die den hem door het
gouvernement gegeven rang met zijn _autochthoonen_ invloed verbindt,
om aan den europeschen ambtenaar die 't _nederlandsch_ gezag
vertegenwoordigt, het bestuur gemakkelyk te maken. Ook hier is de
erfelykheid, zonder door een wet vastgesteld te zyn, tot een gewoonte
geworden. Reeds by het leven van den Regent is deze zaak meestal
geregeld, en 't geldt als een belooning voor dienstyver en trouw, indien
men hem de toezegging geeft dat hy in zijn betrekking door zyn zoon zal
worden opgevolgd. Er moeten al zeer gewichtige redenen bestaan, voor er
van dezen regel wordt afgeweken, en waar dit het geval wezen mocht,
kiest men toch gewoonlyk den opvolger uit de leden van dezelfde familie.

De verhouding tusschen europesche ambtenaren, en dusdanige hooggeplaatste
javaansche grooten, is van zeer kieschen aard. De adsistent-resident
eener afdeeling is de verantwoordelyke persoon. Hy heeft zyn instruktien,
en wordt verondersteld het hoofd der afdeeling te zyn. Dit belet echter
niet dat de Regent, door plaatselyke kennis, door geboorte, door invloed
op de bevolking, door geldelyke inkomsten en hiermede overeenstemmende
levenswyze, ver boven hem verheven is. Bovendien is de Regent, als
vertegenwoordiger van 't _javaansch element_ eener landstreek, en
verondersteld wordende te spreken uit naam der honderd- of meer duizend
zielen, die zyn regentschap bevolken, ook in de oogen van 't Gouvernement
een veel belangryker persoon, dan de eenvoudige _europesche_ beambte,
wiens ontevredenheid niet behoeft gevreesd te worden, daar men voor hem
vele anderen in de plaats bekomen kan, terwyl de minder goede stemming van
een Regent wellicht de kiem zou kunnen worden van beroering of opstand.

Uit dit alles vloeit dus de vreemde omstandigheid voort, dat eigenlyk de
_mindere_ den _meerdere_ beveelt. De adsistent-resident gelast den
Regent, hem opgaven te doen. Hy gelast hem, volk te zenden tot het
arbeiden aan bruggen en wegen. Hy gelast hem, belastingen te doen innen.
Hy roept hem op, zitting te nemen in den landraad, waarin hy
adsistent-resident voorzit. Hy berispt hem, waar hy schuldig is aan
plichtverzuim. Deze zeer eigenaardige verhouding wordt alleen mogelyk
gemaakt door uiterst beleefde vormen, die evenwel noch hartelykheid,
noch, waar 't noodig blyken mocht, strengheid behoeven uittesluiten en
ik geloof dat de toon die in deze verhouding heerschen moet, vry wel
wordt aangegeven in 't officieel voorschrift dienaangaande: de
_europesche_ ambtenaar hebbe den _inlandschen_ beambte die hem ter-zyde
staat, te behandelen als zyn _jonger broeder_.

Maar hy vergete niet dat deze _jonger broeder_ by de ouders zeer bemind
--of gevreesd--is, en dat, by voorkomend geschil, zyn meerdere jaren
zouden worden in rekening gebracht als beweegreden om hem euvel te nemen
dat hy zyn _jonger broeder_ niet met meer inschikkelykheid of takt
behandelde.

De aangeboren hoffelykheid van den javaanschen groote--zelfs de geringe
Javaan is veel beleefder dan zyn europesche standgenoot--maakt evenwel
deze schynbaar moeielyke verhouding dragelyker dan ze anders wezen zou.

De Europeaan zy wel-opgevoed en kiesch, hy gedrage zich met vriendelyke
waardigheid, en kan dan zeker zyn dat de Regent van zyn kant hem 't
bestuur gemakkelyk maken zal. Het stuitend bevelen, in verzoekenden vorm
geuit, wordt met stiptheid nagekomen. Het verschil in stand, geboorte,
rykdom, wordt uitgewischt door den Regent zelf, die den Europeaan, als
vertegenwoordiger des Konings van Nederland, tot zich opheft, en
ten-slotte is een verhouding die, oppervlakkig beschouwd, botsing moest
te weeg brengen, zeer dikwyls de bron van een aangenaam verkeer.

Ik zeide dat dusdanige Regenten ook door rykdom den voorrang hadden
boven den europeschen ambtenaar, en dit is natuurlyk. De Europeaan, als
hy geroepen wordt tot het besturen eener provincie die in oppervlakte
met vele duitsche hertogdommen gelyk staat, is gewoonlyk iemand van
middelbaren of meer dan middelbaren leeftyd, gehuwd en vader. Hy
bekleedt een ambt _om den broode_. Zyn inkomsten zyn juist voldoende, en
zelfs vaak _niet_ voldoende, om aan de zynen het noodige te verschaffen.
De Regent is: _Tommongong, Adhipatti_, ja zelfs _Pangerang_, d.i.
javaansch prins. De vraag is voor hem niet dat hy leve, hy moet zóó
leven als 't volk gewoon is dit te zien van zyn aristokratie. Waar de
_Europeaan_ een huis bewoont, is dikwyls _zyn_ verblyf een _Kratoon_,
met vele huizen en dorpen daarin. Waar de _Europeaan_ ééne vrouw heeft
met drie, vier kinderen, onderhoudt _hy_ een tal van vrouwen met wat
daarby behoort. Waar de _Europeaan_ uitrydt, gevolgd door eenige
beambten, niet meer dan er by zyn inspektiereis noodig zyn tot het geven
van inlichtingen onder-weg, wordt de Regent vergezeld door de honderden
die tot het gevolg behooren, dat in de oogen des volks onafscheidelyk is
van zyn hoogen rang. De _Europeaan_ leeft burgerlyk, de Regent leeft
--of wordt verondersteld te leven--als een vorst.

Doch dit alles moet _betaald_ worden. Het nederlandsch bestuur dat zich
op den invloed van die Regenten gegrondvest heeft, weet dit, en niets is
dus natuurlyker dan dat het hun inkomsten heeft opgevoerd tot een hoogte
die den _niet_-Indier overdreven zou voorkomen, maar inderdaad zelden
voldoende is ter bestryding van de uitgaven welke aan de levenswyze van
zoodanig inlandsch Hoofd verbonden zyn. Het is niet ongewoon, Regenten
die twee-ja driemaal honderd duizend gulden 's jaars inkomen hebben, in
geldverlegenheid te zien verkeeren. Hiertoe draagt veel by de, als 't
ware vorstelyke, onverschiligheid waarmee zy hun inkomsten verspillen,
hun nalatigheid in 't bewaken hunner ondergeschikten, hun koopziekte, en
_vooral_ het misbruik--dat dikwyls van deze hoedanigheden gemaakt wordt
door Europeanen.

De inkomsten der javaansche Hoofden zou men in vier deelen kunnen
splitsen. Vooreerst, het bepaald maandgeld. Vervolgens, een vaste som
als schadeloosstelling voor afgekochte rechten die overgegaan zyn op 't
nederlandsch bestuur. Ten-derde, een belooning in evenredigheid met de
hoeveelheid der in hun regentschap voortgebrachte produkten, als koffi,
suiker, indigo, kaneel, enz. En eindelyk, de willekeurige beschikking
over den arbeid en de eigendommen hunner onderhoorigen.

De beide laatste bronnen van inkomsten vorderen eenige opheldering. De
Javaan is uit den aard der zaak landbouwer. De grond waarop hy geboren
werd, die veel belooft voor weinig arbeids, lokt hem hiertoe uit, en
vooral is hy met hart en ziel overgegeven aan het bebouwen zyner
rystvelden, waarin hy dan ook zeer bedreven is. Hy groeit op te-midden
zyner _sawah's_ en _gagah's_ en _tipar's_[15] vergezelt reeds op zeer
jeugdigen leeftyd zyn vader naar 't veld, waar hy hem behulpzaam is in
den arbeid met ploeg en spade, aan dammen en aan waterleidingen tot het
bevochtigen zyner akkers. Hy telt zyn jaren by oogsten, hy rekent den
tyd naar de kleur zyner te veld staande halmen, hy voelt zich te-huis
onder de makkers die met hem _padie_ sneden[16] hy zoekt zyn vrouw onder
de meisjes der _dessah_[17] die 's avends onder vroolyk gezang de ryst
stampen om ze te ontdoen van den bolster ... het bezit van een paar
buffels die zyn ploeg zullen trekken, is 't ideaal dat hem aanlacht ...
kortom, de rystbouw is voor den Javaan, wat in de Rynstreken en in het
zuiden van Frankryk, de wynoogst is.

Doch daar kwamen vreemdelingen uit het Westen, die zich heer maakten van
het land. Ze wenschten voordeel te doen met de vruchtbaarheid van den
bodem, en gelastten den bewoner een gedeelte van zyn arbeid en van zyn
tyd toetewyden aan het voortbrengen van andere zaken, die meer winst
zouden afwerpen op de markten van _Europa_. Om den geringen man hiertoe
te bewegen, was niet meer dan een zeer eenvoudige staatkunde noodig. Hy
gehoorzaamt zyn hoofden, men had dus slechts deze hoofden te winnen door
hun een gedeelte van de winst toetezeggen, en ... het gelukte volkomen.

Als men let op de ontzettende massa javasche produkten die in Nederland
worden te-koop geveild, kan men zich overtuigen van het doeltreffende
dezer staatkunde, al vindt men ze niet edel. Want, mocht iemand vragen
of de landbouwer zelf eene met deze uitkomst evenredige belooning
geniet, dan moet ik hierop een ontkennend antwoord geven. De Regeering
verplicht hem op _zyn_ grond aantekweeken wat _haar_ behaagt, ze straft
hem wanneer hy het aldus voortgebrachte verkoopt aan wien het ook zy
buiten háár, en _zyzelf_ bepaalt den prys dien ze hem daarvoor
uitbetaalt. De kosten op den overvoer naar Europa, door bemiddeling van
een bevoorrecht handelslichaam, _zyn_ hoog. De aan de Hoofden toegelegde
aanmoedigingsgelden bezwaren daarentegen den inkoopprys, en ... daar
toch ten-slotte de geheele zaak winst afwerpen _moet_, kan deze winst
niet anders worden gevonden dan door juist zóóveel aan den javaan
uittebetalen, dat hy niet sterve van honger, hetgeen de voortbrengende
kracht der natie verminderen zou.

Ook aan de europesche beambten wordt een belooning uitbetaald in
evenredigheid met de opbrengst.[18]

Wel wordt dus de arme Javaan voorgezweept door dubbel gezag, wel wordt
hy dikwyls afgetrokken van zyn rystvelden, wel is hongersnood vaak 't
gevolg van deze maatregelen, doch ... vroolyk wapperen te Batavia, te
Samarang, te Soerabaja, te Passaroean, te Bezoeki, te Probolingo, te
Patjitan, te Tjilatjap, de vlaggen aan boord der schepen, die beladen
worden met de oogsten die Nederland ryk maken.

_Hongersnood_? Op het ryke vruchtbare gezegende Java, _hongersnood_?
Ja, lezer. Voor weinige jaren zyn geheele distrikten uitgestorven van
honger.[19] Moeders boden hun kinderen te-koop voor spyze. Moeders
hebben hun kinderen gegeten ...

Maar toen heeft zich 't moederland met die zaak bemoeid. In de raadzalen
der volksvertegenwoordiging is men daarover ontevreden geweest, en de
toenmalige Landvoogd heeft bevelen moeten geven, dat men de uitbreiding
der dusgenaamde _europesche-marktprodukten_ voortaan niet weder zou
voortzetten tot hongersnood toe ...

Ik ben daar bitter geworden. Wat zoudt ge denken van iemand die zulke
zaken kon neerschryven _zonder_ bitterheid?

My blyft over te spreken van de laatste en voornaamste soort der
inkomsten van inlandsche hoofden: het willekeurig beschikken over
personen en eigendommen hunner onderhoorigen.

Volgens het algemeen begrip in byna geheel Azie, behoort de onderdaan
met al wat hy bezit, aan den vorst. Dit is ook op Java het geval, en de
afstammelingen of verwanten der vroegere vorsten maken gaarne gebruik
van de onkunde der bevolking, die niet recht begrypt dat haar
_Tommongong_ of _Adhipatti_ of _Pangerang_ thans een _bezoldigd
ambtenaar_ is die zyn eigen en hare rechten voor een bepaald inkomen
verkocht heeft, en dat dus de schraal beloonde arbeid in koffituin of
suikerveld, in de plaats getreden is van de belastingen die vroeger door
de heeren des lands van de opgezetenen gevorderd werden. Niets is dus
gewoner dan dat honderde huisgezinnen van verren afstand worden
opgeroepen om _zonder betaling_ velden te bewerken, die den Regent
toebehooren. Niets is gewoner dan het onbetaald verstrekken van
levensmiddelen ten-behoeve der hofhouding van den Regent. En wanneer
die Regent een gevallig oog mocht slaan op het paard, den buffel, de
dochter, de vrouw, van den geringen man, zou men 't ongehoord vinden,
als deze den onvoorwaardelyken afstand van het begeerd voorwerp weigerde.

Er zyn Regenten, die van zoodanige willekeurige beschikkingen een matig
gebruik maken, en niet meer van den geringen man vorderen, dan tot het
ophouden van hun rang volstrekt noodig is. Anderen gaan iets verder, en
geheel-en-al ontbreekt deze onwettigheid nergens. Het is dan ook moeielyk
ja onmogelyk, zoodanig misbruik _geheel_ uitteroeien, daar het diep
geworteld is in den aard der bevolking zelf die er onder lydt. De Javaan
is gul, vooral waar het te doen is om een bewys te geven van gehechtheid
aan zyn Hoofd, aan den afstammeling van hen wien zyn vaderen gehoorzaamden.
Ja, hy zou meenen te-kort te doen aan den eerbied dien hy aan zyn erfelyken
heer verschuldigd is, wanneer hy zonder geschenken diens _kratoon_ betrad.
Zulke geschenken zyn dan ook dikwyls van zoo weinig waarde, dat het afwyzen
iets vernederends zou in zich sluiten, en vaak is alzoo deze gewoonte
eerder te vergelyken met de hulde van een kind dat zyn liefde tot den vader
tracht te uiten door 't aanbieden van een klein geschenk, dan optevatten
als schatting aan dwingelandsche willekeur.

Maar ... aldus wordt door een _lief gebruik_, de afschaffing van _misbruik_
belemmerd. Indien de _aloen-aloen_[20] voor de woning van den Regent in
verwilderden staat lag, zou de nabywonende bevolking hierover beschaamd
wezen, en er ware veel gezags noodig om haar te _beletten_ dat plein van
onkruid te reinigen, en het te brengen in een staat die met den rang des
Regents overeenstemt. Hiervoor eenige betaling te geven, zou algemeen als
een beleediging worden aangemerkt. Maar naast dien _aloen-aloen_, of elders,
liggen _Sawah's_ die op den ploeg wachten, of op een leiding die het water
daarheen moet voeren, dikwyls van mylen ver ... deze _Sawah's_ behooren den
Regent. Hy roept, om _zyn_ velden te bewerken of te besproeien, de bevolking
van gansche dorpen op, wier eigen _Sawah's_ evenzeer behoefte hebben aan
bearbeiding ... ziedaar het _misbruik_.

Dit is aan de Regeering bekend, en wie de staatsbladen leest, waarin de
wetten, instruktien en handleidingen voor de ambtenaren bevat zyn, juicht
de menschlievendheid toe, die by het ontwerpen daarvan schynt te hebben
voorgezeten. Alom wordt den Europeaan, met gezag in de binnenlanden
bekleed, als een zyner duurste verplichtingen op 't hart gedrukt, de
bevolking te beschermen tegen haar eigen onderworpenheid en de hebzucht
der Hoofden. En, als ware het niet genoeg, deze verplichting voorteschryven
_in 't algemeen_, er wordt nog van de _adsistent-residenten_, by de
aanvaarding van 't bestuur eener afdeeling, een _afzonderlyke eed_
gevorderd, dat zy deze vaderlyke zorg voor de bevolking zullen beschouwen
als een eersten plicht.

Dit is voorzeker een schoone roeping. Rechtvaardigheid voortestaan, den
geringe te beschermen tegen den machtige, den zwakke te beschutten tegen
de overmacht van den sterke, het ooilam van den arme terug te vorderen
uit de stallen des vorstelyken roovers ... zie, 't is om 't hart te doen
gloeien van genot, by 't denkbeeld dat men geroepen is tot iets zóó
schoons! En wie in de javasche binnenlanden soms ontevreden moge zyn met
standplaats of belooning, hy sla het oog op den verheven plicht die op
hem rust, op 't heerlyk genoegen dat de vervulling van _zulk_ een plicht
met zich brengt, en hy zal geen andere belooning begeeren.

Maar ... gemakkelyk is deze plicht niet. Vooreerst hebbe men juist te
beoordeelen, waar het _gebruik_ heeft opgehouden om voor _misbruik_
plaats te maken? En ... waar het misbruik _bestaat_, waar inderdaad roof
of willekeur gepleegd _is_, zyn veelal de slachtoffers zelf hieraan
medeplichtig, hetzy uit te ver gedreven onderwerping, hetzy uit vrees,
hetzy uit wantrouwen op den wil of de macht der persoon die hen
beschermen moet. Ieder weet dat de _europesche_ beambte elk oogenblik
kan geroepen worden tot een andere betrekking, en dat de _Regent, de
machtige Regent_, dáár blyft. Voorts zyn er zoo véél manieren om zich
het eigendom van een arm onnoozel mensch toeteëigenen! Als een
_mantrie_[21] hem zegt dat de Regent zyn paard begeert, met dit gevolg
dat het begeerde dier weldra plaats heeft gekregen in de stallen van den
Regent, bewyst zulks nog volstrekt niet dat deze niet van voornemen
was--o, zeker!--daarvoor een hoogen prys te betalen ... te-eeniger-tyd.
Als honderden arbeiden op de velden van een Hoofd, zonder daarvoor
betaling te ontvangen, volgt hieruit geenszins dat hy dit liet
geschieden ten _zynen_ behoeve. Had niet zyn bedoeling kunnen zyn, hun
den oogst overtelaten uit de menschlievende berekening dat zyn grond
beter gelegen was, vruchtbaarder dan de hunne, en dus hun arbeid milder
beloonen zou?

Bovendien, vanwaar haalt de europesche beambte de getuigen die den moed
hebben een verklaring te doen tegen hun heer, den gevreesden Regent? En,
waagde hy een beschuldiging, _zonder die te kunnen bewyzen_, waar blyft
dan de verhouding van _ouder broeder_, die in zulk geval zyn _jongeren
broeder_ zonder grond zou hebben gekrenkt in zyn eer? Waar blyft de
gunst van de Regeering, die hem brood geeft voor dienst, maar hem dat
brood opzegt, hem ontslaan zou als onbekwaam, wanneer hy een zoo
hooggeplaatst persoon als een _Tommongong, Adhipatti_ of _Pangerang_ had
verdacht of aangeklaagd met ligtvaardigheid?

Neen, neen, gemakkelyk is die plicht niet! Dit blykt reeds hieruit, dat
de neiging der inlandsche Hoofden om de grens van 't geoorloofd
beschikken over arbeid en eigendom hunner onderhoorigen te overschryden,
overal volmondig erkend wordt ... dat alle adsistent-residenten den eed
doen die misdadige hebbelykheid te-keer te gaan, en ... dat toch slechts
_zeer_ zelden een Regent wordt aangeklaagd wegens willekeur of misbruik
van gezag.

Er schynt dus wel een byna-onoverkomelyke moeielykheid te bestaan, om
gevolg te geven aan den eed: "_de inlandsche bevolking te beschermen
tegen uitzuiging, en knevelary_."



ZESDE HOOFDSTUK


De kontroleur Verbrugge was een goed mensch. Als men hem daar zag zitten
in zyn blauw-lakenschen frak, met geborduurde eiken- en oranjetakken op
kraag en mouw-opslagen, was 't moeielyk in hem den type te miskennen die
voorheerscht onder de Hollanders in Indie ... een menschensoort, in 't
voorbygaan gezegd, die zeer onderscheiden is van de Hollanders in Holland.
Traag zoolang er niets te doen viel, en ver van de beredderingzucht die
in Europa voor yver geldt, maar yverig waar bezigheid noodig was ...
eenvoudig maar hartelyk voor wie tot zyn omgeving behoorden ...
mededeelzaam, hulpvaardig en gastvry ... welgemanierd zonder styfheid ...
vatbaar voor goede indrukken ... eerlyk en oprecht, zonder evenwel lust te
voelen de martelaar van deze hoedanigheden te worden ... in 't kort, hy
was een man die, zooals men 't noemt, overal op zyn plaats zou wezen,
zonder dat men echter op 't denkbeeld komen zou de eeuw naar hem te noemen,
wat hy dan ook niet begeerde.

Hy zat in 't midden van de _pendoppo_ by de tafel die met een wit kleed
bedekt, en met spyzen beladen was. Wel eenigszins ongeduldig vroeg hy
van-tyd tot-tyd, met de woorden der zuster van mevrouw Blauwbaard, aan
den _mandoor_-oppasser, dat is het hoofd van de policie- en
bureaudienaren der adsistent-residentie, of er niets in aantocht was?
Dan stond hy eens op, beproefde vergeefs zyn sporen te doen kletteren op
den gestampten kleivloer van de _pendoppo_, stak voor de twintigste maal
zyn sigaar aan, en ging, als te-leurgesteld, weer zitten. Hy sprak weinig.

En toch had hy kùnnen spreken, want hy was niet alleen. Ik bedoel
hiermee nu juist niet dat hy vergezeld was van de twintig of dertig
Javanen, bedienden, _mantries_ en oppassers die op den grond gehurkt in
en buiten de _pendoppo_ zaten, noch van de velen die aanhoudend uit-en
inliepen, noch van 't groot aantal inlanders van verschillenden rang,
dat daar buiten de paarden vasthield, of te-paard rondreed ... neen, de
Regent zelf van Lebak, _Radhen Adhipatti Karta Natta Nagara_, zat
tegenover hem.

Wachten is altyd vervelend. Een kwartier duurt een uur, een uur een
halven dag, en zoo voort. Verbrugge had wel wat spraakzamer mogen zyn.
De Regent van _Lebak_ was een beschaafd oud man, die over veel wist te
spreken met verstand en oordeel. Men had hem slechts aantezien om
overtuigd te wezen dat het meerendeel der Europeanen die met hem in
aanraking kwamen, meer van hem, dan hy van hen te leeren had. Zyn
levendige donkere oogen weerspraken door hun vuur de vermoeidheid der
trekken van zyn gelaat en de grysheid zyner haren. Wat hy zeide, was
gewoonlyk lang overdacht--een eigenaardigheid trouwens die by den
beschaafden Oosterling algemeen is--en wanneer men met hem in gesprek
was, gevoelde men dat men zyn woorden te beschouwen had als brieven,
waarvan hy de minuut in zyn archief had, om zoo noodig daarop te
verwyzen. Dit nu moge onaangenaam schynen voor wie niet gewoon is aan
den omgang met javaansche grooten, 't is niet moeielyk alle onderwerpen
van gesprek die aanstoot geven kunnen, te vermyden, vooral daar zy van
hùn kant nooit op bruske wyze aan den loop van 't onderhoud een andere
richting geven zullen, omdat dit naar oostersche begrippen in-stryd
wezen zou met den goeden toon. Wie dus oorzaak heeft het aanroeren van
een bepaald punt te vermyden, behoeft slechts over onbeduidende zaken te
spreken, en hy kan verzekerd zyn dat een javaansch hoofd hem niet, door
een onbegeerde wending in 't gesprek, zal voeren op een terrein dat hy
liever niet betrad.

Over de beste wijze van omgang met die hoofden, bestaan overigens
verschillende meeningen. Het komt my voor dat eenvoudige oprechtheid,
zonder streven naar diplomatische voorzichtigheid, de voorkeur
verdient.[22]

Hoe dit zy, Verbrugge begon met een banale opmerking over 't weêr en den
regen.

--Ja, mynheer de kontroleur, het is westmoesson.

Dit nu wist Verbrugge wel: men was in Januari.[23] Maar wat _hy_ over
den regen gezegd had, wist de Regent ook. Hierop volgde weder eenig
zwygen. De Regent wenkte met een nauw zichtbare beweging van 't hoofd,
een der bedienden die neergehurkt zaten aan den ingang der _pendoppo_.
Een kleine jongen, allerliefst gevat in een blauw-fluweelen buis, witten
pantalon, met gouden lyfband die zyn kostbaren _sarong_, vasthield om de
lenden, en op 't hoofd den behagelyken _kain kapala_, waaronder zyn
zwarte oogen zoo ondeugend te-voorschyn kwamen, kroop hurkende tot aan
de voeten des Regents, zette de gouden doos neder, die de tabak, de
kalk, de _sirie_, de _pinang_, en de _gambier_ bevatte, maakte den
_slamat_, door beide handen saamgevoegd opteheffen tot aan het diep
neergebogen voorhoofd, en bood daarop zyn heer de kostbare doos aan.[24]

--De weg zal moeielyk zyn na zooveel regen, zei de Regent, als om 't
lang wachten verklaarbaar te maken, terwyl hy een betelblad met kalk
bestreek.

--In 't _Pandeglangsche_ is de weg zoo slecht niet, antwoordde Verbrugge
die, als hy ten-minste niets stuitends wilde aanroeren, dit antwoord wel
wat ondoordacht gaf. Want hy had moeten bedenken dat een Regent van
_Lebak_ niet gaarne de wegen van _Pandeglang_ hoort roemen, al zyn die
dan ook werkelyk beter dan in 't _Lebaksche_.

De _Adhipatti_ beging de fout van een te snel antwoord niet. De kleine
_maas_[25] was reeds al hurkend achterwaarts teruggekropen tot aan den
ingang der _pendoppo_, waar hy onder zyn makkers plaats nam ... de
Regent had reeds zyn lippen en weinige tanden bruinrood geverwd met het
speeksel zyner _sirie_, voor hy zeide:

--Ja, er is veel volk in _Pandeglang_.

Voor wien den Regent en den kontroleur kende, voor wien de toestand van
_Lebak_ geen geheim was, had het duidelyk kunnen blyken dat het gesprek
reeds een stryd was geworden. Een toespeling namelyk op den beteren
staat der wegen in een naburige afdeeling, scheen het vervolg te wezen
op vergeefsche pogingen om ook in _Lebak_ dusdanige betere wegen te doen
aanleggen, of de bestaande beter te onderhouden. Doch hierin had de
Regent gelyk, dat _Pandeglang_ dichter bevolkt was, vooral in verhouding
tot de veel kleinere oppervlakte, en dat dus dáár de arbeid aan de
groote wegen, door vereende krachten ligter viel dan in 't _Lebaksche_,
een afdeeling die op honderde palen oppervlakte, slechts zeventigduizend
inwoners telde.

--Dat is waar, zei Verbrugge, we hebben weinig volk hier, maar ...

De _Adhipatti_ zag hem aan, als wachtte hy een aanval af. Hy wist dat er
na dat "maar" iets volgen kon, dat onaangenaam zou te hooren zyn voor
hem, die sedert dertig jaren Regent van _Lebak_ geweest was. Het scheen
dat Verbrugge op dit oogenblik geen lust had den stryd voorttezetten.
Althans hy brak 't gesprek af, en vroeg weder aan den _mandoor_-oppasser
of hy niets komen zag?

--Ik zie nog niets van den kant van _Pandeglang_, mynheer de kontroleur,
maar daar-ginds aan de andere zyde rydt iemand te-paard ... het is de
_toewan kommendaan_.

--Welzeker, _Dongso_, zei Verbrugge naar buiten starende, dat is de
kommandant! Hy jaagt in deze buurt, en is vanmorgen vroeg reeds
uitgegaan. Hé, Duclari ... Duclari!

--Hy hoort u al, mynheer, hy komt hierheen. Zyn jongen rydt achter hem,
met een _kidang_[26] achter zich over 't paard.

--_Pegang koedahnja toewan kommendaan_[27] gebood Verbrugge aan een der
bedienden die buiten zaten. Bonjour, Duclari! Ben je nat? Wat heb je
geschoten? Kom binnen!

Een krachtig man van dertigjarigen leeftyd en flinke militaire houding,
hoewel van uniform geen spoor was, trad de _pendoppo_ in. Het was de
eerste-luitenant Duclari, kommandant van 't kleine garnizoen te
_Rangkas-Betoeng_. Verbrugge en hy waren bevriend, en hun gemeenzaamheid
was te grooter, daar Duclari sedert eenigen tyd de woning van Verbrugge
betrokken had in afwachting der voltooiing van een nieuw fort. Hy drukte
dezen de hand, groette den Regent beleefd, en ging zitten onder de
vraag: "wel, wat heb je al zoo hier?"

--Wil je thee, Duclari?

--Wel neen, ik ben warm genoeg! Heb je geen klapperwater?[28] Dat is
frisscher.

--Dat laat ik je niet geven. Als men warm is, houd ik klapperwater voor
heel nadeelig. Je wordt er styf en jichtig van. Zie eens de koelies die
zware vrachten over de bergen dragen: zy houden zich vlug en lenig door
heet water te drinken, of _koppi dahoen_. Maar _gemberthee_[29] is nog
beter ...

--Wat? _Koppi dahoen_, thee van koffibladen? Dat heb ik nog nooit
gezien.

--Omdat je niet op Sumatra gediend hebt. Daar is 't de gewoonte.

--Laat me dan maar thee geven ... maar niet van koffibladen, en ook niet
van gember. Ja, je bent op Sumatra geweest ... en de nieuwe
adsistent-resident ook, niet waar?

Dit gesprek werd in 't hollandsch gevoerd, een taal die de Regent niet
verstond. Hetzy Duclari gevoelde dat er iets onbeleefds in lag, hem
hierdoor van 't onderhoud uittesluiten, hetzyd-i hiermee een andere
bedoeling had, op-eenmaal ging hy, zich tot den Regent wendende, in 't
maleisch voort:

--Weet mynheer de _Adhipatti_, dat m'nheer de kontroleur den nieuwen
adsistent-resident kent?

--Wel neen, dát heb niet gezegd, ik heb hem nooit gezien. Hy diende
eenige jaren vóór my op Sumatra. Ik heb je maar gezegd dat ik daar veel
over hem heb hooren spreken, anders niet!

--Nu, dit komt op 'tzelfde neer. Men behoeft iemand juist niet te zien
om hem te kennen. Hoe denkt m'nheer de _Adhipatti_ hierover?

De _Adhipatti_ had juist noodig een bediende te roepen. Er verliep dus
wat tyd voor hy zeggen kon: "dat hy met den heer kommandant instemde,
maar dat het toch dikwyls noodig was iemand te zien voor men hem
beoordeelen kon."

--Over 't geheel genomen is dit misschien waar, ging nu Duclari in 't
hollandsch voort--hetzy omdat deze taal hem gemeenzamer was en hy meende
genoeg gedaan te hebben voor de beleefdheid, hetzy omdat hy alleen door
Verbrugge verstaan wilde worden--dit moge in 't algemeen waar zyn, maar
omtrent Havelaar heeft men waarachtig geen persoonlyke kennismaking
noodig ... hy is een gek!

--Dat heb ik niet gezegd, Duclari!

--Neen, jy hebt dat niet gezegd, maar ik zeg het na al wat je my van hem
verteld hebt. Ik noem iemand die in 't water springt om een hond te
redden van de haaien, een gek.

--Nu ja, verstandig is 't zeker niet. Maar ...

--En, hoor eens, dat versje tegen den generaal Vandamme ... 't kwam niet
te-pas!

--'t Was geestig ...

--Tot je dienst! Maar een jong mensch mag niet geestig zyn tegen een
generaal.

--Je moet in 't oog houden dat hy nog zeer jong was ... het is veertien
jaar geleden. Hy was toen maar twee-en-twintig jaar oud.

--En dan de kalkoen dien hy stal!

--Dat deed hy om den generaal te plagen.

--Juist! Een jong mensch mag geen generaal plagen, die bovendien, als
civiel gouverneur, zyn chef was. Dat andere versje vind ik aardig, maar
... dat eeuwige duelleeren!

--Hy deed het gewoonlyk voor een ander. Hy trok altyd party voor den
zwakste.

--Wel laat ieder voor zichzelf duelleeren, als men het dan volstrekt
doen wil! Ik voor my geloof dat een duel zelden noodig is. Waar 't
onvermydelyk was, zou ook ik een uitdaging aannemen, en in zekere
gevallen zelf uitdagen, maar om daarvan dagelyksch werk te maken ...
dank je! Het is te hopen dat hy veranderd is op dit punt.

--Wel zeker, daar is geen twyfel aan! Hy is nu zooveel ouder, daarby
sedert langen tyd getrouwd, en adsistent-resident. Bovendien, ik heb
altyd gehoord dat zyn hart goed was, en dat hy een warm gevoel had
voor recht.

--Nu, dat zal hem te-pas komen in _Lebak_! Daar is me juist iets
voorgekomen, dat ... zou de Regent ons verstaan?

--Ik geloof 't niet. Maar toon my iets uit je weitasch, dan denkt hy dat
we dáárover spreken.

Duclari nam zyn weitasch, haalde daaruit een paar boschduiven, en die
vogels betastende als sprak hy over de jacht, deelde hy Verbrugge mede
dat hy zoo-even in 't veld was nageloopen door een Javaan, die hem
gevraagd had of hy niet iets doen kon tot verligting van den druk
waaronder de bevolking zuchtte?[30]

--En, ging hy voort, dit is zeer sterk, Verbrugge! Niet dat ik me
verwonder over de zaak zelf. Ik ben lang genoeg in 't Bantamsche om te
weten wat hier voorvalt, maar dat de geringe Javaan, gewoonlyk zoo
omzichtig en terughoudend waar 't zyn hoofden geldt, zoo-iets vraagt
aan iemand die er niets mee te maken heeft, dit bevreemdt my!

--En wat heb je geantwoord, Duclari?

--Wèl, dat het me niet aanging! Dat hy tot u moest gaan, of tot den
nieuwen adsistent-resident, als die zou aangekomen zyn te
_Rangkas-Betoeng_, en dáár zyn klachten uiten.

--_Ienie apa toewan-toewan datang!_ riep op-eenmaal de oppasser
_Dongso_. Ik zie een _mantrie_ die met zyn _toedoeng_ wuift.[31]

Allen stonden op. Duclari, die niet door zyn tegenwoordigheid in de
_pendoppo_ den schyn wilde aannemen als ware ook hy aan de grenzen ter
verwelkoming van den adsistent-resident, die wel zyn meerdere doch niet
zyn chef, en bovendien een gek was, steeg te-paard, en reed door zyn
bediende gevolgd, heen.

De _Adhipatti_ en Verbrugge stelden zich aan den ingang van de
_pendoppo_, en zagen een door vier paarden getrokken reiswagen naderen,
die weldra vry bemodderd by 't bamboezen gebouwtje stilhield.

Het zou moeielyk geweest zyn te raden wat er zich al zoo in dien wagen
bevond, voor _Dongso_, geholpen door de loopers en een tal van bedienden
die tot het gevolg van den Regent behoorden, al de riemen en knoopsels
hadden losgemaakt, die het voertuig hielden ingesloten met een zwart
lederen foedraal dat aan de diskretie herinnerde, waarmee in vroeger
jaren leeuwen en tygers de stad inkwamen, toen de zoölogische tuinen nog
reizende dierenspellen waren. Leeuwen of tygers nu waren er in den wagen
niet. Men had alles maar zoo zorgvuldig gesloten omdat het westmoesson
was, en men dus op regen moest bedacht zyn. Nu is 't uitstappen uit een
reiswagen waarin men lang over den weg gehotst heeft, niet zoo gemakkelyk
als iemand die nooit of weinig gereisd heeft, zich verbeelden zou.
Nagenoeg als de arme _Sauriers_ uit de voorwereld, die door lang wachten
ten-laatste een integreerend deel uitmaken van de klei, waarin ze
aanvankelyk niet gekomen waren met het plan om er te blyven, heeft er ook
by reizigers die wat nauw op-één gedrukt en in gedwongen houding, te lang
in een reiswagen gezeten hebben, iets plaats, wat ik u voorstel
_assimilatie_ te noemen. Men weet eindelyk niet juist meer waar 't
lederen kussen van den wagen ophoudt, en waar de ikheid aanvangt, ja, het
denkbeeld is me niet vreemd dat men in zulk een wagen kiespyn of kramp
hebben kan, die men voor mot in 't laken aanziet, of omgekeerd.

Er zyn weinig omstandigheden in de stoffelyke wereld, die den denkenden
mensch geen aanleiding geven tot het maken van opmerkingen op
verstandelyk gebied, en zoo heb ik myzelf dikwyls afgevraagd of niet
veel dwalingen die onder ons kracht van wet hebben, veel "scheefheden"
die wy voor "recht" houden, hieruit voortvloeien, dat men te lang met
hetzelfde gezelschap in denzelfden reiswagen heeft gezeten? Het been dat
ge daar links uitsteken moest, tusschen de hoededoos en 't mandje met
kersen ... de knie die ge tegen 't portier gedrukt hield, om de dame
tegenover u niet te doen denken dat ge een aanval in den zin hadt op
krinoline of deugd ... de gelikdoornde voet die zoo bang was voor de
hakken van den _commis-voyageur_ naast u ... de hals dien ge zoo lang
links moest wenden, omdat het drupt aan de rechterzyde.. zie, dat worden
zoo alle ten-laatste halzen, en knieën, en voeten, die iets verdraaids
bekomen. Ik houd het voor goed, van tyd tot-tyd eens te wisselen van
wagens, zitplaats en medereizigers. Men kan dan zyn hals eens anders
wenden, men beweegt nu-en-dan zyn knie, en misschien zit er eens een
juffrouw naast ons met dansschoenen, of een jongetje wiens beentjes den
grond niet raken. Men heeft dan meer kans om _recht_ te zien en _recht_
te loopen, zoodra men weer vasten grond onder de voeten krygt.

Of er ook in den wagen, die nu voor de _pendoppo_ stilhield, zich iets
verzette tegen de "oplossing der continuiteit" weet ik niet, maar zeker
is 't dat het lang duurde voor er iets te voorschyn kwam. Er scheen een
stryd van hoffelykheid gevoerd te worden. Men vernam de woorden: "als 't
u belieft, mevrouw!" en "resident!" Hoe dit zy, eindelyk stapte er een
heer uit, die in houding en voorkomen wel iets vertoonde dat denken deed
aan de Sauriers waarvan ik zoo-even gesproken heb. Daar wy hem later
zullen weerzien, wil ik u maar terstond zeggen dat zyn onbewegelykheid
niet uitsluitend moest geweten worden aan de assimilatie met den
reiswagen, want dat hy, ook als er op mylen afstands geen voertuig in de
buurt was, een kalmte, een langzaamheid en een voorzichtigheid aan den
dag leî, die menigen Saurier jaloersch maken zou, en die in de oogen van
velen de kenmerken zyn van deftigheid, bezadigdheid en wysheid. Hy was,
zooals de meeste Europeanen in Indie, zeer bleek, hetgeen echter in die
streken geenszins voor een blyk van minder goede gezondheid wordt
gehouden, en hy had fyne trekken die wel getuigden van verstandelyke
ontwikkeling. Alleen was er iets kouds in zyn blik, iets wat u denken
deed aan een logarithmentafel, en hoewel zyn voorkomen over 't geheel
niet onbehagelyk of terugstootend was, kon men zich toch niet onthouden
van de verdenking dat zyn vry groote magere neus zich op dat gelaat
verveelde, omdat er zoo weinig op voorviel.

Met beleefdheid bood hy zyn hand aan een dame, om haar by het uitstygen
behulpzaam te zyn, en nadat deze van een heer die nog in den wagen zat,
een kind had aangenomen, een klein blond jongetje van een jaar of drie,
traden zy de _pendoppo_ in. Daarop volgde die heer zelf, en wien op Java
bekend was, zou het als een byzonderheid in 't oog gevallen zyn, dat hy
by 't portier wachtte om 't uitstygen gemakkelyk te maken aan een oude
javaansche _baboe_.[32] Een drietal bedienden hadden zichzelf verlost
uit het wasleêren kastje, dat achter den wagen was vastgeplakt als een
jonge oester op den rug van zyn mama.

De heer die het eerst was uitgestegen, had den Regent en den kontroleur
Verbrugge de hand geboden, die zy met eerbied aannamen, en in hun
geheele houding was te bespeuren dat zy gevoelden zich in de
tegenwoordigheid te bevinden van een gewicht persoon. Het was de
resident van _Bantam_, de groote landstreek waarvan _Lebak_ een
afdeeling, een regentschap, of, zooals men officieel zegt, een
_adsistent-residentie_ is.

By 't lezen van verdichte verhalen, heb ik my meermalen geërgerd over
den weinigen eerbied der schryvers voor den smaak van 't publiek, en
vooral was dit het geval, waar zy blyk gaven iets te willen voortbrengen
dat koddig of burlesk heeten moest, om nu niet van _humor_ te spreken,
een eigenaardigheid die byna doorgaande allerjammerlykst wordt verward
met het _komieke_. Men voert een persoon sprekende in, die de taal niet
verstaat of slecht uitspreekt, men laat een franschman zeggen: "ka kauw
na de krote krak" of "krietje kooit keen kare kroente kraak wek."
By-gebrek aan een franschman, neemt men iemand die stamelt, of men
"schept" een persoon die zyn stokpaardje maakt van een paar telkens
wederkeerende woorden. Ik heb een allerzotste vaudeville zien
"réusseeren" omdat daarin iemand voorkwam, die gedurig zeide: "_myn naam
is Meyer_." My komen zulke geestigheden wat goedkoop voor, en, om de
waarheid te zeggen, ik ben boos op u als ge zoo-iets grappig vindt.

Maar nu heb ikzelf u iets dergelyks voortestellen. Ik moet van-tyd
tot-tyd iemand ten-tooneele voeren--ik zal 't zoo weinig mogelyk
doen--die inderdaad een manier van spreken had, welke my doet vreezen
verdacht te worden van een mislukte poging om u te doen lachen, en
hierom moet ik u uitdrukkelyk verzekeren dat het niet _myn_ schuld is,
als de hoogstdeftige resident van Bantam, van wien hier de rede is, iets
zóó eigenaardigs vertoonde in zyn wyze van spreken, dat het me moeielyk
valt dat weertegeven, zonder den schyn op me te laden dat ik effekt van
geestigheid zoek in een _tic_. Hy sprak namelyk op een toon, alsof
achter elk woord een punt stond, of zelfs een lang rustteeken, en ik kan
de ruimte tusschen zyn woorden niet beter vergelyken dan by de stilte
die er volgt op het "amen" na een lang gebed in de kerk, hetwelk zooals
ieder weet, een sein is dat men den tyd heeft tot verzitten, hoesten of
neussnuiten. Wat hy zeide, was gewoonlyk goed overdacht, en wanneer hy
zich die ontydige rustpunten had kunnen afwennen, zouden zyn zinsneden,
uit een redekunstig oogpunt althans, meestal een gezond aanzien gehad
hebben. Maar al dat afbrokkelen, dat stooterige en hobbelige, maakte het
aanhooren lastig. Men viel er dan ook dikwyls over. Want gewoonlyk, als
men begonnen was te antwoorden in de goedige meening dat de zin uit was,
en dat hy de aanvulling van 't ontbrekende aan de scherpzinnigheid van
zyn toehoorder overliet, kwamen de nog ontbrekende woorden als
_trainards_ van een geslagen leger achteraan, en deden u gevoelen dat ge
hem in de rede waart gevallen, wat altyd onaangenaam is. Het publiek der
hoofdplaats _Serang_, voor-zoo-ver men niet in dienst stond van 't
gouvernement--een verhouding die den meesten iets omzichtigs
geeft--noemde zyn gesprekken "slymerig." Ik vind dit woord niet zeer
smaakvol, doch moet erkennen dat het de hoofdeigenschap van des
residents welsprekendheid vry juist uitdrukte.

Ik heb van Max Havelaar en zyn vrouw--want dit waren de beide personen
die na den resident met hun kind en de _baboe_ uit den wagen gekomen
waren--nog niets gezegd, en misschien ware het voldoende, de
kenschetsing van hun voorkomen en karakter aan den loop der
gebeurtenissen en des lezers eigen verbeelding overtelaten. Daar ik
evenwel nu eenmaal aan 't beschryven ben, wil ik u zeggen dat mevrouw
Havelaar niet schoon was, dat zy echter in blik en spraak iets zeer
lieftalligs bezat, en door de gemakkelyke ongedwongenheid van haar
manieren het onmiskenbaar teeken gaf, dat zy in de wereld was geweest,
en in de hoogere klassen der maatschappy te-huis behoorde. Zy had niet
dat styve en onbehagelyke van 't burgerlyk fatsoen dat, om voor
"gedistingeerd" doortegaan, zich en anderen meent te moeten plagen met
_gêne_, en ze hechtte dan ook niet aan veel uiterlyks wat voor sommige
andere vrouwen waarde schynt te hebben. Ook in haar kleeding was zy een
voorbeeld van eenvoudigheid. Een wit _baadjoe_ van moesselien, met
blauwe _cordelière_--ik geloof dat men in Europa zulk een kleedingstuk
_peignoir_ noemen zou--was haar reiskleed. Om den hals had zy een dun
zyden koordje, waaraan twee kleine medaljons, die ge echter niet te zien
kreegt, daar ze verscholen waren in de plooien voor hare borst.
Overigens, de haren _à la chinoise_, en een kransje _melatti_ in den
_kondeh_ ... ziedaar al haar toilet.[33]

Ik zeide dat ze niet schoon was, en toch wilde ik niet gaarne dat ge
haar voor het tegendeel hieldt. Ik hoop dat ge haar schoon vinden zult,
zoodra ik gelegenheid zal hebben haar voortestellen, gloeiend van
verontwaardiging over wat zy de "miskenning van 't genie" noemde, als
haar aangebeden Max in 't spel was, of wanneer haar een denkbeeld
bezielde, dat in-verband stond met het welzyn van haar kind. Te dikwyls
reeds is er gezegd dat het gelaat de spiegel der ziel is, om nog prys te
stellen op de portretwaarde van een onbewegelyk gezicht, dat niets heeft
aftespiegelen omdat er geen ziel in weerschynt. Welnu, _zy_ had een
schoone ziel, en wel moest men blind zyn, om niet ook haar gelaat voor
schoon te houden als die ziel daarop te lezen stond.

Havelaar was een man van vyf-en-dertig jaren. Hy was slank, en vlug in
zyn bewegingen. Buiten zyn korte en bewegelyke bovenlip, en zyn groote
flauw-blauwe oogen die, als hy in kalme stemming was, iets droomerigs
hadden, maar vuur schoten als een groot denkbeeld hem beheerschte, viel
er in zyn voorkomen niets byzonders optemerken. Zyn blonde haren hingen
sluik langs de slapen, en ik begryp zeer goed dat weinigen, hem voor 't
eerst ziende, op het denkbeeld komen zouden iemand voor zich te hebben,
die wat hoofd en hart beide aangaat tot de zeldzaamheden behoorde. Hy
was een "vat vol tegenstrydigheids." Scherp als een vlym, en zacht als
een meisje, voelde hyzelf altyd het eerst de wonde die zyn bittere
woorden geslagen hadden, en hy leed daaronder meer dan de gekwetste. Hy
was vlug van begrip, vatte terstond het hoogste, het ingewikkeldste,
speelde gaarne met de oplossing van moeielyke vragen, had daarvoor alle
moeite, alle studie, alle inspanning veil ... en dikwyls toch begreep hy
de eenvoudigste zaak niet, die een kind hem had kunnen uitleggen. Vol
liefde voor waarheid en recht, verwaarloosde hy menigmaal zyn
eenvoudigste naastbyliggende verplichtingen, om een onrecht te
herstellen dat hooger of verder of dieper lag, en dat door de
vermoedelyk grootere inspanning van den stryd hem meer aanlokte. Hy was
ridderlyk en moedig, maar verspilde, als die andere Don Quichot, zyn
dapperheid dikwyls op een windmolen. Hy gloeide van onverzadelyke
eerzucht die hem alle gewone onderscheiding in 't maatschappelyk leven,
als nietig deed voorkomen, en toch stelde hy zyn grootst geluk in een
kalm huiselyk vergeten leven. Dichter in den hoogsten zin van 't woord,
droomde hy zich zonnestelsels by een vonk, bevolkte die met schepsels
van zyn maaksel, voelde zich heer van een wereld die hyzelf had in 't
leven geroepen ... en kon toch zeer goed terstond daarop zonder de
minste droomery een gesprek voeren over den prys van de ryst, de regels
der taal, of de oekonomische voordeelen eener egyptische hoenderbroeiery.
Geen wetenschap was hem geheel vreemd. Hem _ahnde_ wat hy niet wist, en
hy bezat in hooge mate de gaaf om 't weinige dat hy wist--ieder weet
weinig, en hy, misschien meer wetende dan sommige anderen, maakte op dezen
regel geen uitzondering--om dat weinige aantewenden op een wys die de maat
zyner kennis vermenigvuldigde. Hy was stipt en ordelyk, en daarby
buitengewoon geduldig, doch juist omdat stiptheid, orde en geduld hem
moeielyk vielen, daar zyn geest iets wilds had. Hy was langzaam en
omzichtig in 't beoordeelen van zaken, hoewel dit niet zoo scheen aan wie
hem zoo haastig zyn slotsommen hoorden uiten. Zyn indrukken waren te
levendig, dan dat men ze voor duurzaam houden durfde, en toch bewees hy
dikwyls dat ze duurzaam waren. Al wat groot en verheven was, lokte hem
aan, en tegelyker-tyd was hy onnoozel en naïf als een kind. Hy was eerlyk,
vooral waar eerlykheid in 't grootmoedige overging, en zou honderden die
hy schuldig was, onbetaald laten omdat hy duizenden had weggeschonken.
Hy was geestig en onderhoudend wanneer hy gevoelde dat zyn geest begrepen
werd, maar anders stug en teruggetrokken. Hartelyk voor zyn vrienden,
maakte hy--wat te snel soms--zyn vriend van al wat leed. Hy was gevoelig
voor liefde en aanhankelykheid ... trouw aan zyn gegeven woord ... zwak
in kleinigheden, maar standvastig tot hoofdigheid toe, waar 't hem de
moeite waard scheen karakter te toonen ... nederig en welwillend voor
wie zyn geestelyk overwicht erkenden, doch lastig wanneer men poogde
zich daartegen te verzetten ... rondborstig uit trots, en by vlagen
achterhoudend, waar hy vreesde dat men zyn oprechtheid zou aanzien voor
onverstand ... evenzeer vatbaar voor zinnelyk als voor geestelyk genot
... beschroomd en slecht bespraakt waar hy meende niet begrepen te
worden, maar welsprekend als hy gevoelde dat zyn woorden op willigen
bodem vielen ... traag als hy niet werd aangespoord door eenigen prikkel
die voortkwam uit zyn eigen ziel, maar yverig, vurig, en doortastend
waar dit wel het geval was ... voorts, vriendelyk, beschaafd in zyn
manieren, en onberispelyk van gedrag: ziedaar nagenoeg Havelaar!

Ik zeg: nagenoeg. Want indien reeds alle bepalingen moeyelyk zyn, geldt
dit vooral van de beschryving van een persoon die zeer ver van den
dagelykschen grondvorm afwykt. Het zal dan ook wel hierom wezen, dat
romandichters hun helden gewoonlyk tot duivels of engelen maken. Zwart
of wit laat zich gemakkelyk schilderen, maar moeielyker is 't juist
weergeven van schakeeringen die daartusschen liggen, wanneer men aan
waarheid gebonden is en dus noch te donker noch te licht mag kleuren.
Ik gevoel dat de schets die ik van Havelaar trachtte te geven, hoogst
onvolkomen is. De bouwstoffen die voor me liggen, zyn van zoo
uiteenloopenden aard, dat ze my door overmaat van rykdom in myn oordeel
belemmeren, en ik zal dus wellicht daarop, onder het ontwikkelen der
gebeurtenissen die ik wensch meetedeelen, ter-aanvulling terugkomen.
Dit is zeker, hy was een ongewoon mensch, en wel de moeite van 't
bestudeeren waardig. Ik bemerk nu reeds dat ik verzuimd heb als een
zyner hoofdtrekken optegeven, dat hy de belachelyke en de ernstige zyde
der dingen met dezelfde snelheid en te-gelykertyd opvatte, aan welke
eigenschap zyn wyze van spreken, zonder dat hyzelf dit wist, een soort
van _humor_ ontleende, die zyn toehoorders gedurig in twyfel bracht, of
ze getroffen waren door 't diep gevoel dat in zyn woorden heerschte, of
dat ze te lachen hadden over de koddigheid die op-eenmaal den ernst
daarvan afbrak.

Opmerkelyk was 't dat zyn voorkomen, en zelfs zyn aandoeningen, zoo
weinig sporen droegen van zyn doorgebracht leven. Het roemen op
ondervinding is een belachelyke gemeenplaats geworden. Er zyn lieden die
vyftig of zestig jaren lang meedreven met het stroompje, waarin ze
beweren te zwemmen, en die van al dien tyd weinig anders zouden kunnen
verhalen dan dat ze verhuisd zyn van de A-gracht naar de B-straat. Niets
is gewoner dan op ervaring te hooren bogen, juist door hen die hun gryze
haren zoo gemakkelyk verkregen. Anderen weer meenen hun aanspraken op
ondervinding te mogen gronden op werkelyk ondergane lotwisseling, zonder
dat echter uit iets blykt dat ze door die veranderingen werden
aangegrepen in hun zieleleven. Ik kan me voorstellen dat het bywonen, of
ondergaan zelfs, van gewichtige gebeurtenissen weinig of geen invloed
heeft op zeker soort van gemoederen, die niet zyn toegerust met de
vatbaarheid om indrukken optevangen en te verwerken. Wie hieraan
twyfelt, vrage zich af of men ondervinding zou mogen toekennen aan al de
bewoners van Frankryk, die veertig of vyftig jaren oud waren in 1815? En
zy allen waren toch personen die 't belangryk drama dat in 1789 aanving,
hadden zien opvoeren niet alleen, maar die zelfs in meer of min
gewichtige rol, dat drama hadden meegespeeld.

En, omgekeerd, hoe velen ondergaan een reeks van aandoeningen, zonder
dat de uiterlyke omstandigheden hiertoe schenen aanleiding te geven. Men
denke aan de Crusoë-romans, aan Silvio Pellico's gevangenschap, aan 't
allerliefste _Picciola_ van Saintine, aan den stryd in de borst eener
"oude vryster" die haar geheel leven door, één liefde koesterde, zonder
ooit door een enkel woord te verraden wat er omging in haar hart, aan de
aandoeningen van den menschenvriend die, zonder uiterlyk in den loop der
gebeurtenissen betrokken te zyn, vurig belang stelt in 't welzyn van
medeburger of medemensch. Men stelle zich voor, hoe hy beurtelings hoopt
en vreest, hoe hy elke verandering gadeslaat, zich opwindt voor een
schoon denkbeeld, en gloeit van verontwaardiging, als hy het ziet
wegdringen en vertrappen door de velen die, voor een oogenblik althans,
sterker waren dan schoone denkbeelden. Men denke aan den wysgeer die van
uit zyn cel aan 't volk tracht te leeren wat waarheid is, als hy bemerken
moet dat zyn stem overschreeuwd wordt door piëtistische huichelary of
gewinzoekende kwakzalvers. Men stelle zich Sokrates voor--niet als hy den
gifbeker ledigt, want ik bedoel hier de ondervinding van 't gemoed, en
niet die welke rechtstreeks door uiterlyke omstandigheden veroorzaakt
wordt--hoe bitter bedroefd zyn ziel moet geweest zyn, toen hy die 't goede
en ware zocht, zich hoorde noemen "een bederver der jeugd en een verachter
der goden."

Of beter nog: men denke aan Jezus, waar hy zoo treurig staart op
Jeruzalem, en zich beklaagt "dat het niet gewild heeft."

Zulk een kreet van smart--vóór gifbeker of kruishout--vloeit niet uit
een ongedeerd hart. Dáár moet geleden zyn, veel geleden, daar is
_ondervonden_!

Deze tirade is me ontsnapt ... ze staat er nu eenmaal, en blyve.
Havelaar had veel ondervonden. Wilt ge iets dat opweegt tegen de
verhuizing van de A-gracht! Hy had schipbreuk geleden, meer dan eens. Hy
had brand, oproer, sluikmoord, oorlog, duëllen, weelde, armoede, honger,
cholera, liefde en "liefden" in zyn dagboek staan. Hy had vele landen
bezocht, en omgang gehad met lieden van allerlei ras en stand, zeden,
vooroordelen, godsdienst en gelaatskleur.

Wat dus de levensomstandigheden aangaat, _kon_ hy veel ondervonden
hebben. En dat hy werkelyk veel ondervonden hàd, dat hy 't leven niet
was doorgegaan zonder de indrukken _optevangen_ die 't hem zoo
ruimschoots aanbood, daarvoor moge ons de vlugheid van zyn geest borg
wezen, en de ontvankelykheid van zyn gemoed.

Dit nu wekte verwondering van allen die wisten of gissen konden hoeveel
hy had bygewoond en geleden, dat hiervan zoo weinig op zyn gelaat te
lezen was. Wel sprak er uit zyn trekken iets als vermoeienis, doch dit
deed eer denken aan vroegrype jeugd dan aan naderenden ouderdom. En
naderende ouderdom had het toch moeten zyn, want in Indiën is de man van
vyfendertig jaar niet jong meer.

Ook zyn aandoeningen, zeide ik, waren jong gebleven. Hy kon spelen met
een kind, en als een kind, en meermalen klaagde hy dat "kleine Max" nog
te jong was om vliegers optelaten, omdat hy "de groote Max" daarvan
zoveel hield. Met jongens sprong hy "haasjen-over" en hy teekende heel
gaarne een patroon voor 't borduurwerk van de meisjes. Zelfs nam hy
dezen meermalen de naald uit de hand, en vermaakte zich met dat werk,
ofschoon hy dikwyls zei dat ze wel wat beters konden dan dat "machinale
steken tellen." By jongelieden van achttien jaren was hy een jong
student, die gaarne zyn _Patriam canimus_ zong, of _Gaudeamus igitur_
... ja, ik ben niet geheel zeker, dat hy niet nog zeer kort geleden,
toen hy met verlof te Amsterdam was, een uithangbord heeft afgebroken,
dat hem niet behaagde omdat er een neger op geschilderd was, geboeid aan
de voeten van een Europeaan met een lange pyp in den mond, en waaronder
natuurlyk te lezen stond: _de rookende jonge koopman_.

De _baboe_ die hy uit den wagen had geholpen, geleek op alle baboes in
Indie, als ze oud zyn. Wanneer ge deze soort van bedienden kent, behoef
ik u niet te zeggen hoe zy er uitzag. En als gy ze niet kent, kan ik het
u niet zeggen. Dit alleen onderscheidde haar van andere kindermeiden in
Indie, dat ze zeer weinig te doen had. Want mevrouw Havelaar was een
voorbeeld van zorg voor haar kind, en wat er voor of met de kleine Max
te doen viel, deed zyzelf, tot groote verwondering van veel andere
dames, die niet goedkeurden dat men zich maakte tot "slavin van zyn
kinderen."



ZEVENDE HOOFDSTUK


De resident van _Bantam_ stelde den Regent en den kontroleur aan den
nieuwen adsistent-resident voor. Havelaar begroette beide beambten
hoffelyk. Den kontroleur--er is altyd iets pynlyks in de ontmoeting van
een nieuwen chef--zette hy door eenige vriendelyke woorden op zyn gemak,
als wilde hy terstond reeds een soort van gemeenzaamheid invoeren, die
't verkeer zou gemakkelyk maken. Met den Regent was zyn ontmoeting
zooals dit behoorde met een persoon die den gouden _pajong_ voert[34]
maar die te-gelykertyd zyn "jonger broeder" wezen zou. Met deftige
minzaamheid berispte hy hem over zyn te vurigen dienstyver, die in zùlk
een weder hem tot aan de grenzen zyner afdeeling gevoerd had, 'tgeen dan
ook de Regent, strikt genomen volgens de regelen der etikette, niet had
behoeven te doen.

--Waarlyk, mynheer de _Adhipatti_, ik ben boos op u dat ge u zooveel
moeite gegeven hebt om-mynentwil! Ik dacht u eerst te _Rangkas-Betoeng_
aantetreffen.

--Ik wenschte den heer adsistent-resident zoo spoedig mogelyk te zien om
vriendschap te sluiten, zei de _Adhipatti_.

--Zeker, zeker, ik voel me zeer vereerd! Maar ik zie niet gaarne iemand
van uw rang en uw jaren zich al te veel inspannen. En te-paard nogal!

--Ja, mynheer de adsistent-resident! Waar de dienst me roept, ben ik nog
altyd vlug en sterk.

--Dit is te veel van uzelf gevergd! Niet waar, resident?

--De heer _Adhipatti_. Is. Zeer.

--Goed, maar er is een grens.

--Yverig, sleepte de resident achterna.

--Goed, maar er is een grens, moest Havelaar nogeens zeggen, als om 't
vorige terugteslikken. Als u 't goed vindt, resident, zullen we plaats
in den wagen maken. De _baboe_ kan hier blyven, we zullen haar een
_tandoe_[35] zenden van _Rangkas-Betoeng_. Myn vrouw neemt Max op den
schoot ... niet waar, Tine? En dan is er plaats genoeg.

--Het. Is. My.

--Verbrugge, we zullen ook u passage geven, ik zie niet in ...

--Wèl! zei de resident.

--Ik zie niet in waarom ge zonder noodzaak te-paard door den modder
zoudt klepperen ... er is plaats genoeg voor ons allen. We kunnen dan
met-een terstond kennis maken. Niet waar, Tine, we zullen ons wel
schikken? Hier, Max ... kyk eens, Verbrugge, is dat niet een aardig
kereltje? Dat is myn kleine jongen ... dat is Max!

De resident had met den _Adhipatti_ in de _pendoppo_ plaats genomen.
Havelaar riep Verbrugge om hem te vragen wien die schimmel behoorde met
roode schabrak? En toen Verbrugge naar den ingang van de _pendoppo_
trad, om te zien welk paard hy bedoelde, legde hy dezen de hand op den
schouder, en vroeg:

--Is de Regent altyd zoo dienstyverig?

--'t Is een kras man voor zyn jaren, m'nheer Havelaar, en u begrypt dat
hy gaarne een goeden indruk op u maken zou.

--Ja, dat begryp ik. Ik heb veel goeds van hem gehoord ... hy is
beschaafd, niet waar?

--O ja ... En hy heeft een groote familie?

Verbrugge zag Havelaar aan, als begreep hy dezen overgang niet. Dit was
dan ook, voor wie hem niet kende, dikwyls moeielyk. De vlugheid van zyn
geest deed hem in gesprekken meermalen eenige schakels der redeneering
overslaan, en hoe geleidelyk ook deze overgang plaats vond in _zyn_
gedachten, was het toch iemand die minder vlug was, of niet gewoon aan
zyn vlugheid, niet euvel te duiden wanneer men by zulk een gelegenheid
hem aanstaarde met de onuitgesproken vraag op de lippen: ben je gek ...
of hoe is het?

Zoo-iets lag er dan ook in de trekken van Verbrugge, en Havelaar moest
de vraag herhalen, vóór hy antwoordde:

--Ja, hy heeft een zeer uitgebreide familie.

--En zyn er _Medjiets_ in aanbouw in de afdeeling? ging Havelaar voort,
alweer op een toon die, geheel in tegenspraak met de woorden zelf,
scheen aanteduiden dat er verband bestond tusschen die _moskeën_ en de
"groote familie" van den Regent.

Verbrugge antwoordde dat er werkelyk veel aan moskeën gearbeid werd.

--Ja, ja, dat wist ik wel! riep Havelaar. En zeg me nu eens, of er veel
achterstand is in de betaling van de landrenten?

--Ja, dat kon wel beter zyn ...

--Juist, en vooral in het distrikt _Parang-Koedjang_, zei Havelaar, als
vond hy 't makkelyker zelf te antwoorden. Hoe hoog is de aanslag van dit
jaar? ging hy voort, en bemerkende dat Verbrugge eenigszins weifelde,
als om zich op 't antwoord te bezinnen, voorkwam hem Havelaar, die in
één adem aldus vervolgde:

--Goed, goed, ik weet het al ... zes-en-tachtig duizend en eenige
honderden ... vyftien duizend meer dan in 't vorige jaar ... doch maar
zesduizend boven '45. We zyn sedert '43 maar achtduizend vooruit
gegaan ... en ook de bevolking is zeer schraal ... nu ja, Malthus! In
twaalf jaar zyn we maar elf procent gestegen, en dit is nog de vraag,
want de tellingen waren vroeger zeer onnauwkeurig ... en nog! Van '50 op
'51 is er zelfs een teruggang. Ook de veestapel gaat niet vooruit ...
dat is een slecht teeken, Verbrugge![36] Wat drommel, zie dat paard eens
springen, ik geloof dat het koldert ... kom eens kyken, Max!

Verbrugge bemerkte dat hy den nieuwen adsistent-resident weinig zou te
leeren hebben, en dat er geen kwestie was van overwicht door "lokale
ancienneteit" wat de goede jongen dan ook niet begeerd had.

--Maar 't is natuurlyk, ging Havelaar voort, terwyl hy Max op den arm
nam. In het _Tjikandische_ en _Bolangsche_ zyn ze er heel bly om ... en
de opstandelingen in de _Lampongs_ ook.[37] Ik beveel me zeer aan voor
uw medewerking, m'nheer Verbrugge! De Regent is een man van jaren, en
dus moeten we ... zeg eens, is zyn schoonzoon nog altyd distriktshoofd?
Alles saamgenomen houd ik hem voor een persoon die inschikkelykheid
verdient ... de Regent, meen ik. Ik ben zeer bly dat hier alles zoo
achterlyk en armoedig is, en ... hoop hier lang te blyven.

Hierop reikte hy aan Verbrugge de hand, en deze, met hem terugkeerende
naar de tafel waar de resident, de _Adhipatti_ en mevrouw Havelaar
gezeten waren, voelde reeds iets beter dan vyf minuten vroeger, dat "die
Havelaar zoo gek niet was" als de kommandant meende. Verbrugge was
volstrekt niet misdeeld van verstand, en hy die de afdeeling _Lebak_
kende, nagenoeg zoo goed als een zoo groote landstreek, waar niets
gedrukt wordt, door één persoon gekend worden kàn, begon intezien dat er
toch verband was tusschen de schynbaar niet samenhangende vragen van
Havelaar, en tevens dat de nieuwe adsistent-resident, hoezeer hy nooit
de afdeeling betreden had, iets wist van wat er omging. Wel begreep hy
nog altyd die vreugde niet over de armoede in _Lebak_, maar hy drong
zich op, die uitdrukking verkeerd verstaan te hebben. Later evenwel,
toen Havelaar hem meermalen hetzelfde zeide, zag hy in hoeveel groots en
edels er was in die vreugde.

Havelaar en Verbrugge namen plaats by de tafel, en onder 't gebruiken
van thee over onbeduidende dingen sprekende, wachtte men tot Dongso den
resident kwam berichten dat de versche paarden waren voorgespannen. Men
pakte zich zoo goed mogelyk in den wagen, en reed heen. Door 't hotsen
en stooten viel 't spreken moeielyk. Kleine Max werd rustig gehouden met
_pisang_[38] en zyn moeder die hem op den schoot had, wilde volstrekt
niet bekennen dat ze vermoeid was, als Havelaar aanbood haar van den
zwaren jongen te ontlasten. In een oogenblik van gedwongen rust in een
moddergat, vroeg Verbrugge den resident, of hy met den nieuwen
adsistent-resident reeds gesproken had over mevrouw Slotering?

--M'nheer. Havelaar. Heeft. Gezegd.

--Welzeker, Verbrugge, waarom niet? Die dame kan by ons blyven. Ik zou
niet gaarne ...

--Dat. Het. Goed. Was. sleepte de resident er met veel moeite by.

--Ik zou niet gaarne myn huis ontzeggen aan een dame in háár
omstandigheden! Zoo-iets spreekt vanzelf ... niet waar, Tine?

Ook Tine meende dat het vanzelf sprak.

--U heeft twee huizen te _Rangkas-Betoeng_, zei Verbrugge. Er is ruimte
in overvloed voor twee familien.

--Maar, al was dit zoo niet.

--Ik. Durfde. Het. Haar.

--Wel, resident, riep mevrouw Havelaar, er is geen twyfel aan!

--Niet. Toezeggen. Want. Het. Is.

--Al waren ze met hun tienen, als ze 't maar voor lief nemen by ons.

--Een. Groote. Last. En. Zy. Is.

--Maar het reizen in haar pozitie is onmogelyk, resident!

Een hevige schok van den wagen die ontmodderd werd, zette een
uitroepingsteeken achter Tine's verklaring dat het reizen onmogelyk was
voor mevrouw Slotering. Ieder had het gebruikelyke _hè_! geroepen, dat
op zulk een stoot volgt, Max had in den schoot zyner moeder de _pisang_
weergevonden, die hy door den schok verloor, en reeds was men een heel
eind nader aan de modderdiepte die straks komen zou, voor de resident
besluiten kon zyn zinsnede te voleinden, door er bytevoegen:

--Een. Inlandsche. Vrouw.

--O, dit is volkomen hetzelfde, trachtte mevrouw Havelaar verstaanbaar
te maken. De resident knikte, als vond hy het goed dat die zaak dus
geregeld was, en daar het spreken zoo moeielyk viel, brak men 't
gesprek af.

Die Mevrouw Slotering was de weduw van Havelaars voorganger die twee
maanden geleden gestorven was. Verbrugge, daarop voorloopig belast met
het ambt van adsistent-resident, zou 't recht gehad hebben, gedurende
dien tyd de ruime woning te betrekken, die te _Rangkas-Betoeng_, zooals
in elke afdeeling, van-landswege voor 't hoofd van het gewestelyk
bestuur is opgericht. Hy had dit echter niet gedaan, gedeeltelyk
misschien uit vrees dat hy te spoedig op-nieuw zou moeten verhuizen,
gedeeltelyk om 't gebruik daarvan aan die dame met haar kinderen
overtelaten. Er ware anders ruimte genoeg geweest, want behalve de vry
groote adsistent-residentswoning zelf, stond daarneven op 'tzelfde "erf"
nog een ander huis dat vroeger daartoe gediend had, en in-weerwil van
den eenigszins bouwvalligen staat, nog altyd zeer geschikt was ter
bewoning.

Mevrouw Slotering had den resident verzocht haar voorspraak te zyn by
den opvolger van haar echtgenoot, om de vergunning dat oude huis te
bewonen tot na haar verlossing, die zy over eenige maanden te-gemoet
zag. Het was dit verzoek dat door Havelaar en zyn vrouw zoo gereedelyk
was toegestaan, iets dat geheel in hun aard lag, want gastvry en
hulpvaardig waren zy in de hoogste mate.

We hoorden den resident zeggen dat mevrouw Slotering een "inlandsche
vrouw" was. Dit vereischt voor niet-indische lezers eenige opheldering,
daar men al licht tot de onjuiste meening geraken zou hier met een
eigenlyk-javaansche te doen te hebben.

De europesche maatschappy in Nederlandsch Indiën is vry scherp in twee
deelen gesplitst: de eigenlyke Europeanen, en dezulken die--hoezeer
wettelyk in geheel denzelfden rechtstoestand verkeerende--niet in
Europa geboren zyn, en min of meer inlandsch bloed in de aderen hebben.
Ter-eere der begrippen van menschelykheid in Indie, haast ik me hier
bytevoegen dat, hoe scherp ook de lyn zy, die in 't maatschappelyk
verkeer wordt getrokken tusschen de twee soorten van individuën, welke
tegenover den inlander gelykelyk den naam van _Hollander_[39] dragen,
deze afscheiding evenwel geenszins 't barbaarsch karakter vertoont, dat
in Amerika by de standsplitsing wordt waargenomen. Ik ontken niet dat er
nog altyd veel onrechtvaardigs en stuitends in deze verhouding blyft
bestaan, en dat het woord _liplap_ my meermalen in de ooren klonk als
een bewys hoe ver de niet-liplap, de blanke, dikwerf van ware beschaving
verwyderd is. Het is waar dat de liplap niet dan by-uitzondering in
gezelschappen wordt toegelaten, en dat hy gewoonlyk, als ik me hier van
een zeer gemeenzame uitdrukking bedienen mag: "niet voor vol wordt
aangezien" maar zelden zal men zulke uitsluiting of geringschatting
hooren voorstellen en verdedigen als een _grondbeginsel_. Het staat
natuurlyk ieder vry, zyn eigen omgeving en gezelschap te kiezen, en men
mag het den eigenlyken Europeaan niet euvel duiden, wanneer hy den
omgang met lieden van zyn landaard voortrekt boven 't verkeer met
personen die--hun meer of minder zedelyke en verstandelyke waarde in
't midden gelaten--zyn indrukken en denkbeelden niet deelen, of--en dit
is misschien by vermeend verschil van _beschaving_, zeer dikwyls de
hoofdzaak--wier _vooroordeelen een andere richting hebben genomen_ dan
de zyne.[40]

Een _liplap_--om den term te bezigen die voor beleefder wordt gehouden,
zou ik moeten zeggen een "_dusgenaamd inlandsch kind_" maar ik vraag
vergunning my te houden aan 't spraakgebruik dat uit allitteratie.
geboren schynt, zonder dat ik met die uitdrukking iets beleedigends
bedoel, en wat beteekent het woord dan ook?--een liplap heeft veel
goeds. Ook de Europeaan heeft veel goeds. Beiden hebben veel verkeerds,
en ook hierin alzoo gelyken zy op elkaar. Maar 't goede en 't verkeerde
dat aan beiden eigen is loopt te veel uit elkander, dan dat hun
verkeering over 't algemeen tot wederzydsch genoegen kan strekken.
Bovendien--en hieraan heeft de Regeering veel schuld--is de liplap
dikwyls slecht onderwezen. De vraag is nu niet hoe de Europeaan wezen
zou, als hy zoo van der jeugd af ware belemmerd geworden in zyn
ontwikkeling, maar zeker is het dat de geringe wetenschappelyke
ontwikkeling van den liplap _in 't algemeen_ zyn gelykstelling met den
Europeaan in den weg staat, ook dáár waar hy _als individu_ in
beschaving, wetenschap of kunst, misschien den voorrang boven een
bepaalden europeschen persoon verdienen zou.

Ook hieraan is weder niets nieuws. Het lag ook, byv. in de staatkunde
van Willem den Veroveraar, om den minstbeduidenden Normandier te
verheffen boven den beschaafdsten Sakser, en elke Normandier beriep zich
gaarne op 't overwicht der Normandiers _in het algemeen_, om zyn persoon
ook dáár te doen gelden, waar hy de minste zou geweest zyn _zonder_ den
invloed zyner stamgenooten als bovenliggende party.

Uit zoo-iets wordt natuurlyk in 't verkeer zekere gedwongenheid geboren.
die niet zou weg te nemen zyn dan door wysgeerige onbekrompen inzichten
en maatregelen van het bestuur.[41]

Dat de Europeaan, die in zulke verhouding aan den winnenden kant is,
zich in dit kunstmatig overwicht zeer gemakkelyk schikt, spreekt
vanzelf. Maar dikwyls is 't koddig, iemand die zyn beschaving en taal
grootendeels opdeed in de rotterdamsche _Zandstraat_, den liplap te
hooren uitlachen omdat deze een _glas water_ en 't _gouvernement_,
mannelyk-, of _zon_ en _maan_ onzydig maakt.

Een liplap moge beschaafd, goed onderwezen zyn, of geleerd--er zyn er
zoo!--zoodra de Europeaan, die zich ziek hield om achterteblyven van 't
schip waarop hy borden waschte, en die zyn aanspraken op beleefdheid
bazeert op "uwee" en "verexkuseer" aan het hoofd staat van de
handelsonderneming die zoo "enorm" gewonnen heeft op de indigo in 1800
zooveel ... neen, lang vóór hy de "_toko_" bezat, waarin hy hammen en
jachtgeweren verkoopt--wanneer zoo'n Europeaan opmerkt dat de
beschaafdste liplap moeite heeft de _h_ en de _g_, uit elkaar te houden,
lacht hy over de domheid van den man die niet weet dat er onderscheid is
tusschen een _gouden hek_ en een _houten gek_.

Maar om hierover niet te lachen, had hy moeten weten dat in het arabisch
en maleisch de _cha_ en de _hha_ door één karakter worden uitgedrukt,
dat _Hieronymus_ viâ _Geronimo_ in _Jérôme_ overgaat, dat we van
_huano_, _guano_ maken, dat een _want_ een _handschoen_ is, dat _kous_
van _hose_ afstamt, en dat we voor _Guild Heaume_ in 't hollandsch
_Huillem_ of _Willem_ zeggen. Zooveel eruditie is te veel gevergd van
iemand die zyn fortuin maakte "in" de indigo, en z'n beschaving haalde
uit het welgelukken van dobbelary ... of erger!

En zulk een Europeaan kan toch niet omgaan met zulk een liplap!

Ik begryp hoe _Willem_ van _Guillaume_ komt, en moet erkennen dat ik,
vooral in de Molukken, zeer dikwyls "liplappen" heb leeren kennen, die
me deden verbaasd staan over den omvang hunner kennis, en die my op 't
denkbeeld brachten dat wy Europeanen, hoeveel hulpmiddelen ons ook
ten-dienste stonden, dikwyls--en niet vergelykender-wyze alleen--verre
ten-achteren staan by de arme pariah's die van de wieg af hadden te
stryden met kunstmatig-onbillyke terugzetting en 't zot vooroordeel
tegen hun kleur.

Maar mevrouw Slotering was eens-voor-al gevrywaard voor fouten in 't
hollandsch, omdat ze nooit anders dan maleisch sprak. We zullen haar
later te zien krygen, als we met Havelaar, Tine en kleinen Max
thee-drinken in de voorgalery der adsistent-residents-woning te
_Rangkas-Betoeng_, waar ons reisgezelschap, na lang hotsen en stooten,
eindelyk behouden aankwam.

De resident, die slechts was meegekomen om den nieuwen adsistent-resident
in zyn ambt te bevestigen, gaf den wensch te kennen nog dienzelfden dag
naar _Serang_ terugtekeeren:

--Omdat. Hy.

Havelaar betuigde insgelyks bereid te zyn tot allen spoed ...

--Het. Zoo. Druk. Had.

...en de afspraak werd gemaakt, dat men daartoe over een half uur in de
groote voorgalery der woning van den Regent zou by-eenkomen. Verbrugge,
hierop voorbereid, had reeds voor vele dagen aan de Distriktshoofden,
den _Patteh_, den _Kliwon_, den _Djaksa_[42] den belasting-kollekteur,
eenige _mantries_, en voorts aan alle inlandsche beambten die deze
plechtigheid moesten bywonen, last gegeven zich op de hoofdplaats te
verzamelen.

De _Adhipatti_ nam afscheid, en reed naar zyn huis. Mevrouw Havelaar
bezag haar nieuwe woning, en was er zeer mee ingenomen, vooral omdat de
tuin groot was, 'tgeen haar zoo goed voorkwam voor kleinen Max die veel
in de lucht moest. De resident en Havelaar waren naar hun kamers gegaan
om zich te verkleeden, want by de plechtigheid die er plaats hebben zou,
scheen het officieel voorgescheven kostuum een vereischte te wezen.
Rondom het huis stonden honderden menschen, die of te-paard den wagen
van den resident hadden begeleid, of tot het gevolg der saamgeroepen
Hoofden behoorden. De policie-en bureau-oppassers liepen bedryvig
heen-en-weer. Kortom, alles toonde aan dat de eentonigheid op dat
vergeten plekje gronds in den javaschen Westhoek, voor een oogenblik
werd afgebroken door wat leven.

Weldra reed de fraaie wagen van den _Adhipatti_ 't voorplein op. De
resident en Havelaar, schitterend van goud en zilver, maar ietwat
struikelend over hun degens, stapten er in, en begaven zich naar de
woning van den Regent, waar ze met muziek van _gongs_ en _gamlangs_
ontvangen werden.[43] Ook Verbrugge, die zich van zyn bemodderd kostuum
had ontdaan, was reeds daar aangekomen. De mindere Hoofden zaten in een
grooten kring, naar oostersche wyze op matten op den grond, en aan 't
eind van de lange galery stond een tafel, waaraan de resident, de
_Adhipatti_, de adsistent-resident, de kontroleur en een zestal Hoofden
plaats namen. Men diende thee met gebak rond, en de eenvoudige
plechtigheid begon.

De resident stond op, en las het besluit van den Gouverneur-generaal voor,
waarby Max Havelaar was aangesteld tot adsistent-resident van de afdeeling
_Bantan-Kidoel_ of Zuid-Bantam, zooals _Lebak_ door de inlanders genoemd
wordt. Hy nam daarna 't staatsblad waarin de eed stond die tot de
aanvaarding van bedieningen in 't algemeen voorgeschreven is, en houdende:
"_dat men om tot het ambt van ***** te worden benoemd of bevorderd, niemand
iets beloofd of gegeven heeft, beloven of geven zal; dat men gehouw en
getrouw zal zijn aan zijne Majesteit den Koning der Nederlanden; gehoorzaam
aan zijner Majesteits vertegenwoordiger in de Indische gewesten; dat men
stiptelijk zal opvolgen en doen opvolgen de wetten en bepalingen, die
gegeven zijn of gegeven zullen worden, en dat men zich in alles zal
gedragen gelijk een goed_ ... (hier: adsistent-resident) _betaamt_."

Hierop volgde natuurlyk het sakramenteele: "_zoo waarlijk helpe mij God
Almachtig_."

Havelaar sprak de voorgelezen woorden na. Als in dezen eed begrepen, had
eigenlyk moeten worden beschouwd de belofte: _de inlandsche bevolking,
te zullen beschermen tegen uitzuiging, en onderdrukking_. Want, zwerende
dat men de bestaande wetten en bepalingen zou handhaven, behoefde men
slechts het oog te slaan op de talryke voorschriften dienaangaande, om
intezien dat eigenlyk een byzondere eed hieromtrent niet te-pas kwam.
Maar de wetgever schynt gemeend te hebben dat overvloed van goed niet
schaden kan, althans men vordert van de adsistent-residenten een
afzonderlyken eed, waarby die verplichting omtrent den geringen man
nogeens uitdrukkelyk vermeld wordt. Havelaar moest dus andermaal "God
Almachtig" tot getuige nemen by de belofte: dat hy de "_inlandsche
bevolking, beschermen zou tegen onderdrukking, mishandeling en
knevelarij_."

Voor een fynen opmerker zou 't de moeite waard zyn geweest, het
onderscheid gadeteslaan tusschen houding en toon van den resident en van
Havelaar by deze gelegenheid. Beiden hadden zy dusdanige plechtigheid
meermalen bygewoond. Het onderscheid dat ik bedoel, lag dus niet in 't
meer of min getroffen zyn door het nieuwe en ongewone, doch werd alleen
veroorzaakt door 't uiteenloopende der karakters en begrippen van deze
beide personen. De resident sprak wel iets sneller dan gewoonlyk, daar
hy 't besluit en de eeden slechts behoefde vóórtelezen, 'tgeen hem de
moeite bespaarde naar zyn slotwoorden te zoeken, maar toch geschiedde
van zyn kant alles, met een deftigheid en een ernst, die den
oppervlakkigen beschouwer een zeer hoog denkbeeld moesten inboezemen van
't gewicht dat hy aan de zaak hechtte. Havelaar integendeel, toen hy met
opgeheven vinger de eeden nasprak, had iets in gelaat, stem en houding,
alsof hy zeggen wilde: "dat spreekt vanzelf, ook _zonder God Almachtig_,
zou ik dat doen" en wie menschkunde bezat, zou meer vertrouwd hebben op
zyn ongedwongenheid en schynbare onverschilligheid, dan op de ambtelyke
deftigheid van den resident.

Is 't niet inderdaad bespottelyk, te meenen dat de man die geroepen is
recht te spreken, de man aan wien het wel of wee van duizenden is in
handen gegeven, zich zou gebonden achten door een paar uitgesproken
klanken, wanneer hy niet, ook zonder die klanken, zich daartoe gedrongen
voelt door zyn eigen hart?

Wy gelooven van Havelaar, dat hy de armen en onderdrukten, waar hy die
mocht aantreffen, zou beschermd hebben, al had hy by "God Almachtig" het
tegendeel beloofd.

Daarop volgde een toespraak van den resident tot de Hoofden, waarop hy
hun den adsistent-resident als opperhoofd der Afdeeling voorstelde, hen
uitnoodigde hem te gehoorzamen, hun verplichtingen stipt natekomen, en
dergelyke gemeenplaatsen meer. De hoofden werden daarop één-voor-één by
name aan Havelaar voorgesteld. Hy reikte ieder de hand, en de
"installatie" was afgeloopen.

Men gebruikte ten-huize van den _Adhipatti_ 't middagmaal, waartoe ook
de kommandant Duclari genoodigd was. Terstond na afloop daarvan, stapte
de resident die gaarne nog dien avend te _Serang_ wilde terug zyn:

--Omdat. Hy. Het. Zoo. Byzonder. Druk. Had.

...weder in zyn reiswagen, en zoo keerde _Rangkas-Betoeng_ weldra terug
tot een stilte, als te verwachten is van een javasche binnenpost die
door slechts weinig Europeanen bewoond werd en daarenboven niet aan den
grooten weg gelegen was.

De kennismaking tusschen Duclari en Havelaar was spoedig op een
gemakkelyken voet gebracht. De _Adhipatti_ gaf blyken van ingenomenheid
met zyn nieuwen "ouder broeder" en Verbrugge verhaalde later dat ook de
resident, dien hy op zyn terugreis naar Serang een eind wegs-uitgeleide
had gedaan, zich zeer gunstig over de familie Havelaar, die op haar
doortocht naar Lebak eenige dagen ten-zynen-huize vertoefde, had
uitgelaten. Ook zeide hy dat Havelaar, by de Regeering goed aangeteekend
staande, hoogstwaarschynIyk spoedig tot een hooger ambt bevorderd, of
althans naar een meer "voordeelige" afdeeling verplaatst worden zou.

Max en "zyn Tine" waren eerst onlangs van een reis naar Europa
teruggekeerd, en gevoelden zich vermoeid van wat ik eens zeer
eigenaardig een koffertjes-leven heb hooren noemen. Zy achtten zich dus
gelukkig, na veel omzwervens eindelyk weder eens een plek te bewonen
waar zy zouden te-huis behooren. Vóór hun reis naar Europa, was Havelaar
adsistent-resident van Amboina geweest, waar hy met veel moeielykheden
had te stryden gehad, omdat de bevolking van dat eiland in een gistenden
en oproerigen toestand verkeerde ten-gevolge van de vele verkeerde
maatregelen die in den laatsten tyd genomen waren.

Niet zonder veerkracht had hy dezen geest van verzet weten te
onderdrukken, doch uit verdriet over de weinige hulp die men hem hierin
van-hoogerhand verleende, en uit ergernis over 't ellendig bestuur dat
sedert eeuwen de heerlyke streken der Molukken ontvolkt en bederft ...

De belangstellende lezer trachte te lezen te krygen wat over dit
onderwerp reeds in 1825 door den baron Van der Capellen geschreven werd,
en kan de Publikatien van dezen menschenvriend vinden in het Indische
Staatsblad van dat jaar. De toestand is er sedert dien tyd niet beter
op geworden!

Hoe dit zy, Havelaar deed te Amboina wat hy mocht en kon, maar uit
ergernis over gebrek aan medewerking van hen die in de eerste plaats
geroepen waren zyn pogingen te steunen, was hy ziek geworden, en dit had
hem bewogen naar Europa te vertrekken.[44] Strikt genomen had hy by
wederplaatsing aanspraak gehad op beter keuze dan de arme geenszins
welvarende afdeeling _Lebak_, daar zyn werkkring te Amboina van grooter
gewicht was, en hy dáár, zonder resident boven zich, geheel op zichzelf
gestaan had. Bovendien was er, reeds voor hy naar Amboina vertrok,
spraak van geweest hem tot resident te verheffen, en het bevreemdde dus
sommigen dat hem thans het bestuur eener Afdeeling werd opgedragen, die
aan kultuur-emolumenten zoo weinig opbracht, dewyl velen het belang
eener bediening naar de daaraan verbonden inkomsten afmeten. Hyzelf
echter beklaagde zich hierover volstrekt niet, want zyn eerzucht was
geenszins van dien aard, dat hy bedelen zou om hoogeren rang of meer
gewin.[45]

En dit laatste ware hem toch goed te-stade gekomen! Want op zyn reizen
in Europa had hy het weinige uitgegeven, dat hy in vorige jaren had
overgegaard. Zelfs had hy daar schulden achtergelaten, en hy was dus, in
één woord, arm. Doch nooit had hy zyn ambt beschouwd als een geldwinning,
en by zyn benoeming naar _Lebak_ nam hy zich met tevredenheid voor, het
achterstallige door zuinigheid intehalen, in welk voornemen zyn vrouw
die zoo eenvoudig was in smaak en behoeften, hem met groot genoegen
ondersteunen zou.

Maar zuinigheid viel Havelaar moeielyk. Hy voor zichzelf kon zich tot
het strikt-noodige bepalen. Ja, zonder de minste inspanning kon hy
binnen de grens daarvan blyven, doch waar anderen hulp behoefden, was
hem 't helpen, het geven, een ware hartstocht. Hyzelf zag dit zwak in,
beredeneerde met al 't gezond verstand dat hem gegeven was, hoe
_onrecht_ hy deed, iemand te ondersteunen, waar hyzelf meer aanspraak
zou gehad hebben op zyn eigen hulp ... gevoelde dit onrecht nog
levendiger, wanneer ook "zyn Tine" en Max, die hy beiden zoo lief had,
te lyden hadden onder de gevolgen zyner vrygevigheid ... hy verweet zich
zyn goedhartigheid als zwakte, als ydelheid, als zucht om voor een
verkleeden prins doortegaan ... hy beloofde zich beterschap, en toch ...
telkens als deze of gene zich aan hem wist voortedoen als 't slachtoffer
van tegenspoed, vergat hy alles om te helpen. En dit in-weerwil der
bittere ondervinding van de gevolgen dezer door overdryving tot fout
geworden deugd. Acht dagen vóór de geboorte van zyn kleinen Max, bezat
hy 't noodige niet om 't yzeren wiegje te koopen waarin zyn lieveling
rusten zou, en weinig tyds te-voren nog had hy de weinige versierselen
zyner vrouw opgeofferd, om iemand bytestaan, die gewis in beter
omstandigheden verkeerde dan hyzelf.

Maar dit alles lag al weer ver achter hen toen zy waren aangekomen te
_Lebak_! Met vroolyke kalmte hadden zy bezit genomen van het huis: "waar
ze nu toch eenigen tyd hoopten te blyven." Met een eigenaardig genot
hadden zy te Batavia de meubelen besteld, die alles zoo _comfortable_ en
gezellig maken zouden. Zy toonden elkaar de plekken waar ze zouden
ontbyten, waar kleine Max spelen zou, waar de bibliotheek zou staan,
waar hy 's avends haar zou voorlezen wat hy dien dag geschreven had,
want hy was altyd bezig met het ontwikkelen zyner denkbeelden op 't
papier ... en: "eens zou dat gedrukt worden, meende Tine, en dan zou men
zien wie haar Max was!" Maar nooit had hy iets ter-perse laten leggen
van wat er in zyn hoofd omging, omdat zekere schroom hem bezielde, die
wel iets zweemde naar eerbaarheid. Hyzelf althans wist dezen schroom
niet beter te beschryven, dan door aan wie hem aanspoorden tot
publiciteit, te vragen: "zoudt _gy_ uw dochter op-straat laten loopen
zonder hemd?"

Dit was dan weer een van de vele _boutades_, die zyn omgeving deden
zeggen dat "die Havelaar toch een zonderling mensch was, en ik beweer
het tegendeel niet. Maar als men de moeite nam zyn ongewone wyze van
spreken te vertalen, zou men in die vreemde vraag over het toilet van
een meisje, wellicht den tekst gevonden hebben voor een verhandeling
over de kuisheid van den geest, die schuw is voor de blikken van den
lompen voorbyganger, en zich terugtrekt in een hulsel van maagdelyke
schroomvalligheid.[46]

Ja, ze zouden gelukkig zyn te _Rangkas-Betoeng_, Havelaar en zyn Tine!
De eenige zorg die hen drukte, waren de schulden die zy in Europa hadden
achtergelaten, verhoogd met de nog onbetaalde kosten der terugreis naar
Indie, en met de uitgaven voor 't meubelen hunner woning. Maar nood was
er niet. Ze zouden immers leven van de helft, van een derde zyner
inkomsten? Misschien ook, ja waarschynlyk, zou hy spoedig resident
worden, en dan werd alles makkelyk geregeld in weinig tyds ...

--Hoewel 't my erg spyten zou, Tine, _Lebak_ te verlaten, want er is
hier veel te doen. Je moet heel zuinig wezen, beste, dan kunnen wy
misschien alles afdoen, ook zonder bevordering ... en dan hoop ik lang
hier te blyven, heel lang!

Een aansporing tot zuinigheid nu, behoefte hy tot háár niet te richten.
_Zy_ had er waarlyk geen schuld aan, dat spaarzaamheid noodig was
geworden, doch ze had zich zoo vereenzelvigd met haar Max, dat ze die
aansporing geenszins opvatte als een verwyt, wat het dan ook niet was.
Want Havelaar wist zeer goed dat _hy_ alleen gefaald had door zyn te ver
gedreven vrygevigheid, en dat _haar_ fout--àls er dan een fout bestond
aan hare zyde--alleen hierin had gelegen, dat ze uit liefde voor Max
altyd alles had goedgekeurd wat hy deed.

Ja, _zy_ had het goed gevonden, toen hy die beide arme vrouwen uit de
_Nieuwstraat_, die nooit Amsterdam hadden verlaten, en nooit waren
"uitgeweest" rondleidde op de Haarlemmer kermis, onder 't koddig
voorwendsel dat de Koning hem belast had met: "het amuzeeren van oude
vrouwtjes die zich zoo goed gedragen hadden". _Zy_ vond het goed dat hy
de weeskinderen uit alle gestichten te Amsterdam op koek en amandelmelk
onthaalde, en ze overlaadde met speelgoed. _Zy_ begreep volkomen dat hy
de logementsrekening van de familie arme zangers betaalde, die terug
wilden naar hun land, maar niet gaarne de have achterlieten, waartoe de
harp behoorde, en de viool, en de bas, die zy zoo noodig hadden voor hun
schamel bedryf. _Zy_ kon het niet afkeuren dat hy 't meisje tot haar
bracht, dat 'savends op de straat hem had aangesproken ... dat hy haar
te eten gaf en herbergde, en 't àl te goedkoop "ga heen, en zondig niet
meer!" niet uitsprak, voor hy haar dat "niet zondigen" had mogelyk
gemaakt. _Zy_ vond het zeer schoon in haar Max, dat hy 't klavier liet
terugbrengen in de voorkamer van den huisvader, dien hy had hooren
zeggen hoe leed het hem deed dat de meisjes verstoken waren van muziek
"na dat bankroet." _Zy_ begreep zeer goed dat haar Max de slavenfamilie
vrykocht te Menado, die zoo bitter bedroefd was te moeten stygen op de
tafel des afslagers. _Zy_ vond het natuurlyk dat Max paarden weergaf aan
de Alfoeren in de _Minahassa_, wier paarden waren doodgereden door de
officieren van de _Bayonnaise_. _Zy_ had er niet tegen dat hy te Menado
en te Amboina de schipbreukelingen der amerikaansche _whalers_ by zich
riep en verzorgde, en zich te _grand seigneur_ achtte om een
herbergiersrekening voorteleggen aan 't amerikaansch Gouvernement. [47]
_Zy_ begreep volkomen waarom de officieren van byna elk aangekomen
oorlogschip grootendeels by Max logeerden, en dat zyn huis hun geliefd
_pied-à-terre_ was.

Was hy niet háár Max? Was het niet te klein, te nietig, was 't niet
ongerymd, hem die zoo vorstelyk dacht, te willen binden aan de regels
van spaarzaamheid en huishoudelykheid die voor anderen gelden? En
bovendien, al mocht er dan soms voor 't oogenblik iets onevenredigs
wezen tusschen inkomsten en uitgaven, was Max, háár Max, niet bestemd
voor een schitterende loopbaan? Moest hy niet weldra in omstandigheden
verkeeren, die hem zouden in-staat stellen zonder overschryding zyner
inkomsten den vryen loop te laten aan zyn groothartige neigingen? Moest
háár Max niet Gouverneur-generaal worden van dat lieve Indie, of ... een
koning? Wast 't niet vreemd zelfs, dat hy niet reeds koning wàs?

Als er een fout by haar kon gevonden worden, dan was haar ingenomenheid
met Havelaar schuld daaraan, en zoo ooit, dan zou 't hier gelden: dat
men veel vergeven moet aan wie veel heeft lief gehad!

Doch men had haar niets te vergeven. Zonder nu te deelen in de
overdreven begrippen die zy van haren Max koesterde, mag men toch
aannemen dat hy een goede loopbaan voor zich had, en wanneer dit gegrond
uitzicht zich had verwezenlykt, zouden inderdaad de onaangename gevolgen
zyner vrygevigheid weldra uit den weg te ruimen geweest zyn. Maar nog
een reden van geheel anderen aard verontschuldigde hare en zyne
schynbare zorgeloosheid.

Ze had zeer jong haar beide ouders verloren, en was by hare familie
opgevoed. Toen ze huwde, deelde men haar mede dat zy een klein vermogen
bezat, 'tgeen dan ook werd uitbetaald, doch Havelaar ontdekte uit enkele
brieven van vroeger tyd, en uit eenige losse aanteekeningen die zy in
een van haar moeder afkomstige kassette bewaarde, dat haar familie zoo
van vaders- als van moeders-zyde zeer ryk was geweest, zonder dat hem
evenwel duidelyk worden kon, wáár, waardoor of wanneer die rykdom was
verloren gegaan. Zyzelf, die nooit belang gesteld had in zaken van
geldelyken aard, wist weinig of niets te antwoorden, toen Havelaar by
haar aandrong op eenige inlichtingen aangaande de vorige bezittingen van
haar verwanten. Haar grootvader, de baron Van W., was met Willem den
vyfden naar Engeland uitgeweken en ridmeester geweest by 't leger des
hertogs van York. Hy scheen met de uitgeweken leden der stadhouderlyke
familie een vroolyk leven geleid te hebben, wat dan ook door velen werd
opgegeven als oorzaak van den ondergang zyner fortuin. Later, by
Waterloo, sneuvelde hy in een charge onder de huzaren van Boreel.
Aandoenlyk was het, de brieven te lezen van haar vader--toen een
jongeling van achttien jaren, die als luitenant by dat korps in dezelfde
charge een sabelhouw op 't hoofd bekwam, aan welks gevolgen hy acht
jaren later krankzinnig sterven zou--brieven aan zyn moeder, waarin hy
zich beklaagde hoe hy vruchteloos op het slagveld naar 't lyk zyns
vaders had gezocht.[48]

Wat haar afkomst van moederszyde aangaat, herinnerde zy zich dat haar
grootvader op zeer aanzienlyken voet geleefd had, en uit sommige
papieren bleek dat deze in het bezit was geweest van de posteryen in
Zwitserland, op de wyze zooals thans nog in een groot gedeelte van
Duitschland en Italie, die tak van inkomst de _apanage_ uitmaakt der
vorsten van _Turn en Taxis_.[49] Dit deed een groot vermogen
veronderstellen, maar ook hiervan was door geheel onbekende oorzaken
niets, of zeer weinig althans, overgegaan op het tweede geslacht.

Havelaar vernam 't weinige dat daarvan te vernemen was, eerst na zyn
huwelyk, en by zyn nasporingen wekte het zyn verwondering dat de
kassette waarvan ik zoo-even sprak--met den inhoud uit een gevoel van
_pieteit_ bewaarde, zonder te gissen dat daarin misschien stukken waren,
die belang hadden uit een geldelyk oogpunt--op onbegrypelyke wyze was
verloren gegaan. Hoe onbaatzuchtig ook, hy bouwde op deze en vele andere
omstandigheden de meening dat hierachter een _roman intime_ verscholen
lag, en men mag 't hem niet euvel duiden dat hy, die voor zyn duren
inborst veel behoefde, met vreugde dien roman een bly einde had zien
nemen. Hoe 't nu wezen moog met het bestaan van dien roman, en of er al
dan niet _spoliatie_ had plaats gehad, zeker is 't dat er in Havelaars
verbeelding iets geboren werd, wat men een _rêve aux millions_ zou
kunnen noemen.[50]

Doch alweer was 't eigenaardig dat hy die zoo nauwkeurig en scherp het
recht van een ander--hoe diep ook begraven onder stoffige akten en
dikwebbige _chicanes_--zou hebben nagespoord en verdedigd, dat hy hier
waar zyn eigen belang in 't spel was, met slordigheid het oogenblik
verwaarloosde, waarin misschien de zaak had moeten worden aangevat. Hy
scheen iets als schaamte te gevoelen omdat het hier zyn eigen voordeel
gold, en ik geloof zeker wanneer "zyn Tine" gehuwd ware geweest met een
ander, met iemand die zich tot hem had gewend met het verzoek de spinrag
te verbreken waarin haar voorouderlyk fortuin was blyven hangen, dat hy
geslaagd zou zyn "de interessante wees" in 't bezit te stellen van het
vermogen dat haar behoorde. Maar nu was die interessante wees _zyn_
vrouw, háár vermogen was het _zyne_, hy vond er dus iets koopmansachtigs
in, iets derogeerends, in haar naam te vragen: "zyt ge my niet nog iets
schuldig?"

En toch kon hy dien millioenendroom niet van zich schudden, al ware het
dan ook slechts om een verontschuldiging by de hand te hebben, by het
dikwyls voorkomend zelfverwyt dat hy te veel geld uitgaf.

Eerst kort voor het terugkeeren naar Java, toen hy reeds veel geleden
had onder den druk van geldgebrek, toen hy zyn fier hoofd had moeten
buigen onder de _furca caudina_ van menigen schuldeischer, had hy zyn
traagheid of zyn schroom kunnen overwinnen om werk te maken van de
millioenen die hy meende nog te-goed te hebben. En men antwoordde hem
met eene oude rekening-courant ... een argument, zooals men weet,
waartegen niets valt intebrengen.

Maar ze zouden zoo spaarzaam wezen te _Lebak_! En waarom ook niet? Er
dwalen in zoo'n onbeschaafd land, op den laten avend geen meisjes over
straat, die een weinig eer te verkoopen hebben voor een weinig
voedsel.[51] Er zwerven daar zoo geen menschen rond, die van
problematische beroepen leven. Daar valt het niet voor, dat een gezin
op-eens te-gronde gaat door wisseling van fortuin ... en van zoodanigen
aard toch waren gewoonlyk de klippen waarop de goede voornemens van
Havelaar strandden. Het getal Europeanen in die Afdeeling was zoo gering
dat het niet in aanmerking komen kon, en de javaan te _Lebak_ te arm
om--by welke lotwisseling ook--belangwekkend te worden door nog grooter
armoede. Dit alles overdacht Tine zoo niet--hiertoe toch had zy zich,
juister dan zy uit liefde voor Max doen wilde, rekenschap moeten geven
van de oorzaken hunner min gunstige omstandigheden--maar er lag in hun
nieuwe omgeving iets dat kalmte ademde, en afwezen van alle aanleidingen
--met meer of min valsch-romanesken tint dan--die vroeger Havelaar zoo
dikwyls hadden doen zeggen:

--Niet waar, Tine, dàt is nu toch een geval waaraan ik me niet onttrekken
kan?

En waarop zy altyd geantwoord had:

--Wel neen, Max, dááraan kanje je niet onttrekken!

We zullen zien hoe't eenvoudige, schynbaar onbewogen _Lebak_ Havelaar
meer kostte dan alle vorige uitspattingen van zyn hart te-zamen genomen.
Maar dit wisten zy niet! Zy zagen de toekomst met vertrouwen te-gemoet,
en voelden zich zoo gelukkig in hun liefde en in 't bezit van hun
kind ...

--Wat al rozen in den tuin, riep Tine, en ziedaar ook _rampeh_ en
_tjempaka_, en zooveel _melati_, en zie eens al die schoone lelien ...

En, kinderen als ze waren, vermaakten zy zich met hun nieuw huis. En
toen 's avends Duclari en Verbrugge, na een bezoek by Havelaar,
terugkeerden naar hun gemeenschappelyke woning, spraken zy veel over de
kinderlyke vroolykheid van de nieuw aangekomen familie.

Havelaar begaf zich naar zyn kantoor, en bleef daar den nacht door, tot
den volgenden morgen.



ACHTSTE HOOFDSTUK


Havelaar had den kontroleur verzocht, de hoofden die te _Rangkas-Betoeng_,
aanwezig waren, uittenoodigen daar tot den volgenden dag te vertoeven om
de _Sebah_[52] bytewonen, die hy beleggen wilde. Zulk een vergadering had
gewoonlyk eens in de maand plaats, doch hetzyd-i aan sommige Hoofden die
wat ver van de hoofdplaats woonden--want de Afdeeling _Lebak_ is zeer
uitgestrekt--het onnoodig heen-en weerreizen wilde besparen, hetzyd-i
wenschte, terstond en zonder den vastgestelden dag aftewachten, hen op
plechtige wyze toetespreken, hy had den eersten _Sebah_-dag op den
volgenden morgen bepaald.

Links voor zyn woning, doch op 'tzelfde "erf" en tegenover 't huis dat
mevrouw Slotering bewoonde, stond een gebouw dat gedeeltelyk de bureaux
der adsistent-residentie bevatte, waartoe tevens de landskas behoorde,
en gedeeltelyk bestond in een vry ruime open galery, die een zeer goede
gelegenheid tot zulk een vergadering aanbood. Daar waren dan ook den
volgenden morgen de Hoofden vroegtydig vereenigd. Havelaar trad binnen,
groette, en nam plaats. Hy ontving de geschreven maandelyksche berichten
over landbouw, veestapel, politie, en justitie, en legde die tot nader
onderzoek ter-zyde.

Ieder verwachtte hierop een toespraak als die welke de resident op den
vorigen dag had gehouden, en het is niet geheel-en-al zeker dat Havelaar
zelf van voornemen was iets anders te zeggen, doch men moest hem by
zulke gelegenheden gehoord en gezien hebben om zich voortestellen hoe
hy, by toespraken als deze, zich opwond en door zyn eigenaardige wyze
van spreken aan de bekendste zaken een nieuwe kleur meedeelde, hoe zich
dan zyn houding oprichtte, hoe zyn blik vuur schoot, hoe zyn stem van 't
vleiend zachte in 't vlymend scherpe overging, hoe de beelden van zyn
lippen vloeiden als strooide hy iets kostbaars om zich heen dat toch hèm
niets kostte, en hoe, als hy ophield, ieder hem aanstaarde met open mond
als om te vragen: "myn God, wie zyt ge?"

Het is waar dat hyzelf, die by zulke gelegenheid sprak als een apostel,
als een ziener, later niet juist wist hoe hy gesproken had, en zyn
welsprekendheid had dan ook meer de eigenschap van te verbazen en te
treffen, dan door bondigheid van redeneering te overtuigen. Hy zou den
krygslust der Atheners, zoodra tot den oorlog tegen Philippus besloten
was, tot dolzinnigheid hebben kunnen aanvuren, maar minder goed
waarschynlyk zou hy geslaagd zyn, als zyn taak geweest ware hen door
redeneering tot dien oorlog te bewegen. Zyn aanspraak tot de _Lebaksche_
hoofden was natuurlyk in 't maleisch, en ontleende hieraan een
eigenaardigheid temeer, daar de eenvoudigheid der oostersche talen aan
veel uitdrukkingen een kracht verleent, die in ònze idiomen door
litterarische gekunsteldheid is verloren gegaan, terwyl aan den anderen
kant het zoetvloeiende van 't maleisch moeielyk in eenige andere taal is
weertegeven. Men bedenke bovendien, dat het meerendeel zyner hoorders
uit eenvoudige, doch geenszins domme menschen bestond, en tevens dat het
Oosterlingen waren, wier indrukken zeer verschillen van de onze.

Havelaar moet nagenoeg aldus gesproken hebben:

   Mynheer de _Radhen Adhipatti_, Regent van _Bantan-Kidoel_, en gy,
   _Radhens Dhemang_ die Hoofden zyt der distrikten in deze Afdeeling,
   en gy, _Radhen Djaksa_ die de justitie tot uw ambt hebt, en ook gy,
   _Radhen Kliwon_ die gezag voert op de hoofdplaats, en gy _Radhens_,
   _Mantries_, en allen die Hoofden zyt in de afdeeling _Bantan-Kidoel_,
   ik groet u![53]

   En ik zeg u dat ik vreugde voel in myn hart, nu ik hier u allen
   vergaderd zie, luisterende naar de woorden van myn mond.

   Ik weet dat er onder u lieden zyn, die uitsteken in kennis en in
   braafheid van hart: ik hoop myn kennis door de uwe te vermeerderen,
   want zy is niet zoo groot als ik wenschte. En ik heb wel de braafheid
   lief, maar dikwyls bespeur ik dat er in myn gemoed fouten zyn, die de
   braafheid overschaduwen en daaraan den groei benemen ... gy allen
   weet hoe de groote boom den kleinen verdringt en doodt. Daarom zal ik
   letten op degenen onder u, die uitstekend zyn in deugd, om te
   trachten beter te worden dan ik ben.

   Ik groet u allen zeer.

   Toen de Gouverneur-generaal my gelastte tot u te gaan om
   adsistent-resident te zyn in deze afdeeling, was myn hart verheugd.
   Het kan u bekend zyn dat ik nooit _Bantan-Kidoel_ had betreden. Ik
   liet my dus geschriften geven, die over uwe afdeeling handelen, en
   heb gezien dat er veel goeds is in _Bantan-Kidoel_. Uw volk bezit
   rystvelden in de dalen, en er zyn rystvelden op de bergen. En ge
   wenscht in vrede te leven, en ge begeert niet te wonen in de
   landstreken die bewoond worden door anderen. Ja, ik weet dat er veel
   goeds is in _Bantan-Kidoel_!

   Maar niet hierom alleen was myn hart verheugd. Want ook in andere
   streken zou ik veel goeds gevonden hebben.

   Doch ik ontwaarde dat uwe bevolking arm is, en hierover was ik blyde
   in het binnenste myner ziel.

   Want ik weet dat Allah den arme liefheeft, en dat Hy rykdom geeft aan
   wien hy beproeven wil. Maar tot de armen zendt Hy wie zyn woord
   spreekt, opdat zy zich oprichten in hun ellende.

   Geeft Hy niet regen waar de halm verdort, en een dauwdrup in den
   bloemkelk die dorst heeft?

   En is het niet schoon, te worden uitgezonden om de vermoeiden te
   zoeken, die achterbleven na den arbeid en neerzonken langs den weg,
   daar hun knieën niet sterk meer waren om optegaan naar de plaats van
   het loon? Zou ik niet verheugd wezen de hand te mogen reiken aan wie
   in de groeve viel, en een staf te geven aan wien de bergen beklimt?
   Zou niet myn hart opspringen als het ziet gekozen te zyn onder velen,
   om van klagen een gebed te maken en dankzegging van geween?

   Ja, ik ben zeer blyde geroepen te zyn in _Bantan-Kidoel_!

   Ik heb gezegd tot de vrouw die myne zorgen deelt en myn geluk grooter
   maakt: "verheug u, want ik zie dat Allah zegen geeft op het hoofd van
   ons kind! Hy heeft my gezonden naar een oord waar niet alle arbeid is
   afgeloopen, en Hy keurde my waardig daar te zyn vóór den tyd van den
   oogst. Want niet in het snyden der _padie_ is de vreugde: de vreugde
   is in het snyden der _padie_ die men geplant heeft. En de ziel des
   menschen groeit niet van het loon, maar van den arbeid die het loon
   verdient. En ik zeide tot haar: Allah heeft ons een kind gegeven, dat
   eenmaal zeggen zal: "weet ge dat ik zyn zoon ben?" En dan zullen er
   wezen in het land, die hem groeten met liefde, en die de hand zullen
   leggen op zyn hoofd, en zeggen zullen: "zet u neder aan ons maal, en
   bewoon ons huis, en neem uw deel aan wat wy hebben, want ik heb uwen
   vader gekend."

   Hoofden van _Lebak_, er is veel te arbeiden in uwe landstreek!

   Zegt my, is niet de landman arm? Rypt niet uw _padie_ dikwerf ter
   voeding van wie niet geplant hebben? Zyn er niet vele verkeerdheden
   in uw land? Is niet het aantal uwer kinderen gering?

   Is er niet schaamte in uwe zielen, als de bewoner van _Bandoeng_[54]
   dat daar ten-oosten ligt, uwe streken bezoekt, en vraagt: "waar zyn
   de dorpen, en waar de landbouwers? En waarom hoor ik den _gamlang_
   niet, die blydschap spreekt met koperen mond, noch het gestamp der
   _padie_ uwer dochters?"

   Is het u niet bitter, te reizen van hier tot de Zuidkust, en de
   bergen te zien die geen water dragen op hunne zyden, of de vlakten
   waar nooit een buffel den ploeg trok?

   Ja, ja, ik zeg u dat uw en myn ziel daarover bedroefd is! En daarom
   juist zyn wy Allah dankbaar dat hy ons macht heeft gegeven om hier
   te arbeiden.

   Want wy hebben in dit land akkers voor velen, schoon de bewoners
   weinig zyn. En het is niet de regen die ontbreekt, want de toppen der
   bergen zuigen de wolken des hemels ter aarde. En niet overal zyn
   rotsen die plaats weigeren aan den wortel, want op veel plaatsen is
   de grond week en vruchtbaar, en roept om de graankorrel die hy ons
   wil weergeven in gebogen halm. En er is geen oorlog in het land die
   de _padie_ vertreedt als ze nog groen is, noch ziekte die den
   _patjol_ nutteloos maakt.[55] Noch zyn er zonnestralen, heeter dan
   noodig is om het graan te doen rypen dat u en uw kinderen voeden
   moet, noch _banjirs_ die u doen jammeren: "wys my de plaats waar ik
   gezaaid heb!"[56]

   Waar Allah waterstroomen zendt, die de akkers wegnemen ... waar Hy
   den grond hard maakt als dorre steen ... waar Hy Zyn zon doet gloeien
   ter verschroejing ... waar Hy oorlog zendt, die de velden omkeert ...
   waar Hy slaat met ziekten die de handen slap maken, of met droogte
   die de aren doodt ... daar, Hoofden van _Lebak_, buigen wy deemoedig
   het hoofd, en zeggen: "Hy wil het zoo!"

   Maar niet aldus in _Bantan-Kidoel_!

   Ik ben hier gezonden om uw vriend te zyn, uw ouder broeder. Zoudt gy
   uw jongeren broeder niet waarschuwen als ge een tyger zaagt op
   zyn weg?

   Hoofden van _Lebak_, we hebben dikwyls misslagen begaan, en ons land
   is arm omdat we zooveel misslagen begingen.

   Want in _Tjikandi_ en _Bolang_, en in het _Krawangsche_, en in de
   ommelanden van _Batavia_, zyn velen die geboren zyn in ons land, en
   die ons land verlaten hebben.[57]

   Waarom zoeken zy arbeid, ver van de plaats waar ze hun ouders
   begroeven? Waarom vlieden zy de _dessah_[58] waar zy de besnydenis
   ontvingen? Waarom verkiezen zy de koelte van den boom die dáár
   groeit, boven de schaduw onzer bosschen?

   En ginds in 't noordwesten over de zee, zyn velen die ònze kinderen
   moesten zyn, maar die _Lebak_ hebben verlaten om rondtedolen in
   vreemde streken met _kris_ en _klewang_, en schietgeweer. En ze komen
   ellendig om, want er is macht van de Regeering daar, die de
   opstandelingen verslaat.[59]

   Ik vraag u, Hoofden van _Bantan-Kidoel_, waarom zyn er zoovelen die
   weggingen, om niet begraven te worden waar ze geboren zyn? Waarom
   vraagt de boom, waar de man is dien hy als kind zag spelen aan zyn
   voet?

       *       *       *       *       *

Havelaar hield hier een oogenblik op. Om eenigszins den indruk te
begrypen dien zyn taal maakte, had men hem moeten hooren en zien. Toen
hy sprak van zyn kind, was er in zyn stem iets zachts, iets
onbeschryfelyk roerends, dat uitlokte tot de vraag: "waar is de kleine?
Reeds nu wil ik 't kind kussen, dat zyn vader zoo spreken doet!" Maar
toen hy kort daarna, schynbaar met weinig geleidelykheid, overging tot
de vragen waarom _Lebak_ arm was, en waarom er zooveel bewoners van die
streken verhuisden naar elders, klonk er in zyn toon iets dat denken
deed aan 't geluid dat een boor maakt, als ze met kracht wordt
geschroefd in hard hout. Toch sprak hy niet luid, noch drukte hy
byzonder op enkele woorden, en zelfs was er iets eentonigs in zyn stem,
maar hetzy studie of natuur, juist deze eentonigheid maakte den indruk
zyner woorden sterker op gemoederen die zoo byzonder ontvankelyk waren
voor zulke taal.

Zyn beelden, die altyd genomen waren uit het leven dat hem omringde,
waren voor hem werkelyk hulpmiddelen tot begrypelyk maken van wat hy
bedoelde, en niet, zooals vaak geschiedt, lastige aanhangsels die de
zinsneden der redenaars bezwaren, zonder eenige duidelykheid toetevoegen
aan 't begrip der zaak die men voorgeeft toetelichten. We zyn thans
gewoon aan de ongerymdheid van de uitdrukking: "sterk als een leeuw"
maar wie in Europa dit beeld het eerst gebruikte, toonde dat hy zyn
vergelyking niet had geput uit de zielepoëzie die beelden geeft voor
redeneering en niet anders spreken _kan_, doch zyn aanvullende
gemeenplaats eenvoudig had afgeschreven uit een of ander boek--uit
den bybel misschien--waarin een _leeuw_ voorkwam. Want niemand zyner
hoorders had ooit de sterkte des leeuws ondervonden, en 't ware dus
veeleer noodig geweest hun die sterkte te doen beseffen door vergelyking
van den leeuw met iets waarvan de kracht hun by ervaring bekend was, dan
omgekeerd.

Men erkenne dat Havelaar werkelyk dichter was. Ieder gevoelt dat hy,
sprekende van de rystvelden die er waren op de bergen, de oogen daarheen
richtte door de open zyde der zaal, en dat hy die velden inderdaad zag.
Men beseft, als hy den boom liet vragen waar de man was die als kind aan
zyn voet gespeeld had, dat die boom daar stond en voor de verbeelding
van Havelaars toehoorders in werkelykheid vragend rondstaarde naar de
heengegane bewoners van _Lebak_. Ook verzon hy niets: hy hoorde den boom
spreken, en meende slechts natezeggen wat hy in zyn dichterlyke
opvatting zoo duidelyk verstaan had.

Wanneer misschien iemand de opmerking maken mocht, dat het oorspronkelyke
in Havelaars wyze van spreken niet zoo onbetwistbaar is, daar zyn taal
denken doet aan den styl der profeten van 't Oude-Testament, moet ik
herinneren reeds gezegd te hebben dat hy in oogenblikken van vervoering
werkelyk iets had van een ziener. Gevoed door de indrukken die 't leven in
wouden en op bergen hem had meegedeeld, omgeven door de poëzie-ademende
atmosfeer van het oosten, en alzoo scheppende uit gelyksoortige bron als
de Vermaners der Oudheid waarmee men soms zich genoopt voelde hem te
vergelyken, gissen wy dat hy niet ànders zou gesproken hebben, ook wanneer
hy nooit de heerlyke dichtstukken van het Oude-Testament gelezen had.
Vinden we niet reeds in de verzen die van zyn jeugd dagteekenen, regels
als deze, die geschreven waren op den _Salak_--een der reuzen, maar niet
de grootste, onder de bergen van de _Preanger Regentschappen_--waarin
alweder de aanhef de zachtheid zyner aandoeningen teekent, om op-eens
overtegaan in 't naspreken van den donder dien hy onder zich hoort:

     't Is zoeter hier zijn Maker luid te loven...
         't Gebed klinkt schoon langs berg- en heuvelrij...
     Veel meer dan ginds rijst hier het hart naar boven:
         Men is zijn God op bergen meer nabij!
     Hier schiep Hijzelf altaar en tempelkoren,
         Nog door geen tred van 's menschen voet ontwijd,
     Hier doet Hij zich in 't raat'lend onweer hooren...
         En rollend roept Zijn donder: Majesteit!(*)

(*)Frits zegt: _ijd_ en _eit_ rijmt niet, althans niet in Friesland
   en Zeeland. Die Sjaalman schijnt dan niet eens verzen te maken,
   die deugen. 't Is waar, 't was in zijn jeugd.
                                                  B. Droogstoppel[60]

... en gevoelt men niet, dat hy de laatste regels niet zóó had kunnen
schryven, als hy niet werkelyk had meenen te hooren en te verstaan hoe
Gods donder hem die regels in klaterende trilling tegen de wanden van
't gebergte toeriep?

Maar hy hield niet van verzen. "Het was een leelyk ryglyf" zeide hy,
en als hy er toe gebracht werd iets te lezen van wat hy "begaan" had,
zooals hy zich uitdrukte, schiep hy er vermaak in, zyn eigen werk te
bederven, òf door 't voortedragen op een toon die 't belachelyk maken
moest, òf door op-eenmaal, vooral by een hoogst-ernstigen passus,
aftebreken, en er een kwinkslag tusschen te werpen, die de toehoorders
pynlyk aandeed, maar die by hem niets anders was dan een bloedige satire
op de onevenredigheid tusschen dat keurslyf en zyn ziel die zich daarin
zoo benauwd voelde.

Er waren onder de Hoofden slechts weinigen die van de rondgediende
ververschingen iets gebruikten. Havelaar had namelyk met een wenk
gelast, de by zoodanige gelegenheid onvermydelyke thee met
_maniessan_[61] rondtedienen. Het scheen dat hy met voordacht na de
laatste zinsnede zyner toespraak een rustpunt wilde laten. En hier was
reden toe. "Hoe, moesten de Hoofden denken, hy weet reeds dat er
zoovelen onze Afdeeling verlieten, met bitterheid in 't hart? Reeds is
hem bekend hoeveel huisgezinnen naar naburige landstreken verhuisden,
om de armoede te ontwyken die hier heerscht? En zelfs weet hy dat er
zooveel _Bantammers_ zyn onder de benden die in de _Lampongs_ de vaan
des opstands hebben ontrold tegen 't nederlandsch gezag? Wat wil hy?
Wat bedoelt hy? Wien gelden zyne vragen?

En er waren er die _Radhen Wiera Koesoema_, het distriktshoofd van
_Parang-Koedjang_ aanzagen.[62] Maar de meesten sloegen de oogen
ter-aarde.

"Kom eens hier, Max!" riep Havelaar, die zyn kind gewaar werd, spelende
op het erf, en de Regent nam den kleine op den schoot. Maar deze was te
wild om daar lang te blyven. Hy sprong weg, en liep den grooten kring
rond, en vermaakte de Hoofden door zyn gekeuvel, en speelde met de
gevesten van hun krissen. Toen hy by den _Djaksa_ kwam, die de aandacht
van 't kind trok omdat hy sierlyker dan de anderen gekleed was[63]
scheen deze iets op 't hoofd van kleinen Max te wyzen aan den _Kliwon_
die naast hem zat en een gefluisterde opmerking daarover scheen te beamen.

--Ga nu heen, Max, zei Havelaar, papa heeft iets aan die heeren te
zeggen.

De kleine liep weg nadat hy met kushandjes gegroet had.

Hierop ging Havelaar aldus voort:

   --Hoofden van _Lebak_! Wy allen staan in dienst des Konings van
   Nederland. Maar Hy, die rechtvaardig is, en wil dat wy onzen plicht
   doen, is vèr van hier. Dertig-maal duizend-maal duizend zielen, ja,
   meer dan zooveel, zyn gehouden zyn bevelen te gehoorzamen, maar hy
   kan niet wezen naby allen die afhangen van zynen wil.

   De Groote-Heer te Buitenzorg is rechtvaardig, en wil dat ieder zyn
   plicht doe. Maar ook deze, machtig als hy is, en gebiedende over al
   wat gezag heeft in de steden en over allen die in de dorpen de
   oudsten zyn, en beschikkende over de macht des legers en over de
   schepen die op zee varen[64] ook hy kan niet zien waar onrecht
   gepleegd is, want het onrecht blyft verre van hem.

   En de resident te _Serang_, die heer is over de landstreek _Bantam_,
   waar vyf-maal-honderd-duizend menschen wonen, wil dat er recht
   geschiede in zyn gebied, en dat er rechtvaardigheid heersche in de
   landschappen die hem gehoorzamen. Doch waar onrecht is, woont hy
   verre. En wie boosheid doet, verschuilt zich voor zyn aangezicht
   omdat hy straffe vreest.

   En de heer _Adhipatti_, die Regent is van _Zuid-Bantam_, wil dat
   ieder leve die het goede betracht, en dat er geen schande zy over de
   landstreek die zyn regentschap is.

   En ik, die gisteren den Almachtigen God tot getuige nam dat ik
   rechtvaardig zou zyn en goedertieren, dat ik recht zou doen zonder
   vrees en zonder haat, dat ik zal zyn: "een goed adsistent-resident"
   ... ook ik wensch te doen wat myn plicht is.

   Hoofden van _Lebak_! Dit wenschen wy allen!

   Maar als er soms onder ons mochten zyn, die hun plicht verwaarloozen
   voor gewin, die het recht verkoopen voor geld, of die den buffel van
   den arme nemen, en de vruchten die behooren aan wie honger hebben ...
   wie zal ze straffen?

   Als een van u het wist, hy zou 't beletten. En de Regent zou niet
   dulden dat zoo-iets geschiedde in zyn regentschap. En ook ik zal het
   tegengaan waar ik kan. Maar als noch gy noch de _Adhipatti_ noch ik
   het wisten ...

   Hoofden van _Lebak_! Wie toch zal dan recht doen in _Bantan-Kidoel_?

   Hoort naar my, als ik u zeggen zal hoe er dan recht zal gedaan
   worden.

   Er komt een tyd dat onze vrouwen en kinderen schreien zullen by het
   gereedmaken van ons doodkleed, en de voorbyganger zal zeggen: "daar
   is een mensch gestorven." Dan zal wie aankomt in de dorpen, tyding
   brengen van den dood desgenen die gestorven is, en wie hem herbergt
   zal vragen: "wie was de man die gestorven is?" En men zal zeggen:

   "Hy was goed en rechtvaardig. Hy sprak recht en verstootte den klager
   niet van zyn deur. Hy hoorde geduldig aan, wie tot hem kwam, en gaf
   weder wat ontnomen was. En wie den ploeg niet dryven kon door den
   grond omdat de buffel uit den stal was gehaald, hielp hy zoeken naar
   den buffel. En waar de dochter was geroofd uit het huis der moeder,
   zocht hy den dief en bracht de dochter weder. En waar men gearbeid
   had onthield hy het loon niet, en hy ontnam de vruchten niet aan wie
   den boom geplant hadden. Hy kleedde zich niet met het kleed dat
   anderen dekken moest, noch voedde zich met voedsel dat den arme
   behoorde."

   Dan zal men zeggen in de dorpen--"Allah is groot, Allah heeft hem tot
   zich genomen. Zyn wil geschiedde ... er is een goed mensch gestorven."

   Doch andermaal zal de voorbyganger stilstaan voor een huis, en  vragen,
   "wat is dit, dat de _gamlang_ zwygt, en het gezang der meisjes?" En
   wederom zal men zeggen: er is een man gestorven."

   En wie rondreist in de dorpen, zal 's avends zitten by zyn gastheer,
   en om hem heen de zonen en dochteren van het huis, en de kinderen van
   wie het dorp bewonen, en hy zal zeggen:

   "Daar stierf een man die beloofde rechtvaardig te zyn, en hy verkocht
   het recht aan wie hem geld gaf. Hy mestte zyn akker met het zweet van
   den arbeider dien hy had afgeroepen van den akker des arbeids. Hy
   onthield den werkman zyn loon, en voedde zich met het voedsel van den
   arme. Hy is ryk geworden van de armoede der anderen. Hy had veel
   gouds en zilvers en edele steenen in menigte, doch de landbouwer die
   in de nabuurschap woont, wist den honger niet te stillen van zyn
   kind. Hy glimlachte als een gelukkig mensch, maar men hoorde gekners
   tusschen de tanden van den klager die recht zocht. Er was
   tevredenheid op zyn gelaat, maar geen zog in de borsten der moeders
   die zoogden."

   Dan zullen de bewoners der dorpen zeggen: "Allah is groot ... wy
   vloeken niemand!"

   Hoofden van _Lebak_, eens sterven wy allen!

   Wat zal er gezegd worden in de dorpen waar wy gezag hadden? En wàt
   door de voorbygangers die de begrafenis aanschouwen?

   En wat zullen wy antwoorden, als er na onzen dood een stem spreekt
   tot onze ziel, en vraagt: "waarom is er geween in de velden, en
   waarom verbergen zich de jongelingen? Wie nam den oogst uit de
   schuren, en uit de stallen den buffel die het veld ploegen zou? Wat
   hebt gy gedaan met den broeder dien ik u gaf te bewaken? Waarom is de
   arme treurig en vloekt de vruchtbaarheid zyner vrouw?"

Hier hield Havelaar weder op, en na eenig zwygen ging hy op de
eenvoudigsten toon van de wereld, en als had er volstrekt niets dat
indruk maken moest, voort:

   --Ik wenschte gaarne in goede verstandhouding met u te leven, en
   daarom verzoek ik u my te beschouwen als een vriend. Wie gedwaald
   mocht hebben kan op een zacht oordeel van myn kant staat-maken, want
   daar ik zelf zo menig keer dwaal, zal ik niet streng zyn ... niet
   althans in de gewone dienstvergrypen of nalatigheden. Alleen waar
   nalatigheid zou worden tot gewoonte, zal ik die tegengaan. Over
   misslagen van groveren aard ... over knevelary en onderdrukking,
   spreek ik niet. Zoo-iets zal niet voorkomen niet waar, m'nheer de
   _Adhipatti_?

   --O neen, mynheer de adsistent-resident, zoo-iets zal niet voorkomen
   in _Lebak_.

   --Welnu dan, myne heeren Hoofden van _Bantan-Kidoel_, laat ons
   verheugd zyn dat onze Afdeeling zoo verachterd en zoo arm is. Wy
   hebben iets schoons te doen. Als Allah ons in 't leven spaart, zullen
   wy zorg dragen dat er welvaart kome. De grond is vruchtbaar genoeg,
   en de bevolking gewillig. Als ieder in 't genot wordt gelaten van de
   vruchten zyner inspanning, lydt het geen twyfel dat binnen weinig
   tyds de bevolking zal toenemen, zoo in zielental als in bezittingen
   en beschaving, want dit gaat veelal hand-aan-hand. Ik verzoek u
   nogmaals my te beschouwen als een vriend die u helpen zal waar hy
   kan, vooral waar onrecht moet worden te-keer gegaan. En hiermede
   beveel ik my zeer aan in uwe medewerking.

   Ik zal u de ontvangen berichten over Landbouw, Veeteelt, Politie en
   justitie met myn beschikkingen doen teruggeworden.

   Hoofden van _Bantan-Kidoel_! Ik heb gezegd. Ge kunt terugkeeren,
   ieder naar zyne woning. Ik groet u allen zeer![65]

Hy boog, bood den ouden Regent den arm, en geleidde hem over het erf
naar 't woonhuis, waar Tine hem stond te wachten in de voorgalery.

--Kom, Verbrugge, ga nog niet naar huis! Kom ... een glas Madera? En ...
ja, dit moet ik weten, _Radhen Djaksa_, hoor eens!

Havelaar riep dit, toen alle Hoofden na veel buigingen zich gereed
maakten naar hun woningen terug te keeren. Ook Verbrugge stond op 't
punt het erf te verlaten, doch keerde met den _Djaksa_ terug.

--Tine, ik wil madera drinken, Verbrugge ook. _Djaksa_, laat hooren, wat
hebt ge toch aan den _Kliwon_ over myn kleinen jongen gezegd?

--_Mintah ampong_[66] mynheer de adsistent-resident, ik bezag zyn hoofd
omdat mynheer gesproken had.

--Wat drommel heeft zyn hoofd daarmee te maken. Ik weet zelf al niet
meer wat ik gezegd heb.

--Mynheer, ik zeide tot den _Kliwon_ ...

Tine schoof by: er werd over kleinen Max gesproken.

--Mynheer, ik zeide tot den _Kliwon_ dat de _Sienjo_[67] een koningskind
was.

Dàt deed Tine goed: zy vond het ook!

De _Adhipatti_ bezag 't hoofd van den kleine, en inderdaad, ook hy zag
op de kruin den dubbelen haarwervel die, naar 't bygeloof op Java,
bestemd is een kroon te dragen.

Daar de etikette niet toeliet den _Djaksa_ een plaats aantebieden in
tegenwoordigheid van den Regent, nam hy afscheid, en men was eenigen tyd
by-een zonder iets aanteroeren dat betrekking had op den "dienst." Maar
op-eenmaal--en dus in stryd met den zoo uitermate hoffelyken volksaard
--vroeg de Regent of zekere gelden die de belasting-kollekteur te-goed
had, niet konden worden uitbetaald?

--Wel neen, riep Verbrugge, mynheer de _Adhipatti_ weet dat dit niet
geschieden mag voor zyn verantwoording afgeloopen is.

Havelaar speelde met Max. Maar er bleek dat dit hem niet belette op 't
gelaat van den Regent te lezen dat Verbrugge's antwoord hem
niet aanstond.

--Kom, Verbrugge, laat ons niet lastig wezen, zeide hy. En hy liet een
klerk van 't kantoor roepen. We zullen dat maar uitbetalen ... die
verantwoording zal wel goedgekeurd worden.

Nadat de Adhipatti vertrokken was, zei Verbrugge, die veel hield van de
staatsbladen:

--Maar, m'nheer Havelaar, dat mag niet! De verantwoording van den
kollekteur is nog altyd te _Serang_ in onderzoek ... als nu eens daaraan
iets ontbreekt?

--Dan leg ik 't er by, zei Havelaar.

Verbrugge begreep maar niet waaruit deze groote inschikkelykheid voor
den belasting-kollekteur geboren werd. De klerk kwam weldra met eenig
geschryf terug. Havelaar teekende, en zei dat men spoed moest maken met
die uitbetaling.

--Verbrugge, ik zal je zeggen waarom ik dit doe! De Regent heeft geen
duit in huis: zyn schryver heeft het my gezegd, en bovendien ... dat
brusque vragen! De zaak is duidelyk. _Hyzelf_ heeft dat geld noodig, en
de kollekteur wil 't hem voorschieten. Ik overtreed liever op eigen
verantwoordelykheid een vorm, dan dat ik een man van zyn rang en jaren
in verlegenheid laten zou. Bovendien, Verbrugge, er wordt in _Lebak_
gruwelyk misbruik gemaakt van gezag. Dit moet je weten. Weet je 't?

Verbrugge zweeg. Hy wist het.[68]

--Ik weet het, ging Havelaar voort, _ik weet het_! Is niet m'nheer
Slotering gestorven in November? Welnu, _den dag na zyn dood_ heeft de
regent volk opgeroepen om zyn _Sawahs_ te bewerken ... zonder betaling!
Ge hadt dit moeten weten, Verbrugge. _Wist_ je 't?

Dit wist Verbrugge niet.

Als kontroleur hadt je 't _moeten_ weten! Ik weet het, ging Havelaar
voort. Dáár liggen de maandstaten van de distrikten--en hy toonde 't pak
geschryf dat hy ontvangen had in de vergadering--zie, ik heb niets
geopend. Daarin zyn, onder andere zaken, de opgaven van op de
hoofdplaats geleverde arbeiders tot heeredienst. Welnu, zyn die
opgaven juist?

--Ik heb ze nog niet gezien ...

--Ik ook niet! Maar toch vraag ik je of ze juist zyn? Waren de opgaven
van de vorige maand juist?

Verbrugge zweeg.

--Ik zal 't je zeggen: ze waren _valsch_! Want er was driemaal meer volk
opgeroepen om voor den Regent te werken dan de bepalingen op de
heerediensten toelaten, en dit durfde men natuurlyk in de staten niet
opgeven. Is 't waar, wat ik zeg?

Verbrugge zweeg.

--Ook de staten die ik vandaag ontving, zyn valsch, ging Havelaar voort.
De Regent is arm. De Regenten van _Bogor (Buitenzorg)_ en
_Tjiandjoer_[69] zyn leden van 't geslacht waarvan hy 't hoofd is. Die
laatste heeft slechts rang van _Tommongong_, onze Regent is _Adhipatti_,
en toch laten zyn inkomsten, omdat _Lebak_ niet geschikt is voor koffi
en hem dus geen emolumenten opbrengt, niet toe in praal en luister te
wedyveren met een eenvoudigen _Dhemang_ in de _Preanger_, die den
stygbeugel houden zou als zyn neven te-paard stygen. Is dit waar?

--Ja, dit is zoo.

--Hy heeft niets dan zyn traktement, en hierop is een korting ter
afbetaling van een voorschot dat de Regeering hem gegeven heeft, toen hy
... _weet_ je 't?

--Ja, ik weet het.

--Toen hy een nieuwe _medsjid_ wilde laten bouwen, waartoe veel geld
noodig was. Bovendien, veel leden zyner familie ... _weet_ je 't?

--Ja, dat weet ik.

--Veel leden van zyn familie--die eigenlyk niet in 't _Lebaksche_
te-huis behoort, en daarom ook by 't volk niet gezien is--scharen zich
als een plunderbende om hem heen, en persen hem geld af. Is dit waar?

--'t Is de waarheid, zei Verbrugge.

--En als zyn kas ledig is, wat dikwyls gebeurt, nemen zy _in zyn naam_
de bevolking af, wat hun aanstaat. Is dit zoo?

--Ja, het is zoo.

--Ik ben dus goed onderricht, doch daarover nader. De Regent, die in
jaren klimmende den dood vreest, wordt beheerscht door de zucht zich
verdienstelyk te maken door giften aan geestelyken. Hy geeft veel geld
uit voorreiskosten van pelgrims naar Mekka, die hem allerlei vodden van
relieken, talismans en _djimats_[70] terugbrengen. Is 't niet zoo?

--Ja, dat is waar.

--Welnu, door dit alles is hy zoo arm. De _Dhemang_ van _Parang-Koedjang_,
is zyn schoonzoon. Waar de Regent zelf uit schaamte voor zyn rang niet
durft nemen, is het die--_Dhemang_,--maar hy is 't niet alléén--die aan
den _Adhipatti_ zyn hof maakt door 't afpersen van geld en goed aan de
arme bevolking, en door de lieden wegtehalen van hun eigen rystvelden om
ze heentedryven naar de _sawahs_ van den Regent. En deze ... zie, ik wil
gelooven dat hy gaarne anders wilde, maar de nood dwingt hem gebruik te
maken van zulke middelen. Is dit alles niet waar, Verbrugge?

--Ja, 't is waar, zei Verbrugge, die hoe langer hoe meer begon intezien
dat Havelaars blik scherp was.

--Ik wist, vervolgde deze, dat hy geen geld in huis had, toen hy zoo-even
over de afrekening met den onderkollekteur begon te spreken. Ge hebt heden
morgen gehoord dat het myn voornemen is, myn plicht te doen. Onrecht duld
ik niet, by God, dat duld ik niet!

En hy sprong op, en er was in zyn toon geheel iets anders dan den
vorigen dag by zyn _officieelen_ eed.

--Maar, ging hy voort, ik wil myn plicht doen met zachtheid. Ik wil niet
te nauwkeurig weten wat geschied _is_. Doch wat _van heden af_
geschiedt, is ter _myner_ verantwoording, daarvoor zal _ik_ zorg dragen!
Ik hoop lang hier te blyven. Weet je wel, Verbrugge dat onze roeping
heerlyk schoon is? Maar weet je ook wel dat ik alles wat ik je zoo-even
zei, eigenlyk van _u_ had moeten hooren? Ik ken u even goed als ik weet
wie er _garem glap_ maken aan de zuidkust.[71] Je bent een braaf mensch
... ook dit weet ik. Maar waarom heb je my niet gezegd dat hier zooveel
verkeerds was? Gedurende twee maanden ben je waarnemend adsistent-resident
geweest, en bovendien reeds lang hier als kontroleur ... je moest het dus
weten, niet waar?

--M'nheer Havelaar, ik heb nooit gediend onder iemand als u. Ge hebt
iets zeer byzonders, neem het me niet kwalyk.

--Volstrekt niet! Ik weet wel dat ik niet ben als alle menschen, maar
wat doet dit tot de zaak?

--Dat doet er dit toe, dat u iemand begrippen en denkbeelden meedeelt,
die vroeger niet bestonden.

--Neen! Die ingesluimerd waren door den vervloekten officieelen
_slender_ die zyn styl zoekt in "_ik heb de eer_" en de rust van zyn
geweten in "_de hooge tevredenheid van de Regeering_." Neen, Verbrugge!
laster jezelf niet! Je behoeft van my niets te leeren. Heb ik je
by-voorbeeld heden morgen in de _Sebah_ iets nieuws verteld?

--Neen, nieuws niet, maar u sprak anders dan anderen.

--Ja, dat komt ... omdat myn opvoeding wat verwaarloosd is: ik spreek
te-hooi en te-gras. Maar je zoudt me zeggen waarom je tot-nog-toe zoo
berust hebt in alles wat er verkeerds was in _Lebak_.

--Ik heb nooit zoo den indruk gehad van een _initiatief_. Bovendien, dat
alles is altyd zoo geweest in deze streken.

--Ja, ja, dat weet ik wel! Ieder kan geen profeet of apostel wezen ...
hm, 't hout zou duur worden van 't kruisigen! Maar je wilt me toch wel
helpen alles te-recht te brengen? je wilt toch wel je _plicht_ doen?

--Zeker! Vooral by u. Maar niet ieder zou dit zoo streng vorderen of
zelfs goed opvatten, en dan komt men zoo ligt in de pozitie van iemand
die windmolens bestrydt.

--Neen! Dan zeggen zy die 't onrecht liefhebben omdat ze daarvan leven,
dat er geen onrecht _was_, om 't vermaak te hebben u en my uittemaken
voor Don Quichotten, en te-gelyker-tyd _hun_ windmolens draaiende te
houden. Doch, Verbrugge, je hadt niet op _my_ hoeven te wachten om je
plicht te doen! M'nheer Slotering was een bekwaam en eerlyk man: hy wist
wat er omging, hy keurde het af en verzette zich er tegen ... ziehier!

Havelaar nam uit een portefeuille twee vellen papier, en deze aan
Verbrugge tonende, vroeg hy:

--Wiens hand is dit?

--Dat is de hand van m'nheer Slotering.

--Juist! Welnu, dit zyn kladnotaas, bevattende blykbaar onderwerpen
waarover hy met den resident spreken wilde. Daar lees ik ... zie:
1°_Over den rijstbouw_. 2° _Over de woningen der dorpshoofden_. 3°_Over
het innen der landrenten, enz._ Daar achter staan twee uitroepingsteekens.
Wat bedoelde m'nheer Slotering daarmee?

--Hoe kan _ik_ dat weten? riep Verbrugge.

--Ik wel! Dit beduidt dat er veel meer landrenten worden opgebracht, dan
er in 'slands kas vloeien. Doch ik zal je dan iets tonen dat wy beiden
weten, omdat het in letters en niet in teekens geschreven is. Ziehier:

   "12°_Over het misbruik dat door de regenten en mindere hoofden van de
   bevolking wordt gemaakt. (Over het houden van verschillende woningen
   ten-koste der bevolking, enz.)_"

Is dit duidelyk? Ge ziet dat de heer Slotering wèl iemand was, die een
_initiatief_ wist te nemen, je had je dus by hem kunnen aansluiten.
Luister verder:

   "15° _Dat vele personen van de familien en bedienden der inlandsche
   hoofden op de uitbetalingstaten voorkomen, die inderdaad geen deel
   nemen in de kultuur, zoodat de voordeelen hiervan hun ten-deel
   vallen, ten préjudice van de werkelijke deelhebbers. Ook worden zij
   gesteld in het onrechtmatig, bezit van sawah-velden, terwijl die
   alleen toekomen aan degenen, die aandeel hebben in de kultuur_."

Hier heb ik een andere nota, en wel in potlood. Zie eens, ook dáárop
staat iets zeer duidelyks:

   "_De verloop van volk te Parang-Koedjang is alleen toeteschryven aan
   het VERREGAAND misbruik, dat van de bevolking wordt gemaakt_."

Wat zegje dáárvan? Ziet ge wel dat ik niet zoo excentriek ben als 't
schynt, wanneer ik werk maak van recht? Zie je nu dat ook anderen dit
deden?[72]

--Het is waar, zei Verbrugge, de heer Slotering heeft den resident
dikwyls over dat alles gesproken.

--En wat volgde daarop?

--Dan werd de Regent geroepen: er werd _geaboucheerd_ ...

--Juist! En verder?

--De Regent ontkende gewoonlyk alles. Dan moesten er getuigen komen ...
niemand durfde tegen den Regent getuigen ...--och, m'nheer Havelaar, die
zaken zyn zoo moeielyk!

De lezer zal, vóór hy myn boek heeft uitgelezen, even goed als Verbrugge
weten waarom die zaken zoo byzonder moeielyk waren.

--Mynheer Slotering had er veel ergernis over, vervolgde de kontroleur,
hy schreef scherpe brieven aan de Hoofden ...

--Ik heb ze gelezen ... heden nacht, zei Havelaar.[73]

--En ik heb hem dikwyls hooren zeggen dat hy, als er geen verandering
kwam, en als de resident niet _doortastte_ zich rechtstreeks zou wenden
tot den Gouverneur-generaal. Dit heeft hy ook aan de Hoofden zelf gezegd
op den laatsten _Sebah_ dien hy heeft voorgezeten.

--Daaraan zou hy zeer verkeerd hebben gedaan. De resident was zyn chef
dien hy in geen geval mocht voorbygaan. En waarom zou hy dat ook? Het is
toch niet te veronderstellen dat de resident van _Bantam_ onrecht en
willekeur zou goedkeuren?

--Goedkeuren ... neen! Maar men klaagt niet gaarne by de Regeering een
Hoofd aan.

--Ik klaag niet gaarne iemand aan, wien ook, maar als 't _moet_, een
Hoofd zoo goed als een ander. Doch van aanklagen is nu hier, goddank,
nog geen spraak! Morgen ga ik den Regent bezoeken. Ik zal hem 't
verkeerde van onwettige gezagsoefening onder 't oog brengen, vooral waar
't om de bezitting van arme menschen te doen is. Maar in afwachting dat
alles te-recht komt, zal ik hem in zyn netelige omstandigheden helpen
zooveel ik kan. Je begrypt nu immers waarom ik dat geld aan den
kollekteur dadelyk heb laten uitbetalen, niet waar? Ook ben ik van
voornemen aan de Regeering te verzoeken, den Regent zyn voorschot
kwytteschelden.[74] En u, Verbrugge, stel ik voor, gezamenlyk stipt
onzen plicht te doen. Zoolang 't kàn, met zachtheid, maar als 't _moet_,
zonder vrees! Je bent een eerlyk man, dit weet ik, maar je bent
beschroomd. Zeg voortaan flink uit waar 't op staat, _advienne que
pourra_! Werp die halfheid van je, beste kerel ... en nu, blyf by ons
eten: we hebben hollandsche bloemkool in blik ... maar alles is zeer
eenvoudig, want ik moet heel zuinig zyn ... ik ben erg ten-achter in
geldzaken: de reis naar Europa, weetje? Kom, Max ... sakkerloot, jongen,
wat word je zwaar!

En, met Max te-paard op zyn schouder, trad hy, gevolgd door Verbrugge,
de binnengalery in, waar Tine hen wachtte aan den gedekten disch die,
zooals Havelaar gezegd had, wel _zeer_ eenvoudig was! Duclari, die aan
Verbrugge kwam vragen of hy al dan niet dacht thuis te zyn voor 't
middagmaal, werd meegenoodigd aan-tafel, en wanneer de lezer gesteld is
op wat afwisseling in myn vertelling, wordt hy naar 't volgend hoofdstuk
verwezen, waarin ik meedeel wat er zoo-al gesproken werd by dat maal.



NEGENDE HOOFDSTUK


Ik gaf er veel voor, met juistheid te weten, lezer, hoe lang ik nu een
heldin in de lucht zou kunnen laten zweven, voor ge, by de beschryving
van een kasteel, myn boek moedeloos uit de hand zoudt leggen, zonder te
wachten tot het mensch op den grond kwam? Als ik in myn verhaal zulk een
luchtsprong noodig had, zou ik voorzichtigheidshalve nog altyd een
eerste verdieping kiezen als uitgangspunt van haar sprong, en een
kasteel waarvan weinig te zeggen viel. Wees echter voorloopig gerust:
Havelaars huis had geen verdieping, en de heldin van myn boek--goede
hemel, de lieve trouwe _anspruchlose_ Tine, een heldin!--is nooit uit
een venster gesprongen.

Toen ik 't vorig hoofdstuk sloot met een aanwyzing op wat afwisseling in
het volgende, was dit eigenlyk meer een oratorische kunstgreep, en om
een slot te maken dat goed "knipte" dan wel omdat ik inderdaad meende
dat het volgend hoofdstuk alleen "ter afwisseling" waarde hebben zou.
Een schryver is ydel als ... een man. Spreek kwaad van zyn moeder of van
de kleur zyner haren, zeg dat hy een amsterdamsch accent heeft--wat
nooit een Amsterdammer toestemt--wellicht vergeeft hy u die dingen. Maar
... roer nooit aan de buitenzy van 't kleinste onderdeel eener byzaak
van iets dat er lag naast zyn geschryf ... want dàt vergeeft hy u niet!
Als ge dus myn boek niet schoon vindt, en ge mocht my ontmoeten, houd u
dan alsof wy elkander niet kenden.

Neen, zelfs zulk een hoofdstuk "ter afwisseling" komt me door het
vergrootglas myner schryvers-ydelheid, hoogst belangryk en zelfs
onmisbaar voor, en als ge het oversloegt, en daarna niet naar behooren
waart ingenomen met myn boek, zou ik niet aarzelen u dat overslaan te
verwyten als oorzaak dat ge myn boek niet kondet beoordeelen, want dat
ge juist het _essentieele_ niet gelezen hadt. Zóó zou ik--want ik ben
man en schryver--elk hoofdstuk voor _essentieel_ houden, dat gy hadt
overgeslagen met onvergeeflyke lezerslichtzinnigheid.

Ik verbeeld me dat uwe vrouw vraagt: "is er nogal wat _aan_ dat boek?"
En ge zegt by-voorbeeld--_horribile auditu_ voor my--met de
woordenrykheid die eigen is aan gehuwde mannen:

--Hm ... zóó ... ik weet nog niet.

Welnu, barbaar, lees verder! Het belangryke staat juist voor de deur. En
met een bevende lip staar ik u aan, en meet de dikte van de omgeslagen
bladen, en ik zoek op uw gelaat naar den weerschyn van 't hoofdstuk "dat
zoo mooi is ...

Neen, zeg ik, hy is er nog niet. Straks zal hy op springen, in
vervoering iets omhelzen, zyn vrouw misschien.

Maar ge leest verder. Het "mooie hoofdstuk" moet voorby wezen, dunkt me.
Ge zyt in 't minst niet opgesprongen, hebt niets omhelsd.

En al dunner wordt de bundel bladen onder uw rechterduim, en al schraler
wordt myn hoop op die omhelzing ... ja, waarachtig, ik had zelfs
staat-gemaakt op een traan!

En ge hebt den roman uitgelezen tot "waar ze elkaar krygen" toe, en ge
zegt--een andere vorm, van welsprekendheid in den echtestaat--geeuwend:

--Zóó ... zóó! 't Is een boek dat ... hm! Och, ze schryven zoo véél
tegenwoordig!

Maar weet ge dan niet, ondier, tyger, _Europeaan_, lezer, weet ge dan
niet dat ge daar een uur hebt doorgebracht met byten op _myn_ geest als
op een tandenstoker? Met knagen en kauwen op vleesch en been van uw
geslacht? Menscheneter, daarin stak myn ziel, _myn_ ziel die ge hebt
vermaald als eens gegeten gras! 't Was _myn_ hart dat ge daar hebt
opgeslikt als een versnapering! Want in dat boek had ik dat hart en die
ziel neergelegd, en er vielen zooveel tranen op dat handschrift, en myn
bloed week weg uit de âren naarmate ik voortschreef, en ik gaf u dat
alles, en dat kocht ge voor weinige stuivers ... en ge zegt: _hm_!

De lezer begrypt dat ik hier niet spreek van _myn_ boek.

Zoodat ik maar zeggen wil, om met Abraham Blankaart te spreken ...

--Wie is dat, Abraham Blankaart? vroeg Louise Rosemeyer, en Frits
vertelde het haar, wat me groot genoegen deed, want dit gaf my
gelegenheid eens optestaan en, voor dien avend althans, een eind
te maken aan de voorlezing. Ge weet dat ik makelaar in koffi ben
--_Lauriergracht N° 37_--en dat ik alles over heb voor myn vak. Ieder
zal dus kunnen nagaan, hoe weinig ik tevreden was met het werk van
Stern. Ik had op koffi gehoopt, en hy gaf ons ... ja, de hemel
weet, wàt!

Met zyn opstel heeft hy ons al drie kransavenden beziggehouden, en, wat
het ergste is, de Rosemeyers vinden het mooi. Zoo zeggen ze, ten-minste.
Als ik een aanmerking maak, beroept hy zich op Louise. "Háár
goedkeuring, zegt hy, weegt hem zwaarder dan alle koffi van de wereld,
en bovendien: "als 't hart me gloeit ... enz.--Zie deze tirade op bladzy
zooveel, of liever, zie ze niet.--Daar sta ik dan, en weet niet wat te
doen! Dat pak van Sjaalman is een waar Trojaansch paard. Ook Frits wordt
er door bedorven. Hy heeft, naar ik bemerk, Stern geholpen, want die
Abraham Blankaart is veel te hollandsch voor een Duitscher.[75] Beiden
zyn ze zoo pedant, dat ik waarlyk met de zaak verlegen word. Het ergste
is, dat ik met Gaafzuiger een overeenkomst heb aangegaan voor het
uitgeven van een boek dat over de _koffiveilingen_ moet handelen--heel
Nederland wacht er op--en daar gaat me nu die Stern een heel anderen weg
uit! Gister zeide hy: "wees gerust, alle wegen leiden naar Rome. Wacht
nu eerst het slot van de inleiding af--is dat alles nog maar _inleiding_
--_ik_ beloof u--hy zeide eigenlyk: "ik verspreek u"--dat ten-slotte de
zaak zal neerkomen op koffi, koffi, op niets dan koffi! Denk aan Horatius,
ging hy voort, heeft niet hy reeds gezegd: _omne tulit punctum, qui
miscuit_ ... koffi met wat anders? Handelt gyzelf niet even zoo, als ge
suiker en melk in uw kopje doet?"

En dan moet ik zwygen. Niet omdat hy gelyk heeft, maar omdat ik aan de
firma _Last & Co_ verplicht ben zorgtedragen dat de oude Stern niet
vervalle in Busselinck & Waterman, die hem slecht zouden bedienen omdat
het knoeiers zyn.

By u, lezer, stort ik myn hart uit, en opdat ge na het lezen van Stern's
geschryf--heb ge 't werkelyk gelezen?--uwen toorn niet zoudt uitstorten
over een onschuldig hoofd want ik vraag u, wie zal een makelaar nemen,
die hem voor menscheneter uitscheldt?--hecht ik er aan, dat ge overtuigd
zyt van myn onschuld. Ik kan toch dien Stern niet uit de firma van myn
boek dringen, nu de zaken eenmaal zóóver zyn dat Louise Rosemeyer, als
ze uit de kerk komt--de jongens schynen haar optewachten--vraagt of hy
wat vroeg komen zal dien avend, om toch recht veel van Max en Tine
voortelezen?

Maar omdat ge het boek hebt gekocht of gehuurd in 't vertrouwen op den
deftigen titel die wat degelyks belooft, erken ik uw aanspraken op wat
goeds voor uw geld, en daarom schryf ikzelf nu eens weer een paar
hoofdstukken. Ge zyt niet in den krans van de Rosemeyers, lezer, en dus
gelukkiger dan ik die alles moet aanhooren. U staat het vry, de
hoofdstukken overteslaan, die naar duitsche opgewondenheid rieken, en u
alleen bezig te houden met wat geschreven is door my, die een deftig man
ben, en makelaar in koffi.

Met bevreemding heb ik uit Stern's geschryf vernomen--en uit Sjaalman's
pak heeft hy me aangetoond dat het waar was--dat er in die afdeeling
_Lebak_ geen koffi wordt geplant. Dit is zeer verkeerd, en ik zal myn
moeite ruim beloond achten, als de Regeering door myn boek op die fout
wordt opmerkzaam gemaakt. Uit de papieren van Sjaalman zou blyken, dat
de grond in die streken voor de koffikultuur niet geschikt is. Maar
hierin ligt volstrekt geen verschooning, en ik beweer dat men zich
schuldig maakt aan onvergeeflyk plichtverzuim omtrent Nederland in 't
algemeen en de koffimakelaars in 't byzonder, ja omtrent de javanen
zelf, door niet, òf dien grond te veranderen--de Javaan heeft toch niets
anders te doen--òf, als men meent dit niet te kunnen, de menschen die
dáár wonen, te zenden naar andere streken waar de grond wèl goed is
voor koffi.

Ik zeg nooit iets wat ik niet goed overwogen heb, en durf beweren dat ik
hier met kennis van zaken spreek, daar ik over dit stuk rypelyk heb
nagedacht, vooral sedert het hooren der preek van dominee Wawelaar in
den bidstond voor 't bekeeren der heidenen.

Dat was woensdag avend. Ge moet weten, lezer, dat ik myn plichten als
vader stipt vervul, en dat de zedelyke opleiding myner kinderen me zeer
na aan het hart ligt. Daar nu Frits sedert eenigen tyd in toon en
manieren iets heeft aangenomen, dat me niet bevalt--'t komt alles uit
dat verwenschte pak!--heb ik hem eens goed onder-handen genomen,
en gezegd:

"Frits, ik ben niet over je tevreden! Ik heb je altyd het goede
voorgehouden, en toch wyk je van den rechten weg af. Je bent pedant en
lastig, en maakt verzen, en je hebt Betsy Rosemeyer een zoen gegeven. De
vreeze des Heeren is 't beginsel van alle wysheid, je moet dus de
Rosemeyers niet zoenen, en niet zoo pedant wezen. Zedeloosheid brengt
ten verderve, jongen. Lees in de Schrift, en let eens op dien Sjaalman.
Hy heeft de wegen van den Heer verlaten: nu is hy arm, en woont op een
klein kamertje ... ziedaar de gevolgen van onzedelykheid en slecht
gedrag! Hy heeft verkeerde artikels in de _Indépendance_ geschreven en
de _Aglaia_ laten vallen. Zoo gaat het, als men wys is in zyn eigen
oogen. Hy weet nu niet eens hoe laat het is, en zyn jongetje heeft maar
een half broekjen aan. Bedenk dat je lichaam een tempel Gods is, en dat
je vader altyd hard heeft moeten werken voor den kost--'t is de
waarheid!--sla dus 't oog naar boven, en tracht optegroeien tot een
fatsoenlyk makelaar, als ik naar Driebergen ga. En let toch op al de
menschen die niet hooren willen naar goeden raad, die godsdienst en
zedelykheid met voeten trappen, en spiegel je aan die menschen. En stel
je niet gelyk met Stern, wiens vader zoo ryk is, en die altyd geld
genoeg zal hebben, al wil hy geen makelaar worden, en al doet hy
nu-en-dan eens wat verkeerds. Bedenk toch dat al het kwade gestraft
wordt: zie maar weer dien Sjaalman die geen winterjas heeft, en er
uitziet als een komediespeler. Luister toch goed in de kerk, en zit daar
niet zoo heen-en-weer te draaien op je bank, alsof 't je verveelde,
jongen, want ... wat moet God daarvan denken? De kerk is _Zyn_
heiligdom, zie je? En wacht geen jonge meisjes op als 't uit is, want
dit neemt de stichting weg. Maak ook Marie niet aan 't lachen, als ik by
't ontbyt uit de Schrift lees. Dat komt in een fatsoenlyk huishouden
niet te-pas. Ook heb je poppetjes geteekend op 't legblad van Bastiaans,
toen de man weer niet binnen was--omdat hy telkens de jicht heeft--dat
houdt de menschen op 't kantoor van hun werk, en er staat in Gods Woord
dat zulke dwaasheden ten-verderve leiden. Die Sjaalman deed ook
verkeerde dingen toen hy jong was: hy heeft als kind op de Westermarkt
een Griek geslagen ... nu is hy lui, pedant en ziekelyk, ziedaar! Maak
dus niet zoo altyd grappen met Stern, jongen: _zyn_ vader is ryk, moet
je denken. Houd je alsof je 't niet zag, als hy gezichten trekt tegen
den boekhouder. En als hy buiten 't kantoor met verzen bezig is, zeg hem
dan zoo-eens, dat hy 't hier by ons zoo goed heeft, en dat Marie
pantoffels voor hem heeft geborduurd met echte floszy. Vraag
hem--zoo-eens uit jezelf, weetje?--of hy gelooft dat zyn vader by
Busselinck & Waterman gaan zal, en zeg hem dat het knoeiers zyn. Zieje,
dat is men zyn naaste schuldig--zoo breng je hem op den goeden weg, meen
ik--en ... al dat verzenmaken is gekheid. Wees toch braaf en gehoorzaam,
Frits, en trek de meid niet aan de rokken, als ze thee brengt op 't
kantoor, en maak me niet te-schande, want dan stort ze, en Paulus zegt
dat nooit een zoon verdriet moet doen aan zyn vader. Ik bezoek twintig
jaar de beurs, en durf zeggen dat ik geacht ben by myn pilaar. Hoor dus
naar myn vermaningen, Frits, en wees braaf, en haal je hoed, en trek je
jas aan, en ga mee naar den bidstond, dat zal je goed doen!"

Zóó heb ik gesproken, en ik ben overtuigd dat ik indruk op hem gemaakt
heb, vooral daar dominee Wawelaar tot onderwerp van zyn rede had
gekozen: _de liefde Gods, blykbaar uit Zyn toorn tegen ongeloovigen_,
naar aanleiding van Samuels berisping aan Saul: _Sam. XV: 33b_.

By 't aanhooren van die predikatie, dacht ik gedurig hoe hemelsbreed
toch het verschil is tusschen menschelyke en goddelyke wysheid. Ik zeide
reeds dat er in het pak van Sjaalman, onder veel vodden, toch ook een
en-ander was, dat in 't oog viel door degelykheid van redeneering. Maar,
och, hoe weinig heeft toch zoo-iets te beduiden, als men 't vergelykt by
een taal als van dominee Wawelaar! En niet uit eigen kracht--want ik ken
Wawelaar, en houd hem voor iemand die waarlyk niet hoog vliegt--neen,
door de kracht die van boven komt. Dit onderscheid bleek te duidelyker,
omdat hy sommige punten aanroerde, die ook door Sjaalman behandeld
waren, want ge hebt gezien dat er in zyn pak veel over javanen en andere
heidenen voorkwam. Frits zegt dat de javanen geen heidenen zyn, maar ik
noem ieder die een verkeerd geloof heeft, een heiden. Want ik houd me
aan Jezus Christus, en dien gekruist, en dit zal elk fatsoenlyk lezer
ook wel doen.

Zoowel omdat ik uit Wawelaars redevoering myn meening heb geput omtrent
het ongeoorloofde der intrekking van de koffikultuur te _Lebak_, waarop
ik straks zal terugkomen, als omdat ik als eerlyk man niet wil, dat de
lezer volstrekt niets ontvange voor zyn geld, zal ik hier eenige
brokstukken uit de preek meedeelen, die al byzonder treffend waren.

Hy had kortelyk Gods liefde uit de aangehaalde tekstwoorden bewezen, en
was al zeer spoedig overgegaan tot het punt, waarop 't hier eigenlyk
aankwam, de bekeering namelyk van Javanen, Maleiers, en hoe al dat volk
heeten moge. Ziehier wat hy daarvan zeide:

"Zóó, myn geliefden, was de heerlyke roeping van Israel--hy bedoelde het
uitroeien der bewoners van Kanaän--en zóó is de roeping van Nederland!
Neen, er zal niet gezegd worden dat het licht dat ons bestraalt, wordt
weggezet onder de korenmaat, en niet ook dat wy gierig zyn in het
meedeelen van het brood des eeuwigen levens! Slaat het oog op de
eilanden des Indischen Oceaans, bewoond door millioenen en millioenen
kinderen des verstooten zoons--en des te-recht verstooten zoons--van den
edelen God gevalligen Noach! Dáár kruipen zy rond in de walgelyke
slangenholen van heidensche onkunde, daar buigen zy het zwarte
kroesharige hoofd onder het juk van eigenbelangzuchtige priesters! Dáár
aanbidden zy God onder aanroeping van een valschen profeet, die een
gruwel is voor de oogen des Heeren! En, geliefden, zelfs zyn er die, als
ware het niet genoeg een valschen profeet te gehoorzamen, zelfs zyn er
die een anderen God, wat zeg ik, die _goden_ aanbidden, goden van hout
of steen, die zyzelf gemaakt hebben naar hun beeld, zwart, afschuwelyk,
met platte neuzen en duivelachtig! ja, geliefden, byna beletten my de
tranen hier voorttegaan, nog dieper is de verdorvenheid van Cham's
geslachte! Er zyn er onder hen, die _geen_ God kennen, onder welken naam
ook! Die meenen dat het voldoende is, de wetten te gehoorzamen der
burgerlyke maatschappy! Die een oogstlied, waarin ze hun vreugde
uitdrukken over het welslagen van hunnen arbeid, beschouwen als
voldoenden dank aan het Opperwezen dat dien oogst rypen liet! Er leven
daar verdoolden, myne geliefden--wanneer zulk een gruwelyk bestaan den
naam van _leven_ dragen mag!--daar vindt men wezens die beweren dat het
voldoende is, vrouw en kind lieftehebben en van hunnen naaste niet te
nemen wat hun niet behoort, om 's avends gerust het hoofd te kunnen
nederleggen ter-slape! Yst ge niet by dit tafereel? Krimpt uw hart niet
in-een by het bedenken wat het lot wezen zal van al die dwazen, zoodra
de bazuine schallen zal, die de dooden oproept ter scheiding van
rechtvaardigen en onrechtvaardigen? Hoort ge niet--ja, gy hoort het,
want uit de voorgelezen tekstwoorden hebt gy gezien dat uw God is een
machtig God, en een God der gerechte wrake--ja, gy hoort het gekraak der
beenderen en het geknetter der vlammen in het eeuwig Gehenna waar
weeninge is, en tandengeknars! Dáár, dáár branden zy, en vergaan niet,
want eeuwig is de straffe! Dáár lekt de vlam met nooit voldane tong aan
de gillende slachtoffers van het ongeloof! Dáár sterft de worm niet, die
hunne harten dóór en dóór knaagt, zonder ooit die te vernietigen, opdat
er steeds een hart te knagen overblyve in de borst van den Godverzaker!
Ziet, hoe men het zwarte vel afstroopt van het ongedoopte kind dat,
nauwelyks geboren, werd weggeslingerd van de borst der moeder, in den
poel der eeuwige verdoemenis ...

Toen viel er een juffrouw flauw ...

"Maar, geliefden, ging dominee Wawelaar voort, God is een God van
liefde! Hy wil niet dat de zondaar verloren ga, maar dat hy zalig worde
_met_ de genade, _in_ Christus, _door_ het geloof! En daarom is
Nederland uitverkoren om van die rampzaligen te redden wat er van te
redden is! Dáártoe heeft Hy in Zyn onnaspeurlyke Wysheid aan een land,
klein van omvang, maar groot en sterk door de kennisse Gods, macht
gegeven over de bewoners dier gewesten, opdat zy door het heilig nooit
volprezen Evangelium worden gered van de straffen der helle! De schepen
van Nederland bevaren de groote wateren, en brengen beschaving,
godsdienst, Christendom, aan den verdoolden javaan! Neen, ons gelukkig
Nederland begeert niet voor zich alleen de zaligheid: wy willen die ook
mededeelen aan de ongelukkige schepselen op verre stranden, die daar
gebonden liggen in de kluisters van ongeloof, bygeloof en zedeloosheid!
Het beschouwen van de plichten die ten-dezen op ons rusten, zal het
zevende deel myner rede uitmaken."

Want, wat voorafging was het _zesde_. Onder de plichten die wy
ten-aanzien van die arme heidenen te vervullen hebben, werden genoemd:

   1° _Het geven van ruime bydragen in geld aan de
   zendelingsvereeniging_.

   2° _Het ondersteunen der bybelgenootschappen, ten-einde deze in-staat
   te stellen, bybels op Java uittedeelen_.

   3° _Het bevorderen van "Oefeningen" te Harderwyk, ten dienste van het
   koloniaal werfdepôt_.

   4° _Het schryven van preeken en godsdienstige gezangen, geschikt om
   door soldaten en matrozen aan de Javanen te worden voorgelezen en
   voorgezongen_.

   5° _Het oprichten eener vereeniging, van invloedryke mannen, wier
   taak zoude zyn, onzen geëerbiedigden Koning te smeeken_:

   _a) Slechts zulke gouverneurs, officieren en beambten te benoemen,
   die geacht kunnen worden vasttestaan, in het ware geloof_.

   _b) Den Javaan te doen vergunnen de kazernes, alsmede de op de reeden
   liggende oorlogs- en koopvaardyschepen te bezoeken, om door 't
   verkeer met nederlandsche soldaten en matrozen te worden opgeleid tot
   het Godsryk_.

   _c) Te verbieden, bybels of godsdienstige traktaatjes in drankhuizen
   te doen aannemen in betaling_.

   _d) Te doen opnemen in de voorwaarden der amfioenpacht op Java, de
   bepaling: dat er in elke amfioenkit een voorraad bybels moet aanwezig
   zyn, in verhouding met vermoedelyk getal bezoekers van zoodanig
   gesticht, en dat de pachter zich verbinde geen opium te verkoopen,
   zonder dat de kooper een godsdienstig traktaatje daarby neme_.

   _e) Te gelasten dat de Javaan door arbeid tot God worde gebracht_.

   6° _Het geven van ruime bydragen aan de zendelingsgenootschappen_.

Ik weet wel dat ik dit laatste punt reeds onder nummer één heb opgegeven,
maar hy herhaalde het, en deze overtolligheid komt my, in het vuur der
rede, zeer verklaarbaar voor.[76]

Doch, lezer, hebt gy op nummer 5, _e_ gelet? Welnu, juist die voorslag
herinnerde my zoo aan de koffiveilingen, en aan de voorgewende
onvruchtbaarheid van den grond te _Lebak_, dat het u nu niet meer zoo
vreemd zal voorkomen, als ik verzeker dat dit punt sedert woensdag avend
geen oogenblik uit myn gedachten geweest is. Dominee Wawelaar heeft de
berichten der zendelingen voorgelezen, niemand kan hem dus een grondige
kennis der zaken betwisten. Welnu, als hy, met die rapporten voor zich,
en met het oog op God, beweert dat veel arbeids gunstig werken zal op de
verovering der javaansche zielen voor het Godsryk, dan mag ik toch wel
vaststellen niet zoo geheel bezyden alle waarheid te spreken, als ik zeg
dat er te _Lebak_ zeer goed koffi kan geplant worden. En, sterker nog,
dat misschien het Opperwezen juist hierom alleen dien grond voor
koffikultuur ongeschikt heeft gemaakt, om door den arbeid die er noodig
wezen zal om een anderen grond daarheen te verleggen, de bevolking van
die streek vatbaar te maken voor de zaligheid.

Ik hoop toch dat myn boek onder de oogen van den Koning komt, en dat er
weldra door grootere veilingen blyken moge hoe nauw de kennisse Gods
in-verband staat met het welbegrepen belang van de geheele burgery! Zie
eens hoe de eenvoudige en nederige Wawelaar, zonder wysheid naar den
mensch--de man heeft nooit een voet op de beurs gezet--maar voorgelicht
door het Evangelie dat een lamp op zyn pad is, my, makelaar in koffi,
daar op-eenmaal een wenk geeft, die voor heel Nederland belangryk is
niet alleen, maar die my in-staat zal stellen, als Frits goed oppast--hy
heeft redelyk stil gezeten in de kerk--wellicht vyf jaren vroeger naar
Driebergen te gaan. Ja, arbeid, arbeid, dat is myn wachtwoord! Arbeid
voor den Javaan, dat is myn principe! En myn principes zyn me heilig.

Is niet het Evangelie 't hoogste goed? Gaat er iets boven de zaligheid?
Is het dus niet onze plicht, die menschen zalig te maken? En wanneer,
als hulpmiddel hiertoe, arbeid noodig is--ikzelf heb twintig jaar de
beurs bezocht--mogen we dan den Javaan arbeid weigeren, waar zyn ziel
daaraan zoo dringend behoefte heeft om later niet te branden? Zelfzucht
zou het wezen, schandelyke zelfzucht, als we niet alle pogingen
aanwendden om die arme verdoolde menschen te behoeden voor de
verschrikkelyke toekomst die dominee Wawelaar zoo welsprekend geschetst
heeft. Er is een juffrouw flauw gevallen toen hy van dat zwarte kind
sprak ... misschien had ze een jongetje dat er wat donker uitzag.
Vrouwen zyn zoo!

En zou ik niet aandringen op arbeid, _ik_ die zelf van den morgen tot
den avend aan de zaken denk? Is niet reeds dit boek--dat Stern me zoo
zuur maakt--een bewys hoe goed ik het meen met de welvaart van ons
vaderland, en hoe ik daarvoor alles veil heb? En als ik zoo zwaar moet
arbeiden, _ik_ die gedoopt ben--in de Amstelkerk--zou men dan van den
javaan niet mogen vorderen dat hy die zyn zaligheid nog verdienen moet,
de handen uitsteekt?

Als die vereeniging--van nummer 5, _e_ meen ik--tot-stand komt, sluit ik
me daarbij aan. En ik zal ook de Rosemeyers hiertoe trachten overtehalen,
omdat de suikerraffinadeurs er ook belang by hebben, schoon ik niet geloof
dat ze zeer zuiver zyn in hun begrippen--de Rosemeyers meen ik--want ze
houden een roomsche meid.

Hoe het zy, _ik_ zal myn plicht doen. Dit heb ik mezelf toen ik met
Frits van den bidstond naar-huis ging. In myn huis zal de Heere gediend
worden, daarvoor zal _ik_ zorgen. En dit met te meer yver, omdat ik hoe
langer hoe meer inzie hoe wys alles geregeld is, hoe liefderyk de wegen
zyn waarlangs wij worden geleid aan Gods hand, en hoe Hy ons behouden
wil voor het eeuwige en voor het tydelyke leven, want die grond te
_Lebak_ kan zeer goed geschikt worden gemaakt voor de koffikultuur.



TIENDE HOOFDSTUK


Hoewel ik, waar 't principes geldt, niemand ontzie, heb ik toch begrepen
dat ik met Stern een anderen weg moet inslaan dan met Frits, en daar het
te voorzien is dat myn naam--de firma is _Last & Co_, maar ik heet
_Droogstoppel: Batavus Droogstoppel_--in aanraking komen zal met een
boek waarin zaken voorkomen, die niet strooken met den eerbied dien elk
fatsoenlyk man en makelaar zichzelf verschuldigd is, acht ik het myn
plicht u meetedeelen, hoe ik getracht heb ook dien Stern terugtebrengen
op den waren weg.

Ik heb hem niet van den Heer gesproken--omdat hy Luthersch is--maar ik
heb gewerkt op zyn gemoed en zyn eer. Ziehier hoe ik dit heb aangelegd,
en merk daarby op, hoever men het brengt met menschkunde. Ik had hem
hooren zeggen: _auf Ehrenwort_, en vroeg wat hy daarmee bedoelde?

--Wèl, zeide hy, dat ik myn eer verpand voor de waarheid van wat ik zeg.

--Dat is zeer veel, hernam ik. Ben je zoo overtuigd, altyd de waarheid
te zeggen?

--Ja, verklaarde hy, de waarheid zeg ik altyd. Als de borst me gloeit
...

De lezer weet de rest.

--Dat is waarlyk zeer schoon, zei ik, en ik hield me heel onnoozel alsof
ik het geloofde.

Maar hierin lag juist de fynheid van den strik, dien ik hem spande met
het doel om, zonder gevaar te loopen den ouden Stern in handen van
Busselinck & Waterman te zien vallen, toch dat jonge kereltjen eens goed
op zyn plaats te zetten, en hem te doen gevoelen hoe groot de afstand is
tusschen iemand die pas begint--al doet dan ook zyn vader groote
zaken--en een makelaar die twintig jaar de beurs bezocht heeft. Het was
me namelyk bekend dat hy allerlei tuig van verzen uit het hoofd wist--hy
zegt: "uitwendig"--en daar verzen altyd leugens bevatten, was ik zeker
dat ik hem zeer spoedig zou betrappen op onwaarheid. Dit duurde dan ook
niet lang. Ik zat in de zykamer, en hy was in de _suite_ ... want we
hebben een _suite_. Marie was aan 't breien, en hy zou haar wat
vertellen. Ik luisterde aandachtig toe, en toen 't uit was, vroeg ik hem
of hy 't boek bezat, waarin het ding stond, dat hy daar zoo-even had
opgedeund. Hy zei ja, en bracht het my. Het was een deeltje der werken
van zekeren Heine. Den volgenden morgen gaf ik hem--aan Stern, meen
ik--de onderstaande:

_Beschouwingen omtrent de waarheidsliefde van iemand die het volgend
prul van Heine vóórzegt aan een jong meisje dat in de_ suite _zit
te breien_.

      Auf Flügeln des Gesanges,
    Herzliebchen, trag ich dich fort,

_Herzliebchen_? Marie, jouw _Herzliebchen_? Weten je ouweluî daarvan, en
Louise Rosemeyer? Is het braaf, dit te zeggen aan een kind, dat door
zoo-iets al zeer ligt ongehoorzaam zou worden aan hare moeder, door zich
in het hoofd te halen dat ze mondig is, omdat men haar: _Herzliebchen_
noemt? Wat beduidt dat: _voortdragen op je vleugels_? Je hebt geen
vleugels, en je gezang ook niet. Probeer 't eens over de Lauriergracht,
die niet eens heel breed is. Maar al had je vleugels, mag je dan zulke
dingen voorstellen aan een meisje dat haar belydenis nog niet gedaan
heeft? En al wàs 't kind aangenomen, wat beduidt dat aanbod van
wegvliegen samen? Foei!

    Fort nach den Fluren des Ganges,
      Da weiss ich den schönsten Ort;

Ga er dan alleen heen, en huur er een optrek, maar neem niet een meisje
mee, dat haar moeder moet helpen in 't huishouden! Maar je meent het ook
niet! Vooreerst heb je nooit den Ganges gezien, en kunt dus niet weten
of 't daar goed leven is. Wil _ik_ je eens zeggen hoe de zaken staan?
Het zyn alles leugens, die je alleen dáárom vertelt, omdat je in al dat
gevèrs je tot slaaf maakt van maat en rym. Als de eerste regel geëindigd
was op _koek, wyn, kina_, zou je aan Marie gevraagd hebben of ze meeging
naar _Broek, Berlyn, China_, en zoo voort. Je ziet dus dat je
voorgestelde reisroute niet oprecht gemeend was, en dat alles neerkomt
op een laf geklinkklank van woorden zonder slot of zin. Hoe zou 't
wezen, als Marie nu eens werkelyk lust kreeg om die malle reis te doen?
Ik spreek nu nog niet eens van de ongemakkelyke manier die je voorstelt!
Maar zy is, den Hemel zy dank, te verstandig om naar een land te
verlangen, waarvan je zegt:

    Da liegt ein rothblühender Garten
      Im stillen mondesschein;
    Die Lotosblumen erwarten
      Ihr trautes Schwesterlein;
    Die Veilchen kichern und kosen,
      Und schau'n nach den Sternen empor;
    Heimlich erzählen die Rosen
      Sich düftende Märchen in 's Ohr.

Wat wou je in dien tuin by maneschyn met Marie uitvoeren, Stern? Is dat
zedelyk, is dat braaf, is dat fatsoenlyk? Wil je dat ik beschaamd moet
staan, evenals Busselinck & Waterman, met wie geen fatsoenlyk
handelshuis iets te doen wil hebben, omdat hun dochter weggeloopen is,
en omdat het knoeiers zyn? Wat zou ik moeten antwoorden, als men my op
de beurs vroeg, waarom myn dochter zoo lang in dien rooien tuin is
gebleven? Want dit begryp je toch, dat niemand me gelooven zou, als ik
zei dat zy daar wezen moest om een bezoek te brengen aan de lotusbloemen
die, zooals je zegt, haar al lang gewacht hebben. Even zoo zou ieder
verstandig mensch my uitlachen, als ik gek genoeg was om te zeggen:
Marie is daar in dien rooien tuin waarom _rood_, en niet _geel_ of
_paars_?--om te luisteren naar 't snappen en giechelen van de viooltjes,
of naar de sprookjes die de rozen elkaar heimelyk in 't oor blazen. Al
_kon_ zoo iets waar zyn, wat zou Marie er aan hebben, als het toch zoo
heimelijk geschiedt, dat zy er niets van verstaat? Maar leugens zyn het,
flauwe leugens! En leelyk zyn ze ook, want neem eens een potlood, en
teeken een roos met een oor, en zie eens hoe dat er uitziet? En wat
beduidt het, dat die _Märchen_ zoo _düftend_ zyn? Wil _ik_ je dat eens
zeggen in goed rond hollandsch? Dat wil zeggen dat er een luchtjen is
aan die malle sprookjes ... zóó is het!

    Da hüpfen herbei, und lauschen
    Die frommen, klugen Gazellen;
    Und in der Ferne rausche
    Des heiligen Stromes Wellen...
    Da wollen wir niedersinken
      Unter den Palmenbaum,
    Und Ruhe und Liebe trinken,
      Und träumen seligen Traum.

Kan je niet naar _Artis_ gaan--je hebt immers aan je vader geschreven
dat ik lid ben?--zeg, kan je niet in _Artis_ terecht, als je dan
volstrekt vreemde dieren zien wilt? Moeten het juist die gazellen aan
den Ganges wezen, die toch in 't wild nooit zoo goed zyn waartenemen,
als in een nette omheining van gekoolteerd yzer? Waarom noem je die
dieren vroom en verstandig? Het laatste laat ik gelden--ze maken althans
zulke zotte verzen niet--maar: _vroom_? Wat beteekent dat! Is 't niet
misbruik maken van een heilige uitdrukking die alleen mag gebruikt
worden voor menschen van 't ware geloof? En dan die heilige stroom? Mag
je aan Marie dingen vertellen, die haar tot een heidin zouden maken? Mag
je haar doen wankelen in de overtuiging dat er geen ander heilig water
is, dan dat van den doop, en geen andere heilige rivier dan de Jordaan?
Is dit niet ondermynen van zedelykheid, deugd, godsdienst, christendom
en fatsoen?

Denk over dit alles eens na, Stern! Je vader is een achtenswaardig huis,
en ik ben zeker dat hy 't goedvindt dat ik zoo op je gemoed werk, en dat
hy gaarne zaken doet met iemand die deugd en godsdienst voorstaat. Ja,
principes zyn me heilig, en ik heb geen schroom om ronduit te zeggen wat
ik meen. Maak dus geen geheim van wat ik je zeg, schryf 't gerust aan je
vader dat je hier in een soliede familie bent, en dat ik je zoo op 't
goede wys. En vraag jezelf eens af, wat er van je zou geworden zyn, als
je by Busselinck & Waterman waart gekomen? Dáár zou je ook zulke verzen
opgezegd hebben, en dáár had men niet op je gemoed gewerkt, omdat het
knoeiers zyn. Schryf dit gerust aan je vader, want als er principes in
't spel zyn, ontzie ik niemand. Dáár zouden de meisjes met je meegegaan
zyn naar den Ganges, en dan lag je daar nu misschien onder dien boom in
't natte gras, terwyl je nu, omdat _ik_ je zoo vaderlyk waarschuwde,
hier by ons kunt blyven in een fatsoenlyk huis. Schryf dat alles aan je
vader, en zeg hem dat je zoo dankbaar bent dat je by ons zyt gekomen, en
dat ik zoo goed voor je zorg, en dat de dochter van Busselinck & Waterman
is weggeloopen, en groet hem zeer van my, en schryf dat ik nog 1/16 procent
courtage zal laten vallen beneden hun bod, omdat ik geen onderkruipers
lyden kan, die een konkurrent het brood uit den mond stelen door gunstiger
voorwaarden.

En doe me toch 't genoegen, in je voorlezingen uit Sjaalman's pak, wat
meer degelyks te brengen. Ik heb er opgaven gezien van de koffi-produktie
der laatste twintig jaren, uit alle residentien op Java: lees zóó-iets
eens voor! Zieje, dan kunnen de Rosemeyers, die in suiker doen, eens te
hooren krygen wat er eigenlyk omgaat in de wereld. En je moet ook de
meisjes en ons allen niet zoo uitmaken voor kannibalen die wat van je
hebben opgeslikt ... dit is niet fatsoenlyk, myn beste jongen. Geloof
toch iemand die weet wat er in de wereld te koop is! Ik heb je vader reeds
bediend voor zyn geboorte--zyn firma, meen ik, neen ... ònze firma, meen ik:
_Last & Co_--vroeger was het _Last & Meyer_, maar de _Meyers_ zyn er lang
uit--je begrypt dus dat ik 't goed met je meen. En spoor Frits aan, dat hy
wat beter oppast, en leer hem geen verzen maken, en houd je alsof je het
niet zag, als hy gezichten trekt tegen den boekhouder, en al zulke dingen
meer. Geef hem een goed voorbeeld, omdat je zooveel ouder bent, en tracht
hem bedaardheid en deftigheid inteprenten, want hy moet makelaar worden.

  Ik ben je vaderlyke vriend

                            Batavus Droogstoppel.

               (firma: _Last & Co, makelaars in koffi,
                          Lauriergracht, N°_ 37.)



ELFDE HOOFDSTUK


Zoodat ik maar zeggen wil, om met Abraham Blankaart te spreken, dat ik
dit hoofdstuk als "essentieel" beschouw, omdat het, naar ik meen,
Havelaar beter doet kennen, en hy schynt nu toch eenmaal de held van de
historie te zyn.

--Tine, wat is dat voor _ketimon_?[77] Lieve meid, doe nooit plantenzuur
by vruchten! Komkommers met zout, ananas met zout, pompelmoes met zout,
al wat uit den grond komt, met zout. Azyn by visch en by vleesch ... er
staat iets van in Liebig ...

--Beste Max, vroeg Tine lachend, hoe lang meen je wel dat we hier zyn?
Die _ketimon_ is van mevrouw Slotering.

En Havelaar had moeite zich te herinneren dat hy pas gister was
aangekomen, en dat Tine met den besten wil nog niets had kunnen regelen
in keuken of huishouding. Hyzelf was reeds lang te _Rangkas-Betoeng_!
Had hy niet den ganschen nacht doorgebracht met lezen in 't archief, en
was er niet reeds te veel door zyn ziel gegaan, dat in-verband stond met
_Lebak_, dan dat hy zoo terstond weten kon dat hy eerst sedert gisteren
dáár was? Tine begreep dit wel: _zy_ begreep hem altyd!

--Ach ja, dat is waar, zeide hy. Maar toch moet je eens wat van Liebig
lezen. Verbrugge, heb _jy_ veel gelezen van Liebig?

--Wie is dat? vroeg Verbrugge.

--Dat is iemand die veel geschreven heeft over 't inleggen van augurken.
Ook heeft hy ontdekt hoe men gras in wol verandert ... je begrypt wel?

--Neen, zeiden Verbrugge en Duclari tegelyk.

--Wèl, de zaak zelf was toch altyd bekend: stuur een schaap 't land in
... en je zult zien! Maar hy heeft de manier nagespoord, waaròp het
geschiedt. Andere wyzen zeggen weer dat hy er weinig van weet. Nu is men
bezig met zoeken naar middelen om 't heele schaap in de bewerking
overteslaan ... O, die geleerden![78] Molière wist het wel ... ik houd
veel van Molière.[79] Als je wilt, zullen we samen een leerkursus
houden, 's avends, een paar maal in de week. Tine doet ook mee, als Max
naar bed is.

Duclari en Verbrugge wilden dit gaarne. Havelaar zei dat hy niet veel
boeken had, maar daaronder waren toch Schiller, Göthe, Heine, Vondel,
Lamartine, Thiers, Say, Malthus, Scialoja, Smith, Shakespeare, Byron ...

Verbrugge zei dat hy geen engelsch las.

--Wat drommel, je bent toch over de dertig! Wat heb je dan al dien tyd
gedaan? Maar dat moet nogal lastig voor je geweest zyn op Padang, waar
zooveel engelsch gesproken wordt. Heb je miss _Mata-api_[80] gekend?

--Neen, ik ken dien naam niet.

--'t Was ook haar naam niet. We noemden haar zoo, in 1843, omdat haar
oogen zoo schitterden. Ze zal wel getrouwd zyn ...'t is al zoo lang
geleden! Nooit heb ik zoo-iets gezien ... ja toch, te Arles ... dáár
moet je eens heen gaan! Dat is 't schoonste wat ik gevonden heb op al
myn reizen. Er bestaat niets, dunkt me, wat je zoo klaar de schoonheid
in 't afgetrokkene voorstelt, als zichtbaar beeld van het _ware_, van 't
_onstoffelyk-reine_, als een schoone vrouw. Gelooft me, gaat eens naar
Arles en Nîmes ...

Duclari, Verbrugge en--ik moet het erkennen!--ook Tine, konden een
luiden lach niet onderdrukken by de gedachte zoo op-eens uit den
westhoek van Java overtestappen naar Arles of Nîmes in 't zuiden van
Frankryk. Havelaar, waarschynlyk in zyn verbeelding op den toren
staande, die door de Saracenen gebouwd is op den omgang van de _arena_
te Arles, had zich eenigszins intespannen, voor hy de oorzaak van dien
lach begreep, en toen ging hy voort:

--Nu ja, ik meen ... als je daar in de buurt komt. Zóó-iets heb ik nooit
ergens meer ontmoet. Ik was gewoon aan teleurstellingen by 't zien van
alles wat zoo hoog wordt opgehemeld. Ziet eens, by-voorbeeld, de
watervallen waarvan men zooveel spreekt en schryft. Wat my betreft, ik
heb weinig of niets gevoeld te Tondano, te Maros, te Schafhausen, by den
Niagara. Men moet zyn boekjen inzien om daarby de vereischte maat zyner
bewondering by de hand te hebben, over "zóóveel voeten vals" en "zóóveel
kubiek-voeten waters in de minuut" en als die cyfers dan hoog zyn, moet
men _hè_ zeggen. Ik wil nooit weer watervallen zien, althans niet als ik
er een omweg voor moet maken. Die dingen zeggen me niets! Gebouwen
spreken me wat luider toe, vooral wanneer 't bladzyden uit de
geschiedenis zyn. Maar hierby spreekt een gevoel van heel anderen aard!
Men roept de vergangenheid op, en laat de schimmen van 't verledene de
revue passeeren. Hieronder zyn zeer afschuwelyke, en dus, hoe belangryk
dit soms wezen moog, men vindt in zyn gewaarwordingen niet altyd
voldoening voor schoonheidsgevoel ... onvermengd althans nooit! En
_zonder_ de geschiedenis er byteroepen, is er wel veel schoons in
sommige gebouwen, maar 't wordt gewoonlyk bedorven door gidsen--van
papier, van vleesch en been ...'t komt overeen uit!--gidsen, die je den
indruk wegstelen door hun eentonig: "deze kapel is opgericht door den
bisschop van Munster in 1423 ... de zuilen zyn 63 voeten hoog, en rusten
op ... ik weet niet wat, en het kan me niet schelen ook. Dat gebabbel is
vervelend, want men voelt dat men dan juist drie-en-zestig voet
bewondering moet gereed hebben, om niet in de oogen van sommigen
doortegaan voor een Vandaal of _geschäfts_-reiziger ... dàt is een ras!

--De Vandalen?

--Neen, die anderen. Nu zou men zeggen, houd dan je gids in den zak, als
hy gedrukt is, en laat hem buiten staan of zwygen in 't andere geval,
maar behalve dat men werkelyk tot eenigszins juist oordeelen, dikwyls
inlichting noodig heeft, zoude men, ook al kon men die inlichting altyd
missen, toch te-vergeefs in eenig gebouw iets zoeken, dat langer dan een
zeer kort oogenblik beantwoordt aan ons verlangen naar het schoone,
omdat het niet _beweegt_. Dit geldt, geloof ik, ook voor beeldhouwwerk
en schilderstukken. Natuur is beweging. Groei, honger, denken, gevoelen,
is beweging ... stilstand is de dood! Zonder beweging, geen smart, geen
genot, geen aandoening! Beproef eens daar te zitten zonder u te
verroeren, ge zult zien hoe spoedig je een spook-achtigen indruk maakt
op ieder ander, en zelfs op je eigen verbeelding. By 't mooiste _tableau
vivant_ verlangt men al gauw naar een volgend nummer, hoe heerlyk ook de
indruk was in 't begin. Daar nu onze schoonheidszucht niet voldaan is
met één blik op iets schoons, maar behoefte heeft aan een reeks van
opvolgende blikken, op de _beweging van het schoone_, lyden wy aan iets
onvoldaans by 't aanschouwen van _die_ soort van kunstwerken, en daarom
beweer ik dat een schoone vrouw--mits geen portretschoonheid die
stilstaat--het naast komt aan het ideaal van 't goddelyke. Hoe groot de
behoefte is aan de beweging die ik bedoel, kan men eenigszins opmaken
uit de walging die een danseres veroorzaakt, al ware zy Elssler of
Taglioni, wanneer ze na een dans op haar linkerbeen staat en 't publiek
toegrynst.

--Dit geldt hier niet, zei Verbrugge, want dat is _absoluut_ leelyk.

--Dat vind ik ook. Maar _zy_ geeft het toch als schoon, en als _climax_
op al 't vorige, waarin werkelyk veel schoons kan geweest zyn. Ze geeft
het als de _pointe_ van 't epigram, als 't _aux armes!_ van de
_marseillaise_ die zy zong met haar voeten, als 't ruischen van de
wilgen op het graf der zoo-even besprongene liefde. O, misselyk! En dat
ook de toeschouwers, die gewoonlyk--zooals wy allen, meer of min--hun
smaak gronden op gewoonte en navolging, dàt oogenblik beschouwen als het
treffendste, blykt hieruit dat men juist dàn uitberst in toejuiching,
alsof men wilde te kennen geven: al het vorige was ook wel heel mooi,
maar _nu_ kan ik 't waarachtig niet langer uithouden van bewondering!"
je zei dat die slot-_pose volstrekt_ leelyk was--ik ook! doch vanwaar
komt dit? Het is omdat de _beweging_ ophield, en daarmee de
_geschiedenis_ die de danseres verhaalde. Geloof me, stilstand is
de dood!

--Maar, bracht Duclari in 't midden, ge hebt ook de watervallen
verworpen als uitdrukking van het schoone. Watervallen _bewegen_ toch!

--Ja, maar ... zonder _geschiedenis_! Ze bewegen, maar komen niet van de
plaats. Ze bewegen zich als een hobbelpaard, minus nog het _va et
vient_. Ze geven geluid, maar spreken niet. Ze roepen: _hrroe.. hrroe
... hrroe ..._ en nooit iets anders! Roep jy eens zesduizend jaar, of
langer: _hrroe, hrroe ..._ en zie eens hoe weinigen je voor een
onderhoudend mensch zullen aanzien.

--Ik zal de proef niet nemen, zei Duclari, Maar ik ben het toch nog niet
met u eens, dat de door u gevorderde beweging zoo volstrekt noodzakelyk
wezen zou. Ik schenk u nu de watervallen, maar een goed _schilderstuk_
kan toch, dunkt me, veel uitdrukken.

--Wel zeker, maar slechts voor één oogenblik. Ik zal trachten myn
meening te verklaren door een voorbeeld. Het is van daag 18 Februari ...

--Wel neen, zei Verbrugge, we hebben nog Januari ...

--Neen, neen, het is heden de 18de Februari 1587, en je bent opgesloten
in 't kasteel Fotheringhay ...[81]

--_Ik_? vroeg Duclari, die meende niet goed verstaan te hebben.

--Ja, gy. Ge verveelt u, en zoekt afleiding. Dáár in dien muur is een
opening, maar zy is te hoog om er doortezien, en dit wil je toch. Ge zet
uw tafel er voor, en daarop een stoel met drie pooten, waarvan één wat
zwak, je zag eens op de kermis een akrobaat die zeven stoelen op elkaar
zette, en zich zelf daarop met het hoofd naar beneden. Eigenliefde en
verveling dringen u iets dergelyks te doen. Ge beklimt waggelend dien
stoel ... bereikt uw oogmerk ... slaat een blik door de opening, en
roept: o, god! En je valt! Weet je me nu te zeggen waarom je: o god!
riep, en gevallen bent?

--Ik denk dat de derde poot van den stoel brak, zei Verbrugge
sententieus.

--Nu ja, die poot brak misschien, maar niet dáárom ben je gevallen. Die
poot is gebroken omdat je gevallen bent. Voor elke andere opening had je
't een jaar lang op dien stoel uitgehouden, en nu _moest_ je vallen, al
waren er dertien pooten onder dien stoel geweest, ja, al had je op den
grond gestaan.

--Ik neem er genoegen mee, zei Duclari. Ik zie dat ge u in 't hoofd hebt
gezet, my _coûte que coûte_ te laten vallen. Ik lig daar nu zoo lang ik
ben ... maar ik weet waarachtig niet waarom?

--Wel, dat is toch zeer eenvoudig! Ge zaagt daar een vrouw, gekleed in
't zwart, die geknield lag voor een blok. En ze boog het hoofd, en blank
als zilver was de hals die afstak by 't zwart fluweel. En daar stond een
man met een groot zwaard, en hy hield het hoog, en zyn blik staarde op
dien blanken hals, en hy zocht den boog dien zyn zwaard beschryven zou,
om dáár ... dáár, tusschen die wervels heen, te worden doorgedreven met
juistheid en kracht ... en toen viel je, Duclari. je viel omdat je dat
alles zag, en dáárom riep je: o god! Volstrekt niet omdat er maar drie
pooten aan je stoel waren. En lang nadat je uit Fotheringhay werd
verlost--op voorspraak van je neef, denk ik, of omdat het de menschen
verveelde je daar langer onverplicht den kost te geven, als een
kanarievogeltje--lang daarna, ja, tot heden toe, droom je wakend van die
vrouw, en in je slaap zelfs schrik je op, en valt met zwaren schok neer
op je legerstede, omdat je den arm wilt grypen van den beul. Is dit
niet waar?

--Ik wil 't wel gelooven, maar bepaald zeker kan ik 't waarlyk niet
zeggen, omdat ik nooit te Fotheringhay door een gat in den muur
heb gezien.

--Goed, goed! Ik ook niet. Maar nu neem ik een schildery die 't
onthoofden van Maria Stuart voorstelt. Laat ons aannemen dat de
voorstelling volmaakt is. Daar hangt ze, in vergulden lyst, aan een rood
koord als je verkiest ... ik weet wat je zeggen wilt, goed! Neen, neen,
ge ziet die lyst niet, ge vergeet zelfs dat ge uw rotting hebt afgegeven
aan den ingang van de schilderzaal ... ge vergeet uw naam, uw kind, het
nieuw-model politiemuts, en dus _alles_, om niet te zien een
_schildery_, maar om werkelyk daarop Maria Stuart te aanschouwen:
_geheel juist_ als te Fotheringhay. De beul staat er volkomen zóó als hy
werkelyk moet gestaan hebben, ja, ik wil zóóver gaan dat je den arm
uitstrekt om den slag afteweren! Zóó ver dat je roept: "laat die vrouw
leven, misschien betert zy zich!" je ziet, ik geef je _beau jeu_ wat de
_uitvoering_ van 't schilderstuk aangaat ...

--Ja, maar wat dan verder? Is dan de indruk niet even treffend, als toen
ik 'tzelfde in werkelykheid zag te Fotheringhay?

--Neen, volstrekt niet, en wel omdat je niet waart geklommen op een
stoel met drie pooten. Je neemt een stoel--met vier pooten ditmaal, en
liefst een fauteuil--je gaat voor de schildery zitten, om goed en lang
te genieten--we _genieten_ nu eenmaal by 't aanschouwen van iets
akeligs--en welken indruk meent ge dat zy op je maakt?

--Wèl, schrik, angst, medelyden, ontroering ... evenals toen ik door de
opening van den muur zag. We hebben gesteld dat de schildery _volmaakt_
is, ik moet dus daarvan geheel denzelfden indruk hebben als van de
werkelykheid.

--Neen! Binnen twee minuten voel je pyn in je rechterarm, uit sympathie
met den beul die zoo lang dat zwaar stuk staal onbewegelyk omhoog moet
houden.

--_Sympathie_ met den _beul_?

--Ja! _evenlydendheid, gelykvoeligheid_, weetje? En tevens met de vrouw
die daar zoo lang in ongemakkelyke houding, en waarschynlyk in
onaangename stemming, voor dat blok ligt. Je hebt nog altyd medelyden
met haar, maar ditmaal niet omdat ze onthoofd moet worden, maar omdat
men haar zoo lang laat wachten vóór ze onthoofd wordt, en als je nog
iets zeggen of roepen zoudt, in 't eind--gesteld dat je aandrift voelt
je met de zaak te bemoeien--zou 't niets anders wezen dan: "sla toch
in-godsnaam toe, man, 't mensch wacht er op!" En wanneer je later die
schildery weerziet, en _meermalen_ weerziet, is zelfs reeds je _eerste_
indruk: "is die historie nog niet afgeloopen? Staat hy, en ligt zy
daar nòg?"

--Maar wat is dan voor beweging in de schoonheid der vrouwen te Arles?
vroeg Verbrugge.

--O, dàt is iets anders! Zy spelen een geschiedenis _uit_ in haar
trekken. Karthago bloeit en bouwt schepen op haar voorhoofd ... hoor den
Hannibals-eed tegen Rome ... daar vlechten zy koorden voor de bogen ...
daar brandt de stad ...

--Max, Max, ik geloof waarlyk dat je te Arles je hart verloren hebt,
plaagde Tine.

--Ja, voor een oogenblik ...maar ik vond het terug: dat zult ge hooren.
Verbeeldt u ... ik zeg niet, daar heb ik een vrouw gezien, die zóó of
zóó schoon was, neen: allen waren zy schoon, en 't was dus een
onmogelykheid daar _pour tout de bon_ verliefd te worden, omdat elke
volgende weer de vorige uit je bewondering verdrong, en ik dacht daarby
waarlyk aan Caligula of Tiberius--van wien vertellen ze 't fabeltje?
--die 't heele menschelyk geslacht maar één hoofd toewenschte.
Zóó namelyk kwam onwillekeurig de wensch in my op, dat de vrouwen
te Arles ...

--Maar één hoofd hadden samen?

--Ja ...

--Om 't afteslaan?

--Wel neen! Om.. het te kussen op 't voorhoofd, wilde ik zeggen, maar
dat is het niet! Neen, om er op te staren, en er van te droomen, en om
... _goed te zyn_!

Duclari en Verbrugge vonden waarschynlyk dit slot weer byzonder vreemd.
Maar Max bemerkte hun verrassing niet, en ging voort:

--Want zóó edel waren de trekken, dat men iets als schaamte voelde,
slechts een mensch te wezen, en niet een vonk ... een straal--neen, dat
waar stof!--een gedachte! Maar ... dan zat daar op-eens een broêr of een
vader naast die vrouwen, en ... godbewaarme, ik heb er een gezien die
haar neus snoot!

--Ik wist wel dat je er weer een zwarten streep over halen zou, zei Tine
verdrietig.

--Kan _ik_ 't helpen? _Ik_ had ze liever dood zien vallen! Mag zulk een
meisje zich profaneeren?

--Maar, mynheer Havelaar, vroeg Verbrugge, als ze nu eens verkouwen is?

--Wèl, ze _moest_ niet verkouwen zyn met zulk een neus!

--Ja, maar ...

Alsof 't booze spel sprak, op-eens moest Tine niezen, en ... voor ze er
aan dacht, had ze haar neus gesnoten!

--Beste Max, wil je er niet boos om worden? vroeg ze met teruggehouden
lach.

Hy antwoordde niet. En, hoe gek het schynt of is ... ja, hy _was_ er
boos om! En, wat óók vreemd klinkt, Tine was bly dat hy boos was, en van
_haar_ vergde meer te zyn dan de Phoceesche vrouwen te Arles[82] al was
't dan ook niet omdat ze reden had grootsch op haar neus te wezen.

Als Duclari nog meende dat Havelaar "gek" was, had men 't hem niet
ten-kwade kunnen duiden wanneer hy zich in deze meening versterkt
voelde, by 't bemerken der korte verstoordheid die er, na en om dat
neussnuiten, op Havelaars gelaat te lezen was. Maar deze was
teruggekeerd van Karthago, en hy las--met de snelheid waarmee hy lezen
_kon_, als hy niet te ver van-huis was met zyn geest--op de gezichten
van zyn gasten, dat zy de twee volgende stellingen opwierpen:

1° _Wie niet wil dat zyn vrouw haar neus snuit, is een gek_.

2° _Wie gelooft dat een in schoone lynen geteekende neus niet mag
gesnoten worden, doet verkeerd dit geloof toetepassen op mevrouw
Havelaar, wier neus een beetje_ en pomme de terre _is_.

De eerste stelling liet Havelaar rusten, maar ... de tweede!

--O, riep hy, alsof hy te antwoorden had, schoon zyn gasten te beleefd
waren geweest hun stellingen uittespreken, dàt zal ik u verklaren.
Tine is ...

--Beste Max! zeide zy smeekend.

Dit beteekende: "vertel toch niet aan die heeren waarom ik in uw
schatting verheven moest zyn boven verkoudheid!"

Havelaar scheen te verstaan wat Tine meende, want hy antwoordde:

--Goed, kind! Maar weet je wel, heeren, dat men zich dikwyls bedriegt in
't beoordeelen der aanspraken van sommige menschen op stoffelyke
onvolkomenheid?

Ik ben zeker dat de gasten nooit van die aanspraken gehoord hadden.

--Ik heb op Sumatra een meisje gekend, ging hy voort, de dochter van een
_datoe_[83] ... welnu, ik houd het er voor dat _zy_ op die
onvolkomenheid geen recht had. En toch heb ik haar in 't water zien
vallen by een schipbreuk ... evenals een ander. Ik, een mensch, heb haar
moeten helpen om aan land te komen.

--Maar.. had ze dan moeten vliegen als een meeuw?

--Wel zeker, of ... neen, ze had geen lichaam moeten hebben. Wilt ge dat
ik u vertel hoe ik kennis met haar maakte? 't Was in '42. Ik was
kontroleur van Natal ... ben je daar geweest, Verbrugge?

--Ja.

--Welnu, dan weet je dat er peperkultuur in 't Natalsche is. De
pepertuinen liggen te _Taloh-Baleh_, benoorden Natal, aan de kust. Ik
moest ze inspekteeren, en daar ik geen verstand van peper had, nam ik in
de _prahoe_[84] een _datoe_ mee, die er meer van wist. Zyn dochtertje,
toen een kind van dertien jaren, ging mee. We zeilden langs de kust, en
verveelden ons ...

--En toen hebt ge schipbreuk geleden?

--Wel neen, t was mooi weer, al te mooi. De schipbreuk waarop je doelt,
viel veel later voor. Anders zou ik me niet verveeld hebben. Zoo zeilden
we langs de kust, en 't was stikheet. Zoo'n prauw biedt weinig
gelegenheid tot afleiding, en daarby was ik juist in een verdrietige
stemming, waartoe veel oorzaken het hare bydroegen. Ik had, _primo_, een
ongelukkige liefde, ten-tweede, een ... ongelukkige liefde, ten-derde
... nu ja, nòg iets van dien aard, enz. Och, dat hoort er zoo by. Maar
bovendien bevond ik my in een statie tusschen twee aanvallen van
eerzucht. Ik had me koning gemaakt, en was weer onttroond. Ik was op een
toren geklommen, en weer op den grond gevallen ... ik zal nu maar
overslaan hoe dat kwam! Genoeg, ik zat daar in die prauw met een zuur
gezicht en slecht humeur, en was, wat de Duitschers noemen:
_ungeniessbar_. Ik vond onder anderen dat het niet te-pas kwam my
pepertuinen te laten inspekteeren, en dat ik lang had moeten aangesteld
zyn tot gouverneur van een zonnestelsel. Hierby kwam het me voor als
zedelyke moord, een geest als den mynen in één prauw te zetten met dien
dommen _datoe_ en zyn kind.

Ik moet je zeggen, dat ik anders de maleische Hoofden wèl lyden mocht,
en goed met hen overweg kon. Zelfs bezitten zy veel dat my hen doet
voortrekken boven de javaansche Grooten. Ja, ik weet wel, Verbrugge, dat
je dit niet met my eens bent, er zyn slechts weinigen die 't me toestemmen
... maar dit laat ik nu dáár.[85]

Als ik dat reisjen op een anderen dag gedaan had--met wat minder
muizenesten in 't hoofd, meen ik--zou ik waarschynlyk terstond met dien
_datoe_ in gesprek zyn gekomen, en misschien had ik gevonden dat hy myn
omgang wel waard was. Wellicht had ik dan ook het meisjen aan 't spreken
gebracht, en dit had my misschien onderhouden en vermaakt, want een kind
heeft meestal iets oorspronkelyks ... schoon ik erkennen moet dat ikzelf
toen nog te veel kind was, om belang te stellen in oorspronkelykheid.
Thans is dit anders. Nu zie ik in elk meisje van dertien jaren een
manuskript waarin nog weinig of niets is doorgestreken. Men verrast den
auteur _en négligé_, en dit is dikwyls aardig.

Het kind reeg kralen aan een snoer, en scheen al haar aandacht daarby
noodig te hebben. Drie rooden, één zwarte ... drie rooden, één zwarte:
't was mooi!

Ze heette _Si Oepi Keteh_. Dit beduidt op Sumatra zooveel als: _kleine
freule_ ... ja, Verbrugge, jy weet het wel, maar Duclari heeft altyd op
Java gediend.[86] Ze heette Si Oepi Keteh, maar in myn gedachten noemde
ik haar "stumpert" of zoo-iets, omdat ik naar myn schatting zoo
hemelhoog boven haar verheven was.

't Werd middag ... avend byna, en de kralen werden opgeborgen. Het land
schoof langzaam naast ons weg, en kleiner en kleiner werd de _Ophir_
rechts achter ons.[87] Links in 't westen boven de wyde, wyde zee, die
geen grens heeft tot waar Madagaskar ligt, en Afrika daar achter, zakte
de zon, en liet haar stralen in gedurig stomper buiging kiskassen[88]
over de golven, en zy zocht verkoeling in de zee. Hoe drommel was ook
weer dat ding?

--Wat voor ding ... de zon?

--Ach, neen ... ik maakte verzen in die dagen! O, verrukkelyk! Hoor
eens:

    Ge vraagt waarom toch de O
      Die Natals ree bespoelt,
    Schoon elders minzaam en gedwee,
    Ontstuimig slechts op Natals ree,
      Gedurig kookt en woelt?

    Ge vraagt, en de arme visschersknaap
      Heeft nauw uw vraag verstaan,
    Of wenkend met het donker oog,
    Wyst hy u aan d'onmeetbren boog
      Het verre Westen aan.

    Hy wendt den blik van 't donker oog
      En staart naar 't Westen heen,
    En toont u, daar ge rondsom ziet,
    Slechts water, water, in 't verschiet,
      En zee, en zee alleen!

    En dáárom schuurt hier de Oceaan
      Zoo fel het oeverzand:
    't Is zee slechts, waar ge rondsom ziet,
    En water, water, anders niet,
      Tot Madagaskars strand!

    En menig offer werd gebracht
      Ten zoen voor d'Oceaan!
    En menig kreet, in 't nat gesmoord,
    Door vrouw, noch kind, noch maag gehoord,
      Werd slechts door God verstaan!

    En menig hand voor 't laatst gestrekt
      Rees opwaarts uit het meer,
    En voelde en greep en plaste in 't rond,
    En zocht of ze ergens steunsel vond,
      En zonk voor eeuwig neer!

    En...

--En ... en ... _ik weet de rest niet meer_.

--Die is weertevinden door er om te schryven aan Krygsman, uw klerk te
Natal. Hy heeft het, zei Verbrugge.

--Hoe komt _hy_ daaraan? vroeg Max.

--Misschien uit uw papiermand. Maar zeker is 't, dát hy het heeft! Volgt
er niet de legende van de eerste zonde, die 't eiland zinken deed
waardoor vroeger de reede van Natal werd beschermd? De geschiedenis van
_Djiwa_ met de twee broeders?

--Ja, dàt is waar. Die legende ... was geen legende. Het was een parabel
die ik maakte, en die misschien over een paar eeuwen legende worden zal
als Krygsman dat ding wat veel opdeunt. Zóó begonnen alle mythologien.
_Djiwa_ is: ziel, zooals je weet, _ziel, geest_ of zoo-iets. Ik maakte
er een vrouw van, de onmisbare, ondeugende Eva ...

--Wel, Max, waar blyft onze kleine freule met haar kraaltjes? vroeg
Tine.

--De kralen waren opgeborgen. Het was zes uur, en daar onder de
evennachtslyn--_Natal_ ligt op weinige minuten noord: als ik over-land
naar _Ayer-Bangie_ ging, stapte ik te paard over de linie heen, of
nagenoeg ...'t was om er over te struikelen, waarachtig!--dáár was zes
uur 't sein tot avendgedachten. Nu vind ik dat een mensch 's avends
altyd iets beter is, of minder ondeugend liever, dan 's morgens, en dit
is natuurlyk. 's Morgens houdt men zich te-zamen--ik weet wel dat dit
een _germanismus_ is, maar hoe moet ik het zeggen in 't _hollandsch_?
--men is ... deurwaarder of kontroleur, of ... neen, dit is genoeg!
Een deurwaarder _hält sich zusammen_ om dien dag eens terdeeg zyn plicht
te doen ... god, welk een plicht! Hoe moet dat _zusammen gehalten_ hart
er uitzien! Een kontroleur--ik zeg dit niet voor u, Verbrugge!--een
kontroleur wryft zich de oogen uit, en ziet er tegen op den nieuwen
adsistent-resident te ontmoeten, die een bespottelyk overwicht wil
aannemen op een paar jaren diensttyd meer, en van wien hy zooveel
zonderlings gehoord heeft ... op Sumatra. Of hy moet dien dag velden
opmeten, en staat in dubio tusschen zyn eerlykheid--jy weet dit zoo niet,
Duclari, omdat je militair bent, maar er zyn werkelyk eerlyke kontroleurs!
--dan staat hy te waggelen tusschen die eerlykheid en de vrees dat _Radhen
Dhemang_, zóó of zóó hem den schimmel zal terugvragen, die zoo goed _telt_.
Of wel, hy moet dien dag kordaat _ja_ of _neen_ zeggen in antwoord op
missive nummer zóóveel. Kortom, 's morgens by 't ontwaken valt je de wereld
op 't hart, en dat is zwaar voor een hart, al is het sterk. Maar 's avends
heeft men een pauze. Er liggen tien volle uren tusschen nu en 't oogenblik
dat men zyn rok weerziet. Tien uren: zes-en-dertig-duizend sekonden om
mensch te zyn! Dit lacht ieder toe. Dit is 't oogenblik waarop ik hoop te
sterven, om ginder aantekomen met een inofficieel gezicht. Dit is 't
oogenblik waarop je vrouw iets weervindt in je gelaat, van wat haar _ving_
toen ze je dien zakdoek behouden liet met een gekroonde _E_ op de punt ...

--En toen ze nog 't recht niet had, verkouwen te wezen, zei Tine.

--Ach, plaag me niet! Ik wil maar zeggen dat men 's avends _gemütlicher_
is.

Toen alzoo de zon langzamerhand verdween, ging Havelaar voort, werd ik
een beter mensch. En als eerste blyk van die beterschap moge gelden, dat
ik tot de kleine freule zei:

"Het zal nu gauw wat koeler worden."

"Ja, _toewan_!" antwoordde zy.

Maar ik boog myn hoogheid nog dieper tot die "stumpert" neer, en ving
een gesprek met haar aan. Myn verdienste was te grooter omdat zy heel
weinig antwoordde. Ik had gelyk in al wat ik zei ... dat ook al
vervelend wordt, al is men nòg zoo verwaand.

"Zou je graag een volgenden keer weer meegaan naar _Taloh-Baleh_?" vroeg
ik.

"Zoo als toewan kommandeur[89] beveelt."

"Neen, ik vraag _u_ of _gy_ zoo'n reisjen aangenaam vindt?"

"Als myn vader het verkiest." antwoordde zy.

Zegt eens, heeren, was 't niet om dol te worden? Welnu, ik werd niet
dol. De zon was onder, en ik voelde my _gemüthlich_ genoeg om nòg niet
afgeschrikt te worden door zóóveel domheid. Of liever, ik geloof dat ik
begon vermaak te scheppen in 't hooren van myn stem--er zyn weinigen
onder ons, die niet gaarne luisteren naar zichzelf--maar na myn
_mutisme_ van den heelen dag, meende ik, nu ik eindelyk aan 't spreken
geraakt was, iets beters te verdienen dan de al te onnoozele antwoorden
van _Si Oepi Keteh_.

Ik zal haar een sprookje vertellen, dacht ik, dan hoor ikzelf het
met-een, en ik heb niet noodig dat ze my antwoordt. Nu weet ge dat, even
als by het lossen van een schip de laatst ingeladen _krandjang_
suiker[90] 't eerst weer voor den dag komt, ook wy gewoonlyk die
gedachte of die vertelling 't eerst lossen, die 't laatst is ingeladen.
In het _Tydschrift van Nederlandsch Indie_ had ik kort tevoren een
verhaal gelezen van Jeronimus: _de Japansche Steenhouwer_ ...

Hoort eens, die Jeronimus heeft lieve dingen geschreven! Hebt ge zyn
_Vendutie in een sterfhuis gelezen_? En zyn: _Graven_? En, vooral: de
_Pedatti_?[91] Ik zal 't u geven.

Ik dan had pas _de Japansche Steenhouwer_ gelezen. Ach, nu herinner ik
my op-eenmaal hoe ik zoo-even verdwaald ben geraakt in dat liedje,
waarin ik 't "donker oog" van dien visschersknaap tot scheelwordens toe
"rond-om laat dwalen" in één richting ... heel gek! Dat was een
aaneenschakeling van denkbeelden. Myn verstoordheid van dien dag stond
in verband met het gevaarlyke der Natalsche ree ... je weet, Verbrugge,
dat geen oorlogschip die reede mag aandoen, vooral niet in Juli ... ja,
Duclari, de westmousson is daar in Juli 't sterkst, juist andersom dan
hier.[92] Welnu, 't gevaarlyke van die reede schakelde zich vast aan myn
gekrenkte eerzucht, en die eerzucht hangt weer samen met dat liedjen
over _Djiwa_. Ik had den resident herhaaldelyk voorgesteld te _Natal_
een zeewering te maken, of althans een kunsthaven in de monding van de
rivier, met het doel om handel te brengen in de Afdeeling _Natal_, die
de zoo belangryke Battahlanden met de zee verbindt. Anderhalf millioen
menschen in 't binnenland wisten geen weg met hun produkt, omdat de
Natalsche ree--en terecht!--in zulk een slecht blaadje stond. Welnu,
die voorstellen waren door den resident niet goedgekeurd, of althans hy
beweerde dat de Regeering ze niet zou goedkeuren, en je weet dat
behoorlyke residenten nooit iets voorstellen, dan wat ze vooruit kunnen
berekenen dat aan 't Gouvernement bevallen zal. Het maken van een haven
te _Natal_ streed in principe tegen 't stelsel van afsluiting, en wel
verre van schepen daarheen te lokken, was 't zelfs verboden--tenzy in
geval van _force majeure_--raschepen op de reede _toetelaten_. Als er nu
toch een schip kwam--'t waren meestal Amerikaansche walvischvangers, of
Franschen die peper hadden geladen in de onafhankelyke rykjes op den
noordhoek[93]--liet ik my altyd door den kapitein een brief schryven,
waarin hy verlof vroeg om drinkwater intenemen. De verstoordheid over 't
mislukken myner pogingen om iets ten-voordeele van _Natal_ te bewerken,
of liever de gekrenkte ydelheid ... was 't niet hard voor me, nog zoo
weinig te beteekenen dat ik niet eens een haven kon laten maken waar ik
wilde? Nu, dit alles, in verband met myn kandidatuur voor 't regelen van
een zonnestelsel, had me dien dag zoo onbeminnelyk gemaakt. Toen ik door
't ondergaan der zon eenigszins genas--want ontevredenheid is een
ziekte--bracht juist die ziekte my den _Japanschen Steenhouwer_ voor den
geest, en misschien dacht ik alleen dáárom die geschiedenis overluid,
om, mezelf wysmakende dat ik het deed uit welwillendheid voor dat kind,
ter-sluik den laatsten druppel intenemen van het drankje dat ik voelde
noodig te hebben. Maar zy, dat kind, genas me--voor een dag of wat
althans--beter dan myn vertelling, die ongeveer aldus moet
geluid hebben:

   "_Oepi_, er was een man die steenen hieuw uit de rots. Zyn arbeid was
   zeer zwaar, en hy arbeidde veel, doch zyn loon was gering, en
   tevreden was hy niet.

   Hy zuchtte omdat zyn arbeid zwaar was. En hy riep: och, dat ik ryk
   ware, om te rusten op een _baleh-baleh_ met _klamboe_ van
   roode zyde.[94]

   En er kwam een engel uit den hemel, die zeide: u zy gelyk gy gezegd
   hebt.

   En hy wàs ryk. En hy rustte op een baleh-baleh, en de _klamboe_ was
   van roode zyde.

   En de koning des lands toog voorby, met ruiters voor zyn wagen. En
   ook achter den wagen waren ruiters, en men hield den gouden
   _pajong_[95] boven het hoofd van den koning.

   En toen de ryke man dit zag, verdroot het hem dat er geen gouden
   _pajong_, werd gehouden boven zyn hoofd. En tevreden was hy niet.

   Hy zuchtte, en riep: ik wenschte koning te zyn.

   En er kwam een engel uit den hemel, die zeide: u zy gelyk gy gezegd
   hebt.

   En hy wàs koning. En voor zyn wagen reden vele ruiters, en ook waren
   er ruiters achter zyn wagen, en boven zyn hoofd hield men den gouden
   _pajong_.

   En de zon scheen met heete stralen, en verbrandde het aardryk, zoodat
   de grasscheut dor werd.

   En de koning klaagde dat de zon hem schroeide in het gelaat, en macht
   had boven hem. En tevreden was hy niet.

   Hy zuchtte, en riep: ik wenschte de zon te zyn.

   En er kwam een engel uit den hemel, die zeide: u zy gelyk gy gezegd
   hebt.

   En hy wàs de zon. En hy zond zyn stralen naar boven, en naar beneden,
   naar de rechterzyde en naar de linkerzyde, en alom.

   En hy verschroeide den grasscheut op het aardryk, en het gelaat der
   vorsten die op de aarde waren.

   En een wolk stelde zich tusschen de aarde en hem, en de stralen van
   de zon stuitten daarop terug.

   En hy werd toornig dat zyner macht weerstaan werd, en hy klaagde dat
   die wolk machtig was boven hem. En tevreden was hy niet.

   Hy wilde de wolk zyn, die zoo machtig was.

   En er kwam een engel uit den hemel, die zeide: u zy gelyk gy gezegd
   hebt.

   En hy werd een wolk, en plaatste zich tusschen de zon en de aarde, en
   ving de stralen op, zoodat het gras groen werd.

   En de wolk regende in groote druppen op het aardryk, en deed de
   rivieren zwellen, en _banjirs_ voerden de kudden weg.

   En hy verwoestte door veel waters het veld.

   En hy viel neer op een rots, die niet week. En hy klaterde in groote
   stroomen, maar de rots week niet.

   En hy werd toornig omdat de rots niet wyken wilde, en omdat de
   sterkte van zyn stroomen ydel was. En tevreden was hy niet.

   Hy riep: aan die rots is macht gegeven boven my. Ik wenschte die rots
   te zyn.

   En er kwam een engel uit den hemel, die zeide: u zy gelyk gy gezegd
   hebt.

   En hy wèrd rots, en bewoog niet als de zon scheen, en niet als het
   regende.

   En daar kwam een man met houweel, en met puntigen bytel, en met
   zwaren hamer, die steenen hieuw uit de rots. En de rots zeide: wat is
   dit, dat die man macht heeft boven my, en steenen houwt uit myn
   schoot? En tevreden was hy niet.

   Hy riep: ik ben zwakker dan deze ... ik wenschte die man te zyn.

   En er kwam een engel uit den hemel, die zeide: u zy gelyk gy gezegd
   hebt.

   En hy was een steenhouwer. En hy hieuw steenen uit de rots, met
   zwaren arbeid, en hy arbeidde zeer zwaar voor weinig loons, en hy was
   tevreden."

--Heel aardig, riep Duclari, maar nu zyt ge ons nog 't bewys schuldig
dat die kleine _Oepi_ imponderabel had moeten wezen.

--Neen, ik heb u dat bewys niet beloofd! Ik heb alleen willen vertellen
hoe ik kennis met haar maakte. Toen myn verhaaltjen uit was, vroeg ik:

"En jy, _Oepi_, wat zou jy kiezen, als een engel uit den hemel je kwam
vragen wat je begeerde?"

"Voorzeker, mynheer, ik zou hem bidden my meetenemen naar den hemel."

--Is dat niet beeldig? vroeg Tine aan haar gasten, die 't misschien heel
gek vonden ...

Havelaar stond op, en vaagde iets weg van het voorhoofd.



TWAALFDE HOOFDSTUK


--Beste Max, zei Tine, ons dessert is zoo schraal. Zou je niet ... je
weet wel ... Madame Geoffrin?[96]

--Nog wat vertellen, in plaats van gebak? Wat drommel, ik ben heesch. De
beurt is aan Verbrugge.

--Ja, m'nheer Verbrugge! Lost u Max wat af, verzocht mevrouw Havelaar.

Verbrugge bedacht zich even, en begon:

--Er was eens een man, die een kalkoen stal ...

--O, deugniet, riep Havelaar, dat heb je van _Padang_! En hoe is 't
verder?

--'t Is uit. Wie kent het slot van die historie?

--Wèl, _ik_! Ik heb hem opgegeten, samen met ...iemand. Weet je waarom
ik te _Padang_, gesuspendeerd was?

--Men zei dat er een deficit was in uw kas te _Natal_, hernam Verbrugge.

--Dit was niet geheel onwaar, doch _waar_ was 't ook niet. Ik was te
_Natal_ door allerlei oorzaken heel slordig geweest in myn geldelyke
verantwoording, waarop inderdaad veel aanmerkingen te maken waren. Maar
dit viel in die dagen zoo dikwyls voor! De omstandigheden in de Noord
van Sumatra waren kort na 't innemen van _Baroes, Tapoes_ en _Singkel_
zóó verward, alles was zóó onrustig, dat men het een jong mensch, die
liever te-paard zat dan dat hy geld telde of kasboeken byhield, niet
kwalyk nemen kon dat alles niet zoo ordelyk en geregeld ging als men zou
kunnen vorderen van een amsterdamschen boekhouder die niet anders te
doen heeft. De Battahlanden waren in roering, en je weet, Verbrugge, hoe
altyd alles wat in de Battahs gebeurt, terugwerkt op 't Natalsche. Ik
sliep 's nachts geheel gekleed om spoedig by-dehand te zyn, wat dan ook
dikwyls noodig was. Daarby heeft het gevaar--eenigen tyd voor myn komst
was er een komplot ontdekt, om myn voorganger te vermoorden en opstand
te maken--het gevaar heeft iets aantrekkelyks, vooral wanneer men
slechts twee-en-twintig jaren oud is. Dit aantrekkelyke maakt dan iemand
wel eens ongeschikt voor bureauwerk of voor de styve nauwkeurigheid die
noodig is tot goed beheer van geldzaken. Bovendien, ik had allerlei
gekheden in 't hoofd ...

--_Traoessa_?[97] riep mevrouw Havelaar een bediende toe.

--Wàt hoeft niet?

--Ik had gezegd nog iets gereed te maken in de keuken ... een omelet of
zoo-iets.

--Ah! En dat hoeft niet meer nu ik van myn gekheden begin? je bent
ondeugend, Tine! 't Is my wel, maar die heeren hebben ook een stem.
Verbrugge, wat kies je, je aandeel in de omelet of de historie?

--Dat is een moeielyke pozitie voor een beleefd mensch zei Verbrugge.

--En ook ik zou liever niet kiezen, voegde Duclari er by, want het is
hier te doen om een uitspraak tusschen m'nheer en mevrouw, en: _entre
l'écorce et le bois, il ne faut pas mettre le doigt_.

--Ik zal u helpen, heeren, de omelet is ...

--Mevrouw, zei de zeer beleefde Duclari, de omelet zal toch wel zooveel
waard zyn als ...

--Als de historie? Zeker _als_ ze wat waard was! Doch er is een bezwaar
...

--Ik wed dat er nog geen suiker in huis is, riep Verbrugge. Och, laat
toch by my halen wat ge noodig hebt!

--Suiker is er ... van mevrouw Slotering. Neen, daaraan hapert het niet.
Als de omelet overigens goed was, zou dat geen bezwaar zyn, maar ...

--Hoe dan, mevrouw, is ze in 't vuur gevallen?

--Ik wou dat het waar was! Neen, ze kan niet in 't vuur vallen Ze is ...

--Maar, Tine, riep Havelaar, wat is ze dan toch?

--Ze is imponderabel, Max, als je vrouwen te Arles ... wezen moesten! Ik
heb geen omelet ... ik heb niets meer!

--Dan in 's hemelsnaam de historie! zuchtte Duclari met koddige wanhoop.

--Maar koffi hebben we, riep Tine.

--Goed! Koffidrinken in de voorgalery, en laat ons mevrouw Slotering met
de meisjes daarby roepen, zei Havelaar, waarop 't kleine gezelschap naar
buiten toog.

--Ik gis dat ze bedanken zal, Max! je weet dat ze ook liever niet met
ons eet, en ik kan haar geen ongelyk geven.

--Ze zal gehoord hebben dat ik histories vertel, zei Havelaar, en dat
heeft haar afgeschrikt.

--Wel neen, Max, dat zou haar niet deren: ze verstaat geen hollandsch.
Neen, ze heeft my gezegd dat ze haar eigen huishouding wil blyven
voeren, en dit begryp ik heel goed. Weet je nog hoe je myn naam
vertaald hebt?

--_E.H.V.W: eigen haard veel waard_.

--Daarom! Ze heeft groot gelyk. Bovendien, ze komt me wat menschenschuw
voor. Verbeeld je dat zy alle vreemden die 't erf betreden, laat
wegjagen door de oppassers ...

--Ik verzoek om de historie of de omelet, zei Duclari.

--Ik ook! riep Verbrugge. Uitvluchten worden niet aangenomen. We hebben
aanspraak op een volledig maal, en daarom eisch ik de geschiedenis van
den kalkoen.

--Die heb ik je reeds gegeven, zei Havelaar. Ik had het beest gestolen
van den generaal Vandamme, en heb 't opgegeten ... met iemand.

--Voor die "iemand" ten-hemel voer, zei Tine schalk.

--Neen, dat is tricheeren: riep Duclari. We moeten weten waarom ge dien
kalkoen ... weggenomen hebt.

--Wèl, omdat ik gebrek leed, en dat was de schuld van den generaal
Vandamme die me gesuspendeerd had.

--Als ik er niet meer van te weten kryg, breng ik een volgenden keer
zelf een omelet mee, klaagde Verbrugge.

--Geloof me, er stak niets meer achter dan dàt. Hy had zeer véél
kalkoenen, en ik had niets. Men dreef die dieren voorby myn deur ... ik
nam er een, en zei tot den man die zich verbeeldde er op te passen: "zeg
den generaal dat ik, Max Havelaar, dezen kalkoen neem omdat ik
eten wil."

--En dan dat epigram?

--Heeft Verbrugge je daarvan gesproken?

--Ja.

--Dat had niets met den kalkoen uittestaan. Ik maakte dat ding omdat hy
zooveel ambtenaren suspendeerde. Er waren er op _Padang_ zeker zeven of
acht die hy met meer of min rechtvaardigheid in hun ambten geschorst
had, en velen onder hen verdienden 't veel minder dan ik. De
adsistent-resident van _Padang_ zelf was gesuspendeerd, en wel om een
reden die, naar ik geloof, een geheel andere was dan de in het besluit
opgegevene. Ik wil u dat wel vertellen, schoon ik niet verzekeren kan
dat ik alles juist weet, en alleen òverzeg wat men in de _chinesche
kerk_[98] te _Padang_ voor waar hield, en wat dan ook--vooral met het
oog op de bekende eigenschappen van den generaal--waar _kan_
geweest zyn.

Hy had, moet ge weten, zyn vrouw getrouwd om een weddingschap te winnen,
en daarmee een anker wyn. Hy ging dus dikwyls 's avends uit, om ...
overal rondteloopen. De surnumerair Valkenaar moet eens in een straatje
naby 't meisjesweeshuis zyn inkognito zóó stipt geëerbiedigd hebben, dat
hy hem een pak slaag heeft gegeven even als een _gewonen_
straatschender. Niet ver van daar woonde _Miss_ X. Er liep een gerucht
dat die _Miss_ 't leven zou gegeven hebben aan een kindje, dat ...
verdwenen was. De adsistent-resident was als hoofd der politie
verplicht, en ook inderdaad van plan, zich met die zaak te bemoeien, en
schynt van dit voornemen iets gezegd te hebben op een whistparty by den
generaal. Doch zie, den volgenden dag ontvangt hy den last zich naar
zekere Afdeeling te begeven, welker gezagvoerende kontroleur wegens ware
of veronderstelde oneerlykheid geschorst was in zyn beheer, om _in loco_
zekere zaken te onderzoeken en daarvan "te dienen van bericht." Wèl was
de adsistent-resident verwonderd dat hem iets werd opgedragen dat zyn
Afdeeling in 't geheel niet aanging, doch daar hy strikt genomen deze
opdracht kon beschouwen als een vereerende onderscheiding, en dewyl hy
met den generaal op zeer vriendschappelyken voet stond zoodat hy geen
oorzaak had aan een valstrik te denken, berustte hy in deze zending, en
begaf zich naar ik wil vergeten hebben waarheen, om te doen wat hem
bevolen was. Na eenigen tyd keert hy terug, en biedt een verslag aan dat
niet ongunstig luidde voor dien kontroleur. Doch ziet, er was gedurende
dien tyd op _Padang_, door 't publiek--dat is: door niemand en
iedereen--ontdekt dat die ambtenaar slechts gesuspendeerd was om een
gelegenheid te scheppen den adsistent-resident van de plaats te
verwyderen, ten-einde zyn voorgenomen onderzoek naar de verdwyning van
dat kind te voorkomen, of althans te verschuiven tot een tydstip dat die
zaak moeielyker zou optehelderen zyn. Ik herhaal nu dat ik niet weet of
dit waar was, doch naar de kennis die ikzelf later van den generaal
Vandamme opdeed, komt deze lezing van 't geval my geloofbaar voor. Op
_Padang_ was er niemand die hem niet--wat het peil aangaat, waartoe zyn
zedelykheid was afgedaald--tot zoo-iets in-staat keurde. De meesten
kenden hem slechts één goede hoedanigheid toe, die van onverschrokkenheid
in 't gevaar, en indien ik, die hem in gevaar gezien heb, van meening ware
dat hy _après tout_ een dapper man was, zou dit alleen my bewegen u deze
geschiedenis niet te vertellen. 't Is waar, hy had op Sumatra veel laten
"sabreeren" doch wie sommige gebeurtenissen van naby gezien had[99] voelde
neiging om wat aftedingen op zyn dapperheid, en, hoe vreemd het schyne,
ik geloof dat hy zyn krygsmansroem grootendeels te danken had aan de zucht
tot tegenstelling, die ons allen min of meer bezielt. Men zegt gaarne:
't is waar dat Peter of Paul _dit_, _dit_ of _dit_ is, maar ... _dàt_ is
hy, _dàt_ moet men hem laten! En nooit kan men zoo zeker zyn geprezen te
worden, dan wanneer men een zeer in 't oog vallend gebrek heeft. Jy,
Verbrugge, bent alle dagen dronken ...

--Ik? vroeg Verbrugge die een voorbeeld was van matigheid.

--Ja, _ik_ maak je nu dronken, alle dagen! je vergeet je zóó ver, dat
Duclari 's avends in de galery over je struikelt. Dit zal hy onaangenaam
vinden, maar terstond zal hy zich herinneren iets goeds in je gezien te
hebben dat hem toch vroeger niet in 't oog viel. En als ik dan kom, en
ik vind je zoo erg ... _horizontaal_, dan zal hy my de hand op den arm
leggen, en uitroepen--"och, geloof toch dat hy overigens zoo'n beste
brave knappe jongen is!"

--Dat zeg ik tòch van Verbrugge, riep Duclari, al is hy _vertikaal_.

--Niet met dat vuur en die overtuiging! Herinner je eens hoe dikwyls men
hoort zeggen: "o, als _die_ man op zyn zaken wilde passen, dàt zou
iemand wezen! Maar ... en dan volgt het betoog hoe hy _niet_ op zyn
zaken past en dus _niemand_ is. Ik geloof hiervan de reden te weten. Ook
van de dooden verneemt men altyd goede hoedanigheden waarvan we vroeger
niets bemerkten. De oorzaak zal wel zyn dat ze niemand _in den weg
staan_. Alle menschen zyn min of meer mededingers. We zouden gaarne èlk
ander _geheel_ en _in alles_ onder ons plaatsen. Dit echter te uiten,
verbiedt de goede toon en zelfs het eigenbelang, want zeer spoedig zou
niemand ons gelooven ook al beweerden wy iets waars. Er moet dus een
omweg gezocht worden, en ziet hier hoe we dit doen. Als gy, Duclari,
zegt: "de luitenant Slobkous is een goed soldaat, waarachtig hy is een
goed soldaat, ik kan je niet genoeg zeggen welk een goed soldaat de
luitenant Slobkous is ... maar een _theoretikus_ is hy niet ...

Heb je niet zoo gezegd, Duclari?

--Ik heb nooit een luitenant Slobkous gekend of gezien?

--Goed, schep er dan een, en zeg dat van hem.

--Wèl, ik schep hem, en zeg het.

--Weet je wat ge nu gezegd hebt? Je hebt gezegd dat jy, Duclari, _à
cheval_ bent op de _theorie_. Ik ben geen haar beter. Geloof me, we doen
onrecht zoo boos te worden op iemand die heel slecht is, want de goeden
onder ons zyn 't slechte zoo na! Laat eens de volmaaktheid nul heeten,
en honderd graden voor slecht gelden, hoe verkeerd doen we dan--wy, die
dobberen tusschen acht-en negen-en-negentig!--_haro_ te roepen over
iemand die op honderd-en-één staat! En nog geloof ik dat velen dien
honderdsten graad slechts niet bereiken uit gemis aan goede
eigenschappen, aan moed by-voorbeeld om geheel te zyn wat men is.

--Op hoeveel graden sta ik, Max?

--Ik heb een loep noodig voor de onderdeelen, Tine.

--Ik reklameer, riep Verbrugge--neen, mevrouw, niet tegen uwe nabyheid
aan de nul!--neen, maar er zyn ambtenaren gesuspendeerd, er is een kind
zoek, een generaal in staat van beschuldiging ... ik vraag: _la pièce_!

--Tine, zorg toch dat er een volgenden keer wat in huis is! Neen,
Verbrugge, je krygt _la pièce_ niet, voor ik nog een beetje heb
rondgereden op myn stokpaardje over de tegenstellingen. Ik zei dat elk
mensch in zyn medemensch een soort van konkurrent ziet. Men mag niet
altyd laken--wat in 't oog vallen zou!--daarom verheffen wy gaarne een
goede eigenschap bovenmate, om de kwade hoedanigheid aan welker
openbaring ons eigenlyk alleen gelegen is, te doen in het oog vallen,
zonder den schyn op ons te laden van partydigheid. Als iemand zich by my
beklaagt omdat ik gezegd heb: "zyn dochter is zeer schoon, maar hy is
een dief" dan antwoord ik: "hoe kan je dáárover zoo boos wezen! Ik heb
immers gezegd dat je dochter een lief meisjen is!" Zieje, dat wint
dubbel! Wy beiden zyn kruieniers, ik neem hem zyn klanten af, die geen
rozynen willen koopen by een dief, en te-gelyker-tyd zegt men van my dat
ik een goed mensch ben, omdat ik de dochter prys van een konkurrent.

--Neen, zóó erg is 't niet, zei Duclari, dàt is wat sterk!

--Dit komt u nu zoo voor, omdat ik de vergelyking wat kort en brusk
gemaakt heb. We moeten ons dat: "hy is een dief" eenigszins omzwachteld
voorstellen. De strekking der gelykenis blyft waar. Wanneer we
genoodzaakt zyn iemand zekere eigenschappen toe te kennen die aanspraak
geven op achting, eerbied of ontzag, dan doet het ons genoegen naast die
eigenschappen iets te ontdekken, dat ons van den verschuldigden cyns
voor een gedeelte of geheel ontslaat. "Voor _zulk_ een dichter zou men
't hoofd buigen, maar ... hy slaat zyn vrouw!"[100] Ziet ge, dan
gebruiken wy gaarne de blauwe plekken van die vrouw als voorwendsel om
ons hoofd overeind te houden, en in 't eind doet het ons zelfs pleizier
dat hy 't mensch slaat, wat toch anders heel leelyk is. Zoodra wy
erkennen moeten dat iemand hoedanigheden bezit die hem de eer van een
voetstuk waardig maken, zoodra we zyn aanspraken daarop niet langer
kùnnen loochenen zonder doortegaan voor onkundig, gevoelloos, of
nayverig ... dan zeggen we ten-laatste: "goed, zet hem er op!" Maar
reeds onder dat opzetten, en als hyzelf nog meent dat we verrukt staan
over zyn uitstekendheid, hebben we reeds den strik gelegd in den _lazzo_
die dienen moet om hem by de eerste gunstige gelegenheid naar-beneden te
halen. Hoe meer _mutatie_ onder de _inhabers_ der voetstukken, hoe
grooter de kans voor anderen om óók eens aan de beurt te komen, en dit
is zóó waar dat wy uit gewoonte en tot oefening--even als een jager die
op kraaien schiet, welke hy toch liggen laat--ook _die_ standbeelden
gaarne neerhalen, welker piedestal nooit door ons kan bestegen worden.
Kappelman die zich voedt met zuurkool en scharrebier, zoekt verheffing
in de klacht: "Alexander wàs niet groot ... hy was onmatig" zonder dat
er voor Kappelman de minste kans bestaat ooit met Alexander te
konkurreeren in wereldverovering.

Hoe dit zy, ik ben zeker dat velen nooit op 't denkbeeld zouden gekomen
zyn, den generaal Vandamme voor zoo dapper te houden, als zyn dapperheid
niet had kunnen dienen tot voertuig van 't altyd daarby gevoegde: "maar
... zyn zedelykheid!" En tevens, dat deze onzedelykheid niet zoo hoog
zou opgenomen zyn door de velen die zelf niet zoo onaantastbaar waren op
dit stuk, wanneer men ze niet had noodig gehad tot het opwegen tegen zyn
roem van dapperheid, die sommigen belette te slapen.

Één eigenschap bezat hy werkelyk in hooge mate: wilskracht. Wat hy zich
voornam, moest geschieden, en geschiedde ook gewoonlyk. Doch--zie je wel
dat ik weer terstond de tegenstelling by-de-hand heb?--doch in de keuze
der middelen was hy dan ook wat ... vry, en, zooals van der Palm--naar
ik geloof, ten-onrechte--van Napoléon zeide: "hinderpalen der
zedelykheid stonden hem nooit in den weg!" Nu, dan is 't zeker
gemakkelyker zyn doel te bereiken, dan wanneer men zich door zoo-iets
wèl gebonden acht.

De adsistent-resident van _Padang_, dan had een bericht uitgebracht, dat
gunstig luidde voor dien gesuspendeerden kontroleur, wiens suspensie
hierdoor een tint van onrechtvaardigheid bekwam. De Padangsche praatjes
duurden voort: men sprak nog altyd over 't verdwenen kind. De
adsistent-resident voelde zich op-nieuw geroepen die zaak optevatten,
maar voor hy iets tot helderheid had kunnen brengen, ontving hy een
besluit waarby hy door den Gouverneur van Sumatra's Westkust werd
gesuspendeerd "wegens oneerlykheid in ambtsbetrekking." Het heette dat
hy uit vriendschap of medelyden de zaak van dien kontroleur, tegen beter
weten aan, in een valsch daglicht had gesteld.

Ik heb de stukken die deze zaak betreffen, niet gelezen, maar ik weet
dat de adsistent-resident niet in de minste betrekking met dien
kontroleur stond, hetgeen reeds hieruit blykt dat men juist _hem_ had
gekozen om die zaak te onderzoeken. Ik weet voorts dat hy een
achtenswaardig persoon was, en dat ook de Regeering hem hiervoor hield,
hetgeen blykt uit het vernietigen der suspensie, nadat de zaak elders
dan op Sumatra's Westkust onderzocht was. Ook die kontroleur is later
geheel in zyn eer hersteld geworden. Het was hun suspensie die my 't
puntdicht ingaf, dat ik op de ontbyttafel van den generaal liet
neerleggen door iemand die toen by hem, vroeger by my in dienst was.

      Het wandlend schorsbesluit dat schorsend ons regeert,
    Jan Schors-al, Gouverneur, de weerwolf onzer dagen,
      Had zyn geweten zelf met vreugd gesuspendeerd...
    Als 't niet voor langen tyd finaal reeds ware ontslagen.

--Neem me niet kwalyk, m'nheer Havelaar, ik vind dat zoo-iets niet te
pas kwam, zei Duclari.

--Ik ook ... maar ik moest toch _iets_ doen! Verbeeld je dat ik geen
geld had, niets ontving, en van-dag tot-dag vreesde te sterven van
honger, wat dan ook naby genoeg geweest is. Ik had weinig of geen
betrekkingen op _Padang_, en bovendien, ik had den generaal geschreven
dat _hy_ verantwoordelyk was indien ik omkwam van ellende, en dat ik van
niemand hulp zou aannemen. In de binnenlanden waren er die, vernemende
hoe 't met my gesteld was, my uitnoodigden ten hunnent te komen, maar de
generaal verbood dat men my daarheen een pas zou geven. Naar Java
vertrekken mocht ik ook niet. Overal elders had ik me kunnen redden, en
misschien ook dáár als men niet zoo bevreesd ware geweest voor den
machtigen generaal. Het scheen zyn plan te zyn my te laten verhongeren.
Dat heeft negen maanden geduurd!

--En hoe hebt ge u zoolang in 't leven gehouden? Of had de generaal véél
kalkoenen!

--O ja! Maar dit hielp me niet ... zoo-iets doet men maar ééns, niet
waar? Wat ik gedurende dien tyd uitrichtte? Och ... ik maakte verzen,
schreef komedies ... en zoo al voort.

--En was daarvoor op _Padang_ ryst te-koop?

--Neen, maar die heb ik er ook niet voor gevraagd. Ik zeg liever niet
hoe ik geleefd heb.[101]

Tine drukte hem de hand, _zy_ wist het.

--Ik heb een paar regels gelezen, die ge in die dagen zoudt geschreven
hebben achter op een kwitantie, zei Verbrugge.

--Ik weet wat je bedoelt. Die regels schetsen myn pozitie. Er bestond in
die dagen een tydschrift, _de Kopiist_, waarop ik inteekenaar was. Het
stond onder de bescherming van de Regeering--de redakteur was ambtenaar
by de algemeene Sekretarie[102]--en hierom werden de inteekeningsgelden
in 's lands kas gestort. Men bood my een kwitantie van twintig gulden
aan. Daar nu dit geld op de bureaux van den Gouverneur moest worden
verhandeld, en dus de kwitantie, als zy onbetaald bleef, die bureaux te
passeeren had om te worden teruggezonden naar Batavia, maakte ik van die
gelegenheid gebruik om achter op dat stuk te protesteeren tegen
myn armoede:

    Vingt-florins... quel trésor! Adieu, littérature,
      Adieu, Copiste, adieu! Trop malheureux destin:
      Je meurs de faim, de froid, d'ennui et de chagrin,
    Vingt florins font pour moi deux mois de nourriture!
      Si j'avais vingt florins je serais mieux chaussé,
    Mieux nourri, mieux logé, j'en ferais bonne chère...
    Il faut vivre avant tout, soit vie de misère:
      Le crime fait la honte, et non la pauvreté!

Maar toen ik later te Batavia by de redaktie van den _Kopiist_ myn
twintig gulden kwam brengen, was ik niets schuldig. Het schynt dat de
generaal zelf dat geld voor my betaald heeft, om niet gedwongen te zyn
die geillustreerde kwitantie terug te zenden naar Batavia.

--Maar wat deed hy na 't ... na 't ... wegnemen van dien kalkoen? 't Was
toch ... een diefstal! En na dat epigram?

--Hy strafte me vreeselyk! Wanneer hy my voor die zaken had laten
terechtstaan als schuldig aan oneerbiedigheid jegens den Gouverneur van
Sumatra's Westkust, hetgeen in die dagen met een beetje goeden wil had
kunnen worden uitgelegd als "_pooging, tot ondermyning van 't
nederlandsch gezag, en aanhitsing, tot opstand_" of aan "_diefstal op
den publieken weg_" zou hy getoond hebben een goedhartig mensch te zyn.
Maar neen, hy strafte me beter ... akelig! Aan den man die op de
kalkoenen passen moest, liet hy gelasten voortaan een anderen weg te
kiezen. En myn puntdicht ... ach, dàt is nog erger zeide _niets_, en
deed _niets_! Ziet ge, dit was wreed! Hy gunde me niet het minste
martelaars-air, ik werd niet belangwekkend door vervolging, en mocht
niet ongelukkig wezen door verregaande geestigheid! O, Duclari ... o,
Verbrugge ...'t was om eens-voor-al te walgen van puntdichten en
kalkoenen! Zo weinig aanmoediging dooft de vlam van 't genie uit tot de
laatste vonk ... inkluzief: ik heb 't nooit weer gedaan!



DERTIENDE HOOFDSTUK


--En mag men nu weten waarom ge eigenlyk gesuspendeerd waart? vroeg
Duclari.

--O ja, gaarne! Want daar ik alles wat ik u hiervan te zeggen heb, voor
wáár geven en zelfs nog gedeeltelyk bewyzen kan, zult ge daaruit zien
dat ik niet lichtvaardig handelde toen ik myn verhaal over dat vermiste
kind, de praatjes van _Padang_ niet verwierp als volstrekt ongerymd. Men
zal ze zeer geloofbaar vinden, zoodra men onzen dapperen generaal leert
kennen in de zaken die _my_ betreffen.

Er waren dan in myn kasrekening te _Natal_ onnauwkeurigheden en
verzuimen. Ge weet hoe elke onnauwkeurigheid op nadeel uitloopt: nooit
heeft men door slordigheid geld over. De chef van de komptabiliteit te
_Padang_--die nu juist myn byzondere vriend niet was--beweerde dat er
duizenden te-kort kwamen. Maar let wel dat men my, zoolang ik te _Natal_
was, daarop niet had opmerkzaam gemaakt. Geheel onverwachts ontving ik
een overplaatsing naar de Padangsche bovenlanden. Je weet, Verbrugge,
dat op Sumatra een plaatsing in de bovenlanden van _Padang_ als
voordeeliger en aangenamer wordt beschouwd dan in de noordelyke
residentie. Daar ik nog slechts weinig maanden vroeger den Gouverneur by
my had gezien--straks zult ge hooren waarom, en hoe?--en omdat er
gedurende zyn verblyf te _Natal_, en zelfs in myn huis, zaken waren
voorgevallen waarin ik meende my al zeer flink gedragen te hebben, nam
ik die overplaatsing als een gunstige onderscheiding op, en vertrok van
_Natal_ naar _Padang_. Ik deed de reis met een fransch schip, de
_Baobab_ van Marseille, dat te Atjeh peper had ingeladen, en ...
natuurlyk te _Natal_ "gebrek had aan drinkwater." Zoodra ik te _Padang_
aankwam, met het doel vandaar terstond naar de binnenlanden te
vertrekken, wilde ik volgens gebruik en plicht den Gouverneur bezoeken,
maar hy liet me zeggen dat hy me niet ontvangen kon, en tevens dat ik
myn vertrek naar myn nieuwe standplaats moest uitstellen tot nader
bevel. Ge begrypt dat ik hierover zeer verwonderd was, te-meer daar hy
te _Natal_ my verlaten had in een stemming die me deed meenen nogal goed
by hem aangeschreven te staan. Ik had slechts weinig kennissen
te _Padang_, maar van deze weinigen vernam ik--of liever ik bemerkte het
aan hen--dat de generaal zeer verstoord op me was. Ik zeg dat ik 't
_bemerkte_ omdat op een buitenpost als _Padang_ toen was, de
welwillendheid van velen dienen kon als graadmeter der genade die men
gevonden had in de oogen des Gouverneurs. Ik gevoelde dat er een storm
in aantocht was, zonder te weten uit welken hoek de wind komen zou. Daar
ik geld noodig had, verzocht ik dezen en genen me daarmee te-hulp te
komen, en ik stond werkelyk verbaasd dat men my overal een weigerend
antwoord gaf. Op _Padang_, niet minder dan elders in Indie, waar over 't
geheel het krediet een zelfs _te_ groote rol speelt, was de stemming op
dat stuk anders vry ruim. Men zou in elk ander geval met genoegen eenige
honderden guldens hebben voorgeschoten aan een kontroleur die op reis
was en tegen verwachting ergens werd opgehouden. Doch my weigerde men
alle hulp. Ik drong by sommigen op 't noemen der oorzaken van dit
wantrouwen aan, en _de fil en aiguille_ kwam ik eindelyk te weten dat
men in myn geldelyk beheer te _Natal_ fouten en verzuimen had ontdekt,
die me verdacht maakten van ontrouwe administratie. Dat er fouten in myn
administratie waren, bevreemdde me volstrekt niet. Juist het tegendeel
zou me verwonderd hebben, maar wel vond ik 't zonderling dat de
Gouverneur, die persoonlyk getuige was geweest hoe ik gedurig ver van
myn bureau had te kampen gehad met de ontevredenheid der bevolking en
aanhoudende pogingen tot opstand ... dat hy die zelf my geprezen had
over wat hy "kordaatheid" noemde, aan de ontdekte fouten den naam geven
kon van ontrouw of oneerlykheid. Niemand beter toch dan hy kon weten dat
er in deze zaken nooit spraak kon zyn van iets anders dan van
_force majeure_.

En, al loochende men deze _force majeure_, al wilde men my
verantwoordelyk stellen voor fouten die begaan waren op oogenblikken dat
ik--in levensgevaar dikwyls!--ver van de kas en wat er naar geleek, het
beheer daarvan moest toevertrouwen aan anderen, al zou men eischen dat
ik, het eene doende, het andere niet had mogen nalaten, dan nòg zou ik
alleen schuldig geweest zyn aan een slordigheid die niets gemeens had
met "ontrouw." Er bestonden bovendien, in die dagen vooral, talryke
voorbeelden dat de Regeering deze moeielykheid der pozitie van de
ambtenaren op Sumatra inzag, en 't scheen dan ook in grondbeginsel
aangenomen by zulke gelegenheden iets door de vingers te zien. Men
vergenoegde zich met van de betrokken ambtenaren de terugbetaling van 't
ontbrekende te vorderen, en er moesten al zeer duidelyke bewyzen zyn
voor men 't woord "ontrouw" uitsprak of zelfs daaraan dacht. Dit was dan
ook zóó als regel aangenomen, dat ik te _Natal_ den Gouverneur zelf
gezegd had bevreesd te zyn dat ik, na 't onderzoeken van myn
verantwoording op de bureaux te _Padang_ veel zou te betalen hebben,
waarop hy schouder-ophalend antwoordde: "och ... die geldzaken!" als
gevoelde hyzelf dat het mindere voor 't meerdere wyken moest.

Nu erken ik dat geldzaken gewichtig zyn. Maar hoe gewichtig ook, ze
waren in dit geval onderschikt aan andere takken van zorg en bezigheid.
Als er door slordigheid of verzuim eenige duizenden te-kort waren in myn
beheer, noem ik dit _op-zichzelf_ geen kleinigheid. Maar als deze
duizenden ontbraken ten-gevolge van myn gelukte pogingen om den opstand
te voorkomen, die de landstreek van _Mandhéling_ dreigde in vuur en vlam
te zetten, en de Atjinezen te doen terugkeeren in de oorden waaruit wy
hen pas met veel opoffering van geld en volk hadden verjaagd, dan
vervalt het gewicht van zoodanig te-kort, en 't werd zelfs reeds
eenigszins onbillyk de terugbetaling daarvan opteleggen aan iemand die
oneindig grooter belangen gered had.

En toch had ik vrede met zoodanige terugbetaling. Want door die niet te
vorderen, zou men een te wyde deur openstellen voor oneerlykheid.

Na dagen toevens--ge begrypt in welke stemming!--ontving ik van de
sekretarie des Gouverneurs een brief, waarin men my te kennen gaf dat ik
van ontrouw werd verdacht gehouden, met last my te verantwoorden op een
tal van aanmerkingen die er gevallen waren op myn beheer. Enkelen
daarvan kon ik terstond ophelderen. Voor anderen evenwel had ik inzage
van zekere stukken noodig, en vooral was 't voor my van belang die zaken
natesporen te _Natal_ zelf, om by myn geëmployeerden naar de oorzaken
der gevonden verschillen onderzoek te doen, en waarschynlyk zou ik dáár
geslaagd wezen in myn pogingen om alles tot klaarheid te brengen. Het
verzuim eener afschryving by-voorbeeld van naar _Mandhéling_ gezonden
gelden--je weet, Verbrugge, dat de troepen in 't binnenland uit de
Natalsche kas worden betaald--of iets dergelyks, dat me hoogstwaarschynlyk
terstond zou gebleken zyn als ik onderzoek had kunnen doen op de plaats
zelf, had misschien tot die verdrietige fouten aanleiding gegeven. Maar
de generaal wilde my niet naar _Natal_ laten vertrekken. Deze weigering
deed my te meer letten op 't vreemde der wyze waarop die beschuldiging
van ontrouw tegen my was ingebracht. Waarom toch was ik van _Natal_
onverwachts overgeplaatst, en wel onder verdenking van ontrouw? Waarom
deelde men my dit onteerend vermoeden eerst mede, toen ik ver van de
plaats was waar ik gelegenheid zou gehad hebben my te verantwoorden?
En bovenal, waarom tegen my die zaken zoo terstond in het ongunstigst
daglicht gesteld, in tegenspraak met de aangenomen gewoonte en de
billykheid?

Voor ik nog al die aanmerkingen, zoo goed me zonder archief of
mondelinge inlichtingen mogelyk was, beantwoord had, vernam ik zydelings
dat de Generaal zoo verstoord op me was: "_omdat ik hem te Natal zoo
gekontrarieerd had, waaraan ik dan ook, voegde men er by, zeer verkeerd
had gedaan_."

Toen ging er een licht voor my op. Ja, ik had hem gekontrarieerd, maar
in 't naïf denkbeeld dat hy me daarom achten zou! Ik hàd hem
gekontrarieerd, maar by zyn vertrek had niets me doen gissen dat hy
daarover verstoord was! Dom genoeg had ik de gunstige overplaatsing naar
_Padang_, aangenomen als een bewys dat hy myn "kontrarieeren" schoon
gevonden had. Ge zult zien, hoe weinig ik hem toen kende.

Maar zoodra ik vernam dat dit de oorzaak was van de scherpte waarmee men
myn geldelyke administratie beoordeeld had, was ik in vrede met myzelf.
Ik beantwoordde punt voor punt zoo goed ik kon, en eindigde myn
brief--ik bezit daarvan nog de minuut--met de woorden:

"_Ik heb de op myn administratie gevallen aanmerkingen, zoo goed het my
zonder archief of lokale nasporing mogelyk was, beantwoord. Ik verzoek
Uhoogedelgestrenge my van alle welwillende konsideratiën te verschoonen.
Ik ben jong, en onbeduidend in-vergelijking, met de macht der
heerschende begrippen waartegen myn principes me noodzaken optestaan,
maar blijf niettemin trotsch op myn zedelyke onafhankelykheid, trotsch
op myn eer_."

Den volgenden dag was ik gesuspendeerd wegens "ontrouwe administratie."
Den Officier van justitie--we zeiden nog _fiskaal_ in dien tyd--werd
gelast omtrent my "ambt en plicht" te betrachten.

En zoo stond ik dus daar te _Padang_, nauw drie-en-twintig jaren oud, en
staarde de toekomst aan, die my eerloosheid brengen zou! Men raadde my
aan, me te beroepen op myn jonge jaren--ik was nog onmondig toen de
voorgegeven vergrypen hadden plaats gehad--maar dit wilde ik niet. Ik
had immers reeds te veel gedacht en geleden, en ... ik durf zeggen: te
veel reeds gewerkt, dan dat ik me verschuilen zou achter myn jeugd. Ge
ziet uit het zoo-even aangehaald slot van dien brief, dat ik niet wilde
behandeld zyn als een kind, ik die te _Natal_ tegenover den generaal myn
plicht had gedaan als een man. En tevens kunt ge uit dien brief zien hoe
ongegrond de beschuldiging was, die men tegen my inbracht. Waarlyk, wie
schuldig is aan lage vergrypen, schryft anders!

Men nam me niet gevangen, en dit had toch moeten geschieden als het
ernst ware geweest met die krimineele verdenking. Misschien echter was
dit schynbaar verzuim niet zonder grond. Den gevangene immers is men
onderhoud en voedsel schuldig. Daar ik _Padang_ niet verlaten kon, was
ik in werkelykheid tòch een gevangene, maar een gevangene zonder dak en
zonder brood. Ik had herhaaldelyk, doch telkens zonder baat, aan den
Generaal geschreven dat hy myn vertrek van _Padang_ niet beletten mòcht,
want dat, al ware ik schuldig aan 't allerergste, geen misdaad mocht
gestraft worden met _hongerlyden_.

Nadat de rechtsraad, die blykbaar met de zaak verlegen was, den uitweg
had gevonden zich onbevoegd te verklaren, omdat vervolgingen wegens
misdryf in dienstbetrekking, niet mogen plaats hebben dan op machtiging
van de Regeering te _Batavia_, hield my de generaal, zooals ik zeide,
negen maanden te _Padang_. Hy ontving eindelyk van-hooger-hand den last
me naar _Batavia_ te laten vertrekken.

Toen ik een paar jaren daarna wat geld had--beste Tine, _jy_ hadt het me
gegeven!--betaalde ik eenige duizenden guldens om de Natalsche
kasrekeningen van 1842 en 1843 effen te maken, en toen zeide my
iemand[103] die geacht kon worden de Regeering van Nederlandsch-Indie
voortestellen: "dat had ik in uw plaats niet gedaan ... ik zou een
wissel op de eeuwigheid gegeven hebben." _Ainsi va le monde!_

       *       *       *       *       *

Juist wilde Havelaar een aanvang maken met het verhaal dat zyn gasten
van hem wachtten, en dat ophelderen zou waarin en waarom hy den Generaal
Vandamme te _Natal_ zoo "gekontrarieerd" had, toen mevrouw Slotering
zich in de voorgalery van haar woning vertoonde, en den politie-oppasser
wenkte, die naast Havelaars huis op een bank zat. Deze begaf zich tot
haar, en riep daarop iets tot een man die zoo-even het erf betreden had,
waarschynlyk met het doel om zich naar de keuken te begeven die achter
't huis gelegen was. Ons gezelschap zou hierop waarschynlyk niet gelet
hebben, wanneer niet Tine dien middag aan tafel gezegd had dat mevrouw
Slotering zoo schuw was, en een soort van toezicht scheen uitteoefenen
over ieder die 't erf betrad. Men zag den man die door den oppasser
geroepen was, tot haar gaan, en 't scheen wel dat ze hem in een verhoor
nam dat niet in zyn voordeel afliep. Althans hy wendde zyn schreden en
liep naar-buiten terug.

--'t Spyt me wel, zei Tine. Dat was misschien iemand die kippen te-koop
had, of groente. Ik heb nog niets in huis.

--Wel, laat dan daartoe maar iemand uitzenden, antwoordde Havelaar. Je
weet dat inlandsche dames gaarne gezag oefenen. Haar man was vroeger de
eerste persoon hier, en hoe weinig een adsistent-resident eigenlyk
beduidt, in zyn afdeeling is hy een kleine koning: zy is nog niet gewoon
aan de onttrooning. Laat ons die arme vrouw dit klein genoegen niet
ontnemen. Houd je maar alsof je 't niet bemerkte.

Dit nu viel Tine niet zwaar: _zy_ hield niet van gezag.

Een uitweiding is hier noodig, en zelfs wil ik eens uitweiden over
uitweidingen. Het valt een schryver soms niet gemakkelyk, juist
doortezeilen tusschen de twee klippen van het te-veel of te-weinig, en
deze moeielykheid wordt te grooter als men toestanden beschryft, die den
lezer verplaatsen moeten op onbekenden bodem. Er is een te nauw verband
tusschen plaatsen en gebeurtenissen, dan dat men de beschryving van die
plaatsen geheel zou kunnen ontberen, en 't vermyden de beide klippen
waarop ik doelde, wordt dubbel moeielyk voor iemand die Indie tot
tooneel zyner vertelling gekozen heeft. Want waar een schryver die
europesche toestanden behandelt, veel zaken als bekend kan
veronderstellen, moet hy die zyn stuk in Indie spelen laat, zich gedurig
vragen of de niet-Indische lezer deze of gene omstandigheid juist
opvatten zal? Wanneer de europesche lezer zich mevrouw Slotering
voorstelt als "logeerende" by de Havelaars, zooals dit zou plaats-vinden
in Europa, moet het hem onbegrypelyk voorkomen dat ze niet tegenwoordig
was by 't gezelschap dat de koffi gebruikte in de voorgalery. Wel heb ik
reeds gezegd dat zy een afzonderlyk huis bewoonde, doch tot juist begrip
hiervan en tevens van latere gebeurtenissen, is 't inderdaad noodig dat
ik hem Havelaars huis en erf eenigszins doe kennen.

De beschuldiging die zoo vaak wordt ingebracht tegen den grooten meester
die den _Waverley_ schreef, dat hy dikwyls van 't geduld zyner lezers
misbruik maakt door te veel bladzyden aan plaatsbeschryving te wyden,
komt me ongegrond voor, en ik geloof dat men zich tot het beoordeelen
van de juistheid eener zoodanige aanmerking, eenvoudig de vraag hebbe
voorteleggen: was deze beschryving noodig tot juist opvatten van den
indruk dien de schryver u wilde meedeelen? Zoo ja, men duide dan hèm
niet ten-kwade dat hy van u de moeite verwacht te _lezen_ wat hy zich de
moeite gaf te _schryven_. Zoo neen, dan werpe men 't boek weg. Want de
schryver die ledig genoeg van hoofd is, om _zonder noodzaak_ topografie
te geven voor denkbeelden, zal zelden de moeite van 't lezen waard zyn,
ook daar waar ten-laatste zyn plaatsbeschryving een eind neemt. Maar men
vergete niet dat het oordeel van den lezer over 't al of niet
noodzakelyke eener afwyking, dikwyls valsch is, omdat hy vóór de
katastrofe niet weten kan wat al of niet vereischt wordt tot geleidelyke
ontwikkeling der toestanden. En wanneer hy nà de katastroof 't boek
weder opneemt--van boeken die men slechts éénmaal leest, spreek ik
niet--en zelfs dan nog meent dat deze of gene afwyking wel had kunnen
gemist worden zonder schade voor den indruk van 't geheel, blyft het
altyd de vraag of hy van 't geheel denzelfden indruk zou verkregen
hebben, wanneer niet de schryver op meer of min kunstige wyze hem
daartoe gebracht had, juist door de afwykingen die den oppervlakkig
oordeelenden lezer overtollig voorkomen.

Meent ge dat Amy Robsart's dood U zoo treffen zou, als ge vreemdeling
waart geweest in de hallen van Kenilworth? En gelooft ge dat er geen
verband is--verband door tegenstelling--tusschen de ryke kleeding waarin
de onwaardige Leicester zich aan haar vertoonde, en de zwartheid zyner
ziel? Gevoelt ge niet dat Lester--ieder weet dit, die den man kent uit
andere bronnen dan uit den roman alleen--dat hy oneindig lager stond dan
hy geschetst wordt in den _Kenilworth_? Maar de groote romanschryver die
liever boeide door kunstige rangschikking van kleuren dan door grofheid
van kleur, achtte het beneden zich zyn penseel te doopen in al het slyk
en in al het bloed dat er kleefde aan den onwaardigen gunsteling van
Elizabeth. Hy wilde slechts één stip aanwyzen in den poel van vuil, maar
verstond het, zulke stippen te doen in 't oog vallen door de tinten die
hy in zyn onsterfelyke geschriften daarnáást legde. Wie nu al dat
daarnaast gelegde als overtollig meent te kunnen verwerpen, verliest
geheel uit het oog dat men dan, om effekt te-weeg te brengen, zou moeten
overgaan tot de school die sedert 1830 zoolang in Frankryk gebloeid
heeft, schoon ik ter-eere van dat land zeggen moet dat de schryvers die
in dit opzicht het meest zondigden tegen den goeden smaak, juist in 't
buitenland, en niet in Frankryk zelf, den grootsten opgang maakten. Die
school--ik hoop en geloof dat ze uitgebloeid heeft--vond het gemakkelyk
met volle hand te grypen in plassen van bloed, en daarmee groote kladden
te werpen op de schildery, dat men die zien zou in de verte! Ze zyn dan
ook met minder inspanning te schilderen, die ruwe strepen van rood en
zwart, dan de fyne trekken te penseelen die er staan in den kelk eener
lelie. Dáárom dan ook koos die school meestal koningen tot helden van
haar verhalen, liefst uit den tyd toen de volkeren nog onmondig waren.
Zie, de droefheid des konings vertaalt men op 't papier in volksgehuil
... _zyn_ toorn biedt den schryver gelegenheid tot het dooden van
duizenden op 't slagveld ... _zyn_ fouten geven ruimte tot het
schilderen van hongersnood en pest ... dat alles geeft werk aan grove
penseelen! Als ge niet getroffen zyt door de stomme akeligheid van een
lyk dat daar ligt, er is plaats in myn verhaal voor een slachtoffer dat
nog stuiptrekt en gilt! Hebt ge niet geweend by die moeder, vruchteloos
zoekend naar haar kind ... wèl, ik toon u een andere moeder die haar
kind ziet vierendeelen! Bleeft ge ongevoelig by den marteldood van dien
man ... ik vermenigvuldig uw gevoel honderdmalen door negen-en-negentig
andere mannen te laten martelen naast hem! Zyt ge verstokt genoeg om
niet te yzen by 't zien van den soldaat die in een belegerde vesting uit
honger zyn linkerarm verslindt ...

Epikurist! Ik stel u voor, te kommandeeren: "rechts en links, formeert
den kring! Ieder ete den linkerarm op van zyn rechternevenman ... marsch!"

Ja, zóó gaat de kunst-akeligheid over in zotterny ... wat ik in 't
voorbygaan bewyzen wilde.[104]

En dáárin toch zou men vervallen door te spoedig een schryver te
veroordeelen, die u geleidelyk wilde voorbereiden op zyn katastroof
zònder zyn toevlucht te nemen tot die schreeuwende kleuren.

Het gevaar evenwel aan den anderen kant is nòg grooter. Ge veracht de
pogingen der grove letterkunde die met zoo ruwe wapenen op uw gevoel
meent te moeten instormen, maar ... als de schryver in 't ander uiterste
vervalt, als hy zondigt door _te veel_ afwyking van de hoofdzaak, door
_te veel_ penseel-gemanierdheid, dan is uw toorn nog sterker, en
te-recht. Want dan heeft hy u verveeld, en dit is onvergeeflyk.

Wanneer wy tezamen wandelen, en ge wykt telkens af van den weg, en roept
my in 't kreupelhout, alleen met het doel om de wandeling te rekken,
vind ik dit onaangenaam, en neem me voor, in 't vervolg alleen te gaan.
Maar als ge me daar een plant weet aantewyzen die ik niet kende, of
waaraan voor my iets te zien valt dat vroeger myn aandacht ontsnapte ...
als ge my van-tyd tot-tyd een bloem toont, die ik gaarne pluk en
meedraag in 't knoopsgat, dan vergeef ik u dat afwyken van den weg, ja,
ik ben er dankbaar voor.

En, zelfs zonder bloem of plant, zoodra ge my ter-zyde roept om me door
't geboomte heen het pad te wyzen, dat we straks zullen betreden, doch
dat nu nog verre voor ons ligt in de diepte, en als een nauw merkbaar
streepje zich slingert door 't veld daar-beneden ... ook dan neem ik u
de afwyking niet euvel. Want als wy eindelyk zóó ver zullen gekomen zyn,
zal ik weten hoe zich onze weg heeft gekronkeld door 't gebergte, wat de
oorzaak is dat wy de zon die zoo-even dáár stond, nu links van ons
hebben, wáárom die heuvel nu achter ons ligt, welks top we vroeger vóór
ons zagen ... zie, dan hebt ge my door die afwyking 't _begrypen_ myner
wandeling gemakkelyk gemaakt, en begrypen is genot.

Ik, lezer, heb u in myn verhaal dikwyls op den grooten weg gelaten, schoon
't my moeite kostte u niet meetevoeren in 't kreupelhout. Ik vreesde dat
de wandeling u verdrieten zou, daar ik niet wist of ge vermaak zoudt
scheppen in de bloemen of planten die ik u wyzen wilde. Maar omdat ik
geloof dat het u later genoegen zal doen, het pad gezien te hebben dat we
straks zullen betreden, voel ik me nu genoopt u iets te zeggen van Havelaars
huis.

Men zou verkeerd doen, zich van een huis in Indie een voorstelling te
maken naar europesche begrippen, en zich daarby een steenmassa te denken
van op-elkander gestapelde kamers en kamertjes, met de straat er voor,
rechts en links buren wier huisgoden tegen de onzen aanleunen, en een
tuintje met drie bessenboompjes er achter. Op weinig uitzonderingen na,
hebben de huizen in Indie geen verdieping. Dit komt den europeschen
lezer vreemd voor, want het is een eigenaardigheid van beschaving--of
van wat hiervoor doorgaat--alles vreemd te vinden wat natuurlyk is. De
indische huizen zyn geheel anders dan de onzen, doch niet _zy_ zyn
vreemd, _onze_ huizen zyn vreemd. Wie 't eerst zich de weelde kon
veroorloven niet in één kamer te slapen met zyn koeien, heeft de tweede
kamer van zyn huis niet _op_, maar _naast_ de eerste gezet, want het
bouwen gelykvloers is eenvoudiger en biedt ook meer gemak aan in 't
bewonen. Onze hooge huizen zyn geboren uit gebrek aan ruimte: we zoeken
in de lucht wat er op den grond ontbreekt, en zoo is eigenlyk elk
dienstmeisje dat 's avends het venster sluit van 't dakkamertje waar ze
slaapt, een levend protest tegen de overbevolking ... al denkt zyzelf
aan iets anders, wat ik wel gelooven wil.

In landen dus, waar beschaving en overbevolking nog niet door
samenpersing beneden, 't menschdom naar-boven hebben opgeknepen, zyn de
huizen zonder verdieping, en dat van Havelaar behoorde niet tot de
weinige uitzonderingen op dezen regel. By 't binnentreden ... doch neen,
ik wil een bewys geven dat ik afstand doe van alle aanspraken op
schilderachtigheid. _Is gegeven_: een langwerpig vierkant dat ge wel
wilt verdeelen in een-en-twintig vakken, drie breed, zeven diep. We
nummeren die vakken, beginnende van den linker-bovenhoek rechts-uit,
zoodat _vier_ onder _één_ kome, _vyf_ onder _twee_, en zoo vervolgens.

De eerste drie nummers tezamen vormen de voorgalery die aan drie kanten
open is, en welker dak aan de vóórzyde op zuilen rust. Van daar treedt
men door twee dubbeldeuren in de binnengalery die door de drie volgende
vakken wordt voorgesteld. De vakken 7, 9, 10, 12, 13, 15, 16 en 18 zyn
kamers, waarvan de meesten door deuren met de daarnaast liggenden in
verbinding staan ... De drie hoogste nummers vormen de open achtergalery,
en wat ik oversloeg is een soort van ongesloten binnengalery, gang of
doorloop. Ik ben recht grootsch op deze beschryving.

Het is moeielyk te zeggen welke uitdrukking in Nederland het denkbeeld
teruggeeft, dat men in Indie aan 't woord "erf" hecht. Erf is dáár noch
tuin, noch park, noch veld, noch bosch, maar òf iets daarvan, òf alles
tezamen, òf niets van dat alles. Het is de grond die tot het huis
behoort, voor zoo-ver die niet door dat huis bedekt is, zoodat in Indie
de uitdrukking: "tuin _en_ erve" zou doorgaan voor een pleonasmus. Er
_zyn_ daar geen of weinige huizen zonder zoodanig erf. Sommige erven
bevatten bosch en tuin en weiland, en doen aan een park denken. Anderen
zyn bloemtuinen. Elders weer is 't geheele erf één groot grasveld. En
eindelyk zyn er die, al zeer eenvoudig, geheel-en-al zyn gemaakt tot een
gemacadamiseerd plein, dat misschien minder aangenaam is voor 't oog,
doch de zindelykheid in de huizen bevordert, omdat veel insekten-soorten
door gras en boomen worden aangetrokken.

Havelaars erf nu was zeer groot, ja, hoe vreemd het klinke, aan een der
zyden kon men 't oneindig noemen, daar het aan een ravyn grensde die
zich uitstrekte tot aan de oevers van den _Tjioedjoeng_, de rivier die
_Rangkas-Betoeng_, in een zyner vele bochten omsluit. [105] Het viel
moeielyk te bepalen waar 't erf van de adsistent-residents-woning
ophield, en waar de gemeentegrond aanving, daar 't groot verval van
water in den _Tjioedjoeng_ die dan eens zyn oevers een gezichtsverheid
terugtrok, en dan weer den ravyn vulde tot zeer naby Havelaars huis,
gedurig de grenzen veranderde.

Deze ravyn was dan ook altyd een doorn geweest in de oogen van mevrouw
Slotering, wat zeer begrypelyk is. De plantengroei, reeds overal elders
in Indie zoo snel, was op die plaats door de telkens achtergelaten slib
byzonder welig, zóó zelfs dat, al had het op- of afloopen des waters
plaats gehad met een kracht die 't kreupelhout ontwortelde en meevoerde,
er maar zeer weinig tyds noodig was om den grond weer te bedekken met al
de ruigte die 't reinhouden van het erf, ook in de onmiddellyke nabyheid
van 't huis, zoo moeielyk maakte. En dit veroorzaakte geen gering
verdriet, zelfs aan wie geen huismoeder was. Want zonder te spreken van
allerlei insekten, die gewoonlyk des avends om de lamp vlogen in zoo
groote menigte dat lezen en schryven onmogelyk werd--iets wat op véél
plaatsen in Indie lastig is--hielden zich in dat kreupelhout een tal van
slangen en ander gedierte op, dat zich niet bepaalde by den ravyn, maar
telkens ook in den tuin naast en achter 't huis werd gevonden, of in het
grasperk op 't voorplein.

Dit plein had men recht vóór zich als men in de buiten galery met den
rug naar 't huis gekeerd stond. Links daarvan lag het gebouw met de
bureaux, de kas en de vergaderzaal waar Havelaar dien morgen de Hoofden
had toegesproken, en daar-achter breidde zich de ravyn uit, dien men
overzag tot aan den _Tjioedjoeng_ toe. Juist tegenover de bureaux stond
de oude adsistent-residents-woning die nu tydelyk door mevrouw Slotering
bewoond werd, en dewyl de toegang van den grooten weg tot het erf plaats
had door twee wegen die langs beide zyden van 't grasveld liepen, volgt
hieruit vanzelf dat ieder die het erf betrad om zich naar de achter het
hoofdgebouw gelegen keuken of stallen te begeven, òf de bureaux òf de
woning van mevrouw Slotering moest voorbygaan. Terzyde van 't
hoofdgebouw en daarachter, lag de vry groote tuin die de vreugde van
Tine had opgewekt door de vele bloemen die ze daar vond, en vooral omdat
kleine Max daar zoo dikwyls spelen zou.

Havelaar had zich by mevrouw Slotering laten verontschuldigen dat hy
haar nog geen bezoek had gebracht. Hy nam zich voor, den volgenden dag
daarheen te gaan, maar Tine was er geweest en had kennis gemaakt. We
vernamen reeds dat die dame een zoogenaamd "inlandsch kind" was, die
geen andere dan de maleische taal sprak. Ze had haar verlangen te kennen
gegeven haar eigen huishouding te blyven voeren, waarin Tine gaarne
berustte. En niet uit ongastvryheid kwam deze berusting voort, doch
voornamelyk uit de vrees dat zy, pas te _Lebak_ aangekomen, en dus nog
niet "op orde" mevrouw Slotering niet zoo goed zou kunnen ontvangen als
wenschelyk gemaakt werd door de byzondere omstandigheden waarin deze
dame verkeerde. Wel zou ze--geen hollandsch verstaande--niet "gedeerd"
worden door de vertellingen van Max, zooals Tine 't genoemd had, maar zy
begreep dat er meer noodig was dan de familie Slotering niet te _deren_,
en de schrale keuken in-verband met de voorgenomen zuinigheid deden haar
werkelyk 't voornemen van mevrouw Slotering zeer verstandig vinden. Of
nu overigens, wanneer de omstandigheden anders waren geweest, de omgang
met iemand die slechts één taal sprak, waarin niets gedrukt is dat den
geest beschaaft, geleid zou hebben tot wederzydsch genoegen, blyft
twyfelachtig. Tine zou haar zoo goed mogelijk gezelschap gehouden, en
veel met haar gesproken hebben over keukenzaken, over _sambal-sambal_[106]
over 't inmaken van _ketimon_--zonder Liebig, o goden!--maar zoo-iets
blyft toch altyd een opoffering, en men vond het dus zeer goed dat de
zaken door mevrouw Sloterings vrywillige afzondering geschikt waren op
een wyze die aan beide partyen volkomen vryheid liet. Zonderling echter
was het, dat die dame niet alleen geweigerd had deeltenemen aan de
gemeenschappelyke maaltyden, maar dat zy zelfs geen gebruik maakte van
't aanbod om haar spyzen te doen gereed maken in de keuken van Havelaars
huis. "Deze bescheidenheid, zei Tine, was wat ver gedreven, want de keuken
was ruim genoeg."



VEERTIENDE HOOFDSTUK


Ge weet, begon Havelaar, hoe de nederlandsche bezittingen ter Westkust
van Sumatra aan de onafhankelyke ryken in den noordhoek grenzen, waarvan
_Atjeh_ het aanzienlykste is. Men zegt dat een geheim artikel in het
traktaat van 1824, ons jegens de Engelschen de verplichting oplegt, de
rivier van _Singkel_ niet te overschryden. De generaal Vandamme, die met
een _faux-air Napoléon_ gaarne zyn gouvernement zoo vèr mogelyk
uitbreidde, stuitte dus in die richting op een onoverkomelyken
hinderpaal. Ik moet aan 't bestaan van dat geheim artikel wel gelooven,
omdat het me anders bevreemden zou dat de Radjahs van _Troeman_ en
_Analaboe_, wier provincien niet zonder gewicht zyn door den peperhandel
die daar gedreven wordt, niet sedert lang onder nederlandsche
souvereiniteit zyn gebracht. Ge weet hoe gemakkelyk men een voorwendsel
vindt om zulke landjes den oorlog aantedoen, en zich daarvan meester te
maken. Het stelen van een landschap zal altyd makkelyker blyven dan van
een molen. Ik geloof van den generaal Vandamme, dat hy zelfs een molen
zou weggenomen hebben als hy daarin lust gevoeld had, en begryp dus niet
dat hy die landschappen in de Noord zou hebben verschoond, wanneer niet
daarvoor steviger gronden hadden bestaan dan recht en billykheid.[107]

Hoe dit zy, hy richtte zyn veroveraarsblikken niet Noord- maar
Oostwaarts. De landstreken _Mandhéling_ en _Ankola_--dit was de naam der
adsistent-residentie die gevormd was uit de pas tot rust gebrachte
Battahlanden--waren wel nog niet gezuiverd van atjineschen invloed--want
waar dweepzucht eens wortel schiet, is 't uitroeien moeielyk--maar de
Atjinezen zelf waren er toch niet meer. Dit was evenwel den Gouverneur
niet genoeg. Hy breidde zyn gezag tot aan de oostkust uit, en er werden
nederlandsche beambten en nederlandsche garnizoenen gezonden naar _Bila_
en _Pertibie_, welke posten echter--zooals je weet, Verbrugge--later
weer ontruimd zyn.

Toen er op Sumatra een Regeeringskommissaris[108] aankwam, die deze
uitbreiding doelloos vond en ze hierom afkeurde, vooral ook wyl ze in
stryd was met de wanhopige spaarzaamheid waarop door 't moederland
zoozeer was aangedrongen, beweerde de generaal Vandamme dat die
uitbreiding geen bezwarenden invloed behoefde te hebben op de
begrooting, want dat de nieuwe garnizoenen gevormd waren uit troepen
waarvoor toch reeds gelden waren toegestaan, zoodat hy een zeer groote
landstreek onder nederlandsch bestuur had gebracht, zonder dat hieruit
geldelijke uitgaven waren voortgevloeid. En wat voorts het gedeeltelyk
ontblooten van andere plaatsen aanging, voornamelyk in 't
Mandhélingsche, meende hy genoeg te kunnen rekenen op de trouw en de
aanhankelykheid van _Jang di Pertoean_, 't voornaamste hoofd in de
Battahlanden, om hierin geen bezwaar te zien.[109]

Met weerzin gaf de Regeeringskommissaris toe, en wel op de herhaalde
betuigingen van den generaal dat hy _persoonlijk_ zich tot borg stelde
voor _Jang di Pertoean's_ trouw.

Nu was de kontroleur die vóór my de afdeeling _Natal_ bestuurde, de
schoonzoon van den adsistent-resident in de Battahlanden, welke
ambtenaar met _Jang di Pertoean_ in onmin leefde. Later heb ik veel
hooren spreken van klachten die tegen dien adsistent-resident waren
ingebracht, doch men moest voorzichtig wezen met geloof-slaan aan deze
beschuldigingen, omdat ze grootendeels uit den mond kwamen van _Jang di
Pertoean_, en wel op een oogenblik toen deze zelf van veel zwaarder
vergrypen was aangeklaagd, hetgeen hem misschien noopte zyn verdediging
te zoeken in de fouten van zyn beschuldiger ... wat meer gebeurt. Hoe
dit zy, de gezaghebber van _Natal_ omhelsde de party van zyn schoonvader
tegen _Jang di Pertoean_, en dit te vuriger misschien omdat die
kontroleur zeer bevriend was met zekeren _Soetan Salim_, een natalsch
Hoofd dat ook zeer op den battakschen chef gebeten was. Sedert lang
heerschte er een veete tusschen de familien dezer beide hoofden. Er
waren huwelyksvoorstellen afgeslagen, er bestond yverzucht over invloed,
trots aan den kant van _Jang di Pertoean_ die van beter geboorte was, en
meer andere oorzaken nog liepen samen om _Natal_ en _Mandhéling_ tegen
elkander opgezet te houden.

Op-eenmaal verspreidde zich 't gerucht dat er in _Mandhéling_ een
komplot was ontdekt, waarin _Jang di Pertoean_ zou betrokken wezen, en
dat ten-doel had de heilige vaan des opstands uittesteken en alle
Europeanen te vermoorden. De eerste ontdekking hiervan had te _Natal_
plaats gehad, wat natuurlyk is, daar men in nabyliggende provincien
altyd beter van den stand der zaken onderricht wordt dan op de plaats
zelf, dewyl velen die te-huis door vrees voor een betrokken Hoofd zich
laten weerhouden van de openbaring eener hun bekende omstandigheid, die
vrees eenigermate overwinnen zoodra ze zich op een grondgebied bevinden
waar dat Hoofd geen invloed heeft.

Dit is dan ook de reden, Verbrugge, waarom ik geen vreemdeling ben in de
zaken van _Lebak_, en dat ik redelyk veel wist van wat hier omgaat, voor
ik dacht hier ooit te zullen geplaatst worden. Ik was in 1846 in 't
_Krawangsche_, en heb veel rondgedwaald in de _Preanger_ waar ik reeds
in 1840 _Lebaksche_ uitgewekenen ontmoette. Ook ben ik bekend met
sommige eigenaren van partikuliere landen in 't Buitenzorgsche en in de
Bataviasche ommelanden, en ik weet hoe van-oudsher die landheeren
verheugd zyn over den slechten toestand dezer Afdeeling, omdat dit hun
landeryen bevolkt.[110]

Zóó ook zou dan te _Natal_ de samenzwering ontdekt wezen, die--_als_ ze
bestaan heeft, wat ik niet weet--_Jang di Pertoean_ deed kennen als
verrader. Volgens door den kontroleur van Natal afgenomen verklaringen
van getuigen, zou hy gezamenlyk met zyn broeder _Soetan Adam_ de
battaksche Hoofden hebben doen verzamelen in een heilig bosch waarin zy
zouden gezworen hebben niet te rusten voor 't gezag der "christenhonden"
in _Mandhéling_ vernietigd was. Het spreekt vanzelf, dat hy hiertoe een
ingeving van den hemel had ontvangen. Ge weet, dat dit by zulke
gelegenheden nooit uitblyft.[111]

Of nu inderdaad dit voornemen by _Jang di Pertoean_ bestaan heeft, kan
ik niet verzekeren. Ik heb de verklaringen der getuigen gelezen, doch ge
zult terstond inzien waarom daaraan niet onvoorwaardelyk geloof mag
worden geslagen. Zéker is 't dat de man, wat zyn islamsche dweepzucht
aangaat, wel tot zoo-iets kan in-staat geweest zyn. Hy was, met de
geheele battaksche bevolking, eerst kort te voren door de _Padries_
overgehaald tot het ware geloof, en nieuwbekeerden zyn gewoonlyk
fanatiek.[112]

Het gevolg van die ware of vermeende ontdekking was dat _Jang di
Pertoean_ door den adsistent-resident van _Mandhéling_, werd gevangen
genomen en naar _Natal_ gezonden. Hier sloot de kontroleur hem
voorloopig in 't fort op, en liet hy hem met de eerste geschikte
scheepsgelegenheid gevankelyk naar _Padang_, vervoeren. Het spreekt
vanzelf dat men den Gouverneur al de stukken aanbood, waarin de zoo
bezwarende getuigenissen waren opgenomen, en die de strengheid van de
genomen maatregelen moesten wettigen. Onze _Jang di Pertoean_ was dus
van _Mandhéling_, vertrokken als een _gevangene_. Te _Natal_ was hy
_gevangen_. Aan-boord van 't oorlogsvaartuig dat hem overvoerde, was hy
ook natuurlyk een _gevangene_. Hy verwachtte dus--schuldig of niet, dit
doet niets tot de zaak, daar hy in wettigen vorm en door bevoegde
autoriteit was beschuldigd van hoogverraad--ook te _Padang_, als een
gevangene te zullen aankomen. Wèl moet hy dus zeer verwonderd hebben
gestaan, by de ontscheping te vernemen dat hy _vry_ was niet alleen,
maar dat de generaal, wiens rytuig hem by 't aan wal stappen opwachtte,
het zich tot een eer rekenen zou hem by zich aan huis te ontvangen en te
herbergen. Zeker is nooit een van hoogverraad beschuldigde aangenamer
verrast geworden. Kort hierop werd de adsistent-resident van
_Mandhéling_, in zyn betrekking geschorst wegens allerlei vergrypen die
ik hier niet beoordeel. _Jang di Pertoean_ echter, na op _Padang_,
eenigen tyd ten-huize van den generaal te hebben vertoefd, en na door
dezen met de meeste onderscheiding te zyn behandeld, keerde over _Natal_
naar _Mandhéling_ terug, niet met het zelfgevoel van den onschuldig-
verklaarde, maar met den trots van iemand die zóó hoog staat dat hy geen
verklaring van onschuld noodig heeft. Immers, _onderzocht_ was de zaak
niet! Aannemende dat men de tegen hem ingebrachte beschuldiging voor
valsch hield, dan had reeds dit vermoeden een onderzoek vereischt,
teneinde de valsche getuigen te straffen, en vooral hen die blyken
zouden zoodanige valsheid te hebben uitgelokt. Het schynt dat de
generaal zyn redenen had om dit onderzoek niet te doen plaats hebben. De
tegen _Jang di Pertoean_ ingebrachte aanklacht werd beschouwd als _non
avenu_, en ik houd voor zeker dat de daarop doelende stukken nooit onder
de oogen der Regeering te _Batavia_ gebracht zyn.

Kort na _Jang di Pertoean's_ terugkeer kwam ik te _Natal_ aan om 't
bestuur van die afdeeling overtenemen. Myn voorganger verhaalde me
natuurlyk wat er kort geleden in 't Mandhélingsche was voorgevallen, en
gaf my de noodige inlichting over de staatkundige verhouding tusschen
die landstreek en myn Afdeeling. Het was hem niet euvel te duiden dat hy
zich zeer beklaagde over de zyns inziens onrechtvaardige behandeling die
zyn schoonvader ten-deel viel, en over de onbegrypelyke bescherming die
_Jang di Pertoean_ van den generaal bleek te genieten. Noch hy noch ik
wisten op dàt oogenblik dat de opzending van _Jang di Pertoean_ naar
_Batavia_, een vuistslag in 't gelaat van dien generaal zou geweest zyn,
en dat deze--persoonlyk voor de trouw van dat hoofd hebbende ingestaan
--gegronde redenen had, wat het ook kosten mocht, hem te vrywaren tegen
een beschuldiging van hoogverraad. Dit was voor den generaal des te
belangryker, omdat inmiddels de zoo-even bedoelde Regeeringskommissaris
zelf Gouverneur-generaal was geworden, en hem dus hoogstwaarschynlyk uit
zyn gouvernement zou hebben teruggeroepen, uit verstoordheid over 't
ongegrond vertrouwen op _Jang di Pertoean_, en over de hierop steunende
hoofdigheid waarmee de generaal zich tegen 't ontruimen van de Oostkust
verzet had.

"Doch, zei myn voorganger, wat ook den generaal moge bewegen al de
beschuldigingen tegen myn schoonvader voetstoots aantenemen, en de veel
zwaarder grieven tegen _Jang di Pertoean_ niet eens een onderzoek
waardig te keuren, de zaak is niet uit! En als men te _Padang_, zooals
ik gis, de afgelegde getuigenissen vernietigd heeft, ziehier iets anders
dat niet vernietigd worden _kan_."

En hy toonde my een vonnis van den Rappat-raad te _Natal_[113] waarvan
hy voorzitter was, houdende: VEROORDEELING VAN ZEKEREN _Si Pamaga_ TOT
DE STRAF VAN GEESELING EN BRANDMERK, EN--ik meen--TWINTIGJARIGEN
DWANGARBEID, WEGENS POGING TOT MOORD OP DEN TOEANKOE VAN NATAL.

"Lees eens het proces-verbaal van de terechtzitting, zei myn voorganger,
en beoordeel dan of myn schoonvader niet zal geloofd worden te
_Batavia_, als hy dáár _Jang di Pertoean_ aanklaagt van hoogverraad!

Ik las de stukken. Volgens verklaringen van getuigen en "_de bekentenis
van den beklaagde_" was _Si Pamaga_ omgekocht om te _Natal_ den
_Toeankoe_, diens pleegvader _Soetan Salim_ en den gezaghebbenden
kontroleur te vermoorden. Hy had zich, om dit opzet uittevoeren, naar de
woning van den _Toeankoe_ begeven, en daar met de bedienden die op den
trap der buitengalery zaten, een gesprek aangeknoopt over een
_Sewah_[114] met het doel zyn tegenwoordigheid te rekken tot hy den
_Toeankoe_ zou gewaar worden, die zich dan ook weldra, omgeven van
eenige verwanten en bedienden, vertoonde. _Pamaga_ was met zyn _Sewah_
op den _Toeankoe_ losgegaan, doch had uit onbekende oorzaken zyn
moorddadig opzet niet kunnen volvoeren. De _Toeankoe_ was verschrikt uit
het venster gesprongen, en _Pamaga_ nam de vlucht. Hy verschool zich in
't bosch, en werd eenige dagen later door de natalsche policie opgevat.

"Aan den beschuldigde gevraagd: _wat hem tot dezen aanslag en den
voorgenomen moord op_ Soetan Salim _en den kontroleur van Natal had
bewogen_?" antwoordt hy: "DAARTOE TE ZYN OMGEKOCHT DOOR SOETAN ADAM, UIT
NAAM VAN DIENS BROEDER JANG DI PERTOEAN VAN MANDHÉLING."

"Is dit duidelyk of niet? vroeg myn voorganger. Het vonnis is na _fiat
exekutie_ van den resident, ten-uitvoer gelegd wat de geeseling en 't
brandmerk aangaat, en _Si Pamaga_ is op weg naar _Padang_, om vandaar
als kettingganger naar Java te worden gezonden. Gelyk met hem komen de
processtukken van de zaak te _Batavia_, en dan kan men dáár zien wie de
man is, op wiens aanklacht myn schoonvader gesuspendeerd werd! Dat
vonnis kan de generaal niet vernietigen, al wilde hy."

Ik nam het bestuur der natalsche afdeeling over, en myn voorganger
vertrok. Na eenigen tyd ontving ik bericht dat de generaal met een
oorlogsstoomboot in de Noord komen, en ook _Natal_ bezoeken zou. Hy
stapte met veel gevolg ten-mynen huize af, en verlangde oogenblikkelyk
de oorspronkelyke processtukken te zien van: "den armen man dien men zoo
vreeselyk mishandeld had."

"Zyzelf hadden een geeseling en een brandmerk verdiend!" voegde hy er
by.

Ik begreep er niets van. Want de oorzaken van den stryd over _Jang di
Pertoean_ waren my toen nog onbekend, en 't kon dus niet in myn
gedachten opkomen, evenmin dat myn voorganger willens en wetens een
onschuldige zou veroordeeld hebben tot zóó zware straf, als dat de
generaal een misdadiger zou in bescherming nemen tegen een rechtvaardig
vonnis. Ik ontving den last, _Soetan Salim_ en den _Toeankoe_ te doen
gevangen nemen. Daar de jonge _Toeankoe_ by de bevolking zeer bemind
was, en we slechts weinig garnizoen in 't fort hadden, verzocht ik den
generaal hem op vrye voeten te mogen laten, hetgeen me werd toegestaan.
Doch voor _Soetan Salim_, den byzonderen vyand van _Jang di Pertoean_,
was geen genade. De bevolking was in groote spanning. De Natallers
vermoedden dat de generaal zich verlaagde tot een werktuig van
mandhélingschen haat, en 't was in _die_ omstandigheden dat ik van-tyd
tot-tyd iets doen kon, wat hy "kordaat" vond, vooral daar hy de weinige
macht die er uit het fort kon gemist worden, en het detachement
mariniers dat hy van boord had meegebracht, niet aan _my_ afstond ter
bedekking als ik naar de plekken reed waar men samenschoolde. Ik heb by
die gelegenheid opgemerkt dat de generaal Vandamme zeer goed zorgde voor
zyn eigen veiligheid, en 't is dáárom dat ik zyn roem van dapperheid
niet onderschryven mag voor ik er meer van gezien heb, of iets anders.

Hy vormde in groote overhaasting een Raad, dien ik _ad hoc_ zou kunnen
noemen. Daarin waren leden: een paar adjudanten, andere officieren, de
officier van Justitie of fiskaal, dien hy van _Padang_ had meegenomen,
en ik. Deze Raad zou een onderzoek instellen naar de wyze waarop onder
myn voorganger 't proces tegen _Si Pamaga_ was gevoerd geworden. Ik
moest een tal van getuigen laten oproepen, wier verklaringen daartoe
noodig waren. De generaal, die natuurlyk vóórzat, ondervroeg en de
proces-verbalen werden geschreven door den fiskaal. Daar evenwel deze
beambte weinig maleisch verstond--en volstrekt niet het maleisch dat in
de Noord van Sumatra wordt gesproken--was 't dikwyls noodig hem de
antwoorden der getuigen te vertolken, hetgeen meestal de generaal zelf
deed. Uit de zittingen van dien Raad zyn stukken voortgekomen, die
ten-duidelykste schynen te bewyzen: dat _Si Pamaga_ nooit het voornemen
gekoesterd had iemand, wien het ook zy, te vermoorden. Dat hy noch
_Soelan Adam_, noch _Jang di Pertoean_ ooit had gezien of gekend. Dat hy
_niet_ op den _Toeankoe_ van _Natal_ was toegesprongen. Dat deze _niet_
uit het venster gevlucht was ... en zoo voort! Verder: dat het vonnis
tegen den ongelukkigen _Si Pamaga_ was geslagen onder de pressie van den
voorzitter--myn voorganger--en van 't Raadslid _Soetan Salim_, welke
personen de voorgewende misdaad van _Si Pamaga_ hadden verzonnen om aan
den gesuspendeerden adsistent-resident van _Mandhéling_ een wapen ter
zyner verdediging in de hand te stellen, en om lucht te geven aan hun
haat jegens _Jang di Pertoean_.

De wyze nu waarop de generaal by die gelegenheid ondervroeg, deed denken
aan de whistparty van zekeren keizer van Marokko die zyn partner
toevoegde: "speel harten, of ik sny je den hals af." Ook de vertalingen,
zooals hy die den fiskaal in den pen gaf, lieten veel te wenschen over.

Of nu _Soetan Salim_ en myn voorganger pressie hebben uitgeoefend op den
natalschen Rechtsraad om _Si Pamaga_ schuldig te verklaren, is my
onbekend. Maar wel weet ik dat de generaal Vandamme pressie heeft
uitgeoefend op de verklaringen die 's mans _onschuld_ moesten bewyzen.
Zonder op dat oogenblik nog de strekking daarvan te begrypen, heb ik me
tegen die ... onnauwkeurigheid verzet, hetgeen zóó ver gegaan is dat ik
heb moeten weigeren eenige verbalen mede te onderteekenen, en ziedaar nu
de zaak waarin ik den generaal zoo "gekontrarieerd" had. Ge begrypt nu
ook waarop de woorden doelen, waarmee ik de beantwoording sloot van de
aanmerkingen die er op myn geldelyk beheer gemaakt waren, de woorden
waarin ik verzocht van alle welwillende konsideratien verschoond
te blyven.

--Het was inderdaad zeer sterk voor iemand van uw jaren, zei
Duclari.[115]

--Ik vond het natuurlyk. Doch zeker is 't, dat de generaal Vandamme niet
aan zoo-iets gewoon was. Ik heb dan ook onder de gevolgen van die zaak
veel geleden. O neen, Verbrugge, ik zie wat je zeggen wilt, _berouwd_
heeft het me nooit. Zelfs moet ik hierby voegen dat ik me niet zou
bepaald hebben tot eenvoudig protesteeren tegen de wys waarop de
generaal de getuigen ondervroeg, noch tot het weigeren myner
handteekening op enkele verbalen, indien ik toen had kunnen gissen wat
ik eerst later te weten kwam, dat alles voortsproot uit een vooraf
vastgestelden toeleg om myn voorganger te bezwaren. Ik meende dat de
generaal, overtuigd van _Si Pamaga's_ onschuld, zich liet meesleepen
door de achtenswaardige zucht om een onschuldig slachtoffer te redden
van de gevolgen eener rechtsdwaling, voor-zoo-ver dit na de geeseling en
't brandmerk nog mogelyk was. Deze meening deed my wel in verzet komen
tegen valsheid, maar ik was daarover niet zóó verontwaardigd als ik zou
geweest zyn indien ik geweten had dat het hier geenszins te doen was om
een onschuldige te redden, maar dat deze valsheid de strekking had om
ten-koste van de eer en 't welzyn myns voorgangers, de bewyzen te
vernietigen die de politiek van den generaal in den weg stonden.

--En hoe ging 't verder met uw voorganger? vroeg Verbrugge.

--Gelukkig voor hem was hy reeds naar Java vertrokken voor de generaal
te _Padang_, terugkeerde. Hy schynt zich by de Regeering te _Batavia_ te
hebben kunnen verantwoorden, althans hy is in dienst gebleven. De
resident van _Ayer Bangie_ die op 't vonnis _fiat exekutie_ verleend
had, werd ...

--Gesuspendeerd?

--Natuurlyk! Ge ziet dat ik niet zoo heel onrecht had, in myn puntdicht
te zeggen dat de Gouverneur ons schorsend regeerde.

--En wat is er geworden van al die gesuspendeerde ambtenaren?

--O, er waren er nog veel meer! Allen, de een voor, de ander na, zyn in
hun betrekkingen hersteld. Enkelen van hen hebben later zeer aanzienlyke
ambten bekleed.[116]

--En _Soetan Salim_?

--De generaal voerde hem gevankelyk mede naar _Padang_, en vandaar werd
hy als balling naar Java gezonden. Hy is thans nog te _Tjanjor_ in de
Preanger regentschappen. Toen ik in 1846 daar was, heb ik hem een bezoek
gebracht. Weet je nog wat ik te _Tjanjor_ kwam doen, Tine?

--Neen, Max, dat is me glad ontgaan.

--Wie kan ook alles onthouden? Ik ben daar getrouwd, heeren!

--Maar, vroeg Duclari, daar ge nu toch aan 't vertellen zyt, mag ik
vragen of 't waar is dat ge te _Padang_ zoo dikwyls geduelleerd hebt?

--Ja, zeer dikwyls, en daartoe was aanleiding. Ik heb u reeds gezegd dat
de gunst van den Gouverneur op zoodanigen buitenpost de maatstaf is,
waarnaar velen hun welwillendheid afmeten. De meesten waren dus voor my
zeer _on_welwillend, en vaak ging dit over in grofheid. Ik van myn kant
was prikkelbaar. Een niet beantwoorde groet, een schimpscheut op de
"zotterny van iemand die 't wil opnemen tegen den generaal" een
toespeling op myn armoede, op myn hongerlyden, op 't slechte voedsel dat
er scheen te liggen in zedelyke onafhankelykheid ... dit alles, begrypt
ge, maakte my bitter. Velen, vooral onder de officieren, wisten dat de
generaal niet ongaarne zag dat er geduelleerd werd, en vooral met iemand
die zoo in ongenade was als ik. Misschien wekte men dus myn gevoeligheid
met voordacht op. Ook duelleerde ik wel eens voor een ander dien ik voor
verongelykt hield. Hoe dit zy, het duel was daar in dien tyd aan de orde
van den dag, en meer dan eens is 't gebeurd dat ik twee samenkomsten had
op een ochtend. O, er is iets zeer aantrekkelyks in het duel, vooral met
de sabel, of "op" de sabel, zooals ze 't noemen ... ik weet niet waarom.
Ge begrypt echter dat ik nu zoo-iets niet meer doen zou, ook al ware
daartoe zooveel aanleiding als in die dagen ... kom eens hier,
Max--neen, vang dat beestje niet--kom hier? Hoor eens, je moet nooit
kapellen vangen. Dat arme dier heeft eerst langen tyd als rups op een
boom rondgekropen, dat was geen vroolyk leven! Nu heeft het pas
vleugeltjes gekregen, en wil wat rondvliegen in de lucht, en zich
vermaken, en 't zoekt voedsel in de bloemen, en doet niemand leed ...
kyk, is 't niet veel aardiger het daar zoo te zien rondfladderen?

Zoo kwam 't gesprek van de duellen op de vlinders, op de ontferming des
rechtvaardigen over zyn vee, op het dieren plagen, op de _loi Grammont_,
op de Nationale Vergadering waarin die wet werd aangenomen, op de
republiek, en op wat niet al!

Eindelyk stond Havelaar op. Hy verontschuldigde zich by zyn gasten, wyl
hy bezigheden had. Toen de kontroleur hem den volgenden morgen op zyn
kantoor bezocht, wist hy niet dat de nieuwe adsistent-resident den
vorigen dag na de gesprekken in de voorgalery, was uitgereden naar
_Parang-Koedjang_--het distrikt der "_verregaande_ misbruiken"--en eerst
dien ochtend vroeg van daar was teruggekeerd.

       *       *       *       *       *

Ik verzoek den lezer te gelooven dat Havelaar te wellevend was om aan
zyn eigen tafel zooveel te spreken als ik in de laatste hoofdstukken heb
opgegeven, en waardoor ik op hem den schyn laad alsof hy zich meester
zou hebben gemaakt van 't gesprek, met verwaarloozing der plichten van
een gastheer, die voorschryven aan zyn gasten de gelegenheid te laten of
te verschaffen "zich te doen uitkomen." Ik heb uit de vele bouwstoffen
die voor me liggen, een paar grepen gedaan, en zou nog lang de
tafelgesprekken hebben kunnen voortzetten, met minder moeite dan 't
afbreken daarvan me gekost heeft. Ik hoop echter dat het meegedeelde
voldoende wezen zal om eenigermate de beschryving te rechtvaardigen, die
ik van Havelaars inborst en hoedanigheden gegeven heb, en dat de lezer
niet geheel zonder belangstelling de lotgevallen zal gadeslaan, die hem
en de zynen wachtten te _Rangkas-Betoeng_.

De kleine familie leefde stil voort. Havelaar was dikwyls over-dag uit,
en bracht halve nachten op zyn bureau door. De verhouding tusschen hem
en den kommandant van 't kleine garnizoen was alleraangenaamst, en ook
in den huiselyken omgang met den kontroleur was geen spoor te ontdekken
van 't rangverschil dat anders in Indie zoo vaak het verkeer styf en
vervelend maakt, terwyl bovendien Havelaars zucht om hulp te verleenen
waar hy maar eenigszins kon, dikwyls den Regent te-stade kwam, die dan
ook zeer met zyn "ouderen broeder" was ingenomen. En ten-slotte bracht
de lieftalligheid van mevrouw Havelaar veel toe tot het aangenaam
verkeer met de weinige op de plaats aanwezige Europeanen en de
Inlandsche Hoofden. De dienstkorrespondentie met den resident te
_Serang_ droeg blyken van wederzydsche welwillendheid, terwyl de bevelen
van den resident, met heusheid gegeven, stipt werden opgevolgd.

Tine's huishouding was spoedig geregeld. Na lang wachten waren de
meubels van _Batavia_ aangekomen, en waren _ketimon's_ in zout gelegd,
en als Max aan-tafel iets verhaalde, geschiedde dit in 't vervolg niet
meer uit gebrek aan eieren voor de omelet, hoewel toch altyd de
levenswys van 't klein gezin duidelyke blyken droeg dat de voorgenomen
spaarzaamheid zeer werd in acht genomen.

Mevrouw Slotering verliet zelden haar huis, en gebruikte slechts eenige
malen de thee by de familie Havelaar in de voorgalery. Ze sprak weinig,
en bleef altyd een wakend oog houden op ieder die hare of Havelaars
woning naderde. Men was echter gewoon geraakt aan wat men haar
_monomanie_ begon te noemen, en lette daarop weldra niet meer.

Alles scheen kalmte te ademen, want voor Max en Tine was 't
vergelykenderwyze een kleinigheid zich te schikken in ontberingen die op
een niet aan den grooten weg gelegen binnenpost onvermydelyk zyn. Daar
er op de plaats geen brood werd gebakken, at men geen brood. Men had het
van _Serang_ kunnen laten komen, maar de kosten op dat vervoer waren te
hoog. Max wist zoo goed als ieder ander dat er veel middelen te vinden
waren om zònder betaling brood naar _Rangkas-Betoeng_ te laten brengen,
maar _onbetaalde arbeid_, die Indische kanker, was hem een gruwel. Zoo
was er veel te _Lebak_, dat wel door gezag te verkrygen was om-niet maar
niet te-koop voor billyken prys, en onder zulke gegevens schikten zich
Havelaar en zyn Tine gaarne in 't gemis. Ze hadden wel andere
ontberingen beleefd! Had niet die arme vrouw maanden doorgebracht
aan-boord van een Arabisch vaartuig, zonder andere legerstede dan
't scheepsdek zonder andere beschutting tegen zonnehitte en
westmoessonsbuien, dan een tafeltje tusschen welks pooten ze zich moest
vastklemmen? Had ze niet op dat schip zich moeten vergenoegen met een
klein rantsoen droge ryst en vuil water? En was ze niet in die en vele
andere omstandigheden altyd tevreden geweest, als ze maar mocht samen
wezen met haar Max?

Eén omstandigheid echter was er te _Lebak_, die haar verdriet
berokkende: kleine Max kon niet in den tuin spelen omdat daar zooveel
slangen waren. Toen ze dit bemerkte en hierover zich by Havelaar
beklaagde, loofde deze aan de bedienden een prys uit voor elke slang die
ze vangen zouden, doch reeds de eerste dagen betaalde hy zóóveel aan
premien dat hy zyn belofte moest intrekken voor 't vervolg, want ook in
gewone omstandigheden en dus zonder de voor hem zoo noodzakelyke
zuinigheid, zou die betaling spoedig zyn middelen zyn te-boven gegaan.
Er werd alzoo vastgesteld dat kleine Max voortaan 't huis niet meer zou
verlaten, en dat hy zich, om frissche lucht te scheppen, vergenoegen
moest met spelen in de voorgalery. In-weerwil van deze voorzorg was Tine
toch altyd angstig, en vooral 's avends, daar men weet hoe slangen
dikwyls in de huizen kruipen en zich, om warmte te zoeken, in de
slaapkamers verbergen.

Slangen en dergelyk ongedierte vindt men wel-is-waar in Indiën overal,
maar op de grootere hoofdplaatsen waar de bevolking dichter op elkander
woont, komen zy natuurlyk zeldzamer voor dan in meer wilde streken,
zooals te _Rangkas-Betoeng_. Indien echter Havelaar had kunnen besluiten
zyn erf van onkruid te doen reinigen tot aan den rand van den ravyn toe,
zouden toch wel de slangen zich van-tyd tot-tyd in den tuin vertoond
hebben, maar niet in zóó grooten getale als dit nu 't geval was. De
natuur dezer dieren doet hun duisternis en schuiling voortrekken boven
't licht van open plaatsen, zoodat, als Havelaars erf zindelyk ware
gehouden, de slangen niet dan als 't ware haars ondanks en verdwaald, de
ruigte in den ravyn zouden verlaten hebben. Maar 't erf van Havelaar was
niet zindelyk, en ik wensch de reden hiervan te ontwikkelen, daar ze een
blik te meer doet slaan op de misbruiken die byna alom in de
nederlandsch-indische bezittingen heerschen.

De woningen der gezagvoerders in de binnenlanden staan op gronden die
aan de gemeenten toebehooren, voor-zoover men van gemeente-eigendom
spreken kan in een land waar de Regeering zich alles toeëigent. Genoeg,
dat die erven niet toebehooren aan den ambtelyken bewoner zelf. Deze
toch zou, als dit het geval ware, zich wachten een grond te koopen of te
huren, waarvan 't onderhoud boven zyn krachten ging. Wanneer nu het erf
van de hem aangewezen woning te groot is om behoorlyk te worden
onderhouden, zou dit, by den weligen tropischen plantengroei, binnen
weinig tyds in een wildernis ontaarden. En toch ziet men zelden of nooit
zoodanig erf in slechten staat. Ja dikwyls zelfs staat de reiziger
verbaasd over 't schoone park dat een residentswoning omringt. Geen
beambte in de binnenlanden heeft inkomen genoeg om den hiertoe noodigen
arbeid te doen verrichten tegen behoorlyke betaling, en daar nu toch een
deftig aanzien van de woning des gezaghebbers een vereischte is, opdat
niet de bevolking die zooveel hecht aan uiterlykheden, in slordigheid
grond vinde voor minachting, doet zich de vraag op, hoe dan dit doel
bereikt wordt? Op de meeste plaatsen hebben de gezaghebbers te
beschikken over eenige ketting-gangers, dat zyn: elders veroordeelde
misdadigers, een soort van werklieden echter dat in _Bantam_ om meer of
min geldige redenen van politieken aard niet aanwezig was. Doch ook op
plaatsen waar zich wel zoodanige veroordeelden bevinden, is hun aantal,
vooral met het oog op de behoefte aan anderen arbeid, zelden in
evenredigheid met het werk dat zou vereischt worden tot het goed
onderhouden van een groot erf. Er moeten dus andere middelen gevonden
worden, en de oproeping van arbeiders tot het verrichten van
_heeredienst_ ligt voor-de-hand. De Regent of de _Dhemang_ die zoodanige
oproeping ontvangt, haast zich daaraan te voldoen, want hy weet zeer
goed dat het den gezaghebbenden ambtenaar die van dat gezag misbruik
maakt, later moeielyk vallen zou een inlandsch Hoofd te bestraffen over
een gelyke fout. En alzoo strekt het vergryp van den een tot vrybrief
voor den ander.

Het komt my echter voor, dat dusdanige fout van een gezaghebber _in
sommige gevallen_ niet al te streng, en vooral niet naar europesche
begrippen, moet worden beoordeeld. De bevolking zelf toch zou
't--misschien uit ongewoonte--zeer vreemd vinden als hy _altyd_ en _in
alle gevallen_ zich stipt hield aan de bepalingen die 't getal der voor
zyn erf bestemde heeredienstplichtigen voorschryven, daar er
omstandigheden kunnen voorkomen die by deze bepalingen niet waren
voorzien. Maar zoodra eenmaal de grens van 't strikt wettige is
overschreden, wordt het moeielyk een punt vasttestellen, waarop
zoodanige overschryding zou overgaan in misdadige willekeur, en vooral
wordt groote omzichtigheid noodig zoodra men weet dat de Hoofden alleen
wachten op een slecht voorbeeld, om dat met verregaande uitbreiding
natevolgen. De vertelling over zekeren koning die niet wilde dat men de
betaling verzuimde van één korrel zout die hy by zyn eenvoudig maal
gebruikt had, toen hy aan 't hoofd zyns legers het land doortrok--omdat,
naar hy zeide, dit het begin was van een onrecht dat ten-laatste zyn
geheel ryk zou vernietigen--hy moge dan _Timoerleng_, _Noereddien_ of
_Djengis-Khan_ geheeten hebben, zeker is òf die fabel, òf als 't geen
fabel is, het voorval zelf, van aziatischen oorsprong. En even als 't
aanschouwen van zeedyken aan de mogelykheid van hoog water doet
gelooven, mag men aannemen dat er neiging bestaat tot _zulke_ misbruiken
in een land waar _zulke_ lessen worden gegeven.

Het gering getal lieden nu waarover Havelaar wettig beschikken mocht,
konden niet dan slechts een zeer klein gedeelte van zyn erf, in de
onmiddellyke nabyheid der woning, van onkruid en kreupelhout vryhouden.
Het overige was binnen weinig weken een volslagen wildernis. Havelaar
schreef aan den resident over de middelen om hierin te voorzien, hetzy
door een geldelyke toelage, hetzy door aan de Regeering voortestellen
even als elders kettinggangers in de residentie _Bantam_ te doen
arbeiden. Hy ontving hierop een weigerend antwoord, met de opmerking dat
hy immers 't recht had de personen die door hem by policievonnis waren
veroordeeld tot "arbeid aan den publieken weg" op zyn erf te-werk te
stellen. Dit wist Havelaar wel, of althans 't was hem meer dan voldoende
bekend dat zoodanige beschikking over gekondemneerden overal de
gewoonste zaak van de wereld was, maar nooit had hy, noch te
_Rangkas-Betoeng_ noch te _Amboina_, noch te _Menado_, noch te _Natal_,
van dat vermeend recht willen gebruik maken. Het stuitte hem, zyn tuin
te laten onderhouden als boete voor kleine vergrypen, en meermalen had
hy zich afgevraagd hoe de Regeering bepalingen kon laten bestaan, die
den ambtenaar in verzoeking kunnen brengen kleine verschoonbare fouten
te straffen, niet in evenredigheid met het vergryp, maar met den
toestand of de uitgestrektheid van zyn erf? Het denkbeeld alleen dat de
gestrafte, ook zelfs hy die rechtvaardig gestraft was, vermeenen zou dat
er eigenbelang schuilde onder het geslagen vonnis, deed hem, waar hy
straffen moest, altyd de voorkeur geven aan de anders zeer
afkeurenswaardige opsluiting.[117]

En vandaar kwam het dat kleine Max niet spelen mocht in den tuin, en dat
ook Tine van de bloemen niet zooveel genoegen smaakte als ze zich had
voorgesteld op den dag van haar aankomst te _Rangkas-Betoeng_.

Het spreekt vanzelf dat deze en dergelyke kleine verdrietelykheden geen
invloed uitoefenden op de stemming van een gezin dat zooveel bouwstoffen
bezat om zich een gelukkig huiselyk leven te verschaffen, en 't was dan
ook niet toeteschryven aan zulke kleinigheden, wanneer Havelaar soms met
een bewolkt voorhoofd binnentrad, by het terugkeeren van een uitstap, of
na 't aanhooren van dezen en genen die verzocht hadden hem te spreken.
We hebben uit zyn toespraak aan de Hoofden gehoord dat hy zyn plicht
wilde doen, dat hy onrecht wilde te-keer gaan, en tevens hoop ik dat de
lezer uit de gesprekken die ik meedeelde, hem heeft leeren kennen als
iemand die wel in-staat was iets uittevinden en tot klaarheid te
brengen, dat voor sommige anderen verborgen was of in 't duister lag. Er
was dus te veronderstellen dat niet veel van wat er in _Lebak_ omging
zyn aandacht ontgaan zou. Ook zagen we dat hy vele jaren vroeger op die
afdeeling gelet had, zoodat hy reeds den eersten dag, toen Verbrugge hem
ontmoette in de _pendoppo_ waar myn verhaal aanvangt, toonde in zyn
nieuwen werkkring geen vreemdeling te zyn. Hy had door nasporing op de
plaatsen zelf, veel bevestigd gevonden van wat hy vroeger vermoedde, en
vooral uit het archief was hem gebleken dat de landstreek waarvan het
bestuur aan zyn zorg was toevertrouwd, werkelyk in een hoogsttreurigen
toestand verkeerde.

Uit brieven en aanteekeningen van zyn voorganger bemerkte hy dat deze
dezelfde opmerkingen gemaakt had. De korrespondentie met de Hoofden
bevatte verwyt op verwyt, bedreiging op bedreiging, en deden zeer goed
begrypen hoe die ambtenaar ten laatste zou gezegd hebben, zich
rechtstreeks tot de Regeering te zullen wenden indien niet aan dien
stand van zaken een einde werd gemaakt.

Toen Verbrugge dit aan Havelaar meedeelde, had deze geantwoord dat zyn
voorganger daaraan verkeerd zou gedaan hebben, daar de adsistent-resident
van _Lebak_ in geen geval den resident van _Bantam_ mocht voorbygaan, en
hy had daarby gevoegd dat dit ook door volstrekt niets zoude gewettigd
zyn, daar het toch niet te denken was dat die hooge beambte party zou
trekken voor afpersing en knevelary.

Zoodanig partytrekken was dan ook waarlyk niet te veronderstellen in den
zin zooals Havelaar 't bedoelde, niet namelyk alsof den resident eenig
voordeel of gewin zou ten-deel vallen van die vergrypen. Doch wèl
bestond er een oorzaak die hem bewoog niet dan zeer ongaarne op de
klachten van Havelaars voorganger recht te doen. We hebben gezien hoe
die voorganger meermalen met den resident over de heerschende misbruiken
had gesproken--_geaboucheerd_, zei Verbrugge--en hoe weinig hem dit
gebaat had. Het is dus niet van belang ontbloot, te onderzoeken waarom
een zoo hooggeplaatst ambtenaar, die als hoofd van de geheele residentie
evenzeer als de adsistent-resident, ja meer nog dan deze, gehouden was
te zorgen dat er recht geschiedde, byna altyd reden meende te hebben om
den loop van dat recht te stuiten.[118]

Reeds te _Serang_, toen Havelaar daar ten-huize van den resident
vertoefde, had hy dezen over de Lebaksche misbruiken gesproken, en
hierop ten-antwoord bekomen: "dat dit alles in meer of mindere mate
overal 't geval was." Dit nu kon Havelaar niet ontkennen. Wie toch zou
beweren een land te hebben gezien waar niets verkeerds geschiedt? Maar
hy meende dat dit geen beweegreden was om misbruiken, waar men die vond,
te laten bestaan, vooral niet wanneer men uitdrukkelyk tot het tegengaan
daarvan geroepen was, en tevens dat, na al wat hy van _Lebak_ wist, hier
geen spraak was van _meer of mindere_, doch van _zeer groote_ maat,
waarop de resident hem onder anderen antwoordde: "dat het in de afdeeling
_Tjiringien_--ook tot _Bantam_ behoorende--nog erger gesteld was."

Wanneer men nu aanneemt, zooals men aannemen kan, dat een resident geen
rechtstreeks voordeel heeft van afpersing en van willekeurig beschikken
over de bevolking, doet zich de vraag op, wat dan zoovelen beweegt in
tegenspraak met eed en plicht zulke misbruiken te laten bestaan, zonder
daarvan aan de Regeering kennis te geven? En wie hierover nadenkt, moet
het al zeer vreemd vinden dat men zoo koelbloedig 't bestaan van die
misbruiken erkent, als ware er spraak van iets dat buiten bereik of
bevoegdheid lag. Ik zal trachten de oorzaken hiervan te ontwikkelen.

In 't algemeen reeds is het overbrengen van slechte tydingen iets
onaangenaams, en 't schynt wel of er van den ongunstigen indruk dien ze
veroorzaken, iets blyft kleven op wien de verdrietige taak te-beurt viel
zulke tydingen meetedeelen. Wanneer nu dit alleen reeds voor sommigen
een reden zou wezen om tegen beter weten aan, het bestaan van iets
ongunstigs te ontkennen, hoeveel te meer dan wordt dit het geval wanneer
men gevaar loopt, niet alleen zich de ongenade op den hals te halen die
nu eenmaal 't lot schynt des overbrengers van slechte berichten, doch
tevens als de _oorzaak_ te worden aangezien van den ongunstigen toestand
dien men plichtshalve openbaart.

De Regeering van Nederlandsch Indie schryft by-voorkeur aan haar
meesters in 't moederland dat alles naar wensch gaat. De residenten
melden dit gaarne aan de Regeering. De adsistent-residenten, die zelf
van hun kontroleurs byna niet dan gunstige berichten ontvangen, zenden
ook op hun beurt liefst geen onaangename tydingen aan de residenten.
Hieruit wordt in de officieele en schriftelyke behandeling der zaken een
gekunsteld optimismus geboren, in tegenspraak niet alleen met de
waarheid, maar ook met de eigen meening van die optimisten zelf, zoodra
zy dezelfde zaken mondeling behandelen, en--nog vreemder!--dikwyls zelfs
in tegenspraak met hun eigen geschreven berichten. Ik zou veel
voorbeelden kunnen aanhalen van rapporten die den gunstigen toestand van
een residentie ten-hoogste verheffen, doch te-gelyker-tyd, vooral waar
de _cyfers_ spreken, zichzelf logenstraffen. Deze voorbeelden zouden,
als niet de zaak om de eindelyke gevolgen te ernstig ware, aanleiding
geven tot lach en spot, en men staat verbaasd over de naïveteit waarmee
vaak in zoodanig geval de grofste onwaarheden worden staande gehouden en
aangenomen, al biedt dan ook de schryver zelf weinig zinsneden verder de
wapens aan waarmee die onwaarheden te bestryden zyn. Ik zal me tot een
enkel voorbeeld bepalen, dat ik met zeer velen zou kunnen vermeerderen.
Onder de stukken die voor me liggen, vind ik het jaarverslag van een
residentie. De resident roemt den handel die daar bloeit, en beweert dat
in de geheele landstreek de grootste welvaart en bedryvigheid worden
waargenomen. Een weinig verder evenwel, sprekende over de geringe
middelen die hem ten-dienste staan om sluikery te weren, wil hy terstond
den onaangenamen indruk wegnemen, die op de Regeering zou worden te-weeg
gebracht door de meening dat er dus in die residentie veel Inkomend-Recht
wordt ontdoken. "Neen, zegt hy, dáárvoor behoeft men niet bezorgd te zyn!
Er wordt in myn residentie weinig of niets ingevoerd ter-sluik, want ...
er gaat in deze streken zóó weinig om, dat niemand hier zyn kapitaal in
den handel wagen zou."

Ik heb een dergelyk verslag gelezen dat aanving met de woorden: "in 't
afgeloopen jaar is de rust rustig gebleven." Zulke zinsneden getuigen
wel van een zeer rustige gerustheid op de inschikkelykheid van de
Regeering voor ieder die haar onaangename tydingen spaart, of die,
zooals de term luidt: "haar niet bemoeielykt" met verdrietige berichten!

Waar de bevolking niet toeneemt, is dit toeteschryven aan onjuistheid
der tellingen van vorige jaren. Waar de belastingen niet stygen, maakt
men zich daarvan een verdienste: de bedoeling is, door lagen aanslag den
landbouw aantemoedigen, die zich juist _nu_ gaat ontwikkelen, en
weldra--liefst als de berichtgever zal afgetreden zyn--onbegrypelyke
vruchten moet afwerpen. Waar onordelykheid heeft plaats gehad die niet
verborgen blyven _kon_, was dit het werk van eenige weinige
kwalykgezinden die voor 't vervolg niet meer te vreezen zyn daar er een
_algemeene_ tevredenheid heerscht. Waar gebrek of hongersnood de
bevolking heeft gedund, was dit een gevolg van misgewas, van droogte,
regen of zoo-iets, nooit van wanbestuur.

De nota van Havelaars voorganger, waarin deze "het verloop van volk uit
het distrikt _Parang-Koedjang_ toeschreef aan _verregaand_ misbruik"
ligt voor my.[119] Deze nota was _in_officieel, en bevatte punten
waarover die ambtenaar met den resident van _Bantam_ te _spreken_ had.
Maar vergeefs zocht Havelaar in 't archief naar een blyk dat zyn
voorganger diezelfde zaak ruiterlyk by den waren naam had genoemd in een
_openbare dienstmissive_.

Kortom, de officieele berichten van de beambten aan het Gouvernement, en
dus ook de daarop gegronde rapporten aan de Regeering in 't moederland,
zyn voor het grootste en belangrykste gedeelte: _onwaar_.

Ik weet dat deze beschuldiging gewichtig is, doch houd die staande, en
voel me volkomen in-staat haar met bewyzen te staven. Wie verstoord
mocht zyn over dit onbewimpeld uiten myner meening, bedenke hoeveel
millioenen schats en hoeveel menschenlevens er zouden gespaard zyn aan
Engeland, indien men dáár tydig de oogen der natie voor de ware
toedracht der zaken in Britsch-Indie geopend had, en hoe groote
dankbaarheid men zou schuldig geweest zyn aan den man die den moed had
getoond de Jobsbode te wezen, voor het te laat ware geweest om 't
verkeerde te herstellen op minder bloedige wyze dan nu wel noodzakelyk
geworden was.

Ik zeide, myn beschuldiging te kunnen staven. Waar 't noodig is, zal ik
aantoonen dat er vaak hongersnood heerschte in streken die geroemd
werden als toonbeelden van welvaart, en dat meermalen een bevolking die
als rustig en tevreden wordt opgegeven, op 't punt stond uittebersten in
woede. Het is myn voornemen niet deze bewyzen te leveren in _dit_ boek,
schoon ik vertrouw dat men 't niet uit de hand leggen zal zonder te
gelooven dat ze bestaan.

Voor 't oogenblik bepaal ik me tot nog een enkel voorbeeld van het
belachelyk optimisme waarvan ik gesproken heb, een voorbeeld dat door
ieder, hy zy dan al of niet bekend met de zaken van Indie, gemakkelyk
zal kunnen begrepen worden.

Ieder resident dient maandelyks een opgaaf in van de ryst die in zyn
landschap is ingevoerd, of daaruit naar elders verzonden. By deze opgave
wordt dat vervoer in twee deelen gesplitst, naarmate het zich bepaalt
tot Java zelf of zich verder uitstrekt. Wanneer men nu let op de
hoeveelheid ryst welke volgens die opgaven is overgevoerd _uit_
residentien op Java _naar_ residentien op Java, zal men bevinden dat
deze hoeveelheid vele duizende pikols _meer_ bedraagt dan de ryst die,
volgens dezelfde opgaven, _in_ residentien op Java _uit_ residentien op
Java is ingevoerd.

Ik ga nu met stilzwygen voorby, wat men te denken hebbe van het
doorzicht der Regeering die zulke opgaven aanneemt en publiceert, en wil
den lezer alleen opmerkzaam maken op de _strekking_ van deze valsheid.

De procentsgewyze belooning aan europesche en inlandsche beambten voor
produkten die in Europa moeten verkocht worden, had den rystbouw
zoodanig op den achtergrond gesteld, dat er in sommige streken een
hongersnood geheerscht heeft, die niet voor de oogen der natie
weggegoocheld worden kòn. Ik heb reeds gezegd dat er toen voorschriften
zyn gegeven, de zaken niet weder te laten komen tot zóó ver. Tot de vele
uitvloeisels van deze voorschriften behoorden ook de door my genoemde
opgaven van uit-en ingevoerde ryst, opdat de Regeering voortdurend het
oog houden kon op de ebbe en den vloed van dat levensmiddel. _Uitvoer_
uit een residentie stelt welvaart voor, _Invoer_: betrekkelyk gebrek.

Wanneer men nu die opgaven onderzoekt en vergelykt, blykt daaruit dat de
ryst overal zóó overvloedig is, _dat alle residentien tezamen meer ryst
uitvoeren dan er in alle residentien tezamen wordt ingevoerd_. Ik
herhaal dat hier geen spraak is van uitvoer over zee, waarvan de opgaaf
afzonderlyk plaats heeft. De slotsom hiervan is dus de ongerymde
stelling: _dat er op Java meer ryst is dan er ryst is_. Dàt is
toch welvaart!

Ik zeide reeds dat de zucht om nooit andere dan goede berichten aan de
Regeering meetedeelen, zou overgaan in 't belachelyke, als niet de
gevolgen van dit alles zoo treurig waren. Welke verbetering immers is er
te hopen van veel verkeerds, als er een vooraf bepaald voornemen bestaat,
in de berichten aan 't bestuur alles omtebuigen en te verdraaien? Wat is
er by-voorbeeld te verwachten van een bevolking die, uit den aard zacht
en gedwee, sedert jaren, jaren klaagt over onderdrukking, als zy den
eenen resident vóór, den anderen nà ziet aftreden met verlof of met
pensioen, of wegroepen tot een ander ambt, zonder dat er _iets_ geschied
is tot herstel der grieven waaronder ze gebukt gaat! Moet niet de gebogen
veer eindelyk terugspringen? Moet niet de zoolang onderdrukte
ontevredenheid--onderdrukt, opdat men zou kunnen voortgaan ze te
loochenen!--eindelyk overslaan in woede, in wanhoop, in razerny? Ligt
er niet een _Jacquerie_ op 't eind van dezen weg?

En waar zullen dan de beambten zyn, die sedert jaren elkander opvolgden,
zonder ooit op 't denkbeeld te zyn gekomen dat er iets hoogers bestaat
dan de "gunst der Regeering?" Iets hoogers dan de "tevredenheid van den
Gouverneur-generaal?" Waar zullen zy dan wezen, de flauwe-berichten-
schryvers die de oogen van 't Bestuur door hun onwaarheden verblindden?
Zullen dan zy die vroeger den moed misten om een kordaat woord op 't
papier te stellen, te-wapen vliegen en de nederlandsche bezittingen
behouden voor Nederland? Zullen zy aan Nederland de schatten weergeven
die er zullen noodig wezen tot demping van oproer, tot het voorkomen van
omwenteling? Zullen zy 't leven weergeven aan de duizenden die er vielen
door hùn schuld?

En die ambtenaren, die kontroleurs en residenten, zyn niet de _meest_
schuldigen. Het is de Regeering zelf die, als geslagen met onbegrypelyke
blindheid, het indienen van gunstige berichten aanmoedigt, uitlokt en
beloont.[120] Vooral is dit het geval, waar spraak is van onderdrukking
der bevolking door inlandsche Hoofden.

Door velen wordt dit beschermen van de Hoofden toegeschreven aan de
onedele berekening dat zy, pracht en praal moetende ten-toon spreiden om
op de bevolking den invloed uitteoefenen dien de Regering noodig heeft
om háár gezag staande te houden, daartoe een veel hooger bezoldiging
zouden moeten genieten dan thans 't geval is, wanneer men hun niet de
vryheid liet het ontbrekende aantevullen door onwettige beschikking over
de bezittingen en den arbeid van 't volk. Hoe dit zy, de Regeering gaat
niet dan noode over tot het toepassen der bepalingen die den Javaan
tegen afpersing en roof heeten te beschermen. Meestal weet men in
onbeoordeelbare en vaak uit de lucht gegrepen redenen van staatkunde,
een oorzaak te vinden om _dien_ Regent of _dat_ Hoofd te sparen, en 't
is dan ook in Indie een tot spreekwoord geykte meening dat het
Gouvernement liever tien residenten zou ontslaan dan één Regent. Ook die
voorgewende politieke redenen--als ze op _iets_ gevestigd zyn--steunen
gewoonlyk op valsche opgaven, daar ieder resident belang heeft by 't
verheffen van den invloed zyner Regenten op de bevolking, om daarachter
zich te verschuilen als er later eenmaal aanmerking mocht vallen op te
groote inschikkelykheid omtrent die hoofden.[121]

Ik ga nu de afschuwelyke huichelary voorby van de menschlievend-
luidende bepalingen--en van de eeden!--die den Javaan tegen willekeur
beschermen ... op 't papier, en verzoek den lezer zich te herinneren hoe
Havelaar by 't naspreken van die eeden iets te kennen gaf dat denken
deed aan minachting. Voor 't oogenblik wil ik alleen wyzen op het
moeielyke van den toestand des mans die, geheel ànders dan uit kracht,
eener uitgesproken formule, zich gebonden achtte aan zyn plicht.

En voor hem was deze moeielykheid grooter nog dan ze voor sommige
anderen zou geweest zyn, omdat zyn gemoed zacht was, geheel in
tegenspraak met zyn doorzicht dat de lezer nu wel als vry scherp zal
hebben leeren kennen. Hy had dus niet alleen te stryden met vrees voor
menschen of met de zorg voor loopbaan en bevordering, noch ook alleen
met de plichten die hy als echtgenoot en huisvader te vervullen had: hy
moest een vyand overwinnen in zyn eigen hart. Hy kon niet zonder lyden
leed zien, en 't zou my te ver leiden als ik de voorbeelden wilde
aanvoeren hoe hy immer, ook waar hy gekrenkt en beleedigd was, de party
van een tegenstander beschermde tegen zichzelf. Hy verhaalde aan Duclari
en Verbrugge hoe hy in zyn jeugd iets aantrekkelyks had gevonden in het
duel met den sabel, 't geen de waarheid was ... doch hy zeide er niet by
hoe hy na 't wonden van zyn tegenparty gewoonlyk schreide, en zyn
gewezen vyand als een liefdezuster verpleegde tot de genezing toe. Ik
zou kunnen verhalen hoe hy te _Natal_ den kettingganger die op hem
geschoten had[122] by zich nam, den man vriendelyk toesprak, hem voeden
liet en vryheid gaf boven alle anderen, omdat hy meende te ontdekken dat
de verbittering van dien veroordeelde 't gevolg was van een, elders
geslagen, te streng vonnis. Gewoonlyk werd de zachtheid van zyn gemoed
òf ontkend, òf belachelyk gevonden. Ontkend door wie zyn hart verwarde
met zyn geest. Belachelyk gevonden door wie niet begrypen kon hoe een
verstandig mensch zich moeite gaf om een vlieg te redden, die vastgeraakt
was in het web eener spin. Ontkend weder door ieder--buiten Tine--die hem
daarna hoorde schimpen op die "domme dieren" en op de "domme natuur" die
zulke dieren schiep.

Maar nog een andere wyze bestond er om hem neertehalen van 't voetstuk
waarop zyn omgeving--men mocht hem beminnen of niet--wel gedwongen was
hem te plaatsen. "Ja, hy _is_ geestig, maar ... er is vluchtigheid in
zyn geest." Of: "hy _is_ verstandig, maar ... hy gebruikt zyn verstand
niet goed." Of: "ja, hy _is_ goedhartig, maar ... hy koketteert er mee!"

Voor zyn geest, voor zyn verstand, trek ik geen party. Maar zyn hart?
Arme spartelende vliegjes die hy redde als hy geheel alleen was, wilt
_gy_ dat hart verdedigen tegen de beschuldiging van koketterie?

Maar ge zyt weggevlogen, en hebt u niet bekommerd om Havelaar, gy die
niet weten kondet dat hy eenmaal behoefte hebben zou aan uw getuigenis!

Was 't koketterie van Havelaar, toen hy te _Natal_ een hond--_Sappho_
heette het dier--nasprong in de riviermonding, omdat hy vreesde dat het
nog jonge dier niet goed genoeg zwemmen kon om de haaien te ontwyken die
daar zoo menigvuldig zyn? Ik vind zulk koketteeren met goedhartigheid
moeielyker te gelooven dan de goedhartigheid zelf.

Ik roep u op, u, de velen die Havelaar gekend hebt--wanneer ge niet
verstyfd zyt door winterkou en dood ... als de geredde vliegen, of
verdroogd door de hitte daarginds onder de linie!--ik roep u op om
getuigenis te geven van zyn hart, gy allen die hem hebt gekend! Thans
vooral roep ik u op met vertrouwen, omdat ge niet meer noodig hebt te
zoeken waar de koord moet worden ingehaakt om hem neertehalen van welke
luttele hoogte ook.[123]

Intusschen, hoe bont het schyne, zal ik hier plaats geven aan eenige
regels van zyn hand, die zulke getuigenissen misschien overbodig maken.
Max was eens verre, verre weg van vrouw en kind. Hy had haar in Indie
moeten achterlaten, en bevond zich in Duitschland. Met de vlugheid die
ik hem toeken, doch die ik niet in bescherming neem als men ze mocht
willen aantasten, maakte hy zich meester van de taal des lands waar hy
eenige maanden verkeerd had. Ziehier die regels, die te-gelyker-tyd de
innigheid schetsen van den band die hem aan de zynen hechtte.

     --Mein Kind, da schlägt die neunte Stunde, hör!
     Der Nachtwind säuselt, und die Luft wird kühl,
     Zu kühl für dich vielleicht: dein Stirnchen glüht!
     Du hast den ganzen Tag so wild gespielt,
     Und bist wohl müde, komm, dein _Tikar_ harret.[124]

     --Ach, Mutter, lass mich noch 'nen Augenblick!
     Es is so sanft zu ruhen hier... und dort,
     Da drin auf meiner Matte, schlaf' ich gleich,
     Und weiss nicht einmal was ich träume! Hier
     Kann ich doch gleich dir sagen was ich träume.
     Und fragen was mein Traum bedeutet... hör,
     Was war das?

                          --'s War ein _Klapper_ der da fiel.[28]

     --Thut das dem Klapper weh?

                                               --Ich glaube nicht.
     Man sagt, die Frucht, der Stein, hat kein Gefühl.

     --Doch eine Blume, fühlt die auch nicht?

                                                           --Nein,
     Man sagt, sie fühle nicht.

                                             --Warum denn, Mutter,
     Als gestern ich die _Pukul ampat_ brach[125]
     Hast du gesagt: es thut der Blume weh?

     --Mein Kind, die _Pukul ampat_ war so schön
     Du zogst die zarten Blättchen roh entzwei,
     Das that mir für die arme Blume leid.
     Wenn gleich die Blume selbst es nicht gefühlt,
     _Ich_ fühlt' es für die Blume, weil sie schön war.

     --Doch, Mutter, bist du auch schön?

                                                --Nein, mein Kind,
     Ich glaube nicht.

                                        --Allein _du_ hast Gefühl?

     --Ja, Menschen haben's... doch nicht allen gleich.

     --Und kann _dir_ etwas weh thun? Thut dir's weh,
     Wenn dir im Schooss so schwer mein Köpfchen ruht?

     --Nein, _das_ thut mir nicht weh!

                                             --Und, Mutter, ich...

     Hab' _ich_ Gefühl?

                                            --Gewis! Erinn're dich
     Wie du, gestrauchelt einst, an einem Stein
     Dein Händchen hast verwundet, und geweint.
     Auch weintest du, als _Saudien_ dir erzählte[126]
     Dass auf den Hügeln dort, ein Schäflein tief
     In eine Schlucht hinunter fiel, und starb.
     Da hast du lang geweint... das war Gefühl.

     --Doch, Mutter, ist Gefühl denn Schmerz?

                                                        --Ja, oft!
     Doch... immer nicht, bisweilen nicht! Du weisst,
     Wenn's Schwesterlein dir in die Haare greift,
     Und krähend dir 's Gesichtchen nahe drückt,
     Dann lachst du freudig, das ist auch Gefühl.

     --Und dann mein Schwesterlein... es weint so oft,
     Ist das vor Schmerz? Hat sie denn auch Gefühl?
     --Vielleicht, mein Kind, wir wissen's aber nicht,
     Weil sie, so klein, es noch nicht sagen kann.

     --Doch, Mutter... höre, was war das?

                                                     --Ein Hirsch
     Der sich verspätet im Gebüsch, und jetzt
     Mit Eile heimwärts kehrt, und Ruhe sucht
     Bei andren Hirschen die ihm lieb sind.

                                                        --Mutter,
     Hat solch ein Hirsch ein Schwesterlein wie ich?
     Und eine Mutter auch?

                                          --Ich weiss nicht, Kind.

     --Das würde traurig sein, wenn's nicht so wäre!
     Doch, Mutter, seh'... was schimmert dort im Strauch?
     Seh' wie es hüpft und tanzt... ist das ein Funk?

     --'s Ist eine Feuerfliege.

                                             --Darf ich 's fangen?

     --Du darfst es, doch das Flieglein ist so zart,
     Du wirst gewiss es weh thun, und sobald
     Du 's mit den Fingern all zu roh berührst,
     Ist 's Thierchen krank, und stirbt, und glänzt nicht mehr.

     --Das wäre Schade! Nein, ich fang' es nicht!
     Seh', da verschwand es... nein, es kommt hierher...
     Ich fang' es doch nicht! Wieder fliegt es fort,
     Und freut sich dass ich's nicht gefangen habe!
     Da fliegt es... hoch! Hoch, oben... was ist das,
     Sind das auch Feuerflieglein dort?

                                                      --Das sind
     Die Sterne.

                    --Ein, und zehn, und tausend!
     Wieviel sind denn wohl da?

                                            --Ich weiss es nicht
     Der Sterne Zahl hat Niemand noch gezählt.

     --Sag', Mutter, zählt auch _Er_ die Sterne nicht?

     --Nein, liebes Kind, auch _Er_ nicht.

                                                  --Is das weit,
     Dort oben wo die Sterne sind?

                                                    --Sehr weit!

     --Doch haben diese Sterne auch Gefühl?
     Und würden sie, wenn ich sie mit der Hand
     Berührte, gleich erkranken, und den Glanz
     Verlieren, wie das Flieglein?--Seh', noch schwebt es!
     Sag, würd' es auch den Sternen weh thun?

                                                         --Nein,
     Weh thut's den Sternen nicht! Doch 's ist zu weit
     Für deine kleine Hand: du reichst so hoch nicht.

     --Kann _Er_ die Sterne fangen mit der Hand?

     --Auch _Er_ nicht: das kann Niemand!

                                               --Das ist Schade!
     Ich gäb so gern dir einen! Wenn ich gross bin,
     Dann will _ich so dich lieben das ich's_ kann.

     Das Kind schlief ein. Ihm träumte von Gefühl,
     Von Sternen die es fasste mit der Hand....
     Die Mutter schlief nog lange nicht! Doch träumte
     Auch sie, und dacht' an den der fern war...

Ja, op 't gevaar af van bont te schynen, heb ik aan die regels hier
plaats gegeven. Ik wensch geen gelegenheid te verzuimen om den man te
doen kennen die de hoofdrol vervult in myn verhaal, opdat hy den lezer
eenig belang inboezeme wanneer later donkere wolken zich samentrekken
over zyn hoofd.



VYFTIENDE HOOFDSTUK


Havelaars voorganger, die wel het goede wilde doch tevens de hooge
ongenade van de Regeering eenigszins scheen gevreesd te hebben--de man
had veel kinderen, en geen vermogen--had alzoo liever met den resident
_gesproken_ over wat hyzelf _verregaande_ misbruiken noemde, dan die
ronduit te noemen in een officieel bericht. Hy wist dat een resident
niet gaarne een schriftelyk rapport ontvangt, dat in zyn archief blyft
liggen en later kan gelden als bewys dat hy tydig was opmerkzaam gemaakt
op deze of gene verkeerdheid, terwyl een mondelinge mededeeling hem
zonder gevaar de keus laat tusschen 't al of niet gevolg geven aan een
klacht. Zulke mondelinge mededeelingen hadden gewoonlyk een onderhoud
ten-gevolge met den Regent, die natuurlyk alles ontkende en op bewyzen
aandrong. Dan werden de lieden opgeroepen die de stoutheid hadden gehad
zich te beklagen, en kruipende voor de voeten van den _Adhipatti_, baden
zy om verschooning. "Neen, die buffel was hun niet afgenomen om-niet, ze
geloofden wel dat daarvoor een dubbelen prys zou betaald worden." "Neen,
ze waren niet afgeroepen van hun velden om zonder betaling te arbeiden
in de _Sawahs_ van den Regent, ze wisten zeer goed dat de _Adhipatti_
hen later ruim zou beloond hebben." "Ze hadden hun aanklacht ingebracht
in een oogenblik van ongegronden wrevel ... ze waren waanzinnig geweest,
en smeekten dat men hen straffen mocht voor zulke verregaande
oneerbiedigheid!"

Dan wist de resident wel wat hy over die intrekking der aanklacht te
denken had, maar dat intrekken gaf hem niettemin een schoone gelegenheid
om den Regent te handhaven in ambt en eer, en hemzelf was de onaangename
taak bespaard de Regeering te "bemoeielyken" met een ongunstig bericht.
De roekelooze aanklagers werden met rottingslagen gestraft, de Regent
had gezegepraald, en de resident keerde naar de hoofdplaats terug, met
het aangenaam bewustzyn die zaak alweer zoo goed "geschipperd" te hebben.

Maar wat moest nu de adsistent-resident doen, als den volgenden dag weer
andere klagers zich by hem aanmeldden? Of--en dit geschiedde
dikwyls--als dezelfde klagers terugkeerden en hun intrekking introkken?
Moest hy _weder_ die zaak op zyn nota schryven, om _weder_ daarover te
spreken met den resident, om _weder_ dezelfde komedie te zien spelen,
alles op 't gevaar af van in het eind doortegaan voor iemand die--dom en
boosaardig dan--telkens beschuldigingen voorbracht welke gedurig moesten
worden afgewezen als ongegrond? Wat moest er worden van de zoo noodige
vriendschappelyke verhouding tusschen 't voornaamst Inlandsch Hoofd en
den eersten europeschen ambtenaar, als deze gedurig scheen gehoor te
geven aan valsche aanklachten tegen dat Hoofd? En vooral, wat werd er
van die arme klagers nadat ze waren weergekeerd in hun dorp, onder de
macht van het distrikts- of dorpshoofd dat ze hadden aangeklaagd als
uitvoerder van des Regents willekeur?

Wat er van die klagers werd? Wie vluchten kon, vluchtte. Dáárom zwierven
er zooveel Bantammers in de naburige provincien! Dáárom waren er zooveel
bewoners van _Lebak_ onder de opstandelingen in de _Lampongsche_
distrikten! Dáárom had Havelaar in zyn toespraak aan de Hoofden
gevraagd: "wat is dit, dat er zooveel huizen ledig staan in de dorpen,
en waarom verkiezen velen de schaduw der bosschen elders, boven de
koelte der wouden van _Bantan Kidoel_?"

Doch niet ieder _kon_ vluchten. De man wiens lyk 's morgens de rivier
afdreef, nadat hy den vorigen avend, in 't geheim, schoorvoetend,
angstig, verzocht had om gehoor by den adsistent-resident ... hy had
geen behoefte meer aan vlucht.[127] Misschien ware het als
menschlievendheid te achten, hem door oogenblikkelyken dood te
onttrekken aan nog eenigen tyd levens. Hem bleef de mishandeling
gespaard die hem wachtte by terugkeer in zyn dorp, en de rottingslagen
die de straffe zyn voor al wie een oogenblik meenen kon geen beest te
wezen, geen onbezield stuk hout of steen. De straffe van wie in een
aanval van dwaasheid geloofd had dat er _Recht_ in 't land was, en dat
de adsistent-resident den wil had, en de macht, om dat Recht te
handhaven ...

Was 't, niet inderdaad beter dien man te beletten den volgenden dag by
den adsistent-resident terugtekeeren--zooals deze hem 's avends zeggen
liet--en zyn klachte te smoren in 't gele water van den _Tjioedjoeng_,
dat hem zachtkens zou afvoeren naar hare monding, gewoon als ze was
overbrengster te wezen van die broederlyke groetgeschenken der haaien in
't binnenland aan de haaien in zee?

En Havelaar wist dit alles! Gevoelt de lezer wat er in zyn gemoed omging
by 't bedenken dat hy tot recht-doen geroepen, en daarvoor
verantwoordelyk was aan een hoogere macht dan de macht van een Regeering
die wel dat recht voorschreef in haar wetten, maar niet altyd even
gaarne daarvan de toepassing zag? Gevoelt men hoe hy werd geslingerd
door twyfel, niet aan wàt hem te doen stond, maar aan de _wyze waarop_
hy te handelen had?[128]

Hy had aangevangen met zachtheid. Hy had tot den _Adhipatti_ gesproken
als: "ouder broeder" en wie meenen mocht dat ik, ingenomen met den held
myner geschiedenis, de wyze waarop hy sprak, tracht te verheffen boven
maat, hoore hoe eens na zoodanig onderhoud, de Regent zyn _Patteh_ tot
hem zond om voor de welwillendheid zyner woorden dank te zeggen, en hoe
nog lang daarna die _Patteh_, sprekende met den kontroleur
Verbrugge--nadat Havelaar had opgehouden adsistent-resident van _Lebak_
te zyn, nadat er dus van hem niets meer te hopen of te vreezen was--hoe
die _Patteh_ by de herinnering aan zyn woorden getroffen uitriep: "nog
nooit heeft eenig heer gesproken als hy!"[129]

Ja, hy wilde helpen, terechtbrengen, redden, niet verderven! Hy had
medelyden met den Regent. Hy, die wist hoe geldgebrek kan drukken,
vooral waar het leidt tot vernedering en smaad, zocht naar gronden van
verschooning. De Regent was oud, en 't Hoofd van een geslacht dat op
grooten voet leefde in naburige provincien, waar veel koffi geoogst en
dus veel emolument genoten werd. Was 't niet grievend voor hem, in
levenswys zoo ver te moeten achterstaan by zyn jongere verwanten?
Bovendien meende de man, door dweepzucht beheerscht, by 't klimmen zyner
jaren het heil van zyn ziel voor bezoldigde bedevaarten naar Mekka en
voor aalmoezen aan gebedzingende leegloopers te kunnen inkoopen. De
ambtenaren die Havelaar in _Lebak_ waren voorafgegaan, hadden niet altyd
goede voorbeelden gegeven. En eindelyk maakte de uitgebreidheid der
_Lebaksche_ familie van den Regent, die geheel ten-zynen laste leefde,
hem het terugkeeren tot den goeden weg moeielyk.

Zóó zocht Havelaar naar gronden om alle strengheid uittestellen, en
nog-eens en nòg-eens te beproeven wat er kon bereikt worden met
zachtheid.

En hy ging verder nog dan zachtheid. Met een edelmoedigheid die aan de
fouten herinnerde waardoor hy zoo arm gemaakt was, schoot hy den Regent
gedurig op eigen verantwoordelykheid geld voor, opdat niet behoefte al
te sterk zou dringen tot vergryp, en hy vergat als gewoonlyk zich zelf
zóó ver dat hy aanbood zich en de zynen tot het strikt noodige te
bekrimpen, om den Regent ter-hulpe te komen met het weinige dat hy nog
van zyn inkomsten zou kunnen uitsparen.

Indien 't nog noodig schynen mocht, de zachtmoedigheid te bewyzen
waarmee Havelaar zyn moeielyken plicht vervulde, zou dit bewys kunnen
gevonden worden in een mondelinge boodschap die hy den kontroleur
opdroeg, toen deze eens naar _Serang_ zou vertrekken: "zeg den resident,
dat hy, hoorende van de misbruiken die hier plaats vinden, niet geloove
dat ik daaromtrent onverschillig ben. Ik maak daarvan niet terstond
officieele melding omdat ik den Regent, met wien ik medelyden heb,
wensch te bewaren voor te groote strengheid, daar ik eerst beproeven wil
hem door zachtheid tot zyn plicht te brengen."[130]

Havelaar bleef dikwyls dagen achtereen uit. Als hy te-huis was, vond men
hem meestal in de kamer die wy op onzen platten grond vinden voorgesteld
door 't zevende vak. Daar zat hy gewoonlyk te schryven, en ontving de
personen die om gehoor lieten vragen. Hy had die plek gekozen omdat hy
daar in de nabyheid was van zyn Tine die zich gewoonlyk in de kamer
daarnaast ophield. Want zóó innig waren zy verbonden dat Max, ook als hy
bezig was met eenigen arbeid die aandacht en inspanning vorderde,
gedurig behoefte voelde haar te zien of te hooren. Het was dikwyls
koddig hoe hy op-eenmaal tot haar een woord richtte dat in zyn gedachten
over de onderwerpen die hem bezig-hielden opkwam, en hoe snel zy, zonder
te weten wat hy behandelde, den zin van zyn meening wist te vatten, die
hy haar dan ook gewoonlyk niet toelichtte, als sprak het vanzelf dat zy
wel weten zou wat hy bedoelde. Dikwyls ook, als hy ontevreden was over
eigen arbeid of pas ontvangen verdrietig bericht, sprong hy op en zeide
iets onvriendelyks tot haar ... die toch geen schuld had aan zyn
ontevredenheid! Maar dit hoorde zy gaarne omdat het een bewys te meer
was hoe Max haar verwarde met zichzelf. En nooit ook was er spraak van
berouw over zoodanige schynbare hardheid, of van vergiffenis aan de
andere zyde. Dit zou hun geweest zyn, als hadde iemand vergeving
gevraagd aan zichzelf, omdat hy in wrevel zich had geslagen voor zyn
eigen hoofd.

Zy kende hem dan ook zoo goed, dat ze juist wist wanneer ze dáár moest
zyn om hem een oogenblik verpoozing te verschaffen ... juist, wanneer hy
behoefte had aan haren raad, en niet minder juist, wanneer ze hem alleen
moest laten.

In die kamer zat Havelaar op zekeren morgen toen de kontroleur by hem
binnentrad, met een zoo-even ontvangen brief in de hand.

--Dat is een moeielyke zaak, m'nheer Havelaar, zeide hy onder 't
binnentreden. Zeer moeielyk!

Wanneer ik nu zeg dat die brief eenvoudig Havelaars last inhield, om
optehelderen waarom er een verandering was gekomen in de pryzen van
houtwerken en arbeidsloon, zal de lezer vinden dat de kontroleur
Verbrugge al zeer spoedig iets moeielyk vond. Ik haast me dus hierby te
voegen dat veel anderen evenzeer moeielykheid zouden gevonden hebben in
't beantwoorden van die eenvoudige vraag.

Voor eenige jaren was er te _Rangkas-Betoeng_ een gevangenis gebouwd. Nu
is 't van algemeene bekendheid dat de beambten in de binnenlanden van
Java de kunst verstaan gebouwen opterichten die duizenden waard zyn,
zonder meer dan even zooveel honderden daarvoor uittegeven. Men verkrygt
daardoor den roep van bekwaamheid en yver voor 's lands dienst. Het
verschil tusschen de uitgegeven gelden en de waarde van het daarvoor
verkregene, wordt aangevuld door onbetaalde levering of onbetaalden
arbeid. Sedert eenige jaren bestaan er voorschriften die dit verbieden.
Of ze worden nagekomen, is hier de vraag niet. Evenmin of de Regeering
zelf _wil_ dat ze nagekomen worden met een stiptheid die bezwarend
werken zou op de begrooting van 't bouwdepartement? Het zal hiermede wel
gaan zooals met veel andere voorschriften die er zoo menschlievend
uitzien op 't papier.

Nu moesten er te _Rangkas-Betoeng_ nog veel andere gebouwen worden
opgericht, en de ingenieurs die met het ontwerpen van de plannen daartoe
belast waren, hadden opgaven gevraagd van de plaatselyke pryzen der
arbeidsloonen en materialen. Havelaar had den kontroleur belast met een
nauwkeurig onderzoek hieromtrent, en hem aanbevolen de pryzen optegeven
naar waarheid, zonder terugzicht op wat vroeger geschiedde. Toen
Verbrugge aan dezen last had voldaan, bleek er dat die pryzen niet
overeen kwamen met de opgaven van eenige jaren vroeger. Van dit verschil
nu werd de reden gevraagd, en dit vond Verbrugge zoo moeielyk. Havelaar,
die zeer goed wist wat er achter deze schynbaar eenvoudige zaak
schuilde, antwoordde dat hy zyn denkbeelden over die moeielykheid
schriftelyk zou meedeelen, en ik vind onder de voor my liggende stukken
een afschrift van den brief die 't gevolg schynt van deze toezegging.

Wanneer de lezer klagen mocht dat ik hem ophoud met een korrespondentie
over de pryzen van houtwerken, waarmee hy schynbaar niet te maken heeft,
moet ik hem verzoeken niet onopgemerkt te laten dat hier eigenlyk spraak
is van geheel iets anders, _van den toestand namelyk der ambtelyke
Indische huishouding_, en dat de brief dien ik meedeel niet alleen een
straal van licht te meer werpt op 't kunstmatig optimismus waarvan ik
gesproken heb, maar tevens de moeielykheden schetst, waarmee iemand te
kampen had die zooals Havelaar rechtuit en zonder omzien zyn weg
wilde gaan.

"N° 114                               _Rangkas-Betoeng_, 15 Maart 1856.

_Aan den Kontroleur van Lebak_.

   Toen ik den brief van den Direkteur der Openbare-Werken, van den
   16den Februari l.l., N° 271/354 aan u renvoieerde, heb ik u verzocht
   het daarby gevraagde, na overleg met den Regent, te beantwoorden met
   in-achtneming van wat ik schreef in myn missive van 5 dezer N° 97.

   Die missive bevatte eenige algemeene wenken omtrent hetgeen als
   billyk en rechtvaardig te beschouwen is by 't bepalen der pryzen van
   materialen, door de bevolking te leveren aan, en op last van,
   het Bestuur.

   By uwe missive van 8 dezer, N° 6, hebt ge daaraan--en naar ik geloof,
   volgens uw beste weten--voldaan, zoodat ik, vertrouwende op uw lokale
   kennis en die des Regents, die opgaven, zooals ze door u waren
   gesteld, den resident heb aangeboden.

   Daarop volgde eene missive van dien hoofdambtenaar, van 11 dezer,
   N° 326, waarby inlichting wordt verzocht omtrent de oorzaak van het
   verschil tusschen de door my opgegeven pryzen, en die welke in 1853
   en 1854 by het opbouwen eener gevangenis besteed werden?

   Ik stelde natuurlyk dien brief in uwe handen, en gelastte u
   mondeling, alsnu uwe opgave te justificeeren, hetgeen u te minder
   moeielyk moest vallen, daar ge u kondet beroepen op de voorschriften
   u in myn schryven van den 5en dezer gegeven, en die we mondeling
   meermalen uitvoerig bespraken.

   Tot hiertoe is alles eenvoudig en geleidelyk.

   Maar gisteren kwaamt ge ten-mynen-kantore, met den gerenvoieerden
   brief des residents in de hand, en begon te spreken over de
   moeielykheid der afdoening van het daarin voorkomende. Ik ontwaarde
   by u wederom zekeren schroom om sommige zaken by den waren naam te
   noemen, iets waarop ik u reeds meermalen opmerkzaam maakte, onder
   anderen onlangs in tegenwoordigheid van den resident, iets wat ik ter
   bekorting _halfheid_ noem, en waartegen ik u reeds dikwyls
   vriendschappelyk waarschuwde.

   Halfheid leidt tot niets. _Half_-goed is niet goed. _Half_-waar is
   _on_waar.

   Voor vol traktement, voor vollen rang, na een duidelyken _volledigen_
   eed, doe men zyn vollen plicht.

   Is er soms moed noodig dien te volvoeren, men bezitte dien.

   Ik voor my zou den moed niet hebben dien moed te missen. Want,
   afgescheiden van de ontevredenheid met zichzelf die een gevolg is van
   plichtverzuim of lauwheid, baart het zoeken naar gemakkelyker
   omwegen, de zucht om altyd en overal botsing te ontgaan, de begeerte
   om te "schipperen" meer zorg, en inderdaad meer gevaar, dan men op
   den rechten weg ontmoeten zal. Gedurende den loop eener zeer
   belangryke zaak, die thans by 't Gouvernement in overweging is, en
   waarin gy eigenlyk ambtshalve behoorde betrokken te zyn, heb ik u
   stilzwygend als het ware neutraal gelaten, en slechts lachend van-tyd
   tot-tyd daarop gezinspeeld.

   Toen, by-voorbeeld, onlangs uw rapport over de oorzaken van gebrek en
   hongersnood onder de bevolking by my was ingekomen, en ik daarop
   schreef: "_dit alles moge de waarheid zyn, het is niet_ al _de waarheid,
   noch de_ voornaamste _waarheid. De hoofdoorzaak zit dieper_" stemde gy
   dit volmondig toe, en ik maakte geen gebruik van myn _recht_, te eischen
   dat ge dan ook die hoofdwaarheid _noemen_ zoudt.

   Ik had tot myn inschikkelykheid vele redenen, en onder anderen deze,
   dat ik 't onbillyk vond op-eenmaal iets van _U_ te vorderen, wat vele
   anderen in uw plaats evenmin zouden presteeren, _U_ te dwingen zoo
   op-eenmaal de routine van achterhoudendheid en menschenvrees vaarwel
   te zeggen, die niet zoozeer _uw_ schuld is als wel die der leiding
   welke u te beurt viel. Ik wilde eindelyk eerst u een voorbeeld geven
   hoeveel eenvoudiger en gemakkelyker het is, zyn plicht _geheel_ te
   doen dan _half_."

   Thans echter, nu ik de eer heb u weder zooveel dagen langer onder myn
   bevelen te zien, en nadat ik u herhaaldelyk in de gelegenheid stelde,
   principes te leeren kennen die--tenzy ik dwaal--ten-laatste zullen
   zegevieren[131] wenschte ik dat ge die aannaamt, dat gy u de niet
   ontbrekende, maar in onbruik geraakte kracht eigen maakte die er
   noodig schynt om altyd naar uw beste weten ronduit te zeggen wat er
   te zeggen valt, en dat ge dus geheel-en-al varen liet dien onmannelyken
   schroom om flink voor een zaak uittekomen.

   Ik verwacht dus nu een eenvoudige maar _volledige_ opgave van wat u
   voorkomt de oorzaak te wezen van 't prysverschil tusschen _nu_ en
   1853 of 1854.

   Ik hoop ernstig dat gy geen enkele zinsnede van dezen brief zult
   opnemen, als geschreven met de bedoeling om u te krenken. Ik vertrouw
   dat ge my genoeg hebt leeren kennen om te weten dat ik niet meer of
   minder zeg dan ik meen, en bovendien geef ik u nog ten-overvloede de
   verzekering dat myn opmerkingen eigenlyk minder _U_ betreffen, dan de
   _school_ waarin ge tot Indisch ambtenaar gevormd zyt.

   Deze _circonstance atténuante_ zou echter vervallen wanneer ge,
   langer met my omgaande en 't Gouvernement onder myn leiding dienende,
   voortgingt den slender te volgen waartegen ik my verzet.

   Ge hebt opgemerkt dat ik my van het "_Uweledelgestrenge_" heb
   ontslagen: 't verveelde my. Doe het ook, en laat onze "weledelheid"
   en waar 't noodig is onze "gestrengheid" elders en vooral ànders
   blyken, dan uit die vervelende, zinstorende titulatuur.


        _De Adsistent-resident van Lebak_

            MAX HAVELAAR."

Het antwoord op dezen brief bezwaarde sommigen van Havelaars voorgangers,
en bewees dat hy niet zoo onrecht had, toen hy de "_slechte voorbeelden
van vroegeren tyd_" mede opnam onder de redenen die pleiten konden ter
verschooning van den Regent.

Ik ben in 't meedeelen van dezen brief den tyd vooruitgeloopen, om reeds
nu te doen in 't oog vallen, hoe weinig hulp Havelaar van den kontroleur
te verwachten had, zoodra geheel andere, meer belangryke, zaken zouden
moeten genoemd worden by den rechten naam, wanneer reeds deze ambtenaar
die zonder twyfel een braaf mensch was, zóó moest worden toegesproken om
de waarheid te zeggen waar het slechts de opgaven der pryzen van hout,
steen, kalk en arbeidsloon gold. Men beseft alzoo dat hy niet alleen te
stryden had met de macht der personen die voordeel genoten van misdryf,
maar tevens met de beschroomdheid dergenen die--hoezeer dat misdryf
evenzeer afkeurende als hy--zich niet geroepen of geschikt achtten
daartegen met den vereischten moed optetreden.

Misschien ook zal men na 't lezen van dien brief, eenigszins terugkomen
van de minachting voor de slaafsche onderworpenheid van den Javaan die
in tegenwoordigheid van zyn Hoofd de ingebrachte beschuldiging, hoe
gegrond ook, lafhartig terugtrekt. Want, als men bedenkt dat er zooveel
oorzaak was tot vreeze, zelfs voor den europeschen beambte, die dan toch
geacht kon worden iets minder bloottestaan aan wraak, wat wachtte dan
den armen landbewoner, die in een dorp ver van de hoofdplaats
geheel-en-al in de macht zyner aangeklaagde onderdrukkers verviel? Is
't wonder dat die arme menschen, verschrikt over de gevolgen van hun
stoutheid, die gevolgen zochten te ontwyken of te verzachten door
deemoedige onderwerping?

En 't was niet alleen de kontroleur Verbrugge, die zyn plicht deed met
een schuwheid als voegen zou aan plichtverzuim. Ook de _Djaksa_, 't
Inlandsch Hoofd dat by den Landraad het ambt van publieke aanklager
vervult, trad liefst 's avends, ongezien en zonder gevolg, in Havelaars
woning. Hy, die diefstal moest tegengaan, dien 't was opgedragen den
sluipenden dief te betrappen, hy sloop, als ware hyzelf de dief die
betrapping vreesde, met zachten tred het huis aan de achterzyde in, na
zich eerst te hebben overtuigd dat geen gezelschap daar was, dat later
hem zou kunnen verraden als schuldig aan plichtsbetrachting.

Was 't wonder dat Havelaars ziel bedroefd was, en dat Tine meer dan ooit
noodig had zyn kamer binnentetreden om hem optebeuren, als ze zag hoe hy
daar zat met de hand onder 't hoofd?

En toch was voor hem 't grootst bezwaar niet gelegen in de
schroomvalligheid van wie hem ter-zyde stonden, noch in de medeplichtige
lafhartigheid van wie zyn hulp hadden ingeroepen. Neen, geheel alleen
des-noods zou hy recht doen, met of zonder hulp van anderen dan, ja,
_tegen_ allen, al ware 't ook tegen henzelf die behoefte hadden aan dat
recht! Want hy wist hoe hy invloed had op het Volk, en hoe--als eenmaal
de arme onderdrukten, opgeroepen om luide en voor 't gerecht te herhalen
wat ze hem 's avends en 's nachts hadden toegefluisterd in eenzaamheid
--hy wist hoe hy de macht had op hun gemoederen te werken, en hoe de
kracht zyner woorden sterker zyn zou dan de angst voor wraak van
Distriktshoofd of Regent. De vrees dat zyn beschermelingen zouden
afvallen van hun eigen zaak weerhield hem dus niet. Maar 't kostte hem
zooveel dien ouden _Adhipatti_ aanteklagen: dàt was de reden van zyn
tweestryd! Want ook aan den anderen kant mocht hy niet toegeven in dezen
weerzin, daar de geheele bevolking, afgescheiden nog haar goed recht,
evenzeer aanspraak had op medelyden.

Vrees voor eigen leed had geen deel in zyn twyfel. Want al wist hy hoe
ongaarne in 't algemeen de Regeering een Regent ziet aanklagen, en
hoeveel gemakkelyker 't sommigen valt den europeschen beambte broodeloos
te maken dan een Inlandsch Hoofd te straffen, hy had een byzondere reden
om te gelooven dat er juist op dit oogenblik by de beoordeeling van
zulke zaak andere grondstellingen dan de gewone zouden voorheerschen.
Het is waar dat hy, ook zonder deze meening, evenzeer zyn plicht zou
gedaan hebben, te liever zelfs als hy 't gevaar voor zich en de zynen
grooter had geacht dan ooit. We zeiden reeds dat moeielykheid hem
aantrok, en hoe hy dorstte naar opoffering. Doch hy meende dat de
aanlokkelykheid van een zelfoffer hier niet bestond, en vreesde--als hy
in 't eind zou moeten overgaan tot ernstigen stryd tegen 't onrecht--zich
te moeten spenen van 't ridderlyk genoegen dien stryd te hebben aangevangen
als de zwakste.

Ja, dit _vreesde_ hy. Hy meende dat er aan 't hoofd van de Regeering een
Gouverneur-generaal stond die zyn bondgenoot wezen zou, en 't was een
eigenaardigheid te meer in zyn karakter, dat deze meening hem van
strenge maatregelen terughield, langer juist dan iets anders hem zou
weerhouden hebben, omdat het hem stuitte het Onrecht aantegrypen op een
oogenblik dat hy 't Recht voor sterker hield dan gewoonlyk. Ik zeide
immers reeds in de proeve der beschryving van zyn inborst, dat hy naïf
was by al zyn scherpte?

Laat ons trachten optehelderen hoe Havelaar tot die meening gekomen was.

       *       *       *       *       *

Zeer weinig europesche lezers kunnen zich een juist denkbeeld vormen van
de hoogte waarop een Gouverneur-generaal staan moet als mensch, om niet
beneden de hoogte zyner bediening te blyven, en 't gelde dan ook niet
als een te streng oordeel wanneer ik de meening aankleef dat zeer
weinigen, geenen misschien, aan zóó zwaren eisch hebben kunnen
beantwoorden. Om nu niet al de hoedanigheden van hoofd en hart te noemen
die daartoe noodig zyn, vestige men slechts 't oog op de duizelingwekkende
hoogte waarop zoo eensklaps de man wordt geplaatst, die--gisteren nog
eenvoudig burger--heden macht heeft over millioenen onderdanen. Hy die
voor weinig tyds nog verscholen was onder zyn omgeving, zonder daarboven
uittesteken in rang of gezag, voelt zich op-eenmaal, onverwachts meestal,
opgeheven boven een menigte, oneindig grooter dan de kleine kring die hem
vroeger toch geheel voor 't oog verborg, en ik geloof dat ik niet ten-
onrechte de hoogte duizelingwekkend noemde, die inderdaad herinnert aan
de duizeling van iemand die onverwachts een afgrond voor zich ziet, of aan
de blindheid die ons treft wanneer we met snelheid worden overgebracht van
diepe duisternis in scherp licht. Tegen zulke overgangen zyn de zenuwen van
gezicht of hersenen niet bestand, ook al waren zy overigens van buitengewone
sterkte.

Indien alzoo reeds in zichzelf de benoeming tot Gouverneur-generaal
veelal de oorzaken van bederf meedraagt, ook van denzulken die
uitstekend was in verstand en gemoed, wat is er dan te verwachten van
personen die reeds vóór die benoeming leden aan veel gebreken? En al
stellen we voor een oogenblik dat de Koning altyd goed is voorgelicht,
als hy zyn hoogen naam teekent onder de akte waarin hy zegt overtuigd te
wezen van de "_goede trouw, den yver en de bekwaamheden_" des benoemden
Stedehouders, al nemen wy aan dat de nieuwe Onderkoning yverig, trouw en
bekwaam is, dan nog blyft het de vraag of die yver, en vooral of die
_bekwaamheid_, by hem bestaat in eene _maat_, hoog genoeg verheven boven
_middelmatigheid_, om aan de eischen van zyn roeping te voldoen.

Want de vraag kan niet zyn of de man die te 's Gravenhage voor 't eerst
als Gouverneur-generaal het kabinet des Konings verlaat, op dàt
oogenblik de bekwaamheid bezit die noodig zal wezen voor zyn nieuw ambt
... dit is _onmogelyk_! Met de betuiging van vertrouwen op zyn
bekwaamheid kan slechts de meening bedoeld zyn dat hy in een geheel
nieuwen werkkring, op een gegeven oogenblik, by ingeving als 't ware,
weten zal wat hy te 's Gravenhage niet kan geleerd hebben. Met andere
woorden: dat hy een genie is, een genie dat op eenmaal kennen moet en
kunnen, wat het kende noch kon. Zulke genien zyn zeldzaam, zelfs onder
personen die in gunste staan by koningen.[132]

Daar ik van genien spreek, gevoelt men dat ik wil over slaan wat er zou
te zeggen vallen van zoo menigen Landvoogd. Ook zou 't me stuiten in myn
boek bladzyden intevoegen die 't ernstig doel van dit werk zouden
blootstellen aan de verdenking van jacht op schandaal. Ik ga dus nu de
byzonderheden die bepaalde personen zouden raken voorby maar als
_algemeene_ ziektegeschiedenis van de Gouverneurs-generaal, meen ik te
mogen opgeven: _eerste stadium_. Duizeling. Wierook-dronkenschap.
Eigenwaan. Onmatig zelfvertrouwen. Minachting van anderen, vooral van
"oudgasten." _Tweede stadium_. Afmatting. Vrees. Moedeloosheid. Neiging
tot slaap en rust. Bovenmatig vertrouwen op den Raad van Indie.
Afhankelykheid van de Algemeene Sekretarie. Heimwee naar een hollandsche
buitenplaats.

Tusschen deze beide stadien in, en als overgang--misschien zelfs als
oorzaak van dien overgang--liggen dyssenterische buikaandoeningen.

Ik vertrouw dat velen in Indie me dankbaar zullen wezen voor deze
diagnose. Ze is nuttig toetepassen, want men kan voor zeker houden dat
de zieke, die door overspanning in de eerste periode stikken zou aan een
mug, later--na de buikziekte!--zonder bezwaar kemels zal verdragen. Of,
om duidelyker te spreken, dat een beambte die "_geschenken aanneemt,
niet met het doel zich te verryken_"--by-voorbeeld een bos _pisang_
ter-waarde van eenige duiten--met smaad en schande zal worden weggejaagd
in de _eerste_ periode der ziekte, maar dat iemand die 't geduld heeft
het _laatste_ tydperk aftewachten, zeer gerust en zonder eenige vrees
voor straf, zich zal kunnen meester maken van den tuin waar de _pisang_
groeide, met de tuinen die daarnaast liggen er by ... van de huizen die
in den omtrek staan ... van wat er in die huizen is ... en van nog
een-en-ander meer, _ad libitum_.[133]

Ieder doe met deze pathologisch-wysgeerige opmerking zyn voordeel, en
houde myn raad geheim, ter voorkoming van te groote mededinging.

Vervloekt, dat verontwaardiging en droefheid zoo vaak zich moeten
kleeden in 't lappenpak van de satire! Vervloekt, dat een traan, om
begrepen te worden, moet verzeld gaan van gegryns! Of is 't de schuld
myner onbedrevenheid, dat ik geen woorden vind om de diepte te peilen
van de wonde die er kankert aan ons staatsbestuur, zonder myn styl te
zoeken by _Figaro_ of _Polichinel_?

Styl ... ja! Daar liggen stukken voor my, waarin styl is Styl die
aantoonde dat er een _mensch_ in de buurt was, een _mensch_ wien het de
moeite waard geweest ware, de hand te reiken! En wat heeft die styl den
armen Havelaar gebaat? _Hy_ vertaalde zyn tranen niet in gegryns, _hy_
spotte niet, _hy_ zocht niet te treffen door bontheid van kleur of door
de grappen van den uitroeper voor de kermistent ... wat heeft het hem
gebaat?

Kon ik schryven zooals hy, ik zou ànders schryven dan hy.

Styl? Hebt ge gehoord hoe hy sprak tot de Hoofden? Wat heeft het hem
gebaat?

Kon ik spreken zooals hy, ik zou ànders spreken dan hy.

Weg met gemoedelyke taal, weg met zachtheid, rondborstigheid,
duidelykheid, eenvoud, gevoel! Weg met al wat herinnert aan Horatius'
_justum ac tenacem_! Trompetten hier, en scherp gekletter van
bekkenslag, en gesis van vuurpylen, en gekras van valsche snaren, en
hier-en-daar een waar woord, dat het mee insluipe als verboden waar,
onder bedekking van zooveel getrommel en zooveel gefluit?

Styl? _Hy_ had styl! Hy had te veel ziel om zyn gedachten te verdrinken
in de "ik heb de eers" en de "edelgestrengheden" en de "eerbiedig-in-
overweging-gevingen" die den wellust uitmaken van de kleine wereld waarin
hy zich bewoog. Als hy schreef, doordrong u iets by 't lezen, dat u
begrypen deed hoe er wolken dreven by dat onweder, en dat ge niet het
gerammel hoorde van een blikken tooneeldonder. Als hy vuur sloeg uit zyn
denkbeelden, voelde men de hitte van dat vuur, tenzy men geboren kommies
was, of Gouverneur-generaal, of schryver van 't walgelykst verslag over
"rustige rust." En wat heeft het hem gebaat?

Als ik dus wil worden gehoord--en verstaan vooral!--moet ik ànders
schryven dan hy. Maar _hoe_ dan?

Zie, lezer, ik zoek naar 't antwoord op dat _hoe_? en daarom heeft myn
boek een zoo bont aanzien. Het is een staalkaart: bepaal uw keuze. Later
zal ik u geel of blauw of rood geven naar uwen wensch.

Havelaar had de Gouverneurs-ziekte reeds zoo dikwyls waargenomen by zoo
véél lyders--en vaak _in animâ vili_, want er zyn analogische residents-,
kontroleurs- en surnumerairsziekten, die tot de eerste in verhouding staan
als mazelen tot pokken, en eindelyk: hyzelf had aan die ziekte geleden!
--reeds zóó dikwyls had hy dat alles waargenomen, dat hy de verschynselen
daarvan vry-wel kende. Hy had den tegenwoordigen Gouverneur-generaal in
't begin van de ongesteldheid minder duizelig gevonden dan de meeste
anderen, en hy besloot hieruit dat ook de verdere loop der ziekte een
andere richting nemen zou.

Het was om deze reden dat hy vreesde de sterkste te zullen zyn, wanneer
hy in 't eind zou moeten optreden als verdediger van het goed recht der
inwoners van _Lebak_.



ZESTIENDE HOOFDSTUK


Havelaar ontving een brief van den Regent van _Tjanjor_, waarin deze hem
meedeelde dat hy een bezoek wenschte te brengen aan zyn oom, den
_Adhipatti_ van _Lebak_. Deze tyding was hem zeer onaangenaam. Hy wist
hoe de Hoofden in de _Preanger Regentschappen_ gewoon waren een groote
weelde ten-toon te spreiden, en hoe de _Tjanjorsche Tommongong_ zulk een
reis niet zou doen zonder een gevolg van vele honderden die allen met
hun paarden moesten geherbergd en gevoed worden. Gaarne alzoo had hy dit
bezoek verhinderd, doch hy peinsde vruchteloos op middelen die 't konden
voorkomen zonder den Regent van _Rangkas-Betoeng_ te kwetsen, daar deze
zeer trotsch was en zich diep beleedigd zou gevoeld hebben wanneer men
zyn betrekkelyke armoede had opgegeven als beweegreden om hem niet te
bezoeken. En wanneer dit bezoek _niet_ te ontwyken was, zou 't onmisbaar
aanleiding geven tot verzwaring van den druk waaronder de bevolking
gebukt ging.

Het is te betwyfelen of Havelaars toespraak een blyvenden indruk op de
Hoofden gemaakt had. By velen was dit zeker niet het geval, waarop
hyzelf dan ook niet gerekend had. Doch even zeker is 't, dat er een roep
was opgegaan in de dorpen, dat de _toewan_ die gezag had te
_Rangkas-Betoeng_, recht wilde doen, en al hadden dus zyn woorden de
kracht gemist om terugtehouden van misdaad, ze hadden toch aan de
slachtoffers daarvan den moed gegeven zich te beklagen, al geschiedde
dit dan ook slechts schoorvoetend en in 't geheim.

Ze kropen 's avends door den ravyn, en als Tine in haar kamer zat, werd
ze meermalen opgeschrikt door onverwacht geruisch, en ze zag door 't
open venster donkere gedaanten die voorby slopen met schuwen tred.
Weldra schrikte ze niet meer, want ze wist wat het beduidde als die
gestalten zoo spookachtig om 't huis waarden en bescherming zochten by
haren Max! Dan wenkte zy dezen, en hy stond op om de klagers tot zich te
roepen. De meesten kwamen uit het distrikt _Parang-Koedjang_, waar des
Regents schoonzoon Hoofd was, en hoewel dat Hoofd gewis niet verzuimde
zyn aandeel van, 't afgeperste te nemen, was het toch voor niemand een
geheim dat hy meestal roofde uit naam en ten-behoeve van den Regent. Het
was aandoenlyk hoe die arme lieden op Havelaars ridderlykheid
vertrouwden en overtuigd waren dat hy hen niet roepen zou om den
volgenden dag in 't openbaar te herhalen wat ze des nachts of den
vorigen avend in zyn kamer gezegd hadden. Dit toch ware mishandeling
geweest voor allen, en voor velen de dood! Havelaar teekende aan wat ze
zeiden, en daarna gelastte hy de klagers naar hun dorp terugtekeeren. Hy
beloofde dat er recht zou geschieden, mits zy zich niet verzetten, en
niet uitweken zooals 't voornemen was van de meesten. Meestal was hy
kort daarna op de plaats waar 't onrecht geschiedde, ja, vaak was hy
reeds daar geweest en had--gewoonlyk des-nachts--de zaak onderzocht,
voor nog de klager zelf in zyn woonstede was teruggekeerd. Zoo bezocht
hy in die uitgestrekte afdeeling, dorpen die twintig uren verwyderd
waren van _Rangkas-Betoeng_, zonder dat noch de Regent noch zelfs de
kontroleur Verbrugge wisten dat hy afwezig was van de hoofdplaats. Zyn
bedoeling hiermede was, 't gevaar der wraak van de klagers aftewenden en
tevens den Regent de schaamte te besparen van een openlyk onderzoek dat
gewis onder hèm niet als vroeger met een intrekking van de klacht zou
afgeloopen zyn. Zoo hoopte hy nog altyd dat de Hoofden zouden
terugkeeren van den gevaarlyken weg dien zy reeds zoolang betraden, en
hy zou in dat geval zich vergenoegd hebben met het vorderen van
schadeloosstelling aan de beroofden ... voor-zoo-ver 't vergoeden der
geleden schade mogelyk wezen zou.

Maar telkens nadat hy op-nieuw met den Regent had gesproken, deed hy de
overtuiging op dat de beloften van beterschap ydel waren, en hy was
bitter bedroefd over 't mislukken van zyn pogingen.

We zullen hem nu eenigen tyd aan die droefheid en zyn moeielyken arbeid
overlaten, om den lezer de geschiedenis te verhalen van den Javaan
_Saïdjah_ in de dessah _Badoer_. Ik kies de namen van dat dorp en dien
Javaan uit de aanteekeningen van Havelaar.[134] Er zal daarin spraak zyn
van afspersing en roof, en wanneer men--wat de hoofdstrekking aangaat
--bewyskracht mocht willen ontzeggen aan een verdichtsel, geef ik de
verzekering dat ik in-staat ben de namen optegeven van _twee-en-dertig
personen_ in het distrikt _Parang-Koedjang_ alleen, aan welke in één
maand tyds _zes-en-dertig buffels_ zyn afgenomen ten-behoeve van den
Regent. Of, juister nog, dat ik de namen kan noemen van de twee-en-dertig
personen uit dat distrikt, die zich in één maand _hebben durven beklagen_,
en wier klacht door Havelaar _onderzocht en gegrond bevonden is_.

Er zyn _vyf_ zoodanige distrikten in de afdeeling _Lebak_ ...

Wanneer men nu verkiest aantenemen dat het getal geroofde buffels minder
hoog was in de streken die niet de eer hadden bestuurd te worden door
een schoonzoon van den _Adhipatti_, wil ik dit wel toegeven, hoezeer het
de vraag blyft of niet de onbeschaamdheid van andere Hoofden op even
vaste gronden rustte als hooge verwantschap? Het distriktshoofd,
by-voorbeeld, van _Tjilang-kahan_ aan de Zuidkust kon, by-gebreke van
een gevreesden schoonvader, steunen op de moeielykheid van 't inbrengen
eener klacht, voor arme lieden die _veertig_ tot _zestig_ palen hadden
afteleggen voor zy 's avends zich konden verbergen in den ravyn naast
Havelaars huis. En als men hierby acht geeft op de velen die op weg
gingen om nooit dat huis te bereiken ... op de velen die niet eenmaal
vertrokken uit hun dorp, afgeschrikt als ze waren door eigen
ondervinding of door 't aanschouwen van het lot dat anderen klagers te
beurt viel, dan geloof ik dat men onrecht hebben zou in de meening dat
de vermenigvuldiging met _vyf_ van 't getal gestolen buffels uit één
distrikt, een te hoogen maatstaf opleverde voor wie naar de statistiek
vraagt van 't getal runderen dat elke maand geroofd werd in _vyf_
distrikten, om te voorzien in de behoeften der hofhouding des Regents
van _Lebak_.

En 't waren niet buffels alleen die gestolen werden, noch zelfs was
buffelroof 't voornaamste. Er is--in Indie vooral, waar nog altyd
_heeredienst_ wettelyk bestaat--een geringer maat van onbeschaamdheid
noodig om de bevolking onwettig opteroepen tot onbetaald werk, dan er
vereischt wordt tot het wegnemen van eigendom. Het is gemakkelyker de
bevolking diets te maken dat de Regeering behoefte heeft aan haren
arbeid zonder dien te willen betalen, dan dat ze haar buffels eischen
zou om-niet. En al _durfde_ de vreesachtige Javaan nasporen of de
zoogenaamde _heeredienst_ dien men van hem vordert, overeenstemt met de
bepalingen daaromtrent, dan nog zou hem dit onmogelyk wezen daar de een
niet weet van den ander, en hy dus niet berekenen kan of 't vastgesteld
getal personen tien-ja vyftigvoud overschreden is? Waar dus 't meer
gevaarlyke, het lichter te ontdekken feit wordt uitgevoerd met zulke
stoutheid, wat is er dan te denken van de misbruiken die gemakkelyker
zyn aantewenden en minder gevaar loopen van ontdekking?[135]

Ik zeide, te zullen overgaan tot de geschiedenis van den Javaan
_Saïdjah_. Vooraf echter ben ik genoodzaakt tot een der afwykingen die
zoo moeielyk kunnen vermeden worden by 't beschryven van toestanden
welke den lezer geheel vreemd zyn. Ik zal tevens daaruit aanleiding
nemen tot het wyzen op een der beletselen die 't juist beoordeelen van
indische zaken aan niet-indische personen zoo byzonder moeielyk maken.

Herhaaldelyk heb ik van Javanen gesproken, en hoe natuurlyk dit den
europeschen lezer moge toeschynen, toch zal deze benaming als een fout
hebben geklonken in de ooren van wien op Java bekend is. De westelyke
residentien _Bantam, Batavia, Preanger, Krawang_, en een gedeelte van
_Cheribon_--tezamen genomen: _Soendahlanden_ genaamd--worden geacht niet
tot eigenlyk Java te behooren, en om nu niet van de over zee gekomen
vreemdelingen in die gewesten te spreken, de oorspronkelyke bevolking is
inderdaad een geheel andere dan op midden-Java en in den zoogenaamden
Oosthoek. Kleeding, volksaard en taal zyn zoo geheel anders dan meer
oostwaarts, dat de _Soendanees_ of _Orang Goenoeng_[136] van den
eigenlyk gezegden Javaan meer verschilt dan een Engelschman van den
Hollander. Dusdanige verschillen geven dikwyls aanleiding tot
oneenigheid in 't oordeel over indische zaken. Immers wanneer men nagaat
dat Java alleen reeds zoo scherp is afgedeeld in twee ongelyksoortige
deelen, zonder nog te letten op de vele onderdeelen van die splitsing,
kan, men berekenen hoe groot het onderscheid moet wezen tusschen
volkstammen die verder van elkander wonen en zelfs door de zee
gescheiden zyn. Wie nederlandsch Indie alleen kent van Java, kan zich
evenmin een juist denkbeeld vormen van den _Maleier_, den _Amboinees_,
den _Battah_, den _Alfoer_, den _Timorees_, den _Dajak_, den _Boegie_,
of den _Makassaar_, alsof hy nooit Europa verlaten had, en 't is voor
iemand die in de gelegenheid was 't onderscheid tusschen deze volkeren
waartenemen, dikwyls vermakelyk om de gesprekken aantehooren--grappig en
bedroevend tevens, de redevoeringen te lezen!--van personen die hun
kennis der indische zaken opdeden te _Batavia_ of te _Buitenzorg_.
Meermalen heb ik me verwonderd over den moed waarmee, by-voorbeeld een
gewezen Gouverneur-generaal, in de Kamer der Volksvertegenwoordiging,
gewicht tracht bytezetten aan zyn woorden door voorgewende aanspraak op
plaatselyke kennis en ondervinding. Ik stel hoogen prys op wetenschap
die door ernstige studie in 't boekvertrek verkregen is, en vaak stond
ik verbaasd over de uitgebreidheid der kennis van indische zaken, die
sommigen toonen te bezitten zonder ooit indischen grond betreden te
hebben. Zoodra nu een gewezen Gouverneur-generaal blyken geeft zich
zulke kennis te hebben eigen gemaakt op _die_ wyze, behoort men voor hem
den eerbied te gevoelen die 't rechtmatig loon is van veeljarigen
nauwgezetten vruchtbaren arbeid. Grooter nog zy die eerbied voor hem dan
voor den geleerde die minder moeielykheden te overwinnen had omdat hy,
op verren afstand _zonder_ aanschouwing, minder gevaar liep te vervallen
in de dwalingen die 't gevolg zyn eener _gebrekkige_ aanschouwing zooals
onmisbaar ten-deel viel aan den gewezen Gouverneur-generaal.

Ik zeide dat ik verwonderd was over den moed dien sommigen by de
behandeling van indische zaken ten-toon spreiden. Zy weten immers dat
hun woorden ook door anderen worden gehoord, dan wie meenen mochten dat
het genoeg is een paar jaren te _Buitenzorg_ te hebben doorgebracht om
Indie te kennen. Het moet hun toch bekend zyn dat die woorden ook
gelezen worden door de personen die in Indie zelf getuigen waren van hun
onbedrevenheid, en die evenzeer als ik verbaasd staan over de stoutheid
waarmee iemand die nog zoo kort geleden vergeefs trachtte zyn
onbekwaamheid wegtesteken onder den hoogen rang dien hem de Koning gaf,
nu zoo op-eenmaal spreekt alsof hy werkelyk kennis droeg van de zaken
die hy behandelt.

Telkens hoort men dan ook klachten over onbevoegde inmenging. Telkens
wordt deze of gene richting in de koloniale staatkunde bestreden door
't loochenen der bevoegdheid van hem die zulke richting vertegenwoordigt,
en misschien ware het niet onbelangryk een gezet onderzoek intestellen
naar de eigenschappen die iemand bevoegd maken om ... bevoegdheid te
beoordeelen. Meestal wordt een belangryke vraag getoetst, niet aan de
zaak waarover ze handelt, maar aan de waarde welke men toekent aan de
meening van den man die daarover 't woord voert, en daar dit meestal de
persoon is die doorgaat voor een _Specialiteit_, by-voorkeur iemand "die
in Indie een zoo gewichtige betrekking heeft bekleed" volgt hieruit dat
de slotsom eener stemming meestal de kleur draagt van de dwalingen die
nu eenmaal schynen te kleven aan "die gewichtige betrekkingen." Indien
dit reeds geldt waar de invloed van zoodanige specialiteit slechts wordt
uitgeoefend door een lid der Volksvertegenwoordiging, hoe groot wordt
dan niet de voorbeschikking tot verkeerd oordeelen, als zulke invloed
gepaard gaat met het vertrouwen des Konings die zich dwingen liet zulk
een specialiteit aan 't hoofd van zyn Ministerie van Kolonien te plaatsen.

Het is een eigenaardig verschynsel--wellicht voortspruitende uit een
soort van traagheid die de moeite van 't zelf oordeelen schuwt--hoe
licht men vertrouwen schenkt aan personen die zich den schyn weten te
geven van meerder kennis, zoodra slechts die kennis kan geput wezen uit
bronnen die niet voor ieder toegankelyk zyn. De oorzaak ligt misschien
hierin, dat de eigenliefde minder gekwetst wordt door 't erkennen van
zoodanig overwicht, dan 't geval wezen zou wanneer men van dezelfde
hulpmiddelen had kunnen gebruik maken, waardoor iets als wedyver
ontstaan zou. Het valt den Volksvertegenwoordiger gemakkelyk zyn
gevoelen optegeven, zoodra 't bestreden wordt door iemand die geacht kan
worden een juister oordeel te vellen dan het zyne, wanneer slechts zulke
veronderstelde meerdere juistheid niet behoeft te worden toegeschreven
aan persoonlyke meerderheid--waarvan de erkenning moeielyker vallen
zou--doch alleen aan de byzondere omstandigheden waarin zoodanige
tegenstander verkeerd heeft.

En zonder te spreken van hen "die zulke _hooge betrekkingen_ in Indie
vervulden" het is inderdaad vreemd hoe men meermalen waarde toekent aan
de meening van personen die volstrekt niets bezitten wat die toekenning
rechtvaardigt dan de "herinnering aan een zóóveeljarig verblyf in die
gewesten." Dit is te meer zonderling omdat zy die gewicht hechten aan
dusdanigen bewysgrond, toch niet gereedelyk alles zouden aannemen wat
hun by-voorbeeld zou gezegd worden over de huishouding des nederlandschen
staats, door ieder die aantoonde dat hy veertig of vyftig jaren in
Nederland gewoond had. Er zyn personen die byna even zooveel tyd in
Nederlandsch-Indie doorbrachten, zonder ooit in aanraking gekomen te zyn,
noch met de bevolking, noch met inlandsche Hoofden, en 't is bedroevend,
dat de Raad van Indie zeer dikwyls geheel of grootendeels uit zoodanige
personen is samengesteld, ja dat men zelfs middel heeft gevonden, den
Koning benoemingen te laten teekenen tot Gouverneur-generaal, van iemand
die tot _deze_ soort van specialiteiten behoorde.[137]

Toen ik zeide dat de veronderstelde bekwaamheid van een nieuwbenoemden
Gouverneur-generaal moest geacht worden de meening intesluiten dat men
hem voor een genie hield, was myn bedoeling geenszins het benoemen van
genien aantepryzen. Buiten het bezwaar toch dat er liggen zou in 't
gedurig onvervuld laten van een zoo gewichtige betrekking, pleit nog een
andere reden hiertegen. Een genie zou niet kunnen werken onder het
Ministerie van Kolonien, en dus als Gouverneur-generaal onbruikbaar
wezen ... zooals genien wel meer zyn.

Het ware misschien te wenschen dat de door my in den vorm eener
ziektegeschiedenis opgegeven hoofdfeilen de aandacht trokken dergenen
die tot de keuze van een nieuwen Landvoogd geroepen zyn. Op den
voorgrond stellende dat al de personen die daarvoor worden in aanmerking
gebracht, rechtschapen zyn, en in 't bezit van een bevattingsvermogen
dat hen eenigermate zal in-staat stellen te leeren wat ze zullen moeten
weten, houd ik 't voor hoofdzaak dat men met eenig gegrond vertrouwen
van hen de vermyding kunne verwachten van die aanmatigende betwetery in
't begin, en vooral van die apathische slaperigheid in de laatste jaren
van hun bestuur. Ik heb er reeds op gewezen dat Havelaar in zyn
moeielyken plicht meende te kunnen steunen op de hulp van den
Gouverneur-generaal, en ik voegde er by "dat deze meening naïef was."
Die Gouverneur-generaal wachtte zyn opvolger: de rust in Nederland
was naby!

We zullen zien wat deze neiging tot slaap berokkend heeft aan de
_Lebaksche_ Afdeeling, aan Havelaar, en aan den Javaan _Saïdjah_, tot
wiens eentonige geschiedenis--één onder zeer velen!--ik thans overga.

Ja, eentonig zal ze wezen! Eentonig als 't verhaal van de werkzaamheid
der mier die haar bydrage tot den wintervoorraad moet opslepen tegen den
aardkluit--voor haar een berg--die er ligt op den weg naar de
voorraadschuur. Telkens valt ze terug met haar vracht, om telkens weer
te beproeven of ze eindelyk vasten voet zou kunnen zetten op dat
steentje daar-boven ... op de rots die den berg kroont. Maar tusschen
haar en dien top is een afgrond die moet worden omgetrokken ... een
diepte die duizend mieren niet vullen zouden. Daartoe moet zy, die
nauwlyks kracht heeft haar last voortteslepen op gelyken grond--een last
vele malen zwaarder dan eigen lyf--dien omhoog heffen, en zich overeind
houden op een bewegelyke plek. Ze moet het evenwicht bewaren als ze zich
opricht met haar vracht tusschen de voorpooten. Ze moet die omslingeren
in schuinsche richting naar-boven, om ze te doen neerkomen op de punt
die uitsteekt aan den rotswand. Ze wankelt, waggelt, schrikt, bezwykt
... tracht zich te houden aan den half ontwortelden boomstam die met zyn
kruin naar de diepte wyst--een grasspriet!--ze mist het steunpunt dat ze
zoekt: de boom slingert terug--de grasspriet wykt onder haren tred--ach,
de tobster valt in de diepte met haar vracht. Dan is zy een oogenblik
stil, wel een sekonde ... dat lang is in het leven van een mier. Zou ze
verdoofd wezen van pyn door haar val? Of geeft ze toe in wat droefheid
dat zooveel inspanning ydel was? Maar ze verliest den moed niet. Weder
grypt ze haren last, en weder sleept zy dien naar-boven, om straks
nògeens, en nògeens, neertevallen in de diepte.

Zóó eentonig is myn verhaal. Maar ik zal niet spreken van mieren, welker
vreugde of leed door de grofheid onzer zintuigen aan onze waarneming
ontsnapt. Ik zal verhalen van menschen, van wezens die gelyke beweging
hebben als wy. 't Is waar, wie aandoening schuwt en vermoeiend
mede-lyden ontgaan wil, zal zeggen dat die menschen geel zyn, of
bruin--velen noemen ze zwart--en voor dezulken is 't verschil van kleur
beweegreden genoeg om hun oog aftekeeren van die ellende, of ten-minste
àls zy er op neerzien, daarop neertezien zonder aandoening.

Myn vertelling is dus alleen gericht aan hen die in-staat zyn tot het
moeielyk geloof dat er harten kloppen onder die donkere opperhuid, en
dat, wie gezegend is met blankheid en de daarmee samengaande beschaving,
edelmoedigheid, handels- en Godskennis, deugd ... zyn blanke
hoedanigheden zou kunnen aanwenden op àndere wyze dan tot nog toe
ondervonden werd door wie minder gezegend zyn in huidskleur en
zielevoortreffelykheid.

Myn vertrouwen op medegevoel met de Javanen gaat echter niet zóó ver,
dat ik by de beschryving hoe men den laatsten buffel rooft uit den
_kendang_[138] by-dag, zonder schroom, onder bescherming van 't
nederlandsch gezag ... als ik 't weggevoerd rund laat volgen door den
eigenaar en zyn schreiende kinderen ... als ik hem laat neerzitten op
den trap van 't huis des roovers, sprakeloos en wezenloos en verzonken
in smart ... als ik hem van daar laat wegjagen met hoon en smaad, met
bedreiging van rottingslag en blokgevangenis ... zie, ik eisch
niet--noch verwacht, o Nederlanders!--dat ge daardoor zult aangegrepen
zyn in gelyke maat als wanneer ik u het lot schetste van een boer wien
men zyn koe ontnam. Ik vraag geen traan by de tranen die er vloeien op
zoo donkere gezichten, noch edelen toorn als ik zal spreken van de
vertwyfeling der beroofden. Evenmin verwacht ik dat ge zult opstaan, en
met myn boek in de hand tot den Koning gaan, en zeggen: "zie, o Koning,
dat geschiedt in _uw_ Ryk, in uw schoon ryk van Insulinde!"

Neen, neen, neen, dat alles verwacht ik niet! Te veel leeds in de
nabyheid maakt zich meester van uw gevoel, om u zóó veel gevoels
overtelaten voor wat zoo ver is! Worden niet al uw zenuwen in spanning
gehouden door de akeligheid der keus van een nieuw Kamerlid? Dobbert
niet uw verscheurde ziel tusschen de wereldberoemde verdiensten van
Nietigheid A en Onbeduidendheid B? En hebt ge niet uw dure tranen noodig
voor ernstiger zaken dan ... maar wat hoef ik méér te zeggen! Was er
niet gister slapte op de beurs, en dreigde niet ietwat overvoer de
koffimarkt met daling?

       *       *       *       *       *

"Schryf toch zulke zinnelooze dingen niet aan je papa, Stern!" heb ik
gezegd, en misschien zei ik 't wat driftig, want ik kan geen onwaarheid
lyden, dit is altyd een vast principe van me geweest. Ik heb dien avend
terstond aan den ouden Stern geschreven dat hy haast moest maken met zyn
orders, en vooral zich in-acht nemen tegen valsche berichten, want de
koffi staat heel goed.

De lezer gevoelt wat ik by 't aanhooren van die laatste hoofdstukken
weer heb uitgestaan. Ik heb in de kinderkamer een solitairspelletje
gevonden, en dàt neem ik voortaan mee naar den krans. Had ik niet gelyk,
toen ik zei dat die Sjaalman allen had gek gemaakt met zyn pak? Zou men
in al dat geschryf van Stern--en Frits doet ook mee, dit is
zeker!--jongelieden herkennen, die opgebracht worden in een deftig huis?
Wat zyn dat voor malle uitvallen tegen een ziekte, die zich openbaart in
't verlangen naar een buitenplaats? Is dat op my gemunt? Mag ik niet
naar Driebergen gaan, als Frits makelaar is? En wie spreekt van
buikaandoeningen, in gezelschap van vrouwen en meisjes? Het is een vast
principe van me, altyd bedaard te blyven--want ik houd dit voor nuttig
in de zaken--maar ik moet erkennen, dat het me dikwyls veel moeite
kostte, by 't aanhooren van al de gekheid die Stern voorleest. Wat wil
hy toch? Wat moet het eind zyn? Wanneer komt er nu eindelyk iets
degelyks? Wat gaat het my aan, of die Havelaar zyn tuin schoon houdt,
en of de menschen voor of achter by hem binnenkomen? By Busselinck en
Waterman moet men door een nauw gangetje, naast een oliepakhuis, waar
't altyd heel vuil is. En dan dat gemaal over die buffels! Wat hoeven ze
buffels te hebben, die zwarten? Ik heb nog nooit een buffel gehad, en
toch ben ik tevreden. Er zyn menschen die altyd klagen. En wat dat
schimpen op gedwongen arbeid aangaat, men ziet wel dat hy de preek van
dominee Wawelaar niet gehoord heeft, anders zou hy weten hoe nuttig dat
werken is voor de uitbreiding van 't Godsryk. 't Is waar, hy is
luthersch.

O, zeker, als ik had kunnen gissen _hoe_ hy 't boek schryven zou, dat
zoo gewichtig worden moet voor alle makelaars in koffi--en anderen--had
ik 't liever zelf gedaan. Maar hy heeft een steun in de Rosemeyers, die
in suiker doen, en dit maakt hem zoo boud. Ik heb ronduit gezegd--want
ik ben oprecht in die dingen--dat wy de geschiedenis van dien _Saïdjah_
wel kunnen missen, maar daar begon op-eens Louise Rosemeyer tegen my
optestaan. Het schynt dat Stern haar gezegd heeft dat er van liefde zou
inkomen, en daar zyn zulke meisjes dol op. Ik zou me echter hierdoor
niet hebben laten afschrikken, als maar niet de Rosemeyers me gezegd
hadden, gaarne kennis te willen aanknoopen met Sterns vader. Dit is
natuurlyk om door den vader te komen tot den oom, die in suiker doet.
Als ik nu te sterk party trek voor 't gezond verstand tegen den jongen
Stern, laad ik den schyn op my, alsof ik hen van hem wil aftrekken, en
dit is volstrekt het geval niet, want ze doen in suiker.

Ik begryp volstrekt Sterns bedoeling niet met zyn geschryf. Er zyn altyd
ontevreden menschen, en staat het hem nu fraai, hy die zooveel goeds
geniet in Holland--van de week nog heeft myn vrouw kamillenthee voor hem
gezet--om te schimpen op de Regeering? Wil hy daarmee de algemeene
ontevredenheid aanvuren? Wil _hy_ Gouverneur-generaal worden? Hy is er
verwaand genoeg toe ... om het te _willen_, meen ik. Ik vroeg hem dit
eergister, en zei er ronduit by, dat zyn hollandsch nog zoo gebrekkig
was. "O, dit is geen bezwaar, antwoordde hy. Er schynt maar zelden een
Gouverneur-generaal daarheen gezonden te worden, die de taal van 't land
verstaat." Wat moet ik nu doen met zoo'n wysneus? Hy heeft niet den
minsten eerbied voor myn ondervinding. Toen ik hem van de week zei dat
ik reeds zeventien jaar makelaar was, en al twintig jaar de beurs
bezocht, haalde hy Busselinck & Waterman aan, die al achttien jaar
makelaars zyn, en, zeide hy "die hebben dus één jaar ondervinding meer."
Zoo ving hy me, want ik moet erkennen, omdat ik van de waarheid houd,
dat Busselinck & Waterman weinig van de zaken weten, en dat het
knoeiers zyn.

Marie is ook in de war. Verbeeld u, dat ze van de week--het was haar
beurt van voorlezen aan 't ontbyt, en we waren aan de geschiedenis van
Loth--op eens stilhield en niet verder lezen wilde. Myn vrouw, die
evenzeer als ik op godsdienst gesteld is, trachtte haar met zachtheid
tot gehoorzaamheid overtehalen, omdat het toch voor een zedig meisje
niet past, zoo hoofdig te wezen. Alles vergeefs! Toen moest ik als vader
met groote strengheid haar beknorren, omdat ze door haar hardnekkigheid
de stichting van 't ontbyt bedierf, wat altyd slecht werkt op den heelen
dag. Maar er was niets aan te doen, en ze ging zóóver, dat ze zeide,
liever doodgeslagen te willen worden dan voorttelezen. Ik heb haar
gestraft met drie dagen kamerarrest op koffi en brood, en hoop dat het
haar goed zal doen. Om tevens die straf te doen strekken tot zedelyke
verbetering, heb ik haar gelast, het kapittel dat ze niet lezen wilde,
tien maal afteschryven, en ik ben tot deze strengheid vooral overgegaan,
omdat ik bemerkt heb dat ze in den laatsten tyd--of 't van Stern komt,
weet ik niet--begrippen heeft aangenomen, die me gevaarlyk voorkomen
voor de zedelykheid, waarop myn vrouw en ik zoo byzonder gesteld zyn. Ik
heb haar onder anderen een fransch liedje hooren zingen--van _Béranger_,
geloof ik--waarin een arme oude bedelaarster beklaagd wordt, die in haar
jeugd op een theater zong, en gister was zy aan 't ontbyt zonder korset
--Marie, meen ik--dat toch niet fatsoenlyk is.

Ook moet ik erkennen dat Frits weinig goeds heeft thuisgebracht van den
bidstond. Ik was redelyk tevreden geweest over zyn stilzitten in de
kerk. Hy verroerde zich niet, en wendde geen oog van den preekstoel,
maar later vernam ik dat Betsy Rosemeyer in 't doophek had gezeten. Ik
heb er niets van gezegd, want men moet voor jongelieden niet al te
streng zyn, en de Rosemeyers zyn een fatsoenlyk huis. Ze hebben aan hun
oudste dochter die met Bruggeman in drogeryen getrouwd is, iets heel
aardigs meegegeven, en daarom geloof ik dat zoo-iets Frits van de
Westermarkt afhoudt, wat me heel aangenaam is, omdat ik zoo op
zedelykheid gesteld ben.

Maar dit belet niet, dat het me ergert, Frits zyn hart te zien
verharden, even als Pharao, die minder schuldig was dan hy, omdat hy
geen vader had die hem zoo gedurig den rechten weg wees, want van den
ouden Pharao zegt de Schrift niets. Dominee Wawelaar klaagt over zyn
verwaandheid--van Frits, meen ik--op de katechisatie, en de jongen
schynt--uit dat pak van Sjaalman alweer!--een neuswyzigheid gehaald te
hebben, dat den gemoedelyken Wawelaar dol maakt. Het is aandoenlyk hoe
de waardige man, die dikwyls koffi by ons drinkt, by Frits op 't gevoel
tracht te werken, en hoe de kwajongen telkens nieuwe vragen gereed
heeft, die de weerbarstigheid van zyn gemoed aantoonen ... 't komt alles
uit dat vervloekte pak van Sjaalman! Met tranen van gevoel op de wangen,
tracht de yverige dienaar des Evangeliums hem te bewegen, aftezien van
de wysheid naar den mensch, om te worden ingeleid in de geheimenissen
der wysheid Gods. Met zachtheid en teederheid smeekt hy hem, toch niet
te verwerpen het brood des eeuwigen levens, en dusdoende te vervallen in
de klauwen van Satan, die met zyn engelen het vuur bewoont, dat hem
bereid is tot in eeuwigheid. "O, zeide hy gisteren--Wawelaar meen ik--o,
jonge vriend, open toch de oogen en de ooren, en hoor en zie wat de Heer
u geeft te zien en te hooren door myn mond. Let op de getuigenissen der
heiligen die gestorven zyn voor 't ware geloof! Zie Stefanus, als hy
nederzinkt onder de keien die hem verpletteren! Zie, hoe nog zyn blik
ten hemel is gericht, en hoe nog zyn tong psalmzingt ...

"Ik had liever weerom gegooid!" zei Frits daarop. Lezer, wat moet ik met
dien jongen aanvangen?

Een oogenblik later begon Wawelaar op-nieuw, want hy is een yverig
dienstknecht, en laat niet af van den arbeid. "O, zeide hy, jonge vriend
open toch ... de aanhef was als zooeven. "Maar, ging hy voort, kunt gy
ongevoelig blyven by 't bedenken wat er van u worden zal, als gy eenmaal
zult gerekend worden tot de bokken aan de linkerzyde ...

Daar berstte de deugniet uit in gelach--Frits meen ik--en ook Marie
begon te lachen. Zelfs meende ik iets wat naar lachen geleek, te
bespeuren op 't gelaat van myn vrouw. Maar toen ben ik Wawelaar te-hulp
gekomen, ik heb Frits gestraft met een boete uit zyn spaarpot, aan 't
zendelinggenootschap.[139]

Och, lezer dat alles treft me diep. En men zou, by zúlk lyden, zich
kunnen vermaken met het aanhooren van vertelsels over buffels en
Javanen? Wat is een buffel in vergelyk met de zaligheid van Frits? Wat
gaan my de zaken aan van die menschen in de verte, als ik vreezen moet
dat Frits door zyn ongeloof myn eigen zaken zal bederven, en dat hy
nooit een flink makelaar worden zal? Want Wawelaar zelf heeft gezegd,
dat God alles zóó bestiert, dat rechtzinnigheid tot rykdom voert. "Zie
maar, zeide hy, is er niet veel rykdom in Nederland? Dat komt door 't
geloof. Is niet in Frankryk telkens moord en doodslag? Dat is omdat ze
daar katholiek zyn. Zyn niet de Javanen arm? 't Zyn heidenen. Hoe langer
de Hollanders met de Javanen omgaan, hoe meer rykdom er zal komen hier,
en hoe meer armoede daarginder. Dat is Gods wil zoo!"

Ik sta verbaasd over Wawelaars doorzicht in zaken. Want het is de waarheid
dat ik, die stipt op de godsdienst ben, myn zaken zie vooruitgaan van-jaar
tot-jaar, en Busselinck & Waterman, die om God noch gebod geven, zullen
knoeiers blyven hun leven lang. Ook de Rosemeyers, die in suiker doen en
een roomsche meid houden, hebben onlangs weer 27 percent moeten aannemen
uit de massa van een jood die fout was. Hoe meer ik nadenk, hoe verder ik
kom in 't doorgronden van Gods onnaspeurlyke wegen. Onlangs is gebleken
dat er weer dertig millioen zuiver gewonnen is op den verkoop van produkten
die door de heidenen geleverd zyn, en daarby is niet eens gerekend wat ik
daarop verdiend heb, en de vele anderen die van deze zaken leven. Is dit nu
niet alsof de Heer zeide: "ziedaar dertig millioen ter belooning van uw
geloof?" Is dit niet duidelyk de vinger Gods, die den booze laat arbeiden
om den rechtvaardige te behouden? Is dit niet een wenk om voorttegaan op
den goeden weg? Om ginds veel te laten voortbrengen, en hier te volharden
in 't ware geloof? Heet het niet daarom: "bidt en werkt" opdat _wy_ zouden
bidden, en 't werk laten doen door 't zwarte goedje dat geen "Onze Vader"
kent?

O, hoe heeft Wawelaar gelyk, als hy Gods juk zacht noemt! Hoe licht
wordt de last gemaakt aan ieder die gelooft! Ik ben pas in de veertig,
en zou kunnen uitscheiden als ik wilde, en naar Driebergen gaan, en zie
eens hoe 't met anderen afloopt, die den Heer verlieten? Gisteren heb ik
Sjaalman gezien met zyn vrouw en hun jongetje: ze zagen er uit als
spoken. Hy is bleek als de dood, zyn oogen puilen uit, en zyn wangen
staan hol. Zyn houding is gebogen, schoon hy nog jonger is dan ik. Ook
zy was zeer armoedig gekleed, en ze scheen weer geschreid te hebben. Nu,
ik had terstond bemerkt dat zy ontevreden van natuur is, want ik behoef
iemand maar eenmaal te zien om hem te beoordeelen. Dat komt van de
ondervinding. Ze had een manteltje van zwarte zyde om, en 't was toch
vry koud. Van krinoline was geen spoor. Haar licht japonnetje hing slap
om de knieën, en aan den rand was franje. Hy had zelfs zyn sjaal niet
meer om, en zag er uit alsof 't zomer was. Toch schynt hy nog een soort
van trots te bezitten, want hy gaf iets aan een arme vrouw, die op de
sluis zat--Frits zegt: _brug_, maar wat van steen is zonder een wip,
noem ik _sluis_[140]--en wie zelf zoo weinig heeft, doet zonde als hy
nog weggeeft aan een ander. Bovendien, ik geef nooit op straat--dit is
een principe van me--want ik zeg altyd, als ik zoo arme menschen zie:
wie weet of 't hun eigen schuld niet is, en ik mag hen niet styven in
verkeerdheid. Zondags geef ik tweemaal: eens voor de armen, en eens voor
de kerk. Zóó behoort het! Ik weet niet of Sjaalman me gezien heeft, maar
ik ging snel voorby, en keek naar boven, en dacht aan de rechtvaardigheid
van God, die hem toch niet zoo zou laten loopen zonder winterjas, als hy
beter had opgepast en niet lui, pedant en ziekelyk was.

Wat nu myn boek aangaat, moet ik waarlyk den lezer om verschooning
vragen voor de onvergeeflyke wyze, waarop Stern misbruik maakt van ons
kontrakt. Ik moet erkennen dat ik zeer opzie tegen den eersten
kransavend en de liefdegeschiedenis van dien _Saïdjah_. De lezer weet
reeds, welke gezonde begrippen ik over liefde heb ... men denke slechts
aan myn beoordeeling van dat uitstapje naar den Ganges. Dat jonge
meisjes zoo-iets aardig vinden, kan ik wel begrypen, maar 't is my
onverklaarbaar dat mannen van jaren zulke zotheden zonder walg
aanhooren. Ik ben zeker, dat ik op den aanstaanden krans den triolet
vind van myn solitairspel.

Ik zal beproeven niets van dien _Saïdjah_ te hooren, en hoop dat de man
gauw trouwt, als _hy_ ten-minste de held is van de liefdehistorie. 't Is
nog al wèl van Stern, dat hy vooraf gewaarschuwd heeft, dat het een
eentonige geschiedenis wezen zal. Zoodra hy dan later aan wat anders
begint, zal ik weer toeluisteren. Maar dat afkeuren van 't Bestuur,
verveelt me byna evenzeer als liefdegeschiedenissen. Men ziet uit alles,
dat Stern jong is en weinig ondervinding heeft. Om de zaken goed te
beoordeelen, moet men alles van naby zien. Toen ik trouwde, ben ik zelf
in den Haag geweest, en heb met myn vrouw 't Mauritshuis bezocht. Ik ben
daar in aanraking gekomen met alle standen van de maatschappy, want ik
heb den Minister van Financien zien voorbyryden, en we hebben samen
flanel gekocht in de Veenestraat--ik en myn vrouw, meen ik--en nergens
heb ik 't minste blijk bespeurd van ontevredenheid met de Regeering. Die
juffrouw in den winkel zag er tevreden uit, en toen dus in 1848 sommigen
ons trachtten wys te maken dat in den Haag niet alles was zoo als 't
behoorde, heb ik op den krans over die ontevredenheid het myne gezegd.
Ik vond geloof, want ieder wist dat ik by ondervinding sprak. Ook op de
terugreis met de diligence heeft de kondukteur "schep vreugd" geblazen,
en dat zou de man toch niet gedaan hebben, als er zooveel verkeerds was.
Zóó heb ik op alles gelet, en wist dus terstond wat ik te denken had van
al dat morren in 1848.

Tegenover ons woont een juffrouw, wier neef een _toko_ doet in de Oost,
zooals ze daar een winkel noemen. Wanneer dus alles zoo slecht ging als
Stern zegt, zou zy er ook wel wat van weten, en 't schynt toch dat het
mensch zeer tevreden is met de zaken, want ik hoor haar nooit klagen.
Integendeel, ze zegt dat haar neef daar op een buiten woont, dat hy lid
is van den kerkeraad, en dat hy haar een pauwenveeren sigaarkoker heeft
gezonden, dien hy zelf gemaakt had van bamboe. Dit alles toont toch
duidelyk, hoe ongegrond dat geklaag is over slecht bestuur. Ook ziet men
daaruit, dat er voor iemand die wil oppassen, in dat land nog wel wat te
verdienen valt, en dat dus die Sjaalman ook dáár al lui, pedant en
ziekelyk geweest is, anders zou hy niet zoo arm zyn thuisgekomen, en
hier rondloopen zonder winterjas. En de neef van die juffrouw tegenover
ons, is de eenige niet die in de Oost fortuin heeft gemaakt. In "Polen"
zie ik velen die daar geweest zyn, en waarlyk heel knap in de kleeren
steken. Maar dit begrypt zich, op de zaken moet men passen, ginder zoo
goed als hier. Op Java zullen de gebraden duiven niemand in den mond
vliegen: er moet gewerkt worden, wie dàt niet wil, is arm en blyft arm,
dat spreekt vanzelf.



ZEVENTIENDE HOOFDSTUK[141]


_Saïdjah_'s vader had een buffel, waarmede hy zyn veld bewerkte. Toen
deze buffel hem was afgenomen door het distriktshoofd van
_Parang-Koedjang_, was hy zeer bedroefd, en sprak geen woord, vele dagen
lang. Want de tyd van ploegen was naby, en 't was te vreezen, als men de
_sawah_ niet tydig bewerkte, dat ook de tyd van zaaien zou voorbygaan,
en eindelyk dat er geen padie zou te snyden zyn, om die te bergen in den
_lombong_ van het huis.

Ik moet hierby voor lezers, die wel Java doch niet _Bantam_ kennen, de
opmerking maken dat in deze residentie _persoonlyk grondeigendom_
bestaat, wat elders niet het geval is.[142]

_Saïdjah_'s vader nu was zeer bekommerd. Hy vreesde dat zyn vrouw
behoefte zou hebben aan ryst, en ook _Saïdjah_ die nog een kind was, en
de broertjes en zusjes van _Saïdjah_.

Ook zou het distriktshoofd hem aanklagen by den adsistent-resident, als
hy achterlyk was in de betaling van zyn landrenten. Want daarop staat
straf by de wet.

Toen nam _Saïdjah_'s vader een _kris_ die _poesaka_ was van _zyn_ vader.
De kris was niet zeer schoon, maar er waren zilveren banden om de
scheede, en ook op de punt der scheede was een plaatje zilver. Hy
verkocht deze kris aan een Chinees die op de hoofdplaats woonde, en kwam
te-huis met vier-en-twintig gulden, voor welk geld hy een anderen
buffel kocht.

_Saïdjah_, die toen omstreeks zeven jaar oud was, had met den nieuwen
buffel spoedig vriendschap gesloten. Ik zeg niet zonder doel:
vriendschap, want het is inderdaad treffend te zien hoe de Javasche
_kerbo_ zich hecht aan den kleinen jongen die hem bewaakt en verzorgt.
Het sterke dier buigt gewillig den zwaren kop rechts of links of omlaag
naar den vingerdruk van 't kind, dat hy kent, dat hy verstaat, waarmede
hy is opgegroeid.

Zulke vriendschap dan had ook de kleine _Saïdjah_ spoedig weten
inteboezemen aan den nieuwen gast, en _Saïdjah_'s aanmoedigende
kinderstem scheen meer kracht nog te geven aan de krachtvolle schoften
van 't sterke dier, als het den zwaren kleigrond opscheurde en zyn weg
teekende in diepe scherpe voren. De buffel keerde gewillig om als hy aan
't eind was van den akker, en verloor geen duimbreed gronds by het
terugploegen van de nieuwe voor, die altyd naast de oude lag als ware de
_sawah_ een tuingrond geweest, geharkt door een reus.

Daarnaast lagen de _sawahs_ van _Adinda_'s vader, den vader van 't kind
dat met _Saïdjah_ huwen zou. En als _Adinda_'s broertjes aankwamen aan
de tusschenliggende grens, juist als ook _Saïdjah_ dáár was met zyn
ploeg, dan riepen zy elkander vroolyk toe, en roemden om-stryd de kracht
en de gehoorzaamheid hunner buffels. Maar ik geloof dat die van
_Saïdjah_ de beste was, misschien wel omdat deze hem beter dan de
anderen wisttoetespreken. Want buffels zyn zeer gevoelig voor goede
toespraak.

_Saïdjah_ was negen jaar oud geworden, en _Adinda_ reeds zes jaren, voor
deze buffel aan _Saïdjah_'s vader werd afgenomen door het distriktshoofd
van _Parang-Koedjang_.

_Saïdjah_'s vader, die zeer arm was, verkocht nu aan een Chinees twee
zilveren _klamboe_-haken, _poesaka_ van de ouders zyner vrouw, voor
achttien gulden. En voor dat geld kocht hy een nieuwen buffel.

Maar _Saïdjah_ was bedroefd. Want hy wist van _Adinda_'s broertjes, dat
de vorige buffel was heengedreven naar de hoofdplaats, en hy had zyn
vader gevraagd of deze dat dier niet gezien had toen hy dáár was om de
_klamboe_-haken te verkoopen? Op welke vraag _Saïdjah_'s vader niet had
willen antwoorden. Daarom vreesde hy dat zyn buffel geslacht was, zooals
de andere buffels die het distriktshoofd afnam aan de bevolking.

En _Saïdjah_ schreide veel als hy dacht aan den armen buffel waarmede hy
twee jaren zoo innig had omgegaan. En hy kon niet eten, langen tyd, want
zyn keel was te nauw als hy slikte.

Men bedenke dat _Saïdjah_ een kind was.

De nieuwe buffel leerde _Saïdjah_ kennen, en nam in de genegenheid van
't kind zeer spoedig de plaats in van zyn voorganger ... al te spoedig
eigenlyk. Want, helaas, de wasindrukken van ons hart worden zoo licht
gladgestreken, om plaats te maken voor later schrift. Hoe dit zy, de
nieuwe buffel was wel niet zoo sterk als de vorige ... wel was 't oude
juk te ruim voor zyn schoft ... maar 't arme dier was gewillig als zyn
voorganger die geslacht was, en al kon dan _Saïdjah_ niet meer roemen op
de kracht van zyn buffel by 't ontmoeten van _Adinda_'s broertjes aan de
grens, hy beweerde toch dat geen ander den zynen overtrof in goeden wil.
En wanneer de vore niet zoo rechtlynig liep als voorheen, of als er
aardklonten ondoorgesneden waren omgegaan, werkte hy dat gaarne by met
zyn _patjol_, zooveel hy kon. Bovendien, geen buffel had een
_oeser-oeseran_ als de zyne. De _penghoeloe_ zelf had gezegd dat er
_ontong_ was in den loop van die haarwervels op de achterschoften.

Eens, in 't veld, riep _Saïdjah_ tevergeefs zyn buffel toe, wat spoed te
maken. Het dier stond pal. _Saïdjah_, verstoord over zoo groote en
vooral zoo ongewone weerspannigheid, kon zich niet weerhouden een
beleediging te uiten. Hy riep: _a.s._ Ieder die in Indie geweest is, zal
my verstaan. En wie me niet verstaat, wint er by dat ik hem de uitlegging
spaar van een grove uitdrukking.

_Saïdjah_ bedoelde evenwel niets kwaads daarmede. Hy zei 't maar omdat
hy 't zoo dikwyls had hooren zeggen door anderen, als ze ontevreden
waren over hun buffels. Maar hy had het niet behoeven te zeggen, want
het baatte niets: zyn buffel deed geen stap verder. Hy schudde den kop
als om 't juk aftewerpen, men zag den adem uit zyn neusgaten ... hy
blaasde, sidderde, rilde ... er was angst in zyn blauw oog, en de
bovenlip was opgetrokken zoodat het tandvleesch bloot lag ...

"Vlucht, vlucht, riepen op-eenmaal _Adinda_'s broertjes, _Saïdjah_,
vlucht! Daar is een tyger!"

En allen ontdeden hun buffels van de ploegjukken, en slingerden zich op
de breede ruggen, en galoppeerden weg door _sawahs_, over _galangans_,
door modder, door kreupelhout en bosch en _allang-allang_, langs velden
en wegen. En toen ze hygend en zweetend binnenrenden in het dorp
_Badoer_, was _Saïdjah_ niet by hen.

Want toen deze zyn buffel, bevryd van het juk, had bestegen als de
anderen om te vluchten als zy, had een onverwachtte sprong van het dier
hem 't evenwicht benomen en ter-aarde geworpen. De tyger was zeer na ...

_Saïdjah_'s buffel, voortgedreven door eigen vaart, schoot eenige
sprongen voorby de plek waar zyn kleine meester den dood wachtte. Maar
door eigen vaart alleen, en niet door eigen wil, was het dier verder
gegaan dan _Saïdjah_. Want nauw had het de stuwing overwonnen die alle
stof beheerscht, ook na 't ophouden van de oorzaak die haar voortstuwde,
of 't keerde terug, zette zyn lomp lyf op zyn lompe pooten als een dak
over het kind, en keerde zyn gehoornden kop naar den tyger. Deze sprong
... maar hy sprong voor 't laatst. De buffel ving hem op zyn hoornen, en
verloor slechts wat vleesch dat de tyger hem uitsloeg aan den hals. De
aanvaller lag daar met opgescheurden buik, en _Saïdjah_ was gered. Wèl
was er _ontong_, geweest in de _oeser-oeseran_ van dien buffel![143]

Toen deze buffel aan _Saïdjah_'s vader was afgenomen, en geslacht ...

Ik heb u gezegd, lezer, dat myn verhaal eentonig is.

... toen deze buffel geslacht was, telde _Saïdjah_ twaalf jaar, en
_Adinda_ weefde _sarongs_, en _batikte_ die met puntige _kapala_. Ze had
reeds gedachten te brengen in den loop van haar verfschuitje, en ze
teekende droefheid op haar weefsel, want ze had _Saïdjah_ zeer
treurig gezien.

En ook _Saïdjah_'s vader was bedroefd, doch zyn moeder het meest. Deze
toch had de wonde genezen aan den hals van het trouwe dier dat haar kind
ongedeerd had thuis-gebracht, nadat zy op de mare van _Adinda_'s
broertjes gemeend had dat het was weggevoerd door den tyger. Ze had die
wond zoo dikwyls bezien met de gedachte hoe diep de klauw die zóó ver
indrong in de ruwe vezelen van den buffel, zou voortgedreven zyn in 't
weeke lyf van haar kind, en telkens als ze versche geneeskruiden had
gelegd op de wonde, streelde zy den buffel en sprak hem eenige
vriendelyke woorden toe, dat het goede trouwe dier toch weten zou hoe
dankbaar een moeder is! Ze hoopte later dat de buffel haar toch mocht
verstaan hebben, want dan had hy ook haar schreien begrepen toen hy werd
weggevoerd om geslacht te worden, en hy had geweten dat het niet
_Saïdjah_'s _moeder_ was, die hem slachten liet.

Eenigen tyd daarna vluchtte _Saïdjah_'s vader uit het land. Want hy was
zeer bevreesd voor de straf als hy zyn landrenten niet betalen zou, en
hy had geen _poesaka_ meer om een nieuwen buffel te koopen, daar zyn
ouders altyd in _Parang-Koedjang_, woonden, en hem dus weinig hadden
nagelaten. Ook de ouders van zyn vrouw woonden altyd in hetzelfde
distrikt. Na 't verlies van den laatsten buffel hield hy zich nog eenige
jaren staande door te werken met gehuurde ploegdieren. Maar dit is een
zeer ondankbare arbeid, en bovenal verdrietig voor iemand die in 't
bezit van eigen buffels geweest is. _Saïdjah_'s moeder stierf van
verdriet, en toen maakte zyn vader in een moedeloos oogenblik zich weg
uit _Lebak_ en uit _Bantam_, om werk te zoeken in 't _Buitenzorgsche_.
Hy werd met rottingslagen gestraft omdat hy _Lebak_ verlaten had zonder
pas, en door de policie teruggebracht naar _Badoer_. Hier werd hy in de
gevangenis geworpen omdat men hem voor krankzinnig hield, wat zoo
onverklaarbaar niet zou geweest zyn, en omdat men vreesde dat hy in een
oogenblik van _matah-glap_, misschien _amokh_ maken of andere
verkeerdheden begaan zou. Maar hy was niet lang gevangen, wyl hy kort
daarop stierf.

Wat er geworden is van de broertjes en zusjes van _Saïdjah_, weet ik
niet. Het huisje dat zy bewoonden te _Badoer_, stond eenigen tyd ledig,
en spoedig viel het in, daar 't slechts van bamboe gebouwd was, en
gedekt met _atap_. Een weinig stof en vuil dekte de plek waar veel
geleden werd. Er zyn veel zulke plekken in _Lebak_.

_Saïdjah_ was reeds vyftien jaar, toen zyn vader naar _Buitenzorg_
vertrok. Hy had dezen niet daarheen vergezeld omdat hy grooter plannen
in zyn gemoed omdroeg. Men had hem gezegd dat er te _Batavia_ zooveel
heeren waren die in _bendies_ reden, en dat er dus misschien voor hem
een dienst zou te vinden zyn als _bendie_-jongen, waartoe men gewoonlyk
iemand kiest, die nog jong is en onvolwassen, om niet door te veel
zwaarte achter op het tweewielig rytuig, 't evenwicht te breken. Er was,
had men hem verzekerd, by goed gedrag veel te winnen in zoodanige
bediening. Misschien zelfs zou hy op deze wyze binnen drie jaren geld
kunnen oversparen, genoeg om twee buffels te koopen. Dit vooruitzicht
lachte hem toe. Met fieren tred, zooals iemand gaat die groote zaken in
den zin heeft, trad hy na 't vertrek zyns vaders by _Adinda_ binnen, en
deelde haar zyn plan mede.

--Denk eens, zeide hy, als ik wederkom zullen wy oud genoeg zyn om te
trouwen, en we zullen twee buffels hebben!

--Heel goed, _Saïdjah_! Ik wil gaarne met je trouwen als je terugkomt.
Ik zal spinnen, en _sarongs_ en _slendangs_ weven, en _batikken_, en
heel vlytig zyn al dien tyd.

--O, ik geloof je, _Adinda_! Maar ... als ik je getrouwd vind?

--_Saïdjah_, je weet immers wel dat ik met niemand trouwen zal. Myn
vader heeft me toegezegd aan uw vader.

--En jyzelf?

--Ik zal trouwen met u, wees daar zeker van!

--Als ik terugkom, zal ik roepen in de verte ...

--Wie zal dat hooren, als we ryst stampen in 't dorp?

--Dat is waar. Maar _Adinda_ ... o ja, dit is beter: wacht me by het
_djati_-bosch, onder den _ketapan_ waar je my de _melatti_ hebt gegeven.

--Maar, _Saïdjah_, hoe kan ik weten wanneer ik moet heengaan om je te
wachten by den _ketapan_?

_Saïdjah_ bedacht zich een oogenblik, en zeide:

--Tel de manen. Ik zal uitblyven driemaal twaalf manen ... deze maan
rekent niet mee. Zie, _Adinda_, kerf een streep in je rystblok by elke
nieuwe maan. Als je driemaal twaalf strepen hebt ingesneden, zal ik den
dag die dáárop volgt, aankomen onder den _ketapan_. Beloof je, dáár
te zyn?

--Ja, _Saïdjah_! Ik zal onder den _ketapan_ by het djatibosch wezen als
je terugkomt.

Nu scheurde _Saïdjah_ een strook van zyn blauwen hoofddoek, die zeer
versleten was, en hy gaf dat stukje lynwaad aan _Adinda_, dat ze 't
bewaren zou als een pand. En toen verliet hy haar en _Badoer_.

Hy liep vele dagen voort. Hy ging _Rangkas-Betoeng_ voorby, dat nog niet
de hoofdplaats was van _Lebak_, en _Waroeng-Goenoeng_ waar toen de
adsistent-resident woonde, en den volgenden dag zag hy _Pandeglang_ dat
daar ligt als in een tuin. Weder een dag later kwam hy te _Serang_, aan,
en stond verbaasd over de pracht van zulke groote plaats met vele
huizen, gebouwd van steen, en gedekt met roode pannen. _Saïdjah_ had
nooit zoo-iets gezien. Hy bleef daar een dag omdat hy vermoeid was, maar
's nachts in de koelte ging hy verder, en kwam tot _Tangerang_ den
volgenden dag, voor nog de schaduw gedaald was tot zyn lippen, hoewel hy
den grooten _toedoeng_, droeg dien zyn vader hem had achtergelaten.

Te _Tangerang_ baadde hy zich in de rivier naby de overvaart, en hy
rustte uit in 't huis van een bekende zyns vaders, die hem wees hoe men
stroohoeden vlecht, even als die van Manilla komen.[144] Hy bleef daar
een dag om dit te leeren, omdat hy bedacht hiermee later iets te kunnen
verdienen, in-geval hy niet slagen mocht te _Batavia_. Den volgenden dag
tegen den avend toen 't koel werd, bedankte hy zyn gastheer zeer, en
ging verder. Zoodra 't geheel donker was, opdat niemand het zien zou,
haalde hy het blad tevoorschyn, waarin hy de _melatti_ bewaarde, die
_Adinda_ hem gegeven had onder den _ketapan_-boom. Want hy was bedroefd
geworden omdat hy haar niet zien zou in zóó langen tyd. Den eersten dag,
en ook den tweeden, had hy minder sterk gevoeld hoe alléén hy was, omdat
zyn ziel geheel was ingenomen door 't groote denkbeeld geld te verdienen
tot het koopen van twee buffels, daar zyn vader zelf nooit meer bezeten
had dan één, en zyn gedachten richtten zich te veel op 't weerzien van
_Adinda_, om plaats te bieden aan veel droefheids over 't afscheid. Hy
had dat afscheid genomen in overspannen hoop, en in zyn gedachten het
vastgeknoopt aan 't eindelyk terugzien onder den _ketapan_. Want zóó
groote rol speelde het uitzicht op dat weerzien in zyn hart, dat hy, by
't verlaten van _Badoer_ dien boom voorbygaande, iets vroolyks voelde,
als waren ze reeds voorby, de zes-en-dertig manen die hem scheidden van
dat oogenblik. Het was hem voorgekomen dat hy slechts omtekeeren had
alsof hy reeds terugkwam van de reis, om _Adinda_ te zien, hem wachtende
onder dien boom.

Maar hoe verder hy zich verwyderde van _Badoer_, en hoe meer hy lette op
den vreeselyken duur van één dag, hoe meer hy de zes-en-dertig manen die
voor hem lagen, begon lang te vinden. Er was iets in zyn ziel, dat hem
minder snel deed voortstappen. Hy voelde droefheid in zyn knieën, en al
was 't geen moedeloosheid die hem overviel, het was toch weemoed die
niet ver is van moedeloosheid. Hy dacht er aan, terugtekeeren, maar wat
zou _Adinda_ zeggen van zóó weinig hart?

Daarom liep hy door, al ging hy minder snel-dan den eersten dag. Hy had
de _melatti_ in de hand, en drukte die dikwyls tegen zyn borst. Hy was
veel ouder geworden sedert drie dagen, en begreep niet meer hoe hy
vroeger zoo kalm geleefd had, daar toch _Adinda_ zoo naby hem was en hy
haar zien kon telkens en zoo lang hy wilde. Want nù zou hy niet kalm
wezen als hy verwachten kon dat ze straks voor hem staan zou. En ook
begreep hy niet dat hy na 't afscheid niet nogeens was teruggekeerd om
haar nog éénmaal aantezien. Ook kwam hem voor den geest hoe hy nog kort
geleden met haar getwist had over de koord die ze spon voor den
_lalayang_ van haar broertjes, en die gebroken was omdat er, naar hy
meende, een fout was in haar spinsel, waardoor een weddingschap was
verloren gegaan tegen de kinderen uit _Tjipoeroet_. "Hoe was 't mogelyk,
dacht hy, hierover boos te worden op _Adinda_? Want al hàd zy een fout
gesponnen in de koord, en al ware de weddingschap van _Badoer_ tegen
_Tjipoeroet_ verloren dáárdoor, en niet door de glasscherf--zoo
ondeugend en handig dan geworpen door den kleinen _Djamien_ die zich
verschool achter den _pagger_--had ik zelfs dàn zoo hard mogen wezen
tegen haar, en haar noemen met onbehoorlyke namen? Wat zal 't zyn, als
ik sterf te _Batavia_ zonder haar vergeving te hebben gevraagd voor zóó
groote ruwheid? Zal 't niet wezen alsof ik een slecht mensch ben die
scheldwoorden werpt op een meisje? En zal niet, als men hoort dat ik
gestorven ben in een vreemd land, ieder te _Badoer_ zeggen: het is goed
dat _Saïdjah_ stierf, want hy heeft een grooten mond gehad tegen
_Adinda_?"

Zoo namen zyn gedachten een loop die veel verschilde van de vorige
overspanning, en onwillekeurig uitten ze zich, eerst in halve woorden
binnen'smonds, weldra in een alleenspraak, en eindelyk in den
weemoedigen zang waarvan ik hier de vertaling laat volgen. Eerst was myn
voornemen wat maat en rym te brengen in die overzetting, doch evenals
Havelaar vind ik beter dat keurslyf wegtelaten.

      "Ik weet niet waar ik sterven zal.     
    Ik heb de groote zee gezien aan de Zuidkust, toen ik daar was met
                                          myn vader om zout te maken.
    Als ik sterf op de zee, en men werpt myn lichaam in het diepe
                                       water, zullen er haaien komen.
    Ze zullen rondzwemmen om myn lyk, en vragen: "wie van ons zal
                 het lichaam verslinden dat daar daalt in het water?"

      Ik zal 't niet hooren.

      Ik weet niet waar ik sterven zal.
    Ik heb het huis zien branden van _Pa-ansoe_, dat hyzelf had aangestoken
                                                   omdat hy _mata-glap_ was.
    Als ik sterf in een brandend huis, zullen er gloeiende stukken hout
                                                      neervallen op myn lyk.
    En buiten het huis zal een groot geroep zyn van menschen die water
                                               werpen om het vuur te dooden.

      Ik zal 't niet hooren.

      Ik weet niet waar ik sterven zal.
    Ik heb den kleinen _Si-oenah_ zien vallen uit den _klappa_-boom, toen
                                  hy een _klappa_ plukte voor zyne moeder.
    Als ik val uit een _klappa_-boom, zal ik dood nederliggen aan den
                                     voet, in de struiken, als _Si-oenah_.
    Dan zal myne moeder niet schreien, want zy is dood. Maar anderen
                 zullen roepen: "zie, daar ligt _Saïdjah_! met harde stem.

      Ik zal 't niet hooren.

      Ik weet niet waar ik sterven zal.
    Ik heb het lyk gezien van _Pa-lisoe_, die gestorven was van hoogen
                                   ouderdom, want zyne haren waren wit.
    Als ik sterf van ouderdom, met witte haren, zullen de klaagvrouwen
                                                      om myn lyk staan.
    En zy zullen misbaar maken als de klaagvrouwen by _Pa-lisoe's_ lyk.
                    En ook de kleinkinderen zullen schreien, zeer luid.

      Ik zal 't niet hooren.

      Ik weet niet waar ik sterven zal.
    Ik heb velen gezien te _Badoer_, die gestorven waren. Men kleedde
                             hen in een wit kleed, en begroef hen in den grond.
    Als ik sterf te _Badoer_, en men begraaft my buiten de _dessah_, oostwaarts
                                         tegen den heuvel, waar 't gras hoog is,
    Dan zal _Adinda_ daar voorbygaan, en de rand van haar _sarong_ zal zachtkens
                                                 voortschuiven langs het gras...

      Ik zal het hooren."

_Saïdjah_ kwam te _Batavia_ aan. Hy verzocht een heer hem in dienst te
nemen, hetgeen die heer terstond deed omdat hy _Saïdjah_ niet verstond.
Want te _Batavia_ heeft men gaarne bedienden die nog geen maleisch
spreken en dus nog niet zoo bedorven zyn als anderen die langer in
aanraking waren met europesche beschaving. _Saïdjah_ leerde spoedig
maleisch, maar paste braaf op want hy dacht altyd aan de twee buffels
die hy koopen wilde, en aan _Adinda_. Hy werd groot en sterk omdat hy
alle dagen at, wat te _Badoer_ niet altyd wezen kon. Hy was bemind in
den stal, en zou zeker niet afgewezen zyn als hy de dochter van den
koetsier ten-huwelyk gevraagd had. Zyn heer zelf hield zooveel van
_Saïdjah_, dat deze spoedig werd verheven tot huisbediende. Men
verhoogde zyn loon, en gaf hem bovendien gedurig geschenken, omdat men
zoo byzonder tevreden was over zyn diensten. Mevrouw had den roman van
_Sue_ gelezen die zooveel kort gerucht maakte, en dacht altyd aan prins
_Djalma_ wanneer ze _Saïdjah_ zag. Ook de jonge meisjes begrepen beter
dan vroeger hoe de javaansche schilder _Radhen Saleh_ zoo grooten opgang
had gemaakt te Parys.

Maar men vond _Saïdjah_ ondankbaar toen by, na byna drie jaren dienst,
zyn ontslag vroeg en om een bewys verzocht dat hy zich goed gedragen
had. Men kon hem dit echter niet weigeren, en _Saïdjah_ ging met een
vroolyk hart op reis.

Hy ging voorby _Pising_, waar eens Havelaar woonde, lang geleden. Maar
dit wist _Saïdjah_ niet. En al had hy 't geweten, hy droeg heel iets
anders in de ziel dat hem bezig hield. Hy telde de schatten die hy
t'huisbracht. In een bamboezen rol had hy zyn pas en 't getuigschrift
van goed gedrag. In een koker die aan een lederen riem bevestigd was,
scheen iets zwaars gedurig te slingeren tegen zyn schouder, maar hy
voelde dit gaarne ... ik geloof 't wèl! Dáárin waren dertig
_spaansche-matten_, genoeg om drie buffels te koopen. Wat zou _Adinda_
zeggen! En dit was nog niet alles. Op zyn rug zag men de met zilver
beslagen scheede van een kris dien hy in den gordel droeg. Het gevest
was zeker van fyn uitgesneden _kamoening_, want hy had het met veel zorg
gewikkeld in een zyden omhulsel. En hy bezat nog meer schatten. In de
wrong van den _kahin_ om zyn lendenen bewaarde hy een buikband van
breede zilveren schakels, met gouden _ikat-pendieng_. Het is waar dat de
band kort was: maar ze was zoo slank ... _Adinda_!

En aan een koordjen om den hals, onder zyn voor-_baadjoe_ droeg hy een
zyden zakje, waarin eenige verdroogde _melatti_.

Was 't wonder dat hy te _Tangerang_ zich niet langer ophield dan noodig
was tot het bezoeken van den bekende zyns vaders, die zoo fyne
stroohoeden vlocht? Was 't wonder dat hy weinig zeide tot de meisjes op
zyn weg, die hem vroegen: "waarheen, vanwaar?" zooals de groet is in die
streken? Was 't wonder dat hy _Serang_, niet meer zoo voornaam vond, hy
die _Batavia_ had leeren kennen? Dat hy niet meer wegkroop in de _Pagger_,
zooals hy deed voor drie jaren, toen de resident kwam voorbyryden, hy die
den veel grooteren heer had gezien, die te _Buitenzorg_ woont en de
grootvader is van den _Soesoehoenan_ van Solo? Was 't wonder dat hy
weinig acht sloeg op de vertellingen van wie een eind wegs met hem gingen
en spraken van al 't nieuws in _Bantan-Kidoel_? Dat hy nauwelyks luisterde
toen men hem verhaalde dat de koffikultuur na veel onbeloonde moeite
geheel was ingetrokken? Dat het distriktshoofd van _Parang-Koedjang_ wegens
roof op den publieken weg was veroordeeld tot veertien dagen arrest
ten-huize van zyn schoonvader? Dat de hoofdplaats was verlegd naar
_Rangkas-Betoeng_? Dat er een nieuwe adsistent-resident gekomen was, omdat
de vorige was gestorven, eenige maanden geleden? Hoe die nieuwe beambte
gesproken had op de eerste _sebah_-vergadering? Hoe er sedert eenigen tyd
niemand was gestraft wegens klachte, en hoe men onder de bevolking hoopte
dat al 't gestolene zou worden weergegeven of vergoed?

Neen, schooner beelden vertoonden zich voor 't oog zyner ziel. Hy zocht
den _ketapan_-boom in de wolken, te vèr nog als hy was om dien te zoeken
by _Badoer_. Hy greep naar de lucht die hem omgaf, als wilde hy de
gestalte omvatten die hem wachten zou onder dien boom. Hy teekende zich
_Adinda_'s gelaat, haar hoofd, haar schouder ... hy zag den zwaren
_kondeh_, zoo glinsterend zwart, gevangen in eigen strik, afhangend in
haar hals ... hy zag haar groot oog, schitterend in donkeren weerschyn
... de neusvleugels die ze zoo fier optrok als kind, wanneer hy--hoe
was't mogelyk!--haar plaagde, en den hoek van haar lippen waarin zy een
glimlach bewaarde. Hy zag hare borst, die nu zwellen zou onder de
_kabaai_ ... hy zag hoe de _sarong_, die zyzelf geweven had, haar heupen
nauw omsloot, en, de dy volgend in gebogen lyn, langs de knie neerviel
in heerlyke golving op den kleinen voet ...

Neen, hy hoorde weinig van wat men hem zeide. Hy hoorde geheel andere
tonen. Hy hoorde hoe _Adinda_ zeggen zou: "zy wèl gekomen, _Saïdjah_! Ik
heb aan u gedacht by spinnen en by weven, en by 't stampen van de ryst
in het blok dat driemaal twaalf kerven draagt van myne hand. Hier ben ik
onder den _ketapan_, den eersten dag der nieuwe maan. Zy wèl gekomen,
_Saïdjah_: ik wil uw vrouw zyn!"

Dàt was de muziek die in zyn ooren weerklonk, en hem belette te
luisteren naar al 't nieuws dat men hem verhaalde op zyn weg.

Eindelyk zag hy den _ketapan_. Of liever hy zag een donkere plek die
veel sterren bedekte voor zyn oog. Dat moest het _Djati_-bosch wezen, by
den boom waar hy _Adinda_ zou weerzien, den volgenden dag na 't opgaan
van de zon. Hy zocht in het duister, en betastte vele stammen. Weldra
vond hy een bekende oneffenheid aan de zuidzyde van een boom, en hy
legde den vinger in een gleuf die _Si-Panteh_ daarin gehakt had met zyn
_parang_, om den _pontianak_ te bezweren die schuld had aan de tandpyn
van _Panteh_'s moeder, kort voor de geboorte van zyn broertje. Dàt was
de _ketapan_ dien hy zocht.

Ja, wèl was dit de plek waar hy voor 't eerst _Adinda_ anders had
aangezien dan zyn overige speelnootjes, omdat ze daar voor 't eerst
geweigerd had deeltenemen aan een spel dat ze toch had meegespeeld met
alle kinderen, knapen en meisjes, nog kort te voren. Dáár had ze hem de
_melatti_ gegeven.

Hy zette zich neder aan den voet van den boom, en zag op naar de
sterren. En als er een verschoot, nam hy dit aan als een groet by zyn
wederkomst te _Badoer_. En hy dacht er aan, of _Adinda_ nu slapen zou?
En of ze wel goed de manen had ingesneden in haar rystblok? Het zou hem
zoo smarten wanneer zy een maan had overgeslagen, alsof 't niet genoeg
ware ... zes-en-dertig! En of ze schoone _sarongs_ en _slendangs_ zou
_gebatikt_ hebben? En ook vroeg hy zich, wie er toch wel wonen zou in
zyns vaders huis? En zyn jeugd kwam hem voor den geest, en zyne moeder,
en hoe die buffel hem had gered van den tyger, en hy bepeinsde wat er
toch zou geworden zyn van _Adinda_ als die buffel minder trouw ware
geweest?

Hy lette zeer op het dalen van de sterren in 't Westen, en by elke ster
die aan de kim verdween, berekende hy hoe de zon weer iets nader was aan
haren Opgang in het oosten, en hoeveel nader hyzelf aan 't weerzien
van _Adinda_.

Want zeker zou ze komen by den eersten straal, ja, by 't schemeren reeds
zou ze daar zyn ... ach, waarom was ze niet reeds gekomen den vorigen dag?

Het bedroefde hem dat ze 't niet was vooruitgeloopen, het schoone
oogenblik dat hem drie jaren lang de ziel had voorgelicht met
onbeschryfelyken glans. En, onbillyk als hy was in de zelfzucht zyner
liefde, scheen 't hem toe dat _Adinda_ had moeten dáár zyn, wachtende op
hèm, hy die zich nu beklaagde--vóór den tyd reeds!--dat hy te wachten
had op háár.

Maar hy beklaagde zich ten-onrechte. Want nog was de zon niet opgegaan,
nog had het oog van den dag geen blik geworpen op de vlakte. Wel
verbleekten de sterren daar omhoog, beschaamd dat er spoedig een eind
komen zou aan haar heerschappy ... wel vloeiden er vreemde kleuren over
de toppen der bergen, die donkerder schenen naarmate ze scherper
afstaken op lichteren grond ... wel vloog er hier-en-daar door de wolken
in het oosten iets gloeiends--pylen van goud en van vuur die
heen-en-weer werden geschoten, evenwydig aan de kim--maar ze verdwenen
weer en schenen neertevallen achter de ondoordringbare gordyn die nog
altyd den dag bleef verbergen voor de oogen van _Saïdjah_.

Toch werd het allengs lichter en lichter om hem heen. Hy zag reeds het
landschap, en reeds kon hy de kuif onderscheiden van het _klappa_-boschje
waarin _Badoer_ verscholen ligt ... daar sliep _Adinda_.

Neen, ze sliep niet meer! Hoe zou ze kunnen slapen? Wist ze niet dat
_Saïdjah_ haar wachten zou? Gewis, ze had niet geslapen den ganschen
nacht! Zeker had de dorpswacht geklopt aan hare deur, om te vragen
waarom de _pelitah_ voortbrandde in haar huisjen, en met lieven lach had
ze gezegd dat een gelofte haar wakker hield om den _slendang_ afteweven
waaraan ze bezig was, en die gereed moest zyn voor den eersten dag der
nieuwe maan ...

Of ze had den nacht doorgebracht in 't donker, zittend op haar rystblok,
en tellende met begeerigen vinger dat er wel waarlyk daarin
zes-en-dertig diepe strepen stonden gekorven naast elkander. En ze had
zich vermaakt met kunstigen schrik of ze zich misschien verrekende, of
er wellicht nog eene ontbrak, om nogeens, en nogeens, en telkens weder
te genieten van de heerlyke zekerheid dat er wel degelyk driemaal twaalf
manen waren voorbygegaan sedert _Saïdjah_ haar zag voor het laatst.

Ook zy zou thans, nu 't al zoo licht werd, haar oogen inspannen met
vruchtelooze vermoeienis om de blikken te buigen òver de kim, opdat ze
de zon zouden ontmoeten, de trage zon, die wegbleef ... wegbleef ...

Daar kwam een streep van blauwig rood die zich vastklemde aan de wolken,
en de randen werden licht en gloeiend, en 't begon te bliksemen, en weer
schoten er pylen van vuur door het luchtruim, maar ze vielen niet neder
ditmaal, ze hechtten zich vast op den donkeren grond, en deelden hun
gloed mede in grooter en grootere kringen, en ontmoetten elkander,
kruisend, slingerend, wendend, dwalend, en ze vereenigden zich tot
vuurbundels, en weerlichtten in gouden glans op een grond van paarlemoer,
en er was rood, en blauw, en geel, en zilver, en purper, en azuur in dat
alles ... o God, dat was de dageraad: dat was het weerzien van _Adinda_!

_Saïdjah_ had niet geleerd te bidden, en 't ware ook jammer geweest hem
dat te leeren want heiliger gebeden vuriger dank dan er lag in de
sprakelooze opgetogenheid zyner ziel, was niet te vatten in menschelyke
taal.

Hy wilde niet naar _Badoer_ gaan. Het weerzien zelf van _Adinda_ kwam
hem minder schoon voor, dan de zekerheid haar straks te zullen weerzien.
Hy zette zich aan den voet van den _ketapan_, en liet zyn oogen dwalen
over de landstreek. De natuur lachte hem toe en scheen hem welkom te
heeten als een moeder haar teruggekeerd kind. En even als deze haar
vreugde schildert door eigenwillige herinnering aan de voorbygegane
smart, by 't vertoonen van wat ze bewaarde als aandenken gedurende het
afzyn, liet ook _Saïdjah_ zich vermaken door 't weerzien van zoovele
plekken die getuigen waren van zyn kort leven. Maar hoe ook zyn oogen of
zyn gedachten ronddwaalden, telkens viel zyn blik en zyn verlangen terug
op het pad dat van _Badoer_ leidt naar den _ketapan_. Alles wat zyn
zinnen waarnamen, heette _Adinda_. Hy zag den afgrond links, waar de
aarde zoo geel is, waar eens een jonge buffel verzonk in de diepte: daar
hadden de dorpelingen zich verzameld om het dier te redden--want het is
geen geringe zaak een jongen buffel te verliezen--en ze hadden zich
neergelaten aan sterke _rottan_-koorden. _Adinda_'s vader was de
moedigste geweest ... O, hoe zy in de handen klapte, _Adinda_!

En daarginds, aan de andere zyde, waar 't kokosboschje wuift over de
hutten van het dorp, daar ergens was _Si-Oenah_ uit een boom gevallen,
en gestorven. Hoe schreide zyn moeder: "omdat _Si-Oenah_ nog zoo klein
was" jammerde zy ... alsof ze minder bedroefd zou geweest zyn als
_Si-Oenah_ grooter geweest ware. Maar klein was hy, dàt is waar, want hy
was kleiner en zwakker nog dan _Adinda_ ...

Niemand betrad het wegje dat van _Badoer_ leidde naar den boom. Straks
zou ze komen: o, zeker.. 't was nog zoo vroeg!

_Saïdjah_ zag een _badjing_ die met dartele vlugheid heen-en-weersprong
tegen den stam van een _klappa_-boom. Het diertje--de ergernis van den
eigenaar des booms, maar lief toch in gedaante en beweging--klauterde
onvermoeid op-en-neder. _Saïdjah_ zag het, en dwong zich er naar te
blyven zien, wyl dit aan zyn gedachten rust gaf van den zwaren arbeid
dien ze verrichtten sedert het opgaan der zon ... rust na 't afmattend
wachten. Welhaast uitten zich zyn indrukken in woorden, en hy zong wat
er omging in zyn ziel. Het ware my liever u zyn lied te kunnen
_voorlezen_ in 't maleisch, dat italiaansch van het Oosten[145] doch
ziehier de vertaling:

      "Zie hoe de _badjing_ zyn levensonderhoud zoekt
    Op den _klappa_-boom. Hy stygt, daalt, dartelt links en rechts,
    Hy draait om den boom, springt, valt, klimt, en valt weder:
    Hy heeft geen vleugels, en is toch zoo vlug als een vogel.

      Veel geluk, myn _badjing_, ik wensch u heil!
    Ge zult gewis vinden het levensonderhoud dat ge zoekt...
    Maar ik zit alleen by het _djati_-bosch,
    Wachtende op levensonderhoud van myn hart.

      Reeds lang is het buikje van myn _badjing_ verzadigd...
    Reeds lang is hy teruggekeerd in zyn nestje...
    Maar nog altyd is myn ziel
    En myn hart bitter bedroefd.. _Adinda_!"

Nog was er niemand op het pad dat van _Badoer_ leidde naar den
_ketapan_.

_Saïdjah_'s oog viel op een kapel die zich scheen te verheugen omdat het
begon warm te worden.

      "Zie hoe de vlinder daar rondfladdert.
    Zyn vlerkjes schitteren als een veelkleurige bloem.
    Zyn hartjen is verliefd op den bloesem der _kenari_.
    Zeker zoekt hy zyn welriekende geliefde.

       Veel geluk, myn vlinder, ik wensch u heil!
    Ge zult gewis vinden wat gy zoekt...
    Maar ik zit alleen by het _djati_-bosch,
    Wachtende op wat myn hart liefheeft.

       Reeds lang heeft de vlinder gekust
    Den _kenari_-bloesem die hy zoozeer bemint...
    Maar nog altyd is myn ziel
    En myn hart bitter bedroefd... _Adinda_!"

En er was niemand op het pad dat van _Badoer_ leidde naar den boom.

De zon begon reeds hoog te staan ... er was al hitte in de lucht.

       "Zie, hoe de zon schittert daar omhoog,
     Hoog boven den _waringi_-heuvel!
     Ze voelt zich te warm, en wenscht neertedalen,
     Om te slapen in zee, als in de armen van een gade.

       Veel geluk, o zon, ik wensch u heil!
     Wat gy zoekt, zult ge gewis vinden...
     Maar ik zit alleen by het _djati_-bosch,
     Wachtende op rust voor myn hart.

       Reeds lang zal de zon ondergegaan wezen,
     En slapen in de zee, als alles duister is...
     En nog altyd zal myn ziel
     En myn hart bitter bedroefd zyn.... _Adinda_!

Nog was er niemand op den weg die er leidt van _Badoer_ naar den
_ketapan_.

       "Als er niet langer vlinders zullen rondfladderen,
     Als de sterren niet meer zullen schitteren,
     Als de _melatti_ niet meer welriekend zal wezen,
     Als er niet langer bedroefde harten zyn,
     Noch wild gedierte in het woud...
     Als de zon verkeerd zal loopen,
     En de maan vergeten wat oost en west is...
     Als dàn _Adinda_ nog niet gekomen is,
     Dan zal een engel met blinkende vleugelen
     Neerdalen op aarde, om te zoeken wat daar achterbleef.
     Dan zal myn lyk hier liggen onder den _ketapan_...
     Myn ziel is bitter bedroefd... _Adinda_!"

Nog was er niemand op het pad dat van _Badoer_ leidde naar den
_ketapan_.

       "Dan zal myn lyk door den engel gezien worden.
     Hy zal het zyn broederen aanwyzen met den vinger:

       "Ziet, daar is een gestorven mensch vergeten,
     Zyn verstyfde mond kust een _melatti_-bloem.
     Komt, dat wy hem opnemen en ten-hemel dragen,
     Hem, die op _Adinda_ gewacht heeft tot hy dood was.
     Gewis, hy mag niet daar achterblyven,
     Wiens hart de kracht had zóó te beminnen!"

     Dan zal nog ééns myn verstyfde mond zich openen
     Om _Adinda_ te roepen, die myn hart lief heeft...
     Nog éénmaal zal ik de _melatti_ kussen
     Die zy me gaf... _Adinda_... _Adinda_!"

En nog altyd was er niemand op het pad dat van _Badoer_ leidde naar den
boom.

O, ze was gewis tegen den morgenstond in slaap gevallen, vermoeid van 't
waken gedurende den nacht, van 't waken vele lange nachten door! Zeker
had ze niet geslapen sedert weken: zóó was het!

Zou hy opstaan en naar _Badoer_ gaan? Neen! Mocht het schynen alsof er
twyfel was aan haar komst?

Als hy den man riep die daarginds zyn buffel naar 't veld dreef? Die man
was te ver. En bovendien _Saïdjah_ wilde niet spreken _over Adinda_,
niet vragen _naar Adinda_ ... hy wilde haar weerzien, háár alleen, háár
het eerst! O zeker, zéker zou ze nu spoedig komen!

Hy zou wachten, wachten ...

Maar als ze ziek was, of ... dood?

Als een aangeschoten hert vloog _Saïdjah_ 't pad op, dat van den
_ketapan_ leidt naar het dorp waar _Adinda_ woonde. Hy zag niets en
hoorde niets, en toch had hy iets kunnen hooren, want er stonden
menschen op den weg by den ingang van het dorp, die riepen: "_Saïdjah_,
_Saïdjah_!"

Maar ... was 't zyn haast, zyn drift, die hem belette _Adinda's_ huis te
vinden? Hy was reeds voortgevlogen tot aan 't einde van den weg waar het
dorp ophoudt, en als dolzinnig keerde hy terug, en sloeg zich voor 't
hoofd omdat hy háár huis had kunnen voorbygaan zonder het te zien. Maar
weer was hy aan den ingang, en--myn God, was 't een droom?--weer had hy
_Adinda_'s huis niet gevonden! Nogeens vloog hy terug, en op-eenmaal
bleef hy staan, greep met beide handen zyn hoofd, als om daaruit den
waanzin wegtepersen die hem beving, en riep luide: "dronken, dronken, ik
ben dronken!"

En de vrouwen van Badoer kwamen uit hare huizen, en zagen met deernis
den armen _Saïdjah_ daar staan, want zy herkenden hem, en begrepen dat
hy _Adinda_'s huis zocht, en wisten dat er geen huis van _Adinda_ was in
het dorp Badoer.

Want, toen het distriktshoofd van _Parang-Koedjan_ den buffel van
_Adinda_'s vader had weggenomen ...

Ik heb u gezegd, lezer, dat myn verhaal eentonig is.

... toen was _Adinda_'s moeder gestorven van verdriet. En haar jongste
zusje was gestorven omdat het geen moeder had die 't zoogde. En
_Adinda_'s vader, die vreesde voor de straf als hy zyn landrenten niet
betaalde ...

Ik weet het wel, ik weet het wel, dat myn verhaal eentonig is!

... _Adinda_'s vader was heengegaan uit het land. Hy had _Adinda_
meegenomen, met hare broeders. Maar hy had vernomen hoe de vader van
_Saïdjah_ te _Buitenzorg_ was gestraft met rottingslagen omdat hy
_Badoer_ verlaten had zonder pas. En daarom was _Adinda's_ vader niet
gegaan naar _Buitenzorg_, noch naar _Krawang_, noch naar de _Preanger_,
noch naar de _Bataviasche Ommelanden_ ... hy was gegaan naar
_Tjilang-kahan_, het distrikt van _Lebak_, dat aan de zee grenst. Daar
had hy zich verscholen in de bosschen, en gewacht op de komst van
_Pa-Ento, Pa-Lontah, Si-Oeniah, Pa-Ansioe, Abdoel-Isma_ en nog eenige
anderen die door het distriktshoofd van _Parang-Koedjang_ beroofd waren
van hun buffels, en die allen vreesden voor straf als ze hun landrenten
niet betaalden. Daar hadden ze zich by-nacht meester gemaakt van een
visschersprauw, en waren in zee gestoken. Ze hadden westelyk gestuurd,
en hielden het land rechts van zich, tot aan _Java-punt_. Vanhier waren
zy noordwaarts gestevend tot ze _Tanahitam_ voor zich zagen, dat de
europesche zeelieden _Prinsen-eiland_ noemen. Zy waren dat eiland
omgezeild aan de oostzyde, en hadden toen aangehouden op de
_Keizersbaai_, zich richtende op den hoogen piek in de _Lampongs_. Zóó
althans was de weg dien men elkander fluisterend vóórzei in 't
_Lebaksche_, wanneer er gesproken werd over officieelen buffelroof en
onbetaalde landrenten.

Maar de verbysterde _Saïdjah_ verstond niet duidelyk wat men hem zeide.
Zelfs begreep hy niet goed het bericht van den dood zyn vaders. Er was
een gegons in zyn ooren als had men op een _gong_ geslagen in zyn hoofd.
Hy voelde hoe 't bloed met schokken werd gewrongen door de aderen aan
zyn slapen, die dreigden te bezwyken onder den druk van zoo zware
uitzetting. Hy sprak niet, en staarde met verdoofden blik rond zonder te
zien wat om en by hem was, en berstte eindelyk uit in akelig gelach.

Een oude vrouw nam hem mede naar haar huisjen en verpleegde den armen
dwaas. Weldra lachte hy niet meer zoo akelig, maar toch sprak hy niet.
Alleen 's nachts werden de hutgenooten opgeschrikt door zyn stem, als hy
toonloos zong: "_ik weet niet waar ik sterven zal_" en eenige bewoners
van _Badoer_ legden geld tezamen, om een offer te brengen aan de
_boaja's_ van den _Tjioedjoeng_ voor de genezing van _Saïdjah_, dien men
voor zinneloos hield.

Maar zinneloos was hy niet.

Want eens by nacht, toen de maan helder lichtte, stond hy op van de
_baleh-baleh_, en verliet zachtkens het huis, en zocht naar de plek waar
_Adinda_ gewoond had. Het was niet gemakkelyk die te vinden, omdat er
zoovéél huizen waren ingestort. Doch hy scheen de plaats te herkennen
aan de wydte van den hoek dien sommige lichtlynen door 't geboomte
vormden by haar ontmoeting in zyn oog, zooals de zeeman peiling neemt
op vuurtorens of uitstekende bergpunten.

Ja, dáár moest het zyn ...dáár had _Adinda_ gewoond!

Struikelend over halfvergane bamboe en over stukken van 't neergevallen
dak, baande hy zich een weg naar 't heiligdom dat hy zocht. En, waarlyk,
hy vond nog iets terug van den opstaanden _Pagger_ waarnaast _Adinda_'s
baleh-baleh_ gestaan had, en zelfs stak in dien _pagger_ nog de
bamboezen pin, waaraan ze haar kleed hing als ze zich te slapen
legde ...

Maar de _baleh-baleh_ was ingestort als het huis, en byna vergaan tot
stof. Hy nam een handvol daarvan, drukte het aan zyn geopende lippen, en
ademde zeer diep ...

Den volgenden dag vroeg hy aan de oude vrouw die hem verpleegd had, waar
't rystblok was dat er gestaan had op het erf van _Adinda_'s huis? De
vrouw was verheugd dat ze hem hoorde spreken, en liep het dorp rond om
dat blok te zoeken. Toen zy den nieuwen eigenaar aan _Saïdjah_ kon
aanwyzen, volgde deze haar zwygend, en by 't rystblok gebracht, telde hy
daarop twee en dertig ingekorven strepen ...

Toen gaf hy die vrouw zooveel _Spaansche-matten_ als noodig was tot het
koopen van een buffel, en verliet _Badoer_. Te _Tjilang-Kahan_ kocht hy
een visschersprauw, en kwam daarmede na eenige dagen zeilens in de
_Lampongs_ aan, waar de opstandelingen zich verzetten tegen het
nederlandsch gezag. Hy sloot zich aan by een bende Bantammers, niet om
te stryden zoozeer als om _Adinda_ te zoeken. Want hy was zacht van
aard, en meer ontvankelyk voor droefenis dan voor bitterheid.

Op zekeren dag dat de opstandelingen op-nieuw waren geslagen, doolde hy
rond in een dorp dat pas veroverd was door het nederlandsche leger, en
dus in brand stond.[146] _Saïdjah_ wist dat de bende die daar vernietigd
was geworden, grootendeels uit Bantammers had bestaan. Als een spook
waarde hy rond in de huizen die nog niet geheel verbrand waren, en vond
het lyk van _Adinda_'s vader met een _klewang_-bajonetwonde in de borst.
Naast hem zag _Saïdjah_ de drie vermoorde broeders van _Adinda_,
jongelingen, byna kinderen nog, en een weinig verder lag het lyk van
_Adinda_, naakt, afschuwelyk mishandeld ...

Er was een smal strookje blauw lynwaad gedrongen in de gapende borstwond
die een eind scheen gemaakt te hebben aan lange worsteling ...

Toen liep _Saïdjah_ eenige soldaten te-gemoet, die met geveld geweer de
laatstlevende opstandelingen in 't vuur dreven van de brandende huizen.
Hy omvademde de breede zwaardbajonetten, drukte zich voorwaarts met
kracht, en drong nog de soldaten terug met een laatste inspanning toen
de gevesten stuitten tegen zyn borst.

En weinig tyds later was er te _Batavia_ groot gejubel over de nieuwe
overwinning die weer zooveel lauweren had gevoegd by de lauweren van 't
nederlandsch-indisch leger. En de Landvoogd schreef naar 't Moederland
dat de rust in de _Lampongs_ hersteld was. En de Koning van Nederland,
voorgelicht door zyn Staatsdienaren, beloonde wederom zooveel heldenmoed
met vele ridderkruisen.

En waarschynlyk stegen er in zondagskerk of bidstond uit de harten der
vromen dankgebeden ten-hemel, by 't vernemen dat "de Heer der
heirscharen" weer had meegestreden onder de banier van Nederland ...

    "Maar God, met zooveel wee begaan,
    Nam de offers van dien dag niet aan!"[147]

       *       *       *       *       *

Ik heb 't slot der geschiedenis van _Saïdjah_ korter gemaakt, dan ik had
kunnen doen wanneer ik lust gevoeld had in 't schetsen van iets akeligs.
De lezer zal opgemerkt hebben hoe ik verwylde by de beschryving van het
wachten onder den _ketapan_, als schrikte ik terug voor de treurige
ontknooping, en hoe ik over deze ben heengegleden met afkeer. En toch
was dit myn voornemen niet, toen ik begon over _Saïdjah_ te spreken.
Want aanvankelyk vreesde ik, sterker kleuren noodig te hebben om den
lezer te treffen by 't beschryven van zoo vreemde toestanden. Gaande-weg
echter gevoelde ik dat het een beleediging voor myn publiek wezen zou,
te gelooven dat ik meer bloed had moeten brengen in myn schildery.[148]

Toch had ik dit kùnnen doen, want ik heb stukken voor my liggen ... doch
neen: liever een bekentenis.

Ja, een bekentenis, lezer! Ik weet niet of _Saïdjah_ _Adinda_ lief had.
Niet of hy naar _Batavia_ ging. Niet of hy in de _Lampongs_ werd
vermoord met nederlandsche bajonetten. Ik weet niet of zyn vader bezweek
ten-gevolge van de rottingslagen die hem werden gegeven omdat hy _Badoer_
had verlaten zonder pas. Ik weet niet of _Adinda_ de manen telde door
kerven in haar rystblok ...

Dit alles weet ik _niet_!

Maar ik weet _meer_ dan dat alles. Ik weet _en kan bewyzen dat er veel_
Adinda's waren en _veel_ Saïdjah's, en dat, _wat verdichtsel is in 't
byzonder, waarheid wordt in 't algemeen_. Ik zeide reeds dat ik de namen
kan opgeven van personen die, zooals de ouders van _Saïdjah_ en
_Adinda_, door onderdrukking werden verdreven uit hun land. Het is myn
doel niet, in dit werk mededeelingen te geven als voegen zouden voor een
vierschaar die uitspraak te doen had over de wyze waarop 't nederlandsch
gezag in Indie wordt uitgeoefend, mededeelingen die slechts kracht van
bewys zouden hebben voor wien het geduld had die met aandacht en
belangstelling doortelezen, zooals niet verwacht kan worden van een
publiek dat verstroojing zoekt in zyn lektuur. Daarom heb ik, in-plaats
van dorre namen van personen en plaatsen, met de dagteekening er by,
in-plaats van een afschrift _der lyst van diefstallen en afpersingen,
die voor me ligt_[149] getracht een schets te geven van wat er kàn
omgaan in de harten der arme lieden die men berooft van wat dienen moet
tot onderhoud van hun leven, of zelfs: ik heb dit slechts laten gissen,
vreezende my te zeer te bedriegen in het teekenen der omtrekken van
aandoeningen die ik nooit ondervond.

Maar wat de _hoofdzaak_ aangaat? O, dat ik opgeroepen werde om te staven
wat ik schreef! O, dat men zeide: "ge hebt dien _Saïdjah_ verdicht ...
hy zong nooit dat lied ... er woonde geen _Adinda_ te _Badoer_!" Maar
dat het gezegd werd met de macht en den wil om recht te doen, zoodra ik
zou bewezen hebben geen lasteraar te zyn!

Is er logen in de gelykenis van den barmhartigen Samaritaan, omdat er
misschien nooit een geplunderd reiziger is opgenomen in een
samaritaansch huis? Is er logen in de parabel van den zaaier, omdat geen
landbouwer zyn zaad zal uitwerpen op een rots? Of--om aftedalen tot meer
gelykheid met myn boek--mag men de waarheid ontkennen die de hoofdzaak
uitmaakt van de _Negerhut_, omdat er misschien nooit een _Evangeline_
bestaan heeft? Zal men tot de schryfster van dat onsterfelyk
pleidooi--onsterfelyk, niet om kunst of talent, maar door _strekking_,
en _indruk_--zal men tot haar zeggen: "ge hebt gelogen, de slaven worden
niet mishandeld, want ... er is onwaarheid in uw boek: het is een
roman!" Moest niet ook zy, in-plaats eener optelling van dorre
daadzaken, een verhaal geven dat die daadzaken inkleedde, om 't besef
der behoefte aan verbetering te doen doordringen in de harten? Zou haar
boek gelezen zyn, als ze daaraan den vorm had gegeven van een
processtuk? Is 't haar schuld--of de myne--dat de waarheid, om toegang
te vinden, zoo vaak het kleed moet borgen van de leugen?

En aan sommigen die misschien beweren dat ik _Saïdjah_ en zyn liefde heb
geïdealiseerd, moet ik vragen hoe ze dit weten kunnen? Slechts zeer
weinig Europeanen immers achten het de moeite waard zich neertebuigen
tot waarneming der aandoeningen van de koffi- en suikerwerktuigen die
men "inlanders" noemt. Doch al ware hun aanmerking gegrond, wie zùlke
bedenkingen aanvoert als bewys tegen de hoofdstrekking van myn boek,
geeft my een groote zegepraal. Want ze luiden, vertaald, "het kwaad dat
gy bestrydt, bestaat niet, of niet in zoo hooge maat, _omdat_ de
inlander niet is als uw _Saïdjah_ ... er ligt in de mishandeling der
Javanen geen zoo groot kwaad als daarin liggen zou wanneer ge uwen
_Saïdjah_ juister geteekend hadt. De Soendanees zingt zulke liederen
niet, bemint zoo niet, gevoelt zoo niet, en dus ...

Neen, Minister van Kolonien, neen, Gouverneurs-generaal in ruste, niet
dàt hebt gy te bewyzen! Ge hebt te bewyzen dat de bevolking niet
mishandeld wordt, onverschillig of er sentimenteele _Saïdjahs_ onder die
bevolking zyn. Of zoudt ge durven beweren buffels te mogen stelen van
lieden die _niet_ beminnen, die _geen_ droefgeestige liedjes zingen, die
_niet_ sentimenteel zyn?[150]

By een aanval op letterkundig gebied zou ik de juistheid der teekening
van _Saïdjah_ verdedigen, maar op staatkundigen bodem geef ik terstond
alle aanmerkingen op die juistheid gewonnen, om te beletten dat de
groote vraag worde verplaatst op verkeerd terrein. Het is me geheel om
't even of men my houde voor een onbekwaam schilder, mits men my toegeve
dat de mishandeling van den inlander is: VERREGAAND! Zóó toch luidt het
woord op de nota des voorgangers van Havelaar, die door dezen getoond
werd aan den kontroleur Verbrugge: _een nota die voor me ligt_.[149]

Maar ik heb andere bewyzen! En dit is gelukkig, want ook Havelaar's
voorganger kon zich vergist hebben.

Helaas, als _hy_ zich vergiste, werd hy voor die vergissing zeer hard
gestraft. Hy is vermoord.



ACHTTIENDE HOOFDSTUK


't Was namiddag. Havelaar trad uit de kamer, en vond zyn Tine in de
voorgalery, hem wachtende met de thee. Mevrouw Slotering trad haar huis
uit en scheen zich naar de Havelaars te willen begeven, maar eensklaps
wendde zy zich naar 't hek, en wees daar met vry hevige gebaren een man
terug die even te-voren was binnengetreden. Ze bleef staan tot zy zich
verzekerd had dat hy naar-buiten was teruggegaan, en keerde daarop langs
het grasveld naar Havelaars huis terug.

"Ik wil toch eindelyk eens weten wat dit beduidt!" zei Havelaar, en toen
de begroeting voorby was, vroeg hy op schertsenden toon, om haar niet te
doen meenen dat hy haar een weinigje gezag misgunde, op een erf dat
vroeger 't hare was:

--Wel, mevrouw, zeg me toch eens waarom u de menschen die 't erf
betreden, zoo terugzendt? Als die man van zoo-even nu eens iemand was
die kippen te-koop had, of iets anders wat noodig kon zyn voor de
keuken?

Er vertoonde zich op 't gelaat van mevrouw Slotering een pynlyke trek
die niet ontsnapte aan Havelaars blik.

--Ach, zeide zy, er is zooveel slecht volk!

--Zeker, dat is er overal. Maar als men 't de menschen zoo moeielyk
maakt, zullen de goeden ook weg blyven. Komaan, mevrouw, vertel me toch
eens ronduit waarom ge zoo streng opzicht houdt over 't erf?

Havelaar zag haar aan, en trachtte vergeefs het antwoord te lezen in
haar vochtig oog. Hy drong iets sterker op verklaring aan ... de weduw
berstte in tranen uit, en zei dat haar man ten-huize van het
distriktshoofd te _Parang-Koedjang_ vergiftigd was.

--Hy wilde rechtvaardig zyn, m'nheer Havelaar, ging de arme vrouw voort,
hy wilde een eind maken aan de mishandeling waaronder de bevolking
zucht. Hy vermaande en dreigde de Hoofden, in vergaderingen en
schriftelyk ... ge moet zyn brieven gevonden hebben in 't archief?

Dit was zoo. Havelaar had die brieven gelezen, _waarvan afschriften voor
my liggen_.[149]

--Hy sprak telkens met den resident, vervolgde de weduw, maar altyd
vergeefs. Want daar 't van algemeene bekendheid was dat de knevelary
plaats had ten-behoeve en onder bescherming van den Regent, wien de
resident niet by de Regeering wilde aanklagen, leidden al die gesprekken
tot niets dan tot mishandeling van de klagers. Daarom had myn arme man
gezegd dat hy, als er geen verbetering kwam vóór 't einde des jaars,
zich rechtstreeks wenden zou tot den Gouverneur-generaal. Dat was in
November. Hy ging kort daarna op een inspektiereis, gebruikte het
middagmaal ten huize van den _Dhemang_ van _Parang-Koedjang_, en werd
kort daarop in deerniswaarden toestand te-huis gebracht. Hy riep, op de
maag wyzende: "vuur, vuur" en weinige uren later was hy dood, hy die
altyd een voorbeeld was geweest van goede gezondheid.

--Hebt ge den dokter van _Serang_ laten roepen? vroeg Havelaar.

--Ja, maar hy heeft myn echtgenoot slechts kort behandeld, omdat deze
kort na zyn komst gestorven is. Ik durfde den dokter myn vermoeden niet
meedeelen, omdat ik wegens myn toestand voorzag deze plaats niet spoedig
te kunnen verlaten, en bevreesd was voor wraak. Ik heb gehoord dat gy
even als myn echtgenoot u verzet tegen de misbruiken die hier heerschen,
en daarom heb ik geen gerust oogenblik. Ik had dit alles voor u willen
verbergen om u en mevrouw niet angstig te maken, en bepaalde my dus tot
het bewaken van tuin en erf, opdat geen vreemden toegang zouden hebben
tot de keuken.

Nu werd het Tine duidelyk waarom mevrouw Slotering haar eigen
huishouding was blyven voeren, en zelfs geen gebruik had willen maken
van de keuken "die toch zoo ruim was."

Havelaar liet den kontroleur roepen. Intusschen richtte hy aan den
geneesheer te _Serang_, een verzoek om opgave der verschynselen by
Sloterings dood. Het antwoord dat hy op deze vraag bekwam, was niet in
den geest der vermoedens van de weduw. Volgens den arts was Slotering
gestorven aan een "abcès in de lever." Het is me niet gebleken of
zoodanige kwaal zich zoo kan openbaren op-eenmaal, en den dood
veroorzaken in weinige uren? Ik geloof hier te moeten achtslaan op de
verklaring van mevrouw Slotering dat haar echtgenoot vroeger altyd
gezond geweest was. Doch als men geen waarde hecht aan zoodanige
verklaring--omdat de opvatting van 't begrip: _gezondheid_, vooral in
de oogen van niet-geneeskundigen, zeer onderwerpelyk is--blyft toch de
gewichtige vraag bestaan, of iemand die heden sterft aan een "abcès in
de lever" zich gister kon _te-paard_ zetten met het doel om een
bergachtige landstreek te inspekteeren die in sommige richtingen twintig
uren breed is? De arts die Slotering behandelde kan een bekwaam
geneesheer geweest zyn, en zich niettemin vergist hebben in 't
beoordeelen van de verschynselen der ziekte, onvoorbereid als hy was op
't vermoeden van misdaad.[151]

Hoe dit zy, ik kan niet bewyzen dat Havelaars voorganger vergiftigd was,
daar men Havelaar den tyd niet heeft gelaten deze zaak tot klaarheid te
brengen. Doch wel kan ik bewyzen _dat zyn omgeving hem voor vergiftigd
hield_, en dat men dit vermoeden vastknoopte aan zyn zucht om onrecht
te-keer te gaan.

De kontroleur Verbrugge trad de kamer van Havelaar binnen. Deze vroeg
kortaf:

--Waaraan is m'nheer Slotering gestorven?

--Dat weet ik niet.

--Is hy vergiftigd?

--Dat weet ik niet, maar ...

--Spreek duidelyk, Verbrugge!

--Maar hy trachtte de misbruiken te-keer te gaan, zooals u, m'nheer
Havelaar, en ... en ...

--Welnu? Ga voort?

--Ik ben overtuigd dat hy ... zou vergiftigd geworden zyn als hy langer
hier was gebleven.

--Schryf dat op!

Verbrugge heeft die woorden opgeschreven. _Zyn verklaring, ligt voor
my!_[149]

--Nog iets. Is 't _wáár_ of is 't _niet_ waar dat er gekneveld wordt in
_Lebak_?

Verbrugge antwoordde niet.

--Antwoord, Verbrugge!

--Ik durf niet.

--Schryf 't op, dat je niet durft!

Verbrugge heeft het opgeschreven: _het ligt voor my_.[149]

--Wèl! Nog iets: je durft niet antwoorden op de laatste vraag, maar je
zei me onlangs, toen er spraak was van _vergiftiging_, dat je de eenige
steun was van je zusters te _Batavia_, niet waar? Ligt dáárin misschien
de oorzaak van je vrees, de grond van wat ik altyd _halfheid_ noemde?

--Ja!

--Schryf dat op.

Verbrugge schreef het op: _zyn verklaring ligt voor my!_[149]

--'t Is wèl, zei Havelaar, nu weet ik genoeg. En Verbrugge kon gaan.

Havelaar trad naar buiten en speelde met kleinen Max dien hy met
byzondere innigheid kuste. Toen mevrouw Slotering vertrokken was, zond
hy 't kind weg en riep Tine in zyn kamer.

--Lieve Tine, ik heb je een verzoek te doen! Ik wenschte dat je met Max
naar _Batavia_ ging: ik klaag heden den Regent aan.

En ze viel hem om den hals, en was ongehoorzaam voor het eerst, en riep
snikkende:

--Neen Max, neen Max, dat doe ik niet ... dat doe ik _niet! Wy eten en
drinken tezamen!_

Had Havelaar ongelyk toen hy beweerde dat zy evenmin recht had op
neussnuiten als de vrouwen te Arles?

Hy schreef en verzond den brief waarvan ik hier een afschrift geef.
Nadat ik eenigszins de omstandigheden heb geschetst, waarin dit stuk
geschreven werd, geloof ik niet noodig te hebben op de kordate
plichtsvervulling te wyzen die daarin doorstraalt, evenmin als op de
zachtmoedigheid die Havelaar bewoog den Regent in bescherming te nemen
tegen al te zware straf. Doch niet zoo overbodig zal 't wezen, daarby
zyn omzichtigheid te doen opmerken die hem geen woord deed uiten over de
pas gedane ontdekking om niet het stellige zyner aanklacht te verzwakken
door onzekerheid omtrent een wel belangryke, maar nog onbewezen
beschuldiging. Zyn voornemen was, 't lyk van zyn voorganger te doen
opgraven en wetenschappelyk onderzoeken, zoodra de Regent zou verwyderd
zyn, en diens aanhang onschadelyk gemaakt. Maar men heeft hem hiertoe de
gelegenheid niet gelaten.[152]

In de afschriften van officieele stukken--afschriften die overigens
letterlyk overeenstemmmen met het oorspronkelyke--geloof ik de dwaze
titulatuur te mogen vervangen door eenvoudige voornaamwoorden. Van den
goeden smaak myner lezers verwacht ik dat zy in deze verandering
genoegen nemen.

   "N° 88. _Geheim. Spoed_.         _Rangkas-Betoeng_, 24 Februari 1856.

   _Aan den Resident van Bantam_.

   Sedert ik voor een maand myn betrekking alhier aanvaardde, heb ik my
   hoofdzakelyk beziggehouden met het onderzoek naar de wyze waarop de
   Inlandsche Hoofden zich kwyten van hun verplichtingen jegens de
   bevolking op het stuk van _heerediensten, poendoetan_ en dergelyke.[153]

   Zeer spoedig ontdekte ik dat de Regent op eigen autoriteit, en ten
   zynen-behoeve, menschen liet opkomen, vèr boven het hem wettig
   toekomend aantal _pantjens_ en _kemits_.[154]

   Ik weifelde tusschen de keus om terstond officieel te rapporteeren,
   en de zucht om door zachtheid, of later zelfs door bedreigingen, dien
   Inlandschen Hoofdambtenaar daarvan terug te brengen, ten-einde het
   tweeledig doel te bereiken om dat misbruik te doen ophouden en
   te-gelyker-tyd dien ouden dienaar van het Gouvernement niet terstond
   al te streng te behandelen, vooral uit aanmerking van de slechte
   voorbeelden die, naar ik geloof, hem dikwyls gegeven zyn, en
   in-verband met de byzondere omstandigheid dat hy bezoek verwachtte
   van twee verwanten, de Regenten van _Bandoeng_ en van _Tjanjor_,
   althans van den laatsten--die, naar ik meen, reeds met groot gevolg
   op weg is--en hy dus meer dan anders in de verzoeking was--en met het
   oog op den benarden staat zyner geldmiddelen, als-het-ware in de
   _noodzakelijkheid_--om door onwettige middelen te voorzien in de
   noodige toebereidselen voor dat bezoek.

   Dit alles leidde my tot zachtheid omtrent hetgeen reeds geschied was,
   doch geenszins tot toegevendheid voor den vervolge.

   Ik drong aan op dadelyke staking van elke onwettigheid.

   Van die voorloopige proeve om den Regent door zachtheid tot zyn
   plicht te brengen, heb ik u onder'shands doen kennis dragen.[155]

   My is echter gebleken dat hy met brutale onbeschaamdheid alles in den
   wind slaat, en ik gevoel my krachtens myn ambtseed verplicht u
   meetedeelen:

   _dat ik den Regent van_ Lebak, Radhen Adhipatti Karta Natta Nagara,
   BESCHULDIG _van misbruik van gezag, door het onwettig beschikken over
   den arbeid zyner onderhoorigen, en_ VERDENK _van knevelary, door_ het
   vorderen van _opbrengsten in_ naturâ, _zonder, of tegen willekeurig
   vastgestelde, onvoldoende, betaling; dat ik_ voorts _den Dhemang,
   van_ Parang-Koedjang _zyn schoonzoon--verdenk van medeplichtigheid
   aan de genoemde feiten._

   Om beide zaken behoorlyk te kunnen instrueeren, neem ik de vryheid u
   voortestellen, my te gelasten:

   1° _den Regent van_ Lebak _voornoemd, met den meesten spoed naar_
   Serang _optezenden, en zorgtedragen dat hy noch voor zyn vertrek,
   noch gedurende de reize in de gelegenheid zy, door omkooping of op
   andere wyze te influenceeren op de getuigenissen die ik zal moeten
   inwinnen;_

   2° _den Dhemang van_ Parang-Koedjang _voorloopig, in arrest te
   nemen;_

   3° _gelyken maatregel toetepassen op zoodanige personen van minderen
   rang, als, behoorende tot de familie van den Regent, geacht kunnen
   worden invloed uitteoefenen op de zuiverheid van het intestellen
   onderzoek;_

   4° _dat onderzoek terstond te doen plaats hebben, en van den uitslag
   te dienen van omstandig bericht._

   Ik neem de vryheid u voorts in overweging te geven, de komst des
   Regents van _Tjanjor_ te kontramandeeren.

   Ten-slotte heb ik de eer--ten-overvloede voor u, die de Afdeeling
   Lebak beter kent dan my nog mogelyk is--de verzekering te geven dat
   uit een politiek oogpunt de streng rechtvaardige behandeling dezer
   zaak geen het minste bezwaar heeft, en dat ik eer voor gevaar zou
   beducht zyn als ze niet tot klaarheid gebracht werd. Want ik ben
   geïnformeerd dat de geringe man die, naar een getuige my zeide,
   _poessing_ is van de vexatie, reeds lang naar redding uitziet.[156]

   Ik heb de kracht tot den moeielyken plicht dien ik door het schryven
   van dezen brief volbreng, gedeeltelyk geput uit de hoop dat het my
   vergund zal wezen ter-zyner-tyd een en ander bytebrengen ter
   verschooning van den ouden Regent, met wiens pozitie, hoezeer door
   eigen schuld veroorzaakt, ik evenwel diep medelyden gevoel.

   _De Adsistent-resident van Lebak_

   MAX HAVELAAR."

Den volgenden dag antwoordde hem ... de resident van _Bantam_? O neen,
de heer Slymering, _partikulier_!

Dit antwoord is eene kostbare bydrage tot de kennis van de wyze waarop
het bestuur in Nederlandsch-Indie wordt uitgeoefend. De heer Slymering
beklaagde zich "dat Havelaar hem van de zaak die voorkwam in den brief
N° 88, niet eerst mondeling had kennis gegeven." Natuurlyk omdat er dan
meer kans ware geweest op "_schipperen_" En voorts: "dat Havelaar _hem
stoorde in zyn drukke bezigheden!_"

De man was zeker bezig met een jaarverslag over rustige rust! Ik heb
dien brief voor my liggenen vertrouw myn oogen niet. Ik herlees den
brief van den adsistent-resident van _Lebak_ ik plaats hèm en den
resident van _Bantam_, Havelaar en Slymering naast elkander...

       *      *       *       *       *

Die Sjaalman is een gemeene schooier! Ge moet weten, lezer, dat
Bastiaans weer dikwyls niet op 't kantoor komt, omdat hy de jicht heeft.
Daar ik nu een gewetenszaak maak van het wegwerpen der fondsen van de
firma--_Last & Co_--want in principes ben ik onwrikbaar, kwam ik
eergister op 't denkbeeld dat Sjaalman toch een tamelyk goede hand
schryft, en daar hy er zoo armoedig uitziet, en dus voor matig loon wel
zou te krygen zyn, begreep ik aan de firma verplicht te wezen, op de
goedkoopste wys in de vervanging van Bastiaans te voorzien. Ik ging dus
naar de Lange-leidsche-dwarsstraat. De vrouw van den winkel was voor,
doch scheen me niet te herkennen, schoon ik haar onlangs heel duidelyk
had gezegd dat ik_ m'nheer Droogstoppel was, Makelaar in koffi, van de
Lauriergracht_. Er is altyd iets stuitends in dat niet herkennen, maar
omdat het nu wat minder koud is, en ik den vorigen keer myn jas met bont
aanhad, schryf ik het dááraan toe, en trek 't my niet aan ... de
beleediging, meen ik. Ik zei dus nogeens, dat ik _m'nheer Droogsstoppel
was, Makelaar in Koffi_ van de _Lauriergracht_, en verzocht haar te gaan
zien of die Sjaalman thuis was, omdat ik niet weer zooals onlangs wilde
te doen hebben met zyn vrouw, die altyd ontevreden is. Maar die
uitdraagster weigerde naar-boven te gaan. "Ze kon niet den heelen dag
trappen klimmen voor dat bedelvolk, zeide zy, ik moest maar zelf gaan
zien." En daar volgde weer een beschryving van de trappen en portalen,
die ik volstrekt niet noodig had, want ik herken altyd een plaats waar
ik eens geweest ben, omdat ik altyd zoo op alles acht geef. Dit heb ik
my aangewend in de zaken. Ik klom dus de trappen op, en klopte aan de
bekende deur, die terugweek. Ik trad binnen, en daar ik niemand in de
kamer vond, zag ik eens rond. Nu, veel te zien was er niet. Er hing een
half broekje met geborduurde strook over een stoel ... wat hoeven zulke
menschen geborduurde broekjes te dragen? In een hoek stond een niet zeer
zware reiskoffer, dien ik in gedachte aan het hengsel vatte, en op den
schoorsteenmantel lagen eenige boeken die ik eens inzag. Een wonderlyke
verzameling! Een paar deelen van _Byron, Horatius, Bastiat, Béranger_,
en ... raad eens? Een bybel, een kompleete bybel, met de apokriefe
boeken er in! Dàt had ik by Sjaalman niet verwacht. En er scheen in
gelezen te zyn ook, want ik vond veel aanteekeningen op losse stukken
papier, die betrekking hadden op de Schrift--hy zegt dat Eva tweemaal
ter-wereld kwam ... de man is gek!--nu, alles was van dezelfde hand als
de stukken in dat verwenschte pak. Vooral 't boek van Job scheen hy
yverig bestudeerd te hebben, want daar gaapten de bladen. Ik denk dat hy
de hand des Heeren begint te voelen, en daarom door lektuur in de
heilige boeken zich wil verzoenen met God. Ik heb er niets tegen. Maar,
zoo al wachtende, viel myn oog op een dames-werkdoosje, dat op tafel
stond. Zonder erg bezag ik dat. Er waren een paar half-afgewerkte
kinderkousjes in, en een tal van zotte verzen. Ook een brief aan
Sjaalmans vrouw, zooals uit het opschrift bleek. De brief was geopend,
en zag er uit alsof men hem in drift had saamgeknepen. Nu is myn vast
principe, nooit iets te lezen dat niet aan my gericht is, omdat ik dit
niet fatsoenlyk vind. Ik doe het dan ook nooit als ik er geen belang by
heb. Maar nu kreeg ik een ingeving dat het myn plicht was, dien brief
eens intezien omdat de inhoud my misschien zou voorlichten omtrent de
menschlievende bedoeling die me tot Sjaalman voerde. Ik dacht er aan,
hoe toch de Heer altyd naby de Zynen is, daar Hy me hier onverwachts in
de gelegenheid stelde, iets meer van dien man te weten te komen, en me
dus behoedde voor 't gevaar een weldaad te bewyzen aan een onzedelyk
persoon. Ik let nauwkeurig op zulke vingerwyzingen van den Heer, en dit
heeft me dikwyls veel nut in de zaken gedaan. Tot myn groote
verwondering zag ik, dat die vrouw van Sjaalman van deftige familie was,
althans de brief was geteekend door een bloedverwant, wiens naam in
Nederland aanzienlyk is, en ik was inderdaad opgetogen over den schoonen
inhoud van dat schryven. Het scheen iemand te zyn, die yverig werkt voor
den Heer, want hy schreef "dat de vrouw van Sjaalman zich moest laten
scheiden van zulk een ellendeling, die haar armoed liet lyden, die zyn
brood niet kon verdienen, die bovendien een schurk was, omdat hy
schulden had ... dat de schryver van den brief met haar toestand begaan
was, hoewel zy zich dat lot had op den hals gehaald door eigen schuld,
daar ze den Heer had verlaten, en Sjaalman aanhing ... dat ze tot den
Heer moest terugkeeren, en dat dan de heele familie misschien de handen
zou inéénslaan, om haar naaiwerk te bezorgen. Maar vóór alles moest ze
scheiden van dien Sjaalman, die een ware schande was voor de familie."

Kortom, in de kerk zelf was niet meer stichting te halen dan er in dien
brief stond.

Ik wist genoeg, en was dankbaar dat ik op zoo wonderbare wys was
gewaarschuwd. Zonder deze waarschuwing toch ware ik zeker weer 't
slachtoffer geworden van myn goed hart. Ik besloot dus nogmaals om
Bastiaans maar te houden tot ik een geschikten vervanger vind, want ik
zet niet gaarne iemand op-straat, en we kunnen op 't oogenblik geen
bediende missen, omdat er zooveel by ons omgaat.

De lezer zal wel nieuwsgierig zyn, te weten hoe ik 't gemaakt heb op den
laatsten krans, en of ik den triolet heb gevonden? Ik ben niet op den
krans geweest. Er zyn wonderlyke dingen voorgevallen: ik ben naar
Driebergen geweest, met myn vrouw en Marie. Myn schoonvader, de oude
Last, de zoon van den eersten Last--toen de Meyers er nog in waren, maar
die zyn er lang uit--had al zoo dikwyls gezegd, dat hy myn vrouw en
Marie eens wilde zien. Nu was 't vry goed weer, en myn vrees voor de
liefdegeschiedenis waarmee Stern gedreigd had, bracht my op-eens weer
die uitnoodiging in de gedachten. Ik sprak er over met onzen boekhouder,
die een man is van veel ondervinding, en me na ryp beraad in overweging
gaf, my op myn plan te beslapen. Dit nam ik terstond voor, want ik ben
snel in de uitvoering van myn besluiten. Den volgenden dag reeds zag ik
in, hoe wys die raad geweest was, want de nacht had my op het denkbeeld
gebracht, dat ik niet beter kon doen dan de beslissing uittestellen tot
vrydag. Kortom, na rypelyk alles te hebben overwogen--er was veel vóór,
maar ook veel tegen--zyn we gegaan, saturdag-middag, en maandag-morgen
teruggekeerd. Ik zou dit alles niet zoo uitvoerig verhalen, als 't niet
in nauw verband stond met myn boek. Ten-eerste hecht ik er aan, dat ge
zoudt weten, waarom ik niet protesteer tegen de zotternyen die Stern den
laatsten zondag zeker weer heeft uitgekraamd.--Wat is dat voor een
vertelling, van iemand die wat hooren zou als hy dood was? Marie sprak
er van. Ze had het van de Rosemeyertjes, die in suiker doen.--Ten-tweede,
omdat ik nu op-nieuw de zekere overtuiging heb opgedaan, dat al die
vertellingen over ellende en onrust in den Oost, klinkklare leugens zyn.
Zoo ziet men, hoe 't reizen iemand in de gelegenheid stelt, de zaken goed
te doorgronden.

Saturdag-avend namelyk, had myn schoonvader een uitnoodiging aangenomen
by een heer die vroeger in den Oost resident was, en nu op een groot
buiten woont. Dáár zyn we geweest, en waarlyk, ik kan de lieve ontvangst
niet genoeg roemen. Hy had zyn rytuig gezonden om ons aftehalen, en de
koetsier had een rood vest aan. Nu was 't nog wel wat te guur om de
buitenplaats te bezien, die prachtig moet wezen in den zomer, maar in
't huis zelf verlangde men naar niets meer, want er was vol-op van alles
wat vermaak geeft: een billardzaal, een bibliotheekzaal, een overdekte
yzeren glasgalery als broeikast, en de _kakatoea_ zat op een kruk van
zilver.[157] Ik had nooit zoo-iets gezien, en maakte terstond de
opmerking, hoe toch altyd goed gedrag beloond wordt. Die man had terdeeg
op zyn zaken gepast, want hy had wel drie ridderorden. Hy bezat een
heerlyke buitenplaats, en bovendien een huis te Amsterdam. Aan 't souper
was alles getruffeld, en ook de bedienden aan tafel hadden roode vesten
aan, net als de koetsier.

Daar ik veel belang stel in indische zaken--om de koffi--bracht ik
dáárop het gesprek, en zag al heel spoedig waaraan ik me te houden had.
Die resident heeft me gezegd, dat hy 't in den Oost altyd heel goed
heeft gehad, en dat er dus geen woord waar is aan al die vertellingen
over ontevredenheid onder de bevolking. Ik bracht het gesprek op
Sjaalman. Hy kende hem, en wel van een zeer ongunstige zyde. Hy
verzekerde my, dat men zeer goed had gedaan dien man wegtejagen, want hy
was een zeer ontevreden persoon, die altyd op alles aanmerking maakte,
terwyl er bovendien veel viel aftekeuren in zyn eigen gedrag. Hy
schaakte namelyk telkens meisjes, en bracht die dan by zyn eigen vrouw,
en hy betaalde zyn schulden niet, wat toch zeer onfatsoenlyk is. Daar ik
nu uit den brief dien ik gelezen had, zoo juist wist hoe gegrond al die
beschuldigingen waren, deed het me groot genoegen, te zien dat ik de
zaken zoo goed beoordeeld had, en was ik zeer tevreden met myzelf. Ik
ben hiervoor dan ook bekend by myn pilaar ... dat ik altyd zoo juist
oordeel, meen ik.

Die resident en zyn vrouw waren lieve, gulle menschen. Ze verhaalden ons
veel van hun levenswys in den Oost. Het moet daar toch wel aangenaam
wezen. Zy zeiden dat hun buitenplaats by Driebergen niet half zoo groot
was als hun "erf", zooals ze dat noemden, in de binnenlanden van Java,
en dat daartoe wel honderd menschen noodig waren tot onderhoud. Maar--en
dit is wel een bewys hoe bemind ze waren--dat deden die menschen geheel
om-niet, en alleen uit genegenheid. Ook verhaalden zy, dat by hun
vertrek de verkoop hunner meubelen wel tienmaal meer dan de waarde had
opgebracht, omdat de Inlandsche Hoofden zoo graag een aandenken koopen
van een resident die goed voor hen geweest is. Ik zei dit later aan
Stern, die beweerde dat het door dwang geschiedde, en dat hy dit uit
Sjaalmans pak bewyzen kon.[158] Maar ik heb hem gezegd, dat die Sjaalman
een lasteraar is, dat hy meisjes heeft geschaakt--even als die jonge
Duitscher by Busselinck & Waterman--en dat ik volstrekt geen waarde
hecht aan zyn oordeel, want dat ik nu van een resident zelf had gehoord
hoe de zaken stonden, en dus van m'nheer Sjaalman niets te leeren had.

Er waren daar nog meer menschen uit den Oost, onder anderen een heer die
heel ryk was, en nog altyd veel geld verdiende aan thee, die de Javanen
voor hem moeten maken voor weinig geld, en die de Regeering van hem koopt
voor hoogen prys, om de werkzaamheid van die Javanen aantemoedigen. Ook
die heer was zeer boos op al de ontevreden menschen, die gedurig spreken
en schryven tegen de Regeering. Hy kon 't bestuur van de kolonien niet
genoeg roemen, want hy zei overtuigd te wezen dat er veel verloren werd
op de thee die men van hem kocht, en dat het dus een ware edelmoedigheid
was, by voortduring een zoo hoogen prys te betalen voor een artikel dat
eigenlyk weinig waarde heeft, en dat hyzelf dan ook niet lustte, want hy
dronk altyd chinesche thee. Ook zeide hy dat de Gouverneur-generaal die
de zoogenaamde theekontrakten had verlengd, in weerwil van de berekening
dat er door 't Land zooveel verloren wordt op die zaken, zulk een bekwaam
braaf mensch was, en vooral zulk een trouw vriend voor wie hem vroeger
gekend hadden. Want die Gouverneur-generaal had zich volstrekt niet
gestoord aan de praatjes over 't verlies op de thee, en hem, toen er
spraak was van de intrekking dier kontrakten, ik geloof in 1846, een
grooten dienst gedaan door te bepalen dat men maar altyd zou voortgaan met
het koopen van zyn thee. "Ja, riep hy uit, het hart bloedt me als ik zulke
edele menschen hoor lasteren! Als hy er niet geweest was, liep ik nu
te-voet met vrouw en kinderen."[159] Toen liet hy zyn _barouchet_ voorkomen,
en die zag er zóó keurig uit, en de paarden staken zóó goed in 't vleesch,
dat ik best begrypen kan, hoe men gloeit van dankbaarheid voor zulk een
Gouverneur-generaal. Het doet inde ziel goed, het oog te vestigen op zoo
liefelyke aandoeningen, vooral wanneer men die vergelykt met dat verwenschte
morren en klagen van wezens als zoo'n Sjaalman.

Den volgenden dag bracht die resident ons een bezoek terug, en ook die
heer voor wien de Javanen thee maken. 't Zyn beste menschen, en toch
deftig van belang! Beiden tegelyk vroegen zy met welken trein we dachten
aantekomen te Amsterdam? Wy begrepen niet wat dit beteekenen moest, maar
later werd het ons duidelyk, want toen we maandagmorgen daar aankwamen,
waren er aan de station twee bedienden, één met een rood vest, en één
met een geel vest, die tegelyk ons zeiden met den telegraaf last te
hebben bekomen, ons aftehalen met rytuig. Myn vrouw was konfuus, en ik
dacht er aan, wat Busselinck en Waterman zouden gezegd hebben, als ze
dat gezien hadden ... dat er twee rytuigen tegelyk voor ons waren, meen
ik. Maar 't was niet gemakkelyk een keus te doen, want ik kon niet
besluiten een der partyen te krenken, door 't afwyzen van een zoo lieve
attentie. Goede raad was duur. Maar ik heb my uit die hoogstmoeielyke
omstandigheid alweer gered. Ik heb myn vrouw en Marie in 't roode rytuig
gezet--in den wagen van 't rooie vest, meen ik--en ik ben in 't gele
gaan zitten ... in 't gele rytuig, meen ik.

Wat die paarden liepen! Op de Weesperstraat, waar 't altyd zoo vuil is,
vloog de modder rechts en links huizenhoog, en, alsof weer 't spel
sprak, daar liep die schooierige Sjaalman, in gebogen houding, met
gebukt hoofd, en ik zag hoe hy met de mouw van zyn kaal jasje, zyn bleek
gelaat trachtte te reinigen van de spatten. Ik ben zelden prettiger uit
geweest, en myn vrouw vond het ook.



NEGENTIENDE HOOFDSTUK


In 't partikulier briefje dat de heer Slymering aan Havelaar zond,
deelde hy dezen mede dat hy in weerwil zyner "drukke bezigheden" den
volgenden dag te _Rangkas-Betoeng_ zou komen om te overleggen wat er
moest gedaan worden. Havelaar, die maar al te goed wist wat zulke
overlegging te beteekenen had--zyn voorganger had zoo dikwyls
"geaboucheerd" met den resident van _Bantam_!--schreef den volgenden
brief, dien hy den resident te-gemoet zond opdat deze dien zou gelezen
hebben voor hy op de Lebaksche hoofdplaats aankwam. Kommentaar op dit
stuk is overbodig.

   "N° 91. _Geheim. Spoed.           Rangkas-Betoeng, 25 Februari 1856_,
                                     _desavends te 11 ure_.

   Gisteren middag te 12 ure had ik de eer tot u aftezenden myn
   spoedmissive N° 88, houdende in substantie:

   _dat ik na lang onderzoek, en na vergeefs getracht te hebben den
   betrokkene door zachtheid terugtebrengen van zyn verkeerdheid, my
   krachtens myn ambtseed verplicht gevoelde den Regent van_ Lebak _te_
   BESCHULDIGEN _van misbruik van gezag, en dat ik, hem_ VERDACHT _hield
   van knevelary_.

   Ik was zoo vry in dien brief u voortestellen dat Inlandsch Hoofd naar
   _Serang_ opteroepen, ten-einde _na zyn vertrek_ en _na neutralisatie
   van den bedervenden invloed zyner uitgestrekte familie_[160] een
   onderzoek te doen instellen naar de gegrondheid myner beschuldiging
   en van myn vermoeden.

   Lang, of juister gezegd _veel_, had ik nagedacht voor ik daartoe
   besloot.

   Het was u door myn zorg bekend dat ik getracht heb door vermaningen
   en bedreigingen den ouden Regent voor ongeluk en schande te bewarenen
   myzelf voor de diepe grieve, daarvan--zy 't dan ook alleen de
   onmiddelyk voorafgaande oorzaak te zyn.

   Doch ik zag aan den anderen kant de _sedert jaren uitgezogene, diep
   gedrukte_ bevolking, ik dacht aan de noodzakelykheid van een
   voorbeeld--want _vele andere vexatien_ zal ik u te rapporteeren
   hebben, als niet ten-minste _deze_ zaak door terugwerking daaraan een
   eind maakt--en, ik herhaal het, _na ryp beraad_ heb ik gedaan wat ik
   voor plicht hield.

   Op dit oogenblik ontvang ik uwe vriendelyke en geachte partikuliere
   letteren, houdende mededeeling dat gy morgen hier zult komen, en
   tevens een wenk dat ik deze zaak liever vooraf partikulier had moeten
   behandelen.

   Morgen dus zal ik de eer hebben u te zien, en het is juist hierom dat
   ik vryheid neem u dezen te-gemoet te zenden, om vóór die ontmoeting
   het volgende te konstateeren.

   Alles wat ik omtrent de handelingen van den Regent onderzocht, was
   diep geheim. Alleen _hyzelf_ en de _Patteh_ wisten het, want ik had
   hem loyaal gewaarschuwd. Zelfs de kontroleur weet nu nog maar
   ten-deele den uitslag van myn onderzoekingen.[161] Deze geheimhouding
   had een tweeledig doel. Eerst, toen ik nog hoopte den Regent van zyn
   weg terugtebrengen, was het om, àls ik slaagde, hem niet te
   kompromitteeren. De _Patteh_ heeft my namens hem--het was op den
   12den dezer--expresselyk voor die diskretie bedankt.[162] Doch later
   toen ik begon te wanhopen aan den goeden uitslag myner pogingen, of
   beter, toen de maat myner verontwaardiging door een pas gehoord
   voorval overliep[163] toen langer zwygen _medeplichtigheid_ worden
   zou, toen moest die geheimhouding strekken ten-_mynen_-behoeve, want
   ook omtrent myzelf en de mynen heb ik plichten te vervullen.

   Immers na 't schryven der missive van gister, zou ik onwaardig zyn
   het Gouvernement te dienen, indien het daarin voorkomende, ydel,
   ongegrond, uit de lucht gegrepen was. En zoude of zal het my mogelyk
   wezen te bewyzen dat ik gedaan heb: "_wat een goed Adsistent-resident
   behoort te doen_"[164] te bewyzen dat ik niet beneden de betrekking
   sta die my gegeven is, te bewyzen dat ik niet loszinnig en
   lichtvaardig zeventien moeielyke dienstjaren op 't spel zet, en wat
   meer zegt, het belang van vrouw en kind ... zal 't my mogelyk zyn dat
   alles te _bewyzen_, wanneer niet een diep geheim myn nasporingen
   verbergt, en den schuldige belet zich, zooals men 't noemt, _te
   dekken_?[165]

   By de minste verdenking zendt de Regent een expresse naar zyn neef
   die op-weg is, en die belang heeft by zyn _maintien_. Hy vraagt,
   ten-koste van wat ook, geld, deelt het met kwistige hand uit aan
   ieder dien hy in den laatsten tyd heeft te-kort gedaan, en 't gevolg
   zou wezen--ik hoop, niet te moeten zeggen: _zal_ wezen--dat _ik_ een
   lichtvaardig oordeel heb geveld, en kortaf: een onbruikbaar ambtenaar
   ben, om niet erger te zeggen.

   Om my tegen deze eventualiteit te verzekeren, dient dit schryven. Ik
   heb de meeste hoogachting voor u, maar ik ken den geest dien men "de
   geest der Oost-Indische ambtenaren" zou kunnen noemen[166] en _ik_
   bezit dien geest _niet_!

   Uw wenk dat de zaak vooraf beter _partikulier_ ware behandeld
   geworden, doet me vreezen voor een abouchement. Wat ik in myn brief
   van gisteren gezegd heb, is _waar_. Doch misschien zou het onwaar
   _schynen_, wanneer de zaak werd behandeld op een wyze als zou kunnen
   strekken tot openbaarmaking van myne beschuldiging en van myn
   vermoeden, _voor de Regent van hier verwyderd is_.

   Ik mag u niet ontveinzen dat zelfs uw onverwachte komst, in verband
   met de gister door my naar _Serang_ gezonden expresse, my doet
   vreezen dat de schuldige die vroeger niet wilde toegeven aan myn
   vermaningen, _nu_ vóór den tyd zal wakker worden en trachten, zoo
   mogelyk, zich _tant soit peu_ te diskulpeeren.[167]

   Ik heb de eer my thans nog letterlyk te gedragen aan myne missive van
   gister, doch neem de vryheid daarby optemerken dat die missive óók
   het voorstel inhield: _om vóór het onderzoek den Regent te
   verwyderen, en zyn afhangelingen voorloopig, onschadelyk te maken_.
   Ik vermeen niet verder verantwoordelyk te zyn voor wat ik avanceerde,
   dan voor-zoover gy mocht gelieven intestemmen met myn voorstel
   betreffende de _wyze_ van onderzoek, dat is: onpartydig, openlyk, en
   vooral _vry_.

   Die vryheid bestaat _niet_ voor de Regent verwyderd is, en naar myn
   bescheiden meening ligt hierin niets gevaarlyks. Hem kan immers
   gezegd worden dat _ik_ hem beschuldig en verdenk, dat _ik_ gevaar
   loop, en niet _hy_, wanneer hy onschuldig is. Want ikzelf ben van
   oordeel dat ik uit de dienst behoor ontslagen te worden, als er
   blyken zal dat ik lichtvaardig, of zelfs maar voorbarig heb
   gehandeld.[168]

   Voorbarig! Na _jaren, jaren_, misbruik!

   Voorbarig! Als een eerlyk man slapen kon, en leven en genieten, zoo
   lang zy voor wier welzyn hy geroepen is te waken, zy die in den
   hoogsten zin zyn _naasten_ zyn, worden gekneveld en uitgezogen!

   Het is waar, ik ben hier kort, doch ik hoop dat de vraag eenmaal
   wezen zal: _wat_ men gedaan heeft, of men het _goed_ gedaan heeft,
   niet of men het in _te korten tyd_ heeft gedaan. Voor my is elke tyd
   te lang die gekenmerkt wordt door afpersing en onderdrukking, en
   zwaar weegt my de sekonde die door _myn_ nalatigheid, door _myn_
   plichtverzuim, door _myn_ "geest van schipperen" in ellende zou
   doorgebracht zyn.

   Ik heb berouw over de dagen die ik heb laten verloopen voor ik u
   officieel rapporteerde, en ik vraag verschooning voor dat verzuim.

   Ik neem de vryheid u te verzoeken my in de gelegenheid te stellen myn
   schryven van gisteren te rechtvaardigen, en my te vrywaren voor de
   mislukking myner pogingen om de afdeeling _Lebak_ te bevryden van de
   wormen die sedert menschen-geheugenis knagen aan haar welvaart.

   Het is daarom dat ik op-nieuw zoo vry ben, u te verzoeken myne
   handelingen ten deze--trouwens alleen bestaande in _onderzoek,
   rapport_ en _voorstel_[169]--wel te willen goedkeuren, den Regent van
   _Lebak_, zonder voorafgaande _direkte_ of _indirekte_ waarschuwing
   van hier te verwyderen, en voorts te doen instellen een onderzoek
   naar hetgeen ik meedeelde in myn schryven van gisteren N° 88.[170]

         De Adsistent-resident van Lebak,

           MAX HAVELAAR"


Deze bede _om de schuldigen niet in bescherming te nemen_, ontving de
Resident onderwege. Een uur na zyn komst te _Rangkas-Betoeng_ legde hy
een kort bezoek by den Regent af, en vroeg hem by die gelegenheid: wat
hy kon inbrengen tegen den _Adsistent-resident_? en: of _hy, Adhipatti,
geld noodig had?_ Op de eerste vraag antwoordde de Regent: "_niets, dat
kan ik bezweren!_" Op de tweede antwoordde hy toestemmend, waarop de
resident hem een paar bankbriefjes gaf, die hy--voor de gelegenheid
meegebracht!--uit zyn vestzak haalde. Men begrypt dat dit geheel buiten
Havelaar omging, en straks zullen wy te weten komen hoe die schandelyke
handelwyze hem bekend werd.[171]

Toen de resident Slymering by Havelaar afstapte, was hy bleeker dan
gewoonlyk, en zyn woorden stonden verder van elkander dan ooit. Het was
dan ook geen geringe zaak voor iemand die zóó uitmuntte in "schipperen"
en jaarlyksche rustverslagen, zoo op-eenmaal brieven te ontvangen waarin
geen spoor was, noch van 't gebruikelyk officieel optimismus, noch van
kunstige omwending der zaak, noch van vrees voor ontevredenheid van de
Regeering over 't "bemoeielyken" met ongunstige berichten. De resident
van _Bantam_ was geschrokken, en als men my de onedelheid van 't beeld
wil vergeven om-den-wille van de juistheid, heb ik lust hem te
vergelyken by een straatjongen die zich beklaagt over verkrachting van
voorouderlyke gewoonten, omdat een excentriek kameraadje hem zonder
voorafgaande scheldwoorden geslagen heeft.

Hy begon met den kontroleur te vragen waarom deze niet beproefd had
Havelaar van zyn aanklacht terugtehouden? De arme Verbrugge, wien de
geheele aanklacht onbekend was, betuigde dit, maar vond geen geloof. De
heer Slymering kon maar niet begrypen dat iemand, geheel alleen, op
eigen verantwoordelykheid en zonder langgerekte overwegingen of
"ruggespraken" had kunnen overgaan tot zóó ongehoorde plichtsvervulling.
Daar evenwel Verbrugge--volkomen naar waarheid--zyn onbekendheid met de
door Havelaar geschreven brieven staande hield, moest de resident na
veel uitroepingen van ongeloovige verbazing eindelyk wel toegeven, en hy
ging--ik weet niet waarom?--tot het voorlezen van die brieven over.

Wat Verbrugge by 't aanhooren daarvan leed, is moeielyk te beschryven.
Hy was een eerlyk man, en zou zeker niet gelogen hebben als Havelaar
zich op hem had beroepen om de waarheid van den inhoud der brieven te
staven. Maar ook zonder deze eerlykheid, hy had in veel schriftelyke
rapporten niet altyd kùnnen vermyden de waarheid te zeggen, ook waar die
soms gevaarlyk was. Hoe zou 't zyn, als Havelaar daarvan gebruik maakte?

Na 't voorlezen van de brieven betuigde de resident dat het hem
aangenaam wezen zou indien Havelaar die stukken terugnam, om ze te
kunnen beschouwen als niet geschreven, hetgeen deze met beleefde
vastheid weigerde. Na vergeefs te hebben getracht hem hiertoe te
bewegen, zei de resident dat hem niets overbleef dan een onderzoek
intestellen naar de gegrondheid van de gedane klachten, en dat hy dus
Havelaar verzoeken moest de getuigen te doen oproepen die zyn
beschuldigingen konden staven.

Arme lieden die u gewond hadt aan de doornstruiken in den ravyn, hoe
angstig zouden uw harten geklopt hebben als ge dezen eisch hadt
kunnen hooren!

Arme Verbrugge! Gy, eerste getuige, hoofdgetuige, getuige _ex officio_,
getuige uit kracht van ambt en eed! Getuige, die reeds getuigd hàdt op
schrift! Op schrift dat dáár lag, op de tafel, onder Havelaars hand ...

Havelaar antwoordde:

"Resident, _ik_ ben adsistent-resident van _Lebak_, _ik_ heb beloofd de
bevolking te beschermen tegen afpersing en geweldenary, _ik_ klaag den
Regent aan, en zyn schoonzoon van _Parang-Koedjang_, _ik_ zal de
gegrondheid myner aanklacht bewyzen zoodra me daartoe de gelegenheid
wordt gegeven die ik voorstelde in myn brieven, _ik_ ben schuldig aan
laster, als myn aanklacht valsch is!"

Hoe ruim Verbrugge ademde!

En hoe vreemd de resident Havelaars woorden vond!

Het onderhoud duurde lang. Met beleefdheid--want beleefd en welopgevoed
wàs de heer Slymering--trachtte hy Havelaar te bewegen van zoo verkeerde
grondbeginselen aftezien. Maar met even groote beleefdheid bleef deze
onverzettelyk. Het slot was dat de resident moest toegeven, en als
bedreiging zei, wat voor Havelaar een zegepraal was: _dat hy zich dan
genoodzaakt vond de bedoelde brieven te brengen onder de aandacht van de
Regeering_.

De zitting werd opgeheven. De resident bezocht den _Adhipatti_--we zagen
reeds wat hy daar te verrichten had!--en gebruikte daarna 't middagmaal
aan den schralen disch der Havelaars. Terstond daarop keerde hy terug
naar _Serang_, met grooten spoed: Omdat. Hy. Het. Zoo. By-zonder.
Druk. Had.

Den volgenden dag ontving Havelaar een brief van den resident van
_Bantam_, welks inhoud blykt uit het antwoord dat ik hier afschryf:


   "N° 93. _Geheim.                  Rangkas-Betoeng, 28 Februari 1856_.

   Ik heb de eer gehad te ontvangen uwe spoedmissive van 26 dezer LaO,
   _geheim_, houdende hoofdzakelyk mededeeling:

   _dat gy gronden hadt, niet te treden in de voorstellen, gedaan by
   myne ambtsbrieven van 24 en 25 dezer, Nrs 88 en 91_;

   _dat gy vooraf vertrouwelyke mededeeling hadt gewenscht_;

   _dat gy niet goedkeurt myne verrichtingen in die beide brieven
   omschreven_;

   _en ten-slotte van eenige bevelen_.

   Ik heb thans de eer, gelyk trouwens reeds in de konferentie van
   eergister mondeling geschiedde, nogmaals en ten-overvloede te
   verzekeren:

   _dat ik volkomen eerbiedig de wettigheid van uw gezag, waar het geldt
   de keuze, al of niet te treden in myn voorstellen_;

   _dat de ontvangen bevelen met stiptheid en des-noods met
   zelfverloochening, zullen worden nagekomen, als waart gy tegenwoordig,
   by al wat ik doe en zeg, of juister: by al wat ik niet  doe en niet
   zeg_.

   Ik weet dat gy op myn loyauteit ten deze vertrouwt.[172]

   Doch ik neem de vryheid ten plechtigste te protesteeren tegen den
   minsten zweem van afkeuring omtrent éénige handeling, éénig woord,
   éénige zinsnede, door my in deze zaak verricht, gesproken of
   geschreven.

   Ik heb de overtuiging myn _plicht_ te hebben gedaan, in doel en in
   wyze van uitvoering, _geheel myn plicht, niets dan myn plicht_ zonder
   de minste afwyking.

   Lang, had ik nagedacht voor ik handelde--dat is: voor ik _onderzocht,
   rapporteerde_ en _voorstelde_--en als ik in iets het minste zou
   gefaald hebben ... uit overyling faalde ik niet.

   In gelyke omstandigheden zou ik op-nieuw--iets sneller echter
   --geheel, letterlyk geheel hetzelfde doen en nalaten.

   Al ware het zelfs dat een hooger macht dan de uwe iets afkeurde in
   wat ik deed--behoudens misschien het eigenaardige van myn styl die
   een deel uitmaakt van myzelf, een gebrek waarover ik zoomin
   verantwoordelyk ben als een stamelaar voor het zyne--al ware het dat
   ... doch neen, dit kàn niet zyn, maar al ware het zoo: ik _heb myn_
   plicht _gedaan!_

   Wel doet het my--zonder bevreemding evenwel--leed, dat gy hierover
   anders oordeelt--en wat myn persoon aangaat, zou ik terstond berusten
   in wat my een miskenning toeschynt--doch er is een _principe_ in 't
   spel, en ik heb gewetensredenen die eischen dat uitgemaakt worde
   welke meening juist is, die van _U_ of de _myne_.

   Anders dienen dan ik te _Lebak_ diende, kan ik niet. Wenscht dus het
   Gouvernement anders te worden gediend, dan moet ik als eerlyk man
   eerbiedig verzoeken my te ontslaan. Dan moet ik op  zes-en-dertigjarigen
   leeftyd trachten op-nieuw een loopbaan  aantevangen. Dan moet ik, na
   zeventien jaren, na zeventien _zware  moeielyke_ dienstjaren, na myn
   beste levenskrachten te hebben ten-offer gebracht aan wat ik voor plicht
   hield, op-nieuw aan de  Maatschappy vragen of ze my brood wil geven voor
   vrouw en kind, brood in ruil voor myn denkbeelden, brood wellicht in
   ruil voor arbeid met  kruiwagen of spade, als de kracht van myn arm meer
   waard wordt gekeurd dan de kracht myner ziel.

   Maar ik kan en wil niet gelooven dat uwe meening door zyne Excellentie
   den Gouverneur-generaal gedeeld wordt, en ik ben dus verplicht, vóór ik
   overga tot het bitter uiterste dat ik neerschreef  in de vorige alinea,
   u eerbiedig te verzoeken aan het Gouvernement voortestellen:

   _den resident van_ Bantam _aanteschryven, alsnog goedtekeuren de
   handelingen van den adsistent-resident van_ Lebak, _betrekking hebbende
   op diens missieves van_ 24 en 25 dezer, Nis 88 en 91.

   Of wel:

   _genoemden adsistent-resident te roepen ter verantwoording op de door
   den resident van_ Bantam _te formuleeren punten van afkeuring_.

   Ik heb de eer u ten-slotte de dankbare verzekering te geven, dat
   wanneer _iets_ me kon terugbrengen van myn lang doordachte, en
   bedaard maar vurig aangekleefde principes ten dezen ... waarlyk, het
   zou geweest zyn de heusche innemende wyze waarop gy in de konferentie
   van eergister die principes hebt bestreden.

      _De Adsistent-resident van Lebak_,


          MAX HAVELAAR."


       *       *       *       *       *

Zonder uitspraak te doen omtrent de gegrondheid van het vermoeden der
Weduwe Slotering, betreffende de oorzaak die haar kinderen tot weezen
maakte, en alleen aannemende wat bewysbaar is, dat er in _Lebak_ nauw
verband was tusschen plichtsbetrachting en gif--al bestond dan ook dit
verband slechts in meening[173]--zal toch ieder inzien dat Max en Tine
kommervolle dagen hadden doortebrengen na 't bezoek van den resident. Ik
geloof niet noodig te hebben den angst te schetsen van een moeder die by
't reiken van spys aan haar kind, zich gedurig de vraag moet voorleggen
of ze misschien haar lieveling vermoordt? En wèl was het een "afgebeden
kind" de kleine Max, die zeven jaar was uitgebleven na 't huwelyk, als
wist de schalk dat het geen voordeel was ter-wereld te komen als zoon
van zulke ouders!

Negen-en-twintig lange dagen had Havelaar te wachten voor de
Gouverneur-generaal hem meedeelde ... doch we zyn nog zoover niet.

Kort na de vergeefsche pogingen om Havelaar te bewegen tot de intrekking
zyner brieven, of tot het verraden van de arme lieden die op zyn
grootmoedigheid vertrouwd hadden, trad eens Verbrugge by hem binnen. De
brave man was doodsbleek, en had moeite te spreken.

--Ik ben by den Regent geweest, zeide hy ... dàt is infaam ... maar
verraad me niet.

--Wat? Wàt moet ik niet verraden?

--Geeft ge my uw woord geen gebruik te maken van wat ik u zeggen zal?

--Weer halfheid, zei Havelaar. Doch ... goed! Ik geef myn woord.

En toen verhaalde Verbrugge, wat den lezer reeds bekend is, dat de
resident aan den _Adhipatti_ had gevraagd of hy iets wist intebrengen
tegen den adsistent-resident, en hem tevens geheel onverwachts geld had
aangeboden en gegeven. Verbrugge wist het van den regent zelf, die hem
vroeg welke redenen den resident hiertoe konden geleid hebben? Havelaar
was verontwaardigd, maar ... hy had zyn woord gegeven.

Den volgenden dag kwam Verbrugge terug, en zei dat Duclari hem onder
't oog had gebracht hoe onedel het was, Havelaar, die met _zulke_
tegenstanders te stryden had, zoo geheel alleen te laten, waarop
Verbrugge dezen kwam ontheffen van zyn gegeven woord.

--Goed! riep Havelaar, schryf het op!

Verbrugge schreef het op. Ook die verklaring ligt voor my.[174]

De lezer heeft immers reeds lang ingezien waarom ik zoo gemakkelyk
afstand kon doen van alle aanspraken op _juridieke_ echtheid der
geschiedenis van _Saïdjah_?

Het was zeer treffend optemerken hoe de beschroomde Verbrugge--vóór de
verwyten van Duclari--op Havelaars woord durfde bouwen in een zaak die
zoo noopte tot woordbreuk!

En nog iets. Er zyn sedert de gebeurtenissen die ik verhaal, jaren
verloopen. Havelaar heeft in dien tyd veel geleden, hy heeft zyn gezin
zien lyden--de geschriften die voor my liggen, getuigen daarvan!--en 't
schynt dat hy gewacht heeft ... ik geef de volgende aanteekening van
zyn hand:

"_Ik heb in de nieuwsbladen gelezen dat de heer_ Slymering _benoemd is
tot ridder van den Nederlandschen Leeuw. Hy schynt thans resident van_
Djokjakarta _te wezen. Ik zou dus nu op de_ Lebaksche _zaken kunnen
terugkomen zonder gevaar voor_ Verbrugge."



TWINTIGSTE HOOFDSTUK


't Was avend. Tine zat te lezen in de binnengalery, en Havelaar teekende
een borduurpatroon. Kleine Max tooverde een legprent in elkaar, en
maakte zich driftig omdat hy niet vinden kon: "het rooie lyf van die
mevrouw."

--Zou 't nu zóó goed wezen, Tine? vroeg Havelaar. Kyk, ik heb dien palm
wat grooter gemaakt ... 't is nu juist _the line of beauty_ van Hogarth,
niet waar?

--Ja, Max! Maar die vetergaten staan te dicht op elkander.

--Zoo? En die anderen strooken dan? Max, laat me je broekjen eens zien!
Ei, heb je _die_ strook aan? Ach, ik weet nog waar je die geborduurd
hebt, Tine!

--Ik niet. Waar dan?

--'t Was in den Haag, toen Max ziek was en we zoo geschrokken waren
omdat de dokter zei dat hy een zoo ongewoon gevormd hoofd had, en dat er
zooveel zorg vereischt werd om aandrang naar de hersenen te voorkomen,
juist in die dagen was je bezig aan die strook.

Tine stond op, en kuste den kleine.

--Ik hèb haar buik, ik hèb haar buik! riep 't kind vroolyk, en de rooie
mevrouw was kompleet.

--Wie hoort daar een _tontong_ slaan? vroeg de moeder.[175]

--Ik, zei kleine Max.

--En wat beduidt dat?

--Bedtyd! Maar ... ik heb nog niet gegeten.

--Eerst kryg je eten, dat spreekt vanzelf.

En ze stond op, en gaf hem zyn eenvoudig maal dat ze uit een goed
gesloten kast in haar kamer scheen gehaald te hebben, want men had het
knippen van vele sloten gehoord.

--Wat geef je 'm daar? vroeg Havelaar.

--O wees gerust, Max: 't is beschuit uit een blik van Batavia! En ook de
suiker is altyd achter slot geweest.

Havelaars gedachten keerden terug naar 't punt waarop ze waren
afgebroken.

--Weet je wel, ging hy voort, dat wy de rekening van dien dokter nog
niet betaald hebben ... o, dat is zeer hard?

--Lieve Max, we leven hier zoo spaarzaam, weldra zullen wy alles kunnen
afdoen! Bovendien, je zult wel spoedig resident worden, en dan is alles
geregeld in weinig tyds.

--Dat is nu juist een zaak die me verdrietig maakt, zei Havelaar. Ik zou
zoo heel ongaarne _Lebak_ verlaten ... dit zal ik je uitleggen. Geloof
je niet dat we nog meer van onzen Max hielden na zyn ziekte? Nu, zóó ook
zal ik dat arme _Lebak_ liefhebben na de genezing van den kanker waaraan
't lydt sedert zooveel jaren. De gedachte aan bevordering doet me
schrikken: ik kan hier niet gemist worden, Tine! En toch, aan den
anderen kant, als ik weer bedenk dat we schulden hebben ...

--Alles zal wel goed gaan, Max! Al moest je nu van hier, dan kan je
later _Lebak_ helpen als je Gouverneur-generaal bent.

Daar kwamen woeste strepen in Havelaars borduurpatroon! Er was toorn in
dat bloemsel, die vetergaten werden hoekig, scherp, ze beten elkaar ...

Tine begreep dat ze iets miszegd had.

--Lieve Max ... begon ze vriendelyk.

--Vervloekt! Wil je die stumperts zóó lang laten hongeren? Kan jy leven
van _zand_?

--Lieve Max!

Maar hy sprong op. Er werd niet meer geteekend, dien avend. Hy ging
toornig op-en-neer in de binnengalery, en eindelyk sprak hy op een toon
die ruw en hard zou geklonken hebben aan iederen vreemde, doch door Tine
heel anders werd opgevat:

--Vervloekt die lauwheid, die schandelyke lauwheid! Daar zit ik nu
sedert een maand te wachten op recht, en intusschen wordt er vreeselyk
geleden door dat arme volk. De Regent schynt er op te rekenen dat
niemand hem aandurft! Zie ...

Hy ging in zyn kantoor, en kwam terug met een brief in de hand, een
brief die voor me ligt, lezer!

--Zie, in dezen brief durft hy me voorstellen doen over de _soort_ van
arbeid dien hy wil laten verrichten door de menschen die hy onwettig
heeft opgeroepen. Is dit niet de onbeschaamdheid te vèr gedreven?[176]
En weet je wie dat zyn? Dat zyn vrouwen met kleine kinderen, met
zuigelingen, zwangere vrouwen die van _Parang-Koedjang_ zyn gedreven
naar de hoofdplaats om voor hèm te werken! Mannen zyn er niet meer! En
ze hebben niets te eten, en ze slapen op den weg, en eten zand! Kan _jy_
zand eten? Moeten ze zand eten tot ik Gouverneur-generaal ben?
Vervloekt!

Tine wist zeer goed op wien Max eigenlyk boos was, als hy zoo sprak tot
haar die hy zoo liefhad.

--En, ging Havelaar voort, dat loopt alles ter _myner_ verantwoording!
Als er op dit oogenblik van die arme wezens ronddwalen daar buiten ...
als zy 't schynsel zien van onze lampen, zullen zy zeggen: "daar woont
de ellendeling die ons beschermen zou! Daar zit hy rustig by vrouw en
kind, en teekent borduurpatroontjes, en wy liggen hier als boschhonden
op den weg verhongeren met onze kinderen!" Ja, ik hoor het wel, ik hoor
het wel, dat roepen om wraak over myn hoofd! Hier, Max, hier!

En hy kuste zyn kind met een wildheid die 't verschrikte.

--Myn kind, als men je zeggen zal dat ik een ellendeling ben die geen
moed had om recht te doen ... dat er zooveel moeders zyn gestorven door
myn schuld ... als men je zeggen zal dat het verzuim van je vader den
zegen wegstal van je hoofd ... o Max, o Max, getuig dan wat ik leed!

En hy berstte in tranen uit, die Tine afkuste. Zy bracht daarop kleinen
Max naar zyn bedjen--een stroomat--en toen ze terugkwam, vond ze
Havelaar in gesprek met Verbrugge en Duclari die zoo-even waren binnen
getreden. Het gesprek liep over de verwachte beslissing van de
Regeering.

--Ik begryp zeer goed dat de resident in een moeielyken toestand is, zei
Duclari. Hy kan 't Gouvernement niet aanraden gevolg te geven aan uw
voorstellen, want dan zou er _te veel_ aan den dag komen. Ik ben reeds
lang in 't _Bantamsche_, en weet er veel van, meer nog dan uzelf,
m'nheer Havelaar! Ik was reeds als onderofficier in deze streken, en dan
komt men zaken te weten die de inlander zoo niet durft zeggen aan de
ambtenaren. Maar als nu na een openlyk onderzoek dat alles aan den dag
komt, zal de Gouverneur-generaal den resident ter verantwoording roepen,
en hem afvragen hoe 't komt dat hy in twee jaren niet ontdekt heeft, wat
u terstond in 't oog is gevallen? Hy moet dus natuurlyk trachten zoodanig
onderzoek te verkomen ...

--Ik heb dit ingezien, antwoordde Havelaar, en, wakker gemaakt door zyn
poging om den _Adhipatti_ te bewegen iets tegen my intebrengen--hetgeen
schynt aantetoonen dat _hy_ beproeven wil de kwestie te verleggen, door
by-voorbeeld _my_ te beschuldigen van ... ik weet niet wat--heb _ik_ me
hiertegen gedekt door afschriften van myn brieven rechtstreeks aan de
Regeering te zenden. In een daarvan komt het verzoek voor, ter
verantwoording te worden geroepen wanneer er misschien mocht worden
voorgegeven dat _ik_ iets misdaan had. Als nu de resident _my_ aantast,
kan daarop in gewone billykheid geen beslissing worden genomen zonder
dat men _my_ vooraf heeft gehoord. Dit is men zelfs een misdadiger
schuldig, en daar _ik_ niets misdaan heb ...

Daar komt de post aan! riep Verbrugge.

Ja, 't was de post! De post, die den volgenden brief meebracht van den
Gouverneur-generaal van Nederlandsch Indie aan den _gewezen_ adsistent-
resident van _Lebak_, Havelaar.


   "_Kabinet_. N° 54.                      _Buitenzorg, 23 Maart 1856_.
     
   De wijze, waarop door u is te werk gegaan, bij de ontdekking of
   vooronderstelling van kwade praktijken van de Hoofden in de afdeeling
   _Lebak_, en de houding daarbij door u tegenover uwen Chef, den
   Resident van _Bantam_, aangenomen, hebben in hooge mate mijne
   ontevredenheid verwekt.

   In uwe bedoelde handelingen worden evenzeer gemist bezadigd overleg,
   beleid en voorzichtigheid, zoo zeer vereischt in eenen ambtenaar met
   uitvoering van gezag in de binnenlanden bekleed (_sic_) als begrippen
   van ondergeschiktheid aan uwen onmiddelijken superieur.

   Reeds weinige dagen na de aanvaarding uwer betrekking hebt gij kunnen
   goedvinden, zonder voorafgaande raadpleging van (_sic_) den Resident,
   het hoofd van het Inlandsch Bestuur te _Lebak_ te maken tot het
   doelwit van bezwarende onderzoekingen.

   In die onderzoekingen hebt gij aanleiding gevonden, zonder zelfs uwe
   beschuldigingen tegen dat Hoofd door feiten, veel minder bewijzen te
   staven, tot het doen van voorstellen, die de strekking hadden een
   Inlandsch Ambtenaar van de stempel van den Regent van _Lebak_, een
   zestigjarigen doch nog ijverigen Landsdienaar, aan naburige
   aanzienlijke Regentengeslachten vermaagschapt, en omtrent wien steeds
   gunstige getuigenissen waren uitgebracht, aan eene hem moreel geheel
   vernietigende bejegening te onderwerpen.

   Daarenboven hebt gij, toen de resident zich ongenegen betoonde aan uw
   voorstellen gereedelijk gevolg te geven geweigerd aan het billijk
   verlangen van uwen Chef te voldoen om volle opening te geven van
   hetgeen u omtrent de handelingen van het Inlandsch Bestuur te
   _Lebak_, bekend was.

   Zulke handelingen verdienen alle afkeuring, en doen lichtelijk
   gelooven aan _ongeschiktheid_ voor het bekleeden eene betrekking bij
   het Binnenlandsch Bestuur.

   Ik heb mij verplicht gezien, u van de verdere vervulling der
   betrekking van Adsistent-resident van _Lebak_ te ontheffen.

   Uit aanmerking evenwel van gunstige rapporten, vroeger omtrent u
   ontvangen, heb ik in het voorgevallene geen reden willen vinden, om u
   het uitzicht op eene wederplaatsing bij het Binnenlandsch Bestuur te
   benemen. Ik heb u daarom voorloopig belast met de waarneming der
   betrekking van Adsistent-resident van _Ngawi_.

   Van uwe verdere handelingen in die betrekking zal het geheel afhangen
   of gij bij het Binnenlandsch Bestuur zult kunnen geplaatst blijven."

En daaronder stond de naam van den man, op wiens "_yver, bekwaamheid_ en
_goede trouw_" de Koning zeide te kunnen staat-maken, toen hy diens
benoeming tot Gouverneur-generaal van Nederlandsch Indie onderteekende.
[177]

--We gaan van hier, beste Tine, zei Havelaar gelaten, en hy reikte den
kabinetsbrief aan Verbrugge, die 't stuk las tezamen met Duclari.

Verbrugge had tranen in de oogen, maar sprak niet. Duclari, een zeer
beschaafd mensch, berstte in een wilden vloek uit:

--G.......... ik heb hier in 't bestuur schelmen en dieven gezien ... ze
zyn in eere van hier gegaan, en men schryft aan _U_ zulk een brief!

--'t Is niets, zei Havelaar, de Gouverneur-generaal is een eerlyk man:
hy moet bedrogen zyn ... hoewel hy zich tegen dat bedrog had kunnen
hoeden door my eerst te hooren. Hy is verstrikt in 't web van de
buitenzorgsche ambtenary. We kennen dat! Maar ik zal tot hem gaan en hem
aantoonen hoe hier de zaken staan. Hy zal recht doen, ik ben er
zeker van!

--Maar, als ge naar _Ngawi_ gaat ...

--Juist, ik weet dit! Te _Ngawi_ is de Regent verwant aan het Djokjasche
hof. Ik ken _Ngawi_, want ik was twee jaar lang in de _Baglen_, dat in
de buurt is.[178] Ik zou te _Ngawi_ hetzelfde moeten doen wat ik hier
gedaan heb: dat zou nutteloos heen-en-weer reizen zyn. Bovendien, 't is
my onmogelyk dienst te doen op de proef alsof ik me slecht gedragen had!
En eindelyk, ik zie in dat ik om een eind te maken aan al dat geknoei,
geen ambtenaar moet wezen. Als ambtenaar staan er tusschen de Regeering
en my te veel personen die belang hebben by 't loochenen der ellende van
de bevolking. Er zyn nog meer redenen die my beletten naar _Ngawi_ te
gaan. Die plaats was niet vakant ... ze is voor my open gemaakt, kyk!

En hij toonde in de _Javasche Courant_ die met dezelfde post was
aangekomen, dat inderdaad by 'tzelfde besluit der Regeering waarby hem
het Bestuur van _Ngawi_ werd opgedragen, de adsistent-resident van die
provincie verplaatst werd naar een andere afdeeling die vakant was.

--Weet ge waarom ik juist naar _Ngawi_ moet, en niet naar die vakante
afdeeling? Dat zal ik je zeggen! De resident van _Madiven_, waaronder
_Ngawi_ behoort, is de _schoonbroeder van den vorigen resident van
Bantam_. Ik heb gezegd dat de Regent vroeger zulke slechte voorbeelden
had gehad ...

--Ah, riepen Verbrugge en Duclari tegelyk. Ze begrepen waarom Havelaar
juist naar _Ngawi_ verplaatst werd om op de proef te dienen, of hy zich
misschien beteren zou!

--En om nòg een reden kan ik niet daarheen gaan, zeide hy. De
tegenwoordige Gouverneur-generaal zal spoedig aftreden ... zyn opvolger
ken ik, en ik weet dat er van hem niets te wachten valt.[179] Om dus nog
tydig voor dat arme volk iets te verrichten, moet ik den tegenwoordigen
Gouverneur spreken voor zyn vertrek, en als ik nu naar _Ngawi_ ging, zou
dat onmogelyk wezen. Tine, hoor eens!

--Lieve Max?

--Je hebt moed, niet waar?

--Max, je weet dat ik moed heb ... als ik by je ben!

--Welnu!

Hy stond op, en schreef 't volgend rekwest, naar myn inzien een
voorbeeld van welsprekendheid.


                                      "_Rangkas-Betoeng, 29 Maart 1856_.

   _Aan den Gouverneur-Generaal
   van Nederlandsch-Indie_.

   Ik had de eer te ontvangen uwer Excellentie's kabinetsmissive van 23
   dezer, N° 54.

   Ik zie me genoodzaakt, in antwoord op dat stuk, Uwe Excellentie te
   verzoeken my te verleenen een eervol ontslag uit 's Lands  dienst.[180]

          MAX HAVELAAR."

Er was te _Buitenzorg_ tot het verleenen van 't gevraagd ontslag niet
zoo langen tyd noodig als er scheen vereischt geweest te zyn voor de
beslissing hoe men Havelaars aanklacht kon afwenden. Dit toch had een
maand gevorderd, en 't gevraagd ontslag kwam binnen weinig dagen te
_Lebak_ aan.

--Goddank, riep Tine, dat je eindelyk jezelf kunt zyn!

Havelaar ontving geen last om 't Bestuur zyner Afdeeling voorloopig
overtegeven aan Verbrugge, en meende dus zyn opvolger te moeten
afwachten. Deze bleef lang uit omdat hy uit een geheel anderen hoek van
Java komen moest. Na byna drie weken wachtens schreef de gewezen
adsistent-resident van _Lebak_, die echter nog altyd als zoodanig was
opgetreden, den volgenden brief aan den kontroleur Verbrugge:


   "N° 153                             _Rangkas-Betoeng, 15 April 1856_.

    _Aan den Kontroleur van Lebak_.[181]

   Het is u bewust dat ik by Gouvernements Besluit van den 4den dezer,
   N° 4, op myn verzoek eervol ben ontslagen uit 's Lands dienst.

   Misschien ware ik in myn recht geweest, na de ontvangst van die
   beschikking myn betrekking van adsistent-resident terstond
   neerteleggen, daar het een anomalie schynt een funktie te vervullen
   zonder ambtenaar te wezen.

   Ik ontving evenwel geen aanschryving om myn betrekking overtegeven,
   en gedeeltelyk uit besef van de verplichting myn post niet te
   verlaten zonder behoorlyk afgelost te zyn, gedeeltelyk uit oorzaken
   van ondergeschikt belang, wachtte ik de komst van myn opvolger af, in
   de meening dat die ambtenaar spoedig--althans deze maand--zou
   arriveeren.

   Thans verneem ik van u dat myn vervanger nog niet zoo spoedig kan
   verwacht worden--ge hebt, meen ik, die tyding te _Serang_ gehoord--en
   tevens dat het den resident verwonderde dat ik, in de zeer byzondere
   pozitie waarin ik verkeer, nog niet heb verzocht het Bestuur aan u te
   mogen overdragen.

   Niets kon my aangenamer zyn dan dit bericht. Want ik behoef u niet te
   verzekeren dat ik, die verklaard heb niet anders te kunnen dienen dan
   ik hier deed ... ik die voor deze wyze van dienen ben gestraft met
   berisping, met een ruïneuze en deshonorante overplaatsing ... met den
   last om de arme lieden te verraden die op myn loyauteit vertrouwden
   --met de keus alzoo tusschen oneer en broodsgebrek!--dat ik na dit
   alles met moeite en zorg elk voorkomend geval te toetsen had aan myn
   plicht, en dat de eenvoudigste zaak _my_ zwaar viel, geplaatst als ik
   was tusschen myn geweten en de principes van 't Gouvernement waaraan
   ik trouw schuldig ben zoolang ik niet ontheven ben van myn ambt.

   Deze moeielykheid openbaarde zich vooral by 't antwoord dat ik geven
   moest aan _klagers_.

   Eens toch had ik beloofd niemand te zullen overleveren aan de rankune
   zyner hoofden! Eenmaal had ik--onvoorzichtig genoeg!--myn woord ten
   borg gesteld voor de rechtvaardigheid van 't Gouvernement.

   De arme bevolking kon niet weten dat die belofte en die borgstelling
   gedesavoueerd waren, en dat ik arm en onmachtig alleen stond met myn
   zucht voor recht en menschelykheid.

   En men ging met klagen voort!

   Het was grievend, na de ontvangst der kabinetsmissive van 23 Maart,
   dáár te zitten als vermeende toevlucht, als machtelooze beschermer.

   Het was hartverscheurend de klachten aantehooren over mishandeling,
   uitzuiging, armoede, honger ... terwyl ikzelf nu met vrouw en kind
   honger en armoede te-gemoet ga.

   En ook 't Gouvernement mocht ik niet verraden. Ik mocht tot die arme
   lieden niet zeggen: "gaat en lydt, want het Bestuur _wil_ dat gy
   gekneveld wordt!" Ik mocht myn onmacht niet erkennen, één als ze was
   met de schande en de gewetenloosheid der raadgevers van den
   Gouverneur-generaal.

   Ziehier wat ik antwoordde:

   "_Terstond kan ik u niet helpen! Doch ik zal naar Batavia gaan, ik
   zal den Grooten-Heer spreken over uw ellende_. Hy _is rechtvaardig,
   en_ hy _zal u bystaan. Gaat voorloopig rustig naar huis ...verzet u
   niet ...verhuist nog niet ... wacht geduldig: ik denk, ik ... hoop
   dat er recht zal geschieden!_"

   Zóó meende ik, beschaamd over de schending myner toezegging van hulp,
   myn denkbeelden in overeenstemming te brengen met myn plicht omtrent
   het Bestuur _dat my nog deze maand betaalt_, en ik zou aldus tot de
   komst van myn opvolger zyn voortgegaan, indien niet een byzonder
   voorval my heden in de noodzakelykheid bracht aan die dubbelzinnige
   verhouding een eind te maken.

   Zeven personen hadden geklaagd. Ik gaf hun bovenstaand antwoord. Zy
   keerden naar hun woonstede terug. Onder-weg ontmoet hen hun
   dorpshoofd. Hy moet ze verboden hebben hun _kampong_ weder te
   verlaten, en nam ze--naar men my rapporteert--hun kleederen af, om
   hen te dwingen tehuis te blyven. Één hunner ontsnapt, vervoegt zich
   _weder_ by my en verklaart: _niet naar zyn dorp te durven terugkeeren_.

   Wat ik nu _dien_ man moet antwoorden, weet ik niet!

   Ik _kan_ hem niet beschermen ... ik _mag_ hem myn onmacht niet
   bekennen ... ik _wil_ 't aangeklaagd dorpshoofd niet vervolgen, daar
   zulks den schyn zou meebrengen alsof deze zaak _pour le besoin de ma
   cause_ door my was opgerakeld: ik weet niet meer wat te doen ...

   Ik belast u, onder nadere goedkeuring des Residents van _Bantam_,
   vanaf morgen-ochtend met het bestuur der afdeeling _Lebak_.

     _De Adsistent-resident van Lebak_,

         MAX HAVELAAR."


Daarop vertrok Havelaar met vrouw en kind van _Rangkas-Betoeng_. Hy
weigerde alle geleide. Duclari en Verbrugge waren diep geroerd by 't
afscheid. Ook Max was aangedaan, vooral toen hy op de eerste
wisselplaats eene talryke menigte vond, die weggeslopen was uit
_Rangkas-Betoeng_ om hem daar te begroeten voor het laatst.

Te _Serang_ stapte de familie by den heer Slymering af, die haar met de
gewone indische gastvryheid ontving.[182]

's Avends kwam er veel bezoek by den resident. Men zeide zoo beteekenisvol
mogelyk, gekomen te zyn _om Havelaar te begroeten_, en Max ontving menig
welsprekenden handdruk ...

Maar hy moest naar _Batavia_ om den Gouverneur-generaal te spreken ...

Dáár aangekomen, liet hy om gehoor verzoeken. Dit werd hem geweigerd
omdat er een fytzweer was aan den voet van zyn Excellentie.

Havelaar wachtte tot die fytzweer genezen was. Toen liet hy andermaal
verzoeken gehoord te worden.

Zyn Excellentie "_had het zoo druk dat zy zelfs aan den Direkteur-generaal
van financien een audientie had moeten weigeren_" en kon dus ook Havelaar
niet ontvangen.

Havelaar wachtte tot zyn Excellentie zou heengeworsteld zyn door die
drukte. Intusschen voelde hy iets als nayver op de personen die aan zyn
Excellentie waren toegevoegd in den arbeid. Want hy werkte gaarne snel
en veel, en gewoonlyk smolten zulke "drukten" weg onder zyn hand.
Hiervan echter was nu natuurlyk geen spraak. Havelaars arbeid was
zwaarder dan arbeid: hy _wachtte_!

Hy wachtte. Eindelyk liet hy op-nieuw verzoeken om gehoord te worden.
Men gaf hem ten-antwoord "_dat zyn Excellentie hem niet kon ontvangen,
wyl ze hierin verhinderd werd door de drukte van haar aanstaand
vertrek_."

Max beval zich aan in de gunst van zyn Excellentie om één half uur
gehoor, zoodra er een kleine ruimte wezen zou tusschen twee "drukten."

Eindelyk vernam hy dat zyn Excellentie den volgenden dag vertrekken zou!
Dit was hem een donderslag. Nog altyd hield hy zich krampachtig vast aan
't geloof dat de aftredende Landvoogd eerlyk man, en ... bedrogen was.[183]
Een vierendeel uurs ware voldoende geweest om derechtvaardigheid zyner zaak
te bewyzen, en dit vierendeel uurs scheen men hem niet te willen geven.

Ik vind onder Havelaars papieren de minuut van een brief dien hy aan den
aftredenden Gouverneur-generaal schynt geschreven te hebben op den
laatsten avend voor diens vertrek naar 't moederland. Op den rand staat
met potlood aangeteekend: "_niet juist_" waaruit ik opmaak dat sommige
zinsneden by 't afschryven veranderd zyn. Ik doe dit opmerken, om niet
uit het gemis aan _letterlyke_ overeenstemming van _dit_ stuk, twyfel te
doen geboren worden aan de echtheid der andere _officieele_ stukken die
ik meedeelde, en die allen door een vreemde hand voor _eensluidend
afschrift_ zyn geteekend. Misschien heeft de man aan wien deze brief
gericht was, lust den _volkomen_-juisten tekst daarvan publiek te
maken.[184] Men zou door vergelyking kunnen zien hoever Havelaar is
afgeweken van zyn minuut. _Zakelyk_ korrekt was de inhoud aldus:


                                                 "_Batavia, 23 Mei 1856_.

   Excellentie! Myn ambtshalve by missive van 28 Februari gedaan verzoek
   om aangaande de _Lebaksche_ zaken te worden gehoord, is zonder gevolg
   gebleven.

   Evenzoo heeft Uwe Excellentie niet gelieven te voldoen aan myn
   herhaalde verzoeken om audientie.

   Uwe Exellentie heeft dus een ambtenaar die _gunstig by het Gouvernement
   bekend stond_--dit zyn uwer Excellentie's eigen  woorden!--iemand die
   zeventien jaren het Land in deze gewesten diende, iemand die niet alleen
   niets misdeed, maar zelfs met ongekende zelfverloochening het goede
   beoogde en voor eer en plicht alles veil had ... zóó iemand heeft Uwe
   Excellentie gesteld beneden den misdadiger. Want dien _hoort_ men
   ten-minste.

   Dat men Uwe Excellentie omtrent my misleid heeft, begryp ik. Maar dat
   Uwe Excellentie niet de gelegenheid heeft aangegrepen om die misleiding
   te ontgaan, begryp ik niet.

   Morgen gaat uwe Excellentie van hier, en ik mag haar niet laten
   vertrekken zonder nog eenmaal gezegd te hebben _dat ik myn_ PLICHT
   _heb gedaan_, GEHEEL-EN-AL MYN PLICHT, _met beleid, met bezadigdheid,
   met menschlievendheid, met zachtheid en met moed_.

   De gronden waarop gebazeerd is de afkeuring in Uwer Excellentie's
   kabinetsmissive van 23 Maart, zyn _geheel-en-al verdicht_ en
   _logenachtig_.

   Ik kan dit _bewyzen_, en dit ware reeds geschied, als Uwe Excellentie
   my één half uur gehoor had willen schenken. Als Uwe Excellentie één
   half uur tyd had kunnen vinden _om recht te doen_!

   Dit is zoo niet geweest! Een deftig gezin is daardoor tot den
   bedelstaf gebracht ...

   Hierover evenwel klaag ik niet.

   Maar Uwe Excellentie heeft _gesanktioneerd_: HET STELSEL VAN MISBRUIK
   VAN GEZAG, VAN ROOF EN MOORD, WAARONDER DE ARME JAVAAN GEBUKT GAAT,
   en dáárover klaag ik.

   Dàt schreit ten hemel!

   Er kleeft bloed aan de overgegaarde penningen van uw dùs ontvangen
   indisch traktement, Excellentie![185]

   Nog éénmaal vraag ik om een oogenblik gehoor, zy het dezen nacht, zy
   het morgen vroeg! En alweder vraag ik dit niet voor my, maar voor de
   zaak die ik voorsta, de zaak van rechtvaardigheid en menschelykheid,
   die tevens de zaak is van welbegrepen politiek.

   Als uwe Excellentie het met haar geweten kan overeenbrengen, van hier
   te vertrekken zonder my te hooren, het myne zal gerust zyn by de
   overtuiging al het mogelyke te hebben aangewend om de treurige,
   bloedige gebeurtenissen te voorkomen, die weldra 't gevolg zullen
   wezen van de eigenwillige onkunde waarin de Regeering wordt gelaten
   tenopzichte van hetgeen er omgaat onder de bevolking.[186]

   MAX HAVELAAR."


Havelaar wachtte dien avend. Hy wachtte den gansche nacht.

Hy had gehoopt dat misschien verstoordheid over den toon van zyn brief
bewerken zou, wat hy vergeefs getracht had te bereiken door zachtheid en
geduld. Zyn hoop was ydel! De Gouverneur-generaal vertrok zonder
Havelaar te hebben gehoord. Er was weder een Excellentie ter-ruste
gegaan in 't moederland!

       *       *       *       *       *

Havelaar doolde arm en verlaten rond. Hy zocht ...

Genoeg, myn goede Stern! Ik, Multatuli, neem de pen op. Ge zyt niet
geroepen Havelaars levensgeschiedenis te schryven. Ik heb u in 't leven
geroepen ... ik liet u komen van Hamburg ... ik leerde u redelyk goed
hollandsch schryven, in zeer korten tyd ... ik liet u Louise Rosemeyer
kussen, die in suiker doet ... het is genoeg, Stern, ge kunt gaan!

       *       *       *       *       *

Die Sjaalman en zyn vrouw ...

Halt, ellendig produkt van vuile geldzucht en godslasterlyke femelary!
Ik heb u geschapen ... ge zyt opgegroeid tot een monster onder myn pen
... ik walg van myn eigen maaksel: stik in koffi en verdwyn!

       *       *       *       *       *

Ja, ik, Multatuli "die veel gedragen heb" neem de pen op. Ik vraag geen
verschooning voor den vorm van myn boek. Die vorm kwam my geschikt voor
ter bereiking van myn doel.

Dit doel is tweeledig:

Ik wilde in de eerste plaats het aanzyn geven aan iets dat als heilige
_poesaka_ zal kunnen bewaard worden door kleinen Max en zyn zusje, als
hun ouders zullen zyn omgekomen van ellende.

Ik wilde aan die kinderen een adelbrief geven van myne hand.

En in de tweede plaats:_ik wil gelezen worden_.

Ja, ik wil gelezen worden! Ik wil gelezen worden door staatslieden, die
verplicht zyn te letten op de teekenen des tyds.. door letterkundigen,
die toch ook eens 't boek moeten inzien waarvan men zooveel kwaads
spreekt ... door handelaren, die belang hebben by de koffiveilingen ...
door kameniers, die me huren voor weinige centen ... door
Gouverneurs-generaal in-ruste ... door Ministers in bezigheid[187] ...
door de lakeien van die Excellentien ... door bidpredikers, die _more
majorum_ zullen zeggen dat ik den Almachtigen God aantast, waar ik
slechts opsta tegen 't godje dat zy maakten naar hun beeld ... door
duizenden en tienduizenden van exemplaren uit het droogstoppelras,
die--voortgaande hun zaakjes op de bekende wys te behartigen--'t hardst
zullen meeschreeuwen over de mooijigheid van m'n geschryf[188] ... door
de leden der Volksvertegenwoordiging, die weten moeten wat er omgaat in
't groote Ryk over zee, dat behoort tot het Ryk van Nederland ...

Ja, ik _zal_ gelezen worden!

Als dit doel bereikt wordt, zal ik tevreden zyn. Want het was me niet te
doen om _goed_ te schryven ... ik wilde zóó schryven dat het gehoord
werd. En, even als iemand die roept: "houdt den dief!" zich weinig
bekommert over den styl zyner geïmprovizeerde toespraak aan 't publiek,
is 't ook my geheel om 't even hoe men de wyze zal beoordeelen waarop ik
_myn_ "houdt den dief" heb uitgeschreeuwd.

"Het boek is bont ... er is geen geleidelykheid in ... jacht op effekt
... de styl is slecht ... de schryver is onbedreven ... geen talent ...
geen methode ...

Goed, goed, alles goed! Maar ... DE JAVAAN WORDT MISHANDELD!

Want: _wederlegging der_ HOOFDSTREKKING _van myn werk is onmogelyk!_
[189]

Hoe luider overigens de afkeuring van myn boek, hoe liever 't my wezen
zal, want des te grooter wordt de kans _gehoord_ te _worden_. En dit
_wil_ ik!

Doch gy, die ik stoor in uw "drukten" of in uw "rust" gy Ministers en
Gouverneurs-generaal, rekent niet te zeer op de onbedrevenheid myner
pen. Ze zou zich kunnen oefenen, en met eenige inspanning misschien
geraken tot een bekwaamheid die ten-laatste zelfs de waarheid zou doen
gelooven door 't Volk! Dan zou ik aan dat Volk een plaats vragen in de
Vertegenwoordiging[190] al ware 't alleen om te protesteeren tegen
certifikaten van rechtschapenheid, die door Indische specialiteiten
_vice versa_ worden uitgereikt[191] misschien om op 't vreemd denkbeeld
te brengen dat men zelf waarde hecht aan die hoedanigheid ...

Om te protesteeren tegen de eindelooze expeditien en heldendaden tegen
arme ellendige schepsels, die men vooraf door mishandeling dwong
tot opstand.

Om te protesteeren tegen de schandelyke lafhartigheid van cirkulaires
die de eer der Natie schandvlekken door 't inroepen van _publieke
liefdadigheid_ voor de slachtoffers van _kronischen zeeroof_.[192]

't Is waar, die opstandelingen waren uitgehongerde geraamten, en die
zeeroovers zyn weerbare mannen!

En als men my die plaats weigerde ... als men my by voortduring _niet_
geloofde ...

Dan zou ik myn boek vertalen in de weinige talen die ik ken, en in de
vele talen die ik leeren kan, om te vragen aan Europa, wat ik
vruchteloos zou hebben gezocht in Nederland.

En er zouden in alle hoofdsteden liederen worden gezongen met refreinen
als dit: _er ligt een roofstaat aan de zee, tusschen Oostfriesland en
de Schelde!_

En wanneer ook dit niet baatte?

Dan zou ik myn boek vertalen in 't _maleisch, javaansch, soendasch,
al-foersch, boegineesch, battaksch_ ...

En ik zou _klewang_-wettende krygszangen slingeren in de gemoederen van
de arme martelaren wien ik hulp heb toegezegd, ik, Multatuli.

Redding en hulp, op wettelyken weg, waar het _kan_ ... op _wettigen_ weg
van geweld, waar het _moet_.

En _dit zou zeer nadeelig werken op de_ Koffiveilingen van de Nederlandsche
Handelmaatschappy![193]

Want ik ben geen vliegenreddende dichter, geen zachtmoedige droomer,
zooals de getrapte Havelaar die zyn plicht deed met den moed van een
leeuw, en honger lydt met het geduld van een marmot in den winter.

Dit boek is een inleiding ...

Ik zal toenemen in kracht en scherpte van wapenen, naarmate het noodig
zal wezen ...

God geve dat het niet noodig zy!

Neen, 't zal niet noodig zyn! Want aan _U_ draag ik myn boek op, Willem
den derden, Koning, Groothertog, Prins ... meer dan Prins, Groothertog
en Koning ... KEIZER van 't prachtig ryk van INSULINDE dat zich daar
slingert om den evenaar, als een gordel van smaragd ...

Aan U durf ik met vertrouwen vragen of 't uw keizerlyke wil is:

Dat Havelaar wordt bespat met den modder van _Slymeringen_ en
_Droogstoppels_?

En dat daarginds Uw meer dan _dertig millioenen_ onderdanen worden
MISHANDELD EN UITGEZOGEN IN _UWEN_ NAAM?[194]



       *       *       *       *       *

      AANTEEKENINGEN EN OPHELDERINGEN

                  by de

            UITGAAF VAN 1875

   (Herzien, gewyzigd en aangevuld in 1881)

       *       *       *       *       *

De vertraging in 't verschynen van dezen druk is aan my te wyten, en
waarlyk niet aan myn zeer voortvarenden uitgever. Het blyft evenwel
twyfelachtig of 't woord: _wyten_ goed gekozen is? Recht tot verwyt
immers veronderstelt _schuld_, en ik vraag of dit van toepassing wezen
kan op myn byna onverwinnelyken tegenzin om, bladzy voor bladzy, woord
voor woord, letter voor letter, op-nieuw het treurig drama te doorleven,
dat aan dit boek het aanzyn gaf? Dit _boek_! Iets anders immers ziet de
lezer er niet in. _My_ evenwel zyn deze bladen 'n hoofdstuk uit m'n
leven ... my was de korrektie 'n marteling, één marteling! Telkens
ontviel de pen m'n hand, telkens schemerde my 't oog by 't herlezen der
--nog altyd onvolmaakte en verzachte!--schets van wat er uit meer dan
vyf-en-twintig jaar geleden voorviel in 't vroeger onbekende plekje
gronds dat _Lebak_ heet. En dieper nog was de indruk van treurigheid by
't bedenken van wat er uit sedert ruim twintig jaren op de uitgaaf van
't _boek Havelaar_ gevolgd is. Gedurig wierp ik de proefbladen terzyde,
en trachtte het oog myner ziel te richten op minder tragische voorwerpen
dan die welke Havelaars tot-nog-toe onbekroond streven my voor den geest
roept. Weken en soms maanden lang--myn uitgever kan 't getuigen!--had ik
den moed niet, de my gezonden proefvellen intezien. By vallen en staan
ben ik nu de korrektie doorgeworsteld, een korrektie die me meer kost
dan 't schryven zelf. In den winter van 1859 immers, toen ik,
gedeeltelyk in een kamertje zonder vuur, gedeeltelyk aan een waggelend
en smerig herbergtafeltje te Brussel, omringd van goedmoedige maar
tamelyk onaesthetische faro drinkers, m'n _Havelaar_ schreef, meende ik
iets te zullen _bewerken_, iets _uitterichten_, iets _tot stand te
brengen_. De hoop gaf me moed, de hoop maakte my hier-en-daar
welsprekend. Nog herinner ik my den indruk die me bezielde toen ik aan
háár schreef: _m'n boek is af, m'n boek is af! Nu zal alles weldra goed
gaan!_ Vier lange, vier moeielyke jaren had ik doorgeworsteld--en
vruchteloos verloren, helaas!--in pogingen om zonder publiciteit, zonder
opzien, zonder schandaal vooral, iets te bewerken dat tot verbetering
zou kunnen leiden van den toestand waaronder de Javaan gebukt gaat. De
ellendige Van Twist die, voor 't minst zoo er eenig besef van eer en
plicht in hem huisde, m'n natuurlyke bondgenoot had moeten zyn, was niet
te bewegen geweest 'n hand uittesteken. De brief dien ik tot hem
richtte, is ontelbare malen gepubliceerd, en bevat nagenoeg alles wat in
de Havelaarszaak de hoofdmomenten uitmaakt. De man heeft nooit
geantwoord, nooit blyk gegeven van welwillendheid om zooveel mogelyk te
herstellen wat door zyn schuld bedorven is, Door die gewetenlooze
lauwheid ten-laatste _gedwongen_ tot publiciteit, tot het kiezen van een
anderen weg dan ik tot dien tyd toe betrad, wees verontwaardiging my
eindelyk de middelen aan om te bereiken wat onbereikbaar scheen: _een
oogenblik gehoor_. Wat de luie Van Twist niet wilde toestaan, wist ik
aftepersen van de Natie: de _Havelaar_ werd _gelezen_, men ... _hoorde_
my. Helaas, hooren en verhooren is twee! Dat boek was "mooi" verzekerde
men, en als de schryver eens weer zoo'n vertellinkje had ...

Zeker, men had zich by de lektuur "geamuzeerd" en dacht er niet aan--of
ontveinsde te begrypen--dat niet _ik_ op middelbaren leeftyd m'n
loopbaan, die schitterend beloofde te worden, opgaf tot vermaak. Dat
niet _ik_ amuzement beoogd had in 't trotseeren van den gifdood voor my,
voor myn trouwe dappere vrouw, en voor ons lief kind. De _Havelaar_ was
zoo'n onderhoudend boek, durfde men my zeggen, en onder zulke
lofredenaars waren er die gillen zouden van angst by 't minste
dagelyksch gevaartje, ik zeg niet voor gezondheid en leven, maar voor 'n
gering deel van hun welstand. De meeste lezers schenen te meenen dat ik
my en de mynen had blootgesteld aan armoed, vernedering en dood, om hun
'n prettig lektuurtje te verschaffen.

Deze dwaling ... doch genoeg hiervan. Zéker is 't, dat ik van zoo'n
naïf-wreede _Jokrissiade_ geen voorgevoel had toen ik zoo verheugd
uitriep _m'n boek is af, m'n boek is af!_ De overtuiging dat ik
_waarheid_ zeide, dat ik _gedaan_ had wat ik bezig was te _schryven_, en
het voorbyzien hoe 't lezend en luisterend Publiek zoo gewoon is geraakt
aan _cant_, aan zinledige praatjes, aan byna doorgaande tegenstelling
van zeggen en doen ... dit alles vervulde my in 1859 met zooveel hoop
als inderdaad _noodig_ was om 't pynlyk schryven van den _Havelaar_
mogelyk te maken. Maar _thans_, nu me twintig jaar later al te voldoende
gebleken is dat de Natie party trekt vóór de Van Twisten en
konsorten--d.i. voor schelmery, roof en moord--tegen my, d.i. tegen
Recht, Menschlievendheid en wèlbegrepen Staatkunde, nu viel my 't
behandelen dezer bladen oneindig zwaarder nog dan in 1859, al zy 't dan
dat ook toen reeds de pynlyke bitterheid herhaaldelyk dreigde de
overhand te nemen. Hier-en-daar komt ze--op bladz. 131, byv. (zie de
alinea die begint met: "Maar weet ge dan niet", M.D.)--hoe gaarne ook
teruggehouden, voor den dag. Wie overigens begeert m'n stemming te
kennen by de oprakeling der herinneringen die 't gebeurde te _Lebak_ en
wat daarop gevolgd is, in my opwekt, wordt verwezen naar m'n eerste
brochure over _Vryen-arbeid_.(*)

(*) Uitgaaf van 1873, blz. 97, vlgg. waar tevens de oorzaak wordt
verklaard die, nà den _Havelaar_, me dwong tot het betreden van breeder
terrein dan de zaken in India.

En ... by al 't verdriet over de aanhoudende mislukking van m'n
pogingen, de smart over 't verlies van háár die aan m'n zyde zoo
heldhaftig den stryd tegen de wereld opnam, en niet dáár wezen zal
wanneer eindelyk het uur van triumf geslagen is!

Het uur van triumf, lezer. Want, het moge u bevreemden of niet,
overwinnen zàl ik! Ten-spyt van 't gekunstel en geknoei der
Staatsmannetjes aan wien Nederland z'n hoogste belangen toevertrouwt.
Ten-spyt onzer zotte Grondwet die premien uitlooft op middelmatigheid of
erger, een instelling die alles weert wat de _nu_ alom erkende
verrotting in ons Staatswezen zou kunnen genezen. Ten-spyt van de velen
die _belang_ hebben by Onrecht. Ten-spyt van laaghartige afgunst op m'n
"schryftalent" ... heet het zoo niet? Ik ben geen schryver, heeren
boekenmakers die volstrekt in my een kollega en konkurrent wilt zien,
gelooft me toch! Ten-spyt van plompen laster die niets te grof en te
ongerymd acht om m'n stem te smoren en m'n invloed te breken. Ten-spyt
eindelyk van de jammerlyke flauwhartigheid der Natie die dat alles by
voortduring blyft gedoogen ... overwinnen zàl ik!

Er zyn in den laatsten tyd schryvers opgestaan, die me verwyten dat ik
niets of niet genoeg heb uitgericht, niets of niet genoeg veranderd,
niets of niet genoeg tot-stand gebracht. Straks zal ik terugkomen op de
bron waaruit zulke beschuldigingen voortkomen. Wat de zaak zelf aangaat
... ik erken volmondig dat er in Indie niets verbeterd is. Maar ...
_veranderd_? De lieden die, eerst onmiddelyk na den _Havelaar_, en
vervolgens uit kracht van ons armzalig grondwettelyk baskule-systeem,
gebruik maken van de door dat boek opgewekte beweging om zich op 't
kussen te zetten, hebben niets gedaan dan _veranderen_. Dit moest immers
wel? Hun staatkunstenmakersmétier bracht het mee. Het gedeeltelyk
onbekwame, gedeeltelyk niet zeer intègre volkje dat na '60 "_naar boven
viel uit gebrek aan zwaarte_" begreep dat er iets _gedaan_ moest worden,
al deden ze liever 't goede niet, dat dan ook--dit erken ik mèt
hen--maar zelfmoord zou gesmaakt hebben. Recht-doen aan den mishandelden
Javaan was gelyk beteekenend met Havelaars verheffing, en dit ware den
meesten een vonnis.(*) Toch moest er schyn geleverd worden van
werkzaamheid in nieuwe richting, en aan 't van verontwaardiging
"rillend" Volk werd gedurig een been toegeworpen, niet waarlyk om den
honger naar verbetering te stillen, maar om de kaken in bezigheid te
houden, al ware 't dan ook maar met vermeend ekonomisch-politisch
gewawel. De regeermannen wierpen aan hun kieskollegien,
krantenfabrikeurs en verder koffihuispubliek successievelyk de kluifjes
toe, die ik eens-voor-al doopte met den naam van _duitenplatery_.
"_Vrye-arbeid_" was jaren lang--en vóór den _Havelaar_ reeds--de
hoofdschotel, de _pièce de résistance_ van 't verraderlyk _menu_. Ter
afwisseling dienden de heeren hun onnoozelen gasten opgeworpen kwestien
over 't Indisch muntstelsel toe. Daarop volgden de kadaster-kwestie, de
Preanger-kwestie, de kultuur- emolument-kwestie, de komptabiliteits-
kwestie, agrarische- wetkwestie, de partikuliere-grondbezitkwestie, en
nog een-en-ander van dien aard. De eene nieuwe wet volgde op de andere,
en telkens wisten de mannen _en place_--behoudend of liberaal, om 't even!
--aan 't Volk diets te maken dat de eenig mogelyke ontknooping van de
_door allen erkende_ moeielykheid nu eigenlyk en eindelyk geheel alleen
in 't allerlaatst voorgesteld heilmiddeltje lag. Heusch, _nu_ zou 't
probaat wezen!

(*) Zeker! Zie de laatste bladzyden van "_Pruisen en Nederland_."

Zoo volgde na elk versleten experiment een nieuw experiment. Na elke
verbruikte kwakzalvery, een nieuwe kwakzalvery. By elk nieuw ministerie
een nieuw arkanum. Voor elk nieuw arkanum nieuwe ministers, bestemd
gewoonlyk meer jaren den overladen pensioenstaat te bezwaren, dan ze
maanden op 't kussen hadden gezeten. En de Tweede-Kamer aan 't
redevoeren! En de kieskollegien aan 't opvyzelen of zwartmaken! En 't
Volk aan 't luisteren! Al die nieuwigheden werden onderzocht, beproefd,
toegepast, ingevoerd. In Indie maakte men de Hoofden, de europeesche
ambtenaren, en vooral de Bevolking _biengoeng_ met de onophoudelyke
_changements-à-vue_ ... en er zou niets _veranderd_ zyn na den
_Havelaar_? Ten-gevolge van den _Havelaar_? _Allons-donc!_ Er is nà en
ten-gevolge van dat boek, in Indie geschied wat er met _Jan Klaassen's_
horloge gebeurde. Men had dien wysgeer de opmerking gemaakt dat het werk
vuil was en daarom verkeerd liep. Fluks wierp hy 't in de goot, en
reinigde het met 'n stalbezem. Volgens andere traditien van de haagsche
poppenkast zette onze politikus er den hak van z'n klomp op. Ik kan den
lezer verzekeren dat er werkelyk veel _veranderd is_ in dat horloge!

       *       *       *       *       *

Nederland heeft niet verkozen recht te doen in de Havelaarszaak. Zoolang
tweemaal twee vier zal wezen, blyft het zeker dat dit verzuim--dat deze
_misdaad_!--het punt van uitgang worden zal van 't verlies zyner
indische bezittingen. Wie deze voorspelling wantrouwt omdat heden, en
dus slechts twintig jaar na m'n _zeer gedwongen_ optreden, de
hollandsche vlag nog altyd te Batavia waait, verraadt de nauwte van z'n
politieken blik. Meent men dat omkeeringen als die welke Insulinde
te-gemoet gaat, en waarmee faktisch reeds 'n aanvang gemaakt is--ziet ge
dit niet, Nederlanders?--kunnen plaats grypen in 'n bestek als voldoende
wezen zou voor 'n dagelyksch voorvalletjen uit het byzonder leven! In 't
leven der Staten is twintig jaar minder dan 'n oogenblik.

Toch zal de katastroof een betrekkelyk snel verloop nemen. De onbesuisde
oorlog met _Atjeh_ was een der laatste duitenplateryen die 'n minister
noodig had om de aandacht afteleiden van z'n onbekwaamheid, en zal
blyken even noodlottig te zyn van uitslag en invloed, als ze
lichtvaardig en misdadig was van opzet. Het wankelend nederlandsch gezag
is tegen _échecs_ als dáár door ons geleden worden, niet bestand.(*)
Doch reeds vóór de openbaring der gevolgen van wyder strekking, die deze
wreedaardige en dure zotterny na zich slepen _moet_, waar blyft in deze
zaak de zoo hooggeroemde ministerieele verantwoordelykheid. Moet nu de
Natie er maar in berusten, dat zekere _Fransen van de Putte_
goedgevonden heeft haar in 'n toestand te brengen, die--om nu niet te
spreken van 't schromelyk verlies aan _prestige_ in den Indischen
Archipel!--op zóóveel millioenen schats, op zóóveel menschenlevens te
staan komt? Wel zeker! Ook de naam van _dien_ man bekleedt 'n plaats op
den staat van pensioenen. De nederlandsche belastingschuldigen hebben
geld te veel, naar 't schynt.

(*) Dat Atjeh zou _veroverd_ en de Atjinees _overwonnen_ zyn, is 'n
leugen.

Wat overigens den oorlog met _Atjeh_ aangaat, ik zal straks by de
aanteekeningen op den _Havelaar_ wel genoodzaakt wezen daarop nu-en-dan
terug te komen. Nu reeds de opmerking echter, dat me ook in dit opzicht
gebleken is, hoe slordig dat boek gelezen werd. Zelden of nooit ontving
ik blyk dat men den tegenwoordigen oorlog, en myn voorspelling daarvan,
in verband wist te brengen met den inhoud van 't _dertiende_ hoofdstuk.
By de groote verspreiding van den _Havelaar_, is 't inderdaad vreemd
dat, toen in September '72 m'n waarschuwende brief aan den Koning
verscheen, en in 't volgend voorjaar de oorlog verklaard werd, zoo
weinigen zich herinnerden dat ik reeds in '60 op onze gespannen
verhouding met het atjinsche Ryk gedoeld, en bewys geleverd had iets
meer van die zaken te weten dan onze krantenschryvers en Kamerleden.
Ware dit ànders geweest, misschien zou myn welmeenende waarschuwing van
September '72 beter vrucht gedragen hebben! Nog altyd maakt de oude
Jupiter de Koningen en Natien die hy verderven wil, blind doof,
krankzinnig en behoudend of ... liberaal. Want dat komt overeen uit.
Hoofdzaak is en blyft: waarheid _zoeken, 't gewicht der waarheid_
erkennen en vooral _handelen naar de gegevens die men_, aldus te-werk
gaande, _voor_ waar _houden mag_. Wat daarbuiten gaat is uit den booze,
en Holland zal Indie verliezen omdat men my geen recht heeft gedaan in
myn streven om den Javaan te beschermen tegen mishandeling. Er zyn er
nog altyd die 't verband tusschen deze beide stellingen niet vatten,
maar is dit _myn_ schuld? Het smoren van myn klachten is bescherming van
_onwaarheid_, aanmoediging van _leugen_. Is 't nu zoo moeielyk te
begrypen dat het _ommogelyk_ is, by-voortduring die zoo uitgestrekte
bezittingen te beheeren, wanneer men omtrent Land en Bevolking geen
andere dan onware berichten gelieft te ontvangen? Om iets te regelen, te
besturen, te regeeren, behoort men dan toch in de eerste plaats te
_weten_ in welken toestand zich de te behandelen zaken bevinden, en
zoolang men de in den _Havelaar_ verstrekte gegevens ter-zyde schuift,
weet men dit _niet_!

En nog iets. Er blykt uit dat boek dat de bestaande wetten niet worden
gehandhaafd. Eilieve, wat baat het dan of men in den Haag en by
verkiezingen zich aanstelt alsof er aan 't maken van _nieuwe_ wetten
iets gelegen lag? Ik blyf er by dat de oude bepalingen _wat de
hoofdzaken aangaat_ zoo slecht niet waren. Maar men verkoos ze niet
optevolgen. Dáár ligt de kwestie!(*) Daar, en niet in 't eindeloos
redeneeren over onderwerpen van vermeend of voorgewend-politisch
belang, een gekibbel dat wel dienen kan om kranten-schryvers aan
teksten voor hoofdartikels te helpen, om ministers een week langer op 't
kussen, en de geheel overbodige talenterigheid van Kamerdebattisten
bezig te houden, maar geen voetstap nader brengt aan 't eenig ware doel:
_bescherming van den Javaan tegen de hebzucht zyner Hoofden in
medeplichtigheid van een bedorven Nederlandsch Bestuur_.

(*) Zie ter toelichting der karakteristieke frekwentie van dusdanig
misvatten, het aardig voorval op 'n audientie by den Keizer van Rusland,
medegedeeld in m'n brochure over _Vryen-arbeid_, uitgaaf 1873, blz. 137.


       *       *       *       *       *

Wat nu deze nieuwe uitgaaf betreft, ik stond by de Noten die straks
volgen, gedurig in twyfel over de meer of mindere behoefte aan
toelichting. Dit bezwaar is tweeledig, en betreft zoowel het ophelderen
van 'n maleische of vreemdklinkende uitdrukking, als de _staving der
feiten_ die in den _Havelaar_ worden meegedeeld. Ik weet nog altyd niet
hoe diep het door de Van Twisten uitgestrooid praatje "dat ik maar 'n
roman had geschreven" wortel heeft geschoten? Durft men de door my
overgelegde officieele stukken voor onecht houden? Hiervan is me niets
ter-oore gekomen. Dewyl men echter by-voortduring weigert my de plaats
interuimen die me zou toekomen indien ze voor echt worden erkend, viel
't my moeielyk het juiste midden te vinden tusschen te veel en te weinig
rechtvaardiging. Ik liep telkens gevaar het justificeeren overteslaan
van iets dat in de oogen van sommige lezers bewys kon noodig hebben, en
elders iets met bewyzen te staven dat alle verdere toelichting missen
kon, een fout die me zou blootstellen aan de--gewoonlyk
verkeerde!--toepassing van 't bekende: _qui s'excuse s'accuse_. Te
_excuzeeren_ nu heb ik, die m'n plicht deed, niets. Nederland deed z'n
plicht _niet_, en heeft zich te verontschuldigen dat het tegen
_Havelaar_ party trekt voor schelmery. Zoo is de zaak!

De weifeling dan tusschen te veel of te weinig _justificatie_ der
aangevoerde feiten, hinderde my zeer. Maar zie, tamelyk ver reeds
gevorderd met het afwerken der Noten, bleek me dat ik bezig was de
grenzen der my gegunde ruimte--een ruimte die ik zelf vroeger voldoende
had gerekend--zeer ver te overschryden. Myn aanteekeningen,
toelichtingen en ophelderingen op filologisch, land-en volkenkundig of
historisch terrein, dreigden weldra den oorspronkelyken tekst in
uitgebreidheid te-boven te gaan. Het hierdoor noodzakelyk geworden
knotten was my een verdrietig werk, en ik ben zoo vry te gelooven dat de
lezer er iets by verliest.

De vervloekte puntjes waarmee de heer Van Lennep goedvond m'n werk te
bederven, zyn in deze uitgaaf natuurlyk door _leesbare woorden in
letters_ vervangen. De pseudoniemen _Slymering, Verbrugge, Duclari_ en
_Slotering_ heb ik onveranderd gelaten omdat die namen nu eenmaal
populair zyn geworden. Myn vermoorde voorganger heette _Carolus_. De
namen van den kontroleur _Verbrugge_ en den kommandant _Duclari_ waren
_Van Hemert_ en _Collard_. De Resident van Bantam heette _Brest van
Kempen_, en _Michiels_ was de naam van 't Napoleonnetje te _Padang_. Wat
my bewoog tot verandering dezer namen in 't handschrift dat ik aan den
heer V.L. toevertrouwde? Met verwyzing naar het slot van 't XIXe
hoofdstuk, zy hieromtrent de opmerking voldoende, dat ik den eerlyken
maar niet heldhaftigen kontroleur wilde vrywaren tegen rankune. Al
steunde hy me niet in m'n streven, hy had me dan toch niet tegengewerkt
en zelfs, waar ik 't verzocht, ronde verklaringen afgegeven. Dit was
reeds zeer veel, en zou hem kunnen aangerekend zyn als misdaad. De
benaming Slymering voorts diende my tot het typizeeren van m'n model. En
't veranderen eindelyk van de namen _Carolus_ en _Collard_ in
_Slotering_ en _Duclari_ vloeiden uit de vorige substitutien voort.
Geheimhouding was waarlyk m'n zoeken niet, wat trouwens uit de geheele
strekking van m'n werk blykt, maar ik vond het stuitend bepaalde
personen prys te geven aan het oordeel van 't _gewoon_ lezend Publiek.
In de _officieele_ wereld, meende ik--en háár ging de zaak aan--zou men
wel weten tot wien men zich te richten had om inlichting aangaande de
zaken die ik openbaarde. Dit hééft men dan ook geweten, want na
ontvangst van den _Havelaar_ in Indie, is de Gouverneur-Generaal _Pahud_
terstond naar _Lebak_ gereisd om daar eenige klachten over misbruik te
onderzoeken."

Op den titel van 't boek zal ik in een later aanteekening terugkomen.
Die titel is noch 'n _farce_, gelyk sommigen voorgeven te meenen, noch
'n uithangbord, _ein aushängeschild das in Holland nöthig schien um
Käufer zu locken_, beweerde zeker publicist in de _Deutsche Jahrbücher
für Wissenschaft, Kunst und Politik_. O, neen, die titel is 'n epigram.

Wat de spelling aangaat, even als in m'n andere werken volg ik nagenoeg
de mode van den dag. "_Niet_, zooals ik zeide in 't Voorbericht by den
vyfden druk myner _Ideen, omdat ik den minsten eerbied voel voor de
taalkennis der personen die heden-ten-dage zoo goed als officieel belast
schynen met de bearbeiding van dat veld, doch om niet het oog des lezers
aftestooten door vreemdheid van spelling. De soep zou de kool niet waard
zyn_." Zeker, wezenlyke _taalkunde_ is heel wat anders! Toch heb ik ook
hier de leelyke i-j die door sommigen als y-klank gebruikt wordt, voor
goed _congé_ gegeven. _Tant pis_ voor de Hilaridessen die er om treuren.
Dezelfde soort van lettermannen zullen waarschynlyk geen vrede hebben
met m'n interpunktie. Ik met de hunne niet. Welnu, evenals--ik
meen--Hildebrand ergens, geef ik hun een paar mud komma's ten-geschenke,
om die te plaatsen waar ze goedvinden, tot er de verlangde slymerigheid
en hun voldoening op volgt, amen.

De heer Mr. C. Vosmaer maakt in z'n "_Zaaier_"de opmerking dat de
_Havelaar_ blyken draagt van nog onvolkomen beheersching der taal, en
van 't worstelen om vormen voor de veelvuldige stof. Ik stem dit
volmondig toe. Ook my hinderde onder de korrektie herhaaldelyk iets
gewrongens in den zinbouw, dat waarschynlyk tot de kritiek van den heer
V heeft aanleiding gegeven. Naar m'n beste weten heb ik die fout in de
tegenwoordige uitgaaf verbeterd.

       *       *       *       *       *

En, alsnu terugkomende op de beschuldiging dat ik tot-nog-toe zoo weinig
heb tot-stand gebracht ... dit verwyt is zoo dom niet. Men wordt _Doctor
in de letteren_ door zulke wapenfeiten. Eilieve, dit heb ik dan toch
bewerkt, niet waar, dat personen die bezig waren met kouvatten uit
verregaande lauwerloosheid, op-eenmaal hun kalen schedel gedekt voelden
met den doktershoed, alleen omdat ze de handigheid hadden gebruikt my 'n
paar kwajongensachtige insolenties te zeggen? In een land waar de
officieele distinkte zóó wordt te-grabbel gegooid ...

Het zy zoo! Wat ik _gedaan_ heb, heeren? Wel, ik dééd wat in den
_Havelaar_ geschreven staat. Is dit niet genoeg? Wat deedt _gy_?

Wat ik _gedaan_ heb, nogeens? Ik ving, geheel alleen staande, in
dreigend levensgevaar en met opoffering van allen welstand, den stryd
aan tegen lieden van _uwe_ soort, d.i. tegen het _Onrecht_. Gaat heen en
doet desgelyks!

Dat overigens m'n streven niet bekroond werd ... dat ik nog altyd het
gemakkelyk te raken--en debiet belovend--mikpunt ben van de eerste de
beste nulliteit die 't ambacht van frazenmaken eenigszins meent te
verstaan--al zy 't dan ook dáármee vaak povertjes gesteld--en dat, wat
meer zegt, de toestand in Indiën ellendiger is dan ooit ... mag men dit
_my_ wyten? Ik deed, meen ik, wat 'n mensch in de gegeven omstandigheden
doen kòn, en zeker meer dan eenig Nederlander. Het schimpen op de
betrekkelyke onvruchtbaarheid van m'n pogen herinnert aan den wrevel der
matrozen van Columbus in September 1492. Ook dàt gepeupel schold z'n
admiraal uit. Of ze doktoren in de letteren geworden zyn, weet ik niet.

Geen vrucht alzoo van m'n werk? Het is hier de plaats niet, den invloed
nategaan dien ik uitoefende op heel ander terrein dan de zaken van
Indie. Ik ben zoo vry te gelooven dat m'n geschriften heilzame beweging
hebben uitgewerkt op zedelyk en godsdienstig ... laat me liever zeggen
op _intellektueel_ gebied. Van vele zyden ontving ik blyken dat ik
menigeen tot denken heb gebracht. Wie 't betwyfelt of ontkent, gelieve
het te zeggen, en noeme evenals de zeer edele heeren A.B. Cohen Stuart
en Van Vloten, z'n naam er by, om behoorlyk de schande te dragen van z'n
platte jalouzie.

Aan afgunst namelyk meen ik voor 'n groot deel den toon te moeten
toeschryven, waarop sedert eenigen tyd sommige publicisten--of luî die
't worden willen--m'n werken en m'n persoon aanvallen. Die toon is
gewoonlyk wat te laag voor 't onderwerp.

Dat ik niet de eenige ben, die by 't lezen van stukken als die van
_Doctor_ Van Vloten aan jaloersheid denk, blykt o.a. uit het hartig
artikel van den heer J. Versluys, in _'t Schoolblad_ van 19 Januari
1875, waar de animoziteit van dien godgeleerde in verband wordt gebracht
met het stuk over _Vrye Studie_ dat in m'n IIIn bundel _Ideen_ voorkomt.
Dat onderwerp namelyk was ook door Dr Van Vl. behandeld, en schynt onder
zyn handen niet veel opgang gemaakt te hebben. Kan _ik_ dit helpen?
Zeker is 't dat ik na 't verschynen _myner_ verhandeling sporen begon
waartenemen van de hatelyke stemming die nu blykt jegens my te bestaan.
Vroeger was ik 't allerliefst gekwalificeerd: "_slachtoffer van indisch
wanbestuur en hollandsche lamlendigheid_." Wat ik nu ben, weet ik niet
recht. Een prulschryver, denk ik, wiens werken moeten verdrongen worden
om wat ruimte te verschaffen aan de hyperaesthetische produkten der pen
van Dr V. Vl. Wie z'n "_Bloemlezing_" onderzoekt, zal deze gissing
nog-al aannemelyk vinden. Op de blykbare oneerlykheid in dat prachtstuk
van letterkundigen arbeid wyst dan ook zeer ten-rechte de heer
_Versluys_. Zelfs Mr Vosmaer--gewis toch een onzer eerste dichters,
als-i niet _de_ eerste is--wordt door den verheven Bloemlezer in den ban
gedaan. Die auteur had zich verstout myn werk in z'n "_Zaaier_" te
pryzen, en mocht dus geen bloemen leveren.

Doch ook zonder eigenlyken _broodnyd_, sedert eenigen tyd is 't schelden
op my 'n _métier_ en 'n _tic_ geworden. Het aantal brochuretjes en
"Overdrukjes" dat aan dusdanige spekulatie z'n aanzyn te wyten heeft, is
legio, en levert een treurig blyk van armoed aan scheppingsvermogen. Wie
niet in-staat is zelf iets degelyks voorttebrengen, tracht evidentie--en
honorarium!--optedoen door 't knagen aan den arbeid van 'n ander. Men
zou haast op 't denkbeeld komen dat ikzelf hiertoe den weg wees in m'n
_Idee_ 219, wanneer men niet wist dat wespen, rupsen, en paalwormen zoo
oud zyn als vruchten, loof en zeeschoejing.

Maar jammer is 't! Dat de Van Vlotens, e.d. zulke manoeuvres noodig
hebben om 'n uitgever te bewegen tot het riskeeren van "Overdrukjes" uit
hun niet zeer verspreide tydschriften, is begrypelyk. Ook vereert het me
zeer, zóóveel opgang te maken dat daarvan nog altyd iets kan afvallen om
'n ander te helpen aan _relief_, al schikt het me niet altyd dat teeren
op afval in de hand te werken door serieuze beantwoording van dergelyk
geschryf. Toch verbind ik me niet tot voortdurend zwygen, maar 't zou me
aangenaam zyn indien anderen de niet moeielyke taak op zich namen ...
het verschil te doen in 't oog vallen tusschen wespen en ooft. _My_
wordt door zulke àl te goedkoope bewysvoering de stemming bedorven, en
dit is jammer voor myzelf en den lezer. Men begrypt immers hoe ik, bezig
met het schetsen van iets liefelyks, met viesheid de pen wegwerp zoodra
my de gedachte overvalt dat wezens als _Van Vloten_ zich gereed maken
m'n werk te bevuilen?(*) Ik meen te goed te zyn om zulk volkjen aan
verkoopbare kopie te helpen, en zeker zou 't my 'n kwart-eeuw geleden,
toen ik den Lebakschen stryd streed, bevreemd hebben indien iemand my
voorspeld had dat er nà 't openbaren van m'n pogen en streven,
aanleiding zou bestaan tot zoo'n verklaring! Het strekt waarlyk 't
lezend Publiek niet tot eer, dat sommigen een toon tegen my durven
aanslaan alsof _Havelaar_ een der hunnen was. Zoolang dit opgaat, beweer
ik dat men--ouder gewoonte--slecht gelezen heeft. Anders toch zou men
niet gedoogen dat 'n stryd die zoo ridderlyk werd aangevangen en
voortgezet, ten-behoeve van zeker soort van belanghebbenden werd
overgebracht op 'n mestvaalt. Hartelyk dank!

(*) Ik kan op m'n woord verzekeren dat dit in de meest letterlyken zin
een der oorzaken is van de herhaalde vertraging in de _Geschiedenis van
Woutertje_.

Volgens de laatste berichten uit Indiën is Lebak een woesteny. Geheele
dorpen zyn uitgestorven.



NIEDER-INGELHEIM

Augustus, 1881.


       *       *       *       *       *

1. De verdeeling in hoofdstukken is 'n toevoegsel van den heer Van
Lennep. Ikzelf namelyk was, vooral in 1860, niet schryversachtig
genoeg om zooveel reglement te brengen in m'n pleidooi, en blyf
gelooven dat die indeeling, uit 'n letterkundig oogpunt zonder schade
kon gemist worden. Juist in de onafgebroken opvolging der stukken van
Droogstoppel en van Stern, ligt iets pikants dat door 't onverwachte
van den overgang den lezer wakker houdt of  ... maakt. Doch de
ondervinding leerde my dat het aanhalen van zekere passages gemakkelyk
wordt gemaakt door de nummering der hoofdstukken, en ik laat daarom
die indeeling bestaan.


2. Het "_Poolsche koffihuis_" was, of is nog, 'n druk bezochte
inrichting in de Kalverstraat te Amsterdam, en vooral 'n
verzamelingspunt voor zekere klassen van beursgangers.


3. "_Dass er_--de jonge Stern--_bei uns speisen kann_." Aldus heeft
zekere _Herr_ Stromer, in z'n zoogenaamde vertaling van den _Havelaar_
deze woorden overgezet. Wanneer men nu nog daarby verneemt dat die
snuggere letterman blyk geeft geen verschil te kennen tusschen de
woorden _pantalon_ en _pantoffel_, dat hy "witte mieren" verandert in
_schweinsnieren_, enz. enz. zal men de waarde van z'n werk kunnen
beoordeelen. Hy heeft bovendien omstreeks 2/5 van 't boek _mir nichts
dir nichts_ doodeenvoudig weggelaten, en alzoo 't heele boek tot onzin
gemaakt. Ik stel voor, hem tot beroemde buitenlandsche schryver
te benoemen.

Ook de fransche vertaling van _Nieuwenhuis_ en _Crisafulli_ laat zeer
veel te wenschen over, maar zóó slecht als de duitsche kon ze nu
eenmaal niet worden. Onbereikbaar!

De engelsche bewerking van myn nobelen Alphons Nahuys daarentegen is
goed, en wordt ook in Engeland geprezen.


4. Het is er ver vandaan dat ik alles zou afkeuren wat ik Droogstoppel
in den mond leg. Hy "hield zich niet op" met versjes van de soort als
hier volgt. Welnu, _ik_ ook niet! 't Verschil ligt in den grond
waaruit zoodanige tegenzin voortspruit. Dat een jong vurig naar
_poëzie_ dorstend hart, misleid door de biologie van opgedrongen
letterkundery, misgrypt in z'n eerste pogingen tot uiting, en voor
iets wezenlyks houdt wat ten-slotte blykt slechts ydele klank te
zyn--"getingel en gejingel" noem ik 't in m'n _Naschrift op de Bruid
daarboven_--dit is te vergeven niet alleen, maar een zeer noodzakelyk
verschynsel. _Il faut passer par là!_ De eikenstam die bestemd is om
gaaf droog hout te leveren moest z'n bestaan aanvangen als sappige
tak. Maar de Droogstoppels hadden nooit sap te veel, en hoefden niet
te veranderen om te worden wat ze zyn: dor en onbruikbaar. Ze staan
niet boven maar beneden de fout van die anderen, en zouden bovendien
terstond waarde gaan hechten aan "versjes en zulke dingen" wanneer die
produktjes genoteerd stonden op de beurs.

Voor-zoo-ver Droogstoppel's realistische ontboezemingen dienen kunnen
om _valsche poëzie_ in de gemoederen onzer jongelingschap te knotten,
beveel ik z'n boutades van harte in de aandacht van ouders, opvoeders
en recensenten aan. Wat _my_ aangaat, als ik kiezen moest tusschen hem
en zeker soort van verzenmakers  ... nu, toch koos ik hèm niet! Maar ik
erken dat die rechtvaardigheid me zwaar vallen zou.


5. Welk gedicht kan hier bedoeld zyn? De chronologische volgorde
verbiedt ons hier te denken aan: "_de laatste dag der Hollanders op
Java_", door Sentot, want dat stuk is nà den _Havelaar_ geschreven, en
misschien wel onder den indruk van den _Havelaar_. Daar ik Sjaalmans
pak niet by de hand heb, en toch gaarne den lezer in staat stellen wil
zich 'n denkbeeld te vormen van Droogstoppels verontwaardiging, neem
ik verlof dien arbeid van Sentot aan de Natie voor oogen te leggen.
Het zal den toekomstigen geschiedschryver aangenaam zyn te kunnen
bewyzen dat het niet aan waarschuwingen ontbroken heeft.

Er zyn er die beweren dat myn vriend S.E.W. Roorda van Eysinga om 't
vervaardigen van dit stuk uit Indie verbannen is. De heer Van der
Wyck, Raad van Indie en als zoodanig een der voorstanders van die
uitzetting, heeft dit ontkend. Ook andere regeeringsmannen loochenen
het verband tusschen _Sentots_ profetengaaf en _Roorda's_ verdrietig
en onverdiend omzwerven. Sommige waren van gedachte dat deze
duisterheid zou opgehelderd worden by de behandeling van Roorda's zaak
in de Tweede Kamer, waar overlegging kon verwacht worden en _geëischt_,
want het Regeerings-Reglement schryft dat overleggen voor van 't besluit
waarby de gezagsdaad was uitgevoerd. Maar de Minister Fransen v.d. Putte
meende te kunnen volstaan met de aanbieding van een _extrakt_ uit die
beschikking, en de leden der Kamer berustten alweer in die onwettigheid.
Vrage: wat stond er in 't achtergehouden deel van dat dokument? Iets over
_Sentot's_ Vloekzang? Misschien die Vloekzang zelf? Bestond er wellicht
zeker schuldbesef dat angstig maakte voor de openbaring van dat stuk?
In dit geval is de toeleg niet gelukt, want--al zy 't dan dat R.V.E. zelf
nooit de hand leende tot de publikatie--het verscheen herhaaldelyk in
druk, en ikzelf vond het meer dan eens opgenomen in provinciale blaadjes.
Zoowel om de edele verontwaardiging die er in schittert, als om de
letterkundige verdiensten, vinde het hier een blyvende plaats. Reeds
elders maakte ik de opmerking dat het in gloed en in kracht van
uitdrukking zegevierend de vergelyking kan doorstaan met de beroemde
imprekatie van Camille.

"DE LAATSTE DAG DER HOLLANDERS OP JAVA

 DOOR SENTOT

    Zult gy nog langer ons vertrappen.
      Uw hart vereelten door het geld,
    En, doof voor de eisch van recht en rede,
      De zachtheid tergen tot geweld?

    Dan zy de buffel ons ten voorbeeld,
      Die sarrens moê, de hoornen wet,
    Den wreeden dryver in de lucht werpt
      En met zyn lompen poot verplet.

    Dan schroeie de oorlogsvlam uw velden,
      Dan roll' de wraak langs berg en dal,
    Dan styg' de rook uit uw paleizen,
      Dan trill' de lucht van 't moordgeschal.

    Dan zullen wy onze ooren streelen
      Aan uwer vrouwen klaaggeschrei
    En staan, als juichende getuigen,
      om 't doodsbed van uw dwinglandy.

    Dan zullen wy uw kindren slachten
      En de onzen drenken met hun bloed
    Opdat der eeuwen schuld met rente,
      Met woekerwinste word' vergoed.

    En als de zon in 't Westen neerdaalt,
      Beneveld door den damp van 't bloed,
    Ontvangt zy in het doodsgerochel
      De laatste Hollandsche afscheidsgroet.

    En als de nachtelyke sluier
      De rookende aard heeft overdekt,
    De jakhals de nog lauwe lyken
      Dooreenwoelt, afknaagt, knabbelt, lekt...

    Dan voeren wy uw dochters henen,
      En elke maagd wordt ons een boel,
    Dan rusten we aan haar blanke boezems
      Van moordgetier en krygsgewoel.

    En als haar schand zal zyn voltrokken,
      Als wy ons hebben moê gekust,
    Als elk tot walgens toe verzadigd,
      Het hart van wraak, het lyf van lust...

    Dan tygen wy aan 't banketteeren,
      En de eerste toast is: "'t Batig Slot!"
    De tweede toast: "aan Jezus Christus!"
      De laatste dronk: "aan Neêrlands God!"

    En als de zon in 't Oosten opdaagt,
      Knielt elk Javaan voor Mahomed,
    Wyl hy het zachtste volk der aarde
      Van Christenhonden heeft gered."

De opmerkzame lezer ziet dat de brave Droogstoppel ongelyk had in z'n
verontwaardiging over dit--of 'n dergelyk--stuk. Ook had Fransen van
de Putte het besluit der Regeering, waarby de heer R.v.E. verbannen
werd, in alle gerustheid integraal kunnen overleggen. _Sentot_ zegt
immers niet dat dit alles zoo wezen zàl. Hy waarschuwt slechts dat het
geschieden _zou_, indien de Hollanders voortgingen hun "_hart te laten
vereelten door 't geld, en den Javaan te vertrappen_." Daar nu dit geval
--vooral na de oprichting der Javaannutmaatschappy en al 't geredekavel
in de Kamer--ondenkbaar is, zal de zaak veel beter afloopen dan Sentot
in 'n wanhopig oogenblik meende.

Voor wien 't niet weet, hier de mededeeling dat de pseudoniem _Sentot_
niet byzonder ongepast de herinnering in 't leven roept aan den
javaschen oorlog. _Sentot_ namelyk was in zeer letterlyken zin de _nom
de guerre_ van Alibassa Prawiro Dirdjo, 't uitstekendst legerhoofd van
de "muitelingen" zooals de party van Diepo Negoro in chauvinistisch
hollandsch genoemd werd, een vertalingsfout waaraan zich ook de
Spanjaarden schuldig maakten jegens de Nederlanders, toen _dezen_ zich
van indelikate vreemdelingen trachtten te ontslaan. De meer of mindere
juistheid van zoodanige uitdrukkingen hangt dikwyls af van geografische
ligging, dagteekening, huidskleur, geloof, en behoefte aan batige saldo's.
De muiters van gister zyn dikwyls de helden en martelaren van vandaag.(*)

(*) De moedige Atjineezen die hun land verdedigen, heetten tegenwoordig
"kwaadwilligen."

Wat overigens die Sentot betreft, men heeft hem na afloop van den
Javaschen oorlog te vriend gehouden. Hy heeft z'n laatste levensjaren
gesleten als gepensionneerde van den nederlandschen Staat, en z'n
krygslieden werden by 't ned. ind. leger ingelyfd, doch niet _en
corps_  ... wat zyn goede reden had. Nog in myn tyd--die wat Indie
aangaat, een aanvang nam in Januari 1839--onderscheidden zich de uit
Sentot's _Barissan_ (geregelde troepen) afkomstige soldaten door goed
gedrag, tucht en militaire houding. Het was niet zeldzaam, by
inspektien of parades, een hoofdofficier, by 't wyzen op 'n flinken
kerel, te hooren zeggen: _Ienie apa lagie orangnja Sentot!_ "Dat is
nog een man van _Sentot_!"


6. _Romancen in 't maleisch_. Ik laat nu daar wat Droogstoppel kan
onder de oogen gehad hebben, doch zeker is 't dat ik den zang van
_Saïdjah_ die in deze uitgaaf voorkomt op blz. 281, (alinea die
begint met: "zie hoe de badjing", M.D.) oorspronkelyk in 't _maleisch_
geschreven heb. Waar dat stuk beland is, weet ik niet, en op dit
oogenblik zie ik geen kans het in die taal te maken. Waarschynlyk ligt
het in een der koffers of pakken papieren die ik na m'n vertrek van
_Lebak_, op m'n verdrietige Odyssee hier-en-daar moest achterlaten, en
wieromtrent ik den lezer verwys naar _Idee_ 951. Ik denk dat bedoeld
stuk voor den dag zal komen na m'n dood, als ik niet meer daar wezen
zal om te vragen hoe men er aan gekomen is? Dat er overigens zal
gespekuleerd worden in nagemaakt-posthume artikelen, spreekt in onze
eeuw van vervalsching vanzelf. En wanneer het te voorzien was dat die
sofistikatie zich bepalen zou tot schryvery, kon men de zaak dragelyk
vinden voor 'n doode. Maar de goocheltoeren die men aan den man brengen
zal omtrent m'n leven, handelwys, karakter! Reeds nu lees en verneem ik
dagelyks voorvallen die _my_ betreffen, gebeurtenissen waarin _ik_ 'n
hoofdrol speel, en die myzelf grooter verrassing baren dan ze ooit
kunnen teweegbrengen by ieder ander. De vertellingen die over my in
omloop zyn--ook de niet boosaardige--loopen voor ieder die me _werkelyk
kent_, in 't koddige ... neen, in _'t idiote_! Geenszins nu ter adstraktie
hiervan, maar alleen om te doen blyken _comment on écrit l'histoire_, hier
de opmerking dat zekere Bloemlezer nu reeds, slechts zeven-en-dertig jaar
na m'n vertrek naar Indie, goedvindt dat vertrek 'n paar jaar te
verschuiven. Vrage welke stiptheid is er te wachten in de chronologische
rangschikking der chinesche dynastien, en vooral welke wetenschappelyke
en moreele integriteit in karakterbeschryving? Toch is er leering te
trekken uit de hier bedoelde fout. Door 't opmerken van zulke _blunders_,
gewenne zich de lezer aan de vraag: "man, bloemlezer, _weet_ je wel wat
je beweert ons te willen leeren? Zoo neen, waar bemoei je je mee?


7. _Voor gelykluidend met het oorspronkelyke geteekend_. Dit is
werkelyk het geval met de bewysstukken die ik zoowel in den _Havelaar_
als in de _Minnebrieven_ overleg, Op gelyke wys heb ik de echtheid van
meer andere stukken doen staven, in de meening dat men eenmaal
daarnaar onderzoek zou doen. Maar nooit heeft iemand die moeite
genomen, wat me zeer karakteristiek voorkomt. Het spreekt vanzelf dat
ik nog altyd bereid ben inzage van bedoelde stukken te geven aan ieder
die blyk zal geleverd hebben dat het hem om waarheid te doen is.
Voorloopig bepaal ik my tot herhaling der sommatie aan _Duymaer van
Twist_ om te beweren dat de door my als echt voorgestelde stukken
verdicht zyn. Zoolang hy dit niet durft, blyf ik eischen _dat er op
die stukken Recht worde gedaan_.


8. _Wettig eigendom van den Havelaar_. Droogstoppel voelde berouw
dat-i den onnoozelen Sjaalman z'n recht op eigen werk niet ontfutseld
had. Waarschynlyk kwam me by 't schetsen van den huichelenden schelm,
deze trek noodig voor. En zie, ik wist niet dat ik hier--in zeer
beperkten zin altoos--profeet was. Juist op de manier die Droogstoppel
hier betreurt niet gevolgd te hebben, is de beschikking over 't boek
_Havelaar_ in andere handen overgegaan. De my aangeboden en eigenlyk
_opgedrongen_ ondersteuning die strekken zou om me zes maanden rust
teverschaffen na m'n ellendig omzwerven, en _om den uitslag van m'n
pleidooi aftewachten_, is gebruikt als voorwendsel om den _Havelaar_
zóó te behandelen dat het pleidooi z'n kracht verloor. En dit
geschiedde _opzettelyk_. In een aan my gerichten "Brief" verklaart de
heer Van Lennep: dat hy 't _populair worden van m'n arbeid wilde
tegengaan_, hy die met zooveel vertoon van vurige sympatie my verzocht
had de uitgaaf daarvan aan hem optedragen! Toch ben ik aan de
rechtvaardigheid verplicht den lezer te waarschuwen tegen zekere
vereenzelviging van den heer V.L. met den afzichtelyken Droogstoppel.
Toen V.L. _begon_ zich met de Havelaarszaak intelaten, was-i oprecht.
Maar gaande-weg begon hy berouw te voelen, en z'n zwakheid nam zóó de
overhand dat-i weldra liever my verraadde--'t moet hem zéér gedaan
hebben, want slecht was-i niet!--dan in zyn kring doortegaan voor den
beschermer eener zaak die, _zeer ten onrechte_, werd uitgekreten voor
iets revolutionnairs. Men zie over dit alles, blz. 17 van _Vrye-arbeid_,
uitgaaf 1873, en de Noot op _Idee_ 289.


9. _Wapen van Bern_. In een aldus genoemd gebouw, staande op 't Spui
te Amsterdam, werden in myn jeugd boekverkoopingen gehouden. Ik weet
niet of dit nog zoo is, en zelfs niet of die inrichting nog bestond in
den tyd waarvan Droogstoppel verondersteld wordt te spreken, d.i. een
paar jaar na den datum der officieele stukken die in den _Havelaar_
opgenomen zyn.


10. _Pandeglang en Lebak_. Hier voor 't eerst had ik 't genoegen een
paar namen voluit te schryven, die in vorige uitgaven met puntjes
verminkt waren. Tot op dit oogenblik toe kende een zeer groot getal
lezers den naam niet van de provincie waar de in _Havelaar_ behandelde
voorvallen plaats grepen. Men moest zich vergenoegen met den klank
_Leb_. En dat zoo'n storende terughouding nadeelig gewerkt heeft,
zoowel op het schilderachtige der voorstelling als op 't betrouwbare
van m'n beweringen, spreekt vanzelf. Dit was dan ook 't doel van dat
verraderlyk kastreeren. Men zie hierover de zoo-even aangehaalde _Noot
op Idee_ 289. De Engelschman Wallace--die _nota bene_ de engelsche
vertaling van den _Havelaar_ niet onder de oogen gehad heeft, want
dáárin staan namen en datums voluit gedrukt--ontzegt aan m'n werk alle
waarde _omdat ik geen plaatsen en dagteekeningen opgeef_.

Men heeft my verzekerd--of 't waar is, weet ik niet--dat de heer Van
Lennep m'n handschrift ten-geschenke heeft gegeven aan de _Maatschappy
der Nederlandsche Letterkunde_ te Leiden. Indien ik hierin wèl
geïnformeerd ben, zou dat Genootschap in de gelegenheid zyn te
onderzoeken of 't _myn_ schuld is, dat in vorige uitgaven de namen van
plaatsen en personen of de dagteekeningen met lafhartige puntjes
gespeld zyn?


11. _Groote weg over Java_. Deze weg loopt van _Anjer_, aan straat
_Soenda_ gelegen en dus een der westelykste punten, tot aan
_Banjoewangie_, dat aan 't Zuidoostelyk uiteinde des lands, tegenover
_Bali_ ligt, en is 270 uur gaans lang. Het aanleggen daarvan was een
reuzenwerk, en kon dan ook slechts ten-einde worden gebracht door 'n
man als Daendels die aan groote wilskracht, verregaande minachting
voor byzondere belangen paarde. De blyken die van z'n ruwheid worden
verteld, loopen in 't ongelooflyke. Toch zyn er in zekere gevallen
menschen van die soort noodig. Ik beweer dat er ook _thans_ behoefte
is aan personen die moed en kracht hebben om op eigen verantwoordelykheid
te breken met den sleur. Waarlyk, er zyn _heden-ten-dage_ in ons Indie
dingen te verrichten, waarby die postweg kinderspel is! Of de Daendels
die daartoe verwacht en gewenscht wordt, zou kunnen volstaan met de
eigenschappen die 'n zeventig jaar geleden aan de eischen beantwoordden,
blyft te betwyfelen. Ik spreek in den tekst van "bezwaren die z'n
tegenstanders in 't Moederland hem in den weg legden." Wat is in ònzen
tyd het lot van iemand die in Indiën iets verbeteren wil? Hoe zwaar
Daendels taak ook moge geweest zyn, hy had _niet_ te worstelen met 'n
wysneuzige Tweede Kamer en de ministerschappen die uit zoo'n
Kamerregeering voortvloeien.

Wat overigens onzen "Maarschalk" aangaat--_maréchal de Hollande_,
namelyk, want na de inlyving werd-i teruggezet tot generaal--ook ten
zynen opzichte is het te betreuren dat wy Hollanders zoo schraal
voorzien zyn van _Mémoire_-litteratuur, een fout die onze Geschiedenis
dor maakt, en slechts begrypelyk voor de zoodanigen die, geen oordeel
genoeg hebbende tot niet-begrypen, volkomen tevreden zyn met
ongerymdheid. De levensloop van Daendels was 'n _drama_. Dit is
optemaken uit het weinige dat officieel van hem bekend is, en uit de
vele vertellingen die in de _Chinesche kerk_ [98] omtrent hem in
omloop zyn. Een goedgeschreven levensgeschiedenis van dien man zou
licht werpen op 'n belangryk tydvak onzer historie van den
patriottentyd af tot de restauratie toe. Op z'n armzalig knoeien by
gelegenheid der inlyving van ons landje, wees ik reeds in m'n _Idee_
515. Wie by 't lezen van die bydrage in 't oog houdt dat onze
"Maarschalk van Holland" een gewezen _patriot_ was--en een van de
vurigsten!--zou verbaasd staan over 's mans verregaande
karakterloosheid, indien niet zyn verbazing uitgeput ware door 't
letten op de algemeenheid van die kwaal. Ook in 't zeer belangryk werk
van den heer Van Lennep (_het leven van Mr. C.v.L. en Mr. D.J.v.L._(*))
vindt men kostbare maar bedroevende bydragen tot deze waarheid. Wie de
Geschiedenis grondiger bestudeert dan uit officieel-goedgekeurde
schoolboekjes mogelyk is, zal erkennen dat men zeer zelden in de rei
der personen die zy ons te aanschouwen geeft, een _karakter_ aantreft.

Toch blyft het de vraag of men Daendels goed zou beoordeelen, indien
men alleen achtsloeg op z'n lamlendig gedrag in de maand Februari
1811. Het wantrouwen waarmee eenige jaren later Willem I hem
onderscheidde, schynt aantetoonen dat men hem tot iets buitengewoons
in-staat achtte. Z'n benoeming tot gouverneur der Bezittingen op de
Goudkust--die heele bezitting stond in belangrykheid beneden menige
kontroleursafdeeling op Java!--die benoeming was 'n soort van
gevangenschap. Ik weet van goederhand dat hyzelf de zaak dan ook als
zoodanig beschouwde. By gelegenheid zal ik eenige staaltjes meedeelen
van z'n inborst. Al verdient hy geen plaats onder _beroemde_ mannen,
een _vreemde_ verschyning was-i zéker. Dit is al _iets_ in onzen tyd
van jammerlyk ordinarisme!

(*)Ziedáár _Mémoires_! Toch blyft het by de onmiskenbare waarde van
dat werk te betreuren dat de schryver gemeend heeft  ... hoe zal ik me
uitdrukken? Godbewaarme dat ik schandaal zou aanpryzen, maar de
_menschkundige_ lezer voelt by 't volgen van de biografien der beide
van Lennepen, dat er hier-en-daar iets moet overgeslagen zyn. Hoe
dankbaar ook voor de kostbare bydragen tot de kennis der zeden van
dien tyd, wordt toch het oog vermoeid van de vlekkeloosheid der twee
brave Hendrikken waaraan de auteur 't aanzyn dankt. Het gekste is dat
Jakob van Lennep zelf noch "brave Hendrik" was, noch lust had er voor
doortegaan. Ik gis dus dat de gapingen waarop ik doel, voldoen moesten
aan den smaak en de eischen van zeker soort van Publiek, aan welke
invloed Mr. Jakob V.L. zich--jammer genoeg!--nooit wist te onttrekken.
Juist 'n menschenvrees van zóódanigen aard belette hem de Havelaarszaak
dóórtezetten zooals aanvankelyk inderdaad z'n plan was.


12. _Radhen Adhipatti Karta Natta Negara_. De drie laatste woorden zyn
de _naam_, de twee eersten drukken den _titel_ uit. Het spreekt vanzelf
dat de juiste vertaling van zoodanigen titel moeielyk is. Toch heeft
het de oude Valentyn in z'n werken over Oost-Indie beproefd. Hy
spreekt van "hertogen" en "graven." Hierin ligt voor iemand die de
Inlandsche Hoofden kent, iets zonderlings. Na de velerlei titels van
meer of min schynbaar-onafhankelyke Vorsten is die van _Pangérang_ de
hoogste. Zoo'n _Pangérang_ zou men met eenigen kans op juistheid,
_Prins_ kunnen noemen, omdat deze rang ontleend is aan verwantschap
met een der regeerende huizen van _Solo_ (Soerakarta) en _Djokja_
(Djokjakarta) schoon hierop, naar ik meen, uitzonderingen bestaan,
waarmee we nu niet te maken hebben. De naastvolgende titel is die van
_Adhipatti_, of voluit: _Radhen Adhipatti_. _Radhen_ alleen duidt 'n
rang van lager orde aan, doch die nog vry hoog boven 't gemeen staat.
Iets lager dan _Adhipatti_ staan de _Tommongongs_.

De adel speelt in de javasche huishouding een groote rol. Het
Gouvernement heeft zich 't recht aangematigd adelyke titels
toetekennen, iets dat eigenlyk met het grondbegrip van onderscheiding
_door geboorte_ in stryd is. Ook in Europa evenwel zien wy 'tzelfde
verschynsel. Stipt genomen kan een Regeering iemand toestaan zekeren
titel te voeren, de voorrechten te genieten die aan zekeren stand
verbonden zyn. maar geen macht ter-wereld kan bewerken dat iemand
wiens voorouders onbekend waren, op-eenmaal de afstammeling wordt van
een geslacht dat reeds eeuwen geleden in aanzien was. Wat Java aangaat,
de gebeneficieerden berusten vry geduldig in 't hun toegeworpen voordeel.
Men beweert echter dat er onder de minder gunstig bedeelden--en misschien
ook onder de Bevolking, die voor echte stamregisters religieuzen eerbied
heeft--plan bestaat om de diplomen welke de oude O.I. Kompagnie uitreikte,
en die welke door de Buitenzorgsche Sekretarie verleend werden, by de
eerste gelegenheid te herzien. Er zyn weinig of geen adelyke geslachten
op Java--de regeerende vorsten van _Solo_ en _Djokja_ niet uitgezonderd
--welker titels en officieele pozitie geen stof leveren zouden tot
kontroverse en verzet. Dit wacht maar op 't breken van een der mazen van
't net waaronder de geheele javaansche huishouding gevangen ligt.


13. _Mechanismus van 't Bestuur_. Jonge lieden die den _Havelaar_ voor
eerst lezen in _deze_ uitgaaf, kunnen zich geen denkbeeld maken, hoe
volstrekt noodig in 1860 de schets was van de inrichting onzer
heerschappy in Indie, die in de volgende bladzyden van den tekst
gegeven wordt. En meer nog: op de hoofdplaatsen in Indie zelf was,
kort geleden nog, 't mechanisme van ons Bestuur een gesloten boek. Van
deze onkunde zou ik vreemdklinkende voorbeelden kunnen aanhalen. Tot
juist begrip evenwel van de zeer kunstige--en toch eenvoudige!--wyze
waarop 't machtig Insulinde door een zwakke natie onder de knie wordt
gehouden, verwys ik naar m'n beide brochures over _Vryen arbeid_.(*)
De fout der Nederlanders is dat ze aan 't vreemde in onze verhoudingen
daarginds zoo gewoon zyn geraakt, dat ze er niets byzonders meer in
zien, en meenen dat alles vanzelf zoo blyven zal.

(*)(Vooral naar de tweede: _Nog eens Vrye-arbeid_, Delft by J. Waltman Jr.)

Wat overigens de inrichting van het _Binnenl. Bestuur_ aangaat, mag ik
niet onvermeld laten dat sedert eenige jaren de Residenten als
Voorzitters van den Landraad vervangen zyn door z.g.n. _rechterlyke
ambtenaren_. Deze splitsing van gezag--ook vooral noodlottig uit 'n
politiek oogpunt--draagt ruimschoots het hare by tot den ellendigen
toestand waarin 't _Inlandsch Rechtswezen_ op Java verkeert.
Veiligheid van personen en goederen heeft sedert dien baarschen
maatregel schrikbarend afgenomen. Het _Ketjoe_-wezen neemt by den dag
in omvang toe.


14. _Nederlandsch Indie_. Sommigen rekenen de eilandengroep die
misschien eenmaal Nieuw-Holland aan de vaste kust van Indie verbond,
mèt dit laatste tot _Australie_. Anderen spreken van _Polynesie_ en
_Melanesie_. Elders weer lezen wy van _Oceanie_. In al deze gevallen
staat het aan ieders willekeur om de toepassing van zulke benamingen
al dan niet uittestrekken tot de _Gezelschaps_-en _Markiezen_-eilanden.
Maar die verdeelingen zyn en blyven konventionneel. Van meer gewicht
is de vraag of onze bezittingen in die streken _Nederlandsch_ zyn?
In politieken zin, ja. In _socialen_ zin echter even weinig als in
geografische beteekenis. Niets is minder _nederlandsch_ dan de bodem,
't klimaat, de _fauna_, de _flora_, van al die eilanden. Niets ook is
minder _nederlandsch_ dan de geschiedenis der bewoners, dan hun
traditien, hun godsdienst, hun begrippen, hun karakter, hun zeden en
... hun belangen. Ook zonder de minste politieke nevengedachte stuitte
my altyd een kwalifikatie die zulke onjuiste denkbeelden in 't leven
roept, en daaraan heeft men de invoering te danken van 't woord
Insulinde, waarmee de lezer nu wel eenigszins gemeenzamer wezen zal
dan Droogstoppel bleek te zyn, toen hy die benaming voor 't eerst
ontmoette in Sjaalmans pak. (blz. 33) (zie de alinea die begint met:
"Over een konstitutie ...", M.D.)


15. _Sawah's, gagah's, tipar's_. Rystvelden, onderscheiden naar ligging
en wyze van bewerking, vooral met het oog op de mogelykheid om ze al of
niet van water te voorzien.


16. _Padie_. Ryst in den bolster.


17. _Dessah_. Dorp. Elders: _negrie_. Ook: _kampong_.


18. _Kultuur-emolumenten_. Deze zyn, wat de europesche ambtenaren
aangaat, afgeschaft. 't Spreekt vanzelf dat ik, die op de noodlottige
werking van deze perspompmekaniek gewezen had, niet genoemd werd by de
beraadslagingen over dat onderwerp. Of de maatregel overigens de
bedoelde verlichting voor den Javaan ten-gevolge heeft, valt te
betwyfelen, daar men verzuimd heeft de vaste inkomsten der europesche
ambtenaren in de binnenlanden te verhoogen. Ze zyn en blyven
_genoodzaakt_ diensten en leveringen van den Javaan te vorderen, die
nergens beschreven staan.


19. _Geheele distrikten uitgestorven van honger_. Waarschynlyk doelde
ik hier op den hongersnood die 't Regentschap _Demak_ en _Grobogan_
ontvolkte. Na '60 evenwel--en thans vooral niet minder dan vroeger--zyn
de berichten omtrent dergelyke kalamiteiten zoo menigvuldig, dat het de
moeite niet loont daarvan geregelde opgave te doen. De bewering dat er
op Java telkens hongersnood heerscht, is 'n _truism_ geworden. Wat
_Lebak_ in 't byzonder aangaat, daar waren ze geregeld-periodisch. Hierop
zal ik terugkomen.


20. _Aloen-aloen. Kraton. Kotta Radja_. De _aloen-aloen_ is 'n
uitgestrekt voorplein voor de groep gebouwen die de woning van 'n
Regent uitmaken. Gewoonlyk staan er op zoo'n plein twee statige
_waringi_-boomen, uit welker ouderdom blykt dat niet zy op den
_aloen-aloen_ geplant zyn, maar dat de regentswoning in hunne
nabyheid, en waarschynlyk juist dáár om die nabyheid, is opgericht.

Daar ik verzuimd heb op blz. 63 (twee alinea's ervoor, M.D.) een noot
te plaatsen by 't woord _Kratoon--Kraton, Kratoen, Keratoe-an_, om 't
even--wil ik die fout hier herstellen te-meer omdat ze my aanleiding
geeft tot het bespreken van zeker bedrog dat onlangs van officieele
zyde weder jegens 't nederlandsche Volk gepleegd is, en nog altyd by
sommigen z'n werking doet. Men heeft, om de atjinesche krygsbedryven
in 'n chauvinistisch licht te stellen, den _Kraton_ des Sultans van
Atjin doen voorkomen als 'n _vesting_ welker verovering zeker
schitterend succes beteekende. Ik gis dat er te Atjin nooit 'n _Kraton_
geweest is, en zelfs dat de Atjinezen dit _woord_ nooit gehoord hadden,
daar de _zaak_ zeer speciaal 'n Javanismus is. Doch ook wanneer ik me
hierin mocht bedriegen, een _vesting_, een "militair punt" is zoo'n
_Kraton_ gewis niet. Het veroveren van een _Kraton_ is 'n wapenfeit,
nagenoeg gelykstaande met het innemen eener omheinde of des-noods
ommuurde hollandsche buitenplaats. Als gewoonlyk hebben de
Bestuursmannen in deze zaak 't Volk weer gepaaid met 'n klank!

Ik bespeur dan ook dat men van-lieverlede 't woord _Kraton_ is gaan
overzetten in _Kotta Radja_, 'n woord dat met wat goeden wil als de
_Maleische_ vertaling van 't _Javaansch_ begrip: _Keratoean_ kan
worden opgevat, mits men niet met de Woordenboeken 't woord _Kotta_
overzette in stad--insulindische "steden" zyn er niet--maar opvatte
als: _woningsgroep_ of iets dergelyks, al of niet op zekere wyze,
_maar niet uit 'n oogpunt van versterkingskunst_, afgesloten. Dat dit
afsluiten soms in oorlogstyd geschiedt, is waar, doch dit maakt
_Kotta's_ en _Kratons_ evenmin tot vestingen als de Buitenplaats
waarvan ik zoo-even sprak. Dat wy, Europeanen, soms aan 'n versterking
in Indie den naam van _Kotta_ geven, is by gebrek aan beter, doch
verandert niets aan de waarheid dat het woord _kotta_ geen _vesting_
beteekent.

Er is dus geen vyandelyke _sterkte_ genomen by 't "betreden"--ik kies
dit woord met opzet--by 't _betreden_ van des Sultans _Kraton_ of,
zooals 't nu heet, z'n: _Kotta Radja_, d.i. z'n _vorstenverblyf_.
Vandaar dan ook de zonderlinge manier waarop die "verovering" plaats
greep. Onze bevelvoerende generaal bevond zich binnen de "versterking"
_zonder het te weten_. Dat de heer Van Swieten dit in een zyner
rapporten met den grootsten eenvoud getuigt, bewyst dat hy niet
medeplichtig was aan 't opzet--en dat hy niet deelde in de
ministerieele behoefte!--om de Natie zand in de oogen te strooien.
Maar uit het gelukken van dat opzet blykt alweer voor de duizendste
maal dat die Natie _niet lezen kan_! Want Van Swieten's oprecht en
zedig rapport werd gepubliceerd, en toch  ... tòch moest het heten dat
er 'n _vesting_ veroverd was!


21. _Mantrie_: Inlandsch beambte wiens betrekking nagenoeg door 't
woord _Opziener_ kan worden aangeduid.


22. _Diplomatische voorzichtigheid in den omgang met Inlandsche
Hoofden_. Men vergeet gewoonlyk dat wyzelf voor 'n groot deel oorzaak
zyn van de dubbelhartigheid die wy de javaansche Grooten verwyten.
Onder hen is de spreuk in omloop: _valsch, als 'n Christen_. En deze
kwalifikatie klinkt zoo ongegrond niet, als men de slenters en streken
opmerkt, waarmee we, van Houtman af tot heden toe, ons hebben weten
staande te houden.

Wat my betreft, ik heb over 't algemeen de Inlandsche Hoofden niet
geveinsder gevonden dan Europeanen. En waarom zou dit ook? Het
diplomatisch axioom _que la parole est donnéé à l'homme pour déguiser
sa pensée_, is niet van aziatischen oorsprong. Of 't waar is dat
Talleyrand die bêtise gezegd heeft--_en ne déguisant nullement sa
pensée alors_, en dus nogal dom van z'n eigen standpuntje bezien!
--laat ik daar. De _ware_ diplomatie bestaat in oprechtheid.


23. _Westmoesson_. De regentyd duurt op Java van Oktober tot Maart. In
de Noord van Sumatra evenwel zyn de saizoenen andersom. Daar brengen
stormen uit het Westen hevige regens aan, juist in den tyd dat op Java
de gansche Natuur smacht naar wat vocht. Opmerkelyk is 't, dat de
Regeering te _Buitenzorg_ blyk gaf dit niet te weten. Zy zond de
befaamde eerste expeditie naar _Atjeh_, op 'n tydstip toen Horsburgh's
_Indian Directory_--en elke scheepsjongen van 'n kustvaartuig!--haar
had kunnen zeggen dat de Westkust van Sumatra zeer gevaarlyk was. Al
weer 'n staaltje van de gevolgen der kommiezery. Dat wil oorlog
voeren, en kent de eigenaardigheden van z'n eigen land niet!

Wat overigens dat verschil van saizoenen aangaat, op 't zuidwestelyk
deel van Sumatra schynen de jaargetyden in elkander te loopen. Te
_Padang_, byv. kan men niet op standvastig-periodieke winden, noch
alzoo op de daarvan af hangende regens of droogte staat maken.


24. _Sirie. Pinang. Gambier. Slamat_. De drie eerste woorden duiden de
bestanddeelen aan die, met _tabak_ en _kalk_, den voor den Javaan
onmisbaren _bétel_-pruim vormen. In sommige gewesten van Insulinde
ontmoette ik personen die niet pruimden, maar op Java zelden of nooit,
de vrouwen niet uitgezonderd. Het bruine sap van den tabak, iets
rooder gekleurd nog door de _gambier_, verft aller lippen en tanden.
Fraai staat dit niet, doch 't wordt voor zeer mondzuiverend gehouden.
Het gebruik van _sirie_--met toebehooren dan--is zoo algemeen, dat het
europeesch begrip: _drinkpenning_, in Indie wordt uitgedrukt door 't
woord _wang sirih_, d.i. sirie-geld.

De _Sirie_ is 't blad van een rank, niet veel zwaarder dan onze
erwtenplanten, en die zóó op 'n peperboompje gelykt, dat de onkundige
deze beide gewassen niet gemakkelyk van elkander onderscheiden kan. Ik
geloof dan ook dat ze tot dezelfde botanische familie behooren, al
mocht het zyn dat vakgeleerden die graag wat vreemds verkondigen--een
leeuw is 'n kat, en de walvisch mag geen visch heeten!--in die
overeenkomst reden vinden om _sirie_ en _peper_ heel ver van elkaar
te zetten.

Het verwondert me dat er in de tandheelkunde zoo weinig gebruik van de
_sirie_ gemaakt wordt. Me dunkt dat de zuiverende samentrekkende
werking van dat blad--en de smaak is niet onaangenaam--daartoe
aanleiding geven zou. Ik meen dat men aan de _gambier_ wèl 'n plaatsje
toekent in de europesche pharmakopee, maar weet niet of dit almede 't
geval is met de _pinang_ of _areka_. Dit is 'n noot uiterlyk niet zeer
ongelyk aan de muskaat. Doch de boom waaraan ze groeit, behoort tot de
palmsoorten.

Het woord _slamat_ beteekent: _groet_, en in dit geval het zeer
eigenaardig _kompliment_--samenvouwing--dat in den tekst beschreven
wordt. Vrage: is er verband tusschen 't maleische _slamat, selamat_,
en 't woordeke _Sela_ dat zoo vaak in de psalmen voorkomt? Men weet
dat volgens de riten van het Oosten, godsdienstige oefeningen bestaan
uit gebeden en gezangen, telkens afgebroken door velerlei gebaren en
_komplimenten_. Zoo-iets geschiedde misschien ook by 't voordragen der
psalmen, en deze gissing wordt versterkt door 'n opmerking over de
vermoedelyke nadere beteekenis van 't woord _slamat_ of _selamat_.
In-verband gebracht met _Slam_ of _Islam_--door letterverzetting
verwant met _mosl, muzl_: muzelman--zou misschien de oorspronkelyke
zin kunnen geweest zyn: de _plechtstatige_ of _ritueele_ groet; en dit
zou volkomen beantwoorden aan de beteekenis die 't woord _Sela_ in de
psalmen gevoegelyk kan gehad hebben. Maar ik geef de opmerking om beter.


25. _Maas_: adelyke titel die lager staat dan _Radhen_, doch soms ook
met dat woord tezamen gebruikt wordt: _Radhen Maas_. 't Woord _annak
maas_ beteekent een slaaf die niet gekocht maar in 't huis zyns
meesters geboren is, en heeft dus met den titel _Maas_ niet te maken.


26. _Kidang_: middelsoort hert. Veel kleiner, en niet grooter dan 'n
middelmatige hond, zyn de _kandjiels_, hertjes die uitmunten door
vlugheid en bevalligheid. Men beweert dat ze in opgesloten staat niet
in 't leven kunnen gehouden worden. De _kidang_ echter schynt, evenals
de meeste soorten van onze herten, zich makkelyk te schikken in 'n
omheind kamp.


27. _Pegang koedahnja toewan kommendaan_: hou 't paard van m'nheer den
kommandant vast!


28. _Klapperwater_. Dit is 't vocht dat men in Holland "kokosmelk"
noemt. Het is koel en frisch, maar wordt zelden gedronken. De
_klappa_, _kelappa_ of _kokos_ wordt, meestal geraspt, by 't bereiden
van spys in de keuken hoofdzakelyk echter tot het slaan van olie, maar
zelden als _ooft_, en nooit als _spys_ gebruikt. De vertellingen die
in kinderboekjes en in geleerde verhandelingen van vakmannen (zie
_Album der Natuur_) over den _klapper_ in omloop zyn, klinken koddig
in de ooren van iemand die in Indie geleefd heeft. Of de _kokos_ in
West-Indie 'n andere rol speelt dan in Insulinde, is my onbekend. Met
den _banaan_--insulindisch: _pisang_--is dit zeker 't geval, daar hy
op de surinaamsche plantages aan de negers tot voedsel wordt gegeven.
Dit is dan ook 'n zeer grove soort van 'n paar voet lang. De
middelbare soort in _Oost_-Indie haalt slechts zes duim, en een der
kleinste--de _pisang maas_ of _goud-pisang_, 'n fyn vruchtje--is niet
veel grooter dan een kinderpink, en zeer smakelyk.


29. _Gemberthee_: aftreksel van aan gemberwortel, dat zoo heet mogelyk
moet gedronken worden  ... ter verkoeling. In India heerscht de meening
dat koude dranken, en vruchten die _in den mond_ een verfrisschende
werking doen, 't lichaam verhitten. Volgens 'n gelyksoortige stelling
werken de spaansche-pepersoorten _tjabeh_ en _lombok_--westindisch:
_cayenne_--verkoelend. Voor-zoo-ver ik in de praktyk heb kunnen nagaan,
zyn die meeningen niet ongegrond, maar vaak speelt in zulke zaken de
verbeelding haar rol.


30. _Vraag van een inlander aan den luitenant Duclari_. De heer Collard
--thans sedert lang hoofdofficier, en misschien gepensionneerd--zal,
des gevraagd, wel zoo goed zyn te erkennen dat ik ook hier de waarheid
zeg.


31. _Ienie apa toewan-toewan datang_: daar komen de heeren aan! De
_toedoeng_ is het in den vorm van een grooten ronden schotel
gevlochten hoofddeksel van den Javaan, en beschut zoowel tegen de zon,
als tegen den regen waarvoor de inlander bespottelyk bang is. Zeker
soort van tuinhoeden die onlangs by onze dames in de mode waren,
geleken precies op _toedoengs_.


32. _Baboe_: inlandsche kindermeid.


33. _Kondeh_: het op 't achterhoofd in 'n wrong vereenigd haar, dat
echter nooit door 'n afzonderlyk lint of koord wordt samengehouden,
maar steeds in 'n lus of strik van 't haar zelf hangt. Indien 't woord
_chignon_ uitsluitend op _valsch_ haar doelt, is de _kondeh_ géén
_chignon_.


34. _Gouden pajong_. De kleur van 't zonnescherm duidt naar landswys,
doch volgens officieel vastgestelde bepalingen, den rang van 't Hoofd
aan, wien zoodanige _pajong_ wordt nagedragen. Effen verguld is 't
hoogste.


35. _Tandoe_: draagstoel. In andere provincien draagt dit voorwerp den
naam van _Joleh, Djoeli_, of zoo-iets.


36. _De volkstellingen zyn onnauwkeurig_. Ieder hoofd heeft er belang
by, het getal zyner onderhoorigen zoo laag mogelyk te doen schynen,
niet zoozeer om daardoor den druk van verplichte dienst en levering te
verligten, als wel om meer dienst en levering voor zichzelf te kunnen
vorderen. Wie waarheid wil benaderen, kan de officieele opgaven gerust
met 10 percent verhoogen.


37. _Uitgewekenen naar_ Tjikandi _en_ Bolang. De bevolking der
partikuliere landeryen in 't Bataviasche en Buitenzorgsche bestaat
voor 'n groot deel uit lebaksche vluchtelingen. "_Als er in Lebak niet
gekneveld wordt_, heb ik 'n landheer hooren zeggen, _hebben wy gebrek
aan volk_."


38. _Pisang_: banaan. Hoe 't komt dat deze laatste (_west-indische_)
benaming in 't _oost_-indisch Nederland beter bekend is dan 't woord
_pisang_, begryp ik niet. Ook is 't my een raadsel, vanwaar de
engelschen hun woord: _plantain_ halen. Het getal soorten der
_pisangs_ wordt op driehonderd geschat. Zie overigens noot 28.


39. _Hollander_. Ieder blanke heet by den inlander: _orang hollanda,
wolanda, belanda_, om 't even. Op hoofdplaatsen maken ze nu-en-dan een
uitzondering op dezen regel, en spreken van _orang ingris_ of _orang
prantjies_, d.i. engelschen of franschen. De duitscher heet soms:
_orang hollanda goenoeng_, nam. berg-hollander, hollander uit de
binnenlanden.


40. _Opvatting van 't begrip: beschaving_. De Europeaan vergist zich
in de meening dat de hoogere beschaving waarop hy roemt, overal als 'n
axioma wordt aangenomen. Ook hierin dat hy werkelyk in alle opzichten
beschaafder _is_. Ik zou veel voorbeelden kunnen aanhalen, die van
onzen beweerden roem te dezer zake een vraagstuk maken, en enkelen die
hem stempelen tot onwaarheid. Het praedikaat dat liplappen en inlanders
den Europeër geven, is: _ongewasschen_. Men zie hierover blz. 53 van
"_Nog eens Vryen-arbeid_" en _Idee_ 372. Ook _Idee_ 587 (nieuwe nummering)
kan den waarheidsvriend op den weg brengen om te onderzoeken hoeveel
boekerigheid en konventie er schuilt onder onze opvatting van 't woord:
_beschaving_. We gelyken hierin vry nauwkeurig op zekere inlanders, die
zich niet kunnen voorstellen hoe 'n beschaafd mensch genoegen neemt met
witte tanden. _Tjies, selakoe andjing!_ zeggen ze, d.i. "foei, net als 'n
hond!" Elders wordt het voor onbeschaafd gehouden, geen ebbenhouten schyf
in de gespleten onderlip of in de oorlappen en geen ring in 't jukbeentje
van den neus te dragen. Er zyn streken in Insulinde waar de beschaving
zich openbaart ... hoe zal ik my uitdrukken? Komaan, ethnologie mag niet
belemmerd worden door preutsheid! Die mannen dragen in 't uiteinde van
den _penis_ een ebbenhouten dwarsspalk, ten welken einde reeds op zeer
jeugdigen leeftyd dat lichaamsdeel doorboord wordt. By die dwazen gaat
het plegen van den _coïtus_ zònder zoodanig ornament, voor  ...
beestachtig door. _Selakoe andjing_ alweer, denk ik. Hoe bespottelyk
dit zy, de onbevooroordeelde moet erkennen dat wy de woorden _dierlyk_
en _beestachtig_ dikwyls even ongepast gebruiken.


41. _Maatschappelyk standpunt van den liplap_. Het is de vraag of
Nederland, nu eens zoogenaamd-politisch gesproken, wysgeerig en
onbekrompen handelen _kan_? Officieele gelykstelling van den liplap
zou misschien 'n bevolking in het leven roepen, die gevaarlyk worden
kon voor 't nederlandsch gezag. Vanhier dan ook 't aanhoudend geknoei
met bepalingen die--hoe ook bemanteld--geen andere strekking hebben
dan om aan 't echt europeesch element den boventoon te verzekeren.
Ik doel hier op de, voor zeeroovers niet onaangename afschaffing der
_Koloniale Marine_. Op 't eindeloos geknutsel met 'n zoogenaamd
_Radikaal_. Op de instellingen van Onderwys in Nederland, en den
daaruit voortvloeienden, door indische ouders al te pynlyk gevoelden
dwang om hun kinderen naar Europa te zenden. En eindelyk: op 't door
dit alles kunstmatig in 't leven gehouden, voor Insulinde zoo hoogst
verderfelyk _absenteïsmus_! Juist dit is de eisch onzer op immoreele
gronden gevestigde overheersching, dat we niet "wysgeerig en
onbekrompen" handelen _kunnen_ zonder ons belang in de waagschaal
te stellen.

    _Das eben ist der Fluch der bösen That,
    Dass sie fortzeugend Böses muss gebähren_.


42. _Patteh, Kliwon, Djaksa_: inlandsche Hoofden. De _Patteh_ staat
den Regent ter-zyde als sekretaris, boodschapper, faktotum. De
_Kliwon_ is tusschenpersoon tusschen het Bestuur en de dorpshoofden.
Gewoonlyk heeft hy 't opzicht over gemeentelyke publieke werken,
verdeeling van wachtvolk, regeling van heeredienst, enz. De _Djaksa_
is officier van politie en justitie.


43. _Gongs en Gamlang_: muziekinstrumenten. De _Gong_ is 'n zwaar
metalen bekken dat aan 'n koord hangt. Men bespeelt den _Gamlang_ als
onze glasharmonika's of als 't bekende _hout-en-stroo_-instrument.
Ik had op deze plaats in den tekst wel tevens van _Ankloeng_ mogen
spreken, zynde een roosterachtig toestel met bekkens die op gespannen
koorden liggen. Het verdient opmerking dat de benamingen van al deze
instrumenten onomatopeën zyn. De _Gong_ klinkt forsch. _Ankloeng_ en
_Gamlang_ (gamelan) daarentegen zacht en liefelyk, maar zeer
melancholisch.


44. _Ergernis over tegenwerking_. By den Gouverneur der moluksche
eilanden, een zeer verdienstelyk man die in z'n pogingen tot herstel
van 't gefnuikt gezag werd belemmerd door de kommiezery der
Buitenzorgsche sekretarie, wekte deze ergernis noodlottig. Onder de
oogen van den onbekwamen Van Twist, die natuurlyk geheel aan den
leiband liep van die bureaukratie, maakte hy door 'n sprong in den
waterval te _Tondano_ (_Minahassa van Menado_) 'n eind aan z'n leven.


45. _Havelaars officieele loopbaan_. Reeds in Augustus 1851 was ik
aan de Regeering voorgedragen tot Resident. Ook werden de funktien die
ik te _Amboina_ vervulde, weinig tyd na myn vertrek aan 'n _Resident_
opgedragen.


46. Ik verzeker den lezer dat het my thans (1881) meer nog dan vroeger
tegen de borst stuit, my op publiek terrein te bewegen. Toen ik op m'n
veertigste jaar myns ondanks daartoe gedwongen werd, had ik in de hoop
op eenig succes een bondgenoot tegen den afkeer die elke aanraking met
_Publiek_ my veroorzaakt. Na de ervaring van den uitslag myner pogingen
is m'n walg sterker dan ooit.


47. _Herbergiersrekening_. Men mocht aan de Regeering der Vereenigde
Staten 83 nederl. centen daags in rekening brengen voor 't onderhoud
van 'n schipbreukeling, onverschillig of de man Gezagvoerder of
Matroos was. Onder die vermeende schipbreukelingen waren de meesten
niet veel beter dan zeeschuimers. De Amerikanen hebben voortdurend 'n
duizendtal _Whalers_ in de indische zeeën, en de bemanning dezer
schepen is 't uitschot van de Natie.


48. _Overgrootvader myner kinderen_. Z'n naam staat op 't voetstuk van
den Leeuw te Waterloo.


49. _Apanage der Vorsten van Turn en Taxis_. Is na de groote
veranderingen van '66, door de duitsche Ryksregeering voor ettelyke
millioenen afgekocht.


50. _Rêve aux millions_. Nu, 'n _rêve_ was 't eigenlyk niet. De
aanspraak is verjaard, en 't lust me nog altyd niet, den zeer
interessanten familieroman te behandelen, die hiermee samenhangt. Ook
stuit ikzelf, vooral ten-gevolge van den diefstal der bescheiden
waarvan ik in den tekst melding maak, op eenige duisterheden. Toch is
't voor my van belang, hier te doen opmerken dat sommige personen en
familietakken die de hier aangeroerde byzonderheden beter begrypen dan
de gewone lezer, onder de venynigste vervolgers van Havelaar behoorden.
Hun belang bracht mee dat hy niet aan 't woord kwam, of althans niet in
de gelegenheid om zekere mysteriën te ontsluieren.


51. Deze zinsnede is door zekeren Q in de _Arnhemmer Courant_
aangevoerd als bydrage tot de blyken myner onzedelykheid! En die
verraderlyke manoeuvre werd door Dr Van Vloten toegejuicht, evenzeer
als Q's mededeeling dat ik m'n "tyd doorbracht met  ... bittertjes
drinken, biljardspelen en 't rooken van geborgde sigaren." Ik vraag of
de _viesheid_ waarvan ik sprak op blz. 350 (zie alinea die begint met:
"Maar jammer is 't!", M.D.), gerechtvaardigd is? Waarmee brengt zùlk
volk z'n tyd door?


52. _Sebah_. De beteekenis blykt uit den tekst. Ik weet niet of 't
woord 'n verbastering is van _pasehbah_, 'n gebouw, dat wel zou kunnen
genomen worden voor de plaats waar men dergelyke vergaderingen houdt.


53. _Bantan-Kidoel_: Zuid-Bantam. De _m_ waarmee wy 't woord _Bantam_
sluiten, is niet korrekt. De naam is: _Bantan_. _Mantrie_: opziener.
_Dhemang_: distriktshoofd. In centraal en oostelyk Java heet deze
beambte _Wedhono_.

De schryver van een fransch werk: _Felix Batel_, waarin de _Havelaar_
wordt nageschreven, en--tegen de bedoeling van den auteur,
voorzeker!--geparodieerd, verraadt o.a. z'n letterdievery door in den
javaschen Oosthoek waar hy z'n stuk spelen laat, van _Dhemangs_ te
spreken. Dit klinkt ongeveer als  ... _grietman van Utrecht_. In dat
werk gaat de zon op, _juist zooals dat werd waargenomen door Saïdjah_.
Ook de buffel-epizode wordt letterlyk overgenomen, en de auteur heeft
de goedheid te erkennen dat dit voorval _ook_ door zekeren Multatuli
beschreven werd. Welnu, die _Felix Batel_ is door nederlandsche
recensenten uitvoerig behandeld, doch nergens vindt men 'n spoor van
protest tegen dien onbeschaamden diefstal! Ik noem dit even slecht als
de piraterie zelf. Als 'n vreemdeling zich de eer aanmatigde der
diepzinnige uitvinding van 't haringkaken, zou men moord en brand
schreeuwen, maar de "nationale eer" kan wèl verdragen dat Havelaar
bestolen wordt. Bepaalde zich de oneerlykheid maar tot litteratuur!
Maar ook op maatschappelyk, politisch en wysgeerig terrein loopt ze
tot in 't onbegrypelyke. De natie kan nog altyd niet _lezen_. Of _wil_
ze niet verstaan wat men haar te lezen geeft?


54. _Bandoeng_: afdeeling, regentschap of adsistent-residentie in de
Preanger-regentschappen.


55. _Patjol_: houweelachtige spade.


56. _Banjirs_. Omtrent deze natuurverschynselen verwys ik naar 't
stukje: "_Wijs mij de plaats waar gy gezaaid hebt_" een geschrift dat
aan dezen regel uit den _Havelaar_ z'n naam ontleende.


57. Zie Noot 37.


58. _Dessah_: dorp. Elders: _kampong_ en _negrie_. De inlandsche
oorsprong dezer beide laatste woorden--javaansch, soendasch of
maleisch dan--komt me verdacht voor.


59. _Opstandelingen in de Lampongs_. Er bestaat 'n brochure over de
hier bedoelde expeditie, welker titel ik niet kan opgeven. Ze is
waarschynlyk van '61 of '62, en werd, meen ik, geschreven door den
kommandant onzer troepen. Die schryver loochent dat er veel lebaksche
uitgewekenen waren onder de door hem bevochten opstandelingen. Ik houd
evenwel m'n opgaaf staande, en beroep me op 't getuigenis der
officieren die onder hem aan dien veldtocht deelnamen. Juist door een
hunner heb ik m'n bewering met 'n zeer sterke uitdrukking hooren
bevestigen. Er was 'n tyd dat het ontkennen myner assertien zekere
welgezienheid in den Haag meebracht, en dááraan schreef die officier
toe, wat hy in z'n gewezen kommandant plompweg 'n: "vervloekt gemeene
leugen" noemde. Indien me had mogen blyken dat Nederland belang stelde
in waarheid, zou ik sedert lang bewyzen geleverd hebben. Maar 't is
vervelend pleiten voor 'n rechtbank die verzot is op leugens.


60. _IJd_ en _eit_. Dit Nootjen is van den heer Van Lennep. Als
aardigheid kan het er door, maar in de oogen van 'n volwassen mensch
is dat _purisme_ op 't rym waarlyk komiek. Laat de Zeeuwen op z'n
zeeuwsch, de Friezen op z'n friesch rymen! En wie in 't geheel niet
rymt, doet ook goed, ja  ... beter nog! By Göthe en Schiller rymt
_Ritter_ op _Jezuïter_, _ehren_ op _währen_, _Kaiser_ op _weiser_,
_führen_ op _probiren_, enz. Boileau koppelt _audace_ aan _Parnasse_,
_pucelle_ aan _modèle_, e.a. De sop is de kool niet waard. Jammer maar
dat nog altyd zoo velen hun wysheid over dergelyke kinderachtighedens
aan den man weten te brengen als _Letterkunde_ en zelfs als _poëzie_!


61. _Maniessan_: zoetigheid, konfituren. Het gebruiken hiervan by de
thee is van chineschen oorsprong.


62. _Distriktshoofd van Parang-Koedjang_. Hy was schoonzoon en
handlanger van den Regent. Ten zynen huize werd myn voorganger
vergiftigd.


63. _Kleeding van den Djaksa_. Deze inlandsche ambtenaar was 'n
Javaan--geen Soendanees--en daarom eenigszins anders, en opzichtiger,
gekleed dan de Hoofden die te Lebak thuis hoorden.


64. Onder de titels van den Gouverneur-generaal behoort ook die van:
_Opperbevelhebber van Zr Ms Zeemacht beoosten de Kaap de Goede Hoop_.


65. Deze aanspraak aan de Lebaksche Hoofden wordt, naar my van vele
zyden bleek, vry algemeen gewaardeerd. Waarom keurde men dan
Havelaar's _handelingen_ die daarmee stipt overeenstemden, geen
aandacht waard?

Om te beoordeelen in hoever ik by 't benaderend in druk geven van die
ongeschreven toespraak kan afgeweken zyn van _stipt-letterlyke
waarheid_, is 't misschien niet onbelangryk toon en inhoud daarvan te
vergelyken met zeker stuk van eenige jaren tevoren. Ik bedoel de
Publikatie aan de Inl. Hoofden der Minahassa van 1 April 1851, waarin
naar ik meen dezelfde geest heerscht. Het Weekblad "_Oost en West_" en
daarna de _Spectator_ (26 Juli 1879), namen 't over uit de indische
couranten die dat dokument de moeite der reproduktie hadden waard
gekeurd, misschien wel om de velen terecht te wyzen die voorgeven den
_Havelaar_ te ontkrachten door 't boek voor 'n _fiktie_ uittemaken.
Bedoelde Publikatie is 'n _officieel stuk_ en heeft niets te maken met
romanschryvery. Ik noodig den lezer uit, het aangehaalde nummer van
den _Spectator_ intezien, en zich de vraag voorteleggen of 't billyk
is dat ik ruim dertig jaar na 't schryven van de daarin meegedeelde
Publikatie, nog telkens door den eersten den besten kwajongen
straffeloos word uitgescholden? (_Zie voorts over dit onderwerp de
Noten 101 en 115._)


66. _Mintah ampong_: ik vraag verschooning.


67. _Sienjo_, dikwyls verkort tot _njo_: jongeheer. Velen meenen dat
dit woord van portugeschen oorsprong is, vooral ook omdat de
afstammelingen van Portugezen, die nog altyd te Batavia 'n
eigenaardige kaste uitmaken, in de wandeling _Sienjo_'s genoemd
worden. Toch is deze etymologie twyfelachtig.


68. _Verbrugge wist het!_ Nog altyd ben ik in 't bezit van een briefje
dat hy my deed toereiken op 'n oogenblik dat ik met den Regent in
gesprek was, en waarin hy my--onder uitdrukkelyk verzoek hèm niet te
noemen--uitnoodigde dat Inlandsch Hoofd eens onder handen te nemen
over de "misbruiken." Het overbodige van dit verzoek laat ik nu daar.
Er blykt uit:

1) dat myn bezwaren geen gevolg waren van persoonlyke zwartgallige
opvatting.

2) dat myn onderzoekingen zeer omzichtig plaats hadden, zóó zelfs dat
de vreesachtige Verbrugge meende grond te hebben my aantezetten
tot wat yver.

Belangstellenden--zyn er die?--kunnen 't bedoelde briefje van den
kontroleur ter inzage krygen.


69. _Tjiandjoer_. Iets later spel ik dezen naam van de hoofdplaats der
Preanger-regentschappen eenvoudig: _Tjanjor_, zooals 't woord in
dagelyksch spraakgebruik luidt. Ook elders achtte ik my ontslagen van
de poging om by 't spellen van inlandsche namen, het _geschreven_
javaansch of maleisch in onze karakters natebootsen. Ik schryf alzoo
voor: _aoerang, orang_. Voor: _prahoe, prauw_. Voor: _kahin, kain_,
enz. We hebben immers hier niet te doen met puristische _spelling_? De
eisch is 't weergeven--by benadering altyd--van den _klank_ zooals die
onder Europeanen in Indie gebruikelyk is.


70. _Djimats_ zyn briefjes of andere voorwerpen die uit den hemel
vielen om geestdryvers en boerenbedriegers aan 'n geloofsbrief te
helpen. _Tout comme chez nous!_ 't Getal der leveranciers van
Goddelyke Openbaringen is zeer groot, en apostelen en profeten van
deze soort zyn in geheel Azie nog altyd aan de orde van den dag.
't Verschil by vroeger eeuwen is maar dat ze tegenwoordig wegens
landloopery worden gestraft, en wel door dezelfde menschen die hun
voorgangers in vagabondage als Heiligen vereeren. Ziedaar nu 'n
stuitend gebrek aan rym in _myn_ oog!


71. _Garem glap_: smokkelzout. Het maken en verkoopen van zout is in
Indie _regie_. Er werd inderdaad aan de zuidkust van _Lebak_ veel zout
gemaakt, en 't was die arme menschen niet zeer kwalyk te nemen, als
men bedacht dat ze soms vele mylen te loopen hadden om 'n Gouvernements
debietplaats te bereiken, waar ze hoogen prys moesten betalen. My komt
het monopolizeeren van den zoutaanmaak onredelyk voor, en vooral wreed
jegens strandbewoners wien 't zeezout in huis spoelt.


72. Ook de hier bedoelde nota's van m'n vermoorden voorganger zyn nog
altyd in m'n bezit. Nooit vroeg iemand my, die te mogen zien. Me dunkt
toch dat ze, vooral met het oog op z'n dood, zeer treffend zyn. Zou
niet die zaak in elk ander land voor 'n _cause célèbre_ gegolden hebben?


73. Ook de hier bedoelde brieven bezit ik nog, doch slechts in
afschrift, dat evenwel door den toenmaligen klerk te _Lebak_ "_als
eensluidend met het origineel_" gewaarmerkt is.'t Was nooit iemand de
moeite waard er naar te vragen.


74. _Voornemen den Regent z'n voorschot kwytteschelden_. Dit is, na
het door den Gouv. Gen. Pahud ingesteld onderzoek werkelyk geschied.
Ook meen ik dat by die gelegenheid z'n traktement verhoogd is. Men
moet erkennen dat hierin een zonderlinge wys van rechtdoen omtrent
_my_ gelegen was! De gebleken gegrondheid myner aanklacht moest niet
my ten-goede komen, maar den persoon die door my was aangeklaagd.


75. _Abraham Blankaart te hollandsch voor 'n Duitscher_. En  ... voor
het tegenwoordig geslacht van Hollanders misschien ook. Hoevelen myner
lezers kennen die aardige figuur uit _Sara Burgerhart_?


76. Deze boutade tegen de orthodoxen mag, dunkt me, aanleiding geven
tot de opmerking dat de modernen, de liberalen, de  ... meer
verlichten--en zelfs de _ware_ vrydenkers--wel 'n voorbeeld mochten
nemen aan zekere oprechtheid van geloof, die zich by hun tegenstanders
in _daden_ openbaart. Indien er door sommigen even gul werd bygedragen
tot het verspreiden van licht, als door anderen tot het verdikken van
duisternis, zouden we sedert lang 'n groote schrede verder zyn. Zouden
de _geloovers_ my hebben laten zwerven en derven zooals 't geval
geweest is, indien ik _hun_ denkbeelden had aangehangen en verkondigd?
Immers neen. Hoera voor de oprechte geloovers!


77. _Ketimon_. Augurken, komkommers.


78. _Die geleerden!_ Een der nieuwste snufjes op 't gebied der
chemische voedingsleer, is van professor _Virchow_. Die scheikundige
beweert nu dat er niet de minste voedingskracht in bouillon zit. Ik
stel voor, hem op 'n diëet van uitgekookt vleesch te zetten, waarmee
hy zeer geleerdelyk tevreden wezen moet.


79. _Molière_. Ik stel dezen auteur thans veel minder hoog dan
vroeger, doch bewaar m'n opmerkingen dienaangaande voor 'n monografie
over dramatische litteratuur, waarvoor in deze _Noten_ geen plaats is.


80. _Miss Mata-apie_: juffer vuur-oog.


81. _Fotheringhay_. In sommige vorige drukken staat herhaaldelyk
_Fothineray_, 'n lapsus van den heer Van Lennep. In 't handschrift
stond noch 't een noch 't ander, maar: _Tower_. Dat was 'n lapsus
van _my_.


82. _Arles_ wordt gehouden voor 'n binnenlandsche kolonie van de
Massiliers, en _Massilla (Marseille)_ was door Phoeniciërs gesticht.
Dat de waarlyk typische schoonheid der vrouwen te _Arles_, daar beter
dan te _Marseille_ bewaard bleef, kan liggen aan de mindere vermenging
met vreemden. Op strandplaatsen als _Marseille_ verbasteren de rassen
zeer snel. Of de vrouwen te _Nîmes_--óók 'n marseillaansche faktory
--even schoon zyn als te _Arles_, is my onbekend.


83. _Datoe_: inlandsch Hoofd.


84. _Prahoe_: prauw, schuit, vaartuig, scheepje.


85. De oordeelvellingen over de hoedanigheden der verschillende rassen
die Insulinde bewonen, loopen zeer uit-een. Bevolking en Hoofden op
Sumatra zyn minder gedwee dan de Javaan, doch men vindt daar
mannelyker karakters. Zeker is 't, dat de Javaan niet geacht is op
Sumatra, en dat de echte Maleier die hem verachtelyk: _toekan makan
toekoe_ noemt--vraag de vertaling aan 'n neef uit de Oost--zich ver
boven hem stelt. 't Was 'n fout van den generaal Van Swieten, 'n
Javaan te gebruiken als onderhandelaar met de Atjinezen. Dat de
onverschrokken _Radhen_ die zich hiertoe leende, 't offer worden zou
van z'n bereidwilligheid en trouw, was te voorzien. Het doet me leed
dat z'n naam my ontgaan is.


86. De meeste Europeërs in Indie dragen weinig kennis van taal en
zeden der streken die ze niet bezocht hebben. De uitdrukking _Si Oepi
Keteh_--zooveel als: kleine jonge-juffer--werd door Duclari niet
verstaan. Men vergist zich gewoonlijk in Holland, door aan ieder "die
in de-n-Oost geweest is" algemeene kennis van indische zaken
toeteschryven.


87. _Ophir_. We vinden dezen naam op de meeste landkaarten,
en--waarschynlyk omdat de berg die er mee bedoeld wordt, ver uit zee
te zien is--op alle zeekaarten. Maar 't woord _Ophir_ is by de
inlanders onbekend. Ze noemen den berg die ongeveer in 't midden der
breedte aan 't land, even benoorden de linie ligt: _Goenoeng
Passaman_. Hoe dus de kartografen, die elkaar blykbaar hebben
nageschreven, de benaming _Ophir_ kunnen verantwoorden, begryp ik
niet. Een andere vraag is, of er verband mag gebracht worden tusschen
dezen berg, en de streken vanwaar de tyrische koning Hiram,
ten-behoeve van Salomo's tempelbouw, goud, ebbenhout en edelgesteente
halen liet? (I Kon. IX, 28. X, 11.) Het is zeer gewaagd dit op grond
van 'n enkel woord aantenemen. En bovendien, waar komt het woord
_Ophir_ vandaan? Wie heeft het eerst den _G. Passaman_ aldus genoemd?
De f-klank doet aan Arabieren denken. In de "_arabische vertellingen_"
wordt Sumatra door Sindbad den zeeman bezocht.


88. _Kiskassen_. Of dit woord uitsluitend te Amsterdam gebruikt wordt,
weet ik niet. In die stad beteekent het de eigenaardige huppelende
beweging die 'n zeer plat steentje, behendig geworpen, op de
oppervlakte van 't water maakt. Het beschryft, telkens even op 't
water rustende, al voortspringend een reeks van allengs korter
wordende bogen, en zinkt niet voor de kracht van den horizontalen worp
uitgeput is. De manier waarop sommige zeevogels, na op de golven
gerust te hebben, over 't water schuiven om vlucht te nemen, komt met
dat "kiskassen" overeen. Ook vliegende visschen scheren de oppervlakte
voor ze zich verheffen.


89. _Toewan kommandeur_. Op die plaatsen van Sumatra waar vroeger
engelsche vestigingen bestonden, worden de gezagvoerende beambten nog
altyd kommandeurs--_commodore_--genoemd. _Natal_ ging in den
"engelschen tyd" voor 'n punt van groot belang door, getuige het fort
dat veel te groot was voor de weinige manschap die 't in myn tyd--1842
--heette te bezetten.


90. _Krandjang_. Korf van _bamboe_, waarin de voor Nederland bestemde
suiker verscheept wordt. Tot ver in 't binnenland van Europa, ziet men
tegenwoordig het bamboezen vlechtwerk van die _krandjangs_--meestal
gekoolteerd--gebruikt tot heggen en dergelyke afsluiting.


91. _Pedatti_: javaansche kar. De eigenaardigheid van dit voertuig
was, dat het niet op raderen, maar, en wel op meewentelenden as, op
schyven rolde, die om de onpraktische primitiviteit te volmaken,
gewoonlyk den vorm hadden van 'n zeer onregelmatigen veelhoek. De
"chinesche kerk" te Batavia (_zie Noot 98_) hield den heer W.R. van
Hoevell voor den bekwamen schryver die zich onder den naam _Jeronimus_
niet verborg. Wel jammer dat deze publicist, gedeeltelyk uit gebrek
aan kennis van indische toestanden--by was volbloed Bataviaan--meer
nog misschien uit persoonlyke behoefte aan 'n schelle leus, zich door
den klank van 't woordje: _vry_, verlokken liet tot het ophemelen van
den zoogenaamd-_vryen_ Arbeid. Het wawelen over deze opgedrongen
_topic_ heeft, jaren lang de aandacht afgetrokken van hoofdzaken als
die welke in den _Havelaar_ behandeld worden en nog altyd aan de orde
blyven. Men zie hierover m'n beide brochures over _Vryen-arbeid_.


92. Zie noot 23.


93. _Onafhankelyke Rykjes in den Noordhoek_. Het aantal meer of min
onafhankelyke kleine vorsten in die streken is _legio_. Twee hunner
heb ik persoonlyk gekend, de _Toeankoe's_ of _Radjah's_ van _Troemon_
en van _Analaboe_, die me soms te _Natal_ bezochten, en wel tot groote
ergernis van den _Toeankoe_ dezer afdeeling. Een van die Hoofden
namelyk--'t is me ontgaan, wie van de twee--veroorloofde zich 'n zyden
doek om de lenden te slaan op 'n wyze die volgens de natalsche
heraldiek, 't distinktief was van meer hoogheid dan hem toekwam. Uit
deze en dergelyke kwestien over etikette en voorzitting vloeiden
twisten en vechtpartyen voort, die me soms veel hoofdbreken
berokkenden, daar de volgelingen van 't atjinsche Hoofd redelyk
strydbaar waren, en de Natalezen zeer prikkelbaar zoodra 't den rang
van hun _Toeankoe_ gold.

Over 't geheel werd _Natal_ zeer druk door Atjinezen bezocht, en ik
was ruimschoots in de gelegenheid eenige kennis van hunnen aard
optedoen, te-meer omdat de naïve _Si Oepi keteh_--een myner
menigvuldige eerste liefden--'n _Atjinesche_ was. Toch bezit ik geen
bouwstoffen voor 'n volledige karakterbeschryving, en ik durf alleen
--in tegenspraak met de velen die heden-ten-dage over Atjinezen
meespreken zonder ooit 'n Atjinees gezien te hebben--beweren dat zy
over 't geheel genomen _zeer veel goede hoedanigheden_ bezitten.
Ongetwyfeld namelyk zyn ze hooghartig en dapper. Dat, by gelegenheid
der oorlogsverklaring, 'n minister in de Kamer de Atjinezen heeft
durven afschilderen als schuldig aan _zeeroof_, bewyst slechts voor de
duizendste keer dat sommige sprekers geen laster te plomp keuren om by
dat kollegie hun doel te bereiken. Is de zeeroof in den indischen
Archipel afgenomen, sedert de atjinsche havens geblokkeerd zyn? Immers
neen. Indien ons gouvernement zeeroovers bevechten wil, laat het dan
den oorlog verklaren aan den Sultan der _Soeloe_-eilanden, aan de
_Illanezen_ op _Magindanao_, en eigenlyk aan àlle vorsten en volken
opdat groote eiland. Uit _die_ streken zwermen de vloten uit, die
sedert eeuwen de bezittingen der atjinsche Sultans, niet minder dan de
onze, op 'n brandschatting stellen, weinig minder schandelyk voor wie
ze betaalt dan voor den heffer. Dáár zou iets deugdelyks te doen
vallen voor onze Marine, of liever voor onze Landmacht, want het
beschieten van bamboezen gebouwtjes aan 't strand beteekent niet veel.

Maar de beschuldiging van zeeroof was onze edele staatslieden niet
voldoende. Om den zoo fyn zedelyken Nederlander te bewegen tot de
vereischte oorlogswoede--en fondsen-bewilliging!--werd hem in
diezelfde Tweede-Kamer de Atjinees voorgesteld als zoo heel in 't
byzonder overgegeven aan  ... onnatuurlyken wellust! My, die veel met
Atjinezen heb omgegaan, was daarvan nooit iets gebleken, misschien wel
omdat ik nooit in 't belang van carrière of pozitie vuile voorwendsels
noodig had om oorlog te maken. Aan hen die op dit punt zich zooveel
volkenkundiger toonen, vraag ik welke "reden van wetenschap" ze voor
hun liefelyke beschuldiging kunnen aanvoeren? In-allen-geval komt me
zoo'n aantyging tegen 'n vyand die doorslaande blyken geeft van
mannelykheid, nietzeer  ... mannelyk voor, en even onsmakelyk als
't bedoeld delikt zelf. Wat te zeggen van 'n Vertegenwoordiging die
millioenen voteert op voorstellen van ministers wien zùlke middeltjes
tot ophitsing niet te verachtelyk zyn? Dat overigens het nederlandsche
Staatsbestuur--een tot in 't merg verrot organismus!--de wapens zou
aangorden _in 't belang der zedelykheid_, is 'n koddig denkbeeld.

Wat eindelyk den tegenwoordigen oorlog aangaat, ik herhaal wat ik
elders zeide: _van Atjeh beging de nederlaag_. De toelichting van deze
stelling ligt _nu_ buiten m'n bestek. Ook lust het me niet, by
voortduring onbeloond les te geven aan de haagsche politici. _Zy_
worden door de Natie betaald om iets van de zaken te weten. Dat nu die
Natie by voortduring genoegen neemt met individuën die aan dezen eisch
niet voldoen, is myn schuld niet. Zéker is 't, dat nog geen enkele
maal de _onvermydelyke gevolgen_ der intrekking van 't geheim artikel
in het traktaat van 1824, ter-sprake gebracht zyn, noch in de talryke
brochures over deze zaak, noch in de tallooze dagbladartikelen die
haar behandelen, noch in de redevoeringen van ministers en "geachte
leden." Al die schryvers en sprekers bleven òf uit onbekendheid met de
toestanden òf om redenen van nog lager soort, voortdurend _à côté de
la question_. O. d. e. t. u. o. s. i. v. m. d. p. o. o. d. o. z. w. v.
m. a. o. f. d. z. t. m. d. k. v. s. t. g. h. d. z. d. d. o. v. a. i.
v. v. d. n. j. z. o. Mocht de lezer klagen dat ik hier in raadsels
spreek, hy bedenke dat m'n _Brief aan den Koning_ van September 1872
_niet_ raadselachtig was, en dat er van dat zeer duidelyk stuk geen
notitie is genomen. Als de minister van Kolonien my zeer beleefd
vraagt wat er ten-gevolge der zotte atjinsche kampagne te voorzien is,
zal ik hem voldoende inlichting geven, onder protest evenwel tegen de
onrechtvaardigheid dat _hy_ en niet _ik_ betaald wordt voor de zorg om
Insulinde voor Nederland te bewaren.

94. _Baleh-baleh_: bamboezen rustbank, brits. _Klamboe_: gordyn.


95. _Pajong_: Zonnescherm, distinktief van rang.


96. _Madame Geoffrin_. In 't handschrift stond: _Madame Scarron_, en
't komt me voor, dat de heer Van Lennep hier ten-onrechte iets
veranderd heeft. _Madame Geoffrin_, zeer ryk zynde, had niet noodig de
schraalte van haar disch aantevullen door vertellingen. Bovendien weet
ik zeker dat sommige schryvers de bekende anekdote op rekening van
_Madame Scarron_ stellen.


97. _Traoessa_: 't hoeft niet!


98. _Chinesche kerk_: het "_tout Paris_" der hoofdplaatsen in Indie.
De oorsprong dezer zegwys schynt te liggen in de _commérages_ die
oudtyds gehouden werden by 't uitgaan der protestantsche kerk in of by
de chinesche kamp te Batavia.


99. "_Wie sommige gebeurtenissen van naby gesien had_." In 1843 liet de
generaal Michiels op in 't oog vallend vexatoire wys de wegen in den
omtrek van Padang verbreeden. Voor niemand was het doel twyfelachtig: hy
had behoefte aan wat krygsroem om zich staande te houden als civiel
Gouverneur. De uitgelokte ontevredenheid openbaarde zich 't eerst te Pau,
in de nabyheid der hoofdplaats. Daar hadden, naar weldra publiek bekend
was, de samenscholingen plaats, waaruit de door ieder voorziene oproerige
bewegingen zouden--en moesten!--voortkomen. Ze werden niet terstond
tegengegaan: de vrucht moest rypen. Op zekeren nacht werd ik gewekt door
een bediende van den kapitein der artillerie J.J.M. de Chateleux. Hy liet
my roepen omdat zyn en myn vriend, de kapitein der infanterie Beyerman,
by hem gekomen was om van hem en my afscheid te nemen. Ik ging, en vond
B. in hoogst ernstige stemming. Geheel onverwacht had hy bevel gekregen
naar Pau opterukken: "om me daar te laten vermoorden" zeide hy. Hy _is_
er vermoord, dienzelfden nacht nog. Toen daarvan den volgenden morgen
bericht kwam, rukte de generaal aan 't hoofd van meer dan voldoende
krygsmacht uit. In 'n ommezien behaalde hy de lauweren en 't certifikaat
van onmisbaarheid waarom hy zoo dringend verlegen was. Arme Beyerman!

Zulk _en scène_ zetten van krygsbedryven door 't vooruitzenden van een
aan den dood gewyde kleine schaar behoorde onder de lyfkunstjes van
Michiels, doch eenig was hy niet in die misdadige kwakzalvery. Ze
speelt in veel veldtochten haar rol, en dit zal wel zoo blyven tot de
_kunst van lezen_ meer algemeen wordt. De koddigheid der advertentien
van goedkoope boeken en allesgenezende pillen zinkt in 't niet, by de
hansworstige leugens waarop sedert eeuwen sommige krygsoversten gewoon
zyn hun betalende kommittenten te onthalen. Terstond zyn er altyd
verzenmakers en geschiedschryvers by de hand om die zotte praatjes met
hun visa, "gezien en opgehemeld" te stempelen, en 'n reeks van
geslachten bauwen den aldus smakelyk gemaakten onzin na. Zie, als 'n
enkel staaltje--ik heb ze voor 't grypen!--m'n opmerkingen over de
hyperkrygskunstige slimmighedens van den prillen prins van Oranje by
_Quatre-Bras_. (IDEE 747, vlgg.)


100. Hier ben ik profeet geweest, helaas! Het grofste, 't onmogelykste
is niet te grof en niet te onmogelyk, zoodra 't dienen kan om iemand
die "uitsteekt" van de baan te dringen. In deze taktiek ontmoeten zich
de middelmatigheden van alle partyen. Er blykt uit den tekst dat ik
hiervan iets wist toen ik den _Havelaar_ schreef, maar toch was ik
niet profeet genoeg om te voorzien dat men de karakterschets van
Publiek, die ik slechts als _boutade_ gaf, maken zou tot _letterlyke_
waarheid. Wanneer ook hier Duclari my in de rede was gevallen met 'n:
"neen, dat is àl te sterk!" zou ik zeker de fout begaan hebben iets te
laten afdingen van m'n bittere opmerking, al bewees dan later de
uitkomst dat ik niet te veel gezegd had.


101. Het was in die dagen (1843) dat ik de "_Bruid daarboven_"
schreef. Dit stuk werd nog onlangs in den Haag, te Rotterdam, en
elders opgevoerd. Een van die voorstellingen woonde ik by, en m'n
aandoeningen waren zeer gemengd. Het wederzien van dien arbeid uit m'n
jeugd, van nu byna veertig jaar geleden, wekte meer herinneringen in
my op dan m'n gemoed verslikken kon. En dan 't nagaan van alles wat er
in en om my voorviel gedurende dat lange tydvak van m'n gevuld leven!
Doch dit gaat den lezer niet aan. Met het oog evenwel op den ouderdom
van dat stuk heb ik 'n vraag te doen die, meen ik, sommige lezers wèl
aangaat. Is de _toon_ dien heden-ten-dage zekere publicisten tegen my
aanslaan, wel in overeenstemming met den eerbied dien we gewoon zyn
toetekennen aan ancienneteit in rang? Vindt men 't getal letter-
vruchten die in onzen stoomtyd meer dan het derde deel eener eeuw
beleven, zóó groot dat elk rekruut my mag toespreken _comme le premier
venu_? Hoe ikzelf over die "_Bruid_" oordeel, is bekend, maar 't stuk
is toch minstens even goed als de _Emilia Galotti_, als de _Kabale und
Liebe_, als de _Minna van Barnhelm_ als de larmoyante komedies en
_Lustspiele_ van Kotzebue, die nog altyd op 't repertoire staan.
In-allen-gevalle blykt er uit, hoe ik m'n tyd doorbracht in de dagen
toen 'n groot deel van hen die me tegenwoordig als hun gelyke meenen
te mogen behandelen, nog--en misschien niet eens nog!--op de schoolbanken
zaten. _Suum cuique_, heeren! (_Zie hierover de noten 65 en 115_.)


102. Die redakteur heeft later als minister 't zyne bygebracht om den
toestand in Indiën onhoudbaar te maken. Van al de duitenplateryen
waarmee hy Kamers en Natie eenige jaren aan de praat hield, noem ik nu
alleen de fameuze komptabiliteitswet, 'n monument van bureaukratische
onbruikbaarheid, en als zoodanig de getrouwe afspiegeling van den man
zelf. Hy was 't ook die zoo byzonder veel bydroeg tot de verlamming
van 't gezag in de binnenlanden, door de splitsing van rechterlyke en
besturende macht. (_zie Noot 13_) Die uitverkorene van de Natie heet
E. de Waal, en bekleedt natuurlyk 'n aangenaam plaatsjen op den
pensioenstaat.


103. De toenmalige Algemeene Sekretaris der indische Regeering, Mr C.
Visscher.


104. Ik meen hier blyken te geven dat de eischen der kunst ten-aanzien
van de _maat_ der optewekken aandoeningen, of liever van de daartoe
strekkende middelen, my eenigszins bekend waren. Ook beweer ik in den
_Havelaar_ zelf (zie, byv. blz. 288)(zie alinea met: "Ik heb 't slot
der geschiedenis van _Saïdjah_ ...", M.D.) my aan die eischen te hebben
gehouden. Juist omdat ik _minder_ akeligheid schilder dan uit de
geschetste omstandigheden blykt voorttevloeien, is de indruk der
_Saïdjah_-epizode zoo algemeen en zoo diep geweest, en alzoo is de
beschuldiging van "overdryving" een fout op 't gebied der kritiek. Dit
wat _kunstbesef_ aangaat. En wat de _feiten_ betreft die in den
_Havelaar_ vermeld worden, ook daarin blyf ik _beneden_ de waarheid.
Ik roerde niets aan dan wat ik--thans nog!--_bewyzen_ kan, en dus
volstrekt nog 't ergste niet. Wie nu, om den indruk van m'n pleidooi
te ontzenuwen, z'n toevlucht neemt tot de afgezaagde en goedkoope
beschuldiging dat ik "overdreven" heb--in den grond eigenlyk slechts
'n oneerlyk-vermomd erkennen van de waarheid!--gelieve te zeggen:
_wat, waarin, hoe, in-hoe-ver?_ Hiertoe dan ook sommeerde ik
herhaaldelyk Duymaer van Twist, den man die beter dan iemand by-machte
wezen moest my tegentespreken, _indien_ er iets op myn beweringen viel
aftedingen. Hy evenwel durfde niet eens van "overdryving" spreken, en
bepaalde zich tot het verwyt dat ik zooveel talent had--in zyn oog 'n
fout zeker--en dat-i zwygen zou uit vrees voor den schyn van
partydigheid. En met zulke jongensachtige uitvluchten namen Kamer en
Natie genoegen! Is dit _Recht_, Nederlanders?


105._ Boekten van den Tjioedjoeng_. Deze rivier draagt naar die vele
bochten z'n naam. _Tji_: water. _Oedjong_: hoek. 't Woord _Rangkas_
beteekent een door zulke bochten omarmde streek lands. _Betoeng_ is
'n bamboesoort.


106. _Sambal-sambal_: allerlei toespys, 'n keukenvak waarin Indiën
uitmunt. De beschryving van de _sambals_ die daar in gebruik zyn, zou
boekdeelen vullen. In welvarende familien vordert dit onderdeel van 't
dagelyksch _menu_ de uitsluitende zorg van 'n bediende, en by ryken is
één persoon daartoe zelfs niet voldoende. Als grondstof dient al wat
eetbaar is, zooveel mogelyk onkenbaar gemaakt, en ook veel dat
oningewyden _niet_ eetbaar voorkomt, byv. onrype vruchten en bedorven
vischkuit. Het bereiden van al die gerechten volgens de regelen der
kunst, vereischt 'n ware studie. Ook is er voor _baren_ (nieuwelingen)
soms eenige oefening noodig om ze smakelyk te vinden, maar ingewyden
geven aan de indische keuken de voorkeur boven de velerlei soorten van
europesche tafels.


107. Zoodra in 1873 het geheim traktaat met Engeland van 1824, dat ons
tot eenige bescheidenheid verplichtte, was ingetrokken, werd de oorlog
verklaard. Men zou misschien hieruit mogen opmaken, dat m'n oordeel
over den Generaal Michiels van algemeener toepassing is, dan ikzelf in
1842 gissen kon.


108. De later tot Gouverneur-Generaal benoemde Mr P. Merkus.


109. _Jang (njang) di Pertoean_: hy die _heerscht_. Als ik me niet
vergis, is er op geheel Sumatra slechts één Hoofd dat dezen titel
draagt. _Toeankoe's (myn-heer, mon-seigneur)_ zyn er velen. Beide
benamingen zyn _maleisch_--de laatste sylbe van 't woord _Toeankoe_
komt me zelfs _javaansch_ voor--en daar de _Jang di Pertoean_ zeer
speciaal 't voornaamste Hoofd is in de _Battahlanden_, schynt die
waardigheid oorspronkelyk door maleische overweldigers ingevoerd te
zyn. De wortels der benamingen van autochthoone waardigheden en titels
moeten altoos in de oudste taal des lande gezocht worden. Ze zyn
slechts van eenigszins jonger oorsprong dan onwillekeurige geluiden
die door uitwendige oorzaken aan long en keel ontsnappen, dan de
velerlei benamingen voor _water_, dan de aanduiding van terrein-
accidenten of natuurverschynselen, en dan de algemeene klanknabootsing.


110. Zie Noot 37.


111. _Tout comme chez nous!_ De katholiek die vast en zeker gelooft
dat de H. Maagd zich de moeite gaf 'n boodschap te komen brengen aan
'n hysterisch landmeisje te _Lourdes_, spot met den islamiet die
beweert 'n visite of brief ontvangen te hebben van Mahomed. En de
protestant, lachende om den katholiek die boodschappen uit den hemel
krygt, voelt zich zeer gesticht door 'n preek over den Engelenzang te
Bethlehem. Waarom neemt men 't my euvel, dat ik al die soorten van
domheid op één lyn stel?


112. _Padries_ noemden wy in de wandeling de _Atjinezen_ die toen kort
tevoren de _Battahlanden_ tot den _Islam_ bekeerd hadden. 't Woord zal
wel _Pedirees_ moeten beduiden, naar _Pedir_, een der minst
onaanzienlyke staatjes van _Atjin_. Ook 't woord _Atjin_ is 'n door
't spraakgebruik gewettigde verbastering. Van _Atjeh_ maakten we
_atjehnees_ of _atjinees_, waardoor 't grondwoord zelf in _Atjin_
veranderde. Litterarisch purisme komt hier niet te-pas.

De blyken overigens van 't in den tekst aangeroerd fanatismus loopen
in 't ongelooflyke. Men moet evenwel erkennen dat de invoering van den
Islam--die tevens vermeerdering van zoutgebruik ten-gevolge had--grooten
afbreuk heeft gedaan aan 't menscheneten. Dat deze hebbelykheid nog in
de buurt van _Penjaboengan_--'t centrum van ons gezag in de _Battahlanden_
--zou bestaan hebben tydens Ida Pfeifer die streken bezocht (1844? 1845?)
houd ik voor 'n leugen. Zy knoopt aan de ontmoeting die ze te-dezer-zake
beweert gehad te hebben, een anekdote vast, die den stempel der onwaarheid
op 't voorhoofd draagt. Men zou háár gespaard hebben, vertelt ze, om-den-
wille der grappigheid van haar opmerking: dat zy 'n "bejaarde vrouw en dus
te taai" was. Toen zy, eenige jaren na my, met _Battahlanders_ in aanraking
kwam, was de anthropophagie in die streken uitgeroeid, en wel door den
invloed van dezelfde volkeren die we thans in naam der beschaving
beoorlogen. Wanneer heeft _Nederland_ ooit met _zyn_ godsdienst en met
_zyn_ wapens, in 'n ommezien tyds een ganschen volksstam van kannibalen tot
rustige menschen gemaakt?


113. De _Rappatraad te Natal_ bestond uit de voornaamste inlandsche
Hoofden der Afdeeling, met den Civiel-gezaghebber als voorzitter. Door
dien Raad werden niet alleen civiele kwestien en krimineele zaken
afgedaan, maar tevens politische aangelegenheden behandeld. Tot het
ten-uitvoer leggen der geslagen vonnissen was slechts het "fiat
exekutie" van den Resident te _Ayer-Bangie_ noodig, gelyk uit den
tekst blykt. De afleiding van 't woord _Rappat_ is me onbekend. Het
schynt slechte op _Sumatra_ in gebruik te zyn.


114. _Sewah_: het wapen van de bewoners dezer streken, gelyk op Java
de _kris_. De _jewak_ is 'n eenigszins kromme dolk met zeer klein
gevest en de snede aan de binnenzy der kromming. De oorspronkelyke
bedoeling met dezen vorm zal wel geweest zyn, dat de greep geheel in
de hand kan verborgen worden, terwyl de zeer stompe rug van 't wapen
tegen den pols rust, en door den arm bedekt wordt. De aangevallene
bemerkt alzoo niet dat z'n tegenstander gewapend is, voor deze hem, na
'n eigenaardige vlugge beweging van pols en arm in drie _tempo's_,
treft. Geheel afgescheiden van deze geschiktheid tot moordtuig, is de
_sewah_ 't distinktief van vryheid en mannelykheid. Wie 'n maleisch
Hoofd gevangen neemt--gelyk volgens blz. 203 (zie alinea: "Maar ik weet
meer dan dat alles ...", M.D.) in de daar beschreven omstandigheden m'n
verdrietige taak was--vordert hem z'n _sewah_ af.

Een ander wapen op _Sumatra_, dat elders niet bekend is naar ik meen,
heet _krambièh_--ik spel op 't gehoor af--en dient uitsluitend tot
moordtuig. Het is kleiner en veel krommer nog dan de _sewah_. De greep
bestaat uit niet veel meer dan 'n ringvormige opening waarin de
moordenaar z'n duim steekt, terwyl 't lemmet geheel in of achter de
hand verborgen blyft.


115. Ik geloof dat deze opmerking van den braven Duclari niet
ongegrond is, en durf daarop wyzen in-verband met de _soort_ van
wapens waarmee ik thans, _acht-en-dertig jaren_ na de in den tekst
beschreven voorvallen, word aangetast. Het laat zich begrypen dat
lieden die behoefte hebben aan 't verscheuren van myn naam om wat
opgang te maken, zich aan zoo'n armzalig hulpmiddel vastklemmen. Want,
ook naar den geest gesproken, is armoed 'n scherp zwaard, en 't ligt
in de rede dat dezulken geen besef hebben van hun gebrek aan
_ebenbürtigkeit_. Maar 't lezend Publiek moest niet zonder protest
gedoogen dat ik zoo straatjongensachtig wordt aangevallen. Wat hebben
de Van Vlotens e.d. ooit verricht, dat hun 't recht geven zou de mond
tegen my te openen? Men behoorde die heeren hun _Staat van dienst_
aftevorderen.


116. Een van die gesuspendeerde ambtenaren, de Resident A.L. Weddik,
werd gouverneur van _Borneo_. De adsistent-resident van _Padang_,
Schaap, is later gouverneur van _Makassar_ geweest. Ook myn voorganger
te _Natal_, de heer Van Meerten--een zeer bekwaam man, en de zoon der
bekende schryfster van dien naam--is in dienst gebleven, en werd
meermalen eervol bevorderd. In 't voorbygaan hier de opmerking dat de
benoeming van den heer Weddik tot gouverneur van geheel _Borneo_,
hoezeer bewyzende dat hyzelf tot het bekleeden van 'n hoog ambt
geschikt werd geoordeeld, eigenlyk slechts fiktie was, en de strekking
had om tegenover Engeland--_en de vele partikuliere Engelsche
fortuinzoekers!_--onze souvereiniteit over dat enorme eiland te
handhaven. De voor onze Regeering onverantwoordelyke vestiging van
Brooke te _Laboean_, bewyst dat die armzalige kunstgreep z'n doel
miste. Weldra zal 't met _Nieuw-Guinee_--dat tot Insulinde behoort
--ook zoo gaan. Nederlanders, ik zeg u dat daar loerende kapers op de
kusten zyn. En  ... de gouverneurs-generaal hebben in dit opzicht
minder schuld aan 't verregaand verwaarloozen der hun toevertrouwde
belangen, dan later misschien de geschiedenis meenen zal. In-stede van
hun veerkracht te kunnen besteden aan 't intakt houden van _Insulinde_,
moeten zy zich toeleggen op 't handhaven van hun gezag tegenover
ministers, Kamerpraatjes en onbevoegd hollandsch krantengeschryf. Het
uit de veranderingen in '48 voortgevloeid allemans-meekakelen werkt,
ook in Indie, _desorganizeerend_. Toch  ... "_leve de groote Thorbecke!_",
niet waar? 't Is bedroevend!


117. Op de afschaffing der--betrekkelyk humane!--_rottingstraf_, en de
nadeelige gevolgen van die tendentieuze filantropery zal ik elders
terugkomen.


118. In deze alinea wordt de Resident Brest van Kempen gunstiger
beoordeeld dan hy verdiende. Lang na 't schryven van den _Havelaar_
werd my door 'n onwraakbaar getuige meegedeeld dat de Resident Brest
van Kempen _een zeer byzondere reden_ had om den Regent te ontzien.
Ik wenschte dat my van bevoegde zyde naar die reden gevraagd werd.


119. Opmerking als in de _Noten_ 68 en 72.


120. Wat ik hier van de Regeering zeg, is na den _Havelaar_ van volle
toepassing geworden op de geheele Natie. Ze geeft voor, myn pogingen
tot verbetering te ignoreeren, en vindt het behoorlyk dat ik
vertellinkjes moet schryven om in leven te blyven. Maar de lieden die
by-voortduring haar misleiden met onwaarheid, worden geëerd, beloond,
met gezag bekleed, aan 't hoofd der zaken geplaatst. 't Volk _wil_
bedrogen zyn.


121. De bespottelyke angst voor 'n Inlandsch Hoofd wordt door de
residenten by de Regeering levendig gehouden _in hun eigen belang_,
en berust eigenlyk op  ...'n woordspeling. De waarheid is, dat wy in
't organismus van ons bestuur de _Inlandsche Hoofden_, niet kunnen
missen, d.i. het _stelsel_ waarin die Hoofden een zoo voorname plaats
bekleeden. Maar hieruit volgt volstrekt niet dat men een Inlandsch
Hoofd niet aan z'n plicht zou kunnen houden. Waar zou 't heen, als men
geen luitenant straffen of ontslaan mocht omdat men in 'n leger de
officieren niet missen kan?


122. De arme man heette Dongso, en heeft me later trouw gediend. De op
_Java_ tot dwangarbeid veroordeelde misdadigers vervallen in twee
klassen. Een gedeelte blyft op _Java_ zelf, 'tgeen als 'n groote
verlichting van 't vonnis beschouwd wordt. Te-werkstelling _buiten_
Java is den meesten een vreeselyke straf die niet zelden tot zelfmoord
dryft.


123. Toen ik in den tekst dit nummer invulde, was m'n voornemen een
karakterkundige analyse te beproeven van de wyze waarop myn streven
door m'n landgenooten is opgenomen. De _toon_ echter waarop dezer
dagen sommige publicisten my aanvielen, en het _terrein_ waarop zy
trachtten den stryd overtebrengen, weerhoudt me. Voor 't oogenblik
bepaal ik my te dien aanzien tot verwyzing naar de nummers 632, vlgg.
myner _Ideen_.


124. _Tikar_: matje. Het gebruik van fyn gevlochten matten op de
bedmatrassen, is in Indie vry algemeen, en wordt, omdat ze koel
blyven, voor gezond gehouden. Het vervaardigen van die matten en ander
vlechtwerk is in niet onbelangrijke industrie, waarin vooral de
_Makassaren_ uitmunten.


125. _Pukul ampat_: vier uur. Dit is de naam van 'n bloempje dat 's
namiddags op dat uur zich opent, en tegen den morgenstond zich weer
sluit. Dat _pukul_ (= slaan, slag. Hier: klokslag) moet worden
uitgesproken met de hollandsche _oe_-klank spreekt vanzelf.


126. _Saudien_ of _Soedien_ voor: _Si-Oedien_: een zeer dikwyls
voorkomende maleische naam. _Oedien_, _Oedin_ ('t arabische _Eddin_)
is waarschynlyk verwant met gelyksoortige noordsche benamingen in
Europa. Over 't zeer algemeene praefix _si_ ware veel te zeggen, meer
dan me thans de ruimte toelaat.


127. De gewone lezer houdt dit voor 'n fiktie. Welnu, ook hier schreef
ik de waarheid. De kommandant Duclari zag, des morgens by 't baden,
een lyk de rivier afdryven, en hy herkende den man die in zyn
tegenwoordigheid des avends tevoren zich by den adsistent-resident had
aangemeld met 'n klachte. De heer Carolus had hem doen gelasten den
volgenden dag op 't bureau te komen. Maar  ... er werd zorg gedragen
dat-i _niet_ terugkwam! Geheel afgescheiden van Duclari's getuigenis,
was 't Havelaar bekend dat dit de gewoonte was, _en dit wist ieder in
't Lebaksche_, de Resident Brest van Kempen zoo goed als elk ander.


128. _De wyze waarop_ Havelaar _te handelen had_. In de eerste plaats
was hy gebonden aan _eed_ en _instruktie_, twee faktoren die hem
volkomen denzelfden weg aanwezen als zyn karakter en de
menschelykheid. Maar ... hy zou te doen krygen met den nergens
beschreven "geest des gouvernements" waarvan z'n onmiddellyke chef de
zeer onderdanige dienaar was. Die "geest" wilde--niet dat er _Recht_
geschiedde, maar slechts--_dat de uiterlyke toestand rustig bleef_.
Ieder had het oog op _eigen_ welstand alleen, op bevordering, op
pensioen. Hoeveel Javanen men om dat doel te bereiken, straffeloos
moest laten uitplunderen en vermoorden, deed niet tot de zaak. Zóó de
Slymeringen, zóó de van Twisten! En dit keurt de Natie goed. Wel verre
van 't Havelaar dank te wyten dat-i zich opofferde om aan dien
onzedelyken toestand 'n eind te maken, gist de onbeschaamdheid zóóver
dat men thans begint hem z'n onbaatzuchtigheid aanterekenen als
_vergryp_. Hy had--als de anderen dus?--eerst z'n tyd moeten uitdienen
om pensioen te krygen! M.a.w. hy had moeten deelnemen aan de
schelmery, om ten-slotte z'n onwaardig leven te eindigen als kollega
van Van Twist! Hoe onbeschaamd ook deze stelling wezen moge, ze heeft
de verdienste van oprechtheid, of van brutale openheid althans. Wie ze
verkondigt, is voorzeker 'n slecht wezen, maar  ...'t deert hem niet
dat men 't weet. _A la bonne heure_, zeer godgeleerde doctor Van Vloten!

Minder bevalt my de huichelary van de velen die Havelaars handelwyze
subliem vinden, o ja, maar geen hand uitsteken voor de zaak die hy
verdedigt. Men behoorde den moed te hebben zyner gewetenloosheid.


129. Men zie hierover in de _Minnebrieven_: Vraagpunten aan den
kontroleur, § 18.


130. Als boven, § 11.


131. _Beginselen van bestuur die ten-laatste zullen zegevieren_. Ik
erken dat dit er tot-nog-toe weinig naar gelykt. Het sprookje dat er
na 1860 in Indie zooveel zou verbeterd zyn, behandelde ik reeds op
blz. 344. (alinea met: "Zoo volgde na elk versleten experiment.", M.D.)
Wat--onder veel andere redenen--alle verbetering in den weg staat, is
onze Kieswet. Het bederf in den Staat (IDEE 286) _dat thans allerwege
erkend wordt_, is niet te genezen voor we van dat immoreel en onpraktisch
thorbeckiaansch vod verlost zyn. Geheel afgezien van de _indische zaken_,
is deze waarheid ook op Nederland zelf van volle toepassing.


132. Wil men dit "_zelfs_" opvatten als sarkasme, my wel! Eenvoudige
waarheid is, dat weinig koningen groot genoeg zyn om iets groots naast
zich te dulden. De meesten zelfs hebben behoefte aan 't _byzonder_
kleine. De afschuw van uitstekendheid gaat niet zelden boven 't
eigenbelang, en menig hooggeplaatst persoon ziet liever z'n eigen
zaak--en die van 't algemeen!--te-gronde gaan, dan dat hy iemand
naast zich stellen zou, wiens verdiensten de zyne overschaduwen. Deze
waarheid uit is oud, en--hoe treurig ook--niet onbegrypelyk. Maar dat
'n geheel Volk, wiens belangen daardoor worden verwaarlooosd, genoegen
neemt met zoo'n domme jalouzie, komt me vreemder voor. Ook hier alweer
staat onze Grondwet alle verbetering in den weg. De koning mag  ...
_niets_ wezen. 't Zy zoo! Doch waarom toch de bepalingen omtrent
gezagsverdeeling zóó ingericht, dat-i by-voortduring in z'n omgeving
niet veel anders te aanschouwen krygt dan middelmatigheid? Men moest
zoo'n armen Koning dan toch de kans laten dat-i eens eindelyk iemand
naast, onder of boven zich kreeg, die wat meer beteekende dan te
verwachten is van uit de _Kamer_ voortgekropen ministers. Sommigen
beweren, naar ik hoor, dat onze Koning by de Natie niet geacht is.
Of 't waar is, weet ik niet. Ook niet of hy achting verdient. Maar
eilieve, meent men dat het omgekeerde mogelyk is? Dat die Koning de
_Natie_ achten kan, volgens de stalen die hy dagelyks van haar onder
de oogen krygt, en die hem _nota bene_ worden opgedrongen als de
_élite_ van 't Volk? Hoe overigens dit alles inwerkt op de benoemingen
van Landvoogden voor _Insulinde_, heeft de ondervinding voldoende
geleerd. Voor dat ambt--het gewichtigste in den Staat!--blykt ieder
goed genoeg te wezen, mits hy maar passe in 't kader van de _clique_
die vandaag toevallig op 't kussen zit. Hierover 'n hoofdstuk in den
nieuwen druk van "_Specialiteiten_."


133. Zekere kontroleur Bauer werd, heel in den beginne der regeering
van Van Twist, uit 's Lands dienst ontslagen: omdat-i geschenken had
aangenomen "_niet strekkende om zich te verryken_." Ik ontleen de
onderstreepte woorden aan 't Besluit zelf. Ziedaar de echte
huichelende moraliteitspreutsheid! Van Twist die gezworen had "de
bescherming van den Inlander als z'n eersten plicht te beschouwen" mag
dien plicht verwaarloozen en toch z'n traktement in ontvangst nemen,
maar 'n kontroleur die "_niet om zich te verryken_"en dus zonder 't
minste uitzicht op 't grondbezittend lidmaatschap in de Eerste-Kamer,
zich 'n bos _pisang_ laat opdringen, wordt met schande weggejaagd! Ik
zou ver loopen om iemand te zien, die 'n plaats bekleedend by
Binnenlandsch Bestuur, zich nooit schuldig maakte aan de vreeselyke
misdaad die den heer Bauer werd ten-laste gelegd. Gelyk ik reeds in
den tekst opmerkte, behoort het aanbieden van geschenken als de hier
bedoelde, beschouwd te worden als 'n _groet_, als 'n _plichtpleging_,
als uitdrukking van _beleefdheid_ volgens de zeden van 't Land. Dat
ik, in-weerwil hiervan, het aannemen van geschenken afkeur--gelyk uit
het aanhalen der Oostersche vertelling op blz. 212 (Zie de alinea die
begint met: "Het komt my echter voor" M.D.) voldoende blykt--doet nu
niet tot de zaak. M'n bedoeling is de huichelary van den Landvoogd in
't licht te stellen, die aan zulke kleinigheden z'n deugd verspilde,
en onverschillig toezag dat de aan _zyn_ zorg toevertrouwde inlanders
uitgeplunderd en vermoord werden. Het was dezelfde Van Twist, die de
_door hemzelf_ afgeschafte wyze van werving voor 't indisch leger weer
invoerde! De brave man meende dat zy "_den toets der zedelykheid niet
kon doorstaan_." Heel juist! Onnoozele javaansche jongens werden _van
Regeeringswege_ door onderofficieren, met behulp van _dobbelspel en  ...
hoeren_ in 't net gelokt. Zeker, zeker, dat kan inderdaad den "toets der
zedelykheid" niet doorstaan! Maar wèl kon 't den "toets der zedelykheid"
van den godvruchtigen Van Twist doorstaan, _deze wyze van werving weer
intevoeren_(*) en die man is in Nederland "geacht." Zal 't niet by zulke
toetsverhoudingen weldra 'n eer worden, tuchthuisboef te zyn?

(*) Voor den tienden maal sommeer ik den "_Oud-officier van 't Indisch
leger_" die in de N. Rott. Cour. deze bewering 'n "onwaarheid" noemde,
z'n laster intetrekken. Zie overigens een der Noten op _Idee_ 534.


134. De naam _Saïdjah_ is met 'n kleine letterverzetting ontleend aan
den "Staat van gestolen buffels" in de _Minnebrieven_. Daarin vindt
men ook de namen der dorpen _Badoer_ en _Tjipoeroet_.


135. Myn berekening van wat er in Indie verloren gaat onder de
Regeering van één Gouverneur-generaal "die z'n plicht niet doet"
is--als gewoonlyk, we kennen dat!--_overdreven_ genoemd. Weinigen
hebben besef van de kracht der vermenigvuldiging. Ook Droogstoppel
stond verbaasd toen-i over dit onderwerp iets aantrof in Sjaalman's
pak. Ik vraag aan hen die zich zoo makkelyk van de zaak afmaken: _hoe
hoog dan_ VOLGENS HUN MEENING _'t bedrag is, waarop één gouverneur-
generaal van de soort der_ Van Twisten--en hy was de ergste niet!--_aan
de Natie te staan komt?_


136. _Orang Goenong_: bergbewoner, doch op Java zeer speciaal de
bewoner der bergen in den westhoek. 't Woord _aliforoe, alifoeroe,
harifoeroe_ (alfoer) heeft in den noordhoek van _Celebes_, in den
geheelen _molukschen_ Archipel, en op _Nieuw-Guinee_, dezelfde
beteekenis, of althans die van _bewoner der binnenlanden_. 't Is dus
eigenlyk geen volks- of stamnaam, gelyk door sommigen gemeend wordt,
maar wordt--evenals 't woord _Nederlander_--dikwyls als
zoodanig gebruikt.


137. Uit gebrek een ruimte, en tevens omdat de hier behandelde zaak in
nauw verband staat met de meerendeels zoo onjuiste begrippen over
_bevoegdheid in 't algemeen_, wil ik hier over dit onderwerp niet
verder uitweiden. Ik verwys naar den laatsten druk der "_Specialiteiten_."
(Delft, by Waltman.)


138. _Kendang_: omheining van ruw paalwerk.


139. Frits had allerlei vragen gedaan, zegt Droogstoppel. Van die
vragen kwamen er in 't Hs. 'n paar voor, maar de heer V. Lennep heeft
gemeend ze te moeten supprimeeren. Waarom? Toch niet omdat de
Wawelaars verlegen zitten met het antwoord? 't Komiekste is dat V.L.
zelf, hier hofmakende aan 't bekrompenst bygeloof, dikwyls met de
bybelsche vertellingen den spot dreef. Hy hield van Voltaire meer dan
ik, en was zeer in z'n schik als men hem zeide dat-i op dien
oppervlakkigen denker geleek, wat in z'n laatste levensjaren werkelyk
't geval was. Dat hy, in-weerwil van deze geestesrichting, toch geen
vryheid voelde Frits te laten vragen: "_vanwaar toch Noach z'n
ysbeeren voor de Ark gehaald had?_" e.d. bewyst, dunkt me, de
gegrondheid myner opmerking in de noot op blz. 357 (Noot 11, M.D.).
Z'n orthodoxe vriendjes te Amsterdam mochten niet gekrenkt worden in
hun keukenmeidengeloof. Gelukkig dat het aantal ongerymdheden in den
bybel zoo groot is, dat niemand verlegen hoeft te staan om de hier
gesupprimeerde "neuswyzigheden" van Frits met _beliebige_ uitbreiding
aantevullen.


140. _Sluis_ in-plaats van _steenen brug_, is werkelyk 'n
eigenaardigheid in 't amsterdamsch. Van dien aard hoort men er velen,
daar zoowel als elders. De woorden, _gracht_ en _wal_, byv., worden
dikwyls verwisseld. Men woont _op_ de gracht, en werpt iets _in_ den
wal. Opmerkelyk is in de laatste spreekwys het onbewust terugkeeren
tot de oorspronkelyke beteekenis van 't woord, daar wal een der zeer
vele klanken is, waarmee men 't begrip: water aanduidde. (_wal_visch,
nar_wal_, _wal_rus = walros: zeepaard.) Op analogische wys veranderde
het woord _dyk_ van beteekenis, en misschien ook: _dam_. Zoo ook, maar
in omgekeerde richting, de woorden _tuin_ en _gaarde_. Gedurende den
loop der eeuwen verwisselde men telkens de benamingen van 't contenant
en 't contenu. Dat nu, om weertekeeren tot Droogstoppel's amsterdamismus,
't woord _sluis_ oorspronkelyk niet uitsluitend de beteekenis had van
_waterkeering_, ligt in de rede. Het is van den met zooveel nakroost
gezegenden wortel _kl_ of _sl_, die eerst het begrip _roepen_, daarna
dat van _sluiten_ en _heerschap_ uitdrukte. Zie hierover eenige
opmerkingen in den Vn bundel _Ideen_, waar evenwel de stof op verre na
niet uitgeput is. De vruchtbaarheid der Israelieten haalt niet by den
rykdom aan kroost van de klanken _kl (sl)_ of _lk (ls)_. Ik meen
ten-slotte dat het ware woord voor _sluis_ in den zin van waterkeering,
is: _zyl_ of _ziel_, doch daarvan kon ik tot-nog-toe de etymologie niet
opsporen.

(1881). _Zyl (zl)_ zal wel van denzelfden wortel stammen.


141. Ik geef hier by-een de verklaring van eenige maleische woorden,
idiotismen en eigenaardigheden, die in de epizode van _Saïdjah_
voorkomen.

_Lombong_: bergplaats voor ryst en padie. Meestal is ze buiten 't huis
tegen een der wanden aangebouwd.

_Kris_, 't _volksthümliche_ wapen van den Javaan, dat als zoodanig by
z'n volslagen kleeding behoort, gelyk by ons in vroeger tyd de degen.
Het is 'n slangvormige platte dolk, met zeer kleinen greep. Gewoonlyk
zyn de krissen van reepen week yzer in-eengesmeed--damastwerk
alzoo?--en daarna met behulp van buffelhoeven gestaald. Ze werden voor
roest bewaard door 'n inwryving met _djerook_ ('n citroensoort) met
_arsenicum_, dat aan 't yzer 'n eigenaardig doffe tint geeft. Het
bygeloof beweert dat men, 'n kris willende bezien, die _geheel-en-al_
uit de schede moet halen. Wie 't slechts gedeeltelyk doet, stelt zich
bloot aan groot ongeluk. Over betooverde krissen, e.d. zyn tallooze
vertellingen in omloop.

_Poesaka_: erfstuk, hier--gelyk dikwyls--in pieuzen zin genomen.

_Sawah_: door kunstmatige bewatering toebereid rystveld, in
tegenstelling van _gagah's_ en _tipars_, rystaanplantingen die wat de
bevochtiging aangaat, rechtstreeks van den regen af hangen.

_Klamboe_-haken. _Klamboe_ is gordyn. In de platte, zeer breede haken
waarmee ze worden opgehouden, heerscht eenige weelde. Ook by den
minstwelvarende zyn ze toch gewoonlyk van messing.

_Patjol_: 't werktuig dat de Javaan als spade gebruikt. Het blad zit,
als 't yzer van 'n houweel, loodrecht op den houten steel. Er wordt
dus mee _gehouwen_, niet _gespit_, 'n eigenaardigheid die misschien
hieruit voortvloeit, dat de inlander blootvoets gaat.

_Oeser-oeseran_. 't Woord wordt in den tekst verklaard. Vermeende
byzonderheden in den loop van zulke haarkringen, vooral wanneer ze
zich vertoonen op den kruin van 'n kind, leveren stof tot allerlei
voorspellingen. Zie, byv. blz. 121. (Zie alinea die begint met: "De
Adhipatti bezag het hoofd", M.D.)

_Penghoeloe_: priester.

_Ontong_: geluk, voordeel.

_Galangans_: smalle dykjes die 't water op de _sawahs_ houden.

_Allang-allang_: riet, reuzen- of _prairie_-gras. Het is vaak zoo hoog
dat 'n man te paard er zich in verbergen kan. De benaming op _Sumatra_
is _riemboe_, wat daar ook _wildernis in 't algemeen_ beteekent.

_Sarong. Batik. Kapala_. De _sarong_ is 't eigenaardig kleedingstuk
der Javanen, mannen en vrouwen beide. Het is een van _kapok_ geweven
lap, welks einden aan elkander genaaid worden. Het gebruik van zyde is
uitzondering. Een dezer einden heet _kapala_, d.i. _hoofd_, en is
beschilderd met 'n breeden rand, gemeenlyk uit tegen elkander
inloopende driehoeken bestaande. Dit "schilderen" heet _batik_, en
geschiedt uit de hand. Het weefsel wordt te-dien-einde op 'n raam
gespannen, en de verf is in 'n werktuigje van blik dat--zeer verkleind
--den vorm heeft van 'n trekpot of antiek lampje. _Sarongs_ zonder
_kapala_, en welker einden niet aan-eengenaaid zyn, heeten
_slendangs_. Men draagt deze kleedingstukken om de heupen, en de
mannen schorten ze meer of min, ja soms geheel-en-al, op. Ook wordt de
_slendang_ dikwyls geheel tot gordel saamgerold, in welk geval de
mannen een broek dragen, zeer tegen de eigenlyke javaansche gewoonte,
'twelk meer en meer de overhand neemt by de Javanen die veel met
Europeërs in aanraking komen. Als 'n byzonderheid mag opgemerkt
worden, dat het gebruik van broeken onder de _sarong_, door _vrouwen_,
alleen in den Noordhoek van Sumatra voorkomt. Ik althans heb deze
gewoonte slechts daar aangetroffen. Ze is van atjineschen oorsprong,
waarom dan ook die kleedingstukken den naam dragen van _serewah
atjeh_: atjinesche broek. Het vervaardigen daarvan is een der
voornaamste industrien in de rykjes waarmee we nu in oorlog zyn.

Wat overigens de _sarongs_ en _slendangs_ aangaat, sedert 'n dertigtal
jaren leggen zich europesche fabrikanten toe op 't namaken van 't
javaansche _batik_, en er worden dan ook jaarlyks voor millioenen in
dat artikel omgezet. Toch wordt het dragen van 'n _gedrukten kain_
(_kahin_: kleed, de generische naam voor al zulke kleedingstukken)
steeds voor 'n blyk van armoed of althans van geringer welvaart gehouden.

_Mata-glap. Amokh_. 't Woord (_matah-glap_ = verdonkerd oog) duidt den
toestand aan van iemand die in razerny alles wat hy ontmoet neervelt,
tot hyzelf verslagen wordt. Ik noemde 't ergens 'n "zelfmoord in
gezelschap" en weet er nog altyd geen beter naam voor. De ongelukkige
die door deze woede wordt aangetast, kent vriend noch vyand. Oorzaken
zyn gewoonlyk òf minnenyd, òf lang opgekropte wrevel over mishandeling.
De Javaan is, als de meeste andere Inlanders, uit den aard zachtmoedig
en inschikkelyk. Al te diep gegriefd, of _te_ lang verongelykt, berst
z'n woede in _amokh_ uit. Dat evenwel ook de _amfioen_ (opium) hierby
'n rol speelt--'tzy als oorzaak der kwaal, 'tzy als opwekkend hulpmiddel
tot het botvieren van de woede--spreekt vanzelf.

_Atap_: 'n soort van waterpalm welks bladen tot dekking van geringe
huizen gebruikt worden.

_Bendie_: chais, tilbury.

_Djati. Ketapan_. Twee soorten van groote boomen. De eerste levert 'n
zeer duurzaam hout. Waarom botanici hem den naam van _quercus indica_
gegeven hebben weet ik niet, daar hy geenszins met onzen eik
overeenkomt. "_Kajatenhout_" is pleonastische verbastering van
_kajoe-djati_ = _djatihout_.

_Melati_. Een klein wit bloempje met sterken jasmyngeur. Het speelt,
als by ons de roos, 'n groote rol in balladen, sagen en legenden.

_Rystblok_. Zware houten trog waarin de _padie_ door stampen ontdaan
wordt van den bolster. Dat stampen heet--klanknabootsing alweer!
--_toembokh_.

_Toedoeng_, zie Noot 31. De bepaling van 't uur, naar den schaduw die
_Saïdjah's toedoeng_ teekende op zyn gelaat, is 'n indiïsmus.

_Lalayang_: vlieger. Op Java vermaken zich niet uitsluitend kinderen
met dit speeltuig. Het heeft geen staart, en beschryft allerlei
slingeringen die door vieren, inhalen en rukken eenigszins bestuurd
worden door de persoon die de koord houdt. Het doel van 't spel is, de
koord van den vlieger der tegenspelers in de lucht te ontmoeten en
aftesnyden. Uit de pogingen die hiertoe worden aangewend, ontstaat als
't ware een gevecht dat zeer vermakelyk is om aantezien, en de
toeschouwers opwekt tot levendige deelneming. De door Saïdjah
veronderstelde mogelykheid dat "de kleine Djamien", zou getricheerd
hebben, is, wat de daartoe vereischte handigheid in 't werpen aangaat,
'n indiïsmus.

_Zout maken aan de zuidkust_. Zie Noot 71.

_Grooten mond hebben_, en: _vuur dooden_, zyn malayismen.

_Klaagvrouwen_. By 't sterven van 'n Javaan wordt vreeselyk misbaar
gemaakt, niet--zooals vroeger ten-onzent--door bezoldigde
_huilebalgen_, maar door verwanten, kennissen en buren.

_Spaansche matten_: zuid-amerikaansche _dollars_, waarschynlyk
dusgenoemd omdat in vroeger tyd het zeer omslachtige spaansche wapen
aan matwerk deed denken. Die waarop twee kolommen staan, de
zoogenaamde _pilaarmatten_, worden voor de besten gehouden, en gelden
zooveel als onze oude _zeeuwsche_ ryksdaalders, die misschien, wat
gewicht en gehalte aangaat, aanvankelyk naar spaansch model geslagen
werden. De "spaansche mat"--nu veelal van mexikaanschen muntslag--heet
in ons Indie "_ringgit_" en blyft nog steeds 'n zeer gewild betaalmiddel,
omdat de chinezen, die veel munt uitvoeren en in China versmelten, het
zilvergehalte op hoogen prys stellen.

_Kamoening_: fyn geel gevlamd hout, dat slechts door den wortel van 't
aldus genaamde kleine boompje geleverd wordt, en dus nooit groot van
stuk wezen kan. Het is zeer duur.

_Ikat-pendieng_. _Pendieng_ is de buikband zelf. _Ikat_: gemeenzame
verkorting in slecht maleisch van _pengikatan_, de agraaf daarvan.

_Pagger_ (ten-rechte _pagar_) beteekent _heg_. _Pagger_ is een van de
vele maleische woorden, die--evenals _pikelen_: dragen, _mandiën_:
baden, _soemah_: moeite, verdriet--burgerrecht verkregen in 't
hollandsch der Europeanen in Indie.

_Soesoehoenan van Solo_: de Keizer van _Soerakarta_. Hy geeft in z'n
officieele korrespondentie, aan den gouverneur-generaal, o.a. den
titel van "grootvader."

_Kondeh  ... gevangen in eigen strik_. Zie hierover noot 33. In de
engelsche vertaling van den _Havelaar_, heeft m'n beste Nahuys, zonder
erg gemeend in deze beschryving iets te mogen veranderen. Hy laat
Adinda's haren samenhouden door 'n lint, wat zeer onjavaansch is. Deze
blunder heeft my in den edinburgschen _Scotsman_ 'n vinnige berisping
op den hals gehaald van 'n hollandschen korrespondent--toevallig 'n
gewezen theekontraktanttokohouder en  ... rystopkooper, dat is:
woekeraar van de ergste soort, 'n ware javanenbloedzuiger--die daaruit
betoogt dat ik niet het minste verstand heb van indische politiek en
dat de inlander 't heel goed heeft.

_Pontianak_: spook dat zich in boomen ophoudt, en zeer gebeten is op
vrouwen, vooral zwangere. Ik weet niet of er verband bestaat tusschen
deze beteekenis van 't woord, en de naam der nederlandsche vestiging
op Borneo's Westkust.

_Oog van den dag_ voor zon: malayismus.

_Pelitah_: lampje.

_Rottan_ of _Rotan_: spaansch riet, rotting.

_Badjing_: javasche eekhorn. Dit beestje kwam me altyd kleiner voor
dan z'n europesche soortgenoot. Het laat zich gemakkelyk tam maken.

_Buikje_ voor maag: malayismus.

_Rottingstraf_. Onder den indruk van den _Havelaar_ is deze straf
afgeschaft, wat ik als 'n fout beschouw. Ook hier bevond men zich, als
gewoonlijk, _à côté de la question_. Indien er voor kleine delikten
gestraft worden _moet_, is rottingstraf doeltreffender, zedelyker, en
vooral  ... _menschlievender_, dan 't opsluiten in 'n gevangenis of de
ten-arbeidstelling aan publieke werken. Zie over dit laatste,
blz.[xxx] (zie alinea met: "Het gering aantal lieden ...", M.D.).
Het doet me leed, hier geen ruimte te hebben deze zaak breeder te
behandelen, gelyk eerst myn voornemen was. Ik bepaal me tot de verklaring
dat de afschaffing der rottingstraf naar aanleiding van den _Havelaar_,
in-verband met het _opzettelyk verwaarloozen der hoofdstrekking van dat
werk_, een escobarsche huichelary is. De Natie heeft zich alweer dat zand
in de oogen laten strooien. Het weder invoeren van de rottingstraf in
Indiën is _in 't belang van den Javaan_ dringend noodzakelyk.

_Boaja_: kaaiman, 'n krokodillensoort. Dat offeren geschiedt door 's
avends wat ryst en andere spys in een bamboezen korfjen of bakje dat
van 'n lichtje voorzien is, met den stroom te laten afdryven. Als er
wat veel op de rivieren geofferd wordt, leveren die zachtkens voort-
schuivende vuurpunten 'n aardig gezicht op.


142. Ik verneem dat men thans bezig is, ook elders dan in _Bantam_
"persoonlyk grondeigendom" intevoeren. De zaak is van hoog belang,
doch zal waarschynlyk schipbreuk lyden op de moeielykheid om de
_gemeenschappelyke_ bewatering van rystvelden te regelen. Ik erken op
dit oogenblik niet te weten hoe dit in 't Bantamsche geschiedt.
Behalve deze zaak, die voor Java levenskwestie is, zullen er
maatregelen dienen genomen te worden om den _onmondigen Javaan_ te
beschermen tegen den "handelsgeest" van zekere industrieelen. Wanneer
bedoelde maatregel de strekking heeft om den inlander z'n grond te
laten afkwanselen door den eersten den besten fortuinzoeker, ben ik
er _tegen_!


143. In 't handschrift had ik de fout begaan, hier uitdrukkelyk te
verzekeren dat het nu volgend voorbeeld van trouw eens buffels aan z'n
jongen meester "niet verdicht" was. De heer Veth maakte daarop in den
_Gids_ van Augustus 1860 'n aanmerking die volkomen gegrond was, en
daarom laat ik nu die verzekering _in den tekst_ weg. Doch 't zy me
vergund haar in deze _Noten_ te herhalen. Ik bezit het _Tydschrift van
Nederl. Indie_ niet, maar beroep my op zeker daarin opgenomen
_officieel_ relaas van de zaak. Wie lust heeft het optezoeken, wordt
naar zeer oude nummers verwezen, _ik meen_ zelfs uit de dagen toen dat
tydschrift nog te Batavia uitkwam, dus vóór '48.


144. Er worden inderdaad te _Tangerang_ zeer fyne stroohoeden
gevlochten, die aan de _manilla_-hoeden in buigzaamheid en sterkte
weinig toegeven. Waarom wordt die industrie niet 'n beetjen
aangemoedigd? Wie bewerken kon dat het te Parys _mode_ werd _un
chapeau Tangerang_ te dragen, zou groote sommen gelds naar Java
lokken. Doch er zyn _zeer veel_ artikelen van die soort in Indie, en
daaronder van veel grooter belang, waarvoor de europesche markt
gesloten blyft omdat de Regeering op alle krachten beslag legt ten-
behoeve van z'n kruieniers-affaire. Even als die andere Droogstoppel
kent en waardeert ze niets dan z'n koffi. En  ... suiker, 't is
waar ook!


145. Zie over dit lied van Saïdjah, 't begin van Noot 6. Onder de
korrektie (1875) vernam ik dat de heer Wiersma, zendeling in de
_Minahassa_, de _Saïdjah_-epizode in 't maleisch heeft overgezet. Het
doet me leed nooit 'n exemplaar van die vertaling onder de oogen
gekregen te hebben. Zeer in 't byzonder had ik zoo gaarne _dat_ lied
in 't maleisch weergezien. Het myne begon: _liatlah badjing tjari
penghidoepan_, enz. Dit herinner ik my, maar van 't vervolg niet
veel meer.


146. _En "dus" in brand stond_. Om deze uitdrukking te rechtvaardigen,
beroep ik me op de toelichtingen in _Ideen_ 304 en 1066.


147. De aangehaalde regels zyn van Tollens. Hy sluit daarmee z'n
tamelyk apokriefe vertelling: _Dirk Willemsz van Asperen_.


148. Met verwyzing naar Noot 104, vraag ik alweder of de beschuldiging
van "overdryving" tegen my mag worden ingebracht? Indien _hierin_ m'n
fout lag, zou ze, dunkt me, by-voorkeur zich geopenbaard hebben in 't
slot der geschiedenis van Saïdjah. De stof ontbrak waarlyk niet!


149. Nooit gaf iemand blyk van begeerte om bewysstukken als de hier
bedoelde intezien.


150. De minister Fransen van de Putte heeft in de Kamer beloofd "_dat
geschiedenissen als die van_ Saïdjah _niet meer zouden plaats hebben_."
Maar nooit bleek er dat er iets _gedaan_ werd om dit doel te bereiken.
Integendeel, hy, waarlyk niet minder dan z'n vele voorgangers en
opvolgers, stond altyd alle verbetering in den weg door de Natie bezig
te houden met byzaken.


151. Ik meen te kunnen _bewyzen_ dat het aantal vergiftigingen--ook in
Europa--schrikbarend groot is, doch bewaar dit treurig betoog voor 'n
andere plaats. Wat het in den tekst behandeld voorval aangaat, de
officier van gezondheid Bensen heeft kort na 't verschynen van den
_Havelaar_, in de N. Rotterdamsche Courant meegedeeld dat de heer
Carolus na z'n tehuiskomst van _Parang-koedjang_ niet "weinige uren"
had geleefd, maar nog--ik meen--_twee dagen_. Ik neem deze getuigenis
van den heer Bensen, dien ik voor 'n achtenswaardig man houd,
onvoorwaardelyk aan, en erken alzoo dat òf de weduwe zich vergist
heeft, òf dat ik haar verkeerd had verstaan, òf dat in 1859 toen ik
den _Havelaar_ schreef, m'n geheugen my bedroog. De terechtwyzing van
den heer Bensen is my te meer welkom:

1° omdat hy, _deze_ aanmerking makende op 'n zaak van ondergeschikt
belang, stilzwygend de juistheid staaft van m'n opgaven omtrent de
_hoofdzaken in 't algemeen_.

2° omdat hy, in 'n stuk dat blykbaar bestemd is de door my behandelde
voorvallen aan de stipte waarheid te toetsen, niet terugkomt op 't
leverabcès _in 't byzonder_.

Indien ooit 'n démenti op z'n plaats ware, zou 't _hier_ geweest zyn!


152. Het is my onbekend of 't lyk myns voorgangers is opgegraven
tydens het in 1860 door den G.G. Pahud ingesteld onderzoek. Wel weet
ik dat by die gelegenheid het Distriktshoofd van _Parang-Koedjang_
ontslagen werd. De Regent werd gestraft met kwytschelding van genoten
voorschot en--naar my werd meegedeeld, doch zeker ben ik hiervan
niet--met traktementsverhooging.


153. Ik had alzoo my bezig gehouden met het nakomen der verplichting
die my door eed en instruktie uitdrukkelyk waren voorgeschreven.


154. _Pantjens_ en _Kemits_: onbezoldigd wacht- en dienstvolk.
_Poendoetan_: levensmiddelen en andere artikelen die geheven worden
zonder betaling. Dit is 'n ware indische kanker, en Tamerlan (blz.
212) (Zie alinea die begint met: "Het gering getal lieden nu", M.D.)
schynt het geweten te hebben. Maar onze Regeering weet het nog
altyd niet! Wat, byv. een zoogenaamde inspektiereis van 'n
Gouverneur-generaal kost--_zoogenaamd_, want de man wordt by den neus
geleid!--loopt in 't ongelooflyke. Juist dezer dagen gewerd my uit
Engeland 'n courant waarin dit ontwerp behandeld wordt naar aanleiding
der voorgenomen reis van den Prins van Wales naar Bengalen. Daar my de
ruimte ontbreekt om dat artikel overtenemen, zend ik 't aan de
Samarangsche _Locomotief_, in welk blad het door den belangstellenden
lezer kan worden opgezocht.


155. Zie § 11 der "Vraagpunten aan den kontroleur" in de
_Minnebrieven_.


156. _Poessing_: duizelig, verward, radeloos. Den hier bedoelden
getuige kan ik nog altyd produceeren.


157. Zie over 't woord _kaka-toea_ de Noot by _Idee_ 438.


158. De op inlandsche Hoofden uitgeoefende moreele dwang om by 't
vertrek van 'n hoofdambtenaar, fabelachtig hooge pryzen te besteden
voor sommige stukken uit z'n inboedel, is ergerlyk. En  ... ze moeten
wel! Zou anders de vervanger niet meenen dat ze niets over hadden voor
hun Resident? Dat ten-slotte die vrygevigheid alweer betaald wordt
door den geringen man, spreekt vanzelf. Tot m'n groote verbazing heb
ik onlangs 't hoog bedrag dat er besteed was voor den inboedel van den
heer Loudon, zien aanvoeren als 'n bewys van z'n verdiensten. Me dunkt
dat hy, die dan toch moet geweten hebben hoe zulk "opjagen" in z'n
werk gaat, verplicht ware geweest dat misbruik door 'n uitdrukkelyke
waarschuwing te voorkomen. Dit heb _ik_ gedaan, doodarm toch, toen ik
_Lebak_ verliet, gelyk ik nog altyd door getuigen staven kan.


159. Ik zeide in Noot 50 dat sommigen zekere uitdrukkingen in dit werk
beter begrepen dan de gewone lezer, en dat zich onder dezulken de
vinnigste vervolgers van Havelaar bevonden. Dit is van volkomen
toepassing op dezen kleinen trek in den tekst, waar ik den vinger
schyn gelegd te hebben op de  ... zonderlinge verlenging der
theekontrakten in 1845. Dat de hier bedoelde persoon 't Nederlandsche
Volk te reprezenteeren kreeg, spreekt alweer vanzelf. Onze
theeman--tevens rystopkooper, enz. (zie de Noot by 't woord _Kondeh_,
op blz. 389) praatte in de Kamer heel aardig mee over Staathuishoudkunde,
Volksbelang, Menschenrecht, Indische toestanden, enz. enz.


160. Vgl. blz. 87 onderaan. (Zie de alinea die begint met: "--Is
de Regent altyd zoo dienstyverig?", M.D.)


161. Zie § 11 van de "Vraagpunten aan den kontroleur" in de
_Minnebrieven_.


162. Als boven § 18.


163. Het vergiftigen van den heer Carolus.


164. Term van den ambtsteed.


165. "En--had ik er by kunnen zeggen--ook _my_ te vermoorden." De
vrees overigens dat de _Resident zelf_ den _Adhipatti_ 'n wenk geven
zou "om zich te dekken" teekent de pozitie. En de Resident voelde zich
niet opgewekt, tegen die vrees, als tegen 'n lasterlyke veronderstelling,
te protesteeren. In-plaats hiervan bewees hy door z'n handelingen
(bladzz. 312 en 319) (zie de alinea's: "De bede om de schuldigen" en
"Het was zeer treffend", M.D.) dat Havelaar maar al te juist had ingezien
wat hem te wachten stond van 'n chef die toch even als hy gezworen had
den inlander tegen de hebzucht zyner Hoofden te beschermen.


166. Opmerkelyk alweer dat de resident Brest van Kempen al zulke
uitdrukkingen liet voorbygaan zonder _protest_, en zelfs zonder
_verzoek om toelichting_. Uit z'n zwygen blykt dat-i de assertien van
Havelaar volkomen begreep, 't geen bewyst dat ik den algemeenen
toestand naar waarheid geschetst heb. Had niet ook hier, byv. de
resident moeten vragen: _wat bedoelt ge met dien_ "geest" _der Oost-
Indische ambtenaren?_


167. Opmerking als in Noot 165.


168. "Lichtvaardigheid" en "voorbarigheid" zyn voorzeker aftekeuren en
strafbaar, vooral in zulke gewichtige omstandigheden. In-zoo-verre is
er dus op _Havelaars_ loyaal aanbod geen aanmerking te maken. Wanneer
men evenwel daarin de stelling mocht zoeken, dat 'n ambtenaar die
_krachtens z'n instruktie_ aanklaagt van misdryf, terstond persoonlyk
aansprakelyk zou wezen voor de _gegrondheid zyner beschuldiging_,
moeten we erkennen dat _Havelaar_ hier meer heeft toegegeven dan-i
verplicht was. Welk Officier van Justitie zou op zùlke voorwaarden 't
publiek ministerie willen waarnemen? Doch _Havelaar_ was te zeker van
z'n zaak om de minste achterdeur open te houden.


169. "Onderzoek, rapport en voorstel." Wel te verstaan: alles binnen
den grens myner instruktie, en _uit kracht van_ die instruktie.


170. Eerst jaren daarna is dat onderzoek werkelyk geschied, en de
Regeering was genoodzaakt te erkennen dat _Havelaar_ de waarheid had
gezegd. Zie den _Gids_ van Augustus 1860, waar de hoogleeraar Veth, na
uitvoerige behandeling der Havelaarszaak, het volgende zegt:

   _Sedert heeft_ Havelaar _met de zijnen gebrek geleden, hij is het
   voorwerp geworden van den smaad der Droogstoppels--want de
   Droogstoppels in Nederland maken altijd gemeene zaak met de
   Slijmeringen in Indie--hij is geworden_ Multatuli, _niet alleen in
   aangenomen naam, maar inderdaad_.

   _En wat bewijst nu het feit, dat, na zijn ontslag, werkelijk een
   onderzoek in het Regentschap Lebak plaats had, dat de Regent eene
   scherpe vermaning ontving, en eenige mindere Hoofden werden afgezet?_

   Primo: _de waarheid van het spreekwoord dat de kleine dieven
   gehangen worden, terwijl men de groote laat loopen_.

   Secundo: _dat de zaak te veel ruchtbaarheid had verkregen, om nu
   nog gesmoord te worden_.

   Tertio: _dat de knevelarij in Lebak al zeer erg moet geweest zijn,
   wanneer zelfs een Resident die zoo gaarne schipperde, en zoo
   ongaarne een Inlandsch Hoofd vervolgde, constateeren moest dat er
   werkelijk reden tot klagen bestond, en bij gevolg_:

   Quarto: _dat_ Havelaar _volkomen gelijk had."_

Aldus Professor Veth. Niemand evenwel schynt op de gedachte gekomen te
zyn dat men dan ook dien Havelaar eenige voldoening schuldig was. Ook
niet dat de hem ten-deel gevallen rechtsweigering allernadeeligst
werken moest op den toestand der inlandsche bevolking. Van welk
besturend ambtenaar in de binnenlanden is plichtsvervulling te
verwachten, nadat er zoo duidelyk bleek dat de Natie evenzeer als de
Regeering party trekt voor de ellendelingen die 't mishandelen van den
Javaan oogluikend toelaten?


171. Zie blz. 319. (Zie de alinea die begint met: "En toen
verhaalde Verbrugge", M.D.)


172. Het had aan my gestaan de Bevolking opteruien. In-plaats daarvan
handhaafde ik de eer van de nederlandsche regeering zoo goed ik kon,
en de resident vertrouwde hierop.


173. Dat m'n voorganger vergiftigd is geworden, werd door niemand in
_Lebak_ betwyfeld. Waarom liet de heer Pahud zyn lyk niet opgraven?


174. Ik bezit die verklaring nog. Niemand vond het ooit de moeite
waard daarvan inzage te verzoeken.


175. _Tontong (tomtom, tamtam)_ is 'n groot hangend uitgehold houten
blok waarop men de uren slaat. De naam is alweer 'n _onomatopee_.


176. Deze brief van den _Adhipatti_ is nog in myn bezit, en wel--nogal
karakteristiek!--saamgeknepen en in stukken gescheurd, maar nog altyd
volkomen leesbaar. De toeleg van dat schryven was, my in z'n knevelary
te betrekken, 'tgeen gelukt zou wezen indien ik z'n voorstellen had
goedgekeurd, of argeloos daarover in korrespondentie was getreden.


177. In de derde alinea van dezen brief wordt my 't vervullen van myn
voorgeschreven plicht tot verwyt gemaakt door den man die in de eerste
plaats geroepen was my te berispen en zelfs te straffen indien ik dien
plicht had verzuimd. Wat vervolgens z'n ontevredenheid aangaat over de
door my "_aangenomen houding tegenover den Resident van Bantam_" ze
was geheel ongegrond, en de heer B.v.K. zelf betuigde my later, niet
te begrypen wat daarmee kon bedoeld zyn. De bewering dat er omtrent
den Regent "_steeds gunstige getuigenissen waren afgelegd_" was een
onwaarheid. Herhaaldelyk was er in de conduite-staten over dat Hoofd
geklaagd. De opmerking dat ik myn beschuldiging niet door "_feiten,
veel minder bewyzen_" gestaafd had, klinkt zonderling in den mond van
den man die geen gehoor verkoos te geven aan myn dringende bede, my in
de gelegenheid te stellen myn beschuldigingen door "feiten en bewyzen
te staven." Onwaar is 't dat ik geweigerd hebben zou "_volle opening
te geven van wat mij omtrent de handelingen van het Inlandsch Bestuur
te Lebak bekend was_." Juist om tot die "volle opening" te kunnen
overgaan, drong ik op 'n _vry en openlyk_ onderzoek aan. Maar ik wilde
voorkomen dat het weder zou uitloopen op 'n vruchteloos "aboucheeren"
gelyk onder myn voorganger zoo dikwyls geschied was zonder ander
gevolg dan dat de _klagers_ officieel gestraft of in 't geheim
mishandeld werden. "_Ongeschiktheid voor 't bekleeden eener betrekking
by het Binnenlandsch Bestuur_" moest wel beteekenen dat ik niet kon
werken in den "geest des Gouvernements" niet in den geest der
Slymeringen, niet in den geest van den verheven Duymaer van Twist.
De Natie had behooren te eischen dat al die varieteiten van
plichtverzakende deugnieten zich geschikt maakten om te werken "in den
geest" van Havelaar. Hoe rymt vervolgens de erkentenis dat ik by de
Regeering gunstig stond aangeschreven, met de laaghartige insinuatie
in de Tweede-Kamer, dat hy "_over den schryver van dat boek,
zooveel_--kwaads alzoo?--_zou kunnen zeggen?_" Wat de plaatsing te
_Ngawi_ aangaat, er bestonden nog meer redenen dan. ik op blz. 326
opgaf, (zie de alinea die begint met "--G...........", M.D.) om
die aanstelling van de hand te wyzen. Maar de in alle inlandsche zaken
zoo grondig onwetende Van Twist kende die niet. Hy liep in 't kiezen
voor my van die betrekking, alweer aan de leiband van de buitenzorgsche
kommiezery, die er waarachtig groot belang by had dat ik niet aan 't
woord kwam. Het was 'n uitgemaakte zaak dat ik te Ngawi moest "vallen."
Het openbaren der kuiperytjes die hiertoe in 't werk werden gesteld,
zou zeer pikant wezen, maar ik onthoud me nu daarvan omdat ik geen
vryheid heb m'n bronnen te noemen. Misschien wordt dit bezwaar eenmaal
opgeheven. De laatste alinea van den heerlyken kabinetsbrief beteekent
alweer dat er zou moeten blyken of Havelaar bekwaam en genegen was dienst
te nemen onder de vereerders van den "_geest des qouvernements_". En dit
zou moeten getuigd worden door dezen of genen hoofdambtenaar van 't
allooi der Slymeringen! Ieder ziet dat de onbekwaamheid van Van Twist
zich niet tot inlandsche Zaken bepaalde, en dat de man, ook in "_the
proper study of men_" 'n brekebeen was. Men bedenke dat hy Havelaar's
brieven onder de oogen had, brieven die geschreven waren met de
voorbedachte strekking den man wakker te schudden. Nederlanders, welk
soort van wezens toch laat gy u opdringen als Landvoogden van Insulinde?


178. _Dat in de buurt is_. Ook hier alweder is van toepassing wat ik
op blz. 198 zeide over 't leeren kennen van den toestand eener
landstreek door 't verblyf in een nabygelegen provincie. (Zie de
alinea die begint met: "Op-eenmaal verspreidde zich", M.D.)


179. Die opvolger was de heer Pahud, 'n pronkjuweel alweer van
onbeduidendheid, en dus 'n man naar 't hart van de Natie die hem vyf
jaar als _Minister_, vyf jaar ook als _Gouverneur-generaal_ heeft
kunnen gebruiken. Gelyk er in den tekst van _deze_ uitgaaf
uitdrukkelyk staat, wist ik in '56--wat thans m'n drie millioen
landgenooten, wel met my eens zullen wezen--"_dat er van dien man
niets te wachten viel_." Zóó is dan ook de lezing in 't Hs. van den
_Havelaar_. Maar òf de heer Van Lennep zelf, òf de zetter, òf deze of
gene korrektor--weet ik 't?--een van allen dan, heeft goedgevonden
dien tekst te vervalschen. Men leest in vorige uitgaven: _zyn
opvolger_--den opvolger namelyk van Van Twist--_ken ik niet, en ik
weet niet of er van hem iets te verwachten valt_. Wat de strekking was
van deze blykbaar opzettelyke verandering--'n drukfout kan 't niet
zyn--weet ik niet, maar ze komt my oneerlyk voor.


180. Een Javaannutter in Friesland--ik meen te Bolsward--onthaalde z'n
Publiek op de mededeeling dat: _die Havelaar_ beneden alles, en op 'n
onaangename wys uit den dienst geraakt was." Ik heb niet vernomen dat
men den man de deur uitwierp. Welk _nut_ het voor den Javaan heeft,
dat men den man lastert die voor hem weggaf al wat-i offeren kòn,
begryp ik niet. Zie daarover--in den bundel _Verspreide Stukken_--m'n
brief aan die kostelyke maatschappy.


181. By 't lezen van dezen brief aan den kontroleur gelieve men in 't
oog te houden dat-i geschreven werd aan den man die van al 't
voorgevallene te _Lebak_ getuige, en daarin ambtelyk betrokken was
geweest. Ook vooral met het oog op de mededeeling die in de laatste
alinea's voorkomt, geloof ik niet dat er bondiger bewys voor de
waarheid der geheele strekking van m'n boek denkbaar is dan in dit
dokument geleverd wordt.


182. In 'n bataviasche courant werd me verweten dat ik by den heer
Brest van Kempen afstapte. Wel, ik deed dit op _zyn_ uitdrukkelyk
verzoek, en 't was van myn kant 'n edelmoedigheid. De man vreesde voor
oproer, waartoe inderdaad reden was. Reeds te _Lebak_ had ik al m'n
invloed noodig om de bevolking in rust te houden, waarop dan ook in
m'n laatsten brief aan den kontroleur gedoeld wordt. Het zou 'n
verkeerden indruk hebben gemaakt, indien ik by 't verlaten van
_Bantam_ blyk had gegeven in onmin met den Resident te zyn, wat dan
ook werkelyk het geval niet was. Maar zeker zou dit wèl 't geval
geweest zyn, indien ik toen _al de motieven_ had gekend die hem
bewogen moordenaars en dieven de hand boven 't hoofd te houden. Gelyk
uit den _Havelaar_ blykt, dacht ik slechts aan een _door gewoonte
verwrongen plichtbesef_ van de soort als ik sedert jaren overal
ontmoet had. Later evenwel ontdekte ik dat het ontzien van den "geest
des gouvernements" in dit byzonder geval samenhing met 'n indruk van
nog lager soort, van  ... de allerlaagste soort! Het lust me niet, my
daarover op dit oogenblik uittelaten. Misschien is de gewezen minister
van kolonien Hasselman genegen den belangstellenden onderzoeker
nauwkeuriger intelichten. Ook kan deze staatsdienaar--een myner
voorgangers te _Lebak_--getuigen of ik de beschuldiging van
"overdryving" in 't schetsen van den toestand dier provincie verdien?
Hy zal erkennen dat ik _beneden_ de waarheid bleef.


183. Dit zeg ik Van Twist zelf in den "_Brief aan den Gouverneur-
generaal in-ruste_." Dat men hem bedrogen had, blyft waar. Maar _niet_
gegrond bleek m'n goedige meening dat-i eerlyk man wezen zou. Een
eerlyk man tracht te _herstellen_ wat door zyn schuld bedorven werd,
en nooit gaf V.T. het geringste blyk dat-i hieraan wilde meewerken.
Integendeel! Juist van hèm ging de helsche wenk uit, dat men onder
voorwendsel myner mooischryvery--bah!--m'n aanklacht smoren kon.


184. Dit heeft hy niet gedaan. My dunkt dat we, na vyftien jaar
wachtens, myn tekst voor den juisten mogen houden.


185. Toch Specialiteit voor _indische zaken_! Toch Liberaal! Toch Lid
van de Eerste-Kamer! Toch eere-voorzitter van _Mettray_! Toch "byzonder
geacht" in 't hoogzedelyk en godvruchtig Nederland! Telkens vraagt
men my 'n "program" van Regeeringsvorm, en sommigen meenen zekeren
grond tot ontevredenheid te hebben, omdat ik, bittere opmerkingen
makende, zoodanig program tot-nog-toe niet meedeelde. Eilieve, welk
ander program is _in toestanden als de onze_ mogelyk dan de wenk dien
ik gaf in de laatste bladzyden van _"Pruisen en Nederland?"_ Wetten en
bepalingen baten _niets_, zoo lang men de uitvoering daarvan en het
toezicht daarover, opdraagt aan schelmen. Ook hier is de leer
toepasselyk die er te halen valt uit het voorval op 'n audientie by
den Keizer van Rusland, dat ik aanhaalde in m'n eerste brochure over
_Vryen-arbeid_, uitgaaf 1873, blz. 137.


186. Vgl. blzz. 345 en 346. (Zie de alinea die begint met: "Toch
zal de katastroof" tot en met de alinea die eindigt met: "een bedorven
Nederlandsch Bestuur", M.D.) Ook de Noot op 't woord _amokh_ op blz.
388. (Noot 141, M.D.) Moeten dan volstrekt de gruwelen van _Cawnpore_
in ons lief Insulinde herhaald worden? En wat anders dan woest
uitbersten zal ten-laatste den lang getrapten--en daardoor
gedemoralizeerden--Javaan overblyven? Op welke Buitenplaats zullen dan
de Van Twisten zitten, zy die de schuld dragen aan 'n woede zooals
voorspeld wordt in _Sentots_ vloekzang?


187. _Ministers in bezigheid_. Daaronder waren er die hun verheffing
te danken hadden aan de door den _Havelaar_ teweeggebrachte "rilling".
Kort na de verschyning van dat werk benoemde men een indischen
rykworder tot Minister van Kolonien. _Hy_ zou zorgen dat
"_geschiedenissen als van Saïdjah voortaan tot de onmogelykheden
behooren zouden!_" Wat hy gedaan heeft om dien vromen wensch te
bereiken weet ik niet. En dat weet niemand. In-plaats daarvan heeft hy
de Natie met den liefelyken oorlog op den Sumatraschen noordhoek
begiftigd.


188. Deze laatste beide volzinnen zyn later bygevoegd. Ik erken, in
1859 niet voorzien te hebben dat het hier bedoelde volkje my zou
toejuichen. Toch had ik 't kunnen weten. 't Ligt in den aard der zaak
dat schelmen 't luidst meeschreeuwen als er "houdt den dief" wordt
geroepen.


189. Dat weerleggen is dan ook niet beproefd. Op één uitzondering na
die welke ik behandelde in Noot 151--heeft men nooit _openlyk_ eenig
in den _Havelaar_ vermeld feit in twyfel durven trekken.


190. Nu niet meer, kiezers! Ik zou me waarlyk zeer misplaatst voelen
in _uwe_ Kamer, tegenover _uw_ ministers! Ook daaromtrent beroep ik my
op m'n werkjen over _Specialiteiten_.


191. Van Twist gaat by z'n medegrondbezitters--onverschillig van
welke z.g.n. staatkundige kleur--nog altyd voor byzonder
achtenswaardig door. Hy spreekt mee over indische zaken, niet alleen
alsof er niets op hem viel aantemerken, maar zelfs op den toon van 'n
deskundige en bevoegde by uitnemendheid. En de Natie neemt er
genoegen mee!


192. Nederlanders, _dit is geschied!_ Tot schande van Uw Regeering in
Indie, werd die vuistslag in 't aangezicht uwer Marine gegeven, en de
eer der uitvinding van deze laagheid komt weer den verheven Landvoogd
toe, die geen tyd had om Havelaar te hooren.


193. Ziehier eindelyk den regel die den titel van 't boek stempelt tot
epigram. 't Is verdrietig schryven voor lezers die men _alles_ moet
uitleggen.


194. Op de beide vragen die 't boek besluiten, ontving ik nog altyd
geen antwoord. Waarschynlyk houdt de koning zich bezig met belangryker
zaken dan rechtdoen en 't behouden van Insulinde voor Nederland. Ik
zal Z.M. 'n exemplaar van deze nieuwe uitgaaf aanbieden, en in
afwachting van beter succes--evenals m'n vriend Chresos uit de
_Minnebrieven_, doch altyd _onder protest_--vertellinkjes dichten
voor 'n Publiek dat niet lezen kan. Immers, indien dit niet het geval
was, zou de Natie hebben aangedrongen op recht in de Havelaarszaak!

       *       *       *       *       *





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Max Havelaar - Of de koffiveilingen der Nederlandsche Handelsmaatschappy" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home