Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: De vreemde plant
Author: Robbers, Herman Johan, 1868-1937
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "De vreemde plant" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



Dedication: Herman Robbers lived from 1868 to 1937. This book is


DE VREEMDE PLANT

DOOR HERMAN ROBBERS


TWEEDE DRUK

UITGEGEVEN DOOR JACs. G. ROBBERS

TE AMSTERDAM - MCMXVI.



       *       *       *       *       *

Van denzelfden schrijver:

DE ROMAN VAN BERNARD BANDT; vijfde druk, f 0.50 ingenaaid, f 0.75
gebonden.

DE BRUIDSTIJD VAN ANNIE DE BOOGH; zesde druk, f 0.50 ingenaaid,
f 0.75 gebonden.

VAN STILTE EN STEMMING; een bundel studies (Kamerstemming, Verjaardag,
IJs in de gracht, Heimwee, Einde, Vacantie, In de stilte.) f 3.25
ingenaaid, f 3.90 gebonden.

DE ROMAN VAN EEN GEZIN: I. DE GELUKKIGE FAMILIE (derde druk), II. EÉN
VOOR EÉN (tweede druk); per deel f 1.90 ingenaaid, f 2.50 gebonden
in linnen, f 2.90 gebonden in leer.

HELENE SERVAES; f 3.25 ingenaaid, f 3.90 gebonden.

       *       *       *       *       *



I.


Een vreemde tuin lag stil in den maneschijn. Maar de maan was er niet.
De schijn hing over de bloemen, die geurden. Groote bloemen op lange
stengels recht op. Trotsch pronkend gloeiden de wijde kelken in het
licht. En die eene--die groote witte--dat was zij....!

Zóó was de droom, die sterk als een herinnering lag in haar denken.

Zóó was de droom van haar jeugd, de zalige droom, de troost, de geheime
heerlijkheid van haar jong leven.

De droom....? Was 't dan een droom geweest....? O! zij rook de geur nog,
zij voelde de koele nachtlucht, zij hoorde de stilte!

O! die tuin! Waarom was ze er niet meer? Wat ruwe ruk had haar afgeknakt
van den sappig-glanzenden stengel?.............................
.....................................................................

Van zoolang haar heugde had ze altijd moeten denken aan dien vreemden
tuin en aan die eene witte bloem, die zij was. En eens--'t was in haar
twaalfde jaar--, op 'n zomeravond, in de schemering, had ze 't
plotseling gevoeld, duidelijk gevoeld, zoodat ze rilde van verrukking:
in haar, diep geworteld in haar hart stond rechtop de slanke stengel en
de bloem bloeide en geurde en zacht togen de geuren door haar gansche
lijf.... En toen had ze ook voor 't eerst gevoeld die groote smart, die
over haar was gekomen als een bedwelming, mysterieus, zonder oorzaak, 'n
onbestemd, onuitsprekelijk zoet lijden!..............................
.....................................................................

Haar moeder was gestorven toen haar broertje geboren werd. Ze was vijf
jaar toen. Haar vader had haar opgetild en ze had haar moeder zien
liggen, wit en stil. Toen had ze zich den tuin herinnerd; was dat de
eerste keer geweest? Ze had gedacht: Zou moeder nu naar den tuin gaan?
Waarom had ze dat gedacht? Ze had er haar vader niet over durven
spreken. Ze sprak nooit met iemand over den tuin, noch--later--over de
vreemde plant. 't Was of 't dan alles weg zou gaan!--En 't was haar
alles--haar alles!..............................
.....................................................................

Want in droomen alléén had ze haar jonge jaren doorgeleefd, hatend de
werkelijkheid, het dagelijksche leven, de school, die één lange straf
was, vreezend haar vader en alle andere groote menschen, bang in het
groote leege huis, bang vooral 's nachts, als ze wakker lag in haar
bed, midden in de alomme drukkende duisternis, als ze niet durfde
kuchen, niet verroeren.

Eén plekje was er maar geweest in het groote huis, een hoekje van een
vensterbank, waar ze graag was. Daar zat ze dikwijls te droomen, kijkend
naar de drijvende wolken. De wolken waren haar groote vrinden. Ze zag ze
komen met herkenning en keek ze vertrouwelijk na. Ook onder de boomen en
heesters en bloemen had ze vrinden en vertrouwden. Maar andere waren
weer vijandig. En zoo ook de meeste dingen thuis. Er was een kast, waar
ze niet voorbij dorst gaan, er was een leuningstoel, waarin ze niet
zitten wou. Want doode dingen waren er niet, alles was bezield, de
dingen keken haar aan, de dingen dreigden en grijnsden. Ze hield alleen
van 'n paar oude etsjes die in de logeerkamer hingen in simpele zwarte
lijstjes en die ze heel mooi vond, en van een ouderwetschen blaasbalg,
die in de zaal naast den haard hing en van een wollen pop, die ze heel
jong van haar moeder gekregen had, en van een koperen plaatje,
schijnbaar zonder doel ergens aan den muur geslagen in de wijde gang.
Zonder doel--maar voor haar een beschermer tegen de akelige gezichten in
de marmeren steenen, de spotoogen en grijparmen.

Ze hield veel van haar broertje, maar hij was altijd bij de kindermeid,
die zij haatte.

Van haar vader hield ze soms wel, als hij stil en vriendelijk was en
zacht met haar sprak. Maar anders was ze alleen maar bang voor hem. Hij
was 'n driftig-drukke man, hij liep hard en sprak luid en ruw. Zij was
bang voor al wat ruw was, scherp en hard. Zij schrok er altijd weer van.
Zachte geuren en tinten trokken haar aan.

Ze kon 't zichzelve zelden verklaren, waarom ze van den eenen dag wel
hield en niet van den anderen. Maar 't was toch zoo. Alle dagen gingen
om zonder verschil; toch hield ze van den Woensdag en niet van den
Dinsdag. Ze begreep 't niet. Ze merkte alleen op dat alle dingen en
begrippen een kleur hadden in haar denken en als ze de kleur niet
verdragen kon hield ze ook niet van het ding of van de idee, die zoo
gekleurd was voor haar ziele-oog. Dinsdag was geelachtig-bruin en daar
hield ze niet van.

Toen ze ouder werd en leerde begrijpen wat plichten zijn en dat het haar
plicht was haar vader dankbaar te zijn en van hem te houden, veel en
altijd, weende ze dikwijls omdat ze 't niet kon en vond zich slecht en
trachtte zich te dwingen met teederheid aan hem te denken. Maar zij kon
het niet. Zij geloofde wel dat zij iets voor hem zou kunnen doen, iets
moeilijks, een groote opoffering, maar zoo aan hem denken, dat kon ze
niet.

Hoe ouder ze werd, hoe meer ze zich voelde aangetrokken door distinctie,
verfijning, door exquise, bizondere dingen. En wat anderen
onbegrijpelijk vonden was haar lief als 'n oude bekende; kleuren die
niemand zag, geluiden die niemand hoorde, waren haar dagelijksche
zielevoedsel. Zij kon heele concerten aanhooren zonder bewogen te worden
en één golf van klanken roerde haar tot tranen toe; zij kon met groote
kalmte lange gedichten opzeggen, die ze uit 't hoofd had moeten leeren,
met vriendelijke stem en juiste intonatie, precies zooals 't haar
voorgedaan was,--en soms was twee regels uit te spreken haar onmogelijk.

Ze had heel graag leeren schilderen: lucht en bloemen, maar haar vader
vond dat niets voor 'n meisje. Hij was een koppig man, vergroeid met
allerlei verroeste vooroordeelen. Zij moest leeren kooken en een
huishouden bestieren. Daarom was ze later wel eens jaloersch op haar
broer, die 't wel mocht leeren. Hij was 'n jongen met "lieve talenten."
Hij schilderde en dichtte en maakte muziek. Zij was trotsch op hem.
Maar begrijpen deed ze hem nooit. Want hij schilderde heel anders dan
zij 't gedaan zou hebben, zeker voelde hij heel anders dan zij. Toch
hield ze veel van hem. Dat kwam door zijn fijne, blanke vel en zijn
lenige leden en doordat hij óók lang kon liggen soezen en droomen. Zij
begreep hem heelemaal niet. Hij was een slim ventje, lui, en altijd
alleen bedacht op zijn eigen genot.

Haar ouder worden was 'n zich meer en meer bewust worden van haar
droomleven, 'n steeds inniger voelen van haar neiging tot mijmeren, 'n
langzame overgave, maar een volkomen overgave aan den wellust der
melancolie. Zij bleef klein, tenger, nietig. Bij haar geen groeien van
het lichaam tot volwassen kracht, geen zwellend rijpen van
vrouwenvormen, geen wilde uiting van jeugd, geen driftig grijpen naar
genot, geen siddering van lentelust, geen vermoeden van levensrijkdom.
Zij bleef klein en tenger, en haar leven werd een reeks van
zacht-weemoedige en zoet-smartelijke stemmingen.

Zij leerde wat ze leeren moest op school en ze leerde kooken en al wat
bij de huishouding hoort, ze ging met haar vader naar dinétjes en
avondjes, ze ontving zelf menschen en deed het met gratie, ja met
opgewektheid, vriendelijk pratend met iedereen. Ze deed veel kennissen
op en maakte zoogenaamde vrindinnen. Maar dat alles ging buiten haar om,
buiten haar eigenlijke leven. 't Luchtig gepraat raakte niet haar
stemming, geen menschenstem drong door in de stille dalen van haar
mijmering. En zoo leefde ze voort van dag op dag, van maand op maand,
van jaar op jaar....
.....................................................................

Voor dat haar vader bankroet ging, gebeurde er nooit iets met haar, had
ze geen geschiedenis. Eens alleen stoorde een groote verwondering haar
droomleven. Een rijk jongman, iemand die haar nauwelijks kende--die ook
haar rijk dacht en die een huishoudster lastig vond en duur--had haar
tot vrouw verlangd. Hij had haar gevraagd aan haar vader, die 't haar
vertelde met ingenomenheid. Verbaasd, verschrikt had ze geweigerd,
kortaf, voor goed. Er was niet meer over gesproken. Hij had wel andere
dingen aan zijn hoofd, haar vader!
.....................................................................

Maar eindelijk kwam de groote verandering, de verwoesting, de ruïne!

Ze was vijf en twintig jaar toen de reuzenramp haar trof, haar greep in
haar eenzelvig voortgeleef, haar schudde, schokte, dat ze gansch
verbijsterd staarde voor zich uit met wijde oogen. Haar vader smakte die
ramp neer op zijn ziekbed. Maar haar broer was 't een ontwaken, hij was
de eerste, die zich redde, zichzelf alleen. Hij dacht altijd aan zijn
eigen lot alleen.

Zooals 'n eenzaam herder, wiens hut verwoest is door den storm de
planken weer bijeen zoekt, weer samenvoegt tot muren, tot een dak--maar
zoo goed als vroeger wordt het niet--zoo herstelde zij zich na dien
vernielenden schok. Voort! voort! moest ze nu. Ze had geen tijd meer om
te soezen en te droomen. Ze moest haar vader--den verlamden, den
versuften--verzorgen en ze deed het, meer als een zuster, dan als een
dochter, als een liefdezuster, trouw doende wat haar plicht is zonder te
denken aan eigen lijden.

Ze waren arm...................
.....................................................................

Toen was Rubrecht, de boekhouder, een schuchter man, schoorvoetend naar
haar toe gekomen en had haar aangeboden al wat hij had, zijn goed,
beproefd-trouw hart, zijn pover salaris en zijn dak. Hij had haar
verteld dat hij een nieuwe, een betere betrekking gevonden had, dat ze
't goed bij hem hebben zou, dat haar vader--zoolang hij nog zou
leven--bij hem zou kunnen inwonen.--'t Was toch zijn goede oude
patroon!--Hij had haar ook stotterend van verlegenheid gesproken over
zijn "liefde." Nooit zou hij 't haar hebben durven zeggen als ze
gebleven was in haar vroegere "omstandigheden," hij wist wel dat hij
eigenlijk geen partij was voor 'n juffrouw Van Plaswijk, maar nu--nu ze
toch immers arm was.... Hij had tranen in de oogen. 't Had haar
getroffen. Ze had er iets van gevoeld wat die simpele man waagde in zijn
onverstand, in blind vertrouwen op haar. Ze wou wel waard worden zooveel
vertrouwen.

Maar 't denkbeeld het allerintiemste te moeten deelen met dien
burgerman, die twintig jaar ouder was, 'n kantoorlucht had en groote
dikke handen, die een lange gekleede-jas droeg, kaal op de mouwen, en
scheef onder zijn smal liggend boordje een oude onoogelijke das,--met
dien grofgemanierden, platsprekenden burgerman!

Ze had bedenktijd gevraagd.

Bedenktijd!--Denken, helder denken in armoede en zwaardrukkende zorg! 't
Was niet mogelijk. En haar vader, die haar smeekte, bezwoer haar geluk
toch niet weg te gooien, het rustig zekere te verkiezen boven
'n--misschien levenslang!--worstelen niet de ellende,--haar vader, die
wel niet lang meer leven zou! Gold het niet de rust van zijn laatste
dagen, van zijn sterfbed?....

En was 't dan toch niet waar, dat zij in staat was tot een groote
opoffering? En was de opoffering dan zóó groot? Welke andere verwachting
had ze dan van 't leven? Had ze dan illusies .... illusies ....
illusies.... Hoe dikwijls had ze dat woord gehoord en gelezen met een
angstige verwondering en een vaag gevoel van gemis.... Had ze nu
toch....? Maar haar was immers tot eenig genot gegeven die vreemde plant
in haar hart, die bloeide, bloeide en met zijn geuren vulde haar
gansche wezen en voor haar blikken had gesponnen dien zilverzwarten
sluier waardoor ze de zon zag als een bloedrooden bol hangend in de
ruimte zonder straling, zonder doel.--En dat genot, die troost, zou haar
immers toch nooit verlaten....

Rubrecht kwam terug--niet vergeefs. En haar vader stierf zonder angst,
in haar huis, haar zegenend....

Neen, niet in haar huis!--O hoe scherp had ze 't toen al gevoeld--in het
zijne, in het huis van Rubrecht, den boekhouder, 't burgerbovenhuis met
zijn bont gebloemde behangsels, zijn roodgestreepte karpetten,
bloempotten voor de ramen en buiten 'n spionnetje.

Ze liet het huis precies zooals ze 't vond, zich met martelaarswellust
de ziel schrijnend aan 't gezicht van al die leelijke dingen.

Eerst was het nieuwe leven haar meegevallen; haar man ging teer,
bescheiden-voorzichtig met haar om, meer als 'n vader dan als 'n
minnaar, altijd trachtend haar wat op te wekken, haar vroolijk te
stemmen, vol hoop dat 't hem gelukken zou, trotsch als ze maar
glimlachte. Maar langzaam was in haar gerezen 't bewustzijn van de
beteekenis van haar daad, had ze begrepen dat haar noodlot was dien man,
die haar zoo liefhad om haar zelf alleen, ongelukkig te maken voor
altijd. Die arme eenvoudige man, wiens wenschen toch niet te hoog
gingen, die zich zooveel had voorgesteld van 't leven, als hij maar eens
een goede betrekking had en een lieve vrouw, die hem koesteren zou en
verzorgen, als hij oud werd, hem aanhooren als hij sprak van zijn kleine
belangen, hem aan zijn kleine liefhebberijen zou helpen met geduldige
hand, die man moest door haar, teleurgesteld, onbevredigd zijn leven
leven tot het einde. Dat _moest_, dat _moest_! Want ze _kon_ niets voor
hem worden, ze was van een heel ander menschensoort, zij kon geen
belangstelling in zich kweeken voor zijn grootboek en zijn kasboek, noch
voor zijn postzegelverzameling, noch voor zijn doorgerookte pijpen. En
wat zon hij er van begrepen hebben als ze hem gesproken had over de
kleuren van de dagen, over de vriendschap van de wolken, over den tuin,
den vreemden tuin van haar herinnering.

't Duurde lang, maar eindelijk ging hij 't ook voelen, hij werd stil en
in zichzelf gekeerd--soms brommerig, mopperig. Maar hij verweet haar
nooit iets.

De twist was onbekend in hun huis.

Maar zij tobde over zijn leed--en zij vond alleen vergetelheid in de
bedwelming van melancholische mijmering.

Tot er weer een verandering kwam...
.....................................................................

Ze was twee jaar getrouwd toen ze zich zwanger voelde. Ze schrok, ze
wilde 't niet voelen, 't niet gelooven. Moest nu ook nog 'n ander
mensch door haar leven dit treurige leven?

Het kind werd geboren, 't was 'n jongen. Zij had veel pijn geleden en
daar had ze hem dadelijk lief om, haar zoon. Met innige, medelijdende
liefde koesterde zij het kind. Als zij 't in haar armen droeg had ze 'n
gevoel als moest zij, zij alleen, dat kind beschermen tegen 'n heele
vijandige wereld.

En nu kreeg haar leven ook weer 'n richting, nu had ze weer geen tijd om
te soezen, te droomen.

't Jongetje groeide. Hij was zwak en fijn. Hij leek op haar, ze zag haar
eigen ziel in zijn oogen. O, maar zijn jeugd mocht niet zijn als de
hare, koud en grijs, ze zou hem troosten, zij zou zijn vrindin zijn,
zijn beschermster, zijn alles! Zij zou over hem waken! Wat ze voor
zichzelf altijd versmaad had deed ze voor hem, ze bad. Ze bad den
grooten goeden God, den geheimen vader van alle smart en alle vreugde
voor hem te doen, wat ze voor zichzelf nooit had gevraagd, hem gelukkig
te maken! Als geluk mogelijk was, dan moest, dan moest hij, haar Wouter,
gelukkig worden.

Toen begreep ze wat een illusie is; zij had een illusie, zij ook!

O! hem gelukkig te zien, gelukkig door haar! En voor hem alles te zijn,
te blijven, zoodat hij meer van haar zou houden dan van ieder
ander--altijd! En als hij soms--over twintig, vijfentwintig jaar, als
hij weg zou willen uit haar huis en zich misschien--, o! dan wilde ze
sterven, ja, dan sterven!--Maar, weg, weg die gedachte! zij, zijn moeder
zou alles voor hem blijven, zijn vertrouwde, zijn eenige
vrindin................
.....................................................................

Maar als dat toch moest komen, als dat moest, dat, hij zich 'n vrouw zou
nemen!....

Dan moest dat zijn een van Gods engelen, dien zij den Vader bidden zou
neder te zenden voor hem, haar zoon. Zulk een wezen alleen zou hem
mogen aanraken, omarmen, bezitten. Voor 'n engel alleen zou zij afstand
van hem doen--misschien!............

Vijf jaar later, onverwacht, 'n tweede kind, een meisje. Dat gaf
verwarring in haar denken, maakte haar zenuwziek, veel weken, maanden.
Ze hield lang niet zooveel van dat tweede kind als van Wouter. 't Was
ook heel anders, 't was grof, 't had haar en Wouters oogen niet. Maar 't
was haar kind. Zoo bleef ze haar zorgen verdeelen met volkomen
toewijding, met streng plichtgevoel, over haar man, haar zoon en haar
dochter.

Maar Wouter was haar lieveling.... En de jonge aanbad haar als 'n
heilige. Zelden waren twee menschen meer aan elkaar gehecht.



II.


De Rubrechts dan bewoonden een bovenhuis op een smalle gracht, een
gracht van den derden rang, stil, oud, heel oud. 't Was een huis met
een donkeren geölieden gevel, een trapgevel en zoo waren al de huizen
aan weerszijden. Moe stonden ze tegen elkaar aan en voorover te hangen.
Twee sombere rijen.

Zwaar helden over het water, dat stil stond tusschen de steile wallen,
de dikke boomkolossen, de een scheever dan de ander, al de stammen
grillig gespleten en gebocheld, vreemde gedaanten. Hier en daar ontbrak
er een, eindelijk bezweken onder den last van zijn kruin en neergeploft
in 't vieze water, en op zoo'n leege plek was dan een lummelig jong
boompje gezet met een banaal keurig hekje er om van geverfd ijzer, een
boompje als uit een speelgoeddoos, onuitstaanbaar wijsneuzig.

De Rubrechts woonden boven 'n kantoor en links en rechts waren kantoren
met bovenhuizen. Maar de oude Rubrecht had niets te maken met het
kantoor beneden, want hij was eerste boekhouder bij Jan Blok, een
groote firma ergens op 'n veel voornamer gracht. Hij woonde daar alleen
maar omdat 't er zoo goedkoop en toch zoo door en door fatsoenlijk was.
En goedkoop en toch fatsoenlijk, dat was alles wat hij wenschte.

't Was op een Zondagmorgen. Die kant van de oude gracht waar de
Rubrechts woonden lag in de hitte, die fel brandde op de keisteenen voor
het huis, maar 't stilstaande water in de schaduw van den overkant en
van de boomen, vuilzwart en donkergroen, bedorven.

't Kantoor beneden was gesloten met hardgele luiken, die brutaal blonken
in de zon. Maar boven zag alles er rustig en fatsoenlijk uit. De
gordijnen in de beneden voorkamer, de "mooie" kamer, de dikke
roomkleurige ophaalgordijnen, ouderwetsche, met plooien en de witte
opengewerkte overgordijnen, voor alle drie de ramen even hoog en even
breed, lieten precies gelijke zeskante stukjes raam vrij voor het licht.
De buitenjalouzieën aan de tweede verdieping en het gordijn van het
zolderraam hingen strak neer in hun volle lengte, 't Oude hijschblok
reikte somber in de ruimte, zijn schaduw werpend op het huis.

Dit was een Zondagmorgen als iedere andere, als de vorige en als
verleden jaar en als voor tien jaar. Niemand had die gracht ooit anders
gezien op Zondag.

Toch was er juist aan het Rubrechtshuis iets zeer buitengewoons te zien
dien morgen en tuurden de overburen over hun vensterbanken en tusschen
de takken van de boomen door verbaasd naar de ramen van de
benedenvoorkamer. 't Was al ongewoon dat de gordijnen niet heelemaal
gesloten waren in de zon, maar het allervreemdst was, dat op het ronde
tafeltje voor het middelste raam, waar anders altijd de zilveren
inktkoker glansde onder de glazen stolp (altijd tenminste nadat Rubrecht
zijn jubileum had gevierd bij Jan Blok)--nu stond een mandje bloemen.
Een elegant rond mandje met een deksel, die half openstond en waar de
witte en roode rozen onderuitdrongen in gloeienden overvloed. Rozen ook
om het hengsel en een wit lint, eindend in een lossen strik. Een
buitengemeen mooi mandje, zeker het sierlijkste voorwerp wat nog ooit
bij Rubrecht te zien geweest was en toch nog maar een voorbode, een
inleiding....

Want Wouters meisje, Wouters mooi meisje zou haar intree komen vieren in
Wouters ouderlijk huis!....

Aan weerszijden van het kleine tafeltje stond een leuningstoel en op de
linksche zat de oude Rubrecht en keek naar 't mandje. Dat was zijn
eenige bezigheid maar niet het doel van zijn zitten daar, want al
dadelijk toen 't gekomen was had hij 't aan alle kanten bekeken en
beroken, 'n half uur lang. Het doel was negatief: hij wilde zich niet
"vuil maken." En al scheen daartoe weinig gelegenheid in de zorgvuldig
afgestofte kamer, 't veiligst was toch maar onbewegelijk te blijven
zitten. Zijn gekleede jas zonder kreukje, zonder stofje, zijn witte das
recht als die van 'n dominee op zijn portret, zijn breede laarzen
glimmend, zat hij daar en keek en wachtte. Zijn dikke doezelkop 'n
beetje naar voren en meest naar voren de onderlip. Een glad geschoren
egaal-rood gezicht, alleen zijn kale kruin wat blanker en heel wit de
dunne haren langs de slapen en de zware wenkbrauwen. Goedige kleine
oogen starend langs de dikke neus en onder de oogen groote blazen. De
vleezige wangen zakkend in de onderkin.

Alleen de oogen bewogen nu en dan, opkijkend van het mandje naar de
bloemen van 't gekalkte plafond, naar de "schilderijen" aan den wand,
premieplaten van zoogenaamde prachtwerken, leelijke ouderwetsche
staalgravuren, of naar de helder gewreven bonheur, 't cadeau van zijn
ouders bij zijn huwelijk, nog altijd ontzien, gevreesd bijna als een
voorwerp van buitensporige pracht en weelde. De overige meubelen waren
eenvoudig. Een ronde tafel op één gedraaide poot, acht stoelen en een
kanapee met zwarte trijpen zittingen.

Op den schoorsteenmantel een ander voorwerp van luxe, ook een cadeau,
een vergulde pendule, met een vergulde Ceres en vergulde korenschoven er
op, onder een stolp en aan de eene zij een porseleinen herder, met 'n
poeslief gezichtje, zijn jasje kleurig gebloemd en een luciferstandaard
van geel koper, en aan de andere zij een porseleinen herderin en een
geelkoperen aschbak. Deze vijf stukken op gelijke afstanden en de herder
en herderin wat naar elkaar toegedraaid uit hartelijkheid. 'n Goed kind,
die Anna!

Schielijk ging de deur open en kwam mevrouw Rubrecht de kamer in. Klein
nietig vrouwtje in 't zwart, stemmig dofzwart, 'n ernstig, wasbleek
gezichtje, ovaal, regelmatig als 'n Mariakop, in een kap van gladweg
gekamd donkerblond haar, waarop ze 'n donker dofgrijs tulen mutsje
droeg, wat haar ouder deed schijnen dan ze was. Om den schralen hals lag
povertjes 'n smal wit kraagje en wat zwarte kant viel uit de mouwen over
de magere polsen.

Ze kwam haastig binnen, liet de deur achter zich open. "Daar is Wim,"
zei ze. En ook kwam kort daarna, veel bedaarder, een jongmensch naar
binnen en stapte op Rubrecht toe. De oude man draaide zich half om.
"Zoo! dag Wim," zei hij. "Goeiemorgen, meneer," groette Wim hem de hand
reikend, "hoe maakt u 't?... Hé!--wat 'n mooie bloemen!"--Rubrecht
grinnikte vergenoegd. "Ja, ja!--Woutertje weet 't wel, vindt je niet?"

Mevrouw schoof gejaagd met 'n stofdoek langs de leuning van een stoel.
"Ik zal Anna 's even roepen," zei ze. "Ze is nog aan 'r toilet bezig....
ze heeft je misschien niet gehoord".... En ze liep de kamer weer uit
zonder naar Wim te luisteren, die nog riep: "Doet u geen moeite! Ze zal
wel komen!"....

"Ga zitten, Wim," zei de oude Rubrecht.

Toen nam de heer Willem Teunisse--genaamd Wim--voorzichtig tusschen
iedere duim en voorste vinger een pand van zijn gekleede jas en liet
zich langzaam en vol waardigheid neer op den anderen leuningstoel.

Rubrecht's aanstaande schoonzoon was boekhouder; hij was een degelijk,
solied jongeling, knap in zijn vak, bescheiden tegenover oudere
boekhouders, nederig en eerbiedig als hij van zijn patroon sprak; hij
zou een schoonzoon worden zooals Rubrecht er zich zeker een gedroomd zou
hebben, als hij ooit gedroomd had. 't Was iemand, die zijn plaats in de
wereld begreep en die niet, als zoovelen tot hun ongeluk, streefde naar
onafhankelijkheid, roem, eer of schatten. Zijn eer lag in de brandkast
van zijn patroon, zijn roem was honderd gulden verhooging van salaris en
zijn eenige schat was op 't oogenblik aan haar toilet bezig. Zoo hoorde
't! Daarbij kwam dat de heer Wim iemand was van onbesproken
levenswandel, zevenentwintig jaar oud, schutter, 'n weinig mottig maar
toch niet opvallend leelijk, en eigenaar van 'n miniem erfenisje en 'n
gering spaarduitje, samen vormend een ruggesteuntje, dat 'n zekeren roep
van welgesteldheid van hem deed uitgaan onder zijn kennissen. Deze heer
had dus alle recht zich langzaam en met waardigheid te bewegen.

"Lekker weer, hè Wim," zei Rubrecht.

"Bizonder lekker weer, meneer," zei Wim, "bepaald zeer mooi weer, ziet
u, haast te mooi voor den tijd van 't jaar! Wat blijft 't lang droog,
vindt u ook niet?"

"Wees maar niet bang; voor we 't kwartaal afsluiten zal de regen z'n
debet wel aanzuiveren," zei de oude boekhouder, en beide lachten met
deftigen kraaklach om die aardigheid.

Mevrouw Rubrecht kwam weer binnen en kwam ook bij het tafeltje staan.
"Ze komt dadelijk," zei ze, zenuwachtig glimlachend met 'n verstrooiden
blik in 't rond. En toen tot Wim: "Vindt je die bloemen niet
prachtig?--die Wouter!--goeie, royale vent, hè?--Ja, maar hij heeft nu
ook 'n mooie positie!--en 't moet zoo'n lief meisje zijn, Wim--o, zoo'n
lief meisje!--ja, zet nu maar niet zoo'n ongeloovig gezicht,--dacht jij
misschien, dat ze wat .... wat oppervlakkig was, 'n beetje luchthartig
misschien?---O, nee, Wim!--nee! dan zou Wouter nooit zooveel van 'r
zijn gaan houden--heusch niet!--dat is niets voor Wouter!--Wouter is
ernstig, bedaard! Hij is er de jongen niet na' om zich door 't eerste 't
beste mooie gezichtje te laten inpakken!--nee! dan ken je Wouter
niet!--"

"Maar mevrouw, ik...."

"Nou ja, ik weet wel, Wim, je meent 't goed .... maar, zie je,
Wouter!...."

En de moeder begon met een wijden blik, die ver over de hoofden van de
twee boekhouders heen aan een heerlijk lichtbeeld scheen te hangen, de
moeder begon te praten over haar zoon, haar eenige, haar alles! Hij had
nu een goede positie, maar hij verdiende dat ook ten volle, je moest
zijn patroon, zijn aanstaanden compagnon, haar knappen broer Frits maar
over hem hooren. Neen, dat stond vast, Wouter had zich een vrouw
gekozen, die hem waard was! Niet dat hij dat zelf zeggen zou!--pedant
was hij heelemaal niet!--Maar 't was zoo!--Wouter met zijn juisten
blik, met zijn menschenkennis!

"Nee, heusch, Wim," zoo ging ze al maar door, ofschoon haar aanstaande
schoonzoon al lang overtuigd scheen, "'t _is_ een engel van 'n
meisje!--Weet je, dat ze zoo jong haar moeder verloren heeft!--net als
ik,--treurig, hè?--Haar vader heeft er heel veel van geweten!--goeie
man, haar vader!--goeie man!--hij werd gevoelig toen hij er over
sprak.--Mevrouwtje, zei hij, je haalt 't zonnetje uit m'n huis!.... Toen
me lieve vrouw dood was, is zij hier in huis het middelpunt geworden
.... zonder haar zal 't hier uitgestorven lijken.... 't Is misschien
niet goed zooveel van 'n kind te houden, zei hij, maar zooals zij ook
altijd met me omging, zoo innig lief, zoo aanhankelijk...."

Mevrouw Rubrecht beet zich op de onderlip en snoof een traan op.

Wim keek haar verwonderd aan.

"En weet je, wat haar vader ook zei," ging ze weer door, "dat is iets
voor jou Wim!--Hij zei, dat ze zoo'n knap huishoudstertje is.... In 't
laatste jaar heeft zij de kas gehouden, de huishoudkas, .... keurig,
keurig! .... 't klopt altijd prompt!"

Wim glimlachte. "Aan diversen zooveel," zei hij.

"Waarom zeg je dat nu weer, Wim? Kan dat nu weer niet, dat 'n meisje
zulke dingen goed doet?...."

"Zeker, zeker!" zei Wim, knikkend met zijn gewichtig hoofd, zoodat zijn
glimmende gekamde haren, op en weer wipten in zijn nek, "maar uit een
volle beurs is 't makkelijk kas houden!...."

"Wat bedoel je daarmee, Wim?--je dacht toch niet dat Wouter haar om 't
geld....? O, Wim, wat ken je Wouter weinig, foei!"

En vader Rubrecht, die tot nu toe al maar goedig glimlachend voor zich
uit had zitten kijken zonder 'n woord te zeggen, schraapte zich nu de
keel en zei: "Nee, Wim, nee!--dat is niks voor Wouter!...."

"Wie zegt dat dan ook!" zei Wim, "ik denk er niet aan...."

Maar Anna was binnen gekomen. Wim stond bedaard op, liep haar drie
stappen tegemoet en gaf haar een kus op iedere wang. Ze kwam ook naar de
bloemen kijken en berook de mand aan alle kanten en zei dat 't jammer
was dat rozen zoo weinig geur gaven, 't Was of 't haar troostte! Wat ook
wel zoo geweest zal zijn, want zelf was ze maar 'n simpel muurbloempje
en heel blij dat ze toch geplukt zou worden, al was 't dan maar door 'n
boekhouder, die 'n weinig mottig was.

Ze leek op haar vader, ze was een leelijk meisje, met fletse oogen en
iets paffigs in haar gezicht.

De moeder liep de kamer weer uit.

"Je ma schijnt in 'r schik, vandaag," zei Wim tot zijn meisje,--"maar
wat is ze zenuwachtig!"

"Gelukkig, dat ze zoo is," zei Anna--wat korzel door dat ze zoo laat
was--"en niet in 'n melancholieke bui zooals eergisteren nog--en zooals
zoo dikwijls."

"Zoo, zoo!--Meer dan vroeger?"

De oude Rubrecht keek op, niet meer glimlachend, 'n beetje wrevelig.
"Wel nee!"--bromde hij--"niet meer dan vroeger--je moet daar niet zoo
over praten, Anna,--je weet, 't zit in ma's gestel!--nee! niet meer dan
vroeger--niet meer dan vroeger!"

"Waar ze nu heen geloopen is?" zei Wim, op zijn horloge kijkend, "'t is
half één, Wouter en z'n meisje kunnen ieder oogenblik komen."

"Ik wed, dat ze boven uit 't raam uitkijkt, of ze 'r al aankomen,"
antwoordde Anna. En dat scheen 't ook te zijn geweest, want 'n paar
minuten later kwam moeder Rubrecht weer binnen, even maar, om
blij-gejaagd te roepen: "Daar komen ze, daar komen ze!" En meteen was
ze weer weg om zelf open te doen.

De oude heer zette zich in postuur, werd nog rooder dan anders en
hoestte herhaaldelijk. Wim knipte zich 'n paar stofjes van de jas, stond
op, kuchte ook en was blijkbaar wat verlegen met zijn stijve figuur.
Anna ging in de gang over de leuning van de trap staan kijken.

En ze kwamen. 't Moedertje kuste beiden met tranen in de oogen zoodra ze
in huis waren. Vroolijk pratend kwamen ze de trap op, Anna tegemoet, die
haar aanstaande schoonzuster op iedere wang een klapzoen gaf. Toen ze
binnen kwamen zette vader Rubrecht zich geheel overeind, maar bij bleef
bij zijn stoel staan en stak 'n hand uit. "Welkom hier," zei hij,
"welkom, welkom!" En Margreetje vatte de hand en drukte haar lippen even
op 'n licht plekje van 't roode gezicht. Met stralende oogen ging de
oude man weer zitten. En toen kwam ook Wim haar sterk blozend
begroeten.

Een kind, een mooi kind, frisch-jong, hel-blond, stralend van dartele
levenslust, van dol-vermetele vroolijkheid--zoo stond daar Wouters
meisje in het huis van zijn moeder. Ze was heel mooi. Ze had een slanke
figuur, zacht-ronde lippen, een gezond-veerkrachtige, fiere houding.
Lachend haar ongemeen bekoorlijken, welluidenden lach liet ze zich
kussen, mild met lieve blikken en warme woorden. Dadelijk was ze druk
aan 't praten; zij had een innemende stem, soms licht geaffecteerd, maar
't was niet hinderlijk, 't was alleen maar een beetje coquet. De bloemen
vond ze "beeldig," 't mandje "dol elegant." "Wat snoezig van je,
Wouter," zei ze, en opwippend op haar teenen--want ze was veel
kleiner--lei ze even tegen hem aan haar mooie lijf en gaf 'm een zoen!

Wouters goedig, onbehaard gezicht glom van innig genoegen. Hij lachte
kort, sprak weinig. Hij stond te wippen, keek nu eens vol trots naar
zijn meisje, dan weer naar ieder van de anderen, hij trok gekke
gezichten, bewegend zonder ophouden zijn wenkbrauwen en zijn mond. Er
was stille triomf in zijn houding. Blijkbaar was hij blij met den indruk
die zijn meisje maakte op zijn huisgenooten, blijkbaar was hij vol dolle
vreugde, had hij 't wel uit willen gillen, maar hield hij zijn
aandoening met veel kracht in bedwang. Hij leek op zijn moeder, wat
vooral zoo sterk uitkwam doordat hij baard noch snor droeg. Toch had hij
een echt mannelijk voorkomen, droog, streng, zeer gunstig, en in zijn
oogen een schat van gulle goedhartigheid.

Ze stonden een poosje te praten en te lachen. Moeder Rubrecht dribbelde
telkens de kamer uit en in en kwam eindelijk met een glanzend gezichtje
vragen "of de kinderen kwamen koffiedrinken." Toen trokken ze naar de
achterkamer met glimlachende monden, de oude vader achteraan. Hij was
wat slap in zijn knieën en hij wilde niet dat Margreet dat al dadelijk
merken zou.

Er was een zonnige stemming aan de koffietafel; Margreet was het
middelpunt, zij moest zonder ophouden haar mooi kopje draaien van rechts
naar links om iedereen te woord te staan. Anna was blij dat haar
elegante aanstaande schoonzuster zoo vriendelijk tegen haar was, zij
keek dankbaar op naar Wim--die naast haar zat--, alsof die 't helpen
kon. De moeder tuurde al maar naar dat meisje, dat mooie meisje, die een
fee geleek, een fee uit een sprookje en die toch Wouters meisje was,
zijn vrouw zou worden. Dat was ze dus, dat was ze dus! En ze keek naar
haar met groote oplettendheid, ze nam dat mooie beeld in zich op, niet
in ééns, maar minutieus, bekijkend de oogen, de neus, de lippen, de
kin, als iemand, die een portret teekent. Margreet bloosde onder dien
blik. En de moeder, die dat zag begon om toch door te kunnen kijken met
veel nauwkeurigheid en in logische volgorde te vragen naar Margreet's
familie, haar ooms en tantes, haar neven en nichten, van vaders zij en
van moeders zij. Voor iederen nieuwen naam had ze 'n uitroepje van
verwondering of medelijden en het meisje daardoor aangemoedigd vertelde
druk pratend door. Wouter lachte er om en plaagde zijn moeder een beetje
met die instructie, maar Anna verdedigde haar, zeggend dat zij vrouwen
nu eenmaal wat nieuwsgierig waren, ze hadden ook niet zulke gewichtige
dingen aan 't hoofd als de heeren. De oude man zei ook nu en dan een
paar woorden, maar werd doorgaans niet verstaan. Margreet boog zich dan
naar hem toe en vroeg heel vrindelijk wat hij gezegd had. Maar dan kwam
er alleen maar een grijns, die beduiden moest: Oolijkerd, je verstaat
me best, je houdt je maar zoo.

Wim vroeg Wouter naar zijn zaken en Wouters gezicht betrok even, maar
hij zei dat hij vandaag niet over zaken te spreken was. Zijn moeder
hoorde dat, al luisterend naar Margreet en nam zich dadelijk voor, er 's
middags haar broer naar te vragen, die kwam eten met zijn vrouw, ter
eere van het feest.... Ook Margreet's vader en haar broer zouden komen.

Na de koffie gingen Wouter en Wim met hun meisjes wandelen; 't bleek dat
Wim gedroomd had van een plan om met z'n vieren uit te gaan, maar
Margreetje lachte hem, schijnbaar onwillekeurig, zoo hartelijk uit, dat
hij verlegen werd en zijn Anna voorstelde dan ook maar dadelijk op weg
te gaan, terwijl de anderen nog wat talmden in de voorkamer.

De oude heer bleef zijn pijp rooken en zijn krant lezen in een
gemakkelijken matten stoel bij het linkerraam, achter, in de huiskamer,
die uitzag op een binnenplaats, op een gekalkte blinde muur, vol
vuilbruine regenstrepen. Toen zijn kinderen weg waren trok hij zijn jas
uit.

Zijn vrouw was dadelijk druk in de weer met de meid, er kwamen immers
menschen. Ze was erg gejaagd en toen alles klaar was te moe en te
zenuwachtig om zelf wat te eten.



III.


Oom Frits--Wouter's toekomstige compagnon--was een man van talent. Toen
zijn vader bankroet ging en de tijding tot hem kwam in Parijs, waar hij
studeerde aan 't conservatoire, had hij zich eerst volkomen overgegeven
aan zijn droefheid; hij had zichzelf diep beklaagd en zich laten
beklagen door zijn vrinden; hij had zijn lange haren vóór over zijn
gezicht gehaald en voor zich uitgestaard met wanhoopsblikken. Maar toen
hij dan eindelijk goed begon te begrijpen, dat 't nu uit was met zijn
lekker-lui leventje--zoogenaamd voor de kunst--met languit liggen op
sofa's en gedichten maken op mooie meisjes en gloeiende feesten, met
droomerig neerzitten voor een half-af schilderstuk, zacht tokkelend op
de snaren van een viool--want hij deed aan alles: muziekmaken, dichten,
schilderen--toen was 't hem of hij voor 't eerst in zijn leven goed
wakker was! Zijn innerlijk ik, die al die kunst heel aardig vond, maar
toch 't meest behoefte had aan lekker eten en drinken en een zacht bed
dreef hem voort--weg uit Parijs .... terug naar zijn geboortestad! En
hij ging aan 't zoeken! Hij schreef op allerlei advertenties; hij liep
zijn oude kennissen af, smeekend om hulp, want zijn innerlijk ik
versmaadde weinig middelen!

Zoo was hij gekomen, als "aankomend bediende" op kantoor bij een
graankooper, een eenvoudig man, dien hij zoo handig wist in te palmen
door zijn slim gekozen woorden en zijn fijnbeschaafde manieren en ook
door zijn leepheid in 't zaken doen, dat hij in korten tijd van
"aankomend bediende" procuratiehouder werd, bij zijn patroon ontvangen,
aan zijn dochter voorgesteld en .... twee jaar later de zaak van zijn
schoonvader overnam. Hij had den altijd bezigen ouden man net zoolang
aan het hoofd gemaald van "welverdiende rust" en "kalmen ouden dag" en
zoo meer, tot hij zich teruggetrokken had op een vervelend buitentje. En
toen werden 'n paar nieuwe bedienden aangesteld, de viool en 't penseel
weer ter hand genomen en 't ontijdig afgebroken lekker-lui leventje
voortgezet. Zijn schoonvader--die den slag niet had van 't
rentenieren--ergerde zich dagelijks erger, en dat was heel gevaarlijk
voor hem, want hij was een dik, volbloedig man. De gevolgen bleven dan
ook niet uit .... een beroerte .... en Louise en haar Frits kregen de
erfenis thuis. Nu werd de zaak aan kant gedaan, bij 't huis werd een
stal gebouwd, in de opera werd een loge gehuurd. Er kwamen veel gasten,
goede, welmeenende vrienden, bewonderaars van oom Frits' talenten.

Tot plotseling bleek dat de zaak toch wel wat al te vroeg aan kant
gedaan was, dat er wel wat al te veel verteerd was, dat 't ook al te
laat was om in te krimpen wat te veel was uitgezet.... Er kwam een nare
tijd van gejaagdheid en zorg en roezemoes voor dien armen oom Frits.
Maar de ramp dreigde en trof en bleef niet alleen. Alles werd verkocht,
tot de viool toe, en tante Louise stierf. Kinderen waren er gelukkig
niet. Zoo stond dan Frits van Plaswijk op een donkeren najaarsmorgen
weer heel alleen, was hij weer even ver als twintig jaar geleden en had
hij zich weer de oogen uit te wrijven om ten tweeden male te ontwaken.

Maar toen was zijn familie, vervuld van bewondering voor zijn talenten
en ingenomenheid voor zijn sympathieke persoon, hem te hulp gekomen. Er
was--'n idee van hem natuurlijk!--een stoomwasscherij opgericht onder
zijn directeurschap. Ooms en tantes, neven en nichten namen aandeelen en
zonden hun wasschen. De inrichting was kranig, vooral het kantoor van
den directeur, waar niets ontbrak. Daar werden ook de
bestuursvergaderingen gehouden die heel gezellig waren en altijd werden
gevolgd door een fijn dinétje, voor rekening van de nieuwe maatschappij.
Aan 't dessert werd dan warme hulde gebracht aan den genialen stichter
van deze waschinrichting.

In 't begin ging alles goed, telkens sloten zich nieuwe familieleden en
goede vrienden aan. Maar toen kwam er stremming, de neefjes en vrindjes
waren op. En 't "groote publiek" bleek nog niet rijp voor Van Plaswijks
ideeën. Hij besteedde een paar duizend gulden aan reclame, maar 't hielp
niet veel. 't Was treurig--maar 't was eenmaal zoo! Men kon toch niet
van hem eischen dat hij de menschen zou gaan vragen om hun vuil linnen?

Laat ons trachten, zoo dacht toen oom Frits, de inrichting tot nog
grooter volkomenheid te brengen. En hij ging op reis naar Berlijn en
naar Parijs om daar stoomwasscherijen te bestudeeren. Maar dat duurde
niet lang. Een telegram van een der commissarissen deed hem hals over
kop terugkeeren. Zijn boekhouder, die zijn volle vertrouwen bezat, was
plotseling ook op reis gegaan om de stoomwasscherijen in Amerika te
bestudeeren en hij had de kas meegenomen uit voorzorg. Later schreef hij
nog een brief om hulde te brengen aan het inzicht van oom Frits, voor
wiens ideeën hij Amerika volkomen rijp bevonden had.

Intusschen kon Van Plaswijk's grootsche stichting 't verlies van haar
boekhouder en haar kas niet lijden. Men likwideerde, de familie berustte
in 't verlies en had niets dan medelijden voor hem, den man van talent,
slachtoffer van zijn genialiteit en te groot vertrouwen in een
medemensch!

En voor de derde maal moest Frits van Plaswijk zich wakker schudden en
al de gaven, die hem tot nog toe uit den brand geholpen hadden te zamen
grijpen en goed uitkijken en scherp denken. Ditmaal hield hij zijn
vrienden er buiten. Hij verkocht wat hij bezat en ging ergens in een
achterafbuurt wonen, heel eenvoudig. Een tijdlang zag hem niemand. Toen
hij zich weer vertoonde, was 't met hangend hoofd. Hij was nu
ongelukkiger dan ooit, zuchtte hij, en zijn mooie donkere oogen keken
dwalend rond. Hij was verliefd, en .... hopeloos! Zij was een lief,
jong weeuwtje .... ze zou hem uitlachen .... wat had ze hem noodig!....
Ze trachtten hem moed in te spreken, maar hij schudde 't hoofd. Ze
vreesden, dat hij zich van kant maken zou....

Maar daar kwam opeens de blijde tijding: hij was geëngageerd! Hij was de
gelukkigste mensch van de heele wereld!.... Want zij was een engel, hij
aanbad haar!.... En, o gelukkig toeval! zij was ver van onbemiddeld. Nu
belette ook niets hem meer een plan te verwezenlijken, dat altijd tot
zijn illusies behoord had, maar in den laatsten tijd tot rijpheid was
gekomen in zijn geest. Een nieuwe onderneming, die zeker slagen zou!
Juist iets voor hem,--als geknipt!--Men zou er algauw meer van hooren.

Hij trouwde en openbaarde den nieuwsgierigen familiekring zijn plannen.
Een groote drukkerij en uitgeverszaak zou hij oprichten. Dat was iets
in den geest van den tijd. Immers door het meer en meer verbreide
onderwijs groeide dagelijks het publiek voor wetenschap en litteraire
kunst. 't Zou een schitterende onderneming worden. Wel had hij
persoonlijk geen ondervinding van zulke zaken maar daarom zou hij zijn
neef Wouter er bij halen, die er een piet in was. Hij zelf zou zich
uitsluitend bezighouden met het hoogere hersenwerk, 't uitdenken van
grootsche uitgeversplannen, 't confereeren met geleerden, schrijvers,
illustrators, 't bijwonen van letterkundige congressen .... en wat dies
meer zij.... De firma zou als eerste uitgaaf zijn eigen gedichten doen
verschijnen op geschept papier.............................
.....................................................................

En hij schreef aan Wouter dat zijn toekomst verzekerd was, als hij maar
gauw overkwam. Want Wouter was toen in Londen. Hij zou beginnen als
procuratiehouder, maar--wanneer alles goed ging--over een jaar lid van
de firma worden. Wouter, die veel wist van zijn vak en er van hield, die
anderhalf jaar in verschillende drukkerijen in Leipzig en Parijs gewerkt
had en nu in Londen, waar hij zich gelukkig en thuis voelde--hij hield
veel van Engelschen--Wouter had er eerst weinig zin in. 't Plan kwam hem
te onbekookt voor en zijn ooms brieven deden hem onwillekeurig aan
Holloway en Beecham denken. Maar de brieven bleven aandringen en alle
bezwaren wegredeneeren--'t begon hem te duizelen--, zijn moeder ried 't
hem ook aan--en ze schreef dat ze 't zoo heerlijk vinden zou haar
lieveling weer voorgoed bij zich te hebben....

Zoo was hij dan toch gekomen en terstond daarop was een begin gemaakt
met de toebereidselen, het inkoopen van machines, letters, het
aanstellen van personeel. En alles ging uit een ruime beurs, zoodat 't
Wouter wel moest bevallen.... En 't beviel hem dan ook .... zeker ....
o, zeker!....



IV.


Een van Wouters eerste bezoeken na zijn terugkeer had den man gegolden
die hem met de handgrepen van zijn vak vertrouwd gemaakt had, die hem,
'n jongen van zestien jaar, zóó van de lagere school, in de leer genomen
had, den bekenden boekdrukker Smit. Een goedig-ruwe, luidruchtig
vroolijke man, vol levenslust en werkkracht. Wouter had veel van hem
gehouden, hij was een van de menschen geweest die invloed gehad hadden
op zijn manier van denken en van doen, op zijn gansche optreden; hij zou
hem nooit kunnen vergeten. En ook de drukker, die trotsch was op zijn
vak, die er voor gloeide en 't er ver in gebracht had, hield van den
leergragen jongen en was blij toen hij 'm weer zag. Vroolijk stak hij
hem de groote roode hand toe. "Dat 's goed van je, dat je je ouwen baas
éris op komt zoeken, hoor! .... dat 's goed! .... dat 's heel goed! ....
kom 's gauw mee naar de zetterij .... kijk 's wat ik heb laten
verbouwen!.... Mooi, hè?.... Ja, kijk maar 's goed rond, er is hier heel
wat veranderd!.... Twee groote nieuwe persen zul je vinden in de
drukkerij .... maar nou eerst mee naar boven, want je moet 'n borrel met
me drinken.... En vertel nou 's, wat ga je nu doen hier?...." Zoo
praatte hij door, druk, telkens hartelijk lachend tusschen zijn woorden.
En dan bekeek hij Wouter weer van top tot teen. "Kerel, wat ben jij 'n
mannetjesvent geworden! 'k Zou je toch herkend hebben! Waarachtig! Al
had je er nog een sappeursbaard bij gehad!"

En hij de kamer uit en roepen aan de trap: "Komen jelie 's even hier,
Margreet, Willem, waar zijn jelie?"

Want ze moesten ook zien wat 'n mannetjesvent Wouter Rubrecht geworden
was. Eerst kwam Willem beneden, een echte sportjongen, vier jaar jonger
dan Wouter, die hem ternauwernood herkende, die niet op hem gelet had
vroeger, en wien hij nu ook vrijwel onverschillig was, want hij stond
juist op 't punt om te gaan footballen. "Dag pa! .... bonjour meneer
Rubrecht!...." En daarna Margreetje, die hem heel goed herkende en dat
ook dadelijk zei met een lieven blos. Maar toen haar vader in zijn ruwe
luidruchtigheid platweg vroeg: "Nou .... en .... wat zeg je van 'm ....
is 't niet een knappe jongen geworden?" lachte ze maar 's en zei niets,
maar bloosde nog sterker. Wouter herinnerde zich Margreet ook nog wel,
maar vóór ze was binnengekomen had hij haar in zijn gedachten zóó voor
zich gezien: een frisch kind van twaalf jaar met loshangende blonde
haren en mooie groote kinderoogen, in een lichtblauwe katoenen jurk,
stijf gestreken, met een hoog wit boezelaar er voor en twee tengere
bloote armen slaphangend langs het slanke kinderlijf. Jurk en boezelaar
tot op de weeke knieën en daar onderuit in helwitte kousen de stevige
kuiten en dan de blinkende rijglaarzen in volle glorie!.... En inplaats
van dat kind was een jonge vrouw binnengekomen--hij was even
verbaasd--maar 't haar was nog even zachtblond en de oogen nog even mooi
en groot en kinderlijk brutaal. Wouter werd verlegen en verward, was
maar blij toen hij weer met zijn ouden baas in de drukkerij stond en
naar de nieuwe machines keek en luisterde naar die vroolijke stem die
hem in de ooren klonk als een oude lievelingsmelodie: "Ja, ja! jongen,
werken maar, dan kom je er wel!.... Al dat geleuter van slechte
tijden!.... Gekheid, hoor!.... Wat had ik toen ik begon, niets! niet dat
wat op me hand ligt! ziedaar!" En hij blies op zijn vlakke hand bij
wijze van illustratie.

Maar hoeveel lichter Wouter zich ook gevoeld had, toen hij de kamer uit
was, waar Margreet hem tegemoet was gekomen met haar lieven lach en dien
blos van herkenning, den anderen dag wou hij er wéér wel heen. Maar dat
ging natuurlijk niet, hij wachtte behoorlijk een week. En meneer Smit
was weer even blij en hartelijk; hij moest 's komen eten! Ook Margreetje
scheen niet ontstemd door de haastige herhaling van zijn bezoek. En hij
kwam eten, en nog 's, en dikwijls en werd erg verliefd. En hij vroeg
haar. En zij zei: ja! En de vader was verrukt; er was geen enkel
bezwaar! 't Ging alles heel gewoon!....

En Wouter hield van zijn Margreet zooals een eenvoudig man als hij houdt
van de vrouw, die voor hem 't ideaal is en die hem liefde gegeven en
trouw beloofd heeft. Zijn gevoel was niet bizonder gedistingeerd, niet
gecompliceerd, niet exotisch, hij was er trouwens de man niet naar
geweest zich daarvan rekenschap te geven. Hij was eenvoudig dol op haar,
de gedachte aan zijn meisje vulde hem gansch en al met warme
levensvreugde, met welwillende goedheid en trots; hij droomde zich geen
ander geluk dan voor haar te werken, te zorgen, voor haar en met haar te
leven, zijn heele leven, o, dat 't lang mocht zijn en zonder rampen!

En zij hield ook veel van hem--heel veel! Zij vond hem een knappen
jongen en zoo goedhartig. En vooral dat hij zooveel gezien had van de
wereld en zoo'n prettige man was om mee uit te gaan, dat beviel
haar!.... En dat hij zoo'n mooie positie krijgen zou.... En zij vond 't
heerlijk om geëngageerd te zijn, zij was de eerste van haar kransje; ze
was pas achttien!



V.


Een ongewone drukte dien Zondagmiddag in 't stille Rubrechtshuis. Tien
menschen om de ronde tafel in de achterkamer, waar anders de oude
boekhouder en zijn vrouw met hun twee kinderen alleen zaten. Druk
gepraat en gelach, waar anders zoo nu en dan maar 's wat werd verteld
door Wouter of door Anna om de stilte te breken en 't middagmaal een
beetje te rekken, dat 't niet zoo erg gauw afgeloopen was. Druk gepraat
en gelach van Smit vooral, den stevigen boekdrukker, die rechts naast
mevrouw Rubrecht zat en met zijn forsche figuur en zijn joviaal gezicht,
rood en baardig, de tafel beheerschte, vroolijkheid uitstralend; van oom
Frits ook, die, zittend aan de andere zij van zijn zuster, zich als den
voornaamsten gast en als het meest gedistingeerde element van het
gezelschap beschouwde, altijd even interessant met zijn bleek gezicht en
zwarte haren, zijn ietwat lijdend type, zoo door-en-door sympathiek. Hij
praatte veel, coquetteerend met zijn beschaafde uitspraak en met de
weeke gebaren van zijn witte handen, waarheen een paar flonkerende
diamanten de blikken trokken.

Zijn vrouw, een lief, blond schepseltje, soms innemend schuchter, soms
zielig-onderworpen van houding zat rechts van den boekdrukker, naast
haar Wouter en dan zijn meisje, die tusschen Wouter en zijn vader
geplaatst was, zoodat de gastheer--zooals dat hoort--vlak over zijn
vrouw was komen te zitten. Rechts had hij zijn gewaardeerden Wim, die
trotsch scheen op zijn plaats en de kleine Anna naast hem door 't
gewicht van zijn figuur als verpletterde. Tusschen haar en oom Frits
troonde de sport belichaamd in den jongenheer Willem Smit, wiens basstem
voortdurend met de woorden: fiets, trainen, racen, football en zoo meer
jongleerde. En te midden van al die drukke menschen die haar vriendelijk
prezen, haar en haar keukenmeid, om 't lekkere eten, zat moeder
Rubrecht, vermoeid, soms weemoedig glimlachend, soms als verbijsterd,
met dofdwalende oogen, een vreemd gewas, verdwaald in een
burgermansbloembed met veel geel, oranje en hardpaars.

Over haar hoofd heen spraken Smit en oom Frits elkaar toe en waren 't in
den regel niet eens. Nu beweerde de boekdrukker, die zijn gastheer iets
aangenaams zeggen wou, dat je in zaken de administratieve koppen toch
maar niet missen kon en won zich daarmee niet alleen het hart van den
ouden Rubrecht, die zat te glimmen van louter genoegen, maar ook dat van
Wim, die houterig boog over zijn soep en zei, dat in een zaak als die
van meneer Smit technische kennis toch wel de eerste vereischte zijn
zou, maar oom Frits merkte zeer bescheiden op dat boekhouden en dat
soort van bekwaamheid altijd voor geld te koop was, maar talent, meneer!
talent, ziedaar 't eenige noodige, en dat was niet te koop! dat was
aangeboren!.... Dan weer gaf Van Plaswijk zijn ergernis lucht over die
menschen, die Wagner's muziek niet mooi vinden en toen Smit gullachend
bekende tot "die menschen" te behooren--want dat hij er "geen laars" van
begreep--pakte oom Frits die gelegenheid aan om een "verklaring" van die
muziek te geven, een verklaring die bestond in een aaneenschakeling
zonder samenhang van woorden en phrasen, die hij hier en daar gelezen
had, en hij bracht zooveel kunsttermen te voorschijn dat 't den
boekdrukker begon te duizelen. De goede dikkerd maakte er een eind aan
door een luide en langdurige schaterbui, waarna Van Plaswijk, geërgerd
en verward, over 't onderwerp zweeg en zich met den jongen Smit in de
geheimen van het race-roeien begon te verdiepen. Moeder Rubrecht, 'n
beetje ongerust door die luidruchtige woordenwisselingen keek angstig
rechts en links zoodat Wouter medelijden met haar kreeg en haar
bemoedigend toeknikte, waarvoor hij beloond werd met een blik zoo
weemoedig-dankbaar, dat hij, in zijn hooge stemming, ontroerde. Tranen
sprongen in zijn oogen en hij boog zich snel over zijn bord, dat zijn
meisje 't niet zien zou. Maar Margreet, blozend van opgewonden
vroolijkheid, zich zalig bewust van haar bekoring, stralend van trots op
haar beteekenis aan die tafel, Margreet zag 't niet. Zij lachte juist
helder op, om iets wat oom Frits zei; haar mooi welluidend lachen rees
en daalde zonder trilling.

't Stilst was tante Amelie, 't jonge weeuwtje dat oom Frits tot den
gelukkigsten man der wereld maakte. Zij antwoordde als ze werd
aangesproken, met een enkel woord of een glimlach, en at heel weinig.
Zij scheen wel weg te willen zinken in het geroes om haar heen.

Werd 't een oogenblik stil aan tafel, dan keken de mannen naar Wouter
en zijn meisje en werden zij toegelachen en toegeknikt en geplaagd met
hun verliefdheid, een geesteloos welmeenend, goedmoedig burgerlijk,
vrindelijk kleinzielig geplaag met afgezaagde phrasen. Anna keek wat
spijtig omdat zij niet meer geplaagd werd, zij fluisterde met Wim en
gichelde om de aandacht te trekken, maar 't hielp niet.

Aan 't dessert werd getoost. Vader Rubrecht begon--zijn zwager had 'm al
een paar maal gewenkt met een gebaar van meerderheid--vader Rubrecht
begon kuchend en met een wijnrooden kop en zei, dat hij alleen maar even
op de jongelui wou drinken, dat hij geloofde dat Margreet een lief
meisje was en een lieve vrouw voor Wouter zou zijn. Hij hoopte maar dat
zij, die 't zoo goed gewoon was, de eenvoudige levenswijs van de
Rubrechts voor lief zou willen nemen. Hij was maar een pennelikker, zie
je!--maar och, nietwaar, die menschen moeten er toch ook zijn--en hij
en z'n vrouw, niet waar moeder?--hij en z'n vrouw .... úche, úche ....
nou ja, enfin, hij dronk op de jongelui. "Daar gaan ze."

Ze stonden allen op en klonken en Smit bleef staan en keek Wouter aan en
zei: "Woutertje, jongen, dat hadt je toch niet gedacht toen je bij mij
op de drukkerij kwam; weet je nog, dien eersten dag, toen ik je 'n lik
om je ooren gaf omdat je die zetplank op m'n eksteroogen liet vallen."
En toen draaide hij zich naar den vader en begon over Wouter te praten,
zijn leerling, die nu zijn schoonzoon zou worden, en hij zei, dat hij 'm
niet pedant wou maken, maar dat hij wel vertrouwde dat er voor hem 'n
toekomst was in 't vak, dat 'n mooi vak was, 'n nobel vak, al zei-ie 't
zelf! Hij hoopte van harte dat 't 'm voor den wind gaan zou, dat zijn
zaak zou bloeien, maar dat hij--en de stem van den zwaren man begon te
trillen--dat hij hem, zijn ouden baas, nooit vergeten zou. Oom Frits
scheen dezen toost als een compliment aan zijn adres te beschouwen, hij
bedankte allerminzaamst en begon met zijn zachte sympathieke stem vlug
te praten over zijn groote plannen, waarin Wouter zoo'n belangrijke rol
spelen zou. Hij beweerde Wouter oprecht te bewonderen, zoowel om zijn
smaak voor het schoone (met een minzaam glimlachend buiginkje naar
Margreet, die bloosde) als om zijn bekwaamheden, waartoe meneer Smit
zooveel had bijgedragen (met een licht knikje aan 't adres van den
drukker). Hij geloofde dat Wouter zeker nooit 't groote vertrouwen
beschamen zou, dat hij--oom Frits--in hem stelde. Daarvan hing ook voor
een groot deel het welslagen af van hun onderneming, waaraan trouwens
hij--oom Frits--niet twijfelde.

En Wim stond ook op en dronk op zijn aanstaande schoonouders en op den
hechten band, die naar hij hoopte hun kinderen steeds .... en zoo meer,
en zoo meer....

Eindelijk bedankte Wouter. Hij deed 't met groote inspanning; tranen
vielen op de hand die zijn glas omknelde. Hij sprak verward van dank en
vertrouwen en liefde .... en 't kostte hem zooveel moeite de woorden uit
te brengen dat de anderen medelijden met hem kregen. Smit wenkte dat hij
't er bij laten zou. Oom Frits wierp er geestigheden tusschen door,
Willem Smit proeste 't luid uit, Margreet had 'n beetje 't land en trok
Wouter zachtjes aan zijn mouw. Maar hij wilde 't toch tot 'n eind
brengen. Zijn moeder tuurde voor zich uit en hoorde 't niet, toen hij
eindelijk ophield met spreken en ging zitten. Zij zat in gepeins met het
hoofd naar voren, zacht weenend. Maar Smit stootte haar aan, en zei met
zijn ruw-vroolijke stem, nog harder dan anders, om zijn aandoening te
loochenen. "Kom, mevrouwtje, laten we 's klinken!" Toen schrok ze op,
glimlachte en veegde haar tranen weg.



VI.


Dadelijk toen ze 't gemerkt had, dat Wouter zoo dikwijls naar zijn ouden
patroon ging, had moeder Rubrecht begrepen waarom. Maar toen 't voor 't
eerst in haar opkwam: 't is om die dochter dat hij er heen gaat, was ze
hevig geschrokken en een gevoel van woede was over haar gekomen en van
vijandschap, jaloersche vijandschap tegen dat meisje.... Maar gauw was
dat gevoel overgegaan in weemoedige smart, in melancholische
onderwerping aan het noodlot. 't Moest immers komen, ze was er immers op
voorbereid geweest zooveel jaren! Maar hard was 't, bitter hard! Ze was
zoo blij geweest dat ze haar jongen weer bij zich had, voorgoed had ze
even gedacht, en nu was 't al uit, alles uit!....

Maar plotseling had ze zich diep geschaamd over die egoïstische
gedachten. En ze had ze verdrongen met al de kracht van haar liefde voor
Wouter. Wat? hij ging zijn geluk tegemoet en zij zou treuren? Zij was
wel in staat geweest tot die groote opoffering voor haar vader, van wien
ze niet hield, en nu zou ze terugschrikken van een opoffering voor hem,
haar afgod? Ze zou Wouter niet willen afstaan aan zijn geluk? Neen! haar
liefde was sterk, zij zou 't hem bewijzen, zij zou hem afstaan, hem
geven aan haar, .... die hem nu het liefste was (o! wreedschrijnende
gedachte). Zij zou hem afstaan, haar lieveling, .... 't deed haar goed
zich voor hem te kunnen opofferen.... zij zou hem afstaan aan, .... o,
aan een engel natuurlijk .... aan een engel!....

Want anders!.... Maar, 't _moest_ een engel zijn, die Wouter lief
had....

En Wouter had Margreet gevraagd en zijn moeder had haar gezien en ze was
gekomen, dien Zondag.

't Was een groote dag, een moeilijke dag geweest voor moeder Rubrecht.

Dat was ze dus, dat was ze dus!

Zij trachtte zich de voorstelling weer voor den geest te brengen, die ze
zich van Wouter's meisje gemaakt had, vóórdat ze haar gezien had, maar
't ging niet. Aldoor zag ze Margreets gezicht, aldoor hoorde ze haar
lach. En dat gezicht herkende ze niet, en die lach vond geen echo in
haar ziel. Toch, wat was ze mooi! wat was ze lief en vriendelijk! Ja,
ja, ze was een engel! Maar was ze zooals zij zich vroeger Wouters vrouw
had gedroomd? Ze wist 't niet! 't Verwarde haar, die gedachte. Ze wist
't niet! Want wat was ze, wie was ze? Waarom was ze zoo vroolijk, was
dat geluk? Waarom lachte ze zóó, zóó, zoo helder, zoo zilver, was dat
goedheid? Wie was ze, wat was ze? was ze gelukkig omdat ze van Wouter
hield en hij van haar? Hield ze van hem? Genoeg? genoeg?

O ja, zeker hield ze van hem, want hoe zou Wouter anders zoo gelukkig
zijn, hij zou 't toch wel voelen als 't niet zoo was. En hij _was_
gelukkig. Een schat van milde humaniteit straalde uit zijn oogen, warm
en vol klonk zijn stem als hij liep te zingen door 't huis. Dikwijls was
hij dol van uitgelaten vreugde. Hij _was_ gelukkig.

Toch soesde ze er aldoor over de nu volgende dagen en weken, terwijl het
leven in het Rubrechtshuis weer zijn gewonen gang ging. Wouter was
weinig thuis, 's avonds ging hij naar zijn meisje, meestal gingen ze
samen uit,--'t was zomer! Soms kwamen ze ook even aan samen, soms kwam
Margreet koffiedrinken of eten bij de Rubrechts. Dan was het 'r altijd
een en al luidruchtige vroolijkheid; Wouter zette 't huis op stelten, ze
stoeiden, ze juichten. Soms ook kwam Margreet alleen, 's middags
tusschen twee en vier, correct in 't visite-uur, elegant gekleed en met
haar visiteboekje in de hand. Dan was mevrouw Rubrecht blij. Ze praatte
met haar tot Margreet ongeduldig werd en korte antwoorden gevend telkens
bewegingen van opstaan maakte. Maar Wouters moeder wilde dan niet, dat
ze zoo gauw gaan zou. Ze wilde met haar praten, vertrouwelijk met haar
worden, om te weten wie ze was. Maar 't lukte niet. Er scheen iets
tusschen die twee te hangen, waardoor geen echte vertrouwelijkheid, geen
wederzijdsche overgave mogelijk was. Moeder Rubrecht vroeg en vroeg en
vertelde veel van Wouter maar niets van zichzelf. En Margreet was altijd
lief en attent en behulpzaam, blijkbaar voortdurend er op uit, Wouter's
moeder voor zich in te nemen door de bekoring van haar verschijning en
van haar stem en lieve maniertjes, maar aan eenige ontboezeming had ze
blijkbaar geen behoefte. Als ze wegging kuste ze 't kleine mevrouwtje,
twee, drie maal en glimlachend drukte ze zacht de hand, die de hare
vasthield om 't afscheid te rekken. En buiten keek ze nog eens op naar
het raam en lachte en knikte. Dan zonk moeder Rubrecht weer soezend
terug in haar leuningstoel en staarde voor zich uit, nu en dan diep
zuchtend, en bleef soms wel een half uur zoo zitten, zoodat Anna, die er
niets van begreep, 'n beetje kriegel vroeg: "Maar wat is er dan toch,
maatje?" "Niets, kind, niets," zei ze dan en stond schielijk op en liep
de kamer uit of ze werkte door aan haar handwerk om een paar minuten
later weer op te houden en weer soezend voor zich te staren. Dikwijls
ook glimlachte ze dan plotseling. Dat was als ze dacht aan dingen, die
Wouter gezegd had en waaruit zoo duidelijk spraken zijn goedheid en zijn
geluk. Dan herhaalde ze die woorden voor Anna, met trotsche liefde warm
sprekend over haar zoon, en Anna verdroot 't dat 'r moeder bijna nooit
over haar en Wim sprak.

Eens toen mevrouw Rubrecht met Margreet alleen zat te praten, legde ze
plotseling haar hand op 'n arm van 't meisje--'n schichtige beweging,
Margreet schrok even en rilde licht--en keek ze haar strak aan en zei
zacht: "Zeg, ik moet je 's wat vragen, je houdt toch wel genoeg van
Wouter? .... als hij 's ziek werd, erg ziek, zie je, .... hoe zou je 'm
dan oppassen? Wat zou je kunnen doen voor hem?"

Margreet lachte even, zenuwachtig, "Maar, mevrouwtje, waar denkt u aan!
Of ik van 'm hou--dat weet u toch wel! En hij wordt niet ziek! Daar zal
ik wel voor zorgen, hoor!.... En als hij 's 't een of ander heeft, dan
zal ik 'm wel troetelen en verwennen; hoor, mevrouwtje, wees u maar niet
bezorgd...." "Ja, ja!" zei de moeder, "ja, ja, verzorg 'm dan goed hoor,
want .... want, zie je.... als hij 's stierf in jou huis, als ik
niet...." Zij kwam niet verder, ze fronsde de wenkbrauwen, strak
starend voor zich uit en er was even een uitdrukking van woeste woede in
haar gezicht. Margreet vond 't vreemd, ze voelde zich wat onbehagelijk,
maar, als een kind dat zijn moeder ziet weenen, zonder dat 't weet
waarom, streelde ze enkel zacht de magere handen, die in den schoot
waren gevallen, en zoende ze 't grijsbleeke voorhoofd, en fluisterde een
paar lief-sussende woordjes. En gauw ging ze weer weg, vroolijk lachend,
als altijd.

Maar de moeder bleef zich zelf die eeuwige vraag herhalen: Houd ze van
'm? Genoeg? genoeg? En ze kon zich maar niet duidelijk rekenschap geven
van wat ze eigenlijk dacht over haar, ze bleef er over soezen, 's
morgens en 's middags en 's avonds vooral, als ze om de tafel zaten
onder de brandende lamp, de oude Rubrecht, Anna, Wim en zij. Dan
zwierven haar gedachten over haar verleden rond en ze dacht aan haar
moeder, zooals ze daar gelegen had, toen 'r vader haar opgetild had, en
toen zij voor 't eerst aan den tuin gedacht had .... en aan haar trouwen
dacht ze, aan de geboorte van Wouter, aan haar vurig bidden voor zijn
behoud en voor zijn geluk. En zij tobde over zijn toekomst....

De oude Rubrecht rookte zijn pijp en las zijn krant, of hij zat te
praten met Wim en Anna haakte aan haar sprei.



VII.


Zoo ging de zomer voorbij en het najaar.

Nu kwam Wouter wel eens niet zoo vroolijk thuis, liep hij zwijgend de
trap op en keek hij bedrukt als hij binnenkwam. Als zijn moeder dan
vroeg wat er was, zei hij: "Och! zaken, moedertje, zaken, de drukke tijd
komt nu aan, ziet u!" of: "Ja, ja, 't is een slechte tijd voor ons vak,
de menschen koopen geen boeken meer!" Maar den volgenden dag was hij
altijd weer vroolijk en zong en lachte.

In 't eerst kwam Margreet ook Anna wel eens afhalen om te gaan wandelen
en dan kwam Anna altijd vroolijk thuis en vol over Wouter's meisje. Maar
dat kwam al minder en minder voor. 't Was dan ook najaar en 't was geen
weer meer om te wandelen, zei de moeder, als Anna zich er over
beklaagde. Maar ze zag ook wel, dat Anna dikwijls de kamer uitliep als
Margreet er was en ze hoorde wel, dat ze koel en kort tegen haar sprak,
zoodat moeder Rubrecht eens op een morgen aan Anna vroeg: "Zeg, heb je
wat gehad met Margreetje?"

"Ik? Wel, nee, Ma, hoe komt u daaraan?"

"Waarom ben je dan zoo stroef tegen haar en loop je soms de kamer uit,
als ze 'r is?"

"Och! zoo! .... ik weet niet!...."

"Wèl ja, .... wat is dat nou, An?--je weet 't natuurlijk heel goed,
waarom wil je 't me niet zeggen?"

"Och, u kunt toch immers geen kwaad van Wouter z'n meisje hooren! Ik heb
immers toch ongelijk!"

"Kwaad? Kwaad van Wouter z'n meisje? Wat dan? Wat is er dan? Ik wil, dat
je 't me zegt."

"Nou, goed dan! .... ziet u, Wim en ik vinden haar wel lief, maar niets
hartelijk tegen ons. Tegen u en pa is ze eigenlijk ook niet hartelijk,
wèl altijd heel lief, maar...., ik weet niet, niet gewoon, zooals
iedereen, ze wordt dan toch uw dochter!.... Wim zegt, dat ze trotsch is,
maar dat geloof ik niet, want waarop zou in 's hemelsnaam trotsch zijn?
Omdat haar pa nou boekdrukker is? Is dat dan voornamer dan
boekhouder?--Maar, ziet u, weet u, wat ik ook vind? Waarom verwent
Wouter haar zoo? Alles wat ze hebben wil, dat krijgt ze. Altijd opschik!
Een ring met een diamant, voor haar verjaardag een vreeselijk dure
broche, nu weer pas dat gouden kettinkje, zóó maar 's, omdat ze 't zoo
snoezig vond! En hij gaat met haar naar de komedie, soms twee, drie maal
in de week, omdat ze er zoo vreeselijk veel van houd, zegt-ie; nou ja,
wie zou daar niet van houden, maar waar moet Wouter dat allemaal van
betalen? Hij is toch ook maar kantoorbediende net als Wim! En waarom
vraagt ze niet vast wat in hun huishouden, daar heeft ze wat aan.... Al
die opschik, als je al geëngageerd bent!...." Zoo ratelde Anna door,
zich meer en meer opwindend, tot haar moeder, verbaasd, haar in de rede
viel: "Maar kind, zoo spreek je nooit! Hoe kom je daar allemaal aan? Je
weet toch wel, dat Wouter geen onverstandige dingen doet!.... Geloof dat
maar gerust, hoor! Wouter weet wel wat hij doen en laten mag...."

"Maar Wim zegt...."

"Wim moest zich liever met zijn eigen zaken bemoeien!" zei moeder
Rubrecht scherp, maar 't speet haar dadelijk en op Anna toekomend zei
ze zacht: "Nou ja, An, je weet wel hoe 'k 't bedoel, hè? Maar heusch,
Wim is een goeie jongen, maar over Wouter z'n zaken kan hij niet
meepraten.... Je weet toch ook wel dat Wouter tegenwoordig een aandeel
in de winst heeft?...."

"Nou ja, die winst! daar gelooft-ie zelf niet aan!"

"Wat?.... Daar heeft-ie mij nooit iets van gezegd!...."

"Niet?.... Nou, 't kan zijn, dat ik 't overdrijf!.... Enfin, spreekt u
er hem dan ook maar niet over!.... 't Zijn ook eigenlijk mijn zaken
niet!...." En Anna liep de kamer uit.

Moeder Rubrecht was erg geschrokken. Ze had een gevoel alsof haar beenen
opzwollen, ze kon ze haast niet verzetten, ze moest gaan zitten. 't
Bonsde in haar keel, haar lippen brandden. En in haar gilde een stem:
Daar is het! daar heb je 't al! Den heelen dag was 't haar onmogelijk
helder te denken. Ze was angstig, gejaagd, ze gaf verstrooide
antwoorden. Wouter at dien dag bij zijn meisje, hij kwam laat thuis.
Zijn moeder was al naar bed toen hij thuis kwam. Maar zij sliep niet.
Zij hoorde hem de voordeur sluiten, de trap opkomen, naar zijn kamertje
gaan. 't Was vlak boven haar kamer. Zij hoorde hem stommelen op zijn
kamertje. Maar al gauw werd het stil, hoorde ze alleen 't geronk van den
ouden man, die naast haar lag, achterover in zijn slaapmuts. Toen
draaide ze zich om, duwde 't kleine gezichtje weg in 't kussen en ze bad
weer.

Toen week de angst, ze werd kalmer, ze voelde zich wegzinken in doffen
weemoed.

Eindelijk sliep ze in.



VIII.


Den volgenden dag liep Wouter, die druk was geweest aan tafel, na het
eten naar zijn kamer. Zijn moeder ging hem daar opzoeken. Hij liep heen
en weer, zijn gezicht stond ernstig. "Wouter," zei ze, toen ze de deur
achter zich gesloten had, op gedempten toon, "gaat 't slecht in de
zaken?"

Hij keek haar even aan, quasi-verwonderd, maar toen keek hij een anderen
kant op. "Hoe komt u daaraan, moedertje, en waarom komt u me dat zoo
geheimzinnig vragen?" zei hij met een heldere stem.

"Ik weet niet, hoe 'k er aan kom, jongen," zei ze,--want Anna had haar
gevraagd vooral niet te vertellen, wat zij gezegd had--"maar ik maak me
soms zoo ongerust!"

"Maar daar is geen reden voor!" zei hij, haar aldoor niet aankijkend,
"ben ik dan niet opgewekt .... niet vroolijk? .... doe ik dan als iemand
wiens zaken beroerd gaan?...."

"Nee .... nee! .... maar, zeg, Wouter, zeg 't me nu maar .... Zou je
denken, dat 't niet ging op den duur?"

"Och, wel jà .... wel jà!...."

"Waarom kijk je me niet aan?"

Toen keek Wouter haar plotseling strak aan en ze zag, dat zijn gezicht
bleek was en heel ernstig. Hij kwam naar haar toe en lei zijn handen op
haar schouders, wat haar goed deed, wat ze voelde als een bescherming,
als een zegen. "Moeder," zei hij, en zijn stem trilde nu even, "er is
heel veel in onze zaak, wat ik anders wenschen zou, maar ik ben jong, ik
kan 'n boel doen, ik zal er wel komen!.... Maar vraag er me nu niet zoo
dikwijls meer na', want dat benauwt me zoo! Heusch, vraag me er nu niet
meer na'!...."

"Maar .... wat?...."

"Sst! stil nu, moedertje, ik kan u dat toch onmogelijk allemaal
uitleggen. Laten we nu maar samen naar beneden gaan en een kopje thee
drinken, hè? Want ik moet weg, ik ga van avond met Greet naar de
komedie...."

En hij troonde haar mee en sprak over 't stuk, dat ze zouden geven dien
avond; hij was vroolijk, hij plaagde Anna met haar nieuwe kapsel en
sjouwde zijn moeder in haar stoel van het raam naar de tafel en maakte
zijn vader, die, achter, zijn middagdutje genoot, bijna wakker door zijn
luidruchtigheid. Maar toen hij 'n kop thee had gehad, zoende hij zijn
moeder hartelijk op beide wangen en liep vlug weg.

Dat gesprek had moeder Rubrecht wat gerust gesteld en zij nam zich voor,
Wouter voorloopig niet meer te vragen naar zijn zaken. Hij was toch ook
immers zoo'n degelijke, verstandige vent, hij zou wel doen wat 't beste
was, altijd! Maar zij lette scherp op alles wat hij deed thuis en keek
hem altijd aan als hij sprak en lachte, en ontdekte zoo langzamerhand,
dat hij eigenlijk nooit meer kalm-vergenoegd, bedaard-vroolijk was, als
vroeger, maar altijd opgewonden, onrustig, gejaagd soms. Hij kreeg ook
iets nonchalants, iets oppervlakkigs in zijn manier van doen en van
vertellen, 't was of hij er nooit heelemaal bij was. Dat verontrustte
zijn moeder weer en bracht haar weer meer aan 't soezen over zijn zaken
en over zijn meisje. En zij lette ook scherp op haar, maar Margreet was
altijd dezelfde.



IX.


Ook de winter ging voorbij en 't was op een guren middag in Maart dat
mevrouw Rubrecht een briefje uit de bus haalde met Wouter's adres er op.
Dat gebeurde heel zelden; Wouter had weinig vrinden door zijn lang
verblijf buiten 't land, door zijn engagement zoo kort na zijn
terugkomst. 't Was een briefje van een mannehand, geadresseerd: "den
heer Wouter Rubrecht ZijnEdele in handen," een glanzend-witte, vierkante
enveloppe, van dat gladde stijve papier, en 't was niet goed
dichtgeplakt geweest, want toen zij 't heen en weer schoof in haar
handen, gissend naar den afzender, ging 't krakend open. Ze schrok er
even van. Nu zou Wouter denken dat 't open gemaakt was! Kom! zij zou 't
immers zelf weer dicht plakken! Maar .... nu 't toch eenmaal open
was....; zou er een geheim in kunnen staan voor zijn moeder? .... zou er
misschien wat in staan....

Zij gaf zich niet helder rekenschap van wat ze meende dat er in zou
kunnen staan, maar voor ze 'r verder over nadacht had ze 't briefje uit
de enveloppe gehaald en begon ze te lezen. 't Was van een ouden
schoolkameraad van Wouter, dien hij later ook nog dikwijls gezien had,
Willem Veegens. Hij vroeg geld terug, dat hij Wouter had geleend,
vijftig gulden; hij had ze noodig, schreef hij, anders zou hij er niet
om vragen. Toen de moeder 't briefje gelezen had, vouwde ze 't
schielijk weer toe; ze schrok toen 't even kraakte tusschen haar
vingers, ze keek rond of niemand haar bespiedde, ze werd bang. Maar 't
kon immers niet, Rubrecht en Wouter waren naar kantoor, Anna uit om
boodschappen en de meid hoorde ze in de keuken. Haastig stopte ze 't
briefje in de envelop en bracht die aan den mond. Ze sneed zich in de
tong met het scherpe papier. Toen sloot ze den brief en liep op haar
teenen naar boven, waar ze den brief op den schoorsteen lei, op de
gewone plaats.

Angstig verlangde ze naar Wouter's thuiskomst, 't duurde lang.
Eindelijk, daar kwam hij de trap op. "Er ligt een brief voor je,
Wouter," zei ze, langzaam, om bedaard te blijven, maar ze voelde dat ze
bloosde; ze boog zich diep over haar werkdoos als om een naald te
zoeken. Gelukkig was 't in de schemering, 't licht nog niet op. "Aha!"
zei Wouter, "dank u." En hij liep met den brief naar 't raam, waar hij
ging staan lezen, de rug naar haar toegekeerd. Zij hoorde 't papier weer
kraken, zij was beklemd, angstig. Vergeefs redeneerde ze tot zichzelf,
dat 't immers niets was. Wouter zou dat geld voor korten tijd hebben
geleend op een oogenblik dat hij er om verlegen was, hij zou 't terug
geven en daarmee uit! Zij zag dat hij den brief in zijn zak stak en nog
even staan bleef, in gedachten. Hij streek eenige malen met zijn hand
door zijn haar; toen draaide hij zich plotseling om: "Moedertje," zei
hij, "'t zal u wel verwonderen, dat ik 't u vraag, maar .... kunt u me
ook wat geld leenen?"

Zij schrok hevig, zij beefde, zij moest zich fel in 't gebit bijten om
niet te klappertanden. Ze kon niet dadelijk antwoorden. "U verstaat me
toch wel, moeder," zei hij, dichter naar haar toekomend.

"Ja, ja! .... je wat geld leenen .... ja, zeker, Wouter, als je 't
noodig hebt...."

"Ja! .... niet voor lang, ziet u, 't is maar om een paar kleine
rekeningetjes te betalen, .... bij me kleermaker .... en .... en bij
.... bij me barbier, .... ziet u, de volgende maand krijgt u 't terug
natuurlijk...., 'n vijftig gulden bijvoorbeeld."

Hij liegt, hij wil 't me niet zeggen, suisde 't door haar hoofd.

"O, dat hoeft anders niet, Wouter .... maar vijftig gulden, dat is nogal
veel!.... Maar ik kan 't je toch wel geven .... uit mijn spaarduiten,
zie je! .... wacht! ik zal 't even halen!"

"O, wel nee, moesje, 't heeft geen haast!"

"Jawèl, nu is 't maar 't beste, dan merkt niemand er iets van...." En ze
ging de kamer uit. Ze ging naar haar slaapkamer, waar de oude
schrijftafel stond, 't eenige stuk uit het huis van haar vader, dat ze
had mogen houden--'t oude ding was toch niets waard!--daar, in een van
de laadjes, lag 't geld dat ze af en toe had gekregen, als Rubrecht een
extratje had gehad van den patroon. Ze had 't nooit gebruikt, waarom
ook? Ze had voor zich zelf geene bizondere behoeften, ze had 't altijd
maar opzij gelegd voor een cadeau als de kinderen trouwden. Vijftig
gulden nam ze er af. Er bleef nog zoowat evenveel liggen.

Haastig liep ze er mee terug en gaf 't geld aan Wouter. "Hier heb je
ze," zei ze "stuur ze nu maar gauw aan Willem."

Wouter schrok, hij bloosde sterk.

"Aan Willem, moeder? hoe weet u dat...." zei hij zacht, "u hebt toch
niet...."

"Ja, ja! .... jawèl! .... ik heb dat briefje opengemaakt .... ik weet
wel, ik had 't niet moeten doen .... dan wist ik nu niet .... dan dacht
ik nu dat 't voor je kleermaker en voor je barbier was...." Ze zonk in
één op haar stoel en begon te snikken. Wouter knielde bij haar neer, hij
streelde het zachte donkerblonde haar en de witte handen die in haar
schoot lagen, terwijl ze snikkend voor zich keek. "Moedertje,
moedertje," zei hij, "huil nu niet zoo .... en wees niet hard tegen me
.... toe, moedertje."

Maar 't hielp niet, ze keek hem niet aan, ze staarde zoo diep treurig
voor zich uit! Toen zei hij niets meer, maar lei zijn hoofd op haar knie
en snikte ook.

"O Wouter," fluisterde ze toen, "Waarom vertel je me niet meer
alles...., zooals vroeger altijd!.... Ik ben toch nooit hard tegen je
geweest, ben ik wel?.... Waarom heb je me niet gezegd, dat je geldgebrek
hadt...., dat je zaken slecht gaan....?"

"Omdat u je dat zoo zoudt aangetrokken hebben, moedertje...."

"Maar, mijn arme jongen," zei ze, een hand op zijn hoofd leggend, "ik
merk 't immers toch!.... Heb je veel schuld?"

"Nee...., niet veel! .... nog zoowat een honderd gulden, maar ik zal 't
heusch allemaal wel inhalen!...."

"En van wien heb je dat alles dan geleend?"

"Van Willem .... en van oom .... en ook wat van .... van Greetje."

"Van haar? Leent ze je geld? Vraagt ze dan niet waar of dat voor is?"

"Och, ze weet 't wel!...., maar ik zal 't immers allemaal wel inhalen,
als de zaken maar wat beter gaan, als er maar .... als.... Och! moeder,
laat me maar tobben! u kunt er toch niets aandoen...., 't zal wel weer
terecht komen .... heusch!" Daar hoorde ze schellen en de meid naar
beneden gaan om open te doen.

"Daar is Anna," zei toen de moeder, haar tranen wegvegend, vlug,
gejaagd, "we kunnen nu niet meer praten, Wouter, 't geeft ook niet ....
maar beloof me één ding. (Ze stonden beiden op, zij keek hem vast in de
oogen). Vraag jezelf nog 's goed af, nog 's heel goed, zie je, of
Margreet wel een goeie vrouw voor je wezen zal...."

"Maar moeder, hoe kunt u zoo iets zeggen!" viel hij driftig in. Maar
Anna kwam binnen en groette en bleef in de kamer en dus waren ze weer
beiden alleen met hun verdriet.



X.


Den anderen morgen voor hij wegging riep Wouter zijn moeder nog even
apart en zei: "Wat ik u bidden mag, moesje, geen woord aan Margreet over
wat we gisteren .... bespraken. Belooft u me dat?"

"Als jij me dan belooft...."

"Ja, ja! .... ik weet wel wat u zeggen wilt, goed, goed!" En hij drukte
haar zenuwachtig de hand en was weg.

En de moeder tobde en tobde en tobde....



XI.


Weer ging een maand voorbij.

De firma Van Plaswijk en Co. opende 's morgens om negen uur haar
kantoor, maar in de laatste weken was Wouter er niet op tijd geweest.

Hij had zoo'n moeite met opstaan, hij was zoo moe en loom 's morgens,
zei hij. 't Werd tien uur, half elf soms, voor hij wegging. Zijn moeder
riep hem, na half negen om 't kwartier, maar in den regel hielp 't niet.

En iederen middag hoorde zij, die wachtte, verlangend, hem thuis komen,
en de trap oploopen, zwaar en zwijgend. Zoodra hij de kamer binnenkwam
en haar zag zitten, trok hij wel een vroolijk gezicht en deed blijkbaar
zijn best heel opgewekt te schijnen, maar er was altijd iets schichtigs,
iets gejaagds in zijn bewegingen, hij schrok dikwijls en van een treurig
bericht, waar Anna mee thuis kwam, of dat zijn vader voorlas uit de
krant, of als hij zelfs eens wat vertelde, al was 't een mop, waar de
anderen om lachten, kreeg hij tranen in de oogen.

Eens herinnerde zijn moeder zich plotseling precies hoe hij er een jaar
geleden uit gezien had; zij zag hem voor zich zooals hij haar was komen
vertellen dat Margreet hem hebben wou, en toen ze hem daarop aankeek
schrok ze er van, zooveel ouder was hij geworden.

Hij zei altijd dat hij goed geslapen had, als zijn moeder hem er naar
vroeg, 's morgens aan 't ontbijt, maar ééns, toen 't weer 's heel laat
was (zijn vader was al lang weg) en zij 't weer vroeg, heel ernstig, en
hem er scherp bij aankijkend, antwoordde hij met een geluid van bitteren
wrevel in zijn stem, met iets baloorigs in zijn gezicht: "Nee, eigenlijk
beroerd slecht, ik heb weer tot vier uur wakker gelegen!"

"Tot vier uur wakker gelegen? weer? .... gebeurt dat dan dikwijls?"
vroeg ze verschrikt.

Maar hij had zich al hersteld. "Dikwijls? wel nee, moedertje, gelukkig
niet! In den regel slaap ik als een roos, te vast zelfs." En hij dronk
haastig zijn kop thee uit en ging weg.

Na dien morgen sliep ook de moeder slecht. In bed dacht ze aan hem, die
daar boven lag, en ze luisterde met ingehouden adem. Soms verbeeldde ze
zich, dat ze wat hoorde, en dan liet ze zich zachtjes uit bed glijden en
luisterde aan de open deur van haar kamer. Maar 't was altijd dan weer
stil gebleven.

Tobbend leefde ze door.



XII.


Op een middag--ze zat te naaien voor 't raam in de achterkamer--kwam
plotseling Frits van Plaswijk binnen.

Vreemd! Hij kwam anders nooit in de week, hij had 't te druk zei hij
altijd. Hij kwam alleen nu en dan 's Zondags met zijn vrouw. Dan deed
hij deftig, voornaam, en sprak over koetjes en kalfjes en lachte witjes
en ging gauw weer weg.

Nu was hij ook--als 's Zondags--keurig gekleed, correct in zijn
spannende handschoenen; zijn laarzen en zijn hooge boord glommen. Maar
hij was wat rooder dan anders en hij sprak vlugger, hij scheen wat
opgewonden.

"'t Bevreemdt je zeker, Marie," zei hij, na een lichten handdruk, "dat
ik je zoo midden in de week kom overvallen, maar ik wou je 's alleen
spreken, ik ben je 'n raad schuldig."

Zij keek hem aan zonder antwoord, met open mond, met angst verlangend
naar zijn woorden.

"Ik ben je 'n raad schuldig," herhaalde hij, langzamer en streek met
zijn hand langs zijn geschoren kin.

"God! wat is er, Frits," vroeg ze toen.

"Niets! .... niets! .... zusje, schrik maar zoo niet .... zóó erg is 't
niet .... maar, zie je, ik weet, je adoreert je zoon, en dat vind ik
heel mooi .... heel mooi .... maar ik dacht zoo, zie je, .... als je 't
werkelijk goed met hem meent, dan moet je 'm nu toch 's goed onderhanden
nemen!.... Zie je, ik zou 't ook wel kunnen doen! maar, och, wat zal ik
je zeggen!--wij schijnen elkaar nu eenmaal niet heel goed te verstaan,
Wouter en ik, .... hij kan van mij niets hooren .... en van jou wel, dat
weet ik...."

"Maar wat is er dan? Wat moet ik hem zeggen?"

Zijn blik, die tot nog toe van haar afgewend was, trof nu den haren.

"Weet je van niets?" vroeg hij, 'n beetje ongeloovig, met een lachje van
spot en meelij.

"Maar wat is er dan? .... wat moet ik weten?"

"Wèl!...., dat Wouter leelijk in de schuld zit!"

Haar gezicht helderde op. "Is 't zoo erg?" vroeg ze.

"Ik geloof, dat 't nog al heel erg is," zei hij, "altijd voor zijn doen,
vat je."

"Krijg jij ook geld van 'm," vroeg ze.

"Nou, dat 's maar een kleinigheid," zei hij, "'n vijftig gulden!....
Maar zie je, .... weet je wie z'n schuld of 't is, dat Wouter er zoo
inzit?.... Niet?.... Heb je daar heelemaal geen idee van?.... Nou, ik
dan wel!"

"Wie bedoel je? Margreet toch niet?"

"Wel, natuurlijk wèl.... Ze deugt niet voor 'm!"

"Nu overdrijf je toch wel wat, Frits," zei ze, zenuwachtig grabbelend in
het goed van de japon die ze aan 't verstellen was.... Hij haalde zijn
schouders op. "'t Kan zijn," zei hij, "maar wat ik dan maar zeggen wou
is dit: in jou plaats zou ik hem 's goed onderhanden nemen.... De jongen
loopt anders in zijn verderf,--je begrijpt: onze zaak is jong, _veel_
wordt er nog niet verdiend .... en zijn salaris is .... enfin! .... niet
hoog! .... maar 't is zooveel als over 't algemeen in 't vak betaald
wordt voor 'n eerste-bediende. Zijn werk, moet je denken,--tot nog toe
ten minste--is .... bediendewerk! .... de hoofdzaken rusten op mij! ....
hij voert maar uit wat ik beplan, .... wat ik bedenk," herhaalde hij
langzaam met 'n gewichtig gezicht,--"en deed hij dat nog maar altijd
goed! .... maar weet je wel, dat als hij jou zoon niet was, dat ik hem
dan niet zou willen houden! Hij komt 's morgens om elf uur .... hij
werkt loom, laks,--vadsig zou ik haast zeggen .... zonder lust! .... 't
is of hij al zijn energie uitgeput heeft in de eerste maanden, .... hij
is eigenlijk net als alle andere bedienden; in de eerste maanden zetten
ze hun beste beentje voor, maar daarna .... och, maar, geloof me, 't is
allemaal dat meisje van 'm!...."

"Maar hij houd toch zoo innig veel van haar, en ze is ook zoo lief ....
zoo goedhartig...., zoo...."

Oom Frits floot even zacht voor zich uit. "Daar niet van!" riep hij toen
uit, "ze is charmant .... allercharmantst! .... als _ik_ haar had
ontmoet in me jonge jaren! .... maar ze deugt niet voor hem en hij niet
voor haar! .... hij is een administratieve kop, net als z'n vader!"

"Ik heb altijd gevonden, dat hij meer van mij heeft," zei ze, met innige
teleurstelling in haar stem.

"Gekheid! .... hij is 'n boekhouder! .... 'n echte boekhouder! .... hij
moet 'n dooood-een-voudig, 'n simpel burgerlijk meiske trouwen,--als hij
absoluut trouwen wil ten minste!--en Margreet moet zien, dat ze 'n
knappen rijken kerel krijgt, en dat zal haar wel lukken ook!"

Zij staarde voor zich in smartelijk gepeins en zei niets.

Hij floot weer zachtjes tusschen zijn tanden.

Eindelijk begon ze weer: "Hij zal haar nooit opgeven, hij houdt zoo dol,
zoo dol veel van haar!...."

Hij haalde even zijn schouders op en floot door.

"En zij van hem! .... dat kan niet anders!" zei ze weer, met een
zacht-weemoedigen glimlach.

Frits lachte even, spotachtig, en weer opschokkend zijn schouders.

"Geloof je 't _niet_," vroeg ze, angstig, "geloof jij 't _niet_, dat ze
genoeg van 'm houdt?"

"Ik weet 't niet," zei hij, ongeduldig, "ik weet 't niet, maar (en hij
stond op en nam zijn hoed) .... zooals gezegd, zusjelief, .... hij zal
moeten kiezen tusschen mij en haar...., ik kan geen procuratiehouder
hebben, die zich in de schuld steekt, dat 's te gevaarlijk!"

"Te gevaarlijk? .... zou je dan denken?...." begon ze met drift.

"Ik zou niets denken! .... zeur toch zoo niet! .... jelie vrouwen hebt
geen begrip van geld, heelemaal niet! .... nu, adieu, ik moet weg, ....
ik moet 'n auteur gaan opzoeken! .... adieu!...." En hij reikte haar
weer de toppen van zijn gehandschoende vingers en ging heen.

En weer ging mevrouw Rubrecht na het eten haar zoon opzoeken op zijn
kamer. Hij stond zijn hoed op te schuieren, hij ging weer uit met
Margreet. En zij vertelde hem, zenuwachtig, moeilijk sprekend, alles wat
oom Frits gezegd had. Ze vertelde 't hem in afgebroken zinnen, met opzet
krasse uitdrukkingen verzachtend en toch telkens angstig naar hem
opkijkend. Weer stond hij van haar afgewend te luisteren en toen ze
alles gezegd had draaide hij zich langzaam om. Hij zag bleek en beet op
zijn onderlip.

"Zoo!....," zei hij, quasi-bedaard, met een schorre doffe stem, "zoo!
heeft hij dat allemaal gezegd? .... wel zoo! deugt ze niet voor me?...."
En toen, losbarstend in dolle woede, slaande met zijn beenige kneukels
op de tafel, schreeuwde hij: "Zoo'n ploert, zoo'n ellendige ploert! Dat
wil hij dus ook nog!.... Werken moet ik, zorgen en zwoegen, dat hij
luibakken kan, den godganschelijken dag, lanterfanten en kletspraatjes
maken--maar dat is niet genoeg! nee! dat meisje moet ook weg, dat ik nog
meer tijd kan geven aan zijn zaak, dat ik heelemaal, heelemaal zal leven
voor zijn belangen alleen,--die verregaande egoïst!--hij stinkt van
egoïsme, die vent!--hij houdt van niemand dan van zichzelf, hij trapt,
hij mishandelt ons allemaal, zijn vrouw, mij, zijn andere
ondergeschikten! Compagnon zou hij me maken! Jawèl! 'n Aandeel in de
winst die niet bestaat, die nooit bestaan zal, zoolang hij zijn zotte
plannen zal willen uitvoeren--laten uitvoeren bedoel ik!--maar ik doe 't
ook niet langer! .... ik kan me brood nog wel op 'n andere manier
verdienen!--ik doe 't niet langer, zeg ik, ik doe 't niet! .... zoo'n
ploert, zoo'n misselijke beroerde ploert!"

Hevig geschrokken, lijkbleek, klappertandend was zijn moeder neergezegen
op den stoel. Zoo was Wouter nog nooit geweest! O God, o God, wat moest
ze nu beginnen, o God, o God!

"Wouter!" zei ze herhaaldelijk, "Wouter!" maar hij hoorde 't niet.

"'k Ga er van daan," schreeuwde hij, op en neer loopend door zijn kamer,
"'k ga weg, morgen nog!--dat zal 'm opfrisschen, dan zal je 'm eens zien
kijken!--kan me ook wat schelen!--hij kan naar den bliksem
loopen!--Margreet! Natuurlijk! Margreet deugt niet voor me!--omdat ze
levenslustig is, omdat ze graag mooie dingen heeft, omdat dat wat geld
kost!.... 'k Verdien 't toch! 'k Werk er toch voor! Den heelen dag, ....
en nacht!"

"En nacht?" herhaalde zij, dof.

Hij keek haar even aan. "Nou ja, moeder," zei hij zachter, met tranen in
zijn stem, "ik had 't u nooit willen zeggen, omdat ik weet hoe naar u 't
vinden zult .... maar, ja! ik heb veel nachten hier op mijn kamertje
zitten werken.... U hebt 't nooit gemerkt! .... ik trok mijn schoenen
uit en deed alles heel zachtjes."

Medelijden met zich zelf overmande hem. Hij viel neer op 'n stoel en
barstte in snikken uit.

Zijn moeder ging naar hem toe.

Op dat oogenblik werd er geklopt. Toen ging ze eerst naar de deur, deed
die half open en vroeg naar buiten: "Wel?" 't Was Anna: "Ma, wat is er
toch? Pa is er wakker van geworden en vraagt wat er is...." en toen
zachter: "Wat is er, maatje, heeft-ie wat met Margreet gehad."

"Nee! .... nee! .... stil!.... Ga maar naar beneden, An, en houd je kalm
en zeg aan pa ook dat er niets is.--Wouter heeft wat met oom gehad, ....
maar 't komt allemaal weer terecht."

"Nee! .... 't komt niet terecht .... 'k ga er vandaan!" gilde Wouter,
opnieuw woedend, doordat hij niet spreken kon door zijn snikken.

"Wouter!" zei zijn moeder met wanhoop in haar stem.

Anna ging. De moeder sloot de deur weer en kwam naar hem toe. Hij snikte
voorovergebogen, met zijn arm op de leuning van zijn stoel en zijn hoofd
op zijn arm. Zij streelde hem alleen maar zacht over zijn hoofd, en zei:
"Arme jongen, arme, arme jongen'" En toen hij opkeek gaf ze 'm een zoen
op zijn voorhoofd.

Nu niet boos meer, verteederd, begon hij weer: "Margreet opgeven! mijn
lief, lief meisje! mijn alles!.... Nou ja, ik weet wel, ze denkt niet
verstandig over geldzaken, ze vraagt te veel, .... maar ze is ook zoo
innig levenslustig, zoo echt vroolijk, ze geniet zoo graag! .... ze is
toch ook nog zoo jong! .... ik weet ook wel, ik ben zwak, ellendig zwak
soms, ik geef te veel uit .... ik kan haar niets weigeren .... ik kan 't
niet! .... ik kan 't niet!...." En hij snikte weer, zijn hoofd op zijn
arm.

"Maar Wouter, mijn goeie Wouter, dat moet toch," zei ze, hem aldoor
streelend over zijn haar, "dat moet ze toch begrijpen, .... ze houdt
immers zooveel van je, .... als je haar nu zegt dat je 't niet betalen
_kunt_, niet _kunt_ .... dan zal ze toch niet eischen...."

"Haar zeggen!.... Och, moeder, u kent 'r niet!...."

O, hoe goed wist ze dat zelf, de arme moeder! Ze kende Margreet niet, ze
wist niet wie ze was, ze begreep niets van dien grooten levenslust, dat
grage genieten.

"Maar 't moet toch," zei ze weer, wanhopig, "'t moet toch...."

"Ja," snikte hij, "'t moet ook wel! .... 't is waar! .... maar .... o
God! o God! .... o, moedertje, u weet niet wat 'n zorg of 't me kost
.... o God! o God!"

"Zal ik met haar spreken," opperde ze, weifelend.

"Nee, moeder!" zei hij, inééns flinker en zijn behuild gezicht
afdrogend.... "Nee! nee! .... 'k zal 't zelf wel doen! .... 't
moet!.... Maar .... hoe laat is 't? .... half acht al? .... ik zou haar
gaan halen; we moeten op visite!"

"Schrijf 't af," zei ze, "zeg dat je plotseling verhinderd bent, schrijf
haar ook 'n briefje!"

"Nee! .... nee! .... dat gaat niet! .... 'k zal me 'n beetje wasschen,
zie ik er erg uit? .... ja zeker?.... Gaat u nou maar naar beneden,
moeder, kalmeert u nou de menschen beneden maar vast wat, .... ik ....
ik ga dan maar ongemerkt uit!...."

En zwijgend ging ze, gebukt onder haar verdriet, beklemd door
afmattenden angst. Een kwartier later hoorde ze de voordeur dicht slaan.
Ze schrok er van; de anderen keken haar aan en zwegen.

Later op den avond zei de vader tusschen twee trekken aan zijn pijp:
"Als 't Wouter niet bevalt bij Frits, dan moet-ie maar wat anders
zoeken, .... 'n jongen als hij komt overal terecht! .... er zijn
kantoren genoeg!.... De goede bedienden zijn toch tegenwoordig niet
opgeschept!...."

Hij kreeg geen antwoord.

En hij rookte zijn pijp maar weer door--zijn pijp, zijn eenigen
kameraad!--en soesde over de krant, en zag veel woorden, die hij niet
begreep, .... onafhankelijkheid .... eerzucht .... hartstocht....



XIII.


Dien avond vond Margreet Wouter stil,--maar dat was hij wel meer in
gezelschap! Hij bracht haar naar huis, pratend over onverschillige
dingen. 't Was niet ver, en 't was laat geworden. Hij was blij dat hij
goede reden had dat andere tot morgen uit te stellen.

Den volgenden morgen, toen hij op kantoor kwam, vroeg Wouter zijn oom,
of hij 'm een oogenblik alleen kon spreken en toen ze samen waren begon
hij dadelijk met nagebootste bedaardheid over dat bezoek aan zijn
moeder. Hij zag het spotachtig glimlachend gezicht van zijn oom en al
gauw voelde hij, dat, zijn woede hem te machtig werd. Hij voelde zijn
hoofd vol bloed, zijn oogen deden hem zeer.

"'t Is 'n laag idee van u," zei hij, zijn stem met groote inspanning
smorend, "den invloed van mijn moeder te willen gebruiken om mij van
mijn meisje af te brengen! 't Is lage zelfzucht, niets anders!.... Nee,
laat me uitspreken," riep hij uit, met 'n driftig gebiedend gebaar,
ziende dat zijn oom hem in de rede wou vallen, "'t Heet, dat u het
voornaamste werk doet en dat ik maar zorgen moet, dat uw bevelen
gehoorzaamd worden. Larie! praatjes! u verzint allerlei zotte dingen,
ja, en ik moet me doodwerken om groote ongelukken te voorkomen! ....
maar, wacht maar! .... 't duurt niet lang meer met u, .... want ik ga
weg, vandaag nog! .... 'k kan hier niet langer werken...."

"Je gaat weg?" vroeg Van Plaswijk verschrikt, bleek wordend....

"Waarachtig!" riep Wouter. "Ik zal toch wel zorgen dat 'k aan den kost
kom,--zóó schitterend is mijn positie hier toch ook waarachtig niet!....
U weet heel goed, dat de zaken beroerd gaan, dank zij al uw mooie
plannen! en over 'n jaar of drie .... is alles uit!.... Dan is 't geld
van uw vrouw op en dan zult u weer wat anders moeten beginnen, 't
twaalfde ambacht, 't dertiende ongeluk...."

"Vlegel!" riep oom Frits, opstaand, "brutale vlegel!...."

"Ba!" zei Wouter, "als 't op scheldwoorden aankwam, dan zou ik er
zooveel weten, die raak waren!.... 'k Groet u!.... 'k Zal me boel
natuurlijk allemaal opruimen--u kunt 't van middag van me overnemen--of
laten overnemen, want zelf zoudt u er niet veel van snappen!...."

Pas toen hij weer voor zijn lessenaar stond en daar al de dingen zag
waar hij zoolang mee verkeerd had, allen dag, kleine dingen waar hij
aan gehecht was zonder 't te weten, en den jongste-bediende, die
aandachtig een lange punt aan zijn potlood zat te slijpen, toen pas
begreep hij wat hij had gedaan. Hij had er geen plan op gehad, dien
morgen, maar 't was hem te machtig geworden. Wat 'n wellust was 't
geweest dien man zijn verachting in 't gezicht te spuwen. O, lang niet
genoeg had hij nog gezegd! lang niet genoeg, .... er was nog zooveel,
zooveel! Een oogenblik wou hij weer terug, opnieuw woedend nu hij voelde
wat hij ging doen, nu hij met één blik een langen weg van misère voor
zich zag: 't aan zijn meisje vertellen, aan haar vader, een nieuwe
betrekking, getuigschriften.... Maar hij bedwong zich. Hij leunde een
poosje soezend op zijn lessenaar .... en begon toen, kalm, gelaten,
alles op te ruimen .... sorteerend zijn papieren .... opschrijvend wat
er gedaan moest worden....



XIV.


't Was twee uur toen hij langzaam, aarzelend, omkijkend, zijn kantoor
den rug toedraaide--voorgoed. Maar toen hij den hoek van de straat om
was begon hij harder te loopen. Hij verlangde nu naar zijn meisje--hij
verlangde naar haar liefkoozende omhelzing--hij had er behoefte aan
begrepen en getroost te worden. En zij zou hem begrijpen, zij moest hem
begrijpen, .... hij kon daar niet langer blijven, dat was toch
duidelijk!.... Hij liep aldoor harder, hijgend kwam hij aan, opgewonden,
zenuwachtig. Hij had zich warm geloopen, zijn gezicht was vol roode
vlekken. Hij vond Margreet boven op de voorkamer, alleen. Zij schrok
toen ze 'm zag. "God, Wouter! wat is er gebeurd," vroeg ze. "Wat is er?"

"Niets, lieveling, niets," zei hij, "als ik jou maar weer heb, is al het
andere niets!" En hij drukte haar tegen zich aan, vol innige behoefte
aan haar liefde en kuste haar op 't voorhoofd en de oogen.

"Maar wat is er dan toch eigenlijk," vroeg ze angstig, zich losmakend
uit zijn armen om hem aan te kijken.

"Ik heb me'n congé genomen, ik .... ik heb ruzie gehad met oom Frits, ik
ben er weg! Maar 't is niets! .... 't is allemaal niets! .... ik zal wel
wat anders vinden .... ik zal...."

Maar zij luisterde niet. Hevig verschrikt viel ze in: "Wat? ben je weg
uit je zaak?.... God! hoe komt dat? .... wat is er gebeurd?...."

Toen begon Wouter 't pijnende verhaal van hoe hij gezorgd en gezwoegd
had, opkroppend zijn grieven, aldoor nog hopend, dat 't wel beter gaan
zou, maar hoe nu zijn oom zich over hem was komen beklagen bij zijn
moeder (hij zei niet wat Frits over haar had gezegd) en dat 't 'm nu
vanmorgen de baas geworden was, 't opgehoopte verdriet, de verachting
voor dien man, die hem bedrogen had, gemeen bedrogen, de woeste woede
tegen dien ploert. Hij wond zich weer op, hij liep door de kamer, hij
stampte op den grond, hij sloeg met zijn hand op de tafel van
niet-in-woorden-te-uiten ergernis.

Zij luisterde met schrik in haar oogen, met open mond, niet begrijpend.
En toen hij uitgewoed had en naar haar toe kwam en, in ééns heel zacht
gestemd, fluisterde: "Maar, niet waar, lieveling? jij zult me wel
troosten, en helpen?" toen keek ze hem aan met 'n koele verbazing, die
hem diep trof. Hij werd bleek, hij stamelde: "Je begrijpt toch wel, dat
't niet anders kon, hè?"

"'k Weet 't niet," zei ze,.... "nee, ik begrijp je niet, ik begrijp er
niets van, niets!.... Wat wil je nu doen?.... Wat wil je nu
beginnen?.... Ik heb altijd gedacht dat je zulke mooie vooruitzichten
hadt .... waarom heb je 't me niet eer verteld?"

"Maar, lieveling, is 't dan niet altijd vroeg genoeg voor zulke dingen?"

Er kwam meer en meer teleurstelling in haar trekken. Zij begon zich ook
op te winden: "Ik had gedacht dat we komend jaar wel zouden trouwen,
.... dat je dan een mooie positie hebben zoudt!.... Wat moeten we nou
doen?.... Hoe lang zullen we wel geëngageerd moeten zijn?...."

"Maar ik zal er immers dadelijk op uit gaan, .... ik zal wat anders
zoeken!"

"Wat anders! .... wat bedoel je?.... Een betrekking als bediende? Zullen
ze je daar ook maar dadelijk compagnon maken?"

"Nee .... nee .... maar dat hoeft toch ook niet.... Er zijn wel goede
betrekkingen...."

"Zooals die van Wim bijvoorbeeld, hè?" viel ze in, met minachting in
haar stem, die hoog klonk, schel.

"Greetjelief .... wind je niet zoo op .... toe, blijf kalm! .... ja,
ja, bijvoorbeeld zooals Wim, of beter nog...."

Zij lachte schamper. Zij schudde haar mooi kopje met een trotsch gebaar.

"Zooals die pummel .... die .... ba! .... je meent 't toch
niet?--bespottelijk! Vergelijk je mij dan ook met Anna, dat schaap...."

"Greetje! .... bedaar! .... spreek zoo niet!...." zei hij, haar handen
pakkend.

Maar zij rukte zich los. "Bespottelijk!" riep zij nogmaals uit. "Stel je
voor: me man is klerk! .... och nee maar, dat meen je niet!"

"Greetje, .... Greetje, .... och God! spreek nu niet zoo! .... niet op
dien toon! .... dat heb je nog nooit gedaan! .... houden we dan niet van
elkaar! en is dat niet 't voornaamste, 't eenige, 't eenige noodige?....
Heusch, lieveling, we zouden toch niet op den duur kunnen blijven leven
zooals we nu doen. Al dat uitgaan en zoo...., dat zou op den duur toch
niet gegaan zijn...., maar dat is immers allemaal niets, mijn lieve
lieveling, niets, niets!" En hij sloeg zijn arm om haar heen, wilde haar
tegen zich aandrukken.

Maar weer rukte ze zich los. Ze ging tegen de tafel staan leunen met een
boos gezicht. Ze was rood geworden, haar donkere oogen gloeiden;
heerlijk mooi was ze zooals ze daar stond.

"Greetje," fluisterde hij wanhopig.

"Och!" zei ze, "je bent 'n driftkop .... je zegt dat je van me houd,
maar je denkt niet aan me, .... je doet maar net wat je in 't hoofd
komt...."

"Greetje!"

"Je houdt niks van me, heelemaal niks! .... je bent 'n egoïst, ga maar
weg, ga maar weg!"

"Greetje," herhaalde hij nog eens. En toen, in zijn overspanning,
verlamd door de onverwachte slagen van haar woorden, viel hij neer op 'n
stoel en schreide luid uit en klaagde over zijn bitter verdriet en
smeekte haar toch niet zoo hard, zoo wreed voor hem te zijn. Maar zij
zweeg, aldoor leunend tegen de tafel en toornig turend op den grond.
Eindelijk werd hij zich weer meester, hij stond op en begon uiterlijk
kalm, met een weeke stem, nu en dan nog heftig snikkend, tegen haar te
praten van liefde en opoffering, van lief en leed samen deelen, van
vertrouwen op elkaar.

Toen liep ze eerst naar 't raam en keek naar buiten. Zij kreeg tranen in
de oogen en ze wilde niet, dat hij 't zien zou. Maar eindelijk viel ze
neer op een stoel en begon ook luid snikkend te huilen. "Ga nou weg,"
kreet ze, "laat me nou huilen!"

"Zeg dan dat je van me houd, Gree, toe, lieveling, zeg dat dan nog
alleen," bad hij.

"Nee! .... nee! later .... misschien .... ga nou eerst weg! .... laat
me uithuilen .... laat me alleen! .... ga nou weg .... toe, ga nou weg!"

Toen ging Wouter.



XV.


Weer zat moeder Rubrecht alleen voor 't raam in de achterkamer te mazen
een wollen sok voor haar man. Alleen, want Anna was gaan wandelen met
een vrindin; alleen in 't stille huis; alleen met haar droeve gepeinzen,
zich met wellust overgevend aan haar mijmeringen, die in haar hingen,
zwaar als wierookwalm, haar vullend gansch en al met bedwelmenden geur.
Ze hoorde 't getik van de klok niet, 't eenige geluid in huis, en ze zag
haar handenbeweeg zonder bewustzijn. Alleen als ze kuchte schrok ze op
en keek naar de klok.

Eerst had ze aan Wouter zitten denken. Of hij vandaag al met Frits zou
gesproken hebben en hoe 't zou afloopen en wat Margreet zeggen zou, als
hij soms wegging bij Frits, .... ja, wat zij zeggen zou en doen, dat was
't voornaamste, daar hing alles van af. Dan voor 't eerst zou ze weten
of Margreet genoeg van Wouter hield.... Maar ze had over Wouter en zijn
meisje al zoo veel gedacht, al zoo lang getobd, al zoo lang, dat 't als
verlamd was haar denken daarover alleen, dat ze de energie niet meer had
haar gedachten scherp daarbij te bepalen, daarop te concentreeren....

En haar gepeinzen zetten uit, ze werden breeder, breeder, wegvloeiend in
haar melancholie en 't was haar weer als walmden haar mijmeringen uit
haar op, als vulden ze de kamer en de binnenplaats en als kronkelden ze
zich over de huizen, neerhangend op de daken en op de straten en over
den ganschen grond rondom....

En ze dacht weer aan haar dood.... Ze zag zich liggen geelbleek onder
witte lakens in een houten kist, die stond midden in een groote kamer en
die kamer midden in een groot leeg huis. En ze hoorde een klok dof
brommen, aldoor den zelfden toon: bom .... bom .... bom .... En haar
zware gedachten, opgeurend uit de vreemde plant in haar, drongen uit al
de ramen van 't huis en overvloeiden overal de zwarte aarde rondom. En
eerst als al de gedachten uit haar waren weggevloeid, dan viel de bloem
af, dan liet de plant zijn takken hangen en stierf in haar leege
lijf.... De klok hield op met luiden en 't was stil in haar .... stil
.... dood .... Dan zullen ze, dacht ze, mijn lichaam opnemen en begraven
en ze zullen een steen leggen op de aarde daar waar ik lig. En er zal
sneeuw vallen overal, .... overal .... en ook de steen zal onzichtbaar
zijn .... en _dan_ zal ik rusten....

Plotseling sloeg de voordeur dicht met harden slag en kwam iemand
driftig de trap oploopen. En haar gemijmer spatte uiteen en was
vervlogen en ze voelde een scherpsnijdenden angst. Ze herkende den stap
dadelijk, 't was Wouter. Ze stond half op, haar maaswerk in haar rechter
hand geklemd, met open mond kijkend naar de deur. Hij kwam binnen,
bleek, ontdaan en liep op haar toe: "O, moeder, moeder! wat moet ik nou
doen," kermde hij, en zij zonk neer op haar stoel en hij naast haar op
zijn knieën en zij nam zijn hoofd in haar handen. Toen snikte hij 't
uit, zijn groot leed. En hij begon te vertellen. Snel sprekend met 'n
heesche stem zei hij zijn moeder hoe 't gegaan was, eerst bij oom Frits
en toen bij haar, bij Margreet. Hoe ze hem had aangekeken en alles wat
ze gezegd had. O! Ieder woord had hij gevoeld als een slag. Hij was er
onder bezweken, hij had gehuild en geklaagd en haar gesmeekt niet zóó te
zijn tegen hem! Eindelijk had hij zich toch overmand, zich met de
uiterste inspanning tot kalmte gedwongen en met haar gepraat.... Maar
niets, niets had dat gegeven allemaal! Ze was op 'n kanapee
neergevallen en had gesnikt en gehuild en geroepen dat hij nu maar weg
moest gaan! aldoor dat hij weg moest gaan!.... Beneden was hij haar
vader tegen 't lijf geloopen, die naar boven wou komen om te hooren wat
er gaande was, en hij had 't hem gezegd, en de oude man had 't hoofd
geschud, hij had erg bedrukt gekeken--maar hij had hem toch op
hartelijken toon beloofd, dat hij hem helpen zou en hem gezegd, dat hij
dien oom al dadelijk niet best had kunnen zetten. Hij had 't wel
gedacht, dat die vent 't achter de mouw had, dat had hij gezegd....

Maar o! dat Margreet hem zoo had kunnen behandelen .... o God! o
God!....

En hij snikte met lange snikken, zijn hoofd achterover tegen haar arm
leggend, zij voelde 't schokken tegen zich aan.

Zij huilde ook en beklaagde hem en gaf hem lieve naampjes en deed haar
best hem te bedaren. Ze stond op, terwijl hij naast den stoel bleef
liggen en gaf 'm een glas water. Hij slurpte wat naar binnen. Toen werd
hij kalmer en ging op een voetkussen zitten en nam z'n hoofd in z'n
beide handen. Zóó voor zich uit starend klaagde hij en morde tegen zijn
lot en tegen de menschen. En 't was haar of zij zelf die woorden sprak;
zij voelde met weemoedig genot de overeenkomst van hun zielen. Zij liet
hem lang alleen praten. Eindelijk boog ze zich over hem en zei zacht:
"Wouter! .... 't gaat zoo niet, hoor! .... je moet 't afmaken."

"O, moeder, moeder! hoe kan dat nou? .... hoe kan dat nou?!...."

"Heusch, mijn jongen, 't moet, 't moet .... je zoudt niet gelukkig
kunnen zijn .... geen van beiden."

"Gelukkig zijn? .... och, maar dat is immers toch onmogelijk!...."

Zij zuchtte. "Voor jou mag 't niet onmogelijk zijn," zei ze.

"Bent u gelukkig, moeder?.... bent u 't ooit geweest?"

"Nee...." fluisterde ze.

"Och, 't kan ook niet!.... 't kan ook niet! .... je houdt toch altijd je
zorg! .... 't leven is nu eenmaal zoo vreeselijk wreed en hard, ....
maar daarom hoeft _alles_ toch nog niet uit te zijn! .... o! laat me
haar houden! .... u weet niet hoe ik van haar houd, moeder, .... u weet
't niet!"

"Je hebt al zooveel zorg door haar gehad!"

"En altijd ben ik meer van haar gaan houden!"

"Ze heeft je zóóveel verdriet gedaan .... vandaag nog!"

"En toch houd ik van 'r, meer dan ooit!"

"Maar Wouter, als ze nou toch 's niet zooveel van jou hield!"

"O, moeder! zeg dat niet .... zeg dat niet! .... 't is zoo vreeselijk!"

"Arme jongen, .... wees sterk, .... wees sterk! .... denk je dat ik 't
zeggen zou, als ik 't niet zeker wist? ... o, ik weet 't, ik voel 't zoo
goed, Wouter, .... ze houd niet van je zoo als jij van haar!"

"Maar, moeder! wat moet ik dan doen dat ze meer van me gaat houden!"

"Arme goeie jongen...., ik geloof niet, dat je daar iets aan doen
kunt...., je kunt niet anders zijn dan je bent, en, .... nietwaar? dat
zou je ook niet willen?...."

"O! moeder! .... ik ben zoo wanhopig!...."

Ze keek even rond, schichtig, alsof ze iets ging doen, wat ze niet doen
mocht.--Toen boog ze zich weer over hem en fluisterde: "Wouter, 't is
nog tijd nu, .... denk 's hoe vreeselijk 't zijn zou, als je al getrouwd
was en je merkte dan, dat je vrouw niet genoeg van je hield...., o maar,
dat is zoo verschrikkelijk!.... Ik weet 't .... ik weet 't, geloof
me...., ik zelf heb pas toen ik getrouwd was ingezien, dat ik nooit
zooveel van je vader zou kunnen houden als noodig was.... Toen ben ik
ook wanhopig geweest...., maar 't was eenmaal zoo .... ik moest mijn
leven lang oppassen...., altijd oppassen, dat hij 't niet merken zou....
Toch zal hij 't wel voelen.... Maar jij bent niet zoo als hij,
Wouter!.... Jij zoudt er ziek van worden...., 't zou jou dood zijn....
O, Wouter, mijn eenige lieveling, mijn alles, alles! je doet 'n misdaad
tegen je zelf als je haar trouwt!"

"In Godsnaam, moeder, dan maar 'n misdaad, ik kan haar niet missen!"

"Ze bedriegt je...."

"Dan wil ik maar bedrogen worden!...."

"Maar _ik_ wil 't niet," zei ze toen opééns met veel vuur, met kracht,
niet een heel andere stem, "ik wil 't niet, versta je! .... je zult niet
bedrogen worden .... nooit! .... nooit! .... jij bent mijn eenige troost
in 't leven, mijn eenige rijkdom, en trots! .... jij _zult_ gelukkig
worden, .... 't moet!.... Ik wil niet, dat zij je ongelukkig maakt,
hoor-je, Wouter, ik wil 't niet!"

En plotseling stond ze op en liep de kamer uit. Hij bleef nog even
zitten, z'n hoofd in z'n handen, maar toen, dof-vermoedend wat zijn
moeder ging doen, liep hij haar achterna. Hij hoorde haar boven, hij
liep de trap op. Daar stond ze al met 'n hoed op en 'n mantel in de
hand. "Waar gaat u heen?" vroeg hij angstig. "Naar Margreet," zei ze,
vlug, met vaste stem, "ik ga haar spreken."

"U wilt 't gaan afmaken!"

"Dat zal aan haar liggen," antwoordde ze, ontwijkend.

"Toe, moeder, doe dat nou niet .... doe dat nou niet...." klaagde hij.

Maar zij trok haar mantel aan en gaf geen antwoord meer, bijtend op haar
lippen, strafstarend met wijde oogen....

Hij leunde tegen den deurpost met hangend hoofd, hij was heelemaal
gebroken en op.

"Wat zal ik zeggen als vader thuis komt, en Anna," vroeg hij.

"Zeg maar, dat ik naar Margreet ben,--ik mag toch zeker wel naar 't
meisje van mijn zoon gaan, als ik daar lust in heb?"

Haar stem was hard, brutaal scherp,--heel vreemd.

Wouter kreeg een gevoel van vrees, hij was bang voor zijn moeder--hij
dacht plotseling aan waanzin, hij zag ellende overal om zich heen!
Strompelend liep hij naar zijn kamertje, boven, zijn zolderkamertje,
waar hij neer viel op een stoel, bevend, klappertandend. Telkens gingen
er rillingen over zijn rug.

Zijn moeder ging naar beneden. Maar toen ze nog op de boventrap was
hoorde ze de voordeur open gaan. Dat was Rubrecht.... Hij zou vragen
waar ze heen ging.... 't Was misschien toch niet goed nu te gaan....
Maar morgen, ja! .... dat was beter, morgen ochtend zou ze gaan .... en
eerst nog afwachten wat de avond brengen zou. Ze kwam weer terug.



XVI.


Zwijgend zaten ze aan tafel. Anna keek met angstige nieuwsgierigheid van
Wouter naar haar moeder en van haar moeder naar Wouter. Rubrecht vroeg
eindelijk goedig, weifelend, 'n beetje bedeesd: "Wat is er, Wouter, heb
je weer wat met oom gehad?...."

"Ja, ja!" viel toen de moeder, weer met die vreemde scherpheid,
schielijk in. "Wouter heeft ruzie gehad met Frits en hij is er weg."

Anna schrok. "Hemel!" riep ze.

De oude vader fronsde zijn grijze wenkbrauwen en bromde, terwijl hij de
sauskom naar zich toe trok en zich langzaam bediende: "Ruzie, ruzie!
.... kom, kom! dat moet niet, .... dat moet toch niet!.... Wat is er
eigenlijk, Wouter? Heb je...."

Maar Wouter viel hem in de rede: "Vader, laten we er nu niet over
spreken, nu nog niet. Later zal ik u alles wel vertellen!...."

"Goed! .... goed, jongen," bromde de oude man weer en at langzaam
kauwend door, soms tusschen twee aardappelen mompelend: "Ruzie!
ruzie!...."

Vóórdat 't korte maal nog afgeloopen was stond Wouter op.

Hij ging uit.



XVII.


Om twee uur 's nachts kwam Wouter thuis. Zijn moeder hoorde hem zacht
stommelend de trap opkomen. Toen liet ze zich 't bed uitglijden en sloop
naar 't portaal, waar ze hem opwachtte. 't Was er donker. Alleen viel
langs de deur van haar slaapkamer, die ze op een kier had gelaten, een
smalle streep schemerlicht op den gekalkten muur. Daar ging ze staan,
zoodat hij haar zag toen hij de tweede trap opkwam. Hij huiverde van
schrik. "Ben je daar, Wouter," zei ze, "Goddank!" "Moeder, u zult kou
vatten, gauw naar binnen!" "Ben je bij haar geweest? hoe heeft ze je
ontvangen?" fluisterde ze. "Ze heeft me heelemaal niet ontvangen," zei
hij somber, .... "ze kon niet .... ze was naar bed gegaan met hoofdpijn,
zei meneer...." "En wat heb jij dan gedaan den heelen avond?" "Ik? ....
'k weet niet...., 'k heb geloopen...., overal rondgeboemeld.... Toe,
moeder, ga nou naar binnen! ga nou slapen!.... Vader zal wakker worden
.... nacht moeder!" En hij liep langzaam door naar zijn kamertje. Zij
hoorde hem naar binnen gaan, de deur sluiten, nog wat
rondstommelen--toen werd alles stil....

Ze ging naar binnen en terug in 't groote bed, waar Rubrecht sliep,
achterover liggend, zwaar ronkend als oude mannen doen. Huiverend trok
ze haar deken om zich heen en ging scherp liggen denken aan morgen, wat
ze zeggen zou. En plotseling trof 't haar met een schok dat ze Margreet
haatte, met staalharden haat, en zij voelde zich sterk en vol
strijdlust; zij voelde zich een tijgerin, die haar jong moest verdedigen
tegen een vijand....

"Ze zal 'm niet hebben! .... nooit!" mompelde ze.



XVIII.


't Was tien uur in den volgenden morgen toen mevrouw Rubrecht--nietig
vrouwtje in haar eenvoudig zwart manteltje, met haar simpel stroohoedje
op--voorzichtig de voordeur achter zich dicht trok zonder slag--en,
schichtig omkijkend, langs de huizen voortliep, op weg naar 't huis van
Smit. Wouter was nog niet beneden gekomen, hij was loom blijven liggen
in z'n bed, hij had geklaagd dat hij zoo moe was. De dikke drukker
ontstelde even toen hij 't bleeke vrouwtje zag--ze was dadelijk 't
kantoor binnengeloopen, "Hé, hé!" riep hij uit, en vroeg, 'n beetje
angstig: "er is toch geen onraad?"

"Nee .... nee! .... maar kan ik u even spreken, meneer Smit? ....
alleen?"

"Wel zeker, mevrouwtje, wel zeker," zei Smit, die een kleur kreeg, "gaat
u mee, .... gaat u mee naar boven!"

Ze gingen samen naar boven en hij liet haar in de voorkamer, en gaf haar
een stoel, aldoor met blijkbare verlegenheid pratend in kleine
uitroepjes: "Wel! .... wel! al zoo vroeg er op uit!.... Ja! zeker over
Wouter, hé? .... 'n lastig geval, mevrouwtje, jammer! .... jammer!"

"U meent dat hij bij me broer weg is .... ja! .... maar, ziet u .... dat
is toch eigenlijk zoo erg jammer niet!"

"Niet?" vroeg Smit, verwonderd.

"Nee .... och, .... als twee menschen nu eenmaal niet bij elkaar passen
moeten ze ook niet samen blijven, vindt u ook niet? .... en--u weet dat
misschien niet--maar de zaken schijnen daar niet zoo heel best te
gaan.... Ten minste Wouter verdiende niet veel! .... och! dat heeft 't
'm eigenlijk gedaan, hij had natuurlijk op beter toekomst gerekend...."

"Maar .... 'm gedaan? .... wat bedoelt u?"

En zij, op den man af: "Zeg me 's rond uit, meneer Smit, hebt u wel 's
gemerkt, dat Wouter schulden maakte?"

Hij dadelijk met heldere stem: "Nooit, mevrouw!.... Wouter
schulden!--Dat valt me niet mee van 'm!"

"Ik dacht wel, dat u 't niet weten zoudt! .... ziet u, zoo _heel_ veel
is 't nu ook niet, geloof ik, .... maar hij heeft toch geld geleend, van
mijn broer, .... van vrinden, .... van Margreet!"

"Van Margreet ook?" Smit werd onrustig en warm.

"Ja, van Margreet ook! .... ik weet niet hoeveel .... maar ik denk, dat
't nog al wat zal zijn."

"Maar! .... ik begrijp er niets van!.... Waarom deed hij dat! waar was
al dat geld voor?"

"Voor uitgaan .... comedies, concerten, voor cadeautjes aan haar!"

Smit stond op en liep een paar maal de kamer op en neer. "Maar dat is
heel verkeerd! heel verkeerd van Wouter en van Greetje!.... Vindt u goed
dat ik haar even roep?"

"Wacht u nog even, meneer Smit," zei ze vlug, met een zenuwachtige
beweging van haar hand naar haar hoofd? Ze wist niet hoe ze 't hem nu
verder zeggen zou, waarvoor ze gekomen was. Ze keek dwars rimpelend 't
blanke voorhoofdvel angstig voor zich en zweeg.

Hij kwam weer naar haar toe, maar ging niet zitten. Blijkbaar was hij
zeer ontsteld nu, hij wachtte strak op haar neerkijkend. Plotseling
wierp ze met een hartstochtelijken ruk haar hoofdje achterover en hem
aankijkend zei ze vlug achter elkaar, zenuwachtig vlug: "Meneer Smit,
.... och God! ik zal 't je maar zeggen, ik ben gekomen om 't af te
maken, ik kan 't niet langer aanzien zooals Wouter tegenwoordig leeft.
De jongen lijdt, meneer Smit, hij gaat gebukt onder den last van zijn
leven. En dat moet toch niet, hij is nog zoo jong, niet waar? Margreet
is niet de rechte vrouw voor hem, zij houdt te veel van de weelde en die
kan hij haar niet geven!.... Ik geloof ook niet, dat zij genoeg van 'm
houdt, .... dat is eigenlijk de hoofdzaak! Maar hij houdt vreeselijk
veel van haar, hij verafgoodt 'r letterlijk! .... daarom is 't ook zoo
hard, zoo bitter hard voor hem!.... Maar 't kan toch niet langer zoo,
meneer Smit, waarachtig, ik voel 't, 't kan zoo niet langer." (Ze stond
op, ging een stap dichter naar hem toe en keek hem smeekend aan.) "En
daarom, meneer Smit!--u houdt toch ook van Wouter, dat weet ik--doe met
mij wat u kunt om 'r een eind aan te maken.... Voor Margreet kan 't zoo
erg niet zijn, 't kan niet, 't kan niet, dat ze zooveel van hem houdt,
dan zou ze anders zijn.... Voor hem wél, voor hem zal 't verschrikkelijk
wezen, .... maar ik denk maar, ziet u, later, later zal hij wel inzien,
dat 't niet goedgegaan zou zijn. En, niet waar? hoeveel vreeselijker zou
het zijn, als hij, pas als ze getrouwd waren, zou merken dat ze niet
genoeg van hem hield...."

Ze zweeg weer. Smit sprongen tranen in de oogen. Hij kon niet dadelijk
wat zeggen. Haar stem was 't vooral die hem aangegrepen had; er was
zooveel diepe smart in haar stem, ja soms klonken haar woorden als
wanhoopskreten. Toch had ze zacht, bijna toonloos gesproken, zonder alle
zucht naar effect. Hij voelde, dat ze heelemaal waar was, dat er geen
zweem van aanstellerij, van mooi-doen was in haar.

Eindelijk opperde hij weifelend: "Ziet u 't niet wat te zwart in?...."

"Nee! .... meneer Smit, ik zie 't niet te zwart in...., heusch niet! Al
zoo menigmaal heb ik op 't punt gestaan om naar u toe te komen om er
over te spreken, maar och! .... dan zei ik altijd maar weer tegen me
zelf: Je ziet 't te donker in, je bent 'n melancholiek mensch, je ziet
alles, alles in 't donker. Maar nu moet 't, waarachtig! Weet u hoe ze 'm
gisterenmiddag ontvangen heeft?.... En 's avonds heeft ze 'm heelemaal
niet willen zien!...."

"Ze had hoofdpijn!...."

"Ja, ja," zei Wouter's moeder met een droevigen glimlach, "ze had
hoofdpijn."

Beiden zwegen. Zij ging weer zitten, hij ook--stil, in elkaar gezakt,
met z'n handen op z'n knieën. De anders altijd drukke bewegelijke man
was als geslagen.... "Wat zullen we doen?" vroeg hij, toen 't zwijgen
pijnlijk werd, met weifelende stem.

"Laat haar nu hier komen, meneer Smit, laten we met haar praten."

"Nu? .... nou dadelijk?" vroeg hij, opziende tegen de scène.

"Ik geloof werkelijk, dat dat 't beste is," antwoordde zij.

Hij ging naar de deur en riep: "Gree!.... Gree!"

En ze kwam.

Ze liep, vriendelijk glimlachend als altijd, naar mevrouw Rubrecht toe.
"Hé! zoo vroeg al? .... hoe gaat 't u, mevrouw?"

Maar eer ze nog 't kleine vrouwtje 'n hand reiken kon, vroeg haar vader,
kortaf, 'n beetje bar om zijn weekheid te verbergen: "Je hebt geld
geleend aan Wouter?"

Ze schrok van die vreemde stem. Ze keerde zich naar hem om. Ze werd
bleek. "Ja! .... ja, pa!" zei ze.

"Veel?"

"'n Hondervijftig gulden is 't zoowat bij elkaar!...."

"Zoowat? Weet je 't niet precies?"

"Nee--, ik weet 't niet precies."

"Weet je 't niet precies?" vroeg hij nog eens, zich over die kleinigheid
opwindend. "Hoe komt 't, dat je 't niet weet? Schrijf je zulke dingen
niet op?...."

"Och! meneer Smit," viel toen moeder Rubrecht in, op zeer kalmen, bijna
plechtigen toon,--want ze was zich nu heelemaal meester, nu ze haar
vijandin tegenover zich zag--, "laten we daar nu niet over praten! Mag
ik 's wat aan Margreet vragen?"

"Zeker! .... zeker!...." bromde Smit.

Margreet durfde mevrouw Rubrecht niet aanzien. Zij trok een
onverschillig gezicht, liep naar 't raam en keek naar buiten. Toen stond
't vrouwtje op en ging ook 'n paar stappen naar 't raam, zoodat ze
achter Margreet stond. Ze steunde op de leuning van een stoel. "Ik heb
je _nog_ 's ééns gevraagd, wat ik je nu weer vragen zal; Margreet: houd
je wel genoeg van Wouter? Ik geloof, dat je me toen niet goed begrepen
hebt. Ik hoop, dat je me nu beter begrijpen zal. Luister goed.
Houd--je--wel--genoeg--van--Wouter? Is bij hem te zijn wel 't
heerlijkste wat er is voor je? Zou je alles wat je verder op de wereld
bezit willen missen om hem alleen?.... Zou je ellende, verachting,
alles, met hem willen dragen? Zou je jezelf vermoorden om hem te redden?
.... als je kinderen kreeg, zou je ze dan liefhebben omdat 't zijn
kinderen waren? .... en als je ze niet kreeg, zou dan toch je gansche
verdere leven, dat zoolang kan zijn, nog wel vijftig, nog wel zestig
jaar, zouden al die jaren gevuld worden door hem alleen?....

Margreet bleef staan. Ze tuurde aldoor naar buiten, ze verroerde zich
niet.

Haar vader liepen de tranen in z'n baard.

"Zeg, Margreet!" begon de moeder weer, "kan-je nu weer antwoorden zoo
als toen?"

Langzaam draaide 't meisje zich om. Ze was bleek, geelbleek, en er was
een zenuwachtig trekken om haar mond.

"Nee! ...." zei ze fluisterend, .... "eigenlijk geloof ik niet, dat
ik...."

"Maar Greetje!" riep de vader uit, zich afwendend om zijn aandoening
meester te worden, "hoe kom je nu zoo...."

"Je gelooft 't niet?.... Nee! je weet heel zeker, dat je _niet_ zooveel
van 'm houdt," ging nu moeder Rubrecht voort en haar stem kreeg weer dat
onaangenaam scherpe, "je moet 't al dikwijls gevoeld hebben, dat kan
toch niet anders!.... En toch heb je 'r nog geen eind aan gemaakt!....
Waarom dee-je dat niet? Om toch maar geëngageerd te zijn, toch maar uit
te gaan?...."

"Ik heb er nooit zoo ernstig over gedacht," zei ze, plotseling
uitbarstend in hoog snikken. "Maar 'k zal 't hem nu wel zeggen.... Want
ik wil 't ook niet langer...., ik _wil_ 't niet...., ik ben altijd
vroolijk geweest en zonder zorg en tegenwoordig zie ik op tegen elken
dag!.... Hij weet van niets dan zorgen, zorgen, altijd zorgen!.... Hij
zet haast nooit 's 'n vroolijk gezicht.... Me vrindinnen vragen wat of
hij heeft, of hij ziek is.... 't Is 'n akelige jongen! ik wil 'm niet
hebben .... nooit! .... nooit! ziedaar!" En ze stampte op den grond en
huilde luid en liet zich achterover vallen in een gemakkelijken stoel.

"Margreet!" riep de vader, nu heel boos, vuurrood in zijn gezicht, "ik
wil niet, dat je zoo spreekt! Hoe kom je zoo gek je 'r iets van aan te
trekken wat je vrindinnen zeggen?.... Je bent heel oppervlakkig ....
heel lichtzinnig!...."

"'t Is toch niet waar!" huilde 't meisje weer, "ik ben niet
lichtzinnig!.... Omdat ik nou vroolijk ben en levenslustig! .... daar
ben ik toch jong voor!.... Waarom, zou ik nu al altijd zuur moeten
kijken!.... En als ik te veel van plezier houd .... en uitgaan .... en
van mooie dingen koopen en zoo .... dan komt dat allemaal alleen doordat
u me verwend hebt!.... 't Is uw schuld!.... Ik kan nou niet anders
meer...., ik kan toch me zelf geen geweld aandoen!...."

Smit zweeg en zuchtte. Mevrouw Rubrecht ging naar hem toe, gaf hem 'n
hand en zei zacht: "Ik dank u wel voor uw hulp, meneer Smit...., en ik
laat 't nu verder aan u over...., spreekt u met haar .... en laat ze
Wouter .... laat ze Wouter .... ja, 't zal 't beste zijn, dat ze hem
afschrijft. Want als hij haar weer ziet of spreekt .... misschien...."

"Goed!.... Goed!.... zei Smit, "ik zal met haar praten...."

Toen ging de moeder weg, zonder zelfs meer om te kijken naar 't meisje
dat daar op dien stoel lag.



XIX.


Wouter was eindelijk opgestaan, tegen twaalf uur, en naar beneden
gekomen. Hij vond zijn moeder alleen aan de gedekte koffietafel, bezig
met de koffie....; hij groette haar met 'n zacht vrindelijk "Morgen,
moedertje!" en ging op 'n stoel zitten, die ergens tegen den muur stond.
Z'n handen in z'n zakken, z'n beenen rechtuitgestoken zat hij daar
zwijgend voor zich te turen. Zij kwam naar hem toe, keek hem teeder aan
en gaf hem een zoen op z'n voorhoofd. "Hoe is 't nou, Wouter, voel je je
nog zoo moe? heb je geen hoofdpijn?"

"Nee!...."

"Mijn goeie arme jongen, _mijn_ jongen, je moet wat doorstaan dezer
dagen, .... maar je zult je er wel flink onder houden, hè?.... Je bent
immers altijd mijn flinke Wouter geweest!.... Beloof je 't me?"

"Zeker, moeder, zeker!" zei hij flauw glimlachend.

Ze zwegen weer. Ze zeurde wat in de kamer rond, keek nog 's in de
koffiekan, verzette 'n paar kopjes.

"Zeg moeder!"

"Wat is 't?"

"Dat plan van naar Margreet gaan hebt u toch uit 't hoofd gezet?"

Zij gaf geen antwoord. Zij keek den anderen kant op.

"Zeg, moeder!...."

"Waarom, Wouter?"

"Waarom? .... maar, moeder! waarom? .... wel omdat dat toch niet kan!
.... maar, .... God! moeder! wat is er? .... u bent er toch niet al heen
geweest?.... Hebt u haar gesproken? Wat zei ze? Moeder! zeg! .... hebt u
't toch willen afmaken?...." Hij was opgestaan, hij beefde, zijn stem
was heesch.

"Wouter! Wouter! In Godsnaam, wees nou bedaard! .... wees nou flink!....
Ja, ik ben er geweest en ik heb een eind gemaakt aan wat alleen op je
ongeluk uit kon loopen! Ik weet, dat ik er goed aan gedaan heb!.... Ze
zal je schrijven!...."

Hij luisterde niet meer. Hij viel weer neer op zijn stoel. Hij greep met
z'n rechterhand naar z'n hoofd, wreef zich over z'n kort geknipt haar
met onbewust gebaar, als een krankzinnige.

Zijn moeder kwam naar hem toe.

Toen vloog hij op, de deur uit.

"Wouter!" riep ze, "Wouter!" En in de gang: "Wouter!"

Maar de voordeur sloeg dicht.



XX.


Buiten adem kwam hij voor de deur bij Smit aan. Hij schelde wild, en
toen de deur openging wou hij doorstormen naar boven, maar Smit--hij was
't zelf--greep hem bij z'n arm. "Niet naar boven!" beval hij ernstig.

"Ik moet, ik moet!" riep Wouter met een woesten ruk.

"Je zult niet!.... Wie 's hier de baas, jij of ik? .... je zult niet
naar boven!"

Wouter rukte aan z'n arm maar Smit hield stevig vast.

"Je wilt toch niet, dat ik je de deur uit zetten zal, Wouter?"

Toen gaf hij toe, bleef staan, hijgend.

Smit schudde den arm, dien hij nog vast hield. "Arme jongen," zei hij,
met trillende stem, "ik heb bliksems met je te doen! waarachtig! ....
maar toe, wees nou flink! .... toon nou dat je 'n kerel bent, 'n
mannetjesvent, wat donder! Ga nou naar huis! .... ze zal je
schrijven!.... Geloof me, kerel, er is toch niets meer aan te doen, 't
is beter zoo!"

"'t Is beter zoo .... 't is beter zoo," herhaalde Wouter met innige
bitterheid, "altijd beter zoo! .... als je gemarteld wordt...., als je
moet tobben en ploeteren en niets hebt dan verdriet, .... altijd: beter
zoo! beter zoo!"

"Arme kerel, arme kerel! .... kom, wees nou bedaard! .... ga nou weg!
.... ze zal je schrijven van middag.... Ga nou weg, Wouter, .... maar
geef me eerst nog 'n hand, ouwe jongen!.... Ik heb er toch waarachtig
geen schuld aan, dat weet je wel!...."

Wouter gaf hem zijn rechter hand; maar even lag die hand slap, zonder
actie, in Smit's knijpenden knuist. Toen ging hij weg, zwijgend,
langzaam, loom. Hij liep straten en grachten om. Hij wou niet naar huis,
niet zijn moeder zien. Hij liep den ganschen middag door, diep ellendig,
zich voelend als een schooier, armoedig, verloopen, door de menschen
vergeten. Tegen den avond at hij wat in een gaarkeuken, niet veel, hij
was te moe. Hij verbeeldde zich, dat alle menschen hem aankeken in die
gaarkeuken, ging er gauw uit, liep weer door....

Eindelijk ging hij naar huis, hij wou dien brief lezen.



XXI.


Voor zijn moeder was die middag één lange marteling. Waar was hij
heen?.... Waarom kwam hij niet thuis?....

Zij liep naar Smit, hoorde hoe 't daar gegaan was. Toen weer naar
huis!.... Neen, hij was er nog niet....

Waar dan?.... Denken dorst ze niet.... O, die angst, die
hartverschroeiende angst!....

De grachten liep ze langs en in het park dwaalde ze rond. Ze schrok
hevig toen ze 'n troep menschen ergens aan den waterkant zag staan. Weer
kwam ze thuis .... en, in wanhoop, wou ze ook weer dadelijk weggaan,
maar Anna, die vermoedde wat er gebeurd was, smeekte haar huilend thuis
te blijven; ze was immers ook veel te moe....

Ja, 't was waar, ze was wel moe, wel moe!....

Toen kwam Rubrecht van kantoor en in korte afgebroken zinnen en zonder
hem aan te zien, zei ze 'm alles. Hij was één en al verbazing, hij zat
met open mond te luisteren, hij begreep er niets van.... Wouter schuld!
Zijn engagement af!.... Ze wisten niet waar hij was!.... Maar dat was
verschrikkelijk!.... Ach, waarom moest hij dat nog allemaal beleven op
zijn ouden dag....

Inéén gedoken, voorover, zijn groot rond hoofd wiegend op zijn halsboord
zat hij suf te kijken, te staren, te mompelen.

Moeder Rubrecht was ook op een stoel neergevallen, stil snikkend en
bijtend op haar zakdoek met wijdopen oogen. Anna stond bij het raam en
keek uit.

De meid kwam zeggen, dat het eten op tafel was.

Ze letten er niet op.

Ze zwegen, ze wachtten.

De vader vroeg alleen nog:.... "Hoeveel is 't .... die schuld....?"

"'k Weet 't niet precies, .... 'n paar honderd gulden," zei zijn vrouw.

Daar werd gescheld! Anna zei, dat 't de post was. De meid kwam weer naar
boven, klopte bedeesd, en Anna ging naar de deur en nam den brief aan.
"Van Margreet," zei ze alleen, en lei den brief op tafel.

De moeder nam 'm op. Ja, daar stond 't, keurig geschreven:

"Den WelEdelen Heer Wouter Rubrecht, E. V."....

Ze wachtten weer....

Eindelijk! daar sloeg de deur dicht.... "Daar is hij!" riep moeder
Rubrecht, blij opvliegend, kijkend naar de deur die opengaan zou. Ook de
vader draaide zijn dikke hoofd om naar de deur en Anna keek er half
afgewend naar. Hij kwam de trap op, hij was op 't portaal, .... hij liep
voorbij, naar boven!....

Zijn moeder nam de brief en ging hem achterna.

"Wouter!.... waar ben je geweest? .... we waren zoo vreeselijk
ongerust!"

"Ongerust? .... om mij?...." vroeg hij bitter..........................
.....................................................................

"Hier is de brief!"

"O! dank u...."

Hij bekeek het adres, .... brak den brief open.... Zij bleef staan bij
de deur.

"Och, moeder! .... toe, laat me nou alleen!"

"Ik wou zoo graag bij je blijven om je te troosten, .... maar als je
liever hebt, dat ik wegga...."

"Ja! ja!"

"Goed .... goed!...." En zij ging ... ze ging op de trap zitten. Ze
hoorde niets dan nu en dan wat gekraak of 'n kuch.... Na een uur ging ze
weer naar boven, zonder gedruisch, en klopte aan zijn deur.

"Binnen!" hoorde ze zacht zeggen.

Ze kwam de kamer in. "Wouter", zei ze, "ik ben niet gerust, voor ik met
je gesproken heb...."

Hij lag met z'n hoofd op de houten tafel, .... z'n armen er om heen,
.... de brief naast hem.

Hij gaf geen antwoord.

"Wouter!...."

"Wouter!...."

Daar keek hij op. Hij keek haar aan. "O, moeder, moeder! hoe hebt u dat
kunnen doen!" zei hij. En die blik! die blik van dof smartelijk verwijt.

Zij rilde! o God, o God! Neen, zoo verschrikkelijk had ze 't zich niet
voorgesteld. Ze kon niet spreken.

Ze greep zich stevig vast aan de leuning van een stoel om zich weer
meester te worden. Eindelijk, met een schor geluid: "'t Was heusch om
jou alleen, Wouter, waarachtig, alleen voor jou.... Maar ik begrijp wel,
dat je dat nu niet inziet nog .... later wel .... later wèl!"

"Voor mij! voor mij!" riep hij uit, met krijschende wanhoop,.... "Och!
moeder, ga nou weg...., laat me nu met rust! .... o laat ik nu niets
meer zeggen! .... laat ik nu zwijgen!" Ze ging, maar bleef nog bij de
deur staan, aarzelend, niet een laatste hoop, dat hij haar terug zou
roepen.

Hij had zijn hoofd weer op de tafel laten vallen. Dof, toonloos hoorde
ze 'm mompelen: "'k Wou 'k dood was." En toen weer opkijkend,
krachtiger: "Och, laat me nou toch met rust .... laat me nou toch
alleen!"



XXII.


De dagen verliepen in grijze treurigheid in 't Rubrechtshuis. Wim kwam
geregeld 's avonds. Maar hij was er heelemaal de man niet naar om de
menschen wat op te beuren. Met een gewichtig gezicht en hoofdschuddend
hoorde hij alles aan en zei alleen maar nu en dan: "sjonge jonge, 't is
toch jammer, hoor!...." of: "ja, ik zeg maar: beter ten halve gekeerd
dan ten heele gedwaald, dat zeg ik maar!"

En hij was nog veel eigenwijzer en pedanter dan vroeger, want hij
verbeeldde zich nu hoog boven Wouter te staan. Hij was toch maar zijn
betrekking niet kwijt, alles behalve! hij kreeg met één Mei weer honderd
gulden opslag, had de patroon hem beloofd, en zijn engagement! .... wel,
hoe zou dat ooit af kunnen gaan!.... Hij had nooit wat met Annetje! ....
en over 'n maand of wat zouden ze trouwen! Dat 's wat anders!

De oude man zat meestal te suffen en liet zijn pijp soms uitgaan, wat
vroeger nooit gebeurde.

Moeder Rubrecht leefde van uur tot uur in onrust door. Zij was altijd
weer bang als Wouter uitging. Maar geen oogenblik had ze spijt van wat
ze gedaan had. "Als ik niet wist, dat 'k me plicht had gedaan," zei ze
tegen Anna, "dan zou ik zeker sterven van verdriet."

Wouter zat meestal op zijn kamertje te soezen of in kranten te kijken,
soms schreef hij een brief of ging hij iemand spreken. Als hij
binnenkwam om te eten, zei hij niets dan 't hoognoodige. Hij vermeed
vooral zijn moeder toe te spreken.

Zoo verliepen acht dagen. Toen, op een avond, stond de oude Rubrecht in
ééns op en lei zijn pijp neer en ging de kamer uit en de anderen hoorden
vol verwondering, dat hij naar boven ging, naar Wouter. Hij bleef 'r wel
een uur. Toen hij weer beneden kwam had hij iets vergenoegds over zich.
Hij ging naar zijn vrouw en fluisterde: "'t Is maar tweehonderdtwintig
gulden, ik heb ze hem gegeven," en hij knipoogde, bijna vroolijk. Zij
stak hem 'n hand toe en begon te huilen. Toen knipoogde hij sterker en
ging weer in zijn stoel zitten knikkebollen, maar hij schoof zich 'n
beetje van 't licht af.



XXIII.


'n Paar dagen later zei Wouter aan tafel: "Vader, ik wou u van avond
graag nog even spreken."

"Goed, jongen, best...." bromde de oude man, weer met dat vergenoegde
gezicht even.

Wim en Anna waren er niet.

En hij ging weer naar boven en ze praatten weer een uur, maar toen hij
beneden kwam, keek hij erg bedrukt. Zijn vrouw kwam naar hem toe. "Wat
is er?" vroeg ze gejaagd.

"Hij wil weg!.... Naar de Transvaal!...."

Toen sloot ze de oogen en zonk neer op 'n stoel .... en lang bleef ze
dof snikkend zoo zitten.

"Hij sprak over 't geld voor de reis," zei Rubrecht nog, .... nou dat
kan hij krijgen natuurlijk...."



XXIV.


't Was prachtig weer den dag toen Wouter wegging. Ze brachten hem
allemaal naar de boot, zijn ouders, Anna en Wim. Gelukkig! bij het
inpakken van zijn boeltje, waar zijn moeder natuurlijk aan te pas was
gekomen, had hij weer vriendelijk met haar gepraat....

Ze had 'm ook gevraagd wat hij van plan was daar te gaan doen in de
Transvaal. Hij wist 't nog niet, had hij gezegd, hij zou wel zien, hij
had 'n paar aanbevelingen gekregen door toedoen van zijn vrinden en nu
zou hij wel 's zien. Hij zou in ieder geval wel _wat_ krijgen!....

"Je schrijft ons toch vooral gauw, Wouter?"

"Ja zeker .... zeker!...."

Onderweg naar de boot werd niet veel gepraat. Alleen Wim beweerde wat,
hij kraamde schoolwijsheid uit over Zuid-Afrika, hij gaf Wouter nuttige
wenken met 't oog op het klimaat daar en de insecten.

Ze gingen mee op de boot en zagen Wouter's hut en zijn moeder huilde
stil, toen ze 't kleine hokje zag. "Had je nog maar 'n kussen
meegenomen," zei ze.

Eindelijk werd het tijd om afscheid te nemen. Overal op de boot werd al
gezoend en gehuild.... Er werd een bel geluid....

Wouter drukte zijn vader lang de hand.

De oude man sprak met groote moeite 'n paar wenschen uit voor Wouter's
reis en toekomst: "Ik!.... Ik zal je wel nooit meer zien, jongen! ....
maar och! .... als 't jou maar goed gaat!...."

Wouter kuste Anna, gaf Wim 'n hand en wenschte hun beiden gelukkige
bruidsdagen en ook verder .... maar hij kon niet verder.

Toen nam hij zijn moeder in z'n armen.

Hij keek haar lang aan, en zij voelde, drinkend dien laatsten langen
blik, dat hij nog altijd veel van haar hield, maar dat 't toch niet meer
was zooals vroeger. "Je bent nu toch niet meer boos op me?" vroeg ze,
droevig glimlachend. Toen wendde hij z'n blik af en trok even z'n
wenkbrauwen samen.

"Nee, .... moeder, nee .... nee...." zei hij toen. En dan bukte hij zich
snel over haar en zoende haar tweemaal op 'r voorhoofd, dat ze nat
voelde van zijn tranen.



XXV.


Hij is weg, .... hij is weg, .... dat suisde door moeder Rubrecht's
hoofd de heele dagen door en de nachten als ze wakker lag.

Hij is weg, mijn lieveling, fluisterde ze soms heel zacht voor zich heen
in den stillen nacht.

En ze bad weer: O goeie God! waak over hem! .... ik kan nu niets meer
voor hem doen! .... o God, maak hem gelukkig!....

Altijd dacht ze aan hem.... 't Liefst haalde ze zich zijn beeld voor den
geest zooals hij geweest was tien jaar oud, aardig klein jongetje,
leunend aan haar schoot.... Maar ook later, zooals hij was thuis
gekomen, toen hij den eersten keer naar 't buitenland was geweest, den
eersten keer, dat hij zoolang van haar weg geweest was, zes maanden!....
Wat had hij haar toen gekust, en wat was hij uitgelaten geweest! Dol!
Hij had met haar gedanst door de kamer, hij moest met haar uit, hij
sprak over alles met zijn "moedertje-lief," zoo als hij toen altijd
zei,--"ouwetje" zei hij ook wel 's--wat 'n heerlijke tijd was dat
geweest....

Maar altijd kwam haar denken ten slotte weer neer op dien vreeselijken
dag toen ze naar Smit was gegaan om 't af te maken. Die zware dag, die
zwarte dag! Maar ja, ja, ja, ze had haar plicht gedaan, zij moest 't
doen! zij moest, zij moest. O! als ik daar zelf ooit aan ga twijfelen,
dacht ze, dan .... dan is alles uit....

Ik heb mijn plicht gedaan, zei ze dan maar aldoor in zichzelf. Hij zal
't ook wel in gaan zien. Van dat verre land uit zal hij de dingen zien
zoo als ze zijn. Want als je er midden in staat zie je de dingen niet in
hun ware verhoudingen, maar op een afstand zie je ze zoo als ze zijn....
Hij zal 't wel gaan begrijpen.

Maar ook al begreep hij 't nooit!.... Zij had haar plicht gedaan, zij
mocht niet anders doen.



XXVI.


Wouter moest er nu al twee maanden zijn. En er was nog geen brief.
Rubrecht's patroon informeerde bij een handelsvriend in Johannesburg en
vrij gauw kwam er antwoord. Zeker, de jonge Rubrecht was daar bekend,
hij was bediende aan een groote handelsinrichting, een goede betrekking.

Blij met dat bericht, trotsch op zijn zoon die daar toch maar weer zoo
gauw een goede positie had gekregen, schreef de oude Rubrecht hem
dadelijk zes zijdjes vol. Het verwonderde hem, dat zijn vrouw niet zoo
blij scheen; hij vroeg of zij niet een briefje bij den zijnen wou doen.
Zij deed 't. Ze schreef een korten brief:

"Vader heeft je 't weinige verteld wat hier gebeurt," schreef ze, "maar
waarom heb jij ons niet geschreven? O, Wouter, als je wist hoe ik
verlang naar een brief van je! Waarom? waarom schreef je nog niet? Hoe
voel je je nu? Hoe leef je, wat doe je? O, schrijf, dat je gelukkig
bent, ik verlang er zoo naar, 't zal me zoo goed doen! Mijn lieve
jongen, ik wil je geen verwijt maken .... maar och! waarom schreef je
nog niet?"

Anna's uitzet gaf veel drukte en afleiding. Dag in dag uit zaten moeder
en dochter te naaien .... te zoomen.... En toen kwam de drukte van het
trouwen zelf.

Maar een brief van Wouter kwam er niet....

In een roes van veel doen voor Anna en Wim trachtte moeder Rubrecht dat
vlijmend leed te vergeten, maar iederen morgen was 't toch 't eerste
weer waar ze aan dacht: Nog geen brief van Wouter.

Eindelijk trouwden ze. 't Ging alles heel eenvoudig en burgerlijk toe.
De familie van Wim bestond uit kleine winkeliers, kommiezen en klerken.
Er was een dansavond waar veel werd gezongen en gezoend.... Maar op den
trouwdag werd er niet rondgereden, dat had moeder Rubrecht niet gewild;
Wim had 't land tegenover zijn familie.

Ze gingen wonen ergens in een nieuwe buurt, in een aartsvervelende
rechte straat; bovenhuizen, benedenhuizen, alle gelijk, twee en twintig
huizen onder één gevel. 't Was een heel eind van de oude gracht naar
die nieuwe straat....

Er was nog altijd geen brief.



XXVII.


Zoo bleven dan vader Rubrecht en zijn vrouw alleen in het bovenhuis op
de smalle oude gracht. En altijd nog ging de oude boekhouder 's morgens
om kwart voor negen naar kantoor en kwart over vijven kwam hij thuis.
Hij klaagde soms over den last dien hij had van een jongmensch, dien
zijn patroon er bij genomen had tot zijn hulp, een wijsneuzig ventje dat
alles beter wou weten.... Waarvoor was die kwajongen noodig, hij kon 't
nog best alleen af!

's Avonds sufte hij met zijn pijp of dutte in. Om den anderen dag zei
hij 's: "Waarom of die Wouter toch nooit schrijft!...." maar daar bleef
't dan bij.

De arme moeder leed.... Waarom, waarom deed hij haar dat aan? Kon hij
dan niet vergeven? Begreep hij haar nog altijd niet? Hield hij niet meer
van haar? Of was hij werkelijk ongelukkig, nog altijd, voor goed
misschien?....



XXVIII.


Eéns, op weg naar Anna, kwam ze Margreet tegen! Ze had haar niet gezien
sinds dien morgen daar in de voorkamer. Met plotseling drooggeschroeiden
mond, de beenen zwaar van schrik was ze 't meisje voorbij geloopen. En
ze had gezien, dat ze veel ouder was en bleeker en magerder....

Hoe kwam dat?.... Ze was toch altijd gezond geweest, 'n sterk kind, 'n
krachtig, bloeiend meisje!.... Zou ze 'r dan toch over tobben?.... Zou
ze dan toch meer van hem gehouden hebben dan.... Neen!.... neen!....
Maar hoe kwam 't dan, dat ze er zoo slecht uitzag?....

En toen kwam 't ergste wat de gemartelde vrouw overkomen kon, toen kwam
de twijfel of ze 'r wel goed aan gedaan had, toen.... En 't was zooals
ze zelf wel gevoeld had, toen was alles uit....



XXIX.


't Liep naar den winter, de dagen werden al korter en korter. En somber,
somber werd 't op de oude smalle gracht; de regen droop van de
bladerlooze boomen, zolderluiken klepperden in woeste windvlagen.

En meestal sinds Anna trouwde zat de moeder in de voorkamer aan het
middelste raam, aan dat tafeltje waar toen dat mandje bloemen op gestaan
had, naar buiten te kijken, naar de grauwe wolkmonsters, de staag
stuwende wolkgevaarten en naar het vuile groenbruine water in de gracht.
Als Rubrecht thuis kwam, in de schemering, vond hij haar daar nog
zitten, onzichtbaar bijna in de schaduw van het penant tusschen de
ramen. Dan placht hij zacht op haar te knorren, te zeggen, dat 't niet
goed was, jezelf zoo melancholiek te maken door zoo in 't donker te
blijven zitten, dan deed hij soms nog wel 's zijn best haar wat op te
vroolijken, vertellend 't een of ander wat hij gehoord had op kantoor.
Maar hij zag dan wel, dat ze toch niet luisterde .... en dan hield hij
maar op met een zucht.

Nu en dan kwam Anna 's middags en 'n enkele maal ging de moeder ook nog
wel 's naar haar en Wim. Anna was gauw gewend aan haar nieuwe leven, aan
die nieuwe straat; ze had kennis gemaakt met de buren en onderhield
conversatie met de vrouw van den jongen bakker op de hoek en met de
dochters van een hoofdinspecteur van politie. Ze was altijd vol verhalen
over al die menschen.

't Beviel haar allemaal uitstekend.

En ál minder begreep ze haar moeder, ál meer vervreemdde ze van haar. En
over Wouter dacht ze haast nooit....

Wèl zei ze soms, dat ze zoo verlangde naar een kind, want dat 't zoo'n
"vervulling" zou zijn. "Met de lange avonden ook, ziet u, je weet niet
wat je aldoor doen moet...." Wim verlangde er ook zoo naar....

Dan glimlachte de moeder en zei niets. En Anna zag niet de oneindige
treurigheid van dien glimlach.



XXX.


En eens op een laten avond--Rubrecht zat te dutten over de krant--werd
heel zacht de buitendeur dicht getrokken. 't Was 'n stille avond. De
maan scheen.

Moeder Rubrecht liep vlug over de stille gracht. Ze kwam een jongen man
tegen, lang, krachtig gebouwd. Ze stak de straat over, recht op hem af.
De onbekende bleef staan, verbaasd. "Ben jij 't Wouter," fluisterde ze,
"goed .... goed .... ga maar gauw naar huis, vader zit zoo alleen ....
ik ga naar de tuin...."

"Je hebt de verkeerde voor, juffrouw," riep de ander, "zoek je je
zoon?...."

"Me zoon?" zei ze, peinzend, "me zoon? o ja! .... o ja! .... heb je 'm
niet gezien?"

"Nee, hoor! .... niet gezien!....." zei de jongeman en stapte door.
"Zeker gek!" mompelde hij.

Ze liep door tot aan een smal zijsteegje. Daar ging ze in. 't Liep dood,
dat steegje, 't liep dood op een andere gracht. Heel aan 't eind stond
een lantaarn, daar juist neergezet dat de menschen zien zouden, dat 't
doodliep op 't water en er niet invallen.

Ze ging op den steenen walkant zitten en keek in 't zwarte water.
Verderop scheen de maan, maar voor haar lag 't in de schaduw van de
huizen.

Toen begon ze zacht te zingen een oud, oud kinderdeuntje:

    "'n Karretje over den zandweg reed,
    De maan scheen helder, de weg was breed,
    De voerman lag te rusten...."

Verder kwam ze niet. En zoo zacht liet ze zich afglijden, dat er geen
plomp was in 't water.

Nog wat kreunend geworstel alleen....

En één lange, bange kreet!....

Stilte toen....



       *       *       *       *       *

De Uitgevers-Maatschappy "Elsevier" geeft uit en debiteert met klimmend
succes

NATUUR en VERNUFT

*Verrassende uitkomsten van 's menschen speurzin en vindingrijkheid*

ONDER LEIDING VAN

Dr. N. G. VAN HUFFEL

*door deskundigen op verschillend gebied.*

Met *700* à *750* illustraties, waaronder *26* prachtige prenten in
kleuren.


Twee honderd korte, boeiende, populaire artikelen over hoogst
belangwekkende onderwerpen; en een *overvloed* van prachtige, pakkende
illustraties.

Verschijnt in 24 afleveringen, à *45 cent* per aflevering, die te zamen 2
dikke deelen van 400 bladz. elk zullen vormen.

Deel I is verschenen.

       *       *       *       *       *

*Een boek, dat de beschaafde leek NOODIG heeft!*

DE MEESTERWERKEN DER BEELDHOUWKUNST EN DER BOUWKUNST

uit den vroegsten tot in dezen tijd

door

MARCEL LAURENT,

Hoogleeraar aan de Universiteit te Luik

EN

W. A. E. VAN DER PLUYM.

Met 350 à 400 groote en kleinere afbeeldingen tusschen den tekst en 13
buitentekstplaten in kleuren en in tint.


Dit boek wordt uitgegeven in 4o formaat, en gedrukt op kunstdrukpapier;
het verschijnt in 12 afleveringen, die te zamen _een dik deel_ van
omstreeks 400 bladzijden zullen vormen.

De prijs per aflevering is vastgesteld op slechts 45 cent; bij de
verschijning van de 12de zal een mooie _stempelband_ verkrijgbaar
worden gesteld (tegen een lagen prijs).

UITGEVERS-MAATSCHAPPY
"ELSEVIER".



Transcriber's Notes


- Throughout the book: lines consisting of full-stops have been replaced
by extra vertical space in the HTML-version.

- Throughout the book: paragraphs ending in a series of full-stops have
retained these full-stops.

- Although spaced en-dashes are and were common in Dutch typography, the
print original used the "English" method of clothed em-dashes, and this
choice has been retained.

- Page 9: deleted rectangles at the top of the page in the TXT version.

- Page 9: replaced rectangles by a hyphen at the bottom of the page
in the TXT version.

- Page 53: corrected "conversatoire" to "conservatoire"
(_conservatory_).

- Page 63: normalised the ellipsis in "zeker!..": "zeker!..."

- Page 72: corrected "ergenis" to "ergernis" (_irritation_).

- Page 76: normalised "symphatieke" to "sympathieke" (_sympathetic_).

- Page 98: removed extraneous closing quotes from "wel verwonderen, dat
ik".

- Page 99: removed extraneous closing quotes from "niet, Wouter ....
maar vijftig gulden".

- Pages 114/115: removed extraneous closing quotes from "o God, o
God!"

- Page 120: normalised the chapter number by adding a full-stop: "XIII"
became "XIII."

- Page 124: normalised the chapter number by adding a full-stop: "XIV"
became "XIV."

- Page 126: added missing closing quotes to "niet anders kon, hè?".

- Page 144: removed extraneous closing quotes from "toen werd alles
stil....".

- Page 149: added missing full-stop to "keek hem smeekend aan".

- Page 154: inserted an em-dash between "genoeg" and "van" to preserve
the cadence: "Houd--je--wel--genoeg--van--Wouter?"

- Page 156: normalised "lichtzininig" to "lichtzinnig".

- Page 167: removed extraneous comma from "waarachtig, alleen voor
jou....".





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "De vreemde plant" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home