Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Nederlandsche Volkskunde
Author: Schrijnen, Jos
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Nederlandsche Volkskunde" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



                    Nederlandsche Volkskunde


                     Door Dr Jos. Schrijnen

     Bijz. Hoogleeraar aan de Rijksuniversiteit te Utrecht


                  Zutphen--W. J. Thieme & Cie



                        Aan de bevolking
                      van Groot-Nederland
                       hereenigd in dagen
                         van beproeving



TER INLEIDING.


"Unsere Zeit ist klug, aber arm" zegt Paul Keller in een
zijner aantrekkelijkste romans, die als titel voert: Das letzte
Märchen. Daarin wil hij alles redden, wat nog jong, wat nog kind in
hem is, daarin wil hij meetroonen naar het sprookjesland allen, wien
de kinderziel nog uit de oogen lacht, wien het oude kinderhart nog
enkele malen klopt in den boezem, die vaak nog een onbepaald heimwee
voelen en met zachten weemoed herdenken de oorden van kinderspel
en kinderlust; die niet te trotsch zijn, en ook niet te arm, om een
onbezorgden sprookjestocht te ondernemen, en in rijpere dagen gaarne
nog eens willen aanschouwen hun prille wonderlanden, thans met een
anderen lichtglans overgoten.

Inderdaad--arm is onze tijd en arm ons leven te midden van de wonderen
der wetenschap! Arm is onze tijd, arm en kil en nuchter, gladstrijkend,
waar hij het vermag, tot de zwakste sporen van eigen aard in zeden en
gebruiken, doovend tot de laatste sprankjes poëzie, die nog opvonken
uit de gulden schatkamers van sprookjes, sagen en legenden. Wat
een tiental eeuwen niet vermochten, dat vermag helaas! stoom en
elektriciteit en ... aviatiek, dat vermag onze prozaïsche, hoogwijze,
cynisch-onverschillige tijdgeest.

De romantiek past kwalijk in een eeuw van triomfeerend realisme. Laat
ze vluchten naar de diepste schuilhoeken,--de zoeklichten
der wetenschap hebben haar spoedig achterhaald. Laat ze zich
terugtrekken naar de eenzame hoogplateau's, waar het Edelweiss
nog bloeit in ongerepte pracht,--de berglokomotieven hebben haar
spoedig bereikt. Laat ze, ook in onze lage landen, de wijk nemen naar
afgelegen oorden,--snorrende auto's volgen weldra verdelgend haar
spoor. Zij kwijnt weg in onze atmosfeer, bezwangerd met den walm van
ontelbare schoorsteenen van mijnen en fabrieken, monotoon oplijnend
tegen een valen gezichteinder boven de vormelooze huizengroepen der
moderne fabrieksstad, waar een trieste nevel hangt van gewoontesleur
en landerigheid.

Wij worden zoo praktisch en verstandig, maar ons alledaagsch-bestaan
wordt zoo eentonig en kleurloos en arm. Wij bestudeeren de natuur, en
verwijderen ons van haar. Oòk aan Maas en Schelde rekt het volksleven
een veeg bestaan: het volksleven, dat het volkskarakter weerspiegelt
in zijn menigvuldige uitingen en als een flonkersteen met duizenden
facetten het blijde, spelende zonnelicht opvangt en uitstraalt
naar alle richtingen. Zijn gezworen vijanden zijn overbeschaving
en banaliteit, die in haar sloopingswerk elkaar de hand reiken en
hoogtij vieren òok in de groote steden van Groot-Nederland, eens zoo
prat op zijn Dietschen volksaard. Niet in luidruchtige straatmuziek
en straatgetier ligt besloten de poëzie van het volksleven, maar
in de stille huiselijkheid rond den gezelligen haard. De naïeven,
de eenvoudigen van harte zijn de bezittenden.

Arm is onze tijd aan poëzie, die niet slechts schuilt in de romantiek
van sprookjes en legenden, maar evenzeer in de onuitputtelijke
schachten van volksgebruik en volksgeloof, hoe ruw dat erts somtijds
dan ook moge wezen en met hoeveel onedele bestanddeelen vermengd; die
uitbot in alle loten van het volksleven, hoeveel wilde scheuten dat
leven ook moge uitranken. Maar toch, Gode zij dank, niet algemeen arm
is onze tijd aan belangstelling. Een groote kern waardeert althans
de uitingen van het volksleven, zoekt naar begrip en verklaring,
vorscht naar herkomst en ontwikkeling. Voor hen zijn deze bladzijden
geschreven. Voor hen, die de waarde van hun volkswezen weten te
schatten, en wien de eer ter harte gaat van een verleden, waarin
het heden zijn diepe wortels schiet. Waardeering wekt waardeering,
en zoo kunnen zij door hun belangstelling een groot maatschappelijk
nut stichten, een werk verrichten van waarlijk nationaal belang.

Niet als zou het zaak wezen, kunstmatig de liefde tot den volksaard
weer op te wekken en aan te kweeken: want in zijn teerste uitingen is
hij zoo vaak als het gevoelige plantje, dat bij de geringste aanraking
de blaadjes dichtplooit. Maar door de volksziel te beluisteren,
het heden te ontraadselen door het verleden, door te dringen tot de
kiemcel van het kontemporaine kultuurleven, kan de hooger beschaafde
ruimheid winnen van blik, frissche, kerngezonde levenskracht garen;
en op anderen en telkens weer anderen zal hij de diepgevestigde
overtuiging overstorten, dat hij tot het volk behoort met lijf en ziel,
dat het volk van zijn geboortegrond van zijn vleesch, zijn bloed, zijn
gebeente is. Zóo wordt geteeld echte, onvervalschte vaderlandsliefde.

Maar ook, zóo kan worden overbrugd de kloof, die gaapt tusschen volk
en hooger beschaafden, kan worden bewerkstelligd een verzoening
der standen. Een waarlijk aristokratisch-denkend man zal zich
het volk nader voelen, wanneer hij van dat volk kennis neemt,
en gelijkvormigheid in wezen van zijne kultuur met de volkskultuur
beseft. Tot het volk zal hij zich nader getrokken voelen dan tot het
beschavingsgepeupel. Want, zegt Albrecht Dietrich, "der Parvenu ist
dem Volke immer am fernsten".

Met hen, die belang stellen en belangstelling wekken, wensch ik een
tocht te ondernemen naar het land der Folklore.--

Ik weet het, die belangstelling is niet dezelfde in alle deelen
van Groot-Nederland. Zelfs geloof ik aan de waarheid niet te kort
te doen, met te beweren, dat Zuid-Nederland hierin mijlen vooruit
is. Noord-Nederland kan niet bogen op namen als Gezelle, Gittée, Pol
de Mont, Teirlinck, om slechts eenigen te noemen; en nog minder kan
het wijzen op iemand, die van de volkskunde zijn levenstaak maakt,
als A. de Cock,--aan hem mijn eeresaluut!



De term Folklore werd het eerst gebezigd in een Athenaeum-nummer van
1846 door Mr. Thoms, sekretaris der Cambden-Society, die zijn opstel
schreef onder den schuilnaam Ambrose Merton. Folklore, zoo beweert hij,
omvat "the traditional beliefs, legends and customs, current among
the common people." Immers, deze term beduidt het weten, de wijsheid
des volks, de mondeling voortgeplante volksoverlevering, en niet de
kunde van en aangaande het volk. Naam en wetenschap vonden bijval
en ingang, en in 1877 werd te Londen de Folk-Lore Society opgericht,
die zich thans in een zoo reusachtige uitgebreidheid verheugt.

Intusschen wordt de uitdrukking "Folklore" nog slechts een enkele
maal gebezigd, terwijl "Volkskunde", en met recht, hare plaats heeft
ingenomen. Maar hierbij heeft het merkwaardige feit zich voorgedaan,
dat men het Engelsche woord door "Volkskunde" meende te vertalen,
en nu in plaats van de wetenschap der volkswijsheid een wetenschap
van volk en volksaard kreeg. Van subjektief werd de beteekenis
objektief, en bleef dit. Zoo werd echter de jeugdige wetenschap in
een min of meer bedenkelijke richting gestuurd, tot men ten slotte
de Volkskunde ging beschouwen als de kunde van het volk in al
zijn levensuitingen. Weinhold heeft in 1890 de definitie gegeven:
"Die Volkskunde hat die Aufgabe, das Volk, das ist eine bestimmte,
geschichtlich und geographisch abgegrenzte Menschenverbindung
von Tausenden oder Millionen, in allen Lebensäusserungen zu
erforschen." Inderdaad neemt hij in zijn folkloristisch program
de volksfysiologie op, den lichaamsbouw, de schedelvorming, de
gelaatskleur, de volksvoeding enz. Tot het uiterste wordt deze
opvatting wel gedreven in het werkplan van den "Sächsischen Verein
für Volkskunde." Dit toch omvat niet alleen het onderzoek naar de
geologische gesteldheid van den bodem, maar verder ook alles wat
behoort tot het begrip van geografie in engeren zin: koloniseering,
bevolkings-, krimineele-, religieuze-, beroepsstatistiek, schoolwezen
en wat al niet meer! Dit is inderdaad meer land- dan volkskunde;
en dat zulk een opzet veel te grootscheepsch is, is zonneklaar.

Welke is dan de specifieke beteekenis van "volk" in
"Volkskunde"? "Volk" is niet het plebs, het "vulgus in populo",
de onderste laag, de heffe der maatschappij. Zeer zeker, het
volkskarakter komt veel meer tot uitdrukking in de lagere, dan in de
hoogere standen, maar het "Volkstümliche" leeft en werkt toch óok in
de hoogere lagen der maatschappij. "Volk" is evenmin synoniem van
"natuurvolk", waardoor ik versta de zeer min beschaafde stammen,
vaak ten onrechte niet-kultuurstammen geheeten, terwijl toch algeheel
gemis aan kultuur nooit en nergens wordt aangetroffen. Met hen is het,
dat de ethnologie zich in hoofdzaak bezig houdt. Maar het objekt der
volkskunde kunnen zij niet zijn, eenerzijds, omdat de individuëele
volksgeaardheid hier in geenerlei mate op den voorgrond treedt, en
anderzijds, omdat hier voor een tegenstelling tusschen de kultuur der
verschillende volkslagen geen ruimte is. Wèl bieden de zeden, gewoonten
en voorstellingen dezer natuurvolken hoogst merkwaardige punten ter
vergelijking. Want de volkskunde is een vergelijkende wetenschap, en
was dit van meet af aan. Niet tevreden, op beperkt terrein eene reeks
van min of meer samenhangende verschijnselen op een gegeven oogenblik
op het leven te betrappen of ook hooger opwaarts te vervolgen, zoekt
de volkskundige analoge sagen en gebruiken bij verwante stammen of
ook bij de natuurvolken op te sporen. Hij ontdoet het aldus verkregen
materiaal van alle heterogene bestanddeelen, vergelijkt en tracht
zoodoende tot de kern en oorspronkelijke beteekenis door te dringen.

Toch is de volkskunde met de ethnologie of volkenkunde nauw verwant:
immers de ruwere kultuurlagen, die de ethnologie bij de natuurvolken
onderzoekt, doorvorscht zij bij die volkeren, waar de tegenstelling
tusschen hoogere en lagere kultuur te voorschijn treedt; en daar
bestudeert zij het volk in de volkskultuur. Zij houdt zich dus
niet bezig met wat men gewoon is in den strikten zin des woords
de kultuur van een bepaald volk te noemen, maar met datgene, wat
het bonte substraat daarvan vormt en wat alleen in staat is, iets
eigenaardigs, iets karakteristieks aan het volksleven te schenken;
niet met de hoogere kutuur, maar met de onderkultuur.

Zoo komen wij dan tot de slotsom, waartoe ik reeds in het tijdschrift
"Volkskunde" XXIV (1913), bl. 4 vlg. geraakte, dat volkskunde is:
de systematische, rationeele navorsching van den ondergrond der
kultuur. Zij is de ethnologie der kultuurvolken. En wanneer de
ethnologie, volgens de moderne opvatting, niets anders kan beoogen,
dan te zijn een kultuurgeschiedenis der natuurvolken, dan dient men
ook de volkskunde als een onderdeel der algemeene kultuurgeschiedenis
te beschouwen. Zie F. Graebner, Methode der Ethnologie (Heidelberg
1911), bl. IX; W. Foy, Führer durch das Rautenstrauch-Joest-Museum
der Stadt Cöln (Cöln 1910), bl. 22 vlg.

Wat wij doorgaans "kultuur" noemen, het resultaat van de werking
der verschillende sociaal-psychische faktoren, met wier onderzoek
de kultuurhistorie zich bezig houdt, wortelt voor een groot deel
in de moederaarde der volkskultuur, van die beschaving, zoo innig
met den volksaard verbonden. Het recht vertoont zich dáar in den
vorm van zede en gewoonte. De religie van het "volk" is vaak een
ruw, ongelouterd of niet te louteren, vaak ook onschadelijk-naïef,
ja in dichterlijken vorm gestoken bijgeloof, andermaal omvat zij
voorstellingen, die tot het kerkelijk geloof in nauwe betrekking
kunnen staan. Een helderen blik op deze formatie verleent ons de
volksheortologie of feestenleer. De wetenschap ligt nog in de windsels,
men denke b.v. aan de volksgeneeskunde, etymologie en plantlore. Streng
wetenschappelijk onderzoek, in de beteekenis van systematisch teruggaan
tot de oorzaak, is aan het volk in weerwil van zijn kausaliteitsdrang
ten eenenmale vreemd. Volkswetenschap is synoniem van volksbijgeloof,
volksverbeelding, volkspoëzie. De kunst mist konventioneele vormen,
maar ook overal maat en regel; hier ontmoeten wij volksliederen,
spreekwoorden, rijmpjes, raadsels, sprookjes, sagen en legenden;
en "ein Volk ohne solche Erzeugnisse seiner Phantasie und seines
Verstandes", zegt Karl Knortz, "ist bis jetzt noch nicht entdeckt
worden". Dat hier een strenge scheiding van het volksgeloof ondoenlijk
is, ligt voor de hand. Wat waar is voor de kunst, geldt ook voor de
taal, die den vorm vertoont van vulgaire omgangstaal en taaleigen
of dialekt. Wat de ekonomie betreft, deze raakt van zeer nabij het
privaatleven, en gaat geheel op in woningbouw en grondbeheer.

In aansluiting met deze beschouwingen en uiteenzettingen volge nu
de verdeeling van dit boek. Op volledigheid wil en kan ik zelfs
bij benadering geen aanspraak maken. Wat ik bedoeld heb, is een
systematische omlijsting te geven, waarbinnen ieder zonder moeite
de hem bekende gegevens kan invoegen en rangschikken, en tevens den
sleutel ter verklaring der belangrijkste groepen van verschijnselen
aan de hand te doen. Bij het tweede deel wordt een ethno-geografische
kaart gevoegd, waarop het verbreidingsgebied van enkele folkloristische
kriteriën (dialekten, plaatsnamen, boerenwoningen enz.) door bepaalde
lijnen wordt aangeduid, om te zien, tot welke resultaten men hierdoor
voor de nadere kennis der stamverdeeling over den Nederlandschen
bodem geraken kan. Over deze methode zie b.v. Willi Pressler,
Ethno-geographische Wellen des Sachsentums, in het tijdschrift Wörter
und Sachen I, i, bl. 47 vlg.; en Richtlinien zu einem Volkstums-Atlas
von Niedersachsen (Hannover 1909).

Maar vooraf nog een woord van dank aan al degenen, die mij bij
het schrijven van dit boek behulpzaam zijn geweest. Tot bijzondere
erkentelijkheid voel ik mij verplicht jegens mijn vriend Dr. H. van
der Velden, die mij bij het doorzien der drukproeven, maar ook
anderszins met oordeelkundig dienstbetoon steeds gaarne ter zijde
stond. Mijn dank ook aan de Heeren Onderwijzers van Limburg,
Noord-Brabant en Gelderland voor de waardevolle gegevens in de
volijverig ingevulde lijsten mij verstrekt; aan den Heer A. Brom,
amanuensis aan de Universiteitsbibliotheek te Utrecht, die mij den
moeizamen literatuurarbeid in niet geringe mate verlichtte, en aan
den Heer Jan Beudeker, litt. stud., die mij behulpzaam was bij het
samenstellen van het algemeen register.

Aan U, hooggeachte De Cock, hulde en dank, maar ook een woord
van bemoediging in deze zware tijden. Rotsvast staat bij ons de
overtuiging: een volk, dat een volksaard bezit en zijn volkswaarde
beseft, als het Vlaamsche, kan niet te gronde gaan.



VERDEELING DER NEDERLANDSCHE VOLKSKUNDE.


Eerste Hoofdstuk. _Algemeene beginselen en maatschappelijke
instellingen_.

    I. Lagen en gebied onzer volkskultuur.

    II. Dorp en dorpsgebied.

    III. De boerenwoningen.

    IV. Volkstypen en kleederdrachten.


Tweede Hoofdstuk. _De Volksreligie_.

    I. Volksreligie en geestenwereld.

    II. De volksfeesten.


Derde Hoofdstuk. _Het Privaatleven_.

    I. Geboorte en kindsheid.

    II. Liefde en huwelijk.

    III. Het huiselijk verkeer.

    IV. Akkerbouw en veeteelt.

    V. Ziekte, dood en begrafenis.


Vierde Hoofdstuk. _De Volkstaal_.

    I. Het taaleigen.

    II. Onze plaatsnamen.


Vijfde Hoofdstuk. _De Volkskunst_.

    I. Raadsels en spreekwoorden.

    II. Sprookjes, sagen en legenden.

    III. Het volkslied.

    IV. Bouwkunst en dekoratieve kunst.


Zesde Hoofdstuk. _De Volkswetenschap_.

    I. Volksetymologie.

    II. Volksgeneeskunde.

    III. Natuurverklaring en weêrkunde.

    IV. Plantlore.



INHOUD.


Ter Inleiding


Eerste Hoofdstuk. _Algemeene beginselen en maatschappelijke
instellingen_


    I. Lagen en gebied onzer volkskultuur

        Praehistorie. Kelten. Germanen. Romeinen. Christendom.


    II. Dorp en dorpsgebied

        Allmende. Nederzettingen in
        dorpen. Eschdorpen. Terpdorpen. Streekdorpen of
        rijdorpen. Straatdorpen. Dijkdorpen. Duindorpen.
        Groepdorpen. Afzonderlijke hoeven. Steden.


    III. De boerenwoningen

        Het huis. Het Saksische type. Hooibergen. Het Friesche
        type. Het Frankisch-Keltische of langgevel-type. Het
        Frankisch-Romeinsche type.


    IV. Volkstypen en kleederdrachten

        Het somatische volkstype. Het
        psychische volkstype. Kleederdracht en
        versierselen. Oorijzer. Naald. Zeeuwsche
        knoop. Huifmuts.


Tweede Hoofdstuk. _De Volksreligie_

    I. Volksreligie en geestenwereld

        Natuurlijke en historische laag. Animisme. Germaansche
        Mythologie. Elfen. Witte Vrouwen. Dwergen of
        aardmannetjes. Kaboutermannetjes. Meerminnen.
        Boschnimfen. Wilde Jacht. Weerwolf. Mare. Heksen.
        Hoefijzer. Zout. Dwaallicht. Vuurman. Spook en
        spookdier. Reuzen. Romeinsche Mythologie. Keltische
        Mythologie. Christendom. Kerstputten. Duivel. Klokken.

    II. De volksfeesten

        Joelfeest. Bevruchtingstijdperk. Sint
        Maartensdag. Sint Maartensvuur. Noodvuur. Sint
        Maartensliedjes. Varkensslachten. Sint
        Maartensgans. Gaarde. Sint Katharina. Sint
        Andries. Sint Elooi. Sint Barbara. Sint
        Nikolaas. Schoenzet-liedjes. Sint
        Lucia. Guldenmis. Sint Thomasdag. Kerstmis. Roos van
        Jericho. Kerstblok. Kerstboom. Gebaksvormen. Sint
        Stefanusdag. Sint Jan
        Evangelist. Allerkinderen. Oudejaarsavond en
        Nieuwjaarsdag. Nieuwjaarsliedjes. Driekoningendag.
        Driekoningenliedjes. Kaarsjespringen. Boonenkoeken
        koningsbrieven. Sint Pontianus- en Sint
        Agnesdag. Vrouwkesavond. Koppermaandag.
        Antonius-abt. Sint Sebastianus. Pauli
        Bekeering. Maria Lichtmis. Klootschieten. Sint
        Blasius. Vastenavond. Maskerade.
        Vastenavondkoeken. Vastenavondliedjes. Haanslaan
        en gansrijden. Vastenavondvuur. Strarijden. Asch
        woensdag. Fakkelzondag. Kwenezondag. Laetare. Sint
        Pieter-in-den-Winter. 1 Maart. Gregoriusdag. Sint
        Geertrui. Lentefeest. Meiboom. Palmzondag.
        Palmpaasch. Palmpaaschrijmpjes. Kalfdag. Witte
        Donderdag. Goede Vrijdag. Goede
        Zaterdag. Paaschdag. Paaschei. Paaschvuur. Paaschbrood.
        Vlöggelen. Paaschmaandag. Beloken Paschen. Natte
        Paschen. 1 April. Meidag. Meitaksteken. Meiliedjes.
        Meifluitjes. Meigilden. Meileeste. Hemelvaartsdag.
        Luilak. Pinksteren. Pinksterbloem. Nustekook.
        Pinksterkroon. Tweede Pinksterdag. Pinkstergilden. Sint
        Jan de Dooper. Sint Janstak. Sint Jansvuur. Petrus-
        en Paulusdag. Rozenhoed. Sint Marten-in-den-Zomer.
        Maria-Hemelvaart. Bedevaarten. Maria-Geboorte.
        Michielsdag. Allerheiligen. Allerzielen. Sint
        Hubertusdag.


Derde Hoofdstuk. _Het Privaatleven_

    I. Geboorte, doop, kindsheid

        De geboorte. Ooievaar. Bronnen en
        boomen. Zwangerschap. Levensboom. Scheidings- en
        opnamegebruiken. Doopsel. Kerkgang. Kinderziekten.
        Wiegeliedjes. Loopen en spreken. Schootliedjes.
        Knieliedjes. Kinderspel. Hoorspel, gezichtspel,
        gevoelspel. Speeldrift. Loopspelen. Springspelen.
        Dansspelen. Werpspelen. Balspelen. Bolspelen.
        Ambachtspelen. Schommelspelen. Knikkerspelen.
        Tolspelen. Hoepel- en vliegerspelen. Sneeuw-
        en ijsspelen. Lutje leeft nog. Vindings- en
        schenkingsrecht. Eerste schooldag. Eerste Kommuniedag.

    II. Liefde en huwelijk

        Minnen en
        werven. Liefde-orakels. Vrijstemarkten. Kweesten
        en strunen. Dorhoed. Ketelmuziek. Volksrechtspraak.
        Verloving. Huwelijksdag. Ontwikkelingsgeschiedenis
        van het huwelijk. Noodigen ter
        bruiloft. Huwelijksmei. Heemgeleide. Het opeischen
        en schutten der bruid. Haalleiden. Het zich verbergen
        der bruid. Bruiloftsmaal. Huilbier.

    III. Het huiselijk verkeer

        Introuwen. Gebed. Voedsel. Het familiefeest. Kermis.
        Schuttersgilden. Vogelschieten. Draaksteken. Spinning.

    IV. Landbouw en veeteelt

        De buurtschap. Verhuizen. Vuurbeuten. Schildverteren.
        Bier(maal). Zaaien. Koorndaemon. Graanoogst.
        Oogstlied. Laatste schoof. Oogstkrans. Hanenslaan.
        Martelgans. Arenlezen. Dorschen. Dorschlied. Laatste
        slag. Hooi-oogst. Zwaluwliedjes. Vlasoogst, hopoogst,
        zaadoogst. De fooi. Veeteelt.

    V. Ziekte, dood, begrafenis

        Ziekte. Dood. Scheidingsgebruiken. Uitlichten. Laatste
        snik. Lijkstroo. Lijkplank. Doodskleed. Openen
        en luiken der
        vensters. Stroowisschen. Doodenwake. Overluiden. Het
        kisten. Lijkdeur. Begrafenis. Lijkstoet. Lijkweg.
        Doodenmei. Op het kerkhof. Lijkmaal. Uitvaartbrood.
        Levenslicht. Rouwtijd. Graftooi.


Vierde Hoofdstuk. _De Volkstaal_

    Inleiding

    I. Het taaleigen

        Het Friesche taaleigen. Het
        Saksische taaleigen. Het Frankische
        taaleigen. Woordenschat en syntaxis. Analytische
        richting. Woordvorming. Woordvoorraad en
        semantiek. Zinsbouw. Emphatisch karakter.

    II. Onze plaatsnamen

        Inleidend overzicht over persoons-
        en geslachtsnamen. Keltische
        plaatsnamen. Romeinsche plaatsnamen. Germaansche
        plaatsnamen. Huisnamen. Landerijen. Dorpen
        en steden. Stambepalende waarde der
        plaatsnamen. Straatnamen. Klemtoon. Spotnamen van
        steden en dorpen.


Vijfde Hoofdstuk. _De Volkskunst_

    Inleiding

    I. Raadsels en spreekwoorden

        Raadsels. Beschrijvende raadsels. Verhalende raadsels.
        Kwelraadsels. Letterraadsels. Raadselsprookjes.
        Spreekwoorden. Stafrijmen. Eindrijmen. Halve
        rijmen. Rijmlooze wederwoorden. Saksische
        spreekwoorden. Friesche spreekwoorden. Frankische
        spreekwoorden. Christelijke spreekwijzen. Apologische
        spreuk. Apologisch dierenspreekwoord. Psychologie der
        spreekwoorden. Volksluim. Volksluim bij plaatsnamen
        miet of zonder woordspeling. Spotrijmpjes op
        steden en dorpen. Spotrijmpjes op voornamen
        en familienamen. Spotrijmpjes op standen
        en ambachten. Spotrijmpjes op gebreken en
        mismaaktheden. Wat de klokken vertellen. Uien.

    II. Sprookjes, sagen en legenden

        Sprookje, sage, legende. Het sprookje. De bakermat
        der sprookjes. Grimm, Benfey, Cosquin, Bédier,
        Bastian, Aarne. Sprookjesmotieven. De dierenwereld
        in het sprookje. Het draakmotief. De dankbare
        visch. De drie wenschen. Het dierensprookje. Het
        verzamelmotief. Ethnologische motieven. Het
        Polyfemusmotief. Het Klein-Duimpjesmotief. Het
        verhaal van de Twee Broeders. Mythische motieven.
        Verlossingsmotief. Vormveranderingen. Tooverij
        en onwondbaarheid. Droommotieven. Wensch-,
        vergeet- en raadselmotief. Karaktermotieven.
        Asschepoester. Karakteristiek van het Nederlandsche
        sprookje. Kwelsprookjes. De sage. Mythische
        sagen. Spook- en tooversagen. Vogeltjes-,
        tekst- en Matthusalemmotief. Volkssage en
        kultuursage. Maresagen. Heksensagen. Natuursagen.
        Christelijke sagen. Duivelssagen. Historische sagen
        Heldensagen. Abasverus. Gewestelijke sagen. De
        legenden. Marialegenden. Andere heiligenlegenden.

    III. Het Volkslied

        Psychologie van het volkslied. Volkslied en
        rythme. Liederenmotieven. Volkslied en kultuurlied.
        Muziek. Arbeidslied. Oogstlied. Dorschlied. Andere
        arbeidsliederen. Bruiloftslied. Danslied. Kinderlied.
        Bij het touwtjespringen. Rondedansen. Reuzenlied. Klein
        Anna. Reidansen. Andere speelliedjes. Loopspelliedjes.
        Aftelliedjes. Balspelliedjes. Schommelliedjes.
        Wiegeliedjes. Minnelied. Cecilialied.
        Afscheidsliederen. Wachterliederen. Spotlied
        en gezelschapslied. Verhalend lied. De
        Twee Koningskinderen. Sprookjeslied. Het
        dierensprookje. Historisch lied. Feestlied. Geestelijk
        lied. Bedevaartliedjes. Het lied van den Boom. Het
        lot van het volkslied.

    IV. Bouwkunst en dekoratieve kunst

        De volksbouwkunst. Stad en stadswoning. De
        privaatwoning. Het moderne stadsbeeld. De landelijke
        woning. De dekoratieve volkskunst. Vloer en
        haard. Spinnewiel en bedsteden. Verdere meubileering.
        Spreuken. Gevelspreuken. Uithangborden. Bidprentjes.
        Huiszegen. Processievaantjes. Volksprenten. Jan
        de Wasscher. Klein Duimpje. De volksprenten en het
        feestelijke jaar. Het volkstooneel. Het poppenspel.


Zesde Hoofdstuk. _De Volkswetenschap_

    Inleiding

    I. Volksetymologie

        De term volksetymologie. Klank- en
        begripsassociaties. Etymologische
        natuurverklaring. Volksetymologie in plaatsnamen.

    II. Volksgeneeskunde

        Volksgeneeskunde en kultuurgeneeskunde. Het
        beginsel der sympathie. Bezwering. Bannen
        en overdragen. Sympathetische
        geneesmiddelen. Offersurrival? Geneeskrachtige kruiden.

    III. Natuurverklaring en weerkunde

        Natuurverklaring. Natuurverklarende sprookjes. In
        de dierenwereld. In de plantenwereld. De
        volksweerkunde. Dichterlijke uitdrukking. Faktor der
        sympathie. Planten en dieren in de volksweerkunde. Het
        beginsel der periodiciteit. Kritische dagen. De
        volksweerkalender.

    IV. Plantlore

        De bloem als zinnebeeld. Volksbenamingen
        der planten. Tooverkracht. Invloed van het
        Christendom. Volksheiligen in de plantlore. Onze
        flora het beeld van den Nederlandschen volksaard. Het
        volkswezen van Groot-Nederland. De volkskultuur de
        ziel der natie.


Bij de isethnen-kaart



ALGEMEENE BEGINSELEN EN MAATSCHAPPELIJKE INSTELLINGEN.



I. Lagen en gebied onzer volkskultuur.


Hoe geheel ons land in den diluvialen tijd door ijs en water was
overdekt; hoe het opdook uit de golven in het alluviale tijdperk,
door steeds zwakker-stroomende rivieren doorploegd; hoe de bodem zich
allengs vormde uit kompakte zand- en leemmassa's en meer regelmatige
steen- en klei- en zandlagen,--dit alles is zonder twijfel van belang
voor de verklaring van bewoonbaarheid, uitoefening van bedrijven,
bronnen van bestaan, plaatselijke verordeningen en gebruiken enz.,
maar ligt toch te ver van ons onderwerp. Meer van belang zijn de
verschillende kultuurlagen, die zich ten gevolge der stroomingen
van volkeren en rassen en ideeën hebben afgezet en waarneembaar zijn
ook in den ondergrond der hedendaagsche kuituur: het zijn de lagen
onzer volkskultuur.

1. _Praehistorie_. Aangaande de oudste bewoners van ons land,
de volksstammen, die in praehistorische tijden of ook in den
schemerschijn der geschiedenis huisden op Nederlandschen bodem, moeten
wij ons grootendeels tot gissingen bepalen. Waarschijnlijk dan woonde
eertijds in Noord- en Zuid-Nederland, met name op de boorden van Maas
en Lesse, een kortschedelig ras, dat Europa bevolkte vóor de komst,
althans vóor de definitieve uitbreiding der Indogermanen. "Wanneer de
verschijnselen in Zuid-Limburg niet bedriegelijk blijken", schrijft
Dr. J. H. Holwerda Jr., in Nederland's vroegste Beschaving (Leiden
1907), "moet daar al zeer vroeg, mogelijk reeds 3000 voor Chr., een
onbeschaafde stam hebben gewoond, maar zeker zien we in den maker van
het hunnebedvaatwerk, den bouwer dier grafmonumenten, een verwante
van dien voorhistorischen stam, die eenmaal een groot deel van Europa,
ook van de klassieke wereld, bewoonde" (bl. 49).

Naar men weet, verstaat men door hunnebedden (of hunebedden) steenen
grafkamers van verschillende afmetingen, gevormd door een kring van
erratische gesteenten, die in het diluviale tijdperk rechtstreeks
door landijs waren aangebracht. Enkele dier zwerfsteenen dienden
als dekking dezer sober-majestueuze grafsteden--wij noemen de minder
ingewikkelde vormen ook wel "grafkelders"--waarin de oerbewoners van
ons land hunne lijken neerlegden; de urnen dagteekenen uit lateren
tijd, want in Nederland evenals elders is de lijkverbranding jonger dan
het begraven. Naast de lijken legde men wapenen of andere voorwerpen,
welke den doode dierbaar geweest waren, of die hij, naar men meende,
noodig kon hebben in zijn laatste woonstede. Op dit geloof aan het
voortbestaan der ziel na den dood in zijn menigvuldige vormen en
uitingen zullen wij nog verder in de gelegenheid zijn de aandacht
der lezers te vestigen. Ook op de hunnebedden komen wij naderhand
terug. Hier zij slechts opgemerkt, dat het voorkomen van brandurnen
in hunnebedden niet pleit tegen de stelling der prioriteit van het
begraven. Want vooreerst is het waarschijnlijk, dat ook de Kelten en
Germanen, zij het dan ook in navolging hunner voorgangers, die zich
met hen--vooral met de Kelten--vermengd en wier kultuur zij ten deele
hebben overgenomen, dergelijke grafkamers hebben gemaakt. Verder kan
men gereedelijk aannemen, dat wederom door later-levende menschen
brandurnen in de ommanteling van reeds bestaande hunnebedden zijn
neergezet, zoodat het daarin gevondene: steenen, bronzen, zelfs
ijzeren voorwerpen, uit verschillende tijden en van verschillende
volksstammen afkomstig kan wezen.

Tuschen 1500 en 1000 vinden wij deze kultuur in Drente, zuidelijk
Friesland, Overijssel en het Gooi. De beschaving is een zuivere
steenkultuur. Het bruinachtig vaatwerk, zonder draaischijf gevormd,
vertoont typische gedaanten en versieringen. Wat de geestelijke
kultuur betreft met betrekking tot het hedendaagsche folklore,
hieromtrent is weinig met voldoende zekerheid vast te stellen. Menig
Nederlandsch begrafenisgebruik stoelt zeer zeker op animistischen
grondslag, maar ook het volksgeloof onzer Germaansche voorvaderen
vertoont sterk-animistische trekken. Insgelijks is de matriarchale
familie-inrichting--waarbij de vrouw alleszins de meerdere is,
de afstammingslijn aangeeft, den naam verleent en het erfrecht
bepaalt--, die bij de oorbewoners van ons land de heerschende zou
geweest zijn, bij de oude Germanen in een zeer vroege periode bekend
geweest: zie hierover mijne Essays en Studiën in vergelijkende
godsdienstgeschiedenis, mythologie en folklore (Venloo, 1910),
bl. 176 vlg. Trouwens hier behoeft niet alleen sprake te zijn van
"overleefsels" of "bezinksel", zooals wij te gelegener plaatse zullen
aantoonen.

2. Over begrip en omvang van den term _"Kelten"_ verkeert men in
het onzekere. Zeker is aan sommige stammen ten onrechte die naam
geschonken. Of wij met name den volksstam, die kort na 1000 v. Chr. van
uit het zuiden ons land binnendrong, tot de Kelten kunnen rekenen,
is hoogst onzeker. In alle geval behoort hij tot het Alpine ras. Hij
vertegenwoordigt de zoogen. "Klokkebeker-kultuur", die over een groot
deel van Europa is verspreid geweest: men ontmoet deze Alpinen in
een gedeelte van de provincie Utrecht, in Drente, Twente en op de
Veluwe. Den naam ontleent deze kultuur aan een eigenaardig vaatwerk,
geelbruin van tint en uit de hand gevormd, terwijl het vaasprofiel
klokkevormig gebogen en eigenaardig versierd is. Naast steenen vindt
men ook bronzen werktuigen en voorwerpen ter versiering, b.v. bronzen
ringen.

Deze urnen zijn slechts ten deele brandurnen. Want de dragers der
klokkebekerkultuur hebben ook hun dooden begraven en wel onder vrij
hooge opgeworpen heuvels. Bij het onderzoeken van zulke grafheuvels
op de Veluwe bleek het, dat wat een aardheuvel leek, niets anders
was dan een ineengestorte massa vergaan hout en zand, afkomstig van
een koepelvormigen bouw uit houten balken, met zand of heideplaggen
overdekt. Nu is het de verdienste van Dr. Holwerda, gewezen te hebben
op de analogie van deze grafheuvels met de prachtige koepelgraven
van Mykene; hiervoor verwijzen wij naar een Gids-artikel van zijn
hand (1912 Jan.), waar hij o.m. deze overeenkomst op populaire en
overzichtelijke wijze behandelt.

Een ander volk, ook behoorende tot het rondhoofdige Alpine ras,
waren de Galliërs, die omstreeks 300 v. Chr. in onze zuidelijke
provinciën de zoogen. "Hallstatt-kultuur" brachten. Op hen is de
naam "Kelten" zeker meer toepasselijk. De eigenaardige urn dezer
beschavingsperiode vertoont een min of meer bollen buik, terwijl
de rand daarin zeer geleidelijk overgaat òf er scherp op staat en
uitbuigt. De ornamentlijnen zijn meestal zigzagvormig. Zulke urnen
vond men in Noord-België, in het zuiden van Brabant en in Noord-Limburg
(b.v. te Wellerlooi, Oyen en Afferden). Enkele exemplaren vond men ook
op de Veluwe. Zoo vormt dan b.v. Hoog Soeren de noordelijkste schakel
van een keten, die wij door Nederland, België, Duitschland (Rijnland
en Würtemberg) tot in Italië kunnen volgen. Naar men aanneemt heeft
de vroeg-Italische bevolking omstreeks de VIIIe eeuw v. Chr. deze
beschaving geformeerd; de vormen der Hallstatt-urn in gebakken aarde,
zoo sterk herinnerend aan de metaaltechniek, hebben zij inderdaad
van een metalen urnvorm afgeleid.

Nu blijkt echter uit de opgravingen, dat deze beschaving in ons
land eerst in de laatste eeuwen vóór en in de eerste eeuwen na
Christus valt te dateeren. Hieruit mag men het besluit trekken, dat de
Hallstatt-kultuur, die in het Zuiden van Midden-Europa en in Frankrijk
betrekkelijk spoedig door de zoogen. "La Tène-kultuur" is vervangen, in
onze streken, hoewel in armelijker vorm, is blijven voortbestaan. Wij
hebben hier te doen met late afstammelingen van het Alpine ras.

De vindplaatsen der urnen stemmen overeen met de geschiedkundige
gegevens. De Grieksche geschiedschrijver Dio Cassius, die Rome's
historie heeft te boek gesteld, verhaalt, dat de Kelten oudtijds de
beide oevers van den Rijn bewoond hebben en zelfs ook daar gevestigd
waren, waar de stroom, Gallië ter linker zijde latend, in den Oceaan
valt; terwijl Julius Caesar meedeelt, dat de Keltische Menapiërs kort
vóór zijn komst in deze streken den rechter Rijnoever bewoonden.

Ook de plaatsnamen kunnen ons eenigermate van dienst zijn, om het
verbreidingsgebied der Kelten in ons land te bepalen. Te geschikter
plaatse zal ik de Nederlandsche plaatsnamen uitvoeriger bespreken;
hier volgen dus slechts enkele namen als criteria.

Evenals de Duitsche plaatsjes Remagen, Dormagen e.a. verraadt
_Noviomagus_ zijn Keltische herkomst. Misschien is deze plaats
identiek met _Batavodurion:_ "fort der Bataven", terwijl anderen
deze plaats voor Wijk-bij-Duurstede, weer anderen voor Batenburg
houden. _Arenacum_ is vermoedelijk Arnhem. De Bataafsche burcht van
den Keltischen handelsgod Lug, n.l. _Lugdunum Batavorum_, draagt een
Keltischen naam, die misschien nog in Loosduinen voortleeft. Zuidelijk
hebben wij verder _Coriovallum_, op de heirbaan van Maastricht naar
Keulen, thans de stad Heerlen; en wat veel zegt, de namen onzer drie
groote rivieren: Rijn, Maas en Schelde zijn beslist Keltisch. Ten
onrechte heeft men ook de Waal voor Keltisch willen verslijten;
deze benaming vertoont Germaansch karakter, verwant als zij is met
het Angelsaksische _wôh_ "krom" en het Gotische _wâhs_ in _unwâhs_
"onberispelijk". Zie de verhandeling van Prof. H. Kern in het
Tijdschrift van het Koninkl. Nederl. Aardrijksk. Genootschap, 2de
serie XXI, bl. 773 vlg.

Verder heeft onze taal, of liever het Germaansch, een niet
onbelangrijke hoeveelheid taalgoed van de Kelten overgenomen, die
ik in het Vierde Hoofdstuk bij de behandeling van het taaleigen zal
bespreken. Laat ik hier slechts wijzen op zeer gebruikelijke woorden
als _volk, duin, rijk, ambacht_, misschien _havik_. Deze leenwoorden
zijn daarom zoo van belang, dewijl zij min of meer als maatstaf
kunnen gelden voor het overnemen van algemeene kultuur. Wij mogen
dus besluiten, dat ook heel wat kultuurgoed of althans elementaire
beschavingsbestanddeelen zijn overgenomen en uitgewisseld, waarvan de
bouwtrant der boerenwoningen in bepaalde streken o.m. getuigt. Maar
verder blijkt hieruit, dat de Keltische beschaving niet minderwaardig
was vergeleken bij de Germaansche; integendeel! Waar een groote
kultuurkloof gaapte, zijn de verhoudingen anders geweest. Zoo is het
een feit, dat het Keltisch op Keltischen bodem door het Vulgairlatijn
als het ware is opgezogen, en dat het slechts een niet noemenswaardig
aantal woorden in het Fransch heeft achtergelaten. Teekenend is het
ook, dat de Slaven, die in den loop der eeuwen in zoo grooten getale
zich in Griekenland gevestigd, en vooral in den Peloponnesus zich
zoo sterk met de Grieken vermengd hebben, wèl een grooten somatischen
invloed op de Grieksche natie vermochten uit te oefenen, maar in het
Nieuw-Grieksch nauwelijks enkele sporen van hun aanwezigheid konden
achterlaten.

3. De volkeren, die opdrongen uit het Noorden en Oosten, steeds
door weer andere stamgenooten gevolgd, waren de _Germanen_,
vertegenwoordigers van het Teutonische ras. Wij kunnen hun sporen
volgen links van den Rijn in de zuidelijke gewesten, en verder in
Gelderland, Overijssel, Drente, het Gooi, wanneer wij letten op de
grove Germaansche cylinderurnen, die onder Romeinschen invloed steeds
meer verwantschap beginnen te vertoonen met de La Tène-kultuur.

Wij kunnen hier drie stammen onderscheiden: de Friezen, Saksers
(of Sassen) en Franken.

De Friezen wonen thans vrij onvermengd hoofdzakelijk nog slechts
in Friesland met uitzondering van het Bilt, een bedijking in den
mond der vroegere Middelzee, door Hollandsche kolonisten bevolkt, en
verder van Ooststellingwerf en Weststellingwerf. Ook Schiermonnikoog
en Terschelling wordt nog door Friezen bewoond. Maar eertijds reikte
hun gebied van de Dollard tot het Zwin, een voormaligen zeeboezem
in Zeeuwsch-Vlaanderen. Hun gebied vormde een lang uitgerekte,
smalle kleistreek, een kustzoom, zonder geografisch middelpunt:
en zoo verklaart men hunne spoedige vermenging en staatkundige
versnippering. Friesch leven en Friesche volksaard heerschte dus in de
provincies Groningen en Friesland, in het Westen van Drente, Overijssel
en Utrecht, in Holland met uitzondering van Kennemerland, waar de
Kannenefaten woonden, in Zeeland en het Vrije van Brugge. Sporen
van Friesche zeden en taal vindt men nog in ruime mate in Holland,
met name bij de landbouwers op de geestgronden. Vgl. Dr. H. Blink,
Nederland en zijn bewoners (Amsterdam 1892) III, bl. 143 vlg.

Het begin van den inval der Saksers in ons land kan op grond van
archaeologische gegevens gesteld worden op korten tijd na het begin
onzer jaartelling: tal van resten van vaatwerk, die een Saksisch
karakter vertoonen, zijn gevonden in Twente en Drente, en ook
sporadisch verder westwaarts. Deze stammen nu, die na Caesar's
tijd ons land van uit het Oosten zijn binnengedrongen, blond en
kortschedelig, mogen wellicht niet als zuivere Teutonen (Germanen)
worden beschouwd; maar door de Romeinen werden zij steeds bij de
Germanen gerekend. Aan hun verwantschap met den beslist-Saksischen
stam, die omstreeks de IVe of Ve eeuw binnendrong, is wel niet te
twijfelen. Maar Dr. Holwerda noemt ze terecht "proto-Saksers". Zij
vestigden zich in de oostelijke streken van Nederland, begrensd door
den IJssel, doch drongen verder op.

Hoe sterk de Saksers--in hun geheel genomen--zich over Nederland
verspreid hebben, toont o.a. het Saksische vaatwerk, dat men in Drente,
Friesland, Overijssel, Gelderland en Limburg vindt. Het zuiverst wordt
wel het Saksisch gesproken in de Graafschap, in Salland en Twente. In
Twente vindt men ook het sterkst-uitgesproken Saksische karaktertype;
en ook daar juist heeft de weefkunst, een Saksische huisindustrie, zich
tot grootindustrie ontwikkeld. Saksische mengbevolking, mengkultuur
en mengdialekten vindt men in Limburg, Gelderland, Holland, Overijssel
en elders.

Overheerschte aan den IJssel het Saksische element, aan den Rijn had
het Frankische de bovenhand. Raadselachtig is deze stam, in zoover
wèl het bestaan van een Frankisch volk vaststaat, dat zich over een
groot deel van West-Europa heeft uitgebreid; maar zijn herkomst ligt
in het duister. Omstreeks 300 na Christus vielen zij in het land der
Batavers, het eiland tusschen Maas en Rijn. Deze, de vertegenwoordigers
van een ouderen Frankischen stam, immers volgens Tacitus verwant met
de Chatten, waren het eerst met de Romeinen in aanraking gekomen:
reden, waarom zij, hoezeer ook ten onrechte, als de oorspronkelijke
bewoners van Nederland werden beschouwd.

De Franken woonden in het begin hoofdzakelijk in Salland. In de IVe
eeuw nestelden zij zich in Toxandrië om naderhand verder door te
dringen naar het zuiden. De Frankische grens in België vormt ook de
zuidelijke grens van het Nederlandsche taalgebied. Zij is nauwkeurig
vastgesteld door Prof. G. Kurth, La frontière linguistique en Belgique
et dans le Nord de la France (Bruxelles 1898). Ongeveer volgt zij de
groote Romeinsche heirbaan van Boulogne over _Castellum Menapiorum_
(Cassel, in Fransch-Vlaanderen), _Tornacum_ (Doornik) en _Aduatica
Tungrorum_ (Tongeren) naar Keulen.

Nakomelingen van den Frankischen stam vindt men heden ten dage
hoofdzakelijk in Oost-Vlaanderen, Antwerpen, Zuid- en Noord- Brabant,
Belgisch en Nederlandsch Limburg, in het zuidelijk gedeelte van
Gelderland, Lijmers, Betuwe, Land van Maas en Waal, Tielerwaard,
Bommelerwaard en het Rijk van Nijmegen, in de Alblasserwaard en de
Vijf Heerenlanden (prov. Zuid-Holland) en in het grootste gedeelte
van Utrecht. In Zuid-Limburg wonen de afstammelingen der Ripuarische
Franken: de Usipeten, Tenkteren, Brukteren, Sunucers en Eburonen,
die vanaf de IVe eeuw hun woonplaatsen aan de boorden van den Rijn
(van waar hun naam) verlaten hadden, om zich op beide Maasoevers
te vestigen.

Van de Noord-Nederlandsche steden zijn volgens Blink Deventer en
Zutfen wel de meest Saksische, 's-Hertogenbosch de meest Frankische,
Leeuwarden de meest Friesche.

Op de Veluwe stooten de drie stammen: Friezen, Saksers en Franken
aan elkaar. In het Westen van het land heeft meestal vermenging van
het Friesch met het Frankisch, in het Oosten van het Friesch met het
Saksisch, en van het Saksisch met het Frankisch plaats gehad.

4. Machtige invloed op volkswezen en volkskultuur is uitgeoefend
door de _Romeinen_. Toen deze veroverend ons land binnenrukten,
vonden zij daar Germaansche, Kelto-Germaansche en Keltische
volksgroepen. Ten noorden van den Rijn en op de eilanden aan de
monding woonden de Bataven en Kannenefaten, noordelijker de Friezen,
aan den Beneden-Rijn de Kelto-Germanen en Kelten. De groote stam der
Menapiërs in Noord-Brabant en een gedeelte van Limburg, Antwerpen en
Oost-Vlaanderen was wel overwegend Keltisch, maar toch met Germaansch
bloed en Germaansche kultuur vermengd. Hetzelfde geldt voor de
Toxandriërs in Noord-Brabant, de Moriners in West-Vlaanderen, de
Nerviërs in Zuid-Brabant, Henegouwen en Vlaanderen, de Atrebaten om
Atrecht, de Aduatikers in Luik en Belgisch Limburg. Daarentegen mag
men de Eburonen bij het latere Maastricht als vrij zuiver Germaansch
beschouwen. Zie hierover P. J. Blok, Geschiedenis van het Nederlandsche
Volk (Leiden 1912) I, bl. 14 vlg.

Nog dient te worden opgemerkt, dat ten gevolge van den inval der
Romeinen het nationale gevoel meer werd opgewekt, zoodat in de IIe
en IIIe eeuw na Chr. de kleinere stammen zich tot groote volksgroepen
aaneensloten.

De Romeinsche overheersching heeft tallooze offers gevergd en harden
strijd. Vooral in het tegenwoordige België werden geheele stammen
uitgemoord en de bodem gedrenkt met stroomen bloeds. Tevergeefs poogden
ook de Friezen en Bataven het Romeinsche juk af te werpen. Maar toch
moet men erkennen, dat in vele opzichten Rome's heerschappij onze
landen ten zegen gestrekt heeft. Bij de komst der Romeinen waren onze
voorvaderen nog zoo goed als natuurvolken, in schamele kleeding van
ruw-bewerkte dierenhuiden gehuld. Spoedig zou dit anders worden. Overal
vertoont de bodem, bij opgravingen, sporen van Romeinsche beschaving,
al bepalen zich de kultuurvoorwerpen tot import: schalen, borden,
kommetjes, potjes, urnen, flesschen enz. Het meest vermaard is wel
de zoogen, _terra sigillata_, rood, met het fabrieksmerk gestempeld
vaatwerk. Hiernaast wapenen, munten enz. Vooral de linker Rijnoever
werd geromaniseerd. Weldra doorsneden tallooze grachten den bodem;
dijken werden opgeworpen en bruggen geslagen, vaste kasteelen verrezen,
heirbanen werden aangelegd. Dit waren hoofdzakelijk de volgende:

1. Van _Lugdunum Batavorum_ over _Traiectum_ en _Fectio_ (Vechten)
naar _Noviomagus_. Uit dit _Traiectum_ met het voorzetsel _ût_
(uit) ontstond _Utrecht_. J. W. Muller vergelijkt _Ut-bremen_ en het
Westvlaamsche _Uutkerke_. De naam _Ultraiectum_ voor _Ultratraiectum_
is een verlatijnsching, eerst na de renaissance opgekomen.

2. Van _Lugdunum Batavorum_ over _Forum Hadriani_ langs den linker
Waaloever naar _Noviomagus_. Dit _Forum Hadriani_, het tegenwoordige
Voorburg, werd door keizer Hadrianus gesticht niet ver van den
Rijnmond. _Voor_- heeft hier dus met onze partikel _voor_ niets te
maken en kan slechts volksetymologisch er mee verbonden worden.

3. Van _Noviomagus_ over _Cevelum_ (Kuik?) en _Blaricum_ (Blerik)
naar _Pons Mosae_ (Maastricht), ook wel _Traiectum (Mosae_ of _ad
Mosam_) geheeten.

4. Van _Noviomagus_ over _Castra Vetera_ (Fürstenberg, bij Xanten)
naar _Colonia Agrippina_ (Keulen).

5. De reeds genoemde weg van Boulogne naar Keulen.

Uit de vaste kasteelen aan deze heirbanen, van zoo reusachtige
beteekenis voor het handelsverkeer, ontwikkelden zich belangrijke
plaatsen. Onnoodig te zeggen, in welke mate ook de ontwikkeling van
landbouw, veeteelt en nijverheid hiermee gebaat was, men denke slechts
aan de tegelbakkerij. Ook de zeevaart bleef niet achter. Aken en Spa
waren bekende badplaatsen. Overblijfselen van Romeinsche _villa's_
worden telkens weer opgedolven; en een merkwaardige getuige van den
invloed der Romeinsche kultuur is wellicht de nader te bespreken
villabouw der boerenwoningen.

Sterker dan eenige andere taal heeft het Latijn op onze taal ingewerkt,
ik noem slechts de leenwoorden: _keizer, kerker, wijn, pauw, venster,
zegel, poort, tegel, kelk, brief_ enz.

Na enkele eeuwen ging de Romeinsche beschaving hier te niet. Maar van
blijvenden aard zou wezen het door Rome's invloed hier verspreide en
gevestigde Christendom.

6. Het _Christendom_ bracht inwendige beschaving en vernieuwing,
en het heeft den drang der tijden doorstaan. Wellicht dagteekent het
Christendom in onze landen sporadisch reeds van vóor het jaar 400:
Christelijke oudheden te Nijmegen, Wijk bij Duurstede en elders
gevonden wettigen eenigermate dit vermoeden. Maar in de Ve eeuw
deed het in alle geval voor goed zijn intrede in deze gewesten. Het
vestigde zich eerst in het Zuiden en heeft zich dan snel noordwaarts
uitgebreid. Te Tongeren werd het Evangelie gepredikt door den heiligen
Servatius, die zijn bisschopszetel verplaatste naar Maastricht. Daar
zetelde in de VIe eeuw de h. bisschop Monulfus, in de VIIe eeuw
Amandus, die het geloof predikte aan de Friezen. Terzelfder tijd
predikten Eligius en Weranfridus onder de Franken en Friezen. Maar
ook Vlaanderen werd door den h. Eligius bezocht, waar reeds door
Victricius van Rouaan met vrucht aan de kerstening der bevolking
was gearbeid. De hh. Lambertus en Hubertus waren de apostelen van
Taxandrië en van de Ardennen.

Een kenmerkend feit voor de kerstening van Nederland is de stichting
van het bisdom Utrecht door den h. Willebrordus in de VIIIe eeuw; onder
hem was werkzaam de h. Bonifacius, aartsbisschop der Friezen. Blijvend
vestigde zich het Christendom in deze streken onder de Karolingers.



II. Dorp en dorpsgebied.


De nederzettingen der bevolking van Nederland in dorpen (gehuchten,
vlekken) en steden moeten in verband met de natuurlijke gesteldheid
van den bodem en het karakter van den stam der nederzetting, zooveel
mogelijk aan de hand der geschiedenis, worden verklaard. Deze
verklaring is onontbeerlijk voor het goed begrip van vele
folkloristische verschijnselen.

Ten tijde van Caesar leefden de Germanen nog grootendeels van
jacht en visscherij; ook met de veeteelt waren zij eenigermate
vertrouwd. Zij vormden nog een echt nomadenvolk, dat in groepen
van een zeker aantal families of geslachten rondzwierf van de eene
plaats naar de andere. Met privaatbezit waren zij ten eenenmale
onbekend. Gemeenschappelijk werd een ongedeeld stuk grond in
bezit genomen, een _marke_, d.i. grensland, een binnen bepaalde
grenzen omsloten gebied, dat in Saksische streken nog voortleeft als
"onverdeelde gronden, aan een markgenootschap behoorende" en verwant
is met het Oudsaksische _marka_, het Oudhoogduitsche _marcha_ en het
Latijnsche _margo_ "rand". Het verouderde Nederlandsche _mark, marke_
leeft voort in _markgraaf_ en _markies_. Zoodra dit stuk grond was
uitgeput, werd het met een ander verwisseld.

Tacitus kent echter ook zulke nederzettingen, waarbij elk familiehoofd
een bepaalde hoeveelheid land ter ontginning en bebouwing kreeg. Wij
vinden hier een overgangsvorm tot het privaatbezit, waarop wij nader
zullen terugkomen.

Toen eindelijk het akkerland in privaatbezit was overgegaan, bleef
toch weideland, heide, veen en bosschen in het bezit der gemeenschap:
_de allmende_. Ten slotte werd het recht hierop georganiseerd
en alleen toegewezen aan de nakomelingen der oude bewoners,
die daarop recht bezaten. Zoo ontstonden de markvereenigingen
of markgenootschappen, die meestal in de oorspronkelijk Saksische
gedeelten van ons land: Drente, Overijssel en Gelderland voorkwamen en
eerst door de wet van 10 Mei 1886 grootendeels zijn verdwenen. Deze
wet toch machtigde ieder markgenoot de verdeeling der onverdeelde
eigendommen te vorderen. In 1886 bestonden in Noord-Nederland nog ±
36000 H.A. onverdeelde markegronden. Zie hierover en tevens voor de
verdere behandeling van dit onderwerp Dr. H. Blink, Nederland en zijne
bewoners (Amsterdam 1889-1892) III, blz. 248; Ontwikkeling van den
grondeigendom in Nederland, in Vragen van den Dag IV, bl. 98 vlg.;
Studiën over nederzettingen in Nederland, in het Tijdschrift van het
Koninkl. Nederl. Aardrijksk. Genootschap 1902, XVIII, bl. 754 vlg.

Natuurlijk bleven de marken op de schrale gronden van het zand-
en grintdiluvium langer bestaan, dan b.v. in de eertijds Frankische
provincies. Daar verdwenen zij onder den invloed van het leenstelsel,
wat natuurlijk met de gesteldheid van den bodem samenhangt. In het
Gooi, op de Veluwe, en nog elders, met name in het Oosten van het land
is het gemeenschappelijk grondbezit nog blijven voortbestaan. Soms
in rudimentairen vorm; zoo b.v. in den _stoppelgang._

Wanneer n.l. het land na den oogst in de stoppels lag, keerde het
gemeenschappelijk grondgebruik weer. Dan ontstond de _stoppelweide_ of
de _stoppelgang_, het recht om vee op den akker te drijven na afloop
van den oogst. Men noemde dit ook _overal_, vanwaar het spreekwoord:
"Na St. Gal loopen de schapen overal".

Dit recht blijkt ook uit vele verboden en bepalingen. In een keure
van het Land van Cuijk uit het jaar 1538 leest men: "En als de half
oogst voorbij is, mag men de schapen en beesten laten gaan, als van
ouds gewoon is, ongeschut"; en in de landrechten van Roermond; "Alle
erfschap van akkerland, dat onbezaaid ligt, is den kerspelluiden met
schapen en varkens te bedrijven gemeen, tenzij dat het ware besloten,
want geenen scheper of zwijn geoorloofd is, besloten kamp te openen
en te bedrijven".

Een eigenaardige uitzondering vinden wij in het landrecht van Drente:
"Niemand zal op de gemeene esschen mogen weiden op de stoppelen,
zoolang in de groote buurtschappen en in de kleine twee verscheidene
lieden nog koren op het land hebben, uitgezonderd boekweit". Immers
boekweit, al was het reeds door de Kruisvaarders ingevoerd, werd als
een nieuw gewas beschouwd. Ook bij plakaat van Utrecht werd tijdens
prins Maurits het drijven van vee en paarden op het stoppelland
verboden.

In Vlaanderen, Zeeland, Holland en Friesland, dus in landen met betere
gronden en levendiger verkeer, kwam het privaatbezit reeds vóor Karel
den Grooten tot stand.--

Bij de landelijke nederzetting onzer bevolking dient men twee
hoofdgroepen te onderscheiden, n.l. de nederzettingen in dorpen,
en in afzonderlijke hoeven.

I. _Nederzettingen in dorpen_. Hierin heerscht bonte
verscheidenheid. Een voorname afdeeling vormen de planloos
geconcentreerde nederzettingen, die wij _komdorpen_ noemen en voor
welke men in het Duitsch de benaming _Haufendorf_ heeft. Elk huis heeft
zijn eigen richting en ligt op zich zelf: het raakt de naburige huizen
niet en rijgt zich met hen niet tot éen reeks aaneen. Het wegennet
van een komdorp is dan ook planloos, krom en hoekig. In Duitschland
komt dit type oorspronkelijk in Sleeswijk-Holstein, Oost-Hanover,
Brunswijk, Hessen en Thüringen voor, om zich naderhand over het
grootst gedeelte van Middel- en Opper-Duitschland uit te breiden.

Tot de oudste Germaansche nederzettingen in Nederland kunnen gerekend
worden de komdorpen op de Drentsche hoogvlakte, die den naam van
Hondsrug draagt. Zij vertoonen het tijpe der

1. _Eschdorpen_ en liggen op hooge, droge gronden, waar het water
aan het bouwen geen beletsel bood en waar men niet zuinig behoefde
te zijn met de ruimte. De Hondsrug was eertijds de natuurlijke brug,
die de noordelijke kuststreken met de landstreken van het Bentheimsche
en Overijssel verbond. De Keltische bewoners, die zich daar hadden
gevestigd, werden verdrongen door een Germaanschen stam, die later
wel met Franksische en Saksische stammen in aanraking kwam, maar
toch zijn eigen aard wist te handhaven. Welke die eigen aard was,
is moeilijk te bepalen; in alle geval stond hij de Saksers nader dan
de Franken. Wij denken met name aan de dorpen Emmen, Borger, Rolde,
Gieten, Grolloo, Zwinderen en Weerdinge.

Men vestigde zich steeds in de nabijheid van zachtoploopende heuvels,
die goeden grond voor bouwland boden, zoodat in den regel de dorpen
gebouwd zijn op den rand der bouwlanden: _esschen_ of _engen_. De
grondverdeeling kan men zich ongeveer volgenderwijs voorstellen:

Elk der dorpelingen kreeg op dezen esch door 't lot--waaraan
niet zelden hoogere beschikking werd toegekend--een strook gronds
ter bewerking, zooals b.v. bij het aardappelen rooien aan elk der
arbeiders een strook wordt toegewezen. Later moest men weer andere
stukken in bewerking nemen, en ook daar werkten de dorpsgenooten in
dezelfde volgorde en op gelijken afstand van elkaar. Heide, bosch,
veen en weideland werd gemeenschappelijk benut.

Het bouwland werd verdeeld in drie slagen, en wel om de vruchtbaarheid
te bevorderen volgens het drieslagstelsel: éen gedeelte werd bestemd
voor wintergraan, het tweede voor zomergraan, het derde bleef braak
liggen. Elk dezer drie hoofddeelen werd dan in gelijke rechthoeken
verdeeld, en in elk der slagen kreeg de dorpsgerechtigde een aandeel
naar zijn recht. De scheiding dezer rechthoeken was door voren, met
den ploeg getrokken, en door zware grenskeien aangeduid. Van daar de
naam _voorgenoten_, Nederduitsch _Vorgenaten_.

De oudste nederzettingen werden gevestigd aan den rand van een
bosch; en hieraan herinnert een groot aantal Nederlandsche dorpsnamen
op--_woud,--holt,--loo,--horst,--rode,--rade_ enz. Elke woning nam dan
een open plek in het bosch in, en langzamerhand werd het bosch om en
te midden van de woningen der nederzetting meer en meer uitgeroeid,
en vormden de afzonderlijke huisplaatsen een aaneengesloten geheel.

Maar op de open plekken tusschen de huizen, de _brinken_ [1],
bleef het geboomte in stand, al werd elders het bosch gerooid. Daar
vergaderden de bewoners in de schaduw der oude eiken om naar de wijze
der oude Germanen hun belangen te bespreken. Is ook menig oud gebruik
verdwenen, nog heden zijn de brinken een sieraad onzer dorpen en uit
dorpen gegroeide steden (b.v. Laren, Blarikum, Bussum, Hilversum),
en wijzen op een nauw met het Saksisch element verwante herkomst. Ook
vindt men bij vele boerenwoningen nog begroeide brinken, "een spoor",
zegt Dr. Blink, "van den oorspronkelijken toestand, toen het geboomte
elke woning overschaduwde".

Welke die gemeenschappelijke belangen ter bespreking op den brink zijn
konden, springt in het oog. Allen, die een zelfden slag bebouwden of
bebouwd hadden, dienden een gemeenschappelijk overleg te plegen voor
het ploegen en oogsten, voor het gebruik der wegen, die naar het eene
stuk liepen over het land van den ander, en omgekeerd. Het gevolg dezer
samenkomsten was het tot stand komen van gemeenschappelijke bepalingen,
waaraan ieder zich had te onderwerpen, van een soort _velddwang_.

Tot het tot stand komen en in stand blijven van gemeenschapszin,
gemeenschappelijk overleg, gemeenschappelijke bepalingen droeg ook in
groote mate bij de gemeenschappelijke afkomst. Want doorgaans waren
de leden eener zelfde nederzetting door familiebetrekkingen verbonden,
zoodat men inderdaad van een "vermaagschapt" dorp zou kunnen spreken,
waarvoor men in het Duitsch de uitdrukkingen _Sippendorf_ kent. Ten
gevolge der isoleering bleef de herinnering aan de gemeenschappelijke
herkomst bestaan, ook toen de natuurlijke betrekkingen steeds losser
en losser werden. Oorspronkelijke verwantschapsverhoudingen spreken
ook uit plaatsnamen, die b.v. op--_ingen_ en--_ongen_ uitgaan,
want hierdoor wordt meestal de afstamming van een bepaalden persoon
uitgedrukt [2]. Breidde het gezin door het huwelijk der kinderen zich
uit, dan werd hierdoor de eenheid niet verbroken; het gezin bleef zoo
lang mogelijk op dezelfde hoeve, en de schoonzoon of schoondochter
trad eenvoudig als nieuwe werkkracht naast de andere kinderen bij
de familie in. Allen arbeidden voor _de_ familie, de zoons gingen
met den boer naar het land, de dochters bezorgden met de boerin de
huishouding. Nog heden treft men in Drente 3 tot 4 generaties aan in
één huis. Wie of in zulk een gezinskomplex den boventoon voert? Naar
verluidt, wordt het beslissend woord gesproken door "het oude mensch",
d.i. de oude boerin.

Zoo vormden dan de dorpelingen een zekeren clan, met een _buurtschap_
als nauwere kern. Vooral wanneer in bepaalde omstandigheden des
levens de hulpzame hand viel te bieden, waagde het niemand, zich aan
enkele clan-bepalingen in den vorm van dienstbetoon te onttrekken: bij
geboorte of overlijden, bij verhuizing, bij het bewerken van vlas, bij
het scheren der schapen, bij het oogsten, bij het bouwen eener woning
enz. Hier vinden wij ook de kiem van het soms op zoo eigenaardige
wijze zich uitende dorpsindividualisme, hierin b.v. dat, wanneer een
boerenzoon naar de hand dingt van een meisje uit een naburig dorp,
hem door de jongelieden van dat dorp allerlei zwarigheden in den weg
gelegd worden.

Nog lang riep de _boerhoorn_ de Drentsche dorpsgenooten ter vergadering
tot het gemeenschappelijk vaststellen van zaai- en oogsttijd en tot
het bespreken van onderwerpen van algemeen belang. Na het laatste
signaal op den boerhoorn waagde geen maaier het meer, de zeis te
haren,--wie zich verzette, werd beboet. Den boer, die den dekstier
hield, was dat jaar ook de boerhoorn toevertrouwd. Met trots sneed
hij er zijn naam in; met een gevoel van zelfwaarde blies hij ter
waarschuwing of verzameling bij brand, dreigend onweer en begrafenis.

Ook bij onze oostelijke naburen vertoont het volksleven van dezen
oorspronkelijken toestand nog menig rudiment. In Anhalt worden op
derden Pinksterdag des namiddags de paarden en koeien schoongemaakt en
de geiten gemolken; en zoodra de koeherder op den boerhoorn blaast,
verzamelen zich allen met hun vee vóor het dorp. In plechtigen
stoet, de paarden voorop en de ganzen het laatst, gaat het dan naar
de pinkstweide, door den "Dorfknecht" afgezet en ieder weidt zijn
vee. Bekranst keert het vee huiswaarts en de koeherder krijgt van den
boer, die dat jaar den bul houdt, het schoonste geschenk, een hals-
of zakdoek en een stuk koek. Veelal wordt elders in Nederduitschland
de hoorn vervangen door de klok.

2. Een anderen vorm van het komdorp vertegenwoordigen de _terpdorpen_
in Groningen en Friesland, en elders.

Terpen zijn kunstmatige kleiheuvels met zacht-oploopende hellingen,
slechts enkele meters lang, en dienende als vluchtheuvels. De hoogste
dier terpen vond men te Midlum, Winsum, Dronrijp, Beetgum, Holwerda,
Anjum. Enkele zijn weer geheel of gedeeltelijk afgegraven; "want thans
wordt weder vernietigd", schrijft Dr. Blink, "wat voor eeuwen met
veel moeite tot stand werd gebracht": _Nederland en zijne bewoners_
II, bl. 306; vgl. III, bl. 259.

De naam _terpen_ geldt meest voor Friesland en Groningen. Hier spreekt
men ook van _wierden_, in Zeeland van _killen_ en _vliedbergen_;
de Zeeuwsche hillen zijn over het algemeen kleiner dan de Friesche
en Groningsche terpen.

Welnu, deze terpen hebben in overoude tijden tot het vestigen van
nederzettingen gediend, n.l. op zeekleilanden, reeds bewoond vóor
er bedijking langs de zee had plaats gevonden. Deze nederzettingen
zijn de kern onzer terpdorpen: Marsum, Kantens, Warfum, Bafloo, dan
ook Dokkum, Franeker, Leeuwarden enz. De kringvormige ligging wijst
op hun herkomst.

In de geschiedenis der nederzettingen op terpen kunnen wij vier fazen
onderscheiden. [3]

In de eerste faze waren de bewoners nog arme visschers, die op de
uiterste kust hun bedrijf uitoefenden. In het midden der eerste
eeuw na Christus beschrijft de Romeinsche natuurvorscher Plinius de
vluchtheuvels met haar schamele hutten gedurende dit tijdperk. [4]
Hij zelf heeft ze aanschouwd, in het Noorden, bij het volk der
groote en kleine Cauchen, oprijzend te midden eener uitgestrekte
vlakte, die tweemaal des daags en des nachts door den oceaan wordt
overstroomd. "Het armzalige volkje woont daar op hooge heuvels of
banken, met de hand opgeworpen tot op een hoogte, waar zij beschermd
zijn tegen de hoogste vloeden en waarop zij hutten bouwen, gelijk
zeevarenden omringd door de wateren, gelijk schipbreukelingen, die
op het droge gered zijn en bij hun vlucht voor het water jagen op
de visschen der zee". Ook de terpen der tweede faze zijn nog niet
hoog. Men vindt daarin lagen mest, stroo en afval, afwisselend met
kleilagen of daarmee aangevuld. Reeds zijn de bewoners veehouders
geworden. De gevonden palen zijn afkomstig van schuttingen,
drinkwaterputten, palen waaraan het vee gebonden werd, misschien van
leem- en stroohutten. Vermoedelijk verbouwden zij ook zomervruchten,
maar niet geregeld en slechts in geringe hoeveelheid.

Landbouwers in den engeren zin des woords worden zij eerst in de
derde faze. In deze heeft een ophooging der terpen plaats gehad door
het aanbrengen van klei, en in deze ophooging wordt veel minder mest
gevonden. De landbouwers achtten het noodzakelijk een afzonderlijke
kleilaag ten behoeve hunner behuizingen aan te brengen.

Gedurende de vierde faze verrijzen op de terpen dorpen met kerken
en kloosters: men denke aan Warfum, Uskwerd, Rottum, Oldeklooster
in de Marne, Oldeklooster bij Appingedam, Mariëngaard te Hallum,
O.L. Vrouw ten Dale te Lidlum, Klaarkamp bij Dokkum enz.

In den regel werden de terpen in de oudste tijden slechts door éene
familie bewoond. Bij al te groote uitbreiding der familie legde men
dan in de nabijheid der oude hoeve een nieuwe aan. Later, onder de
schutse der bedijking, waagde men het ook, nieuwe nederzettingen te
vestigen in het vlakke land. Zoo ontstonden huizengroepen van een
vijftal of ook meer woningen met een kleine gemeenschap, waaronder
de eigenaar der oudste woning het familiehoofd en als het ware de
landheer was [5]. Daar, waar zulke nederzettingen op een kruispunt van
land- of waterwegen lagen, waar een kerk, klooster of herberg stond,
ontwikkelde zich de nederzetting tot een dorp.

Toch waren op de grootere terpen reeds van meet af aan ook grootere
nederzettingen gevestigd, die men terecht als oorspronkelijke
terpdorpen mag beschouwen.--

Andere groepen van dorpen zijn niet komvormig, maar reeks- of rijvormig
gebouwd; het zijn de

3. _Streekdorpen_ of _rijdorpen_, meestal twee rijen huizen langs
wegen en kanalen; zijstraten zijn zoo goed als onbekend. Evenals
in de komdorpen woont en leeft men naast elkaar, maar ieder bewerkt
zijn grond naar eigen goeddunken. De verre lengtewegen en de talrijke
kanalen en slooten--hoe noodzakelijk ook-- verslinden veel terrein.

Natuurlijk ligt de reden van dezen bouwtrant in de gesteldheid
van den bodem. Verlaat men het Drentsche diluviale hoog-plateau
en nadert men de veenranden, dan stoot men vrij plotseling op
streekdorpen. Wie opmerkzaam door de verschillende nederzettingen
heentijgt, ziet de agrarische ontwikkeling van het land als een
reuzenfilm voorbijtrekken. In elk dorp wandelen wij als het ware
door de ruïnen van den voortijd, ouder en merkwaardiger dan zoovele
befaamde gedenkteekenen uit de Middeleeuwen, en de staalkaart der
bezittingen vertolkt ons de begrippen en bedoelingen der stichters.

Wij wijzen vooreerst op de _veendorpen_. Zij vertoonen alle een
eigenaardig karakter en een systeem van grondverdeeling, dat in nauwe
betrekking staat tot hun wording. Het landschap is geenszins rijk
aan afwisseling, veeleer eentonig. "Het poetische, schilderachtige
landschapsbeeld der oude zandgronden ontbreekt er geheel, ook al
bieden enkele gedeelten door goede bebossching werkelijk natuurschoon
aan. Stijf, afgemeten als het landschap, is het karakter van de
bevolking der [veen]kolonie; geen dichterlijke sagen leven er voort
in de volksverbeelding, en alleen de overleveringen van heksen en
spoken, droog en dor als zij zijn, tendencieus als zij werken, zijn
hier niet zelden blijvend en inwerkend": Dr. H. Blink, Studiën enz. in
het Tijdschrift v. h. Koninkl. Nederl. Aardrijksk. Genootschap 1902,
dl. XIX, bl. 66.

In sommige nederzettingen, als Ruinerwold, Giethoorn en Koekange,
zijn de huizen als één vaste reeks gegroepeerd. Zij ontstonden
als vaste dorpen aanvankelijk midden in het afgeveend land, niet
aan een rijweg. Daarentegen zijn b.v. Hoogeveen en Smilde jonge
nederzettingen in de venen, die zich tot een dubbelrijig lengtedorp
hebben geformeerd. Hier is dus het dorp in twee rijen gebouwd, aan
weerszijde van den weg, welke de lange, smalle landerijen aan beide
kanten rechthoekig snijdt. Zoo nog Wanneperveen, Koldeveen en Veendijk.

Staphorst en Rouveen zijn verschoven veenkolonies. Hier volgde
de nederzetting de afgraving van het veen, om ten slotte stabiel
te worden aan beide zijden van een geschikten verkeersweg. Beide
dorpen hebben waarschijnlijk thans hun derde plaats. Terwijl de
andere tweereeksige veenkolonies meestal door een mengelmoes van
velerlei herkomst bevolkt worden, wijzen deze beide dorpen op een
gemeenschappelijke, eenvormige afkomst. De bevolking heeft dan ook
iets zeer typisch en oorspronkelijks. Zij houdt weinig voeling met
de buurtschap, terwijl aloude zeden en gewoonten veelal in eere bleven.

Nog niet zoo heel lang geleden had te Staphorst bijna geen huis een
schoorsteen. Gaat de boer een nieuw huis bouwen, dan verzekert hij
zich eerst van de toestemming der buren, die dan weer ouder gewoonte
de verplichting hebben, hem bij het transport van het bouwmateriaal
en anderszins behulpzaam te zijn.

De greppels tusschen de verschillende akkers worden nooit in orde
gebracht of in rechte lijn doorgetrokken, maar kronkelen zich
in allerlei bochten en zigzaglijnen tusschen de akkers van twee
buurlieden heen.

Elk Staphorster is boer. Een eigenlijke arbeidersbevolking
ontbreekt. Wie op zijn land niet genoeg werk en verdienste vindt,
helpt zijn beter gezeten nabuur.

Hoogst belangrijk is ook de ontwikkeling van den grondeigendom aldaar;
zie hierover Dr. J. Frost, Agrarverfassung und Landwirtschaft, bl. 143
vlg. Staphorst dankt zijn oorsprong aan een kleine nederzetting van
Friesche monniken in de XIIIe eeuw.

Tot de tweereeksige dorpen behooren ook de nederzettingen der
veengravende boeren, die eigenlijk van meet af aan van de boerderij hun
hoofdbedrijf maakten. Zij liggen aan de veenranden, b.v. de Meeden,
Kropswolde, Beerta, en de nederzettingen ten Oosten der Hunze, als
Wolfsbergen, Annerveen, Gieterveen enz. In de kern van het hoogveen
verrezen mettertijd de veenkolonies Veendam en Wildervank; het eerste
nam een stedelijk karakter aan, terwijl het tweede meer het cachet
van een dubbel streekdorp behouden heeft.

Den vorm van een streekdorp vertoonen nog de veendorpen Helenaveen
in Noord-Brabant en Griendtsveen (gemeente Horst) in Limburg.

Eenigermate het type der veendorpen vertoonen de Noord-Brabantsche
_straatdorpen_, met name de dorpen in de Langstraat: Raamsdonk, Waspik,
Kapelle, Besooien, Waalwijk, Baardwijk, Drunen en Nieuwkuik. Dit kan
niet bevreemden, als men weet, dat in 1396 een turfvaart van Den Bosch
naar 's Gravenmoer werd gegraven, en dat in het begin der XVIe eeuw de
turfhandel van de Langstraat op Holland en Zeeland zeer aanzienlijk
was. Toen het vervenen verliep, meent Blink, zochten de arbeiders
naar werk. De kleibodem was niet geschikt voor bouwland; daarentegen
gaf het vele goede water uitstekend gelegenheid tot leerlooierij,
waartoe de veeteelt vele huiden, de bosschen op de zandgronden niet
zeer verre de schors leverden. Zoo ontwikkelde zich in de Langstraat
de schoenen- en leerindustrie.

Meer nog vertoonen het karakter van veenkolonies 's Gravenmoer,
Vrijhoeve, Kapelle en Sprang. Tot de straatdorpen behooren ook de
dorpen in de Streek tusschen Hoorn en Enkhuizen.

4. Veel overeenkomst met de streekdorpen vertoonen de _dijkdorpen,_
nederzettingen gevestigd langs een dijk. Zij zijn veelvuldig op
kleigronden en laagveenlanden, waar de bodem meestal door dijken tegen
overstrooming moet beschermd worden. Zij liggen op den oever van groote
rivieren, maar ook aan de kleinere waterwegen. Wij noemen de dorpen
in de Haarlemmermeer en de Beemster; in Zuid-Holland: Kinderdijk,
Alblasserdam, Ridderkerk, Papendrecht, Sliedrecht, Giessendam.

5. De _duindorpen_ en de dorpen op de geestgronden onderscheiden zich
door hun verstrooide, onregelmatige of centrale groepeering der huizen.

6. De _groepdorpen_ zijn overheerschend in Noord-Brabant, Limburg
en een gedeelte van Gelderland, maar ook in dat deel van België,
waarover zich ons onderzoek uitstrekt; m.a.w. in geheel ons zuidelijk
volksgebied. Zij vertoonen het Frankische type. "Groepdorpen" noemen
wij deze, omdat zij doorgaans hun ontstaan danken aan den drang der
bewoners, in grootere of kleinere groepen bij elkaar te wonen, zonder
dat die groep op verwantschap berust. De levendige, sociaal-aangelegde
aard, het Frankisch karakter met zijn Keltischen ondergrond, noopte hen
zich te vereenigen in dorpen en dorpjes en gehuchten. Gehuchtsgewijze
hebben oorspronkelijk de talrijke verstrooide nederzettingen plaats
gehad, die de Frankische gouwen overdekken. Op den voorgrond staat
het begrip van de vrije deelbaarheid van den bodem, welke zich in die
streken reeds vroeg moet hebben ontwikkeld. Op kleine schaal heeft het
in bezit nemen van den bodem plaats gehad. De oudste nederzettingen
vormden zich op smalle, groene strooken, vlak aan het water, soms aan
weerszijden van een beek. Nergens is de grond zoo versnipperd: hoekjes,
kampjes, akkertjes liggen verstrooid door elkaar; de verstrooide
ligging van het grondbezit was nog willekeuriger en planloozer dan
in de akkerdorpen.

Alles wijst op partikularisme, op ontginning van partikulieren, die
onregelmatig en naar de omstandigheden hun kultuurland uitbreidden;
zie Blink, Studiën enz., t.a.p., dl. XXI, bl. I vlg.; Frost,
Agrarverfassung und Landwirtschaft, bl. 129 vlg.

De bewoners waren buitenmate gehecht aan de plek hunner inwoning,
en de landgewoonte wilde, dat de landbezittingen door de ouders onder
de kinderen werden verdeeld. Dit leidde er toe, dat ieder boer moest
trachten het kultuurland uit te breiden; maar dit gebeurde buiten de
gemeenschap, het was overgelaten aan elks persoonlijk initiatief.

Versnippering van kultuurland en gemis aan aaneengesloten grondbezit
vindt men ook, en wel in hooge mate, in de Graafschap Zutfen,
ofschoon daar toch slechts een klein gedeelte der bevolking in
dorpskommen gevestigd is. De woningen staan er meestal over de velden
verspreid. Zij vertoonen het type der:

II. _Afzonderlijke hoeven_. Geïsoleerd liggende te midden van
de bijbehoorende landerijen dragen zij een Saksisch en Friesch
karakter. Men vindt ze dan ook in het Zuid-Oosten van Groningen, het
Westerwolder kwartier, in het Oosten van Overijsel en Gelderland,
in Twente en den Gelderschen Achterhoek, in Friesland, Noorden
Zuid-Holland en sporadisch op Frankischen bodem. Zoo treft men ze in
België, Nederland en Duitschland aan benoorden een lijn, die loopt
van Bergen langs de Dyle naar Leuven, en vandaar langs de Demer in
de richting van Maastricht. Bij Maaseyk gaat zij volgens Meitzen,
Siedelung und Agrarwesen I, bl. 517, over de Maas, en loopt dan
de Swalm opwaarts over Wegberg, Dahlen, Odenkirchen, Grefrath en
Neuss naar den Rijn, dien zij te Kaiserswerth kruist. Voor België
zijn typeerende voorbeelden: Berghem bij Brussel, Meygem bij Gent en
Ellicum bij Maaseyk. In Nederlandsch Limburg begint dus het gebied der
afzonderlijke hoeven benoorden Roermond en valt min of meer samen met
dat van het Frankisch-Keltische huis, waarover naderhand meer. Men
treft echter weer afzonderlijke hoeven aan in de zuidlimburgsche
zijdalen: Geuldal, Geleendal enz.

De meening van Meitzen, dat deze afzonderlijke hoeven niet van
Germaanschen, maar van Keltischen oorsprong zouden zijn, vindt niet
voldoende steun in den woontrant der Gallische, Britsche en Iersche
Kelten, terwijl zijne hypothese, die hiermee verband houdt, dat het
Keltische halle-huis als het type van het Nederlandsche woonhuis
moet worden beschouwd, beslist onwaar blijkt. Afzonderlijke hoeven
liggen in echt kern-Germaansche streken, die nimmer door Kelten zijn
bewoond, als in Noorwegen, noordelijk Zweden en op de Westkust van
Sleeswijk-Holstein.

Karakteristiek voor de nederzettingen in afzonderlijke hoeven is minder
de bouwtrant der huizen, dan wel de eigenaardigheid, dat elk huis door
de bijbehoorende landerijen omgeven is, en dat deze bezittingen in
kampen zijn verdeeld, d.i. kwadraatvormig begrensde stukken bouwgrond
of weiland, door afzonderlijke heggen of greppels omgeven. Deze
afgeslotenheid der afzonderlijke bezittingen heeft tot gevolg, dat
zij geïsoleerd verspreid liggen over de geheele uitgestrektheid van
het dorpsgebied. Het kultuurland ligt versnipperd en verstrooid,
omgeven door hagen en singels van hakhout. Iedere boer woont op een
afzonderlijk stuk gronds. Zóo is de gesteldheid van nederzetting en
grondverdeeling b.v. te Terborg, Lichtenvoorde, Varsseveld, Groenloo,
Beltrum enz. Waar men hier dorpen of gehuchtvormige huizengroepen
vindt, die kerk of markt omzoomen, zijn deze hoofdzakelijk niet door
landbouwers, maar door ambtenaren of neringdoenden bewoond.

Wat de verkeerswegen betreft: zij verbinden eigenlijk niet hoeve
met hoeve, maar dorp met dorp en stad met stad. De hoeven bereikt de
wandelaar slechts op zijpaden, en de bewoners trachten langs allerlei
zijweggetjes en dwarspaadjes, kriskras getrokken over de kampen heen,
kerk en markt te bereiken. Aan de hoofdstraat te wonen wordt heel
niet als een voordeel beschouwd.

Deze vorm van nederzettingen, die ook in geheel West-Duitschland van
Noord tot Zuid wordt aangetroffen, wortelt zeer zeker ten deele in het
stamkarakter, ten deele ook in oorspronkelijke familieverhoudingen: had
de landbouwer geen maagschap, stond hij met zijn familie geïsoleerd,
dan zal hij vaak zelfstandige bodemkultuur verkozen hebben boven een
zich-aaneensluiten met niet-verwante personen. Maar de machtigste
faktor was toch de gesteldheid van den bodem. Zoo was het b.v. in de
vette greidstreken van belang, het vee in de onmiddellijke nabijheid
van het huis te laten weiden. Verder treffen wij de afzonderlijke
hoeven daar aan, waar de betere grondgesteldheid en verscheidenheid van
den bodem aan een algemeene bebouwing der landerijen geen hinderpalen
in den weg stelde; terwijl de akkerdorpen bij al hun verruiming
en uitbreiding toch steeds oasen in het dorre heideland gebleven
zijn. Anderzijds duldde echter het feit, dat de bodem door watertjes
en rivier doorsneden was, geen inbezitneming van omvangrijke stukken.

Bij het erfrecht staat de ondeelbaarheid van hoeve en hoeveland op
den voorgrond. Alles lag hier bij elkaar, en wel in voldoende mate
om de familie te onderhouden. Waartoe zou men deelen, terwijl elders
nog zooveel gelegenheid tot nederzetting geboden werd? Daarom werden
jongere zoons en dochters, die de hoeve verlieten, met vee, huisraad
enz. tevreden gesteld, terwijl de boer zijn wensch kon vervullen:
de hoeve voor de familie te behouden. Zoo hoort men nog: "de hoeve
moet bij het bloed blijven", en "hoeve gaat boven kind".

Het heden ten dage geldende erfrecht heeft deze in het kern-Saksische
gedeelte van ons land ingewortelde rechtsbegrippen slechts onbelangrijk
kunnen wijzigen: in Twente, in den Achterhoek en elders is het erfrecht
Oudsaksich gebleven.

Elk boerenerf draagt zijn eigen naam en oorspronkelijk zijn eigen
huismerk: een eenvoudige, uit enkele lijnen samengestelde figuur,
later een monogram. De naam blijft aan het huis gehecht in weerwil
van alle wisseling van bezitters. Het "heem" of "heim" gaat boven
het geslacht. De hoevenamen zijn ouder dan de famielienamen.

III. Meerdere dezer dorpen zijn uitgegroeid tot _steden_ van den echt
Germaanschen stempel.

Verscheidene faktoren hebben tot den Nederlandschen stedenbouw
meegewerkt. De Kelten hadden steden als handelscentra; ik noemde reeds
Noviomagus, Batavodurum, Lugdunum Batavorum, Coriovallum. Om deze
centra zelf zette zich een belangrijke laag Romeinsche beschaving,
zoo b.v. Nijmegen, een bij uitstek belangrijk strategisch, staatkundig
en ook ekonomisch middelpunt, door Tacitus de stad der Batavieren bij
uitnemendheid genoemd: _Oppidum Batavorum_ (Hist. V, 19). Andere steden
van Romeinschen oorsprong vermeldde ik bl. 8. Tot de allervoornaamste
behoort zonder twijfel het oude Trecht, een plaats, door de natuurlijke
ligging aangewezen als grensstation. Over het bestuur en burgerrecht
dezer steden zijn wij slecht ingelicht.

De steden nu van beslist Germaanschen oorsprong, zooals gezegd uit
dorpen gegroeid, zijn te danken aan een geleidelijke ekonomische
ontwikkeling. De aanleiding, de stoot tot die ontwikkeling
werd gegeven door het bouwen van een kerk, het stichten van een
klooster, het optrekken van een burcht, welks heer ten slotte de
heer werd over de stad. Maar zeer juist zegt Prof. Brugmans in zijn
Oud Nederlandsche Steden in haar ontstaan, groei en ontwikkeling
(Leiden 1912), dat deze oorzaken niet steeds afzonderlijk werkten,
maar te zamen en in vereeniging: "Niet alleen omdat er een kasteel,
kerk, klooster of marke was ontstaan, vormde zich daar een tot
stad uitgegroeid dorp, maar omdat de plaats, waar dat kasteel,
die kerk, dat klooster of die marke gelegen was, gunstig was voor
het ontstaan van een handelscentrum. Dezelfde oorzaken, die eerst
het kasteel hebben doen ontstaan, doen daarna de stad uitgroeien;
beide zijn in hun soort, op eigene wijze, ekonomische middelpunten
van den omtrek. Veelal is de stedenformatie de resultante van een
parallelogram van krachten. Groningen b.v. is tegelijk een marke en
een markt, een landbouwdorp en een handelscentrum" (bl. 4).

De ekonomische emancipatie ging de politieke vooraf. Het
staatsgezag heeft hier niet scheppend, maar bevorderend en ten slotte
sanktioneerend gewerkt. Maar de voornaamste aanleidende oorzaak houdt
op de stad haar stempel gedrukt. Bisschop Balderik was de eigenlijke
stichter van het Middeleeuwsche Utrecht: en zoo draagt deze stad in
haar staatsrechtelijken en maatschappelijken bouw en ontwikkeling alle
eigenaardigheden van een bisschopsstad. Groningen is een gildestad. De
Friesche steden Sneek, Bolsward, Franeker, Dokkum, Leeuwarden
blijven het karakter vertoonen van zuivere landsteden. Nijmegen
is een keizersstad, Zutfen, met haar talrijke dochtersteden, een
grafelijke hofstad. Brugge, Gent, Yperen, Antwerpen, Amsterdam,
Dordrecht, Vlaardingen en het jongere Rotterdam zijn op-ende-op
handelssteden. Tot de min talrijke kategorie der gestichte steden
behoort 's Hertogenbosch.



III. De Boerenwoningen.


Bij de beschouwingen over dorp en dorpsgebied zijn wij eigenlijk
slechts aan de oppervlakte van het volksbestaan gebleven. De aard der
verschillende nederzettingen vergunde ons geen diepen blik te slaan
in het volksleven: het hart van dat leven, de intieme haard van dat
bestaan is het huis.

Hoe heeft ons volk op Nederlandschen bodem zich zijn heemstede gebouwd,
ter berging en ter schutse van zich en zijn gezin, ter berging van
veestapel en moeizaam verworven hooi- en vruchtenoogst? Hoe hebben onze
vaderen dit heem geformeerd, ten einde er hun welbehagen te vinden,
zonder in strijd te komen met ekonomische vereischten?

"De landman die zijn huis bouwt", aldus Stijn Streuvels in zijn
bekoorlijk-frissche boekje over De Landsche Woning in Vlaanderen
(Amsterdam), "heeft iets van de begaafdheden die eigen waren aan
den middeleeuwschen bouwmeester. In alles gebruikt hij overleg en
gezond verstand en hij streeft er naar om met 't minste middelen,
het grootst mogelijk uitwerksel te bekomen. Hij bekommert zich niet
om pracht of praal--een huis dient enkel om er in te wonen en alzoo
ziet hij er niet naar of denkt er nooit aan dat zijn huis langs de
straat moet staan... om gezien te worden, maar als 't zoo gelegen komt,
bouwt hij het met den achterkant naar de straat om 't met den voorkant
naar 't Oosten of 't Zuiden te keeren en alzoo licht en warmte op te
vangen--twee dingen die hem van groote waarde zijn" (bl. 17, 18).

Ik spreek hier alweer over den bouwtrant der boerenwoningen, en niet
der stadswoningen. Want in de boerenwoningen spreekt zich meer het
volkskarakter uit, komt het volkseigenaardige meer tot zijn recht,
is het oorspronkelijke het best bewaard. Daarom heeft tot nog toe
de wetenschappelijke volkskunde dan ook zoo goed als uitsluitend oog
gehad voor de landsche woning,--al zou het zeker de moeite loonen na
te gaan, hoe deze huistypen in de steden tot burgerwoningen werden
vervormd. Vooral het Oudhollandsche en Oudvlaamsche koopmanshuis met
zijn smalle straatfaçade, en evenzeer de visscherswoning, die zich
stellig niet tot de eilanden beperkt, zijn nadere onderzoekingen in
deze richting overwaard. Wat betreft de publikatie van Mr. S. Muller
en Prof. Dr. W. Vogelsang: Het Oud-Hollandsche Huis (Utrecht 1909),
deze ontwerpt een beeld van de Nederlandsche beschaving in de XVIIe
en XVIIIe eeuw aan de hand der Nederlandsche poppenhuizen; zie aldaar
over de indeeling en het gebruik van de Oudhollandsche patricische
huizen, bl. 26, 27. Vrijwel uitsluitend op historisch-architektonisch
gebied liggen de belangrijke bijdragen over onze Oudgeldersche gevels
van C. L. van Balen, gepubliceerd onder de rubriek "Oud-Limburg"
in Limburg's Jaarboek XI, bl. 65, 153; XII, bl. 154; XIV, bl. 43.

Dan ook,--de industrie blijkt hier opnieuw de gezworen vijandin van
het typische in den volksaard, zelfs in de landsche woning. Dit kan
weer niemand beter betoogen dan Stijn Streuvels: "Waar de nijverheid
ergens een landstreek binnendringt en de bevolking overweldigt,
ziet men dien tooi en zorg aan de woningen gauw vergaan. Waar de
landsche lieden hun bestaan vinden in fabrieken of groote werkhuizen,
zelfs waar de huisarbeid geoefend wordt, ziet men die liefhebberij
niet om de woning een lachend uitzicht te geven. Gevels worden niet
meer gewit en de ramen niet meer geschilderd, bloemen en boomen
heeft men niet meer van doen en wat de huisbaas aan de woning niet
wil verstellen, laat de huurder maar vervallen. Daar heeft heel die
streek en het landschap een ander uitzicht--iets als de kleurlooze
verlatenheid van onbewoonde huizen, grauw, vaal als een achterbuurt en
't geheel heeft het aanzien van armoede en lustelooze slordigheid"
(De Landsche Woning, bl. 30).

Buiten beschouwing blijft hier ook het dorpshuis, niet hoeve
tevens, dat meestal in zijn tegenwoordigen vorm van jongen datum
is, afhankelijk van de gemeentelijke verordeningen. Wat de kleine
arbeiderswoning betreft, somtijds volgt zij op kleinere schaal het
type van het boerenhuis der streek. Maar de latere arbeiderswoning
vertoont meestal denzelfden droevigen internationalen stijl, dien
men ook in de kleine huizen der steden aantreft. Daarentegen gaat
de mijnwerkerswoning in Limburg, dank zij vooral de goede zorgen
der maatschappij "Ons Limburg", een aesthetisch en architektonisch
beslist beteren weg op.

De boer is in de wijze, waarop hij zijn woning bouwt, uitermate
konservatief. Gelijk zijn vaderen voor eeuwen hun hoeve ingericht
hadden, zoo doet hij het nog heden. Een treffend voorbeeld van dit
konservatisme geeft Prof. Gallée: "In de laatste vijf en twintig jaren
hebben groninger boeren aangevangen de heidevelden aan de Dedemsvaart
te ontginnen. Zij hebben hunne huizen en schuren daar naast die van
den overijsselschen landbouwer gevestigd. Men zou verwachten, dat
zij hun bedrijf zoo inrichtten als de sinds eeuwen en eeuwen daar
gezeten boer; maar neen. Terwijl deze op dezelfde wijze als zijn
stamgenooten aan Regge of IJssel zijn huis en hof heeft ingericht,
volgt de groninger boer daar aan de vaart geheel het friesche type,
waaraan hij in zijn groningsche land gewoon was." Zie het verslag
van het Provinciaal Utrechtsch Genootschap 1907, bl. 12.

De verschillende typen van de Germaansche woning--en hiertoe behooren
de boerenwoningen van Groot-Nederland--zijn het voorwerp van nauwgezet
en scherpzinning onderzoek geweest bij onze oostelijke naburen. Ik
wensch hier slechts te wijzen op Rudolf Henning, Das Deutsche Haus in
seiner historischen Entwicklung, Quellen und Forschungen XLVII; Die
Deutschen Haustypen, Quellen und Forschungen LV, 2; Otto Lasius, Das
Friesische Bauernhaus in seiner Entwicklung während der letzten vier
Jahrhunderte, Quellen und Forschungen LV, I; vooral: August Meitzen,
Das Deutsche Haus in seinen volkstümlichen Formen (Berlin 1882) en:
Siedelung und Agrarwesen der Westgermanen und Ostgermanen enz. (Berlin
1895), waar hij den Germaanschen woningbouw in de breede omlijsting
van het agrarische recht en de landbouwekonomie behandelt. Nu is op
het werk van Meitzen wel eens scherpe kritiek uitgeoefend, met name
door Karl Rhamm in Globus 1897, bl. 169 vlg., zóo scherp, dat hij
zelfs "in den bezüglichen Ausführungen Meitzens, wenigstens was die
Endergebnisse anbelangt, keinen Fortschritt gegen die Henningsche
Ära erblicken kann." Toch houdt het kloeke werk van Meitzen in deze
materie groote waarde en gezag,--al moeten wij Rhamm toegeven, dat
b.v. de theorie van den Keltischen oorsprong van het Saksische huis
verre van steekhoudend is (zie Siedelung und Agrarwesen I, bl. 184,
620; II, bl. 91 vlg.; III, bl. 126 vlg.).

De Nederlandsche bouwtrant is hoofdzakelijk onderzocht door wijlen
Prof. J. H. Gallée: Het Boerenhuis in Nederland en zijne bewoners
(Utrecht 1908), waaraan ik in de volgende uiteenzettingen dankbaar
meerdere gegevens en beschouwingen ontleen. Van de hand van denzelfden
geleerde verscheen een verhandeling in Les Pays-Bas (Cercle des
Journalistes étrangers), bl. 501 vlg., getiteld: Moeurs et Coutumes;
zie ook zijn rede gehouden in het Provinciaal Utrechtsch Genootschap,
medegedeeld in het Verslag van 5 Juni 1907.

Wij onderscheiden in ons land vier hoofdtypen: het Saksische,
het Friesche, het Frankisch-Keltische en het Frankisch-Romeinsche
type. Gallée noemt het Saksische type liever het halle-huis,
omdat het toch ook bij anderen dan Saksen gevonden wordt; en het
Frankisch-Keltische huis noemt hij liever het langgevel-type, of het
huis met den breeden, horizontalen voorgevel. Dit is ongetwijfeld
juist. Maar ik verkies uit praktisch oogpunt de benamingen, die in
verhouding staan tot de drie hoofdstammen, welke de bevolking van
Groot-Nederland uitmaken.

I. Het _Saksische type_ vertoont éen groote halle met hoog dak,
waaronder mensch en vee zonder eenige afscheiding huizen. Nu
vertegenwoordigt deze huisvorm echter niet alleen het alleroudste
Germaansche type, maar is in wezen met het oudste Indogermaansche type
identiek. Dit toch had den vorm van een vierkante hut, uit balken
en leem, rijshout en ruwe steenen, met of zonder mortel verbonden
opgetrokken. Wij onderscheiden twee lange en twee smalle zijden met
hoog en schuin dak. Driedeelig, met langwerpig grondvlak, vereenigt
het onder deze hellende afdakking woning, schuur en stalling.

Wijd en zijd vinden wij dit type verspreid. "Ueber die Anlage und die
Dimensionen des alt-europäischen viereckigen Hauses sind wir durch
sorgfältig ausgeführte Untersuchungen der Ueberreste von Ansiedlungen
im Erdboden an vielen Stellen Europas genau unterrichtet," schrijft
Sigmund Feist, Kultur, Ausbreitung und Herkunft der Indogermanen
(Berlin 1913). "Demnach ist der Urtypus dieses germanischen, slavischen
und griechischen Hauses ein Viereck, mit deutlich unterschiedener
Giebel und Langseite, der Herd steht ungefähr in der Mitte und eine
offene (oder spater geschlossene) Vorhalle von geringer Tiefe liegt vor
dem Hauptgebäude. Dieser Haustypus erstreckt sich von Norwegen durch
Norddeutschland, Polen und die Karpathenländer bis nach Griechenland
und Kleinasien (bl. 128, 129).

Maar dit type is toch vooral Saksisch. Hoe treffend b.v. de grenzen
van het Oudsaksische taaleigen en van "het huis met de lange deel"
elkaar dekken--behoudens enkele goed-verklaarbare afwijkingen--blijkt
wel het best uit Willi Pessler's opstel over de "Ethno-geographische
Wellen des Sachsentums" met bijgaande Is-ethnenkaart in het tijdschrift
Wörter und Sachen I, bl. 49 vlg. [6]

In het Saksische boerenhuis in zijn meest oorspronkelijken vorm
koncentreert zich alles om de deel. Aan de eene gevelzijde van het huis
woont de boer, de andere omspant een reuzenpoort, die naar de deel
leidt; aan weerszijde van het huis zijn de huisdieren ondergebracht;
hierbij valt op te merken, dat de koeien op de mest met de koppen
naar de deel gekeerd staan, waar de voedergoot is.

In de oudste huizen ontbreekt hier zoo goed als elke scheidsmuur of
schutting. Tegenover de groote schuurdeur, aan het andere eind van de
deel, bevindt zich de haard, waar de boerin den maaltijd bereidt en
waaromheen het gezin zich verzamelt. Deze open, vrij-liggende vuurstede
behoort mèt het omsloten-zijn van woning, stalling en schuur in éen
enkele ongescheiden ruimte tot de meest karakteristieke kenteekenen
van het Oudsaksische type en getuigt tevens van hooge oudheid.

In de groote, ruime halle heeft de boer heel zijn have en goed, heel
zijn bezittingen onder de oogen, in zijn onmiddellijke nabijheid. Zij
wordt begrensd door twee rijen van zuilen of stijlen. Boven deel
en stalling en woongedeelte verheft zich het hooge dak, dat als
bergplaats dient, en welks nok van voren naar achteren in éene
onafgebroken lijn doorloopt.

De ontwikkeling is tweeërlei richting gevolgd. Eenerzijds streefde
en streeft men er naar, den haard uit het midden naar den zijkant te
verdringen, uit de vrije, aloude woonruimte naar een engere keuken,
en hem een soort van hulphaard toe te voegen ter verwarming van een
meer moderne woonruimte, n.l. de kachel. Anderzijds tracht men woning,
stalling en schuur te scheiden, aanvankelijk nog onder éen dak,
dan over verschillende gebouwen verdeeld.

_a_. In Twente en in het Oosten der Graafschap vindt men nog het
"lösse hoes", de hoeve met éen enkele ruimte voor mensch en vee. Als
ingang tot de deel dient de groote _bansdeure_ en _niendeure_, die
onder het eerste _gebint_ staan, terwijl het dak oversteekt. Deze
oversteek heet de _oos_ of de _onderschûr_ [7].

Daarnaast vindt men niet zelden rechts en links afhangende dakvakken,
waaronder veelal rechts de paardenstal is. De woonruimte is soms met
tegeltjes geplaveid. Aan den wand bij de voordeur is de _götte_ of
't waschhok; aan de andere zijde zijn de bedsteden. In sommige huizen
vindt men achter de bedsteden een kleine kamer voor "de deerns".

De stijlen, waarop het dak rust, worden twee aan twee door _bakke_
verbonden, die een _gebint_ vormen; het meerendeel der huizen heeft
vier gebinten. Op de stijlen worden de sporen gesteld, die zich
boven de dakspar vereenigen en een eind onder de dakspar door de
_hanenbalken_ samengehouden worden. Onderling zijn de balken verbonden
door de _balkensleete_, dunnere boomen, die de deel dekken; hierop
wordt het koren of hooi gevlijd. De groote opening, waardoor het
hooi wordt opgestoken, heet het _balkenslob_ (Gallée, het Boerenhuis,
bl. 45, 48).

Het Saksische boerenhuis munt uit door zijn ekonomische eenheid en
overzichtelijkheid. Bij den _haard_ is de zitplaats der boerin, die
van daaruit haar oog laat gaan door de geheele ruimte, om het doen
en laten, het komen en gaan, het rustelooze beweeglijke leven van
mensch en vee gade te slaan. Als op een open schouwtooneel speelt het
zich vóor den haard af. De arbeidsgemeenschap van daarbuiten wordt in
het inwendige des huizes voortgezet: nergens grijpt het veelzijdige
arbeidsleven zóo vastsluitend ineen, nergens is het samenleven van
familie en gezin zóo innig als onder het ruime Oudsaksische dak,
om den gezelligen Oudsaksischen haard.

Die haard, het middelpunt van dit oorkonservatieve familieleven,
de aan alle zijden vrijliggende _heerd_, de _raakkûle,_ is eigenlijk
en oorspronkelijk niets dan een rond gat in den bodem, omgeven door
steentjes. Hierop wordt het vuur van turf of _schadden_ en hout
ontstoken. Aan de eene zijde ligt het brandhout: dit is _den stòkhôk_.

Het vuur vlamt op en walmt op en hult somwijlen de heele ruimte in
dikke rookwolken, opkronkelend langs de stijlen en binten, een uitweg
zoekend langs het _balkenslop_, door de _walmgaten_, ja door de voegen
en naden van het stroodak, alles beroetend en besmeurend. Op den haard
wordt het vuur smeulende gehouden in de asch, en eerst wanneer gloed
noodig is, word het tot nieuw leven opgewekt. Zoo wordt naar aloude
zede bewaard het eeuwige haardvuur.

Vóor den haard, op de deel, worden de feestgelagen gehouden; daar
wordt het bruiloftsmaal gevierd; daar wordt lustig gedanst op het
oogstfeest; ... daar, in de gemeenschap van mensch en vee, op het
tooneel van het roerige, bonte alledaagsch-leven, wordt ook het lijk
ter schouw gelegd. Maar de gewichtigste en schoonste handeling van
het privaatleven, de blijde inkomst der bruid, het binnenleiden der
jonge huisvrouw in haar nieuwe huisgenootschap en het tooneel harer
huiselijke bezigheid,--die plechtigheid wordt bij den haard zelf
gevierd. Zij is van groote kultuur-historische beteekenis er in haar
bleef voortleven een der schoonste en zinrijkste handelingen van het
Indogermaansche bruiloftsritueel. De bruid--naderhand de meid--wordt
om den haard geleid ten teeken, dat zij daarvan bezit neemt; zij wordt
_gehaald_. Op dit gebruik kom ik in het Derde hoofdstuk (Privaatleven)
nader terug. Hierbij spelen ook de haal en de haalketting een voorname
rol, die aan de _wendezûle_, een zware, rechtopstaande stijl met
dwarsbalk, hangt. Aan de haal, die hooger en lager kan gesteld worden,
hangt de ketelhaak met den grooten ketel.

Bij de groote, eigenlijke hoeve bevinden zich veelal binnen een
omwalde of omheinde ruimte nog een hooischuur, meestal van hout,
met riet gedekt, dan een wagenschuur, een korenschuur (_het spîker_),
kalverstallen, bergplaatsen, varkenskotten, bijenschuur, waschhuis,
bakhuis enz.

Over een reusachtige uitgestrektheid van de Germaansche laaglanden is
dit type verspreid, omvattend de Saksische gouwen benoorden een lijn,
die van af de Maas--naar het heet nabij Venloo--in oostelijke richting
loopt en haar weg vervolgt over het Rothaargebergte. In Nederland--en
op Nederland past het boven beschreven type in de eerste plaats--vindt
men dezen huisvorm in het Oosten van Groningen, in Oost-Drente,
Overijsel, Gelderland, Utrecht, een groot deel van Zuid-Holland en
Limburg. Het zuiverste en meest archaïeke type vindt men in Twente
en den Achterhoek van Gelderland, Drente en Westerwolde; elders komen
verschillende varianten voor, ten deele onder te bespreken.

Een eigenaardig type treft men te Staphorst en Rouveen aan
(bl. 21). Gallée beschrijft dit type (Het Boerenhuis bl. 39 vlg.),
dat ook beoosten de Boorne, in een deel van Friesland gevonden
wordt, als een gemengd-Friesch type, en geeft het den naam van
"Zuiderzee-type". Zeker vallen hier Friesche bestanddeelen
waar te nemen. Maar op beslist Saksisch karakter wijst toch de
vrijliggende haard, de lange, ruime deel en de _banderdeur_. Thans
is de woning veelal van de schuur gescheiden door een _middelschot_
met _middeldeure_ of _milldeure_.

Men vindt dezen bouwtrant ook nog in het Gooi, bij Bussum, Hilversum,
Laren, Blaricum, Soest, de Vuursche. Volgens J. Claerhout, Biekorf
XXIV, bl. 312 komt de Oudsaksische bouworde mede in de Kempen voor.

_b_. Voor Twente vormt de Regge de westgrens van het zuivere,
onvermengde type. Westelijk van de Regge heeft men al vroeg een
scheidsmuur tusschen dorschvloer en woning, tusschen den koestal en
de bewoners opgericht. Op dezen scheidsmuur rust dan soms een zeer
lage zoldering boven het woonvertrek. Het hooi wordt hier geborgen in
afzonderlijke hooischuren of _hooibergen_. Deze bestaan uit vier of
vijf zware palen, de _bergroeden_, welke door een vierkant of vijfkant
dak steken, verplaatsbaar, van hout gemaakt en met riet gedekt.

De haard wordt verlegd naar den scheidsmuur of naar de keuken. De
ingang tot de keuken is nu eens in een gang, die van de voordeur tot
de deeldeur doorloopt, dan weer door een klein portaal. Aan de eene
zijde van de keuken is de opkamer, aan de andere een slaapplaats voor
de volwassen dochters.

Dit type komt met belangrijke wijzigingen hier en daar ook in
Noord-Brabant voor, b.v. in het land van Heusden en in de Langstraat.

_c_. "Ook in het noorden van Limburg, beoosten de Peel en ten noorden
van Tegelen, wordt een huistype gevonden, dat hiermede overeenkomt ...,
nergens echter met een hooiberg, noch met een dorschvloer in dezelfde
schuur met de koeien. Schijnbaar is er volkomen overeenkomst, doch
de langdeel ontbreekt en in de plaats daarvan heeft men een koestand
met mestvaalt en een gang voor den koestand langs den zijmuur. De
groote schuurdeur in den achtergrond geeft toegang tot de mestvaalt
en geeft gelegenheid om in te rijden met hooiwagens ten einde het
hooi boven de koeien te bergen. In een schuur achter het woonhuis is
de dorschvloer en daarboven de bergplaats voor koren, hooi en andere
gewassen ..." Aldus Gallée, Het Boerenhuis, bl. 57, 58.

De uitdrukking "in het noorden van Limburg, beoosten de Peel en ten
noorden van Tegelen" kan ik niet beamen. Ik ontken niet het bestaan
van enkele hoeven, die dezen vorm vertoonen, benoorden Tegelen b.v. te
Well, Bergen, Gennep enz. Maar dit is een groote zeldzaamheid. Uit
autopsie weet ik, dat de gewone huisvorm in de omstreken van Venloo,
te Velden, Grubbenvorst, Horst, Arcen, Well, Wellerlooy, Bergen,
Afferden, Heijen enz. de Keltisch-Frankische is, reden, waarom ik
hierbij afzonderlijk een grondplan geef der boerenwoning van Venloo
en omstreken. Gallée geeft ook slechts één voorbeeld, n.l. een huis
te Gennep (pl. XIX, 3--5, pl. XXII, 8, 9).

Bij Willi Pessler, Das altsächsische Bauernhaus in seiner
geographischen Verbreitung (Braunschweig 1906), vind ik overeenstemmend
met mijne bevindingen bl. 137: "Jenseits der Maas in der holländischen
Provinz Limburg bei Venloo und Roermond finden sich keinerlei Anklänge,
sondern nur langgestreckte Wohnbauten, in denen Stuben, Viehstall,
Diele von einem Giebel bis zum anderen aneinander gereiht sind". Dan
stelt hij zich de vraag, bij welk Duitsch dorp beoosten Venloo de
huisgrens dan wel eigenlijk begint? Hij komt tot de slotsom, dat
wij "Gladbach, Hinsbeck und Leuth (alle Kreis Geldern) getrost mit
dem Zeichen des ausgestorbenen sächsischen Bauernhauses bezeichnen
können". Ik geloof, dat wij voor de dorpen benoorden Venloo tot
een zelfde konklusie kunnen komen. Wij bevinden ons hier in een
Saksisch menggebied, zooals de taalgrenzen uitwijzen; hierop kom
ik nader terug. Maar de Saksische bouwtrant mag men in deze streek
grootendeels als uitgestorven beschouwen.

_d_. Een laatste type is het T-huis of dwarshuis, in Noord-Brabant
_krukhuis_ genoemd. Hier is de schuur, die wat inrichting der
stijlen en van het dak, verdeeling der stalruimte en plaatsing van
deur betreft, met het hallehuis groote overeenkomst vertoont, in een
zijgevel ondergebracht, waarvan de dakspar met die van het woonhuis
een hoek van 90 graden vormt. Men vindt deze huizen langs Rijn,
IJssel en Vecht. In de Betuwe is het de meest voorkomende vorm; vrij
veelvuldig is hij ook in het land van Maas en Waal en in de Langstraat.

2. Het _Friesche type_.

_a_. De Friezen beschouwen als het voornaamste gedeelte hunner hoeve
de bewaarplaats van het hooi. Daar veeteelt en zuivelbereiding het
hoofdmiddel van hun bestaan uitmaken, is ruime hooiberging op de
allereerste plaats noodzakelijk. De hooiberg vormt dus het middelpunt,
waaromheen zich stalling, dorschvloer en melkerij groepeeren.

Hij verheft zich in het midden van een vrijwel kwadraatvormig
grondplan. Tusschen vier zware kapstijlen wordt het hooi hoog tot in
den nok opgetast, zoodat de lage, vierkante onderbouw door een hoog
rieten- of pannendak in den vorm eener pyramide wordt bekroond.

Dit viervakkig dak is het _stelpdak_, vanwaar de benaming: stelphoeve.

Waar de landbouw wordt uitgeoefend, die ruime berging van veldvruchten
en ruime dorschvloeren vereischt, daar neemt de schuur zeer groote
afmetingen aan. Aldus in Groningen en Friesland. Maar overal vindt
men hetzelfde grondbeginsel: de stapel, hooi of veldvruchten, vormt
het vierkant, waaromheen alles gelegen is.

De stijlen, _stenders_ of _zûlen,_ worden twee aan twee verbonden
door balken en onderling door twee dwarsleggers. Elk samenstel van
twee stijlen met een balk wordt een _bint_ genoemd. De ruimte binnen
vier van zulke stijlen heet het _vierkant_ of _vak_, in Friesland en
oostelijk _de golf_, in Noord-Holland _de tas_. Is éen vierkant niet
voldoende, dan worden de vakken vermeerderd en de schuur krijgt een
langwerpig uiterlijk (Gallée, Het Boerenhuis, bl. 17, 18).

Men heeft wel eens beweerd, dat het Friesche type zich uit het
Saksische heeft ontwikkeld, en wel door de deel met oogstgaven (hooi,
vruchten) te vullen en van wege het grootere brandgevaar huis en schuur
scherper te scheiden. Wat hiervan zij, dit eene staat vast, dat beide
typen in vroegere tijden veel dichter bij elkaar stonden. Bij het
Friesche type mist de boer het overzicht over het geheel, maar bij
de hoogopgevoerde ekonomische eischen is althans schijnbaar de vorm
van het éen-huis gered.

Dit type wordt aangetroffen in geheel Oost-Friesland, in Groningerland
en Noord-Holland tot even ten zuiden van Amsterdam. Verder in het
zuiden van Zuid-Holland (Alblasserwaard, IJselmonde, Beierland, Voorne,
het Dortsche eiland) en in den Zevenbergschenhoek in Brabant. Enkele,
en wel vrij oude vormen van dezen bouwtrant, vindt men in Zeeland.

Wat de stalling betreft dient te worden opgemerkt, dat het vee met den
kop naar den muur staat--dus omgekeerd als op de Saksische hoeve--en
met de achterzijde naar de stalgang. Elke koe, of elk paar koeien,
heeft een door planken of balken gescheiden stand. Het licht valt door
kleine venstertjes, veelal van gordijntjes voorzien. De zindelijkheid
is overal bepaald voorbeeldig te noemen. De meeste boerderijen hebben
een reusachtigen melkkelder, thans zoo goed als overbodig, daar de
bewerking der melk meestal in de centrifuges plaats heeft.

De dorschvloer heet in Noord-Holland de _darsch_. Aan de keuken, waar
de groote schouw is, geeft men in Friesland den naam van _pîzel_:
eigenlijk was dit de naam van de groote hang of schouw zelf, Latijn
_pensile._ Bij den Frieschen huisvorm in Duitschland beduidt _pêsel_
de woonkamer of feestzaal.

Voor België vind ik hieromtrent bij Claerhout, Biekorf XXIV, bl. 313
na de beschrijving van het Friesche type het volgende: "Zulke
Friesche hofsteden zijn er in Westvlaanderen niet te vinden, maar
de Westvlaamsche bergschuur, hier en daar nog te zien, namelijk te
Leffinghe, te Snaeskerke, te Steenkerke, te Heyst en te Ramskapelle
en wellicht elders, moet ook door Friezen gebouwd zijn, want zij
vertoont de gedaante eener Friesche hofstede; 't en is maar de woning
van den boer die er in te kort is." Een grondig onderzoek in deze is
m.i. noodzakelijk en kan tot hoogst belangrijke resultaten leiden.

_b_. Terwijl het type der eigenlijke Stelphoeve vrij zuiver in
Noord-Holland, met name in de Streek, wordt aangetroffen, vindt men in
Friesland en Groningen meestal het gewijzigde type van "de hoeve met
de lange schuur". Hier is het vierkant tot een rechthoek verlengd,
terwijl woning en schuur niet onder één dak zijn vereenigd. Het
woonhuis is daar met de schuur door een smal dwarshuis verbonden,
dat zich uit de verbindingsgang heeft ontwikkeld, of de woning is
dwars vóor de schuur gebouwd.

Van de eilanden heeft Terschelling het Friesche type. Ameland
is daarentegen geheel afwijkend; óok in taal en kleeding komen de
bewoners het meest met die van Holland om Amsterdam overeen.

3. Het _Frankisch-Keltische of langgevel-type._

Hoofdbeginsel is hier, dat de afzonderlijke deelen van het huis naast
elkaar liggen. Bij den voorgevel begint het woonhuis; dan komt de
voorstal, de koestal, de deel (veelal _den_ geheeten), de schuur
of bergplaats voor hooi en stroo, en de _schop_ of bergplaats voor
gereedschap en brandhout: dit alles achter elkaar zich aaneenrijend,
en gescheiden door wanden, die loodrecht op den langgevel staan.

Gewoonlijk is de hoofdingang een kleine deur, die even om den hoek
in den langgevel is aangebracht. Maar men vindt ze toch ook in den
gevel der smalle zijde. Hierdoor komt men in de keuken of voorhuis,
veelal ook kortweg _het huis_ of _de heerd_ genoemd. Hier is de
stookplaats onder de groote schouw, waaraan de draaiboom met den
haalketting is. Hieraan grenzen opkamer, kelder, waschhok (_stort_)
enz. Van het voorhuis komt men in een smalle gang, den zoogenaamden
_voorstal_, in welks muur aan de stalzijde een soort venster is
aangebracht, waardoor de koeien gevoederd worden. De zich hier
aansluitende koestal is diepliggend en niet geplaveid. Woning, stal,
deel enz. hebben alle afzonderlijke, meest groen geverfde deuren,
naast elkaar in den langgevel gelegen. Het groot aantal deuren in
den langgevel is reeds, van verre gezien, een duidelijk kenteeken. De
ligging der verschillende lokaliteiten is in ekonomisch opzicht hoogst
onpraktisch en werkt vooral storend bij groot bedrijf. Ook laat de
zindelijkheid vaak te wenschen over.

Huizen met dit grondbeginsel en deze rangschikking vindt men
bezuiden Maas en Waal door geheel Limburg en Brabant, behalve
in den Zevenbergschen hoek. In het Zuiden van Limburg heeft een
ander type de overhand, zooals wij zien zullen. Dan treft men het
sporadisch aan langs de zeekust: te Loosduinen, Wassenaar, Noordwijk,
Castricum enz. Noordelijk van de Waal vindt men het, volgens Gallée,
Het Boerenhuis, bl. 63, hier en daar in de Betuwe, benoorden den Rijn
langs den Veluwezoom, verder bij Amerongen, Bunnik, Utrecht, Harmelen,
Woerden. Dan nog verspreid in het Gooi, bij Amersfoort en eindelijk
bij Harderwijk, Nunspeet en op de Veluwe, o.a. bij Kootwijk. Bij de
westelijke vertegenwoordigers van dit type is somwijlen een groote
of kleine schuur bijgebouwd, waarin dorschvloer en wagenbergplaats
en varkenskotten.

_b_. Bij het Zeeuwsche type (Zeeland en het eiland Flakkée) zijn haast
overal huis en schuur gescheiden. De woonhuizen hebben nagenoeg alle
den ingang in den vlakken gevel. De schuren zijn van hout en vrij
groot. De schuurruimte bestaat uit eenige _winkels_ of _tassen_ voor
de veldvruchten. Daartusschen zijn de dorschvloeren, en vlak hierbij
de koe- en paardenstallen.

Het dak komt in konstruktie veel met het Brabantsche overeen: ook
hier wordt de daknaald door de sporen gedragen.

Hoogstwaarschijnlijk is deze bouwtrant van Keltischen oorsprong. Het
type sluit zich in plan en konstruktie van den opstand aan bij
huisvormen, die men in Frankrijk en ook in Engeland, Schotland en
Ierland vindt. In België heeft dit type onbetwistbaar de bovenhand,
men vindt het in Vlaanderen, Antwerpen en Brabant, maar vooral in
Belgisch Limburg.

Het is dan ook geenszins te verwonderen, dat deze huisvorm in
Noord-Nederland juist in die streken wordt aangetroffen, waar wij
de Keltische grondlaag der bevolking hebben aangetoond, met name in
Zeeland, Brabant, Limburg, in de Betuwe en op de Veluwe. Ook de taal
vertoont hier Keltischen inslag.

4. Het _Frankisch-Romeinsche type_, of de "Zuidlimburgsche hoeve"
begint in Hollandsch Limburg bezuiden Venloo.

De rangschikking der gebouwen is als volgt: de hoeve in haar geheel is
steeds omgeven door een muur met een ingang en enkele vensters aan de
zijde van den grooten weg. De gebouwen liggen om een rechthoekige,
ongedekte mestvaalt. Vlak om deze loopt de _luif_ (vgl. luifel),
d.i. de gang, die zich onder het overhangend dak, de eigenlijke _luif_
bevindt. Rechts van de opvaart of oprit ligt meestal het woonhuis;
dan volgen de stallen. De achterzijde dient als schuur, de linkerzijde
als stal en bergplaats. De weg van den ingang naar de schuur loopt
voor de oogstkar dwars over de mestvaalt.

Het geheel is opgetrokken in steen; veelal is de bovenbouw van houten
vakwerk met steenen er tusschen. Somtijds bestaan de muren uit vakwerk
met vlechtwerk van takken en leem aangevuld. De meeste kamers zien op
de binnenplaats en zijn zeer eenvoudig; een enkele pronkkamer heeft
ramen aan de straat.

Het ruimst treft men dit type aan bij de groote boerenhoeven, de
zoogenaamde "pachthoeven". De kleinere hoeven daarentegen behelpen
zich vaak met de beide dwarsgebouwen en begrenzen de mestvaalt door
een _schop_.

Ook in Belgisch Limburg is dit type sterk verspreid; volgens Claerhout,
Biekorf XXIV, bl. 312, wordt het verder aangetroffen in Oostvlaanderen,
Brabant, Henegouwen, Luik en Namen. Voor het Zuiden van Westvlaanderen,
b.v. Kortrijk, vind ik hiervan de bevestiging bij Johan Winkler,
Oud Nederland ('s-Gravenhage 1888), bl. 112.

Het uitzicht dezer hoeven lijkt Herm. van der Kloot Meyburg, Onze Oude
Boerenhuizen (Rotterdam 1912), veelal onvriendelijk, "de binnenplaats
daarentegen is, ondanks haar onzindelijkheid, zeer aantrekkelijk. De
gevels zijn hier zeer afwisselend samengesteld; niet alleen, dat
zij van vele raam- en deuropeningen zijn voorzien, doch ook de aard
hunner constructie is zeer gemengd. Vakwerkbouw en massief muurwerk
van bak- of groepsteen werden gelijktijdig toegepast, waardoor het
schilderachtig karakter ten zeerste wordt verhoogd. Bovendien strekt
het dak, dat op zware karbeels rust, ver over.... De muren zijn
geheel of gedeeltelijk gepleisterd en doorgaans lichtblauw getint;
overigens zijn de kleuren weinig sprekend" (bl. XXII).

Deze bouworde is sterk verspreid in Midden- en Zuid-Duitschland en
strekt zich uit van den Midden-Rijn tot in Silezië en Zevenburgen. Of
de Romenische villa hier als model gediend heeft? Een treffende
overeenkomst is zeer zeker niet te ontkennen: de gebouwen zijn
gerangschikt om de mestvaalt evenals bij de Romeinen om het
_compluvium_. Verder is het merkwaardig, dat juist in Zuid-Limburg
verscheidene Romenische _villa's_ zijn opgegraven, zoo b.v. in 1870
door Habets op het plateau "op den Billich" ten Zuiden van Haasdal,
gemeente Schimmert, en door Dr. W. Goossens en Dr. J. H. Holwerda
bij den Heihof en bij het Ravenbosch bij Valkenburg. Van de
inrichting dezer laatste hoeve geven genoemde geleerden in de
Oudheidkundige Mededeelingen van het Rijksmuseum van Oudheden te
Leiden II (1908), bl. 34 het volgende zeer duidelijke overzicht:
"Door de smalle vestibule den geplaveiden hoofdingang binnentredende
staat men in den noordwesthoek van een hof, die links en rechts
door zijvertrekken begrensd wordt, terwijl het geheel door eene
breede achtergalerij wordt afgesloten; deze laatste staat dan nog
in verbinding met een klein bijgebouwtje. In den hof zelf heeft men
onmiddellijk links een afdak en daarop volgend eene afgeschoten ruimte
in den noord-oosthoek; vóor dat afdak ligt de mestvaalt en daarachter
bevindt zich nog een afsluitingsmuurtje. Recht achter den ingang ziet
men den toren, en daarachter toont nog een smal plaveiseltje door de
achtergalerij de plaats van een achteruitgang van het gebouw" (bl. 34,
35). Zeer onlangs, van 1911-'13, werden door dezelfde oudheidkundigen
opgegraven en onderzocht de overblijfselen der villa Vlengendaal,
gemeente Bocholz.

Over het grondtype der Romeinsche _villae_ vindt men een uitvoerige
beschrijving van de hand van Dr. J. H. Holwerda in Elzeviers
Maandschrift 1907.

In weerwil van de vele punten van overeenkomst is het niet onmogelijk,
dat andere faktoren op den bouwtrant der Zuidlimburgsche hoeven hun
invloed hebben doen gelden. Zulke faktoren kunnen volgens Dr. Goossens
geweest zijn: de wijze van exploitatie van een groot domein door
lijfeigenen, vrijheids- en veiligheidsoverwegingen, en vooral de
konstruktie der Lombardische kloosters.

De inrichting van de huizen, de versiering der gevels, de aesthetische
waarde der verschillende bouwvormen enz. bespreken wij in het Vijfde
Hoofdstuk, dat gewijd is aan de Volkskunst.



IV. Volkstypen en Kleederdrachten.


1. Het somatische volkstype.


Het spreekt wel van zelf, dat men het type der oorspronkelijke bewoners
het zuiverst ten platten lande aantreft. De vermenging met vreemd
bloed is het sterkst geweest en is dit nog in de groote steden. Ook
zijn historische momenten in deze van grooten invloed geweest; laat ik
slechts wijzen op Spanje,--al is de bewering onjuist, dat de Zeeuwsche
bevolking haar donker uiterlijk aan een vermenging met Spaansch
bloed te danken zou hebben--"mariage de la neige et du soleil"--en
op de Fransche uitgeweken Protestanten. Somatisch en maatschappelijk
nemen ook de Israëlieten, ofschoon sinds lang staatsrechtelijk en
burgerrechtelijk met de overige ingezetenen van de Nederlanden volkomen
gelijkgesteld, nog steeds een eenigszins afgezonderde positie in.

Zooals wij hebben aangetoond, behoort de bevolking van Nederland voor
het meerendeel tot het Teutonische of Germaansche en tot het Alpine
of Keltische ras.

Het Teutonische ras is langhoofdig (dolichocephaal), lichtblond van
haar, grijs-blauw van oog en rijzig van gestalte. Het Alpine ras
is korthoofdig of rondschedelig (brachycephaal), donkerblond tot
zwart van haar, bruinoogig, en meer middelmatig van lichaamsbouw:
over het algemeen is dit ras sterker gepigmenteerd. Daar nu juist
de pigmentatie zich het best van de drie kenmerken tot een globaal
overzicht bij een rassenonderzoek leent, heeft Prof. Bolk te dezen
einde in de verschillende provincies van Nederland gegevens verzameld
omtrent het voorkomen der onderscheiden oog- en haarkleuren. Zijne
resultaten heeft hij neergelegd in de Verslagen der Koninkl. Akad. van
Wetenschappen te Amsterdam, 5 Mei 1904, en in Gallée's meermalen
aangehaald werk over het Boerenhuis in Nederland, Bijlage III, bl. 12
vlg. Wij ontleenen hieraan het volgende.

Het lichte oog is in het Noorden van ons land het talrijkst, en naar
het Zuiden toe ziet men dit allengs minder talrijk worden, om in de
beide meest zuidelijke provinciën--Limburg en Zeeland-- het minimum
te bereiken. Hand in hand daarmede neemt in zuidelijke richting de
bruinoogigheid toe. Ten opzichte van dit verschijnsel kan men het
land in drie zònen verdeelen. De vier noordelijkste provinciën hebben
gezamenlijk 79.1 procent lichtoogigen, de vier provinciën, die de
middelzône innemen, 69.9, en de drie zuidelijke provincies gezamenlijk
gemiddeld 60.5. Vergelijkt men met deze cijfers de vermindering der
blondharigen, dan blijkt het, dat deze beide verschijnselen vrijwel
evenwijdig verloopende reeksen vormen, n.l. de noordelijke zône staat
bovenaan met 80 procent blondharigen, dan volgt de middelste met 72.2,
dan de zuidelijke met 64.2. Duidelijkheidshalve zij nog vermeld,
dat de noordelijke zône omvat de provincies Groningen, Friesland,
Drente en Overijssel; de middelzône Gelderland, Utrecht en Holland;
de zuidelijke Limburg, Brabant en Zeeland. De totale vermindering
aan lichtoogigen bedraagt dus 18.6%, aan blondharigen 15.7%.

Ter vergelijking volge hier een staatje, waaruit blijkt, hoe ook in
Duitschland het blonde type van het Noorden naar het Zuiden afneemt. De
pigmentatie van haar, oog en huid is hier gezamenlijk genomen.


    Noord-Duitschland   43-33%     blondinen,   12-7%   brunetten
    Middel-Duitschland  32.5-30%      ,,        18-13%     ,,
    Zuid-Duitschland    24.5-18.4%    ,,        12-7%      ,,


Uit het hooge percentage aan brunetten in de zuidelijke zone van ons
land blijkt ook weer, dat de bewoners van Noord-Brabant, Limburg,
zuidoostelijk Gelderland en Zeeland een eenheid vormen, welke geen
andere is dan de eenheid van het Alpine ras. Deze bevolking zet zich
ook in België voort tot op het plateau der Ardennen.

Nu zou men verwachten, dat met het brunettengehalte ook de
brachycephalie in zuidelijke richting zou toenemen; immers het
Teutonische ras is lang-, het Alpine rondhoofdig. Maar de verandering
in den _index cephalicus_ (die de verhouding aangeeft van de lengte
tot de breedte van het hoofd) blijkt bijna geheel onafhankelijk van de
veranderingen in het brunettenpercentage; terwijl het brunettengehalte
in zuidelijke richting toeneemt, neemt de brachycephalie toe in
oostelijke richting. Deze toestand is dus niet primair: de noordelijke,
blonde bevolking is rondhoofdig, en de donkere rondhoofdige bevolking
van de zuidelijke gewesten is meer langhoofdig geworden. Prof. Bolk,
De Bevolking van Nederland t.a.p. bl. 182 vlg. verklaart dit zóo,
"dat een uit het Oosten afkomstig volkstype, dat blond en rondhoofdig
is, zich gemengd heeft met de oorspronkelijke langhoofdige bevolking
onzer Noordelijke provinciën, en de geschiedenis leert ons, dat
deze volksstam de zoogenaamde Saksen waren." Wat nu deze Saksen
betreft, "een ding kan men wel als vaststaand beschouwen, dat
zij anthropologisch niet als zuivere Teutonen of Germanen zijn te
beschouwen. M.i. komt eene verwantschap met de Slavische bevolking
van het westelijke en middelste gedeelte der Noord-Duitsche laagvlakte
veel meer in aanmerking" (bl. 185, 186).

Dat de tegenwoordige bevolking van Zeeland langhoofdig is geworden, is
te danken aan de vermenging van het alpine type met het Teutonische,
nl. met de Friezen. De fusie is echter eerst na 1500 tot stand
gekomen. "Deze kruising mag vooral door de kombinatie van het bruine
oog met het lang ovale aangezicht een zeer gelukkige genoemd worden. De
Zeeuwsche bevolking geldt met recht als een der schoonste van Europa".

Laat ik hier ten slotte nog aanstippen, dat volgens Prof. Bolk het
Germaansche type het zuiverst bewaard is gebleven in de dorpen Katwijk
en Noordwijk, misschien in 't algemeen in de visschersbevolking van
onze Hollandsche Noordzeekust, en het Alpinetype in de omstreken
van Venlo. Het wil mij echter voorkomen, dat de frekwentie van het
brunette type in Zuid-Limburg veel grooter is. Wellicht komt hier
echter de invloed der Romaniseering in het spel.

Ook in België neemt volgens Léon Vanderkindere, Recherches sur
l'Ethnologie de la Belgique (Bruxelles 1872), het brunette type van
het Noorden naar het Zuiden aanmerkelijk toe. Het hoogste percentage
aan lichtoogigen en blondharigen heeft de provincie Antwerpen.

Wat den lichaamsbouw betreft kan men België in drie zônen verdeelen. De
eerste omvat West- en Oostvlaanderen; de tweede Antwerpen, Limburg,
Brabant en Henegouwen; de derde Namen en Luxemburg. Het percentage der
personen met rijzige gestalte neemt regelmatig toe van Noord naar Zuid.



2. Het psychische volkstype.


De hoofdkaraktertrek van het Noordnederlandsche volk is wel het
flegmatische, het bedaarde. Dit begrip van bedaard "lost zich op in
de termen: bedachtzaam in het overleggen, langzaam in het handelen,
koel in voorspoed, geduldig in tegenspoed, volhardend bij weerstand,
niet hartstochtelijk in het ongeluk, niet druk onder het genot":
R. Fruin en S. L. Vissering, Het Karakter van het Nederlandsche volk
(zie Algemeene Statistiek van Nederland II, 3), bl. 7, 8.

Deze eigenschappen hebben aan het Nederlandsche volk den roep
bezorgd van betrouwbaarheid, bezadigdheid en deege degelijkheid. Maar
ontaarden zij tot gebreken en ondeugden, dan slaan zij licht over
tot traagheid, stroefheid, stijf- en stijfhoofdigheid, of ook tot
flauwheid en Jan-Salie-geest.

De Noord-Nederlander is bedachtzaam, zelden gehaast, meer man van ernst
dan van fantasie; tot doortastende maatregelen is hij niet dan in den
uitersten nood bereid. Het kost hem moeite zich over partikularisme
en provincialisme heen te zetten. Ondernemingsgeest is hem niet
vreemd--de geschiedenis getuigt het--maar hij gaat niet graag over ijs
van éen nacht: van grootsche plannen is hij huiverig, en volgen is
hem liever dan voorgaan. In alles toont hij nuchterheid, zuinigheid
en overleg; en dit bezadigd overleg, deze koele berekening, al voert
zij somswijlen tot trekschuit-sympathieën, geeft hem doorgaans taaie
vasthoudendheid en vooral zelfvertrouwen en zelfstandigheid. Vandaar
zijn sterk ontwikkelde praktische, persoonlijke vrijheidszin, die
zich liefst zoo min mogelijk om wet of regel bekreunt, en daarom niet
zelden in bandeloosheid ontaardt.

Eenvoud van zeden, godsdienstzin en huiselijkheid kenmerken over het
algemeen de Nederlandsche natie. De zindelijkheid in het beheer van
woning en huisraad heeft wel vooral haar grond in de vochtigheid van
het klimaat, dat die zorg noodig maakt; bodem en luchtgesteldheid nopen
tot het leven in besloten kring en kweeken zin voor huiselijkheid. De
vele behoeften, door het leven geschapen, eischen voortdurende
inspanning en zijn drijvende prikkels tot gestadige werkzaamheid.

De hoofdscheidslijn in karakter en volksaard ligt tusschen Noord
en Zuid, en hiermee bedoel ik niet alleen België, maar ook de
zuidelijke gedeelten van Nederland. Ook hier openbaart zich krachtig
de eenheid van stam, met haar Keltisch-Frankischen ondergrond of
inslag. Bedachtzaamheid en bezadigdheid ruimen hier de plaats voor
luchthartige zorgeloosheid, die vaak tot laksheid en lichtzinnigheid
overslaat. In het Zuiden vindt men meer geestdrift en bezieling,
meer durf en ondernemingsgeest, maar ook meer vermetelheid,
wispelturigheid en ras getogen zelfvergenoegdheid. Het leven is er
meer expansief, de gastvrijheid ruimer, het verkeer gemoedelijker,
de toon inniger, de vreugde luidruchtiger, niet zelden leidend tot
uitgelatenheid en buitensporig genot. Wij zochten de diepliggende
oorzaak van dit verschil in het stamkarakter; daarbij mag men echter
ekonomische, historische en religieuze invloeden niet uit het oog
verliezen. Handel en nijverheid geven het volkskarakter een scherpe
plooi; het zeemanswezen noopt zoo niet tot doortastendheid, dan toch
tot degelijkheid en energie, terwijl de landbouw--lokaal bedrijf bij
uitstek--behoudlievende gezindheid schenkt en gehechtheid aan oude
gewoonten, zeden en overleveringen. De nederzetting in afzonderlijke
hoeven kweekt zelfs niet alleen aanhankelijkheid aan eigen bodem, maar
leidt in tegenstelling met het krachtig-uitbottend gemeenschapsgevoel
der akkerdorpen, tot verregaand partikularisme. Op het kweeken
van den eigenaardigen zelfstandigheids- en vrijheidszin met name
in de Hollandsche, Zeeuwsche en Vlaamsche gewesten is ook wel van
invloed geweest de vroegtijdige ontwikkeling der vrije steden met
haar zelfstandig bestuur. De inwerking der religie blijkt b.v. uit
de tegenstelling der min of meer sombere levensopvatting van den
streng-Calvinistischen Veluwenaar met de blijde levenslust van den
katholieken Limburger of Brabander. Zoo is ook de bevolking van het
streng-protestantsche Marken ernstig en stug, die van het katholieke
Volendam jolig, opgewekt en vroolijk.

Maar ook elke stam, hoezeer vermengd, behoudt zijn eigenaardig cachet,
stamkarakter, dat spreekt uit het gelaatstype. Weinig sprekend--het
is waar--is over het algemeen het Friesche gelaatstype; maar de
gedecideerde trek om den ietwat breeden mond en het terugwijkende van
de breede kin verraadt toch vrij sterk die beslistheid, die vastheid
en vastberadenheid, welke, tot stugheid en onbuigzaamheid aangescherpt,
spreekwoordelijk werd.

De Sakser is meer terughoudend, ook stroever en hoekiger, en hoekigheid
van gelaatsvorm is dan ook kenmerkend voor het type. Daarbij geven de
sterk ontwikkelde beenderen en het naar verhouding breede bovenhoofd
den indruk van wilskracht en van zelfbeheersching, die zich ook in
soberheid van woorden uit. Sober, terughoudend, berekend, eenigszins
wantrouwend en wantrouwen wekkend is de Tucker bovenal. De somberheid
en geslotenheid van het halle-huis heeft zonder twijfel zijn invloed
op de bewoners doen gelden, maar niet minder de huiselijke innigheid,
die deze woningsvorm kweekt en openbaart. Want moge het Saksisch
karakter weinig rimpeling vertoonen aan de oppervlakte, het meet
groote diepte en bergt een schat van zonnewarmte.--In de plaatselijke
nuances weerspiegelt zich de verscheidenheid van het landschap: guller,
goedhartiger, meer open is het karakter van den Graafschapper, stoerer
dat van den Twentenaar, stijf en afgemeten de bevolking der Drentsche
veendorpen; daarentegen stoelt de levendige en beweeglijke aard der
kolonisten ten oosten van den Hondsrug op grooter internationaliteit
van herkomst. Harmonie tusschen landschap en bewoners vindt men ook bij
de sobere, stemmig, bij voorkeur donker gekleede, kalme Veluwenaars te
midden van hun schrale heidevelden, en dat bij al de rasvermenging,
waarvan de Veluwe getuige was. Zie ook de karakterschets van den
Veluwenaar door Mr. C. A. Nairac, in zijn aantrekkelijk boekje:
Een oud hoekje der Veluwe (Barneveld 1878), bl. 88 vlg.

Sterk gedifferentieerd is vooral het Frankisch karakter. Wat ik van
het Noordnederlandsche karakter in het algemeen gezegd heb, is voor
het meerendeel meer in het bijzonder op het Hollandsch-Frankische type
toepasselijk, en dit laatste heeft zich tengevolge van het staatkundige
en godsdienstige overwicht van Holland--zij het ook maar officiëel--min
of meer op de geheele natie afgedrukt. In Zeeland teelde de kruising
van het blondine met het brunette type innigheid van temperament tot
dolle hartstochtelijkheid toe, maar bezonken tot duurzaamheid van
affektie. Spreekwoordelijk is ook Zeeuwsche rondheid, en niet ten
onrechte. Konservatisme gaat gepaard met frisschen ondernemingsgeest,
terwijl het stille element durf en ondernemingsgeest schonk. De
Zeeuwen vormen als het ware de schakel tusschen Westvlamingen en
Hollanders, en bij het zien van deze en dergelijke karakterketens,
wier schakels door een som van overeenkomsten worden verbonden,
denkt men onwillekeurig aan Joh. Schmidt's golf-theorie.

Zoo vormen ook weer de Noord- en Zuidbrabantsche Franken den middelterm
tusschen de Frankische kustbewoners en de Limburgsche, Ripuarische
Franken. Gemoedelijkheid voert bij hen den boventoon, de volksaard is
losser, levendiger, in het Zuiden mogen wij zeggen rumoeriger. Met
het Brabantsche type worden de Franken meer gemoedsmenschen, breekt
het sanguïnisch temperament door. In afzonderlijke hoeven voelen
zij zich dan ook niet thuis; steeds scholen zij in dorpen en dorpjes
samen op hun uiterst versnipperd grondgebied. De familiezin is sterk
ontwikkeld, groot de eerbied voor het gezag, de godsdienst omsluit
hen als een hechte band. Zelden verlaten zij hun dorp, want, vertelde
eens een boer uit Wijk, zij beschouwen het als een groot verlies,
ook maar éen dag den klokketoon van hun kerktoren te moeten missen.

Ik kom eindelijk tot Oost-Brabant, Belgisch en Hollandsch Limburg,
de Lijmers, de Overbetuwe. De Oostbrabanders typeert Dr. Van Ginneken
in zijn Handboek der Nederlandsche taal (Nijmegen 1913) I, bl. 170 met
den geur hunner boekweitvelden: in de verdrukking ietwat dof geworden
zielsparfum.--Maar met dat zielsparfum gaat heel wat welgedaanheid
en een voortreffelijke lichaamskultuur gepaard. Aan vroolijkheid
geen gebrek, evenmin als in het Land van Maas-en-Waal en in de
Overbetuwe. Zijn kulminatiepunt bereikt dit zuidoostelijk karakter
bij de Limburgers, van wie genoemde taal-psycholoog t.a.p. deze fraaie
schets geeft: "De Limburgers zoowel Zuid als Noord, West als Oost, zijn
de Italianen van ons land. Juist als hun oude stamgenooten bij Keulen
aan den Rijn, zijn zij lichthartiger en vroolijker, veel beweeglijker,
veel veranderlijker, maar ook veel rijker van geest dan de Hollanders
niet alleen, maar dan de Noord-Brabanders, Vlamingen en Antwerpenaars
bovendien. Zij hebben veel meer met de Luiker Walen gemeen, die
even wisselend en vol zijn als zij, met evenveel lust in feesten en
optochten, gaarne opgewonden praten bij een glas zwaar rinsch bier:
Lambiek of Maastrichtsch. Daarbij hoort en komt een levendige, dolle
verbeelding, zich uitsprekend in allerlei vertellingen en sagen,
en soms ook wel eens in tamelijk avontuurlijke daden. Veel aanleg
voor zang en muziek. Velen kunnen het den Rijnlander Rückert nazeggen:


            "Ein denkendes Gefühl, ein innerlicher Sang
            Ist alles was ich bin, was mir zu sein gelang."


Toch zijn ze verre van oppervlakkig en gewoonlijk veel scherpzinniger
en geestiger dan hun Noordelijke taalbroeders, die ze, fijne
menschenkenners als ze zijn, o zoo graag beetnemen, en bij wie ze dan
wel eens niet zonder reden den indruk van sluwe geslepenheid wekken,
die ze zelf liever als voorzichtige wijsheid betitelen. Veel geleerden
van grooten naam zijn in Limburg geboren en getogen. In Limburgsche
kloosters bloeien mystieke rozen. Ietwat neiging tot chauvinisne en
opvliegende woede ontsieren dezen schoonen aanleg.

Kortom tegenover de perseveratie of secundaire functie der Hollanders,
wordt het temperament der Limburgers heel en al gedomineerd door de
primaire functie: d.w.z. den oogenblikkelijken indruk. Bovendien zijn
zij óók emotioneel, hoewel ietwat minder dan de Vlamingen, die mede
door hun vlugger bewegelijker activiteit, evenals zij, scherp bij de
kalme Hollanders afsteken".



3. Kleederdracht en versierselen.


Op de Tentoonstelling van Nationale Kleerderdrachten in 1878
te Amsterdam gehouden vond men een merkwaardige verzameling van
hetgeen aan eigenaardige karateristieke kleedij in Nederland nog
voorhanden is. In het Rijksmuseum te Amsterdam zijn de voornaamste
stukken dezer verzameling ondergebracht. Voor de studie van
dit onderwerp verwijzen wij vooral naar Prof. J. H. Gallée, Het
Boerenhuis, bl. 76 vlg (met Atlas); Johan Winkler, Oud Nederland
('s Gravenhage 1888), bl. 105 vlg., 263 vlg.; Dr. J. C. De Kan,
Zeeuwsche Kleederdrachten. Herinnering aan het bezoek van Hare
Majesteit de Koningin en Hare Majesteit de Koningin-Regentes aan het
eiland Walcheren (Middelburg 1894); en Albert Dubois, Types et Costumes
(Bruxelles 1887). Over het algemeen geldt de opmerking, dat de oude,
nationale kleederdrachten hoe langer hoe meer verdwijnen.

_a_. In Friesland ziet men de korte jas en de korte broek alleen nog
bij volksfeesten. De vrouw uit het volk draagt over hemd en borstrok
_het onderst_, in Noord-Holland, om de Zuiderzee en in Drente _de
kroplap_ genoemd: een vierkante lap, met een gat om het hoofd door te
steken, terwijl op de borst een opening is aan den hals, die met knoop
en lus gesloten wordt. Eigenaardig is de hoofdbedekking. Over de haren
draagt de vrouw een wit mutsje, dan de zwartsatijnen muts, en hierover
het oorijzer. Over het oorijzer ging de groote floddermuts. De lange
floddermuts vindt men nog op de Zuidhollandsche eilanden; in Friesland,
Groningen en Noord-Holland is zij korter en korter geworden. Bewesten
Utrecht vindt men de Noordhollandsche muts met opgeslagen punten.

Het Friesche _oorijzer_ was oorspronkelijk een ring, zooals nog de
Zeeuwsche benaming "beugel" of "hoepel" getuigt. Inderdaad leeft
in de Friesche oorijzers nog voort de Oudgermaansche hoofdband of
diadeem; dit is bepaaldelijk betoogd door den Frieschen oudheidkundige
J. H. Halbertsma in zijn opstel over Den Ring van Epe, Overijsselsche
Almanak 1849. De oudste vorm der oorijzers was dan ook de volle
ongebroken ringvorm. Deze vorm was wellicht in 1600 nog niet geheel
buiten gebruik gekomen; althans op een afbeelding van Waterlandsch
landvolk uit het jaar 1611 draagt een boerenmeisje nog zulk een
hoofdring onbedekt over haar en voorhoofd; zie L. Splitgerber,
Boerenkleeding omstreeks 1600, in De Oude Tijd 1874. Volgens Winkler
is deze hoofdring tusschen 1000 en 1500 doorgesneden, opengebogen,
waardoor hij werd tot een veerenden, steeds passenden hoofdbeugel.

Een hoofdring, gevonden bij een grooten _cairn_ in de gemeente
Lumphanan (Aberdeenshire) loopt, zooals Halbertsma in een tweede
opstel: Ringmutsen en Oorijzers t.a.p. 1853, bl. 283 vlg. meedeelt, in
twee geplatte vlakken uit, bestemd om op het voorhoofd te rusten. Deze
uiteinden konden kruisend in elkander haken en versierden aldus
het voorhoofd. Maar toen de mutsen zoo diep daalden, dat zij het
boven-voorhoofd niet meer vrij lieten, moesten deze vlakken of knoppen
ruimte maken. Men deed dit op tweeërlei wijze. Of wel men liet den
hoofdring zijn volle lengte houden, maar hing de uiteinden bij de
ooren schuins naar beneden om: van hier de naam "oorijzer". Deze
wijze was wel de oorspronkelijke; zij karakteriseert het oorijzer
van Groningen en Friesland, en ook in Holland waren blijkens de
afbeeldingen in de XVIIe eeuw nog de smalle oorijzers met omgebogen
punt in gebruik. Thans worden ze nog gedragen door de weezen in het
Burger-Weeshuis van Amsterdam en in het Weeshuis van Delft. Maar men
kon ook--en dit was de latere Hollandsche behandeling--den hoofdband,
tevens verbreed, in een rechte strook laten doorloopen, maar den
geheelen beugel zooveel inkorten, dat de knoppen niet verder dan de
hoeken der oogholten reikten, waardoor het voorhoofd vrij en onbedekt
bleef. In Noord-Holland worden de eenmaal omgebogen gedeelten, vierkant
en plat, aan het breede oorijzer geklonken. Deze vierkante stukken
heeten in Holland _boeken_ of _pooten_, in haakvorm _token_. Men
gaf ze allerlei vormen, allerlei versierselen, als dierenkoppen,
bloemvazen enz. In Groningen en Drente spreekt men van _stiften_,
in Friesland van _knoppen_, in Zeeland van _stikken_. Daar, waar
men de uiteinden omboog, liet niet zelden de weelde zich gelden, de
haken al grooter en grooter te nemen en al meer en meer in te krullen:
vandaar de kegelvormige spiralen, die men aantreft in Zeeland, op de
Zuidhollandsche eilanden en in de streken om de Zuiderzee.

De naam van het oorijzer schijnt vast verbonden aan den naam van het
metaal, waaruit de oudste ringen vervaardigd werden: het ijzer. Men
hoort ook "hoofdijzer", of kortweg "ijzer". Maar in werkelijkheid
worden ijzeren oorijzers nergens meer gedragen. Thans zijn ze van
koper, verguld koper, zilver of goud.

Het verspreidingsgebied van het oorijzer is vrij groot. Behalve bij
de eigenlijke Friesche bevolking vindt men het in Zeeland, om de
Zuiderzee, en ook in Drente, waarschijnlijk van wege de Friesche
dracht der marktcentra Groningen en Meppel. In België wordt het
aangetroffen daar, waar men Frieschen inslag vindt, nl. in noordelijk
Oost-Vlaanderen (in het Land van Waas en het Meetjesland), en in het
grootste deel van West-Vlaanderen.

Bij het oorijzer hoort de naald, oorspronkelijk even veelvuldig als
de haarring; thans wordt ze steeds zeldzamer. Om de Zuiderzee is ze
onbekend. Zij wordt ingestoken en heeft de gedaante van een halven
ring, die om het halve hoofd sluit, hooger dan het oorijzer: smal
aan het achtereinde, dat onder de muts en onder de bladen van het
oorijzer gestoken wordt, breed en plat aan het vooreinde, dat op het
vooreinde uitkomt. Zij is van goud en vaak met edelsteenen bezet. De
naald mag in Noord-Holland en Friesland slechts door gehuwden worden
gedragen. De boerin draagt ze slechts in vol ornaat. Andere, kleinere
naalden worden terzijde van het voorhoofd gedragen.

Eigenaardig is vooral de Friesche dracht op het eiland Marken. Tot
het zesde levensjaar is er geen verschil in de kleeding van jongens en
meisjes: zij dragen beiden de bonte kleeding der vrouw. Marken heeft
een voorliefde voor bonte, sterk sprekende kleuren, evenals het oude
Hindeloopen. Een jongen is slechts kenbaar aan de cirkelvormige vlak
achter op het mutsje. Het meisje houdt dezelfde kleeding. Maar is zij
grooter geworden en zijn haar eigen haren niet lang genoeg, dan hangt
zij zich twee lange blonde krullen over de ooren. Voorliefde voor het
bonte vindt men ook in de zuiver Friesche bevolking van Spakenburg
en Bunschoten (Vgl. Gallée, het Boerenhuis bl. 82).

_b_. In Zeeland is de vroegere kuitbroek nagenoeg verdwenen: voorheen
droeg men ook zilveren gespen op de knie en op de schoenen. Aan
het bovenlijf draagt de Zeeuw een gekleurden borstrok met twee
rijen zilveren knoopen, aan den hals gesloten door twee gouden
knoopen. Ook bleven bewaard twee of vier zilveren broekplaten, die
men _broekstrikken_ noemt. Het hoofd wordt gedekt met een hoogen,
eenigszins spits toeloopenden vilten hoed met kleinen omgeslagen
rand. Onmisbaar is het mes met zilveren heft in de lederen scheede en
de sierlijk gemonteerde houten pijpekast, die uit den broekzak steekt.

De _Zeeuwsche knoop_ en gordel- of broekplaat gaan terug tot den
primitieven doorn, dien de oude Germanen voor spang bezigden. Toen
deze doorn vervangen werd door een metalen spang, ging men deze
spoedig versieren, zooals de spangen, in de Friesche terpen gevonden,
getuigen; zie Mr. P. Boeles in de Vrije Fries XX, bl. 431 vlg. De
groote vorm dient om mantel of gordel vast te houden, de kleinere om
lichte kleedingstukken te verbinden of op te sieren: de knoop. De
knoopen vindt men in Zeeland en elders in het Friesche stamgebied;
de gordelplaten slechts in Zeeland, om de Zuiderzee, op Urk en Marken
en in Volendam. Deze versierselen vertoonen een spiraalbasis met
ringen en knoppen van gevlochten draad. Een ander soort knoopen en
platen hebben den vorm van halfronde bollen van plaatgoud, van boven
belegd met knopjes in geometrische vormen of bol uitgeslagen. De aldus
bewerkte knoopen worden aangetroffen in Zeeland, Zuid-Holland en om de
Zuiderzee; de broekplaten in Zeeland, Staphorst en Rouveen en op Urk.

De vrouwenkleeding is specifiek Friesch; het "onderst" heet in
Zeeland _de beuk_: hierover draagt men een gekleurden omslagdoek met
zijden rand. De haarbedekking bestaat uit ondermuts, oorijzer en
bovenmuts. Het smalle oorijzer wordt hier _de beugel_ of _hoepel_
genoemd. De gebogen gouden uiteinden noemt men de _krullen_ en zij
hebben dan ook den vorm van een krul, van een spiraal of kurkentrekker;
aan deze krullen hangen de gouden plaatjes, die men _strikken_ noemt,
ronde, gouden plaatjes, plat, niet bol. Ook de naald ontbreekt niet.

De ondermuts, hagelwit en van gebloemd katoen, met kantjes er aan,
sluit netjes om de slapen, maar komt van voren een goed stuk uit
de bovenmuts uit. Deze heet gewoonlijk _de langet muts_, ook in
Zuid-Holland en in Groningen. Op Walcheren haalt men ze van achter
met een lintje bij, reden waarom ze _trekmuts_ heet. Daarover draagt
men aldaar een geelstrooien _kaphoed_, aan de achterzijde met een
smaakvolle waaiervormige garneering van gekleurd zijden lint, en aan
de voorzijde met loshangende linten van dezelfde stof. Zuid-Beveland
onderscheidt zich door zijn zwierige bovenmuts. Zij is van terzijde,
rond, breed-uitstaande, met een steunsel van karkas, bij het
achterhoofd vierkant. De muts is bij de roomsch-katholieke vrouwen veel
grooter en het onderste gedeelte van naar achteren afhangende kant;
bij de protestanten loopt de muts in een boog door naar voren. In
westelijk Zeeuwsch-Vlaanderen (Cadzant, Aardenburg enz.) draagt men
een karkasmuts met breeden, gelaat en kin omplooienden rand; zij is
van kant of tule, en het achterstuk, het rabatje, heet kortweg _de
kant_. Van beugel, strikken of krullen hier geen spoor.

Zeer eigenaardig zijn in het land van Axel de hooge pofmouwen,
eigenlijk ontstaan door het eigenaardig plooien van den doek. Hulst
onderscheidt zich door den Vlaamschen klepmantel en de muts, die
althans wat de slippen betreft, veel op de Brabantsche lijkt. Deze
overeenkomst is weer opmerkelijk, maar kan goed op ontleening
berusten. De min of meer kostbare kant, met _het pasje_ er aan, daalt
langs de schouders naar beneden; maar van achteren komen die slippen
eenvoudig tot den hals bij elkander en niet met een lange strook
langs den rug, zooals bij het Thoolsche model. Vgl. Dr. J. C. De Man,
Zeeuwsche kleederdrachten, bl. 11, 21, 36, 50, 57 enz.

In België vindt men het oorijzer vooral noord- en oostwaarts van Brugge
en langs de Noordnederlandsche grenzen, in het stadje Damme en in de
dorpen Lapscheure, Oostkamp, Moerkerke, Dudzele, Heyst enz. Verder,
zooals gezegd, in noordelijk Oost-Vlaanderen, in het Land van Waas
en in het Meetjesland. In de eerste helft van verleden eeuw werd het
nog gedragen door geheel het noordelijk en middendeel van Vlaanderen,
tot Kortrijk en Poperinghe toe.

_c_. Bepaalde eigenaardigheden vinden wij in het Zuiderzeegebied met
zijn gemengde bevolking. Vooral in de omstreken van Kampen, Elburg,
Harderwijk enz. vindt men de krullen en spiralen aan het oorijzer, die
wij leerden kennen in Zeeland en op de Zuidhollandsche eilanden. In dit
gebied kent men verder, alweer evenals in Zeeland, de groote gordel-
en broekplaten, en eindelijk den eigenaardiggevormden Zeeuwschen
knoop, waarvan bl. 56, 57 sprake was. Het oorijzer is hier nauwelijks
twee of drie vingers breed; de vorm van Staphorst en Rouveen kan als
model gelden.

In het Gooi en op de Veluwe tusschen Nijkerk en Nunspeet, daar waar
de Keltisch-Frankische inslag wellicht het aanzienlijkst is, hebben
de sloten der halskettingen een vierkanten vorm, en wel vooral bij
de bevolking met donkere pigmentatie en met het Keltisch-Frankische
huis. Meestal zijn dan negen knoppen in het vierkant aangebracht,
omgeven door bladwerk, dat verbonden is door spiraalwerk. Een
vierkanten vorm, maar met late motieven, vindt men ook van Twente
tot in het Westland. Meestal zijn de sloten echter rond.

Overigens komt de kleederdracht van dit gebied vrijwel overeen met
die der andere bewoners om het bekken der Zuiderzee, die nog de oude
dracht hebben bewaard. Tot het vierde jaar hebben de jongens en meisjes
de dracht der vrouw, de jongens onderscheiden door een zilveren knoop
onder de mouw, de meisjes door een rood koorden afzetsel aan de muts.

_d_. Wij maakten reeds de opmerking, dat Drente de Friesche
kleederdracht heeft aangenomen. Daarentegen heerscht in Overijssel
en Gelderland de Saksische dracht. Ook hier is de korte broek
verdwenen. Maar typisch is de _pijjekker_ of lange jas, die over
het vest met dubbele rij knoopen gedragen wordt en tot ver over de
grenzen te vinden is. De hoofdbedekking is de pet, eertijds was het
de hooge hoed, die thans nog alleen voor staatsie dient.

Het meisje draagt in de eerste jaren _de bonnet_, een zwarte, zijden
muts. Daarna bestaat de hoofdtooi uit een ondermuts, wit of zwart,
waarover de bovenmuts gaat. De witte bovenmuts of _knipmuts_ heeft van
voren een geplooide, door karkas strak en uitstaande strook. Vroeger
was die "streppel" heel breed, zegt W. H. Heuvel, Volksgeloof en
Volksleven (Zutphen 1909), bl. 338, zoodat het hoofd als in een
huifwagen wegdook; thans is hij smal en meestal zonder karkas. Achter
hangt de kant in den nek af, vroeger kort, thans lang, vaak tot over
de schouders. De muts zelf was vroeger met bloemen geborduurd. Bij
feestelijke gelegenheden of bij kerkgang wordt hierover dan nog
een stroohoed gedragen, waaraan twee linten met zilveren haak. Maar
meestal draagt men thans over de muts een modernen hoed, en eveneens
een modern kleed in plaats van het van voren laag uitgesneden wollen
of linnen lijfje, dat op zijde werd vastgemaakt. Nog thans draagt
men in het Overveldsche op de Veluwe over het jak een geplooiden
wollen omslagdoek, die elders op den duur door de knoopdoekjes werd
verdrongen.

_e_. In het Frankische gebied zijn de mannen gekleed als in
Gelderland. Bezuiden Roermond vindt men echter voor mannen- en
vrouwenkleeding bijna overal de dracht der groote magazijnen. De
blauwe kiel bij de mannen, zoowel in Nederland als in België, en de
omslagdoek en het manteltje bij de vrouwen geven soms aan de kleedij
nog iets eigenaardigs. Het witte mutsje met een gekleurd bloempje,
dat de vrouw om het hoofd draagt, heet _het pläkske_. De mannen
dragen veelal knevel, of knevel en baard, in tegenstelling met het
gladgeschoren gelaat, waaraan men gewoon is in het Noorden.

Terwijl het Land van Heusden wat betreft de vrouwenmuts meegaat met
de Betuwe en Veluwe, waar immers de knipmuts domineert, is de gewone
dracht in Brabant en Noord-Limburg de Brabantsche "groote muts",
de zoogenaamde _huifmuts_. Over de gladgestreken haren gaat eerst de
zwarte ondermuts. Dan komt de eigenlijke huifmuts, van tule, en hierop
wordt de groote tuil bloemen en linten gelegd, dien men _de poffer_
noemt; de geheele dracht is zeer kostbaar. Daarnaast heeft men nog
een groote zwarte muts. In sommige plaatsen, b.v. te Bergen-op-Zoom,
Ossendrecht enz., draagt men reeds de zwierige Vlaamsche muts met
haar losplooiende, wuivende slippen, die wij ten deele ook in Zeeland
hebben aangetroffen. Zie H. Hymans in Patria Belgica (Bruxelles 1875)
III, bl. 755.

Naast de Vlaamsche muts heeft men nog den Vlaamschen stroohoed met
zijn eigenaardigen kapvorm en zijn linten versierselen en ontelbare
spelden, door de landmeisjes óok in de omstreken van Antwerpen veel
gedragen. Men treft hem verder nog aan op de grens, b.v. te Clinge,
Stoppeldijk, Hontenisse enz. Elders, rond Brussel b.v., en wel in heel
Zuid-Brabant, plooit men een doekje om het hoofd, dat onder de kin
wordt vastgeknoopt. Algemeen vindt men den _neuzik_ of _neusdoek_,
een vierkanten omslagdoek, gebloemd of gekleurd, die om de schouders
gedragen wordt.

Er resten nog twee vrouwelijke kleedingstukken te vermelden, die
voor het meerendeel in België gedragen worden, slechts sporadisch
in Nederland. Dat is vooreerst de falie, een kleedingstuk van
zwarte zijde, met een rand van franje, waarmee men het hoofd omhult,
terwijl de van voren elkaar kruisende slippen een soort van boezelaar
vormen. Bij Bergen-op-Zoom en in de Langstraat wordt zij o.a. gedragen
bij kerkgang; ook in Limburg is zij nog bekend. Bij kerkgang in
engeren zin, d.i. wanneer volgens katholiek gebruik de kraamvrouwen
kerkwaarts togen ter zegening van moeder en kind, droeg men tot voor
enkele jaren in Limburg de bonte Schotsche shawl. De falie is niet
onwaarschijnlijk van Spaansche herkomst en herinnert aan de artistiek
gedrapeerde mantilla. De Vlaamsche huik, kap, of klepmantel, is een
soort cloak van vrij dikke stof, die men 's winters en 's zomers bij
regenweer draagt. De kap slaat men over muts en hoed. Voorheen werd
zij ook in geheel Staats-Vlaanderen gedragen, thans nog slechts in
het Land van Hulst.

Eindelijk in Brabant, Limburg, de Lijmers, het Rijk van Nijmegen en in
Zeeland, dus over de geheele uitgebreidheid van het Keltisch-Frankische
gebied, worden hangers gedragen. Zij zijn vooral bij de katholieken
in zwang om het kruis te dragen en bestaan doorgaans uit bladgoud
met spiralen aan metalen kettinkjes. De hartvormige hanger heet _de
schoef_. Merkwaardiger wijs vinden wij dezen hanger met eenigszins
gewijzigden vorm ook weer in het Zuiderzeegebied (met het Gooi). Nauwer
hangt dit gebied weer met Zeeland samen door een breeden platten ring
met spiraalwerk van blaadjes. Daarentegen vindt men uitsluitend in
Brabant en Limburg een eigenaardigen gouden of zilveren mantelhaak,
die uit verschillende stukken is samengesteld.



DE VOLKSRELIGIE.


I. Volksreligie en Geestenwereld.


Het kan niet in mijn bedoeling liggen hier het godsdienstig leven
der bewoners van Groot-Nederland in zijn veelvuldige uitingen te
schetsen. Hoe vreemd het bij den eersten oogopslag ook schijnen
moge: "religie des volks" en "volksreligie" zijn niet synoniem. Deze
laatste toch is spontaan uit het volk opgegroeid onder den invloed van
christelijke, maar ook van heidensche voorstellingen en begrippen. Het
religieuze denken en leven des volks vormt een machtig stuk van zijn
kultuurbezit, terwijl de volksreligie, die alleen tot het domein der
Volkskunde behoort, hiervan substraat of bezinksel is, vervorming,
uitvloeisel of uitbreiding, ressorteerend onder het gebied der
onderkultuur. Vandaar dat beide begrippen zich slechts dekken bij de
natuurvolken: de volksgoddienst is heel hùn godsdienst.

In de volksreligie zullen wij dus aantreffen een sterk uitgesproken
synkretisme, een intensieve wisselwerking van heidensche en
christelijke begrippen. Atributen van heidensche goden werden door het
volk op Christen-heiligen overgebracht, heidensche legenden werden
met christelijke persoonlijkheden verbonden. Anderzijds putte het
kerkelijk geloof uit het volksgeloof, of steunde daarop, waar het
gold heidensche gebruiken te kerstenen of met volksgebruiken haar
feestkring en liturgie te verrijken. Waar het volksgeloof met het
kerkelijk geloof in botsing komt, dus strikt-populair blijft, daar
draagt het den naam van bijgeloof. Het ligt derhalve op onzen weg,
dit bijgeloof nader te onderzoeken, alsmede den volksfeestkring,
waar de wisselwerking tusschen de verschillende bestanddeelen der
volksreligie het meest treffend tot uiting komt.

Ik zeg: "waar het volksgeloof strikt-populair blijft", en bedoel
hiermee: waar het een tegenstelling vormt niet het kerkelijk
geloof. Maar zoo vaak loopen volksreligie en kultuurreligie parallel,
kabbelt het beekje der religieuze volksopvatting en volksvereering
rustig naast den stroom der kerkreligie voort, om niet zelden daarin
uit te monden. Frissche, naïeve, dichterlijke opvattingen ontmoeten
wij hier in groote getale, opvattingen, die innige vroomheid ademen
en diepen godsdienstzin. Andermaal is een historisch-heidensche
of animistische voorstelling dermate verzwakt, dat slechts een
onschuldig residuum van naïeve volksverbeelding overblijft. Wie zal
de volksvoorstelling laken, dat Sinterklaas bij het gieren en loeien
van den Decemberwind op zijn schimmel heen rijdt over de daken,
of het volksgebruik van het bekransen der laatste schoof of van den
palmpaasch? Eindelijk, waar velen animisme speuren, zie ik niets dan
dichterlijke uitdrukking, dichterlijke persoonsverbeelding, met name
verpersoonlijking der natuur, waarvan elk animistisch begrip of elke
animistische nuance verre blijft.

In de volksreligie onderscheid ik in aansluiting met het bovengezegde
een _natuurlijke_ en een _historische laag_.

I. Op den bodem der _menschelijke natuur_ liggen de begrippen van
Godsbestaan, vergelding, voortleven der ziel e.a. Men vindt ze niet
alleen bij de kultuurvolken, maar--zij het ook in de grilligste vormen
gehuld--insgelijks bij de minst beschaafde stammen.

Daarenboven bevat het hedenclaagsche folklore de voortbrengselen eener
steeds werkzame, rusteloos arbeidende, mythenvormende aandrift des
volks, die eertijds zich voortbewoog op de dwaalwegen en kronkelpaden
van het polytheïsme, die het hare bijdroeg tot het tot stand komen
van menige mythische formatie van voorheen, maar die ook voor het
heden nog een overvloedige bron is van volksreligie en magie. Vooral
Wilh. Mannhardt heeft op dit bestanddeel de aandacht gevestigd
in zijn Baumkultus der Germanen und ihrer Nachbarstämme (Berlin
1877). Bij alle Noordeuropeesche volkeren, met name bij de Germanen,
neemt hij een uitgebreiden daemonkultus aan in een voorhistorisch
tijdperk. Deze kultus veronderstelt de primitieve wereldbeschouwing
van het _animisme_: het toekennen van een ziel aan alle dingen,
bewerktuigd en onbewerktuigd, gesproten uit een geestestoestand,
waarin de mensch geen scherpe scheidslijn weet te trekken tusschen
hem zelf en de hem omringende natuur. De kloof tusschen mensch,
dier, plant, mineraal is bij zulke wereldbeschouwing overbrugd, er
is geen plaats meer voor het wonderbaarlijke; het meest ongelooflijke
lijkt niet meer dan natuurlijk. Menschen kunnen evengoed in boomen en
rotsen veranderen als omgekeerd. Zie hierover verder mijne Essays en
Studiën in vergelijkende godsdienstgeschiedenis, mythologie en foklore
(Venloo 1910), bl. 51, 52.

Uit het beschouwen van den plantengroei, zegt Mannhardt, heeft de
mensch eertijds het besluit getrokken eener wezenlijke overeenkomst
tusschen de plant en hem. Aan de plant schreef hij een ziel
toe, gelijkvormig aan de zijne, en uit haar ontwikkelde zich de
_Vegetationsdämon_, die in de Germaansche boomvereering zulk een
gewichtige rol speelt. Van daar het gebruik, een boom te planten
bij de geboorte van een kind; vandaar de gebruiken, die samenhangen
met laatste schoof, meiboom, levensroede enz. Zij houden verband met
een voortsluimerende, hoewel onbewuste vereering van den geest der
vruchtbaarheid, die naar men eertijds geloofde in die voorwerpen zijn
verblijf hield. Verlaat echter de boomziel haar gewone verblijfplaats,
dan schenkt zij het aanzijn aan Wildemannen, Witte en Groene Juffers
en dergelijke.

Nu hoede men zich in deze voor overdrijving of generaliseering. Het
animisme, òok het thans nog onbewust voorttierende, is ten slotte een
primitief-wijsgeerige wereldbeschouwing, uit gebrekkige waarneming
met nog gebrekkiger oordeel afgeleid. Maar bespiegelende wijsbegeerte
is nog geen godsdienst, en dus gaat het niet aan van een werkelijken
volkskultus te spreken, wanneer geen hooger bestanddeel aanwezig
is. Men denke daarenboven, zooals reeds gezegd, aan de mogelijkheid
eener figuurlijke opvatting, eener poëtische persoonsverbeelding,
die m.i. in vele gevallen stellig aanwezig is. Moge b.v. met het
gebruik van den meiboom, in zijn verschillende vormen, nog in zekere
mate een vaag begrip van "boomziel" gemoeid zijn,--een "boomdienst" is
dit stellig niet meer. Ook weten wij, dat parallel met het Christendom
onder den vorm van bijgeloof een zeker volksgeloof aan de huisgeesten
bleef voortwoekeren, nu eens welig uitbottend, dan weer door gezonder
leer besnoeid. Maar men zal mij moeten toegeven, dat de vorm van
dit volksgeloof in de vereering--zoo daarvan sprake kan zijn--van
het gemoedelijk volkje der aardmannetjes en kaboutermannetjes op
vaderlandsche bodem al bizonder onschadelijk is.

II. Volgens het zooeven gezegde zullen wij in de _Germaansche
Mythologie,_ die in zoo nauwe betrekking staat tot het hedendaagsche
folklore, een tweevoudig bestanddeel moeten onderscheiden: een
lagere en een hoogere mythologie. Naast animisme in engeren zin,
d.i. zielengeloof en zielenvereering, voor een groot deel veroorzaakt
door den drang om het levensbeginsel, bij den dood geweken,
weder te vinden in de omringende natuur, bloeide een uitgebreide
daemonkultus; deze stoelde eveneens op genoemde primitief-wijsgeerige
wereldbeschouwing, maar werd als kultus voor een groot deel door
erkenning van het hoogere in de natuurkrachten te weeg gebracht. Aldus
werden geboren de wind- en berggeesten, aldus de woud- en watergodheden
der Oude Germanen.

Ziedaar den oorsprong van menige formatie in onze
volksreligie. Zielengeloof verklaart op de beste en eenvoudigste wijze
het verwijlen van koningen en andere lievelingen des volks in rotsen en
bergspelonken: men denke slechts aan Barbarossa, Hendrik den Vogelaar,
Karel V, Karel den Grooten in Duitschland, koning Artur in Engeland,
koning Olaf in Zweden, maar ook aan de Venus- en Hollebergen, waar
de zielen huizen onder den schepter der doodsgodin. Want Holle,
de vrouwe in het wit, is de doodsgodin. Tusschen het dorp Elspeet
en de buurtschap Uddel (G.) bevindt zich een hoogte, bekend onder
den naam van _de hulde_ of _het hul_, verdeeld in een kleine en
groote hul. Men heeft getracht deze benaming te verklaren als
verbastering van het Engelsche _hill_ "heuvel". Evenwel, "daar de
legende zich ook aan deze plaats heeft vastgeknoopt en zegt, dat een
reus daar eens het overtollige zand uit zijn klompen heeft geschud;
daar het bovendien vreemd zou zijn, dat juist die éene heuvel een
Engelschen naam ontving, moet men aan eene andere afleiding denken":
Dr. L. Knappert, De Beteekenis van de wetenschap van het Folklore
voor de Godsdienstgeschiedenis (Amsterdam 1887), bl. 157. Ik ga met
schrijver akkoord, wanneer hij hier aan Holdavereering denkt.

Want Vrouw Holle is de koningin der _elfen_: deze toch, de lievelingen
der volksfantasie en der dichtkunst, zijn zielen der afgestorvenen,
zijn dus van animistischen oorsprong in engeren zin. Troepsgewijze
wonen zij bij elkaar, niet slechts in de bergen, maar ook in
bosschen en rivieren. Zij komen uit Elfenheim of Engelland. Ook hun
eigen koning hebben ze, den _Alfen-, Ellen_- of _Erlen_-koning, in
het Fransch _roi des aunes_. Het woord _elf_, Middelnederl. _elf_
of _alf_, Angelsaks. _aelf_, is verwant met het Oudindische _rbhu_
"geest, ziel van een afgestorvene". In onze Middelnederlandsche
letterkunde zijn zij uitermate bekend, maar slechts in de ongunstige
beteekenis van kwelgeesten of bedrieglijke schijnbeelden, zoo b.v. in
de Sotternije van Lippijn 105:


        Wat duvel heeft God die werelt gheplaecht
        Met alven ende met elvinnen.


En aldaar 146:


        Wat! ben ic dronken van den biere
        Ochte vlieghen dalve achter straten?


Zie over dit onderwerp vooral de verhandeling van Dr. L. Knappert in
De(n) Tijdspiegel 1898 II, bl. 353 vlg., III, bl. 29.

Vele trekken van Holda en haar stoet zijn overgegaan op de _Witte
Vrouwen_ met haar sterk animistischen grondtoon. Men kent ze in
Engeland, Duitschland en Oostenrijk, maar ook in ons land. Kiliaen
neemt ze in zijn woordenboek op; de Teutonist noemt ze _guede holden_
en _belewitten_, dit laatste oorspronkelijk benaming van goede geesten,
later van tooverheksen: zie hierover het opstel van Prof. J. W. Muller
in Volkskunde XIX, bl. 8 vlg. De predikant Jan Picardt geloofde vast
aan haar en spreekt het anathema uit over allen, "die door ignorantie
van oude dingen voor fabeltjes houden al wat van deze witte wijven
verhaalt wert." Vooral in het Oosten van ons land zijn de _Witte
Wiêven_ bekend, met name in Gelderland en Overijssel. Op de Lochemsche
bergen kent men een Witte-wijvenkuil. V. D. Bergh beweert in zijn
Kritisch Woordenboek op bl. 361, dat zij bekend zijn "in N.-Brabant,
Gelderland, Overijssel, Drenthe, Groningen, Friesland en het dus
genoemde West-Friesland of N.-Holland", en, naar hij, meent, ook in
Zeeland. "In het eigenlijke Holland en Utrecht" heeft hij daarvan geen
sporen aangetroffen. Zij wonen in heuvelen, _wiêvenbelter_ geheeten,
meestal drie bij elkaar, soms talrijker, zeldzaam éene afzonderlijk;
zoo wonen zij te Buurse (O.) in den _Langenbelt_, en daar worden
nog eigenaardig-gevormde pijpjes gevonden, waaruit zij rookten. Te
Vriezenveen (O.) huisden zij op de _Jöst_. Niet zelden klopten zij
's avonds aan en vroegen dan om een _balkenhaze_ (kat); bij weigerend
antwoord oefenden ze wraak, drongen met gloeiende breinaalden in het
varkenshok en doodden de zwijnen. Zelfs door het riemsgaatje konden
zij binnenkomen: Driem. Bladen I, bl. 66, 101, 103; II, bl. 1. Eens
is het gebeurd, toen een boer bij maneschijn over de eenzame Groot
Driener heide reed (O.), dat in een oogwenk drie witte vrouwen uit
haar geheimzinnige verblijfplaatsen verrezen. De boer, goed geluimd,
sprak haar toe:


                Witte wiêven wit!
        'k Wol oe wal broan, maar hebbe geen spit;
        En um da'k neet hebbe en spit,
        Roop ik moar: witte wiêven wit!


Hierop antwoordden de geesten: "Wacht tot da' we deene schoband to
eknupt en doare' to erukt hebt". Maar de boer was zoo verstandig,
niet te wachten, anders was het hem slecht gegaan. Aldus Halbertsma,
Overijss. Alman. 1837, bl. 242.

Elders worden zij _Witte Juffers_ genoemd. Dr. L. Jansen heeft
verhaald over "de witte Juffer van Monferland", een berg, rond en
begroeid, gelegen aan den weg van Doesburg naar 's Heerenberg (G.),
zie Geldersche Volksalm. 1842, bl. 192 vlg. Volksverhalen van Witte
Juffers zijn ook in Limburg niet schaarsch. Zij vertoonen zich graag
bij warmen zonneschijn en helder maanlicht aan jonge schaapherders en
koewachters, kammen het lange haar, kloppen vlas, hekelen, spinnen,
en wijzen, stampend met den voet, de plekken aan, waar een schat
bedolven ligt. De Limburgsche volkskundige H. Welters verhaalt in zijn
Limburgsche Legenden, Sagen, Sprookjes en Volksverhalen (Venloo) I,
bl. 213 van de Witte Juffer van het "Gebroken Slot" bij Grubbenvorst;
Waling Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven (Leeuwarden 1895) I,
bl. 120 van het Juffershout ten noorden van Sint Anna-Parochie,
en van de Juffersbrug te Harlingen.

Tot de elfen behooren ook de _dwergen_ of _aardmannetjes_, in Noord-
en Zuid-Nederland overbekend. In de volksfantasie leven of leefden
zij voort als oude mannetjes, klein van gestalte, met langen, grijzen
baard en in het grijs gekleed: immers, evenals alle elfen ontleenen
zij het kostuum aan hun omgeving. Zij huizen in de bergen en wellicht
wijst de kap, waardoor zij zich onzichtbaar kunnen maken, op den nevel,
die de bergen aan het oog onttrekt.

Overdag korten zij den tijd met spel en zang in hun ondergrondsch
verblijf; het is een jolig, snaaksch, doch tevens listig, sluw,
bedreven volkje. In Belgisch Limburg bewoonden zij de konijnenpijpen,
vooral in den Alverberg bij Diepenbeek; in Hollandsch Limburg de
zoogenaamde _haagten_, d.i. onderaardsche gangen. Zulke bestonden
o.a. te Geleen, Stein, Echt, Reuver, Brunsum en Hoensbroek, waar
men nog een Auverberg en een Auvermoerbeek heeft. Ook huisden zij
op den Krekelsberg te Roggel, op den Pijpenberg te Haelen, en op
den Spekberg te Steijl. Te Venloo vertelde men vroeger, dat de
aardmannetjes te middernacht op het fort Beerendonk uit den grond
kwamen en dansten. Want slechts des nachts wagen zij zich buiten,
zij schuwen het daglicht, en zoo wordt de animistische grondtrek
van hun karakter weer duidelijk zichtbaar. Een Alverberge bestaat in
Zuid-Brabant o.a. te Bekkevoort en te Lubbeek.

Over het algemeen zijn zij hulpvaardig en dankbaar voor bewezen
diensten. In Vlaanderen wasschen zij al het linnen op éen nacht,
in Belgisch en Hollandsch Limburg schuren zij het koper- en tinwerk
blank. Nog weet men rond Hasselt te verhalen, dat huisvrouwen
en meiden potten en pannen naar een bepaalde plaats brachten, en
daar ter vergoeding eenige centimes en een zakje tabak neerlegden:
want zij rookten uit kleine, typische pijpjes. Ook in Antwerpen,
en Brabant zijn zij bekend, b.v. te Mechelen, Leuven, Aerschot,
Turnhout, Ghyseghem, Tremeloo en Herselt, waar sommige hunner ook wel
in bosschen woonden. Dit geldt ook voor de Veluwe; in het Soerensche
bosch b.v. droeg een plaats den naam van _Aardmanshegge_.

De aardmannetjes heetten ook _alvermannekes, auvermannekes, laplanders,
klablers, roodmutsjes, Jan met de roode muts, bergmannetjes,
heuvelmannetjes_ enz.; een vrij volledige lijst geeft De Cock in
zijn Brabantsch Sagenboek I, bl. 183. Te Groningen noemt men ze de
_'Aimpies_, in Vlaanderen ook _de Alven_. Vandaar de uitdrukking: "gij
zult door d'Alven geleid worden", d.i. door de geesten, die iemand
het spoor doen bijster worden. Misleiding wordt ook toegeschreven
aan _den Dalf_ in het land van Aalst en aan _den Als_ in de buurt
van Dendermonde. Volgens Lenaerts, De verdwijning der Alvermannetjes
(Antwerpen 1898), bl. 136, moet _den Alf_, geest, die 's nachts de
reizigers misleidt, wel degelijk van de Aardmannetjes gescheiden
worden. Zie nog Ons Volksleven I, bl. 66, VIII, bl. 213, IX, bl. 160;
Volk en Taal III, bl. 89; IV, bl. 57, 123; Wolf, Niederl. Sagen,
no. 3 474, 475, 476, 479.

Eigenlijk verschillen van deze groep de _kaboutermannetjes_, ook wel
_boezemannen_ en _kobolden_ geheeten. Zij zijn aan het huis gebonden
en vertoeven meestal in de daksparren. Hulpvaardig staan zij den boer
in het ploegen van het land, den molenaar, den timmerman enz. in al
hun bezigheden ter zijde. Hun intiem, huiselijk karakter spreekt sterk
uit de opvatting, die men in Noord-Holland (Zuiderwoude, Koog aan de
Zaan, Tessel, enz.), luidens de mededeeling van Dr. Boekenoogen, van
de _klabouters_ of _nachtwerkertjes_ had. Veelal werd ter vergelding
voor de goede bewezen diensten eten neergezet. Dit bestond in een
schoteltje met melk, en men plaatste het in een blindvenster, dat
is: het terzijde van den schoorsteen in de tegels gemetselde nisje;
zie Volkskunde XXI, bl. 221 vlg.

Eertijds, bij het hooren van de echo, meende men de stem der
aardmannetjes te vernemen. Thans zijn zij grootendeels verdwenen, het
volk zegt, omdat zij het luiden der klokken niet konden verdragen.--
Vgl. Wolf, Niederl. Sagen, nos 206--211, 477, 478; V. D. Bergh,
Woordenb. 120; Gittée, Nederl. Museum II, 2 bl. 352; Welters,
Limb. Legenden II, bl. 25; Schrijnen, Essays en Studiën, bl. 59.

De watergeesten bij uitstek zijn wel de nixen en _meerminnen_. Zij
bezitten de proteusnatuur en de gave der voorspelling. Wandelt men
's avonds langs het water, dan hoort men veelal haar stem. Vaak ook
weerklinkt haar verlokkend gezang in het stille van den nacht en
trachten zij de menschen in het verderf te storten. De beleedigde
waternix vooral weet zich te wreken. Haar wezen is identiek met dat
der oude Sirenen.

Wellicht wijst op dit volksgeloof de naam van een bosch in de
nabijheid van O.L. Vrouw-Waver, nl. "de Meermin"; zie Volkskunde
XXII, bl. 68. Volgens een oude overlevering zou ook Muiden eens met
een meermin hebben kennis gemaakt, die, uit de Zuiderzee opgedoken,
dezen vloek over de stad zou hebben uitgesproken:


    Muden sal Muden bliven
    Muden en sal noit bekliven.


Naar men weet, heeft Muiden als wapen een blauwen paal op zilveren
schild, vastgehouden door twee meerminnen.--In de groote kerk te Edam
op een der beschilderde glazen achter den preekstoel is een meermin
afgebeeld; terwijl de Purmerpoort aldaar een konterfeitsel vertoonde
van het "groene wijf", met dit bijschrift:


    Dit beeld hier opgericht tot een gedachtenis
    Wat in het Purmer-meyr voorheen gevangen is.
                    Anno 1403.


Immers, volgens de legende werd in dat jaar in de Zuiderzee een
monster gevangen met de gedaante eener vrouw, geheel met groen
mos begroeid. Naar Edam gebracht, leefde zij nog eenige jaren. Zie
F. W. Drijver, Mozaïek (Groningen 1906), 3e druk, bl. 202.

Belangrijker is het stellig na te gaan, wat van dit volksgeloof aan
watergeesten nog rest. Spoken bant men in Belgisch Limburg naar de
_weiers_ (vijvers), wat wijst op hun karakter en herkomst. Ook kent
men de _Grijze Meer_. Kinderen maakt men bang met den _waterwolf_,
om het spelen aan het water tegen te gaan. In Vlaanderen dragen de
watergeesten den naam van _nekkers_. Ook in Overijssel worden of
werden nog voor betrekkelijk korten tijd geesten geacht in vijvers
hun verblijf te houden, zoo b.v. te Zwolle de _watersnaak_.

Wat betreft de in België niet onbekende _boschnimfen_, die in
Duitschland de typische benamingen van _Moosfräulein, Wald-weiblein,
Selige Fräulein_ e.a. hebben, deze behooren tot de windgeesten. In
Noord-Bohemen heeft de boschnimf de gedaante van een stokoud
moedertje, met sneeuwwit, wild rondfladderend haar en bloote
voeten. Zij steunt op een knoestigen stok en schenkt gele blâren,
die in goud veranderen. Wanneer in de lente en in den herfst ijle
nevelgedaanten uit het gebergte opstijgen, wanneer "der Wald raucht",
dan pleegt men te zeggen: "Das Buschweibchen kocht".

's Winters, als de stormwind over onze lage landen heenvaart en door
't geboomte huilt en fluitend over de daken en om de schoorsteenen
giert, dan stormt het geestenheir door het luchtruim. Het is de _Wilde
Jacht,_ die in de volksverbeelding een zoo voorname plaats inneemt. De
voorstelling is ooroud en ook niet uitsluitend Germaansch. In de hymnen
van den Rig-Veda vinden wij als aanvoerder den windgod Vâyu-Indra
aan het hoofd van zijne _Maruts_. In de Germaansche landen voerde
Wôdan op zijn schimmel _Sleipnir_ het geestenheir aan. In den loop
der tijden hebben vele persoonlijkheden aan Wôdan deze eereplaats
betwist: in Engeland koning Artur, in Skandinavië koning Waldemar,
in Sleeswijk koning Abel. Frankrijk heeft de Germaansche voorstelling
overgenomen en op Karel den Grooten en Karel V toegepast; volgens
een Bourgondisch gedicht uit de XVIIe eeuw rijdt Charlemagne aan de
spits van het geestenheir, terwijl Roland het vaandel draagt.

Over geheel Duitschland is de sage van een vervloekten jager
verspreid, die, wegens het schenden van den Zondag, gedoemd werd,
met zijn honden achter zich, door het luchtruim te jagen tot den
jongsten dag. Hij draagt den naam van _Hackelberg_, uit _hackel
bärend_ "mantel dragend". Het Limburgsche folklore kent deze figuur
onder de benaming van "Henske met de hond"; "Henske" wordt ook
als duivelsnaam gebezigd. In Gelderland spreekt men plaatselijk
van de _Berndekesjacht_, en wordt als voorrijder genoemd _Dirk met
den beer_. Men meent te onderscheiden het gekrijsch van vogels en
verwijderd hondengeblaf. Wanneer op een hoeve "d'n bòvenste neendure"
's avonds wat laat open blijft, vliegt de Wilde Jacht wel eens
daarbinnen om uit te rusten. Ook hier leeft nog de legende, dat het de
jachtstoet is van een tot eeuwigdurig jagen gedoemden Zondagsschender;
vergel. Driem. Bladen III, bl. 3.

Somtijds, zooals plaatselijk in Hollandsch Limburg, is van een
aanvoerder volstrekt geen sprake, en dan openbaart zich de volksmythe
in haar ruimsten, wellicht ook in haar oudsten vorm. Veelal bestaat
het geestenheir uit de zielen van ongedoopte kinderen, of wel uit
dronkaards en allerlei soort misdadigers, zooals de _Aasgaardsreia_
in Noorwegen. In Belgisch Limburg spreekt men van _Helsche Jacht_ of
_Helsche Wagel_, ook wel van _Turkusjacht, Kluppeljacht, Tieltjesjacht_
(Hageland) en, evenals rond Leuven, _Tilkesjacht_: wonderschoone
muziek, maar als men slechts een woord spreekt, houdt ze op. Naar men
weet, verbreekt de menschelijke stem in het volksgeloof den ban van
de geestenwereld, van het bovennatuurlijke: vandaar, dat volstrekt
stilzwijgen gevorderd wordt bij het schatgraven, waterscheppen,
oudtijds bij het offeren enz. In Vlaanderen verklaart men het
geheimzinnige gerucht als de muziek van heksen of vrijmetselaars, die
zich naar hun vergaderplaats begeven. In Drente en Groningen geloofde
men aan een "vurigen" of "gloeienden" wagen, met vier of zes honden
bespannen,; en insgelijks sprak men van een "ijzeren" wagen, onder
vreeselijk geraas gemend door een voerman van ontzettende gedaante,
rijdend tusschen Nijkerk en Letterbert. In de Overbetuwe kende men
den _Helwagen_, te Zwartewaal in Zuid-Holland den _Oogstwagen_ met
overeenkomstige beteekenis. Zie verder Ons Volksleven II, bl. 9;
't Daghet in den Oosten II, bl. 167, 191.

Een animistisch karakter vertoont ook de _weerwolf_, letterlijk
"manwolf", immers het eerste gedeelte komt overeen met het Gotische
_wair_ en het Latijnsche _vir_, dat wij ook nog hebben in ons
"weergeld" d.i. "man-geld." De term "Lykanthropie" is van het
overeenkomstige Grieksche woord afgeleid.

De weerwolf-mythen hebben alle Indogermaansche volken gemeen; vooral
vindt men ze in grooten getale bij de Slaven, waar zij nauwverwante
trekken met onze heksen en vuurmannen vertoonen; zie b.v. Fr. Kraus,
Volksglaube und religiöser Brauch der Südslaven (Munster 1890),
bl. 112. Den Slavischen weerwolf slacht vrijwel diens naamgenoot op de
massale dijken langs Lek en Waal. De Betuwsche weerwolf, zegt Marie
Ramondt in Volkskunde XXIII, bl. 161, heeft niets menschelijks meer;
hij is niet de "man-wolf van onze andere landouwen, hij is een hond met
gloeiende oogen en een vurige tong, zooals Kludde uit de Brabantsche
sagenwereld, en evenals deze loopt hij op zijn achterpooten en rammelt
met een ketting.--Deze _Kludde_, die, naar het schijnt, benoorden
Brussel, en bezuiden Brussel onder den naam van _Lodder_, de plaats van
den weerwolf inneemt, houdt eigenlijk het midden tusschen weerwolf en
vuurman. Te Aalst en omstreken heet hij _Kledden_, te Brecht _Klodde
met zijn bellen_. Van bedriegers, die als weerwolf rondloopen, zegt men
dat zij "Kledden-loopen." Ook komt hij wel overeen met den grappigen
Gelderschen _Stoep_, die den verschrikten wandelaar voortdurend op den
rug springt. Zie De Cock-Teirlinck, Brabantsch Sagenboek (Gent 1909)
I, bl. 82 vlg.; Ons Volksleven V, bl. 147; X, bl. 142.

Het volk houdt zich vast overtuigd van de waarheid, dat sommige
personen de gave bezitten zich op bepaalde tijden, meest omstreeks
Kerstmis of St. Jan, in wolven te veranderen: de wolf is een mythisch,
daemonisch wind- of neveldier, zooals uit exotische gegevens voldoende
blijkt. De verandering in een wolf heeft plaats door het aanleggen
van de wolfshuid of den wolfsgordel--men vergelijke het aanleggen
van het zwanenhemd--, in de volkstaal kortweg "het vel" geheeten;
vgl. de uitdrukking "uit zijn vel springen", waarover Prof. Verdam,
Sporen van volksgeloof in onze taal en letterkunde, in de Handel,
van de Maatsch. d. Nederl. Letterk. te Leiden 1897--98, bl. 46.

Ons folklore is rijk aan verhalen, waarin op het middernachtelijk uur
het wolfsvel uit den schoorsteen op het vuur valt. Het verbranden van
de huid brengt de verlossing. Deze en dergelijke sagen zijn wijd en
zijd verspreid; in België, vooral in Vlaanderen en Limburg, ten deele
in Brabant, met name te Aerschot, Liedekerke, Hoogstraten, Hubertingen
en Maaseik; in de sagen van Belgisch en Hollandsch Limburg is de
weerwolf niet onkwetsbaar. Te Ohe en Laak b.v. bracht een jager hem een
zware wonde toe, en, het bloedspoor volgend, vond hij in een hut een
man liggen, die in de zijde doodelijk getroffen was. In Nederland kent
men den weerwolf in de provincies Limburg, Noord-Brabant, Friesland,
in de Graafschap, Salland enz. Van de zeven na elkaar uit hetzelfde
huwelijk geboren zoons of dochters is de zevende een weerwolf. Men
erkent hem o.a. aan eenige vezeltjes doek, die hij steeds tusschen
de tanden heeft. Ter bezwering trekke men met den voet een streep
over den weg, zeggende: "Als ge van God komt, dan nader; als ge
van den duivel zijt, dan blijf vóor de streep." Hij toont zich ook
dankbaar voor bewezen weldaden; zie Volk en Taal I, bl. 48; verder
III, bl. 209, IV, bl. 5. Vergel, ook H. Welters, Limb. Legenden II,
bl. 38 vlg.; De Cock-Teirlinck, Brabantsch Sagenboek I, bl. 93; Panken,
Noordbrab. Sagen (Brecht 1893), no 42 vlg.; Rond den Heerd IV, bl. 2.

Nauwverwant is de _mare_ of nachtmerrie. Het Middelnederl. _mâre_,
nog in Hollandsch Limburg en Zuid-Nederland gebruikelijk, is
verwant met het Oudhoogduitsche en Oudnoorsche _mara_ en beteekent
"nachtspook, nachtbelemmering"; in Noord-Brabant spreekt men dan ook
van _nachtmaar_. Het woord is waarschijnlijk afkomstig van een wortel,
die zoowel in ons _meren_ "vastleggen, binden", als in _marren_
"talmen, dralen" steekt. Met ons woord _alfdruk_ vergelijke men het
Fransche _cauchemar: cauche_ is afkomstig van het Latijnsche _calcare_
"drukken".

Wat bewoog het volk, de termen _nachtmare_ en _merrie_ in verband te
brengen? De ziekelijke verbeelding van den slapende of droomende stelt
zich den drukkenden, haast tastbaren last, die zijn borst beklemt en
zijn adem belemmert, onder allerlei dierlijke en menschelijke gestalten
voor, doorgaans van het vrouwelijk geslacht. Meestal is het een paard,
een _merrie_, die den slapende _berijdt_, vandaar de uitdrukking:
_marenrit_. Bij ons te lande hoort men de verwensching: "Ik wou, dat
je de maar reed". Taalkundig hebben wij hier dus te doen met een geval
van zoogenaamde volksetymologie: het volk verbindt _mare_ met het niet
vermaagschapte _merrie_; godsdiensthistorisch met den slaap en droom
als mythologischen faktor, waarop het eerst door Laistner gewezen is.

Deze nachtelijke kwelling wordt veelal aan heksen of aan den duivel
toegeschreven, maar oorspronkelijk aan luchtelfen. Zij plagen niet
slechts de menschen, maar ook het vee, met name de paarden. Zijn de
paarden 's nachts door de _maar_ gereden, dan vindt men ze 's morgens
nat bezweet en met gevlochten manen en staart op stal staan. Het kan
gebeuren, dat men de _maar_ in den stal verrast; dan zit ze onder de
krib, te Heerlen onder het paard zelf, in de gedaante van een oud wijf,
dat bezig is, met het haar te kammen.

Afweermiddelen zijn de volgende: men laat een kaars branden, of
plaatst een mes op de borst, met de punt omhoog, of men zet de
schoenen omgekeerd voor het bed. Op de Veluwe raadt men een vrouw,
bij het naar bed gaan den stoel te verzetten, waarop haar kleeren
liggen. Daar en in Overijssel bevestigt men ook als afweermiddel een
paardekop boven den stal, op welks beteekenis ik nader terugkom. Men
beveiligt de paarden ook, door ze te bestrooien met garst; dan is de
kwelgeest den volgenden dag in de schuur achter de wan te vangen. In
België nam men een handvol zand en strooide dat in het vertrek rond;
dan moest de nachtmerrie verschijnen. Teenstra, Volksverhalen bl. 52
verhaalt ook, dat men een pannekoek bakte: was er een nachtmerrie in
huis, dan kon die koek niet gaar worden en kwam geschonden uit de pan.

Ook marentakken (_viscum album_) houden de nachtmerrie uit den
stal. Berust dit op het algemeene beginsel der sympathie, in dit
geval taalkundige overeenkomst tusschen afweermiddel en te bannen
voorwerp? Of heeft de misteltwijg zijn naam ontvangen, òmdat hij
de mare afweert, of omdat zij op zijn bladeren uitrust--als op de
korenhalmen of de hop,--of dewijl hij den boom drukt evenals de mare
den mensch? Wij komen op dit punt nader terug bij het behandelen
der Plantlore.

Gaat de mare uit rijden, dan verlaat ze het lichaam als een bij, kever,
vlinder enz., en keert ook weer in deze gedaante terug. Te Vilvoorde
vertoonde zich de mare eens onder de gedaante van een klein diertje,
een vinger lang en zeldzaam gevormd, dat van verre kwam aanloopen
en een slapende vrouw in den mond kroop. Men ziet, hoe luidens de
volksopvatting de ziel het lichaam verlaat, althans kàn verlaten
gedurende den slaap. Dit geloof is wijd en zijd verbreid. Soedaneezen
zagen eens uit den mond van een slapende iets kruipen ter grootte van
een krekel, zich op weg begeven naar een sadagoristruik en weer den
neus binnensluipen; zie Wilken, Het animisme bij de volken van den
Indischen Archipel (Leiden 1885), bl. 16. Vaak neemt de ziel ook de
gedaante eener muis aan: de zielen der bannelingen vervolgen Hatto
van Bingen als muizen; als muizen verdwijnen de kinderen, door den
rattenvanger van Hamelen gelokt. Vergel. mijne Essays en Studiën,
bl. 83, 90 en een artikel in Volkskunde XIV, bl. 1 vlg.; Wolf,
Niederl. Sagen nos. 249, 253, 254, 515, 563; Ons Volksleven XI,
bl. 132; Biekorf V, bl. 301.

De woordafleiding en de mythische oorsprong der spookachtige wezens,
die men _heksen_ heet, ligt vrijwel in het duister. Slechts mag
men--hoe sterk het heksengeloof ook met Christelijke bestanddeelen
is vermengd--als zeker aannemen, dat zij haar oorsprong in het
heidendom hebben, vooral door hare betrekkingen tot den duivel; en
verder, dat zij van animistischen oorsprong zijn en deel uitmaken
van het geestenheir, dat rondvaart bij het woeden der elementen. De
Zuid-Slaven gelooven, dat in elke heks een booze, helsche geest huist,
die bij nacht het lichaam verlaat, en zich dan in een vlinder, kip,
kraai, maar het liefst in een pad verandert.

Wij hebben oorspronkelijk te doen met boosaardige spooksels, met
kwalijk-gezinde zielen van afgestorvenen. Het feest valt dan ook
samen met dat der ziele-geesten in het midden van den winter. Zooals
bekend is, gold het tooveren bij de oude Germanen als bizondere gave
der vrouwen. Na den dood zetten zij haar werkzaamheid voort. Maar
bij sommige vrouwen scheidt zich de ziel reeds tijdens het leven van
het lichaam, en neemt deel aan het joelen der zielegeesten. Van deze
moeten zij hare kunst leeren, en zoo ontstond het volksgeloof aan
de samenkomst van aardsche vrouwen met de geesten. Immers, telkens
valt er in de verhalen de nadruk op, dat de aardsche heksen op
bepaalde dagen, waarop vooral de geesten hun spel drijven, de macht
bezitten, door de lucht te rijden--op 'n bok, bezemsteel enz.--en
aan de vergadering der geesten deel te nemen. Zoo ontstond dus het
geloof aan de levende, menschelijke heksen, dat door de bekende
heksenprocessen een kultuurhistorische beteekenis kreeg.

Haar animistischen oorsprong verraden de heksen door haar
Proteus-natuur. Zij komen binnen door het sleutelgat en kunnen de
gedaante aannemen van hagedissen,--waarschijnlijk wortelverwant
met het woord _heks_--van uilen, honden en vooral van padden,
hazen en katten. De kat immers is een nachtdier en heeft, door den
lichtglans harer oogen in het duister, door haar onhoorbaren gang
en nachtelijk gejank, inderdaad iets daemonisch over zich: ook de
duivel verandert zich in een kat of kater, men denke aan _duvekater_
en _drommekater_. Maar juist als nachtdier is zij ook onweêrs- of
neveldier, en zoo komt het, dat zoovele weêrregels met de kat in
verband staan: als de kat zich poetst, wordt het weêr goed; likt zij
zich tegen het haar in, dan komt er regen: regent het in de wasch,
dan heeft men de kat niet goed verzorgd; zie vooral Sloet, De dieren
in het Germaansche volksgeloof en volksgebruik ('s-Gravenhage 1827),
bl. 1 vlg.--De verhouding van heks tot duivel blijkt ook nog uit de
parallelle der spreekwoorden: "Als het regent en de zon schijnt,
bakt elke heks pannekoeken";--"Als het regent en de zon schijnt,
is het kermis in de hel".

De heksen berokkenen steeds schade: zij melken de koeien des
nachts, veroorzaken veepest en muizenplaag, beheksen de kinderen,
leggen de kwade hand en veroorzaken daardoor allerlei ziekten,
beoefenen het nestelknoopen, door onder den echtelijken zegen een
slot toe te knippen en in het water te werpen (hierover nader),
bederven het graan en verwekken hagel, wind en storm. Ook kunnen
zij iemand op een bepaalde plaats vast tooveren, vanwaar het
Limb. _heksenscheut_, Hoogd. _Hexenschuss_. Grooten invloed hebben
zij ook op het karnen van de boter. Is de koe werkelijk "behekst",
dan mag de boerin karnen, zooveel zij wil: boter komt er niet;
terwijl de heks slechts met een stokje in de sloot heeft te roeren,
om alle boter te krijgen. Eindelijk, zij verdorren het gras, vanwaar
de heksenkringen. Het is geraden, eierschalen te vergruizelen, want
daarin verbergen zich de heksen.

Vindt men kroontjes in de bedkussens, dan zijn ook deze _betsjoend_,
zooals het in Friesland luidt. Hiertegen beveiligt een _kruuske-kaai_,
d.i. een sleutel met een kruis in het benedeneinde. Maar men kan
die verdachte voorwerpen ook in een ketel met kokend water werpen en
laten koken, dan moet de heks binnenkomen. Vrijwel hetzelfde effekt
verkrijgt men door een arend en zwarten haan in een ketel boven het
vuur te hangen. Een eigenaardig sympathetisch toovermiddel is nog het
volgende: men maakt een ploegijzer gloeiend en spreekt dan plechtig den
naam der vermeende heks uit; deze zal dan de hevigste smart voelen. Van
een heks mag men geen koffie of brandewijn aannemen, dan komt men in
haar macht, en evenmin mag men hare vragen driemaal achtereen met
"ja" beantwoorden. Vrouwen, die zich in heksen kunnen veranderen,
zijn dan ook wel buiten genoemde toovermiddelen kenbaar. Zij hebben
vergroeide wenkbrauwen, druipoogen en platvoeten. Iemand vlak in
het gelaat zien is haar niet mogelijk, en ook kunnen zij over geen
bezemsteel heenstappen, of over een kruis of kruisvormig voorwerp,
b.v. twee doodsbeenderen over elkaar.

Vooral beveiligt een hoefijzer boven den stal of elders
aangebracht. Het hoefijzer is een algemeene talisman, het brengt
geluk, maar vooral het heeft afwerende kracht. Daarom wordt het
ook op de masten van schepen gespijkerd. Ook behoort het tot
de Wôdanssymbolen, heilig was met name het hoefijzer van Wôdans
ros. Maar ik houd dit voor sekondair, en breng de primaire beteekenis
liever in verband met de paardeschedels, in stallingen ingemetseld,
en met de houten paardekoppen op den nok der huizen, vooral der
Saksische boerenwoningen, in die mate, dat men, in verband met andere
gegevens, het paard als een Saksisch stamteeken kan beschouwen. Ter
bescherming is het dier zelf niet noodzakelijk; het wordt ten volle
vertegenwoordigd door zijn exuviën, dus ook door het hoefijzer.

Na zich met heksenzalf bestreken te hebben, rijdt de heks door den
schoorsteen ter vergadering, door den duivel voorgezeten en geleid. Het
geschiedt natuurlijk bij nacht, en wel na twaalven; immers: "Tusschen
twaalf en een zijn alle heksen op de been". Zij rijden ook weg op een
spinnewiel, op bokken en kalveren onder de spreuk: "Over haag en over
heg, te Keulen (Spanje enz.) in den wijnkelder." De heksenvaart wordt
niet zelden begeleid door wonderschoone muziek. De verzamelplaats der
heksen is op weiden, heideplaatsen of galgenbergen. Zoo heeft men de
_Hommelheide_ nabij Susteren, waar men dan ook heksenkringen vindt, en
de _Haar_ bij Bunschoten; maar de groote verzamelplaats in Nederland
is toch de beruchte Mookerheide. In Belgische sagen worden als
zoodanig b.v. genoemd de _Kemmelberg_ bij Yperen en het _Galgenveld_
bij Antwerpen. Worden heksen eenmaal verhinderd in haar heksendans,
dan mogen zij gedurende zeven maal zeven jaren geen vergadering meer
bijwonen (Hageland).

Op den heksensabbath mag de naam Gods niet genoemd worden, noch ook
de naam van het zout. De geestenwerende kracht van het zout behoort
wel tot de oudste lagen van het volksgeloof. Ook in de klassieke
Oudheid gold het niet slechts als zeer waardevol, maar ook als
reinigend, van tooverij zuiverend: immers men meende, dat het de
elementen van water en vuur in zich vereenigde. Aldus begrijpt men
de heiligheid der zoutbronnen en der bosschen, waarin deze zich
bevonden, bij onze Germaansche voorouders; wij danken dit bericht
aan Tacitus. De bereiding van het zout stond dan ook onder toezicht
van priesteressen. Zoo begrijpen wij verder, waarom het morsen met
zout en het omstooten van het zoutvat ongeluk en tweedracht brengt;
waarom het zout zulk een voorname rol speelt in de volksgeneeskunde;
waarom schatgravers brood en zout bij zich moeten hebben; waarom men
plaatselijk, als men in België ter bedevaart tijgt, brood en zout
bij zich heeft; enz.--Ook de vlierstruik doet uitstekend tegen heksen
dienst, waarover nader in de Plantlore.

Buitengemeen groot is het aantal volksverhalen, waarin een heks als
kat, kraai enz. wordt gewond; den volgenden dag is dan de verwonding
bij de een of andere vrouw merkbaar. Personen, vooral kinderen, die
onder den invloed van heksen geraken, worden _behekst_, en dienen
door een heksenmeester of heksenbanner _belezen_ te worden. Staan
de paarden met verwarde manen en druipend van het zweet op stal, dan
zijn ook deze waarschijnlijk behekst. Zie vooral Waling Dijkstra, Uit
Friesland's Volksleven II, bl. 158. Verder Welters, Limb. Legenden
II, bl. 65 vlg.; De Cock-Teirlinck, Brabantsch Sagenboek I, bl. 7
vlg; Friesche Volksalm. 1865, bl. 17; Rond den heerd V, bl. 70;
Ons Volksleven II, bl. 8; VI, bl. 119; IX, bl. 201.

Een laatste animistische groep vormen de _dwaallichten_, eigenlijk
de zielen als vlammen op graven of in hunne nabijheid. Zij
worden beschouwd als de zieltjes van ongedoopte kinderen en heeten
plaatselijk: _divaal-, drog-, hip-, dwaas-, stallichten; drogfakkels;
stalkaarsen; valsche lantarens_. De Friesche benaming _wylde
lanteernen_ geldt eigenlijk over het algemeen de afgestorvenen, die
geen rust kunnen vinden in hun graf. Ook meent men, dat ter plaatse,
waar men vaak een dwaallichtje ziet, een schat begraven ligt; men
noemt ze dan ook wel _blauwe vuurtjes_. Tot deze groep kan nog gerekend
worden het _St. Elmsvuur_, dat op de masten der schepen verschijnt.

Aanvankelijk waren de dwaallichtjes boosaardig, trachtten zij den
eenzamen wandelaar opzettelijk te misleiden. Maar het volk heeft deze
opvatting op eigenaardige en dichterlijke wijze gekerstend; het zijn
nu de zielen der ongedoopte kinderen, die op den reiziger toehuppelen
en trachten hem naar een water of poel te leiden, om gedoopt te
worden. Als men in Vlaanderen en Noord-Brabant de _stalkeersen_ wil
doopen, een kruis over hen maakt en de doopformule uitspreekt, komen
ze in ontzaglijken getale rondom u. Het best is dan maar te zeggen:
"Ik doop u allen" enz.

Nauw met hen verwant is de _vuurman_. In Drente zijn vuurmannen meestal
landmeters, die, omgekocht als ze waren, hun taak niet eerlijk hebben
verricht. Deze opvatting geldt ook voor Zuid-Holland, Friesland,
Groningen, de Overbetuwe. In geheel Drente is de vuurman _Lapöoge_
bekend, de kwelgeest met zijn gloeienden meetketting. _Glende kerels_
zweven ook als vlammende stroobossen langs de marke-scheidingen,
b.v. te Havelte, Zuid-Laren, Borger, Rolde, Zeegze, Tijnaarloo enz. In
Belgisch Limburg heeten ze _vierman, schoevert, schoeffer, sjoverik_
(b.v. te Genk) enz.; in de Kempen ook wel _brandende schoof_. Men
mag niet met den vinger naar den vuurman wijzen en ook niet fluiten
of hem bespotten: dan komt hij op u af en, redt u de vlugheid niet,
dan zijt ge verloren,--òf ge moest bij u hebben een knipmes met
houten hecht. Kunt ge het lemmer in den grond steken, dan komt het
licht daar op af, en ge zijt verlost. In Hollandsen Limburg wandelt
hij o.a. tusschen Arcen en Velden. Ook spookte eertijds een vuurman
te Venloo in de nabijheid van den ondersten Houtmolen. De bewoners
van den omtrek moesten hem elk jaar een kar zand, een paar blikken
schoenen en zeven en een halven stuiver geven. Eens kwam een knecht
van den bovensten Houtmolen 's avonds laat van de stad en zag op een
hoogte een man staan, dien hij voor een zijner vrienden hield. Hij
riep hem dus toe: "Dikke, geef me eens wat vuur", doch daar kwam de
vuurman hem na. Zoo hard hij kon ging de knecht er van door en was
juist de schuur van den molen binnen, toen de vuurman op het punt stond
hem in te halen. Den volgenden morgen vond men op de schuurdeur een
koolzwarte hand afgeteekend. Dit is trouwens het eensluidende slot
van dergelijke geschiedenissen.

Over den Brabantschen _Kludde_ is gesproken. Zulk overgangstype
tusschen vuurman en weerwolf vindt men hier te lande in het
_hêmanneken._ Te Hoogland b.v. wordt hij gezien bij ruw weêr en
roept aldoor: "hêej, hêej." Beantwoordt iemand dat geroep, dan
springt hij hem op den rug en verlaat hem niet, tot de woning bereikt
is. Intusschen gluurt hij den drager voortdurend met "gleunige ôogen"
als een kat aan. Zie Welters, Limb. Legenden II, bl. 31; Drentsche
Volksalm. 1845, bl. 232; Nederl. Museum II 12, bl. 352; Volkskunde X,
bl. 182, 206, 236 vlg.; XIV, bl. 161.

Waar de geestenwereld haar spel drijft, daar _spookt_ het. "Spook"
en "spoken" zijn dus generische uitdrukkingen. Weer is de etymologie
van het Germaansche _spôka_- raadselachtig. Het spoken is gebonden aan
bepaalde tijden en plaatsen, zooals wij reeds ten deele zagen. Vooral
spookt het op de kruiswegen; daar drijven de geesten hun spel, daar
kan men met hen in gemeenschap treden. Reeds de H. Eligius en Burchard
van Worms ijveren tegen de bijgeloovige vereering der kruiswegen
(VIIe en XIe eeuw). Toch zwijgen de Oudgermaansche bronnen hierover,
zoodat het niet onwaarschijnlijk is, dat dit volksgeloof zich onder
Romeinschen invloed ontwikkeld heeft. Anderzijds oefenen de kruiswegen
ook weer geestwerende kracht uit en moeten de geesten zich hierover
laten heendragen; ter belooning werpen zij dan een goudstuk toe.

Ook de doode, die "terugkeert", komt spoken en geeft stof tot vele
spooksagen. Meestal zijn dit personen, die in hun graf geen rust
kunnen vinden, omdat zij tijdens hun leven hebben misdaan, of een
gelofte--b.v. een bidweg--niet zijn nagekomen, of wien de overlevenden
de verschuldigde eerbewijzen niet hebben gebracht. Zij kunnen verzoend,
"verlost" worden en vinden dan eindelijk rust. Wie geld begraven heeft,
moet zoolang tusschen hemel en aarde zweven, tot de schat gevonden is.

Maar het volksgeloof kent ook _spookdieren_. Wij zagen reeds
herhaaldelijk, dat de ziel in diervorm het lichaam kan verlaten; in
diervorm kan zij ook "terugkeeren" of blijven voortleven. Zielen,
die in diervorm rondspoken, kiezen daartoe bij voorkeur de
gedaante van katten, hazen, wolven, honden en paarden, storm- of
onweêrsdieren. Vandaar, dat katten, hazen enz., die over den weg
loopen, ongeluk beteekenen; het is niet het dier, dat de mensch
ontmoet, maar de ziel van een gestorvene. Vooral in den vroegen
morgen is zulke ontmoeting van belang, "het eerste gemoet", zegt
men te Brugge. Zoo komt het, dat de dieren ook de toekomst kunnen
voorspellen; immers de ziel van een overledene kan in de toekomst
zien. Hierdoor verklaart men licht de beteekenis van het blaffen van
honden, het hinniken van paarden, het krassen van raven en uilen,
het janken van katten. "Krast er een uil, breekt er een glas. Dan
sterft de meesteresse ras", zegt men in Gelderland. Ook het huilen
van honden bij nacht kondigt doorgaans een sterfgeval aan. Vooral
kraaien en raven zijn ongeluksvogels; men dient te weten, dat de raaf
oorspronkelijk wit was en eerst na den zondvloed zwart geworden is. Te
Canne, bij Maastricht, zingt de jeugd:


    De eksters en de kraaien,
    Die zwaaien al over mijn hoofd
    En snakken al naar mijn dood;
    Die dood begint te naken,
    Ik zal het niet lang meer maken.


De zienersgave dezer zielevogels blijkt ook uit spreekwijzen als:
"De kraaien zullen het uitbrengen";--"Alles komt uit, al moesten de
kraaien (of raven) het uitbrengen", en ook wellicht "Daar zal geen
haan naar kraaien."

Spookdieren zijn over het algemeen een kwaad voorteeken en verkondigen
onheil; niet aldus de zwaluw, de ooievaar, de koekoek. Hoe kan het
anders? Het zijn alle drie lenteboden. Vandaar dan ook, dat het als
een zegen wordt beschouwd, wanneer zwaluw of ooievaar op een huis hun
nest bouwen. "Zwaluwen in 't dak, guldens op zak;" en op de Veluwe:
"Waar een zwaluw aan den stal nestelt, daar sterven de kalveren
niet." Dit teekent meer onze praktische, nuchtere levensopvatting;
poëtischer is de Duitsche spreuk: "Wo die Schwalbe nistet im Haus,
Zieht der Segen niemals aus". Een zwaluwnest vernielen, brengt
ongeluk. Ook het Westvlaamsche volk toont dichterlijken zin, als het
de zwaluwen "de vogels van O.L. Vrouw" noemt, dewijl zij omtrent Mei
(Maand van Maria) aankomen en omstreeks Maria Geboorte (8 Sept.) weer
vertrekken. Een volksverhaal weet te vertellen, dat, waar O.L. Vrouw
ook reisde of vluchtte, een zwaluw steeds met haar medevloog: Rond
den Heerd XXIV, bl. 115.

Ook de ooievaar brengt geluk en welvaart en lang leven. Waar hij
nestelt, is het huis gevrijwaard tegen vuur en bliksem, en sterven
geen kraamvrouwen. De kinderen zingen:


    Ooievaar, lepelaar,
    Met je lange bekke,
    Wanneer zal je thuis kommen?
    Als de muis piep zeit.
    Piep zei de muis:
    Ooievaar komt t' avond thuis.


Ooievaar brengt ook de kindertjes. "Als een stork over 't huis
vliegt", heet het te Almelo, "komt er gauw een kleine schreeuwer in
de wieg". Hierop wijst o.m. het Geldersche rijmpje:


    Uiver, uiver, pielepoot,
    Breng een kindje in moeders schoot.


Maar de waarzegger bij uitstek is de koekoek. Het Belgisch rijmpje,
dat zijn voorzeggingsgave inroept, luidt:


    Koekoek Steven (of even),
    Hoelang mag ik leven?


en vrijwel gelijkluidend hoort men in het Sassenland:


    Kukuk vom häven,
    Wo lange sall ik leven?


en dan telt men: zooveel maal de koekoek roept, zooveel jaren blijven
den vrager te leven over. Op de Veluwe bekransten de jongens en
meisjes zich bij den eersten koekoeksdeun en riepen dan:


    Koekoek, bakkersknecht,
    Zeg mij recht,
    Zeg mij waar,
    Hoeveel jaar
    Ik dit kransje nog dragen zal?


Te Nederweert (L.) is hij ook weêrprofeet.--Maar het wordt tijd,
tot onze spookdieren terug te keeren. Van spokende honden weet men
vooral in Groningen en in de Ommelanden veel te vertellen; verder
in Friesland, Brabant, Zeeland en elders. Plaatselijk draagt de
spookhond den naam van _stommelstaart, borries_ of _helhond_. Het
is een zwarte hond met vurige oogen, soms beladen met gloeiende
ketenen.--Het spookpaard heet in het Oldambt _hommel-stommel_; ook
waren veelal spokende veulens rond, en zonder kop. In België zijn de
spookdieren doorgaans hazen en konijnen. Niet zelden worden al deze
spookdieren driebeenig en éenoogig gedacht.

Er bestaat nog een andere reden, waarom sommige dieren in ongunstigen
roep staan, deze namelijk, dat zij uiteraard in nadere betrekking
traden tot de Germaansche godenwereld. Aldus het snelle ros
(_Sleipnir_) tot Wôdan als Windgod; aldus de raven (_Hugin_ en
_Munin_: de Gedachte en Gedachtenis) en de wolven (_Geri_ en _Freki_:
de Gulzige en Vraatzuchtige) tot Wôdan als Wind- en Oorlogsgod. De
kat was gewijd aan Frija, de huwelijksgodin en de godin van den
huiselijken arbeid. Daar nu de geloofsverkondigers de afgoden
als duivels voorstelden, werden gemelde dieren ook satellieten
van den satan. Zelfs de koekoek, de blijde lentevogel, ontging
niet volstrekt het lot van zijn heer, wien hij als waarzegvogel
heilig was: en zoo verklaart men het best de ongunstige beteekenis
onzer zegswijzen: "Loop naar den koekoek" (d.i. naar den drommel);
"hale u de koekoek", vgl. "hol dich der Kukuk und sein Küster", en
"le diable t'emporte";--"Dat wete de koekoek" (d.i. dat mag Joost
weten);--"Je bent een koekoekskind" (d.i. een satanskind).

Hierbij komt nog, dat sommige dieren, als katten en raven, ook
rechtstreeks tot duivel en heksen in betrekking gebracht werden;
en eindelijk, dat de begrippen "gewijd, heilig" en "gevaarlijk, te
vermijden" in het volksgeloof veelal synoniem zijn. Maar dit geldt
eigenlijk meer voor personen, dan ook voor zaken.

Voor zoover ik weet, is de specht alleen dezen dans
ontsprongen. Plinius gaf hem den bijnaam _Martius_, daar hij den god
Mars was gewijd. Maar uit _Martis avis_ is _Martini avis_ gegroeid,
zooals ook blijkt uit de variant van sommige handschriften: "Sant
Martisvogel, Mertissvogelin." Ik kom naderhand op dezen vogel terug,
maar wensch hier alleen de aandacht te vestigen op het feit, dat de
specht, die toch óok gevaar van vermaledijding liep, aan dit lot
is ontsnapt, doordat het volk hem aan St. Maarten toevoegde. Zie
V. D. Bergh, Kritisch Woordenboek, bl. 210; Sloet, De Dieren in het
Germaansche volksgeloof, _passim_; De Cock, Een en ander over de
folklore van dieren en planten, in de Handel. v. h. derde Vlaamsche
Natuur- en Geneeskundig Congres (1899), bl. 85 vlg.; Ons Volksleven
XII, bl. 15; 't Daghet in den Oosten XIX, bl. 6; Limburg's Jaarboek V,
3, bl. i vlg.; Volkskunde XXI, bl. 211 vlg.; XXII, bl. 33 vlg.

Verpersoonlijking der bandelooze elementen, der ruwe natuurkrachten
is het geslacht der _reuzen_. Nu eens vertegenwoordigen zij den
winter, dan weer den nacht of den stormwind. Zoo ver de mensch in
lichaamskracht boven den dwerg of kabouter staat, zoo ver blijft hij
beneden de plompe dommekracht van den reus. Bekend uit de Noorsche
mythologie is de oorreus IJmir, uit wien de wereld geschapen werd:
uit zijn vleesch vormden de goden de aarde, uit zijn bloed de zee,
uit zijn beenderen de bergen, uit zijn schedel het hemelgewelf.

Ook in ons volksgeloof zijn de reuzen niet onbekend. Een Overijsselsche
sage verhaalt van een reus, die aarde in de slip van zijn mantel
droeg. Bij het overstappen van de Vecht ontviel hem de Bestemerberg,
bij het gaan over de Regge de Lemelerberg, eindelijk de Luttenberg. De
rest niet meer dragenswaard achtend, had hij die langs Hellendoorn en
verderop uitgeschud. Een analogen oorsprong hebben twee heuvels bij
Heelsum, een heuvel bij Valburg, de Woldbergen op de Veluwe. Ook
West-Friesland werd eertijds door reuzen en reuzinnen bewoond,
van wie Lem, Dibbald, Walberich, Hillegond omstreeks Leiden,
Haarlem en Rotterdam gelokaliseerd worden. Deze Hillegond had eens
een schortekleed zand van het zeestrand gehaald. Maar gekomen ter
plaatse, waar thans de kerk te Hillegersberg staat, brak de band van
haar voorschoot, en het uitgestorte zand vormde een heuvel. Het is wel
onnoodig te zeggen, dat wij hier met natuurverklarende volksverhalen
te doen hebben.

Dit is ook het geval met de sage der beide Rijn-gravende reuzen. Volle
honderd jaren hadden zij dapper gedolven zonder een woord te wisselen,
toen de éen het stilzwijgen brak. De ander wordt hierop toornig,
antwoordt, dat hij niet langer met zulk een babbelaar wenscht samen
te werken, en gaat de Waalbedding graven. In een Belgische sage van
dezen aard, gelokaliseerd te Hekelghem, is de reus reeds een duivel
geworden. Em. Seipgens verhaalt, dat het reuzengat te Echt (tusschen
Echt, Montfort en Posterholt) eigenlijk een onvoltooid gebleven
reuzenwoning is. De koning der reuzen zou gaan trouwen en volgens
's lands wijs moest hij met de aanstaande koningin zijn eigen woning
in den grond delven; wegens het gepraat zijner aanstaande liet hij
ten slotte het werk steken. "Daarom is de koning der reuzen nooit
getrouwd en de woning onafgewerkt gebleven. De reuzen volgden het
voorbeeld van hun koning, omdat zij alle vrouwen snapsters vonden,
en zoo is het reuzengeslacht in Limburg uitgestorven." (In Welters,
Limb. Legenden I, bl. 219).

Volgens een overoude sage hebben de reuzen een gedeelte van Brussel
gesticht; vandaar natuurlijk ook de naam van Reuzenberg. Eertijds
gingen dan ook elf reuzen, met verschillende benamingen, in den
vermaarden Brusselschen Ommegang, en wel achter de Gilden en Ambachten;
thans nog twee: Janneken en Mieke. Ook te Venloo werden van oudsher
twee reusachtige poppen rondgedragen, die de stichters van Venloo:
"Valuas en z'n vrouw" voorstelden, en wel door het akkermansgilde op
Maandag vóor de zomerkermis. Sedert eenige jaren is dit gebruik weer
ingevoerd. Luidens een Venloosch archiefstuk werden in het begin der
XVIIIe eeuw deze beelden ook in de processie rondgedragen. Zooals te
Brussel, worden ook te Geerardsbergen Janneken en Mieke rondgedragen;
te Hasselt kent men den Langen Man, te Antwerpen Druon Antigoon,
te Wetteren den Reus en de Reuzin.

De reuzen hebben niet alleen rivieren gegraven en bergen opgestapeld,
zij hebben ook de terpen en de hunebedden gebouwd. Hier heeft
verwisseling of liever vermenging der begrippen "reuzen" en "hunen"
plaats. Ook is het begrip van den term _hunen_ zelf niet homogeen:
immers het woord _hûn_, een echt-Germaansch woord, beteekent
"reus", maar ook "Hun, Hongaar"; waarschijnlijk is de naam _Hûn_
op verschillende volkeren toegepast. Misschien vertegenwoordigen
zij, hetgeen ook wel van de Elfen beweerd wordt, het een of ander
uitgestorven Europeesch oorvolk. Wat hiervan zij: de Hunen vormden
in het volksgeloof een met de reuzen nauw verwante, maar toch
zelfstandige, meer historische groep. Hun naam leeft voort in de
Hunenbedden niet alleen, maar ook in den Overijsselschen _Hunerborg_,
in den _Hunerberg_ en de _Hunerpoort_ te Nijmegen en in den _Hunsberg_
van Merchtem. (Z.B.)

De reuzen vormen als het ware den middelterm tusschen de lagere en
de hoogere mythologie; van overgang geen sprake. Het reuzengeloof
wortelt in de omringende natuur, in de elementen, maar vertoont geen
spoor van zielengeloof. De hoogere mythologie, volstrekt zelfstandig
ten overstaan der lagere, wordt vertegenwoordigd door de vereering van
den machtigen god des hemels, den Indischen _Dyâush_, den Griekschen
_Zeus_, den Romeinschen _Jupiter_, die bij de Oude Germanen den
naam droeg van _Ziu_. Alle Indogermaansche talen wijzen hier op
een vereering van den "Stralenden Hemel" als hoogste godheid. Maar
op den duur veranderde het wezen van dezen hoogsten hemelsgod, óok
van den Germaanschen _Ziu_; velerlei attributen zijn hem ontnomen,
om aan afzonderlijke godheden te worden toevertrouwd. De weg loopt
hier van de eenheid of betrekkelijke eenheid naar de veelheid. Zóo
ontstonden de Westgermaansche godheden: Wódan, Donar, Frija enz.

Van deze hoogere mythologie is bezinksel in ons folklore
achtergebleven, en niemand heeft dit beter aangetoond dan Jacob Grimm
in zijn standaardwerk "Deutsche Mythologie". Al blijkt het, dat hij
veel te eenzijdig is te werk gegaan, met volle recht mag hij den titel
dragen van "vader der Germaansche mythologie" als wetenschap; met
behulp der kritiek wordt zijn werk de rijkst mogelijke vindplaats. Wij
zullen in de volgende bladzijden dan ook herhaaldelijk stooten
op survivals van Wôdan en zijn kring: een sekondaire mythologische
vorming dus. Laat ik slechts wijzen op enkele uitdrukkingen. Wij lezen
in een Nederlandsch hs. van 1470: "Ende de poeten in heure fablen
heetend ourse, dat is te segghene Woenswaghen". Het sterrenbeeld van
den Grooten Beer werd dus als Wôdanswagen beschouwd. In Zuid-Limburg
spreekt men nog van een "zielewagen", die door de lucht rijdt. De naam
leeft ook voort in ons hedendaagsch _Woensdag_, dial. _Goonsdaag_,
en in de plaatsnamen _Woensdrecht_ = Wodani traiectum, _Woensel_,
wellicht _Woenum_ of _Wenum_. De herinnering aan Donar bewaart ons
_Donderkruid_ of _Donderbaard_, het _Sempervivum tectorum_, voorheen
ook _Barba Jovis_ genoemd, in Zwitserland nog _Joubarbe_. Bij de
invoering van het Christendom droeg de volksfantasie vele attributen
van goden en godinnen op Christus en de heiligen over; vandaar dat het
_Frigjargras_ tot _Mariagras_ werd; de aan Frija als godin der geboorte
heilige _Asperula odorata_, waarvan een bundel bij zwangere vrouwen
in bed gelegd werd, ontving den naam van _O.L. Vrouwenbedstroo_, het
_Labrum Veneris_ dien van _Mariadistel_; enz. Ook behoort het hoogst
waarschijnlijk tot de sekondaire laag in ons folklore, wanneer de
kat, het heilige dier van Frija-Frigg, in zoo nauwe betrekking tot
het huwelijk treedt. Wie op zijn trouwdag door goed weêr begunstigd
wil worden, moet de kat goed voeren, of de kat streelen (_kören_),
zooals men te Ubach-over-Worms zegt. Wie geen katten lijden mag,
meent men ook, krijgt geen mooie bruid.

2. _Romeinsche Mythologie_.--Dat de betrekkingen tusschen Romeinen en
Germanen niet spoorloos voor de religie onzer vaderen voorbij gingen,
ligt voor de hand; met name met het oog op de hoogere Romeinsche
kultuur. Laat ik terstond enkele voorbeelden geven. Romeinsch
was het gebruik, namen te geven aan de dagen der week, gewijd
aan de Zon; de Maan; Things, resp. Tius: Mars; Wôdan: Mercurius;
Donar: Jupiter; Frija: Venus; en Saturnus, voor wien geen passende
Germaansche interpretatie kon gevonden worden. Deze substitutie had
vermoedelijk in de IIIe of IVe eeuw n. Ch. plaats; zie Dr. Roesler,
Ueber die Namen der Wochentage (Berlin 1865), bl. 20 vlg.--Volledige
ontleening had plaats met de namen Venus en Diana, men denke aan de
Venusbergen en het Venushaar. Verder hebben wij de votiefsteenen,
door Germanen geplaatst, waarop men nu eens een Romeinschen god,
dan weer een Romeinschen god met Germaanschen bijnaam vindt. Zoo was
b.v. in den muur der oude Romaansche kerk te Horn bij Roermond een
geloftesteen aan Mars en een aan Mercurius ingevoegd.

Trouwens het plaatsen van votiefsteenen op zich zelf is specifiek
Romeinsch; zie hierover Karl Helm, Altgerman. Religionsgeschichte
(Heidelberg 1913) I, 345 vlg. Op twee votiefïnskripties wordt _Mars
Thincsus_ gezamenlijk met twee Germaansche godinnen genoemd. De
vindplaats van beide inschriften ligt in Engeland te Housesteads, nabij
den Hadrianuswal; zij dagteekenen uit den tijd van Alexander Severus
(222-235) en werden gesticht door een afdeeling Germaansche ruiterij,
die den naam van _Cuneus Frisorum_: "Friesche afdeeling" droeg. Hiermee
is echter niet gezegd, dat het Friezen waren; waarschijnlijk Bataven,
in alle geval Twentenaren. Te vermelden valt nog de bijzonderheid,
dat op een bij de altaren behoorend halfrond kapiteel in het midden
een gewapend krijger (Mars) met een vogel is voorgesteld, en aan
weerszijden twee zwevende geniën; zie verder W. Pleyte, Mededeel,
d. Kon. Akad. van Wetensch. III, 2, bl. 110 vlg.--Van een onbekende
godin _Vagdavercustis_ spreekt een votiefsteen, gevonden in het
riviertje de Linge bij Hemmen (G.).

Een vrij groote verspreiding had de vereering der godin _Hludana_,
getuige o.a. een steen uit Beekgum (F.), verwant met de Noorsche godin
Hlódyn en, wat meer zegt, met de besproken godin Holda. Buitengewoon
rijk is de monumentale overleving van de godin _Nehalennia_. Zij
wordt vermeld op niet minder dan 26 votiefsteenen, die alle--met
uitzondering van 2 te Deutz gevonden--bij Domburg op Walcheren uit het
duinzand zijn opgedolven. Tien ervan zijn geheel, acht ten deele door
een brand der kerk te Domburg in 1848 vernietigd; maar zij bleven
voor ons weten behouden door de publikatie van L. J. F. Janssen,
De Romeinsche beelden en gedenksteenen van Zeeland (1845). Men
noemt Nehalennia een Bataafsche godin, ofschoon voor haar vereering
eigenlijk eerder de zuidwestelijke buren der Bataven, n.l. de Marsaci
en Sturii in aanmerking komen. Maar het Germaansche karakter der godin
is boven allen twijfel verheven. Zij schijnt beschermster van handel
en scheepvaart te zijn en godin der zee, en wordt voorgesteld, gezeten
op een troon, of ook staande; naast haar een hond, aan weerszijden
hoorns van overvloed. Op drie steenen steunt zij met den linkervoet
op den voorsteven van een schip. Wellicht behoort de hond bij het
type der met haar vereenzelvigde Egyptische godin Isis thuis.

Sporen van den Nehalennia-kultus vinden wij wellicht in een
Middeleeuwsch gebruik, van kracht in Zuid-Nederland en in de
Rijnprovincie: een feestelijk opgetuigd en versierd schip op
raderen werd van plaats tot plaats getrokken onder het feestgejubel
der bevolking. Zulk een optocht uit het jaar 1133 wordt uitvoerig
beschreven in een klooster-kroniek van St. Truiden. Het schip kwam
het eerst naar Aken, dan naar Maastricht, waar het van mast en zeilen
voorzien werd, dan naar Tongeren, Looz enz. Maar door toedoen der
geestelijkheid werd deze stoet door den Graaf van Leuven met kracht
onderbroken en belet, en hiermee schijnt het gebruik aldaar uitgeroeid
te zijn. Waarschijnlijker echter dan met den Nehelennia-kultus bestaat
samenhang met de karnavalsgebruiken van Romeinsche herkomst.

Over het algemeen mogen wij besluiten tot een Germaansch-Romeinsch
synkretisme, welks sporen in het hedendaagsche folklore nog aanwezig
zijn.

3. _Keltische Mythologie_.--Inwerking van den godsdienst der kultureel
hoogstaande Kelten op de Germanen kon niet uitblijven. Op een bij
Vechten (U.) gevonden votiefsteen wordt een zekere godin _Viradecdis_,
voor wie in het Germaansche domein geen aanknoopingspunt te vinden
is, vereerd door de Batavi en Tungri. Maar verreweg het voornaamste
verschijnsel is de Matronenvereering, die beslist aan de Kelten is
ontleend. De Matronen zijn plaatselijke schutsgodinnen, wellicht
ook beschermgodinnen eener familie met haar bezittingen, en wier
vereering bij de Keltische volken inheemsch was. Wij ontmoeten ze hier
te lande in een min of meer Kelto-Romaanschen vorm. Ik wijs b.v. op de
inschriften, die voor het bestaan van zulk een Matronendienst pleiten,
bij de Marsaci aan den Scheldemond en bij hun naburen de Frisaevonen
(C. I. L. XIII 860, 8633). Meestal zijn de schutsgodinnen ten getale
van drie.--Tot oudere Keltische lagen behoort de vereering van den
handelsgod _Lugus_ of _Lug_.

III. Volstrekt eenig is de invloed op de volksreligie uitgeoefend door
het _Christendom_, een invloed, die grootendeels nieuw-scheppend,
somwijlen sparend en hervormend was. Waar opvattingen en gebruiken
lijnrecht in strijd waren met de nieuwe heilsleer, daar werd een
onverzoenlijke strijd aangebonden en de oude volksreligie met kracht
onderdrukt. Maar dit verhinderde niet, dat echte "survivals" of
overleefsels den strijd met de Christelijke ideeën bleven voortzetten,
verbod en prediking ten spijt; laat ik onmiddellijk wijzen op het taaie
bijgeloof, dat zich in valsche heiligenvereering en ongemotiveerd
wondergeloof uitbundig uit. Op bedevaartsplaatsen b.v. ziet men bij
het volk thans nog vaak een zeker synkretisme van christendom en
heidendom. Andermaal hooren wij in het huidige folklore onschuldige
nagalmen uit den heidenschen voortijd zachtkens voorttrillen. Eindelijk
vond de Kerk aanleiding onderscheid te maken tusschen vorm en stof,
tusschen schors en kern, dan werd deze verworpen, maar gene niet zelden
gered, dienstbaar gemaakt aan het Christelijk geloof en aldus gelouterd
en "gekerstend." Het zou vreemd geweest zijn, wanneer de Kerk, die zich
wenschte te verspreiden te midden der Graeco-Romeinsche beschaving,
een geheel nieuwe taal gebezigd had en systematisch alle vormen had
versmaad, die tot dan toe dienst gedaan hadden om aan de begrippen en
gevoelens van godsvereering uiting te geven. Dit geldt natuurlijk ook
voor de Germaansche beschaving. Laat ik nog slechts het psychologische
dezer verkerstening in herinnering brengen. "Naast onwankelbare
eenheid der groote en heilige beginselen", schrijft Dr. Gisb. Brom,
"een onuitputtelijke verscheidenheid en plooibaarheid van vormen. Zij
[de Kerk] gebruikt niet een en denzelfden stijven vorm, om dien met
despotisch gezag aan al haar bekeerlingen, van welke natie ook, op te
dringen en te drukken. Een Procustus-bed bleef haar ten allen tijde
vreemd. Maar zij voegt zich naar de natuurlijke geaardheid van ieder
volk, zoowel als van elk individu.... Hoe dit ééne met het andere
samengaat? Omdat al wat de Kerk rein _natuurlijks_ aantreft in de
samenleving of in den individueelen mensch, zij dat niet tracht
te vernietigen, maar het onder den leuterenden, veredelenden en
verheffenden invloed der genade laat voortbestaan."

Aldus vinden wij wijding en veredeling van oorden, feestdagen,
feestgebruiken, volksvoorstellingen enz. Kenschetsend en teekenend
is b.v. de geschiedenis onzer Nederlandsche _kerstputten_
of kerstpoelen. Het meerendeel is van heidenschen oorsprong
d.w.z. stond met een heidenschen kultus in verband. Maar doordat
in die bronnen gedoopt werd, zijn zij gekerstend en in dienst van
Christus gesteld. Vandaar het groot aantal putten, die den naam der
heilige geloofsverkondigers Bonifacius en Willebrordus dragen. Te
Dokkum vindt men b.v. drie Bonifaciusbronnen; Willebrordusputten
treft men aan te Osch, Diessen, Deurne, Zoutlande, Bakel, Asten,
Maarhees, Geisteren, Venray, Stamproy, Wulpen en eertijds te Berchem
bij Antwerpen. Natuurlijk werd ook een groot aantal bronnen aan Maria
gewijd. Verder zijn om meermalen vermelde reden verscheiden bronnen
met den satan in verband gebracht; vandaar de Duivelsput te Herdersen
en te Hekelgem, het _Heintjes-börreken_ te Meerbeke (men denke aan
"Heintjepik") en de Helleput te Dendermonde.

Wat deed intusschen de volksfantasie? Bij de intrede van het
Christendom werd haar werkzaamheid niet gebroken; zij spon haar
draden en weefde haar weefsel voort, maar meestal met veranderd
patroon. Wegens toevallige overeenkomst van hoedanigheid of het
samenvallen van den tijd der feestviering werden heidensche
mythen op menigen heilige overgebracht, werden mythologische
trekken in hun legenden ingelascht; zoo trad Maria in meer dan
één opzicht in de plaats van Frija, terwijl Sinterklaas de figuur
van Wôdan uitbeeldde. Maar afgescheiden hiervan dient men in de
Christelijk-geaarde volksreligie in ruime mate rekening te houden met
de steeds levendige, steeds vruchtbare, dichterlijke, sagenscheppende
aandrift des volks. Zoo is het b.v. gesteld met de attributen en
legenden der HH. Katharina, Lucia en Clara: met voldoende zekerheid
mag men beweren, dat deze attributen en legenden te danken zijn aan
het feit, dat de drie heiligen etymologisch met het begrip "licht,
reinheid, helderheid" in nauw verband staan. Zie hierover mijne Essays
en Studiën, bl. 68, 251.

Eindelijk, de goden werden vaak als duivels voorgesteld, en zoo
is het gebeurd, dat menige heidensche overlevering op den satan is
overgedragen. Eenzelfde godheid kan dus nu eens in de volkslegende van
een heilige, dan weer in die van den satan opduiken. In plaats van
"der goden minne" te drinken, d.i. een herinnerings- en offerdrank
aan de goden te wijden, dronken de bekeerde heidenen, met vermijding
van het offerbegrip, voortaan de "minne" van St. Jan, St. Maarten,
St. Steven enz. Maar bij Luitprand in zijn _De rebus gestis Ottonis_
vindt men ook: "des duivels minne drinken."

Zoo komen wij er als vanzelf toe, een enkel woord te zeggen over de
volksdaemonologie: over den _duivel_ in het volksgeloof.

Het begrip "duivel" als zoodanig was aan de heidensche godenleer
vreemd. Het meest nabij kwam nog de Oudnoorsche Loki, die bij het
daemoniseeren dan ook het eerst zijn beurt kreeg. Slechts met het
Christendom deden leer en voorstelling van een volstrekt boosaardig
wezen, dat de menschen kwelt, haar intrede in de Germaansche wereld;
doch meer dan éene nadere bepaling ontleenden zij in de volksopvatting
aan de heerschende heidensche ideeën.

De Germaansche duivels vormen een soort van monarchie, maar de
zinnelijke voorstelling van hun rijk komt geheel op rekening
van fantasie en tradioneele voorstellingswijze des volks. Er zijn
Germaansche duivels, die eenige attributen van de kobolden overnemen,
evenals deze den mensch dienstbaar zijn. De duivel moet zich soms
bepaald afsloven; hij bouwt molens, beploegt steengronden en graaft
rivierbeddingen, maar komt hij om zijn loon, dan is men veelal "den
duivel te slim af." De "bedrogen duivel" of "domme duivel" is een
geliefkoosde figuur van onze sagenwereld. Men laat den duivel wegen
aanleggen, als te Ternath, schuren bouwen, als te Galmaarde, Hamelgem,
Vilvoorde, Kessel-Loo, Bierbeek enz. Maar door het hanengekraai na
te bootsen dwingt men hem, op de vlucht te slaan; het werk blijft
dan, althans ten deele, onvoltooid. Immers de roode haan stelt den
bliksem voor, in zoover deze de onweêrswolken splijt en den dampkring
zuivert. Het heldere weêr roept hij andermaal te voorschijn. Zijn
gekraai verdrijft ook het nachtelijk duister, de bonte, veelkleurige
tinten van zijn vederdos zijn de weerglans der morgenschemering. Bij
het eerste hanengekraai is dan ook de hellemacht gebroken, de geesten
slaan op de vlucht. "Men verhaalt", zoo getuigde eertijds de Romeinsche
dichter Prudentius, "dat de rondwarende duivels, die zich vermeien in
het nachtelijk duister, bij het gekraai van den haan in verschillende
richtingen heenvluchten." Uit deze aanhaling blijkt de algemeenheid
van dit volksgeloof.

Ook wanneer de duivel kloosters of kathedralen wilde verpletteren,
werd hij niet zelden misleid; dit getuigt b.v. de duivelsberg bij
Rolduc (L.).

Een enkele maal, wanneer de duivel de menschen wil plagen, bedriegt
hij zich zelf; zoo b.v. toen hij het zaagblad kerfde en aldus de
getande zaag uitvond.

Natuurlijk speelt de duivel een groote rol in de volksuitdrukkingen;
zoo b.v.: "Hij is een duivelskind;--hij vloekt alle duivels uit
de hel;--hij laat geen duivel op zijn hart barsten;--hij heeft
den duivel in, of den duivel in den zak;--daar kan geen duivel uit
wijs worden;--hij is uit de hel gekropen, toen de duivel sliep;--
't is, of de duivel er in zit;--de duivel steekt zijn staart op;--
de duivel steekt er zijn staart tusschen;--hij is er op uit, als de
duivel op een ziel;--hij is te gek, om met den duivel te dansen;--
den duivel een kaarsje aansteken;--dat dank je den duivel; enz. enz;
zie b.v. J. A. Hoens in Limburg's Jaarboek VIII, bl. 239. Ik kom
hier nader op terug. Laat ik voor het oogenblik slechts opmerken,
dat onze uitdrukking de "de duivel is los" of "dan is de duivel los"
niet specifiek Nederlandsch, zelfs niet specifiek Germaansch is. Het
is waar, ook van den god Loki geldt het: _Loki er or böndum:_ "Loki is
ontbonden." Maar de "gebonden duivel" is ook elders bekend, b.v. bij
Lactantius, die beweert, dat de satan in boeien geklonken zal worden,
wanneer het zoogenaamd millenarische rijk begint.--Verder is het
eigenaardig, dat in de folklore zoo vaak van 's duivels vrouw, moeder
of grootmoeder sprake is; ik herinner aan het Venloosche aftelrijmpje:


    Ter duvel zien vrouw ging wortele schrabbe,
    Ze wis neet woa ze 't mets meus pakke,
    Ze pagde 't hii, ze pagde 't doa,
    Ze pagde ter duvel bii de hoar.


Waarschijnlijk hebben we met werkelijk heidensch bezinksel te doen;
maar de grootmoeder is het oorspronkelijke. Immers wij worden herinnerd
aan het Noorsche verhaal, hoe Thórr en Týr bij den reus Hymir aan huis
komen, en daar zijn negenhonderdhoofdige grootmoeder aantreffen. Op een
mythische verklaring van een natuurverschijnsel wijst onze zegswijze
"de duivel slaat zijn wijf", als het regent en de zon schijnt.

Volksbenamingen zijn: _blikskater, boeman, bokspoot, de booze,
deksel, duker, donder, droes, drommel, duivekater, hänsken, heintje,
heintjepek, hinkepoot_, (men denke aan "kromme duivel"), _joost,
koekoek, nikker, d'olle, pikheintje, de zivarte, zwarte piet_. In
Belgisch Limburg noemt men hem veelal kortweg _"het kwaad_."

De duivel is pikzwart en draagt bokshoorns, bokspooten of
paardenhoeven; men denke aan de betrekking van den bok tot de heksen
en aan de Zuidlimburgsche _bokkenrijders_. Ook vertoont hij zich als
Italiaan, onberispelijk in het zwart gekleed, met zwarten baard. Hij
bezit de gave, zich in dieren te veranderen, en verschijnt als kat,
zwarte hond met gespleten pooten, draak, spin, vlieg. In een oude
Brabantsche sage komt de duivel onder de gedaante eener reusachtige
spin een kontrakt terugbrengen. Gaarne mengt hij zich ook ongekend
onder de menschen, vorscht hen uit, speelt met hen kaart, ziet of er
niets voor hem te halen is; hij is uitnemend musicus en voortreffelijk
danser. Hij speelt valsch, drinkt en vloekt zwaar. Daar zijn menschen,
die den duivel hun ziel verkoopen; menigeen, die plotseling, zonder
kenbare reden, rijk werd, heeft aldus zijn vermogen verworven. Is de
termijn afgeloopen, dan haalt hem de duivel en breekt hem den hals
of draait hem den nek om.

Hij houdt er ook personeel op na. Te Utrecht werd eertijds een groote
keisteen, scheiding tusschen twee buurten, steeds verplaatst. Het
heette, dat de duivel en zijn zwarte knechts met dien steen kaatsten
van de Volderbrug naar de Geertebrug.

Zijn idenditeit met den voorrijder der "Wilde Jacht" blijkt wel uit
een trek in het Geldersche folklore, waar hij wordt voorgesteld,
zich vertoonende in een windhoos. Hij huist veelal in de lucht;
somwijlen langs den straatweg. Ook te Nederweert voert _Hänske_ het
joelende geestenheir aan. In Duitschland behoort deze voorstelling
tot de meest gewone. Zie De Cock, Brabantsche Sagen I, bl. 225 vlg.;
Geldersche Volksalm. 1853, bl. 98; Limburg's Jaarboek VI, bl. 183;
Volkskunde XXI, bl. 5; XXII, bl. 10; V. D. Bergh, Kritisch Woordenboek,
bl. 27.

De duivel is vooral bang voor het gelui der _klokken_. Het
volk hecht iets specifiek-Christelijks aan het klokkengelui. En
inderdaad: de klokken worden "gedoopt", de klokken roepen ter kerke,
de klokken vermelden den huwelijkszegen, zij begeleiden ter laatste
rustplaats. Zoo vaak voelt het volk zich door het klokkengelui verheven
boven het saaie, alledaagsche proza-leven. In de Goede Week reizen de
klokken naar Rome, en wel op Goeden Donderdag na het _Gloria_, om op
Goeden Zaterdag terug te keeren; dan brengen zij de paascheieren mee.

Op ongedoopte, ongewijde klokken heeft de duivel natuurlijk vat. Zoo
had men bij de stichting van het klooster Sint-Odolf te Staveren
vergeten de klokken te wijden. Honderd jaar later vloog _Joost_ in
woeste vaart naar den toren, haalde de klokken er uit en slingerde
ze weg. Sedert hooren de visschers op de Fluessen en de bewoners van
Galamadammen (F.) soms des nachts een dof gebombam in de diepte: dan
luidt de duivel de klokken van Sint-Odolf. Hetzelfde wordt verhaald
van de klokken van Driel en van Lochem. Deze wierp de duivel in twee
kolken niet ver van den Berkel, waar men ze nog in den Kerstnacht
te twaalf ure kan hooren luiden. Vandaar dat deze twee plassen
den naam van "duivelskolken" dragen. Zoo dompelde de satan nog een
klok van Horst in het zwarte, diepe water der Peel, en begroef te
Hoensbroek een ongedoopte klok in den waterplas tusschen de kerk en
de Geleen-beek. Al deze klokken luiden op Kerstnacht; ook die van
den _klokkekuil_ te Swolgen: Welters, Limb. Legenden II, bl. 71;
Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven I, bl. 31.

Wanneer dus het volk heden ten dage zegt, dat de duivel vlucht bij
het hooren van het klokkegelui, en dat de alvermannetjens verdwenen
zijn, omdat zij het klokkegelui niet konden verdragen, dan hecht het
hieraan zonder den minsten twijfel een Christelijke beteekenis. Toch
ligt hieraan ten deele een heidensch begrip ten grondslag, nl. de
geestenwerende en geestenbannende kracht van het klokkengelui. Vandaar
ook het klokkenluiden bij onweêr en sterfgeval,--niets dan een
gekerstende volksopvatting.



II. De Volksfeesten.


Wanneer ik spreek van "volksfeesten", dan bedoel ik hiermee het komplex
van feestgebruiken, die bij het hedendaagsche volk van de viering van
Oudgermaansche of Christelijke feestgetijden zijn overgebleven. Immers
de feestvreugde kleedde zich in tal van overlevende blijheidsuitingen,
die niet zelden, van het oorspronkelijk hoofdmotief losgetornd,
ontaardden en oversloegen tot uitspattingen en misbruik.

Deze volksfeesten droegen dus oorspronkelijk een religieus, maar
ook een huiselijk karakter. Evenals in het oude Rome, wanneer ik
deze analogie hier mag aanvoeren, was het huisgezin de kern, de
cel, van waaruit de georganiseerde vroolijkheid en blijheid zich
in ruimer kring en op ruimer terrein verspreide; en in het gezin
zelf werd de feestviering, van geslacht tot geslacht overgeleverd,
onder toezicht en leiding van den vader of van de moeder des gezins
voltrokken. Ik spreek hier dus niet over de volksvermakelijkheden,
als loopen, springen, klimmen, harddraven, wedrennen enz., en over
de gezelschapsspelen evenmin; zie hierover desgewenscht Ter Gouw,
De Volksvermaken (Haarlem 1871), bl. 321-397 en 563-694. Immers deze
hebben met religie en familiale organisatie niets gemeen en dragen
een dermate internationaal karakter, dat zij onmogelijk kunnen dienen
om den volksaard nader te bepalen. Iets anders is het, wanneer een
bepaald spel door een bepaalde leeftijdsgroep op eigenaardige wijze
wordt uitgevoerd of gevarieerd, waarover nader.

De oude Germanen kenden eigenlijk geen feestdagen, maar wel
feesttijden, _hoogtijden_, een benaming, die zich tot heden staande
hield. Op voorname Christelijke feestdagen gaat in katholieke streken
de eene familie bij de andere nog "zalig hoogtijd" wenschen.

Men vierde eertijds waarschijnlijk vier offertijden, en om het offer
groepeerden zich dan de overige feestelijkheden: twee winterfeesten,
het lente- en zomerfeest. Eigenlijk begon het eerste winterfeest (of
herfstfeest), dat het Germaansche jaar opende, met de nachtevening
van September. Maar in den Juliaanschen kalender valt het begin
van den winter op 10 November, en zoo kreeg, door verschuiving der
feestgebruiken van het Germaansche nieuwjaar, de Martinidag zijn
beteekenis. Voeg hierbij, dat het kerkelijk jaar aanving met den
Advent, die oorspronkelijk 5 weken omvatte (eerst Paus Gregorius VII
bracht hem op 4 weken), terwijl het Adventsvasten den 11den November,
dus op Martinidag begon. Zoo vereenigde zich ook het eerste met
het tweede, het groote winterfeest, dat ook den naam draagt van
Midwinterfeest of Joelfeest en welks gebruiken voor een groot deel
op het Kerstfeest overgingen. Het _Joelfeest_ immers, ontegenzeglijk
het hoogste feest der Germanen, viel in de tweede helft van December
en in de eerste van Januari. Dit wordt het tijdperk der "Twaalf
Nachten" genoemd; de Duitschers spreken van de _Zwölften, Unternächte,
Rauchnachte_ of _Losstage_. Dit feest, dat, naar zijn etymologie te
oordeelen, zeer waarschijnlijk "het tooverrijke", dan "het vroolijke"
beteekende, werd inderdaad gekenschetst, evenals trouwens het
eerste winterfeest, door een uitgelaten vroolijkheid, veroorzaakt:
1o door het genieten der offergaven, die gedurende dien tijd aan de
zielen der afgestorvenen en aan Wôdan, Holda en andere chthonische en
windgodheden werden gebracht; en 2o--reden van ekonomischen aard--door
de twee groote slachttijden, die met de winterfeestviering samenvielen,
wanneer deze niet zelf de hoofdaanleiding tot de winterfeestviering
gegeven hebben, zooals Alex. Tille beweert in zijn boek over Die
Geschichte der deutschen Weihnacht (Leipzig 1893), bl. 6.

Het was de heiligste tijd van het jaar. Dromsgewijze joelden en
raasden de geesten door het luchtruim, door hun befaamden voorrijder
aangevoerd; lotsvoorspelling, droomverklaring en tooverij vierden
hoogtij; heel de geestenwereld: heksen, weerwolven, elfen, dwergen,
waren los; men dronk de _minne_, d.i. de gedachtenis der afgestorvenen;
men stelde de geesten onder allerlei vermommingen voor, die thans
nog in min of meer gekerstenden vorm voortbestaan.

Geofferd werd gedurende dit tijdperk aan de geesten en aan Wôdan,
in zijne hoedanigheid van god der vruchtbaarheid, ter wille der
vruchtbaarheid van de akkers. Uit menig volksgebruik, dat wij te
geschikter plaatse zullen bespreken, blijkt trouwens, dat deze
geheele periode een vruchtbaarheidskarakter draagt. Men beschouwde
--en beschouwt nog thans, zonder zich duidelijk rekenschap van
deze voorstelling te geven--in den barren Joeltijd de aarde als
sluimerend onder het mollig sneeuwkleed, nieuwe sappen garend, om in
de lente de natuur met bloemen te tooien en het wintergraan te doen
gedijen. Met goed recht zou men derhalve van een bevruchtingstijdperk
kunnen spreken, zooals ik in Volkskunde XII, bl. 89 vlg. voorstelde:
het schieten in de boomen, het binden van stroobanden om de boomen,
het zweepen der boomen heeft stellig bevruchting ten doel.

Gegeven nu, dat het eerste winterfeest een vrij groote reeks van
dagen in beslag nam, en dat het Joelfeest meestal tusschen Kerstmis
en Driekoningen, plaatselijk echter ook vroeger of later kon vallen,
dan krijgen we een bijna aaneengesloten feesttijdperk, dat zich
van omstreeks het begin van November tot het midden van Januari
uitstrekte. In dit tijdperk vallen vooral de Christelijke feesten:
St. Martinus (11 Nov.), St. Clemens (23 Nov.), St. Andreas (30
Nov., men denke vooral aan St. Andreasnacht), St. Barbara (4 Dec.),
St. Nikolaas (6 Dec.), St. Lucia (13 Dec.), St. Thomas (21 Dec.),
Kerstmis (25 Dec.), St. Stefanus (26 Dec.), Onnoozele Kinderen (28
Dec.), Besnijdenis (1 Jan.), Driekoningen (6 Jan.). Zie hierover mijn
geschrift De H. Nikolaas in het Folklore (Roermond, 1898), bl. 9, 10.

Het volksfeest stoelt dus op de religie. De godsvereering der Oude
Germanen schonk haar adepten echter ook verpoozing van den harden
arbeid op akker of weideveld: de feestviering droeg een religieus,
maar tevens een ekonomisch-maatschappelijk karakter, wat des te
meer in het oog valt, wanneer men bedenkt, dat onze voorouders
veel meer dan heden leefden met de natuur, arbeidden en rustten
overeenkomstig de natuur. Ook hier is het Christendom met wijs
beleid te werk gegaan, en heeft het niet willen uitroeien, maar
veredelen en verheffen of althans, in het geoorloofde, lijdelijk
willen toezien. Terecht. Want indien er iets bestaat, zegt Ozanam,
waaraan de menschen nog meer vasthouden dan aan den bodem, die hen
voedt, dan zijn het de overleveringen, welke hun land in hun oogen
verheffen, en de feesten of hoogtijden, die hen voor een wijl aan de
harde, eentonige zorgen des levens onttrekken.

Wij beginnen dus het feestelijk jaar in Groot-Nederland met _Sint
Maartensdag_ (11 November), gewijd aan de vereering van den grooten
volksheilige, Martinus, bisschop van Tours. Den apostel van Gallië,
den grooten heilige der Franken, is ook in Nederland en België een
ongemeen hooge vereering te beurt gevallen; in Duitschland viert men
hem vooral in Frankenland, en in het naburige Zwaben en Westfalen. In
België zijn honderden kerken hem toegewijd; in Nederland vereerde
men hem als patroon te Utrecht, Groningen, Middelburg, Sneek, Arnhem,
Tiel, Bolsward, Venloo, Weert, Wijk-Maastricht, Dokkum, Bovenkarspel
enz. enz. De dorpen St. Maarten, St. Maartensdijk, Maartenshoek voeren
zijn naam. Vooral het bisdom, de stad en de burgerij van Utrecht
stonden onder zijn bescherming. Te Utrecht stond zijn beeltenis op de
torenspits zijner kerk, aan de hoeken der straten, in het voorportaal
der kapittelzaal. Het prijkte op het oude wapen der stad en op de
bisschoppelijke banieren. Vandaar dan ook, dat de burgers van Utrecht
eeuwen lang den naam droegen van _Sint Maartens-mannen,_ evenals die
van Egmond _Sint Alberts-mannen_ en de Leuvenaren _Sint Pieters-mannen_
genoemd werden. Vielen de Hollanders de Stichtenaren aan onder het
krijgsgeroep "Holland! Holland!", deze beantwoordden het met "Sint
Martijn, Sint Martijn!" Zie o.a. Schotel, Tilburgsche Avondstonden,
bl. 36 vlg.

Ook kreeg de geheele periode van Sint Maarten tot Kerstmis--Adventstijd
in den ruimsten zin--den naam van Sint Maartensvasten. De H. Perpetuus,
bisschop van Tours, die in de Ve eeuw leefde, bepaalde nl., dat van
af 11 November tot Kerstmis driemaal per week moest gevast worden;
naar men weet, dagteekent dit 3 maal vasten per week (Woensdag,
Vrijdag en Zaterdag) reeds uit het einde der IIe eeuw. Naderhand werd
deze bepaling over heel Frankrijk uitgebreid.

Intusschen, hoe groot de vereering van den H. Martinus ook in
onze landen mag geweest zijn, zij verklaart kwalijk een aantal
feestgebruiken als: het Sint-Maartensvuur, de Sint-Maartensdronk,
-gans, -gaard enz.

Vooreerst dan het Sint-Maartensvuur. De meeste feestvuren zijn niet
van christelijken, maar van heidenschen oorsprong. Naderhand heeft
men de Sint-Maartensvuren aldus verklaard, dat zij oorspronkelijk uit
vreugde over den val van het heidendom zouden ontstoken zijn. Dit
is echter een van de vele verklaringen, die de feiten zoekt aan te
passen aan vooropgestelde theorieën. In waarheid hangen de feestvuren
samen met de Oudgermaansche _noodvuren_, Oudsaksisch _nôdfiur_,
waarin _nôd_- verwant is met het Oudhoogduitsche werkwoord _nûan_
"stukwrijven". Immers het werd ontstoken, doordat men een stuk hout in
de opening van een ander of van een wagenrad stak en zoolang draaide,
tot het hout vuur vatte. Het voedsel voor het nieuwe vuur, hout en
stroo, moest door alle leden der gemeente worden meegebracht. Brandde
het vuur, dan moesten menschen en vee daar driemaal doorheen loopen. Na
afloop nam ieder een verkoold stuk hout mee naar huis: het was een
voorbehoedmiddel tegen besmettelijke ziekte onder menschen en vee.

Merkwaardig is hetgeen Sebast Frank in zijne Wahrhaftige Beschreibunge
aller Teile der Welt (1567) over een dezer vuren meedeelt: "Zu
Mitterfasten flechten sie ein alt Wagenrad voller Stroh, tragens auf
einen hohen, jähen Berg, haben darauf den ganzen Tag einen guten Mut,
mit vielerlei Kurzweil, singen, springen, dantzen, Geradigkeit und
anderer Abenteuer, umb die Vesperzeit zünden sie das Rad an, und
lassens mit vollem Lauff ins Thal lauffen, das gleich anzusehen ist,
als ob die Sonne vom Himmel liefe". Dit noodvuur had het karakter van
een zoenoffer aan de hoogere machten, het was een reinigings (en dus
vruchtbaarheids-) vuur, dan ook een offervuur aan de verpersoonlijkte
vegetatie en vruchtbaarheidsgoden, wellicht met name aan Wôdan
als zonnegod, wiens symbool het rad, het zonnerad was; vandaar,
dat de _Indiculus superstitionum et paganiarum_, een opsomming van
capitularia uit de VIIe eeuw, waarschuwt tegen het heidensch gebruik
van vuur door het wrijven van hout: _De igno fricato de ligno, id est
nôd-fyr_. Oorspronkelijk stonden deze vuren met geen bepaalden tijd van
het jaar in verband en werden ontstoken, telkens als men de godheid
iets te vragen had of ook haar dank wilde brengen. Maar mettertijd
hebben zij zich bij de hoofdofferfeesten gevoegd, en zoo krijgen wij
dan onze Sint-Maartensvuren, Kerst- en Nieuwjaarsvuren, Vastenavond-
en Paaschvuren, en St. Jans of Pinkstervuren, die vrij wel met de vier
genoemde groote ofifertijden der Germanen samenvallen. Als kriteriën
van den heidenschen oorsprong der nog bestaande vuren kan men met
Grimm, Deutsche Mythologie I, bl. 35 aannemen: "das reiben der heiligen
Flamme, laufen durch die brände, werfen von blumen in das feuer, backen
und austheilen grosser brote oder kuchen, und der reihentanz." Voegen
wij hierbij het rondloopen met fakkels door de velden.

Talrijk zijn de dorpen, vooral in het Zuiden van ons land, waar
de Sint-Maartensvuren nog opflikkeren; ook springt men nog over
het vuur heen. Daarentegen is het _fakkelen_ veelal verdwenen, --in
België bestaat het nog plaatselijk, b.v. te Hombeek, Hoeleden, enz.,
en ook in Hollandsen Limburg en Brabant, vgl. Limburg's Jaarboek I,
bl. 72: "Op Sint Maartensavond kan men door geheel Limburg en Brabant
op de heuvelen langs de Maas de Sint Maartensvuren in flikkerende
vlam met rossen gloed zien opgaan.... Terwijl de stapel brandt,
zwerven de knapen met ontstoken fakkels door de velden." Te Obbicht,
Papenhoven enz. noemt men dit _flakkeren_. De toortsen zijn slechts in
rudimentairen vorm overgebleven in de kaarsjes of gekleurde lampions
of uitgeholde en tot lantaarns vervormde rapen en pompoenen (pronk- of
bronkappelen), waarmee thans de dorps- en veelal ook nog de stadsjeugd
langs de huizen trekt. Te Brugge en rond Maaseik loopen de kinderen
met eindjes touw, bestreken met teer. De vuren vervangt men in de
steden, b.v. te Venloo, door kaarsjes. Op Sint-Maartensavond vormen
ouden en jongen een kring; dan wordt lustig in de rondte gedanst en
de kinderen springen herhaaldelijk over het vlammetje. Dit kinderlijk
gebruik verbindt dus ons folklore niet alleen met den grijzen voortijd,
maar ook met de volksgebruiken der verre Donaulanden, van Meissen
en Thüringen, waar men althans bij de Sint-Jansvuren nog over den
gloed heenspringt.

Bij den rondedans zingt men te Venloo het bekende:


    Sintermertes veugelke
    Hêt ein roeëd keugelke
    En ein blauw stertje
    Hoepsa Sintermerte!


Appingedam:


    Sunte Meertens vogeltje
    Met ziên kip kap kogeltje
    Met ziên rooie rokje,
    Met ziên vleddern stokje.


Ter vergelijking diene nog het door Halbertsma meegedeelde:


    Sunte Maartens veugeltje
    Zat al op een heuveltje
    Met zijn rood rokje;


en verder het rijmpje, dat men hoort in de Altmark:


    Märtiin Märtiins Vaegelken
    Mett siin verguit Snaevelken!
    Geft us watt un lat us gan,
    Datt wii hüüt noch wiier kam'n.


In het leven van den heilige komt geen vogel voor, en toch ontmoet
men den Martinusvogel reeds in de gedichten der Middeleeuwen. Ook in
Frankrijk kent men den "oiseau St. Martin" en in Spanje den "pajaro
St. Martin."

Over dezen Sint-Maartensvogel is heel wat geschreven, zie
b.v. Dr. Knappert, Wödan-St. Maarten in den Gron. Volksalmanak 1899,
bl. 102; Dr. Knippenberg, Sintermertesveugelke, in Limburg's Jaarboek
1911, bl. 75 enz. Persoonlijk heb ik deze kwestie onderzocht in mijn
opstel, getiteld: Overblijfselen van den Wôdan-kultus in Limburg,
in Limburg's Jaarboek 1898, bl. 34 vlg. Mij dunkt thans, dat men
de zaak als uitgemaakt kan beschouwen. De handschriften, die "Sant
Martisvogel, Mertissvogelin" geven, wekken het gegronde vermoeden,
dat _Martini avis_ uit _Martis avis_ ontstaan is; in alle geval is
de specht bedoeld, de bonte specht (_picus maior_), met zijn donkere,
staalblauwe staartveêren en donkerrooden nek. Het woord "keugelke" is
immers het Middelnederlandsche _cogele_ "halskraag, mantelkap", men
denke aan de zegswijze: "kat en kogel verliezen", ontstaan uit "kap
en kogel verliezen", elders "kap en keuvel"; vergel. ten overvloede
het Veendamsche en Delfzijlsche rijmpje:


    Kip, kap, kogel,
    Sint Maartinsvogel.


Zoo ook het Duinkerksche:


    Sinte-Martens veugeltje
    Kwam met zijn roo kapeugeltje
    Gestoven
    Gevlogen
    Al over den Rijn,
    Waar dat vette verkens zijn!
    Goede vrouwe, geeft ons wat,
    Alle hennen leggen wat!--


Ik keer nu terug tot den ronddans in de binnenkamer. Als tweede
couplet zingt men een lied, dat aanvankelijk bij het inzamelen van
hout enz. aan de huizen gezongen werd, en thans nog gezongen wordt
dáar, waar deze inzameling door de jeugd in typischen lichtstoet
nog gehouden wordt. Tot goed begrip dezer strofe dient men zich de
legende van den H. Martinus te herinneren. Het was in den strengen
winter van het jaar 332, toen Martinus, nog krijgsman en katechumeen,
een naakten en van koude schier verkleumden bedelaar ontmoette bij
een der poorten van Amiens. Terstond trekt hij zijn zwaard en deelt
zijn krijgsmantel in tweeën, geeft de eene helft aan den arme, die
in Christus' naam een aalmoes vraagt, en bedekt zich zelf zoo goed
mogelijk met de ander. Vandaar in het lied de uitdrukking "met zijn
bloote armen". Denzelfden nacht zag hij in zijn slaap den Zaligmaker,
met het deel van den mantel, dat hij den bedelaar gegeven had, bedekt,
zeggende: "Martinus, hoewel nog katechumeen (niet gedoopt), heeft mij
met dit kleed gedekt." De bedelaar heet in het lied "Sinterkrukken".

Vooraf nog een algemeene opmerking over volksrijmpjes, of volkspoëzie,
zoo men wil. Een groot deel dezer gelegenheidsrijmpjes, die van
mond tot mond gaan, is verdorven en onverstaanbaar geworden. De
volksfantasie varieert op alle mogelijke wijze, verbastert, neemt
allerlei bestanddeelen en restantjes van andere, vreemde liedjes op,
enz. Maar bij de rekonstruktie moet men uiterst voorzichtig zijn en
vooral niet te veel logica verwachten. Niet slechts het eene idee,
maar ook het eene rijm, de eene klank roept den anderen op, vooral
in de zoogen. _kettingrijmpjes_, en zoo wijkt men soms mijlen ver
van het hoofdthema af. Ik geef hier enkel de stroofjes, die m.i. de
meest voorkomende en de minst verhaspelde zijn, en zooveel mogelijk
ontdaan van hun dialektisme, voor zoover zij een algemeen karakter
dragen. Voor de volledige Vlaamsche liedjes zie De Cock-Teirlinck,
Kinderspel en Kinderlust VII, bl. 110 vlg.; voor Noord-Nederland
vooral ook Driem. Bladen III, bl. 64; IV, bl. 113; VII, bl. 80.


    Vandaag is 't Sinter Marten
    En morgen Sinter Krukken,
    Wij komen uit goeder harte
    En hadden zoo gaarn een stuksken:
    Een houtjen of een turfjen
    In Sinter Martens kurfjen,
    En wij zullen van hier niet gaan,
    Of wij hebben wat opgedaan.

    Sinter Marten is zoo koud,
    Geef 'm een turfjen of een hout,
    Om zich bij te warmen
    Met zijn bloote armen.
    Geef wat, houd wat,
    Tegen 't jaar al weer wat.


Of wel:


    Geef vuur, geef vuur,
    Sinter Marten is zoo duur.


In de volkspoëzie vinden we ook metrische eigenaardigheden, en behalve
sporen van stafrijm, allerlei verouderde rhythmische vormen. Het hier
volgende rijmpje herinnert aan het oude metrum, dat geregeld werd
door het aantal heffingen in ieder vers, en niet door het aantal
lettergrepen; zie hierover G. J. Boekenoogen, Onze Rijmen (Leiden
1893), bl. 32.


    Híer wóont een ríjk mán,
    Díe véel géven kán.
    Véel wíl hij gévén,
    Láng zál hij lévén,
    Zálig zál hij stérvén,
    Den hémel zál hij érvén;
    Gód zál hem lóonén
    Met hónderddúizend krónén,
    Met hónderddúizend rókjes an,
    Dáar komt Sínter Márten áan.


Of wel:


    Met hónderd dúizend líchtjes áan,
    Dáar komt Sínt Martínus weer áan.


Te Venloo volgt na den vierden regel ook wel:


    Honderd joar en einen daag
    Zit det mêdje op die bank,
    Loat det mêdje valle,
    Tröl, tröl
    Loat det mèdje valle (?).


Ruim verspreid is verder:


    Sint Martinus bisschop,
    Roem van onze landen,
    Dat wij hier met lichtjes loopen
    Is voor ons geen schande.
    -----------------
    Martijn,
    Turf in den murf [mond] in den maneschijn.
    Gooi in den most,
    Gooi in den wijn,
    Hier woont Sinte Martijn.
    Martijn had een schaartje, dat wou niet knippen,
    Martijn had een mesje, dat wou niet snijden,
    Martijn had een touwtje, dat wou niet knoopen,
    Geef me een korfje of een houtje en laat me loopen.


Alkmaar, Hoorn:


    D'r is brand al in de lantaren,
    En de vonken, die vliegen d'r uit,
    De meisjes loopen om garen
    En de jongens om beschuit.
    ------------------
    Sinte, Sinte Marten,
    De kalveren dragen starten,
    De koeien dragen horens,
    De kerken dragen torens,
    De torens dragen klokken,
    De meisjes dragen rokken,
    De jongens dragen broeken,
    De wijven schorteldoeken.


West-Vlaanderen:


    Sinte Martens avond,
    De torre [lantaarn] gaat mee naar Gent,
    En als mijn moeder wafels bakt,
    Dan ben ik daar geern omtrent.

    Stook vier, maak vier,
    Sinte Maarten komt hier,
    We zetten hem in een hoekje,
    We geven hem daar een koekje,
    En we zetten hem onder de tafele,
    En we geven hem daar een wafele.


Land van Waas:


    De jongens van de dorpen,
    Die waren hier al bijeen,
    Het geldeken, dat wij 's jaren haên,
    Dat is hier al verteerd.
    Wij zullen gaan leeren hout rapen,
    Turf rapen,
    Al op Sint Jans manieren!
    Vrolijk zullen wij vieren,
    Gelijk wij 's jaren plachten.
    Een stuk van zijnen mantel
    Al met zijn billekens bloot!
    En wilde gij dat niet geven,
    Dan zijde gij een groote jood!
    Een houtje of een turf ken
    In Sinte Maartens kurfken.


Krijgt men niets, dan wordt gezongen:


    Hier hangt een baksken met zemelen uit,
    En daar vliegt de gierige duivel uit.


Of wel:


    Een bosje met zwavel,
    Een bosje met kruit,
    Hier hangt de gierige duivel uit.


Reeds in de XIIIe eeuw wordt de Sint-Maartensdag _Scuddecorfsdag_
genoemd; niet zoozeer, omdat dan de broodkorf geschud werd, d.i. een
algemeene uitdeeling onder de armen plaats had [8] maar een korf
met appelen, kastanjes, noten, mispelen enz. werd boven het vuur
aanhoudend geschud, zoodat de inhoud naar alle kanten vloog en door
de grabbelende jeugd werd opgeraapt. De korf zelf verbrandde langzaam
onder het schudden; vanwaar in Duitschland het rijmpje:


    O Marten, Marten,
    Der Korb muss verbrennet sein;
    Das Geld aus den Taschen,
    Der Wein in die Flaschen,
    Die Gans vom Spiess,
    Da sauf und friss,
    Wer sich vollsaufen kann,
    Wird ein rechter Martensmann.--


In den Gelderschen Volksalmanak van 1837 leest men, hoe het
Schuddekorfsfeest binnenshuis werd gevierd. Aan den zolder werden
papieren builen opgehangen met rozijnen, amandelen, kastanjes enz. Aan
deze builen bevestigde men een langen papieren slinger. De slinger
wordt aangestoken, de vlam komt nader en nader, het laatste vonkje
deelt zich mee aan 'n kleine hoeveelheid buskruit, die ontvlamt,--en de
buil scheurt aan stukken. Nu regent het lekkernijen, en de grabbelende
jeugd stoeit en strijdt, wie het meest mag oprapen.

Veel meer karakteristiek is het uitdeelen van versnaperingen aan de
kinderen in de zuidelijke provinciën. De avond vóor Sint Maarten is
de echte strooiavond; en de kinderen, ronddansend om het kaarsje
en "Sinter Mertes veugelke" zingend, zien verlangend naar den
schoorsteen, want Sint Maarten rijdt, d.i. werpt zijn gaven door den
schoorsteen. Sint Maarten is de kindervriend en treedt herhaaldelijk
voor Sinter Klaas in de plaats. Te Herdersem, te Aalst, te Sint
Nikolaas zetten de kinderen hun schoen op Sint Maartensavond. Men
legt voor het paard van den heilige, die 's nachts rondrijdt, hooi en
wortelen in den schoen; te Ieperen hangen de kinderen op den vooravond
hun met hooi gevulde kous in het huis hunner ouders of grootouders
op, in de hoop deze 's morgens met geschenken gevuld te vinden. Te
Antwerpen is het strooiavond, evenals te Venloo en in de Kempen;
in bisschoppelijk ornaat verschijnt de heilige in de kinderkamer en
beloont of tuchtigt naar verdienste.

Immers, wij staan aan het begin van het Joeltijdperk, eertijds
gewijd aan Wôdan, als god der vruchtbaarheid, maar ook aan de
schimmen der afgestorvenen, het tijdperk der vruchtbaarheid en der
bevruchting, gedurende hetwelk genoten en gegeven wordt, en nieuwe
gaven worden verhoopt van de aarde, sluimerend en welhaast zich
dekkend met het mollige, blanke dekkleed van sneeuw. Onmiskenbaar
heeft het Oudgermaansche Midwinterfeest een grooten invloed op onze
hedendaagsche gebruiken uitgeoefend. Men toonde zich dankbaar voor
het genotene, men bracht het eerste winteroffer, maar genoot ook van
de offergaven en vierde feest met uitgelaten vroolijkheid. Martinidag
was de eerste smuldag bij de intrede van den winter. De oogst is nu
binnen gehaald, ten volle kan men genieten van de rust na den arbeid
en van den oogstzegen,--en de eerste groote slachttijd is daar. Zoo
vindt men in dit Joeltijdperk dan ook de meeste smuldagen en de meest
verscheiden gebaksvormen; zoo worden dan in deze periode de kinderen
op allerlei snuisterijen onthaald, voorgesteld als hemelgaven, door
de godheid verleend,--naderhand nemen Sint Maarten, Sinterklaas, het
Kerstkind, de Driekoningen enz. de plaats der chthonische godheden
in: ekonomische en religieuze motieven gaan hier hand in hand. Sint
Maarten _rijdt_ deze gaven, evenals Sinterklaas en de Engelen op
Palmzondag; _rijden_ is gelijkwaardig met "geschenken geven", door
welke synonimie het verband tusschen "wind" (rijden door de lucht)
en "vruchtbaarheid" in een helder daglicht treedt. "Veel wind, veel
ooft", zegt een spreekwoord. In Limburg kent men zelfs Sint Maarten
in de funktie van den Wilden Jager (vgl. bl. 71), als aanvoerder van
het geestenheir, begeleid door zijn knecht.

Aldus verklaart men ook de eigenaardige koeken, met Sint Maarten
gebakken en _Sint Maartenshoorntjes_ genoemd. Ook in het Freudental
(Oostenr. Silezië) mogen de _Martinshörndl_ niet ontbreken. Hiermee
hangt samen het varkensslachten, dat op Sint Maarten gebruikelijk is,
zoodat men in Duitschland schertsend van _Speckmärten_ spreekt. Vooral
de kleine man slacht dan het zorgzaam gemeste dier:


    Op Sint Martijn
    Slacht de arme het zwijn.


Te Hoogstade (België) zingt men:


    Sinte Maarten,
    Koeken en taarten,
    Brood en wijn,
    Al voor Sinte Maartens zwijn!


Niet minder past bij de opening van dit tijdperk de Sint
Maartensgans. Zij is om dezen tijd het vetst en wordt dus als
bijzondere lekkernij genoten; vroeger werd zij over het algemeen
meer gegeten dan thans, ik herinner slechts aan de markten, die nog
haar naam dragen. Het gebruik der Sint Maartensgans is heinde en ver
verbreid en houdt met geen enkel goed vaststaand feit uit het leven
van den heilige verband. Men denke er toch aan, dat het volk niet
met getaldatums, maar met heiligendagen rekende, zoodat men tegen
Sint Maarten (d.i. 11 Nov.) de gans slachtte, tegen Sint Andries
(d.i. 30 Nov.) de pacht betaalde, tegen Sint Margriet (d.i. 10 Juni)
omslag in het weer verwachtte enz., enz.--Slechts in Engeland is de
gans de oudvaderlijke schotel op Sint Michaëlis (29 Sept.), n.l. de
_Michaelmass-goose,_ terwijl den 11en November het _Martinmass-beef,_
gerookt vleesch, op tafel prijkt. Ook in Friesland is het eten van
ganzen meer omstreeks Sinterklaas en Kerstmis gebruikelijk.

Reeds sinds eeuwen werd de heilige met een gans afgebeeld; op Noorsche
runenkalenders vindt men 11 Nov. door een gans aangeduid, evenals op
Tirolsche boerenkalenders. Luidens de legende zouden de ganzen den
heilige door hun gesnater bij het preeken gestoord hebben, waarom
hij ze slachten en oppeuzelen liet! Anderen berichten, dat de ganzen
zijn schuilplaats verrieden, toen hij zich had verborgen, ten einde
zich aan de bisschoppelijke waardigheid te onttrekken. Op het dak
der Sint Maartenskerk teWorms (XIIe eeuw) is mede een gans geplaatst.

In Gelderland, Overijssel enz. werd de gans 4 weken te voren
gekocht en dan gemest; befaamd waren de ganzenmarkten te Deventer en
Zwolle. Sommigen _pilden_ de beestjes, d.i. duwden hun meel-ballen tot
barstens toe in den gorgel. Te Deventer werd zelfs door de schooljeugd
aan "Meester" een malsche gans ten geschenke gegeven; deze gaf dan
vakantie. Hier en ook nog in enkele andere plaatsen van Noord-Nederland
bleef na de Reformatie de "papistische grouwel" van het gans-eten
voortbestaan.--Een deftig Deventersch hooggeleerde uit de XVIIe eeuw,
Martinus Schoockiius verhaalt, hoe de hoogstgewichtige vraag behandeld
werd, of het geoorloofd was, op Sint Maarten een gans te eten, en meer
bepaaldelijk, of men een Sint Maartensgans mocht opdisschen aan de
Deventersche studenten in de heilige godgeleerdheid, die gezamenlijk
het middagmaal gebruikten. De hooggeleerde is vrijzinnig genoeg,
er geen bezwaar in te zien; zie Eelcoo Verwijs, Nutsalmanak. 1868,
bl. 151 vlg.

Eigenlijk behoort de St. Maartensgans thuis in de Saksische gewesten
van ons land. Ik ben de meening toegedaan, dat men de gans kan
beschouwen als een Saksisch stamdier, waarop m.i. ook het liedje uit
Westerwolde wijst:


    Er kwam een gans uit Sassen,
    Uit Sassen kwam die gans,
    Hij was zoo wel gewassen,
    Gewassen was die gans.--


Voor een groot deel van ekonomischen aard is ook de
Sint-Maartensdronk. In de volksrijmpjes heet het:


    Sint Martijn, Sint Martijn,
    T' avond most en morgen wijn.


Men dronk nieuwen most en nieuwen wijn, want het feest valt omstreeks
den tijd, dat de nieuwe wijnen worden gekelderd: het valt samen met
het einde van den wijnoogst. Van oudsher werden b.v. te Dordrecht,
de stapelstad, de Fransche wijnen gekelderd op Sint Maarten. Zoo
komt het, dat in sommige Fransche kalenders een beker het attribuut
van Sint Maarten is, en dat hij in Frankrijk veelal als de patroon
der wijnbouwers en hotelhouders geldt.--Uiteraard ontaardde dan ook
het Sint Maartensfeest niet zelden in een zwelgpartij, zooals dit
b.v. op de bekende schilderij van den Boeren-Breughel in het Museum
van Antwerpen is voorgesteld.

De historische Martini-dronk, die den naam van _Sint Maartens minne_
draagt, is oorspronkelijk een heidensche offerdronk. Hierover spreek
ik nader bij het behandelen der Sint-Jansminne.

Eindelijk, Sint Maarten evenals Sinterklaas en andere persoonlijkheden,
die geschenken uitdeelen, is gewapend met een roede of gaarde. Deze
staat met het vruchtbaarheidsbegrip in verband, en elk begrip van
tuchtroede is haar aanvankelijk vreemd. Het is een oud Indogermaansch
volksgeloof, dat het treffen van dier of plant met een roede, onder
zekere plechtigheden, dat dier of die plant vruchtbaar maakt. Mannhardt
vooral heeft over dit onderwerp in zijn Baumkultus onder den titel
van: "Der Schlag mit der Lebensrute" een meesterlijk gedachte en
keurig uitgewerkte verhandeling geleverd. Den 10en November wordt de
_Martinsgerte_ door den Beierschen herder aan zijn meester ter hand
gesteld: achter krib of staldeur gestoken, beschut zij gedurende
den winter het vee tegen alle onheil, en in de lente drijft men er
de koeien mee naar de weide. Hierbij bedient men zich te Etzendorf
(Beieren) van de volgende spreuk:


    Kommt der heilig St. Märten
    Mit seiner Gerten;
    _Soviel Krawitbeeren_,
    _Soviel Ochsen und Stiere!_
    _Soviel Zweige, soviel Fuder Heu!_
    Steekt sie hinter den Kühbarn,
    So wird auf's Jahr keine Kuh verloren,
    Und steckt sie hinter der Stalltür,
    Treibt sie auf's Jahr mit Freuden herfür.


Bij de kerstgebruiken kom ik op dit onderwerp terug. Laat ik nog
slechts aanstippen, dat ook het slaan met riemen, hetwelk de _Luperci_
zich te Rome op het feest der _Lupercalia_ veroorloofden, slechts
in schijn een tuchtiging was. Zelfs versperden de vrouwen, volgens
Juvenalis, den _Lupercis_ den weg, om zich in de vlakke hand te doen
treffen: Nec prodest agili palmas praebere luperco: "En het baat niet
den vluggen Lupercus de vlakke hand te bieden" (_Sat._ II, 14).

Wij volgen nu verder den kalender, door de heiligenfeesten aangeduid:
den waren _volks_kalender.

_Sint Katharina (25 Nov.),_ van Alexandrië, maagd en martelares. Door
hare wijsheid beschaamde zij de heidensche wijsgeeren, van waar zij
van oudsher als patrones van de wijsgeeren en redenaars gold, en ook
de Seminaries haar als zoodanig huldigen. Geen wonder, dat ook eenige
der oudste Belgische Rederijkerskamers haar als patrones verkozen,
b.v. te Hasselt, Eecloo, Leuven en Aalst, waar de _Catharinisten_
nog heden bestaan. De Romeinsche keizer Maximinus veroordeelde haar
na vele folteringen om geradbraakt te worden; maar op haar gebed werd
het met scherpe punten beslagen wiel verbrijzeld, waarna men haar
onthoofde: zoo werden een gebroken rad, boek, palm en zwaard hare
attributen, en verkozen haar de wiel- en wagenmakers, pottebakkers
en spinsters als patroonheilige. Evenals de namen der HH. Lucia en
Clara, staat haar naam etymologisch met het begrip "licht, reinheid,
helderheid" in verband. Dit had tot gevolg, dat de Kathrijnedag tot
_dies criticus_ werd: beslissende dag voor het weêr. Herhaaldelijk komt
hij in weêrregels voor. Men laat plaatselijk omtstreeks dezen datum
den winter een aanvang nemen, en zoo heet het dan: "St. Katharina
komt in het wit gekleed". In Westfalen zegt men: "Katharina hett den
winter innen Schraine". Ook kent men bij ons het rijmpje:


    Met Sint Katrijn
    Moeten de koeien aan de lijn.


Na regen verleent zij zonneschijn. Dit blijkt o.a. uit het volgende,
op vele plaatsen en met vele varianten (vooral aan het slot) gezongen
rijmpje:


    Sinte-Katerijne (of Katelijne),
    Laat het zonneke schijnen,
    Laat den regen overgaan,
    Dat de kinderkens naar school toe gaan!
    Wie zal hun leeren?
    Onze lieven Heere.
    Wie zal ze trouwen?
    Onze lieve Vrouwe.
    Wie zal hun te eten geven?
    Sinte-Pieter, die goede man,
    Die alle kinderen geeselen kan.


Of:


    Wie zal de misse doen?
    Peetje met zijn gelapten schoen; enz. enz.


Sint-Kathrijnedag is ook een Schuddekorfsdag. De schoolkinderen gaan
in Belgisch Limburg van deur tot deur en roepen: "Geeft aan de jongens
van St. Katrien!" Krijgen ze centen, appelen, noten enz., dan roepen
ze nog eens: "Goê Sinte-Katrien!" Krijgen ze niets, dan schreeuwen
ze heel hard: "Kwâ Sinte-Katrien!" Eenige jaren geleden zong men nog:


    Wij komen al rond op Sinte-Katriene,
    Wij hadden zoo geerne wat boekweitbloem.
    Wij zullen ze luisterlijk vieren
    Al op een zalige maniere.


Of:


    Al op onze oude manieren.--
    Gelijk wij verleên jaar hebben gedaan,
    Huis voor huis al afgegaan,
    Ter eere van Sinte-Katriene.
    Geeft wat
    Houdt wat
    Tegen 't jaar nog wat.


Zie 't Daghet in den Oosten II, bl. 179; IX. bl. 95; XI. bl. 47; De
Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust IV, bl. 180 vlg., VII,
bl. 174, 175; De Cock, Volkskunde, 259; Schrijnen, Essays en Studiën,
bl. 68, 251.

_Sint Andries (30 Nov.)_ is insgelijks een kritische dag: "Sint Andries
brengt de vries", ook weer niet zonder volksetymologischen bijsmaak.

Deze dag deelt verder in de St. Maartens- en Sinterklaasgebruiken. Het
is hier of daar weer Schuddekorfsdag. Op Sint Andriesavond gaan te
St. Marie-Laathem de jongens rond om een _snik_ (appel). Zij staan
bij elk huis stil en roepen:


    'k Kom om mijnen snik!


Wie geeft, wordt bedankt; wie niet geeft, wordt onthaald op;


    Wilde nie geên, ge meugt 'et houwen,
    Maar 'et zalder u wel berouwen!
    Die niet en geeft, die es en beest,
    Dat es N.N. om te meest!


Sint Andries_nacht_ speelt ook een voorname rol in de tooverwereld,
al mogen wij niet vergeten, dat het rekenen met nachten wel het
oorspronkelijke was; vgl. Volk en Taal I, bl. 11, 12.

_Sint Elooi (l Dec.)._ De H. Eligius werd in 588 in het Westen van
Frankrijk geboren en toonde reeds als knaap groote vaardigheid in
de teeken- en goudbewerkerskunst. De koningen Clotarius en Dagobert
lieten hem kunstvoorwerpen voor zich vervaardigen, o.a. een gouden
zetel. Naderhand stichtte hij een klooster en werd bisschop van
Noyon. De volkssage maakt hem tot een gewonen smid, vooral hoefsmid,
en vereerde hem tevens het patroonschap over de paarden. Vooral bekend,
en ook vaak in lijn en beeld gebracht, is de legende, hoe de heilige
een koppig paard, dat hij beslaan moest, den poot afsneed, zonder het
een druppel bloed te doen verliezen. Dan besloeg hij den hoef op het
aanbeeld en zette de twee stukken weer aan elkaar.

De feestdag van Sint-Elooi wordt op het Vlaamsche platteland door
smeden, voerlieden en paardeboeren nog gevierd, o.a. te Poeke, Vinkt,
Vosselare, Burst, Herdersem, Grembergen en Tielrode. Wat betreft de
zoogenaamde paardenprocessies ter eere van den heilige, deze hebben
thans meestal den 29sten Juni, dus op St. Petrus en Paulus plaats. De
boeren leggen dan met hun rijdieren in vollen draf driemaal den grooten
processieweg af, vatten daarna post voor de kerkdeur, worden gezegend
en rijden dan stapvoets driemaal om de kerk.

Te Mechelen hadden volgens V. Reinsberg-Düringsfeld, Calendrier belge
II, bl. 295, de leerjongens de gewoonte, dien dag van meester tot
meester te gaan om een fooi te vragen onder het zingen van bepaalde
rijmpjes.

_Sint Barbara (4 Dec.)_ werd door haar heidenschen vader in een
toren opgesloten; vandaar, dat de metselaars en timmerlieden haar tot
patrones kozen. Te Keulen is zij met haar geschenken de voorloopster
van Sinterklaas. In Limburg snijdt men de zoogenaamde _Barbara-takken:_
kersen- of berkentwijgen, die in water of in vochtige aarde gezet,
op Kerstmis zullen bloeien,--treffende kerstening en symboliseering
van het vruchtbaarheidsidee.

_Sint Nikolaas (6 Dec.)._. Een groote, krachtige gestalte te paard,
den staf in de hand, den mijter op het hoofd, den ruim-geplooiden
bisschopsmantel om de schouders geslagen,--zoo stelt zich de
kinderwereld den heiligen bisschop van Myra voor. Hij lijkt inderdaad
veel op de figuur van Wôdan, het rijzige lichaam in een wijden,
donkeren mantel gehuld, waarin hij zijn beschermelingen door de lucht
draagt, en gezeten op zijn trouwe schimmel Sleipnir.

Na de overwinning van het Christendom in de IXe en Xe eeuw, toen het
werkelijk geloof aan Wôdan en zijn kring was verloren gegaan, was die
schimmel een onbeheerde zaak, een _res derelicta primi occupantis,_
slechts bereden door een half-goddelijke, half-daemonische schim,
die zich nog hier of daar in het folklore vertoont (zie bl. 72),
maar welke het niet moeilijk viel voor edeler, meer reëele figuren
te doen wijken. Op dien schimmel heeft het volk in den loop der
tijden aan allen, die het hoog hield, omdat zij een aanzienlijke rol
gespeeld hadden in kerkelijke of staatkundige geschiedenis of ook
sage--heiligen, koningen, legerhoofden en anderen--een eereplaats
gegund; en zoo heeft Sleipnir ook als substraat gediend voor de
vereering van Sint Nikolaas.

Het paard is voor den heilige het onmisbare vervoermiddel op zijn verre
tochten. Soms is hij gedwongen, de reis te onderbreken en zijn paard
te laten beslaan; de smid wordt rijkelijk beloond. Het laat ook niet
zelden een hoefindruk achter, evenals de schimmel van _Karel Quinte_,
als deze uit den _Gudinsberg (Wuodenesberg_) komt. Sinterklaas komt van
verre, van het land van licht en zonneschijn, vanwaar hij appelen en
kastanjes meebrengt. In onze Sinterklaasliedjes is dit meestal Spanje,
dan ook Condé:


    Drie appelkens van Condé,
    Breng mijn broerkens ook wat mee.


(West-Vlaanderen).


    Om appelkens van Condé,
    Breng er mij een g'heel schootjen mee!


(Oost-Vlaanderen).

Te Venloo laat men hem weer terugkeeren naar Picardië:


    Gank oet rieje
    Noa 't lendje van Picardië.


Tegen voetzeer schijnt het paard niet beveiligd:


    Sinter Klaas zen peerdje,
    Dat häd een kranke poot,
    Laten we doa voor bejen,
    Dat het beter weurdt.


(Hasselt.--'t Daghet in den Oosten IV, bl. 121).

Beter lijkt me de Venloosche lezing:


    En Sinterklaos zie(n) pêrd,
    Det hêt 'n kwoaje voot,
    En as me doa veur bêjt,
    Dan wuurdt dê ouk weer good.


In ons land is Sinterklaas het voornaamste schenkingsfeest; hij _rijdt_
geschenken, met name voor kinderen. De _pakjesavond_ onzer noordelijke
provinciën is een late, gladstrijkende en prozaïsche vervorming. Aan
het vruchtbaarheidstijdperk herinnert verder de peperkoek in zijn
tal van grillige vormen en benamingen, waaraan oud en jong zich te
goed doet. Men vergelijke hiermee de _Klausenmannle_ in Hohenzollern,
de _Nicolaus-Lebkuchen_ in Hessen-Nassau enz.

Evenals de Wilde Jager en Sint Maarten _rijdt_ Sinterklaas door
den schoorsteen. En inderdaad, de schoorsteen is de koker der
geestenwereld, de verbindingsweg tusschen de hoogere wezens en de
gewone stervelingen,--de ruime, ouderwetsche schoorsteen boven
den oorspronkelijk vrijliggenden haard, de aloude offerstede,
steeds het gezellige middelpunt van het intieme huiselijke
leven. Is het wonder. dat de schoorsteen een groote rol in de
tooverwereld speelt? Dat men op Silvesteravond, in het hartje
van den Joeltijd, in den schoorsteen ziet, om de toekomst te
doorschouwen? Dat toovermiddelen bij voorkeur in den schoorsteen
worden opgehangen? Vooral de huisgeesten dalen door den schoorsteen
tot den huiselijken haard af. Bij het plaatsen van vulkachels en het
aanleggen van centrale-verwarming nemen zij al schielijk de vlucht.

Onder den schoorsteen wordt de schoen gezet, vanwaar de uitdrukking
"een schoen zetten bij iemand" synoniem is van "iemand iets
afbedelen." Nu staat de schoen van Sinterklaas in het folklore niet
alleen. Ook de Wilde Jager vult schoenen en laarzen, en wel met
goud. Op Kerst- en Silvesteravond, en ook wel op Thomasavond, werpen
zich in Oostenrijk en Mecklenburg jongens en meisjes een schoen over
het hoofd, om te zien, wat hun te wachten staat. Maar hoofdzaak is,
dat de schoen hier op de eerste plaats dient om het voeder te bevatten
"voor Sinterklaas zijn paard." Plaatselijk in heel ons land, maar
met name in de zuidelijke provinciën en in België, wordt in schoen of
klomp haver, hooi, wortelen enz. voor het dier gereed gezet. Vergelijkt
men nu hiermee het op vele plaatsen van Duitschland en Skandinavië,
en ook nog in Twente bestaande oogstgebruik, eenige halmen op den
akker te laten staan, zooals het veelal uitdrukkelijk heet, "voor Wode
en zijn paard," dan dunkt me, dat ook hier weer de oorsprong van een
volksgebruik naar het land moet verlegd worden. Op dit hooioffer kom
ik te gelegener plaatse nader terug; hier volge slechts de slotsom,
dat wij in het hooi voor het paard van den heilige hoogstwaarschijnlijk
een schamel, overigens onschuldig _survival_ te zien hebben van een
voormalig offer aan den god, of liever aan het paard van den god der
vruchtbaarheid, en wel een offer van hooi, dat immers reeds in de
Oudnoorsche Edda _Sleipnis verdr_, "Sleipnir's spijs" genoemd werd.

Bij het schoenzetten behooren enkele liedjes, waarvan hier de
voornaamste, meest algemeen verspreide lezing:


    Sinte Niklaas,
    Nobele baas,
    Breng iets in mijn schoentje,
    Een appeltje of een citroentje (limoentje).


    Sinte Niklaas kapoentje,
    Rijd wat in mijn schoentje,
    Een appeltje of een citroentje,
    Een nootje om te kraken,
    Het zal zoo lekker smaken!


    Sinterklaas bisschop,
    Zet uw hooge muts op,
    Trek uw besten tabbaard aan,
    Rijd er mee naar Amsterdam,
    Van Amsterdam naar Spanje,
    Appeltjes van Oranje!


    Sinterklaas, goed heilig man,
    Trek uw besten tabbaard aan,
    Geef de kleine kinderen wat,
    Geef de grooten een schop voor het gat,
    Laat ze daarmee loopen,
    Kousen en schoenen verkoopen.


    Sint Niklaas, mijn goede man,
    Wilt ge me wel wat geven,
    Dan dien ik u al mijn leven;
    Geef je me niet,
    Dan dien ik je niet,
    Dan ben je mijn Sint-Niklaasje niet.


Sinterklaas rijdt rond met zijn knecht, in ons land meest Pieterman
geheeten, in de Rijnprovincie _Hans Muff_, in den Elzas _Hans Trapp_,
elders anders. In Noord-Duitschland verschijnt op Kerstavond een
baardige, in pels en erwtenstroo gehulde figuur, die appelen, noten
enz. onder de jeugd rond deelt. Wij hebben hier stellig te doen met
een elfische gedaante. Sinterklaas of Pieterman dragen de roede,
evenals Sint Maarten. In Zwitserland draagt St. Nikolaas plaatselijk
een opgesmukt boompje, in Hamburg voorheen een groene twijg. Over de
beteekenis dezer roede is boven gesproken (bl. 116). Laat ik hier
nog slechts bijvoegen, dat te Mähren (Oostenrijk) op den vooravond
van Sinterklaas boerenknapen met zweepen de velden doortrekken,
om de groeikracht te bevorderen. Volgens TlLLE, Die Geschichte der
deutschen Weihnacht, bl. 196, heeft het Protestantisme de levens-
en vruchtbaarheidsroede van onzen heilige tot strafinstrument en
plak hervormd.

Sinterklaas, eindelijk, is ook de patroon der schippers, en dit
attribuut heeft er zeker niet weinig toe bij gedragen, dat zijn feest
te Amsterdam zoo uitermate populair is. Het schipperliedje luidde:


    Wij sullen ons scheepken wel stieren
    Al over die wilde see,
    Al op Sinterklaes manieren,
    Soo gaet er ons soetlief meê.


Dit patroonschap is zonder twijfel te danken aan het bekende verhaal,
waarvolgens de heilige, op reis naar het H. Land, een door hem
voorspelden storm door zijn gebed deed bedaren.

Zie Eelco Verwijs, Sinterklaas ('s Gravenhage 1863); Schrijnen,
De H. Nikolaas in het Folklore (Roermond 1898); Ter Gouw, De
Volksvermaken, bl. 252 vlg.

_Sint Lucia (13 Dec.)_ is een echte volksheilige. Zij heeft tal van
attributen van de godin Holda-Perchta overgenomen. In Nederland en
België wordt zij bij oogziekten aangeroepen, op grond der etymologie
van haar naam (van _lux_ "licht"). Vandaar, meent De Smedt, de
gewoonte, haar voor te stellen met twee oogen in de hand of op een
schotel; en hiervandaan komt de legende, volgens welke zij zich de
oogen zou hebben uitgerukt, om zich aan de lagen van een door hare
schoonheid betooverd jongeling te onttrekken. Zie mijne Essays en
Studiën, bl. 68, 251, 244.--

Den eersten der Quatertemperdagen in den Advent, dus
Quatertemperwoensdag vóór het kerstfeest, wordt ter eere der H. Maria
een plechtige mis gezongen, die den naam draagt van _Guldenmis_: niet
omdat zij vroeger met gulden letters in de missalen stond geschreven,
of van wege de gulden pracht der misgewaden; maar "gulden" beteekent
hier "voortreffelijk", "krachtig". Zij wordt ook de _Rorate-mis_
genoemd, omdat zij begint met de woorden _Rorate cocli_. In de
noordelijke provinciën heet zij ook wel de _Schippersmis_. De
Westvlaamsche naam is _Duvekedaals-messe,_ omdat in het mysteriespel
der Boodschap, dat eertijds in Vlaanderen met haar verbonden was,
bij de woorden: "De H. Geest zal over u nederdalen en de macht des
Allerhoogsten zal u overschaduwen", uit de hoogte een duif, door
licht omgeven, over Maria werd neergelaten.

Volgens V. Reinsberg-Düringsfeld, Das festliche Jahr, bl. 424, is dit
mysteriespel in sommige katholieke landen nog gebruikelijk. Zoodra
de zegen gegeven is, begint een knaap, die den engel voorstelt,
welke de boodschap bracht, te zingen:


    Ave Maria, gratia plena!
    (Wees gegroet Maria, vol van genade),


en het volk valt in en zingt verder:


    Benedicta tu in mulieribus!
    (Gezegend zijt Gij onder de vrouwen).


_St. Thomasdag (21 Dec.)_ wordt beschouwd als de inleiding tot het
tijdperk der _Twaalf Nachten_. De geesten drijven hun spel, tooverij
en bijgeloof vieren hoogtij. Deze dag is een lotsdag, geschikt om
de toekomst te doorschouwen. In Bohemen meent men, dat Sint Thomas
op een vurigen wagen door de lucht rijdt,--een bijzonder aspekt van
het volksgeloof aan de Wilde Jacht en haar voorrijder. In Oostenrijk
en Mecklenburg is op Thomasavond het schoenwerpen (bl. 123) nog meer
gebruikelijk dan op Nikolaas- of Sylvesteravond.

Het is de kortste dag van het jaar en daarom geldt het als een schande,
op dezen dag lang te slapen. Evenals in Westfalen eertijds degene,
die 's morgens dien dag het laatst ter school kwam, door de kinderen
_Domesesel_ (Thomasezel) genoemd werd, zoo noemt men in Hollandsch
Limburg nog thans den langslaper _Thomas_; analoog is het gebruik,
waarvolgens jaren geleden in Noord-Brabant de jongen, die op den
laatsten dag van het jaar, Sint Silvester, het laatst ter school
kwam, _Paus Silvester_ geheeten werd. En K. de Gheldere, Dietsce Rime
(Brugge 1896), bl. 148 vermeldt: "Die op dezen dag [St. Silvester] in
't een of ander de laatste bevonden wordt, heet _Silvester_ en moet
beschenken." Het is een straf voor de lang-slapers en telaat-komers,
die eveneens den _Luilak_ treft, die den eersten meidag verslaapt. Ook
de _Pinksterbruid_ is een langslaapster, waarover nader. Natuurlijk
heeft men dit gebruik in verband gebracht met het Evangelieverhaal
van den H. Thomas, die "te laat kwam", toen de anderen reeds vergaderd
waren. In Rond den Heerd IV, bl. 130 wordt nog vermeld: "De Maandag na
Palmen-zondag hiet te Brugge over oude tijden Kalfdag; die op Kalfdag
laatst in schole of te huis kwam was kalf, wierd kalf gescholden,
en, in die hoedanigheid, geplaagd en gezeerd." Op Palmzondag begint
het tijdperk van het eigenlijke Lentefeest.

Het begrip "'s morgens te laat komen" trad meer en meer op den
voorgrond; en zoo komt het, dat men heden ten dage hier vader
en moeder, ginder den onderwijzer buitensluit. Men noemt dit te
Brugge iemand _thomassen_. Het feest heet "Sluiterkensavond",
"Sluiterkensdag", "Buitensluit", enz. Het te laat komen wordt
op de eene of andere wijze afgekocht. Merkwaardig zijn nog de
Sluitertjensdagen vóor Aschwoensdag (dus in het begin der lente)
in West-Vlaanderen. Den eersten dag sluit men de moeder uit: 't is
Wijvekenszaterdag; den tweeden den vader: 't is Mannetjeszondag;
den derden de dochters: 't is Meisjesmaandag; den vierden de zoons:
't is Knechtjesdijsendag. Te Waasmunster worden op Zaterdag vóor
Nieuwjaar, en Maandag en Dinsdag daarna de vrouwen (Zaterdag),
de meisjes (Dinsdag) en de jongens (Maandag) buitengesloten. Te
Velthoven wordt de meester op den feestdag der Onnoozele Kinderen
buitengesloten, bewijs te meer, dat dit gebruik niets met den dag,
en nog minder met het feest heeft uitstaan. Zie De Bo, West-Vlaamsch
Idioticon; zie ook De Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust
VII, bl. 152, 252; Volkskunde XIV, bl. 111; V. Reinsberg-Düringsfeld,
Calendrier belge II, bl. 319 vlg.

Eindelijk, de verwantschap van Midwinter- en Lentefeest blijkt o.a. ook
nog hieruit, dat men te Venloo den 21sten December kinderen naar
den Lichtenberg stuurt, om te gaan zien naar "het wijfje, dat daar
peperkoek spint". De overeenkomst is hier sprekend met den 1en April:
"Verzendekensdag," waarover nader.

_Kerstmis (25 Dec.)_. Den 25sten December begon het groote
Germaansche Midwinterfeest ter eere der chthonische godheden, het
groote zielenfeest of Joelfeest, dat het tijdperk der _Twaalf Nachten_
opende. Ook hier heeft de groote vroolijkheid, waarmee de feestenreeks
werd gevierd, hoofdzakelijk haar oorsprong in het genieten der gaven
voor het groote winteroffer, alsmede in redenen van ekonomischen aard:
de groote slachttijd, die met de winterfeestviering samenviel. Of
dit feest ook een zonnefeest was, ter eere van het terugkeerende en
groeiende zonnelicht--hetgeen door Mogk e.a. wordt betwist--laat
ik buiten bespreking. Maar een feit is het, dat geofferd werd aan
de geesten voor de vruchtbaarheid, en dat in de kerstgebruiken van
heden nog schuil gaat een zekere vereering van de groei- en teelkracht
der natuur. De aarde slaapt nu, nieuwe sappen garend, om in de lente
de natuur met jeugdige, frissche kruiden en bloemen te tooien: wij
bevinden ons in waarheid in het bevruchtingstijdperk. Zooals ik reeds
zeide, heeft het schieten in de lucht en in de boomen, het luiden
met klok en bel rechtstreeks reiniging, zuivering van kwade geesten
en andere schadelijke invloeden (evenals het berooken), en daardoor
vruchtbaarheid ten doel ook. Ook met het binden van stroobanden om
de boomen en met het slaan der boomen op kerstnacht wordt bevruchting
beoogd. Gerucht, in welken vorm dan ook, is een probaat middel om de
geesten te verdrijven: het lossen van geweerschoten, in het Noorden
van ons land en in Zuid-Brabant nog veelal gebruikelijk, is hiervan
slechts een moderne vorm. Op kerstavond loopen op vele plaatsen van
Duitschland knapen met riemen vol koebellen door de dorpen. Over de
Barbara-takken is reeds gesproken. De Westvlaming zet op St. Luciadag
een kersen- of appeltakje in water, en beweert, dat het in den
kerstnacht zal uitbotten. Meestal echter snijdt men een twijgje in
den kerstnacht af, dat, in water gezet, op O.L. Vrouwe Lichtmis zal
bloeien. Als men dien nacht den tak van een vruchtboom in water zet,
meent men in Limburg, zal een goed fruitjaar niet uitblijven.

Nu is het geenszins te verwonderen, dat, toen het feest van de geboorte
van Christus op 25 December in de IVe eeuw door de Kerk werd ingevoerd,
aldra de gekerstende volksfantasie gebruiken en volksvoorstellingen ten
deele in christelijken zin herschiep. De christelijk feestmystiek is
ten deele volksmystiek; en vooral de volksmystiek van het Kerstfeest
bergt menig Oudgermaansch overleefsel.

Een voorbeeld. In Limburg vindt men nog kwijnende het gebruik, op
kerstavond een plant in water te zetten, die den naam van _Roos van
Jericho_ draagt. Tegen middernacht spreiden de korte vertakkingen der
plant zich uit en vertoont ze een bloeivorm als van een roos. Hetzelfde
gebruik is in zwang in het Zuid-Zwitsersche _Val di Poschiavo_. Terwijl
men op de ontplooing der bloem wacht, worden kerstliederen gezongen,
of men brengt den tijd in gebed en overweging door. Ook in Duitschland
is de _Roos van Jericho_ geen onbekende. De berichten over dit gebruik
klimmen op tot het begin der XVIIe eeuw.

De hygroskopisciteit der plant, het sluiten en vrij plotseling
heropenen harer bladeren, haar vluchtig herleven werd steeds als iets
wonderbaars beschouwd en zoo kreeg zij een eereplaats tusschen de
tooverplanten en speelt ze een voorname rol in de waarzeggerij, in de
droomverklaring vooral. Maar tevens is zij de plant der dichtkunst,
van het volksgeloof en van de legende. Wonderbare nevelen spreidden
zich als een zilveren waas geheimzinnig om stengel en knop. Men
beschouwde haar als het zinnebeeld der opstanding, vanwaar haar naam:
_Anastatica_. Volgens de sage ontlook de eerste bloem bij de geboorte
van Christus; zij sloot zich bij de kruisiging en ontlook ten tweeden
male bij 's Heeren Verrijzenis. Bij de vlucht naar Egypte ontsproot zij
in de woestijn op de plaatsen, die Maria met haar voet had aangeraakt.

Op de vraag: "Waarom wordt deze plant in den kerstnacht in water
gezet?" dient m.i. een drieledig antwoord. De _Roos van Jericho_ is
het zinnebeeld van de geboorte van Christus; men denke slechts aan het
treffende Oudduitsche kerklied: "Es ist ein ros entsprungen--aus einer
wurzel zart" enz. Ook deed de vrome christelijke volksverbeelding
de geheele natuur deel hebben aan de vreugde, die den mensch bij
de geboorte des Heeren doortintelt: "D'Erd grünet und bringet
rössle,--der Heyland kompt von Himmel" enz. Dan, op kerstavond
bereikt het volksgeloof aan de groei- en bloeikracht der natuur
haar toppunt: deze tijd is immers het kulminatiepunt van het
vruchtbaarheidstijdperk. Maar dit geloof is hier op eigenaardige wijze
door het volk gekerstend. Ook de mystieke beteekenis blijft niet uit:
Christus is de boom des levens. "Hij staat in het midden der Kerk",
zegt Hugo van St. Viktor, "zooals de levensboom stond in het midden van
het paradijs". Tot de uitverkoren gewassen, die in den kerstnacht in
bloei raken, behoort ook nog de doornstruik en het _Allräunchen;_ in
Tirol bloeit zelfs het varenkruid. In Overijssel zegt men, dat dan de
vlierboom uitbot: immers het kruis was van vlierhout. Volgens een oude
Bruggesche overlevering openen alle bloemen hare kelken en knoppen.

Eindelijk, de kerstnacht is vermaard in de tooverwereld. Te
middernacht wordt alle water wijn. De bijen gaan aan 't gonzen en
zingen kerstliedekens; in West-Vlaanderen spreken de paarden, en de
schapen zitten geknield; in Limburg staan de koeien op stal te praten;
te Moelingen (B.-L.) roept de haan: "'t Kindeke Jezus is geboren,"
waarop de duif vraagt: "Moe, moe?" (waar, waar?), en het lammetje
antwoordt: "Te Bêthlehêm". In Brabant richten de schapen hun oogen
naar de ster uit het Oosten, en te Brugge richt het vee zich op,
om het kindeke te groeten. Te Heel, Beek en elders in Limburg wordt
het veevoeder buitengezet, dat het gezegend worde; nog elders is dit
gebruik in zwang. Het schoenwerpen wordt toegepast. In de Graafschap
bergen de boeren alle gereedschap op, omdat zij meenen, dat dit anders
beschadigd wordt door _Derk met den Beer_--een soort voorrijder van
de Wilde Jacht. Vuurbollen vliegen rond. Klokgelui stijgt op uit de
diepte van vijvers en bronnen.

De vereering van de teelkracht der natuur treedt ook sterk op den
voorgrond bij de gebruiken van het kerstblok en den kerstboom. Het
kerstblok of de kersttobbe, Duitsch _Julblock, Weihnachtsblock_
enz., herinnert aan de offervuren; maar daarenboven vertegenwoordigt
het een algemeen verspreide, immers Indogermaansclie symboliek: het
nieuwe leven, door den wederkeerenden zonnegloed de vegetatiewereld
ingestort. In dezen zin kan het Kerstfeest toch ook een zonnefeest
genoemd worden, al was de zon niet het hoofdobjekt der vereering. Dat
het kerstblok eertijds in Limburg bekend was, blijkt o.m. uit eene
uitspraak der schepenen van Susteren in een charter van 1264. Hierdoor
wordt bepaald: "dat elk der ingezetenen een dooden boom uit het bosch
mocht halen, om tegen kerstmis in zijn huis te verbranden." Heden nog
worden o.a. te Belfeld, Echt, Weert, Heithuizen enz. de beste stukken
hout voor kerstmis bewaard. In andere deelen van ons land spreekt
men van _kerststokjes_. Ook in de oostelijke provincies wordt hier
of daar de kersttobbe nog op den haard gelegd. Overblijfsels van het
verkoolde blok hebben onheil-afwerende en vruchtbaarheidschenkende
kracht: zij worden op den akker gestrooid. Wat den kerstboom betreft,
deze is in ons land nog van verschen datum en komt uit Duitschland. Hij
heeft vele trekken met den meiboom gemeen. De kerstboom vervangt dan
Sinterklaas.--In sommige deelen van Vlaanderen, waar geen kerstboom
bekend is, "rijden" de engeltjes op kerstnacht; de kinderen vinden
's morgens den _engeltjeskoek_ op hun peluw.

In verband hiermee zingen de kinderen te Veurne op kerstavond:


    Engeltjen, engeltjen Gabrieël,
    Woont zooverre van mijn kasteel,
    Op mijn kasteel alleene!
    Bak mij een koekjen kleene
    En een koekjen groot,
            Om te leggen
    Op Moeder Mariaatjes schoot!


Te Gent noemt men dezen koek _engelbewaarderskoek_. Gaan de Belgische
kinderen op kerstdag "Zalig Hoogtij" wenschen, dan zingen zij:


    Heerderkens van buiten,
    Spoedt u op de been,
    Met trommelkens en met fluiten
    Recht naar Bethleëm;
    Want daar is geboren
    Den God van al,
    Die ons het leven
    Heeft gegeven
    In den stal.


    Ik heb hier nog drie eieren,
    Warm uit den nest;
    Ik heb hier nog een kalfken,
    Dat is vet gemest;
    Ik heb hier nog wat vlaaikens
    In mijn korfken staan,
    Om te vereeren
    Het kindeken teere,
    Laat ons gaan!


Als zij nog heel klein zijn:


    Met den tikkenhaan in de hand
    Komen wij den herder groeten;
    Met den tikkenhaan in de hand
    Groeten den herder van het land.
    Tik, tik, tik, tikkeliere,
    Groeten den herder van het land.


Het vruchtbaarheidsbegrip uit zich in vele gebaksvormen, ik noem
slechts de in ons land zoo bekende kerstbrooden, kerstkransen,
en de Vlaamsch-Brabantsche kerstkoeken, van welke reeds Kiliaan
vele benamingen geeft; de kerst-wikken, kerst-stoeten enz. De
Noordhollandsche benaming is _deuvekater_; in Delft en Schieland
_kersttimp_. Een bijzondere vermelding verdient het kerstbroodje
van Geleen (L.). Dit werd op kerstdag na de Vespers door den koster
uit den kerktoren aan de verzamelde jeugd van Geleen, Lutterade en
Krawinkel toegeworpen, nadat hij het gedurende zes weken in den oven
had laten hard worden; tot loon voor zijn moeite mocht hij in elk
huis der parochie een brood ophalen. Het behalen van dit kerstbrood
werd met moed en vuur betwist, terwijl de overwinnaar, na reusachtige
inspanning daarvan meester geworden, het boven zijn hoofd verhief en
uitriep: "Kerstbrood, mijn brood", en den titel van "broodjeskoning"
ontving. Dit gebruik is in 1842 afgeschaft; zie Jos. Russel, De
heerlijkheid Geleen, bl. 73.

Het ekonomisch karakter (Kerstmis als slachttijd) uit zich o.a. in
het eten van zwijnskop, waarbij dan b.v. te Zelhem gezongen werd:


    Kärsöaventjen, Kärsöaventjen,
    Dan hebben we volop,
    Dan slacht miên vader 'n verksken,
    En dan krieg ik de kop.


Zie A. Tille, Die Geschichte der Deutschen Weihnacht, _passim_:
Schrijnen, Essays en Studiën, bl. 237 en Volkskunde XVII, bl. 161;
Aug. Gittée, Nederlandsche Kerstgebruiken, in Vragen van den Dag XI,
bl. 52; Mannhardt, Baumkultus, bl. 224 vlg.; V. Reinsberg-Düringsfeld,
Calendrier belge, bl. 319; De Cock, Volkskunde, 229.

_St. Stefanusdag (26 Dec.)_ heeft ook zijn vruchtbaarheidsuitingen. Te
Merkelbeek, Brunsum, Oirsbeek (L.) gaan dan de kinderen het dorp rond
en roepen "heio", waarop hun appelen en noten worden toegeworpen. Te
Neeroeteren (B.L.) halen alle kinderen een broodje bij den
molenaar. Voorheen at men op Stefanusdag in den Eifel tweërlei brood,
het eene zuur, het andere zoet, zooals nog thans in de Rijnlanden.

Deze dag, waarop eertijds de Sint Stefanus Minne werd gedronken, is
ook, mèt Sint Elooi, de paardendag. Dan werd eertijds hooi en haver
voor de paarden gewijd; maar vooral worden op dezen dag omritten
te paard gehouden om huis en dorpsgebied, ten einde de landerijen
tegen schadelijke invloeden te bewaren en hare vruchtbaarheid te
verzekeren. Zulke omgangen ten behoeve der vruchtbaarheid zijn overoud,
men denke slechts aan het Romeinsche _pro frugibus lustrare agros_:
de akkers rondtrekken voor het gedijen der veldvruchten. Zoo kwam het
hoogst waarschijnlijk, dat Sint Stefanus beschermheilige der paarden
werd, al is het niet te ontkennen, dat hij ook enkele trekken van
een of ander Germaanschen god heeft aangenomen,--zonder daarom een
"verkapte god" te zijn, zooals schijngeleerdheid wel eens betoogt. In
zekere zegenspreuk heelt Michaël (Wôdan?) het paard van Stefanus
(Baldr?); zie Grimm, Deutsche Mythologie II, bl. 1033, vgl. 1030.

Het rondrijden met de paarden, den _Stephanusrit_, vindt men in
Zweden, Holstein, Engeland, Estland, Finland enz. In het Oosten
van ons land noemen de boerenjongens het "Sint-Steffen rieën" of
"Sinte-Steffen jagen."--

Arme kinderen geven dezen dag een stukje brood of een topje hooi aan
de koeien en zeggen tegen de boeren: "Ik steffen jôe kôe", en bij
arbeiders, die geen koe hebben,: "Ik steffen jôe." Te Borger (D.) ziet
men vroeg in den morgen kleine jongens rondloopen met een bosje hooi
onder den arm. Zij gaan van 't eene huis naar het andere, het eerst
naar de deel om de koeien te steffen (stèffenen), al zingende:


    Hum, kôe, hum.
    Sint Steffen is gekomen
    Hard geloopen; duur verkoopen,
    Honderd gulden veur dieë kôe,
    En een dikke stoetbrugg' toe.


Te Oosterhesselen komt hier nog bij:


    Met dikke boter, die mag ik, en die mag elk,
    Dan gef de kôe ook botter en melk.


Dan legt de knaap een weinig hooi voor elke koe, gaat naar de keuken
en zegt: "Ik heb jôe kôenen steft"; waarop hij door de boerin wordt
onthaald.

_Sint Jan Evangelist (27 Dec.)_. Een eigenaardig gebruik op dezen
dag, dat dreigt welhaast te zullen verdwijnen, bestaat of bestond
nog kortelings in sommige plaatsen van Hollandsch Limburg, met name
te Simpelveld, Mechelen, Vijlen, Munstergeleen en Oirsbeek. Het
volk drinkt dan ter kerke uit een beker met gewijden wijn, onder
de formule: "_bibe amorem sancti Johannis, in nomine patris_ etc.":
"drink St. Jans Minne, in den naam des Vaders enz." Hetzelfde gebruik
leeft nog op verscheidene plaatsen in Duitschland, vooral in Zwaben.

Evenals de St. Geerten Minne, St. Michaëls Minne, St. Martinus
Minne en St. Stefanus Minne is de St. Jans Minne oorspronkelijk
een herinneringsdronk, een offerdronk, aan de goden gewijd. Immers,
het woord "minne" heeft met "genegenheid, liefde" niets gemeen, maar
wordt slechts volksetymologisch hiermee verbonden; vandaar het Duitsche
_St.-Johannisliebe_, vandaar de term _amor_ in de Limburgsche formule:
_bibe amorem sancti Johannis_ enz. Het woord is afkomstig van den
Indogermaanschen wortel _men_, met de beteekenis "denken, overdenken,
zich herinneren"; slechts in het Westgermaansch ontwikkelde zich de
beteekenis van "beminnen."

Men dronk eertijds de "minne" der goden, vooral van Wôdan-Odhin;
hij toch was de doodengod, en ook aan de afgestorvenen werd deze
offerdronk gebracht: reden, waarom het tijdperk der Twaalf Nachten
daartoe bij uitstek geschikt mocht heeten. Na hun bekeering wijdden
de Germanen dezen dronk aan Christus en de heiligen, doch niet meer
als offerdronk, maar als herinneringsdronk. De volksfantasie kan met
volle recht het vaderschap van de verkerstening dezer minnedronken
voor zich opeischen. Voor het meerendeel bleven zij volksgebruiken
in den engeren zin des woords; slechts van de St. Jans Minne weten
wij, dat zij althans sedert de XVe eeuw, toen de christelijke tint
de oorspronkelijke beteekenis geheel gedekt had, den kerkelijken
drempel overschreed.

Ter verklaring van het kwalijk begrepen gebruik werd naderhand de
legende uitgedacht, als zou een zekere afgodendienaar, Aristodemus
genaamd, den H. Johannes vergiftigden wijn hebben aangeboden, met
de verklaring, christen te willen worden, wanneer de heilige den
beker zonder letsel zou ledigen. Deze dronk vervolgens den giftbeker,
zonder dat hem eenig nadeel overkwam. Volgens een andere lezing zou
de lieveling des Heeren den wijn gezegend hebben, waarop het vergif
uit den beker spatte in de gedaante eener slang. St. Jan wordt daarom
veeltijds met een beker en een slang daar boven afgebeeld.

Waarom de offer- en herinneringsdronk van het Joeltijdperk nu
juist op den H. Johannes is overdragen, is wel hieraan te danken,
dat hij--evenals St. Stefanus, St. Maarten, St. Michaël--een zeer
geliefde volksheilige is. Den 29sten December dronk men eertijds in
Brabant nog St. Davids-minne. Maar een gewichtige faktor was ook de
term _minne_ zelf. Was het niet natuurlijk, dat der goden _minna_,
door het Latijnsche _amor_ weergegeven, bij voorkeur op den apostel der
liefde overging? Ook vindt men _dilectio_ en _potus caritatis_. Zoo
verklaart men tevens m.i. het best, dat de St. Jans Minne naderhand
ook verzoeningsdronk werd; zie mijne Essays en Studiën, bl. 221 vlg.

_Allerkinderen (28 Dec.)_ vertoont een beslist christelijk karakter en
herinnert aan de vermoording der Onnoozele Kinderen te Bethlehem. Dan
viert men in de weeshuizen feest. In de families zijn de kinderen
baas, of eigenlijk het jongste kind, dat dan mag zeggen, wat dien dag
gegeten wordt: de kinderen voeren het huiskommando. In Zuid-Nederland,
Noord-Brabant en Limburg leeft nog het gebruik, dat de kinderen dan,
in het pak hunner ouders gestoken, als "vader en moeder" over straat
loopen en zich bij hun familieleden laten zien. Plaatselijk is dit
gebruik in een bedelpartij ontaard; zoo b.v. in het Land van Waas,
waar men zingt:


    't Is vandaag Onnoozele-Kinderdag,
    Geeft de moerkens en de vaarkens wat!
        Geeft wat, houdt wat,
        't Naaste jaar nog wat!
    Ik weet daar nog een goede vrouw.
    Die mij zoo geern wat geven zou.
        Zij zal mij wel wat geven;
        Hoelang mag zij leven?
        Honderd jaar en éenen dag,
    Zoolang als ze kaas en brookes mag.


Men vergelijke hiermee de liedjes op Schuddekorfsdag, b.v. bl. 108 vlg.

Verder dient vermeld het Middeleeuwsch gebruik van den
"Kinderbisschop", ook in de noordelijke provinciën bekend, b.v. te
Oldenzaal, Utrecht, Dordrecht enz. Een kind beneden de twaalf jaar
fungeerde dien dag in de kerk als bisschop en zat met myter en staf
op den bisschoppelijken troon. Hij ontving den staf in de eerste
Vespers bij de woorden van het _Magnificat_: "Hij heeft heerschers
van tronen neergehaald en geringen verheven", en behield hem tot de
tweede Vespers. Reeds in 1304 komt in de stadsrekening van Brugge een
post voor: _Item_ den biscop van den scoelkinderen van Sint Donaas
... XVIJ schellinghen"; en eveneens wordt in 1363 een gift vermeld voor
de Dordsche "scoelnaars ende horen biscop". Hij draagt dan ook den
naam van "Bisschop van de scholieren", "Bisschop van de koorknapen",
enz. Ook in andere landen was de kinderbisschop bekend. Het gebruik
klimt tot de oudste tijden op en is m.i. evenzeer van christelijken
oorsprong. Men bedenke ook, dat het feest der Onnoozele Kinderen
op 28 December reeds op den oudsten kalender der kerk van Karthago
voorkomt en in het Westen overal deze plaats handhaaft.

Daarentegen leven hier en daar nog enkele typische Midwintergebruiken,
b.v. het geven van geschenken en het slaan met roede en zweep als
tuchtiging voor de langslapers; zie Rond den Heerd I, bl. 26. Eindelijk
op enkele plaatsen, b.v. te Herdersem (O.-V.), wordt deze dag gevierd
als St. Gregoriusdag, waarover nader.

_Oudejaarsavond_ en _Nieuwjaarsdag (31 Dec. en 1 Jan.)_.


    Ik wensch U al te gaar
    Een zalig Nieuwe Jaar;
    In voorspoed en verdriet
    Vergeet den Schepper niet!


klonk het op nieuwjaarsnacht door de straten, toen de klepperman nog
het nachtelijk uur aankondigde.

Eertijds was het nieuwjaar-zingen over geheel Nederland sterk
verspreid. Maar sedert kerkeraad en regeering hiertegen, als zijnde
"onnutte superstitiën" of "ongeregelheden", te velde trokken, zijn
er in Noord-Nederland nog slechts schamele resten van overgebleven;
zoo verzekert b.v. de Drentsche Volksalmanak van 1842, dat men daar
nog "aan datzelfde euvel mank ging". Het is heden ten dage vooral
nog in België gebruikelijk; men raadplege de rijke verzameling van
nieuwjaarsliedjes bij De Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust
VII, bl. 7 vlg. Slechts een enkel wensch ik hieraan te ontleenen.

Herdersem:


    Op eenen nieuwjaarsavond,
    Dan zullen wij vroolijk zijn,
    Met een geboren maged
    En een klein kindeken klein.

    Wie zal dat kindeken dragen?
    De dochter al van Jeroen!
    De klokken zullen luien,
    Den kerkweg zullen wij doen.

    Als wij op 't kerkhof kwamen,
    Wie zagen wij daar staan?
    Jezus van Nazarenen
    Aan 't kruis genageld staan.

    Met eenen doornenkroone
    Op Jezus hoofd gedaan,
    Vol rozen en roo nelen (_leeljen_)
    Om naar den hemel te gaan.


Echte kinderrijmjes vindt men in de Kempen. Zoo b.v.


    Maria was gezeten
    Met 't kindjen op den schoot,
    Om pappeken te laten eten,
    Gekookt met wittebrood.
    Daar zat een ratteke
    Aan Jezus pappeke!
    Maria maak het klaar,
    Met deze zalige nieuwjaar.


Van geheel anderen aard is het zeer verspreide:


    Op eenen nieuwe jare
    Sloeg een bakker zijn wijf,
    Met eenen eiken kluppel
    Zoo deerlijk op haar lijf!

    De vrouw begon te kermen,
    "Ach bakker 't doet mij zoo zeer!"
    De bakker zonder ontfermen
    Sloeg nog wel tienmaal meer.

    De vrouw kroop onder den oven,
    De bakker van achternaar!
    Daar kwamen zij uitgestoven [bestoven?],
    Met dezen nieuwe jaar.


Al zingende gaan de kinderen rond bij de inwoners van het
dorp. Zij ontvangen noten, appelen, krakelingen enz., maar
ook nieuwjaarskoeken, in West-Vlaanderen _lukken, liefkoeken_,
in Oost-Vlaanderen _nieuwjaarkes_ geheeten: kleine wafeltjes,
in een bijzonder wafelijzer gebakken. Eene bijzondere vermelding
verdienen de _nijjaorskôken_ en _kniêpertiês_, de _spekkendikken_,
spekpannekoeken, vetkrabben, oliekrabben en _juffertiês_ uit den
Achterhoek, verorberd op oudejaarsavond of _täofeltiêsaovend_ (Raalte,
Ommen, Collendoorn enz.), wanneer meiden en knechts, ja het heele
gezin uitgaat _hen kôken_ of _hen taofelen_. Op een ijzeren plaat
brandt er vuur, en in het front prijkt de _kôokstomp_, tot dit doel
reeds in den zomer uitgezocht en gedroogd. Hierop komt te rusten het
_kôokiêzer_ of _nijjaorsiêzer_. Elders begint de smulpartij met een
_poddik_ (pudding), dan volgt rijst en daarna 't _beestenvleesch_,
de hoofdschotel.

De koekijzers zijn versierd met kunstig graveerwerk en inschriften,
wier spiegelschrift door den nieuwjaarskoek leesbaar wordt weergegeven;
zoo b.v.: "Segt niemand U Geheim nog U geheime gedachte. Die heden
Is U Friend Sal morgen U verachten" (Twente). Ook elders bakt men
_vollaards_, _prauwels_ en _ijzerkoekjes_, te Groningen _olde wieven_,
te Velthoven (N.-B.) _towten_.

Men ziet het, wij zijn volop in het vruchtbaarheidstijdperk. Dit
blijkt ook hieruit, dat te Roosteren (L.) de kinderen hun "heio"
roepende op nieuwjaarsdag rond gaan, te Echt, Einighausen, Nunhem,
Buggenum, Beegden (L.) enz. op Silvesteravond. Dan zingt men het
eeuwenoude liedje:


    Ich kwaam al aangeloupe,
    Ich sêg 't see rouke,
    Ich sêg wal aan den oave wis,
    Dat er get gebakken is.
    Isser niks gebakke,
    Dan gèft ene korf vol appele,
    Is de korf te klein of te groot,
    Dan gèft mig ene volle schoot.


Te Soerendonk (N.-B.) luidt dan het Schuddekorfslied:


    Vrouwke, vrouwke, nieuwjaar geven,
    Ge zult verdienen het eeuwig leven.
    Het eeuwig leven is bitter gewonnen,
    Voor een gulden een draad gesponnen.
    Kijk eens in je korfje,
    Daar liggen drie appeltjes in,
    Even groot, kralo, vrouwke lo,
    Geef wat, houd wat,
    Volgend jaar weer wat.


Men noemt dit b.v. te Buggenum _ringzingen_ (ring=soort krakeling);
na het zingen volgt het _grabbelen_, Maasbree: _griebelen_. Meestal
krijgen de kinderen _ringen_, maar ook ander snoepgoed. Te Koedijk
(N.-H.) gaat in den nieuwjaarsnacht de plaatsvervanger van Sinterklaas,
"de gouden [goede?] engel" rond, om de kinderen wat lekkers te rijden.

Eindelijk, met het vruchtbaarheidsbegrip staat, naar men weet, ook
in verband het schieten in den nieuwjaarsnacht, veelal verboden,
maar in het zuidelijk volksgebied nog doorgaans gebruikelijk. Ook
elders, te Deventer b.v., schiet men nog "van het olde in 't nije",
of men "schieët het olde uut". Dit schieten wordt thans nog slechts
als vreugdeteeken beschouwd.

Het "nieuwjaar afwinnen" is nog steeds in zwang. Bij het
nieuwjaarsbezoek worden veelal (Staphorst enz.) koeken opgedischt,
te Venloo een bepaalde soort moppen, die dan ook _nieuwjaarsmoppen_
heeten.

Eén eigenaardigen gebaksnaam liet ik nog onbesproken, n.l. het
Westvlaamsche _strijne_ of _strene_ (rondom Veurne), dat door
het Fransche _étrennes_ op het Latijnsche _strenae_ teruggaat:
zoo heetten de kleine, maar aangename geschenken, die men elkaar
in het oude Rome op Nieuwjaarsdag vereerde. Immers bij de gebruiken
der jaarswisseling dient men niet alleen rekening te houden met de
Christelijke en Germaansche bestanddeelen, maar ook met den invloed,
uitgeoefend door de Romeinsche kalenderviering, die den god Janus
golden. Zie Driem. Bladen VIII, bl. 62; V, bl. 80; II, bl. 1 vlg.;
Welters, Feesten, Zeden, Gebruiken en Spreekwoorden in Limburg,
bl. 13; Ter Gouw, Volksvermaken, bl. 109.

_Driekoningendag (6 Jan.)_. De kinderschaar, die langs de huizen trekt
en daar om brandhout of versnaperingen vraagt, somtijds nog met den
ouden _rommelpot_ of _foekepot_, neemt op Driekoningendag een geheel
bijzonderen vorm aan door een sterkere vermenging met het Christelijk
element: ik bedoel het bekende _sterzingen_, op het oogenblik tot
België en sommige plaatsen in de zuidelijke provinciën beperkt. Drie
jongens, als koningen verkleed--en éen hunner is met roet zwart
gemaakt--, gaan van huis tot huis en dragen aan een staak een ster,
uit papier gesneden, en met goud en zilver versierd. Trekken ze aan
een koord, dan draait de ster als een molen. Zij dragen de namen der
H.H. Driekoningen: Caspar, Melchior en Balthasar.

Eenmaal kende men de sterdragers in alle steden en gewesten van
Groot-Nederland. Het lied, dat zij zongen, en dat nòg gezongen
wordt, is in tallooze varianten overgeleverd, maar kan althans in
hoofdtrekken worden gerekonstrueerd. Het is subliem van roerenden
eenvoud. Treffend vooral is het sterk op den voorgrond zich dringende
lyrisch-dramatische karakter: en inderdaad, uit de dramatische
voorstelling der Aanbidding van de Drie Koningen is het ontstaan,
heeft het zich gevormd en vervormd. Oorspronkelijk krijgen wij dan
buiten het kerkgebouw een rondgang van koorknapen en scholieren, later
van de jeugd in het algemeen. Te Weert bestond in 1840 nog het gebruik,
dat op Driekoningenavond drie misdienaars in hun koorgewaad met ster,
lantaarn en proviandkorf van huis tot huis trokken.

Het lied, dat in de Zaanstreek en langs de Noordzee het zuiverst
bewaard bleef, moet oorspronkelijk ongeveer geluid hebben als volgt:


    Wij komen getreden met onze sterre,
    Wij zoeken Heer Jezus, wij komen van verre.
        (wij hadden Hem gaerne).

    Wij kwamen al voor Herodes zijn deur,
    Herodes, de koning, kwam zelvers veur.

    Herodes, die sprak met valscher hart:
    "Hoe ziet er de jongste van drieën zoo zwart?"--

    "Hij ziet er wel zwart, maar hij is welbekend,
    "Het is er de Koning van Oriënt."

    Wij kwamen den hoogen berg opgegaan,
    Daar zag men de starre stille staan,
    Ja stille staan.

(Pauze.)

    Och starre, jij moet er niet stille staan,
    Je moet er met ons tot Bethlehem gaan.

    Tot Bethlehem, in die schoone stad,
    Daar Maria met haar klein kindeke zat.

    Hoe kleiner kind, hoe grooter God:
    Een zalig Nieuwjaar verleen ons God.


Noordwijk:


    Daar al de Joden mee hebben gespot.


Dit lied is nauw verwant met een ander, dat opgeteekend staat in
_Het Hofken der geestelijcker Liedekens_ (Loven 1577), bl. 28;
het begint:


    Het quamen drij Coninghen uut verre landen,
    Nu wiegen, nu wieghen wij,
    om Gode te doen een offerande.
        Des waren sij vro.
        Alle mijnen troost, mijn toeverlaet
        is Maria soon.

    Sij quamen van Ooste, sij quamen van verre,
    Nu wiegen, nu wieghen wij,
    Al bijt verlichten van eender sterre.
        Des waren sij vro.
        Alle mijnen troost, enz.

    Maer doen sij binnen Jerusalem quamen,
    Nu wiegen, nu wieghen wij,
    Die claerheyt der sterre sij niet en vernamen.
        Des waren zij droef.
        Alle mijnen troost, enz.


Zie Van Duyse, Het Oude Nederl. Lied, bl. 2042. Dr. Boekenoogen wijst
er zeer terecht op, hoe het refrein aantoont, dat het lied ook gezongen
is bij het wiegen van het Kerstkindje in de kerk; zie het Jubelnummer
van Volkskunde, bl. 24 vlg., waar hij ook op voortreffelijke wijze
de verschillende parodieën van het sterrelied behandelt; vergel. nog
Knuttel, Het Geestelijke Lied enz., bl. 106.

De rondgaande kinderen zongen en zingen ook veelal het lied van Maria
Magdalena (eveneens met talrijke varianten):


    Op eenen Driekoningenavond,
    Op eenen Driekoningendag,
    Toen zat Maria Magdalena
    Al op Heer Jezus' graf.

    Sta op, Maria Magdalena,
    Sta op van den bitteren dood!
    Uw zondekens zijn u vergeven,
    Al waren zij nog zoo groot.


Een meer volledige, juister wellicht meer uitgewerkte lezing van dit
lied vindt men in Volk en Taal I, bl. 53; in bedelliedjes werd het
herhaaldelijk geparodieerd.

Aan de nieuwjaarsvuren herinnert het kaarsjespringen; immers
de engere Joeltijdperiode, die den 6den Januari eindigt, is het
eigenlijke nieuwjaarstijdperk. Als besluit van dit tijdperk wordt
Driekoningendag in Vlaanderen dan ook plaatselijk _Dertiendag_ of
_Dertiennacht_ genoemd; ook in oude Nederlandsche kalenders wordt hij
nog aangehaald als _Dertiendagh_. Te Zwolle was het kaarsjespringen
dan ook op oudejaarsavond gebruikelijk: naar men ziet, hangt het
noch met den H. Martinus, noch met de Driekoningen samen, maar is
het een rudimentaire vorm van de aloude feest- en offervuren. Op
Driekoningendag kent men het nog te Breda, Huissen enz.; eertijds was
het algemeen in het Noorden van ons land. De _koningskaarsjes_ waren,
volgens Ter Gouw, Volksvermaken, bl. 177, kaarsen met drie armen,
waarvan de middelste zwart geverfd was en "het Moorken" of _Melckert_
(d.i. Melchior) heette. Zóo was het gebruik eenigermate gekerstend. In
de Middeleeuwen noemde men deze kaarsjes zelfs de _gebenedijde_
of _heylighe keerskens_. Bij het dansen zong men:


    Kaarsies, kaarsies, drie aan een,
    Springen wij er over heen heen.
    Al wie daar niet over kan,
    Die en weet er nou niemendal van.


In België verdwijnt het gebruik of is het verdwenen. Te Sint Truiden
zong men:


    Keerske, keerske over het keersbeenke,
    En al wie daar niet over en kan,
        Die weet er niet van!

    En al wie daar niet over en kan,
        Die blijft er van,
        Die blijft er van!
    Keerske, keerske over het keersbeenke!


Zie 't Daghet in den Oosten II, bl. 115.


In Noord-Brabant, Antwerpen, Belgisch Limburg en West-Vlaanderen kent
men ten slotte nog het volgende rijmpje:


    Drie koningen, drie koningen,
    Geef mij een nieuwen hoed.
    Mijn oude is versleten,
    Mijn moeder mag 't niet weten,
    Mijn vader heeft het geld
    Op den rooster geteld.


Of wel (Noord-Brabant):


    Vader mag het niet weten,
    Moeder is niet thuis,
    Piep zegt de muis
    In 't zomerhuis (in 't voorhuis).


Driekoningen werd in de Middeleeuwen niet alleen in de kerk,
maar ook daarbuiten in ruimen kring luisterrijk gevierd. Op
Driekoningenavond heerschte vreugde alom, in de paleizen, maar ook
in de schamele woningen der armen. De steden gaven aan de kloosters,
en de kloosters verstrekten aan de arme lieden brood en bier tot
"hun Coninxfeeste". Dat dit ook naderhand nog voortduurde, ergerde
den ouden Walich Sieuwertsz zeer, en hij beklaagde zich dan ook,
dat nog in 't begin der XVIIe eeuw voorname en officiëele personen
zich niet schaamden, "op Derthienden avent Coningsken te spelen,
en haer voor Godt en de menschen niet en schamen dit naer te volgen
ende te onderhouden."

"'t Was wel de moeite waard", schrijft Ter Gouw, "zich over zoo'n
onschuldig huiselijk vermaak zoo te ergeren! En nog langen, zeer langen
tijd, nadat Walich en zijn boek reeds lang vergeten waren, speelden
dan ook de Hollanders nog even vrolijk koninkje als weleer. De bakker
leverde, of de huismoeder bakte zelve, een brood, waarin een boon
verborgen was; bij de boeren heette 't "de bonekoek", in de steden
"'t coninxbrood"; en de boon was het, die "het lot van conig te sijn"
besliste." (Volksvermaken, bl. 175). Het _Driekoningenbrood_ is nog
niet in onbruik.

Boonenkoek en koningsbrieven, die verkocht of getrokken worden,
en waardoor de rollen van koning, koningin, hofnar, asschepoester,
Zwarte Piet (herinnering aan den zwarten koning?) enz. verdeeld worden,
zijn in Noord-Brabant en Limburg nog veelal gebruikelijk. Te Antwerpen
worden op den vooravond de koningsbrieven door de kinderen op straat
gevent; dan hoort men aanhoudend:


    Koningsbrieven en kroon en kroon!
    Koningsbrieven en kroon!


De Cock, Volkskunde, bl. 235 bericht hierover nader: "Op slechts enkele
plaatsen van het Vlaamsche Land (in Brabant en West-Vlaanderen) is de
boonkoek nog bekend. Daarnaast bestaat echter een andere manier om den
koning aan te duiden, n.l. door het trekken van de "keuningsprentjes
of -briefkens", reeds in 1469 in de gemeenterekeningen van Veurne
vermeld, en, wat meer zegt, in een oude kroniek van Doornik in 1281 al
een oud gebruik geheeten. Dit wordt nog heden in verscheiden steden
en dorpen van de beide Vlaanderen aangetroffen. Een volledig stel
gedrukte koningsbriefjes bevat afbeeldingen voor zestien personages,
n.l. den koning met zijn hovelingen en bedienden: raadsman, sekretaris,
rent- en hofmeester, schenker, voorsnijder, biechtvader, medecijn,
portier, bode, zanger, speelman, zot en kok,--elk voorzien van een
passend vierregelig versje, dat min of meer de rol aangeeft, die
men te vervullen krijgt. In de dorpen, waar gedrukte koningsbriefjes
doorgaans ontbreken, worden deze eenvoudig geschreven, vaak in een
zeer populairen, boertigen vorm. Na trekking der briefjes zijn de
rollen verdeeld; de koning moet zijn onderdanen te drinken geven en
drinkt zelf de eerste teug: thans gewoonlijk gesuikerde jenever met
een lepel uit een kom geschept en hieruit opgeslurpt. Op dat oogenblik
dienden de hovelingen te roepen: ""De koning drinkt."" De zot zag
toe, of niemand daaraan te kort schoot en de nalatige werd met een
koolstreep in 't aangezicht gemerkt." Zie verder zijne Spreekwoorden en
zegswijzen afkomstig van oude gebruiken en volkszeden (Gent 1908),
bl. 171. Men denke ook aan de doeken van Jordaens: "De koning drinkt."

De koningskoek komt nog elders voor. In Engeland vooral bakt men
koningskoeken van allerlei grootte en vorm, als een waardig besluit
van het Vruchtbaarheidstijdperk.

Het "koninkje spelen" is waarschijnlijk een Romeinsch bestanddeel,
een overblijfsel van de heidensche _Saturnalia_, dat door den
Driekoningendag een christelijk vernisje kreeg. Dan toch vierde
men te Rome de zegeningen van den gulden voortijd: toen de god
Saturnus onder de menschen leefde en overal vrijheid en gelijkheid
bloeide. Vooral de slaven hadden het dien dag goed, werden door de
meesters als huns gelijken of zelfs als meerderen behandeld en door
hen aan tafel bediend. Feestgelagen waren in dezen tijd aan de orde
van den dag, en veelal liet men bij deze dan het lot beslissen, wie
koning der tafel werd, feestkoning, tevens ceremoniemeester. Trouwens
het koningsspel was te Rome overoud; Suetonius noemt dit "het spel om
gezag en heerschappij". Het verloten geschiedde meestal door middel
van boonen, die een sakrale beteekenis hadden.

Wellicht berust op de gebruiken gedurende de _Saturnalia_-feesten ook
nog het geven van geschenken op _St. Pontianus en St. Agnesdag (14
en 21 Jan.)_, het "Ponsen en Angen" of "Ponsen en Nieten", vroeger
in Nederland en België gebruikelijk; mogelijk stoelen de gebruiken
dezer dagen ook op het feestelijk overbrengen der relikwiëen van
de H.H. Pontianus en Agnes. Eigenlijk gaven de mannen op 21 Januari
geschenken aan de vrouwen en meisjes, terwijl zij op 14 Januari een
tegengeschenk ontvingen van de door hen op Koppermaandag begiftigde
vrouwen.

_Vrouwkensavond (19 Jan.)_, te Brussel gevierd, naar verluidt
ter herinnering aan den 19den Januari 1101, toen de Brusselaren,
aan het zwaard der Saracenen ontkomen, onverhoopt naar huis
terugkeerden. Telken jare luiden nog heden des avonds alle klokken
van Brussel een half uur lang. De vrouwen zijn uitsluitend baas, en na
't avondmaal trachten zij zelve hun echtgenooten naar bed te dragen.

_Koppermaandag_ heet de Maandag na Driekoningen: _kopperkensdagh,
kopperkensmaendagh._ Men verklaart dezen naam aldus, dat deze Maandag
ongeschikt werd geacht om koppen te zetten, zoodat de koppers
vrijaf hadden. Wellicht is het juister van het oude _kopperen_
"smullen, drinken, pret maken" uit te gaan, dat van _kop_ "beker"
kan komen. Een volksetymologische vervorming is _koppeltjesmaandag_,
wegens het bijeenkomen van het gemeene volk, evenals _koperen maandag_,
naar de kopermunt, die dan als fooi gegeven wordt. Andere namen zijn:
_gekke maandag, raasmaandag, kopjesmaandag_ (Groningen), _verloren-,
verzworen-, verkoren_-, ja _Flora-maandag_. Te Diest zegt men nog
_blijde maandag_. "Verloren" Maandag werd verklaard door het daags
te voren gelezen evangelie van het "verloren" kind Jezus, of omdat
deze dag van wege de feestelijkheden van de eedsaflegging der lagere
ambtenaren toch verloren was. Deze laatste verklaring is zeer zeker
te verkiezen, wanneer men tevens in het oog houdt, dat "verloren"
weer volksetymologisch verbasterd is uit "versworen", de benaming,
die in de oudste dokumenten voorkomt en op genoemde eedsaflegging
betrekking heeft. Men doet goed dezen Maandag te beschouwen als den
heksluiter van het nieuwjaarstijdperk, wat dan ook het best strookt
met de ambtsaanvaarding der beambten. In sommige deelen van Vlaanderen
zegt men: _Egyptische Maandag_, omdat men daar een omgang hield,
en ten deele nog houdt, die de vlucht naar Egypte voorstelde.

Te Amsterdam had eertijds op dezen dag een optocht der leprozen plaats,
te Utrecht en elders liep men gemaskerd door de straten. In Gelderland
en Limburg werd koppermaandag nog niet lang geleden luidruchtig met
ganstrekken en katknuppelen gevierd. Merkwaardig is het zeker, dat
dan te Haltert, Oosterzeele en andere dorpen van Oost-Vlaanderen
de schoolmeester door de leerlingen wordt gebonden, hetgeen aan
de gebruiken op St. Thomasdag herinnert (bl. 126). In Nederland,
waar de dag voorheen door alle gilden gevierd werd, blijft heden
hoofdzakelijk nog de viering door zetters en boekdrukkers over. Wel
trekken nog in enkele Friesche dorpen de kinderen geruchtmakend en
met ketens rammelend door de straten. Te Holwerd zingt men hierbij:


    Kopermoandei, blikken tiisdei [Dinsdag],
    Noch in dei,
    Dan is kopermoandei wei [weg].


Zie Waling Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven I, bl. 167.

_Antonius-abt (17 Jan.)_ behoort in België tot de meest populaire
heiligen. Vele broederschappen of gilden van Sint Antonius drinken
dien dag haar halve ton gildebier. Zijn attribuut is het varken,
omdat de duivel in varkensgedaante hem bekoorde. Vandaar, dat de
heilige naderhand algemeen als patroon van het vee werd beschouwd, en
als zoodanig door boeren, vleeschhouwers en spekslagers vereerd. In
de Middeleeuwen hadden de Sint Antoniusgilden het recht, een zwijn,
dat als herkenningsteeken een klokje aan den hals droeg, overal vrij
te laten weiden; zelfs in de steden zag men dit _Antoniuszwijn_
ongehinderd rondloopen. In België, de Rijnprovincie en, tot voor
eenige jaren, in Limburg (Vaals, Hoensbroek enz.) wordt den I7en
Januari varkensvleesch geofferd en na de kerkelijke diensten onder
de armen verdeeld.

_Sint-Sebastianus (20 Jan.),_ de met pijlen doorschoten martelaar,
wordt door de schuttersgilden, wier patroon hij is, plechtig
gevierd. De schuttersgilden bloeien nog in België en in de zuidelijke
gewesten van Nederland. Vaak luisteren zij de processies of religieuze
ommegangen met haar vaandels, trom, fluit, wapens en versierselen
op. Hun "koning" is met zilveren platen omhangen. Eén plaat, met
zilveren vogel, is het teeken, dat hij op het gildefeest den vogel met
zijn boog heeft afgeschoten, vanwaar de uitdrukking: "Hij heeft den
vogel af." Vooral des zomers worden door de handboogschutterijen druk
bezochte prijskampen gehouden; op dit onderwerp kom ik naderhand terug.

_Pauli Bekeering (25 Jan.)._ Ook deze dag is een _dies criticus_. een
beslissende dag voor het weêr. Hier geldt natuurlijk alleen de
datum, het tijdstip, niet de geschiedenis van den heilige, niet zijne
attributen, niet de volksetymologie van zijn naam, zooals dit b.v. het
geval is met de H.H. Clara, Lucia, Andries, Mathijs en Katharina. De
Tirolers verzekeren van den 25sten Januari:


    Paul bekehr',
    Der halbe Winter hin, der halbe Winter her.


V. Reinsberg-Düringsfeld verhaalt nog, dat de Belgische wijnbouwers
dezen dag beschouwen als beslissend voor den wijnoogst: "ils sont
contents s'il est clair, mais très tristes si le contraire a lieu"
(Calendrier belge I, bl. 76).

De heilige wordt ook gestraft, als hij niet voor goed weêr zorgt. Wij
hebben hier een sprekend geval van het mishandelen of straffen van
heiligen, door hun beeltenissen te onteeren of te kastijden: typisch,
onvervalscht fetissisme. Immers Schotel vermeldt in zijn Tilburgsche
Avondstonden, bl. 12, dat men "elders een strooien Paulus aan den
haard plaatste, terwijl de vrouw koeken bakte. Was het goed weêr,
dan wierp zij een pan met boter over hem heen, of sloeg hem met een
geboterden koek in het aangezigt. Was het weer slecht, dan wierp zij
hem in het vuur". Ter vergelijking diene het bericht, dat in het begin
der XVIe eeuw de inwoners eener kleine Duitsche stad gewoon waren op
St. Maartensdag het beeld van den heilige openlijk langs de straten
rond te dragen. Geschiedde zulks bij helder weêr, dan begoten zij het
met wijn; maar regende het, dan wierpen zij het met slijk en modder.

Zoo valt licht op een gebruik, dat te Jutfaas (Utrecht) vroeger en
wellicht thans nog bij de boerenbewoners heerschende is. Op Pauli
Bekeeringsdag placht men bij vrienden en kennissen een _Paulus_
of _Paulusje_ in huis te brengen, "binnen te brengen". Dit was
een grootere of kleinere pop, die men in een hoek van het vertrek
plaatste. Gebeurde zulks, zonder dat de brenger nat werd gegooid,
dan moest de vrouw des huizes 's avonds koeken bakken, enz.

Zooals uit het bovenstaande blijkt, gold dit koeken bakken, dit met
water gooien oorspronkelijk den heilige, of liever de pop, die den
heilige voorstelde. Wellicht is deze wijze van mishandelen ontleend
aan een vaak terugkeerend vruchtbaarheidsgebruik, dat de Duitsche
folkloristen _Regenzauber_ noemen, waarover nader. Zie over Pauli
Bekeering mijn opstel in het Jubelnummer van Volkskundc, bl. 21 vlg.

_Maria Lichtmis_ (_2 Febr._). Dat dit feest voor een heidensch in de
plaats trad, waarom en hoe, leert Paus Innocentius III in een preek
op Maria-Zuivering: "De heidenen hadden de maand Februari aan de goden
der onderwereld toegewijd, omdat, naar zij ten onrechte meenden, in het
begin dier maand Proserpina door Pluto geroofd was; men geloofde, dat
hare moeder Ceres haar den ganschen nacht in Sicilië had gezocht met
brandende fakkels. Ter gedachtenis daaraan hielden zij [de heidenen]
in het begin der maand een ommegang door de stad met brandende
fakkels. Daarom werd dit feest _Amburbale_ genoemd. Maar wijl onze
heilige voorouders deze gewoonte niet geheel en al konden uitroeien,
hebben zij bepaald, dat men ter eere der H. Maagd Maria brandende
kaarsen dragen zou. En zoo geschiedt thans ter eere der H. Maagd,
wat vroeger plaats had ter eere Van Ceres. En wat eerst gebeurde ter
eere van Proserpina, wordt thans gedaan tot lof van Maria."

Naar De Cock vermeldt, bestaat in België plaatselijk het gebruik,
de op 2 Februari gewijde lichtkaars te ontsteken vóor het kisten
van het lijk en dan enkele droppels in de kist te laten leken; soms
laat men op dezelfde wijze, bij de bereiding van het zaaigraan, wat
smeltend was tusschcn de korrels afdruipen; zie Volkskunde, bl. 237.

Vroeger verlieten of verwisselden de dienstboden op dezen dag
hun dienst. Dit was wel een der oorzaken van de baldadigheden en
verkwistingen op Lichtmisdag in Holland en Vlaanderen. Zoo kreeg
het woord "lichtmis" de beteekenis van "losbol". Hierop wijst ook de
Westvlaamsche benaming: O.L. Vrouw-_Schud-de-panne._

Deze dag is vermaard in de volksweêrkunde. "Wanneer op O.L. Vrouw
Lichtmis de zon op het misboek schijnt", zegt men in Limburg, "dan
kruipt de vos nog zes weken in zijn hol." En verder: "Op Lichtmisdag
ziet de boer liever den wolf in zijn schaapstal dan de zon".--"Lichtmis
donker, maakt den boer tot jonker"; enz. enz. Wij komen hierop terug
in het hoofdstuk over de Volksweêrkunde.--

Een Duitsch rijmpje zegt:


    Wenn die Tage langen.
    Kommt der Winter gegangen,


en, inderdaad, ook in ons land begint na Nieuwjaar, als het toenemen
der dagen merkbaar is, de eigenlijke periode der volksspelen en
wintervermakelijkheden. Zoo had b.v. te Elburg ouder gewoonte tusschen
Nieuwjaar en Vrouwendag het klootschieten plaats. Elk speler krijgt
een houten kloot, d.i. een platte, ronde schijf, terwijl de wal als
speelterrein dient. Men dient nu in het minst aantal worpen den wal in
het vierkant om te schieten, te beginnen aan een der vier poorten. Aan
hem, die in het minst aantal worpen den stadsmuur heeft rondgeschoten,
wordt de prijs toegekend.

Het klootschieten is wel een onmiddellijke afstammeling van het
Oudgcrmaansche steenwerpen. Ook te Ootmarsum en Oldenzaal heeft het
lang stand gehouden. De Hollanders en Gooiers waren eveneens groote
minnaars van dit spel, in de Zuidhollandsche dorpen _schietklooten_
genoemd; zie vooral Ter Gouw, Volksvermaken, bl. 322 vlg.

_Sint Blasius (3 Febr.)._ De volksetymologïe heeft bewerkt, dat de
H. Blasius in Vlaanderen wordt aangeroepen als patroon tegen zweren
of huidontstekingen, die "blazen", d.i. blaren, genoemd worden. In
Denemarken beschermt hij tegen den blazenden wind, op welk verband
door de Vlaamsche spreekwijze: "Blasius blaast", als het omstreeks
3 Februari sterk waait, een helder licht valt. Zoo wordt ook de
H. Lambertus door het volk aangeroepen tegen de lamheid en de H. Rosa
tegen de roos. Henri Estienne geeft over dit verschijnsel de voor
zijn tijd merkwaardige opmerking: "A quelques saincts on a assigné
les offices suivant leurs noms, comme (pour exemple) quant aux saincts
médecins, on a avisé que tel sainct guariroit de la maladie, qui avait
un nom approchant du sien." Zie vooral Gittée's belangrijk artikel:
"Scherzhaft gebildete und angewendete Eigennamen im Niederländischen",
in de Zeitschrift des Vereins für Volkskunde III, bl. 415 vlg.

_Vastenavond_ bestaat uit de drie "vette" dagen (Zondag, Maandag
en Dinsdag), die de groote Veertigdaagsche Vasten voorafgaan. De
Kerkvergadering van Leptines in 743 veroordeelde de _Spurcalia
in Februario_, waarmee zeer waarschijnlijk de uitspattingen van
den Vastenavond bedoeld werden; dat echter de term _spurcalia_
het aanzijn zou geschonken hebben aan onzen vorm _sprokkelmaand_,
Middelnederl. _sporkelmaent_, is niet geloofwaardig. Men vindt
ook reeds vroeg Vaste_l_avond, met de bekende variatie van _n_
en _l_, die ook in _vasteldag_ en _schrikkeljaar_, en in het
Middelnederl. _werkeldach_ worden aangetroffen.

Wij moeten m.i. drie bestanddeelen onderscheiden, die tot het
ontstaan der vastenavondfeestviering hebben bijgedragen. Vooreerst
een lente-vóorfeest, zooals ook uit menig vruchtbaarheidsgebruik
in binnen- en buitenland blijkt; en ik geloof, dat Julius Lippert,
Christenthum, Volksglaube und Volksbrauch (Berlin 1882), bl. 598 het
ware treft, wanneer hij in de kern der feestviering een _Romeinsch_
lentefeest ziet, in onze streken geïmporteerd, en dat zich naderhand
van het Westen naar het Oosten uitbreidde. Maar dit feest trof
in de Germaansche landen de resten van een specifiek-Germaansche
feestviering, een feestperiode, die zich door offervuren en
offermaaltijden kenmerkte. Mogk houdt deze periode voor een feest der
wederkeerende zon, vooral ook, omdat dan het wagenrad als symbool der
zon een rol speelt. Niet onbelangrijk zijn in dit opzicht de woorden
van Sebast. Franck, die ik bl. 104 bij het bespreken der noodvuren
heb aangehaald.

Maar het Christendom heeft deze feestviering voor het meerendeel
teruggedrongen tot vóór het begin van zijn veertigdaagschen Vastentijd,
met het gevolg, dat nog slechts enkele overblijfsels aan bepaalde
dagen in de Vasten bleven vastgehecht, met name aan Halfvasten:
"'t Is een feest der Brabantsche en Antwerpsche kinderen, dat met
het St. Niklaasfeest kan vergeleken worden.-- De kinderen zetten
in de schouw hunnen schoen of een korfken met hooi, dit laatste
voor het paard van den Greef, die 's nachts zijne ronde doet en
iets lekkers voor de goede, eene roede voor de slechte kinderen
achterlaat"; aldus De Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust
VII, bl. 71.--Zoo kreeg ook het geheel der Vastenavondfeestviering
een eenigszins christelijke tint. Wat betreft het woord _Carnaval_,
dit is afkomstig van het Toskaansche _carnevale_. dat waarschijnlijk
eenigszins haplologisch voor _carnelevale_ staat; en deze vorm zelf is
door progressieve assimilatie uit _carnelevare_ ontstaan: "het opruimen
van het vleesch." Hierbij dient echter vermeld, dat Romanisten van naam
nog de voorkeur blijven geven aan de bekende verklaring als "vleesch,
vaarwel!": _carne_ + _vale_. Zij zien hierin een volkshumoristische
uitdrukking der kloostertaal. --De Romaansche benamingen van den
Vastenavond werden voortreffelijk behandeld door Merlo in Wörter und
Sachen III, 1, bl. 88 vlg.; vergel. III, 2, bl. 196.

In de Middeleeuwen bereikte de vastenavondpret haar hoogtepunt. Ik
herinner slechts aan de vertooningen der vastenavondkluchten door de
Rederijkers, aan de grootsche optochten en aan de dolle uitgelatendheid
der feestvierenden in zotskleedij, zoo meesterlijk door Pieter Breughel
den Ouden gepenseeld. In het protestantsche Noorden is de Vastenavond
zoo goed als uitgestorven; niet aldus in het Zuiden, men denke nog,
behalve België, aan Den Bosch en Maastricht. In het Rijnland is vooral
vermaard de vastenavondpret te Keulen en Maintz.

1. Iets zeer eigenaardigs is de maskerade, het vermomd over straat
loopen. "Zot loopen" was de gangbare uitdrukking; wij spreken nog
heden van "Vastenavondgekken".Maar "de tegenwoordige maskeraden zijn
slechts de schaduw van de vroegere", zegt De Cock, Volkskunde, bl. 239;
"de straat geeft ons al niet veel meer te aanschouwen dan piepjonge,
schreeuwerige gekken, vaak in poovere, afschuwelijke zotsplunje
gestoken, wel eens groepsgewijze met een paar trompetters in een
gewoon rijtuig zittend, en links en rechts den wandelaar, vooral de
jonge meisjes, een varkensblaas op den rug slaande, of handvollen
confetti's in het gelaat gooiend: een tooneel, dat veeleer walging-
dan lachwekkend mag heeten". Dit vermommings-gebruik is stellig uit
Rome afkomstig, uit de volksfeestviering, die aan "den goeden ouden
tijd" herinnerde, misschien wel een overblijfsel van de _Saturnalia_
(bl. 148) of van het Romeinsche "Narrenfeest" (_feriae stultorum_)
op den 17den Februari. Hierbij zij opgemerkt, dat inderdaad in
sommige streken in het buitenland de Vastenavond beschouwd wordt
als een verlengstuk van het Joeltijdperk, en de periode tusschen
Driekoningen en Aschwoensdag vult. Te Berg en Terblijt (L.) heeten
nog de Donderdagen tusschen O.L. Vrouw-Lichtmis en Vastenavond de
"Vette Donderdagen", omdat aardappelen met spek dan de hoofdschotel is.

2. Overvloed van spijs en drank, veelal ontaardend in overdaad, heeft
te allen tijde de vastenavondfeestviering gekenmerkt; drinkgelagen
en smulpartijen zijn dan aan de orde en stijgen op _Vetten Dinsdag_
ten top: in waarheid een vruchtbaarheidsfeestviering. Befaamd
zijn de _vastenavondkoeken_, verschillend van naam en van
vorm (vastenavondtaart, pannekoek, spekkoek, groenkoek, wafels,
geknepe-pletskes, poffertjes enz.), die voor de koekepan een eereplaats
in onzen spreekwoordenschat veroverden. In België hoort men: "Zij
vliegen meer als de heetekoekpan op Vastenavond"; in Limburg heeft men
het somwijlen "zoo druk als de pan op Vastenavond". Ook in Engeland is
Vastenavond-Dinsdag de groote _Pancake-dag_. Die dagen gaan in Brabant
en Limburg de arme kinderen onder het zingen van vastenavondliedjes
aan de deuren pannekoek bedelen: "Spek en eier en braadworst is goeie
vastenavondkost", meent men te Bree (B.L.). Te Reek (N.-B.) worden
dan bij partikulieren wel eens worsten, eieren en spek weggehaald,
wat doorgaans niet kwalijk genomen wordt. Vroeger werden te Afferden
worsten bijeengehaald en aan lange houten gaffels over straat gedragen.

3. Worst is een onmisbaar bestanddeel van het vastenavondmenu. Dit
blijkt ook uit de vastenavondliedjes, die eigenlijk rommelpotliedjes
zijn, d.i. gezongen met begeleiding van den rommelpot of foekepot
(bl. 142). Vandaar, dat op de Veluwe de Vastenavond plaatselijk
_foekedag_ wordt genoemd. De foekepot is een aarden pot, half vol
water, waarover een varkensblaas is gespannen; in het midden hiervan
is een rietstokje bevestigd, dat door den duim en twee nat gemaakte
vingers of door de geheele hand wordt gewreven en dan een dof-rommelend
geluid veroorzaakt. Ook in het Noorden van ons land is dit instrument
bekend en luidt het zeer zeker meest gangbare deuntje:


    Ik heb al zoo lang met den rommelpot geloopen,
    Ik heb geen geld om brood te koopen.
    Rommelpotterij, rommelpotterij,
    Geef mij een oortje, dan ga ik voorbij.


De rommelpot heet te Dalen, Zweeloo, Weerdinge, Eext, Zuidlaren,
Rolde en Norg (D.) _hotfot_ of _hottefot_, te Diever _fortelpot_, te
Zoutkamp _pooverpot_, in Noord-Holland veelal _rompot_. Men bezigt hem
ook omstreeks Paschen, Kerstmis en Nieuwjaar; zie Driem, Bladen II,
bl. 115.

De rommelpotliedjes, die zelf niet van dit instrument gewagen, worden
gekenmerkt door het refrein: "ho, man, ho!" Zoo b.v.:


    De Schout van Leiden heeft een bult,
        Ho, man, ho!
    Die is met ouwe lappen gevuld,
        Ho, man, ho! enz.


En zoo bezat ook het meest bekende en meest verspreide
vastenavondliedje oorspronkelijk dit refrein:


    Vrouw, 't is Vastenavond, ho, man, ho!
    'k Kom niet thuis voor t'avond, ho, man, ho!
    'k Kom niet thuis voor morgenvroeg,
    Dan is het nog wel tijds genoeg, ho, man, ho!


Een zeer merkwaardige en volledige lezing gewerd mij uit
Rosmalen (N.-B.); ik laat ze hier, behoudens enkele termen, in
algemeen-Nederlandsche transskriptie volgen, omdat het liedje beslist
algemeen-Nederlandsch is:


    Vrouw, 't is Vastenavond,
    Ik kom niet thuis voor te avond,
    Te avond in den maneschijn,
    Als vader en moeder naar bed toe zijn.
    Gekke Griet, vertel het niet,
    Want onze Jan is dronken.
    Dronken Piet is onze gebuur,
    Schriks tegen ons over.
    Vat 'n stoel en zit bij 't vuur,
    De prutselpot hangt over.
    Boven in de schouwe,
    Daar hangen de worsten aan touwen,
    Vrouw geef mij een lange,
    En laat de korte maar hangen.
    Snij maar diep, snij maar diep,
    Snij maar in mijn vinger niet.
    'k Heb gezongen en niets gehad,
    Geef me een stuk van 't varken z'n gat,
    Koekebakkerij, koekebakkerij,
    Geef me een cent, dan ga ik voorbij.


Vrij overeenkomstig hoort men dit liedje te Schijndel, Maashees,
(N.-B.), Merselo, Heer, Beegden, Buggenum (L.) enz. Te Deventer luidt
regel 3--7:


    Ik kom nieët in huus veur margen vrog,
    Is dat nieët vrog genog?
    Vrouw, geef mien dit,
    Vrouw, geef mien dat,
    Geef mien een stuk van de varkenssta(r)t.


Veelal vormen, als te Buggenum, deze regels, die men ook bij menig
ander kalenderliedje aantreft, het besluit:


    Vrouw gêftj, det jer lang lêftj,
    Det jer riek en zalig werdj.


Maar worden de zangers met ledige handen weggezonden, dan luidt de
laatste regel wel eens:


    Det uch 't humme aan 't gaat klêftj.


Verder kent men nog:


    Foeke, foeke, langesjtaaf,
    Gêftj mich ei sjtök van 't vräkesgaat;
    Ich höb al zoo lang mitte foekepot geloupe,
    Ich höb gei gellj òm brood te koupe,
    Dei, dei, dikje dikje dei,
    Gêftj mich ei centje, dan goa ik voorbij.--


Een ander zeer verspreid vastenavondliedje heeft ongeveer dezen vorm:


    Vastenavond, die komt aan,
    Als de meisjes vroeg op staan,
    Dan staan zij in den spiegel:
    Moeder, staat mijn mutsken knap?
    Mijn lief zal t'avond komen.
    Komt hij dezen avond niet,
    Dan komt hij den halven vastenavond niet.
    Zet het mesken al langs de bank,
    Snijd het spek drie ellen lank,
    Laat het mesken zinken
    Tot op de witte schinken; enz.


(Bree).

Te Mill en Wanroy volgt op de zeven eerste regels:


    Jobbik, Jobbik Janssen,
    De gek, die moet dansen,
    Ik en de gek
    En een goed stuk spek.
    Snij maar diep, snij maar diep,
    Snij maar in uwe vinger niet!
    Boven in die horste,
    Daar hangen die lange worsten,
    Als de lange gegeten zijn,
    Dan zullen de korte wel beter zijn.


Vergelijk hiermee het Zutfensche:


    Vastelavond, die komt aan,
    Als de meisjes vroeg opstaan,
    Dan gaan ze voor den spiegel staan:
    Moeder, zit mijn kapje wel?
    Daar komt Floris Janssen,
    Die zal op den foekepot spelen,
    En de gek zal dansen.


Volge nu een noordelijke en een zuidelijke lezing van een ander
bekend rommelpotliedje.

Te Eenrum (G.) en omstreken zingt men:


    Foeke, foeke, rommelpot
    En hestoe nog gein man,
    Ik heb 'n broaden houndertien,
    Dat zal der t'oavend an.
    Als ik mien houndertien broaden zal,
    Dan wordt mien potje voel,
    Als ik mien potje schrabben zal,
    Dan kittelt (kippert) mie de doem.
    Dan goan wie noar de smid,
    Dei moakt ons potje wit;
    Dan goan wie noar de heeren,
    En loaten ons poddien smeren.--
    Zet hier een stoul, zet doar een stoul,
    Op ieder stoul een kussen,
    En doar een mooi meissien tusschen.


Vanaf den vijfden regel luidt een zeer eigenaardige variant te
Groningen:


    Schippien van drei weken
    Loat heur zailtien streken.
    Boven in de hangeltop
    Doar hangt 'n dikke metworst.
    Snie wat braid, snie wat snel,
    Snie joe den moar nijt in 't vel.
    Snie wat braid, snie wat roem,
    Snie joe den moar nijt in doem.


De zuidelijke lezing is bekend te Turnhout en omstreken en in
een groot deel van Noord-Brabant, met name in het zuidoostelijk
gedeelte: Eersel, Velthoven enz. Ook Druten en omstreken heeft voor
het meerendeel gelijkluidend:


    Vastenavond, goede gebuur,
    Ik heb nog geenen man,
    Ik heb nog een klein hoentje,
    Dat moet er t' avond an.
    En als ik mijn hoentje braden wil,
    Dan is mijn panneken vuil,
    En als ik mijn panneken schuren wil,
    Dan tintelt mijnen duim.
    Dan loop ik naar de geburen,
    Daar laat ik mijn panneken schuren,
    Dan loop ik naar de Franschen,
    Daar laat ik mijn potteken dansen.


De laatste regels van de noordelijke lezing bevatten een motief uit
een ander vastenavondliedje:


    Vastenavond, die komt aan
    Klinken op de bussen,
    Hier eene stoel en daar eene stoel,
    Op iedere stoel een kussen,
    Meisje [Vrouwtje], hou je kinnebak toe,
    Of ik sla er een pannekoek tusschen.


Te Barneveld vervolgt men:


    Tusschen de neus en de kin,
    Daar kan nog wel een pannekoek in.
    Ho, man, ho!


"Klinken op de bussen" is wel synoniem van "in de bus blazen, geld
uit geven": Driem. Bladen I, bl. 77, III, bl. 26. Deze uitdrukking
komt ook voor in het Zwolsche:


    't Is van oavend Vastenoavend,
    Klink moar op de bussen!
    Alle mooie meissies kriegt een man,
    Behalve ik en mien zusse.


4. Op sommige plaatsen behoort tot het vastenavondvermaak het haanslaan
(of haansmijten) en het gansrijden (gansjagen, -sabelen, -trekken,
-slaan, -knuppelen), ook wel _gent_ of _voejagen_ genoemd. Een
opzettelijk daartoe gemeste gans wordt tusschen twee palen of boomen
aan een lijn met den kop naar beneden opgehangen. In vollen draf rijden
nu de ruiters (voorheen de leden van het gansrijdersgild) onder de
gans door en trachten het dier den kop af te rukken. Ook de jongens
van 12--17 jaar jagen "de voe"; zij zijn gezeten op stokpaarden,
dragen een chapeau-claque van bordpapier, versierd met vederbos en
klatergoud, en draven op hun stokpaarden onder de lijn door.

Op de meeste plaatsen is dit gebruik thans in onbruik geraakt; te
Guttecoven (L.), Rijkevoort (N.-B.) en elders heeft het zich weten
te handhaven. Te Guttecoven wordt de vogel aan een boom gehangen en
ieder slaat er naar met een sikkel. Wie het dier den kop af slaat,
is koning of koningin; want ook meisjes doen mee. Koning of koningin
worden getooid en met hen trekt men nu langs de huizen, bedelend om
spek, eieren en worst:


    Vasteloavend,
    Sjtokvastoavend,
    Hiê ene sjtool en doa ene sjtool,
    Op jede sjtool ei kösse,
    En doa ein broadwoosj tössche;
    Op jede sjtool ene pannekook,
    Det deit de jong meitjes good.


Maar al werd het gansjagen afgeschaft, op tal van plaatsen gaat nog
de worstenkar rond, of trekt althans nog de jeugd, om spek, worst
en eieren bedelend, door de straten. Aldus te Afferden, Buggenum,
Swalmen, Tegelen, Boxmeer enz. Men noemt dit gebruik _fooien-jagen,_
een (volksetymologische?) vervorming van _voejagen._ Bij dezen rondgang
zongen vroeger de jongens in Twente:


    Boven in de hörste
    Doar hange de spiele mit wörste:
    Doo mi eenen langen,
    Moar loat dee kleine mer hangen.


Men vergelijke hiermee bl. 158 en 160. In Engeland is het haanslaan
nog zeer verbreid, met name in Essex en Suffolk.

5. Voor de vastenavondvuren wordt natuurlijk inzameling van
brandstof gehouden. Wij treffen dus weer motieven aan uit wat wij
het"schuddekorfslied" noemden (bl. 108 vlg). In de Limburgsche dorpen
op de Duitsche grens zingt de jeugd in verschillend dialekt:


    Een kluitjen en een kooltjen
    Een vonkelhoutjen, een!
    Hier woont een rijk man,
    Die ons nog iets geven kan.
    Geeft ons iets en laat ons gaan,
    Laat ons niet zoo lang hier staan,
    Wij moeten nog zoo wijd gaan!


Deze rondgang heeft te Sint Pieter (L.) op Donderdag vóor Vastenavond
plaats onder het zingen van:


    Heije, meije klötsje,
    Zoe dik es ên hötsje,
    Zoe dik es ên boen,
    Dat us God loent!
    Hei woent nog êne rieke maan,
    Dee us nog get geve kaan,
    Kaan heer us niks geve,
    Dan zalleveer neet lang mie leve.

    _Den hoegen hiemel is opgedoon_,
    Gef us get en loat us goon,
    Loat us neet lang stèlstoan,
    Gef get, spaart get,
    't Ander joar alweer get.
    Dit joar êne sjèlling
    't Ander joar êne pèling,
    Eeder sjèlling woag ê poond,
    Maar de vrouw blijf hei gezoond.
    Snijt oan de lange,
    Loat de korte hange,
    Gef get!


Zie de rijmpjes op bl. 158, 160 en 164.

Met den negenden regel: "Den hoegen hiemel is opgedoon" vergelijke
men dezen passus van een rommelpotslied uit Slochteren (G.):


    De hemel, de hemel wordt opengedoan,
    Daar komen wie arme zondoartjes an
    Mit ain strooband, mit twei strooband;


en uit Winschoten:


    De hemel wordt opengedaan.
    Daar zullen wij arme zondaars ingaan
    Met een stroobant,
    Daar gaan wij mee naar 't ander land.


In Zeeland luidt de tweede strofe van het rommelpotslied op Sint
Silvester:


    Ik heb er den hemel al opengedaan,
    Daar zag ik twee arme zondaars staan;
    Met oogen als vuur en een strooband,
    Zoo rijden zij naar dat andere land.


De beteekenis van den strooband is mij niet helder.

6. De vastenavondviering in de zeedorpen van het eiland Schouwen
bestaat eigenlijk in het zoogenaamde strand- of stra-rijden ("de
stra"). Dit is niets anders, dan dat men te paard naar het strand
en vervolgens een eindje de zee inrijdt. Tegen tien uur wordt een
trein gevormd, waarbij een ruiter als voorrijder dienst doet en de
flinkste en best opgetuigde paarden voorafgaan.--Blijkbaar moet dit
gebruik ingeschakeld worden in de reeks der vastenavondoptochten,
en hebben wij te doen met een reinigings- en vruchtbaarheidsritus;
zie C. V. D. Graft, Volkskunde XVII, bl. 31. Over vastenavondliedjes
en -gebruiken vergel. Ter Gouw, Volksvermaken, bl. 187; G. Kalff, Het
Lied in de Middeleeuwen (Leiden 1883), bl. 518; Welters, Feesten enz.,
bl. 24; De Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust VII, bl. 56;
v. Reinsberg-Düringsfeld), Calendrier belge, bl. 127; Boekenoogen,
Onze Rijmen, bl. 58 en Driem. Bladen I, bl. 53, 111, 119; IV, 114;
Volk en Taal II, bl. 154; 't Daghet in den Oosten IV, bl. 124; X,
bl. 190 enz.

_Aschwoensdag_ stelt paal en perk aan de vastenavondpret. Te
Blitterswijk (L.) hield men in den voormiddag den _doodendans_,
d.i. nog driemaal werd op de viool gekrast en nog driemaal lustig
rondgesprongen; dàn eerst was het "Vasten". Men noemt hem ook
_kruiskensdag_, omdat de katholieken dien dag ter kerke een
asschen kruisje op het voorhoofd ontvangen ter herinnering aan
de vergankelijkheid van het lichaam in stof en ter opwekking tot
boetvaardigheid. "Wie zijn kruisje houdt tot Paschen", zegt het volk,
"krijgt een nieuw kleed." Na den dienst wordt niet zelden "het kruisken
verdronken", door den voormiddag in de herberg te slijten.

Op enkele plaatsen wordt dien dag ook nog na den kerkdienst de _haring
gebeten_ of _gereden_, b.v. te Maaseyck; te Posterholt (L.) heette
het _haringspringen_. Een haring, aan een koord opgehangen, moet de
kop worden afgebeten. Haring met witte boonen vormen het hoofdgerecht.

_Fakkelzondag_ (_Invocabit_) is de eerste Zondag in de Vasten. "Als
men op dezen dag met een brandende fakkel onder de boomen waait, zal
veel fruit groeien", zeggen de boeren in Limburg. Wij hebben hier dus
te doen met het reinigings-, en bijgevolg vruchtbaarheidsbegrip. Het
branden, walmen, berooken enz. diende, zooals men weet, om de booze
geesten te verdrijven (vgl. bl. 128). Dit blijkt ook duidelijk
uit het rijmpje, dat men te Simpelveld (L.) onder het walmen in de
boomgaarden zingt:


    Vink vonk fakkel.
    Zoo menge vonk,
    Zoo menge appel.


Te Epen en Wittem (L.) wordt dien dag vuurtje gestookt, _de burk_
genaamd, en om brandstof rondgaande zingt de jeugd:


    Bötje, bötje, burkstreuë
    Annemerjan, sjottelepan,
    Haste niks veur de burk te breeënne.


Te Ieperen heet deze Zondag _Borelle-Zondag;_ ook te Denderwindeke,
Aspelare, Aalst, Denderleeuw enz. is het _walmen_ of _fakkels branden_
bekend; zie De Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust VII,
bl. 66. Men noemt dezen dag in Vlaanderen ook _brood- en kaaszondag,_
omdat men meent alsdan zevenderlei brood te moeten eten: te dien
einde bezoekt men zeven bevriende gezinnen; ook in Duitschland kent
men den naam _Brot-und Kässontag_. In Voralberg, Tirol, Beieren
en Zwaben trekt men dan voorzien van bussels brandend hooi over de
bergen, de zoogenaamde _Fackellauf_, die gesymboliseerd wordt als
de gevangenneming vau Christus. Vandaar de benaming _Funkentag_,
fr. _dimanche des brandons_. Dit fakkelloopen dient als een aanhangsel
der vastenavondvuren te worden beschouwd.

Een eigenaardig gebruik heeft plaats te Geeraardsbergen, het eerst,
voor zoover mij bekend, beschreven door P. van Duyse in het Belgisch
Museum 1837, bl. 176 vlg. Daar trekken onder de tonen der muziek
"de regeering met andere ontzachbare heeren en de geestelijkheid
met den pastoor aan het hoofd, al deftig uitgedoscht" naar een
naburige kapel, waar den pastoor een feestbeker met een levend
vischje gereikt wordt, dat hij mee moet doorslikken. Daarna regent
het mastellen en haring. Dit gebruik wordt met de tweede belegering
van Geeraardsbergen door Walther van Edinghen in 1381 in verband
gebracht, òf men laat het opklimmen tot het midden der XIe eeuw,
toen Geeraard van Hunneghem zijn kasteel aan Boudewijn VI, den
stichter der stad, verkocht. V. Fris, Volkskunde XVIII, bl. 136,
ziet hierin een overleefsel van Keltisch-Frankische bronvereering;
naar de opvatting van Dr. Höfler, Volkskunde XVIII, bl. 236, heeft men
hier te doen met een geval van Bacchanalische omophagie: 't verorberen
van levend, lillend rauw vleesch. Geen dezer verklaringen lijkt mij
afdoende. Trouwens, zou met het oog op het haringeten van het volk
de verklaring niet wat minder ingewikkeld kunnen zijn?--

Het feest van Fakkelzondag wordt op Maandag voortgezet, de echte
_blauwe Maandag_, welke benaming later op alle andere Maandagen
is overgegaan. Vandaar dat "blauwe Maandag houden" de beteekenis
gekregen heeft van "leegloopen en feestdag houden". "Blauw" beduidt
hier "onbeduidend" (men denke aan _blauwe boodschap_), zoodat de
oorspronkelijke beteekenis was: Maandag, die als werkdag niet meetelt;
vgl. Stoett, Spreekwoorden, no 212.

_Kwenezondag_ (_Oculi_), den derden Zondag in de Vasten, liepen te
Ieperen de kinderen rond met een korf, waarin een pop verborgen zat,
terwijl zij zongen:


    Oude kwene, babbelboone!
    Is se oud, s'en is niet schoone!
    Gheeft se doch een ey,
    Daer me looptse wey!


Volgens De Bo heet men echter _kwenen_ de kinderen, die op Passiezondag
van deur tot deur gaan.

Op dezen Zondag verbrandt men den winter (_Pier Vrieze_), den dood,
den vastenavond enz. onder de gedaante van een aangekleede stroopop;
plaatselijk survival hiervan is het verbranden van een haan. Ook wordt
"de winter" wel begraven of in het water geworpen. Waarschijnlijk
is hier het begraven ouder dan het verbranden, en is "de winter" de
vegetatie-daemon, de in den winter gedoode groeikracht; zie Mannhardt,
Baumkultus, bl. 418. In het buitenland heeft dit winterverbranden
meestal plaats op

_Laetare_ of Halfvasten. In België herleeft weer de vastenavondpret,
gemaskerden trekken door de straten, feestgelagen worden
aangericht. Maar de groote folkloristische beteekenis van dezen
dag ligt toch in de aankomst van de Lente (of van den Zomer;
immers het volk kent eigenlijk slechts twee jaargetijden: zomer en
winter). Worden gedurende het vruchtbaarheidstijdperk nieuwe gaven
van de sluimerende aarde verwacht (zie bl. 102, 113) en treden dan
Sint-Maarten, Sinterklaas en het Kerstkind op als uitdeelers der
hemelgeschenken, thans verschijnen als vertegenwoordigers van den
lentezegen: op Laetare de _Greef van Halfvasten,_ en op Palmzondag
de Engeltjes. De Brabantsche en Antwerpsche kinderen zetten hun
schoen of korfje met hooi onder den schoorsteen, dit laatste voor het
paard van den Greef, die 's nachts de rondte doet op zijn schimmel,
de brave kinderen bedeelend met lekkers, maar de ondeugende met een
roe. Vroeger reed de Greef als een andere Sinterklaas op zijn schimmel
plechtig door de straten van Antwerpen. "De arme huisvader uit de
Antwerpsche volkswijken schenkt gewoonlijk aan elk kind slechts een
massepeinen scheepje," schrijft De Cock, Volkskunde, bl. 240; "soms
enkel een tikkenhaantje, uit brooddeeg gebakken, met een pluimpje
op den kop, wat voor het kind niet veel beteekent; vandaar bij den
Sinjoor [Antwerpenaar] het nog steeds populaire spreekwoord: Liever
geen Grèèf dan zoo'n tikkenhaantje."

Te Turnhout zingt men:


    Kinderkens, hangt uw korfkens uit,
    Ik heb wat nieuws vernomen:
        Dat de Greef,
        Uwe neef,
    Die zal morgen komen.

    Wat heeft de Greef al meegebracht?
        Vijgen en rozijnen,
        Koek en tes,
        Scheer en mes,
    Haantjens op een steksken!

    Maar als gij dan niet wijzer zijt,
    Dan zal ik m'er niet mee moeien;
        Dan zal de Greef,
        Uwe neef,
    Brengen een dikke roeie!


Ook in Noord-Brabant en Limburg bestaat iets dergelijks. Te Geldrop
krijgen de kinderen op Halfvasten een haan van taai-taai, aan den
staart versierd. Te Munstergeleen en te Sittard worden dan krombroodjes
onder de kinderen geworpen, te Sittard bij de zeven kapelletjes
langs den weg naar den Kollenberg. Het Christelijk symbolisme ziet
hierin een herinnering aan het evangelieverhaal van dien dag over de
wonderbare spijziging der 5000 Galileeërs. Te Schaesberg (L.) wordt
op Laetare gefakkeld, waarbij men zingt (vgl. bl. 167)


    Vink, vonk, fakkel.
    Zoo menge vonk,
    Zoo menge appel.


_Sint Pieter-in-den-Winter_ (_Cathedra Petri_, 22 Februari) is een
lotsdag, een _dies criticus_, eertijds als het begin van de lente
beschouwd. Vandaar zijn voorname rol in de volksweêrkunde. Vriest
het den nacht vóor dezen feestdag, dan duurt de kou veertig dagen;
is het zacht weer, dan vriest het niet in Mei.

Het volk viert dan een lente-vóorfeest, vooral de schippers en herders,
en wel over geheel het Germaansche en Slavische gebied. Op dezen dag
moet men beginnen de landerijen te bewerken; bouwlanden worden meest
verhuurd, om ze te aanvaarden op Sint-Pieter. Te Grouw (F.) viert mee
dan een kinderfeest; en evenals men den 5den December Sinterklaas-avond
noemt, zoo noemt men te Grouw den 21sten Februari Sint Pieter-avond.

Ook het balslaan, dat vroeger op verscheidene plaatsen in Friesland
voorkwam, is een typisch lentegebruik en heeft natuurlijk met
St. Petrus niets te maken. In Duitschland heeft het meestal op
Paaschdag plaats; ook schijnt het met het Paaschvuur samen te
hangen. Te Dantumadeel sloegen de kinderen ballen uit, waaronder
éen met loovers versierd; daarmee begon de wedloop, om den mooien
Sint-Petersbal te bemachtigen. Een andere manier van "bal uitslaan",
eveneens in de Dokkumer Wouden, was een vermakelijkheid, die uitging
van een jong paar, dat op trouwen stond, ter wille van hun vrienden en
vriendinnen, altijd op Sint Pietersdag; zie hierover Waling Dijkstra,
Uit Friesland's Volksleven I, bl. 168.

Te Gees (D.) trekt na 12 uur de geheele schooljeugd zingend door het
dorp en brengt een ovatie aan wie in 't afgeloopen jaar zijn getrouwd:


    Hier komen wij knechtjes en meisjes aan,
    Al om Sint Pieter den bal te slaan.
    Waren wij niet in de gilde gegaan,
    Dan hoefden we Sint Pieter den bal niet te slaan.
        Slaan, slaan, slaan,
        Het liedje, dat is gedaan.


Dan worden pepernoten en andere versnaperingen gestrooid en de
kinderen grabbelen; vgl. J. Bergsma, Driem. Bladen XII, bl. 117;
Heuvel, Volksgeloof en Volksleven, bl. 113.

_l Maart_ treden veelal de knechten en meiden in dienst. Zoo zegt
men te Esch (N.-B.):


    Op den eersten Mert
    Moeten de booien zijn op den herd,
    Anders zijn ze de kost niet werd.


Elders is de datum half Maart, weer elders de 1e Mei. De boer zelf
haalt de nieuwe meid of knecht op den _kistenwagen_ af. Bij het
verhuren ontvangen zij den gods- of goospenning, oorspronkelijk het
geld, dat men bij het aangaan van de huur den arme "om Godswille"
gaf; vergelijk hiermede den trouwpenning, waarover nader.

_Gregoriusdag_ (12 Maart) was voorheen in geheel Brabant, Vlaanderen
en Antwerpen het groote schoolfeest: prijsuitdeeling, Gregoorkes-mis,
en naderhand het _Gregoria-zingen,_ een rondgang van de jeugd langs
de huizen, zingend en bedelend om eieren en geld.

_Sint Geertrui_ (17 Maart). De dochter van Pepijn van Landen is een
zeer bekende volksheilige. Volgens de legende stuitte zij eens een
muizenplaag; feitelijk wordt zij door het volk als patrones tegen
de muizen aangeroepen, o.a. te Ternath, Appelterre, Wichelen en
Baasroode-Vlassenbroek rond Aalst en Dendermonde. Ook vindt men haar
vaak met een muis voorgesteld, o.a. in de Gertrudiskerk te Leuven en
in de Groote Kerk te Breda; de reden is wel deze, dat de H. Gertrudis
eenige trekken van de Germaansche doodsgodin heeft overgenomen; immers
in de volksvoorstelling neemt de ziel vaak de gedaante eener muis
aan. Zoo verklaart men ook het voormalig gebruik der _Sint Geerten
Minne_ of _Schaal van Nivelles_: want even als de Sint Jans Minne was
dit oorspronkelijk een herinneringsdronk aan de afgestorvenen gewijd;
zie mijne Essays en Studiën, bl. 226 vlg.--

Wij komen nu tot de eigenlijke periode van het Lentefeest (of
begin-Zomerfeest), dat zich tot na Pinksteren uitstrekt; en in
het midden der feestviering staat het symbool van den genius der
groeikracht, van het nu welig-uitbottende jonge leven: de Meiboom
in zijn verscheidenheid van vormen en eenheid van beteekenis. Op den
1sten Mei, met Pinksteren of op den avond van den 23sten Juni heeft
in Duitschland, Engeland, Frankrijk en in de Westslavische landen het
inhalen en planten van den meiboom plaats. In Nederland kwam hij in
't begin der vorige eeuw nog slechts sporadisch voor en thans is hij,
tenminste in zijn volstrekt-oorspronkelijken vorm, geheel verdwenen. De
eenige bekende afbeelding van den Nederlandschen meiboom komt voor bij
J. Cats, Spiegel van den Ouden en den Nievven Tijdt (Den Haag 1632).

De groote meiboom werd geplant midden op den markt of het
dorpsplein. Niet zelden was de stam tot aan de bladerkroon van takken
beroofd en afgeschild, terwijl alleen de top prijkte met vollen
bladerdos. Maar steeds was--en is dit nog, waar in het buitenland het
gebruik heerscht in zijn oorspronkelijken vorm--de mei met linten,
kransen en klatergoud gesierd, met koek en vruchten en vooral
met eieren--symbool der vruchtbaarheid--behangen. En dat wij hier
werkelijk te doen hebben met de verpersoonlijking der levenverwekkende
natuurkracht, kan blijken uit een Poolsch lied, dat te Lacza in
Opper-Silezië gezongen wordt, wanneer het volk, na eerst een stroopop
in het water te hebben geworpen, geld en eieren verzamelend met den
Mei het dorp binnenkomt (vgl. Mannhardt, Baumkultus, bl. 181):


    Wij droegen de pest uit het dorp,
    Wij brengen _de spruit_ (of zomer) in het dorp.
    Ons boompje is groen,
    Schoon opgesierd,
    Op ons Meiboompje
    Zijn geverfde eieren, enz.--


Eindelijk, de meiboom wordt doorgaans gekroond door een weèrhaan,
rechtstreeks afweervogel van booze invloeden, en daardoor
onrechtstreeks ook weer vruchtbaarheidssymbool.

Deze meiboom is het oortype van den _oogstmei_, die de laatste voer
hooi siert, wanneer de oogst wordt binnengehaald; van den _richtmei,_
die op het dak gezet wordt, als men "gericht" d.i. het huis onder de
kap gebracht heeft,--in het Noorden van ons land is dit dichterlijk
en sprekend gebruik verdwenen en kent men slechts een versiering
met de vlag; van den _liefdemei_ vóor het huis of op het dak van de
aangebedene, waarover nader; van den _bruidsmei_, den levensboom,
op den bruidswagen gestoken, of vóor het huis van het jonge paar
geplant; van den _schutsmei_: jonge berken- of dennenboompjes, door de
dorpsjeugd op den 1sten Mei uit het bosch gehaald en vóor de huisdeur,
den veestal, of op den nok geplant, dat zij het huis mogen beschermen,
het vee vruchtbaar maken en alle kwade invloeden verdrijven,--hiermee
gaat vaak een inzameling van eieren, brood, spek en geld gepaard;
eindelijk van den _palmpaasch_, zooals door Mannhardt, Baumkultus,
bl. 246 wordt betoogd. Op deze verwantschap vestigde ik reeds voor
een vijftiental jaren de aandacht door deze regelen: "De palmpaasch
is in laatste analyse slechts een rudimentaire meiboom, zoo men
wil een christelijke loot van den heidenschen stam, een schamele
rest, evenals het Sint Maartens-kaarsje in de binnenkamer niets
dan een zwakke weerschijn is van het Sint Maartens-vuur daarbuiten"
(Volkskunde XIII, bl. 108). Hij vindt zijn plaats op

_Palmzondag_, reeds in de IVde eeuw door de Kerk gevierd ter
gedachtenis van Jezus' intocht te Jeruzalem. Van deze feestviering
bezitten wij eene nauwgezette beschrijving in een voor de liturgie
hoogst belangrijk reisverhaal eener non uit Provence (Arles?), die in
de IVe eeuw een reis naar het H. Land ondernam en in haar nagelaten
aanteekeningen de hoogoude ceremoniën der Kerk te Jeruzalem beschrijft:
de _Peregrinatio Aetheriae_: "Tegen vijf uur in den namiddag wordt de
plaats uit het evangelie gelezen, waar de kinderen met olijftwijgen of
palmtakken den Heer tegemoet gaan, roepende: Gezegend, Die komt in den
naam des Heeren. Dan staat de bisschop en het heele volk onverwijld
op en trekken van den top van den Olijfberg te voet naar beneden:
heel het volk gaat hem voor onder het gezang van hymnen en antifonen,
waarop telkens geantwoord wordt met de woorden: Gezegend, Die komt in
den naam des Heeren. Alle kinderen uit deze plaatsen, zelfs zij, die
te klein zijn om te kunnen loopen en gedragen moeten worden, hebben,
hetzij palmtakken, hetzij olijftwijgen in de hand; en zoo begeleidt
men den bisschop naar de wijze, waarop toen Christus begeleid werd"
(c. XXXI, 2, 3).

Wij hebben hier dus een plechtige processie met palmtwijgen op
Palmzondag; vanaf de VIIe eeuw werd deze ook in de Westersche Kerk
gehouden. De palmzegening is iets jonger en dagteekent waarschijnlijk
uit de VIIIe of IXe eeuw. In de Middeleeuwen nam deze omgang in
vertoon en luister toe; hij kreeg een geheel dramatisch karakter,
overeenkomstig de liturgisch-didaktische praktijken van dien
tijd. De persoon, die Christus uitbeeldde, reed op een ezel. Maar
somwijlen stelde men zich met een houten Christusbeeld tevreden,
gezeten op een houten ezel. Deze werd gedragen of getrokken. Vandaar,
dat Palmzondag door de Vlamingen vroeger wel eens het "Ezelsfeest"
werd genoemd. Te Utrecht trok deze stoet van de Domkerk naar de vlak
bijgelegen Pieterskerk. Te Amsterdam had hij aanvankelijk alleen aan
de Oude Zijde plaats, d.i. uit Jeruzalem (een kapel naast de St.-Olofs-
of Oudezijdskapel) naar de Oude Kerk; doch sedert 1498 kreeg de Nieuwe
Zijde om 't andere jaar ook haar beurt. De houten ezel wordt op enkele
plaatsen in het buitenland thans nog rondgevoerd.

Nu weten wij, dat voorheen de palmboomen of -boompjes, in deze
processie rondgedragen, niet zelden met koekjes, vruchten en andere
versnaperingen waren behangen. Dit is ons niet alleen bekend uit
een bericht over de Moskousche palmprocessie in de XVIIe eeuw; maar
de Calendrier belge I, bl. 212 weet te verhalen, hoe te Thienen
de kinderen gedurende den stoet den palmtak poogden te plunderen,
dien het Christusbeeld droeg: immers hij hing vol vijgen, druiven en
wafeltjes. De verklaring is deze, dat hier wederom een synkretisme,
een vermenging van heterogene bestanddeelen, van twee verschillende
gebruiken heeft plaats gehad: palmprocessie en meiboom, christendom
en (onbewuste) natuurreligie. Want de Palmzondag viel samen met den
aanvang van het lentefeest, en zoo drong de langzamerhand verkleinde,
maar steeds met rijke gaven behangen meiboom de palmprocessie
binnen. Op den duur werd hij nog kleiner, zoodat ieder kind een
exemplaar erlangde. Als gever dezer goede gaven trad nu de Zaligmaker
op, of liever de Zaligmaker met behulp der Engeltjes (b.v. te 's
Hertogenbosch, Roermond, Venloo enz.). Deze organiseeren des nachts een
soort van Wilde Jacht door de lucht, als Sinterklaas en Sintermaarten,
en "rijden" den overvloed van goede gaven op den palmpaasch, te Venloo
voor de grooteren op een bord. Maar behalve de "rijdende" engeltjes
heeft het Christendom _de palmen_ aan den palmpaasch afgestaan.--In
België vindt men geen spoor van den palmpaasch; de kinderbedeeling
heeft daar, zooals reeds vermeld, door den Greef op Halfvasten
plaats. Kerkelijk verband tusschen palmpaasch en liturgie bestaat
b.v. nog te Venloo, in zoover daar de kinderen met het _palmhoutje_
ter kerk tijgen en zich onder de geloovigen opstellen, die palmtakjes
en palmbundels (_buxus sempervirens_) laten zegenen. Ook te Basel laat
ieder knaap zijn palmboompje ter kerke zegenen; dit bestaat uit een
rijk met linten en appelen versierd dennenboompje, welks kruin met
een schat van steekpalmen--liefst met roode bessen--prijkt. En dat
de palm en de wijding niet tot het wezen van den verkleinden meiboom
behooren, blijkt o.a. uit het feit, dat zonder de minste religieuze
betrekking te Stockholm, volgens getuigenis van Mannhardt, telken
jare den 22sten juni een formeele markt "mit Laubzweigen und _kleinen
Maistangen für Kinder_" gehouden wordt, voor welke de heele omtrek
de handelsartikelen levert (Baumkultus, bl. 152). Een herinnering
aan de palmprocessie is wellicht ook het _Hei, koerei_ of _Eikoerei_
van het meest gebruikelijke palmpaaschrijmpje; dit is waarschijnlijk
de verbastering van _Kyrie eleison_: "Heer ontferm U onzer" uit het
litaniegebed. Bedoeld rijmpje, gebruikelijk bij het rondtrekken met
den palmpaasch, luidt:


    Palm, palmpaschen!
    Hei, koerei!
    Over eenen Zondag,
    Dan krijgen wij een ei.
    Eén ei is geen ei,
    Twee ei is een half ei,
    Drie ei is een paaschei!


Of ook:


    Palm palmpaschen!
    De koetjes die gaan grazen,
    De schaapjes in de wei,
    Als het Paasch is krijgen wij een ei!


Te Dwingeloo en Ruinerwold luidt het:


    Haentien op 'n stokkien,
    Biet moar van mien brokkien,
    Biet moar van mien stukkien brood,
    Morgen is mien haentien dood.


Vrij schaars komt de palmpaasch voor in Zeeland, Groningen, Friesland,
Zuid-Holland, Noord-Brabant en Limburg. Het ware palmpaaschgebied
is Gelderland, Drente en Overijssel. Behalve _palmpaasch_ en
_palmpaschen_, vindt men de benamingen _palmstok, palmpaascheistok,
palmpaaschtak, palmpaaschstok, palmtak, pikhaan, weitenhennetje,
zwaantje, palmhoutje, palmebessem, krakeling, haantje, haantjepik,
eendje, kukelehaantje_ enz. Dr. C. V. D. Graft onderscheidt twee
hoofdtypen: 1e De lange stok, die allerlei lekkernijen doorboort,
het Friesche type; en 2e De vlechtvormige hoofdkrans, gewoonlijk
"krakeling", maar ook wel "rad" of "wiel" genoemd: het Saksische
type. Wat hiervan zij,--indien het waar is, dat men de palmpaasch als
een kleinen meiboom dient te beschouwen, dan moet zij ook, althans
oorspronkelijk, de drie hoofdbestanddeelen van den meiboom vertoond
hebben, te weten: _stam_ (stok), _krans_ en _haan_. De krans is
nagebootst in koekdeeg--ten onrechte spreekt Höfler van "haaroffer
in deegvorm",--terwijl de haan, in zijn nagebootsten vorm onkenbaar
geworden, vaak door andere vogels vervangen is. De roode haan stelt den
bliksem voor, in zoover deze de onweerswolken splijt en den dampkring
zuivert. Het heldere weêr roept hij andermaal te voorschijn. Zijn
gekraai verdrijft immers ook, zooals gezegd (bl. 96), het nachtelijk
duister, bij het eerste hanengekraai is de hellemacht gebroken. Daarom
troont ook een haan op den nok van vele Westfaalsche huizen en doet
daar, ter bescherming tegen onweêr en andere rampen, denzelfden dienst,
dien een paardenkop elders in Duitschland verricht; want ook het paard,
als stormdier, weert onheil af.-- Aldus verklaart men de gewoonte, den
top van sommige boomen in haanvorm te knippen; zoo verklaart men ook
het haantje op den toren, naderhand met de verloochening van Petrus
in verband gebracht, of ook uitgelegd als symbool der waakzaamheid
en der verrijzenis. Maar haan en paard waren Saksische stamdieren,
terwijl in Friesche (en Vlaamsche) streken de zwaan als zoodanig de
gevelversiering vormt. Het is dus zeer waarschijnlijk, dat de zwaan,
als Friesch stamdier, op Frieschen bodem den haan op de Palmpaasch
verdrongen heeft. Een Frankisch palmpaasch-type bestaat niet.

Op het eiland Schouwen (Zierikzee enz.) kent men zoogenaamde
_aeremstokjes_, d.i. ruitertjes te paard van brooddeeg, die op een
stokje door de kinderen worden rondgedragen, óok op Palmzondag,
en dan zijn er palmtakjes in gestoken. Daarbij wordt gezongen:


    Aerem stokje
    Turf in je rokje,
    Turf in je staart,
    Aerem stokje is geen oortje meer waard.


Een lentegebruik, ten deele christelijk gekleurd, leeft ten slotte
nog in het steken van gewijde en niet-gewijde palmtakjes achter de
daksparren, in de schuur, in het woonvertrek, in den akker enz., en
dat gebruik is over geheel Nederland en België verspreid. In België,
Noord-Brabant en Limburg steekt men een palmtakje op de vier hoeken
van den akker ter bevordering der vruchtbaarheid, veelal onder het
lezen van 't Sint Jans evangelie.

Zie Mannhardt, Baumkultus, bl. 160 vlg., 246 vlg.; vooral ook
Volkskunde XII, bl. 229, waar Dr. A. Beets een oproep richtte tot
de lezers, om nadere berichten over de palmpaasch te ontvangen. Aan
dezen oproep werd vlijtig gehoor verleend; Beets gaf ook den stoot tot
de palmpaaschtentoonstelling te Utrecht in 1906. Verder: Volkskunde
XIII, bl. 52, 81, 104; XIV, bl. 117, 221; XVII, bl. 1; XVIII, bl. 40;
XX, bl. 157, 205; Driem. Bladen II, bl. 95; VI, bl. 40; De Cock,
Volkskunde, bl. 241; V. D. Graft, Palmpaasch; Ter Gouw, Volksvermaken,
bl. 202.

Over _Kalfdag_, den dag na Palmzondag, werd reeds bl. 127 een woord
gezegd. Het wijst stellig op een lentegebruik, wanneer te Brugge en
elders de leerling, die dien dag het laatst in school of thuis kwam,
geplaagd en uitgelachen werd; hij werd "kalf" genoemd. Men vergelijke
verder de gebruiken op den 1sten Meidag.--

Met dezen dag is de _Goede Week_ begonnen, ook wel de _Heilige-,
Pilatus-, Judas-, Duivelsweek_, in protestantsche streken de _Stille
Week_ genoemd. Het weêr is in deze week meestal slecht, meent het volk.

_Witte of Groene Donderdag_ dankt zijn naam waarschijnlijk aan de
witte misgewaden, die de priester dien dag aanlegt. In de omstreken
van Weert en Thorn (L.) eet men dien dag soep van twaalfderlei
groenten. Men noemt ze _discipelen_- of _apostelensoep_. Hij, die
het eerst den lepel in den schotel steekt, wordt Judas genoemd. In
Vlaanderen at men dien dag _weitene weggen_ of wittebrood met _mede_;
dit heette _soppen_, vanwaar _Soppendonderdag_.

Als bijzondere eigenaardigheid dient nog vermeld het
_apostelbrokken-rapen_ te Rupelmonde, vlak onder de vensters van
't stadhuis; zie Volkskunde XX, bl. 163.

Na de Gloria zwijgt in de kerken klok, orgel en bel. Dan gaan de
klokken naar Rome, zeggen de kinderen, om door den paus te worden
gezegend.


    Op Witte Donderdag
    Gaan de klokken naar Roomen,
    Al over hagen en boomen,
    En Paaschavond komen ze thuis.


Aldus een Vlaamsch rijmpje; de Westvlaamsche speldenwerksters tellen:


    Den Donderdag is 't soppedoppe,
    Den Vrijdag zoo kruipt men,
    Den Zaterdag klopt men de Vasten uit.


Dit "kruipt men" heeft betrekking op de kruisvereeniging van

_Goeden Vrijdag_. Dan rust het werk, met name de timmerlieden
en smeden staken den arbeid, ter gedachtenis aan de kruisiging
des Heeren. De visschers steken niet in zee, want de vischvangst
zou niet slagen. Eigenaardige kracht wordt dien dag aan bloemen en
gewassen toegekend, die eenigermate den kerstnacht in herinnering
roept: fruitboomen, dan begoten, schenken veel ooft; wie violier
zaait, zal dubbele bloemen hebben. Eieren, op Goeden Vrijdag gelegd,
beschermen tegen den bliksem en, in het zaadkoren gemengd, zijn ze
een voorbehoedmiddel tegen het "zwart."

_Goeden_ of _Stillen Zaterdag_ keeren vóor de Gloria de klokken uit
Rome terug en brengen de paascheieren mee. De kinderen worden naar
buiten gestuurd, om de voorschooten op te houden en de eieren, die
wel eens uit de lucht vallen, op te vangen.

_Paaschdag_ worden de eieren achter struiken of allerlei voorwerpen
verborgen, en de kinderen gaan ze zoeken. De klokken hebben ze
meegebracht, of de paaschvogel of de paaschhaas (deze is eigenlijk
meer een oostelijk import). Het is een blijde dag voor de kinderen,
maar evenzeer voor de volwassenen, die zich steken in hun "paaschbest"
pak. Ook de natuur werkt mee: immers, op Paaschdag "danst het zonneke
van blijdschap." Wat wonder, dat aan het water dien dag een bijzondere
geneeskracht wordt toegeschreven, waar reeds in overoude tijden het
water, op heilige tijden geput, het _heilawâc_, voor zoo bijzonder
geneeskrachtig gold?


    Om middernacht is alle water wijn,
    Als onze Heer Jezus zal verrezen zijn,


luidt het te Erembodegem. Water, op paaschmorgen _zwijgend_ geput,
kan niet bederven. Koud water, op dezen dag gedronken, sterkt de
gezondheid.

Het gebruik der paascheieren was vroeger algemeen en is thans nog in
het Zuiden van Groot-Nederland overheerschend. Ook in Friesland bestaat
plaatselijk thans nog het maal op Paaschdag zoo goed als uitsluitend
uit een schotel gekookte eieren. Veelal worden de eieren gekleurd,
geel, oranje, rood, paars enz. Verder placht men vroeger in Limburg
sommige eieren te laten zegenen, om ze dan na de hoogmis ten geschenke
te geven. Nog heden bestaat de gewoonte van het eieren _tikken_
of _kippen_ in de gezinnen, plaatselijk ook in 't openbaar, b.v. te
Venloo op de markt. Eertijds gebeurde dit te Arnhem op de Praast,
te Wageningen en Nunspeet op den Paaschberg, te Tiel op de Hooge
Weide, te Deventer op de Worp, te Zwolle op en bij den Spoolderberg,
te Lochem op den Paaschberg, te Winterswijk op de Weme, te Ootmarsum op
den Paaschkamp, te Dwingeloo op het Dwingelerzand, --maar meestal toch
op Paaschmaandag. Te Nes op Ameland gaan op Paaschdinsdag de kinderen
naar de Paaschduin eiersmijten of eierrollen. De eieren worden tot dit
doel hard gekookt in koffie, in water met uienschillen, of in andere
kleurstoffen. Het spel bestaat hoofdzakelijk in het laten afrollen
van hardgekookte eieren langs de hellingen der duinen; breekt er een,
dit wordt terstond opgegeten. Op Walcheren was eertijds het _eiergaren_
een geliefkoosdspel; ook den _eierdans_ kende men.

Wat het eieren-kippen betreft, hierbij wint hij het, die het sterkste
ei heeft; houdt elk der partijen bij het kippen éen kant--spits of
bot--onbeschadigd, dan blijft het pleit onbeslist. Bij het kippen
behoort eigenlijk het rijmpje:


    1. Eén ei is geen ei
    2. Twee ei is een half ei
    3. Drie ei is een paaschei.


Dit rijmpje wordt zoo goed als over het geheele land gezongen met
tallooze varianten, waarvan wel de voornaamste zijn:

Borkeloo, Almen enz.:


    2. Twee ei paaschei.


Venloo:


    3. Drie ei is een ei
    4. Vier ei is een paaschei.


In vele streken heerscht nog het gebruik--in België, Limburg en
Noord-Brabant op de dorpen zoo goed als algemeen--eieren in te zamelen
voor pastoor en koster, vroeger ook voor den onderwijzer. Plaatselijk,
b.v. te Simpelveld (L.), doen dit de misdienaars; maar veelal heeft de
inzameling reeds op Witten Donderdag of op Goeden Zaterdag plaats. Te
Welle gaat nog telken jare de klokluider-doodgraver om eieren rond. Op
het klokkenluiden ten teeken van dezen rondgang wijst het lied:


    Bimbambeieren,
    De koster lust geen eieren,
    Wat lust hij dan?
    Spek in de pan,
    Met een roggen boterham.


Ook gaan de kinderen wel voor hen zelf om eieren rond, en zingen dan:

Antwerpen:


    Vrouw, vrouw geeft ons een ei,
    Die de zwarte hinne lei!
    Zijn ze zwart of zijn ze rood,
    Daarom leggen zij te nood; enz.


Haaren (N.-B.):


    Vrouwke, vrouwke, doe uw best,
    Haal de eikes uit het nest
    Van die witte hennen,
    God zal ze kennen.
    Een ei is geen ei,
    De tweede is een half ei,
    De driede is een paaschei.
    Van die wit en van die zwart,
    Geef van elk henneke wat.


Het paaschei is het zinnebeeld van het jeugdig-ontkiemende leven, het
symbool van de vruchtbaarheid, zooals uit de vergelijking met andere
volksgebruiken, zoo b.v. het ei aan den Meiboom en de Laatste Schoof
duidelijk blijkt. Daarom vindt men het ei ook wel in graven; zoo werden
b.v. in 1892 geverfde eieren gevonden bij Worms in een steenen graf,
dat een meisjesskelet en munten uit 320 v. Chr. bevatte. Maar het
ei heeft christelijke beteekenis erlangd en werd beschouwd als het
symbool der Verrijzenis, vanwaar het zegenen van eieren, dat reeds
voor de IVe eeuw bewijsbaar is. Hierbij komt de groote ekonomische
beteekenis der eieren als voedingsmiddel voor een eenvoudig gezin
voor dezen tijd van het jaar, waarop het inzamelen van eieren, dat
vroeger zeer zeker meer algemeen was, schijnt te wijzen.

Te vermelden vallen nog de paaschvuren, waarbij de teerton plaatselijk
onmisbaar schijnt: lentevuren, die vruchtbaarheid brengen over de
velden en stallen, en die vreugdevuren werden of ook zuiveringsvuren
in christelijken zin, want het volk spreekt dichterlijk van het
"doornenkroon verbranden". Van Geldersche, Limburgsche en Brabantsche
dorpen, waar men paaschvuren brandt, noem ik b.v. Reek, Beers, Velp,
Ewijk, Afferden. Ook in het Zutfensche, op de Veluwe, in Overijssel
en Drente zijn de overoude paaschvuren nog in eere, Te Dwftigeloo
wordt bij het ophalen der brandstof gezongen:


    Heb ie ook 'en olde mande,
    Die wie tot Paeschen brande?
    Heb ie ook 'en bossien riet?
    Oare hebben wie veur 't paaschvuur niet.


Te Gorssel zingt men bij het paaschvuur dit rijmpje:


    Hei in de Mei,
    En de muts op zij!
    Van linksum
    Van rechtsum,
    En keer oe weer um.


Op Texel:


    Hooi, heb-je geen strooi,
    Heb-je geen oude manden?
    Die zullen in de meierblits branden,
    Hekken en stekken, joten en palen,
    Als je niet komt, dan zullen we je halen.
    Boer, wil-je het laten staan,
    Hekken en stekken an enden slaan.


Laat ik nog met name de plaatsen Lochem, Barchem, Zwiep en Vorden
vermelden. Ook te Nes op Ameland, bij de katholieke kerk, wordt het
paaschvuur gebrand. Van het Vordensche geeft Prof. Gallée ons in de
Driem. Bladen I, bl. 24 ongeveer de volgende beschrijving. In een
weide was een groote stapel takkeboomen gevlijd op dikke blokken,
met een paal in het midden. Boven op den paal was een rad, met een
palmpaasch. De takkebossen werden aangestoken met een brandend stuk
hout, dat uit den haard was gehaald. Als de stapel brandde, werd
een groote rondedans hand aan hand om het vuur gehouden, drie maal
rechtsom en driemaal linksom. Hierbij werden liederen gezongen als:


    Hei Koerei, hei Koerei,
    Eén ei is geen ei,
    Twee ei is 'n halfei,
    Drie ei is 'n paaschei.


Dan:


    Lange, lange riêge,
    Twintig is en stiège,
    Dartig is en rozenkrans,
    Veertig is de poppendans; enz.


Na den reidans kreeg ieder een brandend stuk hout in de hand en
al zingend liep men met het hout in de rechterhand, die naar het
vuur gekeerd was, en daarna omgekeerd in de linkerhand, om het vuur
heen. Daarna werden de stukken hout op den hoop geworpen. Was alles
verbrand, dan kreeg ieder, die maar wilde, een stuk verkoold hout. Dit
is natuurlijk onheilwerend en vruchtbaarheidverleenend.

Wij hebben hier het lentevuur in een zeer oorspronkelijken vorm;
vooral de rondedans om het vuur, waarbij eigenlijk nog behoort een
reinigend _springen_ over het vuur, vgl. bl. 105. Het brandend _rad_,
dat elders bij de lentevuren een zoo voorname rol speelt, zou men
met Mogk als een zonnesymbool kunnen beschouwen; het _Hei Koerei_
of _Eikoerei_ herinnert, zooals gezegd (bl. 176), aan de verbinding
van volksgebruik en eeredienst. Dit wordt bevestigd door een oud
Amsterdamsch paaschavonddeuntje:


    De dommele metten [donkere metten]
    De Vaste is uyt!
        Kyrie eleison!
    Te Paschen zullen wij eieren eten,
    Soo is de Vaste al vergeten.
        Kyrie eleison!


Met deze paaschvuren hangen als herinneringen aan overoude
offermaaltijden samen de _paaschbrooden, paaschmikken_ (Den Bosch),
_paaschlammetjes_ enz. In België is het paaschbrood meestal in onbruik
geraakt, terwijl dit in het Noorden van ons volksgebied juist tot de
schaarsche overblijfsels der voormalige feestviering behoort. Groote
verscheidenheid van paaschkoeken kent men te Roesselare:


    't Zit 'nen Allelujakoeke in den oven!
    Elk 'ne zalige Paaschen!


Er rest mij, de aandacht te vestigen op de eigenaardige wijze, waarop
het paaschfeest te Ootmarsum (O.) wordt gevierd. Op Paaschzondag komen
vroeg in den morgen eenige mannen en jongens op de markt bijeen en
heffen daar het oude paaschlied aan, waarvan de eerste strofe luidt:


    Christus is opgestanden
    Al van de Joden hun handen,
    Dus willen we allen vroolijk zijn,
    Christus zal onze verlosser zijn. Halleluja.


Over dit lied meer bij Dr. J. G. R. Acquoy in het Archief van
Nederl. Kerkgeschiedenis I, bl. i vlg., en Dr. C. V. D. Graft in
Volkskunde XXII, bl. 45 vlg. Ook elders in Overijssel wordt dit
lied nog gezongen en wel bij het paaschvuur. Zingend trekken de
Ootmarsummers de straten door, keeren op het marktplein terug en gaan
ter kerke. In den namiddag wordt dit gezang herhaald en besloten door
den middagdienst. Tegen vier uur wordt nogmaals gezongen bij het
paaschvuur. Dan trekt men naar de stad terug; bij den ingang geven
mannen, vrouwen, jongens, meisjes, kinderen elkaar de hand, en nu
gaat het in lange rijen zingend over de straten en door de huizen, tot
eindelijk op de markt de slotplechtigheid plaats heeft. Dit gebruik,
dat _vlöggelen_ (vleugelen) heet, wordt op Paaschmaandag herhaald. Het
pleit weer voor den samenhang van liturgie en volksgebruiken en
herinnert aan den Middeleeuwschen dramatischen kerkdienst en de
paaschprocessie, of althans aan den vasten processiegang omstreeks
den paaschtijd.

Zie nog De Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust VII, bl. 78;
De Cock, Spreekwoorden en Zegswijzen afkomstig van oude gebruiken
en volkszeden, bl. 131; J. F. Willems, in het Belgisch Museum
1843, VII; Pol de Mont, in het Nederl. Museum 1888, I, bl. 181;
Loquela 1886, bl. 25; Noordbrabantsche Volksalm. 1843, bl. 55;
Ter Gouw, Volksvermaken, bl. 205. J. H. Maronier, Het Paaschfeest
(Arnhem 1894), _passim_; J. Lippert, Christenthum, Volksglaube und
Volksbrauch, bl. 602; R. Andree, Braunschweiger Volkskunde, bl. 337,
340; Driem. Bladen XIII, bl. 43; Waling Dijkstra, Uit Friesland's
Volksleven I, bl. 173.

_Paaschmaandag_. Behalve de reeds besproken viering op de verschillende
plaatsen, herinner ik aan de _begankenis_ van Hakendover, door Frans
van Leemputte op doek gebracht. De processie wordt door honderden
ruiters vergezeld, die, evenals de nieuwsgierigen, dwars door de velden
draven op hunne met groen en bloemen versierde paarden en de vruchten
vertrappen, zonder eenig verzet vanwege den eigenaar. Integendeel,
want deze ommegang schenkt hem akkerzegen. Deze processie is een
overleefsel van den lente-intocht.--n Drente heeft bij het paaschvuur
en het fakkelen der jeugd het eiertikken plaats; maar meer bekend nog
is het notenschieten; zie H. Tiesing, Vragen van den Dag XXII, bl. 865.

Op _Beloken Paschen_ (_Dominica in albis, sc. depositis_) worden de
laatste paascheieren gegeten, maar strikt genomen geen gekleurde. De
volksetymologie maakt van deze benaming in Limburg plaatselijk
_Broake-Poaschen._

_Natte Paschen_, Tweede Zondag na Paschen, worden de nieuwe knechten
en meiden, die dien dag na de Vespers in dienst treden, te Ziewent en
andere plaatsen van den Achterhoek door de huisgenooten en vooral door
de reeds in dienst zijnde knechts en meiden nat gemaakt, totdat zij bij
den haard zijn genaderd en het haal hebben vastgegrepen. Waarschijnlijk
is dit geen _Regenzauber_--een sympathetisch vruchtbaarheidsgebruik,
vergel. bl. 152--maar slechts een overgangsgebruik; zie Paul Sartori,
Sitte und Brauch II (Leipzig 1911), bl. 92, 61.

_l April_.


    Op den eersten April
    Stuurt men de gekken waar men wil


luidt een bekend rijmpje en, evenals in onze landen, pleegt men dien
dag in Engeland (_all fools day_), Duitschland, Denemarken, Frankrijk
(_poissons d'avril_) enz. elkaar beet te nemen door het verzinnen
eener looze of onmogelijke boodschap. Uit deze algemeenheid blijkt,
dat het niet aangaat, de Aprilgrappen met een historisch feit in
verband te brengen. De Vlaamsche benaming is _verzendekensdag_.

Ik sprak bl. 128 reeds over de overeenkomst tusschen Verzendekensdag
en St. Thomasdag. Neemt men over het algemeen aan, dat de
gekken (_stulti_) de _langslapers_ en _telaatkomers_ zijn, dan
wordt het begrijpelijk, waarom men juist in den aanvang van het
lentefeest--evenals op de laatste dagen van het jaar--met de sukkelaars
in het algemeen zijn spel drijft. Het is dan een opeenhooping van
grappen en aardigheden, die anders slechts bij vaste gelegenheden
plaats hebben. B.v. bij het slachten stuurt men om een worstpatroon,
een penshaak, een bloedboor (te Gieten, Tinaarloo, Westervelde);
bij het hooien om een _heuischarm_ (Assen); bij het stoelmatten
om de stoelschaar. Zoo kent men ook een balkenschaar, hooischaar,
plafondschaar (België) enz.; zie vooral De Cock, Spreekwoorden en
Zegswijzen afkomstig van oude gebruiken en zeden, bl. 176; verder
Driem. Bladen XI, bl. 6. Op 1 April stuurt men om muggenvet, Aprilzaad
enz. Ter vergelijking diene nog, dat men op den laatsten dag van het
jaar kinderen en sukkelaars naar de markt stuurt, om den man te gaan
zien, die zooveel neuzen heeft, als er (nog) dagen in 't jaar zijn.

_Meidag_. De eerste Mei geldt als de heerlijkste dag van het
lentetijdperk, als het begin van den voorzomer. Bl. 172 sprak ik reeds
van den meiboom. Het was oorspronkelijk een groote, levende boom en
het planten droeg een officieel, gemeenschappelijk karakter. Maar op
den duur trad de overheid tegen dit gebruik op, en zóo ontstond de
boom, dien wij nog sporadisch aantreffen: een hooge staak met schamele
versiering van loovertjes, linten en klatergoud. Wellicht is het nog
een overblijfsel van de gewoonte, den meiboom uit het bosch te halen,
dat men in den Achterhoek, en ook te Ede, Bennekom enz., bij het
omhakken van akkermaalshout telkens éen recht stammetje laat staan;
zie Driem. Bladen VI, bl. 32, 44.

Daarentegen is het aloude meiboomplanten nog vrij goed bewaard
gebleven in enkele Limburgsche dorpen: Valkenburg, Berg en Terblijt
(hier althans nog voor enkele jaren), Afferden, Kerkrade: "Daar
wordt de Mei-den nog geplant, dien de jeugd voor dit doel, met of
zonder toestemming van den eigenaar, in het bosch heeft geveld. De
mooiste, hoogste boom wordt gekozen; en opgesierd met bonte papieren
en slingers rijdt men hem rond het dorp": Volkskunde, XXIII, bl. 122;
zie nog vooral De Cock's Spreekwoorden en Zegswijzen afkomstig van
oude gebruiken en zeden, bl. 181 vlg.

Intusschen speelt het meer bescheiden, spichtiger meiboompje en
eveneens de kleine, sobere meitak en meidoorn nog een voorname rol
overal, waar natuurpoëzie en gevoel voor natuurschoon nog niet door
banale alledaagschheid werd gedoofd. Den eersten dag van Wonne-
of Bloeimaand siert men plaatselijk nog de huizen met meitakken
of _meien_. Dan tijgt het Venloosche volk, onder de schetterende
tonen der "Fanfare", naar het kapelletje Genooi en tooit zich bij
het terugkeeren met groenende twijgen. "Straks keeren de muzikanten
opgetogen huiswaarts"; schrijft Dr. Knippenberg, "de hoeden omkranst
met het jonge loof van den heerlijken Mei" (Limburg's Jaarboek XVIII,
bl. 160). Maar vooral ook plant men in het zuidelijk volksgebied
den _liefdemei_ voor de deur of steekt hem op het dak. Dit gebruik
moet zeer oud zijn, hetgeen o.a. hieruit blijkt, dat de uitdrukking
"den coelen mey planten" ten minste reeds in de XVe eeuw voorkomt in
eene overdrachtelijke beteekenis, die voor de hand ligt; zie G. Kalff,
Het lied in de Middeleeuwen (Leiden 1883), bl. 302.

Het verbreidingsgebied van het meitaksteken is zeer groot; vertrouwbare
berichten gewerden mij hieromtrent o.a. uit Sittard, Buggenum, Heeze,
Soerendonk, Valkenburg, Berg en Terblijt, Hooge Mierse, Reusel, Mierde,
Hunsel, Waalre, Velthoven enz. Men steekt doorgaans meitakken op het
huis der geliefde; maar ook worden de huwbare meisjes over het algemeen
bedacht, en de takken spreken een voor ieder verstaanbare taal. Fijne
mast duidt goedheid aan; dennentak (steeds groen): gestadige liefde;
berkentak: goed en schoon. Deze takken spreken echter niet alleen lof,
maar ook blaam; zoo b.v. kersentak (waaraan ieder plukt): veranderlijk;
hagedoorn: stekelig, een katje, niet zonder handschoen aan te vatten;
rusch (bieschbosje): houdt het met elken vrijer.--De meisjes staan op
den 1sten Mei vroeg op, benieuwd, welke meitak haar deel zal zijn. Den
fijnen mast laten zij zoo lang mogelijk staan prijken.

Op Ameland maakten vroeger de kinderen op den eersten Mei een kroon in
den vorm van een hoepel of ring, geheel omvlochten met madeliefjes, die
op het eiland meibloempjes (elders meizoentjes) worden genoemd. Met
meitakken in de hand, gaan thans nog in Vlaanderen de kinderen
op den vooravond van deur tot deur en vereeren hem met een twijg,
die eieren of versnaperingen schenkt. In het Gentsche noemt men dit
"den Mei gaan zingen"; want meiliedjes zingend, trekken de kleinen
rond. Te Hansbeke heeft het meilied dezen verkorten vorm:


    Mei, Mei,
    Ik plante mijne mei,
    En 'k krake mijn ei,
    En de dorre [dooier] viel uit mijn schale;
    Bazinneke, wilde mij een eitje geven,
    'k En zal uw dochterken niet halen!


In Oost-Vlaanderen, op de Nederlandsche grens, luidt een verrukkelijk
meiliedje aldus:


    De koude winter is nu verdwenen,
    Den zoeten zomer die komt er al aan;
    Dan ziet gij al de bottekens en boomen
        Te bloeien staan.

    Onze lieve Vrouw, die weerdige bruid,
    Zij liet haar vallen al op het kruid,
    Alle de bloemekens, die sproten daar uit:
        De dobbele pioene,
        Die staat er al zoo groene!
    Ai! wie heeft er de mei van doene?
        De vischkens in het watere,
        De vogelkens in de wei,
    Al die zingen te zamen de groene mei.


Van de Noordnederlandsche meiliedjes is stellig het meest bekende en
meest verspreide, hetgeen wij thans nog slechts als parodie hebben
behouden:


    Daar ging een patertje langs den kant,


met het refrein:


    Hei 't was in de Mei, Mei, Mei,
    Hei 't was in de Mei.


Een ander meiliedje heeft betrekking op het snijden van fluitjes uit
wilgenhout, dat den eersten meidag begint. In Gelderland, Overijssel
en Drente--ik noem hier b.v. Geesteren, Ootmarsum, Ochten, Avereest,
Koekange, Elspeet, Oldemarkt, Druten--snijden de jongens een wilgentak
af, maken dien nat, en kloppen dan met het hecht van het mes zacht
in de rondte, waardoor de bast loslaat. Het kloppen geschiedt op maat
van liedjes als dit:


    Sap, sap, siêpe
    Wanneer zinst doe riêpe?
    In Mei, in Mei
    As alle veugelkens 'en eiken legt.
    Woar legt ze dan?
    In 't spinvat, doar kan ze nummes nich vinden
    As doe dan nich of wis
    Dan za'k diê met 't mesken den hals afsniêën


Aldus te Geesteren; en te Barneveld:


    Sieppe, sappe, sieppe,
    Wanneer zuj-je pieppe?
    Te Mei, te Mei,
    Dan leggen alle voegeltjes een ei,
    Behalve de kwartel en de griet,
    Die leggen in de meimaand niet.
    Heel of, hallef of,
    Sniêt ten boer de kop mer of.


Met de bedreiging in den laatsten regel der beide rijmpjes vergelijke
men den aanvang van het fluitjesliedje, dat de jongens in Holstein
en Karinthië zingen. Het fluitjessnijden draagt den naam van _maien_:


    Pfeifel, Pfeifel, ich mai' dich,
    Oder ich zerschneide dich.


Vele rijmpjes gewagen ook van "de booze hesse (hekse)", die met een
scherp mes het katje den kop afsnijdt. Eenigszins afwijkend luidt
een meifluitjes-deuntje te Horst (L.):


    Rieke, tieke, taken,
    Ik wil een fluitje maken,
    Van wilgen of van esschen,
    Welke zijn de beste?
    Heel af, half af,
    Snijdt de koe den staart af,
    Maakt er zeven jongen van,
    Zeven jongen in eenen nest.


Zie Limburg's Jaarboek I, bl. 68; Dr. Van Vloten, Baker- en
Kinderrijmen, bl. 84 vlg.; verder Driem. bladen I, bl. 17, 50, 87,
92; II, bl. 80; III, bl. 30, 35, 90; IV, bl. 48; VII, bl. 55.

Stroomend water is vooral heilzaam en geneeskrachtig op den eersten
meidag. In sommige streken van ons land is het de gewoonte, alsdan in
stroomend water te baden; dit beveiligt vooral tegen huidziekte. In
Oldemarkt drijft men 's nachts de schapen door het water:


    Meimaand trekt men de schapen door de vaart,
    Dan blijven ze van de schurft bewaard.


De kinderen loopen in den meiregen, die immers zoo groeizaam is:
"Meiregen, Meizegen". Op Texel ontsteekt men den vooravond een
lentevuur, de zoogenaamde _meierblits_; vergel. bl. 184 en Volkskunde
XIX, bl. 123.

In Oost-Vlaanderen--vooral rond Aalst en Dendermonde--bestaan
nog meigilden met hun graven of dekens, oorspronkelijk om den
meiboom te planten. Deze Meigraaf kiest zijn bruid en maakt haar
tot Meigravin. Iets dergelijks vinden wij in Limburg te Beek, Geleen,
Oirsbeek, Klimmen, Merkelbeek, Schinnen, Epen, Wylre, Gulpen, Slenaken,
Valkenburg, Mechelen, Vylen, Vaals, Simpelveld, Ubachsberg, Eis,
Bingelrade, Heer, Berg en Terblijt enz. Daar wordt--of werd nog zeer
kort geleden--de _meileeste_ (Meiliefste) uitgeroepen, en wel door den
kapitein van de "jonkheid". Op den 1sten Mei, of wel op den eersten
Zondag in Mei, worden de huwbare meisjes door de jongelieden onder
elkaar verdeeld of, zooals te Berg en Terblijt, bij hoogste bod aan
de jongens toegewezen. Het verdeelen hangt nog met den meiboom samen,
in zoover als de lijst, waarop de paren voorkomen, veelal op den
meiboom ter bekendmaking wordt geplakt, onverminderd het officieële
uitroepen. De Meiliefste wordt natuurlijk in de herberg onthaald. Dit
gebruik is vooral bekend door de novelle van Ecrivisse: Het Meilief
van Geleen. In Hessen, Westfalen en Rijnland spreekt men van het
_Mailehen_ (= Meiliefste); in de Romaansche landen en in Engeland
heeft een overeenkomstig gebruik plaats op Valentijnsdag (14 Febr.),
op welken dag het volk meent, dat de vogels paren; men spreekt daar
van _Valentines_.

De Meigraaf is in wezen identiek met den _Laubkönig, Graskönig,
Pfingstlümmel_ enz., en beeldt uit de groeikracht der natuur; zie
Mannhardt, Baumkultus, bl. 341, 355, 376.

Te Genemuiden (O.) gaan op den 1sten of 2den Mei de kinderen met een
versierde ladder rond, waarop een jongen of meisje met een vlaggetje
in de hand zit, al zingende:


    Luie motte, luie zotte,
        Op gaan staan!
    Die moet naar bed toe gaan.


Zie Driem. Bladen VIII, bl. 33; men vergelijke de Luilakliedjes op
bl. 194, 196 en 197, alwaar de verklaring.

_Hemelvaartsdag._ 's Morgens vroeg ging men voorheen in Holland
_hemelvaren,_ d.i. naar buiten, in het vrije veld, om van den
heerlijken meimorgen te genieten. Plaatselijk bestaan nog overblijfsels
van dit gebruik, dat ook _dauwtrappen_ of _dauwtreden_ wordt genoemd
en ook wel op pinkstermorgen plaats heeft. De eigenaardige viering
van Hemelvaartsdag te Hengelo en Zutfen (Mulderskermis) behoort tot
het verleden; men vindt ze beschreven in den Gelderschen Volksalmanak
van 1844, bl. 54.

_Luilak_ is de Zaterdag vóor Pinksteren, maar oorspronkelijk degene,
die dien Zaterdag, dien schoonen meidag, te lang slaapt. Te Amsterdam
moesten alle laatkomers trakteeren: de ambachtsgezel, die 't laatst
in de werkplaats, de groenteboer, die 't laatst aan de markt,
de schooljongen, die 't laatst op school kwam. Thans nog zijn de
Luilak-gebruiken te Amsterdam en elders niet uitgestorven; zij zijn
in geheel Noord-Holland in zwang. Te Zaandam moet de laatkomer de
overigen onthalen op warme bollen en stroop. Op Luilakmorgen gaan
de kinderen voor dag en dauw met de _korrie_, een laag wagentje
aan een lang touw, uit naar de naburige dorpen; zij hebben daarbij
groene takken en brandnetels bij zich, en terwijl deze--ook _luilak_
of _looielak_ genoemd--worden rondgedragen, zingt men:


    De looie lak, de slaperige zak,
    Vanmorgen niet vroeg op 'estaan,
    Je ken wel weer naar bed toe gaan.


Elders:


    Luilak,
    Slaapzak,
    Beddejak,
    Kermispop,
    Staat om negen uren op.


Verveelt hun dit spel, dan wordt de looielak te water gegooid, onder
het zingen van:


    Van eenen, van tweeën, van drieën, van vieren, van vijven,
        Gooi dien looielak maar te drijven.


Men vergelijke de gebruiken op 1 April en op Sint-Thomasdag. De
luilak is natuurlijk weer identiek met den Meigraaf, _Laubkönig_
enz., zie bl. 193; eveneens met de Pinksterbloem, waarover nader. Zeer
merkwaardig is het te water gooien; ook de _groene George_ wordt bij
de Slovenen in Krain en Karinthië te water geworpen. Bij ons heet hij
de _groene man_ of ook, zooals te Haarlem, _klisseboer,_ omdat hij
geheel met klissen overdekt is. Hier hebben wij in werkelijkheid
den _Regenzauber:_ een sympathetischen vruchtbaarheids-ritus,
om door indompeling den onontbeerlijken voorjaarsregen te
erlangen. Zie hierover Mannhardt, Baumkultus, bl. 313, 327 vlg.;
over het Luilakvieren Dr. G. J. Boekenoogen, De Zaansche Volkstaal
(Leiden 1897), bl. 590; Onze Rijmen, bl. 59; Ter Gouw, Volksvermaken,
bl. 221.--Deze dag brengt ook de _luilakbollen_.

_Pinksteren._ Mei- en Pinkstergebruiken vallen vrijwel samen; aan het
Meilief beantwoordt de _Pinksterbloem_ of _Pinksterbruid_. Ook zij is
een verpersoonlijking van den genius der groeikracht, wat o.a. uit haar
bloemkroon en loofversiering blijkt. Te Sittard heeft zij hoofd, leest
en armen omwonden met kransen van roode kollen en blauwe korenbloemen.

Het schoonste meisje van het dorp werd eertijds met bloemen getooid
en als koningin door haar speelgenootjes onder gezang en gejuich
rondgeleid; maar naderhand ontaardde het gebruik in een bedelpartij. Te
Schermerhorn, den Beemster, Purmerend en elders ging een weesmeisje in
het wit gekleed, met bloemen getooid en met een bekransten beker in
de hand rond, met een weesjongen als geleider, die een met bloemen
omwonden stok in de hand droeg. Ook te Molkwerum fungeerden meisjes
van 12 tot 15 jaar als Pinksterbloem; te Franeker, Bolsward en Makkum
was het een kleine jongen, die in een zoogenaamden tempel liep,
een soort bijenkorf, samengesteld uit hoepels en stokken en met
groen behangen. Te Vriezenveen werden op 2en Pinksterdag de kleinste
meisjes met groen behangen en onder een groot schort van huis tot huis
geleid. Thans is dit gebruik, dat in de XVIIe eeuw nog te Amsterdam,
Utrecht, Deventer, Arnhem, Enkhuizen en in het Kennemerland plaats
had, zooals uit de verordeningen blijkt, vrijwel uitgestorven, en
wel, als zoo vaak, in zuidelijke richting. Te Ubbergen hielden nog
kort geleden drie meisjes uit de mindere volksklasse haar omgang,
van wie de middelste de Pinksterbloem voorstelde; zie hierover
Mr. W. V. D. Poll, in den Gelderschen Volksalm. 1897, bl. 185

In Limburg en Noord-Brabant bestaat de Pinksterbloem nog, eveneens
in sommige plaatsen van Vlaanderen; ik noem Horn, Amby, waar zij
insgelijks in een "huisje" met groen zit, Schinnen, Doenrade, Cuyk,
Blitterswijk, Guttecoven, Afferden. Het lied, dat bij het rondgaan
gezongen wordt, is hoofdzakelijk van tweeërlei aard.

Cuyk (N.-B.):


    Vierge, vierge Pinksterbloem,
    Daar komt zij aangegangen,
    Met een krans al om haar hoofd
    En twee gebloemde wangen.
    Vrouwtje, als gij niet deugen wilt,
    Dan zullen wij u gaan verkoopen.
    Dan gaan wij naar het groene woud,
    Daar zingen de vogeltjes jong en oud,
        Keert u es om,
        Draait u es om,
    Vierge, vierge Pinksterblom.


Einighausen (L.):


        Pinksterbroed,
        De wien is oet,
    Wie lengen weer de dagen,
    Eine mei, eine mei, eine liebesmei,
    Eine mei van groene blaren.


Wie doet nu eigenlijk dienst als Pinksterbloem? Wie verbeeldt
den vruchtbaarheidsgenius? Welken eigenaardigen vorm neemt het
vegetatiegebruik op Pinksterdag aan?

Het antwoord geeft ons o.a. een pinksterrijmpje uit Horn (L.):


    Pinksterbloem, slechte roem,
    Gij hebt zoolang geslapen;
    Hadt gij vroeger opgestaan,
    Dan waart ge mijn kameraadje!


De Pinksterbruid of de Pinkstlummel is dus de langslaper; want de
taak, als vegetatiegenius te fungeeren, was aanvankelijk allesbehalve
een huldiging van den persoon, maar slechts van den genius; en daarom
alleen zette men haar of hem de kroon op het hoofd. Het was een zekere
tuchtiging van den telaatkomer, van den luiaard, die een heerlijken
meimorgen versliep. Mannhardt daarentegen meent de verklaring van het
feit, dat voor Pinksterbruid de laatst-ontwaakte genomen wordt, hierin
te moeten zoeken, dat de Pinksterbloem de uit den slaap ontwaakte
lentedaemon is. Deze verklaring komt mij te zeer gekunsteld voor en
niet in overeenstemming met alle feiten. Veeleer moet de luiaard zich
in loof laten steken, dienst doen als vegetatiegeest, zij het tegen
wil en dank. Op vele plaatsen wordt hij dan ook met een kroon van stroo
of brandnetels getooid, hij wordt met brandnetels gegeeseld (dit slaan
heeft natuurlijk weer betrekking op de vruchtbaarheid, vgl. bl. 102),
men _drijft_ hem of haar voor zich uit, en zingt in Westfalen:


    Pinksterblome,
    fûle sûge (Sau)!
    harstu êr uppestaun,
    harr et di kîn leid edaun.


Van daar ook de benamingen _Pfingstlümmel, Pfingstschläfer,
Wasservogel_ (dewijl men hem in het water werpt) enz.

Zeer nauw hiermee verwant is het Drentsche
nustekook-gebruik. "_Nust_koek" hangt met "nusselen", d.i. talmen,
samen.

Op Pinkstermaandag spoeden zich, volgens de mededeeling van Dr. Bergsma
in den Nieuwen Drentschen Volksalm. 1900, bl. 104, de koejongens voor
dag en dauw met de koeien naar de weiden. Die 't laatst met zijn koeien
"op den diek" verschijnt, d.i. op den gemeenschappelijken weg, die
naar de verschillende weiden voert, heet _nustekook_. Zijn terugkomst
wordt door de andere koejongens vóor op den dijk afgewacht; zij zetten
hem een van russchen gevlochten steek op, slaan hem met brandnetels om
hoofd en handen en trekken daarna zingend door het dorp; het opgehaalde
geld wordt gemeenschappelijk verteerd. Aldus te Zuidlaren, Gasselte
enz. Tegenwoordig versieren zich te Zuidlaren bijna alle kinderen
met een russchen hoed en vragen geld aan de deuren. Te Zeegze is het
gebruik afgeschaft.--Een eigenaardigen vorm, ook in het buitenland
bekend, vertoont het gebruik te Borger. Daar wordt de _nustekook_
geslagen, en een ander, een arme jongen, in bloeiende brem gestoken,
wordt als _Pinksterbroed_ het middelpunt van den optocht. Waar een
_Pinksterbroed_ is, is ook een _broedsleider_. Te Gees heet hij
broedegom, te Zweeloo heeten ze broedhen en broedhaan. Te Gees is de
Pinksterbruid het geheele jaar de versukkeling.

De kinderen verzamelen zich te Koevorden aan den ingang van de weide
en letten op, welk beest het laatste van den stal gekomen is en de
weide binnentreedt. Die koe is dan 't voorwerp van het feest der
kinderen, 's Namiddags plukken zij bloeiende braamtwijgen of ander
groen, omhangen de koe daarmee en leiden ze onder schaterend gejuich
de stad binnen, al zingende:


    Pinksterbloed (of Pinksterbroed)
    Oranjezoet,
    Hoe zit je zoo diep in de veeren?
    Had je _wat eerder opgestaan_,
    Dan had je geen nood gekregen.


In Neder-Duitschland heet deze koe of os, die met bloemen getooid en
bekroond wordt: _Pingstkaue, Pingstosse_. Vandaar het spreekwoord:
"opgedirkt als een pingstos." Men vergelijke met bovenstaand rijmpje
het volgende, dat te Zuidlaren wordt gezongen van den _nustkoek_
of langslaper:


    Nustkoek, nustkoek,
    Zits dou zoo diep in de vaerren,
    Kanst het geroup niet heurren,
    Hast dou geen oogies van kiekerdekiek,
    Komst ja te laat met de koe'n op den diek.


Het kind, dat de koeien het eerst in de weide dreef, heet _vroegrijp_,
het tweede _dauwworm_, het derde _midden-in-de-ton._

En nu weer een schoolgebruik, treffend door zijn
overeenkomst. Dr. R. de Gheldere, Dietsce Rime (Brugge 1896), bl. 148
beweert, dat men het meisje, dat op Pinksteravond te laat in school
komt, _Sinksenbruid_ noemt en dat haar wordt toegezongen:


    Sinksenbruid,
    De loegaard uit!
    Hadt je _eerder opgestaan_,
    Gij hadt ook eerder naar school gegaan!


Te Bergues, in Fransch-Vlaanderen, werd den leerling, die daags vóór
de kermis te laat op school kwam, een biezenkroon op het hoofd gezet;
zoo werd hij naar huis gejaagd en de schooljeugd achtervolgde hem
zingende. Ik sprak reeds bl. 194 over de overeenkomst met de gebruiken
op Sint Thomasdag. Ook plachten te Sint Truiden de kinderen op Sint
Thomasdag papieren kronen op te zetten.--

Elders wordt de groeikracht gehuldigd in den vorm van bloemen,
pinksterbloemen. Ik wensch hier echter nogmaals de opmerking te maken,
dat wij in deze bloemen met een symbool te doen hebben, dat tot
zuiver, niet-kultisch symbool geworden is. In Biekorf VI, bl. 366,
leest men: "Den Vrijdag voor Cinxenhoogdag worden hoven, weiden
en velden doorloopen van de kinders der vlaamsche bewaarschool der
blauwe zusters binnen Veurne, die geheele panders blommen naar huis
brengen. De hoogstgeschatte zijn de ""Cinxebruids"" (beuterblomme,
_butterflower, jaunet_). 's Avonds, met moeders hulpe, maken de
kinders eenen hoepel van wijdauw, daarrond vlechten zij hunne geluwe
"Cinxenbruids." Zoo ook te Zutfen, waar de kinderen op de Pinksterdagen
kronen uit hoepels maken (of kortelings nog maakten), die ze met
groen en bloemen versieren en aan touwen ophangen. Te Hattem werd
hierbij gezongen:


    Rosa [rozen], Rosa, Rosa bloeien op mijn hoed.
        Alles geld is alles goed;
        Kies, wie gij wilt,
    En de schoonste, die gij vindt; enz.


Over de stroopop op Pinksternacht spreek ik in het volgende hoofdstuk,
II: Liefde en Huwelijk.

_Tweede Pinksterdag_ is ten deele reeds besproken. Te Anderlecht
(Z.-B.) hebben dan de bekende paarden-ommegangen plaats, evenals te
Mechelen en te Werchter. De deelnemers rijden op hun getooide paarden
eerst driemaal om de kerk, wonen daarna den dienst bij, en gaan dan nog
driemaal om het hoogaltaar en het beeld van St. Gwijde (Guido). Men
vergelijke dit gebruik met _Sunte Steffenjagen_ (bl. 134). In
Duitschland spreekt men van den meirit, _das Maireiten,_ hetwelk
Mannhardt behandelt in zijn Baumkultus, bl. 347 vlg. De Pinkstruiters,
d.i. de _Pfingstl_ met zijn gevolg, rijden om de akkers ter bevordering
der vruchtbaarheid. In Beneden-Beieren heeft dit op Pinkstermaandag,
elders op Hemelvaartsdag of Paaschdag plaats. Ook b.v. in Zwaben heeft
deze rit een kerkelijk karakter aangenomen: op de vier hoeken van den
akker wordt daar het Evangelie gelezen, terwijl bij het _Königsreiten_
in Oostenrijksch Silezië, waar alle notabelen aan dezen akkerrit
deelnemen, gedurenden den ommegang vrome liederen gezongen worden
ter afwering van onweêr en hagelslag.

Op dezen dag worden veelal de schuttersfeesten der gilden gevierd,
een aloud gebruik, dat den naam van _Pinxtergilden_ voor sommige
schuttersgilden rechtvaardigt. De gilden, waarover reeds bl. 192
gesproken werd en nog verder sprake zal zijn, vertoonen, evenals
de Germaansche gilden over het algemeen, een gekerstenden vorm van
de Oudgermaansche bloedsbroederschappen. Plicht was het eertijds,
den kultus der afgestorven leden te behartigen door een lijkmaal,
plicht bleef het later, het gildemaal te houden op het feest van den
patroonheilige. Het schieten is dan wel een erfstuk der Oudgermaansche
volksweerbaarheid. Wat den term betreft, hangt het woord _gilde_
(vgl. _geld_), Middelnederl. _ghilde,_ met het Oudnoorsche _gildi_
samen, dat de beteekenissen van "inleg" en "gelag" in zich vereenigt;
zie verder mijne Essays en Studiën, bl. 115.

De schuttersgilden, die men vindt in steden en dorpen, waren vroeger
in Nederland volstrekt algemeen. Maar door het ijveren der predikanten
werden vele gilden ontbonden, zoodat b.v. in Holland in de XVIIe eeuw
de meeste te gronde gingen. Zij bloeien nog in Limburg, Gelderland,
Noord-Brabant en België.

Bij deze gilden heeft het vogelschieten echter meestal plaats op den
feestdag van den patroonheilige of op kermis-Maandag; hierover nader
in het volgende hoofdstuk, III: Huiselijk Verkeer. Over het gildewezen
zie Ter Gouw, De Gilden (Amsterdam 1866); De Volksvermaken, bl. 502;
Volkskunde XVII, bl. 121; over de Pinksterviering J. H. Maronier, Het
Pinksterfeest (Arnhem 1894), _passim_; De Cock, Volkskunde, bl. 247;
Ter Gouw, De Volksvermaken, bl. 221 vlg.; V. Reinsberg-Düringsfeld, Das
Festliche Jahr, bl. 191; Waling Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven I,
bl. 183; De Navorscher II, bl. 186; Drentsche Volksalm. XLIV, bl. 120;
Biekorf XIII, bl. 161 vlg., 177 vlg.

_Sint Jan de Dooper_ (24 Juni) is de groote dag van het Midzomerfeest
met zijn offervuren en offermaaltijden, en speelt daarom in het
Germaansche volksleven een voorname rol. Reeds vroeg trad het
geboortefeest van dezen heilige in verband met het Midzomer-,
of Zonnestilstandsfeest, en dit verband werd nauwer, naarmate men
meer innerlijke betrekking tusschen beide feesten meende te kunnen
waarnemen. Zoo schrijft de H. Augustinus (_Sermo_ 289): "Opdat de
mensch mocht vernederd worden, is heden geboren Johannes, nu de dagen
beginnen af te nemen; opdat God verheven worde, is Christus geboren
op dien dag, waarop de dagen beginnen te groeien." Zoo werd dan ook
b.v. het gebruik, dezen dag in stroomend water te baden (vgl. bl. 192),
aldus gekerstend, dat men het gebruik bijhield ter eere van 's Heeren
doopsel in den Jordaan. Zeer heilzaam is ook de Sint Jansdauw, het
dauwtrappen op Sint Jansdag. Planten, dien dag geplukt, bezitten groote
tooverkracht. Maar vooral de _Sint Janstak_ pleit voor de overeenkomst
tusschen het Midzomerfeest en de Meiviering, hetgeen elders uit de
oprichting van een meiboom op Sint Jansdag blijkt. Het is een krans
van groen en bloemen, dien men buiten tegen den muur van het woonhuis
hangt, waar hij blijft hangen, tot hij verdord is. Dit gebruik bestaat
o.a. te Vortum, Beers, Afferden, Waalre. Hij beschermt tegen onweêr
en moet bestaan uit korenbloemen, notenblaren en Sint Janskruid: de
noteboom is een bekend vruchtbaarheidssymbool, en het Sint Janskruid
(_sedum purpureum_), ook _Jaag den duivel_ genoemd, heeft het vermogen,
booze geesten te verdrijven. Te Duiven worden de huizen met noten-
en rozentwijgen versierd.

Op Sint Jansnacht drijven, evenals op de Walpurgisnacht, de geesten
hun spel: het is een der geheimzinnige toovernachten. Dan snijdt men
de wichelroede, dan plukt men Sint Janskruid, dan durft de schipper
niet uitvaren op het Haringvliet. Dan legt men doeken buiten, om
den Sint Jansdauw op te vangen, en deze dauw geneest voortreffelijk
bij oogziekte (Vortum). Herhaaldelijk komt Sint Jan ook voor in de
volksweêrkunde. Als de koekoek roept na Sint Jan, komt duurte.--Vóor
Sint Jan bidt om regen, na Sint Jan komt hij ongelegen.--Regent het na
Sint Jan, dan _kort_ (korrelt) het graan slecht, zegt men in Limburg.

Op enkele plaatsen bestaan nog de oude Sint Jansvuren, _survivals_
van het groote Zomeroffer; ook vertoonen zij vaak het karakter
der noodvuren (bl. 104). Daags vóor Sint Jan gaan b.v. te Wichelen
(O.-V.) de kinderen om brandhout rond, al zingende:


    Hout, hout, timmerhout,
    Wij komen om Sint Janshout;
    Geeft een beetjen en houdt een beetjen,
    Tot op Sint Peetersavond.


Men vergelijke de uitdrukking in het Sint Maartenslied: "op Sint Jans
manieren", bl. 111.

De meeste Sint Jansvuren zijn echter overgegaan op:

_Petrus en Paulusdag_ (29 Juni), die ten deele nog in Limburg, maar
vooral in België gevierd wordt, waar men om het vuur danst, zingende:


    Sinte Peeter, komt alhier,
    In ons ronde van plezier.


Op vele plaatsen, waar vroeger het geheele volk aan de feestviering
deel nam, is deze thans beperkt tot de kinderen. Aldus te
Herdersem, Eename, Aspelare (O.-V.) enz., alsmede in vele dorpen van
West-Vlaanderen; zie ook Rond den Heerd IX, bl. 257; Loquela III,
bl. 10.

Wat gebeurde met het Sint Maartensvuur, heeft ook met de Sint
Pietersvuren plaats gehad: de feestviering werd veelal beperkt tot
den rondedans om een kaarsje; aldus te Kruibeke, waar men zingt:


    Sinte Pieter mee zijn bloote armen,
    Die zou hem gêren komen warmen.


Men vergelijke het Sint Maartenslied, bl. 109.

In geheel Oost-Vlaanderen en West-Brabant bestaat verder het gebruik
van den _rozenhoed_. Het is een meigebruik, dat wij bl. 200 te Zutfen
en elders op Pinksterdag vonden. Enkele met bloemen en groen omwonden
hoepels vormen een kroon, en deze hangt men aan een over de straat
gespannen koord op. 's Avonds wordt hieronder gedanst en gezongen;
zoo b.v. te Lokeren:


    Sinte Pieter, die is goed
    Al voor onzen (_bis_)

    Sinte Pieter, die is goed
    Al voor onzen rozenhoed.


Te Wetteren plaatst men onder den rozenhoed een tafeltje met brandende
kaarsjes, en daaromheen dansen de kinderen, zingende:


    St. Pieter is onze Patroon!
    Wij zullen hem gaan vieren;
    Wij maken hem een kroon,
    Te midden van onz' plezieren!
    Bom la la, bom la la, bom la la sa sa!
    En daar heeft niemand iets aan,
    Troe la la, troe la la!
    En daar heeft niemand iets aan,
    Troe la la sa sa.


Wij herinneren er aan, met het oog op dit kaarsje-ronddansen onder de
kroon, dat het oudtijds de gewoonte was, bloemen, kransen en kruiden in
het zuiverend offervuur te werpen, waar men omheen danste en overheen
sprong. Vooral notenblaren worden plaatselijk in de Sint Jansvuren
geworpen; vgl. bl. 202 en de steeds fundamentale behandeling van
het Sint Jansvuur bij Grimm, Deutsche Mythologie I, bl. 513. Dat het
gebruik van den rozenhoed eertijds ook elders met vuurstoken gepaard
ging, blijkt uit een liedje uit het land van Waas:


    Stokvier, maakt stokvier!
    Sinte Pieter is alhier,
    Om zijn bloote armen
    Nog wat te warmen; enz.


Te Ter-Alfene vindt men nog het algemeen-Germaansche, sterksprekende
vruchtbaarheidsgebruik, dat jongelieden dien dag met de zweepen
klappend rondloopen. Zoo ook te Wambeek (Z.-B.); te Roesbrugge-Haringe
(W.-V.) gebeurt dit op Sint Elooi.

Mettertijd heeft men den rozenhoed in verband gebracht met de
pauselijke tiaar. Een ander Christianisme is de visschersprocessie
te Rumpst.

_Sint Marten-in-den-Zomer (4 Juli),_ ook de "Warme Marten" genoemd,
draagt in West-Vlaanderen den naam van _Schuddekorfdag_, ofschoon
van geen schuddekorfgebruik sprake is. Hoogstwaarschijnlijk is deze
benaming aan Sint Maarten-in-den-Winter ontleend.

_Maria Hemelvaart (15 Aug.)_, ook genoemd _Maria-Kruidwisch,_
of _O.L. Vrouw Kruidwijn_ (=wijding), wordt vooral in Limburg
gevierd; hier is de feestviering uit Duitschland, waar zij
algemeen is, ingevoerd. Weken te voren reeds worden door de kinderen
allerhande kruiden en bloemen verzameld, en op den feestdag wordt een
reusachtige ruiker ter kerke gebracht, waarin de geheele midzomerflora
vertegenwoordigd is, maar toch vooral de koningskaars of hemelbrand
prijkt, de Limburgsche kruidwisch bij uitnemendheid. Deze gewijde
bloemen dienen--ongeveer als de palm--als behoedmiddel tegen onweszr,
ziekten enz. Als het onweêrt, worden zij onder het bidden van den
_huiszegen_ verbrand.

Aan den Rijn moeten deze kruiden Donderdags te voren (volksetymologisch
verband met "donder"?) bij zonsopgang met de hand geplukt
worden. Deze omstandigheid doet vermoeden, dat het gebruik wellicht
van Oudgermaansche afkomst is en oorspronkelijk op natuurvereering
berustte, of de een of andere Germaansche godheid gold. Wat hiervan
zij, de treffende legende, waarvolgens de Apostelen in het graf van
Maria in stede van haar lichaam een weelde van geurige bloemen en
kruiden vonden, schenkt aan dit gebruik een onmiskenbaar christelijk
karakter.--

De zomermaanden zijn ook het tijdperk der bedevaarten of processies
naar befaamde bedevaartsplaatsen, uiteraard meerendeels in het Zuiden
van het volksgebied. Voor Noord-Nederland noem ik Heiloo, den Briel,
voor de zuidelijke provincies Kevelaer, Roermond, Scherpenheuvel
(kaarsjesprocessie) en Brugge (H. Bloed). Van plaatselijke ommegangen
dient de Boetprocessie te Veurne en de zevenjarige jubileum-processie
te Hasselt (_Virga Jesse_) te worden vermeld. De straten der plaats,
waar de processie gehouden wordt, zijn feestelijk getooid; bloemen,
groen en papierknipsels zijn gestrooid over den te volgen weg. Het
volksgeloof wil, dat dit processiestrooisel beschermende macht bezit
tegen ratten en muizen, en tegen onweêr; ook legt men het tusschen
het graan, want het waarborgt een overvloedigen oogst en weert "het
zwart" uit de tarwe.

Sommige dezer processies zijn zeer oud en met het volksleven
samengegroeid, zoodat zij als tijdsbepaling dienst doen, of in
dagelijksche zegswijzen zijn binnengedrongen. Zoo hoort men b.v. te
Venloo, dat de bramen rijpen, "als de processie naar Kevelaer gaat",
en dat "als de processie van Kevelaer terugkomt, geen oud wijfje
aan het spinnewiel blijft". Zijn de straten doodsch en verlaten, dan
"lijkt het wel, of de processie naar Kevelaer is"; enz.

Te Blitterswijk zingt men:


    Ik zeug zo gêr no Kêvele goan,
    Wen er mar gene grune wolf zaat,
    Joa, joa, do zit er ene,
    Nie der zit er gene.


Over de karakteristieke processievaantjes spreek ik nader in het
Vijfde Hoofdstuk: Volkskunst. Bij gelegenheid der Hasseltsche
processie bestaat het eigenaardig gebruik, aan het volk erwtensoep
met stukjes spek uit te deelen; dit doen de leden van de Broederschap
onder feestelijk beiaardspel. Zie De Cock en Teirlinck, Kinderspel
en Kinderlust VII, bl. 92 vlg.; De Cock, Volkskunde, bl. 253;
V. Reinsberg-Díringsfeld, Das festliche Jahr, bl. 288, 297.

_Maria-Geboorte_ (8 Sept.) wordt ter onderscheiding van het feest
op 15 Aug. de "Kleine Lieve Vrouw" genoemd. In sommige streken van
Vlaanderen was het bekend onder den naam van _zwaluwen-afscheidsdag._
In den avond van den 7den September liet men in zekere Westvlaamsche
dorpen nooit na, te drinken op de gelukkige afreis der zwaluwen van
Onze Lieve Vrouw. Volgens een bekoorlijke legende vroeg Maria, in
een arme vrouw verkleed, eens een voerman te drinken en reikte hem,
om den drank op te vangen, den blanken kelk der haagwinde. Vandaar,
zegt de Brugsche Zondagsbode, dat in eenige dorpen van Vlaanderen
de meisjes op O.L. Vrouw-Geboorte "tikken" en drinken uit zulke
bloembekertjes, in de rondte dansen en zingen:


    Aan Ons Lieve Vrouwen geboort
    Gaan de lieve zwaluwen voort.


_Michielsdag_ (29 Sept.) kan worden beschouwd als het einde van den
zomer en het begin van den voorwinter, of der herfstperiode: zooals
gezegd, kenden onze voorouders, en ten deele het volk heden nog,
slechts zomer en winter. Nu wordt de ploeg geborgen. Wij krijgen
reeds een voorspel van de herfst- en wintergaven in de Vlaamsche
_vollerte_, een bijzonder soort wittebrood, dat men 's nachts ter
sluik de kinderen onder het hoofdkussen legt, om bij het ontwaken
gevonden te worden. Voorheen dronk men dezen dag de _Michaëls-minne,_
zie mijne Essays en Studiën, bl. 234.

Deze dag is een kritische dag, van belang in de volksweêrkunde. Bekend
is ook de _Sint Michielszomer_, waarop wel betrekking heeft het
Vlaamsche paailiedje:


    Draaie, draaie, wielke,
    t' Avond komt Machielke,
    Komt Machielke t' avond niet,
    Hij en komt van g'heel de weke niet.


En de kinderen op den Vlaamschen Steenweg te Brussel zingen:


        Sinte-Michiel
        Draait zijn wiel
    Mee zijnen blooten erremen.


De verwantschap van Sint Michiels- met Sint Maartensdag blijkt ook
nog uit de Drentsche _Sint Michielsjacht_.

_Allerheiligen_ (1 Nov.) brengt somwijlen den Allerheiligen-zomer,
ook wel door het volk "Oudewijven-zomer" genoemd.--Reeds in den
namiddag begint in de katholieke streken het bezoek der graven,
immers het is de vooravond van

_Allerzielen_ (2 Nov.). Als de stormwind begon te huilen door de
ontbladerde boomen, dan stormde het dooden-, het geestenheir door
het luchtruim, en in den aanvang van dit tijdperk vierden de oude
Germanen hun doodendag. Na de invoering van het Christendom werd
deze private feestviering gekerstend en steunde voortaan op het
geloof aan de "gemeenschap der heiligen", terwijl ook de min of meer
animistische gebruiken, als het bezoeken der graven, het branden
van kaarsen, het brengen van bloemen of spijsoffers, òf officieel
werden afgeschaft, òf in christelijken zin werden hervormd; hetgeen
natuurlijk niet belette, dat nog heel wat animistische voorstellingen
en gebruiken bij het volk bleven voortbestaan. Als het stormt, spreekt
men thans nog van den _zielewagen_, en rond Scherpenheuvel heet het:
"dit zijn zielkes uit het vagevuur, die vragen verlost te worden". Op
meerdere plaatsen heerscht het volksgeloof, dat de "geloovige zielen"
gedurende de twee eerste Novemberdagen het vagevuur mogen verlaten
en haar vroegere woonsteden bezoeken. Natuurlijk geeft dit rondwaren
der zielen aanleiding tot menige bijgeloovige vrees. Kerkelijk werd
de 2de November aan de nagedachtenis der geloovige zielen gewijd, het
eerst door Odilo, abt van Cluny, in 998; later werd dit gebruik door
verscheidene diocesen gevolgd, het eerst door Luik, waar bisschop
Notker het in het begin der XIe eeuw invoerde. Zie H. Kellner,
Heortologie3 (Freiburg i/B. 1911), bl. 242, 248.

Op tal van plaatsen in Vlaanderen bakt men _zielebroodjes_ of
_zieltjeskoeken_, een bijzonderen vorm van koeken, en deze laat men
's nachts "voor de arme zielen" staan; hieruit spreekt duidelijk
de animistische voorstelling van het stoffelijk voortbestaan der
ziel in of nabij het graf. Of ook, de zieltjeskoek wordt in de asch
geworpen of zelf genuttigd, waarbij dan de grondstelling geldt:
"hoe meer men eet, hoe meer zieltjes men verlost." Ik herinner hier
aan de zieltjesbroodjes van Dixmuiden, Nieuwpoort, Veurne, Aalst en
Yperen. Ter vergelijking diene, dat in Karinthi, bij het toebereiden
der spijzen "voor de arme zielen", iets in het vuur wordt geworpen,
terwijl men in Tirol het overgeblevene van het avondeten op tafel laat
staan met de woorden: "Das gehört den armen Seelen." Vgl. De Cock,
Volkskunde XIV, bl. 140; H. Coninckx, Mechelsche gebruiken I, bl. 21.

Met deze zielebroodjes hangt allicht samen het gebruik, op _Sint
Hubertusdag_ (3 Nov.) zoogenaamde _Hubertusbroodjes_ te laten wijden,
zooals in Vlaanderen en Limburg geschiedt. Volgens de legende was
de H. Hubertus, eerste bisschop van Luik, een hartstochtelijk
jager. Vandaar, dat hij als patroon der jagers geldt en tegen
de hondsdolheid wordt aangeroepen. In België zijn onder het volk
bezweringsformules gangbaar als deze, om de dolle honden af te weren:


    Ik kwam al over Sint-Huibrecht zijn graf,
    Zonder stok of zonder staf;
    Kwaden hond, sta stille:
    Het is Sint-Huibrechts wille.



HET PRIVAATLEVEN.


I. Geboorte, doop, kindsheid.


De _geboorte_ van het kind is met gulden sprookjesdraden omsponnen. De
ooievaar brengt ze, de heilige vogel, die volgens zijn naam zelf  "met
geluk komt", de _heil-över,_ zooals hij in den Achterhoek heet. Hij
haalt ze met zijn snavel uit den vijver, evenals op de weilanden de
spartelende kikkertjes uit de slooten:


    Eibert, eibert, langebeen,
    Waarom is je poot zoo kleen?
    Waarom is je bek zoo lang?--
    Omdat 'k altied kikkers vang.


Daar bij zijn komst in het land de groei- en teelkracht in de
natuur zich openbaren, verwacht men dan ook de geboorte van het
jonge menschenleven:


    Ooievaar,
    Lepelaar,
    Takkedief,
    Ooievaar heeft de kindertjes lief.


Te Kuilenburg zingt men:


    Ooievare klep,
    Met je langen bek,
    Met je lange pooten
    Ga je over slooten,
    Ga je over 't huis:
    Breng me een broertje of een zusje thuis.


De ooievaar brengt heil en zegen. Waar hij op het huis zetelt, woont
geluk; wie een ooievaarsnest op zijn dak heeft, wordt benijd en een
misdaad is het, zulk een nest uit te halen. Niet alleen in Westfalen
en de Rijnprovincie, ook in Nederland is hij populair, is hij haast
een nationale vogel geworden, vooral in het waterrijke Noorden. Hij
brengt voor broertjes en zusjes de "muisjes" mee. Vergel, bl. 85.

Maar de kinderen komen ook uit bronnen, putten, vijvers of uit
den watermolen, en wel volgens een Oudgermaansche opvatting,
dat nl. het leven uit de bronnen komt en na den dood ook weer tot
bronnen en vijvers terugkeert. Wij ontmoeten hier den bronnenkultus,
zoo populair bij de Franken, Saksen en Friezen; hij verklaart tevens
de verhouding, waarin Holda als godin der geboorte en des doods
tot de bronnen staat. In zijn diepste wezen berust hij op wijding en
symboliseering der animale vruchtbaarheid en levenskracht. Te Deventer
komen de kleinen uit den Hoenderput, te Almeloo uit den Kloosterput,
in de stad Groningen uit de _Woalpudde_, de pomp in 't wijde van de
Heerestraat; in de Zaansche dorpen uit de watermolens, in het Oldambt
van Groningen uit den Dollard. Elders vinden wij sporen van het oude
volksgeloof, dat de bewoners van het zielenrijk over water in een
schip het land der levenden bereiken. Zoo komen in sommige deelen
van Friesland de kinderen uit de Wouden, en de kraamvrouw doet een
Woudreis om ze te halen in een scheepje met een wit zeiltje en een
paar witte zwaantjes er voor. Te Amsterdam komen zij overgevaren
uit de Volewijk, in de Beemster worden zij met een schuitje uit den
rietschoot gehaald. Te Hekelgem (Z.B.) gaan de kinderen kijken in
het Kluizeputteken van O.L. Vrouw-ter-kluis om te zien, of er geen
kindje in ligt. Of wel ze leggen zich met het oor op den rand van
den put en denken dan soms kindergeschrei te hooren.

Eindelijk, ook de vegetatie openbaart jeugdige levenskracht, en daarom
komen de kinderen uit holle boomen, groeien in de boomen, komen uit
de kool en andere planten. In de Friesche Wouden en vooral ook in
Noord-Holland groeien zij in de boomen als appelen en roepen dan:


    Pluk mijn! pluk mijn!
    'k Zal alle dagen zoet zijn.


De holle boomen zijn kinderen-telend in sommige gedeelten van
Noord-Holland, Utrecht, Gelderland, Overijssel, Groningen en
Friesland. Te Utrecht werden de kinderen uit den Munnekenboom
geschud, een zeer ouden lindenboom in den tuin van het vroegere
Karthuizerklooster aan de Vecht buiten de Weerdpoort. In België laat
het volksgeloof ze veelal groeien aan rosmarijnstruiken. Waarom juist
aan rosmarijnstruiken? Zeker is het niet toevallig, dat het jeugdige
echtpaar bij voorkeur met rosmarijn is getooid en dat "de slag met de
levensroede", die, zooals wij zagen, vruchtbaarheid beoogt, veelal met
rozemarijnstengels wordt toegediend.--Wellicht moeten de holle boomen
echter anders beoordeeld worden dan de gewone boomen, en zag men in
hen slechts een toegang tot de geheimzinnige onderaardsche wereld.

Laat ik hier ten slotte aan toevoegen, dat de kinderen ook door dokter
of vroedvrouw gebracht worden, of door de ouders worden gekocht,
b.v. in missielanden. Zie hierover vooral Boekenoogen, Volkskunde XXII,
bl. 18, 143, 193; XXIII, bl. 29; Knappert, Folklore, bl. 188 vlg.;
Utrechtsche Volksalmanak, 1853, bl. 2 vlg.

Vrouwen in gezegenden staat ondervinden een bijzondere oplettendheid
van den kant der buurvrouwen en vriendinnen. Zij mogen geen leelijke
of vreemde dingen zien en moeten den aanblik van kreupelen en
roodharigen vermijden. Wordt het kind geboren met hazenlip of ander
gebrek, dan is dit hoofdzakelijk te wijten aan de onvoorzichtigheid
der moeder tijdens haar zwangerschap. Tot haar omgeving staat zij in
sympathetisch verband: een boom, die voor het eerst vruchten draagt,
zal overvloediger dragen, als een vrouw in den tijd der verwachting
van de vruchten eet. Verder is het een algemeen verbreide meening, dat
het zeer verkeerd is gedurende de zwangerschap waschgoed op te hangen,
onder een drooglijn door te loopen, met de armen boven het hoofd te
slapen. Over deze en dergelijke volksopvattingen zie vooral M. A. van
Andel, Volksgeneeskunde in Nederland (Utrecht 1909), bl. 105 vlg.

De vertraging der geboorte en het verstrijken van den barenstijd,
naar berekening, wordt veelal toegeschreven aan den invloed der maan:
"Zij zal de nieuwe maan, het eerste kwartier afwachten", ineenen
de buurvrouwen.

Wordt het kind met een stuk der vliezen over het hoofd geboren,
met "den helm", dan is het _beeldwit_ (blijkbaar een verbastering
van het Middelnederl. _belewitte_, zie bl. 67): zoo iemand kan
voorspellingen doen omtrent sterfgevallen, branden en het vergaan
van schepen. Sommigen, die met den helm geboren zijn, moeten 's
nachts opstaan, om de hekken te openen voor een lijkwagen. De helm
en navelstreng spelen ook als toovermiddel in onze landen zoowel
als elders een niet onbeduidende rol in het volksgeloof; zie vooral
M. Sabbe in Volkskunde XXIII, bl. 91 vlg.; en R. Meringer in Wörter
und Sachen, V, bl. 43 vlg. Ook Zondags- en Kerstkinderen kunnen in de
toekomst zien; het zijn gelukskinderen, evenals de Woensdagskinderen;
Vrijdagskinderen sterven spoedig. Kinderen met een dubbele kruin
worden knap of koppig. De roodharigen zijn "van God geteekend" en staan
aan plagerij en bespotting bloot: "Rood haar en elzenhout groeien op
slechten grond", meent het volk. Zie Prof. J. W. Muller, Volkskunde
XIX, bl. 8; Prof. Verdam, Handel. en Mededeel. v. d. Maatschappij der
Nederl. Letterkunde te Leiden 1897--98; H. Heuvel, Driem. Bladen II,
bl. 8.

Terstond na de geboorte ontvangt in katholieke streken het kind
den vaderlijken zegen. De baker geeft het eerste bad en met dit
badwater worden in Duitschland jonge boompjes begoten: zóo, als
het boompje groeit, zal ook het kind groeien en gedijen. Dit hangt
samen met de opvatting, dat het leven van den mensch als het ware
een dubbelganger heeft in het vegetatieve leven van een boom, die
al zijn lotsbeschikkingen deelt of zelfs bepaalt: een opvatting, die
stoelt op de animistische voorstelling eener wezenlijke overeenkomst
tusschen de plant en den mensch. Vandaar het planten van den levensboom
bij de geboorte, een gebruik, vooral bij de Zuid-Slaven in zwang
en door Fr. Krauss in zijn Volksglaube und religiöser Brauch der
Südslaven (Munster 1890), bl. 32 vlg. zoo treffend geschetst. Ook
bij de huwelijksgebruiken speelt deze levensboom een rol. In het
Limburgsche is dit veelal een eik, beuk of vruchtboom, al dreigt
het gebruik thans uit te sterven; en ook in menig Vlaamsch dorp
kent men nog het geboorteboompje, doorgaans door den vader in den
tuin geplant, als zijn vrouw hem een telg schenkt: dit boompje zal
mèt het kind, als zijn evenbeeld, opgroeien en bloeien, om eenmaal
te verdorren. Voor jongens kiest men een noten- of appelboom, voor
meisjes een pereboom. Is het een goed noten- of appeljaar, dan worden
veel jongens geboren; zijn de peren overvloedig, dan komen veel
meisjes ter wereld. Ik herinner nog aan de treffende spreekwijze:
"zijn levensboom verdort." Zie Is. Teirlinck, De Plant--een levend,
bezield, handelend wezen (Gent 1892); Bloeiende Reuzen (Rousselare
1886). De vroedvrouw (_wiezemoêr, wiesvrouiv_), die den geneesheer
vervangt, is ook meestal zeer bedreven in de lotsvoorspelling van
den pas geborene. De baker laat het kind kijken en strijkt daarvoor
de gebruikelijke fooien op.--En nu, voorzichtig! De kleine mag niet
op de linker zij worden gelegd, anders wordt hij linksch; men mag
niet over de wieg heen reiken, waar hij slaapt; men mag niet met een
ledige wieg wiegen, dat verijdelt de nachtrust, òf het kind sterft. Het
mag niet gemeten worden, anders meet men zijn doodkistje. Houdt het
zijn vuistjes gesloten, dan wordt het gierig; houdt het ze open, dan
wordt het vrijgevig. Van een stuurschen, onwilligen jongen zegt men
in Limburg; "hij is overkops gewiegd". Ook moet de moeder de nagels
van den jonggeborene afbijten, anders leert hij stelen. Het afknippen
der nagels en der haren, het baden, enz., hetgeen bij de natuurvolken
dikwijls als ritueele handeling beschouwd wordt, behoort tot de
zoogenaamde scheidingsgebruiken, die ten doel hebben, ook een inwendige
scheiding te bewerkstelligen; zie hierover vooral A. Van Gennep,
Les rites de passage (Paris 1909), _passim_; Paul Sartori, Sitte und
Brauch 1 (Leipzig 1910), bl. 18. De scheidingsgebruiken vormen mèt
de opname-gebruiken in hoofdzaak de groep der overgangsgebruiken,
die den overgang van den eenen toestand tot den anderen, van de eene
sociale groep tot de andere, plegen te kenmerken; bij de volken met
lagere kultuur zijn zij meestal in magisch-religieuze vormen gehuld.

Wanneer ik nu zeg, dat tot onze opname-gebruiken in de
allereerste plaats _het doopsel_ en de naamgeving behooren,
bedoel ik allerminst, hierin een criterium voor lagere kultuur te
ontdekken. Integendeel! Immers het lagere ligt niet in het religieuze,
maar in het magico-religieuze,--het _lagere_, zonder dat hierdoor iets
ten gunste van de prioriteit dezer kultuurlaag wordt beslist. Peter en
meter worden doorgaans genomen uit de naaste bloedverwanten. Veelal
geeft de peter aan het kind zijn naam en beschouwt dit als zijn
recht; geeft men het kind den naam der ouders, dan sterft het vóor
de ouders. Het erft de hoedanigheden van peter en meter; ook neemt
de doodstrijd van iemand, wiens meter nog leeft, geen einde, zoolang
deze niet aan het ziekbed verschijnt. Bij den doop van den eersten
zoon is gewoonlijk de mansvader peter, bij den doop van het eerste
meisje de vrouwsmoeder meter.

Ongedoopte kinderen zwerven na hun dood als dwaaltochten rond boven
de moerassen of vormen een deel van de Wilde Jacht. Kinderen, die,
gedoopt zijnde, sterven, worden engeltjes: in Duitschland kent men
den _Engelgarten_, de begraafplaats van gedoopte kinderen.

Kinderzegen beschouwt men in Groot-Nederland, althans op het platte
land, grootendeels nog als geluk en als eere, al is het treffende
Boheemsche spreekwoord onbekend: "Zooveel kinderen de vrouw heeft,
zooveel sporten komt zij den hemel nader".

Het doopkleed wordt in vele families zorgvuldig bewaard. Nog bestaan
kanten doopkleeden van groote waarde in sommige families, waarin
vijf geslachten ten doop gedragen werden. Peter en meter plachten
eertijds aan hun petekind een _pillegift_ te schenken, een woord, dat
nog voortleeft in het Westvlaamsche _villegift_: een gouden penning,
zilveren lepel, of iets dergelijks.

Natuurlijk gaan geboorte en doopsel ook met de noodige feestelijkheden
gepaard, "'t Kind verdrinken", noemde men voorheen het feest voor
de buurvrouwen. Ook het _doopmaal_ was vast gebruik. In België
wordt na den doop de noodige _kindersuiker_ gekocht, om deze aan de
buurtjeugd uit te deelen; en ook in Noord-Nederland worden buren,
vrienden, magen, die "het kindje komen kijken", plaatselijk nog op
_suikerdebol_ onthaald. Te Weert eet men een soort wittebroodsbollen,
_lommerten_ genaamd. "Het kindje gaan zien" is op menig Limburgsch dorp
synomien geworden van: een glaasje gaan drinken in een herberg zonder
vergunning. Het gewoon onthaal bestaat echter in koffie, wittebrood en
beschuit, bestrooid met suikerkorrels: _sòkerkörkes_ of _muisjes_,
wit en rood, wat nog met de sekse in verband wordt gebracht. De
Friesche term is _poppebak_, en men vertelt, dat de _lytse pop_
(het kraamkind) zulke _bakken_ heeft meegebracht. Of wij hierin een
overleefsel van offergaven moeten zien, durf ik niet uitmaken.

Een ander gebruik is dit, dat gedurende negen dagen, die de bevalling
volgen en waarin de kraamvrouw het bed moet houden, de buurvrouwen
en vriendinnen, veelal gezamenlijk, haar komen bezoeken en het een
of ander ten geschenke meebrengen; dit heet in Limburg: _met den
eierschoot gaan_, in Noord-Brabant: _met den krommen arm_ of _de kromme
slip gaan_. Ook in het noordelijk gebied kent men _kraamschudden_;
het geschenk bestaat gewoonlijk in krentebrood. Te Brugge heet dit
gebruik _prijken_, elders _paanderen_, ook _te paanderinge_ of _te
pronkinge gaan_.

Na een bepaalden dag houdt dan de moeder den kerkgang, en wel in
navolging van Maria, die het voorschrift der Joodsche wet nakwam,
waarvolgens de vrouwen, veertig dagen na de geboorte van een zoon,
zich tempelwaarts moesten begeven ter reiniging en om het kind
aan den Heer op te dragen. De kraamvrouw wordt op dezen gang door
de buurvrouwen vergezeld; na afloop van de plechtigheid heeft in
katholieke streken dan voorgoed de traktatie op koffie en stoete,
en brandewijn met rozijnen of kraamanijs plaats, die den naam van
_kindjeskermis_ of _kindjeskoffie_ draagt, en beantwoordt aan het
Drentsche _wievemoal_ en de Friesche _wievedei_. De Westvlamingen
heeten dit de _koffiebale_. Met jonge vrouwen, nog niet moeder, wordt
bij die gelegenheid wel eens wat gesold; men geeft ze schijnbaar een
eereplaats en zij krijgt den kleine op den schoot. In Friesland nam
dit gekscheren enkele malen een ruwen vorm aan; zie Waling Dijkstra,
Uit Friesland's Volksleven I, bl. 222. Deze traktatie wordt ook wel
_kinderbier_ genoemd; hierin heeft _bier_ natuurlijk een algemeene
beteekenis, die wij nog herhaaldelijk zullen ontmoeten.

De ziekten van het kind gedurende de eerste levensjaren worden vaak
aan beheksen toegeschreven: stuipen, mazelen, kinkhoest, Oude Man
(_rachitis_) enz. Maar het volk weet raad en heeft voor al die kwalen
geneesmiddelen, waarop ik bij de behandeling der Volksgeneeskunde terug
kom. Over het algemeen maakt men een veelvuldig gebruik van amuletten,
b.v. een snoer pioenzaden, een rozenkoortje (rood katoenen koordje),
een kettinkje van lijsterbessen enz. tegen stuipen en moeilijke
doorbraak der tanden. Eigenaardig is in België de vereering van
_Sint Jan den Grijzer_ of _Krijter_ (Sint Jan in den Olie) en van
_O.L. Vrouwe ter Ruste_ tegen het schreien en woelen der kinderen
(sympathie).

Een heuglijke gebeurtenis is het doorbreken van den eersten tand. Op
meer gevorderden leeftijd werpt het kind doorbrekende melktanden of
ook andere tanden over het hoofd en zingt daarbij:

Zuid-Holland:


    Onze Lieve Heertje,
    Daar hebt U een oude tand,
    Geef me weer een nieuwe tand,
    Die er vaster in staat,
    En er niet meer uit gaat.


Sluis:


        Vleremuis
    Kom 't avond t'huis,
    Breng mijn nieuwen tand t'huis.
        Mijn oude is versleten,
        Mijn moeder mag 't niet weten,
    Mijn vader heeft geen geld,
    Heeft het al op hoopen gesteld.


Tiel:


    Muis, muis, gimme een tand,
    Die der noot meer uit kan.


Vlaanderen:


    Muize--muize--manneken,
    Geef mij een ander tanneken,
    Liever 'nen tand van been,
    Als eenen van steen.


Dat de muis, het knaagdier, hier als sympathetisch tooverdier geldt,
is duidelijk. Als merkwaardigheid zij vermeld, dat soortgelijke
formules, waarin de muis voorkomt, in gebruik zijn in Brandenburg, de
Rijnprovincie, Tirol, Würtemberg, Hessen, Baden, Pruisen, Bohemen,
Galicië, Bukowina en Rusland. Zie Van Andel, Volksgeneeskunst,
bl. 142 vlg.

Nu meene men echter niet, dat alleen tooverij en bijgeloof hun
schepter zwaaien over de prille dagen der kindsheid. Het is waar,
geen tijdperk wellicht in het menschelijk leven wordt zóo door
traditioneele vormen en leefregels beheerscht, die wortelen in het
meest primitieve volksgeloof. Maar den boventoon voert toch koesterende
moederliefde en blijde vadertrots, aldoor geprikkeld en gevoed door de
hulpbehoevendheid van den kleinen lieveling. Wie in deze eerste dagen
de gezellige huiskamer met haar gulden innigheid, haar guitig wiegje,
welhaast haar drukken kinderstoel, van zonneglans en zonnewarmte doet
tintelen,--het is de kleine dwingeland in het hagelwitte linnen,
waarin hij reeds zoo lang werd verbeid en dat de Hollandsche en de
Vlaamsche moeder in de blijde dagen harer verwachting met moederweelde
en vreugde-kloppend hart heeft toebereid. Hoe teekenend en hoe innig,
hoe berekend voor de luistergrage oortjes, die naïeve _wiegeliedjes_,
met hun beperkte notenbeweging en hun rijkdom aan klankgehalte,
waarin de rythmische wiegbeweging, maar ook moederlijke bezorgdheid
en liefde zoo duidelijk hoorbaar doorklinken:


    Slaap, kindje, slaap!
    Daar buiten loopt een schaap,
    Het heeft vier witte voetjes,
    Het drinkt zijn melk zoo zoetjes,
    Slaap, kindje slaap!


Of:


    Het heeft zoo'n witte wol
    En 't drinkt zijn buikje vol.


Dit ver verspreid wiegeliedje vinden wij met talrijke varianten in
de verschillende dialekten; zoo b.v. in het Limburgsch:


    Sloap, kieneke, sloap!
    Die vader heuit et schoap,
    Dien moder heuit de bonte koe,
    Kieneke, maak dien eugskes toe,
    Sloap, kieneke, sloap!


Een enkel maal behelst het een ontboezeming:


    Suja, poppedeine,
    't Kindje is nog kleine,
    'k Wou, dat 't kindje grooter was,
    Dat kwam moeder wel te pas.


Een in Twente en op de Veluwe zeer bekend deuntje luidt:


    Suja, suja, kindje,
    't Papje steet in 't spintjen,
    Melkje van de bonte koe,
    Kindje, doe je oogjes toe.


Hoeveel naïeve moederzorg ligt niet in 't Twentsche:


    Suja, suja, lutke wicht,
    Sloape zeute, eugskes dicht.
    Hunnewiêve, 'k zal diê sloan,
    Kumst du biê de huja stoan.


Tot de meest gewone Vlaamsche wiegeliedjes behoort wel:


        Do, do, kinneken, do,
        Slaap en doet uw oogskes toe,
    Hebde geen vaak, ge moet nie slapen,
    Hebde geen honger, ge moet nie gapen,
        Do, do, kinneken, do.


Maar de wiegeliedjes zullen spoedig verdwijnen, nu de bovenkultuur
het wiegen onhygiënisch verklaart. En zal het met de groeiende
beschaving ook niet spoedig verdwijnen, het heerlijk-innige, over
geheel West-Europa verspreide, kindergebed?


    's Avonds als ik slapen ga,
    Volgen mij veertien engeltjes na:
    Twee aan mijn hoofdeind,
    Twee aan mijn voeteneind,
    Twee aan mijn linkerzij,
    Twee aan mijn rechterzij,
    Twee die mij dekken,
    Twee die mij wekken,
    Twee die mij wijzen
    Naar 's hemels paradijzen.


In een spreukenverzameling uit de XVe eeuw wordt het reeds als
oud gebed betiteld; zie hierover o.a. Karl Wehrhan, Kinderlied und
Kinderspiel (Leipzig 1907), bl. 72.

De moeder leert aldra het kind loopen en spreken. De leiband is,
evenals de loopwagen of loopkorf, in de laatste jaren in onbruik
geraakt. Wat het leeren spreken betreft, dient opgemerkt, dat dit
voor een groot deel onbewust geschiedt, maar ten deele toch ook
opzettelijk en volgens bepaalde beginselen: het vaak laten herhalen
van dezelfde klanken of lettergrepen, het vermijden van moeilijke
woorden of klankgroepen, het opzettelijk vervormen van woorden,
het zich aanpassen aan den lettervoorraad van het kind, enz. Zoo
kan men spreken van een voedstertaal, die de volwassenen vormen in
navolging der stamelwoorden van de kinderen. De eigenlijke kindertaal
is psychologisch hoogst belangrijk en heeft het tijdstip van de
ontplooiing der verstandelijke vermogens als grens. Reeds de taal der
kinderkamer is zeer merkwaardig en vormt een opmerkelijke groeptaal,
al is de sociale groep der kinderen op dien leeftijd nog betrekkelijk
onvast. Van bijzonder belang zijn de stamelwoorden, oorspronkelijk
zonder beteekenis, maar waaraan door de volwassenen uit de omgeving
een beteekenis wordt gehecht, als _ada_, _tata, toetoe_ enz., meestal
geredupliceerde vormen, alsmede de bestanddeelen der algemeene taal,
die in den kindermond een eigenaardige verandering ondergaan: _opoe,
botam_, (boterham), _mek_ (melk). Buitenmate rijk is deze periode
tot het maken van opmerkingen van psychologisch-maatschappelijke
aard. Het meest treffend is wel, dat de kinderen het best en het
vlugst van elkander leeren. Zie mijn rede over de Sociale klassieke
Taalkunde (Amsterdam 1912), bl. 14, 15. De kinderrijmpjes bespreek
ik afzonderlijk in het Vijfde Hoofdstuk.

Wordt het kindje grooter, dan neemt moeder het op haar schoot, en nu
mag de kleine huppelen en hossen op de maat van het schootliedje:


        Hop, Marianneke
        Pop, Marianneke
    [of: Stroop in het kanneke]
      Laat de poppekes dansen,
        Een goeie man,
        Een brave man,
    Een man van complaisance.
    Hij roert de pap, hij wiegt het kind
    En laat zijn vrouwke [hondje] dansen.


En dan, welk verrukkelijk genot, paardje te mogen rijden op vaders
of grootvaders knie; in het vlugge rythme hoort men het galoppeeren
van het paard:


    Húp páardje óp een dráf
    Mórgen ís het Zóndág.
    Dán kómen de héerén,
    Mét de bónte kléerén,
    Dán kómen de vróuwén,
    Mét de bónte móuwén,
    Dán kómt de ákkermán
    Mét zijn páardje áchterán.


Elders luidt het:


    Hup, paardje, meulen,
    De koster zit op 't veulen,
    Pastoor zit op de bonte koe,
    Die rijden naar de meulen toe,
    Om een zakje haver,
    Wat zal dat paardje draven,
    Om een zakje mikken,
    Wat zal dat paardje slikken,
    Ja, ja, paardje, draf,
    Morgen is het Zondag.


Vaak ook bezoekt men te paard de plaatsen in den omtrek; men lette
op de afwisseling van drie en vier heffingen:


    Jóe, jóe, jóe,
    Naar Hóorn óm een kóe,
    Naar Álkmaar óm een várkén.
    Zoo ríjden wíj naar Márkén,
    Naar Márken óm een wágén.
    Zoo ríjden wíj naar Schágén,
    Naar Schágen óm een sjées.
    Zoo ríjden wij náar de Bée(t)s,
    Ván de Bée(t)s naar Ákkerslóot,
    Óm een schóotje wíttebróod.


Nu vergelijke hiermee het Vlaamsche:


    Juite, ko, mijn peerdje,
    Naar Iper om e steertje,
    Wilt da peerdje nie zee'der loopen,
    'k Zal 't e vatje met haver koopen;
    Is er t' Iper geene,
    'k Ga van da na Meene;
    Is ze te Meene goeie koop,
    'k Koope der tien of twaalf stoop.


Rupelmonde:


        Juttekave ronde!
    Van Gent noar Derremonde,
    Van Derremonde noar Bevere,
    Om e vat jenevere;
    Van Bevere noar Kalloo,
    Doar eten de pêrekens hoo(i).


Zie De Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust IV, bl. 229
(Wiegeliedjes), 250 (Paai- en Koozeliedjes), 291 (Kniedeuntjes);
Dr. Boekenoogen, Onze Rijmen, bl. 35 vlg., Dr. J. Van Vloten,
Nederlandsche Baker- en Kinderrijmen (Leiden 1894), bl. 12 vlg.

Thans begint het eerste onderricht: voorwerpen der naaste omgeving,
personen, lichaamsdeelen vooral krijgen de beurt, en schertsend
heet het:


    Kinnetje knap,
    Mondje hap,
    Neusje snuit.


Maar vooral wordt aanschouwelijk en verhalend gewezen op het
onderscheid der verschillende vingers:


    _Duimeling_ heeft een koe gekocht,
    _Fikflak_ heeft hem thuis gebracht,
    _Langeman_ heeft hem geslacht,
    _Ringeling_ heeft de worst gemaakt,
    En _Klein Schelmpje_ [met tallooze varianten]
                heeft alles opgegeten!


Te Ieperen kent men den korteren vorm:


    Dumeloot,
    Kattepoot,
    Langerake,
    Korteknape,
    Klein petietje.


Soms wordt de volgorde omgekeerd; aldus in het Hollandsche:


    Pinkie,
    Goûrinkie,
    Langeliereboom,
    Potteschrapper,
    Ketellapper.


Zie hierover Volkskunde XVII, bl. 88 vlg.

Het kindje wordt grooter, de gezichtskring verruimt zich, het verstand
ontluikt, naar alle richtingen steekt het zijn voelhoorns uit, de
sociale groep wordt omvangrijker en bestendiger, en uit den dreumes
groeit een jongen of een meisje. Het onderwijs op school wordt
voortgezet,--machtige, nu eens voortstuwende, dan weer stremmende
faktor in de volksontwikkeling van het kind. De taal is in hooge mate
aan de inwerking van dien faktor bloot gesteld, zij worden tweetalig,
terwijl hun kaste-geest zich treffend in de vele geheime taaltjes
en alfabetten openbaart. Ook de speeldrift komt in haar algeheele
volheid tot uiting in _kinderspel_ en kinderlust.

Een enkel woord over het kinderspeeltuig der eerste periode. Natuurlijk
verandert dit volgens de landstreek en zijn b.v. molentjes, scheepjes
en boeiers in het noordelijk volksgebied heel wat veelvuldiger. Maar
meer nog houdt het speelgoed gelijken tred met sociale en ekonomische
ontwikkeling, met dit gevolg, dat het goedkoope, eenvoudige speelgoed
van vroeger door steeds duurder--maar niet duurzamer!--en ingewikkelder
speelgoed vervangen wordt, waarbij dan tevens de gedachte voorzit,
vooral leerzaam speelgoed te bieden. Men zou haast kunnen zeggen,
dat de kinderen vroeger meer speelden om te spelen, thans meer spelen
om te leeren. Poppen en bouwdoozen hebben zich doorgaans weten te
handhaven, maar vertoonen toch meer raffinement; poppen in nationale
kleederdracht worden zeldzamer. Den boventoon voeren, althans in de
steden, miniatuurspoortreinen, stoommachines, auto's, luchtschepen
enz. Tollen, ballen en hoepels behooren tot de kinderspelen der tweede
periode, tot de jongens- en meisjesspelen. De 183 nummers speelgoed
in het Museum van Folklore te Antwerpen (Catalogus, bl. 23 vlg.) zijn
in dit opzicht zeer belangrijk en leerzaam.

Het heeft den schijn, alsof in de eerste periode meer met het kind
gespeeld wordt, dan dat het zelf speelt. Deze opvatting is onjuist:
het kind speelt intensief lang vóor het niet alleen hoepel en tol,
maar zelfs pop en hobbelpaard heeft leeren kennen. Daar bestaat een
periode van het _hoorspel_, waarin de kleine in de wieg luistergraag
let op den rammelaar, op het kloppen, tikken, spreken, fluiten,
zingen, rammelen van sleutels enz. Spoedig begint dan het kakelen
en schreeuwen, een schreeuwen zonder smartgevoel, alleen om den
speellust te bevredigen. Ook brengt het kind geluiden voort met
papier, sleutels, klapt in de handjes, werpt alle voorwerpen op
den grond om het speelgenot, ze te hooren rollen. Later maakt dit
pleizier in geraas en getier voor welbehagen aan welluidendheid,
voor een fijner hoorspel plaats. Daarnaast het _gezichtspel_. Behalve
het "licht"--en laat de moeder haar kind niet allereerst naar de
"lichtjes" zien?--neemt het slechts bewegingen waar. Daarna speelt
het met den slinger van de klok, met den damp, die opwalmt uit den
ketel, met den kronkelenden rook der sigaar, met de hoekige arm- en
beenbewegingen van den hansworst; en al spoedig wordt dit passieve
spel in een aktief omgezet. Eindelijk het _gevoelspel_, dat men ook
bewegingsspel zou kunnen noemen. Lachen, schreeuwen, kakelen schenkt
den kleine een behaaglijk gevoel, terwijl de organen worden geoefend en
in het bijzonder de spraakwerktuigen smijdig worden gemaakt. Allerlei
voorwerpen worden betast en beknabbeld, als pennehouders, gummi,
rammelaars. Hiertoe behoort ook het trappen op- en afklimmen, kruipen,
glijden enz.

Aldus uit en ontwikkelt zich de vroeg ontwaakte, spoedig werkzame,
zich-zelf vormende en leidende speeldrift. Zij verwekt gevoelens
van lust en welbehagen, die de volwassene met zijn nuchter verstand
niet meer koesteren, zelfs veelal niet meer bevatten kan. Het kind
leeft als in een droomwereld, in een tooverland van fantasie, waarin
ook het stugste en meest bekrompen kind een rijkdom van begrippen,
van spraakvormen, van mimiek en pantomimiek vertoont, die vaak
verwondering wekken. Een groote faktor is de navolgingslust, die de
geheele maatschappij, in het klein, in miniatuurvorm, tracht weer
te geven: soldaatjespelen, schoolspelen, moedertjespelen--waarbij
dikwijls zulke fijnzinnige verschuiving der voorstellingen plaats
vindt--ja zelfs begrafenisspelen behoort tot de geliefkoosde thema's
(zie beneden). De voornaamste spelen zijn van socialen aard en worden
door de gemeenschap uitgevoerd, die al vrij dikwijls òf de jongens,
òf de meisjes afscheidt: zoo vindt ook reeds in het spel de neiging
tot differentiatie haar uiting, en met name de tegenstelling der
beide geslachten wordt met het jaar scherper.

De grootste tijdsruimte der jeugd wordt ingenomen door het spel. Het
is veelsoortig, omdat ook de latere menschelijke werkzaamheid zoo
veelsoortig is. Het spelen van het kind is reeds berekend op het
handelen van den man: het is een voorschool van het leven.

Over den oorsprong van de spelen kan ik kort zijn. Men heeft dien
in Indië, in Griekenland, te Rome en waar al niet gezocht. Het
bikkelspel vindt men vermeld bij Homerus (Ilias XXIII, 88); het
kiskassen,--waarbij gladde, platte steentjes, tusschen duim en
voorsten vinger gevat, beurtelings strijkend en opspringend over een
watervlakte vliegen--wordt merkwaardig overeenstemmend beschreven in
het _Onomasticon_ van Julius Pollux en in den _Octavius_ van Minucius
Felix. Maar hier is geen sprake van navolging of gemeenschap van
oorsprong, tenzij men als zoodanig de algemeene kinderlijke speeldrift
wenscht te beschouwen. Dit neemt niet weg, dat enkele kinderspelen
van elders komen, of op eigen bodem, gedurende eeuwen, van geslacht
op geslacht zijn overgegaan, zoodat zij nog maatschappelijke vormen
bewaren, welke de maatschappij der volwassenen reeds lang heeft
afgelegd. Ook in de bijbehoorende rijmpjes kan menig overleefsel
besloten liggen. Zoo is in vele aftelrijmen sprake van "Engelland",
"naar Engelland varen": hiermee wordt bedoeld het zielenrijk, het
Oudgermaansche hemelsche lichtland.

Niemand heeft grondiger en vollediger, en tevens met meer toewijding de
kinderspelen onderzocht dan De Cock en Teirtinck in hun standaardwerk:
Kinderspel en Kinderlust, 8 dl. (Gent 1902-1908); zie verder Ter Gouw,
De Volksvermaken, bl. 28 vlg.; Heuvel, Volksgeloof en Volksleven,
bl. 412 vlg.; Waling Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven I, bl. 225
vlg. Kinderspelen, die met speelliedjes gepaard gaan, bespreek ik in
het Vijfde Hoofdstuk.

Men heeft dikwijls de meening geuit, dat de verschillende spelen
geregeld en op gezette tijden in de verschillende jaargetijden
terugkeeren. Dit blijkt slechts ten deele juist. Een groot aantal
spelen is noch aan maanden, noch aan jaargetijden gebonden. Met de
auteurs van Kinderspel en Kinderlust nemen wij bij de rangschikking
als grondslag den aard van het spel zelf. En zoo onderscheiden
wij, vrijwel in overeenstemming met hun indeeling: loopspelen,
springspelen, dansspelen, werpspelen, ambachtspelen, raadspelen,
schommelspelen, knikkerspelen, tolspelen, hoepel- en vliegerspelen,
sneeuw- en ijsspelen.

Loopspelen. Het _steltloopen_ was reeds bij de Grieken en Romeinen
bekend. Vroeger hadden op verscheidene plaatsen gevechten op stelten
plaats; thans verbindt men hier of daar nog het soldaatjespelen
met het stelten loopen. In Vlaanderen spreekt men van _schaatsen_
en _krikken_.--Zeer algemeen is het _krijgertje-spelen_, op
de eilanden van Zuid-Holland ook wel _Jaagje-spelen_, elders
_haarvaartje-spelen_, Limb. _naloopertje-spelen_, België meestal
_katje-jagen_ geheeten.--Overoud is het _boompje-verwisselen_ of
_stuivertje-wisselen_, in België meestal _vierhoeken_ genoemd. Van
de vijf spelers houden vier een hoek, een boom, een paal b.v. bezet,
terwijl bij het wisselen de vijfde moet trachten, een der vrij komende
plaatsen in te nemen. Te Zaandijk roept men, als men met een ander
van plaats wil verwisselen: "Wip hem, soldaatje." In Limburg: "Eeder
van zien alt-alt iêzer aaf." Vergelijk hiermee het Brunswijksche:
"_Iser_männeken, hat kein stänneken, kann kein stänneken finnen." Laat
ik verder noemen het _haasje_- en _blindemannetje-spelen_, wat
dikwijls met rijmpjes gepaard gaat. Overal bekend, en een echt
jongensspel is het _baarspel_; de speelplaats is door twee lijnen
of _baren_ in twee kampen, met een gevechtsterrein daartusschen in,
verdeeld. Wie geraakt (_getakt_) wordt, is krijgsgevangene; hij moet op
de baar staan, maar kan door zijn partijgenooten verlost worden. Het
_verstoppertje-spelen_ heeft tallooze varianten; ik vermeld slechts
het Limburgsch _bergermuuske-speulen_, het Zaansche _honk-uit_, het
Geldersche _piepverstoppen_. De _honk_ is de vrijplaats, die bij deze
spelen gewoonlijk wordt afgebakend of aangewezen. Een mythologischen
ondergrond meent Dr. Boekenoogen (Navorscher 1891, bl. 107 vlg.) te
kunnen waarnemen bij het spel van _den wolf en liet schaaf_, in
Friesland _de zwarte leider_ of _de ruige wolven_ genoemd. Aan de
Zaan luidt de tweespraak tusschen den leider en den wolf als volgt:


    Wolf.--Herder, laat je schaapjes gaan!

    Herder.--Ik durf niet.

    Wolf.--Waarom niet?

    Herder.--Van den ruigen wolf niet.

    Wolf.--De ruige wolf is gevangen
            Tusschen twee ijzeren tangen,
            Tusschen zon en maan,
            Herder laat je schaapjes gaan!


De dikke, ruige wolf, gevangen tusschen zon en maan, zou Fenrir, de
zoon van Loki zijn, die in wolfsgestalte de Asen vervolgde en eindelijk
gevangen en tusschen twee rotsen werd vastgeklemd. Waarschijnlijker
gaat dit spel rechtstreeks op een sprookje terug; maar heeft dit
sprookje zelf geen mythologischen grondslag?

Springspelen. Bij het _haasje-over_ springen tracht elk speler op beurt
over al de andere, die voorovergebogen staan met de handen op de knie,
heen te springen; bij het _bok-sta-vast_ staat een jongen met den rug
tegen een muur, een tweede legt het hoofd in diens gevouwen handen in
gebogen houding en een derde, een vierde enz. staan, den rug biedend,
tegen hem aan. De beste springer wipt nu over hem heen, zoo ver hij
kan, dan volgen de anderen. Het _hinkspel_ wordt meer door meisjes
dan door jongens gespeeld. Op den grond trekt men een bepaalde figuur
met verscheidene vakken en de speler moeten nu het hinkhout van het
eene vak naar het andere voortschoppen. Het voorlaatste vak heet
in België meestal _helle_ of _halve hemel_, het laatste _hemel_;
in Baden heet het voorlaatste _Ruhe,_ het laatste _Himmel_.

Dansspelen. Zoowel bij het eenvoudige dansen, als bij het
_ronde-dansen_, het _reidansen_ en het _touwtjespringen_ wordt een
groote verscheidenheid van speelliedjes gezongen, te behandelen in
het Vijfde Hoofdstuk.

Werpspelen. Het kiskassen kwam reeds ter sprake; andere benamingen
zijn: _stipstappen, botjes-schieten, briezelen, dopperen, keilen,
kietelen, schiffelen (schievelen_) enz. Insgelijk zeer oud schijnt het
_boeren (boer-pas-op_), waarbij een kleine steen, de _boer_, volgens
bepaalde regels, van een grooteren moet afgeworpen worden. Het Friesche
_tipelen_ geschiedt niet een kort stokje, dat aldus op een steen wordt
gelegd, dat men het kan doen opspringen, door er met een langer stok op
te slaan. Of wel, het korte stokje wordt over een kuiltje gelegd en met
den langen weggeslingerd; de tegenpartij tracht dan het vliegend stokje
op te vangen. Ook in Groningen kent men dit spel, zie Driem. Bladen IX,
bl. 63. Aan de Zaan heet het _puntelen_ of _priegelen_, in Hollandsch
en Belgisch Limburg _pinkelen_, terwijl de algemeene Belgische benaming
_anjelus-spelen_ is. Veel varianten biedt ook het _op-de-streep-gooien_
met centen of knoopen, van de _meet_ af naar een andere lijn, de
_schreef_; België: _overschieten_, Limburg: _steken_, Zaan: _botten_,
Friesland: _opsmijten_, Gelderland: _pleien_. Maar merkwaardiger is het
overal bekende _kruis-of-munt-spelen_, vooral wegens de verschillende
benamingen der beide zijden van het muntstuk; zoo b.v. Zuid-Limburg:
_haan_ of _plaat_; Antwerpen en Vlaanderen: _kop_ of _letter_;
Leeuwarden: _kop_ of _luw_; Gelderland: _menneken_ of _letterken_;
Vriezenveen: _meunte_ of _misse_; enz. Het Vlaamsche _teppeke-schieten_
heet in Limburg _stöpke-schieten,_ en aan de Zaan _tukkelen_.

Balspelen. De _kaatsbal_ is in Noord-Brabant onder den naam van
_kwatsbal_, in Hollandsch Limburg onder dien van _prikkebal_, in
de Kempen als _pakkebal_ bekend. Bij het gewone kaatsspel staan
gemeenlijk vijf spelers in elk kamp; de bal wordt opgeslagen en de
tegenpartij tracht hem te keeren.--Ook maakt men vaak zooveel kuiltjes
als er spelers zijn. Elk speler tracht een bal in een der kuiltjes
te werpen; en nu is het de taak van den speler, in wiens putje de bal
terecht komt, den bal te grijpen en een der wegvluchtende spelers te
treffen. Hij, die geraakt wordt, krijgt een steentje in zijn kuiltje,
en eveneens als de achtervolgende speler met werpen mist. In plaats van
kuiltjes bezigt men dikwijls een hoed of pet, hetgeen invloed heeft op
de benaming. De gewone straf is, dat men door de _roffel_ (de _brits_,
de _spitsroe_, de _kordons_, de _stommeling_) loopen moet.--Een zeer
aangenaam spel, met veel afwisseling, maar dat zelden meer gespeeld
wordt, is het _beerhoeden,_ waarbij een der spelers een grooten bal
in het grootste kuiltje tracht te drijven, hetgeen de andere spelers,
die hun kleiner kuiltjes hoeden, met hun stok trachten te beletten. In
Noord-Brabant noemt men dit balspel _killen_, in België doorgaans
_zogdrijven_ of _zogspelen_, zoo ook plaatselijk in het Oosten van
ons land en in Limburg, b.v. te Doenrade, waar evenals in België de
_zogput_ bekend is. _Raket-_ en _kolfspel_ zijn voldoende bekend.

In het _bikkel_- of _pikkelspel_ kan men twee spelen onderscheiden:
een meisjesspel, het eigenlijke _bikkelen_, en een jongensspel,
ook wel _kooten_ geheeten. Het speeltuig verschilt insgelijks: dat
der meisjes is de schaapskoot, terwijl de jongens bij hun spel de
kooten der koeien gebruiken. Er bestaat een groot aantal benamingen,
en wel voor den bikkel zelf, alsmede voor de vier verschillende
zijden. Terwijl nu bij het meisjesspel tijdens het opspringen van
den stuiter of bal de bikkels moeten omgekeerd of opgenomen worden,
wordt bij het kooten--een specifiek Noord-Hollandsch spel--door de
spelers met een koot (of _klauw_) naar een rij knikkers gegooid;
zie Boekenoogen, De Zaansche Volkstaal, _sub verbo_; Terwey, Taal en
Letteren III, bl. 47.

Al deze spelen dreigen verdrongen te worden door het uitheemsche
_voetbal-, korfbal-, lawn-tennis-, cricket_- en _croquet_spel.

Balspelen. Het bekende _kegelen_ noemt Ter Gouw "den aanval op een
_bataillon carré_, met den bevelhebber in 't midden, wien men voorkeur
poogt te treffen." Vroeger was het ook in Holland vrij algemeen;
thans wordt het meestal in Vlaanderen, Noord- en Zuid-Brabant en
Zuid-Limburg gespeeld. De _koning_ heet te Brussel _de dame_, elders
_de paap, de pee, de zot_ enz. Het _beugelspel_ is in Noord-Brabant en
Noord-Limburg inheemsch, een zeer hygiënische oefening, die bij goede
spelers heel wat vaardigheid en kombinatiegave vereischt. Soms dagen
enkele beugelbazen de spelers van een ander dorp uit. Na bepaald te
hebben, wie de strijders zijn, en hoeveel partijen zullen gespeeld
worden, begint de wedstrijd. Winnen de uitdagers, dan worden de
_slagers_ der tegenpartij meegenomen en men spreekt af, wanneer de
verliezers revanche zullen nemen.

De ambachtspelen berusten hoofdzakelijk op den besproken socialen
lust ter navolging of nabootsing. Ik vermeld het bakker-,
kleermaker-, schoenmaker-, weverspelen; paardenbeslaan- en
koetsierspelen; kruiwagen-rijen; huisjes en ovens bouwen in het zand;
tuintjes-aanleggen; _zage-zage-menneke_, met bijbehoorend speelliedje;
botermelk-verkoopen; winkeltje-spelen; schoolspelen; altaarprocessie-
en kerkhofspelen; soldaatje-, muzikant-, rechtbank-spelen. Dikwijls
zijn verscheidene bedrijven in éen spel verbonden en spreekt uit
handeling en dialoog heel wat dramatische kracht. Meisjes spelen
graag moedertje met de pop; over het bruidje-spelen zie 't Daghet in
den Oosten XIX, bl. 42. Zeer typisch is ook de neiging om gebreken
na te doen, vooral scheel-kijken en mankepoot-spelen.

Raadspelen. De eenvoudigste vorm is deze, dat een kind éen of meer
knikkers (centen enz.) in de dichtgeknepen hand houdt, deze vooruit
steekt en laat raden: _paar of onpaar?_ Raadt men juist, dan zijn
knikkers of centen verbeurd; anders ontvangt het kind evenveel van
zijn speelgenoot. In West-Vlaanderen vraagt men: _effen of ontjes_
(oneffentjes); in Friesland: _even of on_; Amstelland: _onkes of
evekes_; Zaanstreek: _onk of eef_; Limburg: _paar of omp_; Gelderland
en Overijssel_: paar of ompert_. Als algemeen Nederlandsch geldt:
_even of oneven_. Het _omsteken_ is meer algemeen, n.l. door het
vooruitsteken van de hand en het raden naar den inhoud bepalen,
wie van de twee spelers iets hebben zal, wie met iets beginnen mag enz.

Van andere spelen vormt het raden een belangrijk bestanddeel,
b.v. van _Hansje-mijn-knecht_ (Groningen, Deventer, Friesland),
dat vrijwel met het Vlaamsche _goud-verkoopen_ en _koleuren-geven_
overeenkomt. Eén fungeert als heer, verkooper enz., éen of twee zijn
dienstbaar (knecht, engel enz.), de andere kinderen krijgen een
bepaalde kleur, of verbeelden een voorwerp, als: gouden halsband,
zilveren kurk, juweelen ring. De dienaar moet kleur of voorwerp
raden en mag het kind dan meenemen. Zijn er twee dienaren, dan vormen
zich twee kampen, en het spel eindigt met _lijntrekken_, dat ook bij
andere spelen als finale dient: de partij, die over de lijn getrokken
wordt, verliest. Het Vlaamsche kleurenspel is typisch dramatisch;
het beeldt uit den strijd om de ziel tusschen engel en duivel in het
Laatste Oordeel.

Van de zoekspelen is het _slofje-onder_ wel het meest bekend. Hierbij
wordt een slof onder de kniëen van de spelers doorgeschoven, die in
een kring op den grond zitten. Te Zaandijk roept degene, die de slof
heeft, terwijl hij daarmee op den grond klopt, om den zoeker (die
"er aan" is) te waarschuwen:


    Herrie, herrie, herrie!
    Slof-slof-slof.


Elders heet het _schoentje-schuiven_, te Antwerpen _schoentje-lap_;
in het buitenland is dit spel eveneens zeer verspreid (_jeu de la
savate. Pantoffel sunchen_).

Ook de orakelspelen kunnen bij deze groep gerangschikt worden. Zal
ik trouwen en met wie? Dat wordt op een strengetje koralen afgeteld:
edelman--bedelman--dokter--burgemeester--koning--generaal enz.--Hoe
ben ik in het bezit van jas of vest gekomen? Dat wordt op de
knoopen afgeteld: geholen--gestolen--gevonden-- gekocht (Limburg);
gekocht--gevonden--gestolen--g'had (Vlaanderen); enz.--Waar zal ik na
den dood belanden? Weer doen de knoopen dienst: hemel--hel--vagevuur.

Schommelspelen. De eenvoudigste schommel is een boomtak, bij voorkeur
een buigzame wilgetak. De knaap tracht hem te grijpen, laat er zich
aan hangen en een makker brengt hem in een schommelende beweging. Een
andere natuurlijke schommel is de wipplank; het spel heet in de
Kempen _kwikkwakken_, in het Geldersch-Overijsselsche _wibbelen_,
op de Veluwe _wipperwappen_, algemeen _wippen_. Het eigenlijke
schommelspel veronderstelt een koord, met of zonder zitplank. De
Noord-Brabantsche benaming, die ten deele ook voor Antwerpen en
Brabant geldt, is _sturen_; in Limburg heet het spel _schokken,
schokkelen, sjokkelen, joekelen_ (Kessel), _varen_ (Venloo); elders
_bijzen_ (Geeraardsbergen enz.), _rennen_ (Brugge), _rijtakken_
(Kempen), _roesjen_ (Ninove enz.), _ruilen_ (Deventer), _talteren_
en _tiltalteren_ (Noord-Nederland) enz. Maar hierover nader bij
de speelliedjes.

Knikkerspelen behooren tot de meest geliefde jongensspelen. Men
heeft drie soorten van knikkers: 1. De gewone zuiver-ronde,
grijs-blauwe knikker, uit een soort kalksteen vervaardigd: _knikker,
marbel_ (België), _estrik_ (Overijssel), _huuf_ (Zuid-Limburg),
_kuls_ (Noord-Limburg), _knar_ (Zaanstreek). 2. De "knikker" (in
Noord-Nederland maakt men geen verschil) uit gebakken potaarde en
geelbruin van kleur; hiervoor is de gewone Belgische benaming
_knikker_, verder: _klits_ (Zuid-Limburg), _gepotsiemelde_
(Venloo enz.), _pottebakker_ (Noord-Nederland). 3. De grootere,
schoonere knikker, insgelijks gebakken en zeer hard: de _stuiter_ of
_stuitknikker_; met tallooze plaatselijke benamingen, b.v. _bolket,
bonket_ (Vlaanderen), _kalebas, alikas_ (Westzaan, Assendelft,
Waterland, Vlaardingen), _lavoor_ (Aalst) enz.

Het knikkerspel is niet alleen in Europa, maar over de geheele
wereld verspreid. In het Oosten is het algemeen. Men mag het ook als
praehistorisch beschouwen, daar men de kleine, bontgeverfde steentjes,
in de Oostfriesche urnen gevonden, gereedelijk als knikkers beschouwen
kan; zie R. Andree, Ethnographische Paralellen und Vergleiche
(N.F. Leipzig 1889), bl. 92 vlg.

Men heeft vooreerst knikkerspelen, waarin _geschoten_ wordt. Het
schieten is niet iedermans werk. Een goed schieter klemt den knikker
tusschen den top van den wijsvinger en het eerste lid van den duim,
terwijl slechte schieters hem tusschen den nagel van den duim en
het derde lid van den wijsvinger klemmen. Ook mag men de hand niet
vooruitsteken op het oogenblik, dat men den knikker wil loslaten: een
goed schieter houdt de hand onbeweeglijk, en alleen de duim ageert. In
vele spelen moet de knikker van den speler den anderen raken; in
andere niet: dan wint de speler, als hij den afstand tusschen de twee
knikkers kan _overspannen_ of _overpalmen._ Het schieten gebeurt of
wel achtereen, of men schiet ingezette knikkers uit een kring; of
er wordt kuiltje-geschoten (_putje, poet_).--In een andere groep van
spelen wordt geworpen: de speler werpt met éen knikker, meestal een
stuiter; ook wordt deze wel eens langs den grond voortgerold.--In een
derde soort wordt met de knikkers tegen een muur gestuit, _gebot_ of
_gebotst_: de knikker van den tweeden speler moet, na den muur geraakt
te hebben, den knikker van den eersten speler raken of zoo dicht bij
hem liggen, dat hij hem kan spannen. Verder worden de knikkers soms
gerold: het bekende _kuiltje-rollen._ Rolt de speler een paar getal
in het kuiltje, dan zijn de knikkers zijn eigendom, anders zijn zij
de winst van de tegenpartij. De knikkers worden ook veelal in het
kuiltje _gestuikt_. Voor het overgroot aantal benamingen en alle
verdere bijzonderheden verwijs ik nogmaals naar het werk van De Cock
en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust; over dialektische uitdrukkingen
in het Venloosche knikkerspel, zie Limburg's Jaarboekje XX, bl. 161.

Tolspelen. De meest gebruikelijk Hollandsche benaming is _tol_, België
_top_, een woord, dat ook in Holland, Drente en Friesland gevonden
wordt. Hiernaast komt voor: _priktol_ in Nederland, _pindop_ in
België, _dop_ in Nederland en België. Het woord _drieftol_ vindt men in
Nederland benoorden het Noordlimburgsche Afferden; de Zuidlimburgsche
benaming voor den drijftol is _kokerel_, met talrijke varianten. De
gewone wijze van tollen met den werptol is deze: de speler neemt den
tol in de linkerhand, legt het dunnere uiteinde der koord eerst om de
pin, draait dan de koord spiraalvormig om het hout, klemt het dikkere
uiteinde tusschen pink en ringvinger, heft de hand boven het hoofd
en trekt af. De tol komt op den grond terecht en draait om zijn as;
men kan hem nu op de hand wippen en laten doordraaien. De drijftol
wordt aan het draaien gebracht of gehouden door een zweep. Van de
verschillende samengestelde tol-spelen vermeld ik het _potje-tollen,_
Friesch: _top-dikeljen,_ Belgisch: _oken-kappen._ Men trekt op de
speelplaats een kring. Een der spelers zet uit, d.i. laat zijn tol
binnen den kring ronddraaien. Nu tracht een ander dezen tol met
den zijnen zoo te treffen, dat beide ver weg spatten. Gelukt dit,
en geraakt daarbij de treffer van het gaan af, dan is de eigenaar
verplicht, zijn tol binnen den kring te leggen. Deze wordt nu het
mikpunt van alle anderen en alle tollen, die hierbij van het gaan
af raken, moeten binnen den kring gelegd worden. Zie Dijkstra, Uit
Friesland's Volksleven I, bl. 234.

Hoepel- en vliegerspelen. De _hoepel_ is van hout of van ijzer en
wordt door middel van een stok voortgedreven. Hij heet _bandel_ van
af het Noordlimburgsche Afferden tot in Gelderland en Overijssel,
_bendel_ in Noord-Brabant, _reep_ in Antwerpen, Noord- en Zuid-Brabant
en Oost-Vlaanderen, _reip_ in Hollandsch en Belgisch Limburg, _band_
in Oost- en West-Vlaanderen.

De _vlieger_ moet meer lang dan breed zijn, b.v. 70 centim. lengte
op 40 centim. breedte; ook dienen de twee vleugels even zwaar
te wegen. Eerst maakt men het geraamte: lat en stokje, met koord
bespannen en met papier overtrokken. Dan bevestigt men het lange
touw, waarmee de vlieger wordt opgelaten, en hecht aan het onderste
deel van den vlieger den staart. Dan gaat het naar buiten, waar het
waait, maar niet te hevig mag de wind zijn. Men ontrolt een deel van
het touw en loopt terzelfder tijd tegen den wind in. Dan zweeft de
_vlieger_ omhoog, als een _vogel_, zegt men in Hollandsch en Belgisch
Limburg, als een _draak_, meent men in Friesland en Vlaanderen, als
een _ballon_, heet het in Kempen. Men kan hem een brief nasturen,
door op het koord doorboorde papierschijfjes te steken: deze worden
dan door den wind omhoog gevoerd.

Sneeuw- en ijsspelen. Het _glijden_ is een geliefkoosd winterspel:
_baantje-slieren,_ zegt men in het Land van Waas, _rijzen_ in Brabant,
_slabrikken, slidderen, slibberen_ in Hollandsch en Belgisch Limburg en
in Antwerpen. Hierbij kan men den eenen voet achter den anderen zetten,
of beiden naast elkaar; ook kan men zich onder het glijden op de
hurken zetten of andere kunststukjes vertoonen. Het _schaatsenrijden_
is veeleer mannen-, dan kinderspel. Het Vlaamsche woord voor schaats
is _schaverdijne_, het Brabantsche (en ten deele Belgisch Limburgsche)
_schrikschoen_, d.i. loopschoen, vlg. het Middelnederl. _scricken_
"met groote passen loopen", _schrikkeljaar_ "springjaar". Zooals
bekend, onderscheidt men hard- en kunstrijders. Op éen been rijden en
't lichaam naar die zijde sterk doen overhellen, heet _de buitensnee
trekken_ of _buitenbeens_ rijden; beurtelings de beenen overeen
leggen, noemt men _overleggen_. Het voornaamste voertuig op het
ijs is de _slede_. De gewone slee wordt voortgetrokken, terwijl de
_prikslee_ met prikstokken wordt voortgestooten en beantwoordt aan
den Belgischen _ijsstoel_. Tot de groep der baksleeën behoort de
Venloosche _boonebak_.--Van de sneeuwspelen noem ik nog het met
sneeuwballen werpen en het sneeuwmannen maken. Dit laatste werd
eertijds zelfs door de kunstbroeders van St. Lukas beoefend.

Toevoegsel. 1. De laatst besproken spelen behooren tot die groep, welke
een nadere betrekking aanduidt van het kind tot de natuur. Hiertoe
behoort ook een eigenaardig vuurspelletje, waaraan ik ten slotte een
enkel woord wil wijden. Weinig spelletjes zijn zoo algemeen verspreid
als ons _Lutje (Jutje) leeft nog_: een glimmende lucifer of spaan
gaat van hand tot hand; hij, in wiens hand de laatste vonk uitsterft,
verliest, en moet pand geven of "op Lutjes welvaart drinken". In
België heet het spel: _Djilleke leeft nog_, of _Gilleke leeft nog_,
te Denderbelle _Zielke leeft langst_, in Limburg _Vonkje leeft nog_,
vgl. het Duitsche _Der kleine lebt noch_ of _Stirbt der Fuchs, so gilt
der Balg._ Het Brunswijksche _Lütche funke lêwet noch_ herinnert aan
de Noordnederlandsche uitdrukking. In het Fransch luidt de spreuk:
_Petit bonhomme vit encore_, in het Provençaalsch _Monnet-viou:_
zie Mélusine I, bl. 170; II, bl. 429. Het spel is ook in Spanje en
in Engeland bekend, ja heeft een variant in Siberië: daar gaat een
brandend hout van hand tot hand; wie het laat uitgaan, moet als boete
voor de anderen een dans uitvoeren.

2. In hun spelen en spelend met elkaar omgaan bezigen de kinderen niet
zelden formules en spreekwijzen, die herinneren aan oude, uitgestorven
rechtsbegrippen en rechtshandelingen; Gaidoz en Rolland noemen dit:
"le folklore juridique des enfants". Het vindingsrecht is bij hen
nog volop in zwang. Te Hamme (Z.-B.) vraagt de vinder:


    Wie is er iets verloren
    Van achter op den toren?
    Wie is er iets kwijt
    Van achter op den dijk?


En antwoordt een der kinderen "ik", dan dient hij het voorwerp
wel degelijk nauwkeurig te beschrijven, om het verlorene terug te
krijgen. Wordt het niet opgeëischt, dan grondt de vinder zijn recht
op de spreuk:


    Die vindt, die houdt.


Vinden twee kinderen een voorwerp te gelijk, dan is het zaak, het eerst
de geijkte formule uit te spreken, om het eigendomsrecht te erlangen;
ook dient de formule onder het oprapen te worden uitgesproken.--

Het schenkingsrecht heeft als hoofdbeginsel: "eens gegeven, blijft
gegeven". Ook het ruilrecht doet zich gelden, in zoover elke
ruilhandeling vergezeld gaat van een rijmpje of formulier, dat ze
bekrachtigt en onherroepelijk maakt. De ruiler wordt met de hel
bedreigd, als hij zijn woord breekt:


    Kuutje-buutje [ruilen] snel,
    Dreimoal deur de hel;
    Op trap, trap neer,
    Elk zien ijgen goud [goed] weer.


Aldus in de Groningsche volkstaal: Molema, Wörterbuch der Groningschen
Mundart (Norden u. Leipzig 1888), bl. 232. Zie verder De Cock,
Volkskunde XV, bl. 193; XVI, 54, 151, waar nog uitvoerig de kindereed
besproken wordt: "Mijn kop af"; enz.

De eerste _schooldag_ is een gewichtig moment in het leven van het
kind. De kinderen verheugen zich op dezen dag, want in en buiten
school wordt hun de eerste schrede op den weg der kennis en wetenschap
niet zelden in den letterlijken zin des woords verzoet. Over de
schoolfeesten, met name over den Gregoriusdag en het feest der
Onnoozele Kinderen, werd reeds gesproken. Feestdag was voorheen,
en wellicht nog hier of daar te platten lande, de verjaardag van
"Mijnheer"; maar de dagen, waarop bij die gelegenheid een schoolklucht
gegeven werd met menigen raken zet, behooren overal reeds lang tot
het verleden.

Over het algemeen heeft het gemoedelijke der oude scholen, toen
de meester meer vaderlijk met de kinderen omging, voor het meer
saai-officieele de plaats geruimd; dit hangt natuurlijk met den
vooruitgang der maatschappelijke en wetenschappelijke ontwikkeling,
maar toch ook wel met begripswijziging over de vorming van het kind
samen. Prijsuitdeelingen, waar ouders en kinderen zich in plechtgewaad
heen begaven, zijn nog slechts uitzonderingen. De nieuwjaarsbrief
wordt veelal nog op school opgesteld.

Aan het slot dezer periode (van 6-12) stond nog kort geleden de
plechtige _eerste-Kommuniedag_ voor de katholieken; in het noordelijk
volksgebied spreekt men meestal van het _aannemen_, overeenkomstig de
uitdrukkingen, gebezigd in de protestantsche kerken. Het _aangenomen
worden, lidmaat worden_ of _belijdenis doen_ bij de protestanten,
een toelating tot het genot van het heilige avondmaal en besluit van
het katechetisch onderwijs, heeft echter in den regel eerst op den
leeftijd van om en bij de twintig jaar plaats. In katholieke streken
was de Eerste-Kommuniedag een familiefeest in den goeden zin van
het woord. Eenige dagen te voren ging in de Oostvlaamsche dorpen de
"eerste-kommunikant" aan peter en meter een "kruisken vragen"; en
algemeen was de gewoonte, onmiddellijk vóor de plechtigheid de ouders
om hun zegen te vragen en om vergiffenis. In feeststoet togen dan de
kinderen, de jongens in stemmig zwart, de meisjes als bruidjes in het
wit en met een bloemkrans getooid, onder de begeleidende tonen der
muziek kerkwaarts. Op enkele plaatsen in Limburg, b.v. te Venloo,
droegen de kommuniekinderen _pelmkes_, d.i. oleander-, laurier-
of hulsttakjes, met goud- of zilverblad belegd, al naar gelang de
sekse. Meestal had ieder zijn _paar_. Een familiemaal, afzonderlijk
of "paarsgewijze" gehouden, besloot dezen merkwaardigen dag, voor de
meesten een blijde herinneringsdag.

Nu zijn jongens en meisjes kind-af; immers "zij hebben de
kinderschoenen uitgetrokken en aan de kerkdeur laten staan".



II. Liefde en huwelijk.


_Minnen en werven_. Het woord _minnen_ is niet aan de volkstaal
ontleend. Deze kent noch (_be_)_minnen,_ noch een stamverwant, woord
van het Hoogduitsche _lieben_, maar slechts slappe omschrijvingen
als: _goed mogen lijden, liefhebben_ of _hebben, gaarne sien_
enz. Daarentegen is aan woorden en wendingen, die het begrip "vrijen",
of ook een ruweren vorm van minnen en liefkoozen uitdrukken, geen
gebrek.

Bij verscheidene gelegenheden trachten de jonge meisjes door
liefdesorakels den sluier der toekomst op te lichten, met name op
Sint-Thomas-, Sylvester- en Paaschdag; over het _schoenwerpen_ is
reeds gesproken (bl. 123); op Nieuwjaarsnacht ziet men den geliefde
in den spiegel. Van de Middeleeuwsche minnedrankjes en sympathetische
toovermiddelen zijn nog slechts zwakke overleefsels overgebleven,
allereerst de zegswijze: "een minnedrankje ingenomen hebben". Van
de thans nog bestaande liefdeverwekkende middelen vormen de haren,
nagelknipsel, zweet en bloed de hoofdbestanddeelen. Naar men weet,
vindt men overeenkomstige gebruiken bij de volken met lage kultuur. Ook
bezigt men te dezen einde valeriaan en wilde alsem, in den zak of
op het lijf gedragen; zie Volkskunde XI, bl. 242; XII, bl. 62, 136,
242; XXIV, bl. 51. Daarentegen dient het leggen van _nestelknoopen_,
knoopen in een riem of veter, om andermans huwelijksgeluk te
bederven. Het is een overoud sympathetisch toovermiddel, waaraan
dezelfde volksvoorstelling ten grondslag ligt, als aan de voorzorg,
gedurende de trouwplechtigheden geen knoopen in de kleederen te
hebben.--Ook versmaadt men niet, bij waarzegsters en kaartlegsters
te rade te gaan; en eindelijk, het bloemenorakel speelt nog steeds
een voorname rol.

Droomt men van een huwelijk, van een bruiloft, dan heeft men
een doode te wachten. Men kan dit volksgeloof door de algemeene
"droomverklaring door omkeering" uitleggen en vergelijken met het
droomen over geld, hetgeen armoede, over omhelzing, hetgeen verraad
beduidt. Deze verklaring wordt ons aan de hand gedaan door Tylor,
die bij de Zoeloe's zulke droomverklaringen waarnam, verwekt door een
streven, zich tegen dwaling te beveiligen; want de Zoeloe's hadden
vaak ondervonden, dat hun droomen zich niet verwezenlijkten. Nochtans
geloof ik hier nog een anderen faktor te zien. Telkens en telkens
weer openbaart zich in het volksgeloof de schrijnende tragiek van
het leven met zijn gedurige wisseling van lief en leed. Een verdere
overeenkomst tusschen de huwelijks- en begrafenisgebruiken is deze,
dat beide in betrekking staan tot de zielen der afgestorvenen, vooral
van de voorvaderen.

Men moet zijn dochters vroegtijdig uithuwelijken; "dochters en doode
brasems moet men niet lang bewaren," meent het volk, en trouwens
"wie dochters heeft, is altijd herder," en "een huis vol dochters
is een kelder vol zuur bier." Heeft de jonge dochter drie kruisjes
achter den rug, dan komt zij "op Sint-Anna's schapraai" (Limburg:
_schaap_), of -bankske, of -kapelleke. In Vlaanderen kent men nog
"het schipken van Sint-Annuit", wat waarschijnlijk op een verwarring
berust. Dan zegt men, dat "Hein-van-pas maar niet wil komen," of "dat
haar vent te Wachtebeke woont." Intusschen gebeurt dit op het land
vrij zelden, immers "daar is geen potje zoo scheef, of er past wel
een dekseltje op," en ook is "geen schip zoo oud, of 't doet nog wel
eens een reisje." Algemeen wordt het gelaakt, wanneer slechts "het
geld getrouwd wordt"; niet zelden trouwt men echter in de familie,
"opdat het geld bij elkaar blijve."

Oudtijds kende men _vrijstermarkten_, en vooral die van Schermerhorn
was bekend. Boerenzoons, die graag een meisje wilden kiezen, bestelden
"koopdag" in _De Valk_, en lieten dit door den dorpsomroeper bekend
maken. De trouwlustige meisjes togen dan naar de herberg, waar de koop
gehouden werd. Een andere soort van vrijstermarkt was slechts voor
't kermishouden ingesteld, al had deze dan ook meermalen een huwelijk
ten gevolge; en hiertoe behoorde de Schagermarkt. Veel overeenkomst
hiermee vertoont het gebruik op eenige dorpen van Noord-Holland, dat de
meisjes zich des Zondags na kerktijd neerzetten op het muurtje van het
kerkhof, wachtende tot er een gezel komt, die haar zal uitnoodigen,
om te zamen ter herberg te gaan; en eveneens de _Maartekeur_ te
Lochem en te Borculo op een marktdag in Maart, met het oog op de
aanstaande Meimarkt. Dan staan de boerinnetjes in een lange rij over
de geheele lengte van het plein en worden met rood of wit krijt op
den rug gemerkt. Zie hierover vooral J. H. Scheltema, Volksgebruiken
der Nederlanders bij het vrijen en trouwen (Utrecht 1832), bl. 65 en
Mr. N. de Roever, Van Vrijen en Trouwen (Haarlem 1891), bl. 81 vlg.

De gewone en betere wijze is echter een bezoek ten huize, immers "de
beste koeien worden op stal verkocht". Hierbij is het verstandig, zich
eerst van de genegenheid der moeder te vergewissen; want "wie eerst
de dochter en dan de moeder vangt, vat het varken bij de ooren". Ook
wordt het terrein wel eens verkend door een huwelijksmakelaar,
soms _heiligmaker_, in West-Vlaanderen _handknecht_ genoemd. Dit
_heiligmaker_ is een volksetymologische vervorming van _heilikmaker_,
d.i. huwelijksmaker, van het Middelnederl. _hîlijc_. Aan de Zaan
bestond zijn belooning in geld of in een pak nieuwe kleeren: Schotel,
Zeden en Gebruiken aan de Zaanstreek (Haarlem 1874), bl. 43. Ook de
koek, voor het meisje meegebracht, heet _hijlikmaker_. De verouderde
Zaansche benaming is _zelschappen_; de meer gebruikelijke benaming
voor uit vrijen gaan is ten platten lande _uit meiden gaan_. Hiervoor
is de Woensdag- en Zondagavond het meest geschikt; de Donderdag is
meer voor weduwnaars; Zaterdagavond is ook niet ongeschikt, maar
"Zaterdagavondloopers zijn koopers", zegt het spreekwoord. In de
meeste streken moet de vrijer klokke acht bij het meisje aan huis zijn;
in alle geval:


    Vrijers, die 't meenen,
    Komen vóor tienen
    En gaan niet voor eenen.


Een uitzondering hierop maakt wel Hennaarderadeel (F.); daar zegt men:
"Die na achten komen, kunnen vóor negenen weer gaan."

Uit de wijze van ontvangst kan de vrijer al spoedig bemerken, of zijn
komst en aanzoek welkom is. Blijft het meisje zitten en laat ze het
stoelzetten aan een der huisgenooten over; neemt de Friesche schoone
haar oorijzer van het hoofd en klaagt over hoofdpijn, dan weet de
vrijer, hoe laat het is en kan hij zijn matjes oprollen. Maar wordt hem
op de vraag: "mag ik mijn pijp, mijn sigaar even aansteken", bescheid
gedaan, biedt het meisje hem een lucifer, haalt ze hem een stoel,
brengt ze hem een pijp, dan nemen de zaken een gunstigen keer. Nog
beter staan de kansen, als hij door de vrijster bij zijn vertrek
tot aan de buitendeur wordt gevolgd; dat heet rond Aalst _een voois
krijgen_. Wordt de vrijer afgewezen, dan _loopt hij een blauwe scheen_,
of _loopt hij een blauwtje_. Deze uitdrukking wordt door Dr. Stoett,
Nederlandsche Spreekwoorden, n° 214, zeer zeker het eenvoudigst
aldus verklaard: "zijn scheen stooten, er tegen loopen; vandaar: niet
slagen." Een andere uitdrukking is: _een korf krijgen, door de mand
vallen_. Prof. Verdam beschouwt deze uitdrukking als eene herinnering
aan de oude strafoefening, waarbij de schuldige in een schandkorf
boven het water te pronk werd gesteld (Handel. v. d. Maatschappij
d. Nederl. Letterk. te Leiden 1901).--M.i. hebben wij hier stellig
met het overleefsel eener oude strafoefening te doen, maar niet met
de boven bedoelde. Ter vergelijking diene het gebruik uit den Eifel,
waar de minnaar, die een blauwtje geloopen heeft, door de meisjes
gekorfd wordt: ze werpen hem een bodemloozen korf over het hoofd en
trekken hem er door heen. In Brunswijk zet men den afgewezene een
ouden korf op het dak. Oorspronkelijk wordt de _ontrouw_ bij wijze
van volksrechtspraak aldus gestraft, dan ook de _onvruchtbaarheid_
bespot; ik spreek hier over aanstonds nader, bij de behandeling van
den _dorhoed_.

Voorts dient nog vermeld een zonderling gebruik, dat op Texel
en Vlieland is blijven voortleven, maar vroeger ook op Wieringen
en Terschelling en in vele Noord-Hollandsche dorpen bestond: _het
kweesten_ of nachtvrijen; eertijds bestond het in geheel Duitschland,
ja men mag zeggen over geheel Europa. Dit is een vorm van vrijen,
terwijl deuren of vensters openstaan, en de minnaar op de deken zit,
waaronder zijn beminde rust. Mocht soms de vrijer het wagen, niet
in eer en deugd te kweesten, dan volgde, voorheen althans, steeds
de volksjustitie bij wijze van ketelmuziek. Laat ik hier tevens nog
vermelden het _strunen_, het opzettelijk storen der vrijpartijtjes,
dat, naar het schijnt, in Friesland aan de orde was. Zie Waling
Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven I, bl. 196 vlg.; De Cock,
Spreekwoorden en Zegswijzen over de vrouwen, de liefde en het huwelijk
(Gent 1911), _passim_; Virginie Loveling, Volkskunde XV, bl. 152.

Te lange verkeering is over het algemeen niet gewild. "Lange vrijage
is zelden mariage".

_Dorhoed_ is de Noordhollandsche naam, waarmee ik eenige algemeen
verspreide liefde- en verkeeringsgebruiken wensch samen te
vatten. Volgens den Gelderschen Volksalm. van 1837, bl. 106 plaatsten
de jongelieden op Pinksterdag een strooman, potsierlijk uitgedost,
op een kar en reden het dorp rond. 's Nachts krijgen de meisjes,
"die zich zoo taai als leêr houden, of van vrijers veranderen als
van handschoenen", dien strooman op het dak; soms wordt hij ook aan
den hooiberg bevestigd. In Zuid-Limburg strooit men kaf op de stoep
van meisjes, die meer dan éen vrijer hebben. Wij vinden hier het
gebruik in zijn oorspronkelijken, justitiëelen vorm; de strooman is
de tegenhanger van den groenen Pinksterman, den vruchtbaarheidsgenius;
de dorhoed: pop, korf, mand, dorre tak, zelfs kaf alleen, symboliseert
onvruchtbaarheid. De dorhoed vormt een tegenstelling met den liefdemei.

In Drente is de zoogenaamde _zoore paal_ (dorre paal) het geschenk
voor een vrijer of vrijster, wiens (of wier) vroegere beminde in het
huwelijk treedt: een dorre tak, zonder bladeren, gebonden aan de deur
van het huis. Ook wordt op vele plaatsen de weg tusschen de huizen van
de(n) ondertrouwde en de(n) verlaten beminde door het strooien van kaf,
haksel van stroo, zaagmeel enz. gemerkt, of wordt de verlatene daarmee
bestrooid. In sommige Vlaamsche dorpen worden dan lemen (vlasscheven)
gestrooid; hetzelfde gebruik is in Zuid-Duitschland en in den Eifel
bekend: het bespottingsbegrip, dat in de straf lag opgesloten, heeft
zich zelfstandig ontwikkeld.

Het Noordhollandsch gebruik is nauwkeurig beschreven en toegelicht door
Dr. Boekenoogen in Volkskunde XIII, bl. 65 vlg.; XVII, bl. 112 vlg. Het
is een versierde stroopop, die men de verlaten vrijster of den verlaten
vrijer vereert; dit is meestal het werk der naaste buurgezellen. Het
gebruik schijnt voor het oogenblik echter alleen nog in Waterland en
het aangrenzende deel van West-Friesland te bestaan. De dorhoed wordt
vergezeld van een dorhoedsbrief, waarin verzen voorkomen als deze:


    Wilt dit beeltenis aanschouwen,
    Want het zal uw wel berouwen,
    Dat zij nu zal trouwen gaan,
    En gij moet nu agter staan.


Evenals men nu een pinkst_kroon_ kent (bl. 199), kent men ook een
strooien, dorre kroon, en aan deze soort van bruidskroon herinnert nog
de benaming _dorhoed_, later op de stroopop overgebracht. Zoo werd in
het Zutfensche den vrijer, wien zijn meisje ontvrijd was, een hoepel
met stroo om den hals geworpen. Ook Berkhey spreekt van een "kroon
van gekapt stroo". Het gebruik is insgelijks in Noord-Brabant bekend.

Zooals gezegd, is de dorhoed de oorspronkelijke vorm van bestraffing,
door het volk den verleider of de verleidster toegediend. Ook wordt
zij wel eens toegepast op het paar, dat al te veel in jaren verschilt;
zie hierover Scheltema, Volksgebruiken der Nederlanders bij het vrijen
en trouwen, bl. 125.

Op een groot aantal plaatsen is de stroopop een onmisbaar element
bij de _ketelmuziek_, een anderen zeer gewonen en gebruikelijken vorm
van volksrechtspraak over al degenen, die openbare ergernis gegeven
hebben. Hoofdzakelijk is het een serenade met ketel- en ketengerammel,
belgerinkel, hoorngetoeter, zweepgeklets enz. voor de woning van
de(n) schuldige of beschuldigde, waarbij een oorverdoovend geschreeuw
wordt aangeheven.

In België zijn de meest gebruikelijke benamingen: _scherminkelen,
de beest jagen_ en _den hond branden_. Hier beteekenen _scherminkel,
beest_ en _hond_ de stroopop. In Noord-Brabant spreekt men van
_tafelen_, in Noord-Limburg van _varen_, in Zuid-Limburg van _varen,
toeten, rammelen_ of _huulen_, in Midden-Limburg en verder plaatselijk
van _den ezel (aan)drijven_. Deze laatste uitdrukking heeft misschien
betrekking op den Middeleeuwschen ezelrit, maar in alle geval wijst
het meerendeel der uitdrukkingen op een rondrijden met de stroopop,
de(n) schuldige voorstellend, onder geraas en getier. Het gebeurt
bij alle laakbare handelingen, of ook handelingen, die het volk als
zoodanig beschouwt, b.v. bij een huwelijk met groot verschil van
leeftijd, of bij het hertrouwen van weduwnaar of weduwe; en eindelijk
in Limburg ook wel bij andere huwelijken in verband met het _huulbeer_,
waarover nader. De Cock, Spreekwoorden en Zegswijzen afkomstig van oude
gebruiken en volkszeden, bl. 362 vlg., betoogt, dat de ketelmuziek
oorspronkelijk bij gevallen van hertrouwen plaats heeft en wel om
de booze geesten te weren, met name den geest van de(n) eerste(n)
echtgenoot(e), die uit nijd de(n) hertrouwde zou komen kwellen;
vgl. Weinhold, Zeitschrift des Vereins für Volkskunde X, bl. 206. Maar
deze meening lijkt mij onhoudbaar: 1. dewijl bijna geregeld de
ketelmuziek met het onvruchtbaarheidssymbool verbonden wordt; en 2,
daar dan de ketelmuziek aanvankelijk een gunstige beteekenis zou gehad
hebben, terwijl toch, zooals De Cock zelf op bl. 372 uitvoerig betoogt,
sinds de oudste tijden het tweede huwelijk bij het volk in kwaden geur
stond. Ik houd de ketelmuziek dus voor een vorm der _volksrechtspraak_,
waarmee wij boven reeds kennis maakten, en die, zooals gezegd, op
Middeleeuwsche rechtsvormen, maar in haar diepste wezen op voldoening
van gekrenkte gemeenschapseer berust. In zuidoostelijk Noord-Brabant
kent men nog andere wijzen om een weerspannig of slecht befaamd lid der
gemeenschap te treffen: _de buurt_ oefent haar vernielzucht uit op een
kar van den betrokkene. Typisch is ook het _voor den ploeg spannen_
van een lastigen echtgenoot, en wel krachtens een besluit van _de
buurt_, somtijds alleen van de buurvrouwen. Deze brengen dan zelf
ook het besluit ten uitvoer en drijven den voor den ploeg gespannen
echtgenoot met haar zweepen en stokken voort. Aldus nog een dertig
jaar geleden te Turnhout, Hoogstraaten, Bladel, Postel enz. Eenigen
tijd geleden was dit gebruik ook in Noord-Brabant, o.a. te Reusel,
nog heerschende. Het is dus meer recent, dan door V. D. Poll in den
Gelderschen Volksalm. 1887, bl. 161 vlg. vermoed werd.

Van den liefdemei was reeds sprake (bl. 189, 245). Laat ik hier
bijvoegen, dat te Contich en omstreken de schuchtere minnaar gaarne de
gelegenheid te baat neemt, zijn liefde te verklaren, door heimelijk een
mei te plaatsen vóor de slaapkamer zijner beminde. Antwerpsche huwbare
dochters krijgen _Greefs_ van hun minnaar, d.i. ruiters van spekulatie
of marsepein, die den Greef van Halfvasten voorstellen (bl. 169).

Met _verloving_ wordt bedoeld "vaste verkeering", daar de min of meer
plechtige verloving bij de gewone volksklasse zoo goed als onbekend
is. Men geve den beminde nooit een mesje of schaar ten geschenke,
want dit breekt de verkeering af (sympathie). Wanneer in Vlaanderen
een der partijen _beelt_, d.i. het gegeven woord breekt, dan heet het
ontworpen huwelijk _uitgebrand_, in 't Westvlaamsch _een beel_.--Het
geven van een ring is een gebruik, dat van de Romeinen tot ons gekomen
is; en evenals de ring te Rome eertijds het koopkontrakt bevestigde,
zoo verving in onze landen de ring het huwelijksgeld of handgeld,
dat met den handslag de verloving voltrok. Over de trouwpenningen
zie De Roever, Van Vrijen en Trouwen, bl. 113 vlg.; Aug. Sassen,
Noordbrabantsche Volksalm. 1889, bl. 61. De ring behoort te worden
gedragen aan den ringvinger, omdat, volgens het volksgeloof, van
daaruit een zenuw loopt naar het hart. Op het land is de ring niet
gebruikelijk; noodzakelijk was ook de trouwpenning niet, want deze kon
zeer geschikt vervangen worden door een ander voorwerp: vingerhoed,
zakdoek, een paar hazelnoten, ja zelfs een stuk koek. Eigenaardig
was vroeger in Friesland de _knottedoek_, waarin de jonge man eenig
geld knoopte, om een en ander het meisje aan te bieden, met wie hij
zich wenschte te verloven. Trok zij den knoop toe, en nam zij dus
het geschenk aan, dan was de verloving gesloten.

Op vele plaatsen zijn bruidsgeschenken, de zoogenaamde _bruidstukken_,
gebruikelijk. De bruid vervaardigt, althans plaatselijk in
Limburg--en eveneens in Zwaben, Westfalen enz.--de hemden, die
beiden op den trouwdag zullen dragen, alsmede de slaaplakens voor het
huwelijksbed. Het bruiloftshemd dient ook als doodshemd en de lakens
als doodsmantel. Daarentegen wordt in Gelderland in de dagen vóor het
huwlijk het doodshemd met muts en laken afzonderlijk vervaardigd en
door de bruid met zwart lint gezoomd of met zwart garen gemerkt. In
het Oosten van ons land maakt men hier en daar zelfs de planken voor
de doodkist gereed: hier vloeien huwelijks- en begrafenisgebruiken
ineen; vgl. bl. 241.

Te Stamproy (L.) en omliggende plaatsen moet de bruidegom enkel
de schoenen aan zijn toekomstige echtgenoote verschaffen; bed
met toebehoor komt ten laste der bruid. De schoen speelt in de
huwelijksgebruiken van alle volken een groote rol, en volgens Ernst
Samter, Geburt, Hochzeit und Tod (Leipzig und Berlin 1911), bl. 195,
moet hier de schoen als een offer worden beschouwd; zie ook Zachariae,
Zum altindischen Hochzeitsritual, in de Wiener Zeitschrift f.d. Kunde
des Morgenlandes XVII, bl. 135. Maar ik geloof eerder, dat wij hier
met een bepaalde gave te doen hebben, die voor den doode bestemd is,
evenals het doodshemd. Het gebruik, den doode een paar schoenen in de
kist mee te geven, is overoud en was eertijds bij alle Indogermaansche
volken in zwang: de schoen heeft natuurlijk de bestemming, den tocht
naar het verre land aan gene zijde van het graf te vergemakkelijken.

Straks hebben de kerkelijke afkondigingen of _roepen_ plaats, de
verloofden "rollen van den preekstoel", zooals het in katholieke
streken heet, of ook "zij worden van den preekstoel naar beneden
geworpen"; en na den besloten tijd volgt dan meestal het huwelijk.

Bij den ondertrouw wordt in Noord-Brabant alreeds _de heug_ gevierd,
en doet men zich te goed aan wittebrood met koffie; ook begint dan
alreeds het schieten, waarover nader. _Heug_, verg. _heugelijk_,
komt van het Middelnederl. _hôghe, höghe_ en beteekent "vroolijkheid".

_Huwelijksdag_. Het skelet der huwelijksgebruiken is nog steeds
Oudgermaansch en vertoont niet zelden Indogermaansch karakter; maar
meer en meer hebben Christelijke en ook moderne elementen er zich
aan vastgehecht.

De huwelijksdag draagt in het Duitsch terecht den naam van _Hochzeit_,
het eerst bij Wolfram v. Eschenbach, nog met de toevoeging:
"der brûdloufte hochgezît". Immers deze dag is niet alleen het
voornaamste familiefeest, als zijnde het kulminatiepunt van twee
menschenlevens, maar hij is tevens een feest voor de gemeente. Naar
men weet, was _hoogtijd_ eertijds de benaming van alle hooge
kerkelijke en wereldlijke feesten (bl. 100). De namen _huwelijk_
en _bruiloft_ drukken een bepaald deel der plechtigheid uit:
_huwelijk_, vergel. het Gotische _laiks_ "dans", wijst op den dans,
waaronder bij onze Germaansche voorouders het huwelijk voltrokken
werd; _bruiloft_, d.i. "bruidloop", beteekende oorspronkelijk den
optocht, waarmee de jonggehuwden naar hunne woning werden begeleid;
later werd deze benaming op het heele huwelijksfeest toegepast. Zie
o.a. Dr. Boekenoogen, Tijdschrift v. Nederl. Taal en Letterk. XI,
bl. 14; Dr. J. W. Muller, Woordenb. d. Nederl. Taal, _sub verbo_.

Daar is wellicht geen feest, waardoor èn de familie èn de
gemeenschapszin in zoo hooge mate worden versterkt, als door
de huwelijksviering. Men gedenkt zelfs de afgestorven leden der
gemeenschap, vanwaar het treffende gebruik, de graven te bezoeken op
den huwelijksdag.

Aan Bachofen komt de eer toe, het eerst gewezen te hebben op het
belangrijke en vérstrekkende ethnologisch-folkloristische verschijnsel
van het matriarchaat. In zijn opzienbarend boek: Das Mutterrecht
(Stuttgart 1864), werd een rijk materiaal door hem bijeengebracht om
te bewijzen, dat vóor den tijd der patriarchale familie-inrichting,
krachtens welke de man in allen deele het hoofd is van het gezin,
het menschdom een periode van vrouwenregeering doorleefd zou hebben,
een tijdperk dus, waarin het "zwakkere geslacht" den schepter zwaaide
en den man slechts een ondergeschikte rol was toegedacht: volgens hem
gaat de matriarchale gezinsvorm den patriarchalen vooraf. Deze theorie
steunt in hoofdzaak op het feit, dat tal van stammen met lage kultuur,
over de geheele aarde verspreid, het matriarchaat huldigen, en dat de
diepste folkloristische lagen van bijna alle volken overleefsels te
over bieden, om een karakteriseeren der matriarchale familie-inrichting
als de primitieve te rechtvaardigen.

Sommige ethnologen meenden zelfs, dat de folkloristische gegevens hun
veroorloofden, nog veel omvangrijker konklusies te trekken. Men achtte
zich in staat tot het ontwerpen eener _ontwikkelingsgeschiedenis
van het huwelijk_. De verschillende, opeenvolgende stadia dezer
geschiedenis zouden zijn: promiskuïteit, groepenhuwelijk, polyandrie in
verscheidene nuancen, polygamie (monandrie), monogamie. Het instituut,
dat, volgens de meest gangbare opvatting, van lieverlede den weg
effende tot een geregelde familieverhouding, tot de monogamie en met
deze tot het patriarchaat, is het roofhuwelijk. Op een hoogere sport
van ontwikkeling trad voor de ruwe schaking de vrouwenkoop in de
plaats: een losprijs, aan den beleedigden stam betaald, om weerwraak
te voorkomen, een soort internationaal huwelijkskontrakt. Hier vertoont
zich het oorspronkelijk karakter van den bruidschat. Meer en meer trad
het begrip van beleediging op den achtergrond, terwijl de zoengave
gaandeweg geheel en al de beteekenis kreeg van een koopsom der vrouw.

Verkocht werd echter alleen de vrouw, niet de kinderen. Deze behoorden
en bleven behooren aan de moeder en hadden in den oom van moederszijde
hun natuurlijken voogd en beschermer. Maar steeds sterker ontwaakt
in de vaderborst de liefde tot _zijn_ kroost, _zijne_ kinderen, wier
hulp hij trouwens bij het bebouwen van zijn akker niet langer meer kan
ontberen, en deze sympathie is het, die een erfrecht te hunnen gunste
tracht in het leven te roepen: motieven van ekonomisch-juridischen
aard komen in het spel. Een hardnekkige strijd wordt aangebonden,
waarvan de inzet is het eigendomsrecht over het kind, en het einde
de volkomen zegepraal des vaders en van het agnatische systeem.

Nu is welhaast de familie gegrondvest, de huwelijksband gestrengeld. Om
den vaderlijken haard staat het vereende gezin, de vader aan het hoofd;
want hij is voortaan niet slechts de meerdere over zijn kinderen,
maar door den losprijs acht hij zich op den duur ook gerechtigd,
de vrouw, die hem als koopwaar werd overgeleverd, als zijn volle
eigendom te beschouwen.

De fout van dit systeem, op het oog zoo onberispelijk-nauwsluitend,
ligt in te oppervlakkige waarneming en te groote generaliseering in
de gevolgtrekkingen. Men stelt zich niet tevreden met te beweren,
dat het matriarchaat een ver verspreid ethnologisch verschijnsel is
en was,--een feit, dat niet valt te loochenen; maar het moet en zal
de volstrekt-primitieve familie-inrichting geweest zijn; het heet de
eenig mogelijke: terwijl de huwelijkstheorie niet weergeeft het proces,
dat zich bij verschillende volkeren ten deele heeft afgespeeld of nog
voortduurt, maar aanspraak maakt op den titel van _de_ theorie van
_het_ menschelijk huwelijk. Ik zeg "ten deele"; want een andere fout
is deze, dat in dit systeem verschillende fragmenten, op verschillende
punten van den aardbodem verzameld, met een vrij ruime dosis apriorisme
tot een geheel worden aaneengevoegd.

Vooral bij het beoordeelen en benuttigen der folkloristische gegevens
moet men uiterst voorzichtig zijn. Juist de huwelijksgebruiken en
huwelijksvormen bij de verschillende volken heeft men herhaaldelijk
als sterk-pleitende overleefsels beschouwd; maar gesteld, dat
zij matriarchale trekken vertoonen, wijzen zij dan juist daarom
op een primairen toestand? Kan hieraan geen meer volmaakter vorm
zijn voorafgegaan? "Im Völkerleben gelten die selben Gesetze der
Entwickelung wie im Leben der Individuen", zegt Paul de Lagarde,
"und im Leben der Individuen ist ein Sinken überall da festzustellen,
wo nicht ein Steigen stattfindet."

Wat betreft de beoordeeling der afzonderlijke gevallen, een enkel
voorbeeld. Wellicht verwijst de Romeinsche huwelijksvorm der
_coemptio_ naar een tijd, waarin de _manus_, d.i. het volle recht
van den echtgenoot over de vrouw, niet in schijn, maar in volle
werkelijkheid werd gekocht. Maar volgt hieruit logisch, dat de koopsom
de losprijs was, _voor de geschaakte bruid betaald_? Tusschen het
huwelijk als koopkontrakt en het roofhuwelijk gaapt toch nog een
diepe kloof.--Verder behoort tot het bruiloftsritueel het bekende
gebruik, dat de bruid uit de armen der moeder wordt ontvoerd, om dan in
feeststoet geleid te worden naar het huis van den bruidegom. Hierbij
komt op tal van plaatsen een schijnvlucht, en zoo goed als algemeen,
dat de bruid zich verzet of uitbundig weent. Men noemt dit het
_roofsymbool_, en het is zeer wel mogelijk, dat in enkele gevallen
dergelijke gebruiken een voormaligen rooftoestand ten grondslag
hebben. Maar zou hier een meer natuurlijke verklaring niet veelal te
verkiezen zijn? Juist in de laatste jaren zijn dergelijke gebruiken
herhaaldelijk als scheidingsgebruiken beschouwd, vooral in het reeds
aangehaalde boek van A. Van Gennep, Les rites de passage, bl. 165
vlg. Zie ook mijne Essays en Studiën, bl. 162 vlg.

Na deze, tot het goed begrip der gebruiken m.i. noodzakelijke
voorafgaande bespreking, vat ik den draad mijner uiteenzetting
weer op. Wat betreft de bruidsgaven, dient men nog op te merken,
dat in alle geval niet als sporen van een alouden koopprijs die gaven
kunnen beschouwd worden, welke de beteekenis eener nauwere vereeniging
dragen, zoo b.v. linnen, halsdoek, wederzijds gegeven luxe-voorwerpen
enz. Bruid en bruidegom treden hierdoor in een nauwere zedelijke
betrekking, evenals de gast tot den gastheer--en omgekeerd--door het
geven van het gastgeschenk: aldus in de Oudheid Glaukos en Diomedes
door het wisselen hunner wapenen.

Wat betreft den huwelijksdag, houdt het volksgeloof er weer een
eigenaardige zienswijze op na. Liefst trouwt men op Dinsdag en
Donderdag, niet op Woensdag of Vrijdag; en vooral met wassende maan
(sympathie). De meimaand is ook zeer ongeschikt: "Wat in de meimaand
trouwt, daar is geen goed haar aan"; zie De Cock, Spreekwoorden
en Zegswijzen over de vrouwen enz., bl. 161. Een bruid mag zich
niet _vóor_ den bruiloftsdag in het bruidskleed vertoonen. Om op den
huwelijksdag goed weêr te hebben, dient men de kat goed te voeren (zie
bl. 86, 90). Een droeve bruid maakt een blijde vrouw en omgekeerd
een blijde bruid een droeve vrouw; want "een bruidsgewaad is wel
eens met rouwgoed gevoerd". Weent de bruid op den trouwdag niet,
dan vloeien de tranen in het huwelijk.

Het _noodigen ter bruiloft_ vindt men nog slechts op enkele plaatsen in
het Oosten van ons land in zijn voormaligen plechtigen vorm; en ook in
Drente hebben de _wasschupsneugers_ veel van hun vertoon en beteekenis
verloren. _Wasschup_ is identiek met _waardschap_ en beteekent
"gastmaal, feestmaal"; over deze _neugers_ zie H. Tiesing, in de Vragen
van den Dag XVIII, bl. 155; vgl. Driem. Bladen IX, bl. 77. Het noodigen
gaat van de buurt uit en wordt als _noaberplicht_ beschouwd. Te Borkulo
doen twee jongezellen uit de buurt als _broedlachtneugers_ dienst; zij
trekken er op uit met bontversierden hoed en stok en vangen aldus aan:


        Goen dag!
    Hier stoa ik op mienen staf,
    En weet niet, wat ik zeggen mag ...
    Nou weet ik, wat ik zeggen mag; enz.


Meestal noodigt het bruidspaar zelf de gasten tot het feest, dat ook
ten huize der bruid zal plaats hebben. Veelal wordt een voorbruiloft
gehouden, in het Friesch _gearjift_, vergel. de Noord-Brabantsche
_heug_ (bl. 249): het is een scheidingsgebruik zoowel voor de bruid
als voor den bruidegom. Het Friesche woord wijst nog op de vroegere
gewoonte, bij deze gelegenheid giften samen te brengen. Maar nog steeds
wordt door de buren en buurmeisjes geld opgehaald om de onkosten te
bestrijden van het sieren, schieten enz.

Zoo is dan de huwelijksdag aangebroken. De buurmeisjes hebben den
_neuzik_ vastgespeld; ook de bruidskroon is klaar, eertijds door
de vriendinnen gevlochten. Zij is, evenals de ring, van Romeinschen
oorsprong en door de Kerk in onze zeden ingevoerd. Hetzelfde geldt
van de bruidskaars, die een gekerstende vervorming is der Romeinsche
huwelijksfakkel, welke dienst deed bij het heemgeleide. De buurt
is feestelijk uitgedost en prijkt met festoenen en eerebogen met
toepasselijke opschriften. Veelal wordt nog een huwelijksmei geplant
vóor het huis: lotsboompje, waarmee het huwelijksgeluk van het jonge
paar verbonden is, vergel. den _levensboom_ op bl. 214. Van alle huizen
wappert de driekleur en in feeststoet keeren bruidegom en bruid met
getuigen, bruidsmeisjes, familieleden, vrienden en bekenden uit de
kerk huiswaarts. Het burgerlijk huwelijk heeft veelal reeds daags te
voren plaats gehad.

Nu wordt het paar feestelijk ingehaald. De meeste hierbij gebruikelijke
vormen zijn ontleend aan den alouden feeststoet, waarbij de bruidswagen
een hoofdrol speelt, en dien men nog betrekkelijk zuiver in Drente
en in den Achterhoek weervindt. Wij bedoelen het _heemgeleide_, dat
nu eens in afzonderlijke bedrijven, dan weer op verschillende dagen
plaats vindt. Doorgaans werd deze stoet gehouden vóor den bruiloftsdag.

De bruidegom komt dan met een groot aantal open boerenwagens vol
jongens en meisjes aanrijden. Deuren en vensters van het huis der
bruid zijn dicht. Maar éen der jongelui treedt vooruit en verklaart
in gebonden of ongebonden taal, dat hij de bruid komt opeischen,
waarna de banderdeur zich opent en de geheele schare binnenlaat. Nu
gaat op de deel de kom met brandewijn rond, er wordt gefeest,
gegeten, gedronken en gedanst, en eindelijk rijdt de bruidegom met
de bruid op den versierden bruidswagen huiswaarts. Deze wagen, of de
volgende, zijn bepakt met beddegoed, stoelen, melkstel, spinnewiel
enz. Soms staat ook de bezem op den wagen, in Westfalen bindt men
er een haan boven op. Bezem en haan moeten de booze geesten verjagen
(bl. 96). Ook het schieten, dat thans nog zoo goed als over de geheele
uitgestrektheid van ons volksgebied gebruikelijk is, en nu uitsluitend
het karakter van vreugde en huldebetoon aanneemt, moest eertijds de
geesten verdrijven, om aldus zegen en vruchtbaarheid voor het huwelijk
te verwerven (vgl. bl. 102, 128). Hier of daar komt wellicht, ouder
gewoonte, nog de bruidskoe achteraan. Te Rijssen (O.) werd of wordt
(?) die koe gesierd en op stal gezet onder een deel van de zoldering,
dat uit geschaafde eikenplanken bestond; zie Driem. Bladen III, bl. 11.

Herhaaldelijk op weg naar de nieuwe woning wordt de bruid geschut. Een
rest hiervan is zelfs het Vlaamsche gebruik, dat arme vrouwen en
kinderen de bruid bij het verlaten van het kerkportaal _de schoenen
vegen_, natuurlijk om een fooitje te krijgen. Verderop wordt de
weg door een koord versperd, en ook hier dient de doortocht te
worden gekocht: in Vlaanderen heet dit, rond Aalst, _afspannen_,
en westwaarts _stroppen_. In Nederland vindt het paar den weg door
een balk of versierde lijn versperd; in Baden en Tirol hakt men het
koord tegen losgeld met een sabel door. Aldus wordt de bruid uit
hare gemeenschap, vooral uit de buurtgemeenschap, afgekocht en in
de nieuwe ingekocht: het is een scheidings- en opname-ritus. Volgens
Samter, Geburt, Hochzeit, Tod, bl. 162 vlg., wordt eigenlijk niet aan
het bruidspaar, maar aan de kwade geesten de weg versperd. Bij deze
verklaring steunt hij vooral op het Indisch gebruik, fijne blauwe en
roode draden over den bruidsweg te spannen. Hiervoor zou ook pleiten
de vroeger in ons land heerschende gewoonte, door een bezem den weg te
versperren; immers volgens een wijd en zijd verspreid volksgeloof kan
men zich juist door het keren zeer doeltreffend van de geesten ontdoen;
vergel. den bezem op den bruidswagen en het keren in het sterfhuis.

Onderweg strooit de bruid geldstukjes, appelen, noten en andere
versnaperingen.

De woning der bruid is versierd, de zetels van het jonge paar zijn
omkranst, kinderen strooien bloemen, buurmeisjes bieden den eerewijn
aan en zeggen gedichtjes op, den bruidegom wordt een versierde pijp
aangeboden enz. Ook wordt wel eens de geheele stoet in alle bevriende
huizen, waar hij voorbij trekt, _beschonken_, d.i. op brandewijn
met suiker, wijn en knapkoek onthaald. Maar dit zijn alle moderne
vormen van weinig waarde. Belangrijker zijn enkele gebruiken,
die ten platten lande nog hebben stand gehouden, wanneer bruid
en bruidegom de woning betreden. Zij zijn overoud en behooren tot
het Indogermaansche bruiloftsritueel, vormen een gedeelte van den
oorspronkelijken _bruidloop_ naar de echtelijke woning.

Op enkele plaatsen moet de bruid over den drempel worden gedragen
(Driem. Bladen IV, bl. 4), een overgangsgebruik, maar dat met een
afweergebruik samenhangt; het is zoo goed als over de geheele wereld
verspreid, in China zoowel, als eertijds in het oud Rome. Te Hooge
Mierse (N.-B.) legt men op den drempel een stok met een _rood_
doek. Te Reusel (N.-B.) wordt het paar onder een krans naar de
nieuwe woning geleid. De krans wordt tegen de deurstijlen gevlijd
en het paar _springt_ naar binnen. Dat wij hier met een overleefsel
van den vrouwenroof te doen zouden hebben (Rossbach, V. Schröder,
Lubbock, Jevons), lijkt mij onaannemelijk; immers de bruid wordt
niet door den bruidegom, maar door een ander willekeurig persoon
gedragen, of ook springt over den drempel, en trouwens in beide
hoogst vertrouwbare mededeelingen uit Noord-Brabant wordt van bruid èn
bruidegom gesproken. Ook komt men niet verder met de verklaring, dat
het stooten tegen den drempel een slecht voorteeken zijn zou; waarom
juist tegen den drempel? De verklaring is wel deze, dat de drempel de
verblijfplaats der zielen is, wat uit tal van volksgebruiken blijkt;
wellicht werden zij bij voorkeur vóor den drempel begraven. Het roode
doek--rood is de tooverkleur en heeft in geheel het Indogermaansche
folklore geestenwerende kracht--heeft dan ten doel, kwaadwillige
geesten den toegang te beletten, terwijl het paar zich over den drempel
laat heen dragen of er overheen springt, om de geesten niet te storen
en te vertoornen.

Dan volgt, veelal op den avond van den huwelijksdag, het _haalleiden_
of _halen_, een Indogermaansch gebruik, dat men bij de Osseten
weervindt. De bruidegom geleidt de bruid driemaal om den haard en om
het haardvuur, waarna zij in de gemeenschap van het water en vuur wordt
opgenomen. Ook wordt de bruid op verscheidene plaatsen om den ketelhaak
of _haal_ gevoerd (zie bl. 35), vanwaar de benamingen _haalleiden,
hieëlen, hölen, heelen_ enz. De haal wordt altijd blinkend geschuurd,
dit is het laatste werk, waaraan de meeste zorg wordt besteed;
vandaar de spreekwijze: "Op den haal na, is alles gepoetst."

Natuurlijk wordt voor het oorspronkelijke om-den-haard-leiden een
geheel vrijliggende haard verondersteld. Toen nu de haard tegen
den zijwand gelegd werd, moest men voor den haard een ekwivalent
zoeken, en als zoodanig nam men de haal of ketelhaak. Deze werd naar
voren getrokken of midden in het vertrek aan een balk gehangen, en
de bruid werd om haal en ketel geleid, ofwel de ketting werd haar
omgeslagen. Naarmate de haard vervangen werd door de kachel, of aan
beteekenis verloor door het plaatsen van een kachel in een der bij
vertrekken, is ook het haalgebruik op den achtergrond geraakt. Verder
werd het veralgemeend en ook op den man en op de meid, ja zelfs bij
verhuizing toegepast: uit den gedachtengang "de bruid betreedt de
nieuwe woning" heeft zich het laatste begrip losgemaakt en zelfstandig
ontwikkeld.

In Nederduitschland is dit gebruik nog op vele plaatsen in zwang;
van onze grensplaatsen noem ik Heinsberg, waar men de bruid _hielt,
haalt_ of _helt_. In Midden- en Opper-Duitschland vindt men geen
spoor. Het gebruik schijnt alleen in de Saksische landen behouden te
zijn gebleven, zoozeer, dat b.v. de bewoners van het Saterland, een
Friesch taal- en volkseiland, dit gebruik mèt den bouwtrant--natuurlijk
ten gevolge van klimaat en grondgesteldheid--van de omwonende Saksen
hebben overgenomen. Waar Siebs echter meent, dat het overreiken van
den kooklepel of _sleef_ een specifiek Saterlandsch gebruik is,
vergist hij zich. Ook in Hollandsch Limburg bestaat dit gebruik,
b.v. te Grubbenvorst.

Want, vreemd inderdaad, terwijl men dit gebruik het eerst in de zône
der hoeven van zuiver-Saksischen bouwtrant zou zoeken, is het juist
daar uitgestorven en leeft nog slechts in de streek der uitgestorven
Saksische hoeven en in die der Nederfrankische (dus ook lang niet
uitsluitend in 't Schependom van Nijmegen). Het Nijmeegsche _hoalleien_
staat beschreven in den Gelderschen Volksalm. van 1840, bl. 9 vlg.;
maar het gebruik blijkt reeds verbasterd en dient nog slechts om een
nieuwen buurman te installeeren.

Daarentegen voert dit gebruik een krachtiger leven zuidelijk en
zuidwestelijk van Nijmegen. Men kan zeggen, dat het _halen_ nog
in zwang is, of althans voor enkele jaren nog in zwang was, in
geheel Limburg tot aan de grens van den villabouw en in een groot
deel van Noord-Brabant. Het best bleef het bewaard in de omstreken
van Venray. Met name heb ik kunnen konstateeren, dat het in vrij
oorspronkelijken, of ook in meer gewijzigden vorm, optreedt of
kortelings nog optrad te: Venray, Swolgen, Meerlo, Oirloo, Leunen,
Merselo, Afferden, Maashees, Deurne, Wellerlooi, Beugen, Horst, Oploo,
Wanroy, Mill, Heeze, Mierde, Velp (N.-B.), Zeeland (N.-B.), Stiphout,
Escharen, Reek, Reusel, Aalst, Maasbree, Arcen, Belfeld; de benamingen
zijn hier _hölen, hoalen, hoalleien_.-- Verder rond Roermond, Sittard
en Weert, nl. te Melik, Beegden, Asenray, Guttecoven, Limbricht,
Buchten, Dieteren, Einighausen, Posterholt, Weert, Neeritter, Helden,
Panningen, Heel, Obbicht, Papenhoven, Grevenbicht, Kessel: _heelen,
hieëlen._ Het zuidelijkste spoor vond ik te Schinnen (zuidoostelijk
van Sittard). Het zal den lezer niet moeilijk vallen, aan de hand
van deze opsomming zelf de is-ethne te trekken (bl. 32).

Somtijds is vrijwel alleen nog de naam overgebleven en verdwijnt het
ceremoniëel in een kleurloos trakteeren. Elders, en dit is zelfs
zeer vaak het geval, wordt de bruid door de meid vervangen, of is
het gebruik op den knecht overgebracht. Dikwijls worden bruid of
meid onder den schoorsteen geplaatst. Terwijl men haar nu om de haal
leidt, of den haalketting, die thans doorgaans de haal vervangt, om
de schouders slaat of driemaal boven het hoofd zwaait, luidt de spreuk:


    Ik haal u in den naam des Heeren,
    Wat ge niet kent, zullen wij [voor de bruid] u wel leeren.


of: [op dezelfde regels als vervolg speuk]


       Wat ge niet kent,--zal de vrouw [voor de meid] u wel leeren.
       Wat ge niet kent,--zal de baas [voor den knecht] u wel
       leeren.
    Dat is voor u [eerste maal], dat is voor ons [tweede maal],
    dat is voor de gansche kompanij [derde maal],
    Voor een liter foezel zijt ge vrij.


Of:


    Ik haal u als meid en niet als knecht,
    Een liter foezel is uw recht.


Of ook:


    Ik haal u in den naam des Heeren,
    In dit huis zult ge verkeeren
    Niet als meid, maar als vrouw,
    En wees uw man getrouw.


Haard en haal zijn plaatselijk door verschillende andere voorwerpen
vervangen: de tafel, de karn, de melkkan, den koffiemolen, den
koffiepot, den ketel, den melkstoel, voor den boer door schop op
zaaikorf. Gebeurt dit, met den haalketting om de schouders geslagen,
dan mag het nog tot het haalleiden gerekend worden. Anders behoort
het tot de groep van inhuldigingsgebruiken, waarbij de vrouw door
omleiding of bloote aanwijzing in het bezit of gebruik van het een
of ander voorwerp gesteld wordt, b.v. "dit is het bed";--"dit is de
kast";--"dit is de klok"; ook leidt men haar door de keuken, de schuur,
de stallen, naar het vee, de bijenkorven enz. Wel wordt de haalketting
somtijds nog vervangen door den ketelwisch, d.i. een gedraaide strooien
ring, aldus b.v. te Heeze, Aalst en Stiphout. Ook te Veldhoven wordt
de meid aan een stroowisch in alle vertrekken, op den stal en door
de schuur rondgeleid. Bij den knecht bezigt men aldus het haam. Te
Mill worden emmer, bezem enz. in _den hêrd_ gelegd, de meid gaat er
bij staan, en nu danst men er om heen. Elders gaat de jonge vrouw, of
ook de meid, op den melkstoel zitten, en zingend trekt de schare rond.

Nog dien ik een zeer eigenaardigen vorm van het haalgebruik te
vermelden, zooals die in eenige dorpen noordwestelijk van Sittard,
nl. te Guttecoven, Obbicht, Papenhoven, Grevenbicht, Limbricht en
Dieteren gevonden wordt. Daar moet de bruid, of ook bruidegom en
bruid, met een versierde bijl in een versierd blok kappen. Gewoonlijk
verbergt zich de bruidegom, maar het baat niet; hij wordt door de
buurvrouwen achtervolgd en moet er aan gelooven.--Dit gebruik doet
mij veronderstellen, dat wij bij het haalleiden niet alleen met een
symbool, met een zuiveren opname-ritus te doen hebben, zooals dit
met het gewone rondleiden en omleiden om de huiselijke voorwerpen
het geval is. Zeer zeker, de bruid wordt ingeleid in het huiswezen,
en hierop wijst o.m. het Duitsche gebruik, dat de jonge vrouw in den
schoorsteen moet zien, om er mee vertrouwd te raken. Maar het kappen
in het blok wijst op een oorspronkelijk-religieuze handeling, op een
houtoffer aan de schutsgeesten des huizes: naar men weet, was de haard
de heiligste plaats van het huis, omdat het de oude offerplaats was
(bl. 35). En dat dit offer tevens een reinigings- of afweer-ritus
omsluit, blijkt uit het gebruik, dat de bruid _over het blok moet
heen springen_: dit was natuurlijk oorspronkelijk een springen over
den vrijliggenden haard. Zoo herinnert men zich te Reusel dan ook nog,
dat de bruid moest _springen over een kooltje vuur_, dat in een vooraf
geteekenden kring gelegd werd. Springen over vuur beduidt zuivering
en vruchtbaarheid (bl. 105). Het vruchtbaarheidsidee treedt dan ook
bij het Dietersche blokhouwen op den voorgrond. Blijft de bijl stevig
in het blok zitten, dan beduidt dit een _krolköpke_; anders blijft
het huwelijk onvruchtbaar.

Een anderen vorm van inhuldiging van het nieuwe personeel, in
Twente in zwang op Natte Paschen (Natten Zondag), vindt men bl. 187
beschreven. Ook hierbij speelt de haard en het haal een rol: door
het vast te grijpen, stellen de dienstboden zich als het ware onder
de bescherming van de heilige haardstede, beveiligen zij zich tegen
geweldpleging. Te Brunswijk nam eertijds de kooper een huis in bezit
door het aanraken van den ketelhaak.

Een belangrijk _survival_ vindt men te Oldenzaal, Ootmarsum en
omstreken. Daar heerscht of heerschte nog kortelings het gebruik,
dat na afloop der bruiloft de bruid weer naar haar ouderlijk huis
terugkeerde. Den volgenden dag ging de jonge man naar het ouderlijk
huis der getrouwde bruid en vroeg: "Is hier soms een vrouwspersoon
aangekomen, die gisteren mijn vrouw geworden is?" Dan kwam de bruid
aangeloopen en antwoordde: "Hier ben ik al", en nu ging zij voorgoed
mèt het huisraad naar de nieuwe woonsteê.

Wij hebben hier een vorm van het zich verbergen der bruid, zij laat
zich zoeken en geeft zich ten slotte gevangen. R. Reichhardt, Geburt,
Hochzeit und Tod (Jena 1913), zegt dus te onrechte, dat dit "heute wohl
nirgends mehr nachweisbar" is (bl. 92). De bruid trachtte nl. vroeger,
volgens vrij algemeen gebruik, na het huwelijk te ontvluchten en zich
te verbergen, waarop de bruidegom haar moest zoeken. Men zou hier een
overleefsel van het roofhuwelijk kunnen zien; klaarblijkelijk is het
echter slechts een overoud scheidingsgebruik.

Van het oude Groningsche _brüdegamslah_en, het slaan van den bruidegom
ter bevordering der vruchtbaarheid (zie Dr. Knappert, Groningsche
Volksalm. 1902) is, voor zoo ver mij bekend, niets overgebleven. Het
was een "slag met de levensroede", vgl. bl. 116. Bij de Slavische
volken vindt men het nog herhaaldelijk.

Het _bruiloftsmaal_ heeft weinig karakteristieks meer behouden:
eten, drinken en dansen is de boodschap. Den eeredans heeft het
jonge paar, of wel de bruid met den bruidsknecht, of de bruidegom
met het bruidsmeisje. Te Grubbenvorst, Helden enz. (L.) beginnen de
gasten midden onder het maal met de messen en vorken op de glazen
te tikken, totdat de bruid opstaat en zich door een zwager het huis
laat rondleiden, onder het geroep van: "de broed mot droet". Glazen
worden voor de deur stuk gegooid, en na afloop trekken de buurvrouwen
onder groot lawaai met pannen en deksels rondom het huis. Het zal
wel onnoodig zijn op te merken, dat wij hier met een geestenwerend
lawaai te doen hebben; vruchtbaarheid werd hiervan voorheen het
onrechtstreeksche, maar hoofdzakelijk bedoelde gevolg geacht. Zoo
werden nog voor eenigen tijd in Friesland op den avond der bruiloft de
glazen in den voorgevel stuk geschoten, en de vader der bruid achtte
zich hierdoor vereerd. Van iemand, die knappe dochters had, zei men:
"Die zullen hem wat glazen kosten!"

's Avonds brengen de jongelieden te Helden, Nunhem, Swalmen, Beesel
enz. aan het bruidspaar een eigenaardige serenade. Zij huilen en kermen
over de slechte tijden. Op de vraag, wat ze dan eigenlijk willen,
antwoordt de persoon, die Aartje voorstelt, dat zijn talrijk kroost
toch òok gaarne iets van de bruiloft had. Hierna worden zij onthaald.

Men dient deze vertooning als een scheidingsgebruik op te vatten,
evenals het _huilbier_ (_huulbeer_), Hoogduitsch _Heulbier_. De
gedachte is wel deze, dat de bruid tot het tijdstip van haar huwelijk
aan de geheele gemeente behoort, en dus de jonge man ze moet afkoopen
door geschenken. Ook verbeeldt het wel een afscheid van den jongen man
aan zijn gezellen. Dit gelag heeft plaats vóor of na het huwelijk, en
komt dus vrij wel overeen met het Achterhoeksche _boksenbier_, waarop
de bruid haar _bruidstranen_ (brandewijn met suiker) schenkt. Komt
deze naam van het schieten met de _bokse_? Of van de gewoonte, dat de
bruidegom door zijn vrienden schertsenderwijze van de broek ontdaan
werd, hetzij om hem daarna in het bed te stoppen, hetzij om hem in
de gelegenheid te stellen, het echtelijk gezag, aldus symbolisch
hem ontnomen, weer te koopen? Meer hierover vindt men bij Scheltema,
Volksgebruiken der Nederlanders bij het vrijen en trouwen, bl. 270,
Driem. Bladen II, bl. 25, 27; 93 vlg.

Volgens Reichhardt is de naam eigenlijk _heilbier_, en hij vergelijkt
het Middelhoogduitsche _heilwîn_. Ik meen echter, zooals gezegd
(bl. 246), aan de benaming van _huilbier_ te moeten vasthouden, en
vind het gebruik in zijn _oorspronkelijken_ toestand in die plaatsen
(b.v. Sittard, Beegden, Epen), waar het huilbier gegeven wordt door
den weduwnaar, die met een jong meisje huwt, of door den jongen man,
die met een weduwe trouwt: zij kunnen zich van het _huulen_ afkoopen
door een vrijgelag. Is deze opvatting juist, dan heeft zich het
gebruik eerst naderhand tot scheidingsgebruik ontwikkeld.

In Drente kende men eertijds het _hanenbier_. Door de buren werd aan
de jonggehuwden een hanenmaal aangeboden. Men kocht een haan en deze
werd gebraden en in zijn natuurlijke houding, op drie pennen, in een
grooten schotel op tafel gezet. Uit de ontvangen fooien werden de
onkosten van het hanenbier bestreden; zie Drentsche Volksalm. 1842,
bl. 125.

Na de bruiloft beginnen voor het paar de _wittebroodsweken_, of ook de
_zoetemelksweken_. Dan komt het jonge paar nog pas "van Zoetendaal";
het slijt den zaligen tijd der eerste, jonge liefde; "de korstjes
kraken nog."



III. Huiselijk Verkeer.


Maar de liefde rijpt, en een nieuw, rijk en vruchtbaar leven: het
huiselijk verkeersleven, neemt een aanvang. Zijn de jonge lieden bij
de oude lui ingetrouwd, dan worden door deze voorwaarden gesteld;
vooral de Drentsche boer staat niet graag zijn hoeve af, gedachtig
aan het spreekwoord: "Men moet zich niet uitkleeden, voor men naar
bed gaat." Dat dit _introuwen_ niet altijd in peis en vree verloopt,
getuigt het Limburgsche spreekwoord, dat "de bliksem en de introuw
nog niet beschreven zijn."

Wordt de echt gezegend en moeten vader en moeder zich reppen om
hongerige mondjes te vullen, dan ontplooit zich het bedrijvige
huiselijke leven in zijn vollen omvang. Het vrome echtpaar stelt prijs
op Gods zegen, die het huis moge schutten, het onheil afwere en den
arbeid doe gedijen. In katholieke streken wordt het huis ingezegend,
het kruisbeeld prijkt boven den schoorsteenmantel, en daarop of op
de kast staan enkele heiligen-beeldjes. Naast de deur--meestal van
de slaapkamer--hangt een wijwatervaatje met gewijde palm; en in
den kersttijd vindt men veelal nog een Stalletje van Bethlehem en
in de meimaand een versierd Mariabeeld, waarbij gebeden en gezongen
wordt. Aan den wand hangen ingelijste woorden, als "God ziet mij" en
"Hier vloekt men niet"; en tegen de binnenzijde van de kastdeur is
veelal een gekleurde plaat bevestigd, de _Huiszegen_, waarop een gebed
bij tijden van onweêr: dan wordt ook de gewijde kaars ontstoken, die
tevens als doodenkaars dienst doet. De wandkaarten bij de protestanten
bevatten meestal korte teksten uit den Bijbel. Op de scheurkalenders
vindt men een tekst uit de H. Schrift met een korte verklaring ervan op
de voorzijde, tegelijk met een opgave van het gedeelte der H. Schrift
en een psalm- of gezangvers, dat 's morgens of 's avonds gelezen kan
worden. Aan de achterzijde vindt men meestal korte verhaaltjes, aan
het Christelijk leven, of geschiedenissen, aan de Zending ontleend;
terwijl op roomsche scheurkalenders naast Schriftuurteksten veelal
citaten uit kerkelijke schrijvers of korte verhalen uit de levens
der heiligen voorkomen.

Het Christelijk gezin begint en eindigt den dag met _gebed_; en hier
wordt "gezin" genomen in ruimsten omvang, want, zitten nog slechts op
het platte land veelal de knechts en meiden mee aan den disch, bij de
gebedsstonden pleegt ook elders de vrome huisvader de onderhoorigen
met de andere huisgenooten te vergaderen. Des avonds wordt in vele
katholieke gezinnen gezamenlijk de Rozenkrans gebeden, onverminderd het
gewone avondgebed; ook laat men zelden na, des avonds te bidden voor de
"geloovige zielen", met name van de afgestorven bloedverwanten. Bij
de vrome protestanten is het regel, dat dagelijks de Bijbel gelezen
wordt. In sommige families geschiedt dit eenmaal daags, vóor of na het
ontbijt, in andere tweemaal, nl. ook des avonds vóor het naar bed gaan,
in weer andere driemaal, nl. ook na het middageten. Bij velen wordt,
nadat een kapittel uit de H. Schrift of een gedeelte daarvan gelezen
is, ook nog een stuk uit een Christelijk dagboek gelezen. Soms, als
men een huisorgel bezit, wordt er een psalmvers of een gezangvers
bij gezongen.

Vóor elken maaltijd wordt gebeden, na elken maaltijd gedankt,
waarbij allen de handen vouwen en de oogen sluiten. Treffend heeft
Karel de Groux het familiale gebed vóor het eten afgebeeld in zijn
_Bénédicité._ In katholieke gezinnen bidt men na het kruisteeken een
Onze Vader en een Wees Gegroet: de vader of het jongste kind bidt voor,
en allen antwoorden met luider stem. Waar in protestantsche gezinnen
de huisvader hard op bidt en dankt, is het gebed een zoogenaamd vrij
gebed, dat in sommige gezinnen zelfs zeer lang kan zijn, of er wordt
een formuliergebed gebruikt. Meestal spreken de jonge kinderen dan
nog een klein gebed, b.v. "Heere, zegen deze spijs en drank, Amen",
of "Heere, wij danken U voor deze spijs en drank, Amen".--

Van zulk een hoofdmaaltijd--tegen het middaguur--vormt de brij of
pap op het land een voornaam bestanddeel. Des avonds is brood met
pap en aardappels zelfs het eenige _voedsel_. Verdere gerechten zijn
appelenpap, weggenmelk (van gedroogd wittebrood), spek, pannekoek
enz. De middagpot bestaat veelal uit boonen- of erwtensoep,
aardappelen met groenten, of ook met kool, boonen enz. vermengd
tot _stamp_ of _potage_, en vaak een stukje spek of vleesch. Uit
een gemeenschappelijken schotel wordt nog veelal gegeten, als het
aardappelen geldt met saus. Dan plaatst men midden op tafel de
kom met aardappelen en een bakje saus. Met stalen vorken worden
nu de aardappelen geprikt en in de saus gedompeld. Ook pap wordt
veelal uit éen schotel gegeten; een tafellaken is ten platten lande
onbekend.--Van ouds het voornaamste voedsel is het brood, en wel het
bruine roggebrood, zoozeer, dat b.v. in Limburg slechts dit "brood"
genoemd wordt, terwijl het wittebrood "mik" heet. Het brood wordt door
het volk dankbaar geëerd als de goede gave Gods. Daarom drukt de boerin
met den vinger een kruisje in het deeg; daarom maakt zij met het mes
een kruis op de onderzijde van het brood, vóor zij het aansnijdt;
daarom leert zij de kinderen, nooit een kruimel te laten verloren
gaan. Want, gaat de vader zijn kroost voor in noeste werkzaamheid en
voedt hij het op tot karaktervastheid en plichtsbetrachting, de moeder
vooral kweekt vroomheid en godsdienstzin, en tempert de strengheid van
het vaderlijk gezag met zacht beleid en trouwhartige, zorgzame liefde.

Na het middagmaal of _de noon_ volgt in den zomer de rusttijd, de
_ungere_ (Limburg). Het koffie-uurtje heet dan de _achterungere_. Maar
worden de dagen korter, dan vervallen beide: "Sint Mecheel (Michiel)
verbuut den ungere en den achterungere".--Nog dient opgemerkt,
dat bij het maal ook de ambachtslui aanzitten, als de boer die aan
huis heeft, vooral de kleermaker of _snieder_. Vroeger vooral was
het ambacht op de dorpen niet in tel. "De snieder is ene mins,"
zegt een Limburgsche spreekwijze, "as hê mit de andere minse oet de
kerk kump." Lager nog stond de wever: in de herberg kreeg hij nimmer
een gaaf glas. Werd aan een ander bij geval zulk een glas gebracht,
dan luidde de verontwaardigde vraag: "Ben ik soms een wever?" Het
laagst stond de vilder: hij mocht de herberg niet binnenkomen, maar
bleef in de gang staan, waar hem het bier gebracht werd.

Voor eentonigheid en kleurloosheid wordt het gezinsleven behoed door
het _familiefeest_. Oorspronkelijk en op de allereerste plaats was dit
het naam- of patroonfeest van de ouders, later in Noord-Nederland door
de verjaardagen vervangen; dan ook het naamfeest en de verjaardagen
der kinderen. Nu doet de _mei_ weer dienst, en steekt men een groene
twijg, later een ruiker, in een koek, dien men de(n) feestvierende
vereert; vandaar de uitdrukking: "iemand _besteken_." Zoo noemde men
het eertijds nog "een meisje besteken," wanneer men ring of klopper
van haar huisdeur met groen versierde.

Op den vooravond van het patroonfeest worden plechtig de geschenken
aangeboden onder het zingen van:


    Van avond is 't den avond
    En morgen is 't den dag,
    Dat men Sint-N. besteken mag.


Vandaar, dat in Midden- en Zuid-Limburg de term _mei_ de benaming is
van het geschenk op den vooravond, en van het naamfeest zelf.

De viering van den verjaardag mist doorgaans alle kleur. Maar
plaatselijk is het _besteken_ veranderd in het _bestrikken_ der jarige
kinderen, d.i. "kinderen op hun verjaardag een stuk koek enz. met
linten op den arm vastbinden" (Molema, Wörterb. d. Groningschen
Mundart, bl. 32). Maar oorspronkelijk kwamen er groen en kransen bij te
pas, zooals nog blijkt uit een door Waling Dijkstra aangehaald versje:


    Ik kom u versieren
    Met kransen en laurieren;
    Ik bind u met hemelsch lof; enz.


In wezen een familiefeest, met een kerkelijk feest eng verbonden,
is ook de _kermis_. Het is een gedenkfeest der kerkwijding; immers
het Middelnederlandsche _keremisse_ beteekent "mis bij 't feest van de
kerkwijding", dan ook "viering van dit feest", en verder "jaarmarkt",
men denke aan de _Leipziger Messe_. Deze dag toch wordt tot aandenken
aan de stichting der kerk of van haar patroonfeest door een plechtige
hoogmis opgeluisterd. Tevens wordt in het zuidelijk volksgebied de
groote H. Sakraments-processie of _bronk_ gehouden; meien worden
geplant langs den geheelen weg, dien de processie nemen zal.

Vele oude kermissen herinneren nog heden ten dage aan den dag van de
oprichting der gemeente als parochie en van de inwijding der kerk. Den
7den Mei 1777 verordenden de Generale Staten, dat in hun gebied,
in de landen van Overmaas, alle kermissen op Zondag na Sint-Martinus
(11 Nov.) zouden plaats hebben en niet langer dan drie dagen zouden
duren. Vandaar ontstond in Limburg de zoogenaamde _Hollandsche kermis_,
nog heden bewaard te Heerlen, Meersen, Bunde, Geulle, Beek, Voerendaal,
Itteren, Hulsberg, Klimmen, Margraten, Ubagsberg enz.

De kerkmis trok bezoekers uit de naburige dorpen en van elders; de
toevloed van vreemden bracht markt en handel mee, en zoo trad het
wereldlijk element naast het kerkelijke, om dit ten slotte verre
te overvleugelen. In de groote steden met haar hoogere kuituur is
de kermis zelfs dermate ontaard in formaliteiten en losbandigheden,
dat men ze op verscheidene plaatsen wijselijk heeft afgeschaft.

Maar in de kleine steden en dorpen, van ons zuidelijk gebied vooral,
daar viert zij nog hoogtij; daar kan men zeggen: geen plaats zonder
kermis, ja sommige plaatsen hebben er twee. De wereldsche feestviering
bestaat uit een groot komplex van overgeleverde gebruiken, genietingen
en vermakelijkheden, van welke de familiale feestviering de kern
vormt: wordt deze door het verslappen der gemeenschapsbanden of het
verflauwen van den familiezin aangetast, dan ontaardt de rest en
valt spoedig uiteen. Verwante of bevriende gezinnen, uren ver van
elkaar verwijderd, vinden op kermisdag de gelegenheid, de familie-
en vriendschapsbanden nauwer aan te halen. Ten bewijze, dat twee
gezinnen met elkaar bevriend zijn, zegt men dan ook, "dat zij bij
elkaar op de kermis komen." Hierbij komt, dat in een groot aantal
gevallen de gedachtenisviering der kerkwijding zich met gebruiken
uit het oogstfeest verbonden heeft, dat, zooals wij weten, een bij
uitstek intiem karakter droeg. Vandaar ook wellicht de overvloed
van gerechten: taart, knapkoek, krentenmik, rijstepap enz.; het
kermisgerecht bij uitstek is echter de Limburgsche en Brabantsche
_flaai_ (_vla_). Het kermismaal is een gebeurtenis van gewicht voor
het geheele gezin, en voor de zorgzame huisvrouw in het bijzonder:
met het oog hierop wordt het heele huis van onder tot boven geschrobd,
geschuurd, geboend, en wat al niet meer.--


    Vandaag is 't kermisavond
    Morgen is 't kermisdag, dag, dag,
    Da bierken, da gebrouwen es,
    Da ich wel drinken mag, mag, mag,


zingen de kinderen te Hasselt op den vooravond van den lang verbeiden
dag. En inderdaad, de kermis is ook een kinderfeest: de markt is dan
dicht bezet met kramen en tenten, en vooral de mallemolen--tegenwoordig
veelal door vermakelijkheden van hooger volmaaktheid of kultuur
vervangen--mag niet ontbreken; in Vlaanderen verlangen de kinderen
naar hun _molens van plezier_. Maar laat ik ook _Jan Klaassen_ niet
vergeten, en evenmin het bekende _koekslaan_, o.a. te Venloo met een
stok, elders met een bijltje, vanwaar de benaming: _koekhakken_.

Tot de oude kermisvermakelijkheden voor de volwassenen behoort, of
behoorde, het ringsteken, het afkeurenswaardige dassenbijten door
gedresseerde honden, het ganstrekken of gansrijden, het katknuppelen,
haanslaan, mastklimmen, kaatsen, schijfschieten enz. Aldus werd
"kermis" synoniem van allerlei pret en vermaak, met het gevolg,
dat menig andere ontspanning en feestelijkheid den naam van "kermis"
kreeg. Zoo b.v. de Geldersche _öskeskermis_ in November, ten huize,
waar een koe of os geslacht is, vgl. den Gelderschen Volksalm. XXXVI,
bl. 45; de Veluwsche _schaapskermis_, beschreven in den Gelderschen
Volksalm. 1862, bl. 151; de _Mulderskermis_; de _Haagsche Boschkermis_;
ja, men spreekt zelfs van een kermis op het ijs. Minder bekend is de
Noord-Brabantsche schaapskermis. Als te Reusel de schapen geschoren
worder, verzoekt men de kinderen uit de buurt en van de gezinnen, op
wier stoppelland de schaapherder zijn kudde drijven mag. De kinderen
komen helpen bij het scheren, door "een pootje vast te houden."

Sedert eeuwen was de kermis onafscheidelijk verbonden met processie en
ommegang. Van deze ommegangen verdienen een afzonderlijke vermelding
de Reuzen-stoeten van Brussel, Leuven, Antwerpen, Mechelen, Brugge,
met hun _Antigoon, Janneken_ en _Mieken, Grand'Papa, Op-Sinjoorken,_
de _Groote Turk_ enz. Nòg verschijnt te Hasselt de _Lange Man (Don
Christoffel_) en te Venloo _Valuas_ en zijn vrouw. Deze trekken op
met het akkermansgilde en voeren ten slotte een dans uit. Immers de
kermis is het groote gilde-feest.

Met name de _schuttersgilden_ (vgl. bl. 200) trekken dan uit,
zwakke resten van de aloude schuttersgilden met hun heerlijke
landjuweelen. Toch schuilt nog heel wat kleur en poëzie, overgeërfde
wapentrots en zelfstandigheidsgevoel in het optrekken der Limburgsche
en Brabantsche _jonkheden_ met hun kapitein en andere gezagvoerders,
zoowel in als buiten de processie. Te Eysden (L.) trekken de jonkheden
van alle gehuchten met haar vaandels in de groote processie, elk
achter haar beschermheilige, mee. Des Maandags en Dinsdags worden
zielmissen gecelebreerd voor de overleden leden. Daarna heeft een
plechtige uittocht plaats naar het kasteel, waar een reidans, de
_cramignon_, wordt uitgevoerd: de leden der jonkheid houden elkaar bij
de hand vast en vormen, met den kapitein aan de spits, een lange rij,
die zich op de maat der muziek in allerlei slingeringen en bochten
wringt. Merkwaardig is het nog, dat door de oude geweerschutterij
van het gehucht Oost op Kermismaandag na de zielmis op de graven der
afgestorven leden en eereleden geweersalvo's worden gelost.

Op Kermismaandag, Pinkstermaandag of op het patroonfeest van het
gilde wordt meestal de vogel geschoten. In plechtigen stoet trekt de
schutterij naar het feestterrein, waar de houten vogel op den mast
staat. Maar plaatselijk wordt die vogel ook den dag te voren door de
dorpsmeisjes _gepeeld_ (opgesierd), zoo b.v. te Sint Anthonis, gemeente
Oploo (N.-B.); in dit geval wordt hij in den stoet mee gedragen en ter
plaatse op de _wip_, d.i. den mast, den schutsboom, geplaatst. Bij
raak schieten wordt de trom geroerd. De koning krijgt een premie,
maar moet trakteeren, evenals zijn vrouw of aanstaande, die tot
koningin verheven wordt. Hij wordt nu bekleed met de versierselen:
zilveren halsketen met platen, ruitersabel of staf met zilveren
knop, en generaalshoed of kroon. Deze platen, met inskriptie, worden
door den koning gegeven en vormen, aaneengeregen, _het zilver,_ het
hoofdinsigne van het koningschap. Geflankeerd door zijn adjudanten,
keert hij triomfeerend huiswaarts, 's Avonds wordt gedanst; vooral
de carré-dans staat in eere.

Bij het uittrekken der schuttersgilden wordt een bijzondere vaardigheid
vereischt van den vaandrig bij het _vaandel_- of _vendeldraaien,_
dat vóor de kerkdeur en vóor het huis der plaatselijke autoriteiten
geschiedt. Vandaar de Vlaamsche uitdrukking "kwalijk het vendel
met iemand kunnen draaien", d.i. het met iemand niet goed kunnen
vinden. Ook wordt bij de intrede in het gilde het nieuwe lid
_ingevendeld_, d.i. het vaandel hem om het hoofd gezwaaid. Elders
heeft een soort van doopsel voor de nieuwe leden plaats. Een groote
oneer is het, als lid geschrapt te worden. Te Waalre (N.-B.) wordt een
onwaardig lid uit het gild (of _guld_) "getrommeld": een geldstukje
wordt op het trommelvel gelegd, en dan wordt zoo lang getrommeld,
tot het er van afspringt.

Vroeger werd te Heer (L.) bij gelegenheid der kermis het zoogenaamde
_vreisjpeel_ gehouden. Na de hoogmis brachten de jongelui de
meisjes van 't kerkplein naar een herberg, waar gedanst en
gedronken werd. Te midden van den carré-dans maakte men halt,
en onder muziek werd een rondgang gehouden door een jongen man
met twee schotels, geflankeerd door twee jongelui, elk met een
brandende kaars. Gedroeg iemand zich niet ordelijk, dan werd hij
door den kapitein gestraft. Deze gaf namelijk order, den schuldige
midden in het vertrek neergehurkt en met de handen op den vloer,
te _britsen_, d.i. met een vierkante lat, in dunne latjes gespleten,
te tuchtigen. Nog dient vermeld het draaksteken te Heel en te Beesel
(L.). Vroeger was de ridder met den draak in de optochten en processies
een onmisbaar element. Albrecht Dürer zag hem te Antwerpen, terwijl
de draak door een dame, die Sint Margriet voorstelde, aan een rood
lint voortgetrokken werd. Vooral op de dorpen vermaakten de schutters
zich met het spel van Sint Joris-met-den-draak. De vertooningen in
genoemde Limburgsche dorpen zijn hiervan, voor zoover mij bekend,
de eenige overblijfselen,--afgezien van de spreekwijze "met iemand
den draak steken".

Het monster is gemaakt van gevlochten teenen, met linnen overtrokken,
en van geschubde huid en groote vleugels voorzien. Het trekt met de
schutterij mee en wordt door een lid van het gilde voortbewogen. De
koning van het gilde stelt Sint Joris voor; drie maal rijdt hij op
den draak los, en den derden keer treft hij het monster, dat vuur en
water braakt. Dan voert een meisje in het wit het bedwongen ondier
in triomf weg.

Op Kermisdinsdag wordt te Aalst, bij Eindhoven, _Machielke begraven:_
een strooien pop wordt op de baar gelegd en op het marktveld onder den
grond gestopt. Ook aan een lijkrede laat men het niet ontbreken. In
Zuid-Limburg (b.v. te Schinnen) wordt het _kermiskiendje_ begraven. Men
vergelijke "den winter begraven" enz., en den Blitterswijkschen
_doodendans_ (bl. 166). In Vlaanderen "begraaft" men den laatsten
kermisdag, _kermis-kaluit_ geheeten, "het hespebeen"; ook houdt men
wel een verkoop van ledige beurzen.

Een huiselijk instituut, dat echter tot vele misbruiken aanleiding
gaf, is ook de _spinning_, spinnerij, spinnejacht enz. Gedurende
de lange wintermaanden--die in huiselijke gezinnen meestal door
gezelschapsspelen als ganzebord, domino-, kien-, dam- en kaartspel
worden gekort--kwamen sinds overoude tijden de jonge meisjes en soms
ook de vrouwen uit de buurt met vlas en spinnewiel in het een of
ander ruime vertrek te zamen. Deze spinningen waren het gevolg van het
sterkontwikkelde gemeenschaps- en buurtwezen. De jonge dochters werden
verzocht, een handje te komen helpen, om door gemeenschappelijken
arbeid in éen dag zooveel vlas als mogelijk tot fijne draden te kunnen
verwerken. Later trad het liedjes-zingen en sprookjes-vertellen meer
op den voorgrond. Naderhand werd eigenlijk weinig meer gesponnen--want
het hoog-voorname spinnen raakte in oneere, en een spinnewiel, in
de salons te pronk gesteld, kan dit niet verhelpen,--maar des te
meer gezongen en--gevrijd: want de spinmalen waren de vrijpartijtjes
bij uitstek. Zie Drentsche Volksalm. 1839; Ter Gouw, Volksvermaken,
bl. 407 vlg.

Zij bestaan nog, en plaatselijk zelfs in vrij oorspronkelijken vorm,
in het Oosten van het land, Brabant, Limburg en Vlaanderen. Gesponnen
wordt meestal in den nawinter, van Kerstmis tot Vastenavond. De
meisjes spinnen of breien doorgaans van zes tot negen; dan komen de
jongens uit de buurt allerlei dwaze streken uithalen, en er wordt
gekoosd, gevrijd, gezongen en gesprongen. Ook kort men den tijd
wel met gezelschapsspelletjes, maar van geheel anderen aard dan de
bovengenoemde; het is _pandverbeuren, bezemjagen_ in den Achterhoek,
_buurt of slage_ in Drente, _zökskes liggen_ of _den rooden hoan jagen_
in zuidoostelijk Noordbrabant: te Beers, Schayk, Haps enz. Bij _buurt
of slage_ moeten de jongelui het meisje, waar zij mee koozen, aan een
ander afstaan, op straffe van met de plak geslagen te worden. De beide
Brabantsche spelletjes zijn zoekspelen, en slachten het beschreven
_slofje onder_.



IV. Landbouw en veeteelt.


De _buurtschap_ is van landelijken oorsprong. Boven is uiteengezet, hoe
vooral in de eschdorpen gemeenschap van herkomst en van belangen den
gemeenschapszin kweekte, die tal van gemeenschappelijke bepalingen in
het leven riep en gemeenschappelijke hulp waarborgde. Aldus vormden de
dorpelingen een zekeren clan, met een buurtschap als nauwere kern, die
bleef voortbestaan, ook waar de dorpen tot steden zijn uitgegroeid. De
arbeidsgemeenschap was ook een strijd-, weer- en feestgemeenschap,
en als feestgemeenschap vooral openbaart zij zich naderhand in de
steden. Daar ook ontwikkelden zich de buurten tot buurgilden, met
bepaalde reglementen en met een president aan het hoofd, "den Heer van
de buurt", zooals hij in de Hollandsche steden genoemd werd. Dat de
buurdiensten hoog gewaardeerd werden, blijkt uit ons goed Nederlandsch
spreekwoord: "Een goede buur is beter dan een verre vriend".

De buurt omvat doorgaans een zeker getal straten met een bepaald
centrum, zoo b.v. te Roermond, waar de _put_--zoo heet daar de
buurtgemeenschap--een pomp, waarop het beeld van den putheilige, als
middelpunt heeft. Op het land is de grens veelal een weg of een pad.

Eertijds had jaarlijks een gemeenschappelijk buurmaal plaats,
waarvan de onkosten uit de buurtkas betaald werden; toen dit
afgeschaft was, trad het jaarlijksch potverteren in de plaats. Er
heerschte ook een zekere hiërarchische rangorde: eerste buur,
tweede buur enz. De _noodnoabers_ zijn de buren, tot wie men zich
in geval van nood het allereerst wendt; en mèt de benaming is het
instituut blijven voortleven. Als buur geschrapt, "uitgedaan" worden,
is een ontzettende schande. Nog steeds bewijst de buurt haar goede
diensten in de belangrijkste, zwaarste, heuglijkste en pijnlijkste
oogenblikken van het leven. Bij geboorte, huwelijk en sterfgeval
geschiedt de aankondiging vaak door de buren; bij huwelijk worden
buurt en huis versierd, alsmede de weg, dien het bruidspaar nemen
moet; bij het bouwen van een nieuw huis, het graven van een put, bij
onderscheidingen, een lid der buurtgemeenschap te beurt gevallen,
bij oogsten, dorschen, rooien, bij brand of hagelslag,--steeds is
het de buurt, die hare hulpvaardigheid en deelneming betoont. Daar
zijn andere minder gewichtige, maar toch ook sprekende momenten in
het buurtleven. Heeft iemand geslacht, dan noodigt hij niet zelden de
buren, om te komen zien, als 't varken op de ladder hangt. Ieder zegt
dan, zonder dat de keel droog wordt, zijn meening over het gewicht:
men noemt dit in Noord-Brabant "het varken prijzen".

Vaste gebruiken kent men ook bij het verhuizen. Op den bepaalden dag
trekken de mannen en de meisjes uit de buurt met de noodige karren
naar het dorp, dat de nieuwe buurman metterwoon gaat verlaten. Een
kar, waarop het nieuwe gezin plaats neemt, is feestelijk versierd:
de huif is met kleurige papieren bloemen getooid, en voorin hangt een
bloemenkroon. Nu zet de vroolijke, joelende stoet zich in beweging,
en in Noord-Brabant wordt hierbij gezongen:


    Te N. willen wij niet wonen,
    Daar zijn de wijven te kwaad,
    Maar te N. willen wij wonen,
    Daar zijn ze beter van aard.


Of wel:


    Te N. willen wij niet wonen,
    Daar is 't een arrem land,
    Maar te N. willen wij wonen,
    Daar zijn rozen geplant.


Of wel:


    Dat gaat naar Den Bosch toe,
    Zoete lieve Gerritje,
    Dat gaat naar Den Bosch toe,
    Zoete lieve meid.


    Wat zullen wij daar drinken enz.
    Brandewijn met suiker enz.
    Wie zal dat betalen enz.
    De boer, dien wij gaan halen enz.
    Waar zal hij dat halen enz.
    Al uit zijn linnen beursje enz.
    Wat zullen wij daar eten enz.
    Rijstepap met suiker enz.


Deze rijmpjes worden doorgaans gevolgd door een langgerekt "kjoeuw".

Intusschen is de nieuwe woning in orde gemaakt,--trouwens _elke_
nieuwe woning wordt door de buurt in staat van bewoonbaarheid
gebracht. Het heele huis is schoongemaakt: de vloeren geschrobd, de
muren gewit, alles gepoetst, gewasschen, gesierd; daarna is de mei
of een kroon op het dak gezet en, ten teeken van volbrachten arbeid,
de bezem uit het dak gestoken; van daar de uitdrukking: "den bezem
uitsteken." Plaatselijk dansen de buurmeisjes dan in de feestelijk
uitgedoste woning. Zij hebben nu recht op een onthaal, in het Oosten
van het land het _intrekkingsmoal_ genoemd. In het zuidelijk gebied
heeft dit onthaal geen afzonderlijken naam. Natuurlijk wordt koffie
gedronken, waarbij krentenmik gegeten wordt "en andere"; elders
nuttigt men de onafscheidelijke stoete. De kroon, die de huifkar
tooide, wordt in het nieuwe heem opgehangen en blijft daar, tot ze
verdord of versleten is.

Een oud gebruik, en waarschijnlijk oorspronkelijk wel bedoeld als een
offer aan de huisgeesten, is het oostelijke _vuurbeuten_, d.i. het vuur
aanleggen in de nieuwe woning door de buurvrouwen, plaatselijk--maar
jonger--ook door de buurmeisjes; men vergelijke hiermee het huisoffer
bij het huwelijk, bl. 261. Ook in het Bentheimsche bestaat dit
gebruik. In Oost-Vlaanderen loopt 's avonds de heele buurt samen,
elk met een bosje stroo, dat ter eere van den nieuwen buurman wordt
gebrand; men noemt dit, de nieuwe buren _inbranden_. Het onthaal
draagt den naam van de _overhaalfeeste_; zie Loquela XII, bl. 69.

Overeenkomstig dit gebruik wordt een nieuwe herberg met meitakken
gesierd; ook plant men vóor de deur wel eens een meiboompje. Te Kessel
(L.) brengen de buurtjongens den kastelein het uithangbord; het hierop
volgend onthaal heet dan _schildverteren_.

Bij ziekte wordt door de buurt geneesheer en geestelijke gehaald,
gewaakt, gebeden. Vooral na de berechting onderneemt in katholieke
streken de buurt een bidgang naar een nabijgelegen kapel. Treedt
de dood in, dan zijn het weer de buren, die den doode afleggen,
overluiden, bewaken. Zij belasten zich met de toebereidselen tot de
ter aarde bestelling, dragen het lijk, delven den kuil, verrichten de
begrafenis. Hoe treffend is niet de Limburgsche gewoonte, waarvolgens
de buurmeisjes kransjes vlechten voor de overleden kinderen en
ongehuwden, en in den lijkstoet palmtakken dragen, die dan gestoken
worden op het graf.

De gezellige bijeenkomsten dragen den naam van _buurting_ of
_buuravond_; het onthaal, dat billijkerwijs de bewezen diensten volgt,
heet _bier_ of _maal_, terwijl het plaatselijk een specifieke benaming
mist. Dit _bier_ is een echt Nederduitsch instituut; zie ook Winkler,
Oud Nederland, bl. 816. De naam van den drank, die het hoofdbestanddeel
vormde, is op de feestelijke bijeenkomst zelf overgegaan en bleef,
ook toen deze drank geheel op den achtergrond raakte. Zoo kent men
het _geboorte_- of _kinderbier_, Friesch _bernebjiar_, het _meibier,
gildebier, vastelavondbier, schuttebier_, bij begrafenissen het
_doodbier, leedbier, troostbier, droefheidbier, groevebier_, Friesch
_leedbjiar_ en _treastelbjiar_, ook wel _loofbier_ genoemd, wanneer
de doode geloofd wordt; bij verloving het _verlovingsbier_. Was men
bij het bouwen van een huis in Friesland zoover gevorderd, dat men de
daksparren met pannen dekte, dan gaf men het _pannenbjiar_, vergel. de
Zeeuwsche uitdrukking _te biere gaeë_, zie ook De Bo, West-Vlaamsche
Idioticon, bl. 127. Over het Limburgsche _huulbeer_ is gesproken,
zie bl. 263. Elders spreekt men van een _intrekkingsmaal_ (bij
verhuizen), een _steendermaal_ (bij het aanbrengen van bouwmateriaal),
een _richtemaal_ (als de gebinten gericht zijn), een _mestmaal_ enz.

Bij den landbouw en het akkermansleven openbaart zich een nauw
betrekkingsgevoel tusschen den landbewoner en de omringende natuur,
en een gevoel van wisselwerking tevens. Verkondigt een dorre twijg
den dood aan dengene, die hem het eerst waarnam, omgekeerd kan men,
door een stroopop in het water te werpen, de natuur tot regen dwingen
(vergel. bl. 195). Dit is meer dan poëzie en symboliek, dit is,
hoewel onbewuste, sympathetische magie, die op een zekere animistische
natuurbeschouwing en ten deele op natuurvereering berust, in zoover
hier althans van fetissisme spraak kan zijn. Maar naast en boven dit
animisme of dynamisme is in de akkergebruiken nog een andere faktor
werkzaam: het religieuze bewustzijn van de voorzienigheid Gods en
Zijn heerschappij over de natuur.--

Reeds is voor het _zaaien_ gezorgd door palmblaadjes tusschen het
zaadkoren te leggen; dit bevordert de vruchtbaarheid. Maar deze
maatregel is niet voldoende; want het is lang niet onverschillig,
wanneer gezaaid wordt. Vrijdag en Maandag zijn daartoe niet
geschikt. Verder meent de landbouwer, als vroorogge op Sint Pieter
vóor den middag gezaaid wordt, dan schieten er aren in; niet aldus,
wanneer in den namiddag gezaaid wordt. De laatste volle week van
September mag niet gezaaid worden; dit is de _springweek_, dan springt
het zaad uit den grond op. Rogge moet ook gezaaid worden met wassende
maan (sympathie), maar niet tusschen twaalf en éen, en evenmin op
Quatertemperdagen. Zoo mag men ook in de Kruisdagen geen boonen
poten. In Vlaanderen en in den Achterhoek acht men het verkeerd "bij
twee lichten" te zaaien, d.i. als zon en maan aan den hemel staan;
daarentegen zaait men in het Rijnland juist bij twee lichten gaarne
tarwe, dan wordt zij mooi wit (sympathie).

Zeer verspreid is de gewoonte, vóor het zaaien een kruis te slaan
en ook de drie eerste worpen in kruisvorm te doen, en wel onder een
spreuk, waardoor Gods zegen wordt afgeroepen. Maar meer mag men
niet spreken, opdat de vogels het niet merken. Het zaad moet men
hoog opwerpen, dan groeit het graan hoog op (weer sympathetische
magie). Laat men des nachts ploeg of eg op het land staan, dan zet
men deze recht op in het veld, dat de heksen er onder kunnen vluchten
(Limburg).

Intusschen schiet het graan welig op. Het is voor den landman een
heilige tijd, een tijd van bange zorg en blijde hoop, als de velden
zich steeds rijker bekleeden met den zegen des hemels. Nu rijdt
men om de akkers, dat de oogst moge gedijen; nu bezigt men allerlei
afweermiddelen tegen hagelslag, onweer, brand, vooral tegen de vratige
vogels: de vogelverschrikkers hebben niet slechts een praktisch doel,
maar doen tevens eenigermate als fetis dienst. Op de Duitsche grens
leest men plaatselijk 't Sint Jans Evangelie tegen de musschen; tegen
misgewas steekt men in Vlaanderen en Limburg een gewijd palmtakje op
de vier hoeken van den akker. Het is een belangrijke, hoog-ernstige
tijd: dans en andere vermakelijkheden moeten nu rusten ...

Het omrijden der akkers en het rondtrekken om de graanvelden, wat
ook eertijds te Rome in zwang was, heeft ten deele een gekerstenden
vorm aangenomen in de processies. Het is zeker niet toevallig,
dat de _litania maior_, de voornaamste processie met litanie-gebed
op Marcusdag (25 April), juist op denzelfden datum valt, waarop
eertijds te Rome het voornaamste _ambarvale_ plaats had: ommegang,
bedegang door en om de velden voor het gedijen der veldvruchten en
het afweren van schadelijke invloeden. Ook bij deze en dergelijke
heidensche processies sprak men wisselgebeden in dialoogvorm. De
heidensche processie op den 25sten Maart werd gehouden ter eere van
_Robigo_, een godheid, aangeroepen ter afwending van ziekte in het
graan of van den meeldauw. Met het feest van den H. Marcus heeft de
_litania maior_ niets gemeen.

Maar reeds heeft de kwartel den oogst aangekondigd; en de landman
weet het, als de kwartel slaat, dan korrelt het graan goed:

"zooveel maal als hij slaat, zooveel vat uit de vim", zegt een
Limburgsch spreekwoord.

Weldra, als de wind door de aren speelt en het graanveld doet golven,
dan gaat de koorndaemon door de halmen, evenals de boomgeest zich
openbaart in het ruischen van het loof. "De roggehonde loopt er
deur", zegt men dan in de Graafschap, of "de roggemeuje het de
varkens oet." Hier ontmoeten wij voor het eerst den genius der
vruchtbaarheid op het graanveld. Hij neemt nu eene menschelijke
gedaante aan (_korenmoeder, roggemeisje_), dan weer die van een dier
(hond, wolf, haan, haas, bok enz.). Kinderen, die het graan vertrappen,
waarschuwt men voor het korenwijf, de roggemoeder of den bok. De hond,
haas enz. komt er bij de laatste schoof uit; dan moet een der binders
met open schort voor de halmen gaan zitten, om hem te vangen. Zoo
komt het, dat elders de laatste schoof den vorm van een hond, haas
enz. aanneemt. Zie Sartori, Sitte und Brauch II, bl. 87; Mannhardt,
Baumkultus, bl. 611; Roggenwolf und Roggenhund2 (Danzig 1868),
_passim_; Die Korndämonen (Berlin 1867), _passim_.

Het is een weldoende toon in het volksleven, dat de _graanoogst_,
het moeizaamste en gewichtigste werk van het geheele jaar, als een
feest wordt opgevat. Op Jacobidag (25 Juli) pleegt hij een aanvang
te nemen. Het nijvere landvolk zweet en zwoegt, de buren bieden de
helpende hand, maaien de halmen, binden de schooven, stapelen op de
oogstkar het kostbare loon van zooveel moeiten en zorgen, en bij
het haren der zeisen en het zwaaien der sikkels klinken vroolijke
oogstliederen als deze:


    De wumpel de strumpel de kanne met bier,
    Die hebben we hier op ons pleizier!
        Zoetemelk met roome,
        Jan Dirksen is mijn oome,
        Peet Trijn, dat is mijn bestemoer,
        Zoo gaane we mee op het leste voer.


(Noord-Holland).


    Het laatste voer is op de baan,
    Dat in den boer zijn schuur moet gaan.
    De luie boeren alleen hebben nog staan.


(Oost-Vlaanderen).

En nog komt met _Sint Joapik_ de boer handen te kort. Dit blijkt
uit verscheidene zegswijzen. Als 't heeft geijzeld, en de boeren
de hoefijzers der paarden moeten laten scherpen, zegt men: "'t
Hef glad iêzelt, de boer hef vandaag zienen Sint Joapik", en zijn
er veel huwelijken na den gesloten tijd, dan hoort men wel eens:
"Onze pastoor hef regtevoott zienen Sint Joapik".

Eindelijk bindt men de laatste schoof. Evenals in de lentegebruiken de
vegetatiedaemon door den meiboom of door een omloofde menschenfiguur
wordt voorgesteld, aldus ook de koorngeest in de oogstgebruiken. Men
beeldt hem uit in een schoof, met bonte linten en bloemen gesierd en
veelal gebonden in den vorm van een pop, en deze draagt benamingen
als: _korenmoeder, roggewolf, roggehaan_ enz.; immers, het dier,
dat sprong door het golvende graan, heeft men gevangen in de laatste
garve. Buiten onze grenzen wordt ook wel de maaier in de laatste schoof
gebonden en in water gedompeld. Zij wordt ook vaak met eetwaren als
appelen, gebak, eieren enz. gesierd en men danst er om heen, als om
den meiboom. Een verdere overeenkomst met den meiboom is deze, dat
b.v. in Westfalen de laatste schoof wordt bekroond door een uit hout
gesneden en op een stok bevestigden haan, die met den haanvorm, waarin
somtijds de laatste schoof gebonden wordt, niets gemeen heeft. Deze
haan rust op den oogstkrans, en troont dan veelal op den zoogenaamden
_Harkelmai_, die zijn benaming aan de bijeengeharkte halmen dankt:
de overeenkomst met den kleinen meiboom, dien wij palmpaasch noemen,
is weer bijzonder treffend. Na afloop der feestviering spijkert men
den haan met den oogstkrans aan den gevel van het woonhuis, waar hij
tot het volgende jaar blijft prijken. Zoo verklaart men de gewoonte
van het hanenslaan in sommige streken na het oogstfeest--in den Elzas
bindt men een levenden haan aan den oogstmei!--en evenzeer de Twentsche
benaming voor het oogstfeest: _stoppelhanen_.

De laatste schoof wordt ook de _geluksgarve_ genoemd, omdat
men van haar geluk en rijkdom verwacht voor het volgende jaar;
want de genius van de groeikracht en den wasdom, dien de oogstmei
uitbeeldt in betrekking tot de graanhalmen, welke hij tooit, wordt
ook beschouwd als de onafgebroken voortlevende groeikracht der
veldgewassen. Andere benamingen zijn: _de Olle, 't Olde Wief_ enz.,
welke wellicht betrekking hebben op een Oudgermaansche goddelijkte
verpersoonlijking der vruchtbaarheid.

Te Hengeloo, Steenderen, Zelhem, Ruurloo en andere dorpen van de
Graafschap maken de binders, als de laatste halmen gemaaid zijn, een
bijzonder groote garf, die uit vijftien gewone garven bestaat. Deze
wordt dan met groene takken en bloemen gesierd en draagt den naam
van _'t Olde Wief_. Straks komen de knechten met een langen staak,
steken haar dien door 't lijf en dragen haar in optocht naar de
woning van den boer, waar ze voor de deur wordt neergezet. Met eenige
plechtigheid wordt dan de feestgarve aan de vrouw, die inmiddels
naar buiten gekomen is, aangeboden. Ook draagt men de reuzenschoof
wel eens naar binnen en dan wordt er om heen gedanst.

Ook elders bestaat een dergelijk gebruik. Te Neerbosch (G.) en
omstreken, Heel, Geleen, Vlodrop, Reuver, Tegelen enz. (L.) maakt men
de laatste schoof dubbel zoo dik als naar gewoonte; zij wordt met groen
en bloemen, met een _mei_, opgesmukt en dan op de kar geladen. Een
joelende menigte van jongens en meisjes omstuwt het voertuig, en langs
den grootst mogelijken omweg begeeft de stoet zich huiswaarts. In het
dorp zet men het feest tot laat in den avond voort, want rijkelijk
wordt de jeugd door den eigenaar op koffie, bier, brandewijn en vla
onthaald. Te Nederweert vergast men zich op _Zichtezondag_ aan bier en
zoete melk. Elders wordt alleen de laatste kar _gemeid_. Te Schinveld
maakt men nog een stroopop, waarmee gesold wordt.

In sommige Friesche woudstreken is het de gewoonte, dat op de laatste
van het veld komende wagenvracht boekweit een meiboom wordt geplaatst,
en wel een tak van den lijsterbessenboom met de rijpe bessen er aan. Op
het Bildt zaten voorheen op den laatsten wagen boonschoven, die werden
binnengehaald, twee jongens met een strooman. Zij zongen aldus:


    Moer, moer, de pan over 't vuur!
    Hier hê wij _de leste gerven_
        Boven in de bergen,
        Boven in de toppe.
    Wanneer selle wij soppe?
    Soppe wij van avond niet,
    Dan soppe wij 't heele jaar niet.


In Zuid-Limburg draagt het oogstfeest de eigenaardige benaming van
_martelgaus_ (of _-gans],_ klaarblijkelijk een vervorming, zonder
eenige betrekking tot den gansvogel; een afdoende verklaring werd
tot nog toe niet gegeven. Elders op Nederlandschen bodem biedt het
oogstfeest weinig karakteristieks. In het Noorden heeft de vlag meestal
het meiboompje vervangen. In West-Vlaanderen draagt het oogstfeest,
of liever de feestmaaltijd, den naam van _oogstfooie_, elders dien
van _oogstkermis_.

Ten slotte zij nog vermeld, dat in Oldenburg, Brunswijk, Hannover
enz. een stuk koren ongemaaid op den akker blijft staan: het
_Vergôdendêl,_ dat kwalijk anders kan vertaald worden, dan als:
"Frau Godens Anteil", een hooioffer dus aan Wôdan's gemalin. Hiermee
vergelijke men het schamel overleefsel, dat ons rest in het hooi voor
het paard van Sinterklaas (bl. 123).

Het arenlezen is het recht der armen. Te Eibergen (G.) zingen de
kinderen, als ze na het _pungelen_ (aren lezen) huiswaarts keeren:


    Moeder, moeder, ik heb moar eenen pungel epungeld,
    Der was neet meer te kriêgen,
    Want as der nog meer te kriêgen was,
    Dan ha'k wal meer noa 't hoes ebrach; enz.


Terstond na het ten einde brengen van den veldarbeid begint het
_dorschen_: een zwaar, moeitevol werk, waar men gaarne reeds vroeg in
den morgen mee aanvangt. Volijverig hanteeren de dorschers den vlegel,
en uit het rythme van den dorschvlegel groeit het dorschlied met zijn
gespierde en toch zoo smijdige klankbeweging:


    It klitst, it klatst,
    't Giet juwn toa gest,
    Op tzies in brea
    Mey 't heale gea.


(Friesland)


    [Het klitst en klatst,
    Het gaat van avond te gast,
    Op kaas en brood
    Met het halve dorp].


Zouden er geen liederen gezongen worden in den trant van Cremer's
Betuwsch dorschliedje? Wij geven het natuurlijk met het noodige
voorbehoud:


    Lange vlegel, wonderklop,
    Sloa d'r helder lochtig op
    Vief en twintig duuzend slag,
    Ielken korten wienterdag,
    Met verdrag.
    Vlêgel! klap 'm, klep 'm, klop,
    Die 't niet gleuft op stuggen kop.


Vooral het dorschlied steunt in zoo ruime mate de stelling van Karl
Bücher, dat het arbeidslied zich ontwikkelde uit den rythmischen vorm,
dien het volk aan inspannenden, eentonigen arbeid gaf, om het eentonige
te breken en de vermoeienis te doen vergeten.

Het gewichtigste oogenblik bij het uitdorschen is dat van den laatsten
slag. In ons zuidelijk volksgebied bestaat vrij algemeen het gebruik,
dat bij het afdorschen van het laatste koren alle dorschers tegelijk
met de vlegels op den vloer slaan; in het Oosten van ons land heette
dit de _drobbelslag_. Uit vergelijking met uitheemsche gebruiken
blijkt, dat deze slag oorspronkelijk den koorndaemon gold, die immers
mee in de schuur gevlucht is. Tegenwoordig is het een teeken, dat de
vrouw van den eigenaar moet komen, om de arbeiders te trakteeren.

De greidboer heeft geen bouwland, hij is enkel veehouder, hij kent
alleen den _hooi-oogst._ Maar de gebruiken, hiermee verbonden, zijn
over het algemeen veel minder ontwikkeld dan die van den graanoogst. Na
afloop volgt het hooimaal, een afscheidsmaal, dat de boer aan zijn
werkvolk geeft; het bestond van ouds uit spekpannekoeken. De laatste
wagens worden op Ameland met vlaggen versierd.

Worden de groote schuurdeuren geopend, dan gebeurt het vaak, dat
zwaluwen komen rondfladderen in de ledige ruimte der schuur. Dan
zingt de jeugd--en ook wel in het voorjaar bij den terugkeer,--het
zwaluwgetjilp nabootsend:


    Verleden jaar, toen ik hier was,
    Was dit vak vol en dat vak vol,
    En nu is alles weer verteerd, verteerd, verteerd.


Of wel:


    Toen ik weg ging, waren alle kistjes en kastjes vol,
    Maar toen ik weer kwam, was alles verslikkerd, verslekkerd,
    verslierd, verslierd.


Men vergelijke het Brunswijksche:


    As ik weggung, as ik weggung,
    Was dit fak vull, was dat fak vull,
    As ik wê'erkam, as ik wê'erkam,
    Was alles verslickert, verslüert.


Laat ik nog vermelden den vlasoogst, vroeger zoo belangrijk met het
oog op het algemeen gebruikelijke, huiselijke spinnen; den hopoogst,
die eertijds aanleiding gaf tot het befaamde Geldersche hopmaal met
zijn lekkere, gerezen pannekoeken; eindelijk den koolzaadoogst,
daarom niet onbelangrijk, dewijl de laatste zak door een groenen
tak, een _mei_ werd gesierd. Met de muzikanten voorop ging de stoet
zingende naar het huis van den boer. Maar reeds in 1839 was, volgens
den Gelderschen Volksalmanak, dit feest kwijnende.

In Noord-Brabant, b.v. te Duizel, kent men nog de _aardappelfooi_,
vroeger in de omstreken van Breda de _boekweitfooi_, vergel. de
Antwerpsche _pataatfooi_, naast de Vlaamsche _oogst- vlas-_ en
_zaadfooi_ (bl. 283). Het woord _fooi_ heeft hier de beteekenis van
"afscheidsmaal", die ook het Middelnederl. _foy, voy_ bezat. Een
nog oudere beteekenis is "reis, weg"; immers het woord heeft zich
ontwikkeld uit het Fransche _voie_: "reis, reispenning, teerpenning."

Zie Mannhardt, Baumkultus, bl. 190 vlg.; Driem. Bladen I, bl. II,
bl. 70; Dr. De Vooys, in Volkskunde XXIV, bl. 154; Schrijnen,
in Limburg's Jaarboek I, 3, bl. 25 vlg.; H. Welters, Feesten enz.;
bl. 50; Heuvel, Volksgeloof en Volksleven, bl. 312 vlg.; Waling
Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven I, bl. 261.

De _veeteelt_ is reeds elders ten deele besproken, zoo b.v. de
stalling bij de verschillende huistypen en eveneens de afweermiddelen,
die ter bescherming van het vee tegen onheilvolle invloeden worden
gebezigd. Ook de hooioogst behoort tot dit onderwerp.

Vooral de paarden staan bloot aan betoovering en aan kwelling van
de maar, die onontwarbare knoopen in de manen vlecht en de dieren in
zweet drijft. Hiertegen bestaan afzonderlijke bezweringsformules. Ook
paardekoppen in den gevel oefenen beschermenden invloed uit. De koeien
en schapen worden op gezette tijden door de vaart gedreven, om ze
vruchtbaar te maken en tegen ziekten te beveiligen. Op een meidag
drijft men de koeien in de weide en tegen Sint Katherijne komen zij
weer op stal. In den omtrek van Bredevoort en Aalten (G.) hebben de
koewachters hun eigen deuntje, waarmee ze elkaar toeroepen: "Alleli,
allo, Derk, Jan, enz., allo, kom hier allo, gauw dan alio, alleli,
allo". Dit "Alio, alleli" dient ook om des avonds de koeien bijeen
te roepen.

Bijzondere voorschriften gelden bij het melken, om te maken, dat de
melk overvloedig is, niet blauw, dat zij niet onmiddellijk stolt,
dat zij niet botert; hiertegen beveiligt vooral de vlierstruik. Ook
palm en kruidwisch worden in den stal aangebracht; spinnewebben ziet
men er graag.

Schapen, geiten en varkens spelen in het volksgeloof een
ondergeschikte rol. Van meer belang zijn hond en kat, die vooral het
weêr voorspellen, maar toch ook geluk of ongeluk aankondigen. De kat
staat in betrekking tot het huwelijk (bl. 90, 253), kondigt bezoek
aan en ziet sterfgevallen vooruit. Van groot belang is, zooals wij
zagen, de haan bij de vruchtbaarheidsgebruiken, bij het oogstfeest
enz. Hij beveiligt tegen schadelijke invoeden en is daarom wel vooral
symbool der vruchtbaarheid, zooals ik reeds op bl. 96 en elders
heb betoogd. Eindelijk, in hooge eere staan de bijen, het eenige
insekt, dat huisdier geworden is. Zij staan in nauwe betrekking tot
het gezin van den iemker; zijn dood wordt hun aangekondigd; met de
naastbestaanden dragen zij rouw.



V. Ziekte, dood, begrafenis.


Na de genoegens van het leven komen _ziekte_ en de dood. Menige zwakte
en menig lijden slaat de landbouwer lager aan dan de stedeling met
hooger kultuur, en het is zelfs een bekend feit, dat hij eerder den
veearts voor de stalbeesten zal ontbieden, dan den geneesheer voor
zich zelf of voor de leden van zijn gezin. En nog gaat hij dan bij
voorkeur bij waterdokters en konsorten te rade. Daarentegen is hij
voor kleine misvormingen zeer gevoelig, getuige b.v. het heirleger
van bezweringsformules tegen de wratten. Maar ik kom hier op het
gebied der volksgeneeskunde, die uitvoerig in het Zesde Hoofdstuk
zal besproken worden.--

Intusschen wordt de kwaal erger en erger en nadert de _dood_. Reeds
heeft men herhaaldelijk geheimzinnige lichten waargenomen, die onder
den naam van _veurbuken_, (_veurbukes, veurbuksel_ enz.) bekend zijn,
althans in het zuidelijk volksgebied. Voortdurend krast de uil en
de raaf, de waakhond slaat aan in het holle van den nacht, de klok
blijft stil staan of twee klokken slaan te gelijk, de katten bijten
elkaar; nu eens springt een glas, dan weer worden deuren plotseling
dichtgeworpen, en voortdurend laat het houtwormpje zijn eentonig
getik hooren. Hierbij komt nog, dat de huisgenooten voortdurend
droomen van huwelijk en bruiloft (vgl. bl. 241), of den priester
aan het altaar zien staan: geen twijfel meer mogelijk, spoedig zal
de zieke "het gewaagd hebben". "Hij gaat de gard af", fluisteren de
vrienden en magen, "hij riekt naar de schup". Bij kinderen klinkt de
volksuitdrukking zachter, gevoeliger: groote kinderoogen, luidt het,
zijn "kerkhofbloemen".

Men kan niet zeggen, dat de landman den dood meer vreest dan de
stedeling, maar hij wordt er voortdurend aan herinnerd door zijn
intiem samenleven met de natuur, wier opvallende verschijnselen hij
als voorboden beschouwt. Hierop wijst m.i. het meest sprekend de
volksverklaring van een ontijdigen bloei:


    Een bloem buiten den tijd
    Is een bruid of een lijk.


Ook hier weer de verwantschap van dood en huwelijk als het telkens
wederkeerend refrein.

De dood wordt door het volk beschouwd als een overgang, niet als
een einde: vandaar een heele reeks van scheidingsgebruiken uit de
wereld, die den mensch omringt, zoowel bij het sterven, als na
den dood, tot hij veilig en wel geborgen is in het graf. Want,
dat ieder mensch bestaat uit een tweevoudig ik, dat er bij den
dood een scheidingsproces plaats heeft, ten gevolge waarvan het
onsterfelijke gedeelte overblijft, om een nieuw leven te beginnen,
was een overtuiging, door de Oude Germanen met alle andere volken
en volkengroepen gedeeld. Deze overtuiging is algemeen-menschelijk,
en behoort tot de goudaderen in veelal waardeloos of minder waardevol
erts. Tot dit soort van gebruiken behoort het afknippen van nagels
en haar, het omwerpen van de stoelen en banken, het openzetten
der vensters, het rondgaan om het kerkhof enz. Ook bij de geboorte
hebben wij een dergelijken scheidingsritus ontmoet (bl. 214, 215);
hier is hij op zijn eigen domein. Zelfs voor de overlevenden is
hij van toepassing, ten einde scheiding te bewerkstelligen van den
doode en de doodsmachten en ter wederopneming in de wereld en in de
gemeenschap der levenden. Natuurlijk vermengen zich hiermee gevoelens
van teedere piëteit met den dierbaren stervende of doode.

Na de berechting, in katholieke streken, wacht men met bange vrees en
klimmende bezorgdheid het naderend einde af. Komt het stervensuur
en heeft men allen grond, te duchten, dat de zieke het spoedig
zal hebben afgelegd, dan ontsteekt men de gewijde doodenkaars--in
Vlaanderen wordt dit _uitlichten_ genoemd--en roept de familie om
het sterfbed. Men tracht den stervende het verscheiden zoo licht
mogelijk te maken. Hij mag geen kleedingstuk aanhebben, waaraan op
Zondag genaaid is, want daarin kan hij niet sterven, maar blijft
voortdurend in doodstrijd. Men vraagt hem gaarne, of hij niets meer
"op zich heeft", een laatsten wensch, maar ook wellicht een belofte,
die men hem dan afneemt. Bestellingen en beschikkingen van een
stervende moet men volbrengen, anders kan hij geen rust vinden in
het graf; en evenmin vindt hij rust, als men de begrafenisgebruiken
verwaarloost. Houdt men na den dood ter volbrenging eener belofte van
den overledene een bidweg, dan moet men een stok of regenscherm voor
de deur zijner woning zetten en zeggen: "In den naam van God, ga voor,
ik zal u volgen." Blijkbaar wil men aldus den geest verschalken en
alvast voorop sturen; anders moet men hem dragen.

In dit beslissend tijdsgewricht ducht men vooral het twaalfde uur;
immers dan "verzet" de tijd.

Heeft de stervende den laatsten snik gegeven, heeft de ziel het
lichaam verlaten, naar het volk meent als ademtocht, dan wordt
de mond gesloten, de naaste verwanten drukken de oogen dicht,
en in katholieke streken omklemmen de saamgevouwen handen een
kruis of rozenkrans. Eertijds werd de stervende, naderhand ook de
doode afgelegd, en kwam hij van het bed op het lijkstroo te liggen,
in geheel België _reeuwstroo_, in Hollandsch Limburg _schoofstroo_
genoemd; _reeuw_- beteeken "lijk", vergel. het Gothische _hraiw_- in
_hraiwadûbô_ "tortelduif, lijkduif." Het feit, dat de uitdrukking "op
zijn reeuwstroo liggen" in heel Vlaamsch België en in de aangrenzende
gewesten mondgemeen is, bewijst voldoende, dat zij verband houdt
met een algemeen verspreid gebruik. Het afleggen op stroo mag als
Pangermaansch, ja als algemeen Indogermaansch beschouwd worden. In
België schijnt het sedert enkele tientallen van jaren uitgestorven;
ook in Westfalen (_Revestroh_) en Rijnland is het gebruik veel
verminderd. In Nederland is het, voor zoover mij bekend, nog
slechts in Friesland en in Hollandsch Limburg in zwang: "Wanneer het
gewasschen en in het doodshemd gekleed is," schrijft Th. Dorren in
Limburg's Jaarboek XVI, bl. 13, "wordt het lijk--gewoonlijk op twee
aan elkaar geschoven tafels--in de beste kamer _op schouf_, d.i. op
stroo gelegd. De tijd, dat het lijk onbegraven daar ligt, heet het
"_euver eerd_ liggen." Vandaar de uitdrukking: "Hij komt van het bed
op het stroo," d.i. van euvel tot euvel, zonder dat het er beter op
wordt. Oorspronkelijk werd het lijk van het bed op een plank gelegd,
en deze, in Beieren het _Rebrett_ genoemd, dient in ons land nog op
tal van plaatsen, om den dood aan te kondigen. Zwart geverfd en met
een doodshoofd, waaronder de letters R.I.P., beschilderd, wordt het
_liêkbreed_ naast de deur van het sterfhuis geplaatst.

Het lijk wordt dus gewasschen, geschoren, en men legt een doekje
onder de kin. Kinderen tooit men met een kransje, ook de ongehuwden
krijgen den bruidstooi, dien zij gedurende hun leven moesten ontberen:
den mirten- of rosmarijnkrans. Dan vangt het _verhennekleen_ aan,
d.i. het doodskleed of _hennekleed_ wordt den doode aangedaan of
liever over hem heen genaaid. De Friesche benaming is _hinnekleed_;
in Oost-Groningen zegt men ook _reekleed_, en met volksetymologische
vervorming _regenkleed_. Dit kleed is het eerste, wat de jonge
vrouw voor zich en haar man spint. Het wordt oospronkelijk met éen
draad en éene naald om het lijk vastgenaaid. Deze naald is "heilig"
en "gevaarlijk" tevens; beide begrippen raken elkaar (bl. 86). Zij
wordt dus doorgebroken en de stukken worden in de kist gedaan; ofwel
men werpt ze in het vuur. Raakt men er een kies mee aan, dan zou hij
uitvallen; éen prik er mee geeft een ongeneeslijke wonde. Anderzijds
brengt zij geluk bij het loten.

In Limburg wordt de vrouw met het hemd bekleed, dat zij den eersten
huwelijksnacht en daarna nooit meer gedragen heeft. Elk jaar wordt het
gewasschen en dan zorgvuldig opgeborgen; wij ontmoeten hier wederom
de verwantschap van dood en huwelijk in het folklore (bl. 241).

Na den dood worden onmiddellijk deuren en vensters geopend in
het sterfvertrek, althans op enkele plaatsen in Zuid-Limburg, een
scheidingsgebruik, dat de ziel er vrij uit kan _pfluderen_ (fladderen),
zooals men in Zwaben zegt. In de Graafschap, en in 't algemeen in
't Oosten van Nederland, wordt onder het bed, of in de buurt ervan,
een bak met water of met water en melk gezet; dit gebruik heerscht
ook in Westfalen en andere streken van Noord-Duitschland. In Groningen
meent men, dat dit met een hygiënisch doel geschiedt, omdat dan alle
vuiligheid op dit water trekt; elders zegt men, dat anders alle water
en de melk in huis onrein wordt. Waarschijnlijk was de oorpronkelijke
bedoeling, de ziel een bad in water en melk te schenken. In Oostenrijk
keert men alle vaatwerk om, dat de ziel daar niet aan blijve hangen. In
Friesland wilde het gebruik, drie handjes vol gerstekorrels rond den
doode uit te strooien; het strooien van gerst of zand heeft over het
algemeen geestenwerende kracht; vgl. bl. 76.

Nu zet men de klok stil en omfloerst den spiegel of keert hem om,
"omdat er anders spoedig een tweede sterfgeval in het huis zou
volgen", meent men in Friesland. De verklaring hiervan is deze, dat
het spiegelbeeld van den mensch met de ziel wordt gelijk gesteld; het
is dus te duchten, dat het spiegelbeeld van de overlevenden door den
geest van den overledene worde meegevoerd. Dit zelfde gebruik vindt
men plaatselijk, buiten onze grenzen, ook bij geboorte en huwelijk;
immers ook in deze gewichtige levensmomenten wordt de mensch in hooge
mate door de geesten bedreigd.

Naderhand worden deuren en vensters weer gesloten, eigenlijk en
oorspronkelijk eerst na de begrafenis, om de ziel te verhinderen, terug
te keeren. Dit blijkt o.a. hieruit, dat men in Noord-Duitschland aan
de achterzijde van het sterfhuis een brok muur neerlegt, om zich voor
het wederkeeren der ziel te vrijwaren. Wil men in Limburg uitdrukken,
dat iemand reeds lang overleden is, dan zegt men: "Hij komt al haast
terug." Het luiken der vensters werd later rouwsymbool, òok bij de
naastbestaanden.

Een krachtig middel, om den terugkeer der schimmen te beletten, is
ook het leggen van twee stroowisschen kruiselings over elkaar op de
kruiswegen, of in het algemeen tusschen woon- en begraafplaats op den
weg, dien de lijkstoet volgde: want de doode keert langs denzelfden
weg terug, dien hij gekomen is. Inderdaad wordt het lijk-, schoof-
of doodenstroo op verschillende wijze behandeld.

1. Men verbrandt het, en dit is nog op tal van plaatsen in het
zuidelijk volksgebied het geval. Immers, de geest van den doode zou
aan het stroo kunnen blijven hechten; dit is dus een reinigings-
en scheidingsgebruik. In alle geval:

2. Men verwijdert het na den dood uit het huis, evenals de
plank, waarop de doode gelegen heeft. Dit is natuurlijk weer een
reinigingsgebruik, evenals het keren van het huis en het verbranden
van kleêren en andere voorwerpen, waar de dood mee in aanraking
kwam. Vandaar het gebruik in Zeeland, Noord-Brabant, Gelderland,
Vlaanderen en enkele jaren terug ook in Limburg, na den dood
bossen stroo aan de deur van het sterfhuis te leggen, met of zonder
rouwbanden; naar den ouderdom van den overledene neemt dit grootere
afmetingen aan. In de Noordbrantsche buurten Loon-op-Zand, Sprang,
Capelle enz. wordt kort gesneden stroo onder drie naast elkaar liggende
steenen gevlijd. Naderhand dienden lijkstroo en lijkplank als teeken,
dat iemand overleden was.

3. Het stroo wordt kruiselings voor de deur gelegd, of men maakt
er wisschen van, die op de kruiswegen gelegd worden. Ook wordt de
kist op het reestroo geplaatst, en op den weg naar het kerkhof worden
stroowisschen of enkele halmen van de kar op den grond geworpen. Aldus
in Antwerpen, Noord- en Zuid-Brabant en Limburg, Gelderland enz. Dit
stroo dient om den geest het terugkeeren te verhinderen. Zelfs legt
men o.a. te Sittard twee stroohalmpjes kruiselings op hoofd, borst en
voeten, om den geest den lust te benemen, zich weer met het lichaam
te vereenigen. Deze en dergelijke gebruiken heet men te Mechelen
dan ook zeer juist "den doode verloren spelen"; zie H. Coninckx,
Mechelsche gebruiken II, bl. 51. Naderhand werd het gebruik ten deele
gekerstend en vroeg de stroowisch op kruiswegen om een gebed voor de
"geloovige zielen".

Aldus verklaart men ook, waarom het stroo vóor het sterfhuis wordt
verbrand, terwijl het stroo langs of op den lijkweg daar moet blijven
liggen, tot het verrot is.

Een aandoenlijke trek in het volksleven is het aanzeggen van den dood
aan de huisdieren, die geacht worden in nauwer betrekking te staan
tot den huiselijken kring en hun deel te hebben aan het wel en wee
van het gezin. Aan het vee, maar vooral aan de bijen wordt de dood
van den meester aangezegd. Het best is deze trek bewaard gebleven
daar, waar de huisgemeenschap van menschen en vee het innigst was,
nl. op de Oudsaksische hoeve; aldus te Weerdinge en Emmen, dan ook
eertijds te Meppel en Hoogeveen. Te Barneveld maakt men een zwarte
streep op de linkerzijde van elken korf als teeken van rouw; elders
in het Oosten van het land worden de bijenkorven van rouwstrikjes
voorzien; zie Driem. Bladen XII, bl. 52, vergel. III, bl. 81. In
Westfalen luidt de formule:


    Imme, Imme, din Heer is dood,
    Nu bliw bi mi in mine Nood.


Ook in West-Vlaanderen, de Kempen en het Meetjesland klopt men op
de korven en zegt: "Bietjes waakt, want de meester slaapt", of "de
meester vertrekt."

Het overlijden wordt aangezegd door de naaste buren of door de
lijkbidders, en de buurt, vooral de _noodwakers,_ komen, om bij het
lijk te waken en te bidden. Wij hebben hier het overoud gebruik der
lijkwake of doodenwake, een gekerstend afweergebruik, dat echter
tegenwoordig, bij de protestanten althans, grootendeels in onbruik
geraakt is. Vroeger werden hierbij klaagliederen gezongen en een
lijkmaal gehouden. Of hier of daar bij deze gelegenheid nog opzettelijk
geweeklaag wordt aangeheven, is mij niet bekend; maar in Twente en
ook wel elders wordt die lijkwake nog etende en drinkende doorgebracht.

Burenplicht is eigenlijk ook het overluiden, waarbij natuurlijk
_luibier_ behoort. Het gebruik is vrij algemeen, en volgens den regel
wordt driemaal geluid voor volwassenen en éenmaal voor kinderen,
of voor een volwassene wordt met de groote, voor een kind (ook wel
voor een vrouw) met de kleine klok geluid. Dichterlijk is de Duitsche
uitdrukking: _das Heimläuten_; bij ons is behalve de term _overluiden_
ook wel _uitluiden_ gebruikelijk. Zooals uit vergelijking met tal
van analoge gebruiken blijkt, had zoowel de luide doodenklacht als
het overluiden oorspronkelijk ten doel, de geesten af te weren,
die zich van de scheidende ziel wenschten meester te maken.

's Avonds vóor de begrafenis wordt het lijk gekist; voor de doodkist
werden vroeger de planken opbewaard. Staat een doode 's Zondags over,
dan volgt binnen twee weken een tweede lijk. Ligt iemand "mooi" in de
kist, dan is dit insgelijks een teeken, dat weldra een nieuw sterfgeval
in dezelfde familie zal plaats hebben: "hij is mooi bestoorn",
zeggen de Friezen. Nu weet men, dat, volgens een zeer verspreide
animistische opvatting, de ziel een min of meer stoffelijk leven leidt
in of bij het graf; vandaar, dat men den doode meegeeft al datgene,
waaraan hij tijdens zijn leven bijzonder gehecht was. Vroeger waren
dit kleeren, wapens, mondvoorrraad, amuletten van allerlei aard,--in
Zweden geeft men nog heden ten dage tabakspijpen en zelfs gevulde
brandewijn-flesschen mee. Gouden en zilveren kostbaarheden werden op
den duur in geld omgezet en ten slotte vormde nog slechts een kleine
munt het rudimentaire en reeds meer symbolische overblijfsel. Den doode
zulk een munt in de hand te geven of in den mond te leggen is nog vrij
algemeen in verschillende streken van Duitschland. Dit geschiedt hier
te lande niet meer. Wel geeft men nog den doode het scheermes mee,
maar m.i. omdat dit door de aanraking, evenals de naald, waarmee het
doodskleed genaaid werd, "gevaarlijk" geworden is; dan ook rozenkrans
en medailles ter vervanging der amuletten van eertijds; aan vrouwen
wordt nog wel eens schaar, vingerhoed e.d. toegevoegd.

Bij het kisten moet de doode met de voeten naar de deur gelegd worden,
en zóo draagt men hem uit de woning, recht door de _lijkdeur_,
de hoofddeur van het huis, maar die anders niet geopend wordt, dan
wanneer een lijk wordt uitgedragen of het bruidspaar zijn intrede doet
(bl. 241); aldus in Friesland, terwijl men ook op vele plaatsen in
Noord-Holland in ouderwetsche huizen nog de staat- en sterfdeur wijst,
die alleen bij trouw- en begrafenisplechtigheden geopend werd; zie
De Roever, Van Vrijen en Trouwen, bl. 209. Uit vrees, dat de geest
terug keert, zegt menig drager en menige draagster uit den omtrek
van Aalst, wanneer de lijkstoet zich in beweging zet: "Geest, ga
voor, ik zal u volgen"; en als de deuren 's avonds gesloten worden:
"Geest, blijf buiten, en ik binnen."

Zoo komen dan de naastbestaanden en buren ter _begrafenis_. In Brabant
hebben de buurmeisjes den avond te voren in 't sterfhuis _gepeeld_,
d.i. een kruis van groen en bloemen gemaakt, dat bij de begrafenis
door kinderen wordt gedragen, gedurende den lijkdienst op de kist
ligt, en naderhand het graf zal tooien. De familie verschijnt in
rouwkleeren, de vrouwen geheel in het zwart, zonder gouden sieraden,
en dragen somtijds den doek "met de krange kante buiten", zooals men
in het oostelijk volksgebied zegt. Te Weert, Nederweert, Neerbosch,
Lent enz. dragen de vrouwen dan nog de falie; te Lent dragen de
mannen bij deze gelegenheid mantels van een bepaald model, door den
doodgraver bezorgd. Bij deze mantels behooren natuurlijk bepaalde
hoeden, die plaatselijk na afschaffing van de mantels gebleven
zijn. Zoo komt het, dat b.v. te Neer de mannen bij den rondgang om
het altaar, elders gedurende de eerste helft der lijkmis, den hoogen
hoed opzetten. Op Zuid-Beveland wil de gewoonte, dat ieder lijkganger
den breeden rand van den Zuidbevelandschen hoed naar omlaag buigt,
waardoor een zoogenaamde _treurhoed_ ontstaat.

Buiten 's huis wordt b.v. te Reusel de kist nog eens, en nu voor
het laatst, geopend. De buren dragen het lijk, en zoo zet zich dan
de lijkstoet in beweging, reeds door velen als _begangel_, d.i. in
schijngestalte drie dagen te voren gezien, zelfs door paarden,
schichtig voorbij rijdend langs het kerkhof. Ook hebben reeds dagen
te voren de hekkenopzetters de hekken geopend op den weg, dien de
stoet moet volgen.

Na de begrafenisplechtigheden in de kerk, of ook wel terstond vanaf
het sterfhuis, wordt de kist op kar of wagen gezet en rijdt men
ter laatste rustplaats. De naaste buurman moet het lijk rijden,
en de regel geldt, dat wie den bruidswagen rijdt, ook de dooden ter
rustplaats moet brengen. De te volgen weg, die volgens oude gewoonte
voor iedere buurt en hoeve vast staat, is in Overijssel, Drente,
Gelderland, Friesland algemeen de _lijkweg, noodweg_ of _reeweg_;
hij wordt uitsluitend genomen bij het doopsel, huwelijk en begrafenis
(bl. 241). Veelal wil het gebruik, dat de stoet op bepaalde plaatsen,
b.v. bij kruiswegen, grenzen, bruggen, kapelletjes, een oogenblik
halt maakt, om dan na enkele gebeden of ceremoniën den weg te
vervolgen. Op de kar nemen twee of vier der naaste verwanten plaats,
meestal vrouwen. Ja, in verscheidene dorpen van Limburg, Friesland,
Drente, Overijssel, Gelderland, Noord-Brabant enz. zat de weduwe op
de kist, en dit gebruik is nog volstrekt niet geheel uitgestorven;
wellicht hebben wij hier te doen met een afweergebruik. Achter den
wagen volgen verdere bloedverwanten, buren en vrienden, meestal ook
vrouwen. "Opmerkelijk", zegt De Cock, "is nog het West-Vlaamsch
gebruik, dat den ""boever"" oplegt, 's avonds te voren reeds in
't oor der paarden te gaan fluisteren: ""Morgen moet ge 'nen doôn
voeren"", anders zouden de dieren weigeren te trekken (Volkskunde,
bl. 223). In de streek van Ootmarsum droegen degenen, die het lijk
volgden, palmtakken, versierd met bladgoud, die ze naderhand in de
kist wierpen of daarop plantten. Dit gebruik leeft ten deele nog
in Noord-Brabant, Limburg en waarschijnlijk ook elders; te Vucht
b.v. worden voor overleden meisjes door meisjes palmtakken gedragen,
voor overleden jongens door jongens hulstakken: wij ontmoeten hier
het treffend en dichterlijk gebruik van den graf- of doodenmei.

Het kerkhof ligt op de meeste dorpen van het zuidelijk volksgebied nog
om de kerk. In sommige gemeenten van Friesland en Overijssel heeft
zich het gebruik staande gehouden, op het kerkhof gekomen, driemaal
het pad om het kerkhof rond te gaan; ook volgens het Oudindisch
lijkritueel schreed men driemaal om het lijk, ten einde dit tegen
invloeden van boozen aard te beveiligen. Men vergelijke den rondgang
om de akkers, die immers een afweer-, en bijgevolg, voor dat geval,
een bevruchtingsritus is. In de groeve wordt het lijk georiënteerd,
d.i. met het gelaat naar het Oosten gericht, een gekerstend heidensch
gebruik, dat plaatselijk nog stand houdt; immers het Oosten was de
lichtzijde, maar Christus is het Licht, in het Oosten is Christus
verrezen, in het Oosten ligt het Paradijs, in het Oosten zal Christus
verschijnen ten oordeel.--Rust de kist in de groeve, dan werpt eerst
een der familieleden, vervolgens elk van de buren een schop aarde
er op, een ver verspreid gebruik, dat b.v. ook in China bekend
is. De bedoeling is, de ziel te nopen, rust te houden binnen het
graf. Gewoonlijk bedankt de naaste bloedverwant voor de bewezen eer.

Het graf wordt getooid met groen en bloemen. Een eigenaardig gebruik
vind ik vermeld voor oostelijk Noord-Brabant, het eiland Schouwen, en
Staphorst en Rouveen; bij de begrafenis van een vrouw, die in kraambed
gestorven is, wordt een witte doek op de kist of op het graf gelegd. Te
Veldhoven (N.-B.) wordt die doek op het graf aan de vier hoeken met
een steen bezwaard en blijft liggen, tot hij geheel verteerd is.

Tot het verleden behoort het gebruik, mondkost op de grafstede neer te
leggen: een waar doodenoffer. Daarentegen is het aloude doodenoffer
in den vorm van een lijkmaal plaatselijk in gewijzigden vorm of
ook slechts als _survival_ blijven voortbestaan. Het Oudgermaansche
doodenmaal werd bij het graf zelf gehouden en in christelijke tijden
herhaaldelijk verboden; in de XIe eeuw ijvert o.a. Burchard van
Worms er tegen in een zijner dekreten.-- Nog thans wordt in sommige
streken van het buitenland de doode geacht, aan deze smulpartijen,
die echter ten sterfhuize gehouden worden, onzichtbaar deel te nemen;
men laat zelfs een plaats voor hem open en de spijzen worden opgediend,
alsof hij tegenwoordig ware.

In ons land wordt het begrafenismaal vóor of na de begrafenis gehouden;
bij welgestelde boeren neemt het wel eens den vorm aan van een vollen
maaltijd. Het draagt den naam van _groevemaal, lijkmaal, grafmaal_,
alsook van _lijkbier, troostelbier, leedbier_ enz. Een begrafenis
zonder lijkmaal heet in de _Trijwâlden_ (F.) een "begrafenis zonder
leed". Hoe meer hierbij gegeten en gedronken wordt, des te beter,
want het komt den doode ten goede; het verzuimen van een lijkmaal
wordt beschouwd als een oneer, den doode aangedaan.

In België vindt men dit lijkmaal verder nog in gewijzigden vorm terug
in de zoogenaamde _eten-uitvaart,_ waarbij het _uitvaartbrood_ aan den
arme wordt uitgedeeld. Dit lijkt mij daarom zoo belangrijk, omdat de
kerstening hier eenzelfden weg is ingeslagen, als in de eerste eeuwen
van het Christendom. Toen werd nl. de lijkmaaltijd vooral gekerstend,
door de armen en ongelukkigen daartoe uit te noodigen: de lijkmaaltijd
werd liefdemaal of _agape_, en kreeg ekonomische beteekenis, trad in
dienst der christelijke armenzorg.

In de omstreken van Kortrijk heet de rouwmaaltijd _molleprooi_, en
aan dat maal deelnemen noemt men "naar de _molleprooi_ gaan." Deze
uitdrukking zal wel zooveel beteekenen als op de _mollejacht_ gaan,
waarin het Bargoensche _mol_ "dood" beteekent.

Men zou echter verkeerd doen, in dezen lijkmaaltijd uitsluitend het
overleefsel van een offermaal te willen zien. De rouwtijd is een
tusschenperiode, een middentoestand, vooral de tijd tusschen het
overlijden en de begrafenis. In dezen toestand treden de nagelaten
betrekkingen door scheidingsgebruiken, terwijl opnamegebruiken hen weer
in de wereld der levenden terugroepen. Tot deze wederopnamegebruiken
behoort ook het lijkmaal, dat de overlevenden tegen de doodsmachten
moet sterken. Zie V. Gennep, Les rites de passage, bl. 211; Preuss,
in Globus LXXXVII, bl. 418.

Nog éen gebruik blijft ter vermelding en verklaring over. Bij het
terugkeeren van de begrafenis wordt op enkele grensplaatsen van
Friesland en Drente een licht uitgeblazen, dat den ganschen tijd
gebrand heeft, zoolang de doode boven aarde stond. Bedrieg ik mij niet,
dan hebben wij hier te doen met de ver verspreide volksvoorstelling van
het levenslicht. Na de begrafenis, als het lijk voor goed geborgen is
in het graf, is de doode ook voor goed uit de gemeenschap der levenden
geweken: zijn levenslicht is voor goed uitgedoofd. Vandaar ook,
dat elders een licht wordt aangestoken bij de geboorte van een kind.

De rouwende familieleden, het werd reeds gezegd, vormen een soort
afzonderlijke gemeenschap, die staat tusschen leven en dood. De duur
van den rouwtijd wordt geregeld door de graden der verwantschap. Ook
de dienstboden dragen rouw. De rouwkleur is in den regel zwart,
soms ook grijs, bruin, blauw en wit.

Op de graven rouwt de witte roos, opgegroeid uit de tranen van Maria
Magdalena, de lelie en de rosmarijn, die de bruidskroon tooide,
rouwen de iep, de taxis en de cypres, door den guren winter nimmer
van hun bladertooi beroofd, en daardoor troostbiedende symbolen der
onsterfelijkheid.

Zie Gallée, Volkskunde XIII, 84, 122; Waling Dijkstra, Uit Friesland's
Volksleven I, bl. 404; De Cock, Spreekwoorden en Zegswijzen afkomstig
van oude gebruiken en volkszeden, bl. 129, 217; Heuvel, Volksgeloof en
Volksleven, bl. 330; Schrijnen, Essays en Studiën, bl. 78; Volkskunde
XIV, bl. 101; XX, bl. 69; XXV, bl. 164; Limburg's Jaarboek I, bl. 181;
XVI, bl. 13; Rond den Heerd XXV, bl. 154.



DE VOLKSTAAL.


De volkstaal wordt veelal gelijkgesteld met taaleigen of dialekt. Dit
nu is onjuist. Tegenover het taaleigen staat de algemeene taal, of
landstaal. Deze ontstaat meestal uit een tongval en is het gewrocht van
't staatkundig, maatschappelijk, kerkelijk en letterkundig overwicht
van zeker gewest, partij of richting. De Nederlandsche algemeene
taal of landstaal ontstond in Limburg en onderging achtereenvolgens
den overheerschenden invloed van Vlaanderen, Brabant en vooral van
Holland. Zoo werd ook eens het dialekt van het Ile-de-France de
Fransche omgangstaal, zoo werd in het Oude Griekenland het Attisch
de algemeene taal of Koine.

Maar tegenover de volkstaal of vulgaire taal staat de beschaafde--in de
beteekenis van hooger beschaafde--taal of kultuurtaal. "Algemeen" wijst
op het opgaan van de verschillende tongvallen in een centraal dialekt;
"beschaafd" wijst op het verschil in spreken tusschen de hoogere
en de lagere standen der maatschappij. De volkstaal is uiteraard en
in de normale gevallen slechts spreektaal, de kultuurtaal is beide:
spreektaal en kultuurtaal.

Nu kan men wel zeggen, dat de algemeene taal hooger staat dan het
taaleigen in sociale waarde of beschaving. Maar dit neemt niet
weg, dat ook het taaleigen zijn volks- en kultuurtaal heeft. In
kultuurdialekt gestoken zijn niet alleen tallooze dicht- en prozawerken
van Westvlaamsche, Friesche, Limburgsche en Geldersche schrijvers;
maar kultuurdialekt spreken ook de beschaafde kringen van menige
Nederlandsche stad, waar de algemeene taal, het "algemeen beschaafd",
wèl in openbare bijeenkomsten, maar lang niet algemeen als omgangstaal
zelfs in de meest gegoede families gebezigd wordt. Het algemeen
beschaafd is dus niets anders dan een kultuurdialekt, dat zich tot
landstaal heeft weten op te werken.

De volkstaal is een realiteit, al vertoont zij tal van schakeeringen
en afwijkingen. De kultuurtaal volgt wel een bepaalde norm,--al is zij
blootgesteld aan verschuiving bij verschuiving der maatschappelijke
verhoudingen; maar voor duizenden is zij toch een abstraktie, een
maatstaf, die aangeeft, hoe in beschaafde kringen gesproken mòet
worden. Zij is als een wetboek, dat gewijzigd kan worden volgens de
eischen van den tijd. Terwijl de volkstaal vrij is en ongebonden,
is de kultuurtaal binnen enge grenzen beperkt.

De volkstaal is doorgaans gedifferentieerd: zij houdt vast aan
overleverde taal, aan plaatselijke vormen en uitdrukkingen, aan
zegswijzen, die in de kultuurtaal aldra voor verouderd gelden en
dus zoo ongeveer voor minderwaardig. Deze is integreerend van aard,
streeft naar eenvormigheid, vermijdt het te individuëele, het ongewone,
het platte, het onwelluidende. Het te bijzondere lijkt haar tegenover
sprekers uit andere kringen onheusch, het onkiesche stootend en
hinderlijk. Zij heeft grootere sociale waarde dan de volkstaal,
die over het algemeen op hooger natuurlijke kunstwaarde kan bogen.

Immers, de volkstaal is kleurig en karakteristiek; daarentegen verliest
de kultuurtaal vaak in expressieve kracht, wat zij wint door polijsting
in netheid en door vereenvoudiging in vaardigheid.

Maar welke de voortreffelijkheid der volkstaal ook zijn moge,--overal
waar zij een ernstigen strijd te voeren heeft met de kultuurtaal,
moet zij de vlag strijken. Wij zien dan ook dagelijks de volkstaal
terrein verliezen, elk onzer in zijn naaste omgeving. En evenzeer
moet de dialektische kultuurtaal onderdoen voor de algemeene
kultuurtaal. Dit blijkt wel het duidelijkst uit den taalstrijd
in België. Het is mijn vaste overtuiging, dat de zoo rechtmatige
eischen der Vlamingen in veel ruimere mate zouden zijn ingewilligd,
wanneer zij tegenover de Fransche kultuurtaal van meet af aan
een algemeene Nederlandsche kultuurtaal hadden gesteld. Hier kant
zich weer het praktisch belang tegen de kunst. "De taal is de taal
gelijk de sterren sterren zijn", schreef Guido Gezelle; en waar
zijn verdediging wordt opgenomen door Hugo Verriest schrijft deze:
"Moet hij daarom als particularist gedoemd worden, dan is elke vogel
te bossche en te velde een particularist, en de nachtehaal de grootste
van allen". Maar die betooverende verscheidenheid heeft met het oog
op praktisch nut wellicht te lang de noodige kultuurkrachtige eenheid
tegengehouden. Ik weet zeer goed, dat heden ten dage de voornaamste
Vlaamsche voormannen vrij wel de algemeene Nederlandsche kultuurtaal
bezigen. Ik zeg "vrij wel", want het ligt in den aard der zaak, dat
de Vlamingen bij voorkeur zullen putten uit den rijkdom der Vlaamsche
tongvallen, en dat hun spreken en schrijven de meerdere expansieve
kracht en soepelheid zal vertoonen, die het zuidelijk volksgebied
met zijn Keltischen grondslag eigen is. Maar toch ook zóo slechts
vermogen zij een evenwaardige, in elk geval gelijkgeaarde taal te
stellen tegen de algemeene kultuurtaal der Waalsche provinciën. Niet
zoozeer de vasthoudendheid aan de dialekten heeft de Vlamingen parten
gespeeld, maar veeleer de verkeerde, kortzichtige gevolgtrekkingen uit
het feit, dat sommige dezer dialekten zich tot hoogstaande literaire
kultuurdialekten hadden ontwikkeld, getuige de taal van een Gezelle,
Streuvels en zoo vele anderen: deze nl., dat bedoelde tongvallen ook
in voldoende mate kultuurkrachtig zouden blijken in den strijd met
het Fransch. En waar in België zelf ter aaneensluiting een kultureel
centrum met voldoende overwicht ontbrak, daar bleef het zich-aansluiten
aan de Noordnederlandsche algemeene kultuurtaal de eenige aangewezen
weg. Maar laten wij niet te streng rechten. Het taaie vasthouden
aan eigen idioom, óok waar het gemeenschappelijke belangen geldt,
heeft iets licht-verklaarbaars, ja iets groots, iets edels: het
weerspiegelt de volksziel met haar trotsche zelfbewustzijn, dat ook
de kleinste der kleinen siert. Slechts vergete men niet, dat in dit
zelfbewustzijn kracht en zwakheid liggen beide.--

Verder loopt de verdeeling in volkstaal en kultuurtaal niet evenwijdig
met die in sociale groeptalen, welke berust op de maatschappelijke
struktuur van elke taalgemeenschap. Hiermee worden bedoeld de
verschillende sociale groepen, die hare eigenaardige spreekvormen en
uitdrukkingen hebben, waardoor rimpeling en golving de effen gladheid
van het taalniveau verbreekt. De afzonderlijke sociale verhoudingen
toch, zoo tastbaar en toch zoo onvoldoende onderzocht en in het oog
gehouden, voeren tot zoogenaamde "Sondersprachen", waardoor meer
taalvariatie bedoeld wordt, dan een afzonderlijk dialekt.

Somtijds bestaan zij slechts uit een komplex van enkele woorden of
woordgroepen, maar andere malen hebben wij te doen met een uitgewerkt
taalsysteem, dat door zelfstandige woord- en zinsvorming wordt
gekenmerkt; zie verder mijne Rede over Sociale Klassieke Taalkunde
(Amsterdam 1912), bl. 12 vlg. De sociologische struktuur der
Nederlandsche taal wordt voortreffelijk behandeld in de twee eerste
deelen van het Handboek der Nederlandsche Taal van Dr. J. Van Ginneken.

Men mag zeggen, dat de verdeeling in volkstaal en kultuurtaal die
in groeptalen snijdt. Bij den groei en de ontwikkeling der taal is
zij de latere. Immers, bij het voortschrijden der kultuur wordt de
hoofdgroepeering der maatschappij zelf anders, en loopt de scheidslijn
veeleer tusschen de spreekvormen der lagere maatschappelijke klassen,
en die van het meer beschaafde gedeelte der maatschappij. De sociale
hervorming differentiëert dus de taal in volkstaal en kultuurtaal. Dan
volgt definitieve integratie in de algemeene kultuurtaal.

Nu ligt het echter voor de hand, dat het volksleven en volkswezen zich
het trouwst weerspiegelt in de dialektische volkstaal. Dáar komen het
best de algemeene caracteristica der volkstaal tot hun recht; dáar
geeft zich de man-uit-het-volk met heel zijn eigenaardig begrips-
en gevoelsleven, met zijn breedsprakigheid, zijn herhalingen van
woorden of zinsneden, hetzij in hun geheel, hetzij in verkorten
vorm, zijn schijnbaar onlogische konstrukties, zijn emphatisch
karakter, zijn voorliefde voor spreekwoorden en zegswijzen, zijn
volkswijsheid en volksredeneerkunde. In deze taal krijgen de sprookjes
hun tooverglans. "Jede Provinz", zegt Goethe, "liebt ihren Dialekt,
denn er ist doch eigentlich das Element, in welchem die Seele ihren
Athem schöpft". In de streektaal is de volksman op eigen terrein;
daar groeit de volkstaal uit de gemeenschap; daar spreekt het
volkswezen het best, óok omdat de sociale bestanddeelen zich daar
huwen aan momenten van ethnischen aard. Wij wenschen dus de volkstaal
vooreerst en hoofdzakelijk te leeren kennen in en uit het dialekt;
een zuiver-taalkundige behandeling der dialekten ligt natuurlijk
buiten het bestek van dit werk.



I. Het Taaleigen.


Onze Nederlandsche tongvallen behooren tot de westelijke groep der
Germaansche dialekten. Deze omvat nl., behalve de weinig bekende
taal der oude Longobarden, de dialekten der Germaansche veroveraars
van Engeland: Angelen, Jutten en een deel der Saksers; verder het
Friesch, dat zich uitstrekte tusschen Schelde en Weser; het Saksisch
van het vaste land; het Frankisch; het Hessisch en Thuringisch;
het Allemannisch en Beiersch, de voornaamste dialekten van het
Opperduitsch. Overeenkomstig den stam der volken, die opdrongen
uit het Noorden en Oosten, om onze gewesten te bevolken, zijn onze
Nederlandsche dialekten van Friesche, Saksische en Frankische
herkomst. Plaatselijk zijn ze met andere, met name Keltische
bestanddeelen vermengd.

Ook heeft men gemeend Ooreuropeesche invloeden en bestanddeelen
te kunnen waarnemen, zooveel als Ooreuropeesche fossielen [10]:
overeenstemming met Keltische en Slavische taalverschijnselen, die
zou berusten op gemeenschappelijk Ooreuropeeschen grondslag. Als
zulk een fossiel beschouwt men b.v. de ratelende _z_ (_zr, rz, rs_),
die in Oost-Brabant, d.w.z. het grootste gedeelte van de Meijerij,
met de landen van Cuyk en Ravensteyn, tot in het westelijke deel
van Maas en Waal in het Noorden en tot in Peel- en Kemperland in
het Zuiden gehoord wordt in plaats van de gewone _r_, b.v. rooster:
_rzeuster_; berispen: _berzispen_; kar: _karz_. Deze klank vertoont
inderdaad groote overeenkomst met de Boheemsche _r_. Maar fonetische
overeenkomst behoeft niet noodzakelijk door gemeenschap van herkomst
te worden verklaard.

_1. Het Friesche taaleigen._ Friesch leven, taal en volkaard, wij zagen
het reeds (I, bl. 6), heerschte eertijds in de provincies Groningen
en Friesland, in het Westen van Drente, Overijsel en Utrecht, in
Holland met uitzondering van Kennemerland, in Zeeland en het Vrije
van Brugge. Thans is het Friesch gebied heel wat ineengekrompen. Het
Landfriesch, zoo heet het zuiverste Friesche dialekt, wordt gesproken
tusschen Vlie en Lauwers en omvat 1. de tongvallen der Waldjers in het
Noordoosten; 2. die der Klaikers in het Westen en 3. het Zuidhoeksch,
dat grenst aan den Saksischen tongval van de Stellingwerven. Verder
behoort hiertoe 4. het taaleigen van West- en Oost-Terstelling. Te
Midsland op Terschelling wordt tegenwoordig hetzelfde Noordhollandsche
dialekt gesproken als op Texel.

De Klaikers zijn de bewoners van de kleistreken, de Waldjers de
bewoners van de Dokkumer woudstreken of zandgronden. Het is zeker
niet louter toevallig, dat hun dialekt eenigermate afwijkt, al wordt
dit verschil thans met den dag geringer. Gesteldheid van den bodem
op de alleerste plaats, wellicht in samenwerking met het klimaat,
heeft een sociologische differentiatie tot stand gebracht, die niet
zonder invloed op het dialekt gebleven is. Ook de lokale afwijkingen
van visschersdorpen als Wierum en Moddergat zijn sociologisch licht
verklaarbaar; zie vooral Joh. Winkler, Algemeen Nederduitsch en Friesch
Dialecticon ('s Gravenhage 1874) I, bl. 428 vlg. Ligging en bedrijf
hebben ongetwijfeld ook hun invloed doen gelden op het afwijkend
taaleigen van Schiermonnikoog en eveneens op het Hindeloopensch, dat
over de taal van Molkwerum meer de overige, boven genoemde dialekten
nadert. Is Hindeloopen niet in alle opzichten uitermate karakteristiek,
zoo in vorming als in kleeding, zoo in volksvoorstellingen als in
zeden en gebruiken?

Trouwens de gezamenlijke Friesche taal- en volksgroep draagt
zoo heelemaal een eigenaardig cachet van vasthoudendheid
en vastberadenheid, tweelingstelg uit zijn huwelijk met de
zee. Theod. Siebs verklaart den naam _Fresa(n_) door verwantschap
met het Oudhoogduitsche _freisôn_ "in gevaar zweven", waardoor
bedoeld worden de gevaren der zee. De Friesche taal neemt onder de
Germaansche talen dan ook een geheel bijzondere plaats in: zij is
een tak der Engelsch-Friesche taaleenheid, en het Angelsaksisch--met
name het Northumbrisch--bestaat haar het naast in den bloede. De
Friezen behooren tot de weinigen, die thans nog wonen, waar zij zich
in de oudste tijden vestigden, zij het ook met belangrijke beperking
van hun gebied. Het vokalisme is vrij eentonig; zoo b.v. schaap:
_skieëp;_ jaar: _jieër;_ rijk: _riek_; voet: _foeët;_ huis: _hoes_;
deel: _deel;_ steen: _stieën;_ oog: _eea_g; sturen: _stjoere;_ hand:
_haan_; oud: _aald;_ vogel: _foegel;_ hond: _hoen_ enz. [11] De drie
persoonsuitgangen eindigen in het meervoud allen op een toonlooze
_e_. De _n_ wordt in de onbepaalde wijs en in de verbuigingsuitgangen
na toonlooze _e_ weggelaten. Het verleden deelwoord kent geen
voorvoegsel. Een eigenlijk wederkeerig voornaamwoord ontbreekt. Ook
het konsonantisme streeft naar eenvormigheid. De groep _sk_ blijft in
't begin, midden en einde der woorden: _skieëp, woskje, fisk_; _ch_
wordt _ks_: _okse_, en niet _ss_ als elders. Ook is zangerigheid aan
het Friesche taaleigen vreemd,--zegt men niet: "Frisia non cantat"?

Dit Landfriesch of Boerenfriesch heeft zich weten te verheffen
tot een rijk kultuurdialekt. Laat ik aan de hand van Winkler hier
de namen vermelden van Gysbert Japicx, "den frieschen Vondel";
Tjeerd Ritske's Velstra, "den frieschen Poot"; Waling Dijkstra,
"den frieschen Fritz Reuter". Verder de gebroeders Halbertsma,
Rein Postumus, die o.a. eenige werken van Shakespeare in het Friesch
vertaalde, en Tiete Roelof's Dijkstra, oprichter van het Selskip for
frîske tael- end skriftekinnisse.



Friesch.


(_Voor "Nederlandsche Volkskunde" geschreven door_ F. U. Lourensz).


De klokken fen Sint-Odolf.


It forneamde Kleaster Sint-Odolf te Starum, dat în 'e earste helte fen
'e 9e ieuw bouwd wier, waerd letter troch de sé înslokt.--By in tîge
lege sé în 1430 en in kear of whet letter, koe min de oerbljuwsels van
de Kleasterkapel op it hege tsjerkhôf sjen.--Dit plak în 'e Sudersé
wirdt troch de séljue nog altijd as "it tsjerkhôf fen Ald-Starum"
oanwîsd en hja komme as 't kin, der net tichte bij.--

Bij it bouwen oan it Kleaster Sint-Odolf, wier forgetten de ségen oer
de klokken üt te sprekken; mar dat hie în 't bigjin gjin neidélige
gefolgen.

Hondert jier lang gong it goed. Mar do waer throch ien, dy it
by oerlevering lîke te witen, de saek oan 'e biskop fen Utert
forklapt;--dy, tîge lilk wier do 't er det hearde, en rîp: "Dan binne
dy klokken des dîvels".--Dat wier alheel whet for Joost. Hy fleag nei
de toer fen Sint-Odolf, helle de klokken der üt en slingere se foart,
oan it doarp Himelum ta. Der sloegen se in gat în 'e groun, sa great,
dat er wel in boeresküre în stean koe. Mar de âlde hellebaes wier
meî dizze bût sa în 't snjit, dat hy der mear plesier fen ha woe. In
neef fen him wenne bij de Galamadammen, en die der saken mei in âlde
tsjoenster, dy 't in bulte kwea die.

Alle nachten bigounen Joost en sîn neef nou mei de beide klokken
te keatsen.

Omke siet te Himelum en neef op 'e Galamadammen; sa smieten se elkoar
de klokken ta en sloegen se wherom, krekt as in keatsebal. Dat gong
in nacht of whet goed.--Mar do die de jonge dîvel in misset; hy wier
net sa handig en bedreven as de âlde. Ien fen 'e klokken liet er în
't wetter fen 'e Galamadammen truzzelje en de oare, in eintsje der ôf,
în het mar de Fluessen. De swiere metalen gedrochten, drongen throch
de ierdkoarste hinne en kamen în 'e onderwrâld torjuchte.

Sint dy tyd hearre de fiskers op 'e Fluessen en de biwenners van de
Galamadammen 's nachts soms in dof gebombam în 'e djipte.

Dan liedt de dîvel de klokken fen Sint-Odolf. Men heart dit net altyd
gelyke dûdlik; soms is it hast net to hearren en dan ek wol wer is
whet better.

Het lieden heart men it beste, as immen op in heel lot în 'e Haagsche
lotterij de hûndert tûzen trokken hat.--Dan is der blydskip în 'e hel.



Het Stadfriesch, dat vooral te Leeuwarden, Harlingen, Dokkum, Franeker
en Sneek, maar ook te Midsland op Terschelling en op Ameland gesproken
wordt, is eigenlijk een mengelmoes, waarvan men niet weet, of men
het Saksisch-getint Friesch dan wel Friesch-getint Saksisch moet
noemen. Merkwaardig is het, hiervan na te gaan, welke dialektische
bijzonderen de taaiste levenskracht vertoonen. Het zijn: _sk_ voor
_sch_; de scherpe uitspraak van _v_ en _z_ als _f_ en _s_ in het
begin der woorden; het ontbreken van het voorvoegsel der verleden
deelwoorden en de omgekeerde volgorde van twee onbepaalde wijzen,
b.v.: "Dou hât dat wel laten kunnen" (Je hadt dat wel kunnen laten);
eindelijk de uitspraak _bien, tien, breg, pet_, voor been, steen,
brug en put.

Deze eigenaardigheden vindt men dan ook als overleefsels aan
de overzijde der Zuiderzee, te beginnen met Strandhollandsch (of
Strandfriesch), het taaleigen, gesproken in de visschersdorpen Egmond,
Wijk aan Zee, Zandvoort, Noordwijk, Katwijk, Scheveningen. Hoe
verschilt dit dialekt, dank zij ligging en bedrijf, van dat in
het naburige Bloemendaal, Sassenheim, Rijnsburg en Loosduinen! Men
hoort hier ook nog de Engelsche _w_ als beginletter. Dan volgt het
Noordhollandsch met de dialekten van Kennemerland, de Zaanstreek en
Waterland. Wat Amsterdam betreft, het zeventiende-eeuwsch, ons uit de
kluchten van Bredero bekend, komt in meer dan éen opzicht overeen
met het dialekt, dat thans benoorden het IJ wordt gehoord. Het
oorspronkelijkst echter, en het minst door Hollandschen invloed
gewijzigd, is de volkstaal van West-Friesland. Dit gewest bestaat
uit twee deelen: het eigenlijke West-Friesland, tusschen Alkmaar en
den Helder, en het tusschen Hoorn, Enkhuizen en Medemblik gelegen
Drechterland. Hiertoe behooren ook de eilanden Texel en Wieringen.



Zaansch.


(_Uit Leopold, Van de Schelde tot den Weichsel I, bl. 274_).



Oitje met een Jachie.


't Volgend schetsje werd me aan de Zaan gedicteerd door een man uit
het volk.

Oitje is een eigenaardige uitdrukking voor prettig uitstapje en onder
jachie of glaze jachie verstaat men die kleine, vaak met verguld en
gekleurd snijwerk versierde plezierjachten, die door één man geroeid
worden en in hunne overdekte en met veel raampjes voorziene ruimte
plaats bieden aan vier tot zes personen. Vroeger bezat bijna ieder
der gegoede Zaansche familiën zulk een vaartuigje, dat vaak keurig net
was ingericht. Men liet zich er mee ter kerk of familiebezoek brengen.

Tegenwoordig wordt hun getal zeer klein. Hoofdzakelijk bij de kermissen
ziet men ze nog op de Zaan. Zij dienen dan om een of ander gezelschap,
meest vrouwen, naar de plaats van pleizier te brengen.

Voor zulk een oitje wordt door de gezelschapjes vrouwen uit de
nijvere volksklasse het geheele jaar door geld bijeen gelegd, en ik
heb het aan de Zaan van menig huismoeder gehoord, dat ze geen grooter
pleizier kende, dan zoo'n oitje met een jachie op de Zaandammer-
of Wormerveerder kermis. Wat het bijeenbrengen der gelden voor zulk
een feestje betreft, 't gebeurt wekelijks met de grootste stiptheid,
't Is trouwens merkwaardig, met hoeveel voorliefde er aan de Zaan
"gepot" wordt voor vele soort van zaken.

Men brengt wekelijks iets bijeen voor een leesgezelschap, voor een
uitstapje in den zomer, ja, voor brandstof en andere zaken, en velen
bewaren alle dikke-nieuwe-centen, om aan 't des jaars voor bijzondere
uitgaven een apart sommetje te hebben. Verder laat ik het woord aan
den verteller.

't Was Zaandamse kermis. Al een week had er een rumoer en gejoel
e-weest, dat hoore en zien je vergong, en 't was ook wel te
begraipe. Op zoo'n kermis den rake die mensche, zooals olieslagers,
pelders en andere, eres uit er dommelechaid eskud. Voor heurloi is
't alle dage maar net hetzelfde: van daag begin je zoo en morge is
't nag zoo. Maar met zoo'n kermis, den haal je je asem nag eres bai je
reg op en je slane je vlerke nag eres oit as en veugeltje in de lucht.

Zóó dochte ook Griet en Train, Ma en Neel. Ze hadde een potje
op-egaart; alle weke een stoiver, om deer veur met 'et jachie te
kermis te gaan. Ook hadde ze 'et esteld op Vraidag, dat was nag al
een drokke dag; want hoe drokker, hoe liever.

Dus, 'et jachie en die het roeie most, ware 'ehuurd voor Vraidag;
den most het beure--weer of gien weer;--ze hadde er al goeie lucht op.

Maar wie zou 'et jachie oitreste?

Gien ien leek er eerst zin in te hewwe. Achterné zait Griet: "Nou,
den zei ik 'et wel doen. Ik bak een dikke-koek of twee;--wet brood
met vleesch, wet garreneel, sla met aiere, en, om niet te vergete,
een avvekateborrel, en we binne klaar."

"Goed", zegge de are, "of-esproke".

De Vraidag kwam. 't Was wel windig, maar toch aars goed weer. Nou aan
't klaar make. Griet dribbelde op er moile zonder hiele, om toch de
boel maar goed in orde te brenge en om het zoo netjes, as ze op heur
menier kon, voor te zette.

De knecht kwam met 'et jachie en nou wier de boel 'elade. Wel man,
'et zag er maar avvenant oit.

"Hè", zai Griet, "ik ben der loof van. Deer is heel wet an te stunnike
eer het zoo veer is, maar dat doet er niet toe. Ik loof, dat we toch
wel ket en norrie hewwe zelle. Deer mekeert het nooit an, asse we oit
benne. De op-egaarde Zeeuwe zelle der an geloove, al zoue we der ook
voor in de mallemole gaan of ze aan bulleboissies versnoepe."

De are drie kwamme nou ook en héel gauw gonge ze skeep. Elk had
en nuwe jas an en de kap met drie naalde op. Ze keke allegaar eve
bloemzoet en meukel en ze kakelde as kippe, die pas een bietje garst
ekrege hewwe. Wet zatte ze premantig achter de gerdaintjes te glure,
toe ze zoo langs de Zaan eroeit wiere as prinsesse.

Je konne wel zien, dat ze 'et alle dage niet ewend ware om oit te
gaan. Wet lachte ze, as een turfskipper veurbai voer, die een pus
met water skepte en derloi een mal woordje toeriep. Ja, ze gierde
het bai taie oit om 't lekker oitje en dat ze nou al zoo'n lol hadde.

Op iens zait Neel: "Groote groen in 't hoissie, weer is me
knippie?"--Ze voelt in der zakke, maar vindt het niet.

"Wat," vrage de are, "je hèt je knippie toch niet estrooid,
Neel?" "Nee," zegt deuze, maar da's nou toch nochter van me. Ik
bedenk me deer net. 'k Heb het leete legge op 't bontje, vlak bij
't hoochie van den smoiger. Da's een malle boel.--Maar wacht eres. 'k
Heb nag een buultje in me zak, deer ik dikke centen in opgaar. Deer
ken ik het wel mee redde, om eres in een kaikspul te gaan of in de
rollebol te speule."

"Nou," zait Ma, die ook ereis in der zak voelt of ze wet vergete hèt,
"je hewwe toch zeker meer noodig. Je wille toch zeker ook welderes
bai een liedebord of Jan Klaasse-spul kaike, dat kost je toch ook
gauw een cent of wet, as je ten minste niet al te gierig bene."

"Wet," zait Neel, "ik gierig? Nee, ik durf van me arremoed of nag wel
een cent te geve an een kerel mit ien arm of ien bien, en hew ik hem
niet, dan zou ik hem nag wel te lien kraige van deuze of giene."

"Hou nou je groote babbelbek maar es dicht," zait Griet. "Deer hê-je
een avvekaatje."

"Zoip, zwager, oome Jan is jarig!"

Meteen neme ze elk een ferme wup oit er glassie. Nou kwam er an 't
kakele gien end. De ien wist dut, de aar dat. Die praatte over der man,
die over der lieve kind; de ien over der buurwaif en de are over de
dure taid. Ze leke wel spraakwater in ekrege te hewwe en zagge zoo
rood as een haan.



Maar ik kom nog even terug op het Amsterdamsch dialekt, dat van
groot belang is voor de studie der volkstaal. Het behoort tot
het Waterlandsch. Het is lang niet eenvormig en valt uiteen in
verschillende tongvallen, waarop door Joh. Winkler in zijn Dialecticon
II, bl. 86 vlg. de aandacht gevestigd is. Wij hebben hier m.i. vooral
te doen met de inwerking van het _bedrijf_ op de taal, waardoor
afzonderlijke sociale taalgroepen geboren werden; somwijlen schuilt
de oorzaak in scherp-omlijnde plaatselijke afscheiding. Amsterdam
staat hier trouwens niet alleen, maar het verschijnsel openbaart
zich in meerdere of mindere mate in alle groote steden, b.v. te
Brussel. Daar spreekt men in het noordelijke deel der stad, en
in de noordelijke voorsteden Schaarbeek, St. Joos-ten-Oode enz.,
anders dan in het middelste deel der stad, rondom de groote markt,
en ook weer anders dan in het westelijke gedeelte van Brussel en dan
in de westelijke voorsteden en dorpen, St. Jan's Molenbeek enz. Ook
te Gent verschilt de volkstaal van de eene wijk tot de andere. Men
heeft hier vooral twee onderscheiden tongvallen. De eene heet te
Gent de Nieuwbrugsche, omdat hij vooral inheemsch is in de wijk der
Nieuwe Brug of van de Neder-Schelde. Hier wonen veel werklieden en
fabriekarbeiders. De andere tongval geldt als het Gentsch bij uitstek,
en wordt gesproken door de eigenlijke kern der Gentsche bevolking,
zelfs door de hoogste standen, wanneer deze hun moedertaal spreken. Ook
in kleinere steden verschilt wel eens het taaleigen der eene straat
van dat der andere. J. Ter Gouw, een volbloed Amsterdammer, kende
niet minder dan negentien Amsterdamsche tongvallen, waarvan de meeste
thans nog in leven zijn. Ik schakel hier het Jodenhoeksch uit, dat weer
uiteen valt in het Amsterdamsch Joodsch, het Joodsch-Hollandsch en den
tongval der Christenen, die in den Jodenhoek wonen; en wel, omdat hier
een vreemde faktor zijn inwerking doet gevoelen. Maar wij hebben verder
vooral nog het Kattenburgsch, het idioom van de voormalige Kattenburger
scheepstimmerlui, mèt het bedrijf thans sterk in verval. De vraag b.v.:
"moet je ook geschoren worden" luidt in den Kattenburgschen tongval:
"mój jók geskórre wórre". Hiervan verschilde vroeger het Rapenburgsch
eenigermate, thans is geen verschil meer te hooren. Het Nieuwmarktsch
wordt gesproken van af de Nieuwmarkt tot de Oude Schans, en aan de
andere zijde langs de Kloveniersburgwal en de Hoogstraat. Het is
ontstaan uit het beroep der kleerekramers en winkeliers in linnen,
sajet en breikatoen. Bepaald klankrijk is het Bierkaaisch, de tongval
gesproken door de zeer afgescheiden en haast oorspronkelijke bevolking
van het doolhof van steegjes en dwarssteegjes, gelegen in den vierhoek
tusschen Warmoesstraat, Oudekerksplein, Voorburgwal en Pijlsteeg. Het
Komkommerbuurtsch hoort men in de zoogenaamde Komkommerbuurt:
't Weesperplein, Roeterseiland, Varkenseiland en Weesperveld. Het
Franschepadsch werd vooral gesproken op de Goudsbloemgracht, in
de Goudsbloemstraat en Palmstraat en in de dwarsstraten en stegen
daartusschen, en kenmerkte zich door zijn rijkdom van woorden en
uitdrukkingen, aan de dieven- en bedelaarstaai ontleend. Laat ik ten
slotte nog vermelden het Kalverstraatsch, het Gebed-zonder-endsch,
een echte vischwijventongval, en last not least het sociologisch zoo
merkwaardige Duvelshoeksch, inheemsch in den Duvelshoek, een labyrinth
van stegen tusschen de Reguliersbreestraat, Reguliersdwarsstraat en
Vijzelstraat. Het Duvelshoeksch is een taaltje van de platste platheid,
"doormengd met tal van woorden uit de dieven- en bedelaarstaal, uit
het mofsch en koeterwaalsch der kermisgasten, _négociants, nomades,
colporteurs, vagabonds, chevaliers d'industrie,_ duitsche kwakzalvers,
luikerwaalsche tooverlantaarn- en rarekiekvertooners, keulsche potten-
en kannenwijven, fransche goochelaars, rottevangers en ""verdrijvers
van wandgedierten" ", savooische lieremannen, orgeldraaiers en
marmottejongens, italiaansche schoorsteenvegers, tot verloopende en
verwaaide duitsche en brabantsche studenten incluis, die er allen hun
verblijf hielden en er te zamen een duvelshoeksch _jargon_ prevelden":
Joh. Winkler, Dialecticon II, bl. 92.

Op de Heeren- en Keizersgracht spreekt men eigenlijk meer een
daar gelokaliseerd kultuurdialekt. Een analoog verschijnsel vindt
men b.v. te Hasselt (Belgisch Limburg), waar de taal der hoogere en
lagere standen vrij veel verschilt. De kultuurtaal heet het eigenlijke
Hasseltsch, de volkstaal het Beeksch, dewijl deze meestal door de
minder gegoeden gesproken wordt, die "obbe Beek" wonen. Zie Gittée,
Nederlandsch Museum 1888, II. bl. 310.

2. _Het Saksische taaleigen_. Het zuiverste Saksisch wordt
op Nederlandschen bodem gesproken in de Graafschap, Salland en
Twente. Hierbij dient echter opgemerkt, dat het Zutfensch zelf niet
bij het Graafschapsch, maar met het Arnhemsen, Doetichemsch enz. bij
het Zuidoostveluwsch behoort, dat zich vooral onderscheidt door den
deminutiefuitgang _-ien,_ en door _lief, bier_. Het Oostdrentsch
(Rolde, Grolloo, Norg enz.) wijkt belangrijk af; vooral dit is een
kenmerkend teeken, dat de oorspronkelijke korte, maar gerekte _a_
in het Oostdrentsch den _oa-(ao_)klank heeft aangenomen, terwijl
zij in het Twentsch den helderen _a_-klank bewaard heeft. Dus:
Twentsch _dage, hane_, Drentsch _doage, hoane_. Prof. Te Winkel,
Inleiding tot de Geschiedenis der Nederl. Taal II, bl. 302, ziet in
deze en andere eigenaardigheden het gevolg van mislukte pogingen,
door de oorspronkelijke Frankische Drenten gedaan, om zich het
Saksisch volkomen meester te maken; vgl. ook Vragen van den Dag XIV,
bl. 117 vlg. Twente en de Graafschap, vormen inderdaad het Saksische
kernland. Daar vindt men nog het "lösse hoes", de hoeve met éen
enkele ruimte voor mensch en vee. Daar vindt men ook het zuiverst de
Saksische kleederdracht. Met het eigenaardig type der boerenwoningen,
dat men te Staphorst en Rouveen aantreft--type, zooals wij zagen, met
beslist Saksischen grondtoon (I, bl. 36)--stemt overeen het feit, dat
het dialekt dier dorpen verscheiden Friesche schakeeringen vertoont
op een Saksisch patroon. Naar men weet zijn Staphorst en Rouveen
verschoven veenkolonies.

Het merkwaardigste kenmerk van het Saksische taaleigen is stellig
de meervoudsvorming van den tegenwoordigen tijd: 1ste, 2e en 3e
persoon gaan uit op _t_. Het verleden deelwoord wordt voorafgegaan
door een toonlooze _e_: _estoan_ (gestaan). De Sakser is gesloten,
óok in zijn taal; het terughoudende en berekende vindt er zijn
uitdrukking. Hij rondt zijn woorden niet af, hij bijt ze veeleer
af, laat de klanken niet in hun volheid komen over de omheining der
tanden, zooal nog blijkt uit het vervormen van den uitgang _en_ tot
een sonantische _n_: dus _hooren_ wordt _heurn_. Verder zijn _î_ en
_û_ niet gediphthongeerd en zegt men derhalve _mien, wien, huus(hoes),
zoegn_. Konservatief betoont zich het Saksisch verder in behouden van
_al_ en _ol_ voor een volgende _d_ en _t_, b.v. _old_ (oud) en _talter_
(schommel). Maar vooral ook de woordvoorraad is belangrijk en werpt
op het karakter der Saksische volkstaal het helderste licht. Hier is
het weer Gallée, die zich het meest verdienstelijk maakte door zijn
Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch dialekt (Den Haag 1895).

Volgen nu twee dialektproeven uit het Saksische kernland, beide van
folkloristischen aard, óok om hun inhoud.



Achterhoeksch I.


(_Uit Driem. Bladen I, bl. 80_).



Ho ze knikkert in Eibarge.


'n Klein zetjen eleden sloog 't half eene op ten Eibargschen toorn;
't warkvolk is allemaole noa 't hoes hen en de kindere bunt oet
de schoole; ze zölt wal haoste met 't etten edaone wèzen, want ze
holt zich om 't zeggen: "Ellef uur den pot op 't vuur, um twalef uur
wat etten". Op ten schoolplas is no nog nummes te zeene. Joa toch,
doar kump net Batjen langs 't hekke van den meister zînen hof hen
en hé loert es of nog geen kameraods zut; zee daar he'j den dikken
Bennad, daor gens kump Lulefken ok al andraven; doar kuj van op an,
he hef zien grotmoder ok weer leelik veur den aap ehad, want zo vrog
mag hé nooit het hoes oet. Henne zal no ok wal gauw kommen, den kan
zoo lomp gauw etten. Daor he'j 'm al. Oet de wîte smit ê al met ne
sleiferkei en he röp: "ik magge 't eerste oetsmîten watte? we doot
toch knikkeren? Zonnen fijnen sleiferkei he'j noo nog nooit ezeene;
'k heb 'm evondene op de Grolsche grinte bie Hendrik van den Trekpot,
kik es wat 'n mooien!" "We doot kuultjen scheeten" zeg Batjen, "Oa
wat! weês toch wîzer, we doot oetsmîten, want van de meete is mie
niks weerd; doar hek gisteren toch zoo mee verknold," zeg ten dikken
Bennad. ,Vîve an, wée dut er mee?" schreeuwt Lulefken. "No, too dan
moar," zeg Batjen, "dan wil ik 't laatste oetsmîten, heur!" "'k Heb
't anders al lange ezeg" schreeuwt Henne, "maor't kan mie ok neet
schellen, 'k komme toch wal bôven alles!" Noo zet ze de knikkers fijn
op een heupken, hoo meer köpkes, hoo mooier, dan he'j ok nog meer
kans dat ze melken mot. "Hier zal de kip wezen," zeg Batjen, en hé
trök ne streepe adig kort bie de knikkers, zee da's 't kortste bie,
da'i meugt liggen. "Ik zal wal 't eerste oetsmîten," zeg Bennad. He
geet achter 't pötjen staon en smit met den sleiferklei 'n pas of tine
wît. Doar maakte ê'n streepken. "Daor gao 'k boaven," röp Henne, den
altîd boven alles wil wèzen; moar al kan ê fijn knikkeren, verspöllen
deut ê toch op ten doer en manges is ê heelemaole bos. Kik 'm es en
onmundig ende smîten. Den steen rolt ok nog, zoodat ê eiges röp:
"Da's ok wît genog" en de andere lacht en zegt: "Henne wat bu'j
toch 'ne onwîzen." Lulefken smit tusschen Henne en Bennad in. No
mot Batjen oetsmîten. "Wacht" dech e, "ze könt ter wal es allemaole
langs hen mikken en he röp "'k gao op de kip, dar!" Zeezoo, no kan
't beginnen. Batjen geet ter achter staan en Henne smit: den steen
sleifert fijn, 't geet er goed op aan, joa, he raakt ze efkes,
een paar köpkes valt ter of. "Melken, melken" röp e! En noo geet e
der op de kneene bie liggen en de anderen ok allemaole der ummehen,
want ze wilt zeen of e ok jödden wil, maar dat deut e neet; he nemt
zoovölle van 't heupken af ase kan zonder dat er en köpken völt; met
spieë mag neet, heb ze ezeg. "Noo, mîne vîve he'k," schreeuwt Henne,
too 't köpken völt, "no mot ie Lulef." Lulef smit, maor raakt niks;
he smit vlak langs Bennad zînen klomp; of e um eraakt hef? "Ze hebt
'm emeut Bennad," röp e, "mozze motte weerumme." "Dat leeg ie." "Da's
al." "Ik zeg oe van neet." "No," zeg Lulef, ik nemme mîne vîve",
en he löp ter as'n haze hen. "Neet grîpen" schreeuwt Batjen en
veur de sekurigheid grip e eiges 't heele pötjen op; "dan mot Lulef
moar översmîten." Lulef smit maor raakt niks. "Onreg verdeelt zich,"
schreeuwt Batjen. "'t Is toch gemeen, hè had 't anders secuur edaone,
leelekert," röp Lulef, "Lig toch neet te schennebekken," zeg Henne,
"ie mot smîten Bennad." Kik 'm es loeren en mikken, 't Geet er wal
ne voot biehen en Batjen, den vlak bie de knikkers ligt, zet ze net
op ten kop en ze stoevet oet mekare. Moar wat grip e ze nèrig op,
want he vertrouwt te anderen geenen cent. "Kom jongens, noe nog 'n
pötjen," rup Henne al weer, "der bunt er nog meer biêkommen, dat zal
'ne fijnen pot worden. Vîve an! Haroet, haroet!',

H. P. t. B.



Achterhoeksch II.


(_Uit Driem. Bladen VII, bl. 21._)



Hanenèfken en Hennenichjen.


(En heel old spreuksken dêpe uut den Achterhook).

Doar wazzen es en Hanenèfken en Hennenichjen en die wonden bij mekare
en kokten samen de pot. Toe de beeste 's arfstens op de spörrie etuurd
wieren kä(r)nden ze zich en pötjen beste spörriebotter en zetten et
in de kelder. "Zee, nichte," zei Hanenèfken, "doar zöw ons nog es an
verslakken as de sneebluemkes vleêgt".

Hanenèfken gong den volgenden margen uut hen krèien en pie(r)n vangen
en Hennenichjen mos es effen goan kîeken of 't pötjen der nog ston
en prüven of de botter ok stark wier. 't Pötjen ston der nog en de
botter smekte goed en was nêet stark.

En 's margens derop ging Hanenèfken weer uut en Hennenichjen gong
hen kîeken en prüven.

En as Hanenèfken uut was ging Hennenichjen iederbots kîeken en prüven.

Zie, ij konnen nîet wetten, dat ko'j nêet.

't Wier kolder en kolder en de botter was zoo an de krimp eraakt,
dat Hennenichjen der van schrök. Zie krabde zich met den poot langs
de nebbe en wis nîet, wat ze zol anvangen.

Toe haalde ze de botter der uut, knèden het tönneken voel
hôonderkötteltjes en leî der baoven en dun bäomken botter aover hen.

Den volgenden margen vlaogen de sneebluemkes en Hanenèfken zegtegen
Hennenichjen: "haalt mîn het pötjen met botter uut de kelder."

"Toe, Hennenichjen! pik ij der moar eerst niet", zei Hanenèfken. "Nee,
Hanenèfken, ij gaot veur!" Toe pikten Hanenèfken 't eerste en hie
hadde de heele nekke voel....höonderköttels.

Godsbarmelik, wat was e kwaod. Hî maakten zich zoo nîdig, dat e
Hennenichjen 't vel aover de oorne trok. Hî hong et velleken bij den
puttenpos op den bézenbos um te dreugen.

Toe kwamen Grîsgrauwgruwweltjen en haalde Hennenichjes velleken weg.

Hanenèfken kwam buuten en 't velleken was weg, Hî maakten zich en kaore
van en wortele, die höllen e uut en spannen der rattemoeze veur. Toe
ging et naor 't huus van Grîsgrauwgruwweltjen. Hî was weg en toe kwam
um en osse in tegen. Die zei "Hanenèfken, waor geet dat nao tôo?"

"Ik gao nao Grîsgrauwgruwweltjen en hale mîn Hennenichjes velleken
weerumme."

"Za'k moar met gaon?"

"Jao, sprink maor achter op de kaore."

Veerder kump um en hane integen, die zei:

"Hanenèfken, waor mo'j nao töo?"

"Ik gao nao 't huus van Grîsgrauwgruwweltjen en hale mîn Hennenichjes
velleken weerumme."

"Za'k maor mee goan?"

"Jao, sprink maor achter op de kaore."

En toe kwam der nog een hekkele, en spelde, en naolde, en ei en en
slîpsteen en allemaole sprongen ze achter op de kaore.

Zoo kwammen ze bij 't huus van Grîsgrouwgruwweltjen. Maor...de deure
was op de gruntele.

"Hoe dook der met," zeg Hanenèfken.

"Ik witte raod", zei de Hane, "ik zal deur 't hôondergat kroepen en
de deure lös doen".

Zoo ezeg, zoo edaon. De hane mîk de deure lös. Hî zöch de kaste nao
en vund Hennenichtjes velleken in en deusken.

"Hoe doew der now met?" zeg Hanenèfken.

"Daor zölle wij wel veur zorgen" zekt die metereden bunt.

't Ei geet in 't vuur liggen, de spelde en naolde kroept in de matte
van den stool.

De hekkele geet met de rugge in 't bedde liggen; de osse geet in de
stal staon en de hane achter in de koostal op 't rik. De slîpsteen
henk zich op baoven de deure.

's Aovens kump Grîsgrauwgruwweltjen in huus. Hî wil de lampe anstekken,
en "poef!" zeg et ei en vlug um in de oogen. "O! min oogen" krouwt
e en hî völt op den stool neer; maor, daor stekt um de spelde en de
naolde: "O! mîn eers, mîn eers!" Van pîne löt e zich in bedde vallen,
waor de hekkele lig. "O! mîn rugge, mîn rugge!"

Van benauwdheid mot e uut de bokse. Hî löp nao den stal, maor de osse
nump um op de haorne en kwakst um tegen de hilde. "Smît um mîn maor
boo", schreeuwt de hane, "dan za'k um nog anders toetakelen!"

Van schrik wil e nao buuten en toen e de klinke van de deure wil lös
doon, völt um de slipsteen op den kop.

En too wasse ha(r)dstikke dood.

G. J. Klokman.



Ik besprak reeds het mengdialekt van Staphorst en Rouveen. Ook
te Vollenhoven, Genemuiden, Zwartsluis, Kampen enz. wordt een
Saksisch mengdialekt gesproken. Maar de twee voornaamste Saksische
mengdialekten, met Frieschen inslag, zijn het Groningsch en het
zoogenaamd Stellingwerfsch, dat weer in verscheiden kleinere idiomen
uiteenvalt.

Het Groninger dialekt lijkt de Friezen hard en zwaar; bij het
spreken wordt de mond breed geplooid. De voornaamste bijzonderheden
zijn wel: de uitgang _-en_ van den 1sten en 3en persoon meervoud
van den tegenwoordigen tijd; het ontbreken van de _e_ vóor het
verleden deelwoord; de voorliefde voor den _ai_-klank, tegenover de
Saksische _ee_ en _ei_. Wat het Stellingwerfsch betreft, dit wordt
o.a. gekenmerkt door den 2den persoon meervoud _jimme_, en door _voet,
boek_ tegenover _voot_ en _book_.



Westerwoldsch.


(_Uit Driem. Bladen XIII, bl. 67_).



Op Aovondproot.

't Was Dunderdagaovend. 't Vroor dat 't knapte. De lucht was helder
van sterens en de grond zoo hard as 'n bikkel. Snij lag d'r nich;
't weide ook nich en nò was 't zoo heur in de lucht, dat m' duudelk
heuren kön, dat 't leeren oetkwöm. Men kön wol heuren wel stevels en
wel klompen aan aanhad'n.

Zug, daor koomt drij jongs aan op klompen, man ijne hef twij stevels
op de nakke hangen. Zij gaot deur de achterweg, waor 't anders veul
te modderg en te glidderg is, man nò keunt ze d'r best langs. Ik
wijt wol, waor ze hen wilt: zij gaot nao de schounmaoker; dat dout
ze alle Dunderdagaovond um 'n beetk'n te proten en 'n kop koffie te
drinken. IJn van heur hef altied wol 'n bösschop.

Ik gao d'r ook hen; 'k wil ijs heuren of mien schoune klaor bint;
dan kan 'k ijs wat mit proten over 't ies en 't weer en wat 't 'r
meer veur 'n dag komp. Wie gaot de bansterdeure in over de deele en
bint dan vot in de keuken.

"Gaot man zitten jongs; trekt man 'n stoele bie 't vuur. Och, Aoldien,
doe steist door net bie de hörn, smiet nog 'n kijnstobbe op 't vuur,
de ooren vrijst joe van de kop! Hinderk, geef doe mie de beentbessem
ijs aan......" "Wacht man, baos, ik schal de plaote wel even aanvegen."

Bijter krig de tabaksduize oet de vessienbuze (vestzak) en zeg as he
stopt hef: "wolt ook aansteken, Geert?"

"Nee," zeg Geert, "'k heb 'n kolle" (_pruim_). De duize knapt weer
tou en geit weer op 't olle stee. "Geef mie de tange ijs Hinderk,
doe bist 'n de hörn kropen, magst bedijnen van aovend". De tange geit
in 't vuur, komp 't 'r mit 'n koolk'n vuur oet, dij in Pijter zien
borstklopper geit. "Hij! doe stichst brand, daor lig 'n kole vuur bie
dien klompe op de vlouer." "O, wacht man, laot de tange man staon,
't geit zoo wol", en Pijter trekt de klompe oet en schept de kole vuur
in de raokeldobbe. "Verbraanst dien zokke." "Nee, 't schal wol gouw
gaon. Haf' we Jan Tools zien hond hier man, dan höf we nooit 'n kole
vuur aanvegen." "Wat dee dij hond dan?" "Hest nooit van dij looze hond
heurd?" zeg Pijter, as m' tegen dij hond zee: haol mie de tabak, dan
göng vot nao 't kammenet en kwam mit de punt in de bek weerum." "O,
dat kan onze boer zien hond ook wol." "Ja, man Jan Tools zien hond
dee dat ook mit 'n kole vuur. As 't 'r 'n kole oet 't heerdk'n op de
plaote völ, höf ie niks te zeggen as: Stroom, pak op! in dan kreeg
he de kole in de bek en smeet hum weer op 't vuur." "Dat kön nooit,
dan brandde zien bek ja!" "Ja, jong, man hij m..... de kole eerst
oet." "Luchst allemaol; zeg mie man lijver, wat 'r op dien piepkop
steit, daor heb 'k al zoo lank tegen aankeken." "Daor, kiek man
ijs goud, 't kan best wezen, dat 't nog familie van die is." "Wel
kerel, jijzes man! nò man daor bin ik gijn familie van--ik zij wel
't is--horens op de kop en bokspoten. Ik wijt nich, houst 'r mit
loopen duurst." "Wat mijnst dan wel 't is", zeg Pijter. "De olle
knecht, gijn ijne anders." "Laot ijs zijn", zeg Hinderk. "Verdold,
Geert hef gliek, 't is hum." "Man, wat mot dij schaope d'r toch bie,"
zegt baos, dij ook nieuwsgierig worden is en mit 't hekke (bril)
op de neuze de piepkop bekik, "'k heb nooit heurd, dat de duvel
op de schaope past. En 't is net of het zit te fluitspeulen." "Dij
schaope kan he wol stolen hebben. Mien bier hef hum op de Hoge IJ
ijs 'n maol op 'n aovond zijn, dou he achter drij Vrijsche schaopen
aanzat." "Man hest hum zölf wijl ijs zijn?" Geert zee niks. Man opijns:
"Um de waarheid te zeggen, jao. Ik heb hum zijn achter 't iemhok van
Janoom, en ik wil die vertellen, dat ik s' aovends daor nooit weer
achter 't hoes langs gao." "Hou zag he d'r dan oet, net as op mien
piepkop?" Dat kön 'k zoo nich zijn, man 'k schal joe vertellen wat
'k zijn heb. 't Was verleden jaar op Steffen. Ik was met Berend Sips
en Hiske van Muike bie Wubbe Lots west, man ik was net zoo nöchtern
as op 't oogenblik. Bie de handwiezer göng ik van de anderen of en
um de houk bie Janooms hoes keek ik onwillekeurig nao 't iemhok,
umdat mien boer mie ijs verteld hef, dat Janoom zien vader doar ijs
'n hijle nacht mit de duvel op de nakke rondzwabberd har. Dij har daor
wat zijn achter 't iemhoes en hij was zoo dom west um te kieken wat
't was. Um d'r te komen mös he 't heksk'n deur en dou was he van
zien recht of. Op ijns heurt he, 'n geschatter en daor springt d'
olle knecht hum op de pokkel... en de hijle nacht hef he d'r mit um
argewijerd; in 't leste har he 't heksk'n mit d' ijne hand pakt en
dou mös de duvel hum weer löslaoten; hij was weer op zien recht." Hef
dien boer die dat verteld?" zeg Pijter. "Jao en dij lug nich." Geert
har 'n grenzeloos vertrouwen op zijn boer, de grootste osse van
hijl Westerwolde. "Zeg man aan dien boer, dat Janoom zien vaoder de
nachtmerrie had hef." "Ja, doe wolt niks leuven, dat wij 'k wol, man
wat ik d'r zölf zijn heb dat kaanst mie nich oet de zin proten. Ik
zag op ijns 'n kop boven 't iemhok oet komen. Ik wör d'r kei van,
want ik dacht vot aan Janoom zien vaoder, wat dij d'r beleefd har,
't was net op 'k aan de knijen tou deur 't zaand göng. Man ik keek
nog ijs weer, en dou was 'n d'r twij koppen, ik dochte: jong, red di,
het gijt um dien zijle en ik ik op de rek (_aan de haal_). Dou 'k
veur onze valdeure kwöm, har 'k aan ieder haor 'n zwijtdrup. 'k Bin
boven over de underdeure hensprongen, 'k heb de deure dicht maakt
en bin op bedde kropen." "En dat is de duvel west?" "Wat mijnst
doe dan? Doe möst dij grelle kop man ijs zijn hebben." "Och, kerel,
't was Steffen, daar hebt 'n jong en 'n wicht mit 'n ander staon te
vrijen. Schost d'r man gerust hen gaon wezen, meschijn har 't wicht
die ook wol 'n smok geven." "Jawol, ik har 'n smok kregen van 'n hijl
ander, zukke smokken begeer ik nich. Man doe hest nö 'n hijl woord,
en ik wijt wol dat doe nich hijl bange oetvallen bist; ik mög toch
wol ijs zijn, dat he die tegen kwöm um ijs gewaar te worren hou hard
doe loopen kaanst: de maorze schol die nich schimmeln." "Ik heb hum
al 'n maol zijn" zeg Pijter hijl dreuge. "Doe? Waarzoo? En wat hest
dou daon?" "'k Heb hum de nakke umdreid". "Verrek um mie, nö heb
'k genog van dien leugens: het rookt die boven de kop!"

"Wolt 't nich leuven jong, zegt Pijter terwiel he Geert in de knij
knip, "'t is echt waor. Jong, Aoldienmeu, hei je d'r nog 'n kopk'n in,
dan keer 'k nich um." "Jewol, jong, vertel man op."

"Te wijt wol baos, dat ik vrouher dijnd heb bie Brug Engel. Zien
dochter Geertruud, dij laoter nao de Opstreek trouwd is, was dou nog
in hoes en dan hadden ze 'n meid oet de Pekel, Jantje. Hou ze wieder
heit, wij 'k nich meer; 'k wijt wol dat ze altied stom kwaod was,
as wie tegen heur zeden van Jandien, dat wol ze nich wezen, want in
de Pekel hijtte ze altied Jantje, zee ze. 't Was 'n viet ding, man
'n beetke'n eelsk en ongemakkelk plaogerg oetvallen. Zij en Geetruud
dij gijn haor beter was, hebt mie vaok bedonderd, man ijnmaol hebt
ze mie 'n schrik aanjagd, dij 'k heur nie gouw vergaf.

Ik kwöm ijs op 'n aovond um tien uur 't loug (deel van 't dorp)
oet um vot op bedde te gaon, en göng over de deele nao de kougange,
waor ik sluip. Ik trok mien overschrijter oet en dee de beddeure
open,... en stönd stief van schrik: daor lag de duvel mit zien
gleude kop op mien bedde. Ik stende 't eerst oet van benauwdheid en
't göng mie net as Geert, ik wör kel as is. Man 't duurde nich laank;
ik kreeg mien kracht weerum en 'k wör duvelsch. Ik zee: "satan, olle
duivel, hest mie noch nich! Ich bin nich bange veur die--koom man
op, satan! en anders griep ik die...." en ik griep hum mit beide
handen bie de strötte.... en wat har ik te pakken? twij törven,
dij aan 'n ander bonden wad'n. Oogen, neuze, en mond bestönden oet
glimholt. Ik stön verstomd. Man daor heurde ik in 't kaarnhoes 'n
verdacht gegnies en dou 'k kieken wol, stoven dij beide vrouwluu in
draf weg. Ik was wol zoo vergreld, als ik 't 'r ijne van pakt har,
dan hak heur vijerkant in de kougroupe stopt. En dou 'k dij meid d'
ander dag alleine achter 't hoes trof, zee 'k tegen heur: as 'k die
'n raod schuldig bin, loop dan nich te dichte aan mie langs, anders
könst wol ijs 'n schop kriegen, daorst genog aan hast. Dou keek ze
raor op en 'k heb laoter gijn last weer van heur had. Man ik was
laoter ook nich bange meer veur d'olle, umda 'k hum de nakke umdreid
en de kop over de kougange mieterd har." "Jijzes, Pijter," zee Geert,
"wat bist doe 'n kerel. Kiek, as mie 't overkomen was, ik was vot nao
't veurenne vlogen en har de boer roupen." "Ja, zoo geit 't jong,
as m' de boudel nich underzöcht. 'n Smid oet Wedde vertelde mie ijs,
dat he 's aovends van de Pekel komen was langs 'n binnenpad over de
heide. Op ijns heurd he daor veur zuk wat stemmen en daor kiekt hum
twij gleude oogen aan. Maar hij was ijne, dij ook nich gauw umliggen
göng, hij geit 't 'r op of en wat is 't? 'n Lijk schaopk'n dat op
de heide achter bleven was. As ik nò nich zoo goud döst har, zee he,
dan was ik daor deur de heide posterd en har overal verteld, dat ik de
duvel zijn har. En daorum zeg ik die nog weer, Geert, as 't 'r zoowat
is, gao d'r dan rustig op of en underzuik 't en dan scholt zijn, dat 't
allemaol 'n natuurlijke oorzaak hef. Wat zegst doe, Hinderk!" Hinderk
dij nog niks zegd har, kik op de klokke. "Ketijer veur tiene? Dan wot
't mien tied. As ik nao tiene in hoes kom, verandert mien ol mensch in
'n saotan, daor al joen duvels kwajongs bie bint. Genaovendsaom."

"Wacht," zegt Geert, "ik gao mit, dan heb 'k zoo wied gezelschop." "Ja,
ik gao ook mit," zeg Pijter, "baos ik heb joe mien stevels bie deure
hen zet, kan 'k dij Zaoterdag wol weerum haolen? D'r mout halve zolen
en hakken under."

"'t Schal wel gaon. Gòjenaovend."

A. H. Smith.



3. _Het Frankische taaleigen_. Hier en daar met Friesche en
Saksische bestanddeelen vermengd, wordt het Frankisch gesproken
in Vlaamsch België, Zeeland, Noord-Brabant, Limburg, Utrecht en
een gedeelte van Holland. Aan Maas en Rijn heeft het Frankisch
element beslist de bovenhand. Maar eng verbonden hiermee hebben wij
reeds herhaaldelijk het Keltisch ontmoet. Kelten waren wellicht de
vertegenwoordigers der Klokkebeker-kultuur in Utrecht, Drente, Twente
en op de Veluwe. Kelten waren stellig de Galliërs, die omstreeks 300
n.Chr. de Hallstatt-kultuur brachten in onze zuidelijke provinciën. De
algemeene Nederlandsche taal kent Keltische plaatsnamen en andere
Keltische leenwoorden. Een hoeve-type, hoogstwaarschijnlijk van
Keltischen oorsprong, het langgevel-type, vinden wij hoofdzakelijk
in België, Zeeland, Brabant, Limburg, in de Betuwe, op de Veluwe en
in de duinstreek. De brunetten zijn het sterkst vertegenwoordigd in
Noord-Brabant, Limburg, zuidoostelijk Gelderland en Zeeland. Ook het
emotioneele volkskarakter stemt hiermee overeen, met uitzondering van
de Veluwe. Maar op de Veluwe stooten de drie Nederlandsche hoofdstammen
aan elkaar; nergens trouwens is de invloed van het landschap,--hier: de
schrale, sombere heidevelden--zóo merkbaar inwerkend op de geaardheid
des volks. "De bodem der N.-W.-Veluwe", schrijft W. van Schothorst, "is
met uitzondering van de lage, waterrijke, en hier en daar veenachtige
Westelijke helft, hoog, dor en onvruchtbaar. Slechts dennen, sparren
en eikenhout vindt men op den schralen grond, wanneer deze niet
met heide is begroeid of uit stuifzanden bestaat. Een onafzienbare
heivlakte met golvenden bodem, aan den gezichtseinder begrensd door
donkere bosschen en rijen witte zandheuvels, als stoffage een enkel
boerderijtje met wat armoedige boompjes, en op een verheffing van den
bodem een kudde schapen door haar eenzamen herder met zijn trouwen
hond gehoed, ziedaar een typisch Veluwsch landschap!" (Het Dialect
der Noord-West-Veluwe. Utrecht 1904, bl. III).

Ook kleederdracht en versierselen wijzen op gemeenschappelijken
Keltischen inslag. In Brabant, Limburg, de Lijmers, het Rijk van
Nijmegen en in Zeeland worden hangers gedragen. Met eenigszins
gewijzigden vorm vinden wij den hartvormigen hanger, de _schoef_
genaamd, ook in het Zuiderzeegebied met het Gooi. Nauwer hangt dit
gebied door een breeden, platten ring met spiraalwerk van blaadjes
weer met Zeeland samen. Eigenaardig-bewerkte knoopen, gordel- en
broekplaten, halskettingen van bepaalden vierkanten vorm treft men
aan in Zeeland en op de Zuidhollandsche eilanden, in het Gooi en op
de Veluwe om de Zuiderzee.

Wij krijgen aldus een uitgestrekt samenhangend gebied; en vergelijkt
men dit met het gebied, waar nakomelingen van Frankische stammen te
vinden zijn (I, bl. 8), dan zal men tot de bevinding komen, dat beide
territoren elkaar nagenoeg dekken. Hierbij komt, dat de dialekten der
bevolking, hoe uiteenloopend ook, een aantal kenteekenen vertoonen,
die men althans ten deele ook in de Keltische talen weervindt. Waar wij
nu van een Keltisch-Frankisch huis gesproken hebben, zal men het dus
niet kunnen misbillijken, dat ook de benaming van Keltisch-Frankisch
dialekt door ons gebezigd wordt. Natuurlijk behoeft elke overeenkomst
op-zich niet op gemeenschappelijke herkomst te berusten, ik wijs
slechts op het nasaleeren van een klinker vóor gedekte nasaal en
het verwaarloozen der _h_, ook elders nawijsbaar, zie b.v. Groninger
Volksalman. 1900, bl. 28.

Enkele der meest eigenaardige kenmerken van de Keltisch-Frankische
dialektgroep laat ik hier volgen.

1. Het voorvoegsel _ge_ bij het deelwoord.

2. Het wegvallen der _n_ van den uitgang -_en_, behalve vóor klinkers,
_h_, _b_ en _d_. Vergelijk: d_e_ groeët_en_ boum, de_n_ domm_e_
mins, d_e_ groeët_e_ minse (Venloosch taaleigen). Keltisch
survival?--Het meervoud van den tegenwoordigen tijd gaat dus uit op
_e_ of _en_, _t_, _e_ of _en_.

3. De _d_ tusschen twee medeklinkers wordt _j_ (_i_) of verdwijnt:
_moede_, _moeje_, _moe_. De Nederlandsche kultuurtaal bevindt zich te
dezen opzichte nog in een periode van weifelen, die zeer lang aanhoudt;
men denke b.v. aan _bloeden_: _bloejen_, zelfs _woedend_: _woejend_.

4. De groepen _al_ en _ol_ worden tot _au_ en _ou_ vóor _d_ of
_t_. Dus: _ald_ en _gold_ worden in zuiver Frankisch _oud_ en _goud_
of nauwverwante klanken.

5. Lange _î_ en _û_ zijn meestal tweeklanken geworden, dus: _mijn
huis_, tegenover Saksisch _mien hoes_. Dit verschijnsel is van
Keltischen oorsprong, zie Te Winkel, Inleiding II. bl. 304 en N. van
Wijk, Taal en Letteren XII, bl. 36 vlg.

6. De tweeklank _au_ wordt _oo_, b.v. _dood_, _oog_, tegenover Friesch
_deea_d, _eea_g.

7. De groep _ft_ gaat over in _cht_. Dus: _koopen_: _gekocht_;
verder _lucht_, _gracht_, _hecht_ enz. Slechts hier en daar bleef een
sporadische _f_ behouden, zoo te Tilburg en in Oost-Brabant: _zoft_
(zacht); Sliedrecht: _zoft, gekoft_ (gekocht); Veluwsch _koften_ voor
_kochten_. Ook wordt de _chs_ geassimileerd tot _ss_, vgl. _Brussel:
Bruxelles; Tessel: Texel_. Hier is eveneens Keltische invloed werkzaam
geweest; zie Te Winkel, Inleiding II, bl. 304; Van Ginneken, Handboek
I, bl. 87.

8. De Westgermaansche _â_ wordt vertegenwoordigd door _â_ en
_oa_, b.v. _schaap, schoap_. Alleen in het Zeeuwsch en in het
Zuidoost-Hollandsch hoort men _schaep_.

Nu meent Van Wijk, Tijdschr. XXX, bl. 161 (vgl. Indogerm. Forsch. XXVI,
bl. 275), dat deze _ae_ een ouderen toestand vertegenwoordigt, dien
wij ook voor het Noord-West-Veluwsch en voor het Nederbetuwsch
kunnen rekonstrueeren. Wij mogen dientengevolge met vrij veel
waarschijnlijkheid een nauwere verwantschap veronderstellen voor een
gebied, dat Zeeland en een deel van Zuid-Holland, de Neder-Betuwe
en een deel van de Veluwe omvatte. Ja wij kunnen ons dit gebied
nog ruimer voorstellen, zoodat het zich dekt met het terrein van
hetgeen men zou kunnen noemen: de Hollandsch-Frankische dialekten,
d.i. West-Holland, Zuid-Holland, Utrecht, Neder-Betuwe, N.-W.-Veluwe,
Zeeland en West-Vlaanderen, reikend van Elberg tot Duinkerken. Zooals
wij zagen, pleiten ook enkele bijzondere versierselen voor een
nauweren samenhang juist van deze gewesten. De geheele groep wordt nog
gekenmerkt door het gebruik van de pronominaalvormen _jij_ en _jou_.

Te Winkel noemt deze dialekten in zijn Charakteristik, bl. 12, met
uitzondering van het Veluwsch en Nederbetuwsch, Friesch-Frankisch. Het
is zijn recht. Want inderdaad hebben zich Friesche invloeden hier doen
gelden. Wij kunnen ze dus het best beschouwen als Frankische dialekten
met Keltischen ondergrond en met een Friesch vernis. Voor het Zeeuwsch
vermoedt ook de Amsterdamsche hoogleeraar Keltischen inslag.

Zou nu met dit uitgestrekt dialektgebied ook niet samenhangen
het taaleigen van enkele streken om de Zuiderzee, en van enkele
eilanden, waar men ook in lichaamstooi en kleederdracht overeenkomstige
versierselen vindt? Ik denk allereerst aan het Gooi (Hilversum, Laren,
Blaricum, Huizen), maar ook aan Vlieland, Schokland, Urk, Enkhuizen
en aan een strook van den Overijsselschen zeekant: Vollenhoven,
Genemuiden, de Kuinder enz., waar men een Friesch-Saksisch mengdialekt
spreekt. Ook deze dialekt-groep toch wordt door enkele bijzonderheden
met de _ae_-groep verbonden; ik noem het wegvallen van de _h_ en den
Urker-Gooischen _ae_-klank in _schaep_. Onderling houdt zij verband
door een eigenaardigen _i_- en _u_-klank. Zij vormt een overgang van
het Frankisch naar het Friesch of van het Friesch naar het Frankisch
en ten deele naar het Saksisch; en de veronderstelling van Winkler
lijkt zeer aannemelijk, dat wij te doen hebben met de taalresten van
een afzonderlijken, niet volbloed-Frieschen stam, die in het eerste
millennium onzer tijdrekening woonde op de oevers van het meer Flevo;
zie Dialecticon II, bl. 52; vgl. II, bl. 20, I. bl. 381. Zou ook hier
de Keltische grondslag niet kunnen dienen ter verdere oplossing van
het ingewikkeld probleem?

Andere eigenaardigheden wijzen op nauweren samenhang van het
Oost-Hollandsch met het Brabantsch en het Strand-Hollandsch; vooral
deze, dat de vierde naamval voor eigennamen en persoonsnamen zonder
determinatief den vorm heeft aangenomen van den tweeden naamval,
b.v.: Ik heb et vaders gezeid; ik heb tantes nog gekend; ik ben bij
Janne geweest. Zie hierover Van Ginneken, Handboek I, bl. 94, 95.



Veluwsch.


(Uit _Leopold, van de Schelde tot de Weichsel I, bl. 519_).



Minnebrief van en sniierknecht.

Miekelief! 't Hef noe gans en gaor gin fatsoen, da je miin liefde zoa
kold en zoa verwierd handelen bliift. Hoe 'k et oak mit oe zuuk te
riigen en te plooien, ik kriig er maor nie zoa ak et gaerne ha. Altiids
bliift oew hart nog rechtevoort tägen mii as stiif linnen. Mennig
kamezaol, boks en wammes van de goeje luuj heb ik bekant stik verknipt
en versniien, daor 'k zat, en miin heufd oaver oe tornde en pluusde. Da
'k er oak heftig oaver epruust heb, en er vinnig ziek af ewest bin,
da's oe bekend; en nao de leste krupsie bin 'k nog nie zoa 'k heur,
want hoe 'k et wend of drääi, 'k weet oan oe gin mouwen te passen.

Zeg et toch glad uut, wa je tägen mii het, dat je mii as en olde
lappe op zii' smiit. Bin 'k nie zoa goed bii de pinken as de beste
veur miin brood? De heele wäke, van 's maondags tot zaoterdags, zit
ik jummers stik staovast van 's märgens tot 's aovens bii baos Nol op
'e taofel: en veur miin jannever-centen laot de wäärd =u=ut de Golden
Ploege gin neie schuur bii 't huus zetten. Zondag, da mis nie, zie
je me altiids in de predekaotie en 's aovens, nao koffitiid, bii oew
vaoder op den haerd, om te höören naor 't neis =u=ut de krant. Dan
doe 'k jummers puur alles veur oe, en 'k maok et oe zoa handzaom,
as in minn krank vermeugen is: en da naodje zol zoa deurloapen as i
ens miin vrouw waort gin enkele steeke zal er aon losgaon.

Maor 'k leuve, daor zit um de kneupe nie. 't Is nog die ägenste smalle
heerschop, die klarke van onzen notaoris, die 't um duut. Daorum gao
je, oak deur den dag altiids zoa mooi aon'edaon, 'egold en 'ezilverd,
bekant of i nao de karke gaot. Miekelief! Miekelief! waor dwaolen
ouw zinnen; hoe kan i zoa bot ziin? 'k Heb oe al zoa mennigmaol oaver
dissen gepokkeneerden snoeshaon onder 't parsiizer 'ehad en zint er
nog de olde knepen niet uut? Hoe kan oe et hart toch zoa hooge staon,
da je um dien kwibus en goeien wärkman onder stelt?

Meinde mit um te zullen äten uut de kurf zonder zörge? Nemaor, da's
vlak de lappe neffen 't gat. Da klarken lait um maor wiendaiers:
en zolt i de maot holden veur de juffer van en notaoris al is 't oak
op en plat dörpke? Nemaor, daerne! daor zii i nie toe 'esnejen: da
zol oe vugen as en neie lap op en old wammes; da stao nie en da holdt
nie.--Da mot dissen verwierden heerschop oak nie vremd ziin, hoe zunig
hi kiiken kan, maor hi teutelt mit oe, um oew rooie wängkes en oew
blaouwe eugkes, en as i oe in d'ellene hef ebrocht, zal i oe handelen
as en lapzalver; waor veinde dan heul veur oew hartepiin? Daorum,
Miekelief! stel dissen springer uut oew zin en hold oe lääg bii 'e
grond, dan val i nie hoog. Denk aon 't spreukske: "Ongeliiken aord,
dient niet 'epaord". Wij passen mekaor, waor je et beziet, um saomen
genuuglik te läven en onzen staot te bliiven vuren. Kwik er ens mit
oew olders, daor doe je braof aon; die zullen et oe wel veurmäten; en
as ik zondag bii oe kom en i mii beduudt, da je met mii houwen wilt,
zal miin martelen en armoeien t'ende ziin, en van klinklaor plezier
za 'k oe en heftig mooi loddereinsdeuske kaopen veur en pressent,
al kost et oak en golden dekaot.

Hadee, Mieke! tot zondag. S.



Ostendsch.


(_Voor "Nederlandsche Volkskunde" geschreven door den Eerw. Heer
Frank Baur, docts_, litt.)

De gelijkenis van den Verloren Zoon zooals zij te Ostende in het
Schipperskwartier wordt verteld [12].



Eer wos e kér e våder, è jâ twé zuns.

Den årme man wos wéewåre! È de joengsten va de twei hâde goesten om e
vojåzetsje te doene. Mo de kwèsje wos va d'ortsjes! De joenge brakke
goeng no ze vådere èn i zej: "Våder, gée m' osjeblief 't chelt da
me toekomt, 't part va moeder zåliger!" De våder schuddege zen hôofd
èn zej: "Joengen, joengen, je lop no jen oengeluk!"--"Ba 'k en doe,
antwordege de kwåpèrte: lat et min mo riskieren!"

È je kréég ze part! È je goenk nor en vèrre stréke, olover 't
zeitsje! È je wos nog mo fine 't gat üt, of je begoste va ze gèld
te léven, lik God üpt Sas! Olie dågen schinken è drinken, smeiren en
teiren mè de schonste nichtsjes, è ze traktéren mè tartsjes è spekken
è goedewèrk.

È ja, è dat en kostege azo ni lange deuren: ze portekadee gerocht
olichte léég, ze kleiren vielen in slunsen, je zach ter üt lik ne
schooier! Mè véle rooi kwaamp i te lange laste bi nen beistekopman in
de kost: mor in platse van olle dågen ze bükstje goe vul te krigen, wos
't årmoe va god za m' zégen! En os zen dèrmen grolden, je mochte nog
üt den trog va de zwins ni mêe éten! Mèd ol ze werken è vroeten ât en,
os 't ol te fin effekte kwam, nog gén någel om ze gat te krauwen! 't
Wåter liep va zen èrte, os 't en an 't üs pejsde, wo dat de knechten
åten è droenken è tafeltje-dèk-je spéélden! Wo dat de stüten zo vèt
gebutterd waren, è 't Roesselaersch bier zo lèkker!

Toe tat en up ne schônen dag ol zen koeråze in zen 'anden paktege,
è no ze våder goenk è zej: "Våder, 'k èn ol me geld vertsjoekt;
'k zin te vül dan 'k nog je zeune zoen kunnen zin: mo lat me bi joen
blüven voe knècht!..."

"Wei, joengen toch!" riep ze våder: "è je zoe tog ni willen zéker! Gée
me zeire en tóóte: 'k èn tog zo lange no je gewacht!" È je kréeg nieuwe
kleirs en nieuwe sluffers an: è je wos wéer de zeune va ze våder!



Het Brabantsch vormt den middelterm tusschen het Hollandsch en het
Limburgsen; en onder Brabantsch verstaan wij hier het Westbrabantsch,
het Antwerpsch, het Aalstersch, het Leuvensch, het Oostvlaamsch. Wij
wezen op de overeenkomst met het Oost- en Strandhollandsch. Maar
slapheid van artikulatie verbindt de taal van de afstammelingen
der Salische Franken toch ook met de Zeeuwen, die zij immers ook
zeer nabij staan in volkstype en in innigheid van temperament. Op
gemeenschappelijk Keltisch substraat wijst, behalve de eigenaardigheid
van de behandeling der finale _n_, de herhaling van het persoonlijk
voornaamwoord vóor en na den werkwoordsvorm: _ik-ekik_ enz. En
anderzijds verbindt hen de Keltische toon, de lossere volksaard,
het sanguïnisch temperament weer met Limburg. De bonte staalkaart
der Brabantsche dialekten--mag ik even wijzen op de voortreffelijke
behandeling van het Aalstersch door Prof. Colinet en van het
Leuvensch door L. Goemans?--is het reflex van hun sterk-uitgesproken
gemeenschapszin, van hun aanhankelijkheid aan stad en dorp, van de
versnippering van hun grondgebied.



Leuvensch.


(_Voor "Nederlandsche Volkskunde" geschreven door den Heer Frans
Smeesters, stud. litt._)



De Koeisjieters.

(Leuvensch Verhaal).


In dânen tâd (tijd) waz et spel nogal dikkels de woegel oep [13]:
den iene kie woere de Sponjoede mister, dan wee d' Oestenrâkers,
ofwel probeede de Vloinderiers den boes te speele. Et was altâd e wa
fes: vechten en battere zonder oepaave. Te Leeve woere z' oek noet ni
grist. Moe ze woere der doevee oek oep verzien, zelle: d' iel stad
was oemringd mee vestinge mee dikke mieren oep. Doe kost niemand in
och uit de stad nit, as dee de poote on de groete stieweege en dâ
woere bewokt dee saldoete.

Oep ene kie aa 't er wee lilek gespanne en wit er van iene pas gebrand
en gemoet: 't was tege den oevend, oep den Eksentoore, woe da naa de
luibank stoet oep den boelvar Remie. Da was doe de verstêreking van
de Brisselse poot; 't kloester van de Sellebries stont doe toen nog
nit achter en doemee kost de schilwacht van doe den ielen Brisselse
stieweg overzien tot on den Azeren bereg, mee klier wier. Zoe
tisse licht en doenker ziet dâne woeker iet van den Azeren bereg
af kome gelak en troep saldoete, mee witte broeke en doenker jasse:
"Da moette d'Oestenrâkers zân!"

Rietepakie loept em den tooren af en goet de wacht verwittege. De
poot wed toegedon en nen troemelier loept de Brisselse stroet af vee
de garsevik bojien te troemele: al et folk kwam boete gebetteld en
d'iel stad stond oep en ing. 't Was er e lieve van den elsen dievel:
de joengelen on 't blête, de vraalie on 't jenken en de manne roepen
en tieren onderie.

Twie boemkeetels woeren oep den Eksentoore geplaceet en de saldoete
mee donderbissen en gewiere doeneffe. Tisse de boeme zoege ze dâ
witgeplekte troep oep eer zeevetien gemakken afkome, jist ofda z'
oep wandel woere. Na was doe iene van dâ manne, die janfatoet wilde
speelen achter ze sjietgat. Zonder noe de kapetaan te wachte sjit em
ze gewier af flak in den troep oep de stieweg. Zoe gaa as d' ander
dad oede begoste z' oek te sjiete: tot iene van de boemkeetels toe
goenk mee ne lileke slag af!

D' Oestenrâkers stoven oetien last alle kante: e stik of twie
kwoempen in volle charge oep de stad afgeloope, woe dat de verschrikte
Leeveniers zoege daddet koeie woeren in ploits van saldoete.

Seedert toen widde de Leeveniers Koeisjieters geiete!



Bredasch.


(_Uit Leopold, Van de Schelde tot de Weichsel I, bl. 328)._



Breeë wiele.

('t Zuiden van de Baronie van Breda).


A. Hedde de wiele van oew kèr al laote veraandere, Bart? [14]

B. Neeë, Arjaon! zou da toch mötte?

A. Jao, jao, da möt zeker; ik hoar zegge, das ze d'n earste van
d'aander mand mee smalle raoje niemar meuge rije.

B. Nou, de mijn zulle dan toch nog nie veraanderd zen: d'aambachte
kunne 't ok aomal nie gedaon krijge. Hedde gij de jou al veraanderd?

A. Van m'n éán kèr wel; die he'k mee breeë wiele laote maoke, al vur
'n jaor of twea, om vur de waaie te gebruike; mar mee d'aandere möt
ik er nog aon.

B. Vur de waaie geloaf ik das ze goed zen de breeë raoje, mar om vur
dur 't zand te rije, jonge, davvur zen m'er mee vernukt.

A. Da sa 'k nie zegge: mee de breeë wiele zulde zo'n groate gaote
nie in 't spoor maoke, as mee de smalle, en ge kunt het spoor maoke,
as mee de smalle, en ge kunt het spoor ok makkelik verlegge.

B. Jao, protte ge mar; mar smenke zegge, dagge mee de breeë bedeane
vast zit, as 't nat is.

A. Neeë, man, ze zulle de wege dan zo nie kapot rije: de breeë wiele
snijen er zo nie deur, en te zomer zal den weg zo schoan zen azne
dörsvloer.

B. Nou, dan zulle ze toch mear mötte paniere as ze tegenworrig doen.

A. Neeë, jonge, davvur hoeve ze niks mear te paniere, want d'n weg
zal uit zen aaige goed blijve, omdat er dan g'n gaote en kuile mar
zulle gemakt worre.

B. Mar in d'n baomus dan, as 't nat is, dan zulle ze toch wel blijve
steke.

A. Da sa 'k nog nie zegge. Ikke en Koop van Hentjes hebbe vleeën baomus
den healen dag mis gereeë mee twea kère dur 'n heal nat straotje, en
's aovus waor d'n weg nog net zoo goed as 's maregus mar we haaie 't
spoor dikkels verleet. En as ge da mar doet, dan zulde g'n gaote rije,
en dan zulde 't mee breeë raoje langer volhouë as mee smalle. As de
meense der mar is aon gewoan zen, dan zulle ze g'n smalle raoje mar
verlange; mar nou zen ze der op tege, omdas z' aomaol der wiele mötte
laote vermaoke, en da sen groate koste; mar as ze 'n paor wiele vur
niks krege, dan zouwe ze der nie tege pruttele.... Mar ik houwe vur
'n goei ding, die breeë wiele.

B. Jao, gij prot goed; mar wa zulle de klène boerkes doen, die mee
nun os rije? Die kunne, as 't nat is, toch ginnen weg.

A. Jao, jao, genog; mar 't is vur hullie èrig, omdas z' in de zak
zulle mötte. Mar as ze der wiele mar is hebbe, dan zulle ze der wel
over kontent zen.

B. 't Kan gebeure; mar ik mot het earst zien, vur ik 'et geloaf.



Zoo komen wij ten slotte tot de Limburgsche dialekten. Het Frankisch
in zijn geheel genomen is door de zoogenaamde tweede klankverschuiving
in twee groote helften gesplitst: het Neder- en Opperfrankisch. De
aandrang ging uit van het Opperduitsche bergland; langzaam plantte de
golving zich voort, om weg te sterven tusschen den 50sten en 52sten
breedtegraad. De grenslijn draagt den naam van _Benrather linie_, omdat
zij benoorden het plaatsje Benrath over den Rijn gaat. In oostelijke
richting doorsnijdt zij geheel Duitschland tot aan de Poolsche grens;
westwaarts loopt zij bezuiden Neuss, Rheydt, Erkelenz, Heinsberg,
en overschrijdt bij Geilenkirchen het Nederlandsche grondgebied. Dit
verlaat zij weer tusschen Cottesen en Vaals, en valt dan omstreeks
Malmedy samen met de scheidslijn tusschen het Germaansche en Romaansche
taalgebied. Men mag dus beweren, dat het in Groot-Nederland gesproken
Frankisch zoo goed als uitsluitend Nederfrankisch is.

Dit nu wordt verdeeld in Noordlimburgsch en Oostbrabantsch (Meyerijsch)
eenerzijds, en Zuidlimburgsch anderzijds, en wel door de zoogenaamde
_Uerdinger linie_, die benoorden Uerdingen den Rijn overschrijdt en den
dam vormt, waartegen de laatste golvingen der tweede klankverschuiving
breken: ik bedoel de verschuiving van _k_ tot _ch_ in de woordjes _ik_
en _ook_. Benoorden en bewesten de linie, waar men dus _ik_ en _ook_
hoort, liggen, Herongen-Venloo, Blerik, Maasbree, Meijel, Leende,
Borkel en Schaft; en in België: Lommel, Baelen, Tessenderloo, Sichem,
Bekke voort, Thielt, Bautersem. Bezuiden en beoosten, waar men _ich_
en _auch_ zegt, liggen: Leuth-Tegelen, Baarloo, Helden-Panningen,
Ospel, Nederweert, Maashees, Soerendonck en Budel; in België: Achel,
Neerpelt, Exel, Hechtel, Beverloo, Beeringen, Diest, Roosbeek en
Vertrijk. Bautersem en Vertrijk, westelijk en oostelijk eindpunt
der lijn, liggen ongeveer een uur gaans ten westen van Thienen, het
groote uitstralingspunt der Nederlandsche dialekten. Daar stuit de
Uerdinger linie op de Waalsche grens of, nauwkeuriger gezegd, op een
dier grensstrooken, die door het Romaansch op het Germaansch veroverd
zijn; zie God. Kurth, La frontière linguistique en Belgique et dans
le nord de la France (Bruxelles 1895--98) II, bl. 526; III, bl. 4 vlg.

Een juister indeeling zal, naar ik hoop, de vrucht wezen van ons
uitgebreid, maar helaas door de tijdsomstandigheden bemoeilijkt,
onderzoek der Zuidoostelijke dialekten. Ook hier groote differentiatie,
evenals in het Brabantsch, maar die benoorden Venloo daarenboven op
een ethnische reden stoelt. Daar immers, de lezer herinnere het zich,
is een Saksisch menggebied, maar waar de Saksische bouwtrant vrij
wel als uitgestorven kan worden beschouwd (I, bl. 37, 38). Wij hebben
hier te doen met een dier zeldzame gevallen, waarin de taal taaier en
duurzamer bleek te zijn dan de hoevenbouw. Want benoorden de linie
vinden wij een dialekt, door Te Winkel Saksisch-Frankisch genoemd,
en dat uiteenvalt in het taaleigen van Venraai, van de Landen van
Cuyk en Nijmegen, de Lijmers (Eltenberg en omstreken), de Duffel en
de Over-Betuwe. Hier hoort men b.v. _ald_ (_aald_) en _kiend_, en
doorgaans _bleeëk, deeël, steeën, dooëd, pooët_ (of _bleiëk, doeëd_
enz.). Van het aangrenzende Brabantsch (Meierijsch) onderscheiden
zich deze dialekten door het niet-diphthongeeren van _î_ en _û_, dus:
_mien, riek, wief, zoor (zoer), hoes_. In dit dialektgebied vertoont
een bepaalde landstrook, die de plaatsen Venloo, Blerik, Maasbree,
Velden, Grubtenvorst, Lom en Arcen omvat, grootere overeenkomst met
het Zuidlimburgsch; zie hierover mijn artikel in het Tijdschrift voor
Nederl. Taal en Letterk. XXVI, bl. 81 vlg.

De geheele streek bezuiden de Uerdinger linie noemt men het
_Mich-kwartier,_ een benaming, die uit België schijnt afkomstig
te zijn; en wel omdat daar de oude akkusatieven _mich_ en _dich_
zijn bewaard gebleven. Ook hoort men hier _ich_ en meestal _auch_
(ook). Te Winkel spreekt van Ripuarisch Frankisch. Toch vindt men
ook hier tal van verschillen; met name het dialekt van Belgisch
Limburg vormt voor het meerendeel een zekere eenheid, die wel eens
Westlimburgsch genoemd wordt; deze benaming kan echter tot verwarring
aanleiding geven. Verder is de Oudgermaansche _sk_, die in het Friesch
haar oorspronkelijken klank behield, in bijna geheel het Mich-kwartier
gepalataliseerd tot _sj_, dus Friesch: _skaap_, Hollandsch: _schaap_,
Roermondsch: _sjoap_. Deze palataliseering vindt men ook op de
Veluwe en in Eemland, wat weer op gemeenschappelijken ondergrond
wijst. Maar daarenboven is bezuiden de Uerdinger linie de stemlooze
spirant _s_ in de klankverbindingen _sp, st, sl, sm, sn_ en _sw_
tot _sj_ geworden beoosten een lijn, die van af het dorp Panningen in
zuid-westelijke richting geheel Limburg doorsnijdt. Eerst volgt zij den
linker Maasoever, gaat bij Wessem de rivier over en vervolgt nu haar
weg op den rechter Maasoever, tot zij tusschen Maastricht en Breust
de Belgische grens en het Romaansche taalgebied bereikt. Deze linie
noemde ik de _Panninger linie_. Het ruimere gebied der palataliseering
van _sk_ tot _sj_ wordt begrensd door de _Panninger zijlinie_. Zie
hierover mijn artikels in het Tijdschrift voor Nederl. Taal- en
Letterk. XXI, bl. 249; XXVI, bl. 81; Limburgs's Jaarboek XIII, bl. 229;
Leuvensche Bijdragen 1908. Laat ik nog vermelden de dialektstudies
van J. Houben. Het Dialect der stad Maastricht (Maastricht 1905);
L. Grootaers, Het Dialect van Tongeren (Lier 1910); en voor de studie
van het Noordlimburgsch: H. Bruijel, Het Dialect van Elten-Bergh
(Utrecht 1901).

Het Limburgsch wijkt sterk van het algemeen Nederlandsen af en
de Limburger handhaaft zijn taal met zeldzame taaiheid. Eerst in
de laatste tientallen van jaren wordt in sommige families van den
deftigen stand de algemeene Nederlandsche kultuurtaal gesproken. Aan
differentiatie heeft het, zooals gezegd, niet ontbroken, en ook
scheppen nog steeds handwerk, beroep en industrie--tabaksbewerkers,
leerlooiers, steenbakkers, mijnwerkers tuiniers [15]--talrijke
sociale groepen en groepjes. Toch blijft een sterk gevoel van nauwere
psycho-ethnische verwantschap zich handhaven.

Tot de eigenaardige algemeen-Limburgsche dialekt-verschijnselen
behoort het isosyllabisme van de nominale meervoudsvormen met
die van het enkelvoud; b.v. _bal: bel; kop: köp; knoak: knök_;
enz. Verder het eigenaardige muzikaal accent, met name de syllaben
met stijgenden sleeptoon, die heel wat taalverschijnselen kunnen
verklaren. Ook het zinsaccent, de zinsmelodie en het spreektempo
zijn in deze dialektgroep zeer eigenaardig en sprekend, en wel in
veel hoogere mate dan in de noordelijke tongvallen. Dit blijkt zelfs,
wanneer een bewoner der zuidelijke provinciën de algemeene kultuurtaal
spreekt: men zegt dan "dat hij zingt". Er is natuurlijk verschil
tusschen vraag, uiting van verwondering of andere gemoedsbeweging en
simpele bewering,--een uitgestrekt terrein, dat nader dient te worden
onderzocht. Eindelijk de retrogressieve of terugwerkende assimilatie
bij het zwakke praeteritum--veelal van palataliseering begeleid--,
waar het algemeen Nederlandsch progressieve of vooruitstrevende
assimilatie vertoont; b.v. pakte: _pagde_ en _pagd'e_ [16]; danste:
_danzde_. Ook bij andere vormen ontmoeten wij dit verschijnsel,
dat allicht met het accent in betrekking staat.

Laat ik ten slotte nog even wijzen op de grootere eenheid
van Zuid-Limburg. Zij wordt gekenschetst door de hoeve van het
Frankisch-Romeinsche type, maar ook door het doorgaans ontbreken
van de afzonderlijke hoeven, geïsoleerd liggende te midden der
afzonderlijk landerijen (I, bl. 42, 24). Van een nauwere dialektische
eenheid bezuiden Sittard diene als specimen het gerundium op _-têre:
loupentêre, lachentêre_ enz., dat men te Maastricht, Sittard, Heerlen,
Tongeren, Hasselt, kortom over geheel het zuidelijkste gebied verspreid
vindt. Over het gebruik te Hasselt zie Gittée, in het Nederl. Museum
1888, z. bl. 306. Het verschijnsel is nog steeds raadselachtig in
wezen en herkomst, en dient nader te worden onderzocht. Zie verder
de isethnenkaart.



Venloosch.


(_Fragment uit "De Sage uit het Ven", Limburgsch's Jaarboek VIII,
bl. 63, eenigszins gewijzigd_).



Jan en Helmus oêt 't Ven.


Op ein half oor van de stad, aan de Winkelveldstroat, leet Besjeshoaf,
en dên hoaf hebbe de akkerlu Van R. sterk twieë ieëwe van elder
tot elder bewoeënd. Op ein paar noa de leste van eur, die doa den
reek hanteerde, waas Jan van R., eine strausse mins mit snuje geis,
dê ei nateurlik slaag had van vertelle en al waat de stadsboetenieë
raa_g_de, hoarklein kinde. Bij de Venlu stonte veur gelierd,
want hê kos in den almenaak lêze, ziene naam schrieve en mit
kriêt rêkene. Ouk waasse drijmoal keuning gewês: twieëmaol bij 't
vogelschete in 't Kraneveld, en eine kier bij 't rieje van de gaas
aan Sinter Banus. In 1848 isse gestorve, 92 joar ald,--des neet in
de weeg, wie?

Mit eine Julidaag van 1778 trok Jan mit ziene knech Helmus, eine
Veldese jong, noa de Hêringse hei um struitsel te houwe in eine kamp,
dêje veur zes vette kukes 's joars, aan 't hoês Caan in Stroale te
levere, gepach had. 't Waas dên daag schreujend heit, en doarum ginge
ze iers smiddaags um vief oor van den hoaf, veurnemes door te werke
zoeë laat azzet gong. Veur de lochtigheit zote eeder eine lichte
vink op en as oavesête nome ze drij bokeskeuëk mei in vere gesneje,
en daobij twieë tuite botermelk, die ze op de gebroekelike meneer
mit reemkes aan de heizigs gebonde euver den rök honge.

Weus en akelig waas in dên tiêd nog de Venstreek, die ze ein ind
meuste doortrekke. Aan weerszie van den alde Stroalse wêg loge
wiedluipige zompe en peul, dich begreuid mit luus en reet en
umzuimp mit elze holt, vane en broamelestruûk. Doa hoort me niks as
't gekwaak van de kikvors en 't gesnater van de ênde, woavan der soms
'n kloch oêt de zomp opvloog.

Toe Jan mit zienen Helmus bij de kamp waren aangekome, loge ze eure
knapzak tösse einen berke stroêk en begoste te hakke. Jonk
en ieferig wie ze ware, gunde ze zich gein rös as um wat oassem te
schöppe en te drinke of knips ein half oor um eur proviand aan te
sprêke. Ze wisten ouk van gein oêtscheije, en doe ze 't struitsel in
huip hadde gezat, waas den oavond al ein hieël ind gevalle. Ze nome
de heizigs weer op de schouwers en gongen noa den hoaf truuk.

Doeëd meug door de zwoaren en lankwieligen erbeid sukkelde oos Besjeslu
gedoek en druimerig veuroet, in volle kompenie mit de hiere van 't
brook, die bij eeder stap verschrik veur eur opspronge. Maar
klam hadde ze den _Arenborg_ en _Genroai_ achter den rök, of doa,
aan einen tomp van de wêg, meinde Helmus inens ein gedruus
en gejuister in de loch te hure. De mood za_g_den--um in de
hoaze, en vol engs greeppe Besjesboer bij den erm en reep: "baas,
kiek ens umhoeëg. Eine veurige wage mit veer pêrd en eine mins derin,
dê lammenteert!"

"Jong", zag Jan, "zêgen dich en bêj eine Vaderons, det
os gei kwaod euverkump. Ik weit wê 't is."

Doe ma_g_de ze bein en kêrde ze den diek euver noa den alde Stroalse
wêg, op de hakke gezête, wie ze meinde, door allerlei buës gespuus,
woatêge einen heizig niks vermaag. En neet veur det ze de töp van
Besjes hoeëg linde in 't verscheet krege, veel eur de de schrik van
et hert en doe vroog de knech: "baas, wê hebbe we gezeen? Zoe et de
man mit ziene wage zien, dê now en dan door de loch riet
en woavan Sint Hoeberts Drik nog pas hêt opgehoald?"

--"Precies jong", zag den ander, "hê was et. Hazepoeët de Schelm,
dê de loeën van de werklu achterheel.

"Zien straf is nog neet oet; zoolang motte mit ziene gleujende
wage door de loch rieje en wuurte geschreuid, totte zal hebbe
voldoan: ein waarschouwing veur andere van zie slaag.

"Now is 't te laat, maar ezondaag zal ik dich zien hieël
historie waal ens van nödje tot zökske vertelle, ik kin ze".



Ter kenschetsing van de dialektische volkstaal steunden wij in het
bovenstaande, zooals gebruikelijk, vooral op klankleer en flexie. Toch
zijn ook _woordenschat_ en _syntaxis_ van het grootste belang,
vooral wanneer men de volkstaal behandelt in tegenstelling met de
kultuurtaal. Wij kunnen hier echter onmogelijk diep op de zaak ingaan
en verwijzen dus naar de afzonderlijke idiotica. Zoo b.v. Gallée voor
het Geldersch-Overijselsch, Molema voor het Groningsch, Bergsma voor
het Drentsch (onvoltooid), Waling Dijkstra en Buitenrust Hettema voor
het Friesch, Boekenoogen voor het Zaansch, Bouman voor de volkstaal
in Noord-Holland, Opprel voor het Oudbeierlandsch, Van Schothorst
voor het N.W. Veluwsch, Van de Water voor de volkstaal in het Oosten
van de Bommelerwaard, Simons voor het Roermondsch, Jongeneel voor het
Heerlensch. Zuid-Nederland heeft in het opteekenen der idiotismen meer
ijver en belangstelling getoond dan Noord-Nederland. Wij kunnen hier
wijzen op het omvangrijke Algemeen Vlaamsche Idioticon van Schuermans,
op het Westvlaamsche Idioticon van De Bo, op het tot een Idioticon
omgewerkte Gezelle-tijdschrift Loquela. Verder maakte Cornelissen en
Vervliet zich verdienstelijk door het opteekenen van de volkstaal van
Antwerpen, Tuerlinckx en Claes voor het Hagelandsch, Rutten voor het
Haspengouwsch, Teirlinck voor den woordenschat der Zuidoostvlaamsche
tongvallen; enz.

Hier liggen inderdaad "schatten van de volkstaal"
opeengestapeld. Hoeveel beter dan in de kultuurtaal zien wij hier de
strooming en tegenstrooming van integratie en differentiatie, het zich
splitsen, zich vertakken, en weer ineenvloeien van de verscheidene
beroepstalen, het eenerzijds stoer-behoudende en anderzijds ook
weer koen-vooruitstrevende in het leven der taal. Archaïsmen,
ware survivals uit overoude tijden, vindt men in de meest gewone
populaire zinswendingen. Zoo b.v. het Limburgsche "met bed en
bult vertrekken", waar _bult_ nog _de_ beteekenis heeft van het
Middelnederlandsche _bulte, bult_ "stroozak"; de uitdrukking "van
het bed op het stroo komen" herinnert aan een overoud lijkgebruik (I,
bl. 290). In het Sallandsche: "hi kan lêzen en broodsnieën", d.i. hij
kan twee dingen tegelijk doen, heeft _lêzen_ de oude beteekenis van
"bidden". De algemeene Nederlandsche volkstaal kent uitdrukkingen als
"van den hak op den tak", waar _hak_ nog de oude beteekenis bezit
van "krommen tak";--"hij heeft kind noch kraai", waar _kraai_ "den
kraaier" beteekent, d.i. den haan, welk woord immers etymologisch
samenhangt met het Latijnsche _canere_ "zingen";--in "kap en kogel
verliezen" is _kogel_ de halskraag;--in de zegswijze "wie het onderst
uit de kan wil hebben, die valt het lid op den neus" is _het lid_
de deksel. Naast deze archaïsmen staan echter ook weer neologismen,
vooral, naar wij zullen zien, in de woordvorming.

De volkstaal beweegt zich in analytische richting. Regelmatig worden
de omschrijvende naamvallen voor de verbogen naamvallen gebezigd. Men
zegt dus niet: "vaders jas", maar "de jas van vader", of "vader
zijn jas". In plaats van den vergrootenden of overtreffenden trap
wordt somtijds het woord in den stellenden trap herhaald: "het is
droevig en droevig"; en zoo vervangt men ook het bijwoord: "het gaat
beter en beter", d.w.z. steeds beter. Het woord _beter_ wordt echter
ook als positief beschouwd, en dan vormt het volk den eigenaardigen
komparatief _beterder_. Het meervoud, of liever het begrip "enkele",
vindt men niet zelden omschreven door "een of twee", of door "een gas",
"een koppel". Potentieële vormen treft men zeldzamer aan, naar mate
men dieper in de lagen der volkstaal doordringt. Het twijfelende en
onzekere bij vermoeden of veronderstelling wordt uitgedrukt door een
bijwoord als "misschien" of door een hulpwerkwoord. Bij deze richting
sluit zich aan het sloopen van de werkwoordelijke tijden. De verleden
tijd gaat in de volksvertelling hard achteruit. Meestal bezigt men
het praesens of perfectum, dat veelal nog de plaats moet ruimen voor
het plusquamperfectum: "wij waren geweest, wij hadden gezien", voor:
"wij zijn geweest, wij hebben gezien". Deze meer dan voltooid voltooide
tijd komt vooral veel voor in Zuid-Limburg. Het praeteritum weet
zich echter te handhaven in het zoogenaamd apologische spreekwoord
(zie Vijfde Hoofdstuk I); terwijl de tegenwoordige tijd het tempus is
van het volkslied als praesens historicum. Het futurum wordt dikwijls
vervangen door het praesens. Zoo vloeien de grenzen van het feitelijke
en het mogelijke, van het verleden en van de toekomst meer ineen
dan in de kultuurtaal.--Daarentegen beweegt zich een tot indirekt
reflexivum verzwakte dativus ethicus weer in synthetische richting:
"zich een pijp rooken, zich een glas drinken."

Het terrein der werkwoorden _doen_ en _laten_ strekt zich in de
volkstaal veel verder uit dan in de kultuurtaal. Hoogst belangrijk is
ook de woordvorming, stout en realistisch, met bepaalde voorliefde voor
frekwentatieven en diminutieven. Als voorbeeld van de verscheidenheid
en het koloriet der populaire woordvorming diene de synonymie
(natuurlijk met genuanceerde beteekenis) van het werkwoord _gaan_ in de
Graafschap (zie Driem. Bladen III, bl. 105 vlg.). Men kent daar _goan_:
gaan; _sjoksen_: loopen en in de knieeën zakken; _snoksen_: de voeten
bij het loopen op ongewone en tevens onverschillige manier neerzetten;
_gèspelen_: draven; _flearen_: het vlug en driftig loopen eener vrouw;
_zobben_: op een draf loopen met zwaren gang; _bizzen_: vlug loopen;
_bozzeken_ en _foddeken_: vlug met kleine passen loopen; _sabelen_:
vlug met groote stappen loopen; _schriêden:_ stappen; _loopen; kuiern;
hompelen_: gebrekkig loopen; _strompelen; geiselen_: zoo vlug mogelijk
loopen; _drapsen_: herhaaldelijk eenzelfden weg loopen; _striéken:_
flink stappen zonder de voeten hoog op te lichten; _steigern_: met
den neus in den wind loopen; _tippeln_: licht loopen met vluggen
tred; _krummeln_: langzaam met kleine passen loopen; _pladdeken_:
met bloote voeten loopen.

Dat deze expressieve en oorspronkelijke populaire woordvorming
vooral ook bij de scheldwoorden en scheldnamen tot uiting komt,
behoeft wel geen betoog. Laat ik nog enkele volksuitdrukkingen voor
_drinken_ aanhalen, door De Cock bijeengegaard (zie De Navorscher,
XLVII, bl. 56; XLVIII, bl. 40; IL, bl. 130): _Bekeren; pimpelen;
borrelen; borlesoesen; borleboppen; toeteren; fleppen; swobbelen;
gulpen; duimen; loreeren; zich bekladderen; tullen; pullen; avoezen;
sippen; lepelen; leppen; lepperen; petteren; pampelen; sassen; heften;
kiepen; spichteren; kwasten; kwiskwassen; schossebrokken; zoppedoppen;
swijnswansen; swijnswollen; slampampen;_ enz. enz.--Typisch is
ook het klanknabootsend element in de scheppingen der volkstaal;
het is zoo goed als interprovinciaal. Hoe roept de boer het vee? De
jonge ganzekuikens met _wiede-wiede-wiede-wiede_ (of _wiele_ enz.);
de eenden met _piele-piele-piele-piele;_ de jonge kippetjes met
_tik-tik-tik-tik-tikketikketik._ Het roepwoord wordt, naar men ziet,
meest viermaal herhaald. Dit geldt ook voor het roepen op de kippen:
_tuut_; op de jonge katjes: _pie_; (het roepwoord voor oudere katten
is _poes_); op de geit: _sik_; op de jonge schaapjes: _suuk_;
op jonge kalveren: _kies_; op het veulen: _siesken_; op de koei:
_hooi_. Biggetjes roept men door een smakkend geluid met de tongpunt,
die artikuleert tegen het gehemelte. Den hond roept men bij zijn
naam. Zie Driem. Bladen VI, bl. 58.

Merkwaardig zijn nog de uitermate veelvuldige en expressieve vormen,
die een bevestiging, ontkenning of verwondering te kennen geven,
als: _ménschekinderen! héeremijntijd! wélallemáchies! kindergóads!
jóngesjóngens!_ dit laatste is zelfs tot in Sleeswijk doorgedrongen. De
ontkenningspartikel wordt somtijds verdubbeld zonder de ontkenning
op te heffen; men denke aan "niets niemendal". De Maastrichtenaar
kent twee bevestiginspartikels, éen gewone en éen beleefdere, welke
met _het_ is samengesteld, dus _joa_ en _joat_.

De woordvoorraad en de semantiek der volkstaal eischen verder onze
volle aandacht. Het is een fabel, dat deze heele voorraad slechts uit
een paar duizend woorden zou bestaan. Zonder twijfel ontbreken in de
volkstaal tallooze uitdrukkingen voor begrippen uit het gemoeds- en
geestesleven, uit het gebied van wetenschap en techniek. Zoo is het
zelfs met de verklanking der gevoelens van liefde en vriendschap
gesteld, toch zoo diep geworteld, en van sommige zinnelijke
waarnemingen, met name van kleur en reuk. Maar hier staat tegenover,
dat het volk woorden in overvloed heeft om schakeeringen van de een
of andere handeling uit te drukken, zooals wij dit zagen voor het
begrip "loopen". Het kan weergeven de meest verscheiden toestanden en
soorten van planten en dieren, van weêr en natuurverschijnselen in het
algemeen, van lichaamsdeelen, huisraad, maten en gewichten enz. enz.

Ook moet men bij de beoordeeling van dit alles zeer voorzichtig
zijn. Ik zal mij tot enkele voorbeelden bepalen, omdat, zoodra de
tijdsomstandigheden dit gedoogen, het rijke voor ons dialektonderzoek
bestemde materiaal ook ten bate der semantiek zal verwerkt worden. Op
tal van plaatsen in Noord-Brabant, Limburg en Gelderland noemt het
volk elken kleinen vogel een _musch_, evenals de Amsterdammer over
een _finkie_ spreekt. Wat is echter gebeurd? Het woord _musch_,
hoogstwaarschijnlijk aan het Latijn ontleend, waar het "vlieg"
beteekende (_musca_), heeft een groote uitbreiding, een verwijding
van beteekenis ondergaan en heeft generische waarde gekregen
als synoniem van "kleine vogel". Of liever, het heeft "vogel"
in deze beteekenis verdrongen. De afzonderlijke vogeltjes missen
dan ook geenszins hun afzonderlijke benamingen, soms ruw, andermaal
geestig, steeds karakteristiek. Het muschje zelf heet b.v. te Beesel
_koarerakker_, te Lottum _koarevrêter,_ te Blitterswijk _koarepikker_
of _koarejietser_ (Limburgsch _jietsen_ is synoniem van _biesen_,
d.i. "vlug loopen, vliegen, schieten"), te Swolgen _korepikker_, te
Swalmen en Neer _guut_ (guit), te Niftrik _huiskrits_, te Groesbeek
_huusklets_, te Grubbenvorst _floets_, te Maasbree _schroep_, te Helden
_hoeskets_. Om beurt wordt het landelijke, diefachtige, huiselijke,
vlugge, brutale, ja komische van dit bij uitstek populaire vogeltje
voortreffelijk uitgebeeld! Men denke ook aan het Hoog-duitsche _Spatz_,
een komische kortnaam voor _Sperling_. Hoe rijk vertoont zich hier
de volkssemantiek, waarvan echter slechts gekleurde kaarten in den
trant van die van Gilliéron een overzichtelijk en tevens verklarend
beeld zullen kunnen geven.

Een ander voorbeeld. Voor "kikvorsch" kent het volk de benamingen
_kikker(t), kwakker(t), kwekker(t), kwakvorsch, kwakvos, kwak_
(Panningen), maar ook _kikbil_ (Wanroy) en _peddemoeëk_(Weert). "Êrst
kuulkop zeen, êr men kwakkert wêrtj", meent men te Beegden, en te
Lottum gaat men hiermee akkoord: "Hê mint enne kwekvôrsch te zien,
en hên is nog genne pannestart."

De groote, zwarte korrels in rijpende roggearen, het zoogenaamde
moederkoren (_secale cornutum_), dat bij bevalling medische toepassing
vindt, vanwaar zijn naam, is ook onder dezen naam bij het volk
bekend. Maar het heet ook _wolfskoare_ (Maashees), _wolvepitten_
(Reusel), _wolfstand_ (Nifkrik, Wanroy), _doevekoare_ (Weert),
_mössekoare_ (Panningen), _pèrdentaand_ (St. Anthonis, Deurne), _krog_
(Berghem), _duvelsköre_ (Swolgen), _brantj-in-'t koare_ (Beegden,
en met fonetische wijziging te Mheer).

Tot de belangrijkste verschijnselen op het gebied der beteekenisleer
behooren wel de benamingen van den _vlinder_ in de volkstaal. Men
treft in Limburg en Noord-Brabant vooral verscheidene samenstellingen
met -_vogel_ aan; zoo b.v. _zomervogel, roevogel, pannevogel,
pennevogel, kapelvogel_ (d.i. manteltjesvogel), vereenvoudigd tot
_kapel, fenienvogel_ (rupsvogel) enz.; elders komen namen als _kog_,
en _snuffelter_ voor, deze laatste in noordwestelijk Limburg. Van uit
het Romaansche taalgebied drong het woord _pepel_ binnen, zooals onze
isethnenkaart aanwijst.

In den zinsbouw treft ons weer vooral de analytische richting,
die zich hier uit in de _parataxe_ of nevenschikking, waar wij in
de kultuurtaal meestal onderschikking aantreffen. In plaats van:
"Wil je zoo goed zijn, mij dat boek te geven", konstrueert de
man-uit-het-volk: "Wil je zoo goed zijn en mij dat boek geven", of:
"Wil je zoo goed zijn en geef mij dat boek". Opvallend is ook de
voorliefde voor werkelijke tusschenzinnen, die b.v. de bevestiging van
den spreker inhouden, dàt hij spreekt, of de reden, waarom hij spreekt:
"Dat kan wel zijn, zeg-ik, dat hij ziek is, zeg-ik". Hier speelt
het emphatisch moment wel een hoofdrol, waarover nader. In andere
gevallen hebben wij te doen met een streven naar verduidelijking,
zoo b.v. in het boven aangehaalde: "_wie_ het onderst uit de kan wil
hebben, _die_ valt het lid op den neus; --_die_ eerst komt, _die_
eerst maalt". Een streven naar vereenvoudiging ligt ten grondslag bij
het weglaten van voorzetsels, als het taalgevoel sterk genoeg is,
b.v. in de spreekwijze "hê geit heim" (Zuidlimb), voor "noa heim,"
d.i. huiswaarts, en bij de ellipse van woorden als "jaar" en "dag."

Wat ik als den meest markanten trek van de volkstaal beschouw is
haar emphatisch, eenigszins gezwollen karakter. Luister slechts naar
het verhaal van een representatief man uit den volksstand, en let
op zijn breedsprakigheid, zijn samengekoppelde voegwoorden _alsdat,
alswanneer_, luister, hoe hij herhaaldelijk spreekwoorden of zegswijzen
in zijn verhaal- en betoogtrant invlecht, hoe hij aldoor vergelijkingen
en omschrijvingen bezigt en in herhalingen valt, somtijds in beknopten,
resumeerenden vorm: "Mijnheer, ik zeg, dat is niet eerlijk; neen,
dàt is het stellig niet". Of ook: "Piet moet maar blij zijn; dàt
moet-ie." Ook het negatieve parallelisme is den volksman niet vreemd.

Hij wil u de zaak ophelderen, u overtuigen. Daartoe bezigt
hij--nog afgezien van gebarenspel en mimiek--krachtige, ja pikante
uitdrukkingen, frekwentatieven, deminutieven, superlatieven ja
desuperlatieven, zelfs dichterlijke uitdrukkingen, als het gewone
hem te slap voorkomt. Inderdaad raken de dichterlijke taal en de
volkstaal elkaar niet zelden, omdat beide behoefte hebben aan ruimheid
en vrijheid.

Deze breedsprakigheid en zucht tot vergelijking uit zich tot in
de straatroepen: "Haal Zeeuwsche moss'le, ze benne zoo fijn",
--"leest burgers, leest";--"kom nou, juffrouw, kom nou";--"elft as
zalm";--"rapen as kinderhoofies." De term "haal" is van ouds typisch
in de straatventerstaal. Ik herinner nog aan den straatroep der
vrouwen, die te Nijmegen met kersen venten: "En vier cent het pond,
riep en rond." De mosselenverkoopster uit de Schietschijfstraat te
St. Joos-ten-Oode roept: "Mosselen, álderschoónste mosselen!"

Hoe verder te lange en te korte woorden verdwijnen; hoe woorden en
woordkonstrukties opkomen, vervormd worden, zich handhaven of de plaats
ruimen voor andere, dit alles is onze aandacht overwaard en dient door
gezette studie nader onderzocht. Maar reeds bovenstaande vluchtige
schets heeft ons in voldoende mate het bewijs kunnen leveren, hoe
door archaïsmen en neologismen, nuchtere en dichterlijke spreekwijzen,
omslachtigheid en streven naar vereenvoudiging, uitsterven en herleven
van woorden en taalvormen, begripsverwijding en begripsvernauwing
vooral ook de golving en deining in de levende volkstaal voortreffelijk
zichtbaar wordt: de wetten van integratie en differentiatie, die de
hartslag zijn van elk levend taalorganisme.



II. Onze plaatsnamen.

(_Met inleidend overzicht over onze persoons- en geslachtsnamen_).


De namenkunde heeft zich in den laatsten tijd een belangrijke plaats
in Volks- en Volkenkunde weten te veroveren. De reden hiervan is het
archaïeke karakter der verschillende benamingen. Plaats-, persoons- en
geslachtsnamen zijn in staat ons een menigte bijzonderheden te verhalen
over dingen, die op geen andere wijze kunnen worden achterhaald; en zoo
zullen zij ook over den volksaard en zijn herkomst getuigenis kunnen
afleggen voor tijden, waaromtrent de taal van zeden en gebruiken,
van volksopvattingen, volkskunst en volkswetenschap verstomt. Laat
ik hier terloops aanstippen, hoe A. Fick er in slaagde, door middel
der plaatsnamen de eenheid te bewijzen van de oude bevolking van
Klein-Azië, en van het Zuiden van het Balkan-schiereiland en de
eilanden in de Aegeïsche Zee vóor de volksverhuizing der Helleensche
stammen; en vooral, hoe de geniale onderzoekingen van Wilh. Schulze
over de Latijnsche eigennamen den diepgaanden invloed van Etrurië op
Rome en de Romeinsche kultuur hebben aangetoond. De stad Rome zelf
en de Tiberstroom dragen Etruskische namen.

Toch ligt het in mijn bedoeling, alleen de plaatsnamen iets
uitvoeriger te behandelen, zooals reeds uit het opschrift van
deze paragraaf blijkt. Reden is, dat de studie der Nederlandsche
persoons- en geslachtsnamen eigenlijk meer behoort tot het domein
van de geschiedenis der Nederlandsche taal in het algemeen, dan van
de Nederlandsche volkskunde.

1. De oude Germanen hadden slechts éen naam, die eigenlijk
gelijkwaardig was met onzen doop- of voornaam. Zoo b.v. _Gerhard_ "de
sterke met de speer", _Adelbrecht_, "de schitterende door adeldom",
_Everhard_ "sterk als het everzwijn", _Wigburga_ "steun in den slag"
enz. Van _Gerhard_ (of _Hardger_) is dan _Gero_ de verkleinnaam,
de vleinaam (_epicoristicon_), streelnaam of kortnaam die, wat de
funktie betreft, van Indogermaanschen oorsprong en ook Indogermaansch
gemeengoed is.

Toch stelde men zich hiermee niet steeds tevreden en trachtte men ook
de afstamming of verwantschap uit te drukken en wel door alliteratie
(_Heribrand_, _Hildebrand_ en _Hadubrand_: grootvader, vader en zoon
in het Hildebrandslied); of ook men maakte gebruik van een deel van
den vaderlijken naam om den naam van den zoon samen te stellen.

Oorspronkelijk hebben de ouders hun kind den naam gegeven als wensch,
b.v. "hij moge sterk zijn als een beer": _Berinhard_; maar later
werd deze oorspronkelijke beteekenis niet meer gevoeld en was het
doel uitsluitend, den drager van een bepaalden naam van anderen te
onderscheiden. Ook toen het Christendom zegevierend zijn intrede
deed in onze Germaansche landen, kwam in deze naamgeving weinig
verandering. De Christelijke doopnamen drukken het heuglijk feit der
wedergeboorte uit of wel den dag des doopsels; maar al dagteekenen deze
uit de IIIe eeuw, in onze landen heeft de kerstening lang op zich laten
wachten, en het heeft allen schijn, dat de Kerk--afgezien van de namen,
die een heidensche godheid aanduidden--ook hier een Oudgermaansch
gebruik, waarin niets heidensch stak, liever niet met geweld wilde
keeren. Slechts enkele malen vinden wij een _Stephanus_, _Nicolaas_,
_Johannes_ of _Christianus_, tusschen de Germaansche benamingen
als verdwaald. Deze blijven regel en ondergaan regelmatig de gewone
verkorting, vanwaar de namen _Otte_, _Huig_ en _Koen_ ontstonden.

Maar omstreeks de XIIIe eeuw heeft een belangrijke verandering
plaats gehad. In een register van de abdij van Egmond vinden wij de
namen vermeld van _Jacob_, _Katerine_, _Pieter_, _Clare_ enz. naast
_Garbrant_, _Dideric_ en andere. Wij vinden dus specifiek-Christelijke
namen, doch niet in den Latijnschen vorm, maar in dien, welken zij
in de Germaansche wereld hadden aangenomen. En zoo staat het ook met
de namen, gedragen door heiligen van Germaansche afkomst: zij zijn
in hun Germaanschen vorm in gebruik gebleven; en eerst later zijn
zij gelatiniseerd. Na de Hervorming zijn een groot aantal Bijbelsche
namen in zwang gekomen. Ook heeft de Renaissance haar invloed doen
gevoelen. Zoo krijgen wij dan:

_a_. Profane Germaansche voornamen, nog in gebruik. Men vindt deze het
meest bij de Friezen, die trouwens het minst van de heiligennamen der
Martyrologiën hebben gebruik gemaakt. Dit geldt ook voor Noord-Holland
met zijn doorslaand Frieschen aard; de naamlijsten komen daar
op treffende wijze met de Friesche overeen. Zoo luidde _Dieuwer_
in zijn oorspronkelijken Frieschen vorm _Thiadewara_; _Guurtje_
is waarschijnlijk uit _Gundrada_ ontstaan; _Ermpje_ is kortnaam van
_Ermengaarde_. Men denke nog aan _Wendert_ (_Windhard_), _Jelbout_
(_Ethelbold_), _Nanning_ enz. Over het groot aantal voornamen in
Friesland zie R. Posthumus in den Nieuwen Frieschen Almanak 1859,
bl. 49.

_b_. Door de heiligen van Germaanschen stam zijn tal van Germaansche
namen bewaard gebleven, natuurlijk in verkorten vorm. Aldus _Wilbert_,
_Willebrord_, _Wille_, _Wilfried_, _Huibert_, _Huib_, _Hille_
(_Hildebert_ en _Hildegundis_), _Siegfried_ enz.

_c_. Uitheemsche heiligennamen in Nederlandsche kleedij zijn
o.m. _Pieter_, _Maarten_, _Trijne_, _Klaas_, _Aagje_, _Teunis_, _Nijs_
(_Dijs_, _Denys_, van _Dionysius_), _Tijs_. Ook _Arie_ en _Adriaan_,
verkort tot _Janus_. In België vindt men o.a. _Janus_, _Baaf_,
_Albrecht_, _Bert_, _Geertje_ (_Geertrui_) en _Roelke_ (_Rolendis_),
die men vrij wel als nationale namen kan beschouwen. Vele Belgische
namen vertoonen ook een Frieschen vorm en zijn dus waarschijnlijk
van Westvlaamsche herkomst. Een lijst van de meest gebruikelijke
Zuidnederlandsche voornamen is uitgegeven van wege de Koninklijke
Vlaamsche Akademie (Gent 1902).

Merkwaardig is het feit, dat niet alleen elke streek, maar tot
elke stad, ja elk dorp haar geliefkoosde voornamen heeft, die zich
natuurlijk plooien naar de eischen van het plaatselijk dialekt. Maar
over het algemeen raken de zuiver-Germaansch klinkende namen wel
wat in de verdrukking. Terecht maakt hier J. J. Graaf de opmerking
in zijn voortreffelijk werkje over Nederlandsche Doopnamen (Bussum
1915): "Wij ... meenen maar altijd, dat we, openlijk optredend,
eerst dan naar behooren voor den dag komen, als we in het Latijn
worden aangediend. En toch hebben we in den taalschat onzer vaderen
wel degelijk vaderlandsche namen, die, in goed Nederlandsen, waardige
vormen zijn voor de Grieksche of Latijnsche doopnamen. Maar ze zijn
helaas, door onverstand in minachting geraakt, als waren zij ook
slechts verbasteringen van een alleen-fatsoenlijk Latijn" (bl. 16).

Zie verder Joh. Winkler, Studiën in Nederlandsche Namenkunde (Haarlem
1900), bl. 171, 196, 225 vlg.; De Nederlandsche Geslachtsnamen
in oorsprong, geschiedenis en beteekenis (Haarlem 1885); Friesche
Naamlijst (Leeuwarden 1898); Boekenoogen in zijn Inleiding op de
Zaansche Volkstaal, bl. LXXXIV vlg.; Onze Voornamen, in De Gids,
Aug. 1890, bl. 448 vlg.; Verdam, Geschiedenis der Nederl. Taal3,
bl. 124 vlg.

2. De persoonsnaam was aanvankelijk en gedurende langen tijd de
eenige benaming onzer Germaansche voorouders, en hierin bleven zij
de Indogermaansche gewoonte trouw. Alleen de Romeinen bezaten een
drievoudige benaming, bestaande uit persoons-, geslachts- en bijnaam;
maar wij weten, dat dit benamingssysteem van Etruskische herkomst is.

Langzamerhand kwam een tweede naam op, voortgesproten uit de
wenschelijkheid, iemand van een ander met denzelfden naam te
onderscheiden, en ook uit de neiging tot het geven van bijnamen of
spotnamen. Daar zijn ook in ons land bepaalde steden, die hierin
uitmunten, en hoe intiemer het samenleven, hoe krachtiger deze
neiging zich uit. Maar toen de bevolking aangroeide en deze aanwas
de individuëele personen met heillooze verwarring bedreigde, werd
een tweede naam haast noodzakelijk. Hiertoe koos men den naam van
den vader of van de moeder, van den echtgenoot, van het beroep,
van de woonplaats, of hiertoe konden ook de gemelde spotnamen
dienst doen. Geslachtsnamen, met hun kenmerk van vastheid en
onveranderlijkheid, werden deze namen echter eerst in den aanvang der
XIXe eeuw, toen zij met de invoering van den Burgelijken Stand een
staatsrechtelijk karakter kregen. Trouwens ook heden ten dage is het
niet overal een vaste gewoonte, iemands geslachtsnaam te gebruiken,
vooral ten platte lande. Men noemt iemand: "Jan van Piet", of "van
Pieten"; "Klaas van Trijn", of "van Trijntjes"; men spreekt van
"Dirk den Schilder", "Jan den Mulder", "Willem den Slager"; men
heet iemand "Klaas van den Molen", "Jan van de Brug"; en vooral in
het Oosten en Zuiden van ons land duidt men iemand gaarne aan door
den naam der hoeve, waar hij geboren is: "Zandhof Willem". "Kees
van den Krom" is Kees, wonende bij een kromming van den weg, en in
"Mottige Willem" dient de spotnaam als herkenningsnaam en is op weg
naar den geslachtsnaam.

Voor de vorming der geslachtsnamen maakte men vaak gebruik van het
Germaansche achtervoegsel _-ing,_ dat de beteekenis aannam van
"behoorende tot het geslacht van." Zoo ontstonden de namen der
bekende koningsgeslachten bij de oude Franken: de Merov_ingen_, de
Carol_ingen_, de Capet_ingen_. Maar zoo ontstonden ook onze Frankische
geslachtsnamen _Benning_ (zoon van Benno), _Nolting_, _Budding_; de
Saksische _Geerdink_, _Abbink_, _Eggink_; de Friesche _Stallinga_,
_Idsinga_, _Hattinga_.

De patronymica gaan uit op _-zoon_ (_-sone_, _-soen_), _-son_, -_sen_,
-_se_, _-s_: _Jansen_, _Harmsen_, _Japikse_, _Bartels_; maar ook
op _-en_, den zwakken tweeden naamval enkelvoud, en op _-ens_, een
jongere vorming; deze _-en_ wordt als tweede naamval nog gehoord in
het Strand-hollandsch, waar men spreekt van "Dirken waegen", "Krijnen
dochter." Zóó ontstonden de namen _Huijgens_ en _Huijgen_. In namen
als _Smaassen_ (_Maas_ ontstond uit _Thomas_) gaat de _s_ aan den
genitief van den naam vooraf. Vlaamsche vadersnamen hebben vaak
het voorvoegsel _ser-_ (_des heren_) en _ver-_ (_der vrouwen_):
_Serclaes_, _Vertruyen_.

Een belangrijke groep geslachtsnamen heeft _van_ als voorvoegsel,
gevolgd door een bijzonderen of algemeen aardrijkskundigen naam. Dus
of: _Van Deventer_, _Van Vlijmen_, _Van Wamel_, _Van Schijndel_ of:
_Van Dijk_, _Van den Heuvel_, _Van den Berg_, _Van der Molen_, _Van
der Heide_. In plaats van de praepositie _van_ vindt men niet zelden
_aan_ en _in_, waardoor met plaatselijke dialektische vervorming de
Limburgsche geslachtsnamen _Aangevoort_, _Aengenent_, _Ingendael_
ontstonden. Omslachtige omschrijvingen als _Van den Eerenbeemt_,
_Van de Cleemputte_, _Van de Crommenacker_ enz. vindt men meestal in
ons zuidelijk volksgebied.

Op lichamelijke eigenschappen wijzen de geslachtsnamen _De Lange_,
_De Vette_, _De Jong_, _Mooi_, _Blauw_, _De Wit_, _De Bruin_ enz.,
maar ook: _Langbeen_, _Spillebeen_, _Crombeen_ e.a. Vele dezer
familienamen vinden hun oorsprong in spotnamen. Eindelijk wordt
een zeer groot aantal verklaard door ambacht of uithangbord: _In de
Swaen_ (_De Swaen_, _Swaen_), _Van der Ploeg_, _Van de Wijnperse_,
_Spillemaeckers_, _Brouwers_, _Smids_ enz.

Het zuidelijk volksgebied had eenige jaren vroeger min of meer vaste
geslachtsnamen dan het Noorden. Hierin is de verklaring te zoeken van
het feit, dat er meer namen van zuidelijken oorsprong te vinden zijn
in de noordelijke gewesten, dan omgekeerd.

Laat ik ten slotte nog wijzen op enkele eigenaardigheden, die den
volksstam kenschetsen. De Friesche patronymica gaan uit op de tweede
naamvals-suffixen _-inga_ en _-a_; maar ook op _-ma,_ d.i. _man_,
met de beteekenis van "zoon, afstammeling, hoorige"; terwijl _-stra_
dient om van bijzondere plaatsnamen Friesche geslachtsnamen te
vormen, b.v. _Dijkstra_. Verder vertoonen sommige op algemeene
wijze gevormde geslachtsnamen eigenaardige Friesche voornamen,
als _Sikkes_ en _Doedes_, andere zijn met typisch Friesche woorden
samengesteld. Zoo beteekent _Soepboer_: karnemelkboer; _Bouwfeint_:
knecht van een landbouwer; _Skriemer_: iemand die weent of schreit.

De Groninger namen zijn met de Friesche nauwverwant, vooral de
geslachtsnamen op _-sema_: _Geertsema_, _Ilpsema_. Eigenaardig zijn
de--trouwens ook Friesche--namen met den uitgang _-ker_, _-tjer_,
die de herkomst uit de een of andere plaats of streek aanduiden:
_Veenker_, _Woltjer_ (woudbewoner). Buitenmate groot is het aantal
namen, dat uitgaat op _-huis_; deze waren oorspronkelijk aan huizen, en
niet aan personen eigen: _Bolhuis_, _Dijksterhuis_. Drente sluit zich
bij Groningen en Friesland aan. De Saksische namen worden gekenmerkt
door de patronymica op _-ink_ en de voorzetsels _ten_, _ter_, _te_,
antwoordend op de vraag: "Waar woont gij?" B.v. _Ten Bruggencate_. In
Overijssel ontmoet men de namen op _-belt_, kleine hoogten in het
veen, b.v. _Knottenbelt_. Ook Holland kent veel Friesche namen. Een
eigenaardigheid der Noordhollandsche familienamen in het algemeen,
en der Zaansche in het bijzonder, is de kortheid, laat ik zeggen het
monosyllabisme: _Top_, _Pot_, _Pan_, _Pont_, meestal wel teruggaande
op een Frieschen voornaam in zeer verkorten vorm. De namen in Zeeland,
Brabant, Limburg en Vlaanderen vertoonen het Frankisch cachet. In
Noord-Brabant zijn vooral talrijk de namen op _-mans_: _Heuvelmans_,
_Mosmans_. De Westvlaamsche gaan vaak uit op _-inck_, _-ynck_, _-incx_,
b.v. _Teirlinck_, _Hebbelynck_, _Warblinckx_. Op Frieschen inslag
wijst weer het feit, dat wij zooveel Westvlaamsche geslachtsnamen in
Friesland weervinden.

Natuurlijk wijzen ook namen als _De Smed_ (smid) en _Temmerman_
(timmerman) op Zuid-Nederland; en evenzeer _Zulver_ (zilver) op
Noord-Holland, _Groenewolt_, _Saverkoul_, _Eekholt_ op het Oosten
van het land, _D'Haese_, _D'Hont_ op België. Zie vooral het boven
aangehaalde werk van Joh. Winkler over de Nederlandsche Geslachtsnamen;
verder Verdam, Geschiedenis der Nederl. Taal, bl. 131; Boekenoogen,
Zaansche Volkstaal CIII; Driem. Bladen I, bl. 29; V, bl. 101; XII,
bl. 122.

3. Bij de studie onzer plaatsnamen komen de oudste lagen van onzen
volksaard weer aan het licht; maar moeizaam is het opdelven. Op bl. 5
van het Eerste Deel gewaagde ik reeds van de Keltische herkomst der
benamingen van de steden Nijmegen, Wijk-bij-Duurstede (?), Arnhem,
Batenburg (?), Loosduinen, Heerlen is het oude _Coriovallum_,
en onze drie groote rivieren: Rijn, Maas, Schelde dragen beslist
Keltische namen, dus ook de talrijke plaatsnamen, die met een
dezer riviernamen zijn samengesteld. Over het algemeen steekt in
deze soort plaatsnamen veel waardevol taalgoed. Maar het onderzoek
wordt hierdoor bemoeilijkt, dat sommige rivieren blijkbaar van
naam verwisseld zijn, en anderzijds, dat rivieren hun loop hebben
gewijzigd. Försteman beschouwt het in zijn Deutsche Ortsnamen
als een der merkwaardigste uitkomsten zijner onderzoekingen, dat
eertijds een Keltische volkstam zich van het Noordoosten naar het
Zuidwesten gericht heeft en ongeveer ter hoogte van Keulen den
Rijn overschreed. Den tak, die naar Nederland afboog, vinden wij
deels aan den IJssel, deels in de Maasstreek: _Edana_, _Adanhe_
(Först. 510); _Edesthorpa_ (Först. 509); _Adingamore_ (Först. 137),
Antwerpen; verder _Carambunt_, _Adrichem_ (Först. 138). Van Holland
wijst de stroom naar Vlaanderen, waar de omstreken van Gent Keltische
volksplantingen vertoonen, b.v. _Pitelinghem_, _Addingahem_. Zie ook
K. Kaiser, Die Kelten des Bardengaus (Hannover--Berlin 1909), maar met
omzichtigheid te gebruiken. In Holder's Altkeltischer Sprachschatz
vinden wij eveneens enkele Nederlandsche plaatsnamen als Keltisch
verklaard; zie echter Cuvelier-Huijsmans, Toponymische studie over
de oudere en nieuwere plaatsnamen der gemeente Bilsen (Gent 1897),
bl. 36 vlg. J. Claerhout, Het Belfort 1896, 2, bl. 287 (vlg. 1897,
2, bl. 200) wijst op de plaatsnamen _Gennep_, _Epe_ en _Velp_, die op
het wellicht Keltische _apa_ "water" berusten; en verder op _Thuine_
bij Lingen, dat in 't jaar 1000 _Dune_ heette.

Ook de invloed van de Romeinen op volksaard en volkskultuur wordt
door onze plaatsnamen betuigd; zie Deel I, bl. 10, waar de meeste
plaatsen zijn aangegeven. Ik voeg hier nog bij _Santpoort_: _Sancta
Porta_; _Kestre_: _Castra_; en _Kemenade_: _Caminata_. Maar het
overgroote meerendeel is toch van Germaanschen oorsprong. Ik dien
hier eigenlijk te beginnen met de huisnamen welke, zooals wij zagen,
vaak geslachtsnamen geworden zijn, maar anderzijds ook niet zelden uit
persoons- en familienamen ontstonden: _Stevenshuis_, _Hendriken_, _den
Egberink_, _Wesselshuis_; en eveneens uit ambt, handwerk of bedrijf:
de _Karsman_, de _Kistenmaker_, de _Roodververij_, _ter Meulen_,
_Timmerije_, _Smitterije_. Het Limburgsche dorp _Reuver_, eigenlijk
_Den Reuver_, ontleent zijn naam aan een hoeve, waarschijnlijk
toebehoorende aan _Johan de Rover_. De _Enkevoort_, een hoeve onder
Baarloo, is naar de _Enckevoorts_ genoemd; zie Limburg's Jaarboek
II, bl. 292. Een menigte boerenhoeven heeten ook naar den eigenaar,
van wien men ze in pacht heeft, b.v. _Sandershof_.

Een huis bij de oude landweren heette _Landweer_, en nabij de
slagboomen en de verdedigingswallen vond men meestal den naam
_Runneboom_. Een groot aantal huisnamen is ook ontleend aan de
uithangteekens. Hiertoe behooren ten deele de diernamen, als
_Nachtegaal_, _Koekoek_, _Snip_, _Pedde_; maar zij kunnen ook
op persoonsnamen berusten, of wijzen op de omgeving, de ligging
van het huis, wat vrij zeker lijkt van namen als _Oelenhorst_ en
_Kraaienbelt_. Zoo ook _Valkenborg_, _Bijenhof_, _Voskamp_. Van
omgeving en ligging vertellen ook _Lindeboom_, _Eikenhof_,
_Sparrendaal_, _Hageveld_, _Muggebroek_, _Hulshof_, _Veenendaal_,
_Lovendaal_, _Leemkuil_, _Stuivezand_; aan bepaalde gebeurtenissen
herinnert wellicht een naam als _Jammerdaal_.

Volgen de benamingen van landerijen. Dikwijls wordt de bestemming
uitgedrukt, vanwaar namen als _Vaarzenweide_, _Schapenkamp_,
_Schaapsdijk_, _Ossenland_, _Bulven_ d.i. het stukje land, waarop de
stier, de bul, alleen weidt, te Venloo volksetymologisch vervormd
tot _Bultenven_. Andere stukken worden genoemd naar den eigenaar,
waarbij valt op te merken, dat het stuk bij wisseling van eigenaar niet
altijd ook van naam verwisselt: _Heintjesven_, _Louwesakker_; weer
andere stukken drukken de plaatselijke gesteldheid uit: _Steenkamp_,
_Muizenven_, _Vlietsven_, _Ilpakker_, of worden bepaald door hun
vorm: _Lange Stuk_, _Tweebeen_, _Splitkamp_; enkele namen zijn ook
historisch, als _Galgeland_, _Schinderskuil_, _Paaschweide_, en
eveneens _Spaarpot_, _Koekepan_, _Kibbelaar_ of _Twistgrond_. Zie
vooral Boekenoogen, Zaansche Volkstaal bl. CXXII, en Heuvel,
Volksgeloof en Volksleven, bl. 270 vlg. Eigenaardige namen dragen ook
niet zelden de polders of sluizen; zoo b.v. _Achterklapspolder_,
_Boerenverdriet_ (waar de boeren met hun groenteschuiten lang
moeten wachten), _Kijfhoek_, _Kostverloren_ (als de aanleg onnoodig
blijkt), _Pannekoek_, _Schuddebeurs_ (die veel geld kostte), enz.;
zie E. Laurillard, Op Uw stoel door Uw Land (Arnhem-Nijmegen 1901),
bl. 270.

Vrijwel dezelfde faktoren zien wij werkzaam bij het benoemen onzer
dorpen en steden. Trouwens verscheiden plaatsnamen blijken zich
uit benamingen van landerijen te hebben ontwikkeld, ik herinner
slechts aan _Barneveld_, _Meerveld_, _Pijnakker_, _Franeker_,
d.i. Vroonakker. Andere wettigen althans gegronde vermoedens, als _'s
Heerenhoek_, _Zandkoek_, _Zuidhorn_, _Plorn_, _Uithoorn_, waar _horn_
de beteekenis heeft van "hoek".

_a_. Nederland is een waterland bij uitstek. Vooral het Noorden van
ons land, door rivieren, grachten, kanalen doorsneden, wordt geheel
door de golven omspoeld en zoo heeft het dan een voortdurenden strijd
te voeren tegen het vochtige element, bron van welvaart en rampspoed,
van trots, van blijheid, maar ook van duizend bange zorgen. Ligging
en strijd met het water zullen in ruime mate tot uiting moeten komen
in de plaatsnamen.

-Dam: _Amsterdam_, _Zaandam_ (uit _Zaanredam_), _Appingedam_; -dijk:
_Odijk_, _Langendijk_, _Dijken_; -sluis: _Maassluis_, _Nieuwersluis_;
-rak (strook lands langs het water gelegen): _Langerak_, _Gouderak_;
-beek: _Oosterbeek_, _Bierbeek_ (Zuid-Brabant), _Hilvarenbeek_
(Noord-Brabant): in Brabant, met zijn door beekjes versnipperd
grondgebied, zijn de benamingen met -beek buitenmate talrijk;
-meer: _Diemermeer_, _Meerkerk_, _Boxmeer_; -monde (Frankische
vorm): _IJsselmonde_, _Rupelmonde_, _Roermond_, _Helmond_; -muiden
(Saksisch-Friesche vorm): _IJsselmuiden_, _Cellemuiden_, _Genemuiden_,
merkwaardig in het Zeeuwsche _Arnemuiden_ en in het Westvlaamsche
_Dixmuiden_; -broek: _Lutjebroek_, _Oldebroek_, _Bennebroek_,
_Broekhuizen_; -ooi (weiland, aan het water gelegen en verwant met
"ouwe" in Rijnouwe en landouw): _Renooi_, _Wadenooien_, _Genooi_;
-waard, weerd, voord (ingedijkt land): _Zandvoort_, _Bekevoort_
(Brabant), _Lichtevoorde_, _Amersfoort_, _Bolsward_, _Valkenswaard_,
_Weert_, _Stevensweert_, _Bredevoort_, _Westervoort_. De namen op
-voort vindt men vooral in de Lijmers en de Graafschap; bewesten het
land van Maas en Waal beginnen de namen op -waard, als _Heerewaarden_;
-vliet: _Poortvliet_; -a (of aa, Oudgermaansch woord, dat "water"
beteekent): _Breda_; -veen: _Rouveen_, _Venloo_, _Loven_, _Zutfen_;
-zijl (sluis): _Delfzijl_, _Blokzijl_; -veer: _Wormerveer_; -polder:
_Willemspolder_; -brug: _Brugge_, _Diemerbrug_ enz. Onnoodig hier te
gewagen van de plaatsnamen met riviernamen samengesteld, voor zoover
de rivier de plaatsnamen karakteriseert.

_b_. Maar Nederland is niet slechts een waterland. Lommer en koelte
wuiven u tegemoet in bosschen en hagen, en de zegen der vruchtbaarheid
rust op akkers en velden: -woud (Frankische vorm): _Woudenberg_,
_Berkenwoude_, _Katwoude_; -wolde (Saksische vorm) _Ruinerwolde_,
_Finsterwolde_; -bosch: _'s Hertogenbosch_, _Oudenbosch_, _Neerbosch_;
-haag: _'s Gravenhage_, _Prinsenhage_; -hout: (Frankische vorm):
_Voorhout_, _Aardenhout_, _Oosterhout_, _Turnhout_; -holt (Saksische
vorm): _Posterholt_, _Engelanderholt_; -horst (dicht kreupelhout,
struikgewas): _Horst_, _Nederhorst_, _Staphorst_; -veld: _Meerveld_,
_Barneveld_; -akker: _Pijnakker_, _Franeker_ (Vroonakker), _Oostakker_.

_c_. Een kerkelijk karakter dragen natuurlijk op de eerste plaats
de namen op -kerk: _Oudekerk_, _Lekkerkerk_, _Grijpskerke_;--maar
ook de namen, samengesteld met het verwante -kerspel, -karspel
(van kercspel, evenals kermis van kercmisse, met de beteekenis van
"kerkgebied"): _Bovenkarspel_, _Weesperkarspel_; -parochie: _Sint
Annaparochie_, _Jacobiparochie_. Groot is het aantal plaatsnamen,
die heiligennamen zijn, of althans hiermee samengesteld: _Sint
Nicolaas_, _Sint Truiden_, _Sint Anne ter Muiden_, _Sint Joris Winge_
(Z.-Brabant), _Sint Odiliënberg_.

_d_. Onze plaatsnamen bergen ook historie. Gaarne vermelden zij
den naam van een persoon en een door iemand bekleede waardigheid:
_'s Hertogenbosch_, _'s-Gravenhage_, _Zierikzee_ (waarschijnlijk
verkort uit _Zierikseport_, d.i. stad van Zierik, d.i. van Siegerik),
_Stevensweerd_, _'s Heerenberg_, _Hillegom_, _Doetinchem_: huis van den
zoon van Dodo. Aan den oorsprong der plaats herinneren de stedenamen
op -burg: _Middelburg_, _Doesburg_, _Valkenburg_ en, met behoud van
het oude, vrouwelijke woordgeslacht, _Terborg_.

_e_. Sommige plaatsnamen drukken slechts in het algemeen een
wijkplaats uit, vooral die op -wijk, poort, donk, dorp, stad:
_Katwijk_, _Nieuwpoort_, _Beek en Donk_, _Raamsdonk_ (deze soort
vooral in Brabant), _Noorddorp_, _Willemstad_; -heem, heim, veelal
verkort tot -hem, -em, -um, -om: _Heemstede_, _Herdershem_, _Reckhem_,
_Hattem_, _Woudrichem_, _Sassenheim_, _Haarlem (Heslehem_), _Heukelum_,
_Heelsum_, _Hillegom_, _Bennekom (Benninchem_).

_f_. De plaatsnamen op -ingen en -ongen drukken, zooals gezegd (I,
bl. 16), meestal de afstamming van een bepaalden persoon uit.

_g_. Eigenaardige vormen vertoonen de Friesche en Groninger
plaatsnamen. Zij staan niet buiten de boven beschreven groepen,
maar vormen toch in hun Friesche kleedij een merkwaardige
eenheidsfiguur. Over den aard der nederzetting en vestiging
vertellen ons: _Ureterp_; _Poppingawier_, _Oosterwierum_, _Engwier_;
_Holwerd_, _Rauwerd_; _Gaasterland_; _Grootegast_, _Lutjegast_,
waar _gast_ evenwaardig is met het Hollandsche _geest_, b.v. in
_Endegeest_, _Oestgeest_. Ik vermeld nog: _Tietjerkseradeel_ (_tjerk_
beteekent kerk); _Oostergo_ (gouw); _Weststellingwerf_ (_stelling_
beteekent rechterstoel); _Abbega_, _Oudega_ (_ga_, _gea_ is dorp);
_Munnekezijl_, _Pieterzijl_; _Koningsdiep_ (_diep_ is een kanaal of
gegraven vaart). Zie Friesche Volksalm. 1840, bl. 137; 1841, bl. 165.

_h_. Sommige plaatsnamen werden ook door den lokatief uitgedrukt,
die met den datief is samengevallen; b.v. _Venendaal_, d.i. -dale,
_Bloemendaal_, d.i. -dale: in het Bloemendal. Zoo ook _Nieuwersluis_,
_Ouderkerk_; en verder Den _Haag_, Den _Helder_, Den _Bosch_; eindelijk
de plaatsnamen op -ingen, -schoten, -hoven, -huizen, -buren, -bergen
enz., b.v. _Groningen_, _Voorschoten_, _Vollenhoven_, _Veenhuizen_,
_Kloosterburen_, _Steenbergen_. Plaatsbepalend is ook het voorzetsel
_te_, de proklitsche vorm van _toe_ (mag ik belangstellenden even
wijzen op het verwante Oudlatijnsche _en-do_?), b.v. in _Terborg_,
_Terneuzen_; ook _op_ komt herhaaldelijk voor: _Opbroek_, _Opmeer_.

Aldus zijn onze plaatsnamen gegroeid uit enkel- of meervoudige
karakteriseerende benamingen van nationalen, historischen, kerkelijken,
plaatselijken aard. Zij zijn een organisch produkt van den volksgeest,
die oorspronkelijk alleen de bedoeling had, die plaats te kenmerken
en te onderscheiden van andere, en niet, haar een blijvenden naam te
geven. Zij hangen dus innig met de plaats zelve samen en zijn derhalve
geen kunstprodukt, geen opgeplakte etiketten, zooals de nieuwere
plaatsnamen,--even kunstmatig trouwens als de stichting van het dorp,
de stad, die zij heeten te kenmerken. De etymologische, historische,
folkloristische waarde van zulke moderne benamingen is nul.

Ten slotte nog enkele beschouwingen over de vormingen op -loo, -drecht,
-rode: rade.

_Loo_ is de oude vorm voor "akkermaalshout, eikenbosch". Wij vinden het
in plaatsnamen als _Venloo_ (Veenbosch), _Corbeek-Loo_, _Tremeloo_,
_Baarloo_; maar ook in _Grolle_ (naast _Groenloo_), _Wamel_ (uit
_Wameloo_), _Gorsel_ (uit _Gerstloo_), _Pamel_, _Steenhuffel_ enz. Den
uitgang -drecht vindt men in _Woensdrecht_ = Wodani Trajectum (I,
bl. 90), _Papendrecht_, _Zwijndrecht_. Somtijds beteekent het "veer,
overvaart", andermaal "drift", d.i. veedrift, weideplaats, waarheen het
vee gedreven wordt. Wij hebben hier weer de Frankische _cht_ uit _ft_,
zie bl. 39. Waar wij te doen hebben met het Latijnsche _traiectum_,
als in _Woensdrecht_ en eveneens in _Utrecht_ en _Maastricht_, wordt
beslist een veerplaats of doorwaadbare plaats aangeduid.

Het meest belangrijk uit taal- en vooral uit kultuurhistorisch oogpunt
zijn wel de plaatsnamen samengesteld met _-rode_ en _-rade_. Zij
herinneren, evenals die op _-woud_, _-holt_, _-loo_, _-horst_, aan
het feit, dat zoovele oude nederzettingen werden gevestigd aan den
rand van een bosch. Langzamerhand werden de boomen gerooid en het
land omgeploegd, en aldus voor bouwland geschikt gemaakt, en zulk
land heette _rode_ of _rade_. Zie over dit onderwerp vooral Gallée,
Nomina Geographica Neerlandica II, bl. 32 vlg., III, bl. 348, 352;
Jos. Habets, ib. bl. 73 vlg.

Wij weten, dat de _marke_ een grensland was, een binnen bepaalde
grenzen omsloten gebied. Ieder markgenoot had recht op een of meer
aandeelen in de onverdeelde gronden; hij mocht dus ook in later tijd
bepaalde gedeelten ontginnen, die dan wéer later in privaatbezit
overgingen. _Rode_ en _rade_ drukken dus den aard der werkzaamheid uit
èn het verkregen resultaat. Een vaste grenslijn tusschen de plaatsnamen
met beiderlei vormen samengesteld is moeilijk te trekken, te meer,
daar de vroegere spelling van een plaatsnaam zoo vaak afwijkende
vormen vertoont. Over het algemeen mag men echter zeggen, dat namen
met _-rade_ bezuiden de _Uerdinger linie_, dus in Ripuarisch Limburg,
het meest voorkomen: _Asenraai_, _Bingelrade_, _Doenrade_, _Vaasrade_,
terwijl het domein van het Salische Frankisch voor het meerendeel den
vorm _-rode_ vertoont: _Brederode_, _Berkenrode_, _Sint Oedenrode_. In
België vindt men, met uitzondering van _Rade_ bij Lembeek en _Rath_
bij Antwerpen, uitsluitend _rode_: _Sint Pietersrode_, _Nieuwrode_,
_Waanrode_ enz., een feit van niet te onderschatten beteekenis,
vooral wanneer men bedenkt, dat de namen op _-rade_ eigenlijk slechts
in de Nederlandsche provincies Limburg, Overijssel en Gelderland
voorkomen. Westelijk van de Maas, en in de provincies Noord-Brabant,
Holland, Zeeland en Utrecht vindt men _-rade_ zoo goed als niet
(merkwaardig is echter de groep _Venray_, _Tienray_, _Castenray_). Ook
in het zuiden en in het midden van Hessen hebben de namen op _-rode_
en _-roth_ verre de bovenhand, en eveneens in de streken, die zuidelijk
van de Moezel gelegen zijn. Maar in oostelijke en noordoostelijke
richting heerscht pariteit tusschen _-rode_ en _-rade_, tot in
Sleeswijk toe. Dit alles wijst in ieder geval op een grooter eenheid
voor de bevolking der westelijke en zuidwestelijke _rode_-groep.

Hiermee is weer een belangrijk gegeven gewonnen voor de stambepaling
van ons land. Ook de studie eener enkele provincie kan ons hiervan
overtuigen. Beschouwt men de plaatsnamen van Gelderland, dan zal
men zien, dat een deel, grootendeels ten oosten van den IJssel, en
als welks zuidgrens ten naasten bij de Oude IJssel kan dienen, in
taalkundig opzicht dichter bij de plaatsnamen van Overijssel staat,
terwijl de plaatsen tusschen Waal en Maas meer tot het Brabantsch
naderen, die in de Lijmers zich eng aansluiten aan de taal van het land
van Kleef en Emmerik, en het Noorden van de Veluwe tot aan het Gooi
weer meer het idioom van de Graafschap en Overijssel nadert. Naar wij
zien, komt hier het Saksisch, Frankisch en gemengd Saksisch-Frankisch
karakter der bevolking vrij goed tot zijn recht.

Ook op Franschen bodem treft men Nederduitsche plaatsnamen
aan; zie hierover Joh. Winkler, Plaatsnamen in Frankrijk (Gent
1894). Hoofdbron voor de studie der plaatsnamen zijn de ten deele
aangehaalde studiën in de Nomina Geographica Neerlandica, uitgegeven
vanwege het Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap. Zie ook Verdam,
Geschiedenis der Nederl. Taal, bl. 139 vlg.; C. V. D. Bergh, Handboek
der Middelnederlandsche Geographie2, _passim_; R. Andree, Braunschweiger
Volkskunde, bl. 59, vlg.; Tijdschrift IV, bl. 212; Friesche Volksalman.
1897, bl. 48.

4. Nadere opmerkzaamheid verdienen nog de straatnamen, die
een eigenaardige, vrij zelfstandige groep vormen te midden der
Nederlandsche plaatsnamen. Hier geldt dezelfde opmerking, dat nl. de
onbewuste benamingen--wat betreft het doel der naamgeving--ook
de meest karakteristieke zijn, althans eenigermate innerlijk met
de bedoelde straat samenhangen. Kunstmatig is de naamgeving naar
bekende persoonlijkheden, hoeveel goeds en nuttigs daarin ook
mag gelegen zijn, en hoe onbeduidend de organische straatnamen ook
mogen lijken of zijn. Tot de meest eenvoudige behooren _Langstraat_,
_Hoogstraat_, _Houtstraat_, _Beekstraat_, _Nieuwstraat_, _Breestraat_,
_Varkensmarkt_; verder namen, die de richting aangeven en natuurlijk
meer belang hadden in een tijd, die geen stoomwezen of elektriciteit
kende: _Utrechtschestraat_, _Naamschestraat_, _Mechelschestraat_,
_Haarlemmerstraat_. Herhaaldelijk treffen wij hier dezelfde
formatieve bestanddeelen aan als in de namen van steden en dorpen; zoo
b.v. _Bemuurde Weerd_ (Utrecht), de dijk langs de Vecht, even beneden
de stad. Historische namen zijn niet b.v. _Waterlooplein_ of _Plein_
1813, maar wèl de Venloosche _Keisersgats_ (steeg, vlg. _Gasse_),
waardoor keizer Napoleon volgens de overlevering zijn weg nam. Hiertoe
behooren ook--of zullen behooren--de straatnamen, die wijzen op
kerken, gestichten, kloosters, in die straat gelegen: _Mariastraat_,
_Jansstraat_, _Minrebroederstraat_, _Agnietenstraat_,--ik behoef hier
slechts een greep te doen in de straatnamen van Utrecht, zoo rijk aan
historie! De Utrechtsche _Keistraat_ schijnt haar naam te danken aan
het huis _De Krakeling_, door Jonker Meyster gebouwd _Achter Sint
Pieter_, en waar een stuk kei boven de achterdeur was aangebracht;
zie Scheltema, Mengelwerk V, 2 bl. 214. De Groninger _Kijk-in-'t
Jatstraat_ schijnt aldus genoemd naar het hoekhuis, prijkend met een
zonderlingen kop, waaronder de woorden: "ick kick nog int", dat moet
worden aangevuld door: "in 't jat", d.i. ik kan nog in de straat
zien; zie Groninger Volksalman. 1838, bl. 134. Natuurlijk vinden
wij in de straatnamen ook tal van verouderde vormen, b.v. _rak_
in _Damrak_, met de beteekenis "strook land langs het water", en
in het Venloosche _Schriksel_, immers het werkwoord _schrikken_,
Middelnederl. _scricken_, beteekende oorspronkelijk "met groote
passen loopen", ook "springen", men denke aan _schrikkeljaar_. Het
Hasseltsche _schrikschoen_ beteekent "schaats."

5. In de plaatsnamen vertoont zich op zeer sprekende wijze het
psychologisch moment van den klemtoon, zoowel in plaatsnamen in
den engeren zin des woords (stads- en dorpsnamen), als in namen van
straten, grachten enz. Deze klemtoon wordt door Jespersen zoo juist de
_Einheitsdruck_ genoemd, omdat hij wil vereenigen wat bijeenbehoort,
en scheiden, wat dient uit elkaar gehouden te worden. Dit accent is
nu eens _initiaal_, dan weer _finaal_. Rust de klemtoon op het eerste
lid, dan verleent hij dit een zekere waarde; wij kunnen dan spreken
van waardeaccent. Daarentegen ligt de eigenlijke karakteristieke
eenheidsklemtoon steeds op het laatste lid. Hierdoor wordt sterker de
eenheid van het geheel op den voorgrond geschoven, doordat men nl. over
het eerste lid als 't ware heenglijdt, en den hoorder voorbereidt op
hetgeen komen moet; en dit is weer overeenkomstig den algemeenen regel,
dat de spreker het tempo verhaast, als hij er zich van bewust is,
dat hij nog een lange reeks van klanken moet afwerken. Hij spreekt dan
"in éen adem." Aldus spaart de spreker in deze benamingseenheid zijn
krachten op voor het laatste lid als einddoel, en hij slaat de finale
zoo krachtig mogelijk aan. Ook de hoorder vat eerst bij deze finale
de voorafgaande syllaben samen. Wij spreken hier van het eigenlijke
eenheidsaccent. Vgl. Jespersen-Davidsen, Lehrbuch der Phonetik
(Leipzig 1904), bl. 175, 212.

Bij woorden als _bloémkrans_, _áchterdeur_, _uítpakken_, in
tegenstelling met _burgemeéster_, _volvoéren_, _misbruíken_,
_verpákken_ is dit alles helder en klaar. Maar bij aardrijkskundige
namen, vooral bij plaats- en straatnamen wordt de zaak meer
ingewikkeld, en alleszins gerechtigd was een vraag, door
Prof. Niermeijer over "De klemtoon in Amsterdamsche straatnamen"
in Vragen en Mededeelingen I, Ser. I, 8, 25 Febr. 1910, bl. 92 gesteld.

Het wil mij voorkomen, dat wij, uitgaande van de natuur en de algemeene
vereischten voor waarde- en eenheidsaccent, voor aardrijkskundige
woorden den regel aldus kunnen formuleeren: 1. Zij dragen het initiale
accent, wanneer het eerste lid als het voornaamste beschouwd wordt;
zij dragen het finale accent, wanneer het tweede lid òf het geheele
woord belangrijker beschouwd worden dan het eerste lid. 2. Het eerste
lid kan als het belangrijkste beschouwd worden òf om zich zelf,
òf ter wille van de tegenstelling. 3. Het tweede lid wordt als het
belangrijkste beschouwd, wanneer men oordeelt, dat het de plaats op
voldoende wijze bepaalt.

Laat ik nu allereerst als voorbeeld kiezen de straatnamen der
stad Venloo, wat men mij als geboren Venlonaar niet ten kwade zal
duiden. Men zegt: _Kérkstraat_, _Maásstraat_, _Vleéschstraat_
enz.; maar _Maaspoórt_, _Keulschepoórt_, _Gelderschepoórt_,
_Roermondschepoórt_, en eveneens _Oude-márkt_, _Ariënsplaáts_,
_Hakkesplaáts_. Waarom? Omdat men desnoods kan zeggen: "die
of die persoon woont aan de poort, op de markt, op de plaats",
welke aanduiding dan nader kan worden bepaald; maar het is vlakweg
onmogelijk te zeggen: "hij woont in de straat". Zoo kan men ook
best zeggen: "hij woont op het _Schriksel_", en daarom draagt bij
samenstelling deze straatnaam zelfs terwille van de tegenstelling
niet het initiale accent: _Maasschríksel_, _Helschríksel_. Slechts als
antwoord op de vraag: "Op wèlk _Schriksel_?" zal het antwoord luiden:
"Op het _Maásschriksel_" of "op het _Hélschriksel_". Maar waarom dan
_Moésmarkt_ (groentemarkt)? Omdat de koop- en verkoopwaar hier het
eerste lid tot het voornaamste maakt.

Maken wij nu de toepassing voor de Amsterdamsche straatnamen. Altijd:
_Heerengrácht_, _Prinsengrácht_, _Martelaarsgrácht_;--_Torensluís_,
_Weteringscháns_, _Nieuwendíjk_, _Zeedíjk_, _Muiderpoórt_,
_Weesperpoórt_, _Waterloopleín_, _Marinierspleín_, _Nieuwmárt_. Het
meest kenschetsende, en op-zich desnoods voldoende lid draagt het
accent. Maar: _Heérenstraat_, _Prínsenstraat_, _Kálverstraat_,
waar _straat_ ten slotte een soort van toonloos achtervoegsel
geworden is; en eveneens: _Bótermarkt_, _Áppelenmarkt_. Schijnbare
uitzonderingen zijn _Utrechtschestraát_, _Leidschestraát_ (evenals
te Leiden _Haarlemmerstraát_), omdat _straat_ daar oorspronkelijk
de beteekenis had van "straatweg". Ook het initiale accent op
_Káttenburg_ en _Wíttenburg_ is goed verklaarbaar, omdat _-burg_
alle determineerende beteekenis verloren heeft. Wat eindelijk het
accent op de samenstellingen met _steeg_ betreft, dat hangt af van
een plaatselijk waardeeringsoordeel. In de meeste steden schijnt
men het met _gracht_, _plein_ op éene lijn te stellen, en zoo
spreekt de Amsterdammer dan ook van _Halvemaansteég_, _Torensteég_,
_Balkinhetoogsteég_, _Heintjeshoeksteég_; te Rotterdam daarentegen
schijnt men te accentueeren: _Mólsteeg_, _Hoófdsteeg_.

Ten slotte de plaatsnamen. Men kan zeggen: "Hij woont op den Dam,
in de Meer", vandaar: _Amsterdám_, _Watergraafsmeér_, _Enkhuízen_,
_Blokzíjl_; maar: _Voórburg_, _Veénendaal_, en eveneens _Vénloo_,
_Óploo_, _Héngeloo_, _Zwíjndrecht_, _Dórdrecht_, _Sássenheim_,
_Núnhem_, _Aúdergem_ (Brabant), _Sint Oédenrode_.

Nu konstateeren wij, dat het finale accent, het ware eenheidsaccent,
veld wint ten koste van het initale waardeaccent; en wel, omdat
de naam langzamerhand meer in waarde en beteekenis verliest,
afslijt en zuiver formule wordt. De plaatsnamen volgen in deze de
algemeene sociale richting der taal, en zij zullen te spoediger
deze richting volgen, naarmate de plaatselijke taal een levendiger
sociaal karakter draagt. Zoo zien wij het initiale accent vaak
in finaalaccent veranderen. Maar zoo gebeurt het ook, dat sommige
plaatsnamen verschillend worden uitgesproken. De bewoners zelf noemen
hun woonplaats b.v. _Genemuíden_, omdat de naam voor hen tot simpele
aanduidingsformule is afgesleten; terwijl personen daarbuiten ofwel
het oorspronkelijke initiale accent nòg houden, of ook blijven houden,
om de plaats van andere op _-muiden_ te onderscheiden, en dus zeggen:
_Génemuiden_.

_6_. De spotnamen van steden en dorpen berusten grootendeels op een
bekrompen gevoel van plaatselijke genoegzaamheid en laatdunkendheid,
dat ruime wederzijdsche waardeering, ja zelfs erkenning van volks-
en stamgenootschap belet. Natuurlijk draagt een te nauw besloten-zijn
binnen de wallen en een te eng vasthouden aan de plek, waar men
geboren en getogen is, hiervan de meeste schuld. Zóo blijven de
oude volkseigenheden stellig het best bewaard; maar de keerzijde der
medaille is niet zelden kleingeestig chauvinisme en min vriendelijke
verhouding vooral tot naburige steden en dorpen, somtijds zelfs
onderlinge afgekeerdheid, die voorheen tot bloedige vechtpartijen
aanleiding gaf.

Nu moet men deze afgekeerdheid ook weer niet te hoog aanslaan. Het
mag dwaas lijken, dat men de Leeuwarders en Dokkumers elkaar als
_Leeuwarder Galgelappers_ en als _Dokkumer Garnaten_ hoort uitschelden,
en evenzeer, dat Amsterdammers en Haarlemmers elkaar spottend de
namen van _Koeketers_ en _Muggen_ toevoegden,--men moet ook open oog
hebben voor de komische zijde van het geval en in aanmerking nemen,
dat de spotnaam veelal boozer lijkt dan de bedoeling en niet zelden
slechts een onschuldige, typische en typeerende uiting van schalkschen
spotlust is. Somtijds is de spotnamen zelfs een eerenaam.

De plaatselijke spotnamen zijn oud en levenskrachtig; ook teelt de
volksgeest telkens weer nieuwe, al is het in mindere mate. Kieskeurig
is het volk hierin allerminst. De namen berusten op een geschiedkundig
feit, op het wapen van de stad, op een bijzonder voorval, waarvan dan
de belachelijke zijde het sterkst belicht wordt; andere zijn ontleend
aan een bijzonderen tak van handel, van nering of bedrijf, of danken
hun ontstaan aan de een of andere plaatselijke lekkernij. Van de
tallooze spotnamen laat ik hier de meest bekende volgen. Plaatsruimte
belet mij, telkens de verklaring er bij te voegen; laat ik hiervoor
verwijzen naar het desbetreffende hoofdstuk in Winkler's Studiën in
Nederlandsche Namenkunde, bl. 3 vlg. en naar De Cock, Brabantsch
Sagenboek III, bl. 197 vlg. Het talrijkst zijn de spotnamen in de
Friesche en Vlaamsche gewesten.

Friesland. Leeuwarden: _Speknekken_ en _Galgelappers_. "De Leewarders,
omdat se soo skriel waren, dat se gien nije galge betale waden, die
hewwe daar fan de bijnaam kregen van _Leeuwarder Galgelappers_ tot
'e dag fan fandaag toe."

Harlingen: _Tobbedounsers_, d.i. Tobbedansers, daar de Harlinger
stoffenverwer als 't ware te dansen stond in de tobbe.

Sneek: _Dúmkefretters._ Dúmkes zijn een bijzonder soort klein gebak
in vorm en groote als een mansduim.

Bolsward: _Oaljekoeken_ (oliekoeken, worden bedoeld lijnkoeken).

Hallum: _Koekefretters_.

Dokkum: _Garnaten_ (Garnalen). Hoe ze aan dien naam kwamen, wordt
uitvoerig verteld in de Rimen ind Teltsjes fen de Broarren Haltertsma.

Franeker: _Klokkedieven_, omdat het wapenschild hunner stad een gouden
klok vertoont op een blauw veld. Ook de ingezetenen van Oudewater,
Delfzijl, Schermerhorn en Carolinensijl (Oost-Friesland) dragen
dezen naam.

Ameland: _Balkedieven_, immers hun wapenschild vertoont op de eene
helft drie balken; verder _Schalken_ en _Guiten_.

Workum: _Brijbekken_, hetzij van _brij_, hetzij van het eigenaardig
rollen der _r_, dat de Hollander _brouwen_ heet. Men zegt dit ook
van de Zwollenaars.

Hindeloopen: _Tjeunken_, oorsprong onbekend; ook wel _Uilen_.

Staveren: _Ribbekliuwers,_ van het eigenaardige, snel-vorderende
schaatsenrijden (_ribben_ wijst op een overoud gebruik van te rijden
op koeribben), dat men "klauwen" noemt.

Berlikum: _Hounefretters_ (Hondevreters), wellicht naar aanleiding
van een gevelsteen, voorstellende een hond in een pan.

Peasum: _Hountsjes_ (Hondjes).

Wierum: _Katsjes_ (Katjes).

Winaldum en Baard: _Katten_.

Midlum: _Rotten_.

Warga: _Brêgebidlers_ (Bruggebedelaars), vanwege den bruggetol.

Ureterp: _Oanbreide Hoasen_ (Aangebreide Kousen).

Eernewoude: _Luzeknippers_.

Warns: _Skiepeloarten_ (Schapekeutels).

Winsum: _Spinsekken_ (Spinzakken), daar zij eertijds het gesponnen
garen in groote zakken naar de naburige stad brachten.

Irnsum: _Kattekneppelders_ (Kattenknuppelaars), een naam, die met
het bekende kermisvermaak samenhangt (I, bl. 140, 269).

Rinsumageest: _Hounewippers_ (Hondewippers), van een soortgelijk
kermisvermaak.

Sint-Anna-Parochie: _Raapkoppen_.

Onze-Lieve-Vrouwen-Parochie: _Wortelkoppen_.

Oldeboorn: _Toermjitters_ (Torenmeters). In de XVIIe eeuw zou te
Oldeboorn een nieuwe kerktoren gebouwd worden. Het moest de hoogste
toren worden, hooger zelfs dan die van Tzum. De Boornsters vaardigden
dus twee man af, om den Tzummer toren te meten. Maar toen zij na
volbrachten arbeid in de herberg zaten, wisten de Tzummers listiglijk
een paar ellen van het touw af te snijden. Van daar de spotnaam van

Tzum: _Lyntjesniders_ (Lijntjesnijders).

Grouw: _Tsjiisfordounsers_ (Kaasverdansers). Een groepje lustige
Grouwsters hadden eens geen geld meer, om den speelman te betalen. Een
van de dansers deed dit toen met kaas uit zijns vaders pakhuis.

Akkrum: _Skytstoelen_. Of deze meubels te Akkrum bijzonder mooi
waren? Zulk een oud meubelstuk uit het begin der XVIIIe eeuw, dat
gespaard bleef, vertoont niets opmerkelijks. Wèl opmerkelijk is het
rijmpje, dat er op geschilderd staat:


        In 't jaer 1710
    Werd ick voor het eerst gesien,
    Ick was versierd al nae behooren
    Als kackstoel voor den eerstgeboren
        Uyt de houwlickstrou
    Van Geert Ackrum en syn vrouw.


Makkum: _Strânjutten_ (Strandroovers). Daarentegen is _Miigen_ een
eerenaam, want hij wijst er op, dat de Makkumers dit Friesche woord,
dat "magen, bloedverwanten", in 't bijzonder "neven, kleinzonen"
beteekent, nog in eere houden.

Lollum: _Stippers_. Door _stip_ wordt een mager sausje aangeduid.

Molkwerum: _Tsjoensters_ (Heksen) heeten de vrouwen.

Birdaard: _Skiepekoppen_ (Schapekoppen).

Wirdum: _Toerkefretters_ (Torentjevreters), dewijl zij in 1680 een
der beide kerktorens, toen de geldmiddelen gering waren, voor afbraak
verkochten.

IJlst (Drylst): _Kjipmantsjes_ (Koopmannetjes), een soort moppen.

Zie verder nog het rijke materiaal bij Waling Dijkstra
t.a.p. I. bl. 288-294.

Groningen. Groningen: _Molboonen_ (Kindersnoeperij), _Kluunkoppen_
(_Kluun_ is een bijzonder soort bier), _Klaereproevers_.

Delfzijl: _Klokkedieven_, _Krabben_. Men beweert, dat de bewoners
een ruim geweten hebben, wat het plunderen van gestrande schepen
betreft. Bij ongeluk komt eensdaags een _Delfsylster_ in den
hemel. Maar een _Damster_ (Appingedam en Delfzijl kunnen elkaar
niet zetten) weet den H. Petrus, die met de zaak verlegen is, goeden
raad te geven. Een paar engelen moeten buiten de hemelpoort roepen:
"Een schip in nood!" Aldus geschiedt, en ziedaar, bij 't hooren van
dien kreet snelt de _Delfsylster_ naar buiten, zoo hard hij loopen kan.

Wagenborgen: _Aardappeldoggen_.

Ter Munten: _Koedieven_.

Zuidlaren: _Witmakers._

Uskwerd: _Metworsten_.

Meeden: _Ketelschijters_.

Grijpskerk: _Smalruggen_.

Garnwerd: _Gortvreters_.

Bafloo: _Koarschoevers_ (Kaarschuivers).

Winsum: _Gladhakken_.

Bedum: _Geutslikkers_.

Holwierde: _Doofpotten_.

Ezinge en Sauwert: _Koevreters_.

Onderdendam en Niehove: _Poepen_.

Den Andel: _Turken_.

Drente. Meppel: _Muggespuiters_ of _Muggen_. Een groote muggenzwerm
omzweefde eens de spits van den toren te Meppel. De burgers
dachten, dat het rook was, en begonnen den vermeenden torenbrand
te blusschen. Men denke aan de Maneblusschers van Mechelen en
Middelburg. Een anderen naam, de _Kloeten_, danken zij aan de groote
kluiten boter, die nog tot in de tweede helft van verleden eeuw door
de boeren uit den omtrek daar ter markt werden gebracht.

Grolloo: _Knollen_.

Anderen: _Moeshappers_,

Elp: _Koekoeken_.

Annen: _Oelen_.

Assen: _Straatslipers_, _Tellerlikkers_ en _Biggen_.

Borger: _Schöttellikkers._

Broekskreek (d.i. Mantinge, Balinge en Garminge): _Stalpoalen_.

Buinen: _Poepen_.

Duurse: _Geldbeurzen_ en _Boksen_.

Dwingeloo: _Doeven_.

Eelde: _Hekkenspringers_ en _Geelgatten_.

Zie verder Nieuwe Drentsche Volksalmanak 1903, bl. 55.

Overijssel. Zwolle: _Blauwvingers_. In 1682 viel te Zwolle de toren
van de Sint-Michiels kerk in. Het klokkenspel werd aan Amsterdammers
verkocht, die den aanmerkelijken prijs in louter dubbeltjes betaalden,
waaraan de Zwollenaars zich blauwe vingers konden tellen.

Kampen: _Steuren_. Naar verluidt, vingen de Kampenaars oudtijds in
hun rivier eens een reusachtigen steur. Met het oog op een gastmaal,
dat zij over eenigen tijd wilden aanrichten, werden zij te rade,
hem voorloopig nog wat te laten zwemmen; en om hem naderhand beter
te kunnen vinden, bonden zij hem een bandje met een belletje om den
hals. Men zegt, dat een echte Kampenaar, als hij over de IJsselbrug
gaat, nog heden altijd in 't water tuurt, of de steur er soms nog is,
want: "Je kunt het toch maar nooit weten."--Ik maak hier de opmerking,
dat de spotnamen in vele gevallen samenhangen met een domineerenden
karaktertrek van de bevolking: vasthoudendheid, gierigheid, sluwheid,
bekrompenheid enz. Nu is het een feit, dat men meestal de minder
gunstige hoedanigheden bij zijn gebuur opmerkt en de gunstige over
het hoofd ziet.

Blankenham: _Brijhappers_.

Blokzijl: _Katten_.

Genemuiden: _Rudekikkers_ en _Ruusvorens_.

De Kuinder: _Kroggen_.

Zwartsluis: _Bleien_ of _Bleisteerten_.

Hengeloo: _Windmakers_.

Delden: _Kwekkeschudders_.

Oldenzaal: _Gruppendrieters_, d.i. die hun behoefte doen in een
greppel.

Deventer: _Stokvisschen_, _Poepen_ en _Geutendrieters_.

Borne: _Meelvreters_.

Over de benaming _Tukker_ voor Twentenaar is veel geredetwist. De
waarschijnlijkste afleiding lijkt mij die van _tukker_, een vogeltje,
dat zich veel in de eenzame heidestreken van Twente ophoudt; elders
draagt het den naam van _heikneutje_ of _robijntje_. Naar dezen vogel
zijn dan ook verscheidene Twentsche hoeven benaamd, en deze vindt men
steeds aan den heikant. In de volkstaal noemt men de heidebewoners vaak
_Heettukkers_: Driem. Bladen VII, bl. 84; VIII, bl. 51; anders VIII,
bl. 92. Laat ik hier terloops aan de zegswijze herinneren: "Ij kommt
oet 't land van de Tukkers, woar ze onzen leeven Hèèr "Doe" neumt."

Gelderland. Nijmegen: _Knotsendragers_.

Zutfen: _Metworsten_.

Lochem: _Koolhazen_.

Doesburg: _Mosterdpotten_.

Enspijk: _Hanenknippers_. Deze benaming zou het gevolg zijn van een
artikel in de Tielsche Courant, waarin de inwoners van Enspijk als
"Enspiksche Hanenknippers" werden begroet. Men zou daar nl. hebben
voorgesteld, ter gelegenheid van het kroningsfeest den 12den Mei 1874
tot opluistering der feestelijkheid hanen, van hun vederen ontdaan,
tegen elkander te laten vechten; zie het opstel van Anspach in De
Navorscher XXVI, bl. 264.

Nunspeet: _Knutten_ en _Huibasten_. Hieronder verstaat men personen,
die veel wei of hui in hun "bast" drinken.

Driel: _Vleescheters_. De bewoners van Driel hadden in de Middeleeuwen
een kerkelijke vergunning, waarbij hun werd toegestaan, ook in den
Vastentijd zuivel- en vleeschspijzen te gebruiken: Kist, Kerkelijk
Archief I, bl. 176, III, bl. 469.

Elburg: _Pepernoten_.

Harderwijk: _Bokkingkoppen_.

Uddel: _Heugters_.

Haaften: _Kraaien_.

Ek en Ingen: _Kladden_.

Zoelen: _Kozakken_. In 1814 was daar een troep kozakken gelegerd,
die weigerden het veld te ruimen, nu hun diensten niet meer noodig
waren. Op bevel van den souvereinen vorst moest nu de Tielsche
schutterij in samenwerking met den landstorm deze plunderzieke gasten
verjagen; zie Driem. Bladen III, bl. 54.

Utrecht. Amersfoort: _Keisleepers_ of _Keitrekkers_. De bewoners vonden
nl. eens op een heideveld een zeer grooten keisteen. Triomfantelijk
sleepten zij hem naar de stad, en plaatsten hem op de Varkenmarkt
(1661).

IJsselstein: _Apenluiders_, dewijl zij eens bij vergissing de doodsklok
luidden voor een dooden aap: De Navorscher IV, Bijblad, bl. XXXVIII.

Limburg. Weert: _Rogstekers_. Men verhaalt, dat er oudtijds een
vrachtkar o.a. met rog beladen van Antwerpen naar Roermond reed. Bij
Weert viel een rog van de kar en bleef in het wagenspoor liggen. Een
Weertenaar zag het hem onbekende gedrocht en liep verschrikt naar de
stad om hulp te halen. Gewapend trok men er op uit, dreef den rog
een spiets door het lijf en voerde hem als oorlogsbuit zegepralend
naar het stadje mee.

Nederweert: _Pinstekers_.

Venloo: _Wannevliegers_. Een snaak had doen uitroepen, dat hij met
behulp van twee wannen over den Lichtenberg zou vliegen. Toen de
burgerij vergaderd was, vroeg hij, of ze al ooit een mensch hadden
zien vliegen. Neen, riep het volk. Welnu, hernam hij, dan zult gij
het ook heden niet zien, en maakte zich met het te voren opgehaalde
geld uit de voeten. Naar een eigenaardige gebaksoort spreekt men ook
van Venloosche _Moppen_. Door de Blerikschen worden de Venlonaars
_Reubeslikkers_ (Raapslikkers) genoemd.

Blerik: _Wortelepinnen_, door de Venlonaars aldus genoemd. Vergelijk
de spotnamen van St-Anna-Parochie en Onze-Lieuwe-Vrouwen-Parochie.

Venraay, Horst enz.: _Peelhazen_.

Helden: _Kuzen_.

Sittard: _Laammekers_. Lam maken = zwaar op de hand zijn. De
Sittardenaars zelf bedoelen: zich op hun manier ten koste van anderen
vermaken.

Noord-Brabant. Heusden: _Wieldraaiers_. Het stadje voert een wiel in
zijn wapen.

Os: _Dubbeltjessnijders_.

Werkendam: _Brijbroeken_.

Woudrichem: _Mosterdpotten_.

Schijndel: _Hopbellen_.

Uden: _Kaaieschijters_.

Sint-Oedenrode: _Papbuiken_.

Zeeland. Cadzand: _Peren_. Dit _pere_ is het Fransche _père_ en
wordt gebezigd tusschen personen van ongeveer gelijken leeftijd in
de vertrouwlijke omgangstaal.

Middelburg: _Maanblusschers_. Het schijnen van de maan op den toren
werd voor brand gehouden. Men noemt ze ook _Schavotbranders_.

Vlissingen: _Flesschedieven_, van de flesch op het wapenschild.

Goes: _Ganzekoppen_, van de gans in het wapen.

Zierikzee: _Koedieven_, _Steenkoopers_, _Torenkruiers_.

Axel: _Aardappelkapers_.

Zaamslag: _Strooplikkers_.

Sluis: _Windmakers_.

Noord-Holland. Schagen: _Roodjes_. Naar men beweert hebben vele
Schagenaars rossig haar.

Alkmaar: _Gortzakken_, ter oorzake van de vele grutterijen. Ook
_Ketelkruipers_.

Schermerhorn: _Mollen_, naar den mol in het wapen.

Langendijk: _Koolstruiken_, omdat in de vier dorpen, die den Langendijk
vormen, kool de hoofdteelt is.

Egmond aan Zee: _Vischteven_, men denke aan de Tsjoensters van
Molkwerum.

Groot Schermer: _Wildjes_, naar hun woest gedrag bij het kermishouden.

Oostzaan: _Kooleters_.--Men noemt ze ook het _Volk van Klaas Kompaan_,
een naam, dien zij te danken hebben aan hun ouden dorpsgenoot, den
beruchten Oostzaner kaper Claes Gerritsz Compaen; zie Boekenoogen,
De Zaansche Volkstaal, bl. 488.

Zaandam: _Galgezagers_. De oorsprong ligt in het omzagen van de galg,
waaraan de schuldigen van het Zaandammer turfoproer (Mei 1678) hingen:
Boekenoogen, t.a.p. bl. 223.

Amsterdam: _Koeketers_, een zeer oude spotnaam. Maar men zegt het ook
van de Zaandammers, en eveneens van de inwoners van de Koog, Krommenie
en Uitgeest. Die van Medemblik, Hoorn, De Kreil, De Beemster en Jisp
heeten _Moppen_.

Texel: _Kwallen_.

Den Helder: _Traanbokken_.

Enkhuizen: _Vijgen_.

Hoorn: _Krentebollen_.

Lutjebroek: _Uilen_.

Heiloo: _Rapenplukkers_.

Ursem: _Langslapers_.

Monnikendam: _Monnikentroeters_.

Purmerland: _Platpooten_.

Zaandijk: _Krentekakkers_.

Westzaan: _Kroosduikers_.

Wormer: _Boonpeulen_, _Steenegooiers_, _Uilen_.

Wormerveer: _Gladooren_.

Broek-in-Waterland: _Vinken_.

Beverwijk: _Klapbessen_.

Assendelft: _Kiplanders_, _Spanjaarden_.

Haarlem: _Muggen_.

Naarden: _Kalven_.

Zuid-Holland. Leiden: _Peueraars_, _Blauwmutsen_, _Hondendooders_
en _Sleuteldragers_, het laatste weer naar de sleutels in het wapen.

Delft: _Kalfschieters_. In 't jaar 1574 wilden eenige Spanjaarden
een aanslag op Delft beproeven. Maar tijdig ontdekt zijnde werd hun,
toen ze al lang buiten schot waren, een hagelbui van kogels achterna
gezonden. Slechts een kalf werd hierdoor gedood: De Navorscher III,
bl. 373.

Gouderak: _Rakkers_, berustend op volksetymologie.

Schiedam: _Toovenaars_. Men zegt: "Twintig van Schiedam, negentien
kunnen tooveren."

Hillegom: _Hangkousen_.

Den Haag: _Ooievaars_ (naar het wapen), _Waterkijkers_, _Bluffers_.

Gouda: _Gapers_.

Oudewater: _Klokkedieven_, vgl. Franeker, Delfzijl enz.

Rotterdam: _Kielschieters_, omdat zij een bootje, dat met de kiel
naar boven in de Maas dreef, voor een walvisch hielden, waarop zij
hun geweren afvuurden.

Dordrecht: _Schapedieven_.

Den Briel: _Zeelepers_ en _Puiers_.

Gorichem: _Blieken_.

De Zuidnederlandsche spotnamen zijn zeer talrijk. Dit strookt wel
is waar met den opgewekten, levendigen, schalkschen gemoedsaard
van Vlamingen en Brabanders. Maar als de gemoedsaard den doorslag
geeft, dan is het vreemd, dat juist de zuidelijke provinciën van
Noord-Nederland zoo betrekkelijk arm aan spotnamen zijn, terwijl
zij hoogtij vieren in de Friesche gedeelten en in Noord-Holland met
zijn rijken Frieschen inslag. Het wil mij voorkomen, dat woelzucht
en onbuigzaamheid, uitbottend in twist en tweedracht, in dezen tot
een overeenkomstig partikularisme hebben gevoerd.

West-Vlaanderen. Brugge: _Zotten_.

Kortrijk: _Pastei-eters._

Diksmuiden: _Boterkoppen_.

Meenen: _Taartenbakkers_ en _Wagenwielvangers_.

Poperingen: _Keikoppen_ en _Gekken_.

Heist-op-Zee: _Keuns_ (Konijnen).

Blankenberge: _Geernaarts_, d.i. Garnalen, vergelijk den spotnaam
der Dokkumers.

Nieuwkerke: _Schapen_.

Yperen: _Kinders_. Deze naam heeft een loffelijke beteekenis. Hij is,
volgens de overlevering, ontleend aan een gezegde van Margaretha, wier
zoon Willem van Dampierre door geldelijke bijdragen van de bewoners
van Yperen uit de gevangenschap der Turken was bevrijd. "Het zijn
onze kinders van Yperen", zou Margaretha gezegd hebben, "die ons dit
bewijs van liefde hebben gegeven." Zie Belgisch Museum I, bl. 270.

Oost-Vlaanderen. Gent: _Heeren_ en _Stroppedragers_; zie Volkskunde
XXIII, bl. 242.

Dendermonde: _Knaptanden_.

Baasroode: _Kalefaters_.

Opdorp: _Platte Keesboeren_.

Ninove: _Wortels_.

Ronse: _Zotten_, _Vliegenvangers_ en _Slekkentrekkers_.

Oudenaarde: _Boonenknoopers_. Men noemt ze ook _Kiekefreters_.

Dat komt zóó: De Gentenaars lieten voortijds de kiekens en ander
pluimgedierte op de markt te Oudenaarde opkoopen. Toen ze nu eens,
om Philips den Goeden rijkelijk te kunnen onthalen, volgens de
Oudenaarders hierin wat te radikaal te werk gingen, trachtten deze
hen dit te beletten en voegden hun toe: "Wij kunnen zelf onze kiekens
wel opvreten"; zie Belgisch Museum V, bl. 440.

Geeraartsbergen: _Bergkruipers_.

Onkerzele: _Tooverheksen_, vgl. de _Toovenaars_ van Schiedam.

Mendonk: _Palingstroopers_.

Wachttebeke: _Zotten_.

Moerbeke: _Smeerkoeketers._

Exaarde: _Blauwbuiken_.

Aalst: _Witvoeten_, _Draaiers_ en _Ajuinen_.

Akkergem: _Koolkappers_.

Limburg. Neerpelt: _Torenblusschers_.

Peer: _Muggeblusschers_, vgl. de Muggespuiters van Meppel.

Hasselt: _Beekrotten_ (maar slechts de Hasselaars, die op de Beek
wonen, vgl. bl. 15).

Antwerpen. Antwerpen: _Sinjoren_. In dezen naam schuilt een herinnering
aan den Spaanschen tijd, toen de aanzienlijke Antwerpenaren den
Spaanschen titel van _Señor_ droegen.

Mechelen: _Maneblusschers_, zie Volkskunde XXI, bl. 236.

Turnhout: _Muggeblusschers_, vgl. Peer en Meppel.

Lier: _Schapekoppen_.

Rethy: _Kortooren_.

Ramsel: _Poteerddabbers_.

Huigene: _Eters_.

Meerhout: _Katten_ en _Knikkers_.

Arendonk: _Gorteters_, _Tjokkers_ en _Pinnekenmakers_.

Poppel: _Janhagelmannen_.

Liezele: _Pieren_.

Breendonk: _Meutes_ (nuchtere kalven).

Hoboken: _Mestblusschers_.

Wilrijk: _Geitekoppen_.

Bornhem: _Boschkrabbers_.

Gierle: _Schijters_.

Hove: _Keeskoppen_.

Loenhout: _Pezerikken_ en _Moeszakken_.

Oost-Halle: _Joden_.

West-Halle: _Smousen_.

Willebroek: _Vaartkapoenen_.

Hoogstraten: _Speelzakken_.

Brecht: _Struiven_, _Halfhouten_ en _Mastendoppen_.

St. Amands: _Gipsheeren_.

Zoersel: _Drijvers_ en _Kluppelaars_.

Ook hier weer, zooals men ziet, naast louter smaadnamen, verscheidene
benamingen aan nering en bedrijf of aan plaatselijke eigenaardigheden
ontleend.

Volge nu een keuze uit het overgroote aantal der Brabantsche spotnamen;
voor de volledige opsomming en meer ampele verklaringen betreffende
sagen raadplege men A. De Cock, Brabantsch Sagenboek III, bl. 197-241
en J.Th. de Raadt, Les Sobriquets des communes belges (Bruxelles,
1904), _passim_.

Beersel: _Keesboeren_ en _Boterdieven_.

Bertem: _Tuischers_ (paardenkooplui).

Boschvoorde: _Bessembinders_.

Brussel: _Kiekefretters_. Deze schimpnaam zou opklimmen tot de XIVe
eeuw, nl. tot den veldslag van Baesweiler, waar een sterk Brabantsch
leger door de hertogen van Gulik en Gelder en den graaf van Berg totaal
verslagen werd. Deze nederlaag wordt door den kroniekschrijver Jean
Froissart aan de gulzigheid der Brusselaars toegeschreven; er dient
echter gezegd, dat hij slechts van zalm-, forel- en palingpastei
spreekt, en niet uitdrukkelijk van kiekens gewaagt.

Zij heeten verder: _Apendrillers_. Eens betrokken twee bejaarde
burgers te middernacht op den toren van Wollendries (bij de Wolstraat)
de wacht. Plotseling zagen zij een vreemdsoortig wezen het wachthuis
binnendringen, en vol angst sloegen zij op de vlucht--voor een aap,
zooals naderhand bleek.

Diest: _Mostaardschijters;_ zie Ons Volksleven IX, bl. 102.

Dormaal: _Weerwolven_ en _Vuurmannen_.

Elsene: _Hondenknagers_; deze spotnaam dagteekent wellicht uit tijden
van hongersnood.

Esschene: _Patattenboeren_.

Gooik: _Telloorlekkers_.

Hal: _Vaantjesboeren_, van wege de processievaantjes.

Leuven: _Peetermannen_. Sint Pieter is de patroonheilige van de
stad. Men noemt ze ook de _Koeischieters_, omdat naar verluidt, de
Leuvenaars een kudde hoornvee voor vijanden aanzagen. Zie Volkskunde V,
bl. 169; Ons Volksleven VIII, bl. 38.

Linkebeek: _Moeliedauwers_. Zij duwden eens iemand uit scherts in
een moelie (baktrog); maar de grap liep verkeerd af.

Messelbroek: _Kalotten_.

Molenbeek: _Vaartkapoenen_; vgl. Willebroek.

Schaarbeek: _Ezels_. Oud-Schaarbeek telde vele hoveniers en molenaars,
die Brussel voorzagen van groenten en meel; het gewone vervoermiddel
was een ezelkarretje.

Scherpenheuvel: _Keerskatten_, naar de processiekaarsjes, die zij
aan de pelgrims verkoopen.

Sichem: _Heeren_. Ten tijde van Maria-Theresia zond het gemeentebestuur
van Sichem, naar verluidt, een verzoekschrift naar de Generale Staten
van Brabant, dat aldus aanhief: "Wij, Heeren van Sichem, vragen
aan U lieden de toelating om eene merkt te mogen oprichten." Waarop
geantwoord werd:


    "Als gij sijt Heeren en wij lieden,
    Dan sal de merkt van Sichem nooit geschieden."


Den spotnaam van _Heeren_ draagt een groot aantal Brabantsche dorpen.

St. Gillis: _Koolkappers_.

Tienen: _Kwêkers_. Tijdens een oorlog wilden de Tienenaars de
Leuvenaars in een hinderlaag lokken, maar het gesnater der eenden
waarschuwde den vijand; zie echter Ons Volksleven VIII, bl. 37.

Men noemt ze ook _Maneblusschers_ en _Boterpotten_, omdat ze in 1830
hun veste met boterpotten verdedigden.

Ukkel: _Kersenkrakers_.

Vilvoorde: _Peerdefretters_.

Vorst-bij-Brussel: _Hondenfretters._

Wambeek: _Klaverboeren_.

Zout-Leeuw: _Waterheeren_.



DE VOLKSKUNST.


Staat de mensch tegenover God en de maatschappij als redelijk en
maatschappelijk wezen, als zinnelijk wezen staat hij tegenover de
natuur, en als zoodanig zijn zijne betrekkingen deels van praktischen,
deels van theoretischen aard. Praktisch is hij werkzaam op ekonomisch
gebied;--bij het volk, wij zagen het reeds, gaat de ekonomie geheel op
in woningbouw en grondbeheer; theoretisch werkzaam toont hij zich in
kunst en wetenschap. Immers de geest van den mensch is een spiegel van
het heelal: een mikrokosmos. Maar die wereldopvatting is geen doode,
volstrekt-passieve afspiegeling, maar veeleer tevens een opgewekte
werkzaamheid. Want bij het aanschouwen voegt zich het wèl-bewuste
omvatten en doordringen van het objekt, de reproduktie van het
aanschouwde in beelden en vormen, kleuren en tonen, groepen en typen.

Kunst is: _zelf-openbaring van den geest door belichaming van het
ideale in de stof_. Zij beduidt een streven, met de beste zielekrachten
in te grijpen in de buitenwereld, en kan zelfs beschouwd worden
als een worstelen om bezit en behoud van de ideale goederen des
levens. De volkskunst streeft niet steeds naar de hoogste idealen;
maar zij volgt toch ook den zieledrang, te scheppen en te belichamen,
en met streelende zelfvoldoening vermeit zij zich in hetgeen verstand
en wil en fantasie konden wrochten. En waar het scheppend vermogen te
kort schiet, daar neemt het volk volle welbehagen in de bevrediging
van zijn navolgingsdrift. De enkeling kan als volwassene met zijn
nuchter verstand de momenten van lust en welbehagen meestal zelfs
niet meer bevatten, die de speeldrift hem als kind zoo ruimschoots
toedeelde. Maar het volk leeft en blijft leven, evenals het kind,
in een tooverland van fantasie; zijn navolgingsdrift is speeldrift,
en die speeldrift verwekt den lust te zingen, te rijmen, te bouwen,
te schilderen, te sieren. In dezen zin mag men zeggen, dat ook bij
de hoogere, de kultuurkunst, de speeldrift ten grondslag ligt.

Want volkskunst en kultuurkunst, of, zoo men wil, beschavingskunst
[17], zijn geen wezenlijk-verschillende begrippen; zij berusten
beide op dezelfde aesthetische grondvesten, gelegd in den bodem
der éenvormige menschelijke natuur. Principieele verschillen
bestaan tusschen volkskunst en kultuurkunst evenmin als tusschen de
kunstuitingen der kultuurvolken en die der natuurvolken, hoe ruw en
tastend deze laatste dan ook zijn mogen.

Wat de volkskunst soms mangelt aan scheppend kunnen of aan bewuste
stelselmatigheid, dat wint zij niet zelden in oorspronkelijkheid,
in spontaneïteit van uitingsvermogen, in frischheid van opspattende
levenskracht. Teert de kultuurkunst op konventioneelen vormenschat en
slijt zij droeve dagen in kwijnende bloedarmoede, dan kan de volkskunst
haar versche levenskracht in de aderen gieten. Al mist zij den glans
der polijsting, al vormen tal van onedele bestanddeelen vaak het
ruwe omhulsel,--kernglans en kernreinheid zijn er niet minder om,
ja zijn er vaak te veiliger om beschut.

Bovenkultuur zonder kunst is ondenkbaar; maar onderkultuur evenmin. De
volkenkunde kent dan ook geen kultuur_looze_, wel kultuur_arme_ volken;
en men mag zeggen, dat mèt het kunstgehalte de kracht en teerheid
van het volkswezen groeit. "Een volk zonder kunst is geestelijk
dood", schrijft Poelhekke. Het sterft den hongerdood. Want het haken
van het volk naar kunst onder allerlei vormen, zelfs dan, wanneer
overbeschaving in die vormen het snelstwerkend venijn verborgen heeft,
kan mede gelden als bewijs voor de eeuwige waarheid: _dat de mensch
van brood alleen niet leven kan_.

Gevoel voor het schoone en behoefte aan uiting en bevrediging van
dit schoonheidsgevoel behoort tot het mensch-zijn, is het normale
bij het individu en moet tevens als een normaal maatschappelijk
verschijnsel worden beschouwd. Want bij de volkskunst treedt het
sociaal-psychische element sterk op den voorgrond; ook de volkskunst
behoort tot de "sociale feiten", wier substraat de gemeenschap is,
en die met hun imperatief karakter een sterken, dwingenden invloed
op het individuëele leven uitoefenen.

Kunst, zelf-bewust vormen en scheppen, is een terugwerken, een op beurt
ingrijpen van den vrijen menschelijken wil in de buitenwereld, die wil
en gedachte door haar inwerking heeft bepaald. Kunst is zelfopenbaring,
en volkskunst is de zelfopenbaring der volksziel, maar tevens een
worstelstrijd om levenslicht en levenslucht, om niet onder te gaan
in het individuëele en banale, om niet te worden overweldigd door de
doode en doodende stof. Waar het volk zijn eigenwaarde nog beseft,
daar kan het op den duur geen weerstand bieden aan die drift, dien
scheppingslust van eigen beeld en gelijkenis, die wortelt in zijn
verstandelijk kenvermogen en het koningszegel drukt op zijn pogen
en wrochten; ja, die een trek is zijner Godverwantschap. Het gevoel
dezer Godverwantschap is zelfs de bron van het menschelijk artistieke
welbehagen.

Natuurlijk staan niet alle kunsten en takken van kunstnijverheid op
dezelfde trap, en evenmin staan den kunstdrang geschikte middelen
ter realiseering in gelijke mate ter beschikking. De volkskunst kan
soms gering en onbeduidend schijnen; andermaal beweegt zij zich in de
lijnen van een stuitend realisme, al is dit niet het produkt eener
ziekelijke hyperkultuur. Maar weer andermaal--welk een schat van
naïeve frischheid en oorspronkelijkheid!

Van de zoogenaamd permanente kunsten bespreek ik slechts de bouwkunst
en de dekoratieve kunst; van de momentane, wier scheppingen strikt
genomen verdwijnen met de spanne tijds, waarin zij voltooid worden,
behandel ik eerst de lagere vormen van raadsels, spreekwoorden en
zegswijzen, om daarna langs de sprookjes- en sagenladder op te klimmen
tot het volkslied.



I. Raadsels en Spreekwoorden.


De _raadsels_ behooren tot de lagere trappen der kunstuitingen, in
die mate, dat de litteratuur van sommige laag ontwikkelde volken--ik
denk o.m. aan de bewoners der Battalanden--zoo goed als uitsluitend
uit raadsels en volksverhalen bestaat.

Meestal zijn de raadsels gestoken in rythmischen vorm, en naast
het gewone rijm vertoonen zij veelal nog assonantie, stafrijm en
andere eigenaardige klankvormingen en vervormingen. Het waardevolle
ligt stellig in de eigenaardige karakteristiek der dingen, al is
die uiteraard vaak duister en al mag men hierbij niet uit het oog
verliezen, dat het volk de dingen en begrippen niet zelden zoo geheel
anders karakteriseert dan wij. Zoo worden in een oud raadsel van de
zeven vogels zonder bezwaar de bij en de vleermuis meegeteld. Het
intieme wezen van het raadsel is de drang, het onpersoonlijke
te verpersoonlijken, het gewone op te smukken, het zinnelijke te
vergeestelijken, en aan die beeldspraak de scherpzinnigheid van een
ander te toetsen.

Het volksraadsel kan bogen op een reusachtige oudheid en
verspreiding. Van de eilanden in de Noordzee tot Meklenburg en
zuidwaarts tot de Alpen reikt het duizendjarige raadsel van de sneeuw,
die door de zomerwarmte smelt. Op Ameland luidt dit:


    Daar vloog een vogel Vederloos
    Op een boom Bladerloos,
    Toen kwam een juffrouw Mondeloos,
    Die at den vogel Vederloos
    Van den boom Bladerloos.


Ik schrijf "Vederloos" enz. met hoofdletter, want het is hier
werkelijk als eigennaam bedoeld. Zoo heet de kers _Roodrok_,
het varken _Knorrepot_, de appel _Gladkop_, de ooievaar _Hap-op_,
de donder _Holderdebolder_, de wieg _Wikkeldewakkel_, de kikvorsch
_Hipperdewip, Hip-op, Ikkerdebik_, de zwaan _Mijnheer De Wit_, het
water _Juffer De Lang_. Dit zijn klanknabootsende en begrips- en
gevoelverklankende benamingen, zooals ook het kind die zoo gaarne aan
levende en levenlooze zaken schenkt, alvorens met de veelal afgesleten
benamingen bekend en vertrouwd te raken.

Merkwaardige raadsels vinden wij vooral in het Oosten: bij de Hebreeën,
de Perzen, de Indiërs, de Arabieren; maar ook bij de oude Germanen
en niet het minst bij de Grieken en Romeinen. Het gaat trouwens,
wat de onderlinge verwantschap betreft, met de raadsels als met de
sprookjes, en het is uitermate moeilijk bij gelijkenis van patroon
over de autochthonie onzer volksraadsels te oordeelen. Zoo kennen
wij b.v. een Grieksch raadsel in dezen vorm:


    Daar was een man, en 't was geen man,
    Hij liep op een pad, en 't was geen pad,
    Hij droeg water zonder vat;
    Rà, rà, wat is dat?


(Een bruidegom, die op het ijs liep met een stukje ijs in zijn hand).

Een Latijnsch raadsel luidt bij ons:


    Die het maakt behoeft het niet,
    Die het vraagt behoudt het niet,
    Die het koopt begeert het niet,
    Die het heeft die weet het niet.


(Een doodkist).


In vele gevallen is vervorming van litteraire raadsels
(kultuurraadsels) tot volksraadsels na te wijzen of althans zeer
aannemelijk. De gewone gang van zaken is echter omgekeerd.

1. De beschrijvende raadsels zijn verreweg de schoonste. Het
regent hier beeldspraken en gelijkenissen. Het volk praat dan
kinderlijk-gemeenzaam met en over steenen en bloemen langs de wegen,
en allerlei levende en levenlooze dingen. "Hier ziet gij beurtelings
de wijde natuur met heure verschijnselen", schrijft Amaat Joos,
"de sneeuw, het witte laken, dat Onze Lieve Vrouw over land en zand
spreiden komt; den donder, het roode veulen dat ginder verre staat
te briesschen; de wolken, de duizend lapkens die zonder naald of
twijn aaneengenaaid zijn; het ijs, de groote plank die door God over
de waters geleid wordt; de zon, het wonder ding dat door het glas
valt en 't niet en breekt; de sterren, het geld dat ge niet tellen
kunt; den hemel, het laken waar niet aan te vouwen valt;--den mensch
met al zijn bedrijf en gerief: den mond, rood huizeken, de tanden,
witte stoelekens, en de tong, rood tapijteken; de keers, madameken
met een wit kleedje aan en een rood hoedeken op; de lamp, aardig
ding dat zijn vleesch eet en zijn bloed drinkt; den vingerhoed, zoo
klein en toch zoo rijk in vensters als een koningshuis; de naald,
stalen peerdje dat rijdt met vlassen steertje; de egge, heeren
die het land omkeeren; de zeilen van den meulen, roode wijvekens
die malkander nutteloos achterna loopen; den meulen, hooge droge
boom die altijd bloem draagt;--de dieren die loopen en vliegen:
den haan, wonderen profeet die de dooden verrijzen doet; de spin,
aardig wijfken dat, zonder naald of draad, zijn roksken 't onderste
boven naait; de vlooi, stout boven stout, die iedereen, te water en
te lande, aanranden durft; de koe, vreemd gestel van vier gangers,
vier hangers en twee tuinenbrekers [overoud raadsel, nawijsbaar van
Noorwegen tot de Alpen];--de boomen en planten met hunne vruchten:
de kool, die op éenen poot staat en heur hoofd in heur herte draagt;
den doorn, manneken uit het veld met een rood hoedeken op zijn hoofd;
het vlas, koning met de blauwe kroon; het graan, dat tusschen twee
steenen zijnen naam verliest; den kriekelaar, die op éen been staat en
duizend steenen draagt; den eik, honderdduizend nesten en in ieder
nest een ei; den appel, met zijn groene muren en witte geburen;
de noot, die op haar stoeleken zit met een groen kazaksken aan."

Op het dorp, in den blijden, gullachschen landelijken kring voelt dit
raadsel zich weer het meest thuis en bij voorkeur, wij hoorden het,
kleedt het veld en weiland, plant en dier, akkerbouw en veeteelt
in een fantastisch gewaad. Het legt zijn oor te luisteren naar de
geheimzinnigheden der levende en levenlooze natuur; en lichtelijk neemt
het een plaatslijke tint aan, in overeenstemming met de landstreek,
waar het vertoeft.

1.


    Holderdebolder
    Liep over den zolder;
    En zeven mansheeren
    Die konden Holderdebolder niet keeren.


(De donder).

2.


    Verre boven de drieschen
    Hoorde ik een peerdeken brieschen;
    Daar is noch wijf noch man,
    Die dat peerdeken breidelen kan.


(De donder.--België).

3.


    Mijn moeder kent een laken, dat kan zij niet vouwen,
    Mijn vader kent een appel, dien kan hij niet schellen,
    Mijn zuster kent kralen, die kan ze niet tellen.


(Hemel, maan, sterren).

Belgische vorm:


    Laken, dat ge niet vouwen kunt,
    Een appel, dien ge niet schellen kunt,
    En geld, dat ge niet tellen kunt.


4.


    Tusschen hier en Romen
    Staan zeven hooge boomen;
    't Zijn geen iepen, 't zijn geen esschen,
    Je zult het niet raden, al was je met z'n zessen.


(Het zevengesternte).

5.


    Achter in mijn vaders tuin,
    Daar staat een boom met kralen,
    En die die kralen tellen kan,
    Die is de baas van allen.


(De sterren).


6.


    Lapken, lapken,
    Duizend lapken,
    't Is genaaid zonder naald of twijn,
    'k Geef u te raden, welk lapken dat zou zijn.


(Een wolk.--Dendermonde).

7.


    Tusschen hemel en aard
    Staat een lange groene gaard.
    't Zijn geene eiken, 't zijn geene esschen,
    Je zult het niet raden, al waart je met zessen.


(De regenboog.--Limburg).

8.


    Ons Lieve Vrouwken van Laken
    Spreidt een wit laken
    Op land en zand,
    Maar niet op den waterkant.


(De sneeuw.--Antwerpen).

9.


    Daar staat een juffrouw in de deur,
    Met een witte schorldoek veur.
    Hoe meer dat ze staat,
    Hoe meer dat ze vergaat.


(De sneeuw).

10.


    Eene planke
    Van Godes danke;
    Het en is noch hout noch eeke,
    Noch eeke noch hout.
    Als gij het kunt raden,
    Geef ik u eene ton met goud.


(Het ijs.--België).

11.


    Daar gaat een ding om het huis,
    Dat kijkt door alle gaatjes.


(De zon).

12.


    Rondom de meulen
    Liepen twee pèretjes speulen.
    Der is geen eenen ouwen man,
    Die déé twee pèëren keeren kan.


(De zon en de maan.--Zeeland).

13.


    Toen ik was jóng en schóon,
    Droeg ík een bláuwe króon.
    Toen ík was óud en stíjf,
    Slóegen ze me óp het líjf.
    Tóen ik wás genóeg gedrágen,
    Wérd ik van prínsen en gráven gedrágen.


(Het vlas).

14.


    Eerst zoo wit als vlas,
    Dan zoo groen als gras,
    Dan zoo rood als bloed,
    En dan zoo zwart als roet.


(De braambes).

15.


    Van binnen wit, van buiten zwart,
    Drie ruggen en geen start.


(De boekweitkorrel).

16.


    Der sit in jifferke yn 't grien,
    Mei in mooi read rokje oan.
    Als men ze knypt den skriemt se,
    En dôch het se in stiennen hert.


(De kers.--Friesland).

17.


    Daar staat een boom in 't Westen,
    Met twee en vijftig nesten,
    Ieder nest met zeven jongen,
    Râ, wat namen zij ontvongen?


(Het jaar).

Talloos zijn de raadsels van het ei. Sommige vormen zijn bekend bij
alle Germaansche stammen.

Ons bekend rijmpje:

18.


    Hummeltje Tummeltje klom op den wagen,
    Hummeltje Tummeltje viel van den wagen,
    Daar is geen eene timmerman,
    Die Hummeltje Tummeltje maken kan,


waarvan een Vlaamsche lezing luidt:

19.


    Hippekentippeken op de bank,
    Hippekentippeken onder de bank;
    Daar is geen smid in Ingeland,
    Die Hippekentippeken maken kan,


vertoont in Brunswijk den vorm:


    Hummelke Trummelke lag up'r bank,
    Hummelke Trummelke feil von'r bank;
    Et was kein doktor in'n gansen land,
    De Hummelke Trummelke we'er mâken kann.


In Engeland luidt het raadsel aldus:


    Humpty Dumpty sate on a wall,
    Humpty Dumpty had a great fall,
    Three score men and three score more
    Cannot place Humpty Dumpty as he was before.


Bekend in geheel het zuidelijk volksgebied (dus ook b.v. in Hollandsch
Limburg) is het eiraadsel:

20.


    Ik klopte al op een witte deur,
    Daar kwam een bruine pater veur.


Ruim verspreid is ook het raadsel van de Snijboonen, natuurlijk met
de noodige varianten:


21.


    Achter in mijn vaders tuin
    Daar staat een boom met groente;
    Hier een boom, daar een boom,
    Ieder boom een tak;
    Hier een tak, daar een tak,
    Ieder tak een nest;
    Hier een nest, daar een nest,
    Ieder nest een ei;
    Hier een ei, daar een ei,
    Ieder ei een zwart plek op 't gat;
    Râ, râ, wat is dat?


Ik kan niet nalaten nog op enkele waardevolle raadsels te wijzen,
waarin zoo menige trek van dichterlijke natuurbeschouwing en gevoel
voor het landschappelijk-schoone spreekt:

22.


    Oude, grijze, grauwe,
    Staat alle nachten in de dauwe,
    Heeft vleesch noch bloed
    En is voor alle menschen goed.


(De molen).

23.


    Er vloog een vogel snel
    Al over de diepe del (de zee);
    Hij droeg botten en beenen
    En had er zelve geene.


(Het schip).

24.


    Achter molens duun
    Dèr leit in oud peerd bruun,
    Zonder kop en zonder steert,
    Al syn ribben leggen verkeerd.


(Een omgeploegd stuk land.--Ameland).


25.


    Daar waren eens vier zustertjes,
    Die klommen op hooge mutstertjes;
    Daar waren eens vier broertjes,
    Die klommen op hooge stoeltjes;
    Ze naaiden zijden kapjes
    Van honderd duizend lapjes,
    Zonder naald en zonder twijn:
    Je zult het niet raden, al ben je fijn.


(De spin, die haar net maakt).

26.


    Er ging een mannetje door den dam
    Met een fluweelen wammesje an.


(De mol).

Of ook:

27.


    Jan De Bruin
    Zat in den tuin,
    Hij had geen paard of ploeg,
    En toch bouwde hij land genoeg.


(De mol).

28.


    Daar is een ding
    Dat pinkt
    Dat knipt en winkt
    En lacht en vinkt ...
    'k Zou alzoo wel willen pinken,
    Knippen en winken
    Lonken en vinken,
    Gelijk dat ding
    Dat pinkt
    En knipt en winkt
    En lonkt en vinkt.


(Een Ster--Vlaanderen).


29.


    Daar gíng een mánnetje óver den díjk
    Mét zijn óogjes kíjkerdekíjk,
    Mét zijn háartjes krúlderdekrúl;
    Je zúlt het niet ráden, al werd je dúl.


(Het schaap).

30.


    Het is, waarin het water vloeit,
    Het is, waarop de bloeme bloeit,
    Het is, waarop bij dag en nacht
    De moede mensch de rust verwacht,
    Het is, gelijk men dikwijls zegt,
    Van dat, waarin men dooden legt.


(Het hout.--Land van Waas).

Somtijds is de inkleeding van het raadsel dramatisch. Zoo vraagt de
ketel aan het water, dat uit de pomp vloeit:

31.


    Dribbel drabbel dribbelgat,
    Hwêr komst dou fen dinne?
    --Ut de ierde,
    Swart forbarnde tsjettelkop.


(Friesland).

Hoogst merkwaardig is het gesprek tusschen weide en beek, dat zeer
oud is en wijd en zijd verspreid:

32.


    --Du kromme, du lange,
        Van waar komde gegangen?
    --Ei du met dijn geschoren gat,
        Waarom vraagde mij dat?


De Zeeuwsche vorm luidt:

33.


    --Joe kromme, joe slomme,
        Wèr kom je van dèn gezwomme?
    --Joe afgeschoren schietgat,
        Wèrom verwiet je me dat?


Men vergelijke hiermee het Brunswijksche:


    --Lanke krummumme, wo wutte hen?
    --Korte vorschorne, wo frägste nâ,
    Kann mînen weg bî dâge un bî nacht finnen.


2. De verhalende raadsels zijn somtijds zeer ingewikkeld. De oplossing
omvat niet zelden een vrij groot aantal personen of zaken en raakt
zelfs historische gebeurtenissen, veelal verhalen uit het Oude
Testament. Zoo b.v.

34.


    De kist, die leefde,
    Die er in zat, beefde;
    De kist, die at,
    Die er in zat,
    Bad.


(Jonas in den visch.--België).

Ook het raadsel van de sneeuw, waarvan boven sprake was (bl. 87),
is een verhalend raadsel: de sneeuw valt op een boomtak, smelt door
de zonnewarmte en droppelt er van af.

35.


    In 't Land van Cadsant
    Ging een man over zijn land
    Met 'nen ginger,
    Met 'nen springer,
    Met 'nen hoepsasa;
    Hij hield iets in zijn handen;
    Hij ging al zoo zeere
    Om zijn land te keeren.


(Hij ging met een paard en een riek).

36.


    Hoop en vrees zat op den wagen:
    Hij zag tweebeen vierbeen dragen.
    Heeren raadt en zegt het mij,
    Als ge 't niet raadt, dan ben ik vrij.


Dit raadsel maakt op ons een vrij zonderlingen indruk. Maar het
dagteekent uit oude tijden en past in het kader der raadselverhalen,
waardoor misdadigers, ter dood veroordeeld, zich het leven konden
redden door de rechters een raadsel op te geven, dat deze niet
kunnen oplossen. Wij moeten hierbij in aanmerking nemen, dat voorheen
hoogernstige menschen zich bezighielden met elkander raadsels op te
geven. De raadsels behooren tot de groep van folktoristica die, bij
het wijzigen van de tijden, van de ouderen tot de jongeren, en van
de hoogere tot de lagere kringen zijn afgedaald. Dit bewijst niet,
dat wij in de hedendaagsche raadsels den _detritus_, den afgesleten
vorm hebben, maar dat de volkskunst uit ruimere kringen verbannen
is. Zoo ging het met het Sint-Maartensvuur, met het luilak-gebruik
enz. (vgl. I, bl. 104, 194). Bekend is de raadselwedstrijd tusschen
Wolfram van Eschenbach en den toovenaar Klingsor; en eveneens de
raadselstrijd van Odhin met koning Heidhrekr in de Oudnoorsche
Edda. Deze lost b.v. het raadsel op, door Odhin, als Gestumblindi,
hem gesteld: wie het paard is, dat ter vergadering rijdt, met drie
oogen, tien voeten en één staart,--antwoordende, dat het Odhin op
het achtpootige paard Sleipnir is (vgl. I, bl. 72).

Bovenstaand raadsel nu werd aan de rechters opgegeven door een
veroordeelde, die de belofte had weten te verkrijgen, dat hij zijn
leven zou kunnen redden als hij een raadsel kon opgeven, dat de
rechters niet vermochten op te lossen. De oplossing luidt: toen
de misdadiger op een wagen naar de galg gevoerd werd, had hij een
ooievaar zien vliegen met een kikvorsen in den snavel. Hij hoopte,
dat niemand het mocht raden, en vreesde de terechtstelling. Somtijds
is het ook de vrouw, de moeder of de dochter van den schuldige,
die verzoekt het raadsel te mogen opgeven.

Een raadselverhaal, dat nog leeft in West-Vlaanderen en in het
Meetjesland, geldt een moeder, wier drie zoons soldaat moesten
worden. De koning ontsloeg hen van den dienst, indien de moeder hem
een raadsel wist op te geven, dat hij niet kon oplossen. Bij het
ter kerk gaan vond zij in het doodenhuisje een doodshoofd liggen,
waarin een musschennest met vijf jongen. Van daar dit raadsel:

37.


    Ik ging en ik kwam
    Waar ik vijf levenden uit éenen doode nam;
    Die vijf maakten mijn drij vrij;
    Weet ge 't, zegt het mij.


Een variant hiervan is het verhaal van de vrouw, die haar
echtgenoot door een raadsel kan redden. Langs den weg vindt zij
een paardenschedel, waarin spreeuwen nestelen. Op den bepaalden
dag keert zij terug, neemt de vijf jongen uit het nest en geeft het
raadselverhaal op:

38.


    Toen ik henenging en wederkwam,
    Vijf levenden uit den doode nam,
    De zesde maakte den zevende vrij,
    Nu, heeren, raadt en zegt het mij.


Wijd en zijd verspreid is ook het raadselverhaal met het motief,
dat een man, tot den hongerdood veroordeeld, heimelijk door zijn
dochter met de borst wordt gelaafd. Zoo stelt deze het raadsel:

39.


    Gezogen, gezogen,
    Landsheeren bedrogen,
    Kind geweest
    En moeder geworden.


Dit luidt in West-Brabant (Ternath en omstreken) aldus:

40.


    Heeren bedrogen,
    Muren doorzogen,
    Wiens kind ik ben,
    Wiens moeder ik wierd.


"Muren doorzogen", omdat hier de dochter haar vader door een buis in
den muur met voedsel laafde.

Tot de groep van raadselverhalen dienen ook gerekend te worden het
overgroot aantal raadseltjes, waar personen of zaken naar het getal der
beenen of pooten _tweebeen, driebeen_ enz. genoemd worden. Zoo b.v.:

41.


    Tweebeen zit op driebeen
    En trekt aan vierbeen.


(Het melkmeisje).

42.


    Tweebeen zat op driebeen,
    Toen kwam vierbeen en wou driebeen bijten,
    Toen nam tweebeen driebeen,
    Om er vierbeen mee te smijten.


(Een man pakt een drievoet om er een hond mee te smijten).

3. De eigenlijke, direkt-vragende raadsels werden door Guido Gezelle
_kwelvragen_ genoemd. Het zijn inderdaad kwelraadsels in zoo ver zij
den gevraagde trachten te verschalken door hun algemeene bewoordingen,
door hun listig bijgevoegde gedachten, hun afleiden van de aandacht,
hun verrassende zinspelingen, hun opzettelijk maskeeren van den
juisten klemtoon, hun dubbelzinnige woordopvatting.

Tot de meest bekende behoort wel het raadseltje van Keizer Karels hond:

43.


    _K_eízer _K_árel _h_ád een _h_ónd,
    _H_óe _h_éet _K_eízer _K_arels _h_ond?


De naam van den hond was _Hoe_. Let hier vooral weer op het stafrijm
en eveneens op de allitteratie. Als tweede versregel hoort men vaak:
"Ik leg het woord al in uw mond", of iets dergelijks, Deze regel is
stellig een bijvoegsel van jongeren datum.

Vergelijk hiermee, wat betreft het antwoord in de vraag, het
Achterhoeksche:

44.


    Krom omgebogen,
    Vlecht door getogen (getrokken),
    Wan ik jou 't zekg,
    Zul ei 't niet roan.


(De wan).

Zeer bekend is nog het kattenraadsel:

45.


    Daar ging een mannetje over de brug,
    Met zeven katten op zijn rug,
    En ieder kat had zeven jongen,
    Râ, râ, hoeveel pooten over de brug gongen?


(Twee).

Op de tweeduidigheid van het woord _heeten_ spekuleert het raadsel:

46.


    Koolwarmoes, die koud is
    En drie dagen oud is,
    Hoe heeten ze dat in Brabant?


(Boven het vuur).

Overoud is ook het volgende raadselrijmpje, waarbij de oude versmaat
weer even onmisbaar is, als bij dat van Keizer Karels hond:

47.


    A'msterdám, die gróote stád,
    Met hóeveel létters spélt men dát?


(Met drie: d a t).

Volgen nu nog eenige raadselvragen in denzelfden trant: 48. Waarom
dragen de meeste boerinnen rooie kralen? (Om den hals).--49. Wat voor
haar had Mozes' hond? (Hondenhaar).--50. Hoe is de eerste vloo over
den Rijn gekomen? (Bruin).--51. Hoeveel eieren kon de reus Goliath
nuchteren op? (Eén).--52. Wat weegt zwaarder, een pond veêren of een
pond lood? (Even zwaar).--53. Wie gaat op zijn kop naar de kerk? (De
spijkers in de schoenen).--54. Hoeveel krullen zijn er in een rechten
varkensstaart? (Geen een).--55. Welke weg wordt niet begaan? (De
melkweg).

Meer spottend van aard, en dus eigenlijk behoorende tot de volksluim,
zijn raadsels als deze: 56. Waarom knijpt de haan zijn oogen toe, als
hij kraait? (Omdat hij zijn liedje van buiten kent).--57. Wie heeft de
eer, den koning bij den neus te vatten? (De barbier).--58. Wie steekt
er 's morgens het eerst zijn neus in de kerk? (De sleutel).--59. Hoe
hiet Mozes, toen hij klein was? (Mozesje).--60. Wie zit tot over
de ooren in de schuld? (Wie een slaapmuts draagt, die nog niet
betaald is).

Eindelijk, tot de letterraadsels behooren: 61. Wat staat er midden
in den hemel? (De letter _m_). Zoo ook:

62.


    't Is in de vrouw en niet in den man,
    't Is in 't bier en niet in de kan,
    't Is in 't koren en niet in de wan,
    't Is in Karel en niet in Jan;
    Zeg mij wie dit raden kan.


(De letter _r_).

4. In de raadselsprookjes, ook bij ons in ruime mate bekend, huwt de
koning veelal zijn dochter uit aan dengene, die bepaalde raadsels kan
oplossen, of wel raadsels opgeeft, die niemand raden kan. In andere
sprookjes komen raadsels ook buiten dit verband voor, zoo b.v. in het
verhaal van den herdersknaap, die antwoord geeft op de drie vragen:
"Hoeveel water is er in de zee? Hoeveel sterren staan er aan het
uitspansel? Hoe hoog is de hemel? Geheel als raadsel op te vatten
is een sprookje als het volgende, ons door Waling Dijkstra, Uit
Friesland's Volksleven II, bl. 143 meegedeeld:

Er was eens een meisje, dat vrijde met een ruiter. Zij wist niet, hoe
die ruiter heette en evenmin, wie hij was. Eens op een avond kwam hij
bij haar te paard, en vertelde haar, dat hij een mooi groot slot had,
daar wilde hij haar heen brengen; maar het was heel ver weg. En toen
nam hij haar bij zich op het paard en reed met haar weg, zeer ver,
zeer ver, door den duisteren nacht, zoo snel, zoo snel, dat geen
vogel zoo snel vliegen kon. En de ruiter zong:


    Het maantje dat schijnt er zoo helder,
    Het paardje dat loopt er zoo snelder,
    Zoetliefje, zoetliefje, berouwt het je niet?


Eindelijk kwamen zij aan het slot. En toen trouwden ze en hebben
bruiloft gehouden. En het meisje is nooit weer bij haar vader en
moeder teruggekomen.

Raad eens, wat is dat?--

Dat meisje had de tering en de ruiter was de dood.

Zeer eigenaardig is het slot van vele raadsels. Soms klinkt het
uitdagend: Je kunt het niet raden, al was je met je zessen,--in geen
zeven jaar,--al ben je fijn,--al werdt je dol,--tot Baafmis,--tot
Sinter Merten,--tot morgen noen. Andermaal wordt de oplosser geprezen:
Als je het raadt, ben je bekwaam; en evenzoo wordt hij, die het op moet
geven, gelaakt. Sommige raadsels zeggen den oplosser een belooning toe;
wellicht berustte dit voorheen op werkelijkheid.

Zie vooral de voortreffelijke voordracht van Dr. Boekenoogen, in de
Handel. en Mededeel. van de Maatschappij der Nederl. Letterkunde
te Leiden, 1900-1901, bl. 36, waaraan ik menig raadsel en menige
beschouwing ontleende; en A. Joos, Raadsels van het Vlaamsche Volk
(Gent 1885), mijn hoofdbron voor de Zuidnederlandsche raadsels. Verder
Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven I, bl. 257; A. De Cock, Volkskunde
XVII, bl. 25, XVIII, bl. 45; Schoonjans, Volkskunde XXII, bl. 85 vlg.

Zijn de raadsels meer uitingen van het gevoelsleven, in de
_spreekwoorden_ van een volk openbaart zich vooral de volkswijsheid
en praktische levenservaring in beknopten, ja gedrongen vorm: het
spreekwoord is de bijzondere vorm, waarin het volk inkleedt zijn
waarnemingen en ondervindingen op ethisch gebied, de uitkomst van
zijn denken, de slotsom van zijn waarneming in een bijzonder geval.

De man-uit-het-volk houdt van dubbelzinnigheid in zijn raadsels,
maar niet in zijn spreekwoorden en zegswijzen, al vertoonen die vaak
een emphatisch karakter. Hij noemt de dingen bij hun naam, en ook
preutschheid ligt hem verre. Zoo is heden ten dage het spreekwoord,
en zoo was het in de hooge oudheid en bij alle volken. Het behoort,
wij zagen het reeds, tot de eigenaardige vormen, waarin de spreektaal
zich vertoont. Voor een groot deel zijn de spreekwoorden gemeen-goed
van het geheele menschdom. Het zijn "gevleugelde woorden", die, hebben
zij eenmaal de omheining der tanden overschreden, vrij en onbelemmerd
rondfladderen, de karavanen begeleiden op hun tochten, neerstrijken
op de masten der snelzeilende en snellerstoomende schepen, landen en
zeeën doorkruisen in alle richtingen. Vele Nederlandsche spreekwoorden
zullen wij dan ook elders weervinden, en deze overeenkomst zal dan
weer berusten hetzij op historischen, hetzij op algemeen-menschelijken
grondslag. Laat ik hier slechts wijzen op het verdienstelijke boek
van Dr. W. Suringar, Erasmus over Nederlandsche spreekwoorden en
spreekwoordelijke uitdrukkingen van zijnen tijd (Utrecht 1873); de
verhouding van Nederlandsche spreekwoorden tot Grieksche en Latijnsche
springt er duidelijk in het oog.

Toch bewaart het spreekwoord steeds frischheid en jonge, opgewekte
levenskracht. Want het loopt van mond tot mond en wordt telkens
verjongd, ja telkens opnieuw geboren, of legt althans een ander gewaad
aan, bont en druk in het Zuiden, sober en stemmig in het Noorden,
steeds overeenkomstig den aard, het karakter, de levensverhouding,
de sociale groepeering der taal- en kultuurgemeenschap. Het krijgt een
lokale kleur en kleurt weer de taal van den spreker op overeenkomstige
wijze. Het spreekwoord is een kunstvorm van de taal van den gemeenen
man--, en als zoodanig wensch ik het hier met enkele woorden te
behandelen.

Natuurlijk kan te dezer plaatse van een verzameling van spreekwoorden
in de verste verte geen sprake zijn. Noch Tuinman's, noch Harrebomé's
spreekwoordenboek, noch Stoett's magistrale verzameling wensch ik te
overtroeven. Slechts zou ik aan enkele voorbeelden duidelijk willen
maken, hoe zich het volkskarakter in spreekwoorden uit, tevens, voor
zoover mogelijk, rekening houdende met hun socialen oorsprong, d.i. met
het sociale milieu, de sociale groep, waaruit zij zijn opgegroeid.

Aanschouwelijkheid kunnen wij niet als karakteristiek kenmerk van
het Nederlandsche spreekwoord laten gelden. Formuleeringen als:
"beter éen vogel in de hand, dan tien in de lucht" vindt men
ook elders in menigte. Ook het stafrijm, als in "kap en kogel
(kat en kogel) verliezen", "met bed en bult vertrekken" enz.,
is algemeen-Germaansch en aan vele andere volken niet vreemd; men
denke b.v. aan het Latijnsche _cras credo_, of _sanus salvus_, dat
in het Fransch _sain et sauf_ werd. Alleen mag men beweren, dat de
allitteratie in onze spreekwoorden en spreekwoordelijke uitdrukkingen
nog welig en met onverzwakte groeikracht voorttiert. Dit geldt ook voor
de assonantie en het rijm: zij staan in gunste, en verschalken ons,
als wij den waren zin van een spreekwoord trachten te achterhalen. Zoo
berust de uitdrukking "zooals het _reilt_ en _zeilt_" (of "treilt en
zeilt", Zuidnederl. "reist en zeilt") op een rijmloos: "zooals het
_rijdt_ en _zeilt_", d.i. zooals het schip voor anker ligt ("rijdt")
en zooals het zeilt; zie Stoett, Spreekwoorden no. 1646. De symmetrie
in onze spreekwoorden, het streven om beide zindeelen aan elkaar
gelijk te maken, als: "wat niet weet, wat niet deert",--"komt tijd,
komt raad", is wellicht een flauwe herinnering aan den bouw der beide
Oudgermaansche halfverzen. Over deze en andere eigenheden zie vooral
Verdam, Geschiedenis der Nederl. Taal3, bl. 159 vlg.

Voorbeelden van deze en dergelijke ongekunstelde kunstvormen in
onze volksuitdrukkingen en spreekwoorden zijn in groote getale
bijeengebracht door A. Joos in zijn keurig boekje: Schatten uit de
Volkstaal (Gent 1887). Aan het Tweede Deel, dat de "Gepaarde woorden
of wederwoorden" bevat, ontleen ik het volgende.

Stafrijmen. Bakken en boteren (druk bezig zijn).--Biezen en
bijzen.--Hij is begraven zonder bimmen of bommen.--Blikken noch
blozen.--Boe noch ba zeggen.--Buigen of bersten.--Vóor dag en
dauw.--Door dik en dun.--Ditje's en datje's.--Van alles dubbel en dik
hebben.--Dit is maar een gapen en gieten (gemakkelijk).--Gibberen
en gabberen (zonder reden lachen). --Groen en geel.--Daar zal
hen noch haan over kraaien.--Hij kwam hink en honkel aan (stijf
of krom).--Hij wil hot noch haar (ongewillig, aan de voermanstaai
ontleend).--Kant en klaar.--Hij gaat naar kerk noch kluis.--Kijven
en krakeelen.--Kind noch kraai hebben.--Iemand buiten de deur zetten
met kisten en kasten.--Klitsen en kletsen (met de zweep).--Klodderen
en kladderen.--Spreken over koetjes en kalfjes.--Kort en klein
slaan.--Voor kost en kleeren zorgen.--Kris en kras.--Iemand van lap en
leer geven (een pak slaag).--Lief en leed.--Listen en lagen.--Lonken
en liefoogen.--Lui en lekker.--Vergaan met man en muis.--Perk en paal
stellen.--Van Pontius naar Pilatus sturen.--Met potten en pannen.--In
rep en roer.--Rijden en rotsen.--Schade en schande.--Schobben en
schooien.--Slag om slinger vechten (hevig).--Dat gaat zonder slag
of stoot.--Sloffen en sleffen (al slepende gaan).--Stijf en stom
staan.--Taal noch teeken geven.--Vast en veilig.--Iemand nijpen
tusschen vel en vleesch (bedektelijk berispen).--Visch noch vleesch
zijn.--Het is altijd vuur en vlam.--Vrij en vrank.--Wankelen en
weifelen.--Hij gaat door weêr en wind.--Hij weet van wijken noch
wankelen.--In zulke handen wint en woekert het geld (groeit het
aan).--Wisjes en wasjes.--Zuur en zoet.--Zuchten en zagen (ontevreden
zijn).--Zwieren en zwaaien.--Zwoegen en zweeten.

Eindrijmen. Blikken en flikkeren.--Bobbels en knobbels.--Brassen en
plassen.--Dringen en wringen.--Drinken en klinken.--Hij kan gaan noch
staan.--Garen en sparen.--Gedrang en geprang.--Gelapt en getapt, gelapt
en getrapt (gansch versleten).--Met geld en geweld.--In geur en fleur
staan.--God noch gebod ontzien.--Goed en bloed geven.--Hij komt aan
zijn kost met habben en krabben (moeilijk).--In handel en wandel.--Zich
verdedigen met hand en tand.--Daar bleef helder noch pelder of spelder
over (niets).--Tegen heug en meug.--Van hoeten noch toeten weten.--Hoog
en droog zitten.--Hotst het niet, dan botst het.--Hou en trouw.--Huis
noch kluis hebben.-- Jan en alleman.--Kikken noch mikken.--Zich kunnen
kleeden en reeden.--Knotteren en stotteren (lastig zijn).--Krinkelen
en winkelen (bochten maken).--Land en zand koopen (rijk worden).--'t
Is alles krank en mank.--Mikken en prikken, totdat ze gaan vliegen
(de gelegenheid laten voorbij gaan).--Iets van naadje tot draadje
uitleggen.--Naam en faam verliezen.--Met pak en zak vertrekken.--Met
raad en daad iemand bijstaan.--Rapen en schrapen (gierig zijn).--Rooken
en smoken.--Wij hoorden ruit noch muit (niets).--Schot noch lot betalen
(niets).--Schrijven en wrijven.--Smeren en teren (smullen).--Stank voor
dank.--'t Vriest steen en been.--Steen en been klagen.--Loopen langs
stegen en wegen.--Met tijd en vlijt.--Vrij en blij.--De zaak zooals
zij waait en draait.--Wasschen en plassen.--Wroegen en zwoegen (hard
werken).--Daar blijft geen zierken of geen spierken meer over.--Altijd
zot of bot zijn.--Zwieren en tieren.

Halve rijmen. Dag en nacht werken.--'t Zijn al eindjes en tuitjes
(stukjes en brokjes).--Ergens gewonnen, geboren en getogen zijn.--'t Is
met den zieke halen en dragen (nu wat beter, dan wat slechter).--Iets
volhouden bij hoog en bij laag.--Jokken en gekken.--Iets opeten met
ooren en pooten (vgl. het allitteerende "met huid en haar").--Met
stukken en brokken.--Tusschen waken en slapen.

Rijmlooze weder woorden. 't Is uit en amen.--Iets voor een appel
en een ei verkoopen.--Baas en meester zijn.--Iets achter banken
en stoelen steken.--Begekken en bespotten.--Over berg en dal.--Op
dag en uur.--Door deur en venster slaat de rook naar buiten.--Na
lang dingen en bieden.--Iemands doen en laten kennen.--Hij is
al lang dood en begraven.--Eenzaam en verlaten.--Eer en faam
verliezen.--Hij wil noch eggen noch aarden (is ongewillig).--Door
eksters en kraaien uitgescholden worden.--Eten en smullen.--'t Is
gedurig gaan en komen.--Iemand bedreigen met galg en rad.--Gelaarsd
en gespoord.--'t Moet altijd gelepeld en geboterd zijn (gepast).--Bij
leven en welzijn.--Iemand kennen van haar tot pluim.--Vol haat en
nijd zijn.--Daar zijn haken en oogen aan.--Hals over kop.--Met handen
en voeten.--Have en goed.--Hij geeft om hel noch duivel.--Een leven,
dat hooren en zien vergaat.--Een man van ijzer en staal.--Als kat en
hond zijn.--Men moet kiezen of deelen.--Met koets en paard.--Het heeft
kop noch staart.--Met kousen en schoenen in den hemel komen.--Lachen
en boerten.--Iets wagen op leven en dood.--Mager en gezond.--Iemand
man en paard noemen.--Bedorven in merg en been.--Moord en brand
roepen.--Bij nacht en ontij.--Oud en wijs genoeg zijn.--Tusschen
pot en glas spant de duivel zijn netten.--Proper en net.--Rust noch
duur hebben.--Iemand snap en beet geven (bits antwoorden).--Slaven en
wroeten.--Stellig en vast.--Vergaan tot stof en asch.--Loopen langs
straten en wegen.--Op tijd en uur.--Verhuizen met tafel en bed.--Van
toeten noch blazen weten.--Vast en zeker.--Met vedel en fluit.--Van
iemands vleesch en bloed zijn.--Vloeken en zweren.--Vrede en peis (peis
en vree).--Bij weêr en ontij.--Iets doen uit wrok en nijd.--Zang en
dans, zang en spel.--Iemand niet kunnen zien of luchten (niet kunnen
uitstaan). --Zonde en jammer.

Tot de algemeene faktoren, die invloed op den spreekwoordenschat van
ons volk hebben uitgeoefend, behoort zeer stellig het bijbellezen;
ik noem slechts: "waar het hart van vol is, loopt de mond van
over";--"die een kuil graaft voor een ander, valt er zelf in" enz.,
zie b.v. Dr. E. Laürillard, Opgave en toelichting van spreuken en
gezegden in de volkstaal aan den Bijbel ontleend (Amsterdam 1875), en
C. F. Zeeman, Nederlandsche Spreekwoorden, spreekwijzen, benamingen
en volksuitdrukkingen aan den Bijbel ontleend (Dordrecht 1877). Ook
de invloed van Vader Cats is niet te onderschatten. Maar voor ons
meer van belang dan het ontleende is het oorspronkelijke, meer dan
het vreemde, het litteraire en kunstmatige, is het karakteristieke:
wij bevinden, dat onze volksspreekwoorden en uitdrukkingen worden
gekenmerkt door de eigenaardigheden van Frieschen, Saksischen en
Frankischen volksaard, door vaderlandsche beroepen en bedrijven,
door klimaat en gesteldheid van den bodem, door sociale invloeden van
allerlei aard. Over het algemeen komt tot uiting een groote mate van
praktisch-nuchter overleg, gepaard aan gulle trouwhartigheid.

Bij de Saksers met hun gesloten halle-huis weerspiegelt zich vooral
het berekende en terughoudende in de gangbare spreekwijzen van het
gewest. Ik geef enkele voorbeelden uit Twente:

't Mot nen grooten sprekkert wezen, diê 't nen zwiêgert verbettert.

In der tiêd, dat zich nen wiêsen bedenkt, kan zich ok nen gek bedenken.

Met fiêne leu en stofreggen, door woj met bedroggen.

Aj 'n ekster uutstuurt, krie 'j 'n bonte vogel weer in huus.

Aj 't gat oetleent, möj oet de ribben schiêten (al te goed is
buurmans gek).

Leer um leer, kulst doe mîj, ikke dîj weer!

Ai-j twee slimmen in de wan doot, komp ter altied wal een slimmen
boaven. Vgl. Driem. Bladen III, bl. 48; IV, bl. 127, V, bl, 65.

Maar ook, hoeveel innigheid en poëzie schuilt niet om den huiselijken
haard onder het reuzendak van het halle-huis! Of is zij niet bij
uitstek dichterlijk de uitdrukking, die men in Twente bezigt voor
"als het wintert": "as de witte bijen vleegt?" Dit karakteristieke
hallehuis vinden wij met al zijn onderdeden in de spreekwoorden weer.

Het dak: Doar is te völ dak op 't hoes (er zijn te veel luisteraars).

De onderschuur: Wisse bis doe baas--in 't onderschoer as de hond er
nig is (Denekamp).

De hilde (zoldering boven den koestal): Asset eenmoal op de gaffele
hef, krigget ok wol op de hilde.

De haard: Ieder raakt de assche op ziênen kooken.--Den 't vuur schelt
(mankeert), zoch 't in de assche.--An de pan sloan, dat 'n kettel
der van rapt (grootspreken, ook wel lasteren).

De gemoedelijke Graafschapper denkt bepaaldelijk aan het ekonomische
voordeel, dat zijn haard met de ruime schouw hem biedt. Een voorn
uitwerpen om een kabeljauw te vangen heet bij hem: "met een metwo(r)st
noa een ziêje spek gooien." Het gelag betalen is "het haal schoeren."

Men lette voorts op de groote rol, die de huisdieren spelen in het
Saksische spreekwoord:

Wat hes door? "Niks." Door kans de kat met doodvoeren.

Der um hen drêjen as de kat um 'n gleuinigen pap.

Ai-j de kat op 't spek bindt, dan wil het 't nich vretten.

Alles moêst, wat van katten komp.

Van 't hondengeleuve wezzen.

't Geet um as 't hondebiêten (op beurt).

Zoo drok, as de hond, di zeuven tellers te likken hef.

Armeleu ossen en riekeleu kinder bint vroo groot.

Nauwverwant zijn de Drentsche en Groninger spreekwoorden. Wat Drente
betreft, "eerst bijna ontoegankelijk, later opzettelijk buitengesloten,
lang op zich zelf aangewezen", hier hebben uiteraard tal van oude
zegswijzen het leven kunnen rekken; zie Dr. J. Bergsma, Woordenboek
bevattende Drentsche woorden en spreekwijzen (Groningen 1906) I,
_passim_, en voorts Drentsche Volksalman. 1839, bl. 185, 207 vlg. Veel
poëzie mag men bij de stroeve bevolking der Drentsche veendorpen
niet verwachten. Van iemand, die een blauwe scheen kreeg, heet het:
"hij heeft het achterhek mede gekregen";--iemand in gevaar brengen:
"iemand het vuur op de hilde beuten";--wie wil geven, maar liefst
het geld in den zak houden: "hij wil poesten en houden het meel
in den mond"; volgens schriftelijke mededeeling van zeer geachte
zijde zou dit echter moeten zijn: "poesten en houden het meel in
den _zak_". Beteekenis: hij wil wel varkens houden, doch geen meel
verbruiken; hij wil bij kleine hoeveelheden uit den meelzak nemen, er
uit _poesten_ of met den mond blazen, zóo weinig, dat de inhoud van den
zak niet vermindert. Het gezegde betreft gierigaards.--De een is nog
minder dan de ander vertolkt de Drentenaar: "huis is karnemelks borge"
(echter ook Veluwsch: Geldersche Volksalman. 1879, bl. 175). Typisch
is vooral de zegswijze voor het begrip _sterven_: "de vork neerleggen".

Uit een eigenaardigen trek, dien wij ontmoetten in de Drentsche
volksgebruiken, b.v. te Weerdinge, Emmen, Meppel en Hoogeveen, bleek,
hoezeer de bijenteelt in die streken in eere staat (I, bl. 293,
294). Dit getuigt ook het spreekwoord. Hoe meer voorspoed, hoe meer
onwilligheid, kleedt men gaarne in dezen vorm: "hoe meer de iemen
winnen, hoe heiliger zij binnen";--hoe meer werk, hoe meer verdienste,
luidt: "hoe meer werk, hoe meer honig";--wie wil verdienen, moet
vaak het zure voor lief nemen: "die honig wil likken, moet lijden,
dat de bijen hem steken".

Bij de Groninger spreekwoorden en zegswijzen ontwaren wij vooral
een gezond en typeerend realisme. "As-te Grönnegers 't lief vol
(h)ebb'n, goan ze vot", klinkt wel wat erg prozaïsch. Maar ook
ethisch-hoogerstaande spreekwijzen zijn niet zeldzaam, als: "'t is
nou oart, moar 't zal wel voart wor'n", gezegd van iemand, die in
overmoed, uit overvloed geboren, versmaadt wat hij later zal moeten
missen. Kerngezond van geest en taal, en gehard van lijf en leden, zóo
zijn de echte Grönnegers: "frisch weer zegg'n ze nog, al klappertann'n
ze van koalle". Vgl. Driem. Bladen VI, bl. 118.

Het besliste, vastberadene, stugge Friesche karakter uit zich in den
stelligen, gedrongen vorm der Friesche spreekwoorden. Ook vindt het
zeemanswezen zijn weerklank.

Der iz modder oonne kloet (als de kloet veel gebruikt wordt, valt
heel wat schoon te maken, dus: hier valt heel wat zuiver te maken. Ook
wel gebruikt, als een jongen een meisje met geld trouwt).

Teecken je dij kaets (aan het kaatsspel ontleend: onthoud dit wèl).

It is better te sparjen mei brea (brood), as sonder brea.

Hij makket schien fjild (hij maakt het veld schoon, verkoopt ontijdig,
is een verkwister).

It giet oer koarren in klampen (het gaat alle maten te buiten,
eigenlijk gezegd van het water, dat bij storm langs vele wegen het
schip binnendringt).

Hâd je mar dom, den bin je frij fen pompen.

Dij het ien swiere boppelest (hij zeilt met een te zwaren bovenlast;
wordt ook gezegd van iemand, die beschonken, die "topzwaar" is).

Az de schippers sijllen, schôftjen se neat.

Al tijden isser op sijn afterschip (hij komt altijd te laat).

Aade tiercken (kerken) habbe tioestre glesfinsteren.--

Typisch om hun gedrongen kortheid zijn nog:

Quaelck won, quaelck spon (kwalijk gewonnen, kwalijk gesponnen).

Aad jold, aad hea, aad brae stiet ien wol to stae (oud goud, hooi,
brood komt iemand wel te stade).

It hea op, in de kou dea (het hooi op en de koe dood, d.i. als de
man sterft, is zijn goed opgeteerd).

Hij kin doeke noch swimme (hij kan duiken noch zwemmen, weet zich
niet aan te passen, is maatschappelijk onbruikbaar).

Sa scheper, sa hoen (zoo schaapherder, zoo hond).

Hoe meer wij nu de zee naderen, westwaarts, in de richting van onze
Hollandsche en Zeeuwsche laaglanden, waar het Friesch element zoo
duidelijk valt waar te nemen, hoe meer de taal het afgepaste en stugge
karakter verliest, hoe soepeler en smijdiger zij wordt in klank en
uitdrukking. En toch waait ons krachtiger de frissche zeewind tegen
en vindt het zeewezen een ruimer vertegenwoordiging. De volkstaal
krijgt hier veeleer den stempel van eenigszins ruwe hartelijkheid,
als van zeelieden, die den voet aan wal zetten; maar zij blijft
frank en vrij, zonder slinkschheid en kronkelwegen, lijnrecht als
de slooten en kanalen, die de polders talloos doorsnijden. De
spreekwoorden der kultuurtaal zijn doorgaans van Hollandsche
afkomst en het loont de moeite zich te overtuigen van den invloed,
dien water en scheepvaart op onze spreekwoorden en zegswijzen
hebben uitgeoefend. Moge een ander oordeelen, dat men het ijzer
moet smeden, als het heet is, de Hollander beweert, dat "men moet
zeilen, terwijl de wind dient." Maakt iemand veel verteringen, dan
"haalt hij zijn zeil in top"; versukkelt hij zijn tijd, dan "gaat hij
met de laatste schepen onder zeil"; inslapen is "onder zeil gaan";
toornig opstuiven "met opgestoken zeilen komen aanzetten"; bedaren is
"het zeil inbinden"; en verder:"stijf onder zeil zijn";--"achteruit
zeilen";--"klein zeil voeren";--"zeil op iets maken";-- "een oog
in 't zeil houden";--"alle zeilen bijzetten";--"iemand in de zijde
zeilen";--"met een nat zeil loopen";--"langs den wal zeilen";--"met
zeilen voor den mast liggen";--"bakzeil halen";--"in iemands zeilen
waaien." Ook bij huwelijksbeschouwingen speelt het zeil een voorname
rol. "Een vrouwenhaar trekt meer dan een marszeil," meent men; en
wil het geval, dat een vrouw voor een man niet past, dan luidt de
uitspraak: "dat is geen zeil voor dat schip."

Laat ik nog enkele scheepstermen en zegswijzen in herinnering
brengen. "Iemand aanklampen";--"iemand afschepen, aftakelen,
van bakboord naar stuurboord zenden";--"iemand aan boord klampen,
op sleeptouw nemen, in 't vaarwater zitten, een steek onder water
geven";--"het anker lichten, laten vallen";--"roeien met de riemen, die
men heeft";--"tegen den stroom oproeien"; --"in het riet sturen";--"met
de nachtschuit komen";--"leelijke streken op zijn kompas hebben";--"aan
het roer zitten";--"de vlag strijken";--"bijdraaien";--"de huik naar
den wind hangen";--"voor de haaien zijn";--"naar wal sturen";--"kant
noch wal raken";--"aan lager wal zijn";--"de beste stuurlui staan
aan wal";--"oude schepen blijven aan land";--"uitkaaien"; --"iemand
aan den dijk zetten";--"op 't droge zitten."

Luide spreekt ook het visschersbedrijf. "Visschen, terwijl het water
blond is";--"een schelvisch uitwerpen, om een kabeljauw te vangen";
--"een visch (snoek) vangen";--"visch moet zwemmen"; --"geen vin
verroeren";--"in troebel water is het goed visschen"; --"glad als
een aal";--"iemand aan zijn angel krijgen";-- "geld (boter) bij de
visch";--"aan den haak slaan";--"achter het net visschen"--"het neusje
van den zalm."

Maar wie het Hollandsche landschap kent met zijn eindelooze, malsche
weidevlakten, zijn slooten, zijn knotwilgen, zijn windmolens, zijn
prachtig vee, begrijpt, dat nog andere tonen in de spreekwoorden der
bevolking tot uiting moeten komen.

Op den heerlijken wintertijd met zijn nationaal ijsvermaak wijzen
uitdrukkingen als: "het ijs breken";--"zich op glad ijs wagen";-- "op
oud ijs vriest het licht";--"over ijs van éen nacht gaan";-- "beslagen
ten ijs komen";--"een scheeve (rare) schaats rijden". Betrekking op den
veestapel hebben: "de koe bij de horens vatten";-- "de koetjes loopen
in mijn weiden";--"zijn koetjes op het droge hebben";--"over koetjes en
kalfjes praten";--"als de kalveren op het ijs dansen";--"oude koeien
uit den sloot halen". Belangrijk is vooral de zegswijze "veel koeien,
veel moeien", niet slechts, omdat hier _moeien_ bewaard is gebleven,
het meervoud van _moeie_ "moeite", vergelijk het Hoogduitsche _Mühe_,
maar meer nog, dewijl het vermogen in rijkdom aan vee berekend wordt.

Holland is ook het land van de windmolens: "dat is wind op
zijn molen";--"de molen is door den vang" (de zaken loopen
verkeerd);--"hij heeft een slag van den molen weg (beet)";--
"hij loopt met molentjes". Maar Holland is vooral het waterland,
"door den mensch ontwoekerd aan de zee", schrijft bewonderend Edmondo
de Amicis, "een kunstland, door de Hollanders gewrocht, in stand
blijvend, omdat de Hollanders het behoeden, verdwijnend, wanneer de
Hollanders het prijs gaven". Bevat het spreekwoord "die 't water deert,
die 't water keert" niet heel wat volkswijsheid en historie? Hier
wordt het Hollandsche volk geteekend in zijn strijd met het vochtige
element. Oudtijds moest, luidens dit spreekwoord, zich ieder tegen
het water verdedigen, zoo goed hij kon. Het water te keeren, was aan
ieders initiatief overgelaten, en niet zelden liepen de afzonderlijke
belangen uiteen: het was de periode van het partikularisme. Maar de
kracht van den enkeling bleek aldra onvoldoende tegen het geweld van
storm en vloed. De noodzakelijkheid, bij gemeenschappelijk gevaar het
water terug te dringen of af te leiden, eischte onverbiddelijk vele
handen, ja eischte gemeenschappelijk handelen en deed de persoonlijke
belangen terugwijken. Aldus leerden onze voorouders met kracht,
uit eendracht geboren, te handhaven het erfdeel hunner vaderen.--Wat
zal nu in verband met deze ontwikkelingsgeschiedenis de beteekenis
zijn van dat andere spreekwoord "Gods water over Gods land (akker)
laten loopen"? De oorspronkelijke zin kan m.i. niet zijn een laf en
lijdelijk toezien, maar, na volbrachten plicht, kalme berusting in
Gods wil. En vooraleer het Nederlandsche volk die vrome, niet-loome
berusting verliest, kan er nog heel wat water door den Rijn, de Waal,
de Maas, de Schelde loopen.

Het water leerde ons volk arbeidzaamheid en zindelijkheid tevens;
immers het steeds en aldoor weer schuren van huisraad en ander
koper- en ijzerwerk vindt zijn oorzaak in de vochtigheid van het
klimaat. Arbeidzaamheid en zindelijkheid zijn een tweeling-karaktertrek
onzer natie, een trek, die zijn oorzaak vindt in het vochtige
element en zoo voortreffelijk, kort en krachtig, belichaamd wordt in
het spreekwoord, dat wij het Hollandsche zouden willen noemen bij
uitstek: Rust Roest.--En mag ik voor Zeeland in het bijzonder nog
eens herinneren aan het wèlverdiende: "goed rond, goed Zeeuwsch?"

Bij de zuidelijke Franken, in Brabant, Limburg, de Lijmers, de
Overbetuwe, het Land van Maas en Waal en het grootste deel van
België, wordt de spreekwijze losser en levendiger, vertoont zij meer
sprankelend vernuft en humor, meer kleur en poëzie. Wij trekken ons
nu van de zee terug en gaan door het wuivende graan en de geurende
boekweitvelden, langs de blonde oevers van Maas en Schelde, of door het
zonnige, lachende heuvelland langs moeizame kronkelpaadjes, of over
de eindelooze, golvende Brabantsche wegen. Wellicht ontmoeten wij op
onze wandeling een vroolijke verhuispartij, of een bruiloftsstoet
met vedel en trom, of zijn wij getuigen van den fieren uittocht
eener zelfbewuste schuttersgilde naar het feestterrein, of mogen wij
aanzitten aan een welvoorzienen kermisdisch. Want gulle gastvrijheid
viert hier hoogtij, en evenzeer gulle vroolijkheid, ja uitgelatenheid,
terwijl jolige scherts de overvloedige gerechten rijkelijk kruidt.

Hoe spiegelt zich dit drukke, landelijke, feestelijke leven in
spreekwoorden en zegswijzen:

Alles op tiêd en bookeskook (boekweitkoek) in den herfs. [18]

Hê it, dette zweit, en hê werk, dette kald wuurd.

Hê hêt de paplêpel weggelag (is gestorven).

Wie doller gebrouwe, wie bêter beer (hoe lichter men de zaak opvat,
des te meer valt zij mee).

Den bessem oêtstêke (zie I, bl. 276).

Beer van Paters vêtje.

Beer op melk verhaampt zich neet (verdraagt zich niet).

Op de foekepot speule (lawaai maken, zie I, bl. 142, 157).

Geine gek van Sint Merte make (niet overdrijven, heeft betrekking op
het Sint Maartensfeest).

Hê is good gelaaie (heeft veel gedronken).

Det geit door 't getuug hêr (gaat te ver).

Hê is van naat holt gemak, van de nate gemeinte, lös (lust) zie naat.

_B_otermelk is _b_oere-medesien.

Van eine _k_ale _k_ermis toês kome.

Achterum is 't kermis.

Achter mienen rök is 't kermis.

Lache wie (as) 'ne kermishond.

Zoeë zinge ze neet, as ze van Kêvelêr kome.

Gein schutterie zonder keuning.

Drij moal keuning is keizers rech.

Koeël is good ête, maar dan mot 't verke der door loupe.

Land bemiste lieët zich neet foppe.

Lekker is gouw de kêl aaf.

Eine lintworm in 't liêf hebbe.

Melk is beer veur de jonge, beer is melk veur de alde.

Ik bin 't meug (moe) wie kalde pap.

Moos is geine spekkóok.

't Zoeë drök hebbe as de pan mit Vasteloavend.

Ein ploog (ploeg), die werk, roes neet.

De ploogestert stik (steekt) um door de boks oêt.

't Geit um zoeë dun as pompwater.

Hê lieët reube good moos zien.

Hê hêt 't spek hoeëg hange.

Det is zoovuël as 'n vleeg in 'nen brouwkêtel.

Eine mnd hebbe as 'n woafelpan.

Zoolang de vogel op de mas (mast, schietboom) steit, maag me der
noa scheete.

Pêrstand (paardentand) en vrouwehand mote noeëts stil stoan.

Einen in de wan kriege, mit eine wanne (met iemand sollen).

Van ei joar mot me de ploog neet aan de wand hange (als 't een
jaar tegenvalt, moet men nog niet moedeloos worden).

Zoeë zak, zoeë zoatgood (zoo ouders, zoo kinderen).

Waat m'n aan 't verke voort, krieg m'n aan 't spek truuk.

Alles vergeit, behalve de koestert, dê blief altiêd achter.

Geliêk vieë lek zich gêr.

Now is de bok vet!

Det is gei klein beer (dat is geen smaldoek).

Ermeluus pannekeuk en riekeluus krengde (ziekte) ruuk me wiêd.

Eine vildershond, ein halversdochter (pachtersdochter), en ei
meulepêrd,--zien veur 'nen boer niks wêrd.

Kald beer zit werm blood.

Hê is 'nen dröpkeshèlige, dê in alle herberge verierd wuurd.

Hê hêt de plaat um (ziet er deftig uit, als een schutterskoning).

Hê hink mier aan de vaan as de ganse bronk wêrd is (_bronk_
is hier de gilde-optocht).

Hê hêt zien bein mit muggevet ingesmêrd (om te dansen).

Den eine speulman is den andere ein deuntje schüldig.

De letste man de zak ophalde (tot het laatst blijven).

Hê hêt de vogel aaf.

Maar men zou verkeerd doen, met te meenen, dat de Zuidnederlandsche
spreekwoorden zich uitsluitend bewegen op het terrein van spel en
scherts en feestgelag, met het landleven als ondergrond. Kent gij
spreekwoorden, die in diepen levensernst kunnen wedijveren met dat
hoog-ernstige: "Groeëter is 't leid, det gevare (gereden), as det
gedrage wuurd"? Kent gij er, die het in warmte en innigheid kunnen
halen bij dat gevoelvolle: "Al is de mooder nòg zoeë erm, ze dek
(dekt) toch werm"?

Zeer veelvuldig zijn ook de spreekwoorden en zegswijzen van religieuzen
aard, of die tot het Roomsch-Katholieke geloof in zekere betrekking
staan. Tot deze laatste groep behooren:

Hê is in Roeëme gewês en hêt de Paus neet gezeen.

Me mot de kerk in 't midde loate.

Doa is gei kerkske zooë klein, of ter duvel bouwt zich ei kapelke
dernêve.

Pastoeër zêgent zich zelf 't iers (eerst).

Pastoeër deut gein twieë misse veur eí geld.

Rêgent 't op de pastoeër, dan druubdet (of: druubbet) op de köster.

Hê steit doa wie 'n Poaskers (stijf-deftig).

Me mot eeder hellige ziene was (kaars) gêve (men moet ieder
geven, wat hem toekomt).

Ein hieël litanie schöld op zien rêkening hebbe.

Waat 'n kruuts--geí (geen) kruuts!

Hê hêt den oferstok gevêg.

Eemand zien evangelie, de ach zalighede lêze.

Zich eine stoal in den hemel verdeene.

Hê hêt eine kop wie eine Karthuzer.

Têge de klippe van de hel aan (met de uiterste krachtsinspanning).

Me mot O.L. Hieër neet noa de ouge wille stêke.

Hê zuuter oêt as 't ieëwig lêve.

Hê zuuter oêt as 'n bedrökte Magdalena.

Maar ik sprak daar zoo juist van spreekwijzen, die een beslist
Christelijk volkskarakter openbaren, en ook deze zijn niet gering in
aantal. Ik volg hier met enkele wijzigingen den bekwamen schrijver
van de Kijkjes in Limburg in den Limburger Koerier (CCCLXIX), en
noteer de spreuken weer, voor de eenvormigheid, in het Venloosch
dialekt; ik wensch echter uitdrukkelijk op te merken, dat zij
algemeen-Zuidnederlandsch zijn.


    Waat God wilt behalde
    Zal verheite (verheeten) noch verkalde


klinkt het met kalme berusting. Kan het anders? Als iemand zijn werk
begint, zegt hij: "In Gods naam". Soms klinkt dat: "In Godsnaam:
des neet gevlook". Vertelt hij van zijn voornemens voor de toekomst,
dan zal hij nooit verzuimen er bij te voegen: "As God bleef' (als
't God belieft). Verricht hij het een of ander goed werk, dan doet
hij dat "ter iere Goads" of "om Goads wil." Wil hij met aandrang iets
vragen, dan zegt hij "Ik bêj dich um Goads wil." Met elk goed werk
weet hij, dat hij verdient "eine Godsloeën." En slaagt hij in een
zijner ondernemingen, heeft een moeilijk werk ten einde gebracht,
ontvangt hij een gunstige tijding, dan volgt een hartelijk "Goddank."

"God loeënt och", zei vroeger de kerkmeester voor elk centje,
dat in de schaal gelegd werd bij zijn rondgang door de kerk. "God
loeënt och", zegt thans nog de arme, als hij een aalmoes krijgt
aan de deur. Maar komt de arme om een aalmoes bij iemand, die niets te
geven heeft, dan zegt deze: "God wil os helpe." Of hij hiermede
te kennen wil geven, dat hij zelf geholpen moet worden?

Gaat iemand op reis, dan luidt het nog vaak ten afscheid: "Gank,
det dich God bewaar!" En spreekt men over een afgestorven maag of
vriend, dan blijft diens naam wel zelden zonder de bijvoeging "zaliger
gedachtenis", of: "God gêf um den hemel", of "God truës zien zieël."

Meer bepaaldelijk in Vlaanderen hoort men nog: "Vree is God mee";--"God
beschikt over nacht";--"geef God geen beschimmeld brood";--"God geeft
de koe, maar niet bij de hoornen", d.w.z. de mensch moet krachtig
meewerken en de handen uit de mouw steken;--"'t is alles goed wat
God wil";--"men moet God naar de oogen zien";--"ik was liever zijn
rozenkrans, dan zijn paard;--"als de eene bedelaar den andere iets
geeft, dan lachen de engelen in den hemel." Zie Pr. Van Duyse, in het
Belgisch Museum V, bl. 192. Het geestige, boertige van het Vlaamsche
spreekwoord blijkt vooral uit verzamelingen als die van A. de Cock,
Spreekwoorden en zegswijzen over de vrouwen, de liefde en het huwelijk,
in Volkskunde XI--XX (ook afzonderlijk uitgegeven). Verder: A. de
Cock, Spreekwoorden en zegswijzen, afkomstig van oude gebruiken, in
Volkskunde IX--XVII; Spreekwoorden, zegswijzen en uitdrukkingen op
volksgeloof berustend, in Volkskunde XIX--(onvoltooid); Geldersche
Volksalman. 1819, bl. 175; Welters, Feesten, Zeden, Gebruiken en
Spreekwoorden in Limburg; Limburg's Jaarboek VII, bl. 159, 293;
VIII, bl. 73, 238; XVI, bl. 64, 228, 284; XVII, bl. 45; Mélanges Paul
Frédéricq, bl. 51.

Vele van deze spreekwoorden vinden wij op de Veluwe weer, in zoo
menig opzicht met het zuidelijk volksgebied verwant. Vooral tal van
spreekwoorden en zegswijzen, die op den akkerbouw en het akkerleven
betrekking hebben, zijn gemeenschappelijk. "Anspan kriigen" heeft te
Uddel de beteekenis van een maat, een makker, een medehelper krijgen.

Zeer eigenaardig, vooral ook met het oog op het Veluwsche landschap,
is de zegswijze: "met den plaggenwagen komen", d.i. geen aanzoek
gekregen hebben. Als een boerendeern, bij gelegenheid van de kermis,
geen vrijer gehad heeft en ze komt ook zonder jongen thuis, dan is ze
"met den plaggenwagen weergekomen", en dan moet ze "den volgenden dag
de speken (spaken) gaan opzoeken": Onze Volkstaal III, bl. 250, 251.

Het spreekwoord neemt een eigenaardigen vorm aan in de _apologische
spreuk_ of exempel-spreuk. Deze legt een ervaringsbeginsel of ook
maar een gewone zegswijze, aan een mensch, die zich in een ongewone
situatie bevindt, in den mond, of nog komischer, aan een dier, en
ontwikkelt aldus een groote komische kracht. Zoo b.v.: "Alles met mate,
zei de snijder, en hij sloeg zijn wijf met den ellestok", een gezegde,
ook in het buitenland ruim verbreid.-- "Elk zijn meug, zei de boer,
en hij at vijgen".--"Alle beginselen zijn moeilijk, zei de boer,
toen moest hij de koe bij den staart in den stal trekken".--"Dat
heeft geen zwarigheid, zei de bakker, toen woog hij het brood te
licht".--"Alle baten helpen, zei de wolf, en slikte een mug af".

Twente: Dat is 'n ander keurn, zèj de muller, en hê beet in 'nen
moezenköttel.

Salland: Alles is maar een weet, zèj de boer, en hi bloazen met z'n
gat de lampe uut.

Groningen: Das-t-er aine zunde staine, zee de oeling, dou vradd'e en
slakk op en mainde, dat 'n proeme was.

Limburg: Waat now gezonge, zach de köster, doe stond de
kerk in brand.

Getroffe, zach de jong, doe smeet hê zie vader en oug oêt.

Alles is maar gewuënte, zach den bekker, doe vêgde hê mit de kat den
oaven oêt.--

Men vindt ook tweeledige. Zoo b.v. Limburg: Det is aangebrand, zach de
vrouw, doe de jong wat in de botermelk vond.--Aangebrand,
hêt det ouk bein? zach de jong, en heel (hield) eine mölder in
de huëchte.

Nu zijn juist deze apologische spreekwoorden voor ons van groote
waarde, omdat zij getuigenis afleggen van de wijze, waarop bepaalde
maatschappelijke personen of standen denken en spreken, al dingt het
luimige karakter dezer volksgezegden op de waarheid der opvatting
heel wat af.

De Boer. Alles heeft zijn inzicht, zei de boer, en hij keek in
zijn muts.

Daar zal een bakkie theewater op smaken, Dominé, zei de boer, en hij
had zijn vrouw begraven.

Dat is een groote wetering, zei de boer, en hij zag de zee.

Dat is een schoone vondst, zei de boer, en hij spleet een zwavelstok
in zestienen.

Ik deug niet in de huid, zei de boer, toen hij op sterven lag, en
hij sprak de waarheid.

Ik ga eens zien, of mijn familie slaapt, zei de boer, en hij keek in
het varkenskot.

Ik houd niet van hangen, zei de boer, maar ik moet wel.

Het Besje. De jeugd wil er uit, zei het besje, en zij reed op een
bezemstok.

De onderdrukten hebben het hard, zei besje, en zij zag een luis
knippen.

Het is de jonkheid, zei besje, en toen speelde een zeventiger met
buitelmannetjes.

Zuinig, zei besje, lekker is maar een vinger lang.

Zuinig, zei besje, de boter is duur.

De Vrouw. Het overleggen is 't al, zei de vrouw, en zij braadde het
spek in de boter.

Zij maken den bokking hoe langer hoe kleiner, zei de vrouw, en ze
zag sprot liggen.

Daar kom je kaal van af, zei de vrouw tegen haar man, en hij kwam
van den barbier.

De Man. Alle ding laat zich eten, zei de man, en hij at garnaal
en krabben.

Het oog wil ook wat hebben, zei de man, en toen sloeg hij zijn vrouw
een blauw gezicht.

De Knecht. Ik en mijn baas hebben de zolder vol hooi liggen, zei de
knecht, en hij was blij als hij zijn weekgeld kreeg.

De Meid. Als ik eens vrij man word, zei de meid, dan eet ik ieder
dag gort met rozijnen.

Die ligt op zijn uiterste, zei de meid, en zij zag een botertonnetje,
dat tennaastenbij leeg was.

De Dief. Alle beginselen zijn zwaar, zei de dief, en voor de eerste
maal stal hij een aanbeeld.

Ik moet er meê wezen, zei de dief tegen het loopende volk, en hij
reed naar de galg.

Kwaad gezelschap, zei de dief, en hij ging tusschen den beul en een
monnik naar de galg.

De Ambachtsman. Goed overleg is het halve werk, zei de broddelaar,
en hij zette den lap naast het gat.

Wat duurt er eeuwig, zei de metselaar, toen had hij een oven van
Friesche turf gemetseld.

Een handwerk heeft een gulden bodem, zei de wever, en hij zat op
een hekel.

't Is een vette buit, zei de visscher, en hij haalde een walbaars op.

Alle vrachtjes lichten, zei de schipper, en hij smeet zijn vrouw
over boord.--

Ten slotte nog enkele voorbeelden ter verluchting van het apologische
dieren-spreekwoord.

Laat de dooden rusten, zei de arend tot de raaf, en hij verslond een
levende duif.

Hou je gemak, zei de havik, toen hij de duif plukte.

Wij scheiden zóo niet, zei de haan tegen de pier, en vrat ze op.

Scheiden is bitter, zei de hond, toen was hem de haas ontloopen.

Goeden dag samen, zei de vos, en hij kwam in het ganzenhok.

Alle ding daar het behoort, zei het varken, en het kroop in de
geldkast.

Kort beraad, goed beraad, zei de wolf, en hij hapte naar het schaap,
dat hem ontsnapte.

Gelijk bemint zijns gelijk, zei de luipaard, en hij verslond een
bonte kraai.

De druiven zijn zuur, zei de vos, toen hij er niet bij
kon. Zie Kirghbijl ten Dam [J.A. Alberdingk Thijm], Vaderlandsche
karakterschildering in onze spreekwoorden, in De Dietsche Warande IV,
blz. 213 vlg.

Bij het bepalen der psychologische waarde van het spreekwoord dient men
vooral te letten op oorsprong en ontwikkeling of vervorming. Zoeken
naar den oorsprong beteekent zoeken naar den oudsten, niet naar den
"waren" of "eigenlijken" vorm. Want de volksspreekwoorden behooren tot
de levende taal- en begripsorganismen, die steeds nieuwe groeikracht
vertoonen en immer nieuwe loten uitschieten, welke dan met evenveel
recht groeien in de vrije lucht en ópranken naar het licht als de
oude moederstam.

Om nu zekerheid te krijgen omtrent den oorsprong, dient men vooral
niet te veel af te gaan op de innerlijke waarschijnlijkheid, maar de
beste methode is, den taal- en voorstellingskring, de sociale groep
op te sporen, waarin de uitdrukking het best past en waar zij zonder
beeldspraak is. Dit is b.v. het geval met de uitdrukking "op zijn
eigen houtje", aan de zeemanstaal ontleend, waar "zijn eigen hout"
inderdaad in de beteekenis van "schip" gebruikt werd; zie Eymael,
De Nieuwe Taalgids, bl. 97.

Maar aldra verlaat het spreekwoord zijn oorspronkelijk milieu en
fladdert in velerlei gedaanten rond heinde en ver. Somtijds heeft
opzettelijke nieuwvorming plaats, zooals in de uitdrukking van Busken
Huet: "Gods water over Gods akker laten _kabbelen_"; maar Huet schreef
geen volkstaal. Verreweg de meeste vervormingen zijn onbewust. Zij
berusten op klankassociaties, als: "dat loopt de spuitgaten uit," voor
"de spuigaten";--"over éen kant scheren", voor "over een kam scheren";
of ook op begripsassociaties. Zoo schrijft De Vooys in zijn artikel
"Een principiële opmerking bij het etymologiseeren van spreekwoorden
en spreekwoordelike uitdrukkingen" in De Nieuwe Taalgids, bl. 178
vlg., waar hij deze geheele materie zoo voortreffelijk behandelt:
"_Voor een heet vuur staan_ zal waarschijnlik eerst een soldaten-
of matrozenuitdrukking geweest zijn, maar het "hete vuur" kan
nu heel goed het beeld van een bakker, een glasblazer of een kok
suggereren. Men kan in een dergelijk geval wel uit de oudste plaatsen
het oudste-- desnoods het "oorspronkelike"--beeld trachten te vinden,
als men dat maar niet als het "echte" of "eigenlike" tegenover de
latere "onechte" of "verbasterde" stelt. Feitelijk is de uitdrukking,
ondanks de gelijkheid van klank en betekenis, iets anders, iets nieuws
geworden. De vernieuwing gaat zich uiterlik openbaren, als er wijziging
in de woorden het gevolg van is." Zoo dacht men bij de uitdrukking
"de bom breekt uit" aanvankelijk aan een vat, waar de _bom_ (de spon)
uitspringt. Maar door de klankgelijkheid van dit _bom_ met _bom_
"kogel" heeft zich weldra een ander beeld in de plaats geschoven,
en in verband hiermee werd _uitbreken_ vervangen door _barsten,
losbarsten_ of _springen_. Hier heeft het gewijzigde beeld ook de
geheele beteekenis doen veranderen. De oude beteekenis "het geheim
is uitgekomen" is geweken voor "er is een beslissende uitbarsting
gekomen". Het volk heeft dus een geheel nieuw spreekwoord gewrocht,
zoowel wat beteekenis als wat vorm betreft. Dit feit is van belang
voor de psychologie van het volksleven, maar ook voor de historie
der kunstvormen, waarin het volk zijn gedachten en gevoelens pleegt
en weet te kleeden. Die vormen zijn ook lokaal gekleurd, niet alleen
door de sociale, maar ook door de ekonomische, de geografische, de
ethnische geaardheden en toestanden. "Er moet nog veel water door
de Maas vloeien", wordt elders: door de Waal, den Rijn, de Schelde,
de Leie, de Demer enz.;--"een schelvisch, een spiering uitwerpen om
een kabeljauw te vangen", wordt in Limburg: "een avel uitwerpen om een
snoek te vangen", en in het Oosten van ons land: "met een metworst naar
een stuk (zijde) spek gooien". Het Hollandsche: "zoo oud als de weg
naar Kralingen", luidt in Limburg: "zoo oud als de weg naar Keulen,
naar Aken, naar de Peel". Het Drentsche spreekwoord: "Armelui's ossen
en rijkelui's kinder zijn gauw groot", heeft in Limburg den vorm:
"Ermeluus holt is gauw gehouwe en riekeluus kinder zien gauw getrouwd".

Tot de kunstvormen van de volkstaal behoort ook de _volksluim_,
die zich vertoont in de grilligste gedaanten.

1. Zeer veelvuldig zijn de woordspelingen op plaatsnamen, waarvan ik
hier enkele staaltjes laat volgen. Ook gefingeerde namen vindt men
er bij.

Naar Molleghem zijn; naar 't Pierenland zijn (dood en begraven zijn):
Vlaanderen;--naar Piepenbroek zijn: de Veluwe.

Bleijenbeek (bij Afferden) gaat voorop (een blij lijk).

Well is Well, maar in alle huizen is het niet Well: Limburg.


           Te Wellerlooi
    Daar zingen de veugelkes zoo mooi.
          Te Well ook wel,
    Maar niet zoo mooi als in in de Looi.


Naar Boxmeer gaan (zijn beurs trekken, zinspeling op het woord _boks_
"broek").

Van Lekkerkerk zijn.

Een mond opzetten zoo wijd als Montfort.

2. Plaatsnamen in luimige gezegden zonder woordspeling.

Zoo lang als Elmpt (een lang Duitsch dorp op de Limburgsche grens).

Een gezicht zetten zoo lang als Posterholt.

Zoo breed als Geilenkirchen: Sittard.

Hij is te Ool nog niet over! (gehucht bij Roermond).

Hij komt van de Merumer markt: Roermond.

Hij is een uit de Maaseyker vier uitersten (d.i. "lui, lekker, kaal
en hoovaardig").

Dat ligt tusschen Maastricht en Allerheiligen (nergens).

Van Bommel tot Den Bosch (volop).

Van Helmond komen (drukte maken).

Naar Zuidbroek gaan, zegt men te Hoogezand voor "een dutje doen";
te Venloo heet dit: "naar Tegelen gaan", enz. Men noemt natuurlijk
steeds een naburig dorp.

Ik ga naar Sebaldeburen apen drillen (als de Groninger niet wil
vertellen, waar hij heen gaat).

Een boterham, waardoor men Maastricht kan zien.

Op Kessenicher veêren slapen: Belgisch Limburg.

Altijd hooger, als het orgel van Gangelt: Sittard.

Op de Akerstraat (buurt van Hoensbroek) bakt men de koek maar aan éen
kant (de huizen liggen slechts aan éen kant van den weg). Hetzelfde
zegt men b.v. van Buggenum (L.) en Oudeschild (Texel).

Iemand naar Geelbroek (tusschen Beilen en Assen), naar den Kollenberg
(Sittard), naar den Heksenberg (Heerlen), naar de Mookerhei wenschen.

3. Spotrijmpjes op steden en dorpen.


    Oostergoo het land,
    Westergoo het geld,
    De Wouden het verstand,
    De Steden het geweld.


    Dokkum is een oude stad,
    Een oude stad boven maten,
    Daarom verkoopt men anders niet
    Als taai en ook garnaten.


    De Amelander schalken,
    Die stalen eens drie balken
    s Avonds in den maneschijn,
    Daarom zal 't hun wapen zijn.


          Neêr-Langbroek
          Die schrale hoek!
         Daar wonen niets dan edellui
          En bedellui,
            Ridders
          En broodbidders;
    Daar staan anders niet als kasteelen en nesten,
         Sterkenburg is het beste.


    Deventer is een koopstad,
    Zutfen is een loopstad,
    Lochem is nog wat,
    Maar Borkeloo is een hondegat.


    Amsterdam ligt aan het IJ,
    Monnikendam, daar wonen wij;
    Edam is een nest,
    Hoorn doet zijn best,
    Enkhuizen staat op tonnen,
    Medemblik heeft het gewonnen.


    Peer is nog een stad,
    Achel is nog wat,
    En Bree is een paddegat.


    Brugge is zot,
    Gent is bot.
    Kortrijk heeft 'nen zin,
    Ronse heeft van den duvel in.


    Wing, Wang, Laar,
    Herpen over Orsmaal,
    Hal al bovenal,
    Dormaal is een verkensstal.


    Die van Balen (prov. Antwerpen) komen geloopen,
    Om den Molschen toren te koopen,
    Die van Balen, die waren nie zot,
    En ze gongen er mee naar 't verkenskot.


    Dendermonde
    Leeg van gronde,
    Klein van goed,
    Hoog van gemoed.


    De volontairen van Grammont (Geeraardsbergen)
    Die lieten stelen hun kanon.
    Zij exerceerden lijk de koeien,
    En zij stalen al de Savooien.
    Rakkedok--kedok!
    Mee 'nen krommen kop;
    Z'hebben een geweer
    Lijk 'nen bloemkoolstok.


    Herenthals is 'ne nest,
    Die der wonen, weten het best.


    Hersel--de macht,
    Westel--de pracht.


    Hooglee--groote pracht,
    Verre gezien en weinig geacht.


       Hooglee
       Schoone stee,
    Lichtervelde lacht er mee.


          Eessen
        Is een deesem,
        Zane is een trog,
    Werken loopt er om nog,
    Handzame is een leegaard,
    Koekelare is alderbest,
    Bovekerke is 'n kakkernest.


         Te Langedijk
         Daar zijn ze rijk,
    Daar eten ze gort met krenten!
    En waarom zouden zij dát niet doen,
    Ze leven er van hun renten.


    Daar kwam 'nen boer van Leuven,
    Van Leuven kwam 'nen boer;
    Hij meende gaan te dorschen,
    En viel op zijnen vloer.


          Enumatil
          Daar kijken ze gril,
          Daar staat geen kerk of toren;
    Als de snik komt, blaast de jong op 't horen.


            Maasland,
            Vet land
    De bedelêren komen van dien kant.


    Die van Mol die zijn geschoren,
    Ze hebben vier wijzers en geenen toren;
    Die van Geel, die zouden loopen,
    Om de wijzers af te koopen;
    Die van Balen zijn jaloesch,
    Ze hebben 'nen toren lijk 'ne kroes.


    Rijke Vörsel
    Arm Mal
    Lomp Zoersel
    Mager Hal (Kempen).


    Tiegem--berg en dal,
    Ingoigem--lang en smal,
    Ootegem--de fleure van al!


    Te Zulte in 't zand,
    Hoe meer dat 't regent,
    Hoe beter land.


    Loon-op-Zand,
    Licht volk, licht land,
    Ze schooien den kost,
    En ze stelen den brand.


    Herten, Merum en Ool,
    Drie dorpen en éen pastoor.


        De Bressianen (van Breskens)
        Zijn hanen,
    Maar voor Schoondijke
    Moeten ze wijken.
    En komen die van Groe,
    Dan houden ze beter hun deuren maar toe.


    Koevorden is een fraaie stad,
    Dalen is een moddergat,
    Wachtum is een eendenpoel,
    Hesselen is een koningsstoel.


Zooals men ziet, wordt met sommige plaatsen de spot gedreven, om
eigen woonplaats op te hemelen. Dit laatste is uitsluitend beoogd in
het Veluwsche:


    Kootwijk is een zoetendal,
    En die er is, die blijft er al.


En eveneens in het Groningsche:


          Riepster klokkengeklang,
          't Lopster örgelgezang,
          't Zandster bouwland,
          En Steemer kouland,
    Dat is het kroontje van Grönnegerland.


Maar het kan óok zijn, dat de regels: "Kootwijk is een zoetendal, En
die er is, die blijft er al" oorspronkelijk bij een meer uitgebreid
rijmpje hebben behoord. Men vergelijke:


    Zuidhorn is een bloemendal,
    Die er woont, die blijft er al,
    Noordhorn is een moddergat,
    Die er komt, die vindt er wat!
    Oldehove, die stompe toren,
    Daar wil de koster zijn wijf vermooren.
    Niehove loopt in 't rond,
    Daar loopen de meisjes kakelbont.
    Feerwerder katten
    Springen over latten,
    Vangen de muzen
    Bij honderd en duzend,
    Braden ze in de pan,
    En eten er alle dagen van.


    Tiel is een stad,
    Echteld is een gat,
    IJzendoorn is een waterpoel,
    Ochten is een koningsstoel.


    Bommel, Bommel blinkt schoon,
    Waardenburg spant de kroon,
    Tuil is 't alderbest,
    Hafte is een kraaiennest,
    Hellouw is een eendenpoel,
    Herwijne is een schettestoel,
    Vuren is een errem land,
    Dalem ligt aan den Waterkant,
    Gorkum is een schoone stad,
    Schelluinen is een hondegat.


Een enkel voorbeeld van plaatsnamenrijmpjes, die de taal kort en
treffend karakteriseeren:


    De Visvlieter bellen,
    Zeggen van zèllen en wèllen,
    De Boerumer bollen
    Zeggen van zollen en wollen,
    En de Kollumer luden
    Zeggen van zuden en wuden.


Zie Driem. Bladen IX, bl. 47, 48.

4. Spotrijmpjes op voornamen en familienamen.

Antoon:


    Toontje
    Mijn zoontje,
    Wanneer zal 't zijn?
    T'avond in de maneschijn.


Jan Baptist:


    Jan Baptiste,
    Suiker in de kiste,
    Vleesch in de pot,
    Jan Baptiste is waarlijk zot.


Jan:


           Jan
        Koekepan,
    Met 'nen spijzen boterham.


           Jan
    Bakt eieren in de pan,
    Bakt eieren in den schoen,
    Dan herre geen pan van doen.


    Jan, mijne man, is altijd ziek,
    Heel de weke, heel de weke,
    Jan, mijne man, is altijd ziek,
    Heel de weke, maar 's Zondags niet.


Jozef:


            Seven,
             Laat mij leven,
    'k Zal u een stuk van mijn hemdslip geven.


Marianne:


           Marjanne,
           Boter in de panne,
           Boter in de pot,
      Is Marjanneke nog nie zot!


Piet:


         Piet
         Valt in 't riet,
    Dat men hem niet meer ziet.


De Smedt:


           Smedt,
           Een panneke vet,
           Een panneke rapen,
      En daarmee moet Smedt slapen.


Van Boeck:


             Frans van Boek,
             Dikke snoek,
        Zonder knoopen aan zijn broek.


Verbist:


                  Mijnheer Verbist
           Lag in de kist,
      Zonder dat vader of moeder het wist.


Verhagen:


          Jan Verhagen
       Draagt zijn beste broek alle dagen.


5. Alliteerende volksluim.

_M_ulders _M_ans _m_oet _m_ijn _m_oeder _m_ooi _m_eel _m_alen, _m_ooi
_m_eel _m_oet _M_ulders _M_ans _m_ijn _m_oeder _m_alen.

_W_ie _w_eet _w_aar _W_illem _W_aanders _w_oont? _W_illem _W_aanders
_w_oont _w_ijd _w_eg, _w_ijd _w_eg _w_oont _W_illem _W_aanders (elders:
_W_illem _W_itjes).

De _k_at, die _k_rabt de _k_rullen van de trap (tevens assonantie).

6. Spotrijmpjes op standen en ambachten.

Bakker:


    O jonges wat 'n pret!
    Morgen wordt 't brood afgezet!
    Twee centen in 't geheel,
    O wat kijkt die bakker scheel!


    De bakker van den hoek,
    Die heeft vannacht geblazen,
    De zemelen uit zijn broek,
    Hij hangt ze voor de glazen,
    Gelijk een peperkoek.


Apotheker:


    Mijnheer den apotheker,
    Ik ben het niet zeker,
    Maar geef me voor twee cents en half
    Platluizenzalf.
    't Is niet voor mij,
    't Is voor mijn kameraad,
    Die aan de deur staat.


Boer:


    Rotte patatten
    Mee schelle' va' visch,
    Dat eten de boeren
    As 't kerremis is.


Kleermaker:


        Kleeremaker,
        Luizekraker,
        Lapkesdief!
    Ge heb gestolen van mijn gerief!


Koster:


        Bimbambeieren!
    De koster lust geen eieren,
        Wat lust hij dan?
        Spek in de pan,
    Met een roggen boterham.


        Paternoster,
    Slaat den koster,
    Slaat hem een bult,
    Dat hij rond de kerk krult.


Lantaarnopsteker:


    Ik kom aan,
    Ik zet neer,
    Ik kruip op,
    Ik steek aan,
    Ik ga neer,
    Ik neem op,
    Ik ga heen.


    Jantje komt, Jantje komt,
    Jantje de lanteernman!
        Vroeg en laat
        Op de straat,
    Om te zien, hoe alles gaat.


Molenaar:


    Mulder, mulder, korendief,
    Groote zakken heeft-ie lief,
    Kleine wil-ie niet malen,
    De duvel zal hem halen!


Soldaat:


            Soldaat
            Kameraad,
        In de Peperstraat!
    En hij pakte zijn geweer,
    En hij schoot ze omveer.


Wever:


    Daar zat 'ne wever op zijn getouw,
    Blauw van honger en grauw van kou,
    Hij weefde al dit en hij weefde al dat,
    En hij weefde 't hemdeken van zijn gat


7. Spotrijmpjes op gebreken en mismaaktheden.

Bultenaar:


        't Is den bult
        Zijn eigen schuld,
    Dat hij zijn kas moet dragen;
            Dat hij gaat
    Bij Pier van Timst,
    Die zal zijn kas afzagen.


    Bult karkas,
    Viool op bas,
    Viool en fluit,
    Trekt er maar uit!


Gierigaard:


        Gierigaard,
        Langen baard,
    Uitgedroogde moordenaar!


Linksche:


            Slinkepoot
        Den duvel is dood,
    Ga naar d'hell' om uw vesperbrood!


Manke:


            Mankepoot
        Den duvel is dood,
    Ga naar d'hell' om uw vesperbrood!


Rosharige:


    Ros haar,
    Ros bloed,
    Zelden goed.


Scheelziende:


    Schelewip,
    Schelewap,
    Papzak!


    Ik heb een vogeltje gevangen
    En het beestje kan niet zien,
        Schele Pauwelien,
        Schele Pauwelien.


8. Wat de klokken vertellen.

De klokken van Ledegem luiden:


    Lui Leegem
    Luizebestier,
    En hooveerdig!


Volgens Rond den Heerd IX, bl. 116 kleppen de klokken van Caneghem,
als er iemand gestorven is:


    Bim! bam! bom!
    't Moet al dood,
    Klein en groot,
    Arm en rijk,
      Al gelijk.


De inwoners van Wieze bij Dendermonde worden door de naburige dorpen
voor gekken uitgescholden. Vandaar, dat deze het klokkengelui van
Wieze vertolken:


    Wieze is zot,
    Toebak dol.


9. Tot de rubriek van de Volksluim behooren natuurlijk ook de duizenden
uien, moppen of boertige verhalen, die bij het volk in omloop
zijn en dermate onmisbaar lijken in het hedendaagsche volksleven,
dat De Meyere zich afvraagt, of de moppenverteller van heden niet
de sprookjesverteller van vroeger zijn zou?--Een zeer eigenaardige
uiting van den volkshumor is ook de parodie, en hierover nog enkele
korte opmerkingen.

Van het diep-gevoelvolle Sterrelied, dat wij I, bl. 143 hebben
meegedeeld, bestaan parodieerende varianten als:


    Herodes, de koning, kwam zelve veur:
    zijn broek was gescheurd en zijn hemd stak er deur.

    Zij kwamen al veur een bakkerij:
    daar kochten ze éen koek en ze stalen er drij.

    Zij liepen tot bij een herbergier:
    daar dronken ze een pot en ze zaten bij 't vier.


Hoe het komt, dat deze varianten in het oude sterrelied werden
ingelascht, is op afdoende wijze door Boekenoogen in het Jubelnummer
van Volkskunde (1914), bl. 24 vlg. verklaard. Maar men wachte
zich, parodieën als deze te zwaar op te vatten en aldus verkeerd
te beoordeelen. Het is een feit, dat de parodie, met name in het
zuidelijk volksgebied, vooral geestelijke personen en zaken treft,
ja het heiligste niet schijnt te sparen. Maar inderdaad kunnen
de meeste dezer parodieën als vrij onschuldige scherts beschouwd
worden, die zelfs een zekere gemeenzaamheid en vertrouwelijkheid
met het geestelijke veronderstelt. De geparodiëerde gebeden, die
plaatselijk den naam dragen van _wilde gebeden_ en veelal in de
kinderwereld terecht gekomen zijn, vindt men uitvoerig behandeld in
De Cock-Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust VIII, bl. 168 vlg. Een
andere groep vormen de pastoorspreeken, ook in het noordelijk gebied
niet onbekend; zie Volkskunde XX, bl. 73, 117, 178, 232; XXI, bl. 37,
80, 101, 150, 239. Een geliefd thema is dat van den pastoor, die op
den preekstoel zijn meid wil waarschuwen, dat zij den eendvogel niet
mag laten aanbranden. En zoo begint hij dan:


    Marie tentum
    Keert en wentum
    Want de entum
    Die verbrentum.


De dienstbode begrijpt de bedoeling en het onheil is afgewend. Maar
de aandachtige toehoorders waren van oordeel, dat de pastoor nog
nooit zoo veel en zoo mooi Latijn gesproken had.



II. Sprookjes, sagen en legenden.


Sprookjes, sagen en legenden zijn dichterlijke volksverhalen,
die ontstaan zijn en opgroeien uit het volk en door de mondelinge
volksoverlevering worden voortgeplant.

De meest dichterlijke onder deze scheppingen van den volksgeest
is het _sprookje_. Het is een volstrekt-fantastisch volksverhaal,
zonder beperking van plaats, persoon of tijd. Het ontstaat in den
volksmond zonder bepaalde aanleiding, enkel en alleen om der wille
van zich-zelf. Het wordt geboren uit den naïeven, spontanen drang,
zich te verlustigen in het spel der verbeelding. Niet onjuist heeft
men het sprookje genoemd: "een anonieme schepping der volksfantasie".

Daarentegen is de _sage_ gebonden aan plaats, persoon of tijd;
somtijds hangt zij samen met een bepaald volksgebruik. Men
onderscheidt mythische sagen, aldus genoemd, omdat zij wortelen in
algemeen-animistische opvattingen of in een bepaald mythologisch
systeem (zie I, bl. 63); Christelijke sagen, die Christelijke figuren
of tafereelen borduren op heidensch, of althans op zuiver-fiktief
patroon; en historische sagen, met een historische kern, die door de
fantasie werd uitgebreid of gewijzigd. Heeft nu zulk een historische
sage betrekking op de levens of de krachtdadige voorbede der heiligen,
dan noemt men ze met den bijzonderen naam van _legende_.

Aan ruimte noch tijd gebonden zwerft het _sprookje_ rond, raadselachtig
vaak in zijn oorsprong, raadselachtig in zijn plotseling verdwijnen;
nu eens geblakerd door tropischen zonnebrand, dan weer verkleumd door
het striemen van de noordsche kou,--maar steeds het aanminnige, blonde
volkskind, steeds de weldoende lichtfee, die hutten en paleizen met
haar hemelgaven binnenzweeft. Het sprookje... verplaatst niet alreeds
het verkleinwoord ons terstond naar de sfeer van het kinderlijke,
naïeve, aanminnige en ongekunstelde?

Nu eens legt het de plechtwade aan van het kultuurdicht, dan weer het
stralenkleed van de mythe, een ander maal den bonten lijfrok van het
volkslied of het schamele plunje van het volksverhaal, maar ook dan
vertoont het zich niet zonder lieflijke majesteit, zonder frissche
bekoorlijkheid.

De sproke is echter niet slechts zwervelinge, niet slechts
wereldburgeresse. Zij heeft óok een nationaal karakter en voegt zich
geheel in het koloriet der vertelling en in de karakteriseering der
personen naar de zeden en gewoonten van het land, waarin zij leeft. En
hierin ligt een bewijs voor het feit, dat het sprookje werkelijk een
volksleven leidt, dat het zijn immer jeugdige levenskracht put uit
het volk, dat sprookjeskunde en volkskunde hand in hand gaan.

"Daar was eens een koning en een koningin en die hadden drie
dochters. De jongste, braaf en onschuldig, werd door haar vader
medoogenloos tot vrouw gegeven aan een grimmig monster. Dit nu was
een schoone, betooverde jongeling, die elken nacht zijn werkelijke
gedaante weer aannam, maar zóo door zijn geliefde niet mocht gezien
worden. Geduldig droeg de zwaarbeproefde koningsdochter haar lot; vaak
echter zwichtte zij voor menschelijke zwakheid, en telkens moest ze
dan haar vergrijp zwaar uitboeten. Doch eindelijk vatte zij liefde op
tot haar man en op hetzelfde oogenblik wierp deze zijne gedaante van
draak (leeuw, wolf, beer) af en vertoonde zich in volle schoonheid."

Ziedaar, geachte lezer, de kern van een bekend Nederlandsch
sprookje. Maar ook elders is het geen onbekende. Bij Slaven, Grieken,
Albaneezen, Rumenen, Italianen, Kelten en Kalmukken kort men de
avonden met gelijkluidende verhalen. Als sprookje van Amor en Psyche
vinden wij het in een roman van den Romeinschen schrijver Appuleius;
Raffaël bracht het op doek; Thorwaldsen en Canova belichaamden het
in het kille marmer; Calderon achtte het niet te gering, om het te
vereeuwigen in een _Auto Sacramental_. Zoo hebben ook onze _Sprookjes
van Moeder de Gans_ hun parallellen bij alle Indogermanische volken;
de schurkerijen van Reintje zijn bij de Zoeloe's bekend; en Kaffers,
Samojeden en Kalmukken scheppen behagen in vertelsels als die van
Tijl Uilenspiegel en Hans den Reuzendooder.

Waar lag dan wel de bakermat dezer "anonieme scheppingen der
volksfantasie"? Hoe zijn ze gevormd, wie gaf hun de gedaante, waarin
zij zich thans vertoonen?

Toen de gebroeders Grimm in 1812 hun Kinder- und Hausmärchen der
Deutschen in het licht gaven, deed de vergelijkende sprookjeskunde
haar intrede in de wetenschappelijke wereld. Wel was hun hoofdstreven
er op gericht, dezen sprookjes-schat te maken tot gemeengoed voor
geheel Duitschland, maar de grootsche onderneming kon ook haar
wetenschappelijk resultaat niet missen. Jammer genoeg was hun theorie
al te eenzijdig. Naar hun oordeel zijn de Germaansche sprookjes
de afgesleten vorm, het diamantgruis der mythen van eertijds:
"das Mythische gleicht kleinen Stückchen eines zersprungenen
Edelsteins, die auf dem von Gras und Blumen überwachsenen Boden
zerstreut liegen". Het sprookje weerspiegelt dus de mythologische
voorstellingen en gebruiken onzer Germaansche voorouders, ja van het
geheele Indogermaansche ras. Sprookjes zijn niets dan verkleurde mythen
van goden of halfgoden. Taalverwantschap en stamverwantschap gaan met
sprookjesverwantschap hand in hand. Hieruit volgt, dat de oorvorm onzer
sprookjes behoorde tot het religieuze gemeengoed der Indogermanen.

De oorsprong der sprookjes dekt zich dus met den oorsprong
der mythologie. Jacob Grimm kan op algemeen-mythologisch gebied
beschouwd worden als de voorlooper van Max Müller; en zoo huldigt
dan ook hij de meening der naturalistische school, dat de mythen een
afspiegeling zijn van de meest indrukwekkende natuurprocessen. Het
kon niet anders, of het op- en ondergaan der zon, het dagelijks
wederkeeren van dag en nacht, de heldere sterrenhemel, de strijd
tusschen licht en duisternis, tusschen zomer en winter,--dit alles
moest een diepen indruk maken op den natuurmensch. Wilde hij nu
zijn gewaarwordingen ten opzichte dezer natuurtafereelen aan anderen
meedeelen, dan werden deze door persoonsverbeelding als menschelijke
handelingen voorgesteld. Ging de zon op of onder, men zeide, dat
zij geboren werd of stierf; werd ze verduisterd, dan heette het,
dat zij met een ontzaglijk monster den strijd aanbond. Maar weldra
ging de oorspronkelijke beteekenis der beeldspraak verloren, en nu
werden de voorstellingen der natuurprocessen tot mythen, en naderhand
veelal tot sprookjes. Volgens de latere natuurmythologen, die meer
de animistische opvatting huldigden, stelden de Indogermanen zich de
hen omringende natuur van meet af aan als bezield voor. Zoo is dan de
Schoone Slaapster oorspronkelijk de in winterslaap verzonken aarde,
en de prins, die haar wekt met een kus, de lentezon; zoo is de reus
in Klein Duimpje de ijzige wintervorst.

In het jaar 1859 stelde de groote Sanskritist, Theod. Benfey,
hoogleeraar te Göttingen, tegenover deze theorie, die de bakermat
onzer sprookjes ten slotte in het Indogermaansche stamland zocht,
zijne Indische hypothese. In de klassieke inleiding zijner vertaling
van het _Pantschatantra_ beweert hij, dat de bakermat der sprookjes
in Indië ligt, en wel in het Indië der geschiedenis. Dáar spon
de spin haar web, dat zijn draden over geheel de bewoonde wereld
wierp. Eerst sedert de XIe eeuw n.Chr. zijn deze Indische sprookjes
Europa binnengedrongen. In het Noorden diende het Boeddhisme als
voertuig en liep de weg over Tibet, Mongolië, Siberië en Rusland; in
het Zuiden ging de propaganda uit van den Islam, en deden de Perzen,
Arabieren, Turken en Grieken dienst als bemiddelaars. Deze bemiddeling
was hoofdzakelijk van literairen aard.

Deze hypothese trok in ruime kringen de aandacht en werd door velen
gevolgd; ik noem slechts Cosquin. Het feit valt dan ook niet te
loochenen, dat een groot aantal sprookjes uit Indië tot ons gekomen
zijn, óok reeds door Alexander den Grooten, door de volksverhuizingen,
de Tartaren. Maar anderzijds blijft het onbetwistbaar, dat er vóor
het tijdperk van het historische Indië in Europa reeds tal van
volksverhalen hebben bestaan. Over de prioriteit van de Grieksche,
in het bijzonder der Aesopische fabels, kan worden getwist. Maar
de sprookjes, die door de Homerische gedichten worden omsloten of
aangeduid, maar het verhaal van Midas met de Ezelsooren kan onmogelijk
aan het historische Indië zijn ontleend. Verder wordt in dit systeem
de invloed der letterkunde niet weinig overschat. Het ligt in den
aard der zaak, dat de letterkunde meer uit den volksmond, dan het
volk uit de letterkunde overneemt. Geschreven verzamelingen oefenen
op het volk slechts een zeer geringen invloed uit.

Maar het zou onbillijk zijn, Benfey eenzijdig naar de Indische
hypothese te beoordeelen. Hij heeft méer gedaan. Hij heeft, en dit
is voor ons van het grootste belang, het sprookje getrokken uit
den dichten mythologischen nevelsluier, en het gekenmerkt als een
_produkt der volkskunst_ met mythologischen en kultuur-historischen
achtergrond. Hij heeft open oog gehad voor de wisselwerking tusschen
literaire en populaire traditie, en het begrip der ontleening heeft
hij ter overwinning gevoerd.

Intusschen werd het vasthouden aan de Indische hypothese
steeds moeilijker, steeds onhoudbaarder, naar mate men meer
opvallend-overeenstemmende sprookjes ontdekte bij de meest verscheidene
en verst afgelegen volken, over den geheelen aardbodem. Vooral
de sprookjesschat van Amerika vroeg om oplossing. Hoe kwamen de
letterkundige sprookjes van het historische Indië bij de Huarochiri's
van Zuid-Peru? Hoe kwam de Boeddhistische Jason-mythe op Samoa? Hoe
kwam het oudste ons bekende sprookje, opgeteekend ten tijde van Mozes,
naar Egypte?

Bédier scheen in zijn Fabliaux (Paris 1897) een bevredigende oplossing
te brengen. Zonder aan sommige sprookjes en sprookjesbestanddeelen een
groote mate van autochthonie en zelfstandigheid te willen betwisten,
en zonder ook het feit der ontleening in twijfel te trekken, ontkende
hij slechts den overwegenden invloed van Indië, de strooming van uit
éen bevoorrecht centrum, op éen gegeven tijdstip der geschiedenis. Bij
alle volken kunnen sprookjes wording en wasdom verkrijgen, en zoo
gebeurt het, dat van uit verschillende milieu's, veelal bezwaarlijk
nader aan te duiden, tal van sprookjes de grenzen hunner bakermat
overschrijden en zich tooien met de nationale dracht en aannemen de
eigenaardige denk- en zegswijze van de meest onderscheiden volkeren.

Hand in hand met beschouwingen en verklaringsmethoden als deze
ging een verruiming der theorie van het animisme. Men leerde
het beschouwen als een primitieve wijsgeerige wereldbeschouwing,
geboren uit een geestestoestand, waarin de mensch geen scherpe
scheidslijn weet te trekken tusschen zich zelf en de hem omringende
natuur; waarbij de kloof tusschen mensch, dier, plant en mineraal is
overbrugd (I, bl. 64); terwijl men door animisme in engeren zin ging
verstaan zielengeloof en doodenkultus. Maar zulk een geestestoestand
doet ook allerlei opvattingen, maatschappelijke instellingen en
gebruiken ontstaan, die evenzeer voor mythen- en sprookjesvorming
in aanmerking komen. Hij overheerscht bij de natuurvolken, maar is
ook in zekere mate bij de kultuurvolken aanwezig en kweekt daar nog
steeds soortgelijke voorstellingen en gebruiken, men denke slechts
aan den _Vegetationsdämon_ bij de Germanen. Het sprookje is dus niet
_slechts_ diamantgruis, niet _altijd_ de afgesleten vorm der mythen
van eertijds. De sprookjes-telende aandrift van het volk is nimmer
gedoofd en, zonder toevoeging van het religieuze moment, stond en staat
de sproke naast de mythe, ja zij kan ook de embryonale vorm der mythe
zijn, in zoover bij de niet-kultuurvolken de mythe zich vaak ontwikkelt
uit het sprookje. De lentezon, die de aarde uit haar verstijving roept,
kan het aanzijn schenken aan een zonnemythe, maar ook aan sprookjes
als dat van de Schoone Slaapster in het Bosch, door den prins uit haar
slaap gekust, en hetzelfde geldt voor de vertelsels van Klein Duimpje,
Blauwbaard enz. En wanneer de natuurmensch bij het neerdwarrelen van
de sneeuwvlokken zei, dat de goede God zijn ganzen plukte--een nog
thans gangbare uitdrukking--, dan kon dit gezegde, deze voorstelling
van het natuurproces, het begin eener natuurmythe zijn, maar evengoed
van een sprookje, dat onafhankelijk van, zij het ook parallel mét een
mythe, die in soortgelijke natuurbeschouwing wortelde, kon voortleven.

Ziedaar de uitkomsten, waartoe de voornaamste vertegenwoordigers der
anthropologische school: Mannhardt, Bastian, Tylor, Andrew Lang in
deze materie geraakten.

"De verrassende overeenkomst der sprookjes berust op de
gemeenschappelijke denkwijze des volks, onafhankelijk van plaats en van
tijd, stoelt op een overeenkomstige openbaring der volksziel"--dat
is wel de formuleering, die wij aan Bastian's _Völkergedanken_
verschuldigd zijn. Zoo zijn dan de groote menigte der sprookjes
niet in éen land, maar op verschillende plaatsen en tijden ontstaan:
een polygenesis, de zon-rijpe vrucht van den algemeen-menschelijken
drang naar het wonderbaarlijke en van de algemeen-menschelijke
scheppende fantasie. Jammer genoeg hebben Bastian c.s. niet voldoende
rekening gehouden met het feit, dat de geestelijke eenheid van het
menschelijke geslacht slechts een eenheid is van aanleg, geschiktheid
en neigingen. Maar een psychische neiging gaat niet steeds, of niet
steeds op eenvormige wijze, of niet steeds in denzelfden graad tot
de daad over, omdat de menschelijke vrijheid tusschenbeide treedt.

De laatste theorie draagt den naam van "Finsche theorie" en wordt
hoofdzakelijk verdedigd door Antti Aarne in zijn Leitfaden der
vergleichenden Märchenförschung (Hamina 1913).

Aarne verwerpt de naturalistische en anthropologische theorie en
keert vrij wel tot de historische opvatting terug. Voor hem is elk
sprookje oorspronkelijk éen gesloten geheel, éen afgeronde vertelling,
die slechts eens, op een bepaalde plaats is ontstaan. Daarin vindt
men beschouwingen en gebruiken, die dagteekenen uit een vroegere
kultuurperiode, maar het is onnoodig daarom het geheele sprookje
tot die periode terug te brengen. De sprookjes zijn dichtwerken,
gewrocht met het opzettelijk doel, de hoorders op te vroolijken door
de grillige speling der fantasie; maar zij zijn niet alleen in Indië
ontstaan, doch eveneens in Noord- en Zuid-Europa. De varianten berusten
louter op psychologische gronden: de verteller vergeet een trek,
lascht aan het begin of het einde een verwanten trek in, verbindt,
kontamineert verscheidene sprookjes tot een geheel. Hierbij speelt
het drietal en de analogie een groote rol, een dierengeschiedenis
wordt tot een menschelijk avontuur, een sprookje tot ik-vertelling,
een verhaal wordt pasklaar gemaakt voor andere landen, tijden, zeden.

Hoeveel waars deze historisch-geografische methode ook bevat, wij
mogen ze slechts als een korrektief van de anthropologische (of
juister: ethnologische) aanvaarden. Aarne scheert de verschillende
soorten van sprookjes veel te veel over éen kam. Het sprookjeslied
vertoont inderdaad een vrij vasten vorm, maar soepeler is reeds het
dierensprookje en het allerbeweeglijkst zijn de tooversprookjes. Men
dient niet alleen open oog te hebben voor het zuiver-konstruktieve,
maar ook voor het individueel-artistieke moment: in hoeverre is het
sprookje een kunstprodukt, en welk aandeel hebben in de uitwerking
de verteller en het luisterend publiek?

Aarne heeft vooral te weinig aandacht gewijd aan de studie der
_sprookjes-motieven_. Natuurlijk is elk sprookje een vertelling
van een bepaalde, vaste samenstelling, maar het heeft toch zijn
voorgeschiedenis. Natuurlijk is het niet ontstaan door willekeurige
vermenging van bepaalde motieven, maar de dichter kan toch geput
hebben uit den voorraad van oud, ja zeer oud volksgoed, gangbaar in
zijn omgeving. En waarom zouden die motieven niet een afzonderlijk
bestaan kunnen hebben geleid? En waarom zouden enkelvoudige motieven
niet op verschillende plaatsen, onafhankelijk van elkaar, kunnen zijn
ontstaan, zoodat hun aanwezigheid in meerdere sprookjes niet pleit
voor verwantschap?

Slechts dan kan de overeenkomst tusschen bepaalde volksverhalen
onmogelijk door het gemeenschappelijke denken en voelen van den mensch
verklaard worden, wanneer het patroon, de bewerking, de bijkomende
omstandigheden dermate identiek zijn, dat men een genetischen samenhang
redelijker wijze niet in twijfel kan trekken.

Zoo vinden wij b.v. in de Punjâb, in Bretagne, bij de Albaneezen,
moderne Grieken en Russen, een sprookje, waarin een jong man in
het bezit is van een tooverring. Deze ring wordt hem ontstolen, en
teruggebracht door de hulp van dankbare dieren, aan wie de jonge man
weleer diensten bewezen had. Zijn vijand heeft den ring in den mond,
maar de dankbare muis steekt haar staart in den neus van den dief,
doet hem niezen, en zoo komt de tooverring te voorschijn.

Nu wil het mij voorkomen, dat Oskar Dähnhardt in zijn Beiträge zur
vergleichenden Sagen und Märchenforschung den regel onjuist stelt,
door te bepalen, dat telkens "Wanderung" moet worden aangenomen,
zoodra sprookjes of sagen in meer dan éen motief overeenstemmen. De
twee motieven van den tooverring en van de dankbare dieren in
bovenstaand sprookje vind ik beslist onvoldoende om te besluiten tot
verwantschap. Daarentegen lijkt mij het handelen van de dankbare
muis dermate individueel, dat deze bijzonderheid éens voor altijd
moet zijn uitgedacht. Zie ook mijne Essays en Studiën, bl. 205 vlg.;
Aug. V. Löwis of Menar, Kritisches zur vergleichenden Märchenforschung,
in de Zeitschrift des Vereins für Volkskunde XXV, bl. 154; Gustav
Meyer, Essays und Studiën zur Sprachgeschichte und Volkskunde (Berlin
1885) I: Zur vergleichende Märchenkunde, bl. 145-289; A. Gittée,
Curiosités de la vie enfantine (Paris 1899), bl. 109 vlg.

Een trek, dien de natuurmensch met de kinderwereld gemeen heeft, is
o.a. deze, dat hij in nauwere gemeenschap leeft met de _dierenwereld_,
dat de afstand tusschen mensch en dier aanmerkelijk inkrimpt. Het lijkt
in zulk een geestestoestand dan ook niet meer dan natuurlijk, dat de
dieren spreken en handelen als menschen. En dit geldt niet alleen voor
de huisdieren, neen, ook de dieren en vogelen des wouds en des velds
deelen in die sympathie en treden in de sprookjes handelend, helpend,
waarschuwend, beloonend, straffend op. Zoo ontmoeten wij muggen,
vliegen, bijen, mieren, kevers en vlinders; everzwijn, vos, wolf, haan,
beer, hert en ree; vrij schaarsch ezel, otter en wezel. Fabelachtige
sprookjesdieren zijn de meerkat, de beruchte zeeslang--óok bekend
uit onzen komkommertijd--en eveneens de zeeslang der lucht, dan de
grijpvogel, die vaak als bewaker van schatten dienst doet. Het eenhoorn
is het symbool van het diepe, van menschen verlaten woud. Vooral de
draak is een fantasiedier, dat wel oorspronkelijk een uitbeelding
is van de vurige onweerswolk. Hij vereenigt de gedaanten van slang,
hagedis en vogel, ligt op den grond en hoedt de schatten met zijn
vlammenden adem. Het draakmotief is dan ook ruim verspreid. Merkwaardig
is het, dat ook de leeuw zoo vaak voorkomt, zonder dat persoonlijke
aanschouwing mag worden verondersteld. Men vergisse zich niet, door
dit feit te plaatsen op rekening van een vreemde herkomst; het geldt
hier slechts den sterken indruk, door uiterlijk en levenswijze van
dit koninklijk dier op de volksverbeelding gemaakt, maar enkel door
de faam en de talrijke wapenschilden. Ook de adelaar kan als zoodanig
worden beschouwd. Mythologische beteekenis hadden aanvankelijk naar
alle waarschijnlijkheid stier, koe, paard, wolf, bok en everzwijn. De
visschen zijn slechts zelden naar hun soort aangeduid; de snoek komt
dan het meest voor, terwijl de dolfijn het sprookjesdier der oudheid
bij uitstek was. In het volgende Vlaamsche sprookje is sprake van
een goudvischje, dat echter plaatselijk door een kikvorsch vervangen
wordt. Wij hebben hier de motieven van den dankbaren visch, over de
geheele wereld verspreid, en van de drie wenschen, waartoe de hier
geuite reeks van wenschen moet worden teruggebracht. Ik ontleen het
aan Pol de Mont en Alfons de Cock, Dit zijn Vlaamsche Wondersprookjes
(Gent 1896), bl. 238.

Van Janneken Tietentater en het Vischje uit de Zee.

Er was eens een manneken en die heette Janneken Tietentater. Het
ventje was doodarm, zóo arm, dat hij met zijn vrouw onder eenen
mostaardpot woonde, en, om iets te eten te hebben, alle dagen naar
de zee ging visschen.

Zoo, op zekeren dag, dat hij weer op de vangst uit was, ving hij
een schoon goudvischken, en tot zijn groote verwondering begon het
eensklaps te spreken: "Och Janneken", zei het, "laat me toch leven,
ik zal U al geven wat gij verlangt. Als gij iets wilt hebben, roep
me maar".

Zonder aarzelen wierp Janneken het wonderbare vischje terug in 't
water en spoedde zich naar huis, om dat vreemd geval aan zijne vrouw
te vertellen. Deze had al zoo dikwijls over hunne armoede geklaagd,
en was dus niet weinig verheugd, toen zij dat nieuws hoorde. "Keer
seffens weer naar de zee", zegde zij, "en vraag ons een schoon huis,
want dat wonen onder eenen mostaardpot staat mij al lang tegen".

De man trok op naar het strand en riep:


    "Vischken, vischken uit het water,
    Kom bij Janneken Tietentater!"


Op hetzelfde oogenblik stak het goudvischje zijn kopje boven.

--"Wat belieft er U, Janneken, mijn manneken?" vroeg het.

--"Mijn vrouwtje, mijn Soozeke-Grilletje, die hadde zoo gaarne haar
willetje".

--"Wat is er haar willetje dan?"

--"Ze zou zoo gaarne in een schoon, groot huis wonen, gelijk de
rijke menschen".

--"Ga naar huis, ge zult het hebben".

Daarop keerde de visscher terug en in plaats van zijnen mostaardpot,
vond hij inderdaad een prachtig huis, met een koetspoort, prachtig
genoeg voor den burgemeester van eene stad! Zijne vrouw stond hem af
te wachten, zoo fier als een kalkoensche haan.

"Wij wonen nu in een rijk huis", zei ze, "dat is waar, maar het is
niet gemeubeld. Ge zult dus weer bij het vischken moeten gaan en
meubels vragen".

's Anderen daags trok de man nogmaals naar het zeestrand en riep:


    "Vischken, vischken uit het water,
    Kom bij Janneken Tietentater!"


--"Wat belieft er U, Janneken, mijn manneken?" vroeg het vischje
dadelijk.

--"Mijn vrouwtje, mijn Soozeke-Grilletje, die hadde zoo gaarne haar
willetje".

--"Wat is er haar willetje dan?"

--"Zij zou zoo gaarne haar huis vol schoone meubels zien".

--"Ga naar huis, ge zult ze hebben".

En het goudvischje had niet gelogen, want Janneken vond al de kamers
van zijn huis, van onder tot boven, zoo rijkelijk gemeubeld, dat
hij zijn oogen bijna niet kon gelooven. Maar zijne vrouw was niet
voldaan. "Nu ontbreekt er ons nog geld", zei ze, "we moeten immers
schoon gekleed gaan, en lekker eten en drinken hebben, en eene koets
met een koppel paarden. Ge moet dus terugkeeren bij het vischje,
en veel geld vragen".

Zoo 's anderen daags begaf de man zich weer naar het strand, en riep:


    "Vischken, vischken uit het water,
    Kom bij Janneken Tietentater!"


--"Wat belieft er U, Janneke mijn manneken?" vroeg het vischje weer.

--"Mijn vrouwtje, mijn Soozeke-Grilletje, die hadde zoo gaarne haar
willetje".

--"Wat is er haar willetje dan?"

--"Ze zou gaarne veel geld hebben, om schoone kleederen te koopen,
en goed eten en drinken en eene koets met twee paarden".

--"Ga naar huis, ge zult het hebben!"

En het goudvischje had wederom de waarheid gezegd, want toen
Janneken t'huis kwam, vond hij al de kasten en laden vol goud-
en zilverstukken. Nu hadden ze geld "met de macht", zoodat zij
fijne brokjes aten, lekkeren wijn dronken en kostelijke kleederen
droegen. Ook hielden zij knechten en meiden, en reden alle dagen met
de koets uit. 't Was een koningsleven, en toch verlangde de vrouw
nog meer.

"Ik zou wenschen, dat gij koning waart, en ik koningin", zei ze op
zekeren dag tot haren man, "dan zouden we de rijkste zijn van 't
land en iedereen zou voor ons moeten bukken. Keer terug naar de zee,
en vraag dat aan 't vischje".

's Anderen daags toog de man opnieuw naar het strand en riep:


    "Vischken, vischken uit het water,
    Kom bij Janneken Tietentater!"


--"Wat belieft er U, Janneken mijn manneken?" vroeg het vischje,
dat weer onmiddellijk aan de oppervlakte verscheen.

--"Mijn vrouwtje, mijn Soozeke-Grilletje, die hadde zoo gaarne haar
willetje".

--"Wat is er haar willetje dan?"

--"Ze zou gaarne koningin zijn en ik koning!"

--"Ga naar huis, ge zult het zijn".

En van dien dag af woonden Janneken en zijne vrouw in een koninklijk
paleis en overal, in de boven- en benedenzalen, blonk en schitterde
alles, dat hunne oogen er van schemerden. Ze waren in 't goud gekleed,
zaten op een gouden troon, aten uit gouden tellooren en dronken uit
gouden bekers. Knechten en meiden gehoorzaamden hun als slaven en de
rijkste menschen kwamen vóor hen nederbuigen. Doch, in hare hoovaardij,
wilde de vrouw nog hooger klimmen en ze zei tot haar man: "We kunnen
van het vischje toch alles verkrijgen, wat wij zouden wenschen;
welnu, ga morgen nog eens naar de zee, en zeg aan het goudvischje,
dat gij verlangt God te zijn, en ik Onze Lieve Vrouwe".

Ja, den volgenden dag ging de man weeral naar het strand en riep:


    "Vischken, vischken uit het water,
    Kom bij Janneken Tietentater!"


Op éen, twee, drie, was het vischje daar weer, en vroeg:

--"Wat belieft er U, Janneken, mijn manneken?"

--"Mijn vrouwtje, mijn Soozeke-Grilletje, die hadde zoo gaarne haar
willetje".

--"Wat is er haar willetje dan?"

--"Ze zou gaarne Onze Lieve Vrouw zijn, en ik God".

En het vischje antwoordde met eene barsche stem:


    "Daar is maar _één_--_één_ God,
    Gij zijt een zot,
    Kruip weer onder uwen mostaardpot".


En thuis vond Janneken zijne vrouw opnieuw onder den mostaardpot
zitten, met eenen neus van eene el lang, en ze schreide, dat ze snikte.

(Santvliet en Wijneghem).



Het motief der Drie Wenschen vindt men nog in een sprookje van dezen
naam bij Waling Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven II, bl. 126, in
Volkskunde XV, bl. 34: Van den smid, die niet sterven wilde, en XVII,
bl. 17: Van de drie wenschen (Nederlandsche sprookjes en vertelsels,
medegedeeld door G. J. Boekenoogen).--

Ook de vogels worden meestal slechts in het algemeen aangeduid;
uitzondering maakt de musch: brutale huisgast, de leeuwerik:
zangeres van het morgenrood, de zwaluw: geluksvogel, de nachtegaal:
lenteverkondiger, de ooievaar: kinderbrenger en kindervriend;
verder nog de uil, de adelaar en enkele anderen. In het hier volgende
sprookje, eveneens aan de Vlaamsche Wondersprookjes ontleend (bl. 235),
is slechts sprake van een vogeltje, dat zingt in de boomkruin. De
booze moeder en de vogel die het uitbrengt zijn de motieven.


Van de booze Moeder en den straffenden Noteboom.

Daar waren eens twee kinderen en die heetten Janneken en Mieken. De
Moeder kon Janneken niet lijden, maar Mieken zag ze doodgaarne.

Op zekeren dag zei ze tot de kinderen: "Gaat naar het bosch, om hout
te rapen." En ze gaf Mieken eene lekkere, witte boterham, terwijl
Janneken niets kreeg dan eene droge snede roggebrood.

Toen de jongen en het meisje nu naar huis keerden, had Mieken schier al
het doode hout alleen opgeraapt; zij had een vollen schoot, terwijl
Janneken bijna niets had kunnen zamelen.

Als de Moeder dat zag, gaf zij Mieken een schoonen, blozenden appel,
maar aan Janneken niemandal.

"Krijg ik nu ook geenen appel, Moederf" vroeg hij, met een droef
gezicht.

--"Gij!"... riep de Moeder met een groote verontwaardiging. Doch een
oogenblik daarna bedacht zij zich en zei: "Welnu, voor dezen keer, ja,
ga dan maar op den zolder naar de kist, en haal er eenen appel uit."

Maar het leelijke wijf volgde Janneken heimelijk op hare zokken, de
zoldertrap op, en als de jongen het scheel van de kist had opgeheven,
en zijn hoofd er juist instak, boef! sloeg zij uit al hare macht
de kist weder toe, zoodat de kop af was, en met een harden bons
neerviel....

Nu kapte de booze moeder haar kind in stukskens, om er soep van te
koken, en de beenderen liet zij Mieken onder den noteboom in den
tuin begraven.

Als de vader 's middags van zijn werk thuis kwam, vroeg hij, waar
zijn Janneken was, want hij had het jongsken innig lief.

"Hij is hout rapen," zei de vrouw.

--"... Maar wat vreemden smaak heeft die soep toch!" merkte de man
na een poosje zwijgens aan, terwijl hij zijn vrouw in de oogen keek.

--"Och, wat zou het anders zijn dan een beetje aangebrand!"

Als hij gegeten had, ging de vader in zijnen tuin, en toen hij onder
den noteboom kwam begon op eens een vogeltje in de kruin te zingen:


    Mijn moeder heeft mij vermoord,
    Mijn vader heeft mij geëten (gegeten)
    En mijn zuster heeft mijn' beentjes al'
    Onder den noteboom gesteken (gestoken).


En roef! daar viel met een zwaren plof een volle zak geld vóor vaders
voeten neder. Dadelijk liep hij naar binnen en vertelde, wat aardig
geval hem nu overkomen was.

Mieken ging ook in den tuin zien. En op den boom ging het vogelken
weer aan den gang met zijn droevig liedje:


    Mijn moeder heeft mij vermoord,
    Mijn vader heeft mij geëten
    En mijn zuster heeft mijn' beentjes al'
    Onder den noteboom gesteken.


En zie, daar viel uit de lucht een schoon blauw satijnen kleed vlak
vóor de voeten van het meisje. Met een popelend hartje raapte zij
het op en stormde er mee binnen.

Dan kwam de moeder toegeschoten, in de hoop dat er voor haar ook wel
iets ten beste zou wezen. Maar nauwelijks was ditmaal het liedje
ten einde of, pardaf! daar viel een zware zak met harde steenen
recht op den kop der booze moeder,--zoodat zij morsdood bleef
liggen. (Antwerpen).



Iets anders is het eigenlijke dierensprookje. Hier zijn de dieren
veeleer uitsluitend de handelende personen, en slechts bij uitzondering
wordt een mensch geduld.

Het dierensprookje is ook onderscheiden van de dierenfabel. Deze is
er op uit, het menschelijke door het dierlijke uit te drukken en bevat
strekking, moraal en satire. Het sprookje daarentegen moraliseert niet,
althans niet oorspronkelijk, het wil slechts naïef waarnemen en trouw
weergeven, wat in de dierenwereld plaats heeft. Tusschen mensch en
dier loopt immers geen scherpe grenslijn, meent het volk; slechts
openbaart het dier zijn eigenschappen en neigingen meer onbevangen
dan de mensch. En de taal? Die bezitten de dieren evengoed, maar de
mensch mist de gave, die te verstaan.

Ik geef nu een dierensprookje met het bekende verzamelmotief van
een reisgezelschap, dat langzamerhand bij elkander komt, en dat men
ook vindt in de _Bremer Stadtmuzikanten_. Het is ontleend aan de
verzameling van Pol de Mont en Alfons de Cock: Dit zijn Vlaamsche
Vertelsels (Gent 1898), bl. 47.

De Kerkzangers van Sinter-Goelen.

De molenaar van Zavelberg had een ezel, die in zijnen dienst stram en
stijf geworden was. Nu was het beest zoo oud als de straat en deugde
niet meer voor het werk. Daarom wilde zijn meester Grauwtje aan kant
zetten en hem voor zijn vel verkoopen.

Toen de ezel gewaar werd, dat hij in den mulder zijn gratie niet meer
stond, besloot hij de plaat te poetsen.

"Ik kan in Sinter-Goelen nog kerkzanger worden", dacht hij; "al
ben ik oud, mijne stem klinkt nog goed en helder". En hij sloeg de
Brusselsche baan in.

Als hij 't kasteel van den baron voorbijging, kwam hem de zwarte
jachthond tegen, zoo treurig als een lijkbidder.

"Wat scheelt er u?" vroeg de ezel.

"Och", was 't antwoord, "omdat ik op de jacht met mijne stijve pikkels
de hazen niet meer kan inhalen, loop ik hier iedereen in den weg. Van
's morgens tot 's avonds is 't altoos hetzelfde liedje: allo, oude
rakker, van onder mijne voeten. Ge zoudt liever dood zijn dan zoo
te leven".

"Sukkelaar, waar gij verdriet in maakt!" zei de ezel. "Ga met mij
mede, ik trek naar Sinter-Goelen om kerkzanger te worden. Uwe stem
is nog kloek, en 't is een vet postje op onze dagen."

De hond liet het zich geene tweemaal zeggen en ging met den ezel de
Brusselsche baan op.

Een beetje verder, aan een leemen huizeken, zagen zij een kat
aan de deur zitten met een gezicht gelijk Pietje de Dood, en haar
miauw! miauw! scheen uit 'nen grafkelder te komen.

"Wat is er met u gebeurd?" vroeg Langoor.

"Ja", zei de poes, "vraag mij zoo'n dingen! Ik ben half blind van
ouderdom, en kan bijkans geene muizen meer vangen. En ik krijg zoo
luttel eten, dat ik somwijlen scheel zie van honger. Ik had nu juist
een klein broksken spek gestolen, en voor zoo'n bagatel wierd ik de
deur uitgesmeten en kreeg dan nog pardoef, terwijl de muizen in de
schapraai mij vierkant uitlachten. Zoudt gij er niet van doodvallen?"

"Doodvallen", zei de ezel, "toe dan. Ga met ons mede. Al zingt ge
valsch, ge zult altijd goed genoeg zijn om de vespers te helpen
zingen. Wij gaan naar Sinter-Goelen kerkzangers worden".--En de kat
trok mee de Brusselsche baan op.

In den valavond kwamen onze drie muziekanten aan een boerenhof. De
haan kraaide zonder ophouden en zoo hard, dat de ezel hem vroeg,
wat er ophanden was.

"Mijn liedje is hier bijkans uit", zei de haan. "Een uur geleden
kraaide ik ""goed weder tegen morgen"", en als de pachteres dat hoorde,
riep zij tot de meid: ""de haan voorzegt goed weêr tegen morgen,
't zal hem een dure keer zijn. Want nu mogen wij ons kermisvolk
verwachten, en meester Rookop moet in de soep".

"Ge moet stapelzot zijn om hier te willen blijven", zei de ezel,
"als gij weet dat zij u, vandaag nog misschien, een kopje korter
zullen maken. Sterven is het laatste, jongen, en iets beters dan dat
is niet ver te zoeken. Kom met ons mede; wij worden kerkzangers in
Sinter-Goelen; met uwe stem is daar goud te winnen!"

De haan vloog bij 't gezelschap, en gezamenlijk wandelden zij de
Brusselsche baan op.

Tegen den avond kwamen zij aan Zoniënbosch en zagen nergens huis
noch kluis. Ze moesten van den nood een deugd maken en zich tevreden
houden met het logement, dat er in 't gras en in de bladeren te
vinden was. De ezel en de hond legden zich onder 'nen hoogen beuk; de
kat klauterde in de takken en de haan vloog in den top. Eer hij zijn
gemak nam om een uiltje te vangen, keek de haan, uit voorzichtigheid,
eens naar alle kanten rond. En hem docht, dat hij ginder ver een flauw
lichteken zag schemeren. "Daar moet een huisje zijn, en menschen",
dacht hij. En seffens vertelde hij dat nieuws aan zijne kameraden. De
ezel, die er bitter weinig van hield in bosschen te slapen, stelde
voor, onmiddellijk op te kramen, en recht naar dat lichtje te gaan. De
anderen keurden dat voorstel goed en op éen, twee, drie, waren zij
op de been.

Langzamerhand zagen zij het lichteken dichter bij komen en grooter
worden, totdat zij, op den duur, vóor een klaar verlicht roovershuis
stonden. De ezel, die de grootste was, ging eens door het venster
kijken. "Sapperdeboeren!" zegde hij, "ze zitten hier aan een
kermistafel. Er wordt gedronken en geschonken, gegeten en gesmeerd,
dat het gezicht alleen mij doet watertanden. Zoo ik daaraan mijn
buiksken eens mocht deugd doen".

"Ja, dat ware een kansje voor ons", zei de hond, "want mijn buik is
zoo hol, dat hij rammelt. Maar hoe die gasten buiten gekregen?" Ze
staken de koppen bijeen, om te gaar die zaak te overleggen, en op
twee minuten hadden zij een plan gereed. Zij wilden de roovers eens
met eene fraaie serenade vereeren.

Langoor plaatste zich met zijne voorpooten op het venster, de hond
wipte op zijnen rug, de kat klauterde op den hond, en de haan ging
boven op de kat haren kop zitten. Dan begonnen zij, op een teeken,
muziek te maken: de ezel giegaagde, de hond baste, de kat miauwde en
de haan kraaide. En al te gelijk sprongen zij door 't venster het
huis binnen, terwijl de ruiten, rammelend, in in duizend stukskens
vlogen. Ge kunt denken, wat helsch lawaai dat maakte. De dieven
meenden, dat al de duivels losgelaten waren, en vluchtten bijkans
dood van schrik het bosch in.

Nu zetten zich onze vier kerkzangers op hun zeventien gemakken
aan tafel, en aten en dronken, dat hun buik gespannen stond gelijk
eene trommel. Moe gegaan en dik gegeten, begonnen ze naar rust te
trachten, maar eerst en vooral bliezen zij het licht uit. Nu koos
elk de slaapplaats, die hem best beviel: de ezel leide zich op den
mesthoop neer, de hond aan de achterdeur, de kat op de warme assche
van den haard, en de haan vloog op de vorst van 't huis. En drie
minuten na dien waren ze allemaal in slaap.

Intusschen was 't middernacht geworden. En als de roovers geen
licht meer zagen of geen gerucht meer hoorden, begonnen zij zich
over hunne lafhartigheid te schamen. "Wij hebben ongelijk gehad
zoo gauw op den loop te gaan", zei de kapitein, en hij zond zijnen
luitenant op onderzoek uit. Deze vond alles stil en ging in de keuken
om licht. Hij aanzag de vlammende kattenoogen voor gloeiende kolen en
stak er een sulferstekje tegen, om zoo vuur te krijgen. Maar poesje
verstond geen lachen, vloog in zijn gezicht en krabde hem links en
rechts. Gij kunt peinzen, hoe de kerel verschoot. In een ommezien
was hij de keuken uit en op de vlucht. Maar aan de achterdeur beet
de hond hem in zijn been, en als hij den mesthoop voorbijstoof, gaf
hem de ezel met zijnen achterpoot nog 'nen fellen stamp. En de haan,
door al dat geroezemoes wakker geworden, kraaide er dapper op los:
koekeloerekoe! koekeloerekoe!

Jemenis menschen! hadt ge toen den dief zien loopen; een haas kon
hem niet volgen. Buiten adem kwam hij bij zijne kameraden toe, en
had moeite om te vertellen, wat hem voorgevallen was. "Och!" zeide
hij, "in ons huis zit een kwade tooveres. Zij is op mij gevlogen en
heeft met hare lange nagels heel mijn gezicht opengekrauwd; en aan
de buitendeur staat een schildwacht en die heeft mij een steek in
't been gegeven; en wat verder ligt een zwart monster, en dat heeft
mij met 'nen ijzeren stok geslagen, dat mijn ruggebeen kraakte. En
boven op het dak riep iemand: "Hou den dief! Hou den dief!" Ge kunt
wel denken dat ik mij uit de voeten maakte".

De roovers trokken men 'n druipneus dieper het bosch in, en durfden
sedert in hun huis niet meer te komen. Maar onze vier kerkzangers
woonden er zoo goed en gerust, dat zij daar hun leven versleten en
Sinter-Goelen Sinter-Goelen lieten. (Denderwindeke).



Men vergelijke hiermee no. XVIII van dezelfde verzameling, getiteld:
De wereld vergaat, en eveneens no. XXXVI: Van den halven haan. In
het sprookje van de vier reizigers, bij A. Joos, Vertelsels van het
Vlaamsche Volk (Gent 1889-91) no. 86, heeft het reisgezelschap met
wolven te doen en niet met dieven.

De lezer herinnere zich, hoe de booze moeder het arme Janneken aan
stukken sneed om er soep van te koken. Men rekent dergelijke trekken
tot de _ethnologische motieven_, en heeft gemeend, er sporen van
kannibalisme in te kunnen ontdekken. Naar het welbekende verhaal in
Homerus' Odyssee noemt men dit het Polyfemus-motief. In een sprookje
der Duizend en éen Nacht luidt het als volgt. Op zijn derde reis leed
Sindbad en zijne gezellen schipbreuk, redde zich op een eiland en
bereikte een prachtig paleis. Bij avond treedt er een vreeselijke
reus binnen, groot als een palmboom, en midden in het voorhoofd
vlamt éen enkel overgroot oog. Achtereenvolgens begint hij nu de
scheepsgezellen op te peuzelen, tot eindelijk Sindbad met de negen
moedigsten den slapenden cycloop met een gloeiend braadspit het oog
uitboort, om dan ijlings op in der haast getimmerde vlotten het ruime
sop te kiezen. Maar de reus slingert hun geweldige rotsblokken na en
allen, behalve Sindbad, komen om.

In onze Nederlandsche sprookjes is dit het Klein-Duimpjes-motief
geworden: de volwassenen zijn in kinderen veranderd, Duimpje
(Odysseus-Sindbad) is hier de pientere jongste broeder, en
de reus verliest niet het licht zijner oogen, maar slechts
zijn zeven-mijlen-laarzen. Ook komt het niet tot menscheneten,
want Duimpje redt zich en zijn broeders het leven. Wellicht is de
woning van den menscheneter het doodenrijk, waarop ook het vereenigd
voorkomen der drie lijkkleuren: wit, zwart en rood (ook tooverkleur)
schijnt te wijzen. Dat zoo vaak sprake is van den jongste van 3 of 7
of 12 kinderen, wien het beschoren is, koning te worden of de bruid
huiswaarts te voeren, zou wellicht kunnen wortelen in het erfrecht
van den jongste in de Germaansche landen. De jongste wordt door
zijn broeders dan ook niet met goede oogen aangezien, maar hij
is doorgaans de slimste, zooals blijkt uit het verhaal der Twee
Broeders, het oudste ons bekende sprookje, dat ten tijde van Mozes
in Egypte werd opgeteekend; zie hierover mijne Essays en Studiën,
bl. 216. Sommige elementen hiervan vinden wij in onze sprookjes weer:
"de man, wiens hart in een voorwerp bewaard wordt"; "de sprekende koe,
die den held waarschuwt voor het hem dreigend gevaar"; "de opgeworpen
hinderpaal tusschen vervolgers en vervolgde"; "het sympathetische
teekenen, dat de dood van den afwezigen broeder verkondigt" enz. De
verhouding tusschen de twee broeders is nog dezelfde in een Friesch
sprookje, welks aanhef ik hier laat volgen (Dijkstra, Uit Friesland's
Volksleven II, bl. 3 vlg.).

Van grooten Oege en kleinen Oege.

Er waren eens twee broeders, die heetten beide Oege. De een was groot
en sterk, maar zeer dom en lomp; de ander was een klein en nietig
ventje, maar zeer leep en verstandig. Groote Oege was rijk, hij had
wel dertig koeien, kleine Oege was arm, hij had maar eene koe. En zij
hadden ieder een oude grootmoeder bij zich inwonen voor huishoudster.

Eens kwam er een bedelaar bij kleinen Oege om een aalmoes. De kleine
man zei: "Ik kan u niets geven, ik ben zelf arm, maar ga naar mijn
buurman, die is rijk".--De bedelaar ging nu bij grooten Oege vragen,
maar die zei: "Denk je, dat ik je wat geven kan? Ik heb moeite genoeg
om zelf aan den kost te komen".--"En je buurman zegt, ge zijt een rijke
boer", zei de bedelaar.-- Dit maakte den grooten domkop wrevelig,
hij zei: "wil die kleine leelijkerd mij de schooiers op het lijf
zenden? Dat zal ik hem betaald zetten".--In zijn dolle drift liep
hij naar den weg, waar de koe van den kleinen Oege liep grazen,
trok zijn zakmes en sneed het beest den hals af.



Men vergelijke hiermee het begin van een door Boekenoogen, Volkskunde
XIII, bl. 240, meegedeeld sprookje:



Van Grootoog en Klaainoog.


Waz'n rais twei neefs; ain haitte Grootoog en anner Klaainoog. Zei
waz'n baaiden boer, maor Grootoog har 'n groot spul (boerderij) en molk
'n stuk of twaalf kôi'n en Klaainoog was maor 'n luddik keuterboerke
en har ain kou. Nô wol 't ongeluk, dat Klaainoog zien kou wat aan
schoensche kant was (niet in de weide wilde blijven) en nô en den
ien Grootoog zien land kwam. Grootoog ging noa zien neef en zee:
"As dien kou mie dat nog ainmoal weer bakt, den steek ik hom dood,
doar kens dien reek'n maor noa moak'n". "'k Ken er nait meer aan doun",
zee Klaainoog, "'n mensk mout doun, wat hai nait loat'n ken."

't Hil nait lank aan, of kou kwam weer ien Grootoog zien land en
Grootoog hil zien woord en stook kou dood.



In Vlaanderen (Leuven, Aerschot, Wambeek, enz.) luidt de aanhef aldus:

Van Pachter Eentand.

Er waren eens twee broeders, en die woonden nevens malkaar. De een
had drie paarden, de ander maar éen enkel, en daarom werd deze pachter
_Eentand_ genaamd.

Vier dagen elke week leende Eentand zijn enkel paard aan zijnen
broeder, die hem de twee andere dagen zijne drie paarden liet
gebruiken.

Op zekeren dag, dat Eentand met alle vier de paarden aan 't werk was,
riep hij, iederen keer dat er volk voorbijging: "Hu, al mijn paarden!"

Zijn broeder verbood hem zoo te spreken, maar vruchteloos. Toen
dreigde hij Eentand zijn éene paard den kop in te slaan, in geval
hij nog een enkelen keer "al mijn paarden" durfde roepen.

Eenige stappen verder, als Eentand volk zag afkomen, klonk het weer:
"Hu, al mijne paarden!"

"Pardaf", zei de broer, en sloeg met eenen marteel Eentand's paard
den kop in.



Talrijk zijn ook de _mythische_ motieven. Ik sprak reeds van het
doodenrijk, dat de Oude Germanen zich dachten als het rijk van
Wôdan-Odhin, als het schimmenrijk, en ook wel als gelegen in de
diepte der zee. Deze verschillende opvattingen hebben hun neerslag
in de sprookjesmotieven. De boomen en bloemen, die uit de aarde
opgroeien, bevatten vaak de ziel van den overledene (I, bl. 65);
bloemen ontspruiten ook op de graven. Op zielengeloof en doodenkultus
berust verder het motief der dankbare dooden, niet zelden in den
vorm van dankbare dieren, en het verlossingsmotief: de verlossing
geschiedt door het oplossen van een raadsel, het beantwoorden van
een vraag, het uitspreken eener formule of door standvastigheid in
het gevaar. Hiertoe behoort eigenlijk ook het sprookje van Roodkapje,
oorspronkelijk een door een monster verslonden, maar naderhand weer
bevrijd goedaardig wezen. Van bevrijding door heldenmoed gewaagt het
sprookje van Doornroosje. Al deze mythische opvattingen wortelen in
den gemeenzamen bodem van het primitief-wijsgeerige animisme, dat de
direkte ondergrond is van het omvangrijke motief der vormveranderingen.

De sprookjesgroep, die ons bezig houdt, noemen wij tooversprookjes in
tegenstelling met de dierensprookjes. Toch worden alle min of meer met
den tooverstaf aangeraakt en juist dit verleent hun de eigenaardige
fantastische bekoorlijkheid. Tooverij of magie, in engeren zin, is
een beslist mythisch bestanddeel, hoe dwaas het ook zijn moge, in de
magie _de_ bron _der_ religie te willen zien. Tooverij schenkt ook de
befaamde onwondbaarheid door tooverhemd, dierenvet, bad in tooverbloed
enz. Zie hiervoor A. de Cock, De onwondbaarheid en de Achilleshiel,
in Volkskunde XXIII, bl. 169.

Naar men weet heeft Laistner den droom als mythischen faktor
ingevoerd; en inderdaad kunnen vele motieven als _droommotieven_
worden beschouwd. Aldus in de sprookjes van den tooverslaap, die
ons Doornroosje, Sneeuwwitje en de Zevenslapers in het geheugen
roepen. Al de hoofdpersonen van deze sprookjes moeten wachten op
verlossing uit den slaap; een gewaarwording, die den droomenden
mensch herhaaldelijk bevangt. Talrijk zijn ook de sprookjes, waarin
een droom een beslissende rol speelt, doordat hij of wel de werkelijke
toekomst voorspelt, of de menschen tot ijdele hoop verleidt,--vertelt
Homerus ons niet reeds van de twee droompoorten aan het paleis van
den nacht? De eene is van hoorn, de andere van elpenbeen: door deze
gaan de vleiende, bedriegelijke droomen, door gene de waarachtige, die
ter voleinding voeren. Hiertoe behooren verder het wenschmotief, men
denke aan het wensch-tafeltje met allerlei spijzen en het overbekende
tafeltje-dek-je; het vergeetmotief, als in het sprookje van de Ware
Bruid; het raadsel- of sfinxmotief, ons bekend uit het verhaal der
koningsdochter, die slechts wilde trouwen met iemand die haar kon
vastpraten, en van den koning, die geen andere vrouw tot koningin
wilde nemen dan haar, die zich voor hem zou vertoonen "niet bij dag
en niet bij nacht, niet gekleed en toch niet naakt, niet te voet
en ook niet te paard", zie Dijkstra, Uit Frieslands Volksleven II,
bl. 50, 68, 71; De Mont-De Cock, Vlaamsche Vertelsels, bl. 31, 352,
390 (een vernuftige boerendochter zette zich bij het vallen van den
avond op een ezel, omhing zich met een groot vischnet, en trok zoo naar
't paleis); en dat van de zware, onoplosbare taak of van het labyrinth,
in de Germaansche sprookjes vervangen door het groote, sombere woud.

Zoo kom ik eindelijk aan de _karakter-motieven,_ waartoe op de
allereerste plaats wel de sluwheid behoort, meestal verbonden met
kleine lichaamsgestalte, als bij Klein-Duimpje, in het Groningsch
_Keuteldoemke_, zie Volkskunde XIII, bl. 111, in het Limburgsch
_Duumpke-Mezuumke,_ wellicht ontstaan uit _Duumpke-mie(n)-zeunke;_
zoo ook in het Geldersch verhaal van den Slimmen Jan, Volkskunde XIII,
bl. 247, en van den Slimmen Schoenmaker, De Mont-De Cock, Vlaamsche
Vertelsels, bl. 216. Andermaal wordt de domheid tot motief, veelal
verbonden met forsche, rijzige lichaamsgestalte. De domme begrijpt
meestal een gegeven leer niet. Hiertoe behooren onze sprookjes van
Diertien, Jan den Boer, Sterken Hans of Wolfjonk en Nog dommer dan
dom. De historie van Tijl Uilespiegel wijkt slechts in zoover af,
dat hij in al zijn dwaze streken een opzettelijke schalk is.--Sterkte
en dapperheid, lafheid, geluk vertoonen zich zóo regelmatig, dat
zij kwalijk een motief kunnen genoemd worden. Het ongeluk wordt tot
motief bij den ongeluksvogel, wien alles tegenloopt. Ook de luiheid
is een gewild motief, maar dan een grootsche, ekstatische luiheid,
een eigenschap, die den drager begenadigt, burger te worden van het
Luilekkerland! Het lange slapen is het eerste sprookjes-kenteeken
dezer luiheid. De nieuwsgierigheid wordt doorgaans bestraft en hangt
nauw samen met het motief van het verraden geheim, dat wij in het oude
sprookje van Midas met de ezelsooren vinden, en van het vraagverbod:
Amor en Psyche, de Zwaanjuffer, Blauwbaard, wanneer dit verhaal
althans om zijn historische kern niet tot de sagen moet gerekend
worden, zie Funck Brentano in de Vragen van den Dag XIX, bl. 483,
556, 649. Ook wordt de eenvoud vaak beloond, hetgeen wij zien in de
formule van Asschepoester, een meisje trouwens zóo schoon, dat haar
schoonheid zich reeds door haar schoentjes verraadt.

In het Oosten, en ten deele ook in Italië, was het sprookjesvertellen
een beroep, uitgeoefend door vakmannen in het vertellen, aan het hof,
in de paleizen, voor de groote volksmenigte. Vertellers van dien
aard bezitten een zekere kunstvaardigheid en techniek, en berekenen
en versterken den indruk door dramatische middelen; zij verhoogen de
spanning en maken jacht op effekt. Zóo ontstonden b.v. de sprookjes
der Duizend en een Nacht. In den Oosterschen verhaaltrant is veel
novellistisch en fantastisch, de volksaardige grondslag wordt niet
zelden geheel door kunstmatig geteelde woekerplanten overgroeid.

De Nederlandsche, Duitsche, Engelsche, en grootendeels ook de Fransche
sprookjes zijn geheel anders. Zij zijn kinderlijk en schijnen voor
kinderen bestemd. Zeker, zij worden verteld onder de dorpslinde op
zomeravonden, zij korten de gezelligheidsuren der spinningen, voor
zoover die nog in eere zijn (I, bl. 273). Maar het midden, waar zij
bij uitstek thuis hooren, is toch de huiselijke kring, met name de
kinderkamer: moeder en grootmoeder vertellen, de kinderen vormen het
luistergrage publiek.

Dit feit vindt weerklank in vorm en aanleg onzer sprookjes. Een slot,
dat de vernietiging van het goede en edele beduidt, verdraagt de
kinderziel niet. Maar ook in den loop van het verhaal zelf wordt
het harde en gruwzame, dat b.v. de IJslandsche sprookjes kenmerkt,
zooveel mogelijk verbannen. Verder vermijdt men het geraffineerde,
het te zeer prikkelende, het eindeloos spannende: het kind moet
naderhand kunnen inslapen en vriendelijke droombeelden moeten
het omzweven. Maar vooral, het sprookje moet eenvoudig zijn en
verstaanbaar, moet liggen binnen het bereik der kinderziel. Juist
hierdoor echter is de oude sprookjeskern beter bewaard gebleven:
vooreerst, omdat het gekunstelde ontbreekt, maar ook, dewijl het
kind steeds op dezelfde wijze wil verhaald hebben. Zelfs een lichte
verandering duldt het niet: "dat is niet juist, niet goed," zegt het
dan. Want het kind houdt de sprookjes voor waar.

Een bijzonder karakter vertoonen nog de Nederlandsche sprookjes. Onder
de dieren heeft de ooievaar natuurlijk een eereplaats, maar
merkwaardiger is de natuurschildering. In 't Oosten en Zuiden van
ons land speelt het verhaal meestal nog in het woud, maar in het
Noorden aan en op zee. Toch voelt het sprookje zich in het woud
beter thuis, en het verwaait en vervaagt wel eenigszins in onze
kale, kille laaglanden. Hoe schenkt het dichte, donkere bosch ook
zoo echt de sprookjes-stemming, de zalige beklemdheid, het heerlijke
angstgevoel! Dáar drukt verlatenheid en eenzaamheid op het verdwaalde
kind. Aan reuzen en dwergen, monsters en verscheurende dieren is
het weerloos prijsgegeven. Vooral wanneer de nacht neervlerkt. Maar
eindelijk herleeft toch de hoop op redding, als ginder, heel ver,
een zwakke lichtschemer trilt: "en toen zagen ze in de verte een
lichtje branden".

Met name echter: humoristische gemoedelijkheid kenschetst onze
sprookjes. Maar deze gemoedelijkheid is inniger in het zuidelijk
volksgebied, en helt meer over tot het banale of platte in het
noordelijk.

Een afzonderlijke groep vormen de natuurverklarende sprookjes; deze
behandel ik in het Zesde Hoofdstuk III.--


    --Daar was eens een man,
    --Toe, luistert dan,
    --Daar was eens een' vrouw,
    --Toe, luistert nou,
    --Daar was eens een heer,
    --Och! ik vertel niet meer.


Ziedaar een staal van de zoogenaamde kwelsprookjes, die ik
tot het laatst bewaard heb, en wier finale werkt als een koude
waterstraal. Algemeen verspreid zijn ook de kwelvertelsels van het
Kalverstaartje en van den Gouden Sleutel:

Er was eens een man, die groef zijn tuintje wat om en vond toen een
houten doosje. In dat doosje vond hij een kalverstaartje,--en ware
dat kalverstaartje wat langer geweest, dan zou mijn vertelseltje ook
wat langer geweest zijn.--

Eens 's winters, toen er veel sneeuw lag, werd een arme jongen door
zijn ouders met een slede uitgezonden om brandhout te halen. Toen hij
nu in het bosch de slede opgehoopt vol had geladen met doode takken,
wilde hij, voor hij naar huis terugkeerde, een vuurtje maken om zich
wat te warmen. Hij ruimde daartoe de sneeuw wat weg, en vond toen
op den grond een kleinen gouden sleutel. Verder zoekende vond hij
aldra onder de sneeuw ook een ijzeren kistje, met een sleutelgat zoo
klein, dat men het nauwelijks zien kon. Hij probeerde, en gelukkig! de
sleutel paste. Hij draaide het sleuteltje eenmaal om,--en nu moeten wij
wachten, tot hij het kistje heel en al geopend heeft, dan zullen wij
verder vernemen, welke wonderbaarlijke dingen er in waren opgesloten.

Minder bekend wellicht is het volgende Limburgsche kwelsprookje.

In overoude tijden kwam eens een groot geheimzinnig schip de rivier
afdrijven en ankerde nabij een havenstad. Zwart was de kiel, zwart de
mast, zwart de zeilen en al het takelwerk. Geen kapitein stond op de
brug, geen stuurman aan het roer, geen matrozen op het dek of in het
want,--alles was eenzaam en akelig stil. Het volk uit de havenstad
drong op de kade om het schip samen, maar niemand verstoutte zich
het vaartuig te betreden. Eindelijk achtte de magistraat het zijn
plicht een onderzoek in te stellen. Ook het ruim vond men ledig, op
éen kajuit na: daar zat een klein, zwart manneke, en ter linkerzijde
van hem lag een zwaard, ter rechter een korst brood.

Toen nu niemand wist te zeggen, wat dit beduidde, ontbood men een
eerbiedwaardig kluizenaar uit den omtrek, en deze gaf eindelijk de
gevraagde verklaring. "Het zwaard", zoo sprak hij, "beteekent lange
jaren van bloedigen oorlog; de korst brood even zoo vele jaren van
bitteren hongersnood"....

"En het zwarte manneken dan?" vraagt wellicht een ongeduldige
hoorder. Waarop het antwoord luidt: "Dat moogt gij zoolang likken,
tot het blank is".--

Behalve de reeds vermelde literatuur, zie nog A. De Cock,
Rond den Heerd, Sprookjes voor jong en oud (Gent 1890); Uit de
Wonderwereld, Sprookjes voor groote en kleine kinderen (Gent 1889);
Fr. Coeckelbergs, Sprookjes, Legenden, Sagen en Liederen, afgeluisterd
te Heyst-op-den-Berg (Antwerpen 1903); C. Claerbout, Sprookjes
en Verhalen uit het Thieltsche (Pithem 1890); J. van Lantschoot,
Volksvertelsels uit Meetjesland, (Gent 1895); J. Vermast, Vertelsels
uit West-Vlaanderen (Gent 1890); Ad. Lootens, Oude Kindervertelsels
in den Brugschen tongval (Brussel 1868); H. Poelhekke, Woordkunst,
bl. 99; Ad. Thimme, Das Märchen, (Leipzig 1909), _passim_; Gustav
Meyer, Essays und Studien zur Sprachgeschichte und Volkskunde
(Berlin 1885) I, bl. 145 vlg.; M. A. Perk, in De Gids 1882 III,
bl. 237; Prof. J. V. D. Vliet, in De Gids, 1894, II, bl. 452;
Prof. J. J. Speyer, in De Gids 1892, III, bl. 520 vlg.

Van het sprookje verschilt de _sage_, dewijl deze, zooals reeds gezegd,
gebonden is aan tijd, gewoonlijk zelfs aan éen moment, als hoofddatum
opgevat; het sprookje immers breidt zich uit over jaren en jaren. De
sage is ook plaatselijk beperkt, hecht zich vast aan een bepaalden berg
of stroom of meer van het geboorteland en heeft een meer nationaal
karakter; het sprookje speelt ergens ter wereld, onbepaald, en gaat
van pool tot pool, van oceaan tot oceaan. De sage eischt geloof aan de
waarachtigheid van het verhaalde; ook het sprookje vraagt vertrouwen,
doch slechts schertsender wijze, en het is meer novellistisch van
aard. De sage is armer, eentoniger, het sprookje geestiger en biedt
meer afwisseling. Waar de sage een religieus bestanddeel omvat, heeft
het bovennatuurlijke den boventoon; het sprookje is in weerwil van
al het wonderbaarlijke meer menschelijk. De sage staat ethisch, het
sprookje artistiek hooger. Vooral de Germaansche sage wordt gekenmerkt
door den adel der persoonlijkheid, de hooge opvatting van eer en
plicht, de innigheid en reinheid van het zieleleven. Geschonden trouw
wordt doorgaans door de straf op den voet gevolgd. Op Nederlandschen
bodem onderscheidt de sage zich door grooten eenvoud en soberte,
hoogen ernst en rustigen verhaaltrant.

De _mythische sagen_ wortelen over het algemeen in animistische
opvattingen, of in een bepaald mythologisch systeem. Na de uitvoerige
bespreking der volksreligie in het eerste deel, bl. 62 vlg., kunnen
wij ons hier met deze algemeene verklaring en verdeeling tevreden
stellen. Ook vindt men daar ter plaatse reeds tal van Nederlandsche
mythische sagen vermeld; ik wensch hier nog slechts enkele voorbeelden
aan toe te voegen.

Spook- en Tooversagen. Een typische spookgeschiedenis mag m.i. in een
boek als dit niet ontbreken. Ik ontleen ze aan de Vlaamsche Vertelsels
van De Mont-De Cock, bl. 321. Het zeer verspreide verhaal draagt den
naam: Van het betooverd Kasteel. Spooksagen als deze vormen vanwege
haar geringe lokaliseering als het ware den overgang tusschen sprookje
en sage. Jan, die twintig jaar den koning had gediend, waagt het,
te gaan overnachten in een kasteel, waar het spookte.

...In éen, twee, drie had hij een warm vuurtje aangelegd en zijn
beslag gereed gemaakt. Dan zette hij zich in eenen leuningstoel,
op zijn zeventien gemakken, bij den haard, in afwachting, dat de
koekdeeg aan 't rijzen zou gaan. Intusschen was het elf uur van den
nacht geworden, en Jan begon te bakken. Maar de koek was nog maar half
gaar, of pardof! daar viel een heel menschenbeen door den schoorsteen
in de pan, en--de koek lag in de asch!

"Suikerloot", riep Jan, "al éen bedorven". Hij raapte het been
op, smeet het in den hoek der schouw en herbegon te bakken. Maar,
pardof! een tweede been plofte in de pan, en ... de koek lag weer in
de asch!

"Sapperlot", vloekte Jan, "al twee bedorven!" Hij gooide het been
bij het andere en ging weer aan 't werk, ongelukkiglijk met hetzelfde
gevolg, want nu viel er een menschenarm in de pan, en de koek was weer
om zeep. En zoo duurde het nog eenigen tijd voort: den vierden keer
viel de andere arm, den vijfden de heele ribbenkast, en ten slotte
een menschenschedel!

Jan wierp heel dien santenboetiek op 'nen hoop in den hoek van den
schoorsteen, zonder zich daarvoor kwaad bloed te maken. "Zou 't nu
eindelijk gedaan zijn!" riep hij, terwijl hij eens even naar omhoog
in de schouwpijp keek. "Nu wordt het tijd, want mijn beer begint
te dansen". En hij opnieuw aan 't bakken. Ditmaal liep het goed
af, ook eene tweede en eene derde maal, en Jan speelde de koeken
gretig binnen. Maar toen hij nu eens met een vluchtigen blik naar
"zijn knekelhuis" keek, bemerkte hij tot zijne verwondering, dat de
verschillende beenderen leven gekregen hadden en zich samenvoegden
tot een menschelijk geraamte!

"Wel, vriend Magermans", zei Jan tot het spook, "hebt gij geenen lust,
om een koekje mee te eten?" Maar hij kreeg geen antwoord. "Die zwijgt,
stemt toe", zei Jan, en meteen nam hij een halfgebakken pannekoek,
en smeet dien het spook in 't aangezicht, dat hij er aan bleef plakken.

Daar sloeg het middernacht op den toren van de dorpskerk. "Doe de deur
open", zei het spook nu, en het wees met den vinger naar de kelderdeur.

"Doe ze zelf open, als ge niet te lui zijt", zei Jan. Het spook wenkte
den soldaat hem te volgen en ging de kelderdeur openen.

"Daal nu de trappen af", sprak het.--"Doe het zelf", zei Jan. Het
spook daalde de trappen af, gevolgd door den soldaat met een brandende
kaars in de hand. Vóor een grooten blauwen steen, in den keldervloer,
bleef het spook stilstaan. Hier raakte het eventjes de handen van
onzen gast aan, en deze voelde, dat ze gloeiend heet werden. "Hola,
kerel, denkt ge mij te verbranden?" riep Jan. "Herbegin maar niet,
of ik zal u 'nen anderen dans leeren".

"Hef dien steen op", sprak de geest.

"Hef hem zelf op, als ge niet te vadsig zijt", zei Jan. Het spook
nam nu den steen weg, en Jan bemerkte eenen put, waarin drie volle
kisten goud naast elkander stonden.

"Ziet ge dit goud?" vroeg het spook. "Dat alles heeft mij toebehoord,
toen ik op dit kasteel leefde, maar ik heb er geen goed gebruik van
gemaakt. Daarom moest ik branden en hier elken nacht terugkeeren,
tot er iemand gevonden werd, die dat geld een goede bestemming zou
geven. Gij zult het doen, en van nu af is mijne straf uit". Tot teeken
der waarheid legde het nogmaals de hand op Jan, en hij voelde, dat ze
nu koud was. Dan sprak het weer: "De eerste kist is voor u; de tweede
is voor den arme; de derde is voor de kerk". Daarop verdween de geest,
en Jan stond daar alleen.

's Morgens ging hij zijn wedervaren aan den graaf (den kasteelheer)
vertellen. Deze was heel blij, dat zijn kasteel nu van de spoken
verlost was, en liet Jan gewillig toe het goud uit te deelen, zooals
het spook had voorgeschreven. Onze soldaat, thans schatrijk geworden,
keerde terug bij zijne moeder, en leefde met haar nog lang en gelukkig.

Daar kwam de Dood met zijn wagen met doodenkruid, en voerde hen alle
twee de wijde wereld uit.



De spooksage is hier met een schatsage verbonden; dit is o.a. ook het
geval met de Neerlintersche sage van het Blauwe Spook, die men vindt
in Hagelander IV, bl. 90 vlg. De spoken zijn veelal familieleden,
die terugkeeren en om gebed vragen of om vervulling eener door hen
of door een ander niet volbrachte gelofte, zoo b.v. het spook van
de Langesloot en van Tusschendijken, bij Dijkstra, Uit Friesland's
Volksleven I, bl. 146, 154. Overeenkomstig luidt een sage, ons door
Boekenoogen in Volkskunde XIX, bl. 150 meegedeeld:

Een bakker te Hoorn had een vrouw en twee kinderen. Zijn vrouw werd
doodziek en hij beloofde haar op haar sterfbed, dat hij de kinderen
bij een buurvrouw, een heel braaf mensch zou uitbesteden. Maar toen
zij gestorven was, kwam hij die belofte niet na.

Van dien tijd af begon het avond aan avond te spoken. Er werd
gerommeld, geschuifeld, gestampt en ander leven gemaakt. En altijd op
denzelfden tijd begon het leven weer en werd het na een poos weer stil.

Hij wist niet wat hij er aan doen moest en sprak er den predikant
over. Deze besloot zich met eigen oogen en ooren te overtuigen en bleef
dus op een zekeren dag waken en las onderwijl in den bijbel. Op den
gewonen tijd begon het spoken weer en toen dat een poosje zoo geduurd
had, zei de dominee: "Wat is er van uw verlangen?" "Ik heb geen rust",
antwoordde het spook, "voor mijn man zijn belofte omtrent de kinderen
vervuld heeft". "Die zal vervuld worden", sprak de dominee.

Toen vertelde hij den bakker wat hij gehoord had en deze heeft de
kinderen toen bij de buurvrouw uitbesteed; en het spoken is sedert
voorgoed opgehouden.--

Hoeveel betooverde meren en kasteelen schenken er niet een tooverwaas
aan het Nederlandsche landschap! Diep bedolven in het Bleeke Meer--ook
Prinsenmeer en Koningsmeer genoemd--nabij Stavoren ligt de schat der
Friesche Koningen, gelijk de schat der Nibelungen in den Rijn. En
waar de Niers met groote kronkelwegen de velden doorstroomt, daar
verjoeg eens een hoogmoedige ridder in zijn verwaten trots een arme
pelgrim van zijn erf. Slechts de jongste dochter had deernis met
hem, maar vermocht den vloek niet meer te bezweren, die zich ging
ontladen over het misdadig slot. Daar doet de torenklok twaalf doffe
slagen weerklinken...en het kasteel zinkt weg in de diepte. Maar
toen de lente weer kwam, ontsproten aan den voet van den heuvel,
waarop de burg gelegen was, hyacinthen, primula's en anemonen, als
herinnering aan de jonkvrouw, die niet geheel was ontaard.--Andere
plaatsen, als het Solsche Gat, zijn betooverd, omdat daar een moord
werd gepleegd. Klokkekuilen, die het gebeier der verzonken klokken
nog menigen nacht, vooral op Kerstnacht, doen hooren, hebben allen
hun genetische sagen. Voeg bij deze toover- en spooksagen nog de
groep van volksverhalen, die betrekking hebben op personen, welke het
vermogen bezitten, iemand "vast te zetten" of, zooals het heet, die
"de vrije kunst" verstaan; van deze vindt men een zeker aantal bij
Boekenoogen in Volkskunde XIX, bl. 142 vlg., en De Cock, ib. XXIV,
bl. 142. Zie verder De Cock, Brabantsen Sagenboek I, bl, 118-161;
Welters, Limburgsche Legenden II, bl. 46, 51; G. V. D. Wall Perné,
Veluwsche Sagen (Amsterdam 1909) I, bl. 96; Geldersche Volksalman.,
1835, bl. 28; 1845, bl. 37; P. Oosterlee, Legenden3 (Nijmegen 1913),
bl. 96.

Daar bestaat een soort van betoovering, die zeer oud of onsterfelijk
maakt of voor geruimen tijd de gave der vergetelheid schenkt. Algemeen
vermaard is de sage, zooals zij is gelokaliseerd in het Zevengebergte,
onder de benaming van _Der Mönch von Heisterbach_; men kent ook de
Nederlandsche bewerkingen van W. Müller's gelijknamig gedicht. Maar
ook in Groot-Nederland is dergelijke sage inheemsch, getuige het
volgende, te Hekelgem uit den volksmond opgeteekende verhaal over
"Het Kluizevogelken van Affligem".

Op zekeren dag wandelde een heilige pater uit de abdij van Affligem in
de wijde bosschen, rondom het klooster gelegen. Op eens werd zijn oor
getroffen door het hemelsch gezang van een vogeltje. Vol bewondering
houdt hij het vogelken in 't oog en daar het van boom tot boom vliegt,
volgt hij het immer na. Zoo brengt het hem tot bij een kluis, die met
een gouden draad is afgespannen. De draad opent zich bij het naderen
van den monnik en sluit zich achter hem weer dicht. De pater zet zich
neer op een bank naast de kluis en luistert nog altijd even gretig
naar het wonderbaar gezang van het vogeltje.

Maar ten slotte houdt het gezang op, en toen eerst dacht de pater er
aan, naar de abdij terug te keeren. Hij komt voor de poort en klopt
aan. Een portier verschijnt en vraagt: "Wien mag ik bij den Abt
aandienen?"--"Wel broeder, kent ge mij niet? Ik heb slechts eenige
uren geleden het klooster verlaten", antwoordt de monnik.--"Gij zijt
mij geheel vreemd", herneemt de portier.--"Onmogelijk", protesteert
de pater; "ga den heer Overste en mijne andere broeders verwittigen;
die zullen mij wel herkennen".

Maar niemand herkende hem. Toen kwam de abt op de gedachte, den
vreemdeling zijn naam te vragen; en zoekend in de vergeelde en bestoven
registers der oude abdij bevond men, dat de onbekende monnik juist
honderd jaar geleden de abdij verlaten had. Ter herinnering aan dat
voorval is naderhand op de plaats der oude kluis een kapel gebouwd,
die men de _Kluizekapel_ noemt. Vergel. De Cock, Brabantsch-Sagenboek
I, bl. 69.

In deze lezing van de sage is een nieuw sagenmotief ingelascht,
n.l. het vogeltjesmotief, dat men in een andere, wellicht meer
oorspronkelijke lezing, ons door Wolf, Niederländische Sagen no. 148
meegedeeld, met het tekstmotief verbonden vindt. De kloosterling denkt
n.l. na over het schriftwoord: "Duizend jaren zijn voor Uw oogen als
de dag van gisteren". Zie nog Zeitschr. d. Vereins für Volkskunde XI,
bl. 298.

Men zou tot deze groep de sage van den Wandelenden Jood kunnen rekenen,
en ik moet toegeven, dat zij eenige trekken van het zoogenaamde
Matthusalem-motief bevat. Maar ik reken ze toch liever tot de
historische sagen.

Zeer merkwaardig voor inhoud en verspreiding der sagen in het algemeen
is die van den te Gast genooden Doode, over geheel Europa verspreid. Te
's-Hertogenbosch luidt zij als volgt:

Langen tijd geleden leefde te 's-Hertogenbosch een Jonker, die
aan God noch gebod geloofde en een zeer zondig leven leidde. Op
zekeren avond twistte hij in een drankhuis over de vraag of er na
den dood nog een leven is, en hij hield staande dat, wat dood is,
dood blijft. Bij het naar huis gaan moest hij over een kerkhof en
toevallig schopte hij tegen een doodshoofd. "Ha ha!" riep hij luid,
"dat treft. Als gij nog leeft, kom dan straks het avondmaal met mij
nemen!" En lachend ging hij verder. Thuisgekomen ging hij welgemoed aan
tafel. Daar gaat de bel en de meid ziet een vreemdeling voor de deur
staan. Zij brengt hem binnen en de vreemdeling zegt tot den Jonker:
"Gij hebt mij zooeven te gast gevraagd, zooals gij ziet, beantwoord
ik aan uwe uitnoodiging". De Jonker voelde zich ijskoud worden, maar
nog meer, toen de man zijn mantel aflegde en zich vertoonde als een
afschuwelijk geraamte. De Jonker viel in onmacht en de meid, die kwam
toeloopen, vond geen spoor meer van den vreemdeling. De Jonker bleek
zijn verstand te hebben verloren en stierf krankzinnig.

Men ziet het, de sage moraliseert: goddeloosheid en onteering
van den doode worden streng gestraft. Ongeveer eensluidend zijn
de lezingen, die wij aantreffen in Vlaamsch-Brabant (Wambeke en
Ternath), Oost-Vlaanderen (Welle, bij Denderleeuw), Noord-Holland,
waar de sage nog als lied gezongen wordt, b.v. te Broek in Waterland,
Antwerpen en Gent, Limburg (Vroenhoven), waar volgens 't Daghet in den
Oosten XX, bl. 100 vlg. insgelijks de sage nog als lied voortleeft, in
West-Vlaanderen (Brugge) en in Fransch-Vlaanderen (Godewaartsvelde). In
het buitenland blijft de moraal: eer de dooden. Aldus in de lezing:
het Doodshoofd te Gast, die wij ontmoeten in Bretagne, Morbihan,
Nantes, Zevenburgen, Tirol, IJsland, Spanje, Luik, Metz, Picardië,
Gascogne, en eveneens in de lezing: de Gehangene te Gast, vooral in
Duitschland verspreid: Saksen, Pruisen, Meklenburg, Silezië, maar ook
wel in Bretagne; eindelijk in de lezing op het motief: de Doode (niet:
gehangene) te Gast, welke zich over Denemarken, Zweden, Noorwegen,
Rusland, Holstein en Bosnië uitbreidde, maar ook wel in den Elzas en
Zevenburgen gevonden wordt. De ongeloovigheid wordt echter in geen
dezer lezingen gestraft, zoodat deze trek uitsluitend karakteristiek
blijft voor de Nederlandsche inkleeding der sagestof. Nu heeft A. de
Cock in eene voordracht, gehouden in de Koninklijke Vlaamsche Academie
(Verslagen en Mededeelingen 1909) de stelling zeer aannemelijk gemaakt,
dat deze trek afkomstig is van eene redaktie, die men in Poirters'
Masker van de Wereld vindt; hij zelf ontleende hem aan een schooldrama,
dat in 1615 te Ingolstadt gedrukt en in den herfst van hetzelfde jaar
door de studenten van het Jezuïten-college aldaar werd gespeeld. Dit
drama berust waarschijnlijk weer op een Italiaansche volkssage.

Met opzet heb ik deze sage wat uitvoeriger behandeld, omdat ik ze van
belang acht voor het goed begrip der onderlinge verhouding tusschen
volkssage en kultuursage en der inwerking van de kultuurdichting
op vorm en voortbestaan der sage. Wij zien de sage ongerept en
onafhankelijk van den kunstvorm. Andermaal levert zij aan den dichter
stof tot bewerking. Maar opnieuw dringt het thema de volksmassa's
binnen en legt het populaire sagenkleed weer aan.

"Van oudsher is de band tusschen sagen en kunstdichten nauw geweest",
schrijft Poelhekke. "Veel sagen danken hun voortbestaan alleen aan
den dichtvorm, waarin zij zijn overgebracht. Zou de Loreley-sage zoo
verbreid zijn, als Heine ze niet had bezongen? En heeft Staring niet
veel aandeel in het blijven voortleven van de sagenstof in zijn Jaromir
en andere gedichten verwerkt? Er is zelfs voor nagenoeg alle sagen
een tijd gekomen, waarin dichters de overgeleverde stof opzettelijk
gingen omwerken, ze gingen verdiepen vooral, waarin ze het zieleleven
der personen nader uitsponnen, en zoodoende menige sagenfiguur geheel
wijzigden": Woordkunst, bl. 84, 85; vgl. De Beiaard I, i, bl. 49.

Maresagen. Op de Veluwe gaat de sage van een boerenknecht, die met
de kar hakhout van Wiessel naar Nunspeet moest brengen en 's avonds
bij den Hoogen Duvel belandde. Een uitdagend:


    "Griepke, Griepke, grauw,
    A'j' me hebben wilt, griep me dan gauw"


bekwam hem slecht. Want een vlam sloeg uit den weg omhoog, een
dreunende slag volgde, 't paard steigerde hoog op, en tegelijkertijd
zag de man een groot zwart gevaarte op hem afkomen, dat met vurige
klauwen naar hem greep. Het werd een rit op leven en dood. Straks
stootte de mare een woedend gebrul uit en een aantal weerwolven met
groen-lichtende oogen sprongen te voorschijn. Eindelijk bereikten
ruiter en paard den reddenden stal. Maar des anderen daags vond de
boer het arme dier dood op het stroo liggen. Want de mare had zich
weten te wreken op het onschuldige dier. Zie G. V. D. Wall Perné,
Veluwsche Sagen I, bl. 100; Welters, Limb. Legenden II, bl. 38, 39;
De Cock, Brabantsch Sagenboek I, bl. 96, 99.

Vooral heksensagen vindt men allerwege. Het eigenaardige bestaat
hierin, dat deze in den grond animistische sagen sterk met Christelijke
bestanddeelen zijn vermengd; zie I, bl. 77.

Een afzonderlijke groep der mythische sagen vormen de natuursagen,
die berusten op verpersoonlijking der elementen of op verklaringen der
natuurverschijnselen. Over de _kabouters_ weet o.a. de Noordbrabantsche
Volksalmanak 1870, bl. 253 vlg. te verhalen, hoe een boer uit Duizel,
die den heelen dag in de hei turf had gestoken, in het schemeruur met
zijn "spaai" op den rug over den Eerselschen dijk huiswaarts keerende,
eenige schreden voor zich uit een knaapje zag voortdrentelen, dat hem,
wonder genoeg, niet ouder leek dan enkele maanden. Maar toen hij het
wicht had ingehaald, bleek dit een mannetje te zijn met grijze haren
en grijzen ringbaard; het haalde zijn "smoorske" voor den dag en vroeg
hem een pijpje tabak, waarvoor de boer ten slotte rijkelijk beloond
werd. Sagen over _Witte Vrouwen_, _reuzen_, _dwergen_, _vuurmannen_ en
_meerminnen_ treft men rijkelijk aan, zoo b.v. in de verzamelingen van
Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven I, bl. II, 18, 52; G. V. D. Wall
Perné, Veluwsche Sagen I, bl. 44; Welters, Limburgsche Legenden II,
bl. 29 vlg., 38; De Cock, Brabantsch Sagenboek I, bl. 168-215; De
Mont-De Cock, Vlaamsche vertelsels, bl. 326, 331. Het schoone verhaal
van het Meerminneken (_ib._ bl. 332), dat met lange, losse haren vol
waterbloemen uit het water oprees, terwijl zij zong:


    "Een wateren dak, een paleis van kristal....
    Daar spelen mijn lievekens allemaal....
    Visscherken, werp er uw tonneken uit....
    De walvisch komt en zoekt naar buit",


is veeleer wondersprookje dan sage. Wat de natuurverklarende sagen en
sprookjes betreft, deze zullen wij naderhand afzonderlijk behandelen.

De _Christelijke sagen_ borduren Christelijke figuren of tafereelen
op heidensch, of althans op zuiver-fiktief patroon. Wanneer van
Sinterklaas verteld wordt, hoe hij, hoog te paard, den ruimgeplooiden
bisschopsmantel om de schouders geslagen, op zijn trouwen schimmel
over de daken rijdt, om zijn geschenken door den schoorsteen te
werpen,--dan is dit een Christelijke sage, want de Sleipnir berijdende
Wôdan-Odhin levert het patroon. En evenzeer is dit het geval met de
Christelijk-getinte verhalen, die men wel eens in bezweringsformules
vindt ingelascht; daar staan Jezus, Petrus, Michaël en Stephanus
eenvoudig op de plaats van Wôdan en de zijnen, die op hun avontuurlijke
aardsche tochten niet zelden een verrekten paardenpoot genazen.

Van dien aard is ook de sage van Sint-Elooi en den smid.

Op zekeren keer, vertellen De Mont en De Cock, bl. 364, was St.-Elooi
op wandeling en hij kwam in een vreemd dorp. Daar zag hij een smidse,
en boven de deur, op een uithangbord, las hij deze woorden:


    Bij Jan Hamers, paardesmid,
      Meester-boven-meesters.


"Wat", dacht St.-Elooi, "is die kerel zoo verwaand, dat hij zich
boven heel de wereld durft verheffen? Ik ga eens zien".

Hij trok binnen, en vroeg aan den smid, of hij bij hem mocht werken.

"Kunt gij beslaan?" vroeg de smid.

"--Ik geloof, dat het wel gaan zal", was 't antwoord.

"--Welnu, toon wat je kunt", zei de smid, die zag hoe een boer naderde
met een paard, dat aan zijne achterpooten moest beslagen worden.

Sint-Elooi trok een schootsvel aan en zette zich aan 't werk. Op éen,
twee, drie had hij een hoefijzer gereed. Dan nam hij den poot van
't paard, sneed hem af met zijn mes, en met éenen slag van den hamer
zat het hoefijzer vast. Daarna paste hij den afgesneden poot aan het
been, en zette ze weer aaneen. En wat vooral wonder was: het paard had
geen enkelen druppel bloed verloren. Voor den tweeden poot handelde
Sint-Elooi op dezelfde wijze.

De smid, die alles van nabij had gadegeslagen, kon zijne oogen niet
gelooven. "In alle geval, nu weet ik, hoe het in zijn werk gaat",
peinsde hij. En daar hij erg jaloersch was, zond hij den Sant twee,
drie dagen nadien weg.

Kort daarop kwam er een ander paard, en de smid wilde St.-Elooi nu
eens nadoen. Hij haalde zijn broodmes voor den dag en sneed het paard
zijnen poot af. Het bloed stroomde uit de wonde, dat het deerlijk
was om te zien, en het beest brieschte, sloeg en trappelde van de
pijn. De verschrikte smid haastte zich om het hoefijzer vast te
nagelen, maar den afgesneden poot weer aan het been zetten, dat ging
volstrekt niet. Intusschen bloedde het paard altijd voort en was bijna
dood. En Meester-boven-meesters, die van den stalknecht eene heele
karrevracht verwijtingen en verwenschingen naar den kop kreeg, wist
niet wat beginnen, en stond daar te zweeten van schaamte. Gelukkiglijk
kwam St.-Elooi juist voorbij. De smid riep hem binnen en smeekte hem
om hulp.

"Waarom zet gij dan op uw uithangbord " "Meester-boven-meesters?" "
vroeg St. Elooi. En de hoovaardige kerel wist geen woord in te
brengen. St.-Elooi wilde evenwel hand noch vinger aan het paard steken,
vooraleer de smid hem beloofd had zijn uithangbord weg te nemen en
op den zolder te werpen; toen zette hij den poot weer aaneen en het
paard was volkomen hersteld.

De smid van zijnen kant hield woord, en was van zijnen hoogmoed
genezen.--

Volstrekt-fiktief, omdat persoon en hoedanigheid van den heilige totaal
sekondair worden, zijn de fantastische sagen van Sint-Petrus aan de
hemelpoort. Men tracht den goeden heilige op allerlei wijze beet te
nemen, om toch maar niet voor eeuwig te worden buitengesloten. Nu
heeft de portier des hemels ook wel zijn nukken en grillen; en zoo
wilde hij eensdaags uitsluitend kavalerie toelaten. Een arme kerel,
die zich niets te verwijten had, werd onbarmhartig afgewezen. Maar
een kwezel, die daar juist aankwam, weet raad. "Zet U op mijn rug",
stelde zij voor, "dan rijden wij zoo de hemelpoort binnen". Zoo gezegd,
zoo gedaan. Sint Pieter keek hen glimlachend achterna en mompelde:
"Daar heb je nu een merrie zonder staart".

Een afzonderlijke groep vormen de sagen van den Wandelenden Christus,
die hetzij alleen, hetzij in gezelschap van Petrus, of van Petrus
en Johannes, evenals voorheen de goden, op aarde komt rondwandelen,
om te zien, hoe alles reilt en zeilt. Deze sagen zijn niet zelden
verbonden met het motief der _drie wenschen_.

Met het Christendom deden leer en voorstelling van een
volstrekt-boosaardig wezen, dat de menschen kwelt, haar intrede in
de Germaansche wereld. De duivelssagen behooren tot de Christelijke
groep. Deel I, bl. 95 vgl. heb ik uitvoerig besproken, op welke wijze
en onder welke gedaanten de duivel optreedt en hoe hij de menschen
tot een kontrakt met hem weet te verleiden. Hij verschijnt veelal
om vloekers, zondagsschenders en drinkebroers te straffen, en ook
bij verwenschingen, al zijn die zoo ernstig niet bedoeld. Verder
komt in menige historische sage een duivelsmotief voor, ik herinner
slechts aan de Faustsagen en haar Nederlandsche parallel, Marieke
van Nimegen. Zie ook Welters, Limburgsche Legenden II, bl. 49; Wolf,
Niederländsche Sagen, no. 316, 319, 324, 325, 327; G. V. D. Wall Perné,
Veluwsche Sagen II, bl. 64; De Mont-De Cock, Vlaamsche Vertelsels,
bl. 316, 319; Limburg's Jaarboek IV, bl. 253; enz.

Ik kom nu tot de _historische sagen_, volksverhalen met een historische
kern, die door de fantasie werd uitgebreid of gewijzigd. Met
"historische kern" bedoel ik een historisch feit, maar ook
een historische persoon, een historisch woord, een historische
voorstelling, teekening, opschrift, benaming enz.

De feiten zwellen aan, groeien in omvang en beteekenis, worden met
andere verward en verbonden, vereenigen zich met de meest heterogene
bestanddeelen. Zoo of anderszins worden oorspronkelijk-zelfstandige
sagen vereenigd, als b.v. de sagen van de Tafelronde, den Graal
en Parzival; andermaal wordt de oorspronkelijk-eenvormige sage in
meerdere gesplitst.

Ook de personen groeien sterk in de volksverbeelding, tot haast
bovenmenschelijke wezens. Zij vereenigen niet zelden op zich de
daden van naamverwante of bloedverwante personen, ja van figuren,
hun aanvankelijk geheel vreemd. Toovermotieven hechten zich aan hen
vast, met name dat der onsterfelijkheid. Immers: groote mannen kunnen
niet sterven. Vandaar, dat Karel de Groote slaapt in den Karlsberg
bij Nürnberg, Barbarossa in den Kyffhäuser.

Historische gezegden kunnen eveneens aan sagen het aanzijn
schenken. M.i. is de Ahasverus-sage, de sage van den Wandelenden Jood,
hoogst waarschijnlijk ontstaan uit het woord van Jezus tot Petrus:
"Zoo wil ik, dat hij blijve, totdat ik kome; wat gaat het u aan? Volg
gij mij!" (Jo. XXI: 22, 23). En de tekst vervolgt: "Er ging dan de
sprake onder de broederen, dat deze discipel niet zal sterven." 't
Is waar, deze woorden hebben betrekking niet op Ahasverus, doch op
"den discipel, dien Jezus lief had." Maar tot _gevleugelde_ woorden
herboren, konden zij spoedig op andere personen overgaan.

Historische voorstellingen, teekeningen, opschriften hebben tal van
sagen geteeld; dit feit behoort tot de zoogenaamde _ikonografische_
volkskunde. Naar alle waarschijnlijkheid ontstonden b.v. de legenden
der martelaars, wien men den naam van _Cefaloforen_ of "hoofddragers"
gegeven heeft, als volgt. Men dient te weten, dat de kern dezer
legenden deze is, dat onmiddellijk na de marteling het lichaam
van den heilige zich verheft tot groote verbazing der beulen, het
bloedige hoofd in de hand neemt en zich begeeft òf naar zijn woning,
òf naar de plaats, waar hij wil vereerd worden. Pater Cahier heeft een
lijst van ongeveer tachtig zulke martelaars opgemaakt, en nog, zegt
hij, is zij verre van volledig. Welnu, in een der homilieën van den
H. Johannes Chrysostomus vindt men dezen tekst: "Evenals soldaten zich
met vertrouwen tot hun koning wenden, wanneer zij hem de wonden kunnen
toonen, in zijn dienst ontvangen, zoo ook vertoonen zich deze heilige
martelaren aan den Koning des hemels, _hunne hoofden in hunne handen_,
en verkrijgen van Hem alles, wat zij maar wenschen." Tengevolge dezer
woorden werd de voorstelling van een heilige, die het hoofd in de
handen droeg, het type der onthoofde martelaren. Doch weldra ging de
oorspronkelijke beteekenis van dit type te loor en mèt de symbolische
voorstelling ontspon zich een net van legenden, dat zijn draden over
geheel Europa, met name over Frankrijk wierp.

Eindelijk, sagen kunnen ontstaan uit den drang naar verklaring van
duistere benamingen; maar dit verschijnsel, dat tot de _etymologische_
volkskunde behoort, behandel ik afzonderlijk, evenals de sagen,
die berusten op natuurverklaring.--

Aldus geboren verlaat de sage allicht haar bakermat, en fladdert rond,
al is zij vrij wat meer gebonden en meer beperkt in haar vlucht dan
het kosmopolitische, slechts nationaal-getinte sprookje. Gaarne tooit
zij zich met het gewaad der heldensage en neemt zij den epischen
kunstvorm aan. Volgens den Leipziger psycholoog Wilhelm Wundt,
Völkerpsychologie V, 2, ontspringt zij uit het sprookje om dan,
volgend de lijn harer geleidelijke ontwikkeling, zich te ontplooien
in heldensage en epos. Uit het sprookje is zij ontstaan door het
binnendringen van historische elementen. Deze opvatting kan echter
den toets der kritiek niet doorstaan. De sage verschilt niet slechts
van het sprookje door de bewuste scheiding der twee werelden van
het zinnelijke en bovenzinnelijke, die in het sprookje vervloeien,
en door hare sterke individualiseering van personen en zaken en
haar ethische strekking; maar bovenal verschilt zij juist door
haar wording. Zij kronkelt niet slechts als klimop om de verweerde
bouwvallen van een oud kasteel, zij bestraalt niet slechts personen en
gebeurtenissen,--maar zelfs een gezegde, een naam, een teekening kan
haar doen ontluiken. Wel is het vaak moeilijk, haar van het sprookje
te onderscheiden: zij loopen evenwijdig, zij nemen motieven van
elkaar over,--wat wonder bij tweelingdochters van eenzelfde frissche
volksopvatting en volksverbeelding?

Vooral de heldensage wortelt niet in de wazige sprookjeswereld,
maar in de historie, of liever, in de berichten van indrukwekkende,
beteekenisvolle historische gebeurtenissen. In haar kern en
oorsprong is zij tot poëzie geworden geschiedenis en zij wordt verder
voortgeplant door de kunst van dichter of zanger. En de Germaansche
heldensage bij uitstek is de schepping van een in het licht der
geschiedenis vóor ons liggend tijdperk. "Het sprookje is de groote
schatkamer geweest", schrijft Prof. Sijmons, "waaruit helden- en
godensagen de edelgesteenten en kleinodiën haalden om haar figuren
te tooien. Sprookjestrekken fladderen nauwelijks zichtbaar rond als
zomerdraden en hechten zich aan den helm van Achilles en Siegfried zoo
goed als aan Apollo's en Balder's plechtgewaad. In den loop van enkele
eeuwen worden tastbare historische personen sprookjeshelden. Diederik,
de groote Oostgotenkoning, bestrijdt reuzen, dwergen en draken. De
sage meent het goed met haar lieveling; zij versmaadt geen enkel uit
de bonte menigte van losse motieven, die de sprookjeswereld haar
kwistig aanbiedt, om haar held steeds meer los te rukken van zijn
menschelijk-historischen wortel, en toch blijft ze in haar opvatting
van zijn geheele verschijning, van zijn rechtvaardigheid, zijn kalme
rust, zijn lankmoedige vredelievendheid en tevens onweerstaanbare
dapperheid, aan het geschiedkundige beeld van den edelen vorst,
wien zelfs zijn vijand bewondering schonk, op merkwaardige wijze
trouw": Heldensage en Sprookjes, in de Verslagen en Mededeel, der
Koninkl. Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde 1910, bl. 597.

Zóo is dus de sage een stuk werkelijke geschiedenis. Hoogst
onbetrouwbaar wat de feiten betreft, verdient zij wat den geest betreft
soms volle vertrouwen. Zij beeldt de idee uit, die in de historische
gebeurtenissen leeft, zij vertolkt den geest der natie. De Germaansche
heldensage is opgebloeid in de stormen der volksverhuizing, wier
merkwaardige persoonlijkheden zij op merkwaardige wijze heeft weten
vast te houden. Zie ook Poelhekke, Woordkunst, bl. 79, 90.

Meerdere onzer historische sagen zijn van elders hierheen
gekomen. Aldus de reeds vermelde Ahasverus-sage met haar
sterk-uitgesproken ethische strekking: Ahasverus heeft zich
vergrepen aan den Gezalfde des Heeren, tot straf zal hij op aarde
moeten rondzwerven zonder rust noch duur. Het blijven-leven is hem
ten vloek, het niet-kunnen-sterven de gruwzaamste pijniging--want de
dood is toch óok rust, is weldaad en verzoening.

Wolf verhaalt in zijn Niederländische Sagen de Vlaamsche lezing
aldus: Omstreeks 1640 ontmoetten twee burgers, die in de Looierstraat
woonden, in het _Soniënbosch_ een ouden, grijzen man, met gehavende
kleeren van overoude snit. Zij verzochten hem, mee de herberg binnen
te gaan, hetgeen hij ook deed; maar hij zette zich niet, doch dronk
staandevoets. Toen hij met beide burgers weer buiten kwam, vertelde
hij hun heel veel, en wel meestal geschiedenissen, die voor vele
eeuwen waren afgespeeld. Hieruit bemerkten de burgers spoedig, dat
hun gezel Isaak Laquedem was de Jood, die Jezus het rusten voor zijn
deur weigerde, en verlieten hem hevig ontsteld.

De sage van den Joodschen Wandelaar is nog steeds gangbaar onder
ons volk. En hier, evenals elders, maken de dichters zich met
graagte van de plooibare stof meester, om Ahasverus te maken tot een
strekkings-figuur, en eigen streven en aanschouwing tot uiting te
brengen. Aldus Ten Kate in zijn Ahasverus op den Grimsel, Heijermans
in het schouwspel Ahasverus, Vermeylen in den roman De Wandelende Jood.

Van elders kwam ook de sage van Faust, van Karel Martel, van Koning
Arthur, van Keizer Karel. Daarentegen zijn de sagen van de Vier
Heemskinderen--"de Vier Heysmanskinderen op éen paard", zooals het in
Limburg heet--en van den Zwanenridder van Nederlandschen oorsprong,
al kregen zij hun literairen vorm, die naderhand weer produktief werd,
het eerst in het buitenland.

Ieder gewest heeft zijn eigenaardige sagen; niet het minst het land
van de zee en van de duinen, het land van de wouden, wildernissen
en waranden, het land van de eindeloos vele poelen, van de burchten,
ridders en minstreelen:


    O Kenmerland! o Kenmerland!
    O land van meiren en van wouden!
    O land, door 't forsche woord bezield!
    Hoe heeft m' een stoute pracht vernield,
    Die voorgeslachten hier aanschouwden!
    Hoe heeft (helaas!) een later teelt
    De paerlen van uw kroon verspeeld.
    En 't êelgesteente er uitgewrongen!
    O land van trotschheid en van kracht--
    Hoe is uw eikenknots geknakt,
    En u een rietstaf opgedrongen!
    Hoe heeft m' een boozen moord gepleegd
    Aan 't fiere schoon van uw waranden,
    En in behoeftes maagre handen
    De schatten van uw pronk geleegd.


Maar die grootheid van weleer sluimert nog in de sagen voort, door
Hofdijk zoo keurig gestoken in dichterlijke kleedij. Te Aelbrechtsberg
en Tetterode verhaalt men van den meirplas, welks oeverzoom bijna de
oorzaak was geworden van een noodlottigen broedertwist. Spaarndam en
Akersloot's sagen: Volbrachte Eed en Proef van Trouw weerspiegelen
het bonte, gevaarvolle visschersleven; Heiloo herdenkt in de Kracht
des Geloofs de oude tijden onzer kerstening; kloosterrozen bloeien
en wierookwolken walmen rond Bergen, Egmond, Alkmaar en Heiloo,
ter gewijde stede, waar gebeden werd en geleden en geboet: Prior
Henryck van Heyloo, Hoogste Troost, Sint-Cosmas-en-Damiaan-kapel,
Sint-Aelbrechts Aanklacht, de Moedervloek, de Groote Worp,
Kloosterroof. De strijdknots suist en de oorlogskreet schalt in den
Sint-Vincents-Nacht van Schoorl. Bloedige oorlog met de Friezen drenkt
den bodem en de overlevering van heel Kennemerland; maar ook de strijd
met de Noormannen galmt na in zoo menige sage van de Egmonden en van
Haarlem, getuige het Paardenrif en O.L. Vrouwe van Haerlem. In den
Stalboef van Castricum en den Jachtstrooper van Santpoort dreunt
paardengetrappel en hoorngeschal; in den Lijfknaap van Castricum
kruisen elkaar de zwaarden om het bezit eener betwiste schoone; elders
kletteren de wapenrustingen der ridders op het steekspel, rinkelen de
bekers en bokalen, klinkt het smeltende lied der minstreelen. Maar
Bergen en Egmond, Alkmaar en Heiloo, Limmen en Akersloot, Castricum
en Heemskerk, Heemstede, Assendelft en Santpoort, zij allen gewagen
van minnelust en minnesmart, van vrouweneer en riddertrouw, ja trouwe
tot aan gene zijde van het graf.

Mag ik afscheid nemen van Holland zonder de Damiaatjes van Haarlem
te herdenken, en den Bouwmeester van Sint Bavo, die onbekend wilde
blijven, een sage, die slechts deze idee schijnt te willen uitbeelden,
dat geweldige kunstwerken als de Sint Baafskerk niet het gewrocht zijn
van éen persoon, maar van het geheele volk, in zijn moedig streven
door hoogere macht gesteund?

De sagen der Friezen, zoo prat op hun eigen aard en volkswezen, zijn
voor een groot deel oorsprongssagen: Friso, Saxo en Bruno; Naam en
Herkomst der Friezen; Hengist en Horsa; Afkomst der Westfriezen;
het Roode Vaandel en de IJzeren Kroon; het Roode Klif enz. Andere
verhalen hebben betrekking op de bekende Friesche onbuigzaamheid:
Koning Radboud weigert zich te laten doopen; Koning Karel en de
Friezen; Friesche Stijfkoppen e.a. Ook weet men te verhalen, hoe
Leeuwarden door vrouwen werd gered. Dit nu is geenszins merkwaardig,
daar hetzelfde van tal van andere plaatsen wordt verhaald; zoo
werd ook Haarlem gered door Kenau Hasselaer en Venloo door Geertrui
Bolwater. Eigenaardiger is, dat Franeker gered werd, doordat twee
maagden de laatste brooden van de wallen wierpen. De vijand dacht nu,
dat de stad geen gebrek had en hief de belegering op. Naar men weet,
ging in de Oudheid een dergelijk verhaal over het opbreken van de
belegering van het Kapitool door de Galliërs.

Ook Zeeland heeft zijn oorsprongssagen, zoo b.v. de Herkomst van
hertogen en volk van Walcheren.

Utrecht, de bisschopszetel, kent natuurlijk grootendeels
bisschopssagen: Bisschop Frederik van Utrecht; Odulf van Utrecht en
de Kerk te Staveren; Dood van Bisschop Koenraad van Utrecht. Ook
weet de sage te verhalen, hoe Albertus Magnus de gunst verkreeg,
dat de Predikheeren zich te Utrecht mochten vestigen.

In Noord-Brabant en vooral in Gelderland wordt de sage weer
romantischer. Ik herinner aan Sophia van Heusden, de Engelsche
koningsdochter, die door het gezantschap werd aangetroffen, zijde
spinnende op een rood spinnewiel; en aan de sage van Wichard, die
moedig het monster met zijn vervaarlijk "Gelre"-geroep versloeg. Elsa,
de dochter van den hertog van Braband en Limburg is het, die den
zwanenridder ziet naderen, om het tegen Frederik van Telramonde,
die haar valschelijk beschuldigd had, op te nemen. Hij neemt Elsa
tot vrouw; maar eindelijk vraagt deze hem naar naam en afkomst en
hij moet vertrekken. Ook te Nijmegen en elders is de Zwanenridder
geen onbekende.

Maar ook de Limburgsche sagen wijzen op een roemrijk verleden. Venloo
beschouwt Valuas, een stamhoofd der Brukteren, als zijn stichter. Meer
sporen hebben de Noormannen achtergelaten. Naar men verhaalt,
kwamen zij tegen het einde der IXe eeuw de Maas afzakken en sloegen
hun kamp op te Elsloo, van waar zij door Karel den Dikken werden
verdreven. Tusschen Tegelen en Belfeld, ter plaatse van de Snelle
Sprong, stond het kasteel van Erbert van Belfeld, die den Noorman
Hermold, belager zijner schoone gemalin Ida van Lommel, bedwong. Te
Born en omstreken leeft steeds voort de herinnering aan koning
Santibald of Zwentibold, uit Lotharingen afkomstig. God gaf hem eens
in den slaap de gedachte in, een gift te doen aan de arme menschen,
die hij zoo menigwerf leed had toegevoegd. Des morgens deed hij een
man te paard stijgen en liet verkondigen, dat er zooveel dorpen aan
de gift zouden deelachtig worden, als de man binnen den tijd van het
noenmaal zou omrijden. De ruiter reed dan over Born, Guttecoven,
Limbricht, Sittard, Munstergeleen, Geleen, Beek, Elsloo, Stein,
Urmond, Grevenbicht, Papenhoven, Buchten, en zoo naar Holtum. Daar
vond hij een oud wijf aan den slagboom staan, dien zij halsstarrig
gesloten hield. Nu reed hij om Holtum, en bereikte Born nog, toen de
koning en zijn gasten water namen na den maaltijd. Zoo bleef Holtum
van de gift in weide- en heidegronden uitgesloten.

Geurige legenden ranken ook om de tinnen en kanteelen der heerlijke
burchten van Amstenrade en Valkenburg, Haelen en Horn, en treuren
op de zerken, die de glorie dekken van het keizerlijke stift te
Thorn. Weert's glorie is de dappere Jan van Weert, wiens typisch
tafellied ons door Jos. Habets in een geschriftje over deze
legendarische figuur wordt medegedeeld. De laatste strofe luidt:


    Sa hitsig! vult de hompen,
    Soo lang het vat nog houdt.
    Gesellen, laat ons pompen,
    Dees nectar, geel als goud
    Is voor gansen niet gebrouwd.


Over de Mookerheide gaat de sage, dat daar eens een beslissende
veldslag zal geleverd worden, waar zelfs Turken bij tegenwoordig zullen
zijn. De laatste koning van Pruisen zal er bij een roodharigen hoefsmid
zijn paard laten beslaan, maar midderwijl zulke ongunstige tijdingen
ontvangen, dat hij, zonder het einde dezer operatie af te wachten,
het hazenpad zal kiezen.

Meer geschiedkundige waarde, vooral ook voor den geest van dien tijd,
hebben de sagen van de bokkenrijders, die tot het einde der XVIIIe eeuw
het Zuiden van Limburg onveilig maakten; van Schelkensbeek, waarover
de beruchte Schinderhannes een touw met bel gespannen had, dat hem en
zijn bende waarschuwde, zoo vaak iemand voorbij kwam--intusschen wordt
deze sage ook wel elders verteld--; en eindelijk van den Kozakkenberg
bij Belfeld, waar in het begin van verleden eeuw de Kozakken gelegerd
waren, die het vleesch niet braadden, maar het enkel zacht reden
onder het zadel.

In Brabant en Vlaanderen vertoont de sage een voornaam en tevens intiem
karakter. Voornaam, immers zij gewaagt van Julius Caesar (Caesarsberg
te Leuven), van Clovis, van Karel Martel, van Karel den Grooten,
van de graven van Leuven en de hertogen van Brabant, van Karel V,
van Albert en Isabella, en toch zijn de verhalen, b.v. die op Karel
V betrekking hebben, zoo intiem, dat zij den anekdotischen vorm zeer
nabij komen. Dit pleit ontwijfelbaar voor den geest van gemeenzaamheid
tusschen vorst en volk.

Zoo verhaalt men te Molenbeek bij Brussel het volgende:

Op een avond kwam Keizer Karel laat voorbij Berchem; hij was op
weg naar zijn stad Brussel. Hij ging een herberg binnen, waar veel
drinkebroers zaten, die aan het twisten raakten over het beheer van
den keizer. Meest allen keurden het bestuur van Karel goed; doch
eenigen laakten het in krasse bewoordingen.

Keizer Karel kwam tusschen beide en verklaarde, dat het bestuur diende
te worden afgekeurd.

"Wat gij, leelijke vreemdeling, gij durft hier onzen koning komen
lasteren?"

En ze grepen hem vast en wierpen hem naar buiten.

Karel kwam te Brussel.

's Anderen daags liet hij de twee partijen in zijn paleis
ontbieden. Toen zij in den keizer den vreemdeling van den vorigen
avond herkenden, sloeg allen de schrik om het hart; de bedillers,
maar ook degenen, die hem de deur hadden uitgeworpen.

Maar de keizer lachtte en schonk allen een belooning.

Tot zijn voorstanders sprak hij:

"U beloon ik, omdat gij mijn bestuur hebt verdedigd. Gij zijt goede
vaderlanders. Ik verdiende aan de deur te worden gezet".

En tot de bedillers:

"En u kan ik niet straffen, omdat ik mijzelf zou moeten straffen. Maar
weest in 't vervolg voorzichtiger".--

De naam van _Jan Primus_, hertog van Brabant, is waarschijnlijk
vervormd tot _Gambrinus_.

In Vlaanderen leeft nog steeds de sage van Lyderick de Buck, den zoon
van Saluwaart en Ermegarde, die door een tweegevecht zijn moeder uit
de macht van Finard, den geweldige, bevrijdde. Door voortreffelijke
wetten en instellingen heeft hij het Vlaamsche volk opgevoed; ook
worden voorbeelden van groote strengheid van hem verhaald. Wat betreft
de sage van Breboen en Swane, dien ik hier te wijzen op de meening
van Dr. Blöte, waarvolgens de sage van den Brabantschen Zwaanridder
drie perioden heeft doorgemaakt: de Boulognesche, de Brabantsche en
de Kleefsche. De Boulognesche voorstelling was zelfs in Brabant tot
1322 de alleen heerschende. Zij is het, die verhaalt, hoe de zwaan
den ridder met een gouden ketting in een scheepje voorttrok en naar
Nijmegen bracht. De ridder trad daar op als strijder voor de hertogin
van Bouillon en hare dochter tegen den hertog van Saksen.

Nog een menigte strikt plaatselijke Vlaamsche en Brabantsche sagen zou
ik hier kunnen vermelden, aan gebouwen, straten, bronnen verbonden,
zoo b.v. van den Sint Baafstoren en het Engelandgat te Gent, den
Drij-Hoedengang te Brussel, de Minneborre te Schaarbeek. Maar het zou
den omvang van dit boek overschrijden. Ik volsta dus met enkel nog te
wijzen op sommige volksverhalen, die met gebruiken in verband staan,
zoo b.v. ter verklaring van Vrouwkesavond te Brussel (I, bl. 149);
andere interpreteeren uithangborden of wapenschilden.

Zie Wolf, Niederländische Sagen, _passim_; Dijkstra, Uit
Friesland's Volksleven I, _passim_; Hofdijk, Kennemerland; De
Cock, Brabantsch Sagenboek III, bl. 1--160, 197, 280; Welters,
Limb. Legenden I, _passim_, II, bl. 93; Poelhekke, Woordkunst,
bl. 87; Dr. J. F. D. Blöte, Das Aufkommen der Sage von Brabon
Silvius, dem brabantischen Schwanritter, in de Verhandelingen
v.d. Koninkl. Akad. v. Wetenschappen, N.R. V, 4, vgl. Taal en
Letteren XII, bl. 1 vlg.; G. V. D. Wall Perné, Veluwsche Sagen I,
bl. 62; Noordbrabantsche Alman. 1841, bl. 168; Karl Wehrhan, Die Sage
(Leipzig 1908).

"De _legenden_", schrijft Dr. Gisb. Brom, "zijn ons onder menig opzicht
dierbaar. Op de eeuwenoude muren van het nooit verouderde Christendom
groeiden ze welig als het altoos groene klimop. Een frissche geur
van poëzie en geestelijk leven waait er ons uit tegen."

Men heeft de legende verweten, een voortwoekerende slingerplant te
zijn, een vampier met reuzenarmen. Ten onrechte. "Neen, voor wie
over de gave der onderscheids beschikt", meent Pater Kronenburg,
"voor wie de legende in haar diepste wezen aanschouwt en in het
ware licht weet te plaatsen, is zij veeleer eene veilige getuige
der oude tijden, een trouwe bodin van een reeds eeuwen verdwenen
geslacht, die uit haren hoorn van overvloed voor ons uitschudt wat
onze vaderen met beminnelijke naïeveteit dachten, met argeloozen
eenvoud geloofden, met onwrikbare standvastigheid verhoopten. En
behoort dat zieleleven niet tot het gebied der geschiedenis?" En hij
vervolgt: "Zij is de goudlichtende tooverfee, die met kwistige hand
de bloemen van de verbeelding en het kinderlijk gevoel plukt, tot
kransen en festoenen strengelt en die slingert om de stramme zuilen
van den hoogen waarheidstempel, opdat de waarheid, die daar troont,
niet louter voor de rede, maar ook voor het gevoel aantrekkelijk zij."

Ziedaar zoo voortreffelijk, als weinigen het vermogen, de
kultuur-historische waarde geschetst van die Christelijke
geschiedsagen, welke betrekking hebben op de levens of op de
krachtdadige voorbede der heiligen.

Doel der legende--ook als zoodanig is zij wezenlijk onderscheiden
van de andere sagen--was en is stichting, en het is bewezen, dat
zij een weldadigen invloed op de wereld der Middeleeuwen heeft
uitgeoefend. Maar het historisch bestanddeel, soms uitsluitend
de persoon van den heilige of het geloof aan of het vertrouwen
in dien persoon, is vaak met allerlei fantastische verhalen, ja
sprookjesmotieven verbonden. Veelal berust de legende op schriftelijke
overlevering; immers oorspronkelijk waren de _legenda_ de "te lezen
stukken" van de levens der heiligen op hun feestdag.

Inderdaad waren de Middeleeuwen het bloeitijdperk der legende,
en de Middeleeuwsche legenden, met name de Marialegenden, liggen
in voortreffelijke verzamelingen en besprekingen vóor ons. Ik
noem hier slechts de namen van De Vooys allereerst, en verder van
Alberdingk Thijm, Kronenburg, Kruitwagen, Honigh, V. Vloten. Maar de
volkskundige let op het heden, en het verleden dient hem slechts om het
heden te ontraadselen en toe te lichten. Nu vinden wij die legenden
somtijds als reflexen in onze volksverhalen en volksliederen. Maar
de legende-vormende aandrift des volks is toch ook, vooral in het
zuidelijk volksgebied, nog niet geheel verdord. De Vooys verhaalt
in zijn Middelnederlandsche Legenden en Exempelen, bl. 95, van een
ridder, die in een klooster ging en daar slechts het _Ave Maria_ kon
leeren. Uit zijn graf "wies een scoen lelye...ende op elke blat van
der lelyen stond ghescreven "Ave Maria" in gulden letteren." Welnu,
in de hedendaagsche legende keert de trek van het ontspruiten van
bloemen, met den naam van Maria, op het graf van een vroom persoon
en Mariavereerder, niet zelden weer. Ook weet men te Butten, nabij
Tongeren, te verhalen, dat uit het graf van den heiligen martelaar
Evermaar, die als vrome pelgrim den H. Servatius te Maastricht
wilde vereeren, een slank en bevallig boompje met verrukkelijken
bladerdos en de heerlijkste vruchten opgroeide. Deze verhalen en
trekken kùnnen berusten op Middelnederlandsche exempelen, maar toch
ook op hedendaagsche, of althans onafhankelijke legende-vorming.--

De allervoornaamste zijn de Marialegenden, en wel in de eerste
plaats degene, die op een bedevaartplaats betrekking hebben. Het
bezoek van de meeste dezer plaatsen ging uit van het volk en nam
langzamerhand in beteekenis toe. De berichten ontstonden in die
kringen, welke aan de bedevaarten deel namen en deze wilden aanbevelen
en bevorderen, dus gewoonlijk weer in de volkskringen. "In Folge
solcher Entstehung", schrijft Stephan Beissel S. J., "richtet sich
die Ausgestaltung der Erzählungen nach der Art ihres Volkes und ihrer
Gegend. In Gebirgsländern finden Hirten, Holzhacker oder Jäger das
Gnadenbild in Felsenhöhlen, anderswo entdeckt man es beim Pflügen
oder beim Hüten einer Herde, sehr oft bei oder in einer Quelle. Am
Meeresstrande verdanken Wallfahrtsorte ihren Ursprung der Rettung aus
Sturmesnot. Dort und an Flüssen oder reissenden Bächen kommen Statuen
herangeschwommen. Wo Irrlichter oder phosphoreszierende alte Stämme
den Wanderer schrecken, erblicken Leute wunderbare Lichterscheinungen
zu denen Engelsgesang hinzutritt": Wallfahrten zu unserer Lieben Frau
in Legende und Geschichte (Freiburg i/B1913), bl. 8.

Men ziet dus wederom, hoe het volksverhaal strookt met de
omgeving. Herders vinden een Mariabeeldje in een put of bron, of in het
drijfzand van een riviertje, en hechten het dan aan een boom, meestal
een eik of een linde, de veelgeliefde boom onzer vaderen: aldus te Uden
(O.L. Vrouw Ter Linde), Roermond (O.L. Vrouw in het Zand), Oirschot
(O.L. Vrouw ten Heiligen Eik), Scherpenheuvel, Anderlecht, Assche,
Echt (O.L. Vrouw van Schilberg), Handel enz. Dit laatste zou door een
herder gevonden zijn op een doornenstok. Vol moed werd de hand aan
het werk geslagen, om daar ter plaatse een kapel te doen verrijzen,
en een buitengewoon teeken kwam Maria's instemming met dien arbeid
verkondigen. Want toen in die zandige streek het noodige water begon
te ontbreken, ontwelde er eenklaps een kleine put, waarin het water
nimmermeer ontbrak.

Ook verhaalt de volkslegende, hoe O.L. Vrouwe eens in dezen put haar
kleedje gewasschen en op den doornstok te drogen heeft gehangen.

Het beeldje van O.L. Vrouw van Eiteren (IJsselstein) werd door
slootgravers gevonden en aan den pastoor van IJsselstein ter hand
gesteld. Deze plaatste het in zijn kerk, maar tot drie maal toe
verdween het daaruit, en werd dan telkens weer op de oorspronkelijke
vindplaats aangetroffen. Iets dergelijks is het geval te Assche, Echt,
Ommel, Meerveldhoven (O.L. Vrouw ter Eik), Wessem, Venloo (de Bedrukte
Lieve Vrouw). Ook legt het beeldje wel een processieweg af, als te
Maastricht (Ster der Zee) en te Werchter, of bidt den kruisweg, als te
Halle. Het verdient opmerking, dat het volksgeloof bij verplaatsing
of ommegang van mirakuleuze beelden schier altijd een merkwaardig
halte- of rustpunt weet aan te wijzen. Ongeveer tusschen Asten en
Ommel, vlak langs den grintweg, verheft zich een kleine heuvel,
waarop vroeger drie linden stonden; daar, zeggen de landlieden uit
den omtrek, heeft O.L. Vrouw van Ommel gerust.

Ook vinden schippers het beeld aan boord, zooals wordt verhaald van
O.L. Vrouw van Hoorn. Vaak komt het de rivier afdrijven, hetgeen
wellicht als de volkstraditie van O.L. Vrouw van Wilsveen mag worden
aanvaard. Ik vermeld verder nog: Antwerpen, Venloo, Gent (O.L. Vrouw
ter Riven), en Aalst (O.L. Vrouw ten Druiven).

De legende van O.L. Vrouw ten Druiven luidt aldus: In de VIIe eeuw
overstroomde de Dender een gedeelte der stad Aalst. In dezen nood riep
men Maria aan, en ziet--daar kwam een Mariabeeld op wijngaardranken
aandrijven. En niet zoodra had men het beeld opgevischt, of het water
vloeide weer in de bedding terug. In 681 bouwde de H. Amandus daar
een kapel.

Zoo kwam ook in de XVe eeuw, gewiegd op de golven der Noordzee, die
destijds het gehucht De Keins, nabij Schagen, nog vrij bespeelden,
een beeldje aandobberen, dat, toen het van het zeewier ontdaan was,
een Mariabeeldje bleek te zijn.

Te Oostrum en te Elshout, in het Land van Heusden, was een in éen
nacht welig opgeschoten grasveld het teeken, dat Maria daar een
heiligdom wenschte.

Ik gaf hier slechts enkele trekken uit wat men zou kunnen noemen
de oorsprongslegenden van de talrijke bedevaartplaatsen ter eere van
Maria in Groot-Nederland. Maar men begrijpt, wat een schat van legenden
elk dier heiligdommen bergt. Hiervoor kan ik slechts verwijzen voor
Nederland naar J. A. F. Kronenburg, Maria's Heerlijkheid in Nederland
(Amsterdam) VI, Maria's Genade-oorden en Miraculeuze Beelden, en
voor België naar A. de Cock, Brabantsch Sagenboek II, Legenden of
Echt Christelijke Sagen, en Fr. St. Schoutens, Maria's Vlaanderen
(Oost-Vlaanderen), Maria's Vlaanderen (West-Vlaanderen), Maria's
Brabant, Maria's Antwerpen (Aalst 1903--1905).--

Maar daar leven nog zoovele andere Marialegenden onder het volk. Twee
heilige bisschoppen van Maastricht, Monulfus en Gondulfus, zouden
uit hunne graven zijn opgestaan, om te Aken de wijding van den
beroemden Mariadom bij te wonen. Een andere bisschop dier stad,
Sint Amandus, wordt op Maria's bestel door den Engel Gabriël
bezocht, met de boodschap, dat hij op de bijzondere hulp zijner
hemelsche beschermster mag bouwen. In Noord-Brabant ontmoeten wij
dan de beroemde legende van Fulco van Bern, den dapperen ridder,
die voor zijn vijanden vluchtend, met zijn paard over de Maas zwemt,
en door Maria, "gekleed in hemelsblauw", wordt beschut. Te Roosendaal
verhaalt men, dat vóór lang vervlogen eeuwen aldaar een Mariakapel zou
gebouwd worden, en toen men niet kon beslissen op welke plaats, nam
men zijn toevlucht tot het gebed. En zie, den volgenden dag waren op
eene weide de ossen van een landman wit van kleur geworden, en was een
roode, zijden draad rondom hen gespannen. Dit werd de uitverkoren plek
voor het heiligdom.--Dichterlijker is de stichting van het klooster
Mariënwater te Couwater bij Den Bosch. Ook hier onzekerheid omtrent de
plaats. Maar in den nacht hoort een landman in een zijner bijenkorven
een zachte, zoetklinkende muziek, en ziet in den korf een kerkje met
twee kloosters, door de bijen van was gemaakt.

Op den Veluwezoom hoorde een vroom grijsaard engelenmuziek en zag
hij schitterende lichten boven een plek zweven, 't Werd voor hertog
Reinoud II van Gelder de aanleiding, om daar het klooster Munnikhuizen
te stichten. In Utrecht leefde in de abdij van Oostbroek een monnik,
die, de verslapping van zijn klooster vooruitziende, O.L. Vrouwe bad,
om nu toch maar aanstonds te sterven. En ziet, hij stierf op dat uur.

Overijssel is rijk aan Maria-legenden, vooral door de stichtingen
van Gerrit den Groote (Geert Groote) en van de Windesheimers. Op
den Agnietenberg bij Zwolle was Maria zelve verschenen aan een ouden
broeder en had hem tot volharding aangemaand. Aan een jeugdig meisje,
Gerbrich ten Voerde, die van een wild paard was gevallen, verscheen
zij "aangekleed, zooals men haar in den Vasten pleegt te versieren",
en zij genas de zieke en leidde haar terug naar Meester-Geertshuis.

In het klooster Yesse bij Groningen wordt een kaars voor een Mariabeeld
door ongeziene hand ontstoken, en hoe vaak ook uitgedoofd, telkens
ontvlamt zij opnieuw.

Ook Holland heeft vermaarde Maria-legenden. De allervermaardste is
wel die van Walter, ook in het buitenland onder veelsoortige vormen
verspreid. Terwijl Walter een mis ter eere van Maria bijwoont, vervangt
deze hem in het steekspel, en Walter verricht daar schijnbaar wonderen
van dapperheid. Toen hij dit vernomen had, sprak Walter tot zijn
wapenmakker Walewijn: "Nu wil ik als monnik in nederig kloosterkleed
haar ridder worden. Hier is haar godgevallig huis Hemmenrode; vriend,
gaat gij met mij mede?" En Walewijn antwoordde: "Ik wil Christus
dienen, ja ik ga met u mede". Zoo onderwierpen zich beiden aan den
kloosterregel. Walter leerde den souter zingen en overtrof de broeders
in het devoot bidden en dienen.

In België geeft Maria eveneens vaak te kennen, waar ter plaatse zij
een kerk wil gesticht hebben, zoo b.v. te Alsemberg, waar het vlas
op een akker plotseling rijp wordt. Het bovenstaande verhaal van den
ridder Walter leeft te Bierbeek en te Leefdaal. Ook zou Maria dezen
ridder eens een gouden kruis hebben vereerd door een priester als
tusschenpersoon. Aan het kruis was namelijk een strookje perkament
bevestigd met de woorden: "Overhandig dit kruis vanwege Maria, Moeder
van Jezus, aan ridder Walter van Bierbeek".

Elders keert door Maria's voorspraak een doode jongeling tot het
leven terug; of wordt een onschuldig veroordeelde door O.L. Vrouwe
verlost. Maar de allerberoemdste Maria-legende, de heerlijkste,
geurigste roos uit de geheele gaarde der volkslegenden, is wel die van
Beatrijs, de dienaresse van Maria, die, toegevend aan den prikkel des
vleesches, veertien bange jaren in zonde ronddoolde, maar tenslotte
berouwvol naar haar klooster terugkwam. Daar had Maria al die jaren
hare taak van kosteres trouw waargenomen. Welnu, deze legende speelt
in het klooster Vrouwenperk op het gebied van Wezemaal of Rotselaar,
bij Leuven.

Maar wij moeten ook de andere heiligenlegenden althans even
aanstippen. Nederland is rijk aan bronnen, waarmee een heiligenlegende
verbonden is. Zoo kennen wij de St. Geertruifontijn te Bergen op
Zoom, den St. Oelsput te Best, den St. Valentinusput te Westhoven,
de St. Surafontein te Dordrecht. Zij ontsprong op de plaats, waar de
heilige Sura of Sotheris ter dood werd gebracht. De St. Aelbrechtsput
te Egmond welde op onder de lijkkist van den vorstelijken belijder--zoo
luidt de traditie--bij het opgraven van diens eerbiedwaardig gebeente,
terwijl Houthem (L.) boogt op zijn St. Gerlachusput, die jaren
lang den vromen kluizenaar zou hebben gelaafd. In het Jekerdal
bij Maastricht, te Cannes, niet ver van het kasteel Aigremont,
vloeit een St. Servatiusbron, die de doorluchtige Maastrichtsche
kerkvoogd bij groote droogte met zijn staf uit den dorren grond zou
hebben geslagen. Een analogen oorsprong schrijft de legende toe aan
een menigte andere putten, zoo b.v. aan de St. Landoaldusbron te
Wintershoven bij Tongeren en aan den Servatiusput te Nunhem (L.).

Maar verreweg de meeste van Nederlands heilige bronnen zijn gewijd
aan de eerste geloofsverkondigers Bonifacius en Willibrordus.

Een dezer is een zoogenaamde _hippokrene_ of paardenbron, éen der
drie Bonifaciusputten te Dokkum. Op de plaats, waar de geloofsheld
het leven liet, zonk, naar verluidt, het paard van iemand uit koning
Pepijn's gevolg met de voorpooten in den grond; en nauwelijks was het
paard er uit geholpen, of daar spuit met kracht een kristalheldere
waterstraal opwaarts. Ik wensch hier even er aan te herinneren,
dat ook een hoefslag van Wôdan's ros een frissche bron doet opborrelen.

Andere bronnen zijn weer bij dorstnood ontstaan, zoo b.v. de bron te
Heiloo. Hiervan wordt het volgende verhaald. Toen de H. Willibrord
de plaatsen, nabij de zee gelegen, rond ging, deed zich eens gebrek
aan zoet water gevoelen en moest hij zien, hoe zijn medearbeiders van
dorst versmachtten. Hij riep dan een hunner en beval hem een kuiltje
te maken. De bisschop knielde neder en bad, dat God, "Die voor zijn
volk in de woestijn water had doen vloeien uit de rots, met diezelfde
barmhartigheid uit den zandigen bodem water voor zijne dienaren zou
doen opborrelen". En ziet, onmiddellijk wordt het kuiltje gevuld door
eene zoetwaterbron.

Eindelijk, een groot aantal bronnen dragen den naam van de
H.H. Bonifacius of Willibrordus, omdat deze heiligen er in gedoopt
hebben: aldus de twee andere Bonifaciusbronnen te Dokkum, aldus de
Willebrordsputten te Osch, Diessen, Deurne, Zoutlande, Bakel, Asten,
Maarhees, Geisteren, Venraai, Stamprooi, en voorheen te Berchem, bij
Antwerpen. Zulke bronnen noemt men _kerstputten_ of _kerstpoelen_,
en de historische kern der legenden is ongetwijfeld deze, dat de
geloofsverkondigers verscheiden heidensche bronnen zullen gekerstend
hebben, door er de heidenen de genade der wedergeboorte te doen
deelachtig worden.

Is het wonder, dat nog zoovele andere legenden Neerlands vroegste
geloofsverkondigers verheerlijken? Hierin uit zich de dankbaarheid
van den volkszin. Te Maastricht verhaalt men van den bisschops- en
pelgrimsstaf, de drinkschaal en den sleutel van den H. Servatius;
nog leeft te Susteren in de volkslegenden de H. Willibrordus, te
Odiliënberg de H.H. Wiro, Plechhelmus en Otgerus. Te Noordwijk weet
men te vertellen, hoe de H. Jeroen door de Noren gemarteld werd; hoe
hij een eeuw na dien aan een godvruchtig landbouwer, met name Nothbodo,
verscheen, en hem gelastte, zijn gebeente over te brengen naar Egmond,
in het heiligdom van den eerbiedwaardigen Adalbert.

Maar nog andere banden verbinden de heiligen aan ons volk. De
H. Hereswit vereenigt de traditie van Strijen en Thorn (L.), welks
vorstelijke abdij zij stichtte. De nagedachtenis van den heiligen
bisschop en belijder Bernulphus houdt men in het Utrechtsche en verre
daar buiten in eere. Sint Hatebrand verbindt weer Noord en Zuid,
de Groninger Ommelanden met Antwerpen, waarheen men zijn gebeente
overbracht. De H. Sura wordt als volksheilige vereerd te Dordrecht,
de H. Lidwina te Schiedam, de H. Norbertus te Gennep, waar men nog
het Norbertuspad en het Norbertuspoortje wijst, Sinte Kunera te
Rhenen, Sint Gerlacus te Houthem en in geheel Zuid-Limburg, terwijl
de eerbiedwaardige Ailbert in vrome herinnering blijft voortleven te
Rolduc, door hem gesticht. De stad Delft is fier op hare Geertruida
van Oosten. En zoo eert het volk den H. Trudo te Sint Truiden, de
H. Adilia te Haspengouw, de H. Aleidis te Schaarbeek, de H. Alena
te Dilbeke, Sinte Gudula te Brussel, de eerbiedwaardige Ida, van wie
gezegd wordt, dat "die visschen in den water tot haren handen quamen
en desgelijcks die voghelen", te Leuven, Sint Veronus te Lembeek, Sint
Bavo door geheel Vlaanderen. In de omstreken van Brussel zweeft nog de
geest van eerbiedwaardigen Ruysbroec, eerste prior van het klooster
te Groenendaal, bij wiens verscheiden de klokken van Deventer, de
verblijfplaats van Gerrit den Groote, vanzelf begonnen te luiden. Ook
wijst men nog een boom in het Zoniënbosch, waaronder de groote mysticus
gewoon was te schrijven en te mediteeren.

Zie Kronenburg, Maria's Heerlijkheid in Nederland V, bl. 301 vlg.;
Neerlands Heiligen in de Middeleeuwen (Amsterdam 1899), Neerlands
Heiligen in later Eeuwen2 (Amsterdam 1908), _passim_; Schoutens,
Maria's Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen, Brabant, Antwerpen,
_passim_; A. de Cock, Brabantsch Sagenboek II, bl. 64-345; Wolf,
Niederländische Sagen, _passim_; J. J. van der Horst, Oud en Nieuw,
Nederlandsche legenden (Leiden 1887), bl. 1, 41, 367 enz.; Hofdijk,
Kennemerland: De Macht des Geloofs; Schrijnen, Essays en Studiën,
bl. 245 vlg. (Volkskunde XV, bl. 168); H. Welters, Limburgsche
Legenden, _passim_.



III. Het volkslied.


"Zij worden heel niet gemaakt, zij groeien, zij vallen uit de lucht,
zij vliegen als herfstdraden over land, nu hier, dan daar heen;
op duizenden plaatsen tegelijk worden ze gezongen ..." Zóo teekent
Th. Storm de liederen, die opbloeien uit den volksgeest, die meeleven
het leven des volks ...

Een rijken schat van poëzie legt het volk in zijn gebruiken. Wanneer
de landman het zaad hoog opgooit, dat het welig opschiete; wanneer
de Westvlaamsche "boeier" het paard 's avonds te voren in het oor
fluistert, dat het den volgenden morgen een doode moet vervoeren;
als de Limburgsche bruid zorgvuldig het zelfvervaardigde bruidshemd
bewaart, dat haar eens als doodsmantel zal dienen,--dan is dit
hooggestemde volksdichting, al zijn het "Lieder ohne Worte". Maar stelt
die aandoening zich in klankbeweging en wordt deze gevoelsverklanking
geschakeerd door rythmische en melodische stembuigingen, dan wordt
geboren het _volkslied_.

Het woord "lied" heeft geen betrekking op het getoonzette of gezongene,
maar op het uitermate zingbare. Het lied is de eenvoudigste uitdrukking
van een stemmingsgeheel, het versnippert de gemoedsstemming niet,
om er de ontwikkeling van voor oogen te stellen, maar zingt een
éenvormige, zich-gelijkblijvende, boven de begrippen der woorden
zwevende stemming uit, het beweegt zich in korte strofen, meest van
vier tot acht regels, die de natuurlijke maat van vier, of drie en
vier versvoeten hebben. Maar elke strofe bevat de geheele stemming,
wier aroma zich als bloemengeur verbreidt.

Het melodische lied is dus uiteraard _welluidend_ en
_eenvoudig_. Teeder als een zucht en toch weelderig van rythme en
bloeiend van klank. En nu bereikt het zangerige juist in de volkskunst
een hoogtepunt, daar erlangt de eenheid van rythme en mimiek bij spel,
bij arbeid en dans zulk een volmaaktheid, dat zij de hoogste norm
schijnt te naderen.

"Het volkslied een uiting der volksziel": een uitspraak als deze
dient natuurlijk niet verstaan te worden in den geest der vroegere
romantiek, alsof wij met een niet te benaderen, anoniemen, scheppenden
volksgenius te doen hadden. Niet het kollektieve volk, neen, de
man-uit-het-volk is de auteur. Maar juist òmdat hij uit-het-volk is,
omdat hij het volk begrijpt en het volk hem, omdat hij deel heeft aan
den aard van het volk, dat werkelijk dichter is in zijn gebruiken,
zijn beelden en uitdrukkingen en niet het minst in zijn stemmings-
en gevoelsuitingen,--juist dáarom is hij in staat een volksgedicht
te scheppen.

Volgens Otto Böckel, Psychologie der Volksdichtung (Leipzig 1906)
is de _roep_ de kern van het volkslied. Alles wat de mensch aan
lief en leed ondervindt, wat hem schokt en schrijnt, hem verheugt
of prikkelt of afschrikt, ontlokt hem gezangvormige klanken. Deze
klanken nu zijn vatbaar voor ontwikkeling. Zij kunnen groeien in
omvang en melodie; veelal wordt hun klankgehalte versterkt door het
stafrijm. De vreugderoep is de bevoorrechte gevoelsuitdrukking in den
bloeitijd des levens, is verklanking van liefde en lust; men denke
slechts aan refreinen als:


    Hei 't was in de Mei, Mei, Mei,
    Hei 't was in de Mei.


De smartroep handhaaft zich voornamelijk bij de lijkklacht. Maar het
arbeidslied bovenal wijst op de ontwikkeling van de volkslyriek uit de
gevoelstonen. Hier immers voegt zich bij de klanken een voor de poëzie
onmisbaar bestanddeel: het rythme. Gevoelsuitingen en muziek gingen
aanvankelijk steeds gepaard; het rythme kwam van elders. En nu is het
de groote verdienste van Karl Bücher, er ons op gewezen te hebben,
hoe deze onmisbare faktor zich ontwikkelde uit den rythmischen vorm,
dien het volk aan een inspannenden arbeid ter afwisseling gaf. Het
rythme gewerd de volkspoëzie dus vooral uit het arbeidslied,
waartoe het danslied in hoofdzaak moet worden teruggebracht. Hoe
ouder de arbeidsgezangen zijn, des te enger schijnen zij met de
arbeidsverrichting samen te hangen.

Zoo is dan het volkslied een dichtzang, die organisch uit het volk
in zijn gevoelen en verrichten is gegroeid; het is onmiddellijk
ontsprongen aan het gevoel der natuurvolken en, van de kultuurvolken,
in zooverre hun gewaarwordingen en uitingen behooren tot het domein der
onderkultuur. In en door het zingen plant het zich voort. De dichter
is meest onbekend, omdat op den bodem der onderkultuur, der naïeve
volkskunst, dichterlijke individualiteit kwalijk gedijt. Het lied
is alles, op den zanger wordt weinig acht geslagen. Het lied wordt
beschouwd als gemeengoed, omdat het uiting geeft aan de gevoelswereld,
welke aan alle volksgenooten gemeenzaam is. Ging het ook niet aldus
met de grootsche scheppingen der Middeleeuwsche bouwkunst? Gelijk
het volk deze als zijn eigendom beschouwde, door er voortdurend aan
te wijzigen en aan bij te bouwen naar willekeur, zoo heeft ook het
volkslied nimmer een authentieken vorm, is het als 't ware steeds in
vlottenden toestand, staat het aan allerlei veranderingen, verkortingen
en toevoegsels bloot. De aanhef van het lied openbaart echter meestal
zijn afkomst.

Het volkslied deelt dus het lot van het sprookje; en evenals
van sprookjes-motieven, zoo mag men ook van liederen-motieven
spreken. Trouwens volkslied en sprookje bestaan elkander in
den bloede door hun gemeenschappelijk sterk-algemeen karakter,
óok dan, wanneer zij niet geheel samenvloeien, zooals in het
sprookjeslied. Bijzonderheden worden verwaarloosd, tijd en plaats
zelden vermeld. Veelal wordt de hoorder in eens midden in de handeling
verplaatst. Ook moraliseert het volkslied evenmin als het sprookje.

Toch verraden de motieven doorgaans hun herkomst, en wel niet alleen
de sociale groep, waarin zij geboren werden, maar ook den landaard en
het klimaat van hun geboortegrond. In laaglanden als de onze is een
Hoogduitsche _Juchzer_ ondenkbaar. Weidevelden geven iets eentonigs
en zwaarmoedigs. Maar de zee schenkt opgewektheid en kleurigheid
van toon. "Friesland zingt niet": die uitspraak is overdreven, maar
geenszins van waarheid ontbloot. De innigheid van het Saksische
halle-huis vergoedt veel van het trage en monotone in taaleigen en
landschap. In het land der Franken, met den Keltischen ondergrond,
voelt het volkslied zich het behaaglijkst.

Wat is nu het verschil tusschen volkslied en kunstlied? Laat ik
vooreerst opmerken, dat ik de benaming "kunstlied", wanneer zij moet
dienen, een tegenstelling te vormen met volkslied, niet aanvaard. Is
het volkslied dan géen kunst? Tegenover het _volks_lied staat niet het
kunstlied, maar het _kultuur_lied, evenals tegenover de _volks_taal
staat de _kultuur_taal: "kultuur" heeft hier natuurlijk de waarde
van "bovenkultuur". Welnu, een wezenlijk verschil zie ik tusschen
beide niet. Kan het anders? Er bestaat immers geen wezenlijk, maar
slechts een gradueel onderscheid tusschen onder- en bovenkultuur. Het
kultuurlied geeft slechts veredelde, of somwijlen _zoogenaamd_
veredelde volkskunst. De vorm is meer verfijnd, de auteur is zich ook
bewust, een kunstprodukt te scheppen. Verder is hij meestal bekend en
zorgt voor de rechten van zijn vaderschap. Maar hij kan putten uit de
volksschatkamers, en zóo kan het volkslied vaak tot kultuurlied worden,
om straks wellicht weer in den volksmond tot volkslied te worden
vervormd: maar dán zal het de afgesleten vorm zijn! Steeds dient de
kultuurdichter echter met het volk voeling te houden; en laat ik het
woord van Poelhekke hier bij voegen, dat de verfijnde kunst der hooger
ontwikkelden, van de meerderen in de techniek, "nooit de bron waaruit
zij is ontsproten mag vergeten, op gevaar af aan bloedarmoede te gaan
lijden": Woordkunst, bl. 122; vgl. De Beiaard I, 1, bl. 43 vlg. Verder:
Karl Bücher, Arbeit und Rhythmus. Abhandl. der Philolog.-histor. Classe
der königl. Sächsischen Gesellschaft der Wissenschaften (Leipzig 1896)
XVII, V, vooral hoofdstuk 4, bl. 74: Der Ursprung der Poesie und Musik;
Otto Schell, Das Volkslied (Leipzig 1908); Otto Bremer, Zum Versbau der
Schnaderhüpfel, in het Festschrift Karl Weinhold gewidmet (Strassburg
1896); Gustav Meyer, Essays und Studien I, bl. 289-408: Zur Kenntniss
des Volksliedes; Schrijnen, Essays en Studien bl. 258 vlg.: Litausche
Volkszangen; Dr. N. Geerts, Oorsprong en wezen van het volkslied, in
de Handelingen van het zevende Nederl. Filologenkongres, bl. 109 vlg.

Het Nederlandsche volkslied heeft lang gewacht op de waardeering,
die het toekwam. Ik bedoel hier niet de historische waardeering,
die het profane en geestelijke lied ruimschoots gewerd door den
voortreffelijken arbeid van Kalff, Moll, Acquoy, De Vooys, Knuttel en
anderen. Maar eerst in 1907 was Groot-Nederland in het bezit van een
verzameling van volksliederen, die de vergelijking b.v. met de Duitsche
soortgelijke werken van Böhme en Erk kon doorstaan: ik bedoel de drie
deelen van Flor. van Duyse's Oude Nederlandsche Volksliederen (Den
Haag 1900-1907). Ook kunnen wij niet ontkennen, dat het Hoffmann von
Fallersleben is, dus een Duitscher, die hier te lande de belangstelling
in onze eigen vaderlandsche liederen heeft gaande gemaakt. Sedert dien
kunnen wij wijzen op de gedeeltelijke verzamelingen van Snellaert,
J. F. Willems, De Cousemaker, Carton, Lootens en Feys, Jan Bols, Van
Vloten, J. en L. Alberdingk Thijm en Blyau en Tasseel. Oud en nieuw,
volkslied en kultuurlied, oude, bewerkte en nieuwe melodieën vindt
men vergaderd in Coers' Liederboek van Groot-Nederland. Zie vooral
Dr. F. Scheurleur, Nederlandsche Liedboeken ('s Gravenhage 1912).

Behoudens haar vergelijkende waarde zijn al deze verzamelingen voor de
volkskunde slechts van belang, in zooverre zij liederen zeer onlangs
uit den volksmond opteekenden. Want, ik kan het niet vaak genoeg
herhalen, de volkskunde is de kennis en het wetenschappelijk onderzoek
van het _heden_, is de ethnologie der thans levende kultuurvolken. Ik
geef dus van elk der verschillende soorten volksliederen slechts die
stalen, waarvan ik ofwel persoonlijk kennis nam, of van wier voortleven
ik mij anderszins kon vergewissen. Sommige liederen berusten, wat den
tekst betreft, op schriftelijke overlevering, welke uitsluitend ten
doel heeft, het geheugen ter hulp te komen. Eenige families houden
er zelfs lijvige geschreven liederboeken op na. In dit geval is de
schriftelijke traditie gelijkwaardig met de mondelinge.

Een enkel woord ook over de _muziek_ van het volkslied. Zij berust
voor een groot deel op de volksmuziek der Middeleeuwen, die zelf
gesproten is uit de Oudchristelijke Latijnsche kerkmuziek. Wanneer
wij nu weten, dat deze kerkmuziek in hoofdzaak niets anders is dan
gekerstende Grieksche en Grieksch-Romeinsche muziek, zooals door
Fr. A. Gevaert en A. Möhler uitvoerig is aangetoond, dan komen wij tot
het verrassende resultaat, dat in de brokstukken van het hedendaagsche
volkslied de muziek der heidensche klassieke oudheid nog voortleeft.

Inderdaad doorloopt het volkslied der Middeleeuwen de Aeolische,
Dorische, Iastische en Hypolydische toonladders, door het Roomsche
_Antiphonarium_ aan de oude muziek ontleend. En wanneer het ons heden
voorkomt, of een volkslied sterk op een kerkelijke hymne of eenig
ander Gregoriaansch kerkgezang lijkt, dan is dit geen verbeelding,
maar werkelijkheid; en de overeenstemming berust niet op toeval,
maar op genetischen samenhang. Zoo is de melodie van het bekende lied
van Halewijn, dat nog op vele plaatsen en met vele varianten in den
volksmond leeft, niets anders, dan die van het _Credo_ uit de _Missa
in duplicibus_; en die van de Koninginne van Elf Jaren berust op het
_Veni Creator_. Voor verdere beschouwingen verwijs ik naar Fl. van
Duyse, Het oude Nederlandsche Lied I, Inleiding, bl. XVI vlg., en
vooral naar zijn uitvoerige verhandelingen: Het eenstemmig Fransch en
Nederlandsch wereldlijke Lied in de Belgische gewesten (Brussel 1896)
en De Melodie van het Nederlandsche Lied in hare Rhythmische vormen
(Brussel 1902).

Allereerst dus, met het oog op de geboorte van het volkslied in het
algemeen, volge hier het _arbeidslied_. De melodie hiervan is zonder
twijfel oorspronkelijker en zelfstandiger dan die der verhalende,
erotische, geestelijke e.a. liederen, daar zij het nauwst met den
inhoud samenhangt.

Niet alleen in Nederland, maar van den Brennerpas tot aan de Noordzee
klinken hei-liedjes in den trant van ons


    Hoog op een! een, twee,
    een, twee, drie!
    hoog op vier! vijf, een meer!
    hoog op zes! fiks op, enz.


Gegroeid in melodie en in vorm klinkt het lied:


    Haal op je hei!
    Hij is gewassen
    Al in de klei,
    Al in den grond
    Daar staat hij prompt,
    Zóo staat hij beter, enz.


Overeenkomstig de sociale groepeering van het volk zal het arbeidslied
zich verder moeten splitsen in dorschlied, smidslied, visscherslied
enz., en vooral aan die bedrijven dienen te beantwoorden, waarin
rythmische beweging het werk begeleidt. Men denke ook aan het liedje,
dat bij het snijden der meifluitjes gezongen wordt, terwijl de jongens
rythmisch met het hecht van het mes op de wilgenbast kloppen (I,
bl. 191).

Een Zeeuwsch karnliedje luidt aldus:


    Kêrne, kêrne beuter,
    Drie pond in een scheutel,
    Drie pond in een kannetje,
    't Is van moeder Jannetje.


Uit Friesland:


    Tsiis, tsiis, tsjerne!
    Bûter komt fer reamme [room],
    It gearret sa wol, it gearret sa wol,
    Mei eltse stiet in amerfol.


Spinlied uit Ochten:

1.


    Spin, spin, m'n lieve dochter,
        Dan krijgde gij een hoed!
    Ja, ja, mijne moeder,
        Die staat mij zoo goed.


Refrein:


    'k Kan lappen en spinnen,
    Een zweer aan den vinger
    Doet mij er zoo zeer.


2.


    Spin, spin, m'n lieve dochter,
         Dan krijgde gij een jak!
    Ja, ja, mijne moeder,
         Dat staat mij zoo knap.


Refrein:


    'k Kan lappen, enz.


(Driem. Bladen III, bl. 42).

Uit Zeeland:


    Draaie, draaie wieltje,
    Morgen komt Machieltje,
Als Machieltje nièt en komt,
    Dan komt Jacob Janssen,
    Die zal je leeren dansen,
    Hier een stoel en daar een stoel,
    Op ieder stoel een kussen.


Ten slotte een strofe van een Vlaamsch spinliedje, dat het midden
houdt tusschen arbeidslied en sprookjeslied:


    Al onder den weg van Maldegem,
    Malle-Malle-Malle-Malle-Maldegem,
    Al onder den weg van Maldegem,
    Daar zat een wijf dat spon.
    Dat wijf dat zat en spon,
        Gielegon,
    Al op een houten wieleken,
    Wiele-wiele-wiele-wiele-wieleken,
    Al op een houten wieleken,
    Daar was geen draaiing aan! (_bis_).


Oogstlied uit Woubrechteghem (Oost-Vl.):


    Het laatste voer is op de baan,
    Dat in den boer zijn schuur moet gaan,
    De luie boeren alleen hebben nog staan.


Ik vermeldde dit liedje reeds I, bl. 281, en daarvóor het rhythmische
Noordhollandsche oogstlied, dat inzet met de regels:


    De wumpel, de strumpel, de kanne met bier,
    Die hebben we hier op ons plezier!


Ook enkele dorschliedjes gaf ik reeds op bl. 284. In zijn geheel
luidt het Friesche liedje als volgt:


    It klitst, it klatst
    't Giet juwn toa gest,
    Op tzies in brea
    Mey 't heale gea.

    As wij houndert krye
    Wy zilt neat zwye,
    Dan jouwt dy frouw
    Uws spek in strouw
    Goe bjear dar by
    Is aeck uws fly.


Dr. H. Blink vertaalt deze stroofjes:


    Het klitst en klatst
    Het gaat van avond te gast
    Op kaas en brood
    Met het heele dorp.

    Als wij honderd [zakken] krijgen,
    Wij zullen het niet verzwijgen
    Dan bakt de vrouw
    Voor ons spekpannekoeken
    En goed bier daarbij
    Dat voegt ons wel.


Op wisselmaat berust verder het vlasslijterslied, het visscherslied,
het maaierslied, het smidslied, het touwslagerslied, het kuiperslied,
het molenaarslied. Op maatbeweging gaat ook het soldatenlied terug,
daar dit toch hoofdzakelijk een marschlied is. Ook het jagerslied is
in den grond een marschlied. Sterk-rhythmisch is verder het schippers-
en roeilied, en ook het matrozenlied, dat men hoort in de havensteden;
dit ontstond bij het anker lichten of bij het hijschen der zeilen. Zie
ook Dr. De Vooys, Volkskunde XXIV, bl. 154 vlg.

Ten slotte nog een weversliedje, ons door de Graafschapsbode van 16
Maart 1907 medegedeeld [vgl. Driem. Bladen VII, bl. 627]:


    "Hungel de bungel de boeze,
    Achter onzen hoeze
    Daor steet 'nen grooten nöttenboom,
    Daor zat 'nen wêver op 'nen toog,
He wos nich, watte etten zol,
    Zoere, zoere kernemelk
    Met gerstebrood,
    Sloat den luien wêver dood!
    Loat em nog en betjen lêven,
    Dan zal e wal better wêven;
    Zet em op 't spiendvat,
    Sloat em met de panne veur 't gat,
    Hè, boer, wat plêrt dat".


Het hoog-poëtische liefdeleven klinkt bijzonder zuiver door in het
_bruiloftslied_. Oorspronkelijk omvat dit lied zoowel de klacht
bij het verlaten van het ouderlijk huis, als het jolige vreugdelied
bij het overschrijden van den drempel der nieuwe woning. Maar men
vindt het nog slechts in bloei bij volken met hoogst eenvoudige en
sobere levenswijze, zoo b.v. bij de Lithauërs. In de Nederlandsche
gewesten is het vrijwel uitgestorven. Het lieve stroofje van Cremer
in Bruur Joapik:


    Hier 'en reuske, en doar 'en flikske,
    Weer 'en tekske en weer 'en strikske;
      Bluumpkes moar
      Bij mekoar
    Rood en gruun veur 't jonge paar


zal wel een kultuurdichtje in den volkstoon zijn. Laat ik echter wijzen
op het Bathmensch bruiloftslied, dat wij vinden in de Driem. Bladen
II, bl. 60, 61:

Algemeen Bathmensch Bruiloftslied.


      Willen wij er eens ommegaan,
    En zien of ik ze niet vinden kan?
      Ja, hier heb ik ze gevonden,
        Ja, met haar bruin haar.
    't Is gevonden, ik zal haar kiezen,

    Al voor een draai.
    Zij is mager al om te geven.
    En geef niet over in dezen stond,
    Of geef haar een zoentje voor haren mond,
    Al zoo nat,
    Al zoo glad.
    Onder mijne voeten,
    Uitverloren,
    Uitverkoren,
    Waar zal ik het zoeken?
    Onder deze lesse besse,
    Mooie meisjes samen!
    Mooi meisje met je blauwe rok,
    Mag ik eens met u ganen?
    Neen, neen, dat ziet zoo niet!
    Ja, ja, dat ziet zoo wel!
    Keer u eens om en ik meen je wel!
    Keer je nog eens omme,
    Nog eens weder omme!
    Ik heb den heelen dag geloopen,
    Mijn geld is door de keel gekropen (geloopen)
    O, en zie zoo,
    En bij ons gaat alles zoo!
    En allo!


Met het bruiloftslied hangt ten nauwste het _danslied_ samen, en de
schakel vormt het bruiloftsdanslied, oorspronkelijk wel op de deel
uitgevoerd. Zoo b.v.:


    Ik heb mijn geld
    Op hoopen gesteld,
    Gestapeld op elkander.
    Ik heb mijn liefje trouw beloofd,
    Een trouw van diamanten.

    Ziedaar, schoone jonkheer,
    Daar heb-je mijn hand van eer.
    Ziedaar, schoone jonkvrouw,
    Daar heb-je mijn hand van trouw,
    En daarop zoen ik jou.


Het oude danslied vindt men vooral nog terug in het kinderlied. Wij
zagen herhaaldelijk, hoe een oud gebruik overal elders werd
uitgeschakeld, om in onzen tijd bij de kinderen terecht te komen;
zoo b.v. het Paasch- en St. Maartensvuur, de ommegang met de
Pinksterbloem en de Luilak, het kaarsje-dansen met Driekoningen, het
raadselopgeven, het pandverbeuren enz. Dezen weg zijn vooral vele
reidansen gegaan. Hier en daar, op bruiloften en boerenkermissen,
wisten zij zich nog op het platteland staande te houden, maar zij
verdwijnen meer en meer. En evenzoo ging het met allerlei drinkliedjes
en pandspelletjes. "Reien als het ,Patertje langs den kant' ,de
Zevensprong' en ,Haal open de poort' geven ons te zien, hoe onze
voorouders dansten, voordat de uit den vreemde ingevoerde draaiende
wals en polka de oude slepende reidansen verdrongen": Boekenoogen,
Onze Rijmen, bl. 16.

Bij deze reidansen schrijden de kinderen langzaam hand aan hand voort
op de maat van het gezang, terwijl zij nu eens een kring vormen en dan
weer een ketting, die zich onder een poort van armen voortbeweegt. Wij
hebben hier een rest van den Oudgermaanschen dans. Het "Patertje langs
den kant," waarvan ik de eerste strofe met de melodie laat volgen, was
echter geen bruiloftsdanslied, maar een Meidanslied; vgl. I. bl. 190.


    Daar ging een pa-ter-tje langs den kant,
    Hei, 'twas in de Mei, hij vat-te zijn zoe-te-lief
    bij de hand, Hei, 't was in de
    Mei zoo blij, Hei, 'twas in de Mei!


Nog een enkel woord over de waarde van het kinderlied. Het vertoont
de resten van nog zoovele andere oude volksgebruiken. In een
rommelpotliedje, waarvan ik I, bl. 165 melding maakte, wordt gesproken
van "een stroobant", welks beteekenis mij niet helder leek. Intusschen
geloof ik, dat wij hier een aanduiding mogen zien van het oude gebruik,
stroo onder het lijk in de kist te leggen, wat vooral kan blijken uit
de vergelijking met de volgende regels uit een XVe eeuwsch handschrift:


    Ende een wilghen kiste ende een stroen bant,
    Hiermede word ik sent int ander lant.


In den kindermond wordt de "strooband" in Drente wel eens tot "strop",
waarbij dan gevoegd wordt de houtsoort van de kist; het resultaat
luidt: "mit 'n eiken strop an." Zulke veranderingen in den kindermond
zijn zeer veelvuldig en, hoe verbijsterend somtijds ook, steeds
psychologisch uiterst leerzaam. Zie hierover b.v. Dr. J. Bergsma,
Drentsche Volksalman. 1902, bl. 50 vlg.

Natuurlijk vinden wij ook heel wat survivals van oude
geloofsvoorstellingen, die ik in het Eerste Deel besproken heb. Toch
moet men in dit opzicht voorzichtig zijn. Wanneer bij het neerdwarrelen
der sneeuwvlokken de kinderen te Assche jubelen:


    See-se-ken schudt zijn bed-de-ken uit, en
    laat de pluim-kes vlie-gen!


vgl. te Brugge: "O.L. Heertje schudt zijn beddeken uit en al de
pluimtjes vliegen deruit", terwijl dit elders de Engeltjes of,
zooals in Noord-Brabant, Maria doet,--dan kan men wel zeggen, dat
dit liedje eigenlijk op de Germaansche Godin Holda betrekking heeft,
en onmogelijk is dit ook niet. Maar het kan óok zijn, dat wij hier
eenvoudig met een animistische opvatting (in ruimeren zin) te doen
hebben, die eertijds tot een faze van de Holda-mythe aanleiding
gaf. Men moet terdege onderscheid maken tusschen hoogere en lagere
mythologie.--Ook is de meening, dat Engeland=Engelland het zielenrijk
zijn zou, tegenwoordig vrij wel verouderd.

Wanneer ik nu nog gewezen heb op de oude en dialektische taalvormen,
die zich in menig kinderliedje gered hebben, dan hoop ik den lezer
althans eenigermate van het groote belang van het kinderlied te
hebben overtuigd.

Het kinderdanslied komt meestal voor bij het touwtjespringen,
het rondedansen en het reidansen. Bij het touwtjespringen is het
rhythme natuurlijk weer hoofdzaak: en hierin ligt de verklaring
van het feit, dat den volwassenen wel eens raadselachtig voorkomt,
hoe n.l. de kinderen uren en uren, en weer dag aan dag met dezelfde
springspelletjes kunnen bezig blijven. De oplossing ligt in het
meeslepende, in de onbedwingbare lust van het rhythme. Twee meisjes
draaien het touw met gewonen tragen slag en zingen daarbij, terwijl
een derde in de koord danst:


    Ik heb een jas-ken ge-kocht, Naar de
    naai-ster ge-bracht. Zoo ge-zeid, zoo ge-daan, Om naar
    huis toe te gaan, In, spin, springt bij den boer maar
    in, Uit, spruit, springt bij den boer maar uit.


Bij de woorden "in, spin" krijgt de touwtjesspringster een mededanseres
naast zich, en bij de woorden "uit, spruit" loopt de eerste weg. En
zoo gaat het steeds door, met evenveel ijver en opgewektheid.--In
Friesland hoort men:


    Ik heb een jasje gekocht,
    Naar de lommert gebrocht,


en de finale luidt daar:


    Van inspin,
    Spring er dan maar in,
    Van uitspruit,
    Spring er dan maar uit.


Dit spel biedt wel eenige verscheidenheid, en veel is ook over gelaten
aan de willekeur der draaisters. Maar oneindig meer afwisseling
vertoont toch het rondedansen, waarbij de kinderen nu eens gewoon
luchtig op- en neerspringen op het maatgeluid van hun lied, dan
weer plotseling neerhurken, dan andermaal het dansen begeleiden met
handgeklap en allerlei nabootsende gebaren. Een der meest bekende
kinderliedjes, dat als danslied en wiegelied tevens dienst doet,
is het bekende "Klein, klein kleutertje", in Vlaanderen ook: "Klein,
klein Marieken".

Te Herdersen leeft deze variant:


    Klein, klein Jee-se-ken, He-je gij zul-ke
    kou? Komt in mijn her-te-ken wo-nen En
    maakt u daar een schouw.

    We zullen een vierke stoken;
    We zullen een pappeken koken;
    En brengt uw liefste moederken mee,
    Dan zullen we zijn tevree.


Maar een der merkwaardigste dansliedjes is wel het _reuzenlied_. De
kinderen scheppen er ontzaglijk veel genot in, vooral in België,
waar de reuzen nog bestaan en dansen uitvoeren, als te Brussel,
Geerardtsbergen, Hasselt, Antwerpen en Wetteren. Merkwaardig is het,
dat de melodie vrij wel overeenkomstig is met die van den kerkelijken
hymnus _Creator alme siderum_.

"Het _Reuzenlied_" zegt Maurits Sabbe, "herinnert ons de
schilderachtige volksoptochten met de reuzenfamilies, het ros Beiaard
en allerlei allegorische voorstellingen, die vroeger in bijna al
onze Vlaamsche steden en stedekens geliefkoosde nummers voor het
kermisprogramma waren en thans nog slechts in enkele steden van tijd
tot tijd de feestelijkheden opluisteren".


    Moe-der, zet de pap op 't vier, de pap op
    't vier, De reus is hier, Keert u eens
    om, reus-ken, reus-ken, Keert u eens
    om, Reu-ze-gom.

    Moeder, stopt algauw het vat, algauw het vat,
    De reus is zat,
    Keert u eens om, reusken, reusken,
    Keert u eens om,
    Reuzegom.


In heel wat vlugger tempo bewegen zich de dansliedjes: "'kHeb een
rood, rood spiegeltje gevonden";--"Trijntje, Trijntje, Trijntje, je
hebt er water bij gedaan";--"In Holland staat een huis" e.a. Tot de
nabootsende dansliedjes behoort dat van den _Klepperman_: "Elf uren
slaat de klok"; bij de woorden "klip-klip-klip" en "klop-klop-klop"
houden de danseressen een oogenblik stil en klappen driemaal in de
handen of trappen driemaal met den voet.

Maar ik mag van deze dansliedjes geen afscheid nemen, zonder althans
vermeld te hebben het merkwaardige:


    Klein' An-na zat op ma-jes-teit, ma-jes-teit ma-jes-
    teit, Klein' An-na zat op ma-jes-teit ma-jes-teit.

    Daar zat zij nu te weenen,
    Weenen, weenen,
    Daar zat zij nu te weenen,
    Weenen.


Dit wordt gezongen door kinderen, die in een kring rondloopen,
terwijl in het midden een meisje zit neergehurkt, met het hoofd in
de handen. Het spel is drama geworden en vertolkt een ballade. Want
na het zingen van de tweede strofe, treedt een tweede meisje in den
kring en nu vervolgt het koor:


    Daar kwam haar lieve moeder aan, enz.


Deze vraagt:


    Zeg kind toch, waarom weent gij zoo? enz.


Waarop het meisje antwoordt:


    Omdat ik morgen sterven moet, enz.


Nu treedt een derde den kring binnen en het koor zingt:


    Daar kwam de booze Fredrik aan, enz.


Op de maat slaat Frederik het meisje nu op den rug:


    Die zal haar nu den dood aandoen, enz.


Ten slotte wordt Anna door Frederik en de moeder opgenomen en gejonast,
en allen zingen:


    Nu wordt zij in het kistje gelegd, enz.


Dit liedje is o.a. te Voorburg, Varsseveld, Nijmegen, Zeeland bekend en
hoogst waarschijnlijk uit Duitschland afkomstig. Het woord "Majesteit"
ontstond wellicht uit "Breitenstein"; zie Marie Ramondt, Volkskunde
XXIII, bl. 237; Karl Wehrhahn, Kinderlied und Kinderspiel, bl. 110 vlg.

Bij het reidansen staan een of meer meisjes tegenover een heelen rei,
terwijl beide partijen beurtelings naderen en weer achteruit gaan. Een
der merkwaardigste is het liedje van _Brunelle-gezelle,_ waarbij
een meisje tegenover een heele reeks van speelgenootjes staat. Deze
beginnen te zingen, terwijl zij elkaar bij de hand vasthouden en met
rhythmische stappen tot elkaar naderen:


    Van waar kom-de gij ge-dre-ven, Bru-
    nel-le ge-zelle? Van waar kom-de gij ge-
    dre-ven, Brun-ne-le-ken?

    Vr. Ik kom van onder de aarde,
    Brunneleken mijn;
    Enz., enz.


En het lied vervolgt:


    R. Wat heb-de daar weest halen?
    Br. Een mandeken met aarde.
R. Aan wie zul-de da geven?
    Br. Aan mijn beste neve [nicht].
    R. Wie is uw beste neve?
    Br. Ik zal het u gaan toonen


Daarop kiest zij een meisje uit en keert er mee op haar plaats
terug. Dit dansliedje treft men vooral in Vlaanderen, maar met
varianten ook wel in Limburg en Gelderland aan.

Zie verder vooral Van Duyse, Het Oude Nederl. Lied II, bl. 1237 vlg.;
De Cock-Teirlinck, Kinderlust en Kinderspel II, Dansspelen; Van
Ginneken, Handboek der Nederlandsche Taal, bl. 383-404; Van Vloten,
Baker- en Kinderrijmen, bl. 93 vlg.; Waling Dijkstra, Uit Frieslands
Volksleven I, bl. 247.

Maar behalve het danslied zijn er nog zoovele andere _speelliedjes_,
van rhytmische speelbewegingen begeleid. Hiertoe behooren
de rommelpotliedjes, waarover ik in het Eerste Deel, bl. 157
vlg. gesproken heb; de loopspelliedjes, met het diepzinnige spel van
de _Koningsdochter_. Zie hier, hoe dit te Venloo gespeeld wordt. Een
meisje ligt op de knieën. Alle meespelende kinderen houden den zoom
van haar omgeslagen kleedje vast, behalve éen die tot het geknielde
meisje vragen richt.


    Vr. Wie zit er in den hoogen toren?
    A. De schoonste koningsdochter.
    Vr. Van wie zijn al die kindertjes?
    A. Van mij.
    Vr. Mag ik er een van nemen?
    A. Neen!
    Vr. Mag ik er een van stelen?
    A. Neen.


Dan vervolgt de vraagster:


    'K Zal eens naar den diender gaan
    De diender zal u de kop afslaan.


    Entrez, entrez,
    Laat 't meisje maar achter meê gaan.


Alle volgende meisjes herhalen nu op hare beurt hetzelfde totdat zij
alle, elkaar bij het kleedje vasthoudend, achter de vraagster zijn
geplaatst. Deze vraagt dan aan de koningsdochter:


    Vr. Zal ik het lampje aansteken!
    A. Ja!
    Vr. Zal ik u uit den toren laten?
    A. Ja!


Waarop allen roepen:


    Jenneke de tooverheks, Jenneke de tooverheks!--


Ook elders in Limburg, in de Zaanstreek, niet het minst in Vlaanderen
is dit spel bekend; hier is het werkelijk een loopspel, want door
het loopen wordt op de een of andere wijze uitgedrukt, dat de
koningsdochter door haar minnaar wordt geschaakt. Mogelijk heeft
dit spel een mythologischen, waarschijnlijk een historischen, in alle
geval een belangrijken kultuurhistorischen achtergrond. Zie Van Vloten,
Baker- en Kinderrijmen, bl. 115; Lootens en Feijs, Chants populaires,
no. 160; De Cock-Teirlink, Kinderspel en Kinderlust I, bl. 160 vlg.

Een loopspel is ook het _zakdoekje-leggen,_ waarbij te Maarssen
gezongen wordt:


    Zákdoekje léggen,
    Níemand zéggen,
    Kúkelukú, zoo róept de háan,
    Híj heeft twée paar schóentjes aan,
    Eén van zij en één van leer,
    Híer leg ík mijn zákdoekje néer.


Men vergelijke hiermee het _jagen van den rooden hoan_ op de spinningen
in zuidoostelijk Brabant, I, bl. 273.

Van de aftelliedjes, voor wier beteekenis en belang ik verwijs naar
Kalff, Het lied in de Middeleeuwen, bl. 547, vermeld ik er hier twee,
behoorende tot de meest gebruikelijke typen. Overvloedige varianten
vindt men bij De Cock-Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust VIII,
bl. 231 vlg. en Van Vloten, Baker- en Kinderrijmen, bl. 153 vlg.

Type: Onder de groene boomen.

Den Haag:


    Al onder de uileboomen
    Daar ligt een Engelsch schip;
    De Franschen zijn gekomen,
    Zij zijn zoo rijk als ik.
    Zij dragen hoeden met pluimen,
    En ook van perkament,
    Wie zou er niet om huilen,
    Al om zoo'n leelijken vent.


Type: Rommel, rommel in de pot.

Venloo:


    Rommel, rommel in de pot,
    Woa is Piet, woa is Kloas?
    Kloas is in et stelke.
    Waat duit hê doa?
    Hé sniet de koe de kop aat.
    Riem, tiem, twintig, dertig enz.


Hoe eenvoudig, hoe ongekunsteld, en toch hoe zuiver rhythmisch
en klanktooverend doen verder ook onze balspelliedjes, zoo ruim
verspreid. Uit Zwolle werden mij deze twee typen meegedeeld:


    1. Kaatsebal
    Ik heb u al,
    In éene hand,
    In tweeë hand,
Van klapperdeklap
    Met voetjesgestap,
    Van rolledebol (-bom)
    Zoo draai ik me om.


    2. Zwart Willemijntje
    Zat achter 't gordijntje;
    Wat deed ze daar?
    Zij kamde het haar,
    Zij poetste de tandjes,
    Zij waschte de handjes,
    Zij stak ze in de zij,
    Zij knielde er bij,
    Zij stond weer op,
    In éene galop.


Hoe keurig zijn hier de verschillende speelbewegingen uitgedrukt en
in beeld gebracht!

Eindelijk de schommelliedjes, waar bij elke beklemtoonde lettergreep
de hand naar voren of naar achteren gezwaaid wordt, bieden een bonte
verscheidenheid. In vele wordt gewag gemaakt van Paschen en Pinksteren,
van het bim-bommen der klokken, van Sint Katherijne, van varen over
de zee, van haantje-kraantje en een eitje dat barst, van den knaap,
die op school den meester half dood slaat. Dit laatste motief is niets
anders dan een bewerking van eene in de Middeleeuwen zeer bekende
overlevering omtrent Jezus' jeugd, welke verhaalt, hoe de kleine Jezus
de hand van zijn meester deed verdorren, omdat hij die tegen hem op
hief, om hem wegens het niet beantwoorden zijner vragen te straffen.

Maar deze liedjes stonden meer dan de andere aan vervorming bloot,
omdat zij eigenlijk meer opgedreund dan gezongen werden. Zie De
Cock-Teirlink, Kinderspel en Kinderlust III, bl. 87, IV, 167 vlg.;
verder Boekenoogen, Onze Rijmen, bl. 11 vlg.; Waling Dijkstra, Uit
Frieslands Volksleven I, bl. 247; Van Vloten, Baker- en Kinderrijmen,
bl. 129 vlg.

De _wiegeliedjes_ en knieliedjes besprak ik reeds in het Eerste Deel,
bl. 219 vlg. Niet alleen rhythmisch zijn zij van belang, maar ook,
omdat zij een bijzonder soort van kinderliedjes vertegenwoordigen,
nl. in kindertoon gehouden volkspoëzie: in kindertoon, wat betreft
tekst en melodie, zooals moge blijken uit het lieve eenvoudige


    Roe! roe! kind-je, hoe ben je toch zoo stout!
    Heb je pijn in 't buik-je, of zijn je voet-jes
    koud! We zul-len een vuur-tje sto-ken,
    en een pap-je ko-ken; 't Wieg-je dat gaat
    zwik, zwak, voor den klei-nen dik-zak.


Het _minnelied_ zingt van persoonlijke liefde, maar ook van de liefde
in het algemeen. In ons oude Nederlandsche lied beslaat deze groep
een groote plaatsruimte. Maar in het hedendaagsche lied zijn de
minneliederen meestal met speelliederen samengevallen of anderszins
vervormd.

Tot de liedjes die, ofschoon reeds oud, nog altijd in den smaak vallen,
behoort o.a. "Ik ben er de groene straatjes", waarvan onlangs nog
gewag werd gemaakt in de Vragen en Mededeelingen 1910, bl. 151.

De aanvangsstrofe luidt:


    Ik ben er de groe-ne straat-jes zoo
    dik-wijls ten ein-de ge-gaan! Daar
    moest ik mijn lief-je ver-la-ten, dat
    heb-ben mijn vrien-den ge-daan.


(Enkhuizen).

Tot de meest bekende liederen in Vlaanderen behoorde het
_Cecilia-lied,_ dat nog steeds, plaatselijk jammerlijk geparodieerd,
voortleeft. Maar getuigt niet juist de parodie voor de groote
populariteit? Ofschoon van vreemden oorsprong, heeft de melodie,
volgens Van Duyse, onder den invloed van den Nederlandschen volkszang,
hare eigen wendingen en een eigen voorkomen verkregen, en mag zij
onder de fraaiste zangwijzen worden gerekend.


    Ik zag Ce-ci-lia ko-men langs ee-nen wa-ter-
    kant, Ik zag Ce-ci-lia ko-men met
    bloe-me-kens in haar hand Zij zag naar ha-ren
    her-der, den her-der Flo-ri-aan, die
    ook zijn schaap-jes wei-de langs de zelf-de
    baan. Ce-ci-li-a ging zin-gen; haar
    hert docht haar 't ont-sprin-gen. Dit hoor-de ha-ren
    her-der; hij kwam bij haar ter-stond en
    kus-te zijn Ce-ci-li-a aan ha-ren roo-den mond.


Tot deze groep behooren ook de afscheidsliederen in den trant van:


    Vaarwel, vaarwel, mijn zoetelief,
    Niet langer kan ik blijven enz.,


en de wachterliederen, wier allerberoemdste: "Het daget in den Oosten",
om den verhalenden vorm bij den aanvang der derde strofe echter ook
tot de balladen kan gerekend worden.

Vooral in onze noordelijke provinciën krijgt het minnelied vaak een
spottenden bijtoon. Zoo b.v. in _Het meisje van Sardam_:


    Het meisje van Sardam
    Met hare bruine oogen
    Heeft menig jongen kwant
    Tot wedermin bewogen.
    Zij is geen stuursche maagd
    Gelijk zoo vele binnen,
    Hij die haar blosjes kent
    Moet haar op 't meest beminnen.


Dit type vormt een schakel tusschen het minnelied en het _spotlied_,
waaraan nauw verwant het _gezelschapslied_. Het spotlied is echter
somtijds ook, zooals wij boven zagen, de direkte parodie van het
minnelied. Teekenend lijkt mij de verzuchting:


    Ik wou wel om een gulden,
    Dat mijn haartje krulde.
    Ik wou wel om een daalder,
    Dat ik was wat schraalder
    Ik wou wel om een dukaton,
    Dat een vrijer naast mij ston(d).


Zie Boekenoogen, Onze Rijmen 69.--Nu nog een paar andere spotliedjes,
die ik bij Van Ginneken, Handboek der Nederl. Taal I, bl. 359,
419 vind.

Bergen op Zoom:


    Der wàs éens een vrouw
    Die kóeken bakken wóu
    En het méel dat wóu niet rijzen
    En de pán viél om
    En de kóeken wáren króm
    En de mán híet Jan van Gíjzen.


Bergen op Zoom:


    De vlám sloeg in de lantêre
    De vónken slóegen der úit,
    De mêskes lústen zoo gêre
    'n Kop kóffie mét een beschúit.


Nijmegen en Oud-Gastel:


    Klikspaan! boterspaan!
    Je durft niet door 't straatje te gaan.
    Het hondje zal je bijten,
    Het katje zal je krappen,
    Dat komt van al je klappen.


Menig spotlied biedt ons ook de waardevolle verzameling van Jan
Bols: Honderd Oude Vlaamsche Liederen, bl. 155--214; zoo b.v. _De
Scheresliep; De Luiaard; Van Slordig Kaatje; De Kwade Man_:


    "Man en gij moet naar huis toe gaan:
    Uw vrouw die is ziek!"--
    "Is zij ziek, dan is zij ziek!
    En daarmee ben ik uit het verdriet!
    Naar huis en ga ik niet!" enz.


Het is vooral de toon van scherts en van jolijt, die het spotlied met
het gezelschapslied verbindt. Naai- of kleermakerswinkel, spinnerij,
potvertering,--dáar voelt het gezelschapslied zich thuis, al is
het maar onder een vorm als: "Wie in Januari geboren is". Een leuk
potverteerdersliedje geeft de Groningsche Volksalman. 1897, bl. 92
vlg. Men lette op de kerkelijke melodie.


    Hai-te boaln mit koa-le bot-tr smôekt ver-gif-tig
    lek-r As mooi wich-ter trau-wen wiln den trau-wen ze mit'n
    bak-r.


En het lied vervolgt:


    Bakkersvrauwm dei hebm 't nait goud,
    Dei moutn häör tid verbüln,
    Ik was laivr 'n schoumôekrsvrauw
    En drôegn gladde müln.
    Schoumôekrsvrauwm, dei hebm 't nait goud,
    Dei moutn haör tîd vrpótsn,
    Ik was laivr 'n weevrsvrauw
    En dröegn gladde linn.
    Weevrsvrauwm, dei hebm 't nait goud,
    Dei moutn haör tîd vrspouln,
    Ik was laivr 'n speulmansvrauw
    En dansen väör fîouln.
    Speulmansvrauwm, dei hebm 't nait goud,
    Dei moutn häör tid vrdansn,
    Ik was laivr 'n boernvrauw
    En eetn vette ganzn.
    Boernvrauwm, dei hebm 't nait goud,
    Dei moutn häör tîd vrleezn,
    Ik heb laivr 'n schipprtje,
    Zoo'n schipprtje mout tr weezn.
    Dat schipprtje, dat wipprtje,
    Dat heb ik aal zoo laif,
    Veul laivr heb 'k ain schippertje,
    As zoo ain boernslaif.


Een typisch gezelschapslied is ook het bekende lied _Van pastoor
zijn koe_. In Nederland en Neder-Duitschland heeft het een
verspreidingsgebied van belangrijke uitgestrektheid.

Liederen als deze romancen; oorspronkelijk gedanste droeve romancen
of balladen met hun in het lyrische haast opgaande episch element;
minneliederen in beschrijvenden vorm en nog zoovele andere vormen de
omvangrijke groep van het _verhalende lied_.

Tot de oudste van deze soort behoort stellig het _Halewijnlied_;
wellicht dagteekent het uit de XIVe eeuw en was de oorspronkelijke
inhoud der sage een liefdesbetrekking tusschen watergeest en
sterveling. In België wordt het rond Leuven nog gehoord, en in
Volkskunde XVIII verscheen een variante uit Mater, bij Oudenaarde,
die tot titel voert: "Van Halewijns rijk Hof". Een andere variante
vindt men in den Hasseltschen _Banier_ van 1906, en, naar verluidt,
wordt de ballade ook nog gezongen te Weert in Hollandsch Limburg.

Verder moet dit lied populair zijn geweest in 't Land van Aalst. "In
mijn geboortedorp (Herdersem)", schrijft De Cock, "werd het in mijn
jeugd nog door menige vrouw opgedreund. Als 15- à 16-jarige knaap
zong ik aldaar op het doksaal, en ik herinner mij opperbest dat,
telkens als wanneer de pastoor, die een goed muziekkenner was en
steeds den vereischten toon in acht nam, het


    Cre-do in u-num Deu-m.


van de _Missa in duplicibus_ aanhief, een ietwat oudere zanger alsdan
zeide: "Hoort, de voois van Erodewijk". Hierdoor werd dan bedoeld
Halewijn, die elders ook als "de stoute Roland" bekend staat. Zie
verder Van Duyse, Het Oude Nederl. Lied I, bl. 1 vlg.

Laat ik nu nog vermelden: _De drie Koningsdochters_, met zijn vele
varianten; b.v,:


    Daar waren drie dochterkens fijn (_bis_),
    Die wilden alle drie zalig zijn, enz.


of:


    En daar vlogen drij vogelkens over den Rijn,
    En daar stierven drij dochterkens fijn, enz.


Dan het _Jagerslied_: Daar ging een jager uit jagen, Zoo ver al
in het woud, enz.; _De Hertog van Brunswijk; Genoveva van Brabant;
Het Weesmeisje_:


    Aan den oever van een snellen vliet,
    Een treurig meisje zat;
    Zij weende tranen van verdriet
    En schreide haar oogjes nat.


of:


    Zij weende en schreide van verdriet
    Op 't gras van tranen nat.


Ook ons lied van _De drie Ruitertjes_ kan op hoogen ouderdom en ruime
verspreiding bogen. Onze aanvangsstrofe luidt vrijwel aldus:


    Toen ik op Neerlands bergen stond,
    Keek ik het zeegat in.
    Daar zag ik een scheepje zeilen,
    Daar zaten drie ruitertjes in,
    Een van de drie was naar mijn zin.


Het lied ontstond echter waarschijnlijk niet in "de landen bider see",
maar in het Opperduitsche bergland. Immers de oudste ons bekende
tekst vangt aan met de regels:


    Ic stont op hoghe berghen,
    Ic sach daer so diepen dal, enz.


Zie ook Driem. Bladen X, bl. 54; Volkskunde XXIII, bl. 15. Eindelijk
laat ik hier den tekst volgen van de _Twee Koningskinderen_, zooals
men dien thans nog hier te lande aantreft: van het diepst-tragische
en wellicht meest nationale onzer oude volksliederen, al berustte het
ook op de Fransche kultuurbewerking van een Grieksche sagenstof. Ik
ontleen aan Driem. Bladen XI, bl. 46:

De twee Koningskinderen.


    Het waren twee koningskind'ren,
    Die hadden malkander zoo lief,
    Zij konden bij malkander niet komen,
    Zij schreven malkander een brief.

    't Was des nachts twaalf uren,
    Het meisje lag in een droom,--
    Haar zoetelief was verdronken--
    Al in een waterstroom.

    Het meisje sprak tegen haar moeder:
    "Wat doet mijn hoofdje mij zeer,
    Mag ik een klein half uurtje
    Gaan wandelen langs het meer?"

    De moeder sprak tegen het meisje:
    "Alleen kunt gij niet gaan,
    Neem dan uw jongste broertje,
    Dan kunt gij wel henengaan."

    Het meisje sprak tegen haar moeder:
    "Mijn broertje is veel te klein,
    Die verjaagt mij al de vogeltjes,
    Die aan den meerkant zijn."

    De moeder ging naar de kerk,
    En het meisje ging haar gang,
    Zij wandelde, ja zij wandelde,
    Tot zij bij een visscher kwam.

    Het meisje sprak tegen den visscher:
    "Wilt gij verdienen uw loon,
    Werp dan je net in het water
    En visch mij dien Koningszoon."

    Het eerste wat of hij vischte,
    Dat was een Koningszoon,
    Zij kuste zijn roode lippen,
    Zij kuste zijn rooden mond.

    Zij nam hem op haar armen,
    En droeg hem aan den kant van de zee,
    Zij zegt: "Adieu, nu willen wij varen,
    En 'k vaar altoos met je mee".


(Leek en omstreken.)

In deze, en ook in andere balladen, trilt een sprookjes-motief na. Een
aanzienlijke groep echter, die van het _sprookjeslied_, bevat enkel
berijmde en getoonzette sprookjes, die dan juist door rhythme en
melodie een zekere vastheid verkrijgen. Vertoont het lied van _De
kwade Stiefmoeder_ niet zoo echt den typischen sprookjesaard?


    Er was een kwade stiefmoeder, zij verkocht haar kind,
    Voor negentien penningen en een gouden ring.

    En dat mooie meisje teer,
    En dat mooie maagdetje!

    De zeven knechten namen elk een' roed,
    Zij sloegen Antonnettetje zijn lichaam in bloed.

    Zij leiden Antonnettetje op eenen blok,
    Zij kapten Antonnettetje zijn hoofdje of.

    Uw dochter Antonnettetje is wel bewaard,
    Want zij speelt er achter in den boomgaard.

    De vader reed den boomgaard wel driemaal rond,
    Om te zien of hij Antonnettetje niet en vond.

    Op d'eerste lelie stond er geschreven,
    Als dat haar stiefmoeder haar hadde verkocht.

    Op de tweede lelie stond er geschreven,
    Als dat de zeven knechten haar hadden geslegen.

    Op de derde lelie stond er geschreven,
    Als dat de zeven knechten haar hadden vermoord.

    De vader heeft de strate met messen doen beslaan,
    Om die zeven knechten er over te doen gaan.

    En dat mooie meisje teer,
    En dat mooie maagdetje!


Zie Van Duyse, het Oude Nederl. Lied I, bl. 222; Lootens en Feys,
Chants populaires flamands no. 43.--Ook het dierensprookje is rijk
vertegenwoordigd; zoo b.v. _De Koekoek in den Mei; Den Uil die op den
Pereboom zat_, zie Volkskunde IX, bl. 185 vlg; vooral ook het leuke
_Sterven van den Beer_, Volkskunde XIII, bl. 237, vgl. De Navorscher V,
bl. 88:


    De beer die vond er hem zeer krank
    Van eene zware koorts (_bis_),

    De zeug die vond heur in bedwang,
    Den dokter te ontbieden
    Met nog veel wijze lieden,
    En het beestjen die had er de koorts, koorts, koorts,
    En het beestjen die had er de koorts; enz.


De minste dichterlijke waarde heeft het _historische lied_, natuurlijk
duisterder, naarmate het verder van het historische feit afstaat,
dat het vermeldt of verheerlijkt. Het liedje:


    Mijnheer van Son is een brave kapitein,
    Hij regeert er zijn volkje zoo groot als klein


heeft betrekking op een Amsterdamsch kapitein, n.l. Zeger van Son,
die op 6 Sept. 1748 bij de parade ter eere van den stadhouder Willem
IV behalve de gewone troepen ook eene "compagnie jongeheertjes" deed
exerceeren. Hij regeerde dus werkelijk groot en klein. Zie hierover
Boekenoogen, Onze Rijmen, 6 vlg., waar de aandacht gevestigd wordt
op de historische kern van nog menig ander tot kinderrijm vervormd
volksliedje; zoo b.v.:


    De Bisschop van Munster
    Met honderdduizend man,
    Voor Groningen, voor Groningen eens kwam.
    De Bisschop van Munster, al weer van voren af an.


Vooral de Fransche tijd heeft op ons volk een diepen indruk gemaakt,
waarvan wij de reflex vinden in het volkslied. Wie kent niet het
kinderrijmpje:


    Rataplan, rataplan, rataplan!
    Daar komen die drommelsche Franschen weer an,
    Ze hebben geen kousen en schoenen meer an,
    Rataplan, rataplan, rataplan!


Heel wat waardevoller in historisch, nationaal en artistiek opzicht is
het pittige, jubelende volksliedje, dat dagteekent uit het jaar 1650:


    Al is er ons Prinsje nog zoo klein
    en hoezee! _bis_

    Alével zal hij stadhouder zijn;
    Vivat Oranje, hoezee! (_bis_).


In België leven insgelijks de herinneringen aan den Franschen tijd
in het volkslied nog voort; ook aan de Spanjaarden en, althans tot
voor kort nog, aan Jacob van Artevelde, en aan het beleg van Yperen
in 1383; zie Van Duyse, het Oude Nederl. Lied II, bl. 1525-1825;
Dr. J. van Vloten, Nederlandsche Geschiedzangen.

Tot welk een dorren, prozaïschen stijl het historische lied zinken kan,
toont ons het volgende:


    Napoleon, waar zijt gij gebleven,
    Napoleon, waar is uwe tijd,
    Eertijds was ge keizer van Genève,
    Daar ge nu op een eiland zijt (_bis_); enz.


Zie voor den volledige tekst de Graafschapsbode 16 Maart 1907;
Driem. Bladen VII, bl. 62.

Maar nog dient gewezen op de groote rubriek van het _feestlied_, dat
het geheele natuurlijke en kerkelijke jaar doorloopt, en van af Sint
Maarten (11 November) tot Sint Maarten de feestgetijden met blijden
jubel of droeve klage begeleidt. Ik heb deze liederen reeds besproken
in het hoofdstuk over de Volksfeesten (I, bl. 99-209) en wensch
dus nog slechts aan het volgende te herinneren. Al de zoogenaamde
natuurliederen, winterliederen, zomerliederen, meiliederen enz. zijn
feestliederen in den waren zin des woords en geven de stemming op
het natuurfeest weer. Wel bewegen zich deze liederen somtijds in
een bijzondere richting; zoo zijn b.v. de meiliederen dikwijls òf
minneliederen òf geestelijke liederen ter eere van Maria (I, bl. 190).

Hiermee heb ik tevens mijn meening geuit omtrent den aard van
het _geestelijke lied_, de laatste groep van het volkslied. De
kerstliederen, nieuwjaarsliederen, Driekoningenliederen,
passieliederen, paasch- en pinksterliederen enz., en voor een overgroot
deel de Marialiederen en de liederen ter eere van andere heiligen,
zijn feestliederen. En deze feestliederen, wier kader heel wat
ruimheid bood--men denke aan de reeks geestelijke liederen, die de
_Vlucht naar Egypte_ behandelen, eigenlijk kerstliederen--waren of
wel zuiver lyrisch, of episch-dramatisch. Men ziet het: een strenge
afscheiding van het wereldlijke lied is niet door te zetten. Ook wat
de melodieën betreft, schijnt er wisselwerking geweest te zijn; het
geestelijk lied leende zijn wijzen en ontleende die ook weer op zijn
beurt aan het wereldlijke. Trouwens hierin vond men niets stootends
of oneerbiedigs, omdat in die dagen de tegenstelling van gewijd en
profaan niet bestond, als tegenwoordig veelal het geval is. Hetzelfde
geldt voor het kerkelijke lied, doorgaans feesthymne, maar toch ook
volkslied, in zoover het daadwerkelijk uit het volk, of althans uit
den volksgeest is voortgesproten. Imposante kerkelijke liederen als
het _Dies Irae_ en het _Stabat Mater_ stoelen beslist op den volksgeest
en behooren tot de schoonste loten van de Middeleeuwsche volkspoëzie.

Maar het geestelijk lied kan ook uiting geven aan het gevoel van een
enkeling, kan uitzingen diens lof en dank, of vertolken diens hoop
en berouw: en zoo ontstaan de roerende liederen der "Minnende ziel",
de "Zieleklachten" enz., die zich wellicht hebben ontwikkeld uit
geestelijke verzuchtingen als deze:


    Maria, Gods Moeder, reine Maagd,
    Al onze nood zij U geklaagd.


Deze individuëele liederen kunnen echter ook zijn van paraenetischen
aard, en dus beschouwingen behelzen over de Vier Uitertersten e.d.

Zijn dramatisch element ontleent het geestelijk lied meestal aan het
feit, dat het stoelt op de dramatische vertooningen in de kerken,
met name tusschen Kerstmis en Driekoningen; zie hierover vooral de
beschouwingen van Knuttel in zijn uitnemend werk over het Geestelijk
Lied enz., bl. 88 vlg.; Kronenburg, Maria's heerlijkheid V, bl. 434
vlg.

Hier volge een Kerstlied en een Driekoningenlied, schaarsche resten
van vroegere weelde en overvloed.


    Wilt uit u-wen slaap op-sprin-gen, En ver-
    blij-den ons al-len ge-lijk. Hier is ons een kin-de-ken ge-
    bo-ren Van Ma-ri--a, die uit-ver-ko-ren. Brengt de
    bood-schap in 't o-pen-baar Al met de-zen nieu-we-jaar.

    Op ee-nen Drij-ko-nin-gen a-vond En op
    ee-nen Drij-ko-nin-gen dag, Dan von-den wij Ma-
    ri-a Mag-da-le-na Al op Heer Je-zus' graf.
    Sta-get op, Ma-ri-a Mag-da-le-na, Sta-get
    op van de bit-te-re dood, Uw zon-de-kens zijn
    al-le ver-ge-ven Al wa-ren zij nog zoo groot.


Een overoud passielied, in Hollandsch Limburg en in België bekend,
begint met deze strofe:


    Hier is 't begin van 't bitter lijden
    Van Onzen Heer Gebenedijde,
    Die ons van zonden heeft verlost,
    Dat heeft Zijn dierbaar bloed gekost.


Het oude paaschlied: "Christus is opghestanden, Al van der martelijen
allen" enz. heeft menige verandering ondergaan. In het Spaansch leger
vóor Haarlem (1573) werd het geparodieerd als:


    Christus is opgestanden,
    te Haarlem is een buit voorhanden;


terwijl van het paaschvuur gezongen werd:


    Christus is opgestanden,
    t' avond zullen wij vuren branden.


Als hedendaagschen vorm geven de Driem. Bladen XIII, bl. 51:


    Christus is opgestanden
    Al van de Joden hun handen,
    Dus willen we allen vroolijk zijn,
    Christus zal onze Verlosser zijn, Halleluja!

        Was Christus niet verrezen
        Alom met Zijn goddelijk Wezen
    Wij waren gebleven in grooten nood,
    Wij moesten allen sterven den eeuwigen dood, Halleluja!
        Christus voer ter hellen
        Om daarin vrede te stellen,
    Die in de duisternisse zeer lagen bezwaard,
    God heeft ze met Zijn eeuwige licht verklaard, Halleluja! enz.


Een afzonderlijke vermelding verdienen nog de bedevaartliedjes, die
buiten het feestjaar staan en ten deele verhalend, ten deele lyrisch
van aard zijn. Het refrein van een algemeen verspreid bedevaartsliedje
luidt:


    En zouden wij dan niet vroolijk zijn,
    De hemel is de onze,
    En was de hemel de onze niet,
    Dan waren wij zoo vroolijk niet,
    De hemel is de onze.


Ten slotte volge hier het _Lied van den Boom_, dat door sommigen als
een danslied beschouwd wordt, omdat men het wel eens in een rondedans
om een boom zingt.

Men vindt dit lied in Holland, Friesland, Limburg, Vlaanderen,
echter met tallooze varianten, vooral aan het einde, waartoe de
eigenaardige vorm en gang van het lied zonder twijfel aanleiding
gaf. Ik geef hier de lezing van Heist-op-den-Berg, die ik voor de
meest oorspronkelijke houd.


    In mijnen hof daar staat eenen boom
        Zoo'n schoonen boom,
        Zoo'n liefelijken boom.


Refrein:


        De boom staat in zijne eerde,
          Vol van weerde,
        En hij groeit zoo schoon!

    Aan dezen boom daar komt er eenen tak,
        Zoo'n schoonen tak,
        Zoo'n liefelij ken tak.
        De tak komt van den boom.

    Refr. De boom staat, enz.

    Aan dezen tak daar komt er dan een blad,
        Zoo'n schoonen blad,
        Zoo'n liefelijken blad.
        Het blad komt van den tak,
        De tak komt van den boom.

    Refr. De boom staat, enz.

    En aan dat blad daar komt er dan een bloem.
        Zoo'n schoone bloem,
        Zoo'n liefelijke bloem.
        De bloem komt van het blad,
        Het blad komt van den tak,
        De tak komt van den boom.

    Refr. De boom staat, enz.

    En aan die bloem daar komt er eene vrucht.
        Zoo'n schoone vrucht,
        Zoo'n liefelijke vrucht.
        De vrucht komt van de bloem,
        Enz., enz.

    Refr. De boom staat, enz.


Ik beschouw dit lied als een _kerstlied_. Waartoe hier met Van Duyse
e.a. allerlei Germaansche boschvereering te hulp roepen, waartoe
vooral met Pol de Mont (Nederlandsch Museum III, 2, bl. 217 vlg.) den
wereldboom _Ygdrasil_ uit de Noorsche mythologie er bij halen, wanneer
de verklaring toch voor de hand ligt? En die is, dat wij hier met den
boom van Jesse te doen hebben. Zelfs luidt te Deerlijk en elders het
slot--dat ik echter niet voor oorspronkelijk houd--:


    En op dien tak daar staat een nest, enz.
    En in dien nest daar lag een ei, enz.
    En in dat ei daar zat een kind,
    Een goddelijk kind,
    Een kind dat ons verlossen zal,
    Dat ons verlossen zal.


Werd Christus niet aangeduid als de spruit en de bloem uit den
wortel van Jesse? En zingt _Venantius Fortunatus_ niet in zijn
kersthymne: "De wortel van Jesse heeft gebloeid en de spruit heeft
vrucht gedragen?" Het was immers een lievelingsbeeld der geestelijke
poëzie in de Middeleeuwen, Maria en Christus voor te stellen als de
bloem en de vrucht uit den wortel van Jesse. En mocht iemand dit
alles onvoldoende lijken, dan verwijs ik nog naar de veelvuldige
ikonografische voorstellingen: een boom schiet op uit den slapenden
Jesse, met reuzenbloemen aan de twijgen. Op en in die bloemen zitten
rechts en links koningen en op den top troont Maria met het Jezuskind.

Op weinig uitzonderingen na wordt door het volk tegenwoordig weinig
meer gedicht en gezongen. De zanglust, die vroeger levensbehoefte
scheen, is verslapt. Hoe kan in dezen tijd het volk ook zingen? Nu
de poëzie hoe langer hoe meer uit het volksleven terugwijkt, nu de
ziellooze machine vervaardigt het eertijds bezielde werk, waarin
de man-uit-het-volk een stuk van zijn ziel, zijn gemoedsleven, een
stuk van zijn eigen-ik legde? Slechts daar, waar gemeenschappelijke
handarbeid de menschen nog vereenigt, klinkt het rhytmische volkslied
als eertijds: bij het maaien, het bezembinden, het stroovlechten, het
tabaksbewerken, het steenhouwen, het kuipersbedrijf. Vooral echter,
waar stille huiselijkheid en gezelligheid woont, hoort men des avonds
bij het knappende haardvuur of op de bank vóor de woning of onder de
dorpslinde nog het aloude gezang. Ook het volksfeest, voor zoover de
moderne kultuur dit niet door en door verdorven heeft, de bruiloft
en de kermisviering worden nog wel door het lied opgevroolijkt.

Daar zijn tijden geweest, waarin het karakter van het geheele volk
zich weerspiegelde in het volkslied; en ons Nederlandsche volkslied
kan de vergelijking doorstaan. Het kende niet de hartstochtelijkheid
der Italiaansche, de waardigheid van de Spaansche, de sierlijke
gratie van de Fransche liederen; maar in diepte van gevoel werd het
nauwelijks geëvenaard. Natuurlijk kwamen ook hier de rasverschillen
tot uiting, en kwam het b.v. door den beweeglijken, meer emotioneelen
Keltisch-Frankischen geest beter tot zijn recht.

Maar nu....de bovenkultuur heeft de kunst grootendeels aan
het volk ontnomen en voor een élite van begenadigde kunstenaars
gemonopoliseerd. De middelklasse wordt meer en meer uitgeschakeld,
en waar in onze landen de kultuur het hoogst stijgt, wordt de klove
tusschen hoogere en lagere standen steeds dieper. Daar zingt het volk
geen volkslied meer, maar bauwt in drenzige deunen de aan flarden
gescheurde opera-melodieën na met schunnige variaties. En al mag nu
de tegenwoordige toestand in wat te schrille kleur geteekend zijn
in H. F. Wirth's dissertatie: Der Untergang des Niederländischen
Volksliedes (Haag 1911), het in-droevige van den toestand kunnen wij
ons niet ontveinzen.

Dankbaar zeer zeker zijn wij de hedendaagsche dichters in den
volkstoon: Heve, Dautzenberg, René de Clerq, Rodenbach; dankbaar
aan degenen, die werkten tot herleving, althans der waardeering van
wereldlijk of geestelijk lied: Hofmann V. Fallersleben, Van Duyse,
Bols, Kalff, Knuttel, Coers, Roes, en aan de vele andere wakkere
voormannen, die door woord en aktie,--ik denk aan het volksorgel--den
gezonden volkszang trachten te bevorderen. Maar toch vrees ik, dat
deze kunstmatige poging op den duur den ondergang van het volkslied
niet zal tegenhouden. Wij leven te ver van de natuur. Wereld en
menschen zijn anders geworden, daarom moet het volkslied sterven. Als
een schichtig ree van uit het struikgewas tuurt nog hier of daar een
kind der volksmuze met zijn sprookjesoogen in een wonderlijk-vervormde
kultuurwereld, vol rook, rumoer en onrust. Het volkslied vlucht voor
de schrille stoomfluit, als de elven voor het gelui der klokken.



IV. Bouwkunst en dekoratieve kunst.


Terwijl de kultuurkunst vooral tot uiting komt in het bouwen van
kerken, torens, raadhuizen enz., spreekt de intieme volkskunst het
meest uit de woon- en bedrijfshuizen. De _volksbouwkunst_ geeft een
eigen kenmerk aan stad en land en volk: na eeuwen zelfs vertolkt zij
ons den kunstzin van dat volk niet alleen, maar ook zijn geschiedenis,
gebruiken, zeden en gewoonten, zijn welvaart, zijn geloof. Maar
voorheen, meer dan thans, was de bouwkunst een stille opvoedende
kracht, omdat duizenden handen en hoofden in haar dienst voortdurend
werkzaam waren, op wie zij terugwerkende kracht kon uitoefenen. "Onder
dien stillen drang worden de samenstellingen ongezochter, eenvoudiger,
doelmatiger, degelijker, wordt alles typischer en expressiever,
wordt de hand vaardiger en het oog gevoeliger en minder spoedig
voldaan. Zóo inwerkend op tal van ambachten werkt de bouwkunst in en
door dit alles terug op het gebied der kunstnijverheid en daardoor
weder op het zoo uitgestrekte gebied der nijverheid": C. H. Peters,
Oud-Groninger kunst, in de Gron. Volksalman. 1896, bl. 128.

Ten tijde, dat de persoonlijkheid, en met haar de persoonlijke
kunstuiting, meer tot haar recht kwam,--toen ook de kleine burger
of handwerksman iets voor zijn woonstede voelde en die opsierde
naar vermogen, sprak uit _stad_ en _stadswoning_, uit de woon-
en bedrijfshuizen inderdaad voor een groot deel het karakter hunner
bewoners. Maar uit die periode van persoonlijke en zelfstandige kunst
hebben slechts schaarsche overblijfsels ons bereikt. "Eerst met het
laatst der XVe en het begin der XVIe eeuw begint onze erfenis, maar
het is eene erfenis slechts van een gevel hier, een schouw daar,
eene deur of zoldering elders; een nog uit- en inwendig intakt
gebleven middeleeuwsch woonhuis bezitten wij nergens", schrijft
weer de Rijksarchitekt C. H. Peters in zijn voortreffelijk werk: De
Nederlandsche Stedenbouw (Leiden 1910), II, bl. 380. En dit is niet te
verwonderen. Ekonomische redenen hebben hiertoe geleid. Groeide een
woonbuurt, een dorp, een marktplaats uit tot een stad, dan verdween
mèt die ontwikkeling ook het landbouwbedrijf en de hoeve, om voor
een koopmans- en bedrijfshuis de plaats vrij te laten. In de omwalde,
bepoorte en omgrachte marktplaats was geen ruimte voor vrij liggende
hoeven of een uitgestrekt erf, maar slechts voor kleine woningen met
ziend dak. Met het klimmen van de welvaart verdichtten zich echter
ook de houten huizen, drongen op in rij en gelid en zochten door
verbouwen in de ruimte, wat zij beganegronds moesten missen. En zoo
ontstond hetgeen ons oog in oude steden of stadsdeelen zoo aantrekt:
die ongewild mooie huizenreeksen, alle eertijds in hout gebouwd,
met hun sierlijke lijnen en met de welgevormde bochten, die ons
vaak nog resten. Zoo ontstonden die verrassende straateffekten, ook
na het verdwijnen der houten woonhuizen veelal nog bewaard, en zoo
sterk kontrasteerend met den modernen slatuin-vorm. Van sierlijke
Nederlandsche huizengroepen en straatgezichten leeft ook nog de
herinnering in oude teekeningen uit de XVIe, XVIIe en XVIIIe eeuw,
toen van dien houtbouw nog een gedeelte over was; zoo b.v. van de
markt en het raadhuis te 's Hertogenbosch, de markt te Middelburg,
straten uit Maastricht (b.v. de Tongersche straat ten jare 1669),
Den Bosch, Amsterdam, Delft, Dordrecht, Alkmaar, Enkhuizen, Brussel,
Gent, Brugge enz.

Met het verdwijnen van den houtbouw, tengevolge van branden, van
stadskeuren en van andere, ekonomische redenen, werd deze zeer
eigenaardige periode door den steenen huizenbouw opgevolgd. Maar
ook het Middeleeuwsche steenenhuis verdween en werd vervangen door
kostbaarder en rijker konstruktie.

Maar de eenvoud en soberte verdween en de gemeenschapszin werd
losser. Tot de XVe eeuw voelde men zich éen met de burgers van zijn
stad, was men met het wel en wee der stad op het nauwste verbonden,
beschouwde men haar belangen, haar trots, haar fierheid als de
zijne. En zoo verklaart men het feit, dat de burgers in dien tijd
hoogst eenvoudig leefden en bouwden voor zichzelf, maar zoo ruim
mogelijk bijdroegen tot het bouwen van een ruimer en sierlijker
raadhuis of Godshuis _hunner_ stad. Met de XVIe eeuw werd men behalve
poorter ook lid van het gewest, waardoor de betrekking van poorter
tot stad losser werd. "De Stadspoorten, vóórheen angstig gesloten,
openen zich nu meer en spoediger ter opname van _nieuwe_ elementen,
van _nieuwe_ bedrijven; met de grootte der Steden breidde zich ook
het gemeenschapsbegrip uit; en toen met de Reformacie ook de 'leer der
goede werken' en de zorg voor het hiernamaals zich minder naar buiten
uitte, verminderde onder den invloed der welvaart langzamerhand ook de
vroegere eenvoud": C. M. Peters, t.a.p. bl. 392; vgl. Oud-Groningerland
('s Gravenhage 1912), bl. 150 vlg.; A. W. Weismann, Geschiedenis
der Nederlandsche Bouwkunst (Amsterdam 1912); A. J. Kropholler,
in De Beiaard I, 1, bl. 114 vlg.

Voortaan besteedde men dus meer aan de eigen woning, en de
wooneenvoud maakte niet zelden plaats voor woonvertoon; en met de
steeds wisselende stijlen verdwenen de overblijfselen van het vroegere
woon- en bedrijfshuis, terwijl de verjongingskuur een steeds sneller
stap aannam.

De _aard_ van de woonbuurt, waaruit de stad zich ontwikkelde, bepaalt
natuurlijk in aanzienlijke mate den aard en aanleg der stad en den
bouwvorm van het woonhuis. De steden zijn immers niet gesticht in
bepaalden vorm op last harer eerste bewoners, maar gegroeid uit het
mettertijd omwalde, omgrachte en bepoorte dorp. Uit de visschersbuurt
op een gunstig gedekte plaats in een rivierbocht, of rond een inham,
of bij den mond van een riviertak ontwikkelde zich het visschersdorp
en de visschersstad: Amsterdam, Dordrecht, Kampen, Rotterdam. Waar
de rivier zich verbreed had tot zeearm of zeeboezem, die tot veilige
ligplaats dienden, vormden zich de havensteden: Antwerpen, Blokzijl,
Harderwijk, Stavoren, Vlissingen. En hoe belangrijk deze ligging voor
de stadsvorming geacht werd, blijkt wel het duidelijkst uit den faktor
der taal. Immers uit het Latijnsche _portus_ "haven, stapelplaats"
ontwikkelde zich het Middelnederlandsche woord _poort_ "stad",
vanwaar de burger den naam van _poorter_ droeg. Ook dáar vormde zich
aldra een stad, waar een rivier ophield bevaarbaar te zijn: Leuven,
Brussel, Yperen; en eveneens, waar twee rivieren samenvloeiden: Gent,
Mechelen. Bij smalle rivieren werden