Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Ben-Hur - Een verhaal van den tijd van Jezus' omwandeling op aarde
Author: Wallace, Lewis, 1827-1905
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Ben-Hur - Een verhaal van den tijd van Jezus' omwandeling op aarde" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



BEN-HUR

Een verhaal uit den tijd van Jezus' omwandeling op aarde


Uit het Engelsch van

LEWIS WALLACE


door

ALMA

(A.M.Th. Doedes)


       *       *       *       *       *



VOORBERICHT.


Gaarne schrijf ik, daartoe verzocht, een aanbevelend woord voor eene
nieuwe uitgave van dit boek, dat vertaald is met eene zorg en keurigheid
zulk een meesterstuk waardig.

Niemand kan meer bereid zijn dan ik om te erkennen, dat een verhaal uit
den tijd van Jezus' omwandeling op aarde een genre is uiterst teeder en
zoo vol gevaar om het heilige niet heilig te houden, dat het er mede is,
als met afbeelden van den Christus, een ondernemen, dat een even vroom
gemoed als een zeldzaam talent vereischt. Geen oningewijde, niet door
hooger geest gedrevene, wage zich op het gebied van het heilige.

Van de schrijver van Ben-Hur mag gezegd worden, dat hij het tijdperk,
waarin zijn verhaal valt, en in ruim gebied karakters, plaatsten en
omstandigheden zoo grondig kent, als alleen de ernstigste studie
mogelijk maakt. Telkens rijst het vermoeden, dat de schrijver meer
noodig geacht heeft dan boekenkennis, dat hij persoonlijk de plaatsen
heeft bezocht, dat hij uit het verledene als een ooggetuige doet
opdoemen.

Uit het tijdvak, dat hij ons aanschouwelijk wil voorstellen, kan de
inhoud der evangeliën niet geheel verwijderd blijven, maar met welk eene
soberheid en eerbied voor de letter is dit geschied. Reeds terstond
blijkt dat bij den aanvang des verhaals, waar de schrijver niet een
eigen verdicht verhaal maakt van het weinige dat Mattheus van "de Wijzen
uit het Oosten" meedeelt, maar de kerkelijke legende van Caspar,
Melchior en Balthasar, de als zinnebeeld der Christus' heerschappij uit
Europa, Azië en Afrika gekomenen opneemt, om met eerbiediging van de
Schrift, zij het ook slechts één van de drie, den vromen Balthasar uit
Egypte, als type van het tijdvak in zijn verhaal op te nemen. In alles
wat den Heer zelve betreft, en dat niet meer is dan het volstrekt
noodige, is nergens in het minste den teugel aan de verbeelding gevierd,
en aan de Schrift, en aan deze alleen het woord gelaten.

Door dit alles is het, dat het kunstwerk van WALLACE niet alleen aan
volwassenen maar niet minder voor jeugdigen kan worden aanbevolen, als
een geschrift, waaruit zij veel kunnen leeren om de Schrift beter te
verstaan, doch vooral ook meer van harte te waardeeren de herschepping,
die in de menschenwereld en in menschenharten door den beloofden en zoo
vurig verwachten Zoon des menschen is teweeggebracht.

In de edelste harten van die dagen zien wij niet de heerschappij der
liefde met oppermacht heerschen, maar een zich buigen voor den machtigen
drang van wraakzucht en haat. Alleen één (en dit denkbeeldig) type, de
vrome Balthasar, schaduwt hoogere verwachtingen af; maar een edel type
van vleesch en bloed als Ben-Hur kan voor de oplossing van het
wereldraadsel door kruis en opstanding niet hooger reiken dan een
Joodsch koning, die door Galileesche legioenen de wereld overwinnen en
aan Jeruzalem in het wereldgebied de plaats van Rome schenken zal.

Tegen welke wereldmachten de Zoon des menschen zonder de hulp van
wapenen, goud of wijsbegeerte zich te kampen heeft, wordt in de
keurigste tafereelen op elk levensgebied aanschouwelijk, en tevens zijn
recht gevoeld om stervende te kunnen zeggen: "ik heb de wereld
overwonnen."

Waar zooveel in onze dagen van het lezen des Bijbels en grondig
bepeinzen van zijn inhoud afleidt, mag van dit boek, al is het een
verdicht verhaal, het tegendeel gezegd worden. Den nadenkende doet het
de wereld, die Jezus overwinnen kwam door haar in woord en daden de
liefde des Vaders te openbaren, in eigen natuurlijk hart terugvinden.
Geen zoo edel, dat van nature zich hooger zal durven plaatsen, dan
Ben-Hur. Voor dezen niets minder dan een van nieuws geboren worden
noodig, een zien met andere oogen, een liefhebben met een vernieuwden
geest des gemoeds. Wat voor hem, gelijk voor Nikodemus gold, voelen zij
ons niet minder van nabij te raken: "tenzij iemand van nieuws geboren
wordt, hij kan het koninkrijk Gods niet zien." De moordenaar op het
kruis was de eerste om dat met onbenevelden blik te aanschouwen.

Na hem rust ons oog op Stefanus en op den plaatsvervanger des eersten
martelaars, Paulus, op dat hooge standpunt de voltooiing van den
wereldstrijd door het kruis aanschouwend. Hoevelen na hem hebben in
lijden, strijd en sterven de roemtaal van Rom. VIII herhaald, als een
Amen op het woord van de Zegepralende bij zijn heengaan: "Mij is gegeven
_alle_ macht in den hemel en op aarde, onderwijst _alle_ volken, ik ben
met u _al_ de dagen tot de voleinding der eeuwen."

C.S.A. v. S.


       *       *       *       *       *


BEN-HUR



BOEK I.


       *       *       *       *       *


EERSTE HOOFDSTUK.

IN DE WOESTIJN.


De Jebel es Zubleh is een bergketen, ruim vijftig mijlen lang, en zoo
smal, dat zij op de landkaart veel heeft van een rups, die van het
zuiden naar het noorden kruipt. Van den top der wit- en roodkleurige
klippen ziet men in het oosten niets dan de woestijn van Arabië. Een
dikke laag zand, door den Eufraat achtergelaten, bedekt het onderste
gedeelte van de bergketen en blijft daar liggen, want de berg strekt tot
een muur voor de weilanden van Moab en Ammon in het westen, die anders
een deel van de woestijn zouden uitmaken.

De Arabier heeft den stempel zijner taal gedrukt op alles ten zuiden en
oosten van Judea; zoo is in het Arabisch de oude Jebel de vader van
tallooze wadi's[1], die, den weg kruisend, breeder en breeder worden, in
het regenseizoen de watermassa's naar de Jordaan afvoeren, of wel naar
haar laatsten vergaarbak, de Doode Zee.

Uit een van deze wadi's, en wel uit de allerlaatste, die ten slotte de
bedding van de beek Jabbok wordt, kwam een reiziger te voorschijn, die
koers zette naar de woestijn. Op dezen persoon willen wij eerst de
aandacht vestigen.

Naar zijn uiterlijk te oordelen moest hij vijfenveertig jaar oud zijn.
Zijn lange baard, eenmaal ravenzwart, begon sterk te grijzen; zijn
donkerkleurig gelaat was door een laag neerhangenden, rooden hoofddoek
slechts ten deele zichtbaar. Nu en dan sloeg hij de oogen op, groote
donkere oogen. Hij was gekleed in een lang, ruim gewaad, de gewone
oostersche dracht, en bereed, gemakkelijk liggende in een zonnetent,
een witten kameel.

Ik geloof niet dat eenig westerling den indruk zal vergeten, dien de
eerste aanblik van een kameel, gezadeld en bepakt voor de reis door
de woestijn, op hem maakt. De gewoonte, zoo doodend voor andere
nieuwigheden, heeft hier slechts weinig invloed. Na menige reis per
karavaan, na jarenlang verblijf onder de Bedouïnen, zal de westerling,
waar hij ook zijn moge, telkens weer stilstaan, om het schip der
woestijn te zien voorbijgaan. De bekoring ligt waarlijk niet in het
uiterlijk van het dier, noch in zijne afmetingen, noch in zijn
onhoorbaren stap; neen, maar de woestijn omhult den kameel met al haar
geheimenissen, en hem aanschouwende denken wij aan die geheimenissen.

De kameel, die juist uit de wadi kwam, mocht gerust aanspraak maken op
het gewone eerbewijs. Zijn kleur en hoogte, zijn breede voet, zijn
forsche bouw, zijn slanke, sierlijke nek, zijn kop, zijn stap, lang en
veerkrachtig, zijn tred, zeker en onhoorbaar, alles kenmerkte den
afstammeling van een oud Syrisch geslacht.

Toen de kameel uit de wadi te voorschijn trad was hij de grens van El
Belka, het oude Ammon, overgegaan. Het was nog vroeg in de morgen. De
zon ging juist op, half omsluierd door een wazigen mist. Vóór hem lag
de woestijn, niet het gebied van het welzand, dat was verderop; maar de
regionen, waar de plantengroei minder begint te worden, en de grond
bezaaid is met blokken graniet en grijze en bruine steenen, waartusschen
hier en daar een kwijnende acacia zich omhoog werkt en enkele toefjes
gras opschieten. Eiken, braamstruiken en haagappelboomen lagen achter
hem, alsof zij, tot een zeker punt genaderd, door één blik op die dorre
woestenij van schrik verstijfd waren gebleven. Hier ook hield de begane
weg op.

Maar dat hinderde den kameel niet. Alsof hij een innerlijken drang
gehoorzaamde, ging hij met versnelden pas op den oostenlijken horizon
toe. De wijd geopende neusgaten dronken gretig het frissche morgenwindje
in. Leeuwerik en rotszwaluw ontplooiden hunne vleugels, en witte
patrijzen, opgejaagd door den vreemden bezoeker, maakten zich piepend en
klokkend uit de voeten. Ter rechterzijde verhieven zich de heuvels van
den Jebel. Boven hun hoogste toppen zweefde een gier op breed
uitgespreide vlerken in steeds wijder wordende kringen. Van dit alles
zag de bewoner der tent echter niets; zijne oogen staarden droomerig
vooruit. Berijder en kameel beiden gaven den indruk, dat zij geleid
werden.

Zoo ging het twee uren voort. Gedurende al dien tijd bleef de reiziger
in dezelfde houding liggen en keek niet rechts of links. Het landschap
was intusschen van voorkomen veranderd. Van den Jebel zag men nog
slechts aan den westelijken horizon de flauwe omtrekken. Hier en daar
lagen enkele groote bazaltsteenen, als voorposten, om de vijandige
machten in bedwang te houden. Zand, niets dan zand was wat het oog
ontwaarde, somtijds effen als aan het strand der zee, dan in heuveltjes
opgehoopt, hier als gekuifde golven, daar als zachte deining. Ook de
atmosfeer had eene verandering ondergaan. Dauw en mist waren opgetrokken,
de gansche omtrek schitterde in den vollen zonneschijn, de blauwe lucht
vonkelde en trilde in dien gloed.

Weder gingen twee uren voorbij en nog altijd ging het voorwaarts in
dezelfde richting, zonder rust of oponthoud. De Jebel was uit het
gezicht verdwenen; de schaduw, die straks den reiziger volgde, viel nu
naar het noorden, en hield gelijken tred met hen, die haar afwierpen,
en nog verroerde de in gedachten verzonkene zich niet.

Maar zie, juist toen de zon de middaghoogte bereikte, stond de kameel
uit eigen beweging stil, en slaakte een kreet, die den meester als uit
een vasten slaap deed ontwaken. Hij sloeg het tentgordijn open, keek
naar de zon, beschouwde lang en aandachtig het landschap, haalde diep
adem, en fluisterde met een bevredigden blik: Eindelijk! Eindelijk! Een
oogenblik later kruiste hij de handen over de borst, boog het hoofd, en
bad in stilte. Na het volbrengen van dezen plicht maakte hij zich gereed
om af te stijgen. Hij gaf den kameel het gewone teeken om te knielen.

Behoedzaam gehoorzaamde het schrandere dier, de reiziger zette zijnen
voet op den slanken nek, en stond het volgende oogenblik op den grond.


Noot: [1] Doorwaadbare plekken.


       *       *       *       *       *


TWEEDE HOOFDSTUK.

DE DRIE REIZIGERS.


Wij willen thans den vreemdeling meer van nabij beschouwen. Hoewel niet
groot, is hij toch een flinke figuur.

Nu hij het zijden koord, dat den hoofddoek op zijn plaats moet houden,
losgemaakt heeft, kunnen wij hem vrij in 't gezicht zien. De kleur was,
zooals reeds gezegd is, donkerbruin, bijna zwart; maar het lage breede
voorhoofd, de arendsneus, de bijzondere vorm der oogen, het lange
glanzende haar, dat hem in talrijke vlechten tot op de schouders
nederhing, waren de onmiskenbare teekenen van zijne afkomst. Zoo
Mizraïm, de stamvader der Egyptenaren. Zijne kleeding bestond uit een
lang wit katoenen hemd, met een gordel om het middel bevestigd, en langs
hals en borst met borduursel bezet. Daarover een bruin wollen bovenkleed,
met kleurige zijde gevoerd, en rondom afgezet met een matgelen rand. Aan
de voeten droeg hij sandalen, vastgebonden door fijn lederen riemen.
Opmerkelijk is, dat hij geen enkel wapen bij zich had, zelfs den stok
niet, waarmede de drijvers gewoonlijk hunne kameelen aanzetten, en dat
nog wel nu hij geheel alleen het gebied van luipaarden en leeuwen en
niet minder wilde natuurgenoten heeft betreden. Hij moet dus òf van
zeldzaam stoutmoedigen aard zijn, òf zich onder bijzondere bescherming
gevoelen.

Door den langen rit waren zijne ledematen stijf geworden, daarom wreef
hij zich de handen, stampte met de voeten, wandelde wat op en neer, bij
tijd en wijle onderzoekend rondziende, alsof hij iemand verwachtte. Toen
zich echter nergens aan den horizon eenig teeken van leven vertoonde,
was hij blijkbaar teleurgesteld en hervatte hij zijn wandeling. Twijfel
aangaande de komst van den verwachte kwam niet bij hem op; want na een
poosje begon hij zijne bagage te ontpakken, alsof hij voornemens was
hier zijne tent op te slaan. En dat bleek ook werkelijk het geval te
zijn; want na met een spons de oogen en de neusgaten van zijn kameel te
hebben gereinigd, bracht hij een bundel staven te voorschijn, plantte de
langste in den grond en de andere in een kring daar omheen, overdekte ze
met een wit en rood gestreept tentdoek, spreidde een tapijt op den grond
en nam bezit van zijn kleine woning. Toen ging hij weer naar buiten en
zag nogmaals onderzoekend rond. Maar de uitgestrekte wildernis gaf niet
het minste teeken van leven.

--Wij zijn ver van huis, mijn snelvoetige rijder! zeide hij en liefkoosde
zijn trouwen metgezel, wij zijn ver van huis; maar God is met ons, wij
moeten geduld oefenen.

Nu nam hij een paar handenvol boonen uit een der zadelzakken, tot voeder
voor zijn dier, en zeide: Zij zullen komen. Hij die mij geleid heeft
leidt ook hen. Ik zal alles gereedmaken.

Uit zijn voorraadschuur bracht hij de benoodigdheden tot een maaltijd in
de tent: borden uit palmbladen gevlochten, wijn in kleine lederzakken,
gedroogd schapevleesch, Syrische grannaatappels, Arabische dadels, kaas
en brood; schikte alles zorgvuldig op het tapijt en legde er ten slotte,
zooals dat bij beschaafde oosterlingen gebruikelijk is, zijden servetten
bij, drie in getal, waaruit zich laat opmaken hoevele gasten hij
verwachtte.

Alles was nu gereed. Hij ging weer naar buiten, en zie! in het oosten
trof een donkere stip aan den horizon zijn oog. Als aan den grond
genageld bleef hij staan, de oogen wijd geopend, huiverend, als voelde
hij de aanraking van iets bovennatuurlijke,--de stip werd grooter en
grooter en kreeg ten laatste duidelijke omtrekken. Een weinig later kon
hij den dubbelganger van zijn eigen witten kameel onderkennen, dragende
op den rug een _houdah_, de reistent van den Hindoe.

De Egyptenaar vouwde de handen en zag op naar den hemel. God alleen is
groot! riep hij diep ontroerd.

De vreemdeling kwam nader en nader en hield eindelijk stil. Ook hij
scheen uit een droom te ontwaken. Hij zag den knielenden kameel, de
tent, en den man, die biddend in de opening stond. Hij vouwde de handen,
boog het hoofd en bad in stilte; daarna steeg ook hij uit en trad op den
Egyptenaar toe. Een oogenblik zag de een den ander aan, toen omhelsden
zij elkander.

--Vrede zij u, o dienaar van den waren God, zeide de nieuw aangekomene.

--En u, medebroeder in het ware geloof! vrede en welkom, antwoordde de
Egyptenaar hartelijk.

De vreemdeling was lang en mager van gestalte, de oogen lagen diep in
hunne kassen, haar en baard waren wit, zijn gelaatskleur geelachtig
brons. Hij ook was ongewapend. Zijn kleeding was die van een Indiër,
geheel wit, behalve de muilen, die van rood leder vervaardigd waren.
Zijn voorkomen was deftig en statig, en hoogst ernstig.

--God alleen is groot! zeide hij, zich weder oprichtende.

En gezegend zijn zij die Hem dienen! antwoordde de Egyptenaar. Maar zie,
daar komt onze tochtgenoot.

Hij wees naar het noorden, waar een derde kameel, wit als de hunne, met
snellen stap naderde. Zij wachtten, totdat ook hij stilhield, en zijn
berijder op hen toetrad.

--Vrede zij met u, mijne broeders, zeide hij, den Hindoe omhelzende. En
de Hindoe antwoordde: Gods wil geschiede!

De laatst gekomene was van een geheel ander type, dan zijne vrienden.
Zijn lichaamsbouw was fijner, zijn gelaatskleur blank, zijn golvende
lokken waren blond; uit zijn donkerblauwe oogen sprak een zacht gemoed
en een open eerlijk hart. Hij ging blootshoofds en was ongewapend.
Vijftig jaren, misschien meer, waren over zijn hoofd gegaan; maar de
veerkracht van lichaam en geest was nog onverminderd. Den man van het
vak behoefde men niet te zeggen tot welk volk hij behoorde, geheel zijn
uiterlijk teekende den Griek.

Toen hij ook den Egyptenaar begroet had, zeide deze met trillende stem:
De Geest heeft mij het eerst hier gebracht, aan mij dus de eer van de
dienaar mijner broederen te zijn. De tent is opgeslagen, het maal is
gereed. Staat mij toe mijn plicht te vervullen. Hen daarop bij de hand
nemend, leidde hij hen binnen, ontdeed hen van hun schoeisel, wiesch
hunne voeten, goot water over hunne handen, en droogde ze af met een
doek. Nadat hij ook zijn eigen handen gewasschen had, zeide hij: Komt,
mijne broeders, laat ons eten, opdat wij sterk mogen zijn voor het werk
dat ons wacht. Tegelijkertijd kunnen wij elkander mededeelen wie wij
zijn en vanwaar wij komen.

Dus genoodigd zetten ook de anderen zich neder, bogen het hoofd, vouwden
de handen op de borst en deden te zamen dit eenvoudig gebed: Vader van
allen--God! wat ons is voorgezet is Uwe gave. Neem onzen dank en zegen
ons, opdat wij mogen voortgaan met Uwen wil te doen.

Bij die laatste woorden sloegen zij de oogen op, en zagen elkander
verbaasd aan. Ieder had gesproken in eene aan de anderen onbekende taal;
en toch begrepen zij volkomen wat gezegd was. Hunne ziel trilde van
heilige aandoening--zij gevoelden Gods tegenwoordigheid.


       *       *       *       *       *


DERDE HOOFDSTUK.

CASPAR DE GRIEK.


Volgens de toenmalige tijdrekening had het bovenvermelde plaats in de
maand December van het Romeinsche jaar 747. De lange rit door de
woestijn had onzen reizigers een goeden eetlust bezorgd, zij deden het
hun voorgezette maal eer aan, onder het genot van een teug goeden wijn,
daarna begon het gesprek.

--Voor den reiziger in een vreemd land is niets zoo liefelijk, als zijn
naam te hooren van de lippen eens vriends, zeide de Egyptenaar, die als
gastheer den maaltijd geleid had. Vóór ons liggen vele dagen van
vriendschappelijk samenzijn. Daarom is het noodig dat wij elkander
leeren kennen. Laat dus, zoo gij het goed vindt, hij, die het laatst
hier kwam, beginnen met te spreken.

Op bedaarden toon, als een die gewoon is zichzelf te beheerschen, begon
de Griek. Wat ik te vertellen heb, broeders, is zoo vreemd, dat ik bijna
niet weet waar ik beginnen zal, wat ik zeggen en wat ik zwijgen moet. Ik
begrijp mijzelf nog niet. Wat ik echter weet is, dat ik den wil doe van
Een, die machtig is, en dat ik mij daar onuitsprekelijk gelukkig in
gevoel. De gedachte aan het mij opgedragen werk wekt eene zoo
onbeschrijfelijke vreugde in mij, dat ik er niet aan twijfel, of het is
God, die het mij opdroeg.

Hier zweeg hij een oogenblik, door zijn gevoel overweldigd. Na zich wat
hervat te hebben ging hij voort: Ver van hier, in het westen, ligt een
land, dat nooit vergeten zal worden, al was het alleen omdat de wereld
er zooveel aan te danken heeft. Ik zal zwijgen van de schoone kunsten,
van philosophie, welsprekenheid, dichtkunst, en van zijne
krijgsverrichtingen; want, mijne broeders, dit zal de roem van mijn land
wezen, dat Hij, dien wij gaan zoeken, in zijne taal verkondigd zal
worden aan de geheele wereld. Het land waarvan ik spreek is Griekenland.
Ik ben Caspar, de zoon van Kleanthes den Athener. Evenals voor de
meesten mijner landgenooten was de studie mijn lust en mijn leven. Twee
onzer grootste wijsgeeren leeren: de een, dat ieder mensch een
onsterfelijke ziel heeft, de ander, dat er slechts één God is, volmaakt
rechtvaardig. Van alle twistvragen, waarover de geleerden redetwistten,
vond ik deze alleen de moeite van het overdenken waard; want ik moest
toegeven dat er een tot nog toe onbekende verhouding bestaat tusschen
God en de ziel. Het verstand kan daarover tot zeker punt redeneeren
--dáár gekomen blijft men staan, als voor een hoogen muur. Om hulp roepen,
is het eenige dat ons rest. Dat deed ik dan ook, maar geen stem kwam van
achter den muur tot mij.

In wanhoop ontvlood ik de stad en de scholen. In het noordelijk gedeelte
van mijn land, in Thessalië, is een berg, dien mijn volk voor de
verblijfplaats der goden houdt, met name van Zeus. Olympus heet hij.
Daarheen ging ik. Aan den zuid-oostkant van den berg vond ik een hol,
daar woonde ik geruimen tijd, in overdenkingen verzonken, of liever,
wachtende op de verhooring van mijn aanhoudend gebed om een openbaring.
Mijn geloof in God, den onzichtbare en tevens oppermachtige, was zoo
vast, dat ik het ook mogelijk achtte zóó naar Hem te smachten, dat Hij
medelijden met mij zou krijgen en mij zou antwoorden.

--En dat heeft Hij gedaan! dat heeft Hij gedaan! riep de Hindoe, de
handen omhoog heffende.

--Hoort verder, broeders, zeide de Griek, zijne aandoening bedwingende.
Van uit mijne kluis had ik het gezicht op de golf van Thermaï. Op
zekeren dag zag ik een man overboord vallen van een voorbijzeilend
schip. Hij bereikte al zwemmend de kust. Ik nam hem tot mij en verzorgde
hem. Hij was een Jood, wel onderwezen in de geschiedenis en wetten van
zijn volk, en van hem vernam ik, dat de God mijner gebeden werkelijk
bestond en sedert eeuwen hun wetgever, beschermer en koning was. Wat was
dat anders dan de openbaring waarvan ik droomde? Mijn geloof was niet
beschaamd geworden; God had mij geantwoord.

--Zooals Hij allen antwoordt, die in het geloof tot Hem roepen, zeide de
Hindoe.

--Maar helaas, merkte de Egyptenaar aan, hoe weinigen zijn wijs genoeg,
om te onderkennen wanneer Hij hun antwoordt.

--Daar bleef het echter niet bij, vervolgde de Griek. De Jood vertelde
mij nog meer. Hij zeide dat de profeten, die in de eeuwen, welke op de
eerste openbaring volgden, met God wandelden en spraken, verklaard
hadden, dat Hij zou wederkomen. Hij noemde mij de namen dier profeten en
haalde uit de heilige boeken hun eigen woorden aan. Ook zeide hij, dat
die tweede komst op handen was, dat men er te Jeruzalem dagelijks naar
uitzag. Maar, de man zeide ook, dat, evenals God en de openbaring,
waarvan hij gesproken had, alleen voor de Joden geweest waren, dit ook
nu het geval zou zijn. Is er dan niets te hopen voor de andere
aardbewoners? vraagde ik. Neen, antwoordde hij op trotschen toon. Neen,
wij zijn het uitverkoren volk. Dat antwoord vernietigde echter mijne
hoop niet. Waarom zou zulk een God liefde en goedheid slechts tot één
land, tot één ras beperken? Ik wilde dat tot elken prijs onderzoeken.
Ten langen laatste kwam ik achter de waarheid en vernam, dat zijne
vaderen slechts de uitverkoren dienaars waren geweest, om de Waarheid
te bewaren, opdat de geheele wereld haar eenmaal zou leeren kennen en
behouden worden.

Toen de Jood vertrokken was en ik mij weder alleen bevond, bad en
smeekte ik vurig, dat het mij vergund mocht worden dien Koning, als Hij
kwam, te zien en te aanbidden.

Op zekeren avond zat ik voor mijne spelonk in gepeinzen verdiept, toen
ik plotseling boven de zee, of liever in de duisternis, die haar
bedekte, eene ster zag vonkelen. Langzaam steeg zij hooger en kwam
nader, tot boven den berg, en boven mijn hoofd, zoodat haar glans mij
bescheen. Ik viel neder en sliep na een poosje in. In den droom hoorde
ik een stem tot mij zeggende: "O Caspar, Gij gezegende. Uw geloof heeft
overwonnen. Met twee anderen, gekomen van de uiterste deelen der aarde,
zult gij Hem, den beloofde, zien en van Hem getuigen. In den morgenstond
zult gij opstaan en hun tegemoet reizen. Vertrouw op den Geest, die u
zal geleiden." En des morgens ontwaakte ik, door den Geest als door eene
zon verlicht. Ik legde mijn kluizenaarsgewaad af en kleede mij als
vanouds. Uit een verborgen schuilhoek nam ik den schat, dien ik met mij
gebracht had. Ik riep een voorbijzeilend schip aan, werd aan boord
genomen en te Antiochië aan wal gezet. Daar kocht ik den kameel met
toebehooren. Langs de tuinen en boomgaarden, die de boorden van de
Orontes sieren, reisde ik naar Emesa, Damascus, Bostra en Philadelphia,
tot hier. Ziet daar, broeders, mijne geschiedenis. Laat mij nu de uwe
mogen vernemen.


       *       *       *       *       *


VIERDE HOOFDSTUK.

MELCHIOR.


De Egyptenaar en de Hindoe zagen elkander aan; de eerste wenkte met de
hand, de ander boog ten teeken van goedkeuring en begon: Onze broeder
heeft goed gesproken, mochten mijne woorden even verstandig zijn. Mijn
naam, broeders, is Melchior. Mijne taal is, zoo al niet de oudste op
aarde, dan toch de eerste, waarbij men zich van de schrijfkunst
bediende; ik bedoel het Sanskriet van Indië. Ik ben Hindoe van geboorte.
Mijn volk heeft van oudsher de paden der wetenschap betreden en blijven
bestaan, want zij zijn de bronnen van den godsdienst en van alle nuttige
kennis.

Ik ben een geboren Brahmaan. Voorschriften regelden bijgevolg mijn leven
tot in de minste daad, tot in zijn laatste uur. Ik kon niet wandelen,
eten, drinken, of slapen, zonder gevaar te loopen van een der regelen
te overtreden. En de straf, mijne broeders, de straf zou mijne ziel
treffen. Van den aard der overtreding hing het af, of mijne ziel
opgenomen kon worden in den hemel, zij het ook den laagsten, dien van
Indra, of teruggedreven zou worden om te leven in een worm, een vlieg,
een visch, of een wild dier. De belooning voor volmaakte gehoorzaamheid
is de Zaligheid, een opgaan in het Brahma, hetgeen niet zoozeer een
zelfstandig bestaan, als wel een volkomen rust is.

Toen mijn studietijd voorbij was en ik tot de tweede orde kon toegelaten
worden, dat wil zeggen, toen ik in het huwelijk mocht treden en een
eigen gezin hebben, begon ik naar alles een onderzoek in te stellen,
zelfs naar het Brahma; want voor het oog mijns geestes was een
schemerschijn van licht opgegaan, en mijne ziel smachtte er naar dat
licht van nabij te beschouwen. Eindelijk, na lange jaren zwoegens, stond
ik in het volle licht en aanschouwde den grondslag van het leven, het
ware beginsel van den godsdienst, den band tusschen de ziel en God: de
Liefde.

Het ingevallen gelaat van den grijsaard schitterde van innerlijk geluk
en hij vouwde de handen tot een dankgebed.

--De liefde is slechts gelukkig wanneer zij bezig is, zoo vervolgde hij.
Aan hetgeen men bereid is voor anderen te doen, kan men haar toetsen.
Ik kon niet rusten. Brahma had zooveel ellende over de wereld gebracht.

Ik maakte mij op en reisde langs den Ganges tot waar de heilige stroom
zich in den Indische Oceaan uitstort. Ik hoopte rust te vinden in de
schaduw van den tempel aan Kapila gewijd, om mij daar met zijne jongeren
in het gebed te vereenigen. Maar tweemaal 's jaars kwamen gansche
scharen bedevaartgangers die plek bezoeken. Hunne ellende vuurde mijne
liefde aan. In het begin legde ik mijzelven met geweld het zwijgen op,
want één woord tegen het Brahma zou mij in het verderf storten, één
vriendschapsdienst aan de uitgeworpen Brahmanen bewezen, die zich naar
het verzengende strand sleepten om daar te sterven, één zegenbede, één
beker water--zou mij tot een van hen maken, verloren voor familie, land,
voorrechten, kaste.

Maar de liefde overwon. Ik sprak tot de tempelbewoners, zij dreven mij
uit. Ik sprak tot de pelgrims, zij verjoegen mij met steenen. Op de
wegen trachtte ik te prediken, mijne hoorders ontvluchtten mij, of
zochten mij te dooden. Nergens in Indië kon ik ten slotte vrede of
veiligheid vinden--zelfs niet onder de uitgeworpenen; want hoewel zij
gevallen waren, zij bleven toch gelooven in het Brahma. Tot het uiterste
gebracht zocht ik een eenzame plek, waar ik voor allen, behalve voor
God, verborgen kon zijn. Ik volgde den Ganges tot aan zijne bronnen.
Zoo kwam ik in het Himalayagebergte. Mijn weg voerde mij langs
duizelingwekkende afgronden, over gletschers, nu in de hoogte, dan in de
diepte, totdat ik het wonderschoone meer Tao bereikte, aan den voet van
een drietal rotsen gelegen, die hare met eeuwigen sneeuw bedekte kruinen
hemelhoog in de lucht verheffen. Daar sloeg ik in volslagen eenzaamheid
mijne tent op, om er met God te verkeeren en mijn laatste uur te
verbeiden.

Op zekeren avond wandelde ik langs het meer en riep overluid: Wanneer
zal God verschijnen en mij vrij maken? Is er dan geen verlossing? Toen
vertoonde zich plotseling een lichtvonk op den donkeren waterspiegel.
Weldra verrees een ster, die nader en nader kwam, totdat zij boven mijn
hoofd bleef staan. Haar glans verblindde mij. Ik viel ter aarde en toen
ik daar lag hoorde ik een stem, zeldzaam liefelijk, die tot mij zeide:
Uwe liefde heeft gezegepraald. Gezegend zijt gij, zoon van Indië! De
verlossing is nabij. Met twee anderen, komende van de uithoeken der
aarde, zult gij den Verlosser zien, en van zijne komst getuigen. Maak u
op in den morgenstond, en ga hun te gemoet. Stel al uw vertrouwen in den
Geest die u zal geleiden.

Van dat oogenblik is het licht bij mij gebleven ten teeken dat de Geest
met mij was.

Met het krieken van den dageraad aanvaardde ik den terugtocht langs
denzelfden weg, dien ik gekomen was. In een bergkloof vond ik een steen
van groote waarde, dien ik te Hurdwar verkocht. Ik reisde over Lahor,
Kabul en Yezd naar Ispahan. Daar kocht ik den kameel en toog naar
Bagdad. Zonder op een karavaan te wachten, zette ik onbevreesd alleen
mijne reis voort, want de Geest was en is nog met mij. Welk een eere
wacht ons, mijne broeders, wij zullen den verlosser zien--met hem
spreken--hem aanbidden!--Ik heb gezegd.


       *       *       *       *       *


VIJFDE HOOFDSTUK.

BALTHASAR.


De levendige Griek barstte los in betuigingen van blijdschap en
gelukwenschen, waarna de Egyptenaar met zijn gewonen ernst zeide: Gij
hebt veel geleden, mijn broeder, en ik verheug mij in uwe overwinning.
Wilt mij nu beiden uwe aandacht schenken, dan zal ik u mijn wedervaren
vertellen.

Mijn naam is Balthasar. Ik ben te Alexandrië geboren uit een vorstelijk
en priesterlijk geslacht, en ontving eene mijnen rang passende
opvoeding. Al heel vroeg werd ik ontevreden. Mij was geleerd, dat na den
dood de ziel van voren af moet beginnen, van den laagsten trap opwaarts,
onverschillig hoe men zich gedurende zijn aardsche bestaan gedragen
heeft. Die gedachte verontrustte mij. Hoe? Word dan geen onderscheid
gemaakt tusschen boozen en goeden? Maar mij was niet verborgen gebleven
wat vele honderden jaren geleden in mijn land gebeurd was met het volk
der Hebreën, die als slaven onder ons woonden, en die beweerden den
eenigen waren God te dienen; hoe zij na vele wonderen en teekenen
uitgeleid werden, en hoe de Pharao, die hen met zijn leger achterna
zette, met allen, die hem vergezelden, den dood vond.

Die God was niet onder ons vergeten, en hoe langer ik over alles
nadacht, des te dieper vatte de overtuiging post in mijne ziel, dat de
goden van mijn volk niets waren in vergelijking met den God der Hebreën.
Maar als die God, volmaakt rechtvaardig volgens hunne leer, over het lot
van levenden en dooden te beschikken heeft, dan behoefde ik mij niet
langer ongerust te maken, dan moest bij het sterven, wanneer de
scheiding plaats heeft tusschen ziel en lichaam, de ziel van den booze
verloren gaan, die van den goede echter tot een hooger leven ingaan,
niet het nirvana van den Boeddist, noch de negatieve rust van het
Brahma, o Melchior, noch in dien toestand, o Caspar, waarvan uwe
priesters leeren, maar tot een leven, een heerlijk, werkzaam, eeuwig
leven--een leven met God.

Dat eenmaal vastgesteld zijnde, werd de begeerte in mij wakker, anderen
deelgenoot te maken van dat goede nieuws.

Op zekeren dag begaf ik mij naar de aanzienlijke en meest bezochte wijk
van Alexandrië en sprak tot de menigte over God, de ziel, het goed en
het kwaad, en over den hemel, die den deugdzame wacht. U, Melchior,
steenigden zij; _mijne_ toehoorders lachten mij uit. Ik beproefde het
nogmaals, zij wierpen mij puntdichten naar het hoofd, bespotten mijnen
God en mijnen hemel. Lang dacht ik na over de oorzaak van het mislukken
mijner poging, eindelijk vond ik haar.

Een dagreize van de stad verwijderd ligt een dorp, uitsluitend bewoond
door herders en tuiniers. Daarheen begaf ik mij en verzamelde in den
avond het volk rondom mij, mannen en vrouwen, de armsten onder de armen.
Hun verkondigde ik hetzelfde wat ik in de stad verkondigd had. Zij
lachten niet. Den volgenden avond sprak ik weder, en zij namen mijne
prediking met blijdschap aan en brachten haar op hunne beurt aan ieder,
dien zij ontmoetten. Toen keerde ik naar de stad terug en onder een
heerlijken sterrenhemel kwam ik tot de overtuiging: Die een hervorming
wenscht tot stand te brengen beginne niet bij de rijken en grooten; maar
ga liever tot hen, die niets bezitten, tot de armen en geringen.

Nu ontwierp ik mijne plannen voor de toekomst. Allereerst verzekerde ik
mijne uitgestrekte bezittingen zóó, dat het inkomen vaststond en ten
allen tijde aangewend kon worden ten bate van hulpbehoevenden. Dat
volbracht zijnde begon ik mijne zwerftochten langs den Nijl, in de
dorpen, onder alle stammen; en predikte den Eénen waren God, een leven
in gerechtigheid, met den Hemel als belooning. Ik heb veel goed gewerkt,
hoeveel betaamt mij niet te zeggen. Ik weet dat velen bereid zijn Hem te
ontvangen, dien wij nu gaan zoeken.

Hier zweeg de Egyptenaar een oogenblik stil, daarna vervolgde hij: In
die jaren, mijne broeders, kwelde mij ééne gedachte: Wat zou er van de
goede zaak worden, als ik heengegaan was? Zou zij met mij ophouden te
bestaan? Ik droomde van een organisatie, als de kroon op mijn werk. Ik
heb het beproefd, maar mocht niet slagen. Neen, de toestand der wereld
is van dien aard, dat, om het oude Egyptische geloof te herstellen, een
hervormer noodig is met meer dan menschelijke macht bekleed; hij moet
niet alleen komen in Gods naam, hij moet zijn woord met bewijzen kunnen
staven. Aarde en lucht zijn zoo vol van valsche godheden, dat een
terugkeer tot den Eénen waren God alleen kan plaats vinden langs
bloedige paden, dat wil zeggen: de bekeerlingen moeten liever willen
sterven, dan hun geloof prijsgeven. En wie anders kan in deze eeuw den
mensch tot zulk eene hoogte opvoeren, dan God alleen? Om het
menschengeslacht te redden moet Hij zichzelven wederom openbaren, moet
Hij persoonlijk komen.

Nu begrijpt gij waarom ik niet slaagde met mijne organisatie. Ik miste
de bekrachtiging uit den hooge. Diep ternedergeslagen begaf ik mij in de
woestijn, om in de eenzaamheid, ver van alle menschen, Gods aangezicht
te zoeken.

Steeds verder reisde ik, tot in het hart van Afrika. Langer dan een jaar
woonde ik in een spelonk, aan den oever van een groot meer. De vrucht
van den palmboom strekte mijn lichaam tot voedsel, het gebed mijne ziel.

Op zekeren avond worstelde ik in het gebed met God. In het heldere water
weerspiegelden de sterren. Eene van die scheen hare plaats te verlaten.
Hooger en hooger steeg zij, stralend en vonkelend, totdat zij boven mijn
hoofd bleef staan. Ik viel neder en verborg mijn aangezicht. Een stem,
niet van de aarde, zeide: Gij hebt overwonnen. Gezegend zijt gij, de
verlossing is nabij. Met twee anderen, gekomen van de uiterste deelen
der aarde, zult gij den Zaligmaker zien en van hem getuigen. Maak u op
in den morgenstond en reis hun te gemoet. En wanneer gijlieden de stad
Jeruzalem zult bereikt hebben, vraag dan aan het volk: Waar is de
geboren Koning der Joden? want wij hebben zijne ster gezien in het
Oosten en zijn gekomen om hem te aanbidden. Stel al uw vertrouwen in den
Geest, die u zal geleiden.

En het licht werd een innerlijke verlichting en bleef mij bij als
leidsman en gids. Het voerde mij naar Memphis, waar ik mijn kameel
kocht, vervolgens over Suez en Kufileh door de landen van Moab en Ammon.
God is met ons, broeders!

Door innerlijken drang gedreven, reikten zij elkander de hand.

--Mogen wij niet in dit alles een goddelijke bestiering zien? vraagde de
Egyptenaar. Wanneer wij den Heer gevonden hebben, zullen alle volken Hem
met ons aanbidden. En als wij van elkander scheiden, om een iegelijk
zijnen weg te gaan, dan zal de wereld een nieuwe les geleerd hebben--dat
de hemel veroverd kan worden niet door het zwaard, niet door menschelijke
wijsheid, maar door geloof, Liefde en Goede Werken.

Nu traden zij naar buiten. Alles rondom hen sprak van rust. De zon
neigde ten ondergang, de kameelen sliepen. Een oogenblik beschouwden zij
zwijgend de schoon gekleurde lucht, toen keerden zij terug, bergden de
overblijfselen van het maal op, braken de tent af, bestegen hunne
kameelen en zetten de reis westwaarts voort onder aanvoering van den
Egyptenaar.

De zilveren maan had de taak der dagvorstin overgenomen en bescheen
hunnen weg, toen eensklaps in de lucht vóór hen, ongeveer ter hoogte van
een heuveltop, een schitterend licht verscheen, dat zich samentrok tot
een stralend punt. Hunne harten klopten hoorbaar, en tot in het diepst
der ziel ontroerd, riepen zij als uit éénen mond: De ster! de ster! God
is met ons!


       *       *       *       *       *


ZESDE HOOFDSTUK.

JOZEF EN MARIA.


In de westzijde van den muur, die Jeruzalem omringt, is de Bethlehem- of
Joppe-poort. De open ruimte, die er heen voert, is een van de
merkwaardigste punten bij de stad. Lang voordat David Sion met begeerige
oogen aanzag, stond daar een citadel, en bovengenoemde poort was er een
overblijfsel van. In Salomo's tijd werd dat plein als markt gebruikt;
kooplieden uit Egypte, Tyrus en Sidon boden er hunne waren aan. Bijna
3000 jaren zijn voorbijgegaan, en nog steeds kan men zich daar ter
plaatse van het noodige voorzien. Een speld of een pistool, een
komkommer of een kameel, een woning of een paard, een dadel of een tolk,
de reiziger kan zich aan de Joppe-poort van al deze dingen voorzien.
Soms kan het er zoo levendig toegaan, dat men onwillekeurig uitroept:
Wat moet die oude markt wel geweest zijn in de dagen van Herodes den
Bouwmeester!

Welnu, ons verhaal voert ons juist naar die dagen en naar die markt.

Volgens de Hebreeuwsche tijdrekenkunde viel de ontmoeting van de drie
wijzen, die wij in het vorige hoofdstuk beschreven, in den namiddag van
den 25sten December, in het 35ste regeeringsjaar van Herodes den Groote,
het 4de vóór het begin der Christelijke jaartelling. Daar bij de Joden
de dag met zonsopgang begon, was reeds in dat vroege uur alles leven en
beweging. Ja, zóó bezet was de markt, dat vele handelaars met hunne
uitstallingen een plaats hadden moeten zoeken aan de stadszijde der
poort.

Het is intusschen de derde ure van den dag geworden. Velen zijn reeds
naar huis gegaan; maar het is of de toevloed van menschen niet
vermindert. Onder de nieuw aangekomenen trekt een groep, bestaande uit
een man, een vrouw en een ezel, vooral onze aandacht. De man hield het
dier bij den toom en leunde op zijn staf. Zijne kleeding was als die der
andere Joden en scheen nieuw te zijn. Zijn gelaat was kalm, dat van een
vijftigjarige; zijn zwarte baard begon te grijzen. Hij bezag het gewoel
rondom hem met den half nieuwsgierigen, half starenden blik van den
vreemdeling en provinciaal. Zijne gezellin, op den rug van den ezel in
een zadelkussen gezeten, droeg een ruim overkleed van donkere wollen
stof, terwijl een witte sluier haar hoofd bedekte. Nu en dan lichtte zij
den sluier even op, om te zien wat in hare omgeving voorviel; maar zoo
weinig, dat haar gelaat onzichtbaar bleef. Ten langen laatste werd de
man aangesproken:

--Zijt gij niet Jozef van Nazareth?

--Dat is mijn naam, luidde het antwoord, en gij? ah--ik zie het al. De
vrede Gods zij met u, mijn vriend, Rabbi Samuel!

--En met u. De Rabbi hield op, zag de vrouw even aan en voegde er bij:
met u en al de uwen. Dit zeggende drukte hij zijn rechterhand tegen zijn
borst en groette de vrouw met een hoofdknik.

Zij had haar sluier een weinig ter zijde geslagen, genoeg om te doen
zien, dat zij nog zeer jong was.

--Naar de frischheid uwer kleeding te oordeelen, zeide de Rabbi, zou ik
denken, dat gij hier in de stad overnacht hebt.

--Neen, antwoordde Jozef, wij konden gisteren niet verder komen dan
Bethanië, en zijn hedenmorgen vroeg vandaar vertrokken.

--Hebt gij een lange reis in 't vooruitzicht? Naar Joppe misschien?

--Wij zijn op weg naar Bethlehem.

Het gelaat van den Rabbi betrok. Begrepen, zeide hij. Gij zijt in
Bethlehem geboren en gaat er nu met uwe dochter heen, om u volgens het
keizerlijk bevel te laten beschrijven. Hoe zijn de machtigen gevallen!

--Dat is mijne dochter niet, zeide Jozef.

De Rabbi lette niet op die aanmerking, hij vervolgde zijn eigen
gedachtengang en zeide: Wat doen de Zeloten in Galilea?

--Ik ben timmerman, en Nazareth is een kleine plaats, antwoordde Jozef
voorzichtig. Ik heb geen tijd om deel te nemen aan twistvragen.

--Maar gij zijt een Jood, vermaande de Rabbi, en nog wel uit het
geslacht van David. Het kan u onmogelijk behagen andere schatting te
betalen dan die, welke volgens onze wet aan Jehova toekomt.

Jozef zweeg.

--Ik zeg niets over het bedrag der schatting, vervolgde zijn vriend.
Dat is niet hoog, o neen. Maar dat zij ons schatting opleggen, dat is
schande. Zeg eens, is het waar, dat Judas zich voor den Messias
uitgeeft? Gij woont te midden van zijne volgelingen.

--Ik heb zijne volgelingen hooren beweren dat hij de Messias is.

Op dit oogenblik sloeg de vrouw haren sluier geheel weg, zoodat de Rabbi
haar vol in 't gelaat kon zien. Haar zeldzamen schoonheid en de
uitdrukking harer oogen troffen hem.

--Uwe dochter is schoon, zeide hij nauw hoorbaar.

--Zij is mijne dochter niet.

Nu was de nieuwsgierigheid van den Rabbi opgewekt, waarom Jozef vervolgde:
Zij is de dochter van Joachim en Anna van Bethlehem, daar gij misschien
wel van gehoord hebt, want zij waren zeer gezien.

--Zeker, antwoordde de Rabbi. Dat herinner ik mij best. Zij stamden in
rechte lijn van David af. Ik heb hen zelfs goed gekend.

--Beiden zijn overleden, te Nazareth. Joachim was niet rijk; maar hij
liet toch een huis met hof na aan zijne twee dochters. Dit is zijn
jongste dochter, Maria. Om haar erfdeel te kunnen aanvaarden, moest zij
volgens de wet eene harer naaste verwanten huwen. Zij is thans mijne
vrouw.

--En gij waart--

--Haar oom.

--O zoo; en daar gij beiden te Bethlehem geboren zijt, moet gij er
beiden heen om u te laten inschrijven. De Rabbi vouwde de handen en zag
verontwaardigd ten hemel op. Nog leeft de God van Israël! Zijn is de
wrake! riep hij. Toen hij dat gezegd had keerde hij zich om en ging heen
zonder te groeten.

Een nabijstaande Jood, Jozefs verbazing opmerkende, zeide: Rabbi Samuel
is een Zeloot. Judas zelf kan het hem niet verbeteren.

Daar Jozef niet geneigd was een gesprek te beginnen, deed hij alsof hij
het niet hoorde, zag den buikriem van den ezel na, en gaf hem nog wat te
eten. Zoodra het dier naar behooren gevoederd was, begaf het gezelschap
zich weder op weg, en sloeg den weg naar Bethlehem in. Jozef wandelde
naast den ezel voort en wees Maria in het voorbijgaan op enkele
merkwaardigheden van den weg; maar het scheen alsof hare gedachten
elders waren. De zon steeg intusschen hooger aan den hemel en noopte de
jonge vrouw haren sluier op te slaan, ten einde wat meer lucht te
krijgen. Van deze gelegenheid willen wij gebruik maken om kennis met
haar te maken.

Zij was niet ouder dan vijftien jaar. Haar gelaat, een zuiver ovaal, was
fijn van kleur, de neus onberispelijk, de kleine mond vol uitdrukking,
de oogen diep blauw, waren fraai van vorm. Het weelderige goudblonde
haar golfde vrij over hare schouders en reikte tot aan haar zadelkussen.
Voeg bij deze uiterlijke bekoorlijkheden een onbeschrijfelijke reinheid
en liefelijkheid, en gij hebt het beeld van haar, die ons door de
overlevering met de schoonste kleuren wordt geschilderd. Meer dan eens
sloeg zij de oogen ten hemel en bewogen zich hare lippen in stil gebed,
menigmaal hief zij het oog op en luisterde, alsof een onzichtbare tot
haar sprak.

Zoo togen zij over de uitgestrekte vlakte en naderden de hoogte Mar
Elias, vanwaar zij Bethlehem konden zien liggen. Hier hielden zij een
oogenblik stil om te rusten, en daalden daarna af in de vallei, naar de
wel, eenmaal het tooneel der wonderbare daden van Davids sterke mannen.
In het dal wemelde het van menschen en dieren, zoodat Jozef reeds begon
te vreezen, dat er geen plaats meer voor hen zou te krijgen zijn in de
_khan_, of herberg. Hij zette den ezel tot meerderen spoed aan, en hield
zich geen enkelen keer op om wien ook te groeten, totdat hij de voor de
poort gelegen herberg bereikt had.


       *       *       *       *       *


ZEVENDE HOOFDSTUK.

TE BETHLEHEM.


Om volkomen te begrijpen wat Jozef bij de herberg wedervoer, moeten wij
wèl bedenken, dat er een groot verschil is tusschen de Europeesche
herbergen en die van het Oosten. Die herbergen werden _khans_ genoemd,
een Perzisch woord, en waren, in haar eenvoudigsten vorm, niet anders
dan omheinde ruimten, dikwijls zonder huis of bedekking; maar altijd
gunstig gelegen wat water, schaduw en veiligheid betreft. Zoo waren de
herbergen waar Jakob een onderkomen vond, toen hij zich eene vrouw ging
zoeken in Padan-Aram, en nog kan men ze heden ten dage precies zoo
vinden op de halten in de woestijn. Daarentegen kon men, vooral op de
heirwegen tusschen groote steden, zooals Jeruzalem en Alexandrië,
uitnemende inrichtingen aantreffen, van alle gemakken voorzien; maar
gewoonlijk waren de herbergen niet veel meer dan het hoofdkwartier van
een Sheik, een gelegenheid voor bijeenkomsten, voor handel, enz., en
eerst in de laatste plaats een toevluchtsoord voor reizigers of
zwervelingen. Een andere eigenaardigheid, die den westerling zeker het
meest zal verbazen, was het volslagen gemis aan bediening. Geen waard of
waardin, geen zaakwaarnemer, geen kok, geen keuken. Een deurwachter aan
den ingang was het eenig zichtbaar bewijs van privaat eigendom. Was een
vreemdeling eenmaal toegelaten, dan kon hij er blijven zoolang hij
verkoos, zonder iemand rekenschap te geven. Een gevolg van die
inrichting was, dat iedere gast zijn eigen voedsel en kookgereedschap
medebrengen, of zich bij de in de khan aanwezige kooplieden van het
noodige voorzien moest. Datzelfde beginsel gold voor zijn nachtleger en
het voeder voor zijne lastdieren. Water, rust, onderkomen, bescherming,
was alles wat hij van den eigenaar verlangde, en die verkreeg hij om
niet. Mocht de vrede wel eens door twistgierigen verstoord worden in een
synagoge--in een khan nimmer. Men hield ze, en niet ten onrechte, in
hooge eere.

Een stadje als Bethlehem bezat slechts één Sheik, bijgevolg ook één
khan, en hoewel Jozef in Bethlehem geboren was, had hij door zijn
jarenlange afwezigheid geen enkelen bekende meer, niemand wiens
gastvrijheid hij kon inroepen. Daarenboven kon het weken, ja maanden
duren, eer het werk der inschrijving afgeloopen was; de langzaamheid
toch van Romeinsche beamten was spreekwoordelijk geworden, zoodat Jozef,
al had hij zich tot iemand kunnen wenden, toch bezwaarlijk voor
onbepaalden tijd huisvesting had kunnen vragen voor zich en zijne vrouw.
Op de herberg was dus zijne hoop gevestigd.

Naast den ingang van het gebouw zat de deurwachter op een boomstronk,
zijn speer tegen den muur, zijn hond naast zich.

--De vrede van Jehova zij met u, zeide Jozef, hem groetend.

--Datzelfde wensch ik u in ruime mate toe, antwoordde de man ernstig,
zonder van houding te veranderen.

--Ik ben een Bethlehemiet, vervolgde Jozef. Is er nog plaats voor mij?

--Neen, alles is bezet.

--Misschien hebt gij mij wel hooren noemen--Jozef van Nazareth. Dit is
mijn vaderstad. Ik ben uit Davids geslacht.

Op dit feit berustte Jozefs hoop. Baatte dat hem niet, dan was alle
verdere moeite tevergeefs, geld noch goede woorden vermochten dan iets
uit te werken. Tot den stam van Juda te behooren was reeds veel waard,
zich een zoon van David te mogen noemen, gold bij Israëlieten als de
hoogste eer, en zeker nergens meer dan in de stad Davids. Ook op den
deurwachter maakte het indruk. Hij verrees van zijne zitplaats en zeide
beleefd: Rabbi, gedurende de meer dan duizend jaren, waarin deze herberg
een toevluchtsoord is geweest voor vreemdelingen, werd nog nimmer aan
een goed man den toegang geweigerd, behalve wanneer er geen plaats was.
Indien men den vreemdeling zoo welwillend behandelt, hoeveel te meer den
zoon van David. Daarom nogmaals: Wees gegroet! en indien gij wilt, ga
dan met mij naar binnen, om u met eigen oogen te overtuigen, dat nergens
een hoekje vrij is, zelfs niet op het dak. Mag ik vragen wanneer gij
aangekomen zijt?

--Zooëven.

De deurwachter glimlachte. De vreemdeling, die in uwe poort is, zal zijn
als een ingeborene van het huis en gij zult hem liefhebben als uzelven,
leert ons de wet niet alzoo, Rabbi? En als de wet zoo spreekt, kan ik
dan tot iemand, die hier reeds eenigen tijd vertoeft, zeggen: Ga gij uws
weegs, hier is een ander, die uwe plaats komt innemen?

Jozef zag peinzend voor zich.

--En al mocht ik dat zeggen, aan wien zou dan die plaats toekomen? Zie
hoevelen daar staan te wachten, sommigen reeds den ganschen dag.

--Wat brengt al die lieden hierheen?

--Hetzelfde ongetwijfeld wat u brengt, Rabbi; het bevel van den Keizer.
Daarenboven is gisteren een karavaan van Damascus naar Arabië en
Neder-Egypte aangekomen. Deze mannen hier en die kameelen behooren er
toe.

Nog liet Jozef zich niet afwijzen. Het voorplein is ruim, zeide hij.

--Ja, maar volgepakt met balen zijden, en zakken specerijen, en goederen
van allerlei aard.

Jozefs gelaat betrok.--Het is niet zoozeer voor mijzelven, dat ik blijf
aanhouden, maar ik heb mijne vrouw bij mij. De nachten zijn hier koud,
veel kouder dan te Nazareth. Zij kan niet in de open lucht slapen. Zou
er in de stad plaats te krijgen zijn?

--Deze menschen, zeide de deurwachter, op een groepje wijzend, hebben
allen in de stad een onderkomen gezocht, maar tevergeefs.

Jozef dacht een oogenblik na en zeide: Zij is zoo teer; als zij den
nacht onder den blooten hemel moet doorbrengen, zal de kou haar dooden.
Misschien hebt gij hare ouders nog gekend: Joachim en Anna. Zij hebben
vroeger ook in Bethlehem gewoond en waren evenals ik uit Davids
geslacht.

--Zeker heb ik hen gekend. Het waren goede menschen. Ik was toen nog een
kind. Maar daar valt mij iets in. Al kan ik u niet in de herberg
opnemen, ik kan u toch ook niet wegzenden. Ik zal voor u doen wat ik
kan. Gij zult niet buiten overnachten. Roep uwe vrouw. Wij moeten ons
haasten, want de zon neigt reeds ten ondergang.

--Niets liever dan dat, zeide Jozef, en keerde terug om zijne vrouw te
halen, die niet ver van daar op haren ezel gezeten zijn komst verbeidde.
Zij had haren sluier opgeslagen.

--Blauwe oogen en gouden lokken, zeide de deurwachter haar aanziende.
Zoo zag de jonge koning er uit toen hij voor Saul op den harp speelde.

De man nam den ezel bij den toom en zeide tot Jozef: Rabbi, volg mij.

Over het voorplein van de herberg geleidde hij hen naar de achter het
huis gelegen omrasterde bewaarplaats voor lastdieren en vee, en vandaar
langs een smal en hobbelig pad naar een grauwen kalksteenheuvel.

--Gij brengt ons naar de spelonk, zeide Jozef.

--Ja, antwoordde hun geleider, en zich tot Maria wendende voegde hij er
bij: Uw voorvader David heeft meermalen gebruik gemaakt van die spelonk.
Als jongeling bracht hij er 's nachts de kudde zijns vaders onder dak en
later, als koning, moet hij er dikwijls met zijn gevolg gerust hebben.
Dezelfde kribben, waar zijne dieren aan gevoederd werden, zijn er nog.
In ieder geval zult gij op de plaats, waar Koning David geslapen heeft,
beter rusten, dan in het open veld. Zoo, hier zijn wij er. Zooals gij
ziet is voor de spelonk een schuurtje aangebracht, eigenlijk niet meer
dan een toegang tot de spelonk. Dit zeggende schoof hij den grendel weg,
opende de deur en noodigde hen uit om binnen te treden.

De grot was ongeveer veertig voet lang, negen of tien voet hoog, en
veertien voet breed. Het was nog juist licht genoeg om te doen zien, dat
in het midden op de grond wat hooi en stroo lag en eenig aardewerk, een
duidelijk bewijs, dat ook andere reizigers hier vertoefd hadden. Langs
de wanden waren steenen kribben gemetseld, en over het algemeen zag het
er zindelijk uit.

--Wat dunkt u hiervan? vraagde de deurwachter aan Maria. Zoudt gij hier
kunnen rusten?

--Deze plek is heilig, antwoordde zij.

--Dan kan ik weer naar mijn post terugkeeren. De vrede Gods zij met
ulieden.

Zoodra zij alleen waren maakten zij de spelonk bewoonbaar en bereidden
zicht een nachtleger van hetgeen zij ter plaatse aanwezig vonden en zelf
medegebracht hadden.

       *       *       *       *       *

Te middernacht, toen om en bij de herberg alles in de diepste rust
verkeerde, ontwaakte een der slapers op het dak en keek verschrikt in
het rond. Wat is er gebeurd? riep hij: Wat is dat voor een vreemd licht?
Wordt wakker, broeders! wordt wakker!

De in hunnen slaap gestoorden richtten zich op en wreven zich in de
oogen, maar wat zij zagen bracht hen weldra volkomen tot bezinning. Uit
den hemel daalde een straal van licht neder, steeds breeder wordende
naarmate hij de aarde naderde, en den ganschen omtrek verlichtende.
Zelfs den moedigsten onder de aanwezigen durfde zijne stem verheffen
boven een zacht gefluister.

--Hebt ge ooit iets dergelijks gezien? vraagde de een.

--Het schijnt daar juist boven den berg te zijn. Ik begrijp volstrekt
niet wat het is, zeide een ander.

--Zou er een ster gebarsten en gevallen zijn? vraagde een derde
sidderend.

--Welneen, als een ster valt gaat haar licht uit.

--Ik weet wat het is, riep een jonge man geruststellend. De herders
hebben een leeuw gezien en een vuur aangestoken, om hem van de kudden af
te houden.

--Ja, dat zal het zijn, zeide een buurman verruimd van hart. Er waren
vandaag verscheidene herders in het veld.

--Neen, neen, riep de eerste spreker, al brachten zij al het hout uit de
valleien van Judea bijeen, om er een vuur van te maken, het zou niet
zulk een hoog en sterk licht verspreiden.

Zwijgend bleven de mannen het geheimzinnig schouwspel gadeslaan, totdat
een eerwaardig grijsaard de stilte verbrak met den uitroep: Broeders,
wat wij zien is de ladder, die onze vader Jakob in den droom
aanschouwde. Geloofd zij de God onzer vaderen!


       *       *       *       *       *


ACHTSTE HOOFDSTUK.

DE GEBOORTE VAN CHRISTUS.


Ongeveer twee mijlen zuidoostelijk van Bethlehem ligt een vlakte, door
een heuvelrij van de stad gescheiden. Beschut tegen de noordenwinden,
en begroeid met vijgeboomen, dwergeiken en pijnboschjes, was zij een
kostelijke weide voor de kudden van zwervende herders. Aan den uitersten
rand stond een overoude schaapskooi van buitengewoon groote afmeting.
Bij een lang vergeten schermutseling was het gebouw van zijn dak beroofd
en half vernield. De daarbij behoorende omheinde ruimte was echter
ongedeerd gebleven, en dat was wel de hoofdszaak voor de herders, die er
hunne schapen wilden doen overnachten.

Daags vóór de gebeurtenissen, in het vorige hoofdstuk vermeld, was een
zevental herders, die nieuwe weiden voor hunne kudden zochten, naar de
vlakte afgedaald, had zich 's avonds bij de schaapskooi gelegerd, een
groot vuur bij den ingang ontstoken, hun avondeten bereid, en zich
daarna ter ruste gelegd, één uitgezonderd, die de wacht moest houden.

Het was een heerlijke nacht. Geen windje bewoog zich, de atmosfeer was
rein en zuiver, er heerschte een geheimzinnige stilte. De wachter stapte
vóór den ingang op en neder; hij verlangde naar het uur van middernacht,
wanneer hij afgelost zou worden. Eindelijk was zijn taak volbracht, nu
was het zijne beurt om te gaan rusten. Hij ging naar het vuur--maar wat
was dat? Een lichtglans omscheen hem, zacht en wit als het licht der
maan. Hij wachtte een oogenblik, het licht werd sterker; voorwerpen, die
hij niet had kunnen onderscheiden, werden op eenmaal zichtbaar, hij zag
de gansche vlakte en al wat er op was. Een huivering voer door zijne
leden, vreeze beving hem. Hij zag naar de lucht, de sterren waren
verdwenen; als door een venster viel een breede straal van licht uit den
hemel en werd steeds glansrijker. Hevig ontsteld riep hij zijne makkers:
Wordt wakker! Wordt wakker!

De honden sloegen aan, de schapen drongen op elkander in, de herders
sprongen overeind en grepen naar de wapens.

--Wat is er? riepen zij. Wat gebeurt daar?

--Wat er is? De hemel staat in vuur! antwoordde de wachter.

Plotseling werd het licht zoo verblindend sterk, dat zij hunne oogen met
de handen bedekten en van angst en schrik op de knieën vielen. Daar
hoorden zij een stem: Vreest niet; want ziet, ik verkondig u groote
blijdschap, die al den volke wezen zal.--Die stem, zoo zacht en
welluidend, stelde hen gerust. Zij hieven het hoofd op en zagen
eerbiedig in de richting, vanwaar de stem kwam. En zie, daar stond, door
een stralenden lichtschijn omgeven, een engelengedaante, gekleed in een
schitterend wit kleed. Boven zijn voorhoofd blonk een ster met zeldzamen
glans. Zegenend strekte hij de handen naar hen uit, zijn gelaat was
vriendelijk en van hemelsche schoonheid.

Zij hadden dikwijls van de engelverschijningen in vroeger dagen gehoord,
en onder elkander daar wel eens over gesproken. Zij twijfelden dan ook
niet, maar zeiden in hun hart: De heerlijkheid Gods is tot ons gekomen,
en dit is de engel, dien God voormaals tot den profeet bij de rivier
Ulai zond.

De engel vervolgde: Want heden is u geboren de Zaligmaker, welke is
Christus, de Heer, in de stad Davids. En dit zal u het teeken zijn: gij
zult het Kinderke vinden in doeken gewonden en liggende in de kribbe.

De hemelbode zweeg. Hij had zijne boodschap overgebracht, toch toefde
hij nog, en terwijl de herders eerbiedig wachtten, breidde zich het
licht, waarvan de engel het middenpunt uitmaakte, meer en meer uit--en
was er met den engel een menigte des hemelschen heirlegers, prijzende
God en zeggende: Eere zij God in de hoogste hemelen, vrede op aarde, in
menschen een welbehagen.

Toen ontplooide de engel zachtkens zijne vleugelen, verhief zich
langzaam en statig in de lucht, en verdween weldra uit hunne oogen, het
licht met zich voerende; maar nog geruimen tijd klonk het liefelijk
engelenlied kun in de ooren.

Toen de herders tot bezinning waren gekomen staarden zij elkander
sprakeloos aan, totdat een van allen zeide: Dat was Gabriël, Gods bode
bij de menschen.

Niemand antwoordde.

--Christus, de Heer, is geboren, zeide hij dat niet?

--Ja, antwoordde een ander.

--En zeide hij ook niet dat hij geboren is in de stad Davids? dat is dan
toch Bethlehem, daar ginds. En dat wij hem zouden vinden in doeken
gewonden?

De herder, die het eerst gesproken had, staarde een oogenblik nadenkend
in het vuur, en zeide toen op beslisten toon: Er is slechts één plaats
in Bethlehem waar kribben zijn, slechts één, en dat is in de spelonk bij
de oude herberg. Broeders, laat ons gaan en zien wat er geschied is.
De priesters en schriftgeleerden verwachten den Messias reeds geruimen
tijd. Nu is hij geboren, en de Heer heeft ons een teeken gegeven,
waaraan wij hem kunnen kennen. Laat ons gaan en hem aanbidden.

--Maar de kudden....

--Daar zal de Heer voor zorgen. Laat ons zoo snel mogelijk gaan.

Toen maakten zij zich op en sloegen den weg naar Bethlehem in. De weg
voerde achter den berg om door de stad, totdat zij voor de deur der
herberg kwamen, waar een man de wacht hield.

--Wat is uw verlangen? vraagde deze.

--Wij hebben van nacht groote dingen gezien en gehoord, antwoordden zij.

--Nu, wij ook hebben groote dingen gezien, maar gehoord hebben wij
niets. Wat hebt gij gehoord?

--Breng ons eerst naar de spelonk achter de omtuining, opdat wij
zekerheid mogen verkrijgen, dan zullen wij u alles vertellen.

--Noodelooze moeite.

--Neen, de Christus is geboren.

--De Christus! Hoe weet gij dat?

Breng ons bij de spelonk, dan kunt gij het zelf zien.

De wachter lachte spotachtig.--De Christus, zegt gij? En hoe zult gij
weten dat hij het is?

--Ons is gezegd, dat hij in dezen nacht geboren is en nu in een kribbe
ligt, en er is slechts ééne plaats in Bethlehem, waar kribben zijn.

--De spelonk?

--Ja, breng er ons, opdat wij het met onze oogen mogen zien.

Zij gingen over het voorplein, zonder dat iemand op hen lette, hoewel
sommigen het nog druk genoeg hadden over het wondervolle licht. De deur
van de spelonk stond open. Er brandde licht en zij traden zonder omslag
binnen.

--Vrede zij u! zeide de wachter tot Jozef. Hier zijn eenige lieden, die
een jonggeborene zoeken, in doeken gewonden en liggende in een krib.

Jozef ontroerde, en op de kribbe wijzende zeide hij: Daar is het kind.

De herders kwamen behoedzaam nader en beschouwden het slapende kindeke
met stille aandacht. Dat is de Christus, zeide een van hen ten laatste.

--De Christus! herhaalden allen, in aanbidding neerknielende.

--Het is de Heer, en zijn lof is boven aarde en hemel verheven, juichte
de eerste spreker.

De eenvoudige lieden, in wier hart geen plaats was voor twijfel, kusten
den zoom van Maria's gewaad, en gingen heen met vroolijke aangezichten.
In de herberg vertelden zij aan ieder, die het hooren wilde, wat hun
wedervaren was, en op hunnen terugweg naar de vallei zongen zij het
engelenlied: Eere zij God in de hoogste hemelen, vrede op aarde, in
menschen een welbehagen.

Het verhaal deed de rondte, en nog verscheidene dagen lang werd de
spelonk bezocht door tal van nieuwsgierigen, van wie sommigen geloofden;
maar het grootste gedeelte lachte en spotte.


       *       *       *       *       *


NEGENDE HOOFDSTUK.

HET BEZOEK VAN DE DRIE WIJZEN.


Elf dagen na de geboorte van het kindeke vinden wij de drie wijzen in de
nabijheid van Jeruzalem. Na de beek Kedron te zijn overgegaan ontmoetten
zij tal van lieden, die hen zonder uitzondering met nieuwsgierigen
blikken nazagen. Hoewel de handelsweg van het oosten naar het zuiden
over Judea voerde, en men bijgevolg, behalve in Rome, nergens zoovele
vreemdelingen van allerlei natiën aantrof als in Jeruzalem, trokken deze
drie mannen toch aller aandacht.

Tegenover de graven der koningen zaten eenige vrouwen aan den weg. Zij
hadden een kind bij zich, en zoodra het de reizigers zag, klapte het in
de handjes en riep: Kijk, kijk, wat mooie belletjes! Wat groote kameelen!

De belletjes waren van zilver, de kameelen, zooals wij weten,
buitengewoon groot en wit. Aan het tuig kon men zien, dat het gezelschap
een verre reis achter zich had, maar ook dat de eigenaars mannen van
aanzien waren. Bij de vrouwen gekomen hield het drietal stil, en vraagde
Balthasar, zich een weinig voorover buigende: Zeg mij, zijn wij nog ver
van Jeruzalem?

--Neen, antwoordde eene der vrouwen, als de boomen op gindschen heuvel
wat lager waren zoudt gij de torens op de markt kunnen zien.

De Egyptenaar zag zijne tochtgenooten veelbeteekend aan, en wendde zich
toen weder tot de vrouw met de vraag: Kunt gij mij ook zeggen waar de
geboren Koning der Joden is?

De vrouwen keken elkander verwonderd aan, maar gaven geen antwoord.

--Weet gij dat niet? herhaalde de Egyptenaar.

--Neen, heer.

--Nu, vertel dan maar aan iedereen, dat wij zijne ster gezien hebben in
het Oosten en gekomen zijn om hem te aanbidden.

Dit gezegd hebbende reden zij verder.

Anderen, die zij tegenkwamen, deden zij dezelfde vraag, maar met gelijke
uitkomst. Zoo vervuld waren zij van het doel hunner reis, dat zij geen
oog hadden voor het heerlijk panorama, dat zich voor hen ontplooide,
toen zij Jeruzalem naderden. Eindelijk waren zij bij de Damascuspoort,
die door een Romeinschen schildwacht bewaakt werd. Langzamerhand hadden
zich eenige nieuwsgierigen bij hen aangesloten, zoodat toen de
Egyptenaar stilhield, om bij den schildwacht inlichtingen te vragen,
onze reizigers het middelpunt werden van eene steeds aangroeiende
menigte.

--Vrede zij u! zeide de Egyptenaar den schildwacht groetende, die den
groet onbeantwoord liet.

--Wij zijn van verre gekomen om den geboren Koning der Joden te zien.
Kunt gij ons ook zeggen waar hij is?

De soldaat lichtte zijn helmvizier op en riep iemand uit het wachthuis.
Uit de gang trad een hoofdman te voorschijn.--Uit den weg! riep hij de
menigte toe, die hem den weg versperde, en toen zij niet gauw genoeg
gehoorzaamde, maakte hij zich, links en rechts met zijn speer zwaaiende,
ruim baan.

--Wat is er van uw verlangen? vraagde hij aan Balthasar.

--Ik wilde weten waar de geboren Koning der Joden is.

--Herodes? vraagde de hoofdman verwonderd.

--Herodes werd door den Keizer tot Koning aangesteld, hem moeten wij dus
niet hebben.

--Er is geen andere Koning der Joden.

--Jawel, want wij hebben zijne ster gezien en zijn gekomen om hem te
aanbidden.

De Romein begreep er niets van.--Ik ben geen Jood en kan u dus niet
helpen. Gaat naar de schriftgeleerden in den tempel, of naar Annas den
Hoogepriester, of beter nog naar Herodes zelf, en vraag het hem. Als er
een andere Koning der Joden is zal hij hem wel weten te vinden.

Daarop joeg hij de omstanders uiteen, opdat de vreemdelingen door de
poort konden trekken. Zoodra zij echter in de stad waren zeide
Balthasar: Wij zullen goed doen met naar de herberg te gaan; het doel
onzer komst is bekend en vóór middernacht zal de geheele stad over ons
spreken.

       *       *       *       *       *

Dienzelfden avond waren eenige vrouwen bezig met wasschen op de breede
trap, die naar den vijver Siloam voerde. Ieder had een aarden bak voor
zich. Op de onderste trede stond een meisje, dat onder het zingen van
een vroolijk liedje de vrouwen beurtelings van water voorzag.

Terwijl zij daarmee bezig waren kwamen twee andere vrouwen naderbij,
beiden een ledigen waterkruik op den schouder dragende.

--Vrede zij u! zeide eene van haar.

De waschvrouwen staakten even den arbeid, sloegen hare handen droog en
beantwoordden den groet.

--Het is reeds laat in den avond, het wordt tijd om uit te scheiden,
zeide een der laatst gekomenen.

--Er is nog werk genoeg, was het antwoord.

--Ja, maar er is een tijd om te rusten, en....

--Om nieuwtjes te hooren vertellen.

--Wat voor nieuwtjes hebt gij?

--Weet gij het dan nog niet?

--Wat?

--Zij zeggen, dat de Messias geboren is.

--De Messias?! riepen de wasschende vrouwen in de hoogste verbazing.

De beide anderen zetten hare watervaten neder en gingen er op zitten.
Ja, zeiden zij, dat wordt ten minste verteld.

--Door wie?

--Door iedereen. De geheele stad spreekt er van.

--En wordt het geloofd?

--Van middag zijn drie vreemde mannen gekomen over de beek Kedron.
Zij reden alle drie op witte kameelen, zoo groot als wij ze hier in
Jeruzalem nog nooit gezien hebben. Men kon wel zien dat het rijke
menschen zijn, want hun tentjes zijn van zijde, en de gespen en franje
aan de zadels en hoofdstellen van goud. De schelletjes zijn van zilver
en maken echte muziek. Niemand kent ze; zij zien er uit alsof zij van
het einde der wereld komen. Een van de drie deed telkens het woord en
vroeg aan iedereen onderweg, zelfs aan vrouwen en kinderen: Waar is de
geboren Koning der Joden? Niemand kon hem daarom antwoord geven; niemand
begreep wat zij bedoelden. Maar zij hielden vol: Wij hebben zijne ster
gezien in het Oosten en zijn gekomen om hem te aanbidden. Bij de poort
hebben zij het gevraagd aan den schildwacht, maar die wist het evenmin,
en heeft hun gezegd, dat zij het best deden met het aan Herodes te gaan
vragen.

--Waar zijn zij nu?

--In de herberg. Ieder gaat er naar toe om hen te zien.

--Waar komen zij vandaan?

--Dat weet niemand. Ik denk dat het Perzen zijn. Het zijn in ieder geval
wijze mannen, die met de sterren praten, zoo iets als profeten,
misschien wel als Elia of Jeremia.

--Maar gij zegt, dat zij naar den Koning der Joden vragen, wien zouden
zij daarmee bedoelen?

--Den Messias natuurlijk, die pas geboren moet zijn.

Een van de vrouwen lachte en hervatte haar werk met de woorden: Komaan,
ik zal 't gelooven als ik hem zie.

Een tweede volgde haar voorbeeld en zeide: Ik--ja, ik zal 't gelooven,
als ik hem dooden weer levend zie maken.

Een derde zeide nadenkend: Men heeft hem lang verwacht. Voor mij zal het
genoeg zijn als ik hem een melaatsche zie genezen.


       *       *       *       *       *


TIENDE HOOFDSTUK.

HERODES EN DE WIJZEN.


Eenige uren later in den avond, tegen den tijd der eerste nachtwake,
vinden wij in het paleis op den berg Sion een vijftigtal mannen,
bijeengeroepen door Koning Herodes: hoogepriesters, schriftgeleerden, de
hoofden der verschillende godsdienstige partijen: Farizeën, Sadduceën en
Esseën. De zaal, waar de vergadering plaats had, was zeer ruim, en
volgens Romeinsche gewoonte ingericht. De vloer bestond uit marmerblokken
van verschillende kleur, de wanden, niet door vensters onderbroken,
waren saffraangeel beschilderd; een divan, in den vorm van de letter U
en van gele kussens voorzien, stond in het midden, de opening naar de
deur gekeerd. Aan het boveneinde van dien divan, dus in de buiging,
stond een bronzen drievoet. Daarboven hing een luchter met zeven armen,
die ieder een brandende lamp droegen. De divan en de luchter waren
zuiver Joodsch.

De vergadering bestond hoofdzakelijk uit mannen van leeftijd, mannen met
lange baarden, vurige oogen, zware wenkbrauwen. Hunne kleeding was
behalve wat de kleur betreft volmaakt dezelfde. Hun uiterlijk was
ernstig, deftig, bijna patriarchaal. Aan het hoofdeneinde, achter den
drievoet, zat de voorzitter, rechts en links zijne medegenooten.

In zijne jeugd groot en forsch van statuur, was de thans 106-jarige
Hillel, de Babyloniër, de eerwaardige voorzitter van den Grooten Raad,
uitwendig niet meer dan de schim van hetgeen hij vroeger was; maar zijn
helderheid van hoofd liet niets te wenschen over. Op den drievoet vóór
hem lag een met Hebreeuwsche letters beschreven perkamenten rol, achter
hem stond een rijkgekleede knaap op zijne bevelen te wachten. Het
geleerde gezelschap heeft een levendige woordenwisseling gevoerd, maar
is zooëven tot een besluit gekomen. Hunnen houding is rustig en de
eerwaardige Hillel roept den knaap tot zich. Eerbiedig treedt hij voor
zijnen meester.

Ga den Koning melden, dat wij gereed zijn om op zijne vraag te
antwoorden, beveelt de grijsaard.

De jongen snelt heen.

Weinige oogenblikken later traden twee hoofdmannen binnen en plaatsten
zich naast de beide deurposten. Hen volgde op den voet een merkwaardige
persoonlijkheid: een oud man, bekleed met een purperen kleed, om het
middel bevestigd door een fijnbewerkten gouden gordel; een diadeem omgaf
het hoofd, de sandalen waren met kostbare edelsteenen versierd, in den
gordel stak een fraaie dolk. Zijn gang was moeilijk en hij leunde zwaar
op zijn staf. Niet voordat hij den divan bereikt had stond hij stil en
overzag de vergadering met hooghartigen blik, donker en dreigend, alsof
hij zich onder vijanden bevond. Het was Herodes de Groote--het lichaam
ondermijnd door kwalen, het geweten bezwaard door misdaden. Een waardig
gezel der Romeinsche Cesars, was hij op 67-jarigen leeftijd een
ijverzuchtig despoot, altijd vreezende dat iemand hem in zijne rechten
wilde treden.

Nadat alle aanwezigen hem begroet hadden, ging Herodes rechtstreeks op
Hillel toe en zeide op meesterachtigen toon: Het antwoord!

De patriarch hief het hoofd op, zag hem welwillend aan en zeide: De
vrede van den God Abrahams, Izaäks en Jakobs zij met u, o Koning!--Gij
hebt ons gevraagd waar de Messias geboren moet worden. (De Koning boog
toestemmend, de oogen onafgewend op den spreker gevestigd.) Nu dan, o
Koning, naar ons aller meening te Bethlehem in Judea.

Hillel liet den blik rusten op de rol en las: Te Bethlehem in Judea;
want alzoo zegt de profeet: En gij, Bethlehem Efratha! zijt gij klein om
te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, die een
Heerscher zal zijn in Israël.

Herodes' gelaat betrok. Nadenkend staarde hij op de rol. Ademlooze
stilte heerschte in de zaal, niemand waagde te spreken. Eindelijk keerde
de Koning zich om en ging heen.

--Broeders, zeide Hillel, de vergadering is gesloten.

Allen stonden op en verwijderden zich in groepen.

--Simeon! riep Hillel.

Een vijftigjarige man, nog krachtig en sterk, voegde zich dadelijk bij
hem.

--Neem de heilige rol tot u, mijn zoon, en geleid mij naar den
draagstoel.

Liefdevol en eerbiedig voldeed Simeon aan het verzoek zijns vaders,
wiens waardige opvolger hij eenmaal zijn zou.

       *       *       *       *       *

Nog weder later op dienzelfden avond legden de drie wijzen zich in de
herberg ter ruste. Door een opening in het dak konden zij de lucht
bespieden, en bij het heerlijk stergeflonker dachten zij na over Gods
wonderlijke leiding. Maar hoe nu verder? Op welke wijze zou Hij zich
thans openbaren? Eindelijk waren zij dan in Jeruzalem; aan de poort
hadden zij naar hem gevraagd, dien zij zochten; zij hadden zijne
geboorte aangezegd, hun bleef niets over dan hem te vinden, en ook
daarin rekenden zij vast op de leiding des Geestes. Die Gods stem
beluisteren, of op een teeken des hemels wachten, kunnen niet slapen.

Daar trad iemand op hen toe. Wordt wakker! riep hij, ik heb u iets te
zeggen daar haast bij is.

Aanstonds sprongen zij overeind.--Van wien? vraagde de Egyptenaar.

--Van Koning Herodes.

--Zijt gij niet de deurwachter van deze herberg?

--Die ben ik.

--Wat verlangt de Koning van ons?

--Zijn bode wacht buiten. Hij zal u antwoorden.

--Zeg hem dat wij dadelijk zullen komen.

--Gij hadt gelijk, broeder, zeide de Griek, toen de wachter zich
verwijderd had.--De vraag tot het volk op den weg en tot den schildwacht
aan de poort heeft ons bekend gemaakt. Ik ben vol ongeduld, laat ons
gaan.

Haastig bonden zij hunne sandalen aan, sloegen hunne mantels om en
gingen naar buiten.

--Weest gegroet, en vergeeft mij zoo ik ongeleegen kom; maar mijn
meester, de Koning, zendt mij om u ten paleize te noodigen, waar hij een
mondgesprek met u voeren wil, zeide de bode.

Boven den ingang der herberg hing een brandende lamp; en bij haar licht
zagen de drie vrienden aan elkanders gelaat, dat de Geest op hen rustte.
Toen wenkte de Egyptenaar den deurwachter tot zich en fluisterde hem
toe: Gij weet waar onze goederen geborgen zijn op het voorplein en waar
onze kameelen rusten. Maak alles gereed terwijl wij weg zijn, opdat wij,
zoo het noodig mocht wezen, bij onze terugkomst dadelijk kunnen afreizen.

Ik zal er voor zorgen, ga gerust, antwoordde de wachter.

--Wij zijn gereed, zeide de Egyptenaar daarop tot den bode, breng ons
bij den Koning.

De straten van de Heilige stad waren toen even nauw als in onze dagen,
maar lang niet zoo vuil en hobbelig; want de vorstelijke bouwheer was
zeer gesteld op reinheid en gemak. Zwijgend volgden de drie vrienden
hunnen leidsman, totdat zij aan een poort kwamen, waar bij een hoog
opvlammend vuur een paar schildwachten op post stonden. Door booggangen
en voorhoven, langs hooge trappen en tal van vertrekken bereikten zij
eindelijk een hoogen toren. Boven gekomen bleef hun gids staan, wees op
een open deur en zeide: Treedt binnen, de Koning wacht u.

Een geur van sandelhout vervulde het koninklijk vertrek, dat met groote
weelde was ingericht. Vergulde en gebeeldhouwde zetels, muziekinstrumenten,
kostbaar vaatwerk, gouden kandelaars schitterden van licht, in Griekschen
stijl beschilderde muren--en te midden van dat alles zat de Koning op zijn
troon, gereed om hen te ontvangen.

De drie mannen traden naderbij en bogen eerbiedig. De Koning schelde,
waarop een dienaar binnenkwam en drie zetels aanschoof.

--Neem plaats, beval de Koning minzaam.

Toen zij gezeten waren vervolgde hij: Hedenmiddag werd mij van de
Noordpoort bericht gezonden, dat drie vreemdelingen waren aangekomen, en
naar hun uiterlijk te oordeelen van verre kwamen. Zijt gijlieden dat?

De Egyptenaar boog en antwoordde: Indien wij het niet waren zou de
machtige Herodes niet om ons gezonden hebben. Wij zijn die mannen.

--Wie zijt gij? Vanwaar komt gij? vraagde de Koning, en voegde er op
veelbeteekenden toon bij: Dat ieder voor zichzelven spreke.

In weinig woorden deelden zij hem beurtelings hun naam en afkomst mede
en langs welken weg zij de reis naar Jeruzalem genomen hadden.
Eenigszins teleurgesteld vraagde Herodes: Welke vraag hebt gij tot den
hoofdman aan de poort gericht?

--Wij vraagden hem: Waar is de geboren koning der Joden?

--Nu begrijp ik waarom het volk zoo opgewonden was. Is er dan een tweede
Koning der Joden?

Onbevangen antwoordde de Egyptenaar: Er is een jonggeboren Koning.

Een uitdrukking van smart kwam over het gelaat van den monarch, alsof
een pijnlijke herinnering hem kwelde. Dacht hij misschien aan zijne
onschuldige, vermoorde kinderen?--Niet hier! Niet bij mij! riep hij.

Een oogenblik later, toen hij zich genoegzaam hersteld had, vraagde hij
met vaste stem: Waar is de nieuwe Koning?

--Dat is het juist, o Koning, wat wij wenschen te vernemen.

--Wat gij mij vertelt heeft veel van een sprookje. Op mijn leeftijd is
men al even nieuwsgierig als de kinderen. Het zou wreed zijn mij te lang
in spanning te laten. Vertelt mij daarom alles en ik zal u eeren, zooals
vorsten elkander eeren. Deelt mij alles mede wat gij van den jonggeborene
weet, en ik zal u naar hem helpen zoeken. Zoodra wij hem gevonden hebben,
zal ik voor hem doen wat ik kan; ik zal hem naar Jeruzalem laten komen
en hem een vorstelijke opvoeding geven. Ik zal van mijn invloed bij den
Keizer gebruik maken, om hem tot eer en aanzien te brengen. Van ijverzucht
zal tusschen ons geen sprake zijn, dat zweer ik u. Maar vertelt mij eerst
hoe gijlieden, door zeeën en woestijnen van elkander gescheiden, van zijne
geboorte gehoord hebt.

--Dat zal ik u naar waarheid zeggen, o Koning.

--Spreek, zeide Herodes.

Balthasar stond op en sprak: Er is een almachtig God.

Herodes ontstelde zichtbaar.

--Die almachtige God beval ons hierheen te reizen en beloofde ons, dat
wij den Verlosser der wereld zouden zien, dat wij hem zouden zien en
aanbidden, en van zijne komst getuigen. Tot teeken zagen wij ieder op de
plaats waar wij ons bevonden eene ster. Gods Geest geleidde ons; o
Koning, Gods Geest op dit oogenblik met ons!

Een wonderlijk gevoel doorstroomde de drie vrienden. De Griek bedwong
zich slechts met moeite. Herodes zag van den een naar den ander.
Achterdocht en onwil maakten zich van hem meester. Gij wilt mij wat
wijsmaken, zeide hij. Wat moet er volgen op de komst van den nieuwen
Koning?

De verlossing der menschen.

--Van wat?

--Van zonde.

--Hoe?

--Door Geloof, Liefde en Goede Werken.

--Dan--maar hier zweeg Herodes even, zonder dat één trek op zijn gelaat
verried wat in zijne ziel omging--zij gijlieden de herauten van den
Messias. Is dat alles?

Balthasar boog toestemmend.

Herodes drukte weder op den schelknop. Een dienaar verscheen.--Breng de
geschenken, beval de vorst.

De dienaar ging, maar kwam weldra terug, en bood ieder der bezoekers
knielende een prachtig overkleed en een gouden gordel aan, welke
geschenken zij met Oostersche plichtplegingen aanvaardden.

--Nog een woord, zeide Herodes, gij hebt gezegd dat gij een ster in het
Oosten hebt gezien.

--Ja, antwoordde Balthasar, zijne ster, de ster van den jonggeborene.

--Wanneer ongeveer?

--Toen ons bevolen werd hierheen te gaan.

Herodes stond op, ten teeken dat de audiëntie was afgeloopen. Van zijnen
troon dalende zeide hij vriendelijk: Indien gij, hooggeschatte mannen,
hetgeen ik gaarne geloof, werkelijk de herauten zijt van den jonggeboren
Messias, zoo weet dan, dat ik hedenavond de schriftgeleerden ondervraagd
heb over deze dingen. Eenparig getuigen zij, dat hij te Bethlehem in
Judea moest geboren worden. Daarom raad ik u: Gaat naar Bethlehem en
zoekt naarstiglijk totdat gij hem vindt. En als gij hem gevonden hebt,
komt dan weder, opdat ook ik moge gaan en hem aanbidden. Gaat in vrede
en niemand zal u overlast aandoen. Dit gezegd hebbende liet de Koning
hen alleen.

Onmiddellijk daarop kwam 's Konings boodschapper binnen en geleidde de
drie mannen weder naar de herberg terug. Daar gekomen riep de Griek vol
geestdrift: Laat ons naar Bethlehem gaan, broeders, zooals de Koning ons
geraden heeft.

--Ja, riep de Hindoe, de Geest getuigt binnen in mij.

--Het geschiede, zeide Balthasar opgewekt. Onze kameelen staan gereed.

Na den deurwachter voor zijne moeite rijkelijk beloond te hebben stegen
zij op, lieten zich den weg wijzen naar de Joppe-poort en vertrokken.
Toen zij in het open veld gekomen waren en langs denzelfden weg gingen,
dien Jozef en Maria zoo kort geleden begaan hadden, verscheen aan den
hemel een licht, in het begin zwak en onduidelijk. Hun hart klopte
hoorbaar. Het licht nam toe in kracht, zij sloten de oogen voor dien
glans; toen zij ze weer openden,--zie, daar was de ster weder, maar niet
onbewegelijk en hoog verheven als de andere sterren, neen, laag aan het
firmament en zich zachtkens voortbewegende. Toen vouwden zij de handen
en verheugden zich met groote vreugde. God is met ons! riepen zij
herhaaldelijk, totdat ten laatste de ster zich verhief en stil bleef
staan boven een afdak, gebouwd tegen de helling van een heuvel in de
nabijheid der stad.


       *       *       *       *       *


ELFDE HOOFDSTUK.

HET KINDEKE.


Het was de derde nachtwake. De bergtoppen in het oosten werden reeds
flauw verlicht door de opgaande zon; maar in de vallei heerschte nog
nachtelijk donker. De wachter op het dak der oude herberg van Bethlehem
luisterde huiverend van kou naar de eerste teekenen van ontwakend leven,
toen hij eensklaps een licht op den heuvel achter het huis ontwaarde.
Eerst meende hij dat het een toorts was, die iemand in de hand droeg,
daarna zag hij het voor een meteoor aan; het werd helderder en
helderder, en eindelijk zag hij dat het een ster was. Beangst door dat
vreemde verschijnsel wekte hij allen die in huis waren. De meesten
ijlden naar het platte dak. Het licht kwam steeds nader en wierp zijn
schijnsel over rotsen, boomen en wegen; zijn glans werd zoo sterk dat
de lieden de oogen moesten afwenden. De vreesachtigen vielen op hun
aangezicht ter aarde en baden, de meer stoutmoedigen bedekten wel hunne
oogen, maar beproefden toch gedurig naar het licht te kijken.

Het duurde niet lang, of de herberg en hare geheele omgeving werden er
door verlicht. Zij, die durfden opzien, bemerkten, dat de ster stil
bleef staan boven den ingang der spelonk, waar het kind geboren was. Te
midden van de heerschenden onrust kwamen de drie wijzen bij de herberg,
stegen van hunne kameelen en begeerden binnengelaten te worden. Toen de
deurwachter in zoover van den schrik bekomen was, dat hij aan hun
verlangen kon voldoen, trok hij de grendels weg en opende de deur. In
dat ongewone licht zagen de kameelen er waarlijk spookachtig uit en het
vreemde, opgewonden voorkomen der drie reizigers was niet geschikt om
den man gerust te stellen. In plaats van naar buiten te komen trok hij
zich schuw terug en kon gedurende eenige minuten niet antwoorden op de
hem gedane vraag: Is dit niet Bethlehem in Judea?

Eerst toen de anderen er bij kwamen schepte hij moed en zeide: Neen, dit
is slechts de herberg, de stad ligt verder.

--Is hier niet een pasgeboren kind?

De omstanders zagen elkander verbaasd aan; maar sommigen antwoordden
toch: Ja, ja.

--Breng ons bij hem, riep de Griek ongeduldig.

--Ja, breng ons bij hem, herhaalde Balthasar, want wij hebben zijne ster
gezien, dezelfde die gij daar boven het huis ziet, en zijn gekomen om
hem te aanbidden.

De Hindoe vouwde de handen en zeide: Waarlijk God leeft! Haast u, haast
u! Wij hebben den Verlosser gevonden! Gezegend zijn wij boven alle
menschen!

De lieden, die nog op het dak waren, kwamen ook beneden en volgden de
vreemdelingen, die door den wachter langs den ons bekenden weg gebracht
werden naar de spelonk. Toen zij echter zagen dat het regelrecht op de
ster afging, keerden sommigen uit angst terug, maar de overigen gingen
mede. Zoodra de drie vreemdelingen de spelonk naderden rees de ster
omhoog, al hooger en hooger in de lucht, om toen zij binnentraden uit
het gezicht te verdwijnen.

Zij, die getuige waren van wat nu plaats had, moesten weldra erkennen,
dat tusschen de vreemdelingen en de ster een goddelijk verband bestond,
waar ook de bewoners van den stal in betrokken waren. Die maar
eenigszins kon drong mede naar binnen. In de spelonk brandde een
lantaarn, die licht genoeg verspreidde, om de drie reizigers den weg te
wijzen naar de moeder, die het kind in de armen hield.

--Is dat uw kind? vraagde Balthasar aan Maria.

En zij, die alles wat het kindeke betrof in haar hart bewaarde en
overlegde, hief het omhoog zoodat het licht op zijn gelaat viel en
zeide: Dat is mijn zoon.

En zij vielen op de knieën en aanbaden hem.

Zij zagen dat het kind volkomen gelijk was aan andere kinderen. Geen
stralenkrans of aardsche kroon sierde zijn hoofd. Zijn lippen openden
zich niet om te spreken. Hoorde het hunne vreugdebetuigingen, hunne
gebeden, het gaf geen teeken hoegenaamd, dat het die begreep;
integendeel, het deed wat andere kinderen zouden gedaan hebben--het
staarde met alle aandacht naar de vlam.

Toen zij het kindeke hunne hulde gebracht hadden, stonden zij op, gingen
naar buiten naar hunne kameelen, en brachten hunne geschenken: goud en
wierook en myrrhe, die zij voor het kind nederlegden. Dit was dus de
Verlosser, om wien te zien zij van zooverre gekomen waren. Zonder te
twijfelen aanbaden zij hem. Waarom? Hun geloof berustte op de teekenen,
gegeven door Hem, dien wij als Vader hebben leeren kennen, en zij
behoorden tot dezulken voor wie zijne beloften zoo algenoegzaam zijn,
dat naar niets anders gevraagd wordt. Er waren slechts weinigen, die het
teeken gezien en de belofte vernomen hadden--de Moeder en Jozef, de
herders en zijzelven,--en die alle geloofden met een volkomen hart.


       *       *       *       *       *


BOEK II.


       *       *       *       *       *


EERSTE HOOFDSTUK.

ROME EN JUDEA.


Wij willen thans over een tijdruimte van 21 jaren heenstappen en staan
in het begin der regeering van Valerius Gratus, den vierden keizerlijken
gouverneur van Judea; een tijdvak, waarin Jeruzalem verdeeld werd door
velerlei staatkundige twisten.

Herodes de Groote was een jaar na de geboorte van het kindeke
gestorven--een uiteinde zoo vreeselijk, dat de Christenwereld het
misschien niet ten onrechte als een straf der Goddelijke Gerechtigheid
beschouwt. Als alle eerzuchtige heerschers droomde hij van een dynastie
te grondvesten. Daarom bepaalde hij in zijn testament, dat het rijk
verdeeld zou worden onder zijne drie zonen, Antipas, Philippus en
Archelaüs, welke laatste tevens den koningstitel moest erven. Dat
testament moest natuurlijk door keizer Augustus bekrachtigd worden, die
dan ook alle bepalingen goedkeurde, uitgenomen ééne--hij weigerde
Archelaüs den titel van koning te verleenen, voordat deze van zijne
bekwaamheid en trouw bewijzen zou hebben gegeven. In plaats daarvan gaf
hij hem den titel van ethnarch. Als zoodanig heeft hij negen jaar
geregeerd en werd toen wegens wangedrag en onbekwaamheid afgezet en naar
Gallië verbannen.

De keizer liet het daar niet bij. Hij trof de bewoners van Jeruzalem op
een wijze, die hun hoogmoed pijnlijk kwetste. Judea werd namelijk een
Romeinsche provincie verklaard en bij prefectuur van Syrië gevoegd. In
plaats dus dat een koning met vorstelijke praal in het paleis op den
berg Sion troonde, werd de stad bestuurd door een beambte van den
tweeden rang, onder den titel van procurator, die, om de vernedering nog
grievender te maken, niet eens te Jeruzalem mocht wonen, maar te Cesarea
verblijf moest houden. Maar wat hun het meest van alles moest krenken
was dat Samaria, het zoo diep verachte Samaria, aan Judea werd
toegevoegd om te zamen ééne provincie te vormen.

Eén troost bleef het volk echter nog over en wel deze, dat de
hoogepriester het koninklijke paleis bewonen mocht en in schijn althans
de vierschaar spande. Veel te beteekenen had het niet, want de uitspraak
van een vonnis, de beslissing over leven en dood, berustten bij den
procurator. Het recht werd uitgeoefend in den naam en volgens de wetten
van Rome, en het paleis zelf werd behalve door den hoogepriester bewoond
door den Romeinschen beambte met al zijne trawanten. Toch was voor het
volk, dat van betere tijden droomde, eene zekere voldoening in het feit,
dat de hoogst aanwezige in het paleis een Jood was. Zijne tegenwoordigheid
herinnerde hun de beloften der profeten en den tijd, toen Jehova de
stammen regeerde door de zonen van Aäron; het strekte hun ten teeken dat
God hen niet verlaten had, en leerde hen met geduld wachten op de komst
van den zoon uit Judea's stam, die over Israël heerschen zou.

Ruim tachtig jaren was Judea een provincie geweest van het Romeinsche
rijk, lang genoeg voor de keizers om te weten, dat de Jood met al zijn
trots gemakkelijk kon geregeerd worden, zoo men zijn godsdienst maar
eerbiedigde. Hierop acht gevende hadden Gratus' voorgangers zich
zorgvuldig onthouden van eenige bemoeiing met de heilige gebruiken
hunner onderdanen. Gratus sloeg echter een anderen weg in. Een van zijn
eerste openbare handelingen was de ontzetting van den hoogepriester
Annas, en de verheffing van Ismaël, den zoon van Fabus. Deze daad,
hetzij op bevel van Augustus gepleegd, of uit eigen beweging, wekte
groote ontevredenheid. Wij zullen den lezer niet vermoeien met een
uitvoerig verslag van de Joodsche politiek dier tijden, maar moeten er
toch tot beter begrip van ons verhaal met een enkel woord van gewagen.

In die dagen waren in Judea twee partijen, die der aanzienlijken en die
des volks. Na Herodes' dood vereenigden die beide zich tegen Archelaüs,
en bestreden hem nu eens door list, dan door geweld van wapenen. Meer
dan eens weerklonken de heilige hallen op Moria van krijgsgeschreeuw.
Schoon uiterlijk vereenigd hielden de bondgenooten ieder hun eigen
belangen in het oog. De edelen haatten Joazar den hoogepriester, het
volk daarentegen hing hem van harte aan. Toen Archelaüs viel sleepte hij
Joazar mede in zijnen val. Annas werd door de edelen tot hoogepriester
gekozen. Dat gaf het sein tot scheiding, en van nu stonden de vroegere
bondgenoten vijandig tegenover elkander. Gedurende den strijd met den
ongelukkigen Archelaüs had de partij der edelen raadzaam geacht zich met
Rome te verbroederen, en van hen ging het plan uit om Judea tot een
Romeinsche provincie te maken. Nieuwe reden tot haat voor de volkspartij,
en toen Samaria aan Judea werd toegevoegd, geraakte de partij der edelen
verre in de minderheid en bleven zij zonder anderen steun dan het
keizerlijke hof en het prestige van hun rang en rijkdom.

In weerwil daarvan wisten zij zich toch nog vijftien jaren lang, tot aan
de komst van Valerius Gratus, te handhaven in het paleis en in den
tempel. Annas, de door hen verkozen hoogepriester, had zijne macht trouw
gebruikt ten voordeele van zijn keizerlijken heer. Een Romeinsch
garnizoen bezette den burcht Antonia, een Romeinsche wacht bewaakte de
poorten van het paleis, een Romeinsch rechter deed uitspraak in de beide
rechten, een Romeinsch belastingssysteem, met groote gestrengheid
toegepast, drukte stad en land. Dagelijks werd het volk op duizenderlei
wijze gekweld en moest het zijne afhankelijkheid gevoelen.

Toch vermocht Annas hen betrekkelijk rustig te houden. Rome bezat géén
trouwer vriend, en bij zijn aftreden werd zijn gemis diep gevoeld.
Zoodra Ismaël in zijne plaats het hoogepriesterlijk kleed had aangedaan,
verruilde Annas de tempelhoven met de raadzaal der volkspartij en wijdde
zich voortaan aan hare belangen. Het vuur, dat vijftien jaren gesmeuld
had, dreigde met vernieuwde kracht op te vlammen. Een maand na Ismaëls
verheffing tot hoogepriester achtte Gratus, de procurator, noodig hem te
Jeruzalem te bezoeken. Toen de Joden, die hem van de wallen uitfloten,
zagen, dat zijne wacht door de Noordpoort Jeruzalem binnentrok en naar
den burcht Antonis marcheerde, begrepen zij het ware doel zijner komst:
een gansche cohorte van Romeinsche legioenen werd aan het reeds
aanwezige garnizoen toegevoegd, en de strop om hun hals nauwer
aangehaald. Wee den overtreder, als de procurator soms noodig mocht
achter een voorbeeld te stellen.


       *       *       *       *       *


TWEEDE HOOFDSTUK.

MESSALA EN JUDA.


Op de hoogte van den stand van zaken, kunnen wij thans den lezer
verzoeken, ons in den geest te volgen naar een der tuinen van het paleis
op den berg Sion. Het is een warme namiddag in de maand Juli. De tuin is
aan alle zijden omgeven door gebouwen, van veranda's en galerijen
voorzien, en door open kolonnaden met elkander verbonden, zoodat de
wandelaar, indien er een windje waait, in de gelegenheid wordt gesteld
er zijn voordeel mede te doen.

De aanleg van den hof is streelend voor het oog. Lanen, grasperken,
sierlijke heesters, enkele hooge boomen, bieden rijke afwisseling.
In het midden een springfontein, wier heldere waterstraal de naaste
omgeving koel houdt.

Niet ver van die fontein zaten twee knapen van negentien en zeventien
jaar in ernstige gesprekken verdiept. Bij den eersten aanblik zou men
hen voor broeders gehouden hebben. Beiden waren zwart van haar en oogen,
beider gelaat was door de zon verbrand. De oudste zat blootshoofds. Een
ruime tunica, tot aan de knie reikend, was zijn eenig bekleedsel, zijn
lichtblauwe mantel strekte hem tot zitkussen. De tunica van fijne,
grijze wollen stof, met rood omboord en om het midden bevestigd met een
zilveren koord, maakt den Romein kenbaar, en, indien hij onder het
spreken wel eens uit de hoogte neerziet op zijn makker en hem als zijn
mindere behandelt, wie, die weet dat hij tot een der voornaamste
geslachten van Rome, het geslacht Messala, behoort, zal het hem euvel
duiden?

In de bloedige oorlogen tusschen den eersten keizer en zijn groote
tegenstanders was een Messala de vriend geweest van Brutus. Later, toen
Octavianus om de kroon streed, ondersteunde Messala hem. Octavianus,
keizer Augustus geworden zijnde, gedacht zijne diensten en overlaadde
zijn geslacht met eerbewijzen. Toen Judea een provincie van het
Romeinsche rijk geworden was, zond hij den zoon van zijn ouden vriend
als ontvanger der belasting naar Jeruzalem, in welke hoedanigheid hij
met den hoogepriester het paleis bewoonde. De jongeling met wien wij
zooeven kennis maakten was zijn zoon, en die jeugdige Messala was er
niet weinig trotsch op, dat zijn grootvader in zoo nauwe betrekking
gestaan had tot de edelsten onder de Romeinen.

De andere knaap was tengerder van gestalte. Zijn kleeding was van fijn
wit linnen, zooals men ze gewoonlijk in Jeruzalem droeg, en een laag in
den nek neerhangende doek beschermde zijn hoofd tegen de zonnestralen.
Zijn gelaat was van het zuiver Joodsche type. Was de schoonheid van den
Romein streng en klassiek, die van de Joodschen knaap was weelderig en
aanvallig.

--Zeidet gij niet dat de nieuwe procurator morgen komt? vraagde de
jongste der knapen in het Grieksch, de taal die toen, vreemd genoeg,
in Judea overal gebruikelijk was onder het beschaafd publiek.

--Ja, morgen, antwoordde Messala.

--Wie heeft het u verteld?

--Ik heb het Ismaël, den nieuwen gouverneur van het paleis, gij noemt
hem den hoogepriester, gisterenavond aan mijn vader hooren vertellen.
Ik geef toe, dat het meer geloofwaardig zou zijn, als een Egyptenaar, of
zelfs een Idumeër het gezegd had; daarom heb ik het van morgen aan een
hoofdman van den burcht gevraagd. Hij zeide dat alles voor de ontvangst
in gereedheid werd gebracht, dat de wapenknechten helmen en schilden
oppoetsten en de arenden verguldden; dat ongebruikte vertrekken schoon
gemaakt en gelucht werden, alsof men eene vermeerdering van garnizoen
wachtte; de lijfwacht misschien van den grooten heer.

Een schaduw vloog over Juda's gelaat; hij staarde op den grond.

--Herinnert gij u nog, vraagde Messala, dat wij hier in den tuin
afscheid van elkander namen, toen ik naar Rome ging? De vrede Gods
vergezelle u! dat waren uw laatste woorden, en ik zeide: Mogen de goden
u bewaren. Hoe lang is dat nu al geleden?

--Vijf jaar, antwoordde de ander.

--Nu, gij hebt alle reden van dankbaarheid jegens--ja, jegens wie? De
goden?... Wel, het doet er niet toe. Gij zijt flink opgegroeid, de
Grieken zouden u mooi noemen. Was Jupiter maar tevreden met één
Ganymedes, wat een kostelijke schenker zoudt gij dan niet voor den
keizer zijn. Maar zeg mij, Juda, waarom stelt gij zooveel belang in de
komst van den procurator?

Juda sloeg de groote ogen op en zag zijnen vriend ernstig aan.--Ja, vijf
jaren, zeide hij. Ik herinner het mij nog heel goed. Gij gingt naar
Rome. Ik zag u wegrijden en weende, want ik had u lief. De jaren zijn
voorbijgegaan en gij zijt tot mij teruggekeerd, goed onderwezen, en
vorstelijk in uw voorkomen--neen, ik scherts niet; maar toch, toch wilde
ik dat gij dezelfde Messala waart van vroeger.

--Neen, neen, geen Ganymedes, een orakel is mijn vriend Juda. Enkele
lessen bij mijn ouden leermeester in de rhetorica, vlak bij het Forum,
een weinig oefening in de kunst der mysteriën, en Delphi zal in u Apollo
zelven zien. Maar alle gekheid ter zijde, in welk opzicht ben ik niet de
Messala, die ik was bij mijn vertrek? Ik heb eenmaal onder het gehoor
gezeten van den grootsten philosoof onder de zon. Eén gezegde herinner
ik mij nog: Tracht uw tegenstander te begrijpen voordat gij hem
antwoordt.--Stel mij in de gelegenheid u te begrijpen.

Een donkere blos steeg Juda naar 't gelaat onder Messala's spottenden
blik; toch antwoordde hij op vasten toon: Ik bemerk dat gij uw tijd goed
gebruikt hebt. Gij hebt veel kennis opgedaan, gij spreekt met groote
gemakkelijkheid, maar in uwe woorden ligt een angel verborgen. Toen mijn
vriend Messala wegging was zijne natuur giftvrij. Voor niets ter wereld
zou hij zijn vriend gegriefd hebben.

De Romein glimlachte, alsof hij zich gestreeld voelde en hief het hoofd
trotsch omhoog. O, plechtstatige Juda, wij zijn niet te Dodona. Laat
dien orakeltoon varen, druk u duidelijk uit. Waarmede heb ik u gegriefd?

De ander haalde diep adem, trok de koorden van zijn kleed wat stijver
aan en zeide: In die vijf jaren heb ik ook wel wat geleerd. Hillel moge
niet gelijk staan met uw onderwijzer in de logica, en Simeon en Shammai
niet in één adem te noemen zijn met uw leeraar bij het Forum; maar hunne
leer gaat niet op verboden wegen. Die aan hunne voeten zit, gaat heen
vervuld met de kennisse Gods, met de kennis der wet en van Israël; en de
vrucht daarvan is liefde en eerbied voor alles wat daarop betrekking
heeft. Door het bijwonen der vergaderingen van den Grooten Raad en het
bestudeeren van hetgeen ik daar vernam, ben ik tot het inzicht gekomen,
dat Judea niet is wat het vroeger was. Ik ken het onderscheid tusschen
een onafhankelijk koninkrijk en de weinig beteekende provincie, die
Judea thans is, en zou een nietswaardige zijn, ellendiger nog dan een
Samaritaan, indien de vernedering van mijn land mij niet diep ter harte
ging. Ismaël is niet de rechtmatige hoogepriester, en kan dat niet zijn,
zoolang de edele Annas leeft; maar toch is hij een Leviet, een van de
Godgewijden, die duizenden van jaren den Heer onzen God gediend hebben
naar onze wetten. Zijn--

Messala viel hem spotachtig lachend in de rede en zeide: O, nu begrijp
ik u. Ismaël is, zegt gij, een indringer; maar dat ik een Idumeër eer
gelooven zou dan hem steekt u,--bij alle goden van den Olympus, wat zijt
gij, Joden, toch zeldzame wezens! Menschen en dingen, hemel en aarde
veranderen, maar een Jood verandert nooit. Voor hem bestaat geen voor-
of achterwaarts; hij is wat zijne voorvaders in het begin waren. Kijk,
ik trek een cirkel in het zand--zoo! en toon mij nu eens aan, waarin het
leven van een Jood verschilt. In de rondte, in de rondte, Abram hier,
Izaäk en Jakob daar, God in het midden. En de cirkel,--bij den
dondergod! de cirkel is nóg te groot. Ik zal een nieuwen trekken.

Hij zweeg, zette zijn duim op den grond en draaide er met de
uitgestrekte vingers omheen. Kijk, mijn duim wijst de plaats aan waar de
tempel staat, met de vingertoppen trek ik de grenzen van Judea. Is er
buiten die grenzen iets, dat ulieden belang inboezemt? De kunsten
misschien? Herodes was een bouwmeester, daarom is hij vervloekt.
Schilder- of beeldhouwkunst? Het beschouwen van hare voortbrengselen is
zonde. De dichtkunst hebt gij gebonden aan uwe altaren. Wie van u waagt
het als redenaar op te treden, behalve in de synagoge? In den oorlog
verliest gij op de zevenden dag alles wat gij op de zes voorafgaande
gewonnen hebt. Zoo is uw leven, uw gezichtskring. Wie zal mij ten kwade
duiden als ik daarover lach? Wat is uw God, tevreden met de aanbidding
van zulk een volk, vergeleken met onzen Jupiter, die ons zijne adelaars
afstaat, om er de gansche wereld mee te veroveren? Hillel, Simeon,
Shammai, wat zijn die allen, vergeleken met de meesters, die ons leeren
dat alles wat geweten kan worden wetenswaard is?

De Jood stond op, zijne oogen schoten vuur.

--Neen, neen, blijf zitten, Juda, blijf zitten, riep Messala, de hand
naar hem uitstrekkende.

--Gij bespot mij.

--Luister nog even, zeide Messala lachend. Ik ben u werkelijk dankbaar,
dat gij het oude huis uwer vaderen verlaten hebt om mij hier te komen
verwelkomen en onze vroegere vriendschap weder aan te knoopen, indien
ons dat mogelijk is. Ga, zeide mijn leermeester bij zijn laatste les,
ga, en zoo gij beroemd wilt worden, bedenk dan dat Mars regeert en Eros
zijne oogen gevonden heeft. Hij bedoelde: liefde is niets, oorlog alles.
Zoo is het in Rome. Het huwelijk is de eerste stap tot echtscheiding.
Eros is gevallen, Mars regeert. Ik word soldaat; maar u, Juda, beklaag
ik, want wat kunt gij worden?

Juda zweeg.

--Ja, ik beklaag u, arme Juda. Van de school in de synagoge, dan naar
den tempel, en dan, o heerlijkheid, een zetel in het Sanhedrin. Een
leven zonder vooruitzichten! Maar ik--en Juda zag hem in het van
overmoed stralend gelaat,--maar ik--nog is de wereld niet veroverd. De
zee bergt onbekende eilanden. In het noorden leven nog volken, waarmede
wij een lans kunnen breken. Alexanders tocht naar het verre oosten te
voleindigen blijft nog voor den een of ander over. Hoevele gelegenheden
heeft een Romein dus om zich te onderscheiden.

Na een korte pauze hervatte hij: een veldtocht naar Afrika, een
veldtocht naar Scythië, dan--een legioen! De meesten eindigen hunne
loopbaan daarmede, niet alzoo ik. Ik, bij Jupiter, welk een
vooruitzicht, ik zal mijn legioen opgeven voor een prefectuur. En wat
wil dat niet zeggen! een leven in Rome met geld--geld, wijn, vrouwen,
spelen, dichters bij het feestmaal, intriges aan het hof, dobbelspel het
gansche jaar door. Ziedaar het leven dat ik verlang--een voordeelige
prefectuur, en ik heb alles wat ik begeer. O Juda! hier is Syrië! Judea
is rijk; Antiochië een hoofdstad voor de goden. Ik word de opvolger van
Cyrenius, en gij--zult mijn geluk met mij deelen.

Romeinsche sophisten en rederijkers zouden Messala waarschijnlijk
toegejuicht hebben; maar den jongen Jood klonken deze dingen vreemd in
de ooren. Het was zoo geheel anders dan hij gewoon was. De wetten en
zeden van zijn volk lieten satire noch humor toe, geen wonder dus dat
hij met gemengde gewaarwordingen naar zijn vriend luisterde, het eene
oogenblik verontwaardigd, het andere niet wetende wat er van te maken.
Messala's hooghartige houding had hem dadelijk onaangenaam getroffen,
weldra werd zij hem zeer hinderlijk, ten slotte onverdragelijk. In zulke
gevallen is men licht geneigd tot toorn, en niet dan met de grootste
moeite bedwong Juda zich, om met een stijf lachje te kunnen zeggen:
Ik heb wel eens hooren beweren, dat er menschen zijn, die met hunne
toekomst kunnen spotten; ik bemerk dat ik niet tot hun getal behoor.

De Romein zag hem onderzoekend aan en zeide: Waarom zou men de waarheid
niet even goed in schertsenden vorm mogen voorstellen, als in een
parabel? Onlangs ging de groote Fulvia visschen; zij ving meer dan het
geheele overige gezelschap te samen. De reden daarvan was, zeide men,
dat zij een gouden haak aan haar hengel had.

--Dan was wat gij daar straks zeidet niet alles in scherts gezegd?

--Vriend Juda, ik zie dat ik u niet genoeg geboden heb. Zoodra ik
prefect ben, met Juda om mij te verrijken, maak ik u tot hoogepriester.

Juda wendde zich toornig af.

--Ga niet heen, bad Messala.

De ander bleef besluiteloos staan.

--Groote goden, Juda, wat wordt het warm! riep de Romein, om een wending
aan het gesprek te geven. Laat ons een plekje in de schaduw zoeken.

Maar Juda antwoordde koel: Het is beter als wij van elkander gaan.
Ik wilde dat ik niet gekomen was. Ik zocht een vriend en vond--

--Een Romein, vulde Messala aan.

Juda balde de vuisten krampachtig; maar zich nogmaals bedwingende ging
hij heen. Messala stond op, nam zijn mantel, wierp dien over zijn
schouder en volgde zijn vriend. Toen hij hem ingehaald had legde hij
zijn hand op Juda's schouder en liep naast hem voort. Weet gij nog wel,
zeide hij, dat wij als kinderen altijd zoo liepen, ik met mijn hand op
uw schouder? Laat ons zoo voortgaan tot aan de poort?

Messala deed klaarblijkelijk zijn best om ernstig en vriendelijk te
zijn; maar zijn gelaat behield de gewone spotachtige uitdrukking. Juda
onttrok zich niet aan dat bewijs van toenadering.

--Gij zijt een knaap, ik ben een man; sta mij toe als man tot u te
spreken.

Het zelfbehagen, waarmede de Romein dit zeide, was werkelijk eenig.
Mentor, den jongen Telemachus wijze lessen gevende, had het hem niet
kunnen verbeteren.

--Gelooft gij aan de Parcen? Maar 't is waar, ik vergat dat gij een
Sadduceër zijt. De Esseërs, dat zijn bij u de verstandige lieden; zij
gelooven aan de zusters. Ik ook. Wat zit dat drietal ons altijd in de
weg bij het plannen maken! Ik ben bezig een plan te maken. Ik baken mijn
weg af, hierheen en daarheen, bij Apollo, op het oogenblik dat ik de
hand uitstrek om mijn doel te bereiken, hoor ik achter mij haar schaar
knarsen. Ik zie om, en daar is zij!--Maar Juda, waarom werdt gij half
razend toen ik van de mogelijkheid sprak, dat ik Cyrenius zou opvolgen?
Dacht gij dat ik mijzelven wilde verrijken door uw Judea te plunderen?
En gesteld dat het zoo was, op een goeden dag zal de eene of andere
Romein dat zeker doen--waarom ik dan niet?

Juda vertraagde zijnen stap.

--Vreemde overheerschers hebben Judea onderdrukt, voordat de Romeinen
het onderwierpen, zeide hij op plechtigen toon. Waar zijn zij gebleven,
Messala? Judea heeft ze allen overleefd. Wat eenmaal was zal wederom
zijn.

Op luchthartigen toon antwoordde Messala: De Parcen hebben nog meer
aanhangers behalve de Esseërs. Welkom, Juda, gij zijt een van de haren.

--Neen, Messala, reken mij daar niet toe. Mijn geloof rust op de rots,
die de grondslag was van het geloof mijner vaderen--op het verbond van
den God van Israël.

--Veel te hartstochtelijk, Juda! Wat zou mijn leermeester zich geërgerd
hebben, als ik mij in zijne tegenwoordigheid zoo had durven opwinden! Er
waren nog andere dingen, die ik u had willen vertellen; maar nu durf ik
niet.

Zwijgend gingen zij een eind verder, toen begon Messala weer: Ik geloof
dat gij thans wel weder in staat zijt om naar mij te luisteren, vooral
omdat wat ik te zeggen heb uzelven betreft. Ik zou u, mijn schoone
Ganymedes, gaarne van dienst zijn. Ik houd van u, zooveel als ik maar
kan. Ik zeide u, dat ik van plan ben soldaat te worden. Waarom zoudt gij
mijn voorbeeld niet volgen? Waarom zoudt gij niet uit den engen cirkel
stappen, waarin uw leven besloten moet zijn, wanneer gij hier blijft?

Juda gaf geen antwoord.

--Wie zijn in onze dagen de wijzen? vervolgde Messala. Niet zij die hun
leven doorbrengen in twisten over doode zaken, over Baäls, Jupiters en
Jehova's, over wijsbegeerten en godsdiensten. Noem mij één grooten naam,
onverschillig waar gij hem vandaan haalt--uit Rome, Egypte, het Oosten,
of hier uit Jeruzalem, en Pluto moge mij hebben, als die naam niet
toebehoort aan een man, die zijn roem schiep uit het materiaal, dat het
tegenwoordige hem verschafte, die iets heilig achtte, dat hem niet
diende, en iets verachtte, dat hem zijn doelwit kon helpen bereiken.
Hoe was het met Herodes? Hoe met de Makkabeën? Hoe met den eersten en
tweeden keizer? Volg hen na. Begin vandaag nog. Rome is even
bereidwillig om u te helpen, als den Idumeër Antipater.

De Joodschen knaap trilde van toorn, en daar de poort openstond
versnelde hij zijnen stap, om zoo spoedig mogelijk vrij te zijn. O Rome,
Rome, mompelde hij.

--Wees wijs! zeide Messala. Geef de dwaasheden van Mozes en de
overleveringen op. Beschouw de werkelijkheid zooals zij is. Heb den moed
om de Parcen in de oogen te zien en zij zullen u zeggen: Judea is wat
Rome wil, dat het zijn zal.

Thans waren zij aan de poort gekomen. Juda stond stil en zag Messala
aan, de oogen vol tranen. Ik begrijp u, zeide hij, omdat gij een Romein
zijt; gij kunt mij niet begrijpen, omdat ik een Israëliet ben. Gij hebt
mij pijn gedaan door mij te doen gevoelen, dat wij nooit meer de
vrienden kunnen zijn, die wij vroeger waren--nooit meer. Hier scheiden
wij. De vrede van den God mijner vaderen zij met u!

Messala bood hem de hand, maar Juda ging de poort door en verdween. De
Romein bleef een oogwenk peinzend staan, toen ging ook hij verder met de
woorden: Het zij zoo. Eros is dood, Mars regeert!


       *       *       *       *       *


DERDE HOOFDSTUK.

JUDA THUIS.


Juda stapte intusschen haastig voort, verscheidene straten door, totdat
hij een hecht, vierkant gebouw bereikte, waar hij aanklopte. Toen hem
was opengedaan, trad hij een smalle gang in, aan beide zijden van
steenen banken voorzien, zwart van ouderdom. Aan het einde van die gang
voerde een trap van vijftien treden naar een binnenplaats, aan drie
zijden door het huis ingesloten, hetwelk beneden verdeeld was in vakken,
terwijl de bovenverdieping van terrassen voorzien was. De bedienden, die
af en aan gingen, het geluid van malende molensteenen, de kleedingstukken,
die aan de drooglijnen hingen, de kippen en duiven, de geiten, koeien,
ezels en paarden in de vakken gestald, een groote waterbak--alles toonde
duidelijk aan, dat deze binnenplaats voor huishoudelijke doeleinden
gebruikt werd. Aan de oostzijde was een tusschenmuur, waardoor een poort
toegang verleende tot een tweede plaats, ruim en vierkant, in een hof
herschapen door heesters en klimplanten, bloeiend en frisch gehouden
door een fontein in het midden. Hier waren de vakken tot vertrekjes
ingericht, hoog, luchtig, en van wit- en roodgestreepte voorhangsels
voorzien. Uit dezen hof voerde een trap naar de terrassen op de
bovenverdieping, vanwaar een tweede trap naar het platte dak leidde, dat
rondom door een borstwering omgeven was. Uit de geheele inrichting van
deze woning kon men zien, dat de bewoners lieden van aanzien waren.

In den hof gekomen begaf Juda zich tusschen het bloeiend struikgewas
door naar de trap, om het terras te bereiken en zijn eigen kamer op te
zoeken. Het zware gordijn oplichtende, dat den toegang afsloot, trad hij
binnen en wierp zich voorover op den divan. Zoo bleef hij uren liggen,
totdat tegen den avond een vrouw op den drempel verscheen en zijn naam
noemde. Op zijn toestemming trad zij binnen. Het avondeten is gebruikt,
zeide zij, het is geheel donker. Heeft mijn zoon geen honger?

--Neen.

--Zijt gij ziek?

--Ik heb slaap.

--Uwe moeder heeft naar u gevraagd.

--Waar is zij?

--In het zomerhuisje op het dak.

Juda richtte zich op en zat overeind. Heel goed, breng mij iets te eten.

--Wat zal ik u brengen?

--Wat gij wilt, Amrah. Ik en niet ziek; maar het is mij alles
onverschillig. Het leven lacht mij niet meer zoo vriendelijk toe als van
morgen. 't Is een nieuwe ziekte, Amrah; en gij, die mij zoo goed kent en
mij altijd in alles geholpen hebt, moet nu maar eens iets bedenken, dat
te gelijk tot voedsel en medicijn kan dienen. Breng mij dus wat gij
noodig oordeelt.

Amrah's vragen en haar zachte sympathieke toon spraken van een innige
verhouding tusschen die beiden. Zij legde hare hand op zijn voorhoofd,
en verwijderde zich toen zeggende: Ik zal er voor zorgen. Een poosje
later kwam zij terug en bracht op een houten blad een beker wijn, een
kom melk, een paar sneedjes wittebrood, een stuk gebraden kip, honing en
zout, en een bronzen lamp. Nu schoof Amrah een tafeltje aan, zette het
blad daar op en knielde naast den divan neder om den knaap te bedienen.

Oogenschijnlijk was zij een vrouw van vijftig jaren, donker van
uitzicht, donker van oogen. Een witte tulband bedekte haar hoofd, de
oorlapjes echter vrij latende, die het merkteeken droegen van haren
stand in de maatschappij.

Zij was een Egyptische slavin, aan wie zelfs het heilige vijftigste jaar
niet de vrijheid zou hebben kunnen hergeven, wat zij overigens ook niet
begeerde, want de knaap, dien zij verzorgde, was haar lief als haar
leven. Zij had hem van zijn vroegste jeugd verpleegd en vond daarin haar
geluk.

Hij sprak slechts eenmaal gedurende den maaltijd. Amrah, herinnert gij u
Messala nog, die vroeger soms heele dagen bij mij kwam?

--Zeker.

--Hij ging eenige jaren geleden naar Rome en is nu teruggekomen. Ik ben
van middag bij hem geweest.

Een beweging van onwil maakte Amrah alles duidelijk. Ik begreep dadelijk
dat u iets onaangenaams was overkomen, zeide zij hartelijk. Ik heb nooit
van dien Messala gehouden. Vertel mij alles.

Juda verviel echter in een mijmering en antwoordde op haar dringend
vragen alleen dit: Hij is zeer veranderd en ik wil niets meer met hem te
doen hebben.

Toen Amrah het blad wegnam stond ook Juda op en begaf zich naar het
platte dak.

In het oosten wordt het dak van het huis tot allerlei doeleinden
gebruikt. De hitte drijft gedurende de middaguren den gemaklievende in
de koele, donker gemaakte vertrekken. Zoodra echter de zon ten ondergang
neigt, komt hij naar buiten en begeeft zich op het platte dak zijner
woning, dat hem en de zijnen tot huiskamer, salon, speelplaats,
bidvertrek dient. Worden in kouder klimaat geen kosten gespaard om het
inwendige van een huis te verfraaien, in het oosten besteedt men de
meeste moeite om het platte dak geriefelijk, zelfs weelderig in te
richten. De hangende tuinen van Babylon kunnen ons een denkbeeld geven
hoever dat streven eindelijk ging.

Juda stak het dak over naar de torenkamer in den noordwestelijken hoek
van het huis. Den voorhang ter zijde schuivende trad hij binnen. Het was
er donker; maar daar aan vier zijden boogvormige openingen waren
aangebracht, kon men de sterren aan den hemel zien schitteren. In een
van die openingen rustte een vrouw in halfliggende houding op een divan.
Toen zij hem hoorde naderen liet zij haren waaier op de knie zinken en
riep: Juda, mijn zoon!

--Hier ben ik, moeder, antwoordde hij, en knielde voor haar neder,
terwijl zij beide armen om zijn hals sloeg en hem teederlijk kuste.


       *       *       *       *       *


VIERDE HOOFDSTUK.

JUDA'S MOEDER.


De moeder hernam hare gemakkelijke houding en de zoon zette zich op den
grond, het hoofd tegen hare knie geleund. Beiden staarden door de
opening over de lagere huizen naar de bergen in het westen. Rondom hen
heerschte diepe stilte, alleen een zacht windje ruischte door de lucht.

--Amrah heeft mij verteld dat u iets onaangenaams is overkomen, zeide
zij zacht.--Toen mijn Juda nog een kind was, mocht hij zich door
kleinigheden laten ontstemmen; maar nu hij een man geworden is moet hij
niet vergeten, dat hij eenmaal mijn held zal zijn.

Zij sprak in de taal, waarvan men zich slechts zelden meer bediende;
maar die bij enkele aanzienlijke familiën in eere gehouden werd, om het
onderscheid tusschen Joden en Heidenen scherp af te teekenen, de taal,
waarin Rebekka en Rachel hare kinderen in slaap zongen.

Die woorden stemden Juda weder tot nadenken. Na een poosje echter greep
hij de hand, waarmede zij hem koelte aanbracht, en zeide: Ja moeder,
vandaag is mij allerlei door het hoofd gegaan, waaraan ik nog nooit
gedacht heb. Zeg mij allereerst: wat moet ik worden?

--Heb ik het u niet reeds gezegd? Gij moet mijn held worden.

Hij kon haar gelaat niet zien, maar hij wist dat zij scherste. Op
ernstigen toon zeide hij: Wat zijt gij toch lief en goed, moeder.
Niemand kan ooit zooveel van mij houden als u.

Hij kuste herhaaldelijk hare hand.--Ik begrijp wel waarom u mijne vraag
niet dadelijk wilt beantwoorden. Tot nu heeft mijn leven u behoord. Hoe
zacht, hoe liefelijk was uwe leiding. Ik wilde dat het altijd zoo kon
blijven; maar dat is onmogelijk. Het is des Heeren wil, dat ik eenmaal
mijzelven zal toebehooren--een droevige dag, een dag van scheiding wacht
ons. Laat ons moedig en ernstig zijn. Ik wil uw held worden; maar u moet
mij helpen. U kent de wet--ieder Israëliet moet een bepaalden werkkring
hebben. Ik zoo goed als een ander, en daarom vraag ik: Wat zal ik
worden? Zal ik de kudden verzorgen? of den akker bebouwen? of de zaag
ter hand nemen? of zal ik schrijver of schriftgeleerde worden? Wat zal
het zijn? Lieve, goede moeder, help mij het antwoord vinden.

--Gamaliël heeft zeker vandaag een voordracht gehouden, zeide zij op
peinzenden toon.

--'t Is mogelijk; maar ik was niet onder zijn gehoor.

--Dan hebt gij gewandeld met Simeon, die, naar men zegt, het talent van
zijne familie geërfd heeft.

--Neen, ik heb hem niet gezien. Ik ben in het paleis geweest, niet in
den tempel. Ik heb den jongen Messala een bezoek gebracht.

Een zekere verandering in zijn toon trok de aandacht der moeder. Een
angstig voorgevoel versnelde haar harteklop. De waaier bleef weder
rusten.

--Messala? Wat kon die zeggen om u onrustig te maken?

--Hij is zeer veranderd, moeder.

--Gij bedoelt, dat hij als Romein terugkwam?

--Ja.

--Romein, herhaalde zij half tot zichzelve, dat wil overal zeggen:
heerscher. Hoe lang is hij weg geweest?

--Vijf jaar.

Zij hief het hoofd een weinig op en staarde naar buiten.

--Wat Messala zeide, moeder, was op zichzelf scherp genoeg; maar de
manier waarop hij het deed was soms overdragelijk.

Ik geloof dat ik u begrijp. Rome, haar dichters, redenaars senatoren,
hovelingen, zij zijn allen evenzeer verzot op satire.

--Ik geloof dat alle machtige volken trotsch zijn, zeide Juda, maar de
trots van dat volk lijkt nergens naar. Het is tegenwoordig zoo erg, dat
hunne goden ternauwernood aan hunnen spot ontkomen.

--De goden! zeide de moeder levendig, meer dan één Romein heeft
goddelijke eerbewijzen als zijn recht geëischt.

--Zie, moeder, Messala is altijd min of meer behept geweest met die
onaangename eigenschap. Toen hij nog een kind was heb ik hem meermalen
vreemdelingen zien bespotten, die toch door Herodes met eerbewijzen
worden ontvangen; maar mij liet hij altijd ongemoeid. Vandaag heeft hij
voor het eerst op gekscherenden toon gesproken over onze gebruiken en
onzen God. Ik heb voorgoed met hem gebroken. Maar nu, lieve moeder,
wilde ik gaarne met zekerheid weten, of er werkelijk een grond bestaat
voor de minachting, waarmede de Romein ons behandelt. In welk opzicht
ben ik zijn mindere? Waarom zou ik mij ooit, zelfs in tegenwoordigheid
des keizers, als een slaaf gevoelen? Zeg mij bovenal waarom ik niet, als
ik er den lust toe had, wereldsche eer in al haren omvang mag najagen?
Waarom mag ik het zwaard niet dragen en ten strijde trekken? Waarom mag
ik niet als dichter alle onderwerpen bezingen? Ik mag de edele metalen
bewerken, de kudden weiden, een koopman zijn, maar waarom niet een
kunstenaar, zooals de Grieken? Zeg mij dat, moeder, en dat is eigenlijk
wat mij kwelt: waarom mag een zoon van Israël niet alles doen wat een
Romein doet?

De moeder richtte zich op en antwoordde: Mijn zoon, Messala was als kind
door zijnen omgang met u en uwe vriendjes bijna zelf een Jood; was hij
hier gebleven, dan zou hij mogelijk een jodengenoot geworden zijn; maar
de jaren in Rome doorgebracht hebben hunnen invloed doen gelden. Ik
verwonder mij niet over de verandering, maar--hare stem beefde--hij had
zich tegenover u althans in acht moeten nemen. Slechts een harde, wreede
natuur kan de eerste liefde vergeten.

Zachtkens liet zij de hand op het hoofd haars zoons rusten. Zij wilde
hem antwoorden naar zijne behoeften; maar dat antwoord moest volkomen
bevredigend zijn. Zou zij daartoe in staat wezen?

--Wat gij mij vraagt, mijn kind, is eigenlijk niet door eene vrouw te
beantwoorden. Geef mij tijd tot morgen, dan zal ik den wijzen Simeon--

--Neen, moeder, zend mij niet naar hem.

--Wees gerust. Ik zal hem vragen bij ons te komen.

--Neen, moeder, want ik heb iets anders noodig dan een onderwijzing.
Hij kan mij niet geven waar ik behoefte aan heb, dat kunt u echter wel.
Ik moet een besluit kunnen nemen, en daaraan kunt u alleen mij helpen.

Zij zag smeekend op naar den hemel, alsof zij om wijsheid bad, en zeide:
Als wij voor onszelven recht begeeren gaat het niet aan onbillijk te
zijn jegens anderen. Door af te dingen op den moed van eenen overwonnen
vijand verkleinen wij onze eigene overwinning, en als de vijand sterk
genoeg is om ons den terugtocht af te snijden en tot onderwerping te
brengen, dan eischt de achting voor onszelven, dat wij naar een andere
oorzaak van ons ongeluk zoeken, liever dan zijne verdienste te
verdonkeren. Schep moed, mijn zoon. Messala stamt, zooals gij weet, uit
een oud aanzienlijk geslacht. Reeds ten tijde der Romeinsche republiek,
en hoe lang is dat al niet geleden, was het beroemd, en waren niet
weinigen in aanzienlijke betrekkingen geplaatst. Ik herinner mij slechts
één consul van dien naam; maar zij hadden allen den rang van Senatoren,
en hun patronaat was zeer gezocht, omdat zij altijd rijk zijn geweest.

Als uw vriend vandaag gepocht had op zijne voorvaderen, dan had gij hem
echter, door op uw voorgeslacht te wijzen, beschaamd kunnen doen staan.
Had hij u, om zijne meerderheid te toonen, op de daden, den rang, den
rijkdom van zijne familie gewezen, hoewel dergelijke zinspelingen,
behalve wanneer het volstrekt noodig is, van kleingeestigheid getuigen,
dan hadt gij u ook daarin punt voor punt onbevreesd met hem kunnen
meten.

Hier zweeg zij en dacht een oogenblik na. Toen vervolgde zij: Waarnaar
wordt de adeldom van een geslacht of familie berekend? Naar den duur van
hun bestaan, zou ik denken. Welnu, in dat opzicht moet een Romein
tegenover een Israëliet steeds het onderspit delven. Hij kan niet verder
terugrekenen, dan tot aan de stichting van Rome. Messala ook niet. Maar
wij? Hoe staat het met ons?

Als er wat meer licht geweest was had Juda kunnen zien hoe de oogen
zijner moeder fonkelden. Stel voor een oogenblik, hernam zij, dat de
Romein ons den handschoen toewierp, ik zou hem vastberaden te gemoet
treden. Hare stem trilde, een liefelijke herinnering bracht een
wijziging in den vorm harer redeneering.--Uw vader, mijn zoon, is ter
ruste gelegd bij zijne vaderen; maar ik herinner mij als den dag van
gisteren het oogenblik, waarop hij en ik met tal van vrienden opgingen
naar den tempel, om u den Heer voor te stellen. Wij offerden de duiven,
ik gaf den priester uw naam op. In mijne tegenwoordigheid schreef hij
dien in het boek der geslachten van Israël: Juda, zoon van Ithamar, uit
het huis van Hur. Ik zou u niet kunnen zeggen wanneer men met die
inschrijvingen begonnen is. Wij weten echter dat die gewoonte reeds
bestond vóór den uittocht uit Egypte. Ik heb Hillel hooren zeggen, dat
Abraham het register met zijn eigen naam en de namen zijner zonen
geopend heeft, toen God hem riep om zich af te zonderen van de andere
volken, om hem tot den stamvader van zijn eigen uitverkoren volk te
maken.

Ons volk heeft in menig opzicht de wet overtreden, maar op het
geslachtsregister heeft het altijd zeer nauwkeurig toegezien. Hillel
heeft zelf de boeken bestudeerd. Zij loopen over drie perioden: van de
belofte tot aan den tempelbouw, van den tempelbouw tot aan de
ballingschap, van de ballingschap tot op den huidigen dag. Eenmaal
slechts werd het onderbroken en wel op het einde der tweede periode;
maar toen het volk uit de ballingschap was teruggekeerd, heeft
Zerubbabel als een heilige plicht de Boeken in orde gebracht, en ons in
staat gesteld de lijn onzer afkomst gedurende volle twee duizend jaren
rugwaarts te volgen.

Wat blijft nu over, denkt gij, van de Romeinsche pocherij op oud bloed?
Naar dien maatstaf gemeten zijn de zonen Israëls, die op gindsche bergen
de kudden weiden, edeler dan de edelsten onder de Romeinen.

--En ik, moeder, wie ben ik volgens de Boeken?

--Wat ik gezegd heb, mijn zoon, was een inleiding op uwe vraag. Als
Messala hier was zou hij kunnen zeggen, dat wij met zekerheid niet
verder kunnen terugrekenen dan tot den tijd, toen de Assyriërs Jeruzalem
innamen en den tempel van zijne kostbaarheden beroofden; maar dan zou ik
hem op Zerubbabels werk wijzen. Neen, onze registers zijn trouw en
waarachtig, en als gij zo naslaat in omgekeerde orde, eerst tot de
ballingschap, dan tot aan den bouw van den eersten tempel, terug tot aan
den uittocht uit Egypte, dan kunt gij met den vinger aantoonen, dat gij
lijnrecht afstamt van Hur, den tijdgenoot van Jozua. En is u dat niet
genoeg, neem de Torah en doorzoek het boek Numeri, en onder de
tweeënzeventig generaties na Adam kunt gij uw eigen stamvader vinden.

Diepe stilte heerschte een tijdlang in het vertrek, toen zeide Juda:
Dank, lieve moeder, dank. Ziet u wel, dat ik gelijk had, toen ik er den
eerwaarden Hillel niet bij begeerde? Hij kon mij niet zoo goed helpen,
als u. Maar is om een geslacht waarlijk te adelen niets meer noodig dan
tijd?

--O, nu vergeet gij, dat wij nog op iets anders dan op den tijd alleen
bogen. Wij beroemen ons voornamelijk daarop, dat wij door God zijn
uitverkoren.

--U spreekt van het geheele volk, moeder, en ik van een enkel geslacht,
van onze familie. Wat heeft mijne familie gewrocht in de jaren na vader
Abraham, welke groote daden verheffen hen boven anderen?

De moeder was niet dadelijk met een antwoord gereed. Zou zij zijne
bedoeling verkeerd begrepen hebben? De grootste voorzichtigheid werd
hier geëischt, dat voelde zij. Daarom zeide zij: Ik vermoed, mijn zoon,
dat ik met een werkelijken en niet met een denkbeeldigen vijand te doen
heb. Als Messala die vijand is, zeg het dan en laat mij niet in het
duister strijden. Vertel mij alles wat hij gezegd heeft.


       *       *       *       *       *


VIJFDE HOOFDSTUK.

EEN ISRAËLITISCHE VROUW.


Aldus aangemoedigd deelde Juda zijn moeder uitvoerig mede wat tusschen
hem en Messala was voorgevallen, en stond vooral stil bij de minachting,
waarmede deze over de Joden, hunne gebruiken en beperkten kring
gesproken had. De moeder luisterde zwijgend. Thans begreep zij alles.
Juda was naar het paleis gegaan in de verwachting van na lange scheiding
den speelmakker te zullen weervinden; in plaats daarvan vond hij een
man, die slechts van roem en rijkdom en macht droomde. Gekrenkt in zijn
trots en tevens van een ongekende eerzucht vervuld, was Juda
teruggekomen; de moeder zag het, en niet wetende in welke richting die
eerzucht zich zou ontwikkelen, sloeg haar, de vurige Jodin, de schrik om
't hart. Indien hij eens afgetrokken werd van het aartsvaderlijk geloof!
Kon zij zich iets verschrikkelijkers voorstellen? Neen, dat moest zij
tot iederen prijs zien te voorkomen, en daarom begon zij op vasten,
bijna plechtigen toon: Ieder volk dat wat beteekent houdt zichzelf voor
het grootste. Wanneer de Romein uit de hoogte neerziet op den Israëliet
en hem bespot, dan doet hij slechts wat de Egyptenaar, de Assyriër en de
Macedoniër vóór hem gedaan hebben, en daar de spot tegen God gericht is,
zal het einde hetzelfde zijn.

Er bestaat geen wet, die de opperheerschappij der natiën vaststelt;
daarom is de aanspraak op de opperheerschappij ijdel en de strijd
daarover tevergeefs. Heeft een volk zijn glanspunt bereikt en zijne taak
volbracht, dan sterft het òf zijn eigen dood, òf door toedoen van een
ander volk, dat zijne plaats inneemt, zijne macht erft en nieuwe namen
schrijft op zijne monumenten. Dat is de geschiedenis.

Als iemand mij opdroeg God en den mensch op de eenvoudigste wijze te
symboliseeren, dan zou ik een rechte lijn en een cirkel trekken, en van
de lijn zou ik zeggen: dit is God, want hij beweegt zich onveranderlijk
vooruit, en van den cirkel: dit is de mensch, zijn voortgaan gelijkt een
kringloop. Daarmede wil ik niet zeggen, dat er geen verschil zou zijn
tusschen den voortgang der volken, want geen twee zijn volkomen aan
elkander gelijk. Het verschil ligt echter niet, zooals sommigen meenen,
in de grootte van den cirkel, dien zij beschrijven, maar in de sfeer,
waarin zij zich bewegen. De hoogste sfeer is het dichtst bij God.

Laat ons nu eens zien in welken cirkel het volk der Hebreën en het volk
der Romeinen zich bewegen. Wil men weten in welke verhouding ze tot God
staan, men heeft slechts te letten op het gewone dagelijkse leven.
Daarvan wil ik alleen zeggen, dat Israël God meermalen heeft vergeten,
terwijl de Romeinen Hem nooit gekend hebben. Van vergelijking kan hier
dus geen sprake zijn. Uw vriend, of liever uw voormaligen vriend, heeft,
als ik u goed begrepen heb, beweerd dat wij geen dichters, geen
kunstenaars, of krijgshelden gehad hebben, dus geen groote mannen. Maar
wat is een groot man? Dat is iemand wiens leven doet zien, dat God hem,
zoo niet geroepen, dan toch in zijn werk bevestigd heeft. Een Pers werd
gebruikt om onze vaderen te tuchtigen, hij voerde ze in gevangenschap;
een andere Pers werd verkoren om aan hunne kinderen het heilige land
terug te geven; grooter dan die beiden was echter de Macedoniër, die de
verwoesting van Judea en van den tempel moest wreken.

Wat die mannen in het bijzonder onderscheidde was, dat zij door God
uitverkoren werden, om zijnen raad te volbrengen. Dat zij heidenen waren
verkort hun roem niet. Houd dit vooral in het oog. Menigeen verkeert in
den waan, dat een man zich geen beter levensdoel kan kiezen, dan het
zwaard te trekken. Laat u daardoor echter niet misleiden. Dat de mensch
behoefte heeft om iets te aanbidden is een wet, die zich zal laten
gelden, zoolang er iets is dat wij niet begrijpen. Het gebed van den
barbaar is een angstkreet tot de Kracht, de eenige goddelijke
eigenschap, die hij bevatten kan; vandaar zijn geloof in helden. Wat is
Jupiter anders dan een Romeinse held? De Grieken waren de eersten, die
het Verstand boven de Kracht stelden. In Athene waren redenaar en
wijsgeer meer gezien dan de krijger. Den hardlooper moge men nog steeds
toejuichen, de schoonste lauwerkransen worden voor den zanger bewaard.

Maar was de Griek de eerste, die het oude barbaarsche geloof liet varen?
Neen; die roem komt ons toe. Onze vaderen stelden God in de plaats van
al die valsche godheden. In onzen godsdienst werd de angstkreet
vervangen door het Hosanna en psalmgezang. De Hebreën en Grieken zochten
de menschen voorwaarts en opwaarts te voeren, maar helaas, de Romein,
die de geheele wereld wil overheerschen, stelt den oorlog als volstrekt
noodzakelijk voor, en heeft zijnen keizer geplaatst boven het verstand
en boven God, en hem tot het eenige begrip van macht en grootheid
gemaakt.

De heerschappij der Grieken was de bloeitijd voor het genie. De
schitterende vernuften, de bekwaamste kunstenaars zijn uit dat volk
voortgekomen, zoo zelfs, dat in alles, behalve de krijgskunst, de Romein
bij hen ter schole moest gaan. Op het Forum neemt de redenaar den Griek
tot model, in ieder Romeinsch lied kunt gij den rhytmus der Grieken
opmerken. Als een Romein den mond opent om lessen van wijsheid of
zedenkunde te geven, of de geheimenissen der natuur te behandelen, dan
is hij òf een leerling van de eene of andere Griekse school, òf hij
ontleent zijne wijsheid aan hunne boeken. De Romein kan in niets op
oorspronkelijkheid aanspraak maken, behalve in het voeren van den krijg.
Zijne kampspelen zijn van Griekschen oorsprong, door bloedige
bijvoegselen genietbaar gemaakt voor zijn ruwen smaak. Zijn zogenaamde
godsdienst is samengesteld uit de godsdiensten van andere volken, zelfs
zijn Mars en Jupiter zijn aan den Olympus ontleend.

Ziedaar, mijn zoon, de reden waarom alleen Israël de Grieken hunne
meerderheid kan betwisten, met hen om den voorrang kan strijden. Maar de
zelfzucht van den Romein is zoo hard en ondoordringbaar als metaal.
O, de godvergeten roovers! Onder hunnen voet beeft de aarde, als de
dorschvloer onder den vlegel der dorschers. Met de anderen zijn ook wij
afgevallen; ach, mijn zoon, het is hard dat te moeten erkennen! Onze
hoogste, heiligste plaatsen hebben zij genomen, en niemand kan zeggen
wat het einde zijn zal; maar dit weet ik--zij mogen Judea vernielen en
Jeruzalem, die liefelijke bloem, vertreden, Israëls roem zal blijven
stralen als een lichtende ster; want zijn geschiedenis is Gods
geschiedenis. Hij was hun wetgever op Sinaï, hun leidsman door de
woestijn, in den krijg hun aanvoerder, hun koning. Is het denkbaar, mijn
zoon, dat onze vaderen, met wie Jehova op zulk een wijze verkeerde,
niets van Hem zouden geleerd hebben? dat hunne gewone menschelijke
eigenschappen niet in zekere mate den invloed der goddelijke zonden
hebben ondergaan? dat zij, zelfs na verloop van vele eeuwen, in niets
het hemelsche zouden weerspiegelen?

Zij zweeg eenige oogenblikken, daarna zeide zij: Het is waar, als men
onder kunst alleen de schilder- en beeldhouwkunst verstaat, dan heeft
Israël geen kunstenaars voortgebracht.

Het kostte haar moeite deze bekentenis te moeten doen, want als
Sadduceeuwsche was het haar, in tegenstelling met de Pharizeën,
geoorloofd het schoone in iederen vorm lief te hebben, onverschillig
waaraan het zijn oorsprong te danken had.

--Wil men ons echter rechtvaardig beoordelen, hernam zij, dan moet men
niet vergeten, dat het werk onzer handen gebonden was door het gebod:
Gij zult u geen gesneden beeld noch eenige gelijkenis maken; welks
bedoeling door de Sopherim hoogst willekeurig uitgebreid is. Evenmin
moet men vergeten, dat twee Israëlieten, Bezaliël en Aholiab, de
bouwmeesters van den eersten tabernakel, van wie geschreven staat dat
zij bedreven waren in alle handwerk, de cherubim van het verzoendeksel
gemaakt hebben, lang voordat Daedalus in Attica verscheen en met zijn
houten statuen in de beeldhouwkunst zulk een ommekeer teweegbracht, dat
de scholen van Corinthe en Aegina mogelijk werden en triomfeerden. Van
dicht goud waren de cherubim gemaakt, de beide vleugelen omhoog
uitbreidende, en hunne aangezichten waren tegenover elkander,--zoo staat
er geschreven. Wie zal durven beweren, dat zijn niet schoon waren? Of dat
zij niet de eerste statuen geweest zijn?

--O, nu begrijp ik waarom de Grieken ons voorbijgestreefd zijn, zeide
Juda, die met de grootste belangstelling geluisterd had. En de
ark;--vloek over de Babyloniërs, die haar vernield hebben!

--Neen, Juda, wees gerust. Zij is niet vernield; zij is verloren
geraakt, te goed verborgen in de eene of andere spelonk. Hillel en
Shammai gelooven beiden dat zij eenmaal, op 's Heeren tijd,
teruggevonden zal worden. Dan zal Israël evenals vanouds voor het
aangezicht des Heeren dansen en zingen. En zij, die dan het gelaat der
cherubim mogen aanschouwen, zouden, al hebben zij ook de elpenbeenen
Minerva gezien, als het mogelijk was den Jood de handen kussen, wiens
genie zulk een kunstwerk ontwierp.

De moeder was in hare opgewondenheid welsprekend geworden. Zij hield
even stil om tot kalmte te komen.

--Gij zijt zoo goed, moeder, zeide Juda dankbaar. Shammai zou niet beter
hebben kunnen spreken en Hillel evenmin. U hebt mij weder tot een echten
Israëliet gemaakt.

--Vleier! Ik herhaal slechts wat ik Hillel heb hooren zeggen, toen hij
onlangs in mijne tegenwoordigheid met een Romeinsch sophist redetwistte.

--Nu ja, maar u legt er het leven in.

--Waar ben ik ook weer gebleven? vraagde zij. O ja, ik trachtte onzen
voorvaderen de eer te verzekeren van de eerste statuen gemaakt te
hebben. De beeldhouwkunst, Juda, is niet de eenige kunst; evenmin als de
kunst zelf het eenige is, dat groot genoemd mag worden. Ik stel mij de
groote mannen van vroegere eeuwen voor in groepen en afdeelingen,
volgens hunne nationaliteit; hier de Indiër, daar de Egyptenaar, ginds
de Assyriër, voortgaande onder trompetgeschal en met vliegende vanen,
terwijl rechts en links de voorgeslachten, als eerbiedige bewonderaars
geschaard staan. Ik hoor den Griek zeggen: Ha, de Helleen wijst den weg;
en de Romein antwoordt: Zwijg, uwe plaats is ingenomen door ons, wij
hebben u verre achtergelaten.--En zonder dat de strijders het bemerken
straalt boven die gansche schare een licht, het licht der Openbaring!
Wie zijn de dragers van dat licht? Het oude volk der Hebreën! Klopt uw
hart niet hooger bij die gedachte? Aan dat licht kennen wij hen. Weest
gezegend, onze vaderen, dienstknechten Gods, die het verbond bewaarden!
Gij zijt de leidslieden der menschheid, gij staat aan de spits, en al
ware iedere Romein een Cesar, gij zult die plaats niet verliezen!

Juda was diep bewogen. Ga voort, bid ik u! riep hij. Het is mij, als
hoor ik het geluid van trommelen en reien. Ik wacht op Mirjam en de
vrouwen, die haar volgden.

--Goed, mijn zoon. Als gij het gezang der profetes kunt hooren, dan kunt
gij in uwe verbeelding met mij aan en weg gaan staan, om de uitverkoornen
Israëls aan het hoofd van den optocht te zien voorbijtrekken. Daar komen
zij--eerst de patriarchen, dan de vaders der stammen.

Het is mij als hoor ik de schelletjes hunner kameelen en het blaten
hunner kudden. Maar wie gaat daar zoo alleen te midden van de menigte?
Een oud man; maar zijn oog is niet verduisterd en zijn kracht niet
verzwakt. Hij zag onzen God van aangezicht tot aangezicht. Als de zon in
haren opgang staat hij daar--krijger, dichter, redenaar, wetgever,
profeet. Zijn roem verduistert den roem van alle anderen, zelfs van den
eersten en edelsten der Cesars.

Op hem volgen de richters, dan de koningen, de zoon van Isaï, een held
in den krijg, een dichter van onsterfelijke gezangen; vervolgens zijn
zoon, die alle koningen overtreft in rijkdom en wijsheid. Buig u neder,
mijn zoon! Die nu komen zijn de eersten in hunne soort en tevens de
laatsten. Hun aangezicht is naar boven gericht, alsof zij naar een stem
uit den hemel luisteren. Hun leven was vol zorg, hunne kleederen rieken
naar graven en spelonken. Hoor! een vrouw onder hen spreekt: looft den
Heer, want Hij heeft heerlijk getriomfeerd! Buig u nog dieper voor hen,
mijn Juda; zij waren Gods dienaren en profeten, die in de toekomst
schouwden en opschreven wat zij zagen. Koningen verbleekten bij hunne
nadering, volken sidderden op het geluid hunner stem. De elementen
gehoorzaamden hun bevel. In hunne hand hielden zij zegen en vloek. Zie
den Thisbiet en zijnen knecht Elisa! Zie den droeven zoon van Hilkia!
Zie de drie jonge mannen, die het beeld weigerden te aanbidden; zie hem,
die op het feestmaal de sterrenwichelaars beschaamde. En daar, mijn
zoon, zie den zoon van Amos, van wien de wereld de belofte ontving van
den Messias!

Zij haalde diep adem en ging toen voort: Ik heb u onze groote mannen
getoond, Juda, laat ons nu de besten van Rome bezien. Plaats tegenover
Mozes Cesar, en Tarquinius tegenover David; Sylaa tegenover een van de
Makkabeën; de besten der consuls tegenover de richters; Augustus
tegenover Salomo,--welk een vergelijking!

Zij lachte verachtelijk.

--Vergeef mij, ik dacht aan den waarzegger, die Julius Cesar waarschuwde
tegen den 15den der maand Maart, en stelde mij voor hoe hij de
ingewanden van een kuiken onderzocht, om de kwade voortekens te vinden.
Dank dan eens aan Elia, hoe hij den zoon van Achab voor den toorn Gods
waarschuwt. En ten slotte, met allen eerbied zij het gezegd, hoe zullen
wij Jehova en Jupiter beoordeelen, tenzij dan naar wat hunne dienaren
gedaan hebben in hunnen naam? Wat nu uwe toekomst betreft, mijn zoon,
dien de Heer, den God van Israël, niet Rome. Voor een zoon van Abraham
bestaat geen andere roem, dan die welke in 's Heeren dienst te behalen
is.

--Mag ik dus soldaat worden?

--Waarom niet? Heeft Mozes God niet den Heer der heirscharen genoemd?

Beiden zwegen eenige oogenblikken, toen hernam de moeder: Ik geef u mijn
toestemming, indien gij namelijk den Heer onzen God en niet den keizer
zult dienen.

Juda nam die voorwaarde aan, en daar moeder en zoon stil bleven zitten,
ieder in eigen gedachten verdiept, viel de knaap weldra in een zoete
sluimering. Toen stond de moeder op, legde hem een kussen onder het
hoofd, spreidde een deken over hem uit, en verliet zachtkens het
vertrek.


       *       *       *       *       *


ZESDE HOOFDSTUK.

HET ONGELUK.


Toen Juda ontwaakte was de zon reeds boven de bergen verrezen; de duiven
fladderden over het platte dak, of zaten kirrend op den rand der
borstwering. In het zuidoosten staken de vergulde tinnen des tempels,
badend in de zonneschijn, heerlijk af tegen de diep blauwe lucht. Maar
daar had Juda geen oogen voor, want op den divan, vlak bij hem, zat een
bevallig meisje van ongeveer vijftien jaar. Zij speelde op de harp en
zong daarbij met zachte, welluidende stem.

Toen zij haar lied geëindigd had liet zij de handen in den schoot rusten
en zag hem aan, als verwachtte zij dat hij het gesprek beginnen zou. Wij
willen van dat oogenblik gebruik maken, om het meisje aan onze lezers
voor te stellen en tevens enkele bijzonderheden mede te deelen aangaande
Juda's ouders.

Herodes was tijdens zijn leven zeer mild geweest met het bewijzen van
vorstelijke gunstbetoon aan lieden, die hij onderscheiden wilde, zoodat
menig Israëliet in het bezit gekomen was van een groot vermogen. Trof
het nu samen, dat zulk een bevoorrechte bewijzen kon, dat hij in rechte
lijn afstamde van een beroemd man, met name uit het geslacht van Juda,
dan werd hij gerekend te behooren tot de "Vorsten van Jeruzalem", eene
onderscheiding, die hem de onderdanigheid zijner minder bevoorrechte
landslieden verzekerde en de achting, zoo niet meer, van de heidenen,
met wie maatschappelijk verkeer of handelsbetrekkingen hem in aanraking
brachten.

De vader van Juda was één dier Vorsten van Jeruzalem geweest. Steeds
gedachtig aan zijne nationaliteit, die hij nooit verloochende, had hij
toch den koning trouw gediend, zoowel binnen-als buitenlands, en overal
had hij de achting verworven van aanzienlijken en geringen. Meermalen
met eene zending naar Rome belast, had hij de aandacht van Keizer
Augustus getrokken, die zich beijverde zijne vriendschap te winnen.
Dientengevolge was zijn huis vol van vorstelijke geschenken, zooals
purperen gewaden, elpenbeenen zetels, gouden drinkschalen; hoofdzakelijk
van groote waarde om de keizerlijke hand die ze hem vereerd had. Zulk
een man moest wel rijk zijn; maar hij dankte zijn vermogen niet alleen
aan zijn hooge begunstigers. Hij had de wet, die hem tot werken
verplichtte, gehoorzaamd; maar in plaats van zich tot één ambt te
bepalen, had hij zich een veelzijdigen werkkring geschapen. Tal van
herders, die in de vlakte en op de heuvelen rondom Jeruzalem de kudden
weidden, noemden hem heer; in zeesteden zoowel als in de binnenlanden
stichtte hij handelshuizen; zijne schepen brachten hem zilver uit
Spanje, welks mijnen onder de toenmaals bekende tot de rijkste gerekend
werden; en tweemalen 's jaars keerden zijne karavanen uit het Oosten
terug, beladen met zijden stoffen en specerijen. Hij was een geloovig
Hebreër, die stipt de wetten en gebruiken naleefde, een trouw bezoeker
van tempel en synagoge, goed onderwezen in de heilige Schriften. Het
verkeer met de wetgeleerden zocht hij bij voorkeur, en de achting, die
hij Hillel toedroeg, grensde aan vereering. Toch was hij niet eenzijdig.
Zijn gastvrijheid strekte zich uit tot de zonen van alle landen, ja de
Pharizeën beweerden zelfs, dat hij meer dan eens Samaritanen aan zijne
tafel ontvangen had. Was hij een heiden geweest en in leven gebleven,
dan zou hij mogelijk de mededinger van Herodes Atticus geworden zijn;
maar hij was nu tien jaren geleden in de kracht van den mannelijken
leeftijd op zee verongelukt, door geheel Judea betreurd. Met zijne
weduwe en zijn zoon hebben wij reeds kennis gemaakt, thans willen wij
zijn dochter beschouwen, het meisje, dat door haar gezang den broeder
wekte.

Zij heette Tirza, en geleek sprekend op Juda. Haar gelaatstrekken, even
regelmatig als de zijne, waren dubbel bekoorlijk door de uitdrukking van
kinderlijke onschuld, die er over verspreid lag. Zij was in dit vroege
morgenuur hoogst eenvoudig gekleed. Een wijde tunica, vastgeknoopt op
den rechterschouder, en onder den linkerarm doorgaande, dekte haar
losjes en werd om het middel vastgehouden door een fijn gouden gordel.
Op het hoofd droeg zij een zijden mutsje met afhangende kwast. Gouden
oor- en vingerringen, kostbare arm- en enkelbanden, benevens een kunstig
bewerkt halssieraad, voltooiden haar toilet. Oogleden en vingertoppen
waren naar het toenmalig gebruik geverfd. Twee lange haarvlechten hingen
haar op den rug, terwijl op iedere wang vlak voor het oor een gekrulde
lok rustte. Een liefelijke, bevallige verschijning was de jeugdige Tirza
ongetwijfeld.

--Heel mooi, Tirza, heel mooi! zeide Juda levendig.

--Het lied? vraagde zij.

--Ja, en de zangster ook. Waar hebt gij het opgedaan?

--Herinnert gij u den Griek nog, die een paar weken geleden in het
theater zong? Men zei, dat hij lofzanger geweest was van Herodes en
zijne zuster Salome. Hij trad op na een paar kampvechters, terwijl er
heel wat leven en beweging was; maar zoodra hij begon te zingen werd het
zoo stil, dat ik woord voor woord kon verstaan. Hij heeft mij het lied
gegeven.

--Maar hij zong in het Grieksch.

--En ik in 't Hebreeuwsch.

--Ja, ja, en daarom ben ik trotsch op mijn zusje. Hebt gij nog meer van
die liedjes?

--Meer dan een zelfs; maar nu niet. Amrah zond mij om u te zeggen, dat
zij u hier uw ontbijt zal brengen en dat gij niet beneden hoeft te
komen. Zij had al hier moeten zijn. Zij denkt dat gij ziek zijt, dat u
gisteren iets verschrikkelijks is overkomen. Wat was het? Vertel het
mij, dan zal ik Amrah helpen om u beter te maken. Zij kent de
geneesmiddelen van de Egyptenaars; maar die geven niets. Ik heb echter
verscheidene Arabische recepten, die--

--Nog minder helpen, dan de Egyptische, zeide hij hoofdschuddend.

--Meent ge dat waarlijk? Heel goed, dan zullen wij ze laten waar zij
zijn. Ik heb iets dat veel beter en zekerder helpt, een amulet, die,
ik weet niet hoe lang geleden, aan iemand van onze familie gegeven werd
door een Perzisch toovenaar. Kijk, en zij nam den ring uit haar
linkeroor--het inschrift is bijna uitgesleten.

Hij nam den ring in de hand, bekeek hem, en gaf hem toen lachend
terug.--Al lag ik op sterven, Tirza, dan zou ik den amulet nog niet
willen gebruiken. Zulke dingen zijn afgoderij, en verboden waar voor
geloovige Israëlieten. Bewaar hem, maar draag hem niet meer.

--Verboden! Volstrekt niet. Vaders moeder droeg hem altijd op Sabbat.
Ik weet niet hoevele zieken er wel door genezen zijn, stellig meer dan
drie. Hij is ook goedgekeurd; zie maar, hier is het merk van den Rabbi.

--Ik hecht geen geloof aan amuletten.

Zij zag hem verbaasd aan en vraagde: Wat zou Amrah daarvan zeggen?

--Amrahs vader en moeder waren Egyptenaren.

--Maar Gamaliël?

--Die zegt dat het goddelooze, heidensche gebruiken zijn.

Tirza bezag haren oorring en draaide hem besluiteloos rond.

--Wat zal ik er dan mee doen? vraagde zij.

--Draag hem, zusje. Hij staat u goed, hij maakt u mooi, hoewel gij dat
zonder zijne hulp ook zijt.

Tevreden gesteld deed zij den ring weder in haar oor. Op hetzelfde
oogenblik trad Amrah binnen en bracht op een blad een waschkom, water en
handdoeken. Daar Juda niet tot de Pharizeën behoorde was de reiniging
spoedig afgeloopen. Amrah verwijderde zich weder en Tirza zette zich aan
het werk, om Juda's haar in orde te brengen. Telkenmale als zij een lok
naar genoegen geschikt had, liet zij hem in den kleinen metalen spiegel
zien, dien zij volgens het gebruik aan haren gordel had hangen. De
arbeid stoorde hun gesprek echter niet.

--Hebt gij het al gehoord, Tirza? Ik ga weg.

Verschrikt liet zij de handen in den schoot vallen.

--Weg! Wanneer? Waarheen? Waarom?

Hij lachte. Drie vragen te gelijk! Wat zijt ge toch nieuwsgierig. Ja, ik
ga weg. Gij weet, de wet eischt, dat ik mij een beroep kies. Onze vader
gaf mij het voorbeeld. Zelfs gij zoudt mij verachten, als ik de vruchten
van zijn vlijt en kennis in luiheid verteerde. Ik ga naar Rome.

--O, dan ga ik mee.

--Gij moet bij moeder blijven. Als we allebei weggingen zou zij van
verdriet sterven.

Alle vroolijkheid week van haar gelaat.--Ja, natuurlijk. Maar moet gij
dáárvoor weggaan? Hier in Jeruzalem kunt gij alles leeren wat een
koopman weten moet.

--Maar ik denk er niet aan koopman te worden. De wet eischt niet, dat de
zoon wordt wat de vader was.

--Wat wilt gij dan worden?

--Soldaat.

--De tranen sprongen Tirza in de oogen.--Dan wordt gij doodgeslagen!

--Toch alleen als het Gods wil is. En, Tirza, niet alle soldaten
sneuvelen.

Zij sloeg hare armen om zijn hals, alsof zij hem terug wilde houden.

--Wij waren zoo gelukkig, Juda; blijf bij ons.

--Dat kan immers niet. Gijzelf gaat mettertijd ook heen.

--Nooit.

Hij glimlachte om den ernst, waarmede zij dat verzekerde.--Wie weet hoe
spoedig een vorst van Juda, of van een der andere stammen, mijne Tirza
komt weghalen, en wat zal dan van mij worden?

Een droevig gesnik was haar eenig antwoord.

--Het oorlogvoeren moet geleerd worden, vervolgde hij, en daarvoor moet
men ter schole gaan. De beste school is echter een Romeinsch kamp.

--Gij zult toch niet voor Rome vechten?

--Gij dus ook, gij zelfs haat Rome? Daarin schijnt de geheele wereld het
eens te zijn. Ja, Tirza, ik zal voor Rome strijden, maar om te leeren
hoe ik eenmaal Rome bestrijden moet.

--Wanneer gaat gij?

Maar Juda, die Amrah hoorde terugkomen, zeide: Stil, laat haar niets
merken van mijne plannen.

De trouwe slavin trad binnen met het ontbijt en plaatste het blad op een
stoel voor de beide jongelieden. Juist zouden zij beginnen, toen hunne
aandacht afgeleid werd door een luid gedruisch op straat.

--Het zijn soldaten van het Praetorium, riep Juda, die de muziek
herkende;--daar met ik naar kijken, een meteen sprong hij op en snelde
naar de borstwering. Tirza volgde hem en boog zich eveneens voorover om
beter te kunnen zien. Daar hun huis hooger was, dan de huizen in hun
naaste omgeving, konden zij tot aan den burcht Antonia de gansche buurt
overzien. De niet bijzonder breede straat was hier en daar door bruggen
overspannen, die weldra vol menschen en kinderen waren, door de muziek
daarheen gelokt. Muziek mocht het eigenlijk niet genoemd worden; want
wat het volk te hooren kreeg was niet veel meer, dan een vervaarlijk
trompetgeschal, begeleid door de schrille tonen van houten
blaasinstrumenten.

Weldra kregen de kinderen Hur den optocht in 't gezicht. Eerst een
voorhoede van lichtgewapenden, voornamelijk slingeraars en
boogschutters, vervolgens een afdeeling zwaar gewapend voetvolk, van
groote schilden voorzien, dan de muzikanten, vervolgens geheel alleen
een hoofdman, maar op den voet gevolgd door een bereden wacht, daarna
weder een afdeeling zwaar gewapend voetvolk, die wel eindeloos scheen te
zijn. Het krijgshaftig voorkomen der mannen, het gelijktijdig op- en
neergaan der schilden, het glinsteren van gespen, helmen en borstplaten,
de wuivende vederbossen, de vaandels en speren, dat alles maakte diepen
indruk op den Joodschen knaap. Twee voorwerpen vooral trokken zijne
aandacht, de vergulde arend met de uitgespreide vlerken, die, zooals hij
wist, met goddelijke eerbewijzen uit den burcht gehaald was, en de
hoofdman, die alleen te midden der troepen reed. In volle wapenrusting,
maar het ongedekte hoofd met een lauwerkrans getooid, hield hij den
kommandostaf in de rechterhand. Hij was gezeten op een purperen dek in
plaats van op een zadel, en de leidsels waren met goud gestikt en met
zijden franje afgewerkt.

Al heel spoedig bemerkte Juda, dat het volk bij het zien van dien
hoofdman zeer opgewonden werd. Zij drongen brutaal naar voren, en hieven
de vuisten dreigend omhoog, zij leunden zoover mogelijk over de
borstweringen der daken en wierpen hem allerlei scheldwoorden naar het
hoofd. Naarmate de stoet dichterbij kwam kon Juda duidelijk het
geschreeuw der menigte verstaan: Roover, tiran, vervloekte Romein! Weg
met Ismaël, geef ons Annas weder!

Het ontging den knaap niet, dat de hoofdman, zooals ook natuurlijk was,
lang niet onverschillig bleef onder die behandeling. Zijn gelaat stond
donker en dreigend, zoodat de meer angstvalligen terugdeinsden. Aan de
lauwerkrans, dien de ruiter op het hoofd droeg, herkende Juda den
nieuwen Procurator van Judea: Valerius Gratus.

Het onschuldige voorwerp van den haat der menigte wekte Juda's
medelijden, zoodat hij, toen de Romein den hoek van het huis zou
omslaan, zich nog verder voorover boog om te beter te kunnen zien.
Daarbij leunde hij met de hand op een stuk steen, dat reeds geruimen
tijd gebarsten en losgeraakt was. De drukking was sterk genoeg om het te
doen kantelen en vallen. De knaap ontstelde hevig en wilde den steen
grijpen, hetgeen van de straat gezien den indruk gaf, alsof hij iets van
zich wierp. Zijn poging mislukte, de steen liet geheel los en rolde naar
beneden. Juda schreeuwde zoo hard hij kon, om te waarschuwen. De
soldaten der lijfwacht keken op, zoo ook de procurator, maar op
datzelfde oogenblik viel de steen op hem, zoodat hij als dood achterover
zonk. Nu ontstond een groote ontsteltenis; de wachten stegen ijlings af
en beijverden zich om hunnen heer met een schild te dekken. Het volk
daarentegen, vast overtuigd dat de knaap met opzet den steen geworpen
had, juichte hem luide toe.

Als vastgenageld stond de arme jongen nog op dezelfde plek, ten volle
beseffende welke vreeselijke gevolgen dit ongeluk na zich zou slepen.
Plotseling scheen een booze geest zich meester te maken van de
toeschouwers op de omliggende huizen. Doldriftig sloegen zij alles kort
en klein wat onder hun bereik was en wierpen dat in blinde woede de
Romeinsche soldaten naar het hoofd. Nu ontstond een bloedig gevecht,
waarin de soldaten natuurlijk overwinnaars bleven. De verwarring, de
slachting, de wanhoop waren vreeselijk om aan te zien.

Doodsbleek richtte Juda zich op: O, Tirza, Tirza, wat zal er van ons
worden?

Daar zij den steen niet had zien vallen, en verschrikt door het onzinnig
drijven op de daken niet meer op Juda gelet had, begreep zij het rechte
van de zaak niet, allerminst dat haar of de haren eenig gevaar
dreigde.--Wat is er dan gebeurd, wat doen zij toch? vraagde zij
verschrikt.

--Ik heb den Romeinschen gouverneur gedood. De steen viel juist op hem.

Haar gelaat werd nog bleeker dan het zijne. Zij sloeg de armen om hem
heen en zag hem zwijgend, diep bedroefd aan.

--Ik deed het niet met opzet, Tirza, het was een ongeluk, zeide hij zoo
kalm mogelijk.

--Wat zullen zij ons doen? vraagde zij.

Hij luisterde naar het steeds toenemend rumoer en dacht aan het dreigend
gelaat van den procurator. Als hij niet dood was, wie kon dan zeggen
hoever zijn wraak gaan zou; en als hij wèl dood was, tot welke
uitbarstingen van woede zou de aanval van het volk de soldaten niet
kunnen opzweepen! Hij boog zich nogmaals over de borstwering, juist toen
de lijfwacht den procurator weder op het paard hielp stijgen.--Hij
leeft, Tirza, hij leeft! Gezegdend zij de God onzer vaderen! Met dien
uitroep en een opgehelderd gelaat wendde hij zich weder tot haar, om
hare vraag te beantwoorden.--Wees maar niet bang; ik zal hun wel zeggen
hoe het gekomen is, en zij zullen ons ter wille van onzen vader en de
diensten, die hij den keizer bewezen heeft, zeker ongemoeid laten.

Hij geleidde haar naar de torenkamer; maar zien, eensklaps beefde het
dak onder hunne voeten, een hevig gekraak, alsof balken en deuren werden
ingeslagen, deed zich horen, gevolgd door een kreet van schrik en
ontzetting. Hij bleef staan en luisterde. Het geroep om hulp herhaalde
zich, het geluid van zware voetstappen deed het geheele huis dreunen,
vloeken, smeeken, jammeren, alles door elkander. De soldaten hadden de
noordpoort ingetrapt en waren meester van het terrein. Juda begreep
dadelijk dat het om hem te doen was. Zijne eerste opwelling was te
vluchten; maar waarheen? Alleen vleugelen konden hem redden. Trillend
van angst klemde Tirza zich aan hem vast.

--O, Juda, wat is er toch gebeurd?

Hij antwoordde niet. Hij hoorde dat de dienaren werden neergestooten;
en--wat deed men met zijn moeder! Hoorde hij daar niet hare stem?--Met
al de kracht die nog in hem was zeide hij: Blijf gij hier, Tirza, totdat
ik terugkom. Ik zal naar beneden gaan om te zien wat er gebeurd is.
Daarna kom ik u halen.

Zijn stem was niet zoo vast, als hij wel gewild had. Zij drukte zich
tegen hem aan; maar daar hoorde hij zijne moeder weer luid om hulp
roepen. Hij aarzelde niet langer.--Kom dan, laat ons gaan, zeide hij.

Beneden aan de trap was het terras vol van soldaten, die met ontbloot
zwaard het eene vertrek voor en het andere na doorzochten. Hier zag men
eenige vrouwen op de knieën liggen, luid smeekende om erbarmen. Maar
daar ginds in dien hoek, met gescheurde kleederen en loshangende haren,
worstelde een vrouw om zich los te rukken uit de handen van een
Romein,--op haar vloog Juda toe met den kreet: Moeder! moeder! Zij
strekte de handen naar hem uit; maar juist toen hij ze vatten zou werd
hij gegrepen en op zijde getrokken. Daar hoorde hij iemand met luide
stem zeggen: Daar is hij!

Juda keek om en zag--Messala.

--Wat, is dat de moordenaar?--die jongen? vraagde een statig man in
kostbare wapenrusting.

--Alle goden! zeide Messala, dat is iets nieuws! Moet een man oud
geworden zijn om ten doode toe te kunnen haten? Hij is de schuldige, en
hier is zijn moeder, en dat is zijn zuster. De geheele familie bij
elkaar.

Door liefde tot moeder en zuster gedrongen vergat Juda zijn twist met
den voormaligen vriend: Help haar, Messala! Denk aan onze vroegere
vriendschap en help haar. Ik--Juda--smeek er u om.

Messala deed alsof hij het niet hoorde. Hij wendde zich tot den hoofdman
en zeide: Gij hebt hier mijne diensten niet meer noodig. Beneden op
straat is meer te doen. Weg met Eros, Mars regeert!

Dit gezegd hebbende verdween hij. Juda begreep hem en in de bitterheid
zijner ziel bad hij: O God, als het uur der wrake geslagen is, laat haar
dan door mijne hand aan hem voltrokken worden.

Met inspanning van alle krachten wist hij den hoofdman te bereiken.--O
heer, die vrouw is mijne moeder. Spaar haar en spaar mijne zuster. God
is rechtvaardig. Hij zal u genade voor genade bewijzen.

De man scheen geroerd te zijn.--Naar den burcht met de vrouwen! riep
hij, maar doe ze geen kwaad. Ik zal ze van uwe hand eischen. Toen tot de
mannen, die Juda vasthielden: Bindt zijne handen, en brengt hem naar
buiten; hij zal zijne straf niet ontgaan.

De moeder werd weggedragen. Tirza, door vrees verlamd, volgde haar
bewakers lijdelijk. Juda zag beiden voor het laatst aan, en sloeg toen
de handen voor het gelaat, alsof hij zich haar beeld onuitwischbaar
wilde inprenten. Indien hij een traan vergoot, niemand heeft het gezien.
Deze weinige oogenblikken waren voldoende geweest, om een volkomen
verandering in hem teweeg te brengen. Toen hij het hoofd weder ophief en
de armen uitstak, om zich te laten binden, was al wat nog kinderlijk aan
hem was verdwenen,--de jongeling was man geworden.

Op de binnenplaats weerklonk trompetgeschal. De soldaten haastten zich
naar beneden. Menigeen, die het niet waagde met de bewijzen zijner
plunderzucht in de rijen ter verschijnen, wierp zijn buit weg, zoodat de
vloer overal met kostbare zaken bedekt was. Toen Juda beneden kwam, had
de stoet zich weer geordend en wachtte de aanvoerder slechts op de
uitvoering van zijn laatste bevelen. Tirza en hare moeder, benevens het
geheele dienstpersoneel, werden door de noordpoort uitgeleid, die wel
een ruïne geleek. Het gejammer der dienstboden, waarvan verscheidene
ingeboornen des huizes waren, was droevig om aan te hooren. Toen ten
slotte de paarden en het vee weggevoerd werden, begon Juda de wraak van
den procurator ten volle te begrijpen. Alles, tot het woonhuis toe, was
ten verderve gedoemd. Geen levende ziel, zoo luidde het bevel, mocht
binnen zijne muren blijven. Mochten er soms in Judea nog lieden gevonden
worden, vermetel genoeg om een Romeinschen beambte te willen vermoorden,
dan zou het lot der vorstelijke familie Hur hun tot waarschuwing kunnen
dienen, terwijl hunne tot eene ruïne vervallen woning den indruk
levendig zou houden.

De hoofdman wachtte buiten, totdat een afdeeling soldaten de poort zoo
goed mogelijk weer in orde gebracht had. Het gevecht op straat was
geëindigd. Op de daken toonden hier en daar stofwolken aan, dat de rust
daarboven nog niet geheel hersteld was. De keizerlijke legioenen stonden
in 't gelid, even glansrijk als voorheen. Juda, die voor 't oogenblik
zichzelf geheel vergeten kon, had alleen aandacht voor de gevangenen,
waaronder hij tevergeefs zijne moeder en Tirza zocht.

Daar verrees eensklaps van den grond, waar zij neergehurkt zat, eene
vrouw, en snelde naar de poort. Een paar van de wachten schoten toe om
haar te grijpen; maar zij ontkwam aan hunne handen onder vreugdegejuich
der toeschouwers. Zij baande zich een doortocht naar Juda, viel aan
zijne voeten neder en omvatte zijne knieën.

--O, Amrah, goede Amrah, zeide hij, God helpe u, ik kan het niet.

Het was haar onmogelijk te spreken.

Hij boog zich tot haar neder en fluisterde: Leef, Amrah, voor Tirza en
mijne moeder. Zij zullen terugkomen, en--

Een soldaat trok haar weg; maar zij rukte zich los en snelde door de
poort en de gang naar den ledigen binnenhof.

--Laat haar gaan, beval de hoofdman. Wij zullen het huis verzegelen, en
zij kan verhongeren.

De manschappen hervatten hun werk, en toen zij aan dien kant gereed
waren, begaven zij zich naar de westzijde. Daar werd de poort eveneens
dicht gemaakt, waarna het oude paleis Hur vereenzaamd bleef staan. De
cohorte zette zich weder in beweging, terug naar den burcht, waar de
procurator eenige dagen rust hield, om van zijne wond te genezen en over
de gevangenen te beschikken. Tien dagen later bracht hij zijn bezoek aan
het paleis van den hoogepriester.


       *       *       *       *       *


ZEVENDE HOOFDSTUK.

DE GEVANGENE.


Den volgende dag verscheen een detachement Romeinsche soldaten voor het
verlaten huis, en na de ingangen met was verzegeld te hebben, spijkerden
zij aan de muren een plakkaat, waarop in het Latijn deze woorden te
lezen stonden:

    DIT IS HET EIGENDOM VAN DEN KEIZER.

Nog een dag later, tegen den middag, naderde een hoofdman met tien
ruiters het stadje Nazareth van de zuidzijde, dat is, komende van
Jeruzalem. Nazareth was toen een onbeduidend dorp, tegen den heuvelrand
gebouwd. De eenige straat, waarop het aanspraak kon maken, was niet veel
meer dan een veel begaan geitenpad. Aan de zuidzijde strekte zich de
groote vlakte uit van Esdrelon, en van een westelijken heuveltop kon men
de Middellandsche zee, de landen van gene zijde der Jordaan, en den berg
Hermon zien liggen. Wijngaarden, tuinen en weilanden boden een
afwisselenden aanblik, terwijl hier en daar een palmboschje aan het
landschap een oostersch karakter verleende.

De huizen van Nazareth waren onaanzienlijk, vierkant, één verdieping
hoog, van platte daken voorzien, en met frisch groene wingerden
begroeid. Waren de heuvelen van Judea dor en bruin verbrand, bij de
grenslijn van Galilea hield dat naargeestig schouwspel op.

Toen de ruiters het dorp naderden deden zij hun trompetgeschal
weerklinken, hetgeen een magische uitwerking had op de inwoners. Alle
hekken en deuren gingen open, ieder wilde de eerste zijn om de ongewone
bezoekers te zien. Dat de Nazareners jegens de Romeinsche soldaten alles
behalve welwillend gestemd waren, behoeven wij wel niet te verzekeren;
maar toen zij zagen wat het doel van den tocht was kreeg de
nieuwsgierigheid de bovenhand, en wetende dat de Romeinen halt zouden
maken bij de bron op de markt, verlieten zij hunne huizen en sloten zich
bij den troep aan.

De ruiters voerden een gevangene mede, dat was het wat ieders aandacht
trok. Hij ging te voet, bloothoofds, half naakt, de handen op den rug
gebonden. De riem, die zijne polsen bijeenhield, was om den hals van een
paard geslagen. Het stof, door de ruiters opgejaagd, hulde hem in een
dikke wolk. Zijn houding was gebogen, zijn gang moeilijk, hij scheen
bijna te bezwijken.

Bij de bron hielden de soldaten stil en stegen af. De gevangene zonk
uitgeput op den grond; de krachten begaven hem. Toen de dorpelingen
naderbij kwamen en zagen dat het niet veel meer dan een knaap was,
schudden zij medelijdend het hoofd en zouden hem, indien zij slechts
gedurfd hadden, gaarne geholpen hebben.

Terwijl zij onder elkander beraadslaagden en de soldaten hun dorst
leschten, kwam van den kant van Sepphoria een man aanwandelen. Een vrouw
zag hem het eerst en riep: Kijk, daar komt de timmerman. Nu zullen wij
wel iets te hooren krijgen.

De bedoelde persoon, een eerwaardig grijsaard met zilveren lokken en een
langen witten baard, naderde met langzamen tred. Over den schouder droeg
hij een bijl en een zaag, alles zwaar en grof. Bij de bron bleef hij
staan en overzag de schare.

--O, Rabbi, goede Rabbi Jozef, zeide de vrouw en liep op hem toe, hier
is een gevangene. Vraag toch eens aan de soldaten hoe hij heet en wat
hij gedaan heeft, en wat zij met hem gaan doen.

Het gelaat van den oude bleef onbewogen. Hij beschouwde echter den
gevangene en wendde zich toen tot den hoofdman.

--De vrede des Heeren zij met u, zeide hij ernstig.

--En die van de goden met u, antwoordde de Romein.

--Komt gij uit Jeruzalem?

--Ja.

--Uw gevangene is nog zeer jong.

--In jaren, ja.

--Mag ik vragen wat hij gedaan heeft?

--Hij is een moordenaar.

Met groote verbazing ging dat woord van mond tot mond, maar Rabbi Jozef
vervolgde: Is hij een zoon van Israël?

--Hij is een Jood, antwoordde de Romein droogjes.

Het medelijden der omstanders, dat sterk verminderd was, groeide op eens
weer aan.

--Ik weet niets van uwe stammen af, vervolgde de hoofdman, maar kan u
wel zeggen wie zijn familie is. Misschien hebt gij wel eens van een
zekeren Hur, een vorst van Jeruzalem, gehoord, Ben-Hur noemden zij hem.
Hij leefde ten tijde van Herodes.

--Ik heb hem gekend, zeide Jozef.

--Nu, dit is zijn zoon.

Van alle kanten hoorde men uitroepen van medelijden en ontsteltenis,
hetgeen den hoofdman niet beviel. Daarom liet hij er snel op volgen:
Eergisteren heeft hij den edelen Gratus getracht te dooden, door hem een
steen op het hoofd te werpen, boven van het dak van zijns vaders huis.

De Nazareners gaapten den jongen Ben-Hur aan, alsof hij een wild dier
was.

--Heeft hij hem gedood? vraagde Jozef.

--Neen.

--Is hij veroordeeld?

--Ja, tot de galeien, levenslang.

--God helpe hem! zeide Jozef bewogen.

Een jonge man, die met Jozef medegekomen, doch onopgemerkt gebleven was,
legde de bijl, die hij over den schouder droeg, neer, ging bedaard naar
de bron, vulde een kruik met water, en boog zich, voordat iemand het
verhinderen kon, over den gevangene om hem te laten drinken. Zacht legde
hij de hand op Juda's schouder, en toen de arme jongen de oogen opsloeg,
zag hij een gelaat om nooit te vergeten, het gelaat van een jonkman,
wiens donkerblauwe oogen hem zoo liefdevol en deelnemend aanstaarden,
dat hij zich in eens gewonnen gaf. Zijn gemoed, verhard door lichamelijk
lijden en zoo verbitterd door het geleden onrecht, dat het aan niets dan
aan wraak kon denken, smolt als was onder dien blik. Hij zette den mond
aan de kruik en dronk het frissche water met lange gretige teugen. Geen
van beiden sprak echter een enkel woord. Toen Juda gedronken had legde
zijn nieuwe vriend zijne hand als zegenend op het hoofd van den
gevangene, bracht vervolgens de kruik weder waar hij die gevonden had,
nam zijn bijl op en voegde zich weder bij Jozef. Aller oogen, zoowel van
de Romeinen als van de dorpelingen, volgenden hem.

Nadat de soldaten ook de paarden te drinken hadden gegeven begaven zij
zich weder op marsch. Over den hoofdman scheen een verandering gekomen
te zijn. Met eigen hand toch hielp hij den gevangene opstaan en zette
hem achter een soldaat op het paard.

De Nazareners keerden naar huis terug, onder hen Jozef en zijn metgezel.

Dit was de eerste ontmoeting tusschen Juda en den zoon van Maria.


       *       *       *       *       *


BOEK III.


       *       *       *       *       *


EERSTE HOOFDSTUK.

QUINTUS ARRIUS.


De stad Misenum, eenige mijlen van Napels gelegen, heeft haren naam
gegeven aan het voorgebergte, welks sieraad zij was. Enkele ruïnes,
ziedaar alles wat van haar overbleef; maar in het jaar 24 der
Christelijke jaartelling was de plaats een van de belangrijkste aan de
westkust van Italië. Van den stadsmuur had men een heerlijk gezicht op
de blauwe golf van Napels met hare schilderachtige oevers, op den
rookenden Vesuvius, op Ischia hier en Capri daar, en ten slotte op
Rome's reservevloot, die voor Misenum ten anker lag. Een doorgang in den
stadsmuur voerde toen ter tijde naar een dam, die zich verscheidene
mijlen ver in zee uitstrekte.

Op een koelen Septembermorgen werd de wachter op den muur boven den
doorgang uit zijne gepeinzen opgewekt door de nadering van een druk
pratend gezelschap. Hij zag even op en hernam zijn vorige houding. Het
gezelschap bestond uit twintig tot dertig personen; het meerendeel
slaven, die brandende fakkels droegen, welke een Indischen nardusgeur
verspreidden. De heeren gingen arm in arm vooraan. Een van hen, een
vijftigjarige, met een lauwerkrans om de slapen, scheen de held van een
of ander feest te zijn. Allen droegen ruime toga's van witte wollen
stof, met breede purperen randen afgezet. De wachter had met één blik
gezien, dat het lieden van aanzien waren, die na een nachtelijke partij
een vriend uitgeleide deden.

--Neen, Quintus, zeide een van hen tot den bekranste, het staat Fortuna
niet mooi u zoo spoedig aan ons te ontrooven. Eerst gisteren van de reis
teruggekeerd, gaat gij ons nu reeds weder verlaten.

--Bij Castor, zeide een tweede, waartoe dat klagen? Onze Quintus gaat
slechts herwinnen wat hij van nacht verloren heeft. Dobbelsteenen op een
zwalkend schip staan niet gelijk met dobbelsteenen aan den vasten wal,
is 't wel Quintus?

--Beleedig Fortuna niet, waarschuwde een derde. Zij is niet blind of
wispelturig. Ontneemt zij hem ons bij tijd en wijle, zij brengt hem ons
toch altijd weer terug met nieuwe lauweren beladen.

--De Grieken halen hem weg, zeide een ander. Aan hen de schuld; laat ons
dus de goden met rust laten.

Zoo sprekende ging het gezelschap door de poort op den dam. Den zeeman
klonk het kabbelen der golven als een welkomstgroet in de ooren. Hij
haalde diep adem, alsof het zilte nat hem liefelijker was dan de nardus.
Ziet, sprak hij de hand opheffende, de wind waait uit het westen. Heb
dank, moeder Fortuna!

De vrienden herhaalden den uitroep in koor, de slaven zwaaiden de
fakkels.

--Daar komt zij! vervolgde hij, en wees op een naderende galei. Welk
zeeman zou een ander liefje begeeren? Is uwe Lucretia bevalliger, vriend
Cajus?

Met stralende oogen keek hij naar de galei, die zijn lof waardig was.
Het witte zeil stond bol en de riemen gingen in volmaakte regelmaat en
met vleugelslag op en neder. Ja, zeide hij ernstig, den blik op het
vaartuig gericht, laat de goden rusten. Zij verschaffen ons de
gelegenheden en het is onze eigen schuld, als wij niet slagen. En wat de
Grieken betreft, Lentulus, de zeerovers die ik moet gaan straffen zijn
Grieken. Eene overwinning op hen behaald is van meer gewicht, dan
honderd op de Afrikanen.

--Gij gaat dus naar de Egeïsche zee?

--Ja, en daar ik zo spoedig mogelijk vertrek zal ik u de aanleidende
oorzaak vertellen; maar gij moet er niet buitenaf over spreken. Ik zou
niet gaarne willen, dat gij er den duumvir, zoo gij hem weder ontmoet,
over lastig valt; hij is mijn vriend. De handel tusschen Griekenland en
Alexandrië is, zooals gij misschien weet, bijna van evenveel beteekenis,
als die tusschen Alexandrië en Rome. Nu vergat het volk in dat gedeelte
der wereld de Cerealia te vieren, en Triptolemus gaf hun dientengevolge
een oogst, die het inzamelen ternauwernood waard was. Maar de handel is
zoo toegenomen, dat van geen staking hoe kort ook sprake kan zijn.

Waarschijnlijk hebt gij ook gehoord van de Chersonesische zeerovers, die
in de golf van Euxine nestelen. Brutaler dan zij bestaan niet. Gisteren
werd te Rome bericht ontvangen, dat zij met een vloot den Bosphorus
waren afgeroeid, de galeien bij Byzantium en Chalcedon in den grond
hebben geboord en, op verderen buit belust, de Egeïsche zee opvoeren.
De korenkoopers, wier schepen op de Oost-Middellandsche zee zijn, hebben
een persoonlijk onderhoud met den keizer gehad. Dientengevolge
vertrekken heden nog van Ravenna een honderdtal galeien, en van
Misenum--hij zweeg even, alsof hij de nieuwsgierigheid zijner vrienden
wilde prikkelen--van Misenum één galei.

--Gelukkige Quintus, wij wenschen u van harte geluk!

--Deze opdracht is de voorloopster van een bevordering. Wij begroeten u
als duumvir, niet minder.

--Quintus Arrius de duumvir--dat klinkt nog mooier dan Quintus Arrius de
tribuun.

--Dank, hartelijk dank! antwoordde Quintus. Hadt gij lantaarnen bij u,
ik zou u auguren noemen. Ja, ik ga nog verder: ik zal u bewijzen dat gij
meesters in het raden zijt. Ziet en leest.

Uit de plooien van zijn toga bracht hij een rol te voorschijn,
overhandigde die en zeide: Dit ontving ik van Sejanus, terwijl wij aan
den maaltijd waren.

Die naam had een goeden klank onder de Romeinen, eerst later werd hij
berucht.

--Sejanus! riepen zij als uit één mond, en staken de hoofden bij
elkander om het stuk te lezen.

     Sejanus aan C. Caecilius Rufus, Duumvir.

                                             Rome, XIX Kal. Sept.
     De keizer heeft het goede nieuws vernomen aangaande Quintus Arrius,
     den tribuun. Met name heeft hij den moed hooren roemen, door hem in
     de westelijke zeeën betoond. Daarom beveelt hij dat genoemde
     Quintus zonder verwijl naar het oosten verplaatst worde.

     Voorts is het de wil van onzen keizer, dat gij onmiddellijk een
     honderdtal der best drieriemige galeien afzendt tegen de roovers,
     die zich in de Egeïsche zee vertoond hebben, en dat aan Quintus het
     bevel over die vloot worde opgedragen.

     Aan u, Caecilius, wordt de bezorging van een en ander overgelaten.

     De zaak dringt, zooals gij zien zult uit de berichten, die hier
     bijgevoegd worden, opdat gij en Quintus er kennis van zoudt nemen.
     SEJANUS.

Arrius luisterde slechts ten halve. Het naderende vaartuig nam zijne
aandacht geheel in beslag. Nu zwaaide hij met een slip van zijn toga;
als antwoord op dat signaal werd op het schip een roode vaan geheeschen,
en het zeil ingehaald. De boeg werd landwaarts gekeerd, de riemslag
versneld,--Arrius sloeg het met welgevallen gade. Op zulk een
vaartuig kon men staat maken in den tijd van nood.

--Bij alle goden! zeide een van de vrienden, hem de rol teruggevende,
wij mogen niet meer zeggen: onze vriend zal een groot man worden; hij is
het reeds. Hebt gij nog meer belangrijks voor ons?

--Neen, was het antwoord. Wat gij zooeven vernomen hebt is thans reeds
oud nieuws in Rome, ten minste tusschen paleis en Forum. De duumvir is
voorzichtig; wat ik doen moet en waar ik mijn vloot kan vinden zal ik
straks aan boord vernemen. Als gij echter vandaag aan een der altaren
gaat offeren, bidt dan voor uwen vriend, die in de richting van Sicilië
vaart. Maar daar is het schip. Zijne bestuurders boezemen mij belang in,
want zij moeten met mij zeilen en strijden. Dit is geen gemakkelijke
kust om aan te leggen, ik heb dus een kostelijke gelegenheid om over
hunne vaardigheid te oordelen.

--Wat? is het schip u dan vreemd?

--Ik zie het nu voor de eerste maal, en weet zelfs niet, of ik er één
bekende op zal aantreffen.

--Is dat niet gewaagd?

--Neen, het doet niets ter zake. Op zee leert men elkander spoedig
kennen. In de ure des gevaars wordt onze liefde zoowel als onze haat
geboren.

Het vaartuig behoorde tot de soort van oorlogsschepen, die op groote
snelheid en plotselinge wendingen waren berekend. Lang, smal, schoot het
als een zwaan door het water. Onder den boeg, in het water
vooruitspringend, was de snavel, uit hard hout vervaardigd en met ijzer
beslagen, die in den strijd als stormram dienst deed. Hecht lofwerk,
langs de volle lengte van het schip, begrensde de verschansing.
Daaronder waren drie rijen openingen voor de roeiriemen, aan iederen
kant zestig. Twee dikke touwen, die over den boeg liepen, gaven het
getal ankers aan, die op het voordek bewaard werden. De eenvoudige
inrichting van het verdek deed zien, dat men zich voornamelijk op de
roeiers verliet.

Nagenoeg in het midden rees de mast omhoog, die door stangen en staggen
overeind werd gehouden. Het touwwerk diende om een groot vierkant zeil
te besturen. Behalve de manschap, die het zeil gereefd had, was van den
dam gezien nog slechts één man zichtbaar. Deze stond bij den boeg en
droeg een helm en schild. De honderdtwintig eikenhouten riemen, glanzend
wit gehouden door afwrijvingen met puimsteen, gingen zoo regelmatig op
en neer, alsof één hand ze bestuurde. De snelheid waarmee de galei
voortschoot was zoo groot, dat de vrienden van den tribuun hun hart
vasthielden.

Eensklaps hief de man bij den boeg zijne hand op. Alle riemen gingen
naar boven, bleven een oogenblik omhoog en vielen toen pijlsnel neder.
Het water kookte en borrelde, de galei trilde tot in de voegen, en bleef
dan als verschrikt stil liggen. Een tweede handbeweging van den
commandant, en wederom gingen de riemen op, bleven omhoog en vielen;
maar ditmaal roeiden die van de rechterzijde vooruit, die van de
linkerzijde daarentegen achteruit. Tot driemalen werd deze manoeuvre
herhaald, toen draaide de galei als om hare as naar rechts, ving wind,
en legde zijwaarts bij den dam aan.

Door die beweging kreeg men het achterschip beter te zien, waar, onder
het hooge gebeeldhouwde en fraai vergulde windhuisje, op een
verhevenheid de stuurman zat, een statige figuur in volle wapenrusting.

Trompetgeschal weerklonk, en op dat signaal verscheen de bemanning op
het verdek, allen in groot tenue, met glinsterende helmen, schilden en
speren. Terwijl de soldaten front maakten, klommen de matrozen in den
mast en zetten zich op de ra. De officieren en muzikanten namen hunne
plaatsen in. Alles geschiedde met de grootste orde, zonder noodelooze
drukte. Zoodra de galei aan den dam lag werd van het stuurmansverdek een
plank naar den wal gelegd.

Toen wendde de tribuun zich tot zijne vrienden en zeide met grooten
ernst: Mijn plicht roept mij, waarde vrienden.

Hij nam den krans van zijn hoofd en gaf hem aan den dobbelaar. Neem gij
den krans, gunsteling der dobbelsteenen! Als ik terugkeer zal ik gaarne
mijn geluk weer beproeven. Overwin ik niet in den strijd, dan kom ik
niet terug. Hang den krans in uw atrium.

Nu breidde hij de armen uit en omhelsde hen allen.

--Mogen de goden u vergezellen, Quintus! riepen zij.

--Vaartwel, zeide hij, groette de slaven, die met de fakkels zwaaiden,
met de hand en keerde zich toen naar het schip. Zoodra hij de plank
betreden had werden de trompetten geblazen, en boven het windhuisje
ontplooide zich de purperen vlag ten teeken dat de vlootvoogd aan boord
was.


       *       *       *       *       *


TWEEDE HOOFDSTUK.

DE ROMEINSCHE GALEI.


De tribuun stond op het verdek, met de order den duumvir in de hand en
sprak tot den overste der roeiers: Hoeveel mannen hebt gij?

--Tweehonderd tweeënvijftig roeiers en tien om in te vallen.

--Dat geeft een aflossing van....

--Vierentachtig.

--Hoe dikwijls?

--Om de twee uur.

De tribuun dacht een oogenblik na, en zeide: Een zware dienst. Dat moet
veranderd worden, maar niet dadelijk, want wij moeten dag en nacht door.

Toen wendde hij zich tot den loods: Hoeveel jaren dienst hebt gij?

--Tweeëndertig.

--Welke zeeën hebt gij voornamelijk bevaren?

--Tusschen Rome en het oosten.

--Uitnemend.

De tribuun zag zijn order nogmaals in.

--Onze weg gaat langs kaap Camponella, naar Messina. Dan langs de kust
van Calabrië, totdat gij Melite links hebt, dan--kent gij de sterren,
die in de Jonische zee den boventoon hebben?

--Ja zeker.

--Goed. Dan van Melito oostwaarts naar Cythera. Als de goden ons gunstig
zijn zullen wij het anker niet uitwerpen, voordat wij de baai van
Antemona binnen loopen. De tijd dringt: ik verlaat mij op u.

Arrius was een voorzichtig man. Hij behoorde tot de soort van menschen,
die, terwijl zij den goden rijke offers brachten, niettemin van meening
waren, dat het welslagen eener onderneming meer afhing van eigen wijs
beleid, dan van gaven en beloften. Als held van het feest had hij den
ganschen nacht met drinken en spelen doorgebracht; maar de frissche
zeelucht riep den zeeman in hem wakker en hij dacht niet aan rust,
voordat hij zijn schip kende. Na met de officieren en de verschillende
opzichters gesproken te hebben, doorliep hij de galei van onder tot
boven en liet zich van alles volkomen op de hoogte brengen. Dat afgedaan
zijnde bleef hem alleen nog over zijn personeel te leeren kennen, en
daar dit het moeilijkste deel van zijn taak was en nogal tijd vereischte,
zette hij zich dadelijk aan den arbeid.

Tegen den middag naderde de galei Paestum. De wind woei nog steeds uit
het westen en deed het zeil zwellen. De wachten waren verdeeld. Op het
voordek was een altaar opgericht en met zout en gerst bestrooid. De
tribuun had plechtige gebeden opgezonden tot Jupiter en Neptunus en de
Oceaniden, en onder het doen van velerlei geloften den wijn uitgegoten
en wierook gebrand. Thans zat hij, een recht krijgshaftige figuur, in de
groote kajuit, en bestudeerde de manschappen.

De kajuit bevond zich in het midden der galei, was zesenvijftig voet
lang en dertig breed en ontving haar licht door drie breede luiken. De
zoldering rustte op twee rijen dunne palen, en in het midden verrees de
mast uit een gansche verzameling van bijlen en speren. Bij ieder luik
voerde rechts en links een trap naar beneden, en daar de luiken
openstonden had het licht er vrijen toegang. Deze ruimte was om zoo te
zeggen het hart van het schip, de plaats van samenkomst voor allen:
eetkamer, slaapkamer, exercitieveld.

Aan het achtereinde der kajuit voerde een trapje naar een platform,
waarop de hortator, of overste der roeiers zat, die met een stokje de
maat aangaf voor de roeiers. Rechts van hem stond een wateruurwerk, om
de aflossingen naar te berekenen. Boven hem, op een nog hooger gelegen
platform, behoorlijk afgesloten door een vergulde balustrade, was het
kwartier van den tribuun. Van daar kon hij alles overzien. Een rustbed,
een tafel en een leunstoel, alles zeer gerieflijk en kostbaar, maakten
het ameublement uit.

In dien armstoel gezeten hield Arrius een waakzaam oog over zijne
manschappen, die hem van hunnen kant ter sluik menigen blik toewierpen.
Het langst verwijlde zijne aandacht bij de roeiers. Wat hij daar zag was
overigens zeer eenvoudig. Langs de kajuit, aan de zijwanden van het
schip bevestigd, waren twintig bankjes aangebracht, ieder voor drie
roeiers, in dier voege, dat de tweede op de bank hooger zat dan de
eerste, en de derde hooger dan de tweede. De roeiers op de eerste en
tweede plaats zaten, die van de derde stonden, omdat hunne roeispanen
zooveel langer waren. Het bovengedeelte van de roeispanen was met lood
gevuld. Zij hingen in lenige lederen riemen, die een zwevende beweging
mogelijk maakten, maar tezelfder tijd groote bedrevenheid eischten, daar
een onverwachte golfslag den onoplettenden roeier in eens kon
omverwerpen. De zestig openingen waren even zoovele luchtkokers, zoodat
het hun niet aan frissche lucht behoefde te ontbreken. Licht ontvingen
zij door een traliewerk, dat tot vloer diende van de gang tusschen het
dek en de borstwering boven hun hoofd.

In sommige opzichten had het lot dier armen dus nog erger kunnen zijn;
maar men moet zich niet verbeelden, dat hun leven genoeglijk was. Het
was hun streng verboden een woord met elkander te wisselen. Dag aan dag
namen zij zwijgend hunne plaatsen in, onder het werk konden zij elkander
niet aanzien, hun korte rusturen werden ingenomen door slaap en een
haastig maal. Nooit zag men hen lachen, nooit hoorde men hen zingen. Het
leven van deze rampzaligen geleek op een onderaardschen stroom, die
langzaam maar zonder ophouden voortzwoegt, totdat hij, onverschillig
waar, vervloeit.

O, Zoon van Maria! In onzen tijd heeft het zwaard een hart--en dat
danken wij U! maar in de dagen, waarvan wij nu spreken, moesten de
gevangenen slavendienst verrichten op de wallen, in de straten en
mijnen, terwijl de handels- en oorlogsgaleien onverzadelijk waren. Bijna
ieder volk had zijn aandeel geleverd, meest krijgsgevangenen. Britten,
Libyërs, Scythen, Galliërs, Romeinsche boosdoeners, Gothen, Longobarden,
Joden, Ethiopiërs, Grieken, Kimbren, alles zat daar door elkander.

Het roeien had niets om het verstand, hoe weinig ontwikkeld ook, bezig
te houden. De bewegingen waren zelfs bij onstuimig weer zeer automatisch.
Langzamerhand werden de ongelukkigen stompzinnig, geduldig, geesteloos,
terende op weinige maar liefelijke herinneringen, ten slotte geheel
verstompt en gewoon aan lijden en ontbering.

Uur op uur zat de tribuun in zijn armstoel en overdacht al wat maar te
overdenken was; alleen niet het ongelukkig lot der slaven op de
roeiersbanken. Het kijken naar hunne regelmatige bewegingen ging hem na
een poosje vervelen. Tot afwisseling wilde hij eens trachten te
ontdekken, of er ook een bijzonder goede of slechte onder school.

Dat het onnoodig werd geoordeeld de namen der veroordeelden bij te
houden, behoeven wij wel niet te verzekeren; het nummer van hun
zitplaats was voldoende om hen uit elkander te houden. De scherpe blik
van den tribuun ging alle rijen langs, totdat hij ten laatste op Nummer
60 bleef rusten. Deze roeier was nog zeer jong, zoo op het oog
nauwelijks twintig jaar. Behalve een doek om de lenden was hij, evenals
zijne lotgenooten, geheel naakt, waardoor zijne schoone vormen, zijn
krachtig spierweefsel op hun voordeeligst uitkwamen. De wijze waarop hij
zijn werk verrichte, kunstvaardigheid en kracht verradende, ja zijn
gehele houding trokken de aandacht van den tribuun, die eene bijzondere
voorliefde koesterde voor alles wat met athletische oefeningen in
verband stond, en zich vleide een kenner te zijn op dat gebied.

Kon hij hem nu maar eens in het gelaat zien. Het hoofd was welgevormd en
werd gedragen door een forschen en toch slanken nek. Het profiel was
fijn en van Oostersche type, lang niet alledaagsch, zoodat de tribuun
werkelijk belang in hem ging stellen.

Bij alle goden, zeide hij hardop, die knaap belooft wat. Ik moet weten
waar hij vandaan komt.

De toeleg gelukte--de roeier keek om en zag den tribuun aan.

--Een Jood! Nog een knaap.

De onderzoekende blik van den tribuun dreef den slaaf het bloed naar de
wangen, zijn groote oogen werden nog grooter, de riem bleef rusten ...
daar sloeg de hortator met een toornig gebaar tegen de tafel. De roeier
schrikte, keek voor zich, en hervatte met verdubbelden ijver zijn werk.
Toen hij later nog eens naar den tribuun omzag steeg zijne verwondering
ten top--hij ontmoette een vriendelijk glimlachje.

Intusschen stevende de galei de straat van Messina in, liet de stad van
dien naam rechts liggen, en keerde oostwaarts, den Etna met zijn
rookwolken achter zich latende.

Telkens als Arrius naar zijn zetel op het platform terugkeerde zocht
zijn oog N°. 60 op, en moest hij bij zichzelven herhalen: Daar steekt
iets achter. Een Jood is geen barbaar. Ik moet weten wie hij is.


       *       *       *       *       *


DERDE HOOFDSTUK.

DE GALEISLAAF.


Vier dagen later vinden wij de Astrea, zoo heette de galei, in de
Jonische zee. De lucht was helder, de wind gunstig. Daar het niet
onmogelijk was de vloot in te halen vóór het aangewezen punt, bracht
Arrius een groot gedeelte van den dag op het dek door. Hij ging alles
zelf na en was over het algemeen zeer tevreden. N°. 60 verloor hij
intusschen niet uit het oog.

--Kent gij den man, die daar juist zijn plaats verlaat? vraagde hij den
hortator, die een aflossing bevolen had.

--N°. 60?

--Ja.

--De opzichter keek den roeier na en antwoordde: Zooals gij weet is het
schip eerst sedert een maand uit de hand van zijn maker gekomen, en de
mannen zijn al even nieuw voor mij, als het schip.

--Hij is een Jood, zeide Arrius nadenkend.

--De edele Quintus heeft een scherpen blik.

--Hij is zeer jong, vervolgde Arrius.

--Maar onze beste roeier. Ik heb zijn riem zien buigen tot brekens toe.

--Hoe is zijn aard?

--Hij is gehoorzaam, meer weet ik er niet van. Hij heeft mij slechts
eenmaal een verzoek gedaan.

--Welk?

--Hij vroeg mij, of ik hem bij afwisseling nu eens aan de rechter en dan
weer aan de linkerzij wilde plaatsen.

--Gaf hij een reden op?

--Ja. Hij had opgemerkt dat de mannen, die altijd aan denzelfden kant
werken, ten laatste scheef worden. Hij zei ook, dat men hem in geval van
storm of gevecht eensklaps aan den anderen kant kon noodig hebben, en
dan zou hij niet van zessen klaar zijn.

--Zoo, zoo; dat is iets nieuws. Wat hebt gij meer van hem opgemerkt?

--Hij is veel zindelijker dan de anderen.

--Daarin is hij dan een Romein, zeide Arrius welvoldaan.

--Weet gij niets van zijne geschiedenis?

--Niets hoegenaamd.

De tribuun dacht een oogenblik na en zeide toen: Mocht ik op het dek
zijn als zijn tijd om is, zend hem dan bij mij; maar alleen.

Ongeveer twee uren later stond Arrius onder het windhuisje. De stuurman
zat aan 't roer, enkele matrozen lagen in de schaduw van het zeil te
slapen, op een van de stangen zat een wachter. Opziende zag de tribuun
N°. 60 naderen.

--De hortator noemde u den edelen Quintus Arrius, en zeide, dat ik
volgens uw bevel hier moest komen. Hier ben ik.

Arrius zag met bewondering naar het slanke gespierde lichaam en dacht
aan de arena. Het optreden van den jongeling trof hem. Zijn toon en
manier van spreken bewezen, dat hij zijn jeugd onder beschaafde lieden
doorgebracht had. Zijne oogen stonden helder en klaar, en de uitdrukking
was meer nieuwsgierig dan uitdagend. Den onderzoekenden trotschen blik
van den tribuun doorstond hij kalm, toonde geen spoor van haat of
wraakgevoel, alleen diep gewortelde droefheid. Dientengevolge liet de
tribuun zijn hoogen toon varen en sprak den slaaf vriendelijk toe: De
hortator heeft mij gezegd dat gij de beste roeier zijt.

--Dat is heel vriendelijk van hem.

--Zijt gij reeds lang in dienst?

--Bijna drie jaar.

--Aan de riemen?

--Ja, ik heb geen dag rust gehad.

--Het werk is zwaar. Menig volwassen man houdt het geen jaar uit en
gij--gij zijt nog zoo jong.

--De edelen tribuun vergeet, dat de geest ook een woordje meespreekt.
Door zijn toedoen leeren de zwakken soms verdragen wat de sterken doet
bezwijken.

--Naar uwe spraak te oordeelen zijt gij een Jood.

--Mijne voorvaderen waren Hebreën lang voordat de eerste Romein bestond.

--Gij zijt een echte Jood, even trotsch als al de anderen, zeide Arrius,
den verhoogden blos op het gelaat van den jongeling ziende.

--Trots doet zich nooit zoo sterk gelden, dan wanneer hij geketend ligt.

--Welke reden hebt gij dan om trotsch te zijn?

--Dat ik een Jood ben.

Arrius glimlachte. Ik ben nooit in Jeruzalem geweest, zeide hij, maar ik
heb wel van de vorsten van Jeruzalem gehoord. Ik heb er zelfs een van
gekend. Hij was koopman en voer ter zee. Hij was waard koning te zijn.
Tot welken stand behoort gij?

--Ik moet u van de galeibank antwoorden. Ik ben een slaaf, maar mijn
vader was een vorst van Jeruzalem en voer als koopman ter zee. Keizer
Augustus kende hem en ontving hem met eerbewijzen aan zijn hof.

--Hoe heette hij?

--Ithamar, uit het huis van Hur.

--Wat! riep de tribuun verbaasd, gij een zoon van Hur--gij? Na een
oogenblik zwijgen vraagde hij: Hoe zijt gij hier gekomen?

Juda boog het hoofd, hij ademde zwaar. Toen hij zichzelven genoeg
meester was zag hij den tribuun flink aan en zeide: Ik werd beschuldigd
van een moordaanslag op Valerius Gratus, den procurator.

--Gij! riep Arrius, wiens verbazing nog grooter werd. Gij die
moordenaar! Geheel Rome was er over verontwaardigd. Ik lag met mijn
schip te Lodinum, en hoorde het daar.

Beiden zagen elkander zwijgend aan. Ik dacht dat het geslacht Hur
uitgeroeid was, zeide Arrius eindelijk.

Een stroom van liefelijke herinneringen deed Juda's trots bezwijken, de
tranen vloeiden over zijne wangen. Moeder--moeder! en mijn lieve Tirza!
Waar zijn zij? O tribuun, edele tribuun, als gij iets aangaande haar
weet, riep hij, de handen smeekend opheffend, vertel het mij dan. Zeg
mij of zij nog leven, en waar dan, en hoe? O, ik bid u, zeg het mij dan.

Al sprekende was hij tot vlak voor den tribuun getreden.

--Drie jaren zijn voorbijgegaan sedert dien vreeselijken dag, vervolgde
hij, drie jaren, edele tribuun, en ieder uur was een marteling voor mij.
De arbeid was mijn enige afleiding. In al dien tijd heb ik geen woord,
geen enkel woord, met iemand gewisseld. O, konden wij, vergetenen, toch
ook maar zelf vergeten. Kon ik dat vreeselijk tooneel maar uit mijn
geheugen bannen! mijn zusje weggerukt van mijne zijde, en die laatste
blik van mijne moeder! In gevaren van pest, stormen en krijgsgewoel heb
ik gelachen, terwijl anderen baden, want de dood zou mij van mijne
ellende verlost hebben. Zeg mij, dat zij dood zijn, want zij kunnen toch
niet gelukkig zijn, zoolang zij over mijn lot in het onzekere verkeeren.
Ik heb haar stemmen 's nachts gehoord, ze roepen om mij. Ik heb ze op de
golven zien wandelen. O mijne moeder, mijn lieve moeder! En Tirza, mijn
zusje, zoo mooi, zoo lief, zoo aardig! Altijd vroolijk, altijd zingende.
En mijne hand, de mijne, heeft haar neergeveld! Ik--

--Bekent gij schuld? vraagde Arrius streng.

De uitdrukking van Juda's gelaat veranderde als met een tooverslag. Zijn
stem werd scherper van toon, zijn geheele lichaam trilde, zijn oogen
schoten vuur, toen hij, de handen opheffende zeide: Gij kent den God
mijner vaderen, Jehova, den eenige. Bij zijne waarheid, zijne almacht,
en bij de liefde, waarmede hij Israël van den beginne heeft liefgehad,
betuig ik: Ik ben onschuldig!

De tribuun was diep bewogen.

--O edele Romein! vervolgde Ben-Hur, schenk mij geloof, en doe een
straal van licht vallen in mijne duisternis.

Arrius wendde zich af en wandelde het dek op en neer.

--Hebt gij een verhoor ondergaan? vraagde hij, eensklaps stilstaande.

--Neen.

De Romein zag verbaasd op. Niet verhoord--geen getuigen opgeroepen? Wie
heeft het vonnis over u uitgesproken?

De Romeinen, het zij hier even herinnerd, waren nooit méér gesteld op
het in acht nemen van wettelijke formaliteiten, dan in den tijd van hun
verval.

--Zij hebben mij gebonden en in de gevangenis geworpen. Ik zag niemand,
en niemand sprak tegen mij. Den volgenden dag werd ik door soldaten
weggebracht naar de galeien.

--Wat hadt gij tot bewijs van uwe onschuld kunnen aanvoeren?

--Ik was nog een kind, te jong om aan een moord te denken. Gratus was
mij geheel vreemd. Als ik hem had willen dooden zou ik een ander uur en
een andere plaats hebben uitgekozen. Hij reed te midden van zijne
troepen, en het was helder dag. Ik zou niet hebben kunnen ontkomen. Ik
behoorde tot een geslacht, dat met Rome op goeden voet stond. Mijn vader
was door den keizer met onderscheiding behandeld, om de diensten, die
hij den staat bewezen had. Wij hadden een groot fortuin te verliezen.
Niet alleen ik, maar ook mijne moeder en zuster zouden moeten boeten.
Ik had geen reden om zulk een misdaad te begaan, en de gedachte aan huis,
familie, geweten, Wet, zou mijne hand hebben tegengehouden, al was de
begeerte ook nog zoo sterk in mij geweest. Ik was niet krankzinnig. De
dood was te verkiezen boven de schande en, geloof mij, zoo denk ik er
nog over.

--Wie was bij u, toen de procurator getroffen werd?

--Ik was op het dak van ons huis. Tirza was bij mij. Zij stond naast
mij. Ik leunde over de borstwering om de soldaten te zien voorbijgaan.
Een losgeraakte steen kantelde door de drukking van mijne hand, en viel
op Gratus. Ik was doodelijk ontsteld.

--Waar was uwe moeder?

--Beneden in haar kamer.

--Wat is van haar geworden?

Ben-Hur balde de vuisten en hijgde naar adem. Ik weet het niet. Ik zag
dat zij haar meesleurden--dat is alles. Alle levende ziel werd uit het
huis verdreven, zelfs het stomme vee, en de poorten werden verzegeld. De
bedoeling was dat zij er niet meer zou terugkomen. Waar is zij? O, dat
ik het wist! Zij ten minste had er geen schuld aan. Ik kan vergeven,--maar
't is waar, een slaaf moet maar zwijgen van vergeven of van wraak nemen.
Ik ben levenslang tot de galeien veroordeeld.

Arrius luisterde aandachtig. Hij riep al zijne ondervinding met slaven
te hulp. Als dit comediespel was, dan was de Jood een geboren acteur;
maar was hij werkelijk onschuldig, met welk een blinde woede was men dan
tegen hem te werk gegaan! Een gansche familie weggevaagd, om voor een
ongeluk te boeten. Dat ging te ver.--De tribuun was een zeer streng man;
maar hij was ook rechtvaardig. Zijne onderhoorigen noemden hem den
goeden tribuun.

In het verhaal van den jongeling was veel dat ten zijnen gunste sprak.
Misschien kende Arrius Valerius Gratus, maar voelde hij zich niet tot
hem aangetrokken. Misschien had hij den ouderen Hur gekend.... Hoe het
zij, ditmaal wist de tribuun met recht wat hij doen zou. Zijne macht aan
boord was onbeperkt. Alles noopte hem om genade te bewijzen. Hij
geloofde den jongen roeier. Maar, zooals hij tot zichzelf zeide, er was
geen haast bij, terwijl hij wèl haast had om Cythera te bereiken. Den
besten roeier vrij te geven, dat ging niet. Hij zou wachten, hij moest
nog meer zien te vernemen; hij moest ten minste zeker weten dat dit
vorst Hur was, en dat hij een goede inborst had. Gewoonlijk waren slaven
leugenaars.

--Het is goed, zeide hij, gij kunt gaan.

Ben-Hur boog, zag nog eenmaal zijnen gebieder aan, maar ontdekte niets
dat hem hoop kon geven. Langzaam wendde hij zich af, keek nog eenmaal om
en zeide: Indien gij bij geval weder aan mij denken mocht, edele tribuun,
wil u dan vooral herinneren, dat ik alleen om tijding gevraagd heb van
mijne moeder en zuster.

Hij ging. Arrius volgde hem met bewonderende blikken. Bij alle goden,
dacht hij, met een weinig leiding zou hij in de arena kunnen schitteren.
Wat een looper! Welk een arm voor het zwaard!--Halt! riep hij luid.

Ben-Hur bleef staan. Wat zoudt gij doen als gij vrij waart? vraagde de
tribuun.

--De edele Arrius spot met mij, antwoordde de jongeling met bevende
lippen.

--Neen, bij alle goden, neen!

--Dan wil ik u gaarne antwoorden. Vóór alle dingen zou ik mijn plicht
doen. Ik zou mijzelven geen rust gunnen, voordat ik mijne moeder en
Tirza weder thuis gebracht had. Iederen dag, ja ieder uur zou ik aan
haar geluk wijden. Ik zou haar dienen, trouwer dan de trouwste slaaf.
Zij hebben veel verloren; maar bij den God mijner vaderen, ik zou haar
méér terugbezorgen!

Zulk een antwoord had de Romein niet verwacht. Hij aarzelde een
oogenblik. Maar, zeide hij, als uwe moeder en zuster dood waren, of niet
gevonden konden worden, wat zoudt gij dan doen?

Het gelaat van Ben-Hur werd met een doodelijken bleekheid overtogen. Hij
staarde in de golven. Hij scheen een zwaren strijd te strijden. Toen hij
tot bedaren gekomen was vraagde hij: Welk beroep ik zou kiezen?

--Ja.

--Tribuun, ik zal u naar waarheid antwoorden. Den avond vóór dien
vreeselijken dag had mijne moeder mij toegestaan soldaat te worden. Daar
wensch ik bij te blijven, en daar er in de geheele wereld slechts ééne
leerschool is, zou ik daar heengaan.

--De arena! riep Arrius.

--Neen, een Romeinsch kamp.

--Maar gij moet toch eerst de wapenen leeren hanteeren.

Het is altijd gevaarlijk voor een meester een slaaf raad te geven.
Arrius zag dadelijk zijne fout en veranderde van toon. Ga nu, zeide hij,
en bouw geen hoop op wat wij nu verhandeld hebben. Wie weet of ik mij
misschien wat met u heb willen vermaken. Of--indien gij er toch met hoop
voor de toekomst aan denken wilt, kies dan tusschen den roem van een
gladiator en den dienstplicht van een soldaat. Het eerste kan de gunst
des keizers u bezorgen, als soldaat hebt gij op niet te hopen. Gij zijt
geen Romein. Ga!

Twee minuten later zat Ben-Hur weder op zijne plaats. Het zwaarste werk
wordt gemakkelijk als het hart luchtig is. Het roeien viel Juda niet
meer zoo hard. Een straal van hoop was in zijne ziel gevallen. Hij kon
het niet onder woorden brengen, maar zijn gevoel zeide hem dat hij zich
niet bedroog. Telkens als de waarschuwing van den tribuun: misschien heb
ik mij met u willen vermaken,--hem voor den geest kwam, verdreef hij
haar. Dat de groote man hem geroepen had en hem zijne geschiedenis had
laten vertellen was het voedsel, waarmee hij zijn hongerige ziel voedde.
Ja zeker, er zou iets goeds uit voortkomen. Hoopvol en dankbaar bad hij:
o God, ik ben een echte zoon van het volk Israël, dat gij zoozeer bemind
hebt. Help mij, o help mij!


       *       *       *       *       *


VIERDE HOOFDSTUK.

EEN LICHTSTRAAL


In de baai van Antemona, ten oosten van het eiland Cythera, lagen de
honderd galeien bijeen. De tribuun wijdde één dag aan de inspectie der
vloot. Toen vertrok hij naar het eiland Naxos, het grootste van de
Cycladen, dat halverwege de kust van Griekenland en Azië als een rots in
zee omhoog rijst. Hier kon geen enkel voorbijzeilend schip aan zijn oog
ontsnappen, en kon hij tevens de zeeroovers dadelijk nazetten, hetzij
zij zich in de Egeïsche of in de Middellandsche zee vertoonden. Terwijl
de vloot in goede orde koers zette naar de rotsachtige oevers van het
eiland, kwam van het noorden een galei aanzeilen. Arrius ging haar te
gemoet. Zij kwam rechtstreeks van Byzantium, en haar bevelhebber kon hem
de bijzonderheden mededeelen, die hij noodig had te weten.

De zeeroovers waren allen geboortig van de verder gelegen kusten der
Zwarte zee. Zelfs Tanaïs was vertegenwoordigd. Met de grootste
geheimzinnigheid hadden zij hunne toebereidselen gemaakt. Onverwachts
hadden zij zich in den Tracischen Bosphorus vertoond, en de daar
liggende vloot verbrand. Vandaar tot aan de Hellespont waren alle
mogelijke schepen hun in handen gevallen. Hun eskader bestond uit zestig
goed bemande en goed uitgeruste galeien. De bevelhebber was een Griek.
Ook de loodsen, op al de Oostelijke zeeën goed bekend, waren Grieken.
Zij hadden ongeloofelijk veel buit behaald, zoodat niet alleen op zee,
maar ook in de steden angst en schrik heerschten. De handel stond bijna
geheel stil.

Waar bevonden de zeeroovers zich thans?

Op deze vraag, voor Arrius van het meeste gewicht, kreeg hij nu het
antwoord.

Nadat de vijand Hephestia op het eiland Lemnos geplunderd had, was hij
overgestoken naar de Thessalische eilanden en tusschen Euboea en Hellas
verdwenen.

Zoo luidde het bericht.

Door het zeldzaam schouwspel uitgelokt hadden de bewoners van het eiland
Naxos zich aan de kust verzameld en zagen zij Arrius' schoone vloot
eensklaps den steven noordwaarts wenden. Zij hadden het stout bestaan
der zeeroovers vernomen, en toen zij de witte zeilen naoogden grepen zij
moed. Wat Rome met sterke hand vasthield verdedigde zij ten allen tijde;
als tegengift voor de opgelegde schatting, gaf zij hare schatplichtigen
bescherming en veiligheid.

De tribuun was meer dan tevreden. De fortuin was hem gunstig. Zij had
hem niet alleen dadelijke en zekere inlichtingen verschaft, maar ook
zijne vijanden in een vaarwater gelokt, waar dood en verderf hen
wachtte. Hij wist welke schade een enkele galei op een zee als de
Middellandsche kon veroorzaken, en hoe bezwaarlijk zulk een galei te
achterhalen en aan te vallen was. Hij wist ook, dat juist die
omstandigheden zijn roem verhoogen zouden, indien het hem gelukte met
een enkelen slag de vijandelijke vloot te vernielen.

Als de lezer een kaart van Griekenland en de Egeïsche zee vóór zich
neemt, zal hij zien dat het eiland Euboea zich als een bolwerk tegen
Azië in de lengte langs de Grieksche kust uitstrekt, zoodat het kanaal
tusschen vasteland en eiland bij een lengte van honderdtwintig mijlen
nauwelijks acht breed is. De bocht in het noorden had eenmaal de vloot
van Xerxes geborgen, thans hadden de overmoedige zeeroovers er zich
genesteld. De steden langs den oever waren rijk en beloofden een
kostelijken buit. Alles wel beschouwd meende Arrius te ogen aannemen,
dat de roovers ergens ten zuiden van de Thermopylen zouden te vinden
zijn. In dat geval kon hij niet beter doen, dan hen in het noorden en
zuiden in te sluiten, maar dan ook zonder een minuut te verliezen. Hij
zette dus tot den meest mogelijken spoed aan, met het gevolg dat zij nog
vóór den nacht den berg Ocha in het gezicht kregen en de loods de kust
van Euboea meldde.

Op een gegeven teeken lieten de roeiers hunne riemen rusten. De tribuun
verdeelde de vloot in twee deelen, ieder van vijftig galeien. De eene
helft voerde hijzelf aan, om er het kanaal mede in te varen, terwijl de
andere bevel kreeg zoo snel mogelijk het eiland aan de zeezijde om te
varen en het kanaal aan den bovenkant in te sluiten.

't Is waar, geen van de afdeelingen had over zooveel mannen te beschikken
als de vijand; maar zij hadden toch iets op dezen voor, onder anderen de
strenge tucht, waaraan bij de bandeloozen troep, hoe onverschrokken ook,
niet gedacht kon worden. Voorts rekende de tribuun er op, dat, zoo bijgeval
de eene helft de nederlaag moest lijden, de andere den vijand in den rug
zou aanvallen en gemakkelijk overmeesteren kon.

Ben-Hur was op zijne plaats en werd iedere zes uur afgelost. De rust in
de baai van Antemona had hem goed gedaan, zoodat het roeien hem niet
vermoeide, en de hortator geen reden tot klagen had.

Over het algemeen waardeert de mensch veel te weinig het rustig gevoel,
dat hij smaakt, als hij een vast doel voor oogen heeft. Blindelings op
een onbekend punt af te gaan is verschrikkelijk. De gewoonte had bij
Ben-Hur dat gevoel slechts in slaap gesust, en dan nog maar ten deele.
Als hij zoo uur op uur, soms dagen en nachten achtereen, op de
onmetelijke wateren voortroeide, verlangde hij altijd te weten waar hij
was en waarheen hij ging; maar na zijn onderhoud met den tribuun was dat
verlangen veel levendiger, en nieuwe hoop bezielde hem. Het was hem als
hoorde hij ieder geluid op het schip; hij luisterde er naar, alsof het
zoovele stemmen waren, die hem iets kwamen vertellen. Hij zag naar het
traliewerk boven zijn hoofd, en staarde in het licht dat hem zoo schaars
werd toegemeten, verwachtende--hij wist zelf niet wat. Meer dan eens
voelde hij een onweerstaanbaren lust om den hortator iets toe te roepen,
wat natuurlijk ten strengste zou gestraft worden.

Gedurende zijn langen diensttijd had hij geleerd uit het spel der
zonnestralen af te leiden welken koers de galei nam. Die kennis was hem
te pas gekomen na hun vertrek van Cythera. Daar hij in de meening
verkeerde, dat zij in de richting van zijn vaderland zeilden, gaf hij
nauwkeurig acht op iedere afwijking. De plotselinge wending naar het
noorden deed hem smartelijk aan. De oorzaak kon hij in de verste verte
niet bevroeden; want evenmin als de andere roeiers kende hij het doel
der vaart en had daar ook niet het minste belang bij. Zijn plaats was op
de roeiersbank, en daar bleef hij, hetzij zij voor anker lagen, of onder
zeil waren. Eenmaal in deze drie jaren had hij het dek mogen betreden,
en dat was geweest, toen de tribuun hem ontboden had. Hij wist niet dat
zijn galei de aanvoerster was van een schoone, goed geordende vloot,
wier roeiers op hunne beurt even onwetend waren als hij.

Toen de zon haar laatste stralen in de kajuit wierp, ging het nog steeds
noordwaarts. Het werd nacht, en nog kon Ben-Hur geen verandering
bespeuren. Van het verdek drong een sterke wierookgeur tot hem door.

--De tribuun offert bij het altaar, dacht hij. Zouden wij misschien
slaags raken?

Hij luisterde scherp toe. Hij had reeds verscheidene zeeslagen mee
doorgemaakt, zonder er één gezien te hebben. Boven zijn hoofd had hij
den strijd hooren woeden, zoodat hij met ieder geluid vertrouwd was
geworden. Dus kende hij ook de verschillende toebereidselen voor den
slag, waarvan zoowel bij Romeinen als Grieken het offeren aan de goden
een der eerste was. De plechtigheid verschilde niet van die der
offerande bij een afvaart, en zoodra hij ze in volle zee bespeurde wist
hij waaraan zich te houden.

Een slag had voor hem en zijne mederoeiers een eigenaardig belang; een
nederlaag toch kon verandering brengen in hun toestand, hen misschien
wel bevrijden, in ieder geval andere meesters geven, die wellicht minder
zware diensten van hen zouden vorderen.

Op den gewonen tijd werden de lichten ontstoken en bij de trappen
opgehangen. De tribuun daalde van het verdek af. Op zijn bevel trokken
de mariniers hunne wapenrusting aan. De werktuigen werden nagezien,
speren, werpspietsen en pijlen werden in groote hoopen op den grond
gelegd, benevens kruiken met ontvlambare olie en manden vol katoenen
ballen. En toen Ben-Hur ten slotte zag, dat de tribuun zijn platform
besteeg, zijn wapenrok aantrok, zijn helm en schild gereed hield,
begreep hij goed geraden te hebben. Thans wachtte hem nog de zwaarste
vernedering van zijne dienstbaarheid.

Aan iedere roeiersplaats ging een ketting, van zware ringen voorzien.
Van nummer tot nummer gaande legde de hortator den roeiers ketenen aan
de voeten, zoodat zij in geval van tegenspoed geen kans van ontvluchten
hadden.

De ongelukkigen voelden de schande diep. Ben-Hur zeker het diepst. Wat
zou hij niet hebben willen doen, om dàt te kunnen ontgaan! Weldra meldde
hem het naderend gerinkel dat hij aan de beurt kwam,--zou de tribuun
misschien voor hem in de bres springen?

Men moge die gedachte aan ijdelheid toeschrijven, zeker is, dat zij hem
op eens in beslag nam. Hij geloofde, dat de Romein voor hem een
uitzondering zou maken, in ieder geval zou hij nu de ware gezindheid van
den tribuun leeren kennen. Als hij in dit gewichtig oogenblik aan den
armen slaaf dacht, zou Ben-Hur weten, dat de Romein hem boven zijn
lotgenooten stelde, zou hij weten dat zijne hoop hem niet bedrogen had.

Ben-Hur wachtte in de grootste spanning. Die paar minuten schenen hem
een eeuwigheid toe. Bij iederen riemslag keek hij naar den tribuun, die,
na zich gekleed te hebben, op zijn rustbank ging liggen om te slapen.
Toen Nummer 60 dat zag lachte hij bitter en besloot niet meer dien kant
uit te zien.

De hortator kwam naderbij. Nu was hij bij Ben-Hurs buurman--het rinkelen
der ketenen klonk hem afschuwelijker dan ooit in de ooren. Eindelijk N°.
60. Met de kalmte der wanhoop liet Ben-Hur de riem rusten en stak den
beambte zijn voet toe. Daar bewoog zich de tribuun--kwam overeind--wenkte
den hortator.

Het hart van den jongeling klopte tot berstens toe. De tribuun liet zijn
oog op hem rusten. Ben-Hur nam zijnen riem weder op, het was hem alsof
de geheele kajuit in een lichtglans baadde. Hij verstond geen woord van
wat gesproken werd; maar dat was ook niet noodig--de ketting bleef
hangen, de hortator keerde naar zijne plaats terug, en begon als altijd
de maat te slaan. Als muziek klonk hem dat geluid in de ooren, en hij
hanteerde zijn riem zoo flink, dat de hortator naar den tribuun ging en
glimlachend zeide: Welk een krachtsontwikkeling!--En welk een vuur!
antwoordde de tribuun. Bij alle goden! hij moet geen ketenen dragen, leg
ze hem nooit meer aan.--Toen hij dat gezegd had legde hij zich weder ter
ruste.

Zoo gingen eenige uren voorbij. Pijlsnel schoot de galei over het kalme
watervlak. Die niet aan het werk waren sliepen, Arrius op zijn platform,
de mariniers op den grond. Eenmaal, tweemaal werd Ben-Hur afgelost, maar
hij kon niet slapen. Drie jaren zwarte nacht en eindelijk een zonnestraal!
Een schipbreukeling en eensklaps land. In zulke oogenblikken vliedt de
slaap. Gedragen op de vleugelen der hoop vloog hij in zijne verbeelding
verre vooruit. Vergeten alle kommer en verdriet, have en goed terug-
gekregen, moeder en zuster weer bij hem--dat waren de hoofdgedachten, die
hem tot den gelukkigsten mensch maakten. Dat hij in pijlsnelle vaart
misschien dood en verderf te gemoet ging, had voor het oogenblik geen
vat op hem. Zijn blijdschap was zoo groot, zoo volkomen, dat in zijn
hart geen plaats meer was voor wraak. Messala, Gratus, Rome, en al de
bittere, martelende herinneringen aan die namen verbonden, waren hem als
de miasmen eener aarde, waaraan hij ontrukt was, waarboven hij vrij en
hoog in reiner sfeer zweefde.

In het geheimzinnige duister, dat het aanbreken der schemering
voorafgaat, liep op het verdek der Astrea een wachter met haastigen stap
naar het platform van den tribuun en wekte hem uit den slaap. Arrius
sprong op, gordde zijn zwaard aan, zette zijn helm op, nam zijn schild
en ging tot den hoofdman der mariniers.

--De zeeroovers zijn vlak bij. Op, ten strijde! zeide hij en ging
verder, kalm en vol vertrouwen, alsof hij niet twijfelde aan den uitslag.


       *       *       *       *       *


VIJFDE HOOFDSTUK.

DE ZEESLAG.


Allen aan boord van de galei ontwaakten. De hoofdmannen begaven zich op
hun post. De soldaten grepen naar de wapenen en werden op het verdek
gevoerd, waar bergen van pijlen en werpspietsen reeds gereed lagen.
Bij de middeltrap lagen de oliekruiken en vuurballen opgestapeld.
Verscheidene lantaarns werden ontstoken; vaten werden met water gevuld.
De afgeloste roeiers werden onder bewaking bij den hortator gebracht.
Ben-Hur was een van hen. Boven zijn hoofd hoorde hij de laatste
toebereidselen maken: het ophalen van het zeil, het uitspreiden van
netten, het bekleeden van het want met ossenhuiden. Weldra werd alles
weder stil, een stilte vol onbestemde, bange verwachting.

Op een teeken van het verdek, dat den hortator door een onderofficier
werd overgebracht, hielden de roeiers plotseling stil.

Wat beteekende dat?

Onder de honderdtwintig aan hunne banken geketende slaven was er zeker
geen, die zich die vraag niet deed. Niet uit vaderlandsliefde, eerzucht,
plichtgevoel, daar hadden zij mee afgedaan. Hulpeloos en blindelings
gingen zij in het gevaar, en die gedachte deed hen een oogenblik
sidderen. Wat ook gebeurde, het bracht hun geen voordeel: overwinnaars
--zij bleven wat zij waren; overwonnen--zinken of verbranden, zij moesten
het lot van hun schip deelen.

Het was hun niet vergund te vragen hoe de zaken daarbuiten stonden. En
wie was de vijand? Als het eens vrienden, broeders, landslieden waren?
De lezer zal begrijpen, dat de Romeinen wel gedwongen waren om bij zulke
gelegenheden hun rampzalige roeiers aan hunne zitplaatsen te kluisteren.

Thans echter hadden zij weinig tijd om aan zulke dingen te denken. Een
geluid als van roeiende galeien achter hen trok Ben-Hurs aandacht.
Zouden zij een vloot aanvoeren, die zich tot den aanval gereedmaakte?
vraagde hij zichzelven.

Een tweede sein kwam van het dek tot hem. De riemen gingen neer en de
galei zette zich nauwelijks merkbaar in beweging. Doodelijke stilte
daarbinnen, doodelijke stilte daarbuiten; toch zetten zich alle roeiers
instinctmatig schrap voor een mogelijken schok. Zelfs de galei scheen
den toestand te vatten, zij lag stil, alsof zij zich, een tijger gelijk,
tot den sprong voorbereidde.

In zulke oogenblikken heeft men geen begrip van tijd. Ben-Hur kon
onmogelijk nagaan hoe groot de afstand was, dien zij afgelegd hadden.
Eindelijk weerklonken op het verdek de trompetten, lang, vol, klaar. De
hortator sloeg de maat sneller en sneller; de roeiers roeiden met de
uiterste krachtinspanning. Met onvergelijkelijke snelheid schoot de
galei vooruit. Andere trompetten deden zich hooren--alle van achteren,
geen enkele van voren. Dáár vernam men slechts een verward gedruisch van
stemmen, een algemeen tumult. Plotseling deed zich een geweldige schok
voelen, de roeiers vóór het platform van den hortator wankelden, sommige
vielen. De galei schoot achteruit, hervatte zich, om zich dan weer met
onweerstaanbare kracht op den tegenstander te werpen. Een akelig
doordringend angstgeschrei deed zich hooren, het overstemde het
trompetgeschal en het geraas door de aanzeiling veroorzaakt. Ben-Hur
voelde dat hunne galei een andere vernielde, in den grond boorde. Zijne
makkers zagen elkander verschrikt aan. Een triomfkreet op het verdek--de
Romeinen hadden gezegevierd! Maar wie waren door de zee verzwolgen? Tot
welke natie, tot welk land behoorden zij?

Geen rust, geen oponthoud! Vooruit schoot de Astrea. Enkele soldaten
kwamen in haast naar beneden, drenkten de katoenballen met olie en
wierpen ze nog druipend aan hunne kameraden op de trappen toe. Alsof er
niet reeds verschrikkingen genoeg waren, zou er nu nog de woede des
vuurs aan toegevoegd worden.

Op eens helde de galei zoo sterk naar éénen kant over, dat de roeiers
slechts met moeite hun evenwicht bewaarden. Wederom de juichtonen der
Romeinen en de wanhopige angstkreten der overwonnenen. De groote
enterhaken aan den voorsteven hadden een vijandelijk schip gegrepen,
omhoog geheven, en neergesmakt in de golven.

Het krijgsgeschreeuw groeide steeds aan. Rechts, links, van voren, van
achteren, een oorverdovend rumoer. Nu en dan verkondigde een geweldig
kraken, gevolgd door hartverscheurend gekerm, dat wederom een schip
overzeil was en de opvarenden met de golven worstelden.

De Romeinen zagen echter aan hun kant ook menigeen vallen, die dan
bloedend, stervend naar beneden gedragen en op de grond neergelegd werd.
Ook begon de kajuit zich langzamerhand met rook te vullen en drong een
afgrijselijke stank van brandende voorwerpen naar beneden. Snakkend naar
adem begreep Ben-Hur, dat zij rakelings een brandende galei voorbijgingen,
wier vastgeketende roeiers mede in de vlammen moesten omkomen.

Intusschen was de Astrea aanhoudend in beweging gebleven. Eensklaps
echter stopte zij. De riemen werden den roeiers uit de handen geslagen,
zijzelven vielen van de banken. Op het verdek hoorde men een vervaarlijk
leven, vervolgens het slaags raken van twee schepen. Doodelijk
verschrikt zagen de roeiers rond, of er ook mogelijkheid van ontkomen
was. Te midden van de algemeene ontsteltenis werd een dood lichaam naar
beneden geworpen en kwam vlak bij Ben-Hur terecht. Het was een
blondgelokte barbaar uit het noorden; maar hoe kwam hij hier? Een
ijzeren vuist had hem van het vijandelijke schip gegrepen--neen, de
Astrea zelve moest in de handen der vijanden zijn! Vochten de Romeinen
dus op eigen bodem?

Het werd de jongen Jood koud om 't hart. Arrius was in gevaar--misschien
kampte hij op ditzelfde oogenblik om zijn leven. Indien hij gedood werd!
Dat verhoede de God van Abraham! Moest zijn nieuw ontloken hoop, moesten
zijn zoete droomen hoop en droomen blijven? Moeder, zuster, huis,
vaderland, zou hij ze dan toch nooit terugzien? Het tumult boven zijn
hoofd groeide aan, hij zag rondom zich--niets dan verwarring trof zijn
oog: de roeiers verlamd van schrik, soldaten niet wetende waar zich te
bergen. Alleen de hortator bleef onverschrokken op zijn post, sloeg,
hoewel tevergeefs, als naar gewoonte de maat, wachtend op de bevelen van
den tribuun--een illustratie van de onovertroffen discipline, die de
wereld had overwonnen.

Dat voorbeeld had een goede uitwerking op Ben-Hur. Hij trachtte zich te
beheerschen en na te denken. Eer en plicht deden den Romein op het
platform blijven, maar wat had hijzelf thans met zulke beweegredenen te
doen? De roeiersbank was hem een gruwel, en wie zou er winst bij hebben,
indien hij als slaaf omkwam? Voor hem was te leven een plicht. Zijn
leven behoorde moeder en zuster. Levendiger dan ooit verrezen zij voor
het oog zijns geestes. Hij zag hoe zij de armen naar hem uitstrekten,
hij hoorde naar smeeken. Ja, aan die roepstem moest en zou hij gehoor
geven. Hij sprong op,--maar stond weer stil. Helaas, een Romeinsch
vonnis hield hem gevangen. Zoolang dat niet herroepen was baatte hem
geen ontvluchten. In de wijde, wijde wereld was geen plekje, waar hij
veilig was, als de Keizer hem opeischte. Op het land noch op de zee kon
hij verborgen blijven, en wettige vrijheid had hij noodig, om in Judea
te kunnen wonen, en den kinderplicht te vervullen, waaraan hij al zijne
krachten wilde wijden. Hoe had hij gewacht en gehoopt op die vrijspraak,
hoe vurig om haar gebeden! En hoe lang had hij moeten wachten!
Eindelijk, eindelijk had zij hem toegelachen in de belofte van den
tribuun; want wat anders zou de groote man bedoeld hebben? Maar als zijn
weldoener nu moest vallen, wat dan? De dooden komen niet terug, om de
beloften, tijdens hun leven gedaan, te vervullen. Neen, Arrius mocht
niet sterven. En anders--beter met hem te vergaan, dan hem als
galeislaaf te overleven.

Nogmaals zag Ben-Hur rondom zich. Nog altijd woedde de strijd daarboven,
nog altijd waren de twee galeien handgemeen. De roeiers deden wanhopige
pogingen om aan hunne ketenen te ontkomen, en toen dat niet gelukte
hieven zij een akelig gehuil aan. De wachten waren niet te zien, er was
geen tucht meer. Ben-Hur bedacht zich niet langer, hij sprong op en
snelde weg, niet om te vluchten, maar om den tribuun te zoeken.

Halverwege de trap gekomen, hoog genoeg om een blik te kunnen werpen op
den door het vuur gekleurden hemel, de ronddrijvende wrakken, den strijd
aan boord, de talrijke aanvallers, de weinige verdedigers, voelde hij
plotseling de trap onder zijne voeten uiteenslaan, zoodat hij ruggelings
op den grond geworpen werd. Nog voordat hij zich op kon richten werd de
bodem van het vaartuig vaneengereten, de kokende, bruisende golven
stroomden naar binnen en verzwolgen allen.

Of de jongeling in dezen uitersten nood iets tot zijne redding kon
aanwenden valt te betwijfelen. Hoewel hij behalve zijn natuurlijke
sterkte bovendien nog de krachten bezat, welke de natuur voor zulke
buitengewone gevallen schijnt te bewaren, kon hij noch de eene, noch de
andere aanwenden, daar de duisternis en de woeling van het water hem
voor het oogenblik althans zijne bezinning ontroofden. Zelfs het
inhouden van zijn adem geschiedde onwillekeurig. De indringende golven
wierpen hem als een blok hout in de kajuit, waar hij verdronken zou
zijn, indien hij niet met het schip naar omhoog gerezen was. Toen hij
zich voelde opstijgen, sloeg hij instinctmatig de handen uit naar het
eerste het beste wat hij grijpen kon--een plank, waaraan hij zich met
alle macht vastklemde. De tijd, dien hij onder water doorbracht, scheen
hem oneindig langer toe, dan in werkelijkheid het geval was. Eindelijk
voelde hij lucht. Hij haalde diep adem, schudde zich het water uit de
oogen, werkte zich op de plank en wierp een blik in het rond.

Helaas, was hem de dood door verdrinking zeer nabij geweest, thans
waarde hij rondom hem in velerlei gedaanten.

De zee was bedekt door een half doorzichtbaren nevel van rook, hier en
daar verbroken door schitterende lichtbundels. Dat moesten brandende
schepen zijn. Nog woedde de strijd; maar wie zegevierde? Nu en dan
zeilden binnen zijnen gezichtskring schepen voorbij,--waren het
Romeinsche of vijandelijke? Verderop hoorde hij hoe vijandelijke
vaartuigen met elkander in botsing kwamen. Het dreigende gevaar was
echter dichterbij. Toen de Astrea zonk bevond zich, zooals wij weten, op
het verdek niet alleen haar eigen bemanning, maar ook die van de twee
galeien, die haar te gelijk hadden aangevallen en met haar naar de
diepte waren gegaan. Van die velen dreven verscheidene te zamen naar de
oppervlakte en zetten daar den strijd weer voort. Elkander vasthoudend
in doodelijke omarming, of ook wel met zwaard of spies de een den ander
onschadelijk trachtend te maken, hielden zij het water aanhoudend in
beweging. Maar dat niet alleen. Hij begreep heel goed, dat de eerste de
beste in staat zou zijn om hem dood te slaan ter wille van de plank die
hem vlot hield. Hij moest dus trachten zoo spoedig mogelijk weg te
komen.

Op eens hoorde hij riemslagen en zag hij een galei op zich afkomen. De
hooge voorsteven scheen hem dubbel hoog toe; de weerkaatsing van het
roode schijnsel op het verguldsel en beeldhouwwerk deed haar op een
reusachtige slang gelijken. Hij schoof de plank, zwaar en onhandelbaar
als zij was, met alle kracht voort. De tijd was kostbaar, een halve
seconde kon hem redding brengen, of in 't verderf storten.

Daar dook eensklaps binnen armslengte een helm uit de baren op,
vervolgens twee handen met uitgespreide vingers, groote sterke handen,
die wat zij eenmaal gegrepen hadden niet licht zouden loslaten. Ben-Hur
keerde zich verschrikt af. Nu kwam het geheele hoofd boven, vervolgens
de armen, die woest om zich heen sloegen. Het hoofd viel achterover,
zoodat het gelaat zichtbaar werd. De mond was wijd open, de oogen ook,
maar het licht scheen er uit geweken te zijn, een akelige bleekheid deed
vermoeden, dat de dood nabij was. Toch uitte Ben-Hur een kreet van
vreugde, en toen de drenkeling weder dreigde te verzinken greep hij de
ketting vast, die den helm onder de kin bevestigde, en trok hem naar
zich toe. Hij had in den bewustelooze Arrius den tribuun herkend.

Een tijdlang borrelde en schuimde het water geweldig, zoodat Ben-Hur
alle krachten moest inspannen, om zijn plank niet te verliezen en tevens
het hoofd van de Romein boven water te houden. De galei was voorbijgeroeid
zonder hen te raken. Dwars door zwemmende soldaten heen, over gehelmde en
ontbloote hoofden zette zij haren tocht voort. Een dof geraas, een luid
geschreeuw deed Ben-Hur omzien, en wat hij zag vervulde hem met een zekere
bevrediging: de Astrea was gewroken.

De strijd was nog niet beëindigd, maar de tegenstand veranderde in
algemeene vlucht. Wie hadden gezegevierd? Ben-Hur voelde dat zijne
vrijheid en het leven van den tribuun grootendeels daarvan afhingen.
Hij schoof den Romein de plank onder het lichaam, totdat zij hem droeg,
waarna hij alleen te zorgen had, dat zijn beschermling er niet afgleed.
Het was nu volkomen dag geworden. Links zag hij land, maar te ver
verwijderd om het te kunnen bereiken. Hier en daar dreven
schipbreukelingen als hij, en verkoolde of nog rookende wrakken.
Verderop dreef een verlaten galei, het zeil aan flarden gereten; nog
verder bewegelijke stippen, die, naar hij dacht, vluchtende of
achtervolgende schepen konden zijn.

Zoo ging een uur voorbij. Zijne bezorgdheid nam toe. Als niet spoedig
hulp opdaagde moest Arrius sterven. Gedurig vreesde Ben-Hur dat hij
reeds dood was, hij lag zoo stil. Hij deed hem den helm af, gespte toen
met groote moeite het harnas los, en bevond dat het hart nog klopte,
schoon zwak en onregelmatig. Dat gaf hem nieuwen moed om vol te houden.
Er was niets voor hem te doen dan te wachten, en naar de gewoonte zijns
volks te bidden.


       *       *       *       *       *


ZESDE HOOFDSTUK.

VRIJ.


Eindelijk sloeg Arrius tot groote vreugde van Ben-Hur de oogen op en
keerden de levensgeesten weder. Zoodra hij spreken kon en na eenige
vragen vernomen had door wien en hoe hij gered was, herinnerde hij zich
alles van den geleverden slag. Het onzekere van de overwinning en de
langdurige rust, indien hier van rust sprake kan zijn, deden het hunne
om hem geheel tot bezinning te brengen. Na een poosje werd hij zeer
spraakzaam.

--Ik zie, zeide hij, dat onze redding afhangt van den uitslag van den
strijd. Ik begrijp ook wat gij voor mij gedaan hebt. Gij hebt mij het
leven gered met gevaar voor uzelven. Dat erken ik gaarne, en wat ook
gebeuren moge, ik dank er u van harte voor. Als de fortuin mij gunstig
is en wij goed en wel dit gevaar te boven komen, zal ik u toonen hoe een
Romein van aanzien en macht zijn dankbaarheid bewijst. Maar het staat
nog te bezien, of gij mij, in weerwil van uw goede bedoeling, werkelijk
een dienst hebt bewezen. Daarom zou ik u de belofte willen afnemen, dat
gij mij, zoo noodig, de grootste weldaad bewijzen zult, die de een
mensch den ander bewijzen kan--wilt gij mij dat beloven?

--Als het niets ongeoorloofds is al ik het doen, antwoordde Ben-Hur.

Arrius bleef een oogenblik in gepeins verzonken.

--Zijt gij werkelijk een zoon van Hur, den Jood? vraagde hij op eens.

--Ja, heer.

--Ik heb uw vader gekend.

Juda kwam wat dichter bij den tribuun, daar diens stem nog zwak was. Hij
luisterde met gespannen aandacht, en meende niet anders, of hij zou nu
berichten van huis krijgen.

Ik kende hem, had hem lief, vervolgde Arrius.

Weder zweeg hij. Zijne gedachten schenen af te dwalen.

--Het is onmogelijk, begon hij weer, dat gij, zijn zoon, niet gehoord
zoudt hebben van Cato en Brutus. Dat waren groote mannen, en nooit
grooter, dan in de ure van hunnen dood. Stervende lieten zij deze wet
na. Een Romein mag zijn geluk niet overleven.--Luistert gij?

--Ik luister.

--De edelen van Rome zijn gewoon een ring te dragen. Zoo ook ik. Neem
hem van mijn vinger.

Hij stak Juda zijn hand toe, de jonkman voldeed aan zijn verzoek.

--Steek hem nu aan je eigen vinger.

Ben-Hur gehoorzaamde.

--Dat kleinood kan u van dienst zijn, vervolgde de tribuun. Ik bezit een
aanzienlijk vermogen. Zelfs in Rome ga ik voor rijk door. Ik heb geen
familie. Toon den ring aan mijn zaakwaarnemer, gij zult hem in een villa
bij Misenum vinden. Vertel hem hoe hij in uwe handen kwam en eisch van
hem zooveel gij verlangt, of alles; hij zal u niets weigeren. Blijf ik
leven, dan zal ik nog meer voor u doen. Ik zal u uwe vrijheid bezorgen
en u aan uw volk en familie teruggeven; of wel, gij kunt u de loopbaan
kiezen, die u het meest toelacht. Hebt gij mij begrepen?

--Volkomen.

--Welnu, beloof mij dan wat ik u vragen zal. Beloof het bij alle goden.

--Neen, edele tribuun, ik ben een Israëliet.

--Bij uw God dan, of doe het in den vorm, dien uwen geloofsgenooten de
heiligste is. Beloof mij, dat gij doen zult wat ik vragen zal. Ik wacht
uw antwoord. Beloof het mij.

--Edele Arrius, uwe woorden doen mij vermoeden, dat er iets zeer
gewichtigs zal volgen. Zeg mij eerst wat gij verlangt.

--Zult gij het mij dan beloven?

--Ik kan mij vooruit tot niets verbinden.--O tribuun, gezegend zij de
God mijner vaderen! daar komt een galei.

--Uit welken hoek?

--Uit het noorden.

--Kunt gij haar nationaliteit herkennen?

--Neen, ik heb altijd op de roeiersbank gezeten.

--Heeft zij een vlag in top?

--Ik kan er geen zien, het is nog te ver af.

Arrius zweeg eenige oogenblikken. Ten laatste vraagde hij: Houdt de
galei nog koers hierheen?

--Ja.

--Kunt gij nu de vlag onderscheiden?

--Zij heeft geen vlag.

--Een ander kenteeken soms?

--Een zeil. Het is een drieriemige galei, zij gaat zeer snel, dat is al
wat ik er van zeggen kan.

--Een Romeinsche galei zou, als zij overwinnaar was, verscheidene
vlaggen in top voeren. Dit moet dus een vijandelijke zijn. Luister nu
goed naar mij, terwijl het nog tijd is. Als die galei een zeeroover is
zijt gij veilig. Zij zullen u wel niet uwe vrijheid hergeven, u
waarschijnlijk weer op de roeiersbank zetten, maar zij zullen u niet
dooden. Ik daarentegen--

De tribuun aarzelde. Bij alle goden, zeide hij daarna op vasten toon, ik
ben te oud om het verlies van mijne eer te overleven. Laat men in Rome
vertellen hoe Quintus Arrius, omringd door vijanden, met zijn schip in
de diepte verzonk, zooals dat een Romeinschen tribuun betaamt. Hoor nu
wat ik van u verlang. Als de galei een vijandelijke is, stoot mij dan
van de plank in zee en verdrink mij. Hoort gij? Zweer mij dat gij het
doen zult.

--Dat zweer ik niet, zeide Ben-Hur beslist, en ik ben evenmin van zins
zulk een daad te bedrijven. De wet, waaraan ik onderworpen ben, stelt
mij aansprakelijk voor uw leven. Neem den ring terug,--hij trok hem van
zijn vinger,--neem hem terug,--met al uwe beloften. Het vonnis, dat mij
levenslang tot de galeien veroordeelde, heeft mij tot een slaaf gemaakt,
en toch ben ik geen slaaf. Maar ik ben evenmin uw vrijgelatene. Ik ben
een zoon van Israël, en op dit oogenblik mijn eigen meester. Neem den
ring terug.

Arrius verroerde zich niet.

--Gij weigert? vraagde Juda. Dan geef ik uw geschenk aan de zee, niet in
toorn, niet in drift; maar om mij zelven vrij te maken van een vreeselijke
verplichting.

Dit zeggende slingerde hij den ring verre van zich. Arrius hoorde hem
vallen en zinken, maar zag niet op.

--Gij hebt dwaselijk gehandeld, zeide hij, zeer dwaas. Ik kan immers ook
zonder uwe hulp sterven, en als ik dat doe, wat zal er dan van u worden?
Die besloten heeft in den dood te gaan, sterft liever door de hand van
een ander, om de eenvoudige reden, dat de ziel, welke wij volgens Plato
bezitten, in opstand komt tegen zelfvernietiging; dat is alles. Als de
galei een zeeroover is verlaat ik deze wereld. Mijn besluit staat vast.
Ik ben een Romein. Goed, geluk en eer gaan boven alles. Toch zou ik
gaarne van dienst zijn geweest; maar gij hebt niet gewild. De ring was
in dit geval het eenige, dat mijn laatsten wil staven kon. Wij zijn
beiden verloren. Ik zal sterven, het betreurende dat de overwinning en
de roem mij ontgaan zijn. Gij zult nog een poosje leven, om dan eveneens
te sterven, met berouw in 't hart, omdat gij door deze dwaasheid uwe
kinderplichten ongedaan hebt moeten laten. Ik beklaag u.

Ben-Hur begreep de gevolgen van zijne daad beter dan te voren. Toch
berouwde zij hem niet.

--In de drie jaren van mijne dienstbaarheid, o tribuun, waart gij de
eerste die mij vriendelijkheid bewees.--Neen, neen, er was nog een
ander!

Zijne oogen werden vochtig, want op eenmaal stond het beeld hem voor den
geest van den jongen man, die hem bij de bron te Nazareth te drinken had
gegeven.

--Maar, vervolgde hij, gij waart de eerste, die mij gevraagd heeft wie
ik was; en al heb ik er ook, toen ik u uit de golven omhooghief, aan
gedacht, dat gij mij uit mijne ellende kondt verlossen, toch redde ik u
niet uit zelfzucht. Ik hoop dat gij mij zult willen gelooven.
Daarenboven doet God mij thans duidelijk inzien, dat het doel waarnaar
ik streef alleen langs wettigen weg te bereiken is. Ik wil liever met u
sterven, dan uw dood op mijn geweten hebben. Ik ben even vastbesloten
als gij. Al boodt gij mij geheel Rome, o tribuun, en al stond het in uwe
macht dat aanbod tot werkelijkheid te maken, ik zou u toch niet dooden.
Uw Cato en Brutus waren kinderen, vergeleken met den Hebreër, wiens
wetten een Jood gehoorzamen moet.

--Maar mijn verzoek. Hebt....

--Zelfs al beveelt gij mij u te dooden, ik zal u niet gehoorzamen.

Beiden zwegen en wachtten.

Ben-Hur zag gedurig naar de naderende galei. Arrius lag met gesloten
oogen, schijnbaar onverschillig.

--Zijt gij er zeker van dat het een vijandelijke galei is? vraagde
Ben-Hur.

--Ik vermoed het, luidde het antwoord.

--Zij houdt stil en zet een boot uit.

--Kunt gij nu de vlag zien?

--Is er geen ander teeken, waaraan men een Romeinsche galei herkennen
kan?

--Jawel, de Romeinschen voeren een helm op den top van den mast.

--Dan kan ik u gelukwenschen. Ik zie den helm.

Nog was Arrius er niet gerust op.

--De mannen in het bootje nemen schipbreukelingen op. Zeeroovers zullen
wel niet zoo medelijdend zijn.

--Misschien hebben zij roeiers noodig, antwoordde Arrius, waarschijnlijk
denkende aan de keeren, toen hij met hetzelfde doel drenkelingen
opgevischt had.

Ben-Hur volgde de bewegingen van het vreemde schip met de grootste
nauwlettendheid.

--De galei gaat verder, zeide hij.

--Waarheen?

--Rechts van ons drijft een galei, waarschijnlijk is zij verlaten. Daar
gaat de andere op af. Nu legt zij aan. Nu gaan eenige mannen aan boord.

Thans deed Arrius zijn oogen open en keek met aandacht naar de galei.
Dank uwen God, zeide hij een oogenblik later, dank uwen God, zooals ik
mijne goden dank. Een zeeroover zou dat schip doen zinken, niet redden.
Daardoor, en door den helm op den mast, weet ik dat het een Romeinsche
galei is. De zege is mijn. De Fortuin heeft mij niet verlaten. Wij zijn
gered. Wuif met de hand, roep hen, gauw! Ik word duumvir, en gij! Ik heb
uw vader gekend en had hem lief. Hij was een vorst in den vollen zin des
woords. Hij heeft mij geleerd, dat een Jood geen barbaar is. Ik zal u
met mij nemen. Ik zal u als mijn zoon aannemen. Dank uwen God en roep de
matrozen. Gauw! De vervolging moet voortgezet worden. Geen van de
roovers mag ontsnappen.

Juda richtte zich op, wuifde met de hand en riep zoo hard hij kon de
matrozen aan. Eindelijk gelukte het hem hunne aandacht te trekken. Zij
roeiden op hem toe en namen de beide schipbreukelingen op.

Arrius werd met alle mogelijke eerbewijzen op de galei ontvangen. Hij
liet zich den afloop van het gevecht tot in de kleinste bijzonderheden
verhalen. Nadat men alle nog levende drenkelingen gered en den buit
geborgen had, liet hij opnieuw de commandantsvlag ontplooien en spoedde
zich noordwaarts, om zich bij de vloot te voegen en de overwinning
volkomen te maken. Volgens zijne berekening kwamen de vijftig schepen
het kanaal van de noordzijde juist bijtijds inzeilen, en sneden de
vluchtelingen den pas af, zoodat geen enkele ontkwam. Twintig
vijandelijke galeien werden als buit medegevoerd, hetgeen den roem des
overwinnaars niet weinig verhoogde.

Bij zijne terugkomst te Misenum werd Arrius met de grootste geestdrift
ontvangen. De hem vergezellende jonkman maakte weldra de nieuwsgierigheid
van Arrius' vrienden gaande. Op hunne vragen wie hij was, vertelde de
tribuun in warme bewoordingen hoe hij aan dien jongeling zijn leven te
danken had, maar vermeed zorgvuldig zijn vroegere geschiedenis aan te
roeren. Toen hij zijn verhaal geëindigd had riep hij Ben-Hur tot zich,
vatte hem bij de hand en zeide: Lieve vrienden, dit is mijn zoon en
erfgenaam, en daar hij eenmaal al het mijne zijn eigendom zal noemen,
zal hij van nu af mijn naam dragen. Ik verzoek u allen hem in uwe
vriendschap te doen deelen.

Zoodra het den tribuun mogelijk was had de aanneming tot zoon geheel
volgens de wet plaats. Zoo betoonde de Romein zijne dankbaarheid aan
Ben-Hur en verschafte hem den toegang tot de hoogere Romeinsche kringen.
Een maand na Arrius' terugkomst werd zijne overwinning op de zeeroovers
glansrijk gevierd in het theater van Scaurus. De eene zijde van het
gebouw was versierd met militaire tropeeën, waaronder de voorstevens der
twintig vijandelijke galeien niet het minst de aandacht trokken.
Daarboven stond in gulden letters geschreven: Veroverd op de zeeroovers
in de golf van Euripus, door Quintus Arrius Duumvir.


       *       *       *       *       *


BOEK IV.


       *       *       *       *       *


EERSTE HOOFDSTUK.

VIJF JAREN LATER.


Wij zijn in de maand Juli van het jaar onzes Heeren 28, en wel in
Antiochië, de koningin van het Oosten, en na Rome de machtigste, zoo
niet de volkrijkste stad der wereld. Dat de buitensporige weelde en
zedeloosheid van dien tijd zich van uit Rome over het geheele rijk
verspreidden mag in twijfel getrokken worden. Die zich de moeite
getroosten wil van alles nauwkeurig te onderzoeken zal tot het besluit
komen, dat de zedenbedervende strooming van het Oosten uitging naar het
Westen, met name van Antiochië, een der oudste zetels van Assyrische
macht en prachtlievendheid.

Een transportgalei liep, uit zee komende, den mond van den Orontes in.
Het was voormiddag. De hitte was groot, toch waren alle reizigers op het
dek, daaronder ook Ben-Hur.

De vijf jaren, die sedert zijne bevrijding verloopen zijn, hebben den
jongen Jood tot een krachtig man ontwikkeld. In een ruim wit kleed
gehuld zag hij er zeer innemend uit. Reeds meer dan een uur had hij
rustig in de schaduw van het zeil gezeten, en in dat uur hadden
verscheidene reizigers, tot zijn eigen volk behoorende, een gesprek met
hem trachten aan te knoopen, maar zonder te slagen. Hunne vragen had hij
kort, schoon zeer beleefd, in de latijnsche taal beantwoord. Zijn
beschaafde manier van spreken, zijn waardige houding, zijn
teruggetrokkenheid schenen hunne nieuwsgierigheid in hooge mate te
prikkelen. Daarenboven was in de uitdrukking van zijn gelaat iets dat
den nauwlettenden beschouwer deed zeggen: die man heeft een verleden
achter zich.

De galei had in een der havens van Cyrus een Hebreër opgenomen van zeer
fatsoenlijk, eerwaardig voorkomen. Ben-Hur voelde zich tot den man
getrokken en deed hem een paar vragen. De antwoorden wonnen zijn
vertrouwen, en leidden weldra tot een uitvoerig gesprek.

Toen de galei van Cyprus afgevaren was achterhaalde zij twee andere
vaartuigen, die eveneens de rivier opvoeren en zoodra zij in elkanders
buurt waren tal van gele vlaggetjes heeschen. Iedereen wilde weten wat
die vlaggetjes beduidden, maar niemand kon er een verklaring van geven,
totdat een der reizigers den eerbiedwaardigen Hebreër om inlichting
vraagde.

--Die vlaggetjes, antwoordde hij, dienen niet om de nationaliteit
kenbaar te maken. Zij zijn eenvoudig het kenteeken van den eigenaar.

--Heeft die dan zoovele schepen?

--Ja.

--Kent gij hem?

--Ik heb handel met hem gedreven.

De passagiers zagen den grijsaard vragend aan, als om hem tot vertellen
te noodigen. Ben-Hur luisterde met belangstelling.

--Hij woont in Antiochië, vervolgde de Hebreër. Daar hij schatrijk is
heeft men natuurlijk de oogen op hem gevestigd; maar men spreekt niet
altijd welwillend over hem. Er heeft namelijk vroeger in Jeruzalem een
vorst gewoond uit het aloude geslacht Hur.

Juda deed zijn best om kalm te blijven, maar zijn hart begon sneller te
kloppen.

--Die vorst, ging de verhaler voort, was koopman en had een zeldzaam
scherpen blik op de zaken. Hij zette belangrijke ondernemingen op touw,
in 't Oosten zoowel als in 't Westen. In de groote steden vestigde hij
bijkantoren. Dat in Antiochië werd beheerd door een zekeren Simonides,
die in weerwil van zijn Griekschen naam toch een Israëliet was. De vorst
verongelukte op zee. De zaken werden echter voortgezet en waarlijk met
niet minder goed gevolg. Na een paar jaren werd het gezin van den vorst
door een zwaren slag getroffen. Zijn eenige zoon trachtte den procurator
Gratus te dooden in de straten van Jeruzalem. De aanslag mislukte en
sedert is hij verdwenen.

De Romein wreekte zich op het geheele gezin. Niemand werd gespaard. Het
paleis werd verzegeld, op de goederen, ja, op alles wat het huis Hur
toebehoorde, werd beslag gelegd. De procurator heelde zijne wond met een
gouden pleister.

De passagiers lachten.

--Gij wilt zeggen dat hij het vermogen voor zich hield, zeide een van
hen.

--Zoo zegt men, antwoordde de Hebreër. Ik deel u het verhaal mede zooals
het mij gedaan is. Simonides dan, die hier in Antiochië de agent van den
vorst was, begon niet lang daarna handel te drijven voor eigen rekening
en werd binnen ongeloofelijk korten tijd een der aanzienlijkste
handelaren van de stad. In navolging van zijn heer zond hij karavanen
naar Indië, en thans bezit hij genoeg galeien voor een koninklijke
vloot. Men zegt dat niets hem ooit mislukt. Zijn kameelen sterven niet
anders, dan door ouderdom. Zijn schepen gaan nooit te gronde. Werpt hij
een stuk hout in zee, het keert als goud tot hem terug.

--Hoe lang drijft hij handel voor zichzelf?

--Nog niet volle tien jaren.

--Dan moet hij met een aardigen duit op zak begonnen zijn.

--Ja, men zegt dat de procurator zich alleen maar van 's vorsten
bezittingen kon toeëigenen wat voorhanden was: zijn paarden, vee,
huizen, land, schepen, en de opgestapelde goederen. Baar geld was echter
nergens te vinden, hoewel er onnoemelijke sommen moeten geweest zijn.
Wat daarvan geworden is bleef een onopgelost raadsel.

--Niet voor mij, zeide een der reizigers met een grijnslach.

--Ik begrijp wat gij bedoelt, antwoordde de Hebreër. Anderen koesterden
dezelfde gedachte. Dat de oude Simonides er zichzelven mee in de hoogte
gewerkt heeft, wordt algemeen geloofd. De procurator was ook van dat
gevoelen. Tweemaal in vijf jaren heeft hij den koopman gevangengenomen
en op de pijnbank gelegd.

Juda's hand klemde zich krampachtig om het touw, waartegen hij leunde.

--Men zegt, ging de grijsaard voort, dat zij den armen man letterlijk
geradbraakt hebben. De laatste maal, dat ik hem zag, zat hij in een
stoel in kussens weggedoken, als een vormlooze klomp.

--Hoe vreeselijk! riepen sommige toehoorders.

--Ja, wel vreeselijk. Ziekte kon zulk een misvorming niet teweeggebracht
hebben. De pijnbank heeft echter niets op hem vermocht. Alles wat hij
bezat was wettig het zijne, en hij maakte er een wettig gebruik van.
Meer kon men niet uit hem krijgen. Tegenwoordig is hij gelukkig van alle
vervolging ontheven. Hij heeft een verlofbrief om handel te drijven,
door Tiberius zelf onderteekend.

--Daar zal hij het noodige voor hebben moeten neertellen, riep een der
omstanders.

--Die schepen zijn van hem, zeide de Hebreër, de opmerking latende voor
wat hij was. Zijne matrozen hebben de gewoonte elkander met het
uitsteken van gele vlaggetjes te begroeten, hetgeen zooveel wil zeggen
als: Onze reis is voorspoedig geweest.

Hier eindigde het verhaal. Toen Juda een weinig later den Hebreër alleen
vond vraagde hij: Hoe heette de principaal van dien koopman?

--Ben-Hur; vorst van Jeruzalem.

--Wat is er geworden van zijne familie?

--De zoon werd naar de galeien gezonden. Ik veronderstel dat hij dood
is. Langer dan een jaar houden de galeislaven het zelden uit. Van de
weduwe en hare dochter heeft men sedert niets meer gehoord. Zij, die er
meer van weten, willen er zich niet over uitlaten. Waarschijnlijk hebben
zij haar leven beëindigd in een cel van een der Romeinsche burchten van
Judea.

Juda wandelde naar de voorplecht, zóó in gedachten verzonken, dat hij
nauwelijks acht gaf op de oevers der rivier, die op dit punt bijzonder
liefelijk waren en omzoomd met weelderige tuinen en sierlijke
landhuizen. De gansche omgeving baadde in zonneschijn, alleen op zijn
leven rustte een schaduw.

Eenmaal slechts waakte hij op uit zijne gepeinzen, en dat was, toen door
een kromming van de rivier het Park van Daphne zichtbaar werd.


       *       *       *       *       *


TWEEDE HOOFDSTUK.

TE ANTIOCHIË.


Toen men de stad in 't gezicht kreeg waren de passagiers op het dek
bijeengekomen, om van hare schoone ligging te genieten. De bejaarde Jood
gaf ook nu weder de gewenschte inlichtingen.

--De rivier keert zich hier naar het Westen, zeide hij. Ik herinner mij
nog dat het water de wallen bespoelde; maar als Romeinsche onderdanen
hebben wij in vrede geleefd, zoodat de handel in bloei toenam, en als
een natuurlijk gevolg overal langs de rivier werven en dokken werden
aangelegd. Ginds in het Zuiden ziet gij den berg Casius, of zooals men
hier zegt, den Orontesberg, en daar tegenover in het Noorden den Amnus.
Tusschen die beiden ligt de vlakte van Antiochië. Die bergen verderop
zijn de Zwarte bergen, vanwaar de groote waterleiding het zuiverste
water naar de stad voert, om de dorstige menschen te laven en de
stoffige straten te besproeien. Het gebergte is met dichte bosschen
bezet, die een rijke dierenwereld huisvesten.

--Waar is het meer? vraagde een van de reizigers.

--Ginds, in het Noorden. Men kan er te paard heengaan, of beter nog met
een bootje; want het staat door een zijstroom met de rivier in
verbinding.--Waar het Park van Daphne op lijkt? zeide hij, als antwoord
op de vraag van een tweede. Dat kan niemand beschrijven; maar pas op.
Apollo heeft het aangelegd en voltooid. Hijzelf geeft er de voorkeur aan
boven den Olymp. Men gaat er heen om er een blik te werpen, slechts één,
en men kan het niet weder verlaten. De Antiochiërs hebben een spreekwijze,
die veelzeggend is: beter een worm te zijn en moerbeibladeren te eten in
Daphne's Park, dan gast aan 's konings tafel.

--Raadt gij mij dus er niet heen te gaan?

--Niet ik. Gij zult gaan. Iedereen gaat, cynische philosofen,
baardelooze knapen, vrouwen, priesters, allen gaan. Zoo zeker ben ik dat
gij gaan zult, dat ik u een raad wil geven. Neem geen logies in de stad,
dat is tijdverlies; maar ga in eens naar het dorp, vlak bij het Park
gelegen. De weg daarheen leidt door een tuin vol frissche fonteinen.
Maar let nu eens op den stadsmuur, dat meesterstuk van Heraeus, den
grooten bouwkundige.

Aller oogen volgden de aanwijzing van zijn vinger.

--Dit gedeelte werd gebouwd door den eersten der Seleuciden. De 300
jaren van zijn bestaan hebben het één gemaakt met de rots, waarop het
staat.

Het werk rechtvaardigde de lofspraak. Hoog, stevig en met tal van steile
invalshoeken, boog de muur zuidwaarts, zoodat men hem niet langer volgen
kon.

--De muur heeft vierhonderd torens, alle waterreservoirs, vervolgde de
Hebreër. Kijk, over den muur heen, zoo hoog als hij is, kunt gij in de
verte twee bergen zien, dat zijn de twee toppen van den Sulpius. Het
gebouw op den verst verwijderden top is de citadel, jaar in jaar uit
bezet door een Romeinsch legioen. Daar tegenover verrijst de tempel van
Jupiter, en daaronder het paleis van den legaat, een onneembare vesting.

Op dit oogenblik begonnen de matrozen het zeil te bergen.

--Het uur van scheiden is gekomen, zeide de grijsaard. Bij gindsche
brug, die naar Seleucia voert, eindigt de vaart. Wat het schip ontlaadt
voor verder vervoer neemt de kameel op. Wat is de stad gunstig gelegen,
niet waar? Van haar behoef ik niet anders te zeggen, dan dat ieder, die
het voorrecht had van haar te bezoeken, zich gelukkig mag noemen haar
gezien te hebben.

Hij zweeg, want de galei wendde den steven langzaam naar haar
aanlegplaats onder den muur. Touwen werden uitgeworpen, de riemen werden
ingehaald, de reis was beëindigd.

Voordat Ben-Hur het vaartuig verliet zocht hij nog eenmaal den
eerwaardigen Hebreër op.

--Mag ik u nog even iets vragen, voordat ik u vaarwel zeg?

De man boog toestemmend.

--Wat gij ons van dien koopman hebt medegedeeld heeft mij begeerig
gemaakt om hem te zien. Zeidet gij niet dat hij Simonides heet?

--Ja; hij is een Jood met een Griekschen naam.

--Waar kan ik hem vinden?

De vreemdeling keek hem scherp aan. Toen antwoordde hij: Ik moet u eene
teleurstelling besparen. Hij is geen geldschieter.

--Evenmin als ik een geldleener ben, zeide Ben-Hur lachend.

De grijsaard hief het hoofd op en dacht een oogenblik na.

--Iedereen zou het natuurlijk vinden, zeide hij, zoo de rijkste koopman
van Antiochië een huis bewoonde volgens zijn stand; maar hier zou men
zich toch vergissen. Wilt gij hem een bezoek brengen, volg dan de rivier
tot aan de brug. Daaronder woont hij in een gebouw, dat er uitziet als
een stutbalk van den muur. Voor de deur is een breede aanlegplaats,
altijd vol van goederen, die pas gelost zijn, of ingescheept moeten
worden. De daar voor anker liggende schepen behooren hem toe. Gij zult
het gemakkelijk vinden.

--Ik dank u.

--De vrede onzer vaderen zij met u.

--En met u.

Zoo scheidden zij.

Twee lastdragers namen Ben-Hurs bagage op en vraagden zijne bevelen.

--Naar de citadel, beval hij, waaruit men kon opmaken, dat hij een
militaire betrekking vervulde.

Twee groote straten, die elkander met een rechten hoek doorsneden,
verdeelden de stad in vieren. Aan het einde van de eene straat verhief
zich een vreemdsoortig gebouw, het Nymphaeum genaamd. Toen de dragers,
daar gekomen, den hoek omsloegen, was Ben-Hur, ofschoon hij regelrecht
van Rome kwam, verbaasd over de pracht, die zich voor zijne oogen
ontvouwde. Rechts en links niets dan paleizen, terwijl de straat
daartusschen van overdekte marmeren zuilengangen voorzien was, zoodat er
afzonderlijke wegen voor voetgangers, vee, en wagens waren. Op bepaalde
afstanden brachten ruischende springfonteinen koelte en verfrissching
aan.

Ben-Hur was niet in de stemming om van het schoone te genieten. De
geschiedenis van Simonides vervolgde hem. Bij den Omphalus gekomen, een
monument van vier bogen, die de straat overspanden, prachtig versierd,
en opgericht door Epiphanes, den achtste der Seleuciden, veranderde hij
plotseling van gedachte.

--Ik zal van avond niet naar de citadel gaan, zeide hij tot de dragers.
Breng mij naar een herberg, zoo dicht mogelijk bij de brug, die naar
Seleucia voert.

De mannen sloegen den weg derwaarts in, en brachten hem weldra bij een
eenvoudig maar ruim gebouw, vlak bij de brug waaronder Simonides woonde.
Hij bracht den nacht op het platte dak door. Telkens en telkens
herhaalde hij bij zichzelven: Eindelijk zal ik dan van huis hooren, van
moeder en mijn lieve kleine Tirza. Als zij nog leven zal ik ze vinden.


       *       *       *       *       *


DERDE HOOFDSTUK.

TELEURGESTELD.


Den volgenden morgen vroeg maakte Ben-Hur zich op, om naar Simonides te
gaan. Een van schietgaten voorziene poort aan het einde der stad voerde
naar een gansche reeks van werven. Door een dichte, bedrijvige menigte
heen bereikte hij de brug, waar hij even staan bleef, om het voor hem
zeldzaam schouwspel in oogenschouw te nemen.

Ja, dàt moest het huis van den koopman zijn, een grijs gebouw, geheel
stijlloos, precies een stutbalk van den muur, alles zooals de reiziger
gezegd had. Twee zware groote deuren verleenden toegang tot de werf. Een
paar getraliede vierkante openingen deden dienst als vensters. In de
voegen en spleten woekerde allerlei soort van onkruid en op sommige
plaatsen waren de overigens kale steenen met mos bewassen.

De deuren stonden open. Door de eene ging men in, door de andere uit.
Drukte en haast spraken uit ieders bewegingen. Op de werf lagen allerlei
soorten van goederen opgestapeld, en tal van halfnaakte slaven liepen af
en aan. Onder de brug lag een gansche vloot van galeien ten anker,
sommige bezig met laden, andere met lossen. Van elken mast woei een gele
vlag.

Niet lang bleef Ben-Hur daar staan. Zijn verlangen dreef hem verder.
Eindelijk zou hij bericht van de zijnen kunnen krijgen, indien namelijk
Simonides werkelijk in zijn vaders dienst geweest was. Maar zou de man
hem als den zoon van zijnen heer willen erkennen? Wat toch sloot dat in?
Afstand doen van zijne rijkdommen en van zijn stand, en weder tot den
staat van dienstbaarheid terugkeeren. Was het niet een dwaasheid tot
zulk een man te gaan met de eisch: Gij zijt mijn slaaf, geef mij al wat
gij hebt en--uzelf?

Het bewustzijn van zijn goed recht en de hoop op tijding van huis gaven
Ben-Hur de kracht om zijn plan te volvoeren. Als het verhaal waar was,
behoorde Simonides met al wat hij had hem toe. Om het geld gaf hij, dat
moet gezegd worden, niets. Toen hij vastbesloten op de deur toetrad,
legde hij bij zichzelven de gelofte af: Laat hij mij zeggen waar moeder
en Tirza zijn, en ik geef hem onvoorwaardelijk zijne vrijheid terug.

Met opgeheven hoofd trad hij binnen. Allereerst kwam hij in een ruim
pakhuis, waar in volmaakte orde allerlei soorten van goederen
opgestapeld lagen. Hoewel het er vrij duister en bedompt was, gingen
sjouwers onophoudelijk af en aan, terwijl andere werklieden, van zaag en
hamer voorzien, pakkisten ter verzending gereedmaakten. Langzaam liep
hij tusschen de pakken door en vraagde zichzelven af, of de man, van
wiens genie hier de overtuigende bewijzen waren, zijn vaders slaaf kon
geweest zijn. Indien het antwoord toestemmend was, tot welke klasse had
hij dan behoord? Zou hij, aangenomen dat hij een Jood was, de zoon van
een lijfeigene geweest zijn? Of was hij een schuldenaar, of de zoon van
een schuldenaar? Of was hij een dief en voor diefstal verkocht geworden?
Deze overleggingen deden in het minst geen afbreuk aan de achting en
bewondering, die hij bij al wat hij aanschouwde voor den handelaar ging
gevoelen.

Eindelijk hield een man hem staande en sprak hem aan.

--Wat is er van uw verlangen?

--Ik wenschte den handelaar Simonides te spreken.

--Wil mij dan volgen.

De man voerde hem het geheele pakhuis door tot aan een smalle trap.
Boven gekomen bemerkte Ben-Hur, dat hij op het dak van het pakhuis
stond. Vóór hem verrees een gebouwtje, van de kade onzichtbaar, een huis
dus boven op een huis, en dat naast de brug onder den vrijen hemel
verhief. Het dak, waarop hij stond, was door een lagen muur omgeven, en
geleek wel een tuin door de keur van bloemen en gewassen, die er welig
tierden. In die liefelijken omgeving maakte het vierkant steenen gebouw,
welks muren, behalve door de voordeur, door geen enkelen opening
onderbroken werden, een zonderlingen indruk. Een net onderhouden pad
leidde tusschen bloeiende rozestruiken naar de deur. Den zoeten geur
opsnuivend volgde Ben-Hur zijn leidsman naar binnen. Aan het einde van
een donkere gang gekomen, hield deze stil voor een half opengeschoven
gordijn.

--Een vreemdeling, die den patroon wenscht ter spreken, riep de man, om
onzen reiziger aan te dienen.

Een heldere stem antwoordde: Laat hem binnenkomen.

Een Romein zou het vertrek, waarin Ben-Hur thans kwam, zijn atrium
genoemd hebben. De wanden waren in paneelen verdeeld, die op hunne beurt
tot een soort van kantoorlessenaars waren ingericht en vol lagen met
dikke rollen: de kasboeken van den koopman. Tusschen en rondom de
paneelen waren prachtig gebeeldhouwde, roomkleurige plinten aangebracht.
Boven een rand van vergulde ballen rees de zoldering koepelvormig
omhoog. Het bovengedeelte van den koepel was met honderde pannen van
violetkleurig mica belegd, waardoor het licht liefelijk getemperd naar
binnen viel. Op den vloer lag een zoo dik tapijt, dat het geluid van
voetstappen er zich geheel in verloor.

In het midden der kamer bevonden zich twee personen, een man, half
weggedoken in de kussens van een gemakkelijken leunstoel, en een
bevallig jong meisje. Toen hij hen zag vloog Ben-Hur het bloed naar 't
hoofd. Hij groette hen met een beleefde buiging, maar daardoor ontging
hem, dat de grijsaard, toen hij hem aankeek, zichtbaar ontsteld zijne
handen omhooghief.

Toen Ben-Hur de oogen weer opsloeg vond hij vader en dochter in dezelfde
houding, behalve dat de hand van het meisje thans op den schouder van
den ouden man rustte. Beiden zagen hem onderzoekend aan.

--Indien ik in u Simonides den koopman, den Jood, mag begroeten, dan zij
de vrede van den God onzes vaders Abraham met u en de uwen.

--Ik ben Simonides, van wien gij spreekt, van geboorte een Jood,
antwoordde de man met een bijzonder klankrijke stem, en ik wensch u
eveneens dien vrede toe, u tevens verzoekende mij te willen meedeelen
met wien ik spreek.

Ben-Hur had intusschen den man nauwlettend aangezien. Ach ja, het was
zooals zijn medepassagier hem gezegd had. Simonides, die op een forsche
kloeke gestalte had kunnen bogen, zat thans als een vormlooze massa in
de kussens weggezonken. Een zijden deken bedekte zijn misvormde
ledematen. Alleen het edelgevormde hoofd deed vermoeden wat hij eenmaal
geweest moest zijn. Witte lokken en witte wenkbrauwen verhoogden den
gloed der donkere oogen. Het gelaat was geheel kleurloos en met vele
rimpels doorploegd. Het was het gelaat van een man, die eer de wereld in
beweging zou brengen, dan door haar in beweging gebracht worden; een
man, die eer zijn leven dan een voornemen of een levensdoel zou
opofferen; een man van staal, alleen te treffen in wat hij liefhad.

--Ik ben Juda, de zoon van Ithamar, in zijn leven het hoofd van het
geslacht Hur, en vorst van Jeruzalem. Dit zeggende stak hij den oude
beide handen toe.

De rechterhand van den koopman, een uitgeteerde, misvormde hand, die op
de deken rustte, sloot zich krampachtig; overigens bleef hij volkomen
bedaard en gaf niet het minste teeken van verbazing of belangstelling.
Kalm antwoordde hij: De geboren vorsten van Jeruzalem zijn altijd welkom
in mijn huis. Gij zijt welkom. Esther, geef den jonkman een stoel.

Het meisje gehoorzaamde en schoof een zetel aan, zeggende: De vrede van
onzen God zij met u; ga zitten en rust.

Ben-Hur maakte geen gebruik van den zetel; maar zeide op beleefden toon:
Ik hoop dat de waardige Simonides mij niet voor een indringer zal
aanzien. Gisteren naar Antiochië reizende, vernam ik dat hij mijn vader
gekend heeft.

--Ja, ik heb vorst Hur gekend. Wij hebben samen handel gedreven. Maar ga
toch zitten, bid ik u; en, Esther, breng wijn voor den jonkman. Nehemia
spreekt van een zoon van Hur, die over half Jeruzalem regeerde; een oud
geslacht, zeer oud. In de dagen van Mozes en Jozua vonden zij reeds
genade in de oogen des Heeren. Ik kan niet denken, dat een hunner
afstammelingen een beker druivennat van de echte wijngaarden van Sorek,
geplant op Hebrons heuvelen, zal weigeren.

Nog voordat hij uitgesproken had bood Esther den bezoeker een beker wijn
aan. Ben-Hur echter maakte een afwijzende beweging. Een verwonderde blik
trof hem uit haar donkere, zachte oogen. Zij is lief en mooi, dacht hij,
zoo lief en mooi zou Tirza ook zijn, als zij nog leefde. Arme Tirza!
Toen zeide hij overluid: Neen, uw vader,--hij is immers uw vader ...?

--Ik ben Esther, de dochter van Simonides, antwoordde zij fier.

--Uw vader, schoone Esther, zal wanneer hij mij ten einde toe gehoord
heeft kunnen begrijpen, dat ik vooralsnog niet van zijnen wijn drink. En
gij zult er mij, hoop ik, niet minder goedgunstig om aanzien. Blijf, bid
ik u, een oogenblik naast mij staan.

Het meisje deed wat haar verzocht werd.

--Simonides, zeide Ben-Hur op vasten toon, toen mijn vader stierf, had
hij een vertrouwd bediende van uw naam, en mij is gezegd, dat gij die
man zijt.

Het gansche lichaam van den grijsaard trilde, krampachtig balde hij de
vuist.

--Esther, riep hij op strengen toon, kom hier! Als het kind uwer ouders
is uwe plaats hier, niet daar, hoort gij?

Het meisje zag verschrikt en verbaasd eerst haar vader, toen den
bezoeker aan. Daarop zette zij den beker op tafel en ging gehoorzaam
naar den ziekenstoel. Simonides greep hare hand en zeide op kalme toon:
Ik ben oud geworden vóór mijn tijd door toedoen van menschen. Als hij,
die u wat gij daar zeidet, verteld heeft, een met mijne geschiedenis
bekend vriend is, dan moet hij u overtuigd hebben, dat ik niet anders
dan achterdochtig kan zijn met betrekking tot mijne medemenschen. De God
van Israël sta hem bij, die aan het einde zijns levens genoodzaakt is
zoo te spreken. Ik heb slechts weinigen lief, maar die dan ook met mijn
ganschen hart. Een van die--hij bracht op een onbeschrijfelijk teedere
wijze Esthers hand aan zijne lippen--tot heden onverdeeld de mijne, was
mij tot zulk een zoeten troost, dat ik zou sterven als zij van mij
genomen werd.

Esther boog zich over haren vader en kuste hem op het voorhoofd.

--De andere liefde is slechts een herinnering, waarvan ik niets anders
zeggen zal, dan dat zij als een zegen des Heeren een geheele familie
omvat. Wist ik, ach wist ik maar waar zij zich ophouden!

Ben-Hurs gelaat werd met een donkeren blos overtogen, en een stap nader
tredend riep hij hartstochtelijk: Mijne moeder en zuster! Die bedoelt
gij, niet waar?

Esther zag verwonderd op; maar Simonides, zichzelf meester, zeide koel:
Hoor mij ten einde. Omdat ik ben wat ik ben, en om de liefde waarvan ik
sprak, eisch ik van u naar recht en billijkheid de bewijzen, dat gij
zijt voor wien gij u uitgeeft. Daarna zal ik uwe vraag betreffende mijne
verhouding tot vorst Hur beantwoorden. Hebt gij uwe bewijzen op schrift?
Of brengt gij persoonlijke getuigen mee?

De vraag was eenvoudig, en haar goed recht onbetwistbaar.

Ben-Hur werd verlegen, stamelde een paar onsamenhangende woorden, en
keerde zich besluiteloos af. Simonides hield aan: Geef mij de bewijzen,
zeg ik. Leg ze mij voor, geef ze mij in handen!

Maar Ben-Hur kon niets antwoorden. Aan die mogelijkheid had hij niet
gedacht; en nu hij er voor stond, gingen zijne oogen eerst geheel open
voor het vreeselijke feit, dat die drie jaren op de galeien alle
bewijzen van zijne identiteit hadden weggevaagd. Nu zijne moeder en
zuster spoorloos verdwenen waren, was er niemand, op wien hij zich kon
beroepen. Bekenden had hij genoeg; maar dat baatte niet. Wat had zelfs
Quintus Arrius, als hij hier bij hem was geweest, meer kunnen zeggen,
dan waar hij hem gevonden had en dat hij voor zich overtuigd was den
zoon van vorst Hur voor zich te zien? Maar, zooals wij straks zullen
zien, de dappere Romeinsche krijger was niet meer. Juda had vroeger wel
eens over zijne verlatenheid gezucht, maar nu eerst voelde hij ten volle
wat het zegt niemand toe te behooren. Daar stond hij met gevouwen
handen, afgewend gelaat, geheel verslagen. Simonides eerbiedigde die
stille smart en wachtte zwijgend.

--Meester Simonides, zeide Ben-Hur eindelijk, ik kan u alleen mijne
levensgeschiedenis verhalen; maar ik doe het niet, tenzij gij zoolang uw
oordeel wilt opschorten en met goedwilligheid naar mij wilt luisteren.

--Spreek, zeide Simonides, ik luister te gewilliger daar ik niet ontkend
heb, dat gij degeen zijt, voor wien gij u uitgeeft.

Toen vertelde Ben-Hur in weinige, maar welsprekende woorden zijn
wederwaardigheden. Daar wij die kennen tot aan het oogenblik van zijne
landing te Misenum in gezelschap van Arrius, zullen wij bij dat punt
zijn verhaal opvatten.

--De keizer had mijn weldoener lief, vertrouwde hem volkomen, en
overlaadde hem met eerbewijzen. De kooplieden uit het Oosten, die hem
hunne veiligheid dankten, brachten kostbare geschenken aan, zoodat hij
schatten op schatten stapelde. Mag een Jood zijn godsdienst vergeten,
of zijn geboorteland, zoo dat de heilige grond onzer vaderen is? De
waardige Arrius nam mij geheel volgens de Romeinsche wetten tot zoon
aan, en ik deed wat ik kon om hem mijne dankbaarheid te toonen. Nooit
was een kind zijn vader meer onderdanig dan ik hem. Hij had mij tot
geleerde willen maken. In kunst, philosofie, rhetorica, oratorie, zou
hij mij de beroemste meesters gegeven hebben. Die aanbiedingen sloeg ik
af, omdat ik een Jood was, en zoomin den Heere God kon vergeten, als
onze groote profeten of de stad door David en Salomo gebouwd. Vraagt gij
soms waarom ik zijne andere gaven wèl aannam? Dan antwoord ik: Ik had
hem lief, en ik hoopte eenmaal met zijne hulp den sluier op te lichten,
die het lot van mijne moeder en zuster bedekte. Daarnevens had ik nog
een ander doel voor oogen, waarover ik niets wil zeggen, dan dit, dat
het mij een prikkel was om het krijgswezen grondig te bestudeeren, en
mij in het hanteeren der wapenen te bekwamen. In worstelperk en circus
heb ik mij dag aan dag geoefend, in het kamp niet minder, en overal heb
ik naam gemaakt. De lauweren, die ik won--en aan de muren der villa te
Misenum hangen er verscheidene--kwamen tot mij, als zoon van Arrius den
duumvir, niet als den zoon mijns vaders. Alleen in mijne betrekking tot
den Romein ben ik bij de Romeinen bekend. Tot bevordering van mijne
plannen verliet ik Rome voor Antiochië, vast besloten om den Consul
Maxentius in den oorlog tegen de Parthen te volgen, ten einde op het
slagveld de hoogere kunst te leeren van de troepen ten strijde te
voeren. De consul heeft mij toegelaten tot den kring zijner naaste
omgeving. Maar gisteren, toen ons schip den Orontes opvoer, ontmoetten
wij twee andere schepen, met gele vlaggen in top. Een medereiziger en
landgenoot van Cyprus deelde ons mee, dat die schepen het eigendom waren
van Simonides, den grootsten koopman van Antiochië. Hij vertelde ons van
zijn wonderbaren voorspoed in den handel, van zijne vloot en karavanen,
weinig vermoedende, dat een zijner hoorders persoonlijk het grootste
belang stelde in hetgeen hij mededeelde. Hij zeide ook dat Simonides een
Jood was, in vroeger jaren lijfeigene van vorst Hur. Tot besluit sprak
hij van de wreedheden door Gratus gepleegd en het doel dier vervolging.

Bij deze woorden boog Simonides het hoofd, terwijl Esther zich tegen hem
aanvlijde, als wilde zij hem haar innig medelijden toonen. Slechts even;
toen richtte Simonides zich weer op en zeide met heldere stem: Ik luister.

--Ach, goede Simonides, antwoordde Ben-Hur, terwijl zijn geheele ziel
uit zijne oogen sprak, ik zie dat gij nog niet overtuigd zijt, en dat de
schaduw van verdenking nog op mij rust.

Het gelaat van den koopman bleef koud en strak als marmer. Hij bewaarde
het stilzwijgen.

--Niet minder duidelijk zie ik de moeilijkheden van mijn toestand,
vervolgde Ben-Hur. Mijne Romeinsche betrekking kan ik bewijzen, ik
behoef mij slechts op den consul te beroepen, die als gast van den
gouverneur dezer stad in Antiochië vertoeft; maar ik kan niet bewijzen
dat ik de zoon mijns vaders ben. Die dat konden zijn dood, of verdwenen.

Hij bedekte zijn gelaat met beide handen, waarop Esther naar hem toe
ging, en hem den versmaden beker wijn nogmaals aanbood, met de woorden:
De wijn komt uit het land, dat wij allen zoozeer liefhebben. Drink, bid
ik u.

Hare stem klonk zacht en liefelijk. Ben-Hur zag dat hare oogen vol
tranen stonden. Hij nam de beker aan, zeggende: Dochter van Simonides,
uw hart is vol goedheid. Dat onze God u zegene! Ik dank u.

Toen wendde hij zich opnieuw tot den koopman.

--Daar ik u niet bewijzen kan, dat ik mijn vaders zoon ben, trek ik
mijne vraag terug. Gij zult mij niet wederzien. Alleen dit nog: Mijn
bedoeling was niet u te doen terugkeeren tot dienstbaarheid, of
rekenschap te eischen van uw vermogen. Welke ook de uitkomst mocht
geweest zijn, ik zou gezegd hebben wat ik nu ook zeg: Alles wat gij door
uw vlijt en talenten gewonnen hebt is het uwe. Behoud het in vrede. Ik
heb het niet noodig. Toen de goede Quintus, mijn tweede vader, de reis
aanvaardde, waarvan hij niet zou terugkeeren, maakte hij mij tot eenige
erfgenaam van zijn vorstelijk vermogen. Mocht gij dus bijgeval later nog
eens aan mij denken, laat het dan alleen zijn in verband met de vraag,
die het voornaamste doel mijner komst was. Wat weet gij, wat kunt gij
mij vertellen van mijne moeder en van Tirza, mijne zuster; zij, die in
schoonheid en bevalligheid aan uwe beminnelijke dochter gelijk zou zijn?
O zeg, wat kunt gij mij van haar vertellen?

De tranen stroomden langs Esthers wangen, maar haar vader bleef
onbewogen. Met vaste stem antwoordde hij: Ik heb gezegd dat ik vorst Hur
gekend heb. Ik herinner mij vernomen te hebben, dat zijn gezin door vele
rampen getroffen werd. Hij, die de weduwe van mijn vriend in het verderf
stortte, is dezelfde, die ook mij vervolgd heeft. Ik wil nog verder
gaan, en u zeggen dat ik naarstig onderzocht heb wat van de familie
geworden is; maar--ik kan u niets van haar vertellen. Zij zijn als van
den aardbodem verdwenen.

Ben-Hur slaakte een diepen zucht. Dan--dan is weder een hoop vervlogen,
zeide hij. Ik ben gewoon aan teleurstellingen. Ik bid u vergeef mij, zoo
ik u moeite veroorzaakte, vergeef het ter wille van mijne smart. Ik heb
nu niets meer om voor te leven dan mijne wraak. Vaarwel.

Bij den uitgang keerde hij zich om en zeide eenvoudig: Ik dank u beiden.

--De vrede Gods vergezelle u, zeide de koopman.

Esther kon niet spreken, zij snikte luid.

En zoo vertrok hij.


       *       *       *       *       *


VIERDE HOOFDSTUK.

SIMONIDES.


Nauwelijks was Ben-Hur de kamer uit, of Simonides scheen als uit den
slaap te ontwaken. Zijn gelaat gloeide, zijn sombere oogen schoten vuur.
Op levendigen toon zeide hij: Gauw, Esther, bel eens gauw!

Zij ging naar de tafel en drukte op een knopje. Dadelijk daarop
verscheen door een deur in den muur een bediende, die voor den koopman
bleef staan en een eerbiedigen buiging maakte.

--Hier, Malluch, dichter bij mijn stoel, beval de meester. Ik heb een
werk voor u, dat niet mag mislukken, al viel de zon ook van den hemel.
Luister! Zooëven verliet mij een jonkman, hij zal door het pakhuis gaan,
slank, schoon, als Israëliet gekleed. Volg hem, zijn schaduw mag niet
onafscheidelijker van hem zijn dan gij. Iederen avond doet gij mij weten
waar hij is, wat hij doet, welk gezelschap hij opzoekt; en als gij
zonder vrees voor ontdekking zijne gesprekken kunt afluisteren, breng ze
mij dan woord voor woord over, met alles wat dienen kan om zijne
gewoonten, zijne bedoelingen, zijn leven te leeren kennen. Begrepen? Ga
gauw. Wacht, Malluch, luister nog even. Gaat hij de stad uit, volg hem,
en doe u als vriend voor. Spreekt hij u aan, zeg wat gij wilt, alleen
niet dat gij in mijn dienst zijt. Daarover gezwegen. Haast u! Spoed u
voort!

De man groette en ging heen.

Toen wreef Simonides zijn vermagerde handen en lachte.

--Welke dag is het vandaag, kind? vraagde hij vroolijk. Ik wil hem
onthouden als een geluksdag. Zie den datum lachend na, en zeg hem mij
lachend, Esther.

Die vroolijkheid kwam haar onnatuurlijk voor, en om hem dat zachtkens te
doen gevoelen antwoordde zij droevig: Wee mij, vader, zoo ik ooit dezen
dag kon vergeten!

Zijne handen vielen slap neer, hij boog het hoofd en zeide: Zeker,
zeker, mijn kind. Dit is de twintigste dag van de vierde maand. Vandaag
voor vijf jaren viel mijn lieve Rachel, uwe moeder, neer en stierf. Zij
brachten mij thuis, gebroken, zooals gij mij nu ziet, en wij vonden haar
bezweken door smart. O, voor mij was zij een struik kamfer in de
wijngaarden van Engedi. Ik heb mijne myrrhe geplukt met mijne specerij.
Ik heb mijne honigraten met mijnen honig gegeten. Wij begroeven haar op
een eenzame plek, een graf uitgehouwen in den berg, niemand ligt bij
haar. Maar zij liet mij in mijne duisternis een klein lichtje na, dat
met de jaren toenam in glans. (Hij legde zijne hand op Esthers hoofd.)
Lieve God, ik dank u, dat ik in mijne Esther mijne verlorene Rachel mag
zien herleven!

Toen lichtte hij het hoofd weder op en zeide, alsof een invallende
gedachte hem trof: Is het niet klaarlichte dag daarbuiten?

--Zoo was het toen de jonkman binnenkwam.

--Laat Abimelech dan komen en mij naar den tuin brengen, waar ik de
rivier en de schepen kan zien. Daar zal ik u zeggen waarom zooeven mijn
mond lachte en mijne tong zong, en mijn hart opsprong binnen in mij, als
een ree of jonge gazelle op de welriekende bergen.

Op haar schellen kwam een tweede knecht en duwde op haar bevel den
stoel, tot dat doel op wieltjes staande, de kamer uit, naar het dak van
het lager gelegen huis, den tuin, zooals Simonides het noemde. Tusschen
de schoonste, met de meeste zorg gekweekte bloemen door, werd hij naar
een punt gerold, vanwaar hij de brug, de fonkelende rivier en de
talrijke schepen overzien kon. Daar liet de knecht hem met Esther
alleen.

Het geraas, dat de arbeiders maakten, hinderde hem niet, evenmin als de
drukte op de brug schuin boven zijn hoofd. Hij was daaraan gewoon en
merkte het ternauwernood op.

Esther zette zich op de armleuning van zijn stoel en streelde zijne
hand, in afwachting dat hij spreken zou. Eindelijk begon hij op zijn
gewonen kalmen toon. Zijn machtige wil had hem de zelfbeheersching
teruggegeven.

--Toen die jonkman sprak, Esther, heb ik u gadegeslagen, en meende te
zien dat gij voor hem gewonnen waart.

Het meisje sloeg de oogen neer en antwoordde: Als u bedoelt, vader, dat
ik zijne woorden geloofde, ja, dan hebt u gelijk.

--In uwe oogen is hij dus de zoon van vorst Hur?

--Als hij het niet is....

--Nu, wat dan, kind?

--Ik ben uwe dienstmaagd, vader, sinds moeder Gods roepstem volgde. Aan
uwe zijde staande heb ik gehoord en gezien hoe u op verstandige wijze
handeldet met allerlei soort van mannen, die langs rechte of kromme
paden winst zochten te behalen. Daarom zeg ik, als deze jonkman niet de
vorst is, waarvoor hij zich uitgeeft, dan zag ik de leugen nog nimmer
zoo goed de rol van waarheid en recht spelen.

--Bij de wijsheid van Salomo, dochter, dat is een veelbeteekend woord.
Gelooft gij dat uw vader zijn vaders lijfeigene was?

--Mij dacht, hij vraagde alleen maar, of dat zoo was.

--Wel, gij zijt een goed kind, Esther, met echt Joodsche scherpzinnigheid
begaafd, en krachtig genoeg om een droevig verhaal te horen. Luister dus
goed, want ik zal u iets van mijzelven vertellen, en van uwe moeder, en
van vele dingen, die tot een verleden behooren, waarvan gij niets
vermoedt, dingen, die den wraakgierigen Romein verborgen zijn gebleven
ter wille van een stille hoop, en die ik u verzwegen heb, opdat uw
gemoed zich tot den God Israëls zou keeren, als het riet naar de zon. Ik
ben geboren in een spelonk in de vallei Hinnom, aan de zuidzijde van den
berg Sion. Mijn vader en moeder waren Hebreeuwsche lijfeigenen. Zij
verzorgden de olijf- en vijgeboomen in den Koningstuin bij Siloam. Toen
ik groot genoeg was hielp ik hen. Zij behoorden tot de klasse, die tot
altijddurenden dienst verplicht is. Ik werd later verkocht aan vorst
Hur, na koning Herodes de rijkste inwoner van Jeruzalem. Die zond mij
naar zijn magazijn in Alexandrië, waar ik meerderjarig werd. Ik diende
hem zes jaar, in het zevende werd ik naar de wet van Mozes vrij.

Esther klapte in de handen.

--O, dan zijt gij niet zijn vaders lijfeigene!

--Luister verder, kind. Er waren in die dagen wetgeleerden, die met
groote heftigheid de stelling verdedigden, dat de kinderen van
lijfeigenen levenslang tot den stand hunner ouders behooren; maar vorst
Hur was rechtvaardig in alle dingen en een bekwaam uitlegger der Wet.
Hij zeide, dat ik een gekochte Hebreeuwsche dienstknecht was en volgens
de bedoeling van den grooten Wetgever in vrijheid kon uitgaan. Op
gezegelde brieven, die ik trouw bewaard heb, verklaarde hij mij vrij.

--En mijne moeder? vraagde Esther.

--Gij zult alles hooren, kind. Heb maar geduld. Voordat ik uitgesproken
heb zult gij zien, dat ik lichter mijzelf zou kunnen vergeten, dan uwe
moeder.... Toen mijn diensttijd verstreken was, ging ik met het
Paaschfeest op naar Jeruzalem. Mijn meester ontving mij in zijn huis.
Ik had hem lief met mijn gansche hart en verzocht hem in zijn dienst te
mogen blijven. Dat stond hij toe en ik diende hem nogmaals zeven jaren,
maar thans als een gehuurde zoon van Israël. Hij droeg mij de leiding op
van belangrijke ondernemingen ter zee, en het toezicht over zijne
karavanen naar Suza en Persepolis. Het waren gevaarvolle tochten, kind,
maar de Heer zegende alles wat ik ondernam. Ik bracht den vorst groot
gewin aan en deed voor mezelf een schat van kennis op, zonder welke ik
de verplichtingen, die mij later werden opgelegd, niet zou hebben kunnen
nakomen. Op zekeren dag bevond ik mij te Jeruzalem in het huis van den
vorst. Eene dienstmaagd kwam binnen met een schaal brood. Zij bood mij
daarvan aan. Dat was de eerste maal dat ik uwe moeder zag. Ik kreeg haar
lief. Niet lang daarna vraagde ik de vorst haar mij tot vrouw te geven.
Hij antwoordde, dat zij een lijfeigene was, levenslang dienstbaar; maar
dat hij haar om mijnentwil vrij zou laten. Zij had mij wederkeerig lief,
maar voelde zich gelukkig waar zij was en nam haar aangeboden vrijheid
niet aan. Telkens als ik te Jeruzalem kwam, hield ik bij haar aan, maar
haar antwoord bleef onveranderlijk hetzelfde: dat zij mijne vrouw wilde
worden, mits ik haar mededienstknecht werd. Onze vader Jakob diende
tweemaal zeven jaren om zijne Rachel, kon ik dat niet voor de mijne
doen? Maar uwe moeder zeide, dat ik een lijfeigene moest worden mijn
leven lang, evenals zij. Ik ging heen, maar kwam terug. Zie maar,
Esther, zie maar.

Hij schoof zijn hoofddoek weg, wees op zijn linkeroor, en zeide: Ziet ge
het litteeken van den priem?

--Ik zie het, antwoordde zij. Wat hebt ge moeder liefgehad!

--Ach, Esther, zij was mij dierbaarder dan Sulamith den koninklijken
zanger; zij was mij een springader van levend water, als de stroomen van
den Libanon. De vorst bracht mij op mijn verzoek voor de rechters,
voerde mij terug naar zijne huisdeur, en doorpriemde mijn oor met den
priem, zoodat ik voor eeuwig zijn dienstknecht was. Aldus heb ik mijne
Rachel gewonnen. Was er ooit grooter liefde dan de mijne?

Esther boog zich en kuste hem. Toen zwegen beiden een geruime poos.

--Mijn meester verdronk op zee, de eerste droefheid die mij overkwam,
vervolgde Simonides. Er was rouwgeklag in zijn huis en in het mijne,
hier in Antiochië, waar ik toen reeds woonde. Let nu goed op, Esther.
Toen de vorst stierf was ik opgeklommen tot eersten rentmeester.

Alles wat hij bezat stond onder mijn beheer. Daaruit kunt gij zien dat
hij mij volkomen vertrouwde en liefhad. Ik haastte mij naar Jeruzalem,
om de weduwe rekening en verantwoording te doen. Zij bevestigde mij in
mijn ambt. Ik legde mij met nog meer ijver op mijn werk toe. De zaak
bloeide en breidde zich jaarlijks uit. Zoo gingen tien jaren voorbij,
toen viel de slag, waarvan de jonge man straks gewaagde. Ik bedoel het
ongeluk met den procurator Gratus. De Romein noemde het een poging tot
moord. Onder dat voorwendsel legde hij, met toestemming van den keizer,
ten eigen bate beslag op alles wat de weduwe bezat. Daar bleef het niet
bij. Opdat geen herroeping van het vonnis mogelijk zou zijn, verwijderde
hij alle belanghebbenden. Sedert dien vreeselijken dag is de familie Hur
spoorloos verdwenen. De zoon, dien ik als kind gezien had, werd naar de
galeien verwezen. De weduwe en de dochter zijn waarschijnlijk opgesloten
in een der gevangenissen van Judea. Eenmaal achter de veroordeelden
gesloten, zijn die holen aan grafspelonken gelijk. Weggevaagd zijn de
armen, alsof de zee ze verzwolgen had. Wij konden niet eens te weten
komen hoe zij stierven; neen, zelfs niet of zij dood zijn.

Esthers oogen stonden vol tranen.

--Uw hart is goed, Esther, evenals dat van uwen moeder, en ik bid God,
dat het niet het lot moge ondergaan van het meerendeel der goede harten:
vertrapt te worden door onmeedoogenden en blinden. Maar luister verder.
Ik begaf mij dadelijk naar Jeruzalem, om mijne meesteres, zoo mogelijk,
te helpen, maar werd bij de poort gegrepen en naar de burcht Antonia
gebracht, waarom wist ik niet, totdat Gratus zelf verscheen en de gelden
opeischte van het huis Hur, welke hij wist dat, naar Joodsch gebruik,
door wissels van mijne handteekening voorzien, overal konden opgevraagd
worden. Hij verlangde dat ik zijn bevel zou onderteekenen. Ik weigerde.
Hij had de huizen, landerijen, goederen, schepen van hen, die ik diende,
maar niet het geld. Ik wist dat ik, als God met mij bleef, het verlorene
ruimschoots kon herwinnen. Ik weigerde den tiran te gehoorzamen. Hij
deed mij op de pijnbank leggen. Ik bleef standvastig. Hij hergaf mij de
vrijheid zonder zijn doel bereikt te hebben. Ik kwam thuis en begon
handel te drijven op naam van Simonides van Antiochië, zooals ik dat
vroeger deed op naam van vorst Hur van Jeruzalem. Gij weet, Esther, dat
alles mij meeliep, dat het vorstelijk vermogen onder mijn beheer tot in
het wonderbaarlijke aangroeide. Gij weet dat ik drie jaren later naar
Cesarea ging, waar ik weder op bevel van Gratus gegrepen en gepijnigd
werd, om mij de bekentenis af te persen, dat mijn geld en goed tot het
door hem in beslag genomene behoorde. Gij weet, dat hij evenmin als
vroeger iets op mij vermocht. Gebroken naar 't lichaam kwam ik thuis en
vond mijne Rachel dood, van angst en droefheid over mij. De Heer onze
God regeert; ik bleef in het leven. Van den keizer zelf kocht ik het
privilegie, om over de geheele wereld handel te mogen drijven. Heden,
geloofd zij Hij, die de wolken maakt tot zijne wagen en en op de winden
wandelt, heden, Esther, is datgene wat mij als rentmeester was
toevertrouwd tot een vermogen aangegroeid, waar een keizer van zou
kunnen leven.

Trots hief Simonides het hoofd op. Hunne oogen ontmoetten elkander, zij
lazen elkanders gedachten.

--Wat zal ik met den schat doen, Esther? vraagde hij, haar strak
aanziende.

--Vader, zeide zij zacht, heeft de rechtmatige eigenaar zich straks niet
aangemeld?

Zijn oog bleef vast op het hare gericht.

--Maar gij, mijn kind, moet ik u als bedelares achterlaten?

--Neen, vader; ben ik niet, omdat ik uw kind ben, zijne dienstmaagd? En
van wie staat geschreven: Kracht en eer zijn haar kleedij, en zij zal in
toekomstige tijden zich verblijden?

Met een uitdrukking van innige liefde op het gelaat antwoordde hij: God
is in vele opzichten goed voor mij geweest; gij, Esther, zijt het
grootste bewijs van zijne gunst.

Hij trok haar tot zich en kuste haar herhaaldelijk.

--Hoor nu, zeide hij, waarom ik straks lachte. De jonge man was sprekend
het evenbeeld van zijn vader, toen hij nog jong was. Mijn hart vloog hem
te gemoet om hem te begroeten. Ik voelde dat mijn lijdenstijd voorbij
was en mijn zwoegen geëindigd. Ik had het uit kunnen schreeuwen van
blijdschap. Ik zou niets liever gedaan hebben, dan hem bij de hand
nemen, hem de kasboeken toonen en zeggen: Zie, dat is alles het uwe, en
ik ben uw dienstknecht, bereid om afgeroepen te worden. En dat zou ik
gedaan hebben, Esther, dat zou ik gedaan hebben, zoo niet op dat
oogenblik een drietal gedachten bij mij opgekomen was en mij weerhouden
had. Ik moet zeker weten, dat hij de zoon mijns meesters is, dat was de
eerste gedachte. Is hij dat, dan moet ik iets aangaande zijn karakter
zien te vernemen; want, Esther, onder degenen, die in weelde geboren
werden, zijn velen in wier hand de rijkdom tot een vloek werd....

Hij zweeg even, toen vervolgde hij, trillend van moeilijk bedwongen
hartstocht: Denk aan de folteringen, die de Romein mij heeft doen
ondergaan, neen, niet Gratus alleen; de ellendelingen, die zijne bevelen
ten uitvoer brachten, waren allen Romeinen en zij lachten bij mijne
jammerkreten. Denk aan mijn verbrijzeld lichaam en aan de jaren die ik,
de sterke man, in hulpbehoevendheid heb moeten doorbrengen. Denk aan uwe
moeder in haar eenzaam graf. Denk aan het vreeselijke lijden van het
gezin mijns meesters als zij nog leven, en aan het wreede van hunnen
dood als zij niet meer zijn. Bedenk dat alles en zeg mij, zal dan geen
enkele druppel bloed vergoten worden ten zoen? Zeg nu niet wat onze
leeraars soms zeggen: De Wrake is des Heeren ... zijn niet zijne
krijgsknechten talrijker dan zijne profeten? Luidt niet een van zijne
geboden: Oog om oog, tand om tand? Al deze jaren door heb ik gedroomd
van wraak, er om gebeden, haar voorbereid, geduld geoefend bij het
aanschouwen van de vermeerdering mijner schatten, in het vaste geloof,
dat zij mij eenmaal zouden helpen de goddeloozen te straffen. Toen nu de
jonge man van zijne bedrevenheid in het voeren der wapenen sprak en er
bijvoegde, dat hij een bepaald doel in het oog hield, kwam de derde
gedachte, de gedachte van wraak, bij mij op, en die, Esther, deed mij
onvermurwbaar blijven zoolang hij sprak en lachen toen hij vertrokken
was.

Esther liefkoosde zijne hand en zeide op peinzenden toon: Hij is weg;
zal hij terugkomen?

--Zeker; Malluch, de getrouwe, gaat met hem en zal hem wederbrengen, als
ik gereed ben.

--En wanneer zal dat wezen, vader?

--Weldra, weldra. Hij denkt dat alle getuigen dood zijn. Er leeft nog
één wezen dat hem herkennen zal, indien hij waarlijk mijn meesters zoon
is.

--Zijne moeder?

--Neen, kind. Ik zal de getuige tegenover hem stellen. Tot zoolang
willen wij deze zaak in des Heeren hand laten. Ik ben moe. Roep
Abimelech.

Esther deed wat haar gelast werd en vergezelde haren vader naar binnen.


       *       *       *       *       *


VIJFDE HOOFDSTUK.

DAPHNE'S PARK.


Ben-Hur verliet het pakhuis met het bewustzijn, dat hij weer een nieuwe
teleurstelling voegen kon bij de vele, die hij reeds had ondervonden in
het zoeken naar zijne familie. Die gedachte was zeer neerdrukkend. Hij
voelde zich zoo eenzaam en verlaten. Nu deze hoop vervlogen was, kwam
het leven hem zoo dor en weinig belangrijk voor.

Het koeltje dat hem van de rivier tegenwoei, lokte hem naar de
landingsplaats. Daar schoot hem het gezegde van den reiziger te binnen:
Beter een worm te zijn en moerbeiblaren te eten in Daphne's Park, dan
gast aan 's Konings tafel. Hij keerde om en ging naar de herberg terug.

--Waar de weg naar Daphne is? zeide de portier, verbaasd over de vraag,
die Ben-Hur hem deed. Zijt gij hier voor 't eerst? Zoo, dan kunt gij
dezen dag als den gelukkigsten van uw leven beschouwen. Gij kunt u niet
in den weg vergissen. De eerste straat links voert naar den berg
Sulpius, op wiens top een altaar van Jupiter staat en het Amphitheater.
Volg die tot de derde kruisstraat, de Kolonnade van Herodes geheeten,
sla daar rechts om en ga dwars door de oude stad naar de bronzen poort
van Epiphanes. Daar begint de weg naar Daphne. Mogen de goden u
beschermen!

Ben-Hur begaf zich dadelijk op weg. De Kolonnade van Herodes was
gemakkelijk te vinden, evenzoo de bronzen poort.

Het was omstreeks de vierde ure van den dag, toen hij de stad achter
zich liet, om in gezelschap van honderde andere wandelaars naar de
beroemde tuinen te gaan. De weg was verdeeld in verschillende paden voor
voetgangers, ruiters en wagens; deze laatste weder voor gaande en
komende. Lage balustraden, op geregelde afstanden met fraaie standbeelden
versierd, dienden tot scheidsmuur tusschen de verschillende paden.
Rechts en links van den weg strekten zich goed onderhouden grasvelden
uit, hier en daar met eiken en vijgen beplant, en van schaduwrijke
prieëlen voorzien, een heerlijke rustplaats voor de vermoeiden onder de
wandelaars. De paden voor de voetgangers waren met roode steentjes
geplaveid, die voor de ruiters en wagens met wit zand bestrooid, zoo
dik, dat het geen echo's van hoeven of wielen teruggaf. Het aantal
springende fonteinen was verbazend groot, alle geschenken van koningen,
die de stad bezocht hadden, en naar hunnen namen genoemd. Deze
straatweg, onovertroffen in aanleg en schoonheid, liep van de stad tot
aan den ingang van het Park over eene lengte van ruim vier mijlen.

In zijn diepe neerslachtigheid lette Ben-Hur ternauwernood op al die
pracht, noch op de hem omringende menigte. Daar kwam bij dat een
provinciestad hem, den inwoner van Rome, weinig belang inboezemde. Het
was immers onmogelijk, dat de provincies iets konden opleveren, wat men
in Rome niet veel beter en mooier kon zien. Daarom stapte hij wat aan en
drong door de groepjes heen, die hem den weg versperden, en veel te
langzaam gingen naar zijn smaak. Toen hij Heracleia bereikt had, een
klein dorp halverwege de stad en het Park, voelde hij zich een weinig
vermoeid, maar tevens toegankelijker voor afleiding. Een paar geiten
voortgeleid door een schoone vrouw, alle drie rijk versierd met bloemen
en linten, trokken allereerst zijne aandacht. Toen bleef hij staan om
naar een fraaien, sneeuwwitten, met frissche wingerdranken omhangen
stier te zien, die op zijn breeden rug een mandje droeg, waarin een
beeldschoon driejarig knaapje zat, den jongen Bacchus voorstellende, die
het sap van rijpe druiven uitdrukt in een beker. Daar ging hem een paard
voorbij, rijk opgetuigd, evenals zijn berijder. Hij glimlachte over de
zelfbewuste fierheid van ruiter en ros beiden. Weldra hadden de hem
voorbijsnellende wagens en paarden, zonder dat hij het zelf wist, zijn
belangstelling ten volle gewekt. Na een poosje begon hij ook te letten
op de menschen rondom hem. Hij zag dat zij van allerlei leeftijd en
stand waren, en allen in feestgewaad. Hier was het gezelschap in 't wit,
daar een in 't zwart; sommige hielden vlaggen in de hand, andere
zwaaiden wierookvaten, sommige gingen langzaam voort onder het zingen
van hymnen, andere liepen op de maat van fluiten en kleine trommen.
Als dat iederen dag zoo naar Daphne stroomde, moest er toch iets
buitengewoons te zien zijn! Eindelijk ging een luid gejubel op, men
klapte in de handen ... de wandelaars hadden het doel van hunnen tocht
bereikt. De sierlijken poort, die toegang verleende tot het gewijde
Park, verrees voor zijn oog.

Het gezang werd sterker, de muziek speelde lustiger. Gedragen door den
stroom, en deelende in de algemeene geestdrift, trad hij naar binnen.
Eén blik, en, in weerwil van zijn verfijnden Romeinsche smaak, was
Ben-Hur opgetogen over hetgeen hij zag.

Toen hij de poort, die een Griekschen tempel moest voorstellen,
doorgegaan was, stond hij op een breede marmeren esplanade. Het wemelde
er van menschen in feestklederen, waarvan de bonte kleuren aardig
afstaken tegen de zilveren stralen der springfonteinen. Vóór hem, links,
voerden net onderhouden wandelpaden naar een tuin, die ongemerkt
overging in een bosch, waarboven een doorzichtige blauwe nevel hing.

Ben-Hur staarde droomerig voor zich uit, onzeker waarheen te gaan. Op
dat oogenblik riep een vrouw in zijn nabijheid: Mooi! Maar waar nu naar
toe?

Haar metgezel, getooid met een lauwerkrans, lachte en antwoordde:
Waarheen, lieve domoor? Die vraag komt voort uit aardsche vrees, en
waren wij niet overeengekomen om al die dingen in de stad achter te
laten? De winden, die hier waaien, zijn de ademhalingen der goden.
Wij willen ons door hen laten leiden.

--Maar als wij eens verdwaalden?

--Bang zieltje! Niemand is ooit in Daphne van den rechten weg
afgedwaald, behalve zij, achter wie de poorten voorgoed gesloten werden.

--Wie bedoelt gij? vraagde zij, nog niet geheel gerustgesteld.

--Hen, die bezweken zijn voor de bekoringen der plaats, en er zich voor
leven en dood aan verbonden hebben. Wacht! Laat ons hier blijven staan,
dan zal ik u toonen wat ik bedoel.

Het geluid van lichte snelle voetstappen deed zich hooren.

De menigte maakte ruim baan, want daar kwamen zij aan, de ongelukkigen,
waarop de man gezinspeeld had. Eenige jonge meisjes zweefden voor en
langs hen heen, zingend en dansend op de maat harer tambourijnen. De
vrouw drukte zich verschrikt tegen haar geleider aan, deze sloeg zijn
arm beschermend om haar heen. Zijne oogen flikkerden. Het haar der
danseressen golfde vrij over hare schouders, het gazen kleedje, dat
ternauwernood haar leden dekte, liet haar volkomen vrij in al hare
bewegingen. Zinnelijker dans zou bezwaarlijk uit te denken zijn. Eén
ronde ... en weg waren zij, even snel en onhoorbaar als zij gekomen
waren.

--Nu, wat zegt ge daarvan? riep de man.

--Wie zijn dat? vraagde zij.

--Devadasi, priesteressen van den tempel van Apollo. Haar getal is
legio. Zij vormen bij feestelijke gelegenheden het koor. Dit is haar
tehuis. Soms brengen zij wel eens een bezoek aan andere steden, maar
hare verdiensten moeten zij hier afgeven, om de woonplaats van den
goddelijken zanger te verrijken. Willen wij nu verder gaan?

Het volgend oogenblik was het paar verdwenen.

Ben-Hur volgde hun voorbeeld en wandelde verder, waarheen wist hij niet.

Een beeldhouwwerk trok allereerst zijne aandacht. Het bleek een centaur
voor te stellen. Een opschrift deelde den onkundige mede, dat hij hier
de beeltenis aanschouwde van Chiron, den veelbeminde van Apollo en
Diana, door hen onderwezen in de geheimen der jacht, geneeskunst, muziek
en profetie.

Toen Ben-Hur door wilde wandelen, kwam juist de witte stier voorbij. Het
kind zat nog in de mand, en leidde een processie; daarna kwam de vrouw
met de geiten, gevolgd door de tambourijn- en fluitspelers. Daarachter
een tweede processie van lieden, die geschenken brachten.

--Waar gaat dat alles heen? vroeg iemand, en het antwoord luidde: De
stier naar vader Jupijn, de geit naar Apollo.


       *       *       *       *       *


ZESDE HOOFDSTUK.

GODSDIENST EEN DEKMANTEL.


Ben-Hur volgde de processie naar het bosch, begrijpende dat hij zoodoende
de belangrijkste punten van het Park te zien zou krijgen. Toen hij een
eindweegs gegaan was kwam hij aan een open plek. Een zacht windje voerde
welriekende geuren aan; wierook en rozengeur. Hij bleef staan en met hem
vele anderen, om te zien vanwaar die geuren kwamen.

--Daar is zeker een tuin, zeide hij tot een man, die naast hem stond.

--Of een offerplaats voor Diana, of Pan, of een der boschgoden, luidde
het antwoord in de Hebreeuwsche taal.

Ben-Hur zag den spreker verbaasd aan. Een Hebreër? vraagde hij.

De man antwoordde met een glimlach: Ik werd binnen Jeruzalems muren
geboren.

Ben-Hur was van plan het gesprek voort te zetten; maar de menigte drong
vooruit, zoodat hij van den vreemdeling gescheiden raakte. Hij had
slechts den tijd gehad om 's mans kleeding en gelaat op te nemen, een
echt Joodsch type. Hij zou hem wel kunnen herkennen, dacht hij.

Thans waren zij gekomen aan een punt, waar een zijpad een gunstige
gelegenheid aanbood om zich van de luidruchtige processie af te
scheiden. Ben-Hur maakte er gauw gebruik van.

Eerst kwam hij aan een kreupelboschje, dat van den grooten weg gezien
nog in den natuurstaat scheen te verkeeren. Een paar stappen waren
echter voldoende, om hem ook hier de meesterhand te doen herkennen. De
struiken stonden in bloei, of droegen reeds vrucht; de grond was bedekt
met de heerlijkste bloemen: seringen en rozen, lelies en myrrhe,
oleanders en aloë's, alle oude bekenden uit de valleien rondom Davids
stad; en opdat niets aan het geluk der naiaden en nimfen zou ontbreken,
stroomde een kabbelend beekje door deze bekoorlijke wildernis. Links en
rechts kirden de tortels, en tal van andere gevederde zangers schenen
slechts op zijne komst te wachten om een lied aan te heffen. Een
nachtegaal bleef onbevreesd op zijn tak zitten, ofschoon Ben-Hur op
armslengte voorbijging. Een patrijs liep vlak voor zijne voeten, piepend
tegen de kleintjes, die haar volgden.

Hij zette zich neder onder een citroenboom, die zijn wortels wijd
uitstrekte om zich te laven aan de beek. Het nest van een duikertje hing
vlak boven het kabbelend water en het diertje keek hem met zijn
schrandere oogjes onbevreesd aan. Het vogeltje verklaart mij het geheim,
dacht hij. Het wil zeggen: Ik ben niet bang voor u, want in dit
liefelijke oord is Liefde de Wet.

Na een korte rust stond hij op en wandelde verder, totdat hij bij een
snel vliedende stroom kwam. Zijn weg voerde over een brug, vanwaar hij
het uitzicht had op een bekoorlijk landschap. Vruchtbare valleien,
heuvelen, meertjes, rotswerk, zomerhuisjes, groene weilanden, bedekt met
kudden, ruischende watervallen, zoo kon men het niet bedenken, of deze
uitgestrekte terreinen leverenden het op.

Als om aan het geheel een godsdienstig karakter bij te zetten waren
overal altaren in de open lucht gebouwd, elk door een in 't wit
gekleeden priester bediend, terwijl processies, eveneens in 't wit,
langzaam van het eene altaar naar het andere gingen, en de rook der
offeranden in doorzichtige wolkjes naar boven steeg.

Nu ging hem een licht op. Het Park was eigenlijk een onafzienbare
tempel, een tempel zonder muren. Dit ging zijne verwachting verre te
boven.

Ben-Hur daalde af in de vallei. Daar graasde een kudde schapen. De
herderin wenkte hem: Kom!

Een weinig verder verhief zich midden op 't pad een altaar van zwart en
wit marmer, en daarop een bronzen bekken met brandend reukwerk gevuld.
Vlak daarbij stond een betooverend schoone vrouw met een wilgetak in de
hand, en zoodra zij hem zag, wuifde zij hem toe en riep: Kom hier en
toef een weinig!

Nog verder kwam hij eene processie tegen. Aan het hoofd gingen eenige
kleine meisjes, met kransen omhangen; maar dat was dan ook haar eenige
bedekking. Zij zongen in koor, en werden gevolgd door een groep kleine
jongens, eveneens naakt, en dansend op het gezang der meisjes. Hen
volgden vrouwen met geschenken voor de altaren, specerijen en
lekkernijen, hoogst eenvoudig, maar wel wat luchtig gekleed. In 't
voorbijgaan staken zij hem de handen toe en riepen: Keer om en ga met
ons!... Eene van haar, een Griekin, zong het volgend liedje:

    Voor vandaag neem en geef ik;
    Voor vandaag drink en leef ik;
    'k Denk niet aan den dag van morgen,
    Die moet voor zichzelven zorgen.

Zonder haar verder een blik waardig te keuren ging hij voort, totdat hij
bij een schaduwrijk boschje kwam. Dat trok hem aan. Het gras was zoo
groen en frisch, de boomen stonden niet dicht opeengedrongen en waren
van verschillende soorten, ook van vreemden bodem hierheen gebracht:
statige palmen, vijgen, laurierboomen, trotsche eiken, ceders,
wedijverende in omvang met die van den Libanon, moerbeiboomen en
platanen. Midden in het boschje stond een zeldzaam schoon beeld van
Daphne. Aan den voet van het beeld lagen een knaap en een meisje in
elkanders armen te slapen, zijn bijl en sikkel, haar mand en snoeimes
lagen achteloos neergeworpen op een hoop verwelkte bloemen.

Dat hinderde hem. Was hij onder den citroenboom tot de slotsom gekomen
dat de bekoring van dit heerlijk oord gelegen was in: Liefde zonder
vrees,--thans las hij als in een opengeslagen boek: Hier is Liefde de
Wet, o ja; maar Liefde zonder Wet.


       *       *       *       *       *


ZEVENDE HOOFDSTUK.

MALLUCH.


Het beeld van Daphne links latende liggen begaf hij zich naar een
boschje van cypressen, hoog en statig als de masten van een schip. Op
eens weerklonk een vroolijk trompetgeschal. Rondziende om de oorzaak te
ontdekken zag hij den Jood, dien hij eenige uren geleden ontmoet had, in
het gras liggen. De man stond op en kwam naar hem toe.

--Nogmaals, vrede zij u, zeide hij vriendelijk.

--Dank u, antwoordde Ben-Hur en vraagde toen: Gaat gij mijn weg?

--Ik ben op weg naar de renbaan, als dat uw weg is.

--De renbaan!

--Ja, het trompetgeschal, dat gij zooeven gehoord hebt, was het signaal
voor de mededingers.

--Goede vriend, zeide Ben-Hur levendig, ik ben hier onbekend. Als gij
mij toestaat u te volgen zal het mij zeer verheugen.

--Het zal mij een groot genoegen wezen. Hoor! Daar gaan de wagens reeds.

Ben-Hur luisterde even, en stelde zich toen aan den nieuwen bekende
voor, zeggende: Ik ben de zoon van Arrius, den duumvir, en gij?

--Ik ben Malluch, een handelsbediende uit Antiochië.

--Wel goede Malluch, die trompet en het gerammel van wielen, en het
vooruitzicht van een wedren wekken mij geheel op. Ik heb eenige ervaring
van die spelen en ben niet onbekend in de renperken van Rome. Laat ons
gaan.

Malluch bleef even staan, en zeide: De duumvir was een Romein en zijn
zoon draagt de kleeding van een Jood?

--De edele Arrius was mijn pleegvader, zeide Ben-Hur.

--O zoo; vergeef mij zoo ik nieuwsgierig scheen.

Zij verlieten het bosch en kwamen aan een uitgestrekt veld, dat tot
renbaan was ingericht. Ten gerieve der toeschouwers was aan weerszijden
voor overdekte staan- en zitplaatsen gezorgd, de laatste
amphitheaterswijze.

Ben-Hur telde de wagens, die de baan inreden, negen in 't geheel.

--Ik wensch de menners geluk, zeide hij opgeruimd. Ik dacht dat men zich
hier in 't Oosten vergenoegde met een tweespan; maar zij zijn eerzuchtig
en wagen zich aan de vorstelijke vier. Laat ons zien wat zij er van
maken.

Acht vierspannen gingen voorbij, sommige stapvoets, andere in draf,
uitnemend bestuurd. Toen naderde het negende in vollen galop.

Ben-Hur uitte een kreet van bewondering. Ik ben in de keizerlijke
stallen geweest, Malluch, zeide hij; maar bij onzen vader Abraham, zulke
paarden zag ik nimmer.

Pijlsnel vlogen zij voorbij. Een oogenblik later geraakten zij eensklaps
in de war. Achter zich hoorde Ben-Hur een kreet van woede. Hij keerde
zich om en zag op een van de bovenste banken een grijsaard, ter prooi
aan de grootste opgewondenheid. Een lange, witte baard golfde hem op de
borst. Sommige der omstanders begonnen te lachen.

--Zij moesten ten minste achting hebben voor zijn baard.... Wie is hij?
vraagde Ben-Hur.

--Een aanzienlijk man uit de woestijn. Sheik Ilderim heet hij, eigenaar
van vele kameelen. Zijn paarden, zegt men, zijn van het zuiverste ras,
afstammelingen van de beste renners van den eersten Pharao, antwoordde
Malluch.

De menner deed intusschen al wat hij kon om zijn vierspan tot kalmte te
brengen, maar tevergeefs. Elke mislukte poging maakte den Sheik
onrustiger.

--Abaddon! riep hij met schelle stem tot een zijner dienstknechten,
gauw, haast u! Grijp ze! Loop! Hoort gij mij niet? Het zijn vrije
kinderen der woestijn, evenals gijzelf!

De paarden werden wilder en wilder.

--Vervloekte Romein! riep de Sheik en balde de vuist tegen den menner;
zwoer hij niet bij al zijn valsche goden, dat hij wist hoe men er mee om
moet gaan?... Blijf van mij af, zeg ik!... Ik wil het zeggen dat
iedereen het hoort.... Zij zouden als arenden vliegen, zei hij, en toch
zacht zijn als jonge lammeren. Vervloekt zij hij! Zie hen aan, de
weergaloozen! Als hij waagt hen met de zweep aan te raken, dan--

Het overige van den zin ging verloren in woedend tandengeknars. Abaddon!
riep hij een oogenblik later, Asalthiël! Gaat dan toch en houdt ze
tegen! Spreekt tot hen! Eén woord is voldoende! O dwaas, die ik was, om
een Romein te vertrouwen!

Ben-Hur, die den Sheik meende te begrijpen, kon voor hem gevoelen. Hij
wist dat niet zoozeer gekwetste ijdelheid, niet angst over den uitslag
van den wedren, hem in zulk een toestand bracht; maar de bezorgde
teedere liefde voor zijn dieren, die bij den woestijnbewoner gewoonlijk
aan hartstocht grenst.

't Waren dan ook prachtexemplaren, kastanjebruin van kleur, volmaakt
gelijk aan elkander, en zoo goed geëvenredigd, dat zij kleiner toonden,
dan zij werkelijk waren. De kleine koppen, fijne ooren, de wijdgeopende
neusgaten, vuurrood van binnen, de sierlijk gewelfde halzen, de
prachtige dikke manen, die tot op de schouders en borst neerhingen,
terwijl de voorhoofdlokken aan uitgerafelde zijde deden denken, de
schoon gevormde pooten--alles kenmerkte het edelste Arabische ras. Wild
steigerend sloegen zij de lucht met hun glanzig zwarte, dikke, lange
staarten. De Sheik noemde ze weergaloos, en hij had gelijk.

Bij deze tweede en nadere beschouwing begreep Ben-Hur ten volle in welke
verhouding de dieren tot hun meester moesten staan. Opgegroeid onder
zijn oog, het voorwerp van zijne bijzondere zorgen bij dag, het
onderwerp zijner droomen bij nacht, met zijn gezin de zwarte tent in de
woestijn deelende, had hij hen lief als zijne kinderen. Opdat zij hem
een triomf over de hooghartige, gehate Romeinen zouden doen behalen, had
de oude man zijn lievelingen naar de stad gebracht. Hij twijfelde niet
aan hunne overwinning, als hij maar een vertrouwbaren wagenmenner kon
vinden, die behalve de bekwaamheid ook den tact bezat om met hen om te
gaan. Het was hem, den Sheik en Arabier, onmogelijk koel toeschouwer te
blijven, en later den onhandige met een scherpe vermaning weg te zenden,
zooals een Westerling allicht zou gedaan hebben,--hij moest zijn woede
openlijk lucht geven.

Nog voordat de Sheik van zijne drift bekomen was, hadden een dozijn
handen de paarden bij 't gebit gegrepen en tot staan gebracht. Thans
verscheen de tiende wagen in de renbaan. In afwijking van de andere
waren hier menner, wagen en paarden geheel uitgedost zooals zij op den
dag van den wedstrijd in den circus zouden verschijnen.

Daar de Romeinschen strijdwagens algemeen bekend zijn behoeven wij ze
hier niet nader te beschrijven. De eerste mededingers waren stilzwijgend
ontvangen; toen deze laatste de baan inreed klapten verscheidene
toeschouwers in de handen en juichten hem luide toe, zoodat weldra de
algemeene aandacht op hem gevestigd was. De twee middelste paarden waren
zwart, de twee buitenste sneeuwwit. Hunne staarten waren op Romeinsche
manier kort gesneden, evenzoo hunne manen, die daarenboven met roode en
gele linten doorvlochten waren. De wagen zelf was een waar kunststuk.
Het schoone geheel trok ten zeerste Ben-Hurs aandacht, en de menner--wie
kon dat zijn? De toejuichingen deden vermoeden dat hij een aanzienlijk
persoon, misschien wel een vorst was. Men zal zich herinneren dat zelfs
de keizers Nero en Commodus gaarne deelnamen aan wedrennen. Ben-Hur
stond op en drong door tot de onderste rij, vlak bij de borstwering.

Nog een paar minuten en hij kreeg den wagenmenner vlak in 't gezicht.
Deze had een vriend naast zich, in de taal der klassieken een Myrtilus
geheeten, hetgeen mannen van aanzien, die aan wedrennen deelnamen,
geoorloofd was. Ben-Hur kon alleen den menner zien, recht overeind
staande in zijnen wagen, de teugels verscheidene malen om zijn lichaam
gewonden. Hij droeg een lichtroode tunica, in de rechterhand hield hij
de zweep, in de linker de vier leidsels. De houding was uitermate
sierlijk en opgewekt. Toejuichingen en handgeklap werden met kalme
onverschilligheid ontvangen. Ben-Hur stond aan den grond genageld--zijn
instinct en geheugen hadden hem niet bedrogen: dat was Messala.

Aan de keus der paarden, aan den prachtigen wagen, aan de houding,
bovenal aan de trotsche uitdrukking op het koele, scherpe gelaat, zag
Ben-Hur, dat Messala onveranderd dezelfde gebleven was: hooghartig,
overmoedig, eerzuchtig, cynisch, onverschillig.


       *       *       *       *       *


ACHTSTE HOOFDSTUK.

BIJ DE BRON.


Toen Ben-Hur zich met anderen gereedmaakte om heen te gaan, stond een
Arabier op en riep met luide stem: Gij mannen van het Oosten en van het
Westen, hoort! De goede Sheik Ilderim groet u. Met vier paarden, zonen
van Koning Salomo's lievelingsrossen, kwam hij naar Antiochië om aan de
wedrennen deel te nemen. Hij heeft een bekwaam menner noodig voor zijne
paarden. Wie ze naar wensch voor hem besturen wil zal hij met rijkdom
overladen. Maakt dit aanbod bekend, hier, daar in de stad, in den
circus, overal waar de sterken samenkomen. Zoo zegt mijn meester, Sheik
Ilderim de Edelmoedige.

De proclamatie verwekte veel beweging. Vóór den nacht zou zij zeker alom
in Antiochië besproken worden. Ben-Hur keek besluiteloos van den heraut
naar den Sheik. Malluch dacht dat hij zich aan zou melden, en voelde
zich werkelijk verlicht, toen de jonkman zich tot hem keerde met de
vraag: Waar nu heen?

Malluch antwoordde lachend: Indien gij als anderen wilt doen, die het
Park voor de eerste maal bezoeken, dan laat u vóór alle dingen
waarzeggen.

--Waarzeggen? Dat klinkt wel wat heidensch; maar 't zij zoo. Laat ons
naar de godin gaan.

--Neen, zoon van Arrius, deze Apollodienaars hebben een betere manier
dan dat. In plaats van een samenspraak met een Pythia of Sibylle,
verkoopen zij u een gewoon papyrusblad, slechts even gedroogd. Dat laten
zij u in het water dompelen van een zekere bron, waarna gij er, in een
versje, uwe toekomst op voorspeld vindt.

Ben-Hur, die eerst met belangstelling geluisterd had, antwoordde op
somberen toon: Sommige menschen behoeven zich niet over hunne toekomst
te bekommeren.

--Wilt gij dan liever naar de tempels gaan?

--De tempels zijn Grieksch, niet waar?

--Zoo noemt men ze ten minste.

--De Grieken zijn meesters in de schoone kunsten, maar in de bouwkunst
hebben zij de afwisseling opgeofferd aan strakke schoonheid. Hun tempels
zijn alle volkomen hetzelfde. Hoe heet de bron waar gij van verteldet?

--Castalia.

--O, die! Ja, die is over de gansche aarde beroemd. Daarheen dus.

Malluch sloeg, onder het gaan, zijn metgezel in stilte gade, en bemerkte
dat zijn opgewektheid voor het oogenblik althans verdwenen was. Voor de
wandelaars had hij geen oog; de wonderwerken, die zij voorbijgingen,
ontlokten hem geen enkelen uitroep van verbazing. Zwijgend, ja gemelijk
vervolgde hij zijnen weg.

Die verandering van stemming was aan de onverwachte verschijning van
Messala te wijten. Het verledene stond hem op eens zoo levendig voor den
geest. Het scheen hem nauwelijks een uur geleden, dat men hem met geweld
van zijne moeder wegrukte, nauwelijks een uur geleden, dat de Romein
zijn ouderlijk huis liet dichtspijkeren. Hij herdacht de drie vreeselijke
jaren op de galeien, waarin hij behalve zijn werk weinig anders te doen
had, dan van wraak te droomen, waarvan Messala het middelpunt was.
Gratus, was hij gewoon tot zichzelven te zeggen, mocht desnoods
ontsnappen; maar Messala--nooit! Want wie, zoo vraagde hij telkens weer
opnieuw, wees ons aan, toen de vervolgers het huis binnendrongen? En
toen ik smeekte om hulp, niet voor mijzelf, wie bespotte mij toen en
ging lachend heen?... En altijd weer eindigden die overleggingen met de
bede: Ten dage dat ik hem ontmoet, o God van Jakob, help mij dan! Help
mij een gepaste wraak te vinden!

En nu was de ontmoeting nabij! Misschien zou Ben-Hur er anders over
gedacht hebben als hij Messala arm en lijdend had teruggevonden; maar
dat was niet het geval. Hij vond hem op het toppunt van glorie, van
aanzien en macht.

Wat Malluch dus voor een voorbijgaande neerslachtigheid hield, was
ernstig overleg wanneer hij zich tegenover Messala zou kunnen stellen en
op welke wijze hij die ontmoeting tot een onvergetelijke zou kunnen
maken.

Na een poosje kwamen zij aan een breede eikenlaan, druk bezocht door
groepjes wandelaars, paardrijders, vrouwen in draagstoelen. Aan het
einde der laan daalde de weg zacht glooiend af in een groene vlakte, die
aan de eene zijde door een steilen rotswand afgesloten was. Hier bevond
zich de beroemde bron Castalia.

Ben-Hur baande zich een weg door de menigte, die zich rondom de bron
verdrong. Een zwart marmeren bassin ving het water op, dat met kracht
uit de rots stroomde, om na veel borrelen en schuimen als door een
trechter te verdwijnen.

Naast het bassin zat onder een rots uitgehouwen afdak een priester. De
lange baard, en de kap, die zijn hoofd bedekte, gaven hem het voorkomen
van een kluizenaar. Uit de gedragingen der omstanders kon men moeilijk
opmaken wat hier eigenlijk het aantrekkingspunt was, de altijd vlietende
bron, of de altijd aanwezige priester. Hij hoorde, zag, werd gezien,
maar sprak nooit. Bij tijd en wijle bood een bezoeker hem een geldstuk
aan, waarvoor de priester een papyrusblad in ruil gaf. De kooper haastte
zich dan om het blad in het bekken te doopen, hield het vervolgens tegen
het licht, om weldra beloond te worden met de verschijning van eenige
dichtregelen, en al had die poëzie meestal weinig verdienste, de goede
naam der bron leed er niet onder.

Voordat Ben-Hur echter het orakel kon raadplegen naderde een nieuw
gezelschap, welks verschijning de algemeene nieuwsgierigheid opwekte.

Een groote witte kameel, geleid door een drijver te paard, droeg op den
rug een buitengewoon breede, rijk met goud versierde zonnetent. Twee
andere ruiters, met lange speren in de hand, volgden de kameel.

--Wat een mooi dier! zeide iemand.

--Zeker een vreemde vorst, zeide een ander.

--Neen, een koning.

--Een koning zou op een olifant zitten!

--Bij Apollo, vrienden, zeide een vijfde, 't zijn geen koningen of
vorsten, 't zijn twee vrouwen!

Terwijl de lieden er zich nog druk over maakten, hadden de vreemdelingen
de bron bereikt. De kameel beantwoordde van nabij gezien volkomen aan de
verwachting. Nog nooit had een der aanwezigen prachtiger dier aanschouwd.
Wat groote zwarte oogen, wat fijn wit haar, wat goed gevormde pooten,
zoo onhoorbaar van stap en toch zoo krachtig!... zijns gelijke was er
niet. Hoe goed pasten die gouden franjes en kwasten en die rinkelende
zilveren belletjes bij hem!

Maar wie waren die man en die vrouw onder de tent?

De oogen van allen waren op hen gevestigd.

De man was zeer oud, de vrouw nog jong en zeer schoon. Zij was gehuld in
kanten sluiers van zeldzaam fijn weefsel. Boven den elleboog droeg zij
armbanden, in den vorm van slangen, door fijne gouden kettinkjes aan de
armbanden om den pols verbonden. De kleine handen waren met kostbare
ringen versierd. Op het hoofd droeg zij een netje van gouddraad met
bloedkoralen doorregen, en rondom afgezet met muntstukjes, zoodat zij
aan den voorkant op haar voorhoofd rustten. Van haar hoogen zetel zag
zij kalm en tevreden op het volk neer, oogenschijnlijk zóó bezig met het
te bestudeeren, dat zij niets merkte van de nieuwsgierigheid, die
zijzelve opwekte. Tegen alle gewoonte in, daar aanzienlijke vrouwen zich
nimmer in het openbaar met ongedekt gelaat vertoonden, zat zij daar met
weggeslagen sluier.

Het was een mooi ovaal gezichtje, donker en toch doorschijnend van tint.
De half geopende lippen lieten twee rijen blinkend witte tandjes zien.

Nu wendde zij zich tot den drijver, een forsch gebouwd Ethiopiër, die
den kameel tot vlak bij het bassin leidde en hem deed neerknielen. Zij
reikte den man een beker toe, om dien aan de bron te vullen.

Op datzelfde oogenblik werd de door hare komst veroorzaakte stilte
verbroken door het geluid van wielen en paardengetrappel. Met luide
kreten van schrik stoven allen links en rechts.

--Pas op, de Romein is van plan er op in te rijden! waarschuwde Malluch
en vloog op zij.

Ben-Hur keek om en zag Messala, die met zijn vierspan regelrecht op het
volk aankwam. Ditmaal kon hij hem duidelijk in 't gelaat zien.

Het uiteenstuiven van de menigte bracht den kameel in groot gevaar.
Reeds waren de paarden vlak bij hem en nog lag hij met gesloten oogen te
rusten en te herkauwen, zich veilig voelend bij zijn meester. De
Ethiopiër wrong de handen in wanhoop. De grijsaard in de tent rees
overeind, als dacht hij aan vluchten; maar behalve dat de stramheid
zijner leden hem dat belette, kon hij toch in de ure des gevaars zijne
waardigheid niet vergeten. En wat zijne dochter betreft, voor haar was
het in ieder geval te laat om nog aan ontkomen te denken.

Ben-Hur stond er het dichtst bij en riep Messala toe: Halt! Zie dan toch
wat gij doet! Terug! Terug!

De patriciër lachte hartelijk, en ziende dat hem geen keus bleef sprong
Ben-Hur toe, greep de twee bijdehandsche paarden in den teugel, en rukte
hem met inspanning van alle krachten op zij. Vervloekte Romein! riep hij
Messala toe, bekommert gij u dan zoo weinig om het leven van een ander?!

De twee paarden steigerden en trokken de andere mee. De wagen dreigde te
kantelen. Messala hield zich slechts met de grootste moeite staande,
terwijl zijn goedhartige Myrtilus achterover tuimelde in het gras. Toen
zij zagen dat het gevaar geweken was lachten al de omstanders den Romein
van harte uit.

Messala toonde zich thans in grenzenlooze onbeschaamdheid. Zich van de
teugels losmakend sprong hij uit den wagen, liep om den kameel heen,
keek Ben-Hur in het voorbijgaand achteloos aan en zeide toen tot de twee
vreemdelingen: Vergeeft het mij, bid ik u. Ik ben Messala, en bij onze
moeder aarde zweer ik u, dat ik u en den kameel niet zag. Wat deze goede
lieden betreft, ik rekende misschien te veel op mijne behendigheid, ik
wilde mij ten hunnen koste vermaken, en zie, het lachen is aan hen. Moge
het hun goed bekomen!

De onverschillige blik en handbeweging, die deze woorden vergezelden,
pasten er uitstekend bij. Om te hooren wat hij nog verder mocht te
zeggen hebben, hielden de lieden zich bedaard. Messala gaf zijn metgezel
een wenk om den wagen te verwijderen en wendde zich vervolgens
vrijmoedig tot het meisje.

--Gij zijt waarschijnlijk verwant aan den eerwaardigen grijsaard, wiens
vergiffenis, zoo zij mij nu nog onthouden wordt, ik later met te grooter
ijver zal trachten te verwerven; zijne dochter misschien?

Zij gaf geen antwoord.

--Bij Pallas, gij zijt schoon! Wees voorzichtig, opdat Apollo u niet
voor zijn verloren liefje houde! Ik zou gaarne willen weten welk land
zich beroemen mag uw vaderland te zijn? Neen! wend u niet af! Vergeef
het mij! De zon van Indië straalt mij toe uit uwe oogen; Egypte heeft op
uwe lippen zijn zegel gedrukt. Keer u niet af, schoone jonkvrouw,
voordat gij mij genade geschonken hebt. Zeg mij ten minste, dat gij mij
vergiffenis schenkt.

Zonder Messala verder een blik te gunnen, wenkte zij Ben-Hur tot zich en
vraagde met een vriendelijk lachje: Zoudt gij zoo goed willen zijn om
dezen beker met water te vullen? Mijn vader heeft dorst.

--Uw gehoorzaame dienaar, antwoordde Ben-Hur.

--O vreemdelinge, gij zijt even wreed als schoon, zeide Messala, haar
met de hand toewuivende. Als Apollo u niet weghaalt, zult gij mij
weerzien. Daar ik uw vaderland niet ken, kan ik u niet aan de gunst
zijner goden aanbevelen, daarom beveel ik u aan de gunst van--mijzelven
aan!

Dit gezegd hebbende ging hij naar den wagen terug, die hem stond te
wachten. Het meisje zag hem na, en wat ook in haar oog te lezen heeft
mogen staan, geen misnoegen.

Ben-Hur bracht haar den beker en nadat de grijsaard gedronken had,
bracht zij dien zelve aan haar lippen en bood hem daarna met
onnavolgbare gratie Ben-Hur aan. Behoud hem, bidden wij u, zeide zij.
Hij is vol zegenwenschen, alle voor u!

Nu deed de Ethiopiër den kameel opstaan; maar op het punt van vertrekken
riep de grijsaard Ben-Hur toe: Wacht even! Ik moet u spreken.

Ben-Hur trad nader.

--Gij hebt den vreemdeling een grooten dienst bewezen. Er is slechts één
God. In zijn heiligen naam dank ik u. Ik ben Balthasar de Egyptenaar. In
het groote Palmbosch, aan gene zijde van de Daphne gelegen, heeft Sheik
Ilderim de Edelmoedige zijn tenten opgeslagen. Wij zijn zijne gasten.
Bezoek ons daar. Gij zult ons zeer welkom zijn.

Ben-Hur boog eerbiedig voor den grijsaard en staarde vader en dochter
nog geruimen tijd na.


       *       *       *       *       *


NEGENDE HOOFDSTUK.

PLANNEN VAN WRAAK.


In den regel is er geen zekerder middel om iemands tegenzin op te
wekken, dan uit te blinken waar hij zich laf gedroeg. Malluch maakte
hierop gelukkig een uitzondering. Wat hij gezien had deed Ben-Hur in
zijne achting rijzen. Moed en wellevendheid bezat hij ongetwijfeld. Kon
hij nu slechts een blik slaan in het verleden van den jongen man, dan
zou meester Simonides tevreden kunnen zijn over dien eersten dag.

Zooveel wist hij reeds; Ben-Hur was een Jood en de aangenomen zoon van
een Romein. Verder begreep de slimme man, dat er tusschen Messala en den
zoon van den duumvir iets was. Maar wat? Hoe kon hij achter de waarheid
komen?

In deze moeilijkheid kwam Ben-Hur zelf hem te hulp. Hij legde de hand op
Malluchs arm en voerde hem met zich uit het gedrang der menigte, die
zich weer om den priester en de bron verzameld had.

--Goede Malluch, zeide hij, mag een man zijne moeder vergeten?

Op die vraag was Malluch allerminst voorbereid. Hij keek Ben-Hur aan, om
te zien wat hij bedoelde. Hij zag niets dan een gloeiende plek op iedere
wang en onderdrukte tranen in de sombere oogen. Beslist antwoordde hij:
Neen; nooit. Als hij een Israëliet is, nooit! Mijn eerste les in de
synagoge was het gezegde van den zoon van Sirach: Eer uwen vader met uw
gansche ziel en vergeet nooit wat gij uwe moeder gekost hebt.

Ben-Hurs oogen fonkelden.

--Die woorden, Malluch, roepen mijne jeugd in mijne herinnering terug,
en bewijzen dat gij een echte Jood zijt. Ik geloof dat ik u vertrouwen
kan.

Hij liet Malluchs arm los en drukte de hand op zijn hart, alsof hij pijn
gevoelde. Mijn vader, zeide hij, was een man van aanzien, met eere
bekend in Jeruzalem, waar hij woonde. Mijne moeder was bij zijn dood in
de kracht van haar leven. Woorden kunnen niet uitdrukken hoe goed en hoe
schoon zij was. Iedereen roemde haar om de goede werken, die zij deed.
Een vriendelijke toekomst lachte ons tegen. Ik had een jongere zuster,
en wij waren zoo gelukkig, dat ik volkomen instemde met het woord van
den Rabbijn: God kon niet overal wezen, daarom schiep Hij moeders.--Op
zekeren dag overkwam aan een hooggeplaatst Romein een ongeluk, juist
toen hij ons huis voorbijreed. Zijne soldaten vlogen naar binnen en
grepen ons. Sedert heb ik mijne moeder en zuster niet meer gezien. Ik
weet niet of zij dood zijn, of nog leven. Ik weet niet wat van haar
geworden is. Maar, Malluch, die Romein, die met zijn vierspan lachend op
het volk kwam inrijden, was tegenwoordig bij onze scheiding. Hij leverde
ons over aan onze vijanden. Hij hoorde mijne moeder om genade smeeken
voor hare kinderen en hij lachte, toen zij haar wegsleurden. Het is
moeilijk te zeggen wat het diepst in de herinnering gegrift blijft,
liefde of haat. Vandaag herkende ik hem reeds in de verte, en, Malluch,
hij kent en bewaart het geheim, waarvoor ik mijn leven zou willen geven.
Hij weet óf zij leven, en waar, en hoe. En zijn zij gestorven, hij weet
waar hare beenderen rusten.

--En zou hij het niet willen zeggen?

--Neen.

--Waarom niet?

--Ik ben een Jood, en hij is een Romein.

--Maar Romeinen hebben een tong, en de Joden, hoezeer ook door hen
veracht, kunnen op middelen zinnen om die tong los te maken.

--Voor zulken als hij? Neen; en daarenboven is het een staatsgeheim.
Mijn vaders bezittingen werden alle verbeurd verklaard en verdeeld.

Malluch knikte met het hoofd, als begreep hij er alles van, en vraagde
toen opnieuw: Heeft hij u niet herkend?

--Dat kon hij niet. Ik werd levend dood verklaard, en ben sinds lang als
dood beschouwd.

--Het verbaast mij dat gij hem niet doodgeslagen hebt, zeide Malluch
hartstochtelijk.

--Daarmee zou ik mijzelven voorgoed de gelegenheid benomen hebben, om
partij van hem te trekken. De dood, dat weet gij, bewaart een geheim nog
beter dan een schuldig Romein. Maar zijn straf zal hij niet ontgaan, en
als gij mij helpen wilt, zal ik zeker slagen.

--Hij is een Romein, zeide Malluch, en ik behoor tot den stam van Juda.
Ik zal u helpen. Indien gij het verlangt zal ik mijne belofte met een
eed bevestigen.

--Geef mij uw hand, dat is voldoende.

Na met een handdruk de afspraak bezegeld te hebben zeide Ben-Hur:
Datgene waarmede ik u belasten zal, is niet moeilijk, goede vriend, en
zal uw geweten niet bezwaren. Laat ons nu verder gaan.

Een poosje later begon hij weer: Kent gij Sheik Ilderim?

--Ja.

--Waar is dat Palmbosch? of liever: hoever is dat van hier?

Malluch aarzelde een oogenblik. Hij dacht aan het geschenk der schoone
vreemdelinge. Zou het mogelijk zijn dat de jonge man zijn verdriet wilde
gaan verzetten door een liefdesavontuur? Hij liet echter niets merken en
antwoordde: Dat Palmbosch ligt twee uur te paard van Daphne. Een vlugge
kameel brengt er u in een uur.

--Zoo. En die wedrennen, daar gij mij van verteldet, zijn die publiek?
en wanneer zullen zij plaats vinden?

Die vragen deden iets vermoeden en wekten Malluchs nieuwsgierigheid.

--O ja, antwoordde hij, zij zullen prachtig zijn. De prefect is rijk en
zeer aan geld gehecht. Een invloedrijk vriend aan 't hof te hebben is
echter wel een opoffering waard, en daarom maakt hij zooveel drukte voor
den consul Maxentius, die hier komt om de laatste toebereidselen te
treffen voor een veldtocht tegen de Parthen. De inwoners van Antiochië
weten uit ondervinding, dat die toebereidselen geld onder de menschen
brengen en hebben verlof gevraagd, om den prefect te helpen den grooten
man naar waarde te ontvangen. Een maand geleden zijn herauten naar de
vier windstreken uitgezonden, om de kampspelen en wedrennen aan te
kondigen. De naam van den prefect zou op zichzelf reeds voldoende
zekerheid geven voor de noodige afwisseling; maar wanneer Antiochië zich
bij hem aansluit, zijn alle eilanden en de zeesteden zeker van iets
buitengewoons, en kunnen wij op een uitgelezen publiek rekenen. De
uitgeloofde prijzen zijn vorstelijk.

--En de circus? Ik heb gehoord dat die lui die ná den circus Maximus de
beste is.

--Die van Rome? Wel, de onze heeft plaats voor tweemaal honderdduizend
menschen, de uwe voor vijf-en-zeventigduizend meer. De uwe is van
marmer, de onze ook. Wat de inrichting betreft staan zij gelijk.

--Zijn de wetten dezelfde?

Malluch glimlachte. Als Antiochië beproeven wilde oorspronkelijk te
zijn, zou Rome niet de koningin wezen, die zij is, zoon van Arrius! De
wetten van den circus Maximus zijn oppermachtig, behalve op één punt:
dáár mogen slechts vier wagens te gelijk afrijden, hier gaan ze alle te
zamen, onverschillig hoeveel.

--Dat is naar Grieksche manier, zeide Ben-Hur.

--Ja, Antiochië is meer Grieksch, dan Romeinsch.

--En mag men zijn eigen wagen kiezen?

--Ja, en de paarden ook. Daarin is ieder vrij.

--Nog iets, Malluch, wanneer zullen de wedrennen gehouden worden?

--Laat eens zien. Morgen ... neen, overmorgen, als ten minste, om op zijn
Romeinsch te spreken, de zeegoden hem goedgunstig zijn, komt de consul.
Ja, op den zesden dag na dezen beginnen de feesten.

--De tijd is kort, Malluch, maar voldoende. Bij de profeten van Israël!
Ik zal weder naar de teugels grijpen. Maar wacht! Weet gij zeker dat
Messala meedoet?

Nu doorzag Malluch het geheele plan. Ja, dat was een heerlijke
gelegenheid om den Romein te vernederen; maar hij had geen Israëliet
moeten zijn, om niet snel de kansen te berekenen. Bezorgd vraagde hij:
Hebt gij er meer aan gedaan?

--Vrees niet, mijn vriend. Vraag maar eens te Rome wie daar de vorst der
wagenmenners genoemd wordt. Bij de laatste groote wedrennen bood de
keizer zelf mij zijne gunst aan, indien ik zijne paarden in het
strijdperk wilde voeren.

--En hebt gij dat geweigerd? vraagde Malluch levendig.

--Ik ben een Israëliet, antwoordde de ander ernstig. Al draag ik een
Romeinschen naam, ik wilde niet iets doen, dat mijn vaders naam
benadeelen kon in de voorhoven van onzen Tempel. In de kampscholen kon
ik mij aan dergelijke oefeningen wijden, in den circus zelf zou mijn
optreden een gruwel zijn in de oogen mijner geloofsgenooten, en als ik
hier aan de wedrennen deel neem, dan, Malluch, ik zweer het u, zal het
niet zijn om den prijs te behalen.

--Hola! zweer niet te gauw. De prijs is 10,000 sestertiën, een vermogen
op zichzelf.

--Niet voor mij, al was het tienmaal zooveel. Neen, er is wat beters.
Deze wedrennen zullen mij dienen om mijn vijand te vernederen. Wraak is
door de wet geoorloofd. Maar gij hebt mij nog niet geantwoord. Weet gij
zeker dat Messala meedoet?

--Ja. Messala doet mee. Het staat overal aangeplakt. Iederen dag komt
hij zich oefenen.

--Zoo, en dat is dus het vierspan, waarmede hij in het strijdperk zal
komen? Dank voor uwe inlichtingen, Malluch! Gij zijt mij heerlijk van
dienst geweest. Ik ben voldaan. Wijs mij nu zoo gauw mogelijk den weg
naar Sheik Ilderim en leid mij bij hem in. Hoe komen wij er het snelst?
Zijn paarden mochten anders al eens besproken zijn.

--Het best is dat wij regelrecht naar het dorp gaan, dat is gelukkig
vlak bij. Daar moeten wij twee vlugge kameelen zien te huren, dan zijn
wij er in een uur.

--Voorwaarts dan, zeide Ben-Hur.

Het dorp bestond uit niets dan paleizen in fraaie tuinen, benevens
eenige vorstelijk ingerichte herbergen. Kameelen waren gemakkelijk te
krijgen en zoo konden de twee reizigers zich weldra op weg begeven naar
het beroemde Palmbosch.


       *       *       *       *       *


TIENDE HOOFDSTUK.

HET PALMBOSCH.


De landstreek die zij doorreden was heuvelachtig en goed bebouwd, een
ware lusthof. Geen plekje was vergeten. De steile heuvelhellingen waren
terrasvormig aangelegd. Tegen de omtuiningen slingerden zich weelderige
wingerdranken omhoog, die den voorbijgangers, behalve zeer gewenschte
schaduw, de belofte gaven van kostelijke druiven en parelenden wijn.
Op de meloenvelden en tusschen abrikozen- en vijgeboschjes lagen de
witgepleisterde huizen der landlieden verspreid; alles sprak van
overvloed en vrede, en stemde het hart tot vroolijken levensmoed.
Af en toe kreeg men een kijkje op het Taurusgebergte en den Libanon,
waartusschen de Orontes als een zilveren draad kalm zijn weg vervolgde.

Het duurde niet lang of onze vrienden hadden de rivier bereikt. Nu ging
hun weg over heuvelen en door dalen, steeds met den stroom mede. Was het
landschap in vollen bladerdos van eik en laurier en moerbeiboomen, van
geurenden jasmijn en haagappelboomen, de rivier tintelde onder de
zonnestralen en sprak met hare vele op- en afvarende schepen van de zee,
van vergelegen landen, van beroemde plaatsen en begeerlijke dingen.

De twee vrienden reden door totdat zij aan een meer kwamen, helder, diep
en effen, dat door het vloedwater der rivier onderhouden werd. Een oude
palmboom beheerschte den inham. Bij dien palm sloegen zij links om en
riep Malluch op vroolijken toon: Het Palmbosch! Het Palmbosch!

Met uitzondering van de bekoorlijksten oasen in Arabië, of de
Ptolemeïesche landerijen aan den Nijl, kon men bezwaarlijk een
heerlijker oord vinden. Ontelbare dadelpalmen, patriarchen in hunne
soort, verhieven hunne kruinen ten hemel. Aan het koele, heldere water,
dat onder den grond verder stroomde, hadden die reuzen hun groei en
langen levensduur te danken. Was het park van Daphne boven dit te
verkiezen? En alsof de palmen Ben-Hurs gedachten raadden en de schaal
ten hunnen gunste wilden doen overslaan, wuifden zij hem vriendelijk toe
en brachten hem verkoeling aan.

--Let eens op dezen reus, zeide Malluch, op een eerwaardigen palm
wijzend. Elke ring op den bast duidt een jaar leven aan. Tel ze van
wortel tot aan den top, en als de Sheik u zegt, dat het bosch geplant
is, voordat iemand in Antiochië iets van de Seleuciden wist, geloof hem
dan vrij.

Een volmaakt schoone palm te beschouwen, zonder dat men onder zijn
invloed in vervoering geraakt, is niet wel denkbaar. Vandaar dat hem van
den beginne alle eer bewezen is en de kunstenaars der eerste koningen
hem als model kozen voor de pilaren hunner paleizen en tempels.
Diezelfde gewaarwording deed Ben-Hur zeggen: Toen ik Sheik Ilderim van
morgen zag vond ik hem een zeer gewoon man. Hoe komt hij, een zoon van
Edom, in het bezit van dezen lusthof? en hoe heeft hij hem uit de
klauwen der Romeinsche gouverneurs kunnen houden?

--De stamboom van dezen Sheik klimt tot in de grijze oudheid op, zeide
Malluch. Al zijne voorvaders waren Sheik. Een van hen heeft eenmaal een
vervolgden koning het leven gered. Het verhaal gaat, dat die Sheik den
koning duizend ruiters leende, die hem nu hier dan daar in de wildernis
verborgen, totdat zich eene gelegenheid aanbood om hem te wreken, zijne
vijanden te verslaan, en den koning troon en rijk terug te geven. De
koning vergat de bewezen diensten niet, maar noodigde den Sheik uit om
zijne tent in deze streek op te slaan, en gaf hem het meer en de boomen
en het land tusschen de rivier en de naastbijgelegen bergen tot eene
erfelijke bezitting.

--En heeft niemand hem ooit die bezitting betwist?

--De verschillende overheerschers hebben het verstandig geoordeeld op
goeden voet te blijven met den stam, die door den Heer gezegend is met
strijdbare helden en paarden en kameelen en rijkdommen, zoodat zij
meester zijn van vele heirwegen tusschen de groote steden, en den handel
naar welgevallen kunnen belemmeren of beschermen. Zelfs de prefect in de
Citadel is blijde, wanneer de Sheik met zijne vrouwen en kinderen en
zijn ganschen stoet de eenzaamheid der woestijn verlaat, om voor een
poos in dit heerlijk oord zijne tenten op te slaan.

--Maar hoe komt het dan, dat de Sheik straks het uur vervloekte, waarin
hij een Romein zijn vertrouwen geschonken had? Als de keizer hem gehoord
had, zou hij zeker gezegd hebben: zulk een vriend begeer ik niet. Weg
met hem!

--Ja, wat dat betreft, Ilderim heeft een grief tegen Rome, zeide Malluch
met een glimlach. Drie jaren geleden trokken de Parthen langs den weg
van Bozra naar Damascus en vielen een karavaan aan, die onder anderen de
schatting van een in de buurt gelegen district vervoerde. Zij sloegen
alle gevangenen dood, hetgeen de beambten te Rome hadden kunnen
vergeven, indien slechts de keizerlijke schatten behouden en naar Rome
gezonden waren. De pachters, die voor de slachting aansprakelijk waren,
beklaagden zich bij den keizer. Deze veroordeelde Herodes in de kosten,
en Herodes verhaalde de schade op Ilderim, wien hij van plichtverzuim
beschuldigde. De Sheik kwam in hooger beroep bij den keizer; maar deze
gaf een antwoord, waar niemand wijs uit kon worden. De oude man heeft
zich dat sterk aangetrokken en wacht slechts op een gelegenheid om zich
te wreken.

--Hij kan toch niets doen, Malluch.

--Dat is te zeggen.... Maar zie, de gastvrijheid begint reeds. De
kinderen spreken u aan.

De kameelen bleven stilstaan en Ben-Hur zag, dat eenige kleine meisjes
hem mandjes met dadels aanboden. Hij nam ze met vriendelijken dank.

Toen zij weer verder reden zeide Malluch: Ik ben zeer bevriend met den
koopman Simonides, en zoo heb ik ook kennis gemaakt met zijne vrienden,
waaronder Sheik Ilderim een eerste plaats bekleedt. Ik heb hem meermalen
ontmoet. Een paar weken geleden bracht hij Simonides een bezoek. Ik was
in de kamer, en daar hij zeer opgewonden scheen, wilde ik mij verwijderen;
maar hijzelf verbood het, zeggende: Gij zijt een Israëliet, blijf dus
hier en luister, want ik heb een vreemde geschiedenis te verhalen.--Vele
jaren geleden kwamen drie reizigers bij hem, een Hindoe, een Griek en
een Egyptenaar. Zij reden op kameelen, de mooiste die hij ooit gezien
had, en alle drie wit. Zij bleven die nacht bij hem. Den volgenden
morgen vertelden zij hem wie zij waren en vanwaar zij kwamen. Alle drie
hadden zij eene ster gezien en eene stem gehoord, die hun beval naar
Jeruzalem te gaan, en te vragen naar den jonggeboren Koning der Joden.
Zij gingen, en de ster geleidde hen van Jeruzalem naar Bethlehem, waar
zij in een spelonk het pasgeboren kind vonden, dat zij aanbaden en
geschenken gaven. Zij gingen niet naar Herodes terug, het was Herodes de
Groote, overtuigd dat die hen dooden zou, maar kwamen bij Sheik Ilderim,
die hen in zijne tenten verborg, totdat zij de terugreis durfden
aanvaarden.

--Dat is zeker een vreemde geschiedenis, zeide Ben-Hur. Maar waar zegt
gij dat zij te Jeruzalem naar vragen moesten?

--Zij moesten vragen: Waar is de geboren Koning der Joden?

--Was dat alles?

--Er was nog wat bij; maar dat herinner ik mij niet meer.

--En vonden zij het kind?

--Ja, en aanbaden het.

--'t Is vreemd, Malluch.

--Ilderim is een ernstig man, al is hij ook, evenals alle Arabieren,
licht ontvlambaar. Een leugen uit zijn mond is ondenkbaar.

--Heeft Ilderim nooit meer van die drie mannen gehoord?

--Wel, dat was het juist wat hij Simonides kwam vertellen bij dat
laatste bezoek. Den vorigen avond was de Egyptenaar onverwacht weer bij
hem gekomen.

--Herkende hij hem dan?

--Ja, aan zijn manier van spreken en doen, en hij bereed denzelfden
witten kameel, en gaf denzelfden naam op: Balthasar, den Egyptenaar.

--Wat zegt gij? Dien naam gaf de oude man aan de bron mij ook op! En de
jonkvrouw was zijne dochter.

Een oogenblik later zeide hij: Zij moesten dus vragen naar hem, die de
Koning der Joden zou zijn?

--Neen, antwoordde Malluch, zij moesten naar den geboren Koning der
Joden vragen. Die woorden heeft de Sheik altijd onthouden en hij wacht
op de komst van dien Koning. Niets kan zijn geloof aan het wankelen
brengen, dat hij komen zal.

--Hoe ... als Koning?

--Ja, om Rome's macht te fnuiken.

Ben-Hur bleef in gedachten verzonken en zeide toen: De Sheik is een uit
velen, die onrecht hebben te wreken; maar het is immers onmogelijk,
Malluch, dat iemand anders dan een Herodes Koning der Joden zou zijn,
zoolang Rome Rome is?... Maar om op het verhaal terug te komen; wat
antwoordde Simonides?

--Simonides is een wijs man. Ik luisterde, en hij zeide ... maar hoor!
daar komt iemand ons achterop.

Paardengetrappel weerklonk, het kwam nader en nader, en zie, daar was de
Sheik zelf met zijn gevolg, ook de vier Arabische paarden en de wagen.
Zoodra hij hen zag riep den grijsaard: welkom en vrede!... Ha! Zijt gij
het, mijn goede vriend Malluch? Welkom! Brengt gij mij tijding van mijn
vriend Simonides? Moge de God zijner vaderen hem nog lang bij het leven
bewaren! Volgt mij, opdat ik u verfrisschingen voorzette.

Zij volgden hem tot aan de deur zijner tent, waar hij hun een verkoelenden
drank aanbood.

Zoodra zij naar binnen waren gegaan nam Malluch den Sheik ter zijde, om
iets met hem te bespreken, waarna hij tot Ben-Hur terugkeerde en zeide:
Ik heb den Sheik over u gesproken, hij is uw vriend, het verdere laat ik
dus aan u over. Ik moet nu naar de stad, waar ik hedenavond gewacht word.
Morgen kom ik terug en hoop dan bij u te blijven tot na den afloop der
feesten.

Met wederzijdsche zegenbeden scheidden zij en vertrok Malluch.


       *       *       *       *       *


ELFDE HOOFDSTUK.

MALLUCHS RAPPORT.


Het was laat in den avond. Het maanlicht bescheen de gebouwen op den
berg Sulpius, en twee derden van Antiochië's inwoners zochten op de
platte daken der huizen koelte en verfrissching. Ook Simonides had zich
naar het terras laten brengen en liet den blik rusten op de rivier en de
ten anker liggende schepen. De muur achter hem wierp een breede schaduw
op het water. Esther stond voor hem met een blad, dat zijn eenvoudig
avondeten bevatte: luchtig gebakken koeken, wat honig en een kom melk.

--Malluch is laat, zeide hij, en verried alzoo waar zijne gedachten
toefden.

--Zou hij nog komen? vraagde Esther.

--Als hij niet op zee of in de woestijn is, zal hij komen, antwoordde
Simonides beslist.

--Hij zou kunnen schrijven.

--Als hij vèr weg moest, zou hij mij dat dadelijk gemeld hebben; daar
hij dat niet gedaan heeft, weet ik dat hij komen zal.

--Ik hoop het, zeide zij zacht.

Iets in haar toon trof hem. Hij keek op en zei: Zou het u genoegen doen,
als hij kwam?

--Ja vader.

--Waarom? vertel mij dat eens.

--Omdat ... omdat de jonge man....

--Onze meester is. Woudt ge dat zeggen, Esther?

--Ja vader.

--En gij vindt, dat ik hem niet moet laten gaan zonder hem te zeggen,
dat hij komen kan als het hem behaagt, om ons met alles wat wij bezitten
tot zich te nemen; alles, Esther: de schepen, het geld, de slaven, het
huis, en het machtig krediet, dat als een mantel van fijn goud en zilver
voor mij geweven werd door den grootsten beschermengel der menschen:
welslagen.

Zij antwoordde niet.

--Laat het u koud? vraagde hij met iets bitters in zijn toon. Ach, kind,
ik weet bij ondervinding, dat wat van te voren ondragelijk scheen
doorstaan kan worden, als men er maar eerst vóór staat, zelfs het
ergste, zelfs de pijnbank. Dat zal met den dood waarschijnlijk ook wel
het geval zijn. En volgens die beschouwing kan de slavernij, waarin wij
ons gaan begeven, na een poos liefelijk worden. 't Is mij nu reeds een
aangename gedachte, dat onze meester een gunsteling der fortuin blijkt
te zijn. Zijn vermogen heeft hem niets gekost, geen zorg, geen droppel
zweet, niet eens een gedachte. Onverwacht valt het hem voor de voeten.
En, Esther, wat mijn ijdelheid niet weinig streelt, hij krijgt wat hij
voor geen schatten kon koopen, hij krijgt u, mijn lieveling, mijn parel,
u, bloempje van mijn gestorven Rachel.

Hij trok haar tot zich en kuste haar tweemaal; de eerste kus gold
haarzelve, de tweede hare moeder.

--Spreek zo niet, vader, zeide zij, laat ons beter van hem denken. Hij
weet wat droefheid is en zal ons de vrijheid geven.

--Gij hebt een fijn instinct, Esther, en gij weet dat ik dikwijls op uw
oordeel af ga;... hoor, daar komt iemand; heb ik het u niet gezegd? daar
is Malluch! Nu zullen wij zien wat wij van onzen jongen meester te
wachten hebben.

--Vrede zij u, meester Simonides, zeide Malluch diep buigend, en ook u,
voortreffelijkste der dochters.

Simonides beantwoordde den groet en vraagde toen: Wat hebt gij mij van
den jongen man te vertellen?

Eenvoudig en zakelijk gaf Malluch een verslag hoe hij den dag had
doorgebracht. Simonides luisterde aandachtig en liet hem ongestoord
vertellen.

--Dank, hartelijk dank, Malluch, gij hebt uitstekend gehouden, zeide
hij, toen het verhaal uit was. Niemand zou het kunnen verbeteren. En tot
welk volk meent gij dat hij behoort?

--Tot het volk van Israël, meester, tot den stam van Juda.

--Weet gij het zeker?

--Zeer zeker.

--Hij schijnt u niet veel van zijn leven verteld te hebben.

--Hij heeft geleerd voorzichtig te zijn. Eerst na zijn optreden bij de
Castaliabron werd hij vertrouwelijk.

--Een vervloekte plaats, die bron. Waarom ging hij er heen?

--Ik zou zeggen uit nieuwsgierigheid; maar toen hij er was, toonde hij
niet de minste belangstelling. Goede meester, de jonge man heeft een
verborgen kommer, en hij ging naar het Park, denk ik, zooals wij naar
het graf gaan met onze dooden--hij ging zijn kommer begraven.

--Niet onmogelijk, Malluch; maar de vloek van dezen tijd is
verspilzucht ... hebt gij daar iets van gemerkt? Pronkte hij met geld?
Met Romeinsche of Joodsche munten?

--Neen, meester.

--Maar Malluch, op de plaats die zooveel gelegenheid tot dwaasheid
geeft,... ik bedoel waar zooveel te eten en te drinken is, heeft hij u
zeker wel een en ander aangeboden?

--Hij heeft niet gegeten of gedronken, voordat wij in Ilderims tent
waren.

--Kondt gij uit wat hij zeide of deed opmaken wat zijn geheime drijfveer
is?

--Hoe bedoelt gij dat? vraagde Malluch.

--Wel, gij weet dat wij voor ons spreken en handelen, vooral bij
gewichtige aangelegenheden, een beweegreden hebben. Wat hebt gij te dien
opzichte bij hem opgemerkt?

--Daarop, meester Simonides, kan ik met zekerheid antwoorden. Hij wil
zijne moeder en zuster opsporen, dat allereerst. Dan heeft hij een wrok
tegen Rome, en daar die Messala van wien ik u vertelde iets met het hem
aangedane onrecht te maken heeft, wil hij niet rusten voordat hij hem
vernederd heeft. De ontmoeting bij de bron bood hem de gelegenheid, maar
hij liet die voorbijgaan, omdat ze hem niet publiek genoeg was.

--Die Messala heeft veel invloed, zeide Simonides.

--Ja, maar de volgende ontmoeting zal in den circus plaats vinden.

--Zoo ... en dan?

--De zoon van Arrius zal winnen.

--Hoe weet gij dat?

Malluch glimlachte en zeide: Ik oordeel naar wat hij zegt.

--Naar dat alleen?

--Neen, ook naar den geest, die hem bezielt.

--Inderdaad? Maar Malluch, beperkt hij zijn wraak tot de enkelen, die
hem onrecht aandeden, of tot het geheele volk? Meer nog, is die
wraaklust slechts een gril van een gevoeligen knaap, of is hij de
ingewortelde dorst naar wraak voortkomende uit een vertrapt mannenhart?
Gij weet, Malluch, het zinnen op wraak, dat alleen in den geest wortel
heeft geschoten, is een ijdele droom, die bij den eersten helderen dag
verdwijnt, terwijl de wraak, tot hartstocht geworden, een ziekte is, die
opklimt naar de hersenen, en zich met hart en geest beiden voedt.

Simonides had snel en met saamgeknepen handen gesproken, alsof hij de
kwaal, die hij beschreef, bij ondervinding kende.

--Goede meester, zeide Malluch, dat ik den jonkman voor een Israëliet
houd is allereerst om zijn gloeienden haat. Hij bedwong zich, maar toch
zag ik hem opvlammen, eerst toen hij weten wilde wat Ilderim tegen Rome
heeft, daarna toen ik hem van de drie mannen verhaalde, die den geboren
Koning der Joden zochten.

--Wat zeide hij dan? Zijn eigen woorden, Malluch!

--Hij wilde precies weten wat zij gezegd hadden: De Koning, of de
geboren Koning. Daar maakte hij onderscheid tusschen. Toen vertelde ik
hem wat Ilderim gezegd had: dat de koning komen zou om Rome te
verdelgen.--Het bloed steeg hem naar de wangen en hij zeide: Wie anders
dan een Herodes kan koning zijn, zoolang Rome Rome blijft?

Simonides zag een poos zwijgend voor zich en zeide toen: 't Is goed,
Malluch. Laat u wat te eten geven en maak u gereed om morgen naar het
Palmbosch te gaan. Gij moet den jongen man helpen zijn plan te
volvoeren. Ik zal u een brief aan Ilderim meegeven. Misschien, voegde
hij er zachtjes bij, zal ikzelf bij de wedrennen in den circus
verschijnen.

Malluch vertrok. Simonides dronk van de melk en scheen verruimd van zin
en opgewekt te zijn.

--Zet dat maar weg, Esther, en kom dan weer hier.

Het meisje gehoorzaamde.

--Wat is God goed voor mij, zeide hij op innigen toon. Zijn weg is in
het duister; maar somtijds staat Hij ons toe iets van zijne wegen te
begrijpen. Ik ben oud, lieve, en maak mij gereed om heen te gaan; maar
zie, ter zelfder ure, toen ik alle hoop had opgegeven, zendt Hij mij een
lichtstraal, die mij geheel opvroolijkt. Ik zie waarom ik dien bepaalden
weg heb moeten gaan. Een omstandigheid zoo groot, dat zij een
wedergeboorte voor de geheele wereld zal zijn, maakt het mij duidelijk.
Ik begrijp waarom mij zoo groote rijkdom geschonken werd, ik zie waartoe
hij bestemd is. Waarlijk, mijn kind, ik begin weer op te leven.

Esther vlijde zich tegen hem aan, alsof zij zijne gedachten weder bij
het tegenwoordige wilde bepalen.

--De koning is geboren, vervolgde hij op droomerigen toon, en moet
volwassen zijn. Balthasar zegt, dat hij een zuigeling was op moeders
schoot, toen hij hem zag en zijne geschenken aanbood, en Ilderim
beweert, dat het in December achtentwintig jaar geleden was, dat
Balthasar met zijne vrienden in de woestijn tot hem kwam. Lang zal de
koning dus niet meer toeven te komen. Vandaag, morgen kan het gebeuren!
Heilige vaders van Israël, welk eene gedachte! 't Is mij als hoor ik
oude muren kraken, als hoor ik het gejoel van een volslagen ommekeer; o!
en om alles te kronen scheurt de aarde vaneen, om Rome op te slokken. En
de volkeren zien het en lachen en zingen: Rome is gevallen en wij zijn
er nog!

Hij zweeg even, lachte genoegelijk en zeide: Wel, Esther, wat zegt gij
daarvan? Voorwaar, de geestdrift eens zangers komt over mij, de
bezieling van Mirjam en David. Mijne gedachten die zich bezig moesten
houden met cijfers en teekens, zijn vol van het geschal der cymbalen,
van harptonen, en het vreugdegejubel eener groote menigte, staande
rondom een nieuw opgerichten troon. Ik wil daar voor 't oogenblik niet
langer aan denken, alleen dit nog, lieve, als de koning komt zal hij
geld en mannen noodig hebben, want daar hij, evenals wij allen, van eene
vrouw geboren is, zal hij ten slotte een mensch zijn als wij,
onderworpen aan de menschelijke natuur, zooals gij en ik. Ziet gij nu
den weg, dien ik en de jonkman, onze meester, moeten loopen? Die weg
voert ons tot roem en wraak.

Esther bleef zitten en zweeg. Toen herinnerde Simonides zich, dat niet
alle menschen zich over hetzelfde verheugen kunnen,--hij herinnerde zich
dat hij tegen eene vrouw sprak.

--Waar denkt ge aan, Esther? vraagde hij op zijn gewonen toon. Als uwe
gedachten den vorm hebben van een wensch, zeg het mij dan, mijn kind,
terwijl ik nog de macht bezit om hem te vervullen. Want zij is
wispelturig, de macht, en houdt hare vleugelen altijd uitgebreid om zóó
weg te kunnen vliegen.

Zij antwoordde met bijna kinderlijken eenvoud: Laat hem halen, vader,
laat hem nog van avond halen, en laat hem niet naar den circus gaan.

--Aha! zeide hij op gerekten toon, en staarde op de rivier, waar de
schaduwen steeds donkerder werden, sedert de maan achter den Sulpius
gezonken was en de verlichting der stad overgelaten had aan het
twijfelachtig schijnsel der sterren. Zullen wij het zeggen, lezer?
Simonides was ijverzuchtig. Zou zij liefde hebben opgevat voor den
jongen meester? Neen, o neen, dat kon niet. Zij was nog te jong. Maar de
gedachte liet hem niet los, die mogelijkheid maakte hem koud en stil.
Zij was zestien jaar. Hij wist het heel goed. Op haar laatsten
verjaardag had zij hem begeleid naar de scheepstimmerwerf, waar een
nieuwe galei van stapel zou loopen, en op de gele vlag, die zoo lustig
in den wind wapperde, stond de naam Esther. Zoo hadden zij dien dag
samen gevierd. Zestien jaar, hij wist het heel goed, en toch trof het
hem als iets nieuws. Er zijn van die dingen, die ons, als wij ze goed
nadenken, pijnlijk aandoen, bij voorbeeld dat wij oud worden, dat wij
sterven moeten. Zulk een onbestemde pijnlijke gewaarwording maakte zich
thans van hem meester en ontlokte hem een diepen zucht. Alsof het niet
genoeg was, dat zij een lijfeigene werd, zou zij ook haren meester
gevoelens toedragen, wier innigheid en teederheid hij zoo goed kende,
omdat zij tot heden onverdeeld aan hem waren gewijd. De demon, wiens
taak het is ons met vrees en bittere gedachten te martelen, doet zelden
zijn werk ten halve. Door de smart van 't oogenblik vergat de moedige
grijsaard zijne plannen voor de toekomst en den wondervollen koning, die
er het middelpunt van was. Met een geweldigen krachtinspanning, wist hij
zich echter te bedwingen en vraagde kalm: Niet naar den circus laten
gaan, waarom niet, kind?

--Het is geen plaats voor een zoon van Israël, vader.

--Rabbijnsche opvattingen, Esther! Is dat alles?

Zijn toon was onderzoekend en drong door tot haar hart, dat luid begon
te kloppen, zoo luid, dat zij niet dadelijk kon antwoorden.

--De jonkman zal het vermogen hebben, zeide Simonides vriendelijk, hij
zal de schepen hebben en het geld, alles, Esther, alles. In weerwil
daarvan voelde ik mij net arm; want ik behield u en uwe liefde, die mij
zoo mijne gestorven Rachel herinnert. Zeg mij, zal hij die ook hebben?

Zij boog zich neder en leunde met het hoofd tegen hem aan.

--Spreek, Esther, ik zal sterker zijn, als ik het weet. Onzekerheid
maakt zwak.

Zij richtte zich op en sprak op vasten toon: Wees getroost, lieve vader,
ik zal u nooit verlaten. Al moest ik hem liefhebben, ik zal altijd uwe
dienstmaagd blijven. Ja, vader, hij is schoon in mijne oogen, en zijne
manier van spreken trok mij aan. Ik beef als ik denken moet, dat gevaren
hem dreigen. Ja, vader, ik zou meer dan blijde zijn, als ik hem
wederzag. Maar onbeantwoorde liefde kan nooit volmaakte liefde zijn;
daarom wil ik geduldig wachten, en niet vergeten dat ik uwe en moeders
dochter ben.

--Een zegen des Heeren zijt gij, Esther! Een zegen om mij rijk te doen
blijven, al moet ik ook al het andere verliezen. En bij zijn heiligen
Naam en het eeuwige leven zweer ik, dat u geen leed zal aangedaan
worden.

Een weinig later liet hij een dienaar roepen, die den stoel naar binnen
rolde. Daar zat hij nog een poos na te denken over de komst des konings,
terwijl Esther hare legerstede opzocht en spoedig den slaap der onschuld
sliep.


       *       *       *       *       *


TWAALFDE HOOFDSTUK.

EEN ROMEINSCH DRINKGELAG.


Het paleis, schuins tegenover Simonides' woning aan den anderen oever
der rivier gelegen, was volgens de overlevering door den vermaarden
Epiphanes gebouwd, en beantwoordde geheel aan de eischen, die men zulk
eene woonplaats stellen mag. De muur, die over het geheele eiland langs
den waterkant opgetrokken was en dienen moest tot beschutting tegen den
stroom en beveiliging tegen mogelijke invallen, heette het paleis
ongeschikt te maken tot voortdurende bewoning, zoodat de legaten zich
een ander paleis lieten bouwen op de westelijke helling van den Sulpius.
Het ontbrak echter niet aan lieden, die ronduit beweerden, dat die
verhuizing niets te maken had met gezondheidsmaatregelen, maar dat de
ware reden gezocht moest worden in de onmiddellijke nabijheid der groote
citadel, die den legaten een gevoel van veiligheid gaf. Die opvatting
scheen wel de ware te zijn, want onder meer merkte men op, dat het oude
paleis steeds in bewoonbaren staat gehouden werd, en dat, wanneer een
consul, een generaal, een vorst, of eenig ander machthebbende Antiochië
bezocht, hem het eiland-paleis als verblijf werd aangewezen.

Daar wij slechts met één vertrek in het oude gebouw te doen hebben, mag
de lezer zich het overtollige voorstellen naar eigen believen en staat
het hem vrij de tuinen, baden, buiten- en binnenpleinen, vertrekken en
paviljoenen, alles zoo weelderig mogelijk ingericht, op eigen
gelegenheid te doorwandelen.

Het vertrek, waarheen wij ons thans begeven, zou in dezen tegenwoordigen
tijd een zaal genoemd worden. Het was zeer ruim en met gepolijst marmer
bevloerd. Kunstige pijlers, in den vorm van Atlasgestalten, droegen de
zoldering, en langs de muren was een met Indisch zijde overtrokken divan
aangebracht. Het meubilair bestond uit tafels en zetels in Egyptischen
stijl. Vijf reusachtige bronzen kronen verspreidden een zee van licht.

Een honderdtal personen is in deze zaal vergaderd. Sommigen zitten bij
de tafels, anderen loopen heen en weder, weder anderen hebben het zich
op den divan gemakkelijk gemaakt. Zij zijn allen jong, sommigen
ternauwernood de kinderschoenen ontwassen.

Dat zij allen Italianen en voor het grootste gedeelte Romeinen zijn
lijdt geen twijfel. Zij spreken zuiver Latijn, en zijn naar Romeinsche
gewoonte gekleed, in tunica's met korte mouwen en korten schoot, welke
kleedij juist geschikt is voor het klimaat van Antiochië en in de
overmatig warme zaal volkomen op hare plaats is. Hier en daar liggen op
den divan toga's en mantels, waaronder met purper omzoomde, achteloos
neergeworpen. Ook ziet men er slapende gasten in gemakkelijke houding
uitgestrekt; of de hitte en de vermoeienis hen zoo hebben aangegrepen,
of dat Bacchus er schuld aan heeft, zullen wij maar niet onderzoeken.

Er wordt druk en luid gepraat, uitbundig gelachen, hartstochtelijk
gespeeld.

Het meerendeel dier jongelieden behoorde tot het militaire gevolg van
den consul en moest hier zijne komst afwachten.

Laat in de nacht trad een nieuw gezelschap de zaal binnen, en begaf
zich, eerst onopgemerkt, naar de middentafel. Men kon hun aanzien dat
zij juist van een slemppartij kwamen. Sommigen konden zich slechts met
moeite op de been houden. De aanvoerder droeg een krans om het hoofd,
ten teeken dat hij de koning van het feest, misschien wel de gastheer
was geweest. De wijn had geen bijzondere uitwerking op hem gehad, of het
moest zijn om zijn mannelijk schoon te verhoogen. Met hooger gekleurde
wangen en stralende oogen stapte hij fier vooruit, ofschoon zijne
houding en de manier, waarop hij de ruime witte toga om de schouders had
geplooid, wel wat theatraal was voor iemand in volkomen nuchteren staat.

Zonder zich om iemand of iets te bekommeren maakte hij voor zich en
zijne makkers plaats, en toen hij eindelijk in het midden der zaal bleef
stilstaan en zijn blik over de spelers liet gaan, keerden zij zich allen
tot hem en begroetten hem met een luiden juichtoon: Ha! Messala! Messala!

De meer verwijderden hoorden den kreet en namen hem over. Dadelijk
werden de groepjes ontbonden, de dobbelsteenen neergeworpen, en snelden
allen naar het midden der zaal.

Messala nam die eerbewijzen als vanzelf-sprekend aan. Weldra zou blijken
waaraan hij deze populariteit te danken had.

--Uwe gezondheid, Drusus, mijn vriend, zeide hij tot den speler aan
zijne rechterhand, uwe gezondheid. Laat mij uw tafeltje[2] eens zien.

Hij nam de wassen blaadjes, zag de aanteekeningen vluchtig door en wierp
ze op de tafel.

--Denaries, enkel denaries, muntstukken voor sjouwers en waterdragers,
zeide hij met een hoonenden lach. Bij de doos van Pandora, waar gaat
Rome heen, wanneer een Cesar geheele nachten zit te spelen in de hoop
dat Fortuna hem een armzalige denarie in den schoot zal werpen!

De telg der Drusussen bloosde tot achter de ooren, maar zijne makkers
overschreeuwden zijn antwoord door hun geroep: Messala! Messala!

--Mannen van den Tiber, zeide hij, een der jongelieden de dobbelsteenen
uit de hand nemend, wie is de meest door de goden bevoorrechte? De
Romein. Wie stelt den volken de wet? De Romein. Wie is dus rechtens
beheerscher der wereld?

De gemakkelijk tot geestdrift op te winden jeugdige krijgers namen hem
het woord uit den mond en schreeuwden om het hardst: De Romein! De
Romein!

--En toch, en toch, zeide hij langzaam, om hunne nieuwsgierigheid te
prikkelen, toch is er een, beter dan de besten van Rome.

Trots wierp hij het hoofd achterover, en toen geen antwoord volgde ging
hij voort: Hoort gij? Er is een beter dan de besten van Rome.

--Hercules! riep een.

--Of Bacchus! schreeuwde een ander.

--Neen, Jupiter! Jupiter! donderde de menigte.

--Noem hem dan! riepen allen.

--Dat wil ik, zeide hij, zoodra er wat stilte gekomen was. Hij, die bij
Rome's volmaaktheid de volmaaktheid van het Oosten gevoegd heeft; hij,
die aan het zegevierende Westen de Oostersche kunst heeft toegevoegd.

--Bij Apollo, zijn beste is ten slotte toch de Romein, riep een, en
daarop lachten allen en klapten in de handen.

--In het Oosten, vervolgde Messala, hebben wij geen andere goden, dan
wijn, vrouwen, en goed geluk, en de uitnemendste van deze drie is goed
geluk. Daarom voeren wij tot motto: Wie durft wat ik durf?--zoowel in
den Senaat, als in den krijg. Bovenal echter past het bij hem, die het
beste zoekt en voor het ergste niet terugdeinst.

Thans sloeg hij een gemoedelijken, vertrouwelijken toon aan, zonder
echter zijne overmacht prijs te geven, en zeide: In de groote kast in de
citadel heb ik vijf talenten gereed geld liggen. Hier is het bewijs.

Uit zijn toga bracht hij een perkamentrol te voorschijn, wierp die op de
tafel en vervolgde onder diep stilzwijgen, terwijl de oogen van allen op
hem rustten: Dat is de som die ik durf wagen. Wie van u durft hetzelfde
te doen?... Gij zwijgt? Is het te veel? Ik zal er een talent afnemen,
slechts drie!... Om twee dan ... Niet?... Een dan ... een ten minste ...
een ter eere van de rivier, aan wier oevers gij geboren werdt! Rome in
het Oosten tegen Rome in het Westen! De barbaarsche Orontes tegen den
heiligen Tiber!

Hij schudde de dobbelsteenen en wachtte even.

--De Orontes tegen den Tiber! herhaalde hij luider en met klem.

Niemand bewoog zich. Toen wierp hij de dobbelsteenen op de tafel en nam
lachend het bewijs weer tot zich. Bij Jupiter! riep hij, nu weet ik
waarom gij naar Antiochië zijt gekomen: om uw fortuin te maken of te
verbeteren. Hier, Cecilius!

--Present! riep een stem achter hem.--Hier ben ik.

--Ga, beval Messala, en laat de dienaren de kannen en bekers en
drinkschalen hier brengen. Hebben deze onze landslieden geen beurzen, ik
wil zien of zij beter gezegend zijn met magen. Haast u!

Toen keerde hij zich met een luiden lach tot Drusus en zeide: Vergeef
het mij, mijn vriend; ik wilde deze fraaie jonge vogels van ons oude
Rome slechts op de proef stellen. Kom, Drusus, kom!

Hij nam de steenen weer op en schudde ze vroolijk.

--Hier! Voor welke som gij wilt. Beproef uw geluk.

De noodiging was vriendelijk, innemend. Drusus kon haar niet wederstaan.

--Bij de nimfen, ja, zeide hij lachend. Ik zal met u spelen, Messala,
om ... een denarie.

Een zeer jeugdigen knaap keek Messala van de overzijde der tafel
aandachtig aan. Plotseling keerde deze zich tot hem en vraagde: Wie zijt
gij?

De knaap trok zich snel terug.

--Neen, bij Castor en Pollux! Zoo meende ik het niet. Het is onder
mannen gewoonte, als zij zaken doen, aanteekeningen te houden. Ik heb
een klerk noodig. Wilt gij dien post vervullen?

De jongeling nam dadelijk zijn tafeltje ter hand, gereed om op te
schrijven.

--Wacht even, Messala, zeide Drusus. Het is misschien niet goed door
eene vraag de dobbelsteenen op te houden, maar daar schiet mij iets te
binnen, en ik moet het wagen, al sloeg Venus mij met haar gordel.

--Ik zal gooien en de steenen zoolang bedekken, dan kan het geen kwaad;
en de daad bij het woord voegende vervolgde hij: Voor den dag met uwe
vraag!

--Hebt gij een zekeren Quintus Arrius wel eens gezien?

--De duumvir?

--Neen, zijn zoon.

--Ik wist niet dat hij een zoon had.

--Weet gij waarom ik het vraag? Omdat Pollux niet sterker gelijken kan
op Castor, dan Arrius op u.

--Ja, dat is zoo! riepen tien, twintig stemmen te gelijk. Zijn oogen,
zijn gelaat!

--Wat een dwaasheid, zeide een ander geërgerd. Messala is een Romein,
Arrius een Jood.

--Daar hebt gij gelijk in, merkte een derde op. Hij is een Jood, of
Momus leende zijne moeder het verkeerde masker.

Het gesprek dreigde in twist te ontaarden, maar Messala kwam
tusschenbeide.

--De wijn is nog niet gekomen, Drusus, zeide hij. Wat Arrius betreft, ik
zal gelooven wat gij zegt. Vertel mij dus wat gij van hem weet.

--Wel, hij moge dan Jood of Romein zijn, en bij den grooten Pan, met
allen eerbied voor uwe gevoelens, Messala, deze Arrius is schoon,
dapper, en verstandig. De keizer bood hem zijne gunst en bescherming
aan, maar hij weigerde die aan te nemen. Zijn optreden was zeer
geheimzinnig, en hij houdt zich op een afstand, alsof hij zich voor
beter of voor slechter houdt, dan wij anderen. In het worstelperk was
hij onovertroffen. Hij speelde met de blauwoogige reuzen van den Rijn en
de hoornlooze stieren van Sarmatië, alsof het wilgetakken waren. De
duumvir heeft hem zijn geheele vermogen vermaakt. Hij heeft zich met
waren hartstocht in den wapenhandel geoefend en is vervuld van den
oorlog. Maxentius nam hem op in zijn gevolg, en hij zou met ons zijn
scheep gegaan, maar wij verloren hem te Ravenna. In weerwil daarvan is
hij in welstand hier aangekomen. Wij hebben hedenmorgen van hem gehoord.
In plaats van naar het paleis of de citadel te gaan, heeft hij zijn
bagage achtergelaten in de herberg en is wederom verdwenen.

Messala, die eerst slechts ten halve geluisterd had, werd langzamerhand
nieuwsgierig. Toen Drusus zweeg hief hij zijne hand op en riep: Hallo,
Caius, hoort ge dat?

Een jongeling, die schuin achter hem stond, zijn Myrtilus, of metgezel
bij de dagelijksche oefeningen in de renbaan, antwoordde, verheugd over
de eer hem aangedaan: Deed ik dat niet, mijn Messala, dan was ik niet
waard uw vriend te zijn.

--Herinnert gij u den man, die u van middag in het stof heeft doen
bijten?

--Bij Bacchus! Is mijn schouder niet bont en blauw om het mij in
gedachtenis te doen blijven?

--Wees dan het Noodlot dankbaar, want ik heb uw vijand gevonden. Let
maar op.

Hierop keerde hij zich tot Drusus: Vertel ons meer van hem; van hem, die
zoowel Jood als Romein is, bij Phoebus, eene vereeniging die een centaur
aanminnig zou maken! Hoe kleedt hij zich, Drusus?

--Als een Jood.

--Hoort gij het, Caius? zeide Messala, de knaap is jong, dat is één. Hij
heeft het gelaat van een Romein, twee. Hij draagt het liefst kleeren van
een Jood,--drie. En in het worstelperk behaalt men roem en fortuin door
het omverwerpen van een paard, of het doen kantelen van een wagen, al
naar dat verlangd wordt--vier. Drusus, help mijn vriend verder.
Ongetwijfeld spreekt deze Arrius verscheidene talen, anders kon hij niet
vandaag Jood, morgen Romein zijn. Maar kan hij zich ook in de schoone
taal der Atheners vloeiend uitdrukken?

--Die spreekt hij zoo zuiver, Messala, dat hij er gerust als redenaar in
zou kunnen optreden.

--Hoort gij het wel, Caius? die knaap kan op zijn Grieksch een vrouw
begroeten, dat is dus vijf. Wat zegt gij er van?

--Gij hebt hem gevonden, mijn vriend, antwoordde Caius, of ik ben Caius
niet.

--Vergeef mij, Drusus, dat ik dus in raadselen spreek, zeide Messala op
zijn gewone innemende manier. Bij alle goden, ik zou uwe nieuwsgierigheid
niet willen spannen tot brekens toe; maar help mij nu tot aan het einde.
Gij vondt, geloof ik, iets geheimzinnigs in het optreden van dien zoon
van Arrius. Vertel mij daar wat van.

--Och, niets bijzonders, zeide Drusus, een kindersprookje. Toen Arrius,
de vader, uitzeilde om de zeerovers te straffen, bezat hij vrouw noch
kind. Hij keerde terug met een jongeling ... hem van wien wij spreken, en
nam hem den volgenden dag tot zoon aan.

--Tot zoon aan? herhaalde Messala. Bij alle goden! Drusus, dat is een
belangwekkend geval. Waar vond de duumvir den knaap? En wie was hij?

--Wie kan u daar het antwoord op geven, wie dan de jonge Arrius zelf? In
de hitte van de strijd verloor de duumvir, toen nog tribuun, zijn galei.
Een terugkeerend schip vond hem en den knaap, de eenig overgeblevenen
van de commandantsgalei, drijvende op een en dezelfde plank. Ik geef u
het verhaal zooals ik het van de redders hoorde, dat in ieder geval
nooit tegengesproken is. Zij beweren dat de metgezel van den duumvir een
Jood was.

--Een Jood! herhaalde Messala.

--En een galeislaaf.

--Hoe dat, Drusus, een galeislaaf?

--Toen die beiden opgehaald werden, had de duumvir zijn wapenrusting
aan, de ander het kostuum van een roeier.

Messala richtte zich op in zijn volle lengte. Een galeislaaf, herhaalde
hij op peinzenden toon.

Op dit oogenblik brachten eenige slaven groote kannen wijn, schalen met
vruchten en confituren, en weer anderen bekers van allerlei model, het
grootste gedeelte van zilver. Dat gezicht bracht Messala weer op dreef.
Hij sprong op een stoel. Mannen van den Tiber, riep hij met luide stem,
laat ons het wachten op onzen veldheer veranderen in een feest ter eere
van Bacchus. Wien kiest gij tot voorzitter?

Drusus stond op. Wien anders dan den gastheer zelf? vraagde hij.
Spreekt, Romeinen.

Een luid gejuich was het antwoord.

Messala nam den krans van zijn hoofd, reikte hem aan Drusus over, die op
de tafel sprong, en hem ten aanschouwe van allen weer plechtig op het
hoofd van Messala zette, waardoor hij hem tot voorzitter kroonde.

--Te gelijk met mij, zeide hij, zijn eenige vrienden in de kamer
gekomen, die juist van tafel waren opgestaan. Breng volgens oud gebruik
dengene hier, die het meest door den wijn bevangen is.

Eenige stemmen antwoordden: Hier is hij! Hier!

En van den grond, waar hij neergezegen was, werd een knaap opgebeurd,
zoo schoon van gelaat, dat hij voor den wijngod zelven kon doorgaan,
maar de kroon zou hem van 't hoofd zijn gevallen, en de staf uit zijne
hand.

--Zet hem op de tafel, beval de voorzitter.

Men gehoorzaamde, maar de knaap zakte ineen.

--Ondersteun hem, Drusus!

Drusus nam de slaper in zijn armen en hield hem overeind.

Nu sprak Messala onder diep stilzwijgen tot den bezwijmde: O Bacchus,
grootste der goden, wees ons hedennacht goedgunstig. In mijnen naam en
in dien mijner metgezellen beloof ik dezen krans aan uw altaar in het
Park van Daphne.

Hij maakte een diepe buiging, zette den krans weer op, ontblootte de
dobbelsteenen, bekeek ze, en zeide lachend: Ziehier Drusus, bij den ezel
van Silenus, de denarie is voor mij!

Een oorverdoovend gejubel deed de zaal op hare grondvesten daveren, ...
het drinkgelag nam een aanvang.


Noot: [2] Dun houten blaadje, met was bestreken, waar men met een stift
op schreef.


       *       *       *       *       *


DERTIENDE HOOFDSTUK.

IN DE TENT.


Sheik Ilderim was een te gewichtig man om met een klein gevolg te
reizen. Hij had, als de aanzienlijkste en oudste onder de vorsten der
woestijn, den naam van zijnen stam weten op te houden. In de steden gold
hij voor een der rijkste grondbezitters, en daar hij werkelijk zeer rijk
was in geld, zoowel als in slaven, kameelen, paarden en groot en klein
vee, voerde hij gaarne een hoogen staat, die hem niet alleen in aanzien
deed stijgen bij vreemden, maar zijne ijdelheid streelde en hem allerlei
gemakken aanbracht.

Al spraken wij van zijne tent in het Palmbosch, in werkelijkheid had hij
er een _dowar_, dat wil zeggen, hij had drie groote tenten: eene voor
zich, eene voor bezoekers, eene voor zijne meestgeliefde vrouw en hare
bedienden; en zeven kleinere voor zijne slaven en zijne lijfwacht,
sterke dappere mannen, goed vertrouwd met boog, speer en paarden.

Hoewel hij in het Palmbosch natuurlijk veilig was, had hij, daar men
wijs doet met zich aan de gewone orde te houden, de door de tenten
begrensde ruimte voor zijne koeien, kameelen en geiten bestemd, en voor
zulke bezittingen, die een leeuw of een dief in verzoeking konden
brengen.

Overal en ten allen tijde volgde Ilderim de gebruiken van zijn volk tot
in de kleinste bijzonderheden; dientengevolge was zijn leven in het
Palmbosch eene voortzetting van zijn leven in de woestijn, een echt
aartsvaderlijk leven--het herdersleven van het oude Israël.

Op den morgen zijner aankomst in het Palmbosch had Ilderim de karavaan
doen stilhouden en een speer in den grond gestoken, zeggende: Hier, sla
hier mijne tent op. De opening naar het Zuiden, het meer vóór ons, en
deze kinderen der woestijn tot een beschutting boven ons hoofd, als wij
bij zonsondergang de avondkoelte willen genieten.

Bij deze laatste woorden ging hij naar drie zware palmboomen en klopte
tegen hun bast, zooals hij zijne paarden op den nek geklopt zou hebben.

Wie anders dan de Sheik had het recht om der karavaan: halt toe te
roepen, of van de tent te bevelen: hier worde zij opgeslagen?--De speer
werd uit den grond gerukt, en in de gemaakte opening de eerste paal voor
de tent geplant, het middenschot voor de groote voordeur. Vervolgens
werden acht andere palen ingeslagen, in het geheel drie rijen palen,
telkens drie op een rij. Toen werden de vrouwen en kinderen geroepen, om
het tentedoek te ontpakken. Niemand anders dan de vrouwen mochten dat
doen, want waren zij het niet, die de bruine geiten der kudden
geschoren, het haar tot een draad gesponnen, dien draad tot doek
geweven, en de doeken aaneengenaaid hadden, om tot een dak te dienen,
donkerbruin, in werkelijkheid maar op een afstand zwart als de tenten
van Kedar? Hoe vroolijk spande ten besluite het gezamenlijk
dienstpersoneel van den Sheik het tentedoek van paal tot paal, de pinnen
inslaande en de koorden vastmakende, daar waar het behoorde! En als
eindelijk de matten wanden opgericht en bevestigd waren, in welke
angstige spanning werd dan het oordeel van den meester afgewacht! Hoe
gelukkig waren zij, toen hij, na alles van binnen en van buiten bekeken
te hebben, goedkeurend knikte en vriendelijk zeide: Goed gedaan! maakt
nu den dowar in orde naar uw beste weten en hedenavond zullen wij het
brood met arak besproeien, en de melk met honing verzoeten, en aan
iederen haard zal een bokje gebraden worden. Wij zullen geen gebrek
hebben aan zoet water, want het meer is onze bron; de lastdieren en de
kudde zullen niet hongeren, want hier is overvloed van groen gras. God
zij met u, kinderen! Gaat aan 't werk.

Vroolijk trok de troep af, om hunne eigene tenten op te slaan. Een paar
bleven achter om de tent van den Sheik te meubileeren: de mannen spanden
een gordijn langs de middelste palenrij, waardoor de tent in tweeën
gedeeld werd, de eene helft voor den Sheik, de andere voor zijn paarden,
de afstammelingen van Salomo's renners. Tegen den middelsten paal werd
het wapenrek opgesteld, en met speren, bogen, pijlen en schilden
behangen; bovenop het zwaard van den meester, welks gevest schitterde
van edelsteenen. Aan het eene eind van het rek hingen zij de tuigen der
paarden, aan het andere de kleederen van den meester: zijn wollen en
linnen gewaden, tunica's en broeken, en zijn vele kleurige tulbanden.

Intusschen hielden de vrouwen zich onledig met het ontpakken van den
divan. In den vorm van een hoefijzer, de opening naar de deur gekeerd,
stelden zij hem op, bedekten hem met kussens en peluwen, en hingen er
gordijnen om. Rondom den divan legden zij een karpet, en in de
binnenruimte evenzoo, tot aan de deur der tent. Toen vulden zij de
kannen en kruiken met water en hingen de lederzakken met arak op. Welk
Arabier zou Sheik Ilderim niet gelukkig prijzen in zijne tent bij het
zoetwatermeer, onder de schaduw der palmen van zijn erfdeel!

In de hier beschreven tent hebben wij Ben-Hur verlaten.

De bedienden stonden reeds gereed om de bevelen des meesters te volgen.
Een van hen ontbond zijne sandalen, een ander die van den bezoeker.
Vervolgens hielpen zij de beide ruiters zich ontdoen van hunne bestoven
kleeren, en een frisch wit linnen gewaad aantrekken.

--Kom mede en rust, zeide de gastheer hartelijk in het Hebreeuwsch, en
geleidde hem naar den divan.

--Ik ga hier zitten, en mijn gast daar, zeide hij tot eene dienstmaagd,
die zich aanstonds beijverde de kussens op te schudden en goed te
leggen, waarna de beide mannen op den divan plaats namen en zich de
voeten lieten wasschen met frisch water uit het meer.

--Een onzer spreekwoorden in de woestijn luidt, dat een goede eetlust de
belofte is van een lang leven, zeide Ilderim. Hoe staat het met den uwe?

--Daarnaar berekend, goede Sheik, zal ik honderd jaar kunnen leven. Ik
ben een hongerige wolf aan uwe deur, antwoordde Ben-Hur.

--Welnu, ik zal u niet als een wolf wegzenden. Ik zal u het beste van
mijn kudde voorzetten.

Ilderim klapte in de handen, waarop een bediende binnentrad.

--Ga naar den vreemdeling in de bezoekerstent en zeg, dat ik, Ilderim,
hem toebid, dat zijn vrede bestendig moge zijn, als het stroomen der
wateren.

De man boog zich.

--Meld hem verder, vervolgde de Sheik, dat ik nog een gast heb
meegebracht om brood mede te breken. Als Balthasar, de wijze, het maal
met ons wil deelen, zullen wij met ons drieën wezen, en het deel der
vogelen zal er niet kleiner om zijn.

De man ging heen.

--Laat ons thans rust nemen, zeide de Sheik en maakte het zich
gemakkelijk op den divan. Ben-Hur volgde zijn voorbeeld, en toen hij
gereed was, vervolgde de Sheik op ernstigen toon: Dat gij mijn gast
zijt, van mijn wijn gedronken hebt, en straks met mij eten zult, mag mij
niet verhinderen u te vragen: Wie zijt gij?

--Sheik Ilderim, zeide Ben-Hur, kalm den onderzoekenden blik van den
grijsaard doorstaande, ik bid u, meen niet dat ik uw billijke vraag
ontwijken wil; maar was er in uw leven nooit een tijd, waarin de
beantwoording van zulk een vraag een misdaad zou geweest zijn jegens uwe
ouders?

--Bij Salomo's heerlijkheid, ja, antwoordde Ilderim. Zelfverraad is in
sommige gevallen even laag, als het verraden van een geheelen stam.

--Dank, goede Sheik! Nooit kwam er beter antwoord uit uwen mond. Nu weet
ik, dat gij slechts de zekerheid verlangt te hebben, dat gij uw
vertrouwen niet aan een onwaardige zult schenken en dat die zekerheid
van meer belang voor u is, dan mijne levensgeschiedenis.

De Sheik boog het hoofd. Ben-Hur haastte zich van deze stemming partij
te trekken en zeide: Voor alle dingen wil ik u mededeelen, dat ik geen
Romein ben, zooals mijn naam u zou doen denken.

Ilderim zag zijnen gast oplettend aan.

--Vervolgens dat ik een Israëliet ben uit den stam van Juda. Dat niet
alleen. Ik ben een Jood en koester een wrok tegen Rome, waarbij de uwe
slechts kinderspel is.

De grijsaard plukte zenuwachtig aan zijn baard en trok de wenkbrauwen
samen.

--Nog meer; ik zweer u, Sheik Ilderim, ik zweer u bij het verbond, dat
de Heer met mijne vaderen gemaakt heeft, als gij mij helpen wilt de
wraak te nemen, die ik zoek, dan zullen de uitgeloofde prijs en de eer
bij de wedrennen de uwe zijn.

Ilderim hief het hoofd op, zijn oogen straalden; men kon zien dat het
voorstel hem toelachte.

--Genoeg, zeide hij. Als aan den wortel uwer tong een leugen verborgen
ligt, zou Salomo zelf niet veilig voor u geweest zijn. Dat gij geen
Romein zijt, dat gij als Jood een wrok tegen Rome hebt en wraak wil
nemen, geloof ik. Maar hoe staat het met uwe vaardigheid? Welke
ondervinding hebt gij in wedrennen met wagens? En de paarden--kunt gij
ze aan uwen wil onderwerpen, zoodat zij u kennen, zoodat zij komen als
gij ze roept, loopen, rennen als gij het beveelt, met inspanning van
alle krachten tot bezwijkens toe, om hen dan in het beslissend oogenblik
te bezielen tot een laatste inspanning, de krachtigste van alle, die tot
overwinning voert? Die gave, mijn zoon, is niet ieder gegeven. Ik heb
een koning gekend, die over millioenen menschen heerschte, maar zich
niet de achting van een paard kon verwerven. Begrijp mij wel, ik spreek
niet van gewone dieren, wier taak is te slaven voor slaven; wier bloed
verbasterd werd, wier geheele uiterlijk het innerlijk teekent:
geestelijk dooden. Neen, ik spreek van renpaarden als de mijne, koningen
in hunne soort, wier stamboom opklimt tot in de stoeterijen van den
eersten Pharao, mijne makkers en vrienden, medebewoners van mijne tent,
die door een langdurig verkeer met mij opgevoerd zijn tot een ongekende
hoogte, wier instinct aan eens menschen verstand gelijk is geworden,
wier zintuigen met onze ziel gelijk staan, die evenals wij eerzucht,
liefde, haat, tegenzin kennen; helden in den krijg, kinderen in
vertrouwen. Hallo, hier!

Een bediende trad naar voren.

--Laat mijn Arabieren binnenkomen!

De man trok het gordijn in het midden der tent open, waardoor een
groepje paarden zichtbaar werd, die een oogenblik aarzelden en staan
bleven, alsof zij niet zeker waren van de noodiging.

--Komt, zeide Ilderim, waarom blijft ge staan? Wat heb ik dat niet het
uwe is? Komt, zeg ik.

Zij kwamen langzaam nader.

--Zoon van Israël, zeide hun meester, uw Mozes was een groot man; maar,
ha, ha, ha! ik moet lachen wanneer ik bedenk, dat hij uwe vaderen
toestond den trekos en den ezel te gebruiken, maar hun verbood paarden
in eigendom te bezitten. Denkt gij, dat hij dat gedaan zou hebben, als
hij dezen en dien, en dien daar gezien had?

Zoo sprekend legde hij zijne hand op den naastbijstaanden Arabier en
liefkoosde hem met onbeschrijfelijke teederheid.

--Dat is een misverstand, Sheik, een misverstand, zeide Ben-Hur
levendig. Mozes was een krijgsman, zoowel als de van God beminde
wetgever, en zou hij dan geen paarden gehad hebben?

Een welgevormde kop met groote zachte oogen, zacht als die eener ree,
half verborgen door de dikke voorhoofdlokken, vlijde zich bijna tegen
hem aan, neusgaten en bovenlip in gestadige beweging, alsof zij vragen
wilde: Wie zijt gij?

Ben-Hur herkende een van het vierspan uit het renperk en stak het
schoone dier zijn open hand toe.

--Zij zullen u zeggen, de lasteraars, mogen hunne dagen verkort worden,
sprak de Sheik heftig, zij zullen u zeggen, dat onze paarden afkomstig
zijn van de Niseïsche velden in Perzië. God gaf den Arabier een
onmetelijke zandvlakte, met eenige kale bergen en hier en daar een bron
van bitter water, en zeide tot hem: Zie uw land! En toen de arme man
klaagde, erbarmde de Almachtige zich over hem en zeide: Wees goedsmoeds!
want Ik zal u zegenen boven anderen. De Arabier hoorde het, dankte, en
ging vol vertrouwen den beloofden zegen zoeken. Eerst reisde hij langs
de grenzen, maar tevergeefs. Toen maakte hij zich een pad door de
woestijn en ging voort, altijd verder, totdat hij in het hart der
wildernis een vruchtbaar eiland vond, liefelijk om te zien, en op dat
eiland graasden een kudde kameelen en een kudde paarden! Hij nam ze
vroolijk tot zich en verzorgde ze met de grootste oplettendheid, als de
beste gave Gods. En van dat groene eiland stammen alle paarden, die op
aarde te vinden zijn, ook die van de Neseïsche weilanden. Zelfs naar het
Noorden verspreidden zij zich, tot aan de vreeselijke valleien, die
voortdurend geteisterd worden door stormwinden uit de zee. Twijfel niet
aan de waarheid van dit verhaal. Is het niet waar, moge dan geen enkele
amulet meer van kracht zijn voor een Arabier. Maar wacht, ik zal u de
bewijzen voorleggen.

Hij klapte in de handen.

--Breng mij de registers van den stam, zeide hij tot den binnentredenden
slaaf.

Onder het wachten speelde hij met de paarden, liefkoosde hen, streek
hunne manen glad, en gaf ieder van hen een bewijs zijner gunst. Weldra
verschenen zes mannen met zes cederhouten kisten, die zij voor den Sheik
nederzetten.

--Neen, zeide Ilderim, dat bedoelde ik niet. Alleen het stamboek van de
paarden,--deze kist. Open die en zet de andere weg.

De kist werd geopend. Haar inhoud bleek te bestaan uit een massa ivoren
tafeltjes, door ringen van zilverdraad bijeengehouden, en daar de
tafeltjes zoo dun waren als glas, hield iedere ring verscheidene
honderdtallen.

--Ik weet, mijn zoon, zeide Ilderim, met welke zorg de schriftgeleerden
in den tempel van de Heilige Stad de namen der jonggeboornen opschrijven
en bewaren, opdat ieder Israëliet zijn geslachtslijst kan narekenen, al
klom zij ook op tot voor den tijd der patriarchen. Mijne vaderen, moge
hun aandenken altijd groen blijven! oordeelden het niet zondig dat
denkbeeld over te nemen en op hun stomme dienaren toe te passen. Bezie
die tafeltjes!

Ben-Hur nam een der ringen, en spreidde de tafeltjes uit. Zij waren vol
met Arabische hiëroglyphen, die er met de gloeiende punt van een metalen
staafje ingebrand waren.

--Kunt gij ze lezen, zoon van Israël?

--Neen. Wil mij hare meening verklaren.

--Weet dan: ieder tafeltje draagt den naam van een rasveulen, en wel van
een, dat vele eeuwen geleden in onzen stam geboren werd, benevens de
namen van zijne ouders. Bezie ze nauwkeurig en let er op hoe oud zij
zijn, des te gemakkelijker zal het u vallen te gelooven wat ik zeg.

Sommige tafeltjes waren bijna afgesleten, alle waren geel van ouderdom.

--In die kist bewaar ik de geschiedenis van dit viertal. Ik kan u met de
stukken bewijzen uit welken stam zij gesproten zijn; zie, hoe die eene
uwe aandacht zoekt te trekken en om een liefkoozing vraagt! Zooals deze
thans tot ons komen, kwamen hunne vaders vele eeuwen her tot mijne
vaderen in hunne tent, om uit de hand hunner heeren hunne maat gerst te
ontvangen en toegesproken te worden als kinderen, en op eigenaardige
manier hun dank te betuigen. En nu, zoon van Israël, geloof mij vrij,
ben ik een vorst der woestijnen, zij zijn mijne eerste dienaren! Ontneem
ze mij en ik word een zieke gelijk, door de karavaan achtergelaten om te
sterven. Aan hen dank ik mijn onverminderd gezag op de groote heirwegen;
en dat zal stand houden, zoolang ik de kracht bezit om mij van hen te
bedienen. Ik zou u wonderen kunnen verhalen, door hunne voorzaten
verricht. Misschien doe ik het later wel eens; voor het oogenblik zij u
genoeg, dat zij bij een terugtocht nooit werden achterhaald, bij een
vervolging altijd slaagden. Vergeet echter niet, dat was in de woestijn
en onder 't zadel;... hoe het komt weet ik niet, maar mijn hart klopt
onrustig om hunnentwil. Zij zijn voor het eerst in 't gareel geweest en
wat is niet noodig om den prijs te behalen! Eerzucht, snelheid,
volharding bezitten zij. Vind ik iemand voor hen, dien zij als meester
kunnen erkennen, dan zullen zij den prijs behalen. Zoon van Israël, als
gij die man zijt, dan zweer ik u, dat gij den dag, die u hier bracht,
gelukkig zult noemen. Spreek nu voor uzelven.

--Nu begrijp ik, zeide Ben-Hur, waarom een Arabier na zijne kinderen
zijne paarden het liefst heeft, en ik begrijp ook waarom de Arabische
paarden van alle de beste zijn; maar, goede Sheik, ik wil niet dat gij
mij alleen naar mijne woorden beoordeelt, want gij weet het: beloften
van menschen kunnen falen. Stel mij morgen op de proef en laat mij uw
vierspan probeeren.

Ilderims gelaat straalde van genoegen. Hij wilde spreken, maar Ben-Hur
vervolgde: Nog een woordje, goede Sheik. Laat ik u dit mogen zeggen: In
Rome heb ik veel geleerd, waarvan ik niet dacht dat het mij ooit te pas
zou komen. Geloof mij, al zijn deze uwe zonen der woestijn ieder
afzonderlijk als de wind zoo vlug, zij zullen het onderspit delven, zoo
zij niet geleerd hebben gezamelijk in het gareel te loopen; want bedenk
dit, Sheik, van ieder viertal is een de vlugste en een de langzaamste.
Zoo was het vandaag. De menner kon den vlugste der vier niet krijgen tot
een verstandig samenwerken met den traagsten. Mijn proefneming zal
misschien niet beter uitvallen; maar in dat geval zal ik het u zeggen.
Kan ik er hen echter toe krijgen zich naar mijn wil te voegen, zoodat de
vier als één loopen, dan zijn de sestertiën en de lauwerkrans voor u, de
wraak voor mij. Wat dunkt u?

Ilderim had aandachtig geluisterd. Glimlachend zeide hij: Ik denk beter
van u, zoon van Israël. Wij hebben een spreekwoord: als gij het eten met
woorden kookt beloof ik u een oceaan van boter.--Morgen zult gij de
paarden hebben.

Op dat oogenblik was er beweging aan de achterdeur der tent. Ons
avondeten, zeide de Sheik, en mijn vriend Balthasar, met wien gij kennis
zult maken. Hij heeft eene geschiedenis te vertellen, die voor een
Israëliet allerbelangrijkst is.

Tot de knechts zeide hij: Neemt de kist weg, en brengt de paarden naar
hun vertrek.

En zoo geschiedde het.


       *       *       *       *       *


VEERTIENDE HOOFDSTUK.

ILDERIMS GASTMAAL.


Als de lezer zich den maaltijd van de drie wijzen in de woestijn nog
herinnert, zal hij zich gemakkelijk de toebereidselen in Ilderims tent
kunnen voorstellen. Het eenige verschil was: meer gerechten en betere
bediening.

Op het karpet voor den divan weren drie kleedjes gelegd en een gedekte
tafel neergezet. Tegen een der zijwanden werd een draagbare oven
geplaatst, onder toezicht van eene slavin, wier taak het was het
gezelschap van heete koeken te voorzien.

Intusschen was Balthasar naar den divan geleid, waar Ilderim en Ben-Hur
hem staande opwachtten. Hij droeg een ruim zwart overkleed en was
langzaam en statig in zijne bewegingen.

--Vrede zij u, mijn vriend, zeide Ilderim, vrede en welkom.

De Egyptenaar antwoordde: de zegen van God Almachtig, den eenigen waren
God, zij met u en de uwen.

Zijne manier van spreken maakte diepen indruk op Ben-Hur.

--Deze jonkman, Balthasar, zeide de Sheik, zijn hand op Ben-Hurs arm
leggend, zal hedenavond brood met ons breken.

De Egyptenaar zag den jonkman onderzoekend aan, waarop de Sheik
vervolgde: Ik heb hem beloofd, dat hij mijne paarden mag probeeren, en
als het goed gaat zal hij er in den circus mee optreden.

Balthasar staarde Ben-Hur zwijgend aan.

--Hij kwam met goede aanbevelingen, ging Ilderim voort, die niets van
dat zwijgen begreep. Overeenkomstig die aanbevelingen stel ik hem u voor
als den zoon van Arrius, den edelen Romeinschen duumvir, hoewel hijzelf
zich een Israëliet noemt uit den stam van Juda, en, bij mijn baard, ik
geloof wat hij zegt.

--Weet dan, edelmoedige Sheik, zeide Balthasar, dat mijn leven vandaag
in gevaar geweest is en ik hier niet zitten zou, zoo niet een jonkman,
het evenbeeld van dezen uwen gast, tusschenbeide getreden was en mij
gered had, toen alle anderen vloden.

Toen wendde hij zich tot Ben-Hur en vraagde: Waart gij dat niet?

--Wat zal ik u zeggen, zeide Ben-Hur bescheiden. Ik ben degeen die de
paarden van den onbescheiden Romein tot staan bracht, toen zij bij de
bron Castalia op uw kameel instormden. Uwe dochter gaf mij dezen beker.

Uit de plooien van zijn tunica bracht hij den beker te voorschijn en
overhandigde hem aan Balthasar.

Een glans van blijdschap kwam over het gelaat van de Egyptenaar. De Heer
heeft u vandaag tot mij gezonden, eerst bij de bron en nu hier, zeide
hij bewogen en reikte Ben-Hur de hand. Ik dank Hem, en dank gij Hem ook,
want door zijne genade kan ik u naar verdienste beloonen. De beker is de
uwe. Behoud hem.

Nu verhaalde Ben-Hur in antwoord op Ilderims vragenden blik het voorval
bij de bron.

--Wat! zeide de Sheik tot zijn jeugdigen gast. Daar hebt gij mij niets
van verteld, terwijl gij mij geen betere aanbeveling hadt kunnen
brengen. Ben ik niet een Arabier en Sheik van mijn stam van
honderdduizenden? En is Balthasar niet mijn gast? zoodat hetgeen gij aan
hem gedaan hebt, hetzij goed of kwaad, aan mij gedaan is? Waar zoudt gij
belooning zoeken, anders dan hier? En wiens hand moet u die geven, zoo
niet de mijne?

--Goede Sheik, ik bid u, spaar mij. Ik kwam niet om eene belooning, en
opdat zelfs de schijn niet op mij ruste, zoo weet dat ik uw geringsten
slaaf ter hulpe zou gesneld zijn, indien zulks noodig was geweest.

Hoe is uw naam ook weer? vraagde Balthasar. De Sheik noemde een
Romeinsche naam, niet waar?

--Arrius, de zoon van Arrius den duumvir.

--En toch zijt gij geen Romein?

--Mijn familie was Joodsch.

--Wat, zegt gij? Leven zij niet meer?

De vraag was eenvoudig en natuurlijk; maar gelukkig voorkwam Ilderim het
antwoord.

--Komt, zeide hij, de maaltijd is gereed.

Een oogenblik later zaten zij aan tafel, op Oostersche manier. Dienaren
brachten water en handdoeken, zij waschten zich de handen, toen gaf de
Sheik een teeken, en de Egyptenaar bad op plechtigen toon: Vader van
allen, God! Wat wij hebben is van U; neem onzen dank aan en zegen ons,
opdat wij mogen voortgaan met Uwen wil te doen.

De tafel was rijkelijk van het noodige voorzien: luchtige koeken, heet
van het vuur, groenten uit den moestuin, vleesch in verschillenden vorm,
geitenmelk, honing en boter, alles gebruikt zonder de toevoegselen der
hedendaagsche gewoonten: messen, vorken, lepels. Gedurende dit gedeelte
van den maaltijd werd weinig gesproken, want zij hadden honger. Maar
toen het dessert op tafel kwam werd het anders, en zij waren weldra in
een ernstig gesprek verdiept.

Onder zulk een gezelschap: een Arabier, een Jood, en een Egyptenaar,
allen geloovende aan éénen God, kon in die dagen slechts één onderwerp
van gesprek zijn; en wie van de aanzittenden moest als spreker optreden,
zoo niet hij, wien de Godheid bijna persoonlijk verschenen was, die haar
in de ster had leeren kennen, die hare stem had gehoord, en zoo
wonderbaar door den geest Gods geleid was? En waarvan zou hij spreken,
zo niet van datgene, waarvan hij geroepen was te getuigen?


       *       *       *       *       *


VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

GEHEIMENISSEN.


De zon was ondergegaan. De bergen wierpen een donkere schaduw over het
Palmbosch en lieten geen plaats voor de zachte violettinten, die bij den
overgang van dag op nacht het oog zoo liefelijk kunnen streelen. De
nacht viel vroeg en snel in. Om het duister in de tent te verdrijven
brachten de slaven vier bronzen kandelaars, één op elken hoek der tafel.
Iedere kandelaar had vier armen, en iedere arm droeg een zilveren lamp.
Bij het schijnsel van dit licht zaten de dischgenooten nog geruimen tijd
te praten in de Syrische taal, die in die streken algemeen gebruikelijk
was.

De Egyptenaar verhaalde aan Ben-Hur zijne ontmoeting met de twee
vrienden, en berekende met den Sheik, dat het in December achtentwintig
jaar geleden was, dat hij en zijne metgezellen met haast het Joodsche
land verlaten en in zijne tent gewoond hadden.

Ben-Hur luisterde met groote belangstelling, als naar een openbaring van
het hoogste belang voor de geheele wereld, en bovenal voor het volk
Israël.

De lezer bedenke, dat de jonge Israëliet sedert zijn vroegste jeugd van
den Messias gehoord had. In de school had hij de profetieën dienaangaande
hooren voorlezen. De komst van den langverwachte was het onderwerp van
veler gesprekken. In de synagogen, in den Tempel, op feest- en
vastendagen, in het openbaar en in de stille binnenkamer verkondigden de
Joodsche leeraars den Messias, totdat alle kinderen Israëls, waar zij
zich ook bevonden, naar Hem uitzagen. De groote vraag was: Wanneer zal
Hij komen? Want dàt Hij komen zou als Koning der Joden, als wereldsch
koning, als hun koning, dit stond vast. Door hen zou Hij de wereld
veroveren, en haar ten hunnen bate en in den naam van God voor altijd
aan zich onderwerpen.

Maar wat was de reden dat Israël geen oog had gehad voor dat kind van
Bethlehem? Hoe kwam het dat hij er nooit van gehoord had? Balthasar
moest hem opheldering geven: Waar was dat kind nu? En wat moest het
doen?

--Kon ik u dat maar zeggen, antwoordde Balthasar. Wist ik maar waar hij
zich ophoudt, ik zou mij dadelijk opmaken en tot hem gaan. Zeeën noch
bergen zouden mij kunnen weerhouden.

--Hebt gij getracht hem te vinden? vraagde Ben-Hur.

--Zeker. Zoodra ik afscheid genomen had van mijn vriend Ilderim stelde
ik een onderzoek in, om te vernemen wat van het kind geworden was. Een
jaar was echter voorbijgegaan, en ik wilde niet zelf naar Judea
terugkeeren, omdat Herodes nog steeds op den troon zat, even
bloeddorstig als altijd. Bij mijn terugkomst in Egypte vond ik eenige
vrienden, die mijn verhaal van de dingen, die ik gezien en gehoord had,
aanhoorden en geloofden, eenige weinigen, die zich met mij verheugden
over den Verlosser, ons geboren. Een paar van hen gingen in mijne plaats
naar Judea, om persoonlijk een onderzoek in te stellen. Zij gingen eerst
naar Bethlehem en vonden de herberg en de grot, maar de deurwachter, hij
die ons naar de spelonk gebracht had, was er niet meer. De koning had
hem opontboden, niemand in Bethlehem had meer van hem gehoord.

--Maar zij vonden toch zeker getuigen van het gebeurde?

--Ja, bloedige getuigen. Een stadje in rouw, moeders treurend om hare
kinderkens. Want gij moet weten dat Herodes, toen hij bemerkte dat wij
stil vertrokken waren, soldaten naar Bethlehem zond, om al de
jonggeboornen te dooden. Geen enkel ontkwam. Mijne vrienden waren in hun
geloof versterkt geworden, maar zij brachten mij de tijding, dat het
kind vermoord was met de andere.

--Dood! riep Ben-Hur, dat is verschrikkelijk! 't Is dus dood?

--Neen, mijn vriend, dat heb ik niet gezegd. Ik zeide dat mijne vrienden
die tijding meebrachten. Ik geloofde het toen niet en ik geloof het nog
niet.

--Hebt gij dan een bijzondere openbaring ontvangen?

--Dat juist niet. De Geest zou ons geleiden tot de plaats, waar het kind
zich bevond. Toen wij uit de grot kwamen was de ster verdwenen. De
laatste aanwijzing, die wij ontvingen, was die, welke ons langs een
anderen weg deed terugkeeren, zoodat wij bij Sheik Ilderim kwamen.

--Ja, dat hebt gij mij toen ook verteld, bevestigde deze.

--Al heb ik geen bijzondere aanwijzing, zeide Balthasar, zoo heb ik toch
veel over deze dingen nagedacht, en mijn geloof, dat verzeker ik u, is
op dit oogenblik nog even sterk, als toen de Geest mij beval de reis
naar Jeruzalem te aanvaarden. Indien gij wilt zal ik u zeggen waarom ik
geloof dat het kind nog leeft.

De Sheik en Ben-Hur bogen toestemmend en luisterden met hun gansche
aandacht.

--Wij drieën gelooven in God, en Hij is de Waarheid. De heuvelen mogen
tot stof verwaaien, en de zeeën opdrogen, maar Zijn Woord blijft
bestaan, omdat het de Waarheid is. De stem, die tot mij sprak bij het
meer, was Zijne stem en zeide: Gezegend zijt gij, zoon van Mizraïm. De
verlossing is nabij. Met twee anderen van het uiterste der aarde zult
gij den Verlosser zien!--Ik heb den Verlosser gezien, maar de verlossing
moet nog komen. Begrijpt gij het nu? Als het kind gedood werd is er
niemand, die de verlossing kan aanbrengen; dan moet de belofte onvervuld
blijven. Het kind werd geboren om de wereld te verlossen, en zoolang die
belofte niet vervuld is, kan niets, zelfs de dood niet, hem van zijn
werk scheiden. Ziedaar de eerste grond van mijn geloof. Nu mijn tweede.

--Wilt gij niet een teug wijn nemen? vraagde de gastheer.

Nadat Balthasar zich verfrischt had, vervolgde hij: De Verlosser, dien
ik gezien heb, was van eene vrouw geboren, van nature ons gelijk, en dus
onderworpen aan alle kwaad, ook aan den dood. Beschouwen wij nu het
werk, dat hem wachtte. Was het niet een taak alleen voor mannenkracht
berekend? voor een wijs, sterk, verstandig man? Om dat te worden moest
het kind opgroeien, zooals wij. Denk nu eens aan de gevaren, die hem in
dien tusschentijd konden bedreigen. De bestaande regeering was hem
vijandig. Herodes was zijn vijand, en wat zou Rome voor hem zijn? En
Israël ... dat Israël hem niet zou aannemen was de reden, waarom Herodes
alle kinderen te Bethlehem liet dooden. Begrijpt gij het nu? Was er
zekerder weg om zijn hulpelooze jonkheid te behoeden, dan door hem
verborgen te houden? Daarom zeg ik telkens tegen mijzelven: Hij is niet
dood, maar houdt zich stil, en daar zijn werk nog niet volbracht is, zal
hij wederkomen. Ziedaar de gronden voor mijn geloof. Is er iets tegen te
zeggen?

Ilderims oogen fonkelden en Ben-Hur zeide vroolijk: Door mij zeker niet.
Wat verder?

--Is dat niet genoeg, mijn zoon? Wachten moet onze leus zijn. Hij leeft
en bewaart vooralsnog zijn geheim, hetzij als veelbelovende bloesem, of
als rijpende vrucht. Maar, vasthoudende aan de belofte staat mijn geloof
onwankelbaar vast,--hij leeft.

--Waar denkt gij, dat hij is? vraagde Ben-Hur aarzelend.

--Eenige weken geleden zat ik in mijn huis aan den Nijl, in gedachten
verzonken. Ik zeide tot mijzelf: Een dertigjarige man moet zijn
arbeidsveld bebouwd en beplant hebben, want daarna komt de zomer en
nadert de tijd, waarin gemaaid moet worden. Het kind, dacht ik verder,
is nu bijna dertig jaar. Zijn tijd om te zaaien is daar. Ik stelde
mijzelven dezelfde vraag, die gij mij zooeven deedt, en tot antwoord
maakte ik mij op en kwam hierheen, om in de nabijheid te zijn van het
land, dat God aan uwe vaderen gegeven heeft. Want waar anders zal hij
verschijnen dan in Judea? In welke stad zal hij zijn werk beginnen, zoo
niet in Jeruzalem? Wie moeten de eersten zijn om de zegeningen te
ontvangen, die hij zal aanbrengen, zoo niet de kinderen Abrahams, Izaäks
en Jakobs? Als mij bevolen werd: Ga, zoek hem,--dan zou ik alle
gehuchten en dorpen langs de hellingen der bergen van Judea en Galilea
tot aan het Jordaandal doortrekken. Daar moet hij zich ophouden. Daar
heeft hij wellicht dezen zelfden avond, staande voor een eenvoudige
woning of op een heuveltop, de zon zien ondergaan met de gedachte, dat
hij weder een dag nader was gekomen aan den tijd, waarop hijzelf het
licht der wereld zal worden.

Balthasar zweeg. Niet alleen de gastheer en Ben-Hur, maar ook de
dienaren hadden, door zijn geestdrift opgewekt, het gevoel alsof de
onzichtbare in hun midden was. Eindelijk verbrak Ben-Hur de stilte.

--Ik zie, goede Balthasar, zeide hij, dat gij buitengewoon begunstigd
zijt. Ik zie ook, dat gij inderdaad een wijs man zijt. Ik kan u niet
zeggen hoe dankbaar ik ben voor hetgeen gij ons verhaald hebt. Gij hebt
mij op groote dingen voorbereid. Voltooi het werk, bid ik u, en deel mij
alles mede wat gij weet aangaande de zending van hem, dien gij verwacht,
en dien ook ik van nu als een geloovig zoon van Juda verwachten zal. Hij
zal een Verlosser zijn, zegt gij, zal hij ook niet koning der Joden
wezen?

--Mijn zoon, antwoordde Balthasar, zijne zending is vooralsnog een
verborgenheid Gods. Wat ik daaromtrent denk ontleen ik aan hetgeen de
stem tot mij sprak in verband met de gebeden, waarop zij een antwoord
was. Zullen wij dat nog eens nader beschouwen?

--Gaarne, mijn vader.

--De reden van mijn onrust, begon Balthasar, die mij drong in Alexandrië
en in de dorpen langs den Nijl te prediken, en die mij ten laatste in de
eenzaamheid dreef, was de rampzalige toestand van het menschdom,
veroorzaakt, naar ik geloof, door het verlies van de kennis Gods. Ik was
bedroefd over de ellende van mijn geslacht, niet van een enkele klasse,
maar van allen. Zoo diep zijn zij gevallen, dat, naar mij voorkwam, geen
verlossing mogelijk was, tenzij God zelf die ter hand wilde nemen, en ik
bad tot Hem: O God, openbaar U aan mij!--Uwe goede werken heb ik
overwonnen. De Verlossing komt, gij zult uw Verlosser zien. Aldus sprak
de stem, en met dat antwoord reisde ik goedsmoeds naar Jeruzalem. Maar
wie moeten verlost worden? De geheele wereld. En hoe zal dat geschieden?
Wees sterk, zoon van Arrius! Ik weet wat de menschen zeggen: dat geen
geluk mogelijk is, zoolang Rome niet verwoest is. De ellende zou dus
niet uit onkunde met betrekking tot God, maar uit het wanbestuur der
vorsten voortkomen? Neen, neen! de Verlossing kan niet voor een
staatkundig doel zijn, kan niet ten oogmerk hebben machten en tronen
omver te werpen, alleen opdat anderen hunne plaatsen zouden innemen. Als
dat het doel moest zijn, zou de wijsheid Gods niet langer ondoorgrondelijk
zijn. Ik zeg u, al spreek ik misschien slechts als een blinde tot een
blinde, hij die komt zal een Verlosser zijn van zielen. Verlossing wil
zeggen, dat God weder op aarde wonen zal en de gerechtigheid heerschen,
opdat zijn verblijf mogelijk zij.

Ben-Hur kon zijne teleurstelling niet verbergen. Hij boog het hoofd, en
ofschoon hij niet overtuigd was, voelde hij zich niet dadelijk in staat
om de zienswijze van den Egyptenaar te bestrijden. Ook Ilderim schudde
ongeloovig het hoofd. Na een oogenblik zwijgens zeide de eerste: Vader,
naar wien moest gij aan de poorten van Jeruzalem vragen?

--Ik moest aan het volk vragen: Waar is de geboren Koning der Joden?

--En gij zaagt hem in de grot te Bethlehem?

--Wij zagen en aanbaden hem en boden hem geschenken aan: goud, wierook,
myrrhe.

--Wanneer gij de feiten bespreekt, mijn vader, dan is u te hooren en te
gelooven één; maar wat uwe zienswijze aangaat kan ik niet begrijpen welk
soort van Koning gij van het kind wilt maken. Ik kan den koning niet
scheiden van zijne macht en plichten.

--Mijn zoon, antwoordde Balthasar, gij ziet nu slechts den titel: Koning
der Joden. Vestigt gij echter uwen blik op de daarachter liggende
geheimenis, dan zal de steen des aanstoots verdwijnen. Over den titel
één woord. Uw volk, Israël, heeft betere dagen gezien, dagen waarin God
uw volk zijn volk noemde, en door de profeten met hen verkeerde. Welnu,
indien Hij hun in die dagen den Verlosser beloofde, dien ik gezien heb,
hem beloofde als Koning der Joden, dan moet de verschijning ook gelijk
zijn aan de belofte. Begrijpt gij nu de beteekenis van mijne vraag aan
de poort?--Ja, gij begrijpt haar, en ik behoef er niets meer van te
zeggen. Misschien denkt gij aan de waardigheid van het Kind; als dat zoo
is, denk dan even na--moest het de opvolger van Herodes zijn?

Kon God zijn uitverkorene niet iets beters bereiden? Wilt gij het wezen
der zaak, waarover wij spreken, vatten, zie dan hooger op, bid ik u!
Vraag liever waarvan hij, dien wij verwachten, koning zal zijn; want dat
is de sleutel van de verborgenheid, die niemand begrijpen zal zonder
dien sleutel. Er is een koninkrijk op aarde, ofschoon het niet van de
aarde is, een koninkrijk grooter in omvang dan de aarde, grooter dan de
zee en de aarde. Zijn bestaan is een feit, en wij doorwandelen het
zonder het te zien. Niemand zal dit rijk aanschouwen, voordat hij zijn
eigen ziel heeft leeren kennen; want het koninkrijk is niet voor hem,
maar voor zijne ziel. De heerlijkheid, die ons in dat rijk wacht, is zoo
groot, dat wij haar ons niet kunnen voorstellen--eenig en
onvergelijkelijk.

--Uwe woorden, vader, zijn mij een raadsel, ik heb nooit van zulk een
koninkrijk gehoord.

--Ik ook niet, verzekerde Ilderim.

--En ik mag er niet meer van zeggen, zeide Balthasar, de oogen ootmoetig
neerslaande. Wat het is, waartoe het dient, hoe men er komen kan, zal
niemand vernemen, voordat het kind komt, om er als zijn eigendom bezit
van te nemen. Hij brengt den sleutel van de onzichtbare poort, die hij
ontsluiten zal voor zijne uitverkoornen, waartoe allen zullen behooren,
die hem liefhebben, want dezulken alleen zullen de verlosten zijn.

Een lange pauze volgde. Daar niemand een opmerking maakte zeide
Balthasar ten laatste: Goede Sheik, morgen of overmorgen ga ik voor
eenigen tijd naar de stad. Mijne dochter verlangt de toebereidselen voor
de feesten te zien. Het uur van mijn vertrek hoop ik u nader op te
geven. U, mijn zoon, zal ik zeker nog zien. Ik wensch u beiden vrede en
goeden nacht.

Zij stonden allen van tafel op. De Sheik en Ben-Hur zagen den Egyptenaar
na, totdat hij buiten de tent was.

--Sheik Ilderim, zeide de jongeling, ik heb van avond vreemde dingen
gehoord. Sta mij toe, bid ik u, een weinig langs het meer te wandelen,
opdat ik ze rustig overdenke.

--Ga, ik volg u straks.

Zij wieschen hunnen handen, waarna een bediende Ben-Hur zijne sandalen
bracht.


       *       *       *       *       *


ZESTIENDE HOOFDSTUK.

OVERDENKINGEN.


Op een kleinen afstand van den dowar stond een groep palmen, die hunne
schaduw half over het water, half over het land wierpen. Een nachtegaal
zong in de takken zijn lied. Ben-Hur bleef er staan naar luisteren. Op
ieder ander oogenblik zou het gezang van den vogel afleiding aan zijne
gedachten gegeven hebben; nu niet, want de meedeelingen van den
Egyptenaar lagen hem als een pak op het hart. Er was voor hem zelfs in
de liefelijkste muziek geen muziek, zoolang lichaam en geest niet tot
rust gekomen waren.

De nacht was stil. Geen enkel golfje brak op het oeverzand. De hemel was
bezaaid met sterren, al de oude bekenden op haar gewone plaats.

Ben-Hur liep onrustig heen en weer. Zijn levendige verbeelding voerde
hem in gedachten naar de zuidelijke streken, waar Balthasar als
kluizenaar geleefd had. Het meer met zijn onbeweeglijken spiegel
verplaatste hem in den geest naar de oevers van den Nijl, waar de wijze
man in het gebed verzonken was, toen de Geest zich aan hem openbaarde.
Indien het wonder zich eens herhaalde--en wel aan hem? Hij vreesde,
nochtans wenschte, ja zelfs verwachtte hij de verschijning.

Toen zijn opgewondenheid eindelijk wat bedaarde, kwam er orde in zijne
gedachten.

Zijn levensdoel kennen wij. Als hij zijne toekomst overdacht was hij
telkenmale op een gaping gestuit, die hij niet bij machte was aan te
vullen, een gaping zoo wijd, dat hij den overkant slechts flauw kon
onderscheiden. Naar welk doel zou hij streven, als hij eindelijk tot
bevelhebber bevorderd was? Een opstand tegen de Romeinen lag natuurlijk
in zijn plan, maar om de lieden daartoe te bewegen, moest hij een goede
reden of een voorwendsel kunnen aanvoeren, en hen op een betere toekomst
kunnen wijzen. Die een onrecht te herstellen heeft, strijdt in den regel
goed; maar oneindig beter hij, wien het geleden onrecht tot drijfveer
is, om naar een betere toestand te streven, een toestand, waarin hij
balsem vindt voor zijne wonden, loon voor zijn dapperheid, dank voor
zijne moeite, en bij zijnen dood een roemrijk gedenken.

Vóór alle dingen zou Ben-Hur, wilde hij op aanhangers kunnen rekenen, en
dat zouden natuurlijk zijne landgenooten zijn, oorzaak en gevolg van den
opstand moeten verklaren. Allen zuchtten onder hetzelfde juk, dat af te
schudden was een heilige, bezielende plicht.

Reden tot opstand was er dus; maar de gevolgen, welke zouden die zijn?
De uren en dagen, die hij aan de overdenking van dit deel zijner plannen
gewijd had, waren talloos vele, en altijd was hij tot dezelfde
onbevredigde slotsom gekomen: een onbestemde, nevelachtige, algemeene
voorstelling van nationale vrijheid. Was dat voldoende? Hij kon niet
zeggen: neen; want dat zou zijn hoop den genadeslag hebben toegebracht;
hij huiverde om ja te zeggen, omdat zijn verstand wel beter wist.
Evenmin kon hij zich wijsmaken, dat Israël in staat zou zijn, om geheel
alleen Rome te bestrijden. Hij kende de hulpmiddelen van dien machtigen
vijand. Een verbond van alle volken zou iets kunnen uitrichten, maar,
helaas! dat was onmogelijk, tenzij--en hoelang had hij niet over die
mogelijkheid nagedacht, tenzij uit een der onderdrukte volken een held
mocht voortkomen, wiens krijgsverrichtingen de gansche aarde met zijn
roem vervullen zouden. Welk een glorie voor Judea, indien dat het
Macedonië van den nieuwen Alexander zou blijken te zijn! Helaas, onder
de rabbijnen was dapperheid wel mogelijk, maar tucht niet te verwachten.
En dan het verwijt van Messala in den tuin van Herodes: Wat gijlieden in
zes dagen wint, verliest gij den zevenden dag.

Zoo kwam het dat hij geen licht in de zaak had gezien. God alleen wist
óf de verwachte held komen zou. Vandaar dat hij Malluchs verslag van
Balthasars wederwaardigheden met een zekere voldoening had aangehoord
--de moeilijkheid was opgelost, de held uiteindelijk gevonden, en nog
wel een zoon uit den stam van Juda, een Koning der Joden! En achter den
held, de wereld onder de wapenen!

Ben-Hurs hart had sterker geklopt toen hij zich voor een oogenblik
Jeruzalem als hoofdstad der wereld dacht, en Sion de zetel van de
overheerscher. Hoe bevoorrecht had hij zich geacht, dat hij den man, die
den koning gezien had, in Ilderims tenten zou ontmoeten. Hij zou hem
zien, hem hooren, en van hem alles vernemen wat hij wist van de ophanden
zijnde verandering, voornamelijk het tijdstip, waarop het geschieden
zou. Indien het ophanden was, zou hij van den veldtocht met Maxentius
afzien, en voorbereidingen treffen om de stammen onder de wapenen te
brengen, opdat Israël gereed mocht zijn, wanneer de groote dag der wrake
aanbrak.

Nu had, zooals wij weten, Ben-Hur het verhaal van Balthasar zelven
vernomen. Was hij voldaan?

Een schaduw, donkerder dan die der palmen, rustte op hem--de schaduw der
onzekerheid, die meer het koninkrijk gold, dan wel den koning.

Hoe moet ik mij dat koninkrijk voorstellen? Hoe zal het zijn? vraagde
Ben-Hur zichzelven gedurig.

--Hoe zal dat koninkrijk zijn?

Ons, lezer, heeft het kind zelf geantwoord; maar Ben-Hur moest zich
vergenoegen met de woorden van Balthasar: Op aarde, nochtans niet van de
aarde; niet voor menschen, maar voor hunne zielen, en toch een
heerschappij van onbeschrijfelijken luister.

Was het wonder, dat die woorden den jonkman zeer raadselachtig
voorkwamen?

--Dat is geen menschenwerk, zeide hij half wanhopig. De koning van zulk
een rijk heeft geen menschen noodig; geen raadslieden, geen soldaten.
De aarde zou geheel vernieuwd moeten worden, en nieuwe grondbeginselen
zouden de plaats van de tegenwoordige moeten innemen. Niet door geweld
van wapenen,... maar door wat dan?

Nogmaals, lezer, wat voor ons vaststaat kon hij nog niet zien. De macht,
die in de Liefde gelegen is, was den menschen toen nog niet bekend.
Nooit had iemand hun verkondigd, dat liefde machtiger is dan geweld.

Te midden van die overleggingen voelde hij een hand op zijn schouder.

--Ik heb een woord aan u, zoon van Arrius, zeide Ilderim, één woordje en
dan keer ik naar mijne tent terug, want het is laat in den nacht.

--Ik luister, Sheik.

--Wat de dingen aangaat, die gij zooëven gehoord hebt, zeide Ilderim,
geloof alles, behalve datgene wat de Egyptenaar zeide over het nieuwe
koninkrijk. Laat dat rusten, totdat gij Simonides gehoord hebt, een goed
man uit Antiochië, met wien ik u in kennis zal brengen. De Egyptenaar
gaf u zijne droomerijen ten beste. Simonides is verstandiger. Hij zal u
de uitspraken uwer profeten voorleggen, waaruit hij onwederlegbaar kan
aantoonen, dat de verwachte feitelijk koning der Joden zijn zal--koning
zooals Herodes was, alleen beter en luisterrijker. En dan, gij begrijpt
mij, zullen wij het zoete der wraak smaken. Ik heb gezegd. Vrede zij u!

Ben-Hur staarde hem na en zeide bitter: Alweder Simonides! Simonides
hier, Simonides daar; dan door den een, dan door den ander! Het schijnt
alsof ik aan den leiband van mijn vaders dienaar zal mogen loopen. Die
weet ten minste vast te houden wat het mijne is. Daarom is hij in ieder
geval rijker, zoo niet verstandiger, dan de Egyptenaar. Bij hem zal ik
zeker niet ter schole gaan!--Maar, wat is dat? Daar wordt gezongen ...
een vrouwenstem. Het komt hierheen.

Langzaam keerde een bootje terug van een roeitochtje op het meer. De
zangster in het kleine vaartuig deed haar liefelijke stem over de stille
wateren klinken. Weldra kon hij de woorden verstaan. Het was een
Grieksch lied, een lied van verlangen, aangrijpend en innig.

Toen het bootje voorbijgevaren was slaakte Ben-Hur een diepen zucht.
Dat moest den dochter van Balthasar zijn, zeide hij zacht. Wat zingt zij
heerlijk! En wat was zij schoon!

Zijn hart begon sneller te kloppen; maar tegelijkertijd verrees voor zijn
geestesoog een ander gelaat, jeugdiger en even bevallig--kinderlijker en
zachter, hoewel niet zoo hartstochtelijk.

--Ester! zeide hij glimlachend. Ik wenschte een ster te zien, en zij is
mij gezonden.

Hij keerde zich om en ging langzaam naar zijne tent terug.

In dat hart, zoo vol van het geleden onrecht en van wraakzuchtige
plannen, was geen plaats voor liefde geweest. Was dit misschien het
begin van eene verandering ten goede? En van wie ging die invloed uit?

Ester had hem een beker aangereikt.... De Egyptische eveneens.

En beiden waren hem gelijktijdig onder de palmen verschenen!

Wie van de twee zal het zijn?


       *       *       *       *       *


BOEK V.


       *       *       *       *       *


EERSTE HOOFDSTUK.

GRATUS WORDT GEWAARSCHUWD.


's Morgens na de bacchanaliën in de zaal van het paleis lagen de jonge
patriciërs hun roes uit te slapen op den divan. Al stapte Maxentius
heden aan wal, al liep alles in de stad uit om den veldheer te
ontvangen, al kwam het legioen in groot tenue van den Sulpius, al zou
van Nymphaeum tot Omphalus een pracht ontwikkeld worden, die alles wat
men tot hiertoe gezien had overtrof, zij zouden blijven liggen zooals
zij neergevallen, of door de dienaren neergelegd waren.

Eén maakte echter een uitzondering. Toen het volkomen dag geworden was
stond Messala op, nam den krans van zijn hoofd, ten teeken dat het feest
beëindigd was, wikkelde zich in zijn mantel, wierp een laatsten blik op
zijne makkers, en begaf zich zonder een woord te spreken naar zijn
kwartier. Cicero zou niet meer deftigheid de Senaatskamer hebben kunnen
verlaten.

Drie uren later traden twee koeriers zijne kamer binnen, en ontvingen
uit zijne hand een verzegeld pakje, duplicaten van een brief aan
Valerius Gratus, den procurator, die nog steeds in Cesarea woonde. Dat
de brieven een spoedige en zekere bezorging vereischten blijkt uit dien
maatregel.

De inhoud was als volgt:

     Messala groet Gratus.

     Ik heb u een wonderlijke geschiedenis te verhalen, die, ofschoon
     zij gedeeltelijk nog slechts een vermoeden is, ongetwijfeld uwe
     belangstelling in hooge mate zal opwekken.

     Vergun mij, voordat ik verder ga, uw geheugen een weinig te hulp te
     komen. Gij herinnert u wellicht vele jaren geleden te Jeruzalem het
     gezin van een aanzienlijk man, uit het aloude geslacht Hur. Mocht
     uw geheugen u soms in de steek laten, dan hebt gij, wanneer ik mij
     niet vergis, een litteeken aan uw hoofd, dat u alles wel weer voor
     den geest zal kunnen brengen.

     Maar ter zake. Tot straf van den aanslag op uw leven--mogen ter
     wille van onze gewetensrust alle goden verhoeden, dat het ooit
     blijkt een ongeluk geweest te zijn!--tot straf dan werd het geheele
     gezin in hechtenis genomen, werden korte metten met hen gemaakt, en
     hunne bezittingen verbeurd verklaard. En daar deze strafdoening
     onder goedkeuring van onzen keizer geschiedde, die even rechtvaardig
     was als wijs,--mogen zijne altaren altijd met bloemen versierd zijn!
     --behoeven wij ons niet te schamen over de sommen, die ons uit die
     bron toevloeiden, iets, waarvoor ik u nooit dankbaar genoeg zijn kan,
     gewis niet zoolang ik in het vrije bezit blijf van het aandeel, dat
     mij werd toegewezen.

     Voorts herinner ik u de wijze maatregelen, die gij genomen hebt om
     ons doel te bereiken: het stilzwijgen, en een zekeren maar
     natuurlijken dood van de betrokken personen.

     Gij zult u herinneren welke straf gij de moeder en de zuster van
     den booswicht hebt opgelegd, en indien ik nu vriendelijk verzoek
     van u te mogen vernemen, of zij nog leven, dan wel of zij gestorven
     zijn, ben ik te zeer van uwe welwilligheid overtuigd, mijn Gratus,
     om aan de toezending van een antwoord uwerzijds te twijfelen.

     Als meer onmiddellijk in verband staande met de zaak, die mij
     bezighoudt, neem ik intusschen de vrijheid u te herinneren, dat de
     misdadiger zelf levenslang tot de galeien werd veroordeeld; zoo
     luidde het bevel. Met eigen oogen las ik het ontvangbewijs van zijn
     lichaam, geteekend door den bevelhebber van de galei, die hem
     opnam.

     Schenk mij nu uw onverdeelde aandacht, voortreffelijke Gratus!

     Den gewonnen levensduur van een tot de galeien veroordeelde in
     aanmerking genomen, moest de rechtvaardig gestrafte op zijn minst
     reeds vijf jaren dood zijn, of beter gezegd, moest een van de
     drieduizend Oceaniden hem tot echtgenoot genomen hebben. En als gij
     een oogenblik zwakheid door de vingers wilt zien, o deugdzaamste
     der menschen, daar ik hem in zijne jeugd beminde en daar hij schoon
     van aangezicht was (ik had de gewoonte hem mijn Ganymedes te
     noemen), had hij eigenlijk de allerschoonste dochter van die
     uitgebreide familie in de armen moeten vallen.

     In de meening verkeerende dat hij dood was, heb ik volle acht jaren
     ongestoord genoten van het fortuin, dat ik hem in zeker opzicht te
     danken heb. Ik erken dat, zonder daarmee evenwel mijne verplichting
     jegens u te willen verkleinen.

     Maar hoor nu verder. Toen ik gisteravond een feest leidde van
     eenige jongelieden, pas van Rome gekomen, vernam ik een zonderlinge
     geschiedenis. Maxentius, de consul, wordt, zooals gij weet, vandaag
     hier verwacht, om een veldtocht tegen de Parthen te openen. Onder
     de eerzuchtigen, die hem wenschen te vergezellen, bevindt zich een
     zoon van den overleden duumvir Quintus Arrius. Ik had aanleiding om
     nauwkeurig onderzoek naar hem te doen. Toen Arrius uittoog om de
     zeerovers te tuchtigen, wier vernietiging hem in hoog aanzien
     bracht, had hij geen familie. Toen hij van dien tocht terugkeerde,
     bracht hij een erfgenaam met zich mede. Blijf nu bedaard, gelijk
     den eigenaar betaamt van zoovele talenten zilvers in gangbare
     munt ... de zoon en erfgenaam van wien ik spreek is hij, dien gij
     naar de galeien zondt. Dezelfde Ben-Hur, die reeds lang geleden op
     de roeiersbank had moeten bezwijken, keerde terug als een man van
     fortuin, aanzien, misschien zelfs als Romeinsch burger, om zich
     te ... ziet ge, gij zit te vast om bezorgd te moeten zijn; maar ik,
     mijn Gratus, ik ben in gevaar ... onnoodig u te zeggen van wat. Wie
     zou het weten, als gij het niet weet?

     Zegt gij tot dit alles: o-ho?

     Toen Arrius, de vader, met de zeerovers slaags raakte, zonk zijn
     schip. Van de geheele bemanning ontkwamen slechts twee: Arrius
     zelf, en de bovengenoemde, zijn erfgenaam. Hunne redders
     verklaarden, dat de jeugdige metgezel van den tribuun het kostuum
     van een galeislaaf droeg.

     Mij dunkt dit is overtuigend; maar opdat gij niet weder o-ho! zoudt
     zeggen, deel ik u mede, dat ik gisteren toevallig den geheimzinnigen
     zoon van Arrius van aangezicht tot aangezicht gezien heb, en ik
     verklaar u bij dezen, dat, hoewel ik hem eerst niet herkende, hij
     dezelfde Ben-Hur is, die jaren geleden mijn speelmakker was,
     dezelfden Ben-Hur, die, als hij een mannenhart in de borst heeft,
     in ditzelfde uur op wraak zint, (dat zou ik in zijne plaats ook
     doen) wraak, die met niets minder dan het leven genoegen neemt;
     wraak voor zijn vaderland, moeder, zuster, zichzelf en--ik noem 't
     het laatst, ofschoon gij wellicht zoudt meenen, dat het 't eerst
     moest genoemd worden--voor zijn verloren fortuin.

     En nu, mijn weldoener en vriend! mijn Gratus, in aanmerking
     nemende, dat uwe sestertiën in gevaar verkeeren, wier verlies het
     ergste is wat iemand van uwen hoogen staat kan overkomen, geloof
     ik, dat gij niet langer o-ho! zult zeggen, maar ernstig zult gaan
     overleggen hoe wij hierin hebben te handelen. Ik stel mij, dat
     spreekt vanzelf, onder uwe bescherming en wacht uwe aanwijzingen.

     Ik verlustig mij, als ik mij voorstel, hoe gij dezen brief zult
     ontvangen. Ik zie hoe gij hem eerst met een zeer ernstig gelaat,
     dan glimlachende, doorloopt, om ten slotte zonder aarzelen kort en
     bondig uw oordeel uit te spreken.

     Het is nog vroeg in den morgen. Over een uur zend ik twee boden
     uit, ieder met een verzegeld afschrift van dezen brief. Een zal
     over land gaan, de ander over zee. Zoo belangerijk acht ik het, dat
     gij zoo spoedig mogelijk onderricht zoudt zijn aangaande de
     verschijning van onzen vijand in dit gedeelte der Romeinsche
     wereld.

     Ik zal uw antwoord afwachten.

     Ben-Hurs gaan en komen zal natuurlijk afhangen van zijn meester,
     den consul, die, al spant hij zich nog zoo in, niet binnen de maand
     gereed zal komen. Gij weet wat het zeggen wil een leger te
     verzamelen en uit te rusten, dat werkdadig op moet treden in een
     onherbergzaam, woest oord.

     Gisteren zag ik den Jood in het Park van Daphne, en als hij daar op
     het oogenblik niet is, dan is hij toch zeker in de buurt, om mij
     gemakkelijk te maken hem in 't oog te houden. Ja, indien gij mij
     vraagdet: Waar denkt gij dat hij is? dan zou ik met volle
     overtuiging zeggen: hij is in het Palmbosch, in de tent van Sheik
     Ilderim, den verrader, die ons niet veel langer moet mogen
     trotseeren. Laat het u niet verwonderen, indien Maxentius als
     eerste krijgsoperatie den Arabier inscheept naar Rome.

     Ik treed zoo in bijzonderheden omtrent de verblijfplaats van den
     Jood, omdat het u, verheven man, van nut kan zijn bij het nemen van
     een besluit ten zijnen opzichte. Zooveel weet ik toch wel, dat bij
     ieder plan drie gewichtige zaken in het oog moeten gehouden worden:
     tijd, plaats en middelen.

     Indien gij oordeelt, dat hier de plaats is, aarzel dan niet de zaak
     toe te vertrouwen aan uwen hartelijk liefhebbenden vriend, die uw
     bekwaamste leerling zou wenschen te zijn. Vaarwel!
     XII. Kal. Jul. Antiochië.

       *       *       *       *       *


TWEEDE HOOFDSTUK.

VOORBEREIDING.


Ongeveer op hetzelfde oogenblik, dat de koeriers met de brieven
Messala's woning verlieten, trad Ben-Hur Ilderims tent binnen. Hij had
een bad genomen in het meer, vervolgens ontbeten, en verscheen nu in een
korte Romeinsche tunica zonder mouwen.

De Sheik groette hem van den divan.

--Vrede zij u, zoon van Arrius, zeide hij, terwijl zijn oog met
bewondering op den jongeling rustte, die in het volle bewustzijn van
kracht en macht voor hem stond. De paarden zijn gereed. Ik ben gereed.
En gij?

--Den vrede, dien gij mij toewenscht, bid ik u wederkeerig toe, goede
Sheik. Ik dank u voor zooveel welwillendheid. Ik ben gereed.

Ilderim klapte in zijn handen.

--Ik zal de paarden hier laten komen. Zet u neder.

--Zijn zij reeds opgetuigd?

--Neen.

--Vergun mij dan, Sheik, dat ik het zelf doe. Het is noodig, dat ik
kennis maak met uwe Arabieren. Ik moet ze bij name kennen, zoodat ik
tegen ieder in 't bijzonder spreken kan. Ook moet ik hun aard leeren
kennen, daar het met hen is als met de menschen: zijn zij overmoedig,
niets beter dan een bestraffing; zijn zij schuchter, niets beter dan lof
en aanmoediging. Laat de dienaren mij het tuig brengen.

--En den wagen? vraagde de Sheik.

--Vandaag niet. Geef mij liever een vijfde paard. Het moet even vlug
zijn als de andere.

Ilderim keek hem verwonderd aan; maar zonder opheldering te vragen riep
hij een der slaven.

--Laat hen het tuig voor de vier brengen, en den teugel voor Sirius,
beval hij.

Toen stond de Sheik op en zeide tot Ben-Hur: Sirius is mijn lieveling en
ik ben de zijne, zoon van Arrius. Sedert twintig jaren zijn wij kameraden
--in de tent, in den strijd, op alle pleisterplaatsen der woestijn. Ik zal
hem u laten zien.

Hij ging naar het gordijn, schoof het weg, en liet Ben-Hur binnentreden.
De paarden kwamen gezamelijk tot hem. Een van hen, met een kleinen kop,
levendige oogen, sierlijk gewelfden nek, breede borst, manen als
vrouwenlokken zoo zacht en golvend, hinnikte vroolijk, zoodra hij
Ilderim zag.

--Goed dier, zeide de Sheik, den donkerbruinen kop streelend. Goed dier,
goeden morgen!--en zich daarop tot Ben-Hur keerende, voegde hij er bij:
Dat is Sirius, de vader van de vier anderen. Mira, de moeder, wacht op
onze terugkomst, daar zij te kostbaar is om aan de gevaren der reis te
worden blootgesteld. Daarenboven betwijfel ik zeer, zoon van Arrius, of
de stam hare afwezigheid zou kunnen verdragen. Zij is hun trots. Zij
vereeren haar. Indien zij over hunne lichamen wilde galoppeeren zouden
zij lachen. Tienduizend ruiters, zonen der woestijn, zullen vandaag
vragen: Hebt gij ook iets van Mira gehoord? en op het antwoord: Zij is
welvarend, zullen zij zeggen: God is goed! God zij geloofd!

--Mira, Sirius, namen van sterren, is het zoo niet, Sheik? vraagde
Ben-Hur, terwijl hij eerst de vier en toen den vader liefkoosde.

--En waarom niet? antwoordde Ilderim. Hebt gij wel eens een nacht in de
woestijn onder den blooten hemel doorgebracht?

--Neen.

--Dan kunt gij ook niet beseffen hoe wij, Arabieren, van de sterren
afhankelijk zijn. Uit dankbaarheid geven wij hare namen aan onze
lievelingspaarden. Al mijne voorvaderen hadden hunne Mira's, zooals ik
de mijne heb. Deze kinderen doen eveneens aan sterren denken. Die daar
is Rigel, en deze is Antares; ginds is Atair, en die, waar gij juist
naar toe gaat, is Aldebaran, de jongste van de kroost; maar wie ooit het
onderspit mocht delven, niet hij! Tegen den wind in zou hij u dragen,
totdat gij duizelt. Hij zal gaan waar gij dat verlangt, zoon van Arrius,
ja, bij de heerlijkheid van Salomo! indien gij het zoudt durven bestaan,
hij zou u brengen tot in de kaken van den leeuw.

Het tuig werd gebracht. Met eigen hand legde Ben-Hur den paarden het
gebit in den mond. Met eigen hand leidde hij hen buiten de tent, en
ordende de teugels.

--Breng mij Sirius, zeide hij.

Met één sprong zat hij op den rug van het paard. Een Arabier zou hem dat
niet hebben kunnen verbeteren.

--En de teugels!

Men gaf ze hem.

--Goede Sheik, zeide hij, ik ben gereed. Laat een gids voor mij uit
gaan, om mij het veld te wijzen, en zend eenige mannen met water.

Het afrijden geschiedde zonder eenige moeite. De paarden waren niet
schrikachtig. Het scheen alsof een stilzwijgende overeenkomst bestond
tusschen hen en den nieuwen menner, die met de grootste kalmte en
zekerheid optrad.

Hij hield zich geheel aan de gewone orde bij het rijden, behalve dat hij
Sirius bereed, in plaats van in een wagen te staan. Ilderim glimlachte
met voldoening en zeide zacht: Dat is geen Romein, neen, waarlijk niet!

Hij volgde te voet. Al de tentbewoners sloten zich bij hem aan, mannen,
vrouwen, kinderen, allen met de grootste belangstelling vervuld voor de
dingen, die komen zouden.

Het veld bleek ten volle voor de dressuur geschikt te zijn. Ben-Hur liet
het vierspan eerst langzaam en in rechte lijnen rijden, daarna in steeds
wijder wordende cirkels. Vervolgens liet hij hen in draf loopen, daarna
in galop. Eindelijk maakte hij de cirkels kleiner en kleiner, en tot
besluit liet hij zijn gespan op de meest willekeurige wijze draven, nu
hier, dan daar, rechts, links, voorwaarts, zonder een oogenblik
oponthoud. Zoo ging een uur voorbij. Toen reed hij stapvoets naar
Ilderim.

--Het is afgeloopen; nu niets dan geregelde oefening, zeide hij. Ik
wensch u geluk, Sheik Ilderim, dat gij zulke dienaren hebt. Zie,
vervolgde hij, terwijl hij afsteeg en op de paarden wees, zie, hun huid
is nog even glanzig, hun adem even licht, als toen ik begon. Ik wensch u
van harte geluk! Er zou heel wat moeten gebeuren, indien wij niet de
overwinning behalen en onze....

Hij hield op, bloosde, boog. Zijn oog had Balthasar ontdekt, die met
twee dicht gesluierde vrouwen in de nabijheid stond. Eene van die meende
hij te herkennen ... ja, dacht hij, zij is het, de Egyptische!

Ilderim vervolgde den afgebroken volzin. De overwinning en onze wraak!
Zoon van Arrius, ik ben niet langer bevreesd. Ik ben blijde. Gij zijt de
man. Zij het einde gelijk het begin, en gij zult ervaren wat in de hand
eens Arabiers verborgen is, die de middelen bezit om te beloonen.

--Ik dank u, goede Sheik, hernam Ben-Hur op bescheiden toon. Laat nu de
bedienden water brengen voor de paarden.

Met eigen hand liet hij ze drinken. Toen gesteeg hij Sirius weder en
zette de oefening voort; evenals te voren van stappen tot draven, van
draven tot galoppeeren overgaande, om hen eindelijk met lossen teugel in
vollen ren over het veld te laten vliegen.

Het was voor de toeschouwers een waar genot. Luide toejuichingen vielen
den kundigen menner ten deel, die zijn vierspan tot zoo volmaakte
eenheid wist te brengen, zonder dat het de dieren eenige inspanning
scheen te kosten.

Midden onder de oefeningen verscheen Malluch op het tooneel. Hij zocht
den Sheik. Ik heb een boodschap voor u, Sheik, zeide hij, gebruik
makende van een rustig oogenblik, een boodschap van Simonides, den
koopman.

--Simonides, riep de Arabier. Ah! 't is wel. Moge Abaddon al zijne
vijanden vernietigen!

--Hij droeg mij op u dezen brief te geven, met het verzoek hem dadelijk
te lezen.

Ilderim verbrak het zegel van het pakje, dat Malluch hem overhandigde,
en nam twee brieven uit een omslag van fijn linnen.


No. 1.

     SIMONIDES AAN SHEIK ILDERIM HEIL!

     Mijn vriend! Wees vóór alle dingen verzekerd, dat gij eene plaats
     in het binnenste mijns harten inneemt.

     Vervolgens: In uw dowar bevindt zich een jongmensch met een zeer
     gunstig voorkomen, die zich de zoon van Arrius noemt. Dat is hij
     door aanneming. Hij is mij zeer lief. Hij heeft een veelbewogen
     leven achter zich, waaruit ik u enkele bijzonderheden zal
     meedeelen. Kom morgen of overmorgen, opdat ik u die geschiedenis
     vertelle, en uwen raad inwinne.

     Willig intusschen al zijne verzoeken in voor zoover zij niet
     strijden tegen de eer. Moeten er onkosten gemaakt worden, ik sta
     voor alles in. Verzwijg, dat ik in den jongeling belang stel.

     Breng mij in herinnering bij uwen anderen gast. Hij, zijne dochter,
     gijzelf en allen, die gij in uw gevolg wenscht mede te brengen,
     zullen mijne gasten zijn op den dag der wedrennen. Ik heb reeds
     plaatsen besproken.

     U en al den uwen vrede!

     Hoe zou ik mij anders kunnen noemen, mijn vriend, dan uw vriend?

No. 2.

     SIMONIDES AAN SHEIK ILDERIM HEIL!

     Mijn vriend! uit mijne rijke ervaring zend ik u een waarschuwend
     woord.

     Er is iets dat allen, die niet Romeinen zijn en die geld en goed
     bezitten, als waarschuwing beschouwen, dat is: De komst met
     volmacht van den eenen of anderen hooggeplaatsten Romein.

     Heden komt de consul Maxentius. Wees gewaarschuwd.

     Een woord van raad.

     Zal een samenzwering tegen u gelukken, dan moeten de Herodianen van
     de partij zijn. Gij hebt groote bezittingen op hun grondgebied.
     Daarom, wees op uwe hoede.

     Zend hedenmorgen een boodschap aan uw getrouwe wachters langs de
     wegen, die van Antiochië naar het zuiden voeren, en beveel hun
     iederen gaanden en komenden koerier te onderzoeken. Vinden zij
     vertrouwelijke mededeelingen aangaande u of uwe zaken, dat zij ze u
     dan ter inzage zenden.

     Gij moest dit reeds gisteren ontvangen hebben, maar het is nog niet
     te laat, indien gij onmiddellijk handelt. Al hebben heden morgen
     koeriers Antiochië verlaten, uwe boodschappers kennen de bijwegen,
     en kunnen hen vóór zijn. Aarzel niet. Verbrand dit na lezing.

Ilderim las en herlas de brieven, bergde ze weder in den linnen omslag
en stak het pak tusschen zijn gordel.

De oefeningen in het veld waren bijna beëindigd. Zij hadden in 't geheel
ongeveer twee uren geduurd. Na den afloop reed Ben-Hur stapvoets naar de
plek, waar Ilderim zich bevond.

--Als gij het goedvindt, Sheik, zeide hij, zal ik uwe Arabieren naar de
tent terugbrengen, en dezen middag weer met hen rijden.

--Gij moogt tot na de wedrennen naar welgevallen over hen beschikken,
zoon van Arrius. Gij hebt in twee uren meer van hen gedaan gekregen, dan
de Romein--mogen de jakhalzen zijne beenderen afknagen!--in even zoovele
weken. Wij zullen winnen!

Ben-Hur bleef bij de paarden, totdat zij naar behooren verzorgd waren.
Toen nam hij een bad in het meer, dronk een beker arak met den Sheik,
die bijzonder opgewekt was, kleedde zich weder naar Joodsch gebruik, en
wandelde met Malluch naar een schaduwrijke plek.

Veel werd tusschen die beiden besproken, maar daar niet alles voor ons
van belang is, zullen wij slechts bij één punt stilstaan.

--Ik zal u een brief meegeven aan den herbergier bij de Seleusische
brug, zeide Ben-Hur. Daar is mijn goed. Bezorg het mij vandaag nog, als
gij kunt. En, goede Malluch, indien het niet te veel van u gevergd is....

Malluch verklaarde zich volkomen bereid, om hem in alles van dienst te
zijn.

--Dank, Malluch, dank. Ik houd u aan dat woord, mij herinnerende dat wij
broeders zijn van één stam, en dat de vijand een Romein is. Daarenboven
zijt gij een man van zaken, hetgeen naar ik vrees Sheik Ilderim niet is.

--Arabieren zijn dat zelden.

--Neen, en hoe slim zij ook zijn mogen, het is toch goed zelf de dingen
na te zien. Om dus te zorgen, dat bij de wedrennen alles volkomen naar
recht gaat, zoudt gij mij veel genoegen doen door naar het bureau van
den circus te gaan en te zien, of de Sheik aan alle verplichtingen
voldaan heeft. Indien gij een afschrift van de bepalingen kunt krijgen,
zou mij dat zeer aangenaam zijn. Ik zou gaarne willen weten welke kleur
ik dragen moet, en wat het nummer is van mijn stal. Is hij naast dien
van Messala, dan is het goed. Zoo niet, tracht dan een ruiling te
bewerkstelligen, zoodat ik naast den Romein kom. Hebt gij een goed
geheugen, Malluch?

--Het heeft mij wel eens in de steek gelaten, zoon van Arrius, maar
nooit wanneer het hart mij te hulp kwam, zooals nu.

--Dan wil ik het er op wagen u nog met iets anders te belasten. Ik zag
gisteren, dat Messala trotsch was op zijn wagen, en met recht, want die
van den keizer zijn nauwelijks mooier. Kunt gij dat niet tot een
voorwendsel nemen om hem van nabij te bekijken, en te onderzoeken of hij
licht of zwaar is? Ik zou gaarne nauwkeurig zijn gewicht en afmetingen
hebben, en, Malluch, al moest al het andere er bij inschieten, zorg dat
gij mij precies kunt opgeven, hoe hoog de as boven de grond is. Hebt gij
het goed begrepen, Malluch? Ik wil niet dat de Romein iets boven mij
voor heeft. Om zijn pracht geef ik niets. Als ik win zal die zijn val te
zwaarder en mijn zegepraal te grooter maken. Heeft hij echter iets, dat
van een gewonen wagen verschilt, dan moet ik het weten.

--Ik begrijp u, zeide Malluch. Ik moet met een touw de hoogte van het
middelpunt der as tot aan den grond meten.

--Juist. Dat is alles. Laat ons nu naar den dowar terugkeeren.

Vóór de tent vonden zij een bediende, die hun een verfrisschenden drank
aanbood, waar zij zich heerlijk aan te goed deden. Kort daarop keerde
Malluch naar de stad terug.

Gedurende hunne afwezigheid had de Sheik een zijner Arabieren, als
koerier, naar zijne wachters afgezonden met de orders, die Simonides hem
aan de hand gedaan had. Zekerheidshalve had hij alleen een mondelinge
boodschap meegegeven.


       *       *       *       *       *


DERDE HOOFDSTUK.

OP HET MEER.


--Iras, de dochter van Balthasar, zendt mij met een groet en een
boodschap, zeide een bediende tot Ben-Hur, die het zich in de tent
gemakkelijk had gemaakt.

--Geef mij de boodschap.

--Zij vraagt of gij haar bij een roeitochtje op het meer zoudt willen
vergezellen?

--Ik zal zelf het antwoord brengen. Zeg haar dat.

Hij kleedde zich haastig en was binnen weinige oogenblikken gereed, om
zich naar de schoone Egyptische te begeven.

De avond begon reeds te vallen. De bergen wierpen hunne schaduw over het
Palmbosch. In de verte hoorde men het getjingel van de belletjes der
schapen, het loeien van het vee, en de stemmen der herders, die de
kudden huiswaarts dreven. Sheik Ilderim had ook de middagoefeningen
bijgewoond, daarna was hij naar de stad gegaan, ingevolge de
uitnoodiging van Simonides. Het was mogelijk dat hij vóór den nacht
terugkwam, maar niet waarschijnlijk. Ben-Hur was dus alleen en vrij om
te gaan spelevaren op het meer.

Aan de kleine trap van de aanlegplaats gekomen bleef hij op de bovenste
trede staan, getroffen door hetgeen hij zag. Daar lag op het
spiegelgladde water een sierlijke, ranke boot. Een Ethiopiër, de
kameeldrijver, dien wij reeds bij de Castaliabron gezien hebben, zat op
de roeiersbank. Zijn gitzwarte huid stak sterk af tegen het sneeuwwit
zijner kleeding. De achtersteven van het bootje was met kussens en
tapijten van Tyrische roode stof belegd. De Egyptische zat aan het roer,
als weggezonken in doorzichtige sluiers en Indische sjaals. Hare
onberispelijk schoon gevormde armen waren onbedekt, schouders en hals
door een dunnen zijden doek tegen de avondlucht beveiligd. Als Ben-Hur
den indruk, dien de schoone Iras op hem maakte, onder woorden had moeten
brengen, zou hij waarschijnlijk geantwoord hebben met de woorden van den
koninklijken zanger: Uwe lippen zijn gelijk een scharlaken rooden draad;
uwe slapen zijn gelijk een stuk granaatappel in uwe lokken. Sta op,
mijne liefste, mijne schoone, kom hierheen; want zie! de winter is
voorbij gegaan, de regentijd is over; de bloemen ontluiken op de aarde;
de tijd der zangvogels is gekomen, en de stem der tortelduiven wordt in
het land gehoord....

--Kom, zeide zij, ziende dat hij staan bleef. Kom, of ik zou denken dat
gij een slecht zeeman zijt.

Hij werd verlegen. Wist zij iets van zijn leven op zee? Hij daalde snel
naar beneden en zette zich op de ledige plaats tegenover haar.

--Ik was bang voor....

--Waarvoor?

--Dat ik de boot zou doen zinken, antwoordde hij glimlachend.

--Wacht daarmee totdat wij in dieper vaarwater zijn, zeide zij, en gaf
den Ethiopiër een wenk om van wal te steken.

Indien Ben-Hur wars van alle zachtere gevoelens geweest was, dan zou hij
het nu toch hard te verantwoorden hebben gehad. De Egyptische was zoo
gezeten, dat hij haar altijd zien moest, haar, die hij reeds in zijne
gedachten met Sulamith vergeleken had. Met die stralende oogen op hem
gericht zou hij de sterren, indien zij wegbleven, niet eens missen. De
nacht mocht zijn donkeren sluier over het aardrijk uitspreiden, haar
blik zou hem tot eene verlichting zijn. En voorts, dat de verbeelding
nooit vrijer haar spel kan spelen, dan wanneer men jong van hart in
aangenaam gezelschap zachtkens voortglijdt over het water op een zoelen
zomeravond en onder liefelijk stargeflonker--wie zal het ontkennen? Het
is zoo gemakkelijk alsdan onmerkbaar uit het alledaagsche in het ideale
over te gaan.

--Geef mij het roer, zeide hij.

--Neen, antwoordde zij, dat ware de verhouding omkeeren. Verzocht ik u
niet met mij te gaan varen? Ik sta bij u in de schuld en wensch met de
betaling te beginnen. Gij moogt spreken en ik zal luisteren, of ik zal
spreken en gij zult luisteren. De keuze is aan u; maar ik zal bepalen
waarheen wij gaan.

--En waarheen dan?

--Alweer bang?

--O schoone Egyptische, ik deed u slechts de eerste vraag van iederen
gevangene.

--Noem mij Egypte.

--ik zou u liever Iras noemen.

--Onder dien naam moogt gij aan mij denken, maar noem mij liever Egypte.

--Egypte is een land.

--Ja, ja, en welk een land!

--Ha! wij varen dus naar Egypte!

--Was dàt waar! Wat zou ik blijde zijn, zeide zij met een zucht.

--Gij geeft dus niets om mij?

--O, nu zie ik, dat gij er nooit geweest zijt.

--Neen, nooit.

--Egypte is het land waar geen ongelukkigen zijn, het heerlijkste land
van de gansche aarde, de moeder van al de goden, en daarom bovenmate
gezegend. Daar, zoon van Arrius, daar ontvangt de gelukkige steeds
vermeerdering van geluk, terwijl de ellendigen, al drinken zij slechts
eenmaal van het water der heilige rivier, lachen en juichen, als
kinderen zoo blij.

--Zijn de armen daar dan anders dan overal elders?

--De armsten in Egypte hebben de minste behoeften. Zij verlangen alleen
genoeg te hebben; verder gaan hunne wenschen niet. En hoe weinig dat is,
kan een Griek of Romein niet beseffen.

--Maar ik ben noch Griek noch Romein.

Iras lachte.

--Ik heb een tuin vol rozen, zeide zij. In het midden staat een boom,
die alle andere in rijkdom van bloei overtreft. Waar denkt gij, dat hij
vandaan kwam?

--Uit Perzië, het vaderland der rozen.

--Neen.

--Uit Indië dan.

--Neen.

--Dan van een der Grieksche eilanden.

--Ik zal het u vertellen, zeide zij. Een reiziger vond hem, kwijnende
aan den weg op de vlakte van Rephaïm.

--O, in Juda!

--Ik plantte hem in den pas door den Nijl overstroomden bodem. De
zuidenwindjes speelden door zijne takken en kweekten hem op, de zon
kuste hem vol medelijden ... toen kon het niet anders, of hij moest
groeien en bloeien. Nu sta ik in zijne schaduw en beloont hij mij door
zijn liefelijke geuren voor de moeite, die ik mij voor hem gegeven heb.
Zoo de rozen, zoo ook de mannen van Israël. Waar zullen zij tot
volmaaktheid komen, anders dan in Egypte?

--Mozes was slechts één uit millioenen.

--Neen, er was een droomenuitlegger. Vergeet gij dien?

--De vriendelijke Pharao's zijn dood.

--O ja, de rivier, aan wier oever zij woonden, zingt hun een slaaplied
toe in hunne graven. Nochtans schijnt dezelfde zon over hetzelfde volk.

--Alexandrië is een Romeinsche stad.

--Zij heeft slechts van schepter verwisseld. Cesar ontnam haar dien van
het zwaard, en gaf haar in ruil dien van de wetenschap. Ga met mij naar
het Brucheium en ik zal u de wijsheid der volken toonen; naar het
Serapeion en gij aanschouwt het volmaakte in de bouwkunde; naar de
Bibliotheek, en gij kunt de onsterfelijken lezen; naar den Schouwburg,
waar de helden der Grieken en Hindoe's voor u ten tooneele worden
gevoerd; naar de kade, waar gij den handel in zijn glorie kunt zien.
Doorwandel de straten met mij, zoon van Arrius, als de avond gedaald is,
en gij zult de verhalen hooren, die de menschen sedert onheugelijke
tijden vermaakt hebben, en de liederen, die nimmer, nimmer zullen
sterven.

Onder het luisteren werd Ben-Hur in gedachten teruggevoerd naar dien
laatsten avond in het ouderlijk huis te Jeruzalem, toen zijne moeder met
niet minder geestdrift over Israëls verdwenen grootheid gesproken had.

--Nu begrijp ik waarom gij wildet, dat ik u Egypte zou noemen. Wilt gij
mij een lied zingen, als ik u bij dien naam noem? Ik heb u gisteravond
beluisterd.

--Dat was een lofzang aan den Nijl, antwoordde zij, een klaagzang, dien
ik aanhef, als ik mij verbeeld den adem der woestijnen te ruiken, en den
golfslag van den dierbaren ouden stroom te hooren. Laat ik u liever iets
geven in Indiaanschen trant. Als wij in Alexandrië komen, zal ik u
brengen naar den hoek der straat, waar gij het eene dochter van de
Ganges kunt hooren zingen.

En met een stem, zoo liefelijk, dat ook de ongevoeligste naar haar zou
hebben moeten luisteren, zong Iras haar lied.

Toen zij beëindigd had en Ben-Hur haar zijnen dank wilde betuigen,
schuurde de boot over het zand en liep op den oever.

--Dat is een korte reis naar Egypte! riep de jonkman.

--En een nog korter oponthoud! antwoordde zij, toen de Ethiopiër met een
krachtigen stoot het vaartuig weeder vlot maakte.

--Nu zult gij mij toch het roer geven.

--O neen, zeide zij lachende. Voor u de wagen, voor mij de boot. Wij
zijn aan den uithoek van het meer. Ik zie wel dat ik niet te gelijk
sturen en zingen moet. Daar wij in Egypte geweest zijn, willen wij nu
naar het Park van Daphne gaan.

--En geen liedje om den weg te korten? vraagde hij smeekend.

--Vertel mij iets van den Romein, tegen wien gij vandaag zoo flink
optrad, vraagde zij.

Die vraag deed Ben-Hur onaangenaam aan.

--Ik wenschte dat dit de Nijl was, zeide hij ontwijkend. De koningen en
koninginnen, die zoolang geslapen hebben, moesten uit hunne graven komen
en met ons varen.

--Zij behoorden tot de kolossen en zouden onze boot doen zinken. De
dwergen zouden verkieslijker zijn. Maar vertel mij nu iets van den
Romein. Hij is een slecht mensch, niet waar?

--Dat kan ik u niet zeggen.

--Stamt hij uit een adellijk geslacht, en is hij rijk?

--Ik kan niet over zijn rijkdom oordeelen.

--Wat had hij mooie paarden! En zijn wagen! Het binnenste was verguld en
de wielen waren van ivoor. En wat is hij vermetel! Het volk lachte toen
hij wegreed, en hij had ze toch bijna overreden.

Zij lachte bij de herinnering.

--Ja, wat een volk! zeide Ben-Hur bitter.

--Hij behoort zeker tot de monsters, die in Rome opgroeien--Apollo's,
roofgierig als Cerberus. Woont hij in Antiochië?

--Misschien wel.

--Egypte zou hem beter lijken dan Syrië.

--Bezwaarlijk, antwoordde Ben-Hur. Cleopatra is dood.

Op dat oogenblik kregen zij de brandende lampen voor de deur der tent in
't gezicht.

--De dowar! riep Iras.

--Dus zijn wij niet in Egypte geweest. Ik heb Karnak, noch Philae, noch
Abydos gezien. Dit is niet de Nijl. Ik heb slechts een lied uit Indië
gehoord en ben in den droom uit spelevaren geweest.

--Philae, Karnak. Betreur liever dat gij Ramses te Aboo Simbul niet
gezien hebt. Als men daar naar kijkt valt het zoo gemakkelijk aan God te
denken, den Schepper van hemel en aarde. Maar waarom zoudt gij treuren?
Laat ons de rivier opvaren, en al kan ik dan niet zingen, omdat ik
gezegd heb, dat ik het niet meer doen zou, ik kan u toch van Egypte
vertellen.

--Ja, doe dat. Ga voort totdat de morgen aanbreekt en de avond en de
volgende morgen! zeide Ben-Hur hartstochtelijk.

--Waarover zal ik vertellen? Over de wiskunstenaars?

--O neen.

--Over de wijsgeren?

--Neen, neen.

--Over de toovenaars en sterrenwichelaars?

--Dat zou kunnen.

--Over den oorlog?

--Ja.

--Over de liefde?

--Ja.

--Ik zal u een middel tegen de liefde aan de hand doen. Het is de
geschiedenis van een koningin. Luister aandachtig. De papyrusrol,
waaraan het verhaal ontleend werd, is aan de hand der heldin zelve
ontwrongen. Het moet een ware gebeurtenis zijn.

     NENEHOFRA

     Vele honderden jaren geleden woonde te Essouan een meisje, zoo
     bekoorlijk, dat de natuur zelve zich over haar verheugde. Als zij
     voorbijging klapwiekten de vogeltjes om haar te begroeten, hieven
     de witte lotusbloemen zich op uit het water om haar te aanschouwen,
     vertraagde de stroom zijnen loop, wuifden de palmen hunne pluimen.
     Zij schenen te zeggen, de een: ik deelde haar mee van mijn
     vroolijkheid; de ander: ik van mijne reinheid; een derde: ik van
     mijne bevalligheid.

     Op twaalfjarigen leeftijd was Nenehofra het sieraad van Essouan.
     Toen zij zestien was, sprak men door het gansche land over hare
     schoonheid, en toen zij twintig was ging er geen dag voorbij, die
     niet vorsten der woestijn op snelle kemelen en aanzienlijke
     Egyptenaren in vergulde barken voor hare deur bracht. Die allen
     echter gingen ongetroost heen en vertelden overal: Ik heb haar
     gezien. Dat is geen sterflijke vrouw, maar Hathor zelve.

     De koning van het land was de grijze Oretes. Hij had den leeftijd
     van hondertien jaren bereikt. Zesenenzeventig jaren had hij over
     Egypte geregeerd. Onder zijn verstandig bestuur waren land en volk
     tot groote welvaart gekomen. Hij woonde te Memphis, waar hij zijn
     schoonste paleis en arsenalen had. De vrouw van den goeden koning
     stierf. Daar hij haar zeer had liefgehad treurde en weeklaagde hij
     over haar en was ontroostbaar. Een hoveling, die dat opmerkte,
     waagde op zekeren dag tot hem te zeggen: Koning Oretes, het
     verwondert mij dat iemand, zoo wijs en groot, niet zou weten hoe
     men een droefheid als deze kan genezen. Zeg mij hoe, zeide de
     koning. De hoveling kuste driemaal den grond en antwoordde, wel
     wetende dat de doode hem niet kon hooren: Te Essouan woont
     Nenehofra, zoo schoon als de schoone Hathor zelve. Ontbied haar.
     Zij heeft alle vorsten afgewezen, en ik weet niet hoevele koningen;
     maar wie kan neen zeggen tot Oretes?

       *       *       *       *       *

     Nenehofra zakte met een talrijk gevolg den Nijl af naar Memphis.
     Toen de koning haar zag deed hij haar naast zich zitten op zijnen
     troon, deed den uraeus om haren arm, kuste haar, en maakte haar tot
     koningin. Dat was den wijzen Oretes niet genoeg. Hij smachtte naar
     liefde, en verlangde een koningin, die hem gelukkig gevoelde in
     zijne liefde. Hij behandelde haar met groote tederheid, toonde haar
     al wat hij bezat, leidde haar door zijne schatkameren en zeide: O
     Nenehofra, geef mij één kus uit liefde en dit alles is het uwe.

     Denkende dat zij mettertijd gelukkig zou zijn,--was zij het al niet
     reeds?--kuste zij hem twee-, driemaal in weerwil van zijne
     honderden jaren.

     In het eerste jaar voelde zij zich gelukkig, en dat vloog om. In
     het derde jaar was zij rampzalig, en het kroop voorbij. Toen gingen
     haar de oogen open: wat zij voor liefde had aangezien was
     machtsbegoocheling geweest. Ach, had die begoocheling mogen
     voortduren!

     Zij werd droefgeestig. Zij stortte vele tranen. Haar lach
     verstomde. De rozen op haar wangen verbleekten. Zij kwijnde
     langzaam maar zeker weg. Geen middelen baatten, noch van
     toovenaars, noch van geneesheeren. Nenehofra werd als hopeloos
     opgegeven.

     Oretes koos een crypt voor haar uit in de graven der koninginnen,
     en riep de voornaamste beeldhouwers en schilders naar Memphis, om
     de crypt zoo prachtig mogelijk te versieren.

     --O gij, schoon als Hathor zelf, mijn koningin! zeide Oretes, zeg
     mij, bid ik u, wat u deert, want ik zie u voor mijne oogen
     wegsterven.

     --Gij zoudt mij niet meer liefhebben, als ik het u zeide, luidde
     haar antwoord.

     --U niet liefhebben? Ik zal er u te liever om hebben. IK zweer het
     bij het oog van Osiris. Spreek!

     --Nu dan, zeide zij. In een spelonk bij Essouan woont een
     anachoreet, de oudste en heiligste van allen. Zijn naam is Menopha.
     Hij was mijn leermeester. Hij zal u zeggen wat gij verlangt te
     weten, en u het middel aan de hand doen om mij te genezen. Ontbied
     hem.

       *       *       *       *       *

     --Spreek, zeide Oretes tot Menopha in het paleis te Memphis. En
     Menopha antwoordde: Machtige koning, als gij nog jong waart zou ik
     niet antwoorden, omdat mijn leven mij nog lief is. Nu echter wil ik
     u zeggen dat de koningin de straf voor eene misdaad draagt.

     --Een misdaad! riep Oretes toornig.

     --Ja, aan haarzelve begaan. Nenehofra groeide op onder mijne oogen
     en maakte mij deelgenoot van al hare geheimen, onder anderen, dat
     zij Barbec, den zoon van haar vaders tuinier, beminde. Met die
     liefde in het hart kwam zij tot u, o koning. Aan die liefde sterft
     zij.

     --Waar is de zoon van dien tuinier?

     --In Essouan.

     De koning ging naar buiten en gaf twee bevelen. Tot een zijner
     dienaren zei hij: Ga naar Essouan en breng mij een jongeling,
     genaamd Barbec. Gij zult hem vinden in den tuin van den vader der
     koningin.

     En tot de anderen dienstknecht zeide hij: Verzamel eenige
     werklieden en gereedschap en maak op het meer Chemnis een eiland,
     dat, voorzien van een tempel, een paleis, een lusthof met
     vruchtdragende boomen, een wijngaard, drijven kan waarheen de
     winden waaien. Laat het gereed zijn tegen afnemende maand.

     Tot de koningin zeide hij: Schep moed. Ik weet alles en heb om
     Barbec gezonden.

     Nenehofra kuste zijne handen.

     --Gij zult hem hebben, vervolgde Oretes, en hij u, en niemand zal u
     storen, een geheel jaar lang.

     Zij viel aan zijne voeten. Hij hief haar op en kuste haar, en de
     rozen keerden weer op hare wangen, en de lach kwam terug op hare
     lippen.

       *       *       *       *       *

     Een geheel jaar woonden Nenehofra en Barbec, de tuinier, op het
     drijvend eiland. Geen oord zoo bekoorlijk. Een geheel jaar zonder
     iemand te zien, opgaande in elkander. Toen keerde Nenehofra naar
     het paleis te Memphis terug.

     --Welnu, van wien houdt gij het meest? vraagde Oretes.

     Zij kuste hem op de wang en zeide: Neem mij terug, goed koning,
     want ik ben genezen.

     Oretes lachte hartelijk in weerwil van zijne honderdveertien jaren.

     --Dan is dus waar wat Menopha zeide! Hahaha! 't Is waar. Liefde
     wordt door liefde genezen.

     --Zoo is het, zeide zij.

     Plotseling veranderde hij van houding. Zijn aangezicht was
     vreeselijk om te zien.

     --Zoo heb ik het niet bevonden, zeide hij.

     Nenehofra deinsde verschrikt achteruit.

     --Misdadige, zeide de koning. De beleediging Oretes, den man,
     aangedaan, kan hij u vergeven; maar de beleediging Oretes, den
     koning, aangedaan, moet gestraft worden.

     Zij wierp zich voor zijne voeten.

     --Stil! zeide hij. Gij zijt dood.

     Hij klapte in de handen ... een akelige processie trad binnen,
     parschieten of balsemers, ieder met een attribuut van zijne
     afschuwelijke kunst in de hand.

     De koning wees op Nenehofra, en zeide: Zij is dood. Doet uw werk.

       *       *       *       *       *

     Nenehofra, de schoone, werd na tweeënzeventig dagen naar de crypt
     gedragen, een jaar te voren voor haar uitgekozen, en daar bij hare
     koninklijke voorgangsters neergelegd. Maar er werd geen plechtige
     ommegang ter harer eere gehouden op het heilige meer.

       *       *       *       *       *

Toen Iras zweeg zeide Ben-Hur, die zich aan hare voeten had neergevlijd:
Menopha had ongelijk.

--Hoezoo?

--Liefde leeft door lief te hebben.

--Dan zou er dus geen middel tegen zijn?

--Jawel. Oretes heeft het gevonden.

--Welk dan?

--De dood.

--Gij zijt een goed hoorder, zoon van Arrius.

Onder meer dergelijke gesprekken en verhalen vlogen de uren voorbij.
Toen zij eindelijk aan wal stapten zeide zij: Morgen gaan wij naar de
stad.

--Maar gij komt bij de wedrennen?

--Zeker.

--Ik zal u mijne kleur zenden.

Daarmee scheidden zij.


       *       *       *       *       *


VIERDE HOOFDSTUK.

DE BRIEF IS ONDERSCHEPT.


Ilderim keerde den volgende dag tegen de derde ure naar den dowar terug.
Toen hij van zijn paard steeg, trad een zijner mannen naderbij en zeide:
Sheik, mij is opgedragen u dit pak te overhandigen met verzoek het
dadelijk te lezen.

Ilderim nam het pakje aan en zag dat het zegel reeds verbroken was. Het
opschrift luidde: Aan Valerius Gratus te Cesarea.

--Lucifer hale hem! bromde de Sheik, toen hij zag, dat de brief in het
Latijn geschreven was. Grieksch en Arabisch schrift kon hij lezen; maar
van dezen brief in Romeinsche letters kon hij alleen den naam: Messala,
ontcijferen.

--Waar is de jonge Jood? vraagde hij.

--Naar het veld, met de paarden, antwoordde een bediende.

De Sheik deed den brief in den omslag, stak het pak tusschen zijn
gordel, en steeg weer te paard. Op dat oogenblik verscheen een
vreemdeling, die oogenschijnlijk van de stad kwam.

--Ik wilde gaarne Sheik Ilderim, den Edelmoedige, spreken, zeide hij.

Taal en kleeding verrieden den Romein.

Al kon hij het schrift der Romeinen niet lezen, hunne taal kon hij
spreken. Dus antwoordde de Arabier op waardigen toon: Ik ben Sheik
Ilderim.

--Ik heb gehoord, dat gij een menner zoekt voor de wedrennen, zeide de
vreemdeling.

--Ga uws weegs. Ik ben reeds voorzien, sprak de Sheik, en maakte zich
gereed om weg te rijden; maar de man draalde nog en zeide: Sheik, ik ben
een liefhebber van paarden. Men zegt dat de uwe alle andere in schoonheid
overtreffen.

De oude man was getroffen. Hij trok den teugel aan, alsof hij op het
punt stond van voor de vleierij te zwichten; maar na korte weifeling
hernam hij: Niet vandaag, niet vandaag. Op een anderen keer zal ik ze u
laten zien. Ik heb het nu te druk.

Hij reed naar het veld, terwijl de vreemdeling glimlachend naar de stad
terugkeerde. Hij had zijne opdracht vervuld.

Iederen volgende dag, tot aan den dag der wedrennen, kwam een man, soms
twee of drie, tot den Sheik in het Palmbosch, onder voorwendsel van zich
als menner te willen verhuren.

Op deze wijze hield Messala de wacht over Ben-Hur.


       *       *       *       *       *


VIJFDE HOOFDSTUK.

BEN-HUR LEEST DEN BRIEF.


Den Sheik wachtte bedaard, totdat Ben-Hur na volbrachten arbeid de
paarden een oogenblik rust gaf.

--Van avond, Sheik, heb ik met Sirius afgedaan. Morgen zal ik den wagen
nemen, zeide de jonkman.

--Dan reeds? vraagde Ilderim.

--Ja, met zulke schrandere dieren is men spoedig zeker van zijne zaak.
Deze hier, Aldebaran, is de vlugste. Antares is de langzaamste. Toch zal
hij winnen; want, Sheik, hij kan den ganschen dag rennen en tegen
zonsondergang zijn grootste snelheid ontwikkelen.

--Dat is zoo, zeide Ilderim.

--Eén ding echter vrees ik. In zijne begeerte om de zege te behalen
schroomt een Romein niet de eer te bevlekken. Bij al hunne spelen zijn
zij volleerd in streken en niet het minst bij wedrennen met wagens. Als
zij paarden, menner, of wagen kunnen benadeelen of beschadigen, zullen
zij het niet laten. Daarom, goede Sheik, zie wel toe! Laat, totdat de
wedrennen gehouden zijn, uwe paarden aan geen enkel vreemdeling zien.
Wilt gij volkomen veilig wezen, laat hen dan geen minuut alleen. Volgt
gij mijn raad, dan behoeven wij ons over den uitslag niet te bekommeren.

Bij de deur der tent stegen zij af.

--Uw wens zal geschieden, zoon van Arrius. Niemand zal hen genaken
behalve mijne getrouwen. Dezen nacht zal ik wachten uitzetten. Maar zie
eens hier en help mij met uw Latijn.

Hij gaf den brief en noodigde hem naast zich op den divan. Daar, zeide
hij, lees, en lees overluid. Vertaal het in de taal uwer vaderen. Latijn
is mij een gruwel.

Ben-Hur gevoelde zich zeer opgewekt en begon zonder erg te lezen:
Messala aan Gratus.... Hij hield op. Een bang voorgevoel deed hem koud om
't hart worden. Ilderim merkte zijne ontroering op.

--Hoe nu? Ik wacht.

Ben-Hur verontschuldigde zich en begon opnieuw.

De lezer heeft reeds begrepen, dat een der door Messala afgezonden
koeriers aangehouden was en het duplicaat van den brief aan Gratus zich
thans in handen van Ben-Hur bevond.

Toen hij aan de zinsnede gekomen was, waar Messala het geheugen van
Gratus zocht te hulp te komen, beefde zijne stem. Tot tweemalen zelfs
moest hij ophouden om zijne zelfbeheersching te herwinnen. Met
inspanning van alle krachten las hij verder: Voorts herinner ik u de
wijze maatregelen, die gij genomen hebt, om ons doel te bereiken: het
stilzwijgen en een zekeren maar natuurlijken dood van de betrokken
personen.

Hij kon het niet langer uithouden. De brief viel op den grond en hij
bedekte zijn gelaat met beide handen.

--Zij zijn dood ... dood. Ik alleen ben overgebleven, steunde hij.

De Sheik had hem zwijgend en met deelneming gadegeslagen. Nu stond hij
op en zeide: Zoon Van Arrius, ik moet u om vergeving vragen. Lees den
brief voor uzelf. Als gij u sterk genoeg voelt om mij het overige mede
te deelen, doe het mij dan weten, en ik zal terugkeeren.

Zoodra hij alleen was wierp Ben-Hur zich op den divan en gaf zich aan
zijne droefheid over. Toen hij wat bekomen was nam hij den brief weder
ter hand en hervatte de lezing. Gij zult u herinneren, zoo luidde het
verder, welke straf gij de moeder en de zuster van den booswicht hebt
opgelegd, en indien ik nu vriendelijk verzoek van u te mogen vernemen,
of zij nog leven, dan wel of zij gestorven zijn ... Ben-Hur sprong op, of
zij dood zijn! Hij weet het niet! Gezegend zij de naam des Heeren! Nog
is er hoop.--Bemoedigd las hij den brief ten einde. Zij zijn niet dood,
zeide hij eenige oogenblikken peinzens, zij zijn niet dood, anders zou
hij er van gehoord hebben.

Een tweede lezing bevestigde hem in zijne meening. Daarna zond hij om
den Sheik.

--Toen ik in uwe gastvrije tent kwam, zeide hij, zoodra zij weder te
zamen waren, had ik mij voorgenomen niet meer van mijzelven te
vertellen, dan noodig was om u te doen zien, dat gij mij uwe paarden
gerust kondt toevertrouwen. Maar nu ik, op eene voor mij onverklaarbare
wijze, dezen brief in handen moest krijgen, voel ik mij gedrongen u met
mijn verleden bekend te maken. Ik word in dit voornemen versterkt door
den inhoud van dit schrijven, waaruit ik zie dat dezelfde vijand ons
beiden bedreigt. Wij zullen ons gezamelijk tegenover hem moeten stellen.
Ik zal u den brief voorlezen en verklaren. Dan zal u duidelijk worden
waarom ik straks mijne zelfbeheersching verloor, en mij in uwe oogen
misschien kinderachtig aanstelde.

De Sheik bewaarde het stilzwijgen en luisterde aandachtig, totdat
Ben-Hur aan de zinsnede kwam, die hèm betrof: Gisteren zag ik den Jood
in het park van Daphne, en als hij daar op dit oogenblik niet is, dan is
hij toch zeker in de buurt, om mij gemakkelijk te maken hem in 't oog te
houden. Ja, indien gij mij vraagdet: waar denkt gij dat hij is? dan zou
ik uit volle overtuiging zeggen: Hij is in het Palmbosch, in de tent van
Sheik Ilderim, den verrader.

--Verrader!... Ik? riep de oude man opstuivende.

--Nog even geduld, Sheik. Dat is Messala's gevoelen. Hoor zijn
bedreiging: in de tent van Sheik Ilderim, den verrader, die ons niet
veel langer moet mogen trotseeren. Laat het u niet verwonderen, indien
Maxentius, als eerste krijgsoperatie, den Arabier inscheept naar Rome.

--Naar Rome! Mij? Ilderim ... Sheik van tienduizend gewapende ruiters!
Mij naar Rome inschepen!

Hij sprong van zijne zitplaats op en riep in ziedenden toorn: Wanneer,
o wanneer zal aan deze onbeschaamdheid een einde komen? Ik ben een vrij
man. Vrij is mijn volk. Moeten wij als slaven sterven? Of erger nog,
moet ik als een hond aan mijn meesters voeten kruipen? Moet ik zijne
hand likken uit vrees voor slaag? Wat het mijne is zou het mijne niet
zijn? Ik zou een Romein moeten danken, dat ik mag adem halen? O, dat ik
nog jong was! O, kon ik twintig jaren van mijn leeftijd afdoen ... of
tien ... of vijf!

Knarsetandend en met de handen zwaaiend liep hij heen en weer, bleef
toen eensklaps voor Ben-Hur staan, en vatte hem met sterken greep bij
den schouder.

--Indien ik in uwe plaats was, zoon van Arrius, even jong als gij, even
sterk, even geoefend in den krijg, had ik een drijfveer, die mij tot
wraak aanzette, een beweegreden als de uwe, die wraak tot een heiligen
plicht maakt--weg met alle geheimzinnigheid tusschen u en mij! Zoon van
Hur, zoon van Hur, ik zeg....

Bij het hooren van zijn waren naam stolde Ben-Hur het bloed in de
aderen. Ontzet, verbaasd, zag hij den Arabier aan.

--Zoon van Hur, ik zeg u, indien ik was als gij, indien ik zulk een
groot onrecht had te wreken en zulke herinneringen met mij moest
omdragen, ik zou niet willen, niet kunnen rusten. Bij al mijn eigen
grieven zou ik die van de geheele wereld voegen, en mijzelven aan de
wraak wijden. Van land tot land zou ik trekken om de menschen wakker te
schudden. Geen vrijheidsoorlog, waar ik niet deel aan nam. Geen strijd
tegen Rome, waarbij ik niet in de voorste rijen stond. Ik zou mij
desnoods bij de Parthen aansluiten. Indien het mij aan soldaten ontbrak,
ik zou het toch niet opgeven--hahaha! Bij den luister van Salomo! ik zou
tot de wolven gaan! Van leeuwen en tijgers zou ik vrienden maken, in de
hoop dat ik ze tegen den gemeenschappelijken vijand zou kunnen
aanvoeren. Ik zou mij van ieder wapen bedienen. Ik zou geen kwartier
vragen en geen kwartier geven! Alles wat Romeinsch was zou ik met vuur
verdelgen. Al wie Romein van geboorte was zou ik met het zwaard dooden.
Des nachts zou ik de goden bidden, de goede en de kwade evenzeer, mij
hunne verschrikkingen bij te zetten: stormen, droogte, hitte, koude, en
al de namelooze vergiften, die zij in de lucht loslaten, al de duizend
oorzaken, waardoor de menschen ter zee en te land omkomen. O, ik zou
niet kunnen slapen. Ik ... ik....

De Sheik hield op uit gebrek aan adem. Ben-Hur had, om de waarheid te
zeggen, slechts met een half oor geluisterd naar die hartstochtelijke
ontboezemingen. Voor de eerste maal in vele jaren had de jongeling zich
bij zijn waren naam hooren toespreken. Eén mensch kende hem dus. Eén ten
minste geloofde hem zonder naar bewijzen te vragen, en die eene was een
Arabier uit de woestijn!

Hoe kwam de man aan deze wetenschap? Door den brief? Die sprak wel is
waar iets van de wreedheden, waardoor zijn geslacht te gronde was
gericht, die verhaalde van zijne geschiedenis, maar de Sheik was in een
veel te opgewonden stemming geweest om de gevolgtrekking te hebben
kunnen maken. Neen, iemand anders moest hem hebben ingelicht. Uitwendig
kalm vraagde hij: Goede Sheik, zeg mij, hoe komt gij aan dezen brief?

--Mijne lieden bewaken de wegen tusschen de steden, antwoordde Ilderim.
Zij ontnamen hem een koerier, die van Antiochië kwam.

--Weet men, dat zij in uw dienst zijn?

--Neen, in de oogen der wereld zijn zij roovers, die ik te vangen en te
dooden heb.

--Sheik, gij noemdet mij zoon van Hur, mijn vaders naam. Ik wist niet
dat iemand hier mij kende. Vanwaar kent gij mij?

Ilderim antwoordde niet dadelijk. Eindelijk zeide hij: Ik ken u, maar ik
heb voor 't oogenblik geen vrijheid om u meer te zeggen.

--Geen vrijheid? Is er dan iemand, die u dat verhindert?

De Sheik zweeg en wilde heengaan; maar toen hij Ben-Hurs teleurstelling
zag, keerde hij terug en zeide: Laat ons hier voorloopig over zwijgen.
Ik ga naar de stad. Als ik terugkom mag ik misschien ronduit met u
spreken. Geef mij den brief.

Ilderim rolde den papyrus zorgvuldig op, deed hem weder in den omslag,
en werd plotseling weer een en al ijver. Wat is uw antwoord? vraagde
hij. Ik zeide u wat ik doen zou, als ik in uwe plaats was, maar gij hebt
mij geen antwoord gegeven.

--Ik was van plan, Sheik, om u te antwoorden en ik zal het ook doen.
Al wat gij gezegd hebt neem ik over, voor zoover de uitvoering in mijn
vermogen ligt. Sedert lang reeds heb ik mijzelf aan de wraak gewijd.
Vijf jaren lang was dat mijn eenige gedachte. Ik heb mij geen rust
gegund. De genoegens der jeugd heb ik niet gekend. Ik heb mij door Rome
zelf laten leeren, hoe ik mij wreken moet. Ik bezocht er de beroemste
leeraren, niet die in de redekunst of wijsbegeerte, helaas! daar had ik
geen tijd voor. In alles wat voor een krijgsman onmisbaar is heb ik mij
laten onderrichten. Ik sloot mij aan bij de kampvechters in den circus.
De schermmeesters van het Romeinsche kamp namen mij als hun leerling aan
en waren trotsch op mij. Ja, Sheik, ik ben soldaat, maar de dingen
waarvan ik droom eischen, dat ik bevelhebber word. Daarom sloot ik mij
aan bij den veldtocht tegen de Parthen. Is die afgeloopen en spaart God
mij leven en krachten, dan ... dan zal ik een geduchte, door Rome zelf
gevormde krijger zijn. Dan zal Rome mij met Romeinsche levens betalen
voor hetgeen zij mij heeft doen lijden. Dat is mijn antwoord, Sheik.

Ilderim omhelsde en kuste hem, en zeide op hartstochtelijken toon:
Indien uw God u niet bijstaat, zoon van Hur, dan leeft hij niet meer.
Maar weet dit, om uw doel te bereiken kunt gij vrijelijk beschikken over
al wat ik heb: manschappen, paarden, kameelen, en de woestijn tot
legerplaats. Ik zweer het u. Voor het oogenblik genoeg. Vóór den nacht
zult gij mij zien, of van mij hooren.

Kort daarop reed hij af en sloeg den weg in naar Antiochië.


       *       *       *       *       *


ZESDE HOOFDSTUK.

EENE OPROEPING.


De onderschepte brief was op vele punten van groot belang voor Ben-Hur.
De schrijver toch bekende met zoovele woorden dat hij medegewerkt had om
de familie Hur uit den weg te ruimen, dat hij de plannen goedgekeurd
had, dat hij zijn aandeel had ontvangen van de verbeurd verklaarde
goederen, dat hem de onverwachte verschijning van den hoofdpersoon in
het drama zeer ongelegen kwam en hij er niet veel goeds van verwachtte,
en dat hij, om een waarborg voor de toekomst te hebben, bereid was tot
alles wat zijn medeplichtige in Cesarea hem zou aanraden te doen.

Toen Ilderim de tent verliet had Ben-Hur dus rijke stof tot
overpeinzing. Hier moest dadelijk in voorzien worden. Zijne belagers
waren sluw en machtig. Indien zij bevreesd waren voor hem, hij had nog
veel meer reden om hen te vreezen. Hij trachtte den toestand rustig
onder de oogen te zien, maar hij kon niet. Telkens werd hij door zijn
gevoel overstelpt. Zijne moeder en zuster leefden nog, dat geloofde hij
zeker. Het was hem, alsof de ontdekking voor de hand lag. Ja, God zelf
zou hem te hulp komen, hem paste geduldig te wachten. Dat geduldig
wachten zou hem echter gemakkerlijk vallen, als hij grond had gehad om
te hopen, dat zijne geliefden in even gunstige omstandigheden verkeerden
als hijzelf, maar wat wist hij daarvan?

Om zich een weinig te verzetten wandelde hij het bosch in, waar de
lieden druk bezig waren met het inzamelen van dadels, niet zoo druk
echter, of zij konden wel een praatje met hem maken en van hunne
vruchten aanbieden. Bij het meer toefde hij het langst, en die zachte
kabbelende golfjes brachten hem de schoone Iras te binnen. Van haar
vlogen zijne gedachten naar Balthasar en den Koning der Joden.

Met Balthasars denkbeelden omtrent dat koninkrijk kon hij zich echter
niet vereenigen. Een rijk dat uit zielen zou bestaan kwam hem zeer
onwaarschijnlijk, bijna onmogelijk voor. Een koninkrijk Judea
daarentegen--dat had bestaan, en kon dus weer in 't leven geroepen
worden. Hij stelde zich dat gaarne voor en dan liefst nog machtiger en
rijker dan het eerste koninkrijk, onder een nieuwen koning, wijzer en
machtiger nog dan Salomo, een koning, onder wiens vanen hij zou kunnen
dienen en zijne wraak aan Rome kunnen koelen.

In die stemming keerde hij naar den dowar terug. Na het middagmaal
gebruikt te hebben deed Ben-Hur den wagen buiten brengen, om hem te
keuren. Geen enkel deel liet hij ongemoeid. Met groot genoegen zag hij
dat het een Grieksch model was, in zijn oog verkieslijker boven het
Romeinsche, breeder tusschen de wielen, lager en sterker. De meerdere
zwaarte zou ruimschoots vergoed worden door de zeldzame eigenschappen
van het vierspan.

Nu bracht hij de paarden uit, spande ze voor den wagen en reed naar het
veld, waar hij verscheidene uren bleef. Toen hij 's avonds terugkeerde
had hij zijne opgeruimdheid herkregen en stond zijn plan vast om de zaak
Messala te laten rusten, totdat hij als overwinnaar of overwonnene uit
het strijdperk zou komen. Hij wilde onder geen beding het genoegen
missen van zijn tegenstander voor aller oog te vernederen. Aan de
mogelijkheid, dat nog andere mededingers konden optreden, scheen hij
niet te denken. Zijn vertrouwen in den uitslag was onwankelbaar. Hij
rekende op zijne bekwaamheid en op de onovertroffen paarden. De Romein
mag oppassen, niet waar Antares, brave Aldebaran? niet waar goede Rigel,
en gij vorstelijke Atair? hij mag oppassen! zoo sprak hij in de rusturen
het vierspan toe, en zij verstonden hem.

Toen het donker werd zat Ben-Hur in de deur der tent op Ilderim te
wachten. Hij was volstrekt niet ongeduldig of onrustig. De Sheik zou in
ieder geval van zich doen hooren. Of die kalmte toe te schrijven was aan
de beweging in de open lucht, of aan het daarna genomen bad, of aan het
smakelijke maal, waaraan hij alle eer bewezen had, of aan de reactie,
die gewoonlijk op diepe neerslachtigheid volgt, weten wij niet. Hij had
een gevoel, dat zijne zaak in Gods hand rustte en daar was zij veilig.
Eindelijk hoorde hij een ruiter naderen, en weldra stond Malluch voor
hem.

--Zoon van Arrius, zeide hij vroolijk, ik breng u de groeten van Sheik
Ilderim. Hij verzoekt u naar de stad te komen. Hij wacht u.

Ben-Hur onthield zich van vragen, en ging naar de paarden. Aldebaran
kwam hem te gemoet, als om zijne diensten aan te bieden. Ben-Hur
liefkoosde hem in het voorbijgaan, maar koos een ander paard. Het
vierspan moest voor de wedrennen bewaard blijven. Een kwartier later
waren beide mannen op weg naar Antiochië.

Op korten afstand van de Seleucische brug staken zij met een veerschuit
de rivier over, reden langs den rechteroever voort, gingen daarna door
middel van een andere schuit naar den linkeroever terug en reden de stad
van de westzijde binnen. De omweg was lang, maar Ben-Hur begreep dat
Malluch goede redenen had voor dien voorzorgsmaatregel. Zij vervolgden
hunnen weg tot aan de werf van Simonides. Daar hield Malluch zijn paard
in en zeide: Hier moeten wij zijn!

Ben-Hur herkende de plaats en vraagde: Waar is de Sheik?

--Ik zal u tot hem brengen. Ga maar mee, luidde het antwoord.

Een bediende nam de paarden over, en nog voordat Ben-Hur tot bezinning
gekomen was, stond hij voor de deur van het huis op het pakhuis, was hij
binnengegaan, en hoorde hij de stem, die hij zich nog zeer goed
herinnerde, zeggen: Kom binnen en wees welkom!


       *       *       *       *       *


ZEVENDE HOOFDSTUK.

ERKEND.


Malluch geleidde hem niet verder dan tot aan de kamer. Ben-Hur trad
alleen het vertrek binnen. Het was hetzelfde, waar Simonides hem den
vorigen keer ontvangen had. Alles was onveranderd gebleven, alleen stond
nu dicht bij den armstoel een fraaie, zeer hooge metalen standaard met
zes armen, die zes helder brandende zilveren lampen droegen. Drie
personen bevonden zich in de kamer: Simonides, Ilderim, Esther.

Ben-Hur zag van den een naar den ander ... wat moest dat beduiden? Wat
verlangde men van hem?

Daar verbrak Simonides de stilte: Zoon van Hur, zeide hij langzaam en
duidelijk, ik groet u met den vrede van den God onzer vaderen.

De grijsaard liet, terwijl hij sprak, zijne doordringende zwarte oogen
op den jongen rusten en kruiste toen zijne handen over de borst. Houding
en groet konden niet worden misverstaan.

--Simonides, zeide Ben-Hur ontroerd, dien vrede neem ik aan. Als een
zoon tot zijnen vader sprekende, bid ik hem u ook toe. Dit eene echter
verzoek ik: laat ons elkander volkomen begrijpen.

Op deze kiesche wijze trachtte hij de verhouding van heer tot dienstbare
op zijde te zetten, en daarvoor in de plaats een hoogere en heiligere te
stellen.

Simonides liet zijne handen weder op de deken rusten en zeide tot Esther:
Een zetel voor den meester, mijn kind!

Haastig schoof zij een lagen stoel aan en wachtte op nader order, onzeker
waar hem te plaatsen.

Ben-Hur trad naderbij, zette hem aan Simonides' voeten en zeide: Hier
wil ik zitten.

Zijne oogen ontmoetten de hare, slechts een oogenblik, doch die blik
deed beiden goed. Hij had hare dankbaarheid, zij zijne edelmoedigheid
begrepen.

Simonides boog het hoofd, slaakte een zucht van verlichting en zeide:
Geef mij nu de papieren, Esther.

Zij opende een der paneelen in den muur, nam er een rol uit, en gaf die
haren vader.

--Gij hebt gelijk, zoon van Hur, begon Simonides, de papieren
ontrollende, laat ons elkander goed begrijpen. Dat verzoek voorziende,
heb ik alles in orde gebracht en leg ik u hier een opgaaf voor hetgeen
tot een volkomen begrip noodig is. Zij omvat twee zaken: het vermogen en
onze onderlingen verhouding. Wat hier geschreven staat zal u alles
duidelijk maken. Wilt gij het nu lezen?

Ben-Hur nam de rol aan en zag naar Ilderim.

--Neen, zeide Simonides, laat de tegenwoordigheid van den Sheik u niet
weerhouden. Bij de verrekening is een getuige noodig. Aan het slot, op
de plaats waar zulks behoort, zult gij zijn naamtekening vinden. Hij
weet alles. Hij is uw vriend. Alles wat hij voor mij geweest is zal hij
voor u zijn.

Ilderim knikte en zeide ernstig: Gij hebt het gezegd.

Ben-Hur antwoordde: Ik heb zijne vriendschap reeds mogen ondervinden,
maar moet mij die nog waardig betoonen. Sta mij toe, Simonides, die
papieren later rustig na te zien. Neem ze voor het oogenblik terug en
als het u niet te veel vermoeit, deel mij dan kort den inhoud mede.

Simonides nam de rol weder tot zich.

--Kom hier, Esther, zeide hij, en neem blad voor blad van mij over,
opdat zij niet verward raken.

Zij zette zich naast hem en leunde zacht tegen zijn schouder, zoodat
vader en dochter te zamen rekening en verantwoording schenen te doen.

--Dit, zeide Simonides, het eerste blad ontrollende, doet u zien welke
som gelds ik voor uwen vader beheerde,--het kapitaal dat ik uit de
handen der Romeinen redde. Van de overige bezittingen kon ik niets
redden dan het geld. Dank ons Joodsch wisselsysteem konden de roovers
daar niet aan komen. De geheele som bestond uit gelden, die ik in Rome,
Alexandrië, Carthago en andere steden had uitstaan, en bedroeg 120
talenten.

Hij gaf het blad aan Ester en nam een volgend. Met die 120 talenten,
zeide hij, begon ik handel te drijven. Hoor nu de verantwoording.

Aan schepen                      60 talenten.
 "  goederen in voorraad        110     "
 "  cargo's in transport         75     "
 "  pakhuizen                    10     "
 "  kameelen, paarden, enz.      20     "
 "  in te vorderen gelden        54     "
 "  los geld                    224     "

                                553 talenten.

Voeg nu bij die 553 talenten winst het kapitaal, dat ik van uwen vader
onder mij had, en gij krijgt 673 talenten, alles rechtens het uwe. Dat
maakt u, zoon van Ithamar, tot een van de rijksten onder de rijken.

Hij nam de papieren van Esther over, rolde ze met uitzondering van één
weder op en bood ze Ben-Hur aan.

De kwalijk verborgen trotsch in zijne manier van doen was niet
beleedigend, maar alleszins verklaarbaar, en kwam voort uit het gevoel
van een wèlvolbrachten arbeid.

--En nu, zeide hij zachter, is er niets, nee niets, dat gij niet doen
kunt.

Dit oogenblik was een zeer gewichtig oogenblik voor allen. Simonides
kruiste nogmaals de handen over de borst. Esther keek verlegen voor
zich, Ilderim bewoog zich zenuwachtig.

Met de rol in de hand stond Ben-Hur op van zijn zetel, en met moeite
zijn aandoening bedwingende, sprak hij: Deze mededeelingen zijn voor mij
als een lichtstraal uit den hemel na een langen bangen nacht, zóó lang
dat hij mij eindeloos toescheen, en zóó donker dat ik alle hoop had
opgegeven. Mijn eerste dank zij aan God gebracht, die mij niet verlaten
heeft, en mijn tweede aan u, Simonides. Uwe trouw weegt tegen de
wreedheid van anderen op, en herstelt mijn geloof in de menschheid. Gij
zegt: er is niets dat ik niet doen kan? Zoo zij het! Zal iemand mij in
zulk een gewichtig oogenblik overtreffen in grootmoedigheid?... U roep
ik tot getuige, o Sheik! Hoor mijne woorden en onthoud ze! En gij,
Esther, goede engel van deze goeden man, uw vader, luister gij ook!

Hij strekte de hand, waarin hij de rol hield, naar Simonides uit en
vervolgde: Alles wat in deze papieren opgeschreven staat: de schepen,
huizen, kameelen, paarden, gelden, dat alles geef ik u, Simonides,
terug. Het is voor u en de uwen, voor altijd.

Esther glimlachte door hare tranen heen. Ilderims oogen glinsterden van
aandoening. Simonides alleen bleef kalm.

--Met ééne uitzondering echter en op ééne voorwaarde, hernam Ben-Hur.
De 120 talenten, die mijne vader toebehooren, wensch ik terug te hebben.
Vervolgens roep ik uwe hulp in bij het zoeken naar mijne moeder en
zuster, waartoe gij, indien het noodig mocht zijn, uw fortuin
beschikbaar stelt, evenals ik het mijne.

Simonides was diep bewogen. Hij strekte de hand uit en zeide: Ik begrijp
u, zoon van Hur, en ik dank God dat Hij u zóó tot mij gezonden heeft.
Zooals ik uwen vader, en later zijne nagedachtenis, gediend heb, zal ik
ook u dienen. Maar op uwe voorwaarde kan ik niet ingaan. Hier is nog een
blad. Neem het en lees. Lees overluid.

Ben-Hur nam het blad en las: Opgave van de lijfeigenen van Hur,
ingeschreven door Simonides, rentmeester van het vermogen:

1. Amrah, de Egyptische, huisbewaarster te Jeruzalem.
2. Simonides, rentmeester te Antiochië.
3. Esther, des rentmeesters dochter.

Nooit was het Ben-Hur, wanneer hij Simonides als zijn dienstknecht
beschouwde, in het hoofd gekomen, dat volgens de wet de dochter de
dienstbaarheid des vaders deelde. Dacht hij aan de schoone Esther, dan
was het als mededingster van Iras. Die onverwachte mededeeling deed hem
onaangenaam aan. Verward, verlegen keek hij haar aan, en verlegen sloeg
zij de oogen neer. Toen zeide hij: De eigenaar van 600 talenten is
inderdaad rijk en mag doen wat hem behaagt; maar zeldzamer dan het geld,
kostbaarder dan de bezitting is de geest, die den schat vergaarde, is
het hart, dat onbedorven bleef bij zooveel rijkdom. O Simonides, en gij,
schoone Esther, vreest niet! Sheik Ilderim zal mij opnieuw tot getuige
zijn. In hetzelfde oogenblik, waarop ik u als mijne dienaren leer
kennen, spreek ik u vrij. Wat ik hier mondeling verklaar zal ik
schriftelijk bevestigen. Is dat voldoende? Kan ik nog meer doen?

--Zoon van Hur, zeide Simonides, waarlijk gij maakt ons het dienen
licht. Ik vergiste mij. Er zijn dingen die gij niet kunt doen. Gij kunt
ons niet vrij maken voor de wet. Ik ben levenslang uw dienstknecht,
omdat ik op zekeren dag uwen vader naar de deurpost volgde. Mijn oor
draagt nog het litteeken van den priem.

--Deed mijn vader dat?

--Veroordeel hem niet, riep Simonides. Hij deed het op mijn verzoek, en
nooit heeft die stap mij berouwd. Het was de prijs, dien ik voor mijne
Rachel betaalde, de moeder van mijn kind. Zij wilde de mijne niet
worden, tenzij ik werd wat zij was.

--Was zij dan eene lijfeigene?

--Ja.

Ben-Hur liep, zijne onmacht diep gevoelende, de kamer op en neer. Ik was
reeds rijk, zeide hij, dank de goedheid van den edelen Arrius. Nu komt
dit vorstelijk vermogen er bij benevens de geest, die het verzamelde.
Heeft God daar niet een bedoeling mee? Raad mij, Simonides. Doe mij zien
wat recht is in dezen. Help mij mijn naam waardig te zijn.

Simonides' gelaat straalde van geluk.

--O zoon mijns meesters, ik zal meer doen dan u helpen. Ik zal u dienen
met hart en ziel. Mijn lichaam is, helaas, te gronde gericht in uwen
dienst, maar met mijn verstand en hart wil ik u dienen. Stel mij daarom
wettig aan tot datgene, wat ik mijzelven gemaakt heb.

--Spreek! riep Ben-Hur blijde.

--Benoem mij tot rentmeester van uw vermogen, opdat ik het recht hebbe
om er voor te zorgen.

--Gaarne. Beschouw u van dit oogenblik als mijn rentmeester. Of wilt gij
het schriftelijk hebben?

--Uw woord is mij genoeg. Zoo was het met den vader, zoo zij het met den
zoon. En nu, indien wij elkander goed begrepen hebben....

--Ik voor mij, ja, zeide Ben-Hur.

--En gij, dochter van Rachel, spreek! zeide Simonides. Een oogenblik
stond Esther besluiteloos. Toen trad zij op Ben-Hur toe en zeide
onbeschrijfelijk lieftallig: Ik ben niet beter dan mijne moeder, en daar
zij is heengegaan, bid ik u, laat mij voor mijnen vader mogen zorgen.

Ben-Hur nam haar bij de hand, geleidde haar naar haren vader en zeide:
Gij zijt een goede dochter. Uw wensch zal geschieden.


       *       *       *       *       *


ACHTSTE HOOFDSTUK.

HET NIEUWE KONINKRIJK.


Simonides was de eerste, die het stilzwijgen verbrak. Hij herinnerde
zich dat hij de gastheer was. Esther, zeide hij, het is reeds laat in
den avond. Voordat wij verder gaan moest gij ons wat ter verfrissching
voortzetten.

Zij schelde, waarop een dienstmaagd brood en wijn bracht en het
gezelschap aanbood. Toen allen bediend waren, zeide Simonides tot
Ben-Hur: Meester, ons leven zal in het vervolg zijn als twee stromen,
die elkander ontmoetten, samenvloeiden, en zoo vereenigd hun weg
vervolgen. Daarom is noodig dat geen wolkje onzen horizon verduistere.
Ik liet u den vorigen keer vertrekken in de meening, dat ik uwe
aanspraken niet liet gelden. Toch was dat niet zoo. Esther kan getuigen,
dat ik u terstond herkende. Dat ik u niet aan uw lot overliet, daarvan
is Malluch het bewijs.

--Malluch! riep Ben-Hur.

--Die aan zijn stoel gebonden is moet vele en vèrreikende handen hebben.
Zoo heb ik er verscheidene en Malluch is een van de beste. Soms ook roep
ik de hulp in van goede vrienden, zooals Sheik Ilderim den edelmoedige.
Hij kan u zeggen, of ik u vergat of verloochende.

Ben-Hur zag den Arabier aan en zeide: Hebt gij dus hier gehoord wie ik
ben, goede Sheik?

Ilderim knikte toestemmend.

--Meester, vervolgde Simonides, hoe kunnen wij een mensch beoordeelen,
dan door hem te beproeven? Ik herkende u terstond. Gij waart het
evenbeeld uws vaders; maar ik wist niet tot welke soort van menschen gij
behoordet. Voor sommigen is rijkdom een vloek. Waart gij een van die?
Dat moest Malluch voor mij uitvinden. Duid hem dat niet ten kwade. Hij
bracht mij niets den goed van u over.

--Neen, ik neem het hem niet kwalijk, zeide de jonkman hartelijk. Er was
wijsheid in uwe goedheid.

--Die woorden doen mij goed, zeide de koopman aangedaan. Alle vrees voor
misverstand is verdwenen. Nu mogen de rivieren te zamen haren loop
vervolgen, waarheen God ze leidt.

Na een oogenblik zwijgens ging hij voort: Als ik terugzie op de
vervlogen jaren, zeg ik, evenals gij, meester: Ik zie Gods hand. Wat is
zijn bedoeling?... Want het vermogen is in mijne handen vertienvoudigd,
en ik was dikwijls verbaasd over dien wasdom. Ik zag, dat een ander oog
dan het mijne over mijne ondernemingen waakte. De _samoems_, die schrik
der woestijnen, spaarden mijne karavanen. De stormen, die zoovele
schepen te gronde richtten, dreven de mijne slechts te sneller de
veilige haven binnen. En het opmerkelijkste is, dat ik, gebondene, zoo
afhankelijk van anderen, nooit schade leed door mijne agenten, nooit. De
elementen dienden mij, en al mijne onderhoorigen waren getrouw.

--Ja, dat is opmerkelijk, zeide Ben-Hur.

--Daarom vraag ik: Wat kan God er mede bedoelen, vervolgde de grijsaard.
Jarenlang reeds wacht ik op een antwoord. Ik geloofde, dat Hij mij op
zijn tijd het antwoord zou geven. Ik geloof, dat Hij het gedaan heeft.
Vele jaren geleden vertoefde ik te Jeruzalem en zat op zekeren avond met
mijne vrouw buiten aan den weg, dicht bij de graven der koningen, toen
drie vreemdelingen op witte kameelen naderden en bij ons stilhielden.
Een van hen vraagde mij: Waar is de geboren Koning der Joden? Want wij
hebben zijne ster in het oosten gezien en zijn gekomen om hem te
aanbidden.--Ik begreep hem niet, maar volgde hem tot aan de Damascuspoort,
en aan ieder, dien zij tegenkwamen, deed hij dezelfde vraag. Later vergat
ik deze ontmoeting, hoewel er in die dagen veel over gesproken werd, alsof
de komst van de Messias ophanden was. Helaas, helaas, wat zijn zelfs de
verstandigsten onder ons nog kinderen. Als God over de aarde wandelt zijn
zijne voetstappen soms eeuwen van elkander verwijderd. Hebt gij Balthasar
reeds ontmoet?

--Ja, hij heeft mij zijne geschiedenis verteld, antwoordde Ben-Hur.

--Een wonder, een waar wonder, zeide Simonides. Toen hij het mij
vertelde scheen ik het antwoord te hooren, waarop ik zoo lang had
gewacht. Gods doel werd mij op eenmaal duidelijk. Arm zal de Koning
zijn, als hij komt, arm en zonder vrienden, zonder gevolg, zonder leger,
zonder steden of burchten. Zijn koninkrijk zal nog moeten gesticht
worden en Rome zal moeten gefnuikt en vernietigd worden. Zie, meester,
gij, toegerust met kracht, geoefend in den krijg, overladen met
rijkdommen, zie, welke gelegenheid God u geeft! Zal zijn doel niet uw
doel zijn? Kan iemand tot heerlijker werk geroepen worden?

--Maar het Koninkrijk? vraagde Ben-Hur. Balthasar zegt, dat het uit
zielen zal bestaan.

Fier hief Simonides het hoofd op. Een spottende glimlach speelde om
zijne lippen. Zijn nationaaltrots ontvlamde.

--Balthasar is getuige geweest van vreemde dingen, dat is waar, en als
hij spreekt luister ik eerbiedig, want hij heeft ze gezien en gehoord.
Maar--hij is een zoon van Egypte. Hij is niet eens een proseliet. Wij
kunnen niet aannemen, dat hij meer dan een ander weten zou van Gods
plannen met ons volk. De profeten ontvingen hun licht rechtstreeks uit
den hemel, hij ook, dat is zoo; maar zij zijn velen in getal, hij staat
alleen. Jehova blijft altijd dezelfde. Ik moet de profeten gelooven.
Breng mij de Tora, Esther.

Terwijl zij het verlangde ging halen, vervolgde hij: Mag het getuigenis
van een geheel volk veronachtzaamd worden, meester? Al reist gij van
Tyrus, dat in het noorden bij de zee ligt, tot de hoofdstad van Edom,
die in het zuiden in de woestijn ligt, gij zult niet één zoon van
Abraham vinden, die u zeggen zal, dat het koninkrijk, hetwelk de Koning
voor ons, kinderen des Verbonds, komt oprichten, niet voor deze wereld
zou zijn. Neen, het zal een koninkrijk zijn van onzen vader David. En
hoe komen zij aan dat geloof, denkt gij? Wij zullen zien.

Esther kwam terug met een aantal rollen, in bruin linnen omslagen
gewikkeld. De namen der profeten waren er met gouden letters op gestikt.

--Houd ze voor mij vast, kind, en geef mij die, waar ik om vraag, zeide
Simonides, en zich tot Ben-Hur wendende, vervolgde hij: Gelooft gij de
profeten, meester? Ik weet, dat gij ze gelooft, evenals uwe
ouders.--Esther, geef mij het boek van den profeet Jesaja.

Met luide stem las hij: Het volk, dat in duisternis zat, heeft een groot
licht gezien, en die gezeten waren in het land der schaduwen des doods,
dengenen is een licht opgegaan. Want een kind is ons geboren en een Zoon
is ons gegeven, en de heerschappij zal op zijn schouder zijn.... Der
grootheid dezer heerschappij en des vredes zal geen einde zijn op den
troon van David en in zijn koninkrijk, om dat te bevestigen, en dat te
sterken met gericht en met gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid
toe.--Gelooft gij de profeten, meester?... Esther, geef mij nu de
woorden van den profeet Micha.

En wederom las hij overluid: En gij, Bethlehem Efrata, zijt gij klein om
te wezen onder de duizenden van Juda, uit u zal mij voortkomen die een
heerscher zal zijn in Israël.... Meester, dat is het kindeke, dat
Balthasar gezien heeft en aangebeden in de spelonk.

Hij las verder: Ziet, de dagen komen, spreekt de Heer, dat ik aan David
een rechtvaardige Spruit zal verwekken, die zal koning zijnde regeeren,
en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op de aarde. In
zijne dagen zal Juda verlost worden, en Israël zeker wonen ... hoort gij
wel, meester, als een koning zal hij heerschen! Gelooft gij de
profeten ... Esther, geef mij nu het boek van den profeet Daniël.

Hij deed de rol open en las: Ziet, er kwam één met de wolken des hemels,
als eens menschen zoon, en hem werd gegeven heerschappij, en eere, en
het koninkrijk, dat hem alle volken, natiën en tongen eeren zouden.
Zijne heerschappij is eene eeuwige heerschappij, die niet vergaan zal,
en zijn koninkrijk zal niet verdorven worden. Gelooft gij de profeten,
meester?

--'t Is genoeg, riep Ben-Hur. Ik geloof!

--Welnu, als de koning komt, arm en aan alles behoefte hebbende, zal dan
mijn meester hem niet uit zijn overvloed helpen?

--Ja, zeker, tot mijn laatsten penning en tot mijn laatsten ademtocht.
Maar waarom zegt gij, dat hij in armoede zal komen?

--Esther, geef mij de profetie van Zacharia. Luister, meester: Verheug u
zeer, gij dochter Zions, zie, uw Koning komt, rechtvaardig, en hij is
een Heiland; arm en rijdende op eenen ezel, en op een veulen, een jong
der ezelinnen.

Ben-Hur wendde de blik af.

--Wat ziet gij? vraagde Simonides.

--Rome, antwoordde hij somber. Ik zie Rome met hare legioenen. Ik heb
met hen in hunne legerplaatsen verkeerd, ik ken hen!

--O zoo, zeide Simonides. Welnu, gij zult de aanvoerder zijn van de
legioenen des Konings, en uit millioenen kunnen kiezen.

--Millioenen?

--Bekommer u niet over zijne macht, zeide de grijsaard nadenkend. Gij
steldet u zooeven den koning voor, komende tot het zijne in nederigheid.
Gij zaagt hem, om het zoo uit te drukken, aan den éénen kant, en gij
vraagdet: Wat kan hij doen?

--Ja, dat waren mijne gedachten.

--O, meester, ging Simonides voort, gij weet niet hoe sterk ons Israël
is. Gij stelt u ons volk voor als een oud man, weenende bij de rivieren
van Babylon. Maar ga met het volgende Paaschfeest naar Jeruzalem, naar
den tempel, en zie rondom u. De belofte van God aan onzen vader Jakob,
komende van Paddan Aram, was een wet, waaronder ons volk niet heeft
opgehouden zich te vermenigvuldigen, zelfs niet in de ballingschap. Wij
vermeerderden onder den druk der Egyptenaren. Rome's overheersching is
weldadig voor ons geweest. Wij zijn in waarheid tot een volk, tot eene
groote menigte geworden. En dat niet alleen, meester. Om waarlijk de
kracht van Israël te leeren kennen, hetgeen hetzelfde is als te
berekenen wat de koning doen kan, moet gij niet alleen stilstaan bij de
natuurlijke vermenigvuldiging, maar ook de verspreiding van het geloof
in het oog houden, dat zich nu tot over de geheele wereld heeft
verspreid. Voorts, men is gewoon van Jeruzalem te spreken alsof dat
Israël was, en Jeruzalem is toch slechts als een steen van den tempel,
of als het hart in een lichaam. Zie af van de legioenen, hoe sterk zij
ook zijn mogen, en tel de menigte der getrouwen, die op den ouden
alarmkreet wachten: naar uwe tenten, o Israël!... Tel de overgeblevenen
in Perzië, kinderen van hen, die niet mede wilden terugkeeren; tel de
broederen, die de markten van Egypte en Afrika vullen; tel de
Hebreeuwsche kolonisten, die in het Westen handel drijven, in Lodinum en
in de koopsteden van Spanje; tel hen en hunne proselieten in Griekenland
en op de eilanden, in Pontus, en ook hier in Antiochië, en mijnentwege
ook hen, die daar nederliggen in de schaduw der onheilige muren van Rome
zelf. Tel de aanbidders van den Heer onzen God, die hunne tenten hebben
opgeslagen in de woestijnen, hier in onze nabijheid, zoowel als in de
woestijnen van Egypte, en in de streken langs de Kaspische zee, en in de
oude landen van Gog en Magog; voeg er hen bij, die jaarlijks giften
zenden aan den tempel. En als gij ophoudt met tellen, meester, beschouw
dan het heirleger van strijdbare mannen, dat u wacht ... een koninkrijk,
gereedgemaakt voor hem, die recht en gerechtigheid zal uitoefenen op
aarde, zoowel in Rome als in Zion. Dan hebt gij het antwoord op uwe
vraag. Wat Israël doen kan, dat kan de koning doen.

Simonides had met vuur gesproken. Op Ilderim werkte die taal als
bazuingeklank. O, dat ik weder jong was! riep hij en sprong op van zijn
stoel.

Ben-Hur bleef een oogenblik in gedachten verzonken, toen zeide hij:
Toegegeven dat de koning komen zal en dat zijne heerschappij zijn zal
als die van Salomo; onderstelt ook, dat ik bereid ben om mijzelf en al
het mijne aan hem en zijne zaak te wijden; toegegeven zelfs, dat Gods
leidingen met mij, en uw zeldzaam welslagen daarmede in verband
staan--hoe dan verder? Zullen wij bouwen als blinden? Zullen wij wachten
totdat de koning komt? of totdat hij om mij zendt? Gij, die zooveel
ouder zijt en zooveel meer ondervinding hebt, licht mij voor!

Simonides antwoordde: Wij hebben geen keus. Deze brief (hij hief
Messala's brief omhoog) dwingt ons tot handelen. Wij zijn niet sterk
genoeg, om aan de voorgestelde verbintenis tusschen Messala en Gratus
het hoofd te bieden. Daartoe missen wij den noodigen invloed te Rome, en
de vereischte kracht hier. Zij zullen u dooden, als wij afwachten. Zie
mij aan en oordeel over hunne barmhartigheid.

Hij huiverde bij de vreeselijke herinnering. Na zich bedwongen te
hebben, vervolgde hij: Goede meester, hoe sterk zijt gij--in het willen?

Ben-Hur begreep hem niet.

--Ik weet nog zoo goed hoe mij de wereld toelachte, toen ik jong was,
zeide Simonides.

--En toch waart gij in staat om een groot offer te brengen, zeide
Ben-Hur.

--Ja, uit liefde.

--Zijn er niet nog andere, even sterke drijfveeren?

Simonides schudde ontkennend het hoofd.

--Wraak dan?

Dat was de lont in 't kruit. De oogen van den grijsaard flikkerden.
Zijne handen beefden. Hij antwoordde snel: Op wraaknemen heeft de Jood
recht. De wet gebiedt het.

--Zelfs een kameel onthoudt het onrecht, dat hem aangedaan werd, riep
Ilderim opgewonden.

--Er is een werk, zeide Simonides, een werk voor den koning, dat gedaan
moet worden vóór zijne komst. Wij mogen niet in twijfel trekken, dat
Israël zijne rechterhand zal zijn; maar helaas, die rechterhand is een
hand des vredes, ongeoefend in den krijg. Onder al die millioenen is
niet één geoefende kohorte, niet één aanvoerder. De huurlingen der
Herodianen tel ik niet mee, want zij moeten slechts dienen om ons te
onderdrukken. De toestand is juist zooals de Romeinen dien verlangen.
Hunne staatkunde heeft goede vruchten gedragen voor hunne tirannie. Een
ommekeer is echter ophanden. De herder zal zich aangorden tot den
strijd, en zal naar speer en zwaard grijpen. Het weiden der schapen moet
plaats maken voor den kamp tegen leeuwen. De koning, mijn zoon, moet
iemand aan zijne rechterhand hebben. Wie zal dat zijn? wie anders dan
hij die het werk goed verstaat?

Ben-Hurs gelaat gloeide bij dat vooruitzicht. Toen zeide hij: Jawel,
maar verklaar u nader. Een werk te moeten verrichten, en de wijze
waarop, zijn twee verschillende zaken.

Simonides nam een teug wijn en hervatte: De Sheik en gij, meester, zult
de hoofdleiders zijn, ieder met een bepaalde opdracht. Ik blijf hier, om
te zorgen, dat de bron niet opdroogt. Gij gaat naar Jeruzalem, van daar
naar de woestijn, en telt de strijdbare mannen, verdeelt hen in
afdeelingen en kiest hoofdlieden over tien en hoofdmannen over honderd,
oefent de manschappen in den wapenhandel, brengt in geheime bergplaatsen
wapens bijeen. Voor dit doel, ja voor alles, zend ik u telkens het
noodige geld. Gij begint te Perea, gaat vervolgens naar Galilea, vanwaar
gij Jeruzalem gemakkelijk bereiken kunt. In Perea hebt gij de woestijn
achter u liggen, en Ilderim vlak bij u. Hij bewaakt de heirwegen, zoodat
niets geschiedt zonder uwe voorkennis. Hij zal u op velerlei wijze van
dienst zijn. Tot op het oogenblik van handelen zal niemand weten wat
hier besproken is. Ik werk achter de schermen. Met Ilderim heb ik de
zaak reeds besproken. Wat is uw antwoord?

Ben-Hur zag den Sheik aan.

--'t Is zooals hij zegt, zoon van Hur, antwoordde de Arabier. Ik heb
mijn woord gegeven en daarmede is hij tevreden; maar ik zal mijzelven
met al de strijdbare mannen van mijnen stam onder eede aan u verbinden.

Simonides, Ilderim en Esther zagen Ben-Hur in gespannen verwachting aan.

Op droevigen toon begon hij: Voor iedereen staat een vreugdebeker
geschonken, dien hij vroeger of later aan de lippen zet--voor iedereen,
behalve voor mij. Ik zie, Simonides, en edelmoedigen Sheik, ik zie
waarheen dat voorstel leidt. Neem ik het aan en volg ik dien weg, dan
zeg ik den vrede vaarwel met alle hoopvolle verwachtingen, die zich
daaraan vastknoopen. Ga ik die geopende deur binnen, dan sluiten de
poorten van het rustige leven zich voor altijd achter mij, want Rome
bewaakt ze. Ik ben vogelvrij verklaard. Men zal mij overal vervolgen.
In de graven nabij de steden, in de eenzame spelonken zal ik moeten
wonen, zal ik mijn brood eten en mijn hoofd nederleggen.

Een gesmoord snikken onderbrak zijn woorden. Allen zagen Esther aan, die
haar gelaat in de handen verborg.

--Arm kind, zeide haar vader deelnemend; maar hij kon niet meer zeggen,
want ook zijne stem beefde.

--Dat doet mij goed, Simonides, zeide de jonkman. Men draagt een hard
lot beter, als men weet, dat iemand mede lijdt. Laat mij voortgaan.... Ik
wilde zeggen, dat ik geen andere keus heb, dan het werk te aanvaarden,
dat gij mij aanwijst; en daar een roemlooze dood mij wacht als ik hier
blijf, zoo zal ik terstond aan het werk gaan.

--Zullen wij onze overeenkomst op schrift brengen? vraagde Simonides als
man van zaken.

--Uw woord is mij voldoende, antwoordde Ben-Hur.

--En mij ook, zeide Ilderim.

Op deze eenvoudige wijze werd het verbond gesloten, dat een volslagen
ommekeer zou brengen in Ben-Hurs leven. Hij voegde er dus onmiddellijk
bij: Zoo zij het dan!

--Moge de God van Abraham onze hulp zijn! riep Simonides vurig.

--En nu nog iets, mijne vrienden, zeide Ben-Hur op vroolijker toon,
met uw goedvinden zal ik mij vrij houden tot na de feesten.
Hoogstwaarschijnlijk zal Messala geen plannen tegen mij smeden, voordat
hij antwoord heeft ontvangen van den procurator. Dat kan hij op zijn
vroegst hebben zeven dagen na de verzending van den brief: Hem in den
circus te ontmoeten is een genoegen, dat ik voor niets ter wereld zou
willen missen.

Ilderim stemde dadelijk toe en Simonides zeide: Heel goed, want dat
oponthoud zal mij tijd geven om u een dienst te bewijzen. Ik hoorde u
spreken over uwe erfenis van den edelen Arrius. Bestaat die in roerende
of onroerende goederen?

--Een villa bij Misenum en huizen in Rome.

--Dan stel ik u voor die bezittingen te verkoopen en de gelden veilig
te beleggen. Geef mij opgave en volmacht, dan zal ik terstond een
zaakgelastigde afzenden. Wij zullen ditmaal ten minste de keizerlijke
roovers vóór zijn.

--Morgen zult gij opgaaf en volmacht hebben.

--Dan is ons werk voor hedenavond afgeloopen, zeide Simonides, en
Ilderim voegde er bij: En goed ook!

--Geef ons nu wat te eten, Esther, zeide haar vader. Sheik Ilderim zal
ons het genoegen doen van tot morgen bij ons te blijven. En gij, meester?

--Laat de paarden voorkomen, zeide Ben-Hur. Ik keer naar het Palmbosch
terug. Als ik nu ga zal mijn vijand er niets van merken, en uwe Arabieren,
Sheik, zullen blij zijn als zij mij terugzien.

Bij het aanbreken van den dageraad stapten Ben-Hur en Malluch voor de
deur der tent af.


       *       *       *       *       *


NEGENDE HOOFDSTUK.

BEN-HURS BESLUIT.


Den volgenden avond stond Ben-Hur met Esther op het terras van het
groote pakhuis. Op de aanlegplaats beneden hen heerschte groote drukte
met opladen van balen en kisten. Tal van sjouwers liepen af en aan, die
bij het licht der flikkerende toortsen aan de dienende geesten uit
phantastische sprookjes deden denken. Een galei werd geladen om binnen
weinige oogenblikken te vertrekken. Simonides was nog op zijn kantoor,
waar hij den bevelhebber de laatste bevelen gaf, om zonder oponthoud
naar Ostia, de zeehaven van Rome, te zeilen, daar een passagier af te
zetten, en dan bedaarder op de Spaansche stad Valencia aan te houden.
Die passagier is de agent, die het landgoed en de huizen van Arrius zal
verkoopen. Als de ankers gelicht zijn en de galei zee heeft gekozen, zal
Ben-Hur onherroepelijk gebonden zijn aan het werk, dat hij den vorigen
avond aanvaardde. Nog kan terugtreden, indien hij spijt gevoelt over de
afspraak. Hij is de meester, en heeft slechts te spreken.

Misschien doorkruiste een dergelijke gedachte zijn hoofd, toen hij daar
met de armen over elkander het drukke tooneel gadesloeg. Jong, schoon,
rijk, nog kort geleden verkeerende in de beste kringen van Rome, zou het
niet te verwonderen geweest zijn, zoo hij weinig lust gevoelde om zich
te begeven op de doornige paden, waar plicht of eerzucht hem mochten
roepen, en waar zoovele gevaren dreigden. Wij kunnen ons zelfs
voorstellen welke beweegredenen zich aan hem opdrongen: het onvruchtbare
van tegen den Keizer te strijden, de onzekerheid die alles wat den
Koning en zijne komst betrof omgaf, het gemak, de eer, de hooge staat,
die hem toelachten, en het sterkst van alles het heerlijke gevoel van
een tehuis gevonden te hebben, met vrienden om het leven aangenaam te
maken.

Slechts zij, die langen tijd eenzaam rondgedoold hebben, kunnen de
kracht van dit laatste begrijpen. Zonder het te bedoelen kwam Esther
deze aanvechtingen versterken.

--Zijt gij wel eens te Rome geweest? vraagde hij haar.

--Neen, luidde het antwoord.

--Zoudt gij er niet eens heen willen?

--Neen, liever niet.

--Waarom niet?

--Ik ben bang voor Rome.

Hij zag haar oplettend aan. In het schemerlicht kon hij haar gelaat niet
goed onderscheiden; maar zij herinnerde hem Tirza. Plotseling beving hem
een gevoel van teederheid. Op dien vreeselijke morgen had zijne arme
zuster juist zoo naast hem gestaan. Ach, waar was zij? Ja, Esther deed
hem aan Tirza denken, en hoe zou hij haar dan als zijn lijfeigene kunnen
beschouwen?

--Ik kan niet aan Rome denken, vervolgde zij, als aan een stad van
paleizen en tempels, vol met vroolijke menschen. Zij is voor mij een
monster, dat zich meester heeft gemaakt van een schoon land en de
inwoners met dood en verderf bedreigt, een monster, dat niet te
overwinnen is, een verscheurend dier, dat zich met bloed voedt.
Waarom ... zij aarzelde en zweeg.

--Ga voort, zeide Ben-Hur vriendelijk.

--Waarom, vraagde zij, wilt gij Rome tot uwe vijandin maken? Waarom niet
liever vrede gesloten en rust hebben? Gij hebt veel verdriet gehad en
alles verdragen. Gij zijt aan de hinderlagen, u door uwe vijanden
gelegd, gelukkig ontkomen. Uw jeugd is door smart en leed verduisterd;
waarom zoudt gij er uw verdere levensdagen door laten vergiftigen?

Haar stem klonk overredend. Hij ontroerde en vraagde: Wat woudt gij dan,
dat ik deed?

Zij antwoordde met een wedervraag: Is uw villa bij Misenum heel mooi?

--O ja. Het is een paleis te midden van fraaie tuinen, met fonteinen en
beelden in schaduwrijke lanen; heuvels bedekt met wijngaarden, en zoo
hoog gelegen dat men een heerlijk uitzicht heeft op Napels en den
Vesuvius en de blauwe zee. De Keizer heeft niet ver vandaar ook een
villa; maar algemeen word gezegd, dat de villa van Arrius de mooiste is.

--En is het leven daar rustig?

--Als er geen bezoekers kwamen heerschten er rust en stilte. Nu mijn
weldoener gestorven is en ik hier ben wordt de stilte door niets
gebroken, dan door het gefluister der bedienden of het tjilpen der
vogels, of het ruischen der fonteinen. Bloemen verwelken en nieuwe
bloemen ontluiken, het zonlicht maakt plaats voor de schaduwen van den
nacht, dat is de eenige afwisseling. Dat leven, Esther, was voor mij te
stil. Het maakte mij rusteloos, door mij altijd levendig te doen
gevoelen, dat ik, die zooveel te doen heb, langzamerhand lui werd, en
mij liet binden door zijden koorden, en aan het einde van mijn leven
niets zou hebben om op terug te zien. Maar waarom vraagdet gij dat?

--Goede meester....

--Neen, Esther, dat niet. Noem mij vriend, of broeder, als ge wilt. Ik
ben uw meester niet, en wil het niet zijn. Noem mij broeder.

De duisternis belette hem den blos van vreugde op haar gelaat en de
glans in hare oogen te zien. Na een oogenblik vervolgde zij: Ik kan niet
begrijpen, dat gij de voorkeur geeft aan een leven van--van--

--Geweld, en misschien van bloedvergieten, zeide hij, den zin voltooiend.

--Ja, antwoordde zij, in plaats van het rustige leven op de schoone
villa.

--Esther, gij vergist u. Van voorkeur geven is geen sprake. De Romein
is niet zoo vriendelijk. Ik ga uit nooddwang. Hier blijven wil zeggen
sterven. En ga ik naar Misenum, dan is het einde hetzelfde: een
vergiftigde drank, de dolk van een sluipmoordenaar, of een door een
meineed verkregen vonnis. Messala en de procurator Gratus hebben zich
verrijkt met mijn vaders bezittingen. Het geroofde te behouden is voor
hen van het grootste belang. Een vreedzame schikking is ondenkbaar,
omdat zij een bekentenis zou insluiten. En dan--ach Esther, al was dat
ook mogelijk, ik geloof niet, dat ik er in zou bewilligen. Voor mij geen
vrede, neen, zelfs niet in de koele boschjes der lieve oude villa. Voor
mij geen vrede, zoolang mijne moeder en zuster niet gevonden zijn. En
als ik haar vind, moet ik dan het haar aangedane leed niet wreken? Zoo
zij door geweld zijn omgebracht, moeten dan de moordenaars niet gestraft
worden? Ja, want zij zouden mij in mijne droomen vervolgen. Zelfs de
heiligste liefde met al hare vindingrijkheid zou mijn geweten niet in
slaap kunnen wiegen.

--Is het zoo erg? vraagde zij bevend. Kan niets daartegen gedaan worden?

Ben-Hur nam hare hand in de zijne: Houdt gij zooveel van mij?

--Ja, antwoordde zij eenvoudig.

Op eenmaal dacht hij aan de Egyptische, zoo geheel anders dan Esther,
zoo uitdagend, zoo geestig, zoo schoon, zoo betooverend. Hij bracht het
handje naar zijne lippen en liet het toen weder los.

--Gij zult eene tweede Tirza voor mij zijn, Esther.

--Wie is Tirza?

--Het zusje, dat de Romein mij ontstal, en dat ik zoeken en vinden moet,
vóórdat ik aan rust of geluk kan denken.

Op dat oogenblik viel een lichtstraal schuin over het terras. Zich
omkeerende zagen zij, dat een bediende Simonides in zijn rolstoel naar
buiten bracht. Zij voegden zich bij hem, en lieten het spreken
grootendeels aan hem over.

Intusschen lichtte de galei het anker en zette onder het gejubel van
vroolijke matrozen koers naar de zee. De teerling was geworpen. Ben-Hur
had zich verbonden aan de zaak van den koning, die te komen stond.


       *       *       *       *       *


TIENDE HOOFDSTUK.

HET PROGRAMMA.


Daags voor de spelen werden Ilderims paarden en wagens naar de stad
gebracht en dicht bij den circus gestald. Maar daar bleef het niet bij.
De tenten werden afgebroken, paarden en kameelen gezadeld en bepakt, en
toen verliet de gansche karavaan, het vee voor zich uitdrijvende, het
schaduwrijke plekje in het Palmbosch. Werd Ilderim, zooals hij vermoedde,
bespied, wat nood? Weldra zou alles, wat hij aan waarde met zich had
genomen, op weg naar de woestijn zijn, buiten bereik van wien ook.

Noch hij noch Ben-Hur overschatten den invloed van Messala. Zij waren
van oordeel, dat hij eerst na afloop van den wedren tegen hen zou
optreden. Delfde hij het onderspit, en wel door toedoen van Ben-Hur, dan
konden zij zich op het ergste voorbereiden. Waarschijnlijk zou hij dan
niet eens den raad van Gratus afwachten.

Met het oog hierop hadden zij hunne plannen gemaakt, en alles voorbereid
tot een overhaast vertrek.

Welgemoed reden zij naast elkander voort, vol vertrouwen op den dag van
morgen. Onderweg kwamen zij Malluch tegen. De brave man verraadde door
woord noch blik, dat hij de verhouding van den jongen man tot Simonides
kende of van hun verbond kennis droeg. Hij groette als naar gewoonte, en
reikte den Sheik een papier over, zeggende: Hier heb ik het programma
van de spelen. Het is zooeven uitgekomen. Gij zult uwe paarden
aangekondigd zien voor den wedren, ook de volgorde van de
vermakelijkheden.

Terwijl de Sheik het papier inzag, zeide Malluch tot Ben-Hur: Ik wensch
u geluk, zoon van Arrius. Morgen zult ge met Messala in het strijdperk
treden. Aan alle verplichtingen is voldaan. De ondernemer heeft het mij
zelf gezegd.

--Heb dank, Malluch, zeide Ben-Hur.

--Uwe kleur is wit, vervolgde de ander. Die van Messala rood en goud.
Het is reeds overal bekend, want de jongens op straat bieden al lintjes
en strikjes te koop aan. Morgen zal iedere Arabier en iedere Jood met
wit versierd zijn. In den circus zult gij zien dat wit en rood met goud,
gelijkelijk op de galerijen gedragen worden.

--Op de galerijen, ja--maar niet op de tribune tegenover de Porta
Pompae.

--Neen, daar zal rood met goud overheerschend zijn. Maar als wij
winnen,--Malluch lachte smakelijk bij die gedachte,--hoe zullen die
heertjes dan sidderen. Zij gaan natuurlijk aan 't wedden. In hunne
minachting voor alles wat niet Romeinsch is zullen zij twee, drie, vijf
zetten tegen een op Messala. Het past eigenlijk niet voor een Jood van
goeden naam zijn geld er aan te wagen; maar ik wil u in vertrouwen
zeggen, dat ik een vriend achter den zetel van den consul plaatsen zal,
om weddenschappen aan te nemen van drie, vijf, of tien tegen een, hoe
hoog zij ook in hunne verdwaasdheid mochten willen gaan. Ik heb hem tot
dat doel een wissel van 6000 sikkel gegeven.

--Neen, Malluch, een Romein wedt alleen met Romeinsch geld. Zoek uw
vriend nog van avond op en stel zooveel sestertiën tot zijne
beschikking, als gij noodig oordeelt. En, Malluch, zeg hem vooral dat
hij weddenschappen moet zien aan te gaan met Messala en diens vrienden,
Ilderims vierspan tegen dat van Messala.

Malluch dacht even na.

--Dat zal de aandacht van allen op u vestigen.

--Dat is juist wat ik verlang.

--Ik begrijp het, jawel!

--Als gij mij een genoegen wilt doen, Malluch, tracht dan het publiek
opmerkzaam te maken op den wedstrijd tusschen Messala en mij.

--Daar zie ik wel kans toe, antwoordde Malluch. Ik zal buitengewoon
hooge sommen inzetten. Worden zij aangenomen, zooveel te beter.

Malluch zag Ben-Hur onderzoekend aan, terwijl deze half tot zichzelven
zeide: Zou ik mij niet schadeloos stellen voor den aan mij gepleegden
roof? Zulk een gelegenheid komt misschien nooit meer terug. En als ik
niet alleen zijn trots fnuikte, maar hem daarenboven geheel te gronde
kon richten, dan ...! Onze vader Jakob zou daar niets tegen kunnen
hebben. Ja, het moet. Luister, Malluch. Bepaal u niet tot sestertiën.
Jaag hen op tot talenten. Als zij durven vijf, tien, twintig talenten,
desnoods vijftig, als gij met Messala zelf kunt laten wedden.

--Dat zijn verbazende sommen. Dan zou ik borg moeten kunnen stellen.

--Goed. Ga naar Simonides en vraag hem die zaak voor mij in orde te
brengen. Zeg hem, dat ik er mijn hart op gezet heb mijn vijand te
vernietigen, en dat zich nooit betere gelegenheid kan voordoen. De God
onzer vaderen zij met ons! Ga, beste Malluch. Laat de gelegenheid u niet
ontsnappen.

Vol vuur wilde Malluch zich verwijderen, maar bedacht zich intijds en
zeide: Nog iets, heer. Ik kon niet dicht genoeg bij Messala's wagen
komen, daarom heeft iemand anders de maat voor mij genomen. Hij zeide,
dat de as een handbreed hooger van den grond was dan de uwe.

--Een handbreed! Zooveel? riep de jonkman vroolijk en fluisterde toen
Malluch in het oor: Daar gij een zoon van Juda zijt en trouw voor uwen
stamgenoot, moet gij zorgen, dat gij een plaats krijgt vooraan op de
galerij tegenover den triomfboog. Let dan maar goed op telkens als wij
daar den draai maken. Let goed op, want als het geluk mij dient zal
ik ... maar neen, ik zeg verder niets. Zorg maar dat gij daar komt te
zitten.

Op dat oogenblik uitte Ilderim een kreet van verbazing.

--Ha! Wat is dat! Lees! riep hij tot Ben-Hur.

Deze nam het blad, dat, door den prefect der provincie onderteekend,
zooveel was als ons hedendaagsch programma, en uitvoerig de
verschillende vermakelijkheden beschreef. Eerst zou een luisterrijke
optocht gehouden worden, gevolgd door de gewone eerbewijzen aan den god
Consus, daarna wedloopen, springen, worstelen, boksen. De namen der
deelnemers met opgave van nationaliteit en leerschool waren alle
aangegeven, benevens hunne vroegere overwinningen. Dit gedeelte van het
programma zag Ben-Hur vluchtig door; maar toen hij aan de beschrijving
van den wedren kwam las hij die bedaard en rustig. Zij begon met de
mededeeling, dat de liefhebbers een zeldzaam genot wachtte, vermeldde
daarna, dat de prijs zou bestaan uit 100,000 sestertiën en een
lauwerkrans, en ging toen tot bijzonderheden over. Zes vierspannen waren
ingeschreven, die, om den strijd te belangwekkender te maken, alle te
gelijk zouden afrijden. Daarop volgde eene beschrijving van de
vierspannen.

I. Een vierspan van Lysippus den Corinthiër--twee schimmels, een vos en
een bles. Verleden jaar te Alexandrië en te Corinthe den prijs behaald.
Menner: Lysippus. Kleur: geel.

II. Een vierspan van Messala den Romein--twee witte, twee zwarte.
Verleden jaar prijswinners bij de Circensische spelen in den Circus
Maximus. Menner: Messala. Kleur: rood en goud.

III. Een vierspan van Cleanthes den Athener--drie schimmels, een vos.
Verleden jaar prijswinners bij de Istmische spelen. Menner: Cleanthes.
Kleur: groen.

IV. Een vierspan van Dicaeus den Byzantijner--twee zwarte, een schimmel,
een vos. Prijswinners te Byzantium. Menner: Dicaeus. Kleur: zwart.

V. Een vierspan van Admetus den Sidoniër--alle schimmels. Driemaal
prijswinners te Cesarea. Menner: Admetus. Kleur: blauw.

IV. Een vierspan van Ilderim, Sheik der woestijn--alle vier vossen,
eerste renners. Menner: Ben-Hur, een Jood. Kleur: wit.

Menner: Ben-Hur, een Jood!

Waarom dien naam opgegeven in plaats van Arrius?

Ben-Hur zag den Sheik vragend aan. Nu begreep hij de reden van Ilderims
uitroep. Beiden kwamen tot dezelfde slotsom: dat had Messala gedaan!


       *       *       *       *       *


ELFDE HOOFDSTUK.

DE WEDDENSCHAPPEN.


Den avond voor de feesten heerschte in Antiochië groote drukte. Een
dichte menschenmassa bewoog zich door de straten, voornamelijk langs de
Kolonnade van Herodes. Men kon zich dan ook moeilijk iets denken, dat
meer geschikt was om wandelaars te lokken, dan die breede overdekte
paden, met hunne sierlijke marmeren bogen. Overal brandde licht, overal
heerschte vroolijkheid: gezang, gelach, gedruisch van stemmen.

Schier alle nationaliteiten waren vertegenwoordigd in hunne verschillende
kleederdrachten, hetgeen niet weinig bijbracht tot verlevendiging van het
tooneel.

Eéne bijzonderheid zou onze aandacht zeker getrokken hebben, en wel dat
bijna iedereen de kleur van een der zes menners droeg, hetzij in de vorm
van een sjerp of rozet, of een veer op de muts. Men behoefde niet lang
rond te zien om te bemerken, dat drie kleuren den boventoon voerden:
groen, wit, en rood met goud.

Wij willen ons thans niet buiten ophouden, maar een kijkje nemen in het
paleis op het eiland.

De vijf groote kroonlichten branden. Het gezelschap, dat wij in de zaal
vinden, in nagenoeg hetzelfde als dat, waarmede wij den vorige keer
kennis maakten. Op den divan liggen ook nu slapers en mantels, en op de
tafels rollen weder de dobbelsteenen. Het meerendeel der aanwezigen doet
echter niets. Men wandelt op en neer, men gaapt, men zegt nietsbeteekende
aardigheden. Eigenlijk vervelen zij zich. Hun voornaamste werk is gedaan,
zij hebben hun tafeltjes volgeschreven met weddenschappen op het
hardloopen, het worstelen, het boksen, op alles, behalve op den wedren,
en wel om de eenvoudige reden, dat niemand een enkelen denarie met hen
verwedden wil tegen Messala.

Allen dragen zijne kleuren. Dat hij de nederlaag zou kunnen lijden wordt
niet mogelijk geacht. Hij heeft immers de beste school doorgemaakt!
Zijne paarden hebben den prijs behaald in den Circus Maximus! En,
bovenal, hij is immers een Romein!

Messala zelf zit gemakkelijk in een hoek van den divan, het middelpunt
van een groep bewonderende vrienden. Zij hebben het natuurlijk druk over
den dag van morgen.

Daar komen Drusus en Cecilius binnen. De eerste valt naast Messala op
den divan, met den uitroep: Bij Bacchus, ik ben moe!

--Waar zijt gij geweest? vraagde Messala.

--Overal. Wat een menigte menschen is er op de been! Het zal morgen in
den circus ongenaakbaar zijn.

--Hebt gij ook iets bijzonders gezien?

--Neen.

--Zoo? zeide Cecilius. Gij vergeet dien optocht van Witten.

't Is waar ook. Wij kwamen een langen stoet Witten tegen met een banier.
Maar ... hahaha!

--Ga voort, zeide Messala. Wat verder?

--Och, 't was een partijtje Arabieren, en wat Joden uit Jeruzalem. Dat
was alles.

--Neen, Messala, zeide Cecilius. Drusus is bang om uitgelachen te
worden, maar ik niet alzoo.

--Welnu, spreek gij dan.

--Wel, wij hielden den troep staande, en--

--En vraagden of zij een weddenschap met ons wilden aangaan, viel Drusus
zijn vriend lachend in de rede. Een jongen stapte naar voren, en zei ja.
Ik nam mijn tafeltje en zeide: Op wien woudt gij wedden? Op Ben-Hur, den
Jood, antwoordde hij. Toen zeide ik: Om hoeveel zullen wij wedden? Hij
antwoordde ... hahaha! O, Messala, ik moest zóó lachen, 't was zoo gek,
hahaha!

Messala keek Cecilius vragend aan, en deze zeide: een sikkel;--welke
mededeeling een luid en algemeen gelach veroorzaakte.

--En wat deed Drusus? vraagde Messala.

--Natuurlijk bedankte hij voor de eer.

Bij de deur ontstond eenig rumoer, dat al sterker en sterker werd en
zelfs Cecilius deed opstaan, om te gaan zien wat de reden kon zijn.
Luide kreten van: Een witte! een witte! klonken hem tegen.

Hierheen, hierheen! riepen sommigen.

De spelers verlieten hun spel, de slapers ontwaakten, wreven zich de
oogen uit, haalden hunne tafeltjes voor den dag en naderden den kring,
die zich om den vreemdeling gevormd had.

--Ik bied u....

En ik....

--Ik ... schreeuwden zij door elkander.

De persoon, die zoo stormachtig begroet werd, was niemand anders, dan de
Jood van Cyprus, door wien Ben-Hur allereerst van Simonides gehoord had.
Hij was in het wit gekleed, en trad beleefd groetend vooruit. Langzaam
en statig ging hij naar de middeltafel, zette zich neder en wuifde met
de hand. Een kostbaar juweel aan zijnen vinger bracht niet weinig bij
tot het verkrijgen van de gewenschte stilte.

--Romeinen, edele Romeinen, ik groet u, zeide hij.

--Die is leuk! zeide Drusus. Wie is hij?

--Een Jood--Sanballat heet hij, leverancier aan het leger, woont in
Rome, geducht rijk geworden door leveranciers, die hij nooit levert. Hij
zint altijd op kwaad, maar ditmaal zullen wij hem in zijn eigen strikken
vangen.

Messala stond op, terwijl hij dit zeide, en voegde zich bij de anderen.

--Ik hoorde op straat, zeide Sanballat, zijn tafeltje ter hand nemend,
dat men in het paleis ontevreden is, omdat niemand tegen Messala wil
wedden. Gij ziet mijne kleur. Ter zake dus. Wat biedt gij mij? Eerst
kansen, daarna de som.

Zijne stoutmoedigheid overblufte de jonge Romeinen.

--Kom, hernam hij, ik heb niet veel tijd. De consul wacht mij bij zich.

Dat werkte.

--Twee tegen een, riep een half dozijn stemmen.

--Hoe nu? vraagde Sanballat verbaasd. Twee tegen een? En gij wedt op een
Romein?

--Drie dan!

--Niet meer dan drie? Een Romein tegen een Jood! Zeg vier!

--'t Is goed, vier! riep een knaap, door dien spot getergd.

--Vijf. Zeg vijf, liet Sanballat er onmiddellijk op volgen.

Diepe stilte heerschte in de zaal.

--De consul wacht op mij. Ik heb niet veel tijd meer.

De stilte werd benauwend.

--Zeg vijf. Voor de eer van Rome vijf.

--'t Is goed, laat het vijf zijn, zeide Messala.

Sanballat glimlachte en deed alsof hij wilde gaan schrijven. Als de
keizer morgen sterft, zeide hij, behoeft Rome niet verlegen te staan.
Hier is ten minste nog een, die moed bezit. Zeg zes!

--Goed. Zes, antwoordde Messala, en werd met een stormachtig applaus
beloond.

--Zes tegen een dus, herhaalde Messala. Zes tegen een. Het onderscheid
tusschen een Romein en een Jood. Schrijf het bedrag op. Maar vlug. De
consul mocht u laten roepen en dan was ik mijn winst kwijt.

Sanballat liet hem lachen, schreef, en bood zijn tafeltje aan Messala.

--Lees, lees! riepen zijne vrienden.

Messala las met luide stem:

     Mem. Wedren met wagens. Messala van Rome wedt met Sanballat,
     eveneens van Rome, dat hij Ben-Hur den Jood zal verslaan. Bedrag
     der weddenschap: twintig talenten. Kansen: Zes tegen een.

     Getuigen: ............

                                                       Sanballat.

Doodelijke stilte alom. Als aan den grond genageld stonden de
jongelieden. Messala staarde op het memorandum, de oogen van de anderen
rustten op hem. Hij voelde die blikken en overlegde wat te doen. Zoo
kort geleden nog had hij op deze zelfde plek den meester gespeeld over
zijne makkers. Weigerde hij te teekenen, dan was hij van zijn voetstuk
gevallen. Toch kon hij niet teekenen, want hij bezat geen honderd
talenten, nauwelijks een vijfde van die som. Alles schemerde hem voor de
oogen. Hij stond sprakeloos en werd doodsbleek. Daar viel hem iets in.

--Gij Jood, zeide hij, zoudt gij twintig talenten bezitten? Bewijs!

Een fijne glimlach speelde om Sanballats lippen.

--Ziedaar! zeide hij en overhandigde Messala een blad papier.

Weder las Messala met luide stem:

                            Antiochië, den 16den Tammuz.

    Toonder dezes, Sanballat van Rome, heeft bij mij gedeponeerd vijftig
    talenten, Romeinsch geld.
                                        Simonides.

--Vijftig talenten! Vijftig talenten! riepen de jongelieden verbaasd.

Nu kwam Drusus zijn vriend te hulp. Bij Herkules! riep hij, dat blad
liegt, en de Jood liegt. Wie, behalve de keizer, heeft zoo op eens
vijftig talenten ter beschikking? Weg met den onbeschaamden Witte!

Hij was driftig en stak ook de anderen aan. Sanballat bleef echter
bedaard, en glimlachte weder. Eindelijk zeide Messala: Stil! Een tegen
een, vrienden! Een tegen een, ter liefde van onzen ouden Romeinschen
naam.

Met dat woord beheerschte hij weder den toestand.

--Welaan, Jood, zeide hij tegen Sanballat, ik wedde zes tegen een, niet
waar?

--Ja, antwoordde de ander bedaard.

--Welnu, laat dan aan mij over het bedrag vast te stellen.

--Goed; maar onder beding, dat de som niet te gering zij, antwoordde
Sanballat.

--Schrijf dan vijf in plaats van twintig.

--Kunt gij daarover beschikken?

--Bij de moeder der Goden, ik zal u het bewijs geven.

--Niet noodig. Het woord van zulk een dapper Romein is mij genoeg. Maar
maak het liever tot een even getal. Zeg zes, en ik zal schrijven.

--Het zij zoo.

Daarop verwisselden zij van tafeltjes.

Sanballat stond op en zag rond. Uitdagende spot was op zijn gelaat te
lezen. Beter dan iemand wist hij wien hij voor zich had.

--Romeinen, durft gij nog een weddenschap aan te gaan? Vijf talenten
tegen vijf, dat wit winnen zal. Ik daag u allen te zamen uit.

Algemeene verbazing.

--Wat? riep Sanballat luide. Moet morgen in den circus verteld worden,
dat een Jood in het paleis geweest is, waar de bloem der Romeinsche
edellieden verzameld was, en dat hij vijf talenten inzette, maar dat
niemand hem aandurfde? Dat is te erg.

--Genoeg, onbeschaamde! riep Drusus. Schrijf de uitdaging op en leg ze
hier op tafel neer. Als morgen blijkt, dat gij werkelijk zooveel geld op
een verloren zaak kunt zetten, dan beloof ik, Drusus, u, dat ik de
weddenschap aanneem.

Weder schreef Sanballat het vereischte stuk en zeide doodbedaard:
Ziehier, Drusus, ik laat het stuk in uwe handen. Als het geteekend is,
zend het mij dan, voordat de wedrennen beginnen. Ik heb een plaats vlak
bij den consul tegenover de Porta Pompae. Vrede zij u allen!

Hij boog en vertrok, onverschillig voor de spotternijen, die zij hem ten
besluite deden hooren.

Dienzelfden avond nog vloog het verhaal van de onzinnige weddenschap als
een loopende vuurtje door de stad. Ook Ben-Hur hoorde er van, met
bijvoeging, dat Messala's geheele fortuin op het spel stond. Hij had
zich met zijn vierspan ter rust begeven en nooit sliep hij beter dan
dien nacht.


       *       *       *       *       *


TWAALFDE HOOFDSTUK.

DE CIRCUS.


De circus te Antiochië stond op den zuidelijken oever der rivier,
tegenover het eiland, en was wat den vorm betreft als andere gebouwen
van die soort. De spelen waren in vollen zin des woords een geschenk aan
het volk, dat wil zeggen: iedereen had vrijen toegang.

Lang voordat de deuren opengingen verzamelde zich in de naburige straten
een dichte menigte, want hoe groot en ruim het gebouw ook zijn mocht,
ieder wilde de eerste zijn, uit vrees dat hij geen plaats zou krijgen.

Nauwelijks was de morgenschemering aangebroken, of de toegang werd
geopend en het volk stroomde naar binnen, om bezit te nemen van de voor
hem bestemde plaatsen. Zij hadden hun ontbijt bij zich en brachten de
uren, die nog verloopen moesten, voordat de spelen begonnen, slapende en
etende door.

De meer aanzienlijken, die besproken plaatsen hadden, kwamen met de
eerste uren van den dag, en toen de zonnewijzer van de citadel de tweede
ure aangaf, daalde het garnizoen in volle wapenrusting en met vliegende
vanen van den berg Sulpius af. Toen de achterhoede over de brug verdween,
was Antiochië letterlijk leeggeloopen.

Die geen plaats hadden kunnen krijgen in den circus hadden zich naar de
rivier begeven, om den consul, die in het eiland-paleis logeerde, in
zijn fraaie bark te zien landen. Toen de groote man aan wal stapte werd
hem door het legioen de militaire eer bewezen, waarna de stoet den
circus binnentrok.

Met de derde ure kondigde trompetgeschal de opening van het feest aan.
Het rumoer verstomt. De oogen van meer dan honderdduizend menschen
vestigen zich in gespannen verwachting op een en hetzelfde punt, op de
Porta Pompae, waar de autoriteiten en kampspelers in feestelijken
optocht zullen binnenkomen.

Daar zijn zij. Eerst de koorzangers en muzikanten, dan de prefect en
het stedelijk bestuur, in prachtgewaad en met kransen op het hoofd,
vervolgens de beelden der goden, sommige gedragen, andere in prachtig
versierde wagentjes, daarna de kampvechters, ieder in zijn bijzonder
kostuum. Langzaam gaat de processie voort. Het is een schoon en
indrukwekkend gezicht, en lokt een eindeloos gejubel uit.

De ontvangst der athleten is bijzonder luidruchtig, want er is niemand
onder de toeschouwers, die niet op hen gewed heeft, al is het nog zoo
weinig. Men roept hen bij hunne namen, men werpt hun bloemen en kransen
toe. De vierspannen sluiten den optocht. De fiere rossen, de prachtige
wagens boeien aller oogen, de menners niet minder. Hunne fijne wollen
tunica's, kort en zonder mouwen, zijn van de hun toegewezen kleuren. Een
man te paard begeleidt iederen wagen, behalve dien van Ben-Hur. Deze had
om de eene of andere reden, misschien uit wantrouwen, voor die eer
bedankt. De andere menners dragen een helm, hij niet.

De toeschouwers staan op van hunne zitplaatsen, men juicht, men jubelt,
en een regen van bloemen daalt neer op de paarden, de wagens, de menners.

Alle aanwezigen, mannen, vrouwen en kinderen, dragen een strikje op de
borst, of in het haar, de kleur van een der menners, maar ofschoon alle
kleuren vertegenwoordigd zijn, voeren wit, en rood met goud, den
boventoon. De oorzaak hiervan is te zoeken in het nationaliteitsgevoel.
De buitenlieden: Syriërs, Joden en Arabieren, hopen den Jood te zien
zegepralen. De burgers van Antiochië en de Romeinen rekenen er op den
Romein als overwinnaar uit het strijdperk te zien treden. De Grieken
zijn verdeeld tusschen den Corinthiër en den Athener. De steden
Byzantium en Sidon zijn schaars vertegenwoordigd.

Naarmate de stoet voorttrekt neemt de geestdrift toe. Messala! Messala!
Ben-Hur! Ben-Hur! weerklinkt het luider en luider, en toen men eindelijk
de arena door de Porta Pompea verliet, wist Ben-Hur dat zijn gebed
verhoord was. Het Oosten wachtte in spanning den uitslag af van zijn
strijd met Messala.


       *       *       *       *       *


DERTIENDE HOOFDSTUK.

DE AFRIT.


Te drie uur des namiddags volgens onze tijdrekening was het grootste
gedeelte van het programma afgeloopen. De wedren alleen moest nog
gehouden worden. Maar eerst zou er een pauze zijn, opdat de toeschouwers
zich wat zouden kunnen verfrisschen. De deuren werden geopend, de
meerderheid stroomde naar buiten, om zich in de nabijgelegen winkels van
het noodige te voorzien. Zij, die liever bleven zitten, praatten,
geeuwden, rekten zich uit, raadpleegden hunne tafeltjes, en bespraken
hun verlies of winst.

Diegenen van de burgerij, welke om verschillende redenen verkozen hadden
alleen den wedren bij te wonen, maakten van de pauze gebruik, om zich
naar de voor hen besproken plaatsen te begeven. Door dit uur te kiezen
trokken zij het minst de aandacht en gaven niemand aanstoot.

Tot deze klasse behoorden Simonides en zijn gezelschap, die hunne plaatsen
hadden bij den hoofdingang tegenover den consul.

Toen vier bedienden den koopman in zijn stoel naar binnen droegen, staken
allen de hoofden bij elkander. Iemande noemde zijn naam, en weldra ging
hij van mond tot mond. Allen bogen zich over de leuning om den man te
zien, van wiens rijkdom en treurig lot verschillende praatjes in omloop
waren. Ook Ilderim werd door velen herkend en met warmte begroet; maar
niemand wist te zeggen wie Balthasar en de twee dicht gesluierde vrouwen
waren, die hen vergezelden. Toen zij gezeten waren zag de eene, Esther,
verlegen voor zich en trok haar sluier dichter voor 't gelaat; maar de
andere, Iras, liet hem afglijden, en keek vrijmoedig om zich heen.

Een weinig later kwamen eenige werklieden en spanden een met wit krijt
bestreken touw dwars over de arena, vóór den eersten eindpaal. Terwijl
zij daar nog mee bezig waren, traden zes mannen door de Porta Pompae
binnen en stelden zich voor de zes stallen. Nu ontstond een algemeen
fluisteren en wijzen.

--Kijk, de groene gaat naar nummer vier, daar is dus de Athener.

--En Messala is in nummer twee.

--De Corinthiër ...!

--O, zie eens naar de witte! Kijk, hij gaat naar nummer een.

--Neen, daar blijft de zwarte staan, de witte moet naar nummer twee.

--O ja, gij hebt gelijk.

Deze deurwachters droegen tunica's van de kleuren der mededingende
menners; zoodat, toen zij hunne plaatsen innamen, iedereen wist in
welken stal zijn uitverkoren held het sein tot den afrit verbeidde.

--Hebt gij Messala wel eens gezien? vraagde Iras aan Esther.

--Neen, antwoordde zij, en huiverde op het hooren van dien gevreesden
naam.

--Hij is schoon als Apollo, hernam Iras.

--Zou hij dan zóóveel schooner zijn dan Ben-Hur, dacht Esther.

Een oogenblik later hoorde zij Ilderim tot haren vader zeggen: Ja, zijn
stal is nummer twee, links van de Porta Pompae,--en begrijpende, dat zij
over den jongen meester spraken, keek zij naar dien kant. Ook slechts
even, toen hulde zij zich nog dichter in haar sluier, en zond een innig
smeekgebed tot God omhoog.

Nu voegde Sanballat zich bij hen.

--Sheik, zeide hij, ik ben even in den stal geweest. De paardjes bevinden
zich in den besten welstand.

Ilderims oogen glinsterden van voldoening, maar hij antwoordde bedaard:
Mochten zij het onderspit delven, dan hoop ik dat dit voor een ander dan
Messala zal zijn.

--Zie, zeide Sanballat, zich tot Simonides wendende, hier is iets dat u
belang zal inboezemen. Ik deelde u reeds mede, dat ik gisteren een
weddenschap met Messala heb aangegaan, en het aanbod tot een tweede
achterliet, die mij, zoo het aangenomen werd, hedenmorgen moest bezorgd
worden. Hier is zij,... en dit zeggende overhandigde hij Simonides een
tafeltje.

Simonides nam het en las het memorandum met aandacht.

--In orde, zeide hij. Van morgen lieten zij mij vragen, of het waar was,
dat gij over zooveel geld te beschikken hadt. Bewaar het tafeltje goed.
Verliest gij, welnu, gij weet waar gij u vervoegen kunt. Wint gij--O
mijn vriend! als gij wint, pas dan op. Laat niet toe, dat zij u
ontsnappen. Dwing hen u tot den laatsten penning te betalen. Zij zouden
het ons ook doen.

--Verlaat u op mij, antwoordde Sanballat.

--Wilt gij niet bij ons komen zitten? vraagde Simonides.

--'t Is heel vriendelijk van u, maar als ik niet bij den consul blijf
wordt jong Rome te overmoedig.

De pauze was afgeloopen. Trompetgeschal riep de afwezigen naar hunne
plaatsen terug. Tegelijkertijd verschenen eenige bedienden in de arena,
klommen op den scheidsmuur, gingen naar een uitstekje bij den tweeden
paal aan het westeinde en legden er zes houten ballen op. Vervolgens
keerden zij terug naar den eersten paal en legden op een dergelijk
uitstekje zes houten dolfijnen.

--Wat beteekenen die ballen en die visschen, Sheik? vraagde Balthasar.

--Hebt gij nog nooit een wedren bijgewoond?

--Neen, dit is de eerste maal.

--Wel, daar telt men mede. Na iederen rondgang wordt een bal en een
visch weggenomen.

De voorbereidingen waren afgeloopen. Een trompetter stond gereed om op
het bevel van den prefect het signaal te blazen. Het gejoel en gepraat
verstomde. In gespannen verwachting keerden alle hoofden zich naar de
nog gesloten stallen, waar de zes mededingers wachtten.

De ongewone kleur op het gelaat van Simonides toonde duidelijk, dat hij
alles behalve kalm was, terwijl Ilderim onrustig in zijn baard woelde.

--Let nu op den Romein, zeide Iras tot Esther, die met een kloppend hart
naar Ben-Hur uitzag.

Een kort schril trompetgeschal, en de zes opzichters traden naar voren
om, zoo de paarden wild mochten zijn, hulp te kunnen verleenen. Weer
werd de trompet geblazen, en tegelijkertijd werden de deuren der stallen
opengeworpen.

Eerst verschenen de bereden begeleiders der mededingers, vijf in getal,
want Ben-Hur had zooals wij weten voor die eer bedankt. Het witte touw
werd neergelaten om hen te laten voorbijgaan, daarna weer omhoog
gehaald. De vijf ruiters waren prachtig uitgedost, maar bijna niemand
lette op hen. De open stallen hielden aller aandacht geboeid.

Het touw werd nogmaals neergelaten, en als een stormwind vlogen de zes
vierspannen naar buiten. De onafzienbare menschenmassa verrees van hare
zitplaatsen en deed de lucht weergalmen van haar gejuich. Dit was het
oogenblik, waar zij zoo geduldig op gewacht hadden, waar zij dagen lang
over gesproken hadden.

--Daar is hij! riep Iras en wees op Messala.

--Ik zie hem, antwoordde Esther, maar haar blik volgde Ben-Hur. Zij had
haar sluier weggeslagen en begreep op dat oogenblik hoe men, onder het
bewonderend oog der menigte, zelfs den dood onvervaard leert trotseeren.

De deelnemers waren thans voor alle toeschouwers goed te zien, maar toch
was de wedren nog niet begonnen. Eerst moesten zij het witte touw veilig
achter zich hebben.

De lijn was gespannen om den afrit volkomen gelijktijdig te doen plaats
vinden. Om er niet door tegengehouden te worden, en zoodoende reeds bij
het begin tot de achterblijvers te behooren, moesten zij er zijn, juist
op het oogenblik, dat de lijn viel. Maar dan nog was de groote vraag,
wie op de baan aan de binnenzijde naast den scheidsmuur kwam. Dat was
het doelwit van aller streven. De gelukkige, die zich deze plaats wist
te veroveren, had van den beginne iets voor boven de anderen.

Dat streven, de daaraan verbonden gevaren en gevolgen waren bij de
toeschouwers zeer goed bekend, en daarom wachtten allen dan ook ademloos
op den uitslag.

De arena baadde in licht, maar de menners lieten zich niet verblinden.
Strak was hun oog gevestigd op het touw en op den begeerden binnenkant.

Zoo renden dan alle zes in pijlsnelle vaart naar een en hetzelfde punt
en scheen een botsing onvermijdelijk.

De tot aan het touw af te leggen baan was ongeveer tweehonderdvijftig
voet lang. Hier werden een scherp oog, een vaste hand, een kalme geest
vereischt. Eén blik ter zijde en het was gedaan.

De mededingers naderden het touw gelijktijdig. Daar werd het signaal
geblazen, het touw viel neer en geen minuut te vroeg, want reeds sloeg,
toen het viel, de hoef van een van Messala's paarden er tegen. Volstrekt
niet verschrikt vierde de Romein de teugels en met een luiden jubelkreet
nam hij de veelbegeerde baan naast den muur in bezit.

--Jupiter met ons! Jupiter met ons! schreeuwden de Romeinen, buiten
zichzelven van vreugde.

Toen Messala inreed greep de bronzen leeuwenkop aan het einde van zijne
as den voorpoot van het bijdehandsche paard des Atheners, zoodat het
tegen zijnen buurman viel. Beide wankelden, steigerden en versperden
daardoor den weg. De duizenden hielden ontzet den adem in, alleen van de
tribune, waar de consul zat, herhaalde zich het vreugdegejuich.

--Jupiter met ons! riep Drusus zoo hard hij kon.

--Hij wint, hij wint! Jupiter met ons! schreeuwden zijne makkers, toen
zij Messala vooruit zagen schieten.

De zoo ongelukkig opgehouden Athener had nu alleen nog den Corinthiër
aan zijne rechterhand en wilde zijn vierspan daarheen sturen, maar het
ongeluk vervolgde hem. Het wiel van den Byzantijner, die ter linkerzijde
reed, trof het achterste rad van zijn wagen, zoodat hij kantelde. Een
luid gekraak, een kreet van woede en smart, en daar lag de arme
Cleanthes onder de hoeven zijner eigene paarden! 't Was een
ijzingwekkend schouwspel. Esther bedekte zich het gelaat met de handen.

Voort vlogen de Corinthiër, de Byzantijner, de Sidoniër. Sanballat zag
naar Ben-Hur en wendde zich toen tot Drusus en zijne vrienden.

--Honderd sestertiën op den Jood! riep hij.

--Aangenomen! antwoordde Drusus.

--Nog eens honderd sestertiën op den Jood! riep Sanballat weder.

Niemand scheen hem te hooren. Zij hadden al hunne aandacht noodig voor
hetgeen in de renbaan gebeurde en riepen tot heesch wordens toe:
Messala! Messala! Jupiter met ons!

Toen Esther zich vermande om weer op te zien, waren eenige mannen bezig
met het wegvoeren van de paarden en het gebroken wagentje. Andere
droegen den gewonde uit de arena, terwijl de aanwezige Grieken zich luid
beklaagden en om wraak riepen. Daar zag Esther op eenmaal Ben-Hur met
den Romein samen op één lijn. Hen volgden op den voet de drie overigen:
de Sidoniër, de Corinthiër, en de Byzantijner. De wedren was in vollen
gang. De duizenden hingen in gespannen verwachting over de balustrades.


       *       *       *       *       *


VEERTIENDE HOOFDSTUK.


DE WEDREN.


Zooals wij gezien hebben was Ben-Hur, bij het begin van den strijd om de
plaatsen, aan de buitenzijde. Was hij voor een oogenblik als de anderen
half verblind door het schelle licht, het gelukte hem toch zijn
tegenstander te herkennen. Beiden waren met dezelfde gevoelens bezield,
beiden waren vastbesloten om den prijs te winnen. Beiden zouden zij zich
tot het uiterste inspannen om elkander te vernederen. Toch was het geen
blinde hartstocht, die het bloed van den Jood in beweging bracht. Hij
had een vast plan, en vertrouwend op zijn goed recht en vaste hand zette
hij zich tot taak, nooit beter daartoe gestemd dan nu. Met groote
behendigheid wist hij bij Cleanthes' val het dreigend gevaar te ontkomen,
en door een prachtige zwenking naast Messala te komen, zij het ook aan de
buitenzijde.

Dat kunststuk was de scherpe blikken der toeschouwers niet ontgaan, en
de circus daverde van het herhaalde applaus. Toen vouwde Esther de
handen in dankbare verrukking. Sanballat bood, maar tevergeefs, trotsch
glimlachend opnieuw honderd sestertiën aan, en de Romeinen vreesden
reeds dat Messala zijn gelijke, misschien wel zijn meester gevonden had!

Zoo naast elkander voortrennend naderden die beiden den tweeden paal.
Hier was een kromming in de baan, en dien draai naar de eischen der
kunst te maken was een punt van eer voor de menners. De belangstelling
van het publiek was zoo groot, dat overal in den circus de diepste
stilte heerschte, en men voor het eerst een geratel der wagentjes
duidelijk hoorde. Nu scheen Messala op eens Ben-Hur te herkennen, en
terstond openbaarde zich de onbeschaamdheid van den Romein op ongehoorde
wijze.

--Weg met Eros! Leve Mars! riep hij luide, zijn lange zweep zwaaiend.
Eros! Mars! herhaalde hij, en bracht Ben-Hurs fiere paarden een slag
toe, zooals zij nog nooit gevoeld hadden.

Allen hadden het gezien. De verbazing was algemeen. De stilte werd
hoorbaar. Op de tribune van den consul hield zelfs de overmoedigste den
adem in, wachtend op hetgeen volgen zou. Slechts één oogenblik ... toen
barstte een storm van verwijten los.

Het vierspan was verschrikt vooruitgesprongen. Niemand had ooit anders
dan in liefde de hand op hen gelegd,... wat konden de fijngevoelige
dieren onder zulk een onwaardige behandeling anders doen dan vluchten,
alsof de dood hen op de hielen zat?

Ondervinding is de beste leermeesteres. Dat bleek ook nu. Vanwaar had
Ben-Hur zijn gespierde hand, zijn machtigen greep, die hem nu zoo goed
te stade kwamen? Had hij die niet te danken aan de roeispaan, waarmede
hij drie lange jaren de golven had doorsneden? En wat beteekende het
geweldige schokken van den wagen voor hem, die op de schuimende baren
gezwalkt had, nu eens hemelhoog opgeheven, dan weder neergesmakt in de
diepte?

Onbeweeglijk bleef hij stand houden, gaf het vierspan den teugel, sprak
hen bemoedigend toe, en trachtte hen voorzichtig den gevaarlijken draai
te doen nemen. Voordat het volk van zijne verontwaardiging bekomen was,
was hij zijne paarden weer volkomen meester. Dat niet alleen. Bij den
eersten paal was hij Messala opnieuw ter zijde gekomen en had zich de
bewondering en genegenheid van alle niet-Romeinen veroverd. Zoo
duidelijk gaven zij lucht aan deze gevoelens, zoo heftig hadden zij
hunne afkeuring getoond, dat Messala, hoe onbeschaamd ook, zich wel
wachtte zijn euveldaad te herhalen.

Toen de wagens om den paal zwenkten zag Esther, dat Ben-Hur wat bleeker
was dan voorheen, maar overigens kalm en bedaard.

Zoodra de eerste rondtoer volbracht was klom een man op het uitstek aan
het westeinde en nam een van de houten ballen af. Datzelfde geschiedde
aan den overkant met de dolfijnen.

Voort renden de twee, en op gelijke wijze verdwenen de tweede bal en de
tweede dolfijn. Toen de derde. Driemaal waren zij dus rond geweest.
Messala had zijn plaats aan den binnenkant nog steeds kunnen behouden,
nog vloog de Jood naast hem voort, nog volgden de drie anderen als te
voren. Het scheen een van die dubbelwedrennen te zijn, die later in Rome
zoo geliefd waren--Messala en Ben-Hur in den eersten, de Corinthiër,
Sidoniër en Byzantijner in den tweeden.

Bij den vijfden rondgang gelukte het den Sidoniër Ben-Hur op zijde te
komen, doch slechts voor een oogenblik. De zesde rondgang begon in de
gewone orde. Langzamerhand was de snelheid toegenomen. Menners en
paarden gevoelden dat de eindbeslissing naderde.

Hadden van den aanvang de Romein en de Jood het meest de belangstelling
gaande gemaakt, thans begon men voor den laatste te vreezen.

--Honderd sestertiën op den Jood! riep Sanballat tegen de jonge
Romeinen, maar hij kreeg geen antwoord.

--Een talent, vijf talenten, tien talenten, zooveel gij wilt! riep
Sanballat uittartend.

--Kom maar hier, zeide een Romeinsche jonkman.

--Doe het niet, waarschuwde een vriend.

--Waarom niet?

--Omdat Messala zijn grootste snelheid heeft bereikt. Zie hoe hij over
den rand van zijn wagen buigt en de teugels viert. En let dan eens op
den Jood. Ik vertrouw het niet.

--Bij Herkules! antwoordde de ander droevig, als de goden onzen Messala
niet bijstaan zal de Jood winnen. Maar neen, nog niet! Jupiter met ons!

Die kreet werd door de andere Romeinen overgenomen, totdat de lucht er
van daverde.

Als het waar was dat Messala zijn uiterste snelheid bereikt had, één
voordeel had hij behaald, dat was zeker. Hij was Ben-Hur vooruit
gekomen. Zijne paarden hielden de koppen gebogen, van de tribune gezien
schenen zij met den buik den grond te raken, hunne neusgaten waren
bloedrood, hunne oogen sprongen bijna uit de kassen. Ja, de dieren deden
hun best. Hoelang zouden zij het kunnen volhouden? Zij waren eerst aan
het begin van den zesden rondgang.

Voort vlogen zij. Toen zij den tweeden paal naderden stuurde Ben-Hur
zijn wagen vlak achter dien van Messala. De vreugde der Romeinen kende
geen mate. Zij schreeuwden, zij schaterden, zij wuifden met hunne
roodgouden sjerpen. Sanballat had druk werk om hunne weddenschappen op
te schrijven.

Malluch, die op de galerij tegenover den Triomfboog zat, begon ongerust
te worden. De wenk, hem door Ben-Hur gegeven, om vooral te letten op de
zwenking bij de westelijke pilaren, was hem in het hoofd blijven hangen,
en daar had hij luchtkasteelen op gebouwd. Dit was de laatste rondgang
en nog was er niets gebeurd! Nog steeds volgde Ben-Hur den Romein op den
voet.

Het gezelschap van Simonides zat doodstil, alleen Iras scheen vroolijk
en opgewekt te zijn.

Zoo naderden de twee den eersten paal. Messala, bevreesd om zijn eigen
plaats te verliezen, ging bijna rakelings langs den muur, op gevaar af
van zijn wagen te pletter te slaan.

Toen zij de kromming omgereden hadden was slechts één wagenspoor te
zien, zoo juist had de Jood den Romein gevolgd.

Esther merkte op dat Ben-Hurs gelaat nog bleeker was dan straks, en
Simonides zeide tot Ilderim: Ik zou mij zeer moeten vergissen, goede
Sheik, als onze jonge vriend niet iets in het schild voert. Ik zie het
aan zijn gezicht;--en Ilderim antwoordde: Zaagt gij hoe frisch mijn
paarden er uitzien? Alsof zij pas van stal komen! Het echte rennen moet
nog beginnen! Maar nu opgelet!

Nog één dolfijn, nog één bal stonden op de uitstekken. Het begin van het
einde was daar.

De Sidoniër beproefde met een laatste krachtsinspanning vooruit te
komen. De poging mislukte. De Byzantijner en de Corinthiër probeerden
hetzelfde, maar slaagden evenmin; zoodat zij feitelijk afgedaan hadden.

Alle toeschouwers, met uitzondering van de Romeinen, hoopten op Ben-Hur
en schreeuwden hem toe: Vooruit, Jood, geef den Arabieren den vrijen
teugel! Haal den binnenkant! Nu of nooit! Den binnenkant! Den
binnenkant!

Zoo riepen zij hem van alle kanten toe en hingen over de balustrades en
staken smeekend de armen uit.

Verstond hij hen niet, of kon hij niet sneller rijden? Reeds naderden
zij den tweeden paal en nog was hij in de achterhoede.

Om den laatsten draai te maken begon Messala de teugels van de linkse
paarden aan te halen, hetgeen natuurlijk hun vaart een weinig
verminderde. Hij was vol moed. Aan meer dan één altaar had hij geloften
gedaan. Rome zou ook nu zegevieren. Slechts zeshonderd voet tusschen hem
en roem, rijkdom, bevordering, bevrediging van wraakgevoel!

Op dat oogenblik zag Malluch van de galerij hoe Ben-Hur zich voorover
boog en de teugels vierde. Hij klapte met zijn lange zweep, en klapte
nogmaals en nogmaals. Hoewel hij de verschrikte dieren niet raakte was
in dat geluid toch iets, dat hen vooruit deed springen en voortvliegen
als een pijl uit den boog. Met één sprong waren zij den Romein op zijde.

Messala, juist genaderd aan het gevaarlijke punt, hoorde iets verdachts,
maar durfde het hoofd niet omdraaien ten einde te zien wat Ben-Hur in
den zin had. Het roepen en schreeuwen van het volk maakte hem niet
wijzer. Boven alles uit hoorde hij ééne stem vlak naast zich, en dat was
de stem van Ben-Hur. In het Arameesch, de taal van den Sheik, riep hij
zijne Arabieren toe: Voorwaarts Rigel! Vooruit Atair! Hoe nu, Antares!
Blijft gij achter? Oho, Aldabaran! Vlugste van allen! Ik hoor het gezang
in de tenten! Ik hoor de kinderen zingen van Rigel, Atair, en Antares,
van Aldebaran en van de victorie! en het jubelen neemt geen einde.--Goed
zoo! Morgen huiswaarts ... naar de zwarte tent ... ons thuis! Voorts
Antares! de meester wacht u!... Het is geschied! Haha! Haha! De
trotschaard is gevallen. Hij, die ons griefde, ligt in 't stof! Ons de
glorie! Ons de roem! Gedaan het werk--soho! halt! ho!

Snel en eenvoudig was alles in zijn werk gegaan, Messala had bijna den
draai om den eindpaal volbracht, toen Ben-Hur met zeldzame vaardigheid
zijn kunststuk volbracht.

Om den Romein voorbij te komen moest hij de baan oversteken en wel in de
kortst mogelijke lijn. Het publiek begreep zijn voornemen. Zij zagen hem
het teeken geven, en waren getuigen van het gevolg: de vier vlak naast
Messala's buitenste wiel ... Ben-Hurs binnenwiel, die het pakte ... een
luid gekraak, zoo luid dat allen in den circus het hoorden en er van
ontstelden ... en de wagen van den Romein lag omver, geheel vernield.
Messala, in de teugels verward, lag er onder.

Het akelig tooneel werd nog ontzettender, doordat de Sidoniër zijne
paarden niet op eens kon inhouden. In volle vaart reden zij over de
rampzaligen Messala en zijn wagen heen, op het steigerende slaande
vierspan in. Alsof er niets gebeurd was zette Ben-Hur in razende vaart
zijn tocht voort, gevolgd door den Corinthiër en den Byzantijner.

Alles stond op, sprong op de banken, en schreeuwde en juichte.
Intusschen lag Messala nog steeds onder de hoeven der spartelende
paarden, onder den gebroken wagen. Hij lag zoo stil, dat men hem voor
dood hield. Slechts enkelen wijdden hem een blik. De meesten volgden
Ben-Hur op zijn zegetocht. Zij hadden niet gezien, hoe hij de paarden
een weinig naar links stuurde en Messala's wiel met de punt van zijn
ijzeren as pakte, zoodat het te gruizel sprong. Maar de plotselinge
verandering van zijne geheele persoonlijkheid was hun niet ontgaan, den
gloed en de bezieling, die van hem uitgingen, hadden zij gevoeld;
begrepen de alles beheerschende toovermacht, waarmede hij op eens door
woord en gebaar zijne edele rossen bezielde. Welk een rennen!

Toen de Byzantijner en Corinthiër halfweg waren, had Ben-Hur den
eindpaal bereikt en was de zege behaald.

De consul verrees van zijn zetel. Het volk schreeuwde zich heesch. De
prefect kwam naar voren en kroonde de overwinnaars.

De gelukkige prijswinner onder de boksers was een blonde reusachtige
Noor. Zijn gelaat trok Ben-Hurs aandacht en weldra herkende hij in hem
zijn leermeester in het schermen te Rome, wiens geliefde scholier hij
geweest was. Van hem hief hij de oogen op naar Simonides en zijn
gezelschap. Zij groetten hem met de hand. Esther bleef zitten, maar Iras
stond op, lachte hem toe en wuifde met haar waaier--vriendschapsbewijzen,
die, zooals wij weten, voor Messala bestemd waren geweest.

Nu vormde de stoet zich, zette zich onder het gejubel der menigte in
beweging, en verliet de arena door de Triomfpoort.

De lang verbeide dag was voorbij.


       *       *       *       *       *


VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

EENE NOODIGING.


Ben-Hur en Ilderim waren de rivier overgestoken en toefden daar nog,
totdat zij, zooals te voren bepaald was, te middernacht de karavaan
konden volgen, die dertig uren geleden reeds op reis was gegaan.

De Sheik was overgelukkig. Hij had zijn jongen vriend vorstelijke
aanbiedingen gedaan; maar deze had alles afgeslagen, zeggende dat hij
volkomen tevreden was met de vernedering van zijn vijand. De edelmoedige
tweestrijd bleef lang onbeslist.

--Bedenk toch, zeide de Sheik, wat gij voor mij gedaan hebt. In elke
tent tusschen de Akaba en den oceaan, van den Euphraat tot aan de
Scytische zee zal de roem van Mira en hare zonen bezongen worden; en
tegelijkertijd zullen zij mijn machtigen arm bezingen. Al de strijdbare
mannen, die zonder leidsman omzwerven, zullen tot mij komen en zich
onder mij scharen. Gij weet niet wat het zegt heerschappij te voeren
over de gansche woestijn, zooals nu voor mij weggelegd is. Ik zeg u het
zal mij zware schatting van handeldrijvenden opbrengen en groote
voorrechten van koningen bezorgen. Ja, bij Salomo's heerlijkheid! Als ik
den keizer om een gunst laat verzoeken, hij zal mijn bede niet afslaan.
En gij wilt niets, niets van mij aannemen?

Ben-Hur antwoordde: Neen, Sheik. Ik heb immers een plaats in uw hart!
Dat de vermeerdering van uw macht en aanzien den Koning, die wij
verwachten, ten goede kome! Wie zal zeggen, of zij u niet tot dat doel
gegeven zijn? Waarschijnlijk heb ik uwe hulp noodig bij het werk, dat ik
ga ondernemen. Als ik nu voor uwe aanbiedingen bedank, kan ik later te
vrijmoediger bij u aankloppen.

Hun gesprek werd afgebroken door de komst van twee boden: Malluch en een
onbekende. Malluch werd eerst toegelaten.

De goede man was opgetogen over de behaalde zegepraal. Na eerst zijne
blijdschap lucht te hebben gegeven, zeide hij: Mijn goede meester heeft
mij opgedragen u mede te deelen, dat sommige der Romeinsche edellieden
weigeren aan hunne verplichting te voldoen.

Ilderim sprong op en riep heftig: Wat! Het geheele Oosten moge beslissen,
of de zege eerlijk behaald is of niet!

--Bedaar, edele Sheik, zeide Malluch. De prefect heeft den prijs doen
uitbetalen.

--Dan is het goed.

--Toen zij aanvoerden, dat Ben-Hur Messala's wiel verbrijzeld heeft,
lachte de prefect en herinnerde hun den zweepslag, dien Messala den
Arabieren in het begin gaf.

--Weet gij ook iets van den Athener?

--Die is dood.

--Dood? En Messala? Is die ontkomen? Wat loopt dien Romeinschen
windbuilen toch altijd alles mee! riep Ilderim.

--Hij is wel ontkomen, antwoordde Malluch, maar het leven zal hem tot
een last zijn. De geneesheeren zeggen, dat hij nooit meer zal kunnen
loopen.

Ben-Hur zag zwijgend op naar den hemel. In den geest zag hij Messala,
evenals Simonides, hulpbehoevend, gedragen in een stoel, afhankelijk van
dienstboden. De oude man had een rein geweten, maar hoe zou deze
trotsche en eerzuchtige er zich in schikken?

--Sanballat, vertelde Malluch verder, heeft veel last met Drusus en de
andere jongelieden, want zij weigerden de groote sommen te betalen, die
zij verloren hebben, en brachten de zaak voor den consul. Deze verwees
hen naar den Keizer. Messala weigerde eveneens te betalen, maar
Sanballat ging, in navolging van Drusus, naar den consul, waar de zaak
nog hangende is. De goedgezinden onder de Romeinen zeggen, dat het
eereschulden zijn, die betaald moeten worden, en alle andere partijen
scharen zich aan hunne zijde.

--Wat zegt Simonides? vraagde Ben-Hur.

--Die lacht en is recht voldaan. Als de Romein betaalt is hij geruïneerd.
Weigert hij, dan is hij geschandvlekt. De Keizer zal moeten beslissen.
Het Oosten te beleedigen zou niet wijs zijn, met het oog op den veldtocht
tegen de Parthen. Sheik Ilderim te beleedigen zou gelijk staan met de
woestijn tegen zich in het harnas te jagen, en die heeft Maxentius juist
noodig voor zijne krijgsoperatiën. Daarom zeide Simonides, dat gij u niet
ongerust behoeft te maken, want Messala zal betalen.

--Dan kunnen wij vertrekken, zeide Ilderim, en wreef zich de handen. Wij
kunnen alles gerust aan u overlaten. Ik zal de paarden doen voorkomen.

--Buiten staat nog een bode, zeide Malluch, wilt gij dien zien?

--'t Is waar ook. Ik dacht niet meer aan hem.

Malluch ging heen, en in zijn plaats trad een knaap binnen. Hij boog
voor den Sheik en zeide: Iras, de dochter van Balthasar, heeft mij
opgedragen den vriend haars vaders, Sheik Ilderim, geluk te wenschen met
de behaalde overwinning met zijn vierspan.

--De dochter van mijn vriend is zeer vriendelijk, zeide Ilderim
vroolijk. Geef haar met mijn dank dezen ring tot een aandenken.

Hij trok een kostbaren diamant van den vinger en reikte dien den
jongeling over.

--Mijne meesteres, vervolgde de knaap, droeg mij ook op u te verzoeken
den jongeling Ben-Hur mede te deelen, dat zij met haar vader verblijf
houdt in het paleis van Idernee, waar zij den jongeling morgen na de
vierde ure verwacht om hem persoonlijk te kunnen geluk wenschen.

De Sheik keek Ben-Hur aan, die met stralende oogen antwoordde: Met uw
goedvinden zal ik de schoone Egyptische bezoeken.

Ilderim lachte en zeide: Zou niet een man zijne jeugd genieten?

Toen keerde Ben-Hur zich tot den bode en zeide: Zeg tot haar, die u
zendt, dat ik, Ben-Hur, haar morgen bezoeken zal in het paleis Idernee,
op het door haar aangegeven uur.

De knaap groette beleefd en ging heen.

Te middernacht reisde Ilderim af, na zijn jongen vriend beloofd te
hebben een paard en een gids voor hem te zullen achterlaten.


       *       *       *       *       *


ZESTIENDE HOOFDSTUK.

IN DE VAL.


Den volgenden dag begaf Ben-Hur zich op den bepaalden tijd naar het
paleis Idernee, dat uitwendig geheel in Griekschen stijl was gebouwd.

Langzaam trad hij binnen en ging de vestibule door. Hij was kalm
gestemd. Hij zou in de tegenwoordigheid van Iras komen. Zij wachtte hem
met scherts en zang, geestig, afwisselend, grillig, met grimlachjes, die
haar zoo lief stonden, met vriendelijke blikken en fluisterende stem.
Reeds eenmaal had zij hem doen roepen, dien avond van het roeitochtje op
het meer, en nu had zij weder om hem gezonden in dit schoone paleis. Hij
voelde zich gelukkig en droomerig gestemd.

Toen hij de lange gang doorgegaan was kwam hij voor een gesloten
vleugeldeur, die bij zijne nadering vanzelf openging. Deze bijzonderheid
ging echter voor hem verloren, door de verbazing, die hem beving, over
hetgeen zich nu aan zijne oogen vertoonde.

Vóór zich zag hij het atrium van een Romeinsch huis, met zeldzame pracht
en weelde ingericht. Het vertrek was groot, hoe groot was niet met
juistheid te bepalen, want de blik verloor zich in de ruimte. Hij bleef
verbaasd staan. De fraai gepolijste mozaïekvloer stelde mythologische
onderwerpen voor. Langs de wanden stonden zetels en stoelen, alle
verschillend van vorm, en kunstig bewerkt, gebeeldhouwde tafels,
gemakkelijke divans, uitnoodigend tot rusten. De zoldering was
koepelvormig. In het midden bevond zich een opening, waardoor het licht
ongehinderd naar binnen stroomde. Het impluvium was omgeven door een
bronzen balustrade. De vergulde pilaren, die de zoldering droegen,
schitterden in den zonnegloed, en de weerspiegeling er van in den
gepolijsten vloer scheen uit een onpeilbare diepte op te komen. Verder
waren er kandelaars van phantastischen vorm, beelden en vazen, alles zoo
schoon, dat het uitstekend gepast zou hebben in het huis op den Palatijn,
dat Cicero van Crassus kocht, of in die andere villa, nog meer bekend om
haar buitensporige pracht: de villa van Scaurus te Tusculum.

Nog altijd in droomerige stemming ging Ben-Hur van het een naar het
ander, bekoord door alles wat hij zag. Het hinderde hem niet dat hij een
poos moest wachten. Als Iras gereed was zou zij wel komen, of hem tot
zich laten roepen. In ieder deftig Romeinsch huis was het atrium de
plaats, waar men bezoekers ontving. Twee-, driemaal wandelde hij het
vertrek rond, stond stil onder de opening in de zoldering, en keek
peinzend naar de blauwe lucht boven zijn hoofd. Leunende tegen een
pilaar bestudeerde hij de afwisseling van licht en schaduw, maar nog
kwam er niemand. De tijd begon hem eindelijk lang te vallen ... waarom
kwam Iras niet? Weer beschouwde hij de mozaïeken op den grond, maar zij
boeiden hem niet zooals straks. Gedurig hief hij het hoofd op om te
luisteren, langzamerhand begon hij ongeduldig te worden, en ten laatste
trof hem de doodelijke stilte, die in het huis heerschte. Deze maakte
hem onrustig en achterdochtig. Hij wilde er niet aan toegeven, lachte om
zijne dwaasheid, en zette zich nogmaals neer om een kandelaar te
bewonderen, zoo sierlijk en kunstig als hij nimmer gezien had. Maar de
stilte werd voel- en hoorbaar. Hij luisterde terwijl hij den kandelaar
bekeek, hij luisterde of hij niet een stap hoorde ... maar alles bleef
stil, het paleis scheen uitgestorven te zijn.

Kon het misschien een vergissing wezen? Neen, de bode had gezegd, dat de
Egyptische hem zond, en dit was het paleis Idernee. Nu herinnerde hij
zich op eens, hoe geheimzinnig de deur was opengegaan, zoo geruischloos,
zoo vanzelf. Dat zou hij eens onderzoeken.

Hij ging er heen. Hoe zacht hij ook liep, toch weerklonken zijne
voetstappen. Hij werd er zenuwachtig van. Het slot gehoorzaamde niet bij
zijn eerste voorzichtige poging om de deur te openen. Bij de tweede
beproefde hij het met alle macht; maar tevergeefs, de deur bleef
gesloten. Een voorgevoel van naderend onheil maakte zich van hem
meester, en hij bleef besluiteloos staan.

Wie in Antiochië kon hem kwaad willen doen?

Messala!

En dit paleis? De vestibule was Egyptisch, de portiek Grieksch, maar
hier, in dit atrium, zag hij Rome. Alles rondom hem verried, dat een
Romein de eigenaar was. Plotseling veranderde het schoone atrium voor
hem van gedaante. Het was een val.

Links en rechts waren verscheidene deuren, die waarschijnlijk tot
slaapkamers leidden. Hij trachtte ze te openen, maar zij waren alle
afgesloten. Zou hij kloppen? Neen, hij schaamde zich alarm te maken, en
wierp zich op een divan om na te denken.

't Was maar al te duidelijk, hij was een gevangene. Maar met welk doel?
En van wien? Had Messala hem dit aangedaan? Hij richtte zich op en
lachte smakelijk. Ieder meubel kon hem tot wapen dienen, de rustbanken
bij voorbeeld tot stormrammen. Hij was sterk, en woede en wanhoop konden
wonderen doen verrichten.

Messala zelf kon niet bij hem komen. Hij zou nimmermeer kunnen loopen;
maar hij kon door anderen werken. Die gedachte deed Ben-Hur opspringen.
Hij verhief zijne stem en riep om hulp, maar de echo was zoo sterk dat
hij er van verschrikte. Weer dwong hij zich tot kalmte en besloot nog
een poos te wachten, voordat hij zich met geweld een doortocht maakte.

Zoo verliep een half uur, een eeuwigheid in zijne schatting. Daar gingen
de vleugeldeuren plotseling onhoorbaar open, en werden even onhoorbaar
gesloten, zoo zacht dat hij er niets van merkte. Het geluid van
voetstappen trok allereerst zijne aandacht. Hij sprong op met een gevoel
van verlichting ... daar zal Iras eindelijk zijn!

Maar ... het was een zeer zware stap. De vergulde pilaren waren tusschen
hem en de deur. Hij hoorde stemmen, zware mannenstemmen, en de taal, die
gesproken werd, kende hij niet.

Na een algemeen overzicht van het vertrek genomen te hebben staken zij
schuin over, zoodat Ben-Hur de sprekers in 't gezicht kreeg. Het waren
twee mannen, forsch van gestalte en met korte tunica's. Zij behoorden
klaarblijkelijk niet tot het dienstpersoneel van het huis. Alles wat zij
zagen trok hunne aandacht. Zij stonden overal stil en betastten alles.
Het atrium was niet voor lieden van hun slag, toch was uit hunne geheele
manier van doen te bemerken, dat zij hier met een bepaalde bedoeling
kwamen.

Het zal niemand verwonderen dat Ben-Hur een weinig zenuwachtig was
geworden; en toen hij nu in de reuzengestalte van den een den Noor
herkende, dien hij te Rome gekend had, en die gisteren in den circus
gekroond was als prijswinnaar bij het boksen, begreep hij, dat hem een
groot gevaar dreigde en hij zich op het ergste moest voorbereiden.
Instinctmatig gevoelde hij, dat hier geen sprake was van een toevallig
samentreffen, deze twee zochten hem.

De metgezel van den Noor was nog jong, donker van haar en oogen, van de
Joodsche type. Beiden hadden het kostuum aan dat boksers van beroep in
de arena droegen. Ben-Hur behoefde niet langer te twijfelen: hij was
verraderlijk in dit paleis gelokt, om te midden van deze pracht door de
hand van den Noor te sterven.

Niet wetende wat te doen volgde hij hunne bewegingen, en in dat laatste
stille oogenblik, met den dood voor oogen, herkreeg zijn geest de
noodige kalmte. Gisteren had hij Messala naar recht en billijkheid mogen
straffen, de God van Israël, die hem had bijgestaan, zou hem ook nu
helpen. Stond hij daarenboven niet aan het begin van een nieuw leven?
Wachtte hem niet een heilige taak: alles in gereedheid te brengen voor
den verwachten Koning? Mocht hij niet alle vrees laten varen?

Hij maakte zijn gordel los, deed zijn hoofddoek af en wierp zijn wit
overkleed ter zijde. Gereed naar lichaam en ziel plaatste hij zich, de
armen over de borst gevouwen, tegen den pilaar en wachtte bedaard de
toekomst af.

Het tweetal had een beeld bewonderd. Toen zij daarmede gereed waren,
keerde de Noor zich om, zeide iets in een onbekende taal, en wees op
Ben-Hur. Beiden traden op hem toe.

--Wie zijt gij? vraagde hij in het Latijn.

De Noor glimlachte en antwoordde: Barbaren.

--Dit is het paleis Idernee. Wien zoekt gij? Blijft waar gij zijt en
antwoordt.

Zijn toon maakte indruk. De vreemdelingen bleven staan en de reus
vraagde op zijne beurt: Wie zijt gij?

--Een Romein.

De reus wierp het hoofd achterover en lachte luid. Ik heb veel
wonderbaarlijks hooren vertellen, zeide hij, maar nooit dat een Jood een
Romein werd.

Toen zijn vroolijkheid wat bedaard was, zeide hij weer iets tot zijn
makker en stapte vooruit.

--Halt! riep Ben-Hur. Nog iets!

--Spreek; maar gauw, zeide de reus.

--Gij zijt Thor, de Noorman.

De man zette groote oogen op.

--Gij waart schermmeester te Rome.

--Ja, zeide Thor.

--Ik was uw leerling.

--Neen, zeide Thor hoofdschuddend. Bij Thors hamer, nog nooit is een
Jood bij mij gekomen, om zich tot een vechtersbaas te laten maken.

--Ik zal het u bewijzen.

--Hoe dan?

--Gij komt hier om mij te dooden.

--Ja.

--Laat uw makker tegen mij vechten, dan zal ik het u bewijzen aan zijn
lichaam.

De reus lachte weer. Hij besprak het met zijn makker, die toestemmend
knikte, waarop de Noor zeide: Het zij zoo; maar wacht totdat ik het
teeken geef.

Hij schoof een divan aan, strekte er zich gemakkelijk op uit en zeide:
Ziezoo, begin.

Zonder aarzelen stapte Ben-Hur op zijn tegenpartij toe, die zich
terstond strijdvaardig tegenover hem plaatste.

De vreemdeling, die in statuur en voorkomen sterk op hem geleek, lachte
vergenoegd, weinig vermoedende met wien hij te doen had. Beiden wisten
dat de afloop van den strijd doodelijk zou zijn.

Ben-Hur deed een schijnaanval met zijn rechterhand. De ander pareerde en
stak den linkerarm een weinig vooruit. Voordat hij er op bedacht was
greep Ben-Hur hem met een ijzeren greep bij den pols. De overrompeling
was volkomen. Zich op zijn tegenstander te werpen, zijn arm om 's mans
hals te slaan, diens hoofd tegen zijn rechterschouder te drukken en hem
met de linkerhand vlak onder het oor een slag toe te brengen--dat alles
was het werk van een oogenblik. Geen tweede slag was noodig. De
ongelukkige viel neder, zonder een kreet te slaken. Hij was dood.

Ben-Hur wendde zich tot Thor en zag hem vragend aan.

--Bij alle leugens van Loke! riep deze, dat zou ik u niet kunnen
verbeteren.

Opstaande beschouwde hij den jongen man van het hoofd tot de voeten met
ongeveinsde bewondering, en vervolgde toen: Dat was mijn handgreep. Gij
zijt geen Jood. Wie zijt gij?

--Gij hebt Arrius, den duumvir gekend?

--Quintus Arrius? Ja, hij was mijn schutspatroon.

--Hij had een zoon.

--Ja, ik heb dien knaap gekend, een aardige jongen. Hij had een vorst
onder de gladiatoren kunnen worden. De keizer had veel met hem op.
Ikzelf heb hem dien handgreep geleerd, en niemand doet het mij na, of
hij moet een hand en arm hebben als de mijne. Ik heb er menigen
lauwerkrans mee behaald.

--Ik ben die zoon van Arrius.

Thor kwam nader en bekeek hem oplettend. Zijne oogen straalden van
voldoening, en de hand uitstekend zeide hij: 't Is wat moois! Hij zei
dat ik hier een Jood zou vinden, en dat ik den goden een dienst zou
bewijzen, als ik dien Jood doodde.

--Wie zei dat, Thor? vraagde Ben-Hur, de aangeboden hand schuddende.

--Hij, Messala.

--Wanneer?

--Gisteravond.

--En ik dacht dat hij zwaar gewond was?

--Hij zal altijd kreupel zijn, maar ik moest bij zijn bed komen, waar
hij lag te kermen van pijn.

Ben-Hur dacht even na. Hij begreep heel goed dat de Romein, zoo hij in
leven bleef, hem onverbiddelijk zou blijven vervolgen. Alleen de wraak
bleef hem over om het gebroken leven te verzoeten. Vandaar zijn
tegenspartelen om zijne schulden met Sanballat te vereffenen. Ben-Hur
berekende dit alles vluchtig, ook hoe zijn vijand hem zou kunnen
bemoeilijken in het werk, dat hij wilde ondernemen voor de nieuwen
koning. Deed hij niet wijs met het voorbeeld van den Romein te volgen?
De moordenaar toch, die gehuurd was om hem te dooden, zou zich ook laten
huren om den moordenaar onschadelijk te maken. Geld was geen bezwaar. De
verzoeking was groot. Reeds half meegesleept zag hij nog eenmaal naar
het arme slachtoffer, dat daar bleek en roerloos nederlag. Daar viel hem
iets in.

--Thor, wat heeft Messala u gegeven om mij te dooden?

--Duizend sestertiën.

--Gij zult ze hebben, en als gij nu doen wilt wat ik u vraag, zal ik er
nog drieduizend bij doen.

De reus dacht overluid: Gisteren heb ik vijfduizend gewonnen, van den
Romein duizend, dat is zesduizend.--Geef mij vierduizend, goede Arrius,
vierduizend en dan zal ik alles voor u doen, wat gij verlangt. Geef mij
vier en ik zal dien bedriegelijken Messala dooden. Ik heb mijn hand maar
op zijn mond te houden ... zoo.

Hij verduidelijkte zijn voorstel door zijne hand op zijn eigen mond te
drukken.

--Ik begrijp u, zeide Ben-Hur, tienduizend sestertiën is een mooie som.
Zij stelt u in staat om naar Rome terug te gaan en een taveerne te
openen bij den grooten circus, en daar te leven zooals den beroemsten
schermmeester betaamt! 't Zij zoo. Ik zal u vierduizend geven en dat
geld kunt gij verdienen zonder uwe handen met bloed te bezoedelen.
Luister. Uw vriend leek sprekend op mij, niet waar?

--Ja, men zou zeggen twee appelen van één boom.

--Welnu, ik zal zijn tunica aandoen, en hem mijne kleeren aantrekken.
Dan gaan we samen heen, en gij hebt uwe sestertiën.

Thor lachte dat hij schudde. Nog nooit werden tienduizend sestertiën zoo
gemakkelijk gewonnen! Een taveerne bij den grooten circus, en dat door
een leugen te vertellen zonder een enkelen droppel bloed te vergieten!
Geef mij uwe hand, zoon van Arrius, en als gij weer terugkomt in Rome,
vergeet dan niet naar de taveerne van Thor den Noorman te vragen, want,
bij de bliksems van Wodan! ik zal u het beste voorzetten wat mijn kelder
bevat.

Nu werden de kleederen verwisseld, en toen Ben-Hur den jonkman daar zag
liggen in zijn eigen Joodsch gewaad, was hij voldaan. De gelijkenis was
treffend. Als Thor zijn woord hield zou dit bedrog nooit uitkomen.

Toen alles afgeloopen was tikte de Noor tegen de vleugeldeuren, die
opnieuw onhoorbaar geopend werden, en gezamelijk gingen zij naar buiten.
Bij het scheiden zeide Thor nogmaals: Mogen de goden u geleiden en
behoeden, zoon van Arrius! en verzuim niet bij uw terugkeer in Rome de
taveerne van Thor te bezoeken!

       *       *       *       *       *

Dien avond deelde Ben-Hur zijnen vriend Simonides alles mede wat hem
overkomen was in het paleis van Idernee. Zij kwamen overeen, dat na een
paar dagen een onderzoek zou worden ingesteld naar den vermisten zoon
van Arrius. Tevens zou van het geval afgifte worden gedaan bij
Maxentius. Als het geheim niet uitlekte zouden Messala en Gratus gerust
en voldaan zijn, en kon Ben-Hur onbevreesd naar Jeruzalem terugkeeren om
zijne moeder en zuster te zoeken.

Bij het afscheidnemen zat Simonides in zijn stoel op het terras, en gaf
den jongen meester zijn vaderlijken zegen. Esther deed hem uitgeleide
tot aan de trap.

--Als ik moeder vind zult gij tot haar gaan en eene zuster voor Tirza
wezen, niet waar? vraagde hij en kuste haar tot afscheid. Vervolgens
begaf hij zich naar den overkant der rivier, waar Ilderim den vorigen
avond zijne tent had opgeslagen, en waar hij den gids zou vinden met de
paarden.

--Dit is het uwe, zeide de Arabier.

Ben-Hur keek, en zie het was Aldebaran: de vlugste en verstandigste van
Mira's zonen, na Sirius de lieveling van den Sheik. Hij wist dat het
hart van den ouden man het geschenk vergezelde.

Dienzelfden avond werd het lijk uit het atrium weggedragen en in stilte
begraven, en vertrok een bode van Messala naar Gratus, om dezen de
blijde tijding te brengen dat Ben-Hur dood was, ditmaal ontwijfelbaar.

Eene maand later werd bij den circus Maximus eene taveerne geopend met
het opschrift:

    THOR DE NOORMAN.


       *       *       *       *       *


BOEK VI.


       *       *       *       *       *


EERSTE HOOFDSTUK.

DE GEVANGENEN.


Sedert den avond, waarop Ben-Hur Antiochië verliet om den Sheik in de
woestijn te volgen, zijn dertig dagen verloopen. Een groote verandering
heeft intusschen plaats gevonden--groot, voor zoover het de geschiedenis
geldt van onzen held. Valerius Gratus is vervangen door Pontius Pilatus.

Deze verplaatsing kostte Simonides vijf talenten Romeinsch geld, in
klinkende munt uitbetaald aan Sejanus, die toen het hoogste toppunt van
zijn macht als gunsteling des Keizers bereikt had.

Het doel van de onderhandeling met Sejanus was, dat Ben-Hur zonder groot
gevaar voor zichzelven in en bij Jeruzalem naar zijne moeder en zuster
zou kunnen zoeken. Op die wijze besteedde de trouwe dienstknecht de
gelden van Drusus en zijne makkers. Na het betalen van de weddenschappen
was de vriendschap dier jongelieden voor Messala veranderd in vijandschap,
omdat zij hem hun ongeluk weten. Wat Messala zelf betreft, het antwoord
op de vraag, of hij voor de gewedde sommen mocht aangesproken worden, ja
of neen, moest nog uit Rome komen.

Hoe kort Pontius Pilatus aan het bestuur was, de Joden hadden reeds
ondervonden, dat de verandering niet in hun voordeel was. De kohorten,
die afgezonden waren om het garnizoen van den burcht Antonia te
vervangen, trokken des avonds laat de stad binnen, en het eerste wat men
den volgenden morgen te zien kreeg was, dat de muren van den ouden
burcht rondom versierd waren met borstbeelden van den ouden Keizer en
met Romeinsche adelaren.

Een opgewonden menigte trok door de straten, afgezanten werden naar
Cesarea gezonden, waar Pilatus nog eenige dagen vertoefde, om hem
dringend te verzoeken de gehate voorwerpen weg te nemen. Vijf dagen en
nachten hielden zij stand voor de poorten van zijn paleis, waarna hij
deed weten dat hij hen in den circus zou te woord staan. Daar liet hij
hen door zijne soldaten omsingelen, maar zij boden blijmoedig hun leven
aan, indien zij slechts hun doel mochten bereiken. Dat werkte. Pilatus
gaf bevel de borstbeelden en adelaren naar Cesarea terug te zenden, waar
Gratus ze gedurende de elf jaren zijner regeering had bewaard.

De slechtste mensch kan wel een goede daad verrichten. Zoo ook Pilatus.
Hij beval dat alle gevangenissen in Judea zouden nagezien worden, en
verlangde een lijst van de namen der gevangenen, met opgaaf van de
misdaden, waarvoor zij veroordeeld werden. Waarschijnlijk deed hij dit,
om later niet aansprakelijk te zijn voor hem onbekende dingen. Het volk
evenwel prees hem en was een tijdlang tevreden.

Wat het onderzoek aan het licht bracht, was ongeloofelijk. Honderde
menschen, tegen wie geen beschuldiging was ingebracht, kregen hunne
vrijheid weder. Vele anderen, die men lang geleden gestorven waande,
kwamen te voorschijn. Nog erger was het, dat men gevangenissen vond,
wier bestaan niet alleen aan het volk onbekend was, maar die de
tegenwoordige gevangenbewaarders zelfs niet kenden. Eén geval van dien
aard moeten wij hier vermelden: een vergeten gevangenis te Jeruzalem.

De burcht Antonia, die zooals men zich zal herinneren twee derden
besloeg van de heilige area op den berg Moria, was oorspronkelijk een
door de Macedoniërs gebouwd kasteel. Later maakte Johannes Hyrkanus het
tot een citadel ter verdediging van den Tempel, die toen ten tijde reeds
als onneembaar werd beschouwd. Herodes breidde haar nog verder uit,
verbreedde de muren, liet waterputten graven, bouwde tuighuizen,
barakken, magazijnen en gevangenissen van allerlei soort. Hij effende
het rotsachtige gedeelte van den berg, en liet er diepe kloven in
bouwen. Daar bouwde hij overheen. Het geheel verbond hij door een
prachtige zuilengang met den Tempel. Zoo verbouwd en versterkt viel de
burcht ten laatste in de handen der Romeinen, die hem volkomen wisten te
waardeeren en te gebruiken.

Gedurende de regeering van Gratus had de Antonia dienst gedaan als
citadel en onderaardsche gevangenis, de schrik voor alle oproerigen. Wee
hen, wanneer de kohorten uit de poorten stroomden, om een oproer te
dempen! Wee den Jood, die dezelfde poorten als gevangene binnenging!

Na deze korte uitweiding kunnen wij den draad van ons verhaal weer
opvatten.

       *       *       *       *       *

Het bevel van den nieuwen procurator betreffende de gevangenen was op
den burcht Antonia ontvangen en stipt uitgevoerd. Twee dagen zijn
verloopen sedert de laatste van die ongelukkigen ter ondervraging was
voorgebracht. De lijst is zoo goed als gereed en ligt voor den
commandant op tafel. Binnen vijf minuten zal zij op weg gaan naar
Pilatus, die in het paleis op den berg Sion woont.

Het bureau van den commandant is ruim en koel, en gemeubeld
overeenkomstig de waardigheid van den bevelhebber.

Het is de zevende ure van den dag. De commandant is vermoeid. Zoodra de
lijst verzonden is, zal hij naar het platte dak van de zuilengang gaan,
daar in de open lucht wat beweging nemen, en zich vermaken met naar het
gewoel der Joden in de voorhoven des Tempels te kijken. Zijne klerken en
onderhoorigen verlangen eveneens heen te gaan.

Daar verschijnt een man in de deur. Hij rammelt met een bos zware
sleutels, waardoor hij terstond de aandacht van den overste trekt.

--Zoo, Gesius, kom binnen, zegt deze. Wat is er?

--Commandant, luidt het antwoord, ik durf u bijna niet zeggen wat ik
gevonden heb.

--Alweder een vergissing, Gesius?

--Wist ik zeker dat het slechts een vergissing was, dan zou ik niet bang
zijn.

--Een misdaad dus? Of nog erger ... een plichtverzuim. Men kan Cesar
uitlachen, de goden vloeken, en leven. Een beleediging echter, den
adelaren aangedaan, is ... nu, Gesius, gij weet wat er dan volgt. Ga
voort.

--'t Is nu ongeveer acht jaren geleden, dat Valerius Gratus mij benoemde
tot bewaarder der gevangenissen in den burcht, antwoordde de man
ernstig. Ik herinner mij nog zeer goed den morgen, waarop ik mijn ambt
aanvaardde. Den vorigen dag was er een klein oproer geweest. De onzen
hadden vele Joden neergeslagen, maar wij hadden ook enkele verliezen te
betreuren. De aanleidende oorzaak was, zeide men, een moordaanslag op
Gratus. Hij werd door een steen aan het hoofd getroffen, zoodat hij van
zijn paard viel. Ik vond hem hier op dezelfde plaats zitten, waar gij nu
zit, commandant, met een verbonden hoofd. Hij gaf mij deze sleutels,
genommerd met de nommers der cellen. Dat waren de teekenen van mijn
ambt, ik mocht er mij nooit van scheiden, zeide hij. Op de tafel lag een
perkamentrol. Hij maakte ze open en zeide: Hier zijn de kaarten met den
platten grond der cellen, die in drie afdeelingen verdeeld, boven
elkander gebouwd zijn. Ik vertrouw ze u toe.--Ik nam ze aan, en Gratus
vervolgde: Nu hebt gij de sleutels en de platte gronden, ga en
doorwandel de geheele inrichting, bezoek elke cel en zie of alles in
orde is. Bemerkt gij iets waardoor de veiligheid in gevaar zou komen,
stel daar dan naar uw beste weten orde op, want gij zijt hier heer en
meester en hebt niemand boven u, dan mij alleen.

Ik wilde heengaan, maar hij riep mij terug en zeide: Daar bedenk ik nog
iets. Geef mij den platten grond van de onderaardsche cellen.--Ik gaf
hem het verlangde. Hij spreidde de kaart voor zich uit op de tafel, wees
met den vinger op cel nommer vijf, en zeide: Hier, Gesius, deze cel.
Daar zitten drie mannen gevangen, gevaarlijke lieden, die achter een
staatsgeheim hebben weten te komen en hier voor hunne nieuwgierigheid
boeten. Tot straf zijn zij van oogen en tong beroofd, en levenslang
opgesloten. Zij mogen niets hebben dan water en brood, dat gij hun
toereikt door een gat in den muur, dat van buiten gesloten wordt met een
schuif. Hebt gij mij goed begrepen, Gesius? Ik antwoordde toestemmend.
Het is goed, zeide hij, en keek mij dreigend aan; maar pas op, Gesius,
dat gij het niet vergeet. De deur van hunne cel, nommer vijf,--en hij
legde er zijn vinger op, om meer nadruk te geven aan zijne woorden,--mag
nooit, onder geen enkel voorwendsel, geopend worden. Niemand mag er in
of uit, zelfs gij moogt er niet binnengaan. Maar als zij sterven?
vraagde ik. Als zij sterven, zei hij, zal die cel hun graf zijn. Zij
werden daar opgesloten om te sterven. De cel is met melaatschheid
besmet, begrijpt gij?--En daarmee liet hij mij gaan.

Gesius zweeg en bracht uit de plooien van zijn overkleed drie rollen te
voorschijn, die hij op tafel uitspreidde, zeggende: Dit is de bedoelde
platte grond.

De oogen van alle aanwezigen rustten op den platten grond.

--Precies zoo, commandant, heb ik hem van Gratus ontvangen. Dit is cel
nommer V.

--Ik zie het, zeide de commandant. Ga voort. De cel was met
melaatschheid besmet, zeidet gij.

--Mag ik u een vraag doen, commandant?

--Ja.

--Moest ik niet gelooven dat de kaart betrouwbaar was?

--Zeker.

--Nu, zij is niet betrouwbaar, want er zijn niet vijf, maar zes cellen.
Ik zal u laten zien hoe de platte grond werkelijk is, of liever, hoe ik
mij voorstel dat hij is.

Gesius nam een tafeltje en teekende er een losse schets op van zes
cellen, die hij den commandant ter hand stelde.

--'t Is goed, zeide de commandant. Ik zal een nieuwen platten grond voor
u laten maken. Kom hem morgen bij mij halen.

Meenende dat de zaak hiermede afgeloopen was stond hij op; maar Gesius
vervolgde: Hoor mij verder, heer.

--Morgen, Gesius, ik heb nu geen tijd meer.

--Maar, commandant, wat ik u mee te deelen heb kan geen uitstel lijden.

De commandant ging weer zitten.

--Ik zal kort zijn, zeide de gevangenbewaarder. Mag ik nog eene vraag
doen? Moest ik niet gelooven wat Gratus mij vertelde van de gevangenen
in cel vijf?

--Natuurlijk. In die cel zaten drie gevangenen, staatgevangenen, blind
en stom.

--Welnu, commandant, dat was niet waar.

--Niet?

--Hoor, en oordeel zelf, commandant. Zooals mij bevolen was bezocht ik
al de cellen, beginnende bij de bovenste en eindigende bij de onderste.
Het verbod om de deur van cel V te openen heb ik nimmer overtreden. De
drie mannen hebben die acht jaren hun water en brood altijd door het gat
in den muur gekregen. Gisteren mocht ik de deur openen op uw bevel, en
was zeer nieuwsgierig om de gevangenen te zien, die tegen alle
verwachting zoolang geleefd hebben. Het slot van de deur weigerde. Wij
trokken wat harder en toen viel de deur op zij. De scharnieren waren
door roest verteerd. In de cel vond ik slechts één man, oud, blind,
zonder tong, geheel naakt, deerniswaardig om te zien. Ik vraagde hem
naar zijne medegevangenen. Hij schudde van neen. Ik doorzocht de geheele
cel, maar kon geen spoor van hen ontdekken. De muren en de grond waren
geheel droog. Hadden hier drie gevangenen gezeten, en waren twee van hen
gestorven, dan zou ik toch hunne beenderen hebben moeten vinden. Van
melaatschheid was niet bij den armen afgeleefden grijsaard te bespeuren.

--Gij denkt dus....

--Ik denk, commandant, dat er in die acht jaren slechts één man gevangen
heeft gezeten.

De commandant zag Gesius scherp aan en zeide: Wees voorzichtig! Weet gij
wel waar gij Gratus van beschuldigt?

Gesius boog het hoofd en zeide: Hij kon zich vergist hebben.

--Neen, riep de commandant heftig, dat kon hij niet. Hebt gij niet zelf
gezegd dat gij acht jaren lang water en brood gegeven hebt voor drie
personen?

--Gij hebt nog slechts de helft van het verhaal gehoord, commandant. Als
gij alles gehoord zult hebben, zult gij mij gelijk geven. Gij weet wat
ik met den man deed: ik liet hem een bad geven, haar en baard scheren en
aankleeden. Toen bracht ik hem naar buiten en liet hem in vrijheid
heengaan. Ik had met hem afgedaan. Een uur geleden kwam hij terug en
werd vóór mij gebracht. Door allerlei gebaren, zelfs door tranen, gaf
hij zijn verlangen te kennen, om weer naar de cel teruggebracht te
worden. Ik gaf het bevel daartoe. Toen zij hem wegleidden keerde hij op
eens terug, viel op de knieën voor mij neder en beduidde mij, dat ikzelf
hem moest vergezellen. Ik voldeed aan zijn verzoek. De twee geheimzinnige
andere gevangenen speelden mij door het hoofd. Ik was er niet gerust op.
Nu ben ik blij, dat ik gehoor gaf aan zijn verlangen.

Alle aanwezigen luisterden met gespannen aandacht, doodelijke stilte
heerschte in het vertrek.

--Zoodra de gevangene bemerkte dat hij weer in zijn oude cel was,
vervolgde Gesius, greep hij mijne hand en geleidde mij naar een gat in
den muur, even groot als dat, waardoor wij gewoon waren hem zijn
rantsoen te geven. Gisteren was het aan mijne aandacht ontsnapt. Steeds
mijne hand vasthoudende legde hij zijn mond voor de opening en gaf een
schreeuw. Een zwakke stem antwoordde. Ik was verbaasd, trok hem op
zijde, en riep: Hola, wie daar? In het begin kreeg ik geen antwoord.
Ik riep nogmaals en hoorde toen deze woorden: O, God, ik dank U!
Commandant, het was de stem van een vrouw. Ik vraagde: Wie zijt gij? en
het antwoord luidde: Een Israëlitische vrouw. Ik ben hier levend
begraven met mijne dochter. Help ons gauw, of wij sterven.

Ik riep haar toe nog even geduld te hebben en spoedde mij tot u, om uwen
wil te vernemen.

De commandant stond haastig op. Gij had gelijk, Gesius, zeide hij. Ik
begrijp er alles van. De kaart was valsch en het verhaal van de drie
gevangenen was een leugen. Er zijn betere Romeinen dan Valerius Gratus.

--Ja, antwoordde de gevangenbewaarder. De oude man gaf twee porties
water en brood aan de vrouwen.

--Welaan, zeide de commandant, zich tot zijne klerken wendende, daar hij
het niet kwaad vond eenigen tot getuigen te hebben, gaat allen mee. Wij
zullen die vrouwen in vrijheid stellen.

Gesius was voldaan. Wij zullen den muur moeten doorbreken, zeide hij. Ik
heb de plaats ontdekt waar de deur geweest is. Zij was dichtgemetseld.

--Roep terstond een paar werklieden met de noodige gereedschappen, zeide
de commandant tot een der klerken. Haast u, en laat het rapport liggen,
want dat zal morgen gewijzigd worden.


       *       *       *       *       *


TWEEDE HOOFDSTUK.

DE MELAATSCHEN.


Een Israëlitische vrouw. Ik ben hier levend begraven met mijne dochter.
Help ons gauw, of wij sterven.

Dat antwoord had Gesius ontvangen uit de cel, die op den verbeterden
platten grond als cel VI aangegeven staat.

De lezer heeft zeker terstond begrepen wie die ongelukkigen waren, en
zich verheugd dat eindelijk Ben-Hurs moeder en zuster gevonden zijn.

Op den morgen van hare gevangenneming had men haar naar de burcht
gebracht, waar Gratus haar dacht op te sluiten. Hij had den burcht
gekozen, omdat die meer onmiddellijk onder zijn beheer stond, en cel VI,
omdat deze door melaatschheid besmet was. Hij wilde de vrouwen niet
alleen opsluiten--hij verlangde dat zij een zekeren, zij het dan ook een
langzamen, dood zouden sterven. Dientengevolge werden zij bij nacht naar
beneden gebracht, zoodat niemand er iets van bemerkte. Diezelfde slaven
metselden daarna de deur dicht, en werden vervolgens naar een afgelegen
oord verplaatst, zoodat het geheim een geheim blijven kon. Om voor alle
mogelijke gevallen toch den schijn te bewaren, wilde hij de vrouwen niet
laten verhongeren, maar plaatste hij bovenvermelde armen gevangene in de
cel daarnaast, om haar van brood en water te voorzien.

Zoo wist Gratus, onder voorwendsel van een troep moordenaars te straffen,
zich het vermogen der familie Hur toe te eigenen, waarvan geen penning de
keizerlijke schatkist bereikte. Ten besluite werd de toenmalige gevangen-
bewaarder verplaatst, een nieuwe platte grond ontworpen, en aan den nieuwen
bewaarder gegeven. Gratus bereikte volkomen zijn doel: de cel en hare
bewoonsters waren der vergetelheid prijs gegeven.

Welk een leven voor moeder en dochter, acht jaren lang; voor haar,
opgevoed in weelde, weggerukt uit een werkzaam, liefdevol leven,
veroordeeld tot nietsdoen in een onderaardschen kerker, waar slechts een
smalle gleuf in den buitenmuur licht en lucht aanbracht!

Treden wij de cel binnen.

De twee vrouwen bevinden zich vlak bij het smalle luchtgat. De eene zit
op den grond, de andere leunt half liggende tegen haar aan. Bij het
schemerachtig licht zien wij, dat zij zonder eenige bedekking zijn. Van
kleeding geen spoor meer. Maar wat haar ook ontnomen werd, de liefde
bleef, daarvan spreekt haar geheele houding. Rijkdom vergaat, schoonheid
verdwijnt, hoop vervliegt, maar de liefde blijft, want de liefde is uit
God.

Waar moeder en dochter neergezeten zijn, is de oneffen bodem geheel glad
geworden. Vermoedelijk hebben zij het grootste gedeelte van die lange
jaren op deze zelfde plaats gezeten, hare hoop op bevrijding koesterende
bij dat zwakke, maar toch vriendelijke licht. Als de lichtstraal naar
binnen viel, wisten zij dat het dag was. Als hij verdween, wisten zij
dat daarbuiten de nacht aanbrak, die toch nergens zoo lang en zoo
stikdonker kon zijn als bij haar. Daarbuiten! O, door die gleuf vlogen
hare gedachten de wereld in, om den zoon, den broeder te zoeken. Zij
zochten hem op de woelige zee, of op hare eilanden, nu in deze stad, dan
in gene, en overal vertoefde hij slechts vluchtig; want hij zocht haar
immers met rusteloos verlangen. Telkens en telkens hadden zij elkander
moed ingesproken door te zeggen: Hij vergeet ons niet. Zoolang hij leeft
is er hoop voor ons!

Bij het flauwe licht dat in de cel heerscht zien wij, dat zij uiterlijk
droevig veranderd zijn, een verandering, niet alleen toe te schrijven
aan de langdurige gevangenschap. Waren moeder en dochter voorheen schoon
van aangezicht, zelfs de liefde zou dat niet meer van haar kunnen
getuigen. Het lange, ongekamde haar heeft een zonderlinge witte kleur.
De vrouwen zelf zien er vreemd en terugstootend uit ... is het misschien
een gevolg van gebrek aan lucht en licht, of van honger en dorst, daar
zij sedert het vertrek van haar armen buurman niets te eten of te
drinken hebben gehad?

Tirza leunt tegen hare moeder en kreunt smartelijk.

--Stil, kind, zegt de moeder. Zij zullen komen. God is goed. Wij hebben
nooit verzuimd tot Hem te bidden, wanneer daarginds in den Tempel de
bazuinen geblazen worden. Het moet de zevende ure zijn, want de zon
staat nog in 't zuiden. Laat ons op God vertrouwen. Hij is goed.

--Ja, moeder, ik zal mijn best doen, antwoordt Tirza. Uw lijden is even
zwaar als het mijne; maar mijn tong brandt en mijn lippen zijn verdroogd.
Ach, waar zou Juda toch zijn? Zou hij ons nog ooit kunnen vinden?

Beider stem klinkt ongelooflijk scherp, droog en onnatuurlijk.

--Gisteren zag ik hem in mijn droom, kind, zoo duidelijk als ik u nu
zie. Wij moeten gelooven in droomen, dat weet gij wel, omdat onze
vaderen het ook deden. Onze God sprak dikwijls tot hen op die wijze. In
mijn droom stonden wij in den vrouwenvoorhof bij de Schoone Poort. Vele
vrouwen waren daar met ons, en hij kwam en stond achter de poort en
zocht ons. Mijn hart klopte hevig. Ik strekte de armen uit, en riep hem
luide bij zijn naam. Hij zag mij en hoorde mij, maar herkende mij niet.
Een oogenblik later was hij verdwenen.

--Hij zal ons zeker niet herkennen, moeder, als hij ons vindt. Wij zijn
zoo veranderd.

--'t Is mogelijk, maar ... de moeder zweeg, die gedachte was al te
pijnlijk.

--Ach moeder, riep Tirza, water! al is het maar één droppel.

De moeder werpt een wanhopigen blik in het rond. Het is haar alsof een
schaduw over het licht trekt. Zou dat de naderende dood zijn? Bijna
werktuigelijk zegt zij: Geduld, Tirza. Zij komen. Zij zullen weldra hier
zijn.

Eensklaps meent zij een geluid te hooren bij de opening in de cel van
den blinde, door welk gat het verkeer met de menschenwereld daarbuiten
gedurende al die jaren had plaats gehad.

Zij had zich niet vergist. Een oogenblik later weerklonk de bekende
kreet van haar ongelukkigen landgenoot door de ruimte. Beiden sprongen
op en kwamen naderbij. Daar hoorden zij iemand roepen: Hola! Wie daar?

Dat waren de eerste woorden, die na jaren van doodelijke stilte tot haar
gesproken werden. Welk een ommekeer! Uit den dood tot het leven
teruggekeerd, en dat zoo op eenmaal!

Zij antwoordde luide: Een Israëlitische vrouw, die hier levend begraven
is met hare dochter. Help ons spoedig, of wij sterven.

--Houd moed. Ik kom dadelijk terug.

Moeder en dochter barstten in tranen uit. Zij waren gevonden. De hulp
was nabij! Vergeten waren, voor het oogenblik althans, pijn, honger,
dorst. Opnieuw lachte de hoop haar toe.

Na een korte poos, de tijd dien Gesius noodig had gehad om zijn verslag
aan den commandant te doen, drong het geluid van hamerslagen tot de
gevangenen door. Ademloos luisterden zij, begrijpende wat dat beteekende.
De deur, die zoolang gesloten was geweest, werd opengebroken. De dag der
vrijheid brak eindelijk aan.

De handen, die het werk verrichtten, waren sterk en bedreven, en wil was
goed. De slagen, eerst dof, werden steeds duidelijker verneembaar; nu en
dan viel een steen op den grond. Nu konden zij zelfs de stemmen der
werklieden hooren, en, o hoe heerlijk! daar zagen zij door een spleet
het schijnsel der toortsen.

--O, moeder, riep Tirza, daar is Juda! Eindelijk heeft hij ons dan toch
gevonden!

Weder viel een steen, en nog een, toen verscheidene te gelijk ... en de
deur was eindelijk open. Een met stof en kalk bedekte arbeider stapte de
cel binnen, een toorts ophoog houdende. Twee of drie volgden, eveneens
met fakkels, en stelden zich bij den ingang om den commandant door te
laten.

Deze bleef echter staan, want de vrouwen vluchtten naar den uitersten
hoek, niet uit vrees, maar uit schaamte. Niet alleen uit schaamte
echter, want van uit den donkeren hoek, waar zij zich trachtten te
verbergen, werd den mannen een woord toegeroepen, het wanhopigste dat
over menschenlippen komen kan: Onrein! Onrein! Kom niet naderbij!

Ontzet zagen zij elkander aan.

--Onrein! Onrein! klonk het weer onbeschrijfelijk treurig uit den hoek.

Zoo volbracht de arme vrouw haren plicht en gevoelde zij tegelijkertijd,
dat de zoo vurig begeerde vrijheid, van verre gezien zoo heerlijk en
uitlokkend, een Sodomsappel bleek te zijn. Zij en Tirza waren melaatsch.

Weten onze lezers wat dat insloot? Een melaatsche werd als dood
beschouwd. Uit de stad verdreven mocht hij zijne betrekkingen slechts op
grooten afstand toespreken. Zijne woonplaats was bij andere melaatschen
in spelonken of wildernissen. Zag hij iemand naderen--uit de verte reeds
moest hij hem toeroepen: Onrein! Onrein!--Een wezen, dat zichzelf tot
afschuw was, en alleen van den dood uitkomst kon verwachten.

Nog herinnerde de moeder zich den dag, waarop zij binnen in hare hand
iets vreemds gevoeld had, dat zij, maar tevergeefs, beproefd had weg te
wasschen. Eerst hechtte zij er niet veel aan, maar toen ook Tirza
hetzelfde aan hare hand opmerkte, werd zij ongerust. Haar dagelijksch
rantsoen van water was niet groot, toch gebruikten zij er elken dag een
gedeelte van om de aangetaste plek te reinigen. Maar het breidde zich
uit, de geheele hand werd ontstoken, het vel barstte op verschillende
plaatsen, de nagels vielen af. Zij leden niet veel pijn, maar voelden
zich voortdurend onwel. Later verdroogden hare lippen en vielen er
kloven in, en toen de moeder op zekeren morgen met angst in het hart
Tirza nauwkeurig beschouwde, zag zij haar vreeselijk vermoeden
bewaarheid: de wenkbrauwen van haar kind waren geheel wit.

Wat zij toen doormaakte is niet te begrijpen. Sprakeloos en onbewegelijk
zat de arme vrouw een poos neder, slechts dat ééne woord bij zichzelve
herhalende: melaatsch, melaatsch.

Toen zij weer geregeld denken kon, was haar eerste gedachte het
vreeselijke geheim te verzwijgen en Tirza in gelukkige onwetendheid te
laten. Zelve hopeloos verdubbelde zij hare zorgen voor Tirza, en slaagde
er met de grootste zelfbeheersching in haar onkundig te laten, met
betrekking tot den aard harer ziekte, en wist zelfs de hoop bij haar
levendig te houden, dat zij van voorbijgaanden aard zou wezen. Zij
bedacht raadsels en spelletjes, vertelde geschiedenissen, oude en
nieuwe, luisterde met het grootste genot naar de liederen, die zij Tirza
herhaaldelijk deed zingen, en hief zelve de psalmen aan van den
koninklijken zanger, alles om voor een poos ten minste haar verdriet te
verzetten en hare ziel tot God op te heffen, die haar, evenals de
wereld, scheen vergeten te hebben.

Langzaam maar zeker nam de kwaal toe. Na eenigen tijd werd het hoofdhaar
wit, vielen lippen en oogleden met gaten, werd het geheele lichaam met
blaren bedekt. Toen werd de keel aangedaan, werd hare stem heesch,
werden de gewrichten stijf. Nog maar weinig tijds, dan zou de ziekte de
bloedvaten en de beenderen aantasten--en zoo kon het vele jaren al erger
en erger worden, totdat eindelijk de dood haar kwam verlossen.

Een dag van verschrikking was de dag, waarop de moeder het haar plicht
rekende aan Tirza den naam harer ziekte mede te deelen, en beiden in
wanhoop God smeekten, dat het einde spoedig daar mocht zijn.

Maar men went aan alles. De zwaarbeproefden leerden na verloop van tijd
kalm te spreken over hare kwaal. Zij zagen welke vreeselijke verwoestingen
de ziekte aanrichtte, en klemden zich niettegenstaande dat aan het leven
vast. Eén band bleef haar aan de aarde binden: Juda. Over hem spraken en
dachten zij. Zij twijfelden geen oogenblik aan zijne trouw en rekenden
er vast op, dat hij even sterk als zij naar eene wederontmoeting
verlangde. Zoo vertroostten zij elkander dag aan dag, ook, zooals wij
gezien hebben, toen Gesius haar, nadat zij twaalf uren honger en dorst
geleden hadden, weder moed kwam inspreken.

De toortsen verlichtten de cel, de bevrijding was daar. God is goed,
riep de weduwe dankbaar. Die werkelijk dankbaar is voor een ontvangen
gunstbewijs vergeet voor 't oogenblik zijne ellende.

Toen de commandant haar naderen wilde, vloden zij in een hoek, en
herinnerde de moeder zich wat haar plicht was. Daarom stootte zij dien
akeligen kreet uit: Onrein! Onrein!

Ach, hoeveel kostte haar die plichtsbetrachting! Zelfs in de vreugd over
hare bevrijding was zij niet blind voor de gevolgen daarvan. Het oude,
gelukkige leven was voor altijd voorbij. Wilde zij de haar zoo dierbare
woning gaan opzoeken, dan zou zij reeds bij de poort moeten roepen:
Onrein!--De knaap van wien zij voortdurend gedroomd had zou, als hij
haar zag, op een afstand moeten blijven staan. Stak hij de handen naar
haar uit, dan zou juist hare liefde haar dwingen om hem toe te roepen:
Onrein!

De commandant hoorde de waarschuwing. Hij ontstelde, maar bleef staan.

--Wie zijt gij? vraagde hij.

--Twee vrouwen, die van honger en dorst sterven. Maar kom niet bij ons
en raak de muren niet aan. De geheele cel is besmet!

--Vertel mij uwe geschiedenis, vrouw. Zeg mij uw naam, en wanneer en
door wien en waarom gij hier gevangen zijt gezet.

--In Jeruzalem woonde jaren geleden een vorst, Ben-Hur geheeten,
bevriend met vele edele Romeinen, zeer gehecht aan den keizer. Ik ben
zijn weduwe, en dit meisje is zijne dochter. Ik kan u niet zeggen waarom
wij hier begraven zijn, want ik weet het zelf niet, of het moest wezen
omdat wij rijk waren. Valerius Gratus kan u zeggen wie onze vijand was
en wanneer onze gevangenschap begonnen is. Ik weet het niet. Zie waartoe
men ons gebracht heeft. O, heb medelijden met ons!

De atmosfeer was zwaar verpest, maar in weerwil daarvan riep de
commandant een der fakkeldragers tot zich om hem bij te lichten, en
schreef haar antwoord woordelijk op. Kort en bondig behelsde het een
geschiedenis, een aanklacht, en een bede. Een onbeschaafde vrouw zou
zich niet zoo beknopt hebben kunnen uitdrukken. De Romein moest haar
zijns ondanks gelooven en beklagen.

--Gij zult terstond geholpen worden, zeide hij. Ik zal u eten en drinken
zenden.

--En kleeren, en waschwater, bid ik u.

--Het zal geschieden.

--God is goed, zeide de weduwe schreiend. Moge zijn vrede met u zijn!

--Ik mag u niet wederzien, antwoordde de commandant. Maar tegen den
avond zal ik u in vrijheid doen stellen. Gij kent de wet. Vaarwel!

Weinige oogenblikken later brachten een paar slaven een badkuip, de
noodige hoeveelheid water, handdoeken, vrouwenkleeren, brood met
vleesch, en wijn, zetten het alles bij de opengebroken deur neer en
verwijderden zich toen zoo snel mogelijk.

Halverwege de eerste nachtwake bracht men de beide gevangenen naar
buiten, en ademden zij vrijelijk de frissche lucht in.

De sterren fonkelden boven haar hoofd, evenals van ouds. Zij
verlustigden zich een oogenblik in dien aanblik, maar toen vraagden ze
elkander droef te moede: Wat nu? Waarheen?


       *       *       *       *       *


DERDE HOOFDSTUK.

TERUGKEER.


Ongeveer terzelfder tijd dat Gesius voor den commandant verscheen,
beklom een voetreiziger den Olijfberg van de oostzijde. De weg was
oneffen en stoffig, alle planten waren bruin verschroeid, want het was
in het droge jaargetijde. Gelukkig was hij jong en sterk, en droeg hij
een luchtig, ruim gewaad.

Hij vorderde slechts langzaam, en keek dikwijls rechts en links, alsof
hij na lange afwezigheid een welbekend landschap wederzag en zich
verzekeren wilde, dat alles onveranderd hetzelfde gebleven was.

Toen hij eindelijk nabij den top kwam versnelde hij zijnen stap en liet
zich door niets meer ophouden, totdat hij de hoogte bereikt had en
verrukt over het schouwspel aan zijne voeten staan bleef.

Die reiziger was Ben-Hur, en wat hem zoo bekoorde was Jeruzalem, de stad
Gods.

Hij ging op een steen zitten, maakte den doek los, die zijn hoofd tegen
de zonnestralen beschutte, en verdiepte zich in zijne overpeinzingen,
den blik op de stad zijner vaderen gevestigd.

De zon neigde ten ondergang. Een oogenblik rustte de vuurbol op de
toppen der westelijke bergen, den hemel, de muren eb de torens der stad
in gouden glans hullende. Daarop verdween hij. De stilte rondom hem
voerde Ben-Hurs gedachten naar de ouderlijke woning. Zijn oog dwaalde af
naar een punt ten noorden van den Tempel, daar moest het erfdeel zijner
vaderen liggen, als het huis ten minste nog bestond.

De liefelijke rust, de zachte atmosfeer, bleven niet zonder invloed op
zijne gevoelens. Alle bittere gedachten, alle eerzuchtige plannen ter
zijde stellend, overdacht hij den plicht, die hem naar Jeruzalem
gebracht had. Terwijl hij met Ilderim in de woestijn was en als een
krijgsoverste het terrein verkende, kwam op zekeren avond een bode tot
hem met het bericht, dat Gratus afgezet en Pontius Pilatus in zijne
plaats aangesteld was.

Messala was lichamelijk gebroken en hield hem voor dood; Gratus was van
zijne macht beroofd, en vertrokken--waarom zou hij dan het zoeken naar
moeder en zuster nog langer uitstellen? hij behoefde voor niets meer te
vreezen. Werd hem niet toegestaan zelf de gevangenissen van Judea te
onderzoeken, dan konden anderen dat toch voor hem doen. Werden de
verloornen gevonden, dan zou Pilatus haar zeker in vrijheid doen
stellen, want die ten minste had er geen belang bij haar nog langer
gevangen te houden. Met geld was in ieder geval veel te doen. Dan zou
hij zijne geliefden in veiligheid brengen, om zich daarna met een
volkomen hart geheel te wijden aan den Koning, die te komen stond. Zijn
besluit was dadelijk genomen. Ilderim keurde het plan goed en gaf hem
drie zijner stamgenooten mede, die Ben-Hur te Jericho achtergelaten had
met de paarden, terwijl hijzelf te voet de reis voortzette. Te Jeruzalem
zou Malluch zich bij hem voegen, en verder zou hij zich door de
omstandigheden laten leiden.

Met het oog op zijne plannen zou het geraden zijn zich voor alle
mogelijke ambtenaren, inzonderheid de Romeinsche, verborgen te houden,
en het voornaamste werk aan Malluch over te laten, die zeer schrander en
behoedzaam was.

Vóór alle dingen moest uitgemaakt worden hoe zij de zaak zouden
aanpakken. Dat was hem nog niet recht helder. Het liefst zou hij met den
burcht Antonia willen beginnen, want hij wist, dat zich onder dit
sombere gebouw een doolhof van gevangenissen uitstrekte, juist geschikt
om lieden, die men uit den weg wilde ruimen, in zich op te nemen.
Daarenboven had hij met eigen oogen gezien hoe de soldaten zijne moeder
en Tirza de straat indreven, die rechtuit naar den burcht leidde. Waren
zij daar niet meer, dan kon hij er toch inlichtingen krijgen betreffende
haar lot.

In het diepst zijner ziel leefde een stille hoop, die hem daarentegen
allereerst naar de ouderlijke woning trok. Door Simonides wist hij dat
Amrah nog leefde. Haar opzoeken en van haar hooren wat zij wist, moest
zoo spoedig mogelijk geschieden. De trouwe slavin had zich, zooals men
zich zal herinneren, op dien vreeselijken morgen losgerukt uit de handen
der soldaten en was het ledige huis binnen gevlogen, waar zij, met al
wat er verder in was, opgesloten werd. Simonides had haar sedert dien
tijd van het noodige voorzien, en zij was de eenige bewoonster gebleven
van het groote huis, dat Gratus, hoeveel moeite hij er zich ook voor
gaf, niet had kunnen verkoopen. De geschiedenis die er aan vast was
hield de koopers of huurders terug. Daarenboven had het den naam dat het
er spookte, misschien een gevolg van Amrah's ronddwalen door de
verschillende kamers, of op het platte dak. Kon hij haar te spreken
krijgen, wie weet of zij hem niet eenig licht zou kunnen verschaffen, en
daarom had hij besloten nog hedenavond tot haar te gaan.

De avond was gevallen, toen Ben-Hur opstond en van den berg afdaalde.
Vlak bij de bedding van de beek Kedron ontmoette hij een herder, die
zijne schapen naar de markt bracht. Hij sloot zich bij dien man aan, en
trad aan zijne zijde door de Vischpoort de stad binnen.


       *       *       *       *       *


VIERDE HOOFDSTUK.

EEN ZWARE STRIJD.


Het was reeds geheel donker, toen Ben-Hur van den herder afscheid nam en
eene nauwe straat insloeg, die naar het zuidelijk gedeelte der stad
voerde. Enkele menschen, die hem tegenkwamen, groetten hem, en nog nooit
hadden de welbekende woorden hem zoo liefelijk in de ooren geklonken.
De huizen aan beide zijden der straat waren laag en somber. Alle deuren
waren gesloten. Het gevoel zijner eenzaamheid, de duisternis, de
onzekerheid, waarin hij verkeerde, dat alles stemde hem droevig.

Zoo kwam hij bij het diepe waterbekken, thans bekend als de vijver van
Bethesda. Voor hem verhief zich de burcht Antonia als een zwarte
dreigende steenklomp. Hij bleef staan. Zoo sterk, zoo hecht en
onaantastbaar verhief zich het gevaarte, dat hij het wanhopige van zijn
streven gevoelde. Als zijne moeder achter die muren zuchtte, wat
vermocht hij dan om haar te redden?... Door geweld niets. Werpspietsen
en stormrammen zouden tevergeefs hunne kracht op de rots beproeven;
list ... ach, die wordt zoo gemakkelijk verijdeld. En God, de laatste
toevlucht van hulpbehoevenden, toeft dikwijls zoo lang met zijne hulp!

Met sombere voorgevoelens in 't hart ging hij verder, de volgende straat
in. Een nachtverblijf zou hij zich later wel zoeken in de nieuwe wijk
Bezetha, waar een herberg was; nu eerst naar Amrah.

Juist ging de maan op en verspreidde naar zilveren glans over de tot nog
toe onzichtbare voorwerpen in het westen, zoodat de hooge torens op den
berg Sion helder en klaar tegen den donkeren achtergrond afstaken.

Eindelijk bereikte hij het ouderlijke huis. Voor de noordpoort bleef hij
staan en las het aanplakbiljet: Dit is het eigendom des keizers.

Sedert dien vreeselijken dag was niemand door die poort in- of
uitgegaan. Zou hij als naar gewoonte kloppen? Hij wist, dat het
vergeefsche moeite zou zijn, toch kon hij de verzoeking niet wederstaan.
Amrah zou het wellicht hooren en uit een der vensters kijken. Hij raapte
een steen van den grond, ging de brede trappen op en klopte driemaal.
Slechts de echo antwoordde. Hij klopte nogmaals, en nogmaals, doch
bemerkte geen teeken van leven. Hij ging naar den overkant der straat en
bespiedde de vensters, doch er was niets te zien. Hij liep het huis
om--ook daar was de deur verzegeld en van een opschrift voorzien.
Ben-Hur las het en ontstak in woede. Hij rukte het opschrift af, wierp
het op den grond en vertrapte het. Toen zette hij zich neder op de stoep
en bad dat de nieuwen koning toch spoedig komen mocht. Langzamerhand
werd hij kalmer, de vermoeienis na de langen dagreis deed zich gevoelen,
hij strekte zich uit en viel weldra in slaap.

Een weinig later kwamen twee vrouwen de straat af van de andere zijde.
Angstvallig vervolgden zij haren weg en bleven dikwijls staan om te
luisteren. Bij den hoek van het huis gekomen hielden zij stil, en zeide
eene van haar met gedempte stem: Dit is het, Tirza!

Tirza zag het huis aan, greep haar moeders hand, boog het hoofd, en
begon te weenen.

--Laat ons verder gaan, mijn kind, want zoodra het dag wordt jagen zij
ons de stad uit.

--Ach, ik had het bijna vergeten, snikte Tirza. Ik verbeelde mij dat wij
naar huis gingen. Maar wij zijn melaatsch en hebben geen tehuis. Wij
behooren tot de dooden!

--Kom, Tirza, wij hebben nu niets te vreezen. Kom mee, zeide de moeder
troostend.

't Was waar, reeds alleen door het opsteken harer handen zouden zij een
geheel leger op de vlucht hebben kunnen drijven.

Met onhoorbaren tred slopen zij, twee spookgestalten gelijk, den hoek
om, totdat zij voor de poort kwamen en het opschrift lazen: Dit is het
eigendom des keizers.

Toen wrong de moeder in stomme smart hare handen, hief de oogen ten
hemel en kermde overluid.

--Moeder, wat scheelt er aan? U doet mij schrikken!

--Ach, kind, hij is dood!

--Wie, moeder?

--Uw broeder! Zij hebben hem alles afgenomen, zelfs dit huis! Nu zal hij
ons nooit kunnen helpen!

--Wat moeten wij doen, moeder?

--Morgen, mijn kind, moeten wij aan den weg gaan zitten en bedelen,
zooals de melaatschen dat gewoon zijn. Wij moeten bedelen, of--!

--Laat ons sterven, moeder, liever sterven!

--Neen, zeide de moeder op vasten toon. God heeft onzen tijd bepaald, en
wij gelooven in Hem. Wij zullen op Hem blijven vertrouwen, ook hierin.
Kom!

Al sprekende had zij Tirza's hand gevat en spoedde zich naar de
westzijde van het huis, steeds dicht langs den muur loopende. Daar zij
nergens iemand zagen, gingen zij door, maar schrikten terug voor het
heldere maanlicht, dat de straat bescheen. De moeder hervatte zich
echter spoedig, wierp een smartelijken blik op de vensters aan deze
zijde van het huis, en stapte moedig vooruit in het licht, Tirza met
zich voerend.

Nu kon men eerst recht zien hoe vreeselijk de verwoesting was, die de
ziekte had teweeggebracht. Lippen, wangen, oogen, handen droegen er de
sporen van, maar het afzichtelijkst was wel het hoofdhaar, dat in lange,
stijve, klamme lokken neerhing, en evenals de wenkbrauwen een akelig
witte kleur had. Moeder en dochter waren niet van elkander te
onderscheiden, beiden waren even onnatuurlijk verouderd.

--Stil, zeide de moeder op eenmaal, daar ligt iemand op de stoep te
slapen, een man.

Snel staken zij de straat over en gingen in de schaduw voort, totdat zij
tegenover de poort kwamen, waar zij bleven stilstaan.

--Blijf even hier. De man slaapt, ik wil beproeven of de poort dicht is.

Dit zeggende stak zij de straat over en duwde zacht tegen een der
deuren, maar juist op dat oogenblik slaakte de vreemdeling een zucht,
bewoog zich onrustig in zijn slaap en draaide het hoofd om, zoodat zijn
gelaat duidelijk zichtbaar werd. Zij zag hem aan en ontstelde hevig,
keek nogmaals, bukte zich een weinig, kwam weer overeind, vouwde de
handen en hief de oogen ten hemel in stil gebed. Een oogenblik slechts,
toen ging zij ijlings naar Tirza terug.

--Kind, Tirza! dat is mijn zoon, uw broeder! fluisterde zij zacht, greep
hare dochter bij de hand en vervolgde: Laat ons hem samen aanschouwen,
even slechts, en dan, o God, help dan uwe dienstmaagden!

Onhoorbaar staken zij de straat over. Toen zij vlak bij hem waren gekomen,
bleven zij staan. Een van zijne handen was afgegleden en rustte op de
stoep. Tirza viel op hare knieën en wilde die hand kussen, maar de moeder
trok haar terug. Pas op, kind, vermaande zij, wat woudt gij doen? Onrein!
Onrein!

De arme Tirza week verschrikt achteruit, alsof haar broeder de melaatsche
was.

Ben-Hur was schoon om aan te zien. Zijn gelaat was verbrand door de zon,
mar de lippen waren rood, de tanden wit, en de golvende baard verborg
niet den fraaien vorm van kin en hals. Hoe schoon was hij in zijn
moeders oogen! Hoe smachtte zij er naar hem in hare armen te nemen en
aan haar hart te drukken. Waaruit putte zij de kracht om niet aan dat
verlangen toe te geven? Juist uit hare liefde voor hem. Voor niets ter
wereld zou zij, de melaatsche, een kus hebben willen drukken op zijne
wang. Toch wilde zij hem aanraken. Op hetzelfde oogenblik dat zij hem
vond, moest zij voor altijd afscheid van hem nemen, dat, zij wist het,
werd van haar geëischt. Bittere, bittere gedachte!

Zij knielde naast hem neder en drukte zacht hare lippen tegen de zool
van zijn sandaal, hoe bestoven die ook was; zij kuste die nog eens en
nog eens. Haar gansche ziel lag in die kussen.

Daar bewoog hij zich weer en prevelde in zijn slaap: Moeder ... Amrah,
waar is ...

Het was bijna te veel voor de arme vrouw. Zij drukte haar gelaat tegen
de steenen, om haar snikken te smoren, want haar hart dreigde te breken.
Bijna wenschte zij dat hij wakker mocht worden. Hij dacht immers aan
haar in den slaap, en mocht hij dan niet weten, dat zij zoo dicht bij
hem was? Maar de tijd drong. Zij stonden op ... nog één langen blik, een
laatste blik, en weer staken zij de straat over. In de schaduw zetten
zij zich neer, wachtend, ja, waarop? Op het een of ander, zij wisten
zelf niet wat.

Nog niet lang hadden zij zoo gezeten, of een andere vrouw kwam den hoek
van het huis om. Zij zagen haar duidelijk: een kleine vrouw, gebogen van
houding, donker van kleur, eenvoudig, maar netjes gekleed. Zij had een
mand met eetwaren bij zich.

Toen zij den man op de stoep bemerkte bleef zij staan, bezon zich echter
en kwam zachtkens naderbij. Zonder hem aan te raken ging zij naar de
poort, en stak hare hand door eene in de linkerdeur aangebrachte
opening.

Een van de planken week op zij, de vrouw schoof er de mand door en wilde
zelve volgen, toen zij, door nieuwsgierigheid gedreven, nog even staan
bleef om een blik op het gelaat van den vreemdeling te werpen.

De toeschouwers van den overkant hoorden een verbaasden uitroep, zagen
dat de vrouw haren oogen wreef, alsof zij een droombeeld dacht te
zien,--zij zagen haar zich over hem heenbuigen, de hand des slapers
vatten en met kussen overdekken ... wat moeder en zuster ook zoo gaarne
zouden gedaan hebben, maar niet durfden.

Door die aanraking gewekt trok Ben-Hur zijne hand terug, en zag
tegelijkertijd de vrouw aan. Daar sprong hij overeind en riep blijde:
Amrah! o Amrah! Zijt gij daar eindelijk?

Zij antwoordde niet, maar viel hem om den hals en snikte luid.

--Goede Amrah, hoorde zijne moeder hem zeggen, wat ben ik blij u te
zien; maar zeg mij gauw wat gij van moeder en Tirza weet. Waar zijn zij?
Gij hebt haar natuurlijk gezien. Zijn zij thuis?

Maar Amrah schreide slechts te heviger. Tirza maakte een beweging, maar
de moeder, haar voornemen radende, hield haar tegen en fluisterde: Ga
niet, voor niets ter wereld. Onrein! Onrein!

Neen, al moest haar hart ook breken, haar zoon zou niet worden wat zij
waren.

--Woudt gij naar binnen gaan? vraagde Ben-Hur aan Amrah. Kom dan. Ik ga
met u mee. De Romeinen, dat 's Heeren wraak hen treffe, liegen. Dat is
mijn huis. Kom, Amrah, laat ons naar binnen gaan.

Zij traden binnen en sloten de deur, die nooit meer open zou gaan voor
de arme moeder en hare dochter. Zij hadden het offer gebracht. Zij bogen
zich diep in het stof. Men vond haar den volgenden morgen, en dreef haar
met steenen de stad uit. Weg met u! Gij behoort tot de dooden! Gaat naar
de dooden! riep men haar na.


       *       *       *       *       *


VIJFDE HOOFDSTUK.

AMRAHS TROUW.


Als de hedendaagsche reiziger den Koningstuin bij Jeruzalem bezoeken
wil, neemt hij zijnen weg door de bedding der beek Kedron, of langs den
Gihon en Hinnom, tot aan de oude fontein Rogel, drinkt dan van het
heerlijke water, en staat stil, want hij heeft het uiterste punt bereikt
van het bezienswaardige in die richting. Hij werpt een blik op de groote
steenen, die de bron omringen, onderzoekt hoe diep zij wel is, glimlacht
over de primitieve manier van waterscheppen, en geeft misschien een
aalmoes aan de arme ziel, die er de wacht bij houdt. Keert hij zich
daarna om, dan rusten zijne oogen op de bergen Moria en Sion ten
noorden, den Berg der Ergernis aan zijne rechterhand, en den Berg van
den Slechten Raad ter linkerzijde, welke bergen hij, zoo hij ten minste
thuis is in de bijbelsche geschiedenis en in de overlevering, met groote
belangstelling zal gadeslaan.

De beide laatste bergen zijn vol spelonken en holen, die toen ten tijde,
evenals de graven in het dal, tot woonplaats strekten aan de uit de stad
verdreven melaatschen.

Op den tweeden morgen na de gebeurtenissen in het vorige hoofdstuk
vermeld, begaf Amrah zich naar de bron Rogel, en ging bedaard op een
steen zitten. Zij had een waterkruik bij zich en een mandje, waarvan de
inhoud met een sneeuwwitten doek bedekt was. Toen zij gezeten was,
maakte zij haar hoofddoek los, vouwde de handen om hare knieën en
staarde peinzend naar den Akker des Pottenbakkers, later Akeldama
genoemd.

Het was nog zeer vroeg, nog niet volkomen dag en zij was de eerste bij
de bron. Niet lang daarna echter kwam een man met een touw en een leeren
emmer en hield zich gereed om water te putten. Men kon indien men dat
verkoos zichzelf helpen, maar anders was hij bereid om voor een
kleinigheid de grootste kruiken te vullen.

Amrah bleef stil zitten en bewaarde het zwijgen. Na een poosje vraagde
de man, of zij haar kruik soms gevuld wilde hebben, en toen zij
antwoordde: Nog niet,--lette hij verder niet op haar. Toen het volkomen
dag geworden was, kwamen zijne gewone klanten, zoodat hij zijne handen
vol werk had.

Terwijl Amrah nog altijd zit te wachten en uit te kijken, zullen wij
zien met welk doel zij daar kwam.

Zij was gewoon 's avonds ter markt te gaan. Onopgemerkt sloop zij dan
het huis uit, en begaf zich naar de winkels bij de Vischpoort, in het
oosten der stad, waar zij hare inkoopen deed, om daarna weder even
geheimzinnig in huis te komen. Hoe gelukkig zij was, dat zij haar jongen
meester weer bij zich had, kan men zich voorstellen. Zij kon hem echter
niets vertellen van zijne moeder en zuster. Hij trachtte haar over te
halen een andere woning te betrekken, maar zij was er niet toe te
bewegen. Gaarne zou zij gezien hebben, dat hij zijn oude kamer weer
betrokken had, die onveranderd dezelfde gebleven was, maar het gevaar
van ontdekt te worden was te groot, en hij wilde zoo min mogelijk de
aandacht trekken. Hij bleef dus bij zijn voornemen om in de herberg der
wijk Bezetha te overnachten, en beloofde Amrah zoo dikwijls mogelijk bij
haar te zullen komen, maar altijd 's avonds laat. Hiermede moest zij
zich tevreden stellen, en van nu was zij op niets anders bedacht, dan
hoe zij hem genoegen zou kunnen doen. Dat het kind intusschen man
geworden was scheen niet bij haar te wegen, en de mogelijkheid dat zijn
smaak veranderd kon zijn, kwam niet bij haar op, waarom zij hem als van
ouds dacht te bedienen. Zij herinnerde zich nog goed waar hij het meest
van gehouden had, en nam zich voor te zorgen dat zij daar altijd genoeg
van in huis had. Daarom ging zij de volgenden avond wat vroeger uit dan
gewoonlijk, en terwijl zij een winkel binnenging om honig te koopen
gebeurde het, dat zij op een groepje menschen stuitte, geschaard rondom
een werkman, die hun een verhaal deed.

Wat dat voor een verhaal was, zal de lezer wel begrijpen, als hij
verneemt, dat de verteller een der werklieden was, die den commandant
van den burcht Antonia bijgelicht hadden, toen hij de gevangenen in cel
VI bezocht. Hij vertelde alles wat hij gehoord en gezien had tot in de
kleinste bijzonderheden, ook den naam der ongelukkige slachtoffers.

Met welke gevoelens de trouwe Amrah naar die tijding luisterde valt niet
te beschrijven. Zij deed hare inkoopen en keerde als in een droom
huiswaarts. Welk eene verrassing kon zij den jongen meester nu bereiden!
Zij had zijne moeder gevonden!

Thuis gekomen bergde zij het gekochte weg, en lachte en schreide te
gelijk. Eensklaps bleef zij onbewegelijk staan en dacht een oogenblik
na. Ach, het zou immers zijn dood wezen, als hij hooren moest, dat zijne
moeder en zuster melaatsch waren! Zonder twijfel zou hij naar dat oord
der verschrikking bij den berg gaan en de besmette spelonken doorzoeken,
totdat hij ze gevonden had. Dan zou de ziekte ook hem aantasten en zou
hij haar lot moeten deelen. Zij wrong wanhopig de handen. Wat moest zij
doen!

Evenals menigeen voor en na haar hielp de liefde haar uit den nood.

De melaatschen, dat wist zij, waren gewoon 's morgens hunne holen te
verlaten, om het benoodigde drinkwater uit de bron Rogel te halen. Zij
brachten hunne waterkruiken mede, zetten die op den grond, en stonden
dan van verre te wachten, totdat zij gevuld waren. De wet was
onverbiddelijk en liet geen onderscheid toe tusschen rijken of armen.
Hare meesteres en Tirza zouden dit ook moeten doen.

Zoo besloot Amrah dan niets te zeggen van hetgeen zij gehoord had, maar
eerst naar de bron te gaan en daar te wachten. Honger en dorst zouden de
ongelukkigen derwaarts drijven, en zij geloofde zeker haar op het eerste
gezicht te zullen herkennen; zoo niet, dan zouden zij het haar doen.

Intusschen kwam Ben-Hur thuis en had veel met haar te bespreken. Morgen
zou Malluch komen, dan zouden zij terstond met het onderzoek beginnen.
Hij verlangde er vurig naar. Om zich wat afleiding te bezorgen wilde hij
de heilige plaatsen op den tempelberg gaan bezoeken. Het geheim woog de
arme Amrah wel zwaar op het hart, maar zij wist zich te beheerschen en
zweeg.

Na zijn vertrek zette zij zich aan den arbeid en maakte eenige
kostelijke spijzen gereed. Zoodra de sterren verbleekten en de eerste
morgenschemering aanbrak pakte zij hare mand vol, nam een waterkruik en
sloeg den weg in naar de bron Rogel, waar wij haar zien wachten.

Kort na zonsopgang, toen de bezoekers vele waren en de man de handen vol
werk had, toen zelfs een half dozijn emmers te gelijk werd neergelaten,
daar iedereen zich haastte om weg te komen, voordat de koele morgen
plaats maakte voor de hitte des daags, kwamen ook de arme spelonkbewoners
te voorschijn. Zij naderden in groepjes, vrouwen met kruiken op den
schouder, oude en zwakke mannen leunende op krukken en stokken, of op
den schouder van een jongere, sommige zelfs op draagbaren uitgestrekt,
ook enkele kinderen. Van hare zitplaats hield Amrah trouw de wacht. Meer
dan eens meende zij haar te zien, dien zij zocht. Dat zij op den berg
waren betwijfelde zij niet; dat zij komen moesten en zouden wist zij.
Als al de anderen gereed waren zouden zij komen, dat stond bij haar
vast.

Aan den voet van den berg was een grafspelonk, die meer dan eens Amrah's
opmerkzaamheid getrokken had door haar wijden ingang. Een bijzonder
groote steen lag bij de opening. Gedurende het heetst van den dag wierp
de zon hare stralen in het oogenschijnlijk onbewoonde en onbewoonbare
hol. En zie, juist uit die spelonk zag de geduldige Egyptische tot hare
verbazing twee vrouwen komen, waarvan de eene de andere leidde en
steunde. Beider haar was wit, beiden schenen reeds oud te zijn, maar
hare kleeding was netjes en goed. Zij zagen rondom zich, alsof alles
haar vreemd was. Verbeeldde Amrah het zich, of schrikten die twee, toen
zij hare deelgenooten in de ellende zagen? 't Waren maar kleinigheden,
die zij opmerkte, maar zij deden haar hart sneller kloppen en hare
aandacht uitsluitend op die twee vrouwen vestigen.

De twee melaatschen bleven een oogenblik bij den steen staan, en gingen
toen langzaam en alsof het loopen haar moeilijk viel naar de bron,
waarop verscheidene stemmen haar toeriepen te blijven waar zij waren;
maar 't scheen alsof zij het niet begrepen, want zij gingen door. De
putbewaarder nam eenige steentjes op om haar daarmede te verdrijven, de
omstanders wierpen haar vloeken naar 't hoofd, en de andere melaatschen
riepen luid: Onrein! Onrein!

--Ja zeker, dacht Amrah, die twee zijn vreemd en kennen de gebruiken der
melaatschen niet.

Zij stond op, ging haar te gemoet met haar mandje en kruik, en terstond
hield het rumoer aan de bron op.

--Hoe dwaas, zeide één lachend, zulk goed eten aan de dooden te geven!

--En er nog wel zoo ver voor te komen, zeide een ander. Ik zou ze
tenminste aan de poort bescheiden.

Amrah stoorde zich niet aan de praatjes en volgde de inspraak van haar
hart. Toch was zij er nog niet geheel zeker van. Als zij zich eens
vergiste! De moed ontzonk haar bijna, en hoe dichter zij bij de twee
vrouwen kwam, des te meer raakte zij aan het twijfelen. Op een afstand
van tien of twaalf voetstappen bleef zij staan. Kon dat de geliefde
meesteres zijn, wier edele trekken zij zoo trouw in dankbaar aandenken
bewaard had? En kon dat Tirza zijn, die zij van klein af verzorgd had,
met wie zij gespeeld had? Dat de lieve, mooie, vroolijke Tirza, de
zonnestraal in het groote huis? Onmogelijk. Het aanschouwen dier
rampzaligen maakte haar ziek.

--Dit zijn oude vrouwen, zeide zij tot zichzelve. Ik heb ze vroeger
nooit gezien; ik zal maar teruggaan.

Zij keerde zich om en ging.

--Amrah! riep een der beide melaatschen.

--Wie roept mij? vraagde Amrah bevend.

--Amrah!

--Wie zijt gij? vraagde zij.

--Wij zijn, die gij zoekt.

Amrah viel op hare knieën.

--O lieve, lieve meesteres! Uw God, die ook de mijne is, zij geloofd en
geprezen, dat ik u heb mogen vinden!

De trouwe ziel kroop op de knieën naar haar toe.

--Pas op, Amrah! Kom niet dichterbij. Onrein! Onrein!

Amrah, dus tegengehouden, bedekte haar gelaat met beide handen en snikte
zoo luid, dat de menschen bij de bron het hoorden. Eensklaps richtte zij
zich op en vraagde: Lieve meesteres, waar is Tirza toch?

--Hier ben ik, Amrah, hier! Zoudt gij mij wat water willen geven?

Amrah sprong op, streek zich het haar uit de oogen, en nam den doek van
haar mandje. Zie, sprak zij, ik heb wat brood en vleesch voor u
meegebracht.

--Dat is goed van u, Amrah. Wilt gij nu wat water voor ons halen? dan
nemen wij het mee naar de spelonk. Meer moogt gij vandaag niet voor ons
doen.

De lieden bij de bron, die dit alles van verre hadden gadegeslagen,
gingen voor Amrah op zijde, en hielpen haar zelfs de kruik vullen,
zoozeer wekte haar zichtbare droefheid hun medelijden op.

--Wie zijn dat? vraagde eene vrouw.

Zacht antwoordde Amrah: Zij zijn goed voor mij geweest.

Toen de kruik gevuld was zette zij die op haar schouder en spoedde zich
naar de melaatschen terug. In haren ijver zou zij tot vlak bij haar
gegaan zijn, maar de kreet: Onrein! Onrein! hield haar nog intijds
tegen. Zij zette de kruik naast het mandje, en ging een paar stappen
terug.

--Hartelijk dank, goede Amrah, gij hebt braaf gehandeld.

--Kan ik nog iets voor u doen?

De moeder had de kruik reeds opgenomen en hoewel zij versmachtte van
dorst zette zij haar weder op den grond en zeide: Ja. Ik weet dat Juda
thuis gekomen is. Ik zag hem eergisteravond op de stoep liggen slapen,
en ik zag u, toen gij hem wakker maaktet.

Amrah sloeg de handen ineen en riep: Dat zaagt gij, en kwaamt niet bij
ons.

--Dat mocht ik immers niet doen. Ach, Amrah, ik kan mijn zoon nooit meer
in de armen nemen, hem nooit meer aan mijn hart drukken. Amrah, ik weet
dat gij hem liefhebt, niet waar?

--Ja, ja, ik wil als 't noodig is voor hem sterven, riep de trouwe ziel.

--Welnu, geef mij daar een bewijs van.

--Al wat gij wilt.

--Dan moogt gij hem niet zeggen waar en hoe gij ons gevonden hebt.
Anders niet.

--Maar hij zoekt u overal! Hij is van verre gekomen om u te zoeken!

--Hij mag ons niet vinden. Hij mag niet worden wat wij zijn. Luister,
Amrah. Blijf ons dagelijks van het noodige voorzien, zooals gij heden
deedt. Het zal niet lang noodig zijn, neen, niet lang. Kom 's morgens en
's avonds en vertel ons van hem; maar tegen hem geen woord over ons.
Belooft gij mij dat, Amrah? drong de moeder met trillende stem.

--Ach, 't zal mij zoo zwaar vallen te zien hoe hij u overal loopt te
zoeken, en hem dan niet te kunnen of te mogen zeggen, dat u nog leeft!

--Kunt ge hem zeggen dat gij ons gezond en wel hebt aangetroffen, Amrah?

Amrah snikte.

--Neen, vervolgde de moeder, en daarom moet gij zwijgen. Ga nu, en kom
van avond terug, dan zien wij naar u uit. Tot zoolang, vaarwel!

Amrah bleef geknield liggen, totdat moeder en dochter in de spelonk
verdwenen waren. Toen keerde zij bedroefd huiswaarts. Dienzelfden avond
kwam zij terug en deed dat voortaan dag aan dag, zoodat het de
uitgestootenen aan niets ontbrak. De spelonk, hoe eenzaam en verlaten
ook, was toch niet zoo somber, als de cel in den burcht. Het daglicht
stroomde naar binnen, zij waren in de vrije natuur, en het valt
gemakkelijker geloovig den dood te verbeiden onder de open lucht, dan in
een onderaardschen kerker.


       *       *       *       *       *


ZESDE HOOFDSTUK.

DE KAMPVECHTER.


Aan den morgen van den eersten dag der zevende maand Tishri in 't
Hebreeuwsch, October bij ons, verrees Ben-Hur van zijne legerstede in de
herberg,--ontevreden met de geheele wereld.

Na de aankomst van Malluch, nu anderhalve maand geleden, waren zij
dadelijk aan het werk getogen. Malluch begaf zich allereerst naar den
burcht Antonia, en wendde zich rechtstreeks tot den commandant, wien hij
een omstandig verhaal deed aangaande het gebeurde met de familie Hur, en
duidelijk deed uitkomen, dat bij het ongeluk aan Gratus overkomen geen
sprake kon zijn van boosaardig opzet. Het doel van zijne nasporingen
was, zeide hij, ingeval de ongelukkigen nog leefden, den keizer een
smeekschrift aan te bieden, met verzoek om herstel van eer, rechten en
goederen. Zulk een smeekschrift zou, daar twijfelde hij niet aan, een
nauwkeurig onderzoek ten gevolge hebben, een onderzoek, waarvoor de
vrienden der familie volstrekt niet vreesden.

Tot antwoord deelde de commandant hem mede, dat de vrouwen in cel VI
gevonden waren, en gaf hem de memorie ter inzage, die hijzelf opgesteld
had, ja, stond zelfs toe dat Malluch er een afschrift van nam.

Daarop haastte deze zich terug naar Ben-Hur.

De jonkman was verplet hij het hooren van de vreeselijke tijding. Zijne
smart was te groot om in tranen of hartstochtelijke uitbarstingen van
woede verluchting te kunnen vinden. Doodsbleek bleef hij langen tijd
voor zich uit staren, nu en dan bij zichzelven herhalende: Melaatsch!
Zij--, moeder en Tirza--zij melaatsch! Hoe lang, o God, hoe lang?

Het eene oogenblik was hij vol van deernis, het volgende smachtte hij er
naar wraak te nemen. Eindelijk stond hij op.

--Ik moet ze gaan zoeken, Malluch! Misschien zijn zij stervend!

--Waar wilt gij zoeken? vraagde deze.

--Er is maar ééne plaats, waarheen zij hebben kunnen gaan.

Malluch trachtte het hem te ontraden, en slaagde er eindelijk in hem te
overtuigen van de noodzakelijkheid er zich persoonlijk buiten te houden
en alles aan hem, Malluch, over te laten. Te zamen gingen zij naar de
poort tegenover den Berg van den Slechten Raad, sinds onheugelijke
tijden de plaats, waar de melaatschen aan den weg zaten te bedelen. Daar
bleven zij den ganschen dag, deelden aalmoezen uit, vraagden overal of
men de twee vrouwen ook gezien had, en beloofden een rijke belooning aan
ieder, die hare verblijfplaats kon aanwijzen. Dat hielden zij anderhalve
maand lang dagelijks vol. De melaatschen, voor wie de uitgeloofde
belooning een machtige drijfveer was, doorzochten ijverig den omtrek,
maar tevergeefs. Ook de bewoonsters van de groote spelonk bij de bron
werden meer dan eens ondervraagd, maar zij wisten haar geheim te
bewaren.

--Waar kunnen zij toch gebleven zijn? vraagde Ben-Hur eindelijk
ontmoedigd, om er dan in bitterheid des gemoeds op te laten volgen: Ach,
zij zijn zeker dood; weggegaan--de wildernis in, en daar omgekomen.
Moeder dood--Tirza dood--ik alleen overgebleven. En waarvoor? Hoe lang,
o Heer, God mijner vaderen, hoe lang zal Rome mogen blijven bestaan?

Toornig, hopeloos, wraakzuchtig trad hij den voorhof van de herberg in,
en vond dien vol met menschen, welke gedurende den nacht waren
aangekomen. Terwijl hij zijn ontbijt gebruikte luisterde hij naar hunne
gesprekken. Eén gezelschap trok hem vooral aan. Het bestond uit sterk
gebouwde, geharde jonge mannen, wier manieren en spraak verrieden, dat
zij uit de provincie kwamen. Uit hun oogopslag, uit de houding van hun
hoofd sprak een geest, dien men niet bij de mindere klasse van Jeruzalem
opmerkte, de geest, die een gevolg is van het vrije gezonde leven in een
bergachtige streek. Weldra vernam hij, dat zij uit Galilea kwamen, en
hoofdzakelijk naar Jeruzalem gekomen waren om deel te nemen aan het
feest der Trompetten, dat op dien dag zou gevierd worden. Nu werd zijne
belangstelling nog grooter, want in Galilea hoopte hij allereerst hulp
te vinden voor het werk, dat hij weldra moest aanvaarden.

Terwijl hij hen gadesloeg en naging wat hij met een legioen van zulke
mannen, gedrild naar de strenge Romeinsche wetten, al niet zou kunnen
uitrichten, kwam een man de herberg binnenloopen met gloeiend gelaat en
schitterende oogen.

--Wat doet gij hier? vraagde hij de Galileërs. De rabbijnen en Oudsten
gaan juist uit den Tempel naar Pilatus. Haast u en komt mee, dan sluiten
wij ons bij hen aan.

In een oogwenk had hij de Galileërs rondom zich.

Naar Pilatus? Waarvoor?

--Zij hebben eene samenzwering ontdekt. Pilatus wil zijne nieuwe
waterleiding betalen met geld uit den Tempelschat.

--Wat? Met het heilige geld? riepen verscheidene mannen met vlammende
blikken. Het is geld van God. Laat hij probeeren er een penning van te
nemen, als hij durft!

--Komt dan! riep de boodschapper. De stoet is al over de brug; geheel
Jeruzalem is uitgeloopen en volgt hen. Wij zijn misschien noodig. Maak
voort!

Snel wierpen de mannen hun overtollige bovenkleeren af, en stonden daar
blootshoofds en in de korte tunica zonder mouwen, die zij gewoon waren
te dragen bij den veldarbeid, of bij de visscherij, de kleedij, waarin
zij de kudden weidden op de bergen en de rijpe druiven plukten in den
wijngaard.

--Wij zijn gereed, zeiden zij, hun gordels vaster aantrekkende.

Toen sprak Ben-Hur hen aan. Mannen van Galilea, zeide hij, ik ben een
zoon van Juda. Mag ik met u gaan?

--Het zal misschien tot een gevecht moeten komen.

--Welnu, in dat geval zal ik niet de eerste zijn, die op de vlucht gaat.

Zij zagen hem lachend aan en de bode zeide: Gij ziet er sterk genoeg
uit. Kom mee!

Ben-Hur wierp zijn opperkleed af. Gij denkt dus dat er gevochten zal
worden? vraagde bij koeltjes.

--Ja.

--Met wie?

--Met de wacht.

--Legioenen?

--Op wie anders kunnen de Romeinen zich verlaten?

--Welke wapenen hebt gij?

Niemand antwoordde.

--Nu, zeide hij, wij zullen ons zoo goed mogelijk moeten verweren. Maar
zou het niet verstandig zijn, als wij een aanvoerder kozen? De legioenen
hebben er ook altijd een, en handelen daardoor eenparig.

De Galileërs staarden hem verbaasd aan, alsof zij van zoo iets nooit
gehoord hadden.

--Laat ons ten minste afspreken bij elkander te blijven, zeide hij. Ik
ben gereed. Gijlieden ook?

--Ja, laat ons gaan.

De herberg, het zij hier even herinnerd, stond te Bezetha, de nieuwe
stad, en om naar het Praetorium te gaan, zooals de Romeinen hoogdravend
het paleis van Herodes op den berg Sion noemden, moesten onze vrienden
de laaglanden ten noorden en westen van den Tempel oversteken. Na den
heuvel Akra te zijn omgetrokken, bereikten zij den toren Mariamne.
Vandaar was men in een paar minuten bij de groote poort van het paleis.
Overal ontmoetten zij op hun weg lieden, die zich met hetzelfde doel
hadden opgemaakt. Toen zij ten laatste de poort van het Praetorium
bereikten, was de stoet van rabbijnen en Oudsten juist naar binnen
gegaan met een groot gevolg achter zich, terwijl een nog grootere,
luidruchtige menigte buiten wachtte.

Een centurio bewaakte met een goed gewapende wacht den ingang. De zon
wierp haar gloeiende stralen op de helmen en schilden der soldaten, maar
bleven onbewegelijk staan, even onverschillig voor het oogenverblindend
geflikker, als voor het gejoel der menigte. Door de openstaande bronzen
poorten stroomden tal van burgers naar binnen, terwijl een veel kleiner
getal er uit kwam.

--Wat is er aan de hand? vraagde een Galileër aan een man, die naar
buiten kwam.

--Niets, antwoordde deze. De rabbi's staan voor de deur van het paleis
en verlangen Pilatus te zien. Hij heeft geweigerd naar buiten te komen.
Nu hebben zij hem doen weten, dat zij niet weg zullen gaan, voordat hij
hen gehoord heeft. Zij wachten nog.

--Laat ons naar binnen gaan, zeide Ben-Hur bedaard, want hij zag wat
zijne eenvoudige makkers waarschijnlijk niet zagen--dat men hier niet
alleen met een verschil tusschen de rabbi's en den procurator te doen
had, maar dat het eene zaak was, waar een beslissing op moest volgen, en
dat nu maar de vraag was wie zijn zin zou krijgen.

Zij traden binnen en kwamen in een voorhof, aan weerszijden met boomen
beplant en van banken voorzien. Zich rechts keerend ging het gezelschap
naar een ruime vierkante plaats, aan wier westzijde de woning van den
procurator lag. Daar bewoog zich een opgewonden menigte. De oogen van
allen waren op eene in een breeden doorgang aangebrachte deur gericht,
die gesloten was. Onder dien doorgang was een tweede wacht geschaard.

Het gedrang was zoo groot dat onze vrienden, al wilden zij nog zoo
gaarne, niet vooruit konden komen. Zij bleven dus waar zij waren en
gaven nauwlettend acht op wat er gebeurde. In de voorste rijen konden
zij de hooge tulbanden der rabbijnen zien, wier ongeduld zich telkens
openbaarde in den kreet: Pilatus, als gij procurator wilt zijn, kom dan
naar buiten!

Eenmaal kwam een der voorsten terug en baande zich een weg door de
menigte; zijn gelaat gloeide van toorn. Israël wordt hier niet geteld,
riep hij met luide stem. Op dezen gewijden grond behandelt men ons,
alsof wij Romeinsche honden waren.

--Zal hij niet buiten komen, denkt gij?

--Buiten komen? Heeft hij niet reeds driemaal geweigerd?

--Wat zullen de rabbijnen doen?

--Wat zij te Cesarea deden: hier blijven wachten, totdat hij naar hen
luistert.

--Hij zal toch den Tempelschat niet durven aanraken, denkt gij wel?
vraagde een der Galileërs.

--Wie zal het zeggen! Heeft niet een Romein het heilige der heiligen
ontreinigd? Is iets heilig voor een Romein?

Een uur ging voorbij, en ofschoon Pilatus hen geen antwoord waardig
keurde, hielden de rabbijnen stand. Zoo ook de scharen. Tegen den middag
begon het te regenen, hetgeen niet verhinderde, dat de menigte
aangroeide en steeds rumoeriger en ontevredener werd. Kom naar buiten!
Kom buiten! klonk het onophoudelijk.

Intusschen hield Ben-Hur zijne Galileesche vrienden bijeen. Hij
vermoedde dat de hoogmoed den Romein weldra zijn voorzichtigheid zou
doen vergeten en het einde spoedig daar zou zijn. Pilatus wachtte
slechts totdat het volk zelf hem een voorwendsel zou geven, om tot
geweld zijn toevlucht te nemen.

Het einde kwam dan ook werkelijk spoedig genoeg.

Eensklaps hoorde men dat er slagen vielen, gevolgd door luide kreten van
pijn en woede. Alles geraakte in beweging. De eerwaardige mannen voor de
portiek keken verschrikt om. Het volk in de achterhoede drong vooruit,
die in het midden stonden trachtten achteruit te wijken, en gedurende
een oogenblik was de drukking van twee kanten verschrikkelijk. Duizenden
stemmen vraagden wat er gebeurd was, maar niemand kon het antwoord
geven.

Ben-Hur behield zijne bedaardheid. Kunt gij zien wat daar geschiedt?
vraagde hij een der zijnen.

--Neen.

--Ik zal u optillen.

Hij greep den man met beide handen om het middel en tilde hem van den
grond.

--Wat ziet ge?

--Mannen met knuppels gewapend. Zij slaan op het volk in. Zij zijn als
Joden gekleed.

--Wie zijn het?

--Romeinen! vermomde Romeinen! Zij slaan er duchtig op los. Daar slaan
zij een rabbi neer,--een oud man! Zij sparen niemand.

Ben-Hur zette hem weer op den grond.

--Mannen van Galilea, zeide hij, het is een list van Pilatus. Als gij
doen wilt wat ik zeg, zullen wij eens gauw met die knuppelaars
afrekenen.

--Ja, ja! riepen zij eenstemmig.

--Laat ons dan teruggaan naar de boomen bij de poort, die zullen ons van
dienst kunnen zijn. Komt!

Zij liepen zoo hard zij konden terug, en met vereende krachten braken
zij de dikste takken van de boomen. In korten tijd waren ook zij
gewapend. Juist wilden zij optrekken, toen de menigte als razend op de
vlucht sloeg en hun den weg dreigde af te snijden. Het was een geweldig
rumoer: schreeuwen, kermen, vloeken.

--Langs den muur! beval Ben-Hur. Langs den muur! Laat den hoop
voorbijgaan!

Zij gehoorzaamden, drukten zich tegen den muur aan hunne rechterzijde,
ontkwamen op die wijze het gevaar van te worden meegesleurd door den
machtigen stroom, en drongen stap voor stap vooruit, totdat ten laatste
de voorplaats bereikt was.

--Blijft nu bijeen, en volgt mij! riep Ben-Hur.

Zijn meesterschap was ten volle erkend, en toen hij zich tusschen de
woedende menigte wierp, volgden zij hem als een eenig man.

Toen nu de Romeinen, die nog steeds met hunne knuppels zwaaiden en zich
vroolijk maakten, als zij eenigen van het volk neersloegen, handgemeen
werden met de Galileërs, vlug van leden, vurig van geest, en eveneens
gewapend, waren zij op hunne beurt verrast. Het tieren en razen werd
heftiger, de slagen volgden elkander sneller en moorddadiger. Ben-Hur
verrichtte wonderen van dapperheid. Zijn geoefende sterke hand miste
nooit haar doel. Hij was te gelijk strijder en aanvoerder, altijd
vooraan, altijd in 't heetst van het gevecht. In zijn krijgsgeschreeuw
was iets dat zijne volgers bezielde en zijne vijanden met bezorgdheid
vervulde. Weldra begonnen de Romeinen te wijken, eindelijk sloegen zij
op de vlucht. De Galileërs zouden hen tot aan de portiek hebben willen
vervolgen, maar Ben-Hur hield hen wijselijk tegen.

--Niet verder, mannen! riep hij. Daar komt de hoofdman met de wacht. Zij
hebben zwaarden en schilden. Tegen hen zijn wij niet opgewassen. Wij
hebben ons flink gehouden; laat ons terugtrekken, de poort uit, terwijl
wij nog kunnen.

Langzaam trokken zij af. Gedurig moesten zij over hunne gevallen
broeders heenstappen; sommige leefden nog en vraagden kermend om hulp.
Maar de gesneuvelden waren niet allen Joden. Dat was een troostrijke
gedachte.

De hoofdman riep hen spot- en scheldwoorden na, maar Ben-Hur lachte hem
uit en antwoordde in het Latijn: Als wij Joodsche honden zijn, zijt
gijlieden Romeinsche jakhalzen. Blijf maar, wij zullen wel terugkeeren!

De Galileërs juichten hem toe en gingen lachend verder. Buiten de poort
stond een saamgepakte menigte, straten, daken, berghelling, alles was
vol met menschen, die hunne verontwaardiging luide lucht gaven.

De wacht aan de buitenzijde liet de Galileërs ongemoeid door. Toen zij
een eindweegs gegaan waren, zeide Ben-Hur tot de Galileërs: Broeders,
gij hebt u dapper geweerd. Laat ons nu afscheid nemen, maar komt van
avond bij mij in de herberg te Bethanië. Ik heb u een voorstel te doen
in het belang van het geheele volk van Israël.

--Wie zijt gij? vraagden zij.

Een zoon van Juda. Zult gij komen?

--Ja, wij zullen komen.

Dit afgesproken zijnde ging ieder zijns weegs.

Op bevel van Pilatus werden de dooden en gewonden weggedragen. Onder het
volk was veel geween; maar die getuigen geweest waren van de overwinning
der Galileërs onder aanvoering van den onbekenden jongen held, vertelden
overal wat er geschied was, en wachtten in spanning, of hij nog van zich
zou doen hooren.

Zoo had Ben-Hur den eersten stap gedaan om zich vrienden te maken onder
de Galileërs, en zich den weg gebaand tot grootere daden in dienst des
Konings, die te komen stond.

Met welk gevolg zullen wij weldra zien.


       *       *       *       *       *


BOEK VII.


       *       *       *       *       *


EERSTE HOOFDSTUK.

DE HERAUT.


De samenkomst in de herberg te Bethanië had dienzelfden avond plaats.
Van daar begaf Ben-Hur zich met zijne volgelingen naar Galilea, waar men
reeds van zijn moedig optreden gehoord had. Nog vóór het einde van den
winter had hij drie legioenen bijeen vergaderd en naar Romeinsche wijze
ingericht. Hij zou gemakkelijk het dubbele getal hebben kunnen
verzamelen, want de krijgsmansgeest was in het dappere volk ontwaakt.
Zoowel tegenover Rome als tegenover Herodus Antipas waren echter de
grootste voorzichtigheid en geheimhouding noodzakelijk. Zich dus voor
het oogenblik tevreden stellende met drie legioenen, spande hij alle
krachten in om hen te gewennen aan strenge tucht en gemeenschappelijken
arbeid. Tot dat doel bracht hij de hoofdlieden naar de woeste streken
van Trachonitis, en onderwees hen in het hanteeren der wapenen,
inzonderheid van werpspies en zwaard, en in het aanvoeren van
manschappen. Daarop zond hij hen naar huis terug, om op hunne beurt
anderen te onderwijzen. Na weinig tijds waren deze oefeningen een
geliefkoosde uitspanning onder het volk geworden.

Natuurlijk vereischte deze werkzaamheid veel geduld, beleid, ijver en
opoffering, hoedanigheden die onontbeerlijk zijn, zal men anderen kunnen
bezielen. Hoe zwoegde hij van den ochtend tot den avond, zichzelf geheel
vergetende! Toch zou hij niet geslaagd zijn zonder de hulp van Simonides,
die hem van wapenen en geld voorzag, en van Ilderim, die hem proviand
bezorgde en overal wachten had uitgezet.

Voor de Galileërs had hij niets dan lof. Onder dien naam waren de
stammen Aser, Zebulon, Issaschar en Nafthali begrepen, die het land
bewoonden, hun weleer door Mozes aangewezen. De Joden, die in den omtrek
des Tempels geboren waren, verachtten hunne noordelijke broederen, maar
zelfs de Talmud leerde: De Galileër bemint de eer, de Jood het geld.

Hun haat tegen Rome was even vurig als hunne liefde voor het vaderland.
Bij elken opstand waren zij de eersten om aan te vallen en de laatsten
om te wijken. Honderdvijftigduizend Galileesche mannen hebben hun leven
gelaten in den laatsten kamp tegen Rome. Voor de groote feesten trokken
zij als geordende legerscharen op naar Jeruzalem en kampeerden in het
open veld. Toch waren zij zeer vrijzinnig, en zelfs toegevend voor het
heidendom. Op de schoone steden door Herodes in Romeinschen trant
gebouwd, vooral op Sepphoris en Tiberias, waren zij zeer trotsch en
droegen voor den bouw naar vermogen bij. Mannen uit alle oorden der
wereld hadden hunnen woonstede onder hen en leefden er in vrede. Tot
roem van den Hebreeuwschen naam brachten zij dichters en profeten voort,
met name den zanger van het hooglied en Hosea.

Op een volk met zoo rijke verbeelding, zoo hooghartig, dapper en trouw,
moest het verhaal van de aanstaande komst des nieuwen konings machtig
werken. Dat zijn doel was Rome ten onder te brengen zou reeds voldoende
geweest zijn, om hem te winnen voor Ben-Hurs plannen, doch toen men hun
daarenboven verzekerde, dat de koning de wereld zou regeeren en een rijk
zou stichten, nog machtiger dan dat van Cesar, nog heerlijker dan dat
van Salomo, en dat die heerschappij eeuwig zou voortduren, stroomden zij
toe, en wijdden zij zich met lichaam en ziel aan 's konings zaak. Zij
vraagden Ben-Hur vanwaar hij deze dingen wist--en hij wees hen op de
profeten, en vertelde hun van Balthasar, die in Antiochië op de komst
des konings wachtte. Dat voldeed hen, want het was de oude
Messiasbelofte, naar wier vervulling zij reeds zoo lang hadden
uitgezien. De droom zou dus eindelijk verwezenlijkt worden.

De wintermaanden gingen voorbij. De lente kwam, en zoo voortreffelijk
was hij met alles geslaagd, dat hij tot zichzelven en zijne volgelingen
mocht zeggen: laat de koning nu maar komen. Hij heeft slechts te bevelen
waar hij zijnen troon wil opgericht zien--wij zijn gereed om hem op
zijnen troon te handhaven.

De Galileërs kenden hunnen aanvoerder alleen als een zoon van Juda. Een
anderen naam had hij hun niet opgegeven.

       *       *       *       *       *

Op zekeren avond zat Ben-Hur in Trachonitis met een paar van zijne
Galileesche vrienden voor de spelonk, waar hij zijn hoofdkwartier had
opgeslagen, toen een Arabische bode kwam aanrijden en hem een brief
overhandigde. Hij verbrak het zegel en las:

     Jeruzalem IV Nisan.

     Een profeet is opgestaan, van wien men zegt dat hij Elias is. Hij
     heeft jarenlang in de wildernis geleefd, en in onze oogen is bij
     een profeet. Zijne taal maakt hem ook als zoodanig openbaar. In
     zijne prediking wijst bij steeds op één, grooter dan hijzelf, die
     weldra komen zal. Hij houdt zich op aan den oostelijken oever van
     den Jordaan. Ik ben hem gaan zien en hooren, en geloof vast dat
     degeen op wien hij wacht de koning is, dien gij verwacht. Kom en
     oordeel zelf. Geheel Jeruzalem gaat tot den profeet, en de plaats
     waar hij vertoeft is zoo vol, als de Olijfberg gedurende de laatste
     dagen van het Paaschfeest.

     Malluch.

Ben-Hurs gelaat werd met een glans van vreugde overtogen. Mijne vrienden,
zeide hij, ons wachten is ten einde. De heraut van den koning is verschenen
en heeft zijne komst aangekondigd.

Nadat hij hun den brief had voorgelezen, verheugden zij zich allen met
groote blijdschap.

--Maakt u dus gereed, vervolgde hij, en keert morgenochtend huiswaarts.
Doet al de uwen weten, dat zij zich gereed houden om op te trekken,
zoodra ik het sein geef. Ik zal gaan zien, of de komst van den koning
werkelijk zoo nabij is en het u doen weten.

Hij ging de spelonk binnen om een brief te schrijven aan Ilderim en aan
Simonides, waarin hij hun de zoo even ontvangen tijding mededeelde. De
brieven verzond hij door ijlboden. 's Avonds, toen de sterren aan den
hemel flonkerden, steeg hij te paard en begaf zich met een Arabischen
gids op weg naar den Jordaan. Zijn plan was den weg te volgen tusschen
Rabbath Ammon en Damascus, den weg, dien de karavanen gewoonlijk namen.

De gids was vertrouwbaar. Aldebaran was vlug;--tegen middernacht hadden
zij het lavagebied reeds achter zich en waren zij op weg naar het Zuiden.


       *       *       *       *       *


TWEEDE HOOFDSTUK.

EEN VERRASSING.


Ben-Hur had gehoopt met het aanbreken van den dag een veilige rustplaats
te zullen bereiken, maar de morgenstond overviel hem in de woestijn, en
hij zette de reis voort, daar de gids hem verzekerde, dat zij weldra aan
een door hooge rotsen ingesloten dal zouden komen, waar hij een bron,
moerbeiboomen en gras in overvloed zou vinden.

Nadat zij eenigen tijd zwijgend hadden doorgereden, vestigde de gids,
die aanhoudend rondkeek, zijne aandacht op een gezelschap, dat, hoewel
nog verre achter hen, denzelfden weg scheen te volgen.

--Het is een gezadelde kameel, zeide de gids een oogenblik later.

--Zijn er geleiders bij? vraagde Ben-Hur.

--Neen ... of ja, er is een man te paard bij, zeker de drijver.

Een weinig later kon Ben-Hur zelf den kameel onderscheiden. Hij was wit
en buitengewoon groot, en herinnerde hem terstond het schoone dier, dat
hij bij de Castaliabron gezien had. Geen ander was dien kameel gelijk.
Zijne gedachten vlogen terug naar de Egyptische, ongemerkt liet hij zijn
paard langzamer gaan. Eindelijk zag hij dat de kameel een overdekte
zonnetent droeg, waarin twee personen zaten. Als dat eens Balthasar en
Iras waren? Zou hij zich aan hen bekend maken? Maar dat was immers niet
mogelijk! Wat zouden zij hier in de woestijn doen, zij alleen?

Terwijl hij de mogelijkheid of onmogelijkheid overdacht, was de kameel
hem reeds op zijde gekomen. Hij hoorde het gerinkel der belletjes en zag
de rijke versiering, die het volk aan de Castaliabron zoozeer bekoord
had; ook den Ethiopiër herkende hij. Toen de kameel het paard had
ingehaald hield hij stil, en zag Ben-Hur de verbaasde oogen van Iras op
zich gevestigd.

--De zegen van den waren God zij met u, zeide Balthasar.

--En met u en de uwen, antwoordde Ben-Hur.

--Mijne oogen zijn verzwakt door de jaren, zeide Balthasar, maar toch
meen ik in u den zoon uit het huis van Hur te herkennen, dien ik onlangs
ontmoet heb, als den geëerden gast van Ilderim.

--En gij zijt Balthasar, de wijze Egyptenaar, wiens gesprek over zekere
heilige zaken mij nog in de ooren klinkt, te meer daar diezelfde zaak
mij de reis door deze wildernis deed aanvaarden. En wat bracht u hier
zoo alleen?

--Hij, die op God vertrouwt, is nooit alleen, en God is overal, zeide
Balthasar ernstig. Maar in antwoord op uwe vraag diene, dat een
karavaan, op weg naar Alexandrië, ons op korten afstand volgt, en daar
zij Jeruzalem denkt aan te doen, dacht het mij goed gebruik te maken van
haar geleide tot aan de Heilige Stad, waarheen ik op reis ben. Zij gaat
mij echter te langzaam, daarom reden wij hedenmorgen vooruit. Voor
roovers op den weg zijn wij niet bang, want wij hebben een geleibrief
van Sheik Ilderim, en tegen roofdieren is God onze beschutting.

--De geleibrief van den Sheik is van kracht zoover de woestijn zich
uitstrekt, en de leeuw, die dezen vorst der kameelen inhaalt, moet zeker
nog geboren worden, zeide Ben-Hur, het dier op den hals kloppende.

--Ja, zeide Iras, maar ook hij verlangt naar het verbreken van zijn
vasten. Koningen voelen daar ook wel de gevolgen van. Indien gij
werkelijk de Ben-Hur zijt, dien ik het genoegen heb gehad reeds vroeger
te ontmoeten, zal het u zeker een genoegen zijn ons den weg te wijzen
naar een bron, want wij verlangen naar een teug frisch water.

--Schoone Egyptische, antwoordde hij, ik kan met u gevoelen. Kunt gij
nog vijf minuten geduld oefenen, dan zal ik u bij eene bron brengen,
wier water niet onderdoet voor dat van de beroemde Castaliabron.

Dit gezegd hebbende reed Ben-Hur vooruit met den gids, daar het gesprek
onder het rijden toch niet kon worden voortgezet. Na een korten rit kwam
het gezelschap aan een _wady_. Hare bedding was zeer week door de regens
van de laatste dagen en voerde vrij steil naar beneden. Weldra echter
werd zij breeder en verliep ten slotte in een vruchtbare vallei, die, na
de zandige eentonige vlakte, den indruk maakte van een paradijs. Eenige
bloeiende oleanders, wier schitterend roode bloemen dadelijk de aandacht
tot zich trokken, waren het sieraad van dit liefelijk oord. Een statige
palmboom verhief zijn kruin ten hemel en bood den reizigers rust en
koelte aan onder zijn breede takken. Een moerbeziënboschje ter
linkerzijde gaf de plaats aan waar de bron te vinden was.

Het water stroomde uit een rotsspleet, die door een zorgende hand
verbreed was, en waarboven in groote letters het woord GOD in het
Hebreeuwsch gegraveerd stond. Zonder twijfel had hij, die de letters in
den steen gegrift had, hier dagen lang getoefd, en op deze wijze zijne
dankbaarheid geuit.

Ben-Hur en de gids stegen af, de Ethiopiër deed den kameel nederknielen,
zoodat Balthasar en Iras de tent konden verlaten.

De Egyptenaar keerde zijn gelaat naar het Oosten, vouwde de handen
eerbiedig en bad.

--Geef mij een beker, beval Iras ongeduldig, en toen de Ethiopiër haar
onhandig een kristallen beker had gebracht, zeide zij tot Ben-Hur: Ik
zal u bedienen.

Te zamen wandelden zij naar de bron. Hij wilde water voor haar scheppen,
maar zij stond het hem niet toe, knielde neder, vulde zelve den beker en
bood hem dien aan.

--Neen, neen, zeide hij, het is aan mij u dezen dienst te bewijzen.

Zij bleef echter aandringen, er bijvoegende: Wij, Egyptenaren, zoon van
Hur, hebben een spreekwoord: Beter de schenker te zijn van den gelukkige,
dan raadsman van een koning.

Nu voegde Balthasar zich bij hen.

--Wij zijn u zeer verplicht, zeide hij, deze vallei is liefelijk; het
gras, de boomen, de schaduw noodigen ons tot een rustig verblijf. De
bron fonkelt in den zonneschijn en spreekt tot mij van een God vol
liefde. Blijf bij ons en zit met ons aan.

--Laat ik u dan eerst met een dronk mogen verkwikken, zeide de jonkman,
hem een vollen beker aanbiedende.

Intusschen had de slaaf de tent opgeslagen en alles voor het ontbijt in
gereedheid gebracht, waaraan door de reizigers alle eer bewezen werd.


       *       *       *       *       *


DERDE HOOFDSTUK.

ONSTERFELIJKHEID.


De koele atmosfeer, de schoone bloemen, de sabbatsstilte, alleen
verbroken door het zachte ruischen van het water en het gonzen der
insecten, brachten den Egyptenaar in een opgewekte stemming.

--Toen wij u inhaalden, zoon van Hur, zeide hij, was uw gelaat naar
Jeruzalem gekeerd. Mag ik u vragen of dat het doel uwer reis is?

--Ja, ik ben op weg naar de Heilige Stad.

--Wij ook, en daar ik mijne krachten sparen moet wensch ik er zoo
spoedig mogelijk te zijn. Kunt gij mij ook zeggen, of er een korter weg
is, dan die over Rabbath Ammon?

--Ik ga over Gerasa, en Rabbath Gilead, dat is veel korter, maar ook
vermoeiender.

--Ik verlang naar het einde van de reis, zeide Balthasar. In den
laatsten tijd droomde ik telkens denzelfden droom. Herhaaldelijk hoorde
ik een stem, die mij toeriep: Haast u, maak u op! Hij, dien gij zoolang
verwacht hebt, staat te komen.

--Gij bedoelt hem, die de koning der Joden zal worden? vraagde Ben-Hur
verbaasd.

--Juist.

--Hebt gij dus nog niets van hem gehoord?

--Niets, behalve die woorden van mijn droom.

--Ziehier dan een tijding, die u zal verheugen.

Uit de plooien van zijn gewaad haalde Ben-Hur den brief van Malluch te
voorschijn. Balthasar strekte er de hand naar uit en las hem hardop.
Toen hief hij zijne oogen dankend op naar den hemel. Hij deed geen
vragen, maar twijfelde ook niet.

--Hoe goed zijt gij voor mij geweest, o God, zeide hij. Vergun mij, bid
ik u, den Messias te zien, opdat ik hem moge aanbidden, en laat uw
dienstknecht heengaan in vrede.

De eenvoudige, vertrouwelijke bede maakte diepen indruk op Ben-Hur.
Nooit had hij zoo Gods tegenwoordigheid gevoeld. Het was hem, alsof God
hier persoonlijk bij hem was, een vriend, wien zij alles konden vragen,
een vader, die al zijne kinderen evenzeer liefhad, een vader voor den
zoon van Israël, zoowel als voor den heiden, een vader voor allen, wien
allen naderen mochten zonder tusschenkomst van priesters of leeraars. De
gedachte, dat zulk een God de menschheid een Verlosser zou kunnen zenden
in plaats van een koning, kwam hem niet meer zoo vreemd voor, de vraag
kwam zelfs bij hem op, of het niet veel meer overeenkomstig was met het
wezen Gods. Daarom zeide hij: Denkt gij nu nog dat hij als Verlosser zal
optreden en niet als koning?

--Wat zal ik daarop zeggen? antwoordde Balthasar. De geest, die mij
weleer geleidde, is mij niet meer verschenen sinds ik u ontmoette in de
tent van den goeden Sheik; ten minste niet op de vroegere wijze. Maar ik
geloof dat die geest nu in mijne droomen tot mij spreekt. Een andere
openbaring heb ik niet.

--Ja maar, zeide Ben-Hur, gij dacht dat hij een koning zou zijn, hoewel
niet als de vorsten der aarde. Gij dacht dat zijne heerschappij
geestelijk zou zijn, niet van deze wereld.

--O ja, luidde het antwoord, en dat geloof ik nog. Ik zie dat er
verschil is in onze verwachting. Gij gaat om een koning van menschen te
ontmoeten, ik ga om een behouder van zielen te zien.

Hij hield even op, alsof hij naar de juiste woorden zocht om zijne
meening duidelijk te maken.

--Laat mij trachten, zoon van Hur, u een juist begrip te geven van mijn
geloof. Als ik u gezegd zal hebben waarom de geestelijke heerschappij,
die hij zal uitoefenen, in ieder opzicht uitnemender is, dan enkel
koninklijke pracht, zult gij mij beter begrijpen. Ik kan niet met
zekerheid zeggen wanneer het denkbeeld, dat ieder mensch eene ziel
heeft, ontstaan is. Waarschijnlijk brachten de eerste menschen het mede
uit den hof in Eden. Dat het nooit geheel verloren ging weten wij allen.
Waarom zou ieder mensch eene ziel hebben? Laat ons daar eens even bij
stilstaan. Zich neder te leggen en te sterven, op te houden te bestaan
werd nooit door eenig mensch begeerd. Allen zonder onderscheid zullen in
het diepst hunner ziel wel op iets beters gehoopt hebben. De monumenten
der volken zijn zoovele protesten tegen de vernietiging na den dood,
evenzoo hunne standbeelden en opschriften, evenzoo de geschiedenis.
De grootste onzer Egyptische koningen liet zijne beeltenis in een rots
uithouwen. Dagelijks ging hij er met zijn gevolg heen om het werk te
zien. Eindelijk was het gereed, de gelijkenis was treffend. Mogen wij
ons nu niet voorstellen, dat hij, voor dat kunstwerk staande, gedacht
heeft: Laat de dood vrij komen, ik leef in de toekomst voort!... Hij
heeft zijn wensch gehad. Het beeld staat er nog.

Maar waar bestaat het voortleven in, dat hij zich dus verzekerde? Alleen
in de herinnering der menschen--een roem, vergankelijk als het schijnsel
der maan op het groote beeld. En wat is intusschen van den koning
geworden? In de koninklijke graven ligt een gebalsemd lichaam, dat
eenmaal het zijne was. Maar waar, zoon van Hur, is de koning zelf? Is
hij in het niet verzonken? Tweeduizend jaren zijn verloopen sedert hij
op deze aarde leefde, als gij en ik. Was met zijn laatste ademtocht
alles voor hem afgedaan? Zeggen wij ja, dan brengen wij eene
beschuldiging in tegen God. Wij nemen daarom een beter en werkelijk
leven na den dood aan, iets wat meer is dan een voortleven in de
herinnering. Daarom gaf God ons bij de geboorte eene ziel, die
onsterfelijk is. Denk nu eens aan het genot, dat in de gedachte ligt:
Wij hebben een ziel. Deze gedachte ontneemt den dood zijne verschrikking,
door het sterven te maken tot een verandering voor beter, en het
begraven tot het zaaien van een zaad, waaruit een nieuw leven zal
ontspruiten. Zie mij, oude man, aan, verzwakt naar het lichaam. Weldra
zal het graf mij ontvangen, maar dan ook openen zich voor mij de
onzichtbare deuren van Gods heerlijk huis, om mij, dat is mijne bevrijde
onsterfelijke ziel, op te nemen. O, had ik woorden om dat heerlijke
leven te schetsen! Zeg niets, dat ik er niets met zekerheid van weet.
Dit weet ik, en dat is mij genoeg: een ziel te bezitten sluit in deel te
hebben aan een goddelijke eigenschap. Zulk een verloste ziel heeft niets
meer met het stof, met het onreine te maken; zij leeft in volkomen
reinheid. Zal ik, dit geloovende, dan nog met mijzelven of met u gaan
redeneeren over de bijomstandigheden? Over den vorm van mijne ziel, of
over de behoefte aan spijs en drank, of hoe mijne ziel bekleed zal zijn?
Neen, dat laat ik gerust aan God over. Het schoone in deze wereld komt
alles uit zijne hand. Hij bekleedt de lelie, Hij geeft de roos haar
kleurenpracht, Hij roept den dauwdroppel te voorschijn. De harmonie in
de natuur is door Hem ontstaan. Hij maakt ons voor dit leven geschikt en
stelde zijne voorwaarden vast. Zij zijn van dien aard, dat ik met volle
gerustheid mijne ziel en het leven na den dood in zijne handen stel. Ik
weet dat Hij mij liefheeft.

Balthasar zweeg. Ben-Hur, ja zelfs Iras, was aangedaan. Voor den eerste
ging een licht op. Hij begon in te zien, dat een geestelijk koningschap
voor de menschheid van nog grooter belang kon zijn, dan een aardsch
koninkrijk, en dat een Verlosser, meer dan de machtigste koning, een
Gode waardige gave zou zijn.

Na eenigen tijd verbrak Balthasar het stilzwijgen en zeide: Het wordt
tijd dat wij opbreken en onze reis vervolgen. Ik brand van verlangen om
hem te zien, die mijne gedachten geheel vervult. Laat dat verlangen
mijne verontschuldiging zijn, zoon van Hur, als ik u tot spoed aanzet.

Terwijl de Ethiopiër alles weer opbergde bracht de Arabische gids de
paarden voor, en weldra was het gezelschap op weg om de karavaan in te
halen, die hen naar alle waarschijnlijkheid reeds vooruit gekomen was.


       *       *       *       *       *


VIERDE HOOFDSTUK.

DE HERAUT EN ZIJN KONING.


Op den derden dag van de reis nam het gezelschap tegen den middag een
weinig rust bij de beek Jabbok. Zij troffen daar ruim honderd mannen
aan, grootendeels uit Perea, die hier met hetzelfde doel als zij
vertoefden. Nauwelijks waren zij afgestapt, of een man trad op hen toe
met een kruik water en bood hun een frisschen dronk aan, van welk aanbod
zij gaarne gebruik maakten. De man bekeek intusschen den kameel en
zeide: Wat een prachtig dier! Ik kom juist van den Jordaan, waar het
dezer dagen druk bezocht is door reizigers van nabij en van verre, maar
geen van hunne kameelen kan in de schaduw staan van dezen. Mag ik vragen
van welk ras hij is?

Balthasar bevredigde zijne nieuwsgierigheid en ging toen wat rusten,
maar Ben-Hur vraagde: Waar is het zoo druk?

--Te Bethabara.

--Daar placht het vroeger heel eenzaam te zijn, zeide Ben-Hur, hoe komt
het daar nu zoo vol?

--O, ik zie het al, zeide de vreemdeling, gij komt ook van buitenaf en
hebt het goede nieuws nog niet gehoord.

--Welk goed nieuws?

--Er is een man uit de woestijn gekomen, een heilig man, die een nieuwe
leer predikt. Hij noemt zich Johannes, den zoon van Zacharia, en hij
zegt, dat hij de voorlooper is van den Messias. Men verhaalt van hem,
dat hij van jongsaf gewoond heeft in een spelonk bij Engedi, en zijn
tijd doorbracht met bidden en vasten. Geheele scharen gaan uit om hem te
hooren. Ik ben er ook geweest.

--En deze mannen? Komen die er ook vandaan?

--Verscheidene, maar de meesten moeten nog gaan.

--Wat predikt hij?

--Een nieuwe leer, zooals nog nooit in Israël verkondigd werd, zegt men.
Hij spreekt over bekeering en over den doop. De rabbi's weten niet wat
zij van hem denken moeten. Sommigen vraagden hem of hij de Christus is,
of Elia, maar hij antwoordt allen, die hem zulke vragen doen: Ik ben de
stem des roependen in de woestijn, maakt den weg des Heeren recht!

Op dit oogenblik werd hij weggeroepen. Kort daarna maakten Balthasar en
Ben-Hur zich weder op, zoodat zij den volgenden dag het doel hunner reis
bereikten.

Een levendig tafereel trof hun oog. Een menigte tenten was langs de
rivier opgeslagen, terwijl de beide oevers zwart van menschen waren.
Toen ons gezelschap aankwam ontstond er beweging onder de schare,
waaruit zij opmaakten, dat de spreker zijn rede geëindigd had.

--'t Beste wat wij kunnen doen is, dat wij hier blijven staan, zeide
Ben-Hur, misschien komt de Nazireër dezen weg langs.

Het volk was te zeer vervuld van het gehoorde om acht te slaan op de
nieuw aangekomenen. Deze bleven waar zij waren en zagen gansche
gezelschappen langs zich heen trekken. Reeds vreesden zij, dat zij den
Nazireër heden niet meer te zien zouden krijgen, toen zij een man zagen
naderen, wiens uiterlijk zoo zonderling was, dat zij voor niets anders
meer oogen hadden. Lange zwarte lokken omgaven zijn vermagerd, ernstig
gelaat, waarin een paar groote fonkelende oogen terstond de aandacht
trokken. Hij was gekleed in een kemelharen kleed, met een leeren gordel
om de lendenen. In zijne hand hield hij een staf, hoewel hij geen steun
behoefde, want zijn gang teekende kracht en vastberadenheid. Vorschend
zag hij rond, alsof hij iemand zocht.

De schoone Egyptische zag den zoon der woestijn verbaasd, ja met onwil
aan. Zij wenkte Ben-Hur tot zich en vraagde spotachtig: Is dat de heraut
van uwen koning?

--Dat is de Nazireër, antwoordde hij, zonder haar aan te zien.

Om de waarheid te zeggen--hijzelf was meer dan teleurgesteld. Hoewel hij
dikwijls gehoord had van de asceten, die in Engedi woonden, hunne
kleeding, hunne onverschilligheid voor wereldsche gemakken, hunne
afgezonderde levenswijze, hunne boetedoeningen kende, en hoewel hij
geweten had dat hij een Nazireër zou zien, die zichzelven aankondigde
als: eene stem des roependen in de woestijn, had hij toch gehoopt, dat
de heraut van den grooten koning eenig uiterlijk kenteeken van macht en
aanzien zou vertoonen. Dezen woestijnbewoner met de oogen volgende dacht
hij aan de hovelingen in het keizerlijke paleis te Rome, en de
vergelijking deed hem beschaamd, verward en verlegen antwoorden: Het is
de Nazireër.

Met Balthasar was het geheel anders. Hij wist dat Gods wegen niet zijn
als der menschen wegen. Hij had den Verlosser als een kind in de kribbe
zien liggen en was dus voorbereid op grooten eenvoud bij het optreden
van den godsgezant. Hij verwachtte geen koning. Met gevouwen handen
bleef hij zitten en zacht bewogen zich zijne lippen als in een gebed.

Op dit oogenblik naderde iemand van de andere zijde, den Nazireër te
gemoet. Nauwelijks had deze hem in het oog gekregen, of hij bleef staan
en hief zijn staf op, ten einde de aandacht des volks tot zich te
trekken. Groote stilte heerschte op eenmaal onder de bewegelijke schare,
en toen de Dooper zag, dat hij zijn doel bereikt had, wees hij met zijn
staf op den persoon, die langzaam nader kwam. Ook Ben-Hur en Balthasar
volgden de aanwijzing en zagen een rijzig slank gebouwd man, met een
gelaat, dat men niet licht vergeten zou. Het lange bruingouden haar was
in het midden gescheiden. De groote donkerblauwe oogen straalden met
liefelijken glans onder het open voorhoofd, en de uitdrukking van zijn
geheele wezen was rustig en edel. Hij droeg een lang wit linnen gewaad
met wijde mouwen, en een talith, het daarbij behoorende wit linnen
overkleed, onderaan met blauw afgezet. De door de wet aan de rabbijnen
voorgeschreven wit en blauwe kwasten versierden zijn kleed. Zijne
sandalen waren van de eenvoudigste soort.

Daar riep de Dooper met luide stem: Zie het Lam Gods, dat de zonde der
wereld wegneemt!

De indruk, dien deze woorden maakten, was zeer groot, voor Balthasar
overweldigend. Het werd hem vergund den Verlosser der menschheid
nogmaals te zien. Daar stond Hij, naar wien hij zoo lang smachtend had
uitgezien, het ideaal zijner droomen, volmaakt in gestalte, gelaat,
houding. Nogmaals riep de Dooper: Zie het Lam Gods, dat de zonde der
wereld wegneemt! Deze is het van welken ik gezegd heb: na mij komt een
man, die vóór mij geworden is, want hij was eer dan ik. En ik kende hem
niet; maar opdat hij aan Israël geopenbaard zou worden, daarom ben ik
gekomen, doopende met water. Ik heb den Geest zien nederdalen uit den
hemel, gelijk eene duif, en hij bleef op hem. En ik kende hem niet; maar
die mij gezonden heeft om te doopen met water, die had mij gezegd: Op
welken gij den Geest zult zien nederdalen, en op hem blijven, deze is
het, die met den Heiligen Geest doopt. En ik heb gezien, en heb getuigd,
dat deze de Zoon van God is.

--Dat is hij, dat is hij! riep Balthasar, sloeg de oogen naar boven, en
viel door aandoening overmand achterover in zijnen zetel.

Met geheel andere gewaarwordingen beschouwde Ben-Hur den vreemdeling.
Hij was niet ongevoelig voor de reinheid, den ootmoed, de heiligheid,
die zijn gelaat uitdrukte: Wie is hij? En wat is hij? Messias of
koning?--Vorstelijk was zijn voorkomen niet. Op dat kalm, vriendelijk
gelaat ziende was de gedachte aan oorlog en heerschzucht hem eene
ontwijding. Hij voelde dat Balthasar gelijk had, en Simonides ongelijk.
Neen, zeide hij tot zichzelven, deze man is niet gekomen om den troon
van Salomo weder op te bouwen. Hij heeft noch den aard, noch de gaven
van Herodes. Een koning moge hij wezen, maar niet van een rijk, grooter
en machtiger dan Rome.

Het gelaat van dien man kwam hem niet onbekend voor ... waar had hij het
meer gezien? Hij peinsde en peinsde, en ja, daar zag hij in den geest op
eenmaal in het verre verleden het tooneel bij de bron te Nazareth weer.
Hij zag zichzelven, neergezonken op den stoffigen weg; hij zag de jonkman
met de gevulde waterkruik tot zich komen om hem te laten drinken; hij
zag weder die oogen vol liefde en mededoogen op zich gevestigd. Wat de
Dooper zeide ging voor hem verloren, alleen de laatste woorden drongen
tot hem door: Deze is de Zoon van God!

Ben-Hur sprong van zijn paard om aan de voeten van zijnen weldoener neer
te knielen, maar Iras riep hem tot zich: Zoon van Hur, kom hier en help
mij! Mijn vader sterft!

Hij bleef staan, keek om, en snelde naar haar toe. Zij gaf hem een beker
en hij liep naar de rivier om water te halen. Toen hij terugkwam was de
vreemdeling verdwenen.

Zoodra Balthasar bijgekomen was vraagde hij: Waar is hij?

--Wie? vraagde Iras.

--Hij, de Zoon van God, dien ik daareven zag!

--Gelooft gij dat ook? vraagde Iras zacht aan Ben-Hur.

--Het is een tijd van wonderen. Laat ons wachten, luidde zijn antwoord.

Den volgenden dag was op die plaats weer een groote schare bijeen. Ook
onze vrienden waren aanwezig.

Midden in zijne rede brak de Dooper af en riep met luide stem: Zie het
Lam Gods!

De aanwijzing van den Dooper volgende zagen zij weder den vreemdeling.
Toen Ben-Hur zijn heilig gelaat, zoo vol majesteit en mededoogen,
aanschouwde, viel hem eensklaps iets in. Ja, dacht hij, Balthasar heeft
gelijk, maar Simonides ook. Kan de Messias niet te gelijkertijd koning
zijn?

Hij wendde zich tot iemand die naast hem stond en vraagde: Wie is dat?

Met een spottend lachje antwoordde de man: Dat is de zoon van een
timmerman uit Nazareth.


       *       *       *       *       *


BOEK VIII.


       *       *       *       *       *


EERSTE HOOFDSTUK.

ESTHER EN IRAS.


--Esther! laat mij een beker water brengen!

--Wilt gij niet liever wijn hebben, vader?

--Beide dan.

Dit gesprek had plaats in het zomerhuis op het platte dak van het paleis
der familie Hur te Jeruzalem, en terwijl Esther zich haastte om aan den
wensch van haren vader te voldoen, kwam een bediende de trap op en
overhandigde haar een verzegeld pakje.

De lezer moet weten, dat het nu 21 Maart is volgens onze tijdrekening,
ongeveer drie jaren na de aankondiging van den Christus te Bethabara.
Malluch had voor Ben-Hur, die het verval der ouderlijke woning niet
langer kon aanzien, het huis gekocht van Pilatus, en het geheel laten
opknappen en verfraaien, zoodat er niets overbleef, dat het droevig
tooneel van vroeger kon herinneren. Men meene echter niet dat Ben-Hur
openlijk als de eigenaar was opgetreden. Hij meende dat het uur daartoe
nog niet geslagen was, evenmin als voor het dragen van zijn vaders naam.
Het grootste gedeelte van zijn tijd bracht hij door met in Galilea alles
voor te bereiden, opdat hij gereed mocht zijn, als de Nazarener hem
noodig zou hebben, de Nazarener, die hem dagelijks onbegrijpelijker
toescheen, en hem door de wonderen, die hij deed, in een staat van
spanning en twijfel hield, zoowel aangaande zijn karakter, als aangaande
zijne zending. Enkele malen kwam hij op naar Jeruzalem, en vertoefde dan
in het ouderlijke huis, echter altijd als vreemdeling en gast.

Deze bezoeken waren echter niet alleen om uit te rusten van den arbeid.
Balthasar en Iras woonden mede in het paleis, en de bekoorlijkheid der
dochter hield hem nog steeds gevangen, terwijl haar vader, hoewel naar
het lichaam verzwakt, hem wist te boeien door vurige betoogen over de
goddelijkheid van hem, die het land doorging goed doende.

Wat Simonides en Esther betreft, zij waren eerst een drietal dagen
geleden uit Antiochië herwaarts gekomen. De reis was zeer vermoeiend
geweest voor den koopman, doch eenmaal hier gevoelde hij zich uitermate
gelukkig, dat hij weer in zijn vaderland was. Het grootste gedeelte van
den dag bracht hij door op het platte dak. Hier zag hij de zon opgaan en
ondergaan, hier bracht de wind hem van over de heuvelen nieuwe
levenskracht aan.

Daarom vergat hij echter de zaken niet, o neen. Elken dag ontving hij
bericht van Sanballat, die het kantoor in Antiochië waarnam, en elken
dag zond hij Sanballat de noodige aanwijzingen, zóó uitvoerig, dat zelfs
een oningewijde moeilijk zou hebben kunnen dwalen.

Esther ging intusschen naar haar zomerhuisje terug met het pakje in de
hand. Zij bezag het zegel, herkende het voor dat van Ben-Hur, en
versnelde met blozend gelaat haren stap. Simonides bekeek eveneens het
zegel alvorens het pakje te openen, reikte haar toen den brief toe, die
er in was, zeggende: Lees, mijn kind.

Hij zag haar aan, terwijl hij sprak, en zijn gelaat betrok.

--Ik zie dat gij reeds weet van wien dit komt, Esther.

--Ja, vader. Van onzen jongen meester.

Hoewel zij langzaam, als met moeite sprak, zagen hare lieve oogen hem
trouwhartig aan.

--Gij hebt hem lief, Esther.

--Ja, vader.

--Hebt ge er over nagedacht wat dat zeggen wil?

--Ja, vader. Ik heb mijn best gedaan om niet anders aan hem te denken,
dan als aan den meester, dien ik toebehoor. Het heeft mij echter niet
veel geholpen.

--Goed kind! Gij lijkt op uwe moeder, Esther. God vergeve mij, maar uwe
liefde zou misschien niet ijdel geweest zijn, als ik behouden had wat ik
had, zooals ik had kunnen doen. Geld is macht.

--Dan zou ik er veel slechter aan toe zijn, vader. Dan zou ik niet waard
zijn, dat hij mij aanzag, en kon ik niet trotsch zijn op u. Zal ik u nu
den brief voorlezen?

--Wacht nog even, kind. Om uw zelfswil moet ik u het ergste zeggen. 't
Is misschien minder zwaar voor u, als wij het samen onder de oogen zien.
Hij heeft een ander lief, mijn kind.

--Ik weet het, zeide zij ernstig.

--De Egyptische heeft hem in hare netten gevangen, vervolgde hij. Zij is
zeer geslepen en daarenboven schoon, maar zij heeft geen hart. De
dochter, die haren vader veracht, zal haren echtgenoot ongelukkig maken.

--Veracht zij haar vader?

--Ja. Haar vader is een wijs man, en, voor een heiden, op bijzondere
wijze begenadigd. Zijn geloof strekt hem tot eer, maar zij lacht er mee.
Gisteren hoorde ik haar zeggen: De dwaasheden der jeugd zijn vergefelijk.
Den ouderdom betaamt wijsheid. Heeft een grijsaard die verloren, dan wordt
het tijd dat hij sterft.--Dat zeide zij met het oog op haren vader. Wreede
woorden, die men uit den mond van een Romein kon verwachten. Gij, mijn
kind, zult, wat er ook van mij worde, nooit zeggen: het wordt tijd dat hij
sterft. Neen, want uwe moeder was eene dochter Israëls.

Met tranen in de oogen kuste zij zijne hand en zeide: En ik ben het kind
van mijne moeder.

--Ach, mijn kind, hernam haar vader na een kort zwijgen, als hij eenmaal
de Egyptische getrouwd heeft, zal hij met wroeging aan u terug denken,
want dan zal hij bemerken, dat zij hem slechts gebruiken zal om hare
eerzucht te dienen. Rome is het middelpunt van hare droomen. Voor haar
is hij de zoon van Arrius den duumvir, niet de zoon van Hur, vorst van
Jeruzalem.

--Red hem, vader, smeekte zij, red hem, het is nog niet te laat.

Met een twijfelachtig lachje antwoordde hij: Een verdrinkende laat zich
redden, een verliefde niet.

--U hebt toch invloed op hem. Hij staat zoo alleen in de wereld! Toon
hem het gevaar, waarin hij verkeert. Zeg hem hoe gevaarlijk de Egyptische
is!

--Dat zou hem uit hare handen kunnen redden, maar zou het hem aan u
geven? Ach neen. Ik zou toch niet kunnen zeggen: mijne dochter heeft u
lief....

--Maar vader, viel zij hem in de rede, dat bedoel ik immers niet! Ik
dacht alleen aan hem, niet aan mijzelve. Zal ik u nu den brief voorlezen?

--Ja, doe dat.

Zij begon dadelijk, blijde dat zij dit onderwerp kon laten rusten.

     Nisan, den 8sten dag.

     Op den weg van Galilea naar Jeruzalem.

     De Nazarener bevindt zich ook op dezen weg. Zonder dat hij het weet
     volg ik met een legioen. Een tweede legioen volgt ons op korten
     afstand. Het Paaschfeest is de dekmantel voor het groote getal
     Galileërs. Toen de Nazarener zich op weg begaf zeide hij: Wij gaan
     op naar Jeruzalem en het zal alles volbracht worden aan den Zoon
     des menschen wat geschreven is door de profeten.

     Ons wachten spoedt ten einde. Vrede zij u, Simonides.

     In haast.

     BEN-HUR.

Esther gaf den brief aan haren vader terug. Het kostte haar moeite hare
tranen te bedwingen. In den brief stond geen enkel woord aan haar, zelfs
aan den groet had zij geen deel. En hoe gemakkelijk had hij kunnen
schrijven: Vrede zij u en de uwen. Voor het eerst in haar leven gevoelde
zij den prikkel der ijverzucht.

--Den achtsten dag, zeide Simonides, en wat hebben wij vandaag?

--Den negenden, antwoordde Esther.

--Zoo, dan zijn zij nu wellicht te Bethanië.

--Dan zullen wij hem dus misschien van avond zien, zeide zij.

--Best mogelijk, want morgen is het feest der ongezuurde brooden, en hij
zal het willen vieren, evenals de Nazarener. Misschien zullen wij hen
beiden zien, Esther.

Het gesprek werd afgebroken door de komst van den bediende met wijn en
water, en even daarna kwam ook Iras boven.

Nog nooit had Esther de Egyptische zoo schoon gezien als hedenavond. Als
in een wolk van gaas gehuld, voorhoofd, hals en armen met juweelen
versierd, zweefde zij naderbij. Een glans van genoegen lag op haar
gelaat. Esther drong zich onwillekeurig dichter tegen haar vader aan.

--Vrede zij u, Simonides, en u, lieftallige Esther, zeide Iras. Gij
herinnert mij, goede vriend, als ik het zeggen mag zonder u te
beleedigen, de priesters in Perzië, die 's avonds op het dak van hunne
tempels stijgen, om de ondergaande zon hunne gebeden na te zenden. Als
die godsdienst u misschien niet bekend is, wil ik mijnen vader roepen,
om u in te lichten. Hij stamt van de Magiërs af.

--Schoone Egyptische, antwoordde de koopman ernstig, uw vader is een
goed man, die het mij niet kwalijk zal nemen, als ik u zeg, dat zijne
Perzische wetenschap het minste deel van zijne wijsheid uitmaakt.

Iras fronste de wenkbrauwen. Om ook philosophisch te spreken, zeide zij,
bij minste behoort meeste. Mag ik vragen, wat het grootste deel is van
die zeldzame eigenschap, wijsheid, die gij hem toeschrijft?

Simonides zag haar doordringend aan. De ware wijsheid, zeide hij,
streeft omhoog naar God, de hoogste wijsheid is de kennis van God, en
van allen, die ik ken, bezit niemand die in zoo hooge mate, als mijn
goede vriend Balthasar.

Om een eind aan het gesprek te maken dronk hij langzaam zijn beker leeg.
Iras keerde zich ontstemd tot Esther, zeggende: Een man, die millioenen
bezit en geheele vloten op zee heeft, kan niet begrijpen wat vrouwen
vermaakt. Kom, ga met mij naar de borstwering, dan kunnen wij ongestoord
praten.

Esther deed wat haar verzocht werd en zij gingen naar dezelfde plek,
waar jaren geleden Ben-Hur met zijn zuster gestaan had, om naar de
soldaten te kijken.

--Zijt gij wel eens te Rome geweest? vraagde zij.

--Neen.

--Hebt gij nooit verlangd er heen te gaan?

--Neen.

--Och, wat hebt gij nog weinig van het leven genoten! riep zij meewarig,
maar 't volgende oogenblik lachte zij luid en zeide: O, mijn lief
onnoozel duifje, de vogeltjes, die hun nestje bouwen in het oor van de
sphinx bij Memphis, zijn al even wijs, als gij!

Ziende dat Esther verlegen werd, vervolgde zij op vertrouwelijken toon:
Vergeef het mij, ik zeide het maar uit gekheid. Laat ik een pleistertje
leggen op de wond, en u vertellen wat ik aan niemand anders zou vertellen.

Zij lachte vriendelijk, maar zag Esther tegelijkertijd onderzoekend aan
en zeide: De koning komt.

Esther zag verwonderd op.

--De Nazarener, vervolgde Iras, over wien uw vader en de mijne het zoo
druk hebben, voor wien Ben-Hur al die moeite doet. De Nazarener komt
morgen in de stad, en Ben-Hur komt van avond.

Esther trachtte zich goed te houden, maar het gelukte haar niet. Iras
bracht lachend een brief uit haar gordel te voorschijn en zeide: Hier
heb ik zijn belofte. Luister!

Daar weerklonken haastige stappen in de straat. Zij boog zich over den
rand der borstwering om te zien, en sloeg in blijde verrukking de handen
in elkaar. Gezegend zij Isis! riep zij, hij is het! Ben-Hur in eigen
persoon! Dat is een goed voorteeken! Hij komt terwijl ik aan hem denk!
Kom, Esther, geef mij een kus!

Fier hief het Joodsche meisje het hoofd op. Hare wangen gloeiden, hare
oogen fonkelden. Haar zacht gemoed was diep gegriefd. Voor haar zelfs
geen groet in zijn schrijven aan Simonides, en deze Egyptische had een
eigenhandig geschreven brief van hem! Zij vraagde: hebt gij hemzelf
lief, of hebt gij Rome nog liever?

Iras ging een stap achteruit, en vraagde scherp: Wat gaat u dat aan,
dochter van Simonides?

Esther begon bevend: Hij is mijn....

Zij had willen zeggen: mijn meester, maar zij veranderde dit snel in:
mijn vaders vriend.

--Niets meer? Nu, gij moogt uw kussen houden. Andere en betere wachten
mij.

Zij keerde zich af, om weg te gaan, maar fluisterde nog even over haar
schouder: Ik ga ze halen!

Esther zag haar na en barstte in tranen uit, tranen van schaamte en
gekwetste liefde.

Reeds fonkelden de sterren aan den nachtelijken hemel, voordat zij hare
zelfbeheersching teruggekregen had, en kalm genoeg was om naar haar
vader terug te gaan, en hare plaats aan zijne zijde in te nemen. Dat was
haar plicht, daar moest zij haar leven aan wijden, en om der waarheid
getrouw te zijn, nu de hartstochtelijkheid harer droefheid voorbij was,
nam zij blijmoedig hare taak weer op.


       *       *       *       *       *


TWEEDE HOOFDSTUK.

BEN-HURS MEDELIJDEN.


Ongeveer een uur later kwamen Ben-Hur en Iras te zamen in de groote
zaal, waar zij Balthasar, Simonides en Esther reeds bijeen vonden. Nadat
de jonkman Balthasar gegroet had keerde hij zich tot Simonides, maar
bleef, Esther ziende, verbaasd staan. Dat zij zich tot zulk een
volmaakte schoonheid ontwikkelen zou had hij drie jaren geleden niet
gedacht. Hij herstelde zich echter spoedig en zeide: Vrede zij u,
lieftallige Esther, en u, Simonides. De zegen des Heeren zij uw deel,
al was het alleen omdat gij een vader voor den vaderlooze geweest zijt.

--Wees welkom in uw vaders huis, zeide Simonides hartelijk. Zet u neder,
en vertel ons van uwe reizen en van uw werk en van den leeraar uit
Nazareth. Ga toch zitten, bid ik u, dan luisteren wij allen.

--Ja, antwoordde Ben-Hur, ik heb u veel van hem te vertellen. Ik heb hem
gedurende verscheidene dagen nauwlettend gadegeslagen. Ik heb hem in
moeilijke, zeer moeilijke omstandigheden gezien, en moet getuigen dat
hij, hoewel hij een mensch is als ik, toch ook meer dan een mensch is.

Hier werd hij gestoord door het binnentreden van eene dienstmaagd. Hij
keek om en riep blijde: Daar is Amrah! Goede, lieve Amrah!

De trouwe dienstmaagd kuste zijne handen, en op zijne vraag: Hebt ge nog
niets van haar gehoord, niets? sprongen haar de tranen in de oogen.

--Gods wil geschiede! zeide hij treurig.

Na een oogenblik van stilte, waarin hij zijne aandoening meester
trachtte te worden, zeide hij: Ga zitten, Amrah,--hier. Niet? Dan aan
mijne voeten, want ik heb mijne vrienden veel te vertellen van den
Nazarener. Ik zal beginnen met u te verhalen wat ik hem heb zien doen.
Morgen komt hij in de stad om op te gaan naar den Tempel, dien hij zijn
vaders huis noemt en waar hij, zooals algemeen verwacht wordt, den
beslissenden stap zal doen. Morgen zullen wij dus zien wie gelijk heeft,
gij, Balthasar, of Simonides.

Balthasar wreef zich in de handen en vraagde: Waar zal ik hem kunnen
zien?

--Het gedrang zal groot zijn, antwoordde de jonkman. Ik denk dat gij
niet beter doen kunt, dan met u allen naar het dak van den Voorhof van
Salomo te gaan.

--Kunt gij ons begeleiden?

--Neen, mijne vrienden zullen mij noodig hebben bij den optocht.

--Optocht! riep Simonides. Komt hij dan met gevolg?

--Dat niet precies. Hij heeft twaalf mannen bij zich, allen uit den
minderen stand. Zij reizen te voet, onverschillig voor wind, regen, of
zonneschijn. Als zij vermoeid zijn zetten zij zich aan den weg neder
om te rusten, en doen aan alles eerder denken, dan aan edellieden en
vorsten. Slechts wanneer de leeraar het hoofd ontbloot ziet men dat hij
de aanvoerder is, hun leermeester, hun meerdere, maar tevens hun vriend.
Maar wat zoudt gij zeggen van een man, die rijk kon zijn door de steenen
aan den weg in goud te veranderen, en die toch arm is uit vrije keus?

--De Grieken zouden hem een philosoof noemen, zeide Iras.

--Neen, dochter, antwoordde Balthasar, de philosofen hadden nooit de
macht om zoo iets te doen.

--Hoe weet gij, dat deze mensch die macht wel heeft?

--Ik heb hem water in wijn zien veranderen, zeide Ben-Hur.

--Hoe wonderlijk! riep Simonides. Maar dat schijnt mij nog niet zoo
vreemd toe als dat hij arm wil leven, terwijl hij rijk zou kunnen zijn.
Is hij werkelijk zoo arm?

--Hij bezit niets, en benijdt niemand zijn rijkdom. Hij beklaagt veeleer
de rijken. Dat echter daargelaten, wat zegt gij hiervan: ik zag hem
zeven brooden en twee visschen vermenigvuldigen tot een voorraad zóó
groot, dat er spijs was voor vijfduizend menschen en er nog manden vol
overbleven. Dat heb ik den Nazarener zien doen.

--Hebt gij hem dat zien doen?

--Ja, en ik heb meegegeten van den visch en van het brood. Maar nog
wonderlijker dingen heb ik gezien. Wat dunkt u van iemand die zoo groote
genezende kracht bezit, dat de zieken slechts den zoom van zijn kleed
behoeven aan te raken, om gezond te worden, ja dat het zelfs voldoende
is van verre tot hem te roepen? Dat heb ik meer dan eens bijgewoond.
Toen wij uit Jericho kwamen riepen twee blinden tot hem om hulp, hij
raakte hunne oogen aan en zij konden zien. Een anderen keer brachten zij
een verlamde tot hem en hij zeide alleen: Ga heen naar uw huis,--en ik
zag den man gezond wegwandelen. Wat zegt gij daar wel van?

Simonides kon geen woorden vinden.

--Sommigen zeiden, dat dit duivelskunsten waren, gelooft gij dat soms
ook? Ik zal u nog grooter dingen vertellen, die ik hem ook heb zien
doen. Denk aan die vreeselijke ziekte, waarvan alleen de dood verlossen
kan: de melaatschheid.

Hier werd Amrah onrustig en luisterde met gespannen aandacht.

--Ja, vervolgde Ben-Hur met toenemenden ernst, ja, luistert naar wat ik
nu ga vertellen. Toen ik met hem in Galilea was kwam een melaatsche tot
hem en riep: Heer, indien gij wilt, gij kunt mij reinigen!--Hij hoorde
de smeekbede, raakte den verworpeling aan met de hand en zeide: Ik wil,
word gereinigd.--En terstond was hij geheel gezond, zoo gezond als wij
allen. Een anderen keer kwamen tien melaatschen tot hem en vielen voor
hem neer, roepende: Meester, meester, ontferm u over ons!--Ik was er bij
en hoorde hem antwoorden: Gaat heen, en vertoont uzelven den priester.

--En waren zij beter?

--Ja, zij waren nog niet lang op weg, of de ziekte was geheel van hen
geweken.

--Nog nooit heb ik van zulke dingen gehoord; nog nooit, zeide Simonides
zacht.

Het gezelschap verviel na deze mededeelingen in diep stilzwijgen.
Ongemerkt stond Amrah op en verwijderde zich onhoorbaar.

--Gij kunt begrijpen, dat al die dingen een diepen indruk op mij gemaakt
hebben, zeide Ben-Hur, doch mijne twijfelingen en verbazing zouden nog
grooter worden. Mijne Galileërs begonnen langzamerhand ongeduldig te
worden, het zwaard brandde hun in de handen, en zij verlangden niets
liever dan handelend te mogen optreden. Ik zelf werd ook ongeduldig,
want alles was gereed. Daarom wilden wij hem openlijk, desnoods met
geweld, tot koning kronen, maar hij verdween uit ons midden. Toen wij
hem weer zagen was het in een scheepje op het meer. Wat anderen bekoort:
rijkdom, macht, koninklijke eer, dat alles laat hem onbewogen. Wat dunkt
u daarvan, Simonides?

Simonides antwoordde niet dadelijk. Eindelijk zeide hij:

--De Heer leeft, evenzoo het woord zijner profeten. Laat ons geduld
oefenen.

--Zoo zij het, beaamde Balthasar.

--Ik heb nog meer te vertellen, vervolgde Ben-Hur, nog grootere dingen.
Wij waren op weg naar Naïn. Vlak bij de poort kwamen wij een
begrafenisstoet tegen. De Nazarener bleef staan om de treurenden te
laten voorbijgaan. Eene vrouw volgde bitter schreiende. Ik zag dat hij
door medelijden bewogen werd. Hij trad op haar toe, en sprak haar aan.
De dragers stonden stil, hij raakte de baar aan en zeide tot den doode:
Jongeling, ik zeg u sta op!--En terstond zat de doode overeind en sprak.

--God alleen heeft zoo groote macht! riep Balthasar.

--Alles wat ik u vertel, heb ik zelf gezien, zeide Ben-Hur, en ik kan u
nog meer verhalen. In Bethanië was een van zijne vrienden gestorven,
Lazarus geheeten. Reeds had hij vier dagen in het graf gelegen toen de
Nazarener er bij kwam. Hij liet den steen wegnemen, en wij allen zagen
het lijk liggen, dat reeds overging tot ontbinding. Met luide stem
hoorde ik hem roepen: Lazarus, kom uit!--Ik kan u niet zeggen wat ik
gevoelde, toen de doode, aan die stem gehoorzamend, zich oprichtte en
tot ons kwam, in grafdoeken gewikkeld. Ontbindt hem, zeide de Nazarener,
en laat hem gaan. En toen de hoofddoek van hem was weggenomen, had zijn
gelaat weer de gewone kleur, en was hij volkomen dezelfde als voor zijne
ziekte. Hij leeft nog en ontvangt vele bezoeken. Als gij wilt kunt gij
er morgen naar toe gaan, en uzelven overtuigen. Maar nu vraag ik u: Wat
moet ik denken van dezen man? Is hij niet meer dan een gewoon mensch?

De toon waarop hij dit vraagde was zeer ernstig, en nog lang na
middernacht zat het gezelschap bijeen, om de zaak van alle kanten te
bezien, want Simonides kon zijne opvatting van de voorspellingen der
profeten niet laten varen, terwijl Ben-Hur beweerde dat Balthasar en
Simonides beiden gelijk hadden: de Nazarener was ongetwijfeld de
Verlosser, zooals de eerste meende, maar ook de toekomstige koning,
waarvoor de laatste hem hield.

--Wij zullen het morgen gewaar worden. Vrede zij met u allen. Met deze
woorden nam Ben-Hur afscheid.


       *       *       *       *       *


DERDE HOOFDSTUK.

EEN BLIJDE TIJDING.


Zoodra den volgenden morgen de Schaapspoort geopend werd, ging Amrah met
haar mand aan den arm de stad uit. De wachters deden haar geen vragen,
daar zij even regelmatig verscheen als de opgaande zon. Men wist dat zij
de trouwe dienstmaagd was van den een of ander, en daarmede stelde men
zich tevreden.

Zij sloeg den weg in naar de vallei ten oosten der stad gelegen. De
donkergroene helling van den Olijfberg was bezaaid met witte tenten, de
tijdelijke woningen van de feestgangers. 't Was echter nog te vroeg voor
de vreemdelingen om buiten te zijn: alles sliep nog gerust. Eerst kwam
zij aan Gethsemané, toen langs de graven bij den kruisweg naar Bethanië,
vervolgens aan het dorp Siloam. Zij scheen ongewone haast te hebben,
maar haar ijver was grooter dan hare krachten, die haar bijwijlen
schenen te begeven.

Hoe vroeg het nog was, toch zat haar ongelukkige meesteres reeds buiten
voor de grot. Tirza sliep nog. Vreeselijk was de vordering, die de
ziekte in die drie jaren gemaakt had. Wetende hoe zij er uitzag, bleef
zij altijd zorgvuldig gesluierd. Zelfs Tirza mocht haar bijna nooit
aanschouwen. Thans echter, in de eerste morgenschemering, had zij het
hoofd ontbloot, om de frissche lucht in te ademen, want zij wist, dat
geen sterveling haar zien kon. Sneeuwwit was het lange haar. Oogleden,
neus, lippen, wangen waren weggeteerd, de hals was akelig ontstoken.
Eene van hare handen rustte op haren schoot. De nagels waren afgevallen,
de vingers gedeeltelijk ontvleesd, gedeeltelijk dik opgezwollen. Zoo was
zij over het geheele lichaam. Geen wonder, dat de vroeger zoo statige
vrouw zich gemakkelijk aan alle nasporingen van haren zoon had kunnen
onttrekken. Zij was gewoon, dat Amrah bij de bron verscheen vóór alle
anderen, om dan op een steen halfweg bron en heuvel, het voedsel en de
waterkruik neer te zetten.

Dit korte bezoek was nog de eenige lichtstraal op haar pad. Dan vraagde
zij naar haren zoon, en Amrah vertelde haar wat zij wist van zijn werk
en bezigheden, en van de vluchtige bezoeken, die hij aan zijn vaders
huis bracht. Op zulke dagen zat de arme moeder den ganschen dag
onbewegelijk voor hare spelonk, met de oogen gericht op het dak van den
Tempel, waarachter haar huis lag, het geliefde huis, waarin haar zoon nu
vertoefde. Niets bond haar meer aan het leven. Tirza was reeds zoo goed
als dood, en zijzelve smachtte naar het einde. De natuur rondom haar was
niet geschikt om haar op te beuren; insecten en vogels vermeden de
streek, alsof zij ook bang waren voor besmetting. Van plantengroei was
niet veel te bemerken; de weinige struiken, ja zelfs de dunne
grassprietjes, verdorden onder den adem der winden, die langs de
berghelling streken. Waarheen zij den blik ook wendde zag zij grafsteden
en nogmaals grafsteden, die te meer de aandacht trokken, omdat zij alle
opnieuw gewit waren, ten einde de van buiten gekomen feestgangers te
waarschuwen.

Terwijl zij zoo in de morgenschemering zat te peinzen, zag zij
plotseling een vrouw den heuvel beklimmen. Weldra herkende zij Amrah.
In plaats van hare mand zooals gewoonlijk neer te zetten, kwam zij
regelrecht op de spelonk af. De weduwe verrees van hare zitplaats en
deed de gewone waarschuwing hooren, maar Amrah stoorde er zich niet aan,
en eer zij er op bedacht was lag Amrah aan de voeten van hare meesteres
en kuste onder hartstochtelijke snikken den zoom van haar kleed.
Tevergeefs beproefde de melaatsche zich van haar los te maken, en toen
zij zag, dat het onmogelijk was, riep zij op smartelijken toon: Hoe kunt
ge zoo doen? Is dit de manier, waarop gij ons uwe liefde bewijst? Nu
zijt gij ook verloren, en moogt nooit meer naar huis teruggaan. Wie zal
ons nu voortaan eten brengen? O Amrah! Nu zijn wij allen te zamen
verloren!

--Wees toch niet boos op mij, snikte de trouwe ziel, het hoofd nog
dieper buigende.

--Ach, Amrah, vervolgde de weduwe, was de vloek die op ons rust, niet
reeds zwaar genoeg om te dragen, dat gij ons het eenige, dat wij nog
hadden, moet ontnemen? vraagde zij.

Op dit oogenblik verscheen Tirza, door het luide spreken gewekt, in de
opening der spelonk.

--Wat is er moeder? Is dat Amrah? vraagde zij. De arme was nagenoeg
blind.

Nu stond Amrah op en zeide met onvaste stem: O lieve meesteres! Ik heb
niets misdaan. Ik breng u goede tijding!

--Van Juda?

--Ja. Hij kent een man, die de macht heeft u te genezen. Hij spreekt
slechts één woord, en de zieken worden gezond, zelfs de dooden worden
levend. Ik kom u halen om u bij hem te brengen.

--Arme Amrah! zeide Tirza meewarig.

--Neen, neen, riep Amrah, die zeer goed begreep wat die uitroep
bedoelde, zoo waar de God van Israël leeft, ik spreek de waarheid. Kom
maar mee; wij hebben geen tijd te verliezen. Hij komt hier langs op zijn
weg naar de stad. Eet gauw wat en laat ons gaan.

De moeder luisterde aandachtig. Misschien had zij reeds iets aangaande
hem gehoord, want zijne wonderdaden waren door het geheele land bekend
geworden. Wie is hij? vraagde zij. En hoe weet gij het?

--Juda vertelde het gisterenavond.

--Is Juda dan thuis?

--Ja.

--Heeft hij gezegd, dat gij het ons moest komen vertellen?

--Neen; hij denkt dat gij dood zijt.

--In vroeger jaren heeft een profeet eens een melaatsche genezen, zeide
de moeder tot Tirza, maar die was door God gezonden. Zeg mij, Amrah, hoe
weet Juda dat deze man die macht bezit?

--Hij volgde hem op zijne reizen en hoorde de melaatschen tot hem
roepen, en zag ze hersteld weggaan. Den eersten keer was het één
melaatsche, later tien te gelijk, en zij werden allen hersteld.

De moeder aarzelde niet langer. Zij vroeg niet naar het hoe en wat, zij
geloofde de feiten en zeide tot Tirza: Kind, dat moet de Messias zijn.
Ik herinner mij, dat Jeruzalem jaren geleden in opschudding kwam, omdat
er gezegd werd, dat hij geboren was. Hoe lang het geleden is weet ik
niet meer, maar hij zou nu reeds volwassen moeten zijn. Ja, het kan niet
anders ... hij is het. Laat ons wat eten, en dan zoo spoedig mogelijk met
Amrah meegaan.

Het ontbijt was weldra afgeloopen, en het drietal begaf zich op weg. Nu
stuitten zij echter op een moeilijkheid. Amrah had gezegd, dat de
Nazarener van Bethanië moest komen, maar vandaar leidden drie wegen naar
Jeruzalem. Een over den Olijfberg, een tweede langs zijn voet, en de
derde langs den Berg der Ergernis. Deze drie waren nu wel niet ver van
elkander verwijderd, maar toch ver genoeg om den Nazarener mis te
loopen, indien zij niet denzelfden weg kozen, welken hij nam.

Na een korte beraadslaging besloten zij eerst naar Bethfagé te gaan, om
zich verder door de omstandigheden te laten leiden.

Zij daalden dus den berg af in de richting van den Koningstuin en bleven
even staan om te rusten.

--Ik durf dezen weg niet vervolgen, zeide de moeder. Het zal hier druk
worden. Wij doen beter met de menschen te ontwijken en over den Berg der
Ergernis te gaan.

Toen Tirza dit hoorde ontzonk haar de moed. Daar hare voeten zeer
gezwollen waren kostte het loopen haar groote moeite.

--Die berg is steil, moeder. Ik kan onmogelijk klimmen.

--'t Is om ons leven en onze gezondheid te doen mijn kind. Zie, daar
komen reeds vrouwen om water te scheppen. Zij zullen ons steenigen, als
wij hier blijven. Kom, wees sterk, mijn kind.

Zoo trachtte de moeder, die zelve bijna niet voort kon, hare dochter te
bemoedigen, en nu kwam Amrah haar te hulp. Na de eerste opwelling had
zij de zieken niet aangeraakt, thans echter ging de trouwe ziel naar
Tirza en zeide: Leun op mij. Ik ben wel oud, maar sterk genoeg, en het
is niet ver meer. Zoo; ziet gij wel, nu gaat het al veel beter.

De weg was moeilijk, maar toen zij eenmaal boven waren en staan bleven
om adem te scheppen hadden zij een heerlijk gezicht op den Tempel met
zijne terrassen, en op Sion met zijne vele witte torens, die in het
zonlicht schitterden.

--O hoe mooi! riep de weduwe. Zie toch, Tirza, zie eens naar het gouden
beslag van de Schoone Poort! Wat glinstert dat in de zon! Weet gij nog
wel, hoe dikwijls wij er onder door zijn gegaan? Zal het niet heerlijk
zijn dat weder te kunnen doen? En ons huis is er niet ver vandaan! Daar
wacht Juda ons!

Nu begonnen zij den berg aan de andere zijde af te dalen. Hoewel Amrah
al hare krachten inspande, om Tirza te ondersteunen, kermde de arme toch
bij elken stap, ja meermalen moest zij luide aan hare smarten lucht
geven. Aan den voet des bergs gekomen zeeg zij uitgeput neder.

--Ga maar alleen verder met Amrah, moeder, ik kan niet meer.

--Neen, kind. Wat zou het mij baten, zoo ik alleen gezond werd, en gij
niet? En wat zou ik Juda moeten antwoorden, als hij naar u vraagt?

--Zeg hem, dat ik hem liefgehad heb.

De arme moeder wist niet wat te doen. Zij dacht er niet aan haar kind te
verlaten, maar de hoop op redding te moeten laten varen, nu die zoo
nabij scheen, deed den beker overloopen. Maar zie, in dat oogenblik van
grooten nood zag zij van den tegenovergestelden kant een wandelaar
aankomen.

--Moed gevat, Tirza! zeide zij. Daar komt iemand aan, die ons zeggen kan
waar de Nazarener op 't oogenblik is.

Amrah richtte Tirza een weinig op, en zoo wachtten zij den vreemdeling
af.

--Ach, moeder, gij vergeet wat wij zijn. De man zal zich uit de voeten
maken, en ons misschien eerst nog een steen naar het hoofd werpen.

--Wij zullen zien, luidde het antwoord.

Ja, de moeder wist zelve maar al te goed welke behandeling uitgeworpenen
als zij te wachten hadden.

De melaatschen stonden aan den rand van een smallen weg, zoodat de
wandelaar haar rakelings voorbij moest gaan. Zoodra hij binnen het
bereik harer stem was deed de weduwe het waarschuwende: Onrein! Onrein!
hooren. Tot hare verbazing liep hij door.

Wat zoekt gij? vraagde hij, toen hij vlak bij haar was.

--Wees voorzichtig, zeide de weduwe met waardigheid. Ik heb u
gewaarschuwd.

Vrouw, ik ben een volgeling van hem, die slechts één woord behoeft te
spreken tot dezulken als gij, en zij zijn genezen. Ik ben niet bevreesd.

--Gij bedoelt den Rabbi uit Nazareth?

--Den beloofden Messias.

--Is het waar, dat hij vandaag naar de stad gaat?

--Ja. Hij is nu te Bethfagé.

--Langs welken weg zal hij komen?

--Langs dezen.

De weduwe vouwde de handen en sloeg de oogen dankend naar den hemel op.

--Voor wien houdt gij hem? vraagde de man bewogen.

--Voor den Zoon van God! antwoordde zij.

--Blijf dan niet hier, want daar een groote schare hem volgt, staat gij
beter bij dat rotsblok onder gindschen boom. Roep hem aan zoodra hij
nadert, roept beiden en weest niet bevreesd. Hij zal u hooren. Ik ga
naar de stad, om het volk te waarschuwen dat hij komt. Vrede zij met u
en de uwen!

Hebt gij het gehoord, Tirza? De Nazarener komt langs dezen weg, en hij
zal ons helpen. Kom nu mee, een paar stappen maar!

Dus aangemoedigd liet Tirza zich door Amrah overeind helpen.

--Wacht even; zeide Amrah, de vreemdeling komt terug.

--Ik bedenk, goede vrouw, zeide hij, dat de zon hoog aan den hemel zal
staan, voordat de Nazarener komt. Ik kan in de stad het noodige krijgen,
en daarom wilde ik u mijn waterflesch geven. Gij zult er meer behoefte
aan hebben dan ik. Neem haar en heb goeden moed. Roep luide tot hem.

Dit zeggende bood hij de weduwe zijn gevulde waterflesch aan. In plaats
van ze op den grond te leggen, gaf hij ze haar in de hand.

--Zijt gij een Jood? vraagde zij verbaasd.

--Ja; maar beter nog; ik ben een volgeling van den Christus, die ons
dagelijks door woorden en voorbeeld leert wat ik nu doe. De wereld kende
reeds lang het woord liefde, zonder het echter te verstaan. Vaarwel!

Langzaam begaven de vrouwen zich naar het door hem aangewezen punt, waar
zij door ieder, die voorbijging, gezien en gehoord konden worden. Zij
zetten zich onder den boom neder, en dronken van het water. Weldra viel
Tirza in slaap, en om haar niet te storen zwegen de beide anderen.


       *       *       *       *       *


VIERDE HOOFDSTUK.

GENEZEN.


Langzamerhand werd de weg meer en meer bevolkt door menschen, die zich
naar Bethfagé spoedden. Tegen de vierde ure van den dag kwam een groote
schare over den Olijfberg, en toen zij naderbij kwamen zagen de vrouwen,
dat allen een palmtak in de hand hielden. Terwijl zij het ongewone
schouwspel gadesloegen, werd hare aandacht getrokken door een verwijderd
gedruisch van stemmen en zagen zij een menigte menschen van den anderen
kant komen. Nu wekte de moeder Tirza, zeggende: Hij komt! Deze menschen
vóór ons komen uit de stad om hem te begroeten, en die anderen zijn
zijne vrienden die hem begeleiden. Het zou mij niet verwonderen zoo de
twee groepen hier op dit punt samentroffen.

--Ik vrees, dat hij ons dan niet zal kunnen hooren, moeder.

Diezelfde gedachte was ook reeds bij de weduwe opgerezen. Amrah, zeide
zij, heeft Juda ook gezegd wat die tien melaatschen tot den Nazarener
riepen?

--Zij riepen: Heer, ontferm u over ons. Of: Meester, ontferm u over ons.

--Dat alleen?

--Ja, dat alleen, voor zooveel ik weet.

--En toch was het voldoende, zeide de weduwe zacht.

--Ja, antwoordde Amrah. Juda zei, dat hij hen geheel hersteld zag
weggaan.

Intusschen naderde de schare langzaam. Toen de voorsten in 't gezicht
waren, werd de aandacht der vrouwen allereerst getroffen door een man,
die te midden van een naar het scheen uitgelezen gezelschap reed. Hij
was blootshoofds en geheel in 't wit gekleed. Hij staarde voor zich uit
en deelde volstrekt niet in de opgewondenheid zijner volgelingen. Het
gejubel vermocht de droefgeestige uitdrukking van zijn gelaat niet te
verdrijven. Zijn golvende lokken, door het zonlicht beschenen, vormden
een gouden stralenkrans om het edelgevormde hoofd. De juichende schare
achter hem strekte zich tot in het oneindige uit. Niemand behoefde den
melaatschen te zeggen, dat dit de Nazarener, de wonderdoener was.

--Tirza, daar is hij! Daar is hij! Kom, mijn kind! riep de moeder, en
knielde naast de rots op den weg neder. Tirza en Amrah voegden zich
terstond bij haar.

Op ditzelfde oogenblik hielden de stedelingen stand, en begonnen met
hunne palmtakken te wuiven en te roepen: Hosanna den Zone Davids!
Gezegend is hij die komt in den naam des Heeren. Hosanna in de hoogste
hemelen!

De duizenden, die den Nazarener vergezelden, namen den jubeltoon over,
zoodat het door de lucht weergalmde. Het geroep der arme melaatschen
ging er geheel door verloren. Maar voor haar was het: nu of nooit. Ging
deze gelegenheid voorbij, dan moesten zij voor altijd de hoop laten
varen.

--Dichterbij, Tirza! Dichterbij! Hij kan ons niet hooren, zeide de
moeder.

Zij stond op en trad bevend naar voren, hief de handen smeekend omhoog,
en riep zoo hard zij kon. De lieden zagen haar, en verstomden, door
ontzetting en afschuw bevangen. Tirza, die achter hare moeder stond,
zonk van zwakte en angst ineen.

--Melaatschen! Melaatschen!

--Steenig ze!

--Sla ze dood! die van God vervloekten!

Deze en dergelijke kreten vermengden zich met de hosanna's dergenen, die
te veraf waren om de oorzaak der stoornis te onderscheiden. Zij, die in
de onmiddellijke nabijheid van den Rabbi waren, en zijn goddelijk
mededoogen kenden, zagen hem zwijgend aan, wel wetende wat hij doen zou,
en maakten ruimbaan voor hem, toen hij op de vrouw toereed. Zij zag hem
in het vriendelijk gelaat en schepte troost uit zijn bemoedigenden
glimlach.

--Meester, Meester! riep zij, gij ziet onze ellende, gij kunt ons
reinigen. Erbarm u over ons!

--Gelooft gij, dat ik dat doen kan?

--Ja, Heer. Gij zijt degeen, van wien de profeten gesproken hebben, gij
zijt de Messias!

--Vrouw, groot is uw geloof, u geschiede gelijk gij wilt.

Een oogenblik nog toefde hij, de schare rondom zich vergetende, één
oogenblik, toen reed hij verder, terwijl de geredde met een van dank
overvloeiend hart luide riep: Eere zij God in den hooge! Gezegend zij de
Zone Davids!

Terstond daarop omgaf hem de schare met haar vreugdebetoon en onttrok
hem aan haar oog. In dankbare verrukking drukte de moeder Tirza aan haar
hart, juichende: Wij zijn gered! Hij is waarlijk de Messias.

Zij bleven geknield liggen, totdat de menschenmassa langzaam achter den
berg verdween. Toen het gezang en gejuich in de verte zich verloor, werd
het wonder in de melaatschen gewrocht.

Eerst gevoelden zij, dat haar bloed als vernieuwd door de aderen
stroomde, sterker en sneller, zoodat het verzwakte lichaam een
onbeschrijfelijk weldadig gevoel van terugkeerende kracht gewaarwerd.
Zij voelden de plaag letterlijk wijken. Haar vleesch keerde weder, de
verduisterde oogen straalden met den ouden glans--gereinigd waren zij
van hare afzichtelijke krankte. Nu voelden zij zich ook naar den geest
herleven, nameloos geluk doortrilde haar.

Van deze genezing was, behalve Amrah, nog iemand anders getuige. Zooals
wij weten was Ben-Hur den Nazarener zooveel mogelijk gevolgd, en die
zich de gesprekken van den vorigen avond herinnert, zal zich niet
verwonderen, dat hij bij den stoet was, die den Rabbi begeleidde. Hij
was getuige van de bede der melaatsche, hij zag de vreeselijke sporen
der ziekte op haar gelaat, hij hoorde het antwoord, dat zij ontving,
en hoewel hij reeds meer dan eens tegenwoordig geweest was bij zulke
genezingen, hadden zij nog niets van hare belangwekkendheid voor hem
verloren. Daarenboven was de strijd in zijn binnenste met betrekking tot
de zending van den Nazarener nog altijd niet beslist. Daarom liet hij
den stroom voorbij gaan, en zette zich op een steen aan den weg neder,
om te zien hoe de genezing in haar werk zou gaan.

Van zijne plaats wierp hij dezen en genen een blik van verstandhouding
toe, Galileërs, die onder hunne lange gewaden het korte zwaard verborgen
droegen. Toen allen voorbij waren naderde hem een Arabier met twee
paarden.

--Blijf hier staan, zeide Ben-Hur, hem tot zich wenkend. Aldebaran zal
mij straks met verdubbelden spoed naar de stad brengen.

Hij liefkoosde het schoone dier en keerde zich toen om, ten einde de
twee vrouwen te gaan toespreken, in wie hij het grootste belang stelde,
als toonbeelden eener bovenaardsche wondermacht. Voortgaande keek hij
toevallig naar de witte rots en zag een welbekende gedaante staan, het
gelaat in de handen verborgen.

--Wat! zeide hij, staat Amrah daar?--en liep regelrecht op haar toe.
Amrah! wat doet gij hier?

Daar zag de oude vrouw op, viel voor hem neer op de knieën, verblind
door tranen, bijna sprakeloos door diepe ontroering.

--O, meester, hoe goed is God!

Een onverklaarbaar voorgevoel zeide hem, dat hare tegenwoordigheid op de
eene of andere wijze met die der beide vrouwen in verband stond. Hij
keerde zich haastig om, en bleef als aan den grond genageld staan. Het
was alsof zijn hart ophield te kloppen, hij kon geen woord uitbrengen.

De vrouw, die hij met den Nazarener had zien spreken, stond daar met
gevouwen handen, terwijl de tranen haar over de wangen stroomden. De
verandering, die zij ondergaan had, zou op zichzelf reeds zijne
verbazing gerechtvaardigd hebben, maar er was nog een andere reden. Was
het een zinsbegoocheling? of was er een treffende gelijkenis tusschen
die vrouw en zijne moeder? Zóó had zij er uitgezien op dien morgen, toen
de Romein haar uit zijne armen rukte! Alleen het haar begon hier en daar
te grijzen, maar dat liet zich hierdoor verklaren, dat de macht, welke
het wonder gewrocht had, de verloopen jaren in aanmerking had genomen.

En die andere naast haar? Tirza? Schoon en liefelijk, alleen wat ouder
dan op dien laatsten morgen, toen zij voor hem zong. Hij had beiden
reeds lang dood gewaand, en de tijd had zijne smart gelenigd. Hij
betreurde haar nog altijd, maar zij waren uit zijne droomen en plannen
voor de toekomst weggevallen.

Zijne oogen niet geloovende, greep hij Amrah bij den arm en riep: Zeg
mij toch of ik goed zie!

--Ja, ja, spreek maar tot haar!

Nu aarzelde hij niet langer, maar vloog naar haar toe met den kreet:
Moeder, beste moeder, hier ben ik!

In het volgend oogenblik waren de zoo wreed gescheiden weer vereenigd,
en omhelsden elkander innig.

Toen de eerste vreugde bedaard was, zeide de moeder: Kinderen, laat ons
God danken! Laat ons het nieuwe leven beginnen met erkenning van Hem,
die ons dit geluk bereidt.

Zij knielden neder, Amrah volgde hun voorbeeld, en als een jubelpsalm
rees het gebed der begenadigde vrouw omhoog.

Daarna vraagde zij: Wat nu, mijn zoon? Waar zullen wij naar toe gaan?

--Ja, zeide Juda, tot de werkelijkheid teruggeroepen, wij hebben nog een
plicht te vervullen.

Hoezeer hij ook verlangde haar naar huis te brengen, en hare
geschiedenis te hooren, hij bedwong zijn ongeduld, en herinnerde haar
hetgeen de Wet van herstelde melaatschen eischte. Toen riep hij den
Arabier tot zich, en beval hem de paarden naar de poort van Bethesda
te brengen en daar op hem te wachten. Vervolgens begaven zij zich
gezamenlijk op weg naar den Berg der Ergernis; maar o! hoe anders was
de wandeling ditmaal. Zij konden zich snel en gemakkelijk bewegen, en
bereikten weldra een nieuw uitgehouwen graf naast dat van Absalom. Daar
het leeg was, namen de vrouwen er bezit van, terwijl Ben-Hur verder ging
om zoo spoedig mogelijk de noodige maatregelen te treffen.


       *       *       *       *       *


VIJFDE HOOFDSTUK.

ONGEDULD.


Een paar uren later sloeg hij dicht bij de graven der Koningen twee
tenten op, die hij zoo gemakkelijk mogelijk inrichtte. Daarheen bracht
hij moeder en zuster, totdat zij van den priester een getuigschrift van
volkomen herstel zouden gekregen hebben.

Intusschen was de jonkman door dit verkeer volgens de wet zelf onrein
geworden, zoodat hij zich onthouden moest van elke deelneming, hoe
gering ook, aan het ophanden zijnde feest. Hij kon bij zijne geliefden
in de tenten blijven. Wat hadden zij elkander veel te vertellen! Onder
het luisteren naar het lijdensverhaal zijner moeder dwong hij zich tot
kalmte, maar zijn bloed kookte, en zijn dorst naar wraak werd steeds
grooter.

In deze stemming ontwierp hij de dolste plannen. De gelegenheden van
de heirwegen drongen zich aan hem op: hij zou een opstand in Galilea
verwekken, of met zijne strijdbare mannen Romeinsche reizigers op de
wegen overvallen; zelfs de zee, anders zijn schrikbeeld, werd hem door
zijne verbeelding voorgehouden, als een geschikt terrein tot plundering
van galeien en kooplieden. Maar zijn beter oordeel behield de overhand
boven een oogenblikkelijken hartstocht. Telkens weder kwam hij tot de
oude slotsom--dat slechts een oorlog van geheel Israël tegen Rome iets
zou kunnen uitrichten; en al zijne overleggingen, zijn vragen en hopen,
keerden tot hun uitgangspunt terug ... den Nazarener. Als die maar wilde
opstaan en den volke toeroepen: Hoor, Israël! Ik ben de van God
beloofde, de geboren koning der Joden! Ik kom om te heerschen zooals de
profeten gesproken hebben. Staat op als een eenig man, en brengt de
wereld aan uwe voeten!

Als de Nazarener zóó optrad, dan zou men wat zien gebeuren! Hoe zouden
de bazuinen schallen om de massa ten strijde te roepen! Zou de Nazarener
het doen?

In zijn verlangen om het werk te beginnen verloor Ben-Hur de tweeledige
natuur van den Godsgezant uit het oog, en dacht niet aan de mogelijkheid,
dat het goddelijke in hem het menschelijke zou kunnen te boven gaan. In
het wonder aan zijne moeder en Tirza gewrocht zag hij eene macht groot
genoeg, om een Joodschen troon op te richten en te handhaven, eene macht
groot genoeg, om de maatschappij te hervormen, en de menschheid tot één
geheiligd gelukkig gezin te vereenigen. Was het eenmaal zoo ver, dan zou
niemand durven loochenen, dat het een den Zone Gods waardig werk geweest
was.

Intusschen waren bij de beek Kedron in de nieuwe stadswijk Bezetha,
voornamelijk langs de wegen naar de Damascuspoort, allerlei tijdelijke
verblijfplaatsen voor de feestgangers opgeslagen. Ben-Hur bezocht de
vreemdelingen, onderhield zich met hen, en verwonderde zich dagelijks
meer over hun groot aantal. Toen hij daarenboven tot de ontdekking kwam
dat alle deelen der wereld vertegenwoordigd waren ... de beide kusten der
Middellandsche zee, Indië, de noordelijke provinciën van Europa ... toen
hij bedacht dat die lieden, ofschoon zij hem menigmaal begroetten in een
taal, die ver afgeweken was van het oude Hebreeuwsch der vaderen, toch
allen hetzelfde doel beoogden, drong zich een nieuw denkbeeld aan hem
op. Zou hij misschien den Nazarener verkeerd begrepen hebben? Zou hij
misschien onder den schijn van geduldig wachten in het geheim alles
hebben voorbereid, om zoodoende zijne geschiktheid voor de roemrijke
taak die hem wachtte te bewijzen? De gelegenheid die zich thans aanbood
was veel geschikter, dan toen de Galileërs hem bij het meer Genesareth
met geweld koning hadden willen maken. Toen zouden hem slechts een paar
duizend menschen bijgevallen zijn, heden zouden millioenen aan zijne
roepstem gehoor geven.

Dezen gedachtengang volgende kwam Ben-Hur tot het besluit, dat de
Nazarener achter zijn zachtmoedig voorkomen en onbegrijpelijke
zelfverloochening staatkundige plannen verborg.

Herhaaldelijk kwamen ernstig, door de zon gebruinde mannen Ben-Hur aan
de tent bezoeken. Hij ontving hen altijd alleen, en als zijne moeder hem
vroeg wie dat waren, antwoordde hij steeds: Goede vrienden uit Galilea.

Door hen kwam hij op de hoogte van alles wat de Nazarener deed, en van
de plannen zijner vijanden, zoowel rabbijnen als Romeinen. Hij wist dat
het leven van zijn held bedreigd werd, maar hij kon niet gelooven, dat
iemand tijdens het feest een aanslag zou durven wagen. Zijn groote roem
en populariteit, de aanwezigheid van zoovele vreemden in en rondom de
stad waarborgden, meende hij, de veiligheid van den Nazarener. Maar
bovenal rustte zijn vertrouwen op de wondermacht van den Christus. De
zaak uit een zuiver menschelijk oogpunt beziende, hield hij het voor
onmogelijk, dat de bezitter van zulk eene macht over leven en dood, zoo
dikwijls aangewend ten bate van anderen, haar niet voor zichzelven zou
gebruiken.

Het was volgens onze tijdrekening de vijfentwintigste Maart. Aan den
avond van dien dag kon Ben-Hur zijn ongeduld niet langer bedwingen en
reed naar de stad, met de belofte van spoedig te zullen terugkeeren.
Zijn paard was flink en draafde lustig voort. De huizen, die hij
voorbijreed, waren leeg, de vuren voor de tenten waren uitgedoofd, de
weg was eenzaam en verlaten, want het was de avond vóór het feest en het
volk was naar den Tempel gestroomd, om de paaschlammeren te slachten,
wier bloed door de priesters opgevangen en naar de altaren gebracht
werd. Door de groote Noordpoort reed Ben-Hur Jeruzalem binnen, het
heerlijke roemrijke Jeruzalem, zooals het vóór de verwoesting was.


       *       *       *       *       *


ZESDE HOOFDSTUK.

ONTMASKERD.


Ben-Hur stapte af voor de deur eener herberg, waar hij zijn paard in de
hoede van zijn Arabischen bediende achterliet. Met haastigen stap ging
hij naar huis, en vraagde allereerst naar Malluch; toen die niet thuis
bleek te zijn naar Balthasar en Simonides. Het antwoord luidde, dat de
beide grijsaards zich in draagstoelen naar buiten hadden laten brengen,
om ook iets van het feest te zien.

Terwijl hij nog met den knecht sprak, werd het gordijn voor de deur
weggeschoven, en trad Iras binnen, waarop de bediende heenging.

Door de gebeurtenissen der laatste dagen geheel in beslag genomen, had
Ben-Hur weinig aan de schoone Egyptische gedacht, maar zoodra hij haar
zag, liet de oude invloed zich weder gelden. Vroolijk ging hij haar te
gemoet, maar bleef op eens verbaasd staan. Tot nog toe had zij hem
onverholen hare genegenheid betoond. Maar nu! Een vreemde had zij niet
koeler kunnen ontvangen.

--Gij komt juist bijtijds, zoon van Hur, zeide zij. Ik wilde u dank
zeggen voor uwe gastvrijheid, want na morgen zal ik niet meer in de
gelegenheid zijn dat te doen.

Ben-Hur maakte een lichte buiging zonder zijne oogen van haar af te
wenden.

--Ik weet, dat het onder dobbelaars gewoonte is, vervolgde zij, na
afloop van het spel de rekening op te maken, en den gelukkigen winner te
bekronen. Wij hebben een spel gespeeld, het heeft vele dagen en weken
geduurd. Waarom zouden wij, nu het uit is, niet eveneens nagaan wie van
ons den krans moet hebben?

Niet recht wetende wat hij van haar denken moest antwoordde Ben-Hur
luchtig: Als een vrouw op het een of ander haar zinnen gezet heeft, moet
een man haar daarin ter wille zijn.

--Zeg mij, zeide zij met een onaangenaam lachje, zeg mij, Vorst van
Jeruzalem, waar is hij, de zoon des timmermans van Nazareth, van wien
men onlangs zulke groote verwachtingen had?

Met een gebaar van ongeduld antwoordde hij: Ik ben zijn bewaker niet.

--Heeft hij Rome al omvergeworpen?

Toornig wilde Ben-Hur antwoorden, maar zij vervolgde: Waar heeft hij
zijn zetel opgeslagen? En zijn paleis? Hij heeft wel dooden opgewekt,
het zou hem dus geen moeite kosten als met een tooverslag een gouden
huis te doen ontstaan. Hij behoeft maar met den voet te stampen en één
woord te spreken, en het huis staat daar, zoo mooi, als men het slechts
verlangen kan.

Hij behoefde er niet meer aan te twijfelen, dat zij in ernst sprak. De
vragen waren beleedigend, haar toon en houding bepaald onvriendelijk.
Hij voelde, dat hij voorzichtig moest zijn, en zeide zacht: Laat ons nog
een dag, desnoods nog een week wachten, voordat wij oordeelen.

Zonder op zijne woorden te letten vervolgde zij: En hoe komt het, dat ik
u in zulk eene kleeding zie? Dat is niet de dracht der stadhouders van
Indië, of van onderkoningen, waar dan ook. Ik heb eenmaal een Perzisch
satraap gezien. Hij droeg een zijden tulband en een mantel van
goudlaken; het gevest en de scheede van zijn zwaard glinsterden van
kostbare edelsteenen. Ik dacht dat Osiris hem iets van den glans der zon
had afgestaan. Ik vrees, dat gij nog niet in uwe heerschappij bevestigd
zijt, de heerschappij, die ik met u zou deelen.

--De dochter van mijn wijzen gast is vriendelijker dan zij zelve
vermoedt; zij doet mij zien, dat Isis een hart kan kussen zonder het
beter te maken.

Hij sprak met koude hoffelijkheid en Iras antwoordde, al spelende met
haar halsketting: De zoon van Hur is zeer slim. Ik zag uw droomenden
koning zijn intocht in de stad houden. Gij hadt ons gezegd, dat hij zich
op dien dag tot koning der Joden zou laten uitroepen. Ik zag een hem
begeleidenden stoet van den berg afdalen, en hoorde hun gezang. 't Was
een mooi gezicht, die wuivende palmtakken. Ik zocht naar een koninklijke
verschijning in hun midden: een ruiter in het vorstelijk purper, of een
statigen krijger in een strijdwagen, met schild en speer gewapend. Ik
zocht naar zijn lijfwacht. Het zou mij goed hebben gedaan een vorst van
Jeruzalem aan het hoofd eener kohorte van de Galileesche legioenen te
zien!

Zij wierp haren toehoorder een uitdagenden blik toe, en lachte toen
luid, alsof zij in den geest iets zeer belachelijks aanschouwde.

--In stede van een triomfeerenden Sesostris, vervolgde zij, of van een
gewapenden Cesar, hahaha! zag ik een man met tranen in de oogen op een
ezelsveulen gezeten. De koning! de Zoon van God! de Verlosser der
wereld! Hahaha!

In spijt van zichzelven kon Ben-Hur zijn verlegenheid niet verbergen.
Voordat hij zich hersteld had, ging zij voort: Toch verliet ik mijne
plaats niet, Vorst van Jeruzalem. Evenmin lachte ik. Ik zeide tot
mijzelve: Geduld! In den Tempel zal hij zich in zijne ware gedaante
vertoonen, zooals dat een held betaamt, die de wereld in bezit gaat
nemen. Ik zag hem de poort van Suzanna binnengaan. Ik zag hem stilhouden
voor de Schoone Poort. Duizenden menschen stonden in de voorhoven van
den Tempel, op de trappen; allen wachtten in hooge spanning op zijne
proclamatie. In mijne verbeelding hoorde ik de steunsels van het
machtige Rome kraken. Hahaha! O Vorst! bij de ziel van Salomo, uw koning
wikkelde zich dichter in zijn overkleed en wandelde weg, zonder zijn
mond geopend te hebben, en ... het Romeinsche rijk bestaat nog.

Geen vertoogen van Balthasar, geen wonderen voor zijn oogen verricht,
hadden vermocht wat het door Iras geschilderde tafereel uitwerkte.

Dat zich afwenden van de Schoone Poort--gaf de Nazarener zelf daarmede
niet duidelijk te kennen, dat hij het door-hem op te richten koninkrijk
niet beschouwd wilde hebben als een aardsch koninkrijk?

--Dochter van Balthasar, zeide hij waardig, als dit het spel is, waarvan
gij spraakt, neem den krans; ik moet hem u toekennen. Laat ons echter
een einde maken aan dit woordenspel. Dat gij er een doel mede hebt,
geloof ik zeker. Spreek het vrij uit en ik zal u antwoorden. Daarna
kunnen wij ieder zijn eigen weg gaan, en vergeten dat wij elkander ooit
ontmoet hebben. Spreek! Ik luister--indien gij ten minste een anderen
toon wilt aanslaan.

Zij zag hem een oogenblik onderzoekend aan, overleggende wat zij doen
zou, misschien ook om zijn wilskracht te beproeven, en zeide toen
koeltjes: Gij kunt vertrekken. Ga!

--Vrede zij u, antwoordde hij, en ging naar de deur. Toen hij er vlak
bij was, riep zij hem terug.

--Nog één woord.

Hij bleef staan, en zag om.

--Bedenk dat ik alles van u weet.

--Waarin bestaat dat alles? vraagde hij terugkomende.

Zij zag hem aan met verstrooiden blik.

--Gij hebt meer van een Romein, zoon van Hur, dan een uwer Joodsche
broederen.

--Ben ik zoo verschillend van mijne landgenooten? vraagde hij
onverschillig.

--De halfgoden zijn allen Romeinen, zeide zij.

--Is dat alles wat gij van mij weet?

--De gelijkenis is niet voor mij verloren. Het zou er mij toe kunnen
brengen u te redden.

--Mij te redden?

Haar vingers speelden met het sieraad aan haren hals en haar stem klonk
innemend en zacht; maar het trappelen van haar voetje maande hem tot
voorzichtigheid.

--Er was een Jood, een ontvluchte galeislaaf, die een man doodde in het
paleis Idernee, zeide zij langzaam.

Ben-Hur ontstelde.

--Diezelfde Jood versloeg hier in Jeruzalem op het voorplein van het
praetorium verscheidene Romeinsche soldaten, diezelfde Jood heeft onder
zijne bevelen drie welgeoefende legioenen uit Galilea, om hedennacht den
Romeinschen procurator gevangen te nemen; diezelfde Jood heeft alles
voorbereid tot een oorlog met Rome, en Sheik Ilderim is een van zijne
bondgenoten.

Nog dichterbij komende, fluisterde zij: Gij hebt in Rome gewoond.
Gesteld dat deze dingen gefluisterd werden in ooren, die wij kennen?
Aha! gij verschiet van kleur?

Hij ging een stap achteruit met de uitdrukking op het gelaat van een
man, die, meenende met een poes te spelen, onverwacht een tijgerjong
voor zich ziet.

Zij vervolgde: gij zijt bekend aan het hof, gij kent den machtigen
Sejanus. Gesteld dat hem werd medegedeeld, dat diezelfde Jood de rijkste
man is van het Oosten, ja van het geheele keizerrijk, dan zouden de
visschen van den Tiber waarschijnlijk wel op iets anders onthaald
worden, dan op hun gewone voedsel, niet waar? En welke prachtige
voorstellingen zouden daarna in den Circus gegeven worden! Het
Romeinsche volk te vermaken is een schoone kunst, maar het geld te
verzamelen, om het te kunnen blijven vermaken, is nog grooter kunst; en
heeft ooit eenig kunstenaar daarin Sejanus geëvenaard?

Ben-Hur wendde al zijne zelfbeheersching aan, om kalm te blijven, en
zeide bedaard: Welaan, dochter van Egypte, dank zij uwe listigheid hebt
gij mij in uwe macht, 't Zal u zeker genoegen doen mij te hooren
bekennen, dat ik geen genade van u verwacht. Ik zou u kunnen dooden;
doch gij zijt eene vrouw. De woestijn is bereid om mij te ontvangen, en
ofschoon de Romeinen uitstekende menschenjagers zijn, zouden zij mij
daar toch lang en ver moeten zoeken, voordat ze mij vingen; want de
wildernis herbergt duizenden trouwe, gewapende mannen. Maar al hebt gij
mij in uwe netten weten te krijgen--dwaas die ik was! één antwoord zijt
gij mij schuldig: Wie heeft u dat alles aangaande mij verteld?
Vluchteling of banneling, het zal mij een troost zijn mijnen verrader
den vloek na te laten van een man, wiens leven niets dan ellende heeft
gekend. Wie heeft u dat alles aangaande mij medegedeeld?

Was het een kunstgreep, was het oprecht gemeend,--de uitdrukking van
Iras' gelaat werd zachter.

--In mijn vaderland vindt men kunstenaars, die schilderijen maken van
veelkleurige schelpjes, welke zij aan het strand der zee vonden, en in
stukken sloegen, om ze daarna tot één geheel samen te voegen. Ziet gij
niet wat zij, die een geheim willen uitvorschen, daaruit kunnen leeren?
Het zij u genoeg te weten, dat ik van den een dit, van den ander dat
vernam, en weldra een geheel kon samenstellen, dat mij meesteres maakte
van het fortuin en het leven van een man met wien ... ik niet recht weet
wat ik doen zal.

--Neen, dat is mij niet genoeg, zeide Ben-Hur onbewogen. Morgen zult gij
wel weten wat gij met mij doen zult ... mij misschien vermoorden.

--Dat is zoo, antwoordde zij snel en met nadruk. Nu dan. Enkele dingen
vernam ik door Sheik Ilderim, toen hij op zekeren avond met mijn vader
een onderhoud had in de woestijn. 't Was stil, heel stil, en de wanden
eener tent zijn, om de waarheid te zeggen, geen voldoende beschutting
tegen ooren, die daar buiten luisteren naar den vleugelslag van
nachtvlinders. Andere bijzonderheden kreeg ik van....

--Welnu? van wien?

--Van den zoon van Hur zelf.

--Heeft niemand anders er toe bijgedragen?

--Neen, niemand.

Ben-Hur slaakte een zucht van verlichting en zeide: Dank voor uwe
mededeeling. Het zou niet beleefd zijn den machtigen Sejanus op u te
laten wachten. Vaarwel!

Tot nog toe had hij met ongedekten hoofde voor haar gestaan; nu nam hij
den doek, die over zijn arm hing, schikte zich dien om het hoofd en
wilde zich verwijderen. Maar zij hield hem tegen, en stak in haren ijver
de hand naar hem uit.

--Blijf! zeide zij.

Hij zag haar aan zonder echter de aangeboden hand te nemen, en begreep
uit hare geheele manier van doen, dat het voornaamste nog komen moest.

--Blijf, en geloof vrij, dat ik weet waarom de edele Arrius u tot zijn
erfgenaam maakte. Bij alle goden van Egypte, ik beef als ik er aan denk,
dat gij, zoo dapper en edelmoedig, den onbarmhartigen Sejanus in handen
zoudt vallen. Gij hebt een gedeelte van uw jeugd in de atria der groote
wereldstad doorgebracht, bedenk wat in tegenstelling daarmede de
woestijn voor u zijn moet. O, ik heb medelijden met u! En als ge doen
wilt wat ik zeg, zal ik u redden. Dat zweer ik u bij onze heilige Isis!

Het vuur, waarmede zij gesproken had, deed haar aangezicht gloeien;
zelden had hij haar zoo schoon gezien.

--Eenmaal hadt gij een vriend, vervolgde zij. Gij waart toen nog een
knaap. Op zekeren dag kreegt gij twist en werdt vijanden. Vele jaren
later zaagt gij hem in den circus te Antiochië.

--Messala!

--Ja, Messala. Gij waart zijn schuldeischer. Laat het verledene vergeven
en vergeten zijn; schenk hem uwe vriendschap weder; geef hem zijn geld
terug, dat hij bij de groote weddenschap verloor; red hem! De zes
talenten zijn voor u zoo goed als niets, niet zooveel als het afvallend
blad van een lommerrijken boom; maar voor hem.... Ach, hij gaat daarheen
met een verbrijzeld lichaam! O Ben-Hur, edele vorst! voor een Romein als
hij, uit een edel geslacht gesproten, is armoede nog erger dan de dood.
Red hem, ach, red hem!

Als de snelheid, waarmede zij sprak, dienen moest, om hem het nadenken
te beletten, dan vergiste zij zich deerlijk. Zijne gevoelens ten
opzichte van Messala waren voor geene wijziging vatbaar. Het was hem,
alsof hij zijn vijand over haar schouder naar hem zag gluren, met de
oude trotsche, overmoedige uitdrukking.

--Messala krijgt van mij niets, sprak hij vastberaden. Als Romein
veroordeel ik den Romein. Maar zeg mij, zond hijzelf u tot mij met dit
verzoek?

--Hij heeft een edele natuur en beoordeelde u daarnaar.

--Zeg mij, gij, die hem zoo goed schijnt te kennen, zeg mij, zou hij in
het omgekeerde geval voor mij doen wat hij nu van mij vraagt? Antwoord
ter wille van de waarheid!

--O, begon zij, hij is....

--Een Romein, wilt gij zeggen; en gij bedoelt daarmede, dat ik, een
Jood, niet moet eischen, dat een en dezelfde maatstaf gebruikt zal
worden voor hem en voor mij. Dus omdat ik een Jood ben, moet ik hem
mijne winst laten, omdat hij een Romein is. Als gij nog meer te zeggen
hebt, dochter van Balthasar, spreek dan, want waarlijk! moest mijn bloed
nog tot grooter kookhitte komen, dan zou ik in u misschien niet langer
eene vrouw zien, maar de spion van den Romein. Spreek dus, maar maak het
kort.

Zij ging een stap achteruit. Uit hare oogen en stem sprak al de boosheid
van hare natuur.

--Gij meent, dat ik u zou kunnen beminnen, nadat ik Messala gezien had?
Zulken als gij zijn geboren om hem te dienen. Hij zou tevreden zijn
geweest, indien gij hem zijne zes talenten teruggegeven hadt; maar ik
zeg u, bij die zes zult gij er twintig voegen, hoort gij? Voor iederen
kus, dien gij mij gegeven hebt, al was het met mijne toestemming, zult
gij mij betalen. Gij zult er voor betalen, dat ik u zoo lang verdragen,
ja begunstigd heb, al deed ik het ook om hem te dienen. De oude
Simonides is uw rentmeester. Indien hij mij morgenmiddag niet een wissel
ter hand stelt voor zesentwintig talenten, dan zult gij met den
machtigen Sejanus hebben af te rekenen. Wees wijs! en nu vaarwel.

Zij wilde de kamer verlaten, maar hij trad haar in den weg.

--Wanneer gij Messala ziet, hier of in Rome, vandaag of morgen, wil hem
dan van mijnentwege deze boodschap overbrengen: Zeg hem, dat ik al het
geld terug heb, dat hij mij ontstal, toen hij zich een deel van mijn
vaders bezittingen toeëigende. Zeg hem, dat ik van de galeien, waarheen
hij mij zond, levend ben teruggekomen, en dat ik gezond en krachtig, mij
verheug over zijne armoede en schande. Zeg hem, dat de lichaamspijnen,
hem door mijne hand toegebracht, een straf zijn van den God van Israël
voor het verraad, dat hij aan onschuldigen gepleegd heeft; zeg hem, dat
mijne moeder en zuster, die met zijn medeweten opgesloten werden in eene
besmette cel van den burcht Antonia, opdat zij daar aan melaatschheid
zouden sterven, leven, en gezond zijn door het machtwoord van den
Nazarener, dien gij veracht. Zeg hem, dat zij, om de maat van mijn geluk
vol te maken, mij teruggegeven zijn, en dat ik tot haar ga, om in hare
liefde meer dan voldoening te vinden voor de onreine hartstochten, die
gij op hem overbrengt. Zeg hem, dat de machtige Sejanus, als hij zich
opmaakt om mij van mijn eigendom te berooven, niets zal vinden, want
alles, wat ik van den duumvir geërfd heb, is verkocht, en de opbrengst
is in veiligheid gebracht. Zeg hem, dat dit huis en de goederen, waar
Simonides handel mede drijft, gedekt zijn door keizerlijken vrijbrief.
Zeg hem, dat ik hem mijnen vloek niet in woorden zend, maar dat ik hem
aan u overlaat, opdat gij elkander wederkeerig ten vloek zoudt zijn. Ga
nu, ik ga ook.

Hij geleidde haar naar de deur en hield beleefd een voorhang tegen,
terwijl zij naar buiten ging.


       *       *       *       *       *


ZEVENDE HOOFDSTUK.

DE BLINDDOEK AFGEVALLEN.


Ben-Hur verliet de zaal vrij wat minder opgewekt, dan hij haar
binnengetreden was; zijn stap was langzamer, hij liet het hoofd hangen.
De ontdekking dat iemand, al heeft hij ook al zijne ledematen gebroken,
toch nog gezond van hersenen kan zijn, gaf hem veel te denken.

Dat hij de Egyptische zelf niet verdacht had van in Messala's belang
werkzaam te zijn, maar zich blindelings had overgegeven aan de
betoovering, die van haar uitging, wondde zijne ijdelheid.

--Nu herinner ik mij, dacht hij, dat zij in het minst niet
verontwaardigd was over de handelwijze van den onbeschaamden Romein bij
de bron van Castalia. Ik herinner mij ook, dat zij van den beginne met
ingenomenheid over hem sprak. En ... aha!... nu behoef ik niet langer te
vragen, aan wie ik dat geval in het paleis Idernee te danken had.

--God zij gedankt! riep hij na een oogenblik nadenkens overluid, dat die
vrouw mijn hart niet omstrikt had! Ik zie nu in dat het geen liefde was,
die ik voor haar gevoelde.

Alsof hem een pak van het hart gevallen was, begaf hij zich verruimd van
zin naar het platte dak. Boven gekomen bleef hij stilstaan. Kon
Balthasar haar medeplichtige zijn? Neen, neen. Een eerwaardig grijsaard
als hij kan niet huichelen. Balthasar is een goed man.

Gerustgesteld ging hij verder. De volle maan stond hoog aan den hemel,
maar verbleekte door den gloed der vuren, die in de straten en op de
pleinen ontstoken waren. Van alle zijden weerklonk het gezang van
psalmen en lofzangen. Onwillekeurig bleef hij staan luisteren. De
tallooze stemmen schenen hem toe te roepen: Aldus, zoon van Juda,
getuigen wij van onze trouw aan den Heer onzen God, en onze liefde tot
het land, dat Hij ons gegeven heeft. O, dat een Gideon mocht optreden,
of een David, of een Makkabeër!--Wij zijn gereed.

In den geest zag hij den Nazarener, wiens vriendelijk gelaat allerminst
aan oorlog deed denken, veeleer aan vrede en liefde, en zoo drong de
oude vraag zich weder aan hem op: Wie is hij toch?

Ben-Hur wierp een blik over de borstwering, keerde zich toen om en
wandelde toen werktuiglijk naar het zomerhuisje. Laat hen het ergste
doen wat zij kunnen, zeide hij langzaam voortgaande. Ik kan den Romein
geen vergiffenis schenken. Ik wil mijn fortuin niet met hem deelen, maar
evenmin wil ik de stad mijner vaderen ontvluchten. Liever roep ik de
Galileërs te hulp en laat ik het zwaard voor mij beslissen. Door dappere
daden zal ik de stammen voor mij winnen. Hij, die Mozes verwekte, zal
ook ons een aanvoerder toezenden, als ik niet slaag. Blijkt het, dat de
Nazarener niet de aangewezen persoon is, dan een ander uit de velen, die
hun leven willen laten voor de vrijheid.

Het zomerhuisje was van binnen slechts flauw verlicht, toen Ben-Hur
binnentrad. Hij zag den armstoel van Simonides in den hoek geschoven,
vanwaar men het beste uitzicht had over de markt.

--De goede man is teruggekeerd, dacht hij. Als hij niet slaapt, zal ik
hem even toespreken.

Hij naderde den stoel met zachten tred. Over de hooge rugleuning
glurende zag hij, dat Esther in den stoel zat te slapen, half verborgen
onder de deken. Hare ademhaling was zacht en regelmatig. Op eens slaakte
zij een diepen zucht. Was het de zucht, of de eenzaamheid, waarin hij
haar aantrof,--genoeg, hij kreeg den indruk dat deze slaap meer een
gevolg was van uitputting na droefheid, dan van vermoeidheid. Met de
handen op de rugleuning rustend, dacht hij een oogenblik na.

--Ik zal haar niet wekken. Ik heb haar niets te zeggen, niets, of het
moest zijn, dat ik haar liefheb. Zij is eene dochter uit den stam van
Juda, schoon en lieftallig, geheel verschillend van de Egyptische. Bij
die is alles ijdelheid, bij haar alles waarheid, daar eerzucht, hier
plicht, daar zelfzucht, hier zelfverloochening.... Neen, de vraag is niet
of ik haar liefheb, maar of zij mij liefheeft! Zij was mij van den
beginne genegen. Ik ben dien avond op het terras te Antiochië nog niet
vergeten, toen zij mij zoo kinderlijk smeekte Rome niet tot mijn
vijandin te maken. Ik heb haar lief. Niemand weet, dat ik moeder en
Tirza teruggevonden heb. Hoe zal zij zich met mij verheugen, haar van
harte verwelkomen. Voor moeder zal zij eene tweede dochter wezen, in
Tirza vindt zij eene zuster. Ik zou haar kunnen wekken en dit alles
vertellen, maar eerst moet de Egyptische toovenares weg, en alles
vergeten zijn. Ik zal heengaan en een ander, een beter oogenblik
afwachten. Ik zal wachten. Slaap zacht, schoone Esther! trouw kind,
dochter van Juda!

Hij ging heen, even stil als hij gekomen was.


       *       *       *       *       *


ACHTSTE HOOFDSTUK.

HET VERRAAD.


De straten waren vol gaanden en komenden. Hier en daar stonden groepjes
geschaard rondom de vuren, waar vleesch gebraden, gezongen en
feestgevierd werd. De geur van het gebraad, vermengd met den reuk van
brandend cederhout, vervulde de lucht; en daar bij deze gelegenheid alle
Israëlieten elkander als broeders begroetten en de gastvrijheid geen
grenzen kende, werd Ben-Hur bij elken stap begroet, terwijl de groepjes
rondom het vuur hem toeriepen: Kom, en eet met ons. Wij zijn broeders in
de liefde Gods!--Maar hij dankte hen allen vriendelijk en haastte zich
voort, daar hij van plan was zijn paard op te halen aan de herberg, en
naar de tenten bij de beek Kedron terug te keeren.

Om daar te komen, moest hij de straat oversteken, die weldra door het
droevigst tooneel, dat de christenheid kent, vermaard zou worden. Ook
daar waren de feestelijkheden in vollen gang. De straat afziende, zag
hij een optocht met fakkellicht naderen! Waar zij langs kwamen verstomde
het gezang. Zijne verbazing klom, toen hij te midden van rook en vonken
speren zag flikkeren, waaruit hij begreep, dat het Romeinsche soldaten
waren. Wat deden zij, die vervloekte Romeinen, bij een Joodsche
processie? Dat was iets ongehoords, en hij bleef staan om te zien wat
dat beteekenen moest.

De maan scheen helder; maar alsof maan en sterren en straatvuren en het
licht uit vensters en open deuren niet voldoende waren om alles buiten
te verlichten, droegen sommige deelnemers aan den optocht bovendien
brandende lantaarns, en daar Ben-Hur begreep, dat er iets bijzonders te
doen moest zijn, koos hij een geschikte plaats uit, om elk der
voorbijtrekkenden aandachtig op te nemen. De toortsen en lantaarnen
werden door bedienden gedragen, die met knuppels of puntige stokken
gewapend waren. Hun plicht was allereerst de hoogmogenden onder hen:
oudsten, priesters, rabbi's met lange baarden, zware wenkbrauwen en
haviksneuzen, bij te lichten op den ongelijken, steenachtigen weg. Wat
kon toch het doel van hun tocht zijn? Niet naar den tempel, want
daarheen voerde een andere weg. En hun plannen ... als die van vreedzamen
aard waren, waartoe dan de soldaten?

Toen de stoet hem voorbijging, werd zijne aandacht voornamelijk
getrokken door drie personen, die in de eerste rijen gingen. In den man
links herkende hij een hoofdman der tempelwacht, die meest rechts liep
was een priester, den middelsten daarentegen herkende hij niet dadelijk,
want hij leunde onder het voortgaan zwaar op de beide anderen, en liet
het hoofd hangen, als om het gelaat te verbergen. Zijn voorkomen deed
aan een boosdoener denken, die den schrik van zijne gevangenneming nog
niet te boven was gekomen. Ontegenzeglijk was hij, zoo niet de oorzaak
van het optrekken der soldaten, dan toch òf hun gids, òf een onmisbaar
getuige. Kon Ben-Hur achter zijn naam komen, dan zou hij het overige
misschien wel kunnen raden. Zonder iets te zeggen, trad hij den priester
op zijde, en stapte naast hem voort. Als de man nu maar zijn hoofd wilde
opheffen! En zie! daar deed hij het, zoodat het licht der lantaarnen op
zijn bleek, door vrees vertrokken gelaat viel. Daar Ben-Hur den
Nazarener zoo dikwijls op zijne tochten gevolgd was, kende hij de
discipelen, zoowel als den meester; en toen hij nu dat verschrikte
gelaat zag, riep hij luid: Iskariot!

Langzaam keerde de ongelukkige het hoofd om, keek Ben-Hur aan en bewoog
zijne lippen, alsof hij iets wilde zeggen, maar de priester kwam
tusschenbeide.

--Wat woudt gij? Ga weg! zeide hij tot Ben-Hur, en duwde hem op zij. De
jonkman liet het zich welgevallen, wachtte een betere gelegenheid af, en
sloot zich weder bij den stoet aan. Zij gingen tusschen den heuvel
Bezetha en den burcht Antonia door, langs het badwater Bethesda naar de
Schaapspoort. Overal waren menschen en overal werd feestgevierd. Ter
eere van het feest stonden de deuren der poort wijd open. Voorwaarts
ging het, altijd voorwaarts, nu het dal in, dat naar de beek Kedron
leidde. Aan de andere zijde zag men den Olijfberg met zijn donker
geboomte. Dof weerklonken de voetstappen der mannen in de nachtelijke
stilte. Nog een klein eindje, en toen sloegen zij links om naar een
olijvenhof, die aan den voorkant door een steenen muurtje afgesloten
was. Ben-Hur wist dat in dien hof niets was, dan eenige knoestige
boomen, wat gras, en een in de rots uitgehouwen trog, die gebruikt werd
voor het treden van de olijven. Terwijl hij zich verbaasd afvraagde wat
zij in dit uur op eene zoo eenzame plaats te doen konden hebben, stond
de troep plotseling stil. In de voorhoede hoorde men luid spreken. Er
ontstond een onverklaarbare verwarring; alleen de soldaten hielden
stand. In een oogwenk had Ben-Hur zich uit het gedrang weten te redden,
om vooruit te snellen. Weldra bevond hij zich voor een poortje zonder
deur, dat toegang verleende tot den hof. Hij bleef staan om het tooneel
te overzien.

In de poort stond een man met witte kleederen bekleed, blootshoofds, de
handen op de borst gevouwen, een gedaante hem maar al te goed bekend ...
de Nazarener! Zijne discipelen stonden achter hem geschaard; zij zagen
er ontsteld uit, de meester zelf stond daar als een toonbeeld van
verheven rust.

Tegenover deze vreedzame gestalte hield de bende stil, onthutst, gereed
om op een machtwoord uit zijnen mond uiteen te stuiven en weg te loopen.
Ben-Hur wierp een vluchtigen blik op hem, op de menigte, op Judas
Iskariot, en nu begreep hij het doel van den tocht. Hier stond de
verrader, daar de verradene. De lieden met knuppels en stokken gewapend
en de soldaten waren gekomen om hem gevangen te nemen.

Niemand kan met zekerheid zeggen wat hij doen zal, voordat het oogenblik
van handelen daar is. Ben-Hur stond voor iets, waarop hij zich jarenlang
had voorbereid. De man, voor wiens veiligheid hij moest waken, op wiens
leven hij al zijne hoop gebouwd had, verkeerde in lijfsgevaar,--en toch
deed hij niets. De menschelijke natuur is vol van zulke tegenstrijdigheden.
De groote kalmte echter, waarmede de geheimnisvolle Nazarener de menigte
te gemoet trad, hield hem tegen, want hij verwachtte dat de meester gebruik
zou maken van zijne wondermacht, om zich uit dit dreigend gevaar te redden.
Vrede, liefde en vergevensgezindheid waren de grondtonen geweest van zijn
leer; zou hij zijne prediking in praktijk brengen? Hij was Heer over leven
en dood. Welk gebruik zou hij nu van die macht maken? Zichzelven verdedigen?
En hoe dan? Eén woord, één wenk, ééne gedachte was voldoende. Dat een
wonder, iets bovennatuurlijks gebeuren zou, geloofde Ben-Hur vast, en in
dat geloof wachtte hij. Maar hij mat den Nazarener naar zichzelven af, naar
den menschelijken maatstaf.

Daar weerklonk des Meesters heldere stem.

--Wien zoekt gij?

--Jezus den Nazarener, antwoordde de priester.

--Ik ben het.

Op het hooren van deze zeer eenvoudige woorden weken de aanvallers eenige
schreden achteruit, de vreesachtigen vielen ter aarde.

Zij zouden hem waarschijnlijk alleen gelaten hebben en weggegaan zijn,
indien niet Judas naar voren gekomen was en gezegd had: Wees gegroet,
Meester.

Dit zeggende kuste Judas hem.

--Judas, zeide de Nazarener zacht, verraadt gij den Zoon des Menschen
met een kus? Waarom zijt gij hier gekomen?

Daar hij geen antwoord kreeg, wendde de Meester zich weder tot de schare.

--Wien zoekt gij?

--Jezus van Nazareth.

--Ik heb u gezegd, dat ik het ben. Indien gij dan mij zoekt laat dezen
henengaan.

De rabbi's traden op hem toe, en hun voornemen radende kwamen sommigen
zijner discipelen, voor wie hij in de bres gesprongen was, naderbij. Een
van hen hief zijn zwaard op en sloeg een man zijn oor af, maar zonder te
kunnen verhinderen dat de Meester gevangen werd genomen.

En nog steeds stond Ben-Hur stil!

Terwijl men de touwen bracht om hem te binden, verrichtte de Nazarener
eene liefdedaad, die meer nog dan eenige andere zijne oneindige liefde
en zachtmoedigheid deed zien.

--Laat ze tot hiertoe geworden, zeide hij, raakte het oor van den
gewonden dienstknecht aan, en heelde het.

Vrienden en vijanden beiden stonden verbaasd, laatstgenoemden daarover,
dat hij zoo iets kon doen, de eersten, dat hij het wilde doen.

Neen, neen! Hij zal niet toelaten, dat zij hem binden! dacht Ben-Hur.

--Steek uw zwaard in de scheede. De beker, dien mij de Vader gegeven
heeft, zou ik dien niet drinken?

Van den voorbarigen discipel keerde de Nazarener zich tot zijne
vijanden: Zijt gij gekomen als tot een dief, met zwaarden en stokken om
mij gevangen te nemen? Dagelijks was ik bij u in den Tempel en gij hebt
mij niet gegrepen, maar dit is uwe ure en de macht der duisternis.

De bende vatte moed en omringde hem. Toen Ben-Hur rondzag naar de
discipelen waren zij weg, niet één was gebleven.

De Nazarener werd gebonden,--hij die zijne vijanden met een ademtocht
zou hebben kunnen vernietigen. Waarom wilde hij zichzelven niet redden?
Wat was die drinkbeker, dien zijn vader hem gegeven had te drinken? En
wie was die vader? Altemaal geheimen, die alleen de Nazarener onthullen
kon.

Nu maakte de bende zich gereed om naar de stad terug te keeren, de
soldaten voorop. Ben-Hur werd beangst. Hij was niet met zichzelf
tevreden. Hij wist waar de Nazarener te vinden was,--daar, waar de
meeste flambouwen waren. Op eens nam hij een besluit. Hij moest hem nog
eenmaal zien, hem ééne vraag voorleggen. Haastig ontdeed hij zich van
zijn overkleed en hoofddoek, wierp ze op het muurtje, en vloog de bende
achterna.

Het gelukte hem na eenig dringen den man te bereiken, die de einden van
het touw vasthield, waarmede de gevangene behouden was.

De Nazarener liep langzaam, met gebogen hoofd, de handen op den rug
gebonden, en alsof hij niets merkte van hetgeen rondom hem voorviel.
Voor hem uit gingen priesters en oudsten, in drukke gesprekken verdiept,
en telkens naar hunne prooi omziende. Toen zij de brug genaderd waren,
nam Ben-Hur den bewaker het touw uit de hand, en trad den gevangene op
zijde.

--Meester, sprak hij zacht en snel, hoort gij mij, Meester? Eén woord
slechts. Zeg mij.... De man, wien hij het touw ontnomen had, wilde het
terug hebben.

--Meester, zeg mij, ging Ben-Hur voort, gaat gij vrijwillig mede?

De menigte sloot zich meer aaneen en vraagde hem dreigend: Mensch, wie
zijt gij?

--Ach, Meester, zeide Ben-Hur haastig, zijn stem scherp door angst, ik
ben uw vriend. Zeg mij, ik smeek het u, wilt gij, dat ik u te hulp kom?

De Nazarener zag niet op, en gaf niet het minste teeken van herkenning.

Maar nu drongen de wachters op hem in. Van alle kanten werd geroepen:
Hij is een van hen. Grijpt hem! Slaat hem dood! Met een wanhopige
krachtsinspanning rukte Ben-Hur zich los, keerde zich, links en rechts
slaande, om, en brak door den kring heen, die hem dreigde in te sluiten.
Zijn kleed moest hij in handen laten van een wachter, die hem reeds
gegrepen had, zoodat hij naakt van hen moest vlieden. Gelukkig kon hij
zich in de donkere kloof voor iedere oog verbergen.

Toen alles stil geworden was, keerde hij naar den olijvenhof terug, om
zijn overkleed te halen, begaf zich van daar naar de herberg, besteeg
zijn paard en reed spoorslags naar de tenten zijner moeder bij de graven
der Koningen. Onder het voortrijden nam hij het besluit den volgenden
dag den Nazarener te bezoeken, weinig vermoedende, dat deze nog
dienzelfden avond naar het huis van Annas gebracht was, om terstond
verhoord te worden.

Met een bezwaard hart ging de jonkman ter ruste. Moedeloos wierp hij
zich op zijn leger om en om, aan slapen viel voor hem niet te denken,
want het leed geen twijfel: het Joodsche koninkrijk, waar hij van
gedroomd had, loste zich op in wat het was--een droom.


       *       *       *       *       *


NEGENDE HOOFDSTUK.

NAAR DEN KRUISHEUVEL.


Den volgenden morgen tegen de tweede ure reden twee mannen in galop naar
Ben-Hurs tent, stapten af, en vraagden hem te zien.

Hij was nog niet opgestaan, doch beval dat men hen binnen zou laten.

--Vrede zij u, broeders, zeide hij, want het waren twee vertrouwde
hoofdlieden van het Galileesche legioen. Neemt plaats!

--Neen, antwoordde de oudste kortaf. Zitten en rusten wil zooveel zeggen
als den Nazarener te laten sterven. Sta op, zoon van Juda, en ga met ons.
Het oordeel is uitgesproken, de kruispaal wordt opgericht.

Ben-Hur staarde den spreker ontsteld aan. Het kruis! was alles wat hij
zeggen kon.

--Zij hebben hem van nacht gevangengenomen en gevonnist, vervolgde de
man. Met het aanbreken van den dag brachten zij hem voor Pilatus.
Tweemaal verklaarde de Romein hem voor niet schuldig; tweemaal weigerde
hij hem over te leveren. Eindelijk waschte hij zijne handen, en zeide:
Ik ben onschuldig aan het bloed van dezen rechtvaardige! en zij
antwoordden....

--Wie antwoordde?

--De priesters en het volk! Zij antwoordden: Zijn bloed kome over ons en
over onze kinderen.

--Heilige vader Abraham! riep Ben-Hur. Moet een Romein welwillender zijn
voor een Israëliet, dan zijn stamgenooten! En als--o, als hij werkelijk
de Zoon Gods is, wie zal dan ooit die bloedschuld afwasschen? Het mag
niet gebeuren,--ten strijde, broeders, ten strijde!

Hij klapte in de handen.

--De paarden voor, vlug! beval hij den binnentredenden Arabier. Laat
Amrah mij schoone kleederen geven en breng gij mijn zwaard!... De tijd
is gekomen om voor Israël te sterven, vrienden! Wacht mij buiten, ik kom
aanstonds.

Hij at een stuk brood, dronk een beker wijn, en reed weldra weg.

--Waarheen? vraagde de hoofdman.

--De legioenen bijeenroepen.

--Helaas! riep de man, zijne handen omhoogheffend.

--Waarom helaas?

--Ach, heer, zeide de man beschaamd, mijn vriend en ik zijn u alleen
getrouw gebleven. Al de anderen loopen de priesters na.

--Wat willen zij dan? vraagde Ben-Hur en hield zijn paard in.

--Hem dooden.

--Toch niet den Nazarener?

--Gij hebt het gezegd.

Ben-Hur zag nu den een, dan den ander aan. In den geest hoorde hij weder
de woorden van den vorige avond: den drinkbeker, dien mij de Vader
gegeven heeft, zal ik dien niet drinken?

Hij hoorde weer zijn eigen vraag: wilt gij dat ik u te hulp kom?--Neen,
zeide hij tot zichzelf: Zijn dood kan niet afgewend worden. Hij heeft er
van den beginne alles van geweten. Die dood wordt hem opgelegd door een
wil, hooger dan de zijne: van wien anders dan van God? Als hij er in
toestemt, als hij vrijwillig gaat, wat zal dan een gewoon mensch doen?

Ben-Hur zag de plannen in duigen vallen, die hij gebouwd had op de
getrouwheid der Galileërs. Hun afval maakte inderdaad aan alles een
einde. Maar hoe zonderling dat het juist hedenmorgen moest gebeuren! Een
bange vrees bekroop hem. Kon het zijn dat zijn plannenmaken, zijn werk,
de wijze, waarop hij zijn geld besteed had, slechts verzet geweest was
tegen Gods raadsbesluiten?

--Laat ons naar Golgotha gaan, zeide hij op doffen toon.

Zij reden te midden van een opgewonden menigte, die in dezelfde richting
ging, als zijzelve. De geheele streek ten noorden der stad scheen op de
been te zijn.

Hoorende dat de wacht met den veroordeelde ongeveer bij de groote witte
torens van Herodes moest zijn, reden de drie vrienden daarheen. In de
vallei bij den vijver van Hiskia werd het onmogelijk tegen den stroom
van menschen in te gaan, zoodat zij verplicht waren af te stijgen en
achter een huis een gunstiger oogenblik af te wachten. Een half uur, een
uur vloog voorbij, nog steeds ging de stroom onverminderd langs onze
vrienden. Aan het einde van dien tijd had hij kunnen zeggen: Ik heb alle
standen van Jeruzalem vertegenwoordigd gezien, al de sekten van Judea,
al de stammen Israëls, en al de nationaliteiten der aarde. De Libysche
Jood, de Jood uit Egypte, de Jood van den Rijn; in één woord: de Joden
van alle oostersche en westersche landen en van alle bekende eilanden
trokken langs hem heen, te voet, te paard, of op kameelen gezeten, in
draagstoelen, in wagens, gekleed in alle mogelijke kleederdrachten, maar
met de zonderlinge overeenkomst in gelaatstrekken, die nog heden ten
dage de kinderen Israëls kenmerkt, al hebben zij ook veel geleden door
verandering van levenswijze. Die allen drongen voorwaarts om een armen
Nazarener te zien sterven, een misdadiger tusschen misdadigers.

Behalve die duizenden Joden, waren er nog duizenden anderen, die de
Joden haatten en verachtten: Grieken, Romeinen, Arabieren, Syriërs,
Afrikanen, Egyptenaren, zoodat de geheele wereld bij de kruisiging
tegenwoordig scheen te zullen zijn.

In weerwil van de ontzettende menschenmassa heerschte een akelige
stilte, die alleen nu en dan verbroken werd door een hoefslag op den
steenachtigen bodem, het geratel van wielen, of een uitroep van
verbazing. Daaruit begreep Ben-Hur, dat het vreemdelingen waren, in de
stad gekomen om het Paaschfeest te vieren, die dus geen aandeel hadden
in de veroordeeling des Nazareners.

Eindelijk hoorde hij in de richting der groote torens een verward
gedruisch van stemmen.

--Hoor, daar komen zij! zeide een der twee Galileesche hoofdlieden.

De voorbijgaanden bleven staan om te luisteren; toen het rumoer echter
naderkwam, zagen zij elkander aan en gingen huiverend verder. Het woest
getier nam toe ... daar zag Ben-Hur de bedienden van Simonides naderen.
Esther ging naast haar vaders draagstoel, een gesloten draagstoel volgde
hen.

--Vrede zij u, Simonides; en u, Esther, zeide Ben-Hur hun te gemoet
tredende. Als gij op weg zijt naar Golgotha, blijft dan hier, totdat de
stoet voorbij is, dan vergezel ik u. Hier achter het huis is plaats
genoeg.

De koopman hief het hoofd op en zeide: Vraag het Balthasar. Wat hij wil
is mij goed. Hij zit in den draagstoel.

Ben-Hur schoof het gordijn open. De Egyptenaar lag achterover; zijn
vermagerd gelaat was zeer vervallen, hij geleek een doode. Ben-Hur
herhaalde zijn voorstel.

--Kunnen wij hem zien? vraagde Balthasar.

--Den Nazarener? Ja, hij moet hier langs komen.

--O God, riep de oude man bewogen, nog eenmaal moet ik hem zien! Welk
een vreeselijke dag is dit voor de wereld.

Een oogenblik later stond het geheele gezelschap in de schaduw van het
huis. Zij spraken weinig, waarschijnlijk waren zij bevreesd elkander
hunne gedachten mede te deelen. Eindelijk kwam de stoet in 't gezicht.

--Zie, zeide Ben-Hur op bitteren toon, die nu komen zijn Jeruzalemmers.

De voorhoede bestond uit een hoop kwajongens, die luid schreeuwden: De
koning der Joden! Plaats voor den koning der Joden!

Simonides sloeg den joelenden troep een oogenblik gade en zeide ernstig:
Als dezen tot hunne erfenis ingaan, dan, wee de schoone stad van Salomo!

Een afdeeling soldaten in volle wapenrusting volgde, in koele
onverschilligheid rechts noch links ziende.

Toen kwam de Nazarener.

Hij scheen den dood nabij te zijn. Telkens dreigde hij neer te zinken.
Zijne bloote voeten lieten bloederige sporen achter op de straatsteenen.
Een houten plankje met opschrift was hem om den hals gebonden. Een
kroon, van doornen gevlochten, was hem diep op het hoofd gedrukt, en uit
de daardoor veroorzaakte wonden druppelde bloed. Zijn handen waren
saamgebonden. Even buiten de stad was hij uitgeput neergevallen,
bezweken onder den last van het zware kruishout, dat een ter dood
veroordeelde verplicht was zelf te dragen naar de plaats der
terechtstelling.

Thans droeg een man uit het volk het voor hem. Vier soldaten gingen
naast den gevangene, om hem te beveiligen tegen de menigte, die
niettegenstaande dat toch bij tijd en wijle wist door te breken, om hem
met stokken te slaan en te bespuwen. Geen geluid ontsnapte aan zijnen
mond, geen berisping of klacht liet hij hooren; ook zag hij niet op,
totdat hij bij het huis kwam, waar Ben-Hur en zijne vrienden stonden te
wachten.

Esther drukte zich tegen haren vader aan, en hij, de man zoo gewoon zich
te beheerschen, beefde sterk van ontroering. Balthasar viel sprakeloos
achterover. Zelfs Ben-Hur riep in zielsangst uit: O Heere God!

Alsof de Nazarener hunne gevoelens raadde, of den uitroep hoorde, keerde
hij zijn lijdend gelaat naar het gezelschap, en zag hen aan, ieder
afzonderlijk. Die blik bleef hun levenslang bij. Zij gevoelden, dat hij
aan hen dacht, niet aan zichzelf, dat de brekende oogen hun den zegen
toebaden, dien hij niet vermocht uit te spreken.

--Waar zijn uwe legioenen, zoon van Hur? vraagde Simonides plotseling
opwakend.

--Daar kan Annas u beter op antwoorden dan ik.

--Wat! Zijn zij u afgevallen?

--Op deze twee na.

--Dan is alles verloren! Dan moet deze rechtvaardigen mensch sterven.

Het gelaat van Simonides werd zenuwachtig vertrokken, terwijl hij sprak.
Hij liet het hoofd zinken. Met al zijne kracht had hij Ben-Hur gesteund
in zijne onderneming, dezelfde hoop had hem daarbij gedragen--nu werd
haar voorgoed de bodem ingedrukt.

Op den Nazarener volgden twee mannen, die insgelijks een kruis droegen.

--Wie zijn dat? vraagde Ben-Hur aan de Galileërs.

--Twee moordenaars, die veroordeeld zijn om met den Nazarener te sterven.

Vooraan in de volgende afdeeling ging de tempelwacht, dan volgden naar
rang de leden van het Sanhedrin, voorts een groote menigte priesters in
lange witte gewaden, met breede kleurrijke gordels.

--Zie eens hoeveel priesters! zeide Ben-Hur.

--Ja! antwoordde Simonides. Nu ik er die allen bij zie, ben ik overtuigd.
Nu staat onomstootelijk bij mij vast, dat de veroordeelde, die daar
heengaat met het opschrift om den hals, werkelijk degeen is, waarvoor
het opschrift hem uitgeeft: De koning der Joden. Een gewoon mensch, een
bedrieger, een misdadiger, werd nimmer zulk een uitgeleide gegeven. Want
ziet! hem volgen de volken, Jeruzalem en Israël. Kon ik maar opstaan en
hem navolgen!

Ben-Hur luisterde in stomme verbazing toe. Alsof Simonides toen eerst
gewaar werd, dat hij zich tegen zijne gewoonte door zijn gevoel had
laten meeslepen, zeide hij op ongeduldigen toon: Vraag wat Balthasar er
van denkt, bid ik u, en laat ons gaan. Daar komt het gepeupel van
Jeruzalem aan.

Toen sprak Esther: Ik zie daar eenige vrouwen, zij loopen te weenen. Wie
zijn dat?

Haar vingerwijzing volgend zagen zij vier vrouwen, die bitter bedroefd
volgden. Eene van haar leunde op den arm van een man met een zacht en
vriendelijk uiterlijk.

Ben-Hur antwoordde: Die man is de discipel, van wien de Meester het
meest houdt. De vrouw, die op zijn arm leunt, is Maria, de moeder van
den Nazarener; de anderen zijn vriendinnen uit Galilea.

Met oogen vol tranen zag Esther de schreiende vrouwen na, totdat zij uit
het gezicht verdwenen waren.

--Kom, zeide Simonides, laat ons verder gaan.

Ben-Hur hoorde hem niet, hij was te zeer getroffen door de tegenstelling:
de woeste, bloeddorstige menschenmassa tegenover de zachtmoedigheid van
den Nazarener, die het land was doorgegaan goeddoende, zieken genezende,
armen weldoende. Plotseling schoot hem door de ziel hoeveel hijzelf aan
dien man verplicht was. Hij dacht aan dien morgen, toen hijzelf een
gevangene was, in de macht van Romeinsche soldaten, en ook, zooals hij
meende, een zekeren, vreeselijken dood tegemoet ging. De verfrisschende
dronk water, dien de Nazarener hem gereikt had aan de bron van Nazareth,
de goddelijke uitdrukking van zijn gelaat, de wonderlijke genezing van
zijne moeder en Tirza op Palmzondag, dat alles stond hem weer zoo helder
voor oogen. De gedachte dat hij onmachtig was, om nu op zijne beurt hulp
te brengen, deed hem pijn. Heftige zelfbeschuldigingen kwelden hem. Hij
had de Galileërs beter moeten bewaken, hun hunne plichten onder 't oog
moeten brengen, want nu, ach nu, was het oogenblik van handelen daar!
Als hij nu zijn slag kon slaan, zou het gepeupel uiteenstuiven, de
Nazarener de vrijheid herkrijgen, Israël te wapen vliegen en de kamp om
Israëls vrijheid eindelijk gestreden worden. De kostbare tijd verliep,
de gunstige gelegenheid ging voorbij, misschien voor altijd! O God van
Abraham! Kon er dan niets gedaan worden? Niets?

Op dat oogenblik werd zijne aandacht getrokken door een troepje
Galileërs. Hij baande zich een weg door de menigte en haalde hen in.

--Volgt mij, riep hij. Ik heb u wat te zeggen.

Zij gehoorzaamden en volgden hem naar zijne schuilplaats. Daar sprak hij
tot hen: Gijlieden behoort tot degenen, die een zwaard van mij hebt
ontvangen. Gij hebt u bereid verklaard om voor de vrijheid, voor den
koning, die komen zou, ten strijde te trekken. Gij hebt uwe wapenen bij
u. Nu is het tijd om ze te gebruiken. Gaat, roept onze broederen bijeen,
en zegt hun, dat ik u allen op Golgotha wacht, om voor den Nazarener in
de bres te springen. Haast u! De Nazarener is de koning, en de vrijheid
sterft met hem.

Zij zagen hem eerbiedig aan, maar verroerden zich niet.

--Verstaat gij mij niet? vraagde hij ongeduldig.

Toen antwoordde een van hen: Zoon van Juda, gij zijt de bedrogene, niet
wij, die van u de wapenen ontvingen. De Nazarener is de koning niet, en
heeft ook niet den geest van een koning. Wij waren tegenwoordig bij zijn
intocht in Jeruzalem, wij zagen hem in den Tempel, hij is ons en Israël
bitter tegengevallen. Bij de Schoone Poort keerde hij God den rug toe en
weigerde den troon van David in bezit te nemen. Hij is geen koning en
Galilea, volgt hem niet. Hij moet sterven. Maar luister, zoon van Juda.
Wij hebben uwe wapenen en zijn bereid het zwaard te trekken om voor de
vrijheid te strijden. Laat het zijn voor de vrijheid! Dan scharen wij
ons op den kruisheuvel allen rondom u.

Ben-Hur stond op een tweesprong. Had hij dit voorstel aangenomen, den
vrijheidsoorlog begonnen, de wereldgeschiedenis zou misschien anders
geworden zijn dan zij is; maar dan ook zou zij door menschen, niet door
God geregeld zijn--iets dat nooit was, en nooit zijn zal. Hij geraakte
een oogenblik in verwarring; een onverklaarbaar gevoel beving hem,
hoewel hij het later aan den invloed des Nazareners toeschreef; want
toen deze uit den doode was opgestaan, begreep hij dat zijn dood noodig
was geweest, om het geloof aan de opstanding te bevestigen, zonder welk
geloof de christenheid haar grondslag zou missen. Die oogenblikkelijke
verwarring maakte hem ongeschikt om tot een besluit te komen. Hij stond
daar hulpeloos, en kon geen woord uitbrengen. Hij sloeg de handen voor
zijn gelaat en voelde zijn lichaam schokken door den strijd tusschen
zijn wil en een hoogere macht.

--Kom, wij wachten op u! riep Simonides ten vierden male.

Als in een droom volgde hij den stoel en de draagbaar. Esther liep naast
hem. Evenals Balthasar en zijne medereizigers in de woestijn werd thans
ook hij voortgeleid door een onwederstaanbaren innerlijken drang.


       *       *       *       *       *


TIENDE HOOFDSTUK.

HET EINDE.


Toen ons gezelschap den kruisheuvel bereikte, ging Ben-Hur hun voor,
om hun eene plaats te bezorgen. Hoe het hem mogelijk geweest was zich
een weg te banen door de menigte heeft hij nooit geweten, evenmin
langs welken weg er kwam, of hoeveel tijd het hem kostte. Als een
slaapwandelaar, niets hoorende noch opmerkende, was hij voortgegaan.
In zulk een toestand vermocht bij al even weinig als een kind tot
verhindering van de vreeselijke misdaad, waarvan hij getuige zou zijn.
Gods raadsbesluiten zijn dikwijls raadselachtig, zoo ook de middelen,
die Hij kiest, om zijn doel te bereiken.

Op een gegeven oogenblik maakte Ben-Hur halt. Plotseling werd de ban,
die hem gevangen hield, verbroken, en kon hij het tooneel rondom zich
overzien.

De top van den heuvel Golgotha had den vorm van een schedel. Het was er
dor en stoffig, zonder eenigen plantengroei, met uitzondering van enkele
armzalige hysopstengels. De voor de kruisiging bestemde plek was afgezet
door Romeinsche soldaten, die de steeds aangroeiende menschenmassa het
verder voorwaarts dringen moest beletten. Een hoofdman over honderd
voerde het bevel over de soldaten. Ben-Hur was tot aan de uiterste grens
der voor de toeschouwers bestemde ruimte gekomen, en stond met het
gelaat naar het Noordwesten gekeerd. Waarheen hij den blik ook wendde,
in het dal of op de omliggende heuvelen, overal menschen en weder
menschen, duizenden wier harten in gespannen verwachting klopten, niet
voor de twee moordenaars, wier lot hen onverschillig liet, maar voor
hetgeen met den Nazarener gebeuren zou. Duizenden harten sloegen
sneller, hetzij uit haat, uit vrees, of uit nieuwsgierigheid, nu hij,
die hen allen met goddelijke liefde liefhad, voor hen in den dood zou
gaan.

Op den heuvel, te midden van de tempelwacht, stond de priesterschaar,
trotsch en overmoedig. Nog hoogerop den top, zoodat hij voor ieders
oogen zichtbaar was, stond de Nazarener, lijdende, gebogen, stil. Een
der soldaten had hem uit spotlust een riet in de hand gegeven, om als
schepter dienst te doen. Gelach, gejoel, verwenschingen weerklonken van
alle zijden.

Aller oogen waren op den Nazarener gevestigd. Was het uit medelijden, of
uit andere oorzaak--in Ben-Hurs gemoed had een ommekeer plaats.
Duidelijker en steeds duidelijker zag hij dat er iets beters is, dan het
beste van dit leven--iets zooveel beter, dat het een zwakke met kracht
kan aangorden, om het hevigste zielelijden, zoowel als de grootste
lichaamssmarten te verduren; iets dat den dood met blijdschap kan doen
verwachten. Hij moest ten laatste erkennen, dat de Nazarener gekomen
was, om allen, die zich willen laten leiden, over de grens van het
aardsche te voeren in het rijk, dat hem bereid was door God. Het was hem
eensklaps, als hoorde hij weder de woorden van den Nazarener, toenmaals
niet begrepen, en bijna vergeten: Ik ben de Opstanding en het Leven.

Telkens en telkens moest hij die woorden herhalen, zij namen vorm aan en
leven.

--Wie is het Leven en wie is de Opstanding? herhaalde hij, starende op
den lijdenden Meester, en eensklaps was het Ben-Hur, alsof hij
antwoordde: Ik!

Terstond daarop daalde een vrede in zijne ziel, zooals hij nog nooit
gesmaakt had, een vrede, die een einde maakte aan allen twijfel, aan
alle hinken op twee gedachten, en het begin was van geloof en liefde en
een vaste overtuiging.

Het geluid van hamerslagen wekte hem uit deze droomerige stemming. Op
den heuveltop bemerkte hij, wat hem tot nu ontgaan was, eenige
werklieden, die alles voor de kruisiging gereedmaakten. De kuilen waren
reeds gegraven, de palen moesten alleen nog ingedreven worden.

Zeg den lieden, dat zij zich haasten, zeide een der priesters tot den
hoofdman. De veroordeelden moeten voor zonsondergang dood en begraven
zijn, opdat het land niet onrein worde. Dat eischt de Wet.

Een der soldaten trad op den Nazarener toe en bood hem te drinken, maar
hij weigerde. Toen kwam een ander bij hem, nam hem het opschrift van den
hals, en bevestigde dat aan het bovengedeelte van het kruis. Hiermede
waren de voorbereidingen afgeloopen.

De kruisen zijn gereed, zeide de hoofdman tot den priester.

--Laat de godslasteraar het eerst zijne straf ontvangen, antwoordde hij.
De Zoon van God moet zichzelven kunnen redden. Wij zullen zien.

De lieden, die de toebereidselen hadden kunnen gadeslaan, en tot op dit
oogenblik aan hun ongeduld lucht hadden gegeven door onophoudelijk
schreeuwen, zwegen op eenmaal, zoodat een doodelijke stilte ontstond.
Het vreeselijk oogenblik was gekomen: de slachtoffers zouden aan het
kruis genageld worden. Toen de soldaten den Nazarener aangrepen om hem
te kruisigen voer den toeschouwers eene rilling door de leden; zelfs de
ruwsten onder hen beefden. Later beweerden sommigen, dat de lucht
plotseling afgekoeld was en hen deed huiveren.

--Wat is het benauwend stil, fluisterde Esther haar vader toe.

Hij, zich de folteringen herinnerende, die hijzelf ondergaan had, trok
haar tot zich en zeide diep ontroerd: Zie een anderen kant uit, kind,
kijk er niet naar. Wie weet of niet allen, die er naar zien, de
onschuldigen zoowel als de schuldigen, van nu vervloekt zullen zijn.

Zich tot Ben-Hur keerende, zeide hij met toenemende ontroering: Als onze
God zijne hand niet spoedig uitstrekt is Israël verloren, en zijn wij
allen verloren.

Ben-Hur antwoordde kalm: Mijn geest is opgetrokken geweest, en heeft
vernomen waarom dit geschieden moet. De Nazarener wil het, God wil het.
Laat ons stil zijn en bidden.

Toen vestigde hij opnieuw zijne oogen op den heuvel, en het was hem als
vernam hij wederom de woorden: Ik ben de Opstanding en het Leven.

Eerbiedig boog hij het hoofd, alsof werkelijk iemand tot hem gesproken
had.

Intusschen werd daarboven het werk voortgezet. De wacht ontdeed den
veroordeelde van zijne kleeding, zoodat hij naakt stond voor aller oog.
Op den rug zag men nog de bloedige sporen der geeselslagen; toch werd
hij meedoogenloos uitgestrekt op het kruis--eerst de armen op den
dwarsbalk. De nagelen waren scherp, met een paar slagen waren zij door
de handpalmen gedreven. De knieën werden opgetrokken, totdat de
voetzolen tegen den paal rustten, de eene voet werd op den anderen
gelegd, en een nagel door beide gedreven. Dof klonken de hamerslagen.
Zij, die 't niet konden hooren, zagen toch den hamer vallen en beefden
van vrees. Het slachtoffer van deze gruweldaad liet geen kreet, geen
woord van tegenspraak hooren, niets, waarover een vijand kon spotten, of
dat een vriend moest bejammeren.

--In welke richting moet hij zien? vraagde een soldaat.

--Met het aangezicht naar den Tempel, antwoordde een der priesters.
Stervend moet hij zien, dat het heiligdom niet door hem geleden heeft.

De werklieden namen het kruis op en droegen het naar de plaats, waar het
in den grond gezet moest worden. Op een gegeven oogenblik zetten zij het
overeind in den daarvoor bestemden kuil. Daar hing dan nu het lichaam
van den Nazarener in zijn volle zwaarte aan de bloedende handen. Nog
uitte hij geen kreet van smart--alleen een bede kwam over zijne lippen:
Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.

Met luid gejuich werd het kruis, thans voor ieder zichtbaar en scherp
tegen de lucht afgeteekend,begroet, en allen, die het opschrift konden
lezen, haastten zich het te ontcijferen. Die het gelezen had, deelde het
aan zijn buurman mede, en zoo ging het van mond tot mond, tot groot
vermaak der menigte. Van alle kanten hoorde men: Wees gegroet, gij
koning der Joden!

De priesters echter, die het gewicht van dit opschrift beter begrepen,
verzochten den hoofdman het te verwijderen, maar tevergeefs; en aldus
moest de stervende Koning noemen op de stad zijner vaderen, die hem zoo
schandelijk ondankbaar had uitgeworpen. Dicht bij het kruis stonden
eenige weenende vrouwen, waaronder zijne moeder met den discipel die hij
liefhad. Hen ziende, riep hij zijne moeder toe: Vrouw, zie uwen zoon. En
tot den discipel: Zie uwe moeder.

Nu werden ook de twee moordenaars gekruisigd, een ter rechterzijde en
een ter linkerzijde van den Koning der Joden. Het volk intusschen spotte
en riep: Ha, als gij de koning der Joden zijt, verlos dan uzelven, en
kom af van het kruis!--Ja, zeide een priester, als hij dat doet, zullen
wij in hem gelooven.--Anderen schudden het hoofd, zeggende: Hij wilde
den Tempel afbreken en in drie dagen weder opbouwen, maar zichzelven kan
hij niet verlossen.--En verder anderen: Hij heeft zichzelven den Zoon
van God genoemd; laat ons zien, of God hem zal redden!--Zoo beschimpte
en hoonde hem het volk, en ook de oversten en de soldaten bespotten hem
en riepen: Indien gij de koning der Joden zijt, zoo verlos uzelven!--Zelfs
een der boosdoeners, die gekruisigd waren, lasterde hem en zeide: Indien
gij de Christus zijt, verlos uzelven en ons!

De omstanders lachten en juichten hen toe, en toen zij zich stilhielden,
om te hooren of er antwoord komen zou, zeide de andere moordenaar:
Vreest gij ook God niet? Wij ontvangen straf naar wat wij gedaan hebben;
maar deze heeft niets onbehoorlijks gedaan. De toehoorders waren verbaasd,
maar hunne verbazing zou nog grooter worden; want de moordenaar zeide tot
den Nazarener: Heer, gedenk mijner, wanneer gij in uw koninkrijk komt.

Simonides ontstelde hevig. Wanneer gij in uw koninkrijk komt!... dat was
het punt van verschil tusschen Balthasar en hem, waar zij zoo dikwijls
over gesproken hadden, waar zij het nooit eens over konden worden.

--Hebt gij dat gehoord? vraagde Ben-Hur hem. Het koninkrijk kan dus niet
van deze wereld zijn. Die man getuigt, dat de koning zoo aanstonds zijn
koninkrijk zal binnengaan ... dat is hetzelfde wat ik in mijn droom
hoorde.

--Stil! zeide Simonides, stil, bid ik u! Misschien antwoordt de
Nazarener daar op.

Het antwoord kwam werkelijk. Met luide, heldere stem zeide de koning:
Voorwaar, voorwaar zeg ik u, heden zult gij met mij zijn in het
paradijs!

Simonides luisterde ademloos toe, of er nog wat op volgen zou. Toen
vouwde hij de handen en zeide: 't is genoeg, o Heer, 't is genoeg! De
nevel is opgetrokken. Ik zie met andere oogen, met oogen des geloofs,
zooals Balthasar.

De trouwe dienstknecht had ten laatste zijn loon ontvangen. Werd zijn
verbrijzeld lichaam ook niet geheeld, werd de herinnering van het
doorgestane lijden, van de jaren in bitterheid des gemoeds doorgebracht,
niet van hem genomen--een nieuw licht was voor hem opgegaan, een nieuw
leven had hij leeren kennen, een leven na dit tijdelijke. Paradijs
heette het! Daar zou hij het koninkrijk vinden, waarvan hij gedroomd
had--en den koning. Een volkomen vrede daalde neder in zijn hart.

Onder de priesters echter heerschten verbazing en schrik. Hoe nu? Zij
hadden den Nazarener aan het kruis doen nagelen, omdat hij zich voor den
Messias uitgegeven had; en zie, aan het kruis hield hij niet alleen die
bewering vol, maar beloofde daarenboven nog het Paradijs aan een
misdadiger!... Huns ondanks verbleekten zij. Vanwaar had deze mensch
zijn vertrouwen, zoo hij niet in de Waarheid stond? En de Waarheid--was
dat niet God? Er behoefde niet veel bij te komen om hen allen op de
vlucht te jagen.

De zon had de middaghoogte bereikt. De tempel, de paleizen, de torens
groot en klein, straalden in ongeëvenaarden glans. Eensklaps werd de
lucht verduisterd. In den beginne nauw merkbaar nam de schemering toe en
trok ieders aandacht. Het lachen en spotten verstomde, men zag elkander
vragend aan, men hief de oogen op naar den hemel, men zocht de
zonneschijf, men staarde naar de bergen--overal hetzelfde vreemde
verschijnsel.

--Het is slechts een mist, of een voorbijtrekkende wolk, zeide
Simonides, om Esther gerust te stellen. Het zal dadelijk voorbij zijn.

Ben-Hur was van een ander gevoelen. Het is niet een mist of
voorbijtrekkende wolk, zeide hij. De geesten in de lucht, de profeten en
heiligen verduisteren de zon, opdat de natuur en zijzelven niet langer
het akelig schouwspel zouden zien. Ik zeg u, Simonides, zoo waarachtig
de Heer onze God leeft, hij die daar hangt is de Zoon van God!

Dit gezegd hebbende wendde hij zich tot Balthasar, die op de knieën lag,
en legde de hand op zijnen schouder. Wijze Egyptenaar, hoor mij! Gij
alleen hadt gelijk--de Nazarener is waarlijk Gods Zoon.

Balthasar trok hem tot zich en antwoordde met zwakke stem: Ik zag hem
als een kind in de kribbe liggen, het is dus niet vreemd, dat ik hem
eerder kende dan gij! maar o! dat ik dezen dag beleven moet! Ach, dat ik
met mijne broeders gestorven ware! Gelukkige Melchior! Gelukkige Caspar!

--Wees getroost, zeide Ben-Hur. Misschien zijn zij hier ook tegenwoordig!

De tijd verliep, maar er kwam geen verandering in het geheimzinnig
duister.

--Laat ons naar huis gaan, bad Esther ten tweeden en ten derden male.
God toont ons zijn ongenoegen, vader. Ik ben bang, en wie weet wat er
nog verder gebeuren zal.

Maar Simonides wilde niet; integendeel, toen hij bemerkte, dat vele
menschen heengingen, drong hij er op aan, dat Balthasar en Ben-Hur hem
tot dichter bij het kruis zouden volgen.

De soldaten, die de wacht hielden, gevoelden zich ook niet op hun gemak.
Gedurig zagen zij naar dien éénen kruiseling--een bijgeloovige vrees
beving hen. De priesters en schriftgeleerden stonden dicht opeen
geschaard. Het vreemde natuurverschijnsel bracht een geduchten stoot toe
aan hun zelfvertrouwen. Verscheidene van hen waren goed onderwezen in de
sterrenkunde, en vertrouwd met veel wat de groote massa in die dagen
schrik aanjoeg. Toen het zonnelicht begon te verflauwen toonden zij zich
uitermate verbaasd, en overlegden met elkander wat het wezen kon. Niet
een zonsverduistering, meenden zij, want het was volle maan. En daar
geen van hen een antwoord had op de vraag die aller hart vervulde, daar
geen van hen de duisternis op dat uur verklaren kon, verbonden zij haar
in het diepst hunner ziel met den Nazarener.

Hoe langer het natuurverschijnsel duurde, hoe angstiger zij werden. Geen
enkele beweging van den Nazarener ontging hun oog; niet dan fluisterend
durfden zij met elkander spreken. Als hij eens werkelijk de Messias was,
wat dan?

Bevend wachtten zij op de dingen, die komen zouden.

Ben-Hur bad, dat het einde verhaast mocht worden. Hij merkte dat Esther
zich aan haren vader vastklemde, haar angst onderdrukkende om hem niet
te hinderen.

--Wees niet bang, hoorde hij Simonides zeggen. Blijf, en wacht met mij.
Al wordt gij tweemaal zoo oud als ik, gij zult nimmer iets zien, dat van
zoo groot gewicht is voor de menschenwereld, en er kunnen nog meer
openbaringen komen. Laat ons tot het einde blijven.

Twee en een half uur waren verstreken. De ademhaling van den Nazarener
werd zwaarder; het einde naderde. Zoo kort nog maar aan het kruis, en nu
reeds stervende? De tijding ging van mond tot mond, toen werd alles
stil. De wind ging liggen, een verstikkende damp vervulde de lucht, bij
de duisternis kwam nog die benauwende hitte. Daar hoorde men op eens van
het kruis de droeve, ach, zoo droeve klacht: Mijn God, mijn God, waarom
hebt Gij mij verlaten?

De stem schrikte allen op, die haar hoorden. Eén vooral sneed zij door
de ziel. Bij de soldaten stond een vat, gevuld met wijn en water.
Gevoelden zij zich uit medelijden opgewekt om een der lijders een
lafenis te brengen, dan konden zij met een spons de lippen der
ongelukkigen bevochtigen.

Terwijl Ben-Hur die mogelijkheid overdacht, en zich daarbij herinnerde
hoe de Nazarener hem bij de bron te Nazareth verkwikt had, riep deze:
Mij dorst!

Nu bedacht Ben-Hur zich niet langer. Haastig de spons en den daarbij
behoorenden rietstok grijpende, doopte hij de spons in den wijn en
snelde naar het kruis.

--Houd op! riepen de omstanders. Houd op!

Zonder op hen te letten liep hij door en bracht de spons aan de lippen
van zijnen Heer. Nu kon hij duidelijk het gelaat van den stervende zien.
Door bloed bevlekt blonk het niettemin met een bovenaardschen glans. De
oogen waren wijd geopend en gevestigd op iets voor hem alleen zichtbaar
in de verre hemelen. Voldoening, ja triomf, spraken uit het woord, dat
het slachtoffer nu deed hooren: Het is volbracht!

Zoo sterft een held, na het volbrengen van een groote daad, met een
juichtoon op de lippen.

Reeds begonnen de oogen te breken; langzaam zonk het gekroonde hoofd op
de hijgende borst. Ben-Hur dacht, dat de strijd volstreden was, maar de
scheidende ziel spande zich nog eenmaal in, en de omstanders hoorden
deze woorden: Vader, in uwe handen beveel ik mijnen geest.

Eene rilling voer den stervende door de leden, een luide smartkreet
ontsnapte de beknelde borst ... toen was het werk, het aardsche leven,
afgeloopen.

Ben-Hur keerde tot zijne vrienden terug en zeide eenvoudig: Het is
gedaan, hij is dood.

In een ongelooflijk korten tijd wisten alle aanwezigen het. Het volk had
zijn zin, de Nazarener was dood; toch zagen zij elkander ontzet aan.
Zijn bloed was over hen gekomen! En terwijl zij elkander aanstaarden
begon de grond te beven. Een ieder greep zijn buurman aan om staande te
blijven. In een oogwenk was de duisternis verdwenen en kwam de zon weder
te voorschijn. Voor de oogen der beangsten was het, alsof het middelste
kruis op den heuveltop zich al hooger en hooger in de blauwe lucht
verhief en met zijn last tot aan den hemel reikte. En ieder die den
Nazarener bespot had, ieder, die hem geslagen had, die ingestemd had met
den kreet: kruis hem! kruis hem!--ieder, die in den stoet had meegeloopen,
ieder, die hem in zijn hart dood gewenscht had, kreeg een gevoel, alsof
hijzelf meer dan iemand anders schuld had aan het gebeurde, en hij zich,
als zijn leven hem lief was, zoo spoedig mogelijk uit de voeten moest
maken. Zij haastten zich om weg te komen. Zij sloegen op de vlucht, te
paard, te voet, in wagens. Maar de aardbeving vervolgde hen, alsof zij
vertoornd was over hetgeen zij gedaan hadden, en opkwam voor de zaak van
den onschuldig ter dood gebrachte. Zij wierp hen terneer, en deed het
bloed in hunne aderen stollen door het onheilspellend gekraak en
gerommel onder hunne voeten. Zij sloegen op hunne borst en schreeuwden
van vrees. Zijn bloed was op hen gekomen! De geboren Jeruzalemmer, de
vreemdeling, priester, leek, Sadduceër en Farizeër, allen tuimelden over
en door elkander. Riepen zij tot God, zoo antwoordde de verwoede aarde
in toorn en behandelde hen allen gelijkelijk,--het bloed van den
Nazarener was over hen allen gekomen!

Toen de rust wedergekeerd was op den kruisheuvel, zag men daar alleen
nog den discipel, dien Jezus liefhad, de vrouwen die Hem gevolgd waren
van uit Galilea, den hoofdman en zijne soldaten, en Ben-Hur met zijne
vrienden. Deze laatsten hadden geen tijd om de vluchtelingen na te zien:
zij hadden zelf genoeg te doen.

--Zet u hier neder, zeide Ben-Hur tot Esther, haar een plaats bereidend
aan de voeten haars vaders. Bedek uw gelaat en zie niet op, maar vestig
uw vertrouwen op God en op den rechtvaardige, die zoo schandelijk
vermoord is.

--Neen, zeide Simonides eerbiedig, laat ons voortaan van hem spreken als
van den Christus.

--Zoo zij het, antwoordde Ben-Hur.

Plotseling schudde de heuvel onder hen. Het angstgeschreeuw der twee
moordenaars was vreeselijk om aan te hooren. Ofschoon duizelig van den
schok had Ben-Hur tijd om naar Balthasar te zien, en zag hem onbewegelijk
op den grond liggen. Hij ging naar hem toe en riep hem bij name--geen
antwoord. De goede man was dood!

Toen herinnerde Ben-Hur zich, dat hij een luiden kreet gehoord had,
alsof hij een terugslag was op het laatste woord van den Nazarener, maar
hij had er op dat oogenblik niet verder over nagedacht. Thans begreep
hij het: de geest van den Egyptenaar had des Meesters geest begeleid tot
over de grenzen van zijn koninkrijk, eene eer hem vergund na het lange
leven in geloof, liefde en goede werken.

De bedienden van Balthasar hadden hun meester alleen gelaten, en waren
gevlucht, maar toen alles was afgeloopen droegen de twee Galileërs den
doode naar de stad terug.

Het was een droevige stoet, die op dien gedenkwaardigen dag de zuidpoort
van het paleis Hur tegen zonsondergang binnentrok. Ongeveer op hetzelfde
uur werd het lichaam des Heren afgenomen van het kruis.

Het stoffelijk overschot van Balthasar werd in de zaal nedergelegd. Alle
bedienden beweenden hem oprecht, want hij bezat de liefde van allen met
wie hij verkeerd had; maar toen zij zijn gelaat zagen, zoo tevreden en
gelukkig, droogden zij hunne tranen, zeggende: Het is wèl met hem. Hij
is nu gelukkiger dan van morgen.

Ben-Hur wilde Iras in eigen persoon den dood haars vaders mededeelen.
Hij stelde zich hare droefheid voor; zij was nu alleen in de wereld. Dit
was het oogenblik om haar vergiffenis te schenken en te beklagen. Hij
herinnerde zich, dat hij verzuimd had te vragen waarom zij zich dien
morgen niet bij het gezelschap had gevoegd. Hij had zelfs niet aan haar
gedacht. Daarover beschaamd was hij bereid alles goed te maken, te meer
nu hij een treurmare had te brengen.

Hij schudde den voorhang van hare deur; de schelletjes rinkelden, maar
hij ontving geen antwoord. Hij riep haar bij den naam, riep nogmaals,
maar alles bleef stil. Hij schoof het gordijn ter zijde, en ging naar
binnen. Zij was er niet. Hij klom haastig naar het platte dak om haar te
zoeken, ook daar was zij niet. Hij ondervraagde de bedienden, doch geen
van hen had haar dien dag gezien. Nadat hij het geheele huis doorzocht
had keerde Ben-Hur terug naar de zaal, nam de plaats naast den doode in,
waar zij had behooren te zitten, en overdacht de groote barmhartigheid
van Christus voor zijn trouwen dienstknecht. Bij de poort van het
Paradijs blijven alle droefheden dezes levens, ook verlatenheid en
veronachtzaming terug. Zij bestaan niet meer voor hen, die de rust zijn
ingegaan.

Toen de begrafenis was afgeloopen, op den negenden dag na de reiniging
zijner moeder en zuster, en de wet vervuld was, bracht Ben-Hur beiden
thuis, en van dien dag bogen allen in dat huis zich in aanbidding neder
voor God den Vader en zijn Zoon Jezus Christus.


       *       *       *       *       *


ELFDE HOOFDSTUK.

DE KATAKOMBEN.


Vijf jaren na de kruisiging zat Esther, de echtgenoote van Ben-Hur, in
het woonvertrek van de schoone villa bij Misenum, die hij teruggekocht
had. Het was middag. De warme Italiaansche zon koesterde de rozen en
wingerden in den tuin. De kamer was naar Romeinsche wijze ingericht,
doch Esther zelve droeg de kleederen eener Joodsche vrouw. Op een
leeuwenhuid, in een hoek uitgespreid, zaten twee kindertjes te spelen
met Tirza.

De tijd had Esther vriendelijk behandeld. Zij was schooner dan ooit en
straalde van geluk.

Daar trad een bediende binnen en zeide: In het atrium staat eene vrouw,
die u verlangt te spreken.

--Laat zij binnenkomen. Ik zal haar hier ontvangen.

De vreemde kwam binnen. Esther stond op en wilde haar toespreken, doch
aarzelde, verschoot van kleur en week achteruit, zeggende: Ik heb u
vroeger meer gezien. Gij zijt....

--Ik ben Iras, de dochter van Balthasar.

Esther overwon haar tegenzin en bood de bezoekster een zetel aan.

--Neen, zeide Iras koel. Ik blijf maar kort.

De twee vrouwen zagen elkander onderzoekend aan. De arme Iras was zeer
vervallen. Nog bezat de slanke gestalte haar vroegere gratie, maar haar
wezen droeg den stempel van een in zonde doorgebracht leven. De
uitdrukking van haar gelaat was brutaal, de groote oogen somber, de
wangen kleurloos. Een harde trek lag om haar mond, en een algeheele
verwaarloozing maakte haar oud voor haar tijd.

--Zijn dat uwe kinderen? met deze vraag verbrak zij het stilzwijgen.

Esther wendde den blik naar hen en glimlachte. Ja, wilt gij ze niet
zien?

--Ik zou ze maar verschrikken.

Toen kwam zij dichter bij Esther, en daar deze onwillekeurig terugweek,
zeide zij : Wees niet bang. Ik heb een boodschap voor uw man. Zeg hem,
dat zijn vijand dood is, dat ikzelf hem gedood heb, om de matelooze
ellende, die hij over mij gebracht heeft.

--Zijn vijand?

--Ja, Messala. Zeg uw man verder, dat ik voor het nadeel, dat ik hem heb
willen berokkenen, zoo zwaar gestraft ben, dat zelfs hij mij beklagen
zou.

De tranen kwamen Esther in de oogen; zij wilde spreken.

--Neen, zeide Iras, ik vraag geen tranen of medelijden. Zeg hem ten
slotte, dat volgens mijne ondervinding een Romein geen mensch is maar
een beest. Vaarwel!

Zij keerde zich om en wilde heengaan, Esther volgde haar.

--Blijf nog wat, en wacht totdat mijn man thuis komt. Hij is niet boos
op u. Hij heeft overal naar u gezocht. Hij zal uw vriend wezen, ik zal
uwe vriendin zijn. Wij zijn christenen.

Maar de andere wilde niet.

--Neen, zeide zij, wat ik ben werd ik door eigen keus. Het zal niet lang
meer duren.

--Maar, zeide Esther aarzelend, kunnen wij dan niets voor u doen? Kan ik
niets....

Het gelaat der Egyptische verzachtte, een flauwe glimlach speelde om
haren mond. Zij zag naar den grond. Ja, zeide zij, ik zou....

Esther Volgde haar blik, en begrijpende wat in haar omging, zeide zij:
Doe het maar.

Iras ging tot hen en kuste beiden. Toen ging zij zwijgend naar de deur
en was verdwenen, voordat Esther haar kon tegenhouden.

Toen Ben-Hur dit bezoek vernam, werd hem zekerheid wat hij reeds lang
vermoed had, namelijk dat Iras op den dag der kruisiging haar vader
verlaten had om Messala te volgen. Hij ging terstond op weg en deed
overal onderzoek naar haar. Tevergeefs. Zij zagen of hoorden nooit meer
van haar. De blauwe wateren, stralende in den zonneschijn, hebben hunne
geheimen. Konden zij spreken, misschien zouden zij ons vertellen waar de
Egyptische gebleven was.

Simonides leefde nog verscheidene jaren. In het tiende jaar van Nero's
regeering legde hij zijne betrekking als hoofd van het handelshuis te
Antiochië neer. Tot het laatst was zijn hoofd helder gebleven en zijn
hart goed, en had bij voorspoed gehad bij al wat hij ondernam.

Op zekeren avond van datzelfde jaar zat hij in zijn rolstoel op het
welbekende terras te Antiochïe, met zijn kinderen en kleinkinderen. Het
laatste van zijne schepen lag voor anker, al de anderen waren verkocht.
In de vervlogen jaren hadden zij slechts eenmaal droefheid gekend, en
dat was, toen de moeder van Ben-Hur stierf. Hun christelijk geloof had
hen die smart stil doen dragen en op een blijde hereeniging leeren
hopen.

Het zooeven besproken schip was den vorigen dag aangekomen, en had
droevige berichten medegebracht over de vervolging der Christenen door
Nero te Rome. Het gezelschap zat de zaak te bespreken, toen Malluch, de
oude getrouwe, boven kwam, en Ben-Hur een pakket brieven overhandigde.

--Wie brengt dat? vraagde hij na het vluchtig ingezien te hebben.

--Een Arabier.

--Waar is hij?

--Hij vertrok onmiddellijk.

--Luister, zeide Ben-Hur tot Simonides, en las het volgende:

     Ik, Ilderim, zoon van Ilderim den Edelmoedige, en Sheik van den
     stam van Ilderim, aan Juda, den zoon van Hur.

     Weet, o vriend mijn vaders, hoe mijn vader u liefhad. Lees wat ik u
     hierbij zend, en gij zult het weten. Zijn wil is mijn wil, daarom
     is datgene wat hij u schonk het uwe. Alles wat de Parthen hem
     ontnomen hebben in den grooten slag, waarin zij hem overwonnen, heb
     ik hun weder ontnomen: inliggend geschrift met andere zaken, en de
     nakomelingschap van Myra, die tijdens zijn leven de moeder was van
     zoovele sterren.

     Vrede zij u en al de uwen.

     Deze stem uit de woestijn is de stem van ILDERIM, Sheik.

Vervolgens ontrolde Ben-Hur een papyrusrol, geel van ouderdom. Hij las:

     Ilderim, bijgenaamd de Edelmoedige, Sheik van den stam van Ilderim,
     aan den zoon die mij opvolgt.

     Alles wat ik heb, mijn zoon, zal het uwe zijn ten dage van uwe
     opvolging, behalve de bezitting bij Antiochië, bekend onder den
     naam van het Palmbosch. Dat schenk ik aan den zoon van Hur, die ons
     zooveel roem deed behalen in den circus--aan hem en aan de zijnen
     voor altijd.

     Eerbiedig deze beschikking van uwen vader.

     ILDERIM, de Edelmoedige, Sheik.



--Wat zegt gij daarvan? riep Ben-Hur verbaasd.

Esther nam de brieven en las ze nog eens vergenoegd over. Simonides
bleef zwijgen. Zijne oogen rustten op het schip, hij dacht na. Eindelijk
zeide hij:

--Zoon van Hur, de God onzer vaderen heeft u zeer gezegend in de laatste
jaren. Gij hebt veel reden tot dankbaarheid. Wordt het niet eindelijk tijd
te overleggen wat God wil, dat gij doen zult met zijn goede gaven--uw
groot fortuin, dat nog steeds toeneemt?

--Al wat ik bezit heb ik bestemd voor den dienst van den gever; niet
slechts een gedeelte, maar alles. De vraag is alleen nog: Hoe kan ik
mijn geld het best dienstbaar maken voor zijne zaak? Geef gij mij daarop
het antwoord.

Simonides antwoordde: Ik weet dat gij hier in Antiochïe veel hebt
besteed voor de gemeente des Heeren. Heden komt te gelijk met het
geschenk van onzen ouden vriend het bericht van de vervolging onzer
broederen in Rome. Dat opent ons een nieuw veld. Het licht moet in de
hoofdstad niet uitgebluscht worden.

--Zeg mij hoe ik het kan onderhouden.

--Dat zal ik u zeggen. De Romeinen, zelfs deze Nero, houden twee dingen
heilig--ik weet geen andere daaraan gelijk--dat is: de asch hunner
dooden, en alle begraafplaatsen. Kunt gij voor den dienst onzes Heeren
geen tempels bouwen boven den grond, bouw ze dan onder den grond, en
breng er, om ze voor ontheiliging te bewaren, de lichamen van allen, die
in het christelijk geloof ontslapen.

Ben-Hur stond haastig op en zeide: Dat is een grootsche gedachte. Ik zal
er dadelijk mee beginnen. De tijd dringt tot spoed. Het schip dat de
tijding bracht van het lijden onzer broederen, zal mij naar Rome voeren.
Ik ga morgen.

Zich tot Malluch wendende zei hij: Zorg dat het schip gereed zij, gij
zult met mij gaan.

--Dat is goed, zeide Simonides.

--En wat zegt Esther? vraagde Ben-Hur.

Haar antwoord luidde: Zoo zult gij den Heer het best dienen. Laat ik u
geen beletsel zijn, maar met u gaan en u helpen.

       *       *       *       *       *

Mochten mijne lezers ooit het voorrecht smaken van Rome te bezoeken, dat
zij dan niet verzuimen de Katakomben van S. Calixtus te gaan zien; die
van ouderen datum zijn dan die van S. Sebastiano, om met eigen oogen te
aanschouwen wat het vermogen van Ben-Hur heeft gewrocht. Uit dat groote
graf verspreidde zich het Christendom, om het heidendom in Rome van den
troon te stooten.





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Ben-Hur - Een verhaal van den tijd van Jezus' omwandeling op aarde" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home