Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: De profundis
Author: Wilde, Oscar, 1854-1900
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "De profundis" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



OSCAR WILDE


DE PROFUNDIS


GEAUTORISEERDE VERTALING VAN P.C. BOUTENS

MET ENKELE BRIEVEN VAN WILDE


       *       *       *       *       *

TWEEDE DRUK, (6e, 7e, 8e DUIZEND)

WERELDBIBLIOTHEEK ONDER LEIDING VAN L. SIMONS

UITGEGEVEN DOOR DE MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE EN GOEDKOOPE
LECTUUR--AMSTERDAM

De eerste oplaag van dit werk, groot 5000 ex., verscheen September
1911.

Deze tweede oplaag, groot 3000 ex., verschijnt in Januari 1913.

       *       *       *       *       *



INLEIDING

  Verbis meis addere nihil audebant et super illos stillabat
  eloquium meum.

  JOB XXIX, 22.

  Grafschrift van O. W., Bagneux-Parijs.

Oscar Fingal O'Flahertie Wills Wilde (1854-1900), de befaamde
schrijver van den roman "The Picture of Dorian Gray", van verscheidene
bundels sprookjes, essays, gedichten, van "Salomé", van vier
blijspelen wier vertooningen niet ophielden volle schouwburgen in
Londen te trekken, werd den 25en Mei 1895 veroordeeld tot twee jaar
tuchthuisstraf. Zijn veroordeeling, om misdrijf tegen de zeden, was
een onmiddellijk gevolg van zijn eigen aanklacht wegens laster tegen
den Markies van Queensberry, den vader van Lord Alfred Douglas,
Wilde's jongen, door hem verafgoden vriend. De veroordeelde onderging
zijn straf in de gevangenis te Wandsworth en daarna in die te Reading,
en het is in den allerlaatsten tijd van zijn verblijf hier, toen men
hem toestond te schrijven wanneer en zoo lang als hij verkoos, dat
"de Profundis" ontstaan is. De titel is niet van hem, maar van zijn
literairen boedelredder, den Heer Robert Ross. Wilde zelf spreekt in
een zijner brieven van het geschrift als: "Epistola in carcere et
vinculis".

In Mei 1897 vrijgekomen, vestigde hij zich onder den schuilnaam
Sebastian Melmoth eerst te Berneval in de buurt van Dieppe. Hier
schreef hij het eenige werk dat hij na zijn gevangenschap volbracht:
"The Ballad of Reading Gaol". Het was zijn bedoeling Berneval niet
eerder te verlaten vóór hij zijn ontworpen drama "Pharaon" zou hebben
voltooid. Maar reeds in October van hetzelfde jaar gaf hij gehoor aan
Douglas' aanhoudend dringen en had een samenkomst met hem te Rouaan.
Daarna waren de beide vrienden korten tijd samen op Douglas' villa te
Posilippo bij Napels, maar werden gedwongen--vrienden en verwanten
hielden beider toelagen in--opnieuw te scheiden. Wilde vertrok naar
Parijs en leefde daar in betrekkelijk behoeftige omstandigheden. Hij
stierf er aan meningitis den 30sten November 1900.

Oscar Wilde is zeker de meest tragische kunstenaarsfiguur uit onzen
tijd. Niet in de allereerste plaats om zijn botsing met de geboekte
zedelijkheidsbegrippen eener schijnheilige samenleving. Een
onverzwakte persoonlijkheid zou dien slag met al zijn gevolgen van
botte verguizing en redelooze krenking zonder doodsgevaar zijn
tebovengekomen. Minder blinde moedwil zou aan de offerzucht van laster
en liederlijkheid een zoo bandelooze orgie niet eens hebben gegund.
Evenals alle hoogste geluk valt alle moordend leed buiten de grenzen
onzer materieele gemeenschap. Het is niet de maatschappij die Wilde
tot paria heeft gemaakt. Zij kon het niet. Omdat hij kunstenaar, dat
is maatschappelijk reeds een paria was. Zijn ondergang is een evenzeer
psychisch proces als b.v. de jarenlange geestesverduistering van
Hölderlin of het wegzinken van Nietzsche. Maar er laait om hem een
schijn van feller tragiek, omdat een onzichtbaar noodlot hem dreef tot
de schijnbaar vrijwillige keuze van het verderf. Hij is als een
slaapwandelaar die met open oogen zoû spelen om het leven: door zijn
bejuweelde vingeren glijden en verglijden alle schatten tot den
glimlach der hooghartige spilzucht verstart in de bewuste grijns van
den dood.

       *       *       *       *       *

De kunstenaar staat buiten de maatschappij in wier midden hij leeft.
Het leven zelf scheidt hen. De kunstenaar kan de maatschappij als
zoodanig verstaan of niet verstaan, maar de maatschappij den
kunstenaar nimmer. Hun verband is daarom steeds een eenzijdig verbond,
en wordt door elken oprechten kunstenaar verbroken zoodra zijn
onafhankelijkheid gevaar loopt. Want onafhankelijkheid is voor den
kunstenaar de eenige mogelijkheid van leven. Hij is de opperste
individualist. Volstrekte zelfstandigheid is zijn levensadem. Niemand
staat daarom zoo ver als hij van het individualisme als leuze. Want
tot een leus maakt men alleen wat men niet heeft of slechts meent te
bezitten. Het individualisme der leuze sterft zijn eigen dood, daar
het geen doel heeft buiten zich. Dat van den kunstenaar is meteen het
hoogste voorbeeld van altruïsme. Alleen de kunstenaar bezit het geloof
dat het hoogste altruïsme bereiken kan waardoor alleen het te bereiken
is: door het zuivere individualisme heen. Zoo een heeft met
maatschappelijke wetten weinig te maken. Zij bestrijken een gebied dat
niet reikt tot zijn grenzen. Zedelijkheidswetten begrijpt hij niet,
maar hij heeft haar niet noodig. Zijn eigen moraal is hem genoeg. Zij
bestaat in een onwrikbaren eerbied voor zijn eigen persoonlijkheid,
een eerbied waarvan die voor andere persoonlijkheden voorwaarde en
gevolg is. Wanneer een kunstenaar in botsing komt met de wetten der
maatschappij, wanneer hij volgens die wetten veroordeeld en gestraft
wordt, zal dit hem in zijn eigen oog niet vernederen; want de
strafbare daad die hij beging, moet voor hem een even, misschien meer
waardevolle plaats innemen in zijn leven dan andere daden waarom
dezelfde maatschappij hem bewierookt. Hij zal zulk een straf ondergaan
als de bezegeling zijner onafhankelijkheid. Evenmin als hij er aan
denkt de wetten der gemeenschap te tarten, evenmin zal hij in vreeze
voor haar kunnen leven. Wanneer de maatschappij met den zuiveren
kunstenaar in botsing komt, kan men van haar niet anders verwachten
dan dat zij zich belachelijk maakt. Haar optreden kan slechts beduiden
een minderwaardig feit in de geschiedenis der emancipatie van den
geest. In de laatste eeuw heeft zij gelukkig groote vorderingen
gemaakt op den weg harer noodzakelijke evolutie. Toch is zij nog lang
niet wat zij mettertijd wezen moet: een eerlijk gewaarborgde
administratie der materiëele belangen. Alleen voor den kunstenaar is
zij, gebrekkig als zij het moge zijn, nu reeds niet méer, omdat hij de
voortijdig geestelijk geëmancipeerde is.

Oscar Wilde, die zeker geen zuiver kunstenaar was, zocht zijn
ondergang door het noodlottige dualisme van zijn aanleg. Wat voor
iederen onbevangene thans duidelijk is, dat zijn tehuis eer zijn cel
in de gevangenis was dan de woningen der Engelsche grooten, voorvoelde
hij met de noodlottige zekerheid van wie niet aan hun bestemming
ontkomen, en hij maakte die verheimelijkte bewustheid tot den pervers
bekorenden inhoud van een ledig mondain leven. Hij versmeet en
verkwistte zich aan onwaardigen. Hij weigerde te zien wat hij maar al
te scherp zag: dat de kunstenaar het leven niet doorkent door een
alzijdige deelneming, maar door een eerlijke verdieping in zijn eigen
bestaan. Toen zijn kennismaking met Douglas hem de hoogste
mogelijkheden van zijn kunstenaarschap openbaarde, moet hem meteen
zijn alzijdige gebondenheid zijn bewust geworden. Zoo viel een zuiver
psychische crisis samen met een geruchtmakende veroordeeling om
kwalijk bewezen beschuldigingen, en na zijn gevangenschap oneindige
geestelijke verarming met maatschappelijken ondergang.

"De Profundis" is geschreven in de gevangenis, toen ophanden vrijheid
zijn betrekkelijke ongemoeidheid tot nieuwe levenshoop prikkelde. Er
is geen eenheid van gedachte in. Het werd stuksgewijze geschreven,
zonder bezonken inzicht, naar oogenblikkelijke stemmingen, onder den
druk van lichamelijk lijden en geestelijke hulpbehoevendheid welke hem
onder den invloed hield van welwillenden die hem niet verstonden. Maar
vaak stijgt de ziende geest boven den oogenblikkelijken toestand. Voor
wie lezen kan, zijn de waardevolle gedeelten van den brief gemakkelijk
te vinden.

Een leven van Oscar Wilde is nog niet geschreven. Het centrale punt is
zijn vriendschap met Douglas. Daarheen en vandaaruit behoort het te
worden geschreven en verklaard.

Douglas zelf is Wilde's onvoorwaardelijke vriend gebleven. Hoe de
doode leeft in zijn herinnering, kan men lezen in een zijner laatste
sonnetten, waarvan hier de vertaling volgt:

  DE DOODE DICHTER

  'k Droomde vannacht van hem: 'k zag zijn gelaat
  Stralend en zonder schijn of schaûw van wee,
  En hoorde als altijd de muziek dier zee,
  Zijn gouden stem. Hij wekte in veil geraad
  Verholen gratie waar zijn ooglicht glee.
  Uit niets bezwoer hij wonders overdaad.
  Tot 't minste ding in schoonheid ging verwaad,
  En heel de weerld was éen bekoorde steê.

    Dan, leek mij, buiten dicht gesloten poort
  Rouwde ik om woorden ongeboekt verloren,
    Verschald verhaal, geheimnis half gehoord,
  Wondren verstoken van der wereld ooren,
    Gedachten stom als vogelen vermoord--
  En waakte en wist hem dood gelijk tevoren.

  Den Haag, Maart 1911.

       *       *       *       *       *

Het uitgegeven gedeelte van "de Profundis" is nauwelijks een derde van
den geheelen tekst. Dezelfde persoonlijke redenen, die den heer Robert
Ross, ondanks veler verzoek, weêrhielden het leven van Oscar Wilde te
schrijven, waren oorzaak dat hij het handschrift in bewaring gaf in
het Britsch Museum met de bepaling dat het eerst zeventig jaren na
zijn, Ross', dood volledig zal mogen worden openbaargemaakt.

September 1912.



DE PROFUNDIS


"Mijn plaats zou zijn tusschen Gilles de Retz en den markies de Sade."
Ik heb er vrede meê. Ik gevoel geen lust mij te beklagen. Een van de
vele lessen die men in de gevangenis leert, is dat men best doet de
dingen, nu en altijd, te nemen voor wat zij zijn. Ook heb ik niet den
minsten twijfel of de schandvlek der middeleeuwen en de schrijver van
"Justine" zullen op den duur beter gezelschap zijn dan menige Brave
Hendrik....

       *       *       *       *       *

Dit alles greep plaats in de eerste helft van November van het
voorlaatste jaar. Het leven stroomt als een breede rivier tusschen mij
en een zoo verwijderd tijdstip. Gij die vrij man zijt, kunt niet of
nauwelijks zulk een wijde uitgestrektheid overzien. Doch mij schijnt
het, laat ik niet zeggen gisteren, maar vandaag te zijn gebeurd.
Lijden is éen oneindig lang oogenblik. Wij kunnen het niet in getijden
verdeelen. Wij kunnen slechts zijn stemmingen aanteekenen en haar
terugkeer boeken. Voor ons heeft de tijd zelf geen voortgang. Hij
wentelt om. Hij schijnt rond te draaien om éen middelpunt: leed. De
verlammende onbewegelijkheid van een leven waarvan elke bijkomstigheid
geregeld wordt naar een onveranderlijk voorbeeld, zoodat wij eten en
drinken en nederliggen en bidden, of tenminste onze knieën buigen,
volgens de onwrikbare wetten van een ijzeren voorschrift,--deze
eigenschap van onbewegelijkheid, die elken dag met zijn
verschrikkingen tot in het haarkleinste onderdeel gelijk maakt aan
zijn broeder, schijnt zich mede te deelen aan die uitwendige krachten
wier eigenste wezenheid van bestaan onafgebroken wisseling is. Van
zaai- en oogsttijd, van de snijders die buigen over het graan of de
druivenlezers die zich pad banen door de wijngaarden, van het gras in
den boomgaard dat wit is van den bloesemregen of overstrooid ligt met
afgevallen ooft,--daarvan weten wij niets en kunnen wij niets te weten
komen.

Voor ons bestaat er slechts éen getijde, het getijde der smart. Zelfs
de zon en de maan schijnen van ons te zijn weggenomen. Buiten is de
dag misschien blauw en gouden, maar het licht dat neêrzeeft door het
dicht gedempte glas van het kleine raam met zijn ijzeren traliën,
waaronder wij zitten, is grijs en karig. Het is altijd schemering in
onze cel zooals het altijd schemering is in ons hart. En in den kring
der gedachte, evenzeer als in den kring van den tijd, bestaat beweging
niet meer. Het voorval dat gij persoonlijk allang vergeten zijt of
gemakkelijk kunt vergeten, overkomt mij nu op het oogenblik, en zal
mij morgen opnieuw overkomen. Houd dit in gedachte, en gij zult
instaat zijn eenigszins te begrijpen waarom ik schrijf en waarom op
deze wijze....

Een week later word ik hierheen overgebracht. Nog drie maanden
verstrijken, en mijn moeder sterft. Niemand wist hoe diep ik haar
beminde en vereerde. Haar dood was verschrikkelijk voor mij. Maar ik,
eens een machthebber over de taal, heb geen woorden om mijn benauwing
en mijn schaamte uit te drukken. Nooit, zelfs niet in de meest
volmaakte dagen van mijn ontwikkeling als kunstenaar, zoû ik woorden
hebben kunnen vinden geëigend tot het dragen van een zoo verheven
last, of om te bewegen met toereikende statigheid van muziek door den
purperen optocht van mijn onuitsprekelijk wee. Zij en mijn vader
hadden mij een naam nagelaten, dien zij tot adel en eer hadden
opgevoerd, niet enkel in letterkunde, kunst, oudheidsleer en
natuurwetenschappen, maar in de openbare geschiedenis van mijn eigen
land, in zijn ontwikkelingsgang als een natie. Ik had dien naam voor
eeuwig onteerd. Ik had hem gemaakt tot een gemeen spreekwoord onder
gemeene lieden. Ik had hem door het slijk gesleept. Ik had hem
overgegeven aan de redeloozen om hem even redeloos te maken als
zichzelf, en aan dwazen om hem te veranderen in een naamgenoot voor
waanzin. Wat ik toen leed en nog lijd, kan geen pen schrijven en geen
geschrift verhalen. Mijn vrouw, onveranderlijk lief en zacht voor mij,
reisde, liever dan dat ik het nieuws van onverschillige lippen hooren
zou, ziek als zij was, heel van Genua naar Engeland om zelf het eerst
mij de tijding te brengen van een zoo onherstelbaar, zoo onvergoedbaar
verlies. Betuigingen van medegevoel kwamen tot mij van allen die nog
eenige genegenheid voor mij hadden. Zelfs menschen die mij nooit
persoonlijk hadden gekend, schreven, toen zij hoorden dat een nieuwe
smart over mijn leven losgebroken was, met verzoek dat hun deelneming
in een of anderen vorm aan mij zoû worden overgebracht....

Drie maanden gaan voorbij. De daglijst van mijn gedrag en mijn taak,
die aan den buitenkant op de deur van mijn cel hangt, met mijn naam en
vonnis als hoofd, zegt mij dat het Mei is....

Voorspoed, vreugde en welslagen kunnen ruw van nerf en grof van vezel
zijn, maar smart is het fijngevoeligste van al het geschapene. Daar
kan niets verroeren in de gansche wereld der gedachte, of smart trilt
na met vreeselijke en teeder-heftige polskloppen. Het dun uitgeslagen
sidderend stukje bladgoud, dat de richting aangeeft van krachten die
het oog niet kan waarnemen, is in vergelijking grof. Smart is een wond
die bloedt zoovaak eenige andere hand dan die der liefde daaraan
raakt, en die zelfs dan nog, al is het pijnloos, bloeden moet.

Waar smart is, daar is gewijde grond. Daar zal een dag komen dat de
menschen beseffen wat dat beteekent. Tot dan zullen zij niets van het
leven weten. Robbie en naturen als hij kunnen het zich invoelen. Toen
ik overgebracht werd uit mijn gevangenis naar het Bankroetiershof
tusschen twee man van de politie, wachtte Robbie in de lange sombere
gang om voor de oogen der geheele menigte, welke een zoo lieve en
eenvoudige handelwijze in plotseling stilzwijgen deed verstommen, mij
eerbiedig te groeten terwijl ik met de handboeien aan en met gebogen
hoofd langs hem kwam. Er zijn menschen die den hemel verdiend hebben
met geringere dingen dan dit. In dezen geest en in dezen aard van
liefde knielden de heiligen neder om de voeten der armen te wasschen
of bukten zij om den wang van den melaatsche te kussen. Nooit heb ik
een enkel woord tot hem gezegd over wat hij deed. Tot op het oogenblik
weet ik niet of het hem bekend is dat ik mij zijne handelwijze ook
maar bewust was. Het is geen ding waarvoor men iemand vormelijken dank
kan brengen in vormelijke woorden. Ik heb het weggeborgen in de
schatkamer van mijn hart. Ik bewaar het daar als een geheime schuld
die ik blijde ben te bedenken dat ik nooit bij mogelijkheid kan
terugbetalen. Het wordt gebalsemd en frisch gehouden door de myrrhe en
cassia van vele tranen. Wanneer wijsheid mij nutteloos was en
wijsbegeerte dor, en de spreuken en zinsneden van hen die mij
trachtten troost te geven, als stof en asch in mijn mond, heeft de
herinnering aan die kleine, liefelijke, stilzwijgende daad van liefde
voor mij al de bronnen van medelijden doen stroomen, heeft "de
woestijn doen bloeien als een roos", en mij uit de bitterheid van
eenzame ballingschap in harmonische gemeenschap gebracht met het
groote wonde gebroken hart der wereld. Wanneer de menschen instaat
zullen zijn te verstaan niet enkel hoe schoon Robbie's handelwijze
was, maar waarom zij zooveel voor mij beteekende en voor altijd
beteekenen zal, dan misschien zullen zij begrijpen hoe en in welken
geest zij mij behooren te naderen....

       *       *       *       *       *

Het eerste boek met verzen dat een jong mensch in de prille lente van
den manlijken leeftijd de wereld inzendt, moet als bloesems zijn of
als lentebloemen, als de witte meidoorn op de weide van Magdalen
College of de sleutelbloemen op de velden van Cumnor. Het behoort niet
belast te worden met den druk van een vreeselijk en weêrzinwekkend
treurspel, een vreeselijk weêrzinwekkend zedendrama. Als ik er in
toegestemd had dat mijn naam als heraut zoû dienen voor zulk een boek,
zoû dat uit een oogpunt van kunst een zware fout zijn geweest; het zoû
rondom het geheele werk een verkeerde atmosfeer hebben aangebracht, en
in moderne kunst is atmosfeer van zooveel belang. Het moderne leven is
gecompliceerd en relatief; dat zijn zijn twee onderscheidende
kenteekenen; om de eerste eigenschap weêr te geven hebben wij
atmosfeer noodig met haar verfijndheid van kleurschakeeringen, van
suggestieve werkingen, van wondere verschieten; voor het wedergeven
van de tweede eigenschap behoeven wij achtergrond. Dat is de reden
waarom beeldhouwkunst opgehouden is een representatieve kunst te zijn,
en waarom muziek dat wel is, en waarom literatuur is en was en altijd
blijven zal de opperste representatieve kunst....

       *       *       *       *       *

Om de drie maanden schrijft Robbie mij een kort overzicht van het
letterkundige nieuws. Zijne brieven zijn allerbekoorlijkst in hun
geestigheid, hun knap en bondig oordeel, hun lichten taal-aanslag: het
zijn heusche brieven, zij zijn als iemand die met u zit te praten; zij
hebben het gehalte eener Fransche "causerie intime"; en in de kiesche
vereering die hij voor mij heeft, doet hij nu eens beroep op mijn
scherpzinnigheid, dan weêr op mijn zin voor humor, een anderen keer op
mijn instmktmatig schoonheidsgevoel of op mijne ontwikkeling, en
herinnert mij met honderd kleine trekken dat ik eens voor velen een
scheidsrechter was over stijl in kunst, voor sommigen zelfs de
opperste scheidsrechter, en toont zoo dat hij naast literairen takt
evenzeer den takt der liefde bezit. Zijn brieven zijn de boodschappers
geweest tusschen mij en die schoone onwezenlijke wereld der kunst,
waar ik eenmaal koning was en zeker koning zoû gebleven zijn indien
ik mij niet had laten lokken in de gebrekkige wereld van den gemeenen
onvolgroeiden hartstocht, van lust zonder onderscheiding, begeerte
zonder grenzen en honger naar wat geen gedaante heeft. Toch, alles wel
beschouwd, had Robbie zeker kunnen begrijpen, of in elk geval
vermoeden, dat om voor de hand liggende redenen van zuiver
psychologische merkwaardigheid het belangwekkender voor mij geweest
zoû zijn te hooren omtrent ... dan te vernemen dat Alfred Austin
beproefde een bundel gedichten ter wereld te brengen, dat George
Street dramatische kritieken schreef voor de Daily Chronicle, of dat
door iemand die niet instaat is een lofrede uit te spreken zonder
stamelen, Mevrouw Meynell uitgeroepen was als de nieuwe Sibylle van
den stijl....

       *       *       *       *       *

Wanneer andere ongelukkigen in de gevangenis worden geworpen, zijn
zij, indien zij al beroofd worden van de schoonheid der wereld,
tenminste in zekere mate beveiligd tegen der wereld doodelijkste
slinger worpen en schrikkelijkste schichten. Zij kunnen schuilen in de
donkerheid van hun cel en van hun schande zelf een soort heiligdom
maken. De wereld heeft voldoening gehad en gaat haars weegs, en men
laat hen verder ongestoord lijden. Met mij is het anders gegaan. Smart
is herhaaldelijk op zoek naar mij komen kloppen aan de deuren der
gevangenis. Men heeft de poorten wijd geopend om dat bezoek binnen te
laten. Zoo goed als nooit heeft men mijn vrienden vergund mij te zien.
Maar mijn vijanden hebben steeds ongehinderd toegang gehad. Tweemaal
terwijl ik openlijk terecht stond voor het Bankroetiershof, nog
tweemaal terwijl ik openlijk overgebracht werd van de eene gevangenis
naar de andere, ben ik in een toestand van onuitsprekelijke
vernedering tentoongesteld aan de blikken en de bespotting der
menschen. De boodschapper van den dood heeft mij zijne tijding
gebracht en is weêr heengegaan; en in volslagen eenzaamheid en
afgezonderd van alles wat mij troost of schijn van verlichting kon
geven, heb ik den onduldbaren last moeten dragen van ellende en
wroeging, waarmede de gedachtenis mijner moeder mij bezwaarde en mij
nog immer bezwaart. Nauwelijks is die wond door den tijd niet geheeld,
maar gelenigd, of heftige verbitterde en ruwe brieven van
zaakgelastigden bereiken mij. Men bedreigt mij en hoont mij tegelijk
met armoede. Dat kan ik dragen. Ik kan mij wennen aan erger dan dat.
Doch mijn beide kinderen worden mij langs gerechtelijken weg ontnomen.
Dat is en zal altijd voor mij blijven een bron van oneindigen nood,
van oneindig leed, van verdriet zonder duur of grens. Dat de wet kan
beslissen en zich aanmatigt te beslissen dat ik iemand ben ongeschikt
om met mijne eigen kinderen samen te zijn, is iets volslagen
afschuwwekkends voor mij. De schande der gevangenis is daarmede
vergeleken niets. Ik benijd de andere mannen die samen met mij de
binnenplaats treden. Ik weet zeker dat hun kinderen hen wachten, naar
hun komst uitzien en goed voor hen zullen zijn.

De armen zijn wijzer, liefderijker, vriendelijker, gevoeliger dan wij.
In hun oogen is de gevangenis een ramp in iemands leven, een ongeluk,
een speling van het toeval, iets dat medegevoel opwekt in anderen. Zij
spreken van iemand die in de gevangenis is, eenvoudig als van een "in
moeite". Het is hun gewone zegswijze, en de uitdrukking heeft in zich
de volmaakte wijsheid der liefde. Bij menschen van onzen eigen stand
is het anders. Bij ons maakt de gevangenis iemand tot paria. Ik en
menschen als ik hebben nauwelijks recht op lucht en zon. Onze
tegenwoordigheid smet de genoegens van anderen. Wij zijn nergens
welkom wanneer wij weêr voor den dag komen. Het schemerlicht der maan
wordt ons niet gegund. Zelfs onze kinderen worden van ons weggenomen.
Deze liefelijke banden met de menschheid worden verscheurd. Wij worden
veroordeeld tot eenzaamheid terwijl onze zonen nog leven. Men onthoudt
ons het éene dat ons zoû kunnen heelen en ophouden, dat balsem zoû
kunnen strijken op het gekneusde hart en vrede schenken aan de ziel in
haar leed....

Ik moet mij bekennen dat ik zelf mij te gronde richtte, en dat niemand
groot of klein te gronde gericht kan worden dan door zijn eigen hand.
Ik ben volkomen bereid het te bekennen. Ik tracht het te bekennen al
denkt men op het oogenblik dat het niet zoo is. Deze meêdoogenlooze
aanklacht breng ik zonder mededoogen tegen mijzelf in. Wat de wereld
mij aandeed, moge verschrikkelijk zijn geweest,--wat ik mijzelf
aandeed, was verreweg verschrikkelijker.

Ik was een man die in symbolische betrekking stond tot de kunst en de
geestesbeschaving van mijn tijd. Ik had dit zelf in den vroegen
dageraad van den mannelijken leeftijd ingezien en had daarna mijne
tijdgenooten gedwongen het in te zien. Weinigen nemen zulk een
stelling in tijdens hun eigen leven en zien die stelling op zulk een
wijze erkend. Gewoonlijk wordt zij, indien ooit, bepaald door den
geschiedschrijver of den criticus lang nadat zoowel de man als zijn
tijd zijn voorbijgegaan. Met mij ging het anders. Ik heb het zelf
gevoeld, en heb het anderen doen gevoelen. Byron was eene symbolische
figuur, maar hij stond in betrekking met den hartstocht van zijn tijd
en diens uitputting van hartstocht. Ik stond in betrekking met iets
edelers en duurzamers, iets van meer levenskrachtige gevolgen, van
wijder doeleinden.

De goden hadden mij bijna alleding geschonken. Ik had genie, een
klinkenden naam, een hooge maatschappelijke stelling, de gave van te
kunnen schitteren, intellectueelen durf. Ik maakte kunst tot een
wijsbegeerte en wijsbegeerte tot een kunst. Ik wijzigde den geest der
menschen en de kleur der dingen. Daar was niets wat ik zeide of deed,
dat de menschen niet in verwondering bracht. Ik nam het drama, den
meest objectieven vorm dien de kunst kent, en maakte het tot een even
persoonlijke wijze van uiting als het lyrisch vers of het sonnet.
Tegelijkertijd verruimde ik zijn gebied en verrijkte zijn
karakterbeelding. Het drama, de novelle, het gedicht in proza, het
gedicht op rijm, den subtiel realistischen of fantastischen dialoog,
al wat ik aanraakte, maakte ik schoon in een nieuwen aard van
schoonheid. Aan de waarheid zelf gaf ik wat onwaar is evenzeer als wat
waar is, tot haar rechtmatig rijksgebied, en toonde aan dat het onware
en het ware enkel intellectueele bestaansvormen zijn. Ik behandelde de
kunst als de opperste werkelijkheid en het leven als niets meer dan
een soort verdichtsel. Ik maakte de verbeelding mijner eeuw wakker,
zoodat zij mythe en legende om mij heen schiep. Ik vatte alle
wijsgeerige systemen samen in een zinsnede en alle bestaan in een
epigram. Daarnaast hield ik mij met andere dingen bezig. Ik liet mij
verlokken tot de langdurige begoochelingen van zinneloos en zinlijk
welbehagen. Ik vermaakte mij er mede een flaneur te zijn, een dandy,
een man van den dag. Ik omringde mij met kleine naturen en
minderwaardige geesten. Ik werd de verzwendelaar van mijn eigen genie,
en het schonk mij een bijzondere vreugde een eeuwigdurende jeugd te
verkwisten. Vermoeid van op de hoogten te verkeeren, daalde ik
opzettelijk af naar de laagten op zoek naar nieuwe zinnenprikkeling.
Wat de paradox voor mij was in de sfeer der gedachte, werd het
perverse voor mij in de sfeer van den hartstocht. Ten laatste was
begeerte een ziekte of een waanzin of wel beide. Onverschillig werd
mij het leven van een ander. Ik bevredigde mijn genotzucht waar het
mij behaagde, en ging verder. Ik vergat dat iedere kleine daad van het
dagelijksch leven vormend of vernietigend op het karakter inwerkt, en
dat men daarom wat men in zijn binnenkamer heeft gedaan, eenmaal zal
moeten verkondigen van de daken. Ik hield op meester over mijzelf te
zijn. Ik stond niet langer aan het roer mijner ziel, en wist het niet.
Ik liet mij door genot beheerschen. Ik eindigde in afgrijselijke
schande. Nu blijft er slechts éen ding voor mij over, volstrekte
deemoed.

Bijna twee jaar heb ik nu in de gevangenis gezeten. De natuurlijke
mensch in mij verviel tot woeste wanhoop, tot een verslagenheid van
leed, die deerniswaardig was ook maar om aan te zien, tot
schrikkelijke en onmachtige woede, tot bitterheid en haat, tot
benauwdheid die luid weende, tot ellende die geen stem kon vinden, tot
smart die stom bleef. Iedere mogelijke stemming van lijden heb ik
doorgemaakt. Beter dan Wordsworth zelf weet ik wat Wordsworth bedoelde
toen hij zeide:

  "Leed is bestendig, lichteloos en donker, En draagt de
  trekken der oneindigheid."

Maar terwijl er oogenblikken waren dat ik vreugde vond in het
denkbeeld dat mijn lijden eindeloos wezen zoû, kon ik toch niet dragen
dat het zonder bedoeling was. Nu vind ik ergens verweg in mijn natuur
een verborgen ding dat mij zegt dat niets in de geheele wereld zonder
bedoeling is, en lijden allerminst. Dat ding diep in mij begraven als
een schat in een akker, is Deemoed.

Het is het laatste wat in mij overgebleven is, en het beste: de
uiterste ontdekking waartoe ik geraakt ben, het uitgangspunt voor eene
vernieuwde ontwikkeling. Het is tot mij gekomen rechtstreeks uit
mijzelf, daarom weet ik dat het op het juiste oogenblik gekomen is.
Het kon niet eerder gekomen zijn, en ook niet later. Indien iemand er
mij over gesproken had, zoû ik het verworpen hebben. Als het tot mij
gebracht was, zoû ik het geweigerd hebben. Nu ik het zelf gevonden
heb, wensch ik het te behouden. Ik moet wel. Het is het eenige wat in
zich de grondstoffen heeft ten leven, tot een nieuw leven, een "Vita
Nuova" voor mij. Van alle dingen is het het wonderbaarste: men kan het
niet weggeven, en een ander zoû het ons niet kunnen geven. Men kan het
niet verwerven dan door alles op te geven wat men bezit. Slechts
wanneer men alles verloren heeft, weet men dat men het bezit.

Nu ik tot de zekerheid ben gekomen dat het in mij is, zie ik volkomen
helder wat ik behoor te doen, of beter, moet doen. En wanneer ik zulk
een uitdrukking gebruik, behoef ik niet te zeggen dat ik niet zinspeel
op eenige wet of gebod van buiten af. Ik erken er geen. Ik ben veel
meer individualist dan ooit te voren. Niets komt mij van de geringste
waarde voor dan wat men uit zichzelf wint. Mijn natuur zoekt naar eene
nieuwe wijze van zelf-verwezenlijking. Dat is het eenige waar ik mede
heb te maken. En het eerste ding dat voor mij te doen staat, is
mijzelf te bevrijden van alle mogelijke verbitterdheid tegenover de
wereld.

Ik ben volkomen zonder middelen en volstrekt zonder tehuis. Toch, er
zijn erger dingen dan dit in de wereld. Ik ben volkomen oprecht
wanneer ik zeg dat ik, liever dan uit deze gevangenis te gaan met
bitterheid tegen de wereld in mijn hart, blij en reede mijn brood zoû
willen bedelen van deur tot deur. Indien ik niets kreeg aan het huis
der rijken, zoû ik iets krijgen aan het huis der armen. Zij die veel
bezitten, zijn vaak gierig, zij die weinig hebben, deelen steeds. Het
zoû mij niet kunnen schelen des zomers in het koele gras te slapen, en
als de winter kwam, te schuilen in den warm en dicht met riet gedekten
hooiberg of onder het afdak eener groote schuur, als ik maar liefde
had in mijn hart. De uitwendige dingen des levens schijnen mij nu van
niet het minste belang toe. Gij ziet tot wat hoogeren trap van
individualisme ik gekomen ben--of liever bezig ben te komen, want de
weg is lang en "daar zijn doornen waar ik ga".

Ik weet natuurlijk wel dat het mijn lot niet zal zijn aalmoezen te
vragen langs den weg, en dat als ik ooit bij nachttijd nederlig in het
koele gras, het wezen zal om sonnetten te schrijven op de maan.
Wanneer ik uit de gevangenis kom, zal Robbie op mij wachten aan de
andere zijde der groote met ijzer beslagen poort, en hij is het
zinnebeeld niet enkel van zijn eigen genegenheid, maar van veler
anderen genegenheid buitendien. Ik denk dat ik genoeg zal hebben om
ongeveer achttien maanden in ieder geval te kunnen leven, zoodat ik,
al schrijf ik voorshands geen schoone boeken, tenminste schoone boeken
zal kunnen lezen; en is er wel grooter vreugde dan deze?

Na dien tijd hoop ik instaat te zijn mijn scheppingsvermogen te
herscheppen.

Maar stonden de zaken anders: had ik geen vriend over in de wereld,
stond geen eenig huis in medelijden voor mij open, moest ik den
bedelzak en lompenmantel der uitgeschudde armoede dragen--zoo lang als
ik vrij ben van alle wrokgevoel, hardheid en haat, zoû ik instaat zijn
het leven met veel grooter gerustheid en vertrouwen in het gelaat te
zien dan wanneer mijn lichaam in purper en fijn linnen gekleed zoû
zijn, en de ziel binnenin mij krank van haat.

En ik zal inderdaad geen moeilijkheden ondervinden. Wanneer gij
liefde werkelijk behoeft, zult gij haar op u vinden wachten.

Ik behoef niet te zeggen dat mijn taak daarmede niet ophoudt. Het zoû
vergelijkelijkerwijze gemakkelijk zijn als dit zoo was. Daar ligt veel
meer vóor mij. Ik moet veel steiler heuvelen beklimmen en veel
donkerder valleien doorgaan. En allen bijstand moet ik uit mijzelf
halen. Noch godsdienst of moraal, noch rede kan mij eenigszins helpen.
De moraal komt mij niet te hulp. Ik ben buiten de wet geboren. Ik ben
een van hen die geschapen zijn voor uitzonderingen, niet voor wetten.
Maar al zie ik dat er niets verkeerds is in wat men doet, ik zie
tevens dat er iets verkeerds kan wezen in wat men wordt. Het is goed
dat ik dit geleerd heb.

Godsdienst helpt mij niet. Het geloof dat anderen geven aan wat
onzienlijk is, geef ik aan wat men kan aanraken en aanschouwen. Mijn
goden wonen in tempelen met handen gemaakt; en binnen den kring der
feitelijke ervaring heb ik mijn geloof volkomen en volledig gemaakt,
te volledig mogelijk, want als velen of allen van diegenen die hun
hemel op deze aarde hebben geplaatst, heb ik er niet enkel de
schoonheid van den hemel, maar ook den afschuw der hel gevonden.
Wanneer ik over godsdienst hoegenaamd denk, gevoel ik als lust een
orde te stichten voor hen die niet kunnen gelooven: de Broederschap
der Vaderloozen zoû men haar kunnen noemen, waarin op een altaar
waarop geen kaars brandde, een priester in wiens hart vrede geen
woning had, de mis zoû dienen met ongeheiligd brood en een ledigen
wijnkelk. Om waar te zijn, moet alles een voorwerp van godsdienst
worden. En agnosticisme behoort zijn eeredienst te hebben evenzeer als
geloof. Het heeft zijn martelaren gezaaid, het behoort zijn heiligen
te oogsten, en God dagelijks te prijzen dat hij zich voor den mensch
verstoken heeft. Maar hetzij mijn godsdienst geloof of agnosticisme
zij, het mag niets wezen, dat uitwendig voor mij is. Zijn zinnebeelden
moeten mijn eigen schepping zijn. Slechts datgene is geestelijk, dat
zijn eigen gedaante schept. Indien ik zijn geheim niet in mijzelf
vind, zal ik het nergens vinden: als ik het niet reeds bezit, zal het
nimmer tot mij komen.

De rede helpt mij niet. Zij zegt mij dat de wetten waaronder ik
veroordeeld ben, verkeerde en onrechtvaardige wetten zijn, en dat het
stelsel waaronder ik geleden heb, een verkeerd en onrechtvaardig
stelsel is. Maar op een of andere manier moet ik deze beide
rechtvaardig en goed voor mij maken. En juist zooals men in kunst er
enkel mede vandoen heeft wat een bijzonder ding op een bijzonder
tijdstip voor onszelf is, zoo gaat het ook toe bij de ethische
ontwikkeling van ons karakter. Alles wat mij overkomen is, moet ik
maken tot iets dat goed voor mij is. De houten brits, het walgelijke
voedsel, het harde touw dat tot werk wordt geplozen totdat de
vingertoppen gevoelloos worden van pijn, het knechtswerk waarmede
iedere dag begint en eindigt, de barsche bevelen die een noodzakelijk
gevolg schijnen te zijn van de sleur, de afschuwelijke kleeding die
smart bespottelijk maakt om aan te zien, de stilte, de eenzaamheid, de
schaamte--al deze dingen afzonderlijk en gezamenlijk moet ik omzetten
in een geestelijke ervaring. Daar is geen enkele vernedering van het
lichaam, die ik niet moet trachten te maken tot een vergeestelijking
der ziel.

Ik wil zoo ver komen dat ik instaat ben in allen eenvoud en zonder
inbeelding te zeggen dat de twee voorname keerpunten in mijn leven
waren, toen mijn vader mij naar Oxford zond, en toen de maatschappij
mij naar de gevangenis stuurde. Ik bedoel niet dat de gevangenis het
beste is wat mij kon zijn overkomen, want die uitspraak zoû smaken
naar te groote bitterheid tegen mijzelf. Ik zoû eerder zeggen, of zoû
het van mij willen hooren zeggen, dat ik zulk een eigenaardig kind van
mijn tijd was dat ik in mijne verkeerdheid en om die verkeerdheid de
goede dingen in mijn leven tot booze en de booze dingen in mijn leven
tot goede omzette.

Doch wat ik zelf of anderen mogen zeggen, komt er weinig op aan. Het
ding van belang, de taak die voor mij ligt, wat ik te doen heb, zal
het kortstondig overschot mijner dagen niet verminkt, verdorven en
onvolledig zijn, is dat ik in mijn natuur moet opnemen en verwerken al
wat mij is aangedaan, dat ik het tot een deel van mijzelf moet maken,
dat ik het moet leeren aannemen zonder klacht, vrees of verzet. De
opperste ondeugd is oppervlakkigheid. Al wat men doorkend heeft, is
goed.

Toen ik pas in de gevangenis werd gezet, raadden enkele menschen mij
aan, dat ik trachten zoû te vergeten wie ik was. Het was een
verderfelijke raad. Enkel door mij bewust te maken wat ik ben, heb ik
eenigszins troost gevonden. Nu raden anderen weêr mij aan om wanneer
ik ontslagen word, mijn best te doen te vergeten dat ik ooit van mijn
leven in een gevangenis geweest ben. Ik weet dat dit evenzeer
noodlottig zoû zijn. Het zoû beduiden dat ik voor altijd vervolgd zoû
worden door een ondragelijk gevoel van schande, en dat die dingen die
voor mij evenzeer als voor ieder ander bedoeld zijn--de schoonheid van
zon en maan, de feeststoet der jaargetijden, de muziek van den
dageraad en de stilte der groote nachten, de regen die komt vallen
door de bladeren, of de dauw die het gras besluipt en verzilvert--dat
dat alles voor mij bezoedeld zoû zijn en zijn heelkracht en
vreugdmeêdeelende macht zoû verliezen. Onze eigen ervaringen betreuren
is onze eigen ontwikkeling tot staan brengen. Onze eigene ervaringen
verloochenen is een leugen leggen op de lippen van ons eigen leven.
Het is niet meer of minder dan een verloochening der ziel.

Want juist zooals het lichaam allerhande dingen verwerkt, dingen
gemeen en onrein evenzeer als wat de priester of een visioen heeft
gereinigd, en hen omzet in snelheid of kracht, in het spel van schoone
spieren en de vorming van bloeiend vleesch, in de golvingen en de
kleuren van haar, lippen en oogen, zoo heeft de ziel op haar gebied
ook hare voedingsverrichtingen en kan omzetten in edele
gedachtestemmingen en hartstochten van hooge waarde wat in zichzelf
laag, wreed en vernederend is; ja, wat nog meer is, de ziel kan hierin
vinden de meest verheven wijzen van zelfbevestiging en vermag vaak
zichzelf op de meest volmaakte wijze te openbaren door tusschenkomst
van wat bedoeld was haar te ontheiligen of te verwoesten.

Het feit dat ik een gemeen gevangene in een gemeene gevangenis geweest
ben, moet ik onvoorwaardelijk aannemen, en, al moge het buitengewoon
schijnen, een der dingen die ik mijzelf zal te leeren hebben, is
daarover niet beschaamd te zijn. Ik moet het aannemen als een
bestraffing, en als men beschaamd is over het feit dat men bestraft
is, kon men even goed in het geheel niet bestraft zijn. Natuurlijk
zijn er vele dingen waarvoor ik veroordeeld werd zonder dat ik ze
gedaan had, maar daar waren ook vele dingen waarvoor ik veroordeeld
werd, die ik wel gedaan had, en een nog grooter aantal dingen in mijn
leven, waarvoor ik nooit of nimmer terecht stond. En daar de goden
ondoorgrondelijk zijn en ons straffen voor wat goed en mensonwaardig
in ons is, evenzeer als voor wat boos en ontaard is, moet ik het feit
aannemen dat men voor het goede dat men doet, even goed gestraft wordt
als voor het booze. Ik twijfel niet of men wordt dit volkomen terecht.
Het helpt ons, of behoort ons te helpen, om beide te doorkennen en
niet te ingebeeld te zijn over een van twee. En als ik dan niet
beschaamd zal zijn over mijn straf, zooals ik hoop dat ik niet wezen
zal, zal ik instaat zijn te denken en te wandelen en te leven in
vrijheid.

Velen dragen, als zij vrijgelaten worden, hun gevangenis met zich mede
naar buiten, en verbergen haar als een geheime schande in hun hart en
kruipen ten slotte als arme vergiftigde wezens in een of ander hol om
te sterven. Het is erbarmelijk dat zij daartoe moeten komen, en het is
een onrecht, een verschrikkelijk onrecht van den kant der maatschappij
hen daartoe te dwingen. De maatschappij matigt zich het recht aan het
individu een afschrikwekkende straf op te leggen, maar zij heeft ook
de opperste ondeugd der oppervlakkigheid en laat na zich rekenschap te
geven van wat zij gedaan heeft. Wanneer 's mans straftijd voorbij is,
laat zij hem aan zichzelf over, dat wil zeggen, zij laat hem in den
steek juist op het oogenblik wanneer haar hoogste plicht tegenover hem
begint. In waarheid is zij beschaamd over haar eigen daden, en schuwt
diegenen die zij gestraft heeft, zooals de menschen een schuldeischer
schuwen, aan wien zij hun schuld niet kunnen betalen, of iemand wien
zij een onherstelbaar, een onvergoedbaar kwaad hebben aangedaan. Ik
kan van mijne zijde eischen dat indien ik mij rekenschap geef van wat
ik geleden heb, de maatschappij zich rekenschap geeft van wat zij mij
heeft aangedaan, en dat er geen verbittering of haat zal zijn van
weêrszijden.

Natuurlijk weet ik dat, van éen kant beschouwd, de zaken anders zullen
staan voor mij dan voor anderen, dat dit uit den aard zelf van mijn
geval moet. De arme dieven en verschoppelingen die hier met mij
gevangen zitten, zijn in menig opzicht beter af dan ik. Het klein
bestek in de grauwe stad of op het groene land, dat hun zonde zag, is
beperkt; om menschen te vinden, die niets weten van wat zij gedaan
hebben, behoeven zij niet verder te gaan dan een vogel zoû vliegen
tusschen de morgenschemering en den dageraad. Maar voor mij is de
wereld tot een handbreed ineengekrompen, en overal waar ik mij wend,
slaat mijn naam in looden letters op de rotsen geschreven. Want ik ben
niet uit de duisternis tot de oogenblikkelijke bekendheid van de
misdaad gekomen, maar uit een soort eeuwigheid van roem tot een
eeuwigheid van eerloosheid, en soms komt liet mij voor dat ik bewezen
heb, indien daarvoor inderdaad bewijs noodig is, dat tusschen roem en
eerloosheid maar éen schrede is of nog minder dan dat.

Toch, juist in het feit dat de menschen mij zullen herkennen overal
waar ik ga, en wat zijn dwaasheden aangaat, alles omtrent mijn leven
zullen weten, kan ik ook iets goeds voor mij ontdekken. Het zal mij de
noodwendigheid inprenten van mij weêr als kunstenaar te doen gelden,
en dat zoo snel als ik bij mogelijkheid kan. Indien ik slechts éen
enkel schoon kunstwerk zal kunnen voortbrengen, zal ik instaat zijn
boosaardigheid haar venijn en lafhartigheid haar grijns te ontrooven,
en de tong van den smaad bij den wortel uit te rukken.

En als ik, zooals ik werkelijk doe, tegenover het leven als tegenover
een raadsel sta, staat het leven niet minder tegenover mij als
tegenover een raadsel. De menschen moeten een of andere houding tegen
mij aannemen en zoodoende een oordeel vellen zoowel over zichzelven
als over mij. Ik behoef wel niet te zeggen dat ik geen bepaalde
persoonlijkheden bedoel. De eenige menschen met wie ik nu gaarne zoû
omgaan, zijn kunstenaars en menschen die geleden hebben: menschen die
weten wat schoonheid is, en menschen die weten wat smart is. Niemand
anders boezemt mij belangstelling in. Ook stel ik geen enkelen eisch
aan het leven. Alles wat ik besproken heb, heeft enkel te maken met
mijn eigen geestelijke houding tegenover het leven in zijn geheel, en
ik gevoel dat niet beschaamd te zijn over het feit dat ik straf
ondergaan heb, een der eerste dingen is, die ik moet bereiken, ter
wille van mijn eigen vervolmaking en omdat ik zoo onvolkomen ben.

Dan moet ik leeren gelukkig zijn. Eenmaal wist ik het, of dacht het te
weten, bij instinkt. Toen was het altijd lente in mijn hart. Mijn
gemoedsgesteldheid was verwant met vreugde. Zooals men een beker tot
den rand vult met wijn, vulde ik mijn leven tot den rand met genot. Ik
nader het leven nu van een volslagen nieuwen kant. En zelfs mij een
denkbeeld te maken van geluk is vaak uiterst moeilijk voor mij. Ik
herinner mij hoe ik eens in mijn eerste jaar te Oxford las in Pater's
_Renaissance_ (dat boek dat zulk een wonderbaren invloed op mijn
leven heeft gehad) hoe Dante diep in den Inferno hen plaatst, die
eigenzinnig leven in droefenis, en hoe ik naar de boekerij van het
College ging en de plaats opsloeg in de _Divina Commedia_ waar
onderin het sombere moeras diegenen liggen die "gemelijk waren in de
zoete lucht", die altijd door zeggen door hun zuchten heen:

               "Tristi fummo
  Nell' aere dolce, che dal sol s'allegra."

Ik wist dat de Kerk _acidia_ veroordeelde, maar het gansche
denkbeeld leek mij volkomen fantastisch, juist de soort van zonde,
verbeeldde ik mij, om uit te vinden voor een priester die niets van
het werkelijke leven afwist. Ook kon ik niet begrijpen hoe Dante die
zegt dat "smart ons herhuwt met God", zoo hard kon geweest zijn voor
hen die op den weemoed verliefd waren, indien er werkelijk zulke
wezens bestonden. Ik vermoedde niet dat dit eenmaal voor mij een der
grootste verzoekingen van mijn leven zoû worden. Terwijl ik in de
gevangenis te Wandsworth was, haakte ik naar den dood. Het was mijn
eenige begeerte. Toen ik na twee maanden hospitaal hierheen
overgebracht werd en ik bevond dat mijn lichamelijke gezondheid
gaandeweg verbeterde, kwam ik tot de heftigste verwoedheid. Ik besloot
zelfmoord te plegen op den eigen dag waarop ik de gevangenis verlaten
zoû. Mettertijd ging die booze stemming over, en ik vatte het plan op
om te leven, maar om neêrslachtigheid te dragen zooals een koning zijn
purper draagt: nooit zoû ik weêr glimlachen, ieder huis waar ik
binnentrad, zoû ik maken tot een huis van rouw, ik zoû mijn vrienden
in loome droefenis met mij doen wandelen, ik zoû hun leeren dat
droefgeestigheid het ware geheim des levens is, ik wilde hen verlammen
met de smart van een ander, ik wilde hun leven verderven met mijn
eigen leed. Nu ben ik volkomen anders gestemd. Ik zie in dat het
zoowel ondankbaar als onvriendelijk van mij zoû zijn een zoo lang
gezicht te trekken, dat wanneer mijn vrienden mij kwamen bezoeken, zij
een nog langer gezicht moesten zetten om hun medegevoel te toonen; of
om, als ik hen te gast wilde hebben, hen uit te noodigen in
stilzwijgen aan te zitten bij bittere kruiden en gerechten van een
begrafenismaal. Ik moet leeren opgewekt te zijn en gelukkig.

De laatste twee gelegenheden dat het mij vergund was mijn vrienden
hier bij mij te zien, deed ik mijn best zoo opgewekt mogelijk te zijn
en mijne opgewektheid te toonen om hun een kleine vergoeding te geven
voor de moeite die zij namen om heel uit de stad mij te komen
bezoeken. Ik weet wel, het is slechts een geringe vergoeding, maar
die, daar ben ik zeker van, hun meest genoegen doet. Zaterdag vóor
acht dagen had ik Robbie hier een uur lang bij mij en ik deed mijn
best zoo vol mogelijk uiting te geven aan het genot dat ik werkelijk
in ons samenzijn gndervond. En dat ik in de beschouwingen en
denkbeelden die ik hier op eigen gelegenheid vorm, op het rechte pad
ben, blijkt mij uit het feit dat ik nu voor het eerst sinds mijn
gevangenschap een werkelijke begeerte heb om te leven.

Er wacht mij zooveel werk dat ik het als een verschrikkelijke ramp zoû
beschouwen indien ik stierf vóor het mij vergund werd er tenminste een
klein deel van te volbrengen. Ik zie nieuwe mogelijkheden van
ontwikkeling in de kunst en in het leven, waarvan elk een nieuwe vorm
van vervolmaking is. Ik begeer te leven om te kunnen onderzoeken wat
voor mij niet meer of minder dan een nieuwe wereld is. Wenscht gij te
weten wat deze nieuwe wereld is? Gij kunt het wel raden, denk ik. Het
is de wereld waarin ik geleefd heb. Smart en al wat smart ons
onderwijst, is mijn nieuwe wereld.

Vroeger leefde ik uitsluitend voor genot. Ik schuwde lijden en smart
van welken aard ook. Ik haatte beide. Ik besloot, voor zoover dat
mogelijk was, geen acht op hen te geven, om hen, wil ik zeggen, te
behandelen als vormen van gebrekkigheid. Zij maakten geen deel uit van
mijn levensplan. Zij hadden geen plaats in mijn wijsbegeerte. Mijn
moeder die het leven in zijn geheel kende, placht mij vaak enkele
regels van Goethe aan te halen, die door Carlyle geschreven waren in
een boek dat hij haar jaren geleden gegeven had, en die door hem, als
ik het goed heb, als volgt vertaald waren:

  "Who never ate his bread in sorrow,
   Who never spent the midnight hours
   Weeping and waiting for the morrow,--
   He knows you not, ye heavenly powers."

Deze regels placht die edele koningin van Pruisen, welke Napoleon met
zoo grove ruwheid behandelde, aan te halen in haar vernedering en
ballingschap. Deze regels haalde mijne moeder vaak aan in de
moeilijkheden van haar meergevorderd leven. Ik weigerde volstrekt de
ontzaggelijke waarheid die er in geborgen ligt, aan te nemen of toe te
geven. Ik kon ze niet bevatten. Ik herinner mij zeer wel, hoe ik haar
placht te zeggen dat ik geen lust had mijn brood in smart te eten of
éen enkelen nacht door te brengen in weenen en wachten op een
bitterder dageraad.

Ik kon niet denken dat dit een der bijzondere dingen was, die het lot
voor mij had weggelegd, dat ik inderdaad een heel jaar lang van mijn
leven bestemd was weinig anders te doen. Doch zoo is mijn deel mij
toegemeten, en pas in de laatste maanden na verschrikkelijke
moeilijkheden en worstelingen is het mij gelukt enkele der lessen te
verstaan, die verscholen liggen in het hart van het leed. Geestelijken
en menschen die zegswijzen gebruiken zonder wijsheid, spreken soms van
lijden als van een geheimenis. In werkelijkheid is het een openbaring.
Men nadert de wereldgeschiedenis van een gansch anderen kant. Wat men
vroeger bij instinkt duister had gevoeld omtrent kunst, wordt door
verstand en gemoed beleefd met volmaakte helderheid van aanschouwing
en hoogste spanning van waarneming.

Ik zie nu in dat smart de opperste aandoening is, waarvoor een mensch
vatbaar is, en dat zij daarom tegelijk de grondvorm en de toetssteen
van alle kunst is. Waar de kunstenaar altijd op uit is, is de
bestaansvorm waarin ziel en lichaam éen en ondeelbaar zijn, waarin het
uitwendige uitdrukking geeft aan het inwendige, waarin de stof
openbaring wordt. Zulke bestaansvormen zijn er verscheidene. Het éene
oogenblik kan de jeugd en de kunsten die zich uitsluitend met de jeugd
bezighouden, ons als voorbeeld dienen. Het andere oogenblik zijn wij
geneigd te denken dat de moderne landschapkunst met haar verfijndheid
en gevoeligheid voor indrukken, met hare suggestie als van een geest
die in de uitwendige dingen woont en gelijkelijk van aarde en lucht,
van mist en stad zijn kleed maakt, met haar ziekelijk gevoelige
harmonie van stemmingen, tonen en kleuren, voor ons schilderkunstig
verwezenlijkt wat zoo volmaakt plastisch verwezenlijkt werd door de
Grieken. De muziek waarin alle onderwerp wordt opgelost in de
uitdrukking, zoodat het er niet meer van gescheiden kan worden, is een
ingewikkeld, en een bloem of een kind een eenvoudig voorbeeld van wat
ik bedoel. Maar smart is de uiterst bereikbare grondvorm zoowel in het
leven als in de kunst.

Achter vreugde en lach kan zich een gemoed verschuilen, grof, hard en
ongevoelig. Maar achter smart schuilt altijd smart. Leed, in
tegenstelling met vreugde, draagt geen masker. Waarheid in kunst is
volstrekt niet overeenstemming tusschen de ideëele werkelijkheid en
den toevalligen bestaansvorm, het is niet de gelijkenis van de
gestalte met haar schaduw, of van het spiegelbeeld in het kristal met
de gedaante zelf, het is niet een echo die antwoordt uit de holling
van den heuvel, evenmin als het een zilveren waterspiegel in de vallei
is, die de maan toont aan de maan en Narkissos aan Narkissos. Waarheid
in kunst is de eenheid van een ding met zichzelf, het uitwendige
gemaakt tot de uitdrukking van het inwendige, de vleeschwording der
ziel, het lichaam doordrongen van den geest. Daarom is geen waarheid
te vergelijken met smart. Er zijn oogenblikken dat smart mij voorkomt
de eenige waarheid te zijn. Andere dingen zijn misschien
begoochelingen van het oog of van de begeerte, dingen die enkel
bestaan om het oog te verblinden of de begeerte te verzadigen, maar
uit smart zijn de werelden opgebouwd, en geen kind of ster wordt
geboren zonder pijn.

Buitendien nog heeft smart een felle, geheel eigen werkelijkheid. Ik
heb van mijzelf gezegd dat ik iemand was, die in symbolische
betrekking stond met de kunst en de beschaving van mijn tijd. Geen
enkel ellendig man is hier saam met mij op deze ellendige plaats, die
niet in symbolische betrekking staat met de geheimenis zelf des
levens. Want de geheimenis des levens is lijden. Dat is liet wat
verscholen is achter alles. Wanneer wij beginnen te leven, is het
zoete ons zoo zeer zoet, en het bittere zoo zeer bitter, dat wij
onvermijdelijk al onze verlangens richten naar genietingen, en er op
uit zijn niet enkel "voor een maand of twee op honing te teren", maar
al onze jaren lang geen ander voedsel te proeven, zonder onderwijl te
beseffen, dat wij eigenlijk bezig zijn de ziel te laten verhongeren.

Ik herinner mij hoe ik eens over dit onderwerp sprak met een der
schoonste persoonlijkheden die ik ooit gekend heb: een vrouw wier
medegevoel en edele goedheid jegens mij, zoowel vóor als na de ramp
van mijn gevangenisschap, alle macht van beschrijving te boven zijn
gegaan, eene die mij, hoewel zij het niet weet, meer dan iemand anders
ui de gansche wereld werkelijk bijstand gegeven heeft bij het dragen
van den last mijner kwellingen, en dat alleen door het enkele feit van
haar bestaan, doordat zij is wat zij is: een ideaal zoowel als een
invloed: een wezen dat niet alleen de gedachte ingeeft aan wat men zoû
kunnen worden, maar ook feitelijke hulp verleent om het te worden, een
ziel die de gemeene lucht zoet maakt, en al wat geestelijk is, zoo
eenvoudig en natuurlijk doet schijnen als het zonlicht of de zee: eene
voor wie schoonheid en smart hand in hand gaan en dezelfde zending
hebben. Bij de gelegenheid die ik bedoel, zeide ik tot haar--ik
herinner het mij zeer duidelijk,--dat er genoeg lijden was in éen
nauwe Londensche steeg om aan te toonen dat God de menschen niet
liefhad, en dat, als ergens eenige smart heerschte, al was het slechts
het verdriet van een kind dat in zijn stadstuintje zit te weenen om
iets dat het al of niet misdreven heeft, het gelaat der gansche
schepping geschonden was. Ik had geheel en al ongelijk. Zij zeide het
mij, maar ik kon haar niet gelooven. Ik was niet in de sfeer waarin
men dat geloof behalen kan. Nu komt het mij voor dat de éene liefde of
de andere de eenig mogelijke verklaring is van de buitengewoon groote
som van lijden op de wereld. Ik kan geen andere verklaring beseffen.
Ik ben overtuigd dat er geen andere is, en dat, als de wereld
wezenlijk, zooals ik zeide, opgebouwd is uit smart, zij opgebouwd is
door de handen der liefde, omdat op geen andere wijze de ziel des
menschen, voor wie de wereld geschapen werd, de volle gestalte van
hare volmaaktheid kon bereiken. Genot voor het schoone lichaam, maar
leed voor de schoone ziel.

Wanneer ik zeg dat ik hiervan overtuigd ben, spreek ik met te veel
hoovaardij. Veraf, als een volkomen parel, kan men de stad Gods zien
liggen. Het is zoo'n wonderbaarlijk gezicht, dat het lijkt als kon een
kind haar bereiken binnen een zomerdag. En een kind kan dat ook. Maar
voor mij en mijns gelijken gaat het niet zoo gemakkelijk. Wat wij ons
éen enkel oogenblik misschien eigen maken, verliezen wij weêr in de
lange uren die volgen met haar looden voeten. Het is zoo moeilijk de
ziel te houden op "de hoogten die zij machtig is te winnen". Wij
denken in de eeuwigheid, maar wij bewegen traag door den tijd; en hoe
traag de tijd gaat voor ons die gevangen zitten, behoef ik niet nog
eens te vertellen, evenmin als van de loomheid en de wanhoop die komen
terugkruipen in onze cel en in de cel van ons hart met zulk een
vreemdsoortige volharding dat wij om zoo te zeggen ons huis voor haar
komst moeten sieren en bezemen als voor een onwelkom gast of voor een
bitsen meester of voor een slaaf wiens slaaf het ons lot of onze keus
is te zijn.

En, al kunnen op het oogenblik mijn vrienden, dit slecht gelooven,
toch is het niet minder waar dat voor hen die leven in vrijheid,
ledigheid en gerief, het gemakkelijker is de lessen van den deemoed te
leeren dan voor mij die den dag begin met neder te knielen om den
vloer mijner cel te reinigen. Want het leven in de gevangenis met zijn
eindelooze onthoudingen en beperkingen maakt ons opstandig. Het
schrikkelijkste er van is niet dat het iemands hart breekt--harten
zijn er voor om gebroken te worden--maar dat het iemands hart tot een
steen maakt. Van tijd tot tijd heeft men het gevoel dat men enkel met
een bronshard voorhoofd en hoonstarre lippen door den dag kan heen
komen. En hij die in den staat der weêrspannigheid is, kan de genade
niet ontvangen, om de uitdrukking te gebruiken, die de Kerk zoo zeer
bemint,--zoo zeer te recht bemint, dunkt mij--; want in het leven
zoowel als in de kunst stopt de opstandige gestemdheid de toegangen
der ziel en sluit de ademen des hemels buiten. Toch moet ik deze
lessen hier leeren, als ik ze ergens zal leeren, en moet vervuld
worden van vreugde, indien mijn voeten op den rechten weg zijn en mijn
gelaat gekeerd is naar "de poort die de Schoone genaamd wordt", al val
ik ook vaak neder in het slijk en verdool ik dikwijls in den mist.

Dit "Nieuwe Leven", zooals ik het soms om mijn liefde voor Dante
gaarne noem, is natuurlijk volstrekt geen nieuw leven, maar eenvoudig
bijwege van ontwikkeling en evolutie, de voortzetting van mijn vroeger
leven. Ik herinner mij hoe ik eens in Oxford, het jaar vóor ik
afstudeerde, tot een van mijn vrienden zeide op een morgen qat wij
ronddwaalden door de nauwe vogelendoorkwetterde wandelpaden van
Magdalen College, dat ik begeerde te eten van de vrucht van al de
boomen in den tuin der wereld, en dat ik de wereld inging met dien
hartstocht in mijn ziel. En zoo ging ik werkelijk het leven in, en zoo
heb ik geleefd. Mijn eenige fout was dat ik mij uitsluitend beperkte
tot de boomen van wat mij de bezonde kant van den tuin leek, en de
andere zijde schuwde om haar schaduw en mistroostigheid. Mislukking,
schande, armoede, smart, wanhoop, lijden, tranen zelfs, de gebroken
woorden die over lippen in leed komen, wroeging die den mensch op
doornen doet wandelen, schuldbesef dat veroordeelt, zelfverlaging die
zich wreekt, ellende die asch op haar hoofd strooit, benauwing die een
zak kiest voor haar kleedij en gal stort in haar eigen
drinkwater,--voor al deze dingen was ik bevreesd. En terwijl ik
besloten had daarvan niets te willen weten, werd ik gedwongen elk van
hen op de beurt te proeven, op hen te teren, voor een bestemden tijd
in waarheid geen ander voedsel te hebben.

Geen enkel oogenblik heb ik spijt dat ik geleefd heb voor genot. Ik
deed het tenvolle, zooals men alles wat men doet, behoort te doen.
Daar was geen genot waarvan ik geen ervaring maakte. Ik wierp de parel
mijner ziel in een beker wijn. Het pad der, vroege-lentebloemen ging
ik onder den klank der fluiten. Ik leefde van honing en honingzeem,
Maar als ik hetzelfde leven had voortgezet, zoû dat verkeerd geweest
zijn, daar het beperkend zoû gewerkt hebben. Ik moest verder. De
andere helft van den hof had ook hare geheimen voor mij. Natuurlijk
ligt van dit alles de voorschaduwing en voorbeelding in mijn boeken.
Iets er van vindt men in "De Gelukkige Prins", iets ook in "De Jonge
Koning", voornamelijk waar onder andere de bisschop zegt tot den
knielenden knaap: "Is Hij die de ellende schiep, niet wijzer dan gij
zijt?", een volzin, die, toen ik hem neerschreef, mij niet veel meer
dan een fraze leek; veel er van ligt verholen in den doemdreigenden
ondertoon die als een purperen draad loopt door het weefsel van
"Dorian Gray"; in "De Kritikus als kunstenaar" is het uitgewerkt in
vele kleuren; in "De Ziel des Menschen" is het neêrgeschreven, en dat
in letterteekens meer dan gemakkelijk om te lezen; het is een der
refereinen wier terugkeerende motieven "Salome" zoo zeer gelijk aan
een muziekstuk maken en het tezamen binden als een ballade; in het
prozagedicht van den man die uit het brons van het beeld van "Genot
dat een oogenblik leeft" maken moet het beeld van "Smart die eeuwig
duurt", is het lichaam geworden. Het had niet anders gekund. Ieder
afzonderlijk oogenblik van zijn leven is men wat men zal zijn evenzeer
als wat men geweest is. De kunst is een symbool, omdat de mensch een
symbool is.

Als ik het volkomen bereiken kan, is dit Nieuwe Leven de uiterste
verwezenlijking van het kunstenaarsbestaan. Immers het leven van den
kunstenaar is eenvoudig zelfontwikkeling. De deemoed bij den
kunstenaar bestaat in zijn onvoorwaardelijk aannemen van alle
ervaringen, volkomen als de liefde bij den kunstenaar eenvoudig de zin
der schoonheid is, die der wereld haar lichaam en ziel openbaart. In
"Marius the Epicurean" tracht Pater het kunstenaarsleven te verzoenen
met het godsdienstige leven in de diepe, zoete en gestrenge beteekenis
van het woord. Maar Marius is niet veel meer dan een toeschouwer,
zeker een ideaal toeschouwer en een aan wien het gegeven is "het
schouwspel des levens gade te slaan met geëigende ontroeringen", wat
Wordsworth bepaalt als het waarachtige doel des dichters; toch is hij
uitsluitend toeschouwer, en misschien een weinig te beziggehouden met
de sierlijkheid der banken van het heiligdom om op te merken dat het
het heiligdom der smart is, dat hij voor oogen heeft.

Ik zie een veel inniger en onmiddellijker verband tusschen het
werkelijke leven van Christus en het werkelijke leven van den
kunstenaar; en het is een ongemeene verheuging voor mij te bedenken
dat ik, lang vóor smart mijn dagen haar eigendom had gemaakt en mij
gebonden aan haar rad, geschreven had in "De Ziel des Menschen" dat
hij die een leven gelijk aan dat van Christus wil leiden, geheel en
volstrekt zichzelf moet zijn, terwijl ik als voorbeelden niet enkel
den schaapherder aan den heuvelkant en den gevangene in zijn cel had
genomen, maar ook den schilder voor wien de wereld een kleurige
optocht, en den dichter voor wien de wereld een lied is. Ik herinner
mij hoe ik eens zeide tot André Gide, toen wij samen in een of ander
Parijsch café zaten, dat, terwijl metaphysica maar weinig wezenlijk
belang voor mij had en zedeleer volstrekt geen, er niets was, dat
hetzij Platoon of Christus gezegd hadden, dat niet onmiddellijk kon
worden overgebracht op het gebied der kunst en daar zijn volledige
vervulling vinden.

Ook onderscheiden wij in Christus niet alleen die nauwe vereeniging
van persoonlijkheid met volmaaktheid, die het feitelijke onderscheid
uitmaakt tusschen de classieke en de romantieke strooming in het
leven, maar de grondslag zelf van zijn natuur was dezelfde als bij de
natuur van den kunstenaar--een felle en vlamgelijke verbeelding. Hij
bracht in toepassing op het geheele gebied der menschelijke
verhoudingen dat medegevoel der verbeelding, dat op het gebied der
kunst het eenige geheim van scheppen is. Hij verstond de melaatschheid
der melaatschen, de duisternis der blinden, de grimmige ellende van
hen die leven voor genot, de vreemde armoede der rijken. Iemand
schreef mij in mijn ongeluk: "Wanneer gij niet op uw voetstuk staat,
zijt gij niet belangwekkend." Hoe ver stond de schrijver van wat
Matthew Arnold noemt "het geheim van Jezus". Van beiden had hij kunnen
leeren dat al wat onzen naaste overkomt, onszelf overkomt, en als gij
een spreuk begeert, om te lezen bij den dageraad en in den avond, een
voor vreugde en voor leed, schrijf op de wanden van uw huis in letters
die de zon verguldt en de maan verzilvert: "Al wat onszelf overkomt,
overkomt onzen naaste."

Christus' plaats is inderdaad bij de dichters. Zijn geheele opvatting
der menschheid kwam rechtstreeks voort uit de verbeelding, en kan
alleen door haar worden begrepen. Wat God was voor den pantheïst, was
de mensch voor hem. Hij was de eerste die de verdeelde rassen als een
eenheid opvatte. Vóor zijn tijd waren er goden en menschen geweest, en
daar hij door de mystiek van het medegevoel erkende dat elk van beiden
in hemzelf vleesch-geworden was, noemt hij zich, naar zijn
oogenblikkelijke stemming, den Zoon van God en den Zoon des menschen.
Meer dan wie ook in de wereldgeschiedenis wekt hij in ons de
ontvankelijkheid voor het wonder, waartoe het romantieke zich altijd
richt. Daar blijft voor mij iets bijna ongeloofelijks in het denkbeeld
van een jong Gallilaiër van het land, die zich voorstelt dat hij op
zijn eigen schouders zoû kunnen dragen den last der geheele wereld,
al wat reeds gedaan en geleden was, en alles wat nog gedaan en geleden
moest worden: de zonden van Nero, van Cesare Borgia, van Alexander VI,
van hem die keizer van Rome was en priester van de Zon; het lijden van
hen wier namen legio zijn en wier woning is tusschen de graven,
onderdrukte volkeren, fabriekskinderen, dieven, gevangenen,
uitgeworpenen, diegenen die stom zijn onder de verdrukking en wier
stilte gehoord wordt alleen door God--, en die zich dat niet enkel
voorstelt, maar het in werkelijkheid volvoert, zoodat nog op dit
oogenblik al wie in aanraking komen met zijn persoonlijkheid, zelfs al
buigen zij zich niet voor zijn altaar noch knielen voor zijn priester,
meer of min ervaren dat het terugstootende van hun zonde is
weggenomen, en de schoonheid van hun smart hun is geopenbaard.

Ik had van Christus gezegd dat hij in de rij der dichters behoort. Dat
is zoo. Shelley en Sophokles zijn van zijn broederschap. Maar ook zijn
geheele leven is het wonderbaarlijkste aller gedichten. Wil men
"medelijden en vrees"--, daar is niets in den geheelen kring van het
Grieksche treurspel, dat dit gedicht raakt. De volstrekte reinheid van
den protagonist verheft het geheele plan tot een hoogte van romantieke
kunst, vanwaar de rampen van Thebai en van Pelops' huis door haar
gruwelijkheid zelf zijn uitgesloten, en bewijst hoezeer Aristoteles
ongelijk had toen hij in zijn verhandeling over het drama zeide dat
het onmogelijk zoû zijn het schouwspel te verduren van den vlekkelooze
in lijden. Noch in Aischylos, noch in Dante, die stroeve meesters der
teederheid, noch in Shakespeare, den zuiverst menschelijken van alle
groote kunstenaars, noch in de gezamenlijke Celtische mythen en
legenden waar de liefelijkheid der wereld zich vertoont door een mist
van tranen, en het leven van een mensch niet meer is dan het leven van
een bloem, is er iets dat, om zuiveren eenvoud van ontroerendheid,
vereend en vereenzelvigd met verhevenheid van tragische werking, kan
gezegd worden te evenaren of ook maar te benaderen het laatste bedrijf
van Christus' lijden. Het eenvoudige avondmaal met zijn gezellen, van
wie een hem reeds voor een som gelds verkocht heeft; zijn zielsangst
in den rustigen maanverlichten hof; de valsche vriend die hem nadert
om hem te verraden met een kus; de vriend die nog in hem geloofde en
op wien hij als op een rots gehoopt had een huis van toevlucht voor
den mensch te bouwen, die hem verloochent op het oogenblik dat de haan
kraaide naar den dageraad; zijn eigen volstrekte verlatenheid, zijn
onderworpenheid, zijn berusting in alles; en daartusschendoor zulke
tooneelen als de hoogepriester der orthodoxie, die in toorn zijn kleed
verscheurt, en de ambtenaar der wereldlijke rechtspraak, die om water
roept in de ijdele hoop zich te reinigen van dien vlek onschuldig
bloed, die hem tot de scharlaken figuur der geschiedenis maakt; de
kroningsplechtigheid der smart, een der wonderbaarlijkste dingen in de
kronieken der tijden; de kruisiging van den Gerechte voor de oogen van
zijn moeder en van den discipel dien hij liefhad; de soldaten die het
lot werpen om zijne kleederen; de vreeselijke dood waardoor hij der
wereld haar eeuwigste symbool schonk; en ten laatste zijn bijzetting
in het graf van den rijken man, zijn lijk gezwachteld in Aigyptisch
lijnwaad met kostbare specerijen en reukwerken als ware hij een
koningszoon geweest.... Wanneer men dit alles enkel uit het
gezichtspunt der kunst beschouwt, kan men niet dan dankbaar zijn dat
de hoogdienst der Kerk de opvoering van het treurspel is zonder
vergieten van bloed, de mystieke voorstelling van het lijden van haren
Heer door middel van dialoog en gewaad en zelfs van gebaar; en het is
steeds een bron van vreugde en ontzag voor mij te bedenken dat men het
Grieksche koor dat elders voor de kunst verloren is gegaan, in zijn
laatsten overlevenden vorm kan vinden in den dienaar die den priester
antwoordt bij de bediening der mis.

Toch is het geheele leven van Christus--zoo geheel en al kan smart en
schoonheid eengemaakt worden in haar beteekenis en openbaring--in
werkelijkheid een idylle, al is de afloop dat het voorhangsel van den
tempel in tweeë scheurt, en de duisternis het gelaat der aarde bedekt,
en de steen gewenteld wordt voor de deur van het graf. Men denkt
altijd aan hem als aan een jongen bruidegom met zijn gezellen, zooals
hij zelf inderdaad zich ergens beschrijft; als aan een schaapherder
die met zijn schapen door de vallei dwaalt op zoek naar groene weide
of koelen stroom; als aan een zanger die tracht op te bouwen uit
muziek de muren van de Stad Gods; of als aan een minnaar voor wiens
liefde de geheele wereld te klein was. Zijne wonderen lijken mij even
kostelijk als de komst der lente, en even natuurlijk. Ik zie geen
bezwaar te gelooven dat de bekoring zijner persoonlijkheid een
zoodanige was, dat zijn enkele aanwezigheid vrede kon brengen aan
beangste zielen, en dat zij die zijn kleederen of zijn handen
aanraakten, hun pijnen vergaten, of dat als hij voorbijkwam langs de
heirbaan des levens, menschen die nooit iets hadden gezien van levens
geheimenis, die helder zagen, en anderen die doof waren geweest voor
elke andere stem dan die van het genot, voor het eerst de stem der
liefde hoorden en haar vonden "zoetluidig als Apolloons lier"; of dat
booze hartstochten vluchtten bij zijn naderen en menschen wier
stompzinnige verbeeldinglooze levens slechts een wijze van doodzijn
waren geweest, als het ware uit hun graven opstonden wanneer hij hen
riep; of dat wanneer hij leerde aan de berghelling, de schare haar
honger en dorst en de zorgen der wereld vergat; en dat als zijn
vrienden naar hem luisterden terwijl hij met hen aanzat, het gemeene
voedsel hun kostelijk scheen en het water hun smaakte als uitgelezen
wijn en bet geheele huis vervuld werd met de reuk en de zoetheid van
nardus.

In zijn Leven van Jezus--dat bevallige vijfde evangelie, het evangelie
naar den Heiligen Thomas, zoû men het kunnen noemen--zegt Renan ergens
dat de grootste levensdaad die Christus tot stand bracht, was dat hij
na zijn dood even bemind bleef als hij bij zijn leven was geweest. En
als zijn plaats onder de dichters is, is hij zeker de voorganger van
alle minnaren. Hij zag dat de liefde het hoofdgeheim der wereld was,
waarnaar de wijzen hadden gezocht, en dat men alleen door liefde kon
naderen hetzij tot het hart van den melaatsche hetzij tot de voeten
van God.

En bovenal is Christus de opperste der individualisten. Zijn godsleer
is, evenals het aannemen van alle levenservaringen door den
kunstenaar, enkel een wijze van openbaring. De ziel des menschen is
het, die Christus altijd zoekt. Hij noemt haar het "Koninkrijk Gods"
en vindt haar in iedereen. Hij vergelijkt haar bij luttele dingen, bij
een nietig zaad, een handvol zuurdeesem, een parel. Dat komt omdat men
het bestaan der ziel enkel bewust wordt door zich los te maken van
alle vreemde hartstochten, alle aangeleerde beschaving, alle
uitwendige bezittingen, zoo goed als kwaad.

Ik bood het hoofd aan alles met een soort hartnekkigheid van wil en
veel ingeboren opstandigheid, tot ik volstrekt niets in de wereld
overhad dan éen enkel ding. Ik had naam, positie, geluk, vrijheid,
rijkdom verloren. Ik was een gevangene en een arm man. Maar nog had ik
mijn kinderen over. Plotseling werden zij mij door de wet ontnomen.
Het was zulk een verbijsterende slag voor mij, dat ik niet wist wat te
doen. Ik wierp mij op de knieën en boog het hoofd en weende en zeide:
"Het lichaam van een kind is als het lichaam onzes Heeren; ik ben geen
van beide waardig". Dat oogenblik, scheen het, redde mij. Ik zag dat
het eenige wat mij overbleef te doen, was alles voor lief te nemen.
Van toen af--het zal ongetwijfeld vreemd klinken--heb ik mij
gelukkiger gevoeld. Ik was doorgedrongen tot de ziel in haar uiterste
wezenheid. In vele opzichten was ik haar vijand geweest, maar ik vond
haar op mij wachten als een vriend. Wanneer men in beroering komt met
de ziel, wordt men eenvoudig als een kind: zooals Christus zeide dat
men behoort te worden.

Het is bedroevend hoe weinig menschen ooit "hun ziel bezitten" vóor
zij sterven. "Niets is zeldzamer in eenig mensch," zegt Emerson, "dan
een daad die zijn eigen is." Het is volkomen waar. De meeste menschen
zijn andere menschen. Hun gedachten zijn iemand anders meeningen, hun
leven de kluchtige nabootsing, hun hartstochten de aanhaling van
anderen. Christus was niet alleen de opperste individualist, maar hij
was de eerste individualist der geschiedenis. De menschen hebben
getracht een gewoon philanthroop van hem te maken, of hebben hem als
altruïst gelijk gesteld met de onontwikkelden en de sentimenteelen.
Maar hij was in waarheid geen van twee. Medelijden had hij natuurlijk
met de armen, met hen die in gevangenissen zijn opgesloten, met de
nederigen van staat, met de ellendigen. Maar hij had veel meer
medelijden met de rijken, met de verharde hedonisten, met hen die hun
vrijheid verspillen door de slaven der dingen te worden, met hen die
zachte kleederen dragen en wonen in koningspaleizen. Rijkdommen en
genot schenen hem in werkelijkheid grooter ongelukken te zijn dan
armoede of smart. En wat altruïsme aangaat--wie wist beter dan hij dat
roeping en niet vrije wil ons leven bepaalt, en dat men geen druiven
kan lezen van doornen of vijgen van distelen?

Hij was niet van het geloof dat men behoort te leven voor anderen als
een vastgesteld zelfbewust doel. Het was niet de grondslag van zijn
geloof. Als hij zegt: "Vergeeft uwen vijanden", zegt hij dat niet ter
wille van den vijand, maar ter wille van onszelf, en omdat liefde
schooner is dan haat. Bij de vermaning die hij geeft aan den rijken
jongeling: "Verkoop al wat gij hebt en geef het den armen", denkt hij
niet aan den toestand der armen, maar aan de ziel van den jongeman, de
ziel die door rijkdom verdorven werd. In zijn levensopvatting is hij
éen met den kunstenaar die weet dat volgens de onontkoombare wet der
zelfvolmaking de dichter moet zingen en de beeldhouwer denken in
brons en de schilder de wereld maken tot den spiegel zijner
stemmingen, zoo vast en zeker als de meidoorn moet bloeien in de lente
en het koren gouden worden in den oogsttijd, en de maan op haar
voorgeschreven baan verkeeren van schijf tot sikkel en van sikkel tot
schijf.

Maar al heeft Christus niet tot de menschen gezegd: "Leeft voor
anderen", hij heeft duidelijk aangetoond dat er volstrekt geen
verschil bestond tusschen de levens der anderen en ons eigen leven.
Hierdoor gaf hij den mensch een wijdstrekkende, een Titanische
persoonlijkheid. Sinds zijn komst is de geschiedenis van elk
afzonderlijk individu de geschiedenis der wereld of kan dat worden.
Natuurlijk heeft de beschaving de persoonlijkheid der menschen
verscherpt. De kunst heeft onzen geest duizendvoudig gemaakt. Zij die
den gemoedsaanleg van den kunstenaar bezitten, gaan in ballingschap
met Dante, en leeren hoe bitter het brood van vreemden smaakt, en hoe
steil andermans trappetreden zijn; zij bereiken voor een oogenblik de
wolkelooze rust van Goethe, en toch weten zij maar al te wel hoe
Baudelaire kreet tot God:

  "O Seigneur, donnez-moi la force et le courage
   De contempler mon corps et mon coeur sans dégoût."

Uit Shakespeares sonnetten puren zij, mogelijk tot hun eigen schade,
het geheim zijner liefde en maken het tot hun eigen; zij zien met
nieuwe oogen het moderne leven aan, omdat zij geluisterd hebben naar
een van Chopins nocturnes, of omdat zij Grieksche kunst onder de oogen
hebben gehad, of omdat zij gelezen hebben het verhaal van den
hartstocht van een of anderen langgestorven man voor een of andere
langgestorven vrouw wier haar was gelijk draden fijn goud en wier mond
was als een granaatappel. Maar het medevoelen van den
kunstenaarsaanleg houdt zich noodzakelijk bezig met wat uiting
gevonden heeft. In woord of kleuren, achter de geverfde maskers van
een Aischyleïsch drama of door de doorboorde en onderling verbonden
rieten van een Siciliaanschen schaapherder,--man en boodschap moeten
zich hebben geopenbaard.

Voor den kunstenaar is uiting de eenige en uitsluitende vorm waaronder
hij het leven kan opvatten. Voor hem is wat stom is, dood. Maar voor
Christus was het anders. Met een onbegrensde en wonderbaarlijke
verbeelding die iemand bijna met vreeze vervult, nam hij de geheele
wereld van het onverwoorde, de sprakelooze wereld van het leed, als
zijn koninkrijk, en maakte zichzelf haar tolk naar buiten. Hen die ik
genoemd heb, die stom zijn onder de verdrukking en wier stilte gehoord
wordt enkel door God, koos hij tot broederen. Hij trachtte oogen te
worden voor den blinde, ooren voor den doove, een kreet op de lippen
van hen wier tong gebonden was. Zijn verlangen was om voor de
tienduizenden die geen uiting gevonden hadden, te zijn als een bazuin
waardoor zij konden roepen naar den hemel. En daar hij met de
kunstenaarsnatuur van een voor wien lijden en smart vormen waren,
waardoor hij zijn opvatting van het schoone kon verwezenlijken,
gevoelde dat een idee geen waarde heeft vóor zij belichaamd is en tot
een beeld gemaakt, maakte hij van zichzelf het beeld van den Man van
Smarten, en heeft als zoodanig de kunst geboeid en beheerscht zoo als
nooit eenigen Griekschen god gelukt is.

Want de Grieksche goden, in weerwil van het blank en rood van hun
schoone radde leden, waren in werkelijkheid niet wat zij leken te
zijn. Het gewelfde voorhoofd van Apolloon was gelijk aan de
zonneschijf die in den dageraad opkomt boven den heuvelrand, en zijn
voeten waren als de vleugelen van den morgen, maar hij zelf was wreed
geweest voor Marsyas en had Niobe van hare kinderen beroofd. In de
stalen schilden van Athena's oogen was geen medelijden geweest met
Arachne; het praalvertoon en de pauwen van Hera was werkelijk alles
wat edel omtrent haar was; en de vader der goden zelf had zich te zeer
verliefd op de dochteren der menschen. De twee figuren die den
diepsten indruk maken in de Grieksche mythologie, zijn, in
godsdienstigen zin, Demeter, eene aardgodin die niet behoorde tot de
Olympiërs, en, inzake kunst, Dionysos, de zoon van een sterfelijke
vrouw die op het oogenblik zijner geboorte den dood gevonden had.

Maar het leven zelf bracht uit zijn laagste en nederigste laag iemand
voort, wonderbaarlijker dan de moeder van Persephone of den zoon van
Semele. Uit den timmermanswinkel te Nazareth is een persoonlijkheid
voortgekomen, grooter dan eenige andere die mythe en legende geschapen
had, en die, wonderlijk genoeg, bestemd was aan de wereld de mystieke
beteekenis van den wijn en de wezenlijke schoonheden van de leliën des
velds te openbaren zooals geene andere, op den Kithairoon of in Enna,
ooit gedaan had.

De zang van Jesajas: "Hij was veracht en de onwaardigste onder de
menschen, een man van smarten en verzocht in krankheid, en een
iegelijk was als verbergende het aangezicht voor hem", had hem
toegeschenen hemzelven te voorbeelden, en in hem werd de prophetie
vervuld. Wij behoeven niet terug te schrikken voor zulk een gezegde.
Ieder afzonderlijk kunstwerk is de vervulling eener prophetie; want
ieder kunstwerk is de omzetting van een idee in een beeld. Elk
afzonderlijk menschelijk wezen behoort de vervulling eener prophetie
te zijn; want elk menschelijk wezen behoort de verwezenlijking van een
ideaal te zijn, hetzij in den geest van God, hetzij in den geest der
menschen. Christus vond den grondvorm en bestendigde hem, en de droom
van een Vergiliaansch dichter, te Jerusalem of te Babyloon, werd in
den langen loop der eeuwen vleesch in hem dien de wereld verwachtte.
"Hij had geen gedaante noch heerlijkheid; als wij hem aanzagen, zoo
was er geen gestalte dat wij hem zouden begeerd hebben", heeft Jesajas
onder meer als kenteekenen van het nieuwe ideaal opgeteekend; en
zoodra de kunst begreep wat dat bedoelde, ging zij open als een bloem
in de aanwezigheid van hem in wien waarheid in kunst aan het licht
trad als nooit te voren. Want is niet waarheid in kunst, zooals ik al
gezegd heb, "datgene waarin het uitwendige de uitdrukking is van het
inwendige, waarin de ziel tot vleesch is gemaakt en het lichaam
doordrongen van geest, waarin de stof openbaring wordt"?

Het meest betreurenswaardige feit in de geschiedenis is voor mij, dat
Christus' eigen renaissance die den dom te Chartres heeft
voortgebracht en den cyclus der Arthur-legenden en het leven van den
Heiligen Franciscus van Assisi en de kunst van Giotto en Dante's
_Divina Commedia_, geen vrijdom gehad heeft zich in haar eigen
richting te ontwikkelen, maar verstoord en bedorven werd door de
treurige classieke Renaissance die ons Petrarca schonk en Raphaëls
fresco's en Palladio's bouwstijl en het vormelijke Fransche treurspel
en de St. Paulskerk en Popes gedichten en alles wat van buiten af
gemaakt wordt en volgens doode regels, en niet uit het binnenste
opwelt door den bezielenden geest. Maar overal waar er een romantieke
beweging in de kunst is, daar is, hoe en onder wat gedaante dan ook,
Christus of de ziel van Christus. Hij is in _Romeo and Juliet_,
in _A Winter's Tale_, in de Provençaalsche poëzie, in Coleridges
_Ancient Mariner_, in Keats' _La Belle Dame sans merci_, in
Chattertons _Ballad of Charity_.

Wij zijn de meest uiteenloopende dingen en menschen aan hem verplicht.
Hugo's _Les Misérables_, Baudelaires _Les Fleurs du Mal_, de
toon van medelijden in de Russische romans, Verlaine en Verlaines
gedichten, het gebrande glas en de wandtapijten en de
quattrocento-arbeid van Burne-Jones en Morris komen hem niet minder
toe dan de toren van Giotto, dan Lancelot en Guinevere, dan
Tannhäuser, de onrustige romantieke marmers van Michele Angelo en de
spitsboogbouw. Zoo ook de liefde voor kinderen en bloemen. Want voor
hen beiden was eigenlijk in de classieke kunst maar weinig ruimte,
nauwlijks genoeg om te groeien of te spelen, maar van de twaalfde eeuw
af tot op onzen eigen tijd zijn zij voortdurend in de kunst verschenen
onder wisselend voorkomen en op wisselende tijden, grillig en
eigenzinnig in hun komst zooals men dat van kinderen en bloemen
verwachten kan. Immers, de lente heeft steeds den schijn alsof de
bloemen zich verscholen hadden en enkel uitkwamen in de zon als
vreesden zij dat de volwassen menschen moe zouden worden van naar haar
uit te zien en hun zoeken zouden opgeven; en het leven van een kind
is immers niet meer dan een Aprildag met regen zoowel als zon voor de
narcis.

Het is de hooge verbeeldingskracht in Christus' eigen aanleg, die hem
tot dit bloedlevende centrum der romantiek maakt. De wondere figuren
van het poëtische drama en de ballade zijn gemaakt door de verbeelding
van anderen, maar geheel uit zijn eigen verbeelding heeft Jezus van
Nazareth zichzelf geschapen. De roep van Jesajas had in werkelijkheid
niet meer met zijn komst te maken dan de zang van den nachtegaal met
het rijzen der maan--niets meer, maar wellicht ook niets minder. Hij
was de ontkenning zoowel als de bevestiging der prophetie. Tegenover
iedere verwachting die hij vervulde, was er een andere die hij
vernietigde. "In alle schoonheid", zegt Bacon, "is een zekere
vreemdheid van verhouding", en van hen die uit den geest geboren
zijn--dat is, van hen die evenals hij dynamische krachten zijn--, zegt
Christus dat zij zijn als de wind die "waait waarheen hij wil en
niemand weet vanwaar hij komt en waar hij henen gaat". Daarom oefent
hij zoo sterke bekoring op den kunstenaar. Hij heeft in zich al de
kleurelementen des levens: de geheimenis, de wonderlijkheid, het
suggestieve, de ekstase, de liefde. Hij beroept zich op den zin voor
het wonder en hij schept die zielsgesteldheid waarin alleen hij kan
begrepen worden.

En voor mij is het een vreugde te bedenken dat als hij "gedegen
verbeelding" is, de wereld uit dezelfde stof bestaat. Ik heb ergens in
_Dorian Gray_ gezegd dat de groote zonden der wereld plaats
hebben in de hersenen. Maar in de hersenen heeft alles plaats. Wij
weten nu dat wij niet zien met onze oogen en niet hooren met onze
ooren. Zij zijn in werkelijkheid kanalen voor het min of meer
nauwkeurig overbrengen der zinsindrukken. In de hersenen is de papaver
rood, is de appel geurig, zingt de leeuwerik.

In den laatsten tijd ben ik ijverig bezig geweest de vier
prozagedichten over Christus te bestudeeren. Met Kerstmis gelukte het
mij een Grieksch Testament machtig te worden, en elken morgen als ik
eerst mijn cel had schoongemaakt en mijn tingerei gepoetst, las ik een
stuk uit de Evangeliën, een twaalftal verzen op goed geluk opgeslagen.
Het is een verrukkelijke wijze van den dag aan te vangen. Iedereen,
zelfs in een verontrust slechtgeordend leven, moest evenzoo doen.
Eindelooze herhaling, te pas en ten ontijde, heeft voor ons de
frischheid, de naïeveteit, de eenvoudige romantieke bekoring der
Evangeliën bedorven. Wij hooren hen veel te vaak en veel te slecht
lezen, en alle herhaling is geestdoodend. Wanneer men tot den
Griekschen tekst terugkomt, is het alsof men uit een nauw en donker
huis treedt in een hof van leliën.

En voor mij wordt dat genot verdubbeld door de overweging dat wij naar
alle waarschijnlijkheid de levende woorden zelve, _ipsissima
verba_, zooals Christus hen uitte, bezitten. Er werd steeds
verondersteld dat Christus sprak in het Aramaiïsch. Zelfs Renan dacht
dat. Maar nu weten wij dat de Galilaische boeren, evenals de Iersche
boeren in onzen tijd, twee talen spraken, en dat Grieksch de
dagelijksche omgangstaal was over geheel Palaistina, of eigenlijk over
de geheele Oostersche wereld. Mij was altijd de gedachte onaangenaam,
dat wij Christus' eigen woorden slechts door een vertaling van een
vertaling kenden. Het is mij een genot te bedenken dat, tenminste wat
zijn uiterlijk gesprek aangaat, Charmides naar hem had kunnen
luisteren, en Sokrates met hem kunnen redeneeren, en Platoon hem zoû
hebben begrepen; dat hij in werkelijkheid zeide: [Greek: egô eimi ho
poimên ho kalos]; dat toen hij dacht aan de leliën des velds en hoe
zij niet arbeiden en niet spinnen, zijn woorden volmaakt kudden:
[Greek: katamathete ta krina tou agrou pôs auxanei ou kopia oude
nethei]; en dat zijn laatste woord, toen hij uitriep: "mijn leven is
volbracht, heeft zijn vervulling bereikt, is voleindigd", nauwkeurig
was wat Johannes ons mededeelt en niet meer: [Greek: tetelestai].

Bij het lezen der Evangeliën--in 't bijzonder dat van Johannes zelf,
of wat vroege Gnosticus zijn naam en mantel aannam--zie ik
onafgebroken van de verbeelding getuigd als van den grondslag van alle
geestelijk en materieel leven, maar daarnaast zie ik ook dat voor
Christus de verbeelding eenvoudig een vorm der liefde was, en dat voor
hem liefde soeverein was in de volste beteekenis van het woord. Een
week of zes geleden stond de dokter mij toe wittebrood te eten in
plaats van het grove zwart- of bruinbrood van den gewonen
gevangeniskost. Het is een groote lekkernij. Het klinkt misschien
vreemd dat droog brood bij mogelijkheid voor iemand ter wereld een
lekkernij kan zijn. Voor mij is het dat zoozeer, dat ik bij het einde
van ieder maal zorgvuldig al de kruimels opeet, die op mijn tinnen
bord zijn gebleven, of gevallen zijn op den handdoek dien wij als
laken gebruiken om onze tafel niet te bemorsen. En ik doe dit niet uit
honger--ik krijg nu geheel voldoende te eten--maar eenvoudig opdat
niets verloren ga van wat men mij geeft. Zoo behoort men liefde te
beschouwen.

Christus, evenals alle boeiende persoonlijkheden, had de macht om niet
alleen zelf schoone dingen te zeggen, maar ook om anderen schoone
dingen tot hem te doen zeggen. En ik bemin het verhaal dat Markus ons
doet van de Grieksche vrouw die, toen hij om haar geloof te beproeven
tot haar zeide, dat hij haar het brood van de kinderen Israël niet kon
geven, hem antwoordde dat de hondekens--er staat [Greek:
kunaria]--onder de tafel van de kruimkens eten, die de kinderen laten
valten. De meeste menschen leven voor liefde en bewondering. Maar van
liefde en bewondering behooren wij te leven. Indien ons eenige liefde
bewezen wordt, behooren wij te erkennen dat wij haar geheel onwaardig
zijn. Niemand is waardig bemind te worden. Het feit dat God de
menschen bemint, bewijst ons dat het in de goddelijke orde der ideëele
dingen geschreven staat dat eeuwige liefde zal gegeven worden aan wat
eeuwiglijk onwaardig is. Liefde is een sacrament waaraan men knielend
behoort deel te nemen, en "_Domine, non sumdignus_" behoort op de
lippen en in de harten te zijn van hen die het ontvangen.

Als ik nog ooit schrijf, ik meen als ik nog ooit kunstwerk voortbreng,
zijn er bij uitstek twee onderwerpen waarover en waardoor ik verlang
mij te uiten. Het éene is: "Christus als voorlooper der romantieke
beweging in het leven"; het andere is: "Het kunstenaarsleven beschouwd
in zijn betrekking tot het levensgedrag". Het eerste is zeker van een
felle bekoring; want ik zie in Christus niet enkel de wezenlijke
eigenschappen van den oppersten romantieken typos, maar evenzeer al de
toevalligheden, tot de grilligheden toe, van den romantieken
gemoedsaard. Niemand vóor hem had ooit tot de menschen gezegd dat zij
"bloemgelijke levens" behoorden te leiden. Hij drukte het uit eens en
voorgoed. Hij nam de kinderen aan als den typos van wat de volwassenen
moeten trachten te worden. Hij hield hen als voorbeeld voor aan hun
ouderen, wat ik mij altijd heb voorgesteld als het voornaamste nut
van kinderen, indien wat volmaakt is, nut moet hebben. Dante
beschrijft eens menschen ziel als komende uit de hand van God "lachend
en weenend als een klein kind", en Christus zag eveneens dat de ziel
van een elk behoort te zijn a _guisa di fanciulla che piangendo e
ridendo paroleggia_. Hij gevoelde dat het leven verandering,
strooming, werking is, en dat om het zich in eenigen vorm te laten
vastzetten de dood is. Hij zag dat de menschen niet te veel ernst
moeten maken met materiëele, dagelijksche belangen; dat onpraktisch
zijn een groot ding is; dat men zich niet te veel moet bekommeren om
wereldsche aangelegenheden. De vogels deden het ook niet, waarom zoû
de mensch het doen? Verrukkelijk zijn zijn woorden: "Wees niet bezorgd
voor den dag van morgen. Is niet de ziel meer dan het voedsel? Is niet
het lichaam meer dan de kleeding?" Een Griek zoû het laatste kunnen
gezegd hebben. Het is vol Grieksch gevoel. Maar Christus alleen kon
beide zeggen en zoo het leven volmaakt voor ons samenvatten.

Zijn moraal is geheel medegevoel, volkomen wat moraal behoort te zijn.
Indien hij nooit iets anders gezegd had dan: "Hare zonden zijn haar
vergeven, die vele waren; want zij heeft veel liefgehad", zoû het der
moeite waard geweest zijn te sterven om dat gezegd te hebben. Zijn
rechtvaardigheid is geheel en al dichterlijke rechtvaardigheid, juist
wat rechtvaardigheid behoort te zijn. De bedelaar gaat naar den hemel,
omdat hij ongelukkig geweest is. Ik kan geen betere reden bedenken om
hem daarheen te zenden. De arbeiders die een enkel uur werken in den
wijngaard in de koelte van den avond, krijgen volmaakt hetzelfde loon
als zij die den geheelen langen dag onder de heete zon hebben
gezwoegd. Waarom niet? Waarschijnlijk verdiende geen van hen iets. Of
misschien waren zij een verschillend soort menschen. Christus kon niet
lijden de bekrompen levenlooze werktuigelijke systemen die menschen
als dingen, en dus ieder gelijk, behandelen. Voor hem bestonden er
geen wetten: hij kende enkel uitzonderingen. Alsof ook iemand of eenig
ding, als het er op aan komt, aan een tweede ter wereld gelijk was!

Dat wat juist de grondtoon is der romantieke kunst, was voor hem de
eigenlijke grondslag van het natuurlijke leven. Hij zag geen anderen.
En toen zij tot hem een vrouw brachten, die op heeter daad van
overspel was betrapt, en hem haar oordeel toonden als het in de wet
geschreven stond, en hem vraagden wat men moest doen, schreef hij met
zijn vinger in de aarde, en toen zij bij hem aanhielden, zag hij op en
zeide: "Die van u zonder zonden is, werpe het eerst den steen op
haar." Het was de moeite waard te leven om dat gezegd te hebben.

Als alle dichterlijke naturen beminde hij onwetende menschen. Hij wist
dat er in de ziel van een die onwetend is, altijd plaats is voor een
groot denkbeeld. Maar stompzinnig volk kon hij niet uitstaan, in 't
bijzonder hen die stompzinnig gemaakt zijn door hun opvoeding:
menschen die vol meeningen zijn, waarvan zij geen enkele ook maar
verstaan, een bij uitstek modern type, door Christus samengevat in
zijn beschrijving van den man die den sleutel der kennis heeft, hem
zelf niet gebruiken kan en niet toestaat dat anderen hem gebruiken
zelfs al zou hij de poort van Gods Koninkrijk kunnen openen. Zijn
voornaamsten krijg voerde hij tegen de Philistijnen. Dat is de krijg
dien elk kind van het licht heeft aan te gaan. Het Philistijnendom had
het hoogste woord in den tijd en de gemeenschap waarin hij leefde. Met
hun trage onvatbaarheid voor denkbeelden, hun bekrompen
rechtschapenheid, hun vervelende rechtgeloovigheid, hun aanbidding van
het gemeene welslagen, hun algeheele vooringenomenheid met den groven
materialistischen kant van het leven, hun belachelijke hoogschatting
van zichzelf en hun belangrijkheid, waren de Joden van Jerusalem in
Christus' dagen het volmaakte evenbeeld van den Engelschen Philistijn
in onzen eigen tijd. Christus bespotte het "gepleisterde graf" der
rechtschapenheid, en stelde dat woord vast voor altijd. Hij behandelde
wereldsch welslagen als een ding om volstrekt te verachten. Hij zag er
geen belang in. Hij beschouwde rijkdom als een hindernis voor den
mensch. Hij wilde er niet van hooren dat men het leven zoû opofferen
aan eenig systeem van gedachte of moraal. Hij wees er op dat vormen en
ceremoniën gemaakt waren voor den mensch, en niet de mensch voor
vormen en ceremoniën. Hij nam het Sabbatarianisme als voorbeeld van de
dingen die men niet behoorde te tellen. De daden van de koude
menschenliefde, de vertoonmakende openbare liefdadigheden, de
vervelende formaliteiten die zoo dierbaar zijn aan den middelmatigen
geest, stelde hij met een uiterste en onverzoenlijke verachting aan de
kaak. Voor ons is wat men den naam rechtgeloovigheid geeft, niet meer
dan een gemakzuchtige domme geloofsbeaming; maar voor hen en in hunne
handen was het een vreeselijke en verlammende tyrannie. Christus
vaagde haar uit den weg. Hij toonde aan dat de geest alleen waarde
had. Hij liet geen gelegenheid voorbijgaan om hun te bewijzen dat,
hoewel zij altijd bezig waren de wet en de profeten te lezen, zij
inderdaad niet het geringste denkbeeld hadden van de beteekenis van
een van beide. Tegenover hun vertienen van iederen afzonderlijken dag
in de vastgestelde sleur van voorgeschreven plichten, zoo goed als zij
de dille en de komijn vertienden, predikte hij het ontzaglijke belang
van volledig voor het oogenblik te leven.

Wie hij redde van hunne zonden, worden gered enkel om schoone
oogenblikken in hun leven. Als Maria Magdalena Christus ziet, breekt
zij de kostbare albasten flesch die een van haar zeven minnaars haar
gegeven had, en stort de welriekende zalf over zijn moede stoffige
voeten, en ter wille van dat éene oogenblik zit zij voor eeuwig, samen
met Ruth en Beatrice, omrankt van de sneeuwwitte rozen van het
Paradijs. Het eenige dat Christus ons in zijn korte vermaningen zegt,
is dat ieder levensoogenblik schoon behoort te zijn, dat de ziel
altijd bereid behoort te zijn voor de komst van den bruidegom, altijd
op wacht naar de stem van den minnaar. De Philistijnschheid is
eenvoudig die kant der menschelijke natuur, die niet verlicht wordt
door de verbeelding. Al wat liefelijken invloed op het leven heeft,
ziet hij als schakeeringen van licht: de verbeelding zelf is de wereld
des lichts. Onze wereld is haar maaksel, en toch kan de wereld haar
niet verstaan. Dat komt omdat de verbeelding eenvoudig een
openbaringsvorm der liefde is, en de mate van liefde en de vatbaarheid
voor liefde onderscheidt het éene menschelijke wezen van het andere.

Maar vooral wanneer Christus met een zondaar vandoen heeft, is hij
meest romantiek, in den zin van meest zichzelf. De wereld had altijd
den heilige bemind als de dichtst mogelijke benadering van Gods
volmaaktheid. Christus schijnt, door zeker goddelijk instinkt, altijd
den zondaar bemind te hebben als de dichtst mogelijke benadering van
des menschen volmaaktheid. Zijn oorspronkelijk streven was niet om de
menschen te verbeteren evenmin als zijn oorspronkelijk streven was om
het lijden te verlichten. Een belangwekkenden dief in een vervelend
fatsoenlijkman te veranderen was zijn doel niet. Hij zoû weinig hebben
opgehad met de Vereeniging om ontslagen gevangenen voort te helpen, en
andere soortgelijke moderne bewegingen. De bekeering van een tollenaar
tot een Pharizeër zoû hem geen sterk stuk geleken hebben. Maar op een
wijze als de wereld nog altijd niet heeft begrepen, beschouwde hij
zonde en lijden als dingen schoon en heilig in zichzelf en als graden
van volkomenheid.

Het lijkt een zeer gevaarlijk denkbeeld. Het is het inderdaad--alle
groote denkbeelden zijn gevaarlijk. Dat het Christus' geloof was,
daaromtrent is geen twijfel mogelijk. Dat het het ware geloof is, daar
twijfel ik zelf niet aan.

Natuurlijk moet de zondaar tot inkeer komen. Maar waarom? Eenvoudig
omdat hij anders niet instaat zoû zijn te beseffen wat hij gedaan
heeft. Het oogenblik van het berouw is het oogenblik der inwijding.
Meer dan dat: het is het middel waardoor men zijn verleden verandert.
De Grieken achtten dat onmogelijk. Zij zeggen vaak in hun gnomische
aphorismen: "Zelfs de Goden kunnen het verleden niet veranderen."
Christus toonde aan dat de gemeenste zondaar het kon, dat het het
eenige was, dat hij kon doen. Als men er hem naar gevraagd had, zoû
Christus--ik ben er volkomen zeker van--gezegd hebben dat de verloren
zoon in het oogenblik dat hij op zijn knieën viel en weende, de
verkwisting van zijn vermogen met lichtekooien, zijn zwijnenhoeden en
zijn hongeren naar den draf dien zij aten, tot schoone en heilige
oogenblikken in zijn leven maakte. Het is voor de meeste menschen
moeilijk het denkbeeld te vatten. Ik denk dat men gevangen moet zitten
om het te begrijpen. Als dat zoo is, is het der moeite waard gevangen
te zitten.

De figuur van Christus heeft iets zoo zeer eenigs. Zeker, evenals er
schijnbare dageraden aan den dageraad zelf voorafgaan, en winterdagen
zoo vol plotselingen zonneschijn kunnen zijn, dat zij de wijze crocus
misleiden om haar goud te verkwisten vóor den tijd en een of ander
onnoozel vogeltje er toe brengen zijn gaaike te roepen om op naakte
takken een nest te bouwen, waren er Christenen vóor Christus. Daarvoor
kunnen wij slechts dankbaar zijn. Het ongeluk is dat er sindsdien geen
geweest zijn. Ik maak éen uitzondering, den heiligen Franciscus van
Assisi. Maar God had hem bij zijn geboorte de ziel van een dichter
gegeven, en hij zelf had in prille jeugd in een mystiek huwelijk
armoede als bruid genomen: met de ziel van een dichter en het lichaam
van een bedelaar vond hij den weg ter volkomenheid niet moeilijk. Hij
begreep Christus, en werd zoo aan hem gelijk. Wij hebben het _Liber
Conformitatum_ niet noodig om te leeren dat het leven van den
heiligen Franciscus de ware _Imitatio Christi_ was, een gedicht
in vergelijking waarmede het boek van dien naam slechts proza is.

Inderdaad, dat is, alles te zamen genomen, de bekoring die van
Christus uitgaat: hij is volkomen als een kunstwerk. Onderwijzen doet
hij ons in werkelijkheid niets, maar door het feit dat men in zijn
tegenwoordigheid gebracht wordt, wordt men iets. En ieder is bestemd
voor zijn tegenwoordigheid. Eenmaal tenminste in zijn leven wandelt
ieder mensch met Christus naar Emmaüs.

Wat aangaat het andere onderwerp, "de Verhouding van het
kunstenaarsleven tot het levensgedrag", zal mijn voorkeur u
ongetwijfeld vreemd lijken. De menschen wijzen naar de gevangenis te
Reading en zeggen: "Daarheen leidt het kunstenaarsleven". Ik zeg u,
het zoû iemand naar erger plaatsen kunnen voeren. Meer werktuigelijke
menschen voor wie het leven een listige speculatie is, die afhangt van
een zorgvuldige berekening van wegen en middelen, weten altijd
waarheen zij op weg zijn en geraken daar. Zij zetten af met als ideaal
voor oogen de gegalonneerde jas van gemeentebode, en in welke sfeer
zij ook geplaatst worden, slagen zij er in gemeentebode te worden en
niet meer. Een man wiens streven is iets te worden buiten zichzelf,
lid van het Parlement, een voorspoedig kruidenier, een uitstekend
advocaat, rechter of iets even vervelends, slaagt onverbiddelijk en
wordt wat hij wenscht te zijn. Dat is zijn straf. Zij die een masker
begeeren, hebben het te dragen.

Maar met de dynamische krachten des levens en hen in wie die
dynamische krachten belichaamd zijn, is het anders gesteld. Menschen
wier enkel streven gaat naar zelfverwezenlijking, weten nooit waarheen
zij op weg zijn. Zij kunnen het niet weten. Naar de éene beteekenis
des woords is het natuurlijk noodzakelijk om, zooals het Grieksche
orakel zeide, zichzelf te kennen: dat is de eerste vrucht der kennis.
Maar in te zien dat de ziel eens mensehen onkenbaar is, is de opperste
vrucht der wijsheid. Het eindmysterie blijven wijzelf. Als de mensch
de zon gewogen heeft in de weegschaal en de schreden der maan gemeten
en de zeven hemelen ster voor ster in kaart gebracht, blijft hij zelf
nog over. Wie kan de baan van zijn eigen ziel berekenen? Toen de jonge
Saul uitging om zijn vaders ezelinnen te zoeken, wist hij niet dat een
man Gods hem wachtte om hem tot koning te zalven, en dat zijn ziel
reeds de ziel eens konings was.

Ik hoop lang genoeg te leven en werk van zulk een hoedanigheid voort
te brengen, dat ik aan het eind mijner dagen instaat zal zijn te
zeggen: "Zie, hierheen leidt het kunstenaarsleven!" Twee van de meest
volmaakte levens waarmede ik bij eigen ervaring kennis heb gemaakt,
zijn die van Verlaine en van prins Kropotkin, twee mannen die beiden
jaren gevangen zaten. De eerste is de eenige Christelijke dichter
sinds Dante, de ander een man met de ziel van dien schoonen witten
Christus dien Rusland ons schijnt te beloven.

In de laatste zeven of acht maanden ben ik, ondanks een bijna
onafgebroken reeks kwellingen die uit de buitenwereld tot mij
doordrongen, in onmiddellijke aanraking geweest met een nieuwen geest
die in deze gevangenis door menschen en dingen werkzaam is, en die mij
geholpen heeft meer dan ik bij mogelijkheid met woorden kan
uitdrukken. In het eerste jaar van mijn gevangenschap deed ik niet
anders--ik kan mij niet herinneren iets anders gedaan te hebben--dan
mijn handen wringen in machtelooze wanhoop en zeggen: "Welk een einde!
Welk een ontzettend einde!" Nu tracht ik tot mijzelf te zeggen,--en
somtijds als ik niet bezig ben mijzelf te martelen, zeg ik het
werkelijk en eerlijk--: "Welk een begin, welk een wonderbaarlijk
begin!" Daar is kans dat het werkelijk zoo is. Daar is kans dat het
zoo wordt. Zoo ja, dan zal ik veel verplicht zijn aan deze nieuwe
persoonlijkheid die het leven van ieder mensch in deze plaats heeft
gewijzigd. Gij zult dit kunnen beseffen als ik u zeg dat ik, verleden
Mei ontslagen zooals ik trachtte gedaan te krijgen, van hier zoû zijn
gegaan met afschuw voor deze plaats en voor iederen beambte erin, met
een bitterheid van haat die mijn leven zoû vergiftigd hebben. Ik heb
nog een jaar gevangen moeten zitten, maar samen met ons allen heeft
menschelijkheid in de gevangenis gewoond, en wanneer ik thans heenga,
zal ik mij altijd groote bewijzen van goedheid herinneren, die ik
hier van bijna iedereen ontvangen heb, en op den dag van mijn ontslag
zal ik velen menschen veelvuldigen dank kunnen betuigen en hun vragen
aan mij te blijven denken als ik aan hen.

De wijze van behandeling in de gevangenis is in allen deele volstrekt
verkeerd. Ik zoû er alles voor willen geven om, als ik vrij kom,
instaat te zijn daar verandering in te brengen. Het is mijn plan het
te beproeven. Toch is er niets in de wereld zoo verkeerd of de geest
der menschelijkheid, die de geest der liefde is, de geest van den
Christus dien men niet in de kerken vindt, kan het zoo al niet goed
maken, dan toch te dragen zonder te groote verbittering van hart.

Ik weet ook dat buiten de gevangenis mij vele heerlijke dingen
wachten, van wat de heilige Franciscus van Assisi noemt "mijn broeder
den wind en mijn zuster de regen", beide even liefelijk, tot de
uitstallingen der winkels en de zonsondergangen in de groote steden.
Als ik alles opsomde wat mij nog overblijft, weet ik niet waar ik zoû
ophouden; want God heeft immers de wereld evenzeer voor mij als voor
ieder ander gemaakt. Misschien zal ik van hier gaan rijker om iets dat
ik vroeger niet had. Ik behoef u niet te zeggen dat voor mij
hervormingen op zedelijk gebied even zinloos en oppervlakkig zijn als
hervormingen in de theologie. Maar laat het voornemen een beter mensch
te worden een stuk zijn van domme kwezelarij, een dieper mensch te
zijn geworden is het voorrecht van hen die geleden hebben. En dat meen
ik te zijn geworden.

Indien na mijn invrijheidstelling een mijner vrienden een feest gaf en
mij niet uitnoodigde, zoû mij dat geheel onverschillig zijn. Ik kan
volmaakt gelukkig zijn met mijzelf alleen. Vrijheid, bloemen, boeken
en de maan--wie zoû daarmede niet volmaakt gelukkig zijn? Bovendien
zijn feesten niet meer voor mij. Ik heb er te veel gegeven om er op
gesteld te zijn. Die kant van het leven is voor mij voorbij, tot mijn
groot geluk, geloof ik. Maar als na mijn ontslag een mijner vrienden
een verdriet had en mij niet toestond het te deelen, zoû mij dat
bitter krenken. Als hij de deuren van het huis van rouw voor mij
sloot, zoû ik telkens weêr terugkomen en om toegang verzoeken totdat
ik deel mocht nemen aan wat mijn recht is. Als hij mij onwaardig
oordeelde, ongeschikt om met hem te weenen, zoû dat voor mijn gevoel
de grievendste vernedering zijn, de verschrikkelijkste smaadheid die
men mij kon aandoen. Maar dat zoû niet mogelijk wezen. Het is mijn
recht deel te hebben aan smart, en hij die tegelijk de liefelijkheid
der wereld kan zien en deelen in haar smart, en iets van beider wonder
beseffen, is in onmiddellijke aanraking met het goddelijke, en is zoo
dicht tot Gods geheim genaderd als eenig mensch komen kan.

Mogelijk zal ook in mijn kunst, evenzeer als in mijn leven, een nog
dieper toon opkomen, een toon van meer eenheid-van-hartstocht, meer
onmiddellijkheid-van-drang. Niet veelomvattendheid, maar verdieping is
het waarachtige doel der moderne kunst. Wij houden ons in kunst niet
langer bezig met het algemeene type. Met de uitzondering hebben wij
vandoen. Nu kan ik wel geen kunst maken van mijn lijden in den vorm
dien het aannam, dat is duidelijk. Kunst begint waar navolging
ophoudt. Maar iets nieuws moet er in mijn werk komen, mogelijk een
overvloediger beschikken over woorden, een rijker klankval,
merkwaardiger werkingen, eenvoudiger orde van bouw, in elk geval iets
van een nieuwe aesthetische hoedanigheid.

Toen Marsyas werd "gescheurd uit de scheede zijner leden"--_della
vagina delle membra sue_, om een van Dantes schrikkelijkste
Taciteïsche wendingen te gebruiken--was het met zijn lied uit, zeiden
de Grieken. Apolloon was overwinnaar gebleven. De lier had de
herdersfluit tot zwijgen gebracht. Maar misschien vergisten de Grieken
zich. Ik hoor in de moderne kunst herhaaldelijk den roep van Marsyas.
Hij is bitter in Baudelaire, zoet en klagend in Lamartine, mystiek in
Verlaine. Hij keert terug in de uitgestelde oplossingen van Chopins
muziek. Hij is in de mistroostigheid die hangt over Burne-Jones'
vrouwenfiguren. Zelfs Matthew Arnold wiens zang van "Callicles" in zoo
hellen toon van lyrische schoonheid verhaalt van "den triomf der zoet
overredende lier" en van "den roem der eindelijke zege", heeft hem
meer dan eens. Tegen den onrustigen ondertoon van twijfel en ellende,
die zijn verzen niet loslaat, konden Goethe noch Wordsworth hem baten,
al volgde hij beiden beurtelings na, en als hij wil rouwen om
_Thyrsis_ of zingen van den _Scholar Gipsy_, moet hij wel de
herdersfluit ter hand nemen om de gewenschte wijs te vinden. Maar laat
de Phrygische Faun verstomd zijn of niet, mij is dat onmogelijk.
Uiting is even noodzakelijk voor mij als blad en bloemen voor de
zwarte takken der boomen die boven de muren der gevangenis uitkijken
en zoo rusteloos zijn in den wind. Tusschen mijn kunst en de wereld is
nu een wijde kloof, maar tusschen de kunst en mij is er geen. Ik hoop
tenminste dat er geen is.

Elk van ons wordt een verschillend lot toegemeten. Mijn deel is een
geweest van openbare schande, van lange gevangenschap, van ellende,
van maatschappelijken ondergang, van smaadheid, maar ik ben mijn lot
niet waardig--nog niet, tenminste. Ik herinner mij hoe ik vroeger vaak
zeide dat ik een werkelijke ramp wel zoû kunnen dragen als zij tot mij
kwam in purperen mantel en met een masker van edele smart, maar dat
het vreeselijke van onzen modernen tijd was, dat hij het treurspel
steekt in de kleedij van het blijspel, zoodat de groote rampen
alledaagsch lijken of bespottelijk of gebrekkig in stijl. Het is
volkomen waar wat betreft den modernen tijd. Het is waarschijnlijk
altijd waar geweest voor het leven van den dag. Men zegt dat alle
martelaarschap minwaardig was in de oogen van den toeschouwer. De
negentiende eeuw maakt geen uitzondering op den regel.

Alles in het treurspel van mijn ramp is afzichtelijk geweest,
minwaardig, terugstootend, gebrekkig in stijl. Onze kleedij zelf maakt
ons bespottelijk. Wij zijn de hansworsten der smart. Wij zijn clowns
met gebroken harten. Wij zijn bij uitstek aangewezen als mikpunten
voor den humor. Op den 13den November 1895 werd ik van Londen hierheen
gebracht. Van twee uur tot half drie dien dag moest ik staan wachten
op het hoofdperron van Clapham Junction in gevangeniskleêren, met de
handboeien aan, als een schouwspel voor de wereld. Ik was uit het
hospitaal weggehaald zonder ook maar even van te voren gewaarschuwd te
zijn. Ik kan mij niets bespottelijkers denken dan mijzelf op dat
oogenblik. Zoodra de menschen mij zagen, begonnen zij te lachen. Elke
trein die binnen kwam, verbreedde den kring der nieuwsgierigen. Zij
vermaakten zich bovenmate. Dat was, natuurlijk, zoolang zij niet
wisten wie ik was. Zoodra zij ingelicht waren, lachten zij meer dan
ooit. Een half uur lang stond ik daar in den grauwen Novemberregen
omringd door een schimpenden volkshoop.

Een jaar lang nadat dit mij was aangedaan, heb ik elken dag op
hetzelfde uur gedurende denzelfden tijd geweend. Dat is niet een zoo
tragisch feit als het misschien klinkt. Voor hen die in de gevangenis
zitten, maken tranen een deel der dagelijksche levenservaring uit. Een
dag in de gevangenis waarop iemand niet weent, is een dag dat zijn
hart verhard is, niet een dag dat zijn hart gelukkig is.

Welnu, ik begin thans meer beklag te gevoelen met de lachers dan met
mijzelf. Het is waar, toen zij mij zagen, stond ik niet op mijn
voetstuk, maar aan den schandpaal. Maar men moet heel arm aan
verbeelding zijn om enkel met menschen op te hebben als zij op hun
voetstuk staan. Een voetstuk kan iets zeer onwerkelijks zijn. De
schandpaal is een vreeselijke werkelijkheid. Ik heb boven gezegd dat
achter smart altijd smart schuilt. Het zoû nog wijzer zijn te zeggen
dat achter smart altijd een ziel schuilt. En den spot te drijven met
een ziel in lijden is een afgrijselijke daad. In de wonderlijk
eenvoudige huishouding dezer wereld krijgen de menschen enkel wat zij
zelf geven, en wie niet genoeg verbeelding hebben om door te dringen
achter den uitwendigen schijn en zelf medelijden te gevoelen--wat
medelijden kan hun geschonken worden dan dat der minachting?

Ik schreef dit verhaal hoe ik hierheen werd overgebracht, enkel neêr
opdat men zoû beseffen hoe zwaar het mij gevallen is om uit mijn straf
iets anders dan bitterheid en wanhoop te winnen. Toch sta ik voor deze
taak, en van tijd tot tijd bereik ik een oogenblik van onderworpenheid
en berusting. In éen enkelen knop kan een nieuwe volle lente zich
verschuilen, en het lage nest van den leeuwerik houdt de vreugde in,
die bestemd is als bode op te stijgen voor het aangezicht van menigen
rozigen dageraad. Zoo is mogelijk al de levensschoonheid die mij nog
overblijft, vervat in éen enkel oogenblik van overgave, vernedering en
deemoed. In elk geval kan ik uitsluitend voortgaan langs het spoor van
mijn eigen ontwikkeling, en berustende in alwat mij overkomen is, mij
dat waardig maken.

De menschen plachten van mij te zeggen, dat ik te individualistisch
was. Ik moet in de toekomst nog veel meer individualist zijn dan ooit
te voren. Ik moet nog veel meer uit mijzelf halen en de wereld nog
minder vragen dan ik al deed. De éene smadelijke, onvergetelijke en
voor altijd verachtelijke daad van mijn leven was dat ik er toe
overging een beroep op de maatschappij te doen om hulp en bescherming.
Alleen maar aan zulk een beroep gedacht te hebben, zoû uit het
individualistische oogpunt al erg genoeg zijn geweest, maar welke
verontschuldiging kan ooit ingebracht worden voor hem die dat beroep
deed? Toen ik eenmaal de machten der maatschappij in werking had
gezet, keerde natuurlijk de maatschappij zich tegen mij en zeide:
"Hebt gij al dezen tijd geleefd en mijne wetten getart, en doet gij nu
beroep op die wetten om bescherming? Gij zult die wetten in haar
volheid toegepast krijgen. Gij zult u moeten onderwerpen aan datgene
waarop gij u beroepen hebt." Het gevolg is dat ik hier in de
gevangenis zit. Voorzeker, geen man viel ooit op zoo onedele wijze en
door zoo onedele werktuigen. Ik zeg ergens in _Dorian Gray_: "Een
mensch kan niet te zorgvuldig zijn in de keuze zijner vijanden". Ik
kon toen niet vermoeden dat ik bestemd was door een paria zelf tot
paria te worden gemaakt.

Het Philistijnsche element in het leven bestaat niet in het onvermogen
om kunst te verstaan. Allerinnemendste menschen als visschers,
herders, veldarbeiders, boeren en dergelijken weten niets van kunst
af, en zijn juist het zout der aarde. De Philistijn is de man die
schraagt en bevordert de zware, hinderlijke, blinde, werktuigelijke
krachten der maatschappij en dynamische kracht niet als zoodanig
erkent, wanneer hij haar tegenkomt, hetzij in een mensch hetzij in een
beweging.

De menschen vonden het afgrijselijk van mij dat ik de slechte
elementen des levens ten eten vroeg en genoegen had in hun gezelschap.
Maar gezien van den kant vanwaar ik als belevend kunstenaar hen
naderde, waren zij heerlijk suggestief en opwekkend. Het was als
smullen met panters: de opwinding van het gevaar was het halve genot.
Ik had het gevoel van een slangenbezweerder die de cobra uit haar rust
lokt van den bonten lap of uit den teenen korf waarin zij ligt, tot
zij naar zijn wil haar schild ontplooit en rustig op de maat
heen-en-weêr deint in de lucht als een plant in het water. Zij waren
voor mij de glanzendste van alle vergulde slangen, en zonder hun
vergif zouden zij niet volmaakt zijn geweest. Ik wist niet dat, als
zij mij zouden bijten, zij dat zouden doen op het fluiten van een
ander en door dien ander betaald. Ik schaam mij volstrekt niet dat ik
hen gekend heb, zij waren hoogst belangwekkend. Waar ik mij wel over
schaam, is de atmosfeer van gruwelijke Philistijnschheid, waarin ik
door hen geraakte. Mijn werk als kunstenaar was aan de zijde van
Ariël, ik gaf er de voorkeur aan te worstelen met Caliban. In plaats
van kostelijk kleurige, muzikale dingen te schrijven als _Salomé_
en _A Florentine Tragedy_ en _La Sainte Courtisane_, dwong
ik mijzelf lange juridische brieven op te stellen en zag mij aan het
eind genoodzaakt mij juist op die dingen te beroepen, waartegen ik
altijd verzet had gepredikt. Jan Rap en Jan Tuig waren
bewonderenswaardig in hun gewetenloozen oorlog tegen het leven. Hen
ten eten te hebben was een geweldig avontuur: Dumas père, Cellini,
Goya, Edgar Allan Poe of Baudelaire zouden volkomen gedaan hebben als
ik. Maar walgelijk voor mij is de herinnering aan mijn eindelooze
bezoeken aan den advokaat H-----, hoe ik keer op keer in het
spokigwitte licht van een kille kamer met een ernstig gezicht ernstige
leugens zat te vertellen aan een man met een kaal hoofd, tot ik
letterlijk steende en gaapte van verveling. Daar, midden in het hart
van Philistia, bevond ik mij eerst ver van al wat schoon was en
schitterend en bewonderenswaardig en stoutmoedig. Ik had mijzelf
gedoodverfd als de kampvechter van rechtschapenheid van wandel,
puriteinschheid van leven, zedelijkheid in de kunst. _Voilà oùmènent
les mauvais chemins_.... Maar aan den anderen kant, met hoe groote
dankbaarheid kan ik denken aan hen die met onbeperkte hartelijkheid,
onbegrensde toewijding, blijmoedigheid en vreugde in geven, mijn
donkeren last voor mij verlicht, mij telkens weêr bezocht, mij schoone
brieven vol medegevoel geschreven, mijn zaken voor mij bestuurd, mijn
toekomstig leven hebben geregeld, en aan mijn zijde stonden onder den
beet van laster, smaad, openlijken schimp, tot hoon toe. Ik ben hun
alles verplicht. Tot de boeken toe in mijn cel worden betaald door
Robbie van zijn zakgeld; uit dezelfde beurs worden kleêren voor mij
bekostigd tegendat ik vrij kom. Ik schaam mij niet iets aan te nemen,
dat in liefde en genegenheid gegeven wordt. Ik ben er trotsch op. Ik
denk hierbij aan mijn vrienden als More Adey, Robbie, Robert Sherard,
Frank Harris, Arthur Clifton, en wat zij voor mij geweest zijn door
mij steun, genegenheid en sympathie te geven. Ik denk hierbij aan
ieder afzonderlijk, die vriendelijk voor mij geweest is in mijn leven
als gevangene, tot den bewaarder toe, die mij goedenmorgen en
goedenavond zegt, hoewel dat niet tot zijn voorgeschreven plichten
behoort; ik denk aan de gewone dienders die op mijn reizen
heen-en-weêr naar het Bankroetiershof mij in mijn vreeselijken
toestand van geestelijke ellende op hun gemeenzame ruwe manier
trachtten op te beuren; ik denk aan den armen dief die mij herkende,
terwijl wij in de rij liepen op de binnenplaats te Wandsworth en mij
toefluisterde met de heesche gevangenisstem die men krijgt van lang
gedwongen stilzwijgen: "Ik heb met u te doen; het is erger voor
menschen als u dan voor menschen als ons."

Een groot vriend van me--een vriend van tien jaar her--kwam mij
eenigen tijd geleden opzoeken, en zeide mij dat hij geen enkel woord
geloofde van wat tegen mij beweerd werd, en verzekerde mij
nadrukkelijk dat hij mij voor volkomen onschuldig hield en voor het
slachtoffer van een afgrijselijk complot. Zijn woorden deden mij in
tranen uitbarsten. Ik vertelde hem, dat, al mocht onder de
uitgebrachte beschuldigingen veel zijn, dat geheel onwaar was en mij
aangewreven door weêrzinwekkende boosaardigheid, mijn leven toch vol
pervers genot geweest was, en dat ik, indien hij dat niet als een feit
aannam en het zich volkomen indacht, onmogelijk langer met hem
bevriend kon zijn of nog ooit in zijn gezelschap verkeeren. Het was
een vreeselijke slag voor hem, maar nog zijn wij vrienden, en ik bezit
zijn vriendschap niet op grond van leugenachtige aanspraken. Zooals ik
al zeî, het is pijnlijk de waarheid te zeggen. Maar gedwongen liegen
is veel erger.

Toen ik bij de eindzitting van mijn proces op de zondaarsbank zat te
luisteren naar Lockwoods vernietigende aanklacht tegen mij--het klonk
als een stuk uit Tacitus of uit Dante, als een van Savonarola's
boetpredikingen tegen de Roomsche pausen--, herinner ik mij hoe,
midden in den walg van afgrijzen voor wat ik hoorde, plotseling de
gedachte bij mij opkwam, _hoe grootsch het zoû wezen, indien ik zelf
daar stond en al deze dingen tegen mij inbracht_. Ik zag toen op
eenmaal in dat het waardeloos is, wat men van iemand zegt. De vraag is
wie het zegt. Het allerhoogste levensoogenblik eens menschen, ik heb
daaromtrent geen twijfel, is wanneer hij nederknielt in het stof en
zich op de borst slaat en al de zonden van zijn leven uitspreekt.

Gevoelsaandoeningen, zooals ik ergens in _Intentions_ zeg, zijn
krachten beperkt in uitgestrektheid en in duur evenzeer als de
krachten der physische energie. De kleine wijnbeker die gemaakt is om
een zekere hoeveelheid in te houden, houdt zooveel in en niet meer, al
staan al de purperen kuipen van Bourgondië boordevol wijn en zinken de
treders tot hun knieën in de saamgelezen druiven van de steenige
wijngaarden van Spanje. Geen dwaling is meer algemeen dan dat men
denkt dat zij die de oorzaak of aanleiding xijn van des levens groote
treurspelen, de gevoelens zouden deelen, die passen bij de tragische
stemming; geen dwaling is noodlottiger dan het van hen te verwachten.
De martelaar in zijn "mantel van vlammen" moge het aangezicht van God
aanschouwen, maar voor hem die de takkebossen opstapelt of in de
vlammende houtblokken rakelt, is het geheele tooneel niet meer dan het
kelen van een os is voor den slager, of het vellen van een boom voor
den kolenbrander in het bosch of het vallen van een bloem voor den man
die het gras neêrmaait met de zeis. Groote hartstochten zijn voor de
grooten van ziel, en groote gebeurtenissen kunnen alleen gezien worden
door hen die op dezelfde hoogte staan als zij. Wij denken dat wij onze
gevoelsaandoeningen voor niets krijgen. Dat is niet zoo. Zelfs de
uitgelezenste en meest zelfopofferende aandoeningen moeten betaald
worden. Vreemd genoeg, dit juist maakt haar uitgelezen. Het
verstands-en gevoelsleven van de doorsneê-menschen is een zeer
verachtelijk gedoe. Volmaakt als zij hun denkbeelden borgen uit een
soort gedachten-leesgezelschap--den _Zeitgeist_ van een eeuw
zonder ziel--en hen aan het eind van iedere week beduimeld
terugzenden, zoo beproeven zij altijd hun aandoeningen op crediet te
krijgen of weigeren de rekening te betalen als die aangeboden wordt.
Wij moeten die levensopvatting te boven komen; zoodra wij te betalen
hebben voor een aandoening, leeren wij haar soortelijke waarde kennen
en behalen winst met die kennis. Bedenk dat de sentimenteele altijd
een cynicus is in zijn hart. In werkelijkheid is sentimentaliteit
enkel cynisme op zijn uitgaansdag. En al is cynisme vermakelijk om
zijn intellectueelen kant, nu het heerenmanieren heeft aangeleerd en
in fatsoenlijk gezelschap komt, kan het toch nooit meer zijn dan de
volmaakte philosophie voor een man zonder ziel. Het heeft zijn
maatschappelijke waarde, en voor een kunstenaar zijn alle wijzen van
uitdrukking belangwekkend. Maar op zichzelf is het een poovere zaak,
want daar is niets wat zich ooit aan den waarachtigen cynicus
openbaart.

       *       *       *       *       *

Ik ken in de geheele dramatiek niets onvergelijkelijkers uit het
oogpunt van kunst, niets suggestievers in zijn verfijndheid van
waarneming, dan Shakespeare's karakter-teekening van Rosencrantz en
Guildenstern. Zij zijn akademie-vrienden van Hamlet. Zij zijn zijne
kameraden geweest. Zij brengen met zich herinneringen aan aangename
dagen samen doorgebracht. Op het oogenblik dat zij hem ontmoeten in
het spel, wankelt hij onder het gewicht van een last ondragelijk voor
iemand van zijn gemoedsaard. De dooden zijn gewapend en wel uit het
graf gekomen om hem een zending op te leggen, die tegelijk te groot en
te min voor hem is. Hij is een droomer en hij wordt opgeroepen om te
handelen. Hij heeft den aanleg van den dichter, en men vraagt hem het
op te nemen met de alledaagsche verwikkeldheid van oorzaak en gevolg,
met het leven in zijn praktische toepassing, waarvan hij niets
afweet, en niet met het leven in zijn ideëele wezenheid, dat hem zoo
welbekend is. Hij heeft geen flauw begrip van wat hij doen moet, en
zijn krankzinnigheid is het veinzen van krankzinnigheid. Brutus
gebruikte den waanzin als een mantel om het zwaard van zijn
bedoelingen, den dolk van zijn streven te verbergen, maar bij Hamlet
is de waanzin slechts een masker waarachter zich zwakheid verschuilt.
In gril en kortswijl ziet hij een kans tot uitstel. Aldoor speelt hij
met de daad zooals een kunstenaar zijn spel drijft met een
levensbeschouwing. Hij wordt de bespieder zijner eigen handelingen, en
terwijl hij luistert naar zijn eigen woorden, weet hij dat het slechts
"woorden, woorden, en nog eens woorden" zijn. In steê te beproeven de
held van zijn eigen geschiedenis te zijn, tracht hij de toeschouwer
van zijn ondergang te wezen. Hij gelooft in niets, zichzelf
meêgerekend, en toch baat zijn twijfel hem niet, daar deze niet
voortkomt uit bewuste twijfelzucht, maar uit een verdeelden wil.

Van dit alles worden Guildenstern en Rosencrantz niets gewaar. Zij
buigen en meesmuilen en glimlachen, en wat de een zegt, herhaalt de
ander als een ziekelijke echo. Wanneer ten slotte, door middel van de
marionettenvertooning van het tooneelspel in het tooneelspel, Hamlet
's konings "geweten betrapt", en den rampzaligen schelm in angst en
beven van zijn troon jaagt, zien Guildenstern en Rosencrantz in zijn
gedraging niet meer dan een vrij pijnlijke inbreuk op de hofetikette.
Zoo ver kunnen zij het brengen in "het gadeslaan van des levens
schouwspel met geëigende ontroeringen". Zij branden zich aan Hamlets
geheim en weten er niets van. Ook zoû het niet baten hen in te
lichten. Zij zijn de kleine bekers die een zekere hoeveelheid kunnen
inhouden en niet meer. Tegen het eind van het stuk wordt er op
gezinspeeld dat zij, gevangen in een listigen val die voor een ander
gezet was, een gewelddadigen en plotselingen dood hebben gevonden of
mogelijk zullen vinden. Maar zulk een tragisch uiteind, al kleurt
Hamlets humor het eenigszins met de verrassende vergelding die op het
tooneel mogelijk is, bestaat in de werkelijkheid niet voor
persoonlijkheden als zij. Zij sterven nooit. Horatio, die, "om Hamlet
en zijn zaak naar waarheid voor te dragen aan de onbevredigden",

  "De zaligheid een wijl den rug toekeert
   En moeizaam ademt in dees wrange weerld,"

een als Horatio sterft, al is het niet voor de oogen der toeschouwers,
en laat geen broeder na. Maar Guildenstern en Rosencrantz zijn even
onsterfelijk als Angelo en Tartuffe, en behooren met hen op hetzelfde
plan gesteld te worden. Zij zijn de bijdrage van het moderne leven tot
het antieke ideaal der vriendschap. Wie een nieuw "De Amicitia"
schrijft, moet daarin een nis voor hen uitvinden en hen prijzen in
Tusculaansch proza. Zij zijn typen voor altijd vastgesteld. Hun de les
te willen lezen zoû "gebrek aan waardeeringsvermogen" bewijzen. Zij
zijn enkel buiten hun sfeer, anders niet. Verhevenheid van ziel is
niet aanstekelijk. Hooge gedachten en hooge aandoeningen zijn, door
het feit zelf van haar bestaan, vereenzaamd.

Als alles goed gaat, reken ik vrij te komen tegen het eind van Mei en
hoop dan dadelijk met Robbie en More naar een of ander buitenlandsch
dorpje aan zee te gaan. De zee, zooals Euripides zegt in een van zijn
Iphigeneia-drama's, wascht der wereld smetten en wonden weg.

Ik hoop minstens een maand met mijn vrienden samen te zijn om vrede en
evenwicht, een minder bedrukt hart en een zachtere gestemdheid te
winnen; en dan als ik mij sterk genoeg voel, zal ik door tusschenkomst
van Robbie schikkingen nemen om te gaan wonen in een of andere rustige
buitenlandsche stad, bijvoorbeeld Brugge, waarvan jaren geleden de
grauwe huizen en groene grachten en koele stille wandelwegen mij
bekoorden. Ik voel een ongewoon verlangen naar de groote eenvoudige
dingen van den oertijd, zooals naar de zee die niet minder dan de
aarde aandoet als een moeder. Het komt mij voor dat wij allen te veel
naar de natuur kijken en te weinig met haar leven. In de houding der
Grieken tot haar onderscheid ik iets zeer gezonds. Zij hadden nooit
den mond vol van zonsondergangen, zij kenden geen lange besprekingen
over de vraag of de schaduwen op het gras werkelijk paars zien of
niet. Maar zij zagen dat de zee voor den zwemmer was, en het zand
voor de voeten van den hardlooper. Zij hielden van de boomen om de
schaduw die zij werpen, en van het woud om zijn stilte op den middag.
De wijngaardenier omwond zijn haren met klimop om de stralen van de
zon te weren als hij bukte over de jonge scheuten, en voor den
kunstenaar en den athleet, de beide typen die Griekenland ons
geschonken heeft, vlochten zij in kransen de bladeren van den bitteren
laurier en van de wilde eppe, die anders den menschen tot geen dienst
zouden geweest zijn.

Wij noemen onzen tijd den tijd der nuttigheid, en daar is niet éen
enkel ding waarvan wij het nut kennen. Wij zijn vergeten dat het water
kan reinigen, en het vuur zuiveren, en dat de aarde ons aller moeder
is. Het gevolg is dat onze kunst, een kunst van maneschijn, speelt met
schimmen, terwijl de Grieksche, de kunst van zonneschijn, de dingen
rechtstreeks hanteert. Ik ben overtuigd dat in de krachten der
elementen loutering te vinden is, en ik wil tot hen wederkeeren en
leven in hun tegenwoordigheid.

       *       *       *       *       *

Niet zonder reden of doel heb ik mij in mijn levenslangen dienst der
letteren gemaakt

  "Niet minder vrek om klank en lettergreep
  Dan Midas om zijn goud."

Ik mag niet bang zijn voor mijn verleden; als de menschen mij
vertellen dat het onherroepelijk is, zal ik hen niet gelooven;
verleden, heden, toekomst zijn éen oogenblik in de oogen van God,
onder wiens oogen het ons trachten moet zijn te leven. Tijd en ruimte,
opvolging en uitgestrektheid, zijn enkel toevallige staten der
gedachte; de verbeelding laat hen achter zich en beweegt zich in een
vrije sfeer van ideëele bestaanswijzen. De dingen zijn in hun
wezenheid wat wij hen believen te maken; een ding bestaat naar de
wijze waarop wij het bezien. "Waar anderen", zegt Blake, "enkel den
dageraad zien komen van over den heuvel, zie ik de zonen Gods jubelen
van vreugde." Wat der wereld en mijzelf mijn toekomst leek, verbruide
ik toen ik mij door smading liet verlokken tot een proces tegen
Queensberry; eigenlijk verbruide ik haar lang vóordien. Wat voor mij
ligt, is mijn verleden. Ik moet dat leeren aanzien met andere oogen om
te maken dat God het met andere oogen aanziet. Dit kan ik niet door
het te negeeren of gering te schatten of te prijzen of te loochenen;
het is enkel mogelijk door het aan te nemen als een onvermijdelijk
deel van de ontwikkeling van mijn leven en aanleg: door mijn hoofd te
buigen onder al wat ik geleden heb. Hoe ver ik verwijderd ben van den
waarachtigen stand der ziel, komt duidelijk aan den dag uit dezen
brief met zijn veranderlijke onzekere stemmingen, zijn haat en
bitterheid, zijn bestrevingen en zijn tekortschieten in het
verwezenlijken dier bestrevingen. Maar vergeet niet in welk een
schrikkelijke school ik voor mijn taak zit, en bij mijn
onvolledigheid en onvolmaaktheid kunnen mijn vrienden nog veel winnen.
Zij kwamen tot mij om levensgenot en kunstgenot te leeren. Misschien
ben ik uitverkoren om hun iets wonderbaarlijkers te onderwijzen, de
beteekenis van smart en hare schoonheid.

Natuurlijk zal voor iemand zoo modern als ik, "enfant de mon siècle",
alleen al de aanblik der wereld steeds een verrukking zijn. Ik beef
van het blijde bedenken dat op den eigen dag waarop ik uit de
gevangenis kom, zoowel de goudenregen als de seringen zullen bloeien
in de tuinen, en dat ik zal zien hoe de wind het luchtige goud tot
rustelooze schoonheid aanzet en het bleeke purper der trossen doet
deinen, zoodat het mij wezen zal als ademde ik onder den hemel van
Arabië. Linnaeus viel op zijn knieën en weende van vreugde toen hij
voor het eerst zag de wijde heide van een of andere Engelsche
hoogvlakte geel van de taankleurige reukige bloesems der gemeene brem;
en ik weet dat mij, die geen verlangen kan denken zonder bloemen,
tranen wachten ergens in de bladen eener roos. Zoo ben ik altijd
geweest van jongen af. Daar is niet éen tint verscholen in den kelk
van een bloem of in de ronding eener schelp, of, door een ragteeder
medevoelen met de ziel zelf der dingen, doet zij mijn diepste wezen
aan. Evenals Gautier ben ik altijd een geweest van hen "pour qui le
monde visible existe".

Toch ben ik mij nu bewust dat achter al deze schoonheid, hoezeer zij
mij voldoening geeft, een geest verscholen is, waarvan de kleurige
vormen en gedaanten slechts wijzen van openbaring zijn, en met dezen
geest begeer ik in harmonisch verband te komen. De zin-tastbare
uitdrukkingen van menschen en dingen ben ik moede geworden. Het
mystieke in de kunst, het mystieke in het leven, het mystieke in de
natuur--dat is het waar ik naar speur. Het is een volstrekte behoefte
voor mij het ergens te vinden.

Wie terecht stond, staat terecht voor zijn heele leven, evenals alle
vonnissen doodvonnissen zijn. En ik heb driemaal terechtgestaan. Den
eersten keer verliet ik de getuigenbank om gevangen gezet te worden,
den tweeden keer om teruggebracht te worden naar het huis van
bewaring, den derden keer om voor twee jaar naar de gevangenis te
gaan. De maatschappij, zooals wij die eenmaal hebben ingericht, zal
mij geen plaats willen geven en heeft die ook niet beschikbaar, maar
de natuur wier zoete regen valt op onrechtvaardigen en rechtvaardigen
zonder onderscheid, heeft kloven in de rotsen waar ik mij zal kunnen
verschuilen, en heimelijke dalen waar ik ongestoord zal kunnen weenen.
Zij zal den nacht behangen met sterren dat ik dolen kan in de
duisternis zonder struikelen, en zal den wind zenden over mijn
voetsporen dat niemand mij zal kunnen achtervolgen om mij kwaad te
doen: zij zal mij reinigen in hare groote wateren en met hare bittere
kruiden mij heelen.



Bijlagen



VIER BRIEVEN UIT DE GEVANGENIS TE READING AAN ROBERT ROSS


I

10 Maart 1896.


Mijn waarde Robbie,

Ik zag gaarne dat Gij dadelijk aan den advocaat den Heer--per brief
liet weten dat, aangezien mijne vrouw beloofd heeft, bij geval van
vroeger overlijden, mij een derde deel van haar vermogen na te laten,
ik niet het minste bezwaar heb tegen haar wensch om mijn recht op het
vruchtgebruik af te koopen. Ik gevoel dat ik zulk een leed over haar
gebracht heb, en zulk een ongeluk over mijne kinderen, dat ik geen
recht heb haar wenschen in eenig ding tegen te gaan. Zij was minzaam
en goed jegens mij, toen zij mij hier bezocht. Ik vertrouw haar
tenvolle. Wilt Gij hier dadelijk voor zorgen, en ook aan mijne
vrienden mijn dank overbrengen voor hun goedheid? Voor mijn gevoel
handel ik naar plicht, wanneer ik dit aan mijn vrouw overlaat.

Schrijf ook, als Gij wilt, aan Stuart Merrill te Parijs of aan Robert
Sherard om hun te zeggen hoe gelukkig ik was met de vertooning van
mijn stuk, en breng mijn dank over aan Lugne-Poë[1]. Het is een heel
ding dat ik in een tijd van smaad en schande nog als kunstenaar
beschouwd word. Ik zoû wel willen dat het mij meer vreugde gaf, maar
ik schijn dood voor alle aandoening behalve die van hartzeer en
wanhoop. Wees toch zoo goed aan Lugne-Poë te laten weten dat ik
gevoelig ben voor de eer die hij mij heeft aangedaan. Hij is zelf
dichter. Ik vrees dat het U moeilijk zal vallen dezen te lezen, maar
daar men mij geen schrijfgereedschap veroorlooft, schijn ik het
schrijven te hebben verleerd. In elk geval neem het niet kwalijk.
Bedank More voor de moeite die hij genomen heeft met de boeken.
Ongelukkig krijg ik hoofdpijn als ik mijn Grieksche en Romeinsche
dichters lees. Ik heb er dus niet veel aan gehad. Maar het was
buitengewoon vriendelijk van hem de boeken voor mij aan te schaffen.
Vraag hem mijn dankbaarheid te uiten aan de dame die te Wimbledon
woont. Wacht niet te lang met een antwoord, en vertel mij wat van de
literatuur, van nieuwe boeken, enz.--ook van het stuk van Jones en van
Forbes-Robertson als tooneeldirecteur--en van elke nieuwe strooming in
het tooneelleven te Parijs of te Londen. Beproef ook onder oogen te
krijgen wat Lemaître, Bauer en Sarcey gezegd hebben over _Salomé_, en
geef er mij een kort overzicht van; schrijf aan Henri Bauer dat ik
getroffen ben door zijn vriendelijk opstel; Robert Sherard kent hem
persoonlijk. Het was lief van U mij op te zoeken. Gij moet den
volgenden keer weêr komen. Ik heb hier de verschrikking om mij van den
dood, waarbij de nog grooter verschrikking komt van te leven, en in
stilzwijgen en ellende....[2]

...Ik denk altijd aan U met diepe genegenheid. Ik zag graag dat Ernest
in Oakley Street mijn handkoffer haalde, mijn pels, mijn kleêren en de
exemplaren van mijn eigen werken, die ik aan mijn lieve moeder schonk.
Informeer bij Leverson, op wiens naam mijn moeders graf genomen werd.

Steeds Uw vriend,

Oscar Wilde.

Noten:

[1] In 1896 werd Salomé het eerst opgevoerd te Parijs door Lugne-Poë,
die zelf Herodes speelde.

[2] Hier werd een stuk uit den brief geknipt door den toenmaligen
directeur der gevangenis te Reading, den majoor Isacson. Hij werd nog
in Wilde's tijd opgevolgd door den majoor Nelson.



II

Zonder datum. Geschreven na September 1896.


...De laatste punten die uitsluitend zaken betreffen, zal More Adey
wel zoo vriendelijk zijn te beantwoorden. Men zal geen bezwaar maken
dat ik zijn brief ontvang, als die enkel over zaken loopt. Zijn
schrijven, bedoel ik, zal Uw letterkundigen brief niet in den weg
staan, waarvan de directeur mij zooeven Uwe vriendelijke aankondiging
heeft voorgelezen.

Over mijzelf, mijn waarde Robbie, heb ik weinig wat U aangenaam kan
zijn, mede te deelen. De weigering om mijn straftijd te verkorten was
mij als een loodzware sabelhouw. Een dof gevoel van smart versuft mij.
Ik had geteerd op hoop, en nu teert het ziele wee na zijn lang vasten
tot verzadiging toe op mij, alsof zijn eigen honger het had
uitgemergeld. Toch zijn er vriendelijker elementen werkzaam in deze
bedorven gevangenislucht dan vroeger: menigmaal is mij medegevoel
betoond, en ik gevoel mij niet langer volslagen verstoken van
menschelijke invloeden, wat voordien een bron van verschrikking en
kwelling voor mij was. En ik lees Dante, en maak uittreksels en
aanteekeningen om het loutere genot van met pen en inkt bezig te zijn.
En het lijkt mij dat het mij in vele opzichten beter gaat, en ik ben
van plan hier Duitsch te gaan studeeren. Inderdaad schijnt de
gevangenis mij de aangewezen plaats voor zulk een studie. Toch heb ik
een doorn in mijn vleesch--even pijnlijk, schoon van een andere soort,
als die waarvan Paulus spreekt--een doorn dien ik nog in dezen brief
moet uittrekken. Hij is het gevolg van een bericht dat Gij mij op een
stuk papier geschreven hebt toegezonden. Ik gevoel dat, als ik hem
verheimlijkte, hij in mijn geest groeien zoû (zoo als vergiftige
dingen groeien in het donker) en met éen vermeerderen de andere
schrikkelijke gedachten die aan mij knagen. Want voor hen die eenzaam
en zwijgend in banden zitten, is de gedachte niet, zooals Platoon het
voorstelt, een "gevleugeld levend wezen", maar een dood ding dat
afgrijzen teelt, evenals een poel die gedrochten toont aan de maan.

Ik doel natuurlijk op Uwe woorden, dat de sympathie der anderen van
mij vervreemdde of dreigde te vervreemden om de diepe verbittering
mijner gevoelens, en ik geloof dat mijn brief werd uitgeleend en
getoond aan derden.... Welnu, ik houd er niet van, dat mijn brieven te
kijk gegeven worden als curiositeiten: dat is bijzonder grievend voor
mij. Ik schrijf U open en eerlijk als aan een der bemindste vrienden
die ik heb en ooit gehad heb, en, op een enkele uitzondering na,
raakt de sympathie en vooral het verlies der sympathie van anderen mij
zeer weinig. Geen man van mijn positie kan in levens slijk vallen
zonder zich heel wat medelijden te berokkenen van zijn minderen; ook
weet ik dat, wanneer een tooneelspel te lang duurt, de toeschouwers
moede worden. Mijn tragedie heeft veel te lang geduurd, haar
hoogtepunt is voorbij, de afloop is alledaagsch; en ik ben volkomen
overtuigd dat, als het einde komt, ik wederkeeren zal als een onwelkom
bezoeker voor een wereld die mij niet gebruiken kan, _un revenant_
zooals de Franschen zeggen, een spook wiens gelaat vergrauwd is van
lange gevangenschap en verwrongen van lijden. Schrikkelijk zijn de
dooden wanneer zij rijzen uit hun graven, maar de levenden die uit hun
graven komen, zijn nog schrikkelijker. Van dit alles ben ik mij maar
al te zeer bewust. Wanneer iemand achttien vreeselijke maanden lang in
een gevangeniscel geweest is, ziet hij de dingen en de menschen zooals
zij werkelijk zijn. Dat gezicht verkeert iemand in steen.

Denk niet dat ik wien ook verwijt zoû willen maken van mijne
ondeugden. Mijn vrienden hadden daarmeê even weinig te maken als ik
met de hunne. De natuur was in dit opzicht ons aller stiefmoeder. Wat
ik hun wel verwijt, is dat zij den mensch dien zij te gronde richtten,
niet waardeerden. Wat kon het hun schelen zoolang mijn tafel rood was
van wijn en rozen? Mijn genie, mijn leven als kunstenaar, mijn werk en
de rust die ik daarvoor noodig had, golden hun niets. Ik geef toe dat
ik mijn hoofd kwijt raakte. Ik was buiten zinnen, onmachtig tot
oordeel. Ik deed den éenen noodlottigen stap. En nu zit ik hier op een
houten bank in een gevangeniscel. In alle treurspelen is een
belachelijk element. Gij kent het in het mijne. Denk niet dat ik
mijzelf geen verwijt maak. Ik vervloek mijzelf dag en nacht om de
dwaasheid dat ik iets buiten mij mijn leven liet beheerschen. Als er
een echo was in deze muren, zoû zij voor eeuwig het woord "dwaas"
herhalen. Ik schaam mij uitermate over mijn vriendschappen.... Want
naar hun vrienden kan men de menschen beoordeelen. Het is de toets
voor iedereen. En ik onderga als een grievende verlaging de schaamte
over mijne vriendschappen waarvan gij een volledig verslag kunt lezen
in mijn proces. Het is voor mij een dagelijksche bron van geestelijke
vernedering. Aan sommige van haar denk ik nooit. Zij vallen mij niet
lastig. Maar wat doet het er toe?.... Om de waarheid te zeggen, lijkt
mijn geheele tragedie mij belachelijk en niets meer. Want doordat ik
mij liet lokken in een val ... in den vuilsten modder van Malebolge,
zit ik nu tusschen Gilles de Retz en den markies de Sade. Er zijn
plaatsen waar het niemand geoorloofd is te lachen behalve werkelijk
krankzinnigen, en zelfs in hun geval is het nog een inbreuk op het
voorgeschreven gedraganders geloof ik dat ik er om zou kunnen lachen.

.... Laat overigens niemand veronderstellen, dat ik anderen onwaardige
beweegredenen toeschrijf. In waarheid waren zij in het leven
beweegredenen rijk. Beweegredenen zijn intellectueele dingen. Zij
hadden enkel hartstochten, en dergelijke hartstochten zijn valsche
goden die slachtoffers eischen tot elken prijs, en in dit geval een
slachtoffer hebben gehad, bekranst met laurier.

Nu heb ik den doorn uitgetrokken. Die weinige neêrgekrabbelde woorden
van U woekerden vreeselijk. Nu denk ik enkel aan Uw ophanden herstel
en hoe gij mij eindelijk het wonderbaarlijke verhaal van.... schrijven
zult.

Breng mijne dankbare groeten over aan Uw lieve moeder en ook aan
Aleck. De "Vergulde Sphinx"[3] is, denk ik, even bewonderenswaardig
als ooit. En zend uit mijn naam al wat er goeds is in mijn gedachten
en gevoelens en alle herdenken en vereering die zij wil aannemen, aan
de dame te Wimbledon, wier ziel een heiligdom is voor de gewonden en
een huis van toevlucht voor de lijdenden. Laat dezen brief niet zien
aan anderen, en kom in Uw antwoord niet weêr terug op wat ik
geschreven heb. Vertel mij van die wereld van schimmen, waar ik
zooveel van gehouden heb. En ook van het leven en van de ziel. Ik ben
benieuwd naar de angels die mij hebben, en in mijn smart is
medelijden.

De Uwe,

Oscar.

Noten:

[3] Bijnaam van de knappe schrijfster van "_The Twelfth Hour_."
Zij maakte kennis met Wilde naar aanleiding van haar vermakelijke
parodieën van zijn werk in _Punch_. Zij ontving hem in haar huis in
1895, toen hij in den loop van zijn proces vrijgelaten was tegen
borgtocht.



III


1 April 1897.

Mijn waarde Robbie,

Tegelijk met dezen zend ik U afzonderlijk een handschrift waarvan ik
hoop dat het U behouden zal bereiken. Ik zag graag dat Gij, zoodra Gij
het gelezen hebt, het zorgvuldig liet copiëeren. Om verschillende
redenen wensch ik dit. Het zal voldoende zijn er éene aan te geven.
Mijn verlangen is dat Gij, voor het geval dat ik kom te sterven, mijn
letterkundige boedelredder zijt en volledig toezicht uitoefent over
mijn tooneelstukken, boeken en geschriften. Zoodra ik wettelijk het
recht zal hebben een testament te maken, zal ik dat doen. Mijn vrouw
begrijpt mijn kunst niet, en men kan van haar geen belangstelling
daarvoor verwachten, en Cyril is nog een kind. Daarom wend ik mij
natuurlijk tot U, zooals ik om de waarheid te zeggen in alle dingen
doe, en ik zoû gaarne hebben dat Gij al mijn werken onder U hadt. Het
tekort dat hun verkoop oplevert, kan op rekening van Cyril en Vivian
geplaatst worden. Welnu, als Gij mijn letterkundige boedelredder zijt,
moet Gij in bezit zijn van het eenige document dat eenige verklaring
geeft van mijn buitensporig gedrag.... Wanneer Gij den brief gelezen
hebt, zult Gij de psychologische verklaring inzien van een gedragslijn
die van buiten af een verbinding van volstrekte zwakhoofdigheid en
gemeenen bluf lijkt. Eéns moet de waarheid bekend worden--niet
noodzakelijk bij mijn leven. Maar het is mijn bedoeling niet om voor
altijd aan den bespottelijken schandpaal te staan, waar men mij
stelde, om de eenvoudige reden dat ik van mijn vader en moeder een
naam van hooge onderscheiding in letterkunde en kunst geërfd heb, en
ik kan niet gedoogen dat die naam voor de eeuwigheid zoû zijn
omlaaggehaald. Ik verdedig mijn gedrag niet. Ik verklaar het. Ook zijn
er in mijn brief enkele passages die loopen over mijn geestelijke
ontwikkeling in de gevangenis en de onvermijdelijke evolutie die
plaats gehad heeft in mijn karakter en mijn intellectueele houding
tegenover het leven. Ik wensch dat Gij en anderen die mij trouw
gebleven zijt en Uw genegenheid voor mij hebt bewaard, nauwkeurig weet
in wat geest en wijze ik de wereld hoop tegemoet te treden. Van den
éenen kant gezien, weet ik natuurlijk dat ik op den dag van mijn
ontslag enkel van de éene gevangenis in de andere zal overgaan, en
daar zijn oogenblikken dat de geheele wereld mij niet ruimer voorkomt
dan mijn cel en even vol verschrikking voor mij. Toch geloof ik dat
God in den beginne een wereld schiep voor ieder afzonderlijk mensch,
en in die wereld die binnen in ons is, moeten wij trachten te leven.
In elk geval zult Gij die gedeelten van mijn brief met minder leed
lezen dan de andere. Natuurlijk behoef ik U niet te herinneren welk
een onvast ding bij mij, en bij ons allen, de gedachte is, en van welk
een vluchtige stof onze aandoeningen zijn gemaakt. Toch zie ik een
soort van mogelijk doel waarop ik langs den weg der kunst zoû kunnen
afgaan. Het is niet onwaarschijnlijk dat Gij mij daarbij zult kunnen
helpen.

Wat de wijze van copiëeren aangaat: de brief is natuurlijk te lang om
hem door een of anderen klerk te laten overschrijven, en Uw eigen
schrift, waarde Robbie, in uw laatsten brief schijnt bij voorkeur
aangewezen om mij te waarschuwen dat de taak niet aan U mag worden
opgedragen. Het eenige wat overblijft, lijkt mij, is door en door
modern te werk te gaan en de copie te laten maken op de
schrijfmachine. Natuurlijk moet het handschrift onder Uw toezicht
blijven, maar zoudt Gij Mevrouw Marshall niet kunnen bewegen een harer
meisjes-typisten--op vrouwen kan men het meest aan, daar zij geen
geheugen hebben voor wat belangrijk is--naar Hornton Street of
Phillimore Gardens te sturen om het onder Uw leiding te doen? Ik kan U
verzekeren dat de schrijfmachine wanneer zij met gevoel wordt
bespeeld, niet onaangenamer is dan het pianospel van een zuster of een
naverwante. Ja zelfs geven velen onder hen die dwepen met het
familieleven, aan haar de voorkeur. Ik zoû de copie willen hebben niet
op satijnpapier, maar op kloek papier zooals gebruikt wordt voor de
rollen van tooneelstukken, met een breeden roodafgezetten rand voor
verbeteringen.... Indien de copie in Hornton Street gemaakt wordt, zou
men de typiste eten kunnen geven door een schuif in de deur, zooals de
Cardinalen het krijgen, wanneer zij bezig zijn een Paus te kiezen, tot
zij op het balkon zoû kunnen verschijnen om de wereld te verkondigen:
"Habet Mundus Epistolam"; want de brief is inderdaad een Encycliek, en
evenals de bullen van den Heiligen Vader genoemd worden naar haar
beginwoorden, zou men er van kunnen spreken als: "_Epistola in Carcere
et Vinculis_"....

Het is maar al te waar, Robbie, het leven in de gevangenis doet ons de
menschen en de dingen zien zooals zij in werkelijkheid zijn. Daarom
verandert het iemand in steen. De menschen buiten worden misleid door
de schijnverbeeldingen van een leven in voortdurende beweging. Zij
draaien mede met het leven en dragen bij tot zijn onwerkelijkheid. Wij
die onbewegelijk zijn, zien en weten. Laat de brief deugen of niet
voor enge naturen en koortsige hersenen, mij heeft hij deugd gedaan.
Ik heb "mijn borst verlucht van veel gevaarlijk tuig" om een zegswijze
te borgen bij den dichter dien Gij en ik indertijd wilden redden uit
de handen der Philistijnen. Ik behoef U niet te herinneren dat uiting
op zichzelf voor een kunstnaar de opperste en eenige wijze van leven
is. Van uiting leven wij. Onder de oneindig vele dingen waarvoor ik
den Directeur te danken heb, is er geen waarvoor ik dankbaarder ben
dan voor zijn verlof om naar hartelust te schrijven en zoo lang als ik
wensch. Gedurende bijna twee jaar droeg ik binnen in mij een
toenemenden last van bitterheid waarvan ik mij nu grootendeels heb
verlicht. Aan den anderen kant van den gevangenismuur staan een paar
arme zwarte roetberookte boomen die op het oogenblik uitloopen in
knoppen van bijna schel groen. Ik weet heel goed wat zij ondergaan.
Zij vinden hun uiting.

Steeds de Uwe,

Oscar.



IV


6 April 1897.

Overweeg thans, mijn waarde Robbie, mijn voorstel. Ik denk dat mijn
vrouw die in geldzaken zeer eergevoelig en hooghartig is, de £75,
gestort voor mijn aandeel, zal terugbetalen. Zij zal het ongetwijfeld
doen. Maar ik vind dat het van mijne zijde behoort te worden
aangeboden, en dat ik niets bij wijze van inkomen van haar mag
aannemen. Ik kan aannemen wat in liefde en genegenheid voor mij
gegeven wordt, maar ik zoû niet kunnen aannemen wat mij met tegenzin
of met voorwaarden wordt uitgekeerd. Eer zoû ik mijn vrouw haar
volkomen vrijheid geven. Zij kan dan hertrouwen. In elk geval vertrouw
ik dat zij, als zij vrij was, mij vergunnen zoû van tijd tot tijd mijn
kinderen te zien. Daar heb ik behoefte aan. Maar eerst moet ik haar
haar vrijheid geven, en het is het beste, dit als een man van eer te
doen door met gebogen hoofd in alles te berusten. Overweeg de zaak nog
eens in haar geheel; want door U en Uw slecht overlegd optreden is de
moeilijkheid ontstaan. En laat mij weten hoe Gij en anderen er over
denkt. Natuurlijk hebt Gij uit bestwil gehandeld. Maar Uw kijk op de
zaak was verkeerd. Ik kan in alle oprechtheid zeggen dat ik
geleidelijk kom tot den geestesstand van te denken dat al wat gebeurt,
om bestwil gebeurt. Mogelijk is het wijsgeerig inzicht of een gebroken
hart of godsdienst of de stompe gevoelloosheid van de wanhoop. Maar,
wat er de oorsprong van zij, dit gevoel is machtig in mij. Mijn vrouw
aan mij te binden tegen haar wil zoû verkeerd zijn. Zij heeft volkomen
recht op haar vrijheid. En dan zoû het mij een genoegen zijn, niet
door haar ondersteund te worden. Door haar onderhouden te worden is
vernederend. Bespreek deze zaak met More Adey. Verzoek hem U den brief
te laten zien, dien ik hem geschreven heb. Vraag uw broeder Aleck mij
zijn raad te willen geven. Hij heeft een uitnemend oordeel.

Maar nu wat anders. Ik heb nooit gelegenheid gevonden U te bedanken
voor de boeken. Zij waren allerwelkomst. Dat men mij de tijdschriften
niet toestond, was een slag voor mij, maar Meredith's roman was
verrukkelijk. Welk een gezonde kunstenaarsnatuur! Hij heeft volkomen
gelijk met zijn betoog dat het gezonde het meest wezenlijke
bestanddeel in de romankunst is. Toch heeft tot op dezen dag alleen
het abnormale uitdrukking gevonden in het leven en de litteratuur.
Rossetti's brieven zijn afgrijselijk, in-'t-oog-loopend vervalscht
door zijn broeder. Toch wekte het mijn belangstelling te zien hoe mijn
oudooms _Melmoth_ en mijn moeders _Sidonia_ twee van de boeken waren,
die zijn jeugd boeiden. Wat de samenzwering tegen hem betreft in later
jaren, ik geloof dat die werkelijk bestond, en dat de fondsen
verschaft werden door Hake's Bank.[4] Het gedrag van een merel in
Cheyne Walk lijkt mij zeer verdacht, al zegt William Rossetti: "Ik kon
niets buitengewoons in het zingen van den merel ontdekken." Stevensons
brieven zijn ook een groote teleurstelling. Ik zie dat een romantische
omgeving de slechtst mogelijke omgeving is voor een romantisch
schrijver. In Gower Street had Stevenson een nieuwen _Trois
Mousquetaires_ kunnen schrijven. Op Samoa schreef hij brieven aan de
_Times_ over de Duitschers. Ik zie ook de sporen van een vreeselijke
inspanning om een natuurlijk leven te leiden. Om hout te hakken tot
eenig nut voor zichzelf of voordeel voor anderen, moet men niet
instaat zijn te beschrijven hoe men het doet. Feitelijk is het
natuurlijke leven het onbewuste leven. Stevenson verruimde enkel den
kring van het kunstmatige leven door zich aan het delven te zetten.
Uit het geheele onverkwikkelijke boek heb ik éen les gehaald. Als ik
mijn toekomstig leven doorbreng met Baudelaire te lezen in een
koffiehuis, zal ik een natuurlijker leven leiden dan wanneer ik heggen
zoû gaan knippen of cacao planten in slijkpoelen. _En Route_ wordt erg
overschat.

Het is simpel journalisme. Het doet iemand nooit éen noot hooren van
de muziek die het beschrijft. Het onderwerp is natuurlijk kostelijk,
maar de stijl is waardeloos, slofferig, slap. Het is slechter Fransch
dan dat van Ohnet. Ohnet wil afgezaagd zijn en het gelukt hem.
Huysmans wil het niet zijn en is het toch. Hardy's roman is een
aangenaam boek, en de stijl volmaakt, en die van Harold Frederic is
zeer belangwekkend om zijn inhoud. Daar er zoo goed als geen romans in
de gevangenisbibliotheek zijn voor de arme opgesloten kerels met wie
ik leef, denk ik later eens de bibliotheek te beschenken met
bijvoorbeeld een dozijn goede romans: die van Stevenson (geen aanwezig
dan _The Black Arrow_), enkele van Thackeray (geen aanwezig), van Jane
Austen (geen aanwezig), en enkele goede boeken in den trant van Dumas
père, door Stanley Weyman bijvoorbeeld of eenig ander modern jong
schrijver. Gij noemdet een protégé van Henley[5], nietwaar? Ook den
beschermeling van Anthony Hope zouden wij kunnen nemen. Na Paschen
zoudt Gij een lijst van zoowat veertien boeken kunnen opmaken en
aanvragen ze mij te mogen zenden. Zij zouden goed bevallen aan de
enkelen die niet geven om het _Journal des Goncourt_.[6] Denk er aan
dat ik ze zelf wil betalen. Ik zelf vind het afschuwelijk om in de
wereld terug te komen zonder een enkel boek in mijn bezit. Zouden er
niet onder mijn vrienden zijn, als Cosmo Lennox, Reggie Turner,
Gilbert Burgers, Max en anderen, die mij enkele boeken zouden willen
geven? Gij weet wat soort boeken ik wensch: Flaubert, Stevenson,
Baudelaire, Maeterlinck, Dumas père, Keats, Marlowe, Chatterton,
Coleridge, Anatole France, Gautier, Dante en de geheele
Dante-literatuur, Goethe en de Goethe-literatuur, enzoovoort. Ik zoû
het als een bijzondere vriendelijkheid waardeeren als boeken mij
wachtten, en daar zijn misschien wel onder mijn vrienden enkele die
het op prijs stellen iets voor mij te doen. Ik ben werkelijk heel
dankbaar, al vrees ik dat het dikwijls lijkt van niet. Maar bedenk dat
ik naast het gevangenisleven nog onophoudelijke kwellingen heb gehad.

In antwoord op dezen moogt Gij mij een langen brief schrijven enkel
over tooneelstukken en boeken. Uw schrift, in Uw laatsten, was zoo
verfoeilijk slecht dat het leek of Gij een roman in drie deelen aan 't
schrijven waart over de vreeswekkende uitbreiding der communistische
denkbeelden onder den gegoeden stand, of U op eenige andere wijze
bezig hieldt met het verkwisten van een jeugd die altijd rijk aan
beloften is geweest en blijven zal. Als ik U grief door het aan zulk
een oorzaak toe te schrijven, stel het op rekening van de
overprikkeldheid eener lange gevangenis. Maar schrijf werkelijk
duidelijk. Anders lijkt het alsof Gij iets te verbergen hadt.

Daar staat heel wat afschuwelijks in dezen brief, geloof ik. Maar ik
moest mij over U beklagen bij Uzelf en niet bij anderen. Lees mijn
brief aan More voor. Harris komt mij aanstaanden Zaterdag bezoeken,
hoop ik. Groet Arthur Clifton van mij, en zijn vrouw die, vind ik, zoo
zeer lijkt op Rossetti's vrouw--hetzelfde prachtige haar--maar
natuurlijk een liever natuur is, hoewel Miss Siddal bekorend is en
haar gedicht prima.

Steeds de Uwe,

Oscar.

Noten:

[4] Egmont Hake, schrijver van _Free Trade_ in _Capital_ en
voorvechter van een nieuw systeem van bankwezen, waarover Wilde zich
zeer scheen te vermaken.

[5] Bedoeld is de bekende schrijver H. G. Wells.

[6] Een nieuw deel van het Journal des Goncourt, waarin ook Wilde
besproken werd, was hem toegezonden in de gevangenis.



TWEE BRIEVEN, OVER HET LEVEN IN DE GEVANGENIS, AAN DE "DAILY
CHRONICLE."



I

HET ONTSLAG VAN DEN GEVANGENBEWAARDER MARTIN


D. C. van 28 Mei 1897.

WelEdelgeboren Heer,

Met groot leedwezen lees ik in Uw blad dat de gevangenbewaarder Martin
van de gevangenis te Reading ontslagen is door de Commissie van
Toezicht omdat hij aan een klein kind dat honger had, enkele koekjes
heeft gegeven. Op den Maandag voorafgaande aan mijn ontslag zag ik
zelf de drie bedoelde kinderen. Zij waren juist gevonnist en stonden
in de groote hal op een rij in hun gevangeniskleêren met hun
beddelakens onder hun arm op het punt om weggebracht te worden naar de
voor hen bestemde cellen. Op dat oogenblik kwam ik door een der
zijgangen op weg naar de ontvangkamer om daar een onderhoud met een
vriend te hebben. Het waren heel kleine kinderen, de jongste--aan wien
de gevangenbewaarder de koekjes gafwas een tenger kereltje waarvoor
men klaarblijkelijk geen kleêren had kunnen vinden klein genoeg om te
passen. Ik had natuurlijk veel kinderen in de gevangenis gezien in de
twee jaar dat ik zelf opgesloten was. Vooral de gevangenis te
Wandsworth bevatte steeds een groot aantal kinderen. Maar het kind dat
ik in den namiddag van Maandag 17 dezer te Reading zag, was kleiner en
tengerder dan een van hen. Ik behoef U niet te zeggen hoezeer ontdaan
ik was over het zien dezer kinderen daar; want ik wist welke
behandeling hen wachtte. De wreedheid waarmede dag en nacht kinderen
in Engelsche gevangenissen worden behandeld, is ongeloofelijk behalve
voor hen die haar hebben bijgewoond en de onmenschelijkheid van het
stelsel beseffen.

De menschen van tegenwoordig begrijpen niet wat wreedheid is. Zij
beschouwen haar als een soort schrikkelijken middeleeuwschen
hartstocht, en denken haar verbonden met mannen als Eccelino da Romano
en zijnsgelijken, wien het doordacht pijnigen van anderen een feilen
roes van genot gaf. Maar menschen van het allooi van Eccelino zijn
enkel abnormale typen van een verdorven individualisme. De
alledaagsche wreedheid is eenvoudig stompzinnigheid. Het is volslagen
gebrek aan verbeelding. Zij is in onze dagen het gevolg van
vastgelegde stelselen, van hartvochtig-onwrikbare regelen, en van
stompzinnigheid. Overal waar centralisatie is, is stompzinnigheid.
Het onmenschelijke in het moderne leven is de ambtelijkheid. Gezag is
even afbrekend voor hen die het uitoefenen, als voor hen over wie het
wordt uitgeoefend. Van het gevangenisbestuur en van het stelsel dat
het toepast, gaat in de eerste plaats de wreedheid uit, waarmeê een
kind in de gevangenis behandeld wordt. De menschen die het stelsel
handhaven, hebben uitmuntende bedoelingen. Zij die het toepassen zijn
eveneens menschlievend in bedoeling. De verantwoordelijkheid wordt
geschoven op de verordeningen van tucht. Men gaat van de
veronderstelling uit dat een ding dat eenmaal voorschrift is, daarom
rechtvaardig is.

De huidige behandeling der kinderen is verschrikkelijk, voornamelijk
van de zijde van menschen die de bijzondere zielkunde van de
kindernatuur niet verstaan. Een kind kan een straf begrijpen, die hem
opgelegd wordt door een persoon, bijvoorbeeld een ouder of voogd, en
haar met een zekere berusting dragen. Wat het niet kan begrijpen, is
een straf opgelegd door de maatschappij. Het kan niet beseffen wat de
maatschappij is. Bij volwassenen is het natuurlijk juist andersom.
Diegenen van ons, die in de gevangenis zijn of geweest zijn, kunnen
begrijpen, en doen dat inderdaad, wat die collectieve macht die men
maatschappij noemt, beduidt; en wat wij ook denken over haar wijze van
doen en haar eischen, wij kunnen ons er toe brengen haar te
aanvaarden. Straf, aan den anderen kant, die ons opgelegd wordt door
een persoon, is iets dat geen volwassene verdraagt of verwacht wordt
te verdragen.

Dientengevolge wordt het kind dat van zijn ouders wordt weggenomen
door menschen die het nooit gezien heeft en van wie het niets afweet,
en dat te zitten komt in een eenzame onbekende cel, bewaakt door
vreemde gezichten, onder voordurende bevelen en bestraffingen van de
vertegenwoordigers van een stelsel dat het niet kan begrijpen, een
onmiddellijke prooi van de eerste en meest voor de hand liggende
aandoening die het moderne gevangenisleven veroorzaakt: angst. De
angst van een kind in de gevangenis is volkomen mateloos. Ik herinner
mij hoe ik eens te Reading, op weg naar buiten ter dagelijksche
oefening, in de schemerlichte cel vlak tegenover mijn eigene een
kleinen jongen zag. Twee bewaarders--geen onwelwillende
menschen--spraken met hem, klaarblijkelijk eenigszins streng, of
misschien ook gaven zij hem een of andere nuttige vermaning omtrent
zijn gedrag. De éene was bij hem in de cel, de ander stond buiten. Het
gezicht van het kind was zoo wit als een doek van louter angst. In
zijn oogen was de angst van een gejaagd dier. Den volgenden ochtend
hoorde ik onder het morgeneten hem huilen en roepen om naar buiten
gelaten te worden. Hij riep om zijn ouders. Van tijd tot tijd hoorde
ik de zware stem van den bewaarder die dienst had, hem zeggen dat hij
zich stil moest houden. Toch was hij zelfs nog niet gevonnist voor
het kleine misdrijf, wat het ook geweest moge zijn, dat men hem ten
laste had gelegd. Hij was eenvoudig in arrest. Dat wist ik, omdat hij
zijn eigen kleêren droeg, die er vrij netjes uitzagen. Toch droeg hij
gevangenissokken en -schoenen. Hieruit bleek dat hij een heel arme
jongen was, wiens eigen schoenen, als hij er had, in slechten staat
waren. Rechters en overheden, door de bank een volslagen onwetende
classe, geven kinderen vaak een week arrest, en schelden hun dan
mogelijk een of ander vonnis kwijt, dat zij recht hebben over hen te
spreken. Zij noemen dat "een kind niet naar de gevangenis sturen". Het
is natuurlijk een domme kijk op de zaak. De fijne onderscheiding in
maatschappelijke positie, of hij in de gevangenis is in arrest of
gevonnist, kan een klein kind niet vatten. Enkel daar te zijn is voor
hem een afgrijselijk ding. Enkel dat hij daar is, behoort een
afgrijselijk ding te zijn in de oogen der menschelijkheid.

Deze angst die het kind, evengoed als den volwassene, aangrijpt en
beheerscht, wordt natuurlijk nog op onbeschrijfelijke wijze versterkt
door het systeem der afzonderlijke cellen in onze gevangenissen. Een
kind gedurende drie-en-twintig van de vier-en-twintig uren op te
sluiten in een schemerlichte cel is een voorbeeld van de wreedheid der
stompzinnigheid. Als een gewoon mensch, een ouder of een voogd, dit
met een kind deed, zoû hij streng gestraft worden. Het Genootschap ter
voorkoming van mishandeling van kinderen zoû de zaak terstond ter
hand nemen. Van alle kanten zoû de grootste afschuw blijken voor
iemand die zich aan zulk een wreedheid had schuldig gemaakt. Een zware
straf zoû ongetwijfeld volgen op de gebleken schuld. Maar onze huidige
maatschappij doet zelf erger, en voor een kind is het veel erger zoo
behandeld te worden door een vreemde onpersoonlijke macht, van wier
eischen het geen begrip heeft, dan het zoû wezen om dezelfde
behandeling te ondergaan van zijn vader of moeder of iemand dien het
kende. De onmenschelijke behandeling van een kind is altijd
onmenschelijk, wie haar ook aandoet. Maar onmenschelijke behandeling
door de maatschappij is voor een kind des te schrikkelijker omdat geen
beroep mogelijk is. Een ouder of voogd kunnen vermurwd worden om het
kind uit de donkere eenzame kamer te laten, waarin het opgesloten zit.
Maar een bewaarder kan dat niet. De meeste bewaarders houden veel van
kinderen. Maar het stelsel verhindert hen het kind eenigen bijstand te
geven. Als zij het zouden doen, getuige Martin, worden zij ontslagen.

Een tweede ding waarvan een kind in de gevangenis te lijden heeft, is
honger. Het voedsel dat het krijgt, bestaat uit een stuk gemeenlijk
slecht gebakken gevangenisbrood en een kroes water als ontbijt om half
acht. Om twaalf uur krijgt het middageten in den vorm van een portie
grove maïsbrij; en om half zes krijgt het een stuk droog brood met
een kroes water voor avondeten. Deze dagkost is bij een krachtig man
altijd aanleiding tot een of andere ongesteldheid, voornamelijk, als
in de rede ligt, buikloop met zijn verzwakkende gevolgen. In een
groote gevangenis worden dan ook door de bewaarders geregeld
stopmiddelen uitgereikt als iets dat van zelf spreekt. Maar een kind
is in den regel onbekwaam om het voedsel ook maar te eten. Elk die
iets van kinderen afweet, weet hoe licht de spijsvertering van een
kind gestoord wordt door een huilbui, door alle soort verdriet en
geestelijk lijden. Een kind dat den geheelen dag en misschien den
halven nacht in een eenzame schemerlichte cel heeft gehuild en
vervolgd wordt door angst, kan zulk grof afschuwelijk voedsel
eenvoudig niet eten. Zoo huilde het kleine kind waaraan de bewaarder
Martin de koekjes gaf, op Dinsdagmorgen van honger, en was volkomen
onmachtig het brood en water dat het voor ontbijt gekregen had, te
nuttigen. Nadat het ontbijt was uitgereikt, ging Martin uit en kocht
de enkele koekjes voor het kind liever dan het te zien honger lijden.
Het was een edele daad van hem, en werd als zoodanig erkend door het
kind, dat, volkomen onbekend met de voorschriften van het
gevangenisbestuur, een der oudere bewaarders vertelde hoe lief deze
jongere bewaarder voor hem geweest was. Het gevolg was natuurlijk een
rapport en ontslag.

Ik ken Martin buitengewoon goed en stond onder zijn toezicht
gedurende de laatste zeven weken van mijn gevangenschap. Bij zijn
aanstelling te Reading kreeg hij het toezicht over de zijgang C waarin
ik opgesloten zat, en dus zag ik hem voortdurend. Ik werd getroffen
door de uitzonderlijke vriendelijkheid en goedhartigheid in zijn wijze
van spreken tot mij en de overige gevangenen. Vriendelijke woorden
beduiden veel in de gevangenis, en met een aangenaam "goedenmorgen" of
"goedenavond" maakt men iemand zoo gelukkig als hij dat in de
gevangenis wezen kan. Hij was altijd toeschietelijk en welwillend. Ik
weet bij toeval van een ander geval af, waarin hij zich zeer
vriendelijk betoonde tegenover een der gevangenen, en ik aarzel niet
het te vermelden. Een der meest afgrijselijke dingen in de gevangenis
is de slechte inrichting op sanitaire gebied. Geen gevangene mag,
onder welke omstandigheden ook, zijn cel verlaten na half zes in den
namiddag. Indien hij derhalve aan buikloop lijdt, moet hij zijn cel
gebruiken als privaat en den nacht doorbrengen in de meest vunze en
ongezonde atmosfeer. Enkele dagen vóor mijn ontslag deed Martin met
een der oudere bewaarders de ronde met het doel om het uitgeplozen
touw en de gereedschappen der gevangenen in te zamelen. Een man die
pas gevangen zat, en tengevolge van het voedsel, zooals steeds het
geval is, aan hevigen buikloop leed, vroeg den ouderen bewaarder
vergunning zijn vuilnisvat te mogen leêgmaken wegens den
afgrijselijken stank der cel en de mogelijkheid van een nieuwen
aanval in den nacht. De oudere bewaarder weigerde onverbiddelijk; het
was tegen de voorschriften. De man zoû den nacht hebben moeten
doorbrengen in dezen vreeselijken toestand. Martin echter kon dezen
ongelukkige niet in zulk een walgelijken staat zien en zeide dat hij
zelf het voor hem zoû doen en deed naar zijn woorden. Dat een
bewaarder het vuilnisvat van een gevangene leêgmaakt, is natuurlijk in
strijd met de voorschriften, maar Martin bewees deze daad van
welwillendheid aan den man uit eenvoudige natuurlijke goedhartigheid,
en de man, als van zelf spreekt, was hem er zeer dankbaar voor.

Met betrekking tot kinderen is er in den laatsten tijd heel wat
gepraat en geschreven over den bezoedelenden invloed van de gevangenis
op jonge kinderen. Wat men beweert, is volkomen waar. Een kind wordt
op de ergste wijze bezoedeld door het leven in de gevangenis. Maar de
bezoedelende invloed gaat niet uit van de gevangenen. Hij gaat uit van
het gevangenisstelsel in zijn geheel: den directeur, den geestelijke,
de bewaarders, de eenzame cel, de afzondering, het weêrzinwekkend
voedsel, de voorschriften van de commissie van toezicht, de
tuchtmatigheid, zooals men den term ijkt, van het leven. Geen voorzorg
laat men achterwege om een kind af te zonderen zelfs van het gezicht
van alle gevangenen boven de zestien. De kinderen zitten achter een
gordijn in de kerk, en worden ter openluchtoefening gestuurd naar
nauwe zonlooze binnenplaatsen--soms naar een steenen binnenplaats,
soms naar een binnenplaats achter de molens--om te beletten dat zij de
andere gevangenen in oefening zouden zien. Maar de eenige werkelijk
vermenschelijkende invloed in de gevangenis is die der gevangenen. Hun
blijmoedigheid in vreeselijke omstandigheden, hun onderling
medegevoel, hun deemoed, hun zachtzinnigheid, de gulle glimlach
waarmede zij elkaêr begroeten, hun volkomen berusting in hun straf
zijn zonder uitzondering bewonderenswaardig, en ik zelf heb menige
deugdelijke les van hen geleerd. Ik bedoel niet voor te stellen dat de
kinderen niet achter een gordijn moeten zitten in de kerk, of dat zij
lichaamsbeweging behooren te nemen in een hoek van de gemeene
binnenplaats. Ik wil er enkel op wijzen dat de slechte invloed op
kinderen niet is en nimmer zoû kunnen wezen die der gevangenen, maar
is en altijd blijven zal die van het gevangenisstelsel zelf. Daar is
geen enkel man in de gevangenis te Reading, die niet met vreugde den
straftijd der drie kinderen voor hen zoû hebben uitgezeten. Den
laatsten keer dat ik hen zag, was op Dinsdag na hun opneming. Ik was
met misschien een dozijn anderen met de openluchtoefening bezig om
half twaalf, toen de drie kinderen onder toezicht van een bewaarder
vlak langs ons kwamen van de vochtige sombere steenen binnenplaats
waar zij oefening hadden gehad. Ik zag het groote medelijden en
medegevoel in de oogen mijner gezellen terwijl ze naar de kinderen
keken. Gevangenen zijn als stand uiterst vriendelijk en medegevoelig
voor elkander. Lijden en de gemeenschappelijkheid van lijden maakt de
menschen vriendelijkgezind, en dag aan dag placht ik, terwijl ik de
binnenplaats op en neêr stapte, met vreugde en vertroosting te
gevoelen wat Carlyle ergens noemt "de stilzwijgende rhythmische
bekoring van menschelijke kameraadschap". In dit punt zoo goed als in
alle andere zijn philanthropen en menschen van dat slag in den dool.
Niet de gevangenen hebben verbetering noodig, maar de gevangenissen.

Natuurlijk behoort geen kind onder de veertien ook maar thuis in de
gevangenis. Een kind daarheen sturen is een ongerijmdheid en, evenals
zoovele ongerijmdheden, volstrekt rampzalig in zijn gevolgen. Als zij
toch naar de gevangenis moeten, behoorden zij overdag in een
werkplaats of in een schoollokaal met een bewaarder. 's Nachts
behoorden zij te slapen in een slaapzaal met een nachtbewaarder om op
hen te passen. Lichaamsbeweging behooren zij minstens drie uur per dag
te krijgen. De donkere, slecht geluchte, kwalijk riekende
gevangeniscellen zijn verschrikkelijk voor een kind, eigenlijk voor
iedereen. Men ademt altijd bedorven lucht in de gevangenis. Het
voedsel voor kinderen moest bestaan in thee met boterhammen en soep.
De gevangenissoep is zeer smakelijk en gezond. Een besluit van het
Lagerhuis kon de behandeling der kinderen in een half uur regelen. Ik
hoop dat U Uw invloed daartoe zult aanwenden. De huidige behandeling
van kinderen is werkelijk een schimp voor menschelijkheid en gezond
verstand. Zij komt voort uit stompzinnigheid.

Laat mij nu nog Uw aandacht mogen vestigen op een ander vreeselijk
ding dat voorkomt in Engelsche gevangenissen of liever in de
gevangenissen over de geheele wereld, waar het stelsel van
stilzwijgendheid en cellulaire opsluiting wordt toegepast. Ik bedoel
het groot aantal menschen die krankzinnig of zwakhoofdig worden in de
gevangenis. In strafgevangenissen is dit natuurlijk heel gewoon, maar
in gewone gevangenissen, als waarin ik opgesloten zat, komt het
eveneens voor.

Ongeveer drie maanden geleden merkte ik onder de gevangenen die met
mij lichaamsbeweging namen, een jongman op, die mij onnoozel of onwijs
leek. Elke gevangenis natuurlijk heeft haar halfwijze patiënten, die
telkens terugkomen en van wie men zeggen kan dat zij in de gevangenis
wonen. Maar het trof mij dat deze jonge man erger onwijs leek dan
gewoonlijk het geval is, als bleek uit zijn onnoozele grijns en zijn
idiote manier van in zichzelf te lachen en de in 't oog vallende
rusteloosheid van zijn eeuwig knijpwringende handen. Al de andere
gevangenen merkten de vreemdheid van zijn gedrag op. Van tijd tot tijd
verscheen hij niet op de oefening, waaruit ik begreep dat hij straf
had en in zijn cel moest blijven. Ten slotte merkte ik dat hij onder
voortdurend toezicht stond, en dag en nacht door bewaarders werd
bewaakt. Als hij wel op de oefening verscheen, leek hij steeds een
zenuwaanval te hebben, en liep geregeld te huilen en te lachen. In de
kerk moest hij zitten onder onmiddellijk toezicht van twee bewaarders,
die hem den geheelen tijd nauwlettend in 't oog hielden. Soms liet hij
telkens het hoofd zakken in zijn open handen, een overtreding van de
voorschriften in de kerk, en telkens werd zijn hoofd oogenblikkelijk
omhoog geduwd door een der bewaarders, zoodat hij gedwongen werd zijn
oogen onafgebroken gericht te houden op de avondmaalstafel. Een
anderen keer zat hij te huilen--zonder de minste stoornis te
veroorzaken--met de tranen stroomend langs zijn gezicht en een
zenuwachtig snikken in zijn keel. Dan weêr grijnsde hij voor zichzelf
als een idioot en trok gezichten. Meer dan eens werd hij de kerk
uitgestuurd naar zijn cel, en natuurlijk kreeg hij voortdurend straf.
Daar de bank waar ik gewoonlijk zat in de kerk, vlak achter de bank
was, aan het eind waarvan deze ongelukkige zijn plaats had, had ik
ruim gelegenheid hem gade te slaan. Ik zag hem vanzelf ook aanhoudend
bij de oefening, en ik zag dat hij bezig was krankzinnig te worden,
terwijl men hem behandelde alsof hij zich aanstelde.

Zaterdag vóor een week was ik omtrent éen uur in mijn cel bezig het
tingerei dat ik voor mijn middageten gebruikt had, te reinigen en te
poetsen. Plotseling werd ik opgeschrikt doordat de stilte van de
gevangenis verbroken werd door het meest afgrijselijke en
weêrzinwekkende gegil, of liever gehuil; want eerst dacht ik dat men
bezig was een of ander dier, een stier of een koe, op onbedreven wijze
te slachten buiten de gevangenismuren. Weldra echter bleek het mij dat
het gehuil beneden uit de gevangenis kwam, en ik begreep dat men bezig
was een of anderen ongelukkige af te ranselen. Ik behoef niet te
zeggen hoe gruwelijk en schrikkelijk het mij aandeed, tot ik mij begon
af te vragen wie het kon zijn, dien men op zoo weêrzinwekkende wijze
afstrafte. Plotseling ging mij een licht op, dat zij waarschijnlijk
dezen ongelukkigen waanzinnige aan 't ranselen waren. Mijn gevoelens
dienomtrent behoef ik niet te boeken; zij hebben niets te maken met de
zaak.

Den volgenden dag, Zondag den 16den, zag ik den armen vent bij de
oefening; zijn ziekelijk, leelijk ellende-gezicht was bijna niet te
herkennen, opgezwollen als het was van tranen en zenuwlijden. Hij liep
in den binnensten kring met de oude mannen, de bedelaars en de
kreupelen, zoodat ik hem den geheelen tijd kon waarnemen. Het was mijn
laatste Zondag in de gevangenis, volmaakt heerlijk weder, het mooiste
weêr van het gansche jaar, en daar in het schoone zonnelicht liep dit
arme schepsel, eenmaal gemaakt naar het beeld van God, te grijnzen
als een aap en met zijn handen de meest fantastische gebaren te maken
alsof hij in de lucht een onzichtbaar snareninstrument bespeelde of
bezig was fiches te schikken en uit te deelen in een of ander zeldzaam
spel. Onderhand liepen in gore stralen de zenuwlijderstranen
waarzonder niemand van ons hem ooit zag, voortdurend over zijn wit
gezwollen gezicht. De afzichtelijke en bedachtzame manierlijkheid van
zijn gebaren maakte hem gelijk aan een hansworst. Hij was een levend
grotesk. Al de andere gevangenen keken naar hem, en niet éen van hen
glimlachte. Ieder begreep wat hem overkomen was, en dat men bezig was
hem krankzinnig te maken,--dat hij reeds krankzinnig was. Na een half
uur werd hij door den bewaarder naar binnen geleid en denkelijk
gestraft. Hij was tenminste Maandag niet op de oefening, hoewel ik
meen hem even gezien te hebben in den hoek van de steenen binnenplaats
onder toezicht van een bewaarder.

Dinsdag daarop, mijn laatsten dag in de gevangenis, zag ik hem bij de
oefening. Hij was nog erger dan den vorigen keer, en werd weêr naar
binnen gestuurd. Sindsdien weet ik niets van hem, maar van een der
gevangenen, die op de oefening vlak bij mij liep, kwam ik te weten dat
hij Zaterdagmiddag in het kookhuis vier-en-twintig slagen gekregen had
op bevel van de rechters op bezoek en na rapport van den dokter. Het
gehuil dat ons allen verschrikt had, was van hem geweest. Deze man is
ongetwijfeld op weg krankzinnig te worden. De gevangenisdokters hebben
geen verstand van eenige ziekte van den geest. Zij zijn in hun soort
onwetende lieden. De pathologie van den geest is hun onbekend. Als
iemand krankzinnig wordt, behandelen zij hem alsof hij zich aanstelde.
Zij laten hem telkens weêr straffen. Natuurlijk wordt de man hoe
langer hoe erger. Wanneer de gewone straffen zijn uitgeput, brengt de
dokter rapport uit van het geval aan de rechters. Het gevolg is
afranselen. Natuurlijk doet men dat niet met een karwats. Het is wat
men "berken" noemt. Het werktuig is een berkeroede. Maar de uitwerking
op den rampzaligen halfwijze kan men zich verbeelden.

Zijn nummer is, of was in elk geval, A.2.11. Het gelukte mij ook zijn
naam uit te vinden. Hij heet Prince. Daar moet terstond iets voor hem
gedaan worden. Hij is soldaat en veroordeeld door den krijgsraad. Zijn
straftijd is zes maanden. Hij heeft nog drie maanden voor den boeg.

Mag ik U verzoeken Uw invloed te gebruiken om dit geval te doen
onderzoeken en maatregelen te doen nemen dat de waanzinnige gevangene
behoorlijk behandeld wordt?

Een rapport van de Medische Commissie baat niets. Men kan het niet
vertrouwen. De mannen van het medisch toezicht schijnen het verschil
niet te begrijpen tusschen idiootheid en waanzin, tusschen de volkomen
afwezigheid van een functie of een orgaan en de ziekte van een
functie of een orgaan. Deze man A.2.11 zal ongetwijfeld instaat zijn
zijn naam op te geven, den aard van zijn misdrijf, den dag der maand,
den datum van aanvang en einde van zijn straftijd, en zal antwoord
kunnen geven op iedere gewone eenvoudige vraag. Maar dat zijn geest
ziek is, lijdt geen twijfel. Op het oogenblik is een vreeselijk duel
aan den gang tusschen hem en den dokter. De dokter vecht voor een
theorie. De man vecht voor zijn leven. Ik zoû graag zien dat de man
het won. Maar laat het geheele geval onderzocht worden door
zaakkundigen die van hersenziekten verstand hebben, en door menschen
van menschlievende gevoelens, die nog wat gezond verstand en wat
medelijden hebben. Er bestaat geen reden de tusschenkomst in te roepen
van de sentimenteelen. Zij schaden altijd.

Het geval is een bijzonder voorbeeld van de wreedheid die
onafscheidelijk is van een stompzinnig stelsel; want de tegenwoordige
directeur van Reading is een man van een zachtaardig en menschlievend
karakter, en die bij al de gevangenen grootelijks bemind en geacht is.
Hij werd verleden Juli aangesteld, en hoewel hij de voorschriften van
het gevangenisstelsel niet kan wijzigen, heeft hij den geest
gewijzigd, waarin zij onder zijn voorganger werden toegepast. Hij is
zeer geliefd onder de gevangenen en onder de bewaarders. Hij heeft
inderdaad den geheelen toon van het gevangenisleven veranderd. Aan
den anderen kant ligt het systeem natuurlijk buiten zijn bereik, wat
aangaat het wijzigen der voorschriften. Ik twijfel niet of hij moet
dagelijks veel zien wat hij voor onrechtvaardig, stompzinnig en wreed
houdt. Maar zijn handen zijn gebonden. Vanzelf weet ik niets af van
zijn eigenlijken kijk op het geval van A.2.11, evenmin als van zijn
opvattingen over ons tegenwoordig stelsel. Ik beoordeel hem enkel naar
de volslagen verandering die hij te weeg bracht in de gevangenis te
Reading. Onder zijn voorganger werd het stelsel toegepast met de
grootste hardvochtigheid en stompzinnigheid.

Uw dienstwillige,

OSCAR WILDE.

27 Mei 1897.



II

VERBETERINGEN INZAKE DE GEVANGENIS

("Lees dit niet, als gij vandaag gelukkig wilt zijn.")

D.C. van 24 Maart 1898.


WelEdelgeboren Heer,

Ik verneem dat het wetsvoorstel van den minister van binnenlandsche
zaken tot verbeteringen inzake de gevangenis deze week in eerste en
tweede lezing gaat, en daar Uw dagblad het eenige blad in Engeland
geweest is, dat van een werkelijke en levenskrachtige belangstelling
in deze gewichtige zaak heeft blijk gegeven, hoop ik dat Gij mij, als
iemand die een lange persoonlijke ervaring heeft opgedaan van het
leven in een Engelsche gevangenis, vergunnen zult uiteen te zetten
welke verbeteringen in ons tegenwoordig stompzinnig en barbaarsch
stelsel dringend noodzakelijk zijn.

In een hoofdartikel dat ongeveer een week geleden in Uwe kolommen
verscheen, lees ik dat de voornaamste verbetering die voorgesteld
wordt, een vermeerdering bedoelt van het aantal toezieners en
officiëele bezoekers die toegang zullen hebben tot onze Engelsche
gevangenissen.

Zulk een hervorming is volkomen nutteloos. De reden is uiterst
eenvoudig. De toezieners en vrederechters die de gevangenis bezoeken,
komen daar met de bedoeling om na te gaan of de
gevangenisvoorschriften behoorlijk worden uitgevoerd. Zij komen voor
geen ander doel en hebben, zelfs als zij het zouden begeeren,
volstrekt geen macht om éen enkele bepaling in de voorschriften te
wijzigen. Geen gevangene heeft ooit de minste verlichting, of
oplettendheid, of zorg van eenigen officiëelen bezoeker ondervonden.
De bezoekers komen niet om de gevangenen te helpen, maar om na te gaan
of de voorschriften worden uitgevoerd. Het doel van hun komst is de
bevestiging te verzekeren van een dwaas en onmenschelijk wetsgeheel.
En daar zij toch iets te doen moeten hebben, besteden zij daar zeer
goede zorg aan. Een gevangene wien de geringste bevoorrechting is
toegestaan, vreest de komst der toezieners. En zoovaak er een
inspectie plaats heeft, zijn de beambten ruwer dan gewoonlijk voor de
gevangenen. Hun bedoeling is natuurlijk te toonen welk een
schitterende tucht zij handhaven.

De noodzakelijke hervormingen zijn zeer eenvoudig. Zij betreffen de
lichamelijke en de geestelijke behoeften van iederen ongelukkigen
gevangene afzonderlijk.

Wat de eerste aangaat, daar zijn in de Engelsche gevangenissen drie
bestendige straffen, door de wet bekrachtigd:

  1° honger,
  2° slapeloosheid,
  3° ziekte.

Het voedsel dat aan de gevangenen wordt verstrekt, is geheel en al
onvoldoende. Het grootste deel ervan is van weêrzinwekkende
hoedanigheid. Het geheel is ontoereikend. Elke gevangene lijdt dag en
nacht aan honger. Een bepaalde hoeveelheid voedsel wordt zorgvuldig
bij onsen afgewogen voor iederen gevangene. Het is juist genoeg, om
niet bepaald het leven, maar het voortbestaan in stand te houden. Men
wordt voortdurend gefolterd door het knagen en de weeheid van den
honger.

Het gevolg van het voedsel--dat in de meeste gevallen bestaat uit
slappe gruttenpap, varkensreuzel en water--is ongesteldheid in den
vorm van onafgebroken buikloop. Deze ziekte die ten slotte bij de
meeste gevangenen een chronische kwaal wordt, is een erkende
instelling in iedere gevangenis. In de gevangenis te Wandsworth
bijvoorbeeld--waar ik twee maanden zat opgesloten tot ik naar het
hospitaal moest overgebracht worden, waar ik nog twee maanden
verbleef--gaan de bewaarders twee- of driemaal daags rond met
stopmiddelen die zij aan de gevangenen uitreiken als een ding dat
vanzelf spreekt. Het is onnoodig te zeggen dat na een dusdanige
behandeling van een week of zoo het geneesmiddel volstrekt geen
uitwerking meer heeft. De rampzalige gevangene wordt dan ten prooi
gelaten aan de meest verzwakkende, nederdrukkende en vernederende
ziekte die men bedenken kan; en als hij, zooals vaak gebeurt, uit
lichamelijke zwakte tekort schiet in het volbrengen van zijn
voorgeschreven omwentelingen aan de kruk of den molen, wordt van hem
rapport gemaakt als lui en wordt hij met de grootste strengheid en
ruwheid gestraft. En dat is nog niet alles.

Niets is in zoo slechten toestand als de sanitaire inrichtingen in een
Engelsche gevangenis. In vroeger dagen was iedere cel voorzien van een
soort privaat. Deze privaten zijn nu afgeschaft. Zij komen nergens
meer voor. Een klein tinnen vat wordt in plaats daarvan aan elken
gevangene verstrekt. Drie keer daags mag de gevangene zijn vuil
verwijderen. Maar de toegang tot de gevangenisprivaten wordt hem enkel
toegestaan gedurende het éene uur der openluchtoefening En na vijf uur
's namiddags mag hij zijn cel onder geen enkel voorwendsel en om geen
enkele reden verlaten. Dientengevolge bevindt zich iemand die aan
buikloop lijdt, in een zoo walgelijken toestand dat het onnoodig is,
of liever dat het onwelvoegelijk zoû zijn er bij stil te staan. De
ellende en kwellingen die de gevangenen doormaken ten gevolge van de
weêrzinwekkende inrichtingen op sanitaire gebied zijn volkomen
onbeschrijfelijk. En de bedorven lucht in de gevangeniscellen, die nog
verergerd wordt door een volslagen uitwerkingloos ventilatiesysteem,
is zoo wee en ongezond, dat het geregeld voorkomt dat bewaarders, als
zij 's morgens uit de frissche lucht komen en elke cel openen en
inspecteeren, hevig onpasselijk worden. Ik zelf heb dit minstens drie
maal bijgewoond, en verscheidene bewaarders hebben er mij over
gesproken als een der vele tegenzinwekkende duigen die hun ambt
meêbrengt.

Het voedsel dat den gevangenen verstrekt wordt, behoorde in allen
deele voldoende en gezond te zijn. Het behoort niet van zulk een
hoedanigheid te wezen, dat het voortdurenden buikloop ten gevolge
heeft, die, eerst een ziekte, allengs een chronische kwaal wordt.

De inrichtingen op sanitaire gebied in de Engelsche gevangenissen
behooren in den grond gewijzigd te worden. Elke gevangene moet toegang
hebben tot de privaten zoovaak dat noodig is, en moet even vaak zijn
vuil kunnen verwijderen. Het tegenwoordige ventilatiesysteem in elke
cel afzonderlijk is geheel en al nutteloos. De versche lucht komt door
dichtgesperd rasterwerk en dan door een kleinen ventilator in het
smalle getraliede venster, die veel te klein is en te slecht
geconstrueerd om eenige voldoende hoeveelheid versche lucht binnen te
laten. Iemand wordt enkel gedurende éen uur van de vier-en-twintig die
den langen dag uitmaken, uit zijn cel gelaten, en hij ademt dus
gedurende drie-en-twintig uren de meest bedorven lucht in.

Slapeloosheid als straf bestaat slechts in Chineesche en in Engelsche
gevangenissen. In China wordt zij toegepast doordat men den gevangene
plaatst in een enge bamboekooi, in Engeland door middel van de houten
brits. Het doel van de houten brits is het veroorzaken van
slapeloosheid. Zij heeft geen enkel ander doel, en het doel dat zij
heeft, wordt zonder uitzondering bereikt. En zelfs wanneer men
naderhand een harde matras krijgt, zooals het gaat in den loop der
gevangenschap, lijdt men nog steeds aan slapeloosheid. Want slaap is,
evenals alle gezonde dingen, een gewoonte. Elke gevangene die een tijd
lang op een houten brits heeft gelegen, lijdt aan slapeloosheid. Het
is een weêrzinwekkende en domme straf.

Nu zoû ik gaarne wat in 't midden brengen over de geestelijke
behoeften van den gevangene.

Het tegenwoordige gevangenisstelsel lijkt bijna als doel te hebben het
te gronde richten en vernietigen der verstandelijke vermogens. Of
indien het veroorzaken van krankzinnigheid hier niet het doel is, het
is zeker het gevolg. Dat is een welbewezen feit. De oorzaken liggen
voor de hand. Verstoken van boeken, van alle menschelijke omgeving,
afgezonderd van elken menschelijken en vermenschelijkenden invloed,
veroordeeld tot eeuwigdurend stilzwijgen, beroofd van alle verkeer met
de buitenwereld, behandeld als een verstandeloos dier, verredeloosd
onder het peil van welk redeloos schepsel ook, kan de ongelukkige die
opgesloten zit in een Engelsche gevangenis, nauwelijks aan
krankzinnigheid ontkomen. Het is mijn wensch niet lang bij deze
afgrijselijkheden stil te staan, nog veel minder eenige voorbijgaande
sentimenteele belangstelling er voor te wekken. Dus zal ik enkel, met
Uw goedvinden, aangeven wat men behoorde te doen.

Elke gevangene behoort een voldoende hoeveelheid boeken tot zijn
beschikking te hebben. Op het oogenblik krijgt men in de eerste drie
weken van zijn gevangenschap volstrekt geen boeken behalve een bijbel,
een gebeden- en een gezangboek. Daarna krijgt men éen boek per week.
Dat is niet alleen onvoldoende, maar de boeken die een gewone
gevangenisbibliotheek vormen, zijn volmaakt nutteloos. Zij bestaan
hoofdzakelijk uit derderangsche, slecht geschreven, zoo-genaamd
godsdienstige boeken, klaarblijkelijk geschreven voor kinderen en
volkomen ongeschikt voor kinderen of voor iemand anders. De gevangenen
behoorden aangemoedigd te worden tot lezen, en alle boeken te krijgen
die zij noodig hebben, en de boeken behoorden goed gekozen te zijn.
Thans geschiedt de keuze der boeken door den aan de gevangenis
verbonden geestelijke.

Onder het huidige stelsel staat men een gevangene toe zijn vrienden
slechts vier keer in 't jaar te zien, telkens gedurende twintig
minuten. Dit is geheel verkeerd. Een gevangene behoort zijn vrienden
eens per maand te zien en gedurenden een redelijken tijd. In de thans
gebruikelijke wijze van een gevangene voor zijn vrienden ten toon te
stellen behoort verandering gebracht te worden. Onder het
tegenwoordige stelsel wordt de gevangene opgesloten hetzij in een
groote ijzeren kooi of in een groote houten kast met een kleine
opening, bedekt met ijzergaas, waardoor men hem toestaat te gluren.
Zijn vrienden worden in een gelijke kooi gezet op een afstand van drie
of vier voet, en twee bewaarders staan in de tusschenruimte om toe te
luisteren en, als het hun goeddunkt, het gesprek te doen ophouden of
afbreken, naar het uitkomt. De nu gebruikelijke regeling is
onuitsprekelijk weêrzinwekkend en kwellend. Een bezoek van zijn
verwanten of vrienden beduidt voor elken gevangene dieper vernedering,
feller geestelijke ellende. Vele gevangenen willen hun vrienden
volstrekt niet ontvangen, liever dan zulk een kruisgang te doorstaan.
En dit verwondert mij niet. Wanneer iemand bezoek krijgt van zijn
advocaat, spreekt men hem in een kamer met een glazen deur, aan de
andere zijde waarvan de bewaarder staat. Wanneer iemand bezoek krijgt
van zijn vrouw en kinderen, of zijn ouders of zijn vrienden, behoort
hem hetzelfde voorrecht te worden toegestaan. Om als een aap in een
kooi tentoongesteld te worden voor menschen die van ons houden en van
wie wij houden, is een noodelooze en afgrijselijke vernedering. Iedere
gevangene behoorde tenminste eens in de maand te mogen schrijven en
een brief ontvangen. Op 't oogenblik mag men maar vier maal in 't jaar
schrijven. Dit is geheel onvoldoende. Éen van de rampen van het leven
in de gevangenis is dat het iemands hart versteent. De gevoelens der
natuurlijke genegenheid hebben evenals andere gevoelens behoefte aan
voeding. Zij sterven licht aan gebrek. Een korte brief vier keer in 't
jaar is niet voldoende om de meer zachtzinnige en menschelijke
genegenheden in 't leven te bewaren, die ten slotte onze natuur
gevoelig houden voor goede en schoone invloeden, het eenige dat een
verbrijzeld en gebroken leven kan heelen.

Aan de gewoonte om de brieven der gevangenen te verminken en te
besnoeien behoort een eind te worden gemaakt. Wanneer tegenwoordig een
gevangene in een brief eenige klacht uit tegen het gevangenisstelsel,
wordt dat gedeelte van zijn brief met een schaar uitgeknipt. Als hij,
aan den anderen kant, eenige klacht uit bij het spreken met zijn
vrienden door de traliën der kooi of de opening in de houten kast,
wordt hij op ruwe wijze tot de orde geroepen door de bewaarders en
krijgt rapport en straf die wekelijks terugkeert totdat hij weêr een
volgenden keer bezoek mag ontvangen, in welken tusschentijd men
verwacht dat hij niet verstandig, maar listig zal zijn geworden; en
listigheid leert iemand altijd. Het is een van de weinige dingen die
men in de gevangenis leert. Gelukkig zijn in een enkel geval die
andere weinige dingen van hooger waarde.

Mag ik nog een oogenblik van Uw geduld gebruik maken voor het
volgende? In Uw hoofdartikel deedt Gij het denkbeeld aan de hand dat
geen aan de gevangenis verbonden geestelijke tegelijk eenige bemoeiïng
of bezigheid zoû mogen hebben buiten de gevangenis zelf. Maar dit is
een zaak van geen gewicht. Die geestelijken hebben volstrekt geen nut.
Zij zijn in hun soort welmeenende, maar dwaze, ja onnoozele menschen.
Geen enkele gevangene ondervindt van hen eenige hulp. Eens in de zes
weken of zoo gaat de sleutel in het slot van iemands celdeur over, en
de geestelijke komt binnen. De gevangene gaat natuurlijk in de houding
staan. De geestelijke vraagt hem of hij in zijn bijbel gelezen heeft.
Hij antwoordt "ja" of "neen", naar het geval is. De geestelijke haalt
een paar bijbelteksten aan en gaat weg en sluit de deur. Van tijd tot
tijd laat hij een traktaatje achter.

De beambten die geen betrekking buiten de gevangenis behoorden te
mogen aanhouden, en geen burgerpraktijk te hebben, zijn de
gevangenisdokters. Thans hebben de gevangenisdokters, zoo al niet
altijd, toch geregeld een uitgebreide burgerpraktijk en zijn tegelijk
aangesteld in andere inrichtingen. Het gevolg is dat de
gezondheidstoestand der gevangenen geheel verwaarloosd wordt, en de
sanitaire staat der gevangenis volkomen onverzorgd gelaten. In zijn
soort beschouw ik--en ik heb dat altijd gedaan van kindsbeen af--het
beroep van dokter als het meest menschelijke beroep in de gemeenschap.
Maar gevangenisdoktoren moet ik uitzonderen. Voorzoover ik hen
ontmoet heb en naar wat ik in het hospitaal en elders van hen zag,
zijn zij ruw in hun optreden, van grove ongevoeligheid en volslagen
onverschillig voor de gezondheid der gevangenen en hun goede
verpleging. Indien den gevangenisdokters burgerpraktijk verboden was,
zouden zij genoodzaakt worden eenige belangstelling te hebben in den
gezondheidstoestand en de sanitaire omstandigheden van de menschen die
onder hun behandeling zijn.

Ik heb in dit schrijven getracht enkele der hervormingen aan te
wijzen, die in ons Engelsch gevangenisstelsel noodzakelijk zijn. Zij
zijn eenvoudig, praktisch en menschelijk. Natuurlijk zijn zij maar een
begin. Maar het wordt tijd dat er een begin gemaakt wordt, en hiertoe
kan alleen de stoot gegeven worden door den sterken druk der openbare
meening, verwoord in en aangekweekt door Uw machtig blad.

Maar om te maken dat zelfs deze hervormingen iets uitwerken, moet
eerst heel wat gedaan worden. En de eerste en misschien moeilijkste
taak is van de directeurs beter menschen, van de bewaarders beschaafde
lieden en van de geestelijken beter Christenen te maken.

Uw dienstwillige dienaar,

de schrijver van "The Ballad of Reading Gaol".

23 Maart 1898.





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "De profundis" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home