Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Individualisme en socialisme
Author: Wilde, Oscar, 1854-1900
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Individualisme en socialisme" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



WERELDBIBLIOTHEEK BOEKEN

ONDER LEIDING VAN L. SIMONS



       *       *       *       *       *



OSCAR WILDE

INDIVIDUALISME EN SOCIALISME

GEAUTORISEERDE VERTALING

DOOR

P. C. BOUTENS



       *       *       *       *       *



Van OSCAR WILDE verschenen in de Wereld-Bibliotheek:

W. B. 117*. _Het Granaatappelhuis_. Vertaling Liane van Oosterzee.

Ing. f 0.30; cart. f 0.40; geb. f 0.50

W. B. 129. _Salome en een Florentijnsch Treurspel_. Vertaling P. C.
Boutens.

Cart. f 0.30; geb. f 0.40

W. B. 159. _De Profundus_. Ingeleid en vertaald door P. C. Boutens.

Ing. f 0.30; cart. f 0.40; geb. f 0.50.

       *       *       *       *       *



VOORAF

Merkwaardig lijkt mij Wilde's "Soul of Man under Socialism"--zoo luidt
de oorspronkelijke titel dezer causerie--vooral als voorganger en
tegenhanger der merkwaardigste beschouwingen in zijn "de Profundis." The
Soul of Man under Socialism: eene toekomstig-gedachte verwezenlijking der
menschelijke persoonlijkheid bij wege van vreugde. De Profundis: de
voorshands mogelijke verwezenlijking dierzelfde persoonlijkheid bij wege
van smart. Wanneer den schrijver na zijn gevangenschap langer en
gelukkiger jaren bestemd waren geweest, zoû hij mogelijk in een derde
geschrift de synthese dezer beide hebben gegeven? Het zoû een
buitengemeen boek hebben kunnen worden. "De toekomst is wat kunstenaars
zijn," zegt hij. En zijn niet kunstenaars de bevoorrechten in wie vroeger
of later vreugd en leed samenbloeien tot éenzelfde schoonheid?

De menschelijke persoonlijkheid die in haar heidensche jeugd zich door
vreugde meende te kunnen verwezenlijken, maar wier groei overwoekerd werd
door de materiëele anarchie van het Romeinsche Keizerrijk; die in het
Christendom met de materie trachtte te breken, maar zich in het eind
erger dan ooit door stoffelijke misstanden ziet gefnuikt of belemmerd,
kan de mogelijkheid eener duurzame eerlijke regeling dier materie niet
anders begroeten dan als de eerste voorwaarde harer toekomstige
vervolmaking. Eerst daarna zal zij als gemeen goed kunnen behalen de
synthese van haar kindsheid en jongelingschap, van vreugd en leed, van
Heiden- en Christendom.

20 Nov. 1913.



       *       *       *       *       *



Het groote en voorname voordeel dat uit de invoering van het socialisme
zoû voortkomen, is buiten twijfel: dat het socialisme ons ontheffen zoû
van die onverkwikkelijke noodzakelijkheid om voor anderen te leven, welke
bij den tegenwoordigen staat van zaken bijna iedereen onder haar zoo
meêdoogenloozen druk houdt. Inderdaad, zoo goed als niemand ontsnapt haar.

Van tijd tot tijd in den loop der eeuw is het een groot geleerde als
Darwin, een groot dichter als Keats, een schoonen kritischen geest als
Renan, een opperst kunstenaar als Flaubert gelukt zich volkomen af te
zonderen, zich buiten bereik te houden van de luidruchtige eischen der
andere menschen, te staan "onder de dekking van den wand," zooals Platoon
het uitdrukt, en op die manier de vervolmaking tot stand te brengen van
wat in hem was, tot zijn eigen onvergelijkelijke winst en tot de
onvergelijkelijke en duurzame winst der geheele wereld. Dit zijn echter
uitzonderingen. Het meerendeel der menschen bederven hun leven met een
ongezond en overdreven altruisme, of liever worden gedwongen het in die
richting te bederven. Zij vinden zich omringd door afzichtelijke armoede,
wanstaltigheid, hongersnood. Onvermijdelijk moeten zij door dit alles
diep worden aangedaan. De gevoelsaandoeningen van den mensch worden
schielijker in beweging gezet dan zijn verstandswerkingen, en zooals ik
vóor eenigen tijd betoogde in een artikel over de werking der critiek:
het is veel gemakkelijker eensgevoelig te zijn met lijden dan met de
gedachte. Dienovereenkomstig nemen zij, met bewonderenswaardige, of al
verkeerdelijk gerichte bedoelingen, met grooten ernst en overdreven
sentimentaliteit, de taak ter hand om de euvelen die zij voor oogen
hebben, te verhelpen. Maar hunne middelen genezen de kwaal niet, zij
verlengen alleen het proces. Eigenlijk zijn hun middelen een onderdeel
van de kwaal.

Zij beproeven, bijvoorbeeld, het vraagstuk der armoede op te lossen door
de armen in het leven te houden, of door, volgens de allernieuwste
richting, de armen te vermaken. Maar dit is geen oplossing: het is een
verzwaring der moeilijkheid. Het eigenlijke doel moet het pogen zijn de
maatschappij herop te bouwen op zulke grondslagen, dat armoede onmogelijk
zal wezen. De deugden van het altruïsme hebben de uitvoering van dit
streven aanmerkelijk belemmerd. Evenals indertijd die slaveneigenaars het
grootste kwaad stichtten, die welwillend voor hun slaven waren, omdat zij
voorkwamen dat de afschuwelijkheid der instelling beseft werd door hen
die er onder leden, en ingezien door hen die haar bespiegelden, zoo zijn,
bij den tegenwoordigen stand van zaken in Engeland, die menschen het
schadelijkst, die meest goed trachten te doen, en ten slotte hebben wij
beleefd dat mannen die in de werkelijkheid het vraagstuk hebben
bestudeerd en op de hoogte zijn van zijn levensverschijnselen--academisch
gevormde mannen die in Oost-Londen leven--de gemeenschap met klem van
rede hebben aangezocht, haar altruïstische aandriften van weldadigheid,
welwillendheid en dergelijke te beteugelen. Zij doen dit op grond dat
weldadigheid van dien aard verlaagt en veronzedelijkt. Zij hebben
volkomen gelijk. Weldadigheid schept een sleep van zonden. Men kan ook
nog hierop wijzen, dat het onzedelijk is om den bijzonderen eigendom te
gebruiken met de bedoeling om de euvels die van de instelling van den
bijzonderen eigendom gevolg zijn, te verlichten. Het is evenzeer
onzedelijk als valsch.

Onder het socialisme zal dit alles natuurlijk gewijzigd worden. Er zullen
dan geen menschen zijn, die leven in vunze krotten en vunze vodden, en
die ongezonde, hongergekwelde kinderen trachten groot te brengen te
midden van onmogelijke allerterugstootendste omgevingen. De veiligheid
der samenleving zal niet, als nu, afhankelijk zijn van den staat van het
weder. Als de vorst invalt, zullen wij niet een honderdduizend werkloozen
hebben, die in een toestand van walgelijke ellende de straten afloopen of
kermen tot hun buren om een aalmoes, of zich verdringen aan de deuren van
walgingwekkende toevluchten om zich een homp brood of een onreine
slaapgelegenheid voor den nacht te verzekeren. Elk lid der maatschappij
zal deelen in het algemeen welvaren en het algemeene geluk der
maatschappij, en als de vorst invalt, zal niemand er feitelijk slechter
aan toe zijn.

Aan den anderen kant zal het socialisme als zoodanig zijn waarde hebben
om de eenvoudige reden dat het voeren zal tot een hooger individualisme.

Het socialisme, of communisme, of hoe men het belieft te noemen, zal den
bijzonderen eigendom omzetten in staatsvermogen, en samenwerking in de
plaats stellen van concurrentie, en zoodoende de maatschappij herstellen
in haar zuiveren staat van door-en-door gezond organisme, en den
materiëelen welstand van elk lid der gemeenschap waarborgen. Het zal
feitelijk aan het leven zijn natuurlijken grondslag en zijn natuurlijke
ontwikkelingssfeer geven. Maar voor de volle ontwikkeling des levens tot
zijn hoogsten staat van volmaaktheid is meer noodig. Wat noodig is, is
individualisme. Indien het socialisme gezagmatig zal zijn; indien er
regeeringen zullen zijn, gewapend met oekonomische macht, zooals zij dat
nu zijn met politieke; indien wij, in éen woord, bestemd zijn onder
nijverheidstyranieën te leven, dan zal het laatste van den mensch erger
zijn dan zijn eerste. Op het oogenblik, ten gevolge van het bestaan van
den bijzonderen eigendom, worden een groot getal menschen in staat
gesteld een zekere zeer begrensde mate van individualisme te ontwikkelen.
Zij zijn òf niet onder de noodzakelijkheid te werken voor hun onderhoud,
òf zijn in staat in een bepaalde sfeer zulk een werkzaamheid te kiezen
als werkelijk met hun aard overeenkomt en hun genot geeft. Dit zijn de
dichters, de wijsgeeren, de mannen der wetenschap, de mannen der cultuur--in
éen woord, de wezenlijke menschen, de menschen die zich-zelf
verwezenlijkt hebben, en in wie de geheele menschheid een gedeeltelijke
verwezenlijking behaalt. Daartegenover staan een groot aantal menschen
die, omdat zij geen persoonlijken eigendom hebben en onder voortdurende
bedreiging van den hongerdood staan, er toe gedreven worden het werk van
lastdieren te doen, d.i. werk te doen, dat geheel met hun aard in strijd
is en waartoe zij gedwongen worden door de gebiedende, onredelijke en
verlagende tyrannie van het gebrek. Dit zijn de armen, en bij hen vindt
men geen gratie van manieren, geen adel van woord, geen beschaving, geen
cultuur, geen verfijning inzake genot, geen levensvreugde. Van hun
gezamenlijke werkkracht behaalt de menschheid groote voordeelen van
materiëelen voorspoed. Maar deze materiëele winst blijft de eenige, en de
arme telt als persoon op zich-zelf volstrekt niet mede. Hij is enkel het
oneindig kleine atoom van een kracht die, verre van hem te ontzien, hem
fnuikt; een kracht die hem liever gefnuikt ziet dan niet, daar hij in het
eerste geval veel en veel meegaander is.

Natuurlijk zoû men kunnen opmerken dat individualisme, geteeld onder de
voorwaarden van den bijzonderen eigendom, niet altijd, zelfs niet door de
bank, van een mooie of verrukkelijke soort is, en dat de armen, al hebben
zij geen cultuur of gratie, toch vele deugden bezitten. De éene opmerking
is al even waar als de andere. Het bezit van bijzonderen eigendom is zeer
vaak bovenmate veronzedelijkend, en dit is zeker een der redenen waarom
het socialisme de instelling van de baan wil hebben. Feitelijk is
eigendom een onmiskenbare hinder. Enkele jaren terug gingen er alom in
den lande stemmen op dat eigendom zijn plichten heeft. De menschen zeiden
het zoo vervelend dikwijls, dat ten slotte de Kerk het is gaan
verkondigen. Men kan het nu van iederen kansel hooren. Het is in allen
deele waar. Eigendom heeft niet alleen plichten, maar heeft zoo vele
plichten, dat zijn bezit op eenigszins groote schaal een lastpost is. Hij
brengt eindelooze verplichtingen mede, eindelooze zakenzorg, eindelooze
kwelling. Indien eigendom enkel genoegens gaf, zoûden wij er vrede mee
hebben; maar zijn plichten maken hem ondragelijk. In het belang der
rijken moeten wij er van verlost worden.--De deugden der armen kan men
reede erkennen, en haar bestaan is grootelijks te betreuren. Men vertelt
ons vaak dat de armen dankbaar zijn voor liefdadigheid. Enkelen zijn dat
ook ongetwijfeld, maar de besten onder de armen zijn nooit dankbaar. Zij
zijn ondankbaar, ontevreden, weêrspannig, opstandig. En zij zijn volkomen
in hun recht. Zij voelen dat liefdadigheid een belachelijk onevenredige
poging van gedeeltelijke vergoeding is of een sentimenteele
bedeelingszucht, die gemeenlijk samengaat met een onbeschaamden aanslag
van de zijde van den sentimenteele om over hun bijzonder leven den baas
te spelen. Waarom behooren zij dankbaar te zijn voor de kruimels die
vallen van de tafel des rijken? Hun zelf komt een plaats aan den disch
toe, en zij beginnen dat te beseffen. Wat hun ontevredenheid aangaat: een
mensch, niet ontevreden met dergelijke omgevingen en zulk een laag
levenspeil, zoû ongevoelig als een redeloos dier moeten zijn.
Weêrspannigheid--zooals elk die wat van de geschiedenis afweet, moet
inzien--is des menschen erfdeugd. Aan weêrspannigheid hebben wij allen
vooruitgang te danken, aan weêrspannigheid en opstandigheid. Men prijst
de armen ook wel om hun spaarzaamheid. Maar om arme menschen
spaarzaamheid aan te bevelen is even belachelijk als hoonend. Men kan
evengoed iemand die aan 't verhongeren is, aanraden minder te eten. Dat
een stadswerkman of een veldarbeider zich toe zoû leggen op
spaarzaamheid, zoû hoogst onzedelijk in hem wezen. Een mensch mag zich
niet leenen tot de vertooning hoe hij leven kan als een slecht gevoed
dier. Met hand en tand moet hij zich daartegen verzetten, en in het
uiterste geval nog liever stelen of armlastig worden, wat velen enkel
voor een vorm van diefstal aanzien. Wat bedelen aangaat, het is
misschien veiliger te bedelen dan te nemen, maar het is flinker en
mooier te nemen dan te bedelen. Neen, een arme die niet dankbaar is,
niet zuinig, niet tevreden, opstandig, heeft alle kans een heusche
persoonlijkheid te wezen, en een kerel waar wat in zit. Hij is in elk
geval een voorbeeld van gezond verzet. Met de armen, die bovengenoemde
deugden hebben, kan men natuurlijk medelijden gevoelen, maar men kan hen
onmogelijk bewonderen. Zij heulen met den gemeenen vijand en hebben hun
geboorterecht verkocht voor een erg dun soepje. Zij moeten ook
buitengewoon stompzinnig zijn. Ik kan best begrijpen dat iemand vrede
houdt met wetten die den bijzonderen eigendom beschermen en zijn
opeenhooping toelaten, zoolang hij onder deze omstandigheden zelf bij
machte is zich geestelijk schoon uit te leven. Maar ik kan er niet in
komen, hoe een man, wiens leven bedorven en leelijk gemaakt wordt door
zulke wetten, bij mogelijkheid in haar standhouden zoû berusten.

Toch is de verklaring niet zoo heel moeilijk te vinden. Het is eenvoudig
deze. Ellende en armoede zijn zoo onontkoombaar verlagend en oefenen zulk
een verlammende uitwerking op de menschelijke natuur, dat geen klasse
zich haar eigen lijden ooit werkelijk bewust is. Zij moeten door andere
menschen ingelicht worden, en dikwijls gelooven zij geen woord van wat
men hun zegt. Wat de groote werkgevers beweren tegen agitatoren, is
onmiskenbaar waar. Agitatoren zijn een bende stokers en bemoeials, die
afkomen op een volmaakt tevreden klasse der gemeenschap en daaronder de
zaden der ontevredenheid strooien. Daarom juist zijn agitatoren zoo
beslist onmisbaar. Zonder hen zoû er, in onzen onvolledigen staat, geen
voorwaartsche beweging in de richting der beschaving mogelijk zijn. Zoo
werd de slavernij in Amerika afgeschaft niet ten gevolge van eenige
beweging van den kant der slaven of ook maar een uitgedrukt verlangen van
hun zijde om vrij te zijn, maar enkel en alleen door het grovelijk
onwettig optreden van bepaalde agitatoren in Boston en elders, menschen
die zelf geen slaven waren, en ook geen slaveneigenaars, en die in
werkelijkheid niets met de zaak hadden uitstaan. Het waren ongetwijfeld
de Abolitionisten, die den bal aan het rollen brachten toen er nog geen
begin van beweging was. En het is opmerkenswaardig dat zij van de zijde
der slaven zelven niet alleen heel weinig bijstand, maar nauwelijks
eenige sympathie ondervonden; en toen na den oorlog de slaven zich vrij
zagen, met de daad zoo volkomen vrij dat men hun vrij liet te verhongeren,
beklaagden zich velen van hen bitterlijk over de verandering in hun staat.
Voor iemand die nadenkt, is het meest tragische feit in de gansche
Fransche Revolutie niet dat Marie Antoinette werd omgebracht omdat zij
koningin was, maar dat de uitgehongerde boeren in de Vendée vrijwillig
optrokken om te sterven voor de afschuwelijke zaak van het feodalisme.
Het is dan duidelijk dat geen gezagmatige vorm van socialisme voor ons
deugt. Want onder de tegenwoordige instellingen kan tenminste een zeer
groot aantal menschen een leven leiden, dat een zeker peil van vrijheid
en zelf-verwezenlijking en geluk bereikt, maar onder een systeem van
nijverheidskazernes of een ander soort oeconomische tyrannie zoû het
niemand mogelijk wezen zelfs zulk een beperkte vrijheid te genieten. Men
kan het betreuren, dat op het oogenblik een deel onzer gemeenschap
eigenlijk in slavernij leeft, maar om het vraagstuk te willen oplossen
door de geheele gemeenschap tot slaven te maken, is een kinderachtig
voorstel. Ieder mensch behoort geheel en al vrij gelaten te worden in de
keus van zijn eigen arbeid. Geen dwang in welken vorm ook mag over hem
uitgeoefend worden. Want indien dat gebeurt, is zijn arbeid niet loonend
op zich-zelf, en niet loonend voor hem, en niet loonend voor anderen. En
met arbeid bedoel ik hier eenvoudig bezigheid van elken aard.

Ik kan moeilijk denken, dat er op het oogenblik nog socialisten zoûden
zijn, die in ernst voorstellen dat opzichters elken morgen alle huizen
zoûden rondgaan om toe te zien, dat iedere burger opstond en zijn acht
uur handenarbeid verrichtte. De menschheid is dat standpunt voorbij, en
wil zulk een levenswijze beperken tot de wezens die zij met een zeer
willekeurige benaming misdadigers belieft te heeten. Maar ik moet
toegeven dat vele socialistische beschouwingen, die mij onder de oogen
kwamen, mij aangestoken lijken met denkbeelden, zooal niet van
daadwerkelijken dwang, dan toch van gezagmatigheid. Nu vallen natuurlijk
gezagmatigheid en dwang buiten bespreking. Elke menschenbond behoort
geheel vrijwillig te zijn. Alleen in een vrijwilligen bond komt de
menschheid schoon tot haar recht.

Maar men zoû kunnen vragen, hoe het individualisme, dat nu voor zijn
ontwikkeling min of meer afhankelijk is van het bestaan van den
bijzonderen eigendom, voordeel zal kunnen hebben bij de afschaffing van
den bijzonderen eigendom. Het antwoord is heel eenvoudig. Het is waar,
dat onder de nu heerschende voorwaarden eenige enkele menschen die een
eigen vermogen hadden, als Byron, Shelley, Browning, Victor Hugo,
Baudelaire en anderen, in staat zijn geweest hun persoonlijkheid min of
meer volkomen te verwerkelijken. Niemand van hen heeft ooit een enkelen
dag gewerkt voor loon. Zij waren gevrijwaard voor armoede. Zij hadden een
onberekenbaar gunstige positie. De vraag is dus of het in het voordeel
van het individualisme zoû wezen, indien zulk een gunstige kans zoû zijn
weggenomen. Laat ons dat dan een oogenblik veronderstellen, en nagaan wat
het gevolg zoû zijn voor het individualisme en hoe het er voordeel van
zoû kunnen trekken.

Welnu, onder de nieuwe voorwaarden zal het individualisme verreweg vrijer,
veel mooier, en oneindig intenser kunnen zijn dan tegenwoordig. Ik spreek
nu niet van het hooge, in de verbeelding verwerkelijkte individualisme
als van de dichters die ik zooeven vermeldde, maar van het breede
daadwerkelijke individualisme, waarvan de mogelijkheid schuilt in het
menschdom in het algemeen. Want de erkenning van den bijzonderen eigendom
heeft in werkelijkheid het individualisme geschaad en verduisterd,
doordat men den mensch is gaan verwarren met wat hij bezit. Het heeft het
individualisme volkomen op een dwaalspoor gevoerd. Het heeft materiëele
winst inplaats van eigen groei tot zijn doel gemaakt. Zoodat de mensch is
gaan denken dat het ding waar het op aankomt, is te hebben, en vergat dat
het is te zijn. De ware vervolmaking van den mensch ligt niet in wat hij
heeft, maar in wat hij is. De bijzondere eigendom heeft het waarachtige
individualisme vernield en er een valsch individualisme voor in de plaats
gesteld. Hij heeft het éene deel van de gemeenschap afgesloten van de
mogelijkheid zich individueel te ontwikkelen, door hen uit te hongeren,
het andere deel door hen op den verkeerden weg te brengen en te overladen.
Ja, zoo volkomen is der menschen persoonlijkheid verdrongen door zijn
bezittingen, dat de Engelsche wet steeds beleedigingen tegen iemands
eigendom veel strenger gestraft heeft dan beleedigingen tegen zijn
persoon, en eigendom is altijd nog de eerste voorwaarde voor volkomen
burgerschap. De inspanning, noodig voor het maken van fortuin, is ook
zeer veronzedelijkend. In een gemeenschap als de onze, waar eigendom
meêbrengt onbeperkte onderscheiding, maatschappelijken stand, eer,
aanzien, titels en andere dergelijke aangename zaken, maakt de mensch die
van nature eerzuchtig is, het zijn doel dezen eigendom op te stapelen, en
gaat daar rust-en vreugdeloos meê door, al heeft hij sinds lang veel meer
dan hij noodig heeft of gebruiken kan of genieten of mogelijk zelfs
berekenen. De mensch is bereid zich dood te werken om zich eigendom te
verzekeren, en als men de matelooze voordeelen overweegt, die eigendom
aanbrengt, kan ons dat moeilijk verwonderen. Betreuren moet men dat de
maatschappij op zulke grondslagen is opgebouwd, dat des menschen leven in
kanalen wordt gestuwd, waarin hij niet vrijelijk ontwikkelen kan wat
wonderdadig en aandachtboeiend en vreugdewekkend in hem is, waarin hij
feitelijk alle waarachtige levensvreugde en levensgenot moet verzaken.
Ook is hij, onder de heerschende voorwaarden, weinig zeker van zijn
bestaan. Een schatrijk koopman is soms, of liever vaak, van oogenblik tot
oogenblik overgeleverd aan de willekeur van dingen die hij niet voorkomen
kan. Als de wind een streek of wat te fel blaast, als het weêr plotseling
omslaat, of door een ander nietig toeval, kan zijn schip vergaan, zijn
berekeningen falen, en hij zelf is opeens een arm man, vervallen van zijn
maatschappelijke stelling. Welnu, niets mag een mensch kunnen schaden dan
hij zelf. Niets behoort bij mogelijkheid een mensch te kunnen uitschudden.
Wat een mensch in werkelijkheid bezit, is binnen in hem. Wat buiten hem
is, behoort een ding van geen belang voor hem te zijn.

Met de afschaffing van den bijzonderen eigendom zullen wij dan een
waarachtig, schoon en gezond individualisme krijgen. Niemand zal zijn
leven verdoen met de opstapeling van doode dingen of den schijn daarvan.
De mensch zal leeren leven. En leven is het uitgelezenste ter wereld. De
meeste menschen doen niet meer dan bestaan.

Het is de vraag of wij ooit de volle uitleving eener persoonlijkheid
hebben gezien behalve op de verbeeldingsvelden der kunst. In het
handelend leven hebben wij dat zeker nooit. Caesar, zegt Mommsen, was de
volledige en volkomen mensch. Maar hoe noodlottig gevaarlijk was Caesar's
stelling! Overal waar een mensch gezag oefent, verzet zich een tweede
mensch tegen dat gezag. Caesar was zeer volkomen, maar zijn volkomenheid
bewandelde te onveilige wegen. Marcus Aurelius was de volkomen mensch,
zegt Renan. Toegegeven: de groote keizer was een volkomen mensch. Maar
hoe onduldbaar waren zijn eindelooze verplichtingen. Hij waggelde onder
den last van de wereldheerschappij. Hij was zich bewust dat geen eenling
opgewassen was tegen den druk van dien Titanischen, overgeweldigen
rijksbal. Wat ik versta onder een volkomen mensch is iemand die zich
ontwikkelen kan onder volmaakt gunstige omstandigheden; iemand die niet
bloot staat aan verwonding, aan kwelling, of krenking, iemand voor wien
geen gevaar bestaat. De meeste groote persoonlijkheden zijn gedwongen
opstandelingen geweest. De helft van hun kracht is verkwist in wrijving.
Byron's persoonlijkheid, bijvoorbeeld, werd schrikkelijk geteisterd door
zijn strijd met de stompzinnigheid en huichelarij en Philistijnschheid
der Engelschen. Zulk een strijd verhoogt niet altijd iemands kracht, vaak
brengt hij tot overdrijving van zwakheden. Byron was nooit bij machte ons
te geven wat hij ons had kunnen schenken. Shelley kwam er beter af.
Evenals Byron ging hij zoo gauw hij kon Engeland uit. Maar hij was niet
zoo algemeen bekend. Als de Engelschen hadden kunnen denken welk een
groot dichter hij in werkelijkheid was, zoûden zij hem met hand en tand
te lijf zijn gegaan en zijn leven zoo ondragelijk mogelijk hebben gemaakt.
Maar hij was geen opvallende figuur in de samenleving, en daarom kwam hij
er heel wat beter af. Toch is zelfs bij Shelley de toon van opstandigheid
van tijd tot tijd te sterk. De toon van de volmaakte persoonlijkheid is
niet een van opstandigheid, maar van vrede.

Het zal iets wonderbaarlijks zijn, de waarachtige persoonlijkheid der
menschen, als wij haar te zien krijgen. Zij zal natuurlijk en eenvoudig
opgroeien, als een bloem of een boom groeit. Zij zal met niets in
tweedracht zijn. Zij zal nooit betoogen of betwisten. Zij zal niets
trachten te bewijzen. Zij zal alles weten. Toch zal zij zich niet druk
maken met kennis. Zij zal in het bezit zijn van de wijsheid. Haar waarde
zal niet gemeten worden naar materiëelen maatstaf. Zij zal niets bezitten.
En toch zal alles het hare zijn, en wat men haar ook ontneemt, haar
rijkdom zal onvervreemdbaar blijken. Zij zal zich niet voortdurend
bemoeien met anderen, of dien anderen vragen aan haar gelijk te zijn. Zij
zal hen liefhebben om hun verscheidenheid. En toch, al zal zij zich niet
met de anderen bemoeien, zij zal allen steunen en helpen, zooals iets
schoons ons helpt door te zijn wat het is. De persoonlijkheid des
menschen' zal wonderwerkend zijn, even wonderwerkend als de
persoonlijkheid eens kinds.

In hare ontwikkeling zal zij bijgestaan worden door het Christendom, als
de menschen het verlangen; maar mochten de menschen dat niet begeeren,
dan zal zij zich daarom niet minder ontwikkelen. Want zij zal niet tobben
over het verleden, en zich niet bezorgd maken of bepaalde dingen
werkelijk gebeurd zijn of niet. Ook zal zij geen wetten dulden dan haar
eigen wetten, en geen gezag dan haar eigen gezag. Maar wel zal zij
diegenen beminnen, die haar trachtten op te kweeken en te versterken. En
van dezen is Christus éen geweest.

"Ken u-zelf," stond geschreven boven de poorten der oude wereld. Boven
die der nieuwe wereld zal men schrijven: "Wees u-zelf." En ook de
boodschap van Christus aan den mensch was eenvoudig: "Wees u-zelf." Dat
is de geheimspreuk van Christus.

Wanneer Christus van de armen spreekt, bedoelt hij eenvoudig
persoonlijkheden, zooals hij met de rijken van wie hij spreekt, enkel
menschen aanduidt, die hun persoonlijkheden nog niet hebben ontwikkeld.
Jezus bewoog zich in een gemeenschap, die de opeenhooping van den
bijzonderen eigendom toeliet, evenals de onze, en het evangelie dat hij
predikt, was niet dat het in zoo een gemeenschap een voordeel voor iemand
is van karig ongezond voedsel te leven, voddige ongezonde kleêren te
dragen, in afschuwelijke ongezonde behuizingen te slapen, en een nadeel
om onder gezonde, aangename en voegzame voorwaarden te leven. Zulk een
beschouwing zoû door en door verkeerd geweest zijn, evenals zij
natuurlijk nu in Engeland nog verkeerder wezen zoû. Want hoe meer de
mensch zich in Noordelijke richting beweegt, worden de materiëele
behoeften van des te grooter levensbelang, en onze samenleving is
oneindig verwikkelder en vertoont veel grooter uitersten van weelde en
verarming dan eenige samenleving der oude wereld. Wat Jezus bedoelde was
dit. Hij zeide tot de menigte: "Gij bezit een wonderdadige
persoonlijkheid. Ontwikkel haar. Wees u-zelf. Verbeeld u niet, dat uw
vervolmaking ligt in het opstapelen of bezitten van uitwendige dingen.
Wat gij zoekt is binnen in u. Als gij dit slechts kondt beseffen, zoûdt
gij niet begeeren rijk te zijn. Wat men gewoonlijk onder rijkdom verstaat,
kan iemand ontstolen worden. Werkelijke rijkdom kan dat niet. In de
schatkamer uwer ziel zijn oneindig kostbare dingen die u niet ontvreemd
kunnen worden. Beproef daarom uw leven zoo in te richten, dat uitwendige
dingen u niet kunnen schaden. En beproef ook u te ontslaan van
persoonlijken eigendom. Want persoonlijke eigendom brengt minderwaardige
beslommering mede, eindelooze bezigheid, onophoudelijk onrecht, en
belemmert het individualisme bij elken stap." Het verdient de aandacht
dat Jezus nooit zegt dat verarmde menschen noodzakelijk goed zoûden zijn,
of welgestelde menschen noodzakelijk slecht. Dat zoû niet de waarheid
zijn geweest. Welgestelde menschen zijn, als klasse, beter dan verarmde
menschen, zedelijker, intellectueeler, beter van gedragingen. Er is maar
éen klasse in de gemeenschap, die meer om geld denkt dan de rijken, en
dat zijn de armen. De armen kunnen nergens anders om denken. Dat is de
ellende van het arm-zijn. Wat Jezus wel zegt, is, dat de mensch zijn
vervolmaking niet bereikt door wat hij heeft, zelfs niet door wat hij
doet, maar enkel en alleen door wat hij is. Zoo wordt de rijke jongeling
die tot Jezus komt, voorgesteld als een door en door goed burger, die
zich tegen geen der wetten van den staat bezondigd heeft, tegen geen der
voorschriften van zijn godsdienst. Hij is volkomen "achtenswaardig," in
de gewone beteekenis van dat buitengewone woord. Jezus zegt tot hem:
"Geef den bijzonderen eigendom op. Het belemmert u uwe vervolmaking te
verwezenlijken. Hij is een blok aan uw been, een overlast. Uw
persoonlijkheid heeft hem niet van noode. Binnen in u, en niet buiten u
zult gij vinden wat gij in werkelijkheid zijt en wat gij werkelijk
behoeft." Tot zijn jongeren zegt hij hetzelfde. Hij vermaant hen zich-
zelf te zijn, en zich niet voortdurend af te geven met andere duigen. Wat
komen andere dingen er op aan? De mensch is volledig in zich-zelven. Als
zij de wereld ingaan, zal de wereld met hen overhoop liggen. Dit is
onvermijdelijk. De wereld haat alle individualisme. Maar dat mag hen niet
storen. Zij moeten rustig blijven en bij zich-zelf bepaald. Als iemand
hun rok neemt, moeten zij hem ook hun mantel geven, enkel om te toonen
dat materiëele dingen van geen belang zijn. Als de menschen hen honen,
mogen zij hun niet antwoorden. Wat beteekent hoon? Wat de menschen van
iemand zeggen, verandert hem niet. Hij blijft wat hij is. De openbare
meening is van niet de minste waarde. Zelfs wanneer de menschen
handtastelijk geweld gebruiken, mogen zij niet op hun beurt gewelddadig
zijn. Dat zoû afdalen zijn tot dezelfde laagte. Wel beschouwd, kan iemand
zelfs in de gevangenis volkomen vrij zijn. Zijn ziel kan vrij zijn. Zijn
persoonlijkheid onverstoord. Hij kan in vrede zijn. En bovenal mogen zij
niet bemoeizuchtig zijn tegenover anderen of dezen in het minst
veroordeelen. Persoonlijkheid is een zeer geheimzinnig iets. Een mensch
kan niet steeds geschat worden naar wat hij doet. Het is mogelijk dat hij
de wet betracht en toch een onwaardige is. Hij kan de wet overtreden en
toch een edele natuur zijn. Hij kan slecht zijn zonder ooit iets slechts
te doen. Hij kan zondigen tegen de maatschappij, en toch door die zonde
zijn waarachtige vervolmaking verwezenlijken.

Daar was een vrouw die betrapt werd op overspel. Men verhaalt ons haar
liefdesgeschiedenis niet, maar haar liefde moet zeer groot geweest zijn;
want Jezus zeide dat haar zonden haar vergeven waren niet omdat zij
berouw toonde, maar omdat haar liefde zoo sterk en zoo wonderbaarlijk was.
Een tijd later, kort vóor Jezus' dood, toen hij aanzat aan een feestmaal,
kwam die vrouw binnen en stortte kostelijk reukwerk op zijn haren. Zijn
jongeren trachtten haar terecht te wijzen en zeiden dat het een
buitensporigheid was, en dat de prijs van het reukwerk beter besteed ware
geweest aan weldadigen onderstand van behoeftigen, of aan iets dergelijks.
Jezus deelde hun opvatting niet. Hij wees er op dat de stoffelijke
behoeften van den mensen wel groot waren en onafgebroken, maar dat de
geestelijke behoeften der menschen nog grooter waren, en dat in een enkel
goddelijk oogenblik en door haar eigen wijze van uiting te kiezen een
persoonlijkheid haar volmaaktheid kon bereiken. De wereld aanbidt nog
altijd deze vrouw als een heilige.

Ja, daar schuilen groote mogelijkheden in het individualisme. Zoo
ontneemt, bijvoorbeeld, het socialisme aan het familieleven zijn
beteekenis. Met de afschaffing van den bijzonderen eigendom moet het
huwelijk in zijn huidigen vorm verdwijnen. Het behoort tot het program.
Het individualisme neemt het over en verwerkt het tot iets schoons. Het
zet de afschaffing van den wettelijken band om in een vrijheid die de
volle ontwikkeling der persoonlijkheid slechts zal kunnen baten, en die
de liefde van man en vrouw wonderdadiger, schooner, veredelender maken
zal. Jezus wist dit al. Hij verwierp de verplichtingen van het
familieleven, ofschoon zij in de gemeenschap van zijn dagen sterk op den
voorgrond traden.

"Wie is mijn moeder? Wie zijn mijne broeders?" vroeg hij, toen men hem
zeide dat zij hem zochten. Toen iemand, die hem volgen wilde, hem
vergunning vroeg om eerst zijn vader te gaan begraven, was zijn
vreeselijk antwoord: "Laat de dooden hunne dooden begraven." Hij kon er
niet inkomen dat eenig beslag zoû gelegd worden op iemands
persoonlijkheid.

Zoo dan is hij die een leven leiden wil in den geest van Christus, de man
die volkomen en volstrekt zich-zelf is. Hij kan een groot dichter zijn,
of een man van wetenschap, of een jong student aan de hoogeschool, of een
die schapen hoedt op de heide; of een schepper van drama's als
Shakespeare, of een peinzer over God als Spinoza; of een kind dat speelt
in een tuin, of een visscher die zijn net uitwerpt in de zee. Het komt er
niet op aan wat hij is, als hij maar de vervolmaking verwezenlijkt van de
ziel die in hem is. Alle navolging zoowel op zedelijk gebied als in het
leven is verkeerd. Door de straten van Jerusalem kruipt op den huidigen
dag een krankzinnige rond met een houten kruis op zijn schouders. Hij is
een voorbeeld van de levens die door navolging worden verdorven.

Toen le Père Damien[1] uitging om onder de melaatschen te leven, handelde
hij in den geest van Christus, omdat hij in zulk een dienst het beste wat
in hem was, ten volle verwezenlijkte. Maar niet méer in den geest van
Christus dan Wagner toen hij zijn ziel verwezenlijkte in muziek, of dan
Shelley toen hij zijn ziel verwezenlijkte in gezang.

Er bestaat niet éen enkele typos voor den mensch. Er zijn evenveel
volmaaktheden als er onvolmaakte menschen zijn. Aan de eischen der
liefdadigheid kan men toegeven en toch vrij man blijven, maar voor de
eischen der eenvormigheid kan niemand zwichten zonder zijn vrijheid
algeheel te verliezen.

Het is dus individualisme, waartoe wij door het socialisme zullen moeten
geraken. Als een natuurlijk gevolg moet de staat alle denkbeeld van
bestuur opgeven. Dit is noodzakelijk, omdat, zooals eens een wijsman
eeuwen voor Christus zeide, het bestaanbaar is de menschheid aan zich-
zelf over te laten, maar onbestaanbaar de menschheid te besturen. Alle
wijzen van bestuur zijn mislukkingen. Despotisme is onrechtvaardig
tegenover iedereen, den despoot meegerekend, die waarschijnlijk voor iets
beters geschapen was. Oligarchieën zijn onrechtvaardig tegenover de
meerderheid, ochlokratieën tegenover de minderheid. Groote verwachtingen
koesterde men eens van de demokratie, maar de demokratie bedoelt niets
anders dan het afbeulen van het volk door het volk voor het volk. Ook
daar is men achtergekomen. Het werd tijd ook; want alle gezag is
volstrekt vernederend. Het vernedert hen die het uitoefenen, evengoed als
hen over wie het wordt uitgeoefend. Wanneer men het gewelddadig, grof en
wreed aanwendt, heeft het éen goede uitwerking, dat het schept, of in elk
geval aan den dag brengt, den geest van verzet en het individualisme dat
bestemd is het te dooden. Wanneer het aangewend wordt met een zekere
mate van zachtzinnigheid, en er prijzen en beloonigen bijkomen, werkt
het schrikkelijk veronzedelijkend. De menschen zijn zich in dat geval
minder bewust welk een afschuwelijke druk op hen wordt gelegd, en gaan
hun leven door in een soort grofzinnige gemakzucht, als vertroetelde
huisdieren, zonder ooit te beseffen dat zij waarschijnlijk andermans
gedachten denken, leven naar andermans maatstaf, eigenlijk andermans af
gelegde kleêren dragen, en nooit een enkel oogenblik zich-zelf zijn.
"Wie vrij wil zijn," zegt een beproefd denker, "moet zich niet
aanpassen." En gezag koopt de menschen om tot aanpassen en brengt zoo
een zeer bruut soort barbarendom onder ons voort.

Samen met gezag zal straf verdwijnen. Dit zal een groote winst zijn, een
winst van onberekenbare waarde. Wanneer men de geschiedenis leest, niet
in de gecastreerde uitgaven voor schoolkinderen en leeken, maar in de
oorspronkelijke bronnen van elk tijdvak, walgt men niet van de misdaden
die de slechten hebben bedreven, maar van de straffen, die de deugdzamen
hebben toegepast, en een gemeenschap wordt oneindig meer verbruut door
de geregelde toepassing van straf dan door het mogelijke voorkomen van
misdaad. Klaarblijkelijk volgt hieruit, dat hoe meer men straf toepast,
des te meer misdaad in 't leven wordt geroepen, en de moderne wetgeving
heeft meerendeels dit helder ingezien en het haar taak gemaakt de straf
te verminderen voorzoover zij dat mogelijk oordeelt. Overal waar zij
strafvermindering heeft doorgevoerd, is men tot uitnemende gevolgen
gekomen. Hoe minder straf, hoe minder misdaad. Wanneer er heelemaal geen
straf meer zal zijn, zal de misdaad òf ophouden te bestaan, òf, als zij
voorkomt, zal zij door geneesheeren behandeld worden als een zeer
bedroevende vorm van waanzinnigheid, die men met zachtzinnige verzorging
moet trachten te genezen. Want wat men tegenwoordig misdadigers noemt,
zijn in 't geheel geen misdadigers. Uithongering, en niet zonde, is de
moeder der moderne misdaad. Dat is in den grond de reden waarom onze
misdadigers, als klasse, uit geen enkel psychologisch oogpunt eenigszins
belangwekkend zijn. Het zijn geen verbazingwekkende of verschrikkelijke
persoonlijkheden als een Macbeth of een Vautrin. Zij zijn enkel wat
gewone, fatsoenlijke, alledaagsche menschen zouden zijn, als zij niet
genoeg te eten hadden. Wanneer de bijzondere eigendom zal zijn
afgeschaft, zal er geen noodzakelijkheid tot misdaad bestaan, er zal
geen vraag naar zijn, en zij zal dus ophouden voor te komen. Natuurlijk
zijn niet alle misdaden vergrijpen tegen den eigendom, hoewel dit de
misdaden zijn, die de Engelsche wet, welke hooger schat wat een mensch
heeft dan wat hij is, met de wreedste en afschuwelijkste strengheid
straft (met uitzondering van moord, indien wij tenminste de doodstraf
als iets ergers beschouwen dan dwangarbeid, waarover de gevoelens onzer
misdadigers, meen ik, uiteenloopen). Maar een misdaad behoeft niet
onmiddellijk tegen den eigendom gericht te zijn om toch te kunnen
voortkomen uit ellende en blinde woede en neêrgedruktheid, verwekt door
ons verkeerd systeem van vermogensbezit, en ook die soort zal dus, als
het systeem wordt afgeschaft, verdwijnen. Wanneer een lid der
gemeenschap zijn behoeften zal kunnen bevredigen, en niet door zijn
buurman wordt lastig gevallen, kan hij er geen belang bij hebben om
iemand anders lastig te vallen. Naijver, die bij uitstek een bron van
misdaad is in het moderne leven, is een aandoening die in nauw verband
staat met onze opvattingen van den eigendom en zal onder de heerschappij
van socialisme en individualisme van-zelf uitsterven. Het is
opmerkenswaardig dat bij communistische stammen naijver volslagen
onbekend is.

Men kan vragen wat de staat, nu hij niet zal behoeven te regeeren, dan
zal te doen hebben. De staat behoort een vrijwillige bond te zijn ter
organisatie van den arbeid en op te treden als fabrikant en leverancier
der noodzakelijke gebruiksartikelen. De staat krijgt te maken wat nuttig
is, het individu wat schoon is. En nu ik het woord arbeid genoemd heb,
kan ik niet nalaten er op te wijzen hoe tegenwoordig een hoop onzin
geschreven en verkondigd wordt over de waardigheid van handenarbeid. Daar
is volstrekt niets noodzakelijk waardigs in handenarbeid en meerendeels
is hij beslist vernederend. Het is geestelijk en zedelijk krenkend voor
den mensch om iets te doen, waarin hij geen vreugde vindt, en vele vormen
van handenarbeid zijn volkomen vreugdelooze bezigheden, en behooren als
zoodanig te worden beschouwd. Acht uur lang op een dag een modderigen
verkeersweg aan te bezemen, onder het blazen van den Oostenwind, is een
walgingwekkende bezigheid. Dat te doen met geestelijke, zedelijke of
physieke waardigheid komt mij onmogelijk voor. Het met blijdschap te zien
doen zoû verbijsterend zijn. De mensch is voor iets beters geschapen dan
het opjagen van vuilnis. Alle dergelijk werk behoort door machines te
geschieden.

En ik twijfel er niet aan of het zal zoo komen. Tot nu toe is de mensch
in zekere mate de slaaf der machine geweest, en daar is iets noodlottigs
in het feit, dat, zoodra de mensch een machine had uitgevonden om zijn
werk te doen, hij zelf begon gebrek te lijden. Dit is echter een
natuurlijk gevolg van ons eigendomssysteem en ons concurrentiesysteem.
Eén mensch bezit een machine die het werk doet van vijfhonderd andere
menschen. Deze vijfhonderd worden als gevolg op straat gezet, en daar zij
geen werk vinden, krijgen zij honger en vervallen tot stelen. De éene man
verzekert zich de opbrengst van de machine en houdt die voor zich, en
heeft dan vijfhonderd maal zooveel als hij behoorde te hebben, en
waarschijnlijk, wat belangrijker is, heel wat meer dan hij in
werkelijkheid gebruiken kan. Indien die machine de eigendom van allen was,
zoû iedereen er voordeel van hebben. Alle niet-intellectueele arbeid,
alle eentonige, vervelende arbeid, alle arbeid die te maken heeft met
weêrzinwekkende dingen en onaangename toestanden meêbrengt, moet door
machines verricht worden.

Machines moeten voor ons werken in de kolenmijnen, en den geheelen
sanitairen dienst verrichten, en stokers zijn op stoombooten, en de
straten reinigen, en boodschappen doen op regendagen en alle werk
bedrijven, dat vervelend en naargeestig is. Op het oogenblik concurreeren
de machines met den mensch. Onder behoorlijke omstandigheden zullen zij
den mensch dienen. Het valt niet te betwijfelen of dit is haar toekomst,
en volkomen als de boomen groeien terwijl de landeigenaar slaapt, zoo
zullen de machines alle noodzakelijke en onaangename werk doen, terwijl
de menschheid zich vermaakt of door cultuur verfijnde ontspanning geniet
(wat meer dan eenige arbeid het doel behoort te zijn van den mensch), of
bezig is schoone zaken te vervaardigen of schoone dingen te lezen of
eenvoudig de wereld met bewondering en genot te aanschouwen. Het feit is
dat beschaving slaven noodig maakt. De Grieken hadden op dit punt een
juist inzicht. Als er geen slaven voorhanden zijn om het terugstootende,
afschuwwekkende, oninteressante werk te doen, wordt cultuur en
levensbespiegeling zoo goed als onmogelijk. Slavernij van menschen is
verkeerd, gevaarlijk en veronzedelijkend. Van de mechanische slavernij,
de slavernij der machines, hangt de toekomst der wereld af. En wanneer
wetenschappelijke mannen niet langer opgeroepen worden om in een
naargeestig East End slechte cacao te gaan uitdeelen en nog slechtere
dekens aan uitgehongerde menschen, zullen zij een genotvollen vrijen tijd
winnen om wonderdadige en verbazingwekkende dingen uit te denken tot hun
eigen verheuging en die van al de anderen. Er zullen groote
stapelplaatsen van kracht zijn in elke stad, voor elk uur waarop men
kracht noodig heeft, en deze kracht zal de mensch omzetten in warmte,
licht of beweging, overeenkomstig zijn behoeften. Luidt dit utopisch? Een
wereldkaart die Utopia niet in zich sluit, is het bekijken niet waard,
want zij laat het eenige land weg, waar de menschheid telkens weêr landt.
En na de landing kijkt men weder uit, en ziet weer een beter land en gaat
daarheen onder zeil. De vooruitgang is de bemachtiging van het éene
Utopia na het andere. Zooals ik dan gezegd heb, zal de gemeenschap door
middel van een georganiseerden machinedienst gebruiksartikelen leveren,
en zullen de schoone dingen gemaakt worden door het individu. Dit is
behalve de noodzakelijke, tevens ook de eenig mogelijke weg om aan beide
of van éen van beide te geraken. Een individu dat dingen te maken krijgt
voor het gebruik van anderen en op dezer behoeften en wenschen te letten
heeft, kan zijn werk niet vervullen met die belangstelling waardoor hij
het beste dat hij in zich heeft in zijn werk leggen kan. Zoo vaak, aan
den anderen kant, een gemeenschap of een machtig deel daarvan of een of
andere regeering aan den kunstenaar tracht voor te schrijven wat hij te
doen heeft, dan gaat de kunst of geheel teloor, of verstart in vormen, of
ontaardt tot een lagen en onedelen vorm van handwerk. Een kunstwerk is
een op zich-zelf eenige uitkomst van een op zichzelf eenigen
gemoedsaanleg. Zijn schoonheid komt voort uit het feit, dat zijn maker is
wat hij is. Het heeft niets te maken met het feit dat andere menschen
behoeven wat zij behoeven. Van het oogenblik af dat een kunstenaar gaat
letten op wat andere menschen behoeven, en de navraag tracht tegemoet te
komen, houdt hij feitelijk op kunstenaar te zijn, en wordt een vervelend
of vermakelijk handwerksman, een eerlijk of een oneerlijk koopman. Hij
verliest zijn recht als kunstenaar te worden aangemerkt. De kunst is de
meest felle uitingswijze van het individualisme die de wereld tot nu
beleefd heeft, bijna zoû ik zeggen: de eenige wezenlijke uitingswijze. De
misdaad, die onder bepaalde omstandigheden een schijn van
individualistisch scheppingsvermogen vertoont, moet kennis nemen van
anderen en zich met hen bemoeien. Zij behoort tot de sfeer der handeling.
Maar alleen, buiten verband met zijn buren, zonder zich met iemand in te
laten, kan de kunstenaar schoonheid beelden; als hij het niet uitsluitend
voor zijn eigen genot doet, is hij volstrekt geen kunstenaar.

Het verdient de aandacht dat de kunst juist zulk een felle vorm van
individualisme is, dat het publiek niet na kan laten te beproeven een
gezag over haar uit te oefenen, dat even onzedelijk als belachelijk is,
en even verderfelijk als verachtelijk. Het is niet geheel de schuld van
het publiek. Men heeft het publiek steeds in alle eeuwen slecht opgevoed.
Het vraagt voortdurend van de kunst populair te zijn, zijn gebrek aan
smaak te streelen, zijn ongerijmde ijdelheid te vleien, het te vertellen
wat het al duizendmaal gehoord heeft, het te vertoonen wat het al lang
moede behoorde te zijn om te zien, het te vermaken wanneer het zich
bezwaard gevoelt door een te rijkelijk maal, zijn gedachten te
verstrooien als het beu is van zijn eigen stompzinnigheid. Maar de kunst
behoort nooit naar populariteit te streven. Het publiek behoort te
trachten zelf kunstzinnig te worden. Dat maakt een groot verschil. Indien
men een wetenschappelijk man zoû aanzeggen dat de uitkomsten zijner
onderzoekingen en de gevolgtrekkingen waar hij toe komt, van dien aard
behoorden te zijn, dat zij de eenmaal aangenomen volksbegrippen
dienaangaande niet zoûden omverwerpen, of het volksvooroordeel niet
aantasten, of de gevoeligheden niet kwetsen van menschen die niets van de
wetenschap afwisten; of indien men bij een wijsgeer met het verhaal
aankwam dat hij volkomen vrijheid had in de hoogste sferen der gedachte
zijn stelselen op te bouwen, op voorwaarde dat hij tot dezelfde
uitkomsten geraken zoû als die gelden bij hen die nooit in eenige sfeer
hebben nagedacht, dan geloof ik dat tegenwoordig de man der wetenschap en
de wijsgeer daar hartelijk om zoûden lachen. Toch is het nog niet eens
zooveel jaren geleden dat zoowel wijsbegeerte als wetenschap onderworpen
waren aan een bruut-optredend toezicht van het publiek, met andere
woorden aan gezag: gezag van de heerschende onwetendheid der gemeenschap,
gezag van de vrees en machtzucht van een of andere kerkelijke of
regeerende klasse. Als elk weet, zijn wij thans grootendeels gevrijwaard
voor elken aanslag van de zijde van gemeenschap, kerk of regeering om het
individualisme der speculatieve gedachte te hinderen, maar de zucht om
het individualisme der verbeeldingskrachtige kunst te dwarsboomen hangt
nog steeds in de lucht. Of liever, zij gaat verder, zij treedt aanvallend,
beleedigend en bruut-hinderlijk op.

De kunsten die er in Engeland het best zijn afgekomen, zijn de kunsten
waarin het publiek geen belang stelt. De dichtkunst is een voorbeeld van
wat ik bedoel. Het is mogelijk geweest hier in Engeland uitnemende
dichtkunst te hebben, omdat het publiek geen gedichten leest en
dientengevolge er geen invloed op uitoefent. Het publiek bemint het,
dichters te smaden omdat zij individualisten zijn, maar als dat eenmaal
gelukt is, laat het hen aan hun lot over. Inzake roman en drama, kunsten
waarin het publiek wel belang stelt, is de uitkomst van de gezagsoefening
van het publiek in éen woord belachelijk geweest. Geen land brengt zoo
slecht geschreven belletrie voort, zoo vervelend en geesteloos werk in
romanvorm, zulke kinderachtige laag-bij-den-grondsche tooneelspelen. Het
kan ook niet anders. Het peil van het publiek is van dien aard, dat geen
kunstenaar het bereiken kan. Het is tegelijkertijd te gemakkelijk en te
bezwaarlijk om populair romanschrijver te zijn. Het is te gemakkelijk,
omdat de eischen van het publiek wat aangaat opzet, stijl, zielkundige
behandeling, levensgetrouwheid, literaire waarde binnen het bereik van de
goedkoopste vaardigheid en den meest onontwikkelden geest vallen. Het is
te bezwaarlijk, omdat de kunstenaar, ten einde aan zulke eischen te
beantwoorden, zoû moeten schrijven niet om het kunstgenot van het
schrijven, maar voor het vermaak van half-opgevoede menschen, en daarom
zijn individualiteit zoû moeten onderdrukken, zijn cultuur vergeten, zijn
stijl vernietigen, en alles prijsgeven wat waardevol in hem is. Met het
drama staat het een beetje beter. Het publiek dat naar den schouwburg
gaat, houdt wel is waar van ordinaire kost, maar wil zich niet laten
vervelen, en boert en klucht, de meest beminde genres, zijn bepaalde
kunstvormen. Op dit gebied kan verkwikkelijk werk worden geleverd, en in
dit soort werk laat men den kunstenaar in Engeland zeer groote vrijheid.
Pas in de hoogere vormen van het drama ziet men de slechte uitwerking van
den volksinvloed. Waar het publiek bovenal afkeer van heeft, is het
nieuwe. Iedere poging om het stof-gebied der kunst uit te breiden is het
publiek uiterst onaangenaam; en toch hangt van de voortdurende
uitbreiding daarvan de levensvatbaarheid en vooruitgang der kunst in
ruime mate af. Het publiek wil niet aan het nieuwe omdat zij er bang van
zijn. Het geldt bij hen voor een uitingswijze van individualisme, een
beslaglegging van de zijde van den kunstenaar op het recht zijn eigen
onderwerp te kiezen en dat te behandelen zooals hem goeddunkt. Deze
houding van het publiek is volkomen verklaarbaar. Kunst is individualisme,
en individualisme is een verstorende en ontwrichtende kracht. Daarin ligt
zijn onberekenbare waarde. Want wat het zoekt te verstoren, is de
eentonigheid van den typos, de slaafschheid der gewoonte, de tyrannie van
het gebruik, het nederhalen van den mensch naar het peil van een werktuig.
Op kunstgebied slikt het publiek wat eenmaal geweest is, omdat zij het
niet kunnen veranderen, niet omdat zij het waardeeren. Hun klassieken
zwelgen zij door met huid en haar zonder hen ooit te smaken. Zij dulden
hen als onvermijdelijk, en daar zij hen niet kunnen knauwen, zetten zij
een grooten mond over hen op. Vreemd genoeg, of niet vreemd, naar het
standpunt dat men kiest, sticht dit aannemen der klassieken een hoop
kwaad. De critieklooze bewondering van den Bijbel en van Shakespeare in
Engeland is daar een voorbeeld van. Bij de bijbelbewondering behoef ik
niet stil te staan, omdat kerkelijk gezag daarbij in beschouwing komt.
Maar in het geval Shakespeare ligt het voor de hand, dat het publiek in
werkelijkheid de schoonheden noch de gebreken zijner tooneelspelen ziet.
Als zij de schoonheden zagen, zoûden zij niets tegen de vrije
ontwikkeling van het drama hebben; en als zij de gebreken zagen, zoûden
zij daar evenmin iets tegen hebben. Het feit is dat het publiek de
klassieken in een land gebruikt als middel om den vooruitgang der kunst
te dwarsboomen. Zij verlagen de klassieken tot gezagdragers. Zij
gebruiken hen als ploertendooders om den nieuwen vorm eener vrije
schoonheidsuiting den kop in te slaan. Zij vragen een schrijver altijd
waarom hij niet schrijft als iemand anders, of een schilder waarom hij
niet schildert als iemand anders, en begrijpen niet dat iets dergelijks
doen niet kan samengaan met het wezen van een kunstenaar. Een geheel
nieuwe schoonheidsuiting is iets waar zij volstrekt niet tegen kunnen, en
zoo vaak zij aan den dag komt, raken zij zoo geprikkeld en overstuur, dat
zij altijd twee aartsdomme uitdrukkingen bezigen: het kunstwerk heet dan
òf ergerlijk duister òf ergerlijk onzedelijk. Ik geloof dat zij hier het
volgende mede bedoelen. Als zij zeggen, dat een kunstwerk erg duister is,
bedoelen zij dat de kunstenaar iets schoons geuit of gemaakt heeft, dat
tevens nieuw is; wanneer zij een kunstwerk voor erg onzedelijk uitmaken,
bedoelen zij dat de schoone kunstuiting meteen reëel waar is. De eerste
uitdrukking slaat op den stijl, de tweede op het onderwerp. Maar
waarschijnlijk gebruiken zij de woorden zonder veel begrip, zooals een
volksoploop voor de hand liggende straatsteenen aangrijpt. Zoo is er in
deze eeuw niet éen dichter of prozaschrijver geweest, die den naam
waardig is, of het Britsche publiek heeft hem herhaaldelijk en op
plechtige wijze diploma's van onzedelijkheid uitgereikt, en zulk een
diploma vervangt hier bij ons feitelijk de formeele erkenning der
Académie in Frankrijk, zoodat de instelling van zulk een instituut hier
in Engeland gelukkig geheel overbodig is. Het spreekt van-zelf dat het
publiek in de toepassing van het woord toch geheel onberekenbaar is. Dat
zij Wordsworth een onzedelijk dichter zoûden noemen, was bepaald te
verwachten. Wordsworth was werkelijk dichter. Maar dat zij Charles
Kingsley een onzedelijk romanschrijver hebben genoemd, viel buiten allen
regel. Het proza van Kingsley was niet van zeer goede kwaliteit. Maar zij
hebben het woord nu eenmaal en passen het toe met meer of minder succes.
Een kunstenaar laat zich daardoor natuurlijk niet van de wijs brengen. De
waarachtige kunstenaar is iemand die volstrekt in zich-zelf gelooft,
omdat hij volstrekt zich-zelf is. Toch kan ik mij voorstellen dat, als
een kunstenaar in Engeland een schepping voortbracht, die onmiddellijk
bij haar verschijnen door het publiek, bij monde van zijn medium de pers,
erkend werd voor een geheel verstaanbaar en hoog zedelijk werk, die
kunstenaar zich ernstig zoû gaan afvragen of hij bij het voortbrengen
inderdaad wel zich-zelf geweest was, en of dus het werk hem misschien
niet waardig was, en iets van den tweeden rang of van niet de geringste
kunstwaarde.

Toch heb ik het publiek misschien te kort gedaan toen ik zijn
woordenschat begrensde tot "onzedelijk" en "duister." Zij hebben nog een
ander woord in gebruik, het woord "morbide." Zij wenden het niet vaak aan:
de beteekenis is zoo eenvoudig dat zij bang zijn het te gebruiken. Toch
komt het voor; nu en dan kan men het tegenkomen in populaire bladen. Het
is natuurlijk een belachelijk epitheton om op een kunstwerk toe te passen.
Want behoort niet "morbide" bij een stemming of gevoelsaandoening of
verstandswerking die men niet tot uiting brengen kan? Het geheele publiek
is morbide, omdat het nooit voor eenige zaak uiting kan vinden. De
kunstenaar is het nooit. Hij brengt alles tot uiting. Hij staat achter
zijn onderwerp en brengt daardoor als door een medium onvergelijkelijke
kunstwerkingen teweeg. Een kunstenaar "morbide" te noemen omdat hij onder
andere van morbiditeit zijn onderwerp maakt, is even lichtvaardig als
Shakespeare krankzinnig heeten omdat hij onder andere "Koning Lear"
geschreven heeft.

Per slot wint de kunstenaar in Engeland toch iets bij de aanvallen waar
hij aan bloot staat. Zijn individualiteit verscherpt zich. Hij wordt meer
volledig zich-zelf. Zooals van-zelf spreekt, zijn de aanvallen
buitengewoon grof, onbeschaamd en verachtelijk. Maar welke kunstenaar
verwacht gratie bij den gemeen-platten geest of stijl bij het intellect
onzer voorsteden? Platheid en stompzinnigheid zijn sterksprekende
feitelijkheden in het moderne leven. Men kan haar bestaan natuurlijk
betreuren. Maar zij zijn er eenmaal. Zij zijn onderwerpen van studie zoo
goed als eenig ander ding... Om eerlijk te zijn moet men toegeven dat
onze moderne journalisten iemand steeds in besloten kring verschooning
vragen voor wat zij in 't openbaar tegen hem geschreven hebben.

Het is vermeldenswaard, dat in de allerlaatste jaren twee andere
bijvoegelijke naamwoorden toegevoegd zijn aan den zeer beperkten
woordenschat, dien het publiek bij de hand heeft om de kunst te smaden.
Het éene luidt "ongezond," het tweede "exotisch". Het laatste woord
bedoelt enkel uit te drukken de verwoedheid van den paddestoel van het
oogenblik tegen de onsterfelijke hartvervoerende, uitgelezen liefelijke
orchidee. Het is een hulde, maar een hulde van geen belang. Het woord
"ongezond" echter laat zich in beteekenis ontleden. Het is geen
onbelangwekkend woord. Het is zelfs zoo belangwekkend, dat de menschen
die het gebruiken, niet weten wat het beduidt. Wat zegt men eigenlijk,
wanneer men spreekt van een gezond of een ongezond kunstwerk? Alle
benamingen die men met verstand en rede toepast op een kunstwerk, hebben
betrekking òf op den stijl òf op het behandelde onderwerp òf op beide
tegelijk. Op het punt van stijl is een gezond kunstwerk er een, waarvan
de stijl de schoonheid tot haar recht laat komen van de gebruikte
grondstof, hetzij dit woorden zijn of brons, hetzij verf of ivoor, en die
schoonheid laat bijdragen tot het voortbrengen der aesthetische werking.
Het onderwerp wordt bij een gezond kunstwerk bedongen door het
temperament van den kunstenaar, en komt daar onmiddellijk uit voort.
Kortom, een gezond kunstwerk is de zuivere uitdrukking van des
kunstenaars persoonlijkheid in een volmaakte techniek. Natuurlijk kan men
bij een kunstwerk vorm en inhoud eigenlijk niet scheiden; zij zijn altijd
éen. Maar terwille van een duidelijke ontleding kunnen wij de
ondeelbaarheid van den aesthetischen indruk een oogenblik op zij zetten
en hen in onze voorstelling scheiden. Een ongezond kunstwerk, aan den
anderen kant, is er een waarvan de stijl vlak is, ouderwetsch en
alledaagsch, en waarvan het onderwerp met overleg gekozen is, niet omdat
de kunstenaar er eenig genot in heeft, maar omdat hij denkt dat het
publiek er hem voor betalen zal. Zoo is de populaire roman dien het
publiek gezond noemt, altijd een door en door ongezond product, en wat
het publiek een ongezonden roman noemt, zonder uitzondering een schoon en
gezond kunstwerk. Ik behoef nauwelijks te zeggen dat ik er geen
oogenblik aan denk mij te beklagen over het feit, dat het publiek en de
pers deze woorden verkeerd gebruiken. Ik weet niet hoe zij, met hun
gebrekkig begrip van wat kunst is, hen bij mogelijkheid in hun juiste
waarde zoûden kunnen toepassen. Ik wijs alleen op een misbruik, en voor
den oorsprong van het misbruik en de bedoeling die er achter schuilt, is
de verklaring niet moeilijk te vinden. Het komt enkel voort uit de
barbaarsche opvatting van het begrip gezag. Het is het gevolg van de
natuurlijke ongeschiktheid van een gemeenschap die door gezag verdorven
is, om het individualisme in zijn openbaringen te verstaan of te
waardeeren. Het is, in éen woord, de werking van dat monsterachtige
onwetende ding, dat men de openbare meening noemt, dat slecht optreedt
met goede bedoelingen als het toezicht wil uitoefenen op der menschen
handelingen, maar schandelijk wordt en van de slechtste bedoelingen als
het toezicht gaat oefenen op het gebied der gedachte en der kunst.

Daar valt in den grond veel meer te zeggen voor de physieke kracht van
het publiek, dan voor zijn geestelijke meening. De eerste kan prachtig
zijn. De tweede is uitteraard dwaas. Men heeft vaak beweerd dat kracht
geen bewijs is, doch dit hangt geheel daarvan af, wat men wil bewijzen.
Vele der belangrijkste vraagstukken uit de allerlaatste eeuwen, als het
al of niet voortduren van een persoonlijke regeering in Engeland of van
het feodalisme in Frankrijk, zijn uitsluitend door tusschenkomst van
physieke kracht opgelost. Juist de gewelddadigheid eener revolutie kan
het publiek een oogenblik grandioos en schitterend laten optreden. Het
was een noodlottige dag waarop zij ontdekten dat de pen machtiger was dan
opgebroken plaveisel, en even doodelijk treffen kan als een steenworp.
Dadelijk keken zij rond naar den dagbladschrijver, vonden hem,
ontwikkelden hem, maakten hem tot hun ijverigen, goed betaalden dienaar.
Het is grootelijks te betreuren voor beide partijen. Achter de barricade
kan veel edels en heldhaftigs schuilen. Maar wat schuilt er achter het
hoofdartikel dan vooroordeel, stompzinnigheid, huichelarij en gebazel? En
die vier vereenigd vormen een vreeselijke macht, zij stellen samen het
nieuwe gezag.

Vroeger jaren had men het rad. Nu heeft men de pers. Dat is zeker een
verbetering. Toch blijkt de staat van zaken nog erg slecht en verkeerd en
veronzedelijkend. Iemand, ik geloof dat het Burke was, heeft eens het
journalisme den vierden stand genoemd. Dat was ongetwijfeld waar op dat
tijdstip. Maar op het oogenblik is het in werkelijkheid de eenige stand.
Het heeft de drie andere opgegeten. De wereldlijke Heeren zwijgen, de
geestelijke Heeren hebben niets te zeggen, en de Volksvertegenwoordiging
heeft niets te zeggen en komt er rond voor uit. Wij worden overheerscht
door het journalisme. In Amerika voert de President vier jaar regeering,
maar het journalisme blijft onafgebroken aan. Gelukkig heeft het daar
zijn gezag tot zulk een uiterste van grofheid en bruutheid opgevoerd, dat
het, als een natuurlijk gevolg, een geest van verzet tegen zich in het
leven heeft geroepen. De menschen vermaken zich er meê of ergeren zich,
naar hun uiteenloopend temperament, maar het is niet meer de
onomstootelijke macht die het was: men maakt er niet veel ernst meê. Daar
het journalisme in Engeland, behalve in enkele welbekende gevallen,
nimmer tot zulke uitspattingen gekomen is, is en blijft het een
belangrijke factor, een onontkenbaar merkwaardige macht. De tyrannie die
het zich aanmatigt te oefenen over het bijzondere leven der menschen,
lijkt mij alleszins buitengewoon. Het feit is dat het publiek een
onverzadelijke nieuwsgierigheid heeft om alles te weten behalve wat de
moeite waard is, en het journalisme is zich dat bewust, en voorziet op
koopmansmanier in de navraag.

Eeuwen geleden stelde men den publicist aan den schandpaal. Dat was zeker
afgrijselijk. In deze eeuw stellen de journalisten zich-zelf aan deurpost
en sleutelgat. Dat is heel wat erger. En wat het kwaad nog verzwaart, is
het feit dat de journalisten die meest te laken zijn, niet de
vermakelijke soort zijn, die schrijven voor onderhoudende nieuwsbladen.
De schade wordt gesticht door de gewichtige, bezonnen, ernstige
dagbladschrijvers, die op de plechtstatige, bij hen gangbare wijze voor
de oogen van het publiek aansleepen een of ander bijkomstig feit uit het
bijzondere leven van een groot staatsman, een man die een leidsman is van
de politieke gedachte evenzeer als een verwekker van politieke kracht, en
die dan het publiek uitnoodigen dat feit lang en breed te bepraten, gezag
te oefenen op zulk een aangelegenheid, hun oordeel te geven, en dat niet
alleen, maar hun oordeel in werking te stellen teneinde op alle punten
den man en zijn partij en zijn land de wet voor te schrijven; met andere
woorden: hen aanzetten om zich belachelijk te maken en beleedigend en
schadelijk. Het bijzondere leven van welken man of vrouw ook behoorde
niet openbaar gemaakt te worden. Het publiek heeft daar niets mede te
maken.

In Frankrijk bestaat voor zulke zaken een betere regel. Daar staat men
niet toe dat bijvoorbeeld de bijzonderheden van een echtscheidingsproces
openbaar gemaakt worden voor het vermaak of de oordeelvellingen van het
publiek. Al wat het publiek te weten komt is dat de scheiding werd
uitgesproken op aanvrage van éen der beide partijen. In Frankrijk stellen
zij metterdaad grenzen aan den journalist, en laten den kunstenaar bijna
volkomen vrijheid. Bij ons laat men den journalist volstrekte vrijheid,
en stelt den kunstenaar altijd grenzen. De openbare meening in Engeland,
met andere woorden, tracht ieder te belemmeren, te dwarsboomen en te
stuiten, die dingen doet, die men leelijk en ergerlijk vindt, of
eigenlijk waar de menschen aanstoot aan nemen, en het gevolg is dat wij
de meest ernstige dagbladschrijvers ter wereld hebben, en de meest
onwelvoegelijke nieuwsbladen. Zonder overdrijving kan men zeggen dat de
dagbladschrijvers hiertoe gedwongen worden. Er zijn er mogelijk enkele,
die werkelijk genoegen vinden in het openbaar maken van afschuwelijke
dingen, of die uit armoede op booze praatjes jacht maken als een
duurzamen grondslag voor een inkomen. Maar het kan niet missen of er zijn
daarnaast dagbladschrijvers, mannen van opvoeding en beschaving, die
onvermijdelijken tegenzin voelen tegen het openbaar maken van deze dingen,
die weten dat zij er verkeerd meê doen, en er alleen toe komen omdat de
ongezonde toestanden waarin hun bedrijf wordt uitgeoefend, hen dwingen
aan het publiek te leveren wat het publiek begeert, en daarbij, in
wedijver met andere dagbladen, zoo ruim en voldoende mogelijk tegemoet te
komen aan den groven volkseetlust. Het is een zeer vernederend bestaan
voor een groep mannen van opvoeding, en ik twijfel niet of de meesten
lijden eronder.

Maar laat ons van deze waarlijk zeer onverkwikkelijke zijde van het
onderwerp afscheid nemen, en terugkeeren tot het vraagstuk van
volkstoezicht inzake kunst, waarmede ik bedoel het voorschrijven aan den
kunstenaar door de openbare meening van den vorm dien hij te gebruiken
heeft, de wijze waarop hij daar gebruik van maken moet, en de
grondstoffen die hij te verwerken heeft. Ik heb er al op gewezen dat de
kunsten die er in Engeland het best zijn afgekomen, die zijn, waarin het
publiek geen belang heeft gesteld. De menschen stellen echter wel belang
in het drama, en daar er in het drama een zekere vooruitgang merkbaar is
in de laatste tien of vijftien jaren, is het de moeite waard er de
aandacht op te richten dat deze vooruitgang uitsluitend te danken is aan
enkele individueele kunstenaars, die het algemeene gebrek aan smaak
weigeren aan te nemen als eigen peilschaal en de kunst niet willen
beschouwen als een eenvoudige zaak van vraag en aanbod. Met zijn
wonderbaarlijke, levendige persoonlijkheid, met zijn voordracht die alles
kleurt en bezielt, met zijn buitengemeene macht niet over bloote
tooneelmatige nabootsing, maar over herscheppende verbeelding en
intellect, zoû Irving, indien het alleen zijn doel was geweest het
publiek te geven wat het verlangde, de ordinairste tooneelspelen hebben
kunnen opvoeren op de ordinairste manier en daaruit zooveel succes en
geld hebben kunnen slaan als iemand maar met mogelijkheid kon begeeren.
Maar dit was zijn streven niet. Zijn doel was, onder bepaalde voorwaarden
en in bepaalde kunstvormen zijn eigen vervolmaking als kunstenaar te
verwezenlijken. Eerst richtte hij zich tot de minderheid, nu heeft hij de
meerderheid opgevoed. Hij heeft in zijn publiek zoowel geest als
temperament geschapen. Dat publiek waardeert zijn kunstenaarssucces
bovenmate. Toch vraag ik mij dikwijls af of zij inzien dat dit succes
uitsluitend te danken is aan het feit dat hij hun peil niet als het zijne
aanneemt, maar hen tot het zijne opvoedde. Andersom zoû het Lyceum een
soort tweederangs-kermistent geweest zijn, zooals enkele
volksschouwburgen in Londen nu zijn. Maar hoe dit zij, het feit blijft
dat smaak en temperament in zekere mate bij het publiek zijn wakker
geroepen, en dat het dus in staat is deze eigenschappen te ontwikkelen.
Hoe komt het dan dat het publiek niet van-zelf meer beschaafd wordt?
Immers, zij hebben den aanleg. Wat houdt hen tegen?

Ik kan alleen herhalen dat zij tegengehouden worden door hun lust om over
kunstenaar en kunstwerk gezag te oefenen. Naar enkele schouwburgen,
zooals Lyceum en Haymarket, schijnt het publiek op te gaan in de
vereischte stemming. In deze beide schouwburgen heeft men individueele
kunstenaars gehad, die geslaagd zijn in hun publiek--en elke Londensche
schouwburg heeft zijn eigen--de gestemdheid levend te maken, tot welke
alle kunst zich richt. Wat gestemdheid is dat? Niets anders dan
ontvankelijkheid.

Als iemand een kunstwerk nadert met eenige bedoeling om gezag daarover en
over den kunstenaar uit te oefenen, benadert hij het in zulk een geest,
dat hij er niet den geringsten kunstindruk van ontvangen kan. Het
kunstwerk behoort den toeschouwer te beheerschen, niet de toeschouwer het
kunstwerk. De toeschouwer behoort ontvankelijk te zijn. Zijn taak is de
vedel te wezen, waarop de meester heeft te spelen. En hoe vollediger hij
onderdrukken kan zijn eigen kinderachtige inzichten, zijn eigen dwaze
vooroordeelen, zijn eigen zinlooze denkbeelden van wat de kunst al of
niet behoort te zijn, des te meer kans heeft hij het kunstwerk waar hij
tegenover staat, te verstaan en te waardeeren. Dit is natuurlijk
zonneklaar inzake het ordinaire Engelsche schouwburgpubliek, mannen en
vrouwen. Maar het geldt evenzeer van wat men menschen van opvoeding noemt.
Want de denkbeelden over kunst van deze laatsten zijn klaarblijkelijk
ontleend aan wat de kunst is geweest, terwijl het nieuwe kunstwerk schoon
is doordat het is wat de kunst nooit geweest is, en wanneer men het den
maatstaf van het verleden aanlegt, meet men het met een maatstaf op de
verwerping waarvan zijn waarachtige volmaaktheid berust. Enkel een
gestemdheid die bij machte is door het medium der verbeelding, onder
verbeelde omstandigheden, nieuwe schoonheidsindrukken te ontvangen, kan
een kunstwerk waardeeren. En nog meer dan bij de waardeering van
beeldhouw- en schilderkunst, geldt dit bij de waardeering van zulke
kunsten als waartoe het drama behoort. Want bij een schilderij of een
beeld heeft de waardeering niet te worstelen met den tijd. Tijdsverloop
komt hierbij niet in aanmerking. In een enkel oogenblik kan hun eenheid
worden gegrepen. Inzake literatuur staat het anders. Een zekere tijd moet
doorgemaakt eer de eenheid der uitwerking mogelijk wordt. Zoo kan in een
drama in het eerste bedrijf een of ander voorkomen, waarvan de
waarachtige kunstwaarde voor den toeschouwer verborgen blijft tot een
moment in het derde of vierde. Gaat het aan dat de dwaas zich daar warm
over maakt, zijn verzet uit en het spel verstoort en de uitvoerenden
hindert? Immers neen. De eerlijke toeschouwer blijft rustig, en smaakt de
zoete ontroering van verwondering, geprikkelde belangstelling, spanning.
Hij behoort niet een toonneelspel te gaan zien om zijn vulgair humeur te
verliezen, maar om zijn gestemdheid tot kunstgenot uit te vieren, of als
hij die niet bezit, haar te winnen. Hij is geen scheidsrechter inzake het
kunstwerk. Hij wordt toegelaten om het kunstwerk in oogenschouw te nemen
en, als het werk schoon is, in zijn aanschouwing al het egoïsme dat hem
leelijk maakt, te vergeten, hetzij het egoïsme van zijn onwetendheid,
hetzij dat van zijn onvoldoende weten. Men ziet dit, geloof ik, bij het
drama, nog niet genoeg in. Ik kan mij voorstellen dat, als "Macbeth" voor
het eerst voor een modern Londensch publiek ten gehoore werd gebracht,
verscheidene menschen sterk en hevig in verzet zoûden komen tegen het ten
tooneele brengen der heksen in het eerste bedrijf met haar kluchtige
gezegden en belachelijke kreten. Maar als het tooneelspel aan zijn eind
is, wordt men zich bewust dat de lach der heksen in "Macbeth" even
verschrikkelijk is als de lach der krankzinnigheid in "Lear," en
schrikkelijker dan de lach van Iago in het treurspel van den Moor. Geen
aanschouwer van kunst heeft een vollediger mate van ontvankelijkheid van
noode dan de toeschouwer van een tooneelspel. Zoodra hij gezag wil gaan
oefenen, wordt hij een erkend vijand van de kunst en van zich-zelf. De
kunst trekt er zich niet veel van aan. Hij zelf lijdt de schade.

Met den roman is het niet anders gesteld. Gezag door het gemeen geoefend
en de erkenning daarvan zijn ook hier noodlottig. Thackeray's "Esmond" is
een schoon kunstwerk, omdat hij het boek schreef voor zijn eigen genoegen.
In zijn andere romans, in "Pendennis," in "Philip," zelfs in "Vanity
Fair," is hij zich bijwijlen te zeer bewust van zijn publiek, en bederft
zijn werk door zich onmiddellijk te richten tot de sympathieën zijner
lezers of door onmiddellijk met hen den draak te steken. Een waarachtig
kunstenaar neemt volstrekt geen notitie van het publiek. Het publiek
bestaat voor hem niet. Hij heeft geen opium- of honingkoekjes bij de hand
om een monster in slaap of zoet te houden. Hij laat dat aan den
populairen romanschrijver. Eén onvergelijkelijken romanschrijver hebben
wij op het oogenblik in Engeland, George Meredith. Er zijn in Frankrijk
mogelijk beter artisten, maar Frankrijk bezit er geen wiens blik op het
leven zoo breed, zoo afwisselend, zoo verbeeldend waarachtig is. Er zijn
in Rusland vertellers die een levendiger zin hebben voor levensleed als
grondstof ter verbeelding. Maar aan hem behoort de tot verbeelding
geworden wijsbegeerte. Zijn menschen leven niet alleen, zij leven in en
door de gedachte. Men kan hen zien van myriaden kanten. Zij zijn vol
levenswerking. Daar is ziel in hen en om hen. Zij zijn tolken en symbolen.
En hij die hen geschapen heeft, deze wonderbaarlijke snelbewegende
verschijningen, maakte ze voor zijn eigen genot en heeft nooit het
publiek gevraagd wat het wenschte, heeft nooit de moeite gedaan
daarachter te komen, heeft nooit het publiek toegestaan hem iets voor te
schrijven of eenigen invloed op hem uit te oefenen, maar is steeds
voortgegaan zijn eigen persoonlijkheid te verkrachtigen en zijn eigen
individueel werk voort te brengen. Eerst kwam niemand tot hem. Dat maakte
niets uit. Toen kwamen de weinigen. Dat bracht geen verandering. Nu zijn
de velen gekomen. Hij is nog altijd dezelfde. Hij is een onvergelijkelijk
romankunstenaar.

Met de sierkunsten is het evenzoo gegaan. Het groote publiek klemde zich
met waarlijk aandoenlijke vasthoudendheid aan wat men zoû kunnen noemen
de onvervalschte overleveringen van de wereldtentoonstelling van
internationale smakeloosheid, met een zoo ontstellend gevolg dat de
huizen waarin de menschen leefden, enkel voor blinden bewoonbaar waren.
Maar op een goeden dag begonnen er mooie dingen gemaakt te worden, mooie
tinten verschenen uit de handen van den verver, mooie patronen uit de
scheppende verbeelding der kunstenaars, en de aanwending van het schoone
voorwerp in zijn waarde en levensbelangrijkheid nam een aanvang. Het
groote publiek was in hooge mate gebelgd. De menschen maakten zich kwaad.
Zij zeiden onwijze dingen. Niemand lette er op. Niemand voelde zich maar
eenigszins uit het veld geslagen. Niemand aanvaardde het gezag der
openbare meening. En op het oogenlik is het zoo goed als onmogelijk
eenige moderne woning binnen te komen zonder in zekere mate de erkenning
gewaar te worden van den goeden smaak, van de waarde eener aangename
omgeving, een of ander teeken van de waardeering der schoonheid. In éen
woord, de woningen der menschen zijn in den laatsten tijd over 't
algemeen alleszins bekoorlijk. De menschen hebben zich een heel eind
laten opvoeden. Toch moet men om eerlijk te zijn verklaren, dat het
buitengewone slagen der omwenteling in huisversiering, meubileering en
wat daarbij behoort, in den grond niet te danken is aan de meerderheid
van het publiek dat een bijzonder goeden smaak in dergelijke zaken zoû
ontwikkeld hebben. Wij danken het in hoofdzaak aan het feit dat de
vervaardigers van gebruiksvoorwerpen zoo zeer het genot waardeerden van
iets schoons te maken, en tot een zoo felle bewustheid ontwaakten van de
leelijkheid en platheid van wat het publiek hun vóor dien tijd te leveren
vroeg, dat zij zijn smakeloosheid eenvoudig uithongerden. Het zoû op het
oogenblik niet mogelijk blijken een vertrek te meubelen zooals dat enkele
jaren terug geschiedde, zonder voor het minste ding naar een uitverkoop
te gaan van tweedehands-meubelen, afkomstig uit een of ander derderangsch
pension. Zulke zaken worden niet meer vervaardigd. Al hebben zij er nog
zooveel op tegen, de menschen zijn tegenwoordig gedwongen iets
bekoorlijks in hun omgeving te hebben. Tot hun geluk is hun aanmatiging
van gezag op dit kunstterrein op een volslagen fiasco uitgeloopen.

Het is dus klaarblijkelijk dat alle gezag op dergelijk gebied slecht is.
De menschen vragen iemand wel eens welke regeeringsvorm aanpassend is
voor een kunstenaar om onder te leven. Op deze vraag is maar éen antwoord.
De regeeringsvorm die het best aanpassend is voor den kunstenaar, is
volstrekt geen regeering. Gezagsoefening over hem en zijn kunst is
belachelijk. Men heeft wel beweerd dat kunstenaars juist onder het bewind
van despoten verrukkelijk werk hebben voortgebracht. Dat is geen zuivere
bewering. Kunstenaars hebben despoten wel bezocht, niet als onderdanen,
over wie dezen geweld oefenden, maar als rondreizende scheppers van
wonderen, als vagebonden van een betooverende persoonlijkheid, die zij
onthaalden en voor zich trachtten te winnen en wien zij ongestoorde rust
bezorgden om te kunnen scheppen. Ten gunste van den despoot kan men
aanvoeren dat hij een individu is en dus cultuur kan bezitten, terwijl de
menigte een monster zonder is. Iemand die keizer of koning is, kan zich
bukken om een penseel op te rapen voor een schilder, maar wanneer de
menigte neêrbukt is het enkel om met vuil te gooien. En toch behoeft zij
zich niet zoo diep te bukken als een keizer, of liever, om met vuil te
gooien behoeven zij zich heelemaal niet te bukken. Maar het is niet
noodig scheiding te maken tusschen alleenheerscher en menigte: alle gezag
is gelijkelijk slecht.

Ik onderscheid drie soorten despoten: den despoot die den baas speelt
over het lichaam, den despoot die den baas speelt over de ziel, en den
despoot die over ziel en lichaam den baas wil spelen. De eerste heet
vorst, de tweede paus, de derde het volk. De vorst kan beschaving hebben.
Daar zijn vele voorbeelden van geweest. Toch schuilt er gevaar in den
vorst. Denk aan Dante en het bittere feest in Verona, aan Tasso en de
krankzinnigencel in Ferrara. Het is beter voor den kunstenaar niet met
vorsten te doen te hebben. Een paus kan een man van beschaving zijn. Veel
pausen bewijzen het, de slechte pausen waren het zeker. De slechte pausen
beminden de schoonheid bijna even hartstochtelijk, ja met even veel
hartstocht, als de goede pausen de gedachte haatten. Aan de verdorvenheid
van verscheiden pausen is het menschdom veel verschuldigd. De
deugdelijkheid van vele pausen is tegenover het menschdom schrikkelijk in
schuld gebleven. Al heeft het Vaticaan enkel de rhetoriek van zijn
donderslagen behouden en zijn bliksemschichten prijs moeten geven, toch
is het beter voor den kunstenaar niet met pausen van doen te hebben. Wel
was het een paus, die tot een conclave van kardinalen van Cellini zeide,
dat gemeene wetten en gemeen gezag niet bedoeld waren voor menschen als
hij, maar het was ook een paus, die denzelfden Cellini in de gevangenis
wierp en hem daar hield tot hij ziek werd van machtelooze woede, en zich
onwezenlijke vizioenen schiep, en droomde dat de gulden zon binnenkwam in
zijn cel, en zoo verliefd op haar werd dat hij trachtte te ontsnappen en
kroop van ringmuur naar ringmuur, en viel door de duizelige morgenlucht
en zich verminkte, en na vele avonturen weêr gevangen genomen werd,
totdat het eindelijk aan een beminnaar der schoonheid gelukte hem te
bevrijden en in zijn hoede te nemen. Daar schuilt gevaar in pausen. En
wat zal ik zeggen van het volk en zijn gezag? Daar is misschien al meer
over gezegd dan goed is. Volksgezag is blind, doof, wanschapen,
noodlottig, vermakelijk, aandoenlijk en liederlijk tegelijkertijd. Het is
den kunstenaar onmogelijk met het volk te leven. Alle despoten doen aan
omkooperij, maar het volk koopt om en schent meteen. Wie leerde hun gezag
te willen oefenen? Zij waren geschapen om te leven, te luisteren en lief
te hebben. De een of ander heeft hun groot kwaad berokkend. Zij hebben
zich-zelf verdorven door hun minderen na te apen. Zij hebben den staf van
den vorst genomen. Hoe zoûden zij daarmeê kunnen omgaan? Zij hebben de
drievoudige tiara van den paus genomen. Hoe zoûden zij haar last kunnen
torsen? Zij zijn als een clown met een gebroken hart. Als een priester
met een nog ongeboren ziel. Laat al wie de schoonheid beminnen,
medelijden met hen hebben. En hoewel zij zelf de schoonheid niet beminnen,
laat hen medelijden hebben met zich-zelven. Wie onderwees hun het
spelletje der tyrannie?

Daar zijn nog veel andere feiten waarop ik de aandacht zoû kunnen
vestigen. Ik zoû kunnen betoogen hoe de Renaissance groot was, omdat zij
niet naar de oplossing van eenig maatschappelijk vraagstuk streefde en
zich met dergelijke zaken niet afgaf, maar toeliet dat het individu zich
vrij, schoon en natuurlijk ontwikkelde, en dat zij daarom groote en
individueele kunstenaars bezat en groote en individueele mannen. Ik zoû
kunnen nagaan hoe Lodewijk XIV door het scheppen van den modernen staat
het individualisme der kunstenaars verwoestte, en alle dingen monsterlijk
leelijk maakte onder de eentonigheid der herhaling, en verachtelijk in
hun gelijkvormigheid aan voorschriften, en overal in Frankrijk
vernietigde al die schoone vrijheden van uiting, die tot nog toe de
overlevering verjongden met nieuwe schoonheid, en nieuwe levenswijzen
vereenzelvigden met overoude vormen. Maar het verleden is van geen belang.
Evenmin als het heden. Met de toekomst hebben wij te doen. Want het
verleden is wat de mensch niet had moeten zijn. Het heden is wat de
mensch niet behoort te zijn. De toekomst is wat kunstenaars zijn.

Men zal natuurlijk zeggen dat zulk een plan als hier is opgezet, volkomen
onuitvoerbaar is en in strijd met de menschelijke natuur. Dat is volmaakt
waar. Het is onuitvoerbaar en in strijd met de menschelijke natuur. Juist
daarom verdient het uitgevoerd te worden, en daarom juist wordt het
voorgesteld. Want wat is een uitvoerbaar plan? Òf een plan dat reeds
verwezenlijkt is, òf een dat zoû kunnen verwezenlijkt worden onder de
bestaande toestanden. Maar het zijn juist de bestaande toestanden waar
men tegen opkomt, en elk plan dat deze toestanden zoû kunnen aanvaarden,
is verkeerd en dwaas. De toestanden zullen worden uit den weg geruimd, en
de menschelijke natuur zal zich wijzigen. Want het eenige ding dat wij in
werkelijkheid van de menschelijke natuur weten, is dat zij zich steeds
wijzigt. Verandering is de eenige eigenschap die wij haar kunnen
toekennen. De stelsels die mislukken, zijn degenen die op de
standvastigheid der menschelijke natuur bouwen, en niet op haar groei en
ontwikkeling. De dwaling van Lodewijk XIV was dat hij meende dat de
menschelijke natuur steeds dezelfde zoû blijven. Het gevolg van zijn
dwaling was de Fransche Revolutie. Het was een bewonderenswaardig gevolg.
Alle gevolgen van regeeringsfouten zijn bij uitstek bewonderenswaardig.

Het verdient de aandacht dat het individualisme niet tot den mensch komt
met eenig ziekelijk geleuter over plichtsbetrachting, wat niet veel
anders bedoelt dan dat men doen zal wat anderen graag hebben omdat het in
hun kraam te pas komt, of eenig weêrzinwekkend gekwezel over
zelfopoffering, wat niet meer is dan een overleefsel van de
zelfverminking der wilden. Het stelt inderdaad geen enkelen eisch aan den
mensch. Het komt natuurlijk en onvermijdelijk uit den mensch zelf voort.
Het is het punt waar alle ontwikkeling heenstreeft. Het is de
verschilsontplooiing waarheen alle organismen groeien. Het is de
vervolmaking die eiken vorm van leven is ingeboren, en waarheen elke vorm
van leven opdringt. Daarom oefent het individualisme geen dwang op den
mensch. Integendeel, het zegt den mensch dat hij niet behoort te dulden
dat eenige dwang over hem wordt geoefend. Het tracht de menschen niet te
dwingen goed te zijn. Het weet dat de menschen goed zijn wanneer men hen
ongemoeid laat. De mensch zal het individualisme uit zich-zelf
ontwikkelen. Hij is er nu al mede bezig. De vraag of het individualisme
practisch mogelijk is, staat gelijk met de vraag of de evolutie der
menschen dat is. De evolutie is de levenswet, en daar is geen evolutie
dan in de richting van het individualisme. Waar dit streven niet tot
uiting komt, staat men voor een geval van kunstmatig tegengehouden groei,
of ziekte, of dood.

Het nieuwe individualisme zal ook onzelfzuchtig zijn en het tegendeel van
gemaakt of gekunsteld. Ik heb er al op gewezen, dat éen der gevolgen van
de bovenmatige tyrannie van het gezag is dat woorden en benamingen
volkomen ontwricht zijn uit hun eigenlijke eenvoudige bedoeling en
gebruikt worden om het tegendeel uit te drukken van hun juiste beteekenis.
Wat geldt voor de kunst, geldt ook voor het leven. Men noemt bijvoorbeeld
iemand opzettelijk gemaakt, als hij zich kleedt naar zijn eigen voorkeur.
Maar door zoo te doen handelt hij juist volkomen natuurlijk. Gemaaktheid
op dat gebied bestaat in het zich kleeden naar de inzichten van zijn
buurman, welke, als die der meerderheid, waarschijnlijk uiterst dom
zullen zijn. Een anderen keer noemt men iemand zelfzuchtig als hij leeft
op de wijze die hem meest gepast voorkomt voor de volle verwezenlijking
van zijn eigen persoonlijkheid, aangenomen dat zelfontwikkeling het
hoofddoel van zijn leven is. Maar op deze wijze behoorde juist iedereen
te leven. Zelfzuchtigheid is niet zelf te leven zooals men dat begeert,
het is veeleer van anderen vragen dat zij leven zullen zooals wij dat
begeeren. En onzelfzuchtigheid bestaat in het ongemoeid laten van de
levens van anderen door anderen niet te bedillen. Zelfzuchtigheid heeft
steeds het doel een volstrekte eenvormigheid van typos om zich in 't
leven te roepen. Onzelfzuchtigheid erkent de oneindige verscheidenheid
van typos als een heuchelijke vondst, aanvaardt haar en geniet haar. Het
is niet zelfzuchtig voor zich-zelf te denken. Iemand die niet voor zich
denkt, denkt heelemaal niet. Het is grof zelfzuchtig om van zijn buurman
te eischen dat hij op onze wijze zoû denken en dezelfde meeningen zoû
hebben als wij. Waarom zoû hij? Als hij tot denken in staat is, zal hij
waarschijnlijk anders denken. Als hij daar niet toe in staat is, is het
een monsterlijke eisch gedachte van welken aard ook van hem te vragen.
Een roode roos is niet zelfzuchtig doordat zij een roode roos begeert te
zijn. Zij zoû schrikkelijk zelfzuchtig zijn indien zij begeerde dat al de
andere bloemen in den tuin rood en rozen waren. Onder het individualisme
zullen de menschen volkomen natuurlijk zijn en volstrekt onzelfzuchtig,
en zullen de bedoelingen der woorden weten en die in hun vrije schoone
leven verwerkelijken. Ook zullen de menschen niet egoïstisch zijn zooals
nu. Want de egoïst is de man die eischen aan anderen stelt, en de
individualist zal dat niet begeeren. Hij zal er geen genot in vinden. Als
de mensch het individualisme zal behaald hebben, zal hij ook het
medegevoel behalen en het vrij en spontaan te pas brengen. Tot op het
oogenblik heeft de mensch het medegevoel nauwelijks ook maar beoefend.
Hij heeft enkel medegevoel met leed, d.i. niet den hoogsten vorm van
medegevoel. Alle medegevoel is schoon, maar medegevoel met lijden is de
minst schoone uiting. Zij wordt ontsierd door egoïsme. Zij heeft neiging
om ziekelijk te worden. Er is een bepaald bestanddeel van vrees voor onze
eigen veiligheid in. Wij worden bang dat wij zelf als de melaatsche of de
blinde zoûden kunnen zijn en dat niemand dan voor ons zorgen zoû. Dit
medegevoel is ook eigenaardig beperkend. Men behoorde medegevoel te
hebben met de algeheelheid des levens, niet enkel met 's levens zeere en
zieke plekken, maar met zijn vreugde en schoonheid en geestkracht en
gezondheid en vrijheid. Hoe ruimer het medegevoel, hoe moeilijker het
natuurlijk wordt. Het eischt hoe langer hoe meer onzelfzuchtigheid. De
eerste de beste kan medegevoel hebben met de ongelukken van zijn vriend,
maar men moet een bijzonder mooien aanleg hebben--den aanleg inderdaad
van een waarachtig individualist--om mede te voelen met zijns vriends
welslagen.

In de overspanning van den modernen wedijver en den worstelstrijd om zich
een plaats te verzekeren is zulk medegevoel van-zelf zeldzaam, en wordt
ook zeer vaak verstikt door het onzedelijk streven naar eenvormigheid van
typos en gelijkvormigheid met den regel, dat overal zoo zeer de bovenhand
heeft en misschien in Engeland meer kwaad sticht dan ergens anders.

Medegevoel met leed zal er natuurlijk altijd zijn. Het is een der eerste
instincten van den mensch. De dieren die individualiteit vertoonen, de
hooger aangelegde dieren, hebben het met ons gemeen. Maar men moest
bedenken dat, terwijl medegevoel met vreugd de som van vreugde op de
wereld verhoogt, medegevoel met leed in werkelijkheid de hoeveelheid leed
niet vermindert. Mogelijk maakt het den mensch beter in staat het euvel
te verduren, maar het euvel blijft. Medegevoel met tering geneest de
tering niet; dat moet de wetenschap doen. En wanneer het socialisme het
vraagstuk der armoede zal hebben opgelost, en de wetenschap dat der
lichamelijke kwalen, zal het gebied der sentimenteele philanthropie hoe
langer hoe meer inkrimpen, en het medegevoel van den mensch zal wijd,
gezond en spontaan zijn. De mensch zal zijn vreugde vinden in de
aanschouwing van het vreugdevolle leven van anderen.

Want door vreugde zal het individualisme van de toekomst zich ontwikkelen.
Christus deed geen poging om de maatschappij herop te bouwen, en
dientengevolge kon het individualisme dat hij aan den mensch predikte,
slechts door leed en door eenzaamheid worden verwezenlijkt. De idealen
die wij aan Christus danken, zijn de idealen van den mensch die de
maatschappij den rug toedraait, of den mensch die met de maatschappij in
beslisten strijd leeft. Doch de mensch is van nature maatschappelijk.
Zelfs de Thebaïde werd ten slotte bevolkt. En hoewel de kloosterling zijn
persoonlijkheid kon verwezenlijken, werd het vaak een verarmde
persoonlijkheid. Toch oefent de verschrikkelijke waarheid dat het leed
een middel is waardoor de mensch zich-zelf verwezenlijken kan, nog altijd
een wonderbaarlijke bekoring over de wereld. Oppervlakkige redenaars en
oppervlakkige denkers op kansels en spreekgestoelten praten vaak over de
aanbidding van het genot door de wereld en gaan daar huilend tegen te
keer. Maar zeldzaam is het in de wereldgeschiedenis, dat het wereldideaal
er een van vreugde en schoonheid is geweest. De aanbidding van het leed
heeft veel vaker de wereld beheerscht. De geest der middeleeuwen, met
zijn heiligen en martelaren, zijn liefde voor zelfkastijding, zijn wilden
hartstocht voor zelfverwonding, zijn messteken en geeselslagen, is de
ware geest van het Christendom; de middeleeuwsche Christus is de
waarachtige Christus. Toen de Renaissance opging over de wereld en haar
nieuwe idealen medebracht van levensschoonheid en levensvreugde, konden
de menschen Christus niet meer begrijpen. Zelfs de kunst bewijst ons dit.
De schilders der Renaissance stelden Christus voor als een kleinen knaap,
spelende met een anderen knaap in een paleis of een tuin, of achterover
in zijn moeders armen, glimlachende naar haar of naar een bloem of naar
een glanzenden vogel, of als een edele statige gestalte die zich op edele
wijze beweegt door de wereld, of als een wonderbaarlijke gedaante in een
soort extase uit den dood verrijzend tot het leven. Zelfs als zij hem aan
het kruis maakten, gaven zij hem als een schoonen God wien door booze
menschen leed wordt aangedaan. Maar hij nam hen niet volledig in beslag.
Wat hen verrukte was de mannen en vrouwen te schilderen, die zij
bewonderden, en de liefelijkheid dezer liefelijke aarde aan den dag te
heffen. Zij schilderden vele religieuze onderwerpen, eigenlijk veel te
veel, en de eentonigheid der typen en motieven is vermoeiend, en schaadde
de kunst. Het was het gevolg van het gezag van het algemeen op
kunstgebied, en is zeker te betreuren. Maar hun ziel was niet in het
onderwerp. Rafaël was een groot kunstenaar toen hij het portret van den
Paus schilderde. Wanneer hij zijn Madonna's en Christuskinderen schildert,
is hij verre van een groot kunstenaar. Christus' boodschap was niet voor
de Renaissance, welke bewonderenswaardig was omdat zij een ideaal bracht
verschillend van het zijne, en om den werkelijken Christus voorgesteld te
vinden moeten wij tot de middeleeuwsche kunst gaan. Daar is hij een die
gekneusd is en geschonden, een die niet lieflijk is om aan te zien, omdat
schoonheid een vreugde is, een die niet gaat in heerlijke kleedij, omdat
ook dat een vreugde wezen kan--hij is een bedelaar met een
wonderbaarlijke ziel, een melaatsche wiens innerlijk wezen goddelijk is,
eigendom en gezondheid zijn dingen die hij niet behoeft, hij is een God
die zijn vervolmaking verwezenlijkt door lijden.

De evolutie der menschen gaat langzaam; de ongerechtigheid der menschen
is groot. Het was noodwendig dat leed op den voorgrond werd gesteld als
een wijze van zelfverwezenlijking. Zelfs nu nog is in sommige streken der
wereld Christus' boodschap onmisbaar. Niemand die in het huidige Rusland
zoû leven, kan bij mogelijkheid zijn vervolmaking tot stand brengen dan
door leed. Enkele Russische kunstenaars hebben zichzelf in de kunst
verwezenlijkt, in een verbeeldingskunst die middeleeuwsch van karakter is,
omdat de hoofdtoon de verwezenlijking der menschen is door lijden. Maar
voor wie geen kunstenaars zijn en voor wie dus geen levensvorm bestaat
buiten het leven van den dag, is leed de eenige deur ter vervolmaking.
Een Rus die gelukkig zoû leven onder het huidige regeeringsstelsel in
Rusland, moet òf niet gelooven in het bestaan eener menschelijke ziel, òf
als hij dat wel doet, overtuigd zijn dat zij niet waard is ontwikkeld te
worden. Een nihilist die alle gezag verwerpt, omdat hij weet dat gezag
slecht is, en alle leed welkom heet, omdat hij daardoor zijn
persoonlijkheid verwezenlijkt, is een waarachtig Christen. Voor hem is
het Christelijk ideaal waar en levend.

En toch kwam Christus niet in opstand tegen het gezag. Hij aanvaardde het
keizerlijk gezag van het Romeinsche Rijk en betaalde schatting. Hij
duldde het kerkelijk gezag der Joden, en wilde zijn gewelddadigheid door
geen enkele gewelddadigheid van zijn zijde weren. Hij had, zooals ik al
zeide, geen vastgesteld plan ter wederopbouwing der maatschappij. Maar de
moderne wereld heeft dat wel. Zij stelt zich voor de armoede af te
schaffen en het lijden dat uit armoede voortkomt. Zij verlangt zich te
bevrijden van lichamelijk leed en het lijden dat daarvan gevolg is. Zij
vertrouwt op het socialisme en de wetenschap als haar methoden. Haar doel
is een individualisme dat zijn uitdrukking vindt door vreugde. Dit
individualisme zal ruimer zijn, vollediger en liefelijker dan eenig
individualisme ooit geweest is. Leed is niet de opperste wijze van
vervolmaking. Het is enkel een voorloopig verzet. Het houdt verband met
ongewenschte, ongezonde, onrechtmatige levensomgevingen. Als het ongelijk
en het physieke lijden en de onrechtvaardigheid zal weggenomen zijn, zal
er voor het leed geen plaats overblijven. Het is een groot werk geweest,
maar het is vrij wel voorbij. Zijn sfeer neemt af van dag tot dag.

Ook zal de mensch het niet missen. Want wat de mensch gezocht heeft, is
in werkelijkheid noch leed noch genot, maar eenvoudig het leven. De
mensch heeft gezocht intens, volledig en volmaakt te leven. Wanneer hij
dat zal kunnen doen zonder anderen aan banden te leggen en zonder die te
dulden, zal hij gezonder zijn van geest en lichaam, meer beschaafd, meer
zich-zelf. Vreugde is de proef der natuur, haar teeken van goedkeuring.
Wanneer de mensch gelukkig is, is hij in harmonie met zich-zelf en zijn
omgeving. Het nieuwe individualisme in welks dienst het socialisme, of
het dat begeert of niet, aan het werk is, zal volmaakte harmonie zijn.
Het zal datgene zijn wat de Grieken zochten, maar niet volledig konden
verwezenlijken behalve in de gedachte, omdat zij slaven hielden en hun te
eten gaven; wat de Renaissance zocht, maar niet volledig kon
verwezenlijken behalve in de kunst, omdat zij slaven hielden en hen
lieten verhongeren. Het zal volledig zijn, en elk mensch zal er zijn
vervolmaking door bereiken. Het nieuwe individualisme is het nieuwe
Hellenisme.

[Voetnoot 1: Joseph de Veuster (1840--1889), geboren te Tremeloo bij
Leuven, missionaris op de eilanden in den Grooten Oceaan. Hij sticht een
nederzetting voor melaatschen op Molokai (1873); wordt zelf melaatsch
(1885).]





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Individualisme en socialisme" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home