Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: De zonderlinge avonturen van "Zijne Excellentie de Generaal"
Author: Brusse, M. J.
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "De zonderlinge avonturen van "Zijne Excellentie de Generaal"" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



                      DE ZONDERLINGE AVONTUREN VAN
                    "ZIJNE EXCELLENTIE DE GENERAAL"

                                  Door

                              M.J. BRUSSE



                            Rotterdam MCMXV
               W. L. & J. Brusse's Uitgevers-Maatschappij



                         Bewerkt uit de rubriek
                           ONDER DE MENSCHEN
                   in de Nieuwe Rotterdamsche Courant



HOOFDSTUK I.


Een vriend van mij, een kunstschilder, had Racier als model genomen,
vooral om z'n merkwaardigen dweperskop. Een mager-verhongerde zwerver;
dreigend lang in z'n op den draad verschooierde pool, die 'm over
de voeten sleepte. Maar toch droeg hij dien armzaligen dallesdekker
met Don Quichottige statie. Daarboven hield hij het hoofd altijd
even achterover in den nek, keek je zoo uitdagend van onderop
aan, en wonderlijk uit de hoogte. Een trotsche, fanatiek hatende
martelaarsfacie, ziekelijk wit in de rosse harigheid die tot een
puntbaard verliep, en onder iedere emotie gloeiërig blozend. Dan was 't
of hij koorts had; z'n lichtbruine oogen vonkelden in de innig zwakke
donkere rimpeltjes-randen. Geagiteerd frunnikten z'n fijne handen de
snorre-punten omhoog, met bevende vingers ... Maar meteen liet hij zich
in den leunstoel wat dieper teruggaan; een stille glimlach berustigde
zijn gezicht, en dan zag hij je goedig aan, alsof die wereldsche
zaken toch eigenlijk te onbeduidend waren, om je druk over te maken.

"Nog drie jaar de bajes in ... en 't is met mijn ommers gedaan. Het
't grootkappetaal weer z'n zin ... Als die poot nou maar niet zoo
schrikkelijk zeer deed."

Daar sukkelde hij nu al mee, zoolang ie uit de gevangenis ontslagen
was. Dien eersten dag had de drukte op straat 'm duizelig gemaakt. 't
Geschreeuw van den sleeper had ie niet gehoord, en het wiel was 'm
over z'n wreef gegaan. 't Wou niet genezen. En dokters vertrouwde hij
niet: waren allegaar in dienst van den rijkdom. Kon ie geen dankie
tegen spelen. Maar vóór hij naar 't atelier ging om te poseeren,
strompelde hij, dreigend lang in z'n slepende zwerversjas, de Maas
langs, naar een plek waar nog geen kaaimuur was, en hield daar z'n
verbrijzelden voet in 't water van de rivier, dat bij vloed immers
een magische geneeskracht moet hebben. De heele seance door lag die
wonde extremiteit bloot op z'n andere knie gekruist, streelde hij er
troetelend langs, tot de twee uur weer om waren. Dan wond hij er de
gore lappen zorgzaam om, bond de slof er onder, en rechtop meesleepend
z'n leed als een martelaar, schreed hij terug naar de slaapstee,
waar hij met spottenden eerbied "Generaal" werd genoemd.--"Zijne
Excellentie de Generaal"--zoo presenteerde hij bij voorkeur zich zelf
met een even ironischen ernst; wat zielig geworden herinnering aan
zijn groote dagen!

"Racier is wel de wonderlijkste kerel, dien 'k ooit als model heb
gehad: een prinselijk fantast, kinderlijk dweper, soms zoo zacht
als een lammetje in de Mei en dan weer ineens met bevliegingen van
anarchistische bommengooierij. Hij is me nu onder 't werken door z'n
leven aan 't vertellen. Da's één eindelooze reeks van de zonderlingste
oplichterijen met telkens langere pauzes in de gevangenis. En 't komt
allemaal uit een soort hoogmoedswaan voort. Want ik zie er volkomen
een modernen Don Quichot in ... Je moet eens komen luisteren. Hij
beweert Franschman, gevluchte Communard te wezen. Dat hij zelf de
lont in het kruit heeft gestoken! Enfin, loop eens aan."

Toen op dien morgen ben ik er op 't atelier bij komen zitten. De
schilder stond aan z'n ezel te schetsen; in een luien stoel zat de
schooier voornaam achterover geleund, den misvormden bloederigen
voet op z'n schoot, 't fanatieke gezicht sterk belicht onderuit, dat
't wel treffend klassiek aandeed, als een apostel op een of andere
primitieve schilderij.

Hij was zóó in de herinnering aan z'n eerste oplichters-"rol" verdiept,
dat hij mij niet merkte en voortredeneerde:

"Zie je, toe was 'k dus ontslage as misdadiger van 't miletairisme;
maar er kleefde nog geen vlekkie op me naam as burger: wat 't miletaire
betreft gaat ommers 't ceviele niet an ... Maar nou komt me eerste
misdaad; wel zoo groot niet ... toch is tie mooi. En er komt van
't kappitalisme in te pas--snap je?--da's juist 't mooie. Van de
ouderdom af van 17 jare ben ik altijd de grooste tegestander van
't kappitaal geweest ... Da's me zenuwe ... Me moederskwaal. Heb je
niet opgemerkt, da'k altijd na die deur kijkt? Nou heb 'k momenteel
toch niks op me gewete ... anders liep 'k niet op straat, hè? Maar
die omstandighede komme erbij, dan weet je niet waar je heen mot en
je ziet dat rijke tuig éte ...

"Was dàt niet 't geval, dan was ik tot hede toe altijd nog
fatsoendelijk man, en door me capaciteite--'k spreek àlle tale,--nou
al lang gepensionneerd eerste-luitenant. Want, zie je, a'k honger
heb, kruip ik in die krotjes op de Schiedamschedijk, waar die vreemde
zeelui komme; 'k bied ze me potlooje an, me kenijntjes, en spreek ze
in d'r moers taal toe. Dat trekt, en dat geeft. Of 'k krijg altemet
's 'n toeval op de stoep van 'n rijk restaurant--Overiges zet 'k
't menschdom heelegaar an kant, as atheïst zijnde ... tot in me
niere. Dar! 'k Was nog geen twintig jaar oud, da'k tege mijn pa zei:
Mon père, le temps viendra, dat 't kappitaal de riksdaalders met
schoppe uit raam smijt, maar dan zal 't te laat zijn. Trop tard ...

"Jawel, 't kappitaal wil je je ooge verblinde. As 'k een paar millioen
rijk ben, ken 'k op mijn jare nog wel 'n beeldschoone, piepjonge
dame krijge, waar niks op valt te zegge ... Nou tràppe ze me d'r uit
... Begrijp je me ook?--Op mijn jare, trouwens ... 'k heb 't mooiste
genote, 't fijnste, van alle naties gehad, en nou zeg 'k met de apostel
Paulus: de geest is nog wel gewillig maar 't vleesch is te zwak ...

"As je je knieë wou buige, liep je in 't zwarte lake ... Maar dat
vervloek ik ... Was 'k 'n hond--ja dan, dan vrat ik meschien op wat
'k al an atheïsme uit heb gespoge. Nou blijf 'k zoo, to'k kapot ga:
de natuur in; niks as natuur.--As je mijn maar begrijpt ...

"Dáár krijg je me misdaad, me eerste slag ... al ben 'k ook zoo slecht
niet ..."

Toen zweeg hij even. En je hoorde enkel in 't stille schildersatelier
't broze schrappen van 't houtskool.

Dan stak hij koesterend z'n magere handen naar den haard uit:

"'k Mag dat piepe van die kokies zoo graag hoore! 'n Ope vuur is 't
mooiste voor iemand die liefelijk denkt ... Bij de rijkdom hebbe ze
d'r van die blokkies hout op; dan gane de gedachte nog zachter ... Wat
'n weer is 't buite ... 'k Mot er tòch door ... Affijn ... Luister
je wel?--Dan is 't goed. Kan 'k beginne:

"As 'k zoozoowat beraam van 'n plan, dan is 's-Gravenhage me
hoofdzetel. Koninklijke residentie ... snij je me hart ope, vin je
één bonk oranje. Met respect ... Maar waaròm De Haag me hoofdzetel is,
dat legt in me ziel begrave. Hoort nooit niemand. Gaat mee in me graf.

"Nou. Met me uitgangskast van f 180 uit de bajes had ik niet
genoeg om de rol te spele, die ik in 't detentiehuis in me hoofd had
gesteld. Daarom nam ik me toevlucht tot mama. Ik vroeg die edelvrouwe
of ze mijn de som van duzend gulde op wou sture. Maar deze edele
moeder wist welk vleesch ze in de kuip had, en daarom--schreef ze
mijn--mot gij u tevrede stelle met honderd gulde, geliefde zoon. 't Had
natuurlijk ten doel om baron van ..... in De Haag te late springe,
want die z'n zoon wou ik same met mijn an lager wal hale ... As
je nou dus maar voelt dat 'k àl wat ik ondergaan, te danke heb an
me ideeë, om rede ondergeteekende 'n atheïst is, da' wil zegge:
'n natuurkind. Vergeet 't nooit asjeblieft.

"Voor die f 280 heb ik me toe' late make een blauw kamgare pak,
jaquet-kostuum Engelsche koningssnit; een paar kaplaarzen met
vergulde sporen, een fantasie-hoed style Louis XV, en een groote lange
ulster, "coat", zegge de Engelsche tailleurs.--Van de mode weet ik
àlles!--Daarbij in stijl een fantasie-ketting, een fantasie-ring en een
zilvere remontoir-horloge. Zoo was me kostuum--èn een fantasie-lorgnet;
gesiseleerd goud netuurlijk. Dat heele zakie kostte me over de f120
... 't ware verlakte chevreau laarze, style moderne ...

"Toe huurde 'k me een paard en ging zoo rije in 't Haagsche bosch om
't groote kappitaal na te doen. Maar dit kon ook geen stand houwe. Want
waar afgaat en niet bijkomt, dat mindert ... sterk.

"Ik was gedurende me eerste misstap gelogeerd in 't Wape van 'Oorn
... da's weer 'n hache, die ik niet uit kan spreke, door me Fransche
afkomst, merk je wel? En 'k heb dat leve slechs zeve dage volgehouwe,
alhoewel 't ondergeteekende zeer wel beviel, niet zoozeer om te geure,
as om me misdadige plan ten uitvoer te brenge. Hetgeen helaas mislukt
is, waar ik op hede toe geen spijt van heb ... want dan zat ik me
hier nou niet bij jouw kacheltje te warme.

"Maar toe' ten ende raad zijnde, en geen geld meer hebbende, en op
mijn logement, waar ik thuis was, op mijn gebied geen schuld kunnende
make--die Koossie Harme, de bolleboffin, kende mijn wel, want al
hoorde ze tot de classe ouvrière, toch het ze me wel op eige koste
's nachs weg late brenge met rijtuig, as ze van de recherche na me
kwamme vrage, die russe,... ja, zukke logemente moste d'r meer zijn
... Affijn: geen schuld willende make ..."

"Zeg, Racier"--kwam even 't hoofd van den schilder om den ezel--"je
spreekt nou ineens net zoo plechtig als 'n feuilleton uit 't
Rotterdammertje!"

"Ja, fullitons, die heb ik in alle tale geschreve ..."

"O zoo, pardon dan, cher maître."

"A votre service.--Dus"--neeg de zwerver ernstig--"dus geen schuld
willende make, en met het kostbare uniform, als bove omschreve,
een nacht en twee dage onder de bloote hemel mottende bivakkeere,
zonder ete of drinke, want vrage kan ondergeteekende niet ... Zie
je, dan ging 'k meest uitruste op dat bankie op de Vijverberg, pal
tegenover 't kantoor van die bankier, omdat daar een boezemvrind van
mijn directeur-général is, 'n ami intime, waar 'k in me jeugd nog mee
gestudeerd heb. Maar hij laat me an me lot over, de stumper. Zoo is
't kappitaal ...

"Nou komme de tale; mot je je best doen ze zonder taalfoute te
verstaan, anders schrijf ik 't op logement liever voor je uit, met
de traduction d'rnaast.

"Dus geen raad meer wetende--nou komt de rol!--ging ik de Korte
Vijverberg af, de Gevangepoort door--ja, 't is een onthou!--zoo àl
slenterende,--met de achtermiddag begrijp je?--en daar kwam ik door de
Spuistraat. Zoowat 't vierde of vijfde huis vóór je an 't Spui bent,
had je daar het hotel-restaurant Du Commerce--de baas leeft nou van
z'n cente. Amen!

"Nou komt die schets van mijn: Zag 'k daar al die groote hoofde
lekker ete en drinke. Ik liep er hongerig voorbij de glaze en zag
dat. En 'k vroeg mezelvers af: da's toch zoo goed voor mijn as voor
't kappitaal? Goed, ik tree binnen, gaan an 'n tafeltje zitte, trek
me ulster uit, en volges die etikette hang 'k 'm an de portemanteau,
die achter dat tafeltje plaas heeft.--Ja, jij weet niet wat er onder
de rijkdom bestaat. Maar ze hebbe d'r effetjes twaalf kelners, zwarte
rok, witte das, gefriseerd, èn een opperhoofd, die persoonlijk heen
en weer loopt om te kijke of de geachte cliënte elk op z'n beurt
wordt bediend, zooas de etiquette dat vereischt.

"Op de tafel staat een eletrieke bel. Daar druk je op dat knoppie,
en de kelner numéro neuf kwam bij mijn, en miek zijn révérencie. Ik
zeide tot hem in me moeders taal: "Garçon, hm, apportez moi la
carte."--Waarop hij de menu van den dag bij mijn op tafel lag. Ik
bestelde toen van die menu een diner... complet, die bedraagt f
 3.75.--Ja natuurlijk,'k had ommers tòch geen lood. En da's me eerste
stap geweest.--Nadat ik geconsumeerd had, schelde ik weer, waarop de
kelner numéro neuf weer bij mijn kwam onder een révérencie, en ik hem
in me moeders taal vroeg: "Apportez moi la carte des vins". Waarop
hij een kaart op de tafel lag met de noodige merke van de wijn, die
aanwezig is in de kelders. Waarop ik uitkoos--alles in me moeders taal:
"apportez moi une bouteille St. Julien ..." Da's een fijn etiket,
hoor; nou asseblieft; 'k wou 'k nou maar 'n glaassie had, dan verzette
'k me zinne nog 's.

"Volges de etiquette van de gevraagde wijn of flesch, wordt daar
een borretje bij gebracht met de kwitantie. Die bediende loopt heen
en weer. De minste beweging, dat hij ziet of merkt, dat je geld op
dat borretje legt, neemt ie 't weg met de kwitantie, en brengt de
overschot van 't geld weer op z'n plaas an de tafel waar je zit.--Mot
je allemaal die etiquette van wete, zooas ik.

"Dan schuif je volgens die etiquette--angezien die bediende geen
salaris hebbe--dat fooitje, dat je 'm heb toegedacht, vooruit ... Maar
ik heb geen lood, geen rooje spie, en mot zien hoe 'k me eige daar
uitzwem. Angezien de bediende heen en weer loopt, en er zoo machtig
veel rijk volk bij zit, kan 'k niet séance tenant me rol vervulle, en
vroeg ik de garçon, in me moeders taal, of ik hem eve privé alleenig
mog spreke.

"Toe 'k onder vier ooge met hem sprak, gaf 'k voor te zijn de
burgemeester van Loosduine, en dat me paard stond Laan van Meerdervoort
in de stalle van de heere X. 's Morgens bij 't ankleeje van mezelf--zoo
miek 'k 'm wijs--èn 't te paard stijge, had ik blijkbaar me portemenee
vergete, of da'k die na alle waarschijnlijkheid door 't rije in 't
Haagsche bosch wellicht had kènne verlieze. Maar angezien't alles
spiksplinternieuw was, wa'k an me donder had, gemaakt bij le tailleur
le plus chic, daar de name van stonde vermeld achter op de lis, zei
ik tot hem: "ik zal me pantalon uittrekke, binneste buite kere en u
in bewaring geve, totda'k over 'n uur uit Loosduine te paard of in me
eige equipage met twee zweetvosse terugkom"... alles in me moeders
taal. "Wil u s'il vous plait zoolang voor één uur me voorspraak
weze bij monsieur votre patron?"... Want ik mos die risterasie toch
uit.--Waarop hij antwoordde: "mijnheer, dat is niet noodig, want u
ken van mijn nog wel vijf en twintig pop d'r bij krijge." Waarop ik
antwoordde: "ik wil zoo, en ik gaan van mijn begrip nie af." Waarop de
bediende antwoordde--(Luister je nog?--Dan 's 't goed) antwoordde ..."

"Waarop!"--viel de schilder ernstig in.

"Waarop?"--begreep de vagebond niet--"wel op de privaat, netuurlijk;
want 'k heb die knul meegenome. Waarop ik in die pletie ging,
me kaplaarze uittrok en zoodoende me bovebroek... Zie je, me lange
ulster ha'k óók an, anders ha'k door dat café niet terug kenne gaan,
in me onderbroek... Waarop ik hem mijn broek in bewaring gaf en
hij 't heele bedrag betaalde: flesch wijn, veertien gulde, en 3.75
'n diner... complet. Waarop ik 'm vroeg in me moeders taal: "avez
vous les moyens pour me prêter quelquechose?" Waarop hij antwoordde:
"meneer, al wou je vijf en twintig gulde hebbe." Waarop ik antwoordde:
"Donnez moi quarante sous"--da's 'n gulde, maar wij spreke in sous--"'t
is om me paard te hale en die knecht een fooitje te geve." Waarop ik
die gulde in me spoorzakkie steek. En ik ben natuurlijk an finance
rijker, maar an kleedingstukke ben 'k smerig verminderd.

"'k Gaan daar 't hôtel uit, ongehinderd en wel, en volg de Spuistraat:
zonder broek... Ja, 't is wat! Maar die lange ulster hing mijn op
me enkels en daar kwamme me kaplaarze uit. Dus ik denk: 'k loop
in me onderbroek onder de mensche en ze ziene 't niet, verblinde
Christene as ze daar benne voor mijn: atheïst! Dan gaan 'k op de
hoek 't Maastrichsche bierhuis binne, en koop een kleintje klare van
Ulskamp--die hache spreek 'k nooit uit als Franschman zijnde--om rede
me diner te late zakke. Geef me gulde uit me spoorzakkie, en krijg
nege dubbeltjes werom.

"Da's de eerste rol, me eerste misstap..."

Glorieuselijk en volkomen in z'n spel draaide de vagebond z'n
snorren op, met de andere hand aldoor aaiend over z'n zeeren voet;
den verhongerden dwepers-kop rood aangegloeid, de oogen vervoerd.



HOOFDSTUK II.


Den volgenden ochtend vertelde de zwerver weer verder. De schilder
wilde hem 't liefst zoo redeneerende hebben, om de geëxalteerde
uitdrukking van z'n dwepersgezicht des te feller te treffen. Daarom
liet hij 'm maar ongestoord in zijn fantasieën over 't verledene gaan,
al sloeg de burleske verbeelding ook gedurig met den pooveren sire op
hol. Want juist om den waan van den armen bliksem was het den artiest
immers te doen. Om dat prachtige air, dat prinselijk gebaar, dien
hautainen glimlach, die zijn groteske invallen illustreerde. Dan kwam
de lange, magere schooiersfiguur fier overeind, bleeke kop in den nek,
vernietigend van dédain. Z'n verrafelde pool hing in flarden langs hem
heen, maar hij werkte er soms mee als met een koningsmantel. Daaronder
droeg hij nog altijd zijn verschoten gevangenis-boezeroen over z'n
bloote baadje, en een schrikkelijk dievige pet stond met de breede
klep dicht op z'n oogen.

Op de andere knie lag weer de wond-gekneusde voet, dien hij zorgelijk
streelde.

Terwijl de schilder nog even z'n palet in orde bracht om 't portret
in kleuren op te gaan zetten, babbelde Racier maar wat huiselijkjes
voor zich uit:

"Zeg, kunstenaar ... hè je gezien? Me zeere voete brande al."

"Wàt?"

"Ja; die ouwe schoene knelde me zoo, en toe jij d'r strakkies effe nie
bij was, heb 'k ze op 't haardje gesmete ... 't Dee' me goed, omdat
ze me zooveel pijn gedaan hebbe ... èn ze benne van 'n domenee!... Mot
je mijn standpunt as atheïst goed verstaan ..."

"En waar loop je nou op?"

"As we strak klaar zijn, krijg 'k 'n paar wije van jou ... halfslete
kunstenaarsschoene. Kan ik hebbe ... Begrijp je me ook; of hè je geen
menschekennis?... Mot je mijn hebbe; ik kijk 'n iedereen dwars door
ze ziel ... Die geliefde van jou, of hoe ze hiet: je mevrouw ... uwes
dame, die's edel. Ik heb eerbied voor 't zwakke geslacht, van die
je in d'r kerakters kan leze ... En as ze soms 's 'n kleintje moch
krijge, en 't is klierig ... 't kon zijn hè?... dan is t'r geen goud
zoo goed as stavezaad met jenever. 'k Mag leie dat je vrouwtje d'r
trekke d'r speciaal in komme legge ... Daar neem 'k me petje voor af!

"Maar zeg, ruik je nog niks?... Fijne geur, musc, zegge wij
Fransche. 't Benne me schoene ... 'n Schoemaker, as tie óók eris
lekker wil ruike, verbrandt ie oud leer. Mot je wéte. En as je eens
of twee maal in de week je aarappelschille in je kacheltje gooit, dan
heb ie nooit 'n schoorsteenveger van noode ... Daar gaat alle roet
meteen 't pijpie mee uit ... Da's wèl niet mooi hè, aarappelschille
verbrande?--want je heb diere die ze vrete en d'r 't menschdom melkie
voor geve ...

"Nou, kan je d'r nou 's niet op je gemak bij gaan zitte?--Dan gaat
de voorstelling weer beginne: de Hamlet, les Brigants, La Muette de
Portici ... 'k Heb óók nog 's gefigereerd in de rol van Madame Angot
... Hè, 'k wou da 'k er maar 'n mooi tooneelstuk van miek. 't Is fijn,
hè, me leve?... Maar vin je 't nou niet diep treurig, dat 'n mensch
zoo van de eene misdaad in de andere valt?... 'k Heb 'n voorgevoel,
da' je me laat schiete as je alles van me weet..."

"Niet?--'t Zou me meevalle. Ben je dan soms ook atheïst?... Anders
zeg je an 't slot: Nee Racier, snij maar uit ... jij ben me te slecht.

"Is de verf nou klaar ... kunstenaar? Hoor je dat rijme? 'k Dicht van
me tiende jaar af. Maar de kunst is verkocht an 't groote kappitaal, da
'k in me niere veracht ... Mot je hoore: Toe 'k in de Krentetuin zat,
wou 'k d'r uit, en as 'n echte rijmdichter he'k an z'n eksjelenzie
gerekwestreerd:


    Ekzjelenzie,
    Een moeder die haar kind moet derve,
    Verlangt geen troost, wil gaarne sterve,
    Als zij haar kind slechts wederziet.
    Mijn màmma is een ziekelijk weze,
    Ik ben in staat haar te geneze,
    As ik haar al mijn hulpe bied.
    Mocht u, zijn ekzjelenzie, mijn straftijd nog soms verlenge,
    Wellicht kon 'k nooit mijn plicht volbrenge,
    Die mijn nog tijdig overschiet.
    Zijn ekzjelenzie! Welaan; ik durf op grond te vrage,
    't Zijn ekzjelenzie moog behage,
    Een gunstig blijk mij niet ontvliedt.
    Met dankbaarheid zal ik u loone,
    Want mijn gedrag zal altijd toone,
    De maatschappij ... da'k werkzaam ben op ieder gebied.
    En nu ten slotte hoogvereerde heer Baron
    Schenk Hendrik Evert Timmermans z'n vrijheid werom?"


"Timmermans?"--kwam de schilder verwonderd om z'n ezel.

Maar Racier hoorde hem niet. Hij zat ontroerd, en de tranen liepen
'm langs z'n witte gezicht.

"Was je moeder zoo ziek?"--vroeg de ander meewariger.

"Kà je denke ... zoo'n nobele vrouwe het ommers d'r lijfars. Nee,
't was me dichtaar, die me dat zoo ontlokte ..."

"Maar waarom schreef je d'r nou toch in 's hemelsnaam Timmermans
onder?"

"Wel, daar werkte ik toentertijd onder, onder die naam ... pseudoniem
bij de rolle, die 'k allemaal vervulde ... We bèn nog zoo ver niet
... Zal je wel hoore, as 'k er an ben geland ...

"Kan 'k verder gaan? 'k Weet 't nou precies. Want 'k kon weer niet
slape van 't prakkezeere vannacht, en toe heb 'k 't me eige woord
voor woord overhoord, in me krippie, daar tussche al die gedalleste
jonges ... As je maar luistert, dan za'k wel beginne:

"'k Vertrek vandaar--'k was ommers in 't Maastrichsche koffiehuis
geweest,--nou daar trek ik vandaan, te voet, de Pote deur, en zoo na
't Rijnspoor: in me onderbroek! Gaan 'k in die wachtkamer zitte, en
zit te leze in 'n stuk krant, genaamd de Figaro, die 'k op verzoek van
de kelner uit het café-restaurant Du Commerce had magge meeneme, onder
't gebruik van geen consumptie, angezien me middele dat séance tenante
nie' toeliet. Maar niemand heeft me die wachtkamer binne zien gaan. En
nou komp er een trein an--waarvandaan is me tot hede onbekend--maar
ik loop met dat volk mee 't station uit, en stap 't eerste rijtuig
't beste binne.

"Die koesier vraagt mijn: "mijnheer waarnetoe mot ik uedele
brenge?" Maar ik doen da 'k die man nie verstaat. Waarop de
tolk van de Maréchale de Turenne geroepe wordt--'t rijkste hotel
op de Kalveremart--waarop die koetsier zeit: "ik kan de man nie'
verstaan." Maar die tolk die zeit: die man mot weze in De Zeve kerreke
van Rome, en je mot 'n bitje hard rije, want daar zit een goeie fooi
voor je op; die vreemdeling is een Spaansche edelman!--Waarop de
koesier zijn zweep op zijn vierjarige zweetvos leit en mijn ventre
à terre stilhoudt voor de Zeve Kerreke van Rome ... En dat in me
onderbroek! Ja, die rol is mooi; daar hebbe ze wat van geleerd. Maar
er komt nog meer ... Wat je nou weet is maar kindere-spel.

"Die bediende treedt buite, maar verstaat mijn niet ..."

"Wat sprak je dan toch?"

"Italiaansch. Waarop hij de hotelhouer riep--son patron--waarop ik
vroeg: "eb u voor mijn 'n kamer?" Waarop de hotelhouer zee: "jawel
mijnheer, zooas u beveelt." Volges die etiquette steeg ik dat rijtuig
uit, en zee tege de hotelhouder: "betaal me koesier, en geef'm 'n
gulde fooi." Hm.

"Nou de entrée in die gelagkamer. Dit alles geschiedt vóór zesse. Daar
zit die meneer van 't hotel, en onder 't gebruik van 'n fijne flesch,
etiket St. E.m.i.l.i.o.n,--die mot nòg betaald worde, maar da's 't
kappitaal--het ie gedurende een uur met mijn zitte prate over Italië,
waar ie speciaal mee bekend was. Nou, maar 'k sting 'm!--Waarop ik
mijn in de gereedstaande vertrekke terug wou trekke, om onder 't
gebruike van een gloeiend haardvuur, mèt blokkies, mijn gedachte de
vrije loop te late.--Ja, 'k mos me rol toch afprakkezeere!--Waarop ik
gebrach wor in de hotelkamers numéro één tot zes, en ze me zoodoende
an me lot overliete.

"Daar ik mijn uit had gegeve voor luxe-paardehandelaar uit ... Jena,
en er toemaals net 's anderedags paardemart in Rotterdam was, vroeg
ik de hotelhouer, mijn vroeg te roepe, want ik geliefde met de eerste
trein te vertrekke.... (En dat alles: zonder lood. Da's 't ware d'r
van!)... ten einde paarde te koope voor mijn firma!

"Nou begint pas de rol.--Daar hij mijn antwoordt: "daar is een
elektrieke schel in je kooi, en daar wordt op gedrukt, en dan zal
uedele wel opstaan, mijn gast." Waarop ik hem antwoord: "ik heb
dat in Arnhem in 't Zwijnshoofd ook bijgewoond en sliep toch deur,
om rede de bediende mijn an me mouw mot pakke en dàn staan ik pas
op." Waarop hij mijn antwoordt: "aan uw vraag zal voldaan worre."

"Daar elke reizeger 's morreges pas betale mot, wier mijn
netuurlijkerwijs 's avens nog om geen geld gemaand. Maar espres voor
mijn wier 'n kelner angeschaft, die die taal machtig was, die ik sprak.

"Ik heb daar 's aves gesoupeerd--ja, netuurlijk eerste klas, 'k zel
't niet doen!--en vroeg om halftien na bed te magge gaan, daar'k om
zeve ure twaalf mos vertrekke na Rotterdam, 'k Wier nabove gebrocht
door de nieuwe bediende, die in die Spaansche taal tegen mijn zei:
"meneer, je zet je laarze maar an je deur, en ze worre vanzelf
gepoest."--"Nee"--zeg ik--"'t benne verlakte".

"Ik begon binne te gaan in salon numéro premier; dan op numéro deux,
dan op numéro trois, en zoo navenant, van alle gemakke voorzien, as
biljarte, toilet mèt private,... èèè ... cuisine, en schrijfbureau
style Louis quatorze, met satijn overtrokke, volges de etiquette van
dat hotel ... au premier! Zoo begaf ik mijn naar de gereedstaande
chambre à coucher: nachttafeltje, table de nuit Louis quinze, met zes
passende stoele, kleerkaste ... met portemanteau, overal van levende
roze voorzien in vaze, style Louis ... quatorze.

"Daar begon ondergeteekende z'n eige uit te kleeje. Maar dit mos vlug
in ze werk gaan, angezien ik geen broek heb. Ik trok me ulster uit en
zette me kaplaarze buite de deur en sloot netuurlijk die deur, maar
niet op 't hakie, want anders kon me nieuwe kamerbediende d'r niet in.

"Een speld kon je daar late valle, want er lagge allegaar tepijte,
zoo stil as in een steene graf, want ze magge volges die etiquette
de reizegers niet moeie.

"Ik nam me ulster en hong die een halve santimètre van me nachttafel,
trok me jaquet en me fantasie-vest uit--broek ha'k nie--en gong in
me bed onder de hemel legge. 'k Heb nog nooit zoo royaal gemaft!--Hoe
vin je 'm?

"Hoe 'k geslape heb ken elk weldenkend mensch wel denke. Nee,
ondergeteekende het geen oog dicht geloke, want 'k denk aldeur:
hoe za'k d'r morge vroeg af komme? Maar 'k hieuw me eige toch slapend.

"Die bediende komt 's morreges, die voor mijn ampart angesteld was,
en zeit in de Italiaansche taal: "meneer, 't is tijd voor de trein."

"Die kamer lei vol tapijte, zoo 'k al zei. Maar toch hoor 'k 'm
komme. En ik zee tege hem: "donnez moi mon pantalon, s'il vous plait;
die leit onder me jaquet en vest op de stoel, en me ulster hangt er
overheen." Hij zoekt mijn broek, en zeit: "je ne vois pas". Waarop
ik in woedende vaart uit me bed vliegt en 'm vraagt of ie dacht dat
'k soms gek was geworde. En... "vite, appelez votre patron". Waarop
mijnheer zelf in de kamer kom, en ik hem zee dat ik séance tenante na
't "Vaderland" in de Parkstraat zou gaan met een ingezonden stuk as ie
mijn de schaai niet vergoedt. Maar hij valt op ze knieë, en smeekt:
"ne faites pas ça, want anders ben 'k eeuwig verneuried. En ik zal
bij dat vest in de confectiewinkel sitót een dito broek late hale."

"Ik zeg: "daar ben 'k nie mee gered, want me portemenee zat er in"
(ja, 'k mos toch geld hebbe: as je 'n rol speelt, mot je 't goed
doen!) "Hoeveel zat er in?"--vraagt hij. 'k Zeg: "da' kan 'k op geen
tachetig, negetig, honderd gulde na zegge."--"Nou"--zeit hij--"weet
je wat, dan late we die afrekening maar zoo zitte, jij krijgt nog
'n broek en één honderd gulde ..."

"Maar nou komt die steek, die 'k laat valle.

"Dat mos vlug in ze werk gaan, angezien 't rijtuig voor de deur sting
te wachte om mijn te vervoere. Dit geschiedde allemaal in de vreemde
tale. De hotelhouder buigt voor mijn als 'k instijg, en 'k zeg:
"A la gare!" Maar bij de Koepokinrichting trek ik die koesier an ze
jas, geef 'm de nege dubbeltjes, die 'k nog over heb van de kelner
uit de Commerce, en zeg op z'n Hollansch: "zoo zal 't wel in orde
weze". Waarop hij schrikt van die tale--na 'k later van de commissaris
hoorde. Waarop ik de Rijswijkscheweg oploop, en me kostvrouw tege
kom, mejuffrouw Damman uit Lammetjegroen, en zeg: "Bet, heb je niet
altemet een paar gulde voor mijn?" Waarop zij mijn drie gulde geeft,
en ik haar de honderd gulde van de "Zeve Kerke van Rome"--in bewaring
netuurlijk. Waarop ik deurloop ... dwars in me ongeluk!

"Want daar op 't hoekie van de Ammenisie-have en 't Spui is 'n café,
waar ondergeteekende binnegaat. Maar daar motte nou net nooit niks as
kelners bij mekandere komme--óók 'n strop, zeg?--dat ze daar allemaal
's morges vroeg hullie kejakkie gaan gebruike, van 't hôtel Maréchale
de Turenne, de Zeve Kerke van Rome, Hôtel des Indes, Hôtel Paulez, de
Ouwe en de Nieuwe Doele--mot je mee bekènd zijn--èn uit 't restaurant
de Maas in de Wagestraat. Want zie je, die baas in die zaak is zooveel
as placeur.

"Staat me daar de bediende uit de Commerce--die van 't
diner... complet! met die van de Zeve Kerreke van Rome, die enkel
voor mijn was angenome,--hoor je hoe 'k rijm?--en die zeit: "wat daar
vannacht bij ons plaas het gegrepe op de kamer van een Spaansche
graaf?"... Om kort te gaan, die speelt mijn rol uit. En de kelner
uit de Commerce vraagt: "hoe zag die heer er uit?" Maar nou krijgt ie
mijn in de gate, en zeit: "'k Val dood as dat dezelfde knul niet en
is, die zich voor het gegeve voor de burgemeester van Loosduine." De
bediende van de Zeve Kerreke van Rome gaat 't an ze chef vertelle;
die roept de pelisie. Mijn koesier slaat deur. 't Signalement wordt
per telefoon na Delft overgebracht. En zoo wier 'k an de Ollandsche
theetuin gepàkt!--Hoorde je die hache, die 'k as Franschman zijnde,
weer niet uit kon spreke?"



HOOFDSTUK III.


Toen de schilder den volgenden morgen op z'n atelier kwam, vond hij
zijn model al wachten. Racier was erg onrustig, zag er opvallend
slecht uit, en z'n oogen glansden geagiteerd.

"Je mot me niet meer alleen late"--zei hij gejaagd--"daarom staan 'k
nou voor 't raam, want dat groen achter die straat bevalt me ... As
je me zoolang alleen laat, gaan 'k hier altijd maar staan; 't maakt
me bang en ongedurig, zoolang jij d'r niet bij bent ... 't Komt door
die vrijer daar ... 'k heb er 'n hekel an; die kijkt je dwars door
je niere, wor je eng van... waar je staat, staan je... Doen me nou
's 'n eer, en draai die vent om--kunstenaar?"

De schilder nam glimlachend 't portret van z'n vader, dat in
een hoek op den grond stond te drogen, en keerde 't vriendelijke
oudemanne-gezicht naar den wand.

"Hoe kom je zoo zenuwachtig vanmorgen, Generaal? Wil je 'n sigaar?"

"Nee, ik rook niet."

"Wàt zeg je?"

"Nee, as 'k daar an wen, komt 't mijn te duur. Da's nou 's 'n idee
van mijn!--Weet je wàt fijn is?... 'n Pijp varinas ... dan ga je
fanteseere ..."

"Maar waarom heb je nou waarachtig dat knappe pak niet aan?... 'k
Geef je geen stuk meer, als je 't toch dadelijk verkoopt ... Je loopt
't weer bij als 'n roover ..."

"Pardon, kunstenaar, ik sterf nog liever, dan da'k wat verkoop wa'k
van 'n ami intime gekrege heb. Maar 'k heb 't geleend an 'n jonge
knul op logement, die op 'n betrekking uit mos. Hij kon d'r zonder
mijn toilet ommers niet heen. Z'n pardessus was kaal ... zat 'n vreemd
lappie op ... Hoog fijne knul anders, spreekt alle tale... op één na:
't Spaansch. Zal ik 'm nou leere ... kost mijn ommers niks. Maar één
ding neem 'k 'm kwalijk: die jonge bidt!... Tòch gaf 'k 'm me jas en
me vest!--Wie doet dat?--Ik, Jean Charles Racier ... as atheïst!... En
vannacht ben 'k van die cente uitgeweest ... daar zien 'k zoo bleek
van ..."

"Van de centen van mijn pak ... als atheïst zijnde!"

Racier schrok schuw in elkaar.

"Dáár heb 'k 'n steek late valle. As je de rechter van extruksie was,
zat 'k er zóó alweer in ... Affijn, we zulle d'r nou maar niks verder
van zegge, da's beter ... enne ... jij ben ook de kwaaiste toch niet
... vergete en vergeve--zei de Heer ... 'k wil zegge: de Natuur."

Hij zat nu verlegen te blozen en voor zich uit te stamelen. Keek
telkens tersluiks even op of "de kunstenaar" nog kwaad was, en lachte
dan kinderachtig om 't weer goed te maken.

"Nou, 'k dacht dat jij gladder kon liegen, Excellentie. Je valt me
tegen ... Maar vertel nou maar verder van hoe dat toen afliep met
dien Spaanschen graaf-veekooper uit de Italiaansche stad Jena ... Je
zat leelijk geknipt, hè?"

"Ja--ze mieke mijn in de val! Waarop de rechercheur van Dremmele an me
vroeg: "waar kom jij vandaan?" 'k Zeg: "ik kom met 't mooie weer uit
Voorburg gekuierd." "Zoo"--zeit ie--"dan bè je mijn arrestant." En
met ze tweeë brenge ze mijn in de trein na De Haag. Daar kwamme d'r
vier stille bij, en dat opperhoofd zeit: "Zoo, Racier, nou bè je dus
weer binne." Nou, 'k hoefde dus me naam al vàst niet te verzwijge,
want ze kenne me hier, en in De Haag, ja, door heel Nederland, as de
bonste hond. Maar ik had nies op me gewete, hè? En 'k zeg dus: "je
kan met mijn doen wat je wil." Doch daar ik arrestant ben, vervloek 'k
't netuurlijk om te loope--as 'k gesnapt ben, dan loop ik principieel
nooit--waarop zij verplicht zijne volleges artikel tweehonderd ... enne
... dertien van de Code Pénal van 't jaar achttienhonderd en ... drie
en dertig, om me per rijtuig na 't bereau te leie ...

"'k Had ommers niks gedáán! Daar getuigt eerst die garçon van de
hotel-restaurant du Commerce ... à prix fixe ... première classe,
en ik zeg: "die man is in ze recht." Dan hale ze de kelner uit de
Zeve Kerke van Rome ... les Sept églises de Rome, met z'n patron
spécial, propriétaire ... et directeur-général--en ik hou vol: wat
die persone zegge is allegaar waarheid ... alleen heb 'k geen honderd
gulde gehad ...

"'k Wier gevisenteerd en ze vonne op mijn dan ook twee gulde en
vijf-en-dertig cente, zijnde 't soldo van wat ik verteerd heb an
biere, wijne, thee enne ... room-chocolade, à la vanille. Waarop ze
mijn overbrenge, pèr vigelante met twee ... driejarige zweetvosse
bespanne, na 't huis van bewaring op de Prinsegracht, wat tot hede
nie meer bestaat. Want nou is 't in de Cazjewarisstraat. Waarop ik in
verhoor zijn genome door de edelachtbare heere rechter van exstruksie,
de weledele heer W.L.F. Morsing, wonende destijds Prinsengracht 753,
derde huis van 't hoekie. Angezien ik geen avecaat laat pleite, zijnde
die tòch an 't groote kappitaal verpand, en ik zelfs as verdediger
van ondergeteekende optreed, was mijn eisch weges oplichterij ... op
hooge schaal: drie maande cellulair. En wel voor 't eerst op eige naam,
as Jean Charles ... Constantin Edouard Racier ... Cadet, zijnde mijn
vader in de Commune gevalle as ... martelaar de première classe."

Hier zweeg hij van ontroering, dikke tranen in z'n oogen.

"Is je vader op de barricade gebleven, Racier?"--vroeg de schilder
deelnemend.

"Hè?"--werd de ander uit z'n droomen gewekt--"papa? Wel nee, die
is ommers as vrouw verkleed, as markiezin dan netuurlijk, Napoléon
achtervolgd, l'Empereur ... en heeft 'm de grenze overgejaagd ... We
hebbe d'r nooit spijt van gehad."

"Dàt begrijp ik."

"De generaal Racier ... Ainé is op z'n château ... genaamd ... le
Lion d'or, in hooge ouderdom in de familie-kelder, tombeau familiaar
... bijgezet ..."

"Maar, da's waar: vroeger heb je verteld, dat je vader tot
directeur-generaal van het huis Rothschild in Berlijn was benoemd ..."

"Ja, benoemd, maar hij had ommers de dood an 't groote kappitaal
gezien, net as ikke, z'n zoon Cadet ... en heeft 't afgeweze ..."

"O zoo ..."

"Maar nou heb je me weer in de war gemaakt ... Waar was 'k gebleve?"

"In 't huis van bewaring ..."

"Dus de eisch weges oplichterij op gróóte schaal was zes maande ..."

"Drie, wil je zegge."

"Nee, zès; want 't vonnis wier één maand met aftrek van preventief,
want daar had ik zoo mooi voor gepleit, netuurlijk. Dus heb ik toe maar
twee dage op Scheveninge doorgebracht, op A 46 ... Ja, da' pleidooi,
daar konne die avekate van leere, zoo fijn as dat was. Die heele rol ha
'k uitgeschreve op papier, in de gevangenis, en uit me hoofd geleerd.

"Ik vroeg netuurlijk eerst an die welejelachtbare heere président en
rechters of 'k 'n beest in 't spel mog neme om zoodoende me misdaad
of val an de dag te brenge. "Welejelachtbare heere président en
rechters! Veronderstel dat u met uw dame van Scheveninge kuiert, maar
van De Haag komt er 'n hond, die wellicht verdacht voorkomt en schurf
heef. Welejelachtbare heere président en rechters, wat doet uwe dan?"

""Beklaagde, staai 's op"--zee de president--"Dan gaan 'k 'n stappie of
vijf opzij met me vrouw om mijn of mijn mevrouw niet te late besmette
van dat beest."

""Welejelachtbare heere président en rechters! Zoo'n dito persoon
staat sitôt voor de rechtbank. As gevalle man kan ik nerges geen
betrekking krijge en daar de Natuur--as atheïst zijnde noem 'k
God's naam nooit--de Natuur, dus, ze rechte eischte, en ik voorbij
het hotel-restaurant kwam, genaamd du Commerce, café au premier,
en ondergeteekende erge honger had, en door de welejelachtbare
heer Janse, as president van de soepbedeeling daags voor me val was
verwijderd (die zat er bij in de rechtbank, en ik noemde 't kind bij
ze doopnaam) vroeg ik mezelf af: dat rake tuig zit daar lekker te
vrete, en 't is net zoo goed van mijn, om rede ik bedoelde rol heb
afgespeeld. Nou vraag ik, welejelachtbare heere président en rechters,
of artikel tweehonderd zeve en zestig van de Code Pénal van 't jaar
achttienhonderd ... drie en veertig nie' te zwaar is voor deze kleine
misdaad? En vraag verzachting van omstandighede, waarop ik hoop en
wensch dat de rechtbank mijn pesitie zal in oogenschouw neme, en laat
't verders over an de clemenzie van de rechtbank. Hetwelk doende,
Jean Charles Bernard Antoine Racier ... Cadet!"

"En toe de president toe an me verdediger vroeg hoe of wat (die wordt
'r toch voor betaald en die mot toch ook wat zegge), zee die: "Ik
kan daar niks an toe voege, want zoo zal 't wel in werking weze ook."

"Maar bij me ontslag gaan 'k netuurlijk sebiet na me kostvrouw, die
me de zeve en negetig gulde teruggaf, waarop ik haar 'n briefie van
tien gulde presanteer voor de moeite; maar dit geschiedde onder vier
ooge in de binnekamer. 'k Kom daar netuurlijk alleen as 'k wat heb. En
'k had ommers honderd gulde verdiend binne 'n maand, en ze magge me
daar toch nie weer derec achter slot en grendel voor zette.

"Nou komt 't páárdelef d'r bij en 't kerakter van iemand: Waarop ik
weer me intrek neem in de Zeve Kerke van Rome! En nou toucheer ik die
propriëtair, want ik zeg: "donnez moi vous même un massagrin!" (Da's
de zwarste koffie). Hij herkon mijn sebiet, want ik had me baard
nog, omda'k onder de drie maande had gehad en dan wor je niet
geschore. Waarop ik hem 'n briefie van véértig gulde gaf om af te
houwe. Maar 'k gaf 'm 'n kwàrtje fooi. Toen bedankte 'k 'm, dat ie
me voor de rechtbank nie bezwaard had!"



HOOFDSTUK IV.


Alsof hij 't las uit een verrajers-roman in afleveringen, vertelde
Racier dag aan dag voort van wat zijn groteske verbeelding over
z'n armzalige zwerversbestaan fantaseerde. En de schilder liet hem
ongestoord begaan, om dien raren waan te zien blozen in z'n fanatieken
kop, z'n oogen vonkelend van extase. Want zoodra hij 'm, voor een
detail, vroeg om 's even z'n mond te houden, verslapte dat gezicht zoo
moe, en staarde de stumperd zoo wezenloos suf voor zich heen, dat alle
leven eruit scheen. Hij was een geboren comediant, zag de wereld als
een schouwtooneel voor draken. Zijn bestaan was een eindelooze reeks
van burleske creaties, melodramatische rollen, bonte vertooningen
van voorname personages, zooals hij zich die in zijn bekrompenheid
voorstelde. En, fantast als hij was, geloofde hij oprecht wat hij
speelde; zag hij het leven om zich heen door denzelfden waan. Tot ie
dan telkens weer opgepakt werd, en in de gevangenis voortwarde aan de
bitterste medidaties over miskenning en onrecht, hem aangedaan door
de kleinzielige, baatzuchtige wereld. Stormen van felle opstandigheid
wisselden met stilten van filosofisch-geláten martelaarschap. En
langzaam aan vormde zich dan in z'n ziekelijk overspannen brein weer
een ander ridderlijk plan, om uit te dolen, zoodra hij ontslagen
zou zijn. Dan fleurde de poovere sire weer heelemaal op in zijn cel,
kwam z'n versukkelde lichaam fier overeind, en de oraties, die hij
hield tegen gevangenbewaarders en andere bezoekers, verliepen in de
bizarste aberraties, op een niet te stelpen woordenstroom.

Straks ging het scherm weer op en zou hij in de comédie humaine
z'n sterreloop voortzetten ... Want hij was immers de verhevendste
kunstenaar, de universeelste geleerde, de messias van het atheïsme, de
edelste mensch naar karakter en afkomst. Nu zou hij daden verrichten,
die over heel de wereld den naam van Racier beroemd zouden maken;
en lukte 't niet in het goede ... dan maar in het kwaad! Duizelig van
exaltatie waggelde hij de gevangenispoort uit, zag hij zich op straat
verdachtelijk nagekeken om z'n verschooierde plunje, dat de haat tegen
"'t rijke tuig" 'm razend maakte.

Maar z'n afgetobde kop, en z'n ziekelijke lijf waren te zwak om
feiten te plegen. De wraak bleef bij woorden, woorden van afkeer,
van minachting, èn zelf-adoratie. En om z'n ellendige sjofele
slaapstee-bestaan te zien in een gulden schijn, om zelf weer durf te
krijgen, z'n machteloosheid aan te vuren tot een roes van grootheid,
zette hij 't telkens die eerste dagen en nachten op een drinken.

"'k Was als 'n leeuw--de koning der dieren--die van de ketting
afkwam. Met één slag van me klauw ha'k al dat kleine gebroed nou kapot
wille slaan; me dàn weer wille vertoone in al me majesteit. Maar ze
hadde me lam gesuft in die kooi. En dat maakte me zóó zenewachtig,
da'k met me eige geen raad wist ... 'k Had aan Hare Majesteit de
geëerbiedigde Koningin wille schrijve ... enne ... an Napoléon, om die
nobele held bij te staan met raad ende daad. Maar 'k was niet in staat
'n pen in me vingers te houwe, zoo af en moei en ellendig as 'k was. 'k
Wou alles, 't grooste, 't beste, zoo nobel as 't niet bestaat ... maar
'k kon niks, niks en 'k had niet de noodige kappitale. Daardoor ben
'k toen an de alkohol verslaafd, heb ik jenever gezope, dat de luize
op me kop begonne te danse ... Om 't goeie, 't groosche tot stand te
brenge door die alkeholische krachte, die 'k zelf nie meer had. Mooie
werreke voor de menschwaardigheid van 't heele uitspansel zou 't weze
... want 'k heb an geen verrajers borste gezoge ...

"En toe ... toe kocht ik voor de laatste cente van me uitgangskast
weer 'n ander toilet--da's juist je rol: de kostuum--en 'k bestelde
een colbert anglais, chutte-perge laarze, 'n rubenshoed met 'n bruine
demi èn fantesie-lorgnet. Daar rees ik mee na Utrecht, per rijtuig
van twee arabiër vosse ... zweetvosse ... getrokke. En 'k liet me
brenge na 't hôtel-restaurant Pays-Bas, waar 'k volges de etiquette
me koesier weer laat betale. Want ik ben nou de baron van X. tot IJ.,
gepensionneerd luitenant-k'rnel van 't Nederlandsch-Indische leger,
waaronder 'k een jaar en drie maande as keloniaal heb gediend, toe 'k
door Zemajesteit Koning Willem III wier gepardeneerd van de strop en
gepardeneerd van de kogel voor vijf jare detentie. Dáárvan wist ik nou
dus al die generaals-etekette, en heb ik daar drie weke in dat logement
gelogeerd en aszoodanig gegete en gedronke en vertering gemaakt voor
drie honderd en zes en tàchetig gulde zeventien cente. Hetgeen 'k
zou betale as 'k mijn pensioen ontvangde. Wat zij respecteerde. Want
'k had me daar nageschore, nagemaakt met 'n pruik, snorre en baarde
en die betreffede poltieke costuum met fantasieketting, om rede, a'k
'n rol speel, 'k de persoon in kwestie eerst bestudeer, zooda'k d'r
sprekend op lekent. Waarop er niet de minste twijfel bestaan kòn,
en ondergeteekende een behandeling genoot eerste klas.

"Om an de noodige kappitale te gerake, vroeg ik dagelijks in de
vreemde tale het adresboek, waar 'k in naploos de name die 'k wel kon
met familiebetrekkinge onder 't leger in de Oost, waarop ik receptie
anvroeg, èn ontving, en de tijdinge over d'r lui anverwante deelachtig
maakte an die persone, waarop ik de noodige gelde leende om nooit werom
te geve ... (Bij 't groote kappitaal netuurlijk, da's me hekel!) en
op zoo'n voet op hooge schaal zware verteringe miek ... 'n enkele keer
ook in de groote cafés waar de Figaro leit ... enne le Petit Journal,
omdat dat me moerstaal is ...

"Nou mot je uit die etiquettes van dat leger wete, dat je van
begin-soldaat tot an adjudant-onderofficier je pesioen mag hale vier
maal in 't jaar, op de 15e; en boven die rang op de 16e, 17e en 18e
April, Juli, October en Janewari.

"Dit wetende, zou mijn pesioen ontvange worde op de achttiende, om rede
ik de zeventiende per noorderzon na Alkmaar vertrok, waarop ik séance
tenante gearresteerd werd, en zoo wier ik weer korrepus dilikt. Ze
vroege vijf jare, maar 't wiere d'r twee, die 'k uit heb gedaan in
Scheveninge, want daar ben 'k graag, zooda' 'k er altijd om vraagt. 't
Is daar stilder en as je over je koekoek kan kijke hoor je de zee,
en 't is er beter van verdienste. Me nummer van cel was B 154, waar
'k zevehonderd dertig dage deurbracht na aftrek van me prevetieve;
't benne vier en twintig maande ... en honderd vier weke ...

"Da' beviel me wel niet als te best, want 'k ben ook wel liever in 't
Bible Hôtel, maar 'k kan me in elk lot schikke, van wie wat verdient,
dat ie ook wat mot hebbe. 't Volk hebbe de wette gemaakt, en daarna
mot de misdadiger behandeld worde. Dit alles is de schuld van de
maatschappij en 't hooge kappitaal die mijn an me lot overlaat.

"A'k 't allegaar opskreef wier da' boek zóó dik ... 'k heb er nooit
geen menuut spijt van, want as er 'n hond tege 'n muur ze pootje
licht, heffe d'r veertig d'r poot op en doene 't allemaal ... Helaas,
'k wil zoo goed. Me gedrag bleek immers in de gevangenis, maar daar
gavve ze me te vrete. En 'k heb in de cel nog nooit geen straf gehad,
as voor 'n pruimpie tabak. Om rede ik er nooit met de kelégaas muurtje
heb getikt, want ik wou er niet bij name bekend weze. Maar nou ben
'k deur de wol heen, en toe was ik nog erg da 'k mijn schaamde.

"'k Heb 'r matjes geweve, om voor de rijkdom d'r deure te legge,
en met zuinig te weze, zonder de cantine op te geve--ik kon voor me
ziekte geen tarwebrood bekomme, omdat 't een civiele dokter is, en
die ken je niks wijs make--maar zoo verdiende ik een en veertig gulde.

"Daar kocht ik bij me ontslag een paar schamele kleere voor, en twintig
gulde galanterieë: gare, band, zeep, postpapier en zakkammetjes. Want
van 'n stijselkissie had 'k 'n marsie met laadjes gemaakt en die ware
niet eens vol; voor twintig gulde hè je ommers zooveel niet. En je
mot er netuurlijk minstens de helft op verdiene.

"Met lak had 'k dat marsie zwart gemaakt, en voorzien van kopere
spijkertjes met me naam: Jean Charles Racier voluit. Maar vóór op de
kist sting met groote letters:

"WAT IS EEN MENSCH EN WAARTOE IS EEN MENSCH GEBORE".

"Zoo ging 'k van de Haag over Leie en Haarlem an de huize bij 't
kappitaal. En dan vroege ze wat dat woord beteekent. Kwam 'k nou
bij geloofsgenoote--'k ben atheïst en beweert dusdanig dat alles uit
de Natuur voorkomt en wij afstammelinge benne van de arraroetangs;
da's me leer en gaan 'k niet af ook--zie je, bij geloofsgenoote miek
'k dan wel 's goeie zake. Maar voor de tweede keer ben ze niet thuis,
en hiet 't: daar hei je die vervelende vent weer. En wie dat woord op
me kissie niet verstonde, werd ondergeteekende bij de deur verwijderd.

"Wat zoo overdag verkocht was, werd 's aves bij de grossier
angevuld. En vente is me lust en me leve, want huur ik drie maande
'n wage met negocie, dan is tie mijn. Maar ze storte me liever de
afgrond in, dan dat ze me de brug overhelpe. Die persoon die dat
doet, za'k dankbaarder weze dan me eige broer. Maar 't kan me nie
meer schele ook en 'k wor d'r onverschillig over.

"Daar had je Dr. X, christelijk afschaffer en vegetariër. Bel 'k
ook an de deur. Roept de meid: "mevrouw, kom nou toch 's kijke,
daar staat dat en dat op die man z'n kist." Geeft de mevrouw mijn
receptie in die gehoorzaal, en vraagt mijn wat dat beteekende. Maar
ik zag er de Bijbel op tafel legge, en zeg: "Mevrouw, da' kan 'k uwe
op hede nie vertelle",--angezien ik zag waar ik was. "Maar wat doet
meneer?"--"Professor in de godgeleerdheid."

"Daar kreeg ik toen kennis an. As ik bij mijn idees as atheïst
bleef--zei die hooggeleerde--zou 'k 25, 30, 40 jaar in de gevangenis
motte verblijve. En die knul het 'n voorzeggende geest gehad. Overal
waar ik kom, wordt brood gebakke, maar voor mijn is t'r geen boo'schap
bij. Wat 'n mensch opgelege is, dat ontgaat 'm niet. Mijn mama,
die edele vrouwe, zei altijd: As je voor 'n kwartje gebore ben,
krijg je nooit dertig cente ..."



HOOFDSTUK V.


Inmiddels was 't schilderij afgekomen en Racier weer in zijn gedalleste
wereldje verdoold. Maar mijn herinnering aan den Don Quichottigen
schooier bleek heel sterk, zóó, dat toen ik tijden later in Amsterdam
familiaar werd aangefloten en niemand minder dan den hoogmoedigen
zwerver wenkend achter mij zag--de eerste schrik aanstonds oversloeg
in een onbedwingbaren lach.

Maar hij nam 't me niet kwalijk. Fier stond hij hoog boven mij uit,
de lange kerel in den zwier van z'n verschooierde plunje. De trouwe
dallesdekker, afgelegde ulster, die hij eens alsof 't een koningsmantel
was, gracelijk van mij had aanvaard, hing nog altijd te wijd van
z'n schouders af, en eenigszins opzichtig hield hij daaronderuit de
fluweelen broek om z'n magere beenen te kijk. Zijn fanatieke gezicht
was overschaduwd door den neergeslagen rand van een slap vilthoedje,
dat ik ook nog wel meende te herkennen. Maar z'n rossige puntbaard
was afgeschoren in de gevangenis, waar hij, naar ik later vernam,
weer kortelings ontslagen was, na er opnieuw een oplichterijtje te
hebben uitgezeten.

"Nou"--zei ie wijsgeerig gelaten--"as je straks klaar ben met lache
... Zie je, jij meent 't nie' kwaad, en je ben geen verrajer ... As je
'n gesjochte jonge an de galg wou helpe kon je anders je testament
ook wel make ... Hoe gaat 't overigens met de kunstschilder, me
kameraad? Al nie veel beter vak om alle dag van te ete dan boef,
hè, die kunst? Maar zoo gedallest as ik ben ... niet om 't een of
't andere, hoor, want leene doe 'k nooit van 'n ami-intime ... 't
Eenigste is, as je knap angekleed ben krijg je nog wel 'n goeie
revolver, maar ons schorem geve ze 'n ding dat niet afgaat ... As je
mijn maar begrijpt ..."

Nu ben ik uit den aard van mijn connecties niet wat men noemt
"groosch". Maar, eerlijk gezegd, vond ik Racier, zooals die
er nu uitzag, toch wel 'n èrg opzichtigen schooier voor een
vertrouwelijk gesprek, staande in de pantoffelparade midden op de
Leidschestraat. Want we hadden natuurlijk dadelijk een belangstellend
publiekje om ons heen gekregen, en op een paar pas afstand had zich
ook reeds een dienstijverige diender gepoot, wat aan de ontmoeting
min of meer het intieme karakter benam. Dus stelde ik Racier voor
om wat op te kuieren en zoo argeloos mogelijk leidde ik hem toen
de eerste de beste dwarsstraat mee in, waar hij mij weldra in een
gezelligen schaftkelder de eer van een hartig maal wilde aandoen. Want
de kerel zag er schrikkelijk verhongerd uit. En toen, in die voldane
na-den-eten-stemming, is zijn verbeelding weer aanstonds vaardig
geworden, en heeft hij mij de stoutste variaties op zijn sjofele
leven verder zitten vóórfantaseeren tot eigen oprechte ontroering.

Hij was nu heel week, de stumperige held, al hadden we heusch niets
dan stikke-koffie gedronken. "As je me hart door kon snije"--zei hij
met bevende lippen--"zou je zien hoe edel 't is. En ik zweer je, wáár
ik tot me dood toe ook ben in de wereld: in Londen, Parijs of Monaco
... of weer in de lik!... jij krijgt me correspondentie. Me mama en
papa zijn tòch ommers dood. En wat mijn zwager voor een cadet is, za
'k je late leze"...

Toen morrelde hij uit een versleten zakportefeuille met veel vergeelde
paperassen twee brieven te voorschijn ... "Mot je op je gemak bij
gaan zitte, en je verstand bij gebruike."

Ik las halfluid, en hij luisterde gretig mee:


"Zwager Racier in de gevangenis te X.

"Vernemend, dat ge alweer waart, waar ge als man van Jaren niet
meer had moeten komen, deed mij geen plijzier. Ge weet wie ik ben,
en jij kunt toch nooit niet zeggen: Charles heeft mij slechte raad
gegeven. Daar ik je al van jongeling zijnde heb leeren kennen. Gij
waart toen 18 Jaren oud, dus circa 38 Jaar geleden. Waar is de tijd na
toe gevlogen wanneer wij zoo eens evetjes achter ons zien, is het maar
een schim. Wij hebben allen onze weg gegaan. Zoo we het beste dachten,
naar ons eigen goeddunken, gij de uwe, ik de mijne, veel ondervonden,
voor en tegenspoed, elk op zijne weg.

"Het doet mij leed dat ik niet mag schrijven op het adres zooals het
zou moeten zijn, maar het is niet anders, en zoo ik verder verneem
uit uw schrijven zijt ge het einde nabij ..."


"Wat?"--viel ik uit--"ben je zoo ziek geweest, Racier?"

Heel even kwam een rose blosje in z'n wangen op. Toen beheerschte
hij zich weer, en zei: "Zoo sterk as 'n peerd, man!... Nou, hoe vin
je die rol?"

"Had je dan aan je zwager geschreven, dat je ziek was?"

"Natuurlijk wel, toe 'k me verveelde, en wel 's graag een lettre
intime wou ontvangen ... Lees nou maar voort ..."


"... en zoo ik verder verneem uit uw schrijven, zijt ge
het einde nabij, en hebt ge u met God verzoend ..."


"Wàààt?... En je was zoo'n verstokt atheïst?"

"Nogal glad, hè ... Toe de domenee bij mijn wou komme in me cel, heb
ik 'm er met dat driepikkertje, dat krukkie, weer uitgetimmerd. Maar
de natuur, die anbid ik, en as 't dondert en bliksemt ga ik 't liefst
over me koekoek hange om uit te kijke ... Hoe vin je nou die rol, da
'k allemaal an me zwager had geschreve?"


    "... zijt ge het einde nabij, en hebt ge u met God verzoend, ik
    hoop en wensch dat ge ditmaal de waarheid schrijft, en nu zoudt ge
    u ook met ons willen verzoenen, ik weet niet wat ge daarmee bedoelt
    of zeggen wil. Wij uwe zuster en ik hebbe nooit eenige haat tegen
    je gekoesterd, als alleenlijk dat dat wij altijd op afstand moesten
    houden, omdat ge het er naar maakte, is het zoo niet? Dat is het
    eenige uitsluitsel wat wij tegenover uw gemaakt hebben, voor zoover
    als wij weten, anders hebben wij ons niet te verontschuldigen
    en nu in de hoop dat gij het tijdelijke met het eeuwige denkt te
    gaan verwisselen, wenschen wij uw niets meer of niets minder, dat
    je de oogen in vrede mag sluiten, en aan moogt zitten gelijk de
    moordenaar aan 't kruis op Golgotha aan de Regterhand van Hem, die
    geeft en neemt naar Zijn eeuwig welbehagen. Dit zij onze laatste
    bede voor uw, zuchtende ongelukkige van dit wereldrond. Van uwe
    nog tot heden toe liefhebbende zwager en zuster Charles en Marie."


Toen ik opkeek zag ik Racier voorovergebogen zitten; dikke tranen
gleden langs zijn bleeke gezicht.

"Is het toch niet diep treurig"--snikte hij ineens uit--"dat 'n mensch
zoo van de eene misdaad in de andere valt, en in 't spinhuis lag te
sterve, zonder vader of moeder?... Op me bloote knieë heb ik gelege
voor God's troon, en met opgeheve arme gebede: Heere vergeef 't hem
...!" Maar toen zag hij mijn verbaasde gezicht en verbouwereerd brak
hij af: "Jij bent óók link .... Jij denkt: daar laat ie 'n steek valle,
die verstokte atheïst ... Zie je, 'k vergeet telkens dat wij vrinde
zijn, en da 'k voor jou niet me mooiste hoef voor te doen ... Lees
nou maar verder, want er staat nog meer in: over me nà-latenschap ..."

Inderdaad, in een post-scriptum heette 't onder meer:


    "Ge hebt ook gevraagd, waar het adres van uw nicht Dora is, voor
    het erfdeel. Ik zal dit opgeven, maar heb vooreerst daar nog iets
    over te zeggen, en dat is dit dat Dora niet je eenigste Nicht
    is, er zijn er nog, heb je daar nog wel eens over nagedacht dat
    de andere neven en nichten even na zijn, en je anders Jalousie
    verwekt, dat moogt ge ook niet doen. En nu Basta hier over, en
    nu wij hebben je nooit kwaad gewild, dat het gelukkig zou zijn
    dat je bij den Heer zou zijn."


"Lees maar voort"--viel de vagebond aanstonds in, om geen verderen
uitleg te hoeven geven--"lees maar eerst voort, dien tweeden brief,
en zeg me dan hoe ie is, die rol met me zwager?"--


    "Zwager Jors!

    "Uw laatste schrijven heb ik en de mijne in gezondheid ontvange,
    en daarmede vernome, als dat ge weer in de ziekenzaal ligt, zooals
    ge zegt, en met een bloedspuwing en daarbij een dubbele breuk, dus
    Jors, zijt ge nu voor altijd, als dat waar is, zoo lang ge nog te
    leve hebt, een man die niet veel meer in de pot te brokkelen hebt,
    wanneer je nog eens op vrije voeten moogt komen, want dan hebt ge
    geen krachten meer zooals een gewoon mensch die niets mankeert,
    want alles is dadelijk boven uwe magt. Ik schrijf dit zoo om rede
    ik weet met wie ik te doen heb, omdat ge me altijd schrijft dat ge
    zoo weinig schrijven van ons ontvangt, en ge al de brieven, die ik
    u toegezonden heb, altijd heb ontvangen. Dit weet ik van den Heer
    Directeur, die mij, nadat ik hem geschreven had, mij ten antwoord
    gaf, dat ge niet op sterven lag maar zeer gezond was, wat nu ook
    wel het geval zal zijn, en altijd uwe brieven gehad heeft. Maar
    ge begrijpt toch ook zeer goed, dat ik op al de flauwe praatjes,
    die er in uw schrijven voortkomen, geen antwoord op kan geven,
    daar het mij in 't geheel niet raakt, en ik nog zoo nu en dan de
    pen eens op neem om je te antwoorden. Je eigen broer laat zelfs
    niets van zich hooren. En dat Dora niet antwoord over de erfenis,
    die voor haar is, begrijp ik; die moet alles gestopt houden voor
    man en kinders, want die worden ook al groot vergeet dat niet. En
    dan nog zoo het een en ander ook over den predikant, die uw komt
    bezoeken, zooals ge zegt, en u veel troost in sterven geeft, en
    dat die gezegd heeft, dat hij op 40 jaren Predikant te zijn, nog
    nooit zulke hartvochtige menschen had ontmoet als wij door niet
    altijd te antwoorden. Maar hebt ge ook wel aan dien Eerwaarde al
    verteld, wat ge in die 38 jaar die ik u ken, al uitgevoerd hebt ten
    nadeele uwer overledene ouders en te meer nog uwer Moeder. Maar
    ik geloof dat de Predikant niet beter weet of ge zijt nog maar
    voor de eerste keer daar en dan kan ik aannemen dat hij alzoo
    spreekt en nu Basta hierover. En wil je me nu nog schrijven dat
    is goed maar verwacht niet meer dan 2 per jaar, die ik dan zal
    beantwoorden. Dat is correspondentie genoeg tusschen ons en u,
    dan weet ge toch zoo nu en dan hoe het ons gesteld is en wij
    weten dan meteen dat Jors nog leeft ja of Neen en waar hij zich
    bevind. En eindig nu na uw ook vast een goed jaar 1908 te hebben
    toegewenscht. Van geluk zal ik maar niet spreken, en wensch uw
    niets anders dan een goed jaar in de omstandigheden waarin ge u
    bevindt en teeken mij nu als altijd na groete van je zuster als
    ook van mijn

    "Uw zwager Charles en Marie."


Maar Racier liet geen tijd om verder over die brieven te
praten. Zenuwachtig joeg ie door met allerlei verwarde verhalen:

"Zoo generaal, hoe gaat 't met 't leven?" had gisteren immers nog
een van de grootste inbrekers 'm aangeklampt. "Zaggies an"--had ie
geantwoord--"maar bang nog niet voor de duivel."--"Mot je driemaal
tikke"--had die ander gezeid. En zoo had ie 'm 't adres opgegeven van
de dievensociëteit. "Hoef jij niet te zoeke"--keek de vagebond mij
aan met dédain--"want dat vind je nooit as ordentelijk mensch. Toch
kan je d'r dag en nacht van voren en van achteren in. Drie maal
tikke. Vraagt zoo'n portier: "Kom jij pas uit de bajes, da'k jou
nog nie kan?" Laat ik effe drie ontslagbrieve zien. Drie trappe af,
loopt 't zoo deur onder de grond en van 's avonds tot 's morgens komt
't volk er binnen, zoowel van die vrouwen, die op de baan loope,
as manne, die met de vijf ons kanne werke.

"De waardin is 'n weduwsvrouw, met een paar bootwerkers an
de hand. Die zegt tegen mijn: "Wat ben jij voor 'n vent?" "'n
Middelburger"--antwoord ik droog, en zij begrijpt mijn. Maar meteen
vraag ik: "Zeg vrouw, wat kost hier dat slape?"--"'n Maffie. Maar
mot jij niet ete?"--"Ete"--zeg ik--"da's werk voor 't groote
kappitaal."--"Nou maar"--zeit zij--"dat gáát hier zoo niet; d'r mag
hier niemand zonder ete na bed!"--"En 't lood dan?"--"Komt morge
terecht; je durft toch ook wel 'n vinkie te lichte?"--Mot je zoo'n
ouwe gepensionneerde hebbe as ik.

"Zie je, as je maar mee kan prate in een elk z'n taal en z'n zede,
dan ben je in zu'k gezelschap ook gauw genog in. En as je nou lef
heb, dan leg je twee kwartjes op tafel, en zeg je: "nou, mensch,
da's nou me heele kappitaal, zal me maar opmake same"... Zegge zij:
da's een toffe sjlemiel ...

"Je mot je immers in alle kringe kanne bewege! Zet mijn met een amazone
te paard, of bij de duurste dames van dat vermaak an de tafel ... table
d'hôte à prix fixe, vin de champagne demi-sec y compris ... en m'n
aard van huis uit as zijnde le chevalier de Racier zal da'lijk weer
bove komme. Maar daar raak je de teere snaar van wijle Papa en Mama,
en 't ouderlijk 'uis chez nous à Paris, da'k nog altijd die "hache"
niet uit kan spreke ... Want we woonde immers Boulevard des Italiens,
quatre vingt dix, en as kind al speelde ik achter die Bastille ...

"La' me die bolleboffin nou nog 'n kom zweet commedeere, dan za
'k je dat allegaar haarfijn vertelle ..."



HOOFDSTUK VI.


En de vagebond vertelde met die schor-verschooiërde stem:

"Het huis an de Boulevard des Italiens numéro quat' vingt
dix, waar papa en mama woonde met mijn, had natuurlijk zeve
verdiepinge. Rez-de-chaussée woonde een coiffeur pour dames ... de
premier ordre; op de tweede étage le président général van de Banque
... eh ... de l'Europe, en op de derde woonde papa. Je begrijpt, zoo'n
huis van zeve verdiepinge, heelemaal van 't duurste blauwe hardsteen
gebouwd, met ... marmel ingeleid èn graniet, en alles ... satijnhout
van binne, dat was papa en mama te hol om alleenig in te wone,
en dus voor de gezelligheid nam ze daar die andere amis bij in: le
coiffeur-en-chef, le président supérieur, en al die verdere vrinden
van de hoogste aristocratie van papa ... Zoo wàs mon père noble!

"Ik ga tòch nog 's kijke in Parijs of dat ouderhuis er nog staat,
waar mijn dierbaarste kinderjare in zijn verslete ... Maar dan gaan
ik vermomd, want as ik er kom, word ik opgepakt, en daar ben ik te
dom voor. Zoodra ik om reisgeld telegrafeer, heb ik 't netuurlijk
meteen. Na' Londòn óók, maar dan neem 'k me route over Harlinge met
de koeieboot, om op 't vee te passe, want dan bè je voor ... vijf en
twintig stuivers over ..."

"En hoe vermom je je dan, Racier?"--kwam ik 'm in 't gevlei.

"Wel, dan gaan ik eerst na onze residentieplaas, het vorstelijk
's Gravenhage--daar haal ik altijd mijn geest vandaan--en kijk
precies na 't model van die generaals, die je daar uitgemonsterd ziet
rondloope. Zoo heb ik daar direct de maat van, en koop me een dolman,
rijbroek èn twee pantalons, beneves de kaplaarze. Om geen argwaan te
koestere, doen ik die inkoope te ... Leischendam. Maar de garniture
en goude kraag met passende vangsnoere koop ik in de Haag, alsmede
de roode bieze voor in de pantalon. Natuurlijk gaan 'k in een ander
magasin royal voor die pet met breede goude rand en een hoed met pluim
voor grand tenu. Met de ridderordes en Kraton-medaille, expeditiekruize
met twéé gepse, zal ik netuurlijk veel moeite hebbe, maar daar word ik
an geholpe door tusschekomst van een vierde persoon te ... Rotterdam."

"Natuurlijk!--Maar vertel nu eens eerst verder van je kinderjaren in
't ouderlijk huis ..."

"Dat was netuurlijk allemaal speciaal eerste klas gemeubileerd
... alles rood fluweel ... couleur de rose, met een vleugelpiano, want
papa was de grooste liefhebber van de muziek, ameublement d'acajou,
gróóte canapé en de duurste schilderije van De Ruyter ..."

"De Ruyter?"

"Ja, waar verleê jaar immers nog al die feeste voor benne gevierd,
toen ik in de lik zat;--daar had papa ... laa's zien, drie in 't
salon, en drie in de huiskamer, en twee in de spreekkamer, en in de
slaapkamers, de rookkamers, de salle à manger ..."

"De badkamer?"

"Zjuust, en, om kort te gaan, in alle compartimente had papa natuurlijk
die schilderije late ophange van ... hoe heet die knul nou ook weer
dat ze zonge? 'k Kon er die nachte in me cel nie eens van slape
... De Ruyter, De Ruyter-kilekile?--Lammeling, om 'n arme gevangene
nog wakker te houwe ..."

"Racier--nou ben je toch leelijk aan 't warren. Bedoel je misschien
... Rembrandt?"

"Kilekile!! 't Was om stapelgek van te worde,"--vloog ie
rood-aangeschoten op--"want 'k sliep tòch zoo beroerd, en net effe
was je dan ingedommeld, of je schrok al weer wakker van dat getreiter
... En dan netuurlijk aldoor droome van pa's schilderije, waar die
De Ruy ..., Rembrandt-kile, wil 'k zegge, de schoonste vrouwe op had
uitgeschilderd. Want die Vrouwe ben natuurlijk de hoogste natuur;
voor mijn ook ... Heb ik van kind af respect voor gehad. Net as
papa. Die hieuw kolossaal van mama ...

"Mama was vanzelfs een ... Spaansche, beeldschoon, en in 't hôtel de
Belvédère, waar zij rees met haar familie en dat bediende-personeel,
had papa haar gezien. Sting immédiatement in vuur en vlam, en twee jaar
daarna heeft ie ma geschaakt ... uit Madrid. Zij was ommers Roomsch,
en hij van 't protestansche gloof. Maar behalve de Heilige Maagd, ging
dat best same. En wij, me broer en me zuster en ik, wiere geloovig
opgevoed, van bidde voor en na 't ete, met 't Onze Vader, en as we
na bed ginge, wij kinderen, altijd 'n Wees gegroetje op z'n Fransch.

"Maar op school, in me kinderjare, was ik 'n ondeugende bliksem, 'k
Voerde bar veel kattekwaad uit, en as 'k een dooie hond ving, bond ik
'm subbiet 'n touwtje om z'n nek en hing 'm an de bel bij de meester.

"Daarom most ik van school. En toe' zei papa: "die jonge van mijn zal
'k late studeere", wat ik ook deed tot me achttiende jaar in de rechte
... van 't Chineesche rijk! Maar daardoor wier ik natuurlijk niet
langer kerksch.--Nee, da' begrijp je, want die boeke brachte mijn op
een dwaalspoor. Toch heb ik mij nooit afgegeve met vreemde meisies,
of ook soms Koning Alcohol gediend. Want 's avonds zat ik altijd in
de Opera, voor huit sous, omda' 'k zoo'n gróót demecraat was, en as
'k thuis kwam om 12 uur lagge papa en mama al ter ruste, zoodat mijn
geachte ouders hiervan nooit niks hadden bespeurd.

"Toch had ik daar netuurlijk in die Chineesche rechte verders geen
zin, door de zwendelderij die ik in de wereld had ontmoet, en ben
'k heengegaan uit de academie na 't kantoor van ... Rothschild.

"Toe kwam ommers die Fransch-Duitsche oorlog. Nou, papa die kapitein
van de garde nationale de Paris was, trok meteen z'n pakkie as kaptein
uit en bedankte, want die zag ook de zwendelderij en wou z'n eige
niet late omkoope as moordenaar, hoe 'n erge tegenstander ie ook was
van Duitschland. Maar edel boven al.

"Daarom hebbe papa en ik same natuurlijk Napoléon op de vlucht gejaagd,
en daar heb ik nooit spijt van gehad ... Nee, waarachtig niet! Zoo'n
doerak.

"Voor die grappemakerij van de Commune vergaderde wijlie as
samenzweerder op allerlei plaasse van de Rue St. Honoré, Rue Valmi,
Rue St. Laurent, en bij papa. 't Ware 82 mannen en 14 vrouwen. En
die de lont angestoke heeft bij de Tour Vendôme, was een zekere
Sandant, later gewichtewerker, same met zijn ami intime Rollin,
"Hercule du monde". Teminste: dat leert de geschiedenis zoo, maar die
wete natuurlijk niet dat ik die Rollin was, hercule du monde,--zal
je later beter verstaan.

"'t Gebeurde, zooals je weet oppe ... 13 September '68! Toen kwame
wij tussche tiene en elve op de Place de la Bastille same; ik stong
naast pa en tusschen 1 en 2 hebbe ze 'm de lucht in geblaze ... Jò,
wat 'n knal. Da' was vuurwerk! En 'k wou dat alle millionnairs met
die rot-automobiele van de wereld d'r in hadde gezete. Want daar
heb 'k toch zóó 't smoor an, dat 'k er niet van ken slape!... En 'k
hing! Om kort te gaan, nou most ik op de vlucht. Weg van mijn dierbare
ouders en uit mijn geliefde vaderstad Parijs, want 't uur der wrake
was geslage. Waar papa toe' gevloge is, heb ik nooit an de weet kenne
komme, maar mama met me zuster Elizabeth zijn alleen thuis gebleve.

"Wij gingen te voet over St. Denis na Brussel. Sandant as
gewichtewerker, waar ie an de honderdponders voor was geholpe, maar
in andere kleere die zijn vrouw hem immédiatement had meegegeve,
en ikke als Rollin, hercule du monde. De eerste nacht sliepe we al
bij een boer, diep in 't veld, onder de bloote hemel; daar stuurde
ma mijn die passende vrouwekleere na, met de boôschap, da 'k nou
ook me baard af most schere. Toe was ik 22 jare oud en had 50 frank
op zak. We reze ook nog in de trein, maar te voet ginge we over de
Belgische grenze, anders ware we natuurlijk gesignaleerd.

"Mot je goed verstaan. Me hart trok na Holland, na Sluis as je weet,
om rede ik daar in 't jaar 1877 was gebore, toen me ouwelui een
rondreis maakte na Oostende, en mama in Sluis de kraam van mijn uit
ging legge. Maar daarna namme ze mijn netuurlijk as echtelijk kind
zijnde,--bébé juridique--mee na Parijs.

"Van daar dat 't bloed weer na Zeeland trok, en ik netuurlijk die
Hollansche taal ook met de moedermelk had ingezoge. Ik liep dus van
Antwerpe over Oude God na Breda. Toe sprak ik nog. Maar in Dordt ware
me cente op, en nog altijd ter spraak, heb ik voor 't eerst van me
leve op koste van de politie geslape in 't Logement de Drie Krone in
de Wijnstraat. Die commissaris had dus medelije met mijn, en gaf me
een kaartje voor de boot na Middelburg. Op die overtocht dacht ik:
"as ik me stom houw, zal ik willicht de liefdadigheid opwekke van de
mensche." Dus ik bestudeer die eerste rol, en in de Winterstraat op
't hoekie van 't Waaigat in dat logement van Tazelaar, voorheen Van
Zwijneren, hieuw ondergeteekende zich of hij niet kon spreke. Toe zeit
die vrouw: "Je mot mejelij hebbe met zoo'n man, want hij kan spreke
nòch verstaan. Leg die man bove as alle mensche in bed legge, in die
krip onder 't raam." Dat gebeurt. Maar in die linksche be'stee sliep
me aanstaande vrou, Carline Borin. Daar krijg ik kennis an, hoewel
ik geen geluid gaf. "Wat zal God nou geve?"--zeit zij nog. Maar
't was vlak bove de be'stee van vrouw Tazelaar. Die hoort dat,
en zeit midde in de nacht tege mijn: "nou mot je eruit." Ik klee
me an, en schrijf op me leitje: "Waar zij gaat, gaan ik mee." "Pas
op"--zeit vrouw Tazelaar--"want die meid denkt zeker dat jij geld
heb." "Nee"--zeit Carline--"ik zal zoolang jij stom en doof blijft
die kost voor jou verdiene, want je ben een knap manspersoon ... al
most ik ook an de huize anbelle ..."

"Nou, 'k ben vier jaar met Carline geweest, want ze was 'n beeldschoone
vrouw, maar dat mensch het nooit me stem gehoord. As doofstomme trok
ik met haar langs de weg om eerlijk ons brood te verdiene: marchant
ambulant ... Ze heeft me vier zone geschonke!"



HOOFDSTUK VII.


Onder het vertellen door was Racier nu stil bedroefd geworden,--z'n
gezicht zoo zwakjes bleek en weggetrokken; en z'n oogen zagen rood
van 't verknepen schreien. Uit z'n fanatieke fantasieën scheen hij
nu moe neergezakt in echt menschelijke kleingevoeligheid, de zielige
held van eigen ziekelijke verbeelding.

Hij had toch ook zoo ziels veel van dat wijf gehouden!--brak even
z'n stem.--En nog telkens trok ze 'm. Wáár ie dan ook in de wereld
zweeft,--as 't teminste in geen cel is, dat 't verlangen na z'n
liefde in z'n hart schiet--maar dan mot en zal ie na De Haag. En
stiekum sluipt ie as 'n dief dat ongelukkige straatje in, waar d'r
man die slaapstee houdt. "As 't mooi weer is, zit ze dan nog wel
's buite op d'r stoel, want ze is netuurlijk lam hè, zooas die vent
haar heeft mishandeld ... Dat het ze an mijn verdiend ... Wat er naast
valt is nòg zonde ... Zoo zit die haat vast ingekankerd in mijn borst
... Want as 'k 'r zie, oud en verslete met d'r verstijfde lijf, dan
zien 'k nòg in dat gezicht die trekke van mijn beeldschoone meid ...

"Zoo'n edel vrouwmensch as Carlien toch was! De adeldom lag in d'r
heele weze; 'n gezicht, man ... blank en gaaf as van een lelie,
met zwart lang krulhaar... en 'n houding, hè ... 'n ras, niet te
dik en niet te mager ... schoon, beeldschoon... twee druppels water
'n prinses ... 'k Heb 'r nog 's op de Bosscher kermis late loope met
zoo'n orgel, op z'n Italiaansch verkleed, dat al wat man was rilde!

"Ja, ze was 'n echte edelvrouw, toen ik in Middelburg op logement
kennis an d'r kreeg ... Ze reisde met zoo'n mandje met zeep, gare
en band, en ik as doofstomme liep netuurlijk met Brabansche kant
... Maar daar vond ze mijn veels te goed voor. "Wa's dat nou voor
'n leve voor zoo'n knappe kerel als jij ben?"--zei ze--"Gaat met mijn
same, la me 'n flinke wage met handel zien te koope, dan zal ik voor
jou óók wel spreke."

"Dat ging zoo vier jare goed, en nooit had dat mensch mijn stem nog
gehoord. Maar toe wier me dat in ééne te mats, en vroeg ik op zekere
nacht op me vingers: "Ka' jij 'n geheim beware tot in jou graf?"

"Misschien wel"--zeit zij--"as 'k maar eerst wist met wie ik toch
eigenlijk sprak. Want we ben nou al vier jare same, en ik heb nog
nooit 'n woord over je lippe hoore komme. Dus bijaldien je mijn dat
geheim niet zegt, wat er in jou hart leeft, dan kan je wel 's een
moord hebben gedaan, en ik leg met geen moordenaar onder één deke."

"Toe schrijf ik op me leitje: Een moordenaar ben ik niet, maar ... uw
man Charles Edouard Racier ken spreke, en niet alleen in één, maar
in verschillende tale!

"Nou, da' begrijp je, hoe die vrouw toe' verschoot. "Wel"--zeit
ze--"spreek dan eris."

"En meteen komt dat eerste geluid van vier jaar over mijn mond,
en spreek ik de woorde: "Geef me me pakkie tabak eris an, da'k een
pruimpie neem!"

"Maar dat wijf dat schrikt zoo, dat ze immédiatement van d'r zelve
leit ... angezien zij nog nooit ondergeteekende z'n lijfelijke spraak
had vernome.

"Goed ... da's netuurlijk 'n heele heibel op zoo'n logement--we sliepe
in 't Wape van Utrecht an de Amunitiehave drie en twintig--en die
bure komme op dat gille af en brenge d'r bij. Maar zoodra die weg
benne, en we legge weer same in bed, eisch ik netuurlijk van haar de
verklaring bij de almachtige God--waar ondergeteekende as atheïst
zijnde voor z'n eige tòch niet an glooft--maar dat zij mijn eeuwig
trouw blijft. "Jawel"--zeit ze--"daar zal nooit geen haan na kraaie."

"Dus toe' die morge anbrak ging ik door een valsche naam gedekt weer
uit met mijn handel, waar 't bordje op hong: "doof en stom". Ja,
netuurlijk, a'k 'n rol begin, doen 'k 'm goed, en 'k had weke dat
't mijn vijftig gulde opbrocht ... Maar waar niet en is verliest de
keizer z'n baard. Mot je hoore:

"Die vrouw van mijn had met 'r geheim geen rust noch duur. Daarom
kleedt ze d'r eige die eigenste morge nog erg netjes an, gaat huilende
na de commissaris toe en spreekt: "Weledelgestrenge heer, wa' ben 'k
vannacht toch geschrokke, want mijn man, die doofstom is, kan prate!"

"Heb jij 'n boterbriefie?" vraagt hij.

"Nee"--zeit me vrouw--"dat brengt ons mensche nooit geen geluk an."

"Goed"--zeit die commissaris--"omdat jij dan zoo'n beeldschoone
vrouw bent za'k vanavond een rechercheur in dat nachtlogies sture,
om die zaak te bespieë." Want hij dacht: wellicht is die vrouw niet
als te wel bij haar hoofd, en dan ben d'r geen getuige ...

"Dus: zoo gezeid zoo gedaan. Ik kom 's avens op logement werom met me
cente, weet van niks en denk: da's alles vergete en vergeve. En toe
dat afgeloopen was, heb 'k 'r in eer en deugd weer gezoend. Nou lagge
me natuurlijk met de kindere op zoo'n vijfpersoonskamer, die ik altijd
afhuurde, om alleenig te weze. Want as je daar zoo tussche de slapers
in leit, kan 'n mensch wel 's hard motte droome, en was 'k verlore
... Hoewel ondergeteekende daar ook veels te dom voor was, en nooit
in 't publiek sliep zonder knoop in z'n mond, met een lappie daarop
genaaid, da' je'm niet inslikte. Dus die volgende morge heb ik weer
gepraat, zonder erg, en wist van de prins geen kwaad. Maar die stille
klabak het dat netuurlijk bespeurd, en jawel, 'n uur later, da'k op
de Mauritskade de huize langs leur, wor 'k van die straat opgenome.--

"Nou schrikt ondergeteekende nooit. Maar zoodra ik gearresteerd wor,
ruik ik lont, en door me sterke zelfbeheersching weet 'k da'lijk
me rol.

"Ze brenge me voor die commissaris, en die zeit: "Vrind, dat ziet er
niet rooskleurig voor u uit, want u kunt spreke."

"Omdat die man geen baard draagt, kan ik an die beweginge van zijn
lippe zien wat hij zegt, want 'k ben ook doof gebore. Zoo laat ik hem
direc deur die mande valle, en schrijf op me leitje: "doof en stom."

"Toe is daar bijgehaald een medicijnarts om dat ongeluk te
constateere. Die nam mijn mee na 't ziekehuis, maar daar wier eerst nog
een andere commissaris geroepe, die wèl een baard had, dat ik zijn mond
niet zou kenne zien. En die snijer zeit: "ik zou maar spreke, want je
eige vrouw is 't komme verklappe ..." Daar gaf 'k natuurlijk geen asem
op, was 'k te dom voor, en gaf 'm me leitje, dat ie 't maar op mos
schrijve ... "Je kunt gaan!"--zeit die dokter. Ik blijf natuurlijk,
want 'k hoor dat niet. Hij zet 't op dat leitje. As 'k de deur in me
hand heb, om de trap af te gaan, roept ie me werom ... Ik hoor niks,
ga stiekem deur. Maar op de trap schiet die man een revolver af achter
mijn; ik keerde m'n eige geen oogenblik om, gaan kalm na huis ... Ja,
mot je lef voor hebbe! Maar dat was allegaar nog kindere-spel.

"Op logement dee 'k net of 'k wist van niks. Zij ontving me
vrindelijk. Ik gaf me geld over. Toe kon ze zich niet houwe, en vroeg
of me niks overkomme was, maar ik zeg: nee.

"Jawel hoor, de andere dag word ik door de politie voor dat
geneeskundige onderzoek na 't ziekehuis gebracht. En zeve deskundige
profesters met dokters èn artse wachte mijn daar op.

"Eerst wor ik spiernakend uitgekleed, en zoo in 't dooje-huisje op dat
marbel-blad gelege. Dat was de kou-proef. Ik hou me gedekt.--Toe stak
d'r een in me zevende rib met zijn lancet ... 't dee' 'n eeuwige pijn,
maar ik gaf geen teeke van spreke.

"Maar de tweede perfester zei: "die man is doofstom, 't is werkelijk
waar, en ik zal 'm niet pijnige." De derde zeit: dito; de vierde:
dito; de vijfde: dito. Komt die zesde z'n beurt. Die zeit: "ik zal
'm toch nog 's eerst effe neme." 't Was de Judas. Hij laat me me
groote toon van me rechter voet uitsteke, en gaat daar met een naald
in staan pikke. Want zie je, dat is de zenuw die bove op je harses
correspondeert ... Maar ondergeteekende gaf geen teeke van spreke.

"Dus ze hale dat groote document al tevoorschijn, dat alle zeve de
profesters motte onderteekene, toe de zevende uitroept: "nou zal ik
'm dan toch nog 's effetjes kwelle!" Die gelast an ze knecht: "breng
me gereedschapskist 's", en daar haalt ie een geëmailleerde pan uit
met kokende lijnolie. "Hou nou je hoofd achterover"--duwt ie mijn,
en me mond spert ie wagewijd ope. En as ik zoo leg, neemt ie een
lepel kokende lijnolie en houdt die vlak boven mijn mond. "Mot je
maar slikke,"--zeit ie. Maar ik doch': dat doet ie toch nooit. En
'n andere profester ving nog net een druppel op, die anders pardoes
in me keel was gevalle ...

"Toe was 't dus welletjes. "Doet wat je wil met die man"--zeie ze in
't Latijnsch tege mekaar--"maar hij is werkelijk doofstom." En de
kiste met die marteltuige konne meteen weer na huis.

"Zoo kreeg ik mijn verklaring van zeve profesters geteekend, dat alle
gesprokene over Charles Edouard Castergoni,--zooas ik toentertijd
hiette--leuges ware, en dat patiënt waarlijk was ... sourd et
muet. Bovedien ontving ik van de deskundige as schadevergoeding de
somma van f 65, mèt een briefie door burgemeester Gevers Deynoot
eigehandig onderteekend, dat ik door heel Nederland vrij mocht vente
zonder patent, as zijnde beproefd doof èn stom.

"Toch zei ik die zelfde nacht nog tege me wijf met me lijfelijke mond:
"jou vlieger is niet opgegaan, hè? Maar as 'k dat gat goed schoon zien,
maak ik jou kapot."

"Helaas, zoover ben ik tot hede niet kenne komme!"... 't Was wonderlijk
zooals Racier dan, zijn roesje weldra bekoeld, met een welhaast
verlegen meewarigen glimlach mij even onderuit aan kon kijken, of ik
't toch niet àl te schrikkelijk had opgenomen.

"Kom"--zei hij--"'t is nacht. En as ik nou strakkies weer tussche
al die gedalleste scharrelaars leg, dan kan 'k soms nòg denke:
toch feitelijk mooi van de Natuur, dat ie zoo'n oud varke as
ondergeteekende nog weer 'n fijne dag met 'n ami-intime het vergund
.... Tabé, kameraad, jij kruipt maar weer onder de zij' in 't dons
... z'n Excellentie de Generaal begeeft zich ... over 't lijntje ..."

En tòch klonk bij 't afscheid z'n schorre lach nog wel oolijk
ondernemend.



HOOFDSTUK VIII.


Onze hernieuwde kennismaking in Amsterdam, waar Racier, "as Atheïst
zijnde", de "Natuur" dank voor wist, werd maanden later op minder
verrassende wijze bij mij thuis voortgezet. Op een goeden morgen
kwam de dienstbode "een echt ènge man" aandienen, die volhield
dat hij een intieme vriend van meneer zou zijn. Maar, 't was zonde
dat ze 't zei,--zóó'n schooier was er nou toch nog nooit an de deur
geweest,... wat een raar volk er tusschenbeide ook om meneer kwam. Ze
had 'm natuurlijk op stoep laten staan en inspres met de nachtknip
gesloten. Hoe ze daar nou mee an moest, met dien griezeligen kerel, die
natuurlijk den boel is op kwam nemen om vandaag of morgen in te breken?

--Of ie geen naam had genoemd?"

--Jawel, zooies met 'n Fransche poeha ... maar de vent keek me zoo
om te zegge verleielijk an met die glazige ooge, en dadelijk zei ie:
mejonkvrouw, uw beeldschoone trekke ben as twee droppels water 'n
prinses ... da 'k me doodschaamde voor Marie van hiernaast ... Ja,
nou nog mooier, zoo'n meid mog is denke da 'k geen duurder verkering
kon krijge, dan die ..."

--Racier, hè? Zei ie dat niet?"

--Wel zoowat, maar met veel meer omhaal d'r bij."

--Charles Edouard Racier?"

--Ja net ... 'n Echte engert, dat is tie."

--Verzoek dan mijn vriend le chevalier Charles Edouard Racier naar
mijn kamer te komen, Rika--als je zoo vriendelijk wilt zijn. Hij
is een Fransch edelman, en alleen omdat ie zoo nederig van aard is,
schenkt hij zoo weinig zorg aan z'n toilet ..."

Maar voor het eerst sedert de "goospenning" aarzelde onze gedienstige,
om mijn verzoek ten uitvoer te brengen. "As meneer nou soms dacht
... want zoowaar as die tuchthuisboef"--'t was nogmaals zonde dat ze
't zei--een edelman was, was zij ... 'n ... 'n prinses!

--Daar zag Ridder Racier je immers ook voor aan?"

--Nou, meneer mot 't wete ... maar as 't huis in opspraak raakt in
de buurt ... enne ... ik weet wel da 'k van nou af geen nacht zonder
't werveltje op mijn deur slaapt ... Mag 'k dan eerst de overlooper
nog effetjes legge?"

Maar nu werd er weer gescheld. Rika schrok rood, vloog naar
beneden,--zei: 't was om de riebel te krijgen, en ik hoorde haar
roepen: "as je teminste je beene goed afveegt, want me portaal en me
trappe ben net gedaan."

--Za 'k dan soms me schoene eerst effe uit doen, mijn lieve oogelust?"

--'t Is al lang goed, schiet nou maar op met je smoesies."

--'k Heb anders 't grooste respect voor zoo'n edele vrouwe ... en as
'k nog weer 's in een beter emplooy kom, stuur 'k jou een wit zijde
baljapon thuis, met 'n paarle-collier ... meid, hoe zou je bruigom
dàn na je kijke? Nòg 'n trap op?... Die stijve poot van me, daar het
't groote kappitaal met ze wage overheen gerost en gereje, mot je wete
... A'k 'n bom ... chocola had, van die fijne met nougat en crème de
vanille ... lus je dat wel? Zoo'n heele groote ... van Suchard uit
Parijs?... Wacht ... nee, schoone fee,--'k heb me portemenéé ... Hoor
je daar hoe Racier, vóór 't déjeuner, kan dichte in e?"...

--Ja? Binnen?"

--Je vous souhaite ... eh ... le bienvenu, excellence! A cause de la
bonne--ange blonde et mignonne tout à fait digne à la noble famille
de votre excellence--je parle ma langue maternelle ..."

Maar met een ontdaan gezicht had Rika al lang de deur nijdig achter
'm dichtgemept.

--Hoe kom jij zoo hier in Rotterdam verzeild, Racier?"

--Op me voete, uedelaardigheid. Van Amsterdam af gelóópe. Gisteravond
uit 't Muierbosschie vertrokke ... en zoo eve binnegekomme door de
Delfsche Poort ... Mot je zien? Me voete ben één klomp bloederigheid,
maar dat heb 'k best voor 'n ami intime over ... As je me hart
doorsnijdt is 't één anhankelijkheid ..."

--Ga dan zitten, trek je jas uit, en steek 'n sigaar op."

--'t Is edel. Drie-eenheid van menschlievendigheid. Maar je weet--as
atheïst zijnde--mag 'k daar niet an gloove. En zoo is 't nou hier
ook: Die luie stoel van jou, da' bèd, wil 'k voor niks niet in
zitte ... krijg 'k zóó al de hoogheidswaanzin van. En me jas hou
'k an; daar he'k nou mijn idee in, dat 'k m'n eige nie meer ben,
as 'k uit die dallesdekker kom kruipe. Da's nou mijn mantel van de
masère ... daarom maak 'k ook die gate nooit dicht ... Want zooas
't spreekwoord zeit, dat je geen koning mot zien in z'n caleçon, zoo
mot je ook 'n boef as ik ben, niet uit z'n dallesdekkertje pelle ..."

--Accoord. Blijf dus stáán met die roovers-uniform aan ..."

--We begrijpe mekaar ... En as je dat fijne segaartje nou heb
uitgerookt--da'k eerst méé profiteer van die lucht--geef mijn dan
't peukie om te pruime. Want 't is zonde voor ... de Natuur, dat er
van zu'k edel kruid een kruimpie verlore mocht gaan. Maar róóke, dat
doen ik nooit. As 'k daar an wen, komt 't mijn te duur ... Alleenig,
zie je, bij die schilder ... Weet jij nou met jou verstand, waarom ik
daar altijd zoo vroeg op dat atelier kwam? Nee, hè, want je kan me nog
niet, hoe 'n doortrapte misdadiger as ik in me hart en me niere toch
ben, hè? Die man had op dat ouwe kassie--antiek, hoor, Louis Quinze,
mot je wéte--zoo'n oud-blauwe pot, zoo'n pul, met tabak. Dat was 't
fijnste ... fijner nog dan habana ... da' was, za'k sterve op slag,
je puur-zuiverste varinas, van ... ja, de Natuur weet ... meschien wel
'n riksdaalder 't pond, man. Nou mot je wete, dat er één ding op de
wereld is, waar de ondergeteekende wel 'n moord voor kan doen, en da's
juist branderige varinas, want as je die rookt, gaan je immédiatement
fanteseere.--Snap je 'm al?... Maar je weet nog niet alles.--Hè jij
in die dage nou 's nooit wat vermist?"

--Ik?... Nee, tenminste niet dat ik weet ..."

--Zoo is die rijkdom;--mist niet eens de fijnste spulle van z'n
overdaad ... Nou, dan wil ik je wel zegge, dat 't mijn meer waard is
dan 't hemelrijk hiernamaals ... 'k Za' 't jou late zien. Wacht ..."

Onder z'n sleepjas uit groef ie toen 'n houten pijpje, hield 't stijf
vast in bei z'n handen, en liet daar eerst behoedzaam 't donkerbruine
kopje uitkijken.

--Herken je 'm nou?"

--Jawel, da's een ouwe pijp van mij ..."

--En vin je 't nou niet diep treurig dat 'n mensch zoo van de eene
misdaad in de andere vervalt?... Dit pijpie, door een kunstenaar uit
't alderfijnste hout bewerkt ... objet d'art, waar jij natuurlijk
intiem an gehecht was ... dat heb ik van jou, me speciaalste vrind
... gegàpt, alleenig om er uit te kenne rooke die gestole tabak!--Nou,
trap je mijn nou dan je huis niet uit? En zeg je niet: Racier, je
ben mijn te slecht?... Zou me meevalle.

"Maar 'k weet 't, je hèt een edel gemoed en daarom vraag ik je, hoe
dat pijpie mijn staat? A'k 't zóó vasthou, as 'n bloem bij z'n steel,
teer en lieftallig; kijk ... en dan zoetjes zuige, zoo, langzaam
... Langzaam die rook langs dat verhemelte late glije ... Want zie
je, je mot 'n misdaad in z'n intiemste begrijpe; wat dat is: voor 'n
... 'n zwerver ... 'n boef, hè ... die toch óók z'n edelste gevoelens
wil koestere, as mensch.

"Da' pijpie, dat het me nou twee jare lang dag en nacht trouw
gezelschap gehouwe ... behalve in me cel, want 'k had 't in me caleçon
verborge, maar ze hebben 't me afgepakt, die ganneve ... Zóó intiem
ben 'k daar in me schik mee, omdat 't precies mijn idee is, of je
't gedroomd had ... En 'k sterf nog liever, dan da'k wat verkoop of
verlies, wa 'k van 'n ami intime as gedachtenis heb ...

"Maar je weet nog niet alles!... As je 't niet houdt, mag je 't
nog effetjes hebbe ... Kijk nou 's goed: op dat zilvere bandje om
de steel, daar heb 'k op logement jou naam in late graveere ... Is
dat voor 'n boef soms niet edel bedacht?... En zooas je me nou ziet,
zie je me over vijf en twintig jaar nòg ..."

--Je bent 'n rare kerel, Racier. Maar wat kom je nou eigenlijk doen?"

--Och, 'n ouwe bajesvrind van mijn was met de nachtboot uit
Rotterdam gekomme om werk te zoeke en dat het ie gevonde an 't
witloodfabriek. Nou, toe vroeg ie an mijn, of 'k soms dat retourtje
van Amsterdam werom kon gebruike ..."

--En je was kome lóópen?"

--Of dacht je soms da'k dàt nog niet over had voor zoo'n hartsvrind
as jij ben?--Nou, maar dan kàn je me niet ... Snij me hart gerust ope,
't is één klomp dankbaarheid, man!"

--Jawel, dus uit pure vriendschap ben jij, mèt je kaartje op zak,
naast de nachtboot mee komen kuieren ..."

--Och, man, 'k ben immers al 's heel van Marseille af komme loope
... Maar dàn zie je wat! As je bij de Hollansche consuls angaat,
krijg je effe 7-1/2 ct. per uur voor de trein, 'n logementbriefie,
'n briefie voor de bakkers, en 'n briefie voor wijn. Benne ze èrg
menschlievend, dan geve ze je zelfs nog 'n pokkebriefie! Maar die
cente die hou je, en om je eige 's lekker te sarre loop je dan met
jou bloederige voete die rijkste kasteele voorbij, tot de luize op
je kop beginne te danse van afgunst en chegrijn ...

"Maar 'k wou je wat vrage: Of je van dat leve van mijn geen toneelstuk
voor de kemedie kon make?... Dan schrijf ik daar zèlfs 't slotstuk wel
an, van hoe 'k met mijn vernederde positie zàt in jou gemeubileerde
kamer. Want dat geheim, dat weet jij nog niet, en dat vertel 'k je
... nooit, zoo oud as 'k wor ... Of mot 'k dan soms bij je weg gaan?"



HOOFDSTUK IX.


Of 't nu was in de hoop op een tooneelstuk van zijn levensavonturen,
wellicht ook door de bevredigende kwaliteit van de varinas, die
'k voor 'm had laten halen, dan wel dat 't fantaseerende vertellen
hem een passie was geworden--hoe 't zij, Racier vereerde mij na die
zonderlinge introductie met een reeks bezoeken. En zooals de wijs van
een draaiorgel, waar willekeurig de slinger afgenomen is, soms midden
in een Satz redeloos inzet zoodra de orgelman maar weer aan 't draaien
slaat, zoo kon ook hij vaak een paar dagen na z'n laatste visite mijn
kamer binnenstappen, afgetrokken groeten, neerzitten, en aanstonds de
episode voortzetten, waarin hij den vorigen keer onverwachts gestoord
was. Want--verklaarde hij vaak--hij leefde er nu weer zóó in, in die
"gespeelde rollen," zooals hij zijn leven zag, dat ze 'm dag en nacht
bezig hielden en van jaren en jaren terug werd 't hem weer alles even
klaar. Je alles haarfijn te herinneren leerde je trouwens 't best door
dikwijls met "rechters van exstructie" om te gaan; dat waren gladde
knapen, en je had er, die de grootste boeven stònden in geslepenheid.

Maar affijn. We waren toen tertijd dan gebleven, dat die zéven
prefesters in 't Haagsche ziekenhuis hem, na de kwellingen, as
't ware hadden gediplemeerd in de doofstommigheid--ja, 't is wat,
die hooge wetenschap!--en dat de edelachtbare burgervader van de
koninklijke Residentie--dit zeggende salueerde hij aan z'n pet--hem
een vrijpas had gegeven om heel Holland af te stroopen van cente of
wat de mensche méér wouwen geven.

"Nou is doofstomme koopman een rol waar iedereen de duvel an gezien
het, omdat je netuurlijk met je gezondheid spot ... waarachtig, ze
hebbe d'r allegaar 'n hekel an ... en vooral toe we van De Haag na
Alkmaar reze voor de kermis, want daar hadde de pokke ook geheerscht,
mot je wete. We ware al gewaarschouwd in de trein, en toe vroeg 'k
an me vrouw wat die mensche zeje, omdat 't allegaar manne met baarde
ware. Maar goed, wij namme 'n besluit en ginge!

"In Alkmaar--dat zal je ook wel wete--mag je niet met negocie loope,
as je geen permissie heb van de commissaris. En een jaar geleje nog
had de politie een man, die diezelfde functie uitoefende as ik dee,
leere prate, door 'm in de dwangboeie te kluistere. Toe ze 'm die
andraaide riep ie: "O lieve God, ou!" en viel door de mande. Goed,
dus die logementsvrouw zei al: nou, hèm zelle ze ook vast wel 'n
spraaklessie geve, want dat is zeker geen zuivere koffie.--Ik keek
me vrouw eris an, die zoo'n beetje kleurde, maar ik ging weer dwars
deur dat vuur heen!

"As je in Alkmaar bekend ben, dan weet je, dat je daar naast 't
logement zoo'n touwslagerij had, en die man was doofstom gebore. Die
vent gaan ik eens een bezoek brenge op de vingers--óók gochem van
mijn--om te vragen of ie me 't pelisiebereau wou wijze. En al pratende
met onze hande, loope we same langs de straat, zoodat die commissaris
natuurlijk docht, 't zal wel in orde weze. 'k Liet 'm vanzelfs ook 't
bewijs leze van de zeve perfesters, waarop hij over z'n portemenee
ging en mijn f 2.50 ter hand stelde met 'n bewijsie, da'k vrij
loope moch gedurende de kerremis, en in de poffertjeskrame en overal
toegelate mos worre! Ja, dat grappie het me nog f 322 opgeleverd,
want ik ventte met van die voordrachte van Tollens en Laurillard:
't Kerkp'rtaal, de Echtscheiding, De Onnibus, en zoo, allemaal
overgedrukt in Haarlem ... Veel beteekene dee dat niet, maar affijn,
't volk houdt nou eenmaal van die flausies. En domenee Laurillard is
nog een hooge bij de "Zedelijke verbetering van gevangene", dus die wou
'k wel begunstige ook, want je kon nooit 's wete ... Eén keer al, in
groot Mokum, da 'k pas ontslage was en om werk of 'n paar cente voor
de negotie kwam vrage, toe had die diender des geloofs mij alleres
begiftigd met 'n ouwe hooge zije! Zukke weldoenders wil je dus in
eere houwe, niewaar ... en op d'r beurt 'n voordeeltje gunne ...

"Maar as doofstomme zijnde, mot je denke an alles. Soms gooide die
mensche wel 's geld uit de rame, en as 'k dat dan zag, raapte ik
't wel op; maar viel 't achter me rug, dan liet ik 't legge ... Je
ben ommers doof óók, moch' je nooit vergete. Dikwijls genog, da
'k in die herberge kwam, en dat ze mijn riepe: hier, pst, heb je
een kwartje.--Da's hard, hoor, om je eige dan niet ommers te keere
... Maar toch ginge de zakies gesmeerd. Toe' ze me pakte, had ik in die
vier jare tijd nog effe f 3900 overgehouwe ... Affijn, da's voorbij,
en voor 't vervolg verkeke óók ... Mot je hoore:

"In Haarlem lagge we in de Schoolsteeg op logement: de Rookende Kluit
... ook zoo'n dievezooi! Beja, je kan overal geen gestoffeerde kamer
betrekke ... en we betaalde er toch nog acht stuivers de nacht voor
man, vrouw en vier kindere. Die ware toen één, twee, drie en vier
jare oud, en 't ware de appele van me ooge, want of je die kindere
nou ziet of da' je mijn ziet, is één en 't zelfde gezicht.

"Toe krijgt me vrouw daar op een kwaje nacht, dat ze te veel water met
azijn het gedronke, een krampkeliek, en dat mensch gaat zóó allemachies
te keer, dat niemand op logement kon slape. Ik staan dus op, klee me
eige an, en gaan de straat op om een dokter te hale ...

"Maar 'k kon nie prate!?... ja,'t is me wat! En dat om twee ure in
die nacht!

"Goed, 'k lees overal die bordjes, en eindelijk vind ik op de Gedempte
Gracht een huis met een spreekbuis, waar 'k anbel, want daar woonde
een medicijnarts. "Wie is daar?"--vrage ze door die buis. Maar ik kan
ommers niet hoore of prate. Door dat anhoudende gebel gaat er bove
een raam ope, en roept een man: "Vrind, wat mot u?" Maar ik kijk niet
na bove. "Nou mot ik wete wat dat is"--zeit de dokter--"want die man
ken wel doof weze." Hij komt ongekleed beneje, zet die deur vierkant
voor mijn ope, en om rede 't licht brandde, schreef ik me boo'schap op
't leitje. Daar wier die medicijn-arts netuurlijk zóó bedroefd van,
dat ie tege ze vrouwtje zeit: "Mina, 't is al goed; hij is niet
alleen doof, maar hij is d'r stom bij .... En immédiatement gaan
'k séance tenante met 'm mee.

"Ja, zoo'n rol mot je in al z'n zwaarte en z'n talente verstáán
... Maar tusschebeie spràk ik toch wel ... op die buitewege, as de
zon zoo mooi scheen, dat elk vogeltje ging zinge zooas tie gebekt is;
ja, dan kon ondergeteekende 't ook niet langer verdouwe, en hield
ik lange voordrachte in ma langue maternelle, want: vive la France,
hoor! Poeh ... nou ...

"Om kort te gaan, die dokter zeit tege mijn: man, man, ik benij jou
zoo'n beeld-schoone, piep-jonge vrouw, en 't zou wel zonde weze as daar
mankemente an kwamme ... Dus, moedertje, 'k zal jou ies voorschrijve,
maar as dat soms niet helpt, mot je subitement na 't gasthuis.--Ik
breng op een draffie dat recep' na die aptheker in de Jansstraat, en
daar ik zoo ongelukkig was, heeft 't medicijn mijn geen cent gekost
... Alweer 'n bewijs, dus, dat je as schurk zijnde wel goed geholpe
wordt, maar as geen fasoendelijk mensch ... ja, die wereld is wat!

"Toch holp 't niet, en die andere ochtend wier mijn Carlientje na 't
ziekehuis overgebracht, en bleef ik met die vier schape van kindere
alleenig over op logement.

"Maar 'k mos ze achterlate. Anders had 'k ommers geen brood voor
d'r lui, en in dat ziekehuis vroege ze ook drie kwartjes per dag en
acht dage vooruit ... Dus ik trok er met me doofstommigheid op uit
na Amsterdam ...

"En toe is 't gebeurd ... waardoor de ondergeteekende voor z'n
levesdage in't ongeluk is gestort, want om kort te gaan schrijft
mijn vrouw toe' an haar minnaar, die ze had buite mijn wete om:
Charles is weg, en ik leg in 't ziekehuis; kom mijn hale.--Dat was
d'r tegenwoordige man; en die kwam uit de Haag, waar ie woonde. Nou,
angezien die zuster van 't gasthuis wel wist dat zij een man had,
maar mijn nog nooit bij lijve gezien had, liet ze hem toe, en dacht
dat die Judas de ware echtgenoot was van Carlina Fernanca!

"Mot je doorgronde zoo'n dramma. En wacht nou effe, da'k eerst me
gevoelens vermeestert ..."

Racier kwam nu langzaam overeind in z'n lompen-plunje, en ging bij
't raam staan; veegde tersluiks met den rug van z'n hand de tranen weg.

"Groen is goed voor verdriet"--zei ie schor--"daarom kijk 'k nou maar
effe na buiten op dat land ... Krijg 'k weer lucht van, in mijn volle
gemoed ..."

Dan, na een poosje, kwam ie traag in zijn stoel terug; en z'n rooien
zakdoek uithalend, verklaarde hij: "die hou 'k maar zoolang in me hand,
voor as de droefenis me soms weer overmant ... want wat er nou komt,
zal je met geen droge ooge an kenne hoore ... Dat die beeldschoone
vrouw mijn met die sla'baas verleidt ... ruik ik ... héél in Amsterdam
... Ja, want 'k wist van niks, hè? En toch wier 'k na Haarlem
heengetrokke as door zeve paarde! Dus ik gaan, stort me hart eerst
bij me kindere uit .. nou, die hadde 't daar kollesaal!... Toe nam ik
me kwartje in me hand, wat dat ziekebezoek kostte voor 't onderhoud
van dat gebouw--zoo arm as 't was ... en daar laat die eerwaardige
zuster uit d'r mond valle: "Eh, oudt die juffrouw Fernanca d'r dan
twéé manne op na?" waarop ik van de schrik me leitje laat valle en
riep: "O God, nou ben 'k reddeloos verlore!" Want ik voelde asdat
't die weduwnaar was, die me toen destijds me vrouw het ontroofd.

"Nou, toe was 'k verraje ook. Ik had gesproke met me lijfelijke
stem bij mensche die de rechtvaardigheid handhave ... "Echtgenoote,
die wij nie kenne, magge niet bij d'r vrouwe worde gelate"--zeit
die juffrouw. En dalijk wier de pelisie gehaald, waarop ik vervoerd
wier--in volle schande en onteering: te voet--na de Tuchthuisstraat.

"De kogel was deur de kerk, en 't kon me nie' meer schele ook, want
zoo'n leve zonder haar, al verdiende ik ook duzend gulde per dag,
was voor ondergeteekende geen leve!"

Toen drukte Racier z'n mageren kop harstochtelijk in den rooden doek,
en z'n verschooierde lijf schokte van 't snikken.



HOOFDSTUK X.


"Maar Racier, kunnen ze 'n mensch óók al oppakken,"--vroeg ik--"omdat
je onnoozelweg gezegd hebt: "o God, nou ben 'k reddeloos verlore?"

"Welnetuurlijk wel, man, weges spreke met je lijfelijke stem as
doofstomme zijnde, netuurlijk!... Maar jij ben me met je vrage aldoor
vóór ... Affijn, da's wel goed ook, want dan krijg 'k meer lucht in
me overlaje gemoed. Zie je wel an me, hoe 'k d'r nog altijd kappot
onder ben?... 't Is me knak gewees ... As je eige beeldschoone vrouw
je verleidt, wor je daar onmenschelijk tegenin, en heb je de eerekroon
van je hoofd verlore ... Nou, dan ben je zóó al klaar voor misdaad
en zonde, en staat de lik wijgewaad ope voor jou ...

"Zoe koest as 'n làm ben 'k d'r dan ook ingedraaid. 't Onderzoek na
die zaak duurde dertien dage, van 's morges tiene tot 's middags viere,
dat die rechter van extructie mijn in z'n lemoenknijper hieuw ... Wat
'n kunst, met al die geleerdigheid en 'n zwerm cipiers as gerechtigheid
staande tege één gesjochte, verraje man. Want ik sprak ommers gewoon
en heb direc' alles bekend ... Kon 't mijn verders verlaaitafele--'n
atheïst vloekt nooit!--ja, wat ze deje met mijn, toe 'k tòch beroofd
was van me Carlientje.

"Zeit die commissaris van pelisie da'lijk al op 't bereau: Hoe hè je
d'r toe kenne komme, want je heb God na de ooge gespot?"--"De Natuur,
bedoel je," verbeter ik 'm subiet, as atheïst zijnde; "en wie sta,
ziet toe dat ie niet en valt ... Maar die vrouw het 't van de eerste
nacht af gewete, dat haar doofstomme man alevel kos spreke!" Dat loog
'k netuurlijk. Maar 'k denk: as jij mijn verraait, néém ik jou ook
effe tuk, overspelige Magdalena ..."

--Carlien, wil je zeggen."

"Nee, da's juist 'n woordspeling van mijn ... mot je net zóó in dat
tooneelstuk van je plaasse.--Nou, en 'k wier dan voor de rechtbank
veroordeeld weges ..."

--Oplichterij!"

"Praat jij d'r toch niet aldeur tusschenin, man, want je het er ommers
't minste verstajem nie van! Nee, juist niet weges oplichterij ... Dat
sting er met onderstreepte woorde in, in dat vonnis: "Heelegaar om géén
oplichterij, maar om 't artikel ... drie honderd ... ènne ... twaal
... van bedele met geveinsdheid, waar òp slaat: zes maande bajes en
'n jaar na de schans ..."

--Ga maar vast zitten!"

"Nee, ga maar niet zitte ... Je begrijpt 'r gloof 'k geen lor
van!... Daarvoor kon 'k ommers de menister van justicie vééls te
spéciaal ... Da' was óók 'n Franschman in die dage ... nou, en daar
ha 'k netuurlijk in Parijs naast gezete op school ... in dezèlde
bank!... Dat wou ie zoo graag, zie je?--want die jonge was schrikkelijk
hardleers ... 'n merakel zoo'n imbéciel knaapie as dàt was ... Zie je,
en daarom kroop ie naast mijn, dat ik met mijn verstand hem alles voor
kon zegge, netuurlijk ... Nou, dus da' begrijp je, wil zoo'n man ommers
nooit wete, dat ie door mijn voorspraak op de troon van de hoogste
gerechtigheid is geklomme.--'k Had 'm in me macht. 'k Heb er wel
's meer een in de Asmodee ontmaskerd ... Tjonge ja, hoor ... zou hij
niet wete, as je de baas ben van al de speurders en pelitie-honde in
't land ... Dus vanzelfs schrijft 'k 'n briefie an hem.--Dirk hiet ie
... "A mon ami intime Dirk",--da' wil zegge: "Didé ... rique",--zette
ik d'r bove. 'k Denk, da' trekt nog, onz' beider moerstaal, notre
langue maternelle ... Vive la france! Poeh nou ...

"Toch het ie me nog effe late darre, om as menister z'n lef op mijn
te koele, netuurlijk. Want op school had ik hèm vaak gedeukt, hè,--'t
was 'n akelig ventje, entre nous soit dit--nou, en nou had ie mijn
in zijn macht, en toe knauwde hij mijn ... Had gelijk; was z'n recht.

"Maar na zes en twintig dage sting ondergeteekende dan toch alweer
op z'n vrije voete ... Want 'k had netuurlijk nederig gevraagd an
z'n eksjellentie, of 'k, as eenigste koswinner mijner moeder, voor
die edelvrouwe weer 't werk op mocht vatte ... Vlieg jij daar in,
eksjellentie--docht ik bij m'n eige--dan snor ik die vrouw van mijn
temet wel op, om d'r effe voor d'r kop te blaze, zonder dat zij
een benane-gil ken geve .... Ja, want da' kon 'k nie' verknoerste,
hè, dat die meid nou in de wereldsche welluste zat, en dat ik an
't celibaat was overgelate ... Helaas, van dat idee is niks magge
komme, want 'k heb 'r niet weer ontmoet voor na een jaar en twáálf
dage. Toe was zij voor 't altaar gehuufd, en ik was me rechte kwijt,
want as je tege 'n kerkelijk getrouwd vrouwmensch wat uithaalt,
krijg je netuurlijk alle jare van de wereld.

"Maar op Europeesch grondgebied was dat toch me eerste logeere geweest
voor rijkskoste ... Tegeswoordig ben ik bij de Staat as kind an huis
.... Schande genog ... Want as 'k er niet in zit, ben 'k toch zoo
goed as op weg ...

"Toetertijd greep me dat nog schrikkelijk an. Ja, wat 'n affront,
hè, zoo'n eerste keer in die lik? 'k Schaamde m'n eige zóó, da'
'k voor 't tribunaal een naam opgaf, die 'k nog nooit had gedrage:
Ferdinant Rascrosi! En ze vrage je je heele kattebak, dus 'k denk:
zeg 'k dat ondergeteekende van 't atheïstegloof is, dan ben de
edelachtbare heere netuurlijk niet in d'r schik. Daarom had 'k me
toen voor Roomsch-Katholiek uitgegeve.

"Maar da' was 'k in me cel netuurlijk al lang weer vergete, want van
dat prakkeseere was me gedachte heelegaar weg ... en toe komt me daar
in eens 'n pastoor in me kooi, om te vrage of 'k me Pasche wel zou
houwe ... Da' wier ik kwaad, en zooas 'k later strijk en zet met de
domenees dee', gaf 'k Zijn Eerwaarde 'n tik met dat driepikkertje
waar je op zit,--dat die goeie man nog dacht: nummer 483 z'n hoofd
is een wepsenest.

"Toen ie terug kwam, zei hij: ik vergeef 't u, Rascrosi."

"'k Zeg: ik uwe ook, weleerwaarde." Want ik, as Racier zijnde, dacht:
die geestelijke het zich bepaald 'n deurtje vergist ... Ja, die
valsche naam--pseudeniem!--was me ommers gladweg ontschote .... Maar
toe hebbe me same as verstandige mensche ordentelijk gepraat, en
hij heeft mijn niet voor de roomsche relizie, en ik hèm niet voor
't atheïsme bekeerd. Zooas dat dan gaat ... Toch goeie vrinde gebleve
... As je mekaar maar verstaat ...

"Trouwes, erte-zoeke is nou óók zooveel niet gedaan in 't eerst. Want
as doofstomme leurder, kon 'k daar netuurlijk niet als te best mee
overweg. In die zeve weke ..."

--Zes en twintig dagen, bedoel je."

"O, sla jij de plank weer net effe mis, man?.... Da' was toe niet;
da' was netuurlijk 'n andere keer. Kan ik al dat zitte uit mekandere
houwe? Maar zooa'k zeg, in zéve weke schifte ik 'n rond mud, en daar
won ik mee ... de som van 45 cente. Goed betaald! ... Toch tel 'k net
zoo lief bankpapier, as misdadiger zijnde ... dat 'r nog 's een an
me duimlid blijft kleve ... Ja, zoo ben 'k--En 'k wou 'k die cente
's bij mekandere zag, die ik nadien al 's heb geflescht van me leve.

"Maar as jij dat nou allegaar van 't verraad en dat zitte in ons
tooneelstuk zet, denk er dan om dat er avecate op de banke bij kanne
weze, die daar ook d'r weetje over hebbe. En daar maak je dan een
pauze voor, tussche die actes in. Dat de heere in de fumoir 'n habana
kenne rooke, en de edelvrouwe-met-gekapte-hoofde 'n glas pons of wat
ze dan luste ... ijs de vanille gaat ook.

"Zie je, want 'k heb ook me straf eerst later uit motte zitte. Zoolang
'n vrouw in 't ziekehuis leit, is die man ommers ontoerekenbaar,
en wordt niet gestraft as zijnde 't hoofd van dat gezin.--Of ben
jij nou heelemaal zoo'n kind in die wette?--Wat de man doet, kanne
de vrouw en de kindere toch niet helpe?... Maar toe ik gevonnist
wier, was zij temet haast gehuufd ... Mijn lot was beslist ... Want
'k mog 'r toch ook zoo gráág, man ... 'k Heb er zoo ziels veel van
gehouwe! Gloof mijn: 'k zag ze nog liever dan de appele van me ooge ...

"En dan in de Schans tussche allegaar kerels te zitte!..."

--Ben je dan tòch naar Veenhuizen opgezonden?"--vroeg ik naief, nog
telkens met mijn nuchter verstand geschokt op de hooge golven zijner
fantasieën. Maar dan keek hij mij even diep-medelijdend aan, omdat
ik de breede vlucht van zijn stoute verbeelding niet kon volgen. En
geprikkeld door de stoornis, snauwde hij:

"Let dat jou soms wat, wannéér of ik nou precies in die Krentetuin
heb gezete?... A'k klaar ben, zal me d'r is een telsom bij make,
maar dan kon 't wel beure, da'k er nòg een possie of wat van vergeet
... Nou heb je me heelemaal weer uit me verbande gerukt ... En as
jij d'r aldeur je neus tussche steekt, kan er nooit 'n tooneelstuk
van komme ... Mot je dan zelfs ook maar wete ..."

--Neem me niet kwalijk, Generaal.--Je zat in Veenhuizen ...?"

"Dat lieg je: in de Ommerschans ..."

--Dat wou ik zeggen ..."

"Wou je zegge in de Ommerschans?... Nou, dan was je de zaak net
... zestien jare vooruit. Want eerst zestien jaar nà Veenhuize ben
'k na de Schans toe gebrocht.--Mijn blijft 't anders lood om oud
ijzer. 'k Ken 'n kerel--ami intime--as die z'n cente op benne,
gaat ie er immédiatement weer na toe. Want die zit liever op de
pepereilande van Java, dan in de cel. Nou zit er 7000 man ... As
d'r drank binne kon, dan zat er de halve wereld! Maar je ken er niks
inkrijge as pekelharing en bokking: dat smokkele ze binne tussche die
dubbelde bojems van de beertonne. En 't wordt à prix fixe verkocht,
as de majoor d'r niet is op de zaal ...

"Maar ik mot er niet weze. 'k Zit liever eenzaam.--'k Hoop dat de
Natuur mijn d'r voor mag beware ... Maar a'k d'r weer inkom, dan zal de
wereld over mijn spreke!... Daarom ben 'k nou al bezig om wat cente te
krijge zoogezeid voor 'n wage met handel ... Mot je begrijpe!... Zoodra
'k de moos eenmaal had, kocht ik d'r subiet dinamiet voor ... Ja,
want a'k die autemebiele van 't groote kapitaal zoo zien rije en
rosse ... Hèèè!" Toen wreef hij zich schrikkelijk z'n magere handen.



HOOFDSTUK XI.


"'k Heb nog wat vergeten!"--zoo viel Racier den volgenden ochtend
met de deur in huis.--Dat wil zeggen ... bij manier van spreken. Want
z'n entrée de chambre was meest onheilspellend luideloos. Hij waarde
binnen.

Wanneer je dan argeloos van je werk opkeek, zag je plots dien langen
kerel als een geest in 't slepend hulsel van z'n dallesdekker, en je
welgedane burgerziel verschoot van dat dreigend spook der menschelijke
ellende. Zoo prachtig gestyleerd kon die schooier coquetteeren met
z'n armzaligheid.

Trouwens, 'k geloof, dat hij er z'n professioneele eer in stelde,
in dat verraderlijke binnensluipen. Want als ie dan in m'n ontstelde
gezicht keek, lachte hij zoo witjes zelfgenoegzaam, en 'n tikje
triomfantelijk zei ie: "Ja, waarde gastheer, me voici: Charles
Edouard Racier lui même!" Daar strekte hij, als 'n goochelaar, z'n
beide groezelbleeke handen ruggelings uit, zoo of ie vragen wilde:
hoe stiekem heb 'k 'm dat nou weer gelapt, hè?--Later dacht ik ook
wel, of dit manuaal bewijzen moest, dat ie toch heusch niets achter
mij had weggegapt.

Maar op dien morgen, waar ik nu van spreek, wachtte hij niet naar
gewoonte zwijgend tot 'k toevallig om zou kijken ... want hij was te
vol gedacht. Had er 's nachts op logement, waar die Belg naast 'm zat
te valsche-munten, niet van kunnen slapen, zooals de verbeeldingen
in schrijnend licht door z'n moeën kop heen zwaaiden.

"'k Heb nog wat vergeten! De edele daad van trouwe moederliefde. Hoe
die nobele vrouwe, in de zwarte weduwrouw, met zilverwitte krulle
langs d'r slape ... en 'n zware gouwe lorgnet op, as 'n markiezin,
te voet viel voor haar zoon, waarbij zij uitriep--schrijf dat effe
op, man, dat je 't niet vergeet--en snikkend uitriep: "Charles,
Edouard! mijn kind, hoe diep gij ook gezonke zijt, ik min u nòchtans,
kom aan mijn bloedend hart ... mon coeur saignant, et embrassez-moi
.... immédiatement!"

"Waar wàs dat?"--vroeg 'k verbaasd.

"Wel, netuurlijk in die Krentetuin"--verviel hij uit den
rederijkerstoon plots in z'n vertrouwelijk patois.--"Da' was mijn
moeder, die me effe 'n bankbiljet van duzend gulde brocht, man. Oók
'n kaantje ... In envelop, gecacheteerd, met 't familiewape ... kroon
d'r bove, piek fijn.--A'k 'n slag slaan, za'k er 's 'n zegelring voor
koope ... mot je zien hoe ridderlijk dat staat. Tjonge ja, hoor. Da'
dee mijn mama ... Maar 'k bèlam a'k snap, hoe zij toch, met háár eer
en deugd, an al die cente kwam. Want pa had na die Commune netuurlijk
alles meegenome ... Papa het mijn en allemaal in 't ongeluk gestort,
en hoe dat toe is afgeloope, 't rechte wat daar tussche zit, is mijn
tot hede een raadsel ... Affjn, mijn edel bloed roept om geen wrake
... 'k vergeef die man ... enne ... de Natuur hebbe z'n ziel ...

"Dat van Dreyfus was anders óók mooi, hé? Maar in Frankrijk benne ze
niet link genog. Ik had 't wel gewete, wie die verrajer was ... Die
juffrouw met die zwarte sluier ... die het de borderels vervalscht
... Maar 'k hou me mond; Racier het an geen verrajers-borste gezoge
... Tjonge nee, man, en 't is tòch ommers één klont zwijnderij! Daarom
ben ik nou maar zoo blijd, hè, da' wij--ik en papa--Napoléon achter
z'n vodde hebbe gezete, dat ie van arremoei 't land uit most, zoo'n
doerak ... Nooit, nooit nog he'k dáár 'n oogeblikkie spijt om gehad,
al zal Racier niet licht gesjochte jonges an de galg helpe ... In
die kerel knauwde 'k ommers al 't onrecht van de maatschappij,
de macht van overheid en heerschappij ... èn 't groote kappitaal,
waar ondergeteekede de grooste hekel an gezien het, nou! Met d'rlui
rot-autemebiele!

"Och màn! 'k Wou dat je 's àlles wist ... Za' 'k me 's vermomme
voor jou? Dan kom 'k met donkere an je deur, en de juffrouw ken
mijn niet--die dienstbooi, zoo gezeid ... beeldschoone vrouw, hoor,
twee druppels water 'n prinses, die meid! Maar die zal mijn niet
meer herkenne; nooit!... En jij?--'k Zal in je kamer komme, hier
op diezelfde plek gaan zitte, man, en jij zal denke da' je 'n èchte
markiezin voor je het ... 'k Ben nòg 's in vrouwekleere rondgeloope,
in ... Valvecienne, as je weet. Geen mensch die dan wat an mijn ziet,
zóó weet ik me te houwe ... Dan maak 'k nèt zukke kleine stappies
... 'n beetje stijfies draaie met me achterwerk ... en 'k bin'
vanbinne die rokke vast met sterk linne, da 'k me slank beweegt
... Maar dan mos 'k netuurlijk eerst 'n goud-blond kapsel hebbe, met
zoo'n Belze lok ... Hè man ... da's nou net 'n rol voor mijn, dat 'k
bij die millionairs an huis komt in me prachtgewade, stijf van 't goud
en edelsteene ... en lief en aardig, je begrijp me ... maar as zoo'n
man z'n eige dan vergeet, dan is die schoone fee gesmeerd, en leit er
'n sardineblikkie in z'n pot de chambre ... met zoo'n lontje ... hèèè
man! As je mijn maar goed begrijpt ... Ssss ... boem!! Pelisie, leger,
bereje ruiterij ... de spuite trekke uit ... Te la-a-t. 't Noodlot
is geveld. De onschuld het weer overwonne ... Maar ik neem me kuite
en verstop me bij mijn vrinde inne ... Siberië. En pas later kom 'k
uit me schuilhok ... Dan gaan 'k vierkant op die trappe van de Beurs
staan, slaan me op me fiere borst, en roep, dat 'n elkeen mijn ken
verstaan: Die held, die 't groote kappetaal het opgeblaze en verwoest,
die man was ik! Hier staan 'k, Charles Edouard Racier, Chevalier,
van moeders zijde markiezin ... maar door de wereld deur dat slijk
gesleurd as atheïst ...'k Trek me pistool, loop an me mond. Een knal,
een gil ... Ik ben niet meer!... Hèèèè, man!"

Met z'n bloedrooden zakdoek veegde hij de tranen van z'n gezicht
.... "Wat 'n held .... wat 'n held voor de menschheid!"--snikte hij
na--"Gevalle, gevalle ... voor Vaderland en Koningin. Want snij je
mijn hart ope ... zien je één bonk oranje!... En zij die dan wete, dat
de wieg van die volksbevrijer toch maar sting in 't armzalige dorpie
Sluis, die zelle zich afvrage: Wat ken daar komme uit Nazareth?--En
daar komme zjuust die gróóste name van daan ..."

Maar 't huilen van een vagebond is erg penibel ..... Daarom zocht
'k een nuchter zinnetje om 'm weer uit z'n grotesken heldenhemel neer
te halen.

--En toen je er toen uitkwam, uit de Schans, wat ben je toen voor je
kostje begonnen, Racier?"

Hij keek me even lodderig aan, als iemand die plots wakker
wordt. Meteen ontspande de fanatieke wijding van z'n gezicht, net als
bij een ouden tooneelrot die afkomt uit een zware rol en direct heel
zakelijk tegen de knechts gaat snauwen.

"Wàt ... Schans?... 'k Gloof dat jij slaapt ... Weet je dan niet,
dat De Háág altijd me standplaas is geweest? As je mot zitte, vraag
dan of 't in de Haag mag, in Schevelinge zoogezeid. Dat gerommel
van die zee wor je slaperig van en is goed tege 't prakkezeere. Ook
is die lucht d'r nog 's frisschies zilt, en as je over je koekoek
kijkt, zien je vaak de meeuwe vliege .... Geef 'n arme gevangene z'n
vertier. Maar da' wou'k niet zegge, want daar het 'n iedereen geen
gevoel voor .... Nee, wat meer zeit: 't ete is d'r beter. Je krijgt
er wel geen biefstuk alledag, of zwezerikke met gebraje haantjes,
goud-bruin in de echte boter gefruit,--geen appeltjes met bloedbeuling,
offe ... kabeljauwstaart onder de schijfies lemoen .... Och, man! Maar
toch komt je lichaam d'r vol. Want zóó goochem ben 'k wèl, dat mijn
maag netuurlijk in alle gevalle geen roggebrood kan leie ... En
't Rijk is rijk genog, dus in Schevelinge smoes 'k wel zóó, da 'k
me dag an dag wit tarwemik voor laat zette .. 'k heb er ommers mijn
rechte as habitué!

"Maar toe 'k weer an die poort wier gezet, was ondergeteekende één
gulde en 35 cente rijk. Daar kocht 'k me een hartige brok van, stuk
kaas of vleesch, wat 'k lustte, want drinke doen 'k tòch nooit, en
as 't hier of daar mot, stoot 'k bij ongeluk me glaassie nog om. Dus
die eerste nacht he 'k dan weer in me lijflogement intrek genome, en
toen zeit die bollebof tege mijn: 'k zou maar Brabantsche kant neme,
en maar pratende langs die huize gaan. Dat heb 'k dan ook vier weke
gedaan. Maar 'k dorst in die stad me niet wage, en dus nam 'k enkel
de huize an de weg, to'k tien dage later in Amersfoort an was geland.

"Daar krijg 'k kennis an twee lui, die d'r an 'n tafeltje zatte. Jonge
jonges zooas ik. Die zegge: wij gane na Harderwijk, ga met ons mee,
dan neme we same dienst voor Nederlandsch-Inje. En ik douw zóó al me
papier en potlooje de kachel in, en begeef me met die lui te voet
na Harderwiek ... Ja, 'k mos toch weer van de weg af, en 'k wou in
Indië ook 's een kijkie neme.

"Zoo komme wij drieë slampampers daar zonder 'n cent an 't koloniale
werfdepot an, 's avons om kwart over tiene, dat er alleen nog maar
een sergeant an die deur staat. Maar die zeit: nee jonges, hier kan je
vannacht niet maffe, vervoeg je nou eerst bij de sergeant-majoor van
inkwartiering. En die heet ons wellekom. Maar ik heb geen papiere,
en zij wel, dus die ware acht dage vóór mijn afgericht en gekleed,
en ik bleef alleenig. Tot mijn bulle óók bij mekaar zijn gegaard,
gekeurd, voetjes gemaakt, in de livrei ... en jewel 's morges om
tien uur staan 'k netjes en wel buite de poort met me gratificatie
van twee honderd gulde.

"Nou, 'k was netuurlijk zonder vrind of maagd, en wat zou 'k me
verloftijd verspore, dus die eigeste ochend nam 'k met me loodpot
me intree in die Ree van Batavia. 'k Gaan an 'n tafeltje zitte;
die waardin kijkt me an, en zeit: da's bloemkool. Wat beteekent--na
ondergeteekende later vernam--dat ie z'n gratificatie nog had, want
anders zeit die madam: 't is savoye. Nou, 'k liet die twee dames
met rust--want Venus he'k altijd in d'r eer gelate--en we dronke
champagne, atte d'r fijn van, da'k 'n leve as 'n prins had met die
alderliefste vrouwe. En na twee dage en nachte was 't uit, want toe
ware me twee honderd gulde net op, en mos 'k om kwart over achte in
die kazerne weze.

"Maar die madam was 'n waardige vrouw, want die zee: Charles--zei
ze--je het hier je cente verdaan, dus tot jij afvaart kan je hier
alle dag komme drinke en ete op koste van ongelijk. Deze edele dame
is later netuurlijk van de arme begrave, want as d'r een afgekeurd
wier, gaf ze 'm de verbraste gelde werom. En toe 'k vertrok, schonke
ze mijn: 'n kissie segare, 'n meerschuime pijp, 'n segarepijpie
èn ... 'n briefie van zestig gulde. Dat dee ze an allemáál voor
gedurende de reis. Maar ik heb die cente as gedachtenis bewaard,
en onderweg heb 'k voor Pietje en Klaasie aardappele geschild en
z'n boel schoon gehouwe, da'k daarvan an boord me slokkie of wat
'k dan lustte kon betale ... 't Natuurschoon op zoo'n zee, man, met
die berge en die zonsondergange, dat brandt in je ooge. Daarvan ben
'k nog 'n poos rijmdichter geweest ... Maar die Bokkeneesche schoone,
da's netuurlijk me val weer geworde."



HOOFDSTUK XII.


"A' je 't het opgemerkt"--vervolgde Racier de fantasieën over z'n
zwervende leven--"a' je 't het opgemerkt, dan is 't in mijn mémoires
ook al wat wij Parijzenaars noeme: cherchez la femme! Daar ha' je as
jonge me moeder, die me verwende en me niet afhieuw van dat grappie
met de Commune,--en eerste bedrijf, première femme!... Toe kreeg je
de acte van me doofstommigheid met Carline, 't beeldschoone wijf,
dat me verraaide en zoo 't gif in me adere dreef van misdaad en
zonde, dat 't me allegaar niks meer kon verkankelemine wat daar van
kwam--deuxième femme, kwaje geest van 't tweede bedrijf.

"Maar nou krijg je je derde, waarin ondergeteekede onder de palme
speelt, twee jare lang, met een beeld van 'n Oostersche schoonheid,
Bokkeneesche meid, man,--hèèè! Louetta hiette ze--wat 'n náám
hè? Lou-et-ta ... dat smelt in je oore. En 't loopt me nog koud langs
me rug a'k denk an dàt kind ... Want zestien jare was ze heelegaar oud
... en 'n óóge! met 'n vlàm!... dat 't merg in je botte zóó smolt,
as ze maar effe die kijkertjes opsloeg en lachte ... d'r bloedrooïe
lippies los dee, d'r tandjes liet kijke ... o, màn, en dan met die
glimmende bruine arme wijduit, langzaampies, zoo treiterig weg, op
de teene van d'r bloote voetjes, na je toe kwam. Want dat was niks as
maar danse, danse en kronkele, tot je d'r opving, 't lieve diertie! En
ze het mijn een zoon en een dochter geschonke, die nou nog wel erges
in die bossche met de ape over die klapperboome zalle kloutere.

"Dat was op Salatiga, waar 'k als kulloniaal in 't kostuum van
artelerist heengestuurd wier. En 'k heb daar zoo goed opgepast,
da 'k binne drie jare tijd de rang van adjedant-onderofcier moch'
bekleeje ... Maar toe kwam die vrouw dus weer in 't spel, en dat
gedurende de dienst ... waar 'k twee jaar mee ben geweest en dat me
kaakslag is geworde.--Mot je hoore:

"Daar zij een beeldschoone vrouw was, en meteen nog 'n kind in die
vormelijkheid--want overtollig vet benne ze niet--wier zij niet
met rust gelate van een eerste-luitenant, die zelf een beeldschoone
mevrouw had, met vijf lieve dochters. En om rede zij zielsveel van
ondergeteekende hieuw, verklapte die Bokkeneesche mijn telkes as
die andere man zich door 't warme klemaat--zet er dat bij, want
't is er branderig heet--an haar had wille vergrijpe, om rede,
dat ze netuurlijk op bloote voetjes ging ... Maar toe op 'n keer
wor ik giftig, gaan 'k in de stormpas rizzeliet op 'm af, slaan an,
zet m'n eige in de pesisie van mindere tege 'n hooger in rang, en
spreek: "Luit'nt, 'n woretje met verlof, maar as dat met die meid
niet ophoudt,--zoowaar 'k hier staan, da 'k niet na uw mevrouw gaan
om 't te vertelle."--"Dat lieg ie!"--zeit hij.--"Goed," zeg 'k, met
respec', "maar u ben nou gewaarschouwd, want al ben 'k maar sergeant,
toch ben 'k mènsch, en laat 'k me eige niet de molligste boutjes van me
borretje snoepe!"--'k Slaan weer an--na de disepline dat vereischt--en
'k gáán--laat hem gloeiend wit van alterasie en spijtigheid staan.

"Maar dat was an geen doovemans-deurtje geklopt, want tege 't
gezag spit je as mindere zijnde toch 't onderdelft, zoodat die man
mijn toe in me dienst krimmeneel het gezocht. D'r deugde net niks
meer: an me boeke niet, en nerges meer an; 't bloed wier me uit me
nagels gekankerd, en toen er op 't appèl 'n paar man mekeerde, wier
ondergeteekede netuurlijk effe genome,--net drie maande na die rel
van d'r straks!

"Goed, dat gaat zoo lang as 't voete in die aard het ... tot 'k op
'n Donderdag na de excercisie van de benting afkom, en in die rust
tussche 12 en 2 me luitenant net snap, dat ie me vrouw pakt, en zij
schreeuwt: "malla, lâ me met rust!"... Maar ik as de minnaar had dat
beloerd ... me bloed dat kookt over--'t was net weer zoo'n snikheete
dag--'k val op 'm an, grijp 'm vast as 'n leeuw, en 'k heb 'm met ze
harsings tege de muur angeplakt. Ja want d'r ware tòch geen getuige!...

"Maar jewel, hoor, da' kon met fesoen nie meer deur die beugel. Hij
maakt groot lef en brengt me an bij die krijgsraad ... Ik spreek as
'n dolle stier van me af--wat 'n wonder: d'r had 'r een an me wijfie
geraakt!--nou, en van da'k in Parijs dat Sjeneesche recht had geleerd,
kon 'k netuurlijk die wet op me duim, zoo da'k met vlag en wimpel
vrij wier gesproke met niks as twee dage prevoost.--En hij? Ken je
zoo nagaan ... Ja, groote honde bijte mekáár!... Hem maakte ze'n
heibel onder vier ooge, en de luit'nt kon gaan.

"Maar dat was zijn zin niet. En die man het d'n ondergeteekende
na datum zoodanig gesard en gezocht, to 'k gediggredeerd wier, en
teruggezet ben tot de rang van kopperaal.

"Nou mot je mijn kenne ... met nog aldoor dat gif in me bloed van toen
'k as doofstomme door Carlien, die beeldschoone vrouw, was verleid
en verraje. Die wrok kwam daarbij, hieuw er schrikkelijk huis, da'k
geel van de gal zag, en me reuzel van die haat op wier geteerd ...

"Je lijkt wel 'n dooie, zooals jij vermagert; geliefde, geliefde wat
ziet gij er uit,"--snikte Louetta. Maar daar holpe geen inlansche
kruie, die me bruine bruid voor ondergeteekende in die woude ging
plukke, dat ze werom kwam met de slange an d'r bloedende voete ... Is
dat effe trouw?...

"En nou, as je mijn nou goed in je hoofd heb geprent, zoo 'k daar rond
ging as skelet van de wrake ... O, man!--Hè je nog varinas in die pot,
da'k eerst effe me zinne verzet? Want daar komt 't ..."

Z'n vingers beefden nu zoo, dat ie de tabak niet in z'n gouwenaartje
gepeuterd kon krijgen: "Stop jij maar ... Nou merk je meteen 's hoe
'k daar nòg onder lijd ... Zie je me hart, hoe dat angaat?... Nee,
lâ me maar liever effe met rust ... 't Ben de andoeninge die mijn
bovemeestere... Maar a'k nou 'n oogeblik stil an dat raam hier mag
staan en maar star in die lucht kijk--zie je--zooas die wolke daar
nou stilletjes vare ... dan maakt mijn dat kalm... Zoo... In de cel
ook... Soms weet je geen raad meer van de brandende drifte, dat je
denkt: as de vlamme niet uitslaan berst ik op slag ... Maar dan klim
'k op me driepoot, en deur die koekoek draai 'k me hoofd om na bove
... Blijf zoo hange ... Da's die lucht ... da's de ruimte, die d'r
toch is, ook voor mijn asem... En de wolke, of wat er dan zijn mag
... de sterre bij nacht ... die drijve vlak bij je, en benne nooit
bang, houwe zooveel as de eeuwige wacht. Nou, as dàt maar zoo is, en
de natuur is maar kalm, die ik anbidt--as Atheïst!--en de eeuwe gaan
rustigies-an d'rlui gang, dan ben 'k óók niet benauwd meer ... Nee,
want zoo'n zwerver hoort daar toch net zoo goed in... Geen donder
of bliksem doet mijn meer nood, want goed, of 'n huis, waar 't soms
nog's in kan slaan, he'k nooit gehad, en me eigeste leve ... a'k
crêpeer lucht dat ommers op,... geen hond die 'n traan om mijn laat
... en me lijf, al is 't ook niet vet ... wie weet of d'r niet nog
's blompies uit op magge meste ... Teminste, as 't gif uit me ziel
d'r wortels niet rot maakt.--Je het hier anders 'n erg mooi uitzicht
... Dat laaste groen, daar achter die straat, mag 'k toch zoo graag
zien ... A'je me lang alleen laat, gaan 'k hier altijd maar staan
... 't maakt me bang en ongedurig, da'je wegblijft ... Dan knarst
dat slot zoo, want die deur van jouw kamer kan leze en schrijve, en
't is net of d'r telkes een inkomt, zonder dat ie ope gaat ... Toch
heb 'k nou niks op me gewete, anders liep 'k niet op straat ... En an
die vent daar, die kop op je kast, hè'k ook zoo'n hekel ... die vrijer
kijkt je zoo an, wor je eng van ... waar je staat staan je ... Verleje
ben 'k al 's bezig geweest om me zakdoek d'r over te hange ... maar
'k had 'r geen bij me ...

"Nou, de wolke hebbe me storm alweer zóóver bedaard ... En, dat
most, want wat er nou komt, daar hangt 't tooneelstuk vanaf. 't
Is 't aldermooiste ... Weet je wa'k met die man heb gedaan, met
die vrouwe-verleier?... Mot je hoore ... Maar denk eran dat 't uit
minnenijd is gebeurd, en dan benne de manne 't valschte ... 'k Zou 't
nou niet meer doen ... wees maar gerust ... de fut is er al zoo làng
tussche die vier muurtjes uitgeknouwd, en 'k ben veel verkoeld. Was
zoo brandende hittig in me jonge jare!... Zie je, 'k zeg 't je maar
... as je soms bang van me wier ... Gebroke man, hoor, die je met één
hand van z'n beene afslaat ... Heelegaar versukkeld, uitgeteerd, man,
van verdriet en ellende ... verschooierd, verhongerd ... tam, hoor,
onder 'n hoedje te vange!... Dat berouw sloopt je óók af ... as je
's nachts niet ken slape ...

"Nou dan ... 't was op 'n avend ... dat wil zegge, as 'k 't terug zien,
ziet alles róód voor me ooge, zoo'n rooie nevel as de zon 's winters
wel onder kan gaan ... maar dat zal 't bloed wel geweest zijn, door
me razende ooge. Want toe' zag 'k 'm staan, hè?--in polletiek wel,
maar 'k herkon 'm subbiet ... en ie had 'r stijf beet, as 'n beest
... en ze lippe die zoge vast an d'r mondje ...

"Nog effe sting 'k ... Toe' neem 'k 'n sprong, val over 'm heen
en met me pennemes he'k 'm ze twee lampies uit z'n tronie gegrist,
z'n twee ooge, zoo: rits! rits!

"Nou, en nou zal jij wel nooit meer an 'n vrouw kenne zien of ze mooi
is of leelijk!"

"Racier toch ...?!"

"Nee, laat me nou deurgaan!... zeg nou toch niks!"--joeg ie haast
grienende voort--"Want hij lègt nog, en ik kan ommers dat brulle
niet hoore ... 'k Vlieg na Louetta, jáág'r zoo op, gil enkel maar:
"vlucht! vlucht!" Draaf dan terug na de kazerne, en geef me meteen
bij de overste an ... Ze sluite mijn op ... De volgende dag wier dat
al voor die krijgsraad getrokke en wordt onder geteekende vliegens
veroordeeld voor de strop of de kogel ... Zie je, hier in 't land
wor je netuurlijk op jare gezet, voor leveslang; en as er dan in 't
Vorstelijke Huis soms 'n aardigheid voorvalt, trappe ze je effe eerder
d'r uit ... Maar spijt?... spijt? néé!--nog geen menuut! Wel da'k
'm z'n nek niet af heb gesneje; was ie meteen uit z'n lije geholpe
... Want twaalf jaar geleje ben 'k hier nog 's bij 'm an z'n villa
geweest ... en 't was 'n erg eng inzicht in die dooje kasse ... Maar
z'n vrouw het me bij 'm gebracht. "Man"--zei ze--"hier is Racier".--Hij
stak me z'n hand toe. Of ie huilde kon 'k nou netuurlijk niet zien
... En toe' ik maar weer wegging--want we zeie tòch niks--was 't: "dar,
arme bliksem!" en gaf ie me 'n tientje ... Nou, da' kon 'k best hebbe!"

Heel lang bleef de Generaal toen in 't vuur zitten staren. 't Was
pijnlijk stil ... 'n Paar keer schudde hij z'n rood overspannen kop
met een ruk, of hij 't vizioen af wilde schudden.

"Nou"--zei hij eindelijk schor--"nou je dàt allemaal van mijn weet,
ben ik hier me rust toch ook weer kwijt. 'k Zal er 'n end an vertelle,
en dan vertrek ik vanavond liever na Harlinge toe, voor 'n nieuw
geheim. Luister nou nog maar effe na mijn, 't is misschien voor
't laast, da'k hier in die stoel bij je mag zitte.

"Van de strop en de kogel ben 'k toe verlost, zoo je ziet, door
Zemajesteit Willem III, Koning der Nederlande, die mijn pardonneerde om
rede al mijn diggredasies door tusschekomst van mijn slachtoffer ware
gepleegd, en zoo wier dat dus veranderd in vijf jare detensie. Die
knapte 'k eerst op in Pontzo, de disceplenaire klas ... Nou,
en Louetta, daar treurde ik netuurlijk niet over, want dat was
geen Hollansche maar een inlansche vrouw, hè? 't Was een belabberde
dienst in die klas. Vijf maal per dag uitpakke, en speksie ... affijn,
daar wen je ook an, hoewel niet zoo gauw as an hange. Maar toe ze dat
morke, werd ik na 't huis van detensie in Leie verzonde, waar 't nog
beter gesteld was. Want daar zit je gemeenschappelijk, en ik raakte
er vrinde met één, die tien jaar had. Beste man, alleen erg an koning
Alcohol verslaafd, wat dan ook z'n dood is geweest ... Poosie geleje,
da'k net toevallig weer niet in de cel zit, spreek ik ze broer. Die
zeit: "Generaal"--zeit ie--"hoe staat jou 't leve?" Ik laat 'm me
laaste ontslagbrieve zien. "Zóó"--zei ie--"maar Hein is net zoo
wild van 't lirium as 'n dolle stier, en die zal de nacht wel niet
hale." "Goed"--zeg 'k--"dan gaan 'k mee." 't Was in Amsterdam, in de
Pieter Jacobstraat, as je weet? Daar lag ie op de vliering en ie ging
zoo te keer, dat 't volk ernaast d'r van opspeelde, want die mensche
konne niet slape ... Nou, toen 'ie mijn zag, zeit ie nog: "daar hè
je de Generaal ook, en ik ben van 't alkehol bezete."--"Ja Hein"--zeg
'k--"dat zien ik wel, vrind. Maar as je weer wild wor, za'k wel op je
beene gaan zitte, want je maakt 't niet lang meer ... de Netuur heb'
je ziel, man. En as ze daar eerst die dampe uit late luchte, is die nog
zoo kwaad niet"... Nee, want ik mog 'm graag leie ... Nou, en toe is
tie die nacht d'r dan ook in gebleve ... 'k Had er wil van, da'k 'm ze
lampies nog heb af kanne dekke ... Want ze zagge d'r erg griezelig uit,
toe ie dood lag, en 'k had er bij z'n leve graag in magge kijke... Daar
zat trouw in, en die vin je niet vaak in de wereld... 't Dee me goed,
a'k d'r in keek, toe we same die jare in Leie verzatte ... want die
man kon zoo maar zitte fanteseere voor z'n eige, en a'k dat zag, dan
begon 'k óók ... Fideele kerel ... As ie z'n knieë had wille buige,
liep ie nou in 't zwarte lake... net as ik. Maar daar ben me te
trotsch voor... as atheïst!... Wat ie nou is?... 'k Denk er vaak an
... 't kan best beure dat z'n ziel nou weer spookt in die koei daar,
die rooie op 't veld ... Hoe 'k d'r an kom ... maar 'k kijk er 't
dier dikwijls op an ... Net zukke ooge... zoo trouw... echt fideel. En
dan is tie van de alcohol óók af... tjonge nou... wat sting die koei
vanmorge nog uit dat modderslootje te slobbere ... Of zu'k slikwater
nou beter is dan klare jenever?... Affijn misschien wel voor z'n ziel.

"Toch was 't 'n rare. Die Hein had één hekel; die kon nou op geen
kraag gouwe sterretjes zien. "Da's vast me kwaal"--zei ie soms--"van
de zenuwe vliege ze aldoor al rond voor me ooge, en a'k ze dan op
'n ofciers-jas óók nog anschouw, dan mot 'k ze plukke..." Nou,
sterretjes-plukke is kinderewerk--dat vin ik. Maar hij von dat niet. As
kopperaal zijnde is ie 's 'n majoor na ze strot toe gevloge... Zoo
in ééne, enkel omdat ie die sterre nou niet zien kon op die man z'n
kol... En toe de majoor dat niet wou, het ie 'm pardoes voor z'n
test geblaze... Daar hàd ie tien jaar voor!... Erg beste kerel... De
Idéëe van Multátuli kon ie temet zoo uit ze hoofd, en mijn het ie 'r
ook verscheie van buite geleerd ... Want geleerd was tie ... tot in
de toppe van ze teene ... A' je die koei ankijkt, zie je diezelfde
geleerdigheid nòg in z'n ooge.--En nou ga' 'k je groete. Je weet
nou me grooste geheim van die misdaad,--en eer je dáár an gewend ben
geraakt ..."

Racier hield woord. Hij stond resoluut op, en in geen maanden zag ik
'm terug.



HOOFDSTUK XIII.


Fantastische zwerver, poovere Don Quichotte-figuur, zooals hij altijd
nog maar waardig rechtop in de statie van zijn lange dallesdekker langs
's Heeren wegen schooiert, van dorp naar stad, van stad naar dorp,
moeizaam trekkend met zijn rechterbeen, waarvan de voet immers eens
gekneusd werd onder die automobiel van ... "het groot-kappitaal!"

In de magere vingers van zijn glad-koude hand houdt hij nog steeds
kleumig het bosje dunne, roode potlooden omklemd, dat hem voor
opzending naar den Krentetuin moet bewaren. En door zijn altijd
wat overspannen, rood-aangegloeiden kop draaien op zijn lange
landlooperstochten de wonderlijke verbeeldingen voort als de eindelooze
film in een bioscoop van louter prikkelende Sherlock Holmes-tafereelen,
die zijn oogen doen glinsteren, en zijn ziekelijk dwepersgezicht in
felle mimiek laten leven.

Mijn vriend Racier deelt zijn bestaan trouw voort tusschen de rust in
de bajes en dan weer 't vervolg van zijn oplichterijtjes,--zoo simpel
in wezen van naïef bedrog, maar voor zijn eigen gloeiende fantasie zóó
rijk aan Balzac-iaansche romantiek en intriges, waar hij zelf immers
den wèl vaak belaagden, doch steeds overwinnenden held in speelt.--En
over de humanitaire vorderingen van ons gevangeniswezen is hij niet
zonder waardeering,--de gevangenisdoctoren prijst hij genegen om
't halve pintje melk daags, 't wittebrood, en de lange pauzes van
rust door de broom in 't vermoeiende spel zijner verbeelding. Waarna
hij dan weer, wat aangedikt in de wangen, zich den rossen baard laat
groeien tot den sik van Spaanschen grande,--een groote bloem in zijn
knoopsgat koopt, en 'n pakje geurige sigaretten, om behagelijk de
nieuwe vrijheid in te flaneeren door de mondaine stadsdrukte, die hem
verlokt, de oogen wat pijnlijk geknepen tegen de in de cel ontwende
zon, en telkens weer, zoo'n eersten dag, spiedende rondziend naar den
armen bliksem, aan wien hij zijn "goede daad" zal wijden.--Want op den
dag zèlf der bevrijding aan een grauwen hongerlijder 'n riksdaalder
toestoppen van zijn poovere uitgaanskasje, en dan als een heilige
in de volte spoorloos verdwijnen eer de andere zwerver zijn dank
heeft gestameld,--dat behoort, mèt 't in ondeelbaar kleine snippers
scheuren van zijn ontslagbrief, tot de vaste ceremoniën, die eenmaal
de mislukking moeten bezweren van Raciers laatsten groote-slag.

En als hij dan eindelijk, eindelijk 't wondere ideaal zal hebben
bereikt, en, onnoemelijk rijk, zijn paleis in Hyde Park bewoont,
met harem èn renstal "au grand complet",--dan wil hij mij ergens op
de Veluwe een lief landhuis laten bouwen naar mijn zin, om mijn leven
verder rustig aan 't schrijven van zijn heldhaftige memoires te wijden.

Maar tot heden blijven dat chateaux en Espagne, al ben ik er in mijn
diepst verholen wezen aan gaan gelooven, zooals hij zelf 't zeker
wéét. Met 'n ietwat bleeken zienersglimlach op zijn tòch verzorgde
zwervers-tronie pleegt hij mij daaromtrent vrij geregeld, zoo omstreeks
de influenza op 't einde van 't jaar, te komen geruststellen--als zijn
vaste toer door het land en 't wat wisselvalliger oponthoud aan de meer
bedoelde stations hem al weer rond en in Rotterdam terug heeft geleid.

In die donkere dagen voor Kerstmis, als 't buiten regent of mist,
en de stad leeft in zoo'n vaal-groen onderwatersch licht, kijk ik
telkens al uit, of ik den pooveren sire nog niet langs mijn huis zie
waren. Maar of zijn sjofele figuur zich oplost in de naargeestigheid
van 't weer,--'t is mij nog nooit gelukt hem te verkennen vóór ik
onverhoeds, met een aanraking, die mij telkens tòch opnieuw een rilling
over den rug geeft, zijn hand op mijn schouder voel kloppen, en zijn
dor-schorre stem hoor zeggen: "Zoo vrind, 'n zalig uiteinde,--want
vrede op aarde komt niet uit mijn atheïstische strot."

"Racier!"--tracht ik dan zoo blij mogelijk verrast hem te
verwelkomen. En even lachend wisselen we telkens weer dienzelfden
blik van verstandhouding,--die nu eenmaal 'n stilzwijgende vraag
beduidt van mijn kant, en zijn bemoedigend antwoord: "nee hoor, géén
onrein. 'k Heb inspres m'n laaste maffie besteed an 'n bad mèt zeep,
en om me hoofd kaal te knippe, dat je me met 'n vrij gewete binne kan
late ... 'k Zou liever me rechter hand opvrete, dan dat jij, al was
't maar zóó'n kleinigheid, von' 'a'k strakkies weer weg been ... de
Natuur weet waarheen."

Zijn Kerstgaaf aan mij is 't verhaal van zijn láátste--z'n "slag",
zóó mooi, zóó effetief, als ie er van z'n leven nog géén heeft
geslagen. Terwijl hij dan ouder gewoonte, wat nadrukkelijker
strompelend, mijn kamer rondmonstert of ik er wat nieuws heb
bijgekregen of verhangen aan den wand, maakt hij de gebruikelijke
plichtplegingen, steeds uiterst vleiend en hoofsch voor mijzelf en
de leden van mijn gezin. Inmiddels zie ik zijn boven 't verweerde
gezicht onder de fameuse kleppet zoo blank bewaarde hooge voorhoofd
bedenkelijk aanrooden, zijn lampjes gaan glimmen, zijn gestalte zich
fierder rechten, tot hij eindelijk zelf een leunstoel aanrolt bij den
open haard, zich behagelijk handenwrijvend vastschurkt in de veering,
z'n gammele extremiteit wurmt uit de verloopen schoen, en zoo op 't
randje voor 't vuur te koesteren zet, dat de damp weldra walmt uit
't troebel verband....

Zijn kop ligt nu vertrouwd tegen den zachten stoelerug aan, de rossige
puntbaard in den vorm gestreeld onderuit; twee zwakke blosjes gloeien
op de glimmende jukbeenknobbels boven z'n zwakjes ingevallen wangen
en reeds weiden zijn opgetogen oogen verder en verder weg in den
verbeeldingsdroom van zijn "slag". Tot hij de groote lijnen der
intrige verkend heeft, en 't nu alles duidelijk ziet daar in de
vlammen van 't vuur, 't waarachtig echt doorleeft, wat zijn woorden
voor mij realiseeren als bloedwarme werkelijkheid, waarin hij zelf
heilig gelooft.

"Heb ik je 't sterven van Mama al verteld?"--leidt zijn diepe grafstem
in. "Och nee, 't is ook waar,--jou leve en mijn leve,--d'r ligt een
wèreld van misère tussche.--Van misère en verdoemenis. Zèg, je rookt
'n ander merk sigarette, maar de lucht is niet slecht, al ben ze erg
zwaar ... 't Is geen affront hè, a'k 'm maar weggooit,--'k wor er in
ééne dronke van ... Misschien is 't ook van de herinnering an háár
dood, da'k me nou zoo draaïerig voel ... 't Was me eenige, al had ik
haar na de Commune niet meer gezien ... Me ziel en me gewete, omda'k
as atheïst niet zegge wil: me God ... 'k Laat nooit 'n steek valle;
wat 'k ben, ben 'k stijf ... Dat kan de wereld juist niet verknoerste
van 'n armoedzaaier zooals ik ... Wou ik buige, wou ik kniele,--'k
reed met de vier ... Van 't voorjaar nog op dat rijke buite bij Velp
... die beeldschoone maagd, die gravin ... Maar 'k sting in eene op
uit 'r omarming, schud me los, en roep: "edelvrouwe, gij drukt de
baarlijke duivel an uw teedere boezem,--mijn tong sterft af, werp ik
uit as 't verdorde lid, zoodra ik maar 't eerste woord bid ..."

"En toen?"

"Toe?--zien je die winkelhaak in me broek? 'n frommes op logement
het'm nog zoo zedig voor me gestopt ... Maar dat hebbe háár honde
gedaan, de hellehonde, die die barones toe eigenhandig op mijn los
het gelate .... 'k Ben d'r trosch op,--wat let me, as je'n domenee
was tornde ik die nade zoo, rits rits weer los, en dan zei ik: "Hier
sta ik, godsloochenaar met de flarde van 't ongeloof langs me beene,
as de tropeeën van de martelare ... Want, ja, man, zoo ben ik ... Of
ken je mijn altemet nog niet?

"Na mama's dood kreeg ik d'r overschot;--'n kappitaal van zès duzend
gulde! Wat 'n zonde, hoor 'k je denke. Ja, vrind, dat heb 'k jou wel
gezeid,--vóór we an 't end benne zal je pas wete wat Racier 'n groote
misdadiger is... Maar 'k kan er niks an doen, 't is me opgeleid,
tusschenbeije kan 'k er zóó baloorig van loope over de weg, dat alle
meziek er bij mijn uit is en ik 't hemelsch firmament beschouwt als
'n vuil beddelake vol vlooiepikke, met verlof ... Da's 't sjagrijn,
nee en drinke doen 'k niet meer.

"Maar nou mot je hoore. Met die zes duzend gulde op zak was
ondergeteekende na Haarlem vertrokke om de omstreke van Bloemedaal
te bezichtige. Daar ontmoette ik de tweede groote rol voor mijn
slag: de Markies de Touard, net persoon, groot van stuk, en met
'n prachtig voorkome ... beneves geletterd,--gelètterd... tot in
de toppe van z'n teene! 't Was in een geheelonthouders-zaak van 't
socialisme. Daar vroeg iemand ies an de kastelein,--'n Armeniër was
't en ik vertaalde dat voor 'm. Toen zeit de Markies: "meneer, u ken
meer as leze en schrijve;--ik ook".

"Daar de Markies arm was en an lager wal--néé, als edelman zijnde heeft
hij mijn nooit zijn geheime verteld--vroeg hij an mijn: "zelle we same
geen rol uitvoere?"--"Nou"--zeg ik--"dat kenne we van de week wel 's
zien, want rolle-bestudeere is geen dagelijksch werk."--Daarop benne
we same gaan loogeere in een eersterang hôtel en ik betaalde voor zijn.

"Daar ondergeteekende alle dage de dagblade lees ... in alle vreemde
tale, en ook wel eens een adresboek raadpleeg,--merk ik uit het
Vaderland op dat een generaal, welks naam ik verzwijg, uit Indië
terug is gekomme en gevestigd te Haarlem, an de Schouteweg. Toe'
antwoord ik 's morges bij mijn ontwake an de Markies de Touard:
"ik heb 't gevonde, maar we motte er nog een man bij hebbe." Ik
bedoelde netuurlijk me eige door te late gaan as bedoelde generaal:
generaal-inspecteur, op reis met z'n staf, want naar ik erbij had
geleze was hij met groot-verloftijd van drie jaar in Nederland,
maar most immediatement weges familie-omstandighede na Amerika ...

"Die rol ging ik toe an 't bestudeere; en na me eige idees zat daar
geld in. 'k Zeg tege de Markies: we gaan terug na De Haag voor die
'k hebbe mot, want die rol zal me same spele. 't Kost drie weke
studie,--en eerst mot de echte generaal Nederland uit. Toe heb ik de
Markies dus netjes angekleed en an 't bewuste adres late informeere,
waarop die lakei antwoordde: de generaal was daags tevore per
scheepsgelegenheid vertrokke uit Rotterdam, en dan per spoor verder
na Grand Rapids Bizoean ...

"Dus ik speelde de rol, en zullie ware me knechs.--Nou begin ik
dat stuk: Daar ondergeteekende speciaal bekend is met de dienst
van soldaat tot generaal, en zijn staf twee gesjochte jonges ware,
moest ik die eerst dresseere. Na zeve dage had ik de derde persoon in
De Haag gevonde: een man van anleg, maar met die dienst niet op de
hoogte. Hij was een Italiaansche boekhouwer, die een val had gedaan
en twaalf jaar in Leeuwarde doorgebracht had,--o, dat geeft niks,
in de gevangenis zit de grooste geest. Heb je ooit wat uit te voere,
zoek dan 'n recidivist en hij volbrengt 't!

"Ik vond 'm in de Lange Nieuwstraat,--'n temijezaak, 't "café
Anna". Ja, da's bargoensch. Ondergeteekende spreekt nege tale, èn de
dievetaal. Hij was groot van postuur, en ijzer-sterk. Maar de Markies
ging alleenig binne, om rede de generaal z'n eige nooit met geen vrouwe
inlaat,--en ik erge kwetsie met die madam Anna gehad had. Dus vroeg
de Markies haar verlof om die klant de deur uit te sleepe, en dat
't haar geen windeiere legge zou. Nou, dit alles geschiedde onder 'n
toilet dat wij vermomd ware, ik, en de Markies as mijn cavalier,--dus
die dame, niet anders dan een meisje van plezier zijnde, gaf da'lijk
toe ... Nee, nie waar, dat most allemaal gebeure buite de deur,
want alle mure hebbe oore. Waarop wij gonge na 't Haagsche bosch, een
heel end weg voorbij de societeit, om, gebruik makende van de natuur,
met z'n drieë onder de bloote hemel te beprate wat er an de hand was.

"Hij hiette ... Ferdinand van Haamsberg, maar ik had 'm van Brakelen
van Brandenburg getituleerd, wat de naam was van de adjudant van de
generaal. En al 'n end op de Leische weg zeit ie: "as ik er geen kwaad
bij kan, gaan ik mee, al was 't na Londen."--Nou, dàt was 'n span, want
de Markies had met de ouwe wet óók zes jaar en acht maande gehad--zes
pond en acht ons, onder ons, gesjochte jonges--in 't detensiehuis in
Hoorn, voor diefstal met braak en poging tot moord: 'n lid eerste klas,
dus. Máár ... in z'n doen en late 'n chevalier ... d'industrie!

"De volgende middag al zitte we in Amsterdam in die fijne dames-zaak
op 't Rokin, 't Groene Huis, Maison Verte, met z'n twee en twintige
an tafel in een bonte rij, om an mijn adjudante die etiquette te
leere, en de omgang met de edelvrouwe in zij en satijn, gepoeierd èn
gedecolleteerd, en hoe ze die als d'r cavaliers bediene motte, dat
ze later, as ik an die grootelui's tafels wier genood, geen flater
zouwe make, door bevoorbeeld maar toe te taste na wat die gravinne en
freules zoo bloot an d'r buurlui late zien. En we hebbe 't daar vol
gehouwe,--àcht dage lang van 's morgens tot 's avens. ... Maar as d'r
dan weer een z'n poote uitstak, of met z'n jatte at uit die schale,
of z'n lijfelijke rommeling niet bedwong,--floep, dan kreeg ie 'n lik,
pardoes in z'n ponum. Want ik was de baas, hè? 'k Had de kaptale, en
... tucht bovenal. Ja, dat het wat 'n cente gekost, zal jij denke. Nou,
zoo merakel veel niet, want 't was geen maison eerste klas. En overdag
ging ik met me staf na de manege om ze paard te leere rije, en na vier
dage les galloppeerde we zoo same al ventre à terre door de stad. Nou,
en ik had netuurlijk in Indië bij de cavelerie gelege, en later jare
bar veel gereje toe 'k in Parijs nog boekhouwer bij Rothschild was ...

"Zie zoo, dacht ik, die staf van mijn, nou kenne ze de dames-bediening
óók,--en op de goeiekoopste manier, want ik betaalde er enkel 't ete
maar, wees d'rlui hoe ze d'r vorke moste vasthouwe, en as ze vroege
uit welke rede, dan zei ik waarom.

"Toe' ben me van Amsterdam na 's-Gravenhage, onze residensieplaas,
terug gereisd, want daar haal ik nou eenmaal altijd mijn geest vandaan,
en studeerde ik precies 't model van hoe die generaals uitgemonsterd
benne, die je daar bij bossies ziet rondloope met d'r bijpassende
officiere. Nou, Haagsche kleermakers ben nooit te vertrouwe, waarop
mijn logementbaas zei: "gaat 's in Gorrekum neuze."

"Zoo gezeid, zoo gedaan. Die kleermaker daar vraag 'k onder vier ooge
te spreke, waarop hij zijn vrouw met acht kindere laat verwijdere,
en mij afvraagt: "a'k er geen kwaad bij kan, wil 'k je wel helpe, want
jij speelt 'n valsche rol. Denk er dus om, want na je ziet zit ik hier
met 'n k'nijnehok vol, en is de negende alweer op de komst."--"Wees
gerust"--zeg ik--"alles wat ik doen, dat is in 'n geslote graf",--en
meteen geef 'k hem vierhonderd gulde, omdat ie ook maar 'n arme donder
is, en dat ie 't lake kon koope, waarop ie direct mijn de maat nam.

"Ik koos dus een generaalspak van: dolman, rijbroek èn twee pantalons
met bijpassende kaplaarze. Maar voor de garniture, de gouwe kraag
en de vangsnoere ging ik werom na de Haag, èn voor de rooje bieze
in de pantalon. Me pet met breeje gouwe rand kocht ik in een andere
winkel, mèt me hoed met pluime voor grand tenu en dito voor me twee
collega's. Maar an me ridderordes en Kraton-medalje, me expeditiekruize
met twee gepse had ik veel moeite, want die ware momenteel in geen
een winkel voorhande. Daar werd ik an geholpe door tusschekomst van 'n
vierde persoon, in Rotterdam.... Me kruis van de Militaire Willemsorde
mèt kroontje heb ik voor f 8.75 van een gesjochte ridder gekocht,
na hem mijn geheim onder vier ooge te hebbe onthuld. En de rest van
me dure borst dee' ik hier en daar op, me eereteeke van Tonkin bij 'n
eerste luit'nt, me eereteeke van 1881 met de Eikekroon bij 'n tweede...

"Toe was alles present,--en na twaalf dage was ook de kleeremaker
klaar. Maar die had netuurlijk geen spiegel, die bij eerste-klasse
tailleurs anwezig is, want die is wel zoo groot van de zolder tot de
vloer met dito vis-a-vis voor 't bekijke van achtere. Zooeen heb ik
er toe' late hale en voor hem betaald, waarop we 'n paar uur moste
wachte. Maar toe deje we vast onze vermomminge an uit Parijs: Mijn
grijze baard met dito pruik à la Napolitaine--van dat lange polkahaar,
weet je? Me eerste-luitenant, de Markies, 'n zwarte ringbaard,
op z'n Engelsch weg, maar van z'n eige, want die was natuur. En me
tweede-luitenant 'n dito baard op z'n Engelsch, maar in 't blond, óók
afkomstig van de kapper van 't Théâtre français in Parijs. Daarvoor nam
een coiffeur hier eerst de maat. Dit alles kostte kappitale van geld.

"Wij kleedde daarop onze politieke pakkies uit. Vier en twintig
uur van te vore had ik drie nieuwe koffers an late komme, en daar
werde die ingedaan met onze bijpassende pantalon en betiens, die we
niet noodig hadde ... En de generaal met zijn staf kleedde zich an,
bekeke zich rechsomkeerd, en 't zat model .... As 't nou maar goed
uitloopt! Ik voor m'n eige ben wel nooit benauwd. En as er geen
verraad in 't spel komt, zal ik de rol ten ende make.

"Toe 'k bel, komt de kleermaker binne, slaat an voor zijn eksjellentie,
wenscht hem veel geluk met zijn rol, en daarop worde die kiste dicht
gedaan. Eigehandig zet ik daar 't adres op van Z. Exc. baron van
T. v. S., generaal-inspecteur van het Nederlansch-Indische leger,
met zijn staf. Onze bediende brenge die na 't spoor.

"Nog 'n uur blijve we bij die kleeremaker, omdat ik daar dejeuneer
met me staf--'t was voor de eerste maal same in uniform, mèt
me vermomming. Waarop ik 'n telegram schreef an de Ouwe Doele te
Middelburg om plaats voor de generaal en gevolg. Vijf en dertig menute
daarna kwam 't antwoord, dat onze vereerde ankomst hoogst angenaam was.

"Tot hiertoe had de dressage van me adjudante, mèt die uniforme
mijn rond f 4900 gekost. Daarop stapte we de deur uit, en omdat er
in Gorrekum geen militaire legge, werde we door tusschekomst van de
burgemeester en de politie in alle eer na 't station gebracht.

"Da's de eerste pessage. Nou komt de tweede, de moeilijkste, waarbij ik
erg zenewachtig wier; maar me knechs bleve normaal, want die steunde
op mijn capaciteite..."



HOOFDSTUK XIV.


"A'je die eerste pessage nou goed in je 'oofd 'eb"--vervolgde de
vagebond, naar lichaam en ziel in zijn rol, zóó, dat hij nu opeens
zelfs in 'n wonderlijke affectatie herhaaldelijk weer de h's uit
zijn woorden wegliet--"a'je dat nou allegaar in je kop 'eb gestoke,
dan krijg je me twééde bedrijf, dat in Middelburg speelt...

"Let nou op: In 'n rijtuig met twee paarde wordt z'n eksjellentie de
generaal en z'n twee onder'oorige van 't station afgeäald,--beneves
'n vigelant voor 'ullie bagazie, waarmee ondergeteekende ree'
na't'ôtel. Daar was van te vore 'n rooje markies bove die poort
uitge'ange, en er lagge allegaar tapijte: eerst zwarte, toen rooie,
toe' witte, tot an dat rijtuig over die straat. Links van de ingang
stane vier kelners opgesteld in zwarte rokke, en rechts ... drie. In
't midde op dat tapijt daar legge na alder'oogste etiquette geknield
die 'otel'ouwer met z'n dame.--Netuurlijk 'ad die militaire macht
mijn van 't spoor af met volle meziek opgebrocht...

"Volges dressage stap ik 't eerste dat rijtuig uit, me eerste-luitenant
nommer twee en alles na venant. Zullie spreke geen woord. En die
'otelouwer met dat wijf, gekleed in grijze satijn, staan op en zegge:
"Zijne eksjellentie, welkom in Nederland."

"Met d'rlui rugge achteruit, gaan zij mijn voor na me appartemente en
me begazie na die chambre à coucher. Dertig menute later kwam baron
Sch. v. d. O.--toentertijd dienstdoend kaptein van 't 'ollansche
leger--om introductie van die 'otelouwer, dat ie mijn wou verwelkomme
in Nederland. We sliepe netuurlijk met ons drieë, ik en me knechs,
in één kamer, want ik mos 'ullie 's nachs vanzelf 'ullie rolle opgeve.

"Nou klopt die 'otelhouwer an de deur, slaat an--gekleed in zwarte rok
mèt witte das--, en vraagt: "Zijn eksjellentie, ister altemet geen
belet?"--"Nee" zeg ik, "'k geef gedurende 'n uur audiëntie"--ja,
audiëntie, zeg, zoo mot je 'r dat bijzette.--Waarop die kaptein
binnekwam, en ik opsting en 'ij mijn die 'and reikte, en tege die
'otel'ouwer zee: "belam, twee glaze water met mekander kenne niet zoo'n
vergelijking geve as deze generaal, want 'ij is 't spreked. 'k Eb 'm
toevallig zien rije op die Schouteweg in 'aarlem."--Nou, dat snap ie
zoo, é? Ik liep erg trotsch, zooas 'ij gewend was te loope, en 'ieuw
me dus met mijn mindere niet op.--En netuurlijk 'ad die 'ôtelouwer
geen wantrouwe, en ik vroeg geen rekening en niet wat ik daags most
betale. Want we leefde die eerste dag op de aldergrooste schaal,--om
mijn zinne te verzette, en dronke wel twintig flessche champagne
... 'adde goed gedineerd en gesoupeerd... Toe' liet ik tachetig brieve,
die ik zelf geschreve 'ad an mezelf, na alle plaasse verzende, en
die weer terugkwamme an Z. Eksj. de generaal v. T. v. S... Dus bij
gevolg dacht die bollebof: die generaal is alom bekend en van grooten
'uize,--da's de fijnste clandisie voor mijn 'ôtel.

"Je ken dus zoo nagaan: die eerste dag zette ik geen voet op die
straat.

"'s Anderedags--a 'k 'n segaar krijg kan 'k beter door prakkezeere--'s
anderedags, ja, toe ginge we na die manege, waar ondergeteekede drie
paarde vroeg, bestaande uit 'n bruine, 'n vos met witte pootjes,
wat genoemd wordt 'n bles, èn 'n schimmel voor z'n eksjellentie. Die
'ortsikke werde opgezadeld, en toe stuurde ik me eerste educan met
'n briefie, dichtgevouwe à l'étiquette de Louis XV--allemaal volges
't militarisme--om S. v. d. O. op te 'ale, die toe me eerste-luitenant
volgde: te paard. Waarop me tweede-luitenant mijn peerd nam--da's
volges die etiquette, want anders 'ad die kaptein netuurlijk gezeid:
da's geen zuivere koffie,--en ik opsteeg, en die kaptein ree links
volges die etiquette, me eerste rechs, de generaal in 't midde,--en
me tweede volgde ons op tien passe afstand... Ja, of 'k 'n goeie
comediant zou zijn, nou!

"Waarop 'ij onderweg vroeg: "Zijn eksjellentie, waar is de
reis natoe?"--"Ik wou die klas van disepline is inspecteere in
Vlissinge"--zeg ik; waarop wij stapsgewijze Middelburg uitgonge,
en in galop op de Vlissingsche weg na de klas reje.

"Bij ankomst stane al die klassiane voor mijn in parade an die deur,
waarop de kaptein afstijgt--da's nou zijn plicht--en mijn paard 'ieuw,
waarop ik afsteeg. An die poort stane vier 'oofdofficiere,--van
welke range 'eb ik niet bekeke, daar 't regenachtig weer en ik in
zenuwachtige toestand was. Ik liet op die binneplaas die klassiane
diffileere ... à la baguette langs mijn 'een, en gaf zèlf die
ordes. Toe gong ik bove die zale specteere, waar twee klassiane an
't lijntrekke ware, één op 'n stoel en één op ze krip. Angezien
die alreeds in de eerste categórie ware--op 't laast van d'r
straftijd--vroeg ik: "'eb gij voor God en uws gewete geen spijt van
wat je misdreve heb tege Koningin en Vaderland?"--Maar ze zeie asdat
die drank erlui zoo ver had gebracht, de eene voor drie deserties en
de andere twee. Waarop ik me eige omkeerde en de dienstdoende officier
verordeneerde om die twee klassiane immediatement na 'ullie regemente
terug te sture ..."

"Had je te doen met die kerels?" vroeg ik bemoedigend, omdat nu de
tranen over Raciers glimmende jukbeenderen glisten.

"Ajjemenou,--zèg?! 'k Mos toch èrges voor komme, as eksjellentie
zijnde? Of was 'k soms vroeger niet zèlf door 'n generaal uit de klas
gepardonneerd?--Waarop ik me eige verwijderde te peerd en wou zien
of die kaptein goed rije kon, en ree ventre à terre na Middelburg
werom... Maar netuurlijk, daar in de stad ging 'k weer op stap.--"Met
uws verlof, eksjellentie"--zeit die baron buite asem--"rij je in
Indië óók altijd zoo 'ard?"--"Onverschillig in welk klimaat"--kom ik
leuk--"want ik ben 'n netuurkind, die an geen G..." Haast a'k me daar
'n atheïstische steek late valle ...

"Dit alles geschiedde zonder betale, want wie vertrouwt er geen
generaal? Maar telkes bij ankomst stinge daar twee schildwachs, die 'un
plicht voor mijn deje as eerbewijzing ... Mot je dènke, ik saleweerde
nooit werom, dee net of 'k 'ullie niet zag. En dan naast mijn eige zaal
'n kamer, daar moch' nooit niemand op, en me slaapkamer, salonkamer,
conversatiekamer,--alles voor mijn alléénig ... Toe die 'ôtelouwer vijf
menute na ankomst weer antikt en binnekomt,--gekleed in zwàrte rok,
want die mos mijn altijd eiges bediene--, met mijn correspondencie,
waaronder 'n brief was, waarop mijn oog viel, zoo'n raar schrift as
dat was. En geen wonder: van Jhr. v. d. L. d. C., villa Dolle roze, te
Middelburg. Die in'oud luidde: Z'n eksjellentie, angezien ik ge'oord
en gezien 'eb asdat u in 't land ben, wenschte ik graag of u mijn
met 'n bezoek wou vereere,--en dan die eerbewijzing, begrijp je wel,
met onderteekening as de luitenant-kolonel van die infanterie.

"Waarop ik mijn twee collega's vroeg: "wat dunkt u daarvan?" Waarop
de Markies de Touard zeit: "nou gane me de lik in, want dat zou me
sterk bewondere of t'er nou al geen s..... an die knikker is." Waarop
ik antwoordde: "Jij ben mesjogge",--en mijn vesitekaartje nam mèt
titel. Volges etiquette-gewijs draaide ik an die rechterkant 't puntje
om, stak 't in een passend envelop, en liet 't wegbrenge door mijn
éducan .... à pied.--Zie je, 'k laat er inspres veel Fransche woorde
in doorvloeie, dat staat wel prachtig!

"Waarop me educan wier binnegelate bij die luitenant-kolonel en wat
gebruikte wat op dat oogeblik de tijd vereischte, waarop 'ij met
't adreskaartje van die Jhr. v. d. L. de C., mèt omgeboge kantje
an die linker'and, per rijtuig terug wier vervoerd na mijn.--Dat
plooie van dat randje an die linker kant beduidt: die receptie is
angenome.--Snap je nou effe wat die opvoeding van al die etiquettes
'n groote rol speelt in 'n mensch z'n leve?

"Nou, die educan bracht mijn de bewuste envelop en antwoordde mijn
onder vier ooge privé: "Racier, 'k ben machtig in 't lef, maar dàt
zakie durf 'k belàm niet te wage; want 't zou me sterk ontvalle of
die dinertafel zat stijf van die ofciere."--Waarop ik antwoord:
"Vertrouw op mijn, mijn dappere Markies, ik zal me rol net spele
as dat ie be'oort",--waarop die allebei zich verwijderde en ik
alleenig in die salonkamer ging zitte prakkezeere voor 't raam an de
Mart, en me rol bestudeerde, onder 't gebruik van een bouteille de
St. Estèphe, een 'eel zachte wijn voor die koerazjie, waarbij 'n kissie
sigare-van-75-cente-'t-stuk op dat tafeltje stinge, die ik 'ad besteld.

"Zoo welgedaan en gesterkt--och, as je 't maar fijn 'ebt op de wèreld,
is 't geen kunst om d'r link bij te blijve--zoo kom 'k na 'n uur
bij me twee educans werom en gelast 'un: "stroop je rijbroeke af,
trek je pantalonne an en zet je in grand tenu",--'t geen de generaal
zelf óók dee'...

"'Alf uur later sting 't rijtuig al voor ons drieë klaar om ons af te
'ale: koesier en palfenier, stijf in 't goud, getrokke door twee edele
zweetschimmels, en waar de luitenant-kolonel in polletiek zelf óók in
zat. Netuurlijk nam ik plaats naast m'n ami, want in tijd van oorlog
is hij volges rang en stand me vrind, en me twee educans in uniform
d'honneur zatte vlak vóór mijn. Onder 't rije merk ik best op, dat
de Markies de Touard erg zat te knijpe, waarom ondergeteekende de
grooste schik 'ad in z'n eige.

"Volges die etiquette confronteerde de gast'eer mijn toe an ze vrouw,
waarop ik volges die etiquette van 't militarisme 'aar de 'and reikte
onder 't uitspreke van de woorde: "edelvrouwe angename kennismaking
en ik 'eb de eer uwe jonkvrouwe voor te stelle an zijn eksjellentie
de generaal met zijn staf van bovegenoemde name."--Waarop wij na de
rookkamer gonge--zoo noeme ze dat in die groote wèreld--en ons vijf
'oofdofficiere afwachtte; waaran ik door de luitenant-kolonel, gevolgd
door zijn edelvrouw, ook geconfronteerd wier, dezelfde beweging dee' as
straksies vermeld, en wij onder 't gebruik van een flesch wijn koetjes
en kalfies sprakke over dat leve in Indië, vóór wij an tafel gonge:

"Volges oud gebruik van diners en recepsies is de generaal 't
'oofd van die tafel. De edelvrouwe des 'uizes 'ad drie dochters:
een van 21, een van 23 en een van 27 jaar, beeldschoone dames,--och,
man, hou op!--en eerstgenoemde een barre lief'ebster van paardrije,
nou! Dit alles geschiedde onder de 'oogste etiquette.--Ja, je ken
daar zóó uit de 'oek gaan schiete, want er wier netuurlijk op mijn
en me staf fel gespionneerd of wij 't wel ware, en dan mot je derec
tege zukke mokkels beginne: mag 'k je 's ... 'n smokkeltje geve,
lekker dier?--An elkeen wier dus z'n plaas beweze, uitgezonderd de
generaal; die mot zelf wete waarof tie zit.

"Me twee educans plaasse zich vlak vóór mijn, en naast 'ullie de
dochters,--de ouste met de gastedelvrouw, en zoo bleve ze 'een en
weer loope, waarbij ik 'ullie vergezelde. Me dege 'ong netuurlijk an
die portemanteaux; dat zou anders te lastig weze bij dat rondkuiere
over die kleeje ...

"Toe ik die beweging zag dat de tafel 'n anvang zou neme, nam ik me
plaas, voor mijn bestemd, met de edelvrouw rechs en dat ouste hippie
links van mijn, en zoo allegaar verder navenant met d'r galakleeren
an van zwarte zij, en rose zij,--de vijf ofciere met 'ullie medams,
en daartusschenin de polletieks, mijn tot 'ede nòg onbekend, daar
't van de 'oogste aristokráássie was, wat later beweze te zijn de
graaf v. P., gepensionneerd kamenier van zemajesteit Willem III en
die z'n ordonnancies ... in buitengewone dienst!

"Dus 'oe of ik daar tussche zat?--en dat voor 'n gesjochte jonge,
daar klopt 'eel Nederland voor in ze 'ande,--maar nou staat de
Generaal dan ook weer in de rij voor 't Toevlucht van 't Leger des
'eils en vraagt z'n eksjellentie om 'n kom zweet met 'n 'omp brood,--as
't zijn kan zonder kachel'outjes te 'akke.

"Waarop dat diner een anvang nam, en alle ooge gevestigd ware op
mijn en me educans ... Nou, die zatte netuurlijk heel skrikkelijk in
d'r knijpert, maar gelukkigerwijs 'ad ik ze goed gedresseerd daar in
Amsterdam in dat 'uis met die namaak-edel-vrouwe om 't op te leere en
'k 'ieuw mijn ooge niet van erlui af, dat ze geen flaters konne begaan
door d'r menaziekleppe ope te zette. Ze zwege dan ook as 't graf. Want
niemand spreekt dan, as de generaal alleenig! En zullie bediende
'ullie twee dames, en ik mijn dame an stuur- en an bakboord,--en,
christeneziele noggetoe dat ouwe dirazie keek mijn maar met van
die smullige ooge an, da'k dacht ... "nou, daar ga je"--zei ik dan
maar--"sla noggeris om, 't is je gegund"... Maar dit alles wier
netuurlijk geschied onder de grooooooste etiquette!

"Onder 't ete 'eb 'k toe' 't meeste gesproke over de toestande en 't
leve in Indië, mijn als kloniaal partekelier bekend,--maar 'k 'ieuw
'n wachter tege me lippe voor àl te peperige gijntjes. Zullie vroege
maar raak, en ik antwoordde minzaam: van soldaat tot generaal ...

"Ja man, wat 'ebbe me dáár fijn geschranst... oef! Me ooge beginne nòg
te kolle as 'k er weer an denk: vijftien, zestien, zeventien koeverte
... Eerst soep. Dan neem je daar 'n lepeltje van en schep je dames op,
maar denk er an dat je niet op de rand van d'r bord spat. Krijg je dàt
in de gate, dan neem je je servet of 'n slippie van dat tafellake en
veeg je 't er fijntjes weer af. Die bediendes zette die koeverte maar
áls naast je neer. Na de soep zes, zeve soorte van vleesch, èn kip,
en dessert met fijne suikerwerkies na. Da's dan koud. Overal neem
je maar een klein likkie van, en wat je daar dan van opzet, eet je
op volges etiquette ... Maar voor elk menu krijg je een nieuw schoon
bord. Dat ònderste alleenig blijft in die groote wèreld altijd staan
voor die podding... Of ik er lekker gebikt heb?--o christenziele,
en hoe! 'k Vrat me temet 'ne duizeling!

"Die wijne worre volges die etiquette op tafel gezet; je ontkurkt
de flesch maar met 'n kurketrekker van masief zilver òf compesisie;
dan maak je dat nekkie met 't borsteltje schoon, schenkt dat glas
van je dames op drie vingers na vol, en zet je flesch dan weer neer.

"Op 't eerste glas is de generaal verplicht om overend te gaan staan en
je drinkt op de gezondheid van je tafel waarop 'n elkeen opstaat en 't
bewijs van eer tege mijn glas geeft.--Zoo 'ebbe we daar geëte: twéé en
'n 'àlf uur lang,--ja, wat 'n merakel!--en ze vrage je tusschebeie van
de vinijnigste strikvrage. Maar ik wou netuurlijkerwijze dat karakter
van die luitenant-kolonel scherp opneme,--ja, wat 'n wonder, want
ik had éérst goed geschranst, en nou mos 'k geld zien óók... Nogal
wiedas! Dach 'ie soms da'k dat miek voor me eige vermaak en voor
louw?--Maar a'k je eerlijk de waarheid vertel, mot je nie' kwaad worde,
'oor je.

"Na afloop dee' de kolonel de meedeeling dat z'n jongste dochter jarig
was, en daarom 'ieuw 'ij om tien uur een bal. Maar daar ondergeteekende
fijn danse kan, en niet wist of z'n educans dat wel konne, werd
dit door 'em nederig geweigerd.--Ja, netuurlijk, dat was ommers de
eerste keer, en toevallig wazze we nooit met ons drieë na 'n gesjochte
huppelzaak geweest, dus ondergeteekede was bàng voor z'n staf.

"Ik klee dus m'n eige vast an en wor vergezeld van man, vrouw en
dochters en de mijn op dat oogeblik onbekende graaf v. P.--maar
die heb ik later óók gevild, aggenebbiesj! Toe, bij 't afscheid,
vraag ik me gast'eer of 'k nog 'n privé-gesprek onder vier ooge met
'm mag. Wat mijn toegestaan wier. En ik 'm meedeelde op dat oogeblik in
verlege omstandig'ede te zijn, en in Middelburg geen bankier 'ebbende,
vroeg of 'ij me voor drie dage niet kon 'elpe an f 2500.--Da's me
éérste oplichting as generaal geweest.--Waarop 'ij antwoordde: "zijn
eksjellentie, al wou je tien lappies van duzend 'ebbe," en over z'n
brandkist ging en d'r vast twee uit'aalde en toe nog vijf blauwe rugge,
met de vaste beweging erbij dat er nooit 'n kip na zou kraaië ...

"Ja, na zóó'n diner, en daar 'n paar cente nog bij,--a'k maar 'n gat
zag, dan kroop ik d'r vandaag nòg zoo in. Want van die cente 'oefde we
niet eens te gaan vrete--wat jou?--en in dat 'ôtel betaalde we tòch
niet ... We gonge dus same in polletiek na 'n café eerste klas onder
't gebruik van wijn, rum, cognac en fijne segare,--en de netuur mag
wete hoe, maar 's morges om nege uur wier ik weer wakker gemaakt
door de 'ôtelouwer zelf, in zwarte rok,--die mijn me twee gekluste
eiertjes brocht met 'n skeutje port, op 'n zilvere blad!--Die mot óók
'n paar spijkers hebbe--docht die vent--en die zal in De Haag wel
met geen potlooië of kenijntjes 'oeve te loope."



HOOFDSTUK XV.


... En terwijl ik er hem dan maar verbaasd op zat aan te kijken,
den ziekelijken fantast, zag ik 'm langzaam aan moe worden en weer
versjofelen,--de hittige glorie dooven uit zijn lampjes en den
klatergouden waan afglijden van z'n kale lompenstatie.

De triomfantelijke leugen, waaraan hij zich opwindt als 'n ander aan
opium, aan drank,--die raakte nu weer uitgewerkt. De valsche schijn
verschemerde voor z'n slap-geworden gezicht. Z'n vooze passie kòn
niet meer;--en wat lag hij daar nu stumperig zwakjes in dien veel te
wijden leunstoel weggezakt bij 't vuur.

Als in schitterende kleurtjes opgeblazen zeepbellen--dacht ik--die tot
niets dan zoo'n troebel sopje verspatten en vergaan.--Als 'n ruiende,
dood-verfomfaaide adelaar die in zijn dierentuinkooi zit te koekeloeren
naar den triesten dag van over de achterbuurthuizen.--Zoo'n afgepafte
zevenklapper, verweekt in de goot!--Tuberculeuse kermisleeuw met
z'n steek nog op, na de glimmerlichte vertooning terug in zijn hok
daar tusschen den rommel van de achtertent, als de morfine nog door
soest.--'t Was 'n stumper,--zoo'n in de broeikas van zijn heete
verbeelding tot overdadigen bloei getrokken plant, die dra weer
verflenst hangt en al zijn bloemen laat vallen.--Weemoedig wrak van
een als bark volbezeilde klomp, op drift geraakt en tegen den anderen
wal aangekwakt.--Zoo'n doodmoe gepiaste hart-zieke clown, nu ie daar
neerleit als 'n vod.

Van de koortsige verbeeldingen bleef enkel de inzinking na;--en
daar zat hij nu, aan den haard weer kleumig schurkend in dien veel
te langen, vaal-geschooiden ulster; z'n borst ingezonken, amechtig en
stram door 't smerige leven, met uit de modderrafels van z'n broekspijp
dien grammelen voet in beide handen gevat en pijnlijk befrutseld.

Z'n oogen zochten moe naar de staag vervlakkende fata-morgana aan zijn
... atheïstenhemel! Want al zijn overmoed, zijn felle durf was in die
lange opgetogenheid weer opgestookt ... De Generaal--berooide bedelaar
nu weer, schunnige armoedzaaier zonder fut,--de overal wat meewarig
om zijn psychose bespotte ... "recidivist!"--och arme. Landlooper in
onbenullige oplichterijtjes, zoo deerniswaardig grotesk van eigen
heldenverbeelding, en als zoo'n half-sjoegen harlekijn met grollig
eerbetoon omsolde "excellentie" onder de gesjochte jongens van 't
gilde en de deerns in de slaapsteê ... En dan telkens maar weer
om de stuntelige vergrijpen van zijn zielszieken waan in de cel
opgesloten... Poovere sire in ongenade,--wat schuwden zijn straks
nog zoo uitdagende oogen nu verlegen naar mij om,--weerloos goedig
als van 'n verzworven hond, dien je in de warmte hebt genomen--:
en of ik hem nou altemet dan tòch zou hebben doorgrond?

"Hoe vin je me rol?"--polste na 'n heele poos zwijgen die weer dor
geworden bedelstem, terwijl er even 'n sluw vonkje opgloorde in zijn
gedoofde lampjes. Hij vroeg 't aarzelend, en al vergoelijkend week,
voor 't geval, dat ik 'm mocht hebben betrapt,--glimlachend alsof 't
toch maar 'n onschuldig grapje was geweest, en da 'k er vooral niet
boos om mocht worden. Maar toen 'k heel ernstig knikte, herleefde hij
weer wat, omdat hij me dus wel waarlijk overdonderd had. En sterker
herhaalde hij, hoewel nog schor en moe: "Ja, wat 'n rol, hè?... maar
ik kan je dat netuurlijk niet allegaar zoo haarfijn verder vertelle,
want die beweging het ... twee-en-een-half jaar en drie dage geduurd."

Maar alle overtuiging was uit 'm verzwakt. Dat dandieuse van straks,
zooals ie, van de leuning overeind, fier rechtop zat, enorm hautain,
met de borst gewelfd als in 'n ridderkuras, 't hoofd minzaam nijgend
uit de statiekaros van mijn fauteuil;--en dan die verrukkelijke
kranerie waarmee hij z'n enorme dalvers-pet heel even tusschen duim
en vinger aan de klep rechtstandig van z'n hoofd kon lichten! Dat
was alles immers even fel bezield, hartstochtelijk spel, tot in
den edelen zwier van de sigaar-mèt-bandje naar zijn mond, en 't
fattig lipgespitste rook-uitblazen. Dat was 'n strekken van zijn Don
Quichotte-gestalte, hoog en hooger naar zijn steigerende verbeeldingen
op, die steeds weidscher om zwierden in de aristocratische kringen
van "die alderhoogste wèreld", boven mijn toch ook maar simpele
burgerlijkheid uit.

Doch nu, afgemat als hij was, klonk er vermoeide gelatenheid in zijn
stem, een nederig streven om zijn hooghartigheid jegens mij vooral
weer goed te maken; een verlegenheid met dien vaak bevelenden toon
van zijn extase, en dat hij me zoo laatdunkend de geheimenissen van
"die etiquette onder de grootelui" had toegeduwd ...

Hij was onder 'n hoedje te vangen, terwijl ie nog maar zoowat
voortstamelde en stotterde, telkens blozend bij àl te doorzichtige
leugens, om 't verhaal aan 'n end te brengen--èn langzaam den gepasten
overgang te vinden op 't ontvangen van mijn Kerstgaaf in zijn technisch
uitgestoken bedelaarshand,--altijd min of meer penibele situatie, die
hij zoo goed mogelijk pleegt te redden door zijn familiare lachje,
en 't achteloos gebaar, waarmee hij 't geld dan zoo maar in den
wijden, wijden zak van zijn dalles-dekker laat vallen, zonder 'n
woord van dank.

Hij hortte en stootte dus moeizaam voort, 'n machteloos opfladderen
van zijn vleugellam gevlogen verbeelding, met matte herhalingen, zonder
verband,--als 'n stumperig uit zijn rol gevallen acteur. Maar nòg kon
hij niet vermoeden in zijn hooge waan, dat ik 'm snapte;--'k aanvaardde
immers àl zijn verzinsels sullig weg en naar de letter! Hij vindt
mij een lummel--dat merk ik telkens--omdat ik 'm nooit tegenspreek
en hem altijd heel belangstellend aanzie als 'n uiterst curieus
object. Hij heeft 'n welbewuste minachting voor mijn ongewikstheid,
al vindt ie in 't verschil van maatschappelijke positie--ach arme
stumpers die wij daar allemaal zijn!--tòch wel 'n prikkel om mij z'n
amice te noemen, en 'n gretig behagen om in 't verzorgder milieu
van mijn werkkamer te vertoeven, van de slaapsteê, of, God weet,
van onder de bruggen uit. Daar droogt ie dan weer 's heelemaal op en
wordt warm tot in het gestremde merg van z'n gebeente. Ook waardeert
hij precieuselijk onze geurige koffie en thee, en dan smullen zijn
stiekeme oogen glunder aan de in 't frissche katoen geserreerde figuur
onzer dienstmaagd, wanneer die hem "eigenhandig" zijn dampend kopje of
wel het twaalf-uurtje brengt... Maar bovenal stemt de rust van zoo'n
dag eens niet de onherbergzaam kille wereld in te hoeven zwerven hem
biester kneuterig...

Zal ik 't hem nu aandoen, na zijn bravoerlijk paradeeren onder de
grootheid--twee hoofdstukken lang voor uw verblufte oogen!--om hier
den berooiden generaal van kort vóór zijn val te vertoonen, op slappe
beenen van weelde-genoten, doorgezakt in de knieën, zijn "goud" zwart
beslagen, z'n "eereborst" afgetakeld, z'n pet voor stille speurders
stiekem over de oogen gedrukt en met den in de lorum geraakten staf
sjegrijnig en knijperig sukkelend achter 'm aan?

't Wordt 'n desolate historie,--de generaal is zoo moe. Laat ik
'm liever 'n extraatje geven om eens ferm te schransen en lekker
te gaan slapen in een frisch bed, dan kan ik 'm morgenochtend zijn
oordeel vragen... Misschien dat hij er van nacht 'n minder smadelijk
eind aan beleeft.



HOOFDSTUK XVI.


"Och ja"--zei de vagebond, nu meer op koel mededeelenden dan
op beeldenden toon--"dat heeft toe' twee en half jaar en drie dage
geduurd ... Maar godallemàchies zoo'n ròl!--Zoo kan ik me hand twee en
dertig maal verdraaië, en as die rechtbank d'r achter komp, dan zeg
'k dat 't niet-en-waar is. O man, en allegaar zóó fijn geskreve, da'
j't háást niet ken leze ..."

Ook stonden z'n h's er nu weer allemaal in, want 't was voorloopig
erg nuchter en zakelijk:

"Zie je,"--vertelde hij--"want we ben daar toe' nog 'n week of drie
gebleve, na 'k bij 't kappetaal 'n oplichterij had gedaan, groot
... vier duzend acht honderd gulde;--bij 't hóóge kappetaal! An
de schatrijkste lui ging ik weer de komplemente brenge van die
familiebetrekkinge in Indië,--die 'k van me levensdage nooit had
gezien. Daar stuurde 'k dan me beletkaartjes an en wier afgehaald of
gong er zelf per rijtuig heen, wier d'r heerlijk onthaald, terwijl
ik de inwendige mensch nakeek of daar voor mijn wat viel te plukke
bij geval,--om rede mijn bankier uit was, en van zu'k soort smoesies
meer. Dusdanig leende ik overal duzend of vijftienhonderd gulde en
dempte daar die putte van drie-, vier-, vijfhonderd mee. Zoodat ik
as eerlijk man groote oplichtinge miek om de kleine te dekke. Maar
hôtels en kleermakers betaalde ik nóóit;--da' was eenmaal Fransch en
kon ondergeteekende zich dus niet an onttrekke ...

"Toe Middelburg af was gestroopt, trokke me dus na dat hotel Pays Bas
in Utrecht,--met de éérste trein weg, in 'n éérste klas rijtuig, en
daar er dan welderis andere passegiers inzitte, en ik in polletiek wel
's niet vermomd was,--want da's zwaar zoo'n pruik en baard--huurde
ik voor mijn en me staf alleenig die hééle coupé effe af ... Nou
en polletieke ha'k netuurlijk genog: op laast zeve, acht pakke,
want wie vertrouwt er soms geen generaal?... Maar de kleermakers
magge hierbij niet worde vermeld, om rede d'r nog in leve benne,
die f 2500 op ondergeteekende's krijt hebbe staan.

"Ook ka' je zoo nagaan da'k bij me vertrek iedere bediende, van
schoenpoeser tot kofferdrager af, 'n tientje gaf volgens die etiquette
van de hoogste aristocraassie, en zoo wiere er voor mij vanzelfs diepe
buiginge gemaakt in bijzijn van die verneuriede hotelhouwer ... An 't
station schonk ik me koesier effe ... vijf en twintig gulde fooi.--"La'
maar zitte." Goeiegenade noggetoe, nogal niks!

"Netuurlijk kreeg ik in Pays Bas me appartement weer bove die
poort met vijf kamers, en vijf kelners wiere angenome voor mijn
alleenig, angezien die bollebof nog nooit eerste klas slapers had
gekamerd. Waarop ik speksie miek in de kazerne van "de Veld" en
ik orders gaf an de dienstdoende kappitein Jhr. O., om de andere
dag die stukke in die Maliebaan te gaan zette, om rede ik zelf 't
commando uit wou voere.--Zeg?--nou! òf die ofciere in draf zatte,
want ik zat op me schimmel, ree links en rechs met me educans,
om te kijke of die kenonne in orde voor tijd van oorlog ware, en
't was allegaar oudroest.--Wat een deining!--Toe vergezelde ik zelf
die heele stoet na de kazerne werom, waarop kapitein Jhr. O. mijn na
't hotel opgeleidde, waar me schilderhuis al sting en me wacht, en
ik zoo maar de sierade van me borst afplukte, om kedo te doen an de
ofciere d'r dames. En ik noodigde er verscheie uit van de veld en de
mineurs bij mijn op 'n neutje ... sjampoepel, waar 'k op 't moment
nòg wel 's effe zin an had ...

"Maar de zake mochte er niet onder lije, en vier dage later zat 'k
alweer druk-op in me oplichterije. Zoo gauw ze uit Middelburg maande,
seinde 'k: "Spectiereis, geduld"--werom ... Binne 'n groote zes weke
ha'k ook hier me zestien miel geflescht ...

"To 'k twee dage voor ons vertrek 's alleenig in Wageninge gong neuze,
waar 'n boezemvrind uit Brussel van mijn was gevestigd, en 'k dus
me staf achterliet. Maar die ami-intime van mijn had me verniggeld,
zooda'k langs die straat loop, en 'n groentevrouw an die deur van 'n
eerste klas villa hoor vrage an die mevrouw: "heb u nog als maar geen
tijding uit Indië gehad?"--Wat ondergeteekende achter z'n oor knoopte.

''k Gong dus 'n herreberg in--'k wil zegge: zoo'n groot café-restaurant
à la carte, en liet me 'n kejakkie brenge mèt de Figaro, en hieuw die
inspres onderstbove, want ik zat bijna in donker.--"Ka je dat averechs
leze meheer?"--zeit me dat frommes achter die tapkast. "Ik kan rechs
en links leze dame, a'k mijn bril maar heb of gouwe lornjet." Wat
allegaar begonne was om kennismaking. Want: ik zoch iemand die d'r
zoon as eerste-luitenant in Indië was. (Dat ha'k ommers van dat wijf
an die groentewage gehoord.) Waarop zij zeit: "dan mot uwe zeve deure
verder weze; daar het me man verleê week nog wijn gebracht, en toe'
het die mevrouw gezeid: 't zou me wel duzend gulde waard zijn a'k
maar tijding had."--"Zóó"--zeg ik--"noodig uws man dan uit om haar
edele effe mijn eksjellentie's kaartje an te prizzeteere". Waarop
ik na Utrecht werom ging, want ik most volges die etiquette eerst
uitgenoodigd worde door die medam.

"En jawel hoor, klokke vier en twintig uur later kwam die brief. Die
hotelhouwer most zich daarvoor natuurlijk eerst in gala kleeje,
om die mijn te brenge, en anders miek 'k 'n standje--want 'k zat
juist te dineere... En me ete, da's me heilige plicht voor 't in
stand houwe van die menschheid. Altijd, en nòg. A'k vreet kan 'k
bevoorbeeld ook nooit geen pelisie vele. Buite ben 'k pakbaar--da's
volges de code civile. Maar a'k binne zit te bikke, dan kenne die
klabakke eerst fesoendelijk d'r beurt afwachte,--to'k over die dake
weg ben gespat. Wat jou?

"Recht is recht. En daar sting in die brief of z'n eksjellentie baron
v. T. v. S. zoo goed wou weze na Wageninge bij die douairière over
te komme, want 't was 'r wel d'r rechterarm waard, om tijding van
d'r geliefde kroost te hoore.--Je mot me maar niet ankijke, nou;
a'k dat vertel begin 'k amper te huile.--In geen vijf jaar had ze
geen letter vernome!...

"Da's koffie"--zeg 'k tege me maats--"dan lawe medeen maar onze
bagazie na Arnem in 't Zwijnshoofd brenge"--want die hotelhouwer hier
wou àls maar die afrekening na mijn standplaas in Haarlem sture, wat
ik voorgaf niet te wille wete voor me vrouw, van wege die vertering,
die ik miek op grooste schaal,--en stapte zelf af in Wageninge met
me staf. Hier wiere we door de grooste heer van 't gerecht gesalueerd.

"Te voet trokke we in optocht door die stad. Daar sting al 'n groot
publiek in blije verwachting voor die deur en in de ronde. Lakeie
in livrei hieuwe die orde en introduzeerde ons an mevrouw. Zij zat
vergezeld met hare dochter--haar eenige troost die d'r nog overgebleve
was,--en ontving ons allerminzaamst:

--Zijn eksjellentie, zou u mijn zoon nog herkenne in polletiek en
in grand tenu?"--vroeg ze mijn, die doerak.--"Ik ben de almachtige
God zoo dankbaar, dat de caféhouwer mijn meegedeeld heeft as dat er
'n generaal bij zijn geweest was, die weet had van mijn laaste kroost."

--Mevrouw douairière, 't is geen drie maande geleje dat ik nog met
zijn edele uw zoon te paard heb gewandeld op Padang Pandjang ..."

--"Hier is mijn album",--zeit zij toe', waarmee ondergeteekende niet
op ze gemak was, omrede hij de bewuste persoon natuurlijk nooit in de
linke gehad had, en 't album twee-en-tachetig differente fotografies
bevatte van allegaar dames en heere in polletiek.--Waarop ik dat eerste
blad opende. En daar spreker dezes 'n premier klas fisolemie-kenner
is, en in de petrette van de mannelijke tak geen millitair voorkomen
zag, vestigde ik mijn aandacht op dat vijfde blad en leesde ik in
die fisolemie: dit is een krijgsmanshouding. Waarop ik antwoordde
met groot lef: "da's ie sprekend, maar as jonger".

--Daaran het zijn eksjellentie gelijk"--zuchtte die édele weduwvrouwe
met trane van geluk over d'r wange. En ik 'm vervolges zes, zeve
keere in polletiek d'r uithaalde uit 't zelfde fisolemie. Waarop ik
mededeelde op dat oogeblik in benauwde omstandighede te verkeere,
en niet durfde telegrafeere uit rede van de zenuwstaat van mijn
vrouw de barones, die zij netuurlijk van anhuwelijking speciaal goed
kon,--en of ze me altemet an geen f 1500 wou helpe.--"Volgaarne,
eksjellentie"--zeit zij--"maar 'k hoef nooit 'n cent ervan weerom
te hebbe, omrede uw familie daar te goed voor is, en uws dienst is
met geen geld te betale."--Zoodat ik toe' diep geroerd beloofde an
de menister van kolonië de bewuste gedetacheerde te late verhooge in
die milletaire stand.

"Nou heb ik dus weer vijftienhonderd pop in me zak, en 't benne
allegaar oplichterije. Dus ik vertrek, en blijd da'k van dat wijf
af ben,--'k had zitte knijpe.--In Arnem staan netuurlijk weer die
twee schilderhuize met de noodige schildwachte op mijn te wachte,
want dat was al overal bekend.--En 't zelfde liedje. An de sergeant
van 't piket gevraagd waar die generaal woonde van de gele rijers;
waarop zij allemaal in de pesisie stinge, niet voor mijn polletieke
pakkie, maar voor me borst met ridderorders.--Andere dag met me staf te
paard op bezoek bij me mede-generaal. En toe me educan daar anbelde,
zou z'n eksjellentie juist ook te paard stijge, waarvoor die deur
geopend wier door 'n heereknecht in 't groen, met dito broek tot an
ze kouse. Daaronder witte kouse met láge schoene stile Louis treize,
alles na de hoogste etiquette voor zijn bewuste meester.

"Maar ik wou zien of hij zijn etiquette versting en bleef dus
zitte. Hij bekeek mijn eerst en zei toe': "U ben 'n persoon om
kennis te make." Nou legt die opvoeding van de dienst an mijn eige
persoon. Waarop hij na achtere gaat, waar zijn paard sting met zijn
ordonnans,--en 't de weet van mijn is, waar ik rije mot op mijn paard,
dat as in oorlogstijd uit 'n schimmel bestond. Maar mijn educans volge
mijn op vijftien pas. En toe' ik zag dat zijn ordonnans rechs van 'm
reed, dee ik dat ook.--Ja, je mot geen knoopedraaier weze voor zoo'n
rol!--"En z'n eksjellentie"--zeg ik--"u heb wellicht wel 's meer met
een generaal uit rije geweest?"--Hoe vin je 'm, die kneep van mijn? Ja,
want ik wou netuurlijk Velp welleris zien omdat daar óók nog zoo'n
schatrijke douairière met 'n zoon in Indië zat, die ik effe gauw op
twee lappies van duzend had geschat.--En toe ginge we weer ventre
à terre door Arnem terug tot zijn huis, waarop ik afsteeg, en mijn
eerekaartje afgaf met de vraag of ik spectie over die gele rijers make
moch', wa'k er ... ja, krimmeneel bezonder heb afgebracht!--Maar da's
lèf, hoor,--met 'n echte generaal,--en geeneen gesjochte jonge doet
't mijn na ... D'r is immers nog nóóit zoo'n rol gespeeld in ons land!

"Maar netuurlijk kan ik je niet al die oplichterije vertelle, want dat
zou 'n roman worde, nog zeve maal dikker as de Bijbel ... en die drie
maande in Arnem alleen heb 'k 'n duzend gulde of elf op de kop kanne
tikke. Toe ben 'k effe na Utrecht gegaan om mijn hotel te betale,--'t
eenigste wat ik in Nederland ooit betaald heb, en daarna heb ik
incognito op gemeubeleerde kamers uit zitte blaze in De Haag, mijn
geliefde residentieplaas. Dat kostte mijn daar, met me twee educans,
an de Voorhout effe f 75 per week voor ameublement mèt pension--da's
de kost. Ik heb er netuurlijk ook wel enkelde slaggies geslage, maar
die hadde nie' veel te beduie: van één, twee, drie honderd gulde,--geen
grand-tenu-somme; ka' je zoo nagaan, want ik werkte daar in polletiek,
omdat er veels te veel gouwe torre rondkroele in die stad, met van
die ouwe gehaaide verraai-generaals.

"Toe trok me hart weer na Zeeland terug, met name in Goes. We zworve
daar dat land in de ronde, en bij de rijkste leende ik wat ik kon
leene, al ware 't soms kleine kaptale, waarvan--ik bezweer je--'k nooit
'n cent terug heb betaald. En zoo kwamme we dan eindelijk in Berge
op Zoom, die vuile ongeluksstad, waar je geeneens 'n 1e- of 2e-rangs
logement had, zoodat we weer verplicht ware gestoffeerd te gaan wone,
en hier trok ik alle dag met me staf in uniform door die strate,
om dat wantrouwe niet op te wekke.

"Zoo loop ik, in polletiek, met me maats van Berge op 'n prachtige
achtermiddag na Thole om te geniete van die natuur bij maanlicht,--waar
ondergeteekende 'n speciale liefhebber van is,--as mij daar in ééne
'n beeldschoone dame in zwarte sluier tegekwam, en mijn enkel maar
afvroeg: "Wat ben u gauw bevorderd, eksjellentie, u ben net zoo min
generaal as ik kapiteinsvrouw".--Waarop ik heel skrikkelijk verschoot,
en mijn vleugeladjudant, de Markies de Touard, die lijende was an de
vallende ziekte, van de schrik een toeval miek.

"En zij zweeft door na' Berge op Zoom.--Waarop ik in 't naastbijgelege
café om hulp vroeg voor me educan op te knappe, en 'n half uur
privé met me collega's weze moch', voor 't geld dat 't kostte, onder
't nuttige van 'n dejeuner ... froid à la fourchette, bestaande uit
brood, vleesch en koffie.

"Toe vroege die twee jonges an mijn: "Wat motte me nou beginne,--de
kogel is door de kerk, en me benne verneuried?"

"Laat alles maar an mijn over"--zeg ik--"ik zal dat varke wel
wassche.--Want in me jonge jare het die beeldschoone dame mijn haar
liefde verklaard,--en daar het ze nou zeker 'n soort haat en nijd
van gemaakt."--

"Ja man, nou vertel ik je de fijnste roman uit dat verrajersleve
van die vrouwelijke seksie. Want een vrouw in zwarte sluier had er
mondelings kennis van gegeve an de commissaris van politie en an
die kazerne. Maar de justitie dorst mijn niet te arresteere, en dee
dat over an de milletaire macht om da'lijk de valsche generaal te
onteere... Nie minder dan vier, vijf patrouilles defileerde er heen en
weer door die stad: sergeant, kopperaal met acht man, of luitenant,
'n eerste, 'n tweede, à tour de ròle. Maar daar was ondergeteekende
zich niet van bewust. Dus ik gong na Berge terug.

"Onder de weg ontmoet ik 'n wachtmeester van de huzare, die mijn
speciaal kon. Hij komt na me toe en zeit: "meheer, je mag wel oppasse,
want ze loope patroulle om je te vatte. En dat zou mijn spijte,
want je rol is te mooi."

"Daarop zijn we in dat koffiehuis de avond gaan zitte afwachte met
verschillende consumsies. 't Bitterste was dat in Berge die paarde
nog stinge van me eige: 'k had f 675 voor mijn schimmel gegeve en
voor die twee andere f 550,--van kleine oplichterije netuurlijk
betaald. Zoodat ik in die herberg eerst me pruik en baard afdee, en
werp in die sloot, met modder, gras en zand d'r over. Maar 'k zat met
de gelde nog in de zak van me kamgare pak, èn beige demi. Dus denk ik:
't eenige wat ik doen kan is die caféhouwer me heele rol te vertelle,
waarop hij met me brief na' de stal is gegaan, de huur het betaald,
en die paarde na dat café late brenge ... Wat netuurlijkerwijs 'n
flater van mijn was ... Ja, da's de steek wat de spreker het late
valle,--zooas 't de beste breisters vaak overkomt.

"Vervolges heb ik me persoonlijk alleen vervoegd in ons
kosthuis--sluipenderwijs langs-achter die tuin, waar ik snikkend an
die kostjuffrouw vroeg: "Mevrouw, ik bid u uit de Netuur of u mijn wil
bescherme?"--"As 't me man goed is ...", zeit zij.--"Uws man zal voor
mijn geen oogeblik van ze vrijheid motte misse".--Waarop die man miek:
"Meheer, meheer, wat heb je nou uitgevoerd?"

"Ja"--zeg ik weer--"wie sta, zie toe dat hij niet valt."

"Daar die mensche erg vroom ware, koesterde ze een diep meelije met
mijn. Daarom heb ik hullie me kiste in late pakke met die adresse op me
eige naam, bureau restant Anvers. Maar dat gèld nam ik er netuurlijk
zèlf eerst uit: f 11.422 zonder dat zullie 't zagge. En toe' vroeg
ik wat ik haar schuldig was.

"De cente, die u thans nog in je zak heb, zal je wel noodig hebbe om
te ontkomme; daarom geve we je de penninge, dat je ons schuldig ben, in
naam van Jezus Christus cadeau.--Zorg alleenig dat je uit de gevangenis
blijft!"--Waarop ik huilende wegging en die vrouw omarmde ...

"Ja, want ik was óók niet heelegaar brandschoon, omrede ik onder
de weg en in dat café, waar me educans maar wit-bestorve zatte
te knijpe, tot hede drie-en-twintig kejakkies genome had, en maar
niet dronke kon worde, zooas die zenuwe inwendig trokke. En in 't
bewuste koffiehuis hebbe me toe' ook nog 't een en ander verteerd,
zoodat we wel rijtuige hoorde voorbijrije, maar niet wetede dat
dat om òns was begonne. Waarop ik die koffiehuishouwer betaalde èn
'm voor ze weldaad honderd gulde wou geve. Maar nee--zei die edele
man--"geef die dan maar an me dochtertje, die, as Katteliek zijnde,
't andere jaar toch d'r eerste kemunie mot doen." Zoo ginge me dus
die plaas op, bestege onze gereedstaande rosse, en reje in 't holst
van de nacht die weg na Thole op.

"Die pont, die je daar heb, stakke we over te paard, en an de
eerste tol, die dicht was--óók verraje werk--schreeuwde mijn eerste
vleugeladjedant om de tolbaas ... toe daar p'rdoes vier heere met
hooge hoeje uitspronge: de president van de rechtbank uit Zierikzee,
met de substituut, de officier uit Middelburg, en een ander, die ik
niet kon. Maar de eerste kwam na mijn toe, en: "Eksjellentie"--zeit
ie--"stijgt van uws paard, want ik wou wel 'n paar woorde met
je verwissele." Waarop ondergeteekede, zooas je wel begrijpe kan,
netuurlekerwijs wel lont rook, van ze paard af klom, dat vastgehouwe
wier door 'n man met róóje baard, en me laaste bevele gaf an me
staf. Toe zeit hij: "in naam des Konings zijt gij mijn arrestant, want
ge zijt niet de baron v. T. v. S., maar Racier, de vroegere doofstomme
marskramer,"--'t welk doende hij zijn rooje sjerp vertoonde an mijn.

"Nou--gedane zake neme geen keer, hè?--en achter dat tolhuissie
stinge 'n antal van na mijn schatting wel 15 à 16 veldwachters, dus
ik antwoordde nederig: "edelachtbare heere president èn rechters,
ik ben geknipt en 'k zal volgaarne meegaan, maar om de nagedachtenis
van me edele moeder smeek ik genadig of we 't altemet niet zonder
geleië van die heere veldwachters af zouwe magge, want--hoe diep ook
gedaald zijnde as atheïst, het 'n mensch toch nog z'n schaamte en
eergevoel".--Waarop die officier zijn orders gaf dat die openbare
macht kon verdwijne, en ik mèt me staf en van die justitie z'n
tegenwoordigheid vereerd, in 'n rijtuig met twéé paarde ... na 't
huis van bewaring in Middelburg wier overgebracht ..."

Snikkend, met z'n zwerverskop schokkend in die lange dorre handen,
kon Racier nog enkel maar uitbrengen: "... voor 't eerst ... na twee
en 'alf jaar ... en drie dage ... van de alder'oogste eerbewijzing
... zonder ... lakei ... op die bok ...!"



HOOFDSTUK XVII.


"Om vijf menute voor twaalve op de klok van de kerk wiere we daar
toe weer in 't huis van bewaring dichtgegrendeld,"--verzuchtte de
vagebond.--"En die eerste zeve, acht dage heb 'k geen brok geëte, geen
spoog water door me opgekropte keel kanne spoele, daar in dat akelige
celletje weer ... Ja, na altijd zukke groote gastmale: je kucchie
roggebrood, en alles mondjesmaat,--as je van zooveel oplichtinge
geleefd heb en gemorke dat er geen bokking zoo mager is, of je braait
er nog vet uit! Van die mest alleen wiere die varkes ommers vaam-dik!

"En ze hadde mijn vanzelfs medeen die duzende guldes afgenome, zoodat
er zelfs geen sprake was van nog 's 'n witte boteram, laat staan 'n
stukkie Edammer, uit de kantien. 'k Vroeg dus derec, om wat te magge
verdiene, of 'k touw moch' gaan pluize,--da's van dat teertouw; maak
je 'n zeven-en-halve cent in de week mee, maar dan mot je nog vlùg
zijn,--met je wit-geworde generaalshande,... vrekskuus, eksjellentie!

"Maar dagelijks ha'k 't vertier van uit dat sardine-blikkie te worde
gepulkt, om met me staf voor de extructie te komme. De achste dag hadde
me zoo same van haver tot gort alles bekend, en vroeg 'k of me nou dan
ook gemeenschappelijk mogge gaan zitte. En zoo ware ze óók niet, of dat
mog. En toe krege me beter werk, benne me koffieboone gaan zifte. En
dat deelde me same. 'n Vijftien cente per dag,--konne me direc 'n
hompie witte en kaas late komme ... Nou, netuurlijk, je weet van te
vore: as je gesnord ben, is 't met je vrijigheid en dat hartelijke
bikke gedaan,--dus zoo beschouwd hadde we 't nog niet eens zoo beroerd.

"Want dat vertier hieuw maar an: negen-en-tachetig dage duurde die
extructie, van tiene tot viere, in 't bijzijn van alle getuige, die
we hadde opgelicht: honderd twee en tachetig á sjars en dissjars--och
màn, zoo'n fijn stel, van die hoogste aristokraassie, en met wat 'n
belabberd verbouwereerde facies keke die grave en baronne, die gouwe
torre en edelvrouwe van vroeger ons toch allegaar an.--Uitgezonderd
die dage van andere extructies, want dan duurde die kemedie van ons
maar van tiene tot twaalf.--Of 'k er lol in had?--chriseneziele mot
ge vráge--en nòg, in me bed, a'k er om leg te denke.

"Toe kwam die terechtzitting. 'k Had droppels van de dokter, en nog
'n flesschie mee in me zak voor die zaal, omda 'k zoo beefde en niet
van me tremetane zou gaan. Maar er ware nog twee zake vóór ons an de
beurt, 'n inbraak met diefstal, en 'n schennis van die eerbaarheid op
de publieke weg, waar 'k veel afleiding bij had, en veel van geleerd
heb, omdat 'k uit die getuigekamer, die ope sting, van allegaar kon
hoore wat of dat was.

"A' wij daarop die zaal wiere binnegebracht, zei dat opebare
minnesterie: "nou zulle me beginne met die zaak van Racier". Waarop
die gedetineerde mot recht staan, en de president vraagt: "Hoe is
uws naam?--Waar ben je gebore?--wat je beroep?" en "nou mot u maar
andachtig luistere na wat dat opebare minnesterie uwe ten laste
zal legge".--Dan zeg ie: "Dank u, edelachtbare heere president èn
rechters", en mag je gaan zitte, as hij dat heele prottekol van
je voorleest.

"Nou, d'r stinge daar wel 'n paar honderd man op die peblieke tribune
toe te schouwe na mijn--'t was effe geen dramma!--en dan ha' je 'r
twee-en-veertig bezette plaasse, maar daar mot je voor betale, want die
dáár gaan zitte, zijn van de alderhoogste adel, die graag van misdade
houwe en brandend nieuwsgierig om mijn as beruchte generaal met d'r
lijfelijke ooge te anschouwe. De fijnste mokkels met gekapte hoofde
ware er bij--krek de kemedie, en ik de gróóte rol zooas Bouwmeester
ze speelt, onze Lewie!

"Is dat zoo?"--zeit die president dan weer, as dat openbare minnesterie
je slag bloot het geleid voor die zaal. Nou, ik had me heele dramma
op eigehandig schrift vóór mijn legge, net as die a'vecaat-prokkereur
z'n pleidooi. En die kiste van mijn, met me goed, ware óók vier of
vijf dage na me arrestaassie uit Antwerpe na dat parket gesjouwd, en
vergezeld van 'n rechter in mijn bijzijn uitgepakt door tusschekomst
van dat openbare minnesterie, mèt die vent, die aldoor met die kwaste
rondloopt. En toe stootte die eene rechter ze maat naast 'm an,
en die zei, of die uniforme en polletieke allegaar van mijn ware,
waarop ik ze stuk voor stuk nauwkeurig bekeek en alles mijn eigedom
erkende. De pruike mèt baard ware nieuw angeschaft voor de fenancië
van dat rijk, en lagge voor de president op tafel.

"Maar of 'k nog wat had an te merke?--"Nee, edelachtbare heere
president èn rechters, wat die te laste legging anbetreft". Waarop die
ofcier heel die scène afleesde van zeker anderhalf uur lang, en zei:
"me hebbe hier te doen met 'n barre recidivist, die de koning van de
oplichters is?"--Ja man, dat zei die van mijn!!

"Toe de markies: "Hoe is uws naam?"--"Markies de Touard."--"Wil uwe
dan maar andachtig luistere?", en zoo, net as strakkies,--"en hoe of
u an Racier gekomme bent?"--"Zoo a'k an die rechter van instructie
voorgegeve heb."--"Kò' j'm van vroeger?"--"Nee, edelachtbare",--en
dat verdere smoesie--"want ik had net twaalf jaar in dat groote huis
van Leeuwarde achter me rug. 'k Was gesjochte, en Racier had cente
uit die erfenis van zijn beminde mama... Nou, en toe zei die an mijn:
an azijn kan ommers niks meer zuur worde..."

"Zoo verliep 't met me tweede educan navenant.

"Waarop die eerste getuige, jhr. v. d. L. d. C., die luitenant-kolonel
van de infanterie, waaran ik ommers in Middelburg met me staf me eerste
eerediner met die edelvrouw van hem en z'n beeldschoone dochters en
zoo had vereerd,--langs z'n neus weg miek, of de generaal alstemet
in die antichambre niet z'n pakkie moch antrekke? En dat moch', door
mijn erg onverschillig, met me pruik en me baard door die kapper van
't gerecht na de laaste mode stiel Louis treize opgemaakt... En mèt
da'k werom kom, gaat die deur ope, en daar komt mijn model in levende
lijve binne, die echte generaal v. T. v. S., en staat angetreje vlak
naast mijn, en 't was sprekend, met noch in houding, noch in gezicht,
'n spier verschil, of 'k me eige in de spiegel bekeek... Je hóórde ze
rille op die peblieke tribune, en op de betaalde plaasse verschole
die edelvrouwe d'r wit bestorve gezichte van schrik achter ... d'r
éventails... dat ben waaiers, stiel ... Louis ... quatorze.

"Waarop die president vroeg an de generaal of tie mij
kon.--"Edelachtbare heere president èn rechters"--zeit die--"'k heb de
vent nooit gezien, maar 'k neem tóch me petje voor zijn af, daar z'n
oplichting beliep twee-en half jaar en drie dage en hij eerste klas
op de hoogte is van de milletaire dienst, zooda'k uw edelachtbaarheid
vrindelijk verzoek an hem te vrage waar hij dat geleerd het, en in
welke schole dat allegaar na die alderhoogste etikette genote?"

"Waarop ik 't milletaire saluut voor mijn spiegelbeeld miek en zei,
dat opvoeding niet in de lappe zit, maar wel in 't hoofd. Want dat ik
daar net zoo goed sting as generaal as zijn eksjellentie, uitgezonderd
enkel me dege, die voor de president op tafel lei.

"Herkent u hem ook?"--vroeg de president toe' an Jhr. v. d. L. de
C., die uit 't diepst van z'n ontsteld gemoed antwoordde: "Ja, 't is
twee druppels water van die voorgegeve generaal", en 't heele relaas
vertelde, en asdat, met 'n schildwacht voor die poort, 'n elk mensch
d'r in kon loope.

"Dat zeië ook die hotelhouwers. Maar de eene ze vrouw getuigde:
"edelachtbare heere president èn rechters, nou ze allebei vóór me
stane, kan 'k ze niet uit mekandere houwe, zooda 'k niet en meer durf
getuige wie de eigelijke oplichter is, hij of hij ..."

"Zoo kwamme d'r honderd twee-en-tachetig getuige, die 't allegaar
volhieuwe ... ja, en a'k weer in zoo'n piekfijne luierstoel bij jou
haard zit, wor 'k nòg gek, want 'k had er toch ook van geleefd as
zemajesteit Willem drie!

"Vijf weke en drie dage achter mekaar duurde die zaak, da'k aldoor die
hééle rechtbank voor mijn alleenig gehad heb--enne ... nog twee dage.

"'s Middags ging 't kappitaal van de bezette plaasse de fijnste
dejeuners-dinatoir gebruiken ... à la fourchette, en zat ik met me
puissie roggebrood en me tas chocola-uit-de-lange-arm. Zij hadde d'r
ànder hàlf uur an één stuk voor noodig!

"Maar 'k mork wel op, dat de rechters links en rechs van de president
en de ofcier d'r lache amper in konne houwe om mijn rol. En 'k dacht:
Racier, ouwe gladjanes, dat ziet er goed voor jouw uit.--Maar na dat
getuigeverhoor kreeg de Markies de Touard twee maal een toeval, en
wier ie door 'n officier van gezondheid weer bijgebrocht.--Van wie dat
betaald is, weet ik tot hede nog niet. Maar wat die bediening angaat,
was dat alles ... prima.

"Tot die president in eene zeit tege mijn: "Nou is dat woord an die
verdediger; of Racier, doen je 't altemet zelfs?"--"Edelachtbare heere
president èn rechters"--sting ik toe plechtig op--"as oud-recidivist
en dus speciaal best met die maze van de wet bekend, heb 'k an die
officier om die eer gevraagd die verdediging van m'n eige voor te
magge drage." Waarop ik die verzachtende omstandighede anvoerde, van
mijn standpunt as atheïst zijnde, en gevalle man ... och lieve God
nog an toe, ajje dat 's gehoord had, zooas ze daaronder, allegaar,
allegáár met tranende oogen mijn ankeke, in die hoogste vereering
van menschelijk hartzeer om zoo'n diepe val, na zóó hooge zitting,
en de gróóste eerbewijzing ...:

"Mijn edelachtbare heere-en-meesters ... in die alderhoogste
rechte,--het gemoed, dèn spiegel der menschheid, waarin men gansch
zijn leve ken terugzien, belast mijn met zwarighedes.--Mijn leve, dat
nies is as éénen aaneenschakeling van ellende, arremoei, verdriet en
misdade, gepaard met nog vele andere misdrijvinge en omstandighedes,
doet mijn bij zekere klas van persone 'n anzien verschafte as uitschot
der maatschappij,--nieteling in dèn samenleving.

"Nochtans, edelachtbare heere president èn rechters, gij, dat levend
massa, gij die bezield ben met een edel gevoel en zacht karakter,
begaafd met eenen uitstekende geleerdheid, gedenk een man, die an
het visionisme lijdt.

"Menigmaal heb ik opgemorke, dat na 't verhaal van een klein gedeelte
mijns levensloop den ongeletterden of bijgeloovigen mensche een afkeer
voor mijn koesterde, as zijnde atheïst, mensche, dien ik anzien as
ontaarde wezens wiens koerakter na het dierlijke overhelt.

"Edelachtbare heere president èn rechters, vergeef het een man
as ik, rondzwervende rampzalige die ook alle uitvluchsels en
omstandighedes der samenleving ken, volges mij zou uw sympethie, die
uwe edelachtbaarhede mijn toekoesterde, min of meer uitgedoofd kanne
zijn, en kan mijn inbeelde wat of daar anleiding toe geeft. Maar, gij,
edelachtbaarhede, die mijn rol ken, vergeef mij de goedheid van mij
af te smeke op mijn bloote knieje, steunende op uw edelmoedigheid,
achtbare heere president èn rechters,--om mij niet verlate te late
staan in mijn noodwendighede, en in te beelde dat ik nederig en
goedhartig ben angaande mijn persoon, en ik de grooste voorliefde voor
u koester, dat uw medelijdig oog zal nederzien op het rampzalige leve
van mijn, as verlore zoon eener liefhebbende mama van edelen 'uize,
die nooit 'n levesbaan mocht' bewandele van geluk en voorspoed,
vertrapt weze a'k daar voor u staan, verstoote van iedereen ..."

"Me eige bepleite?... nou! 'k Zien kans om de ergste crimmenaliste
te vermurwe,"--snakte hij uit--"en dat heit van kwart over twaalve
tot elf menute voor viere an één stuk geduurd, da' je 'n speld in die
rechtzaal kon late valle!... Dàt heet ik ... páárde-lef hebbe! En ze
honge vàstgezoge an mijn bloedbleeke lippe ...

"Waarna die officier in woejende vaart overend sting, en z'n stoel
'n paar keer achteruit schoof,--"nou", zeit die veldwachter achter
mijn nog, "as tie an z'n stoel schopt is tie kwaad, en dan krijg je
't onderste uit de kan"--en jewel hoor, daar begon ie te requireere
voor alle feite, en besomde blauwweg voor die opebare tribune en dat
betaalde publiek precies op ze duimpie hoeveel 'k as recidivist al
an levesjare had verzete.--"Da's óók 'n schande!"--riep er nog 'n
gesjochte jonge van de tribune.--"Ze magge de ziekte krijge!"--zei
d'r een--"en als 't op is, ka' je nog meer krijge." Want z'n eisch
was: twintig jare tuchthuisstraf voor mijn; twáálf jaar voor de
markies, óók as recidivist zijnde, en dezelfde portie voor me tweede
vleugel-adjudant, die ommers onder de ouwe wet óók al 's zes pond en
acht ons op had geknapt.--Maar die gesluierde dame heb ik voor dat
gerecht niet gezien. Hoogstwaarschijnlijk is zij dus, as mijn ouwe
geliefde, betááld voor haar verraad ... Gedurende me daarop gevolgde
ontslag heb ik 't heele land door-en-door gereze, èn België--met
welk doel ik haar naspoorde neem 'k mee in me graf--maar nerges heb
ik dat wijf meer ontmoet.

"Veertien dage hierna viel de uitspraak. Toe was die tribune zóó vol,
en de grootheid zat temet op dat trappetje van die rechtbank. Maar
ik verkeerde in zenuwachtige houding, en 'k had niks gegete;--enkel
die druppeltjes van de dokter hieuwe mijn stijf, zóó zag ik tege die
straftijd op. Tot dat lot viel as 'n molesteen op onz' nekke: allegaar
twaalf jaar tuchthuis, en we onder geleide van drie veldwachters, an
mekaar geboeid--omdat ze toetertijd in Middelburg nog geen cellewages
hadde--over de straat na die Teerpakhuize werom gebracht wiere.--Maar
onder de grooste kalmte, want wij ware geen moordenaars. En spreker
het best opgemorke, dat ze voor zijn de hoogste achting koesterde--van
de veldwachters af tot de president, van de gesjochte jonges op die
publieke tribune tot an de adeldom van die gehuurde banke: en twee
en twintig pakkies tabak hadde ze voor mijn op de plee geleid en zoo
maar in me zakke gestoke--wat de briggadier luikoogend toeliet ...

"Is dat effe jutte?"



HOOFDSTUK XVIII.


"Och ja; en hoe gaat dat dan verder, hé?"--veronderstelde Racier
als oud-vertrouwde gevangenisklant vanzelf ook bij mij dat laatste
bedrijf van zijn dramma wel-bekend. 't Scheen hem de moeite van het
vertellen nauwelijks meer waard.

Hij was weer kalm geworden en heel goedmoedig. Behagelijk lag hij
in mijn leunstoel en verkneuterde zich aan den gloed van 't vuur. De
passie was uitgelaaid, en nu rustte hij, bevredigd. Blijkbaar verlucht
dat de wonderbaarlijkheden af-verzonnen waren en hij zich dezen morgen
niet meer zoo moeizaam hoefde op te winden tot het bloed jagend
klopte door zijn roode hoofd. Want daartoe moest hij zich telkens
weer eerst forceeren. Dàn pas kwamen de verbeeldingen van zèlf,
en voerden hem rusteloos mee, verder en verder naar die afmattende
extase, waarin hij zichzelf zoo ontroerend welsprekend hoorde,
zoo triomfantelijk zich zag verheffen als een vreemden andere, als
een duizeling-wekkend hóóge, als een held, om eigen knieën voor te
buigen, om eigen lange zwervers-armen fanatiek naar uit te strekken,
en te schreien, te snikken om zoo wrééde verguizing,--de vuisten te
ballen in rossen haat tegen de ongerechtigheid van heel 't menschdom.

Maar dat was nu allemaal uitgetierd en weer bezonken tot een weldadig
weeke rust. Hij had zijn rol zoo overwèldigend geleefd, dat ie er nóg
slap vermoeid van zat en gansch voldaan. Een edele zelf-voldoening,
bewustzijn van eigen grootmenschelijkheid, dat, over alle ijdelheid
heen, weer eenvoudig en gelaten is geworden, met een goedertieren
glimlach om den mond. Want hij had nu een stil behagen in mijn
toch wel onnoozel meegeloof. In mijn goedig-voorkomende, zorgzame
aandacht voor hem, en dat ik 'm zoo trouwhartig onbenullig nam naar
zijn woord,--hem, den vagebond toch maar, den door de wereld dan toch
diep verachten recidivist, den oplichter, die zich altijd schichtig
bespied en nagespeurd waande, den overal geschuwden schooier, daar
intiem op mijn kamer, in mijn gemakkelijken stoel aan den haard,
waar hij de eene sigaar na de andere opblies....

En alle vrees voorbij van te worden betrapt op wat hij verzon in
weer die wonderlijk onbedwingbare agitatie, waaruit de verbeeldingen
kwamen, veel gloeiend reëeler dan de vale werkelijkheid van zijn
zwerversbestaan--hij keek er mij verholen telkens op aan, kwasi
argeloos en zoetsappig, wat een valschen trek gaf in zijn gezicht. Maar
nee, hij zag aan mij geen spoor van twijfel. En dat ontspande hem dan
volkomen, stemde 'm opeens soms warm genegen, als 'n vader voor zijn
kind, wanneer hij een wondersprookje verteld heeft, en de schampere
lach uit eigen levenservaring wordt beschamend verteederd door het
onschuldige kinder-vertrouwen.... Tot ik dan weer in zijn oogen,
die naar de vlammen tuurden, looze gedachten zag glunderen, en dat
sluwe glimmertje lichten, waardoor zijn even loenzende tronie wel
bar ongunstig werd.

Met dit al was hij rustig monter gestemd, en zoo redeneerde hij
gemoedelijk weg en ongekunsteld over de dingen die hem nu eenmaal
gemeenzaam zijn,--over z'n slaapstee, en 'n vent daar, dien ie
vannacht had zien zitten munten: "Nou, slapen dee' ie toch nooit;
's even indommelen, dan weer wakker, altijd zoo gejaagd en van alles
schrikken. Maar die valsche munter dàcht dat de generaal sliep,
tot ie 'm 's morgens ineens door die reetjes van z'n lampies had
zien kijken. Hij had enkel gezeid: "wie mijn verraait, kost 't z'n
leven!"--Nou, dat doen ik tòch niet,--ben je ommers 't recht kwijt van
je vrinde. En van de honderd misdadigers ken ik er negen-en-negetig
speciaal,--alleen al uit de bajes netuurlijk ...

"A'k dan maar 'n celletje heb met vanbove 'n inzicht in de
natuur.... Want dat groen, dat bevalt mijn. En 'n lap lucht kan je zoo
zoetjes en zachies in prakkezeere ... Daar in Scheveninge, a'k dan op
me krukkie ging staan, keek ik zóó over de duine in zee... Och man,
en bij donder en bliksem maar over die koekoek heen hange,--want voor
'n gesjochte jonge is er ommers tòch geen nood... En ... atheïste
kenne geen angst!

"Ja.... daar in Scheveninge, da's nou mijn Kurhaus. Ik heb 't inspres
gevraagd, toe' na me rol van generaal, of 'k assiblief daar weer me
tijd op moch' knappe, en die vijf jaartjes viele me d'r niet eens zoo
schrikkelijk lang. Nee, want ik sting er van ouds in de kas, en ..."

--Vijf jaar?"--vroeg ik--"en jullie waren allemaal tot twaalf jaar
veroordeeld?"

"Hè man, wa' ben jij toch ongedurig!"--viel hij toen kregel uit. "Kà je
dan nooit zoo 's lossies tege jou prate?... Maar affijn, gaat er nou
dan ook op je gemakkie bij zitte, dan vertel ik je dat tooneelstuk
van mijn medeen effe uit. Kan 't spel weer beginne!--Laa's zien,
waar wazze me ook weer gebleve?... 't Spant jou, hè? Vin je 't
schrikkelijk boeiend?... Maar wat d'r nou komt, daar is die hooge
wereld en alles heelegaar uit, hoor ... Da's me natuur weer, om zoo
te zegge,--de natuurstaat van die misdadige menschheid, zoo gezeid;
en daar valt niet veel boeiends an te beleve.

"'k Hè je toch al gezeid van die twee-en-twintig pakkies tebak?--Nou
dan, dat heele kappitaaltje kon 'k zoo binnesmokkele, omdat 'k altijd
'n goed gedrag an de dag leg, zoowel in dat huis van bewaring as in
't gróóte Huis. Daarom wordt ondergeteekede nooit gevisenteerd.--Dat
pruimde ik dus, en deelde 'k netuurlijk onder de deke der liefde an
mijn andere lotgenoote mee. Nou, nogal wiedas, die zagge mijn maar
niet graag van de rechtbank terugroepe. A'k 'n groote eter geweest
was, ha'k alle dag wel vijf porsies kenne krijge voor me tabak. Zóó
dol is de gevange mensch daar toch op;--och jò, daar doen ze 'n moord
voor.--Maar a'k pàs weer daar ben, dan eet en dan drink en dan slaap
ik niet, alléén van dat smeulende dóórdenke.

"Nou, en toe' in dat huis van bewaring werom na de uitspraak, toe
kreeg ik nog ruzie ook met mijn staf, omdat zij net zoo goed twaalf
jaar hadde, en ik eerst had gezeid, da'k alle gevolge op mijn nam. Op
'n dag zitte we daar weer same tabak te strippe--erg fniezerig werk,
na je wel snapt--as de Markies de Touard mijn die oorzaak van zijn
tweede val gaat verwijte, en dat ie nou z'n keel wel an de kapstok
kon hange. En jawel hoor, die tweede educan valt mijn ook af, en na
'n heeleboel vijve en zesse rake me handgemeen,... knokke, man... och
christeneziele! Maar die andere jonges hadde meelij met mijn en weerde
hullie af... om die tabak. Toe komme die bewaarders binne, en vatte
ons beet,--één loopt er pardoes met ze booschop bij de directeur an,
en die zeit: "Kom jonges, jullie hebt 't met z'n drieë in de vrijheid
ommers altijd zoo goed kenne stelle,--waarom maak je nou ruzie?"--Maar
jawel, hoor, medeen most 'n elkeen weer in z'n cel.--We hadde daar
zoo netjes onder mekandere gezete;--'k had echt 't sjegrijn in me
lijf. Ja, gedurende de appèldage hadde ze me wel tien maal gevraagd,
da'k nog geen uitsluitsel wou geve, om rede ik 't daar zoo fijn na me
zin had ... Maar toe',--zukke roetgooiers!--'k denk: wat let mijn? en
de laaste dag nog om vier uur teeken ik an ... Hadde zullie 't smoor
in, dat ze d'r eige inspres ankleeje moste voor dat parket!... En die
volgende morge die cel uitgehaald, en weer met z'n drieë geboeid an
mekaar--maar nou kwaad!--da' we met zes veldwachters vervoerd wiere
om dat hoogere beroep te gaan doen.

"Nou, en dan krijg je al dat gezeul en gemier van nieuws an. Zes uur
porre, de noodige inwendige mensch versterke met 1480 deele melk en
water benevens je kuggie. Kuggie mee om op te ete onder de reis na De
Haag--mijn geliefde residentie, na je wel weet--maar nou: voor 't Hof.

"Dat stompie roggebrood heb ik netuurlijk gauw an dat publiek cadeau
gegeve. En zoo wier die stoet vertransporteerd: ik met me staf an
mekaar, briggedier-victief en twee veldwachters, allegaar in de
trein. Maar daar hawwe 't goed. Want we mogge de boteramme van onze
eerewacht opete, en die ware flink gemeubeleerd met ham; me krege
segare te rooke en 'n kop van de alderfijnste koffie uit dat station
Rosendaal,--viel niks op an te merke, petje af, èrg best transport. Al
hè'k dan ook onder 't rije van me vleugeladjudant de Markies nog 'n
labberdoedas op me wang gehad, die 'k tot hede ten dage spijt heb 'm
vanwege die opebare macht niet dubbel werom te hebbe kenne verkoope,
zóó kwaad as die man op mijn was. Maar ook me andere had ziels met
z'n eige te doen, want zij ware toch maar me knechs geweest en hadde
niks opgelicht,--wat waarheid bevatte, uitgenome 't drage van de
milletaire kleere, wat ook om straf vraagt van de wet!

"En ajje dan ankomt in je residentieplaas, staat die equipage al op je
te wachte, met koesier en twee palfreniers achterop,--de cellewage,
vervloekte ijzere kast; allegaar amparte 'okkies, waar je ingeduwd
wordt, 'n stank van dieve, zoo scherp dat je bijna stikt; en zoo'n kar
rammelt, dat je denkt, dat je maag om zal draaie. Bè je dankbaar ajje
op die binneplaas ontboeid wordt! En dan komt altijd die directeur
medeen erg vrindelijk na mijn toe, en zeit: "Zoo Racier, ben je daar
weer?" Waarop die briggedier 't bewijs van zijn gevangene overlevert.

"Affijn, in De Haag wier toe' die heele zaak weer uitgeploze, maar
alles veel minder mooi en vertierig, en met maar veertien getuige
erbij. En eindelijk voor dat hooge hof, eischte die zwartrok van
'n procureur-generaal,--waar 'k bij laat vloeie dat 't geen kat is
om zonder handschoene an te pakke en die de grooste hekel het an
recidiviste--: bevestiging van de straf voor Racier en zijn staf.--'k
Wil je best bekenne: toe' zat ik in draf, en d'r ware twéé geneesheere
noodig, om mijn weer bij me trimmetane te brenge, want ik was van me
stokkie gevalle.--Maar eindelijk benne we allegaar tot niet meer dan
vijf jaar veroordeeld, en door tusschekomst van de directeur ware we
medeen al gescheië, zoodat zullie na Leeuwarde ginge en ik vroeg om
me eigeste celletje werom in me vertrouwde Scheveninge!...

"Maar 't eenige wat ik daar toe' toch zoo schrikkelijk miste, dat
was me slaatje.--O man, ik smachtte soms zóó om te pruime, da'k dat
teertouw ging kouwe, dat ik uit zat te pluize. Dikkels genog hoor,
kwam de directeur, en dan zei 'ie: "spoeg's uit op je hand," dat ie
die touwvezels zag ...

"Nou moch' ik daar, om me goeie gedrag, nog wel's me celletje uit
om dinge van zolder te hale, zooas cocos om te vlechte voor die
mensche, en dan liep ik zoo maar as 'n vrij man onder die hanebalke
rond ... Och Heere, wat mòch' ik dat graag,--'k ruik nòg die scherpe
touwlucht a'k er om denk.

"Maar nou op 'n keer ontmoet ik in die gang 't dochtertje van de
werkmeester. En 'k maak zoo'n lief praatje, toe zij zeit: "Ja, ze
was tabak weze brenge an vader." Dat wier me medeen of er 'n vlam
opsloeg achter me ooge;--'k most me vasthouwe, zóó beroerd as mijn dat
miek. Maar 'k laat netuurlijk niks merke, en dat meissie loopt deur,
en ik sluip stiekem werom die trappe weer op. Want zie je, gestole
heb ik nog nooit, maar tabak is as 'n suikerpot voor 'n kind. Dáár
kan je niet afblijve. En och christeneziele, a'k die jekker van de
werkmeester navoel, die d'r hong op de touw-zolder,--dan snap ik
daar met 'n woord van waarachtig ...: 'n heel pond Friesche baai,
da'k eerst nog dacht, dat z'n boteram was! En eer 'k 't wist, ha'k
't al weggepakt... Man, màn! da' kan jij niet doorvoele wat dat voor
'n bajesklant is: tabak genog voor z'n hééle straftijd om van te
pruime, a' je 't 'n beetje gochem angeleid het...

"Maar as de directeur in me cel kwam, dan vond ie niks as dat ééne
slaatje soms in mijn mond. En dat ie niks von, dat gaf 'n heele
opstand; wiere telkes invalle voor gedaan om mijn celletje na te
speure,--ja, 'n paar maal hebbe ze me stroozak opegesnede... Hi,
hi!--daar làg 't niet.

"Nee man... Maar omda'k altijd zooveel hieuw van diere--bij mijn goeie
gedrag--moch' ik alle Zondags op zolder die twee katte van de opzichter
gaan verzorge; en daar liete ze mijn onder de roos dan zoo'n heele
middag vrij passegiere. Nou, je had er vanzelfs wel tralies voor die
rame, maar je was er zoo hoog, en zoo kon je 'r heelegaar die schepies
in zee zien, die mijn gedachte ver mee trokke. Hè, en ondergeteekende
màg zoo graag reize... A'je me 'n riksdaalder geeft, zit 'k morge
in Londe,--met die veeboot van Harlinge over, as drijver achter die
schape an... Zie je, en dan die vrijende paartjes bespieë daar in die
duine as 't weer lente wier, en d'r zoo'n groene liefelijkheid kwam
over dat zand ... Nou, en dan kreeg ik voor die poesies 'n bitje zoete
melk mee, stukkies vleesch, wittebrood, maar dat vrat 'k netuurlijk
zelvers allegaar op, want dan dacht ik: die lieve beesies worde tòch
wel vet, en ik lust 't graag, krijg 't nooit...

"Ja, 'n Zòndagsche Zondage, hoor! Wàt had 'k 't op die zolders toch
best: vrijuit loope, lekkertjes schranse, en, och christeneziele
noggetoe, die heele zak vol tabak, die 'k onder 't touw en 't cocos
stiekem weggeborge had..."



HOOFDSTUK XIX.


"... Maar toen op 'n keer heb ik 'n steek late valle"--vervolgde
Racier, nòg weer verdrietig, z'n verhaal over de tabaks- en andere
zaligheden in den zolderhemel van de gevangenis--: Hij had de
verleiding niet kunnen weerstaan en 'n handjevol van die "effetieve
Friesche baai" uit den weggemoffelden zak van den werkmeester mee
naar zijn celletje genomen voor den nacht, om de hartigheid van nog
's een versche pruim bij z'n slapeloosheid, waar ie zoo wee van wier op
't lest... En daar ineens was de directeur bij 'm binnengevallen, had
'm ontijdig uit z'n kooi gehaald, en, wijzend op die noodlottige bobbel
achter z'n kiezen, verordineerd: "doe d'r 's uit." Diens technische
blik had de substantie dra herkend. Dat was geen teertouw, tot vezels
gekauwd,--dat waren lange draden ... tabak! En: "hoe kom je daar an,
Generaal?"--had hij eerst nog 'n tikje gemoedelijk, maar toch streng
gevraagd.

"'t Is van 'n endje segaar, da'k op de luchtplaas heb
gevonde"--antwoordde Racier spontaan.--"Hebt uwe daar zeker zèlfs
late valle."

"Dat lieg je, want ik pruim of rook nooit"--was 't bescheid.

"Dan meschien van de domenees of de pastoor, of van die andere heere
voor onze Zedelijke Verbetering, die d'r gevange medemensch nog 's
'n rookgeurtje wouwe gunne...."

Maar omdat hij de waarheid niet had willen zeggen, moest ie toen in
de strafcel, daar in den kelder;--naar de bajen, zoo gezeid.

Vijf dagen later werd hij om kwart voor tienen op de klok voor dat
college van regenten gebracht, en op die groene tafel lag daar zijn
pruim uitgespreid als korrepus elikser... Doch hij hieuw astrantig vol,
dat ie 't gevònden had, en derhalve kreeg ie er nog een-en-twintig
dagen strafcel bij--wat 'm driftig gemaakt had en hem 'n bondige
verwensching ontlokt, bedoelende het botte afsnijden van der heeren
respectieve levensdraden--met als gevolg natuurlijk verzwaring van
straf: "in de boeien!"

Doch dit deerde hem amper. Want naast de bajen had je de
gevangeniskeuken, en die kok was de kwaaiste nog niet. Te minder
omdat hij nog wel 's door zijn koksmaatje een vaatje margarine placht
te laten verheimelijken voor eigen huiselijk gebruik,--waarvan Racier
toevalligerwijs niet onkundig was gebleven.--Nou, verraje dee' hij tòch
nooit, naar ik wel wist. Maar voorloopig had hij geen termen gevonden
om den kok van dit zijn principe de overtuiging te schenken. En die
was 'n erge beste man, bezonder meelijdig en mededeelzaam,--óók voor
'n ander. Met dit gevolg, dat Racier in de strafcel zóó vet en zoo
dik wier, dat die boeien 'm bekans van z'n lejen afborstten... Maar
die ànderen begrepen dat niet!

Bovendien had hij toen, als atheïst zijnde, de hoogste vereering
opgevat voor 'n predikant,--al kon hij uiteraard de sóórt nooit als
te best zetten... Maar dàt was nou nog 's een domenee! Die kwam soms
dag aan dag bij 'm, en vertelde van allegaar verhale uit die groote,
vrije wèreld, zonder gezemel of flauwe smoesies,--dat 't was of je
't las in 'n boek vanne ... Paul de Kock ... offe Multátuli. "En àls
maar door, en àls maar minzaam tege 'n gevalle mensch, want--zei
die altijd zelf--: "wie staat, ziet toe dat hij niet en valle, en
in dat groote Huis, daar zitte die gróóste misdadigers niet."--Fijn
gesproke,--is dat effe wat voor 'n dienaar van 't heilige woord,
die daar toch ook van mot bikke?"--Racier nam er zijn petje voor
af. "Dikkels genog hoor, dat domenee kwam in die strafcel, met z'n
boterammetjes onder ze arm, en dan was z'n eerste tege de bewaarder:
"doen die man ze boeie af; zóó kan 'k niet met 'm prate!" En of 't dan
was om hèm weer die vrije beweging van arme en beene te late?--domenee
dee' ook de celledeur achter 'm dicht, dat de generaal z'n kap af moch'
neme,--hoe 't zij, vaak zat ie er 's avons nòg, en mos die bewaarder
komme vrage of z'n eerwaarde wel wist dat 't half nege was. Onder z'n
trooste was die man z'n tijd heelegaar vergete,--zoo'n eerbied had die
voor 'n ander z'n ongeloof.... Zie je, às er toch nog 's ies was--wat
'k niet en gloof as atheïst zijnde--maar 'n ander leve of zoo, dan
het Ds. X. daar de aldereerste plaas, of 'k mag zóó dood valle....

"Maar zie je: vijf jaar, dat benne zestig maande, twee
honderd zestig weke, achttien-honderd-vijf-en-twintig dage
.... drie-en-veertig-duizend-acht-honderd ure, en ajje de menute wil
wete, weet ik ze ook buite me hoofd, want dat leg je daar allegaar
maar telkes uit te rekene, as je snachs nie ken slape: omdat je er
ommers geen seconde van wordt geschonke, waar je niet zoo siekeneurig
langzaam doorheen hoeft te gaan... Je wordt er zoo flauw van, krijgt
zoo'n kinderachtige smaak in je mond,--waarvoor ze in dat groote
Huis nog wel 's 'n stukkie bokking uitdeele an wie beneje 't jaar
hebbe,--maar as recidivist zijnde, wordt jou geen hartelijkheid van
haring of 'n harderwieker gegund.

"Nou, en dan is dat bij mijn maar aldoor prakkeseere. Dan haal 'k
me heele levesloop weer door me hoofd, van onschuldige zuigeling af
in die wieg, en van 't respek voor je ouwers en je familie, die je
te schande heb gedaan door je valle.... 'k Heb nog twee zusters na
je weet;--die ben erg deftig getrouwd, allebei van de alder'oogste
kringe in Brussel.--Nou, da' kan 'k dan nie verknoerste, da' die
edelvrouwe mijn zoo verachte. En om d'r meelij nog's op te wekke,
schrijf ik dan weer da'k in die gevangenis op sterve leg en me Heer
en Heiland anschouwd heb, vanwege dat hullie met d'r manne allebei
an de fijne kant benne. Da'k me bekeerd heb--zoo gezeid--, om nog 's
'n woord van troost en liefelijkheid te magge verneme uit de mond
van mijn eige bloed in die verlatenheid van me cel. En dan maak
'k ze lekker ook, want dan schrijf ik d'r telkes bij, da'k an me
nichie Merie mijn heele nalatenschap heb vermaakt,--wat zullie nie
wete dat mometeel niks as me dallesdekkertje is, die lange pool, die
'k nog van jou heb gehad, en me pijp, aggenebbiesj!

"Die twee brieve in antwoord draag 'k altijd speciaal bij me; gaan mee
in me graf. Ajje d'r nou bij gaat zitte, za'k ze je nog's voorleze,
omdat jij toch 'n ami intime van me bent... Mot je hoore, en maar
nie' na me kijke, a'k altemet van inwendige ontroeringe weer nie'
verder kan komme ..."

Tot de onverwachte wending weer kwam, op mijn meewarigheid: "Wel
christeneziele, wa' bè jij toch 'n slome kadet, da' je die inzichte
van mijn nooit wil begrijpe. 'k Was zoo lekker as kip--nogal wiedas,
daar vlak naast die keuke... Maar 'k smachtte ommers van heimwee na
'n woord van vertroosting, enne ... as 't kon nog 'n paar cente
d'r bij voor 'n krans op mijn graf... Want 't liep na ontslag en de
uitbetaling van die uitgangskas... Val jij mij ook aldoor in die
rede!--'t Mooiste komt ommers nog, van hoe ze al stiekem op die
erfenis van mijn gevangenis-cente aasde."

Maar die comedie kende ik nu al wel.--"Ja man, van je familie moet je
't maar hebben ..."--sneed ik de pathetische voordracht bot af.--"En
toen na je ontslag, wat heb je toen verder uitgespookt?"

"Och ... zie je, die brave domenee had mijn met rijtuig af wille komme
hale van de poort: maar 'k heb 't afgeslage ... voor 't oog van me
maats, hè? dat de Generaal d'r nou uit kwam, as verstokt atheïst,
in één bakkie met 'n predikant! Al kostte 't me hartzeer, want 't
was voor mijn 'n erg beste zielevertrooster geweest...

"Maar 'k ken me zelfs ommers veel te goed. A'k na zóó veel jare
die poort weer uitstap, dan ben 'k as 'n hond die van de ketting
af komt,--zóó zenewachtig, da 'k met m'n eige geen rade meer weet,
en alleenig maar schrikkelijk an die drank ben verslaafd... Dan mot
'k jenever gaan zuipe, net zoo lang to 'k die luize op me kop zoo
voel danse ... ja', da'k m'n eige wel dood wou zuipe ... al heb
'k an geen verrajers borste gezoge...

"En tòch ... toe, toe is dat alles ten goeie gekeerd ... door 'n
vrouw die mijn liefelijke hart verstond, 'n vrouw as 'n engel ...

"'t Was de veertiende Juni. Toe sting ik in Scheveninge weer op de
straat, met me heele armoeiïge lijf ineens in die zon. Buite de poort,
in die lange laan van hooge groene boome,--da'k van duizeligheid niet
en wist of 'k links dan rechts af zou slaan.

"Toe vroeg d'r 'n man: "waar mot jij heen?"--'k Zeg: "na de
watertore",--want hij zag niet da'k uit de bajes kwam, zoo netjes
gekleed as 'k was in dat zwarte pakkie van mijn domenee. En dus
doende kom ik in dat eerste 't beste café an, van de andere kant as
uit dat groote Huis. En om nog minder in de gate te loope, vraag 'k
een kop koffie. Maar nou stane daar 'n boel mensche voor toonbank,
en tòch geneer 'k me eige zoo'n beetje, toe die waard, die dat zeker
an mijn ziet, blauw-weg zeit: "Och man, schaam u maar niet; ze komme
hier allemaal 't eerste an." En ik weg!

"Dan valt mijn oog op 'n ordentelijk huis, waar an staat: café
Alcazar. En op dat raam geschreve: "ici on parle français." Nou hè,--ik
die tòch zoo graag mijn moedertaal hoort, 'k stap daar na binne en
vraag: "donnez moi une tasse de café." Maar Fransch kon zij niet. Wel
wier 'k, om mijn nette kleedij, in 'n amparte gelagkamer gelate,
waar 'k door d'r beeldschoone dochter wier angesproke,--da'k er van
schrok, zóó'n beeld! 'n Schoonheid man,--a'k van mijn leve nooit had
gezien, met 'n bruinachtige tint en koolzwart haar, dito wenkbrauwe,
'n klein mondje, en ivoorwitte tande ... Daarmee bevond ik me eige
niks op mijn gemak, hoor, want 'k ben toch ook man, hè, en dan vijf
jaar cel ... "Jongejuffrouw"--zeg 'k van ontroering--"vraag maar
liever eerst of uws mama óók bij ons komt."

"Nou, en toe' vroeg die mevrouw of 'k een gepensionneerde
was. "Nee"--antwoord ik in 't Maleisch--"ik kom juist uit 't
Kurhaushotel met 'n briefie van houdt 'm in de gate."--En toe kreeg 'k
'n kop extra zwarte koffie voor de reparatie,--en 'k at daar,--en 'k
nam twee kejakkies, want ik dacht, 't is jullie tòch te doen om mijn
kappitaal;--maar aldoor in bijzijn van dat beeldschoone mokkeltje,
waaran 'k óók twee kejakkies had gegeve.--En toe zeg 'k zoo: "'t
Spijt mijn, da'k geen twintig jaar jonger ben, want dan ontging jij
mijn niet, edele nymf." Waarop zij in eene mijn heele inwendigheid
an 't smelte bracht door dat gezegde: "Meheer, ik ben atheïst en
trouw nooit, want ik weet veels te goed, waar 'n mensch toe komme kan!"

"Daar schrok ik toe zóó van, want 't was twee druppels water mijn
eige gedachte,--en och, christeneziele Venus was d'r maar 'n aroeang
bij. Da'k in ééne zeg: "Ze magge mijn alle jare van de wèreld geve,
a'k je effe as 'n zuster an mijn hart drukke mag." En 'k ril d'r
nòg van, man, want d'r mama sting toe dat dat moch', en 'k miek d'r
koontjes nat van mijn trane.

"Toe bestelde ik 'n diner eerste klas, mèt 'n flesch wijn,--aldoor nog
in die gedachte, dat ik me in 'n huis bevond, waar 't om 't lood was
te doen. En na afloop huur ik 'n kamer, om daar te logeere. Waarop ik
vroeg: "Mevrouw, wat is me schuld?"--"Wat je op fatsoenlijke manier
hier gebruikt"--zeit zij toe'--"brengt geen schuld mee, omdat u derek
de waarheid het gesproke, en 'k graag mensche mag, die met de volle
waarheid voor de borst komme ..."

"O, man--dat voel je dan over je rug. Zooda 'k an die dochter vroeg
of zij mijn nou de eer wou doen van mijn De Haag te late anschouwe
... Zóó uit de bajes, met 'n beeldschoone dame an mijn arm,--'n
ontslage boef! En ze vertoonde mijn 't paleis van onze geëerbiedigde
Koningin,--snij je me hart ope, is 't één bonk oranje!--, en bij die
Gevangepoort hieuw ze halt: "wat hier te zien is, is prachtig,--je
ken er de martelinge waarmerke van Johan de Witt, enzoovoort." En
onder de wandeling vroeg ik haar kennis van de boeke van Multátuli,
en hoe zij an 't atheïsme was gekomme?

"Zoowat twee-en-half uur heb ik met haar gewandeld, en 'k dorst niet
te vrage van wat te gebruike, want daar was zij te fassoendelijk
voor. Maar in eene zeit zij, "wat hè jij 'n mooi ringetje an!"--'k
Zeg: "'t is 'n gedachtenis an mijn mama." En 'k paste 't haar alvast
an. Waarop ik in de Hoogstraat die winkel van Van Kempe inging,
zeggende om 'n boodschop, en uit achting voor 't geen ik genote had en
de toekomst van de nacht wellicht nog opbrenge zou, bij die juwelier
voor de som van f 8.50 'n ringetje kocht, in rose watte geleid met
'n doossie.--En zoo ging ik weer gearm met haar na huis.

"Toe heb ik s'avens met verschillende heere daar 'n partijtje biljart
gespeeld, en geeneen van verlore, dus wij mieke de grooste pret. Ik
dacht, da'k in de hemel was, daar 'k 's ochtens in me cel nog me kuggie
had gebruikt.--Om tien uur souper, met dat beeldschoone mensch altijd
bij me ... da's óók 'n plaag, om gek van te worde!

"Daarop vroeg ik an haar mama: "wil u mijn 'n plezier doen, onder zes
ooge privé?"--En dat moch.--Toe zei ik: "mevrouw, voor 't geen u gedaan
heb an 'n gevalle man, heb ik dit gekocht, en mag ik nou de vrijheid
hebbe het an 't geen u lief en dierbaar is te overhandige?"--Waarop
die mevrouw zei: "zie je wel, dat je opvoeding niet en leere ken?"

"En die dochter riep tege mijn: "geef nou uws hart maar lucht,
want gij zijt óók atheïst!"--Waarop ik snikkende dat doossie ope
miek en haar die ring overhandigde met de woorde: "Kind, dit is 'n
gedachtenis van 'n atheïst, en dit doen ik niet voor 't een of andere,
maar 't is louter mijn opvoeding, die zich ten prooi geeft",--en ik
't an haar vinger stak.

"As gij tòch atheïst zijt"--zei zij toe verblijd--"geef 'k u verlof
om buite bijzijn van mama, na sluite van 't café nog 'n paar woorde
met mijn te verwissele."--Om twaalf uur ging die bak dicht, en tot
twee uur hebbe me wijn zitte hijsche.... Da's karakter....: ze had
an mijn gezien, da 'k een gevalle man was..."

En weer verborg Racier z'n snikkenden kop in z'n rooden zakdoek. Tot
hij zich vermande, en met een smeltend weeke stem besloot:

"Die andere morge stinge wij allebei erg laat op, en toe het mijn
beeldschoone engel mijn eigehandig na 't spoor toe gebracht. Want
'k wou in De Haag niet blijve, om rede daar die Markies de Touard
óók net af was gestapt en met potlooje die klante langs leurde,
die ik met me staf vijf jaar geleje opgelicht had.--Daarom trok ik
na Middelburg werom, en door tusschekomst van Jhr. v. d. L. d. C.,
van de president van de rechtbank, en nog andere grootheid, die mijn
wel konne, ben 'k toe an 'n wage huishoudelijke artikele geholpe,
om de boer mee op te gaan vente.--'t Een of andere uit te hale, dat
doet die Markies nou nie meer. En ikke óók niet, as de maatschappij
mijn maar niet in de steek laat.

"Maar toe' 'k daar die eerste avend in Middelburg ankwam, en me
intrek in dat logement voor gesjochte jonges nam, komt medeen die
vent met de nachtlijst na mijn toe en zeit: "Zoo Generaal, hoe gaat
't met 't leve?"--"Zachies an",--zeg 'k nog.--"Nou vrouw"--roept ie
die bolleboffin d'r bij--"je mag de vlag wel uithange, want zúkke
hooge personaadjes hebbe me nog nóóit te slape geleid!"



HOOFDSTUK XX.


"Achtbare Heer,


"Het gemoed den spiegel der menschheid waarin men gansch zijn leven
kan terugzien, belast mij met zwarighedes.

"Mijn leven dat niets anders is dan eene aaneenschakeling van ellende,
armoede, verdriet en misdaden, gepaard met nog vele andere misdrijven
en omstandighedes, doet mij bij zekere klas van personen een aanzien
verschaften als uitschot der maatschappij, nieteling in de samenleving.

"Nochtans geachte Heer, gij, dat levend massa, gij die bezield zijt
met een fabelachtig vermogen, een edel gevoel en innemend karakter,
begaafd met eene geleerdheid van Salemon, gedenk een man die aan het
visionisme lijd?

"Menigmaal heb ik opgemerkt dat na het verhaal van een klein gedeelte
mijns levensloop den ongeletterden of bijgeloovig mensch een afkeer
voor mij koesterde, menschen die ik aanzien als ontaarde wezens,
wiens karakter naar het dierlijke overhelt.

"Achtbare Heer, vergeef het mij, maar man als ik rondzwervende
rampzalige, die ook alle uitvluchtsel en omstandigheden der samenleving
kent, volgens mij is de sympathie die uwe dienstbode mij koesterde min
of meer uitgedoofd. Ik kan mij inbeelden wat daar aanleiding toe geeft.

"Maar vermits gij eenmaal gansch mijn levensloop zult weten--'t
ergste komt nog!--veroorloof ik mij uw goedheid af te smeeken, om
mij te helpen in mijne noodwendigheden, en haar, die twee druppels
water een Prinses is, in te beelden dat ik goedhartig en nederig ben
aangaande haar persoon.

"Steunende op Uw welwillende Edelmoedigheid achtbare Heer, en in
aanmerking nemende mijn voorliefde, die ik voor u koester, hoop ik wel
geachte Heer, dat uw medelijdend oog zal nederzien op het rampzalig
leven van mij

"Uw nederig dienaar C. E. Racier."


Dien middag had Racier tot drie uur op mijn kamer zitten vertellen. Een
uur later vond ik dezen brief in de bus,--getrouwe variatie op zijn
fameuse generaalspleidooi,--zóó keurig gecalligrafeerd en met zulke
prachtig omkrulde beginletters versierd, dat hij hem zeker door een
ander had laten schrijven.

Maar net of er niets tusschenbeide was gekomen, zat hij den volgenden
morgen al weer tijdig klaar om op het vale stramien van zijn leven de
bonte kleuren zijner verbeeldingen voort te borduren. Ik sprak evenmin
van den brief. En 't scheen al alsof die rare gril bij stilzwijgende
overeenkomst maar liever zou worden genegeerd, toen hij opeens lacherig
verlegen naar mij opkeek, en er waarachtig een schuchter rose opbloosde
in zijn groezelwitte gezicht.--Want 't was wonderlijk, maar nu en dan
zag je op die verloopen facie kinderlijk-teere emoties weerschijnen, en
de kerel, die in 't grove zoo meesterlijk kon veinzen, zoo bedriegelijk
comedie kon spelen, was nog altijd z'n naïeve aandoeningen geen baas,
al trachtte hij ze ook aanstonds brutaal te overschetteren.

Zoo ging 't ook nu. 't Hinderde hem, dat ik er niet over begon. Dat
zwijgen verwarde 'm een beetje, en zoodra hij zich voelde blozen,
schoot ie in een onechten schaterlach, sloeg overdreven op z'n knieën,
en alsof 't niets dan een mop was geweest, proestte hij los: "hoe
was tie, hoe was tie?--wat 'n bak hè, zeg, hoe von je 'm nou?"

Maar ik was in een stemming om 'm te plagen en hield me lakoniek of
'k er niets van begreep. En door z'n aanstellerij van uitbundige pret
heen hunkerden z'n oogen aldoor dat ik toch mee zou gaan lachen om
zijn penibele houding te redden...

"Ja, zie je"--begon hij zich nu gejaagd te verontschuldigen met eerst
telkens pauzes van confuus gegrinnik--"zie je, 'k had 't je ommers
beloofd, hè ... da'k je 's me fijnste handschrift zou sture... Hè je
die eerste letters gezien?... en dat adres, hè?... zoo allegaar uit de
vrije hand ... op logement in me leege ure getrokke ... En heelegaar
zèlf, hoor ... heelegaar zèlf .... geen mensch an geholpe ... of
doch je van niet? ... want die rekweste-schrijver leit tegeswoordig
ommers op 'n ander logement... Ik kòn 'm niet eens, die man, toe
'k je schreef ... nee, en toe 'k 't 'm liet zien, toe zeit ie:
'k ben d'r jaloersch op zooas jij toch ken schrijve ... want 't is
twee droppels water mijn eigeste hand, maar alleenig veel fijnder
... nòg fijnder ... nog nobelder... Ja, dat zei d'ie, dat 't nobelder
was dan zijn hand!... Nou, en hoe von jij 't dan nou?.. want je zeit
niks... Waarom zèg je nou niks?... 'k Hè je toch niet beleedigd?... Of
was 't je te amekaal van zoo'n schooier, van zoo'n brok vuil, hè
... da 'k je 'n brief schreef, zooas tie uit mijn zondige hart op was
geweld?... Want me laaste ademtocht ... hè ... me doodsnik ... da'
weet je ... de kreet eener stervende, wiens misdadige ziel opstijgt
voor de vierschaar ... van de Natuur--Nou dach jij da 'k me daar ging
versmoeze .... da 'k as verwoed atheïst me steke liet valle ... Maar
valt 't je mee ... zeg ... valt 't je mee van Racier dat-ie nog net
op 't laatste nippertje Gods's naam in het geslikt en me eigeste
geloof hoog heb gehouwe?... Want jij snàpt mijn, geloof ik ... Jij
kijkt me zoo link ... die brilleglaze van jou bore 'n mensch dwars
door z'n hart ... en d'r ontsnapt jou niet veel, man!... Waarom be'
je eigelijk geen rechter van exstructie geworde?... Of hè je nog
te veel met de boeve te doen, hè ... met d'r rampzalige lot ... om
ze allegaar in de lik op te sluite?... Anders mot je 't maar zegge
... as je met zoo'n zondaar as ik ben ... a'k je ben tegegevalle
... want 'k hè je vooruit wel gewaarschouwd... Van de eerste dag an
he'k tege jou gezeid: man, a'je Racier kan, in z'n inwendig gemoed,
en ziet hoe vuil, hoe zwart 't daar is .... dan schud je je hoofd
en roept uit: Ga van me, jij ben me te slecht!... As 't zoo ver is,
da' jij me verstoot ... nou affijn, zeg 't dan maar ... Hier zit ik,
me hoofd is geboge, neem je moker dan op, en slaan me de harsings
kapot ... Wat geef ik om mijn leve?... D'r is een wijf op logement
... van de vijnste famielje ... d'r pappa was notaris ... d'r broers
benne dokter, avecaat, en lid van de Raad ... maar zij, de gevallene,
zij loopt op de baan ... En die heeft me op koste van ongelijk lief
gekrege, die arme meid ... Gisteraved, toe ze d'r laaste volk uit
had gelate ... is ze zóó op de straat voor me voete gevalle, het ze
me knieë gegrepe, en gesnikt ... to'k d'r alles van begreep ... Maar
'k heb d'r niet verstoote ... Zooas 't een ridder betamelijkt, he'k
d'r opgeheve ... zij is toch jonkvrouw, óók immers van adel ... en
me mededogendheid van misdadiger die nog altijd een mensch is, he'k
over d'r rampzalige ziel uitgegote.--"Grijp u vast an 't kruis,
Mina!"--dat heb 'k gezeid ... Ja, as atheïst zijnde heb 'k haar
't kruis voorgehouwe, want zij staat altijd nog in de Bosschieskerk
ingeschreve ... "Zoek uw heul en uw toeverlaat in de heilige biecht,
meid! En wend je af van de manne, want 'tben toch immers allegaar
verslete kerels die jij krijgt..." Ja, 't is toch waar, zoo'n ouwe
lijkstaassie die an de brandspiritus verslaafd is, en met 't onrein
in d'r grijze hare ... "Ik--dat heb 'k gezeid--ben an 't gloof van
me moeder ontvalle; maar jij, Mina, wie veel lief heeft gehad, zal
veel vergeve worde, meid. Je het 't uit geen weelde gedaan, dat weet
God!" ... Toe heb 'k 'r 'n dubbeltje van die gulde van uwe gegeve, en
'k heb d'r geraje: ga nou morge 't eerste voor die cente baje, en vraag
dan an m'eer pastoor om je zonde te boete, en as 't kan om 'n bitje
bedeeling van turf, aarappeltjes, en 'n paar brooje bedeeling in de
week voor van 't winter... Ik ben je genege; we zijn allebei zondige
mensche van edele afkomst, maar kijk mijn an: ben ik nou de eik, waar
jij je as klimop voor eeuwig om slingere ken?... Zeg 't zelf, ik ben
'n ruïne, al ken 'k ook nog wel 'n knap vrouwspersoon an. Maar ik
zwalk zonder stuur door de bare van 't leve. En waar 'k 's nachs van
droom, die rol speel 'k 's morges, net zoo lang to'k weer in de lik
anbelant, of jammerlijk op de klippe der zonde verplettert. Want voor
mijn staat daar geen kruis meer met roze op die rotse. Zeg nou zelf,
zoo'n schuit is 'n wrak, en geen huwelijksboot, meid-lief ... Maar
'k vraag je één ding--want je ken me nog niet--: he'k voor eeuwig
schipbreuk geleje, lees dan trouw iedere aved de krant, of daar geen
berichie van de schouwburg in staat, dat er 'n stuk wordt vertoond:
"Het Leve van 'n Atheïst, of die Martelaar van zijn Geloof" ... Die
martelaar, Mina, die held voor 't ongeloof, die rampzalige gevalle man,
dat ben ik! En a' je 't dan maar effe kan lappe, effe an 'n armoeiïge
schelling kan komme--ja, al mos je 'm ook stele!--gaan dàt stuk dan
kijke, want je ziet er 't leve in gespeeld van de man, die je daar effe
je liefde het geopebaard, maar die veels te slecht was om ooit jou
bruigom te worde."--Ze snikte, haar hoofd was voor 't eerst en voor
't laast an mijn boezem gezonke ... Ik streelde haar lokke, ze zijn
nog zoo zacht ... as zij, man ... en de bleekheid der liefde verfde
haar wange ... Maar 'k rukte mijn los ... "La' we sterk zijn, Mina,
en geen kussing meer deele, daar 't noodlot zijn grauwe vlerke op
spreidt... Neem me an as uws broeder, en luister na me raad ... Voor
't onrein is geen goud zoo goed as stavezaad met jenever ... en om
je van 't spiritus af te wenne ... drink je hier dag an dag voor mijn
cente één glaassie cognac. Me zalle d'r maar direc mee beginne ..."

"Toe hebbe me same elk 'n slaapmutsie gevat ... Da's ook goed voor
't sjegrijn, want we hadde te doen met mekander. Zij met mijn, ik met
haar, die arme meid. En toen alle volk na kooi was, zei de waardin:
"Kom kinders, 'k heb maf, 't wordt tijd." Mina is na 't zolder, ik
ben na de vliering gestrompeld, maar vanochend zag 'k 't haar wel an,
dat ze net zoo min as ik een oog dicht had geloke.--

"Ben je nou nog beleedigd, om die brief?... Of heb 'k me goeie hart
voor je ope geleid, dat 't één bonk dankbaarheid is?.. Jaag me anders
maar weg... Ben 'k je te min, dan trap je me subbiet je kamer af
... Want die stoel hier bij dat kacheltje za 'k tòch nooit vergete ...

"Weet je hoe 't komt, da 'k vannacht niet kon slape?"... Ik dacht àls
an die brief ... 'k Had zèlf twee nieuwe penne gekocht, dat die man
'm op z'n mooiste zou schrijve ... Nou, en hoe was tie?... 'k Was
t'r zoo trotsch op, da 'k 'm er jou pijp met dat zilvere plaatje voor
heb gegeve ... Misschien hè je later nog wel 's zoo'n Gou'sch stompie
voor mijn ... want 'n souvenir zit 'm niet in de waarde ..."

De meid kwam binnen en bracht twee koppen koffie.

Toen ze weg was, zat Racier met z'n handen voor z'n oogen. Hij had
van die zielig verarmde, lange, bleeke handen, met roode knoken. En
ze beefden nu, schokten voor z'n gezicht.

Maar in eens keek hij met z'n betraande facie lachend naar me op:
"Zoo bèn jij nou ... da's je nobele hart ... Je zeit niks, maakt
me geneens verwijte om de astranterigheid van die brief ... En toch
deurzien je 'n mensch z'n innigste wensche ...

"Ben je dus nou weer heelegaar goed? Is 't alles van gistere vergeve
en vergete?... Want anders dan ben 'k je koffie niet waard, en zet
ik geen mond an 't bakkie ..."

"Waarachtig, Racier--als 'k je nou toch begrijp ..."

Maar hij stak me zijn voeten toe: z'n verloopen schoenen glommen
opmerkelijk.

???

"Ja, ja, dat was 't, dat is 't natuurlijk geweest. Da 'k daar zóó
maar, met slikkerige bene, zoo maar, net as 'n beest van de straat
in je huis was geloope. Die beleediging, da 'k haar trappe bevuild
had en jou fijne kleed in je kamer ... 't Was ommers 't minste,
't laagste ... Toe hadde jullie netuurlijk genog van de schooier;
was zij nog te vies om an een kop uit dr keuke mijn lippe te zette
... Toe was 't uit met de eer van 'n bak warme troost uit dezelfde
pot ... Dàt was 't! Vannacht is 't me in eene te binne geschote,
toe 'k maar maalde en tobde wat 't toch zijn kon, dat 'k nou geen
kop koffie meer waard was. Want dat schrijnde me, man; me ooge wouwe
d'r niet meer van dicht ... En medeen, da 'k 't snapte, ben 'k met
'n rood hoofd van schaamte me bed uitgestapt, heb 'k an Mina d'r
doossie schoensmeer gevraagd, en sting 'k te poese ...

"Niet zoo zeer om die koffie, al wist ik ook nooit, dat er zóó'n
weldaad voor 'n ziekelijk lichaam bestond; want da's medicijn, je
leeft er van op, je voelt je as zwerver de keizer gelijk,--'t hangt
effetief bruin an de kom ... en dat schuim, dat je van de lucht
altemet al gaat droome ... Ja, man, die kop zege za 'k nou tot me
dood toe dag an dag misse ...

"Maar da 'k 'm gistere nie kreeg--'t speet me geducht, want 'k lag
er de heele nacht na te vlasse ... Toch ha 'k dat nog wel kanne
verknoerste, as 't niet was, dat jullie, me laaste, me anker in
de zee van de zonde, mijn nou óók al niet langer lust ... En met
me bloedende hart, he 'k toen in één asem die brief opgemaakt, nou
'k van jou mot scheië ...

"Eén ding alleenig, da' mo'k je nog vrage ... Want zie je, die
Mina, waar 'k je daar strakkies van sprak, die kan d'r wel uit,
uit mijn tooneelstuk. Die ouwe lijkstaassie verdoet zich tòch an 't
brandspiritus, want al wat er 's avens tussche ons was voorgevalle,
had ze vanmorge alweer heelegaar vergete. Toe 'k d'r, vóór 'k hierheen
ging, nog 's effe teerhartig over begon, keek ze mijn an of ik gek
was ... dus: dronke geweest, óók pizekor: een liefdesverklaring
van spiritusdamp ... Ha'k 't gewete, dan ha'k d'r een lucifer bij
gehouwe en was d'r heele declaraassie in een mooi blauw vlammetje
subbiet opgebrand. Dat was dan maar beter geweest ook ... Dus laat
die Mina uit onze kemedie maar liever weg as je wil ... De mensche
zouwe der nog maar om motte lache.--Zoo is dat gekapte-hoofde-publiek,
dat tuig van de autemebiele! En dáár is die meid me toch nog van te
nobele afkomst ook voor; wat jou? Is 't soms niet rampzalig genog,
zoo'n val? Bovedien ... ik as held, zou door zoo'n declaraassie
ommers óók van me staassie, van me doorluchtende glorie ... van me
adel en majesteit, dar! af motte brokkele, en in 't kemieke vervalle
... Nee man, die passazie van Mina hou je d'r buite, op ieder geval,
en je zet er maar in op 't slot dat schrijver dezes netuurlijk met
zu'k soort zondaresse geen omgang hieuw ... Zulle die toeschouwers
mijn inwendig koerakter van gevalle man nog bewondere ..."

Met bei z'n armzalige handen om den kop heen, vertroetelend, zoog ie nu
eindelijk z'n koffie, de oogen aanstellerig dicht in z'n verheerlijkte,
witte gezicht. Toen stond Racier langzaam uit den leunstoel op, en
opeens wonderlijk weemoedig, nam hij afscheid als voor een lange,
lange reis ...





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "De zonderlinge avonturen van "Zijne Excellentie de Generaal"" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home