Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Hoe men schilder wordt
Author: Conscience, Hendrik, 1812-1883
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Hoe men schilder wordt" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



HOE MEN SCHILDER WORDT

HENDRIK CONSCIENCE



I

Ontdekking van een wonderbaar vernuft.--Huiselijke raad over de bestemming
van een kind.--De Academie van Antwerpen door eenen werkman
beschreven.--Schilderen is een lekker stieltje.


In een klein huisje, behoorende tot de St.-Andriesparochie te Antwerpen,
zaten op eenen avond der maand Mei 1832, drie personen bij eene kleine
blikken lamp te werken.

Eene oude vrouw was voor een kantkussen gezeten en wierp de ratelende
bouten onophoudend door elkander, terwijl zij, met eene wonderlijke
vinnigheid, de spelden over het kassen deed wandelen. Op haar gelaat glom
die zoete welwillendheid, welke het aangezicht van sommige oude lieden met
aantrekkelijkheid versiert, ondanks de diep gegravene rimpels.

Zij scheen welgemoed en liet zich den eentonigen arbeid niet verdrieten,
aangezien dat zij van tijd tot tijd hare heesche stem tot het vormen van
verschillende tonen poogde te dwingen en slepend een liedeken zong van
haren jongen tijd. Dit liedeken scheen uit een enkel referein te bestaan en
begon telkens met deze woorden:

    En Coredommeken hy issere gesteurve.

Het onveranderlijk einde was:

    Hy schreef daer in het zand
    Dat zyn jonk hart verbrandt.

Nevens haar bevond zich eene jongere vrouw, fraai van gelaat en schoon van
gestalte.

Zij was insgelijks bezig met kantwerken. Evenals de oude, droeg zij de
gewone kleeding der arme burgers of werklieden van Antwerpen: een
rozekleurig jak, eenen zwarten baaien rok en eene trekmuts van bevalligen
vorm. Tusschen de kleeding der twee vrouwen was alleenlijk dit verschil,
dat de oude met de groote bloemen der vorige eeuw behangen was, terwijl de
jongere vrouw meer de hedendaagsche kleuren droeg, zijnde kleine bloemkens
op gemengden grond.

De derde persoon, die zich in de kamer bevond, was een jongsken van omtrent
elf jaar,--met een aangezichtje zoo zuiver en zoet als dit van een
engeltje. Groote zwarte oogen, vol beweging en vol leven, stonden blinkend
onder zijne lange wimpers, en losten als gitsteenen op de rozen zijner
wangen uit. Zijn mondje, welks hoeken eenigszins achteruit getrokken waren,
gaf aan zijne wezenstrekken eene uitdrukking, die geest en begrip
aanduidde. Boven dit alles was een bosch van schoone krullende haren
ingeplant; zoodat dit jongsken, rijk aan gezondheid en aan geest, waarlijk
een schoon beeld van een kind was en geenszins de kenteekens der armoede
droeg.

Dit kind zat bij de tafel en scheen met een potlood iets op een stuk papier
te schrijven. Bij poozen hief hij het hoofd op, bezag met metende aandacht
de oude vrouw en zette dan telkens eenen trek meer op het papier.--Men kon
niets anders denken, dan dat hij de oude vrouw uitteekende of ten minste
dit poogde te doen..... Er was in de blikken, die het kind op zijn papier
en op de oude vrouw wierp, zooveel aandachtige navorsching, in zijne
houding en op zijn gelaat zooveel ernstigheid, dat men niet kon twijfelen,
of er lag in dien jongen geest een buitengewoon aanleg tot de kunsten van
nabootsing. Eene andere omstandigheid kwam dit vermoeden nog versterken:
wanneer men nauwkeurig de halfverlichte muren bezag, erkende men met
verwondering dat er geene plaats genoeg om de hand te leggen overig was
tusschen al de beelden van burgers, soldaten, katten, honden, vogels,--die,
op eene zekere hoogte, ontwijfelbaar door eene kinderhand, met houtskool en
rood krijt er op moesten geschetst zijn.

Gloeide er van dan af in den schedel van dit kind eene vonk van het vuur
des vernufts?--Ontkiemde reeds in hem een zaad van kunstgevoel?

Nadat deze drie personen bijna een half uur in dezelfde houding waren
blijven zitten, hoorde men in de Kloosterstraat de trommel van de taptoe
slaan.

De jonge vrouw stond op, plaatste haar kantkussen op eenen stoel en sprak
tot het kind:

Fransken[1], gij moet gaan slapen..... Kom, doe die papieren nu weg.

Fransken.--Och, moederlief, mag ik nog wat opblijven? Ik zal zoo stil zijn.

De Grootmoeder.--Kom, kom, Annemie[2], laat ons Fransken nog maar wat uit
zijn bed.--Laat hem nog wat teekenen.

De Moeder.--Ja maar, als zijn vader thuis komt, zal het weer gekijf
zijn..... En hij is nu al zoo lang bezig met dit papier. God weet heeft hij
u alweer geen twintig keeren uitgeteekend!

De Grootmoeder.--Och, Annemie, als het kind zijn verzet daar nu in vindt,
hoe kunt gij daar tegen zijn?

De Moeder.--Zie, Meken[3], gij zult ons Fransken nog bederven, gij! want
gij ziet hem liever dan de appelen uwer oogen. Maar hij móét gaan
slapen.--Kom, Fransken.

Gedurende die woordenwisseling had Frans, als een gehoorzaam kind, zijne
stukjes papier bijeengeraapt en zijn potlood er in gerold. Dan tot eene
kleine bedstede gaande, stak hij zijn teekenwerk met zorg onder het
hoofdkussen, en kwam bij zijne moeder om ontkleed te worden. Dit gedaan
zijnde, sprak de moeder tot hem:

«Maak uw kruisken, Fransken,--en zeg uw gebeêken.»

Het kind ging bij de bedstede op zijne knieën zitten, en begon met de
handen te zamen en met luider stemme te bidden:

    's Avonds, als ik slapen ga,
    Volgen mij veertien engeltjes na:
    Twee aan mijn hoofdeneind,
    Twee aan mijn voeteneind,
    Twee aan mijn rechterzij,
    Twee aan mijn linkerzij,
    Twee die mij dekken,
    Twee die mij wekken,
    Twee die mij wijzen,
    Naar 's hemels Paradijze[4].

Vervolgens ging hij tot zijne moeder, daarna tot zijne grootmoeder, kreeg
van elk eenen kus en een kruisken op het voorhoofd, en kroop dan
stilzwijgend in het bed.

Wanneer de vrouwen dachten, dat het kind in slaap was, begonnen zij in
stilte het volgende gesprek:

De Grootmoeder.--Maar, Annemie, was ik gelijk gij, ik zou toch zien, dat ik
dit kind op de Academie kreeg. Wees zeker, daar steekt een schilder in.

De Moeder.--Ik weet het wel, Meken. Denkt gij, dat ik het niet zie? Maar
hoe zal hij op de Academie geraken? Nog zoo bitter jong en zonder
voorspraak!

De Grootmoeder.--Och, ze zeggen, dat M. Van Bree zoo een goed mensch
is..... En M. Wabbes[5] dan! Ik zou, al is het dat ik zoo oud en zoo
sukkelachtig ben, er nog wel alleen durven naartoe gaan, om eene plaats
voor ons Fransken te vragen.

De Moeder.--Ja, gij, Meken, gij zoudt er voor door een vuur vliegen, dat
weet ik wel. Maar dit is nog het ergste niet: zijn vader wil maar volstrekt
dat hij op het metserdienen gaat.

De Grootmoeder, _met verontwaardiging_.--Wat? ons Fransken metserdienen!
Het eenige kind van mijne Annemie!--Neen, dit zal niet waar zijn, zoo lang
ik leef..... Als hij dan toch eenen stiel moet leeren, zal hij op het
meubelmaken gaan.

De Moeder.--Ik moet het ronduit zeggen: ik zou toch ook liever onzen Frans
op de Academie zien.

De Grootmoeder, _vol geestdrift_.--Ja, en denk toch eens, Annemie, gij kunt
niet weten wat er kan gebeuren.--Als ons Fransken nu eens goed van aannemen
was, en hij werd zoo eens schilder ..... wat zou het dan zijn? Hoe zouden
de geburen dan staan zien! Frans schoon gekleed; geld winnen gelijk slijk;
in een huis met twee stagiën wonen; overal aangehaald gelijk een Prins! Eh?
En als hij dan een schoon stuk gemaakt heeft, dan zullen zij ons op de
straat nawijzen en zeggen: ziet! dat zijn de moeder en het meken van den
schilder! Eh, Annemie, wat zegt gij daarvan? Mijn hart klopt als ik er aan
denk.

De Moeder, _met eenen zucht_.--Ja, ja, maar als dit nu zoo eens gebeurde,
zou Frans zijne gemeene ouders dan wel gaarne blijven zien[6]?

De Grootmoeder.--Wel, sukkel dat gij zijt, denkt gij daarop? Al moest ik,
mijn geheel leven lang, droog brood eten en zonder schoenen aan mijne
voeten gaan, als ons Fransken maar schilder wordt, dan zal ik nog gelukkig
zijn.

De Moeder.--Zie, Meken, laat ons daar niet meer van spreken. Gij zult
mijnen kop nog zoo vol muizenissen steken, dat ik er zot van zal worden. Ik
weet het ook wel, dat ons Fransken geen ezel is en dat er in dit kind iets
steekt; maar maak dit aan zijn vader eens wijs?

De Grootmoeder.--Eh wel, eh wel, ik zal het hem wijs maken, en dat nog
dezen avond. Help mij maar een beetje--het zal wel gaan.

De Moeder, _opstaande_.--Ik hoor hem. Daar is hij, die klopt!

De deur ging open; een man trad stilzwijgend binnen. Nadat hij zijn
schobejak[7] uitgedaan had, plaatste hij zich bij de tafel, als iemand, die
eten wil. Een wijde schotel, met gestoofde aardappelen overladen, werd hem
voorgezet, en hij begon met gretigheid zijn avondmaal.

Alhoewel machtig en van reuzenspieren voorzien, was het lichaam van dien
man door den arbeid gekromd; zijn rug helde als een boog over de tafel; op
zijn betrokken aangezicht lagen van die rimpels, welke niet door den
ouderdom veroorzaakt zijn; en de stijve onveranderlijkheid van zijn afgemat
gelaat toonde genoeg, dat zwaar en onophoudend werken zijn gevoel ten deele
had verstompt.

Terwijl hij bezig was met eten, hitsten de twee vrouwen elkander op, om de
netelige samenspraak aan te vangen. Eindelijk nam de grootmoeder aldus het
woord:

--Maar, Pauw,[8] ik moet u toch eens iets zeggen.

De Vader, _onverschillig_.--Ja? Laat hooren, Meken, wat is het?

De Grootmoeder.--Wel, hebt gij nog niet belet, dat onze Frans den geheelen
dag niets doet dan mannekens maken?--De gansche muur staat er vol van; al
mijne patronen zijn vol honden, katten en alle soorten van vreemde beesten,
die ik zelf nog niet ken. Geen koffiezaksken kan er in ons huis komen, of
poef!..... daar staan mannekens op!

De Vader.--Laat gij Fransken maar mannekens maken, Meken. Het is beter, dat
hij dit doet, dan dat hij op straat zou loopen.

De Grootmoeder.--Dat zeg ik ook; maar ziet gij niet, dat er in dit jongsken
iets steekt, en dat het misschien spijt zou zijn, dat hij daar afgetrokken
werd?..... gij kunt het niet weten.

De Vader, _met aandacht_.--Wel, en wat is het nu?--Zeg het maar rechtuit.

De Grootmoeder.--Zou het niet goed zijn, dat wij hem op de Academie deden?
God weet, of hij van zijn leven nog geen schilder wordt.

De Vader, _met nadruk_.--Ik heb u al lang op uwe sokken hooren afkomen,
Meken. Gij denkt zeker, dat ik u niet in de buis had, met al die
slenders[9]. Begint gij weer met dat oud liêken? Onze Frans zal
metserdiener worden; en laat hem zoolang maar gerust, of gij breekt zijnen
groei nog.

[Afbeelding: En scheen met een potlood iets op een stuk papier te
schrijven. (Bladz. 75.)]

De Moeder, _met bitsigheid opspringende_.--Zie, Pauw, Fransken is mijn kind
zoowel als het uwe, en gij hebt, gij alleen, er alles toch niet aan te
zeggen..... Ons jongsken is vol geest, en daar steekt veel te veel in om er
eenen metserdiener van te maken.

De Vader, _half verstoord_.--Ja, gij hebt u zeker wat laten opstoken door
Meken? Ik zeg u, dat ik van geenen schilder wil hooren,--en breek er mij
den kop niet langer mede.

De Grootmoeder.--Annemie heeft gelijk, gij ziet uw kind niet gaarne; want
anders zoudt gij zoo niet spreken.

De Moeder, _bijna schreiend_.--Dat heb ik al lang genoeg gezien, dat gij
ons kind niet gaarne ziet. Het is u te veel dat gij het aanspreekt, dit arm
schaap!

De Vader, _met droefheid; zijne spraak verkrijgt eene drukkende klem_.--Zie
ik mijn kind niet gaarne? Omdat ik hem een goed ambacht wil doen leeren en
hem wil opbrengen gelijk zijne ouders zijn opgebracht? Heeft hij geene
handen aan zijn lijf, om te werken,--of zoudt gij er gaarne een luien
bliksem van maken?--Schilderen! Schilderen! Dit is misschien geen slecht
ambacht, maar het is ook kostelijk en moeilijk om te leeren.

De Moeder; _zij snauwt hem toe_.--Een ander leert het wel!

De Vader.--Ja, maar een ander heeft geld, en wij niet..... Ziet, vrouwen,
gij weet daar niets van. Gij hebt nu al zoo lang aan mijne ooren liggen
zagen met dat zelfde oremus, dat ik bij eenen schilder ben gegaan, die nog
al dikwijls bij onzen baas komt. Dat gij wist, wat boeksken hij mij heeft
uiteengedaan over dat lekker stieltje, uw haar rees er van te berge op uwen
kop!

De Grootmoeder.--Hij heeft u wat leugens wijs gemaakt. Zoo zijn de
schilders allemaal; als er wat te veel komen, dan bederft de stiel.

De Vader.--Ja, luister maar..... Ziet, zoo wordt gij schilder: Als gij op
de Academie moogt komen, dan gaat gij eerst een jaar lang op de klasse van
de _Neuzen_ en de _Ooren_; dan een jaar op de _Koppen_; dan twee jaar op de
_Mannekens_; dan een jaar of drie op het _Pleister_; dan een jaar of vier
op het _Leven_..... En als ge dan al zoo elf lange jaren hebt zitten
krabben en u de borst hebt _gecreveerd_, dan kunt gij al zooveel
schilderijen maken als ik of gij..... En dan moet gij nog eens een heel
jaar op de klasse van _Tante Mie_[10] den dood gaan uitteekenen.--En weet
ge wat ge dan kent?--Nog niets!..... Kunnen wij nu elf jaren onzen Frans
houden, zonder dat hij iets verdiene? Kunnen wij hem verf, penseelen, en
doeken koopen, gedurende al dien tijd? En zal hij dan niet ongelukkig zijn,
als hij mislukt?--Ja, want dan is 't kalf verdronken; dan is het te laat;
dan zullen zijne meiskenshanden nergens meer goed voor zijn, en hij zal te
lui geworden zijn om te werken. Neen, ik zie mijn kind zoo gaarne als gij;
maar ik ben gelukkig in mijnen stiel; ik kom geen brood te kort, en ik
geloof, dat ik niet beter kan doen dan onzen Frans ook zijn brood te leeren
verdienen. Zoo weet ik zeker, dat hij geen gebrek zal lijden..... Hij zal
metserdiener worden,--ik wil het en het is mijn laatste woord:
metserdiener!

De twee vrouwen zwegen. Zij konden niets inbrengen tegen de goede redenen
van den man; ook hadden zij bij het hooren zijner woorden van hun eerste
inzicht afgezien en besloten niet meer van deze zaak te spreken; maar op
het oogenblik dat de vader, als een vonnis, had uitgeroepen: hij zal
metserdiener worden! hoorde men eensklaps het kind in zijn bed zuchten en
snikken, als iemand, wiens tranen na lang bedwingen, losbarsten.

Fransken had alles in de grootste benauwdheid afgeluisterd. Een straal van
hoop en van blijdschap was in zijn hart gesprongen, toen hij van de
Academie had hooren spreken; doch de woorden zijns vaders, die, als de
uitspraak van een onherroepelijk oordeel, hem tot den metserstiel verwezen,
hadden zijn hart met droefheid overkropt;--en, zich niet langer kunnende
inhouden, was hij op eens aan het schreien gegaan.

De grootmoeder liep ijlings naar het bed, nam Fransken er uit, en hem op
haren schoot plaatsende, begon zij het kind te zoenen, terwijl hare eigene
tranen over haar aangezicht rolden. De moeder ving insgelijks aan met
weenen:--en het was in dit huisgezin eene droefheid zoo innig en zoo
bitter, alsof er een schrikkelijk ongeluk voorgevallen ware. Dan sprak de
grootmoeder met bitsigheid tot den man:

Hoe kunt gij uw kind zoo _trêteren_[11]. Gij zult het wel dood krijgen.....

De Moeder.--Ja, ja, dat zal er wel van komen: gij zult het wel in zijnen
put helpen..... Waarom kunt gij Frans niet naar de Academie laten gaan,
zeg? Als hij daar nu goesting voor heeft?

De Vader, _met hevige gramschap zijne vuist toonende_.--Maak mij niet
kwaad!

Fransken; _hij springt van den schoot zijner grootmoeder en loopt bij
zijnen vader_.--Och, vaderken lief, maak u niet kwaad..... Ik zal
metserdiener worden.

De Vader; _hij kust het kind met teederheid; er blinkt een traan in zijne
oogen_.--Fransken, mijn kind, ik zal niet kwaad worden. Ga maar gerust in
uw bed.

Fransken; _hij neemt de hand zijns vaders en streelt ze_.--Vader, weet gij
wel, dat Koben[12] van den hoek ook op de Academie is, en hij is toch wel
metserdiener.

De Vader, _geheel kalm_.--Ja maar, kind, dat is wat anders. Hij maakt daar
geene mannekens; want hij is op de klasse van _koepe-de-peer_[13].

Fransken.--Wat maken ze daar dan, vader?

De Vader.--Dat weet ik niet: huizen zeker. (_Hij bedenkt zich een weinig;
het kind ziet met angst in zijne oogen._) Maar hoort, ik zie wel, dat gij
mij toch niet zult gerust laten. Laat Frans dan maar naar de Academie gaan,
als gij hem er op kunt krijgen. (_Het kind springt op van blijdschap, kust
zijnen vader, kust zijne moeder, kust zijne grootmoeder en vervult de kamer
met blijde kreten_). Maar op ééne _conditie_: dat is, als Frans niet goed
en gauw leert, hij op mijn eerste woord van de Academie blijve.

Fransken, _met blinkende oogen en met geestdrift_.--Och, ik zal zoo goed
leeren, vaderken lief!

De Vader.--Ga nu maar slapen, kind.

Fransken kroop welgemoed en met vinnigheid in zijn bed. De drie andere
personen namen de lamp en klommen op eene kleine, steile trap, om zich
insgelijks tot de rust te begeven. Boven gekomen zijnde, begonnen zij te
beraadslagen over de middelen, die werkstellig konden gemaakt worden, om
voor Fransken eene plaats op de Academie te verkrijgen. Na eene tamelijk
lange onderhandeling besloot men tot het volgende:

Trees[14], van daar naast de deur, heeft kennis met den leerjongen van den
barbier van den knecht van M. Wappers. Door Trees zou men de voorspraak van
dezen leerjongen kunnen verkrijgen; hij zou spreken aan zijnen baas, de
baas aan den knecht van M. Wappers, de knecht aan M. Wappers zelven;--en M.
Wappers zou er van spreken aan M. Van Bree.

Zij twijfelden niet, of die buitengewone samenhang van voorsprekers zou hun
doen gelukken;--en nog meer werden zij daarvan overtuigd, toen de
grootmoeder bemerkte, dat er niets voordeeliger is dan de voorspraak van
eenen barbier, aangezien men weinig te weigeren heeft aan eenen man, die
ons dagelijks een mes op de keel houdt, enz.

Dan, overmorgen zullen moeder en grootmoeder hunne Zondagsche kleederen
aantrekken: het fijne jak, den stoffen rok, de kanten trekmuts en de
fluweelen schoenen. Zij zullen eenige teekeningen van Frans medenemen, om
aan de heeren der Academie te toonen, en grootmoeder zal het woord voeren,
om hun te doen verstaan, wat vernuft er in Fransken steekt.

[1] Verkleinwoord van den voornaam _Franciscus_.

[2] Verkorting van _Anna Maria_.

[3] _Meken_ beteekent _grootmoeder_ onder de Antwerpsche burgerklasse; voor
_grootvader_ zegt men _Peken_. Van oude lieden zegt men in het algemeen:
het was een _Meken_, ik zag een oud _Peken_.

[4] Dit zonderling avondgebed als ook een ander, dus beginnende _Heiligen
Engel Sinte Michiel, ik beveel u mijn lijf en ziel_, worden nog dagelijks
in honderden huisgezinnen door de kinderen opgezegd. Daarbij echter wordt
dan het _Vader ons_ of een ander erkend gebed gevoegd.

[5] _Wabbes_ is de volksnaam van den heer Wappers, gewezen bestierder der
koninklijke Academie.

[6] Men merke hier aan, dat het werkwoord _beminnen_ zeer zelden in
Antwerpen wordt uitgesproken. Men bezigt daarvoor meest altijd het
samengestelde werkwoord _gaarne zien_.

[7] De werklieden, die aan het ontladen der schepen arbeiden, dragen een
kort hemd van grof lijnwaad over hunne kleederen. Dit hemd of liever dien
kiel noemt men _schobejak_.

[8] Verkorting van den voornaam _Paulus_.

[9] Ik hoorde u in stilte afkomen: ik bemerkte uw inzicht, met uwe treken.

[10] Zoo noemt de volksklasse den leergang van _ontleedkunde_ of
_anatomie_.

[11] Plagen.

[12] Verkorting van den voornaam _Jacobus_.

[13] _La coupe des pierres_--_de Steensnede_, die men van overlang gewoon
is met haren Franschen naam te noemen.

[14] Verkorting van den voornaam _Theresia_.



II

Gang naar de Academie.--De opvolgers van Uilespiegel.--Raad van Professoren
over den roep van Frans.--Onderzoek van bewijsstukken.--De Academie krijgt
een leerling meer.


De zon, de grootste schilderesse der wereld, was bezig met achter de kim
haar palet te bereiden; zij vereenigde en mengde er de schoonste verven op,
welke zij bezit, om dien plechtigen dag,--om den eersten stap van Frans in
de baan der kunst, met eenen ongemeenen glans te beschijnen. Weldra wierp
zij, door enkelen penseeltoets, de grijsgele doodverf op haar onmeetbaar
paneel ..... en de stad Antwerpen stond, als eene aangelegde schets,
zichtbaar in het schemerlicht.

De hanen, die afgodendienaars der zon, begroetten hare komst met snijdend
keelgeluid, en schreeuwden zoo lang en zoo hevig, dat de grootmoeder er
door ontwaakte, terwijl zij hare eerste gedachte aan het geluk van haar
Fransken gaf.

Alhoewel schrikkelijk afgeschilderd, is de nacht niet zelden een weldoener.
Hij alleen is rechtvaardig ten allen tijde: de goeden overlaadt hij met
blijdschap en genot, de kwaden martelt hij door ingebeelde straffen. Als
een gezant van God ziet hij in het binnenste der harten, en voorzegt den
mensch, wat loon of wat wraak zijne daden verdienen en verwachten moeten.

De schoonste tafereelen had hij ditmaal uit zijne goocheltasch gehaald en
voor de oogen der grootmoeder doen verschijnen. Zij had rijkdommen gezien:
schoone huizen als paleizen, paarden als herten, koetsen als tronen,
lusthoven als paradijzen,--jeugdige lauwertakken! En te midden van dit
alles haar Fransken, zijne moeder, zijnen vader en zich zelve. Ontwakende,
wreef zij hare oogen rood, om die verleidende beelden te kunnen wederzien;
doch nadat zij, niet zonder spijt, bevonden had, dat het slechts een droom
was geweest, verging hare blijdschap niet geheel. De streelende
vooruitzichten verlieten haar bij haar wakend leven ook niet.

Ternauwernood was de stad met eene tweede en goudgele tint oversapt, of het
gansche huisgezin was te been. De man moest vroeg op zijn werk zijn en kon
niet zonder ontbijt vertrekken; de ouders kwamen dan alle drie beneden.

Met éénen blik en te gelijk zagen zij naar Fransken en bemerkten, dat hij
reeds in zijn bed recht zat en, bij den twijfelachtigen schijn van den
morgen, met zelfvergeten aan het teekenen was.

Het vuur aangestoken zijnde, ging de moeder tot het kind, nam het uit bed
en deed het op zijne knieën zitten.

«Lees vandaag een goed gebeêken, Fransken,» sprak zij, «dat Onze Heerken
ons doe gelukken!»

Het jongske knielde zoo langzaam en zoo plechtig neder, dat het genoeg te
zien was, wat godsvrucht en wat vuur hij in zijn gebed ging stellen. Hij
sprak met fijne stemme:

    's Morgens als ik opstaan,
    Zie ik twee engeltjes vóór mij staan,
    Engeltjes lief, engeltjes zoet,
    Maakt dat Fransken geen kwaad en doet.
              Onze Vader, enz.

Na dit gebed werd hij gekleed en gewasschen; en zoodra men hem dan vrij
liet, vatte hij zijne stukjes papier, ging bij het vuur zitten en begaf
zich aan het nateekenen van het een of ander voorwerp, dat zich in de kamer
bevond.

Weldra was de koffie opgeschonken, de zware boterhammen gesneden en de
tassen voorgezet. Alvorens zij begonnen te eten, maakten zij allen een
kruis; doch Fransken voegde er zijn gewoon gebedeken bij:

    Deezeken[15], kom eten mee,
    Breng uw liefste moeder mee.
    Deezeken, waar gij zijt,
    Is het al gebenedijd.
    Eet en drink, maar wees gedachtig,
    Dat het komt van God almachtig.

Een werkman verslijt niet veel tijds aan de tafel: op een oogenblik waren
al de boterhammen verdwenen. De vader trok zijn schobejak aan en ging de
deur uit, met de woorden:

«Tot den noen, zullen!»

Nu begon eerst de groote voorbereiding; Fransken werd nog eens ontkleed en
opnieuw gewasschen met Spaansche zeep en warm water; zijne krullende haren
netjes opgekamd; zijn strepen broeksken en zijn kieltje werden hem
aangedaan.

Hierna begonnen de twee vrouwen hun eigen _toilet_. Uit eene kist kwamen
twee sneeuwwitte trekmutsen voor den dag; twee rokken, een zwarte en een
met groote bloemen; twee paar fluweelen schoenen; twee jakken, een lang en
een kort, en een katoenen mantel van de grootmoeder. Dit was alles.--Met
deze kleedingstukken moesten de vrouwen zich schoon en zindelijk maken, om
met voordeel voor de heeren der Academie te verschijnen.

Toen de optooi bijna gedaan was, vroeg de grootmoeder: «Maar, Annemie, zijt
gij nu zeker, dat Trees, van hiernaast, aan den leerjongen van den barbier
van den knecht van M. Wabbes gesproken heeft?»

De Moeder.--Ja, hij zegt, dat het nog al moeilijk is, iemand op de Academie
te krijgen; maar hij heeft beloofd, dat hij alles zal doen wat hij kan, en
de baas is nog al goede vriend van den knecht van M. Wabbes.

De Grootmoeder.--De Academie gaat te zes uren open; wij moeten maken, dat
wij niet te laat komen. Spoed u wat.

De Moeder.--Maar weet gij waar wij zijn moeten? Zij zeggen, dat die
Academie zoo groot is, dat men gemakkelijk eenen geheelen dag er kan in
verloren loopen.

De Grootmoeder.--Gij zijt toch een sukkel, gij! Met vragen komt men immers
te Rome?

De Moeder.--Ja, dat is waar. Maar wat zullen wij nu aan die heeren zeggen?
Want gij weet wel, dat gij die heeren niet moogt aanspreken gelijk u of
mij, en dat die groote mannen nog al gauw op hunnen teen getrapt zijn. Gij
moest u zoo eens misspreken.

De Grootmoeder.--Daar is geen nood voor; laat mij maar doen. Als ik
binnenkom, dan zeg ik: Goeden dag, M. Van Bree! Goeden dag, M. Wabbes!
Dienaar, Mijnheeren!..... Kunnen zij dat nu kwalijk nemen? Het is immers
beleefd genoeg?

De Moeder.--Ja, ja. En dan? Hoe zult gij de zaak van onzen Frans aan hun
verstand brengen? Zie, daar ligt de knoop.

De Grootmoeder, _met ongeduld_.--Wees maar gerust: ik neem de teekeningen
van onzen Frans mede, en als ik die zal laten zien, zullen zij misschien
van zelf willen hebben, dat hij op de Academie blijve. Kom, het is al bij
den zessen; laat ons gaan.--Fransken, geef mij al de papieren eens hier,
dat ik ze in mijnen zak steke. Zijt gij gereed, Annemie? Vergeet gij niets?
Doe dan de deur maar toe.....

     *       *       *       *       *

Wat vreugd was er niet in het hart van Fransken, terwijl hij tusschen zijne
moeder en grootmoeder naar de Academie ging! Hoe licht en hoe vinnig waren
zijne huppelende stapkens! Met wat liefde bezag hij elken jongen, die, met
eene rol papier in de hand, hem voorbij ging..... Reeds waren al deze
leerlingen der Academie zijne vrienden. Hadde hij ze mogen omhelzen!

Aan de poort der Academie gekomen, vóórdat de klassen geopend waren, vielen
de twee verbaasde vrouwen tusschen een hoop wachtende jongens, die op hunne
vragen niet dan met spotternij antwoordden. Beschaamd en verlegen, wilden
zij zich verwijderen tot het openen der poort: doch de spottende jongens
liepen rondom hen en sloten ze in eenen onverbreekbaren kring. Dan volgde
er een _concerto_ van honderden fluiten, die als messen door de ooren
gingen; een afgrijselijk gebrom in de rollen papier; honderden roepen van
Meken! Meken! Wouw! Wouw!--en een bonzend geschreeuw van hoera! hoera!
zoodat de ongelukkige vrouwen niet meer hoorden of zagen, en bereid waren
om te weenen; maar gelukkiglijk, of liever ongelukkiglijk, ging de poort
der Academie op dit oogenblik open.

Gelijk de razende vloed, die eenen dijk doorbreekt, stroomden de jongens
onder de poort door. De vrouwen konden dit woest geweld niet wederstaan, en
werden mede door de poort en door den hof gesleurd en gestooten, totdat zij
zich weldra in eenen langen gang bevonden, zonder te weten, hoe zij daar
geraakt waren en nog duizelig van deze bestorming. De trekmuts van
grootmoeder stond scheef, zonder dat het mogelijk was, ze weder op hare
plooi te brengen; het haar van Fransken was in de war, en de kleederen der
beide vrouwen leelijk verkrookt.

Met stille, bevende stem sprak de grootmoeder:

«Wel, heilige deugd, Annemie! Wat is dat hier voor een leven? 't Is gelijk
een hoop duivels!»

De Moeder.--Och God, Meken, ik dacht, dat zij ons nog wel een half uur
verre zouden gestooten hebben. Maar waar zijn wij hier? Het is gelijk een
klooster.--Zie, daar komt een klein jongsken; dat ziet er geen deugniet
uit. Vraag hem eens, waar de kamer van M. Van Bree is..... Manneken, weet
gij niet waar wij gaan moeten om M. Van Bree te spreken? Waar is M. Van
Bree?

De Jongen; _hij steekt zijne tong uit en zet een *beeldeken*, gelijk men
dit te Antwerpen noemt:_

    Mijnheer Van Bree is in zijn vel.
    En als hij er uit komt, is hij niet wel!
                     (_Hij loopt weg._)

De Grootmoeder, _met wanhoop_.--Wel, wel! wat Uilespiegels altemaal!
Annemie, hier geraken wij nimmer te recht. (_Er komt een jongen, die hare
muts bij den vleugel vat en ze bijna van het hoofd rukt._) Wel, wat
schurken! Zij zullen ons nog de kleederen van het lijf scheuren..... Willen
wij maar naar huis gaan?

De Moeder.--Toe, toe, zet uwe trekmuts maar recht! Het is gelijk eene kat,
daar de straatjongens mede geleefd hebben. Nu zien wij er net uit om voor
die heeren te komen!

Fransken, _met stille stem_.--Zie, Meken, daar komt een heer aan; zie, hij
neemt zijnen hoed af voor u. Daar, hij gaat in die deur!

De Grootmoeder.--Och Heer! nu weten wij nog niets.

Fransken.--Ja maar, Meken, daar staat iets boven de deur te lezen. Laat ons
eens gaan zien.

(_Zij gaan tot bij de deur._)

De Moeder.--Kunt gij dat lezen, Fransken?

Fransken.--Ja, moeder. (_Hij beziet het opschrift een oogenblik en leest._)
Ka.....mer der di.....rectie.

De Grootmoeder.--Wel, wat botte getrekken dat wij toch zijn! Dat is nu de
kamer van M. Van Bree en van M. Wabbes. En als ik mij wel bepeins, die
jonge heer was M. Wabbes zelf.--Fransken, gij moet uwe klak afnemen,
zullen?

Fransken.--Ja, Meken.

De Grootmoeder.--Klop eens.

De Moeder.--Ja, maar mogen wij wel kloppen? Daar hangt eene bel boven de
deur ..... laat ons liever bellen.

(_Zij zoeken vruchteloos naar het belkoord, vermits dat het binnen de kamer
hangt._)

De Grootmoeder.--Dat is aardig, eh? Toe, klop maar.

(_Er komt een jongen voorbij, die om de vrouwen in verlegenheid te brengen,
zulk een zwaren stamp tegen de deur geeft, dat de gang er van dreunt._)

De Moeder, _verschrikt_.--Och, Meken, willen wij maar gaan loopen? Ik durf
hier niet langer blijven staan.....

De Grootmoeder.--Ja, ja, kom: wij gaan naar huis.

Fransken, _zijne moeder weerhoudende_.--Och neen, moederken lief, laat ons
niet naar huis gaan!

Eene stem in de kamer.--Komt binnen!

Fransken.--Hoort gij wel, moeder? zij roepen, dat wij moeten binnenkomen.

(_De vrouwen gaan bevend binnen en blijven vol vrees bij de deur staan._)

De Grootmoeder, _met het hoofd knikkende_.--Goeden dag, Mijnheer Van Bree,
goeden dag, Mijnheer Wabbes;--Dienaar, Mijnheeren!

M. Wappers.--Kom hier, moederken. Wat is er van uw beliefte?

De Grootmoeder.--Mijnheer Wabbes, als gij het niet kwalijk neemt, gij weet
wel ..... uw knecht ..... de barbier ..... en.....

De Moeder; _zij geeft haar eenen stoot met den elleboog_.--Is dat nu
spreken?--Hakkel zoo niet![16]

M. Van Bree.--Vrouwken, het is zeker voor dit jongsken, dat gij komt?

M. Snyers.--Om eene plaats voor hem op de Academie? Gij moogt niet bang
zijn, Vrouw. Spreek maar ronduit, en zeg maar wat gij begeert.

De Grootmoeder, _met eenen dankbaren glimlach_.--Wel, Mijnheeren, wat zijt
gij toch goed! Ja, Mijnheer Van Bree, ja, Mijnheer Wabbes, als gij de
goedheid wilt hebben om ons Fransken (_zij brengt het kind vooruit_) op de
Academie te laten komen ..... gij weet niet hoe blij wij zullen zijn.

M. Van Bree.--Hoe oud is hij, moeder?

De Moeder.--Elf jaar, Mijnheer.

M. Wappers.--Dit zou men niet zeggen. Zie, moeder, als ik u eenen raad mag
geven, laat hem dan liever nog een jaar of twee naar de school gaan; want
hier zou hij toch niets leeren. Hij is te klein en kan nog niet aan de
tafels staan.

De Grootmoeder, _bedroefd_.--Och, Mijnheer Wabbes!..... Hij heeft er zoo
eene goesting voor;--zie, de tranen komen al in zijne oogen, och arme!
(_Het kind beziet beurtelings al de professors met eenen smeekenden blik;
zijn gelaat is zoo sprekend en zoo zoet, dat het eenen diepen indruk op hun
gemoed maakt._) En dat gij wist, Mijnheeren, hoe hij altijd bezig is met
teekenen!

De Moeder, _invallende_.--Ja, Mijnheeren, hij is er altijd mede bezig. Al
etende, al drinkende, tot in zijn bed toe, maakt hij niets dan mannekens.
Ons geheele huis staat er vol van..... Gisteren avond heeft hij zijn
Meken, die daar staat, nog uitgeteekend.

De Grootmoeder.--Ja, het is waar, Mijnheer.

(_De professors betuigen eene groote nieuwsgierigheid._)

M. Snyers.--Daar steekt misschien iets in dit kind. Hebt gij het portret
niet bij u, moeder?

De Moeder.--Ja, Meken heeft het in haren zak.

M. Wappers.--Laat eens zien, Vrouw; geef dit eens hier.

De Grootmoeder, _zij wroet tamelijk lang in haren zak_.--Och Heer! Zou ik
het verloren hebben? Ha, neen. Hier is het.--Ziet, Mijnheeren.--Het is nog
maar een kind, Mijnheeren.--Ik zeg niet, dat het portret goed gedaan is;
maar het lijkt toch een beetje.

(_De professoren geven elkander het stuk papier over. De eene bijt op zijne
lippen, de andere schijnt te moeten niezen; doch bij het bezien der
grootmoeder, die zich als vergelijkingsmiddel in het midden der kamer
plaatst, barsten zij eindelijk in eenen langen lach los._)

De Moeder, _stil tot de grootmoeder_.--Meken, zij lachen!

De Grootmoeder, _met blijdschap_.--Laat ze maar lachen; hoe meer hoe
liever. Ziet gij niet, dat ik het er om doe; nu komt Frans zeker op de
Academie.

De Moeder, _met twijfel_.--Ik geloof het niet.

De Grootmoeder, _tot de professoren_.--Ja, Mijnheeren, niemand heeft zijn
eigen zelven gemaakt ..... het is mijne schuld niet, dat ik niet meer
schoon ben.--Wat is een oud mensch?

M. Schafels.--Maar, Vrouw, hij heeft zeker betere dingen geteekend; hebt
gij geene andere bij u?

De Moeder.--Wel, Mijnheer, hij kan niets zien of hij teekent het uit. Daar
is de tamboer-majoor van het 6de, die heeft kennis in onze geburen; hij
was nog geene drie keeren door onze straat gegaan, of Fransken had hem al
op zijn papier staan..... Laat het eens zien, Meken.

De Grootmoeder; _zij geeft een stuk papier aan M. Van Bree_.--Ziet,
Mijnheeren! Dat gelijkt misschien nog beter.

(_De professoren doen geweld om zich te bedwingen; M. Schafels ligt met het
hoofd op de tafel._)

De Grootmoeder, _voortgaande_.--En met de St.-Andrieskerk is hij ook al
naar huis gekomen, en dat was schoon, met deuren en vensters nog al. Ik heb
het ook in mijnen zak:--ziet, Mijnheeren.

M. Van Bree.--Daar staat gelijk eene schouw op de kerk? Dat is wat nieuws.

De Grootmoeder, _met eene merkbare spijt_.--Ja, dat is mis. Dat is mis,
Fransken. Waarom hebt gij eene schouw op de kerk gezet?

Fransken.--Wel, Meken, dat is om M. Pastoor zijn eten te koken. (_Dit
antwoord verwekt een nieuwen lach._)

M. Van Bree, _tot M. Wappers_.--Wat dunkt er u van, zouden wij dit kind op
de Academie laten?

M. Wappers.--Ik geloof dat dit goed ware; het jongsken is niet zonder
geest. Mij dunkt, dat er waarlijk iets zou van te maken zijn.

M. Serrure.--Maar, Vrouwken, kan hij wel lezen en schrijven?

De Grootmoeder.--Wel, Mijnheer, hij gaat al vijf jaar naar de
Broôkens-kapel; en vraag het maar eens aan meester Klincko: hij heeft dit
jaar nog twee prijzen gehad. In het Vlaamsch kan hem al niets meer geleerd
worden;--hij leert al Fransch!

M. Serrure.--Zoo! dat is wat anders.

M. Wappers, _tot M. Van Bree_.--Laat mij het kind eens
aanspreken.--Manneken, kom gij eens hier. (_Het jongsken gaat bij hem; hij
streelt het onder de kin. Fransken lacht hem dankbaar toe._) Zeg mij eens,
lief kind, welken stiel zoudt gij gaarne leeren?

Fransken; _er komt eene wonderlijke uitdrukking op zijn gelaat; uit zijne
zwarte oogen straalt een vurige blik_.--Schilderen, gelijk Rubbes[17],
Mijnheer!

M. Wappers.--Maar, kind, zeg mij eens: zie, dit manneken is uwe
grootmoeder, niet waar? Zoo is zij immers niet, met al dit haar rond het
hoofd?

Fransken, _met stille stem_.--Ja, maar als Meken 's avonds werkt, dan doet
zij hare muts af, en dan heeft zij zoo een haar wel.

M. Wappers, _tot M. Van Bree_.--Wij zullen het kind maar op de Academie
laten komen; het ziet er vinnig en verstandig uit.

M. Van Bree.--Ja, ja!

M. Wappers, _tot het kind_.--Zult gij goed leeren, manneken?

Fransken, _hem met hoop in de oogen ziende_.--Och ja, Mijnheer!

M. Schafels.--Wij zullen hem op een banksken zetten.

M. Wappers.--Wel, leer dan maar goed;--en wacht een weinig, ik zal met M.
Van Hool eene plaats voor u gaan zoeken.

De Grootmoeder; _met blijdschap tot Fransken gaande_.--Bedank die heeren en
kus uwe hand!

(_Het kind kust zijne hand en beziet beurtelings al de professoren,
blijkbaar om ze allen te bedanken. Vervolgens gaat het bij zijne moeder en
grootmoeder en beziet haar met tranen van blijdschap in de oogen._)

M. Wappers, _tot de vrouwen_.--Gaat gij lieden maar naar huis, Vrouwkens.
Fransken blijft op de Academie.

De Grootmoeder, _knikkende_.--Gij zijt bedankt, Mijnheer Van Bree; gij zijt
bedankt, Mijnheer Wabbes; bedankt altemaal, Mijnheeren.--Kom nu maar aan,
Annemie;--'t is nu wel!

(_Zij gaan de deur uit en begeven zich naar huis langs de
Minderbroedersstraat._)

De Moeder, _met blij gemoed_.--Wel, Meken, wie zou dat toch zeggen! Wat is
toch iemand, die nog nooit iets gezien of bijgewoond heeft! Wij, die zoo
bang waren om voor de heeren te komen..... Maar zie, ik mag wat zijn, als
ik niet liever met die menschen zou te doen hebben dan met die van ons
kwartier. Hoe beleefd en hoe goed dat zij waren! Zij hebben met ons
gesproken gelijk zuster en broer.--Dat zijn nu eerst menschen!..... Een
geluk dat M. Wabbes u geholpen heeft, of gij bleeft er wat schoon in
steken!

De Grootmoeder.--Ja, M. Wabbes, die is goed voor de burgermenschen; dat
weet ik toch al lang. Zie, hij gaat zelf eene plaats voor ons Fransken
zoeken, alsof het zijn eigen kind was!

De Moeder.--Ja, M. Van Bree toch ook, Meken.

De Grootmoeder.--Och! het zijn altemaal goede menschen.

(_De vrouwen gaan dus koutend tot in hunne woning._)

     *       *       *       *       *

Fransken had eene plaats op de Academie bekomen. Van dien dag af begon hij
de baan, die hij intrad, met een weinig kennis van zaken te beschouwen. Hij
begreep, hoe langzaam en hoe moeilijk de studie der kunst zijn moest, daar
hij, die gedroomd had van mannekens en schilderijen, nu reeds eenen
geheelen morgen, met het zweet op zijn aanschijn, gepoogd had eenen grooten
neus na te teekenen, zonder in die poging te hebben kunnen gelukken; maar
hij zou te huis zich zelf vergoeden voor de lastige studiën. Daarom bezag
hij met driftige aandacht al de beelden, die in het bereik van zijn gezicht
waren, en prentte wel in zijnen geest, waar hun de oogen, neus en mond in
het hoofd stonden, en hoe hun de armen en beenen aan het lichaam hingen.
Dan vol van deze herinneringen, verliet hij de Academie na het eindigen der
lessen, en begaf zich naar het Kasteelplein, dat niet verre van zijne
woning gelegen was, en waar hij wist dat de soldaten op dit oogenblik bezig
waren met krijgsoefening te leeren. Na hen een half uur bezien te hebben,
liep hij naar huis en viel seffens aan het teekenen. Weldra toonde hij aan
zijne grootmoeder een stuk papier, terwijl hij zegepralend uitriep:

«Zie, zoo staan de soldaten op het Kasteelplein!»

«Maar hoe is 't godsmogelijk!» riep de verwonderde grootmoeder.

[15] _Deezeken_ beteekent Jesus in de taal der kinderen.

[16] Stamel zoo niet.

[17] De naam Rubbens wordt evenals de naam van Wappers, met weglating der
voorlaatste letter, door het volk uitgesproken.



III

De baan der Kunst.--Verschillende klassen der Academie.--Prijs,
uitdeeling.--Waar men kennis maakt met Baron De Pret.


Sedert zijne aanneming op de Academie was Frans nog meer dan ooit op de
schilderkunst verslingerd geworden; alle spelen verveelden hem; er kwam
meer ernst in zijn gemoed, en hij verzelfstandigde zich met zijne hooge
bestemming. Papier en potlood verlieten hem nooit; en kreeg hij van zijne
ouders een Zondagsoordje, zoo hing hij het meteen aan een blad mannekens,
dat dan wel twintigmaal door hem werd nageteekend. Op de Academie werd zijn
voortgang er niet merkelijk door versneld; want hij bleef een geheel jaar
op de _Hoofden in omtrek_. Die gang was te traag voor zijnen onverduldigen
geest; geen wonder dus, dat hij, te huis zijnde, zich altijd eene klasse
verder tooverde dan op de Academie. Nog op den _Omtrek_ zijnde, teekende
hij reeds geschaduwde beeldekens na, die hij in de school, om zijne
leerzaamheid, van den Pastoor gekregen had. Het tweede jaar was Frans de
_eerste_ van het _Figuur in omtrek_. Hij won een lauwertaksken, dat hem bij
de prachtige prijsuitdeeling en onder handgeklap werd toegereikt.
Grootmoeder en moeder kusten haren zoon wel tienmaal, en in hunne
onwetendheid dachten deze vrouwen, dat de gedroomde rijkdommen nu
onfeilbaar op de komst waren. De vader alleen zag die vreugdebedrijven met
mistrouwen en beweerde, dat er nog geene groote kunst te vinden was in de
beelden, die zijn zoon nog dienzelfden dag geteekend had; maar hij kon de
vreugd der vrouwen niet verminderen.

Het vierde jaar behaalde Frans den tweeden prijs van het _Geschaduwd
Figuur_.

Nu was hij reeds vijftien jaar, en, daar hij nog al rijzig van gestalte
was, had hij reeds het voorkomen van een jonkman. Al zijne pogingen
strekten dan om op het _Antiek_ te kunnen gaan; maar dit gelukte hem niet,
alzoo er geene plaats op die klasse open was. In afwachting maakte hij
kennis met eenen leerling van het _Leven_ en vroeg hem alle weken, welk
_onderwerp_ er voor de _Samenstelling_ en _Uitdrukking_ gegeven was, en
teekende dan in stilte de gegevene onderwerpen, om ze door den leerling van
het _Leven_ te doen nazien. De eerste maal, dat hij eene _Samenstelling_
poogde te maken, had M. Van Bree het volgende _onderwerp_ gegeven:

«De schilder Brouwer, in eene herberg wel gedronken hebbende en zijn gelag
niet kunnende betalen, vraagt pen en papier, en maakt eene teekening op de
tafel, waarbij hij gezeten is. Terwijl komen de drinkebroêrs achter hem
staan; ja, er zijn er, die op de stoelen klimmen.»

Frans toonde deze _Samenstelling_ aan den leerling van het _Leven_.

Hoe weinig de eerste poging hem ook gelukt ware, ging hij niettemin vlijtig
voort, en maakte op korten tijd tamelijk goede _Samenstellingen_.

Alhoewel Frans door den dagelijkschen omgang met zijne kameraden de
aantrekkelijke zoetheid zijner inborst gedeeltelijk had verloren, was er
nochtans altijd evenveel gevoel en deugd in zijn hart.

Zijne grootmoeder had hij den diepsten eerbied en de warmste liefde
toegewijd. Dikwijls, wanneer de stokoude vrouw hem door de streelende
vooruitzichten aanmoedigde, riep hij met oogen, die van dankbaarheid
blonken:

«O, Grootmoeder, zoo ik schilder word en gelukkig ben, dat ik geld kan
verdienen, oh, dan zal ik u en mijne ouders al uwe zorgen en goedheid
vergelden. Dan zal ik maken, dat uwe oude dagen schoon en vroolijk zijn.
Gij zult mij nimmer verlaten, en ik zal nimmer trouwen om u altijd te
kunnen beminnen. Vrees niet, ik zal niet doen gelijk vele schilders, die
evenals ik uit arme burgers zijn voortgekomen, en die hunne ouders niet
meer kennen willen. Neen, indien ik eene overwinning in de kunst mocht
behalen, dan zou ik u met fierheid durven toonen en zeggen: daar is zij,
die mij tot schilder heeft gemaakt!»

De vreugdetranen leekten dan over de berimpelde wangen der oude vrouw, en
een wederzijdsche zoen was het slot van zulke liefdesbetuiging.

     *       *       *       *       *

Nu begon Frans de echte baan der kunst in te treden: hij was op de klasse
van _Antiek_ of _Pleister_, en moest nu niet meer geteekende beelden
nabootsen, maar wel de schoone vormen van den _Apollo_ of den _Laocoön_ op
het papier teruggeven. Dit viel hem in het eerst moeilijk, et het duurde
toch al tamelijk lang, eer hij de middelen begrepen had om de hoogten en de
diepten, de lichten en de schaduwen wel en vloeiend uit te drukken. Hij
moest ter zelfder tijd de leergangen van _Samenstelling_ en van
_Uitdrukking_ volgen. In deze laatste oefening vond hij een bijzonder
behagen, en reeds aan zijne eerste proef, alhoewel gebrekkig, kon men
bemerken, dat hij groote geschiktheid had om de hartstochten op de
wezenstrekken uit te drukken.

Weldra zal zijne hand de ingevingen van zijnen geest kunnen beantwoorden:
hij is op de klasse van het _Levend Model_ overgegaan. Nu gaat hij de
vormen van het menschenlichaam in de natuur zelve bestudeeren.

     *       *       *       *       *

Sedert eenigen tijd was er eene merkbare verandering in de levenswijs van
Frans omgegaan. Hij had begrepen, dat een schilder, zonder allerhande
kennis ten minste oppervlakkig te bezitten, niet gemakkelijk een goed
kunstenaar kan worden en der kunst zelve geene eer kan toebrengen; daarom
zocht hij naar boeken over geschiedenis, kostumen en oudheden; kocht of
ontleende ze en bracht al zijne avonden door met ze te bestudeeren en er
krabbelingen naar te maken, om zich de hand in de _Samenstelling_ te
oefenen.

Wanneer Frans een werk aantrof, dat hem eenige schoone gedachten
inboezemde, voerde hij deze onmiddellijk op het papier uit, en vormde zich
op deze wijze eene rijke verzameling van studiën en krabbelingen, die hem
later zeer nuttig moesten zijn. Wat hij ook vinden mocht, dat hem oorzaak
tot het oefenen van zijnen geest gaf, hij maakte er gebruik van, en had,
dit doende, het ware middel gevonden om een goed en geleerd kunstenaar te
worden.

Al die vlijt, al die moeite, gepaard met eene ingeborene geschiktheid,
deden onzen jongen kunstenaar met groote stappen vooruitspoeden; hij snelde
in de studie al zijne kameraden voorbij. In den loop van 1839, en in zijn
negentiende jaar zijnde, behaalde hij meest al de eerste prijzen van de
hoogere klassen der Academie.

Het onderwerp, dat voor den prijskamp van _Samenstelling_ gegeven was,
moest eene openbare halsrechting in Spanje vertoonen. Frans maakte daarvan
eene schoone schets; doch er was nog eene betere ingebracht, want hij
verkreeg slechts den tweeden prijs. Dan, in den prijskamp van _Uitdrukking_
was hij gelukkiger en overtrof daarin al zijne medekampers.

Eindelijk, voor overmaat van geluk, behaalde Frans dit jaar den eersten
prijs van _Teekening naar het levend Model_, zijnde dit het hoogste punt,
dat men in dien tijd op de Academie bereiken kon.

Op den dag der prijsuitdeeling kon men onder de aanschouwers eene oude
vrouw zien zitten, die telkenmaal, als de naam van Frans werd uitgeroepen,
van haren stoel opsprong en met geweld eenen traan van blijdschap in elk
harer oogen terughield. Haar hart was vol gelukzaligheid: zij had haar
kind, haren beminden Frans, reeds viermaal bekroond gezien, en met vier
zilveren of gouden medailles, onder een lang handgeklap, van de verhevene
stelling zien komen.

De Burgemeester had hem gekust, de Gouverneur had hem de hand gedrukt! En
de grootmoeder zag dit alles in verrukking, ja met verdwaaldheid aan.

De prijsuitdeeling gedaan zijnde, wilde de heer Baron De Pret in zijn eigen
rijtuig den bekroonde huiswaarts voeren, doch eerst nam hij hem mede naar
zijne eigene woning, beschonk hem daar met een glas wijn, en gaf hem eenige
kostelijke boeken over kostumen en oudheden ten geschenke, benevens eenige
belangrijke raadgevingen.

Onderweg had Frans op de vragen van Baron De Pret met rechtzinnigheid
geantwoord en hem met zooveel liefde van zijne grootmoeder gesproken, dat
de Baron de oude vrouw zien wilde.

Toen het rijtuig in het St.-Andrieskwartier en omtrent de woning van Frans
kwam, werd de koetsier gedwongen zijne vaart te vertragen en de paarden op
stap te doen gaan,--zooveel volk stond er in de straten. Het gansche
kwartier was te been; jong en oud wedijverde om aan Frans, den jongen van
hunne parochie, eer en hulde te bewijzen; overal werd hij begroet door een
lang en schaterend gejuich.

De Baron stapte met Frans uit het rijtuig in zijn huis en sprak eenige
vriendelijke woorden tot zijne ouders, waarna hij vertrok.

De moeder en de grootmoeder van Frans waren niet verre van zot te worden;
de vader zelf was vol hoogmoed. Hoe kon het met de vrouwen anders
zijn?--Baron De Pret, die edele beschermer der kunsten, was in hun huis
geweest; hij had hen aangesproken, en het gansche kwartier wist het; al de
geburen betoonden hun eerbied of benijdden hun geluk!

Maar wat verrukking was het niet, wat eer!--Des avonds kwam er eene
talrijke Harmonie voor de deur der arme woning spelen!

Bovenal bracht het deuntje _Waar kan men beter zijn_ de vreugd tot den
hoogsten top in de harten der vrouwen. Grootmoeder, alhoewel stijf en
verstramd door den ouderdom, sprong nog eens als eene jonge meid van haren
stoel op, huppelde de kamer rond, greep Frans en zijne moeder bij de hand
en dwong hen in eenen _rondedans_ te draaien, terwijl zij met eene heesche
stem het liedje zong:

    Waar kan men beter zijn,
    Waar kan men beter zijn
    Dan bij zijn beste vrienden?
      Wij zijn kontent;
      Wij hebben geenen vent
      Laat ons drinken,
      Laat ons schenken,
      Gelijk wij zijn gewend!

Hare stem werd weldra verdoofd door het razend geroep der leerlingen van de
Academie, die voor de deur stonden en tot barstens toe schreeuwden:

«Vivat Frans!..... Vivat de Primus!»

Wie zou de vreugdetranen tellen, welke op dezen dag door dit gelukkige
huisgezin werden gestort?.....



IV

Verandering van toon.--Waarom er zoo weinig goede schilders zijn. Middelen
om in de kunst gewissen voortgang te doen.


Er zijn in België oneindig veel kunstenaars. Maar waarom zijn er zoo
weinig, wier namen met eenigen luister omgeven zijn? Waarom bevinden velen
zich in broodsgebrek?

Hierop zou men oppervlakkig kunnen antwoorden met de bekende spreuk: _velen
zijn geroepen maar weinigen uitverkoren_. Of wel met de woorden van den
Franschen dichter:

    Soyez plutôt maçon, si c'est votre métier.

Maar die redenen zijn alleen niet voldoende om de schaarschheid van goede
kunstenaren uit te leggen; er bestaan andere oorzaken, die eenen veel
verderfelijkeren invloed op den voortgang der jonge leerlingen uitoefenen,
en hunne bestemming den hals breken, eer zij nog weten kunnen, of zij
waarlijk tot het vak der kunsten geroepen zijn. Om deze oorzaken tastbaar
voor te stellen, zullen wij hier eene kleine schets ophangen van de wijze,
waarop een leerling, die _moet mislukken_, zijne studiën oefent.

     *       *       *       *       *

Een vader denkt in zijnen zoon groote voorbeschiktheid tot de schilderkunst
te bemerken; wie denkt zulks niet van zijne kinderen?--Hij doet hem op eene
Academie of teekenschool zijner stad gaan. Lui en loom van gemoed, leert
dit kind dan toch na ettelijke jaren de beginselen der teekenkunde; of wel,
vlijtiger, leert hij ze in minder tijds.--En wij vooronderstellen, dat hij
waarlijk alles in zich hebbe om een groot kunstenaar te worden ..... maar
de hoogmoed, die bedrieger, die valsche raadsman, moeit zich met de zaak.
De vader slaagt de armen in de hoogte bij het zien der nog weinig
gevorderde studiën van zijnen zoon: het schijnt hem dat hij reeds mirakelen
doet. Hij gaat in herbergen, koffiehuizen en gezelschappen, en valt
iedereen lastig door het onophoudend verhaal van het vernuft des jongens.
Eenigen geven geloof aan de pocherij; zij verspreiden ze. Eindelijk gaat de
zoon in de gebuurte door voor een klein kunstwonder, en al die loftuigingen
komen aan zijne ooren. Hij blaast zich op,--en niet zoodra heeft hij eenige
dagen naar _Antieken_ geteekend, of hij moet een _atelier_ hebben; hij moet
schilderen, schilderijen maken:--hij, die nog geenen goeden neus uit zijn
hoofd kan teekenen!

Waarlijk, hij heeft een paneel en eenen schilderbak gekocht. Zijne nog
witte knevels komen beschaamd op zijne lippen staan; zijn haar groeit
schrikkelijk en wild op zijn hoofd, en de straatjongens roepen hem na met
het woord _Artist_.

Hij schildert dan;--maar wat zal het beteekenen? Het is een manneke, dat
op eene tafel ligt te slapen,--bemerkt, dat hij dan het aangezicht niet
schilderen moet, daarbij eene hesp in eenen schotel, met eenen hond, die er
aan komt bijten; in het verschiet wat kassen, potten, ketels, enz.

Aan die onbeduidende samenstelling arbeidt hij drie maanden; hij wrijft,
hij veegt, hij knoeit, hij steelt ..... en ziet! eindelijk komt er iets uit
zijne handen, dat van verre aan eene schilderij gelijkt.

De vader en de vrienden zeggen:

«Het is een Teniersken!»

Maar anderen zeggen met meer reden, dat het een armzalig broddelwerk is.
Het doorzicht is er niet in verstaan; de voorwerpen van de tweede diepte of
_plan_ zijn grooter dan die van de eerste; de beenen en armen hangen
gebrekkelijk aan het lichaam, of zijn te lang of te kort; de voorwerpen
vallen om; de hond is een raadsel, dat _Buffon_ zelf gewis niet zou hebben
kunnen oplossen.....

Tot hiertoe is het kwaad nog niet groot: de jongen luistert nog naar
raadgeving van meerdere kunstenaren; hij gaat nog naar de teekenschool,
alhoewel hij er met tegengoesting leert.

Maar, o ongeluk! een vriend van zijn huisgezin of een arm, onkundig
liefhebber geeft hem honderd franken voor zijn schilderij!

Nu is de bom geborsten..... Hij wil en zal een _atelier_ hebben, dat niet
in het huis zijns vaders zij, opdat men voortaan vrage: waar is het
_atelier_ van zulk eenen? Hij neemt en bederft eenen jongen, en heeft dus
eenen _élève_ of leerling: dus is hij Meester..... Zal hij op de Academie
voortgaan in de teekenkunde? Zal hij, die Meester is, tusschen leerlingen
zitten? Dit kan immers met zijne opgeblazenheid niet samenstaan?
Dienvolgens verlaat hij de Academie of Teekenschool.

Wat kan er nu van den zoo gezegden kunstenaar geworden? Hij kan niet
teekenen; hij kent niets van het samenstel van het menschelijk lichaam;
doorzicht is hem eene vreemde wetenschap.....

Hij kan zijne teekenstudie te huis vervorderen,--zou men kunnen
denken,--maar het is onder schilders eene bekende waarheid, dat hij, die
aan het schilderen geraakt, meest altijd eenen afkeer van het teekenen
krijgt.

Neen, die ongeleerde kunstenaar blijft zijn geheele leven lang knoeien,
verkoopt van tijd tot tijd eene slechte en onbeduidende schilderij en
sleept zijne bittere dagen tusschen hoogmoed, nijd en moedeloosheid. Hij is
afgunstig op iedereen, spreekt kwaad van zijne kunstgenooten ..... en
sterft meubelschilder.

En misschien was hij geroepen om zijn vaderland te verheerlijken! Misschien
lagen rijkdom, eer en geluk voor hem bestemd; maar zijne slechte studiën
hebben hem in den grond geboord, en zijn ingeboren vernuft ten onnutte
gemaakt.

Wij moeten het bekennen, enkele werkzame geesten beseffen in dien toestand
de middelen om zich nog te redden, en redden zich inderdaad; maar daartoe
behoeft geene kleine hoeveelheid moeds. Wij kennen er, die een gedeelte van
den dag en menigen avond zich oefenen in de teekenkunde, die lezen,
onderzoeken en vergelijken, en niets nalaten om den verloren tijd in te
winnen. Wij kennen er, die door zoeken en door zwoegen zich eene
eigenaardige kleur hebben aangeschaft; die arbeiden van den morgen tot den
avond, en door echt schoone voortbrengsels zich onderscheiden. Tot deze
werkzame kunstenaren zijn onze harde woorden niet gericht. Integendeel,
dezen prijzen en achten wij als mannen, die veel bijbrengen tot den roem
der Vlaamsche school. Nooit is een arbeid met moed ondernomen en met
standvastigheid voortgezet, of zijne vruchten waren gewichtig en
aanzienlijk.

Neen, onze looden waarheden vallen op den hals van hen, die hunnen tijd in
zorgeloosheid verspillen; die gedurende een gering gedeelte van den dag aan
een knoeiwerk arbeiden, en misschien noch potlood, noch krijt in hun bezit
hebben; die in een geheel jaar niet eenen enkelen avond uit de herberg
blijven, en daar door pochen en zwetsen doen gelooven, dat de kunst in
praten bestaat; zoodanig dat zelfs eenvoudige menschen de schouders er van
optrekken;--van hen, die met eene ongehoorde waanwijsheid over alles durven
oordeelen, en denken, dat het genoeg is met den naam _Artist_ behangen te
zijn, om de _Science infuse_ of ingeboren wetenschap te bezitten, zonder
dat het noodig zij ooit een boek in de hand te nemen ..... van hen, die de
kunst verlagen door hunne hoogmoedige onwetendheid!

Wanneer dan zullen deze ongelukkigen begrijpen, dat de kunst een tempel is,
waar men niet binnentreedt zonder voorbereiding?--waar men niet ingaat,
vooraleer men door het water der leerzaamheid de vlekken der onkunde van
zijnen schedel gewasschen hebbe? Wanneer zullen zij beseffen, dat men het
vaderland niet vereeren kan, vooraleer men zich zelven eeren en achten
doet? Nimmer.--Begrijpt de waanwijsheid?

Jongere leerlingen! gij, die uwe teekenstudiën begint, geeft acht op mijne
woorden! Voorwaar, ik zeg het u, wilt gij schilder worden en glorie zoeken,
leert dan alles, wat er in de kunsten kan geleerd worden,--dan zult gij
rijk aan kennis zijn; uw vernuft zal zich zonder moeite ontwikkelen, uwe
hand zal kunnen gehoorzamen aan de inspraak van uwen geest, en niets zal in
het uitvoeren uwer scheppingen een hinderpaal zijn. Leert en arbeidt in uwe
jonge jaren ..... zoo niet, moogt gij deze woorden als eene voorzegging
aannemen: _vergeten knoeier--arm leven--en bitter brood_!



V

De geschiedenis van Frans wordt treurig.--Hoe Baron De Pret de kunsten
aanmoedigt.--Groote rampen, die Frans overvallen.--Hoe hij eindelijk het
loon zijner werkzaamheid krijgt.--Wat hij nu is en hoe hij nu leeft.--Slot.


Zij dwalen, die denken, dat men met de grootste geschiktheid van geest, met
het fijnste ingeboren vernuft en met de beste studiën zoo maar in korten
tijd kan schilder worden; neen, er verloopen nog al eenige lange maanden,
somtijds wel jaren, eer men de kleuren en verven meester wordt en over deze
als over gehoorzame werkstoffen kan beschikken. Men maakt zooveel
gebrekkelijk schilderwerk, eer men een goed tafereel voor den dag brenge!

Dit begon het huisgezin van Frans, en hij zelf nu eerst bitter te gevoelen.
Zijne ouders hadden voor hem alle opofferingen gedaan zonder de minste
achterdocht, omdat zij niet twijfelden, of Frans zou eerlang een groot loon
voor zijne werken krijgen; maar, eilaas! hoe bedrogen de goede lieden zich!
Hunne opofferingen werden noodzakelijk allengs grooter en lastiger,
naarmate hun zoon dichter bij de mannenjaren kwam. Hij moest alle
oogenblikken verf, penseelen of doeken hebben; en al deze kosten moesten
genomen worden op de geringe winst van het kantwerk van Meken en op het
dagloon des vaders.

De twee vrouwen hielden lang voor den man verborgen, dat zij geld ontleend
hadden; eindelijk bekenden zij hem, dat zij tot aan den hals in de schuld
staken. Dit verschrikte den eerlijken en fieren werkman zeer; hij ging meer
dan eens met verdriet naar zijn werk, doch hij sprak geen enkel bitsig
woord tegen Frans of tegen de vrouwen. Hij zelf was hoogmoedig over zijnen
zoon geworden en begreep dat het nu geen tijd meer was om terug te keeren.
Hij verkropte dan in stilte de schaamte, die de gedachte van schuld te
hebben hem veroorzaakte, en zag eene bittere toekomst te gemoet.

Een eenvoudig voorval redde het droeve huisgezin uit dien dreigenden nood.

Meken ging sedert eenigen tijd alle dagen een gebed lezen in de
St.-Andrieskerk, voor het beeld der bedrukte moeder. Eens dat zij na haar
gebed huiswaarts keerde, ontmoette zij Baron De Pret in
St.-Andrieskerkstraat. De edelmoedige man herinnerde zich de wezenstrekken
der oude vrouw, en vroeg haar met veel goedheid, hoe het met haar ging, en
of zij nu tevreden was. Hierop volgde natuurlijkerwijze eene lange klacht
van grootmoeder; des te meer, daar zij niet anders kon denken, of die
weldoener der kunstenaren was haar door toedoen der Moeder Gods ter hulp
gestuurd. Zij bedroog zich niet in haar geloof, de goede vrouw! De Baron
vatte hare magere hand in de zijne en sprak glimlachend tot haar:

«Waarom hebt gij mij dat niet eerder gezegd? Wees maar gerust, vrouwken.
Kent gij M. Wappers?»

«Ja, Mijnheer de Baron.»

«Welnu, zeg aan Frans, dat hij bij M. Wappers alle maanden vijf en twintig
franken mag halen: ik zal ze daar leggen voor hem.»

Hiermede ging de Baron van haar weg en liet haar ontsteld staan. Gedurende
eene halve straat weegs bezag hij met ontroering twee ronde tranen, die
Meken als een verbond van eeuwige erkentenis op zijne hand gestort had!

De weldadigheid van Baron De Pret liet aan Frans toe, zijne studiën zonder
hartzeer te vervorderen; hij geraakte dan zoo ver, dat hij het durfde
ondernemen een schilderij samen te stellen en uit te voeren.

Een onvoorzichtige, ja, veeleer een domme vriend deed hem gelooven, dat
zijn werk goed was, en dat hij het in de bestendige vertoonzaal of
_Exposition permanente_ moest ophangen.--Maar, hoe betreurde Frans zijne
onbezonnenheid! Zijn tafereel, dat inderdaad nog gebrekkig was, werd des te
meer beknibbeld en des te luidruchtiger afgekeurd, omdat het van een
beginneling kwam, die zich nog geene eeuwige verdedigers of _opzetters_ had
aangeschaft.

Hij maakte schoonere en betere schilderijen; doch de reeds ingewortelde
vooringenomenheid stiet hem telkens terug. Nu scheen het, alsof hij nergens
goed voor ware, alsof hij nimmer iets anders dan broddelwerk zou kunnen
voortbrengen. Dit vooroordeel was ten laatste zoo sterk aangegroeid, dat
zijne weinige vrienden zelven zijn werk niet durfden prijzen, uit vreeze
van door te gaan voor _épiciers_ of onkundigen van slechten smaak.
Verstooten uit den kring der kunstenaren, altijd achteruitgeplaatst door
mannen, die minder vernuft hadden dan hij, bekend voor eenen knoeier, bleef
Frans echter leeren en arbeiden; maar zijne schilderijen bleven ook, ter
bewondering van zijn Meken, tegen de wanden zijner arme woning hangen.

Dit zij eene les voor alle jonge kunstenaren! Al wie voor de eerste maal
eene schilderij ten toon hangt met de wetenschap, dat hij eene betere maken
kan of zou moeten kunnen maken, is een dommerik, die zich zelven eene
onherstelbare schade doet. Want, is het niet bij het eerste voortbrengsel
van eenen kunstenaar dat men over zijn verleden, zijn tegenwoordig en zijn
toekomend vernuft oordeelt? En wat moeite, wat uitsteken gewrocht zal er
niet noodig zijn om dit eerste oordeel te niet te doen? Die, welke de
slechte schilderijen gezien hebben, zien daarom altijd de goede niet, en
blijven dus bij hunne eerste gedachte.

Meer dan eens nog beweende Frans bitterlijk zijne eerste onvoorzichtigheid;
dikwijls, wanneer hij voor een paneel op zijnen zolder of _atelier_ gezeten
was, sloeg hij zich met de vuist op het voorhoofd en riep:

«Hoe is het mogelijk! Wat domheid, wat verblindheid heeft mij gedreven? Ik
wist, dat mijne schilderij vol gebreken was. En ze ten toon hangen? Ho, ik
was zeker van mijne zinnen.....»

     *       *       *       *       *

Maar zijne ongelukken waren nog niet ten einde.

Alsof God hem in de baan der kunst beproeven wilde, werd hij in eens door
twee schrikkelijke rampen geslagen. Zijn vader, die aan het lossen der
schepen arbeidde, brak door het vallen eener ton zijnen rechterarm, die
daarenboven nog ten deele was verpletterd.

Drie dagen later stierf zijn weldoener Baron De Pret!

Dit laatste ongeluk trof het arme huisgezin zoodanig, dat zij allen twee
dagen in tranen doorbrachten, zonder bijna een woord te spreken.

     *       *       *       *       *

Op den dag der begrafenis van Baron De Pret volgde eene ootmoedige
_vigilante_ van verre den lijkstoet. Te Hemixem en bij de begraafplaats
gekomen, stapten drie personen uit het geringe rijtuig. Zij gingen nevens
het kerkhof in eenen zijdeweg en waren gedurende de begrafenis niet
zichtbaar.

Toen alles gedaan was, en de prachtige koetsen al de aanschouwers der
lijkplecht op de baan van Antwerpen in volle vaart stedewaarts voerden, zag
men drie personen met stille stappen het kerkhof binnentreden. Het was
Frans, die zijne stokoude grootmoeder onder den arm hield, terwijl zijne
moeder haar aan de andere zijde ondersteunde. Niemand zag hen, want alles
was doodstil op het kerkhof, en de grootste eenzaamheid heerschte er.

Ziet gij ze alle drie, met roodgeweende oogen, met snorkenden adem, dien
hoop versch opgeworpen aarde genaken? Daar rust hij, die het goed in stilte
deed.....

O, zegt niet, dat de deugd niet geëerd, niet beloond wordt: de tranen dezer
menschen wegen duizend in de schaal van God!

Ziet, de vrouwen knielen neer op den hoop aarde.

Zij vouwen de handen te zamen en buigen het hoofd naar het lijk: hunne
lippen bewegen.....

Spreken zij ook in rethorische taal? Zijn hare woorden berekend, gemeten en
geschreven, opdat zij ze niet vergeten? O, neen, zij kennen maar één gebed,
hun door den Zaligmaker zelven geleerd: zij bidden en herbidden het
krachtig en alvragend Onze Vader! Hunne stemmen worden helderder, als zij
murmelen:

«Vergeef ons onze schulden gelijk wij vergeven onzen schuldenaren.

Heilige Maria, Moeder Gods, bid voor ons, nu en in de ure onzes doods.
Amen.»

Hunne zielen, hunne tranen, hunne zuchten zeggen het overige tot den Heer.

Slaap gerust, o Goede! Wij planten geene bloemen op uw graf: zij zijn niet
onsterfelijk als de heugenis uwer ontelbare weldaden..... Uwe ziel ontvange
in den schoot der Godheid een loon, dat de wereld niet geven kon.

Maar waarom knielt Frans niet op het graf? Waarom? Hij is verslonden door
droefheid; hij voelt zich niet meer leven en heeft vergeten, waar hij zich
bevindt. Ziet, daar staat hij als een steenen beeld, met het hoofd op de
borst, met de nijpende hand aan het voorhoofd. Hoe blinken de rollende
tranen, die zijnen oogen ontsnappen! Ongelukkige jongeling! Wie beschrijft
de doodende wanhoop, die uw hart tot barstens toe verkropt?

Ontwaak! Ziet gij niet, dat die koude aarde de gezondheid uwer grootmoeder
krenken zal! De avond vindt haar wellicht nog geknield en weenend. Heb
moed, keer terug naar uwe woning.....

Des anderen daags sprak Frans op droeven toon in dezer voege tot zijne
ouders:

«Wij zijn ongelukkig en arm; ik ben de schuld van al uw verdriet, ik weet
het. Maar laat mij u eene vraag doen, en antwoordt mij openhartig;--kunnen
wij nog drie maanden bestaan zonder het minste geld te winnen?»

Deze vraag bleef eenen langen tijd zonder antwoord. De moeder, die wist,
wat haar zoon zich voorstelde, ging bij den zieken man en overwoog de zaak
met hem; dan sprak zij:

«Drie maanden, ternauwernood, maar niet langer.»

«Welaan,» hernam Frans, «ik ga eene poging doen. Nog ééne schilderij zal ik
maken, eene enkele; en verkoop ik die niet in korten tijd ..... dan, o
moeder, o grootmoeder, dan word ik meubelschilder!»

Dit laatste woord kostte hem moeite om uit te spreken; doch hij herstelde
zich welhaast en vroeg nogmaals, of men hem drie maanden gerust en
onverhinderd wilde laten werken. Zijne ouders stemden toe in zijn
voornemen.

Frans ging bij M. Wappers en kreeg daar de laatste vijf en twintig franken,
die zijn weldoener er voor hem had nedergelegd. Voor een gedeelte van dit
geld kocht hij verven, sloot zich den dag daarna op den zolder zijner
woning en schetste in doodverf het onderwerp, dat hij behandelen wilde, op
het doek.

Het was het kerkhof van Hemixem met een versch gesloten graf, waarop twee
vrouwen zaten te bidden; op de tweede diepte zag men een jong mensch in de
uiterste wanhoop staan weenen; ter zijde, de muren der kerk; in het
verschiet een weelderig landschap.

Gedurende twee maanden en een half arbeidde Frans zonder ophouden; hij ging
het kerkhof van Hemixem met de bijwerken naar de natuur afschilderen; en
deed zijne moeder en grootmoeder als modellen voor zich zitten.

[Afbeelding: Arbeidde Frans zonder ophouden. (Bladz. 120.)]

Nooit had een kunstenaar met meer vuur, met meer liefde of meer drift aan
een tafereel gearbeid. Frans was vervuld met zijn onderwerp; en gedurende
al den tijd door hem aan zijn werk besteed, had hem het hoofd gebrand als
dat van eenen koortsige.

Kon dit tafereel slecht zijn? Neen, er moest een stempel van vernuft op
geteekend staan;--en het was ook zoo.

Frans kreeg op tijd van betaling eene lijst. Ditmaal had hij eene andere
inspraak: hij zond zijn tafereel naar de Vertoonzaal te Keulen in
Duitschland..... Zou hij daar gelukkig zijn?--Dan, de schilderij was weg en
bleef weg, zonder dat men er iets van vernam.

De armoede, zooals zij ze nog nooit gevoeld hadden, kwam het wachtend
huisgezin overvallen. Dan aten zij bitter brood en waren als ter neer
geslagen door eene schrikkelijke onttoovering. Die, welke den meesten moed
toonde, was het goede Meken; zij droeg in stilte al hare kleederen en haar
goud naar den berg van Barmhartigheid en troostte de anderen. Maar dit kon
niet lang duren; de kleederen van Frans en die der moeder moesten ook
eindelijk naar den berg; ja, de medailles en eereteekens werden bij den
bakker verpand voor eenige brooden!

Men had schuld gemaakt bij den vleeschhouwer, bij den kruidenier; de bakker
wilde niets meer uit zijnen winkel laten gaan, en niemand wilde meer iets
borgen aan den _poveren artist_,--zoo noemde men Frans in het kwartier. De
wekelijksche huishuur was van de geheele maand nog niet betaald geworden,
en de huisbaas had reeds driemaal eenen _Huissier_ gezonden om hun de
betaling af te eischen.

Op eenen namiddag van de maand September was de armoede in dit huisgezin
tot den hoogsten top gerezen. Niemand had er iets gegeten sedert den avond
van den vorigen dag. De _Huissier_ was hen komen waarschuwen, dat hij nog
eens te zes ure zou wederkeeren, en dat, indien zij dan de huur niet
betaalden, zij des anderen daags 's morgens met al hun huisraad zouden
worden op straat gezet.

Meken hield de hand van Frans en poogde hem te troosten; de moeder weende
in stilte; de vader, die zijnen arm nog droeg, zat bij den schoorsteen en
zag de kamer in met sombere blikken. Eensklaps borst de werkman in tranen
los.

Nooit had Frans zijnen vader zien weenen,--het was de eerste maal in zijn
leven. Ook dit gezicht schokte hem als een donderslag, er steeg een akelige
schreeuw uit zijne keel, en hij viel knielend neer voor zijnen vader:

«O vader, vader!» riep hij, «gij weent?--Gij! O, stil u, morgen word ik
meubelschilder..... Ik zal drie franken elken dag winnen.....»

De werkman hief zijnen zoon van den grond op en drukte hem tegen zijn hart.

«Frans,» sprak hij, «ik leg de schuld niet op u, jongen; maar wij zijn zoo
ongelukkig! Ik stort tranen, omdat ik bijna razend ben--dat ik niet werken
kan. Wij hebben honger; ons ingewand scheurt van pijn. Wie zal ons eten
geven, vóórdat de nacht kome? Waar zullen wij gaan, als men ons op de
straat zal gezet hebben? Is het niet om zot te worden of om zijn eigen te
verdrin.....»

Frans sloot zijnen vader met kracht tegen zijne borst, en smoorde dit
laatste en schrikkelijke woord op zijne lippen door eenen nijdigen zoen.

Terwijl vader en zoon dus aan elkander vastgestrengeld waren, werd de deur
der kamer opengestooten. Een man met eene lederen tasch op den rug, stak
zijne hand en eenen brief vooruit.

Door een geweldigen sprong rukte Frans zich los van zijnen vader en greep
naar den brief; maar de drager trok hem terug en sprak op dorren toon:

«Een brief van Duitschland: twee franken!»

Twee franken! in welke verborgene plaats van dit huis bevindt zich die
schat?--Twee franken--voor menschen, die van honger vergaan?

Wie kan de droefheid en de martelpijn van dit huisgezin beschrijven? De
brief behelst wellicht het einde hunner rampen;--hij misschien moet hunne
tranen drogen, hun eten geven en hen van de verjaging bevrijden..... En
ziet, terwijl zij met kloppenden boezem den brief bestaren en smeeken om
hem te mogen openen, wil de drager heengaan en al hunne hoop
verscheuren.--De aarde brandt onder de voeten dier ongelukkigen; zij
stampen van ongeduld; zij rukken zich de haren uit..... De arme Frans
wringt zich ineen, dat zijne leden kraken: hij wordt als een dwalend schip
door de baren van den rampspoed heen en weder geslingerd; hij hoopt en
vreest ter zelfder tijd: die brief is wellicht de haven der verlossing, hij
ziet ze ..... en zij gaat hem ontsnappen!

De moeder knielt voor den brievendrager; zij heft hare smeekende handen tot
hem.....

Ha! hij weent,--hij heeft geen steenen hart. Daar! hij geeft den brief aan
Frans met deze woorden: «Neem hem maar. Ik ben ook arm, maar ik kan het
toch niet langer aanzien.»

Frans opende den brief langzaam en met angst; elke plooi werd als met
voorzichtigheid ontvouwen.--Maar niet zoodra had hij zijne oogen op den
inhoud geworpen, of de spieren van zijn aangezicht begonnen stuiptrekkend
zich te bewegen: hij werd bleek als een doode en een akelige schreeuw
bonsde uit zijne borst door de kamer. Hij leunde op de tafel, en de brief
viel uit zijne hand op den vloer.

De kamer was vervuld met droefheidsgillen; Meken hief de armen ten hemel;
de moeder viel achterover op haren stoel; alsof al hare spieren met lamheid
geslagen waren.

Frans deed geweld om te spreken. Het was zichtbaar, dat hij iets zeggen
wilde, doch het kon niet over zijne bevende lippen. Eindelijk brak zijne
spraak los; hij raapte den brief op, vloog met open armen naar zijne
grootmoeder en riep met schrale stem:

«Meken! Moeder! Vader! Ik ben schilder! Vijfhonderd franken voor mijne
schilderij!»

De vier gelukkigen lagen in elkanders armen, zich rukkende, zich zoenende,
zich streelende,--en een verward geschal van vreugderoepen vervulde de
kamer.

Na de eerste betuiging van liefde en blijdschap betoonden de vrouwen hare
nieuwsgierigheid om den inhoud van den brief te kennen. De jongeling, die
het Duitsch tamelijk wel kende, vertaalde hun den brief, die luidde als
volgt:

  Keulen, den.....

_Mijnheer,_

Het tafereel, dat ons door u is toegestuurd geworden, onder den titel van
_het Graf van eenen Weldoener_, is door de liefhebbers veel bezocht en
geprezen geworden. Ik acht mij gelukkig, u te kunnen aankondigen, dat het
door den heer E..... onzer stad is aangekocht tegen den door u opgegeven
prijs.

Gij zult, bij het vertoonen dezes, de som van 500 franken kunnen ontvangen,
ten kantore van M. L....., bankier uwer stad.

Met niet minder genoegen zult gij vernemen, ik hoop het, dat de heer E.....
een tweede tafereel van dezelfde grootte van u verlangt. De betaling zal er
van gedaan worden, zoodra gij het aan mij zult hebben doen geworden.

  De geheimschrijver
  van het Keulsch Kunstvereen.

«Ho!» riep Frans eene tweede maal, «nu ben ik schilder! Grootmoeder, nu ben
ik schilder!»

«Ja, kind,» antwoordde Meken met eenen fieren blik, «heb ik het u niet
gezegd? Nu zijn wij zoo rijk, dat wij geen eind aan ons geld zullen vinden!
Laat ze nu maar zeggen: _de povere artist_! Dat ziet gij wel, God is toch
goed; wij hadden al te veel uitgestaan. Ik zal nog negen dagen voor
Onze-Lieve-vrouw van de Zeven Weeën gaan bidden, om haar te danken. En nu,
Frans, jongen, nu maar vroolijk het onze genomen van hetgeen onze Heer ons
gegund heeft.--Nu zullen wij wel eene stoop kriekbier kunnen krijgen en een
pond of twee varkensribbekens.--Laat ons nu maar smullen!--de
brievendrager, dat goede mensch, zal meedoen.»

Een kwartier later hoorde men reeds van aan de deur de varkensribben in de
pan kissen; de reuk van het gebraad droeg als een bode het gelukkig nieuws
in de gebuurte; het roode kriekbier stond uitgeschonken op de tafel en de
brievendrager was dien avond, met Frans en zijne ouders, eens recht
vroolijk.

Des anderen daags werden twee goede heelmeesters bij den vader geroepen. De
verpande kleederen, de medailles werden gelost en al de gemaakte schuld
betaald.

Van dit oogenblik af arbeidde Frans met moed en zekerheid; zijne
schilderijen werden verkocht, eer zij nog voltooid waren, en hij kon weldra
aan de vragen der liefhebbers niet meer voldoen.

Nu woont Frans met zijne ouders niet meer in het arm huis; zij hebben nu de
gedroomde twee stagiën en schoone kamers, fraai behangen, versierd met
nette meubels..... De vader werkt niet meer op de kaai; hij rookt zijne
pijp bij eene sierlijke stoof van Marckelbach.

Meken heeft eene meid om haar te dienen, en de liefde van haren Frans om
haar op deze aarde gelukkig te maken.

EINDE.



     *       *       *       *       *



Transcriber's note:


  - This novella was printed with another novella in a single volume. Any
    references to the other novella, "Siska van Roosemael," have been
    removed from this e-text. "Siska van Roosemael" can be found at
  - At times the ink failed to stick on the printed page. Where commas and
    full-stops were missing as a result, these have been added without
    comment.
  - The HTML version of this etext contains invisible page numbers that
    refer to the page numbers of the original print edition.


Corrections

  - Added the name of the author to the title page.
  - Normalised to 'St.-AndriesXXX' (where XXX stands for the second part
    of a compound word). There was 1 occurrence of 'St-AndriesXXX'
    (without a full-stop), on page 106, and 4 of 'St.-AndriesXXX'.
  - Page 77: the ink had not caught well at the end of the lines of the
    following footnote text: "Dit zonderling avondgebed als ook een ander,
    dus beginnende [unclear] Engel Sinte Michiel, ik beveel u mijn lijf en
    ziel, worden nog dagelijks in [unclear] huisgezinnen door de kinderen
    opgezegd. Daarbij echter wordt dan [unclear] Vader ons of een ander
    erkend gebed gevoegd." I have added in the words that seemed most
    logical to me, guided by the recommendations of the proofreaders.
  - Page 89: corrected 'sfemme' to 'stemme'.
  - Page 101: corrected 'Hi' to 'Hij' ('in omtrek. Hi').
  - Page 104: left in 'et' in 'et het duurde', even though it strikes me
    as incorrect Dutch. I failed to guess what the author meant.
  - Page 108, corrected 'zijt' to 'zijn' (singular to plural, 'luister
    omgeven zijt?').
  - Page 117: left in 'uitsteken' in 'wat uitsteken gewrocht', even though
    it doesn't strike me as correct Dutch.
  - Page 120: corrected 'zprak' to 'sprak' ('dan zprak zij').
  - Page 122: printer's error. Moved 'naar' up a line, to after 'moesten
    ook eindelijk'.





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Hoe men schilder wordt" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home