Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Bloemlezing uit Guido Gezelle's Gedichten
Author: Gezelle, Guido, 1830-1899
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Bloemlezing uit Guido Gezelle's Gedichten" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



   +-------------------deze regel heeft nummer 1----------------------+
   |                                                                  |
   |                  OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER:                    |
   |                                                                  |
   | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele,       |
   | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te        |
   | moderniseren.                                                    |
   |                                                                  |
   | De voetnoten zijn verplaatst naar het eind van het gedicht.      |
   | Bladzijde-nummering is verwijderd.                               |
   |                                                                  |
   | De in het origineel als uitgespatieerde weergegeven tekst is in  |
   | dit e-boek weergegeven als =uitgespatieerd=.                     |
   | Het cursief is weergegeven als _cursief_.                        |
   |                                                                  |
   | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel en           |
   | spellingsverschillen binnen een gedicht zijn gecorrigeerd.       |
   |                                                                  |
   | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de             |
   | aangebrachte correcties met bijbehorend regelnummer.             |
   |                                                                  |
   +------------------------------------------------------------------+



                            BLOEMLEZING UIT
                            GUIDO GEZELLE'S
                               GEDICHTEN



                            BLOEMLEZING UIT
                            GUIDO GEZELLE'S
                               GEDICHTEN

                               ZESDE DRUK

                         [Illustratie: L.J.V.
                          LABOR INTEGER VINCIT
                              MDCCCXXCVII]

                          L. J. VEEN–AMSTERDAM

       Boek-, Courant- en Steendrukkerij G. J. Thieme, Nijmegen.



Deze Bloemlezing heb ik samengesteld om GEZELLE'S poëzie te brengen in
ruimer kring dan tot heden is bereikt. Op 'n paar uitzonderingen na in
't begin liet ik de volgorde der gedichten naar de verschillende
dichtbundels onveranderd. Hier en daar heb ik 'n enkel ons minder bekend
woord verklaard.

Maart 1904.


In volgende drukken is in de keuze der gedichten weinig veranderd; over
het algemeen zijn meer woorden verklaard.

                                                  DR. J. ALEIDA NIJLAND.

AMSTERDAM, April 1915.



=INHOUD=.


                                    Bladz.
  De vlaamsche tale is wonder zoet       1
  Oneigene                               2
  Als de Ziele luistert                  3
  Het schrijverke                        4
  o 't Ruischen van het ranke riet       6
  Het meezennestje                       8
  Dien avond en die rooze                9
  Kom e' keer hier                      11
  Gewijde klok                          13
  o Gulden hoofd                        15
  o Vechter                             16
  Met kloeken arme                      17
  Slaapt gij nog                        19
  Hoe schittert mij die spa toch        22
  o Leye lief                           24
  Hemellawerke heet gij                 26
  De boomen zien zwart                  29
  Geluwgroene legerscharen              31
  Gekamde koning Canteclaar             34
  o Wilde en onvervalschte pracht       36
  Waar zit die heldere zanger           38
  De navond komt zoo stil               41
  De vliege                             43
  Wat hangt gij daar te praten          45
  Als ge naar het kooren luistert       46
  De wolkenweg bedijgt                  48
  Andleie                               50
  't Is stille                          55
  De rave                               56
  De tijd                               59
  Mijn hert is als een blomgewas        61
  't Eerste                             63
  Wintermuggen                          64
  Winternacht                           66
  Arm huisgezin                         68
  Irrequietum                           69
  Velut umbra                           70
  Abeelen                               72
  Lentegroen                            74
  Vogelzang                             76
  Zonnewende                            79
  Bonte abeelen                         80
  De bleekersgast                       81
  Rijmram                               83
  Twee horsen                           84
  Het klokgebed                         85
  Schoonheid                            87
  De dakpannen                          88
  Terug                                 89
  Het getouwe                           91
  Wierook                               93
  o Heemelijke diepten                  94
  't Groeit                             96
  Najaarsverwen                         99
  Niemandsvriend                       101
  Casselkoeien                         105
  Tranen                               107
  Schoone nacht                        108
  Avondrood                            110
  Fiat Lux                             112
  De winden                            114
  Dat wilde ik weten                   115
  Spaman                               117
  Het hazegrauwt                       118
  Hoe zeere vallen ze af               120
  Van den ouden boom                   123
  Blootakker                           126
  Moederken                            129
  Perels                               130
  Spreeuwen                            131
  Wederwijven                          133
  Excelsior                            134
  Zegepraal                            136
  De doornenboom                       139
  Mietje                               141
  Cytisus Laburnum                     142
  Buigen of bersten                    144
  De sperretakken                      147
  Het gulden vlies                     149
  Hebt meêlijen                        151
  De dageraad                          154
  Nevelduisternis                      156
  Windtocht                            158
  Aksternesten                         160
  Lentegroen                           161
  Cinxen                               162
  Och ware ik                          164
  Aan den Lindeboom                    165
  Ego Flos                             167



      De vlaamsche tale is wonder zoet
      voor die heur geen geweld en doet,
      maar rusten laat in 't herte, alwaar,
      ze onmondig leefde en sliep te gaar,
    tot dat ze, eens wakker, vrij en vrank,
    te monde uit, gaat heur vrijen gang!
        Wat verruwprachtig hoortooneel,
        wat zielverrukkend zingestreel,
    o vlaamsche tale, uw' kunste ontplooit,
      wanneer zij 't al vol leven strooit
      en vol 't onzegbaar schoon zijn, dat,
        lijk wolken wierooks, welt
          uit uw zoet wierookvat!



=ONEIGENE=.


        Hetgeen ik niet uitgeve en
          hebbe ik niet in,
    wie zal mij dat wijten te schanden?
        Mijn herte en mijn tale, mijn
          zede en mijn zin,
        't is al zoo van buiten, 't is
          al zoo van bin':
    't ligt alles daar bloot op mijn' handen!

        Dan, weg met de oneigene
          tale en den schijn
      van elders geborgde gepeizen;
        mijn zijt gij niet, uw dat en
          wille ik niet zijn,
        dat in mij en aan mij is
          dat heete ik mijn:
      oneigene, ik late u,... gaat reizen!



        Als de Ziele luistert
    spreek 'et al een taal dat leeft,
        't lijzigste gefluister
      ook en taal en teeken heeft:
        blâren van de boomen
    kouten met malkaar gezwind,
        baren in de stroomen
      klappen luide en welgezind,
        wind en wee en wolken,
    wegelen[1] van Gods heiligen voet,
        talen en vertolken
    't diep gedoken Woord zoo zoet...
        als de Ziele luistert!

VOETNOOT:

1 _Wegel_ is een Z. Ned. verkleinwoord van _weg_.



HET SCHRIJVERKE.

(GYRINUS NATANS).


    O krinklende winklende waterding,
        met 't zwarte kabotseken aan,
    wat zien ik toch geren uw kopke flink
        al schrijven op 't waterke gaan!
    Gij leeft en gij roert en gij loopt zoo snel,
        al zie 'k u noch arrem noch been;
    gij wendt en gij weet uwen weg zoo wel,
        al zie 'k u geen ooge, geen één.
    Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?
        Verklaar het en zeg het mij, toe!
    Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn,
        dat nimmer van schrijven zijt moe?
    Gij loopt over 't spegelend water klaar,
        en 't water niet méér en verroert
    dan of het een gladdige windje waar,
        dat stille over 't waterke voert.
    o Schrijverkes, schrijverkes, zegt mij dan,–
        met twintigen zijt gij en meer,
    en is er geen een die 't mij zeggen kan:–
        Wat schrijft en wat schrijft gij zoo zeer?
    Gij schrijft, en 't en staat in het water niet,
        gij schrijft, en 't is uit en 't is weg;
    geen Christen en weet er wat dat bediedt:
        och, schrijverke, zeg het mij, zeg!
    Zijn 't visselkes daar ge van schrijven moet?
        Zijn 't kruidekes daar ge van schrijft?
    Zijn 't keikes of bladtjes of blomkes zoet,
        of 't water, waarop dat ge drijft?
    Zijn 't vogelkes, kwietlende klachtgepiep,
        of is 'et het blauwe gewelf,
    dat onder en boven u blinkt, zoo diep,
        of is het u, schrijverken, zelf?
    En 't krinklende winklende waterding,
        met 't zwarte kapoteken aan,
    het stelde en het rechtte zijne oorkes flink,
        en 't bleef daar een stondeke staan:
    „Wij schrijven,” zoo sprak het, „al krinklen af
        het gene onze Meester, weleer,
    ons makend en leerend, te schrijven gaf:
        één lesse, niet min nochte meer;
    wij schrijven, en kunt gij die lesse toch
        niet lezen, en zijt gij zoo bot?
    Wij schrijven, herschrijven en schrijven nóg,
        den heiligen Name van God!”



O 'T RUISCHEN VAN HET RANKE RIET.


                                                Παρὰ ῥοδανὸν δονακῆα
                                                  Hom. Il. XVIII, 576.

    O! 't ruischen van het ranke riet!
    o wist ik toch uw droevig lied!
    wanneer de wind voorbij u voert
    en buigend uwe halmen roert,
    gij buigt, ootmoedig nijgend, neêr,
    staat op en buigt ootmoedig weêr,
    en zingt al buigend 't droevig lied,
    dat ik beminne, o ranke riet!

    O! 't ruischen van het ranke riet!
    hoe dikwijls dikwijls zat ik niet
    nabij den stillen waterboord
    alleen en van geen mensch gestoord,
    en lonkte 't rimplend water na,
    en sloeg uw zwakke stafjes ga,
    en luisterde op het lieve lied,
    dat gij mij zongt, o ruischend riet!

    O! 't ruischen van het ranke riet!
    hoe menig mensch aanschouwt u niet
    en hoort uw' zingend' harmonij,
    doch luistert niet en gaat voorbij!
    voorbij alwaar hem 't herte jaagt,
    voorbij waar klinkend goud hem plaagt;
    maar uw geluid verstaat hij niet,
    o mijn beminde ruischend riet!

    Nochtans, o ruischend ranke riet,
    uw stem is zoo verachtlijk niet!
    God schiep den stroom, God schiep uw stam,
    God zeide: „Waait!...” en 't windje kwam,
    en 't windje woei, en wabberde om
    uw stam, die op en neder klom!
    God luisterde... en uw droevig lied
    behaagde God, o ruischend riet!

    O neen toch, ranke ruischend riet,
    mijn ziel misacht uw tale niet:
    mijn ziel, die van den zelven God
    't gevoel ontving, op zijn gebod,
    't gevoel dat uw geruisch verstaat,
    wanneer gij op en neder gaat:
    o neen, o neen toch, ranke riet,
    mijn ziel misacht uw tale niet!

    O! 't ruischen van het ranke riet
    weêrgalleme in mijn droevig lied,
    en klagend kome 't voor uw voet,
    Gij, die ons beiden leven doet!
    o Gij, die zelf de kranke taal
    bemint van eenen rieten staal,
    verwerp toch ook mijn klachte niet:
    ik! arme, kranke, klagend riet!



HET MEEZENNESTJE.


        Een meezennestje is uitgebroken,
            dat, in den wulgentronk
                  gedoken,
            met vijftien eikes blonk;
        ze zitten in den boom te spelen,
        tak-op, tak-af, tak-uit, tak-in, tak-om,
                  met velen,
    en 'k lach mij, 'k lach mij, 'k lach mij bijkans krom.

        Het meezenmoêrtje komt getrouwig,
            komt op den lauwen noen,
                  al blauwig
            en geluwachtig groen;
        het brengt hun dit en dat, om te azen,
        tak-om, tak-op, tak-af, tak-uit, tak-in,
                  ze razen,
        en kruipen, vlug, het meezennestjen in.

        Het meezenvaârtje zit–de looveren
            verduiken 't voor 't gestraal–
                  te tooveren,
            al in de meezentaal;
        daar vliegen ze, al med' een, te zamen,
        tak-om, tak-op, tak-af, tak-in, tak-uit,
                  en, amen,
        het meezennestje is weêrom ijele en uit.



DIEN AVOND EN DIE ROOZE.

AAN EUGENE VAN OYE.


    'k Heb menig menig uur bij u
        gesleten en genoten,
    en nooit en heeft een uur met u
        me een enklen stond verdroten.
    'k Heb menig menig blom voor u
        gelezen en geschonken,
    en, lijk een bie, met u, met u,
        er honing uit gedronken;
    maar nooit een uur zoo lief met u,
        zoo lang zij duren koste,
    maar nooit een uur zoo droef om u,
        wanneer ik scheiden moste,
    als de uur wanneer ik dicht bij u,
        _dien avond_, neêrgezeten,
    u spreken hoorde en sprak tot u
        wat onze zielen weten.
    Noch nooit een blom zoo schoon, van u
        gezocht, geplukt, gelezen,
    als die _dien avond_ blonk op u,
        en mocht de mijne wezen!
    Ofschoon, zoo wel voor mij als u,
        –wie zal dit kwaad genezen?–
    een uur bij mij, een uur bij u
        niet lang een uur mag wezen;
    ofschoon voor mij, ofschoon voor u,
        zoo lief en uitgelezen,
    _die rooze_, al was 't een roos van u,
        niet lang een roos mocht wezen;
    toch lang bewaart, dit zeg ik u,
        't en ware ik 't al verloze,
    mijn hert drie dierbre beelden: _u_,
        _dien avond_,–en–_die rooze_!



KOM E' KEER HIER.

AAN PIETER BUSSCHAERT VAN DAMME.


    „Kom e' keer hier, fliefflodderke[1],
      'k hebbe u, 'k hebbe u zoo lief!”
    Maar 't wipte, 't wupte, 't en wachtte niet,
      en 't liet mij alleene zijn.
    't Was wel van dat lief fliefflodderke,
      want, hadde ik het eens genaakt,
    ik hadde 't, het lief fliefflodderke,
      'k en wete niet wat gemaakt:
    geen hand van 'nen mensche 'n mocht 'et ooit
      genaken zijn lieve kleed,
    of 't was en het wierd 't fliefflodderke,
      het was en het wierd hem leed;
    de hand van die 't miek alleene mag
      't genaken en niet beschaân,
    de wind van die 't miek alleene mag
      er, wandelend, over gaan.
    Dus, wakker en weg! fliefflodderken,
      op planten en bloeiend gers[2],
    alwaar dat u God geschapen heeft,
      alwaar dat 't uw woning es!–
    En zoekt gij nu, kind, een zin hierin,
      't fliefflodderke, wie dat zij,
    uw herte is het, alderliefste mijn,
      ai, wat zou het anders zijn!
    God miek het u, maakt dat God alleen
      kan zeggen: Dit herte is mijn,
    zoo zal het, en anders en zal 't, o neen,
      het uw' noch gelukkig zijn!
    Zoo zong hij, die lang en lusteloos
      gezeten had, eenen dag,
    wanneer hij, op de eerste lenteroos,
      het eerste fliefflodderken zag.

VOETNOTEN:

1 Vlinder.

2 Gras.



GEWIJDE KLOK.


    o Avond- noen- en morgenmate,
    ik vrij mij op uw' klank verlate,
          gewijde klok!

    Uw hert is van metaal gegoten,
    toch blijft het voor geen mensch gesloten,
          gewijde klok!

    Gij hangt zoo hooge, ik ga zoo leege,
    och helpt de menschen, kranke en veege,
          gewijde klok!

    En dat uw klank in 't ronde vliege,
    zij lief of leed aan sponde en wiege,
          gewijde klok!

    Den akker end' het veld verwekke,
    en al dat hoort tot welzijn strekke,
          gewijde klok!

    Gij zegt aan elk het lang verleden
    de mede- en wederspoedigheden,
          gewijde klok!

    Gij troost mij op den dag van huiden,
    en zult wel eens mijn uitvaart luiden,
          gewijde klok!

    Nog zult ge waken lang na dezen,
    en ongeboornen beeklank wezen,
          gewijde klok!

    Dan zal mijn taal geen mensch meer hooren;
    maar God zal ze eeuwig toebehooren,
          gewijde klok!

    o 'k Wou dat, om mijn ziel te laven,
    zij ook dan een gebed mij gaven,
          gewijde klok, gewijde klok!



O GULDEN HOOFD.


    o Gulden hoofd der blijde zonne,
    volheerlijke, altijd nieuwe bronne
          van levenskracht;
    wie heeft u in die blauwe streken
    het brandend voetspoor uitgesteken
          en voorgedacht?

    Gij staat des morgens op, beneden
    't bereik van sterflijke oogenleden;
          en, rijzend, dan
    verblijdt gij mensch en dier en boomen;
    en 's avonds laat gij los de toomen
          van uw gespan.

    o Edel' zonne, o machtig wezen,
    o zienlijke afgezant van dezen
          die 't al beveelt;
    wat ben ik, of wat zijt gij, schoone,
    als, in des Heeren schild en kroone,
          een wapenbeeld?

    Zoo kent men aan des Ridders wapen
    zijn hofgezin, zijn huis, zijn' knapen,
          zijn heerlijk slot;
    zoo kan men, aan uw pronksieraden,
    o zonne, uw edelen Ridder raden:
          zijn name is–God!



=O VECHTER=.


    o Vechter, die in 't vaderland,
      met scherpgeschuurden tee en tand,
    door vodde[1] en vilte[2] en voren vecht,
      en 't taaie terwland ommelegt!

    Ik zie u geerne, ontembaar aan,
      uw' diepe en duistere wegen gaan,
    van al dat vreeze is vrank en vrij!
      –Mijn doen is dat, zoo dunk 'et mij!

    Wanneer gij rust in 't wagenkot,
      en roestend daar uw tanden bot,
    dan zal wellicht een edel graan
      alwaar gij vocht te golven staan.

    Mij geve God dat, moegewrocht,
      en 't zalig rusten weerd gerocht[3],
    ik zie eens 't edel terruwveld,
      dat stijve zakken koorn geldt[4]!

VOETNOTEN:

1 Zode.

2 Wortelvezelnet.

3 Geraakt.

4 Betalen, opbrengen.



MET KLOEKEN ARME.


                                                Exiit qui seminat.

    Met kloeken arme, en hand vol zaad,
    aanschouwt, hoe hij zijn' stappen gaat
        en zaait, vol zorgen
    de man, wiens hope en troost en al,
    met 't stervend zaad, nu zitten zal
        in 't land geborgen.

    Staat op, o zaad, 't is God die 't zegt,
    den winter en de dood bevecht:
        de zonnestralen
    verwachten al, met menigvoud
    geverwde pracht en levend goud,
        uw zegepralen.

    o Winden, waait om 't groene kind
    des lands, uw zacht-, uw zoetsten wind;
        o dauwrijk dagen
    des morgenstonds, o wolkenvloed,
    verleent het koorn, dat kenen[1] doet,
        uw welbehagen.

    Het wasse en 't worde een geluw graan,
    het bloeie en 't blijve buigend staan,
        vol zaad geladen;
    vol zegen, die geen' nijd en baart,
    geen' zucht, geen' zoek omleegewaard,
        geen' euveldaden!

    Houdt af, gij, wind- en wolkgeweld,
    die de akkerzaaite omverrevelt,
        en bleeke ellenden
    verspreidt alom: houdt af uw' hand;
    wilt verre weg van 't dragend land
        uw' geesels wenden!

    Dan zal de landman, 't herte groot
    van dankbaarheid, om 't daaglijksch brood
        dat hij mocht winnen,
    den ouden arbeid, zwart en zwaar,
    zoo dit, zoo 't naaste en 't naaste jaar
        weêr herbeginnen.

VOETNOOT:

1 Kiemen.



SLAAPT GIJ NOG.


    Slaapt gij nog, gedaagde[1] kruinen
    van de onzochte[2] doorentuinen?
      slaapt gij nog, en weet gij niet
      dat de ontwekte zonne u ziet?

    Dat alree de dagen langen
    zichtbaar, en de stralen strangen[3]
      van de lente? Ontwekt, welaan,
      doornen, en wilt wakker staan!

    Onlangs nog, met sneeuw doorschoten,
    hebt gij, naast uw' stamgenoten,
      weken lang den tijd verbeid,
      vaste in uwe onroerbaarheid.

    Tijd is 't om den dag te groeten:
    't Oosten blinkt, en wakker moeten
      al die zonne- en zomerglans
      schuldig zijn hun' liefde, thans.

    Doorentuin dan, botten open;
    los, uw dichte looverknopen;
      los, uw zilveren reukallaam[4];
      los, uw sneeuwwit blommenkraam!

    Ei, 't en baat niet, dat robijnen
    naalden deur de toppen schijnen
      heen te bersten, hier en daar,
      van uw doornig streuvelhaar[5]!

    Ei, 't en baat niet dat uw' leden,
    zwellende uit van vruchtbaarheden,
      drinken 't zog der aarde, en bloot
      laten heuren moederschoot!

    Blâren moet ge en blommen schieten,
    vol de vaten ommegieten
      uwer zalven, en voortaan,
      hagedoornen, bloeien gaan!

    Slaapt gij nog? De bien ontwekken,
    langende om uw zeem te lekken;
      't vogelken zoekt, nestgezind,
      waar 't uw vrije daken vindt!

    Slaapt gij nog? De zangermonden,
    zullende uwen lof verkonden
      zoo gij wakker wordt, ze slaan
      reeds hun liefste leisen[6] aan!

    Slaapt gij nog? De dichters dragen
    droevig, dorre doorenhagen,
      het geheugen, lang verbeid,
      van uw' zomerschoonigheid!

    't Water zucht, de blauwe lochten,
    de aarde deunt[7], vol minnetochten:
      alles, alles wenscht om... och,
      doorenhagen, slaapt gij nog?

VOETNOTEN:

1 Bedaagd, oud.

2 Onzacht.

3 Strang = streng.

4 Alm, allaam = handwerktuig.

5 Verwarreld opstaand haar.

6 Liederen.

7 Deunen = 1. dreunen, daveren, schudden, trillen tengevolge van een
hevig gedruisch, maar ook van blijdschap, voldoening, genot; 2. zingen,
weerklinken van geluid.



HOE SCHITTERT MIJ DIE SPA TOCH.


    Hoe schittert mij die spa toch, als
    gij, landman, uwen taaien hals
    gebogen, langzaam eerselt[1], end'
    nu hier nu daar Gods akker wendt!

    De zonne komt u volgzaam na
    en velt op uw geglimde spa,
    terwijl gij zucht en arrebeidt,
    den blik van heur' hoogmogendheid.

    En, spittende in dat hel gestraal,
    zoo keert uw werkzaam akkerstaal
    med een den grond, en zendt den schicht
    terug naar mij, van 't zonnelicht.

    Daar speiten[2], uit den zwarten grond
    der aarde, zoo veel stralen rond
    uw' delfspa, dat 't een beeltenis
    van Gods gevreesden bliksem is.

    Doch neen: de duiven weten 't wel,
    dat 't spawerk is en zonnenspel,
    dit bliksemen, en hun vrije vlerk
    vervolgt u, op uw akkerwerk.

    De kwiksteert, zoo de duiven doen,
    u nagaande, in zijn' stouteschoen,
    en vreest, alwaar hij wormen ziet,
    uw' spa noch heur geflikker niet.

    Zoo volge ik ook, en geren ga
    'k, van 's morgens vroeg, den delver na,
    hem dichtende, als hij lam en moe
    van werken is, mijn deuntjen toe.

    God vordere u, mijn brave man,
    en, zoo 't gebed u helpen kan
    van een, die geerne uw' weêrga ziet,
    de spa en delve uw graf nog niet!

    Maar mocht gij eens, uw werk voldaan,
    den blijden oest[3] zien binnengaan,
    en zuchten: Die den arrebeid
    mij zoet maakt, U zij dank gezeid!

VOETNOTEN:

1 Aarzelen = achteruitgaan.

2 Spatten.

3 Oogst.



O LEYE LIEF.


    O Leye lief, wat mocht u boozen;
    wat 's hemels kom, den vlekkeloozen,
      weêrspiegeld in uw' schoot, dat blauw
    verliezen doen? Dat blauw, och armen,
    dat donkert in de ontstelde barmen[1]
      van uw geweldig watergrauw?

    'k En hoorde u niet, op vroeger dagen,
    en 't was als of ze in slape lagen,
      één glimmend glas, uw' baren; daar 't
    nu brieschen is en woedend grimmen,
    van breedgerugde waterkimmen,
      die beurtlings berschen[2] boordewaard.

    Nog nooit en zag ik witgekoofde[3]
    gelederen rijen, den helm ten hoofde,
      met zulk een daverend rukgeweld,
    o Leye, als de ongetelde toppen
    der witgekamde barenkoppen,
      die rennen in uw waterveld!

    Het klotst, het kleunt[4], de golven stooten
    het hooge schip, de smalle booten:
      het danst, het deunt[5], het roert, het maalt
    alom, van 't vlugge schuim, dat vedert;
    van 't zwalpend zop, dat weg- end- wedert;
      en van den wind, die zegepraalt.

    o Noorden, sluit uw dolle perken,
    besnijdt dien boozen zoon zijn' vlerken:
      laat af, genoeg, genade! Hij
    is koning, heere en baas gebleken:
    laat licht en zonne u schoone spreken,
      dat 't windloos weêr en vrede zij!

    Dan zal ik liefst, o Leysche boorden,
    als 't zomer is, en zwijgt in 't Noorden
      de felle reus, u volgend gaan;
    dan zal ik weêr mijn hert vermeiden,
    langs uw' gegroende en stille weiden,
      en in uw' grond hun beeld zien staan.

VOETNOTEN:

1 Golven, watersprongen.

2 Met kracht en spoed gaan.

3 Koove = vrouwenmuts (fr. coiffe).

4 Slaan, kloppen.

5 Daverend schokken, schudden, trillen.



HEMELLAWERKE HEET GIJ.


    Hemellawerke heet gij, wakkere en
      snelgewiekte strale, die
    'k, uit het zaailand opgestegen,
      lijk nen vierpijl rijzen zie.

    Striemen lichts ontlaat, en vonken,
      't vluchtend vierwerk; en zoo hoort
    me u ook vluchtend henentieren,
      als gij deur de wolken boort.

    Hemellawerke, schoon van name en
      sprake zijt gij, maar uw kleed,
    't valt te grauw toch: is 't de reden
      dat men grijslawerke u heet?

    Ben ik grauw, het is van zeilen,
      en van, altijd reisgezind,
    zoo de grauwgedoekte schepen,
      heen te varen, vóór den wind.

    Hemellawerke, grijslawerke,
      luchtleeuwerke, hemelwaard,
    weg met u, ja, leeuwerkt helder,
      op uw' hooge hemelvaart!

    Zingt en zeilt maar, al te zelden
      hoore en zie 'k u, lieve; 't gaat
    beter hem, die, vroeg en spade
      hoort u, ende gadeslaat.

    Midden in Gods werken levend,
      't gaat hem beter, achter 't land,
    die u naziet, te elker stonde,
      daar hij zaait en zeeuwt[1] en plant.

    Ach, om niet is 't, al te dikwijls,
      dat gij dankend opwaarts stijgt,
    daar geen mensch en is dien 't aangaat,
      of gij, schamele, zingt of zwijgt.

    Horkt er niemand, ik zal horken,
      wilt ge, in 't droevig tranendal,
    mij vertroosten, hemellawerke; en
      ziet ons niemand, God ziet 't al!

    Hij zal zien en hij zal hooren,
      hij, die vlerke en tale u gaf,
    en die mij, in stad begraven,
      wekken eens zal uit dit graf.

    Dan verrijze ik, luchtleeuwerke;
      zette ik zeil en vaar getroost
    naar de hoogten, daar gij schouwend
      eert den dagraad en den oost.

    Naar de streken die mij wijzende
      is uw' vlerke en uw geschal,
    en van waar ik, vrij en veilig,
      niet meer, niet meer neêr en zal.

VOETNOOT:

1 Het gezaaide graan dekken met de uitgespitte aarde.



DE BOOMEN ZIEN ZWART.


    De boomen zien zwart, van de zwellende botten;
      o zonne, wanneer zal uw' macht, onbevaên[1],
    weêr 't springende blad, en de banden ontknotten,
      waarin 't twee drie maanden heeft houtvast gestaan?

    Staat achter, o nijdig geweld van den winter;
    houdt af uwen vuist, in de botten begint er
      weer vreugdiger pulsslag en leven te slaan.

    De boomen ontwekken, zij zidderen, zij beven;
      zij striemen, dóór 't blauwe geluchte, onbekleed;
    doch staan ze al bewust schier en blij dat zij leven,
      lijk machtige reuzen, ten strijde bereed.

    Staat achter, o nijdig geweld van den winter;
    uw rijk heeft een einde, in de boomen begint er
      weêr hope te rijzen, weêr hulpe aan ons leed.

    De boomen zien zwart, en hun' dreigende schachten
      staan veerdig en vrij, als de spere in de vuist
    eens ridders, het teeken ten storme te wachten:
      het klinke, en daar loopen zij henengedruischt!

    Staat achter, o nijdig geweld van den winter;
    de boomen slaan uit, en zoo zaan[2] herbegint er
      weêr blijdag gevierd te zijn. Wreede, verhuist!

VOETNOTEN:

1 Onbevangen, ongehinderd, vrij.

2 Weldra, spoedig.



GELUWGROENE LEGERSCHAREN.


    Geluwgroene legerscharen,
      honderdduizend, waar vandaan
    zijt gij, vastgevoette blâren,
      komen op de boomen staan?

    Nauwlijks heeft twee lentezonnen
      's werelds blijde onthaal begroet,
    of... wie zal 't getellen konnen,
      't leger dat gij porren doet?

    Werkzaam, onder 't machtig streelen
      van des morgens windgeweld,
    op de berken, op de abeelen
      zie 'k u, in 't gelid gesteld.

    't Ruischt alom vol zware talen,
      't ruischt alom; en 't krijgsgebaar,
    stortende in de diepe dalen,
      dooft alle andere stemmen daar.

    Waar vandaan zijt, al in 't blijde
      doek gekleed, gij krijgeren dan?
    Wie, die zulk een wereldwijde
      legervastheid voeden kan?

    Zijt ge uit louter locht gesteven,
      zijt gij zonnestralen teer,
    schielijk en van licht geweven,
      duizendwendig bladerenheer?

    Zijt gij 't bloed en 't merg der boomen,
      't boomzijn zelve, of anders iet
    onbekend, dat uit wil stroomen,
      al zoo zaan[1] 't de zonne ziet?

    Zijt gij... Uwe ontelbaarheden
      staan het stormend volk gelijk,
    strijdbaar in 't bezit getreden
      van des Winters koninkrijk!

    Nutloos, in zijn' zware ellenden,
      heeft het land om hulp gewacht:
    komt en stoort des vijands benden,
      velt hem voor uw' legermacht.

    Breekt zijn' bergsteê, slaat zijn' ridderen,
      scheurt zijn' vanen: roept en tiert,
    dat de verste velden zidderen
      van 't geruchte: zegeviert!

    Vluchten moet hij weg; verwonnen,
      wapenloos en wepel[2], gaan
    zitten waar, in 't ijs geronnen,
      onbewoond, zijn' steden staan.

    Ruischt dan maar, gij legerscharen;
      zingt en trommelt overluid,
    zegevolle zomerblâren:
      morgen is de winter uit!

VOETNOTEN:

1 Dra.

2 Eenzaam, alleen, zonder maag of vriend.



GEKAMDE KONING CANTECLAAR.


    Gekamde koning Canteclaar,
    hoe geren zie 'k u komen daar;
      gestapt zoo edeldrachtig
    als Alexander, Atilla,
    of Karloman zijn' wederga:
      heel keizerlijk almachtig!

    Gij kraait, terwijl ge uw' vlerken slaat,
    en 't stemgeluid dat henengaat,
      uit uwen hals gedreven,
    herwekt het slapend menschendom,
    het boodschapt hem den dag weêrom,
      den dag, het licht, en 't leven.

    Uw' vonkelende ooge, uw' rooden kam,
    een laaiend beeld van vier en vlam,
      uw' zwakken steert, uw' spooren,
    uwe om end om geglimde borst,
    uw' strijdbaarheid, uw' zegedorst,
      uw' stem, zoo schoon om hooren...

    Wie is er die dat al beschrijft,
    die, heel in woord en taal gelijfd,
      doet leven u en waken?
    Wie is er? Anders geen als gij,
    heer Canteclaar, die machtig zij
      uw evenbeeld te maken.

    Vaart wel dan: ik ontgeef 't mij, en
    'k wil weten dat ik verre ben
      bij u voortaan ten onderen;
    gij hebt, o haan, den prijs behaald,
    kraait koning nu, en zegepraalt,
      en laat mij zwijgend wonderen!



O WILDE EN ONVERVALSCHTE PRACHT.


                                Alre creature sake ende yersticheit.
                                                           RUUSBROUCK.

    o Wilde en onvervalschte pracht
    der blommen, langs den watergracht!

    Hoe geren zie 'k u, aangedaan
    zoo 't God geliefde, in 't water staan!

    Geboren, arg- en schuldeloos,
    daar God u eens te willen koos,

    daar staat ge: en, in den zonneschijn,
    al dat gij doet is blomme zijn!

    't Is wezen, 't geen mijne ooge aanziet,
    't is waarheid, en ge'n dobbelt niet;

    en die door u mijn hert verblijdt
    is enkel, zoo gij enkel zijt!

    Hoe stille is 't! 't En verwaait med al
    geen bladtje, dat ons stooren zal;

    geen rimpelken in 't lief gelaat
    des waters, dat vol blommen staat;

    geen wind, geen woord: rondom gespreid,
    al schaduwe, al stilzwijgendheid!

    Dan, diepe, diepe in 't water, blauwt,
    half groen geblest[1], de hemelvaut;

    en, priemend' hier en daar vergaat
    een langgesponnen zonnedraad.

    Hoe eerbaar, edel, schoone en fijn
    kan toch eene enkele blomme zijn,

    die, al med eens, en zorgloos, uit
    de hand van heuren Schepper spruit!

    Door Hem, en door geen menschenhand,
    lag hier een nederig zaad geplant;

    door Hem, op dezen oogenblik,
    ontlook het, en dien troost heb ik,

    dat, blomme, gij mij bidden doet,
    en wezen zoo ik wezen moet:

    aanschouwende en bevroedende in
    elk uiterste einde 't oorbegin,

    den grond van alles; meer gezeid,
    maar nog niet al: Gods eerstigheid.

VOETNOOT:

1 Gevlekt.



WAAR ZIT DIE HELDERE ZANGER.


    Waar zit die heldere zanger, dien
    ik hooren kan en zelden zien,
            in 't loof geborgen,
        dees blijden Meidagmorgen?

    Hij klinkt alom de vogels dood,
    bij zijnder kelen wondergroot'
            en felle slagen,
        in bosschen en in hagen.

    Waar zit hij? Neen, 'k en vind hem niet,
    maar 'k hoore, 'k hoore, 'k hoore een lied
            hem lustig weven:
        het kettert in de dreven.

    Zoo zit en zingt er menig man,
    vroegmorgens op 't getouwe, om, van
            goên drom[1], te maken
        langlijdend[2] lijwaadlaken.

    De wever zingt, zijn' webbe deunt[3];
    de la klabakt, 't getouwe dreunt;
            en lijzig varen
        de spoelen heen, in 't garen.

    Zoo zit er, in den zomer zoel,
    een, werpende, op den weverstoel
            van groene blâren,
        zijn duizendverwig garen.

    Wat is hij: mensche of dier of wat?
    Vol zoetheid, is 't een wierookvat,
            daar Engelenhanden,
        onzichtbaar, reuke in branden?

    Wat is hij? 't Is een wekkerspel,
    vol tanden fijn, vol snaren fel,
            vol wakkere monden
        van sprekend goud, gebonden.

    Hij is... daar ik niet aan en kan,
    een' sparke viers, een' boodschap van
            veel hooger' daken
        als waarder menschen waken.

    Horkt! Langzaam, luide en lief getaald,
    hoe diep' hij lust en leven haalt,
            als uit de gronden
        van duizend orgelmonden!

    Nu piept hij fijn, nu roept hij luid';
    en 't zijpzapt hem ter kelen uit,
            lijk waterbellen,
        die van de daken rellen.

    Geteld, nu tokt zijn taalgetik,
    als ware 't op een marbelstik[4],
            dat perelkransen,
        van 't snoer gevallen, dansen.

    Geen vogel of hij weet zijn lied,
    zijn' leise[5] en al zijn stemgebied,
            bij zijnder talen,
        nauwkeurig af te malen.

    't En deert mij niet, hoe oud gedaagd,
    dat hij den zangprijs henendraagt,
            en, vogel schoone,
        mij rooft de dichterkroone!

    Want mensche en heeft u nooit verstaan,
    noch al uw' rijkdom recht gedaan,
            o wondere tale
        van koning Nachtegale!

VOETNOTEN:

1 Schering.

2 Langmeegaand, duurzaam. Lijden = gaan.

3 Schudt, trilt.

4 Stik = stuk.

5 Lied.



DE NAVOND KOMT ZOO STIL.


    De navond komt zoo stil, zoo stil,
        zoo traagzaam aangetreden,
    dat geen en weet, wanneer de dag
        of waar hij is geleden[1].
    't Is avond, stille... en, mij omtrent,
    is iets, of iemand, onbekend,
    die, zachtjes mij beroerend, zegt:
    „'t Is avond en 't is rustens recht.”

    De boomen dragen gansch de locht
        vol groen, nog onbestoven;
    en 'k zie, zoo dicht hun' blaren staan,
        nog nauwlijks door de hoven;
    'k en hoore niets, al om end om,
    van 't zoetgekeelde vogelendom,
    't en zij, het donker loof beneên,
    den nachtegaal zijne avondbeên.

    Hij zingt! Ach, wist hij zelf hoe schoon
        hij zingt! Het is onwetend,
    dat zingend hij mijne ooren boeit,
        en aan zijn' kele ketent.
    Ach, wist hij 't gene ik wetend ben:
    dat dankbaar ik toch wete en ken
    wie hem zijn' tale, en mij daaraf
    't genoegen en 't genieten, gaf!

    Hoe lieflijk zingt hij! Maar, wat hoor
        eensgangs ik ginder gekken?
    Wat is 't, dat her en weder her
        verergerend gerrebekken?
    Och, vorschenvolk, in 't waterwied,
    houdt op! En stoort de stilte niet:
    laat hooren mij dat leutig slaan...
    en, kwelgediert, houdt op voortaan!

    Hebt daar!... Het speit, den steen rondom,
        en, uitgestrekter schenen,
    zijn al de vorschen, diepe in 't goor,
        in 't zwijgend goor verdwenen!...
    Eilaas, de nacht en 't donker zijn
    bezitten nu den zanger mijn:
    noch nachtegaal, noch ruit, noch muit[2],
    en hoore ik meer... 't is uit, 't is uit!

VOETNOTEN:

1 Voorbijgegaan.

2 Niet het minste stemgerucht.



=DE VLIEGE=.


    o Gij dikke, welgekleede, welgevoede
                  vliege, die
      'k daar zoo dikkens, om end weder om mij,
                  hoore en zie
      vliegen, varen, vederen, ruischen, in den
                  zonnestraal,
      met uw' ronkend-, hoog- en leeggevooisde
                  vedertaal!

    Ha, 'k en kenne niemand die u ooit ééne arme
                  reke[1] of twee
      heeft geschonken, schoon gij zingt en immer
                  zongt, alreê
      ruim zoo lange als merelaan, of meeze, of
                  nachtegaal,
      ruim zoo schoone allichte als honigbie- en
                  krekeltaal.

    o Gij dikke, weltevreden, welgezinde
                  snaartrompet,
      nooit en zag ik of en hoorde ik uwe
                  vlerken, net
      lijk twee glazen ruitjes, daverende' 't zij
                  late of vroeg,
      of 't was helder zomerweder, en de
                  zonne loech!

    o Gij aardig dierken, 'k wou dat ik, zoo wel als
                  alle mensch,
      zoo gij schijnt te hebben, had mijn herte en
                  wille en wensch,
      en dat ge ons, al ronken in den mooien
                  zonneschijn,
      wist den weg te wijzen naar 't gestadig
                  blijde zijn!

VOETNOOT:

1 Regel, schrift of zang.



WAT HANGT GIJ DAAR TE PRATEN.


      Wat hangt gij daar te praten
    aan die blomme, o bruine bie;
      waarop, waaruit, waarover
    ik u ronken hoore en zie?
      Gij zijt er met uw' neuze en
    met uw tonge al ingegaan;
      gij hebt eraan geroken
    en van alles aan gedaan,
      daarom, daarin, daarover,
    op uw' vlerken alle twee:
      ik wonder hoe die blomme u
    laat geworden, zoo ter lee[1]!
      Och, ware ik in heur' plaatse, ik
    hiet u varen, en ik sloot
      zoo seffens al dat werk, al
    dat geruchte uit mijnen schoot,
      en 'k...: „Rap, uit mijnen weg en
    uit mijn zunne, dat ik zie:
      houdt op, en laat mij werken,
    of ik strale[2] u!” zei de bie.

VOETNOTEN:

1 Gewillig.

2 Straal = pijl, angel.



ALS GE NAAR HET KOOREN LUISTERT.


    Als ge naar het kooren luistert,
      dat nu op- nu nedergaat;
    daar een' zwepe wind in snuistert,
      dat de lieve zonne baadt;

    neen, 't en kan geen' snare talen,
      die zoo zoete om hooren is
    als 't gerep der roggestalen,
      als 't geroer van 't kooren is.

    't Vaart een fijn gelispeld leven
      deur de toppen, altemaal;
    daar de diepere stammen beven,
      deunende als een' dondertaal.

    Hel en duister, lijze en luide,
      mingelmangelt in de lucht,
    't ruischen van de groengekruide,
      grauwgetopte koorenvrucht.

    Drijft dan maar, gij dunne staven,
      die den landman 't leven wint;
    laat de zonne uw' lenden laven
      zoetjes, en den zomerwind!

    Hei, daar valt er volk te peerde,
      losgetoomd, in 't veie[1] groen;
    donker diept het neêr naar de eerde,
      zoo in zee de schepen doen.

    Volgende elk den andere, varen
      ze, elk gevolgd, in 't volle veld;
    't zonnelicht beglanst de baren
      van dit rennend rosgeweld.

    Schielijk, in de lucht ontkomen,
      zijn de ridderen weg: 't en speelt
    niets meer in de vrije vromen,
      dat de zware zee verbeeldt.

    Stille is 't nu: de zonne vonkelt
      deur de wolken, blij en blank;
    milde lacht het al en monkelt[2],
      in en om mij, lief en lang.

    Ach! 'k En gave om al het schoone,
      dat de heldere zonne ziet,
    –Vlanderen, Vlanderen spant de kroone,–
      neen-ik, nog mijn Vlanderen niet!

VOETNOTEN:

1 Welig.

2 Glimlacht.



DE WOLKENWEG BEDIJGT.


      De wolkenweg bedijgt[1]
    vol eendlijke[2] oorlogschepen,
      wier witgezeilde macht
    de koele westerzwepen
      des windloops drijven doen,
    en, in 't gelid zoo zaan[3],
      den hemel vol, tot in
    zijn verste diepten, staan.

      De zonne speelt daarin,
    met honderd duizend monden
      geschuts; die, scherp gelaên,
    't gebuikte lijndoek wonden
      van 't scheepgevaarte: 't licht
    en 't duistert, keer om keer;
      en, schielijk overwolkt,
    en zie 'k geen zonne meer.

      Gaat 't regenen eindelijk,
    en, zoo 't de boeren vragen,
      een' ongetelden oest[4]
    van goud en zelver vlagen[5]?
      Gaat 't regenen? Donker is 't,
    nog donkerder. Med een,
      daar bliksem' het, en 't buischt
    een zware dondersteen!

      Het windrad is gekeerd,
    de hemelwanden breken,
      en neerstig–vlucht in huis!–
    zie 'k al de daken leken:
      God zegent het geweld
    des hemels, de eerde doomt[6]
      en davert, van 't geluk
    dat in heure aderen stroomt.

VOETNOTEN:

1 Bedijgen, bedijen, groeien, worden.

2 Angstig, groot.

3 Dra.

4 Oogst.

5 Het vlaagt = het buit, het is buiig weer.

6 Dampt.



ANDLEIE.[1]


    Jordane van mijn hert
    en aderslag mijns levens,
      o Leye, o vlaamsche vloed,
      lijk Vlanderen, onbekend;
    hoe overmachtigt mij
    de mate uws vreugdegevens,
      wanneer ik sta en schouwe,
      uw' vrijen boord omtrent!

    Hoe vaart gij welgemoed,
    de malsche meerschen lavend
      met blijder vruchtbaarheid,
      te Scheldewaard, en voort
    ten Oceaan, u, zelf,
    een' diepe vore gravend,
      die 't oude en vrije land
      van Vlanderen toebehoort.

    Wat zijt ge schoone, o Leye,
    als 't helderblauwe laken
      der hemeltente wijd
      en breed is uitgespreid,
    en dat, uit heuren throon,
    de felle zunne, aan 't blaken,
      vertweelingt heur gezichte
      in uwe blauwigheid!

    Dan leeft het rondom al[2]
    uw' groengezoomde kanten,
      aanzijds en heraanzijds,
      zoo verre ik henenschouw,
    van lieden, die weêrom,
    en nu in 't water, planten
      den overjaarschen bloei
      van hunnen akkerbouw,

    den bast, die, onlangs, toen
    hij jong was, jong en schoone,
      't gezicht verblijdde, maar
      één levend legtapijt;
    die, veel te lichte, eilaas!
    de blauwe maagdenkroone
      verloos, en bleef het lieve
      en jeugdig leven kwijt!

    Het vlas! Nu staat 't gedoopt,
    Jordane, in uwe lanken,
      gegord in haveren stroo,
      dat banden gouds gelijkt;
    bij duizend duizenden
    van bonden, die vier planken
      bewaren, ketenvast
      en aan den wal gefijkt[3].

    Hoe zucht gij, om weêr uit
    dit stovend bad te komen;
      hoe zucht gij, zoo de ziel,
      de vrome kerstene, doet,
    die, na gedulde pijn,
    vol hopen en vol schromen,
      verlangt het licht te zien
      dat haar verlossen moet!

    Verdraagt den harden steen[4]
    nog wat, die, korts nadezen,
      gelicht, u helpen zal
      ter vrijheid; en de dood,
    die u gedwongen hield,
    zal zelf gedwongen wezen,
      u latende uit het graf
      en uit den Leyeschoot.

    Die steen heeft u gedempt,
    g'ootmoedigd en gedoken,
      tot dat uw taaie rug,
      gemurruwd en verzaad,
    geen' weerstand biên en zou
    aan hem die u, gebroken,
      tot lijn[5] hermaken zal
      en edel vlasgewaad.

    Hoe krielt het wederom,
    langs al de Leyeboorden,
      van lieden, half gekleed,
      die half in 't water staan,
    en halen, lekende uit,
    lijk lijken van versmoorden,
      't gebonden, zappig vlas,
      en 't spreidende openslaan!

    't Verrijst! Het wordt alhier,
    het wordt aldaar bewogen,
      gestuikt[6], gekeuveld[7] en
      gehut. De zonne lacht
    en speelt in 't droogend schif[8],
    dat, 't water uitgezogen,
      heur fijne stralen drinkt
      en fijndere verruwpracht!

    Wat zie 'k! o Israël,
      lijk in de bibelprenten,
      gekleend, den overtocht
      van 't Abrahamsche diet[9];
    gesmaldeeld en geschaard,
    in lijnwaadgrauwe tenten,
      ontelbaar, zoo 't den dwang
      van Pharao verliet!

    Beloofde land van God,
    Jordane, in 't hooge Noorden,
      hoe schoon 't gelegerd volk,
      dat, God gehoorzaam, voet
    en hand te zamen, zwoegt
    naar uwaard, en de boorden
      van 't stroomend waterkleed
      strijdmachtig leven doet!

    Ik hef, lijk Bala'am,
    mijn woord op, en 'k bezegen
      den arbeidweerden troost
      dien 't neerstig Vlanderen vand...!
    Zij 't immer God getrouw,
    God dankbaar, God genegen,
      en weerd de diere kroon
      die hem de vrijheid spant,

    zoo lang de Leye loopt,
    zoo lang de velden dragen
      den taaien lijnwaadoost[10],
      die op heur boorden groeit;
    zoo lang 't gestorven vlas
    herleeft in kant en kragen,
      en, sneeuwwit op de borst
      van jonk- en schoonheid bloeit!

VOETNOTEN:

1 Aan de Leie.

2 Aan, langs.

3 Fijke is een stok of ijzeren staaf op den oever, waar de in 't water
neergelaten vlasbakken aan vastgebonden worden.

4 Die op de volle vlasbakken ligt om het vlas ter roting onder water
te houden.

5 Gesponnen draad om te weven.

6 Stuiken = korenschoven recht overeind zetten om te drogen.

7 Keuvel = gevelpunt op een dak.

8 Houtbast van 't vlas.

9 Volk.

[10] Oogst.



='T IS STILLE=.


    't Is stille. Rustig ligt
    en slaapt het altemaal,
    dat leute en leven was,
    dat locht- en vogeltaal.
    Geen windeken en waakt:
    november houdt den staf,
    en stelpt dat wekken mocht
    het eindloos duister graf
    des aardrijks. Ongebaand
    en dood zijn weg en straat;
    de voet alleen verwekt,
    en 't stappen van die gaat,
    een doof gerucht in 't loof,
    dat, afgevallen, plekt
    den grond, dien 't in een' spree
    van doodsche varwen dekt.
    't Is stille. Gij alleen,
    o vlugge en vlijtig ding,
    dat, langs den natten tak
    geklaverd, uw gepink
    laat hooren, fijn en snel,
    ge ontsnapt en snetst alom:
    „Ik leef nog: piep! Ik leef,
    spijts 's winters winterdom!”



=DE RAVE=.


    Met zwart- en zwaren zwaai aan 't werken door de grauwe,
    de zonnelooze locht, ik de oude rave aanschouwe;
      die, roeiende op en dóór den schaars gewekten wind,
      gelijk een dwalend spook, eilaas geen ruste en vindt.

    Ze is zwart gebekt, gepoot, gekopt in 't zwarte; als kolen,
    zoo staan heure oogen zwart, in hun' twee zwarte holen
      te blinken; rouwgewaad en duister doek omvangt
      het duister wangedrocht, dat in de nevelen hangt.

    Ze is stom! Z'en uit geen woord en 't waaien van heur' slagers
    en hoort gij niet. Alzoo de zwarte doodendragers
      stilzwijgend gaan, zoo gaat zij zwijgend op de lucht,
      en wendt alhier aldaar heur' zwarte ravenvlucht.

    Wat wilt gij, duister spook! Waar gaat gij? Van wat steden
    zijt gij, met damp en doom[1] en 's winters duisterheden,
      alhierwaards aangewaaid? Wat boodschap brengt gij? Van
      wat rampe of tegenspoed zijt gij de bedeman[2]?

    Is ziek- of zuchtigheid, uit 's noordens grauwe landen;
    is sterfte wederom, is hongersnood op handen?
      Is moordaanslag, verraad de zin van uw vermaan;
      of gaat de muil misschien des afgronds opengaan?

    Geen woord! Dan, weg van hier, onzalige: gaat varen
    alwaar nooit zonne en rijst; alwaar de grimme baren
      staan ijsvaste overende, als rotsen; en waar nooit
      noch blom noch blad den buik van moeder aarde en tooit!

    Gaat aan! Of spreekt een woord, zoo de andere vogeldieren
    te zomertijde doen, die in de bosschen zwieren:
      ja, 's winters, als de snee' heur laken heeft gespreid,
      nog vinkt en klinkt het hier, vol vogelvlijtigheid.

    En gij! De rave trekt, met trage vederslagen,
    voorbij mij, zwaar en zwart gelijk nen kerkhofwagen,
      en roept mij, onverwachts, terwijl zij henenvaart,
      al in één enkel woord, heur' winterboodschap: „Spaart!”

VOETNOTEN:

1 Damp.

2 Bode.



=DE TIJD=.


                              _Tempus non erit amplius._ Apoc. X, 6.

    Verloren is 't gepijnd om aan
    den tijd, die immer voort moet gaan,
          een paal te zetten;
    ja, stelt u maar en schoort u stijf,
    ge 'n zult, met al uw leên en lijf,
          zijn' baan beletten.

    Hij lacht met u, en, moegesold,
    gij vechtend in de vore rolt,
          daar 't eeuwig varen
    zijns wilden strooms voorbij u voert,
    en zegepralend henenroert,
          zijn' ruwe baren.

    Hij stampt de hooge boomen om,
    hij buigt den berg zijn' lenden krom,
          hij springt de banden
    van staal intween, die vastgedaan,
    bij stede en stad, hem wederstaan,
          in alle landen.

    Geen wet en weet hij, noch 't en zal
    hem dwingen eenig ongeval:
          geen' legerbenden,
    geen' wapens, geen geweld van iet
    dat donderbusse of boge schiet,
          en kan hem schenden.

    Onraakbaar is hij, vluchtende ooit
    en vechtende; verderfnis strooit
          hij op die wilden
    weêrzetten hem 't zij burgten van
    orduin[1] gebouwd, 't zij duizend man,
          't zij duizend schilden.

    't En breekt den boozen beul, van al 't
    geween dat hem te voeten valt,
          geene enkele smerte,
    geen Bethlehemsche kinderdood,
    geen leêggeroofde moederschoot,
          zijn steenen herte!

    Zoo moet hij varend henengaan,
    en al dat is aan stukken slaan,
          tot ander stonden,
    dat hij ook eens, het licht ontzeid,
    voor eeuwig hebbe in de eeuwigheid
          zijn' dood gevonden.

VOETNOOT:

1 Arduin.



MIJN HERT IS ALS EEN BLOMGEWAS.


      Mijn hert is als een blomgewas,
    dat, opengaande of toegeloken,
      de stralen van de zonne vangt,
    of kwijnt en pijnt en hangt gebroken.

      Mijn hert gelijkt het jeugdig groen,
    dat asemt in den dauw des morgens;
      maar zwakt, des avonds, moe geleefd,
    vol stof, vol weemoeds en vol zorgens!

      Mijn hert is als een vrucht, die wast
    en rijp wordt, in de schauw verholen,
      aleer de hand des najaars heeft,
    te vroeg eilaas, den boom bestolen!

      Mijn hert gelijkt de sterre, die
    verschiet, en aan de hooge wanden
      des hemels eene sparke strijkt,
    die, eer 'k heraêm, houdt op van branden!

      Mijn herte slacht den regenboog,
    die, hoog gebouwd dóór al de hemelen,
      welhaast gedaan heeft rood en blauw
    en groen en geluwe en peersch te schemelen!

      Mijn hert... mijn herte is krank, en broos,
    en onstandvastig in 't verblijden;
      maar, als 't hem wel gaat éénen stond,
    't kan dagen lang weêr honger lijden!



    't Eerste dat mij moeder vragen
    leerde, in lang verleden dagen,
        als ik hakkelde, ongeriefd
    nog van woorden, 't was, te gader
    bei mijn' handtjes doende: „Vader,
        geeft me 'en kruisken, als 't u belieft!”

    'k Heb een kruiske dan gekregen,
    menig keer, en wierd geslegen
        op mijn' kake, zacht en zoet...
    Ach, ge zijt mij, bei te gader,
    afgestorven, moeder, vader,
        't geen mij nu nog leedschap doet!

    Maar, dat kruiske, 't is geschreven
    diep mij in den kop gebleven,
        teeken van mijn erfgebied:
    die den schedel mij aan scherven
    sloege, en hiete 't kruisken derven,
        nog en hadd' hij 't kruisken niet!



WINTERMUGGEN.


    De wintermuggen zijn
          aan 't dansen, ommentomme,
    zoo wit als muldersmeel,
          zoo wit als molkenblomme[1].

    Ze varen hooge, in 't vloe;
          ze dalen diepe, in de ebbe;
    ze weven, heen en weêr,
          hun' witte winterwebbe.

    Hun' winterwebbe zal,
          dat lijnwaad zonder vlekken,
    den zuiverlijken schoot
          van moeder Aarde dekken.

    Ze ligt in heuren slaap,
          ze droomt den schuldeloozen,
    den maagdelijken droom
          van nieuwe lenteroozen.

    Ze ligt in heuren slaap,
          ze droomt den wonderbaren,
    den liefelijken droom
          van 's zomers harpenaren.

    Ze ligt in heuren droom,
          ze droomt van overvloed en
    van voorspoed overal,
          om vee en volk te voeden.

    'n Wekt ze niet, 'n laat
          heur geen geruchte dwingen,
    om, al te schier ontwekt,
          uit heuren slaap te springen!

    Daar ligt ze nu en rust:
          heur zwijgend beddelaken,
    de wintermuggen spree'n 't,
          die geen geruchte en maken.

    Ze draaien op en af
          en af en op en omme,
    zoo wit als melk, als meel,
          als molke en runselblomme[2].

VOETNOTEN:

1 Wrongel.

2 Wrongel.



=WINTERNACHT=.


    Hoe zwart staan al de boomen in
        de witheid, onverwacht,
    van 't overdadig sneeuwen, dat 't
        gedaan heeft, van den nacht!

    Ze staan daar, als gekoolzwart en
        met teekenen geprent,
    al zwarte en zware staven, op
        een eindloos pergament.

    Ze 'n roeren noch ze 'n poeren[1] en,
        bij 't nachtelijk gestraal,
    men zweren zou dat 't spoken zijn,
        of reuzen altemaal.

    De sterren staan en bliksemen,
        als oogen, ongeteld,
    van boven, uit de koppen van
        die reuzen vol geweld.

    Ze groeien immer grooter, en
        de witheid van de snee
    verzwaart de zwarte stammen. Zich[2]!
        van een' zoo wordt er twee!

    'k Versta nu hoe van drollen[3], gij,
        en droezen[3] hebt gedroomd,
    wanneer ge, Noordsche heidenen,
        verkeerdet in 't geboomt.

    Bij 't razen van den winter en
        bij 't nijpen van den nacht,
    is de oude, grimme reuzenzegge[4]
        ontstaan in uw gedacht.

VOETNOTEN:

1 Bewegen.

2 Zie.

3 Nikkers, spoken.

4 Sage.



=ARM HUISGEZIN=.


    Onder 't duister dak gedoken,
      stroo en vodden[1] altegaar,
    heel onttodderd[2], half gebroken,
      staat des werkmans woonsteê daar.

    't Kaafgat[3], omme- en scheefgetrokken,
      vallen gaat; en daar, deureen,
    liggen afgerolde brokken
      bruingebrand al, gruis en steen.

    't Dak beneden, deur de wanden,
      glazenloos, van latte en leem
    zie 'k getelde turven branden,
      doodsch, in 't deerlijk huisgeheem[4].

    Open ligt het, aller oogen;
      't waait erdeure en 't sneeuwt erin;
    's zomers zal me' er hitte in doogen,
      's winters koude.–Arm huisgezin!

VOETNOTEN:

1 Zoden.

2 Uit de voegen.

3 Kave = schouw.

4 Binnenhuis; heem, heim = huis.



IRREQUIETUM[1]....


    Als één verdriet is uitgezucht,
      er ruimte is, zult ge zeggen,
    en reden daar, om ééns, toch ééns,
      het rouwkleed af te leggen!
    't En doet! Daar zitten zuchten al
      volveerdig, neêrgedwongen,
    en beidende, in de bange borst,
      die geren henensprongen!

    Ze kwellen en ze pramen u,
      en baren zult ge, baren,
    ach! de altijdonvolborentheid
      des weedoms! De oude jaren
    en letten 't herontvangen, noch
      het grootgaan, immer: sterven
    van droefheid, zult ge, in barensnood,
      en 't eeuwig–leven–erven!

VOETNOOT:

1 Zonder rust.



=VELUT UMBRA=[1].


      Hoe lange al, eer 'k aanschouwen mocht
    mijn schaduwbeeld! en zonnestralen,
      door 't scheuren van de ontstelde locht,
    't daar schielijk, vóór mij, henenmalen!
      'k Verschiete ervan, zoo lange al is 't,
      dat, zonneken, mijne ooge u mist.

      'k Gevoel 't zoo veerdig–: ommentom,
    dien eersten blik van liefde, 't wezen
      en 't uitzien van heel 't scheps'lendom,
    gedeluwd[2] en ontziend[3] voordezen,
      doet werkzaam, in den zonneschijn,
      heropgestaan en wakker zijn.

      De witte muur, het roode dak,
    de grauwe baan, de zwarte moude[4],
      het groene gers[5], de bruine tak,
    't is al alsof 't herleven zoude
      in 't licht, dat 't moede en 't doove, van
      dat verruwloos is, verwen kan.

      Een enkel scheurke in 't wolkgewand,
    en 'k sta daar, vóór mij, heengeschreven,
      van boven tot beneên, in 't zand
    vertweelingd, in 't geweld te leven
      des zonnelichts!... Och arme, 't sluit,
      weêr toe: mijn beeld is,–al is uit!

      Zoo gaat het, Heer des levens: al
    zoo lange ik, in den hoogen throone,
      U zelven eerst niet zien en zal,
    den nu nog onaanschouwbaar schoone,
      zoo lang zal licht en zonneschijn
      me, en 't leven ook, een schaduw zijn!

VOETNOTEN:

1 Als een schaduw.

2 Loodverwig.

3 Onschoon.

4 Aarde.

5 Gras.



=ABEELEN=.


    Verschgevelde abeelenboomen
          liggen langs de grachten heen,
    die den ouden zandweg zoomen,
          hoofd en armen afgesneên.

    Sterke stammen, kon dat wezen,
          gij, die, op en in den grond,
    met uw' voeten vastgevezen[1],
          vamen diepe, ondelgbaar, stondt?

    Gij, die 't zwaar geweld der winden,
          kreunende, op uw kruinen droegt;
    die zoo lang den boosgezinden
          wintervijand wedersloegt?

    't Edel hoofd intweengespleten,
          knoken in den grond geboord,
    wie heeft 't al u afgebeten,
          dat uw' schoonheid toebehoort?

    Spillen zie 'k, en spanen, dragen;
          splenters, uit uw hoofdgewaai;
    takken uit uw' toppen zagen,
          kerven af uw' teenen taai!

    Elk komt uit en wondt en snijdt u:
          raapt en rooft, met volle hand;
    nu dat, omme en verre en wijd, uw
          hooge kroone ligt in 't zand.

    Vijandschap, aan alle zijden,
          woedt om uwe ellendigheid:
    heeft u ooit, in vroeger tijden,
          vrede en vriendschap één ontzeid?

    Edel volk, wanneer gij wachttet,
          langs den weg, en schaduw smeet
    op die, moegegaan, versmachtte 't
          zonnevier, was 't iemand leed?

    Iemand leed! Ach, laat mij weten
          wie dat 't is, die, afgemat,
    heeft ondankbaar neêrgezeten,
          in de schaduw! Leert mij dat!

    Meermaals mocht ik asem halen,
          vluchten onder 't groene dak,
    als het zweerd der zonnestralen
          scherp mij in de lenden stak.

    Boomen, in uw' looverlane,
          tellende, een voor een, u al,
    's zomers, zoete abeelenbane,
          zelden ik nog komen zal!

    't Deert mij zoo!–De abeelenboomen
          liggen langs de grachten heen,
    die den ouden zandweg zoomen,
          hals en handen afgesneên!

VOETNOOT:

1 Vijzen = schroeven.



=LENTEGROEN=.


    't Is lentegroen genoeg,
    voor honderdduizend oogen;
          eilaas, 'k en hebbe er ik,
          o grondig groene zee,
                maar twee:
    wie kander moedeloos,
    den dwang mij doen gedoogen
          van 't geen mij tegenhoudt
          nen tocht in al dat groen
                te doen?

    Gij vlerkendragend volk,
    gij allerhand gezwinde
          doorvliegers van de lucht,
          de lieve lente lacht
                zoo zacht;
    en gij, gij vliegt haar in
    't gemoet, bij lork en linde,
          in 't nieuwgeboren gers[1],
          in 't onkruid en in 't riet:
                ik niet!

    Gij bietjes ongeteld,
    gij tienmaalhonderdduizend
          in 't rood, in 't geel, in 't blauw
          gepinte[2] pepels[3], haait
                en draait
    en drentelt, op en neêr,
    eer 't zonnelicht, verhuizend
          van hier, u, 't lieve groen,
          en mij, de moede nacht
                ontkracht!

    o Grondig, groene zee,
    'k ben visschende op de baren
          van uwe oneindigheid
          van groen, en mijn gewin
                daarin
    verheugt mijn arem herte:
    om 't gene ik late varen,
          om 't gene ik vangen kan,
          en.... God gebenedijd
                mij zijt!

VOETNOTEN:

1 Gras.

2 Getooid.

3 Vlinder.



=VOGELZANG=.


    Ik hoore 't, gij vogelkens,
          luide genoeg
      herhaalt en herhaalt gij
            uw' spraken;
    maar, hoe ik mijn beste doe,
          spade ende vroeg,
      'k en wete er geen zin van
            te maken.

    Verstaat gij malkanderen,
          elk in zijn' taal?
      Verstaat, gij die meest en
            die merelt,
    die lijstert, die leeuwerkt, die
          muscht, altemaal
      uw maagschap, tot tenden
            de wereld?

    Geen slagers en kenne ik, zoo
          dapper als... ei!
      die, slaande uwen klank uit
            der kelen,
    komt vinken en klinken hier,
          vroeg in de mei,
      en zitten en zingen
            en spelen.

    Ge 'n hebt me noch dit, in uw'
          zangen, gedwaald;
      noch dat, in uw zingen,
            vergeten;
    gelijk is het altijd, al
          't gene gij taalt,
      gewikt en gemikt en
            gemeten.

    Zoo zongen uwe ouders, zoo
          gij ook, nadien;
      en, na u, zoo zingen
            uw' jongen;
    hebbe ievers ik nachtegaals-
          zonen gezien,
      't was nachtegaalszang, dat
            zij zongen.

    Dan–alles van buiten weet ge:
          al dat gij zingt
      en zurkelt en zabbert;
            't zit even
    zoo net in zijn' haken en
          oogen, mij dinkt,
      of ware 't met inte[1]
            geschreven.

    Daar leerde toch iemand u 't
          liedergeluid
      naar maten en wetten
            bedwingen;
    nu heffen, nu leggen: dan
          in en dan uit,
      van 't hoogere in 't leege
            verspringen!

    Geen scholen en wete ik, daar,
          lastig en lang,
      gij zaat, om uw' lessen
            te leeren,
    zoo menschen dat moeten, die
          spel en gezang
      betalende menschen
            vereeren!

    Gods werken, zijt wonder: ik
          wille u verstaan,
      doch, helder en wordt het...!
            Geraden
    en kan ik het raadsel, hoe
          Hij heeft gedaan,
      de Godlijke Dader,
            zijn' daden!

VOETNOOT:

1 Inkt.



=ZONNEWENDE=.


    Een blomken heb ik staan, nabij
        me, in de oude boekenzale,
    dat altijd, naar den dag toe, keert
        zijn' blaârkes, altemale;
    het wenden mag ik zus of zoo,
    dat ik begere volgt het noo,
    en 't zoekt, weerom naar mij gericht,
    nog altijd liever 't zonnelicht!

    Och, ware ik als dat blomken is,
        in al mijn doen en laten,
    mijn zorgen, mijn bekommernis,
        in huis en achter straten:
    't zij wat men doet of niet en doet,
    't zij wat ik immer lijden moet,
    naar u, met herte en ziel, gericht,
    o alverzettend zonnelicht!

    't Is duister nu en zwaar, te mets[1],
        omtrent mij: oude kwalen
    en nieuwe, doen, van zielgekwets,
        mij moe zijn, menigmalen,
    tot dat, o God, naar U gewend,
    mijn' duisterheid den dag erkent,
    en ziende U, met mijne oogen dicht,
    ik asem hale, in 't zonnelicht.

VOETNOOT:

1 Somwijlen.



BONTE ABEELEN.


    Wit als watte, en teenegader
    groen, is 't bonte abeelgeblader.

    Wakker, als een wekkerspel,
    wikkelwakkelwaait het snel.

    Groen vanboven is 't en, zonder
    minke[1], wit als melk, vanonder.

    Onstandvastig volgt het, gansch,
    't onstandvastig windgedans.

    Wisselbeurtig, op en neder,
    slaat het, als een' vogelveder:

    Wit en grauw, zoo, dóór de lucht,
    „bonte-abeelt” de duivenvlucht.

VOETNOOT:

1 Iets dat ontbreekt, vlek.



DE BLEEKERSGAST.


    't Ververscht mij, in 't geweld gestaan
        der hooge zonnekrachten,
    te zien van verre, aan 't water slaan,
        vuls arems, uit de grachten,
    den bleekersgast: de regenvloed
    't geleschte lijnwaad ronken doet.

    Den lepel zwaait hij, zwak van leên,
        ter beken uit, omhooge;
    en waken doet, hoe verre heen
        hij werpen kan, zijne ooge:
    de laatste lage en mist hij niet,
    en al dat drooge is nat hij giet.

    De groote zonne lacht daarop
        heure alderliefste lonken;
    die, vallende in den dreupeldrop,
        den dreupeldrop ontvonken:
    ik regenbogen, smal van bouw,
    nu hier nu daar, in 't gers[1], aanschouw.

    Het lijnwaad is, en 't gers, nu nat
        genoeg; de lanen leken;
    en wederom zijn spegelglad
        van aanschijn al de beken;
    de bleeker zit en droogt entwaar[2]
    de peerlen uit zijn kroezelhaar.

    Verzachten doet dat regenbeeld
        't geweld der heete stralen,
    en lichter in de longer[3] speelt
        voortaan mij 't asemhalen:
    zij vrede aan al die 't schoone van
    Gods wonderheên beseffen kan!

VOETNOTEN:

1 Gras.

2 Ergens.

3 Long.



=RIJMRAM=.


    Daar viel mij in 't gedacht entwat,
    dat, al te onveerdig opgevat,
    verloren liep; en, mondgemeens,
    en zal 't noch ik, noch iemand eens
              genieten.

    Het deert mij danig! Ei! 't en doet;
    en heel en is en al, voor goed,
    dat ongedicht gedachtje, dat
    was al te onveerdig opgevat,
              te nieten.

    Het leeft entwaar[1] entwat dervan,
    dat visschende ik nog vangen kan,
    wellicht; en, eens in 't net, wie is 't,
    genaan[2]! die mij den visch ontvischt,
              en 't garen?

    Mij rijmvast en, van stonden aan,
    zal 't stijf en sterk in staven staan,
    nu, mondgemeen, het onverwacht
    gedacht gedicht, gedicht gedacht,
              nog jaren.

VOETNOTEN:

1 Ergens.

2 Wat weerga!



=TWEE HORSEN=.


    Ze stappen, hun' bellen al klinken,
        de vrome twee horsen te gaar;
    ze zwoegen, ze zweeten; en blinken
        doet 't blonde gelijm[1] van hun haar.

    Ze stappen, ze stenen, ze stijven
        de stringen; en 't ronde gareel,
    het spant op hun' spannende lijven:
        de voerman beweegt ze aan een zeel.

    De wagen komt achter. De rossen,
        gelaten in 't lastig geluid
    der schokkende, bokkende[2] bossen[3],
        gaan, stille en gestadig, vooruit.

    Geen zwepe en behoort er te zinken,
        geen snoer en genaakt er één haar:
    zoo stappen, hun' bellen al klinken,
        de vrome twee horsen, te gaâr.

VOETNOTEN:

1 Geblink.

2 Stooten.

3 Naaf.



=HET KLOKGEBED=.


    Hoe helder klinkt
    de klokkentaal
    ten torren uit:
    tot negenmaal
    herhaalt, herhaalt
    de klepel, op
    den rooden boord,
    zijn beêgeklop!

    De landman laat
    zijn' rossen staan:
    naar huis zal hij,
    en rusten, gaan!
    maar, eer hij stap
    van stede zet,
    zoo bidt hij nog
    zijn klokgebed.

    Een engel naar
    Maria kwam:
    de boodschap hij
    van 't Boetelam
    had medebracht:
    en negenmaal
    begroet haar nu
    de klokkentaal.

    Gods eeuwig Woord
    het licht verliet
    des hemels, en
    Maria hiet
    het moeder zijn
    van Hem die, aan
    den boom, voor ons
    heeft boete ontvaân[1].

    De landman, na
    den laatsten klop,
    van bidden houdt,
    van werken, op;
    zijn' rossen staan
    op stal weerom,
    en moeder wenscht
    hem willekom.

VOETNOOT:

1 Ontvangen.



=SCHOONHEID=.


    Hoe schoon zijn de ongekunstenaarde
            boomen, die
    'k, erkenbaar uit elkander, in den
            hemel zie
    geschoten staan, en dragende elk een
            beeltenis,
    daar 't werken van Gods hand nog aan te
            vinden is!

    Hoe schoon is, ongeschonden, in de
            zonnenkracht,
    't wijduitgespreide bouwsel van de
            boomenpracht,
    ten toppen uit gedreven, en, van
            dracht, alzoo 't
    de Schepper eerst, beminnende, uit zijn
            handen goot!

    Het was alzoo geschapen en, van
            God gemaakt:
    waarom en laat ge 't, mensch, door u niet
            aangeraakt,
    geworden, 't onverbeterbare en
            't schoonste van
    de schoonheid, daar geen menschenhand ooit
            aan en kan?



=DE DAKPANNEN=.


    De oude roo dakpannen schijnen zoo schoon,
        schuren bedekkende en boeien[1],
    laat er de zonne, van uit heuren throon,
        vierige vonken op gloeien.

    Duister, zoo waren ze, een wijle geleên,
          vunzig, oneffen bedegen[2]:
    deerlijk ontodderd[3] en schamel, beneên
          't vochtig gezijp van den regen.

    Blijde nu blinken ze, in 't zadgroene veld;
        schuren bedekkende en boeien:
    'k zie mij zoo geren, in 't zonnengeweld,
        de oude roo dakpannen bloeien.

VOETNOTEN:

1 Schuurtje.

2 Geworden.

3 Uit de voegen.



=TERUG=.


    Scheef is de poorte van
      oudheid, geweken:
    zaâlrugde[1] 't dak van
        de schure; overal
    stroo op de zwepingen[2]
      zit er gesteken;
    vodden beveursten[3] het
        huis en den stal.

    Boven die vodden zijn
      blommen gesprongen;
    onder die vodden zit
        volk en gezin;
    blommen van vrede, zoo
      ouden, zoo jongen,
    blommen van buiten en
        blommen van bin.

    Daar is 't, dat moeder zat;
      daar is 't, dat vader
    vond die hem arbeid en
        herte bracht; daar
    knielden wij, kinderen,
      handen te gader,
    baden wij, kleenen en
        grooten, te gaâr.

    Daar is de schippe nog,
      daar is de tange;
    't ovenbuur[4] staat daar, zoo
        't vroeger daar stond;
    't hondekot staat daar, en...
      –'t is al zoo lange!–
    Hoe is de naam van dien
        anderen hond?

    Ach, hoe verheugen mij,
      ach, hoe verheffen
    de oudere dagen mijn
        diepste gemoed!
    Is er wel iemand, die 't
      ooit kon beseffen
    wat gij, oud hof, mij nu
        zegt, mij nu doet?

    Zalige lieden, al
      te arglooze menschen,
    weinig begeerdet gij,
        groot was uw hert!
    –Kon het maar helpen, met
      weenen en wenschen,
    weêr ate ik roggenbrood,
        naast u aan 't berd[5]!

VOETNOTEN:

1 Met een rug als een zadel.

2 Dwarshout tot koppeling van de kapgebinten.

3 Zoden vormen de dakvorst.

4 Ovenhuis.

5 Tafel.



HET GETOUWE.


        En mocht ik maar
    twee zielen hebben,
        'n mocht ik maar
        twee menschen zijn,
        'k zou weven mij
    tweêrhande webben:
        een' webbe groef,
        een webbe fijn.

        Een webbe zou 'k,
    van zonne en zijde,
        mij weven, en
        van goudgespin;
        met boomen en
    met blaren, blijde,
        met meer als een
        schoon blomken in.

        Mijn ander' webbe,
    en tweede leven,
        'n liet ik maar,
        onaangemoeid,
        geschoren zijn,
    getouwd, geweven,
        zoo 't in en deur
        't getouwe vloeit!

        Doch neen: ik zal,
    van ziele en lijve,
        de wever van
        één webbe zijn,
        zoo lange 'k in
    dit leven blijve,
        van zuur en zoet,
        van groef en fijn.

        Den inslag en
    den drom[1] van 't leven,
        van goed, heeft God,
        en kwaad gespin,
        van zijde en wolle
    en werk gegeven,
        met hier en daar
        een blomken in.

        En, zittende op
    mijn krank getrouwe,
        zoo weve en werke
        ik, dag en nacht,
        aanziende, vol
    goe hope en rouwe,
        den Heere, die
        mijn werk verwacht.

VOETNOOT:

1 Schering.



=WIEROOK=.


                                                Thus ardens in igne.

          o Wierookgraan,
          geronnen traan
    van ceder- en van lorkenstammen,
          gebedenbeeld,
          daar 't vier in speelt,
    en 't vonkelen van 's herten vlammen.

          Geen gave van
          fijn goud en kan
    mijn hand den Heer, geen myrrha bieden,
          maar wierook zal,
          en overal
    en allen dag, Hem dank bedieden.

          o Wierookgraan,
          in 't vier gedaan,
    en rookende uit mijns herten midden,
          van aardsch en grauw
          wordt hemelsch blauw:
    gaat, wierookgraan, den Heere aanbidden.



O HEEMELIJKE DIEPTEN...


   o Heemelijke diepten van
    't vol schaduw hangend boschgebied:
    vol schaduwe en vol duisterheid,
    vol nacht en dauw, dooreengespreid!

    't Is morgen, en de zonne berst
    alhier, aldaar, ontembaar, uit
    den nachtelijken moederschoot:
    „Hier ben ik!” roept de zonne groot.

    „Hier ben ik!” En, ze doet den dauw,
    in 't veld, en al dat vochtig is,
    verdampen. Deur de glazen valt
    ze in 't huisgezin:–ontwekken zal 't!

    't Is licht alom: 't is leven al,
    dat 't zonnebeeld aanschouwde: alleen,
    daar diepe, in 't eenzaam boschgebied,
    en zie 'k, o schoone zonne, u niet.

    't Is duister, en 't is nacht daar nog;
    met hier en daar een' gulpe of twee,
    daar 't groen wordt, uit der grouwbaarheid...
    'k en weet niet hoe 't nen naam gezeid!

    De zonne grijpt al vaster nu
    de trappen aan des luchtgebouws:
    ter zege vaart ze, hooge en blij;
    geen boom die heur weêrbarstig zij!

    Zij giet, dat elk het merken mag,
    bij geuten, vier en werkzaamheid
    den bossche in: dweersche balken gaan,
    vol speitend licht, den bodem slaan.

    Het mosch, het loof, het blinkend hout,
    de takken zware of lijze, loopt
    zij lustig laven:–heerlijk is
    verwonnen weêr de duisternis.

    Verwonnen zij de dood, en al
    dat duisternisse of boosheid heet,
    door 't Licht van U, die, tallertijd
    verwinnende, onverwonnen zijt!



='T GROEIT=.


    't Groeit overal entwat:
    tot op de blauwe schorren[1],
    maalt, onbemerkt, het mos,
    bij kleene kleene porren[2],
        zijn platte penningen,
        die, groene en grauw gedaan,
        of geluw, op 't gelent[3]
        van de oude bruggen staan.

    De zonne valt daarop,
    de regen valt daaroppe;
    ze groeien zijwaards uit,
    ze zetten, doppe, doppe,
        een dopken hier en daar,
        dat, zoo en zus geleid,
        aan elke schorre geeft
        heur' schoone uitwendigheid.

    Gaat, kijkt ernaar entwie[4],
    die oogen heeft, en staat er
    een stonde wijlend bij,
    daar zunne valt en water;
        en toogt mij dan tapijt,
        of legwerk, of 't zij wat,
        dat kunstiger gewrocht,
        en schoonder, is als dat!

    Laat mieren nu daarbij,
    daarin, daaroverhenen,
    of muggen reppen hun'
    't zij hooge of leege schenen;
        laat vlerken, hel als glas,
        vol regenboogsch gepraal,
        daarbij zijn, ach, hoe schoon,
        hoe lief is 't altemaal!

    't Leeft overal entwat:
    't zij op, 't zij onder 't vloeien
    der waters; op de veurst[5]
    gezaaide blommen bloeien;
        de pannen, levenloos
        'n zijn zij; noch in 't stroo
        van 't schamel dak en weunt
        het schamel blomke noo.

    't Zijn spalten in den wand,
    't zijn gerren[6] in de pelen[7]
    der boomen, daar hun spel
    de varentjes in spelen,
        die, boom- en wortelvast,
        nog tieren in den schoot,
        die, jaren leên, is hout-
        en stam- en worteldood.

    Geen moes[8] en gaat te kwist,
    geen veite[9], entwaar, bedorven,
    of 't leven kruipt erin
    terug, al is 't gestorven;
        geen hout en is zoo voos,
        geen mesch[10], of, stap aan stee,
        zit wulvenkaas[11] erop,
        met paddenstoelen meê.

    Waar is, van Leye tot
    aan Schelde, aan zee, in zande,
    op huis, op stake, entwaar
    een plekke, in onzen lande,
        daar niemendalle en leeft,
        van blommen of van blad,
        dat lief is? Overal,
        't groeit overal entwat.

VOETNOTEN:

1 Arduinen vloersteen.

2 Wrat.

3 Borstwering.

4 Iemand.

5 Dakvorst.

6 Spleet.

7 Pel, schors.

8 Van overrijpe, rottende vruchten.

9 Het een of ander dat verrot is of vergaan, waaruit nieuw welig leven
kan opschieten; vei = vet, sappig, groeizaam, vruchtbaar.

10 Mest.

11 Slijmzwam.



NAJAARSVERWEN.


    Schilderschoon, zoo zijn de verven
    van de blâren, die, aan 't sterven,
        's najaars, op de boomen staan,
        schouwt de lieve zonne ze aan.

    Groen, wat moet gij heldere vlagen
    lichts in uwer lenden dragen,
        dat gij, tanende ende ontaard,
        toch zoo schoone verwen baart!

    Groen, gij zijt me een eêl aanschouwen,
    als ge, op de aarde wijd ontvouwen,
        leven biedt aan volk en vee,
        zegen giet op wald en wee!

    Groen, gij sterkt mij dan, en vinden
    doen mij locht, de groene linden;
        maar, uw bloeloos bont gerief
        is mij, 's najaars, nóg zoo lief.

    's Voorjaars zingt het al te prachtig,
    al te menig, al te machtig
        groen, te oneindig luide een lied:
        maar het groen dat weggaat niet.

    Ei, hoe orgelt dan, hoe kwedelt,
    harpt en zingezangt en vedelt
        mij dat henenstervend... neen,
        henenlevend–loofgeween!



NIEMANDSVRIEND.


    Ge 'n weet niet, die, in stad gewend
    te wonen, maar Gods koorne en kent,
        wanneer het, brood bedegen[1],
    en voedzaam, u wordt voorgeleid,
    hoe heerlijk is de uitwendigheid
        van 't groene, langs de wegen.

    Van 't groen, dat hooge en leege groeit;
    van 't groen, dat in de weiden bloeit;
        van vogelvitse[2] en krokke;
    van wegbree, murke en roozewied;
    van onderhave en retse[2] en riet,
        van distel en van dokke[3].

    Ach distel, ik en kende maar
    van zeggenswege uw streuvelhaar[4];
        ik liet mij, van die 't zeiden,
    verwittigd zijn, in 't akkerland,
    dat ge overal de kroone spant,
        om onraad uit te breiden.

    'k En kende u niet en, bovendien,
    'k en zocht u van nabij te zien,
        voorwaar, noch aan te roeren,
    zoodanig is de rake[5] omtrent
    uw kwaadheid, overal bekend
        en ruchtbaar, bij de boeren.

    Men scheldt dat ge, iedereen ontvriend,
    tot voedsel van den ezel dient;
        men schuwt uw' scherpe bladen;
    doch, hij en scheldt onnut u niet,
    die 't schoone in al Gods werken ziet,
        en 't goede zoekt te raden.

    Men scheldt... of, erger nog, men hoort,
    van wetswege, en bij koningswoord,
        gebannen en geboden,
    dat 't distelvolk men, een en al,
    te zeisene en te spade, zal
        verdoen, en de eerde uit roden.

    Bermhertigheid voor 't schamel wied,
    eilaas, dat ge al te ongeren ziet:
        aanschouwt hoe 't, ja, de steenen,
    de vuile brokken, daar 't geweld
    der steêlie'n meê den buiten kwelt,
        komt zedig groen verleenen.

    Aanschouwt, op elken staf, hoe lief
    elk distel hoofd zijn' blommen hief,
        geheel of half maar open;
    hoe net, van niemand aangeraakt,
    een' krage om elke blomme blaakt,
        vol verschen dauw gedropen.

    Aanschouwt hoe 't schubbig distelhaar
    omspannen hangt, vol Godssamaar[6],
        vol kobbenetsche[7] kanten;
    die roeren in den zonnenlaai,
    die blinken in elk windgewaai,
        vol stof van diamanten.

    Hoe 't wikkelachtig witje wipt,
    alhier, aldaar, verlekkerlipt
        om 't zijne, uit al de bloeien,
    te ontsnoepen aan de krabben[8] bie'n,
    die 't, nijdig, elken distel zien
        bezoekend henenspoeien.

    'k En rieke, alwaar men lieflijkheid
    van zalvende olie toebereidt,
        geen' aangenamer' roken
    als die, des zomers, vroeg en laat,
    daar 't distelt en vol blommen staat,
        de distelblommen stoken.

    Aanschouwt, op de oude toppen, hoe 't
    gevlugde zaad omhooge woedt,
        en waait voor alle winden,
    om ievers, daar 't geen ziele en zag,
    den vrijen hergeboortedag,
        onsterflijk, weêr te vinden.

    Zoo leeft gij, distels immer voort,
    van wetswege en bij koningswoord
        verboden en gebannen;
    en, schoon zij, om uw schamel zaad
    te worgen daar 't gewonnen staat,
        zoo lange al samenspannen.

    't En zal, verdiend of onverdiend,
    't en zal u, distel, niemandsvriend,
        minachtend ooit versmaden,
    dit Vlamingshert, dat, 't baten niet,
    maar 't schoone in al Gods werken ziet,
        en 't goede zoekt te raden.

VOETNOTEN:

1 Geworden.

2 Vogelwikke, ruige wikke, weegbree, gewone muur, klaproos, hondsdraf,
perzikkruid.

3 Wilde zuring.

4 Verwarreld opstaand haar.

5 Roep.

6 Zomerdraad.

7 Kobbe = spin.

8 Zwerm.



=CASSELKOEIEN=.


            Aanschouwt mij, hier en daar,
          die bende Casselkoeien;
            die, louter bruin van haar,
          als zooveel blommen bloeien,
    in 't gers[1] en in de zon, die, zinkend henentiet[2]:
    die, rood, het roode veld vol roode vonken giet.

            't Is prachtig overal,
          't is prachtig, hoe de huiden
            dier koeien liefgetal[3]
          van vouwe en verwen luiden;
    't is prachtig hoe ze staan, gebeiteld en gesneên,
    lijk beelden, over heel die wijde weide heen.

            Daar zijnder, roode als vier;
          castanjebruin geboende[4];
            naar donkerbaaide[5] bier,
          naar bijkans zwart bier doende:
    beglinsterd en beglansd; van vel en verwigheid,
    gelijk en ongelijk,–terwijl de zonne beidt.

            Al langzaam langer speelt,
          dwersdeur de weidegronden,
            't zij welker koe een beeld
          van schaduw bijgebonden;
    en, wangedrochtig groot, in 't donker gers, voortaan,
    zie 'k zwarte spoken van gevlerkte koeien staan.

            Goên nacht! De zonne beet[6]
          ten neste neêr: tot morgen
            is al dat verwe heet,
          en oogen aast, verborgen:
    de koeien zijn voorbij, gedelgd en uitgedoofd,
    en... morgen weêr, ontwekt ze 't blinkend zonnehoofd.

VOETNOTEN:

1 Gras.

2 Henentijgt.

3 Lieftallig.

4 Gevlekt.

5 Roodbruin.

6 Daalt.



=TRANEN=.


        't Is nevelkoud,
      en, 's halfvoornoens, nog
    duister in de lanen;
        de boomen, die 'k
      nog nauwlijks zien kan,
    weenen dikke tranen.

        't En regent niet,
      maar 't zeevert[1]... van die
    fijngezichte[2], natte
        schiervatbaarheid,
      die stof gelijkt, en
    wolke en wulle en watte.

        't Is aschgrauw al,
      beneên, omhooge, in
    't veld en langs de lanen:
        de boomen, die 'k
      nog nauwlijks zien kan,
    weenen dikke tranen.

VOETNOTEN:

1 Zeeveren = kwijlen, motregenen.

2 Fijngezift.



SCHOONE NACHT.


    Wolken, 't zijn... lijk sperreboomen,
        uitgespreid, alhier aldaar,
    staan, ten oosten heen, de zoomen
        vol, van 's menschen woonsteê. 't Jaar
    wendt te zomerwaard zijn schreden,
    nacht aan 't worden is 't, en heden
        helder was 't een dag, voorwaar.

    Tusschen 't sperreboomsch geveder,
        't donkerzwarte, zie 'k het zwerk
    duisterblauw nog, hier end weder,
        ieder stonde minder sterk:
    ieder stonde, en, dóór den donker,
    scherper wordt het scherp geflonker
        van één sterre, in 't wolkgevlerk.

    'k Zieder twee, drie, vier, vijf, zesse,
        die, elkander nagespoed,
    tusschen hier en daar een stresse[1],
        gaandeweg, mijne ooge ontmoet
    in de wolken; die maar droomen
    meer en zijn van sperreboomen:
        nacht en donker is 't voor goed.

    o Alleen nu zichtbaar schoone
        woonsteê, van geen' menschen, neen
    maar van God, die in den throone
        zijner hoogheid heerscht alleen:
    schoone nacht, die 't menschdom duistert,
    die van God en sterren fluistert...
        zoeter zicht en zag ik–geen!

VOETNOOT:

1 IJle wolkstreep. Stresse = 'n bosje draden, halmen of haren.



=AVONDROOD=.


    Nog nauwlijks is het groen
    der boomen groene, en even
    zijn, toppewaards, alleen
    de takken groen gebleven;
        al 't ander zwarter wordt
        en zwarter: boomen net,
        van zwarte zijde zijn 't,
        op blauw satijn gezet.

    't Leeft alles langzaam uit,
    dat verwe is: henen dalen
    de laatste en langste van
    de lieve zonnestralen;
        't wordt watergroene, omhooge;
        omleege, brandt en broeit
        de groote zonne nog,
        die zinkt en grooter groeit.

    Ze duikt heur aangezicht
    beneên des werelds neggen[1],
    die, eindloos, slinks en rechts,
    hun lange lijsten leggen;
        die 'k opwaardstriemen, die 'k
        een' wolke twee of drie
        den zonnezienden kant
        geheel vergulden zie.

    In 't heerlijk zonnenveld,
    dat donker wordt omhooge,
    en langzaam donkerder
    en dieper, staan ten tooge[2],
        geschreven, zwart op goud,
        een bende reuzen groot:
        het eindloos boomenvolk,
        in 't eindloos avondrood.

    Beziet mij haastig nu
    die schoonheid! Neder nijgen
    de duisternissen: 't veld,
    het vee, de vogels zwijgen;
        het nauwt, in 't westen; nog
        een tijdtje, en, doodgedaan,
        zal al die heerlijkheid
        gedekt en donker staan.

VOETNOTEN:

1 Boord, kim.

2 Ten toon.



=FIAT LUX=[1].


    't Smoort, het smuikt, het smokkelwedert[2]
        allentheen! Waar zijn ze thans,
    waar de boomen, waar de huizen,
        waar de wereld, heel en gansch?

    Handen uit! Wat is 't? Wat hapert
        er, genoot, dien 'k niet en zie;
    die „goendag!” mij, uit den nevel,
        roept, van hier nen stap of drie?

    Van den hoogen torre en blijft er
        speur! Wat uur, hoe late is 't wel,
    aan den tijd? De zonne en zie 'k niet:
        slaapt of waakt het wekkerspel?

    Hier en daar een' plekke boenend,
        zit de zonne in 't duister veld;
    rood, gelijk een oud versleten
        stuk ongangbaar kopergeld.

    Wind, waar zijt gij heengeloopen?
        Ligt ge, of ievers doodgekeid,
    neêrgevallen, plat ter aarde?
        Wind, waar is uw' roerbaarheid?

    Op! Hervat uw' vluggen bezem,
        vaagt des werelds wegen vrij
    van die vale en vuile dompen:
        dat het dage en daglicht zij!

    Zonne, krachtig krauwt vaneen die
        hoopen: ruimt uw ridderspeur:
    slaat er dwers en nogmaals dwers uw'
        scherpe, sterke hoeven deur!

    Werpt uiteen de onvaste vlagen;
        vluchten doet ze, en verre voort
    zij de smoor van hier gedreven:
        nevel, 's Heeren stemme aanhoort!

    _Fiat lux!_–De zonne, ontembaar,
        zegepraalt; de nevel zwicht:
    onverwinlijk is de Waarheid,
        onverheerbaar is het Licht!

VOETNOTEN:

1 Het worde licht!

2 Het mist.



=DE WINDEN=.


    De zee, de zee, ze 'n zoeft bijkans
        zoo zeer niet als de boomen,
    daar, wild, de winden deure rijen,
        te peerde, en zonder toomen.

    Aan 't roepen gaan tienduizenden
        tienduizenden van blâren,
    alsof 't zooveel tienduizenden
        van dolle menschen waren.

    De regen ronkt, en geuten gaan,
        gegeeseld, allenthenen,
    de natte boomen buigen doen,
        en bulderen en stenen.

    Hoort! Nog nen keer, en nog nen keer,
        hertuiten en hertieren
    de wilde winden: wederom
        is 't zeegeruchte aan 't gieren.

    Geen einde ervan! De vogels zijn
        gevlucht, de takken breken;
    verloren is de stemme mij
        gegaan!–De winden spreken.



DAT WILDE IK WETEN.


    Wanneer ben ik U naast, o God,
      of verst, dat wilde ik weten:
    wanneer ik mij, in 't donker kot,
      vernibbele[1], aan de keten;
    of dan, wanneer ik henentie[2]
      en vliege, schier vermeten,
    naar 't licht, dat ik zoo geren zie?
      o God, dat wilde ik weten.

    'k Heb overal mij zelven meê,
      omhooge en aan de keten!
    Die los mij van mij zelven deê,
      diens woonsteê wilde ik weten;
    diens hulpe hiete ik duizendvoud
      mij wilkom, onvermeten!
    Wat is 't nu, dat mij tegenhoudt?
      o God, dat wilde ik weten!

    Bedwingen zulk een vrage zal
      uw menschelijk vermeten,
    die levende, altijd, overal,
      gevangen in de keten,
    zult zoeken, om 't geheeme van
      Gods wetenschap te weten...
    Wie, buiten U, die 't wijzen kan?
      o God, dat wilde ik weten.

VOETNOTEN:

1 Hevig verlangend begeer.

2 Tiën = tijgen.



=SPAMAN=.


    Voorover, naar den grond gegroeid,
          die haast hem hebben zal,
    traag-traagskens met zijn' spade spoeit
          en delft, in 't diepe dal,
    de moegemoeide, ontmergde man,
    die schaars zijn hoofd nog heffen kan.

    Hij werkt nochtans, en delft en doet
          zijn beste, tot der dood,
    die wacht naar hem en elders spoedt,
          totdat in heuren schoot
    hij vallen zal, en willekom
    bij God zijn, recht en sterk weerom.

    o Sterkheid, die, veel sterker als
          de dood, op God betrouwt;
    die stadig ook dien slavenhals
          zijne eigen woonsteê bouwt,
    daar, vrij en blij hij wezen zal
    bij U, o hope en troost van al!



HET HAZEGRAUWT.


    Vroeg avondt het: geleden
        een stonde of twee,
    is 't zonnevier beneden
        de kimme alree.

    Niet heel en al verloren
        het licht en is;
    noch teenemaal geboren
        de duisternis.

    Het hazegrauwt: de lanen,
        vol licht weleer,
    de wegels[1] en de banen
        en ziet men meer.

    Zoo stille staan als beelden,
        de boomen nu:
    die roerden en die speelden,
        ze droomen nu.

    Die ruischten en die riepen
        de boomen, nu,
    ze doen alsof ze sliepen:
        ze droomen nu.

    De takken en de blâren,
        de stammen zijn,
    die menigwendig waren,
        nu eens, in schijn.

    Van verwen en van voeren[2]
        al eensgedaan,
    en reppen noch en roeren
        ze 'n lid, voortaan.

    't Is vochtig en, gekropen
        uit de eerde, vaart
    de wadem, op en open,
        omhoogewaard.

    De nevel valt, van boven
        beneên gespreid;
    gesponnen en geweven,
        vol duisterheid.

    Gepelderd[3] en gewonden,
        elk hout nu staat;
    gebunseld en gebonden,
        in lijkgewaad.

    Gestorven zijn de boomen:
        één grafsteê, al
    van dampen en van doomen[4],
        ze bergen zal.

    God geve aan oud- en jongen
        nu roe' en rust:
    de lijkdienst is gezongen,
        en 't licht gebluscht.

VOETNOTEN:

1 _Wegel_ = Z. Ned. verkleinwoord van _weg_.

2 Gestalte.

3 Pelder = lijkkleed.

4 Damp, nevel.



HOE ZEERE[1] VALLEN ZE AF.


    Hoe zeere vallen ze af,
        de zieke zomerblâren;
    hoe zinken ze, altemaal,
        die eer zoo groene waren,
            te grondewaard!
    Hoe deerlijk zijt gij ook
        nu, boomen al, bedegen[2];
    hoe schamel, die weleer
        des aardrijks, allerwegen,
            de schoonste waart!

    Daar valt er nog een blad;
        het wentelt, onder 't vallen,
    den alderlaatsten keer,
        en 't gaat de duizendtallen
            vervoegen[3] thans:
    zoo zullen ze, een voor een,
        daarin de winden bliezen
    vol luider blijdzaamheid,
        nu tonge en taal verliezen,
            en zwijgen gansch.

    Hoe zeere vallen ze af,
        onhoorbaar in de lochten,
    en schier onzichtbaar, in
        de natte nevelvochten
            der droeve maand,
    die, 't ijzervaste speur,
        ontembaar ingetreden,
    die al de onvruchtbaarheid,
        die al de onvriendlijkheden
            des Winters baant!

    Daar valt er nog een blad,
        daar nog een, uit de bogen
    der hooge boomenhalle,
        en 't dwerscht den onbewogen
            octobermist:
    't en roert geen wind, geen een,
        maar 't leken, 't leken tranen,
    die men gevallen zou
        uit weenende oogen wanen:
            één kerkhof is 't!

    Gij, blâren, rust in vreê,
        't en zal geen een verloren,
    geen een te kwiste gaan
        voor altijd: hergeboren,
            die dood nu zijt,
    zal elk van u, dat viel,
        de zonne weêr ontwekken,
    zal met uw' groenen dracht
        de groene boomen dekken,
            te zomertijd.

    o Zomer!... Ik zal eens
        ook Adams zonde boeten,
    gevallen en verdord
        in 's winters grafsteê, moeten;
            maar, 's levens geest,
    dien Gij gesteken hebt
        in mijn gestorven longen,
    dien zult gij mij voor goed
        niet laten afgedwongen,
            die 't graf ontreest!

VOETNOTEN:

1 Spoedig, snel.

2 Geworden.

3 Zich voegen bij.



VAN DEN OUDEN BOOM.


    Met uitgestroopten arm,
    ten halven afgeknuist,
    wie staat er daar, en steekt
    eene onbestaande vuist
    ten hemel? Is 't een reus
    in beelde? Neen 't, 't en is
    geen menschenbouw, 't is eer
    een' wangedaantenis;
    een steenen berggedrocht,
    dat, staande fel en fier,
    de scherpe houwen torst
    van 't vonkend hemelvier.

    Doch neen, 't en is geen berg,
    geen wangedrocht voorwaar;
    't zijn takken stijf en stomp,
    't is schorse, die 'k ontwaar;
    die, dikke en diepgegroefd,
    geborsten en gescheurd,
    van uit den ouden grond
    heure oude bonken beurt;
    't zijn spanders overal,
    't zijn spillen, die 'k aanschouw,
    een loof, dat kroont alom
    een steenoud boomgebouw.

    De Winter heeft erop
    zijn boos gebijt vermoord;
    het Water heeft het merg
    en 't herte eruit geboord;
    de Bliksem spookte erom,
    en kraakte, met geweld,
    er halve boomen uit,
    en takken ongeteld;
    de Tijd onteerde laf
    en langzaam al zijn lijf,
    en nog en roert hij niet:
    hij staat daar, rotsestijf.

    En ieder jaar dat loopt
    hergroent hij nog, en laat,
    wanneer de lente lacht,
    zijn spaarzaam loofgewaad
    omschaduwen het stuk
    hooge uitgepuilden grond,
    daar, als hij jonger was,
    zijn' geile wortel stond.
    Eilaas, niet langer meer
    en kan hij, moegeleefd,
    de wonden duiken[1], die
    men hem geslagen heeft!

    Hij staat daar, oud en strem,
    in 't wilde windgegons,
    gelijk te Roomen, van
    groenuitgeslegen brons,
    men beelden ziet: geen een
    en weet hoe lang gestaan
    zij hebben; geen hoe lang
    de Tijd voorbij zal gaan
    en groeten ze, ongedeerd.
    –Ik groete u! God beware
    u, Vlaamschen ouden „tjok”,
    nog honderd, duizend jaar!

VOETNOOT:

1 Verbergen.



=BLOOTAKKER=.


    Geen één blad op de boomen! Af
          is alles; voor de vlagen
    gevallen onder voet en van
          de winden weggevaagd,
    het schilderschoone aanschouwen, dat
          het bonte najaar draagt:
    noch wit en zijn, noch groene meer,
          de scherpe doorenhagen.

    'k Zie heinde en verre, deur end deur
          de velden nu, de kerken,
    de huizen en de hoven staan,
          zoo bloot als op mijn' hand;
    van verre zie 'k de peerden en
          de menschen, op het land,
    zoo neerstig en zoo kleene, alzoo
          de mieren zijn, aan 't werken.

    't Is wijd en breed al, ommentom,
          'k gevoel 't nu, aan de baren
    des wilden Winds, die henentuimt
          en, tierende onder 't hout,
    zijn' stemme schijnt te missen en
          zijn' tale, die zoo boud,
    zoo bulderende, aan 't roepen zat,
          hier voortijds in de blâren.

    't En wonen meer geen' vogels in
          de boomen! Zoo gij, wepel[1],
    nen overjaarschen aksternest
          entwaar nog hangen vindt,
    van boven in de abeelen, 't is
          een' wiege zonder kind,
    die waagt[2], en geen geluid en geeft:
          een' klokke zonder klepel.

    'k Zie geren nu de takken, dikke
          en dunne, uit eenen stamme
    gesprongen, rechte omhooge staan,
          hun' handen uitgestrekt;
    zoo schoone, als of zij baden, dat
          de Winter hunne ontdekte
    en teere, jonge leden toch
          niet teenemaal en stramme.

    Vervarelijke Winter, laat
          u murwen, u verzoeten:
    dekt alles, eer gij vriezen komt,
          voorzichtig, in de snee;
    'n ijzelt op de boomen niet,
          die breken zouden! Wee
    der takken, als ze 't wegen van
          den ijzel tillen moeten!

    In stukken slaat ge, Winter dan
          de boomen. Hoort ze kermen:
    ze sleuren elk den anderen
          zijn telgen, zwaar als steen,
    te grondewaard; ze stubbelen[3]
          ze storten, al deureen...!
    Vervarelijke Winter, laat 't
          der schoonen u ontfermen!

VOETNOTEN:

1 Eenzaam, verlaten.

2 Wagen = bewegen.

3 Vechten.



=MOEDERKEN=.


    't En is van u
    hiernederwaard
    geschilderd of
      geschreven,
    mij, moederken,
    geen beeltenis,
    geen beeld van u
      gebleven.

    Geen teekening,
    geen lichtdrukmaal,
    geen beitelwerk
      van steene,
    't en zij dat beeld
    in mij, dat gij
    gelaten hebt,
      alleene.

    o Moge ik, u
    onweerdig, nooit
    die beeltenis
      bederven,
    maar eerzaam laat
    ze leven in
    mij, eerzaam in
      mij sterven.



=PERELS=.


    Nog eer de blâren schieten,
        in 't hofbeluik[1],
    hoe geren zie 'k uw' sprieten,
        o perenstruik;
    hoe geren zie 'k uw takken
        vol blommen staan,
    vol perels, al in pakken
        eer ze opengaan!

    En mochte ik maar, zoo even,
        door Gods beschik,
    u, peretakken geven
        nen toovertik;
    't en zou geen pere krommen
        uw hout, voortaan:
    veel liever zie 'k de blommen,
        eer ze opengaan.

    'k Zie geren, in de hoven,
        uw' peren groot,
    de zonne zitten stoven,
        al rijp en rood;
    maar 'k zie wel nog zoo geren
        uw blommen staan,
    de perels van de peren,
        eer ze opengaan.

VOETNOOT:

1 Beluik = besloten ruimte.



=SPREEUWEN=.


    „'k Zie-'t!” zoo vliggert, vlug te vlerke,
    recht den torre in van de kerke,
      daar ze is nest aan 't bouwen!... „'k zie-'t!”
      piept de spreeuwe, en anders niet.

    Maar wat is mij, scherpgebekte,
    zwart-halfgroen gevliggervlerkte,
      vage vogel, dan 't bedied
      van uw eeuwig zeggen: „'k zie-'t?”

    Ziet gij, daar omhoog aan 't broeden,
    ziet ge, aan 't blijde jongskes voeden,
      in uw pierende oogskes, iet
      dat elk mensche niet en ziet?

    Zegt, of is 't de zonne rijzen,
    dat gij ziet, is 't buien bijzen[1];
      kwade wichten of kwa died[2]
      zitten ievers, diepe in 't riet?

    „'k Zie-'t!” zoo piept gij; ziet gij, binnen
    deze borst, mij iet beminnen,
      haten, willen, wenschen iet,
      blijdschap hebben en verdriet?

    „'k Zie-'t!” uw roepwoord doet mij delven
    diepe in 't diepste diep mijns zelven
      en ontdekken daar 't bedied
      van uw eeuwig zeggen, „'k zie-'t!”

    Een daar is, die aan de leeuwen
    't leven gaf, en aan de spreeuwen,
      Een die, vrij van al 't verdriet,
      hooge zit en verre ziet.

    Een... Hij zit in zijnen torre,
    zonder schaalje[3] en zonder schorre[4];
      en, van 't gene in mij geschiedt,
      Hij mag eeuwig zeggen: „'k zie-'t!”

VOETNOTEN:

1 Stormen, snel vliegen.

2 Volk.

3 Schalie = lei.

4 Arduinen vloersteen.



=WEDERWIJVEN=.


    Hoe wijsterwaster[1] vliegt de lucht
      vol witte en lange stressen
    van wolken, die ontvlochten zijn
      lijk haar van tooveressen.

    't Zijn wederwijven, boos en fel,
      die, kwaad van hande en vinger,
    malkanderen te keere gaan
      en vechten slag om slinger.

    De wind zit in 'k weet niet welk
      geweste, 't buischt en 't bommelt
    alhier, aldaar een zwepe los,
      die deur de wolken schommelt.

    Zij stuiven heinde en verre, en van
      malkaar gescheurd, in stressen
    van wijsterwaster vechtende, en
      verwaaide tooveressen.

VOETNOOT:

1 Door elkander.



=EXCELSIOR=.


    'k Zie liever die te bergewaard
      zijn roekloos opgeklommen,
    als die, om loon, zoo zaan[1] de vaart
      gedaan is, nederkommen.

    Die stijgt noch af- noch om en ziet
      naar die in de eerde wroeten;
    noch, dwee van halze, en kust hij niet
      of waren 't keizersvoeten.

    'k Zie liever die de zegevaan
      mij deur de wolken steken,
    _excelsior_, en, vóórgegaan,
      mij moed in 't herte spreken.

    Dan zegge ik: „Op! Dat ander kan,
      dat kan, dat wil, dat zal ik:
    geen oneere en geen schande en kan
      mijn durven deren, valle ik.”

    Hooveerdigheid is valsch van doen,
      van zeggen en van zeden:
    ootmoedig wil ik, ridder koen,
      tot stijgen mij besteden.

    Zoo God mij helpt, en gij mijn vuist,
      op Libans hoogste kragen[2],
    of vielender omtrent mij duist[3],
      nog wil, nog zal 'k het wagen.

VOETNOTEN:

1 Dra.

2 Punttoppen, kamlijn.

3 Duizend.



=ZEGEPRAAL=.


    De zonne vecht! Het noordervolk
      komt woedend opgestoven,
    de diepten uit, afgrijzelijk
      verbolgen. Bergen boven
    malkanderen zij werpen gaan,
      in 's hemels aangezicht:
    den al te schoonen dag uitdoen,
      en dooden 't zonnelicht!

    Het spettert, uit de wolken, vier
      en vlamme; kwade steenen,
    van rammelenden hagelslag,
      en bliksem, al met eenen,
    vergâren mij de reuzen in
      hun vuisten vol geweld,
    en ruien ze, onbermhertiglijk
      daarheen, in 't zonneveld.

    't Is donker nu, 't is donkerder,
      nog donkerder! Gevaren,
    als machtig, overmachtig groote,
      en mammothsche adelaren,
    omslaan de wolken alles, en,
      voor 't nachtelijk bedwang,
    onthemelt al dat hemel is,
      in 's hemels zwart gevang.

    't Is donker! Zal 't verwonnen zijn,
      dat overheerlijk blaken,
    dat altijd even schoone van
      de schoone zonnekaken?
    't Is nacht! En zijt voor goed nu gij
      gedompt en doodgedaan?
    Gij, beeld des Alderhoogsten, zult
      gij, stervend, ondergaan?

    Staat op! Het worde dag weerom!
      Staat op, en slaat die booze,
    die duistere onbedachten, gij,
      des hemels schoone rooze;
    gij, onverkrachte lichtvorstin,
      staat op, uit uwen schans,
    en plettert, onbermhertiglijk,
      die domme reuzen gansch!

    De zonne vecht! Zij duwt den spiet,
      den onverwonnen gaffel
    des zonnelichts, de reuzen in
      den zwartgezwollen naffel;
    ze bersten, en ze bulderen
      malkander slaande, intween;
    en, hersens in de kele, valt
      het reuzenrot ineen.

    Ze pletteren te grondewaard,
      ze pletsen en ze plassen,
    dat 't bommelt in de lucht alom:
      lijk honden zijn 't die bassen.
    De wereld stroomt, afgrijzelijk,
      van 't bloed alsof het waar',
    van de eindelijk verwonnen, en
      verwenschte reuzenschaar.

    Ze 'n zijn niet meer,... ze 'n zijn niet meer.
      Ze waren!... In hun stede
    komt helderheid, komt hemelsblauw,
      komt goud, dat schittert, mede.
    De zonne vocht, de zonne won,
      en, tierende overluid:
    „Hier ben ik!” roept ons zonneken,
      „des vijands vonke is uit!”



DE DOORNENBOOM.


    De schamele, oude boom,
    die midden in de vaten,
      veracht en ongetroost,
      des olieboeters[1] staat;
    hij weet dat 't zomer is
    en zou hij, zou hij 't laten,
      te bloeien, nu dat al
      dat blomme is opengaat?

    Gestapeld, rondom hem,
    zijn tonnen, tonnen, tonnen,
      die olie zweeten al,
      en stinken. Schouwen ook,
    verheven boven 't dak
    des oliebouws, en jonnen[2]
      maar bitterheid den boom
      en afgerolden rook.

    Hij bloeien zal nochtans,
    en, blij, de zonne bieden
      de vreugde van zijn hert:
      maar éénen keer in 't jaar
    en wilt het zomer zijn,
    en mag't den boom geschieden
      te bloeien in den dwang
      van al die tonnen daar.

    Hij bloeit en staat in 't wit
    getooid, langs alle kanten
      één vlage blommen duikt
      zijn' takken, scheef en krom;
    de bietjes zie'k er zog
    van zuiver zeem in zanten[3],
      de blommen in en uit
      en uit en in, weêrom.

    Bloeit helder, helder op,
    o boom, en luide pralen
      laat al uw lief gewaai,
      deur dikke en dunne. Neen't,
    't en is maar éénen keer,
    dat 't meie is; hillen, dalen
      zijn blijde; blijde zijt,
      genoeg, genoeg geweend.

    De tonnen staan alom
    gestapeld: zwarte zware
      gedaanten, ongehier[4]
      van leelijkheid. Welaan,
    o taaie doornenboom,
    daar midden in, verjare
      nog menigmaal uw hoofd,
      vol bloeiend wit gelaân!

VOETNOTEN:

1 Olieslager.

2 Gunnen.

3 Samenlezen.

4 Onguur.



=MIETJE=.


    't Meiske, met zijn' teele melk,
      op zijn bloote voetjes,
    lang, gelijk nen terruwstelk[1],
      zoetjes, zoetjes, zoetjes
    terdt[2] het voort, en anders niet
      als zijn teele melk en ziet't.

    't Meisken hoorde: „Goedendag!”
      zeggen, zoetjes, zoetjes:
    „Mietje!” 't Meisken ommezag...
      op zijn bloote voetjes
    viel de melk en, vol verdriet,
      wie dat 't was en wist het niet.

    Meiske, meiske, meiske snel,
      op uw bloote voetjes,
    melk aan 't dragen, wacht u wel:
      zoetjes, zoetjes, zoetjes,
    mijdt u, meiske, en hoort gij iet,
      vóór u, maar niet omme en ziet!

VOETNOTEN:

1 Tarwestengel.

2 Treedt.



CYTISUS LABURNUM[1].


    Gevlerikt, na der vliegen aard;
      gereesemd[2], al omleegewaard;
    eenvervig, en van goude fijn,
      des goudenregens blommen zijn.

    Zij staan in krabben[3], lang en smal
      van lijve, en recht een regenval
    gelijken zij, van goude.... neen,
      van zijde en licht en edelsteen.

    't En is van al dat bloeit entwat
      zoo geluw, in geen blommenstad;
    't is geluw, naast aan 't groen.... 't en doet,
      't is groen, ten geel'wen uitgezoet.

    Als, ievers in den hof gestaan,
      de goudenregens opengaan,
    de duisterheid van 't groen verdwijnt,
      „het regent en de zunne schijnt.”

    Hoe jammer dat zoo gauw voorbij,
      uw vlagen gaan van goude, en gij,
    o gulden regen, al te broos
      van leven zijt ge, en tijdeloos[4]!

    Gij strooit den weg, nen dag nadien,
      of twee, dat wij u open zien:
    zoo derf[5] is dan uw dood gelaat,
      als kaf, daarop de vlegel slaat!

    En, eens dat eene aan 't vallen is,
      de stervenstijd van allen is
    gekommen: geen een blomme en kan't
      meer houden: 't goud is uitgebrand.

    O goudenregen, heel en al
      het jaar, zoo heet gij regenval;
    doch regenval van goude, aleer
      het meien zal, en zijt gij meer.

    'k Verlange al, eer de maand daar is
      weêromme, en tend[6] de hoven, frisch;
    vol goudeware[7] en zonneschijn
      geregend door uw' blommen, zijn.

VOETNOTEN:

1 Goudenregen.

2 Gerist.

3 Tros.

4 Zonder tijd, kort van duur.

5 Bleek.

6 Tend, tenden, t'enden = aan het einde.

7 Goudwaar.



BUIGEN OF BERSTEN.


    Het jong hout staat, den rugge krom,
        ootmoedig neêrgestopen[1]
    terwijl de wind, den afgrond van
        zijn diepe longen open,
    gevaren komt, door bilk[2] en bosch;
        en, bruischende in de boomen,
    losbandig, al den gruwel van
        zijn' gramschap heen laat stroomen.

    De boomen staan geworteld in
        den bodem diepe, en, weren
    en zal de wind hun sterkheid noch
        hunne oude stammen deren;
    ze zuchten en ze stenen wel,
        ze roepen en ze razen,
    maar wederstaan, zoo willen ze, en...
        dat durven ze, die dwazen!

    Ze 'n buigen niet. Hun' wortels staan
        in de eerde neêrgegrepen
    als ankers, die gebonden staan
        doen ijzervast de schepen;
    ze 'n buigen niet. Hun hoofdgewaai
        scheurt af en weg: om 't even,
    en zullen noch en willen ze, en
        voor wie dat 't zij, begeven.

    Het jong hout ligt den grond nabij,
        voorover, neêrgedwongen;
    verpletterd en vernietigd haast.–
        De wind komt losgesprongen
    en, stampende op dat ligt... „Zoo wel
        den naasten als den versten,...
    die boomen daar zal 'k buigen doen,
        of willens nillens bersten!”

    't Is donker, van al 't zand, dat vliegt.
        Geen hersendolle koeien
    en kunnen, zoo de wind nu doet,
        zoo ongedoevig[3] loeien.
    Ei! poffen nu, en paffen gaan
        de pezen af, en kraken
    de wortels: als geweren zijn 't,
        die dood en donder braken.

    De doelen staan, bij vijftigen,
        bij honderden, te perre[4],
    ter aarden uitgeheven, en...
        de boomen zijn omverre,
    de teenen in de lucht; tot in
        den vasten grond gezonken,
    verdwijnt, al even slaggelings[5],
        hun' kroone, in de elzentronken.

    Het jong hout heft den hals weer op;
        allengskens stilt het weder,
    en legt het, op de rompen van
        geroeide boshout, neder
    zijn grimmigheid. Een slagveld is 't
        vol lijken. Ongeschonden,
    zoo staan de jonge stammen daar
        nog, al die buigen konden.

VOETNOTEN:

1 Neêrgebogen.

2 Omsloten weide.

3 Wild, woest.

4 Op hun kop.

5 Met één slag.



DE SPERRETAKKEN.


    De sperretakken staan, nabij
      den boom, alsof hun blâren
    gestorven, over langen tijd
      aan jeugd en jonkheid waren;
    maar, als zoo zaan[1] de zomer komt
      herzie 'k hun verste vingeren
    met jeugdig groen en zappigheid
      den ouden boom omslingeren.

    Nog winter is 't, men zeggen zou,
      omtrent het bol[2]; en neven
    het bol, zijn zwart de takken, die
      maar tendenwaards en leven:
    het oude draagt het nieuwe, dat
      nog jong is; maar van dagen
    ook oud geworden, beurtelings
      zal 't oude 'et nieuwe dragen.

    Op de ouden blijft gesteund, en zijt
      voorzichtig, jonge spranken;
    'n laat u nooit verleiden, om
      te vroeg u vrij te danken
    van 't oude: uit de oude grauwte van
      de schiergestorven boomen
    zal nieuwgeboren schoonheid eens,
      en sterkte, henenstroomen.

VOETNOTEN:

1 Dra.

2 Stam.



HET GULDEN VLIES.


    't Is scherenstijd in 't houtgewas.
    De blaren vallen: grond en gras
    zijn effen, van den wind die waait,
    vol zilver en vol goud gezaaid.

    Zoo groene en is de grond nu meer
    als wijlen, toen de lente teer,
    en 't jonge jaar zijn herte ontlook,
    de weiden en de bosschen ook.

    't Is scherenstijd. De schapen niet
    maar 't houtgewas men scheren ziet;
    en 't scherpe van de windenschaar
    aan 't knippen is in 't houtgeblaar.

    Daar vallen en vergaderen
    nu honderdduizend bladeren,
    die reuzen[1] af de rijzekens,
    zoo lustig en zoo lijzekens.

    't Is 't boomenvlies dat nederstort,
    dat altemaal gesneden wordt;
    dat af en dóór de schare moet,
    zoo 't al, en te elken jare doet.

    Het gulden vlies, dat Jason zocht,
    en reeuwroofde[2] op het wangedrocht,
    aanschouwe ik al mijn leven lang,
    als wangeloove en kwenenzang[3].

    Maar 't geen alhier, aldaar gestrooid,
    den weg dien ik nu ga vermooit,
    dat menigvuldig boomverlies,
    voorwaar dat is mij 't gulden vlies.

    Het blinkt, het bleust, het laait, het ligt
    doorschoten van den zonneschicht,
    onmeetbaar, verre, één schapendracht
    van ooienwolle en lammervacht.

    Een kleed is 't, als van engelkens,
    van louter liefdebengelkens,
    die zijde en wolle en gouden blaân
    doen liggen, daar ze spelen gaan.

    Het rilt, bij elker schree, die 'k doe;
    het roert en 't ruischt, 'k en weet niet hoe;
    en 't riekt, alsof er reuke fijn
    van amber uit zou dampend zijn.

    't Is scherenstijd, in 't houtgewas;
    geen stap mij ooit zoo zoet en was
    als dien ik eens, in Ipersteê,
    deur de afgevallen blâren deê!

VOETNOTEN:

1 Vallen.

2 Reeuwroof = lijkroof.

3 Kwene = oud wijf.



HEBT MEÊLIJEN.


    Hebt meêlijen met de boomen, laat
      den bast hun ongeschonden;
    bewaart ze voor de nijdigheid
      der kwade nagelwonden;
    geen onbermhertig menschenkind
      ze dood en kwelle: geeft
    de vrijheid aan des scheppers hand,
      die in hun lenden leeft.

    Hoe schandelijk ontmaakselt en
      ontmooit gij mij de vrome,
    de vrije en blije boomen, die 'k
      zoo geren tegenkome
    omtrent uw huis en hof, o gij,
      dien God met herte en oog
    heeft toegerust, om hem te zien
      in 't heerlijk boomvertoog.

    'k Zie opgeroeste pikken, moe
      van kappen en van kerven,
    gehamerd om den esschenboom,
      den esschenboom bederven,
    daaraan het hekken vastgehaakt
      de bilken[1] sluit, en 't vee
    belemmert, dat zijn vulte zoekt
      en voedsel, in de wee.

    'k Zie boomen, die gebonden staan,
      in 's dwingers booze handen,
    die nooit geen duimbreed af en laat
      zijn ijzervaste banden,
    maar spannende en onroerbaar, al
      dat leeft en roert in 't lijf
    der boomen doet misdragen tot
      een eerloos wanbeklijf[2].

    Gebulte boomen zie'k, en die,
      doorhakkeld en dooreten,
    vol krammen en vol haken staan
      gespijkerd en gesmeten[3];
    die werken zoo Gods wet hun wijst,
      die tranen en die bloên,
    o mensche, om eenmaal vrij te zijn
      van al uw dertel doen.

    Of staan ze meer niet vast genoeg,
      de wortelvaste boomen?
    En vreest gij dat zij henengaan
      en meê met 't water stroomen;
    of vliegen in de lucht, omdat
      gij scherpe draden spint,
    en lange reken[4] boomen al
      in snijdend garen windt?

    Och arme, en is 't genoeg u niet
      dat, schier nog ongeboren,
    het hout alreê geknipt moet zijn,
      geschonden en geschoren;
    dat 't, galoos[5] en tot alles dat
      het niet en is gepraamd,
    wordt „gloriette” en „pyramide”,
      en „espalier” genaamd!

    Hebt meêlijen met de boomen, laat
      hun schoonheid ongeschonden,
    die schoonder is, onaangeroerd,
      onvast en ongebonden,
    zoo God ze liet gewassen zijn,
      gewonnen en gebaard,
    als al hetgene gij, o mensch,
      verzint en hebt vergaard.

VOETNOTEN:

1 Omsloten weide.

2 Wangewas.

3 Geslagen.

4 Rij.

5 Weergaloos.



DE DAGERAAD.


    In 't blauwe van den hemel doekt
        een kleene, witte wolke
            de zonne mij;
    en 't witte van die wolke en komt
        geen vlekkelooze molke[1],
            geen wolle bij;

    geen witgewasschen wolle, noch
        geen snee die, versch gevallen,
            te gronde ligt;
    zoo wit is, op de boorden van
        die witte wolke, 't brallen
            van 't zonnelicht.

    'k En kan 't niet meer bezien bijkans,
        mijne oogen willen dolen;
            't is vermiljoen,
    dat, zwart in mijnen boek gedrukt,
        zoo zwart is als de kolen,
            en 't rood is groen.

    De Leye, die daar stille ligt,
        het water in de beken,
            is rood voortaan;
    terwijl, van top tot tee'n mij als
        van 't morgenrood ontsteken
            de boomen staan.

    Het schemert hooge en leege nu,
        en diepe in 's hemels gronden,
            vandage staat,
    beneên dien witten zonnedoek,
        in 's middags hooge stonden,
            de dageraad!

VOETNOOT:

1 Zuivel.



NEVELDUISTERNIS.


    Gegrauwdoekt is de grond
      der kimme en allenthenen
    vol damp en duisternis;
      de boomen, half verdwenen,
        half zichtbaar, hebben, daar
        ze stille staan en stom,
        van wolkenweefsel elk
        een grauwen tabbaard om.

    't Hoogmorgent en, zoo 't schijnt,
      't en wilt geen dag meer dagen:
    daar moet iets ongesteld
      of los zijn aan den wagen
        der zonnehingsten, dat
        ze in toom gehouden staan
        en, immer nippend, nooit
        een schreê vooruit en gaan.

    De wereld mist den troost
      dier zoete zonnestralen,
    die alles leven doen,
      daar ooit zij nederdalen;
        die 't schoone schoon doen en
        die 't goede goed doen zijn:
        die God verbeelden in
        Gods beeld, den zonneschijn.

    De wereld mist dat nu:
      ze treurt en, langs de lanen,
    daar 't eenmaal blommen droop
      en druipen nu maar tranen;
        daar 'k eenmaal stemmen hoorde
        en vogelzang, en ziet
        mijne ooge onschoonheid maar
        en sprakeloos verdriet.

    Dat 't schaduw nu nog ware
      en wolken, daar de winden,
    zoo in een schapentrop
      de honden, weg in vinden,
        en bleve een plekske vrij,
        dat blauw is, hier of daar!
        Och, neen, 't is nevel, al
        omtrent me, en nevel maar.

    O nevelduisternis,
      bij nachte zien mijne oogen
    de duizend teekens nog,
      die 't ommegaan vertoogen
        des sterrenhemels! Gij,
        o nevelduisternis,
        en toogt mij niets van al
        daar hope of troost in is.

    't Is meer als leed genoeg,
      en droefheid in mij, zonder
    uw droef afwezig zijn,
      o 't weergalooste wonder
        van al dat wonder is
        in 's werelds heerlijkheid!
        o Zonne, en zij mij nooit
        te lange uw licht ontzeid.



=WINDTOCHT=.


    't Is helderblauw, vandage,
    en warmer als twee dagen
      of drie geleên, de locht
      die 'k aseme is voortaan[1]
      zoo licht en onbelaân,
    dat door mijn longen ik
    hem lustig late jagen.

    Hij loopt omtrent me heen,
    hij speelt me vóór de voeten;
      mijn haar omwentelt, en
      mijn kaken kust hij koel;
      in lijf en leên gevoel
    ik weer den jongen dag
    den ouden dag verzoeten.

    Hoe raast die wilde wind
    mijne ooren vol! Ze tuiten,
      ze tieren allerhand
      geruchten in mij, recht
      een stamerend gevecht
    van stemmen is't, die 'k slaan
    en bermen[2] hoore, buiten.

    Dan buige ik mij vooruit
    en wil de borst hem bieden;
      'k ga stevig, stap voor stap,
      en 'k leune, lijf sta bij;
      wie zalder, ik of gij
    nu zege halen, wind,
    of 't zegeveld ontvlieden?

    Zoo wierd er vroeger, 't is
    mij eeuwen lang geleden,
      door hem die „_Israël_”
      nadien voor name droeg,
      bij nachte en 's morgens vroeg,
    op een die, na den strijd,
    hem zegen gaf, gestreden.

    Dan, laat mij zegen ook,
    uit uwen mond, verwachten,
      o sterke vechter, Wind,
      die, loopende achter 't veld,
      mij schier omverrevelt
    en worstelt tegen mij,
    en wijgt[3] uit al uw krachten.

    Ik bidde u, zegent mij:
    niet eer en wille ik wapen
      omleege leggen, u
      ontwijkende, eer gij doet
      ontwaken mij dat bloed,
    dat al te langen tijd,
    gerust heeft en geslapen.

VOETNOTEN:

1 Nu.

2 Golven.

3 Strijdt.



AKSTERNESTEN.


    Nog ijdel staan de boomen, in
      de blauwe lucht, en blaren
    en zie 'k ze hebben, meer als of
      ze dood en duister waren
    voor goed nu. Lang is alles zwart
      en zonder zap gebleven,
    dat wijleneer zoo groene stond
      in 't zoete zomerleven.
    't Is zwart nu al, tot boven in
      de hooge abeelensprangen,
    daar zwarte en zware bonken in
      van aksternesten hangen.
    't Zijn teekens in de lucht, en wel
      bekende hemelbaken,
    dat wederom de zonne zit
      aan 't lieve zomermaken.
    Toch bladerloos is al 't geboomte
      en, verre heen, in 't westen,
    in 't noorden, 't zuiden, 't oosten zie 'k
      alom vol aksternesten
    de abeelen staan.–Verdappert uw
      bezoek en wilt de bronne
    des aksterslevens duiken al
      in 't groen, o lieve zonne!



=LENTEGROEN=.


    Hoe lief is, op het donkerblauw
      der zwangergaande wolken,
    die donderpijlen dreigen dra,
      het lieve lentegroen,
    daar schielijk, uit de zuiderlucht,
      de middendaagsche dolken
    der zonne, 'et lustig meievier
      een deuntje op dansen doen.

    't Is groen, dat diepe in 't blauwe bijt,
      zoo hel en zoo doorschijnend,
    of eerst het uit den regenboog
      geboren ware; en blauw,
    dat dieper nog als hemelsch blauw
      des avonds is, verdwijnend
    in 't zwangergaande duister van
      de wolken, gram en grauw.

    De zonne loopt daar smijtende in
      heur middendaagsche dolken,
    die speiten[1] zoo geweldig op
      het lieve lentegroen,
    dat 't pinkelt en dat 't pierelt op
      de blauwheid van de wolken,
    die, zwangergaande, dreigen dra
      nen donderdeun te doen.

VOETNOOT:

1 Spatten.



=CINXEN=.


      't Is stille, Cinxendag en, over 't plekske vloers,
    van waar ik henenzie en schouwen kan, daarboven,
      de hemelsblauwe lucht, en hoore ik niemendal,
            't en zij, voorbij geschoven,
      een langzaam bellen, dat, herhalende, eens en nog
    zegt: „komt te kerkewaard, met mij den Heere loven!”

      't Is stille en kerkewaard vervoere ik mijn gedacht,
    vervoere ik heel en al mijn innewaardste wezen,
      tot vóór uw voeten, God, die uit het duister graf
            zijt heerlijk opgerezen;
      die in uw kerke rust en dáár, in 't hoogste blauw,
    terwijl het klokske luidt, mij uwen naam laat lezen.

      O groote kerke Gods, o hemelwelven, daar
    het minste mensch van al, bij nachten of bij dagen,
      U in de sterren kan aanschouwen, groote God,
            zoo ver zijne oogen dragen,
      en in de blauwe lucht des hemels!.... kerke Gods,
    gewijde kerke, wie zal u te schenden wagen?



OCH WARE IK...


    Och, ware ik ongevoelig en
      mijn herte een steen bedegen[1],
    wanneer de boosheid bijten komt
      van die mij toegenegen
    en dankbaar wezen moesten! ach!
      't en is geen een verschenen,
    of, was er een, hij verre weg
      van hier is en verdwenen.

    'n Ware ik maar gevoelig als
      ik tranen zie en lijden,
    bereid om al dat doenlijk is
      te doen en hen te blijden
    die troostloos zijnde, zeggen: „Helpt:
      u wille ik al mijn leven,
    bedanken!” Neen: beloven is
      een ander ding als geven!

    Ach, weze dan mijn herte zoo't
      voor u, moet zijn, o Vader,
    die meer mij als ik immer mocht
      verdienen, altegader
    ontvangen liet; die vroolijk zijn
      mij doet, mijn herte pramend;
    en al te menig keeren mijne
      ondankbaarheid beschamend!

VOETNOOT:

1 Geworden.



AAN DEN LINDEBOOM.


    O! wat schoon, wat bolgekruinden
            lindeboom,
    van verre ik staan zie, blinkende in den
            morgendoom[1]!

    Heel is hij gewelkerd al en
            duizendvoud
    van verwen, langzaam afgesleten
            guldengoud.

    Dag en schijnt erop noch noensche
            zonneglans:
    't is vochtig en de hemelkomme is
            duister gansch.

    Doch, ik zie mij, zonnewijs in
            't nedergaan,
    die najaarsche, ei, die bolgekruinde
            linde staan.

    Ringsom rijzen hooge en groote
            zwart en zwaar
    getakte boomen, naast die lieve
            linde daar.

    Diepe schaduw schieten ze en een
            donker groen
    gewelf zij om het wezen van die
            linde doen.

    Wees gegroet mij, nauwlijks uit den
            morgendoom
    erkenbaar Lieve-Vrouwken, aan den
            lindeboom!

VOETNOOT:

1 Doom = damp, nevel.



=EGO FLOS=...

(CANT. II: 1).


        Ik ben een blomme
    en bloeie vóór uwe oogen,
      geweldig zonnelicht,
    dat, eeuwig onontaard,
      mij, nietig schepselken,
    in 't leven wilt gedoogen
      en, na dit leven, mij
    het eeuwig leven spaart.

        Ik ben een blomme
    en doe des morgens open,
      des avonds toe mijn blad,
    om beurtelings, nadien,
      wanneer gij, zonne, zult,
    heropgestaan, mij nopen,
      te ontwaken nog eens of
    mijn hoofd den slaap te biên.

        Mijn leven is
    uw licht: mijn doen, mijn derven,
      mijn' hope, mijn geluk,
    mijn eenigste en mijn al,
      wat kan ik, zonder u,
    als eeuwig, eeuwig sterven;
      wat heb ik, zonder u,
    dat ik beminnen zal?

        'k Ben ver van u,
    ofschoon gij, zoete bronne
      van al dat leven is
    of immer leven doet,
      mij naast van al genaakt
    en zendt, o lieve zonne,
      tot in mijn diepste diep
    uw aldoorgaanden gloed.

        Haalt op, haalt af!...
    ontbindt mijn aardsche boeien;
      ontwortelt mij, ontdelft
    mij!... Henen laat mij,... laat
      daar 't altijd zomer is
    en zonnelicht mij spoeien
      en daar gij, eeuwige, ééne,
    alschoone blomme, staat.

        Laat alles zijn
    voorbij, gedaan, verleden,
      dat afscheid tusschen ons
    en diepe kloven spant;
      laat morgen, avond, al
    dat heenmoet, henentreden,
      laat uw oneindig licht
    mij zien, in 't Vaderland!

        Dan zal ik vóór...
    o neen, niet vóór uwe oogen,
      maar naast u, nevens u,
    maar in u bloeien zaan[1];
      zoo gij mij, schepselken,
    in 't leven wilt gedoogen,
      zoo in uw eeuwig licht
    me gij laat binnengaan.

VOETNOOT:

1 Dra.



 +------------------------------------------------------+
 |                                                      |
 |           OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER:               |
 |                                                      |
 | De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: |
 |                                                      |
 | Plaats        Bron            Correctie              |
 |                                                      |
 | Regel   76    ziele           Ziele                  |
 | Regel  131    nachten         nacht                  |
 | Regel  285    Παρα            Παρὰ                   |
 | Regel 1024    Hoe             hoe                    |
 | Regel 1210    ,               .                      |
 | Regel 1319    [Niet in bron]  ,                      |
 | Regel 1615    ,               .                      |
 | Regel 2243    ,               .                      |
 | Regel 4168    neergestopen    neêrgestopen           |
 | Regel 4189    Ze              ze                     |
 | Regel 4195    neergedwongen   neêrgedwongen          |
 | Regel 4232    Neergebogen     Neêrgebogen            |
 | Regel 4353    MEELIJEN        MEÊLIJEN               |
 |                                                      |
 +------------------------------------------------------+





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Bloemlezing uit Guido Gezelle's Gedichten" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home