Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Noorsche mythen uit de Edda's en de sagen
Author: Guerber, H. A. (Hélène Adeline), 1859-1929
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Noorsche mythen uit de Edda's en de sagen" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



               Noorsche Mythen uit de Edda's en de Sagen

                                  Door

                             H. A. Guerber

  Schrijver van "Mythen en Legenden uit de Middeleeuwen", "Mythen van
                          Griekenland en Rome"

                              Bewerkt door

                Dr H. W. Ph. E. v. d. Bergh v. Eysinga.



                              Tweede druk.

                     Zutphen.--W. J. Thieme & Cie.



LIJST VAN ILLUSTRATIES.


                                                 Tegenover bladz.

     1. Sigurd (Gilbert Bayes).                   Vóór den Titel.
     2. De Reus met het vlammende Zwaard (J. C. Dollman)       2
     3. De Wolven vervolgen Sol en Mani (J. C. Dollman)        8
     4. Odin (Sir E. Burne-Jones)                             16
     5. Een Vikingtocht (J. C. Dollman)                       20
     6. De Rattenvanger van Hameln (H. Kaulbach)              28
     7. Odin (B. E. Fogelberg)                                38
     8. Frigga spint de wolken (J. C. Dollman)                40
     9. Tannhäuser en Vrouw Venus (J. Wagrez)                 52
    10. Eastre (Jacques Reich)                                54
    11. Huldra's Nimfen (B. E. Ward)                          56
    12. Thor (B. E. Fogelberg)                                60
    13. Sif en Thor (J. C. Dollman)                           64
    14. Thor en de Berg (J. C. Dollman)                       72
    15. Geirrod neemt Loki gevangen (Patten Wilson)           80
    16. Een tocht (A. Malmström)                              88
    17. Het binden van Fenris (Dorothy Hardy)                 92
    18. Idoen (B. E. Ward)                                   100
    19. Loki en Thiassi (Dorothy Hardy)                      104
    20. Frey (Jacques Reich)                                 120
    21. Freya (N. J. O. Blommér)                             132
    22. De Regenboogbrug (H. Hendrich)                       144
    23. Heimdall (Dorothy Hardy)                             148
    24. Jarl (Albert Edelfelt)                               150
    25. De Nornen (C. Ehrenberg)                             164
    26. De Dises (Dorothy Hardy)                             168
    27. Het Zwaan-Meisje (Gertrude Demain Hammond R.I.)      172
    28. De rit der Valkyren (J. C. Dollman)                  174
    29. Brunhild en Sigmund (J. Wagrez)                      176
    30. De weg naar Valhalla (Severin Nilsson)               180
    31. Ægir (J. P. Molin)                                   184
    32. De Neckan (J. P. Molin)                              192
    33. Loki en Hodur (C. G. Qvarnström)                     200
    34. De dood van Balder (Dorothy Hardy)                   204
    35. Hermod voor Hela (J. C. Dollman)                     208
    36. Loki en Svadilfari (Dorothy Hardy)                   220
    37. Loki en Sigyn (M. E. Winge)                          226
    38. Thor en de Reuzen (M. E. Winge)                      228
    39. Thorgatten                                           232
    40. De Toppen van de Trolls                              240
    41. De Elfendans (N. J. O. Blommér)                      242
    42. De Witte Elfen (Charles P. Sainton, R. I.)           244
    43. Oude Huizen met gebeeldhouwde Posten                 246
    44. Sigmund en het beest (Patten Wilson)                 252
    45. De Weerwolven (J. C. Dollman)                        256
    46. Het vaarwel van een Held (M. E. Winge)               260
    47. Sigurd en Fafnir (K. Dielitz)                        270
    48. Sigurd vindt Brunhild (J. Wagrez)                    274
    49. Odin en Brunhild (K. Dielitz)                        276
    50. Aslaug (Gertrude Demain Hammond, R. I.)              278
    51. Sigurd en Gunnar (J. C. Dollman)                     280
    52. De Dood van Sigurd (Patten Wilson)                   282
    53. Het einde van Brunhild (J. Wagrez)                   284
    54. Ingeborg (M. E. Winge)                               300
    55. Frithiof klieft het Schild van Helge (Knut Ekwall)   302
    56. Ingeborg ziet haar minnaar vertrekken (Knut Ekwall)  306
    57. Frithiof keert terug naar Framnäs (Knut Ekwall)      310
    58. Frithiof bij het altaar van Balder (Knut Ekwall)     312
    59. Frithiof aan het Hof van Ring (Knut Ekwall)          314
    60. Frithiof ziet den slapenden Koning (Knut Ekwall)     320
    61. Odin en Fenris (Dorothy Hardy)                       328
    62. Noren landende in IJsland (Oscar Wergeland)          332
    63. De reis der Valkyren (H. Hendrich)                   338
    64. De Storm-Rit (Gilbert Bayes)                         352



INHOUD.


    Hoofdstuk.                                 Bladzijde.

    I.       Het Begin                                 1
    II.      Odin                                     14
    III.     Frigga                                   41
    IV.      Thor                                     58
    V.       Tyr                                      84
    VI.      Bragi                                    94
    VII.     Idoen                                   102
    VIII.    Niörd                                   110
    IX.      Frey                                    116
    X.       Freya                                   129
    XI.      Uller                                   137
    XII.     Forseti                                 140
    XIII.    Heimdall                                144
    XIV.     Hermod                                  152
    XV.      Vidar                                   156
    XVI.     Vali                                    160
    XVII.    De Nornen                               164
    XVIII.   De Valkyren                             171
    XIX.     Hel                                     178
    XX.      Ægir                                    183
    XXI.     Balder                                  195
    XXII.    Loki                                    214
    XXIII.   De Reuzen                               228
    XXIV.    De Dwergen                              236
    XXV.     De Elfen                                243
    XXVI.    De Sigurd Saga                          247
    XXVII.   De Geschiedenis van Frithiof            292
    XXVIII.  De Godenschemering                      323
    XXIX.    Grieksche en Noorsche Mythologie        336

             Register en Index



INLEIDING.


De voorname beteekenis van de ruwe brokken poëzie, in vroege
IJslandsche litteratuur bewaard, zal nu door niemand meer betwist
worden, maar er bestond tot voor korten tijd een buitengewone
onverschilligheid ten opzichte van de godsdienstige overlevering en
mythische leer die zij behelzen.

De langdurige verwaarloozing van deze kostbare herinneringen aan
onze heidensche voorvaderen is niet de schuld van het materiaal,
waarin alles wat van hun godsdienstige geloofsvoorstellingen over is,
is besloten, want men kan veilig beweren dat de Edda even rijk is
aan de eigenaardigheden van nationalen roman en van rasverbeelding,
hoe ruw dan ook, als de meer bevallige en idyllische mythologie
van het Zuiden. Ook ligt het niet aan een zekere wreedheid in de
opvatting van de goden zelf, want ofschoon zij niet mogen reiken tot
groote geestelijke hoogten, beweren in de eerste plaats kenners van
de IJslandsche letterkunde, dat zij zich verheffen breed en massief
als de Skandinavische bergen. Zij toonen "een geest van overwinning,
die meer is dan brute kracht, die meer is dan het stoffelijke alleen,
een geest die strijdt en overmeestert". [1] "Zelfs waar een deel
van de stof hunner mythen aan anderen is ontleend, hebben de Noren
hunnen goden een edelen, fieren, grooten geest gegeven en hen op een
hoog standpunt geplaatst, dat geheel het hunne is." [2] "Inderdaad,
deze oud-Noorsche zangen hebben een waarheid in zich, een innerlijke
eeuwige waarheid en grootheid. Het is een grootheid, niet van lichaam
en reusachtige afmeting alleen, maar een ruwe grootheid van ziel". [3]

De invoering van het Christendom in het Noorden bracht mede den invloed
van de klassieke rassen, en deze schaadde den aangeboren geest,
zoodat de vreemde mythologie van Griekenland en Rome een toenemend
deel van de geestelijke toerusting der noordelijke volken is geworden
naarmate de letterkunde en overlevering des lands verwaarloosd zijn.

Ongetwijfeld heeft de Noorsche mythologie een diepgaanden invloed
uitgeoefend op onze gewoonten, wetten en taal, en er is daarom een
groote onbewuste inspiratie van deze op de Engelsche letterkunde. De
meest in het oog springende trekken van deze mythologie zijn een zeer
bijzonder grimmige humor, dien men in den godsdienst van geen ander
ras vindt, en een duistere draad van tragiek die door het gansche
weefsel loopt, en deze eigenaardigheden, de beide uitersten rakend,
zijn in forsche trekken op de Engelsche litteratuur geschreven.

Maar van bewusten invloed is er, vergeleken bij den rijkvloeienden
stroom van Helleensche inspiratie, weinig te merken, en als wij ons
keeren tot de moderne kunst, is het verschil zelfs nog duidelijker.

Deze onverschilligheid is toe te schrijven aan vele oorzaken, maar
allereerst aan het feit dat de godsdienstige geloofsvoorstelling
van onze heidensche voorvaderen niet wezenlijk diep waren
geworteld. Vandaar het succes van de meer of minder overwogen
politiek der eerste Christelijke zendelingen, die de heidensche
opvattingen wilden verwarren en ze in het nieuwe geloof wilden
verstikken, waarvan men een belangwekkend voorbeeld heeft in het
overbrengen naar het Christelijk Paaschfeest van de attributen
der heidensche godin Eastre, aan wie het in het Engelsch zelfs
zijn naam ontleent. De Noorsche mythologie werd op deze wijze tot
staan gebracht eer zij hare volle ontwikkeling had bereikt, en de
voortgang van het Christendom bande haar ten slotte in het duister
van vergeten dingen. Haar veel omvattend en ordelijk plan echter,
in tegenstelling met de onsamenhangende mythologie van Grieken en
Romeinen, vormde den grondslag van een meer of min redelijk geloof,
dat de Noren geschikt maakte om de onderrichting van het Christendom
te ontvangen, en zoo aan haar eigen ontbinding medewerkte.

De godsdienstige voorstellingen van het Noorden zijn niet nauwkeurig
weerspiegeld in de oudere Edda. Inderdaad is ons in de Noorsche
litteratuur slechts een travestie van het geloof onzer voorvaderen
bewaard. De primitieve dichter hield van allegoriseeren, en zijn
verbeelding vermeide zich tusschen de scheppingen van zijn vruchtbare
muze. "Zijn oogen waren gevestigd op de bergen, totdat de besneeuwde
toppen menschelijke gestalten aannamen en de reus van de rots op het
ijs neerdaalde met zwaren stap; of hij wilde staren op de pracht van
de lente, of de zomersche velden, totdat Freya met den schitterenden
halsketting, aankwam, of Sif met de wuivende gouden haren." [4]

Wij hooren niets van de offergebruiken en godsdienstige riten, en alles
is weggelaten wat geen stof levert voor artistieke behandeling. De
zoogenaamde Noorsche mythologie kan men dus meer beschouwen als
een waardevolle reliquie der Noorsche dichtkunst in haren aanvang,
dan als een uiteenzetting van de godsdienstige voorstellingen der
Skandinaviërs, en deze letterkundige fragmenten dragen veelvuldig
het kenmerk van den overgangstoestand, waarin de verwarring van oud
en nieuw geloof gemakkelijk is te zien.

Maar niettegenstaande de grenzen, door langdurige verwaarloozing
gesteld, is het mogelijk ten deele een plan van de oude Noorsche
geloofsvoorstellingen te reconstrueeren, en de gewone lezer zal
veel profijt hebben van Carlyle's onderrichtende studie in "Helden
en Heldenvereering."  "Een verbijsterend, ondoordringbaar kreupelbosch
van leugens, verwarringen, onwaarheden en absurditeiten, dat het heele
levensveld bedekt!" Zoo noemt hij ze, met goede reden, maar hij gaat
verder en toont aan, met evenveel waarheid, dat in het hart van deze
ruwe vereering van een uit haar verband gerukte natuur een geestelijke
macht uiting zoekt. Wat wij zonder eerbied onderzoeken, zagen zij
met devotie aan, en, daar zij het niet begrepen, vergoddelijkten zij
het onverwijld, zooals alle kinderen geneigd waren te doen in alle
perioden der wereldgeschiedenis. Inderdaad waren zij heldenvereerders
naar het hart van Carlyle, en twijfelzucht had geen plaats in hun
eenvoudige philosophie.

Het was de kindsheid van de gedachte, die staarde op een heelal vol
goddelijkheid, en die hartelijk en oprecht geloofde. Een volk met
ruime ziel dat in het donker zich strekte naar idealen, die beter waren
dan zij zelf wisten. Ragnarok moest een einde maken aan hunne goden,
omdat zij waren gestruikeld van hun hoogere standplaatsen.

Wij hebben aan een eigenaardig verschijnsel te danken, dat zooveel
van de oude leer, als wij nog bezitten, is bewaard. Terwijl
vreemde inlanders de Noorsche taal bedierven, bleef zij vrij wel
onveranderd in IJsland, dat van het vastland uit door de Noormannen
was gekoloniseerd, die er heen gevlucht waren om te ontkomen aan de
onderdrukking van Harold Schoonhaar na zijn vernietigende overwinning
van Hafrsfirth. Deze menschen brachten mede den dichterlijken geest
die zich reeds geopenbaard had, en deze schoot nieuwen wortel in dien
dorren grond. Velen van de oude Noorsche dichters waren uit IJsland
afkomstig, en in den vroegsten tijd der Christelijke jaartelling
werd een groote dienst aan de Noorsche letterkunde bewezen door den
Christenpriester, Saemund, die vlijtig samenbracht een groote massa
heidensche poëzie tot een verzameling, bekend als de Oudere Edda, en
deze is de voornaamste basis van onze tegenwoordige kennis aangaande
den godsdienst der oude Noormannen. De IJslandsche letterkunde
bleef echter een verzegeld boek tot het einde van de achttiende
eeuw, en heel langzaam heeft zij het sedert dien tijd gewonnen op
onverschilligheid, totdat er nu teekenen zijn dat zij eventueel tot
haar recht zal komen. "Het kennen van het oude geloof", zegt Carlyle,
"brengt ons in nauwer en zuiverder betrekking tot het Verleden--tot
onze eigen bezittingen in het Verleden. Want het gansche Verleden
is het bezit van het Heden; het Verleden had steeds eenige waarheid,
en is een kostelijk bezit."

De veelbeteekenende woorden van William Morris met betrekking tot de
Volsunga Saga kunnen ook heel goed worden aangehaald bij wijze van
inleiding tot deze geheele verzameling "Mythen van de Noormannen". "Dit
is de groote geschiedenis van het Noorden, die voor ons ras moet
zijn wat het verhaal van Troje was voor de Grieken--voor ons geheele
ras eerst, en verder, als de verandering van de wereld ons ras niet
meer heeft gemaakt dan tot een naam van hetgeen is geweest--ook een
geschiedenis--dan moet zij voor hen die na ons komen niet minder zijn
dan wat het verhaal van Troje geweest is, voor ons".



HOOFDSTUK I: HET BEGIN.


Scheppingsmythen.


Ofschoon de Arische bewoners van Noord-Europa, overeenkomstig de
vooronderstelling van eenige gezaghebbende geleerden, oorspronkelijk
van de hoogvlakte van Iran, in het hart van Azië, afkomstig zijn,
hadden het klimaat en de omgeving van de landen, waar zij zich ten
slotte vestigden, grooten invloed op de vorming van hun vroegere
godsdienstige opvattingen, alsook op de verandering van hun
levenswijze.

De grootsche en ruwe landschappen van Noord-Europa, de middernachtzon,
de schitterende stralen van den noordelijken dageraad, de oceaan
die zich voortdurend tot woede opzweept tegen de groote klippen en
ijsbergen van den Poolcirkel, moest de bevolking niet minder levendig
aandoen dan de bijna wonderbare plantengroei, het voortdurende licht,
en de blauwe zeeën en luchten van hun korten zomertijd. Het is daarom
niet heel vreemd dat de IJslanders b.v., aan wie wij de meest volledige
herinneringen aan dit geloof te danken hebben, als zij rondom zich
zagen, zich verbeeldden dat de wereld oorspronkelijk was geschapen
uit een zonderling mengsel van vuur en ijs.

De Noordelijke mythologie is grootsch en tragisch. Haar voornaamste
thema is de voortdurende worsteling van de weldadige natuurkrachten
tegen de schadelijke, en dus is zij niet bekoorlijk en idyllisch
als de godsdienst van het zonnige zuiden, waar de bevolking zich kan
koesteren in een voortdurenden zonneschijn, en de vruchten der aarde
opgroeiden zoodat men ze slechts te plukken had.

Het was heel natuurlijk, dat de gevaren, waaraan men bloot stond
op jacht en bij het visschen onder dezen onbarmhartigen hemel, en
het lijden dat werd opgelegd door de lange, koude winters, als de
zon nooit schijnt, onze voorvaderen koude en ijs deden beschouwen
als boosaardige geesten; en het was om dezelfde reden, dat zij met
bijzondere voorliefde aanriepen den weldadigen invloed van warmte
en licht.

Wanneer men hen vraagde naar de schepping der wereld, antwoordden de
Noorsche skalden of dichters, wier zangen in de Edda's en Saga's zijn
bewaard, dat in het begin, toen er nog geen aarde was, noch zee, noch
lucht, toen duisternis op alles rustte, er een machtig wezen bestond,
genaamd Alvader, dien zij vaag beseften als ongeschapen en onzienlijk,
en dat, wat hij wilde, gebeuren moest.

In het midden der ruimte was, bij den aanvang van den tijd, een groote
afgrond Ginnunga-gap, de kloof der kloven, de gapende golf, welker
diepten geen oog kon peilen, daar zij in voortdurende schemering
was gehuld. Benoorden deze plek was een ruimte of wereld, bekend als
Niflheim, de woonplaats van mist en donker, en in het hart daarvan
vloeide de onuitputtelijke bron Hvergelmir, de ziedende ketel, welks
wateren twaalf groote stroomen voedden: de Elivagar. Daar het water
van deze stroomen snel wegliep van zijn bron en de koude winden van de
gapende golf ontmoette, verhardde het weldra tot groote blokken ijs,
die neerrolden in de onmetelijke diepten van den grooten afgrond met
een voortdurend gedruisch als van donder.

Bezuiden deze donkere kloof, en vlak tegenover Niflheim, het
mistgebied, was een andere wereld, met name Muspells-heim, de
woonplaats van het oorspronkelijke vuur, waar alles warmte en
licht was, en welks grenzen steeds bewaakt werden door Surtr, den
vlammenreus. Deze reus zwaaide trotsch zijn blinkend zwaard en zond
voortdurend groote stroomen vonken uit, die met een sissend geluid
op de ijsblokken vielen in den bodem van den afgrond, en ze ten deele
door hitte deden smelten.


    Door Surtr, met zijn brandend zwaard
    Werd zuid'lijk Muspels poort bewaard,
    In stroom van meer dan aardschen gloed
    Vloeid' uit de kracht die leven doet.

                               Valhalla (J. C. Jones).



Ymir en Audhumla.

Toen de damp tot wolken rees, ontmoette hij de heerschende koude en
werd veranderd in rijm of rijp, die, laag op laag, de groote centrale
ruimte vulde. Zoo door de voortdurende werking van koude en hitte,
en waarschijnlijk ook door den wil van den ongeschapene en ongeziene,
ontstond tusschen de ijsblokken van den afgrond een reusachtig wezen
Ymir of Orgelmir (ziedende klei), de verpersoonlijking van den bevroren
oceaan, en daar dit wezen uit rijm geboren was, werd hij Hrim-thurs
of IJsreus genoemd.


    In vroegen tijd
    Toen Ymir leefde,
    Was zand, noch zee
    Geen golf die koelt;
    Geen aard' omlaag,
    Geen lucht omhoog;
    Eén chaos 't al
    En nergens gras.

                Saemunds Edda.


Rondtastend in het donker op zoek naar wat voedsel, bemerkte Ymir een
reusachtige koe, Audhumla (de voedster), die door dezelfde kracht
als hij zelf was geschapen en uit dezelfde grondstoffen. Toen hij
zich naar haar toe spoedde, merkte Ymir met vreugde op dat uit haar
uier vier groote stroomen melk vloeiden, die in ruime mate voedsel
verstrekken zouden.

Aan al zijn behoeften was dus voldaan; maar de koe, rondziende naar
voedsel op haar beurt, begon met haar ruwe tong het zout af te likken
van een ijsblok in de buurt. Hiermee ging zij voort totdat het haar
van een god verscheen en dan het gansche hoofd opdook uit zijn ijzig
omhulsel, totdat langzamerhand Buri (de voortbrenger) vrij ten voeten
uit te voorschijn stapte.

Terwijl de koe dus bezig was geweest, was Ymir in slaap gevallen,
en terwijl hij sliep werden een zoon en dochter geboren uit de
uitwaseming onder zijn oksel, en zijn voeten brachten den zeshoofdigen
reus Thrudgelmir voort, die, kort na zijn geboorte, op zijn beurt het
leven schonk aan den reus Bergelmir van wien al de booze vorstreuzen
afstammen.


    Men zegt van Hrim-thurs,
    Dat uit z'n oksel voort
    Een knaap, een meisje kwam,
    Dien wijzen Jötun
    Heeft voet met voet verwekt
    Zeshoofdigen zoon.

                    Saemunds Edda.



Odin, Vili en Ve.

Toen deze reuzen het bestaan ontdekten van den god Buri en van zijn
zoon Börr (geboren), dien hij onmiddellijk ter wereld had gebracht,
begonnen zij krijg tegen hen te voeren, want daar de goden en reuzen
vertegenwoordigden de tegengestelde machten van goed en kwaad, kon
niet verwacht worden dat zij met elkander in vrede zouden leven. De
strijd duurde blijkbaar eeuwen, terwijl geen van beide partijen een
beslist voordeel behaalde, totdat Börr de reuzin Bestla huwde, dochter
van Bolthorn (doorn des kwaads), die hem drie geweldige zonen baarde,
Odin (geest), Vili (wil) en Ve (heilig). Deze drie zonen hielpen hun
vader onmiddellijk in zijn strijd tegen de vijandige vorstreuzen,
en slaagden er eindelijk in hun meest doodelijken vijand, den grooten
Ymir, te verslaan. Toen hij levenloos te aarde zonk, gutste het bloed
uit zijn wonden in zulke stroomen, dat het een grooten zondvloed teweeg
bracht, waarin zijn geheele geslacht omkwam, behalve Bergelmir, die in
een boot ontsnapte en met zijn vrouw naar de grenzen der wereld ging.


    Gij deedt verdrinken Ymirs gansch geslacht,
    Slechts niet Bergelmir, hij ontvlood te scheep
    Uw zondvloed, uit hem 't reuzenvolk ontsprong.

                                    Balder Dood (Matthew Arnold).


Hier vestigde hij zich en noemde de plaats Jötun-heim (het huis der
reuzen) en hier verwekte hij een nieuw ras van vorstreuzen die zijn
antipathieën erfden, den strijd voortzetten en steeds bereid waren toe
te snellen uit hun verlaten land en het gebied der goden te verwoesten.

De goden, in de Noorsche mythologie Aesir (pilaren en dragers van de
wereld) genoemd, begonnen, toen zij zoo getriomfeerd hadden over hunne
vijanden, en niet langer in voortdurenden strijd waren verwikkeld,
rondom zich te zien met het voornemen den desolaten aanblik der
dingen te verbeteren en een bewoonbare wereld te vormen. Na behoorlijk
overleg rolden Börr's zonen het groote lijk van Ymir in den gapenden
afgrond, en begonnen de wereld te scheppen uit zijn verschillende
samenstellende deelen.



De schepping van de aarde.

Uit het vleesch vormden zij Midgard (middentuin), zooals de aarde
werd genoemd. Deze werd geplaatst precies in het centrum van de
groote ruimte, en geheel in het rond omtuind met Ymirs wenkbrauwen
als bolwerken of wallen. De vaste massa van Midgard werd omgeven met
het bloed of zweet van den reus, dat den oceaan vormde, terwijl zijn
beenderen de heuvelen uitmaakten, zijn vlakke tanden de klippen en
zijn gekruld haar de boomen en allen plantengroei.

Zeer tevreden over den uitslag van hun eerste pogingen in zake de
schepping, namen de goden nu den loggen schedel van den reus en hingen
hem behendig als hemelgewelf boven aarde en zee; daarna verstrooiden
zij zijn hersenen door de ruimte er onder en vormden er de bevallige
wolken uit.


    Uit Ymirs vleesch
    Werd d'aard geschapen,
    Uit zijn bloed de zee,
    Uit zijn beend'ren de heuvels,
    Uit zijn haar boom en plant,
    Uit zijn schedel de hemelen,
    En uit zijn brauwen
    Schiepen de goden
    Midgard, het menschenkind ter woon;
    Maar uit zijn brein
    Werden de wolken zwaar
    Alle geschapen.

                            Noorsche Mythologie.


Ten einde het hemelgewelf te steunen, plaatsten de goden de sterke
dwergen, Nordri, Sudri, Austri, Westri, op zijn vier hoeken, met het
bevel het op hun schouders te houden, en aan hen ontleenden de vier
punten van het kompas hun tegenwoordige namen: Noord, Zuid, Oost en
West. Om aan de dus geschapen wereld licht te geven versierden de goden
het hemelgewelf met vonken, afkomstig uit Muspells-heim, lichtpunten
die gestadig schenen door het donker als schitterende sterren. De
levendigste van deze vonken echter werden bewaard tot de vervaardiging
van de zon en de maan, die in mooie gouden wagens werden gezet.


    En uit het vlammenland, waar Muspel heerscht,
    Zondt gij en haaldet vuur, en schiept gij 't licht
    Van zon en maan en star, gij hingt ze aan 't zwerk.
    Deelend de paden dus van nacht en dag.

                                    Balder Dood (Matthew Arnold).


Toen al deze toebereidselen gereed waren en de rossen Arvakr
(de vroege ontwaker) en Alsvin (de snelle looper) gespannen waren
voor de zonnekar, plaatsten de goden, bang dat de dieren zouden te
lijden hebben als zij in de buurt van de brandende sfeer kwamen,
onder hun schoudergewrichten groote vliezen, gevuld met lucht of met
eene of andere verkoelende stof. Ook vormden zij het schild Svalin
(de verkoeler), en plaatsten het voor den wagen om hen te behoeden
voor de rechte stralen der zon, die anders hen en de aarde tot asch
zouden hebben verbrand. Eveneens was de maanwagen voorzien van een
snel ros, Alsvider (de al-sterke) geheeten; maar er was geen schild
noodig om het te beschermen voor de milde stralen der maan.



Mani en Sol.

De wagens waren klaar, de paarden ingespannen en ongeduldig om hun
dagelijksche ronde te beginnen, maar wie zou hen langs den rechten weg
sturen? De goden keken om zich heen, en hun aandacht werd getrokken
door de twee schoone spruiten van den reus Mundilfari. Hij was heel
trotsch op zijn kinderen en had hen naar de pas geschapen bollen Mani
(de maan) en Sol (de zon) genoemd. Sol, de Zonnemaagd, was de vrouw
van Glaur (gloed) die blijkbaar een van Surtr's zonen was.

De namen bleken gelukkig gekozen, toen aan broeder en zuster
de besturing van de paarden hunner twee naamgenooten waren
toevertrouwd. Nadat zij goeden raad hadden gekregen van de goden,
werden zij naar de lucht gebracht, en vervulden dagelijks de hun
opgelegde plichten en stuurden hun rossen langs de hemelpaden.


    Weet dat Mundilfari genoemd
    Vader wordt van maan en zon;
    Eeuwen, eeuwen gaan voorbij
    En zij duiden maand en dag.

                            Hávamál.


Vervolgens riepen de goden Nott (nacht), een dochter van Norvi, een
van de reuzen, en vertrouwden haar de zorg over een donkere kar,
getrokken door een zwart paard Hrim-faxi (vorst-maan), uit wiens
golvende manen dauw en rijp op aarde vielen.


    Hrim-faxi is het zwarte ros
    Dat van 't oosten brengt den nacht,
    Zwaar van liefdevreugd die stroomt
    Bijt hij op 't beschuimd gebit,
    Dan drupt weer de dauw en siert
    Rondgestrooid der aarde land.

                        Vafthrudni's-mal.


De godin van den nacht was driemaal getrouwd geweest, en bij haren
eersten man Naglfari, had zij een zoon die Aud heette, bij haar
tweeden, Annar, een dochter Jörd; en bij haar derden, den god Dellinger
(dageraad) werd haar nu een andere zoon, van stralende schoonheid,
geboren, en hij ontving den naam Dag.

Zoodra de goden dit prachtige wezen zagen, rustten zij ook voor hem een
wagen uit, getrokken door het schitterende witte ros Skin-faxi (die
blinkende manen heeft) en van zijn manen schenen felle lichtstralen
van alle kanten, de wereld verlichtend en glans en vreugde brengend
aan iedereen.


    Voort van het oost, naar 's hemels toppunt toe,
    Dreef Dag zijn ros welks manen schitterden.

                            Balder Dood (Matthew Arnold).



De wolven Sköll en Hati.

Maar daar het kwaad het goede altijd op de hielen volgt, in de hoop
het te vernietigen, stelden de oude bewoners van de Noordelijke landen
zich voor, dat beiden, Zon en Maan, voortdurend vervolgd werden door
de woeste wolven Sköll (verzet) en Hati (haat), wier eenig doel was
de schitterende wezens vóór hen in te halen en op te eten, opdat de
wereld weer in haar oorspronkelijke duisternis mocht worden gehuld.


    Sköll heet de wolf
    Die de godin, de prachtige,
    Naar de zee toedrijft;
    Een andere, Hati genoemd
    Is Hrodvitnir's zoon;
    Hij zal voorgaan het hemelkind schoon.

                                    Saemunds Edda.


Nu en dan vertelde men, haalden de wolven hun prooi in en trachtten
ze op te eten, brachten zoo een verduistering van de stralende
hemellichamen te weeg. Dan hief het verschrikte volk een zoo
oorverdoovend rumoer aan, dat de wolven, door het getier verschrikt, ze
direct loslieten. Dus bevrijd vervolgden Zon en Maan hun weg en ijlden
sneller dan te voren, terwijl de hongerige monsters voortstormden in
hun zog, snakkend naar den tijd wanneer hun pogingen zouden slagen en
het einde der wereld zou komen. Want de noordelijke volken geloofden
dat, daar hun goden ontsprongen waren aan een vereeniging van het
goddelijke element (Börr) en het sterfelijke element (Bestla),
zij eindig waren, en gedoemd onder te gaan met de wereld die zij
hadden gewrocht.


    Maar toen zelfs in dien vroegsten tijd
    Was zwak geduid de dageraad
    Van woesten strijd, van schok des doods,
    Als alles endt in Ragnarok;
    Als goed en kwaad, als niet en zijn
    Beginnend nu, enden hun kamp.

                                        Valhalla.


Mani werd ook vergezeld door Hiuki, de wassende, en Bil, de afnemende
maan, twee kinderen die hij had weggerukt van de aarde, waar een
wreed vader hen noopte iederen nacht water te dragen. Onze voorouders
verbeeldden zich dat zij deze kinderen, de oorspronkelijke, "Jack en
Jill" met hun emmer, in vage omtrekken op de maan zagen.

De goden stelden niet alleen Zon, Maan, Dag en Nacht aan om
den voortgang van het jaar aan te geven, maar riepen ook Avond,
Middernacht, Morgen, Voormiddag, Middag en Namiddag om hun plichten
te deelen, terwijl zij Zomer en Winter tot de beheerschers der
jaargetijden maakten. Zomer, een rechtstreeksche afstammeling van
Svasud (de milde en lieflijke), erfde den vriendelijken aard van
zijn vader, en werd door allen bemind behalve door Winter, zijn
doodelijken vijand, den zoon van Vindsual, zelf weer een zoon van
den onvriendelijken god, de verpersoonlijking van den ijskouden wind.


    Vindsual is de naam van hem
    Die heeft verwekt den wintergod;
    Zomer was Suasuthers kind;
    Beiden zullen gaan hun pad,
    Tot der goden schemering.

                        Vafthrudni's-mal.


De koude winden zweepten voortdurend neer van het noorden, en
verstijfden de aarde, en de Noormannen verbeeldden zich dat deze in
beweging waren gezet door den grooten reus Hraesvelgr (lijken-zwelger),
die, gedost in arendsvederen, aan den meest noordelijken top van den
hemel zat, en dat wanneer hij zijn armen of vleugelen ophief de koude
stormen uitschoten en onbarmhartig zwiepten over het gelaat der aarde,
alle dingen verwoestend met hun ijzigen ademtocht.


    Hrae-svelger is de naam van hem
    Die zit voorbij der hemelen end,
    En spreidt zijn arendsvleug'len uit,
    Zoodat de storm te voorschijn schiet.

                                Vafthrudni's-mal.



Dwergen en elfen.

Terwijl de goden bezig waren met het scheppen van de aarde en voor hare
verlichting zorgden, was er een gansche schare op wormen gelijkende
schepselen uitgebroed in Ymirs vleesch. Deze zonderlinge wezens trokken
nu de aandacht der goden. Zij riepen hen tot zich en gaven hun eerst
gestalten en voorzagen hen met bovenmenschelijk verstand en verdeelden
hen vervolgens in twee groote klassen. Die welke donker, verraderlijk
en sluw van nature waren, werden verbannen naar Svart-alfa-heim,
de woning der zwarte dwergen, gelegen onder den grond, van waar zij
nooit naar buiten mochten komen over dag, op straffe dat zij in steen
zouden worden veranderd. Zij werden Dwergen, Trolls, Gnomen of Kobolden
genoemd en besteedden al hun tijd en kracht aan het doorvorschen van
de geheime schuilhoeken der aarde. Zij verzamelden zilver, goud en
kostbare steenen, die zij wegstopten in geheime spleten, waar zij ze,
als zij wilden, konden uithalen. De overige dezer kleine schepselen,
allen die goed, schoon en nuttig waren, noemden de goden Feeën en
Elfen, en zij lieten hen wonen in het luchtgebied Alfheim (huis der
lichtelfen), gelegen tusschen hemel en aarde, van waar zij konden
neerzweven als zij wilden, om bij de planten en bloemen te zijn, te
spelen met de vogels en vlinders, of te dansen in het zilverachtige
maanlicht op het groen.

Odin die de leidende geest was geweest in al deze ondernemingen,
gebood nu den goden, zijn afstammelingen, hem te volgen naar de
breede vlakte, Idavold geheeten, ver boven de aarde, aan de andere
zijde van den grooten stroom Ifing, welks wateren nimmer bevroren.


    Ifings diep' en donk're vloed
    Scheidt der aarde kind'ren nu
    Van de plek, der goden woon;
    Open ligt het water, dat
    Nimmer ijskorst stremmen zal
    Wijl het wiel der eeuwen vliegt.

                            Vafthrudni's-mal.


In het midden van de heilige ruimte, die van het begin der wereld
gereserveerd was tot hun eigen verblijf en Asgard (huis der goden)
heette, kwamen al de twaalf Aesir (goden) en vier-en-twintig Asynjur
(godinnen) samen op Odins bevel. Toen werd een groote bijeenkomst
gehouden, waarop werd vastgesteld dat geen bloed binnen de perken van
hun gebied of vredeplaats zou vergoten worden, maar dat er harmonie
zou heerschen voor altijd. Als een verdere uitkomst der bespreking
richtten de goden een smidse op waar zij al hun wapenen maakten en de
gereedschappen, noodig tot het bouwen van de prachtige paleizen van
kostbare metalen waarin zij lange jaren woonden in zulk een gelukkigen
toestand dat deze periode de Gouden Eeuw is genoemd.



De schepping van den mensch.

Ofschoon de goden van den beginne Midgard, of Mana-heim hadden
aangewezen tot woning van den mensch, waren er eerst geen menschelijke
schepsels om er in te wonen. Op zekeren dag trokken Odin, Vili en Ve,
volgens sommigen, of Odin, Hoenir (de schitterende) en Lodur of Loki
(vuur) er samen op uit en wandelden langs de zeekust toen zij vonden
òf twee boomen, den esch, Ask, en den olm Embla, òf twee blokken
hout, gehouwen in de ruwe gelijkenis van de menschelijke gestalte. De
goden staarden eerst op het levenlooze hout in stille verbazing; toen,
merkende wat er van gemaakt kon worden, gaf Odin dezen blokken zielen,
Hoenir verschafte beweging en zintuigen, en Lodur verleende bloed en
bloeiende kleur.

Zoo begiftigd met taal en gedachte en met het vermogen om lief te
hebben en te hopen en te werken, en met leven en dood, mochten de
pas geschapen man en vrouw Midgard beheerschen zooals zij wilden. Zij
bevolkten het gaandeweg met hunne nakomelingen terwijl de goden, zich
herinnerend dat zij hen in het leven hadden geroepen, een bijzonder
belang stelden in al wat zij deden, over hen waakten en hun dikwijls
hulp en bescherming verleenden.



De boom Yggdrasil.

Alvader schiep vervolgens een forschen esch, Yggdrasil, den boom van
het heelal, van den tijd of van het leven, die de heele wereld vulde,
daar hij niet enkel wortel schoot in de verst verwijderde diepten
van Niflheim, waar de bron Hvergelmir vloeide, maar ook in Midgard,
bij Mimirs bron (den oceaan), en in Asgard, bij de Urdas-fontein.

Door zijn drie groote wortels verkreeg de boom een zoo wonderbare
hoogte dat zijn opperste tak, Lerad, (de vredegever) Odins hal
overschaduwde, terwijl de andere wijd zich uitspreidende twijgen over
de andere werelden staken. Een adelaar zat vastgeroest op den tak
Lerad, en tusschen zijn oogen de valk Vedfolnir, die zijn doordringende
blikken in den hemel zond en op de aarde en naar Niflheim, en vertelde
al wat hij zag.

Daar de boom Yggdrasil altijd groen was en zijn bladeren nooit
verdorden, diende hij als weide, niet enkel voor Odins geit Heidrun,
die de hemelsche mee, den drank der goden, verstrekte, maar ook
voor de herten Dain, Dvalin, Duneyer en Durathor, van welker hoornen
honigdauw op aarde druppelde en dat water voor alle rivieren in de
wereld verstrekt.

In den ziedenden ketel Hvergelmir, dicht bij den grooten boom, knaagde
een verschrikkelijke draak, Nidhug, voortdurend aan de wortels,
en werd in zijn vernielingswerk bijgestaan door tallooze wormen,
welker doel was den boom te dooden, daar zij wisten dat zijn dood
het teeken zou zijn van der goden val.


    En altijd roofziek werkt een macht baldadig,
    De wreede Nidhung uit des wereld diep,
    Hij haat het asa-licht welks glans weldadig
    Op heldenhoofd en zwaard zijn weerschijn schiep.

                    Viking-verhalen uit het noorden. (R. B. Anderson).


Onophoudelijk de takken en den stam van den boom op en afvliegend,
sleet het eekhoorntje Ratatosk (takboorder), de typische woelwater en
babbelaar, zijn tijd met aan den draak beneden de opmerkingen van den
adelaar boven te vertellen en omgekeerd, in de hoop twist tusschen
hen te verwekken.



De brug Bifröst.

Het lag, natuurlijk, in de rede, dat de boom Yggdrasil in volkomen
staat werd gehouden, en dit was de plicht der Nornen of Schikgodinnen,
die hem elken dag besprenkelden met de heilige wateren van de
Urdar-fontein. Als dit water naar de aarde druppelde door de takken
en de bladeren, voorzag het de bijen van honig.

Aan weerskanten van Niflheim, hoog zich verheffend boven Midgard,
rees de heilige brug Bifröst (Asabru, de regenboog) op, gebouwd uit
vuur, water, en lucht, welker beweeglijke en wisselende tinten zij
behield, en waarover de goden heen en weer naar de aarde trokken of
naar de Urdar-bron, aan den voet van den esch Yggdrasil, waar zij
dagelijks vergaderden.


                        "De goden stonden op
    Namen hun paarden, vingen aan hun rit
    Over de Bifröst, brug die Heimdall hoedt,
    Naar Yggdrasil, den esch, naar 't Idavold,
    Thor kwam te voet, maar heel de rest te paard.

                                Balder Dood (Matthew Arnold).


Van al de goden ging alleen Thor, de dondergod, nooit over de brug,
uit vrees dat zijn zware tred of de hitte van zijn bliksem ze zou
vernielen. De god Heimdall hield er dag en nacht de wacht. Hij was
gewapend met een scherp zwaard, en droeg een trompet, Giallar-hoorn
genaamd, waarop hij gewoonlijk een zachten toon blies om de komst of
het vertrek der goden aan te geven, maar waarop hevig zou geblazen
worden als Ragnarok zou komen, en de vorstreuzen en Surtr samenspanden
om de wereld te verwoesten.


    Surtr van het zuiden komt
    Met flikk'rende vlam;
    Blinkt van zijn zwaard
    Niet Val-gods zon?
    De rotsen worden saam gesloopt.
    De reuzenbergen wank'len;
    De menschen gaan het pad der hel,
    De hemel is gespleten.

                            Saemunds Edda.



De Vana's.

Ofschoon nu de oorspronkelijke bewoners van den hemel de Aesir waren,
waren zij niet de eenige godheden van de noordelijke rassen, die
ook de macht erkenden van de zee- en windgoden, de Vana's, wonend
in Vana-heim en regeerend naar hun willekeur. In vervlogen tijden,
eer de gouden paleizen in Asgard gebouwd waren, ontstond een twist
tusschen de Aesir en Vana's, en zij grepen naar de wapenen, terwijl
zij rotsen, bergen en ijsschotsen gebruikten als werptuigen in het
gevecht. Maar toen zij weldra ontdekten dat in eenheid hun kracht lag,
legden zij hunne geschillen bij en sloten vrede, en om het verbond
te bekrachtigen wisselden zij gijzelaars uit.

Zoo gebeurde het dat de Van, Niörd, kwam wonen in Asgard, met zijn
twee kinderen, Frey en Freya, terwijl de Asa, Hoenir, Odins eigen
broeder, zijn tenten opsloeg in Vana-heim.



HOOFDSTUK II: ODIN.


Odin vader van goden en menschen.

Odin, Wuotan, of Wodan, was de hoogste en heiligste god van de
noordelijke rassen. Hij was de alles doordringende geest van het
heelal, de verpersoonlijking van de lucht, de god van universeele
wijsheid en overwinning, en de leider en beschermer van vorsten en
helden. Daar men veronderstelde dat al de goden van hem afstamden, had
hij den bijnaam Alvader, en als oudste en opperste onder hen bezette
hij den hoogsten zetel in Asgard. Bekend onder den naam Hlidskialf,
was deze stoel niet enkel een verheven troon, maar ook een geweldige
wachttoren, van waar hij de heele wereld kon overzien en met een
enkelen blik in oogenschouw nemen alles wat er gebeurde onder goden,
reuzen, elfen, dwergen en menschen.


    En uit de hal des hemels toog hij weg
    Naar Lidskialf, en zat er op zijn troon,
    Den berg, van waar zijn oog de wereld ziet.
    En uit den hemel sloeg hij lichten blik
    En zag naar Midgard, d' aard' en 't menschenvolk.

                                Balder Dood (Matthew Arnold).



Odins persoonlijke verschijning.

Niemand dan Odin en zijn vrouw en koningin Frigga mochten dezen
zetel gebruiken, en als zij er op zaten keken zij meestal naar het
Zuiden en het Westen, het wit van alle verwachtingen en tochten der
noordelijke volken. Odin werd meestal voorgesteld als een groot,
sterk man, ongeveer vijftig jaar oud, hetzij met donker krullend haar
of met een langen grijzen baard en kaal hoofd. Hij was gekleed in
een grijs gewaad, met een blauwe kap, en zijn gespierd lichaam was
gehuld in een wijden blauwen mantel met grijze spikkels--een beeld
van de lucht met haar wollige wolken. In zijn hand had Odin doorgaans
de speer Gungnir die altijd trof en die zoo heilig was dat een eed,
bij haar punt gezworen, nooit kon gebroken worden, en aan zijn vinger
of arm droeg hij den wonderbaren ring, Draupnir, het zinnebeeld van
vruchtbaarheid, boven vergelijking waardevol. Als hij op zijn troon
zat of tot het gevecht was gewapend--want dikwijls daalde hij naar de
aarde af om daaraan deel te nemen--dan droeg Odin zijn adelaarshelm;
maar als hij vreedzaam over de aarde ging in menschelijke gestalte om
te zien wat men uitvoerde, dan droeg hij doorgaans een breedgeranden
hoed, laag over zijn voorhoofd getrokken, ten einde het feit te
verbergen dat hij maar één oog had.

Twee raven, Hugin (gedachte) en Munin (geheugen) zaten op zijn
schouders als hij op zijn troon zetelde, en deze zond hij elken morgen
de wijde wereld in, met spanning wachtend op hun terugkeer tegen den
avond, wanneer zij hem in het oor fluisterden alles wat zij gezien
hadden en gehoord. Zoo werd hij goed op de hoogte gehouden van alles
wat op aarde gebeurde.


    Hugin en Munin
    Vliegen elken dag
    Over de wijde wereld.
    Ik vrees voor Hugin
    Dat hij niet weerkomt,
    Maar nog meer in angst ben ik voor Munin.

                    Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).


Aan zijn voeten hurkten twee wolven of jachthonden, Geri en Freki,
dieren die daarom als heilig beschouwd werden en als goede voorteekenen
wanneer men hen op weg tegenkwam. Odin voederde deze wolven altijd met
eigen hand en met vleesch dat voor hen was neergezet. Hij wilde zelf
geen voedsel en proefde zelden van iets behalve van de heilige mee.


    Geri en Freki
    De krijger voedt,
    Der benden machtige heer;
    Maar van wijn enkel
    Bestaat de sterke
    Odin, hoogberoemd.

                    Lied van Grimnir.


Als hij in staatsie op zijn troon zat, deed Odin zijn voeten rusten op
een voetbank van goud, het werk der goden wier meubelen en werktuigen
alle gemaakt waren òf van dat kostbare metaal òf van zilver.

Behalve de prachtige hal Gladsheim, waar de twaalf zetels stonden
waarop de goden zaten wanneer zij vergaderden, en Valaskialf, waar
zijn troon, Hlidskialf, was geplaatst, had Odin een derde paleis
in Asgard, gelegen in het midden van het wondervolle bosch Glasir,
welks glanzende bladeren waren van rood goud.



Valhalla.

Dit paleis, Valhalla geheeten (de hal der uitgelezen verslagenen) had
vijfhonderd veertig deuren, breed genoeg om achthonderd krijgslieden
naast elkander door te laten, en boven den hoofdingang waren een
zwijnskop en een adelaar welks scherpe blik doordrong tot de verste
hoeken van de wereld. De muren van dit wondervolle gebouw waren
gemaakt van schitterende speren, zoo sterk gepolijst dat zij de
hal verlichtten. Het dak was van gouden schilden, en de banken
waren versierd met schoone rustingen, de geschenken van den god
aan zijn gasten. Hier boden lange tafels ruimschoots gerief aan de
Einheriar, soldaten gevallen in den slag, die in het bijzonder door
Odin begunstigd werden.


    Gemakkelijk wordt herkend,
    Door hen die tot Odin gaan,
    Het verblijf als men het ziet,
    Zijn dak met speren belegd,
    Zijn hal met schilden bedekt,
    Met wapenen elke bank versierd.

                            Grimnirs Lied.


De oudste Noorsche natiën, die den oorlog voor het meest eervolle
bedrijf hielden, en moed als de grootste deugd beschouwden, vereerden
Odin vooral als god van strijd en zegepraal. Zij geloofden dat,
zoo dikwijls er een gevecht op handen was, hij zijn bijzondere
dienaressen, de schild-, strijd- of wenschmaagden, Valkyren (kiezers
der gesneuvelden)  geheeten, uitzond, die uit de doode krijgers
het halve aantal kozen en ze droegen op haar snelle rossen over de
sidderende regenboogbrug, Bifröst, in het Valhalla. Welkom geheeten
door Odins zonen, Hermod en Bragi, werden de helden geleid naar
den voet van Odins troon, waar zij den prijs ontvingen die hun moed
toekwam. Als een of andere uitverkorene van den god dus in Asgard
werd gebracht, stond Valvader (vader der gesneuvelden) zooals Odin
heette wanneer hij het voorzitterschap bekleedde over de krijgers,
soms van zijn troon op en heette hem in persoon welkom aan de groote
ingangspoort.



Het feest van de helden.

Behalve den roem van zulk een onderscheiding en het genot van Odins
geliefde tegenwoordigheid dag op dag, wachtten nog andere stoffelijke
genietingen de krijgers in het Valhalla. Een onbekrompen onthaal
werd hun bereid aan lange tafels, waar de schoone maagden met hare
blanke armen, de Valkyren, hen met nauwgezetten ijver dienden, nadat
zij hare wapenrusting hadden afgelegd en zij zich in zuivere, witte
kleederen hadden gedoscht. Deze maagden, negen in getal, volgens
sommige bronnen, brachten den helden groote horens met heerlijke
mêe gevuld, en zetten hun enorme porties wild-zwijnenvleesch voor,
waarvan zij lekker smulden. De gewone Noorsche drank was bier of ale,
maar onze voorvaderen vonden dit drinken te gemeen voor de hemelsche
sfeer. Zij verbeeldden zich dus dat Valvader zijn tafel ruim voorzien
had van mee of honigwijn die dagelijks in groote hoeveelheid door
zijn geit Heidrun werd geleverd. Deze geit graasde voortdurend de
teere bladeren en twijgen op Lerad, den hoogsten top van den Yggdrasil.


    Veel strijd, gevaarvol vechten was hun leus;
    Ontijdig en met purpren wonden vol,
    Was harde dood hun keus; hij bracht hun aan
    Een recht op feest en drinken dat nooit eindt
    In Odins hal, welks ruim weerklinken deed
    't Vroolijk rumoer der schimmen, eens geveld
    In woest gevecht of door gedurfden slag.

                                Vrijheid (James Thomson).


De spijs die de Einheriar aten was het vleesch van het goddelijke
everzwijn Saehrimnir, een wonderbaar dier, dat dagelijks geslacht werd
door den kok Andhrimnir, en gekookt in den grooten ketel Eldhrimnir;
maar ofschoon de gasten van Odin echten noorschen eetlust hadden en
tot verzadigings toe aten, was er altijd vleesch genoeg voor allen.


    Andhrimnir kookt
    In Eldhrimnir
    Saehrimnir;
    't Is 't beste vleesch;
    Geen schier kent
    Der Einherjen spijs.

                    Grimnirs lied.


Bovendien was de voorraad onuitputtelijk, want het wilde zwijn
kwam altijd weer in het leven terug vóór het uur van den volgenden
maaltijd. De wonderbare vernieuwing van voorraad in de provisiekamer
was niet de eenige miraculeuse gebeurtenis in Valhalla, want men zegt
dat de krijgers na tot verzadigd wordens toe gegeten en gedronken
te hebben, altijd naar hun wapenen vroegen, zich uitrustten en naar
het groote hofplein reden, waar zij tegen elkander vochten en de
wapenfeiten herhaalden, waardoor zij beroemd waren geworden op aarde,
en dat zij elkander roekeloos vreeslijke wonden toebrachten, die echter
op wonderdadige wijze totaal waren genezen zoodra de etenshoren klonk.


    Odins uitverkoren gasten
    Spelen daag'lijks 't oorlogsspel;
    Van het feestlijk kampgebied
    Rijden zij in glinstrend staal;
    En vroolijk, aan der goden disch,
    Zwelgt men den kroes met fonklend bier,
    En eet Saehrimni's roemrijk vleesch.

                                Vafthrudni's-mal.


Ongedeerd en gelukkig als de horen klonk, en zonder elkander wrok toe
te dragen om de harde stooten die men had gegeven of ontvangen, reden
de Einheriar opgewekt naar Valhalla terug om in Odins lieflijk bijzijn
hun feesten weer te beginnen, terwijl de Valkyren met hare witte armen
en wuivend haar bevallig rondzweefden en telkens weer haar horens of
haar geliefkoosde drinkschalen, de schedels harer vijanden, vulden,
terwijl de skalden zongen van oorlog en van ontroerende Vikingtochten.


    Zij krijgen stoot en houw den ganschen dag
    Bij stof en kreet en bloed en lid, verminkt;
    Maar keeren 's avonds weer naar Odins hal
    Gezond en frisch; zoo is hun hemelsch lot.

                                Balder Dood (Matthew Arnold).


Terwijl zij dus vochten en feestvierden brachten de helden hun dagen in
volkomen geluk door, terwijl Odin genoegen had in hun kracht en aantal,
dat echter, dit voorzag hij, zijn val niet zou kunnen voorkomen als
de dag van het laatste gevecht aanbreken zou.

Daar zulke genietingen de hoogste waren die de verbeelding van een
noordelijken krijger kon schilderen, was het zeer natuurlijk dat
alle krijgslieden Odin moesten liefhebben en vroeg in hun leven zich
moesten wijden aan zijn dienst. Zij beloofden dat zij, zoo mogelijk,
zouden sterven met de wapenen in de hand, en verwondden zelfs met hun
eigen speren zich zelven als de dood naderde, wanneer zij ongelukkig
genoeg waren geweest den dood op het oorlogsveld te ontgaan en bedreigd
werden met "een strooien dood", zooals zij overlijden aan ouderdom
of ziekte noemden.


    Aan Odin trouw verpand
    Kerft hij zich runen,
    Dood-runen heel diep op zijn arm en zijn borst.

                    Viking-verhalen van het Noorden (R. B. Anderson).


Tot loon voor deze toewijding waakte Odin met bijzondere zorg over zijn
gunstelingen, gaf hun geschenken, een tooverzwaard, een speer of een
paard en maakte hen onoverwinnelijk totdat hun laatste uur gekomen was,
als hij zelf verscheen om op te eischen of te vernietigen de giften
die hij had geschonken, en de Valkyren de helden naar Valhalla droegen.


    Hij gaf aan Hermod
    Een helm en pantser,
    Van hem ontving ook
    Siegmund een zwaard.

                    Hyndla-lied.



Sleipnir.

Als Odin een werkzaam aandeel had in den oorlog, bereed hij meestal
zijn acht-pootig grijs paard, Sleipnir, en droeg een wit schild. Zijn
schitterende speer over de hoofden der strijdenden geslingerd, was het
teeken dat het gevecht zou beginnen, en hij stormde dan in het midden
van de gelederen en schreeuwde zijn oorlogskreet: "Odin heeft U allen".


    En Odin doste
    Zich uit met rusting blinkend, helm van goud,
    En voerde Sleipnir voort.

                                    Balder Dood (Matthew Arnold).


Soms gebruikte hij zijn tooverboog waarvan hij tien pijlen tegelijk
kon schieten, en elk velde zonder missen een vijand neer. Ook
veronderstelde men dat Odin zijn begunstigden krijgers de beroemde
Berserkerwoede (Berserker-naakthemd) ingaf, die hen in staat stelde,
ofschoon naakt, zonder wapenen en geheel omsingeld, ongehoorde
daden van moed en kracht te verrichten, en als door tooverkracht
te ontwijken.

Evenals Odins eigenschappen, gelijk de allesdoordringende elementen,
veelvuldig waren, zoo ook zijn namen; hij had er niet minder dan
tweehonderd, die bijna alle een vorm van zijn werken aanduidden. Men
beschouwde hem als den ouden god van de zeelui en van den wind.


                   "Machtig' Odin,
    Noren smeeken: U zij d' eer!
    Stuur ons schip, o sterke Wodan,
    Veilig over d' Oostzee weer".

                                    Vail.



De wilde jacht.

Odin, in zijn hoedanigheid van windgod, werd afgebeeld als midden door
de lucht ijlend op zijn achtpootig paard, waarvan het oudste Noorsche
raadsel afkomstig is, dat aldus luidt: "Wie rijden er samen naar het
gevecht? Zij hebben drie oogen, tien voeten, één staart: en zwerven
zoo de landen door". En daar men meende dat de zielen van de dooden
werden weggedreven op de vleugelen van den storm, werd Odin vereerd
als de leider van alle zielen die het lichaam hadden verloren. In deze
rol was hij het meest algemeen bekend als de Wilde Jager, en als de
menschen het geruisch en gebulder van den wind hoorden, schreeuwden
zij luid in bijgeloovige vrees en verbeeldden zich dat zij hem zagen
voorbij rijden met zijn stoet, allen gezeten op snuivende paarden,
en vergezeld van blaffende honden. En men beschouwde het voorbijgaan
van de Wilde Jacht, bekend als Wodan's Jacht, de Razende Menigte,
Gabriels Honden of Asgardreia, ook als een voorteeken van onheil als
b.v. oorlog of pest.


    De Rijn vloeit klaar, maar een dof gebrom
    Van kamp hoort straks zijn bed,
    En van speren galmt het land rondom
    En er schreeuwt ginds een trompet,
    En de dapp're ligt in zijn bloed, geveld,
    Want de Wilde Jager is langs gesneld.

                            De Wilde Jager (Mevr. Hemans).


Verder dacht men dat wanneer iemand zoo oneerbiedig was dat hij in
scherts mee deed aan het wild hallo, hij direct zou worden gegrepen
en met de verdwijnende schare meegevoerd, terwijl diegenen die aan
het hallo deelnamen met onvoorwaardelijk goed geloof, beloond zouden
worden met het plotselinge geschenk van een paardepoot, van boven
hun toegeworpen, en dat deze, als zij hem zorgvuldig bewaarden tot
den volgenden morgen, veranderd zou worden in een klomp goud.

Zelfs na de invoering van het Christendom was het onontwikkelde
Noorsche volk nog bang voor den opkomenden storm en beweerde dat het
de Wilde Jacht was die voortjoeg door de lucht.


                        "Hem schrikt gerucht,
    Want boven hem is Gabriels hondenstoet,
    Die met hun slechten heer steeds jagen moet
    Het vliedend hert in hooge streek der lucht".

                                        Sonnet (Wordsworth).


Soms liet zij een kleinen zwarten hond achter, die hinkend en jankend
op een nabijzijnden haard, een heel jaar lang bewaard en zorgvuldig
opgepast moest worden, indien hij niet kon worden uitgedreven
of weggeschrikt. Het gewone voorschrift was, precies als voor de
onttoovering van vondelingen, bier te brouwen in eierschalen, en men
meende dat dit bedrijf den spookhond zulk een schrik zou aanjagen, dat
hij zou wegvluchten met zijn staart tusschen de beenen, uitroepend,
dat, ofschoon zoo oud als het Bohemer bosch, hij nooit eerder zoo
iets doms gezien had.


    Ik ben oud
    Als 't Bohemer woud,
    En heb van mijn leven
    Zulk gebrouw niet gezien.

                        Oud gezegde.


Het voorwerp van deze schimmenjacht was zeer afwisselend, en was òf
een denkbeeldig wild zwijn òf wild paard, meisjes met blanke borsten
die gevangen werden en weggevoerd slechts eens in de zeven jaren,
of de boschnimfen, mosmeisjes genoemd, van wie men dacht dat zij de
herfstbladen voorstelden, van de boomen afgescheurd en weggewaaid
door den winterstorm.

In de middeleeuwen, toen het geloof in de oude heidensche godheden
ten deele vergeten was, was de aanvoerder van de Wilde Jacht niet
langer Odin, maar Karel de Groote, Frederik Barbarossa, koning Arthur,
of deze of gene Sabbatschender, zooals de Heer van Rodenstein of Hans
von Hackelberg, die, tot straf voor zijn zonden, veroordeeld was voor
goed te jagen door de lucht.

Men meende, dat, daar de winden het hevigst bliezen in herfst en
winter, Odin het liefst in dat seizoen op jacht ging, vooral in
den tijd tusschen Kerstmis en Driekoningen, en de boeren zorgden er
altijd voor de laatste schoof of maat graan op de velden achter te
laten als voedsel voor zijn ros.

Deze jacht was natuurlijk onder verschillende namen bekend in de
onderscheiden landen van Noordelijk Europa; maar daar de verhalen, er
van verteld, overal gelijk zijn, hadden zij blijkbaar hun oorsprong in
hetzelfde oude heidensche geloof, en tot dezen dag denken onontwikkelde
menschen met een noorsche fantasie, dat het gehuil van een hond in
een stormachtigen nacht een onbedriegelijk voorteeken is van dood.


    En ijlen zal de sombre jacht
    Tot tijd volend is in zijn duur,
    Des daags in holle aardeschacht,
    Komt zij er uit in 't nachtlijk uur,

    Dit zijn de horen, hond en paard
    Die 's avonds soms verneemt de boer,
    Dan slaat hij 't kruis, door vrees vervaard,
    Als hij bemerkt het wild rumoer.

    De wakk're priester treurt dan stil
    Om 's menschen trots en 's menschen wee,
    Als bij zijn nachtmis dringt een gil,
    De helsche roep van "holla hé".

                                    Sir Walter Scott.


De Wilde Jacht, of de Razende Schaar van Duitschland, heette in
Engeland Herlathing, naar den mythischen koning Herla, den vermeenden
aanvoerder; in noordelijk Frankrijk droeg zij den naam van Mesnée
d'Hellequin, naar Hell, de godin van den dood; en in de middeleeuwen
was zij bekend als Cains Jacht of Herodes' Jacht. Deze laatste namen
kreeg zij, omdat men geloofde dat de aanvoerders geen rust konden
vinden wegens de schandelijke moorden op Abel, op Johannes den Dooper
en op de Heilige Onschuldigen.

In midden-Frankrijk heet de Wilde Jager, dien wij in andere landen
al hebben leeren kennen als Odin, Karel den Groote, Barbarossa,
Rodenstein, von Hackelberg, Koning Arthur, Hel, een van de Zweedsche
koningen, Gabriel, Cain of Herodes, ook wel de Groote Jager van
Fontainebleau (le Grand Veneur de Fontainebleau), en men beweert
dat men den avond van den moord op Hendrik IV en ook precies voor
het uitbreken van de groote Fransche Omwenteling, zijn geschreeuw
duidelijk kon hooren toen hij ijlde door de lucht.

Algemeen geloofde men onder de Noorsche volken dat de ziel ontsnapte
uit het lichaam in de gedaante van een muis, die uit den mond van een
lijk kroop en wegliep, en die ook zou kruipen in en uit de monden van
menschen die in somnambule-toestand verkeerden. Terwijl de ziel afwezig
was, kon geen poging of middel den patiënt tot het leven terugroepen;
maar zoodra zij weerom was, kwam de bezieldheid terug.



De Rattenvanger.

Daar Odin de aanvoerder was van al de schimmen, werd hij in de
middeleeuwen vereenzelvigd met den Rattenvanger van Hamelin. Volgens
middeleeuwsche legenden werd Hamelin zoo door ratten gekweld dat het
leven ondragelijk werd, en een groote belooning werd aangeboden aan
dengene, die de stad van deze knagers bevrijden zou. Een fluitspeler,
in veelkleurige kleederen, wilde het werk op zich nemen, en toen men
de voorwaarden had vastgesteld, begon hij door de straten te spelen
zóó, dat al de ratten uit haar gaten werden gelokt totdat zij een
aaneengesloten stoet vormden. Er was iets in de melodie dat haar
dwong mee te gaan, totdat eindelijk de rivier de Weser bereikt was
en allen in haar wateren verdronken.


    En eer de fluit drie tonen deed gaan
    Scheen 't of een leger kwam murmelend aan;
    En het murmelen werd tot een dof gerommel,
    En het rommelen werd tot een luider brommen,
    En uit ieder huis kwamen ratten in drommen.
    Groote, kleine, lenige, vleezige,
    Bruine en zwarte, dikke en pezige,
    Grijze, halfgele, deftige, vlugge,
    Vaders, moeders, oomes en neven,
    Snorren gepunt, staarten boven de ruggen,
    Familiën in massa, hoe groot is om 't even,
    Broeder en zuster, heer en mevrouw,
    Volgden den vreemden Pijper getrouw,
    Van straat tot straat blies hij doordringend,
    En stap voor stap volgden zij springend,
    Tot zij kwamen aan de rivier de Weser,
    Waar allen in vielen en verdronken.

                                        Robert Browning.


Toen de ratten allen dood waren en er geen kans was dat zij zouden
terugkeeren om hen te plagen, weigerden de menschen van Hamelin de
belooning te betalen, en zij zeiden dat de fluitspeler maar zien moest
wat hij kon. Hij hield hen bij hun woord, en eenige oogenblikken
later klonken de vreemde melodieën van de tooverfluit opnieuw, en
dezen keer waren het de kinderen die in troepen uit de huizen kwamen
en vroolijk den fluitspeler volgden.


    Toen kon men ontwaren de woelige maren
    Van vroolijke scharen in hevig misbaren,
    Van voetjes die trappen en klompjes die stappen,
    Van handjes die klappen en mondjes die snappen,
    En als vogels op zaad, dat de hong'rigen happen,
    Renden aan al de kinderen, meisjes en knapen,
    Met wangetjes rood en goud haar om de slapen,
    En tanden en oogjes tot schitt'ren geschapen,
    Tripp'lend en hipp'lend in vroolijken stoet,
    Den wonderen speelman gevolgd op den voet,

                                        Robert Browning.


De burgers waren niet bij machte het treurspel te voorkomen, en toen
zij als door tooverkracht verlamd stonden, voerde de speelman de
kinderen uit de stad naar den Koppelberg, een heuvel aan de grenzen
van de stad, die miraculeus openging om den stoet te ontvangen en zich
niet eerder weer sloot dan toen het laatste kind buiten het gezicht
was. Deze legende deed blijkbaar de zegswijze ontstaan "den speelman
betalen". Sedert heeft men in Hamelin de kinderen nooit teruggezien,
en tot herinnering aan dit algemeene onheil zijn sedert alle officieele
besluiten gedateerd zoovele jaren na het bezoek van den Rattenvanger.


    Zij maakten een wet dat juristen nimmer
    Moesten meenen hun stukken goed gesteld,
    Als na den dag van de maand en het jaar
    Niet stond te lezen, duid'lijk en klaar;
    "En zoo lang na dat wat gebeurd is daar,
    Op twee en twintig Juli, net geteld,
    Van dertien honderd en zes en zeventig";
    Om het feit te houden voortdurend levendig,
    En de plek, waar de kinderen het laatst men zag,
    Noemden zij de Rattenvangerstraat sinds dien dag,
    En als iemand er voortaan blies op een fluit
    Ging hij ongetwijfeld zijn baantje uit.

                                            Robert Browning.


In deze mythe is Odin de speelman, de schrille tonen van de fluit zijn
zinnebeelden van den fluitenden wind, de ratten vertegenwoordigen
de zielen van de dooden, die hem vroolijk volgen, en de holle berg
waarin hij de kinderen voert, verbeeldt het graf.



Bisschop Hatto.

Een andere Germaansche legende, die harer oorsprong dankt aan dit
geloof, is het verhaal van Bisschop Hatto, den ongelukkigen prelaat,
die, geërgerd door het gezucht der armen tijdens een hongersnood, hen
allen levend verbrand had in een verlaten schuur, evenals de ratten,
waarop zij, volgens zijn zeggen geleken en hun niets had willen
meedeelen van het kostelijke graan dat hij voor zich zelf had vergaard.


    "O Zie, 't is een heerlijk vreugdevuur" zei
    De bisschop, "het land heeft verplichting aan mij,
    Want ik heb het gered, in dagen van nood,
    Van ratten die enkel verteren het brood."

                                            Robert Southey.


Kort nadat deze verschrikkelijke misdaad was bedreven, berichtten de
hoorigen van den bisschop de komst van een groote menigte ratten. Deze
waren, naar het schijnt, de zielen van de vermoorde boeren, die
de gedaante van de ratten hadden aangenomen, waarmede de bisschop
hen vergeleken had. Zijn pogingen tot ontvluchten waren vergeefsch,
en de ratten vervolgden hem zelfs tot midden in den Rijn, naar een
steenen toren waarin hij trachtte te ontkomen aan hun tanden. Zij
zwommen naar den toren, knaagden zich een weg door de steenen muren,
stortten zich er van alle kanten tegelijk binnen, vonden den bisschop
en verslonden hem levend.


    En in door de vensters en in door de poort,
    En dwars door den vloer gaat het stormende voort,
    En af van den zolder, geen muur die ze stoort,
    Van rechts en van links, van zuid en van noord,
    Van binnen en buiten, van hier en van daar,
    Dringt af op de bisschop de ijlende schaar,
    Gewet zijn hun tanden vooraf aan het steen,
    Zij bijten den kerkvorst tot diep op het been,
    Zij rukten zijn vleesch van het lichaam hem af,
    Want dit was hun taak: hem te brengen zijn straf.

                                            Robert Southey.


Men meent dat de roode gloed van den zonsondergang, boven den
muizentoren bij Bingen aan den Rijn de spiegeling is van het helsche
vuur waarin de slechte bisschop langzaam wordt geroosterd als straf
voor zijn gruwelijke misdaad.


Irmin.

In sommige streken van Duitschland hield men Odin voor denzelfden als
den Saksischen god Irmin, wiens beeld, de Irminzuil, bij Paderborn,
door Karel den Groote in 772 werd vernield. Men vertelde dat Irmin
een grooten koperen wagen had waarop hij door de lucht reed langs
het pad dat wij kennen als den Melkweg, maar dat de oude Germanen
aanduidden als Irmins weg. De wagen, welks geratel soms voor
menschenooren verneembaar was als donder, verliet nooit de lucht,
waar men hem nog kan zien in het sterrenbeeld van den Grooten Beer,
in het Noorden ook bekend als Odins of Karels wagen.


                            "De Wagen, die rijdt door de hemel
    Immer zijn cirk'lenden weg, en blijft in de buurt van Orion,
    Eenige ster aan de lucht die nooit zich baadt in de golven.

                                                    Homerus Ilias.



Mimirs bron.

Ten einde de groote wijsheid te krijgen waardoor hij zoo beroemd is,
bezocht Odin, in het begin der tijden, Mimirs (Memor, herinnering)
bron, "de fontein van alle wetenschap en wijsheid", in welker heldere
diepten zelfs de toekomst klaar gespiegeld werd, en verzocht den ouden
man, die ze bewaakte, hem een teug te gunnen. Maar Mimir, die heel
goed de waarde van zulk een gunst kende (want zijn bron gold als de
bron of hoofdstroom der herinnering), weigerde de gift tenzij Odin
toestond een van zijn oogen in ruil te geven.

De god aarzelde niet, zoo hoog schatte hij de teug, maar rukte
onmiddellijk een van zijn oogen uit, dat Mimir te pand hield en liet
zinken diep in zijn fontein, waar het scheen met milden glans. Odin
bleef met één oog over, wat men als een beeld van de zon beschouwt.


    Wij zoeken heel ons leven naar de zon;
    Dat brandend voorhoofd is het oog van Odin.
    Zijn tweede oog, de maan, schijnt niet zoo hel;
    Hij gaf 't aan Mimir, in zijn bron, te pand,
    Dat hij er hale water, 't welk geneest,
    Dit oog tot sterking, ied'ren nieuwen dag.

                                            Oehlenschläger.


Toen Odin diep dronk uit Mimirs bron, verkreeg hij de kennis, die
hij verlangde, en hij beklaagde zich nooit over het offer dat hij
had gebracht, maar tot verdere herinnering aan dien dag brak hij
een tak van den heiligen boom Yggdrasil, die de bron overschaduwde,
en vormde er van zijn geliefde speer Gungnir.


    Een moedig god
    Ging om een teug naar de bron,
    Waar hij liet in ruiling
    Gaarne het licht van een oog.
    Van d' Yggdrasil
    Rukt' eer hij ging Wotan een tak
    En hij spleet het hout
    Met heftige kracht van den stam.

                               Godenschemering, Wagner.


Maar ofschoon Odin nu alwijs was, was hij bedroefd en gedrukt, want hij
had een blik gekregen in de toekomst en had de vergankelijke natuur
van alle dingen bemerkt, en zelfs het lot der goden, die allen tot
ondergang waren gedoemd. Deze wetenschap deed hem zóó aan, dat hij
naderhand er steeds melancholiek en peinzend uitzag.

Om de waarde van de wijsheid, die hij dus had gekregen, te beproeven,
ging Odin den geleerdste van al de reuzen, Vafthrudnir, bezoeken,
en begon met hem een spiegelgevecht in scherpzinnigheid, waarbij de
inzet niet minder was dan het hoofd van den verliezer.


    Odin spoedde zich en ging
    Tot een kamp in wetenschap
    Met den Jute, wijs en sterk;
    Naar Vafthrudnirs hooge hal
    Kwam de groote runenvorst.

                        Vafthrudnirs-mal.



Odin en Vafthrudnir.

Bij deze gelegenheid had Odin zich vermomd als een zwerver, op raad
van Frigga, en toen hem zijn naam werd gevraagd, zij hij dat die naam
Gangrad was. De strijd begon onmiddellijk, want Vafthrudnir vroeg zijn
gast naar de paarden die Dag en Nacht door de lucht trokken, naar de
rivier Ifing die Jötun-heim van Asgard scheidde, en ook naar Vigrid,
het veld waar het laatste gevecht moest worden geleverd.

Al deze vragen werden nauwkeurig beantwoord door Odin, die,
toen Vafthrudnir klaar was, op zijn beurt begon te vragen, en even
uitvoerige antwoorden kreeg aangaande den oorsprong van hemel en aarde,
de schepping van de goden, hun strijd met de Vana's, de bezigheden van
de helden in Valhalla, de plichten van de Nornen, en de heerschers die
de Aesir moesten vervangen als dezen waren ondergegaan met de wereld
die zij hadden geschapen. Maar toen ten slotte Odin zich bij den reus
boog en zacht de woorden vroeg die Alvader fluisterde tot zijn dooden
zoon Balder, als hij lag op zijn brandstapel, herkende Vafthrudnir
plotseling zijn goddelijken bezoeker. Hij deinsde teleurgesteld terug
en zei dat alleen Odin die vraag kon beantwoorden, en dat het hem nu
volkomen duidelijk was dat hij dwaaslijk een strijd had aangegaan
in scherpzinnigheid en wetenschap met den koning der goden, en ten
volle de boete verdiende omdat hij verloren had, n.l. het verlies
van zijn hoofd.


    Niet de mensch van sterflijk ras
    Weet het woord, door u gesproken,
    Tot uw zoon in ouden tijd.
    Ik hoor den tred van dood die komt;
    Hij rukt der runen wijsheid weg,
    En 't weten van der goden worden
    Uit d' ongelukkige ziel die streed
    Met Odin zelf den geesteskamp,
    Met hem die wijs is boven elk;
    De prijs was 't leven, en gij wont.

                            Vafthrudnirs-mal.


Zooals het met vele Noorsche mythen het geval is, die vaak fragmentair
en duister zijn, eindigt deze hier, en geen der dichters vertelt ons of
Odin werkelijk zijn tegenstander versloeg, noch ook wat het antwoord
was op zijn laatste vraag; maar mythologen hebben het vermoeden
gewaagd dat het woord, door Odin in Balders oor gefluisterd om hem
over zijn ontijdigen dood te troosten "opstanding" moet zijn geweest.



Vinding van de Runen.

Behalve god der wijsheid was Odin god en uitvinder van de runen, het
oudste alphabet in gebruik bij de noordelijke natiën, welke karakters,
die geheimenis beteekenen, eerst voor waarzegging werden gebruikt,
ofschoon zij later dienden voor inschriften en documenten. Evenals
men de wijsheid slechts kon verkrijgen ten koste van offers, vertelt
Odin zelf dat hij negen dagen en nachten hing aan den heiligen boom
Yggdrasil, starende in de onmetelijke diepten van Niflheim, verzonken
in diepe gedachten, en door eigen speer gewond, eer hij de kennis
kreeg die hij zocht.


    Ik weet dat ik hing
    Aan een zwiependen tak
    Negen nachten lang,
    Door een speer verwond,
    En aan Odin gewijd,
    Ik zelf aan mij zelven;
    Aan dien boom
    Waarvan niemand weet
    Waar zijn wortel is.

                    Odins Runenzang.


Toen hij deze wetenschap volledig meester was, sneed Odin tooverrunen
op zijn speer Gungnir, op de tanden van zijn paard Sleipnir, op de
klauwen van den beer, en op tallooze andere bezielde en onbezielde
dingen. En omdat hij dus had gehangen over den afgrond een zoo langen
tijd, beschouwde men hem later altijd als den beschermgod van allen
die veroordeeld waren om opgehangen te worden of die door den strop
omkwamen.

Nadat hij de gave der wijsheid en der runen verkregen had, die
hem heerschappij gaf over alle dingen, wilde Odin ook de gave der
welsprekendheid en der poëzie, die hij verwierf op een wijze waarvan
wij zullen vertellen in een volgend hoofdstuk.



Geirrod en Agnar.

Odin, zooals reeds is gezegd, stelde veel belang in de zaken der
menschen, en men vertelt dat hij in het bijzonder gaarne zorgde
voor de aardige zoontjes van Koning Hrauding, Geirrod en Agnar,
toen zij respectievelijk ongeveer acht en tien jaar oud waren. Op
zekeren dag gingen deze kleine jongens visschen, en plotseling kwam
een storm op, die hun boot in zee dreef, totdat zij tenslotte op
een eiland strandden, waar een schijnbaar oud paar woonde, dat in
werkelijkheid Odin en Frigga waren, dus vermomd. Zij hadden deze
gedaanten aangenomen om toe te geven aan een plotselinge begeerte om
bij hun beschermelingen dicht in de buurt zijn. De kinderen werden
hartelijk verwelkomd en vriendelijk bejegend; Odin koos Geirrod tot
zijn gunsteling en leerde hem de wapenen gebruiken, terwijl Frigga
den kleinen Agnar vertroetelde en verwende. De jongens bleven op het
eiland met hun vriendelijke beschermers gedurende het lange koude
winterseizoen; maar toen de lente kwam en de luchten blauw waren, en
de zee kalm, scheepten zij zich in op een boot waarvoor Odin zorgde,
en vertrokken naar hun vaderland. Begunstigd door zachte koelten werden
zij spoedig daarheen gedreven; maar toen de boot het strand naderde
sprong Geirrod er vlug uit en stiet ze ver weg in het water, terwijl
hij zijn broeder verwenschte in de macht van den boozen geest. Op
datzelfde oogenblik draaide de wind en Agnar werd inderdaad weggevoerd,
terwijl zijn broeder zich naar zijns vaders paleis spoedde met een
leugenachtig verhaal over hetgeen met zijn broer gebeurd was. Hij
werd met vreugde ontvangen als een uit den doode herrezene, en te
zijner tijd volgde hij zijn vader op den troon op.

Jaren gingen voorbij, waarin de aandacht van Odin door andere
gewichtige overwegingen werd bezig gehouden, toen op zekeren dag,
terwijl het goddelijk paar zat op den troon Hlidskialf, Odin zich
plotseling het winterverblijf op het onbewoond eiland herinnerde, en
hij zijn vrouw zeide, dat zij moest zien hoe machtig zijn pleegkind was
geworden, en haar beschimpte omdat haar gunsteling Agnar een reuzin
had gehuwd en arm was gebleven en niet vooruit was gekomen. Frigga
antwoordde kalm dat het beter was arm te zijn dan hardvochtig, en
beschuldigde Geirrod van gebrek aan gastvrijheid--een van de ergste
zonden in de oogen van een Noorman. Zij ging zelfs zoo ver te beweren
dat hij trots al zijn rijkdom zijn gasten dikwijls slecht behandelde.

Toen Odin deze beschuldiging hoorde verklaarde hij dat hij de
valschheid der aantijging zou bewijzen door de vermomming van een
Zwerver aan te nemen en Geirrods edelmoedigheid op de proef te
stellen. Gewikkeld in zijn wolkkleurig kleed, met slappen hoed en
pelgrimsstaf,--


    Zwerver noemt mij de wereld.
    Ver zijn mijn voeten gegaan;
    Op der aarde rug
    Toog ik eindeloos ver.

                                Wagner.


vertrok Odin onmiddellijk langs een omweg, terwijl Frigga, om hem
na te gaan, dadelijk een snellen bode zond ten einde Geirrod te
waarschuwen voor een man in een wijden mantel en met breedgeranden
hoed, daar deze een booze toovenaar was die hem kwaad zou doen.

Toen Odin zich dus voor het paleis van den koning vertoonde werd hij
voor Geirrod gesleept en ruw ondervraagd. Hij gaf als zijn naam op
Grimnir, maar weigerde te zeggen vanwaar hij kwam of wat hij wilde,
zoodat daar deze geslotenheid de achterdocht versterkte die Geirrod
was bijgebracht, hij zijn wreeden zin vrij spel liet en beval dat de
vreemdeling zou worden gebonden tusschen twee vuren, op zulk een wijze
dat de vlammen om hem heenspeelden zonder hem heelemaal te raken, en
hij bleef in dien toestand acht dagen en acht nachten, in standvastig
zwijgen, zonder voedsel. Nu was Agnar heimelijk teruggekeerd naar
het paleis van zijn broeder, waar hij een dienstbare betrekking
had gekregen en op zekeren dag, toen alles stil was, bood hij den
ongelukkigen gevangene een beker ale. Maar nu wilde Odin niets te
drinken hebben, het ergste van alles wat de god had uit te staan.

Op het einde van den achtsten dag, terwijl Geirrod, op zijn troon
gezeten, op de marteling van zijn gevangene staarde, begon Odin te
zingen--eerst zacht, dan luider en luider totdat de hal weergalmde van
zijn jubelende tonen--een profetie dat de koning die zoo lang de gunst
van den god genoten had, weldra zou omkomen door zijn eigen zwaard.


    Gevallen door 't zwaard
    Heeft Ygy u dan;
    Uw leven is ten eind:
    Boos op u zijn de Dîsir;
    Odin zult ge nu zien:
    Kom naderbij als ge kunt.

                    Saemunds Edda.


Toen de laatste tonen wegstierven vielen de ketenen van zijn handen,
vlammen flikkerden en gingen uit, en Odin stond midden in de hal,
niet langer in menschelijke gedaante maar in al de macht en schoonheid
van een god.

Toen Geirrod de onheilspellende profetie hoorde trok hij haastig
zijn zwaard, met het plan den onbeschaamden zanger neer te slaan;
maar toen hij de plotselinge gedaanteverwisseling zag, deinsde hij
bevreesd terug, struikelde, viel op het scherpe lemmet en kwam om,
zooals Odin juist had voorspeld. Toen wendde Odin zich tot Agnar (die,
volgens sommige verhalen 's konings zoon en niet zijn broeder was,
want deze oude geschiedenissen zijn soms wonderlijk verward) en liet
hem den troon bestijgen tot loon voor zijn menschlievend gedrag,
en beloofde hem verder te beloonen voor de teug ale die juist van
pas kwam, hem te zegenen met allerlei voorspoed.

Bij een andere gelegenheid ging Odin naar de aarde en was zoo lang
afwezig dat de goden begonnen te denken dat zij hem in Asgard niet
weer zouden terugzien. Dit gaf zijn broeders Vili en Ve, die enkele
mythologen als andere verpersoonlijkingen van hem zelf beschouwen,
den moed zich zijn macht en zijn troon toe te eigenen, en zelfs,
zooals men zegt, zijn vrouw Frigga te huwen.


    Wees nu stil maar, Frigg!
    Gij zijt Fiorgyns dochter
    En waart op mannen steeds verzot,
    Daar Ve en Villi, naar men zegt,
    Gij, Vidrir's vrouw, hebt
    Allebei omarmd.

                            Saemunds Edda.



Mei-dag feesten.

Maar toen Odin terugkeerde verdwenen de geweldenaren voor goed; en
ter herinnering aan het verdwijnen van den valschen Odin, die zeven
maanden had geregeerd en enkel ellende in de wereld had gebracht
en aan de wederkomst van den goeden god, vierden de heidensche
Noormannen vroeger jaarlijksche feesten, die lang bleven bestaan
als Mei-dag feesten. Tot in heel laten tijd was er dien dag steeds
een groote optocht in Zweden, bekend als de Meirit, waarin een met
bloemen bedekte Meikoning (Odin) den in bont gehulden Winter (zijn
valschen dubbelganger) met bloesems wierp, totdat hij hem op de vlucht
dreef. In Engeland werd ook de eerste Mei gevierd als een feestelijke
gelegenheid waarbij Meiboomdansen, Meikoningen, Maid Marian en Jack
in the Green een grooten rol speelden.

Als verpersoonlijking van den hemel was Odin natuurlijk de minnaar
en echtgenoot van de aarde, en daar de aarde hun drieërlei aanblik
vertoonde, stelden de Noren hem als polygaam voor en kenden hem
verschillende vrouwen toe. De eerste onder deze was Jörd (Erda),
de primitieve aarde, dochter van Nacht of van de godin Fiorgyn. Zij
schonk hem zijn beroemden zoon Thor, den god van den donder. De
tweede en voornaamste vrouw was Frigga, een verpersoonlijking van de
beschaafde wereld. Zij schonk hem Balder den lieflijken lentegod,
Hermod, en, volgens sommigen, Tyr. De derde vrouw was Rinda, een
personifieering van de harde en bevroren aarde, die met tegenzin
toegeeft aan zijn warme omhelzing, maar eindelijk het leven schenkt
aan Vali, zinnebeeld van den plantengroei.

Ook heet het dat Odin Saga of Laga heeft gehuwd, de godin der
geschiedenis (vandaar het engelsche werkwoord "to say"), en dat hij
haar dagelijks bezocht heeft in de kristallen hal Sokvabek, onder een
koele, altijd vloeiende rivier, om haar wateren te drinken en naar
hare liederen over oude tijden en verdwenen geslachten te luisteren.


    Sokvabek heet de vierde woning,
    Over haar vloeien koele golven;
    Odin drinkt er blij met Saga
    Elken dag uit gouden kroes.

                    Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).


Zijn andere vrouwen waren Grid, de moeder van Vidar; Gunlod, de
moeder van Bragi; Skadi; en de negen reuzinnen die tegelijk Heimdall
baarden--allen spelen een meer of minder belangrijke rol in de
verschillende mythen van het Noorden.



De historische Odin.

Behalve dezen ouden Odin was er een meer moderne, half-historische
personage die denzelfden naam droeg, aan wien al die deugden, macht en
avonturen van zijn voorganger zijn toegekend. Hij was het opperhoofd
der Aesir, bewoners van Klein Azië, die, sterk door de Romeinen
onderdrukt en met uitroeiing of slavernij bedreigd, hun geboorteland
ongeveer 70 v. Chr. verlieten en naar Europa verhuisden. Men zegt
dat deze Odin Rusland, Duitschland, Denemarken, Noorwegen en Zweden
heeft veroverd en een zoon heeft achtergelaten op den troon van elk
overwonnen land. Ook bouwde hij de stad Odensö. Hij werd verwelkomd
in Zweden door Gylfi, den koning, die hem een deel van de streek gaf,
en hem toestond de stad Sigtuna te stichten, waar hij een tempel bouwde
en een nieuwe godsvereering invoerde. Verder vertelt de overlevering
dat, toen zijn einde naderde, deze mythische Odin zijn volgelingen
verzamelde, zich voor aller oogen negenmaal met zijn speer in de
borst sneed,--een ceremonie die men "het kerven van Geir-wonden"
noemde--en hun vertelde dat hij terug ging naar zijn land Asgard,
zijn oud verblijf, waar hij hun komst zou afwachten, opdat zij met
hem zouden deelnemen aan een leven van feestvieren, drinken en vechten.

Volgens een ander verhaal reisde Gylfi, toen hij van de macht
der Aesir, de bewoners van Asgard, had gehoord, en daar hij zich
wilde overtuigen of deze berichten waar waren, naar het Zuiden. Te
zijner tijd kwam hij aan Odin's paleis, waar hij werd verwacht, en
waar hij misleid werd door het visioen van Har, Iafn-har en Thridi,
drie godheden, die boven elkander troonden. De poortwachter Gangler
beantwoordde al zijn vragen en gaf hem een lange uiteenzetting van de
Noorsche mythologie, die in de Jongere Edda wordt meegedeeld, en dan,
na zijn onderricht te hebben geëindigd, verdween hij plotseling met
het paleis onder een oorverdoovend geraas.

Volgens andere heel oude gedichten werden Odin's zonen, Weldegg,
Beldegg, Sigi, Skiold, Seaming en Yngvi, koningen van Oost-Saksen,
West-Saksen, Franconia, Denemarken, Noorwegen en Zweden, en van dezen
stammen de Saksers, Hengist en Horso, en de koninklijke familiën van
de Noordelijke landen af. Nog een andere overlevering verhaalt dat
Odin en Frigga zeven zonen hadden, die de Anglo-Saksische heptarchie
stichtten. In verloop van tijd werd deze geheimzinnige koning verward
met den Odin wiens eeredienst hij invoerde, en al zijn daden werden
toegekend aan den god.

Odin werd vereerd in tallooze tempels, maar vooral in het groote
heiligdom te Upsala, waar de plechtigste feesten werden gevierd en
waar offers werden gebracht. Het offer was meestal een paard, maar
in tijden van nijpenden nood bracht men menschenoffers, ja zelfs werd
eens de koning geofferd om een hongersnood af te wenden.


    Upsala's tempel waar men schouwt
    Valhalla's hal op aard als beeld herbouwd.

                    Viking verhalen van het Noorden (R. B. Anderson).


De eerste dronk bij ieder feest hier werd op hem ingesteld, en behalve
den eersten Mei, was hem één dag in elke week gewijd, en van zijn
Saksischen naam Woden, heette deze Woden's-dag, vanwaar het Hollandsche
woord "Woensdag" afkomt. Het volk had de gewoonte in zijn heiligdom
bijeen te komen bij feestelijke gelegenheden, de zangen der skalden
te hooren, die voor hun spel beloond werden met gouden braceletten
of armbanden, die aan hun einden opkrulden en "Odin's slangen" heetten.

Er zijn slechts weinige overblijfselen van oude Noorsche kunst, en
ofschoon ruwe beelden van Odin eens zeer algemeen waren, zijn allen
verdwenen, daar zij van hout waren gemaakt--een vergankelijke stof, die
onder de handen van de zendelingen, en vooral van Olaf den Heiligen,
den noordelijken beeldstormer, spoedig tot asch waren verteerd.


    Daar in den tempel stond in hout
    Het beeld van Odin, fier en stout.

                              Sage van koning Olaf (Longfellow).


Men veronderstelt dat Odin zijn volk een wetboek heeft gegeven
waarnaar zij hun gedrag hebben te richten, in een gedicht, Hávamál,
of het Hooglied, dat een deel van de Edda uitmaakt. In dit lied
leerde hij de zwakheid van den mensch, de noodzakelijkheid van moed,
matigheid, onafhankelijkheid en oprechtheid, eerbied voor den ouderdom,
gastvrijheid, ontferming en tevredenheid, en gaf voorschriften voor
het begraven der dooden.


    Te huis laat een mensch zijn blijde
    En jegens een gast milddadig;
    Een wijs gedrag moet hij hebben,
    Een goed geheugen, een vlotte taal;
    Als hij veel kennis verlangt,
    Dan spreke hij van het goede veel.

                                    Hávamál.



HOOFDSTUK III: FRIGGA.


De koningin van de goden.

Frigga, of Frigg, dochter van Fiorgyn en zuster van Jörd, volgens
sommige mythologen, wordt door anderen als een dochter van Jörd en
Odin beschouwd, met wien zij later huwde. Dit huwelijk veroorzaakte
zoo algemeene vreugde in Asgard, waar de godin zeer bemind was, dat
het naderhand steeds gewoonte was den trouwdag te vieren met feest
en gezang, en daar de godin als beschermvrouw van het huwelijk gold,
werd op bruiloften altijd op haar gedronken, evenals op Odin en Thor.

Frigga was de godin van de atmosfeer, of liever van de wolken, en
werd als zoodanig voorgesteld in sneeuwwitte of donkere kleeren,
in overeenstemming met haar ietwat veranderlijken aard. Zij was de
koningin der goden, en zij alleen had het voorrecht te mogen zitten
op den troon Hlidskialf, naast haar verheven echtgenoot. Vanhier kon
zij ook de geheele wereld overzien en waarnemen wat gebeurde, en, zoo
geloofden onze voorouders, zij bezat kennis aangaande de toekomst,
die echter niemand van haar te weten kon komen, waardoor zij bewees
dat Noorsche vrouwen een geheim ongeschonden konden bewaren.


    De goden zijn mijn kroost,
    En al wat komen moet, ik weet het, maar
    Besluit het in mij, zeg het niemand ooit.

                                Balder Dood (Matthew Arnold).


Zij werd gewoonlijk voorgesteld als een slanke, schoone en statige
vrouw, gekroond met reigerveeren, het symbool van zwijgen en vergeten,
en gedost in zuiver wit gewaad, om het middel vastgehouden door
een gouden gordel, waarvan een bos sleutels afhing, het attribuut
van de Noorsche huismoeder, als wier bijzondere beschermvrouw
zij gold. Ofschoon zij dikwijls naast haren echtgenoot verscheen,
gaf Frigga er de voorkeur aan in haar eigen paleis te blijven, dat
Fensalir heette, de hal der nevelen of de zee, waar zij ijverig bezig
was met haar wiel of spinrokken en waar zij gouden draden spon of
lange webben van kleurige wolken weefde.

Om dit werk goed te doen gebruikte zij een bewonderenswaardig met
juweelen bezet spinnewiel of rokken, dat 's nachts aan den hemel stond
te schitteren als een sterrenbeeld, in het Noorden bekend als Frigga's
spinnewiel, terwijl de bewoners van het Zuiden dezelfde sterren den
Gordel van Orion noemden.

In haar hal Fensalir noodigde de bevallige godin gehuwde mannen en
vrouwen die op aarde een deugdzaam leven hadden geleid, zoodat zij
elkanders gezelschap ook na den dood konden genieten, en nooit weer
tot scheiden werden opgeroepen.


    Daar in de pas staat Fensalir, het huis
    Van Frea, godenmoeder, zeer geëerd,
    Met open poorten, vensters hel verlicht.

                                Balder Dood (Matthew Arnold).


Frigga werd daarom beschouwd als de godin van huwelijks- en
moederliefde, en werd in het bijzonder gehuldigd door liefhebbende
echtgenooten en teedere ouders. Maar deze hooge plicht nam niet al
hare gedachten in beslag, want wij hooren dat zij zeer verzot was op
kleeding, en, als zij voor de vergaderde goden verscheen, was haar
dos rijk en voegzaam, en hare juweelen waren gekozen met veel smaak.



Het gestolen goud.

Frigga's liefde tot opschik bracht haar eens droevig van het spoor,
want daar zij een nieuw versiersel wilde hebben, ontvreemdde zij
heimelijk een stuk goud van een standbeeld dat haren echtgenoot
voorstelde, en dat juist in zijn tempel was gezet. Het gestolen
metaal werd aan de dwergen toevertrouwd, met opdracht een prachtigen
halsketting voor haar gebruik te maken. Toen deze af was, was hij zoo
schitterend dat hij sterk hare bekoorlijkheid verhoogde, en ook Odin's
liefde jegens haar deed toenemen. Maar toen hij den diefstal van het
goud ontdekte, riep hij vertoornd de dwergen en beval hen te zeggen wie
zijn standbeeld had durven aanraken. Daar zij de koningin der goden
niet wilden verraden, bleven de dwergen hardnekkig zwijgen, en toen
Odin zag dat hij geen woord uit hen krijgen kon, beval Odin dat het
beeld boven de tempelpoort zou worden gezet en ging aan het uitdenken
van runen, die het vermogen tot spreken zouden geven zoodat het den
dief zou kunnen aanwijzen. Toen Frigga dit hoorde beefde zij van
angst, en smeekte haar gunstelinge en dienstmaagd, Fulla, een middel
te verzinnen om haar voor Alvader's boosheid te beschermen. Fulla die
altijd bereid was om hare meesteres te dienen, vertrok onmiddellijk
en kwam weldra terug, vergezeld door een afschuwelijken dwerg,
die beloofde te zullen voorkomen dat het beeld zou spreken als
Frigga slechts vriendelijk tegen hem zou glimlachen. Toen dit was
toegestaan haastte zich de dwerg naar den tempel en deed een diepen
slaap neerdalen op de wachten, en toen zij dus in onbewusten toestand
verkeerden, haalde hij het beeld van zijn voetstuk neer en brak het
in stukken, zoodat het nooit Frigga's diefstal verraden kon, trots
al de pogingen van Odin om het te laten spreken.

Toen Odin 's morgens daarop deze schennis ontdekte, was hij werkelijk
zeer boos; zóó boos dat hij Asgard verliet en geheel en al verdween,
met zich nemend al de zegeningen die hij tot nu toe steeds op goden en
menschen had doen neerdalen. Volgens sommigen trokken zijn broeders,
zooals wij reeds gezien hebben, partij van zijn afwezigheid om zijn
gedaante aan te nemen en beslag te leggen op zijn troon en zijn vrouw;
maar ofschoon zij volkomen op hem geleken konden zij de verloren
zegeningen niet teruggeven, en stonden de IJsreuzen of Jötuns toe de
aarde te overvallen en ze in hun koude boeien vast te binden. Deze
boosaardige reuzen knepen de bladeren en knoppen totdat ze geheel
verdorden, stroopten de boomen kaal, wikkelden de aarde in een wit
laken en hulden ze in ondoordringbare nevelen.

Maar aan het einde van zeven vervelende maanden gaf de ware Odin toe
en kwam terug en toen hij al het kwaad zag dat gedaan was, joeg hij de
overweldigers weg, dwong de vorstreuzen de aarde los te laten en haar
uit haar ijsboeien te bevrijden en deed weer al zijn zegeningen op haar
neerdalen, terwijl hij ze blij maakte met het licht van zijn glimlach.



Odin verschalkt.

Zooals wij reeds zagen was Odin, ofschoon de god van verstand en
wijsheid, geen partuur voor zijn vrouw Frigga, die als vrouw op een of
andere manier steeds haar zin wist te krijgen. Eens zat het verheven
paar op Hlidskialf en keek met belangstelling naar de Winilers en
Vandalen, die zich tot een gevecht toerustten, dat beslissen zou welk
volk van nu af aan de oppermacht zou hebben. Odin zag met voldoening
op de Vandalen neer, die luid tot hem baden om de overwinning; maar
Frigga lette op de bewegingen der Winilers met meer belangstelling,
omdat zij haar hulp hadden ingeroepen. Zoo wendde zij zich tot Odin
en vroeg hem met nadruk wie hij den volgenden dag zou begunstigen;
hij, op haar vraag niet willende antwoorden, verklaarde dat hij niet
wilde beslissen, daar het bedtijd was, maar dat hij de zege zou geven
aan hen op wie zijn oogen het eerst 's ochtends zouden rusten.

Dit antwoord was sluw berekend, want Odin wist dat zijn bed zóó stond
dat hij bij zijn ontwaken de Vandalen zou zien, en was van plan vandaar
te kijken, in plaats van te wachten totdat hij zijn troon beklommen
had. Maar, ofschoon zoo sluw overlegd, werd dit plan verijdeld door
Frigga, die, zijn opzet radend, wachtte totdat hij in diepen slaap
was, en toen stil zijn bed omdraaide zoodat hij haar gunstelingen
zou zien. Toen boodschapte zij den Winilers dat zij hunne vrouwen
hun wapenrustingen zouden aandoen en haar als de dageraad aanbrak in
krijgsdos zouden uitsturen, hare lange haren zorgvuldig over wangen
en boezem gekamd.


    Neemt al uw vrouwen mee,
    Jongen en ouden:
    Over uw enkels
    Trek aan het wit strijdkleed;
    Over uw boezem
    Snoer vaster het harnas;
    Over uw lippen
    Vlecht tressen tot knevels,
    Zoo houdt u vorst Odin
    Voor baardige krijgers,
    Als van 't grauwe zeestrand
    Gij groet hem te morgen.

                    De Longobarden-Sage (Charles Kingsley).


Deze bevelen werden uitgevoerd met angstvallige nauwkeurigheid,
en toen Odin den volgenden morgen wakker werd viel zijn eerste
blik op de gewapende schaar en hij riep in verwondering uit, "Wat
Langbaarden zijn dit?" (In het Duitsch was het oude woord voor lange
baarden Longobarden, met welken naam men de Lombarden placht aan te
duiden). Toen Frigga dezen uitroep hoorde, dien zij had voorzien,
riep zij onmiddellijk in triomf uit, dat Alvader hun een nieuwen
naam had gegeven, en dat hij dus door zijn eer gehouden was het oud
Noorsch gebruik te volgen en hun ook een doopgeschenk te geven.


    De naam die gij schonkt hun
    Eert hen en u zelven,
    Goed is hij en passend.
    Geef hun de zegepraal,
    Die 't eerst u begroetten;
    Geef hun de zegepraal,
    Vriend van mijn ziel.

                    De Longobarden-Sage (Charles Kingsley).


Toen Odin zag dat hij zoo handig misleid was, talmde hij niet, en ter
herinnering aan de overwinning die zijn gunst hun schonk behielden de
Winilers den naam, hun door den koning der goden gegeven, die voortaan
met bijzondere zorg over hen waakte, en hun vele zegeningen gaf,
onder andere een woonplaats in het zonnige Zuiden, in de vruchtbare
vlakten van Lombardije.



Fulla.

Frigga had, tot haren specialen dienst, een aantal schoone meisjes,
onder welke Fulla, (Volla), hare zuster, volgens sommige bronnen,
aan wie zij haar juweelkistje toevertrouwde. Fulla had steeds het
toezicht over het toilet van hare meesteres, had het voorrecht haar
hare gouden schoenen te mogen aandoen, vergezelde haar overal heen,
was haar vertrouwde, en gaf haar dikwijls raad hoe zij het best
de stervelingen kon helpen die haar hulp afsmeekten. Fulla was
inderdaad zeer schoon, en haar lange gouden haar, dat zij los had
hangen over hare schouders, had zij enkel met een gouden ring of
doek opgebonden. Zooals heur haar het gouden graan voorstelde, zoo
beteekende de ring den band om de schoof. Fulla was ook bekend als
Abundia of Abundantia, in sommige deelen van Duitschland, waar zij
beschouwd werd als het symbool van de vruchtbaarheid der aarde.

Hlin, Frigga's tweede dienstbode, was de godin der vertroosting,
uitgezonden om de tranen van weenenden weg te kussen en balsem te
gieten in harten die door smart waren verscheurd. Zij luisterde ook
met altijd geopende ooren naar de gebeden der stervelingen, bracht
die gebeden naar hare meesteres, en ried haar soms hoe er het best
op te antwoorden en den verlangden steun te schenken.



Gna.

Gna was Frigga's snelle bodinne. Op haar paard Hofvarpnir (hoefwerper)
gezeten, reed zij met verwonderlijke snelheid door vuur en lucht,
over land en zee, en werd daarom beschouwd als de verpersoonlijking
van den verfrisschenden wind. Zoo àf en aan vliegend zag Gna alles wat
op aarde gebeurde en vertelde haar meesteres alles wat zij wist. Bij
zekere gelegenheid, toen zij over Hunaland ging, zag zij koning Rerir,
een rechtstreekschen afstammeling van Odin, bedroefd aan het strand
zittend, er over klagend dat hij geen kinderen had. De godin van den
hemel, die ook de godin was van de geboorte, nam, toen zij dit hoorde,
een appel (het symbool van de vruchtbaarheid) uit haar eigen voorraad,
gaf dien aan Gna, en, beval haar hem aan den koning te brengen. Met
de snelheid van het element dat zij personifieerde schoot Gna weg,
en toen zij over Rerir's hoofd kwam, liet zij haar appel in zijn
schoot vallen met een stralenden glimlach.


    "Wie vliegt daar op, jagend zoo snel als wind?"
    Zij antwoordt als in vaart ver uit de lucht:
    "Ik vlieg noch jaag, ik storm, geen die mij bindt,
    Hoefwerper snel, door wolk en mist gevlucht."

                        Asgard en de goden (Wagner-Macdowall).


De koning dacht een oogenblik na over de beteekenis van deze
plotselinge verschijning en van dit geschenk, en snelde toen naar
huis, terwijl zijn hart van verwachting klopte, en gaf den appel
aan zijn vrouw te eten. Tot zijn groote vreugde schonk zij hem, toen
haar tijd was gekomen, een zoon, Volsung, den grooten Noorschen held,
die zoo beroemd werd dat hij zijn naam gaf aan zijn geheele ras.



Lofn, Vjofn en Syn.

Behalve de drie bovengenoemd had Frigga nog andere dienaressen in
haar gevolg. Zoo was er de teedere en bevallige maagd Lofn (hoop of
liefde), die tot taak had alle hinderpalen van het pad van minnenden
weg te nemen.


    Mijn lelie slank van haar zadel tillend
    Voerde ik toen heen door den tempel, willend
    Naar het altaar toe; in den priesterkring,
    Zwoer zij Lofn's eed zonder aarzeling.

                Viking-vertellingen uit het noorden. (R. B. Anderson).

Vjofn's taak was harde harten tot liefde te neigen, vrede en
eendracht onder de menschen te handhaven, en twistende echtgenooten
te verzoenen. Syn (waarheid) bewaakte de deur van Frigga's paleis
en wilde haar niet openen voor hen die er niet in mochten. Als zij
eenmaal de deur gesloten had voor een gewaanden indringer kon geen
praten haar besluit veranderen. Zij had daarom het praesidium van
alle rechtbanken en verhooren, en wanneer iets niet werd goedgekeurd
was de gewone formule dat Syn er tegen was.



Gefjon.

Gefjon was ook een van de meisjes in Frigga's paleis, en aan haar
werden toevertrouwd al degenen die ongehuwd stierven, die zij ontving
en voor eeuwig gelukkig maakte. Volgens sommige bronnen bleef Gefjon
zelf niet maagd maar huwde een van de reuzen, bij wien zij vier zonen
had. Deze zelfde overlevering vertelt verder dat Odin haar uitzond
om Gylfi, koning van Zweden, te bezoeken, en wat land te vragen dat
zij haar eigen zou mogen noemen. De koning, die haar verzoek aardig
vond, beloofde haar zooveel land als zij in één dag en één nacht
kon omploegen. Gefjon, niet verlegen, veranderde haar vier zonen in
ossen, spande hen voor een ploeg, en begon een vore te trekken zoo
breed en diep dat de koning en zijn hovelingen verbaasd waren. Maar
Gefjon vervolgde haar werk zonder eenige vermoeidheid te toonen,
en toen zij een groot stuk land had rondgeploegd, scheurde zij het
met kracht weg en deed het hare ossen in zee trekken, waar zij het
bevestigde en het Seeland noemde.


    Gefjon nam van Gylfi,
    Rijk aan schatten, 't land dat
    Z' aan het Deensche hechtte.
    Vierkoppig met acht oogen
    Wijl 't zweet in stralen gutste,
    Trokken d' ossen 't stuk weg
    Dat vormde 't lieflijk eiland.

                Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).


Wat de holte betreft die zij achterliet, deze werd snel gevuld met
water en vormde een meer, dat eerst Logrum (de zee) werd genoemd,
maar nu bekend is als Mälar, waarvan elke inkeping overeenkomt met de
landtongen van Seeland. Gefjon huwde toen Skiold, een van Odins zonen,
en werd de stammoeder van het Deensch vorstengeslacht der Skioldungs,
die in de stad Hleidra of Lethra woonden, door hen gesticht, en welke
de voornaamste offerplaats van de heidensche Denen werd.



Eira, Vara, Vör en Snotra.

Eira, ook Frigga's dienstbare, werd beschouwd als een heel handige
dokteres. Zij verzamelde over de heele aarde kruiden om wonden en
ziekten te genezen, en het was haar taak de wetenschap aan vrouwen
te leeren, die alleen het vak onder de oude Noorsche natiën mochten
uitoefenen.


    Gaapt een wond, Eira verbindt ze.

                            Valhalla (J. C. Jones).


Vara hoorde alle eeden en strafte meineedigen, terwijl zij diegenen
beloonde die trouw hun woord hielden. Dan waren er verder nog Vör
(geloof), die alles wist wat er in de wereld gebeurde, en Snotra,
godin der deugd, die alle wetenschap meester was.

Met zulk een schitterenden stoet dienstbaren werd Frigga natuurlijk
beschouwd als een machtige godin; maar in spijt van de voorname plaats,
die zij in den Noorschen godsdienst innam, had zij geen specialen
tempel of bijzonder heiligdom, en werd zij zelden aangebeden dan in
verbinding met Odin.



Holda.

Terwijl Frigga onder dezen naam niet in Zuid-Duitschland bekend
was, werden daar andere godinnen vereerd, wier attributen zoo op de
hare geleken, dat zij blijkbaar dezelfde waren, ofschoon zij zeer
verschillende namen droegen in de verschillende gewesten. Onder dezen
was de schoone godin Holda (Hulda of Frau Holla) die goedgunstig vele
rijke gaven schonk. Daar zij over het weer gezag voerde, zeide men,
wanneer de sneeuwvlokken vielen, dat Frau Holle haar bed schudde,
en als het regende, dat zij hare kleeren wiesch; ook duidde men
vaak de witte wolken als haar linnen aan dat zij te bleeken had
gelegd. Als lange grijze wolkenflarden door de lucht dreven, zeide
men dat zij aan het weven was, want men hield haar ook voor een
ijverige weefster, spinster en huishoudster. Men vertelt dat zij het
vlas aan de menschen gaf en hen het leerde gebruiken, en in Tyrol
verhaalt men de volgende geschiedenis aangaande de wijze waarop zij
dat onwaardeerbare geschenk gaf.



De ontdekking van het vlas.

Er was eens een boer die dagelijks zijn vrouw en kinderen in het
dal achterliet om zijn schapen op den berg te laten weiden, en als
hij zijn kudde hoedde die op de berghelling graasde, had hij vaak
gelegenheid den kruisboog te gebruiken en een gems te vellen, wier
vleesch zijn provisiekast voor vele dagen kon vullen.

Toen hij eens een mooi dier vervolgde, zag hij het verdwijnen achter
een rotsblok, en toen hij aan de plek kwam, was hij verbaasd een
doorgang te zien in den belendenden gletscher, want in de opwinding
van de vervolging was hij hooger en hooger geklommen totdat hij nu
op den top van den berg was, waar de eeuwige sneeuw fonkelde.

De schaapherder ging moedig door de open deur en bevond zich weldra in
een wondervol met juweelen bezet gewelf, behangen met druipsteen; in
het midden er van stond een schoone vrouw, gehuld in zilveren kleederen
en omringd door een schare lieflijke meisjes die met Alpenrozen waren
gekroond. In zijn verbazing zonk de schaapherder op de knieën en als
in een droom hoorde hij de koninklijke gestalte in het midden zeggen
dat hij uitkiezen mocht wat hij wilde en het mocht meenemen. Ofschoon
verblind door den glans van de kostbare steenen rondom hem, keerden
de oogen van den herder gedurig terug tot een kleinen bouquet blauwe
bloemen die de bevallige verschijning in hare hand hield, en hij
stamelde nu bedeesd een verzoek dat hij dien zou mogen hebben. Van
vreugde glimlachend gaf Holda, want zij was het, ze hem, zeggende dat
hij verstandig had gekozen en zoo lang zou leven als de bloemen niet
uitvielen en verwelkten. Toen gaf zij den herder een hoeveelheid zaad
dat hij op het land moest zaaien en liet hem vertrekken, en terwijl
de donder ratelde en de aarde schudde, bevond zich de arme man weer
buiten op de berghelling, en keerde langzaam tot zijn vrouw terug,
aan wien hij zijn avontuur vertelde en de lieflijke blauwe bloemen
liet zien en de hoeveelheid zaad.

De vrouw maakte er haren man een bitter verwijt van, dat hij niet
een van de kostbare steenen meebracht die hij zoo warm beschreef, in
plaats van de bloesems en het zaad; niettemin ging de man het laatste
zaaien en hij bespeurde tot zijn verbazing dat de hoeveelheid genoeg
zaad leverde voor verscheiden bunders.

Weldra kwamen de kleine groene spruiten op, en in een maannacht, toen
de boer er naar keek, zooals hij gewoon was,--want hij voelde zich op
vreemde wijze aangetrokken tot het veld dat hij had bezaaid en toefde
er dikwijls, benieuwd welk soort van koren er zou opwassen,--zag hij
een nevelige gestalte over het veld zweven, met de handen als tot
zegenen uitgestrekt. Eindelijk droeg het land bloesems, en tallooze
witte bloempjes openden hare kelken voor de gouden zon. Toen de
bloemen verdord waren en het zaad was rijp geworden, kwam Holda nog
eens terug om den boer en zijn vrouw te leeren hoe zij het vlas--want
dit was het--moesten oogsten, en er linnen uit moesten spinnen, en
dit weven en bleeken. Daar de menschen in de omgeving gaarne zoowel
linnen als lijnzaad kochten, werden de boer en zijn vrouw spoedig
inderdaad zeer rijk, en terwijl hij ploegde, zaaide en oogstte,
spon, weefde en bleekte zij het linnen. De man leefde tot op hoogen
ouderdom en zag zijn kleinkinderen en achterkleinkinderen rondom
hem opgroeien. Gedurende al dien tijd was zijn zorgvuldig bewaarde
bouquet even frisch gebleven als toen hij dien voor het eerst naar
huis bracht, maar op zekeren dag zag hij dat gedurende den nacht de
bloemen verwelkt waren en stierven.

Wetende wat dit beteekende, en dat hij ook moest sterven, klom de boer
nog eens den berg op naar den gletscher, en vond den doorgang weer dien
hij dikwijls te vergeefs had gezocht. Hij trad het ijsportaal binnen
en men heeft nooit meer van hem gehoord noch hem gezien, want, zoo
zegt de legende, de godin nam hem onder haar hoede en liet hem wonen
in haar gewelf, waar elke wensch, dien hij koesterde, werd ingewilligd.



Tannhäuser.

Overeenkomstig de middeleeuwsche traditie woonde Holda in een gewelf
in den Hörselberg, in Thuringia, waar zij bekend stond als Frau Venus,
en beschouwd werd als een toovenares die stervelingen in haar gebied
lokte, waar zij hen voor goed gevangen hield, en hun zinnen in allerlei
zinlijke genietingen dompelde. De beroemdste van haar slachtoffers
was Tannhäuser, die, nadat hij een tijd onder haar toovermacht had
geleefd, tot andere gevoelens kwam, wat haar macht over zijn geest
brak en hem bezorgd maakte over zijn ziel. Hij ontsnapte haar macht
en haastte zich naar Rome om zijn zonden te belijden en absolutie
te zoeken. Maar toen de Paus hoorde van zijn omgang met een van de
heidensche godinnen van wie de priesters leerden dat zij niet anders
dan demonen waren, verklaarde hij dat de ridder niet eer op vergiffenis
kon hopen voordat zijn staf knoppen en bloesems kon dragen.


    "Hebt gij gelegen in des Duivels net?
    Hebt gij uw ziel verpand aan haar verderf?
    Hebt gij gehoord de Tooveren der Hel,
    En vloek gedronken uit haar kroes die rookt?
    Zoo weet dat eer uit den verdorden staf
    Dien 'k in mijn hand houd, groen gebladert' spruit
    Dan aan het vuur, ontstoken in de hel,
    Ontbloeit de bloem des heils."

                                    Tannhäuser (Owen Meredith).


Door deze uitspraak diep verslagen vlood Tannhäuser weg en, in weerwil
van de beden van zijn trouwen vriend Eckhardt, duurde het niet lang
of hij keerde naar den Hörselberg terug, waar hij in het gewelf
verdween. Juist was hij weg, of de boden van den Paus kwamen zeggen
dat hij vergiffenis had gekregen, want de dorre staf was wonderdadig
ontbloeid, aldus bewijzend aan een ieder, dat er geen zonde zoo erg
was of zij kon vergeven worden, mits het berouw oprecht was.


    Bemodderd tot de heupen, nat van zweet,
    Vloog aan een bode, en in zijn hand hij droeg
    Een dorren staf, ontbloeid tot blad en knop.
    Hem volgd' een menigte van oud en jong
    Zingend een lied waarbij de leeuwrik zwijgt,
    "Een wonder, o een wonder bij den Paus!
    Eere zij God die maakt het dorre groen!"
    Toen sprong de bode toe en vroeg, waar was
    De ridder Tannhäuser.

                                    Tannhäuser (Owen Meredith).


Holda was ook de eigenares van een tooverfontein, die Quickborn heette
en de beroemde fontein der jeugd evenaarde, en van een wagen waarin zij
van plaats tot plaats reed als zij haar gebied inspecteerde. Toen dit
voertuig op zekeren keer beschadigd was, liet zij het een wagenmaker
herstellen, en toen hij klaar was gaf zij hem eenige spaanders als
loon. De man was boos over zulk een schrale betaling en nam slechts
eenige er van; maar tot zijn verbazing zag hij deze den volgenden
morgen in goud veranderd.


    Fricka, uw vrouw--
    Zij stuurt hierheen haar rammenspan
    Hoor! hoe zij zwaait
    De gouden zweep;
    De dieren blaten
    Steeds maar door;
    Haar wielen raatlen voort,
    Toorn licht op uit haar blik.

                                        Wagner.



Eástre, de godin van de Lente.

De Saksische godin Eástre, of Ostara, godin van de lente, wier naam
voortleefde in het Engelsche woord voor Paschen, Eáster, is ook
dezelfde als Frigga want zij wordt eveneens beschouwd als de godin
der aarde, of liever van de opstanding der natuur na den langen dood
van den winter. Deze bevallige godin was zóó innig geliefd bij de oude
Teutonen, dat zelfs, nadat het Christendom ingevoerd was, zij een zóó
vriendelijke herinnering aan haar behielden, dat zij haar niet wilden
verlaagd hebben tot den rang van een demon, zooals vele der andere
goden, en haren naam overbrachten op hun groot Christelijk feest. Het
was lang gebruik geweest dezen dag te vieren door het uitwisselen
van geschenken in gekleurde eieren, want het ei is het zinnebeeld
van het beginnende leven; dus hielden zich de eerste Christenen aan
dezen regel, zeiden echter dat het ei ook de Opstanding verbeeldt. In
verschillende deelen van Duitschland kan men nog steenen altaren zien,
die als Eáster-steenen bekend staan, omdat zij waren gewijd aan de
schoone godin Ostara. Zij werden met bloemen bekranst door de jonge
menschen, die er vroolijk omheen dansten bij het licht van groote
vreugdevuren,--een soort volksspelen die stand hielden tot het midden
der negentiende eeuw, in weerwil van de verboden der priesters en de
edicten, telkens er tegen uitgevaardigd.



Bertha, de Witte Vrouw.

In andere streken van Duitschland is Frigga, Holda of Ostara bekend
onder den naam Brechta, Bertha, of de Witte Vrouw. Het meest bekend
is zij zoo in Thüringen, waar zij, naar men meende, in een hollen
berg woonde en de wacht hield over de Heimchen, zielen van ongeboren
kinderen, en van hen die ongedoopt stierven. Hier behoedde Bertha den
landbouw en zorgde voor de planten, die haar kindertroepje nauwgezet
begoot, want men dacht dat elke kleine tot dat doel een kruikje bij
zich had. Zoolang de godin geëerbiedigd werd en men haar verblijf niet
verontrustte, bleef zij waar zij was; maar de overlevering vertelt
dat zij eens het land verliet met haar kinderstoet en haar ploeg
meesleepte en zich elders vestigde om met haar hulpvaardige diensten
voort te gaan. Bertha is de legendaire stammoeder van verschillende
edele geslachten, en vooral vereenzelvigd met de ijverige koningin
van denzelfden naam, de mythische moeder van Karel den Groote, wiens
naam spreekwoordelijk is geworden, want als men het in Frankrijk en
Duitschland heeft over de Gouden Eeuw zegt men gewoonlijk: "in de
dagen toen Bertha spon."

Daar men meende dat deze Bertha een heel langen en platten voet heeft
gekregen, doordat zij voortdurend de trede van haar wiel drukte,
wordt zij dikwijls in de middeleeuwsche kunst voorgesteld als een
vrouw met een krommen voet, en is daarom bekend als la reine pédauque.

Als stammoeder van het keizerlijke huis van Duitschland heet de Witte
Vrouw in het paleis te verschijnen voor een sterfgeval of onheil in
de familie, en dit bijgeloof leeft nog zóó in Duitschland, dat de
kranten in 1884 het officieele bericht behelsden van een schildwacht,
die beweerde dat hij haar hem snel had zien voorbijgaan in een van
de gangen van het paleis.

Daar Bertha beroemd was wegens haar spinnen, werd zij natuurlijk
beschouwd als de bijzondere beschermster van dien tak van vrouwelijke
nijverheid, en men zeide dat zij door de straten van ieder dorp zwierf,
als de avond viel, gedurende de twaalf nachten tusschen Kerstmis en
6 Januari, terwijl zij in elk venster gluurde om het spinnen van het
gezin na te gaan.

De meisjes, wier werk goed was verricht, werden beloond met een
geschenk van een harer gouden draden of een spinnewiel vol extra fijn
vlas; maar waar zij een zorgelooze spinster vond, werd haar wiel
gebroken, haar vlas bezoedeld, en als zij verzuimd had de godin te
eeren door veel van den koek te eten, die in dien tijd van het jaar
gebakken werd, werd zij streng gestraft.

In Mecklenburg is dezelfde godin bekend als Frau Gode, of Wode,
de vrouwlijke vorm van Wuotan of Odin, en haar verschijning wordt
steeds beschouwd als de voorbode van grooten voorspoed. Ook zal zij
een groote jageres zijn en de Wilde Jacht leiden, gezeten op een wit
paard, terwijl hare gezellen zijn veranderd in honden en allerlei
soorten wilde dieren.

In Holland heette zij Vrouw Elde, en naar haar heet de Melkweg
in Holland Vrouw-eldenstraat; terwijl in sommige streken van
Noord-Duitschland zij Nerthus (moeder Aarde) heette. Haar heilige wagen
werd bewaard op een eiland, waarschijnlijk Rügen, waar de priesters
hem zorgvuldig bewaakten totdat zij verscheen om een jaarlijksche
reis te doen door haar gebied om het land te zegenen. De godin hield
haar gelaat dan verborgen door een zwaren sluier en zat zoo in dezen
wagen die door twee koeien werd getrokken, en zij werd eerbiedig door
hare priesters vergezeld. Als zij passeerde, huldigde het volk haar
door allen twist te staken en hun wapens neer te leggen. Zij trokken
hun feestkleederen aan en hervatten geen strijd voordat de godin
weer teruggekeerd was naar haar heiligdom. Dan werden kar en godin
beiden gebaad in een geheimzinnig meer (de Schwartze See in Rügen),
die de slaven verzwolg welke bij het baden hadden geholpen, en opnieuw
begonnen de priesters hun wacht over het heiligdom en het bosch van
Nerthus of Hlodyn, om haar volgende verschijning te verbeiden.

In Scandinavia heette deze godin ook Huldra en beroemde zich op
een schaar woudnimfen, die haar vergezelden en die soms de menschen
opzochten om met hen te dansen op de dorpsweide. Men kon ze echter
altijd herkennen aan het tipje van een koestaart, die onder haar
sneeuwwitte kleeren uithing. Dit Huldra-volk beschermde in het
bijzonder het vee aan de berghellingen, en men beweerde dat zij soms
den eenzamen zwerver verrasten door de wonderbare schoonheid van de
melodieën die zij zongen om de uren van hun arbeid te korten.



HOOFDSTUK IV: THOR.


De Donderaar.

Volgens sommige mythologen is Thor, of Donar de zoon van Jörd (Erda)
en van Odin, maar anderen zeggen dat zijn moeder Frigga was, de
koningin der goden. Dit kind was zeer opmerkelijk groot en sterk,
en heel spoedig na zijn geboorte verbaasde hij de verzamelde goden
spelenderwijs op te tillen en weg te smijten tien groote balen
berenhuiden. Ofschoon doorgaans goed gehumeurd, kon Thor soms in
vreeselijke woede geraken, en daar hij dan heel gevaarlijk was,
zond zijn moeder, die hem niet kon beteugelen, hem van huis, en
vertrouwde hem toe aan de zorg van Vingnir (den gevleugelde), en
van Hlora (hitte). Deze pleegouders, die men ook beschouwde als de
verpersoonlijking van het bliksemgeflits, slaagden er weldra in, den
lastigen pupil te bedwingen, en brachten hem zóó verstandig groot, dat
de goden een zeer dankbare herinnering bewaarden aan hun vriendelijke
hulp. Toen Thor tot het besef kwam wat hij hun verschuldigd was,
nam hij de namen Vingthor en Hlorridi aan, waaronder hij ook bekend is.


            Schreeuw dan, Vingi-Thor, maar wild
    Als de maliënkolder schudt en danst het deukig oorlogschild,

                                Sigurd de Volsung (William Morris).


Toen hij volgroeid was en de jaren des onderscheids had bereikt,
werd Thor tot Asgard toegelaten onder de andere goden, waar hij een
van de twaalf zetels in de groote oordeelshal bezette. Hij kreeg ook
de streken Thrud-vang of Thrud-heim, waar hij een wonderbaar paleis
bouwde, Bilskirnir (bliksem) geheeten, het grootste in heel Asgard. Het
had vijfhonderd veertig hallen, ten dienste van de lijfeigenen,
die na hun dood werden welkom geheeten in zijn huis, waar zij op
dezelfde manier werden bejegend als hun meesters in het Valhalla,
want Thor was de beschermgod van de boeren en de lagere standen.


    Vijfhonderd hallen
    En veertig nog,
    Dunkt mij, houdt
    Bilskirnir omvat.
    Geen huis met dak
    Is er gelijk
    Aan dat van mijn Zoon.

                    Saemunds Edda.


Daar hij de god van den donder was, mocht Thor nooit alleen gaan
over de wonderbare brug Bifröst, opdat hij ze niet zou in brand
steken door de hitte van zijn aanwezigheid; en als hij zijn medegoden
wenschte te ontmoeten bij de Urdar-fontein, onder de schaduw van den
heiligen boom Yggdrasil, moest hij zijn weg daarheen te voet afleggen,
wadend door de rivieren Kormt en Ormt, en de twee stroomen Kerlaug,
naar de verzamelplaats.

Thor, die geëerd werd als de hoogste god in Noorwegen, was de tweede
in de trilogie van al de andere landen, en werd "de oude Thor" genoemd,
omdat, zooals sommige mythologen gelooven, hij tot een oudere dynastie
van goden behoorde en niet wegens zijn feitelijken ouderdom, want hij
werd voorgesteld en beschreven als een man in zijn jeugd, slank en
welgevormd, met gespierde ledematen, en borstelig rood haar, waaruit,
als hij toornig was, vonken in stroomen te voorschijn schoten.


    Eerst Thor, wiens oog nederstaart,
    Momp'lend zacht in zijn rossen baard
    (Zijn oog fonkel' naar bliksemaard)
    Komt, terwijl dond'rend hij ment
    Zijn kar, aangerend,
    Bij zijn wilden mokerslag
    Schudt hemel en aard' van ontzag
    Wolken scheuren wijl siddert de aard.

                            Valhalla (J. C. Jones).


De noordelijke rassen versierden hem verder met een kroon, en op elke
punt daarvan was een schitterende ster of een steeds brandende vlam,
zoodat zijn hoofd altijd omringd was door een krans van vuur, zijn
eigen element.



Thors hamer.

Thor was de fiere bezitter van een hamer die Miölnir (de verbrijzelaar)
heette en dien hij naar zijn vijanden wierp, de vorstreuzen, met
vernielende kracht, en die de wonderbare eigenschap bezat dat hij
steeds in zijn hand terugkeerde, hoe ver hij hem ook wierp.


    Ik ben de Dond'rer!
    Hier in mijn noorden,
    Mijn vastheid en sterkte,
    Heersch ik voor eeuwig.

    Hier tusschen gletschers
    Regeer ik de volken,
    Dit is mijn hamer,
    Miölnir de sterke;
    Reuzen noch toovenaars
    Bieden hem weerstand.

                Sage van koning Olaf (Longfellow).


Daar deze groote hamer, het beeld van de bliksems, doorgaans rood-heet
was, had de god een ijzeren handschoen, Iarn-greiper geheeten,
waarmee hij hem stijf kon vasthouden. Hij kon Miölnir ver wegwerpen,
en zijn kracht, die altijd aanzienlijk was, werd verdubbeld als hij
zijn toovergordel droeg, Megin-giörd genoemd.


    Dit is mijn gordel.
    Als ik hem draag
    Is m'n kracht verdubbeld.

                Sage van koning Olaf (Longfellow).


Thors hamer werd zóó heilig geacht door het oude Noorsche volk,
dat zij gewoon waren het teeken van den hamer te maken, evenals de
Christenen hen later het teeken van het kruis leerden maken om alle
verkeerde invloeden af te wenden en zegeningen te verwerven. Hetzelfde
teeken werd ook gemaakt over het pasgeboren kind, wanneer water over
zijn hoofd werd gegoten en het een naam kreeg. De hamer werd gebruikt
om grenspalen in te slaan, en men hield het voor heiligschennis ze
te verzetten; verder, om den dorpel van een nieuw huis te zegenen,
een huwelijk plechtig in te wijden, en ten slotte speelde hij een rol
in de heiliging van den brandstapel waarop de lichamen van helden,
tegelijk met hun wapenen en paarden, en soms met hun vrouwen en
onderhoorigen, werden verbrand.

In Zweden dacht men dat Thor, evenals Odin, een breedgeranden hoed
droeg, en daarom heeten de stormwolken in dat land Thors hoed, een naam
dien men ook aan een van de belangrijkste bergen in Noorwegen heeft
gegeven. Het gerommel en gerol van den donder hield men voor het rijden
van zijn wagen, want hij was de eenige onder de goden die nooit op een
paard zat, maar die liep, of reed in een koperen kar, getrokken door
twee geiten, Tanngniostr (tandenkraker) en Tanngrisnr (tandenknarser),
van wier tanden en hoeven voortdurend vonken uitgingen.


    Toen kwaamt gij eerst, o machtige krijgsman Thor!
    Hamer op schouder, rijdend in uw kar,
    Sturend de geiten aan haar zilveren toom.

                                    Balder Dood (Matthew Arnold).


Wanneer de god dus van plaats tot plaats reed, werd hij Aku-thor
genoemd, of Thor de wagenman, en in Zuid-Duitschland beweerde het
volk, denkend dat een koperen wagen alleen niet al het leven kon
maken dat zij hoorden, dat die wagen met koperen ketels beladen was,
die ratelden en kletterden, en daarom noemde het hem dikwijls, met
oneerbiedige gemeenzaamheid, den ketelverkooper.



Thors familie.

Thor was tweemaal getrouwd; eerst met de reuzin Iarnsaxa (ijzeren
steen) die hem twee zonen schonk, Magni (kracht) en Modi (moed),
beiden bestemd hun vader en de godenschemering te overleven en te
heerschen over de nieuwe wereld die als een phoenix uit de asch van
de eerste zou verrijzen. Zijn tweede vrouw was Sif, de goudharige,
die hem ook twee kinderen schonk Lorride, en een dochter, Trud,
een jonge reuzin, beroemd wegens hun moed en kracht. Overeenkomstig
het bekende feit dat tegenstellingen elkander zoeken, werd Trud
gevrijd door den dwerg Alvis, wien zij vrij goed gezind was; en op
zekeren avond, toen deze aanbidder, die als dwerg het daglicht niet
kon verdragen, in Asgard kwam om hare hand te vragen, weigerden de
vergaderde goden hun toestemming niet. Zij hadden echter nauwelijks
hun goedkeuring te kennen gegeven, toen Thor, die afwezig was geweest,
plotseling verscheen en met een blik van verachting op den nietigen
minnaar verklaarde dat deze moest toonen dat zijn wetenschap zijn
dwergachtigheid goed maakte eer hij zijn bruid winnen kon.

Ten einde Alvi's geestvermogens op de proef te stellen ondervroeg
Thor hem dan in de taal der goden, Vanas, elven en dwergen, slim zijn
onderzoek voortzettend tot zonsopgang, toen de eerste lichtstraal, op
den ongelukkigen dwerg neergestreken, hem deed versteenen. Daar stond
hij, een blijvend voorbeeld van de macht van den god, dat alle andere
dwergen tot waarschuwing kon strekken, als zij de proef durfden nemen.


    Nooit in menschen boezem
    Vond ik zooveel woorden
    Uit den ouden tijd.
    U met vlotte slimheid
    Heb ik nu bedrogen
    Op den grond staat ge; dwerg
    Door den dag overrompeld,
    Klaar zonlicht vult de hal.

                        Saemunds Edda.



Sif, de goudharige.

Sif, Thors vrouw, was zeer trotsch op een prachtig hoofd met lang
gouden haar, dat haar van het hoofd tot de voeten als een schitterende
sluier bedekte; en daar zij ook het symbool van de aarde was, zeide
men dat heur haar het lange gras voorstelde, of het gouden graan,
dat de noordelijke oogstvelden bedekte. Thor was zeer trotsch op
het mooie haar van zijn vrouw; verbeeld u dus zijn teleurstelling,
toen hij op zekeren morgen wakker werd en haar geschoren zag en
even kaal en ontsierd als de aarde wanneer het koren in de schuur
gebracht is en enkel de stoppels resten! In zijn toorn sprong Thor
op en bezwoer dat hij hem zou straffen die hem deze beleediging had
aangedaan; onmiddellijk en terecht vermoedde hij dat dit Loki zou
wezen, de aartsschurk die altijd er op uit was om een booze daad
te verrichten. Thor nam zijn hamer en ging Loki zoeken, die den
vertoornden god trachtte te ontwijken door van gedaante te veranderen
maar dit hielp niets, Thor kreeg hem spoedig in zijn macht en greep hem
met niet veel omslag bij den hals en worgde hem bijna eer hij toegaf
aan zijn smeekende gebaren en zijn machtige vuist losliet. Toen hij
adem kon krijgen smeekte Loki om vergiffenis, maar al zijn woorden
waren vergeefsch, totdat hij beloofde Sif een nieuw hoofd met haar
te zullen bezorgen, even mooi als het vorige, en even welig van groei.


    Vandaar zal ik brengen nieuw gouden haar
    Voor Sif, eer de dag vergleed,
    Dat zij lijkt een veld in het vroege jaar
    Met zijn bloesembestikte kleed.

                                    De Dwergen (Oehlenschläger).


Toen liet Thor den verrader gaan; dus kroop Loki vlug in het hart der
aarde waar Svart-alfa-heim lag, om den dwerg Dvalin te smeeken niet
alleen het kostbare haar in orde te brengen, maar ook een geschenk
voor Odin en Freya, wier boosheid hij wilde bedwingen.

Zijn verzoek werd goedgunstig ingewilligd en de dwerg maakte de
speer Gungnir, die nooit zijn doel miste, en het schip Skidbladnir,
dat, altijd voortgestuurd door gunstige winden, zoowel door de lucht
als door het water kon varen, en dat verder de wonderbare eigenschap
bezat, dat, ofschoon het al de goden en al hun paarden kon bevatten,
het kon worden opgenomen in de kleinste ruimte en in den zak kon
worden gestoken. Ten slotte spon hij den fijnsten gouden draad,
waaruit hij het haar vervaardigde dat Sif noodig had, en hij zeide,
dat, zoodra het haar hoofd aanraakte, het er vast zou groeien en als
haar eigen haar zou worden.


    Nu schijnen zij dood, doch zij raken haar hoofd
    En elk haar voelt het leefsap weer gaan,
    Door slechtheid noch kunst wordt ooit Sif meer beroofd
    Van de lokken die prachtig heur staan.

                                    De Dwergen (Oehlenschläger).


Loki was zóó ingenomen met deze proeven van de kunst der dwergen,
dat hij den zoon van Ivald den handigsten der smeden noemde. Deze
woorden werden opgevangen door Brock, een anderen dwerg, die uitriep
dat zijn broeder Sindri drie voorwerpen kon maken die de andere, nu
in Loki's handen, te boven gingen, niet slechts in innerlijke waarde
maar ook in tooverkracht. Loki daagde onmiddellijk den dwerg uit,
zijn kunstvaardigheid te toonen, zijn hoofd verweddend tegen dat van
Brock na afloop van de onderneming.

Toen Sindri de weddenschap hoorde nam hij Brocks aanbod om den
blaasbalg te blazen aan, waarschuwde hem echter dat hij steeds
moest doorwerken en geen oogenblik vertragen als hij wilde dat hij
zou slagen, daarop wierp hij wat goud in het vuur en ging de gunst
verzoeken van de verborgen machten. Tijdens zijn afwezigheid hanteerde
Brock ijverig den blaasbalg, terwijl Loki, in de hoop hem te doen
ophouden, zich in een paardenvlieg veranderde en hem hevig in de hand
stak. Trots de pijn bleef de dwerg blazen, en toen Sindri terugkeerde
trok hij uit het vuur een enorm wild zwijn, Gullin-bursti geheeten,
wegens zijn gouden borstels, dat de kracht had licht te verspreiden
als het door de lucht schoot, want het kon door de lucht vliegen met
verwonderlijke snelheid.


    Toen kwam uit het vuur, ongeloofelijk schier,
    Gullinbörst, het goudharig wild zwijn,
    Dat zou worden de bode des zonnegods,
    Vast het eerste dat ooit er zou zijn.

                                    De Dwergen, Oehlenschläger.


Toen dit eerste stuk werk klaar was, wierp Sindri nog wat meer goud
op het vuur, en zette zijn broeder weer aan het blazen, terwijl hij
weer op weg ging om tooverhulp te zoeken. Dezen keer stak Loki, nog
als paardenvlieg vermomd, den dwerg in zijn wang; maar in weerwil
van de pijn werkte Brock door, en toen Sindri terugkeerde, trok hij
triomfantelijk uit de vlammen den tooverring Draupnir, het zinnebeeld
van vruchtbaarheid, waarvan elken negenden nacht acht gelijke ringen
afvielen.


    Zij werkten en smeedden met wonder talent
    Tot de wondere kracht hij ontving,
    Dat er afvielen iederen negenden nacht
    Acht stuks van d' oorspronk'lijken ring.

                                    De Dwergen, Oehlenschläger.


Nu werd een brok ijzer in de vlammen geworpen, en met vernieuwde
oplettendheid dat hun welslagen niet door gebrek aan zorg zou bedorven
worden, ging Sindri weg en liet Brock als te voren den blaasbalg
hanteeren. Loki was nu in wanhoop en bereidde zich voor tot een laatste
poging. Nu, nog in de gedaante van een paardenvlieg, stak hij den dwerg
boven het oog, totdat het bloed in zulk een stroom begon te vloeien,
dat het hem belette te zien wat hij deed. Snel hief Brock zijn hand op,
een seconde maar, en wischte den bloedstroom weg; maar hoe kort de
stoornis ook was, zij bewerkte onherstelbaar letsel, en toen Sindri
zijn werk uit het vuur trok, uitte hij een kreet van teleurstelling
want de hamer, dien hij had gemaakt, was te kort van handvat.


    En de dwerg hief uit pijn zijn hand op naar 't oog,
    Voor het ijzer gesmeed was dit keer,
    En hij merkte: het heft was een duim slechts te kort,
    Maar verand'ren kon hij 't niet meer.

                                    De Dwergen, Oehlenschläger.


Trots de mislukking was Brock er zeker van dat hij de weddingschap zou
winnen, en hij aarzelde niet naar de goden in Asgard te gaan, waar
hij Odin den ring Draupnir gaf, Frey het wild zwijn Gullin-Bursti,
en Thor den hamer Miölnir, welks macht niemand kon weerstaan.

Loki gaf op zijn beurt de speer Gungnir aan Odin, het schip
Skidbladnir aan Frey, en het gouden haar aan Thor; maar ofschoon dit
laatste onmiddellijk ging groeien op Sif's hoofd en men eenstemmig
verklaarde dat het schooner was dan hare eigen lokken ooit geweest
waren, beslisten de goden dat Brock de weddingschap had gewonnen op
grond dat de hamer Miölnir, in Thors handen, onschatbaar zou blijken
tegen de vorstreuzen op den laatsten dag.


    En aan hun hoofd kwam Thor,
    Beurend zijn hamer, dien de reuzen kenden.

                                    Balder Dood (Matthew Arnold).


Om zijn hoofd te redden, vluchtte Loki hals over kop, maar werd
ingehaald door Thor die hem terugbracht en aan Brock gaf, met de
woorden echter, dat, ofschoon Loki's hoofd hem rechtens toekwam, hij
zijn hals niet moest aanraken. Dus in zijn volledige wraakoefening
belemmerd, besloot de dwerg Loki te straffen door zijn lippen samen
te naaien, en daar zijn zwaard ze niet kon doorboren, leende hij tot
dit doel zijns broeders els. Loki echter, na een poosje den spot der
goden stilzwijgend verdragen te hebben, deed zijn best den draad door
te krijgen en was spoedig weer even spraakzaam als ooit.

In weerwil van zijn geweldigen hamer werd Thor niet gevreesd als de
booze god van den storm, die vredige woningen vernielde en den oogst
vernietigde door plotselinge hagelslagen en wolkbreuken. De Noormannen
geloofden dat hij dien enkel blies tegen ijsreuzen en rotsmuren, deze
laatste vergruizend om de aarde vruchtbaar te maken en te zorgen dat
zij een rijken oogst zou schenken aan de landbouwers.

In Duitschland, waar de oostelijke stormen altijd koud en verwoestend
zijn, terwijl de westelijke warme regens en zacht weer brengen,
geloofde men dat Thor altijd van het Westen naar het Oosten reisde
om de booze geesten te bestrijden die het land gaarne zouden hebben
gewikkeld in ondoordringbare nevelsluiers en ze in ijsboeien hebben
vastgelegd.



Thors Reis naar Jötun-heim.

Daar de reuzen van Jötun-heim voortdurend koude winden zonden om de
teedere knoppen te kwetsen en den groei der bloemen te belemmeren,
besloot Thor nog eens op het pad te gaan en hen tot beterschap te
dwingen. Vergezeld door Loki ging hij uit in zijn wagen, en na een
geheelen dag te hebben gereden kwamen de goden bij het vallen van
den avond aan de grenzen van de wereld der reuzen, waar zij in een
boerenhut, die zij ontdekten, besloten te toeven om er te rusten en
zich te verfrisschen.

Hun gastheer was gastvrij maar heel arm, en Thor, ziende dat hij
ternauwernood het noodige voedsel zou kunnen verschaffen om zijn
geenszins kleinen eetlust te bevredigen, slachtte zijn beide geiten,
die hij kookte en toebereidde, waarna hij zijn gastheer en diens
familie uitnoodigde vrijelijk mee te eten van de dus verstrekte spijs,
terwijl hij hen echter waarschuwde al de beenderen, zonder ze te
breken, in de huiden van de geiten te werpen die hij op den vloer
had uitgespreid.

De boer en zijn gezin aten met graagte, maar zijn zoon Thialfi,
aangemoedigd door den boozen Loki, waagde een van de beenderen te
breken en het merg uit te zuigen, denkende dat zijn ongehoorzaamheid
niet zou worden ontdekt. Den volgenden morgen echter sloeg Thor, die
tot zijn vertrek gereed was, de geitenhuiden met zijn hamer Miölnir,
en onmiddellijk sprongen de geiten even levend als te voren op,
behalve dat een wat lam scheen. Bespeurend dat men zijn geboden
niet gehoorzaamd had, wilde Thor in zijn boosheid de heele familie
vermoorden. De schuldige bekende echter en de boer bood aan, om het
verlies goed te maken, den toornigen god niet alleen zijn zoon Thialfi,
maar ook zijn dochter Roskva te geven, om hem voor goed te dienen.

Thor droeg den man op goed te zorgen voor de geiten die hij daarachter
liet totdat hij terugkwam, en beval de jonge boeren hem te vergezellen;
daarop ging hij met Loki te voet verder, en, na den geheel en dag
gezworven te hebben, bereikte hij bij het vallen van den avond een
koud en kaal land, dat in bijna ondoordringbaren nevel was gehuld. Na
eenigen tijd te hebben gezocht zag Thor door den mist de vage omtrekken
van wat uitzag als een vreemd gevormd huis. Het open portaal daarvan
was zóó ruim en hoog dat het den geheelen eenen kant van het huis
scheen te beslaan. Toen zij er binnentraden en er vuur nog licht
vonden, wierpen Thor en zijn makkers zich moe op den vloer om te
slapen, maar werden spoedig ontrust door een eigenaardig gedruisch, en
een langdurig beven van den grond onder hen. Vreezend dat het geheele
dak gedurende deze aardbeving zou neervallen, vluchtten Thor en zijn
makkers in een vleugel van het gebouw, waar zij weldra in diepen slaap
vielen. Toen de dag aanbrak, gingen de god en zijn makkers naar buiten,
maar zij waren nauwelijks op weg of zij zagen dat een reus lag te
slapen en ontdekten dat de eigenaardige geluiden, die hun rust hadden
gestoord, teweeggebracht werden door zijn gesnork. Op dat oogenblik
werd de reus wakker, stond op, rekte zich uit, keek rond naar zijn
eigendom dat hij kwijt was, en nam een seconde later het ding op dat
Thor en zijn gezellen in het donker ten onrechte voor een huis hadden
gehouden. Toen bespeurden zij met verbazing dat dit niets anders was
dan een groote handschoen en dat de vleugel waarin zij allen hadden
geslapen de afgezonderde plaats was voor den grooten duim van den
reus! Vernemend dat Thor en zijn makkers op weg waren naar Utgard,
zooals het gebied der reuzen ook heette, stelde Skrymir, de reus,
voor hun gids te zijn; en na den geheelen dag met hen te hebben
gewandeld, bracht hij hen, toen de avond viel, op een plaats, waar
hij hen voorstelde te rusten. Maar eer hij ging liggen bood hij hun de
proviand in zijn knapzak aan. Maar trots hun ingespannen poging konden
noch Thor noch zijn makkers de knoopen losmaken die Skrymir had gelegd.


    Skrymir riemen
    Schenen te hard
    Toen gij het voedsel niet krijgen kondet,
    Toen gij, gezond, van honger stierft.

                                        Saemunds Edda.



Utgard-Loki.

Boos over zijn gesnork, dat hem wakker hield, deelde Thor hem driemaal
geweldige slagen toe met zijn hamer. Deze slagen, echter, in plaats van
het monster te vernietigen, hadden niet meer uitwerking op den slapende
dan wanneer een stukje boomschors of een takje van een vogelnest boven
op zijn gezicht was gevallen. Vroeg in den morgen verliet Skrymir
Thor en zijn makkers, en wees hun den kortsten weg naar Utgard-Loki's
kasteel, dat van groote ijsblokken gebouwd was, met hooge schitterende
ijskegels als pilaren. De goden slopen tusschen de sluitboomen van
de groote poort door en gingen moedig naar den koning der reuzen,
Utgard-Loki, die hen herkende en dadelijk beweerde heel verwonderd
te zijn over hun kleine gestalte, en den wensch uitdrukte te zien
wat zij wel konden, daar hij dikwijls hun wakkerheid had hooren roemen.

Loki, die langer had gevast dan hij wenschte, zei onmiddellijk dat hij
bereid was met wien dan ook een wedstrijd te houden in het eten. Dus
liet de koning een grooten houten trog vol vleesch in de hal brengen,
en zette Loki aan den eenen kant en zijn kok Logi aan den anderen,
en beval hun te laten zien wie het zou winnen. Ofschoon Loki wonderen
deed en weldra het midden van den trog bereikte, bespeurde hij dat,
terwijl hij zelf de beenderen had schoongekluifd, zijn tegenpartij
die beenderen had verslonden mét den trog.

Utgard-Loki glimlachte verachtelijk en zei dat zij blijkbaar in
het eten niet heel sterk waren, en dit prikkelde Thor zoo, dat
hij verklaarde dat, indien Loki niet kon eten als de gulzige kok,
hij stellig het grootste vat in huis zou kunnen leegdrinken, zoo
onleschbaar was zijn dorst. Onmiddellijk werd een horen binnengebracht,
en Utgard-Loki zeide dat goede drinkers dien in een teug leegden, matig
dorstige personen in twee teugen en kleine drinkers in drie. Thor zette
nu zijn lippen aan den rand, maar ofschoon hij een zóó diepe teug nam
dat hij dacht te barsten, kwam het vocht nog bijna aan den rand toen
hij zijn hoofd ophief. Een tweede en derde poging om dezen horen te
ledigen bleek al even weinig succes te hebben. Thialfi stelde toen
een wedloop voor, maar een jonge kerel, Hugi geheeten, die het tegen
hem opnam, kwam hem weldra voorbij, ofschoon Thialfi heel vlug liep.

Thor stelde vervolgens voor zijn kracht te toonen door gewichten op
te tillen, en werd uitgedaagd de kat van den reus op te nemen. Hij
nam een kans te baat om zijn gordel Megin-giörd, die zijn kracht in
hooge mate vermeerderde, vast te maken en trok toen en deed zijn best,
maar kon enkel een harer poten van den vloer oplichten.


    Sterk is Thor, buiten kijf, als Megin-garder
    Hij dicht sluit om zijn rotsge lend'nen heen.

                    Vikingverhalen van het noorden (R. B. Anderson).


Een laatste poging van zijn kant om te worstelen met Udgard-Loki's
oude voedster Elli, de eenige partij die men een zoo nietigen kerel
waardig keurde, eindigde even ongelukkig, en toen de goden bekenden,
dat zij verslagen waren, werden zij gastvrij onthaald. Den volgenden
morgen werden zij begeleid tot de grenzen van Utgard, waar de reus
hun beleefd te kennen gaf dat hij hoopte dat zij nooit meer hem
zouden uitdagen, daar hij genoodzaakt was geweest toovermacht tegen
hen te gebruiken. Hij vertelde toen dat hij de reus Skrymir was, en
dat, had hij de voorzorg niet genomen een berg te zetten tusschen
zijn hoofd en Thors slagen, terwijl hij schijnbaar lag te slapen,
hij gedood zou zijn, evenals diepe kloven in de berghelling, waarop
hij wees, getuigden van de kracht van den God. Verder deelde hij
mede dat Loki's tegenpartij Logi was (wild vuur); dat Thialfi een
wedloop had gehouden met Hugi (gedachte), den allersnelsten looper;
dat Thors drinkhoren was verbonden met den oceaan, waar zijn diepe teug
een aanmerkelijke ebbe had veroorzaakt, dat de kat in werkelijkheid
de verschrikkelijke Midgardslang was die de wereld omgordt, welke
Thor bijna uit de zee had getrokken; en dat Elli, zijn voedster,
de ouderdom was die niemand kon weerstaan. Toen hij deze woorden
geëindigd had en hen had gewaarschuwd nooit weer terug te keeren,
of hij zou zich zelf verdedigen door gelijke toovenarijen, verdween
Utgard-Loki, en ofschoon Thor vertoornd zijn hamer zwaaide en zijn
kasteel had willen verbrijzelen, omhulde dit een nevel zoo dicht
dat het niet zichtbaar was, en de dondergod was genoodzaakt terug te
keeren naar Trud-vang zonder dat hij zijn bedoelde heilzame les aan
het geslacht der reuzen gegeven had.


                        En zwaar gewapend ging
    Wel dikwijls Thor den weg naar Jötun-heim
    Maar trots zijn gordel, trots zijn stalen mantel
    Zit steeds nog Udgard-Loki op zijn troon,
    Kwaad, zelf en kracht, gaat voor geen kracht op zij.

                    Vikingverhalen van het noorden (R. B. Anderson).



Thor en Hrungnir.

Odin zelf ijlde eens door de lucht op z'n achtpootig paard Sleipnir,
toen hij de aandacht trok van den reus Hrungnir die een wedloop
voorstelde, zeggende dat Gullfaxi zijn paard Sleipnir in snelheid
evenaarde. In de hitte van den strijd merkte Hrungnir de richting
niet waarin zij gingen, totdat, in de ijdele verwachting dat hij
Odin zou inhalen, hij zijn paard voortdreef tot de poorten van het
Valhalla. Toen hij ontdekte waar hij was, werd de reus bleek van angst,
want hij wist dat hij zijn leven op het spel had gezet door zich in
de burcht van de goden, zijn erfvijanden, te wagen.

De Aesir echter stonden te hoog om zelfs bij een vijand van tegenspoed
te profiteeren, en in plaats van hem kwaad te doen, noodigden zij hem
in hun eethallen, waar hij flink begon te drinken van de hemelsche mee
die voor hem werd neergezet. Hij werd al spoedig zóó opgewonden dat hij
zich op zijn macht begon te beroepen en verklaarde dat hij eens zou
komen en Asgard in bezit nemen, dat hij met de goden samen vernielen
zou, behalve Freya en Sif, naar wie hij met bewonderenden blik keek.

De goden die wisten dat hij niet toerekenbaar was, lieten hem
ongehinderd doorpraten, maar Thor, die toen juist van een zijner
reizen thuis kwam en die zijn dreigement hoorde, dat hij de beminde
Sif zou weghalen, werd vreeselijk woedend. Hij zwaaide razend zijn
hamer met het doel den grootspreker te vernietigen. Dit wilden de
goden echter niet toestaan en wierpen zich snel tusschen den toornigen
Thor en zijn gast, terwijl zij Thor smeekten de heilige rechten der
gastvrijheid te eeren, en hun vreedzame plaats niet te ontheiligen
door het vergieten van bloed.

Thor werd ten slotte er toe gebracht zijn toorn te breidelen, maar
hij vroeg dat Hrungnir tijd en plaats zou aangeven voor een "holmgang"
zooals een noorsch tweegevecht gewoonlijk werd genoemd. Dus uitgedaagd
beloofde Hrungnir Thor te zullen treffen te Griottunagard, de grenzen
van zijn gebied, drie dagen later, en vertrok wat ontnuchterd door
den schrik, dien hij had gekregen. Toen zijn medereuzen hoorden
hoe onnadenkend hij was geweest, scholden zij hem erg uit; maar
zij overlegden samen hoe het beste te maken van den leelijken
toestand. Hrungnir vertelde hun dat hij het voorrecht mocht hebben
vergezeld te zijn door een krijger met wien Thialfi zou vechten, en
daarom gingen zij een wezen maken uit klei, negen mijlen lang en naar
evenredigheid breed, dat zij Mokerkialfi (nevelwader) noemden. Daar
zij geen menschelijk hart konden vinden dat groot genoeg was om het
in de borst van dit monster te steken, namen zij dat van een merrie,
dat echter van vrees sidderde en beefde. De dag van het tweegevecht
kwam. Hrungnir en zijn krijger wachtten op het terrein de aankomst
van hun respectieve partijen. De reus had niet alleen een steenen hart
en schedel, maar ook een schild en knots van dezelfde stof, en hield
zich daarom bijna voor onoverwinlijk. Thialfi kwam voor zijn meester
en kort daarop was er een heftig gedruisch en geschud waardoor de
reus merkte dat zijn vijand door den grond zou komen en hem van onder
aanvallen. Hij volgde dus een wenk van Thialfi en stond op zijn schild.

Een oogenblik later zag hij echter zijn vergissing, want, terwijl
Thialfi Mokerkialfi aanviel met een spade, kwam Thor plotseling
op het tooneel en wierp zijn hamer vlak naar het hoofd van zijn
tegenpartij. Hrungnir hield, om den slag af te weren, zijn steenen
knots, die in stukken over de aarde vloog en oorzaak werd van al
de keiën welke men er later zou vinden, en een stuk drong diep in
Thors voorhoofd. Toen de god bewusteloos ter aarde viel, kraakte
zijn hamer tegen het hoofd van Hrungnir, die dood naast hem neerviel,
in dier voege dat een zijner zware beenen over den god kwam te liggen.


    Gij doet mij denken nu
    Hoe ik met Hrungnir vocht,
    Dien stoutmoedigen Jötun,
    Wiens hoofd was gansch van steen;
    Toch deed ik hem vallen
    En voor mij tuim'len.

                                Saemunds Edda.


Thialfi die intusschen had afgerekend met den grooten reus van klei
met zijn laf merriehart, ijlde nu zijn meester te hulp, maar zijn
pogingen waren vruchteloos, en ook konden de andere goden, die hij
snel te hulp riep, het belemmerende been niet oplichten. Toen zij
daar stonden, zich hulpeloos verbazend wat zij verder zouden doen,
kwam Thors zoontje, Magni, aan. Volgens verschillende berichten was
hij toen slechts drie dagen of drie jaar oud, maar hij greep snel
den voet van den reus, en, zonder dat iemand hem hielp, bevrijdde hij
zijn vader, zeggend dat indien men hem slechts eerder had geroepen hij
met beiden, reus en krijger, zou hebben afgerekend. Deze openbaring
van kracht verbaasde de goden zeer, en deed hun de waarheid merken
van de verschillende voorspellingen, die alle verklaarden dat hun
afstammelingen machtiger zouden zijn dan zij, hen zouden overleven en
op hun beurt over den nieuwen hemel en de nieuwe aarde zouden regeeren.

Om zijn zoon te beloonen voor zijn tijdige hulp gaf Thor hem het ros
Gullfaxi (goud-manig), dat hem krachtens recht van buitmaking toekwam,
en Magni reed voortaan steeds op dit wonderbare paard, dat bijna den
beroemden Sleipnir evenaarde in snelheid en weerstandsvermogen.



Groa, de toovenares.

Na een vergeefsch pogen om den steensplinter uit zijn voorhoofd te
verwijderen, keerde Thor bedroefd naar Thrud-vang terug, waar Sifs
liefderijke pogingen even weinig succes hadden. Zij besloot dus
om Groa (groenmaakster) te zenden, een toovenares, beroemd om hare
bedrevenheid in de geneeskunst en om de kracht harer tooverformulen
en bezweringen. Groa verklaarde zich dadelijk bereid alles wat in haar
vermogen was te doen om den god te helpen, die zoo vaak haar terwille
was geweest, en begon plechtig voor te dragen machtige runen, onder
welker invloed Thor den steen losser en losser voelde worden. Zijn
vreugde bij het uitzicht op een spoedige verlossing deed Thor wenschen
de toovenares direct te beloonen, en wetend dat niets grooter genot kon
geven aan een moeder dan het uitzicht een langverloren kind terug te
zien, ging hij haar vertellen dat hij pas den Elivagar of ijsstroom had
overgestoken, om haar zoontje Orvandil (zaad) uit de wreede macht der
reuzen te bevrijden, en dat hij er in geslaagd was hem in een mandje
mee te voeren. Maar daar de kleine ondeugd volhield een van zijn
bloote teenen door een gat in de mand te steken, was deze bevroren,
en Thor brak hem toevallig af en wierp hem in de lucht, waar hij als
een ster zou schijnen, in het Noorden als "Orvandils Teen" bekend.

Verheugd bij dit nieuws hield de profetes met hare bezweringen op
om haar blijdschap uit te drukken, maar daar zij juist vergeten was
waar zij was gebleven, kon zij haar betoovering niet voortzetten
en de keisteen bleef in Thors voorhoofd zitten waar hij nimmer kon
worden uitgehaald.

Daar Thors hamer hem altijd zulke goede diensten bewees werd deze het
meest van alles wat hij had geprezen, en groot was zijn teleurstelling
toen hij op zekeren morgen wakker werd en de hamer weg bleek. Zijn
kreet van toorn en teleurstelling riep Loki weldra aan zijn zijde
en hem vertrouwde Thor het geheim van zijn verlies toe, zeggende dat
als de reuzen er achter kwamen zij weldra Asgard zouden trachten te
bestormen en de goden te vernielen.


    Toornig werd Thor, ontwaakt nu weer,
    En vond zijn trouwe knots niet meer,
    Hij fronsde 't hoofd, hij streek zijn baard,
    Toen keek rondom de zoon der aard,
    En daar hij sprak dit woord vóór al:
    "Nu luister wat 'k u zeggen zal,
    Wat god noch mensch weet, leer ik u:
    Weg is mijn knots, wat moet ik nu?"

                                        Thryms Quida.



Thor en Thrym.

Loki zeide dat hij zijn best zou doen om den dief te ontdekken en den
hamer terug te vinden, als Freya hem haar valkenveeren wilde leenen,
en hij haastte zich onmiddellijk naar Folkvang om ze te vragen. Zijn
reis had succes, en in de gestalte van een vogel vloog hij toen over
de rivier Ifing en over de kale uitgestrektheid van Jötun-heim,
waar hij vermoedde dat de dief zich ophield. Daar zag hij Thrym,
heer der vorstreuzen en god van den verwoestenden donder, alleen aan
een heuvelhelling zitten. Hem listig uitvragend, kwam hij spoedig te
weten dat Thrym den hamer had gestolen en hem diep onder den grond
begraven had. Bovendien merkte hij dat er weinig kans was hem terug
te krijgen tenzij Freya hem gebracht werd als een vogel uitgedost.


    Ik houd des Dond'rers knots bewaard
    Acht meters diep beneden d' aard;
    Geen is er die mij hem zal ontstelen
    Als hij Freya niet brengt om mijn bed te deelen.

                                        Thryms Quida.


Verontwaardigd over de laatdunkendheid van den reus, keerde Loki terug
naar Thrud-vang, maar Thor meende dat het goed zou zijn Freya op te
zoeken en te trachten haar over te halen dat zij zich zou opofferen ten
algemeenen nutte. Maar toen de Aesir de godin der schoonheid vertelde
wat hij van haar wilde, werd zij zóó woedend dat haar halsketting
barstte. Zij zeide hem dat zij nooit haren geliefden echtgenoot zou
verlaten voor welken god ook, veel minder een afschuwelijken reus huwen
en in Jötun-heim wonen, waar alles uiterst somber was, en waar zij
spoedig zou sterven aan heimwee naar de groene velden en de bloemrijke
weiden, waarin zij zoo gaarne rondzwierf. Ziende dat verdere overreding
vruchteloos zou zijn, keerden Loki en Thor huiswaarts en overlegden
er een ander plan om den hamer terug te krijgen. Op Heimdall's raad,
die echter slechts met grooten tegenzin werd aangenomen, leende Thor de
kleeren van Freya en haar halsketting, trok deze aan en wikkelde zich
in een dichten sluier. Nadat Loki zich als een kamenier had vermomd,
steeg hij met hem in den wagen, met geiten bespannen, en het vreemd
uitgedoste paar vertrok naar Jötun-heim, waar zij de respectieve
rollen zouden spelen van de godin der schoonheid en hare dienstbare.


    Naar huis gedreven
    Werden de geiten,
    Gespannen voor de kar;
    Vlug moest het gaan--
    De bergen dreunden,
    De aarde stond in vlam;
    Odins zoon
    Reed naar Jötun-heim.

                Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).


Thrym heette zijn gasten welkom aan de deur van het paleis, zeer
verheugd bij de gedachte, dat hij weldra in het volle bezit zou
zijn van de godin der schoonheid, naar wie hij lang te vergeefs
had gezucht. Hij voerde hen vlug naar de eetzaal, waar Thor,
de uitverkoren bruid, zich onderscheidde door een os op te eten,
acht groote zalmen, en al de koeken en zoetigheden die voor de
vrouwen bestemd waren, terwijl hij deze verschillende gerechten
wegspoelde met den inhoud van twee vaten mee. De reus-bruidegom
sloeg deze gastronomische daden gade met verwondering, waarop Loki,
om hem gerust te stellen, vertrouwelijk fluisterde dat de bruid zóó
verliefd op hem was, dat zij in meer dan acht dagen niet in staat
was geweest een bete te nuttigen. Thrym trachtte toen de bruid
te kussen, maar week terug, ontsteld door het vuur van haar blik,
dien Loki uitlegde als een brandenden liefdeblik. Op de zuster van
den reus, die om de gewone geschenken vroeg, werd niet eens gelet;
daarom fluisterde Loki den verbaasden Thrym weer toe dat liefde
de menschen afgetrokken maakt. Opgewonden door hartstocht en mee,
die ook hij in groote hoeveelheden had gedronken, beval de bruidegom
zijn dienaren nu den heiligen hamer te brengen ten einde het huwelijk
in te zegenen, en zoodra hij er was legde hij hem in den vermeenden
schoot van Freya. Dadelijk greep een sterke hand het korte handvat,
en weldra werden de reus, zijn zuster, en al de genoodigde gasten
verslagen door den vreeslijken Thor.


    "Haal nu den hamer, breng hem der maagd
    En leg hem neer op den schoot der vrouw",
    De Dond'rer lacht, stil verblijd,
    Toen de hamer werd op zijn schoot geleid,
    Eerst bracht hij Thrym, den koning, om,
    En verder al de reuzen rondom.

                                    Thryms Quida.


Een rookende puinhoop achterlatend reden de goden toen snel naar Asgard
terug, waar de geleende kleederen aan Freya werden teruggegeven,
zeer tot verlichting van Thor, en de Aesir zich verheugde over de
ontdekking van den kostbaren hamer. Toen later Odin keek naar dien
kant van Jötun-heim van zijn troon Hlidskialf, zag hij de ruïnen bedekt
met teedere groene spruiten, want Thor had, na zijn vijand overwonnen
te hebben, zijn land in bezit genomen, dat voortaan niet langer kaal
en woest zou blijven maar in overvloed vrucht voortbrengen zou.



Thor en Geirrod.

Loki leende eens Freya's valkengewaad en vloog uit op zoek van
avonturen naar een anderen kant van Jötun-heim, waar hij ging
zitten boven op den gevel van Geirrods huis. Hij trok al spoedig de
aandacht van dezen reus, die een van zijn knechten beval den vogel
te vangen. Loki had vermaak in de onhandige pogingen van den man om
hem te pakken en vloog van plaats tot plaats, zich enkel bewegend
juist wanneer de reus op het punt was hem te grijpen, toen hij zich
vergiste in den afstand en hij plotseling merkte dat hij gevangen was.

Aangetrokken door de schitterende oogen van den vogel keek Geirrod
er oplettend naar en besloot dat het een god was in vermomming,
en toen hij zag dat hij hem niet tot spreken kon dwingen, sloot hij
hem in een kooi, waar hij hem drie heele maanden hield zonder spijs
of drank. Ten slotte door honger en dorst genoopt vertelde Loki wie
hij was en herkreeg zijn vrijheid door te beloven dat hij Thor zou
overhalen Geirrod te bezoeken zonder zijn hamer, gordel of magischen
handschoen. Loki vloog toen naar Asgard terug en zei Thor dat hij
koninklijk was onthaald en dat zijn gastheer een sterk verlangen had te
kennen gegeven om den machtigen dondergod te zien, van wien hij zulke
wonderbare verhalen gehoord had. Gevleid door deze listige woorden
stemde Thor toe in een vriendschappelijken tocht naar Jötun-heim,
en de twee goden vertrokken, de drie wapenen thuis latend. Zij
waren nog niet ver gekomen, toen zij het huis bereikten van Grid,
een van Odins vele vrouwen. Toen zij zag dat Thor ongewapend was,
waarschuwde zij hem zich in acht te nemen voor verraad en leende hem
haar eigen gordel, staf en handschoen. Korten tijd daarna verlieten
Thor en Loki haar en kwamen aan de rivier Veimer, die de Donderaar,
het waden gewoon, wilde doorloopen, terwijl hij Loki en Thialfi zich
liet vasthouden aan zijn gordel.

Maar midden in den stroom greep hem een plotselinge wolkbreuk en
vloed; de wateren begonnen te rijzen en te bruischen, en, ofschoon
Thor stevig op zijn staf leunde, werd hij bijna weggezweept door de
kracht van den woedenden stroom.


    Was niet, Veimer,
    Nu 'k doorwaden u wil
    Naar des reuzen land!
    Weet als gij wast,
    Wast mijn godensterkte
    Hoog als de hemelen.

                Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).


Thor bespeurde nu dat stroomop Geirrods dochter Gialp zich bevond,
en terecht vermoedend dat zij den storm veroorzaakte, nam hij een
zwaren kei en gooide haar daarmee, mompelend dat de beste plaats
om een rivier af te dammen bij haar bron was. Het werptuig had de
bedoelde uitwerking, want de reuzen vluchtten, de wateren vielen,
en Thor, uitgeput maar gered, trok zich op den anderen oever aan een
kleinen struik op, den bergesch of sorbe. Deze staat sedert bekend als
"Thors redding" en verborgen machten worden er aan toegeschreven. Na
een poos rusten hervatten Thor en zijn makkers hun reis; maar toen
zij aan Geirrods huis kwamen was de god zóó uitgeput dat hij moe
neerviel op den eenigen stoel die er was. Maar tot zijn verbazing
voelde hij hem onder zich oprijzen, en, vreezende dat hij tegen de
balken zou verpletterd worden, stiet hij den geleenden staf tegen den
zolder en drukte den stoel met alle macht naar beneden. Toen volgden
een geweldig gekraak, plotselinge kreten en zuchten van pijn; en toen
Thor aan het onderzoeken ging, bleek het dat de dochters van den reus,
Gialp en Greip, onder zijn stoel waren geslopen om hem verraderlijk
te vermoorden, en dat zij een verdiend loon hadden gekregen en beiden
verpletterd waren.


    Eens gebruikte ik
    Mijn asa-macht
    In het reuzenland,
    Toen Gialp en Greip
    Mij naar boven tilden.

                Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).


Geirrod verscheen nu en daagde Thor uit tot een proeve van kracht en
handigheid, maar zonder te wachten op een van te voren afgesproken
teeken wierp hij hem met een rood-gloeiende wig. Thor, vlug van
oogen en een ervaren opvanger, ving het werptuig op met den ijzeren
handschoen van de reuzin en sloeg het terug naar zijn tegenpartij. Zóó
groot was de kracht van den god, dat het ding niet alleen heenging door
den pilaar waarachter de reus gevlucht was, maar door hem zelf heen en
door den muur van het huis, en diep in den grond buiten, zich begroef.

Thor ging toen naar het lijk van den reus, dat op den slag van zijn
wapen versteend was, en zette het op een zichtbare plaats, als een
herinnering aan zijn kracht en aan de overwinning, die hij behaald
had op zijn verschrikkelijke vijanden, de bergreuzen.



De vereering van Thor.

Thors naam is gegeven aan vele plaatsen die hij dikwijls bezocht,
zooals de voornaamste haven van de Faroe-eilanden, en aan geslachten
die beweren van hem af te stammen. Hij komt nog voor in namen als
Thunderhill in Surrey, en in de geslachtsnamen Thorburn en Thorwaldsen,
maar is het duidelijkst in den naam van een der dagen van de week,
Thors dag of Thursday (Donderdag).


    Over heel d' aard
    Is het nog Thors dag.

                Sage van koning Olaf (Longfellow).


Thor werd beschouwd als een buitengewoon goede god, en daarom werd
hij in zoo breeden kring gehuldigd en rezen tempels hem ter eere op
in Moeri, Hlader, Godey, Gothland, Upsala en op andere plaatsen, waar
het volk nooit verzuimde hem te smeeken op Yuldag, zijn hoofdfeest,
om een gunstig jaar. Men was gewoon dien dag een groot blok van een
eik, den hem geheiligden boom, te branden, als een zinnebeeld van de
warmte en het licht van den zomer, die zouden verdrijven de duisternis
en de koude van den winter.

Bruiden droegen altijd rood, Thors geliefkoosde kleur, die als
het zinnebeeld van de liefde gold, en om dezelfde reden waren
verlovingsringen in het noorden bijna altijd van een rooden steen
voorzien.

Thors tempels en beelden waren, evenals die van Wodan, uit hout
gemaakt, en het meerendeel er van werd vernield gedurende de regeering
van koning Olaf den Heilige. Volgens oude kronieken dwong deze vorst
zijn onderdanen met geweld Christen te worden. Hij was vooral boos
op de bewoners van een zekere provincie, omdat zij een ruw beeld van
Thor dienden, dat zij met gouden versierselen bedekten, en waarvoor
zij iederen avond voedsel neerzetten, bewerend dat de god het opat,
daar er den volgenden morgen geen spoor meer van over was.

Toen de bevolking werd aangezegd in 1030, dat zij dit beeld moest
verloochenen ten gunste van den waren god, beloofde zij dit te
zullen doen als den volgenden dag de lucht bewolkt was; maar toen
na een heelen nacht, dien Olaf in vurig gebed had doorgebracht, er
een bewolkte dag volgde, zeide het obstinate volk nog niet overtuigd
te zijn van Gods macht, en enkel te zullen gelooven als de zon den
volgenden dag scheen.

Opnieuw bracht Olaf den nacht biddend door, maar, toen de morgen
daagde, was tot zijn groote spijt de lucht bewolkt. Niettemin
verzamelde hij het volk bij Thors standbeeld, en na heimelijk zijn
eersten dienstman te hebben opgedragen het beeld met zijn strijdbijl te
verbrijzelen als het volk een oogenblik de oogen afwendde, begon hij
het toe te spreken. Plotseling, toen allen aan het luisteren waren,
wees Olaf naar den horizon, waar de zon langzaam door de wolken brak,
en riep uit "Zie onzen God!" Het heele volk keerde zich om, om te zien
wat hij bedoelde en de dienstman benutte deze gelegenheid om het beeld
aan te vallen, dat gemakkelijk voor zijn slagen bezweek, en een menigte
muizen en ander ongedierte kwamen haastig uit zijn inwendige, dat hol
was, te voorschijn. Toen de menschen zagen dat het voedsel, door hen
geplaatst voor hun god, was verslonden door schadelijke dieren alleen,
hielden zij op Thor te vereeren, en namen voor goed het geloof aan,
dat koning Olaf hun zoo lang en te vergeefs had willen opdringen.



HOOFDSTUK V: TYR.


De god van den oorlog.

Tyr, Tiu of Ziu was de zoon van Odin, en, volgens verschillende
mythologen, was zijn moeder Frigga, de koningin van de goden, of een
schoone reuzin wier naam onbekend is, maar die de verpersoonlijking
was van de onrustige zee. Hij is de god van de krijgseer, en een van
de twaalf hoofdgodheden van Asgard. Ofschoon hij er geen speciale
woning schijnt te hebben gehad, was hij altijd welkom te Vingolf of
Valhalla, en zat op een van de twaalf tronen in de groote vergaderhal
van Gladsheim.


    Gladsheim, de hal, die is uit goud gewrocht,
    Waar, in een cirkel, twalef stoelen staan
    Van goud, in 't midden Odins troon het hoogst.

                                    Balder Dood (Matthew Arnold).


Als de god van moed en oorlog, werd Tyr dikwijls door de verschillende
volken van het Noorden aangeroepen, die zich, tot hem, evenals tot
Odin, wendden, om de overwinning. Dat hij naast Odin en Thor stond,
blijkt uit zijn naam Tiu, die aan een van de dagen der week is
gegeven, Tiu's dag, wat in het moderne Engelsch is geworden Tuesday
(Dinsdag). Onder den naam Ziu, was Tyr de voornaamste god van de
Suaven, die oorspronkelijk hun hoofdstad, het tegenwoordige Augsburg,
Ziusburg noemden. Dit volk, den god vereerende zooals het dat deed, was
gewoon hem te huldigen in de gestalte van een zwaard, zijn kenmerkend
attribuut, en hield hem ter eere groote zwaarddansen, bestaande uit
verschillende figuren. Soms vormden de deelnemers twee lange lijnen,
kruisten hunne zwaarden, met de punten naar boven, en noodigden den
stoutmoedigsten onder hen uit vliegensvlug er over heen te springen. Op
andere tijden hielden de krijgers hun zwaardpunten dicht bij elkander
in den vorm van een roos of een wiel, en als deze figuur volkomen was,
noodigden zij hun aanvoerder uit op het dus gevormde kruispunt van
vlakke, schitterende zwaarden te gaan staan, en dan droegen zij hem
er op in triomf door het legerkamp. De zwaardspits werd verder als
zóó heilig beschouwd dat het gebruik werd er eeden op te zweren.


                    Komt herwaarts, heeren,
    En legt uw handen neder op mijn zwaard;
    Dat nooit g' iets zeggen zult van wat gij hoordet,
    Zweert bij mijn zwaard het."

                                            Hamlet (Shakespeare.)


Een karakteristieke trek van de vereering van dezen god onder de
Franken en eenige andere Noorsche volken was dat de priesters,
die Druids of Godi heetten, menschenoffers brachten op hun altaren,
terwijl zij aan een van de kanten van de ruggegraat hunner slachtoffers
een diepe insnijding maakten, er de ribben, die van binnen waren
losgerukt, uithaalden, en door de dus gemaakte opening de ingewanden
uittrokken. Natuurlijk werden alleen krijgsgevangenen zoo behandeld,
en het werd als een zaak van eer beschouwd bij de noord-europeesche
stammen, dat men deze marteling zonder klacht doorstond. Deze offers
werden gebracht op ruwe steenen altaren die dolmens heetten, en die
men in Noord-Europa nog kan zien. Daar Tyr beschouwd werd als de
beschermgod van het zwaard moest men, noodzakelijk het teeken of de
rune, die hem voorstelde, op het staal van ieder zwaard graveeren--een
regel welken de Edda allen inprentte die verlangend waren naar het
behalen van overwinning.


    "Sig-runes moet gij kennen
    Als gij zege (sigr) hebben wilt,
    En op uw zwaardstaal drijf ze;
    Enk'le op de scheê,
    Enk'le op 't gevest,
    En tweemaal den naam van Tyr".

                            Lied van Sigdrifa.


Tyr was dezelfde als de Saksische god Saxnot (van sax, een zwaard)
als Er, Heru, of Cheru, de opperste god der Cheruski, die hem ook
als den god der zon beschouwden, en in zijn schitterend zwaardstaal
een beeld van zijn stralen zagen.


    Dit zwaard is zelf een straal van licht,
    Der zon ontrukt.

                            Valhalla (J. G. Jones).



Tyrs zwaard.

Volgens een oude legende werd Cheru's zwaard, dat door dezelfde
dwergen vervaardigd was, die ook Odins speer gemaakt hadden, voor
zeer heilig gehouden door zijn volk, waaraan hij het te bewaren
had gegeven, zeggende dat zij, die het hadden, zeker hunne vijanden
zouden overwinnen. Maar ofschoon het zorgvuldig behoed werd in den
tempel, waar het zóó was opgehangen dat het de eerste stralen van
de ochtendzon weerkaatste, verdween het op een nacht plotseling en
op een geheimzinnige wijs. Een Vala, druïdes of profetes, door de
priesters geraadpleegd, openbaarde dat de Nornen hadden besloten,
dat wie het voerde de wereld zou veroveren en er door sterven zou;
maar trots alle pogingen weigerde zij zeggen wie het had weggenomen of
waar men het kon vinden. Eenigen tijd nadat dit niet gebeurd was, kwam
een forsch en waardig uitziend vreemdeling te Keulen, waar Vitellius,
de Romeinsche prefect, feestvierde, en riep hem van zijn geliefde
lekkere spijzen af. In tegenwoordigheid van de Romeinsche soldaten
gaf hij hem het zwaard, zeggende dat het hem roem en faam zou brengen,
en begroette hem ten slotte als keizer. De kreet werd overgenomen door
de verzamelde legioenen, en Vitellius was tot keizer van Rome gekozen,
zonder dat hij persoonlijk één poging had gedaan om deze eer deelachtig
te worden. De nieuwe heerscher was echter zóó overgegeven aan zijn
hartstocht van eten en drinken, dat hij aan het heilige wapen slechts
weinig aandacht schonk. Op zekeren dag, toen hij met niet veel haast
naar Rome trok, liet hij het zorgeloos hangen in de voorkamer van
zijn paviljoen. Een Germaansch soldaat nam de kans waar om het voor
zijn eigen roestig zwaard te ruilen, en de verdwaasde keizer merkte
de ruiling niet. Toen hij te Rome kwam, hoorde hij dat de Oostelijke
legioenen Vespasianus tot keizer hadden uitgeroepen, en dat deze toen
juist onderweg was om zijn aanspraken te doen gelden op den troon.

Vitellius zocht nu naar het heilig wapen om zijn rechten te verdedigen,
maar ontdekte den diefstal en, overmand door bijgeloovige vrees,
waagde hij het niet eens te vechten. Hij kroop weg in een donkeren
hoek van zijn paleis, waaruit hij met schande werd weggesleept door
het verwoede volk naar den voet van den Capitolijnschen heuvel. Daar
werd de profetie geheel vervuld, want de Germaansche soldaat, die zich
bij de tegenpartij had aangesloten, kwam op dat oogenblik voorbij en
sloeg Vitellius' hoofd af met het heilig zwaard.

De Germaansche soldaat ging nu van het eene legioen naar het andere,
en doorreisde vele landen; maar waar hij en zijn zwaard ook toefden,
was de overwinning.

Nadat hij groote eer en onderscheiding had verworven, trok deze man,
die oud geworden was, zich van den actieven dienst aan de oevers van
den Donau terug, en begroef daar in het geheim zijn kostbaar wapen,
terwijl hij zijn hut boven de plaats bouwde waar het lag om het,
zoolang hij leefde, te bewaken. Toen hij op zijn sterfbed lag, vroeg
men hem te zeggen waar hij het verborgen had, maar hij weigerde dit
beslist, zeggende dat het zou gevonden worden door den man, wiens
bestemming het was over de wereld te heerschen, maar dat hij niet
den vloek zou kunnen ontgaan. Jaren gingen voorbij. Golf na golf
stroomde het getij van barbaren-invallen over dat deel van het land,
en het laatst van allen kwamen de vreeslijke Hunnen, onder aanvoering
van Attila, den "Geesel Gods." Toen hij langs de rivier kwam, zag
hij een boer bedroefd den poot van zijn koe onderzoeken, die gewond
was door een scherp instrument, in het lange gras verborgen, en toen
men nasporing deed, vond men de punt van een begraven zwaard uit den
grond steken.

Toen Attila het mooie werk en den goeden staat van dit wapen zag, riep
hij dadelijk uit dat het Cherus' zwaard was, en terwijl hij het boven
zijn hoofd zwaaide zeide hij dat hij de wereld zou veroveren. Gevecht
na gevecht werd door de Hunnen bevochten, die, volgens de sagen,
altijd zegevierden, totdat Attila genoeg had van den oorlog en zich in
Hongarije neerliet, en de schoone Bourgondische prinses Ildico trouwde,
wier vader hij verslagen had. Deze prinses, boos om den moord van haar
bloedverwant en dien willende wreken, maakte gebruik van 's konings
dronkenschap op den avond van zijn huwelijk om het goddelijk zwaard
zich toe te eigenen, waarmee zij hem in zijn bed neersloeg, opnieuw
de profetie vervullend die zoovele jaren te voren was uitgesproken.

Het tooverzwaard verdween weer langen tijd om nog eens te worden
opgedolven, voor den laatsten keer, door den hertog van Alva, den
generaal van Karel V, die kort daarop de overwinning bij Mühlberg
behaalde (1547). De Franken waren gewoon jaarlijks krijgsspelen te
houden ter eere van het zwaard; maar men zegt dat toen de heidensche
goden ten bate van het Christendom waren afgezworen, de priesters
velen hunner attributen op de heiligen overbrachten en dat dit
zwaard het eigendom werd van den Aartsengel St. Michael, die het
sinds altijd droeg.

Tyr, wiens naam synoniem was met dapperheid en wijsheid, werd door
het oude Noorsche volk ook beschouwd als de witarmige Valkyren, Odins
bodinnen, onder zijn bevel te hebben, en men dacht dat hij het was
die de krijgslieden uitzocht welke zij moeten overbrengen naar het
Valhalla om de goden te helpen op den laatsten dag.


    De god Tyr zond
    Gondul en Skogul
    Om te kiezen een vorst
    Uit het ras van Ingve,
    Om te wonen met Odin
    In het ruime Valhal.

            Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).



De geschiedenis van Fenris.

Men sprak doorgaans van Tyr als van den eenarmige en beeldde hem zoo
af, juist als men Odin een-oogig noemde. Verschillende verklaringen
worden door verschillende autoriteiten gegeven, sommigen beweren dat
het was omdat hij de overwinning slechts aan één kant kon geven;
anderen omdat een zwaard slechts één lemmer heeft. Hoe dit zij,
de ouden verklaarden het feit liever op de volgende wijze:

Loki huwde in het geheim te Jötun-heim de leelijke reuzin Angur-boda
(angst-spellende) die hem drie monsterachtige kinderen schonk--den wolf
Fenris, Hel, de bontgekleurde godin van den dood, en Iörmungandr,
een vreeselijke slang. Hij hield het bestaan van deze monsters
zoolang geheim als hij kon; maar zij werden weldra zóó groot dat
zij niet langer konden opgesloten blijven in het hol waar zij het
licht hadden gezien. Odin merkte van zijn troon Hlidskialf, weldra
hun bestaan, en ook de onrustbarende snelheid waarmee zij in omvang
toenamen. Bang dat de monsters, wanneer zij sterker waren geworden,
een inval in Asgard zouden doen en de goden vernietigen, besloot
Alvader zich van hen te ontdoen, en ging naar Jötun-heim, waar hij
Hel in de diepten van Nevelheim wierp, met de woorden dat zij over
de negen leelijke werelden der dooden kon heerschen. Daarna wierp hij
Iörmungandr in zee, waar hij zulke reusachtige afmetingen aannam, dat
hij ten slotte de aarde omgordde en in zijn eigen staart kon bijten.


    Geworpen in den duisteren zeegrond
    Groeide de slang naar echten reuzenaard
    Om heel de wereld lag zij en in haar mond
    Hield ze, in cirkelvorm, haar staart,
    Toch bleef zij stil
    Op Odins wil.

                                Valhalla (J. C. Jones).


Volstrekt niet blij dat de slang zoo vreeslijke afmetingen zou aannemen
in haar nieuw element, besloot Odin Fenris naar Asgard te brengen,
waar hij hoopte, door vriendelijke behandeling, hem tot zachtheid te
stemmen. Maar de goden huiverden allen van schrik toen zij den wolf
zagen, en geen durfde nader komen om hem voedsel te geven, behalve Tyr,
die voor niets bang was. Ziende dat Fenris dagelijks toenam in omvang,
kracht, vraatzucht en overmoed, belegden de goden een vergadering om
te bepraten hoe zij het best van hem af konden komen. Zij besloten
eenstemmig dat, daar hem te dooden een ontwijden zou zijn van hun
vreedzame woonplaats, zij hem vast zouden binden zoodat hij hun geen
kwaad kon doen.

Met dat doel voor oogen, kregen zij een sterken ketting, Leiding
geheeten, en stelden toen Fenris in scherts voor dien hem om te binden
om zijn vermeende kracht te beproeven. Vertrouwend dat hij zich zelf
zou kunnen bevrijden, stond Fenris gewillig toe dat zij hem zouden
vastbinden, en toen allen er bij stonden, strekte hij zich uit met
geweldige inspanning en brak den ketting gemakkelijk in tweeën.

Terwijl zij hun spijt verborgen, prezen de goden zijn kracht zeer,
maar zij brachten daarop een veel sterker ketting, Droma, dien,
na eenige overreding, de wolf zich als te voren liet aandoen. Weer
was een korte, sterke worsteling voldoende zijn boei te breken, en
het is in het noorden een spreekwoordelijke uitdrukking geworden:
"los te komen uit Leiding," en "zich vrij te maken van Droma,"
wanneer men groote moeilijkheden moet te boven komen.


    Weer trachtten d' Aesir hem te binden;
    Weer moesten zij 't vergeefs bevinden;
    IJzer of koper hielp geen zier,
    Sterker tooverkunsten pasten hier.

                            Valhalla (J. C. Jones).


Toen de goden nu merkten dat de gewone kettingen, hoe sterk ook,
niets zouden uitwerken tegen de groote kracht van den wolf Fenris,
droegen zij Skirnir, Frey's knecht, op naar Svart-alva-heim te gaan
en de dwergen een keten te laten maken dien niemand van elkaar zou
kunnen krijgen.

Door tooverkunsten vervaardigden de elfen een dun zijden koord van
zoo ontastbare stoffen als het geluid van de stappen eener kat,
den baard van een vrouw, de wortelen van een berg, de verlangens van
den beer, de stem van de visschen en het speeksel van de vogels, en
toen het klaar was, gaven zij het aan Skirnir met de verzekering dat
geen kracht het zou kunnen breken, en dat, hoe meer men er aan trok,
het te sterker worden zou.


    Gleipnir, bedocht
    Door d' Elfen, gewrocht
    In Svart-alf-heim, door felle toovermacht,
    Werd tot Odin door Skirnir gebracht:
    Zoo zacht als zij, zoo licht als lucht,
    Was het van tooverkracht geducht.

                            Valhalla (J. C Jones).


Gewapend met dit koord, dat Gleipnir heette, gingen de goden met Fenris
naar het eiland Lyngvi, midden in het meer Amsvartnir, en stelden hem
weer voor, zijn kracht te beproeven. Maar ofschoon Fenris nog sterker
was geworden, wantrouwde hij het koord dat er zoo dun uitzag. Hij
wilde zich dus niet laten binden, tenzij een van de Aesir zijn hand in
zijn mond wou steken en ze er in laten als pand van hun goede trouw,
en dat tegen hem geen tooverkunsten zouden worden aangewend.

De goden hoorden de beslissing met teleurstelling, en allen deinsden
terug, behalve Tyr, die, ziende dat de anderen niet durfden ingaan
op deze voorwaarde, moedig aanstapte en zijn hand tusschen de
kaken van het monster hield. De goden bonden Gleipnir nu vast om
Fenris nek en pooten, en toen zij zagen dat zijn uiterste pogingen
om zich te bevrijden vruchteloos waren, schreeuwden en lachten zij
van plezier. Tyr kon echter hun vreugde niet deelen, want de wolf,
bespeurende dat hij gevangen was, beet de hand van den god af bij
het gewricht, dat sedert bekend staat als het wolfsgewricht.


Loki.   Wees stil, Tyr!
        Gij kunt nooit beginnen
        Een tweegevecht;
        Van uw rechterhand moet ik
        Ook melding maken
        Die u Fenris ontnam.

Tyr.    Ik mis een hand slechts,
        Maar gij goeden naam;
        Droef is beider gemis,
        Niet op zijn gemak is de wolf:
        Hij moet blijven in boeien
        Tot den val der goden.

                                Saemunds Edda.


Beroofd van zijn rechterhand, was Tyr nu genoodzaakt den verminkten
arm voor zijn schild te gebruiken, en zijn zwaard te zwaaien met zijn
linkerhand; maar zijn handigheid was zóó groot dat hij zijn vijanden
als te voren versloeg.

Trots de tegenstribbelingen van den wolf trokken de goden het eind
van het koord Gelgia door de rots Gioll, en maakten het vast aan den
steen Thviti, die diep in den grond werd gelaten. Zijn vreeslijke
kaken wijd opensperrend uitte Fenris een zóó ontzettend gehuil,
dat de goden, om hem te doen zwijgen, een zwaard in zijn bek staken,
waarvan het gevest rustte op zijn benedenkaak en de punt tegen zijn
gehemelte. Het bloed kwam toen in zulke stroomen te voorschijn dat
het een groote rivier vormde, die Von werd genoemd. De wolf moest
zoo tot den laatsten dag geketend blijven, wanneer hij zijn boeien
zou verbreken en vrij zou zijn om het hem aangedane te wreken.


    De wolf Fenris,
    Van de boei ontdaan,
    Zal zwerven op aarde.

                Doods-lied van Hâkon.


Terwijl sommige mythologen in deze mythen een beeld van de misdaad zien
die bedwongen wordt en onschadelijk gemaakt door de kracht der wet,
zien anderen er in het onderaardsche vuur, dat, in boeien geslagen,
niemand iets kan doen, maar als het ontketend is de wereld vervult met
verwoesting en ellende. Evenals het heet dat Odins tweede oog rust
in Mimirs bron, zoo vindt men Tyrs tweede hand (zwaard) in Fenris'
kaken. Hij heeft niet meer behoefte aan twee wapenen dan de lucht
aan twee zonnen.

De dienst van Tyr wordt vermeld in verschillende plaatsen (zooals
Tübingen, in Duitschland) die meer of min gewijzigde vormen van zijn
naam dragen. De naam is ook gegeven aan de monnikskap, een plant die
in noordelijke landen bekend is als "Tyrs helm".



HOOFDSTUK VI: BRAGI.


Het ontstaan van de dichtkunst.

Ten tijde van den twist tusschen de Aesir en de Vanas, toen men
vrede gesloten had, werd een vaas in de vergadering gebracht, waarin
beide partijen plechtig spuwden. Uit het speeksel schiepen de goden
Kvasir, een wezen dat beroemd was wegens zijn wijsheid en goedheid,
die de wereld rondging en antwoordde op alle hem gestelde vragen,
en zoo de menschheid onderrichtte en gelukkig maakte. De dwergen,
vernemend van Kvasirs groote wijsheid, begeerden hem, en toen zij
hem op zekeren dag slapende vonden, versloegen twee hunner, Fialar en
Galar, hem verraderlijk, en vingen iederen druppel van zijn bloed in
drie vaten--den ketel Od-hroerir (ingeving) en de bekers Son (boete)
en Boden (offer). Na dit bloed flink met honig vermengd te hebben,
vervaardigden zij er een soort drank uit, die zóó inspireerend was,
dat wie er van proefde onmiddellijk een dichter werd, en kon zingen
met een lieflijkheid die stellig alle harten moest veroveren.

Ofschoon de dwergen deze wonderbare meê tot eigen gebruik hadden
gebrouwen, proefden zij er nu in het geheel niet van, maar verborgen
haar op een geheime plaats, terwijl zij op zoek gingen naar verdere
avonturen. Zij waren nog niet ver gegaan, toen zij den reus Gilling ook
in diepen slaap vonden, liggend op een steilen oever, en zij rolden hem
boosaardig in het water, waar hij omkwam. Toen zich naar zijn woning
spoedend, klommen eenigen op het dak, dragend een grooten molensteen,
terwijl de anderen naar binnen gingen en aan de reuzin vertelden dat
haar man dood was. Toen zij door de deur ging rolden de ondeugende
dwergen den molensteen op haar hoofd en doodden haar. Volgens een
ander verhaal verzochten de dwergen den reus met hen te gaan visschen
en slaagden er in hem te vermoorden doordat zij hem uitzonden in een
lek schip dat zonk onder zijn gewicht.

De zoo bedreven dubbele misdaad bleef niet lang ongestraft, want
Gillings broeder, Suttung, ging snel de dwergen zoeken, besloten
hem te wreken. Hij pakte hen in zijn machtige vuist en zette hen
op een zandbank ver in zee, waar zij zeker zouden zijn omgekomen,
ware het hun niet gelukt hun leven te redden door te beloven dat zij
den reus hun pas gebrouwen meê zouden geven. Zoodra Suttung hen op
het land zette, gaven zij hem daarom dit kostelijke mengsel, dat hij
aan zijn dochter Gunlod toevertrouwde terwijl hij haar beval er dag
en nacht voor te waken, en er noch goden noch menschen van te laten
proeven. Om zijn gebod beter na te komen bracht Gunlod de drie vaten
in den hollen berg, waar zij de wacht over ze hield met de meest
angstvallige nauwgezetheid, en zij vermoedde niet dat Odin de plaats
had ontdekt waar zij verborgen waren, dank de scherpe oogen van zijn
altijd waakzame raven Hugin en Munin.



Het zoeken van den drank.

Toen Odin de runenwijsheid bemachtigd had en had geproefd de wateren
van Mimirs fontein, was hij reeds de wijste der goden; maar toen hij
vernam van de macht van den drank der inspiratie, die gemaakt was
uit Kvasirs bloed, werd hij zeer verlangend om het toovervocht in
bezit te krijgen. Met dit doel voor oogen zette hij dus zijn breed
geranden hoed op, wikkelde zich in zijn wolkenmantel, en trok naar
Jötun-heim. Op weg naar de woning van den reus kwam hij voorbij een
veld waar negen leelijke kerels bezig waren met hooien. Odin bleef
een oogenblik staan en keek naar hun werken, en merkende dat hun
sikkels inderdaad heel stomp schenen, bood hij aan ze te slijpen,
een aanbod dat de kerels gaarne aannamen.

Een slijpsteen van zijn boezem halend, ging Odin aan het scherpen van
de negen sikkels, en gaf hun handig een zóó scherpe snede dat de kerels
er plezier aan hadden en vroegen of zij den steen konden krijgen. Met
genoegen stond Odin dit toe en wierp den slijpsteen over den muur;
maar toen de negen kerels te gelijk aansprongen om hem te pakken,
wondden zij elkander met hun scherpe sikkels. Boos over hun aller
groote zorgeloosheid begonnen zij nu te vechten en hielden niet op
voordat zij allen doodelijk gewond of dood waren.

Niets zich aantrekkend van deze treurige geschiedenis ging Odin verder
en kwam kort daarop aan het huis van den reus Baugi, een broeder van
Suttung, die hem zeer gastvrij ontving. In den loop van het gesprek
vertelde Baugi hem dat hij in groote verlegenheid was, want het was
oogsttijd en al zijn werklui waren juist dood in het hooiland gevonden.

Odin die bij deze gelegenheid zich Bolwerk (kwaaddoener) had genoemd,
bood dadelijk den reus zijn diensten aan en beloofde evenveel werk
te zullen verrichten als de negen kerels samen, en ijverig den
heelen zomer te zullen werken in ruil voor een teug van Suttungs
toovermeê, als het drukke jaargetij ten einde was. Deze overeenkomst
werd onmiddellijk gesloten, en Baugi's nieuwe knecht, Bolwerk,
werkte den ganschen zomer onophoudelijk door; hij deed meer dan de
afspraak nakomen en bracht al het graan veilig in de schuur voordat
de herfstregens begonnen te vallen. Toen de eerste dag van den winter
kwam, verscheen Bolwerk voor zijn meester en vroeg zijn loon. Maar
Baugi aarzelde en weifelde en zeide dat hij niet ronduit zijn broeder
Suttung om de teug der inspiratie durfde vragen, maar zou trachten
ze door bedrog te krijgen. Samen togen Bolwerk en Baugi toen naar den
berg waar Gunlod woonde, en daar zij geen andere manier konden vinden
om den verborgen kelder binnen te komen, haalde Odin zijn betrouwbare
boor, Raki geheeten, voor den dag en beval den reus met alle kracht te
boren om een gat te maken waardoor hij naar binnen zou kunnen kruipen.

Baugi gehoorzaamde zwijgend, en na eenige oogenblikken werkens trok hij
het gereedschap terug, zeggend dat hij het door den berg had geboord
en dat Odin er gemakkelijk in kon komen. Maar de god vertrouwde zijn
bewering niet, blies in het gat en toen het stof en de spaanders hem in
het gezicht vlogen, beval hij Baugi streng weer te gaan boren en niet
weer te trachten hem te bedriegen. De reus deed zooals hem bevolen was,
en toen hij zijn werktuig terugtrok, verzekerde Odin zich ervan dat
het gat werkelijk klaar was. Hij veranderde zich in een slang en wrong
er zich zóó merkwaardig snel doorheen, dat hij de scherpe boor ontweek
die Baugi hem verraderlijk in het gat nastootte om hem te vermoorden.


    Raki's mond liet ik
    Maken een gat,
    Doorknagen de rots;
    Over en onder mij
    Was der reuzen weg:
    Dus waagde ik mijn hoofd.

                        Hávamál.



De roof van den drank.

Toen hij het binnenste van den berg had bereikt, nam Odin zijn
gewone godengestalte weer aan en droeg weer zijn besterden mantel;
zoo vertoonde hij zich in de met druipsteen behangen grot voor de
schoone Gunlod. Hij was van plan haar liefde te winnen om haar er
zoo toe te krijgen dat zij hem een slokje zou geven uit al de vaten,
die aan hare zorg waren toevertrouwd.

Gewonnen door zijn hartstocht stemde Gunlod er in toe zijn vrouw te
worden, en nadat hij drie volle dagen met haar in dit verblijf had
doorgebracht, haalde zij de vaten uit de verborgen plaats en zeide
hem dat hij van elk een teug mocht nemen.


    En hij kreeg een dronk
    Van de kostb're mee.
    Gemaakt uit Od-hroerir.

                Odins Runenlied.


Odin maakte flink gebruik van deze toestemming en dronk zóóveel dat hij
alle drie vaten heelemaal leegdronk. Na dus verkregen te hebben al wat
hij wenschte, dook hij weer op uit het hol, deed zijn arendsvleugelen
aan en steeg hoog in de lucht, en, na een oogenblik boven den bergtop
gezweefd te hebben, richtte hij zijn vlucht naar Asgard.

Hij was nog ver van het gebied der goden, toen hij een vervolger
bemerkte, en inderdaad, Suttung, die ook de gestalte van een arend
had aangenomen, kwam hem snel achterna om hem tot teruggave van de
gestolen mee te dwingen. Odin vloog daarom sneller en sneller, zich
inspannend om Asgard te bereiken voordat de vijand hem inhaalde,
en toen hij naderkwam, keken de goden met spanning naar den strijd.

Ziende dat Odin slechts met moeite zou kunnen ontsnappen, haalden
de Aesir alle brandbare stoffen, die zij konden vinden, bij elkaar,
en toen hij over de muren van hun huis vloog, staken zij de massa
brandstof aan, zoodat de vlammen hoog op rezen en de vleugels van
Suttung zengden, terwijl hij den god volgde, en hij midden in het
vuur viel waar hij verbrandde.

Odin vloog tot waar de goden vaten hadden neergezet voor de gestolen
mee, en hij spuwde den drank der inspiratie zoo snel uit dat een
paar druppels neervielen en over de aarde verspreid werden. Daar
werden zij het deel van rijmelaars en poëtasters, terwijl de goden het
voornaamste tot eigen gebruik behielden, en slechts bij gelegenheid een
teug toestonden aan den dezen of genen begunstigden sterveling, die,
onmiddellijk daarop, wereldberoemd zou worden door zijn geïnspireerde
zangen.


    Van een welgekozen vorm
    Maakt' ik goed gebruik;
    Weinig mist de wijze;
    Want Od-hroerir
    Is gekomen nu
    Op d' aarde der menschen.

                        Hávamál.


Daar menschen en goden het onwaardeerbare geschenk aan Odin te danken
hadden, waren zij steeds bereid hem hun erkentelijkheid uit te drukken,
en zij noemden het niet alleen naar zijn naam, maar zij vereerden hem
als patroon van welsprekendheid, poëzie en zang en van alle skalden.



De god der muziek.

Ofschoon Odin dus de gave der poëzie bemachtigd had, maakte hij
zelden daarvan gebruik. Het was voorbehouden aan zijn zoon Bragi,
het kind van Gunlod, de god van poëzie en muziek te worden, en de
wereld door zijn liederen te betooveren.


    Wit gebaard, oud
    Speelt Bragi zijn gulden
    Harp--en nog zachter
    Sluipt weg de dag.

            Viking-vertellingen van het Noorden (R. B. Anderson).


Zoodra Bragi geboren was in de met druipsteen behangen grot waar Odin
Gunlods liefde had gewonnen, begiftigden de dwergen hem met een gouden
tooverharp, en zetten hem op een van hun eigen schepen en zonden
hem de wijde wereld in. Toen de boot langzaam uit het onderaardsche
duister kwam en over den drempel van Nain, het gebied van den dwerg
des doods, ging, zat Bragi, de schoone en zuivere jonge god, die tot
nu toe geen teekenen van leven had gegeven, plotseling overeind,
greep zijn gouden harp die naast hem lag, en begon het wonderbare
lied van het leven te zingen, dat soms ten hemel steeg en dan zonk
tot het vreeslijk gebied van Hel, de godin van den dood.


    Yggdrasils esch is
    Van alle boomen 't schoonst,
    En van alle schepen Skidbladnir;
    Van de Aesir, Odin,
    Van de paarden Sleipnir;
    Bifröst van de bruggen,
    Van de dichters Bragi.

                        Lied van Grimnir.


Terwijl hij speelde, gleed het schip zacht over de door de zon
beschenen wateren en naderde weldra de kust. Bragi ging toen te voet
verder, zijn weg banend door het kale en zwijgende bosch, spelend
terwijl hij liep. Op het geluid van zijn teere muziek begonnen de
boomen te knoppen en te bloeien, en het gras onder zijn voeten werd
met tallooze bloemen gesierd.

Hier ontmoette hij Idoen, dochter van Ivald, de schoone godin van
onsterflijke jeugd, wie de dwergen toestonden de aarde van tijd tot
tijd te bezoeken, terwijl, bij haar nadering, de natuur steeds haar
lieflijksten en bekoorlijksten aanblik kreeg.

Het was te verwachten, dat twee zulke wezens zich tot elkaar zouden
voelen aangetrokken, en Bragi kreeg de schoone godin tot vrouw. Samen
haastten zij zich naar Asgard, waar beiden hartelijk welkom werden
geheeten, en waar Odin, na runen te hebben getrokken op Bragi's
tong, besloot, dat hij de hemelsche minstreel en dichter zou zijn
van liederen op de goden en de helden die hij ontving in het Valhalla.



Vereering van Bragi.

Daar Bragi de god was van poëzie, welsprekendheid en zang,
noemden de noordelijke volken de poëzie ook naar hem, en Skalden
van beide geslachten werden dikwijls aangeduid als Bragi-mannen of
Bragi-vrouwen. Bragi werd hooggeëerd door alle noordelijke volken,
en daarom werd zijn gezondheid altijd gedronken bij plechtige of
feestelijke gelegenheden, maar vooral bij begrafenisplechtigheden en
bij Yuletijdvieringen.

Wanneer het tijd was om een dronk op hem in te stellen, die gediend
werd in bekers in den vorm van een schip en die Bragaful heetten, werd
eerst het heilige teeken van den hamer er over gemaakt. Dan verbond
zich de nieuwe heer of het hoofd van de familie plechtig tot de eene
of andere dappere daad, die hij binnen het jaar moest volvoeren,
tenzij hij als eerloos wilde zijn beschouwd. Zijn voorbeeld volgend
legden al de gasten gewoonlijk dezelfde gelofte af en zeiden wat zij
zouden doen, en daar sommigen hunner, die eerst hadden gedronken,
al te vrij praatten over hun voornemens bij deze gelegenheden,
schijnt deze gewoonte den naam van den god te hebben verbonden met
het gemeenzame maar typische Engelsche werkwoord "to brag" (pochen).

In de kunst wordt Bragi gewoonlijk voorgesteld als een oudachtig man
met lang wit haar en baard, die de gouden harp vasthoudt, waaraan
zijn vingers zulke tooverachtige wijzen konden ontlokken.



HOOFDSTUK VII: IDOEN.


De appels van de jeugd.

Idoen, de verpersoonlijking van de lente of de onsterflijke jeugd,
die, volgens sommige mythologen, niet geboren was en nooit den dood zou
behoeven te smaken, werd hartelijk welkom geheeten door de goden, toen
zij met Bragi in Asgard verscheen. Ten einde verder hunne genegenheden
te winnen beloofde zij hen dat zij elken dag mochten proeven van de
wonderbare appelen die zij in haar doos had, en die eeuwige jeugd en
lieflijkheid konden mededeelen aan allen die er van kregen.


    De gouden appels
    Uit haren tuin
    Schonken een gaaf u van jeugd,
    At gij ze iederen dag.

                                Wagner.


Dank zij deze tooverkrachtige vrucht hielden de Skandinavische goden,
die, omdat zij uit een gemengd ras ontsproten, niet allen onsterflijk
waren, de nadering van den ouderdom en van ziekte van zich af, en
bleven sterk, schoon en jong tallooze eeuwen. Deze appelen werden
daarom als zeer kostbaar beschouwd en Idoen bewaarde ze zorgvuldig in
haar tooverdoos. Hoe vele zij er ook uit nam, hetzelfde getal bleef
altijd aanwezig om uit te deelen op het feest der goden, aan wie zij
alleen toestond er van te proeven, ofschoon dwergen en reuzen ook
gaarne de vruchten zouden hebben.


    Schoon' Idoena, die nooit sterft,
    Die door Valhals zalen zwerft,
    Is een rijke schat betrouwd
    In haar doos met app'len goud,
    Zulke wond're vruchten geven
    Aesir kracht ten eeuw'gen leven.

                                Valhalla.



De geschiedenis van Thiassi.

Op zekeren dag trokken Odin, Hoenir en Loki uit op een van hun gewone
tochten naar de aarde, en, nadat zij langen tijd hadden gezworven,
bevonden zij zich in een verlaten streek, waar zij geen gastvrij dak
konden vinden. Moe en heel hongerig bespeurden de goden een kudde ossen
en doodden een van de beesten, en een vuur ontstoken hebbende, gingen
zij er bij zitten terwijl zij wachtten totdat het vleesch gaar was.

Tot hun verbazing echter bleef, trots de laaiende vlammen, het stuk
volkomen rauw. Begrijpende dat er tooverij in het spel moest zijn,
keken zij rond om te ontdekken wat hun braderij in de war bracht,
toen zij een adelaar zagen die op een boom boven hen zat. Ziende dat
de reizigers erg in hem hadden, sprak de vogel hen toe en erkende dat
hij het was, die het vuur belette zijn gewoon werk te doen, maar hij
bood aan, de betoovering weg te nemen als zij hem zooveel eten gaven
als hij op kon. De goden vonden dit goed, waarop de vogel neerschoot
en de vlammen aanwakkerde met zijn groote vleugels, en weldra was
het vleesch gaar. De adelaar wilde toen drie-vierde meenemen, maar
dit was te veel voor Loki, die een grooten stok nam, welke naast
hem lag, en den gulzigen vogel begon af te rossen, vergetend dat hij
bedreven was in tooverkunsten. Tot zijn groote teleurstelling merkte
hij, dat het eene eind van den stok zich vasthechtte aan den rug van
den adelaar, het andere aan zijn handen, en dat hij werd meegesleurd
over steenen en door struiken, soms door de lucht, terwijl zijn armen
bijna uit het lid werden gerukt. Te vergeefs schreeuwde hij om genade
en smeekte den arend hem los te laten; de vogel vloog verder, totdat
hij beloofde dat hij elken losprijs zou geven dien zijn overwinnaar
wilde in ruil voor zijn vrijheid.

De schijn-adelaar, die de stormreus Thiassi was, stemde ten slotte
erin toe, Loki vrij te laten op één voorwaarde. Hij liet hem beloven
met de plechtigste eeden, dat hij Idoen zou lokken uit Asgard, zoodat
Thiassi haar en haar toovervruchten in zijn bezit zou krijgen.


Eindelijk vrijgelaten keerde Loki naar Odin en Hoenir terug,
zorgde echter hun niet te vertellen op welke voorwaarde hij zijn
vrijheid gekregen had; en toen zij weer in Asgard waren, begon hij
plannen te maken hoe hij Idoen buiten de woning der goden zou kunnen
lokken. Eenige dagen later, toen Bragi afwezig was op een van zijn
minstreel-tochten, zocht Loki Idoen op in de boschjes van Brunnaker,
waar zij verblijf hield, en beschreef sluw eenige appelen die op
kleinen afstand groeiden, en die, zooals hij valschelijk beweerde,
volkomen op de hare geleken; zoo lokte hij haar uit Asgard met een
kristallen schotel vol vruchten, die zij wilde vergelijken met de
door hem geprezene. Zoodra Idoen buiten Asgard was, verliet haar de
bedriegelijke Loki, en eer zij kon terugkeeren in de beschutting
van de hemelsche woning, schoot de stormreus Thiassi neer van het
noorden op zijn adelaarsvleugelen, nam haar in zijn felle klauwen,
en droeg haar snel weg naar zijn kaal en eenzaam verblijf Thrym-heim.


    Thrym-heim is het zesde waar
    Thiassi woonde,
    De almachtige Jötun.

                        Grimnir-lied.


Ver van haar geliefde gezellen leed Idoen, werd bleek en bedroefd,
maar weigerde beslist Thiassi ook maar iets van haar toovervruchten
te laten proeven, die, zooals hij wel wist, hem schoon zouden maken
en zijn kracht en jeugd hernieuwen.


    Van elk ongeval
    Dat trof Odins hal,
    Is de lage Loki schuld;
    Uit Valhalla's paleizen
    Heeft hij zoet' Idoena genood
    Die bij zich had
    Der applen schat,
    Welke d'Aesir nooit doen grijzen,
    Dat Thiassis toren z' omsloot.

                        Valhalla (J. C. Jones).


De tijd verliep. De goden, denkend dat Idoen met haar man mee was
en weldra zou terugkeeren, letten eerst niet op haar afwezigheid,
maar langzamerhand verdween de gunstige werking van het laatste
appelmaal. Zij begonnen te voelen dat de ouderdom kwam en zagen hun
jeugd en schoonheid verdwijnen; dus werden zij ongerust en begonnen
naar de godin, die er niet was, te zoeken.

IJverige nasporing bracht het feit aan het licht dat zij het laatst
was gezien in gezelschap van Loki, en toen Odin hem streng ter
verantwoording riep, moest hij bekennen dat hij haar bedrieglijk had
overgegeven in de macht van den stormreus.


    Door zijn spottend, boos gezicht
    Kwam 't in Valhal snel aan 't licht,
    Dat door Loki's leugenmacht
    D' arme Idoen was gebracht
    Om in donkren toren
    Jötun toe te hooren.

                        Valhalla (J. C. Jones).



De terugkomst van Idoen.

De houding van de goden werd nu zeer dreigend, en Loki begreep, dat,
als hij geen middelen verzon om de godin terug te halen, wel spoedig
zijn leven in groot gevaar zou zijn.

Hij verzekerde de goden dus, dat hij alles in het werk zou stellen om
de bevrijding van Idoen te bewerken, en leende Freya's valkenvederen
en vloog naar Thrym-heim, waar hij Idoen alleen vond, bitter bedroefd
over haar ballingschap uit Asgard en van haar geliefden Bragi. De
schoone godin, volgens sommige overleveringen in een noot, volgens
andere in een zwaluw veranderend, greep Loki haar stevig tusschen
zijn klauwen en vloog snel terug naar Asgard, in de hoop dat hij het
schut van haar hooge muren zou bereiken eer Thiassi terugkwam van
een vischvangst in de wonderlijke zeeën waarheen hij was gegaan.

Intusschen hadden zich de goden verzameld op de wallen van de hemelsche
stad, en zij wachtten Loki's terugkomst met veel sterker spanning af,
dan zij voor Odin hadden gevoeld toen hij Od-hroerir zocht. Terwijl
zij zich het succes van hun list bij die gelegenheid herinnerden,
hadden zij groote massa's brandstof opgestapeld, die zij elk oogenblik
in vlam konden zetten.

Plotseling zagen zij Loki komen, maar ontdekten achter hem een grooten
adelaar. Dit was de reus Thiassi die plotseling was teruggekeerd van
Thrym-heim en merkte dat zijn gevangene door een valk was geroofd,
waarin hij dadelijk een van de goden herkende. Haastig had hij zijn
arendsveeren aangetrokken en was dadelijk op jacht gegaan en haalde
vlug zijn buit in. Loki verdubbelde zijn pogingen toen hij de muren van
Asgard naderde, en eer Thiassi hem inhaalde, bereikte hij het eindpunt
en zonk uitgeput in het midden der goden neer. Onmiddellijk stak men
de opgehoopte brandstof aan, en toen de achtervolgende Thiassi over
de muren kwam op zijn beurt, deden de vlammen en de rook hem verminkt
en half bewusteloos op den grond vallen, een gemakkelijken buit voor
de goden, die onbarmhartig op hem aanvielen en hem afmaakten.

De Aesir waren overgelukkig nu zij Idoen hadden teruggevonden,
en zij namen snel van de kostelijke appelen, die zij behouden had
teruggebracht. Toen zij hun gewone kracht en goed uitzicht voelden
terugkeeren bij elken beet dien zij aten, verklaarden zij goedaardig
dat het geen wonder was, als zelfs de reuzen de appels der eeuwige
jeugd trachtten te proeven. Zij besloten dus dat zij Thiassi's oogen
als een sterrebeeld aan den hemel zouden zetten, om elk gevoel van
wrok weg te nemen dat zijn bloedverwanten zouden kunnen koesteren
als zij hoorden dat hij gedood was.


    Op werp ik de oogen
    Van Alvadi's zoon
    In de hemelen hel:
    Zij duiden de grootste
    Van al mijne daden.

                    Harbard-lied.



De godin van de lente.

De natuurlijke verklaring van deze mythen is voor de hand
liggend. Idoen, het zinnebeeld van den plantengroei, wordt in den
herfst met geweld weggesleept, als Bragi afwezig is en het zingen der
vogels heeft opgehouden. De koude winterwind, Thiassi, houdt haar in
het ijzige, barre Noorden, waar zij het niet kan vinden, tot Loki, de
zuidenwind, het zaad of de zwaluw terugbrengt, die beide voorloopers
zijn van de terugkeerende lente. De jeugd, schoonheid en kracht,
door Idoen verleend, symboliseeren de herleving der natuur in het
voorjaar na den slaap van den winter, als kleur en kracht bij de
aarde wederkeeren, die gerimpeld en grijs geworden was.



Idoen valt in de onderwereld.

Daar de verdwijning van Idoen (plantengroei) een jaarlijksche
gebeurtenis was, kunnen wij verwachten andere mythen te vinden,
die zich met dit treffende verschijnsel bezig houden, en er is
een andere geliefkoosde mythe van de oude zangers, die, helaas,
ons slechts in een fragmentaire en zeer onvolledige gestalte heeft
bereikt. Volgens deze overlevering zat Idoen eens op de takken van
den heiligen esch Yggdrasil, toen zij plotseling duizelig werd en haar
houvast kwijt raakte en op den grond viel, tot de diepste diepten van
Nevelheim. Daar lag zij, bleek en stijf, starend met onbeweeglijke en
verschrikte oogen op de sombere visioenen die het Hellegebied opdringt,
heftig bevend als iemand die door felle koude wordt gekweld.


    In de diepten woont
    De alwetende Dis,
    Van Yggdrasils
    Esch zonk neer,
    Van elfenras,
    Idoen genaamd,
    Het jongste van Ivaldi's
    Oud're kindren.
    Slecht bekwam
    Haar de val
    Onder den boom
    Den grijzigen.
    Zij kon niet blij zijn nu
    Met Norvi's dochter,
    Gewend aan vroolijker
    Woning thuis.

                Odins Ravenzang.


Ziende dat zij niet terugkwam, beval Odin Bragi, Heimdall en een ander
van de goden haar te gaan zoeken en gaf hun een witte wolfshuid mee
om haar in te wikkelen, zoodat zij niet van de koude zou te lijden
hebben; hij gebood hun alles in het werk te stellen om haar op te
wekken uit de verdooving--want krachtens zijn voorwetenschap wist
hij dat deze over haar gekomen was,


    Zij gaven haar een wolfshuid
    Waarin zij zich kleedde.

                Odins Ravenzang.


Idoen liet lijdelijk toe, dat de goden haar in de warme wolfshuid
wikkelden, maar zij weigerde hardnekkig te spreken of zich te bewegen,
en op grond van haar vreemde manieren vermoedde haar man met droefheid
dat zij een visioen had van zeer nare dingen. De tranen stroomden
onophoudelijk van hare bleeke wangen, en Bragi, overstelpt door haar
ellende, vroeg eindelijk de andere goden zonder hem naar Asgard terug
te keeren, zeggend dat hij bij zijn vrouw wilde blijven totdat zij
Hels jammerlijk gebied weer verlaten kon. Het gezicht van haar smart
drukte hem zóó neer, dat hij geen lust had in zijn gewone vroolijke
liederen, en de snaren van zijn harp waren stom terwijl hij in de
onderwereld was.


    Die zachte zephyr suist langs bloemenweiden,
    Of Bragi's toonen van zijn snaren glijden.

                    Viking-verhalen van het noorden (R. B. Anderson).


In deze mythe beteekent Idoens val van Yggdrasil het vallen van de
bladeren in den herfst, die bleek en hulpeloos op den kouden, kalen
grond liggen, totdat zij aan het oog worden onttrokken door de sneeuw,
voorgesteld door de wolfshuid, die Odin, de lucht, zendt om ze warm te
houden; en het zwijgen van de liederen der vogels is verder aangeduid
door Bragi's zwijgende harp.



HOOFDSTUK VIII: NIÖRD.


Een gijzelaar bij de goden.

Wij hebben reeds gezien, hoe de Aesir en Vana's gijzelaars wisselden
na den verschrikkelijken oorlog dien zij hadden gevoerd, en dat,
terwijl Hoenir, Odins broeder, in Vana-heim ging wonen, Niörd, met
zijn twee kinderen, Frey en Freya, voor goed verblijf hield in Asgard.


    In Vana-heim
    Schiepen hem wijze machten,
    En gaven den goden een gijzelaar.

                            Vafthrudnir-lied.


Als heer van de winden en van de zee bij de kust kreeg Niörd het
paleis Nôatûn, bij de zeekust, waar--zoo hooren wij--hij de hevige
stormen stilde, door Aegir, den god van de diepe zee gewekt.


    Niörd, de god van storm, 't zeevolk bekend,
    Daarboven niet in Van-heim groot gebracht,
    Bij menschen, blijft den goden gijzelaar;
    Kent elken mond en elke rotsige kreek,
    Omgord met pijnbosch, kent de banken, waar
    Zeevogels schreeuwen.

                            Balder Dood (Matthew Arnold).


Hij strekte zijn bijzondere zorg uit over handel en visscherij, twee
bezigheden die men met voordeel slechts kon verrichten in de korte
zomermaanden, waarvan hij in zekeren zin als de verpersoonlijking gold.



De god van den zomer.

Niörd wordt in de kunst voorgesteld als een heel lieflijke god, in den
bloei des levens, gehuld in een soort groene tunica, met een kroon
van schelpen en zeegras op zijn hoofd, of een bruingeranden hoed,
versierd met arends- of reigerveeren. Als verpersoonlijking van den
zomer werd hij aangeroepen om de woedende stormen te stillen, die de
kusten gedurende de wintermaanden woest maakten. Ook riep men hem
aan om de warmte van de lente te bespoedigen en zoo de wintervuren
uit te dooven.

Daar de landbouw enkel in de zomermaanden beoefend werd en voornamelijk
langs de fjorden of inhammen van de zee, werd Niörd ook aangeroepen om
gunstige oogsten te schenken, want men zeide dat hij gaarne welvaart
schonk aan hen die op hem vertrouwden.

Niörds eerste vrouw was, volgens sommigen, zijn zuster Nerthus, moeder
aarde, die in Duitschland met Frigga vereenzelvigd werd, zooals wij
hebben gezien, maar in Skandinavië als een afzonderlijke godin gold.

Niörd moest haar echter verlaten toen hij naar Asgard werd geroepen,
waar hij een van de twaalf zetels kreeg in de groote vergaderzaal,
en alle samenkomsten der goden bijwoonde, terwijl hij slechts naar
Nôatûn ging, als de Aesir zijn diensten niet noodig hadden.


    Nôatûn is het elfde,
    Daar heeft Niörd zich
    Zelf een huis gebouwd,
    Der menschen heer;
    Zonder zonde
    Bestuurt hij de hooge hal.

                    Grimnir-lied.


In zijn huis aan de zeekust zag Niörd gaarne de zeemeeuwen af-
en aanvliegen, en keek met genoegen naar de bevallige bewegingen
van de zwanen, zijn geliefkoosde vogels, die hem heilig waren. Ook
bracht hij menig uur door met te turen naar de kromme sprongen van
de aardige zeehonden, die zich in den zonneschijn aan zijn voeten
kwamen koesteren.



Skadi, godin van den winter.

Kort na Idoens terugkeer van Thrym-heim, en Thiassi's dood binnen
de grenzen van Asgard, werden de vergaderde goden zeer verrast en
teleurgesteld omdat zij Skadi, de dochter van den reus, op zekeren dag
in hun midden zagen verschijnen, om voldoening te vragen voor haars
vaders dood. Ofschoon de dochter van een leelijken ouden Hrim-thurs,
was Skadi, de godin van den winter, inderdaad zeer schoon, in haar
zilveren wapenrusting, met haar blinkende speer, haar scherp gepunte
pijlen, kort wit jachtgewaad, witte bonten beenstukken en breede
sneeuwschoenen; en de goden moesten de rechtmatigheid van haar eisch
erkennen, waarom zij de gewone boete ten zoen aanboden. Skadi was
echter zóó boos dat zij eerst deze schikking afsloeg, en streng leven
voor leven eischte, totdat Loki, die haar toorn wilde kalmeeren en
die dacht dat, als hij haar koude lippen slechts tot een glimlach
kon bewegen, het overige gemakkelijk genoeg zou gaan, allerlei
grappen begon te maken. Zoo bond hij met een onzichtbaar touw een
geit aan zich vast en maakte allerlei potsen die de geit nadeed;
en het gezicht was zóó mal, dat al de goden in lachen uitbarstten en
zelfs Skadi moest glimlachen.

De goden maakten zich deze verzachte stemming ten nutte en wezen
naar den hemel waar de oogen van haar vader als schitterende sterren
gloeiden in het noordelijk halfrond. Zij zeiden dat zij hem daar hadden
geplaatst om hem alle eer te bewijzen, en voegden er ten slotte aan
toe, dat zij als man mocht kiezen een der goden die in de vergadering
aanwezig was, bedingende dat zij tevreden zou zijn hun bekoorlijkheden
te beoordeelen naar hun bloote voeten.

Geblinddoekt, zoodat zij alleen de voeten van de goden kon zien die
in een cirkel om haar heen stonden, keek Skadi rond en haar oog viel
op een paar schoongevormde voeten. Zij wist zeker dat zij aan Balder,
den god van het licht, moesten toebehooren, wiens gelaat haar bekoord
had, en zij wees hun eigenaar als haar keuze aan.

Toen de doek was weggenomen, ontdekte zij echter tot haar spijt dat
zij Niörd gekozen had, met wien zij verloofd was; maar trots haar
teleurstelling bracht zij gelukkige wittebroodsweken in Asgard door,
waar allen er genoegen in schenen te hebben haar te eeren. Vervolgens
bracht Niörd zijn bruid naar zijn huis Nôatûn, waar het eentonig
geluid van de golven, het geschreeuw van de zeemeeuwen, en de kreten
van de zeehonden Skadi's slaap zóó stoorden, dat zij ten slotte het
voor onmogelijk verklaarde er langer te blijven, en zij haar man
smeekte haar terug te brengen naar haar geboorteplaats Thrym-heim.


    Slapen kon ik niet
    Op mijn zeestrand bed,
    Daar de zeevogels schreeuwden.
    Daar wekt mij
    Als van de golven hij komt
    Elken luchtend de meeuw.

                Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).


Niörd, die gaarne zijn pasgetrouwde vrouw genoegen deed, willigde haar
verzoek in haar naar Thrym-heim te brengen, en er met haar te wonen
negen van elke twaalf nachten, mits zij de overige drie met hem zou
doorbrengen te Nôatûn; maar toen hij den bergstreek naderde, scheen
het gezicht van den wind in de pijnboomen, het gedonder van de lawinen,
het gekraak van het ijs, het gedruisch der watervallen, en het gehuil
der wolven hem even ondragelijk als het geluid van de zee het zijn
vrouw had geschenen, en hij kon slechts blij zijn als zijn periode
van ballingschap geëindigd was, en hij zich weer te Nôatûn bevond.


    'k Ben moe van de bergen;
    Niet lang was ik daar,
    Negen nachten slechts;
    't Gehuil der wolven
    Klonk, vond ik, heel slecht
    Bij den zang van de zwanen.

                Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).



De scheiding van Niörd en Skadi.

Gedurende eenigen tijd hielden Niörd en Skadi, die zomer en winter
verbeelden, deze wisseling van woonplaats vol, terwijl de vrouw de drie
korte zomermaanden aan de zee doorbracht, en hij tegen zijn zin bij
haar in Thrym-heim bleef gedurende de negen lange wintermaanden. Maar,
ten slotte bevindend dat hun smaken nooit samen zouden kunnen gaan,
besloten zij voor goed te scheiden, en keerden naar hun respectieve
woonplaatsen terug, waar elk zich kon bezighouden op de manier die
hem door gewoonte lief geworden was.


    Thrym-heim, zoo heet het,
    Waar Thjasse woonde,
    Die stroom-sterke reus;
    Maar Skade toeft nu,
    Zuivere godenbruid,
    In haars vaders veste.

                Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).


Skadi vatte haar oud jachtbedrijf weer op, en verliet haar gebied
alleen weer om te huwen met den half-historischen Odin, wien zij een
zoon, Seaming geheeten, baarde, den eersten koning van Noorwegen,
en den vooronderstelden stichter van het vorstelijke ras, dat lang
dat land heeft geregeerd.

Volgens andere verhalen echter trouwde Skadi met Uhler,
den wintergod. Daar Skadi een ervaren scherpschutter is, wordt
zij met pijl en boog afgebeeld, en, als godin van de jacht, wordt
zij gewoonlijk vergezeld door een van de wolfachtige Eskimo-honden
die in het Noorden voorkomen. Skadi werd aangeroepen door jagers en
winterreizigers, wier slede zij over sneeuw en ijs voerde en die zij
dan hun bestemming behouden deed bereiken.

Skadi's toorn tegen de goden, die haar vader, den stormreus, hadden
verslagen, is een beeld van de onbuigzame strengheid der in ijs
gehulde aarde, die, ten slotte verzacht door het dartele spel van
Loki (de heete bliksem) glimlacht en de omhelzing van Niörd (zomer)
goedvindt. Zijn liefde kon haar echter niet meer dan drie maanden van
het jaar (in de mythe door nachten aangeduid) houden, en zij verlangt
in stilte altijd naar de winterstormen en haar gewone bezigheden
tusschen de bergen.



De vereering van Niörd.

Men geloofde dat Niörd de schepen zegende die in en uit de haven
gingen, en zijn tempels lagen aan de zeekust; daar werden gewoonlijk
eeden gezworen in zijn naam, en zijn gezondheid werd bij iederen
maaltijd ingesteld, waar hij altijd met zijn zoon Frey werd
samengenoemd.

Daar men dacht dat alle waterplanten hem toebehoorden, stond de
zeespons in het noorden bekend als "Niörds handschoen", een naam
die tot voor kort bewaard bleef, toen dezelfde plant door het volk
herdoopt werd in "Hand der Maagd".



HOOFDSTUK IX: FREY.


De god van het elfenland.

Frey, of Froh, zooals hij in Duitschland heette, was de zoon van Niörd
en Nerthus, of van Niörd en Skadi, en werd geboren in Vanaheim. Daarom
behoorde hij tot het ras van de Vana's, de goden van water en lucht,
maar werd hartelijk welkom geheeten in Asgard toen hij er kwam als
gijzelaar met zijn vader. Daar het onder de noordelijke volken gebruik
was een kind een groot geschenk te geven wanneer het zijn eersten
tand kreeg, gaven de Aesir het kind Frey het schoone land Alf-heim
of Elfenland, het verblijf der Lichtelfen.


    Alf-heim werd aan Frey
    Door de goden gegeven
    Eens als tandgeschenk.

                Saemunds Edda.


Hier ging Frey, de god van den gouden zonneschijn en de warme
zomerbuien, wonen, bekoord door het gezelschap van de elfen en feeën,
die blindelings zijn bevelen gehoorzaamden, en op een teeken van hem
af en aan zweefden, terwijl zij alle goeds deden dat in haar macht
stond, want zij waren buitengewoon weldadige geesten.

Frey kreeg van de goden ook een wonderbaar zwaard (een beeld van de
zonnestralen), dat de macht had met goed gevolg en uit zich zelf te
strijden zoodra het uit de scheede getrokken was. Frey zwaaide dit
vooral tegen de vorstreuzen, die hij bijna even sterk haatte als Thor,
en omdat hij dit schitterende wapen droeg, is hij soms verward met
den zwaardgod Tyr of Saxnot.


    Met een kortgreep'gen hamer strijdt de machtige Thor,
    Freys zwaard is slechts lang één el.

                Viking-vertellingen van het noorden (R. B. Anderson).


De dwergen van Svart-alfa-heim gaven Frey het goudborstelige zwijn
Gullin-bursti (de goudborstelige) een verpersoonlijking van de zon. De
schitterende borstels van dit dier werden symbolisch verklaard òf als
de zonnestralen, òf als het gouden graan dat op zijn bevel golfde over
de oogstlanden van Midgard, òf als de landbouw, want het wildzwijn
(dat met zijn scherpen snuit den grond omwoelt) werd geacht de
menschheid het eerst geleerd te hebben hoe zij ploegen moest.


                        Daar was Frey en zat
    Op 't goudborstelig zwijn, dat--zeggen zij--
    Ploegde de bruine aard', ze maakte groen.

                        Minnaars van Goedroen (William Morris).


Frey reed soms schrijlings op dit wonderbare zwijn, welks snelheid
zeer groot was en spande het op andere tijden voor den gouden wagen,
die--zooals men zeide--de vruchten en bloemen bevatte welke hij
kwistig over de aarde uitstrooide.

Frey was bovendien de trotsche bezitter van het onverschrokken
ros Blodug-hofi, dat op zijn bevel door vuur en water zou ijlen,
maar ook van het tooverschip Skidbladnir, een verpersoonlijking van
de wolken. Dit schip, dat over land en zee voer, werd altijd door
gunstige winden voortgestuwd, en was zóó elastisch dat, terwijl
het voldoende groote afmetingen kon aannemen om de goden te dragen,
hun paarden en heel hun uitrusting, het ook als een doek kon worden
opgevouwen en in den zak gestoken.


    Ivaldi's zonen
    Werkten in dagen van ouds
    Om te maken Skidbladnir,
    Het beste schip
    Voor den schoonen Frey,
    Niörds goeden zoon.

                    Grimnir-lied.



Het dingen om Gerda's hand.

In een van de Edda-liederen wordt verteld dat Frey eens Odins troon,
Hlidskialf, durfde beklimmen, van welken hoogen zetel zijn blik over de
wijde wereld zwierf. Toen hij naar het bevroren noorden keek, zag hij
een schoon jong meisje het huis van den vorstreus Gymir binnengaan,
en toen zij haar hand ophief om de klink op te lichten, bestraalde
haar schitterende schoonheid zee en lucht.

Een oogenblik later verdween dit lieflijke wezen, wier naam Gerda
was en die men beschouwt als een verpersoonlijking van het flitsende
noorderlicht, in het huis haars vaders, en Frey keerde in gedachten
terug naar Alfheim, terwijl zijn hart vervuld was met het verlangen
dit mooie meisje zijn vrouw te maken. Smoorlijk verliefd was hij
zwaarmoedig en in de hoogste mate verstrooid, en begon zich zóó
vreemd aan te stellen, dat zijn vader, Niörd, zeer ongerust werd over
zijn gezondheid, en zijn trouwen knecht Skirnir beval de oorzaak van
deze plotselinge verandering te ontdekken. Na veel overreding kreeg
Skirnir ten slotte van Frey een verslag aangaande zijn beklimmen van
Hlidskialf, en van het mooie schouwspel dat hij had gezien. Hij bekende
zijn liefde en ook zijn uiterste wanhoop, want daar Gerda de dochter
was van Gymir en Angur-boda, en een bloedverwante van den vermoorden
reus Thiassi, vreesde hij, dat zij hem nooit gunstig ontvangen zou.


    In Gymirs hof heb 'k haar geschouwd,
    De maagd die mij gevangen houdt;
    Haar sneeuwwitt' armen, blank gezicht
    Wierpen op aard' en zee hun licht.
    Haar min ik meer dan ooit voorheen
    Een meisj' een jongling dierbaar scheen;
    Maar elf en god die 't al gebiedt
    Gunt ons 't geluk der liefde niet.

                                    Skirners lied.


Maar Skirnir antwoordde troostend dat hij geen reden kon zien waarom
zijn meester een zoo wanhopigen blik op de zaak zou hebben, en hij bood
aan, het meisje in zijn naam te gaan vragen, mits Frey hem zijn paard
voor de reis wilde leenen en hem zijn blinkend zwaard geven tot loon.

Overgelukkig in het vooruitzicht dat hij de schoone Gerda zou winnen,
gaf Frey Skirnir gaarne het blinkende zwaard, en stond hem toe zijn
paard te gebruiken. Maar hij verzonk spoedig weer in den droomerigen
staat die hem gewoon was geworden sinds hij verliefd geworden was, en
zoo merkte hij niet dat Skirnir nog bij hem talmde, en ook niet dat
hij handig de spiegeling van zijn gelaat van het oppervlak der beek
stal waaraan hij gezeten was, en dat hij ze sloot in den drinkhoren,
met het plan "ze uit te storten in Gerda's beker, en door de schoonheid
er van het hart der reuzin voor den heer te winnen" in wiens dienst hij
nu uit vrijen ging. Toegerust met dit portret, met elf gouden appelen
en met den tooverring Draupnir, reed Skirnir nu naar Jötun-heim om zijn
opdracht uit te voeren. Toen hij bij Gymirs woning kwam, hoorde hij het
luid en voortdurend gehuil van zijn wachthonden, die de winterwinden
verpersoonlijkten. Een herder die zijn kudde in de nabijheid hoedde,
vertelde hem, in antwoord op zijn vraag, dat men onmogelijk het huis
kon naderen vanwege den vlammenmuur die het omringde; maar Skirnir,
wetende dat Blodug-hofi door alle vuur heen kon, gaf zijn paard de
sporen, en reed zonder letsel naar de deur van den reus en was weldra
in tegenwoordigheid van de lieflijke Gerda.

Opdat het mooie meisje een gunstig oor zou leenen aan de voorstellen
van zijn meester, toonde Skirnir haar het gestolen portret en haalde
voor den dag de gouden appelen en den tooverring, die zij echter
met hoogheid afwees, zeggend dat haar vader genoeg goud had en meer
dan genoeg.


    Ik neem niet aan dien wondren ring
    Schoon 'k hem van Balders schat ontving;
    'k Behoef geen goud in Gymers hal
    Daar 't mij mijn vader geven zal.

                                    Skirners lied.


Boos omdat zij het goud versmaadde, dreigde Skirnir nu haar met zijn
tooverzwaard te onthoofden, maar daar dit het meisje in het minst
niet bang maakte en zij hem met kalmte tartte, nam hij zijn toevlucht
tot tooverkunst. Hij sneed runen in zijn stok en zeide haar, dat,
als zij niet toegaf eer de bezwering klaar was, zij òf tot eeuwige
maagdelijkheid zou veroordeeld zijn òf een vorstreus zou huwen dien
zij nooit zou kunnen beminnen.

Verschrikt door de vreeslijke beschrijving van hare vreugdelooze
toekomst in geval zij volhardde in hare weigering, stemde Gerda
er eindelijk in toe Frey's vrouw te worden, en liet Skirnir gaan,
met de belofte dat zij haar aanstaanden bruidegom op den negenden
avond in het land Burri zou ontmoeten, het groene veld, waar zij zijn
somberheid zou verdrijven en hem gelukkig zou maken.


    Burri is liefdes hoog verblijf
    Na negen nachten, buiten kijf,
    Krijgt sterken Niorders dapp're zoon
    Daar Gerda's kus tot liefdeloon.

                                    Skirners lied.


Verheugd over zijn succes, ijlde Skirnir naar Alf-heim terug waar
Frey met vreugde den uitslag van de reis kwam te vernemen. Toen
hij hoorde dat Gerda er in had toegestemd zijn vrouw te worden,
straalde zijn gelaat van geluk, maar toen Skirnir hem vertelde dat
hij negen nachten geduld moest hebben, eer hij de hem toegezegde
bruid zou kunnen zien, ging hij bedroefd weg, zeggende dat hem die
tijd eindeloos zou schijnen.


    Lang is een nacht, en twee is meer,
    Hoe draag 'k mijn smart ten derden keer?
    Een maand van vreugde sneller vlucht
    Dan halve nacht vol diep gezucht.

                                    Skirners lied.


Trots deze minnaarswanhoop kwam de tijd van wachten echter tot een
einde en Frey spoedde zich blijde naar het groene land, waar hij,
trouw aan haar aanwijzing, Gerda vond, en zij werd zijn gelukkige
vrouw en zat fier op haar troon naast hem.


    Frey had Gerda tot vrouw;
    Zij was Gymirs dochter,
    Van Jötuns stam.

                        Saemunds Edda.


Volgens sommige mythologen is Gerda niet een verpersoonlijking van
den noordelijken morgenstond maar van de aarde, die, hard, koud en
onhandelbaar, de geschenken van schoonheid en vruchtbaarheid (appelen
en ring), haar door den lentegod aangeboden, niet wil, de schitterende
zonnestralen (Frey's zwaard) tart, en slechts zijn kus wil ontvangen,
als zij verneemt dat zij anders tot voortdurende onvruchtbaarheid
zal worden veroordeeld, of geheel zal worden overgegeven in de macht
der reuzen (ijs en sneeuw). De negen nachten wachtens duiden de negen
wintermaanden aan; als zij ten einde zijn, wordt de aarde de bruid van
de zon, in de velden waar de boomen bladeren en bloesem doen uitloopen.

Wij hooren dat Frey en Gerda de ouders werden van een zoon, Fiolnir
geheeten, wiens geboorte Gerda troostte over het verlies van haren
broeder Beli. Deze had Frey aangevallen en was door hem verslagen,
ofschoon de zonnegod, berooid van zijn ongeëvenaard zwaard, zich had
moeten verdedigen met een hertshoorn dien hij snel van den muur zijner
woning nam.

Behalve den trouwen Skirnir had Frey twee andere dienstbaren, een
gehuwd paar, Beyggvir en Beyla, de verpersoonlijkingen van molenafval
en mest, twee ingrediënten die in den landbouw gebruikt worden om
den grond vruchtbaar te maken, en daarom als Frey's getrouwe dienaren
werden beschouwd, trots hun onaangename eigenschappen.



De historische Frey.

Snorro-Sturleson zegt in zijn "Heimskringla", of kroniek van de
oude Noorweegsche koningen, dat Frey een historisch persoon was
die Ingvi-Frey heette, en in Upsala regeerde na den dood van den
half-historischen Odin en Niörd. Onder zijn bestuur genoot het volk
zulk een welvaart en vrede dat zij zeiden dat hun koning een god moest
zijn. Zij begonnen hem dus als zoodanig aan te roepen, en trokken hun
enthousiaste bewondering zóó ver, dat, toen hij stierf de priesters,
die het feit niet openbaar durfden maken, hem in een aardhoop legden
in plaats van zijn lichaam te verbranden, zooals tot nu toe gewoonte
was geweest. Zij vertelden het volk toen dat Frey--wiens naam in
het noorsch synoniem is met "meester"--"in den aardhoop was gegaan",
een uitdrukking die uiteindelijk de noorsche term voor den dood werd.

Eerst drie jaren later ontdekte het volk, dat was voortgegaan met
belasting te betalen aan den koning door geld, zilver en koper in
de aardhoop te doen door drie verschillende openingen, dat Frey
dood was. Daar hun vrede en voorspoed niet verstoord waren geworden,
besloten zij dat zijn lijk nooit zou worden verbrand, en zoo voerden
zij de gewoonte in, in een aardhoop te begraven, een gebruik dat
te zijner tijd den brandstapel op vele plaatsen verving. Een van de
drie aardhoopen bij Gamla Upsala heet nog naar den god. Zijn beelden
stonden daar in den grooten tempel, en zijn naam werd behoorlijk te
pas gebracht in alle plechtige eeden waarvan de gewone vorm luidde,
"Zoo helpe mij Frey, Niörd en de Almachtige Asa" (Odin).



Dienst van Frey.

Geen wapens werden ooit in Frey's tempels geduld; de beroemdste dier
tempels waren te Throndhjeim in Noorwegen, en te Thvera op IJsland. In
deze tempels werden hem ossen of paarden geofferd, terwijl men een
zwaren gouden ring doopte in het bloed van het offerdier eer de
bovenvermelde eed er plechtig over werd uitgesproken.

Frey's beelden, evenals die van alle andere Noorsche godheden, waren
ruw gehouwen houtblokken, en het laatste van deze heilige beelden
schijnt door Olaf den Heilige te zijn vernield, die, zooals wij hebben
gezien, velen zijner onderdanen door dwang bekeerde. Daar hij verder
de god was van den zonneschijn, de vruchtbaarheid, den vrede en de
welvaart, werd Frey beschouwd als de patroon van paarden en ruiters,
en de bevrijder van alle gevangenen.


    Frey is de beste
    Van alle heeren
    Onder de goden;
    Hij wekt geen tranen
    Bij meisjes of moeders;
    Hij wil ontboeien
    Hen die geketend zijn.

                Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).



Het Yule-feest.

Eéne maand van elk jaar, de Yulemaand of Thor-maand, werd beschouwd
als aan Frey gewijd zoo goed als aan Thor, en begon met den langsten
nacht van het jaar, die den naam droeg van Moeder Nacht. Deze maand
was een tijd van feest en vreugde, want zij verkondigde de wederkomst
van de zon. Het feest heette Yule (wiel) omdat men vooronderstelde
dat de zon op een wiel geleek dat snel door de lucht draaide. Deze
gelijkenis deed een eigenaardige gewoonte ontstaan in Engeland,
Duitschland en langs de oevers van den Moezel. Tot zeer onlangs
vergaderde het volk op een berg, om een groot houten wiel, dat met
stroo omwikkeld was, in brand te steken, en dat dan, in lichtelaaie,
den heuvel af te rollen, totdat het sissend in het water neerkwam.


    Weer and'ren zoeken op een wiel, versleten, waardeloos,
    Omwikk'len het met stroo en touw, verbergen het een poos;
    Zij sleepen 't naar een heuveltop, het staat in vuur en gloed,
    En went'len het in duist'ren nacht er af met heftigen spoed.
    Zoo lijkt het op de zon, die komt dus van den hemel neer,
    Het is een vreemd gezicht en wie het ziet, dien treft het zeer,
    En zij gelooven dat al kwaad, dus wordt gesleept ter hel,
    En nu, van smart en euvel vrij, zij leven kalm en wel.

                                                        Naogeorgus.


Al de noordelijke rassen beschouwden het Yulefeest als het grootste
van het jaar, en waren gewoon het te vieren met dansen, feesten
en drinken, terwijl elke god bij name werd aangeroepen. De eerste
Christenzendelingen, die de groote populariteit van dit feest
bespeurden, dachten dat het best was op te wekken tot drinken op
het welzijn van den Heer en zijn twaalf apostelen, toen zij voor het
eerst de noordelijke heidenen begonnen te bekeeren. Ter eere van Frey
at men bij deze gelegenheid varkensvleesch. Gekroond met laurier en
rosmarijn werd de kop van het dier in de eetzaal gebracht met veel
ceremonieel--een gewoonte die men lang in eere hield, zooals blijkt
uit de volgende regels.


    Caput Apri defero
    Reddens laudes Domino,
    Den zwijnskop draag ik in mijn handen
    Met rozemaryn en groenguirlanden;
    Nu moet gij zingen allemaal
    Qui estis in convivio.

                        Queens College Deun, Oxford.


De vader van het gezin legde zijn hand op den gewijden schotel, die
"het zwijn der verzoening" heette, en bezwoer dat hij zijn familie
trouw zou zijn en al zijn verplichtingen zou nakomen, een voorbeeld dat
door alle aanwezigen werd gevolgd, van de hoogsten tot de laagsten. De
schotel mocht slechts worden aangesneden door een man van onbevlekten
naam en beproefden moed, want de zwijnskop was een gewijd zinnebeeld
dat--zoo dacht men--elk met vrees vervulde. Om die reden werd dikwijls
een zwijnskop gebruikt als versiering voor de helmen der Noorsche
koningen en helden, wier dapperheid buiten twijfel was.

Daar Frey's naam Fro naar den klank dezelfde is als het woord dat in
het Duitsch voor blijdschap wordt gebruikt, werd hij als de beschermer
van alle vreugde beschouwd en werd steeds aangeroepen door gehuwde
paren die in harmonie wilden leven. Zij die er in slaagden dit
een bepaalden tijd te doen, werden openlijk begiftigd met een stuk
zwijnevleesch, dat in latere tijden door de Engelschen en Weeners
vervangen werd door een zij spek of ham.


    Gij zult zweren, door kracht van belijdenis,
    Als ooit in uw huw'lijk verkeerd iets is,
    Hetzij ge zijt getrouwd als vrouw of man,
    Als de eendracht bij u niet blijven kan,
    Of anders, aan tafel of te bed hebt verstoord
    Gij elkanders stemming in doen of in woord;
    Of, sinds de priester u heeft getrouwd,
    Gij u ongehuwd wenschtet, daar de stap u heeft berouwd;
    Of wel, in twaalf maanden en een dag tijd,
    Gij niet werdt vervuld met zulk een spijt,
    Maar bleeft bij uw denken en uw verlangen
    Als toen uw handen elkaar in het koor hielden omvangen.
    Als hierop, met vrijmoedigen geest,
    Gij vast kunt zweren dat het zóó is geweest,
    Dan zult gij krijgen een stuk spek en van hier
    Het medenemen met groot plezier;
    Want dit is gebruik te Dunmow, steeds en nu--
    Schoon de vreugd is aan ons, het spek is van u.

                                            Brands Populaire Oudheden.


In het dorp Dunmow in Essex bestaat de oude gewoonte nog. In Weenen
werd de ham of het stuk spek boven de stadspoort gehangen, vanwaar
de gelukkige candidaat het moest halen, nadat hij den rechters de
zekerheid had gegeven, dat hij met zijn vrouw in vrede had geleefd,
maar niet onder de plak zat. Men zegt dat in Weenen deze ham sedert
lang niet was opgeëischt, totdat een waardig burger zich voor de
rechters vertoonde en bij zich had de geschreven verzekering van
zijn vrouw dat zij twaalf jaren gehuwd waren en nooit twist hadden
gehad--een bewering die door al hunne buren gestaafd werd. De rechters,
tevreden met de bewijzen die zij voor oogen hadden, zeiden den
candidaat dat de prijs hem zou worden gegeven, en dat hij alleen maar
de ladder had te beklimmen, die er onder stond, en hem naar beneden
moest halen. Blij dat hij een zoo mooie ham had gekregen, klom de
man vlug op de ladder; maar toen hij op het punt was naar de ham te
reiken bemerkte hij, dat de ham, aan de middagzon blootgesteld, begon
te smelten, en dat een druppel vet op zijn Zondagsche jas dreigde
te vallen. Snel trok hij zich terug en deed zijn jas uit, met de
schertsende opmerking dat zijn vrouw hem een heftigen uitbrander zou
geven als hij haar vuil maakte, een bekentenis die alle omstanders
in den lach deed schieten, en die hem zijn ham kostte.

Een ander Yuletijdgebruik was het branden van een groot houtblok, dat
den nacht door moest duren, anders werd het als een heel slecht teeken
beschouwd. De verkoolde overblijfselen van dit blok werden zorgvuldig
verzameld en bewaard om het blok van het volgenden jaar aan te steken.


    Met hout van vorig jaar
    Ontsteek het nieuwe, maar
    Grijp uw geluk met handen,
    Speel op uw luit een lied
    Dat voorspoed talme niet
    Maar kome onder 't branden.

                    Hesperides (Herrick).


Dit feest was zóó populair in Scandinavië, waar het in Januari
werd gevierd, dat koning Olaf, ziende hoe dierbaar het was aan het
Noorsche gemoed, vele van zijn gebruiken overbracht naar den Kerstdag
en daardoor het onkundige volk met hun verandering van godsdienst
verzoende.

Als god van vrede en voorspoed meent men dat Frey dikwijls op aarde
is teruggekeerd, en dat hij over de Zweden geregeerd heeft, onder den
naam van Ingvi-Frey, waarnaar zijn afstammelingen Inglings heeten. Hij
regeerde ook over de Denen onder den naam Fridleef. In Denemarken,
zegt men, trouwde hij een mooi meisje Freygerda, die hij van een
draak had bevrijd. Hij had bij haar een zoon, Frodi, die hem later
als koning opvolgde.

Frodi regeerde over Denemarken in de dagen toen er "vrede over de
wereld" was, dat is, juist toen Christus werd geboren in Bethlehem
van Judea; en omdat al zijn onderdanen in eensgezindheid leefden,
was hij algemeen bekend als Vrede-Frodi.



Hoe de zee zout werd.

Men verhaalt dat Frodi eens van Hengikiaptr een paar magische
molensteenen, Grotti geheeten, kreeg, die zóó zwaar waren dat geen
zijner knechten en zelfs geen van zijn sterkste soldaten ze konden
omkeeren. De koning begreep dat de molen betooverd was en al wat hij
wilde zou malen; daarom was hij verlangend hem aan het werk te zetten,
en, bij een bezoek aan Zweden, zag hij de twee reuzinnen Menia en
Fenia, wier geweldige spieren en gestalten zijn aandacht trokken. Hij
kocht ze als slavinnen.

Toen hij thuis kwam, voerde Vrede-Frodi zijn nieuwe dienstbaren
naar den molen, en beval haar de maalsteenen rond te draaien en te
malen goud, vrede en voorspoed, en onmiddellijk vervulden zij zijn
wensch. Vroolijk werkten de vrouwen door, uur op uur, totdat 's konings
kisten vol goud waren, en voorspoed en vrede heerschten in zijn land.


    Malen wij schatten voor Frothi!
    Malen wij hem, blijde
    Om veelheid van stof,
    Op vroolijken steen.

                        Grotta Savngr.


Maar toen Menia en Fenia gaarne wat zouden gerust hebben, beval de
koning, wiens hebzucht was gewekt, haar door te werken. In weerwil
van haar smeeken beval hij ze te arbeiden uur op uur, en stond hij
ze slechts zooveel rusttijd toe als noodig was om een gezang vers
te zingen, totdat, door zijn wreedheid vertoornd, de reuzinnen ten
slotte besloten zich te wreken. Op zekeren nacht toen Frodi sliep,
veranderden zij haar gezang, en in plaats van voorspoed en vrede,
begonnen zij boos te malen een gewapend leger, waardoor zij den Viking
Mysinger in het land brachten met een groote troepenmacht. Terwijl de
tooverij aan het werk was, bleven de Denen slapen, en dus werden zij
geheel en al verrast door de Vikingenschaar, die hen allen versloeg.


    Een leger moet komen
    Hier direct,
    En branden de stad
    Neer voor den vorst.

                        Grotta Savnrg.


Mysinger nam de toovermolensteenen en de twee slavinnen en zette
ze aan boord van zijn schip; toen liet hij de vrouwen zout malen,
wat in die dagen een handelsartikel van groote waarde was. De
vrouwen gehoorzaamden en hare molensteen en draaiden rond, malend
zout in overvloed; maar de Viking, even wreed als Frodi, wilde den
armen vrouwen geen rust gunnen, waarom hij en de zijnen zwaar werden
gestraft. Een zóó groote hoeveelheid zout werd door de tooversteenen
gemalen dat ten slotte zijn gewicht het schip deed zinken en alles
wat aan boord was.

De zware steenen zonken in zee in de Pentland-Firth, of aan de
noordwestelijke kust van Noorwegen, waar zij een diep rond gat maakten,
en de wateren, die in de draaikolk stroomden en in de gaten, die in
de steenen waren, klokten, veroorzaakten de groote draaikolk die als
de Maelstroom bekend is. Wat het zout betreft, dit smolt spoedig;
maar zóó groot was de onmetelijke hoeveelheid die de reuzinnen hadden
gemalen, dat het al de wateren van de zee doortrok, die sedert altijd
zeer zout is geweest.



HOOFDSTUK X: FREYA.


De godin der liefde.

Freya, de mooie Noorsche godin van de schoonheid en de liefde, was
de zuster van Frey en de dochter van Niörd en Nerthus, of Skadi. Zij
was de schoonste en lieflijkste van alle godinnen, en terwijl zij in
Duitschland met Frigga vereenzelvigd werd, gold zij in Noorwegen,
Zweden, Denemarken en IJsland als een afzonderlijke godheid. Daar
Freya geboren was in Vana-heim, was zij ook bekend als Vanadis,
als de godin van de Vana's, of als Vanabruid.

Toen zij in Asgard kwam, waren de goden zóó bekoord door hare
schoonheid en gratie, dat zij haar het gebied Folkvang en de groote
hal Sessrymnir (de ruimgezetelde) gaven, waar zij gemakkelijk al hare
gasten zou kunnen plaatsen.


    Folkvang heet het,
    Waar Freya recht heeft
    Op de stoelen der hal.
    Ied'ren dag der verslaag'nen
    Kiest zij de helft,
    Gunt de helft aan Odin.

                Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).



Koningin der Valkyren.

Ofschoon zij de godin der liefde was, was Freya niet alleen zachtzinnig
en op vreugde gesteld, want de oude Noorsche volken geloofden dat zij
zeer krijgshaftige neigingen had, en dat zij als Valfreya dikwijls de
Valkyren de slagvelden langs voerde, kiezend en opeischend de eene
helft der gevallen helden. Daarom werd zij dikwijls afgebeeld met
pantser en helm, schild en speer, terwijl alleen de benedendeelen
van haar lichaam in de gewone golvende vrouwelijke dracht gehuld waren.

Freya bracht de uitverkoren gevallenen naar Folkvang, waar zij
behoorlijk werden ontvangen. Daar ook heette zij welkom alle reine
maagden en trouwe vrouwen, opdat zij na den dood zouden mogen genieten
van het gezelschap harer minnaars en mannen. De vreugden van haar
woning waren zóó verlokkend voor de heldhaftige Noorsche vrouwen,
dat zij dikwijls in den slag stormden als hare geliefden verslagen
waren, hopende hetzelfde lot te zullen deelen; of zij vielen in hare
zwaarden, of werden vrijwillig verbrand op denzelfden brandstapel
als de overblijfselen harer beminden.

Daar men geloofde dat Freya een gunstig oor leende aan gebeden van
minnenden, werd zij dikwijls door hen aangeroepen, en het was gebruik
haar ter eere minneliederen te dichten, die bij alle feestelijke
gelegenheden werden gezongen, terwijl haar naam zelfs het werkwoord
vrijen het aanzijn gaf.



Freya en Odur.

Freya, de goudharige en blauwoogige godin, werd soms ook als een
verpersoonlijking van de aarde beschouwd. Als zoodanig huwde zij Odur,
een symbool van de zomerzon, dien zij innig liefhad en bij wien zij
twee dochters had, Hnoss en Gersemi. Deze meisjes waren zóó schoon
dat alle lieflijke en kostelijke dingen naar haar genoemd werden.

Als Odur tevreden aan haar zijde toefde, glimlachte Freya en was zij
volmaakt gelukkig; maar, helaas! de god was zwerver van natuur, en toen
hij genoeg kreeg van zijn vrouws gezelschap, verliet hij plotseling
het huis en zwierf in de wijde wereld. Freya, droef en verlaten,
weende veel, en hare tranen vielen op de harde rotsen, die bij hun
aanraking zacht werden. Wij vernemen zelfs dat zij doorsijpelden tot
diep in het hart der steenen, waar zij in goud werden verkeerd. Sommige
tranen vielen in zee en werden veranderd in doorschijnend barnsteen.

Toen Freya van haar weduwlijken staat genoeg had en verlangde haar
geliefde in hare armen te drukken, ging zij hem eindelijk zoeken, en
kwam door vele landen, waar zij bekend werd onder vele namen, zooals
Mardel, Horn, Gefn, Syr, Skialf en Thrung, allen die zij ontmoette
vragend of haar man dien weg was langs gekomen, en overal zóóvele
tranen stortend dat men goud kan vinden in alle deelen der aarde.


    En Freya volgde met haar tranen goud
    Liefste godin des hemels, hoogst geëerd
    Door allen zij, na Odins gemalin.
    Voorlang nam haar ten huw'lijk Odur zwerfsch,
    Verliet haar dan en ging de wereld door,
    Sinds zoekt zij hem en weent haar gouden tranen.
    Veel namen heeft zij, Vanadis, zoo noemt
    Op aard men haar, doch Freya in den hemel.

                                    Balder Dood (Matthew Arnold).


Ver weg in het zonnige Zuiden, onder de bloeiende mirten, vond Freya
Odur ten slotte, en toen zij haar geliefde wederom had, was zij weer
gelukkig en glimlachte en straalde zij als een bruid. Misschien is het
omdat Freya haar man vond onder den bloeienden mirt, dat Noorsche
bruiden, tot heden, mirten verkiezen boven den conventioneelen
oranjebloesem van andere streken.

Hand in hand keerden Odur en Freya nu vroolijk naar huis terug,
en in het licht van hun geluk werd het gras groen, ontbloeiden de
bloemen, en de bruid zong, want de heele natuur sympathiseerde even
hartelijk met Freya's vreugde als zij getreurd had met haar toen zij
in droefheid was.


    Uit het morgenland,
    Over het sneeuwveld
    Kwam schoone Freya
    Tripp'len naar Scoring.
    Wit lag de heide,
    Bevroren vóór haar;
    Groen was de heide,
    En bloeiend achter haar.
    Uit gouden lokken
    Schudde zij bloemen,
    Uit haar kleed'ren
    Schudde zij zuidenwind,
    Rondom in de berken
    Wekkend de lijsters,
    Makend kuische vrouwen zeer
    Naar hun helden verlangend,
    Minnend, minnegevend,
    Kwam zij naar Scoring.

            De Longbeards Sage (Charles Kingsley).


De mooiste planten en bloemen in het noorden heetten Freya's haar of
Freya's oogendauw, terwijl de vlinder Freya's hen heette. Men dacht
ook dat deze godin een bijzondere genegenheid had voor de elfen, die
zij gaarne zag dansen in de maanstralen, en voor wie zij haar mooiste
bloemen en zoetsten honig bewaarde. Odur, Freya's man, die verder
gold als een verpersoonlijking van de zon, werd ook beschouwd als een
zinnebeeld van den hartstocht of van de bedwelmende liefdegenietingen;
zoo zeiden de ouden dat het geen wonder was wanneer zijn vrouw niet
gelukkig kon zijn zonder hem.



Freya's halsketting.

Daar zij de godin van de schoonheid was, was Freya natuurlijk
zeer verzot op haar toilet van schitterende sieraden en kostbare
juweelen. Op zekeren dag, toen zij in Svart-alfa-heim vertoefde,
het rijk onder den grond, zag zij vier dwergen den wonderbaarsten
halsketting maken dien zij ooit gezien had. Schier buiten zich zelf
van verlangen om dezen schat te bezitten, die Brisinga-men heette,
en een zinnebeeld was van de sterren, smeekte Freya de dwergen hem
haar te geven; maar zij weigerden dit met beslistheid tenzij zij
beloofde dat zij hun haar gunst zou schenken. Toen zij tot dezen prijs
den halsketting had gekregen, haastte Freya zich hem aan te doen,
en zijn schoonheid verhoogde hare bekoorlijkheden zóó, dat zij hem
dag en nacht droeg en slechts bij gelegenheid kon bewogen worden hem
aan de andere godheden te leenen. Thor droeg echter dezen ketting,
toen hij Freya in Jötun-heim voorstelde, en Loki begeerde hem en zou
hem hebben gestolen, had Heimdall er niet opgepast.

Freya was ook de trotsche bezitster van een valkengewaad, of
valkenveeren, die dengene, die ze droeg, het vermogen schonk als een
vogel door de lucht te vliegen; en dit kleed was zóó onschatbaar dat
het tweemaal door Loki werd geleend, en door Freya zelve gebruikt
werd toen zij Odur, die weg was, ging zoeken.


    Op zeek'ren dag
    Deed Freya aan valkenvleug'len en schoot door de lucht,
    Noordwaarts, zuidwaarts zocht zij
    Haar geliefden Odur.

                                            Frithiof Saga, Tegnér.


Daar Freya ook werd beschouwd als de godin van de vruchtbaarheid,
werd zij soms voorgesteld als rondrijdend met haar broeder Frey
in de kar, die getrokken werd door het zwijn met gouden borstels,
met kwistige hand strooiend vruchten en bloemen, om de harten der
menschen verheugd te maken. Zij had echter zelf een wagen waarin zij
gewoonlijk reed. Deze werd getrokken door katten, hare geliefkoosde
dieren, de zinnebeelden van koesterende liefheid en wellust, of de
verpersoonlijking van vruchtbaarheid.


    Toen kwam zwartbaardige Niörd en achter hem
    Freya, in dun gewaad, en om haar enkels teer
    Speelden de grauwe katten.

                            Minnaars van Goedroen (William Morris).


Frey en Freya werden zóó hoog geëerd in het gansche noorden, dat hunne
namen, in gewijzigde vormen, nog gebruikt worden voor "meester" en
"meesteres", en één dag der week Vrijdag wordt genoemd. Freya's tempels
waren inderdaad groot in getal, en werden lang in stand gehouden door
hare geloovigen, het laatst te Maagdenburg, in Duitschland totdat
deze op bevel van Karel den Groote werd verwoest.



Geschiedenis van Ottar en Angantyr.

Het Noorsche volk was gewoon Freya aan te roepen niet alleen om
voorspoed af te smeeken in de liefde, en welvaart en rijkdom, maar ook,
nu en dan, hulp en bescherming. Deze beloofde zij aan allen die haar
trouw dienden, zooals bleek in het verhaal van Ottar en Angantyr, twee
mannen, die, nadat zij een tijd lang getwist hadden over hun rechten
op zeker stuk land, ten slotte de zaak voor het Thing brachten. Die
volksvergadering besliste dat de man, die kon aantoonen dat hij de
langste lijn van edele voorvaderen had, als winner zou gelden, en
een bepaalden dag werd aangewezen om den geslachtsboom van iederen
eischer na te sporen.

Ottar, die zich slechts eenige namen van voorvaderen kon herinneren,
bracht offers aan Freya en vroeg haar hulp. De godin hoorde goedgunstig
naar zijn gebed en verscheen hem en veranderde hem in een wild zwijn,
en reed op zijn rug naar de woonplaats van de toovenares Hyndla, een
zeer beroemde heks. Door bedreigingen en verzoeken kreeg Freya van de
oude vrouw gedaan, dat zij Ottar's geslachtsboom tot Odin naspoorde,
en elk der vaderen op zijn beurt zou opnoemen, terwijl zij erbij
vertelde wat hij had gedaan. Daar zij vreesde dat het geheugen van
haren vereerder niet bij machte zou zijn zoovele bijzonderheden te
onthouden, bewerkte Freya verder dat Hyndla een dronk herinneringsdrank
brouwde, dien zij hem te drinken gaf.


    Drinken zal hij
    Heerlijke teugen,
    Alle goden smeek ik
    Te zeeg'nen Ottar.

                Saemunds Edda.


Zoo voorbereid verscheen Ottar voor het Thing op den vastgestelden dag,
en zei vloeiend zijn stamboom op, zooveel meer voorvaders noemende
dan Angantyr zich kon herinneren, dat hem zonder moeite het bezit
werd toegewezen dat hij verlangde.


    Een plicht is te wijzen zóó
    Dat de jonge vorst
    Zijn vaderlijk erfdeel zal hebben
    Volgens zijn afkomst.

                Saemunds Edda.



De mannen van Freya.

Freya was zóó schoon dat al de goden, reuzen en dwergen naar hare
liefde verlangden en om beurten haar tot vrouw wilden. Maar Freya
bespotte de leelijke reuzen en weigerde zelfs Thrym, toen Loki en
Thor voor hem pleitten. Zij was niet zoo onverzettelijk waar het de
goden zelf betrof, als men de verschillende mythologen mag gelooven,
want als de verpersoonlijking van de aarde, zegt men, heeft zij Odin
(de lucht), Frey (den vruchtbaren regen), Odur (den zonneschijn)
enz. getrouwd, totdat het scheen alsof zij de beschuldiging verdiende
die de opperduivel Loki tegen haar uitgilde, dat zij om beurten alle
goden bemind had en gehuwd.



Vereering van Freya.

Het was gebruik bij plechtige gelegenheden Freya's gezondheid te
drinken met die van de andere goden, en toen het Christendom in het
noorden werd ingevoerd, werd deze dronk overgebracht op de Maagd
of op St. Gertruida; Freya werd, evenals alle heidensche godheden,
tot een demon verklaard of een heks, en verbannen naar de bergtoppen
van Noorwegen, Zweden of Duitschland, waar men den Brocken aanwijst
als haar speciaal verblijf, en de algemeene verzamelplaats van haar
duivelenstoet in den Valpurgisnacht.


    Koor van heksen.

        De heksen gaan den Brocken op,
        De stoppel is geel, groen is de knop.
        Van alle kanten komen ze aan,
        En bovenop zit Uriaan.
        Zoo gaat het over steen en stok,
        Laat de heks een sch--t, dan st--t de bok.

                        Goethe's Faust (vert. v. Adama v. Scheltema).


Daar de zwaluw, de koekoek en de kat in heidensche tijden Freya gewijd
waren, meende men dat deze schepselen duivelsche eigenschappen hadden,
en tot heden toe worden heksen altijd afgebeeld met koolzwarte katten
naast zich.



HOOFDSTUK XI: ULLER.


De god van den winter.

Uller, de god van den winter, was de zoon van Sif, en de stiefzoon
van Thor. Zijn vader die nooit vermeld wordt in de Noorsche sagen
moet een van de meest gevreesde vorstreuzen zijn geweest, want Uller
hield van de koude en reisde gaarne door het land op zijn breede
sneeuwschoenen of glinsterende schaatsen. Deze god hield ook van de
jacht, en dreef zijn spel in de Noorsche wouden, zich maar weinig
bekommerend om ijs en sneeuw, waartegen hij goed was beschermd door
de dikke pelzen waarin hij altijd was gehuld.

Als god van de jacht en het boogschieten wordt hij afgebeeld met
een koker vol pijlen en een grooten boog, en daar de taxis het beste
hout geeft tot vervaardiging van deze wapenen, zegt men dat dit zijn
geliefkoosde boom was. Om altijd genoeg geschikt hout tot zijn gebruik
bij de hand te hebben, sloeg Uller zijn verblijf op te Ydalir, het
dal der taxisboomen, waar het altijd zeer vochtig was.


    Ydalir heet het,
    Waar Uller zich
    Gemaakt heeft een woning.

                    Saemunds Edda.


Als wintergod werd Uller, of Oller, zooals hij ook heette, beschouwd
als de tweede na Odin, wiens plaats hij gedurende zijn afwezigheid in
de wintermaanden van het jaar zich toeëigende. Gedurende dit tijdperk
voerde hij algeheele heerschappij over Asgard en Midgard, en ook,
volgens sommige bronnen, nam hij bezit van Frigga, Odins vrouw, zooals
vermeld wordt in de mythe van Vili en Ve. Maar daar Uller zeer zuinig
was en nooit iets gaf aan de menschheid, begroette zij met groote
blijdschap den terugkeer van Odin, die zijn onderkruiper wegjoeg en
hem noodzaakte zijn toevlucht te nemen òf in het bevroren noorden òf op
de toppen van de Alpen. Hier, als wij de dichters mogen gelooven, had
hij een zomerhuis gebouwd, waarin hij zich terugtrok, totdat, wetend
dat Odin weer weg was, hij opnieuw in de dalen durfde verschijnen.

Uller werd ook beschouwd als de god van den dood, en men dacht dat hij
in de Wilde Jacht reed en ze soms zelf leidde. Hij is in het bijzonder
bekend om zijn snelheid van beweging, en daar de sneeuwschoenen, die
men in noordelijke streken gebruikt, soms van been worden gemaakt,
en bovenaan zijn opwaarts gekeerd als de boeg van een schip, vertelde
men gewoonlijk dat Uller tooverrunen had gesproken over een stuk been,
dat hij in een schip veranderde, hetwelk hem over land of zee droeg
naar zijn wil.

Daar sneeuwschoenen als een schild er uit zien, en daar het ijs waarmee
hij jaarlijks de aarde omwikkelde als schild dient dat ze voor letsel
in den winter beschermt, had Uller den bijnaam van schildgod, en
hij werd in het bijzonder aangeroepen door alle personen die moesten
meedoen aan een tweegevecht of een wanhopigen strijd.

In Christelijke tijden werd zijn plaats in den dienst des volks
ingenomen door St. Hubert, als jager, die ook gemaakt werd tot den
patroon der eerste maand, welke op 22 November begon, en aan hem
gewijd was, daar de zon door het sterrenbeeld Sagittarius ging,
of den boogschutter.

In het Angelsaksisch was Uller bekend als Vulder; maar in sommige
deelen van Duitschland heette hij Holler en werd beschouwd als de
gemaal van de schoone godin Holda, wier velden hij met een dikken
mantel van sneeuw bedekte, om ze meer vruchtbaar te maken wanneer de
lente kwam.

Bij de Skandinaviërs vertelde men, dat Uller Skadi had gehuwd,
Niörds gescheiden vrouw, de vrouwelijke verpersoonlijking van den
winter en de koude en hun smaak was zóó gelijk dat zij in volkomen
harmonie samen leefden.



Dienst van Uller.

Vele tempels waren in het Noorden aan Uller gewijd, en op zijn
altaren, even goed als die van de andere goden, lag een heilige ring,
waarop eeden werden gezworen. Men zeide dat deze de ring kracht had
zóó hevig ineen te krimpen, dat hij den vinger van een met opzet
meineedige afrukte. Het volk bezocht Ullers tempel, vooral gedurende
de maanden November en December, om hem te vragen dat hij een dikke
deken van sneeuw over hun landen zou brengen, als waarborg van een
goeden oogst; en daar men geloofde dat hij de schitterende stralen
van het noorderlicht zond, die de Noorsche lucht in haar langen nacht
verlichten, dacht men dat hij in nauwe betrekking stond tot Balder,
de verpersoonlijking van het licht.

Volgens andere bronnen was Uller Balders speciale vriend, vooral
omdat hij ook een deel van het jaar in de duistere diepten van
Nevelheim doorbracht, met Hel, de godin van den dood. Men meende
dat Uller daar jaarlijks, gedurende de zomermaanden, verbannen werd,
als hij zijn heerschappij over de aarde moest afstaan aan Odin, den
zomergod, en daar ontmoette hem Balder op Midzomer, den dag waarop
hij uit Asgard verdween, want dan begonnen de dagen korter te worden,
en de heerschappij van het licht (Balder) week allengs voor de steeds
toenemende macht der duisternis (Hodur).



HOOFDSTUK XII: FORSETI.


De god van de waarheid.

Zoon van Balder, den god van het licht en van Nanna, de godin der
vlekkelooze reinheid, was Forseti de wijste, welsprekendste en
lieflijkste van alle goden. Toen men vernam dat hij in Asgard was,
stonden de goden hem een zetel toe in de vergaderzaal, bepaalden dat
hij de beschermer zou zijn van gerechtigheid en rechtvaardigheid, en
gaven hem tot verblijf het schitterende paleis Glitnir. Deze woning
had een zilveren dak, dat op pilaren van goud rustte, en het straalde
zóó, dat men het op grooten afstand kon zien.


    Glitnir is het tiende;
    Gedragen door goud,
    Ook met zilver gedekt.
    Daar woont Forseti
    Altijd door,
    Beslecht elken strijd.

                    Saemunds Edda.


Hier, op een hoogen troon, zat Forseti, de wetgever, dag aan
dag, en vereffende de geschillen van goden en menschen, geduldig
luisterend naar beide kanten van elke vraag, en ten slotte uitsprekend
beslissingen zóó billijk dat niemand ooit met zijn besluiten ontevreden
was. Zóó groot waren de welsprekendheid en overredingskracht van
dezen god, dat hij er altijd in slaagde de harten zijner hoorders
te treffen, en het hem altijd gelukte ook de bitterste vijanden te
verzoenen. Allen, die van hem vandaan gingen, waren voor het vervolg
er zeker van in vrede te leven, want niemand durfde een gelofte te
breken die hem eens was gedaan, anders zou hij zijn rechtmatigen
toorn oploopen en onmiddellijk ten doode verwezen worden.


    Forseti, Balders groote zoon
    Hoorde mijn eed,
    Geef mij rechtvaard'gen dood ter loon
    Als 'k hem vergeet.

                    Viking-verhalen van het Noorden (R. B. Anderson).


Als de god van de gerechtigheid en eeuwige wet, meende men, was
Forseti voorzitter bij elke rechtszitting; steeds wendden zich tot
hem allen die een verhoor moesten ondergaan, en men zeide dat hij
zelden in den steek liet degenen die zijn hulp verdienden.



De geschiedenis van Heligoland.

Om de administratie van het recht in hun land te vergemakkelijken,
benoemden de Friezen, zegt men, twaalf van hun wijste mannen, de
Asegeir, of oudsten, om de wetten van de verschillende familiën en
stammen die hun natie uitmaakten te verzamelen, en daaruit een wetboek
samen te stellen dat de grondslag zou zijn van uniforme wetten. Toen
de oudsten heel nauwkeurig de verschillende gegevens hadden verzameld,
scheepten zij zich in op een klein schip, om een eenzame plaats te
vinden waar zij vreedzaam hun besprekingen zouden kunnen houden. Maar
nauwelijks waren zij van wal gestoken, of een storm zette op, die
hun schip ver naar zee dreef, nu in deze richting en dan in die,
zoodat zij geheel hun kalmte verloren. In hun wanhoop riepen de twaalf
rechtsgeleerden Forseti aan, en smeekten hem hen te helpen het land
weer te bereiken, en nauwelijks was het gebed uit, of zij bespeurden,
tot hun groote verrassing, dat het schip een dertienden passagier
aan boord had.

Het roer grijpend wendde de vreemdeling het vaartuig, stuurde het
naar de plaats waar de golven het hoogst sloegen, en in ongeloofelijk
korten tijd kwamen zij aan een eiland waar de stuurman hen aanspoorde
zich te ontschepen. In eerbiedige stilte gehoorzaamden de twaalf
mannen; en hun verbazing steeg nog meer, toen zij den vreemdeling
zijn oorlogsbijl zagen zwaaien en een heldere bron zagen opspringen
van de plaats op het grasveld waar zij neerkwam. Op voorbeeld van
den vreemdeling dronken allen van dit water zonder een woord te
spreken; toen gingen zij in een kring zitten, zich verbazend omdat
de vreemdeling op ieder hunner in een of andere bijzonderheid geleek,
maar toch veel van hen verschilde in algemeen voorkomen en uiterlijk.

Plotseling werd het zwijgen verbroken en de vreemdeling begon te
spreken op zachten toon, die vaster en luider werd toen hij een wetboek
ging voordragen dat al de verschillende bestaande bepalingen vereenigde
die de Asegeir hadden verzameld. Toen zijn rede uit was, verdween de
vreemdeling even snel en geheimzinnig als hij was gekomen, en de twaalf
rechtsgeleerden, hun spraak terug krijgend, riepen tegelijk uit dat
Forseti zelf bij hen was geweest, en het wetboek had gegeven volgens
hetwelk de Friezen voortaan moesten gevonnisd worden. Ter herinnering
aan de verschijning van den god verklaarden zij het eiland waarop zij
stonden heilig, en zij spraken een plechtige vervloeking uit over ieder
die zijn heiligheid door twist of bloedvergieten zou ontwijden. Zoo
werd dit eiland, bekend als Forseti's land of Heligoland (heilig land)
hoogelijk geëerd door alle Noorsche volken en zelfs de stoutmoedigste
vikings plunderden zijn kusten niet, om geen schipbreuk te lijden of
een schandelijken dood te ondergaan tot straf voor hun misdaad.

Plechtige rechtszittingen werden dikwijls op het heilige eiland
gehouden, terwijl de rechters er altijd water schepten en het zwijgend
dronken, ter herinnering aan Forseti's bezoek. De wateren van deze
bron werden bovendien als zóó heilig beschouwd, dat allen die er
van dronken voor gewijd werden gehouden, en zelfs het vee dat er
van genuttigd had niet mocht worden geslacht. Daar men zeide dat
Forseti zijn zittingen hield in de lente, den zomer en den herfst,
maar nooit in den winter, werd het gewoonte, in alle Noorsche landen,
de gerechtshoven vacantie te geven in deze jaargetijden, want het
volk vond, dat, alleen wanneer het licht helder aan den hemel scheen,
het recht allen zichtbaar kon zijn, en dat het volstrekt onmogelijk
zou wezen een rechtvaardig vonnis te wijzen gedurende het donkere
winterseizoen. Forseti wordt zelden genoemd dan samen met Balder. Hij
nam blijkbaar geen deel aan de eindelooze twisten, waarin al de andere
goden een zoo groote rol speelden.



HOOFDSTUK XIII: HEIMDALL.


De wachter van de goden.

Toen hij eens langs het zeestrand wandelde, zag Odin negen schoone
reuzinnen, de golfmeisjes Gialp, Creip, Egia, Augeia, Ulfrun, Aurgiafa,
Sindur, Atla en Iarnsaxa, in diepen slaap op het witte zand. De god van
de lucht werd zóó bekoord door deze schoone wezens, dat, zooals de Edda
vertelt, hij alle negen huwde, en zij werkten op hetzelfde oogenblik
samen tot de geboorte, van een zoon, die den naam Heimdall kreeg.


    'k Ben een kind van negen moeders,
    'k Ben een zoon van negen zusters.

                                Saemunds Edda.


De negen moeders voedden hun kind met de kracht der aarde, de
vochtigheid der zee en de hitte der zon, en deze zonderlinge leefregel
bleek zóó versterkend, dat de jonge god in een verwonderlijk korten
tijd volwassen was, en zich naar zijn vader in Asgard spoedde. Hij
trof de goden aan terwijl zij met trots de regenboogbrug beschouwden,
die zij juist uit vuur, lucht en water hadden gemaakt; nog kan men
deze drie grondstoffen duidelijk zien in haar langen boog, waar de
drie hoofdkleuren schitteren: het rood dat het vuur, het blauw dat
de lucht en het groen dat de koele diepten van de zee aanduidt.



De wachter van den regenboog.

Deze brug verbond hemel en aarde en eindigde onder de schaduw van
den machtigen wereldboom Yggdrasil, dicht bij de fontein, waar Mimir
wacht hield, en de eenige belemmering om ten volle van het prachtige
schouwspel te genieten, was de vrees dat de vorstreuzen er over heen
zouden gaan en zoo in Asgard binnendringen.

De goden hadden besproken dat het geraden was een betrouwbaren wachter
aan te stellen, en zij heetten den nieuweling welkom als iemand die
volkomen geschikt was om die ernstige taak te vervullen.

Heimdall nam gaarne de verantwoordelijkheid op zich, en van nu af
aan hield hij dag en nacht de wacht over den regenboogweg die naar
Asgard voerde.


    Bifröst in 't oosten blonk in kleuren rein;
    En op zijn top, in blanksten schijn,
    Bleek Heimdall op zijn post te zijn.

                                        Oehlenschläger.


Ten einde hun wachter in staat te stellen de nadering van een
vijand van verre te zien, gaven de goden hem zóó scherpe zintuigen,
dat--zooals men zegt--hij het gras op de heuvelhelling en de wol op
den rug van het schaap kon hooren groeien; dat hij honderd mijlen ver
zoowel 's daags als 's nachts duidelijk kon zien; en bij dit alles
had hij minder slaap noodig dan een vogel.


    Bij angst'ge reuzen meer bekend
    Dan hij die zit in rust omhoog,
    Wachter der lucht, en sluit geen oog.

                                        Lied van Skirner.


Heimdall werd verder toegerust met een schitterend zwaard en een
wonderbare trompet, Giallar-hoorn geheeten, en de goden bevalen
hem er op te blazen als hij hun vijanden zag aankomen, zeggende dat
de klank er van alle wezens in den hemel, op aarde en in Niflheim
zou wekken. De laatste hevige stoot er in zou de komst van den dag
aangeven waarop de laatste strijd zou gestreden worden.


    Ten strijd zijn de goden geroepen
    Door den ouden
    Giallar-hoorn,
    Luid blaast Heimdall,
    Zijn klank is in de lucht.

                                Saemunds Edda.


Om dit instrument, dat een zinnebeeld was van de wassende maan, altijd
bij de hand te hebben, hing Heimdall het aan een tak van den Yggdrasil
boven zijn hoofd of liet het zinken in de wateren van Mimirs bron. In
deze bron lag het naast Odins oog, dat een zinnebeeld was van de maan
wanneer zij vol is.

Heimdalls paleis, Himinbiorg geheeten, lag op het hoogste punt van
de brug, en hier bezochten de goden hem dikwijls om te smullen aan
de heerlijke mee die hij hun voorzette.


    't Wordt genoemd Himinbiorg,
    Waar Heimdall, zegt men,
    Heeft woning en heerscht.
    Daar de wachter drinkt
    In still' oude hal
    Vroolijk goede mee.

                Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).


Heimdall werd altijd afgebeeld in schitterende witte rusting, en hij
werd daarom genoemd de blinkende god. Hij stond ook bekend als de
lichte, onschuldige en genaderijke god, en alle goden hielden van
hem. Van moeders zijde verwant aan de zee werd hij somtijds tot de
Vana's gerekend; en daar de oude Noormannen, vooral de IJslanders,
wien de omringende zee het belangrijkste element scheen, dachten dat
alles uit haar was voortgekomen, kenden zij hem een alles omvattende
kennis toe en hielden hem voor bijzonder wijs.


    Van d' Aesir de schoonste
    Zag hij vooruit
    Als d' and're Vanir.

                    Saemunds Edda.


Heimdall werd verder onderscheiden door zijn gouden tanden, die
lichtten als hij sprak, en hem den bijnaam Gullintani (goudtandige)
bezorgden. Hij was ook de fiere bezitter van een vlug, goudmanig paard
dat Gull-top heette, en dat hem heen en weer droeg over de beweeglijke
regenboogbrug. Deze ging hij vele malen per dag over, maar vooral in
den vroegen morgen, en op dit uur droeg hij, als heraut van den dag,
den naam Heimdellinger.


    Vroeg reeds op Bifröst
    Reed Ulfruns zoon,
    De horenblazer
    Van Himinbiörg.

                    Saemunds Edda.



Loki en Freya.

Zijn buitengewoon scherp gehoor was oorzaak dat Heimdall op zekeren
nacht door het geluid van zachte stappen--als van een kat--werd
opgeschrikt; dit geluid kwam van den kant van Freya's paleis,
Folkvang. Heimdall wierp zijn arendsblik door het duister en bespeurde
dat het geluid werd veroorzaakt door Loki, die, heimelijk als een vlieg
het paleis binnengekomen, naar Freya's bed was gegaan en haar blinkend
gouden halsketen Brisinga-men, het zinnebeeld van de vruchtbaarheid
der aarde, wilde stelen.

Heimdall zag dat de godin in haar slaap zóó lag dat niemand met
mogelijkheid de keten kon losmaken zonder haar te wekken. Loki stond
eenige oogenblikken aarzelend naast het bed, en begon toen vlug
de runen te mompelen waardoor de goden naar willekeur hun gedaante
konden veranderen. Toen hij dit deed, zag Heimdall hem kleiner worden,
totdat hij de afmeting en gedaante had gekregen van een vloo, en toen
kroop hij onder de dekens en beet Freya in de zij, zoodat zij anders
ging liggen zonder dat zij wakker was geworden.

De gesp was nu zichtbaar en Loki maakte ze behoedzaam los en maakte
zich van den begeerden schat meester, terwijl hij er dadelijk mee
wegsloop. Heimdall schoot onmiddellijk naar voren om den nachtelijken
dief te vervolgen, haalde hem spoedig in, trok zijn zwaard uit
zijn scheede, om hem het hoofd af te slaan, toen de god zich in een
flikkerende blauwe vlam veranderde. Snel als de gedachte nam Heimdall
de gedaante aan van een wolk en zond een stroom regen neer om het
vuur te blusschen; maar Loki veranderde even snel zijn gestalte in
die van een grooten ijsbeer en opende zijn grooten muil om het water
te verzwelgen. Heimdall, in het geheel niet bang, nam toen eveneens
de gedaante aan van een beer en deed een moedigen aanval, maar toen
het gevecht voor Loki noodlottig dreigde te eindigen, veranderde
deze zich in een zeehond, en Heimdall desgelijks, waarop een laatste
worsteling plaats greep, die hiermede eindigde, dat Loki den ketting
moest teruggeven, die behoorlijk aan Freya weerom kwam.

In deze mythe is Loki een zinnebeeld van de droogte, of van de
verderfelijke invloeden van de te verschroeiende zonnehitte,
die de aarde (Freya) komt berooven van haar schoonsten sier
(Brisinga-men). Heimdall is een verpersoonlijking van den weldadigen
regen en dauw, die, na een poos worstelen met zijn vijand, de droogte,
hem de baas wordt en hem dwingt zijn buit af te staan.



Heimdall's namen.

Heimdall heeft verschillende andere namen, onder welke wij vinden
die van Hallinskide en Irmin, want soms vervangt hij Odin en wordt
vereenzelvigd met dien god, evenals met andere zwaardgoden, Er, Heru,
Cheru en Tyr, die allen beroemd zijn door hun schitterende wapenen. Hij
echter is het meest bekend als de wachter van den regenboog en de god
des hemels en van de vruchtbare regens en den dauw die verfrissching
aan de aarde brengen.

Heimdall deelde ook met Bragi de eer van de helden in het Valhalla
welkom te heeten, en, onder den naam van Riger, gold hij als de
goddelijke voorvader van de verschillende groepen, die het menschelijke
geslacht uitmaken, zooals blijkt in het volgende verhaal.



De geschiedenis van Riger.

    "Heilige kind'ren,
    Groot en klein,
    Zonen van Heimdall".

                Saemunds Edda.


Heimdall verliet op zekeren dag zijn plaats in Asgard om op aarde
te dalen zooals de goden gewoon waren. Hij was niet ver gegaan, toen
hij aan een armelijke hut op het zeestrand kwam, waar hij aantrof Ai
(overgrootvader) en Edda (overgrootmoeder), een arm maar waardig paar,
dat hem gastvrij uitnoodigde om hun eenvoudig maal varkensvleesch te
deelen. Heimdall, die zich Riger noemde, nam verheugd deze invitatie
aan en bleef bij het paar drie dagen, terwijl hij hen veel leerde. Na
verloop van dien tijd hervatte hij zijn reis. Kort na zijn bezoek,
baarde Edda een donkeren, dikken jongen, dien zij Thrall noemde.

Thrall toonde weldra buitengewone physieke kracht en een grooten aanleg
voor allen zwaren arbeid; en toen hij groot geworden was, nam hij tot
vrouw Thyr, een zwaar gebouwd meisje met door de zon gebruinde handen
en platte voeten, die, evenals haar man, vroeg en laat werkte. Vele
kinderen werden dit paar geboren, en van hen stamden alle slaven van
de noordelijke landen af.


    Zij hadden kind'ren
    En leefden gelukkig;

    Z' omheinden landen,
    Bemestten 't ploegveld,
    Hoedden varkens,
    Weidden geiten,
    Groeven veen.

                    Rigsmál.


Na de arme hut op de kale zeekust te hebben verlaten was Riger
het land ingegaan, waar hij spoedig aan bebouwde velden kwam en een
aanzienlijke boerderij. Deze vriendelijke woning binnentredend vond hij
Afi (grootvader) en Amma (grootmoeder) die hem gastvrij uitnoodigden
te gaan zitten en mede te eten van het eenvoudige maar overvloedige
maal dat zij zouden gebruiken.

Riger nam de uitnoodiging aan en hij bleef drie dagen bij zijn gastheer
en gastvrouw, terwijl hij hun intusschen allerlei nuttige kennis
mededeelde. Na zijn vertrek uit hun huis baarde Amma een blauwoogigen
forschen knaap, dien zij Karl noemde. Toen hij groot werd spreidde hij
enorme kennis van landbouwzaken ten toon, en te zijner tijd trouwde
hij een vlugge en huishoudelijke vrouw, Snor geheeten, die hem vele
kinderen baarde, van wie het ras der landbouwers afkomstig is.


    Hij groeid' op,
    Gedijde flink;
    Hij temde ossen,
    Maakte ploegen;
    Bouwde huizen,
    Maakte schuren,
    Maakte wagens
    En dreef den ploeg.

                    Rigsmál.


Nadat hij dit huis van het tweede paar had verlaten, vervolgde Riger
zijn reis, totdat hij kwam aan een heuvel, waarop een statig kasteel
was gebouwd. Hier werd hij ontvangen door Fadir (vader) en Modir
(moeder), die, wel gevoed en weelderig gekleed, hem hartelijk welkom
heetten, en hem voorzetten lekkere spijzen en heerlijke wijnen.

Riger bleef drie dagen bij dit paar en keerde vervolgens naar
Himinbiorg terug om zijn taak als wachter van de Asa-brug te hervatten;
en spoedig daarop baarde de vrouw van het kasteel een schoonen,
slank gebouwden knaap, dien zij Jarl noemde. Dit kind toonde vroeg
groote liefde voor de jacht en allerlei krijgsmansoefeningen, leerde de
runen verstaan en liefde om groote daden van dapperheid te verrichten,
die zijn naam beroemd maakten en glorie gaven aan zijn geslacht. Man
geworden huwde Jarl Erna, een aristokratisch en slank gebouwd meisje,
dat zijn huishouden met verstand waarnam en hem vele kinderen baarde,
allen bestemd om te regeeren; de jongste van dezen, Konur, werd de
eerste koning van Denemarken. Deze mythe geeft goed aan het sterk
klassegevoel onder de noordelijke volken.


    Op groeiden
    Jarl's zonen;
    Zij temden paarden,
    Bogen schilden
    Gladden pijlen,
    Drilden speren,
    Maar Kon, de jongste,
    Wist de runen
    Eeuw'ge runen
    En levensrunen.

                    Rigsmál.



HOOFDSTUK XIV: HERMOD.


De vlugge god.

Een andere zoon van Odin was Hermod, zijn speciale dienaar, een
schitterende en schoone jonge god, die begaafd was met groote snelheid
van beweging en daarom als de snelle of vlugge god werd aangeduid.


    Maar een was er, van alle goden d' eerste,
    In snelheid, Hermod werd zijn naam genoemd,
    Het vlugst was hij.

                            Balder Dood (Matthew Arnold).


Wegens deze belangrijke eigenschap deed Hermod doorgaans bij de
goden als bode dienst, en op een enkel teeken van Odin was hij altijd
bereid om zich naar welk deel der schepping ook heen te spoeden. Als
een bijzonder bewijs van gunst gaf Alvader hem een prachtig pantser
en een helm, die hij dikwijls aandeed als hij ging deelnemen aan het
gevecht, en soms vertrouwde Odin aan zijn zorg toe de kostbare speer
Gungnir, en gebood hem die over de hoofden der strijdenden te werpen,
die op het punt waren den slag te wagen, opdat hun moed tot moordende
woede zou worden aangezet.


    Laat ons Odin bidden
    In ons te varen;
    Hij geeft en gunt
    Den goeden goud;
    Hij gaf aan Hermod
    Een helm en pantser.

                    Saemunds Edda.


Hermod had behagen in het gevecht en heette dikwijls "de moedige in
den slag", en werd vereenzelvigd met den god van het Al, Irmin. Men
zegt dat hij soms de Valkyren vergezelde op hun rit naar de aarde,
en vaak de krijgers naar het Valhalla begeleidde, waarom hij beschouwd
werd als de gids der heldhaftige dooden.


    Tot hem sprak Hermoden, sprak Brage:
    "Wij groeten u uit naam van allen,
    Bij de goden bekend om uw moed zijt gij,
    En zij nooden u uit in hun hallen.

                                    Owen Meredith.


Hermod's kenmerkend attribuut was, behalve zijn pantser en helm, een
stok of staf, die Gambantein heette, het teeken van zijn waardigheid,
dat hij overal mededroeg.



Hermod en de Waarzegger.

Eens door onbepaalde angsten voor de toekomst gedrukt en van de Nornen
geen voldoende antwoorden op zijn vragen kunnende verkrijgen, beval
Odin Hermod zijn wapenrusting aan te doen en Sleipnir te zadelen, dien
hij, behalve Odin, alleen berijden mocht, en zich te spoeden naar het
land van de Finnen. Dit volk, dat in de bevroren poolstreken woonde,
had--zoo meende men--behalve dat het de koude stormen kon verwekken,
die van het noorden aanwoeien en veel ijs en sneeuw in hun gevolg
meebrachten, groote geheimzinnige vermogens.

De beroemdste van deze Finsche toovenaars was Rossthiof (de
paardendief) die gewoon was reizigers in zijn gebied te halen door
middel van magische kunsten, om hen te berooven en te vermoorden, en
hij vermocht de toekomst te voorspellen, ofschoon hij steeds onwillig
was het te doen.

Hermod, "de snelle" reed vlug noordwaarts, met de opdracht dezen Fin
te zoeken, en in plaats van zijn eigen stok droeg hij Odins runenstaf,
dien Alvader hem had gegeven om alle belemmeringen, die Rossthiof
tegen hem zou mogen in het werk stellen, uit den weg te ruimen. In
weerwil van de schimachtige monsters en de onzichtbare hinderlagen en
valstrikken, kon Hermod de woning van den toovenaar veilig bereiken,
en toen de reus hem aanviel, kon hij hem met gemak overwinnen en
bond hij hem aan handen en voeten, zeggende dat hij hem niet vrij
zou laten eer hij beloofde alles te openbaren wat hij wilde weten.

Toen Rossthiof zag dat er geen kans op ontvluchten was, beloofde hij
te zullen doen als zijn overwinnaar wenschte, en, in vrijheid gesteld,
begon hij dadelijk bezweringen te mompelen. Zoodra deze gehoord werden,
verborg zich de zon achter de wolken, de aarde schudde en beefde,
en de stormwinden huilden, als een troep hongerige wolven.

Naar den horizon wijzende zei de toovenaar dat Hermod moest zien,
en de snelle god zag in de verte een grooten stroom bloed die den
grond rood maakte. Terwijl hij keek naar dien wonderbaren stroom
verscheen plotseling een oude vrouw en een oogenblik later stond een
klein kind naast haar. Tot verbazing van den god groeide dit kind zóó
wonderbaarlijk snel dat hij weldra volwassen was, en Hermod bespeurde
dat hij stoutmoedig een boog met pijlen zwaaide.

Rossthiof begon nu de voorteekenen te verklaren, die zijn kunst
bezworen had, en hij legde uit dat de stroom bloed den moord van
een der zonen van Odin aanduidde, maar dat als de vader der goden
zou vrijen en veroveren Rinda, in het land der Ruthenen (Russen),
zij hem een zoon zou baren die volwassen zou zijn in een paar uur en
zijn broeders dood wreken zou.


    Rind zal baren een zoon,
    In de west'lijke hallen;
    Hij zal Odins zoon verslaan,
    Één nacht oud.

                        Saemunds Edda.


Hermod luisterde aandachtig naar de woorden van Rossthiof en bij
zijn terugkeer naar Asgard vertelde hij alles wat hij gezien en
gehoord had aan Odin, wiens vreezen bevestigd werden, en die dus met
zekerheid wist dat hij een zoon door een gewelddadigen dood verliezen
zou. Hij troostte zich echter met de gedachte dat een ander van zijn
afstammelingen de misdaad zou wreken en hij dus de genoegdoening zou
krijgen die een echte Noorman altijd verlangde.



HOOFDSTUK XV: VIDAR.


De zwijgende god.

Men verhaalt dat Odin eens verliefd was op de schoone reuzin Grid,
die woonde in een spelonk in de woestijn en dat, toen hij haar
vrijde, hij van haar gedaan kreeg dat zij zijn vrouw werd. Uit deze
verbintenis tusschen Odin (geest) en Grid (stof) kwam Vidar voort,
een zoon die even sterk als stil was, en dien de ouden beschouwden
als een verpersoonlijking van het oorspronkelijke woord of van de
onsterflijke natuurkrachten.

Evenals de goden, door Heimdall, nauw verbonden waren met de zee, waren
zij ook na verwant aan de bosschen en de natuur in het algemeen door
Vidar, die de "zwijgende" genoemd werd en die bestemd was hun ondergang
te overleven en te heerschen over een herboren aarde. Deze god woonde
in Landvidi (het wijde land), een paleis versierd met groene takken en
versche bloemen, gelegen in het midden van een ondoordringbaar oerwoud,
waar de diepste stilte heerschte en de eenzaamheid, door hem bemind.


    Overgroeid met struiken
    En met hoog gras
    In Vidar's wijd land.

                Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).


De oude Skandinavische opvatting van den zwijgenden Vidar is inderdaad
zeer grootsch en dichterlijk en werd ingegeven door het woeste
Noorsche landschap. "Wie heeft ooit gezworven door zulke wouden,
vele mijlen ver, in een onbegrensde verte, zonder pad, zonder doel,
tusschen hun geweldige schaduwen, hun gewijde duisternis, zonder
vervuld te zijn met diepen eerbied voor de verheven grootheid der
Natuur, die alle menschenwerk te boven gaat, zonder te voelen de
verhevenheid der idee die den grondslag vormt van Vidar's wezen?"



Vidar's schoen.

Vidar wordt afgebeeld als slank, welgebouwd en schoon, gekleed in
wapenrusting, omgord met een zwaard dat een breed lemmet heeft, en
geschoeid met een grooten ijzeren of lederen schoen. Volgens sommige
mythologen had hij deze eigenaardige voetbedekking te danken aan
zijn moeder Grid, die, wetende dat hij op den jongsten dag zou moeten
vechten tegen het vuur, haar als een bescherming bedoelde tegen het
vurig element, zooals haar ijzeren handschoen Thor had beschut in
zijn strijd tegen Geirrod. Maar andere bronnen zeggen dat zijn schoen
was gemaakt van de lederreepen, die Noorsche schoenlappers hadden
weggegeven of weggegooid. Daar het voornaamste was, dat de schoen
groot en sterk genoeg moest zijn om de scherpe tanden van Fenrils
wolf op den jongsten dag weerstand te bieden, was het een punt van
religieuse verplichting onder Noorsche schoenmakers zooveel stukken
en snippers leer als mogelijk was weg te geven.



De profetie van de Nornen.

Toen Vidar zijn makkers in het Valhalla ontmoette, heetten zij hem
vroolijk welkom, want zij wisten dat zijn groote kracht hun van goeden
dienst zou zijn in tijd van nood. Nadat zij hem vriendschappelijk
hadden onthaald op de gouden meede, beval Alvader hem te volgen naar
de Urdarfontein, waar de Nornen altijd bezig waren met het weven van
hun web. Door Odin ondervraagd aangaande zijn toekomst en Vidars lot,
antwoordden de drie zusters in orakeltaal en uitten elk een zin:


    Vroeg begonnen.
    Verder gesponnen.
    Gedaan wat verzonnen.


Hier voegde haar moeder, Wyrd, de oorspronkelijke godin van het noodlot
bij: Met vreugd nog eens gewonnen.  Deze geheimzinnige antwoorden
zouden volstrekt onbegrijpelijk zijn gebleven, had de godin niet
verklaard dat de tijd verder gaat, dat alles moet veranderen, dat
als zijn vader zou vallen in den laatsten slag, zijn zoon Vidar zijn
wreker zou zijn en zou leven om over een herboren wereld te heerschen,
nadat hij al zijn vijanden overwonnen had.


    Daar zit Odins
    Zoon op het paard;
    Zal wreken zijn vader.

                Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).


Terwijl Wyrd sprak, sidderden de bladeren van den wereldboom alsof
zij door een koelte bewogen werden, de arend op zijn hoogsten tak
klapte met zijn vleugels, en de slang Nidhug staakte een oogenblik
zijn vernielingswerk aan de wortelen van den Boom. Grid, bij vader
en zoon komend, verheugde zich met Odin toen zij hoorde dat hun zoon
bestemd was de oudere goden te overleven en over den nieuwen hemel
en de nieuwe aarde te heerschen.


    Daar wonen Vidar en Vale
    In de heilige verblijven,
    Als het vuur van Surt is gebluscht.

                Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).


Vidar sprak echter geen woord, maar keerde langzaam terug naar zijn
paleis Landvidi, in het hart van het oorspronkelijke woud en, daar,
op zijn troon zittend dacht hij lang na over eeuwigheid, toekomst
en oneindigheid. Als hij hare geheimen peilde, maakte hij ze nooit
openbaar, want de ouden verzekerden dat hij "zwijgend als het graf"
was--een zwijgen, dat aanduidde dat niemand weet wat hem in het
toekomstige leven te wachten staat.

Vidar was niet alleen een verpersoonlijking van de onvergankelijkheid
der natuur, maar hij was ook een zinnebeeld van de opstanding en
de vernieuwing, aanduidend de eeuwige waarheid dat nieuwe loten en
bloesems zullen ontluiken om te vervangen die welke afgevallen zijn.

De schoen dien hij droeg zou zijn verdediging zijn tegen den wolf
Fenris, die, Odin verslagen hebbende, zijn woede tegen hem zou keeren
en zijn vreeslijke kaken zou openen om hem te verslinden. Maar de oude
Noormannen zeiden dat Vidar den dus bekleeden voet zou uitstrekken
tegen de benedenkaak van het monster, en, de bovenkaak vastgrijpend,
met hem worstelen zou totdat hij hem in tweeën had gescheurd.

Daar slechts één schoen vermeld wordt in de Vidar-mythen,
vooronderstellen sommige mythologen dat hij maar één been had, en
de verpersoonlijking was van een waterstraal, die plotseling op den
jongsten dag zou opstijgen, om het woeste vuur uit te blusschen,
dat in den verschrikkelijken wolf Fenris verpersoonlijkt was.



HOOFDSTUK XVI: VALI.


Het vrijen van Rinda.

Billing, de koning van de Ruthenen, was zeer teleurgesteld toen hij
hoorde dat een groote macht zijn rijk zou binnenvallen, want hij was
te oud om als vroeger te vechten, en zijn eenig kind, een dochter
die Rinda heette, weigerde, ofschoon zij op huwbaren leeftijd was,
een echtgenoot te kiezen uit hare vele vrijers, en dan haren vader
de hulp te geven, die hij zoo smartelijk miste.

Terwijl Billing mistroostig nadacht in zijn hal, trad plotseling een
vreemdeling zijn paleis binnen. De koning keek op, en zag een man
van middelbaren leeftijd, gewikkeld in een wijden mantel, met een
breedgeranden hoed over zijn voorhoofd getrokken om te verbergen dat
hij slechts één oog had. De vreemdeling vroeg beleefd naar de oorzaak
van zijn klaarblijkelijke neerslachtigheid, en daar er iets in zijn
houding was dat vertrouwen inboezemde, vertelde de koning hem alles,
en op het eind van het verhaal bood hij aan het leger der Ruthenen
tegen hun vijand aan te voeren.

Toen zijn diensten met blijdschap waren aanvaard, duurde het niet lang
of Odin--want hij was het--behaalde een merkwaardige overwinning, en,
in triomf terugkeerend, vroeg hij toestemming om 's konings dochter
Rinda te vrijen. Ofschoon de pretendent op jaren was, hoopte Billing
dat zijn dochter een gunstig oor zou leenen aan een vrijer die zich
zeer bleek te onderscheiden en hij gaf onmiddellijk toestemming. Zoo
vertoonde Odin, nog onbekend, zich aan de prinses, maar zij wees boos
zijn voorstel af en sloeg hem ruw om de ooren toen hij haar poogde
te kussen.

Genoopt zich terug te trekken, gaf Odin niettemin het plan niet op
Rinda tot zijn vrouw te maken, want hij wist, dank zij Rossthiofs
profetie, dat geen andere dan zij den aangewezen wreker van zijn
vermoorden zoon kon ter wereld brengen. Zijn volgende poging was dus
de gedaante van een smid aan te nemen, en in die vermomming kwam
hij terug in Billings hal, en terwijl hij kostelijke versierselen
maakte van zilver en goud, vermenigvuldigde hij zóó kunstig deze
schoone bijouteriën, dat de koning gaarne zijn toestemming gaf, toen
hij vroeg of hij zich tot de prinses mocht wenden. De smid, Rosterus,
zooals hij zich aandiende, werd echter met even weinig plichtplegingen
door Rinda afgescheept als zij dit den gelukkigen veldheer had gedaan;
maar ofschoon zijn oor opnieuw suisde van haar harden klap, was hij
meer besloten dan ooit haar tot zijn vrouw te maken.

Den volgenden keer toen Odin zich vertoonde voor de grillige dame,
was hij vermomd als een fier oorlogsheld, want, dacht hij, een jong
soldaat zou misschien het hart van het meisje treffen, maar toen hij
haar weer poogde te kussen, stootte zij hem zóó plotseling terug,
dat hij struikelde en op één knie viel.


    Menig schoone maagd
    Is voor mannen onverschillig
    Als men haar kent;
    Dat ondervond ik
    Toen ik beproefde,
    Dat stille meisje
    Voor mij te winnen;
    Allerlei smaad
    Hoopte toen op mij
    Dat luimige kind;
    Niets van die schoone kreeg ik gedaan.

                                    Saemunds Edda.


Deze derde beleediging maakte Odin zóó woedend, dat hij zijn
magischen runestaf uit zijn borst trok, hem op Rinda richtte en
een zóó vreeselijke bezwering uitsprak, dat zij in de armen harer
dienstbaren viel, stijf en schijnbaar levenloos.

Toen de prinses weer tot zich zelf kwam, was haar vrijer verdwenen,
maar de koning ontdekte tot zijn groot verdriet dat zij geheel haar
verstand verloren had en zwaarmoedig krankzinnig was. Te vergeefs
werden alle dokters geroepen en beproefden zij hun middelen; het meisje
bleef stil en bedroefd, en haar ongeruste vader had bijna alle hoop
opgegeven, toen een oude vrouw, die zich als Vecha, of Vak, aandiende,
verscheen, en aanbood de prinses te genezen. De oude vrouw, die Odin
was in vermomming, schreef der patiënte eerst een voetbad voor; maar,
toen dit geen kennelijke uitwerking scheen te hebben, stelde zij voor
met een krachtiger behandeling de proef te nemen. Tot dit doel, zei
Vecha, moest de patiënte aan haar uitsluitende zorg worden toevertrouwd
en stevig worden vastgebonden zoodat zij niet den minsten weerstand kon
bieden. Billing, die zijn kind wilde redden, vond alles goed; en toen
hij dus volledige macht over Rinda had gekregen, dwong Odin haar hem
te huwen, terwijl hij haar slechts uit hare banden en hare betoovering
los liet, toen zij eerlijk beloofd had zijn vrouw te worden.



De geboorte van Vali.

De voorspelling van Rossthiof was nu vervuld, want Rinda baarde een
zoon, Vali (Ali, Bous of Beav) geheeten, een personifiëering van het
lengen der dagen, die zóó snel opgroeide, dat hij in den loop van één
enkelen dag zijn volle lengte kreeg. Zonder zelfs den tijd te nemen
om zijn gezicht te wasschen of zijn haar te kammen, haastte zich deze
jonge god naar Asgard, boog en pijl in de hand, om Balders dood op
zijn moordenaar Hodur, den blinden god der duisternis, te wreken.


    Zie, Vali komt, straft Hodur blind,
    Hij zoon van 't west en Rinda's kind,
    En Odins, in één dag volboren,
    Hij gunt zich rust niet naar behooren,
    Noch toeft te wasschen zich de handen
    Zich 't haar te kammen, ijlt door landen
    Totdat z'n roeping is vervuld
    En Hodur heeft geboet zijn schuld.

                                    Valhalla (J. C. Jones).


In deze mythe weerstaat Rinda, een verpersoonlijking van de bevroren
aardkorst, de warme liefde van de zon, Odin, die te vergeefs aanduidt
dat de lente de tijd is voor oorlogsondernemingen, en die de sieraden
van den gouden zomer aanbiedt. Zij geeft slechts toe, als, na een bui
(het voetbad) de dooi begint. Overwonnen dan door de onweerstaanbare
macht van de zon, geeft de aarde zich neer onder zijn omhelzing,
wordt bevrijd van de betoovering (het ijs) die haar hard en koud
maakte, en brengt voort Vali, den voeder, of Bous, den boer, die
uit zijn donkere hut te voorschijn komt als de liefelijke dagen zijn
gekomen. Het vermoorden van Hodur door Vali beteekent dus het "voor
den dag komen van nieuw licht na de duisternis van den winter."

Vali, die als een der twaalf goden voorkomt welke de zetels in de
groote hal van Gladsheim innemen, deelde met zijn vader het huis dat
Valaskialf heette, en was, reeds vóór zijn geboorte, voorbestemd om
het laatste gevecht en de godenschemering te overleven, en met Vidar
te regeeren over de herboren aarde.



Dienst van Vali.

Vali is de god van het eeuwige licht, zooals Vidar van de
onvergankelijke stof; en daar de lichtstralen dikwijls pijlen heetten,
wordt hij altijd als boogschutter voorgesteld en vereerd. Daarom wordt
zijn maand in den Noorschen kalender aangeduid door het teeken van
den boog, en heet Lios-beri, de lichtbrengende. Daar zij valt tusschen
het midden van Januari en Februari, wijdden de eerste Christenen deze
maand aan St. Valentijn, die ook een ervaren boogschutter was, en die,
evenals Vali, de heraut van lichter dagen heette, en de wekker van
teedere gevoelens en de beschermheer van alle minnaars.



HOOFDSTUK XVII: DE NORNEN.


De drie schikgodinnen.

De Noorsche godinnen van het noodlot, die Nornen heetten, waren in
geen enkel opzicht afhankelijk van de andere goden, die noch naar hare
besluiten mochten vragen, noch er invloed op oefenen. Zij waren drie
zusters, waarschijnlijk afstammelingen van den reus Norvi, van wien
Nott (nacht) afkomstig was. Zoodra de Gouden Eeuw voorbij was en de
zonde zelfs de hemelsche woningen van Asgard binnensloop, verschenen
de Nornen onder den grooten esch Yggdrasil en vestigden zich bij de
Urdar-fontein. Volgens sommige bronnen moesten zij de goden waarschuwen
voor toekomstig kwaad, hen op het hart binden goed gebruik te maken
van het heden, en hen gezonde lessen leeren trekken uit het verleden.

Deze drie zusters die Urd, Verdandi en Skuld heetten, stelden het
verleden, het heden en de toekomst voor. Haar voornaamste bezigheden
waren de webbe van het lot te weven, dagelijks den heiligen boom
te besprenkelen met water uit de Urdar-fontein en versche aarde te
leggen om zijn wortelen, opdat hij frisch en altijd groen zou blijven.


    Vandaar komen de maagden
    Die zeer veel weten,
    Drie van de hal
    Beneden den boom;
    Een heette was,
    D' andre zijnde
    De derde die zijn zal.

                    De Völuspâ.


Sommigen beweren verder dat de Nornen wacht hielden over de gouden
appelen, die aan de takken van den boom des levens, der ervaring en
der kennis hingen, en dat zij slechts Idoen toestonden de vrucht te
plukken, de vrucht waardoor de goden konden vernieuwen hun jeugd.

De Nornen verzorgden en voedden ook twee zwanen die over het
spiegelgladde oppervlak van de Urdarfontein zwommen en van die paar
vogels stammen--meende men--alle zwanen op aarde af. Soms, zoo
zegt men, bekleedden zich de Nornen met zwanenveeren om de aarde
te bezoeken, of vermaakten zich als meerminnen langs de kusten en
in verschillende meren en rivieren, waar zij van tijd tot tijd aan
de stervelingen verschenen om hun de toekomst te voorspellen of hun
wijzen raad te geven.



Het web der Nornen.

De Nornen weefden soms zóó groote webben dat als een van de wevers
stond op een hoogen berg in het verste Oosten, een ander ver in de
Westersche zee waadde. De draden van haar weefsel geleken op koorden
en verschilden zeer in kleur, in overeenstemming met den aard der
gebeurtenissen die zouden geschieden, en een zwarte draad, die
van het Noorden ging naar het Zuiden, gold vast als een teeken van
dood. Wanneer deze zusters de spoel deden wentelen af en aan, zongen
zij een plechtig gezang. Zij schenen niet te weven volgens hare eigen
wenschen, maar blindelings alsof zij met tegenzin den wil uitvoerden
van Orlog, de eeuwige wet van het al, een oudere en hoogere macht,
die blijkbaar begin noch einde had.

Twee van de Nornen, Urd en Verdandi, werden voor heel welwillend
gehouden, terwijl, zooals men zeide, de derde steeds haar werk te niet
deed en het dikwijls, als het bijna klaar was, toornig in flarden
scheurde, terwijl zij de overblijfselen op de winden des hemels
uitstrooide. Als verpersoonlijking van den tijd werden de Nornen
voorgesteld als zusters van verschillenden leeftijd en karakter,
terwijl Urd (Wurd, tooverkracht) heel oud en afgeleefd scheen en
voortdurend omkeek alsof zij zich verdiepte in het beschouwen van
voorbijgegane gebeurtenissen en volken van het verleden; Verdandi, de
tweede zuster, jong, actief en zonder vrees, keek recht voor zich uit,
terwijl Skuld, het type van het toekomstige, meestal afgebeeld werd
als dichtgesluierd, met het hoofd gekeerd in tegengestelde richting
als Urd, en vasthoudend een boek of rol, die nog niet geopend of
ontrold was.

Dagelijks kregen deze Nornen bezoek van de goden, die ze gaarne
raadpleegden; en zelfs Odin reed dikwijls naar de Urdarfontein om
haar hulp in te roepen, want meestal beantwoordden zij zijn vragen,
't zwijgen bewarend over zijn eigen lot en dat zijner medegoden.


    Lang en heel snel reed hij heen,
    Onders 's Levens boom (waar 't vocht
    Van de heil'ge Bron welt) zocht
    Urdar, Norne van 't Verleên;
    Maar haar oog, dat rugwaarts zag
    Hielp hem niet op dezen dag.
    Op Verdandi's blad viel neer
    Schaduw, meldend kommer meer,
    Schaduw, die op Asgard hing,
    Wierp er op een duistren kring
    't Geheim was niet bij deze vrouw,
    Wat 't schoone Valhall redden zou.
    De jongste zuster, van wat komt
    Norna, Skuld, bleef gansch verstomd.
    Toen hij vroeg om toekomsts zin,
    Haar somber oog sloot kommer in.

                        Valhalla (J. C. Jones).



Andere beschermgeesten.

Behalve de drie voornaamste Nornen, waren er vele andere, veel minder
belangrijk, die de beschermgeesten der menschheid schijnen te zijn
geweest, aan wie zij dikwijls verschenen, terwijl zij allerlei soorten
van geschenken aan hun gunstelingen gaven, en zelden in gebreke bleven
tegenwoordig te zijn bij geboorte, bij huwelijk en dood.


    Veelvuldig is hun maagschap, wie zal hen noemen allen?
    Zij heerschen over de menschen en der sterren rijzen en vallen.

                                    Sigurd de Volsung (William Morris).



De geschiedenis van Nornagesta.

Eens bezochten de drie zusters Denemarken, en traden de woning binnen
van een edelman, toen zijn eerste kind ter wereld kwam. Het vertrek
binnentredend waar de moeder lag, beloofde de eerste Norne dat het
kind flink en braaf zou zijn, en de tweede dat hij gelukkig zou wezen
en een groot zanger zou worden--voorspellingen, die de harten der
ouders met blijdschap vervulden. Intusschen had zich het nieuws van
het gebeurde verspreid, en de buren kwamen in zóó groote menigte het
vertrek binnen dat het dringen van de nieuwsgierige schare schuld
was dat de derde Norne op ruwe wijze van haar stoel werd gestooten.

Boos over deze beleediging stond Skuld trotsch op en zei dat de giften
harer zusters niet zouden baten, daar zij zou bepalen dat het kind niet
langer zou leven dan de kaars die bij het bed stond zou branden. Deze
onheilspellende woorden vervulden het hart der moeder met schrik,
en bevend sloot zij haar kind vaster aan haar borst, want de kaars
was bijna afgebrand en het kon niet lang meer duren of zij ging
uit. De oudste Norne echter had geen plan haar voorspelling aldus
te niet te laten doen; maar daar zij hare zuster niet kon dwingen
hare woorden in te trekken, greep zij snel de kaars, deed het licht
uit en terwijl zij het rookende eind aan de moeder van het kind gaf,
beval zij haar het zorgvuldig te bewaren, en het nooit aan te steken
eer haar zoon van het leven genoeg had.


    In het huis was het nacht:
    De Nornen kwamen
    Die zouden beslissen
    Over 's prinsen leven.

                        Saemunds Edda.


Deze jongen werd Nornagesta genoemd ter eere van de Nornen, en groeide
op tot een zoo schoonen, dapperen en begaafden man als een moeder
maar kon wenschen. Toen hij oud genoeg was om den ernst van het hem
toevertrouwde te verstaan, vertelde hem zijn moeder de geschiedenis
van het bezoek der Nornen, en gaf hem het eindje kaars dat hij vele
jaren bewaarde, terwijl hij het veiligheidshalve in de kast van zijn
harp opborg. Toen zijn ouders dood waren, zwierf Nornagesta van plaats
tot plaats, en nam deel aan ieder gevecht en onderscheidde zich in
den oorlog, zijn heldenwijzen zingend waar hij ook ging. Daar hij van
geestdriftigen en dichterlijken aard was, had hij niet spoedig genoeg
van het leven, en terwijl andere helden gerimpeld en oud werden, bleef
hij jong van hart en krachtig van gestalte. Hij was dus getuige van
de geweldige daden der heldeneeuwen, was de trouwe makker van de oude
krijgslieden, en nadat hij driehonderd jaar geleefd had, zag hij dat
het geloof in de oude heidensche goden langzamerhand plaats maakte
voor de prediking der Christenzendelingen. Eindelijk kwam Nornagesta
aan het hof van koning Olaf Tryggvesson, die, overeenkomstig zijn
gewoonte, hem schier door geweld bekeerde en hem dwong den doop te
ontvangen. Wenschend zijn volk te overtuigen dat de tijd voor het
bijgeloof voorbij was, noodzaakte de koning den ouden skalde de kaars
voor den dag te halen en aan te steken, die hij meer dan drie eeuwen
zorgvuldig had bewaard.

Ofschoon hij pas bekeerd was, sloeg Nornagesta de flikkerende vlam
angstig gade, en toen zij ten slotte uitging, zonk hij levenloos op
den grond, dus bewijzend, in weerwil van den ontvangen doop, dat hij
nog in de voorspelling van de Nornen geloofde.

In de middeleeuwen, en zelfs later, komen de Nornen in vele verhalen
en mythen voor, en verschijnen dan als feeën of heksen, zooals, bij
voorbeeld, in het verhaal van de "Schoone Slaapster", en Shakespeare's
treurspel Macbeth.


    Eerste heks.    Wanneer 't volgend samenzijn?
                    Bij regen, storm of weerlichtsschijn?

    Tweede heks.    Als 't rumoeren is gedaan,
                    Als men hoort victorie slaan.

    Derde heks.     Dat is na zonsondergaan.

                        Shakespeare's Macbeth (vert. v. Burgersdijk).



De Vala.

Soms droegen de Nornen den naam Vala, of profetessen, want zij hadden
de gave der waarzegging--een gave die bij alle noordelijke volken
in hoog aanzien was. Zij dachten dat zij het vrouwelijk geslacht was
voorbehouden. De voorspellingen van de Vala werden nooit in twijfel
getrokken, en men zegt dat de Romeinsche generaal Drusus zóó verschrikt
was door de verschijning van Veleda, een der profetessen, die hem
waarschuwde niet de Elbe over te trekken, dat hij inderdaad het sein
tot den terugtocht gaf. Zij voorspelden zijn ophanden zijnden dood,
die inderdaad kort daarop plaats had door een val van zijn paard.

Deze profetessen, die ook bekend waren als Idises, Dises, of
Hagedises, deden dienst in de boschtempels en in de heilige wouden,
en vergezelden altijd de legers die een aanval deden. Aan het hoofd of
in het midden van de schare rijdend, zetten zij de strijders krachtig
tot de overwinning aan, en als de slag voorbij was sneden zij dikwijls
den bloedigen arend op de lichamen van de gevangenen. Het bloed werd
verzameld in groote tonnen, waarin de Dises hare naakte armen tot
de schouders toe dompelden, voordat zij deel namen aan milden daad
waarmee de plechtigheid eindigde.

Het is niet te verwonderen dat deze vrouwen zeer gevreesd waren. Offers
werden gebracht om ze gunstig te stemmen, en eerst in latere tijden
werden zij verlaagd tot den rang van heksen, en verwezen naar de
duivelbende op den Brocken, of den Blocksberg, in den Valpurgisnacht.

Behalve de Nornen of Dises, die ook als schutsgodinnen beschouwd
werden, schreven de Noormannen aan ieder menschelijk wezen een
beschermgeest toe, Fylgie geheeten, die hem zijn geheele leven
vergezelde, hetzij in menschelijke, hetzij in dierlijke gestalte,
en onzichtbaar was, behalve op het oogenblik van zijn dood voor allen
behalve de enkele ingewijden.

De allegorische beteekenis van de Nornen en van hun web des lots is
te duidelijk om verklaring te eischen; toch hebben enkele mythologen
ze tot geesten van de lucht gemaakt, en zeggen dat haar webbe het
wolkenweefsel was, en dat de nevelbanden, die zij knoopten van rots
tot boom, van berg tot berg, gewelddadig verscheurd werden door den
plotselingen opstekenden wind. Sommige autoriteiten zeggen bovendien
dat Skuld, de derde Norne, bij tijd en wijle een Valkyre was, en dan
weer de godin van den dood, de schrikwekkende Hel voorstelde.



HOOFDSTUK XVIII: DE VALKYREN.


De slagmaagden.

Odin's speciale dienaressen, de Valkyren, of slagmaagden, waren òf
zijn dochters zooals Brunhild, òf het kroost van sterfelijke koningen,
maagden die het voorrecht hadden onsterflijk en onwondbaar te blijven
zoolang zij den god trouw gehoorzaamden en maagden bleven. Zij en hunne
paarden waren de verpersoonlijking van de wolken, hare schitterende
wapenen waren de bliksemschichten. De ouden dachten dat zij naar
de aarde streken op Valfaders bevel, om onder de in het gevecht
gesneuvelden de helden te kiezen, die waardig waren de vreugde van
het Valhalla te genieten, en dapper genoeg om hulp te verleen en aan
de goden wanneer de groote slag zou bevochten worden.


    Daar door een slagveld, waar de mannen sneuv'len,
    Rijden zij voort, haar paarden diep in 't bloed,
    Lezen de dappersten ten doode uit,
    Brengen hen thuis des avonds in den hemel,
    Tot vreugd der goden en tot Valhall's feest.

                                    Balder Dood (Matthew Arnold).


Deze maagden werden voorgesteld als jong en schoon, met verblindend
witte armen en golvend gouden haar. Zij droegen helmen van zilver
of goud, en bloedroode pantsers, en met blinkende speren en schilden
snelden zij moedig door het gevecht op hare vurige witte rossen. Deze
paarden galoppeerden door de lucht en over de sidderende Bifröst,
dragende niet alleen hun schoone berijdsters, maar ook de verslagen
helden, die, nadat zij den doodskus der Valkyren ontvangen hadden,
dan onmiddellijk naar het Valhalla werden overgebracht.



De wolkenpaarden.

Daar de rossen van de Valkyren verpersoonlijkingen waren van de wolken,
moest men natuurlijk denken dat de ruige vorst en de dauw op aarde
neerdruppelden van hun schitterende manen, als zij snel af en aan
stormden door de lucht. Zij werden daarom in hooge eere gehouden,
want het volk schreef aan haren weldadigen invloed toe veel van de
vruchtbaarheid der aarde, lieflijkheid van dal en berghelling, de
pracht der pijnboomen, en de vetheid van het weideland.



Zij kiezen de gevallenen.

De Valkyren werden niet enkel naar de slagvelden op aarde gezonden,
maar dikwijls reden zij over de zee en namen de stervende Vikings
op van hun zinkende drakenschepen. Soms stonden zij op het strand
om hen er heen te wenken, een onbedriegelijke waarschuwing dat de
aanstaande strijd hun laatste zou zijn, en een die elke Noorsche held
met vreugde ontving.


    Zij reden langzaam naar de kust,
    En toen men kon zien hun heir,
    Scheen elk op een machtig ros in rust
    En te dragen een groote veêr,
    En te wenken met zachte hand
    Van het donker, rotsig strand
    En te drillen een blinkende speer.

    Toen kwam er vrede in zijnen geest,
    Wetend wat dit beduidt,
    Want hij kende den stoet der Nornen die leest
    De gevallen krijgers uit.

                            Valkyriur lied (Mrs. Hemans).



Hun getal en hun werk.

Het getal der Valkyren verschilt veel volgens onderscheiden mythologen,
loopend van drie tot zestien; de meeste bronnen noemen er echter
slechts negen. De Valkyren werden beschouwd als godheden van de lucht;
zij werden ook Nornen of wenschmeisjes genoemd. Men zei dat Freya en
Skuld haar ten strijde voerden.


    Zij zag Valkyren
    Komen van ver,
    Tot rijden gereed
    Naar der goden stam;
    Skuld hield het schild
    Skaugel kwam toen,
    Gunnr, Hildr, Gaundul,
    En Geir-skaugul,
    Zoo zijn geteld
    De oorlogsnornen.

                Saemunds Edda.


De Valkyren hadden, zooals wij gezien hebben, belangrijke dingen in
Valhalla te doen, als zij hare bloedige wapenen hadden afgedaan en de
hemelsche mee voor de Einheriar inschonken. Deze drank vervroolijkte
de zielen van de pas gekomenen, en zij heetten de schoone meisjes even
hartelijk welkom, als toen zij ze het eerst op het slagveld hadden
gezien en hadden begrepen dat zij hen zouden brengen waar zij gaarne
zouden wezen.


    Nu komen in schaduw zeer rijzige gestalten,
    Heur handen als sneeuwvlokken blinken in 't maanlicht;
    Zij wenken, zij fluisteren, "O! met moed omgorden,
    U wachten de gasten--mee schuimt in 't Valhalla."

                                            Finn's Saga (Hewitt).



Wieland en de Valkyren.

Men meende dat de Valkyren dikwijls naar de aarde vlogen in
zwanenveeren, die zij afdeden als zij aan een eenzamen stroom kwamen,
om een bad te nemen. Als een sterveling ze dus verraste en hare veeren
wegnam, kon hij ze beletten, de aarde te verlaten en deze trotsche
maagden zelfs dwingen hem ter wille te zijn, als hij dat begeerde.

Men vertelt dat drie van de Valkyren, Olrun, Alvit en Svanhvit, eens in
het water speelden, toen plotseling de drie broeders Egel, Slagfinn
en Völund of Wieland de smid bij ze kwamen, en hare zwanenveeren
wegnemend, dwongen de jonge mannen ze op aarde te blijven en hun
vrouwen te worden. De Valkyren, zoo vastgehouden, bleven bij hare
mannen negen jaren, maar op het eind van dien tijd deden zij hare
veêren weer aan of werd op andere wijs de betoovering verbroken,
en gelukte het haar te ontvluchten.


    Daar zij toefden
    Zeven winters lang;
    Maar in den achtsten
    Greep heimwee allen;
    En in den negenden
    Scheidde ze 't lot;
    De meisjes smachtten
    Naar 't donker woud.

                    Völundlied.


De broeders voelden het verlies hunner vrouwen buitengewoon, en twee
hunner, Egil en Slagfin, deden hun sneeuwschoenen aan en gingen hunne
geliefden zoeken, terwijl zij in de koude en mistige streken van het
Noorden verdwenen. De derde broeder Völund echter bleef thuis, wetend
dat alle zoeken niets baten zou, en hij vond troost in de beschouwing
van een ring, dien Alvit hem als liefdeteeken had geschonken, en
hij voelde de vaste hoop dat zij zou terugkeeren. Daar hij een knap
smid was en de mooiste versierselen van goud en zilver kon maken,
even goed als tooverwapenen die geen slag kon breken, gebruikte
hij nu zijn vrijen tijd om zeven honderd ringen te vervaardigen,
die alle precies gelijk waren aan den eenen, dien zijn vrouw hem had
gegeven. Toen deze klaar waren, bond hij ze samen; maar toen hij 's
nachts van de jacht thuis kwam, merkte hij dat iemand een ring had
weggenomen, en zijn verwachtingen werden opnieuw aangewakkerd, want
hij hield zich zelf voor, dat zijn vrouw er geweest was en spoedig
voor goed zou terugkeeren.

Dienzelfden nacht echter werd hij verrast in zijn slaap en gekneveld
en gevangen genomen door koning Nidud van Zweden die zijn zwaard in
bezit nam, een prachtig wapen, met tooverkracht bedeeld, dat hij voor
zijn eigen gebruik behield, en den liefdering, uit zuiver Rijngoud
gemaakt, dien hij later gaf aan zijn eenige dochter Bodvild. Wat den
ongelukkigen Völund zelf betrof, hij werd als gevangene weggevoerd
naar een naburig eiland, waar, na lam gemaakt te zijn, opdat hij
niet zou ontsnappen, de koning hem voortdurend aan het werk hield om
wapenen en versierselen tot zijn gebruik te smeden. Hij liet hem ook
een ingewikkeld labyrinth bouwen, en tot dezen dag is een doolhof op
IJsland bekend als "Völund's huis".

Völund's woede en wanhoop namen toe bij elke nieuwe beleediging, hem
door Nidud aangedaan, en dag en nacht peinsde hij, hoe hij zich zou
kunnen wreken. Ook vergat hij niet te zinnen op zijn ontsnapping, en
als hij niet werkte, maakte hij een paar vleugels die geleken op die
welke zijn vrouw als Valkyre gebruikt had, en deze wilde hij aandoen
zoodra hij aan zijn wraak toe was. Op zekeren dag kwam de koning zijn
gevangene bezoeken en bracht hem het gestolen zwaard om het te maken;
maar Völund stelde er handig een ander wapen voor in de plaats dat
zóó volkomen op het tooverzwaard geleek, dat het den koning misleiden
moest als hij het kwam terug vragen. Eenige dagen later lokte Völund
's konings zonen in zijn smidse en doodde ze, waarop hij knaphandig
drinkschalen uit hun schedels vervaardigde en juweelen uit hun oogen
en tanden, die hij bestemde voor hun ouders en zuster.


    Maar hun schedels
    Onder het haar
    Zette hij in zilver,
    Gaf ze aan Nidud;
    En uit hun oogen
    Vormde hij edelsteenen,
    Die aan Nidud's
    Sluwe vrouw hij zond
    Maar van de tanden
    Maakte hij borsttooi,
    Zond dien aan Bödvild.

                    Lied van Völund.


De koninklijke familie vermoedde niet, van waar zij kwamen; en zoo
werden deze geschenken met vreugde aanvaard. Wat de arme jonge mannen
betrof, men meende dat zij naar zee waren gedreven en verdronken waren.

Kort daarop bezocht ook Bodvild, die haar ring hersteld wilde hebben,
de hut van den smid, waar, toen zij er wachtte, zij onvoorziens een
tooverdrank te drinken kreeg, die haar deed inslapen en in Völund's
macht gaf. Toen zijn laatste daad van wraak vervuld was, deed Völund
onmiddellijk de vleugels aan die hij voor dezen dag in gereedheid
had gebracht, en zijn zwaard en ring nemend steeg hij langzaam in de
lucht. Hij vloog naar het paleis, hield zich buiten bereik en vertelde
zijn misdaden aan Nidud. De koning, buiten zich zelven van woede, riep
Egil, Völund's broeder, die ook in zijn macht was gekomen, en beval
hem zijn wonderlijke behendigheid als boogschutter te gebruiken om
den onbeschaamden vogel neer te leggen. Gehoorzamend aan een wensch
van Völund, mikte Egil op een knobbel onder zijn vleugel waar een
blaas vol met het bloed der prinsen verborgen was, en de smid vloog
triomfantelijk weg zonder letsel, zeggend dat Odin zijn zwaard zou
geven aan Sigmund--een voorspelling die volkomen uitkwam.

Völund ging toen naar Alf-heim, waar, als men de legende mag gelooven,
hij zijn geliefde vrouw vond, en weer gelukkig met haar leefde tot
de godenschemering.

Maar zelfs in Alf-heim ging deze knappe smid voort met zijn handigheid
te toonen, en tal van ondoordringbare rustingen, die hij zou hebben
gemaakt, worden in latere heldendichten beschreven. Behalve Balmung
en Joyeuse, de beroemde zwaarden van Sigmund en van Karel den Groote,
zegt men dat hij Miming vervaardigd heeft voor zijn zoon Hermie,
en vele andere merkwaardige wapenen.


    Het is gelijk aan Miming
    Aller zwaarden vorst,
    En Wieland wrocht het,
    Bitterfer zijn naam.

            Angelsaksische Poëzie.


Er zijn tallooze andere verhalen van zwaanmeisjes of Valkyren die met
stervelingen zouden hebben verkeerd; maar het meest populaire is dat
van Brunhild, de vrouw van Siguro, een afstammeling van Sigmund en
den meest beroemden van de Noorsche helden.

William Morris, in "het Land ten Oosten der Zon en ten Westen der
Maan," geeft een prachtige bewerking van een andere dezer Noorsche
legenden. De geschiedenis behoort tot de schoonste der verzameling in
"Het Aardsche Paradijs".



Brunhild.

De geschiedenis van Brunhild vindt men in velerlei vorm. Sommige
bewerkingen beschrijven de heldin als de dochter van een koning die
Odin aannam om in zijn Valkyrenschaar te dienen, anderen als opperste
der Valkyren en zijn eigen dochter. In Richard Wagners verhaal "De
Ring van den Nibelung" geeft de groote toonkunstenaar een bijzonder
aantrekkelijke, zij het ook een meer moderne conceptie van de opperste
Strijd-maagd, en haar gehoorzaam zijn aan het gebod van Odin toen
zij den jeugdigen Siegmund moest roepen van de zijde zijner geliefde
Sieglinde naar de hallen der Gezaligden.



HOOFDSTUK XIX: HEL.


Loki's kroost.

Hel, de godin van den dood, was de dochter van Loki, den god van het
kwaad, en van de reuzin Angur-boda, de voorzegster van ellende. Zij
kwam ter wereld in een donkere hal in Jötun-heim tegelijk met de
slang Iörmungandr en den vreeselijken Fenriswolf, en deze drie werden
beschouwd als de voorstellingen van smart, zonde en dood,


    Loki verschijnt, bron van al leed
    Hem vloekt die mensch of Aesir heet,
    De goden zullen rouwen lang,
    Om, zelfs nog na der tijden gang,
    Zijn laag bedrog op Asgardsburg.
    En diep in Jötun-heim, zoo fel,
    Zijn Fenrir, Slang en gruw'bre Hel,
    Zijn kindren drie, Pijn, Zond' en Dood,
    Hij heeft ze lief en bracht ze groot,
    Door hen brengt hij der wereld nood.

                                Valhalla (J. C. Jones).


Te zijner tijd bespeurde Odin het vreeslijke gebroed dat Loki
koesterde, en hij besloot, zooals wij reeds gezien hebben, ze van het
gelaat der aarde te verbannen. De slang werd daarom in zee geworpen,
waar, zoo dacht men, haar gekronkel de verschrikkelijkste stormen
veroorzaakte; de wolf Fenris werd in ketenen geslagen, dank den
onverschrokken Tyr; en Hel of Hela, de godin van den dood, werd
in de diepten van Niflheim gestort, waar Odin haar macht gaf over
negen werelden.


    En Hela storttet gij in Niflheim,
    En gaaft haar negen duistere werelden,
    Als koningin die over dooden heerscht.

                                Balder Dood (Matthew Arnold).



Hel's Koninkrijk in Niflheim.

Dit gebied, dat,--meende men--onder de aarde lag, kon men enkel na
een lastige reis over de ruwste wegen in de koude, donkere streken van
het verste Noorden naderen. De poort was zóó ver van alle menschelijke
woning, dat zelfs Hermod de snelle, op Sleipnir gezeten, negen lange
nachten moest reizen eer hij de rivier Giöll bereikte. Deze vormde de
grens van Niflheim, en over haar was een brug geslagen van kristal
met gouden boog, die aan een enkel haar hing, en die steeds bewaakt
werd door het grimmige geraamte Mödgud, dat elken geest een tol in
bloed liet betalen, eer het hem doorliet.


    De glazen brug hing aan een haar.
    Over den stroom van duisternis,
    De Giöll, die grens der Helle is.
    Hier stond de gruwbre maagd Mödgud,
    En wachtt' als tol des geesten bloed.
    Een vrouw, verschriklijk van gelaat,
    Ontvleescht, met lake' en doodsgewaad.

                                Valhalla (J. C. Jones).


De geesten gingen meestal over deze brug op de paarden of in de wagens
die op den brandstapel met den doode tot dat doel waren verbrand,
en de Noorsche volken zorgden er goed voor, dat aan de voeten van
den overledene een bijzonder sterk paar schoenen werden gebonden,
Helschoenen geheeten, opdat zij geen pijn zouden lijden gedurende
de lange reis over ruwe wegen. Spoedig nadat de Giallar-brug was
gepasseerd, bereikte de geest het IJzerbosch, waar enkel kale boomen
met ijzeren bladeren stonden, en, als hij er door was, kwam hij aan
de Hellepoort, waarnaast de vraatzuchtige, met bloed bevlekte hond
Garm wacht hield, neergehurkt in een donker hol, dat bekend stond als
de Gnipa-spelonk. De woede van dit monster kon enkel gestild worden
doordat men het een Helle-koek gaf, waaraan zij nooit gebrek hadden,
die altijd aan de behoeftigen brood hadden geschonken.


    Luid blaft Garm,
    Voor het Gnipa-hol.

                Saemunds Edda.


Binnen de poort, te midden van de hevige koude en de ondoordringbare
duisternis, hoorde men het zieden van den grooten ketel Hvergelmir,
het rollen van de gletschers in de Elivagar en andere stroomen van de
Hel, onder andere de Leipter, waarbij plechtige eeden werden gezworen,
en de Slid, in welker woelige wateren steeds bloote zwaarden rolden.

Verderop in dit gruwelijk gebied was Elvidner (ellende), de hal van de
godin Hel, wier tafel Honger was. Haar mes was Begeerigheid. "Luiheid
was de naam van haar man, Traagheid van haar dienstmaagd, Verval van
haar drempel, Verdriet van haar bed, en Brand van hare gordijnen".


    Elvidner was het huis van haar,
    Met ijzren bout en muren zwaar;
    Wie 't zag ontzette zich, en daar
    Was Honger haar tot leegen disch,
    Begeert' een mes, heur bed Gemis,
    Brandende Angst richtt' aan haar feest,
    In botten zat er elke geest.
    Pest sprak met Nood haar runen uit,
    Gemengd met Wanhoops schor geluid,
    Weedom ook en Stervenspijn
    Zullen in Hel's woning zijn.

                            Valhalla (J. C. Jones).


De godin had verschillende woningen voor de gasten, die dagelijks tot
haar kwamen, want zij ontving niet enkel meineedigen en misdadigers
van allerlei slag, maar ook hen, die ongelukkig genoeg waren om
te sterven zonder bloed te vergieten. Ook werden naar haar gebied
verwezen zij die van ouderdom of aan een ziekte stierven--een wijze
van overlijden die men met verachting "strooien dood" noemde, daar
de bedden van de menschen doorgaans van die stof waren.


                             Hun zenuwen gehard
    Door storm en vorst en werk, het kroost van hen
    Wier eenige vrees een bloedloos sterven was.

                                                Thomson.



Denkbeelden aangaande het toekomstige leven.

Ofschoon de onschuldigen vriendelijk door Hel behandeld werden en een
toestand van negatieve gelukzaligheid genoten, verwondert het ons niet,
dat de bewoners van het Noorden terugschrikten voor een bezoek aan haar
vreugdelooze woning. En terwijl de mannen zich gaarne met de speerpunt
wondden, zich van een helling wierpen, of zich lieten verbranden,
voordat het leven geheel was gebluscht, deinsden de vrouwen niet
terug voor even heldhaftige handelwijzen. In het uiterste harer smart
aarzelden zij zich niet van een berg af te storten of in het zwaard te
vallen, dat haar bij haar huwelijk gegeven was, opdat haar lichamen
zouden mogen verbrand worden met die van hen die zij liefhadden, en
haar geesten bevrijd om hen in de blijde woning der goden te ontmoeten.

Verdere verschrikkingen wachtten echter hen, wier levens misdadig of
onrein waren geweest, daar deze geesten naar Nastrond, het strand
der lijken, verbannen waren, waar zij waadden in ijskoude stroomen
vergif, door een hol dat van door elkaar gevlochten slangen gemaakt
was, welker giftige vangarmen naar hen waren toegekeerd. Nadat zij
daar onuitsprekelijke weeën hadden doorstaan, werden zij gewasschen
in den ketel Hvergelmir, waar de slang Nidhug een oogenblik ophield
met het knagen aan den wortel van den boom Yggdrasil, om te eten van
hun beenderen.


    Een hal staande
    Ver van de zon
    In Nâströnd;
    Haar deuren zijn noordwaarts gekeerd,
    Giftdruppelen vallen
    Door haar spleten binnen;
    Omgord is die heel
    Met tal van slangen.
    Zij zag er waden
    Door trage stroomen
    Bloeddorstige mannen
    En meineedigen,
    En hem die snood verleidd'
    Eens and'ren vrouw.
    Daar Nidhog teert
    Op doode lijven.

                            Saemunds Edda.



Pestilentie en honger.

Men meende, dat Hel zelve soms haar afschuwelijke woning verliet
om op de aarde te zwerven op haar wit paard met drie pooten, en in
tijden van pest of honger, als een deel der bewoners van een streek
vluchtten, zeide men dat zij een hark hanteerde, en als heele dorpen
en provinciën ontvolkt werden, zooals dit het geval was tijdens de
in de geschiedenis bekende epidemie van den Zwarten Dood, vertelde
men dat zij met een bezem gereden had.

De Noordelijke volken meenden verder, dat de geesten van de dooden
soms de aarde weer mochten bezoeken en aan hun verwanten verschijnen,
wier smart of vreugde hun zelfs na hun dood ter harte ging, zooals
verteld wordt in de Deensche ballade van Aager en Else, waar een
doode minnaar zijn geliefde beveelt te glimlachen opdat zijn kist met
rozen moge gevuld worden in plaats van met de geronnen bloeddruppels,
teweeggebracht door hare tranen.


    Luister nu, mijn dierbare Aager,
    Bruidegom, al wat 'k behoef
    Is te weten hoe het gaat u
    In uw still' en sombre groef,

    Elken keer als gij verheugd zijt
    En 't geluk uw hart vermooit,
    Wordt mijn stille graf met blaad'ren,
    Rozenbladeren getooid.

    Elken keer als, lief, gij jammert
    En uw ziele tranen stort,
    Weet dan, dat mijn stille grafsteen
    Vol van somb'ren bloedstroom wordt.

                            Ballade van Aager en Else.



HOOFDSTUK XX: AEGIR.


De god van de zee.

Behalve Niörd en Mimir, die beiden oceaangoden waren, terwijl de
een de zee voorstelde bij de kust en de ander den oorspronkelijken
oceaan, waaruit, zooals men meende, alle dingen waren voortgekomen,
erkenden de noordelijke volken een ander zeebeheerscher, Aegir of Hler
geheeten, die òf in de koele diepten van zijn vloeibaar gebied woonde
òf verblijf hield op het eiland Lessoe, in het Kattegat, of Hlessey.


    Beneden het golvengeruisch
    Met lichtende glorie,
    In blanke victorie
    Was zeegods hooge huis.
    Meer blinkend dan baren en schuimen
    Blonk steeds door spelonkige ruimen
    Het lichtende zand van zijn vloer,
    Als meervlak waar windje langs voer.

                            Valhalla (J. C. Jones.)


Aegir (de zee) heeft--zoo meent men--evenals zijn broeders Kari (de
lucht) en Loki (het vuur) tot een oudere dynastie van goden behoord,
want hij werd nooit gerekend tot de Aesir, de Vana's, de reuzen,
de dwergen, of elfen, maar werd als almachtige beschouwd binnen
zijn gebied.

Men veronderstelde dat hij veroorzaakte en tot rust bracht de groote
stormen die over de diepte jaagden, en hij werd meestal afgebeeld als
een mager oud man, met langen witten baard en haar, en klauwachtige
vingers, die zich altijd krampachtig toeknepen, alsof hij alle dingen
in zijn greep wilde hebben. Wanneer hij boven de wateren verscheen,
was het enkel om schepen te vervolgen en te overweldigen, en hen
gulzig naar den bodem der zee te sleepen, een werk waarin hij--zoo
dacht men--duivelsch genot vond.



De godin Ran.

Aegir was gehuwd met zijn zuster, de godin Ran, wier naam "roover"
beteekent, en die even wreed, gulzig en onverzadiglijk was als haar
echtgenoot. Haar geliefkoosd tijdverdrijf was te loeren bij gevaarlijke
rotsen, waarheen zij de zeelieden lokte en daar haar net te spreiden,
haar kostbaarst bezit, wanneer zij, na de menschen in zijn mazen
verstrikt te hebben en hun schepen te hebben verbrijzeld op de scherpe
klippen, hen kalm naar beneden trok in haar somber gebied.


    In de holle rotsen,
    Aan de kust die ruischt,
    Bij het wilde klotsen
    Als de stormwind bruist,
    In de lange uren
    In de fjord van 't noord,
    Zit zij stil te turen,
    En zij grijpt tot moord
    En zij spant haar sterk net tot haar roof.

                            Geschiedenis van Siegfried (Baldwin).


Ran werd beschouwd als de godin van den dood voor allen die op zee
omkwamen, en de noordelijke volken meenden dat zij de verdronkenen
borg in haar koraalspelonken, waar hare bedden gespreid waren om hen
te ontvangen, en waar de weide welig bloeide als in Valhalla. Verder
meende men, dat de godin een groote liefde had voor goud, dat "de
vlam van de zee" werd genoemd, en gebruikt werd om hare hallen te
verlichten. Dit geloof kwam op bij de zeelieden en had zijn ontstaan
te danken aan de treffende phosphoresceerende schittering van de
golven. Om de gunst van Ran te winnen, zorgden de Noormannen er voor,
wat goud bij zich te bergen als een of ander bijzonder gevaar hen op
zee bedreigde.


    Goud op verre tochten
    Is vol macht en vreugde;
    Die met leege handen
    Tot de blauwe Ran gaat,
    Kust zij koud, en wieglend
    Is dan haar omhelzing--
    Maar wij schenken aan de
    Zeebruid goud het zuiverst.

                Viking-vertelling van het Noorden (R. B. Anderson).



De golven.

Aegir en Ran hadden negen schoone dochters, de Golven, of golfmeisjes,
wier sneeuwige armen en boezems, lang gouden haar, diepblauwe oogen, en
slanke, bekoorlijke gestalten buitengewoon betooverend werkten. Deze
meisjes hadden er genoegen in, te spelen op het oppervlak van
haars vaders breed gebied, licht gekleed in doorschijnend blauwe,
witte of groene sluiers. Zij waren echter zeer luimig en grillig,
nu eens speelsch, dan neerslachtig en apathisch, en soms elkander
bijna tot waanzin opzettend, heur haar en sluiers verscheurend, zich
zorgeloos op hare harde bedden, de rotsen, werpende, elkaar met woeste
haast verjagend, en luid schreeuwend van vreugd of wanhoop. Maar zij
kwamen zelden spelen, tenzij haar broeder, de Wind, op het pad was,
en overeenkomstig zijn stemming waren zij zacht en speelsch, of ruw
en rumoerig.

Men meende doorgaans dat de Winden bij drieën rondgingen, en men
zeide dikwijls dat zij speelden rondom de schepen van de Vikingen
dien zij gunstig gezind waren, elke belemmering op hun pad wegnemend,
en hen helpend opdat zij spoedig hun doel bereikten.


    En Aegirs dochters in haar blauwe wijl,
    Springen om 't roer, en stuwen 't bollend zeil.

                Viking-vertellingen van het Noorden (R. B. Anderson).



Aegirs Brouwketel.

Aan de Angel-Saksers was de zeegod Aegir bekend onder den naam Eagor,
en zoo vaak een buitengewoon groote golf tegen de kust kwam donderen,
riepen de matrozen, zooals de Trentschippers nog doen: "Zie, Eagor
komt!" Hij was ook bekend onder den naam Helr (de hoeder) onder de
Noorsche volken en Gymir (de verstopper), omdat hij altijd bereid was
dingen te verbergen in de diepten van zijn gebied, en men er op aan kon
dat hij de aan zijn zorg toevertrouwde geheimen niet openbaarde. En
omdat, zooals men zeide--de wateren van de zee dikwijls ziedden en
kookten, heette de oceaan vaak Aegirs brouwketel of vat.

De twee voornaamste dienaren van den god waren Elde en Funfeng,
zinnebeelden van het phosphoresceeren der zee; zij waren beroemd om
hun snelheid en zij wachtten steeds op de gasten die hij tot zijn
banketten in de diepten der zee noodigde. Aegir verliet soms zijn
gebied om de Aesir in Asgard te bezoeken waar hij altijd koninklijk
werd onthaald en hij behagen schepte in Bragi's vele geschiedenissen
van de avonturen en daden der goden. Opgewekt door deze verhalen en
ook door de tintelende mee, die er mede gepaard ging, waagde de god
het eens de Aesir uit te noodigen het oogstfeest bij hem in Hlesey
bij te wonen, waar hij beloofde hem op zijn beurt te zullen onthalen.



Thor en Hymir.

Verrast door deze uitnoodiging, waagde een der goden Aegir er aan te
herinneren dat zij aan een lekker menu gewoon waren; daarop verklaarde
de god van de zee dat, wat het eten betrof, zij niet bang behoefden
te zijn, daar hij er zeker van was voor de grootste eters genoeg te
hebben; maar hij bekende dat hij niet zoo gerust was wat aanging het
drinken, daar zijn brouwketel vrij klein was. Dit hoorende bood Thor
dadelijk aan, een goeden ketel te verschaffen en trok uit met Tyr om
dien te halen. De twee goden reisden oostelijk van Elivagar in Thors
geitenkar, en, deze verlatend bij het huis van den boer Egil, Thialfi's
vader, gingen zij te voet naar de woning van den reus Hymir, van wien
men wist dat hij een ketel had, een mijl diep en naar verhouding wijd.


    Oostwaarts woont
    Van Elivagar
    d' Alwijze Hymir,
    Aan 's hemels end.
    Mijn heer, trotsch van zin,
    Bezit een vat,
    Een grooten ketel,
    Een mijl diep.

                    Saemunds Edda.


Alleen de vrouwen echter waren thuis, en Tyr herkende in de oudste--een
leelijk oud wijf met negen honderd hoofden--zijn eigen grootmoeder;
terwijl de jongere, een schoone jonge reuzin, naar het scheen, zijn
moeder was, en zij ontving haren zoon en zijn makker gastvrij en gaf
hun te drinken.

Na vernomen te hebben wat zij wilden, zei Thyr's moeder dat de
bezoekers zich moesten verbergen onder eenige groote ketels, die op
een balk aan het eind van de hal stonden, want haar man Hymir was
zeer driftig en versloeg dikwijls zijn zoogenaamde gasten met een
enkelen toornigen blik. De goden volgden vlug haar raad; en zoodra zij
verborgen waren, kwam de oude reus Hymir binnen. Toen zijn vrouw hem
zei dat er bezoek was, keek hij zoo verschrikkelijk boos, en wierp een
zóó toornigen blik naar hun schuilplaats, dat de dwarsbalk spleet en de
ketels met een slag neervielen, en, behalve de groote, alle stuk waren.


    Stuk vloog de pilaar
    Op den blik van den reus;
    De balk werd eerst
    In tweeën geknakt,
    Acht ketels vielen,
    Maar slechts een er van,
    Een harde ijzeren
    Bleef ongedeerd.

                    Saemunds Edda.


De vrouw van den reus echter kreeg van haren man gedaan, dat hij
Tyr en Thor welkom heette, en hij slachtte drie ossen om hen te
verkwikken, maar groot was zijn teleurstelling, toen hij zag dat de
dondergod twee er van voor zijn avondmaaltijd opat. Mompelend dat
hij den volgenden morgen vroeg zou gaan visschen om een ontbijt te
krijgen voor een zoo vraatzuchtigen gast, ging de reus naar bed,
en toen hij 's anderen daags in de schemering naar de kust ging,
kwam Thor bij hem die zeide dat hij hem was komen helpen. De reus
beval hem op zijn eigen lokaas te letten, waarop Thor kalmweg den
grootsten os van zijn gastheer Himinbrioter, (hemelbreker) doodde en,
zijn hoofd afhakkend, ging hij in een schip en roeide ver in zee. Te
vergeefs protesteerde Hymir dat zijn gewoon vischterrein bereikt was
en dat hij de verschrikkelijke Midgardslang zoude kunnen ontmoeten
als zij zich nog verder waagden; Thor roeide met volharding voort,
totdat hij dacht dat zij vlak boven dit monster waren.


    Op donkeren bodem onder zilten vloed,
    Lag neer de reuzenslang in sluimering zoet,
    Er is geen macht die haar ontwaken doet.

                    Thors vischvangst (Oehlenschläger).


Terwijl hij den kop van den os aan den hengel sloeg, vischte Thor
Iörmungandr, terwijl de reus intusschen twee walvisschen ophaalde, die
hem genoeg schenen te zijn voor een vroeg ontbijt. Hij wilde dus juist
voorstellen terug te keeren, toen Thor plotseling een schok voelde,
en hij begon zoo hard als hij kon te rukken, want hij wist door den
weerstand van zijn buit en den verschrikkelijken storm die door zijn
woeste kronkelingen veroorzaakt werd, dat hij de Midgardslang aan
den haak had. Bij zijn stellige pogingen om de slang te dwingen tot
het oppervlak te rijzen, drukte Thor zijn voeten zóó stevig tegen den
bodem van de boot dat hij er doorging en op het bed van de zee stond.

Na een onbeschrijfelijke worsteling verscheen de vergifspuwende kop van
het monster en Thor, grijpende zijn hamer, zou het juist vernietigen,
toen de reus, verschrikt door de nabijheid van Iörmungandr en bang
dat de boot zou zinken en hij de buit van het monster zou worden,
de vischlijn doorsneed en dus de slang als een steen op den bodem
der zee deed terugvallen.


    Daar komt het mes, en diep onder de zee
    Zonk neer de slang, vermoeid door zooveel wee
    En zooveel arbeid mee.

                    Thors vischvangst (Oehlenschläger).


Boos op Hymir omdat hij zoo van onpas was tusschenbeide gekomen, bracht
Thor hem een slag toe met zijn hamer die hem over boord deed slaan;
maar zonder aarzelen waadde Hymir naar het strand, en ontmoette den god
toen hij van de kust terugkeerde. Hymir nam toen beide walvisschen,
zijn zeebuit, op zijn rug, om ze naar huis te dragen; en Thor, die
ook zijn kracht wilde toonen, nam boot, roeispanen en vischtuig op
zijn schouders en volgde hem.

Toen het ontbijt gereed was, daagde Hymir Thor uit zijn kracht te
toonen door zijn beker te breken; maar ofschoon de dondergod hem met
onweerstaanbare kracht tegen steenen pilaren wierp, bleef hij heel
en was zelfs niet gedeukt. Maar op een influistering van Tyrs moeder
smeet Thor den kroes plotseling tegen het hoofd van den reus, de
eenige stof die harder was, waarop hij in splinters op den grond viel.

Nadat Hymir zoo Thors kracht had leeren kennen, zeide hij hem, dat
hij den ketel mocht hebben die de twee goden waren komen zoeken,
maar Tyr trachtte te vergeefs hem op te tillen, en Thor kon hem enkel
van den grond oplichten toen hij zijn krachtgordel had dichtgetrokken
tot het laatste knoopsgat.


    Tyr poogde tweemaal
    Te bewegen het vat,
    Maar elken keer
    Bleef de ketel staan;
    Toen nam Môdi's vader
    Bij den rand hem,
    En liep dus
    Door 't vertrek.

                Hymir-lied.


De ruk waarmede hij hem eindelijk ophief, bracht groote schade toe aan
het huis van den reus, en zijn voeten gingen door den vloer. Toen Tyr
en Thor vertrokken, de laatste met den grooten pot op zijn hoofd in
plaats van een hoed, riep Hymir zijn broeders de vorstreuzen, en stelde
voor, dat zij hun hevigen vijand zouden vervolgen en verslaan. Toen
hij zich omkeerde, merkte Thor plotseling wat zij wilden, en herhaalde
malen Miölnir naar de reuzen werpend, versloeg hij hen allen eer zij
hem konden inhalen. Tyr en Thor aanvaardden toen de terugreis naar
Aegir, den ketel bij zich waarin het bier voor het oogstfeest moest
gebrouwen worden.

De naturalistische beteekenis van deze mythen is natuurlijk een onweer
(Thor), een strijd met de woeste zee (de Midgardslang) en het breken
van het poolijs (Hymirs beker en vloer) in de hitte van den zomer.

De goden kleedden zich nu in feestgewaad en gingen vroolijk naar
Aegirs feest, en zij waren sedert steeds gewoon het oogstfeest in
zijn koraalspelonken te vieren.


    Vana's en Aesir keeren zij
    Van aard en lucht en Asgard, blij
    Met hun godinnen, wonderbaar,
    Een zeldzaam schitterende schaar,
    Verzellend Odin, trokken voort
    Over de zee in lichten tocht.

                    Valhalla (J. C. Jones).



Onbeminde godheden.

Aegir, zooals wij hebben gezien, beheerschte de zee met behulp van
de verraderlijke Ran. Deze beide godheden werden als wreed beschouwd
door de noordelijke volken, die veel van de zee hadden te lijden,
welke, hen aan alle kanten omringende, ver in het hart hunner landen
drong door de vele fjorden, en dikwijls de schepen hunner Vikingen
verzwolg met heel hun oorlogsbemanning.



Andere goden van de zee.

Behalve in deze voornaamste godheden van de zee geloofden de
noordelijke volken in meermannen en meerminnen, en vele verhalen
worden verteld van meerminnen, die voor een tijd de zwaneveeren of
robbengewaden uitdeden, die zij op de kust lieten en welke door de
menschen gevonden werden, waardoor deze de schoone meisjes konden
dwingen op het land te blijven.


    Zij kwam door de zee toen de maan klaar scheen,
    Dreef op de golven van d' oceaan,
    Zij kwam toen ik liep langs het strand alleen
    Met een hart zoo licht als een hart kan slaan.

                                                L. E. R.


Er waren ook boosaardige zeemonsters, bekend als Nicort, van wier
naam het spreekwoordelijke Oude Nikker is afgeleid. Vele van de
lagere watergoden hadden vischstaarten, de vrouwelijke droegen den
naam Undines en de mannelijke Stromkarels, Nixies, Necks of Neckar.


    Waar in moerassen de roerdompen spelen
    Nicker de ziellooze zit wat te kweelen,
    Zit er ontroostbaar, heeft vijand noch vrind,
    Nicker de ziellooze treurt als een kind.

                                Uit Broeder Fabian's Handschrift.


In de middeleeuwen geloofde men, dat deze watergeesten hun
geboortestroomen soms verlieten, om te verschijnen bij dorpsdansen,
waar zij herkend werden aan den natten zoom hunner kleederen. Vaak
zaten zij naast de vloeiende beek of rivier, spelend op een harp,
of zingend verleidende liederen, terwijl zij hun lang groen haar
uitkamden.


    De Neck speelt zijn harp hier in 't glazen kasteel
    En meerminnen kammen heur haren er veel,
    En bleeken heur glanzende kleeren.

                                                    Stagnelius.


De Nixies, Undines en Stromkarls waren bijzonder vriendelijke en
liefelijke wezens, en waren zeer verlangend herhaalde verzekeringen
te krijgen van hun eeuwig heil.

Vele verhalen worden verteld van priesters of kinderen die hen
ontmoetten, spelend aan een stroom, en die hen dreigden met toekomstige
verdoemenis, een bedreiging die altijd de vroolijke muziek in droevige
klachten verkeerde. Dikwijls haastten priesters of kinderen, als zij
hun fout ontdekten en geroerd waren door den angst hunner slachtoffers,
zich terug naar den stroom en verzekerden de watergeesten met hun
groene tanden, dat zij behouden zouden worden, als zij steeds weer
hun blijde melodieën hervatten.


    Kent gij de Nixen, blij en klaar?
    Hun oogen zijn zwart, groen is hun haar
    Zij toeven op helmige kusten.

                                        Mathisson.



Riviernimfen.

Naast Elf of Elb, den watergeest die den naam gaf aan de rivier de
Elbe in Duitschland, de Neck, waarnaar de Neckar heet, en ouden Vader
Rijn met zijn talrijke dochters (bijrivieren), is de beroemdste van
alle lagere watergoden de Loreley, het sirenenmeisje dat zit op de
rots bij St. Goar aan den Rijn, en wier verlokkend lied menig schipper
in den dood heeft gelokt. De legenden over die sirene zijn inderdaad
zeer talrijk, een der oudste is als volgt:



Legenden van de Lorelei.

Lorelei was een onsterflijke, een waternimf, dochter van Vader Rijn;
overdag woonde zij in de koele diepten der rivierbedding, maar laat in
den avond verscheen zij in het maanlicht, hoog zittend op een rotspunt,
in het volle gezicht van allen die den stroom op en af gingen. Soms
bracht de avondkoelte eenige tonen van haar lied tot de ooren van de
bootslieden, zoodat zij tijd en plaats vergetend bij het luisteren
naar deze betooverende melodieën, op de scherpe en gekante rotsen
dreven, waar zij wis omkwamen.


    De jonkvrouw is gezeten
    Daarboven wonderbaar
    Hoe blinkt haar gouden keten!
    Zij kamt haar gouden haar.

    Met kam, de gouden, reine,
    En zingt een lied daarbij,
    Dat heeft een wonderfijne,
    Geweldige melodij.

    Den schipper bij 't golvenklotsen
    Omvat het met wild gerucht,
    Hij speurt niet de scherpe rotsen,
    Hij tuurt maar omhoog in de lucht.

    'k Geloof, in 't golvenbangen
    Zijn schipper en boot vergaan,
    Dat heeft met hare zangen
    De Lorelei gedaan.

                                Lied, Heine.


Slechts één persoon, zegt men, heeft de Lorelei van zeer nabij
gezien. Dit was een jonge visscher van Oberwesel, die haar elken
avond aan den rivierkant ontmoette, en eenige genotvolle uren met
haar doorbracht, hare schoonheid indrinkend en luisterend naar haar
wegsleepend gezang. De overlevering vertelde, dat eer zij scheidden
de Lorelei de plaatsen aanwees waar de jongeling 's anderen morgens
zijn netten moest werpen--bevelen, waaraan hij altijd gehoorzaamde
en die hem steeds voordeelig waren.

Op zekeren avond zag men den jongen visscher naar de rivier gaan,
maar daar hij nooit wederkeerde, ging men hem zoeken. Daar men hem
niet kon vinden, vertelden de lichtgeloovige Teutonen ten slotte,
dat de Lorelei hem had naar beneden getrokken naar haar koraalgrotten
opdat zij steeds van zijn gezelschap zou mogen profiteeren.

Overeenkomstig een andere overlevering lokte de Lorelei, met haar
wegsleepende melodieën van de scherpe rotsen zóóvele visschers ten
grave in de diepten van den Rijn, dat een gewapende troep eens bij
het vallen van den avond gezonden werd om haar te omringen en te
grijpen. Maar de waternimf betooverde den kapitein en zijn mannen
zóó, dat zij hand noch voet konden bewegen. Terwijl zij onbewegelijk
rondom haar stonden, ontdeed de Lorelei zich van hare sieraden en
wierp ze in het water onder zich; toen zong zij een tooverformule en
liet de wateren komen tot den top van de rots waarop zij stond, en,
tot verbazing van de soldaten, omsloten de golven een zeegroene kar,
door rossen met witte manen getrokken, en de nimf sprong er vlug in en
de tooverwagen was onmiddellijk uit het gezicht. Eenige oogenblikken
later viel de Rijn tot zijn gewoon peil terug, de betoovering was
gebroken en de mannen konden zich weer bewegen, en keerden terug om
te vertellen dat hun pogingen vergeefsch waren geweest. Sedert dat
oogenblik echter is de Lorelei niet gezien, en de boeren zeggen dat
zij nog boos is wegens de haar aangedane beleediging en dat zij nooit
weer hare koraalgrotten zal verlaten.



HOOFDSTUK XXI: BALDER.


De meest beminde.

Aan Odin en Frigga, zoo vertelt men ons, werden tweelingzonen geboren,
zoo ongelijk in karakter en uiterlijk als bij twee kinderen mogelijk
is. Hodur, god van de duisternis, was somber, zwijgend en blind,
als het donker van de zonde, die hij, zoo meende men, voorstelde,
terwijl zijn broeder Balder, de schoone, vereerd werd als de zuivere
en stralende god van onschuld en licht. Van zijn sneeuwen voorhoofd
en gouden lokken schenen stralen van zonneschijn te schitteren die
de harten van goden en menschen blij maakten, door wie hij evenzeer
werd bemind.


    Van al de twaalf om Odins troon.
    Balder enkel, het meest toch schoon,
    De zonnegod, goed met zijn rein gezicht
    Werd bemind door elk, als men mint het licht.

                                    Valhalla (J. C. Jones).


De jeugdige Balder groeide verwonderlijk snel op, en werd vroeg
toegelaten tot de vergadering der goden. Hij ging wonen in het paleis
Breidablik, welks zilveren dak op gouden pilaren rustte, en welks
schoonheid zóó was, dat niets gewoons of onzuivers binnen zijn kring
mocht komen, en hier woonde hij in volmaakte eenheid met zijn jonge
vrouw Nanna (bloesem), de dochter van Nip (knopje), een schoone en
bekoorlijke godin.

De god van het licht was goed thuis in de wetenschap der runen, die op
zijn tong waren gesneden; hij kende de verschillende krachten van de
kruiden, waarvan een, de kamille, "Balders voorhoofd" heette, omdat
haar bloem even vlekkeloos zuiver was als zijn voorhoofd. Het eenige
wat voor Balders stralende oogen verborgen was, was de waarneming
van wat ten slotte met hem zelf gebeuren zou.


                            Zijn eigen huis
    Breidablik, op welks zuilen Balder schreef
    Den tooverklank die dooden leven geeft.
    Want wijs was hij, en kende kunsten veel,
    En runen ook, en zeldzaam heelend kruid;
    Helaas dat hij niet kende d' eene kunst
    Van sparen 't eigen leven, 't licht te zien.

                                    Balder Dood (Matthew Arnold).



Balders droom.

Daar het zoo natuurlijk was voor Balder, den schoone, te glimlachen
en gelukkig te zijn, waren de goden zeer ongerust toen zij op zekeren
dag een verandering in zijn uiterlijk begonnen te bespeuren. Allengs
stierf het licht weg uit zijn blauwe oogen, een zorgvolle trek kwam op
zijn gelaat, en zijn stap werd zwaar en traag. Odin en Frigga, ziende
de klaarblijkelijke gedruktheid van hun beminden zoon, smeekten hem
teeder de oorzaak van zijn zwijgend verdriet te zeggen. Balder gaf
ten slotte aan hun dringende woorden toe en vertelde dat zijn slaap,
in plaats van vredig en rustig te zijn als vroeger, onlangs vreemd
ontrust was door duistere en drukkende droomen, die, ofschoon hij
ze zich niet goed kon herinneren als hij ontwaakte, hem voortdurend
kwelden met een vaag gevoel van vrees.


    Dien god was zijn slaap
    Toen zeer onrustig,
    Zijn gunstige droomen
    Schenen voorbij.

                Lied van Vegtam.


Toen Odin en Frigga dit hoorden, waren zij zeer ontdaan, maar zeiden
dat niets hun algemeen beminden zoon zou deren. Niettemin, toen de
angstige ouders de zaak verder bespraken, bekenden zij dat zij ook
door vreemde voorgevoelens gedrukt werden, en ten slotte, geloovend
dat Balders leven werkelijk bedreigd werd, gingen zij maatregelen
nemen om het gevaar af te wenden.

Frigga zond hare dienaressen naar elke richting, met stellig bevel
bij alle levende wezens, alle planten, metalen, steenen--kortom bij
elk bezield en onbezield ding--er op aan te dringen dat zij plechtig
zouden beloven Balder geen kwaad te doen. De geheele schepping deed
gaarne den eed, want er was niets op aarde dat den stralenden god niet
lief had. Zoo keerden de dienaressen tot Frigga terug, en vertelden
haar dat allen naar den eisch hun woord gegeven hadden, behalve de
maretak, die op den eikestam aan de poort van het Valhalla groeide,
en dit, zoo voegde zij er bij, was een zoo nietig, onschadelijk ding,
dat men er geen letsel van vreezen kon.


    En dus werd besloten
    Te zenden nu
    Tot alle wezens,
    Om zekerheid
    Dat ze Balder niets zouden doen.
    Alle schepselen zwoeren
    Dat zij hem sparen zouden;
    Frigg ontving alle
    Geloften, contracten.

                            Saemunds Edda.


Frigga nam nu haar spinwerk weer ter hand in groote gerustheid,
want zij voelde er zich zeker van, dat geen leed kon overkomen aan
het kind dat zij boven allen liefhad.



De profetie van de Vala.

Odin had intusschen besloten een van de doode Vala of profetessen te
raadplegen. Hij besteeg zijn achtpootig ros Sleipnir en reed over de
sidderende brug Bifröst en over den vervelenden weg die naar Giallar
voert en den ingang van Niflheim, waar hij, door de Hellepoort en
langs den hond Garm gaande, in Hel's donkere woning drong.


    Op rees der menschen heer met spoed,
    Zadelde fluks zijn ros als roet;
    Toen reed hij langs de steilte voort,
    Die voert tot Hela's somb're poort.

                            Afkomst van Odin (Gray).


Odin zag tot zijn verbazing dat een feest was aangericht in dit donker
gebied, en dat de banken bedekt waren met tapijten en gouden ringen,
alsof een of ander geëerde gast verwacht werd. Maar hij ijlde voort
zonder te talmen, totdat hij de plaats bereikte waar de Vala vele
jaren ongestoord had gerust, toen hij plechtig een tooverformule
begon te zingen en de runen te trekken die de macht hadden de dooden
op te roepen.


    Hij sprak driemaal in sombre wijzen
    Het lied dat doet de dooden rijzen:
    Tot uit den hollen grond een stem
    Sleepend en dof bereikte hem.

                            Afkomst van Odin (Gray).


Plotseling opende zich het graf, en de profetes rees langzaam op,
vragend wie zoo haar lange rust had durven storen. Odin, die niet wilde
dat zij zou weten, dat hij de machtige vader was van goden en menschen,
antwoordde dat hij Vegtam was, de zoon van Valtam, en dat hij haar
geroepen had om te vragen voor wien de Hel hare banken spreidde en
een feestmaal aanrichtte. In holle tonen bevestigde de profetes al
zijne vreezen, hem zeggend dat de verwachte gast Balder was, die was
bestemd om door Hodur, zijn broeder, den blinden god der duisternis,
vermoord te worden.


    Hodur zal herwaarts
    Zenden zijn broeder;
    Hij van Balder
    Zal zijn de moordenaar,
    En Odins zoon
    Ontnemen 't leven;
    Door dwang heb ik gesproken,
    Nu wil ik zwijgen.

                        Saemunds Edda.


Trots den blijkbaren onwil van de Vala om verder te spreken, was Odin
nog niet voldaan en drong bij haar aan hem te zeggen wie den verwonden
god zou wreken en zijn moordenaar ter verantwoording roepen. Want
wraak en wedervergelding werden als een heilige plicht beschouwd door
de volken van het Noorden.

Toen vertelde hem de profetes, zooals Rossthiof reeds had voorspeld,
dat Rinda, de aardgodin, Odin een zoon zou baren, en dat Vali, zooals
dit kind zou worden genoemd, noch zijn gelaat zou wasschen noch zijn
haar kammen, totdat hij op Hodur den dood van Balder had gewroken.


    In een west'lijke spelonk
    Baart Rinda, die haar liefde schonk,
    'n Knaapje dat van Odin stamt,
    Dat nooit zijn zwarte lokken kamt,
    Noch in den stroom wascht zijn gezicht,
    Noch ziet het avondzonnelicht,
    Tot hij zal lachen bij het hout
    Tot brand voor Hodurs lijk gebouwd.

                        Afkomst van Odin (Gray).


Toen de weerstrevende Vala zoo had gesproken, vroeg Odin: "Wie
zou niet willen weenen bij Balders dood?" Deze ondoordachte vraag
toonde een kennis van de toekomst die geen sterveling kon bezitten,
en openbaarde onmiddellijk aan Vala wie haar bezoeker was. Zij weigerde
dus nog een woord te spreken en zonk terug in de stilte van het graf,
verklarend dat niemand haar er weer uit zou kunnen lokken totdat het
einde der wereld was gekomen.


    Ga van hier en zeg thuis dan
    Dat nooit een wezen komen kan
    Dat m' uit zijn ijz'ren sluim'ring beurt,
    Tot Lok zijn sterke keten scheurt;
    Nimmer tot de diepe nacht
    Weer herwon zijn oude kracht,
    Tot in vlammen, woest van haat,
    's Werelds schepping ondergaat.

                        Afkomst van Odin (Gray).


Toen Odin de besluiten van Orlog (lot) had vernomen, waarvan hij wist
dat zij niet afgeweerd konden worden, besteeg hij zijn ros, en wendde
zich bedroefd naar Asgard, denkend aan den tijd, die niet ver af was,
als zijn geliefde zoon niet meer gezien zou worden in de hemelsche
verblijven, en wanneer het licht van zijn tegenwoordigheid voor goed
verdwenen zou zijn.

Toen hij Gladsheim binnentrad, werd Odin echter wat gerust gesteld
door de mededeeling die Frigga hem dadelijk deed, dat alle dingen
onder de zon beloofd hadden Balder geen leed te zullen doen, en zich
overtuigd voelend dat als niets hun geliefden zoon zou vermoorden, hij
zeker moest voortgaan goden en menschen met zijn tegenwoordigheid te
verblijden, zette hij de zorg opzij en gaf zich over aan de genietingen
van het feestmaal.



De goden aan het spelen.

De speelplaats van de goden was gelegen op de groene vlakte van Ida
en heette Idavold. Hier gingen de goden gewoonlijk heen als zij lust
in het spel hadden, en hun geliefkoosde uitspanning was het werpen
met hun gouden schijven, die zij met groote behendigheid konden
gooien. Zij waren met verdubbelden ijver tot dit gewone tijdverdrijf
teruggekeerd, sedert de wolk die hun geesten had neergedrukt door de
voorzorgsmaatregelen van Frigga was weggevaagd. Toen zij echter ten
slotte genoeg hadden van de gewone sport, bedachten zij een nieuw
spel. Zij hadden gehoord dat Balder door geen enkel werptuig kon
gedeerd worden, en zoo amuseerden zij zich door allerlei wapenen,
steenen enz. naar hem te werpen, zeker dat hoe slim zij het ook
aanlegden en hoe nauwkeurig zij ook mikten, de voorwerpen, die gezworen
hadden hem geen kwaad te zullen doen, òf op zij zouden vliegen òf hem
niet zouden raken. Dit nieuw vermaak bleek zóó aangenaam te zijn dat
weldra alle goden zich rondom Balder verzamelden en hem elken keer
als hij ongetroffen bleef met groot gelach begroetten.



De dood van Balder.

Deze uitingen van vroolijkheid wekten de nieuwsgierigheid van Frigga
op, die in Fessalir zat te spinnen; en toen zij een oud vrouwtje haar
woning zag voorbij gaan, zei zij dat zij even moest blijven en haar
vertellen wat de goden deden dat zoo den lachlust prikkelde. Het oude
vrouwtje was niemand anders dan Loki in vermomming, en hij antwoordde
Frigga dat de goden steenen en andere werptuigen, stomp en scherp,
naar Balder gooiden, die glimlachend en ongedeerd in hun midden stond,
en hen uitdaagde hem aan te raken.

De godin glimlachte en vatte haar werk weer op, zeggende dat het
volmaakt natuurlijk was dat niets Balder zou deren, daar alle dingen
het licht liefhadden, waarvan hij het zinnebeeld was, en plechtig
hadden gezworen hem geen leed te doen. Loki, de verpersoonlijking
van het vuur, was zeer verdrietig toen hij dit hoorde, want hij was
jaloersch op Balder, de zon, die hem zoo geheel overschaduwde en die
algemeen bemind was, terwijl hij zooveel mogelijk gevreesd werd en
geschuwd; maar hij verborg wijslijk zijn boosheid en vroeg Frigga of
zij geheel zeker was dat alle dingen tot het verbond waren toegetreden.

Frigga antwoordde trotsch dat zij den plechtigen eed van alle
dingen hadden ontvangen, uitgezonderd van een, een onschuldig klein
woekerplantje, den maretak, dat op den eik bij de poort van het
Valhalla groeide, en dit was te klein en te zwak om er bang voor te
zijn. Deze mededeeling was alles wat Loki noodig had, en hij zei Frigga
vaarwel en strompelde weg. Zoodra hij veilig en wel buiten het gezicht
was, nam hij echter zijn gewone gestalte weer aan en haastte zich
naar het Valhalla, waar hij bij de poort den eik van den maretak vond,
zooals Frigga had aangegeven. Daarop gaf hij door de uitoefening van
tooverkunsten aan den parasiet een omvang en hardheid die er geheel
vreemd aan was.

Zoo maakte hij van den houten stengel handig een schacht waarmee hij
zich terugspoedde naar Idavold, waar de goden nog werptuigen naar
Balder wierpen, terwijl alleen Hodur ondertusschen bedroefd tegen een
boom stond geleund en geen deel nam aan het spel. Zorgeloos naderde
Loki den blinden god, en den schijn van belangstelling aannemend
vroeg hij de oorzaak van zijn zwaarmoedigheid, te gelijker tijd listig
insinueerend dat trots en onverschilligheid hem weerhielden aan het
spel mee te doen. Als antwoord op deze opmerkingen betuigde Hodur
dat enkel zijn blindheid hem weerhield aan het nieuwe spel deel te
nemen, en toen Loki hem de maretakschacht in zijn hand gaf en hem
in het midden van den kring bracht, hem de richting van het nieuwe
mikpunt aanwijzend, wierp Hodur zijn schacht met kracht. Maar tot
zijn spijt trof in plaats van het luide gelach dat hij verwachtte,
een ontstellende kreet van afgrijzen zijn oor, want Balder, de schoone,
was op den grond gevallen, door den noodlottigen maretak doorstoken.


    Zoo op den vloer lag Balder dood; gestrooid
    Rondom de zwaarden, bijlen, speren al
    Waarmee men had geworpen--dwaas gespeel--
    Op Balder wien geen werptuig wondd' of schond;
    Maar in zijn borst stak de fatale tak
    De maretwijg, die Lok, de Duivel, gaf
    Aan Hodur, en onwetend Hodur wierp--
    Hiertegen slechts was Balder niet bestand.

                                Balder Dood (Matthew Arnold).


In vreeslijken angst verzamelden zich de goden rondom hun geliefden
makker, maar helaas! het leven was geheel uitgebluscht, en al
hunne pogingen om den gevallen zonnegod weer te wekken hielpen
niet. Ontroostbaar wegens hun verlies keerden zij zich nu boos naar
Hodur, dien zij daar direct zouden hebben vermoord, waren zij niet
weerhouden door de wet der goden, dat geen opzettelijke daad van
geweld hun gewijde vredeplaatsen mocht ontheiligen. Het rumoer van
hun luid geklaag bracht de godin in groote haast bij het vreeselijke
tooneel, en toen Frigga zag dat haar lieveling dood was, smeekte zij
de goden hartstochtelijk naar Niflheim te gaan en Hel te overreden
haar slachtoffer los te laten, want de aarde kon zonder hem niet
gelukkig zijn.



Hermod's Boodschap.

Daar de weg uiterst ruw en moeilijk was, durfde eerst geen der
goden te gaan; maar toen Frigga beloofde dat zij en Odin den bode
boven al de Aesir zouden beminnen, verklaarde zich Hermod bereid
om de boodschap over te brengen. Om hem hiertoe in staat te stellen
leende Odin hem Sleipnir, en het edele ros, dat geen ander op zijn
rug duldde dan Odin, vertrok zonder aarzeling op den donkeren weg,
dien zijn hoeven reeds tweemaal te voren betreden hadden.

Ondertusschen liet Odin het lichaam van Balder naar Breidablik brengen,
en hij beval de goden naar het woud te gaan en hooge pijnboomen te
vellen waarmee een waardige brandstapel zou worden gebouwd.


    Maar toen de goden naar het woud gegaan
    Waren, bracht Hermod Sleipnir uit zijn stal
    En deed hem 't zadel aan; te voren wou
    Sleipnir geen hand dan Odin's op zijn nek,
    En droeg geen and'ren rijder op zijn rug;
    Nu stond hij echter stil aan Hermod's zij,
    Buigend zijn hals, en, voor zijn man gereed,
    Omdat hij wist hoe Balder werd bemind,
    Maar Hermod nu besteeg hem, ging heel stil
    En zwijgend op den onbekenden weg
    Die van het Noorden takt, en toog dus voort
    Den ganschen dag; het licht verdween, 't werd nacht,
    En heel dien nacht dus reed en reisde hij.
    Zoo negen dagen, negen nachten lang,
    Naar 't noordlijk ijs, door dalen, stroomomgord.
    En op den tienden dag zag hij de brug
    Die overspant met gouden boog den stroom
    Van Giall, en op die brug een vrouw, gedost
    In rusting, waar men komt aan d' overkant
    En waar de weg in rotsen zich verliest.

                                Balder Dood (Matthew Arnold).



De brandstapel.

Terwijl Hermod zich langs den somberen weg spoedde die tot Niflheim
leidde, hakten en haalden de goden naar de kust een groote massa
brandstof, dat zij op het dek van Balder's drakenschip, Ringhorn,
opstapelden terwijl zij een grooten brandstapel maakten. Volgens
gewoonte werd deze versierd met tapijtbehangsels, bloemenguirlanden,
vaten en wapenen van allerlei soort, gouden ringen en tallooze
voorwerpen van waarde, eer het vlekkelooze lichaam, rijkelijk
uitgedost, er heen gebracht en er opgelegd werd.

Een voor een kwamen de goden nu nader om een laatsten groet te brengen
aan hun geliefden makker, en toen Nanna zich over hem neerboog,
brak haar minnend hart en zij viel levenloos naast hem neder. Toen
zij dit zagen legden de goden haar eerbiedig naast haren echtgenoot,
opdat zij hem tot zelfs in den dood zou vergezellen; en nadat zij
zijn paard en honden gedood hadden en den brandstapel met doornen,
het zinnebeeld van den slaap, hadden omvlochten, kwam Odin, de laatste
der goden, naderbij.

Ten teeken van genegenheid voor den doode en van verdriet over
zijn verlies, hadden allen hun meest kostbare bezittingen op zijn
brandstapel gelegd, en Odin, zich neerbuigend, voegde nu bij de
geschenken zijn tooverring Draupnir. De verzamelde goden merkten dat
hij iets fluisterde in het oor van zijn gestorven zoon, maar geen
was dicht genoeg bij om te hooren wat hij zeide.

Toen deze droeve toebereidselen gedaan waren, maakten de goden
aanstalten om het schip van stapel te laten loopen, maar bevonden
dat de zware last van brandhout en schatten hun vereenigde pogingen
weerstand bood en zij konden het schip geen duim doen bewegen. De
bergreuzen, die het tooneel van verre zagen en hun verlegenheid
bespeurden, kwamen nu naderbij en zeiden dat zij wisten van een reuzin
die Hyrrokin heette en die in Jötun-heim woonde en sterk genoeg
was om zonder eenige hulp het schip van stapel te laten loopen. De
goden lieten dus een van de stormgeesten Hyrrokin roepen, en spoedig
verscheen deze, gezeten op een reusachtige wolf, dien zij aan een
leidsel, van kronkelende slangen gemaakt, stuurde. Naar de kust
rijdende steeg de reuzin af en betuigde trotsch haar bereidheid om
de gevraagde hulp te geven, als de goden intusschen wilden zorgen
voor haar ros. Odin zond onmiddellijk vier van zijn meest woeste
Berserkers om den wolf te houden, maar in weerwil van hun geweldige
kracht, konden zij het monsterachtig schepsel niet bedwingen, totdat
de reuzin het had neergeworpen en vastgebonden.

Toen Hyrrokin zag dat zij nu haar weerspannig ros zouden kunnen
besturen, ging zij langs het strand tot waar, hoog boven den
waterspiegel, Balders machtig schip Ringhorn lag.


    Zeventig el vier zich strekte
    Op het gras de kiel       in praal
    Hoog er boven, fonklend rekte
    Zich de drakenkop bloeddorstig
    Met zijn kam van staal.

                    De Sage van koning Olaf (Longfellow).


Zij zette haar schouders tegen zijn achtersteven en met een geweldige
inspanning duwde zij het met een vaart in het water. Maar zóó groot was
het gewicht van de massa en de snelheid waarmede het in zee schoot,
dat de aarde als door een aardbeving schokte en de rollen waarop het
schip gleed door de wrijving vuur vatten. De onverwachte schok deed de
goden bijna hun evenwicht verliezen, en dit maakte Thor zóó boos dat
hij zijn hamer ophief en hij de reuzin zou vermoord hebben, ware hij
niet door zijn makkers tegengehouden. Gemakkelijk gekalmeerd, zooals
gewoonlijk--want Thors woede, ofschoon snel gewekt, was voorbijgaande,
greep hij nog eens het schip aan om den brandstapel te wijden met
zijn heiligen hamer. Toen hij deze ceremonie verrichtte strompelde
de dwerg Lit hem hinderlijk in den weg, waarop Thor, die nog niet
heelemaal weer tot kalmte was gekomen, hem in het vuur wierp, dat
hij juist met een doorn had aangestoken, en de dwerg werd tot asch
verbrand met de lichamen van het goddelijk paar.

Het groote schip dreef nu in zee en de vlammen van den brandstapel
leverden een prachtig schouwspel op, dat elk oogenblik grootscher werd,
totdat, toen het schip den westelijken horizon naderde, het scheen
alsof zee en lucht in brand stonden. De goden keken treurig naar het
brandende schip en zijn kostbaren last, totdat het plotseling in de
golven dook en verdween; en zij wendden zich niet af noch keerden
tot Asgard terug voordat de laatste lichtsprank was verdwenen, en
de wereld, ten teeken van rouw over Balder den brave, in een mantel
was gehuld.


    Dra met veel leven steeg 't geweldig vuur,
    Het brandhout knetterd' en tusschen de blokken
    Wiekten vuurtongen bevend op, en vuur
    Sprong krullend, schietend hooger, lekte straks
    Den top van 't hout, de dooden, ook de mast,
    Knaagd' aan de dorre zeilen; toch bleef 't schip
    Nog voortgaan, brandend boven romp in vlam.
    De goden stonden op de kust, elk keek,
    En wijl zij keken neigde zich de zon
    In rook omhulde zee, en aan kwam nacht,
    Toen legde zich de wind en kalmte kwam;
    Maar door het duister zagen zij het schip
    Nog over wijde waatren voortgevoerd,
    Verder en verder, als een oog van vuur
    Zoo leek nu Balder's mutserd in den nacht,
    Maar zwakker scheen hij in het sterrenlicht,
    De lijken werden dus verteerd, ook 't hout.
    En evenals in uitgaand wintervuur
    't Verkoolde blok als 't valt nog vonken schiet--
    Zoo viel met vonkenstroom de mutserd in,
    Kleurend de zee rondom; 't was donker toen.

                                    Balder Dood (Matthew Arnold).



Hermod's tocht.

De goden traden treurig Asgard binnen, waar geen geluiden van
vroolijkheid of feestvieren het oor begroetten, want alle harten
waren met angstige bezorgdheid vervuld over den afloop van alle dingen
die men voelde komen. En waarlijk, de gedachte aan den vreeselijken
Fimbul-winter, die hun dood verkondigde, was er wel een om de goden te
verontrusten. Frigga alleen koesterde hoop, en zij wachtte met angst op
den terugkeer van haren bode, Hermod den snelle, die intusschen over
de sidderende brug was gereden en langs den donkeren Helleweg, totdat
hij, in den tienden nacht, den ruischenden stroom van de rivier Giöll
overkwam. Hier werd hij aangehouden door Mödgud, die vroeg waarom de
Giallar-brug meer onder den stap van zijn paard sidderde dan wanneer
een geheel leger er over ging, en vroeg waarom hij, een levend ruiter,
trachtte binnen te dringen in het gevreesde gebied van Hel.


    Wie zijt gij op uw zwart en vurig paard,
    Onder welks hoeven Giall's brug hevig schudt
    En rammelt? Zeg mij uw geslacht en huis.
    Eerst gistren ochtend kwamen hier voorbij
    Vijf troepen dooden op hun weg naar Hel,
    Deden de brug niet schudden als gij doet,
    En gij hebt vleesch en kleur toch op 't gelaat,
    Als levenden, die aad'men lucht nog in;
    Ook ziet gij er niet uit als dooden doen,
    Zielen die afwaarts gaan, die 'k daaglijks schouw.

                                    Balder Dood (Matthew Arnold).


Hermod vertelde aan Mödgud de rede van zijn komst, en nadat hij
zekerheid had gekregen dat Balder en Nanna vóór hem over de brug
waren gereden, haastte hij zich verder, totdat hij kwam aan de poort,
die belemmerend voor hem op rees.

Niet afgeschrikt door dezen slagboom, steeg Hermod af op het gladde
ijs, en de riemen van zijn zadel vaster makende, steeg hij weer op,
bedolf zijn sporen diep in de zachte zijden van Sleipnir en dwong
hem tot een verbazenden sprong, die hem behouden aan den anderen kant
van de Hellepoort bracht.


    Toen reed hij verder over 't veld van ijs
    Nog noordwaarts, tot hij kwam aan hooge muren
    (Belemmerend zijn weg) met traliewerk.
    Toen steeg hij af, en trok de riemen aan,
    Op 't gladde ijs, van Sleipnir, Odin's paard,
    En deed hem springen, en kwam dus er in.

                                    Balder Dood (Matthew Arnold).


Voortrijdende kwam Hermod ten slotte aan Hel's eetzaal, waar hij Balder
vond, bleek en uitgeput, liggend op een bank, zijn vrouw Nanna naast
hem, onafgewend starend op een beker meê, dien hij blijkbaar geen
moed had om te verzwelgen.



De voorwaarde van Balders invrijheidsstelling.

Te vergeefs vertelde Hermod zijn broeder dat hij gekomen was om hem
te verlossen; Balder schudde droevig zijn hoofd en zeide te weten dat
hij in zijn vreugdeloos verblijf moest vertoeven totdat de laatste
dag kwam, maar hij smeekte Hermod Nanna met zich terug te nemen,
daar het huis der schimmen geen plaats was voor een zoo prachtig
en schoon schepsel. Maar toen Nanna dit verzoek hoorde, drong zij
dichter aan de zijde van haren man en bezwoer dat niets er haar toe
zou kunnen brengen van hem te scheiden, en dat zij voor altijd bij
hem zou blijven, zelfs in Niflheim.

De lange nacht werd gesleten in stil gesprek, eer Hermod Hel opzocht
en haar smeekte Balder vrij te laten. De inhalige godin luisterde
zwijgend naar zijn verzoek en zeide eindelijk dat zij haar slachtoffer
zou laten vertrekken, mits alle dingen, bezield en onbezield, hun
smart over zijn verlies zouden toonen doordat zij tranen stortten.


    Kom dan! als Balder was zoo teer bemind,
    Men in den Hemel zijn gemis zoo voelt,
    Hoor hoe den Hemel hij hergeven wordt,
    Toon mij alom de teekenen van smart!
    Dat Balders toeven hier hun treuren is!
    Laat al wat leeft en door de wereld gaat
    Weenen om hem, en 't levenlooze ook;
    Laat goden, menschen, dieren, plant en rots
    Beweenen hem, dan zie 'k hoe men hem mist
    En 'k vind het goed en geef U Balder weer.

                                    Balder Dood (Matthew Arnold.)


Dit antwoord was zeer bemoedigend want de geheele Natuur beweende het
verlies van Balder, en zeker was er niets in de geheele schepping dat
niet een traan schenken wilde. Zoo verliet Hermod blijde Hel's donker
gebied, den ring Draupnir bij zich, dien Balder aan Odin terugzond,
een geborduurd karpet van Nanna voor Frigga, en een ring voor Fulla.



De terugkomst van Hermod.

De vergaderde goden verdrongen zich angstig rondom Hermod zoodra
hij terugkwam, en toen hij zijn boodschappen en geschenken had
overgebracht, zonden de Aesir herauten naar alle deelen van de wereld
om alle bezielde en onbezielde dingen te smeeken dat zij zouden weenen
over Balder.


    Ga snel door heel de wereld nu, en smeek
    Te weenen al wat leeft en wie er leeft
    Om Balder, opdat dus hij weer ons koom'!

                                    Balder Dood (Matthew Arnold).


Noordwaarts, Zuidwaarts, Oostwaarts en Westwaarts reden de herauten,
en als zij voorbij kwamen vielen tranen van elken plant en elken boom,
zoodat de grond gedrenkt was met vocht, en metalen en steenen, trots
hun harde harten, weenden ook.

De weg voerde ten slotte naar Asgard, en aan den kant van den weg
was een donkere grot, waarin de boden zagen neergehurkt de gestalte
van een reuzin, Thok geheeten, die volgens sommige mythologen Loki
in vermomming zal zijn geweest. Toen men haar aanspoorde een traan
te storten, bespotte zij de herauten en vluchtend in de donkere
schuilhoeken van haar grot, zei zij dat geen traan uit haar oogen zou
vallen en dat, wat haar betrof, Hel haar prooi voor goed houden mocht.


    Thok nu weende
    Met tranen droog
    Om Balders dood.
    Noch in leven, noch in dood
    Gaf hij mij vreugde,
    Houde Hel haar buit.

                            Oudere Edda.


Zoodra de terugkeerende boden in Asgard aankwamen, verdrongen zich de
goden om hen heen om het resultaat hunner zending te hooren; maar hun
gezichten, allen opgewekt in de vreugde van verwachting, werden duister
van wanhoop toen zij hoorden, dat één schepsel geweigerd had zijn
tranen te schenken, waarom zij Balder in Asgard niet meer zouden zien.


    Balder, de Schoone, komt niet weer
    Uit Hel's gebied in lichter sfeer!
    Loki's verraad, dubbel verraad
    Is 't wat de Dood ten buit hem laat;
    Nooit komt hij uit de duisternis
    Tot Ragnarok verschenen is.

                            Valhalla (J. C. Jones).



Vali de Wreker.

De besluiten van het noodlot waren nog niet geheel volvoerd, en het
laatste bedrijf van het treurspel moet nog kortelijk verteld worden.

Wij hebben reeds gezien, hoe Odin na vele weigeringen er in slaagde
de toestemming van Rinda tot hun huwelijk te krijgen, en dat de
zoon, uit deze verbintenis geboren, bestemd was om den dood van
Balder te wreken. De komst van dit wondervolle kind had nu plaats,
en Vali de Wreker, zooals hij genoemd werd, trad Asgard op den dag
van zijn geboorte binnen, en op dienzelfden dag versloeg hij Hodur
met een pijl uit een bundel dien hij tot dat doel schijnt gedragen
te hebben. Zoo boette de moordenaar van Balder, ofschoon hij een
onbewust werktuig was, voor de misdaad met zijn bloed, volgens de
wet van den echten Noorman.



De beteekenis van de geschiedenis.

De naturalistische verklaring van deze mythe moet men zoeken of in het
dagelijksch ondergaan van de zon (Balder) die beneden de westelijke
golven verdwijnt, weggedreven door de duisternis (Hodur), of in het
eindigen van den korten Noorschen zomer en de lange regeering van
het winterjaargetij. "Balder beteekent de lichte en klare zomer,
als schemering en dag elkander kussen en hand in hand gaan in deze
Noorsche streken."


    Balders mutserd de zon verbeeldt,
    Kleurt den heiligen haard,
    Spoedig de laatste vlam er speelt,
    Hodur regeert op aard.

                Viking-verhalen van het Noorden (R. B. Anderson).


"Zijn door Hodur bewerkte dood is de overwinning van de duisternis
over het licht, de duisternis van den winter over het licht van den
zomer; en de wraak van Vali is het doorbreken van het nieuwe licht
na de wintersche duisternis."

Loki, het vuur, is jaloersch op Balder, het zuivere licht van den
hemel, die de eenige onder de Noorsche goden was welke nooit vocht,
maar altijd klaar was met woorden van verzoening en vrede.


    Maar van uw lippen, Balder, nacht of dag,
    Heeft niemand ooit een toornig woord gehoord
    Aan God of Held, maar gij betoomdet steeds
    De anderen, stillend een gerezen twist.

                        Balder Dood (Matthew Arnold).


De tranen, door alle dingen gestort voor den geliefden god, verbeelden
den lentedauw die komt na de hardheid en koude van den winter, als
elke boom en twijg en zelfs de steenen van vocht druipen; Thok (kool)
alleen toont geen bewijs van teederheid, daar zij diep begraven is
in de donkere aarde en het zonlicht niet meer noodig heeft.


    Zooals des winters, als de vorst verdwijnt
    Aan 's winters eind, eer dat de lente komt,
    Een warme zoelte blaast en dauw begint--
    Een enkel uur, dan hoort men 't drupp'len reeds
    In alle wouden, en de sneeuw die ligt
    Onder de boomen, wordt van vocht doorzeefd,
    En van de takken komt de sneeuwlast neer;
    Op heuv'len zuidwaarts hellend ziet het oog
    Reeds groene plaatsen door de sneeuw in 't rond,
    Die grooter worden, vreugde voor den boer--
    Zoo werd gehoord alom een stil gedrop,
    De dingen weenden, wenschen wederkomst
    Van Balder, en den goden deed dit goed.

                        Balder Dood (Matthew Arnold).


Uit de diepten van hun ondergrondsche gevangenis trachten de zon
(Balder) en de plantengroei (Nanna) den hemel (Odin) en de aarde
(Frigga) te verblijden door hun den ring Draupnir te zenden, het
symbool van de vruchtbaarheid, en het bebloemde kleed, symbool van
het karpet van groen dat de aarde weer zal bedekken en door zijn
bekoring haar schoonheid zal vergrooten.

De zedelijke beteekenis is niet minder schoon, want Balder en Hodur
zijn de zinnebeelden van de strijdende machten van goed en kwaad,
terwijl Loki den verzoeker personifieert.


    In iedere ziel de wijze vindt
    Geboren Hodur, Balders broeder blind,
    Dan neemt hij toe, zijn kracht wordt meer
    Want blind geboren wordt elk kwaad, als jonge beer,
    Nacht is van kwaad het kleed; maar alle goed
    Is steeds gehuld in wâ van licht en gloed.
    De drukke Loki, die van ouds verleidt,
    Gaat voorwaarts onophoud'lijk, vat altijd
    Des blinden moord'naars hand, wiens vlugge speer
    Doorboort jong Balders borst, die zon van Valhal's sfeer.

                    Viking-verhalen van het noorden (R. B. Anderson).



De vereering van Balder.

Een van de meest belangrijke feesten werd gehouden tijdens de
zomerzonnewende of den avond van midzomer, ter eere van Balder den
goede. Want men beschouwde dien dag als den gedenkdag van zijn dood
en van zijn neerdaling in de onderwereld. Op dien dag, den langsten
van het jaar, kwamen de menschen buiten bij elkander, staken groote
vreugdevuren aan en keken naar de zon, die in de hooge Noorsche
streken weinig beneden den horizon daalt eer zij weer opkomt. Van
midzomer worden de dagen langzamerhand korter en de zonnestralen
minder warm, tot de winterzonnewende, die "Moeder nacht" heette,
daar het de langste nacht was van het jaar. Midzomeravond, die eens
ter eere van Balder gevierd werd, heet nu St. Johannesdag, daar die
heilige Balder den goede geheel en al vervangen heeft.



HOOFDSTUK XXII: LOKI.


De geest van het kwade.

Behalve den afschuwelijker reus Utgard-Loki, de verpersoonlijking
van slechtheid en kwaad, dien Thor en zijn metgezellen in Jötun-heim
bezochten, hadden de oude Noormannen een ander type van de zonde,
dien zij ook Loki noemden, en dien wij reeds onder verschillende
gestalten hebben gezien.

Oorspronkelijk was Loki enkel de verpersoonlijking van het haardvuur
en den geest des levens. Eerst een god, werd hij langzamerhand "god
en duivel tegelijk" en wordt ten slotte algemeen verafschuwd als een
volkomen evenbeeld van den middeleeuwschen Lucifer, den vorst der
leugens, "den veroorzaker van bedrog en den lasteraar" van Aesir.

Volgens sommige bronnen heette Loki de broeder van Odin, maar
anderen beweren dat de twee niet verwant waren, maar elkander alleen
bloedbroederschap hadden gezworen, zooals dit in het Noorden algemeen
voorkomt.


    Odin! weet gij nog
    Hoe wij in vroeger dagen
    Ons bloed vermengden?
    Toen gij beslist niet wildet
    Bier proeven,
    Tenzij we 't samen dronken?

                            Saemunds Edda.



Loki's karakter.

Terwijl Thor de belichaming is van Noorsche activiteit, verbeeldt Loki
de uitspanning, en de innige kameraadschap die eertijds tusschen deze
twee goden bestond, toont heel duidelijk hoe spoedig onze voorvaderen
begrepen dat beiden tot het welzijn der menschheid noodig waren. Thor
is altijd werkzaam en in ernst, maar Loki maakt van alles een grap,
totdat ten slotte zijn genot in ondeugendheid hem geheel op dwaalwegen
brengt, en hij alle liefde voor het goede verliest en hij uiterst
zelfzuchtig en kwaadwillig wordt.

Hij vertegenwoordigt het kwaad in den verleidenden en schijnbaar
schoonen vorm waarin het zich in de wereld vertoont. Wegens deze
bedriegelijke verschijning vermeden de goden hem eerst niet, maar
behandelden hem als een der hunnen in alle vriendschappelijkheid
en namen hem met zich mede overal waar zij heen gingen, lieten hem
verder niet alleen tot hun vermaken toe, maar ook tot hun vergaderzaal,
waar zij, helaas! te dikwijls naar zijn raad luisterden.

Zooals wij reeds gezien hebben, speelde Loki een groote rol in de
schepping van den mensch, dien hij toerustte met het vermogen om zich
te bewegen en wien hij het bloed vrijelijk door de aderen deed loopen,
waardoor hij met hartstochten werd bezield.

Als verpersoonlijking zoowel van het vuur als van de ondeugendheid
ziet men Loki (bliksem) dikwijls met Thor (donder), dien hij naar
Jötun-heim vergezelt om zijn hamer terug te halen, naar Utgard Loki's
kasteel en naar Geirrod's huis. Hij is het, die Freya's halsketting
en Sif's haar steelt, en Idoen verraderlijk overlevert in de macht
van Thiassi, en ofschoon hij den goden soms goeden raad geeft en hen
werkelijk helpt, is het enkel om hen te bevrijden uit een of anderen
toestand waarin hij hen overijld heeft meegesleept.

Sommige bronnen beweren, dat deze god, in plaats van een deel uit
te maken van de scheppingsdriehoek (Odin, Hoenir en Loeder of Loki)
oorspronkelijk behoorde tot een geslacht van goden ouder dan Odin,
en de zoon was van den grooten reus Fornjotnr (Ymir), terwijl zijn
broeders waren Kari (lucht) en Hler (water), en zijn zuster Ran, de
verschrikkelijke godin van de zee. Andere mythologen echter maken
hem tot den zoon van den reus Farbauti, die vereenzelvigd is met
Bergelmir, den eenigen overlevende uit den zondvloed, en van Laufeia
(bladrijk eiland) of Nal (schip), eigen moeder, dus vaststellend
dat zijn betrekking tot Odin enkel die was van den Noorschen eed
van kameraadschap.

Loki (vuur) huwde eerst Glut (gloed), die hem twee dochters baarde,
Eisa (spranken) en Einmyria (asch); het is dus zeer duidelijk, dat de
Noormannen hem als zinnebeeld van het haardvuur beschouwden en als het
vlammend hout op den haard knettert, dan zeiden de moedertjes in het
Noorden dat Loki zijn kinderen slaat. Behalve zijn vrouw, zegt men,
heeft Loki ook nog gehuwd de reuzin Angur-boda (de angstvoorspellende),
die in Jötun-heim woonde, en die, zooals wij reeds gezien hebben, hem
de drie monsters baarde: Hel, de godin van den dood, de Midgardslang
Iörmungandr, en den grimmigen wolf Fenris.


    Loki verwekte den wolf
    Bij Angur-boda.

                    Saemunds Edda.



Sigyn.

Loki's derde huwelijk was met Sigyn, die zich een liefhebbende vrouw
en vol toewijding betoonde, en hem twee zoons baarde, Narve en Vali,
de tweede een naamgenoot van den god die Balder wreekte. Sigyn was
altijd trouw aan haren echtgenoot en verliet hem niet, zelfs toen
hij uit Asgard was geworpen en in de ingewanden der aarde opgesloten.

Daar Loki de belichaming was van het kwaad in de oogen der Noorsche
volken, hadden zij enkel vrees voor hem, bouwden geen tempels hem
ter eere, brachten geen offers aan hem en noemden de schadelijkste
kruiden naar zijn naam. De trillende, overhitte atmosfeer van den
zomer--meende men--duidde zijn nabijheid aan, want de menschen zeiden
dan dat Loki zijn wilde haver zaaide, en als de zon scheen water te
halen, vertelden zij dat Loki bezig was te drinken.

De geschiedenis van Loki is zóó innig verbonden met die van de
andere goden, dat de meeste mythen die op hem betrekking hebben,
reeds verteld zijn en er zijn slechts twee episoden van zijn leven
te verhalen over, een die zijn beteren kant toont voordat hij tot den
aartsbedrieger was ontaard, en de andere laat zien hoe hij ten slotte
de goden er toe bracht, hun vreedzame verblijven door opzettelijken
moord te bezoedelen.



Skrymsli en het kind van den boer.

Een reus en een boer speelden eens samen een spel (waarschijnlijk
schaak, dat een geliefkoosd tijdverdrijf voor den winter was bij de
Noorsche vikings). Natuurlijk hadden zij bepaald dat zij voor zekeren
inzet zouden spelen, en de reus, die won, kreeg den eenigen zoon van
den boer, dien hij--zoo zeide hij--den volgenden dag zou komen halen
en opeischen, tenzij zijn ouders hem zóó knap konden verbergen dat
hij niet kon worden gevonden.

Wetende dat zoo iets voor hen onmogelijk uitvoerbaar was, smeekten
de ouders vurig tot Odin om hulp, en in antwoord op hun beden kwam de
god op aarde neer en veranderde den knaap in een kleinen graankorrel,
die hij in een korenaar midden in een groot veld verborg, verklarend
dat de reus hem niet zou kunnen vinden. De reus Skrymsli echter
bezat wijsheid, veel grooter dan Odin dacht, en toen hij het kind
niet thuis vond, ging hij onmiddellijk naar het veld met zijn zeis,
en maaide het koren af en koos juist de aar uit waar de knaap was
verborgen. Terwijl hij de graankorrels telde zou hij juist zijn hand
op den rechten leggen, toen Odin, die den angstkreet van het kind
hoorde, de korrel uit de hand van den reus rukte en den knaap aan zijn
ouders teruggaf, hem zeggende dat hij alles wat in zijn vermogen was
had gedaan om hen te helpen. Maar toen de reus verklaarde, dat hij
bedrogen was en den volgenden dag den knaap weer zou opeischen tenzij
de ouders hem te slim af waren, gingen de ongelukkige boeren nu naar
Hoenir om hulp. De god hoorde hen goedgunstig aan en veranderde den
knaap in een pluisje dons, dat hij in den borst van een zwaan verborg
die in een vijver in de buurt zwom. Toen nu, eenige minuten later,
Skrymsli kwam, giste hij wat er gebeurd was, en den zwaan grijpend,
beet hij zijn hals af en zou het dons verslonden hebben, had Hoenir
het niet van zijn lippen weggeblazen, buiten zijn bereik, terwijl
hij den knaap gezond en wel aan zijn ouders teruggaf, maar hen zeide,
dat hij hen niet verder kon helpen.

Skrymsli waarschuwde de ouders dat hij een derde poging zou wagen om
het kind te krijgen, waarop zij zich in wanhoop tot Loki wendden,
die het kind naar de zee bracht en het als een klein ei in de kuit
van een bot verborg. Van zijn expeditie terugkeerend ontmoette Loki
den reus bij de kust, en ziende dat hij uit visschen ging, wilde hij
hem vergezellen. Hij voelde zich niet op zijn gemak, vreezende dat
de verschrikkelijke reus zijn plan zou hebben doorzien, en dacht
dat het daarom goed voor hem zou zijn als hij in geval van nood
ter plaatse was. Skrymsli sloeg het aas aan den haak, en was meer
of minder gelukkig in zijn hengelen, toen hij plotseling dezelfde
bot optrok waarin Loki het knaapje, waarvoor hij te zorgen had, had
verborgen. Hij sneed den visch op zijn knie open en ging nauwkeurig
de kuit onderzoeken, totdat hij het ei vond dat hij zocht.

De zaak van den knaap stond zeker zeer gevaarlijk, maar Loki, zijn
kans afwachtende, rukte het ei uit de vuist van den reus, veranderde
het weer in het kind en beval het heimelijk naar huis te loopen,
zijn weg te nemen door het boethuis waar het langs moest en de deur
achter zich sluiten. De verschrikte knaap deed onmiddellijk zooals
hem bevolen was toen hij aan land was, en de reus, die dadelijk
zijn vlucht merkte, sprong hem achterna in het boethuis. Nu had
Loki listig een scherpe piek zóó geplaatst, dat het groote hoofd van
den reus er in volle vaart tegen aan liep, en hij op den grond viel
met een kreet, waarop Loki, ziende dat hij hulpeloos was, hem een
zijner beenen afsneed. Verbeeld u echter de teleurstelling van den
god, toen hij zag dat de stukken zich vereenigden en onmiddellijk
samengroeiden. Maar Loki was een meester in bedrog en bespeurende dat
hier tooverij in het spel was, sneed hij het andere been af, terwijl
hij dadelijk steen en staal tusschen het gescheurde lid en het lichaam
wierp, waardoor hij verdere betoovering verhinderde. De boeren waren
ontzaglijk verlicht toen zij bevonden dat hun vijand verslagen was,
en in het vervolg beschouwden zij Loki steeds als den machtigsten van
den hemelschen raad, want hij had hen werkelijk van hun vijand bevrijd,
terwijl de andere goden slechts tijdelijke hulp verleend hadden.



De reus-Bouwmeester.

In weerwil van hun wonderbare brug Bifröst, den sidderenden weg,
en de waakzaamheid van Heimdall, konden de goden zich niet geheel
veilig voelen in Asgard, en waren dikwijls bang dat de vorstreuzen in
Asgard zouden komen. Om deze mogelijkheid te ontgaan, besloten zij
ten slotte een onneembare sterkte te bouwen, en terwijl zij plannen
maakten hoe dit gedaan kon worden, kwam een onbekend architect met het
aanbod den bouw te ondernemen, mits de goden hem zon, maan en Freya,
godin van jeugd en schoonheid, zouden geven als loon. De goden waren
boos over een zoo aanmatigend aanbod, maar toen zij verontwaardigd
den vreemdeling uit hun tegenwoordigheid wilden jagen, drong Loki
er op aan, dat zij een contract zouden maken hetwelk de vreemdeling
onmogelijk zou kunnen houden, en dus zeiden zij ten slotte tot den
bouwmeester, dat hij de belooning zou hebben, mits de sterkte in een
enkelen winter klaar zou zijn, en hij het werk met geen andere hulp
zou voltooien dan met die van zijn paard Svadilfare.


    In Asgard kwam een bouwheer aan
    Die een kasteel wou stichten gaan,
    Een hoog gebouw
    Dat schutten zou
    Voor Jötunlist en ruw geweld;
    Dit was de eisch door hem gesteld:
    Dat Freya met én maan én zon
    Het loon zou zijn dat eens hij won.

                        Valhalla (J. C. Jones).


De onbekende architect stemde in deze schijnbaar onmogelijke
voorwaarden toe en ging onmiddellijk aan het werk, terwijl hij
's nachts zware steenblokken haalde en overdag bouwde, en zóó vlug
voortmaakte, dat de goden wat bang begonnen te worden. Weldra merkten
zij dat meer dan de helft van het werk voltooid was door het wonderros
Svadilfare, en toen zij, tegen het einde van den winter zagen,
dat het werk gereed was behalve slechts één portaal, dat--begrepen
zij--de architect gemakkelijk in den nacht kon afmaken:


    Toen werden zij met schrik vervuld,
    Gereed was bijna het gebouw,
    Drie dagen maar
    En 't werk was klaar,
    Dan moesten zij hun afspraak trouw,
    Betalen hem hun schuld.

                        Valhalla (J. C. Jones).


Bevreesd dat ze geroepen zouden worden te scheiden niet enkel van de
zon en de maan, maar ook van Freya, de verpersoonlijking van jeugd en
schoonheid in de wereld, wendden de goden zich tot Loki en dreigden
hem te vermoorden, tenzij hij middelen wist om den architect in de
voltooiing van zijn gebouw binnen den bepaalden tijd te verhinderen.

Loki's list bleek opnieuw tegen den toestand opgewassen. Hij
wachtte tot den avond van den laatsten dag kwam, toen hij, terwijl
Svadilfare langs den zoom van een woud ging, met moeite een der groote
steenblokken sleepend die tot de voltooiing van het werk geëischt
werden, in de vermomming van een merrie uit een donkere plaats aanrende
en zóó verlokkend hinnikte, dat, in een oogenblik, het paard zich uit
zijn tuig losrukte en de merrie achterna liep, op den voet gevolgd
door zijn vertoornden meester. De merrie galoppeerde snel voort,
listig paard en meester dieper lokkend in de woudschaduwen, totdat de
nacht bijna voorbij was en het niet langer mogelijk was het werk te
voltooien. De architect was niemand anders dan een verschrikkelijke
Hrimthurs, in vermomming, en hij keerde nu naar Asgard terug in groote
woede over het bedrog dat men hem had aangedaan. Hij nam zijn gewone
afmetingen aan en zou de goden vernietigd hebben, als niet Thor van een
reis plotseling was teruggekeerd en hem met zijn tooverhamer, Miölnir,
dien hij met verschrikkelijke kracht hem vlak in het gezicht sloeg,
had vermoord.

De goden hadden zich bij deze gelegenheid enkel door bedrog en door
de ruwe daad van Thor weten te redden, en door deze zou groote ellende
over hen gebracht worden, en zelfs hun val worden bewerkt en de komst
van Ragnarok worden verhaast. Loki echter voelde, wat hem betrof,
geen berouw, en men zegt, dat hij te zijner tijd de vader werd van
een achtpootig ros, Sleipnir geheeten, dat, zooals wij gezien hebben,
Odin's geliefkoosd paard was.


    Maar Sleipnir verwekte
    Hij bij Svadilfare.

                        Hyndlalied.


Loki bedreef zóóvele slechte daden gedurende zijn leven, dat hij ten
volle den naam "aartsbedrieger" verdiende, die hem gegeven werd. Hij
werd in het algemeen gehaat wegens zijn boosaardige handelingen,
en wegens een ingewortelde gewoonte van draaierij, waardoor hij ook
den titel van "vorst des leugens" kreeg.



Loki's laatste misdaad.

Loki's laatste misdaad, en die welke de maat zijner ongerechtigheid
volmaakte, was, dat hij Hodur er toe bracht den noodlottigen maretak
naar Balder te werpen, die hij haatte enkel wegens zijn onbezoedelde
reinheid. Misschien zou hem zelfs deze misdaad zijn vergeven, ware
hij niet verhard geweest toen hij, in de gedaante van een oude vrouw
Thok, een traan voor Balder storten moest. Zijn handelwijze bij
deze gelegenheid toonde den goden dat er enkel boosheid in hem was,
en zij spraken eenstemmig over hem het vonnis uit, dat hij voor goed
van Asgard zou worden verbannen.



Aegirs banket.

Om de somberheid der goden af te leiden en hen voor een korten tijd
het verraad van Loki te doen vergeten en Balders verlies, noodigde
Aegir, de god van de zee, hen uit deel te nemen aan een banket in
zijn koraalgrotten op den bodem van de zee.


    Tot troost nu van der goden smart
    Tot laafnis van hun treurend hart.
        Uit rijk der baren,
        Waar grotten waren,
        Riep koning Aegir
        De fiere Aesir.
        Te maaltijd allen
        In zijne hallen;
    Opdat, schoon elk om Balder nog
        Treurend in rouw,
        Vergeten zou
    Men aan zijn disch de zorgen toch.

                        Valhalla (J. C. Jones).


De goden namen verheugd de uitnoodiging aan en in de rijkste
kleeding gedost en met een feestelijken glimlach, verschenen zij in de
koraalgrotten op den vastgestelden tijd. Er was niemand afwezig behalve
de schitterende Balder, om wien menige spijtige zucht geslaakt werd,
en de booze Loki; over wien niemand zich kon bedroeven. In den loop
van het feest echter verscheen de laatstgenoemde god in hun midden als
een duistre schaduw, en, toen hem bevolen werd te vertrekken, gaf hij
lucht aan zijn slechte luim in een stroom van verwijten aan de goden.


    Van de Aesir en de Alfar
    Die zijn hier binnen
    Heeft geen een vriendlijk woord voor u.

                    Aegir's Drinkgelag of Loki's Woordenwisseling.


Toen, naijverig op den lof dien Funfeng, Aegirs knecht, had gekregen
wegens de vlugheid waarmee hij de gasten van zijn meester diende,
keerde zich Loki plotseling naar hem toe en vermoordde hem. Na deze
lichtzinnige misdaad joegen de goden in toorn Loki opnieuw weg,
en dreigden hem met strenge straf als hij hun ooit weer onder de
oogen kwam.

Nauwelijks waren de Aesir van deze onaangename stoornis in hun feest
bekomen, en hadden zij hun plaatsen aan de tafel weer ingenomen,
toen Loki opnieuw binnenkwam, met giftige tong zijn lasteringen
hervattend en de goden beleedigend over hun feilen en tekortkomingen,
terwijl hij boosaardig uitweidde over hun lichamelijke onvolmaaktheden,
en hen uitlachte om hun fouten. Te vergeefs trachtten de goden zijn
ongemanierdheid te doen ophouden; zijn stem werd luider en luider en
hij uitte juist een lagere lastering over Sif, toen hij plotseling
ophield bij den aanblik van Thor's hamer, die toornig gezwaaid
werd door iemand wiens macht hij ten volle kende, en hij vluchtte
onmiddellijk.


    Stil, onrein wezen!
    Mijn sterke hamer, Miöllnir,
    Zal doen zwijgen uw woorden
    Ik zal uw hoofd
    Slaan van uw hals,
    Dan is uw leven uit.

                    Aegirs Drinkgelag, of Loki's Woordenwisseling.



De vervolging van Loki.

Wetend dat hij de hoop niet kon koesteren weer in Asgard te worden
toegelaten, en dat vroeger of later de goden, met het oog op de
uitwerking zijner booze daden, er spijt van zouden hebben dat zij hem
hadden toegestaan door de wereld te zwerven, en zouden trachten hem
vast te binden of hem te vermoorden, trok Loki zich naar de bergen
terug, waar hij zich een hut bouwde met vier deuren, die hij altijd
wijd open liet opdat hij vlug zou kunnen ontsnappen. Zorgvuldig
maakte hij zijn plannen en besloot dat, als de goden hem zouden
komen zoeken, hij zou snellen naar den naburigen waterval, volgens
de overlevering den Fraananger val of stroom, en dat hij zich in
een zalm zou veranderen en zoo zijn vervolgers zou ontsnappen. Hij
overlegde echter, dat ofschoon hij gemakkelijk een haak kon vermijden,
het hem moeilijk zou zijn te ontvluchten als de goden een net maakten
gelijk dat van de zeegodin Ran.

Door deze vrees ontrust, besloot hij de proef te nemen of zulk een net
gemaakt kon worden, en begon er een te vervaardigen uit garen. Hij
was hiermee nog bezig, toen Odin, Kvasir en Thor plotseling in de
verte verschenen; en wetend dat zij zijn verblijf ontdekt hadden,
wierp Loki zijn half voltooid net in het vuur en, stormend door een
van zijn altijd open deuren, sprong hij in den waterval, waar hij
zich, in de gedaante van een zalm, verborg tusschen eenige steenen
in de bedding van den stroom.

De goden, zijn hut ledig vindend, waren op het punt te vertrekken,
toen Kvasir de overblijfselen bespeurde van het verbrande net op den
haard. Na eenig nadenken kreeg hij een inval, en hij ried den goden
een dergelijk net te weven en het te gebruiken om hun vijand in den
naburigen stroom te zoeken, daar het juist iets voor Loki was op
deze wijze hun vervolging te verijdelen. De raad scheen goed en werd
onmiddellijk opgevolgd, en, toen het net klaar was, gingen de goden
den stroom afdreggen. Loki ontweek het net toen het voor het eerst
werd geworpen doordat hij zich op den bodem van de rivier verborg
tusschen twee steenen; en toen de goden het net zwaarder maakten
en het voor den tweeden keer beproefden, ontkwam hij door stroomop
te gaan. Een derde poging om hem te vangen trof echter doel, want,
toen hij nog eens door een plotselingen sprong trachtte weg te komen,
greep Thor hem midden in de lucht en hield hem zóó vast dat hij niet
ontsnappen kon. De zalm welks gladheid spreekwoordelijk is in het
Noorden, is bekend door zijn opmerkelijk dunnen staart, en de Noren
schrijven dien toe aan de kracht waarmee Thor zijn vijand beetpakte.



Loki's straf.

Loki hernam nu pruilend zijn gewone gedaante, en zijn overwinnaars
sleepten hem in een hol, waar zij hem vastmaakten, waarbij zij als
banden gebruikten de ingewanden van zijn zoon Narve, die in stukken
gescheurd was door Vali, zijn broeder, door de goden tot dit doel
veranderd in een wolf. Een van deze boeien werd onder de schouders
van Loki door gedaan en een onder zijn lendenen, terwijl zij hem hand
en voet stevig vastzetten; maar de goden, niet geheel gerust of de
touwen, ofschoon taai en duurzaam, ook zouden losgaan, veranderden
ze in diamant of ijzer.


    U, op een rotspunt,
    Met de ingewanden van uw kouden zoon,
    Zullen binden de goden.

                                    Saemunds Edda.


Skadi, de reuzin, een verpersoonlijking van den ouden bergstroom,
die met vreugde het vastbinden van haar vijand (het onderaardsche
vuur) had aanschouwd, plaatste nu een slang vlak boven zijn hoofd,
zoodat haar vergif druppel bij druppel op zijn opwaarts gericht gelaat
zou vallen. Maar Sigyn, Loki's trouwe gade, snelde toe met een beker
en ging naast hem staan, en tot aan de dagen van Ragnarok bleef zij
bij hem, de druppelen opvangend terwijl zij vielen en nooit haar
post verlatend behalve wanneer haar beker vol was en zij hem moest
ledigen. Alleen gedurende haar korte afwezigheid konden de druppelen
vallen op Loki's gelaat, en dan veroorzaakten zij een zóó hevige pijn
dat hij zich van angst kronkelde, terwijl zijn pogingen om zich te
bevrijden de aarde deden schudden en de aardbevingen verwekten die
de stervelingen zoo bang maken.


    Eer dus worden zou zijn leven,
    Hing hem boven 't hoofd vol logen
    Skadi nu een slang, die spoog en
    Drupp'len deed hem gif, en immer
    Elken zenuw pijnde, nimmer
    Zal zijn kommer hem begeven.
    Naast hem, steeds zijn heil verlangend,
    Sigyn aan zijn zijde zit,
    Trouwe ziel! in beker vangend
    Drupp'len gif in hunnen val,
    Pijnlijk, kwetsend, zonder tal!
    Zonder slaap, en immer hangend
    Trouw hem aan, volvoert zij dit.
    Slechts als overvloeit zijn beker
    En veroorzaakt nieuwe smart,
    Houdt zij op en leegt hem, zeker,
    Sloeg op aard geen trouwer hart,
    Loki gilt
    Dan luid en wild.
    Zuchten slaakt hij,
    Vloeken braakt hij
    In een donderend gekrijt
    Wijl zijn schokken d' aarde splijt;
    Sidderend en bevend,
    De lucht zelfs bestrevend.
    Zoo maakt hij door zijn harde straf,
    Tot Godenscheem'ring lost hem af.

                                Valhalla (J. C. Jones.)


In dezen pijnlijken toestand moest Loki blijven tot de Godenschemering,
wanneer zijn boeien zouden worden losgemaakt, en hij deel zou nemen
aan het noodlottige gevecht op het slagveld van Vigrid, ten slotte
sneuvelend door den hand van Heimdall, die ter zelfder tijd zou
worden vermoord.

Zooals wij gezien hebben, is de vergifdruppelende slang in deze mythe
de koude bergstroom, welks wateren, van tijd tot tijd vallend op het
onderaardsche vuur, in damp vernevelen, die door de spleten ontsnapt
en aardbevingen en geysers veroorzaakt, verschijnselen waarmede de
bewoners van IJsland b.v. zeer vertrouwd waren.



Loki's Dag.

Toen de goden verlaagd werden tot den rang van duivelen door de
invoering van het Christendom, werd Loki verward met Saturnus, die
ook ontdaan was van zijn goddelijke eigenschappen, en beiden werden
beschouwd als prototypen van Satan. De laatste dag van de week, die
als aan Loki gewijd gold, was in het Noorsch bekend als Laugurdag, of
waschdag, maar werd in het Engelsch veranderd in Saturday, terwijl men
zeide dat hij zijn naam niet ontleende aan Saturnus maar aan Sataere,
den dief in de hinderlaag, en den Teutonischen god van den landbouw,
dien men voor een andere verpersoonlijking van Loki hield.



HOOFDSTUK XXIII: DE REUZEN.


Jötun-heim.

Zooals wij reeds gezien hebben, meenden de Noorsche volken, dat de
reuzen de eerste schepselen waren die het licht zagen tusschen de
ijsbergen welke den grooten afgrond van Ginnunga-gap vulden. Deze
reuzen waren van den beginne af de tegenstanders en mededingers der
goden, en evenals de laatsten de verpersoonlijking waren van alles
wat goed en liefelijk was, zoo stelden de eersten alles voor wat
leelijk was en boos.


    Hij komt--hij komt--de Vorstgeest komt! op den âam van noordenwind,
    En het donkre noorsche pijnbosch boog, als 't langs hij ging
                                                               ontzind,
    Met wilden vleugelslag kwam hij, waar 't vuur op Hekla gloeit,
    Op donkre lucht die boven is, en 't ijs met glans besproeit.

                                                         J. G. Whittier.


Toen Ymir, de eerste reus, levenloos op het ijs viel, door de goden
verslagen, verdronk zijn kroost in zijn bloed. Eén paar slechts,
Bergelmir en zijn vrouw, ontvluchtten naar Jötun-heim, waar zij gingen
wonen en de voorouders werden van het gansche reuzengeslacht. In het
Noorden werden de reuzen met verschillende namen genoemd, waarvan elk
een bijzondere beteekenis had. Jötun b.v. beteekent "de groote eter",
want de reuzen stonden bekend zoowel om hun ontzaglijken eetlust
als om hun ongewone grootte. Zij waren verzot op drinken zoowel als
op eten, en daarom heetten zij ook Thurses, een woord dat volgens
sommige schrijvers hetzelfde beteekent als dorst; maar anderen denken
dat zij dezen naam te danken hadden aan de hooge torens ("turseis")
die zij, zooals men veronderstelde, gebouwd hadden. Daar de reuzen
tegenover de goden stonden, deden de laatsten altijd hun best hen
te dwingen in Jötun-heim te blijven, dat gelegen was in de koude
streken van de Pool. De reuzen werden bijna altijd verslagen in hun
gevechten met de goden, want zij waren zwaar en traag van verstand,
en hadden enkel steenen wapenen te stellen tegen de bronzen van de
Aesir. Trots deze ongelijkheid werden zij dikwijls zeer door de goden
benijd, want zij waren volkomen op de hoogte van alle kennis van het
verleden. Zelfs Odin was naijverig op deze eigenschap, en zoodra hij ze
verkregen had door een dronk uit Mimir's bron, haastte hij zich naar
Jötun-heim om zich te meten met Vafthrudnir, den geleerdsten van het
reuzenbroed. Maar het zou hem nooit zijn gelukt, zijn tegenstander
in dezen vreemden strijd te verslaan, als hij niet opgehouden had
met te vragen naar het verleden en een vraag aangaande de toekomst
had gesteld.

Van alle goden werd Thor het meest door de Jötuns gevreesd, want
hij voerde voortdurend strijd tegen de vorst- en bergreuzen, die
gaarne de aarde voor goed in hun harde boeien hadden geslagen en zoo
de menschen hadden verhinderd den grond te bebouwen. In het gevecht
tegen hen gebruikte Thor, zooals wij reeds gezien hebben, gewoonlijk
zijn verschrikkelijken hamer Miölnir.



Oorsprong van de bergen.

Volgens Germaansche legenden werd het oneffen oppervlak der aarde
veroorzaakt door de reuzen, die hare gladheid bedierven door er op te
loopen toen zij nog zacht en pasgeschapen was, terwijl de stroomen
werden gevormd door de vele tranen, gestort door de reuzinnen, toen
zij de dalen zagen, die door de groote voetstappen hunner mannen waren
gemaakt. Daar dit het Teutonische geloof was, dachten de menschen dat
de reuzen, die voor hen de bergen personifieerden, ongelukkige wezens
waren, die zich enkel in de duisternis of den mist konden bewegen,
en versteenden zoodra de eerste zonnestralen door de duisternis
drongen of de wolken verspreidden.

Dit geloof bracht hem er toe, een van hun voornaamste bergketenen het
Reuzengebergte te noemen. De Skandinaviërs deelden dit geloof ook, en
tot dezen dag duiden de IJslanders hun hoogste bergtoppen aan met den
naam Jokul, een wijziging van het woord "Jötun". In Zwitserland, waar
de eeuwige sneeuw rust op de hooge bergtoppen, vertellen de menschen
nog oude geschiedenissen van den tijd toen de reuzen rondzwierven;
en als een lawine van de berghelling is afgestort, zeggen zij dat
de reuzen onrustig een deel van den ijslast hebben afgeschud van hun
wenkbrauwen en hun schouders.



De eerste goden.

Daar de goden ook verpersoonlijkingen waren van sneeuw, ijs, koude
gesteenten en onderaardsch vuur, heette het, dat zij afstamden
van den oorspronkelijken Fornjotnr, dien sommige bronnen met Ymir
vereenzelvigen. Volgens deze lezing van de mythe had Fornjotnr drie
zonen: Hler, de zee; Kari de lucht; en Loki het vuur. Deze drie
godheden, de eerste goden, vormden de oudste drieëenheid, en hun
respectieve afstammelingen waren de zeereuzen Mimir, Gymir en Grendel,
de stormreuzen Thiassi, Thrym en Beli en de reuzen van vuur en dood,
zooals de Fenriswolf en Hel.

Daar al de koninklijke dynastieën beweerden af te stammen van een
of ander mythisch wezen, verzekerden de Merovingers dat hun eerste
voorvader een zeereus was, die uit de golven opsteeg in de gedaante
van een os, en de koningin verraste, toen zij alleen op het zeestrand
wandelde, en haar dwong zijn vrouw te worden. Zij schonk een zoon het
levenslicht, die Meroveus heette, de stichter van de eerste dynastie
der Frankische koningen.

Er zijn reeds vele verhalen gedaan over de belangrijkste reuzen. Zij
keeren terug in vele der latere mythen en sprookjes, en vertoonen,
na de invoering van het Christendom, een bijzonderen afkeer van den
klank van kerkklokken en het zingen van monniken en nonnen.



De reus verliefd.

De Skandinaviërs vertellen, in dit verband, dat in de dagen van Olaf
den heilige een reus, Senjemand geheeten, op het Eiland Senjen woonde,
en hij was heel boos, omdat een non op het eiland Grypto dagelijks
hare morgenhymne zong. De reus werd verliefd op een mooi meisje,
Juterna-jesta geheeten, en het duurde lang eer hij moed vond haar
te vragen. Toen hij ten slotte zijn stotterend aanzoek deed, wees
de schoone dame hem toornig af, zeggend dat hij veel te oud en te
leelijk was naar haar smaak.


    "Ellendige Senjemand--leelijk en grauw!
    Gij minnen het meisje van Kvedfiord!
    Neen--een lummel zijt gij en blijft gij ook steeds."

                                                        Ballade.


In zijn boosheid, omdat hij zoo toornig was afgewezen, zwoer de reus
wraak en kort daarop schoot hij een grooten steenen pijl van zijn
boog op het meisje, dat tachtig mijlen ver woonde. Een ander minnaar,
Torge, ook een reus, die het gevaar zag waarin zij verkeerde en haar
wilde beschermen, wierp zijn hoed naar den voortsnellenden pijl. Deze
hoed was duizend voet hoog en naar verhouding breed en dik, maar
de pijl doorboorde niettemin den bol, bereikte echter zijn doel
niet. Senjemand, ziende dat hij gemist had en den toorn van Torge
vreezend, besteeg zijn paard en wilde zoo snel mogelijk wegrijden;
maar de zon, die toen juist boven den horizon rees, veranderde hem
in steen, samen met den pijl en Torge's hoed; de groote massa heette
Torghattenberg. Men wijst nog een obelisk aan waarvan men zegt dat
hij de steenen pijl is; verder een gat in den berg, 289 voet hoog
en 88 voet breed, dat heet te zijn de opening door den pijl in zijn
vlucht door den hoed gemaakt; eindelijk den ruiter op Senjen-eiland,
die blijkbaar een kolossaal paard berijdt en de vouwen van zijn wijden
rijmantel dicht om zich heen trekt. De non, wier gezang Senjemand
zoo in verwarring bracht, werd ook versteend en ontrustte nooit weer
iemand met haar psalmgezang.



De Reus en de kerkklokken.

Een andere legende vertelt, dat een van de bergreuzen, gehinderd door
het gelui van kerkklokken op meer dan vijftig mijlen afstand, eens
een hooge rots nam die hij naar het heilige gebouw smeet. Gelukkig
raakte zij niet en brak in tweeën. Sedert dien tijd, zeggen de
boeren, komen de heksen op Kerstavond steeds het grootste steenblok
op steenen pilaren zetten en er onder dansen en feestvieren. Een dame,
die wilde weten of dit verhaal waar was, zond eens haar knecht naar de
plaats. De heksen kwamen en boden hem gastvrij een dronk aan uit een
horen met goud gemonteerd en versierd met runen. Den horen grijpende,
wierp de knecht den inhoud weg en snelde er mee heen in wilden galop,
op den voet gevolgd door de heksen, die hij enkel ontsnapte door te
gaan door een stoppelveld en over stroomend water. Eenige harer kwamen
den volgenden dag bij de dame om dezen horen terug te vragen, en toen
zij weigerde er afstand van te doen, vervloekten zij haar, zeggende dat
haar kasteel verbranden zou telkens als de horen van zijn plaats zou
genomen worden. De voorspelling is driemaal uitgekomen en nu bewaakt
de familie de reliek met bijgeloovige zorg. Een dergelijke drinkbeker,
verkregen op bijna dezelfde wijze door de familie Oldenburg, wordt
vertoond in de verzameling van den koning van Denemarken.

Men dacht dat de reuzen geen vast verblijf hadden maar in het donker
zich bewogen, soms groote massa's aarde en zand dragend, die zij
lieten vallen hier en daar. De zandheuvels in Noord-Duitschland en
Denemarken waren, meende men, aldus gevormd.



Het schip van de reuzen.

Een Noord-Friesche overlevering verhaalt, dat de reuzen een
kolossaal schip hadden, Mannigfual genaamd, dat steeds rondvoer in
den Atlantischen Oceaan. Zóó groot was het schip dat, naar men zeide,
de kapitein het dek te paard overging, terwijl het tuig zóó uitgebreid
en de masten zóó hoog waren, dat de matrozen die er als jongelingen
inklommen als grijsaards naar beneden kwamen, terwijl zij gerust en
zich verfrischt hadden in vertrekken, toebereid en met levensmiddelen
voorzien tot dat doel in de groote blokken der katrollen.

Bij ongeluk gebeurde het eens, dat de stuurman het reusachtige schip
in de Noordzee stuurde, en daar hij zoo snel mogelijk terug wilde naar
den Atlantischen Oceaan en in zoo kleine ruimte niet durfde draaien,
stuurde hij in het Engelsche kanaal. Verbeeld u de teleurstelling van
allen die aan boord waren, toen zij den doorgang nauwer en nauwer
zagen worden hoe verder zij kwamen. Toen zij aan de nauwste plaats
kwamen, tusschen Calais en Dover, scheen het totaal onmogelijk dat
het schip, met den stroom drijvend, zich er een weg door zou kunnen
banen. De kapitein met loflijke tegenwoordigheid van geest, beval
onmiddellijk zijn mannen de zijden van het schip met zeep in te smeren,
en een extra dikke laag op het stuurboord te leggen, waar de puntige
klippen van Dover dreigend verrezen. Nauwelijks waren deze bevelen
uitgevoerd, of het schip ging de nauwe ruimte binnen, en, dank zij
de voorzorgen van den kapitein, gleed het er veilig door. De rotsen
van Dover schrabden er echter zóóveel zeep af, dat zij sedert steeds
bijzonder wit zijn geweest, en de golven die er tegen aan slaan,
hebben een ongewoon schuimig aanzien.

Deze pakkende ervaring was niet de eenige die de Mannigfual had, want
wij vernemen dat zij eens, niemand weet hoe, in de Baltische zee kwam,
waar het water niet diep genoeg was om het schip vlot te houden en
de kapitein beval dat alle ballast overboord zou worden geworpen. Het
materiaal dat dus aan beide kanten van het schip in zee werd gegooid,
vormden de twee eilanden Bornholm en Christiansoë.



Prinses Ilse.

In Thüringen en in het Zwarte Woud zijn de verhalen over de reuzen
legio, en een der meest geliefkoosde bij de boeren is dat van Ilse,
de lieflijke dochter van den reus van den Ilsenstein. Zij was zóó
bekoorlijk dat zij wijd en zijd bekend was als de Schoone Prinses
Ilse, en door een aantal ridders gevrijd werd, van wie zij den Heer
van Westerburg koos. Maar haar vader vond volstrekt niet goed dat
zij met een eenvoudig sterveling omgang had, en verbood haar haar
minnaar te zien. Prinses Ilse was echter stijfhoofdig, en in weerwil
van haars vaders verbod bezocht zij dagelijks haren minnaar. De reus,
woedend over haar volharding en ongehoorzaamheid, strekte ten slotte
zijn groote handen uit, greep de rotsen en maakten een groote kloof
tusschen de hoogte waar hij woonde en het kasteel Westerburg. Hierop
ging Prinses Ilse naar de diepte die haar van haar minnaar scheidde en
wierp zich roekeloos over de steilte in den kokenden stroom beneden,
en werd daar in een betooverende waternimf veranderd. Zij woonde vele
jaren in de heldere wateren, van tijd tot tijd verschijnend om haar
betoovering op stervelingen uit te oefenen, en zelfs, zegt men, won
zij de liefde van Keizer Hendrik, die vele bezoeken bracht aan haren
waterval. Haar laatste verschijning was, volgens het volksgeloof, op
Pinksteren, honderd jaar geleden, en de bewoners zien nog steeds uit
naar de schoone prinses, die, zegt men, nog druk den stroom bezoekt
en haar witte armen zwaait om de reizigers in den koelen stroom van
den waterval te lokken.


    Ik ben de Prinses Ilse
    En ik woon in Ilsenstein;
    Kom met mij naar mijn brug en
    Wij zullen zalig zijn.

    Uw hoofd wil ik besproeien
    Met mijnen held'ren stroom,
    Gij zult uw smart vergeten
    In zoeten, teeren droom.

    En in mijn blanke armen
    En aan mijn borst gevleid
    Daar zult gij liggen droomen
    Van ouden zaal'gen tijd.

                                Heine.



Het speelgoed van de reuzin.

De reuzen bewoonden de geheele aarde voordat deze aan de menschheid
gegeven was, en slechts met tegenzin maakten zij plaats voor het
menschelijk geslacht, en trokken zich terug in de woeste en dorre
deelen van het land, waar zij hun gezin grootbrachten in strenge
afzondering. Zóó groot was de onkunde hunner kinderen, dat een
jonge reuzin, van huis weggezworven, eens in een bewoond dal kwam,
waar zij voor het eerst in haar leven een boer zag ploegen op den
heuvelkant. Daar zij hem een aardig speelgoed vond, nam zij hem met
zijn span op en deed hem in haar schort en bracht hem met vreugde
thuis om hem aan haar vader te laten zien. Maar de reus beval haar
onmiddellijk boer en paarden naar de plaats terug te brengen waar
zij hen had gevonden, en toen zij dit gedaan had, vertelde hij haar
mismoedig dat de schepselen, die zij voor niet meer dan speelgoed
aanzag, eens het reuzenvolk zouden verdrijven, en heeren der aarde
zouden worden.



HOOFDSTUK XXIV: DE DWERGEN.


Kleine mannen.

In het eerste hoofdstuk zagen wij hoe de zwarte elven, dwergen, of
Svart-alfar als maden gebroed werden in het vleesch van den vermoorden
reus Ymir. De goden, die deze kleine vormelooze schepselen zagen,
terwijl zij in en uit kropen, gaven hun gestalte en trekken, en zij
werden bekend als donkere elven, vanwege hun donker uitzien. Deze
kleine wezens waren zóó onaanzienlijk met hun donkere huid, groene
oogen, groote hoofden, korte beenen en kraaienvoeten, dat zij
het bevel kregen zich onder den grond te verbergen, en nooit zich
over dag mochten vertoonen, anders zouden zij in steen veranderd
worden. Ofschoon veel minder machtig dan de goden waren zij heel wat
scherpzinniger dan de menschen, en daar hun kennis onbegrensd was
en zich zelfs tot de toekomst uitstrekte, stelden goden en menschen
beiden even gaarne vragen.

De dwergen waren ook bekend als trolls, kobolden, Huldra volk
enz. overeenkomstig het land waar zij woonden.


    Gij zijt de grijze Troll,
    Met oogen, groen en klaar
    Maar 'k min u, grijze Troll
    Wijs zijt gij altegaar.

    Zeg mij van ochtend ras,
    Wat gij begrijpt,
    Of ik geboren was
    En ben gerijpt?

                De legende van de kleine fee (Buchanan).



De Tarnkap.

Deze kleine wezens konden zich met wonderbare snelheid van de
eene plaats naar de andere bewegen, en zij hielden er van zich
achter de rotsen te verbergen, wanneer zij ondeugend de laatste
woorden van gesprekken herhaalden die zij van zulke schuilplaatsen
afluisterden. Wegens deze welbekende streek werden de echo's
dwergengesprekken genoemd, en de menschen meenden dat de reden waarom
zij, die zulke geluiden maakten, nooit gezien werden, deze was, dat
iedere dwerg de trotsche bezitter was van een kleine roode kap, die
den drager onzichtbaar maakte. Deze kap heette Tarnkappe, en zonder
deze durfden de dwergen na zonsondergang niet boven het oppervlak van
de aarde verschijnen uit vrees dat zij zouden versteenen. Als zij ze
droegen, waren zij beveiligd voor dit gevaar.


    Weg! laat de zon niet zien me--
    Ik moet onmiddellijk heen;
    Zij zou als Elf misschien me
    Verand'ren in een steen.

                        La Motte Fouqué.



De legende van Kallundborg.

Helva, de dochter van den heer van Nesvek, werd bemind door Esbern
Snara, wiens huwelijksaanzoek echter door den trotschen vader werd
afgewezen met de hoogmoedige woorden: "Als gij te Kallundborg een
grootsche kerk zult bouwen, dan zal ik u Helva tot vrouw geven".

Nu was Esbern, ofschoon van geringen stand, trotsch van hart, evenals
de heer, en hij besloot, wat er van komen mocht, een weg te vinden om
zijn geliefde te krijgen. Zoo ging hij tot een troll in Ullshoi Hell,
en trof een overeenkomst waarbij de troll een mooie kerk zou bouwen,
maar als zij klaar was moest Esbern den naam van den bouwer zeggen
of zijn oogen en zijn hart verbeuren.

Nacht en dag werkte de troll voort, en toen het gebouw bijna klaar
was, werd Esbern Snara, droeviger. Hij luisterde bij de spleten van
den heuvel in den nacht; hij lette op overdag; hij werd als een schim
door zijn angstige gedachten; hij bezwoer de elven hem te helpen. Maar
het baatte allemaal niets. Geen geluid hoorde hij, niets zag hij dat
den naam van den bouwer verried.

Intusschen werd de zaak bekend, en de schoone Helva, die van de
leelijke overeenkomst hoorde, bad voor de ziel van den ongelukkigen
man.

De tijd ging voorbij, totdat op zekeren dag aan de kerk slechts één
pilaar ontbrak, en verleid door duistere wanhoop, zonk Esbern uitgeput
op een bank, waar hij den dwerg den laatsten steen hoorde hameren
in den harden ondergrond. "Dwaas die ik ben", zeide hij bitter,
"ik heb mijn graf gebouwd".

Juist toen hoorde hij een lichten voetstap, en toen hij opkeek,
zag hij zijn geliefde. "Ik wilde dat ik in uw plaats sterven kon",
zeide zij, door hare tranen heen, en daarop bekende Esbern dat hij
uit liefde voor haar oogen zoowel hart als ziel had gewaagd.

Terwijl de troll onder den grond voorthamerde, bad Helva naast
haren minnaar, en de gebeden van het meisje waren sterker dan de
toovermacht van den troll, want plotseling ving Esbern den klank op
van een troll-vrouw die voor haar kind zong en zeide dat het stil
moest zijn, want dat, den volgenden dag, Vader Fine zou terugkeeren
met de oogen en het hart van een sterveling.

Zeker van zijn slachtoffer ijlde de troll naar Kallundborg met
den laatsten steen. "Te laat, Fine!" zei Esbern, en bij dat woord
verdween de troll met zijn steen en men zegt dat de boeren 's nachts
het gezucht van een vrouw onder den grond hoorden en de stem van den
dwerg, die luid schold.


    Van den dwerg van de kerk zij zingen het lied
    als de maan op de zee hare stralen giet,
    en de visschers van Zeeland zij hooren zijn stem
    en bij Ulshoi-heuvel het schelden van hem.

    En ginds aan den zeekant waar bloeit de berk,
    staat steeds nog de toren van Kallundborg kerk,
    Waar d' eerste aan 't outer als huwend paar,
    Stonden Helva van Nesvek en Esbern Snare.

                                                J. G. Whittier.



De tooverij van de dwergen.

De dwergen, zoo goed als de elven, werden geregeerd door een koning,
die in verschillende landen van Noord-Europa bekend was als Alberich,
Elbegast, Gondemar, Laurin, of Oberon. Hij woonde in een prachtig
onderaardsch paleis, versierd met de edelsteenen die zijn onderdanen
uit den boezem der aarde gehaald hadden, en behalve onnoemelijke
rijkdommen, en de Tarnkap, bezat hij een tooverring, een onoverwinlijk
zwaard en een krachtgordel. Op zijn bevel vervaardigden de kleine
mannen, die heel handige smeden waren, wonderbare juweelen of wapenen,
die hun gebieder aan geliefde stervelingen schonk.

Wij hebben reeds gezien, hoe de dwergen Sifs gouden haar, het schip
Skidbladnir, de punt van Odin's speer Gungnir, den ring Draupnir, het
zwijn met gouden borstels Gullin-bursti, den hamer Miölnir en Freya's
gouden halsketen Brisingamen maakten. Men zegt ook dat zij hebben
vervaardigd den toovergordel, dien Spenser beschrijft in zijn gedicht
"Faerie Queene"--een gordel, die, zooals men beweerde, de kracht had
om te openbaren of hij, die hem droeg, deugdzaam was of een huichelaar.


    Die gordel gaf de deugd van kuische min
    En trouw aan wie haar omhad, iedereen,
    Maar elk die sloeg verboden wegen in
    Kon hem niet dragen om het middel heen,
    Dan ging hij los of scheurd' ook wel van een.

                                        Faerie Queene (Spenser).


De dwergen maakten ook het mythische zwaard Tyrfing, dat ijzer en
steen kon doorsnijden en dat zij aan Angantyr gaven. Dit zwaard,
evenals dat van Frey, vocht uit zich zelf en kon niet in de scheede
gestoken worden, nadat het eens was getrokken, voordat het bloed
had geproefd. Angantyr was zóó trotsch op dit wapen, dat het met hem
begraven werd; maar zijn dochter Hervor bezocht zijn grafmonument te
middernacht, sprak tooverformulieren uit en noodzaakte hem uit zijn
graf op te staan en haar het kostbare zwaard te geven. Zij voerde het
dapper en het werd later het eigendom van een anderen der Noorsche
helden.

Een ander beroemd wapen, dat volgens de overlevering door de dwergen in
Oostelijke landen gesmeed werd, was het zwaard Angurvadel, dat Frithiof
kreeg als een deel der erfenis van zijn vaderen. Zijn gevest was van
geslagen goud, en op het staal waren runen gegrift die onzichtbaar
waren, totdat het in den oorlog gezwaaid werd, wanneer zij rood
vlamden als de kam van den vechtenden haan.


                                         De held was verloren
    Die vond in een nachtelijk gevecht dit zwaard met z'n vurige runen,
    Wijd in het rond beroemd, het kostlijkst der zwaarden van
    't Noorden.

                                                     Tegnér's Frithiof.



Het weggaan van de dwergen.

De dwergen waren over het algemeen vriendelijk en hulpvaardig, soms
kneedden zij brood, maalden meel, brouwden bier, verrichtten tallooze
huiselijke werkzaamheden en dorschten het koren voor de boeren. Als zij
echter slecht behandeld werden of belachelijk gemaakt, verlieten deze
kleine wezens het huis en kwamen nooit weerom. Toen de oude goden niet
meer aangebeden werden in de noordelijke landen, trokken de dwergen
zich geheel uit de streek terug, en een veerman vertelt hoe hij gehuurd
was door een geheimzinnig persoon om zijn boot op zekeren nacht heen
en weer over de rivier te sturen, en bij iederen tocht was zijn schip
zóó vol geladen met onzichtbare passagiers dat het bijna zonk. Toen
zijn nachtelijke arbeid gedaan was, kreeg hij een rijke belooning, en
zijn klant zeide hem dat hij de dwergen over de rivier had gebracht,
daar zij het land voor goed verlieten wegens het ongeloof van het volk.



Ondergeschoven kinderen.

Volgens het populair bijgeloof trachtten de dwergen, die ijverzuchtig
waren op de forschere gestalte van den mensch, dikwijls hun geslacht te
verheffen door menschelijke vrouwen te veroveren of door ongedoopte
kinderen te stelen, en hun eigen kroost in plaats er van aan de
menschelijke moeder ter zooging te geven. Deze dwergkinderen waren
kenbaar aan hun kleine en schamele gestalte. Om haar eigen kind terug
te krijgen en zich van het ondergeschovene te ontdoen, moest een vrouw
bier in eierschalen brouwen of de zolen van de voeten van het kind met
vet insmeren en ze zóó dicht bij de vlammen houden dat de dwergouders,
aangetrokken door de wanhopige kreten van hun kroost, zich haastten
hun eigen kind op te eischen en het gestolene weerom te geven.

Men zeide, dat de troll-vrouwen de macht hadden zich te veranderen in
Mara's of nachtmerries en te kwellen ieder dien zij wilden; maar als
het slachtoffer er in slaagde het gat te stoppen, waardoor een Mara
zijn kamer binnendrong, was zij geheel aan zijn genade overgeleverd en
hij kon haar zelfs noodzaken hem te trouwen als hij dit verkoos. Een
vrouw, die dus verkregen was, moest blijven zoolang de opening,
waardoor zij in het huis gekomen was, was gesloten, maar als de prop
was verwijderd hetzij bij toeval of met opzet, vluchtte zij dadelijk
en kwam nooit weerom.



De Troll-pieken.

Natuurlijk zijn de overleveringen aangaande het kleine volkje overal
in het Noorden veelvuldig, en vele plaatsen zijn verbonden met hun
herinnering. De welbekende Troll-pieken (Trold-Tindterne) in Noorwegen
zijn, zegt men, het tooneel van een strijd tusschen twee troepen
dwergen, die in de hevigheid van het gevecht er niet op letten dat
de zon opging, met het gevolg, dat zij in kleine rotspunten veranderd
werden, die op de kammen van den berg duidelijk zichtbaar zijn.



Een gissing.

Sommige schrijvers hebben de gissing gewaagd, dat de dwergen, die
zoo dikwijls in de oude sagen en feeënvertellingen genoemd worden,
misschien de Phoenicische mijnwerkers waren, die, in de kool-,
ijzer-, koper-, goud- en tinmijnen van Engeland, Noorwegen, Zweden
enz. werkend, gebruik maakten van den eenvoud en de lichtgeloovigheid
der oorspronkelijke bewoners en hen wijs maakten dat zij behoorden
tot een bovennatuurlijk ras en altijd onder den grond woonden, in een
gebied dat Svart-alfa-heim, of de woonplaats der zwarte elven heette.



HOOFDSTUK XXV: DE ELVEN.


Het gebied der Elven.

Behalve de dwergen was er een andere talrijke klasse van kleine wezens,
Lios-alfan, licht- of witte elven geheeten, die het gebied der lucht
tusschen den hemel en de aarde bewoonden, en in het algemeen geregeerd
werden door den beschermgod Frey uit zijn paleis Alf-heim. Zij
waren lieflijke, weldoende schepselen, zóó zuiver en onschuldig dat,
volgens sommigen, hun naam was afgeleid van denzelfden wortel als
het Latijnsche woord "wit" (albus) die, in een gewijzigden vorm,
gegeven werd aan de met sneeuw bedekte Alpen, en aan Albion (Engeland)
wegens zijn witte kalkrotsen, die men uit de verte kan zien.

De elven waren zóó klein, dat zij onzichtbaar konden rondzweven,
terwijl zij over de bloemen, vogels en vlinders waakten, en daar zij
hartstochtelijk verzot waren op dansen, gleden zij dikwijls op de aarde
neer op een maanstraal om te dansen op het groen. Elkaar bij de hand
houdend, dansten zij in cirkels en maakten daarbij "elvenkringen",
die men kon onderscheiden door het dieper groen en de grootere
weelderigheid van het gras, dat hun kleine voeten hadden gedrukt.


    Vroolijk' elven, voeten strekkend
    Op muziek uit hooge lucht,
    Groene ring op heigrond trekkend,
    Dansen vlot met blij gerucht.

                                    Sir Walter Scott.


Als een sterveling in het midden van een dezer elvenkringen stond,
kon hij, volgens het populair geloof in Engeland, de feeën zien en
hun gunst verwerven; maar de Skandinaviërs en Teutonen beweerden,
dat de ongelukkige mensch sterven moest. Ter illustratie van dit
bijgeloof wordt verteld hoe Sir Olaf, die ter bruiloft reed, door
de elven in hun kring werd gesloten. Den volgenden dag waren zijn
vrienden in plaats van vroolijk ter bruiloft te gaan, getuigen van
een drievoudige uitvaart, want zijn moeder en zijn bruid stierven ook,
toen zij zijn zielloos lichaam zagen.


    Heer Olaf reed uit, eer de nacht was gegaan
    En kwam bij het dansende elvenvolk aan,
        De dans is zoo vroolijk,
        Zoo vroolijk in 't woud.

    En 's anderen morgens eer 't zonlicht was rood,
    Vond men in zijn huis drie gestrekt in den dood.
        De dans is zoo vroolijk,
        Zoo vroolijk in 't woud.

    Heer Olaf het eerst, dan zijn jeugdige bruid,
    Zijn moeder--zij hield het van jammer niet uit.
        De dans is zoo vroolijk,
        Zoo vroolijk in 't woud.

                                    Meester Olaf en de Elvendans.



De Elvendans.

Deze elven waren ook geestdriftige musici en hadden vooral genot in een
zekere melodie, die als de elvendans bekend was, en zóó onweerstaanbaar
was dat niemand ze kon hooren en zijn danslust bedwingen. Als een
sterveling, die de melodie hoorde, het waagde ze na te doen, merkte
hij plotseling, dat hij niet kon ophouden en verder en verder moest
spelen, totdat hij van uitputting stierf, tenzij hij handig genoeg
was om de melodie achterstvoren te spelen of iemand zoo goed was de
snaren van zijn viool te breken. Zijn hoorders, die moesten dansen
zoolang de tonen aanhielden, konden slechts ophouden als deze zwegen.



De dwaallichtjes.

In de middeleeuwen waren de dwaallichtjes in het Noorden bekend als
elvenlichten, want deze kleine geesten, vooronderstelde men, deden
de reizigers verdwalen, en het volksbijgeloof hield het er voor,
dat de dwaallichtjes de rustelooze geesten van moordenaars waren,
die tegen hun wil werden gedwongen naar het tooneel hunner misdaden
terug te keeren. Als zij elken nacht hierheen gingen, zoo vertelde
men, herhaalden zij norsch met iederen stap: "Het is goed", maar als
zij terugkwamen herhaalden zij droevig: "Het is verkeerd".



Oberon en Titania.

In latere tijden heette het, dat de feeën of elven geregeerd werden
door den koning der dwergen, die een onderaardsche geest was en als
een demon beschouwd werd en wellicht de toovermacht bezat, door de
zendelingen aan den god Frey ontweldigd. In Engeland en Frankrijk
werd de koning der feeën Oberon genoemd; hij regeerde het feeënland
met zijn koningin Titania, en de grootste feesten op aarde werden in
Midzomernacht gehouden. Dan kwamen al de feeën rondom hem samen en
dansten zoo vroolijk.


    Viert dan, blij als vogel, feest,
    Iedere elf en toovergeest
    Zingen saam in harmonie,
    Dansen op de melodie.

                    Midzomernachtsdroom (Shakespeare).



Alf-blot.

In Scandinavië en Duitschland werden aan de elven offers gebracht
om ze gunstig te stemmen. Deze offers bestonden in een klein dier,
of een schotel honig en melk, en waren bekend als Alf-blot. Zij
kwamen veel voor, totdat de zendelingen het volk leerden dat de elven
slechte demonen waren; toen werden zij op de engelen overgebracht,
die men lang smeekte om de vrienden der menschen te zijn en die
gunstig gestemd werden door dezelfde gaven.

Vele elven, meende men, leefden en stierven met de boomen en planten
waarvoor zij zorgden, maar deze mos-, woud- of boommaagden waren
bijzonder schoon als men ze van voren, maar hol als een trog, wanneer
men ze van achteren zag. Zij komen in vele volksvertellingen voor als
welwillende en hulpvaardige geesten, want zij hielpen de stervelingen
gaarne en traden gaarne in vriendschappelijke verhoudingen tot hen.



Beelden op deurposten.

In Scandinavië werden de elven, beide lichte en donkere, vereerd als
huisgodheden, en hunne beelden werden gesneden op de deurposten. De
Noormannen, die van huis werden gedreven door de tirannie van
Harald Harfager in 874, namen hun besneden deurposten met zich
op hunne schepen mee. Dergelijke snijwerken, die beelden van de
goden en helden bevatten, versierden de pilaren van hun hooge
zetels, die zij ook meenamen. De ballingen toonden hun vertrouwen
in hunne goden doordat zij deze houten beelden overboord wierpen,
toen zij de kusten van IJsland naderden en zich neerzetten, waar de
golven de posten heendroegen, al scheen ook de plaats nauwelijks de
meest begeerlijke. "Zoo droegen zij met zich mede den godsdienst,
de poëzie en de wetten van hun ras, en op het verlaten vulkanisch
eiland bewaarden zij deze herinneringen honderden jaren onveranderd,
terwijl andere Teutonische volken langzamerhand den invloed ondergingen
van hun omgang met de Romeinsche en Byzantijnsche Christenheid". Deze
herinneringen, zorgvuldig bewaard door Saemund den geleerde, vormen de
Oudere Edda's, het meest waardevolle overblijfsel van de Oud-Noorsche
letterkunde, zonder hetwelk wij betrekkelijk weinig van den godsdienst
onzer voorvaderen zouden weten.

De sagen vertellen dat de eerste vestigingen in Groenland en Vinland op
dezelfde wijze plaats hadden, terwijl de Noormannen namelijk landden
waar hunne huisgoden aan de kust dreven.



HOOFDSTUK XXVI: DE SIGURD SAGA.


Het begin van het verhaal.

Terwijl het eerste deel van de Oudere Edda bestaat uit een verzameling
allitereerende gedichten, die de schepping der wereld beschrijven
en de avonturen van de goden en hun eventueelen ondergang, en een
volledige uiteenzetting geeft van de Noorsche zedewet, bevat het
tweede deel een reeks heldenliederen die de ondernemingen van het
Volsunggeslacht beschrijven, en vooral van hun representatief hoofd,
Sigurd, den geliefden held van het Noorden.



De Volsunga Saga.

Deze liederen vormen den grondslag van het groote Scandinavische
heldendicht, de Volsunga Saga, en hebben niet alleen de stof geleverd
voor het Nibelungenlied, het Germaansche epos, en voor tallooze
volksvertellingen, maar ook voor Wagners beroemde opera's, Het
Rijngoud, De Walküren, Siegfried en De Godenschemering. In Engeland
heeft William Morris hun den vorm gegeven die zij waarschijnlijk
zullen behouden in onze letterkunde, en uit dit groote epische gedicht
citeeren wij in dit hoofdstuk, daar wij het verkiezen boven uittreksels
uit de Edda.



Sigi.

De geschiedenis van de Volsungs begint met Sigi, een zoon van Odin,
een machtig man, en over het algemeen geëerd, totdat hij iemand uit
ijverzucht vermoordde, omdat de laatste meer buit maakte, toen zij
samen op jacht waren. Wegens deze misdaad werd Sigi uit zijn eigen
land verdreven en vogelvrij verklaard. Maar het schijnt dat hij niet
geheel Odins gunst had verbeurd, want de god voorzag hem nu van een
goed toegerust schip en een aantal dappere volgelingen en beloofde
hun dat de overwinning hen altijd zou vergezellen.

Zoo, door Odin geholpen, werden de strooptochten van Sigi een schrik
voor zijne vijanden, en ten slotte veroverde hij het schitterende
rijk van de Hunnen en regeerde vele jaren als machtig vorst. Maar op
hoogen leeftijd veranderde zijn geluk. Odin liet hem in den steek,
de familie van zijn vrouw overviel hem en hij werd vermoord in een
verraderlijk gevecht.



Rerir.

Zijn dood werd echter spoedig gewroken, want Rerir, zijn zoon, die
terugkwam van een expeditie, waardoor hij op dien tijd uit het land
was geweest, bracht de moordenaars ter dood als zijn eerste daad toen
hij den troon beklom. De regeering van Rerir werd gekenmerkt door
alle teekenen van voorspoed, maar zijn liefste wensch, een zoon,
die hem zou opvolgen, bleef vele jaren onvervuld. Eindelijk echter
besloot Frigga zijn standvastig gebed te verhooren en den erfgenaam,
dien hij verlangde, te beloven. Zij zond dus haar snelle bodinne Gna,
of Liod, met een wonderkrachtigen appel, dien zij in zijn schoot liet
vallen toen hij alleen op den heuvelkant zat. Opkijkend herkende Rerir
de gezante der godin en haastte zich vol vreugde naar huis om met
zijn vrouw van den appel te eten. Het kind, dat te zijner tijd werd
geboren onder deze gunstige omstandigheden, was een aardige kleine
jongen. Zijn ouders noemden hem Volsung, en terwijl hij nog maar een
kind was, stierven zij beiden en de knaap werd heer van dat land.



Volsung.

De jaren gingen voorbij en Volsungs rijkdom en macht namen steeds
toe. Hij was de fierste leider en verzamelde vele dappere soldaten
om zich heen. Vaak dronken zij zijn meede onder den Branstock, een
grooten eik, die midden in zijn hal stond en het dak doorboorde en
het geheele huis overschaduwde.


    En als in al and're dingen 't was een huis als geen er is,
    Aan den muur hingen schoone schilden, van den roem getuigenis,
    En van binnen zag men 't mooiste, een wonder, roemrijk ding,
    Want uit den vloer in het midden van de hal een boom opging,
    Die spreidde zijn zegen over het dak en omkranste het wijd
    Met de glorie van elken zomer en de bloesems van den tijd.


Tien sterke zonen werden Volsung geboren, en een dochter, Signy,
vervroolijkte zijn huis. Zóó lieflijk was dit meisje dat, toen zij
den huwbaren leeftijd bereikte, vele vrijers naar hare hand dongen,
onder welken was Siggeir, de koning van de Gothen, die ten slotte
Volsungs toestemming kreeg, ofschoon Signy hem nooit had gezien.



Het trouwen van Signy.

Toen de trouwdag kwam en de bruid den haar bestemden man zag,
schrikte zij met smart terug, want zijn nietige gestalte en loerende
blikken contrasteerden onaangenaam met de flinke figuren en open
gelaatstrekken harer broeders. Maar het was te laat om zich terug te
trekken--de eer der familie stond op het spel--en Signy verborg met
zóó goed gevolg haar afkeer, dat niemand behalve haar tweelingbroeder
Sigmund vermoedde, met welke tegenzin zij Siggeirs vrouw werd.



Het zwaard van Branstock.

Terwijl het trouwfeest aan den gang was en de vreugde op het
hoogst, werd de ingang van de hal plotseling verdonkerd door de
rijzige gestalte van een éénoogig man, die dicht was gewikkeld in
een mantel van wolkenblauw. Zonder een woord te spreken of naar
iemand in de vergadering te zien, stapte de vreemdeling naar den
Branstock en stak een schitterend zwaard tot het gevest toe in zijn
grooten stam. Toen, zich langzaam omkeerend keek hij de verschrikte
en zwijgende vergadering aan en verklaarde dat het wapen voor den
krijgsman zou zijn die het uit zijn eiken scheede zou kunnen trekken,
en dat het hem de overwinning zou verzekeren in ieder gevecht. Nadat
hij had uitgesproken, ging hij weg zooals hij gekomen was en verdween,
terwijl hij in de harten van allen de overtuiging achterliet, dat Odin,
de koning van de goden, in hun midden was geweest.


    Zoo zoet klonken zijn woorden, zoo wijs ook al zijn reên,
    Dat ieder zat te zwijgen, bewegen durfde geen,
    Zoo doet in schoone droomen, die niet ontwaken wou.
    Maar na zijn spreken ging hij weer weg uit Volsungs bouw,
    En geen dorst hem iets vragen of volgen op zijn pad.
    Zij wisten, het was Odin, van hem dit zwaard, die schat.


Volsung was de eerste die weer kon spreken, en zijn eigen recht om
het eerst zijn kunst te beproeven opgevend, noodigde hij Siggeir, uit
de eerste poging te wagen, om het goddelijke wapen uit den boomstam
te trekken. De bruidegom trok en spande zich krachtig in, maar het
zwaard bleef stevig vast in den eik en hij ging weer zitten met een
teleurgesteld gezicht. Toen beproefde Volsung het met hetzelfde
gevolg. Het wapen was blijkbaar niet voor een hunner bestemd, en
de jonge Volsungprinsen werden vervolgens uitgenoodigd hun kracht
te beproeven.


    'k Wou zonen die ik minde, komt nu, beproeft uw kracht,
    Dat Odin niet vertelle, hoe hij hier zwierf op aard
    En hij den niet bedoelde wel geven moest zijn zwaard.



Sigmund.

De negen oudste zonen hadden even weinig succes; maar toen Sigmund,
de tiende en de jongste, zijn sterke jonge hand op den greep legde,
gaf het zwaard gemakkelijk op zijn aanraking mee, en hij trok het
triomfantelijk uit den stam alsof het slechts in zijn scheede had
gezeten.


    Ten laatste stond bij den Branstock jonge Sigmund, Volsungs zoon,
    Zijn rechter, in 't strijden geoefend, greep het zwaard, dat Odin
                                                               er liet,
    't Ging of het hem niets kon schelen, of hij telde voor niet,
    Toen, plots, van den grond tot den dakspar, een luid geroep
                                                             weerklonk.
    Want zie in de hand van Sigmund, het naakte lemmer blonk,
    Toen over zijn hoofd hij het zwaaide; want het staal was losgeraakt
    Uit den greep in het hart van den Branstock, of het niet er
                                                       was vastgemaakt.


Bijna alle aanwezigen waren verheugd over het succes van den jongen
prins; maar Siggeirs hart was met nijd vervuld, en hij wilde het wapen
hebben. Hij bood aan het te koopen van zijn jongen zwager, maar Sigmund
wilde er tot geen prijs afstand van doen, zeggend, dat het duidelijk
was dat het wapen door hem moest gedragen worden. Deze weigering
beleedigde Siggeir zóó, dat hij heimelijk besloot de trotsche Volsungs
uit te roeien, en het goddelijk zwaard te bemachtigen, terzelfder
tijd waarop hij zijn haat jegens zijn nieuwe verwanten koelde.

Zijn spijt verbergend keerde hij zich tot Volsung en noodigde hem
hartelijk uit zijn hof een maand later te bezoeken, samen met zijn
zonen en verwanten. De uitnoodiging werd onmiddellijk aangenomen,
en ofschoon Signy, die iets kwaads vermoedde, haren vader heimelijk
opzocht, terwijl haar man sliep en hem smeekte zijn belofte in te
trekken en thuis te blijven, wilde hij er niet van weten zijn gegeven
woord terug te nemen en zoo vrees te toonen.



Siggeirs verraad.

Eenige weken na de terugkomst van het bruidspaar, kwamen dus Volsungs
goed bemande schepen in het gezicht van Siggeirs kusten. Signy had
angstig uitgekeken, en toen zij ze bemerkte, haastte zij zich naar
de kust om hare verwanten te smeeken niet te landen, terwijl zij
ze waarschuwde dat haar man verraderlijk een hinderlaag had gelegd,
waaraan zij niet levend konden ontsnappen. Maar Volsung en zijn zonen,
die geen gevaar kon verschrikken, zeiden haar kalm, dat zij moest
terugkeeren naar het paleis van haar echtgenoot en, hun wapenen
aandoende, stapten zij fier aan land.


    En zacht kuste haar Volsung: "'t Spijt mij voor u, mijn schat.
    Maar d'aard heeft het vernomen, wat 'k ongeboren bad,
    Hoe 'k nooit mij af zou keeren van zwaard of gif of vuur,
    En 'k heb dat woord gehouden--zal 't anders zijn dit uur?
    En zie op deez' uw broed'ren, wat zijn zij groot en fier,
    Wilt gij dat hen bespotten de meisjes (als dit hier
    Behoort tot het verleden) omdat zij vreesden 't lot?
    Laat ons wat plicht is werken en oogsten roem voor spot,
    En als de Nornen willen dat Volsungs huis bezwijk',
    'k Weet dat de daad niet omkomt, de naam duurt sterk en rijk."


Het gebeurde zooals Signy had gezegd, want op weg naar het paleis viel
de dappere kleine schare in Siggeirs hinderlaag, en, ofschoon zij met
heldenmoed vochten, werden zij zóó overweldigd door het grooter getal
hunner vijanden, dat Volsung werd vermoord en al zijne zonen gevangen
genomen. De jonge mannen werden geboeid gebracht in de tegenwoordigheid
van den lafhartigen Siggeir, die geen deel aan het gevecht had genomen,
en Sigmund werd genoodzaakt zijn kostbaar zwaard af te staan, waarop
hij en zijn broeders ter dood veroordeeld werden.

Signy, het wreede vonnis hoorend, kwam te vergeefs voor hare broeders
op; al wat zij door hare gebeden en overredingen kon verkrijgen was,
dat zij zouden worden geketend aan een omgevallen eik in het woud, om
van honger en dorst om te komen als de wilde beesten hen spaarden. Dan,
opdat zij hare broeders niet zou opzoeken en helpen, sloot Siggeir zijn
vrouw in het paleis op, waar zij dag en nacht nauwkeurig werd bewaakt.

Elken morgen vroeg zond Siggeir zelf een bode in het woud om te
zien of de Volsungs nog leefden, en elken morgen kwam de man weerom,
zeggende dat een monster 's nachts was gekomen en een van de prinsen
had verslonden, niets dan zijn beenderen overlatend. Ten slotte, toen
niemand dan Sigmund in leven was, dacht Signy een plan uit, en zij
kreeg van een harer dienaren gedaan dat deze wat honig in het woud
bracht en dien over het gezicht en den mond van haar broeder smeerde.

Toen het wilde beest dien nacht kwam, aangetrokken door den geur
van den honing, likte het Sigmunds gelaat, en stak zelfs zijn tong
in zijn mond. Zijn tanden er op vastklemmend hield Sigmund, zwak en
gewond als hij was, het dier beet, en in zijn wilde worsteling vielen
zijn boeien af, en hij slaagde er in het roofdier te vermoorden dat
zijn broeders verslonden had. Toen verdween hij in het woud, waar
hij verborgen bleef totdat de bode van den koning als gewoonlijk was
gekomen, en totdat Signy, uit de gevangenschap bevrijd, naar het woud
kwam om over de overblijfselen van hare verwanten te weenen.

Hare diepe smart ziende en wetend dat zij geen deel had gehad aan
Siggeirs wreedheid, sloop Sigmund uit zijn schuilplaats en troostte
haar zoo goed als kon. Samen begroeven zij toen de bleekende beenderen,
en Sigmund zwoer een plechtigen eed dat hij het onrecht, zijn geslacht
aangedaan, zou wreken. Deze gelofte vond groote instemming bij Signy,
die echter haar broeder verzocht een gunstigen tijd af te wachten
en beloofde hem hulp te zullen zenden. Toen scheidden de broeder en
zuster neerslachtig, zij om weer te keeren tot haar gehaat paleis,
en hij naar een verwijderd deel van het woud, waar hij een kleine
hut bouwde en het beroep van smid uitoefende.


                                               En Signy weende stil,
    Toen zij ging van den laatsten der haren; toch weende zij gansch
                                                             niet meer
    Als zij was aan het hof van Siggeir, en zoo lieflijk als weleer
    Scheen haar blik in aller oogen, en niets deed kennen haar rouw,
    Noch haar vrees, noch eenig begeeren; geen die kon zeggen in trouw,
    Dat zij ooit sinds dat uur heeft gelachen totdat haar sterfuur
    kwam.



Signy's Zonen.

Siggeir nam nu bezit van het Volsungrijk en gedurende de eerste paar
jaren sloeg hij trotsch het opgroeien van zijn oudste zoon gade, dien
Signy heimelijk naar haar broeder zond toen hij tien jaar oud was,
opdat Sigmund het kind zoover mocht brengen, dat hij hem zou helpen in
zijn wraakoefening als hij dit zou blijken te verdienen. Sigmund nam
met tegenzin de opdracht aan; maar zoodra hij den jongen op den proef
had gesteld, vond hij dat hij gebrek aan moed had en zond hem dus òf
terug naar zijn moeder, òf, zooals sommige overleveringen verhalen,
vermoordde hem.

Eenigen tijd hierna werd de tweede zoon van Signy, met hetzelfde doel
in het bosch gezonden, maar Sigmund merkte, dat hij even weinig moed
had. Blijkbaar zou niemand anders dan een Volsung van onvervalschten
bloede geschikt zijn voor het grimmige werk der wraak, en Signy,
dit begrijpend, besloot een misdaad te begaan.


    En zij mompelde eens in het donker: "Waar was dan het oud refrein
    Dat de goden tweelinggeboren het dochten geen kwaad te zijn
    Te paren ten dienste der wereld, waaruit de Aesir ontsprong
    En de Vanir en het Dwergkind en al wat op aarde gong?


Haar besluit was genomen, en zij riep een schoone jonge heks en ruilde
met haar van gestalte, waarna zij de diepten van het donkere woud
opzocht en een schuilplaats zocht in Sigmunds hut. De Volsung ontdekte
de vermomming van zijn zuster niet. Hij hield haar slechts voor de
heks die zij scheen, en spoedig door haar coquetterie gewonnen maakte
hij haar tot zijn vrouw. Drie dagen later verdween zij uit de hut, en,
naar het paleis terugkeerend, nam zij hare oude gestalte weder aan,
en toen zij daarop een zoon baarde, verheugde zij zich er over dat zij
in zijn fieren blik en sterken bouw de belofte zag van een Volsungheld.



Sinfiotli.

Toen Sinfiotli, zooals het kind werd genoemd, tien jaar oud was,
nam zij zelf een voorloopige proef van zijn moed door zijn kleed
aan zijn huid vast te naaien, en het daarop plotseling af te rukken,
en daar de dappere jongen geen spier vertrok maar luidkeels lachte,
zond zij hem vol vertrouwen naar de hut in het bosch. Sigmund maakte
spoedig aanstalten tot zijn gewone proefneming, en eer hij op zekeren
dag de hut verliet, beval hij Sinfiotli meel uit een bepaalden zak
te nemen en het te kneden en brood te bakken. Bij zijn thuiskomst
vroeg Sigmund of zijn bevelen waren uitgevoerd. De knaap antwoordde
doordat hij het brood toonde, en toen hij verder ondervraagd werd,
bekende hij eenvoudig weg dat hij in het brood een groote adder had
moeten kneden, die in het meel was verborgen. Verheugd te bespeuren
dat de knaap voor wien hij een vreemde genegenheid voelde, met goed
gevolg de proef had doorstaan die zijn broeders had afgeschrikt,
stelde Sigmund hem er vrij van, het brood te eten, want ofschoon hij
bestand was tegen den beet van een slang, kon hij niet, zooals zijn
mentor, vergif gebruiken zonder er letsel van te ondervinden.


    Want het verhaal der ouden verbaast de menschen zeer,
    Dat Sigmund zoo was geschapen onder alle vorsten op aard.
    Dat hij adders kon hanteeren en wat andren sterven baart,
    En drinken vergif zonder letsel, maar zoo was Sinfiotli's bouw,
    Dat een beet van kruipende dieren in 't geheel hem niet deren zou.



De weerwolven.

Sigmund begon nu Sinfiotli geduldig alles te leeren wat een krijgsman
van het Noorden moest weten, en de twee werden weldra onafscheidelijke
metgezellen. Op zekeren dag toen zij samen door het woud zwierven,
kwamen zij aan een hut, waar zij twee mannen in diepen slaap
vonden. Dicht bij hen hingen twee wolfshuiden, die onmiddellijk
aangaven dat de vreemdelingen weerwolven waren, wien een wreede
betoovering hun natuurlijke gedaante ontzegde, tenzij voor korten
tijd. Door nieuwsgierigheid gedreven trokken Sigmund en Sinfiotli
de wolfshuiden aan, en zij zwierven weldra, als wolven vermomd, door
het woud, vermoordend en verslindend alles wat hun in den weg kwam.

Zóó wolfsch was hun aard, dat zij weldra elkander aanvielen, en na een
wild gevecht viel Sinfiotli, de jongste en zwakste, dood neer. Dit
ongeluk bracht Sigmund tot bezinning, en hij bukte zich in wanhoop
over zijn vermoorden metgezel. Op dit oogenblik zag hij twee wezels
uit het bosch komen en elkander woedend aanvallen, totdat de een dood
neerlag. De overwinnaar sprong toen in het kreupelhout om met een
blad terug te komen, dat hij op de borst van zijn makker legde. Toen
zag men een wonder gebeuren, want op de aanraking van het tooverkruid
kwam het doode dier weer in het leven. Een oogenblik later liet een
raaf die over hen heenvloog een dergelijk blad vallen aan Sigmunds
voeten, en hij, begrijpend dat de goden hem wilden helpen, legde het
op Sinfiotli, die te gelijker tijd weer levend werd.

In vreeslijken angst dat zij elkander weer kwaad zouden doen, kropen
Sigmund en Sinfiotli nu naar huis, en wachtten, tot de tijd van hun
verlossing zou aanbreken. Tot hun groote verlichting vielen de huiden
den negenden nacht af, en zij wierpen ze snel in het vuur, waar zij
geheel verteerd werden, en de tooverkracht was voor goed gebroken.



Sigmund en Sinfiotli door Siggeir gevangen genomen.

Sigmund vertelde nu het verhaal van het hem aangedaan onrecht aan
Sinfiotli, die zwoer dat, ofschoon Siggeir zijn vader was (want noch
hij noch Sigmund wisten het geheim van zijn geboorte), hij hem in zijn
wraakneming zou helpen. Bij het vallen van den avond dus vergezelde
hij Sigmund naar de hal van den koning en zij traden ongezien binnen,
terwijl zij zich in den kelder verborgen, achter de groote vaten
bier. Hier werden zij ontdekt door Signy's twee jongste kinderen, die,
terwijl zij met gouden ringen speelden, welke in den kelder rolden,
plotseling tegen de mannen in hinderlaag aanliepen.

Zij riepen luidkeels hun ontdekking aan hun vader en zijn gasten,
maar eer Siggeir en zijn mannen de wapenen konden opvatten, nam Signy
beide kinderen, sleepte ze in den kelder en beval haar broeder de
kleine verraders te vermoorden. Sigmund wilde dit volstrekt niet doen,
maar Sinfiotli sloeg hunne hoofden af eer hij zich keerde tegen de
aanvallers, die nu op hem aankwamen.

In weerwil van alle pogingen vielen Sigmund en zijn dappere jonge
makker in handen van de Gothen, waarop Siggeir hen veroordeelde levend
begraven te worden in denzelfden wal, met een steenen afscheiding
tusschen hen, zoodat zij elkander noch konden zien noch aanraken. De
gevangenen werden dus in hun levend graf opgesloten, toen Signy kwam
met een bos stroo, dien zij aan Sinfiotli's voeten mocht werpen, want
de Gothen dachten dat hij enkel eenige proviand bevatte, dat zijn
doodstrijd zou kunnen verlengen, zonder dat het hem hielp ontsnappen.

Toen alles stil was, maakte Sinfiotli de schoof open, en groot was
zijn vreugde, toen hij in plaats van brood het zwaard vond dat Odin aan
Sigmund gegeven had. Wetende dat niets het scherpe staal van dit mooie
wapen kon afstompen of breken, stootte Sinfiotli het door de steenen
afscheiding, en, geholpen door Sigmund, slaagde hij er in, een opening
te maken en ten slotte bewerkten beiden hun ontvluchting door het dak.


    Toen in de donkre diepten stond koning Sigmund hoog,
    En met zijn naakte hand hij het oorlogszwaard bewoog;
    Zij trokken 't Godsgeschenk met moeite heen en weer,
    Sigmund, Sinfiotli zaagde, de steen, gekloofd, viel neer;
    Toen kusten zij elkander, zij hieuwen met veel kracht,
    Tot door de open spleten hun scheen de winternacht,
    Toen sprongen z' uit met vreugde, zij hadden reeds verstaan,
    Eer zij 't elkander zeiden, waarheen zij zouden gaan.



Sigmunds wraak.

Zoodra zij vrij waren, keerden Sigmund en Sinfiotli naar de hal
van den koning terug, hoopten er ontbrandbare stoffen om heen op en
staken die massa in brand. Toen stelden zij zich op aan beide kanten
van den ingang en beletten allen behalve de nonnen den doortocht. Zij
bezwoeren Signy met luider stem te ontsnappen eer het te laat was,
maar zij begeerde niet te leven, en toen zij in den ingang kwam tot een
laatste omhelzing, vond zij gelegenheid om het geheim van Sinfiotli's
geboorte te verraden, waarop zij terug in de vlammen sprong en met
de overigen omkwam.


    En koning Siggeirs dakboom dreigde laatste val,
    De muren stortten samen, en wat was arm en kleen
    Vermengde nu de vuurdood met 's konings kostbaarheen.



Helgi.

De lang beraamde wraak wegens het vermoorden van de Volsungs dus
volvoerd hebbende, ging Sinfiotli, die voelde dat hem nu niets
terughield in het land van de Gothen, scheep, en keerde weerom naar
Hunnenland, waar hij hartelijk welkom geheeten werd tot den zetel
der heerschappij onder de schaduw van zijn voorvaderlijken boom, den
fieren Branstock. Toen zijn gezag volkomen was gevestigd, trouwde
Sigmund Borghild, een schoone prinses, die hem twee zonen schonk,
Hamond en Helgi. De tweede kreeg bezoek van de Nornen toen hij in
zijn wieg lag, en zij beloofden hem een rijk onthaal in het Valhalla,
als zijn aardsche loopbaan zou zijn geëindigd.


    De vrouw was schoon en lieflijk en schonk hem kroost, geëerd,
    Zij heetten Hamond en Helgi, en, toen zij Helgi had,
    Verschenen aan zijn wiegje de Nornen met veel schat,
    Zij hebben hem Zonneheuvel, Scherpzwaard en Ringland genoemd,
    En zeiden dat hij zou worden groot en onder vorsten beroemd.


Noorsche koningen vertrouwden de opvoeding hunner zonen meestal aan
een vreemdeling toe, want zij dachten dat zij zoo minder toegeeflijk
behandeld zouden worden dan thuis. Dienovereenkomstig werd Helgi
opgevoed door Hagal, en onder diens leiding werd de jonge vorst
zóó moedig, dat hij, toen hij vijftien jaar was, zich alleen in de
hal van Hunding waagde, met wiens geslacht zijn familie in twist
was. Zonder letsel en onherkend kwam hij door de hal en liet een
onbeschaamde boodschap achter, die Hunding zóó vertoornde dat hij
onmiddellijk er op uitging om den brutalen jongen prins te vervolgen,
dien hij nazette tot het huis van Hagal. Om veilig te zijn had Helgi
zich als een dienstmeisje toegerust en was bezig koren te malen alsof
dit zijn gewone werk was. De vervolgers verbaasden zich eenigszins
over de forsche gestalte en de gespierde armen van het meisje, maar
vertrokken niettemin zonder te vermoeden dat zij zoo dicht bij den
held waren geweest dien zij zochten.

Nadat hij zoo handig was ontsnapt, kwam Helgi bij Sinfiotli en, een
leger op de been brengende, trokken de beide jonge mannen moedig tegen
de Hundings op, tegen wie zij een groot gevecht leverden, waarover
de Valkyren zweefden, wachtend om de verslagenen naar het Valhalla
te brengen. Goedroen, een van de oorlogsmeisjes, werd zoo getroffen
door den moed dien Helgi ten toon spreidde, dat zij hem openlijk
zocht en beloofde zijn vrouw te zullen worden. Slechts een van het
Hundinggeslacht, Dag, bleef in leven, en hij mocht vrij uitgaan,
nadat hij beloofd had geen poging te zullen doen om den dood zijner
bloedverwanten te wreken. Deze belofte werd echter niet gehouden, en
Dag, Odins speer Gungnir in bezit gekregen hebbend, versloeg Helgi
er verradelijk mede. Goedroen, die intusschen haar belofte om zijn
vrouw te worden was nagekomen, schreide vele tranen over zijn dood,
en sprak een plechtige vervloeking uit over zijn moordenaar; toen,
hoorend van een harer meisjes dat haar vermoorde echtgenoot haar
uit de diepte van het graf riep, trad zij zonder vrees den heuvel
bij nacht binnen en vroeg hem teeder waarom hij riep en waarom zijn
wonden na zijn dood bleven bloeden. Helgi antwoordde dat hij niet
kon rusten wegens haar smart, en zeide dat voor elken traan, dien
zij geschreid had, een druppel bloed moest vloeien.


    Gij weent, goudglanzende!
    Wreede tranen,
    Zonlichte dochter van 't zuid!
    Eer gij slapen gaat;
    Elk valt bloedig
    Op 's prinsen borst,
    Nat, koud, pijnend,
    Van droefenis zwaar.

                            Saemunds Edda.


Om de geest van haar geliefden man tot rust te brengen, hield Goedroen
van dat oogenblik op met weenen, maar zij bleven niet lang gescheiden,
want spoedig nadat de geest van Helgi over Bifröst had gereden en
Valhalla was binnengegaan, om aanvoerder van de Einheriar te worden,
kwam Goedroen bij hem, die, opnieuw als Valkyre, haar liefdevolle
genegenheid tot hem keerde. Als zij op bevel van Odin zijn zijde
verliet voor tooneelen van menschelijken strijd, was het om nieuwe
recruten voor het leger te zoeken dat haar heer ten strijde moest
voeren als Ragnarok, de godenschemering, komen zou.



De dood van Sinfiotli.

Sinfiotli, Sigmunds oudste zoon, stierf ook vroeg; want, nadat hij in
een twist den broeder van Borghild had verslagen, besloot zij hem te
vergiftigen. Twee malen ontdekte Sinfiotli de poging en vertelde zijn
vader dat er vergif in den beker was. Twee malen ledigde Sigmund,
wien geen vergif kon deren, den beker, en toen Borghild een derde
poging deed, zeide hij Sinfiotli dat hij den wijn door zijn baard
moest laten loopen. De bedoeling van zijns vaders woorden verkeerd
verstaande, ledigde Sinfiotli den beker onmiddellijk en viel levenloos
op den grond, want het vergif was van de meest doodelijke soort.


    Hij dronk toen hij sprak het woord en het gif vloeide neder dan
    In een kouden vloed over zijn hart, en dood viel de sterke man
    Zonder stervensklacht tot besluit, noch met stervensblik die blonk
    En de vloer van de hal des Volsungs dreunde toen neer hij zonk.
    Toen hieven de ouden van dagen zich op met bitteren kreet,
    En beurden het hoofd van het offer; geen durfde hooren van 't leed
    Dat sprak uit zijn mond, ten minste wanneer hij woorden zei;
    Ten ware die uitte Alvader toen Balder gestorven lei.
    En weer als vóór den slag kwam, werd schemerig des Volsungs gewelf,
    En weer scheen hij in de bosschen, waar hij sprak met zich zelf.


Sprakeloos van smart nam Sigmund teeder het lichaam van zijn zoon
in zijn armen, en schreed uit de hal naar de kust, waar hij zijn
kostbaren last in een bootje legde dat een eenoogige bootsman op
zijn roepen bracht. Hij zou zelf ook gaarne aan boord zijn gegaan,
maar eer hij dit kon doen, stiet de bootsman af en het ranke vaartuig
was uit het gezicht. De beroofde vader ging toen langzaam naar huis,
troost puttend uit de gedachte dat Odin zelf gekomen was om den jongen
held op te eischen en  met hem "naar het westen" was geroeid.



Hiordis.

Sigmund zette Borghild als zijn vrouw en koningin tot straf voor
haar misdaad af, en toen hij zeer oud was, dong hij naar de hand van
Hiordis, een schoone jonge prinses, dochter van Eglimi, koning van
de Eilanden. Deze jonge maagd had vele vrijers, o.a. koning Lygni
van Hundings geslacht, maar zóó groot was Sigmunds roem, dat zij
hem verheugd aannam en zijn vrouw werd. Lygni, de versmade vrijer,
was zóó kwaad over deze beslissing, dat hij onmiddellijk een groot
leger verzamelde en tegen zijn gelukkigen medeminnaar optrok, die,
ofschoon overweldigd door de veel grootere schare, met den moed der
wanhoop vocht. Uit de diepten van een bosch, dat het oorlogsterrein
bestreek, wachtten Hiordis en haar maagd angstig het verloop van
het gevecht af. Zij zagen Sigmund de dooden rondom zich ophoopen,
want niemand kon hem weerstand bieden, totdat ten slotte een forsch,
eenoogig krijgsman verscheen, en de hevigheid van het gevecht week
voor den schrik door zijn aanwezigheid.

Zonder een oogenblik te talmen richtte de nieuwe kampioen een hevigen
slag op Sigmund, dien de oude held met zijn zwaard afwendde. De schok
verbrijzelde het ongeëvenaarde zwaard, en ofschoon de vreemde aanvaller
verdween zooals hij gekomen was, bleef Sigmund zonder verweer achter
en werd spoedig door zijn vijanden doodelijk gewond.


    Doch zie, door de haag van de lansen een sterke held aankwam,
    Eenoogig en schijnbaar oud reeds, maar zijn aangezicht lichtt'
                                                           als een vlam,
    Stralend grijs was z'n wambuis en wolkig blauw zijn hoed,
    En hij droeg een groote helbaard, toen hij schreed door de pijlen
                                                               vol moed,
    En stond tegenover Sigmund, zijn wapen geheven ten slag,
    Nog eens om het hoofd van den Volsung men het Branstock's licht
                                                             glanzen zag
    Het zwaard dat kwam van Odin, en Sigmunds wilde gerucht
    Ging boven het woelen der krijgers op naar de hooge lucht.
    Dan stieten op elkander de sneden bij Sigmunds stoot;
    En in splinters viel ter aarde de brenger van angst en dood.
    Maar veranderd was Sigmunds uitzicht en de moed verliet zijn blik
    Want de grauwe sterke helper was weg, en tot zijn schrik
    Drong d' ongebroken speerschacht op Volsungs leege hand
    En velde neder Sigmund, het wonder van ieder land,
    Op de krijgers, op de gewonden, die dien dag hij had neergeleid.


Toen het gevecht nu was gewonnen, en het geheele Volsunggeslacht
vermoord, haastte Lygni zich van het oorlogsveld om bezit te nemen
van het koninkrijk en de schoone Hiordis te dwingen zijn vrouw te
worden. Zoodra hij echter gegaan was kroop de schoone jonge koningin
uit haar schuilplaats in het kreupelhout en zocht de plek waar Sigmund
zoo goed als dood lag. Zij nam den gewonden held aan haar borst in
een laatste hartstochtelijke omarming en luisterde toen onder tranen,
terwijl hij haar zeide, de stukken van zijn zwaard te verzamelen, en
ze zorgvuldig te bewaren voor hun zoon die--voorspelde hij--spoedig
zou geboren worden, en die bestemd was zijns vaders dood te wreken
en veel grooter te zijn dan hij.


    'k Heb eerlijk gewerkt voor de Volsungs en toch wist ik al te goed,
    Dat een het zal voleinden die mij overtreft in moed:
    Men zal de splinters smeden voor hem, het zal zijn mijn zoon
    Die gedenkt wat ik heb vergeten en zet op mijn werken de kroon.



Elf, de Viking.

Terwijl Hiordis treurde over Sigmunds levenloos lichaam, waarschuwde
haar dienstmeisje haar plotseling dat een bende Vikings naderde. Zij
trokken zich nogmaals in het bosch terug, en de twee vrouwen
verwisselden hare kleederen, waarop Hiordis het meisje beval vooruit
te loopen en zich als de koningin te houden, en zoo gingen zij den
viking Elf (Helfrat of Helferich) tegemoet. Elf ontving de vrouwen
beleefd en haar verhaal van het gevecht wekte zóó zijn bewondering
voor Sigmund op, dat hij de overblijfselen van den gevallen held
eerbiedig naar een passende plaats liet brengen, waar zij met alle
behoorlijke plechtigheden werden ter aarde besteld. Hij bood toen de
koningin en haar meisje een veilig toevluchtsoord aan in zijn hal en
zij vergezelden hem met vreugde over de zeeën.

Daar hij van het eerste oogenblik af beider betrekkingen onderling
betwijfeld had, nam Elf de eerste de beste gelegenheid te baat--nadat
hij in zijn rijk was aangekomen--om een schijnbaar onbeduidende vraag
te doen opdat hij de waarheid zoude weten. Hij vroeg de eene die
zich voor koningin uitgaf, hoe zij wist dat het uur was gekomen om
op te staan, wanneer de winterdagen kort waren en er geen licht was
om het aanbreken van den morgen te melden, en zij antwoordde, dat,
daar zij altijd gewoon was melk te drinken eer zij de koeien voerde,
zij altijd dorstig wakker werd. Toen dezelfde vraag aan de werkelijke
Hiordis werd gedaan, antwoordde zij, met even weinig nadenken,
dat zij den morgen gekomen wist, omdat op dat uur de gouden ring,
dien haar vader haar had gegeven, koud werd in haar hand.



De geboorte van Sigurd.

Toen de vermoedens van Elf dus bevestigd waren, vroeg hij de
voorgewende dienstmaagd ten huwelijk, terwijl hij Hiordis beloofde voor
haar kindje te zorgen, een belofte die hij edelmoedig nakwam. Toen
het kind werd geboren, besprenkelde Elf het zelf met water--een
plechtigheid die onze heidensche voorvaderen nauwgezet nakwamen--en gaf
het den naam Sigurd. Toen het grooter werd, werd het als 's konings
eigen zoon behandeld en zijn opvoeding werd toevertrouwd aan Regin,
den wijsten der menschen, die alle dingen wist, zijn eigen lot zelfs
niet uitgezonderd, want het was hem geopenbaard dat hij door de hand
van een jongeling zou vallen.


    Nog was er een dien de Helper in zijn woning bij zich had,
    Baardloos en klein van gestalte, zijn gezicht gerimpeld en mat.
    Zoo zeldzaam oud was Regin dat niemand zeggen kon,
    Wanneer in vervlogen dagen in dit land hij te wonen begon.
    Maar opgevoed had hij vorst Elf en den Helper, zeldzaam knap,
    Ja en diens vaders vader, hij wist alle wetenschap
    En was thuis in allerlei kunsten, behalve 't hanteeren van
                                                              't zwaard.
    Zoo zoet was hij in zijn spreken, dat elk dacht hem 't vertrouwen
                                                                  waard.
    Als zijn hand de harp bespeelde vermengde hij tonen van smart
    Met tonen van groote vreugde; nooit was zijn vertelling verward,
    De Meester aller Meesters in de kunst van den smid was hij,
    Hij kon omgaan met wind en weder en stillen het golvengetij,
    En niemand kon heelkunst hem leeren, want eer het geslacht was
                                                                gewrocht
    En de generatie der menschen, had hij hun toekomst doorzocht.


Onder dezen leidsman nam Sigurd dagelijks in wijsheid toe, totdat
weinigen hem konden overtreffen. Hij was een meester in de smeedkunst
en de kunst van allerlei runen te snijden; hij leerde talen, muziek
en welsprekendheid; en werd eindelijk een wakker krijgsman, dien
niemand kon overwinnen. Toen hij den manlijken leeftijd had bereikt,
drong Regin hem den koning om een oorlogspaard te vragen, een verzoek
dat dadelijk werd ingewilligd, en Gripir, de stalmeester, kreeg in
opdracht hem te laten kiezen uit de koninklijke stallen het paard
dat hij het mooist vond.

Op zijn weg naar de weide waar de paarden aan het grazen waren,
ontmoette Sigurd een eenoogige vreemdeling, gekleed in grijs en blauw,
die den jongen man aansprak en hem vroeg de paarden in de rivier
te jagen, en dat te kiezen hetwelk tegen den stroom met de grootste
gemakkelijkheid op kon.

Sigurd nam den raad verheugd aan, en toen hij de weide bereikte, dreef
hij de paarden in den stroom die aan den eenen kant liep. Een van
hen draafde, na hem overgestoken te zijn, de weide aan den overkant
rond; en, zich in de rivier stortend, kwam het naar zijn vroegere
weide terug, zonder eenige teekenen van vermoeienis te toonen. Sigurd
aarzelde dus niet dit paard te kiezen, en hij gaf het den naam Grane
of Grijssel. Het paard stamde af van Odins achtpootig paard Sleipnir,
en behalve dat het buitengewoon sterk en onvermoeid was, was het even
onbevreesd als zijn meester.

Op een winterdag, toen Regin en zijn leerling bij het vuur zaten,
sloeg de oude man zijn harp en op de wijze der Noorsche scalden zong
of droeg hij voor, in het volgend verhaal, het verslag van zijn leven.



De schat van den dwergkoning.

Hreidmar, koning van het dwergvolk, was de vader van drie
zonen. Fafnir, de oudste, was begiftigd met een dapper hart en een
krachtigen arm; Otter, de tweede, met strik en net, en de macht om,
als hij dat wilde, van gedaante te veranderen; en Regin, de jongste,
met alle wijsheid en vlugheid van hand. Om den hebzuchtigen Hreidmar te
believen maakte zijn jongste zoon hem een huis, bezet met schitterend
goud en fonkelende edelsteenen en dit werd door Fafnir bewaakt,
wiens vurige blikken en Aegishelm niemand durfde trotseeren.

Nu gebeurde het dat Odin, Hoenir en Loki eens in menschelijke gedaante,
op een van hun gewone tochten die zij deden om de harten van de
menschen te bespieden, in het land kwamen waar Hreidmar woonde.


    Bij de drie was de wijze Odin, de heer van die valt in den slag
    En Loki, d' Albenijder, wien geen werk gelukken mag,
    En Hoenir, de zondelooze die wrocht des menschen hoop
    En zijn hart en zijn zielsverlangens, toen hij begon zijn loop,
    De God die was in den voortijd en die later nog zal zijn
    Als het nieuwe licht zal zenden over aard en zee zijn schijn.


Toen de goden bij Hreidmars woning kwamen, bespeurde Loki een Otter
die zich koesterde in de zon. Deze was niemand anders dan de tweede
zoon van den koning, Otter, die nu bezweek voor Loki's gewone liefde
tot vernieling. Het ongelukkige schepsel vermoordend wierp hij zijn
levenloos lichaam over zijn schouders, denkende dat hij een goeden
schotel zou geven als de tijd tot eten kwam.

Loki haastte zich daarop om zijn makkers in te halen, en Hreidmars huis
met hen binnentredend, wierp hij zijn last neer op den vloer. Toen
het oog van den dwergkoning op den gewonden Otter viel, brak hij
in hevige woede uit, en, eer zij actieven weerstand konden bieden,
lagen de goden gebonden, en hoorden zij Hreidmar zeggen dat zij nooit
hun vrijheid weerom zouden krijgen, voordat zij zijn dorst naar goud
konden voldoen, door hem van die kostbare stof genoeg te geven om de
huid van den Otter van binnen en van buiten te bedekken.


    Nu hoort naar den vloek dien ik spreke! Gij vreemden zult worden
                                                              weer vrij,
    Als gij schenkt de vlam van de wat'ren, 't verzamelde zeegoud
                                                                aan mij,
    Dat Andvari houdt verborgen in het bleek gebied, flets als het graf,
    En de heer der list zal het halen, en de hand die nooit iets gaf,
    En het hart des Albenijders zal geven en toonen zijn spijt,
    Zie, dit is het vonnis des wijzen, geen ander wordt u bereid.


Daar de otterhuid de eigenschap openbaarde zich tot een fabelachtige
afmeting te kunnen uitrekken, was geen gewone schat voldoende om ze
te bedekken, en de taak van de goden was een heel lastige. De zaak
werd echter wat hoopvoller, toen Hreidmar toestond een hunner vrij te
laten. De gekozene die zou gaan, was Loki die geen tijd liet verloren
gaan om naar den waterval waar de dwerg Andvari woonde te vertrekken,
opdat hij de daar opgestapelde schatten zou verkrijgen.


    Ginds is een schrikbre woestijn aan het uiterste deel onzer aard
    Waar over een muur van bergen het machtige water vaart,
    Welks bron geen schepsel kent noch waar zijn monding is,
    En die macht is de macht van Andvari, een Elf van de Duisternis.
    Hij woont in de wolk en woestijn in het midden van 't land alleen
    En zijn werk is het sparen van schatten die hij houdt in zijn
    huis van steen.


In weerwil van ijverig zoeken kon Loki den dwerg niet vinden, totdat
hij een zalm bespeurde, die in de schuimende wateren speelde, en het
hem inviel dat misschien de dwerg deze gedaante aangenomen had. Hij
leende Ran's net en ving spoedig den visch, en kwam te weten dat het,
zooals hij had vermoed, Andvari was. Bezinnend dat er niets anders op
zat, bracht de dwerg nu met tegenzin zijn grooten schat te voorschijn
en gaf hem geheel en al over, met inbegrip van den Helm van Schrik
en een pantser van goud, terwijl hij enkel achterhield een ring
die met wonderbare kracht was begiftigd en die, als een magneet,
het kostbare goud aantrok. Maar de slimme Loki, die dien in het oog
kreeg, lichtte hem van den vinger van den dwerg en ging lachend weg,
terwijl zijn slachtoffer hem booze vervloekingen achterna schreeuwde,
zeggende dat de ring altijd zou blijken het verderf voor zijn bezitter
te zijn en de dood van velen zou veroorzaken.


    Dat goud
    Dat de dwerg bezat
    Zou voor twee broeders
    De oorzaak zijn van dood,
    En voor acht vorsten
    Van veel tweedracht,
    Uit mijn schat zal geen
    Iets goeds geworden.

                    Saemunds Edda.


Toen hij aan Hreidmars huis kwam, bevond Loki dat de geweldige schat
niets te groot was, want de huid werd wijder met elk voorwerp dat
er op werd geplaatst, en hij werd genoodzaakt den ring Andvaranaut
(Andvari's ring) er in te werpen, dien hij had willen bewaren om de
bevrijding van zichzelf en zijn makkers te bewerken. Andvari's vloek
van het goud begon spoedig zijn kracht te doen gevoelen. Fafnir
en Regin begeerden beiden een deel, terwijl Hreidmar nacht en dag
over zijn schat tuurde, en er niets van wilde weggeven. Fafnir, de
onoverwinlijke, ziende ten slotte dat hij niet anders aan zijn lust
kon voldoen, versloeg zijn vader en nam den geheelen schat, want,
toen Regin kwam om een deel op te eischen, joeg hij hem toornig weg
en zeide dat hij zijn eigen kost maar moest verdienen.

Zoo verbannen nam Regin zijn toevlucht onder de menschen, aan wie
hij de kunsten leerde van zaaien en maaien. Hij toonde hun hoe zij
metalen moesten bewerken, de zeeën bevaren, paarden dresseeren,
lastdieren temmen, huizen bouwen, spinnen, weven en naaien--kortom,
alle industrieën van het beschaafde leven, die tot nu toe onbekend
waren geweest. Jaren verliepen, en Regin wachtte geduldig zijn tijd af,
hopend dat hij den een of anderen dag een held zou vinden, sterk genoeg
om zijn onrecht op Fafnir te wreken, wien de jaren van turen over
zijn schat hadden veranderd in een vreeslijken draak, den schrik van
Gnîtaheid (schitterende Heuvel), waar hij zijn verblijf gevestigd had.

Toen zijn verhaal uit was, wendde Regin zich plotseling tot den
aandachtigen Sigurd, zeggend dat hij wist dat de jonge man den draak
als hij wilde kon dooden, en vragend of hij bereid was hem te helpen
het hem geschiedde onrecht te wreken.


    En hij sprak: Hebt gehoord gij, Sigurd? Wilt gij helpen een man
                                                              die is oud
    Zich te wreken ter wille zijns vaders? Wilt gij hebben een schat
                                                                van goud
    En meer zijn dan de vorsten der aarde? Verlossen de aard van
                                                               een kwaad
    En genezen de pijn en de droefnis die sinds tijden geen rust
                                                               mij laat?



Sigurds zwaard.

Sigurd stemde onmiddellijk toe, op voorwaarde echter dat de vloek zou
worden opgenomen door Regin, die ook om voor het aanstaand gevecht
den jongen man behoorlijk uit te rusten, hem een zwaard zou smeden
dat geen slag zou kunnen breken. Tweemaal maakte Regin een wonderbaar
wapen, maar tweemaal brak Sigurd het op het aanbeeld in stukken. Toen
dacht Sigurd aan de gebroken stukken van Sigmunds wapen, die zijn
moeder bewaard had, en tot Hiordis gaande vroeg hij haar erom; en
òf hij òf Regin smeedde er uit een zwaard zoo sterk, dat het het
groote aanbeeld in tweeën splitste zonder gedeukt te zijn, en welks
gesteldheid van dien aard was dat het wat wol die op den stroom los
ronddreef in tweeën deelde.

Sigurd ging nu op afscheidsbezoek bij Gripir, die, de toekomst wetende,
elke gebeurtenis in zijn aanstaande loopbaan vertelde; daarop nam
hij afscheid van zijn moeder en vergezeld door Regin zette hij koers
naar het land zijner vaderen, belovend dat hij den draak zou verslaan
als hij zijn eersten plicht had vervuld; het wreken van den dood
van Sigmund.


    Eerst zult gij, vorst,
    Wreken uw vader,
    En voor de schuld van Eglymi
    Neemt gij boete,
    Gij zult de wreedaards,
    De zoons van Hunding,
    Fier verslaan,
    En zult overwinnen.

                        Lied van Sigurd den Fafnerdooder.


Op zijn weg naar het land van de Volsungs werd iets heel wonderlijks
gezien, want er kwam een man over het water wandelen. Sigurd nam hem
dadelijk aan boord van zijn drakenschip en de vreemdeling, die zich
Feng of Fiöllnir noemde, beloofde gunstige winden. Ook leerde hij
Sigurd hoe gunstige voorteekenen te onderscheiden. In werkelijkheid
was de oude man Odin of Hniker, de golvenstiller, maar Sigurd vermeldde
niet dat hij het was.



Het gevecht met den draak.

Sigurd was zeer gelukkig in zijn aanval op Signy, dien hij met velen
zijner volgelingen versloeg. Hij vertrok toen uit zijn heroverd rijk
en kwam met Regin terug om Fafnir te verslaan. Samen reden zij door
de bergen, die steeds hooger en hooger voor hen oprezen, totdat zij
kwamen bij een groot woestijnpad, dat volgens Regin het verblijf van
Fafnir was. Sigurd reed nu alleen verder totdat hij een eenoogig
vreemdeling ontmoette die hem zeide dat hij grachten moest graven
midden op den weg waar de draak elken dag zijn slijmig lichaam naar
de rivier sleepte om zijn dorst te lesschen, en dat hij in een van
deze moest liggen wachten, totdat het monster over hem heen kwam,
dan kon hij het zijn zwaard dwars door zijn hart boren.

Sigurd volgde dankbaar dezen raad en werd met volledig succes beloond,
want toen de walgelijke vouwen van het monster over zijn hoofd rolden,
stak hij zijn zwaard van boven in zijn linker borst, en toen hij uit
de gracht sprong, lag de draak te zieltogen in doodsstuipen.


    Toen kwam een groote stilte, en Sigmunds zoon vol moed
    Stond op d' oneffen vlakte, waar vloeide Fafnir's bloed,
    En de slang lag aan zijn voeten, dood, en zwaar en grauw,
    En over de Lichte Heide scheen de zon uit 's hemels blauw,
    En een windje volgde de zon en blies lang het doodsche zand
    Zoo frisch als het rimpelt het zeevlak en buigt het korenland.


Regin was wijslijk op een afstand gebleven totdat alle gevaar voorbij
was, maar, ziende dat zijn vijand was verslagen, kwam hij nu nabij. Hij
was bang dat de jonge held een belooning zou eischen, dus begon hij
hem te beschuldigen dat hij zijn bloedverwant had vermoord, maar, met
geveinsde grootmoedigheid zeide hij in plaats van leven voor leven
te willen, overeenkomstig de zeden van het Noorden, hij het als een
genoegzame voldoening zou beschouwen als Sigurd uitsneed het hart
van het monster en het voor hem aan een spit braadde.


    Zoo Regin sprak tot Sigurd: "van boete wilt ge vrij?
    Breng dan een vuur te zamen en braad het hart voor mij,
    Dat ik het eet' en leve, en zij uw meester en meer,
    Want daarin was macht en wijsheid en wetenschap weleer:
    Of anders ga uw pad met angst van de Lichtende Hei".


Sigurd was zich bewust dat een echt soldaat nooit voldoening van
welken aard ook mocht weigeren aan de familie van den vermoorde,
en dus stemde hij toe in het schijnbaar onbeteekenend voorstel, en
maakte zich dadelijk gereed om als kok op te treden, terwijl Regin
dutte totdat het vleesch klaar was. Na eenigen tijd raakte Sigurd
het gebraad aan om te zien of het gaar werd, maar hij brandde erg
zijn vingers en stak ze onwillekeurig in zijn mond om de pijn te
stillen. Nauwelijks had Fafnirs bloed zijn lippen aangeraakt of hij
ontdekte, tot zijn uiterste verbazing, dat hij de zangen der vogels kon
verstaan, waarvan velen zich reeds om het aas verzamelden. Nauwkeurig
luisterend merkte hij dat zij vertelden hoe Regin kwaad tegen hem voor
had, en hoe hij den ouden man moest dooden en het goud zich toeëigenen
dat hem toekwam omdat hij het veroverd had, en dat hij daarna het hart
en het bloed van den draak moest nemen. Daar dit overeenkwam met zijn
eigen wenschen doodde hij den slechten ouden man met een stoot van
zijn zwaard en ging voort met eten en drinken, zooals de vogels hadden
aangegeven, terwijl hij een stukje van Fafnirs hart voor later gebruik
bewaarde. Hij ging dan op zoek van den grooten schat, en na den Helm
van Schrik, de gouden hellebaard en dan den ring Andvaranaut te hebben
aangedaan, terwijl hij Greyfell met zóóveel goud belaadde als hij kon
dragen, sprong hij in het zadel en zat met graagte te luisteren naar
de zangen der vogels om te weten wat zijn toekomstige tocht moest zijn.



De slapende oorlogsmaagd.

Weldra hoorde hij van een oorlogsmaagd, vast in slaap op een berg en
omringd door een fonkelende vlammenhaag, waar slechts de dapperste
der mannen kon doordringen om haar te wekken.


    Op den berg daar ligt
    Een oorlogsmaagd in slaap;
    Over haar golft
    Linde's vergif:
    Ygg stak voorheen
    Een slaapdoorn in 't kleed
    Der maagd, die eerst
    De helden uitkoos.

                        Fafnir-lied.


Dit avontuur was juist iets voor Sigurd, en hij vertrok dadelijk. De
weg voerde door ongebaande streken, en de reis was lang en onaangenaam,
maar ten slotte kwam hij bij de Hindarfiall in Frankenland, een hoogen
berg welks met wolken bedekte top door vurige vlammen scheen omringd.


    Lang rijdt hij door de steppen, tot hij eens, 's morgens, ziet,
    Uit de verweerde rotsen, en in 't bewolkt gebied,
    Hoe rijst een trotsche berg op, en 't is alsof er brandt,
    Een toorts in krans van nevel: en Sigurd gaat dien kant
    Waar hij denkt dat van die hoogte men ziet den omtrek goed
    En Grijsvel hinnikt vroolijk, hij zelf is vol van moed.


Sigurd reed de berghelling op, en het licht werd al sterker en
sterker naarmate hij verder kwam, totdat, toen hij den top bereikt
had, een haag van donkere vlammen voor hem stond. Het vuur brandde
met een geraas dat het hart van ieder ander zou verschrikt hebben,
maar Sigurd herinnerde zich de woorden van de vogels, en zonder een
oogenblik te aarzelen, stortte hij zich er midden in.


    Nu wendt zich Sigurd in 't zadel, 't gevest van Toorn hij richt,
    Hij heft de teugels hooger en snoert zijn gordel dicht,
    En roept dan luid tot Grijsvel en rijdt in 't midden van 't vuur,
    Maar de vlammen slaan ter zijde en dus wijkt de witte muur,
    Hoog boven zijn hoofd stijgt het branden en groot en wild is
                                                             't gerucht.
    Als het draagt de machtige barning naar de hooge hemellucht.
    Toch gaat hij door het ruischen als een krijgsman door roggeveld
    Als het buigt voor wind in den zomer en onder de koelte zwelt.
    De witte vlam lekt zijn kleeren en de manen van zijn paard.
    En streelt de handen van Sigurd, en 't in bloed gedoopte zwaard,
    En windt zich om zijn helm heen en mengt zich met zijn haar,
    Maar niets ontloutert zijn kleeding die schittert als vroeger klaar;
    Dan valt zij; verdwijnt en wordt donker tot alles schijnt volbracht,
    En de vlam is opgezwolgen in diepen, duist'ren nacht.


Toen de dreigende vlammen nu waren weggestorven, vervolgde Sigurd
zijn tocht over een breed spoor van witte asch en richtte zijn weg
naar een groot kasteel met muren met schilden behangen. De groote
poorten stonden wijd open, en Sigurd reed er doorheen, niet belemmerd
door wachters of gewapenden. Behoedzaam voortgaande, omdat hij een of
andere list vreesde, kwam hij eindelijk midden op de plaats, waar hij
een gestalte zag liggen in wapenrusting. Sigurd steeg van zijn paard en
deed handig den helm weg, toen hij van verbazing terugdeinsde omdat hij
in plaats van een krijgsman, het gelaat van een zeer schoon meisje zag.

Al zijne pogingen om de slaapster te wekken waren echter vergeefsch,
totdat hij haar wapenrusting had afgedaan, en zij voor hem lag in
zuiver wit-linnen kleederen, terwijl haar lange haren in gouden
golven om haar heen vielen. Toen de laatste sluiting van haar
rusting openging, sloeg zij haar schoone oogen op, die de opgaande zon
ontmoetten, en eerst met verrukking het prachtig schouwspel begroetend,
wendde zij zich tot haren bevrijder, en de jonge held en het meisje
beminden elkander op het eerste gezicht.


    Toen wendde zij zich tot Sigurd, haar oogen ontmoetten zijn oog,
    En krachtig en zonder grenzen steeg hunne liefde hoog,
    Want beider begeeren kwam samen en hij wist dat zij lief hem had.
    En zij sprak tot hem alleenig en haar lippen betuigden dat.


Het meisje begon nu aan Sigurd haar geschiedenis te vertellen. Haar
naam was Brunhild en volgens sommige bronnen was zij de dochter van een
aardsch koning, die Odin had verheven tot den rang van Valkyre. Zij
had hem lang trouw gediend, maar eens had zij het gewaagd haar eigen
wensch boven den zijnen te stellen, toen zij aan een jongeren en dus
meer sympathieken tegenstander de overwinning gaf die Odin een ander
had toegedacht.

Tot straf voor deze daad van ongehoorzaamheid was zij van haar ambt
ontzet en naar de aarde verbannen, waar zij, volgens besluit van
Alvader, als ieder ander lid harer sexe zou huwen. Deze uitspraak
vervulde Brunhilds hart met teleurstelling, want zij vreesde zeer
dat het haar lot zou zijn zich met een lafaard te verbinden dien
zij zou verachten. Om deze vrees weg te nemen, bracht Odin haar naar
Hindarfiall of Hindfel, en haar met den Doren van den Slaap aanrakend,
opdat zij in onveranderde jeugd en schoonheid de komst van den haar
bestemden echtgenoot zou afwachten, omringde hij haar met een muur
van vlammen, waar geen ander dan een held zich doorheen zou wagen.

Van den top van Hindarfiall wees Brunhild nu aan Sigurd haar vroegere
woonplaats, te Lymdale of Hunaland, en zeide hem dat hij haar daar
zou vinden als hij haar als zijn vrouw kwam opeischen; en toen,
terwijl zij samen op den eenzamen bergtop stonden, deed Sigurd den
ring Andvaranaut aan haar vinger, ten teeken van hun verloving,
en zwoer haar alleen te zullen liefhebben zijn heele leven lang.


    En van zijn hand trekt Sigurd Andvari's gouden ring,
    Niets is er dan de hemel boven hun hoofden, kring
    Die ophoudt noch vernieuwt zich, en steeds een teeken is,
    Dat God niet meer verandert, daar hij voleindigd is;
    En Sigurd riep: Brunhilde, o hoor mij nu ik zweer
    Dat de zon aan de lucht zal sterven en de dag zijn schoon niet meer,
    Als 'k zoek niet liefd' in Lymdale en uw geboortehuis,
    En 't land waar gij ontwaaktet bij bosch en zeegeruisch!
    En zij riep: o Sigurd, Sigurd, hoor mij nu hoe ik zweer
    Dat de dag voor goed zal sterven en de zonne praalt niet meer,
    Eer 'k u vergeet, o Sigurd, als bij bosch en zeegeruisch
    Ik lig in het land van Lymdale en mijn geboortehuis.



De opvoeding van Aslaug.

Volgens sommige bronnen scheidden de minnenden, na elkander dus
trouw te hebben beloofd; maar anderen zeggen dat Sigurd Brunhild
opzocht en huwde, met wie hij een tijd lang in volkomen geluk leefde,
totdat hij haar en zijn dochtertje Aslaug moest verlaten. Dit kind,
als wees achtergebleven, werd door Brunhilds vader groot gebracht,
die, van huis verdreven, haar in een kunstig vervaardigde harp
verborg, totdat hij in een ver land kwam en daar vermoord werd
door een troep boeren wegens het goud dat--zoo dachten zij--er
in zat. Hun verwondering en teleurstelling waren inderdaad groot,
toen zij het instrument open braken en een klein mooi meisje vonden,
dat zij voor stom hielden omdat het geen woord wilde zeggen. De tijd
ging voorbij en het kind, dat zij als een slavin hadden gebruikt,
groeide op tot een schoone maagd, en zij verwierf de genegenheid van
den voorbijtrekkenden Viking, Ragnar Lodbrog, Koning van de Denen,
aan wien zij haar geschiedenis vertelde. De koning voer weg naar
andere landen om te doen wat het doel van zijn reis was, maar toen
een jaar was voorbijgegaan, in welken tijd hij veel roem oogstte,
kwam hij terug en voerde Aslaug weg als zijn bruid.


    Ze hoord' een stem haar welbekend,
    Verwacht in uren zonder end,
    Een krachtig arm haar leest omwond;
    Maar toen haar sidderende mond
    Den hemel van dien kus verliet,
    Ontging haar in zijn oogen niet
    De jonge trots, de hoop, de min;
    Nu wist zij; dit was slecht begin,
    En beiden zouden gaan, gelijk
    Nu saam langs 't strand, door 't leven rijk.

                        De opvoeding van Aslaug (William Morris).


In het verdere van de geschiedenis van Sigurd en Brunhild wordt ons
echter medegedeeld, dat de jonge man avonturen ging zoeken in de
groote wereld, waar hij, als een echte held, beloofd had het onrecht
te bestrijden en de vaderloozen en verdrukten te verdedigen.



De Niblungen.

In het verloop van zijn zwerftochten kwam Sigurd in het land van de
Niblungen, het land van voortdurenden nevel, waar Giuki en Grimhild
koning en koningin waren. Vooral de laatste was te vreezen, daar zij
goed thuis was in magische kunst, en tooveren kon en wonderlijke
dranken brouwen die de kracht hadden den drinker in tijdelijke
vergetelheid te dompelen en te dwingen haren wil te doen.

De koning en koningin hadden drie zonen, Gunnar, Högni, en Guttorm,
die dappere jonge mannen waren, en een dochter, Goedroen, het liefste
en het mooiste van alle meisjes. Allen heetten Sigurd hartelijk welkom,
en Giuki noodigde hem uit eenigen tijd te toeven. De uitnoodiging was
zeer aangenaam na zijn langen zwerftocht, en Sigurd was blij te kunnen
blijven en aan de genietingen en de bezigheden van de Niblungen te
kunnen deelnemen. Hij vergezelde hen naar den oorlog, en onderscheidde
zich zóó door zijn moed, dat hij de bewondering van Grimhild verwierf
en zij besloot hem voor haar dochter als man te nemen. Op zekeren dag
brouwde zij dus een van haar tooverdranken en toen hij uit de hand van
Goedroen deze had gedronken, vergat hij Brunhild en zijn beloofde trouw
geheel, en al zijn liefde was overgegaan op de dochter van den koning.


    En 't werd opeens met Sigurd of in zijn hart de min
    Voor Brunhild nooit geleefd had, nu hij zag de koningin;
    Brunhilds geliefde wezen was hem een vuur, gedoofd,
    Schonk hem geen smart of vreugde, begunstigd en beroofd.


Ofschoon hij wel een vage vreeze had dat hij een feit in het verleden,
hetwelk zijn gedrag moest regelen, had vergeten, dong Sigurd naar
Goedroens hand en kreeg haar, en hun huwelijk werd gevierd temidden
van de vreugde des volks, dat den jongen held innig lief had. Sigurd
gaf zijn bruid iets van Fafnir's hart te eten, en op het oogenblik
toen zij het proefde, werd haar natuur veranderd, en zij begon koud en
zwijgend te worden tegenover allen behalve hem. Om zijn verbintenis met
de twee oudste Giukings (zooals de zonen van Giuki genoemd werden)
hechter te maken, ging Sigurd met hen in den "oordeelring", en de
drie jonge mannen staken een zode die op een schild werd gelegd
waaronder zij stonden, terwijl zij hun rechterarmen ontblootten en
licht verwondden, en hun bloed zich lieten vermengen met de versche
aarde. Toen zij eeuwige vriendschap gezworen hadden, werd de zode
weer op haar plaats gelegd.

Maar ofschoon Sigurd zijn vrouw liefhad en een ware broederlijke
genegenheid voor haar broeders koesterde, kon hij zijn kwellend
gevoel van gedruktheid niet kwijt raken en men zag hem zelden zoo blij
glimlachen als voorheen. Giuki was nu gestorven, en zijn oudste zoon,
Gunnar, regeerde in zijn plaats. Daar de jonge koning ongehuwd was,
bezwoer Grimhild, zijn moeder, hem een vrouw te nemen, zeggend dat geen
meer waardig scheen de Koningin der Niblungen te worden dan Brunhild,
die, zooals men vertelde, in een gouden hal zat, door vlammen omringd,
waaruit zij, zooals zij verklaard had, enkel wilde weggaan om den
held te huwen die, haar ter wille, het vuur durfde trotseeren.



Gunnars krijgslist.

Gunnar maakte zich onmiddellijk gereed om dit meisje te zoeken,
en gesterkt door een van de tooverdranken van zijn moeder en
aangemoedigd door Sigurd, die hem vergezelde, had hij goed vertrouwen
op welslagen. Maar toen hij den top van den berg bereikte en in het
vuur wilde rijden, ging zijn ros verschrikt terug en hij kon het er
niet toe krijgen nog een stap te doen. Ziende dat het paard van zijn
makker geen teeken van vrees toonde, vroeg hij Sigurd er om, maar
ofschoon Grijsvel Gunnar op zijn rug duldde, bewoog hij zich niet,
omdat zijn meester niet op hem zat.

Aangezien Sigurd nu den Helm van den Schrik droeg, en Grimhild
Gunnar een tooverdrank had gegeven in geval dit noodig zou zijn,
was het voor de wachters mogelijk hun gestalte en gelaatstrekken te
ruilen, en, ziende dat Gunnar niet kon doordringen in den vlammenmuur,
stelde Sigurd voor het uiterlijk van Gunnar aan te nemen en de bruid
voor hem te nemen. De koning was zeer teleurgesteld, maar daar geen
andere keuze overbleef steeg hij af en de noodzakelijke ruiling was
spoedig gedaan. Toen besteeg Sigurd Grijsvel in de gedaante van zijn
makker, en nu toonde het paard niet de minste aarzeling, maar sprong
in de vlammen zoodra hij zijn teugel aanraakte, en bracht weldra zijn
berijder naar het kasteel, waar, in de groote hal, Brunhild zat. Zij
herkenden elkander niet: Sigurd niet van wege de betoovering van
Grimhild: Brunhild van wege het veranderd uiterlijk van haren minnaar.

De maagd schikte angstig terug voor den donkerharigen indringer,
want zij had het onmogelijk geacht dat een ander dan Sigurd zou kunnen
rijden door den vlammencirkel. Maar zij kwam met vreugde haren bezoeker
te gemoet, en toen hij zeide dat hij gekomen was om haar te huwen,
stond zij hem toe de plaats van echtgenoot aan hare zijde in te nemen,
want zij was gehouden door een plechtig bevel dat zij als echtgenoot
zou aannemen dengene die haar dus door de vlammen zou opzoeken.

Sigurd bleef drie dagen bij Brunhild, en zijn ontbloot zwaard
lag tusschen hem en zijn bruid. Dit zonderling gedrag wekte de
nieuwsgierigheid van het meisje, waarom Sigurd haar vertelde dat de
goden hem hadden bevolen zoo zijn bruiloft te vieren.


    Ze hadden één bed te zamen; waar de voedsterbroeder lei
    't Blauw slagzwaard tusschen zich zelven en haar die lag aan
                                                               zijn zij,
    En zij keek en lett' er op gansch niet; maar als met dooden
                                                              geschiedt,
    Lag zij met gevouwen handen, bewoog dien nacht zich niet,
    En zóó stil lag het Beeld van Gunnar als één wien het leven verging.
    En de handen vouwde hij samen wijl hij wachtte de schemering,
    Zoo kunt ge bij maanlicht in kerk soms wel zien: uw voorgeslacht
    Dat gansch, en mannen en vrouwen, den nieuwen dag verwacht.


Toen de vierde morgen lichtte, trok Sigurd den ring Andvaranaut van
Brunhilds hand, deed er een ander voor in de plaats en kreeg haar
plechtige toezegging dat zij binnen tien dagen zou verschijnen aan het
hof der Niblungen om hare plichten als koningin en trouwe echtgenoote
te aanvaarden.


    Ik dank u, vorst, voor uw goedheid, ik neem uw liefdewoord aan,
    Zeg tot uw volk mijn gelofte; maar eer tien dagen vergaan,
    Kom ik zelf tot der Niblungen zonen, dan scheiden wij niet meer,
    Tot ons roepen Odin en Freya bij onzer dagen keer.


Toen de belofte gegeven was, ging Sigurd weer uit het paleis, door de
asch, en kwam bij Gunnar, met wien hij, na het succes van zijn poging
verteld te hebben, snel weer van gedaante wisselde. De helden richtten
toen hunne paarden huiswaarts, en enkel aan Goedroen openbaarde Sigurd
het geheim van haars broeders vrijage, en hij gaf haar den noodlottigen
ring, weinig verdacht op de vele ellende die hij zou veroorzaken.



De komst van Brunhild.

Trouw aan haar belofte verscheen Brunhild tien dagen later, en terwijl
zij plechtig het huis zegende dat zij op het punt was binnen te treden,
begroette zij Gunnar vriendelijk, en stond hem toe haar te geleiden
naar de groote hal, waar Sigurd naast Goedroen zat. De Volsung keek op,
en toen hij Brunhilds verwijtende blikken ontmoette, was Grimhild's
betoovering gebroken en het verleden kwam terug in een vloed van
bittere herinnering. Het was echter te laat, beiden waren in eere
gebonden, hij aan Goedroen en zij aan Gunnar, die zij lijdelijk volgde
naar den hoogen zetel om naast hem te zitten, terwijl de skalden het
koninklijk paar onderhielden met de melodieën van hun land.

De dagen gingen voorbij en Brunhild bleef voor het uiterlijk
onverschillig, maar haar hart was heet van toorn, en dikwijls sloop
zij uit het paleis van haar echtgenoot naar het woud, waar zij lucht
kon geven aan haar smart in de eenzaamheid.

Intusschen merkte Gunnar de koude onverschilligheid van zijn vrouw
voor zijn liefdesbetuigingen, en begon jaloersche vermoedens te
krijgen, zich verwonderend of Sigurd eerlijk de ware geschiedenis
van de vrijage verteld had, en vreezend dat hij partij had getrokken
van zijn positie om Brunhilds liefde te winnen. Sigurd alleen ging
ongestoord zijn weg, enkel strijdend tegen tirannen en onderdrukkers,
en allen opvroolijkend door zijn vriendelijke woorden en glimlachen.



De twist der koninginnen.

Op zekeren dag gingen de koninginnen naar den Rijn om te baden,
en toen zij in het water zouden gaan, eischte Goedroen den voorrang
op grond van haars mans dapperheid. Brunhild weigerde te geven wat
zij haar recht meende, en een twist volgde, waarin Goedroen haar
schoonzuster beschuldigde haar trouw niet te hebben bewaard, terwijl
zij den ring Andvaranaut voor den dag haalde om haar aanklacht te
staven. Het gezicht van den noodlottigen ring in de hand van hare
mededingster verpletterde Brunhild en zij vluchtte naar huis en lag in
sprakelooze smart den eenen dag na den anderen totdat allen dachten
dat zij sterven moest. Te vergeefs zochten Gunnar en de leden van de
koninklijke familie haar om beurten op en smeekten haar te spreken;
zij wilde geen woord uiten, totdat Sigurd kwam en naar de oorzaak van
haar onzegbaar verdriet vroeg. Toen, als een lang tegengehouden stroom,
barstten haar liefde en boosheid los, en zij overlaadde den held met
verwijten, totdat zijn hart zóó door droefheid over haar smart opzwol,
dat de dichte banden van zijn sterke wapenrusting los gingen.


    Uit ging Sigurd
    Van dat gesprek
    In de hal der vorsten,
    Door angst gefolterd;
    Het ijzeren kleed
    Des dapperen strijders
    Van zijn lichaam.

                        Saemunds Edda.


Geen woorden waren in staat den droevigen toestand te verbeteren,
en Brunhild weigerde er notitie van te nemen toen Sigurd aanbood
Goedroen te laten loopen, zeggende als zij hem prijs gaf, dat hij
niet ontrouw jegens Gunnar zou zijn. De gedachten dat twee levende
mannen haar vrouw hadden genoemd, was niet te dragen voor haren trots,
en den volgenden keer, toen haar echtgenoot hare aanwezigheid zocht,
smeekte zij hem Sigurd te dooden, dus zijn jaloezie en achterdocht
versterkend. Hij wilde echter niet gewelddadig met Sigurd te werk
gaan wegens hun eed van vriendschap, en zoo wendde zij zich tot Högni
om hulp. Ook hij wenschte zijn eed niet te schenden, maar hij bracht
Guttorm, door middel van veel overreding en een van Grimhild's dranken
er toe, om de lafhartige daad te ondernemen.



De dood van Sigurd.

Dus, in het holle van den nacht, sloop Guttorm in Sigurds kamer, een
wapen in de hand; maar toen hij zich over het bed heen boog zag hij
Sigurds heldere oogen op zich gericht en vluchtte overhaast. Later
keerde hij terug en het tooneel herhaalde zich; maar toen hij tegen
den morgen voor de derde maal binnensloop, vond hij den held in slaap
en dreef verraderlijk zijn speer door zijn rug.

Ofschoon ten doode gewond, hief Sigurd zich in bed op en zijn beroemd
zwaard dat naast hem hing grijpend, wierp hij het met al de kracht
die nog in hem over was naar den vluchtenden moordenaar en hieuw hem
in tweeën toen hij de deur bereikte. Toen, met een laatst gefluisterd
vaarwel aan de verschrikte Goedroen zonk Sigurd achterover en blies
den laatsten adem uit.


            "Treur niet, o Goedroen, de slag is het leste kwaad,
    Vrees wijkt uit het Niblungen huis, terwijl deze morgen naakt,
    Leef rustig, geliefde vrouw, ongekweld nu en onverzaakt."

    "Het is Brunhild's bedrijf, dit deed de vrouw die mij mint,"
    Zoo zuchtte hij zacht, "er is niets dat nu reden tot wroeging
                                                             meer vindt;
    Ik heb veel in mijn dagen gedaan, en mijn liefde en dit al
                                                            wordt gelegd
    In de opene hand van Odin, tot dan komt het laatste gerecht.
    'k Heb gewerkt en ik doe 't niet te niet, ik gaf en neem het
                                                              niet weer,
    Zijt gij anders dan ik, Alvader, en oogst gij vergeefs mijn eer?"


Sigurds zoontje werd op het zelfde oogenblik vermoord en de arme
Goedroen treurde over hare dooden met zwijgende smart, zonder tranen;
terwijl Brunhild luid lachte, waardoor zij den toorn van Gunnar
opwekte, die er te laat berouw over had, dat hij geen middelen had
beraamd om de verschrikkelijke daad af te wenden.

De smart der Niblungen uitte zich in een openbare lijkplechtigheid die
weldra werd gehouden. Een groote houtstapel werd opgericht, waarheen
kostbare behangsels, versche bloemen en schitterende wapenen werden
gebracht, zooals de gewoonte was bij de begrafenis van een vorst
en toen deze droeve toebereidselen plaats vonden, was Goedroen het
voorwerp van de teedere bezorgdheid der vrouwen, die, vreezend dat
haar hart zou breken, de sluizen harer tranen trachtten te openen
door haar de bittere smarten te vertellen, die zij hadden gekend,
terwijl een haar verhaalde hoe ook zij alles had verloren wat haar
dierbaar was. Maar deze pogingen om haar aan het schreien te krijgen
waren volkomen vergeefsch, totdat zij ten slotte het hoofd van haar
man in haar schoot legden en haar zeide dat zij hem moest kussen alsof
hij nog in leven was; toen begonnen hare tranen in stroomen te vloeien.

Ook bij Brunhild trad weldra de reactie in; al haar wrok was vergeten
toen zij het lichaam van Sigurd op den brandstapel zag gelegd,
alsof hij klaar was tot den strijd in gepolijste rusting, met den
Helm van Schrik op zijn hoofd, en vergezeld van zijn paard, dat met
hem verbrand zou worden, alsook van velen zijner trouwe knechten,
die zijn verlies niet wilden overleven. Zij trok zich terug in haar
vertrek, en na haar bezittingen onder hare kameniers verdeeld te
hebben, trok zij haar rijkste gewaad aan en doorstak zich zelf toen
zij op haar bed lag uitgestrekt.

Het nieuws bereikte al spoedig Gunnar, die haastig naar zijn vrouw ging
en nog juist bij tijds kwam om den laatsten wil van de stervende te
vernemen: dat men haar zou leggen naast den held, dien zij liefhad,
met het schitterende, ontbloote zwaard tusschen hen in, zooals het
had gelegen toen hij haar bij volmacht had gevrijd. Toen zij haar
laatsten adem had uitgeblazen, werden deze wenschen stipt uitgevoerd,
en haar lichaam werd met dat van Sigurd verbrand onder de klachten
van al de Niblungen.

In Richard Wagners verhaal van "De Ring" is Brunhilds einde meer
schilderachtig. Op haar paard gestegen, evenals toen zij haar
oorlogsmeisjes op bevel van Odin aanvoerde, reed zij in de vlammen
die van den grooten brandstapel opstegen, en verdween voor immer uit
het gezicht der menschen.


    Zij zijn weg, de machtigen, goeden, de hoop van het wereldrond,
    Het zal zwoegen en dragen zijn lasten als voor hun geboortestond:
    Het zal zuchten in blinde kloven om den dag toen Sigurd ging heen
    En het uur dat Brunhild zich spoedde, en de dag die op dooden
                                                                 scheen,
    Het zal smeeken, vaak worden geholpen en vergeten hun daden
                                                               niet meer
    Tot de nieuwe zon schijnt op Balder en de zalige stranden neer.


De doodsscene van Sigurd (Siegfried) is veel machtiger in het
Niblungenlied. In de Teutonische vertolking lokt zijn verraderlijke
vijand hem van een jachtpartij in het bosch om zijn dorst aan een
beek te lesschen, waar hij hem door den rug stoot met een speer. Zijn
lichaam werd vandaar naar huis gedragen door de jagers en aan de
voeten van zijn vrouw gelegd.



De vlucht van Goedroen.

Goedroen, nog ontroostbaar en verfoeiend het geslacht, dat haar
verraderlijk van alle levensvreugde had beroofd, vluchtte uit haars
vaders huis en zocht een schuilplaats bij Elf, Sigurds voedstervader,
die, na den dood van Hiordis, Thora, de dochter van koning Hakon had
gehuwd. De twee vrouwen werden groote vriendinnen en hier vertoefde
Goedroen vele jaren, terwijl zij zich bezighield met het borduren
op een tapijt der groote daden van Sigurd, en zij zorgde voor haar
dochtertje Swanhild, wier heldere oogen haar levendig den echtgenoot
herinnerden, dien zij verloren had.



Atli, koning van de Hunnen.

Intusschen had Atli, Brunhilds broeder, die nu koning van de Hunnen
was, naar Gunnar gezonden om verzoening van zijn zusters dood te
vragen; en om aan zijn eischen te voldoen had Gunnar beloofd dat,
wanneer hare jaren van weduwschap voorbij waren, hij hem Goedroens
hand zou geven. De tijd verliep, en Atli vroeg de vervulling van zijn
belofte, waarom de Niblungbroeders, met hun moeder Grimhild, de lang
afwezige prinses gingen zoeken, en met behulp van den tooverdrank
dien Grimhild had klaar gemaakt, slaagden zij er in Goedroen over te
halen de kleine Swanhild in Denemarken te laten en de vrouw van Atli
te worden in het land der Hunnen.

Niettemin verachtte Goedroen haren echtgenoot, wiens hebzuchtige
neigingen haar zeer tegen de borst stuitten; en zelfs de geboorte van
twee zonen, Erp en Eitel, troostte haar niet over den dood van haar
geliefde en de afwezigheid van Swanhild. Hare gedachten waren steeds
bij het verleden, en zij sprak er dikwijls over, weinig vermoedend
dat hare beschrijvingen van den rijkdom der Niblungen Atli's begeerte
had opgewekt, en dat hij in het geheim een voorwendsel zocht om er
beslag op te leggen.

Atli besloot ten slotte Knefrud of Wingi, een van zijn dienaren,
te zenden, om de Niblung-vorsten uit te noodigen tot een bezoek aan
zijn hof, terwijl hij voornemens was hen te vermoorden als hij hen in
zijn macht had; maar Goedroen, die zijn bedoeling doorzag, zond een
runeboodschap aan hare broeders, tegelijk met den ring Andvaranaut,
waar zij een wolfshaar omheen had gewonden. Onderweg echter wischte
de bode de runen ten deele uit en veranderde dus hun zin; en toen
hij voor de Niblungen verscheen, nam Gunna de uitnoodiging aan, in
weerwil van Högni's en Grimhilds waarschuwingen en een voorspellenden
droom van Glaumvor, zijn tweede vrouw.



Het begraven van den Niblungenschat.

Vóór zijn vertrek besloot Gunnar echter eerst heimlijk den
Niblungenschat te begraven in den Rijn, en hij liet hem in een diep
gat in de bedding van de rivier zinken, terwijl alleen de koninklijke
broeders de plaats wisten, die zij--zoo beloofden zij onder een
plechtigen eed--nooit aan iemand zouden openbaren.


    Toen viel in drukke wieling het roode Goud, gelijk
    Een vlam in grauwen morgen glansde de schat van 't rijk,
    Toen stroomd' er boven 't water, het schuim en 't water zwart
    Spatte op toen 't Goud er neerzonk tegen den rotswand hard.
    Voor goed onzichtbaar werd het, een wonder en een sprook
    Tot d' allerlaatste zanger zal zijn verdwenen ook.



Het verraad van Atli.

In krijgsgewaad reed toen de koninklijke stoet uit de stad der
Niblungen, die zij nooit zouden weerom zien, en na vele avonturen
betraden zij het land van de Hunnen en kwam in Atli's hal, waar
zij, bespeurend dat zij er waren ingeloopen, den verrader Knefrud
vermoordden, en zich toebereidden om hun levens zoo duur mogelijk
te verkoopen.

Goedroen haastte zich om hen met een teedere omhelzing welkom te
heeten, en, ziende dat zij moesten vechten, greep zij een wapen
en hielp hen dapper in de hevige moordpartij die volgde. Na den
eersten aanval hield Gunnar er den moed bij zijn mannen in door op
zijn harp te spelen, die hij ter zijde legde als de aanvallen werden
vernieuwd. Driemalen braveerden de dappere Niblungen den aanval van
de Hunnen, totdat allen, behalve Gunnar en Högni, waren omgekomen,
en de koning en zijn broeder, gewond, verzwakt en moe, in de handen
hunner vijanden vielen, die hen, stevig vastgebonden, in een gevangenis
wierpen om hun dood af te wachten.

Atli had zich wijslijk onthouden van eenig werkzaam aandeel aan
het gevecht te nemen, en hij had nu zijn zwagers beurt voor beurt
voor zich laten brengen, en hun de vrijheid beloofd als zij de plaats
openbaarden waar de gouden schat verborgen was; maar zij bewaarden fier
het stilzwijgen, en eerst na veel marteling sprak Gunnar, zeggend dat
hij een plechtigen eed had gezworen, dat hij zoo lang Högni leefde
nooit het geheim vertellen zou. Ter zelfder tijd zeide hij, dat hij
enkel zou gelooven aan den dood van zijn broeder als zijn hart hem
op een schotel gebracht werd.


    Met een vreeslijke stem riep Gunnar: o Dwaas, hoe is u vertrouwd,
    Wie won den schat in 't verleden en de rosse ringen van goud?
    Het was Sigurd, het kind der Volsungs, de beste der besten was 't,
    Hij reed van het Noord en de bergen, en werd mijn zomergast,
    Mijn vriend, mijn bezworen broeder, hij reed door het wuivend vuur,
    En won mij der Glorie Vorstinne, en schonk mijn verlangst mij
                                                                dat uur,
    Hij was de roem der wereld, de hoop van die werden gekneld,
    De steun der simple lieden, de hamer der sterken, de held;
    Ja, vaak in de toekomst vertelt men 't verhaal van wat hij deed,
    En ik, ook ik, zal 't vertellen, als komt den Niblungen Leed;
    Want ik zat 's nachts in mijn rusting, en toen 't licht was ver
                                                           over 't land,
    Versloeg ik Sigurd, mijn broeder, en keek naar het werk mijner hand.
    En nu, o machtig' Atli, heb 'k gezien des Niblungen val
    Hoe de voet van een zwakken lafaard Gunnars nek vertreden zal;
    En als mij de goden misgunnen den vrede, waarnaar ik dorst.
    Laat mij zien het hart van Högni, gerukt uit zijn levende borst
    En gelegd op den schotel vóór mij, dan zal ik zeggen van 't Goud,
    En worden uw knecht die zijn krachten voor u beschikbaar houdt.


Door nood gedrongen gaf Atli onmiddellijk bevel dat Högni's hart zou
worden gebracht, maar zijn knechten, bang om de hand te slaan aan
zulk een verschriklijken krijgsman, vermoordden den lafhartigen
kok Hialli. Het trillende hart van dezen armen kerel ontlokte
verachtelijke woorden aan Gunnar, die verklaarde dat zulk een
vreesachtig lichaamsdeel nooit aan zijn moedigen broeder kon hebben
behoord. Atli gaf wederom toornige bevelen, en nu werd het niet-bevende
hart van Högni gebracht, waarop Gunnar, zich tot den vorst wendend,
plechtig zwoer dat, daar het geheim nu bij hem alleen berustte,
het nooit openbaar zou worden.



De laatste der Niblungen.

Bleek van toorn beval de koning zijn knechten Gunnar met gebonden
handen in een hol met vergiftige slangen te werpen; maar dit
verschrikte den moedigen Niblung niet, en toen men hem uit spot zijn
harp had nageworpen, zat hij kalm in den put, spelend met zijn teenen
en al de reptielen op één na in slaap wiegend. Men zeide dat Atli's
moeder de gedaante van een slang had aangenomen, en dat zij het was,
die hem nu in de zijde beet en zijn triomfanten zang voor goed tot
zwijgen bracht.

Om zijn triomf te vieren, richtte Atli nu een groot feest aan, en
beval Goedroen klaar te zijn om hem af te wachten. Aan dit banket at
en dronk hij smakelijk, weinig vermoedend dat zijn broeder zijn beide
zonen had verslagen en hun gebraden harten had opgediend en hun bloed
vermengd had met wijn in bekers, die van hun schedels waren gemaakt. Na
eenigen tijd werden de koning en zijn gasten dronken, toen Goedroen,
overeenkomstig één overlevering van het verhaal, het paleis in brand
stak, en, toen de dronken mannen opstonden, te laat om te ontsnappen,
vertelde zij wat zij had gedaan, en, na eerst haren man doorstoken
te hebben, kwam zij kalm om met de Hunnen in de vlammen. Een andere
overlevering zegt, dat zij Atli vermoordde met Sigurds zwaard en, na
zijn lichaam op een schip te hebben gezet, dat zij liet wegdrijven,
wierp zij zich in zee en verdronk.


    Al sprekende breidde zij d' armen en sprong van het land in zee,
    En zij kon niet wederkeeren, want de golven voerden haar mee,
    En hun wil is haar wil voortaan en wie kent der waat'ren vloed
    En het bed waar Goedroen sluimert en den tijd die nog komen moet?


Overeenkomstig een derde en zeer afwijkende overlevering verdronk
Goedroen niet, maar werd door de golven naar het land gevoerd waar
Jonakur koning was. Daar werd zij zijn vrouw en de moeder van drie
zonen, Sörli, Hamdir en Erp. Zij kreeg bovendien haar geliefde dochter
Swanhild terug, die intusschen tot een mooi meisje van huwbaren
leeftijd was opgegroeid.



Swanhild.

Swanhild werd uitgehuwlijkt aan Ermenrich, koning van Gothland, die
zijn zoon Randwer en een van zijn knechten, Sibich, zond om zijn bruid
naar zijn rijk te voeren. Sibich was een verrader en hij had een plan
gesmeed tot uitroeiing van de koninklijke familie opdat hij zelf het
rijk mocht krijgen; dus beschuldigde hij Randwer dat hij getracht
had de genegenheid van zijn jonge stiefmoeder te verwerven. Deze
beschuldiging maakte Ermenrich zóó boos, dat hij het bevel gaf zijn
zoon op te hangen en Sigurd te doen doodtrappen onder de pooten van
wilde paarden. De schoonheid van deze dochter van Sigurd en Goedroen
echter was van dien aard, dat zelfs de wilde paarden er niet toe
gebracht konden worden om haar leed te doen, totdat zij onder een
groot kleed verborgen werd waarna zij haar doodtrapten onder hun
wreede hoeven.

Toen zij het lot van haar geliefde dochter vernam, riep Goedroen hare
drie zonen bij zich en deed hen een rusting en wapenen aan waarop
enkel steen invloed had, en beval hen te vertrekken en hun vermoorde
zuster te wreken, waarna zij van verdriet stierf, en op een grooten
brandstapel werd verbrand.

De drie jongelingen, Sörli, Hamdir en Erp, gingen naar Ermenrichs rijk,
maar eer zij hunne vijanden ontmoetten, bespotten de twee oudsten,
die Erp te jong vonden om hen bij te staan, dezen om zijn kleinheid,
en vermoordden hem ten slotte. Sörli en Hamdir vielen toen Ermenrich
aan, hieuwen zijn handen en voeten af, en zouden hem vermoord hebben
als niet een eenoogig vreemdeling plotseling was verschenen en de
omstanders had aangespoord de jonge mannen met steenen te werpen. Zijn
bevelen werden onmiddellijk uitgevoerd en Sörli en Hamdir vielen
weldra onder den regen van steenen, die, zooals wij gezien hebben,
alleen in staat waren hen te deren.


    Gij hoordet vroeger van Sigurd hoe hij Gods vervolgers sloeg;
    Hoe uit de donk're diepten het goud der wat'ren hij droeg,
    Hoe hij wekte de liefste in de bergen en wekte Brunhild schoon,
    En toefd' een tijdlang op aard' en droeg onder allen de kroon,
    Gij hoordet van 't Nevelvolk en de diepe schemering,
    En hoe de wereld verstoord werd en Sigurd onderging,
    Nu kent gij der Niblungen nooden en wat kwam toen trouw werd bespot,
    Ook het sterven van vorsten en prinsen, en de smart van Odin
    den Goth.



Verklaring van de sage.

Sommige geleerden beweren dat deze geschiedenis van de Volsungs een
reeks van zonnemythen is, waarin Sigi, Reri, Volsung, Sigmund en
Sigurd om beurten den aanbrekenden dag personifieeren. Zij zijn allen
gewapend met onoverwinnelijke zwaarden, de zonnestralen, en reizen
allen door de wereld, vechtend tegen hun vijanden, de demonen van
koude en duisternis. Sigurd, evenals Balder, wordt door allen bemind;
hij huwt Brunhild, het schemeringmeisje, die hij midden in de vlammen
vindt, en van wie hij weggaat om haar enkel weer te vinden als zijn
loopbaan geëindigd is. Zijn lichaam wordt verbrand op den brandstapel,
die, evenals die van Balder, òf de ondergaande zon òf de laatste vlam
van den zomer voorstelt, waarvan hij ook het type is. Het dooden
van Fafnir symboliseert de vernietiging van den demon van koude of
duisternis, die gestolen heeft den gouden schat van den zomer of de
gele stralen van de zon.

Volgens andere geleerden is deze sage gegrond op de geschiedenis. Atli
is de wreede Attila, de "Geesel Gods", terwijl Gunnar is Gundicarius,
een Bourgondisch vorst, wiens rijk verwoest werd door de Hunnen, en die
met zijn broeders vermoord werd in 451. Goedroen is de Bourgondische
prinses Ildico, die haar man in haar huwelijksnacht vermoordde, zooals
reeds gemeld is, terwijl zij het schitterend zwaard gebruikte, dat
eens aan den zonnegod behoord had, om haar vermoorde bloedverwanten
te wreken.



HOOFDSTUK XXVII: DE GESCHIEDENIS VAN FRITHIOF.


Bisschop Tegnér.

Misschien heeft geen schrijver van de negentiende eeuw zooveel
gedaan om belangstelling te wekken voor de letterkundige schatten
van Scandinavië als Bisschop Esaias Tegnér, dien een Zweedsch auteur
karakteriseerde als "dat machtig Genie dat zelfs wanorde organiseert."

Tegnérs "Frithiofsage" is ten minste éénmaal in iedere Europeesche taal
vertaald, en een twintig keer in het Engelsch en het Duitsch. Goethe
sprak van het werk met het grootste enthousiasme, en het verhaal,
dat een ongeëvenaard beeld geeft van onze heidensche voorouders in
het noorden, oogstte evenveel lof van Longfellow, die het beschouwde
als een van de merkwaardigste producten zijner eeuw.

Ofschoon Tegnér enkel de Frithiofsage tot zijn onderwerp heeft gekozen,
zien wij dat dat verhaal het vervolg is op de oudere maar minder
belangwekkende Thorstensage waarvan wij hier een zeer kort overzicht
geven, enkel om den lezer in staat te stellen elke toespeling in het
nieuwere gedicht goed te begrijpen.

Evenals zoo dikwijls het geval is bij deze oude verhalen, begint de
geschiedenis met Haloge (Loki), die naar het noorden kwam met Odin en
over noordelijk Noorwegen begon te regeeren, dat naar hem Halogaland
werd genoemd. Volgens de Noorsche mythologie had deze god twee
lieflijke dochters. Zij werden geschaakt door stoutmoedige vrijers,
die, door Haloge's vervloekingen en tooverkunsten van het hoofdland
verbannen, met hun pas verkregen vrouwen op naburige eilanden hun
toevlucht namen.



Geboorte van Viking.

Zoo geschiedde het dat Haloge's kleinzoon, Viking, geboren werd op het
eiland Bornholm in de Oostzee, waar hij woonde totdat hij vijftien
jaar was, en waar hij de grootste en sterkste man van zijn tijd
werd. Geruchten aangaande zijn kracht bereikten ten slotte Hunvor,
een Zweedsche prinses, die gekweld werd door de attenties van een
reusachtigen vrijer dien niemand durfde wegjagen, en zij zond om
Viking om haar te verlossen.

Zoo geroepen vertrok de jongeling nadat hij van zijn vader een
tooverzwaard, Angurvadel geheeten, gekregen had, welks slagen
noodlottig zouden blijken zelfs voor een reus als de vrijer van
Hunvor. Een "holmgang" zooals een tweegevecht in het Noorsch heette,
volgde, zoodra de held op het tooneel verscheen, en Viking, na zijn
tegenstander verslagen te hebben, zou de prinses hebben kunnen huwen,
ware het niet als ongepast voor een Noorman beschouwd als hij,
voordat hij twintig was, huwde.

Om den tijd dien hij op de hem beloofde bruid wachten moest, te korten,
trok Viking op een goedbemand drakenschip uit; en kruisend tusschen de
Noordelijke en Zuidelijke zeeën had hij tallooze avonturen. Gedurende
dezen tijd werd hij in het bijzonder vervolgd door de familieleden
van den reus dien hij had verslagen, en die in de tooverij bedreven
waren, en zij brachten tallooze gevaren over hem te land en ter zee.

Geholpen en ondersteund door zijn boezemvriend Halfdan, ontsnapte
Viking aan elk gevaar, versloeg vele zijner vijanden, en na Hunvor,
die intusschen de vijand naar Indië had gevoerd, teruggehaald te
hebben, zette hij zich neer in Zweden. Zijn vriend, trouw zoowel in
vrede als in oorlogstijd, zette zich naast hem neer en huwde ook,
terwijl hij zich tot vrouw koos Ingeborg, Hunvor's kamermaagd.

De sage beschrijft nu de lange, vreedzame winters, als de helden feest
vierden en luisterden naar de verhalen der skalden, terwijl zij zich
enkel opmaakten tot krachtige daden als de terugkeerende lente hen
weer toestond hun drakenschepen van stapel te laten loopen en opnieuw
hun zeerooverstochten te beginnen.


    Toen de Skald nam zijn harp en zong
    En breed door het spel der tonen gong
    't Geluid, aan het lied gepaard,
    Van de harpesnaren stroomd' een klank
    Of men ze sloeg met het ijzer blank
    Van een zwaard.

    En de Berserks altemaal
    Barstten los in een roep, die de zaal
    Deed daav'ren, uit volle borst:
    Ze sloegen de tafel bij hun zang
    En riepen: "leve het Strijdzwaard lang
    En de Vorst!"

                                Longfellow's Saga van koning Olaf.


In de oude sage vertellen de skalden met groot genoegen elke phase van
aanval en verweer gedurende het gevecht, en beschrijven elken slag die
gegeven en ontvangen wordt, terwijl zij met voldoening stilstaan bij
het bloedbad en de donkere vlammen, die beide vijanden en schepen in
gemeenschappelijken ondergang omhullen. Een dapper gevecht is echter
dikwijls een belofte van toekomstige vriendschap, en wij vernemen
dat Halfdan en Viking nadat zij er niet in waren geslaagd Njorfe,
een vijand van grooten moed, meester te worden, hun zwaarden na een
hevigen strijd in de scheede staken en hun vijand als derden in hun
innig vriendschapsverbond opnamen. Op weg huiswaarts van een dezer
gewone tochten, verloor Viking zijn beminde vrouw; en haar kind, Ring,
toevertrouwend aan de zorg van een pleegvader, trouwde de dappere held,
na een korten tijd van rouw, opnieuw. Deze keer was zijn huwelijkszegen
grooter, want de sage vertelt dat zijn tweede vrouw hem negen flinke
zonen schonk.

Njorfe, koning van Uplands, in Noorwegen, verheugde zich ook in
een gezin van negen dappere zonen. Maar, ofschoon hun vaders door
banden van de hechtste vriendschap waren verbonden, daar zij elkander
bloedbroederschap hadden gezworen volgens de echte Noorsche zeden,
waren de jonge mannen naijverig op elkander en zeer tot vechten
geneigd.



Het Balspel.

Niettegenstaande deze smeulende geprikkeldheid ontmoetten de jongelui
elkander dikwijls; en de sage vertelt dat zij gewoon waren samen
met den bal te spelen, en geeft een beschrijving van het vroegste
balspel dat in de Noorsche jaarboeken vermeld wordt. Viking's zonen,
even forsch en sterk als hij, waren geneigd zich weinig erom te
bekommeren hoe het hun tegenpartij ging, en te oordeelen naar het
volgend verslag, dat uit de oude sage is vertaald, waren de spelers
dikwijls in een even droevigen toestand als na een modern spel.

"Den volgenden morgen gingen de broeders aan het spelen, en hadden
bijna steeds den bal dien dag in handen; zij troffen menschen en
lieten hen ruw vallen en sloegen anderen. 's Avonds hadden drie mannen
gebroken armen en velen waren gekneusd of verminkt."

Het spel tusschen Njorfes en Vikings zonen liep op een twist uit,
en een van Njorfes zonen bracht een zijner tegenpartijders een
gevaarlijken en verraderlijken slag toe. Verhinderd op dat oogenblik
en op die plaats wraak te nemen, daar de toeschouwers tusschen beiden
kwamen, maakte de beleedigde man een nietszeggende verontschuldiging
om alleen naar het strijdperk terug te keeren; en toen hij daar zijn
aanvaller ontmoette, doodde hij hem.



De bloedveete.

Toen Viking hoorde dat een zijner zonen een van de kinderen van zijn
vriend had vermoord was hij zeer verontwaardigd, en gedachtig aan zijn
eed dat hij alle onrecht, Njorfe aangedaan, zou wreken, verbande hij
den jongen moordenaar. Toen de andere broeders deze uitspraak hoorden,
deden zij de gelofte dat zij den balling zouden vergezellen, en zoo nam
Viking bedroefd afscheid van hen, terwijl hij zijn zwaard Angurvadel
aan Thorsten den oudsten gaf, en hen aanried rustig te blijven op een
eiland in het Wener meer, totdat alle gevaar voor vergelding van de
zijde van Njorfes overgebleven zonen voorbij zou zijn.

De jonge mannen gehoorzaamden; maar Njorfes zonen hadden besloten hun
broeder te wreken, en, ofschoon zij geen booten hadden om hen over het
meer te zetten, maakten zij gebruik van de hulp van een toovenaar om
een sterke vorst te verwekken. Vergezeld van vele gewapenden slopen
zij toen, zonder leven te maken, over het ijs om Thorsten en zijn
broeders aan te vallen, en een vreeslijk bloedbad volgde. Slechts
twee van de aanvallers slaagden er in te ontvluchten, maar zij lieten,
zooals zij meenden, al hunne vijanden onder de dooden.

Toen kwam Viking zijn zonen begraven, en hij bevond dat twee van hen,
Thorsten en Thorer, nog leefden; waarop hij hen heimelijk in een
kelder onder zijn woning bracht, en na verloop van tijd herstelden
zij van hun wonden.

Njorfe's twee overlevende zonen ontdekten weldra door tooverkunsten,
dat hun tegenstanders niet dood waren, en zij deden een tweede
vergeefsche poging om hen te vermoorden. Viking zag dat de twist
voortdurend hernieuwd zou worden als zijn zonen thuis bleven; daarom
zond hij hen nu tot Halfdan, wiens hof zij bereikten na een reeks
van avonturen die in vele opzichten doen denken aan die van Theseus
op weg naar Athene.

Toen de lente aanbrak, ging Thorsten op een zeerooverstocht
en ontmoette toen Johul, Njorfes oudsten zoon, die, intusschen,
met geweld had bezit genomen van het koninkrijk Sogn, nadat hij den
koning had vermoord, zijn erfopvolger Belé had verbannen, en zijn
schoone dochter, Ingeborg, veranderd had in een oude heks.

In het verloop der geschiedenis wordt Johul voorgesteld als een soort
lafaard, want hij nam bij voorkeur zijn toevlucht tot tooverij als
hij Vikings zonen kwaad wilde doen. Zoo verwekte hij hevige stormen,
en Thorsten, na tweemaal schipbreuk geleden te hebben, werd slechts uit
de golven gered door de gewaande heks, die hij beloofde te huwen uit
dankbaarheid voor hare goede diensten. Thorsten, geraden door Ingeborg,
ging nu Belé zoeken, dien hij vond en weer op zijn erfelijken troon
plaatste, nadat hij hem erfelijke vriendschap gezworen had. Hierop
werd de ellendige betoovering gebroken, en Ingeborg, die nu in de
haar aangeboren schoonheid werd gezien, werd met Thorsten verbonden
en woonde met hem te Framnäs.



Thorsten en Belé.

Elke lente trokken Thorsten en Belé er samen op uit in hunne schepen;
en op een van deze tochten verbonden zij zich met Angantyr, een vijand
wiens moed zij behoorlijk hadden leeren kennen, en kregen weer een niet
te schatten goed in bezit, een magisch drakenschip, Ellida geheeten,
dat Aegir, god van de zee, eens aan Viking had gegeven als loon voor
een gastvrije behandeling, en dat hem ontstolen was.


    Een vorstlijke gift om te zien, want d' opgaande planken van
                                                            't schipraam
    Waren met spijkers niet vast, zooals pleegt, maar gegroeid in
                                                               elkander.
    Zijn gestalte was die van een draak als hij zwemt, maar verder
                                                              naar voren
    Rees zijn kop met veel fierheid omhoog, zijn hals daarbij straalde
                                                          van veel goud;
    Zijn buik was gevlekt met rood en met geel, maar achter bij
                                                             't roer lag
    Rond gevouwen zijn staart in cirkels, gansch schubbig van zilver;
    Vleug'len zwart met punten van rood; als ieder gespreid was
    Vloog Ellida vooruit met den storm, nog sneller dan d' arend,
    Ging zij volledig bemand haar weg over golvende zeeën,
    O, dan hieldt gij het wis voor een drijvend kasteel of een slotburg,
    't Schip was beroemd waar men kwam, en het eerste der schepen in
                                                             't Noorden.

                                                  Tegnér, Frithiof-sage.


In het volgende seizoen veroverden Thorsten, Belé en Agantyr de
Orkney-eilanden, die als koninkrijk aan den laatsten gegeven werden,
terwijl hij vrijwillig beloofde een jaarlijksche belasting te zullen
betalen aan Belé. Daarop gingen Thorsten en Belé een tooverring zoeken,
of een armband, die eens door Völund, den smid, gesmeed was en door
Soté, een beroemd roover, was gestolen.

Deze stoute roover was zóó bang dat iemand den tooverring in bezit zou
krijgen, dat hij zich zelf er mee levend begraven had in een aardhoop
in Bretland. Hier, zoo zeide men, hield zijn geest er steeds de wacht
over, en toen Thorsten in zijn graf kwam, hoorde Belé, die buiten
wachtte, het geluid van geweldige slagen die gegeven en teruggegeven
werden, en zag hij donkere vlammen van bovennatuurlijk vuur.

Toen Thorsten eindelijk uit den aardhoop, bleek en bebloed, maar
triumfeerend kwam aan wankelen, weigerde hij te spreken van den schrik
dien hij doorstaan had om den begeerden schat te winnen, maar vaak
placht hij te zeggen, als hij dien liet zien: "Ik beefde eens slechts
in mijn leven, en dat was toen ik hem wegnam".



Geboorte van Frithiof en Ingeborg.

Zoo, eigenaar van de drie grootste schatten van het Noorden, keerde
Thorsten huiswaarts naar Framnäs, waar Ingeborg hem een schoonen
jongen, Frithiof, schonk, terwijl twee zonen, Halfda en Helge, aan
Belé geboren werden. De knapen speelden samen en waren reeds vrij
groot, toen Ingeborg, Belé's dochtertje, geboren werd, en eenigen tijd
later werd het kind toevertrouwd aan de zorg van Hilding, die reeds
Frithiofs pleegvader was, daar Thorstens veelvuldige afwezigheid het
hem moeilijk maakte de opvoeding van zijn jongen te behartigen.


    Zij groeiden op in zuiv're vreugd;
    Een jonge boom was Frithiofs jeugd;
    En nevens hem in bloesemschoon
    Zoet' Ingeborg, der tuinen kroon.

                            Tegnér, Frithiof-sage.


Frithiof werd spoedig gehard en dapper onder de leiding van zijn
pleegvader, en Ingeborg ontwikkelde snel de lieflijkste trekken van
karakter en aanvalligheid. Beiden waren het gelukkigst als zij samen
waren; en toen zij ouder werden, werd hun kinderlijke genegenheid
dagelijks dieper en inniger, totdat Hilding, dezen staat van zaken
ziende, den jongen man beval te bedenken dat hij een onderdaan van
den koning was, en dus geen partij voor zijn eenige dochter.


    Tot Odin, in zijn sterrenpracht,
    Klimt op haar roemrijk voorgeslacht;
    Maar Thorstens zoon zijt gij: dit weet!
    Want "soort past best bij soort" zoo 't heet.

                            Tegnér, Frithiof-sage.



Frithiofs liefde voor Ingeborg.

Deze wijze raadgevingen kwamen echter te laat, en Frithiof verklaarde
met nadruk dat hij de schoone Ingeborg als bruid wilde winnen, trots
alle belemmeringen en zijn nederige afkomst.

Kort hierop ontmoetten Belé en Thorsten elkander voor het laatst, bij
het prachtige heiligdom van Balder, waar de koning, voelend dat zijn
einde nabij was, een plechtige vergadering, of Thing, had belegd van al
zijn voornaamste onderdanen, om zijn zonen Helge en Halfdan aan zijn
volk als zijn verkoren opvolgers voor te stellen. De jonge erfgenamen
werden bij deze gelegenheid zeer koel ontvangen, want Helge was somber
en stil van aard en tot een priesterlijk leven geneigd, en Halfdan
was van een zwakke, verwijfde natuur en bekend meer om zijn liefde tot
vermaken dan tot oorlog en jacht. Frithiof, die aanwezig was en naast
hen stond was het voorwerp van vele bewonderende blikken der menigte.


    Maar op hen volgde Frithiof dan,
    Gehuld in blauw gewaad
    Een hoofd wel grooter, teeken van
    Zijn heldelijken staat.

    Hij stond nabij de broeders daar
    Als rijpe dag, geschouwd
    Tusschen den morgen rozig klaar
    En nacht in donker woud.

                            Tegnér, Frithiof-sage.


Nadat hij zijn laatste instructies en raad aan zijn zonen had
gegeven en vriendelijk tot Frithiof had gesproken, voor wien hij
een hartelijke genegenheid koesterde, wendde de oude koning zich
tot zijn trouwen makker Thorsten, om afscheid van hem te nemen,
maar de oude krijgsman zeide dat zij niet lang gescheiden zouden
zijn. Belé sprak toen weder tot zijn zonen en beval hen dat zij zijn
grafheuvel in het gezicht van dien van Thorsten zouden oprichten,
opdat hun geesten met elkander omgang zouden hebben over de wateren
van de nauwe kreek die tusschen hen zou vloeien, opdat zij zoo zelfs
niet in den dood gescheiden zouden worden.



Helge en Halfdan.

Deze bevelen werden met piëteit uitgevoerd, toen, kort daarop, de oude
makkers hun laatsten adem uitbliezen; en toen de groote grafheuvels
waren opgericht, begonnen Helge en Halfdan hun koninkrijk te regeeren,
terwijl Frithiof, hun vroegere speelmakker, zich naar zijn eigen plaats
te Framnäs begaf, een vruchtbaar verblijf, liggend in een mooi dal,
dat omgeven was door de hooge bergen en de wateren van de altijd
veranderende kreek.


    Drie mijl strekten zich uit de velden in 't rond; aan drie kanten
    Dalen en bergen en heuv'len, waar aan den vierden de zee lag,
    Berken kroonden de toppen, maar over de hellende heuvels
    Glansde het goudene koren, en manshoog wuifde de rogge.

                                                  Tegnér, Frithiof-sage.


Maar ofschoon omringd door trouwe vrienden en gezegend met veel rijkdom
en het bezit van de beroemde schatten van zijn voorvader, het zwaard
Angurvadel, de Völundring, en het ongeëvenaarde drakenschip Ellida,
was Frithiof ongelukkig, omdat hij de schoone Ingeborg niet langer
elken dag kon zien. Al zijn vroegere geestkracht herleefde echter toen,
in de lente, op zijn uitnoodiging beide koningen hem kwamen bezoeken,
samen met hun schoone zuster, en opnieuw brachten zij lange uren door
in vroolijkheid en gezelligheid. Daar zij dus telkens samen waren, vond
Frithiof gelegenheid om aan Ingeborg zijn diepe genegenheid kenbaar
te maken, en hij ontving als antwoord de betuiging van hare liefde.


    Hij zat aan haar zijde en drukte haar hand
    En hij voelde den druk dien zij gaf van haar kant;
    Toen zijn blik zag haar aan
    Dien zij weergaf als 't zonlicht de teedere maan.

                                                  Tegnér, Frithiof-sage.



Frithiofs vrijage.

Toen het bezoek voorbij was en de gasten vertrokken waren, deelde
Frithiof zijn vertrouweling en aanzienlijksten metgezel, Björn,
zijn besluit mee om hen te volgen en openlijk Ingeborgs hand te
vragen. Zijn schip werd van zijn kettingen losgemaakt en het schoot
als een adelaar over naar de kust bij Balders heiligdom, waar de
vorstelijke broeders gezeten waren in statie op Belé's graf om te
luisteren naar de smeekingen hunner onderdanen. Zonder omwegen ging
Frithiof vóór hen staan en deed moedig zijn verzoek, er bij voegend
dat de oude koning hem altijd had lief gehad en zeker zijn bede zou
toegestaan hebben.


    Geen vorst was mijn vader, noch eêl van geslacht:
    Toch zingen de skalden van wat hij volbracht,
    De Rune noemt 't werk
    Volvoerd door mijn stam op bebeitelde zerk.

    Heel licht kon ik winnen mij aanzien en land
    Maar liever vertoef ik op 't welbekend strand,
    Als 'k waap'nen hanteer
    Bescherm ik den arme, mijn koning zijn eer.

    Op heuvel van Belé hier staan wij, elk woord
    In donkere diepten wordt door hem gehoord;
    Met Frithiof pleit mede
    De vorst in zijn graf: denk dus na, is mijn bede.

                                                  Tegnér, Frithiof-sage.


Toen beloofde hij verder levenslange trouw en den dienst van zijn
sterken rechterarm tot loon van het geschenk dat hij begeerde.

Toen Frithiof ophield, rees Helgé op, en den jongen man boos aanziende,
zeide hij "Onze zuster is niet voor een boerenzoon; trotsche heeren
van het Noorden mogen om haar hand dingen, niet gij. Wat uw aanmatigend
aanbod betreft, weet dat ik mijn koninkrijk kan verdedigen. Maar indien
gij mijn dienaar wilt zijn, een plaats in mijn huis kunt gij krijgen".

Woedend over de beleediging hem dus openlijk aangedaan, trok Frithiof
zijn onoverwinnelijk zwaard; maar, bedenkend dat hij op een gewijde
plek stond, sloeg hij enkel op 's konings schild, dat in twee stukken
kletterend op den grond viel. Toen terugkeerend naar zijn schip in
somber zwijgen, scheepte hij zich in en voer weg.


    In tweeën gekloofd door een slag viel toen daar
    Het schild van den vorst van zijn eiken pilaar;
    De slag heeft ontzet
    Die leven op aard, die in groef zijn gebed.

                                                  Tegnér, Frithiof-sage.



Sigurd Ring als vrijer.

Na zijn vertrek kwamen boden van Sigurd Ring, den onderkoning van
Ringric, in Noorwegen, die, na zijn vrouw verloren te hebben, naar
Helgé en Halfdan zond om Ingeborgs hand te vragen. Voordat hij dezen
koninklijken pretendent antwoord gaf, raadpleegde Helgé de Vala,
of profetes, en de priesters, die allen zeiden dat de voorteekenen
het huwelijk niet gunstig waren. Hierop riep Helgé zijn volk bijeen
om het woord te hooren dat de boden hun meesters moesten brengen,
maar koning Halfdan gaf, jammer genoeg, toe aan zijn schalkschen zin,
en maakte spottend een toespeling op den gevorderden leeftijd van den
koninklijken pretendent. Deze onhoffelijke woorden werden koning Ring
overgebracht en beleedigde hem zóó, dat hij onmiddellijk een leger
verzamelde en zich gereed maakte om tegen de koningen van Sogn op te
trekken ten einde de beleediging met zijn zwaard te wreken. Toen het
gerucht van zijn nadering de laffe broeders bereikte, werden zij bang
en, vreezende den vijand zonder bijstand van anderen te ontmoeten,
zonden zij Hilding tot Frithiof om zijn hulp te vragen.

Hilding vond Frithiof aan het schaakspelen met Björn en bracht dadelijk
zijn boodschap over.


    Van Belé's erven spoed 'k me voort
    Tot u met vragend, hoflijk woord,
    Zij zijn door dreigend nieuws ontsteld;
    Op u de hoop van gansch een volk.

    In Balders tempel, prooi van zorg,
    Treurt dag op dag zoet' Ingeborg:
    Zeg, mag zij weenen ongetroost
    Terwijl haar ridder hoort noch komt?

                                Tegnér, Frithiof-sage.


Toen de oude man aan het spreken was, ging Frithiof door met spelen,
terwijl hij er telkens een raadselachtige toespeling op het spel
tusschen wierp, totdat hij, aan dit punt gekomen, zeide:


    Björn wil vergeefs mijn koningin
    Die 'k sinds mijn kindsheid 't meest bemin!
    Z' is in mijn spel mijn liefste stuk,
    Kome wat wil--haar houd ik toch!

                                Tegnér, Frithiof-sage.


Hilding verstond zulk een wijze van antwoorden niet, en berispte
Frithiof ten slotte wegens zijn onverschilligheid. Toen stond Frithiof
op en, vriendelijk de hand van den ouden man drukkend, zeide hij hem,
dat hij den koning moest mededeelen dat hij te diep beleedigd was om
aan hun roep gehoor te geven.

Helgé en Halfdan, dus genoodzaakt te vechten zonder hun dappersten
leider, sloten liever een verdrag met Sigurd Ring, en zij kwamen
overeen dat zij hem niet alleen hun zuster Ingeborg zouden geven,
maar ook een jaarlijksche belasting.



Bij Balders Heiligdom.

Terwijl zij dus bezig waren op Soyn Sound, haastte Frithiof zich
naar Balders tempel waarheen Ingeborg veiligheidshalve gezonden
was, en waar, zooals Hilding had gezegd, hij haar ten prooi vond
aan het verdriet. Ofschoon het nu als een ontheiliging van den
tempel werd beschouwd als een man en vrouw een woord in het heiligdom
wisselden, kon Frithiof niet nalaten haar te troosten; en al het andere
vergetende, sprak hij tot haar en kalmeerde haar, terwijl hij al hare
gedachten dat de goden toornig zouden zijn tot rust bracht door haar
te verzekeren dat Balder, de goede, hun ontschuldigen hartstocht met
goedkeurende blikken moest aanzien, want een zoo zuivere liefde als
de hunne kon geen tempel ontheiligen; en zij eindigden met hun trouw
te bezweren op de meest gewijde plek.


    Gij fluistert: "Balder"--vreest zijn woede,
    Die eed'le god kent toorn noch haat,
    Wij eeren hier een minnaar, goede,
    Zijn dienst in onzer harten staat.
    De god wiens glans 't van zon moet winnen,
    Wiens trouw houdt eeuwigheden stand,
    Was niet voor Nanna door zijn minnen,
    Zoo zuiver, zoo tot gloed ontbrand?

    Zie hier zijn beeld, vol groot gelijken,
    Hoe mild, hoe zacht straalt zijn gezicht,
    Een offer kon ik hier hem reiken,
    Een hart, waar warme liefd' in licht,
    Kom, kniel met mij, geen altaargave,
    Is Balders ziel meer wellekom,
    Dan twee die met haar woorden staven
    Weerkeerige trouw in 't heiligdom.

                                Tegnér, Frithiof-sage.


Gerustgesteld door deze redeneering, die versterkt werd door de stem,
welke luide uit haar eigen hart sprak, kon Ingeborg niet weigeren
Frithiof te zien en met hem te spreken. Tijdens de afwezigheid
der koningen spraken de jonge minnenden elkander dagelijks, en zij
wisselden teekenen van liefde, terwijl Frithiof aan Ingeborg Völunds
armring gaf, dien zij--zoo beloofde zij plechtig--aan haar minnaar
zou terugsturen als zij gedwongen zou worden haar belofte om voor
hem alleen te leven, zou breken. Frithiof toefde te Framnäs totdat de
koningen terugkwamen, toen hij toegevend aan de zachte overredingen van
Ingeborg de Schoone weer voor haar verscheen en beloofde hen van haar
afhankelijkheid van Sigurd Ring te zullen bevrijden, als zij slechts
op hun besluit wilden terugkomen en hem de hand hunner zuster beloven.


                    Strijd wacht en slaat
    Zijn schittrend schild nu in uw rijksgebied;
    Uw land, vorst Helgé, is in slavernij
    Maar geef m' uw zuster, en ik leen mijn arm
    Tot uwe hulp. Zij komt u goed te pas.
    Kom, laat de twist van ons nu zijn vergeten,
    'k Voed die ongaarne tegen Ingborgs broeder,
    Laat raden u, wees wijs, en red meteen
    Uw gouden kroon en 't lieve zusterhart
    Hier is mijn hand, ik zweer bij Asa-Thor,
    Dat nooit ik weer ze tot verzoening strek.

                                Tegnér, Frithiof-sage.



Frithiof verbannen.

Maar ofschoon dit aanbod onder toejuiching van de verzamelde krijgers
werd ontvangen, vroeg Helgé boos aan Frithiof of hij met Ingeborg
had gesproken en zoo Balders tempel had ontheiligd.

Een geroep van "Zeg neen, Frithiof! zeg neen!" brak los uit den kring
van helden, maar hij antwoordde fier: "Ik zou niet liegen als ik
Valhalla er mede beërven kon. Ik heb gesproken tot uw zuster, Helgé,
toch heb ik Balder's vrede niet verstoord."

Een gemompel van afgrijzen doorliep de rijen bij deze bekentenis,
en toen de ruwe stem van Helgé zich tot het vonnis verhief, was er
niemand die de rechtvaardigheid van de uitspraak loochende.

Deze was schijnbaar niet hard, maar Helgé wist zeer goed dat zij den
dood beteekende en dit was zijn bedoeling.

Ver westelijk lagen de Orkney-eilanden, geregeerd door Jarl Angantyr,
wiens jaarlijksche belasting aan Belé niet inkwam nu de oude koning
in zijn graf lag. Men zeide dat hij een harde vuist had en zwaar van
hand was, en aan Frithiof werd de taak opgedragen in persoon van hem
de schatting te eischen.

Voordat hij uittoog op den tocht waartoe hij veroordeeld was, zocht hij
echter nog eens Ingeborg op, en smeekte haar met hem te ontvluchten
naar het zonnige Zuiden, waar haar geluk ook het zijne zoude zijn
en waar zij zou regeeren over zijn onderdanen als zijn geëerbiedigde
vrouw. Maar Ingeborg weigerde bedroefd met hem mee te gaan, zeggende,
dat sedert haar vader er niet meer was, zij onvoorwaardelijk aan hare
broeders moest gehoorzamen en niet kon huwen zonder hun toestemming.

De vurige geest van Frithiof was eerst ongeduldig omdat zijn hoop
was teleurgesteld, maar ten slotte zegevierde zijn edele natuur, en
na een hartverscheurend afscheidstooneel scheepte hij zich in op de
Ellida en zeilde bedroefd de haven uit, terwijl Ingeborg, door een
nevel van tranen, het zeil nastaarde toen het flauwer werd en in de
verte verdween.

Het schip was geheel uit het gezicht, toen Helgé om twee heksen,
Heid en Ham, zond, die hij beval door tooverbezweringen een storm
op zee te verwekken, waarin zelfs het goddelijke schip Ellida het
niet zou kunnen uithouden, zoodat allen aan boord zouden omkomen. De
heksen gehoorzaamden onmiddellijk; en met behulp van Helgé verwekten
zij weldra een storm welks woede ongeëvenaard is in de geschiedenis.


    Helgé op 't strand
    Doet zijn tooverspel,
    Heeft hen in zijn hand,
    Duiv'len van de hel.
    Duisternis omwolkt de lucht,
    Hoor, de donder rolt verwoed,
    Bleeke bliksem waar hij vlucht
    Tint de grauwe zee met bloed.
    De oceaan die kookt en ziedt,
    Spreidt z'n schuim in wild gebruis,
    Gillend of met snelheid vliedt
    Vooglen vlucht naar veilig thuis.

                            Tegnér, Frithiof-sage.


    Dan de storm schiet aan, gevleugeld,
    Wilder, wilder, drukt hen neer,
    Nu in diep, dan, onbeteugeld,
    Heft hen tot der goden sfeer;
    Elke schrikgeest vaart nu dreigend
    Op de torenhooge zee
    Uit de golven, wentlend, stijgend
    Bodemloos, een graf van wee.

                            Tegnér, Frithiof-sage.



De Storm.

Onbeangst door de kokende golven en gierende winden zong Frithiof een
vroolijk lied om zijn verschrikt scheepsvolk te kalmeeren; maar toen
het gevaar zóó groot werd dat zijn uitgeputte makkers zich verloren
waanden, dacht hij aan de schatting van de godin Ran, die altijd goud
vraagt van hen, die in vrede onder de zeegolven zullen rusten. Hij
nam zijn armband en hieuw hem met zijn zwaard doormidden en verdeelde
hem in gelijke stukken onder zijn mannen.


    Wie met leege handen
    Gaat tot blauwe Ran?
    Kil zijn hare kussen,
    Vloeiend haar omarming.

                            Tegnér, Frithiof-sage.


Hij beval Björn toen het roer te houden, en zelf klom hij boven in
den mast om den horizon te zien. Toen hij daar zat onderscheidde hij
een walvisch waarop de twee heksen den storm beheerschten. Sprekend
tot zijn goed schip, dat begaafd was met verstand en zijn bevelen
kon gehoorzamen, overviel hij nu beiden, walvisch en heksen, en de
zee werd rood gekleurd met hun bloed. Op hetzelfde oogenblik ging
de wind liggen, de golven hielden op te dreigen, en mooi weer lachte
weder over het water.

Uitgeput door hun voorafgaande bovenmenschelijke pogingen en door de
inspanning die het uitscheppen van hun met water vol geloopen vaartuig
hun kostte, waren de mannen te zwak om te landen, toen zij ten slotte
de Orkney-eilanden bereikten, en moesten aan de kust worden gebracht
door Björn en Frithiof, die hen zacht op het zand legden en zeiden
dat zij moesten uitrusten en zich verfrisschen na al den nood dien
zij hadden doorstaan.


    Toch nog moeier dan hun Draakschip
    Wank'len Frithiofs mannen aan,
    Steunt ook ieder op zijn wapen
    Nauwlijks kan hij rechtop staan.
    Björn op sterke schouders waagt het
    Vier te beuren op het strand.
    Frithiof neemt er acht en draagt ze
    Waar het vuur reeds lustig brandt.

    Neen, schaamt u niet, gij bleeken!
    Want golven zijn als Vikings,
    Zwaar is d' oneven strijd,
    Zeedochters haten ons.
    Zie, daar komt de drinkhoorn,
    Gaand' op gouden voet,
    Verwarmt u, koude zeelui,
    Ik drink op Ingeborg.

                            Tegnér, Frithiof-sage.


De komst van Frithiof en zijn mannen, en hun manier van landen,
werd opgemerkt door den wachter van Angantyr, die dadelijk zijn
meester meedeelde alles wat hij gezien had. De vorst riep dat het
schip, hetwelk zulk een storm doorstaan had, enkel Ellida kon zijn
en dat zijn kapitein zonder twijfel Frithiof was, de dappere zoon
van Thorsten. Toen hij dit hoorde nam een van zijn Berserkers, Atlé,
zijn wapens en schreed uit de hal, zeggende dat hij Frithiof wilde
uitdagen, en dus zich zelf voldoening wilde verschaffen in zake de
waarheid van de verhalen, die hij aangaande den moed van den jongen
held had gehoord.



Atlé's uitdaging.

Ofschoon nog zeer uitgeput nam Frithiof onmiddellijk Atlé's uitdaging
aan, en na een hevig zwaar gevecht, waarin Angurvadel overwon,
vochten de twee kampioenen in doodelijke omarming. Wijd en zijd is
die worsteling in het Noorden beroemd, en de helden waren beide goede
partijen, maar ten slotte wierp Frithiof zijn tegenstander neer, dien
hij toen en daar ter plaatste zou gedood hebben als zijn zwaard binnen
zijn bereik was geweest. Atlé zag zijn bedoeling en verzocht hem het
wapen te gaan halen, terwijl hij beloofde dat hij onbewegelijk zou
blijven gedurende zijn afwezigheid. Daar Frithiof wist dat zulk een
belofte van een held onschendbaar was, gehoorzaamde hij onmiddellijk;
maar toen hij met zijn zwaard terugkwam en zijn tegenpartij rustig
den dood vond afwachten, werd hij getroffen en verzocht Atlé op te
staan en te leven.


    "Nu stormen zonder beven
    "Als baren held op held
    "En slaan met staal omgeven
    "Hun borsten met geweld."

    "Zij vechten als hun beren
    "Op sneeuwland, fel verwoed,
    "En als twee aad'laars weren
    "Zich boven wilden vloed.
    "Zelfs hechte rotsen zouden
    "Hen nauwelijks weerstaan,
    "De sterkste eik der wouden
    "Viel vast voor minder slaan
    "Hun zweet vloeit neer in stroomen,
    "Hun borsten zwoegen wild;
    "Ook krijgen steenen, boomen
    "Den slag van speer die trilt."

                            Tegnér, Frithiof-sage.


Samen gingen nu de gekalmeerde helden naar Angantyr's hal, die,
zooals Frithiof zag, zeer verschilde van de ruwe woningen van zijn
geboorteland. De muren waren met leder bedekt dat rijk versierd was
met vergulde teekeningen. Het schoorsteenstuk was van marmer, en
glasruiten waren in de vensterramen. Een zacht licht werd verspreid
door vele kaarsen die in zilveren armen brandden, en de tafels bogen
onder de meest weelderige spijs.

Hoog in een zilveren stoel zat de vorst, gekleed in een gouden
maliënkolder, waarover een rijke mantel was heengeworpen, die met
hermelijn was omzoomd; maar toen Frithiof binnentrad schreed hij van
zijn zetel en strekte vriendelijk de hand uit. "Menigen horen heb ik
met mijn ouden vriend Thorsten geledigd," zeide hij, "en zijn dappere
zoon is eveneens welkom aan mijn disch."

Rustig ging Frithiof naast zijn gastheer zitten, en nadat hij had
gegeten en gedronken, vertelde hij zijn avonturen te land en ter zee.

Ten slotte echter deelde Frithiof zijn boodschap mede, waarop Angantyr
zeide dat hij geen schatting verschuldigd was aan Helgé, en hem geen
wilde betalen; maar dat hij de verschuldigde som als een vrije gift
aan den zoon van zijn ouden vriend zou geven, terwijl hij hem de
vrijheid liet er over te beschikken zooals hij wilde. Intusschen,
daar het jaargetijde ongeschikt was tot de terugreis en stormen
voortdurend de zee zweepten, noodigde de koning Frithiof uit met
hem den winter over te blijven; en het was eerst toen de lieflijke
lentekoelten weer bliezen, dat hij hem ten slotte toestond weg te gaan.



Frithiofs thuiskomst.

Afscheid nemende van zijn gastheer stak Frithiof in zee en, gestuurd
door gunstige winden, kwam de held, na zes dagen in het gezicht van
Framnäs, en bevond dat zijn huis in een vormlooze aschhoop was verkeerd
op bevel van Helgé. Bedroefd schreed Frithiof over de verwoeste
plek waar het huis zijner kindsheid had gestaan, en, toen hij de
troostelooze plaats overzag, brandde zijn hart in hem. De ruïnen
waren echter niet geheel verlaten, en plotseling voelde Frithiof
den kouden snuit van zijn hond in zijn hand. Eenige oogenblikken
daarna sprong zijn geliefkoosd ros aan zijns meesters zijde en de
trouwe schepselen waren bijna wild van vreugde. Toen kwam Hilding
hem bezoeken met de mededeeling dat Ingeborg nu de vrouw van Sigurd
Ring was. Toen Frithiof dit hoorde, beving hem een Berserker woede en
hij beval zijn mannen de schepen in de haven in den grond te boren,
terwijl hij naar den tempel ging om Helgé te zoeken.

De koning stond gekroond in het midden van een kring van priesters,
van welke eenigen brandende pijntakken zwaaiden, terwijl allen een
offermes van steen vasthielden. Plotseling was er een gekletter van
wapenen en Frithiof stortte naar binnen, zijn voorhoofd donker als
herfststormen. Helgé's gelaat werd bleek toen hij den toornigen held
aanzag, want hij wist wat zijn komst beteekende. "Neem uw schatting,
Koning," zei Frithiof, en met deze woorden nam hij de beurs uit den
gordel en wierp ze in Helgé's gezicht met zulk een kracht, dat het
bloed uit zijn mond stroomde en hij aan Balder's voeten in zwijm viel.

De zilvergebaarde priesters naderden de plaats waar de gewelddaad
was geschied, maar Frithiof wenkte hen terug, en zijn blikken waren
zóó dreigend, dat zij niet ongehoorzaam durfden wezen.

Toen viel zijn oog op den armring dien hij aan Ingeborg had gegeven
en dien Helgé aan den arm van Balder had gedaan, en, toeschrijdend op
het houten beeld zeide hij: "Vergiffenis, groote Balder, niet voor
u werd de ring gehaald uit Völunds graf!" Toen greep hij den ring,
maar hoe hard hij ook trok, hij wilde er niet af. Eindelijk spande
hij al zijn krachten in, en met een plotselingen ruk kreeg hij den
ring en op hetzelfde oogenblik viel het beeld van den god voorover op
het altaarvuur. Onmiddellijk werd het in vlammen gehuld, en voordat
iets kon gedaan worden stond de geheele tempel in vuur en rook.


    't Is al voorbij! Nu heft omhoog
    De roode haan zijn vleug'len!
    Zit op het dak, schreeuwt waar hij vloog
    Met wieken, niet te teug'len.

                                Tegnér, Frithiof-sage.


Frithiof, hevig verschrikt bij de ontwijding die hij zonder het
te willen op zijn geweten had, trachtte te vergeefs de vlammen te
blusschen en het kostbare heiligdom te redden, maar, bespeurend dat
zijn pogingen niets gaven, ontvlood hij naar zijn schip en besloot
tot het moeizame leven van een verworpene en een banneling.


    Gij moogt niet rusten
    Weg van de kusten
    Ellida!--voort
    Van oord tot oord,
    Steeds verder spoeden
    Door zoute vloeden
    Mijn dierb're Draak!

    Gij golven stout
    Helpt me! wij beiden
    Gaan nooit weer scheiden!
    Mijns vaders groef
    Ligt ginder droef,
    De waat'ren neuren
    In eindloos treuren,
    Toch blauwt mijn boot
    Door zeeën groot,
    Door buien zwoegend,
    De golven ploegend
    Zal verder gaan,
    Op, af en aan;
    Wees mij voor 't leven
    Tot woon gegeven,
    Wees graf voor mij
    O zee, zoo vrij.

                                Tegnér, Frithiof-sage.



Frithiof als balling.

Helgé vervolgde hem met tien groote drakenschepen, maar deze waren
nauwelijks onder weg of zij begonnen te zinken, en Björn zeide
lachend: "Wat Ran toevouwt zal zij dunkt mij houden". Met moeite kwam
koning Helgé aan land, en de overlevenden moesten hulpeloos blijven
toekijken terwijl Ellida's groote zeilen langzaam wegzonken achter den
horizon. Zoo zag Frithiof bedroefd zijn geboorteland uit het gezicht
verdwijnen; en toen hij verdween riep hij een teeder vaarwel toe aan
het geliefde land, dat hij nooit weer dacht terug te zien.

Na zoo zijn geboorteland verlaten te hebben, zwierf Frithiof over zee
als een roover of viking. Zijn wet was: nooit ergens aan wal te gaan,
op zijn schild te slapen, te vechten en noch kwartier te geven noch
te nemen, de schepen te beschermen die hem schatting opbrachten en
de andere te plunderen, en den geheelen buit onder zijn manschappen
te verdeelen, terwijl hij voor zich zelf niets anders behield dan
den roem van de onderneming. Zoo varend en vechtend bezocht Frithiof
vele landen en kwam ten slotte aan de zonnige Grieksche eilanden waar
hij gaarne Ingeborg als bruid had heengebracht; en het gezicht riep
zoovele droeve herinneringen bij hem wakker, dat hij bijna overweldigd
was door het verlangen naar zijn geliefde en naar zijn geboorteland.



Aan het hof van Sigurd Ring.

Drie jaren waren voorbijgegaan en Frithiof besloot noordwaarts
terug te keeren en het hof van Sigurd Ring te bezoeken. Toen hij
zijn plan aan Björn mededeelde, verweet hem zijn trouwe makker
dat hij zoo onbezonnen was er over te denken om alleen te reizen,
maar Frithiof wilde niet worden afgebracht van zijn plan en zeide:
"Ik ben nooit alleen terwijl Angurvadel aan mijn zijde hangt". Hij
stuurde Ellida de Vik (het opperste gedeelte van de Christiania Fiörd)
op, vertrouwde haar toe aan de zorg van Björn, en, gewikkeld in een
berenhuid, die hij als vermomming droeg, vertrok hij alleen te voet
naar het hof van Sigurd, waar hij aankwam toen de Yulefeesten aan
den gang waren. Alsof hij niet meer was dan een oude bedelaar ging
Frithiof op de bank bij de deur zitten, waar hij weldra het voorwerp
van de ruwe grappen der hovelingen werd. Toen echter een van zijn
plagers te dicht bij hem kwam, greep hem de zoogenaamde bedelaar met
sterke vuist en zwaaide hem hoog boven zijn hoofd.

Verschrikt door deze openbaring van bovenmenschelijke kracht trokken
de hovelingen zich fluks terug van zijn gevaarlijke nabijheid,
terwijl Sigurd Ring, wiens aandacht door de drukte getrokken werd,
den vreemden gast met strengheid beval nabij te komen en te vertellen
wie dus den vrede durfde verstoren in zijn koninklijke hal.

Frithiof antwoordde ontwijkend dat hij in boetedoening was groot
gebracht, dat hij armoede had geërfd en dat hij honger had; wat zijn
naam betrof, deze kwam er niet op aan. De koning, zooals hoffelijke
gewoonte was, drong niet verder bij hem aan, maar noodigde hem uit een
zetel te nemen naast hem en de koningin, en met hen te eten. "Maar
eerst", zei hij "laat de gehavende kleedij vallen, die, als ik mij
niet vergis, een flinke gestalte verbergt".

Frithiof nam gaarne de dus hartelijk tot hem gerichte uitnoodiging aan,
en toen de harige bedekking van zijn hoofd en zijn schouders viel,
stond hij bloeiend in de fierheid van de jeugd, zeer tot verbazing
der verzamelde krijgers.

Maar ofschoon zijn verschijning hem deed kennen als iemand van ongewoon
ras, herkende hem geen der hovelingen. Het was echter iets anders met
Ingeborg. Als een nieuwsgierig oog in dat oogenblik op haar gericht
geweest ware, zou haar verschietende kleur en de snelle beweging van
haar borst haar diepe ontroering hebben geopenbaard.


    Hoe kleurt nu een tint van rood haar het vorst'lijke, bleeke
                                                                gezicht,
    Zoo purper op velden in sneeuw het huiverende wonderlicht,
    Als twee witte waterlelies die dobbren op stroom, ongestild,
    Maar aldoor rijzend en dalend, dus zwoegt haar het harte wild.

                                                  Tegnér, Frithiof-sage.


Frithiof had nauwelijks plaats genomen aan tafel, toen met
trompetgeschal een groot wild zwijn werd binnengebracht en voor den
koning geplaatst. Overeenkomstig de Yule-gewoonte dier dagen stond
de oude vorst op, en, aanrakend den kop van het dier, uitte hij een
gelofte dat hij met hulp van Frey, Odin en Thor den stoutmoedigen
kampioen Frithiof zou overwinnen. Het volgende oogenblik stond ook
Frithiof overeind, en met zijn zwaard slaande op de groote houten
bank, verklaarde hij dat Frithiof zijn bloedverwant was en hij ook de
gelofte wilde doen, dat, ofschoon de heele wereld er tegen op kwam,
den held geen leed zou geschieden, zoolang hij de macht had zijn
zwaard te voeren.

Op deze onverwachte interruptie waren de mannen snel van de eikenhouten
banken opgestaan. Maar Sigurd Ring glimlachte toegeeflijk over de
heftigheid van den jongen man, en zeide: "Vriend, uwe woorden zijn
overmoedig, maar nooit werd hier een gast ontzegd zijn gedachten te
uiten in deze koninklijke hal". Toen keerde hij zich tot Ingeborg en
beval haar een grooten, rijkversierden horen, die voor haar stond,
tot den rand met haar beste meede te vullen en haar den gast aan te
bieden. De koningin gehoorzaamde met ter neder geslagen oogen en het
beven van haar hand maakte dat het vocht overliep. Twee gewone mannen
konden nauwelijks de groote hoeveelheid opgedronken hebben, maar
Frithiof hief ze naar zijn lippen, en, toen hij den horen terugtrok,
was er geen druppel van de meede meer in.

Eer de maaltijd geëindigd was noodigde Sigurd Ring den jongen
vreemdeling uit om aan zijn hof te blijven totdat het weer lente
was, en Frithiof, de aangeboden gastvrijheid aannemend, werd de
trouwe makker van het vorstelijk paar, dat hij bij alle gelegenheden
vergezelde.

Op zekeren dag ging Sigurd Ring met Ingeborg naar een feestmaal. Zij
reisden in een slee, terwijl Frithiof op schaatsen, bevallig naast
hen ging en vele geheimzinnige teekenen in het ijs kraste. Hun
weg voerde hen over een gevaarlijk stuk van de bevroren vlakte, en
Frithiof waarschuwde den koning dat het verstandig zou zijn dit te
vermijden. Hij wilde echter naar den raad niet hooren, en plotseling
zonk de slee in een diepe spleet, die ze met den koning en de koningin
dreigde te verzwelgen. Maar als een valk zoo snel was Frithiof in
een oogenblik bij hen en trok zonder moeite het paard en zijn last
op het harde ijs. "Inderdaad," zeide Ring, "Frithiof zelf kon het
niet beter gedaan hebben."

De lange winter liep ten einde, en in de vroege lente richtten de
koning en de koningin een jachtpartij aan, waaraan het geheele hof
deelnam. Toen de jacht plaats had, maakten zijn vergevorderde jaren
het Sigurd Ring onmogelijk door te zetten, en zoo geschiedde het dat
hij achter bleef, tot dat hij ten slotte met Frithiof alleen was. Zij
reden samen langzaam voort, totdat zij een lieflijk dal bereikten
dat den vermoeiden koning tot rusten uitnoodigde, en hij zeide dat
hij een oogenblik wilde liggen slapen.


    Toen wierp Frithiof af zijn mantel, legde hem op 't gras en zie!
    Vol vertrouwen lei de koning, nu zijn hoofd op Frithiofs knie
    Sliep zoo rustig als de held slaapt, is het strijdrumoer geschorst,
    Op zijn schild, of als het kind slaapt aan de zachte moederborst.

                                                  Tegnér, Frithiof-sage.



Frithiofs trouw.

Toen de oude koning dus sliep, zong een vogel voor Frithiof van een
boom in de nabijheid en zeide hem dat hij gebruik moest maken van
de onmacht van zijn gastheer, om hem te dooden, en de bruid terug
te winnen van wie hij zoo schandelijk beroofd was. Maar ofschoon
Frithiofs warm jong hart naar zijn verloofde snakte, wierp hij toch
de lafhartige gedachte van zich af, maar, bang dat hem de verzoeking
te sterk zou worden, trots zijn afschuw van het denkbeeld, gooide hij
in een opwelling zijn zwaard ver van zich in een naburig kreupelbosch.

Eenige oogenblikken later opende Sigurd Ring zijn oogen en zeide
Frithiof dat hij zich slechts had gehouden alsof hij sliep; hij
vertelde hem ook dat hij hem van het eerste oogenblik af had herkend
en hem op allerlei wijze op de proef gesteld had en bevonden had dat
zijn eer gelijk was aan zijn moed. De ouderdom was hem nu te machtig
geworden en hij voelde dat de dood naderde. Frithiof zou dus mogen
hopen dat zijn liefste verwachting binnenkort zou verwezenlijkt
worden, en Sigurd Ring zeide hem dat hij gelukkig zou sterven als
hij tot het einde toe bij hem bleef.

Maar een ander gevoel had Frithiof overmeesterd, en hij vertelde
den ouden koning dat hij overtuigd was dat Ingeborg nooit de zijne
kon zijn wegens den toorn van Balder. Te lang was hij gebleven; hij
wilde opnieuw op zee gaan en den dood in den strijd zoeken om zoo de
vertoornde goden te verzoenen. Vol van dit plan maakte hij spoedig
toebereidselen om te vertrekken, maar toen hij naar het hof terugkeerde
om zijn vorstelijken gastheer en zijn gastvrouw vaarwel te zeggen vond
hij Sigurd Ring stervende. De oude krijgsman herinnerde zich dat een
"strooien dood" Odin niet gunstig zou stemmen, en in tegenwoordigheid
van Frithiof en zijn hof sneed hij moedig de doodsrunen op zijn
arm en zijn borst. Toen greep hij Ingeborg met de ééne hand vast
en hief de andere op om Frithiof en zijn jeugdigen zoon te zegenen,
en verscheidde in vrede, naar de hallen der gezaligden.


    Goden, ik groet u!
    Zonen van Valhalla!
    D'aarde verdwijnt; tot der Asenen feest
    Roept mij de Giallar-hoorn;
    Zaligheid, als een
    Helm van goud, omringt den gast die kome!

                                    Tegnér, Frithiof-sage.



Verloving van Frithiof en Ingeborg.

De krijgslieden van de natie vergaderden nu in een plechtig Thing om
een troonopvolger te kiezen. Frithiof had de geestdriftige bewondering
van het volk gewonnen, en zij zouden hem gaarne tot koning hebben
gekozen; maar hij hief Sigurd Rings zoontje hoog op zijn schild toen
hij het geschreeuw hoorde dat zijn naam riep, en stelde het kind aan
de vergadering voor als hun aanstaanden koning, openlijk zwerend dat
hij hem zou ondersteunen totdat hij oud genoeg was om het gebied te
verdedigen. De knaap, moe van zijn lastige positie, sprong stoutmoedig
op den grond toen Frithiof zijn rede had geëindigd en kwam op zijn
voeten te land. Deze daad van behendigheid en durf in een zóó jong
persoon trof de ruwe Noren, en een luid geroep ging omhoog. "Wij
kiezen u, op het schild gedragen kind!"


    Maar zie, gebeurd op schild zat daar
    Het knaapje trotsch,
    Zoo tuurt in zon een adelaar
    Uit wolk om rots.

    Maar dan zijn rust'loos bloed bevond
    't Hier zijn te lang,
    En met één sprong zocht hij den grond,
    Vlug en niet bang.

                                    Tegnér, Frithiof-sage.


Volgens sommige berichten oorloogde Frithiof nu met de broeders
van Ingeborg, en, na hen overwonnen te hebben, stond hij hen
toe hun rijk te behouden mits zij hem een jaarlijksche schatting
betaalden. Vervolgens bleven hij en Ingeborg in Ringric totdat de
jonge koning in staat was de regeering te aanvaarden, waarop zij naar
Hordaland vertrokken, een rijk dat Frithiof eens door verovering had
verkregen, en dat hij aan zijn zonen Gungthiof en Hunthiof overliet.

De afloop van Bisschop Tegnérs verhaal is echter heel anders,
en, indien het minder schijnt te passen bij den ruwen aard van
de onbeschaafde zeerooverstijden, maken zijn hoogere geestelijke
eigenschappen het meer aanlokkelijk. Volgens Tegnérs gedicht werd
Frithiof door het volk van Sigurd Ring aangevuurd om Ingeborg te huwen
en onder hen als bewaker van het land te blijven. Maar hij antwoordde
dat dit niet kon, daar de toorn van Balder nog tegen hem gloeide,
en niemand hem zijn geliefde bruid kon geven. Hij zeide het volk,
dat hij over de zeeën wilde varen en wilde zoeken om vergiffenis van
den god te krijgen, en kort daarop nam hij afscheid en dreef de wind
opnieuw zijn schip voort. Frithiofs eerste bezoek werd gebracht aan
den grafheuvel van zijn vader, waar hij, gedompeld in zwaarmoedigheid
door de verlatenheid rondom, zijn ziel uitstortte voor den beleedigden
god. Hij herinnerde zich dat het de gewoonte was van de Noormannen
geld te eischen voor gedoode verwanten, en zeker zouden de zalige goden
niet minder vergevend zijn dan de op aarde geborenen. Hartstochtelijk
bezwoer hij Balder hem te toonen hoe hij zijn niet bedoelde vergrijp
zou kunnen goedmaken, en plotseling werd hem een antwoord vergund en
Frithiof zag in de wolken een visioen van een nieuwen tempel.


    Daar plotseling, op het westelijk water zwevend
    Komt aan een Beeld, in goud en vlammen levend,
    Het zweeft op Balders bosch, nachtwolken onder,
    Als gouden kroon rust op een bed van groen.
    Straks staat het vast, met boog en muur en drempel,
    Waar Balder stond is nu een nieuwe tempel.

                                    Tegnér, Frithiof-sage.


De held begreep onmiddellijk, dat de goden dus een middel tot
verzoening hadden aangegeven, en hij zag op tegen kosten noch moeite,
totdat een prachtige tempel en bosch, die verre de pracht van het
oude heiligdom te boven gingen, uit de bouwvallen oprees.


    Voltooid was Balders heiligdom,
    Geen palissade stond rondom
    Nu meer van hout,
    Een ijzeren hekwerk, punten goud,
    Schooner en sterker dan voorheen
    In evenwicht verscheen
    Om Balders heilig huis. Een lange stoet
    Geharnasten die speren schitt'ren doet.
    En helmen 't zonlicht--dus in pracht
    Blonk in het heilig woud de fiere wacht.

    En van graniet, met groote zorg bedocht
    Een stoute kunst, was 't machtig werk gewrocht,
    En zooals reuzenhallen,
    Die tijden niet doen vallen,
    Rees 't op--lijk Upsals tempel, waar het Noord
    Valhall verbeeld zag in dit wereldsch oord.

    Trotsch stond het dan op bergkant, zijn profiel
    Werd kalm gespiegeld in de klare zee,
    Rondom--gelijk een bloemengordel schoon,
    Ging Balders Dal, met boschjes vol muziek
    En teere vogelzangen, Vreeverblijf.

                                    Tegnér, Frithiof-sage.


Ondertusschen was, toen het hout gehakt werd, koning Helgé afwezig
op een tocht door het Finsche gebergte. Op zekeren dag gebeurde het,
dat zijn troep een rots passeerde, waar het eenzame heiligdom stond
van een vergeten god, en koning Helgé bestormde de rotsspits met het
doel om den bouwvalligen muur om te halen. Het slot bood weerstand,
en toen Helgé sterk trok aan de vermolmde poort, viel plotseling een
gehouwen beeld van den god, die ruw uit zijn langen slaap gewekt was,
van zijn nis naar beneden.

Zwaar kwam hij op het hoofd van den indringer neer, en Helgé viel
lang uit op den rotsgrond en lag bewegingloos.

Toen de tempel naar behooren aan Balders dienst werd gewijd, stond
Frithiof bij het altaar om de komst van zijn bruid af te wachten. Maar
Halfdan kwam eerst over den drempel, terwijl zijn wankelende tred
duidelijk toonde, dat hij een onvriendelijke ontvangst verwachtte. Toen
Frithiof dit zag, gespte hij zijn zwaard los en stapte vrijmoedig op
Halfdan toe met uitgestrekte hand, waarop de koning, met hoogen blos,
de toegestoken hand hartelijk aannam, en van dat oogenblik af waren
alle geschillen vergeten. Het volgende oogenblik kwam Ingeborg,
en de hernieuwde vriendschap van de langgescheiden vrienden werd
bekrachtigd door de hand van de bruid, die Halfdan in die van zijn
nieuwen broeder legde.


    Over den koop'ren drempel nu
    Halfdan schuw
    Kwam met angstigen blik en bleek,
    Schuin naar zijn machtigen vijand keek,
    En zwijgend op eenigen afstand stond
    Toen Frithiof, en zijn hand ontbond
    Angurvadel, den sterke, van zijn dij,
    Zijn gouden schild wierp hij ter zij;
    Op zijn vijand, bang,
    Trekt hij los met woord en waardigen gang,
    "Het edelst in 't gevecht is hij
    Die 't eerst zijn rechter biedt
    En versmaadt de trouwe verbroed'ring niet".
    Dan Halfdan, blozend, doet heel haastig uit
    Zijn ijz'ren handschoen, en zijn hand omsluit
    Die van den vriend, te lang gescheiden,
    Nu staan als bergen vast zij beiden.

    En eindlijk woorden diep
    Weerklinken er van zegen en van roem,
    Zie! Ingeborg treedt binnen, rijk gesierd
    Met bruidstooi en het slanke lijf gehuld
    In kostlijk hermelijn, haar volgen stil
    Meisjes met klaar gelaat, zooals den maanvorst
    Verzellen sterrenstoeten aan de lucht!
    Doch d' oogen van de bruid,
    Twee heem'len blauw,
    Met tranen zijn gevuld,
    En aan haars broeders hart zinkt neer zij bevend;
    Hij, door zijn zusters rouw
    Ontroerd, haar hand aan die van Frithiof gevend.
    Legt aan zijn heldenborst den lieven last,
    Beproefde trouw is dat wat Ingeborg past.

                                    Tegnér, Frithiof-sage.



HOOFDSTUK XXVIII: DE GODENSCHEMERING.


Het verhaal van de goden.

Een van de kenmerkende trekken van de Noorsche mythologie is dat
het volk steeds geloofde dat hun goden tot een vergankelijk ras
behoorden. De Aesir hadden een begin gehad; dus, redeneerde men, moeten
zij een einde nemen; en daar zij geboren werden uit een mengsel van
goddelijke elementen en van elementen der reuzen, en dus onvolmaakt
waren, droegen zij de kiem des doods in zich en waren als de menschen
veroordeeld den natuurlijken dood te ondergaan, teneinde geestelijke
onsterfelijkheid te verkrijgen.

Het geheele schema van de Noorsche mythologie was dus een drama,
waarvan elke stap gaandeweg leidde tot het toppunt of het tragisch
einde, als, met echt dichterlijke rechtvaardigheid, straf en loon
onpartijdig werden uitgedeeld. In de vorige hoofdstukken zijn de
langzame opkomst en het verval der goden zorgvuldig vermeld. Wij
hebben verhaald, hoe de Aesir de aanwezigheid van het kwaad, in Loki
verpersoonlijkt, in hun midden duldden; hoe zij zwak zijn raad volgden,
toestonden dat hij hen in allerlei soorten van moeilijkheden bracht,
waaruit zij slechts ten koste van hun deugd of vrede konden ontkomen,
en eindelijk hem veroorloofden zulk een macht over hen te krijgen, dat
hij niet schroomde hen van hun liefste bezit, zuiverheid of onschuld,
gepersonifieerd in Balder den goeden, te berooven.

Te laat bemerkten de goden hoe slecht deze geest was die een verblijf
onder hen had gevonden, en te laat verbanden zij Loki naar de aarde,
waar de menschen, volgend het voorbeeld van de goden, naar zijn lessen
luisterden en bedorven werden door zijn noodlottigen invloed.


    Broed'ren slaan broed'ren;
    Zusterskind'ren
    Storten elkaars bloed,
    Vleeschlijk kwaad neemt toe,
    Het zijn zwaardtijden, akstijden;
    Schilden klieft men door,
    Stormtijden, moordtijden
    Tot de wereld sterft,
    En niemand meelij voelt
    Meer voor zijn nevenmensch.

                    Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).



De Fimbul-winter.

Ziende dat de misdaad tierde en al het goede van de aarde verbannen
was, bedachten de goden dat de van oudsher gedane voorspellingen
op het punt waren in vervulling te treden, en dat de schaduw van
Ragnarok, de schemering der goden, reeds over hen was. Sol en Mani
werden bleek van schrik, en stuurden hunne wagens bevend langs de
paden die zij moesten gaan, terwijl zij bevreesd omkeken naar de hen
achtervolgende wolven, die hen spoedig zouden inhalen en verslinden;
en toen hun glimlach verdween, werd de aarde droevig en koud, en
de vreeslijke Fimbul-winter begon. Toen viel er sneeuw uit de vier
windstreken tegelijk, de scherpe winden joegen aan van het noorden
en de geheele aarde was met een dikke laag ijs bedekt.


    De strenge Fimbul woedde en bracht
    Op aard veel storm en sneeuwjacht,
    De zee sloeg schotsen kort en klein
    En wierp het ijsschuim, tot waar zijn
    De bergen hoog;
    Geen zoelte toog,
    Geen lichtglans, zij het nog zoo flauw.
    Temp'rend den nacht van vorst en kou.

                                Valhalla (J. C. Jones).


Deze strenge winter duurde drie volle seizoenen zonder tusschenpoozen
en werd gevolgd door drie andere, even streng, waarin alle vreugde
van de wereld wegging en de misdaden der menschen met vreeslijke
snelheid toenamen, terwijl in den algemeenen strijd voor het leven,
de laatste gevoelens van menschelijkheid en mededoogen verdwenen.



De wolven losgelaten.

In de donkere hoeken van het IJzerbosch voedde de reuzin Iarnsaxa of
Angur-boda nauwgezet de wolven Hati, Sköll en Managarm, het kroost van
Fenris, met het merg van moordenaars en de beenderen van echtbrekers;
en zóóveel kwamen deze lage misdaden voor, dat de schier onverzadelijke
monsters nooit gebrek aan voedsel hadden. Zij wonnen dagelijks aan
kracht om Sol en Mani te vervolgen, en haalden hen eindelijk in en
verscheurden hen terwijl zij de aarde overstroomden met bloed uit
hun druipende muilen.


    Zij zat in het Oosten, die oude Jarnrid,
    En zij voedd' er de kinderen, geboren uit Fenrir;
    Hij zal zijn het schrikkelijkst van al, hij,
    Die, onder den vorm van een monster, zal verzwelgen de maan.

                                                            Voluspa.


Bij dit vreeselijk onheil trilde en schokte de geheele aarde, de
sterren, ontsteld, vielen van hunne plaatsen, en Loki, Fenris en Germ,
hun pogingen vernieuwend, rukten hun keten van elkander en stormden
aan om wraak te nemen. Op hetzelfde oogenblik knaagde de draak Nidhug
den wortel van den esch Yggdrasil door, die tot aan zijn bovensten
top sidderde; de roode haan Fialar, zwevend boven Valhalla, kraaide
luid alarm, wat onmiddellijk beantwoord werd door Gullin-kambi,
den huishaan in Midgard en door Hels donkerrooden vogel in Niflheim.


            De haan met gouden kam
    Riep luid te wapen allen in 't Valhal;
    De haan, bloedrood, roept even fel bijeen
    Die zijn op aard en ook er onder.

                Viking-vertellingen van het Noorden (R. B. Anderson.)



Heimdall geeft het sein.

Heimdall, deze voorzeggende teekenen bespeurend en hoorend den
schrillen kreet van den haan, bracht onmiddellijk den Giallar-hoorn
aan zijn lippen en blies den langverwachten klank, die door de wereld
werd gehoord. Bij het eerste klinken van verzamelen sprongen Aesir en
Einheriar van hun gouden bedden op en stormden dapper uit de groote
hal, gewapend tot den aanstaanden slag, en, bestijgend hun ongeduldige
paarden, galloppeerden zij over de sidderende regenboogbrug naar het
wijde veld Vigrid, waar, zooals Vafthrudnir lang te voren voorspeld
had, de laatste slag moest plaats hebben.



De verschrikkingen van de zee.

De vreeselijke Midgardslang Iörmungandr werd door de algemeene
beweging gewekt, en met ontzaglijke kronkelingen en trekkingen,
waardoor de zeeën tot zóó hooge golven werden opgezweept als vroeger
nooit de diepte van den oceaan ontrust hadden, kroop hij op het land
en haastte zich om aan den vreeslijken strijd mede te doen, waarin
hij een hoofdrol zou spelen.


    In reuzenbocht de slang lag neer
    Diep in de zee, tot, vrij van boei,
    Hij oprees op het schuimgeloei;
    Onder de zwieping van zijn staart
    Zwol water, bergenhoog, op 't land.
    Toen ijlend wild dwars door het diep
    Stortend zijn bloedig schuim in vaart,
    Als hagel, aad'mend giftig fel
    Doodlijken nevel over d' aard,
    Zocht hij door branding heen het strand.

                                    Valhalla (J. C. Jones).


Een van de golven, door Iörmungandr's bewegingen opgezet, maakte
Nagilfar vlot, het noodlottig schip, dat enkel gemaakt was uit de
nagels van die doode menschen, wier verwanten, door de eeuwen heen,
hun plicht verzuimd hadden om de nagels der overledenen te knippen
eer zij ter ruste werden gelegd. Nauwelijks was dit schip vlot, of
Loki ging er op met de vurige bende van Muspells-heim en stuurde het
stout over de stormachtige wateren naar de plaats van het gevecht.

Dit was niet het eenige schip echter dat naar Vigrid koers zette, want
uit een dikke mistbank noordwaarts kwam een ander schip, bestuurd door
Hrym, waarin al de vorstreuzen waren, tot de tanden gewapend en zich
verheugend in den strijd tegen de Aesir, die zij altijd hadden gehaat.



De verschrikkingen van de Onderwereld.

Terzelfder tijd kroop Hel, de godin van den dood, door een spleet van
de aarde uit haar huis onder den grond, op den voet gevolgd door den
Hellehond Garm, den boosdoener van haar vreugdeloos gebied, en den
draak Nidhug, die over het slagveld vloog terwijl hij lijken op zijn
schouders droeg. Zoodra hij landde, heette Loki deze versterkingen
met vreugde welkom en, zich aan het hoofd plaatsend, marcheerde hij
met hen ten gevecht.

Plotseling werd de lucht in tweeën gescheurd en door de vurige bres
reed Surtr met zijn vlammend zwaard, gevolgd door zijn zonen; en toen
zij over de brug Bifröst reden, met het plan om Asgard te bestormen,
viel de roemrijke boog met gekraak onder den tred hunner paarden in.


    Door het gebied der lucht,
    In blinkend staal, geducht,
    En in slagorden rijk;
    Ging het, wijl heet gevlam
    Uit snelle hoeven kwam,
    Voerend zijn stoet vol glans reed Surtur
    Tusschen de stroomen woedend vuur.

                                    Valhalla (J. C. Jones.)


De goden wisten zeker dat hun einde nu nabij was en dat hun zwakheid
en gebrek aan voorzorg hen in een zeer nadeeligen toestand hadden
gebracht, want Odin had slechts één oog, Tyr slechts één hand, en
Frey enkel één hertshoorn om zich daarmede te verdedigen, in plaats
van zijn onverwinlijk zwaard. Niettemin lieten de Aesir geen wanhoop
blijken, maar, als echte slaggoden van het Noorden, trokken zij hun
rijkste kleeding aan, en reden vroolijk naar het slagveld, besloten
hun leven zoo duur mogelijk te verkoopen.

Terwijl zij dus hunne krachten monsterden, reed Odin nog eens naar
de Urdarfontein, waar, onder den nedervallenden Yggdrasil, de Nornen
zaten met gesluierde aangezichten en hardnekkig zwijgend, terwijl haar
weefsels verscheurd aan hare voeten lagen. Nog eenmaal fluisterde de
vader der goden een geheimzinnige mededeeling aan Minir toe, waarop
hij Sleipnir besteeg en met den wachtenden troep meeging.



Het groote gevecht.

De strijders waren nu samen op Vigrids breede vlakte. Aan den eenen
kant waren de fiere, kalme gezichten der Aesir, Vanas en Einheriar
gerangschikt; terwijl aan den anderen kant vereenigd waren de bonte
troep van Surtr, de grimmige vorstreuzen, het bleeke leger van Hel,
en Loki en zijn verschrikkelijk gevolg, Garm, Fenris en Iörmungandr,
terwijl de beide laatsten vuur en rook braakten en wolken uitademden
van schadelijke, doodelijke dampen, die den geheelen hemel en de
geheele aarde met hun giftigen adem vervulden.


                            De jaren gaan,
    Geslachten vlieden, eeuwen worden oud,
    't Brengt als ons nader tot den lesten dag,
    Als uit het Zuid de vurige stoet marcheert
    En overschrijdt de brug, Loki als gids,
    En Fenris volgend met gebroken boei,
    Terwijl van 't oost de groote Rymer komt
    En stuurt zijn schip en landen doet de slang;
    En allen worden op het hemelveld
    Gevoerd tegen de goden in carré.

                                    Balder Dood (Matthew Arnold.)


Al het verborgen antagonisme van eeuwen werd nu ontbonden in een stroom
van haat, terwijl ieder lid van de tegenover elkander staande legers
met grimmige vastberadenheid vocht, zooals onze voorouders van ouds
deden, hand tegen hand, en van aangezicht tot aangezicht. Met een
hevigen schok, die gehoord werd boven het krijgsrumoer uit dat het
heelal vervulde, kwamen Odin en de Fenriswolf in geweldige aanraking,
terwijl Thor de Midgardslang aanviel, en Tyr handgemeen werd met den
hond Garm. Frey vocht met Surtr, Heimdall met Loki, dien hij vroeger
reeds verslagen had, en de rest van de goden en al de Einheriar vonden
vijanden die hun dapperheid waard waren. Maar trots hun dagelijksche
oefening in de hemelsche stad, was Valhalla's schare veroordeeld
om te komen, en Odin was onder de eersten der blinkenden die vallen
moest. Zelfs de groote moed en de machtige eigenschappen van Alvader
konden het getij van het kwaad dat in den Fenriswolf verpersoonlijkt
was, niet weerstaan. Elk volgend oogenblik van den strijd nam zijn
kolossale gestalte groote afmetingen aan, totdat ten slotte zijn
wijdgeopende kaken de gansche ruimte tusschen hemel en aarde omvatten
en het vreeslijk monster aanstormde op den vader van de goden en hem
in levenden lijve met zijn verschrikkelijken muil verzwolg.


    Fenrir zal met fellen tand
    Aller eeuwen heer verslaan;
    Vithar zal zijn wreker zijn,
    En, vechtend met den ruigen wolf,
    Klieven zijn bebloeden muil.

                        Vafthrudni's-mal.


Geen van de goden kon Alvader een helpende hand bieden op het kritieke
oogenblik, want het was voor allen een moeilijke tijd. Frey deed
heldhaftige pogingen, maar Surtr's vlammend zwaard bracht hem een
doodelijken slag toe. In zijn strijd met den aartsvijand Loki ging
het Heimdall beter, maar zijn laatste overwinning werd duur gekocht,
want ook hij viel dood. De strijd tusschen Tyr en Garm had hetzelfde
tragische einde, en Thor, na een allerverschrikkelijkst gevecht
met de Midgardslang, en na hem met een slag van Miölnir te hebben
neergeslagen, deinsde negen stappen terug en verdronk in den stroom
vergif die uit de kaken van het stervende monster kwam.


    Odins zoon gaat
    Met het monster ten strijde,
    Midgard's Veor in toorn
    Wil dooden den draak,
    Negen voeten treedt
    Fiorgyns zoon,
    Door de slang gebogen
    Die geen vijand vreesde.

                        Saemunds Edda.


Vidar kwam nu aansnellen van een verwijderd deel der vlakte om den
dood van zijn machtigen heer te wreken, en de voorspelde vloek trof
Fenris, wiens onderkaak nu den slag van dien schoen voelde die voor
dezen dag bewaard was. Op hetzelfde oogenblik greep Vidar de bovenkaak
van het monster met zijn handen, en scheurde hem met een vreeslijken
ruk in tweeën.



Het verslindende vuur.

De andere goden die deelnamen aan het gevecht, en al de Einheriar
waren nu gevallen, en Surtr wierp nu plotseling zijn vurige donders
over hemel, aarde en de negen rijken der Hel. De woedende vlammen
omringden den zwaren stam van den wereldsche Yggdrasil, en bereikten de
gouden paleizen der goden die geheel verteerd werden. De plantengroei
op aarde werd eveneens vernietigd en de brandende hitte deed al de
wateren zieden en koken.


    Vuuraâm valt aan
    Den alvoedenden boom,
    Stijgend vuur speelt
    Naar de lucht zelfs toe.

                        Saemunds Edda.


De groote brand woedde verschrikkelijk totdat alles verteerd was,
toen de aarde, zwart en gewond, onder de kokende golven der zee
wegzonk. Ragnarok was inderdaad gekomen, de tragedie der wereld
was voorbij, de goddelijke spelers waren gedood en de chaos scheen
haar vroegere heerschappij herwonnen te hebben. Maar evenals in een
tooneelstuk, nadat de hoofdpersonen vermoord zijn en het gordijn is
gevallen, de aanwezigen nog verwachten dat de gunstelingen verschijnen
en een buiging maken, zoo meenden de oude Noorsche volken dat als
alles in Surtr's vlammen was omgekomen, uit de algemeene ruïne de
goedheid zou oprijzen, om hare heerschappij over de aarde te hernemen,
en dat sommige goden zouden terugkeeren en voor eeuwig in den hemel
zouden wonen.


                                     Alle kwaad
    Sterft een eindloozen dood, en goedheid rijst
    Uit dat groot wereldvuur gezuiverd weer
    Tot leven hooger, beter, eedler dan weleer.

                     Viking-verhalen van het Noorden (R. B. Anderson).



Wedergeboorte.

Onze voorouders geloofden ten volle in de wedergeboorte en hielden het
er voor, dat na een zeker tijdsverloop de aarde, gezuiverd door het
vuur, gelouterd door hare indompeling in de zee, weer verrees in al
hare oorspronkelijke schoonheid en verlicht werd door de zon, welker
kar gevoerd werd door een dochter van Sol, geboren eer de wolf haar
moeder had verslonden. De nieuwe dagtoorts was niet onvolmaakt als de
eerste zon was geweest, en hare stralen waren niet langer zóó sterk
dat men een schild moest plaatsen tusschen haar en de aarde. Deze
meer weldadige stralen deden de aarde weldra haren groenen mantel
vernieuwen en haar bloemen en vruchten in overvloed voortbrengen. Twee
menschelijke wezens, een vrouw Lif, en een man Lifthrasir, doken nu op
uit de diepten van Hodmimir's (Mimir's) bosch, waarheen zij gevlucht
waren toen Surtr de wereld in brand stak. Zij waren daar in vredige
sluimering gezonken, onbewust van de verwoesting rondom hen, en waren
er gebleven, gevoed door den morgendauw, totdat zij veilig opnieuw
konden uittrekken, waarop zij bezit namen van de herboren aarde,
die hun afstammelingen moesten bevolken en waarover zij volkomen
heerschappij zouden voeren.


                        Wij zullen rijzen zien
    Uit lichte zee aan onzen voet een aard
    Frisscher dan de oude, bloeiender, met vrucht
    Van zelf ontloken, en met menschen die
    Dan zullen leven in vrede als eens in twist.

                                    Balder Dood (Matthew Arnold).



Een nieuwe hemel.

Al de goden die de ontwikkelingskrachten der natuur voorstelden,
werden op het noodlottige Vigridveld verslagen, maar Vali en Vidar,
de typen van de onvergankelijke krachten der natuur, keerden tot het
Idavold terug, waar zij Modi en Magni, Thors zonen, ontmoetten, de
verpersoonlijkingen van sterkte en energie, die den heiligen hamer van
hun vader uit de algemeene verwoesting redden en hem er heen brachten.


    Vithar's dan en Vali's kracht
    Erft het ledig goôngebied;
    Mothi's spieren, Magni's wil
    Zwaaien nu den moker zwaar,
    Hun bezit, sinds Donar viel.

                        Vafthrudni-mal.


Hier ontmoetten zij Hoenir, niet langer een balling onder de Vanas,
die, als ontwikkelingskrachten, ook voor goed verdwenen waren; en
uit de donkere onderwereld, waar hij zoo lang gekwijnd had, rees
de stralende Balder op, samen met zijn Broeder Hodur, met wien hij
verzoend was en met wien hij in volkomen vriendschap en vrede zou
leven. Het verleden was voor goed voorbij en de overlevende goden
konden het zonder bitterheid terugroepen. De herinnering aan hun
vroegere makkers was hun echter dierbaar, en vaak keerden zij naar
hun oude verblijven terug. Zoo wandelden zij eens in het lange gras
op Idavold en vonden weer de gouden schijven waarmede de Aesir altijd
speelden.


    Wij zullen gaan weer langs 't bekend terrein
    Van Ida, en wij zullen tusschen 't gras
    Vinden de gouden schijven, waarmee eens
    Wij speelden, dit herinnert ons 't weleer,
    Der goden tijdverdrijf, het wijs gesprek
    Van Odin, al de vreugde van 't verleên.

                        Balder Dood (Matthew Arnold).


Toen de kleine stoet der goden zich bedroefd naar de plaats keerde,
waar hun vorstelijke verblijven eenmaal stonden, bespeurden zij,
tot hun blijde verrassing, dat Gimli, het hoogste hemelsche paleis,
niet vernield was, want het rees schitterend voor hen op, terwijl
zijn gouden dak de zon overscheen. Zij haastten zich er naar toe
en ontdekten, tot hun nog veel grooter blijdschap, dat het het
toevluchtsoord was geworden voor alle deugdzamen.


    In Gimli het grootsche,
    Daar zal de schaar
    Der deugdzamen zijn,
    En door alle eeuw
    Smaken de vreugde.

              Letterkunde en Romantiek van Noord-Europa (Howitt).



Een te groot om te noemen.

Daar de Noormannen, die zich op IJsland vestigden, en door wie
de meest volledige expositie van het Odins geloof ons in de Eddas
en Sages heeft bereikt, niet geheel bekeerd werden voor de elfde
eeuw--ofschoon zij in aanraking waren gekomen met Christenen op hun
vikingtochten bijna zes eeuwen vroeger,--is het zeer waarschijnlijk,
dat de Noordelijke scalden eenige denkbeelden van de Christelijke
leerstellingen opdeden, en dat deze kennis in zekere mate invloed
op hen uitoefende, en hun beschrijvingen van het wereldeinde en de
wedergeboorte der aarde kleurde. Misschien was het deze vage kennis
ook, die hen er toe bracht aan de Edda een vers toe te voegen dat
men gewoonlijk voor een interpolatie houdt, waarin gezegd wordt dat
een andere God, te groot om te noemen, zou verrijzen om over Gimli te
heerschen. Van deze hemelsche plaats zou hij de menschheid oordeelen en
de boozen van de goeden scheiden. De eersten zouden worden verbannen
naar de ellendige oorden van Nastrond, terwijl de goeden naar de
zalige hallen van Gimli, het lieflijke, zouden worden overgebracht.


    Dan komt een ander,
    Nog meer machtig,
    Maar Hem te noemen
    Durf ik niet wagen.
    Meest ziet niet verder
    Men dan waar Odin
    Den wolf gaat treffen.

            Letterkunde en Romantiek van Noord-Europa (Howitt).


Er waren twee andere hemelsche verblijven echter, het eene afgezonderd
voor de dwergen en het andere voor de reuzen; want daar deze schepselen
geen vrijen wil hadden en slechts blindelings de bepalingen van het
lot uitvoerden, achtte men hen niet verantwoordelijk voor eenig kwaad
dat zij hadden gedaan; en dus, meende men, verdienden zij geen straf.

De dwergen, geregeerd door Sindri, bewoonden, meende men, een gebouw in
de Nidabergen, waar zij de vonkelende meê dronken, dewijl de reuzen
zich vermaakten in de hal Crimer, gelegen in de streek Okolnur,
(niet koel), want de macht van de koude was geheel vernietigd, en er
was geen ijs meer.

Verschillende mythologen hebben natuurlijk beproefd deze mythen te
verklaren, en eenigen, zooals wij reeds hebben gezegd, zien in het
verhaal van Ragnarok den invloed van Christelijke onderrichting en
beschouwen het enkel als een barbaarsche vertolking van het wereldeinde
en van de komende oorlogsdag, als een nieuwe hemel en aarde zal rijzen
en alle goeden eeuwige zaligheid zullen genieten.



HOOFDSTUK XXIX: GRIEKSCHE EN NOORSCHE MYTHOLOGIE.


Vergelijkende Mythologie.

Gedurende de laatste vijftig jaren hebben geleerden van allerlei
landen zóó grondig de philologie en vergelijkende mythologie
beoefend, dat zij boven allen twijfel hebben gesteld "dat het
Engelsch, met alle Teutonische dialekten van het vasteland, tot de
groote taalfamilie behoort, die, behalve de Teutonische, Latijnsche,
Grieksche, Slavische en Celtische, de Oostersche talen van Indië en
Perzië omvat." "Ook is het bewezen dat de verschillende stammen, die
van hun gemeenschappelijk gebied uitgingen om Europa in het Noorden
en Indië in het Zuiden te ontdekken, met zich namen niet alleen een
gemeenschappelijke taal maar ook een gemeenschappelijk geloof en een
gemeenschappelijke mythologie. Dit zijn feiten waarmede men onbekend
kan zijn, maar waarover men niet kan twisten, en de twee wetenschappen
van vergelijkende spraakleer en vergelijkende mythologie, schoon
slechts van jongen datum, berusten op een grondslag zóó degelijk en
vast als welke inductieve wetenschap ook." "Want meer dan duizend
jaar zijn de Skandinavische bewoners van Noorwegen in de taal van hun
Teutonische broederen op het Vasteland gescheiden geweest, en toch
hebben beiden niet alleen eenzelfde bezit van volksoverleveringen
bewaard, maar zij vertelden ze, bij verschillende gelegenheden,
in schier dezelfde woorden."

Deze gelijkenis, die zoo sterk is in de vroege literatuur van
volken, die landen bewonen welke in vele opzichten hetzelfde physiek
karakter vertoonden en bijna hetzelfde klimaat hebben, is niet zoo
sprekend als wij de Noorsche mythen vergelijken met die van het
geniale Zuiden. Toch, in weerwil van het contrast tusschen Noord- en
Zuid-Europa, waar deze mythen geleidelijk rijpten en haar vollen wasdom
erlangden, is er analogie tusschen de beide mythologiën, die toont dat
de kiemen, waaruit beide voortkwamen, oorspronkelijk dezelfde waren.

In de voorafgaande hoofdstukken is het stelsel van Noorsche mythologie
zoo duidelijk mogelijk geschetst, en de natuurbeteekenis van de mythen
is er verklaard. Nu zullen wij trachten de overeenkomst tusschen de
Noorsche mythologie en die van de andere Aziatische volken te laten
zien door ze te stellen naast de Grieksche, waarop zij echter niet
zooveel gelijkt als de Oostersche.

Natuurlijk is het in een werk als dit onmogelijk meer te doen dan
aan te geven de hoofdpunten van overeenkomst in de verhalen, die
den grondslag van deze godsdiensten vormen; maar dit zal ook voor
den grootsten scepticus voldoende zijn om aan te toonen, dat zij
identiek moeten zijn geweest in een tijd, die te veraf ligt om dien
nu met eenige zekerheid aan te wijzen.



Het begin van de dingen.

De Noorsche volken, evenals de Grieken, dachten dat de wereld uit
een chaos voortkwam, en terwijl de laatsten dien beschreven als een
nevelige, vormelooze massa, schetsten de eersten, onder den invloed
van hun onmiddellijke omgeving, hem als een chaos van vuur en ijs--een
combinatie die maar al te begrijpelijk is voor iemand die IJsland
heeft bezocht en het wilde, bijzondere contrast heeft gezien tusschen
zijn vulcanischen bodem en spuitende geysers, en de groote ijsbergen
die het rondom omheinen gedurende het lange, donkere winterseizoen.

Uit deze tegengestelde elementen, vuur en ijs, werden de eerste goden
geboren, die, evenals de eerste goden van de Grieken, reusachtig waren
in gestalte en ruw in uiterlijk. Ymir, de groote ijsreus, en zijn
afstammelingen, kan men vergelijken met de Titanen, die ook elementaire
natuurkrachten waren, verpersoonlijkingen van het onderaardsche vuur,
en beiden moesten, nadat zij een tijd onbeperkt geheerscht hadden,
wijken voor grooter volmaaktheid. Na een geweldige worsteling om de
opperheerschappij werden zij allen verslagen, en verbannen naar de
verschillende afgelegen gebieden van den Tartarus en van Jötun-heim.

De triade, Odin, Vili en Ve, van de Noorsche mythen, is het volledige
pendant van Jupiter, Neptunus en Pluto, die, de Titanische machten
overwinnend, op hun beurt over de wereld heerschappij voeren. In
de Grieksche mythologie nemen de goden, die ook allen verwant aan
elkander zijn, hun toevlucht tot den Olympus, waar zij gouden paleizen
tot hun gebruik bouwen; in de Noorsche mythologie gaan de goddelijke
overwinnaars naar Asgard en bouwen gelijke woningen.



Kosmogonie.

De Noorsche kosmogonie deed wel denken aan de Grieksche, want het
volk meende dat de aarde, Mana-heim, geheel door de zee omringd was,
op welker bodem de groote Midgardslang lag, die beet in haar eigen
staart; en het was volkomen natuurlijk dat zij, ziende de door den
storm gezweepte winden, die tegen de rotsen sloegen, moesten denken,
dat deze door haar krampachtig gekronkel werden veroorzaakt. De
Grieken, die ook meenden dat de aarde rond was en door een groote
rivier, Oceanus genoemd, werd omgeven, beschreven haar als vloeiend
met "een gelijkmatigen stroom", want zij keken doorgaans op kalme en
zonnige zeeën. Niflheim, het Noorsche gebied van voortdurende koude en
nevel, had zijn pendant in het land ten Noorden van de Hyperboreërs,
waar veêren (sneeuw) voortdurend in de lucht dwarrelden, en waar
Hercules het Cerynaeïsche hert in een sneeuwstorm najoeg eer hij het
kon grijpen en vastbinden.



De luchtverschijnselen.

Evenals de Grieken geloofden de Noorsche volken dat de aarde het eerst
was geschapen, en dat de gewelfde hemelen naderhand waren gemaakt om
haar geheel te overkappen. Zij meenden ook, dat de zon en de maan
dagelijks door de lucht reden, in wagens, getrokken door vurige
rossen. Sol, de zonnemaagd, kwam dus overeen met Helios, Hyperion,
Phoebus of Apollo, terwijl Mani, de Maan, (in overeenstemming met een
eigenaardigheid van de Noorsche spraakkunst, die de Zon vrouwelijk
maakt en de Maan mannelijk), het pendant was Phoebe, Diana of Cynthia.

De Noorsche dichters, die dachten dat zij de steigerende gestalten van
witgemaande paarden in de vliegende wolken zagen, en het schitteren
van speren in het stralende licht van den noordelijken morgen,
zeiden, dat de Valkyren of slagmaagden door de lucht galoppeerden,
terwijl de Grieken in hetzelfde natuurverschijnsel de witte kudden
van Apollo zagen die door Phaetusa en Lampetia werden gehoed.

Als de dauw uit de wolken viel, zeiden de Noorsche dichters dat hij
van de manen der Valkyren druppelde, terwijl de Grieken, die opmerkten
dat hij doorgaans het langst blonk in de kreupelboschjes, hem met
Daphne en Procris vereenzelvigden, wier namen zijn afgeleid van het
Sanskrit woord dat "sprenkelen" beteekent, en die door hunne minnaars,
Apollo en Cephalus, verpersoonlijkingen van de zon, worden vermoord.

De aarde werd in het Noorden zoo goed als in het Zuiden beschouwd
als een vrouwelijke godheid, de voedstermoeder aller dingen; en het
lag aan klimaatverschillen alleen, dat de mythologie van het Noorden,
waar de menschen dagelijks het recht moesten veroveren om met de Natuur
op voet van oorlog te leven, haar als hard en bevroren voorstelden
zooals Rinda, terwijl de Grieken haar verpersoonlijkten in de blijde
Ceres. De Grieken geloofden, dat de koude winterwinden van het Noorden
neerzweepten, en de Noorsche volken voegden er bij, dat zij veroorzaakt
werden door het klapwieken van den grooten adelaar Hrae-svelgr.

De dwergen of donkere elfen, gebroed in Ymirs vleesch, kwam hierin
met Pluto's dienstknechten overeen, dat zij nooit hun onderaardsch
gebied verlieten, waar zij ook de kostbare metalen zochten, die zij
tot prachtige versierselen vormden, zooals Vulcanus die aan de goden
gaf, en tot wapenen die niemand kon deuken of bederven. Wat de lichte
elfen betreft die boven den grond leefden en voor planten, boomen en
rivieren zorgden, deze waren blijkbaar bij de Noren dezelfde als de
nimfen, dryaden, oreaden en hamadryaden, die de bosschen, dalen en
fonteinen van oud-Griekenland bevolkten.



Jupiter en Odin.

Jupiter was, evenals Odin, de vader der goden, de god der overwinning
en een verpersoonlijking van het Al. Hlidskialf, Alvaders verheven
troon, was niet minder hoog dan Olympus of Ida, van waar de Donderaar
alles wat plaats greep kon waarnemen; en Odins onoverwinlijke speer
Gungnir was even schrikwekkend als de bliksems die zijn Grieksch
prototype zwaaide. De Noorsche goden hielden steeds hunne feesten met
meê en zwijnenvleesch, den drank en het vleesch dat het best paste
bij de bewoners van een noordelijk klimaat, terwijl de goden van
den Olympus den nectar en de ambrosia verkozen, die hun uitsluitend
levensonderhoud uitmaakten.

Twaalf Aesir zaten in Odins raad om te beraadslagen over de beste
maatregelen tot bestuur van wereld en menschen, en een even groot
aantal goden verzamelde zich op de bewolkte spits van den Berg Olympus
tot een zelfde doel. De Gouden Eeuw in Griekenland was een periode
van idyllisch geluk, te midden van altijd bloeiende velden en onder
balsemrijke luchten, terwijl de Noorsche gelukseeuw ook een tijd was
waarin vrede en onschuld op aarde bloeiden, en het kwaad nog zoo goed
als geheel onbekend was.



De schepping van den mensch.

Gebruik makend van de materialen, die bij de hand waren modelleerden de
Grieken hun eerste beelden uit klei; daarom dachten zij natuurlijk, dat
Prometheus de menschen uit die stof had gemaakt, toen hij geroepen
werd een schepsel te vormen, dat slechts de mindere was van de
goden. Daar de Noorsche beelden uit hout waren gehouwen, vertelden
de Noorsche volken, als iets dat van zelf sprak, dat Odin, Vile en
Ve (die hier overeenkomen met Prometheus, Epimetheus en Minerva,
de drie Grieksche scheppers van den mensch) het eerste menschenpaar,
Ask en Embla, uit houtblokken maakten.

De geit Heidrun, die de hemelsche meede verschafte, is gelijk aan
Amalthea, Jupiters eerste voedster, en de drukke, praatgrage Ratatosk
is gelijkwaardig met de sneeuwwitte kraai in de geschiedenis van
Coronis, die zwart werd tot straf van haar gesnoep. Jupiters adelaar
heeft zijn pendant in de raven Hugin en Munin, of in de wolven Geri
en Freki, die steeds aan Odins voeten liggen.



Nornen en Schikgodinnen.

De groote overeenkomst tusschen den Noorschen Orlog en het Grieksche
Noodlot, godinnen wier besluiten de goden zelven moesten eerbiedigen,
en de even machtige Nornen en Moerae, is te duidelijk om te behoeven
vermeld te worden, terwijl de Vanas pendanten zijn van Neptunus en de
overige zeegoden. De groote strijd tusschen de Vanas en de Aesir is
slechts een andere overlevering van het geschil tusschen Jupiter en
Neptunus over de oppermacht in de wereld. Evenals Jupiter zijn broeder
noodzaakt zich voor zijn macht te bukken, zoo blijven de Aesir meester
van alles, maar willen wel voortgaan met hun macht te deelen met hun
overwonnen vijanden, die dus hun bondgenooten en vrienden werden.

Evenals Jupiter wordt Odin altijd beschreven als majestueus en
van middelbaren leeftijd, en beide goden gelden als de goddelijke
stamvaderen van koninklijk geslacht, want terwijl de Heracliden
Jupiter als hun vader opeischten, dachten de Inglingen, Skioldings
enz. dat Odin de stichter hunner familiën was. De plechtigste eeden
werden gezworen bij Odins speer zoo goed als bij Odins voetschabel,
en beide goden hebben een groot aantal namen, die alle de verschillende
phasen van hun aard en eeredienst beschrijven.

Odin, evenals Jupiter, bezocht dikwijls de aarde vermomd, om de
gastvrijheid der menschen op de proef te stellen, zooals in de
geschiedenis van Geirrod en Agna, die aan die van Philemon en Baucis
doet denken. De bedoeling was: gastvrijheid aan te bevelen; daarom
worden in beide geschiedenissen zij, die zich humaan betoonden,
rijkelijk beloond, en in de Noorsche mythen wordt de les versterkt
door de bestraffing die Geirrod ontvangt, daar de skalden in poëtische
gerechtigheid geloofden en zagen dat deze zorgvuldig werd uitgemeten.

De wedstrijd in scherpzinnigheid tusschen Odin en Vafthrudnir heeft
zijn parallel in den muzikalen wedstrijd van Apollo en Marsyas,
of in den strijd tusschen Minerva en Arachne, die moest toonen,
wie het knapst was. Odin leek verder hierin op Apollo, dat hij ook
de god was der welsprekendheid en poëzie en dat hij alle harten kon
winnen door zijn goddelijke stem; hij geleek op Mercurius hierin,
dat hij de stervelingen het gebruik van de runen leerde, terwijl de
Grieksche god het alphabet invoerde.



Mythen, die betrekking hebben op de jaargetijden.

Het verdwijnen van Odin, de zon of den zomer, en de daaruit volgende
verlatenheid van Frigga, de aarde, is slechts een andere overlevering
van de mythen van Proserpina en Adonis. Als Proserpina en Adonis weg
zijn, betreurt de aarde (Ceres of Venus) bitter hun afwezigheid en
weigert alle vertroosting. Slechts wanneer zij terugkomen uit hun
ballingschap, werpt zij haar rouwkleederen en somberheid af, en
dost zich weer in al hare juweelen. Zoo beschreien Frigga en Freya
de afwezigheid van hunne echtgenooten Odin en Odur, en blijven hard
en koud totdat zij terugkeeren. Odin's vrouw, Saga, de godin der
geschiedenis, die toefde bij Sokvabek "den stroom van den tijd en het
gebeuren", terwijl zij alles wat zij zagen bewaren, is gelijk aan Clio,
de muze der geschiedenis, die Apollo zocht bij de inspireerende bron
van den Helicon.

Evenals er volgens Euhemerus een historische Zeus was, in Creta
begraven, waar men zijn graf nog kan zien, zoo was er een historische
Odin, wiens grafheuvel bij Upsala verrijst, waar de grootste Noorsche
tempel eens stond, en waar een machtige eik was, die den beroemden
boom van Dodona evenaarde.



Frigga en Juno.

Frigga was, evenals Juno, een verpersoonlijking van den dampkring,
de beschermvrouw van het huwelijk, van de echtelijke en moederlijke
liefde, en de godin der geboorte. Zij ook was voorgesteld als een
schoone, statige vrouw, die genoegen schept in hare sieraden, en haar
bijzondere dienstmaagd, Gna, evenaart Iris in de snelheid waarmede zij
de bevelen harer meesteres uitvoert. Juno heeft volkomen heerschappij
over de wolken, die zij met een beweging van haar hand kon wegvagen,
en men gelooft dat Frigga ze weeft uit de draden die zij gesponnen
heeft op haar met juweelen bezet spinnewiel.

In de Grieksche mythologie vinden wij vele voorbeelden van de
wijzen waarop Juno Jupiter zoekt te bedriegen. Dergelijke verhalen
ontbreken in de Noorsche mythen niet. Juno krijgt Io in bezit,
trots den tegenstand van haar man, die niet van haar wil scheiden, en
Frigga bezorgt slim de overwinning aan de Winilers in de Langobarden
Saga. Odin's toorn over Frigga's diefstal van het goud van zijn
standbeeld komt overeen met Jupiters mishagen over Juno's jaloezie en
haar tusschenbeide komen in den Trojaanschen oorlog. In de geschiedenis
van Gefjon en de slimme manier waarop zij land van Gylfi kreeg,
om haar koninkrijk Zeeland te vormen, hebben wij een herhaling van
de geschiedenis van Dido, die door krijgslist het land machtig werd
waarop zij haar stad Carthago bouwde. In beide verhalen komen ossen in
het spel, want terwijl in de Noorsche mythen deze sterke beesten het
stuk land ver naar zee uitleggen, dient in het andere een ossenhuid,
in reepen gesneden, om de schenking der koningin te omsluiten.



Muzikale mythen.

De Rattenvanger van Hamelin, die alle levende wezens door zijn muziek
kon aantrekken, komt overeen met Orpheus of Amphion, wier lieren
dezelfde kracht hadden; en Odin, als de aanvoerder van de schimmen,
is het pendant van Mercurius Psychopompus; beiden verbeelden den wind,
op welks vleugelen van het lichaam beroofde zielen, zooals men meende,
uit deze sterfelijke sfeer werden weggedreven.

De trouwe Eckhardt, die Tannhäuser gaarne wilde redden en zijn
terugkeer wilde voorkomen om zich zelf aan de betoovering der tooveres
bloot te stellen, in den Hörselberg, komt overeen met den Griekschen
Mentor, die niet alleen Telemachus vergezelde, maar hem ook goeden
raad gaf en wijze instructies, en Ulysses uit de handen van Calypso
wilde hebben verlost.



Thor en de Grieksche goden.

Thor en de Noorsche dondergod heeft ook vele punten van overeenkomst
met Jupiter. Hij voert den hamer Miölnir, het Noorsche symbool van
den doodelijken bliksem; en, evenals Jupiter, gebruikt hij hem nog als
hij oorlog voert tegen de reuzen. In zijn snellen groei gelijkt Thor
op Mercurius, want terwijl de eerste spelenderwijs verscheidene balen
ossenhuiden rondwerpt een paar uur na zijn geboorte, steelt de tweede
Apollo's ossen, voordat hij één dag oud is. In lichaamskracht gelijkt
Thor op Hercules, die ook proeven gaf van ongewone sterkte door de
slangen te worgen die gestuurd waren om hem in zijn wieg te vermoorden,
en die er later genoegen in had reuzen en monsters aan te vallen en
te overwinnen. Hercules werd een vrouw en ging spinnen om Omphale,
de Lydische koningin, ter wille te zijn, en Thor deed de kleeren van
een vrouw aan om Trym te bezoeken en zijn hamer weerom te halen, die
negen roeden onder den grond verborgen was. De hamer, zijn voornaamste
attribuut, werd tot vele gewijde doeleinden gebruikt. Hij heiligde
den brandstapel der dooden en de huwelijksgebruiken, en grenspalen,
die met een hamer waren ingedreven, werden als heilig beschouwd onder
de Noorsche volken, evenals de Hermae of standbeelden van Mercurius,
op welker verwijdering de doodstraf was gesteld.

Thors vrouw, Sif, met haar weelderig gouden haar, is, zooals wij reeds
gezegd hebben, een zinnebeeld van de aarde, en heur haar was haar
rijke plantengroei. Loki's diefstal van deze lokken is gelijk aan
Pluto's roof van Proserpina. Om de gouden lokken weerom te krijgen,
moet Loki de dwergen (Pluto's knechten) bezoeken, terwijl hij kruipt
in de lage doorgangen van de onderwereld; zoo moet Mercurius Proserpina
zoeken in den Hades.

De paardenvlieg, die Jupiter belet Io weer in bezit te krijgen, nadat
Mercurius Argus heeft vermoord, verschijnt weer in de Noorsche mythen
om Brock te steken, en tracht te voorkomen dat de tooverring Draupnir
gemaakt wordt, die geheel en al een pendant is van Sifs lokken, zooals
hij ook de vruchten van de aarde voorstelt. De vlieg gaat voort met
den dwerg te kwellen gedurende het maken van Frey's wild zwijn met de
gouden borstels, een prototype van Apollo's gouden zonnekar, en zij
zorgt er voor, dat het handvat van Thors hamer niet geheel klaar komt.

Het tooverschip Skidbladnir, ook door dwergen gemaakt, komt overeen
met den snelzeilenden Argo, die de wolken, boven onze hoofden zeilend,
voorstelde, en evenals het van het eerste heette dat het groot genoeg
was om alle goden te bevatten, zoo droeg de tweede alle Grieksche
helden naar het verre land Colchis.

De Germanen, die de dagen der week naar hunne goden wilden noemen,
zooals de Romeinen hadden gedaan, gaven den naam van Thor aan Jupiters
dag, en maakten hem zoo tot den tegenwoordigen Donderdag.

Thors strijd tegen Hrungnir is een pendant van het gevecht tusschen
Herkules en Cacus of Antaeus; terwijl Groa blijkbaar Ceres is,
want ook zij treurt over haar afwezig kind Orvandil (Proserpina),
en breekt los in een vreugdezang als zij hoort dat het zal terugkeeren.

Magni, Thors zoon, die, als hij slechts drie uur oud is, zijn
wonderbare kracht ten toon spreidt terwijl hij Hrungnirs been optilt
van zijn vader die nederligt, herinnert ook aan het kind Hercules;
en Thors verslindende eetlust bij Thryms bruiloft heeft zijn parallel
in Mercurius' eersten maaltijd, die uit twee heele ossen bestond.

Het doorschrijden van het gewassen tij van Veimer door Thor doet
denken aan Jasons daad, toen hij door den stroom waadde, terwijl hij
op weg was om den tiran Pelias te bezoeken en zijns vaders troon terug
te krijgen. De wonderbare halsband, door Frigga en Freya gedragen om
hare bekoring te verhoogen, komt overeen met den cestus of gordel van
Venus, die Juno leende om haar heer te onderwerpen, en is, evenals
de lokken van Sif en de ring Draupnir, een beeld van rijken groei of
een symbool van de sterren die aan den hemel schijnen.

De Noorsche zwaardgod Tyr is natuurlijk de Grieksche krijgsgod Ares,
op wien hij zóó volkomen gelijkt, dat zijn naam werd gegeven aan
den dag die aan Ares was gewijd, en die nu bekend is als Dinsdag of
Tui's dag. Evenals Ares was Tyr druk en moedig; hij had behagen in
het krijgsrumoer, en was steeds zonder vrees. Hij alleen durfde den
Fenriswolf te trotseeren; en het zuidelijke spreekwoord van Scylla
en Charybdis heeft zijn pendant in het Noorsche gezegde "loskomen
van Laeding en schipbreuk lijden in Droma". De Fenris-wolf, ook een
verpersoonlijking van het onderaardsche vuur, wordt, evenals zijn
prototypen, de Titanen, vastgebonden in den Tartarus.

De gelijkenis tusschen den lieflijken, muziekminnenden Bragi met
zijn harp, en Apollo of Orpheus, is zeer groot; zoo is er gelijkenis
tusschen den magischen drank Odhroerir en de wateren van den Helicon,
die beide, meende men, als inspiratie dienden zoowel voor sterflijke
als voor onsterflijke dichters. Odin doet arendsveeren aan om zijn
kostelijke meê weg te dragen, en Jupiter neemt een gelijke vermomming
aan om zich zijn bekerdrager Ganymedes te verschaffen.

Idoen is, evenals Adonis en Proserpina, of meer nog als Eurydice,
een schoone personificatie van de lente. Zij wordt weggevoerd door
den wreeden ijsreus Thiassi, die het wilde zwijn voorstelt dat Adonis
vermoordde, de kinderdief van Proserpina, of de vergiftige slang die
Eurydice beet. Idoen wordt gedurende langen tijd in Jötun-heim (Hades)
opgehouden waar ze al haar vroolijke, speelsche manieren vergeet en
treurig en bleek wordt. Zij kan niet alleen naar Asgard terugkeeren
en zij kan pas haar ontvluchting ten uitvoer brengen, wanneer Loki
(nu een zinnebeeld van den zuidenwind) haar komt wegdragen in de
gedaante van een noot of een zwaluw. Zij herinnert ons aan Proserpina
en Adonis die door Mercurius (den god van den wind) naar de aarde
worden teruggebracht, of aan Eurydice, uit Hades gelokt door de zoete
klanken van Orpheus' harp, die ook symbolisch het zuchten van den
wind voorstelden.



Idoen en Eurydice.

De mythe van Idoens val van den Yggdrasil in de donkerste diepten van
Niflheim is, hoewel onderworpen aan dezelfde uitlegging en vergelijking
als het bovengenoemde verhaal, toch nog nauwer verwant aan het verhaal
van Orpheus en Eurydice, want de eerste, zoo goed als Bragi, kan niet
zonder de laatste bestaan, die hij volgt zelfs tot in het donkere rijk
des doods; zonder haar zwijgen zijn zangen geheel en al. De wolfshuid
waarin Idoen gewikkeld is, is typisch voor de zware sneeuwstormen in
de Noordelijke streken, die de teere worteltjes beschermen voor den
verderfelijken invloed van de strenge winterkoude.



Skadi en Diana.

De Van Niörd die de god is van de zonnige zomerzeeën, heeft zijn
tegenhanger in Neptunus en meer in het bijzonder in Nereus, de
personificatie van den kalmen en vriendelijken aanblik van de machtige
diepten. Niörds vrouw, Skadi, is de Noorsche vrouwelijke jager; daarom
gelijkt zij op Diana. Evenals deze draagt zij een pijlkoker vol pijlen
en een boog, dien zij met de uiterste handigheid hanteert. Haar kort
gewaad laat haar de meeste vrijheid van beweging, ook is zij meestal
vergezeld van een hond.

Het verhaal van het overbrengen van Thiassi's oogen naar het firmament,
waar zij gloeien als schitterende sterren, herinnert ons aan veel
Grieksche sterren-mythen en vooral aan Argus' altijd-wakende oogen,
aan Orion en zijn bejuweelden gordel en aan zijn hond Sirius,
die allen in sterren zijn veranderd door de goden, om vertoornde
godinnen te verzoenen. Loki's grollen om een glimlach te krijgen
van de vertoornde Skadi worden beschouwd verwant te zijn aan de
trillende bliksem-schichten, die hij in het noorden personifieerde,
terwijl Steropes en de Cyclopen hetzelfde bij de Grieken uitdrukken.



Frey en Apollo.

De noordelijke god van zonneschijn en zomerregens de vriendelijke
Frey, heeft vele trekken gemeen met Apollo; want evenals deze, is hij
schoon en jong, berijdt het wilde zwijn met gouden stekels, wat de
noordelijke opvatting was van de zonnestralen, of rijdt door de lucht
in een gouden wagen, die ons herinnert aan Apollo's schitterende kar.

Bovendien bezit Frey nog enkele van de eigenschappen van den
vriendelijken Zephyrus, want ook hij strooit bloemen langs zijn
weg. Zijn paard Blodug-hofi is niet ongelijk aan Pegasus, Apollo's
lievelingspaard, want het kan met even groot gemak en vlugheid door
vuur en water heengaan.

Fro, evenals Odin en Jupiter, wordt ook vergeleken bij een
menschelijken koning, en zijn berg ligt naast dien van Odin dicht
bij Upsala. Zijn regeering was zóó gelukkig, dat zij de Gouden Eeuw
werd genoemd en daarom herinnert hij ons aan Saturnus, die, naar de
aarde verbannen, over het Italiaansche volk regeerde en hun gelijken
voorspoed schonk.



Freya en Venus.

Gerda, de schoone maagd, is, als Venus en ook als Atalanta;  zij is
moeilijk te winnen en moeilijk te vrijen, evenals de snelvoetige maagd,
maar, evenals deze, geeft zij ten slotte toe en wordt een gelukkige
vrouw. De gouden appelen waarmede Skinir haar tracht om te koopen,
herinneren ons aan de gouden vruchten welke Hippomenes op Atalanta's
weg wierp, en die haar de wedloop deden verliezen.

Freya, de godin van jeugd, liefde en schoonheid, is, evenals
Venus, uit de zee geboren, want zij is een dochter van den zee-god
Niörd. Venus schonk haar warmste gevoelens aan den oorlogsgod en aan
den krijgshaftigen Anchises, terwijl Freya dikwijls het gewaad van
een Valkyr aanneemt en snel over de aarde rijdt om deel te nemen aan
den doodelijken strijd en om de heldhaftig verslagenen weg te dragen
opdat zij zullen feestvieren in hare zalen. Evenals Venus geniet zij
van geschenken van vruchten en bloemen en verleent zij een goedgunstig
oor aan de smeekingen van geliefden. Freya herinnert ook aan Minerva,
want, evenals deze, draagt zij een helm en een borstplaat en, evenals
als deze, is ook zij beroemd om haar prachtig blauwe oogen.



Odur en Adonis.

Odur, Freya's echtgenoot, is gelijk aan Adonis en als hij haar verlaat
stort ook zij tallooze tranen, die, in dit geval, in goud worden
veranderd, terwijl Venus' tranen in anemonen zijn verkeerd, en die
van de Heliaden, die Phaeton beweenden, tot barnsteen verharden dat op
goud lijkt in kleur en vastheid. Evenals Venus verheugd is over Adonis'
terugkeer en de geheele natuur in bloei staat als teeken van sympathie
in haar vreugde, zoo wordt ook Freya nogmaals opgewekt van hart, als
zij haar echtgenoot heeft gevonden onder de bloesemde mirten van het
Zuiden. Venus' wagen wordt getrokken door fladderende duiven, en die
van Freya wordt snel voortgedragen door katten, die het symbool zijn
van de zinnelijke liefde, evenals de duiven werden beschouwd als het
beeld van de teederste liefde. Freya heeft een oog voor schoonheid
en weigert toornig om Thrym te huwen, terwijl Venus Vulcanus haat
met wien zij is gedwongen te trouwen, en dien zij ten slotte verlaat.

De Grieken stelden de gerechtigheid voor als een geblinddoekte godin
met een weegschaal in de ééne hand en een zwaard in de andere, om
de onpartijdigheid en vastheid van haar bevelen aan te toonen. De
aan haar beantwoordende godheid van het Noorden was Forseti, die
geduldig luisterde naar beide zijden van een kwestie voordat ook hij
zijn onpartijdig en onherroepelijk vonnis afkondigde.

Uller, de winter-god, gelijkt alleen op Apollo en Orion in zijn
liefde voor de jacht, welke hij onder alle omstandigheden met ijver
voortzet. Hij is de Noordelijke boogschutter, en zijn handigheid is
even feilloos als de hunne.

Heimdall was, evenals Argus, begiftigd met buitengewone helderheid van
gezicht, hetgeen hem in staat stelde op een afstand van honderd mijlen
even helder te zien bij dag zoowel als bij nacht. Zijn Giallar-hoorn
die de geheele wereld door kon worden gehoord, en die den overtocht van
de goden heen en terug over de trillende brug Bifröst bekend maakte,
was als de trompet van de godin Roem. Daar hij van moeders zijde
verwant was aan het water, kon hij evenals Proteus naar believen elke
gedaante aannemen, en hij maakte een goed gebruik van die macht bij
gelegenheid dat hij Loki's poging om het halssnoer van Brisingamen
te stelen, verhinderde.

Hermod, de vlugge of vlotte, gelijkt op Mercurius en niet alleen
in zijn wonderbaarlijke snelheid van beweging. Ook hij was de bode
der goden en evenals de Grieksche godheid, schoot hij hierheen en
daarheen, niet geholpen door den gevleugelden helm en de sandalen,
maar door Odins ros Sleipnir, dat hij alleen mocht berijden. In plaats
van den Caduceus droeg hij den staf Gambantein. Hij ondervroeg de
Nornen en den magiër Rossthiof, van wien hij vernam dat Vali zou
komen om zijn broeder Balder te wreken en zijn vader den voet te
lichten. Voorbeelden van soortgelijke vragen worden in de Grieksche
mythologie gevonden, waar Jupiter gaarne Thetis zou hebben gehuwd en
toch daarvan afzag toen de Schikgodinnen voorspelden, dat, als hij
zoo deed, zij de moeder zou worden van een zoon, die zijn vader in
macht en beroemdheid zou overtreffen.

De noordelijke God der stilte, Vidar, heeft eenige gelijkenis met
Hercules, want, terwijl de laatste niets dan een stok heeft om
zichzelf daarmede te verdedigen tegen den Nemeïschen leeuw, dien
hij verscheurt, wordt de eerste in staat gesteld den wolf Fenris te
Ragnarok te verscheuren, doordat hij in het bezit is van een enkelen
grooten schoen.



Rinda en Danae.

Odins vrijage met Rinda herinnert ons aan Jupiters hof maken van Danae,
die ook een symbool van de aarde is; en terwijl de overvloed van goud
in de Grieksche sage bedoelt voor te stellen de vruchtbaarmakende
zonnestralen, stelt het voetbad in het noordelijke verhaal den
lentedooi voor, die invalt wanneer de zon den weerstand van de bevroren
aarde heeft overwonnen. Perseus, het kind van deze vereeniging, heeft
veel punten van overeenkomst met Vali, want ook hij is een wreker en
verslaat zijns moeders vijanden, even zeker als Vali Hodur vermoordt,
den moordenaar van Balder.

Het wordt voorgesteld alsof de Noodlotsgodinnen tegenwoordig waren bij
de geboorte van een kind in Griekenland en de toekomst van een kind
voorspelden, zooals de Nornen deden; en het verhaal van Meleager
heeft zijn onmiskenbare parallel in dat van Nornagesta. Althea
bewaart de half-verteerde fakkel in een kist, Nornagesta verbergt het
kaarseneindje in zijn harp; en terwijl de Grieksche moeder den dood
van haar zoon teweeg brengt door de fakkel in het vuur te werpen,
sterft Nornagesta, die gedwongen is dit eindje kaars aan te steken
op Olafs bevel, als het flikkert en uitbrandt.

Hebe en de Valkyren waren de schenksters van den Olympus en Asgard. Zij
waren allen de gepersonifieerde jeugd; en terwijl Hebe den grooten held
en halfgod Hercules huwde toen zij ophield haar ambt te vervullen,
werd den Valkyren haar ambt ontnomen, toen zij vereenigd werden met
helden als Helgi, Hakon, Völund en Sigurd.

Het Cretenser labyrint heeft zijn tegenhanger in het IJslandsche
Völundarhuis, en Völund en Daedalus beiden brengen hun ontvluchting
uit een doolhof ten uitvoer door middel van een handig uitgevonden
paar vleugels, die hen in staat stellen in veiligheid over land en
zee te vliegen en te ontkomen aan de tyrannie van hun respectieve
meesters, Nidud en Minos. Völund gelijkt ook hierin Vulcanus, dat hij
een knappe smid is en van zijn talenten gebruik maakt om zijn wraak
te koelen. Vulcanus, kreupel geworden door een val van den Olympus
en door Juno verwaarloosd, met wie hij had getracht goede vrienden
te worden, zendt haar een gouden troon, die voorzien is van kunstig
aangebrachte veeren om haar te grijpen en vast te houden. Völund,
machteloos door de suggestie van Nidud's koningin, vermoordt heimelijk
hare zonen en maakt van hun oogen wonderbare juweelen, die zij zonder
wantrouwen op haar borst draagt, totdat hij haar hun afkomst verraadt.



Zee-Mythen.

Juist zooals de Grieken zich voorstelden dat de stormen het gevolg
waren van Neptunus' woede, zoo schreven de Noordelijke volken hen
toe of aan de stuiptrekkingen van Iörmungandr de Midgardslang of
aan den toorn van Aegir, die, juist zooals Neptunus, met zeewier
gekroond, dikwijls zijn kinderen, de golven-maagden (de tegenhangers
van de Nereïden en Oceaniden) wegzond om op de woelende golven te
spelen. Neptunus woonde in koraalholen dicht bij het eiland Euboea,
terwijl Aegir in een dergelijk paleis dicht bij het Kattegat gevestigd
was. Hier was hij omringd door de nixen, undinen en meerminnen, de
tegenhangers van de Grieksche waternimfen en door de riviergoden van
den Rijn, de Elbe en den Neckar, die ons doen denken aan Alpheus en
Peneus, de riviergoden van de Grieken.

Het veelvuldig voorkomen van schipbreuken op de Noordelijke kusten
heeft er toe bijgedragen om de menschen zich Ran (plaatsvervanger van
de Grieksche zeegodin Amphitrite) voor te stellen als gulzig en gierig,
en zij beschreven haar als gewapend met een sterk net waarmede zij
alle dingen neertrok in de diepte. De Grieksche Sirenen hebben hare
parallellen in de Noordelijke Lorelei die dezelfde gave van zingen
bezat en ook zeelieden in den dood lokte; terwijl Prinses Ilse,
die in een bron werd veranderd, ons herinnert aan de nimf Arethusa,
die een dergelijke gedaanteverwisseling onderging.

In de Noordelijke opvatting van Niflheim hebben wij een bijna
nauwkeurigen tegenhanger van den Griekschen Hades. Mödgud, de bewaker
van de Giallar-brug (de doodenbrug) waarover alle geesten van de dooden
moeten gaan, eischt een schatting van bloed even gestreng als Charon
een obool vraagt van elke ziel die hij den Acheron, de doodsrivier,
overzet. De geweldige hond Garm, die ineengekrompen zit in het Gnipahol
en de wacht houdt aan de Hellepoort, is als het driehoofdig monster
Cerberus; en de negen werelden van Niflheim zijn niet ongelijk aan
de verdeeling van Hades, terwijl Nastrond geheel analoog is aan den
Tartarus, waar de boozen werden gestraft met een gelijke gestrengheid.

De gewoonte om de doode helden te verbranden met hunne wapenen, en
om offers, zooals paarden en honden, op hun brandstapel te slachten,
was even sterk in het Noorden als in het Zuiden; en terwijl Mors
of Thanatos, de Grieksche dood, voorgesteld werd met een scherpe
zeis, werd Hel voorgesteld met een bezem of een hark, dien zij even
meedoogenloos gebruikte en waarmede zij evenveel strafoefende.



Balder en Apollo.

Balder, de stralende god van den zonneschijn, herinnert ons niet
alleen aan Apollo en Orpheus, maar aan al de andere helden van
zonnemythen. Zijn vrouw Nanna gelijkt op Flora en nog meer op
Proserpina, want ook zij daalt neer in de onderwereld waar zij voor
een wijl vertoeft. Balders gouden hal van Breidablik gelijkt op
Apollo's paleis in 't Oosten; ook hij houdt van bloemen; alle dingen
glimlachen wanneer hij komt, en doen gewillig den eed hem nooit te
zullen beleedigen. Zooals Achilles alleen kwetsbaar was aan den hiel,
zoo kon Balder alleen worden getroffen door den onschuldigen maretak,
en zijn dood wordt veroorzaakt door Loki's jaloezie, juist zooals
Hercules werd verslagen door die van Deianeira. Balders brandstapel
op Ringhorn herinnert ons aan Hercules' dood op den berg Etna: de
vlammen en de roode gloed van beide vuren dienen om de ondergaande
zon te typeeren. De Noordelijke god van zon en zomer kon alleen
worden verlost van Niflheim, wanneer alle levende en doode dingen
tranen zouden storten; en zoo kon Proserpina alleen uit den Hades
ontsnappen op voorwaarde dat zij geen voedsel had gebruikt. De weinig
beteekenende weigering van Thok om een enkelen traan te storten,
doet denken aan de zaden van den granaatappel dien Proserpina at, en
het gevolg is in beide gevallen even afgrijselijk, daar het Balder en
Proserpina onder den grond terughoudt en de aarde (Frigga of Ceres)
moet voortgaan hun afwezigheid te beweenen.

Door Loki kwam het kwaad in de Noorsche wereld; Prometheus' gift
van het vuur bracht denzelfden vloek over de Grieken. De straf
aan de schuldigen toebedeeld door de goeden is niet ongelijk,
want, terwijl Loki met diamanten ketenen onder den grond wordt
vastgebonden en geteisterd door het aanhoudend druppelen van vergif
uit de slagtanden van een slang die boven zijn hoofd is vastgemaakt,
wordt Prometheus op een dergelijke wijze aan den Caucasus geketend,
terwijl een vraatzuchtige gier aanhoudend aan zijn lever knaagt. Loki's
straf heeft een anderen tegenhanger in die van Tityus, in den Hades
gebonden, en in die van Enceladus, geketend onder den Etna waar
zijn bezweringen aardbevingen veroorzaakten en zijn verwenschingen
plotselinge uitbarstingen van den vulkaan ten gevolge hadden. Loki
herinnert verder aan Neptunus, daar ook hij een paardengedaante aannam
en de stamvader werd van een wonderbaar ros, want Sleipnir wedijvert
met Arion zoowel in vlugheid als in uithoudingsvermogen.

De Fimbul-winter is vergeleken geworden bij het lange voorafgaande
gevecht onder de muren van Troje, en Ragnarok, het grootsche einddrama
van de Noorsche mythologie bij het branden van die beroemde stad. "Thor
is Hector; de wolf Fenris, Pyrrhus, zoon van Achilles die Priamus
versloeg (Odin); en Vidar die in Ragnarok herleeft, is Aeneas." De
verwoesting van Priamus' paleis is het type van de verwoesting van
de gouden hallen der goden; en de verslindende wolven Hati, Sköll en
Managarm, de vijanden der duisternis, zijn het prototype van Paris en
al de andere demonen der duisternis die de zonnemaagd Helena wegdragen
of haar verslinden.



Ragnarok en de Zondvloed.

Volgens een andere uitlegging evenwel is de Ragnarok en de daaruit
volgende overstrooming van de wereld slechts een Noorsche overlevering
van den zondvloed. De overlevenden, Lif en Lifthrasir, waren
evenals Deucalion en Pyrrha bestemd om de wereld weer te bevolken;
en zooals het altaar van Delphi alleen de vernielende macht van de
groote overstrooming weerstond, zoo stond ook Gimli stralend om de
overlevende goden te ontvangen.



Reuzen en Titanen.

Wij hebben al gezien, hoe nauw de Noordelijke reuzen verwant zijn aan
de Titanen. Nu valt alleen nog te vertellen dat, terwijl de Grieken
zich voorstelden dat Atlas in een berg was veranderd, de Noormannen
geloofden dat het Reuzengebergte in Duitschland was gevormd uit reuzen,
en dat de lawines die van hun steile hoogten af naar beneden kwamen,
de sneeuwhoopen waren die deze reuzen ongeduldig van hunne kruinen
afschudden, wanneer zij hun verwrongen houdingen veranderden. De
verschijning in den vorm van een stier van een der waterreuzen die
kwam om de koningin der Franken te vrijen, heeft zijn parallel in het
verhaal van Jupiters vrijage om Europa, en Meroveus is klaarblijkelijk
geheel de tegenhanger van Sarpedon. Een vage gelijkenis kan men vinden
tusschen het reuzenschip Mannigfual en de Argo, want terwijl de eene
wordt voorondersteld door de Aegeïsche en de Zwarte Zee te hebben
gekruist, en vele plaatsen gedenkwaardig te hebben gemaakt door de
gevaren die het daar ontmoette, zeilt het Noorsche schip door de Noord-
en de Oost-Zee en wordt het genoemd in verband met het eiland Bornholm
en de klippen van Dover.

Terwijl de Grieken zich voorstelden, dat nachtmerries de booze droomen
waren die ontsnapt waren uit het hol van Somnus, dacht het Noorsche
ras zich deze als vrouwelijke dwergen of trollen, die uit de donkere
schuilhoeken van de aarde kropen om hen te kwellen. Alle tooverwapenen
in het Noorden heetten het werk der dwergen, de smeden onder den grond,
terwijl die van de Grieken gemaakt waren door Vulcanus en de Cyclopen
onder den Etna of op het eiland Lemnos.



De Volsunga Saga.

In de mythe van Sigurd vinden wij Odin één-oogig als de Cyclopen,
die, evenals hij, persoonsverbeeldingen van de zon zijn. Sigurd
wordt onderwezen door Gripir den paardendresseerder, die aan Chiron,
den Centaur herinnert. Hij is niet alleen in staat een jongen held te
leeren alles wat hij moet weten en hem goeden raad te geven aangaande
zijn toekomstig gedrag, maar hij bezit ook de gave van de profetie.

Het wonderbare zwaard dat het eigendom wordt van Sigmund en van Sigurd,
zoo spoedig als zij zich waardig genoeg zullen betoonen om dit te
hanteeren, en het zwaard Angurvadel dat Frithiof van zijn vader erft,
herinneren ons aan het wapen dat Aegeus had verborgen onder de rots
en dat Theseus in veiligheid bracht zoo spoedig hij een man geworden
was. Sigurd tracht evenals Theseus, Perseus en Jason, de misdaden van
zijn vader te wreken vóórdat hij uitgaat om te zoeken den gouden schat,
volkomen hetzelfde als het gouden vlies, dat ook door een draak wordt
bewaard en moeilijk in veiligheid te brengen is. Evenals alle Grieksche
zonnegoden en helden, heeft Sigurd gouden haar en helder blauwe oogen;
zijn gevecht met Fafnir herinnert ons aan Apollo's strijd met den
Python, terwijl de ring Andvaranaut vergeleken kan worden bij Venus'
gordel en de vloek dien hij brengt aan den drager, herinnert aan de
tragedie van Helena die een eindeloos bloedbad veroorzaakte aan allen
die met haar verbonden waren.

Sigurd kon Fafnir niet hebben overwonnen zonder het tooverzwaard, juist
zooals het den Grieken niet gelukte Troje te krijgen zonder de pijlen
van Philoctetes die ook het symbool zijn van de alles-overwinnende
stralen der zon. Het terugvinden van den gestolen schat gelijkt op
Menelaus' terugvinden van Helena, en klaarblijkelijk brengt hij al
even weinig geluk aan Sigurd als zijn lafhartige vrouw bracht aan
den Spartaanschen koning.



Brunhild.

Brunhild gelijkt op Minerva in haar krijgshaftigen zin, lichamelijk
voorkomen en wijsheid; maar haar toorn en verachting wanneer Sigurd
haar vergeet voor Goedroen, is als de toorn van Oenone, die Paris
verlaat om Helena te vrijen. Brunhilds toorn blijft Sigurd levenslang
vervolgen, en zelfs tracht zij zijn dood te beramen, terwijl Oenone,
geroepen om haar gewonden minnaar te genezen, dit weigert en hem laat
sterven. Oenone en Brunhild zijn beiden overstelpt door dezelfde
berouwvolle gevoelens, als hare minnaren hun laatsten adem hebben
uitgeblazen, en zij beiden dringen er op aan, hun brandstapels te
deelen en haar leven te eindigen aan de zijde van hen die zij hadden
bemind.



Zonnemythen.

De Volsunga Saga, zóóals zij is, bevattende een geheele serie
van zonnemythen, herhaalt zich zelf in elke phase; en juist zooals
Ariadne, verlaten door den zonneheld Theseus, ten slotte Bacchus huwt,
zoo doet ook Goedroen wanneer Sigurd vertrokken is en zij Atli huwt,
den Hunnenkoning. Ook hij eindigt zijn leven te midden van de vlammen
van zijn brandend paleis of schip. Gunnar, speelt evenals Orpheus
of Amphion zulke wondervolle melodieën op zijn harp, dat zelfs de
slangen in slaap gezongen werden. Volgens sommige overleveringen
herinnert Atli aan Fafnir en begeert het bezit van goud. Daarom zijn
beide verpersoonlijkingen van de winterwolk, die over de stervelingen
hangt en van hen weghoudt het goud van het zonnelicht en de warmte,
totdat in de lente de blinkende bol de machten van duisternis en
stormen overwint en zijn goud over het aangezicht der aarde strooit.

Swanhild, Sigurds dochter, is een andere verpersoonlijking van de zon,
zooals zij gezien wordt met haar blauwe oogen en gouden haar; en haar
dood onder de hoeven van zwarte paarden stelt voor het uitgewischt
worden van de zon door wolken van storm of van duisternis.

Zooals Castor en Pollux zich haasten om hun zuster Helena te bevrijden
als ze wordt weggevoerd door Theseus, zoo haasten ook Swanhilds
broeders, Erp, Hamdir en Sörli, zich, om haar dood te wreken.

Dit zijn de hoofdpunten van overeenkomst tusschen de Mythologieën
van het Noorden en het Zuiden, en de overeenkomst gaat zóó ver, dat
zij oorspronkelijk zijn gevormd uit dezelfde stof, en de voornaamste
verschillen zijn te verklaren uit de locale kleur, onbewust er aan
toegebracht door de verschillende rassen.



AANTEEKENINGEN


[1] Noorsche Mythology "Kauffman".

[2] Halliday Sparling.

[3] Carlyle "Heroes and Heroworship".

[4] "Noordelijke Mythologie", Kauffmann.





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Noorsche mythen uit de Edda's en de sagen" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home