Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: De Wonderen van den Antichrist
Author: Lagerlöf, Selma, 1858-1940
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "De Wonderen van den Antichrist" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



                     DE WONDEREN VAN DEN ANTICHRIST

                           Naar het Zweedsch
                                  van
                             SELMA LAGERLÖF

     Schrijfster van "Gösta Berling", "Ingrid", "De Koninginnen van
         Kungahälla", "Jeruzalem", "Onzichtbare ketenen", enz.

                                  Door
                               Betsy Nort

                   Met toestemming van de schrijfster


                            Als de Antichrist komt, zal hij
                            volkomen op Christus gelijken.

                            Daar zal groote nood heerschen
                            en de Antichrist zal van land tot
                            land gaan en den armen brood geven.

                            En hij zal vele aanhangers verkrijgen.

                                               Siciliaansche Volkssage.


                              Tweede Druk

                               Amsterdam
                             H. J. W. Becht
                                  1904



INLEIDING


                                         Als de Antichrist komt, zal hij
                                         volkomen op Christus gelijken.


I.

HET VISIOEN VAN DEN KEIZER.


In den tijd, toen Augustus keizer in Rome was, en Herodes als koning
over Jeruzalem heerschte, geschiedde het eenmaal dat een zeer stille
en heilige nacht op de aarde neerdaalde. Het was de donkerste nacht,
welken iemand ooit aanschouwd had; men zou geloofd kunnen hebben,
dat de gansche aarde onder een keldergewelf geraakt was.

't Was onmogelijk water van land te onderscheiden, en men verdwaalde
op den meest bekenden weg. En dat kon niets anders zijn, want van
den hemel kwam geen enkele lichtstraal.

Alle sterren waren thuis gebleven en de lieflijke maan hield haar
aangezicht afgewend.

En even diep als de duisternis, was de stilte en de rust. De rivieren
hadden haar loop gestaakt, de wind verroerde zich niet, en zelfs het
espeblad had opgehouden te trillen. En waart ge langs de zee gegaan,
dan hadt ge gezien, dat de golven niet meer tegen het strand sloegen,
en waart ge in de woestijn gegaan, dan hadde het zand niet onder uwe
voeten geknarst.

Alles was versteend en roerloos om den heiligen nacht niet te
verstoren. 't Gras mocht niet groeien, de dauw niet vallen, en de
bloemen waagden het niet haar geuren uit te ademen.

Gedurende dezen nacht jaagde geen roofdier, noch beten de slangen of
blaften de honden. En wat nog heerlijker was, geen enkel der levenlooze
dingen zou de heiligheid van den nacht hebben willen verstoren door
zich te leenen tot een slechte daad. Geen breekijzer hadde een slot
kunnen openen en geen mes ware in staat geweest bloed te vergieten.

In dezen nacht verliet een kleine schaar menschen 's keizers woning op
den Palatijnschen heuvel te Rome, en sloeg den weg in over het Forum
naar het Kapitool. Den vorigen dag hadden namelijk de raadsheeren
den keizer gevraagd of hij er iets tegen had, dat zij hem een tempel
oprichtten op Rome's heiligen berg. Maar Augustus had niet dadelijk
zijn bijval aan dit plan geschonken. Hij wist niet of het den goden
welgevallig was, dat hij een tempel naast den hunne zou bezitten en
hij had geantwoord dat hij eerst door een nachtelijk offer aan zijn
genius hun wil in deze zaak wilde uitvorschen.

En hij was het, die nu, gevolgd door eenige getrouwen, dit offer
ging brengen.

Augustus liet zich in zijn draagstoel voeren, want hij was oud en het
beklimmen der hooge trappen van het Kapitool viel hem moeilijk. Zelf
droeg hij de kooi met de duiven, die hij wilde offeren. Geen
priesters, soldaten of raadsheeren vergezelden hem; slechts zijn
naaste vrienden. Fakkeldragers liepen voor hem uit, als om een weg
te banen in de duisternis van den nacht, en achter hem kwamen slaven,
die het drievoetige altaar, de kolen, messen, het heilige vuur en al
het andere droegen, dat voor het offeren noodig was.

Onderweg sprak de keizer vroolijk met zijn getrouwen, daardoor merkte
geen van hen de oneindige stilte en rust van den nacht. Eerst toen
zij op de kruin van den berg de plaats bereikt hadden, die bestemd
was voor den nieuwen tempel, werd hun geopenbaard, dat iets ongewoons
plaats greep.

Dit kon geen nacht, zooals alle andere zijn, want daar boven op de
rotskruin zagen ze de wonderbaarlijkste gestalte. Ze dachten eerst,
dat het een oude vergroeide olijfboom was, later geloofden zij,
dat een oeroud steenen beeld uit den tempel van Jupiter op de rots
verdwaald was. Ten slotte meenden ze, dat het niemand anders kon zijn
dan de oude sibylle.

Iets zoo ouds, zoo verweerds, zoo reusachtigs hadden ze nog nooit
gezien. Indien de keizer er niet geweest was, zouden ze allen naar
huis gevlucht zijn.

"Dat is zij," fluisterden ze, "die zoo vele jaren telt als er
zandkorrels gevonden worden op de kusten van haar vaderland. Waarom
is zij juist vannacht uit haar hol gekomen? Wat voorspelt zij den
keizer en het rijk, zij, die haar profetieën op de blaren der boomen
schrijft en weet, dat de wind het orakelwoord tot dengene voert,
die het noodig heeft?"

Ze waren zoo ontsteld, dat zij zich allen op de knieën geworpen zouden
hebben met het voorhoofd tegen den grond, indien de sibylle slechts één
beweging gemaakt had. Maar ze zat zoo onbeweeglijk alsof ze levenloos
was. Ze zat neergehurkt op den uitersten rand van de rotshelling,
en beschutte haar oogen met de hand, terwijl zij in den duisteren
nacht tuurde.

Ze zat daar, alsof ze den berg beklommen had om beter iets te zien
dat ergens ver weg geschiedde.

Zij kon dus iets zien, zij! In zulk een nacht!

Op hetzelfde oogenblik bemerkten de keizer en allen van zijn gevolg
hoe diep de duisternis was. Geen van hen kon een handbreed voor zich
uitzien. En welk een stilte! welk een rust!

Zelfs niet het doffe murmelen van den Tiber konden zij hooren.

Maar 't was alsof de lucht hen wilde verstikken, het koude zweet
parelde hun op het voorhoofd en hun handen waren verstijfd en
machteloos. Zij dachten dat er iets ontzettends moest gebeuren.

Geen van hen wilde echter toonen, dat hij bang was, maar ze zeiden
tegen den keizer, dat het een goed voorteeken was: de heele natuur
hield den adem in om een nieuwen god te begroeten.

Ze spoorden den keizer aan zich te haasten met het offeren en zeiden,
dat de oude sibylle waarschijnlijk uit haar hol was gestegen om zijn
genius te begroeten.

Maar de waarheid was, dat de oude sybille geboeid was door een
visioen. Zij wist niet eens, dat Augustus op het Kapitool gekomen
was. In den geest vertoefde zij in een ver land, en daar meende
zij over een groote vlakte te schrijden. In de duisternis stiet ze
onophoudelijk met den voet tegen iets, dat ze dacht, dat aardheuveltjes
waren.

Zij boog zich voorover en voelde met de hand. Neen, het waren geen
aardheuveltjes maar schapen. Ze schreed tusschen groote, slapende
kudden. Nu bemerkte zij het vuur der herders. Dat brandde midden op
het veld, zij trachtte het te naderen. De herders sliepen bij het
vuur en naast hen lagen de lange, spitse herdersstaven, waarmee ze
de kudden tegen de wilde dieren plachten te beschermen.

Maar die kleine dieren met hun glinsterende oogen en groote staarten,
die naar het vuur slopen, waren dat geen jakhalzen?

En toch wierpen de herders hun staf niet naar hen, de honden bleven
doorslapen, de kudde vluchtte niet weg en de wilde dieren vlijden
zich naast de menschen neder.

Dat zag de sibylle, maar zij wist niets van hetgeen achter haar op den
berg plaats greep. Ze wist niet, dat men daar een altaar oprichtte,
kolen deed gloeien, wierook verspreidde, en dat de keizer één der
beide duiven uit de kooi nam om haar te offeren.

Maar zijn handen waren zoo krachteloos, dat hij den vogel niet kon
vasthouden. Met een enkelen slag van den vleugel bevrijdde de duif
zich en verdween in de duisternis van den nacht.

Toen dit geschiedde, blikten de hovelingen achterdochtig naar de oude
sibylle. Ze geloofden dat zij het was, die het ongeluk veroorzaakte.

Konden zij weten, dat de sibylle nog steeds bij het herdersvuur
dacht te staan, terwijl zij luisterde naar een zwak geluid, dat in
den doodstillen nacht begon te trillen?

Zij luisterde lang daarna, vóórdat zij bemerkte, dat het niet van de
aarde, maar uit de wolken kwam. Eindelijk hief zij het hoofd op en
toen zag zij lichte stralende gestalten in de duisternis voortglijden.

Het waren kleine engelenscharen, die lieflijk zingend en als zoekende,
heen en weer vlogen over de groote vlakte. En terwijl de sibylle naar
den engelenzang luisterde, maakte de keizer zich gereed tot een nieuw
offer. Hij waschte zijn handen, reinigde het altaar en liet zich de
tweede duif aanreiken, maar ofschoon hij nu zijn uiterste krachten
inspande om deze vast te houden, gleed het slanke lichaam der duif
uit zijn hand, en de vogel verdween in den ondoordringbaren nacht.

De keizer werd bevreesd. Hij viel op de knieën voor het leege altaar
en bad tot zijn genius. Hij smeekte zijn beschermgeest hem de kracht
te verleenen om de ongelukken af te wenden, die deze nacht scheen
te voorspellen.

Ook daarvan had de sibylle niets gemerkt. Ze luisterde met heel haar
ziel naar den engelenzang die al sterker en sterker werd. Op het
laatst was deze zoo luid, dat de herders ontwaakten. Ze leunden op
hun ellebogen en zagen lichte scharen zilverwitte engelen in lange
fladderende lijnen, trekvogels gelijk, in de duisternis voortzweven.

Sommigen hadden luiten en violen in de hand, anderen speelden op
citers en harpen, en hun gezang klonk zoo blijde als kindergelach
en zoo jubelend als het lied van den leeuwerik. Toen de herders dit
hoorden, togen ze opwaarts om naar de bergstad te gaan, waar ze thuis
behoorden, om het wonder te verhalen.

Zij gingen langs een smal, slingerend paadje en de oude sibylle
volgde hen. Opeens werd het helder licht boven den berg. Een groote,
stralende ster schitterde juist daarboven, en de stad op den bergtop
blonk als zilver in het licht der ster.

Alle zwevende engelenscharen spoedden zich jubelend daarheen en de
herders verhaastten hun schreden, zoo dat zij bijna sprongen. Toen
ze de stad bereikt hadden, zagen ze, dat de engelen zich boven een
lagen stal in de nabijheid van de stadspoort verzameld hadden. Het
was een ellendig huis met een dak van stroo en de naakte rots tot muur.

Daarboven straalde de ster en daar verzamelden zich al meer en meer
engelen. Sommigen lieten zich neder op het stroodak of streken neer op
de steile berghelling achter het huis, anderen bleven met fladderende
vleugels daarboven zweven.

Hoog, hoog was de lucht licht van flikkerende vleugels.

Op hetzelfde oogenblik, dat de ster boven de bergstad ontstoken werd,
ontwaakte de gansche natuur, de mannen die op de hoogte van het
Kapitool stonden, moesten dat wel merken. Ze voelden hoe frissche,
streelende winden het luchtruim doorzweefden, heerlijke geuren stegen
op uit de aarde, de boomen ruischten, de Tiber begon te murmelen,
de sterren straalden en de maan stond opeens hoog aan den hemel
en verlichtte de wereld. En uit de wolken kwamen de twee duiven
aangevlogen en namen plaats op den schouder van den keizer.

Toen dit wonder geschiedde, richtte keizer Augustus zich op in trotsche
vreugde, maar zijn vrienden en slaven wierpen zich op hun knieën. "Ave
Cesar," riepen zij. "Uw genius heeft u geantwoord. Gij zijt de god,
die op de hoogte van het Kapitool moet worden aangebeden."

En de hulde, die de geestdriftige mannen den keizer toejubelden,
was zoo luidruchtig, dat de oude sibylle het hoorde. Dit deed haar
uit haar visioenen ontwaken. Ze verliet haar plaats op de rotshelling
en begaf zich tusschen de menschen. 't Was alsof een donkere wolk uit
den afgrond opsteeg en neerstortte op de hoogte. Zij was vreeselijk
om aan te zien in haar ouderdom. Ruig haar hing in dunne vlokken
rondom haar hoofd, de gewrichten der ledematen waren gezwollen en de
donkere huid omkleedde het lichaam, hard als boomschors, met rimpel
naast rimpel. Maar geweldig en waardig schreed ze den keizer tegemoet.

Met de eene hand greep zij hem bij de pols, met de andere wees ze
naar het verre Oosten.

"Zie," beval zij hem, en de keizer hief zijn blik op naar den hemel en
zag. Het luchtruim opende zich voor zijn blikken en deze drongen door
tot het verre Oosterland. En hij zag een armoedigen stal onder een
steilen rotswand en in de geopende deur eenige knielende herders. In
den stal zag hij een jonge moeder gekield liggen voor een klein kind,
dat op een stroobos op den grond lag.

En de groote, knokige vingers der sibylle wezen naar dat arme kind.

"Ave Cesar," zei de sibylle, terwijl zij hoonend lachte. "Daar is de
god, die op de hoogte van het Kapitool zal worden aangebeden."

Toen deinsde Augustus terug als voor een waanzinnige. Maar de machtige
geest der profetie werd vaardig over haar, de oogen begonnen te
branden, haar handen wezen hemelwaarts, haar stem veranderde, zoo dat
die niet meer de hare scheen te zijn, maar zulk een klank en kracht
bezat, dat die over de gansche wereld gehoord kon worden. En zij sprak
woorden, die ze in den hemel tusschen de sterren, scheen te lezen:

"Op de hoogte van het Kapitool zal de wereldverlosser worden
aangebeden, Christus of Antichrist, maar geen sterflijke menschen."

Toen ze dit gezegd had, schreed ze tusschen de door schrik bevangen
mannen, daalde langzaam van den berg en verdween.

Maar Augustus liet den volgenden dag het volk streng verbieden hem
een tempel op het Kapitool op te richten.

In plaats daarvan liet hij een kapel voor het pasgeboren Godskind
bouwen en noemde dat het altaar des hemels, Aracoeli.



II.

ROME'S HEILIG KIND.


Op den heuvel van het Kapitool verhief zich een klooster dat bewoond
werd door Franciscaner monniken. Maar men kon het nauwelijks als
een klooster beschouwen, veeleer als een vesting. Het was gelijk een
wachttoren aan de zeekust, waar men naar een naderenden vijand tuurt
en staart.

Naast het klooster stond de prachtige basiliek Santa Maria in
Aracoeli. De basiliek was gebouwd als herinnering aan het bezoek der
sibylle, die keizer Augustus hier Christus had doen aanschouwen.

Maar het klooster was opgericht, omdat men vreesde voor de vervulling
van de profetie der sibylle, dat de Antichrist op het Kapitool zou
worden aangebeden.

En de monniken voelden zich als krijgers. Als ze naar de kerk gingen
om te zingen en te bidden, meenden zij op vestingwallen te loopen en
wolken van pijlen neer te zenden op den aanstormenden Antichrist.

Ze leefden altijd denkende aan den Antichrist, en hun gansche
godsdienst was één strijd om hem ver van het Kapitool te houden.

Ze trokken hun hoeden diep in het gelaat, om hun oogen te beschutten,
en tuurden in de wereld.

Hun blikken werden koortsachtig van het staren, en voortdurend meenden
ze den Antichrist te ontdekken.

"Hij is hier, hij is daar," riepen ze. En ze fladderden in hun bruine
pijen rond en maakten zich gereed tot den strijd, gelijk kraaien, die
op een rotspunt verzameld zijn en een adelaar in het gezicht krijgen.

Maar sommigen zeiden: Wat baten gebeden en boetedoeningen? De sibylle
heeft het gezegd. De Antichrist moet komen.

Toen zeiden anderen: God kan een wonder verrichten. Indien het kampen
niet baatte, zou Hij ons niet hebben laten waarschuwen door de sibylle.

Jaar na jaar verdedigden de Franciscanen het Kapitool door
boetedoening, werken van barmhartigheid en de verkondiging van
Gods woord.

Zij beschermden het eeuw na eeuw, maar naarmate de tijden verstreken,
werden de menschen krachteloozer en zwakker.

De monniken zeiden:

"Spoedig kan het rijk van dezen tijd niet langer bestaan. Er moet
een wereldherschepper komen zooals ten tijde van Augustus."

Ze rukten hun haren uit en geeselden zich, want ze wisten, dat de
wereldverlosser de Antichrist moest zijn, en dat het een rijk van
geweld en kracht zou worden.

Gelijk zieken door hun kwalen gepijnigd worden, zoo werden zij gekweld
door de gedachte aan den Antichrist. En zij zagen hem voor zich. Hij
was even rijk als Christus arm, even slecht als Christus goed, even
geëerd als Christus vernederd was. Hij voerde scherpe wapens en reed
aan de spits van bloeddorstige woestelingen. Hij wierp kerken omver,
vermoordde priesters en wapende de menschen tot den strijd, zóó dat
broeder tegen broeder worstelde en de eene mensch den anderen vreesde
en nergens vrede te vinden was.

En telkens als een mensch van geweld en kracht zijn weg over de zee
der tijden nam, werd er van den wachttoren op het Kapitool geroepen:
"De Antichrist, de Antichrist!"

En voor elken geweldenaar, die verdween en ten onder ging, riepen de
monniken hosanna en zongen ze een Te-Deum.

En ze zeiden: "Het is door de kracht onzer gebeden, dat de slechten
vielen, vóórdat ze het Kapitool konden bereiken."

Het was een harde straf voor het schoone klooster, dat zijn monniken
nooit rust konden vinden. Hun nachten waren nog zwaarder dan hun
dagen. Dan zagen ze hoe wilde dieren hun cellen binnendrongen en zich
naast hun brits uitstrekten. En elk wild dier was de Antichrist. Maar
sommige monniken zagen hem als een draak, en andere als een griffioen,
en weer andere als een sfinx. En als ze uit hun droomen ontwaakten,
waren ze mat als na een zware ziekte.

De eenige troost, dien deze arme monniken bezaten, was het wonderdoende
Christusbeeld, dat in de basiliek te Aracoeli bewaard werd. Wanneer
een monnik tot vertwijfeling gedreven was, ging hij naar de kerk om
daar troost te zoeken. Hij liep dan de geheele basiliek door naar een
afgesloten kapel naast het hoofdaltaar. Daarin ontstak hij gewijde
waskaarsen en deed een gebed, vóórdat hij de altaarkast opende, die
deuren van ijzer met dubbele sloten had. En hij lag op zijn knieën,
zoo lang hij het beeld aanschouwde.

Het beeld stelde een klein kind voor, het had een gouden kroon op het
hoofd, gouden schoentjes aan de voeten, en zijn kleertjes schitterden
van sieraden, die het beeld geschonken waren door lijdenden, die het
hadden aangeroepen om hulp. En de wanden der kapel waren bedekt met
schilderijen, die deden zien hoe velen het uit brand- en zeegevaar
gered had, hoe het zieken genezen en ongelukkigen geholpen had. En
als de monnik dit zag, jubelde hij en zei tot zich zelf:

"God zij geprezen! Nog is het Christus, die op het Kapitool wordt
aangebeden."

De monnik merkte op, hoe het beeld in mystieke, zelfbewuste macht tegen
hem glimlachte en zijn geest verhief zich tot de heilige sferen der
vertroosting. "Wat kan U doen neerstorten, Gij machtige?" zei hij. "Wie
kan U doen vallen? Voor U buigt de eeuwige stad haar knieën. Gij zijt
Rome's heilig kind. Gij zijt de gekroonde, dien het volk aanbidt. Gij
zijt de machtige, die hulp, troost en kracht verleent. Gij alleen
zult op het Kapitool worden aangebeden."

Hij zag hoe de kroon van het beeld veranderde in een aureool, die
stralen over de gansche aarde zond. En in welke richting hij ook den
loop der stralen volgde, overal zag hij hoe de wereld vol kerken was,
waar Christus werd aangebeden. Het was alsof een machtige heerscher
hem al de vestingen en burchten getoond had, die zijn rijk beschermden.

"Het is zeker, dat Gij niet kunt vallen," zei de monnik. "Uw rijk
moet blijven bestaan."

En elke monnik, die het beeld zag, genoot een paar uur van vertroosting
en vrede, totdat de vrees zich opnieuw van hem meester maakte. Maar
indien zij dit beeld niet bezeten hadden, zouden hun zielen geen
oogenblik rust gevonden hebben.

Zoo hadden Aracoeli's monniken zich onder gebed en strijd door de
tijden geworsteld, en nooit had het aan wachters ontbroken, want
zoodra een van hen uitgeput was door angst, haastten anderen zich
zijn plaats in te nemen.

En ofschoon de meesten, die in het klooster gingen, door waanzin of een
te vroegen dood getroffen werden, nooit slonk de rij der monniken, want
het werd als een groote eer beschouwd te Aracoeli voor God te strijden.

Zoo gebeurde het, dat deze strijd nog vóór zestig jaar in vollen gang
was, en wegens de verdorvenheid der tijden streden de monniken met
grooter ijver dan ooit en verwachtten den Antichrist zoo stellig als
nooit te voren.

In dien tijd kwam er een rijke Engelsche vrouw te Rome. Ze ging naar
Aracoeli en zag het beeld, en zij was daardoor zóó getroffen, dat ze
dacht niet te kunnen leven, indien het niet in haar bezit kwam. Zij
ging telkens terug naar Aracoeli om het beeld te zien en ten slotte
smeekte zij de monniken het van hen te mogen koopen.

Maar indien ze den ganschen mozaïekvloer in de groote basiliek met
gouden munten bedekt had, dan nog hadden de monniken haar dit beeld,
dat hun eenige troost was, niet willen afstaan.

Doch de Engelsche was in die mate in vervoering over het beeld,
dat zij zonder dit vreugde noch vrede kon vinden.

En daar ze op geen andere wijze haar verlangen kon bevredigen,
besloot ze het beeld te stelen.

Zij dacht niet aan de zonde, die ze beging, maar voelde slechts een
onweerstaanbaren drang en brandenden dorst en liever wilde zij haar
ziel wagen dan haar hart het geluk weigeren het vurig begeerde beeld te
bezitten. En om haar doel te bereiken, liet ze een beeld vervaardigen,
dat volkomen gelijk was aan dat te Aracoeli.

't Beeld van Aracoeli is van olijvenhout uit Getsemane's olijvenberg
gesneden, maar de Engelsche waagde het een beeld van olmhout te laten
snijden, dat volkomen daarop geleek.

't Beeld te Aracoeli is niet door menschenhanden beschilderd.

Toen de monnik, die het sneed, penseel en verf genomen had, sluimerde
hij in over zijn arbeid. En toen hij ontwaakte, was het beeld
geschilderd. Het had zich zelf voltooid, als teeken, dat God het
beminde. Maar de Engelsche was zoo vermetel een aardschen schilder
haar houten beeld zóó te laten schilderen, dat het volkomen gelijk
aan het heilige beeld werd.

Het nagemaakte beeld kocht ze een kroon en schoentjes, maar die
waren niet van goud; het was slechts zink en verguldsel. Ze bestelde
sieraden, ze kocht ringen en halskettingen, armbanden en juweelen
sterren--maar dat alles was van koper en glas--en zij kleedde het,
zooals de hulpzoekenden het ware en echte beeld gekleed hadden.

Toen het beeld klaar was, nam ze een naald en grifte in de kroon:
"Mijn rijk is slechts van deze wereld."

't Was alsof ze vreesde, dat ze zelf niet meer beeld van beeld
kon onderscheiden. En 't was alsof ze haar geweten had willen
geruststellen. "Ik heb immers niet een valsch Christusbeeld willen
maken. Ik heb toch in zijn kroon geschreven: Mijn rijk is slechts
van deze wereld."

Daarop wierp zij een wijden mantel om, verborg het beeld daaronder
en ging naar Aracoeli. Daar verzocht ze, haar devotie te mogen doen
vóór het Christusbeeld.

Toen zij nu stond in het heiligdom, en de kaarsen aangestoken, de
ijzeren deuren geopend waren, en het beeld zich aan haar blikken
vertoonde, begon ze te trillen en te beven en 't scheen alsof ze
bezwijmen zou.

De monnik, die haar vergezelde, haastte zich naar de sacristij om
water te halen en zij bleef alleen in de kapel.

En toen hij terugkwam, had zij de heiligschennis gepleegd.

Zij had het heilige, wonderdoende beeld genomen en het valsche en
machtelooze daarvoor in de plaats gezet.

De monnik bemerkte niets van den ruil. Hij sloot het valsche
beeld achter ijzeren deuren met dubbele sloten en de Engelsche ging
huiswaarts met Aracoeli's schat. Zij plaatste het in haar paleis op een
voetstuk van marmer en was zoo gelukkig als ze nog nimmer geweest was.

In Aracoeli, waar men niets wist van de schade, die men geleden
had, aanbad men het onechte Christusbeeld gelijk men het echte had
aangebeden. En toen het Kerstfeest aanbrak, bouwde men het, zooals
gebruikelijk was, een der schoonste grotten in de kerk.

Daar lag hij stralend als een edelgesteente, in Maria's schoot en
rondom hem stonden herders, engelen en wijze mannen. En zoo lang
de grot daar was, kwamen er kinderen van Rome en van de Campagne en
werden in een kleinen preekstoel in Aracoeli's basiliek geheven. Dan
predikten ze de lieflijkheid, zoetheid, macht en heiligheid van het
kleine Christuskind.

Maar de Engelsche leefde in grooten angst, dat iemand ontdekken zou,
dat zij Aracoeli's Christusbeeld gestolen had. Daarom bekende zij
voor niemand, dat het beeld hetwelk zij bezat, het echte was.

"Dit is een nagemaakt beeld," zei ze, "het is zoo gelijk aan het
echte als het slechts zijn kan, maar het is nagemaakt."

Nu had zij een klein Italiaansch meisje in haar dienst. Op een dag toen
deze door het vertrek ging, bleef ze voor het beeld staan en sprak:

"Gij, arm Christuskind, dat eigenlijk geen Christuskind zijt, indien
gij wist hoe het ware kind in al zijn heerlijkheid in de grot te
Aracoeli ligt, en hoe Maria en San Giuseppe en de herders voor hem
geknield liggen! En indien ge slechts wist hoe de kinderen op een
kleinen preekstoel tegenover hem staan, en hoe ze buigen, en hem
kushandjes toewerpen en hoe ze prediken voor hem, zoo schoon als zij
slechts kunnen!"

Eenige dagen later kwam het kleine dienstmeisje weer en sprak tot
het beeld:

"Arm Christuskind, gij, die geen Christus zijt, weet gij, dat ik
vandaag in Aracoeli geweest ben en gezien heb hoe het ware kind in
processie rondgedragen werd? Ze hielden een troonhemel boven hem,
en alle menschen zonken voor hem op de knieën, en zongen en speelden
voor hem.

"Nooit zult gij zoo iets heerlijks beleven!"

En hoor nu, wat het dienstmeisje voor de derde maal tot het beeld
sprak:

"Weet gij, Christuskind, dat geen echt Christuskind zijt, dat het
beter voor u is te staan, waar gij staat? Want het ware kind wordt
bij de zieken geroepen, en het rijdt in zijn gouden wagen daar heen,
maar het kan hen niet helpen, en ze sterven in vertwijfeling. En
men begint te zeggen, dat het heilige kind van Aracoeli de kracht om
goed te doen verloren heeft, en dat gebeden en tranen hem niet meer
roeren. Het is beter voor u, dat ge staat waar ge staat, dan dat ge
aangeroepen wordt en niet kunt helpen."

Maar den volgenden nacht geschiedde er een wonder. Tegen middernacht
werd er hevig aan de kloosterpoort te Aracoeli geluid. En toen de
poortwachter zich niet genoeg haastte om te openen, werd er op de
poort geklopt. Dat kloppen klonk zoo luid alsof het met klinkend
metaal geschiedde, en het werd door het gansche klooster gehoord. Alle
monniken rezen tegelijk op van hun bedden. Allen die gepijnigd werden
door vreeselijke droomen, vlogen plotseling op en dachten, dat de
Antichrist gekomen was.

Maar toen men de poort opende--toen men de poort opende!

Het was het kleine Christusbeeld, dat op den drempel stond. 't Was
zijn kleine hand die aan het klokketouw getrokken had, het was zijn
kleine goudgeschoeide voet, die tegen de poort geschopt had.

De poortwachter nam het heilige kind haastig in zijn armen. Toen zag
hij, dat het tranen in de oogen had.

Ach, het arme heilige kind had in den nacht door de stad geloopen! Wat
had het niet moeten zien!

Zoo veel armoede en zoo veel ellende en zoo veel ondeugd en zoo
veel misdaden! Het was verschrikkelijk te denken wat het al niet had
moeten ondervinden!

De poortwachter ging naar den prior en toonde hem het beeld. En zij
waren verbaasd dat het 's nachts buiten was gekomen.

Maar de prior liet de kerkklok luiden en den monniken tot een
godsdienstoefening bijeenroepen. En al de monniken van Aracoeli trokken
naar de groote schemerachtige basiliek om in alle plechtigheid het
beeld weer op zijn plaats te zetten.

Uitgeput en lijdend liepen ze te rillen in hun zware duffel
monnikspijen. Velen van hen weenden alsof ze aan een levensgevaar
ontsnapt waren.

"Hoe zou het ons gegaan zijn," zeiden ze, "indien onze eenige troost
van ons was genomen? Is het niet de Antichrist, die Rome's heilig
kind uit het beschermende heiligdom gelokt heeft?"

Maar toen ze het Christusbeeld in de altaarkast wilden plaatsen,
vonden ze daarin het valsche kind, dat op zijn kroon het inschrift
droeg: "Mijn rijk is slechts van deze wereld."

En nu ze het beeld nader onderzochten, vonden ze het inschrift.

Toen wendde de prior zich tot de monniken en sprak tot hen:

"Broeders, we zullen een Te-Deum zingen, de zuilen onzer kerk met
zijde omwinden en alle waskaarsen en lampen aansteken en we zullen
een groot feest vieren.

"Zoo lang het klooster bestaan heeft, is het een huis van vervloeking
geweest, maar om den wille van al het lijden dergenen, die hier geleefd
hebben, heeft God genade geschonken. En nu is alle gevaar geweken.

"God heeft den strijd met zege bekroond en wat gij gezien hebt, is het
teeken, dat de Antichrist niet op het Kapitool zal worden aangebeden.

"Want opdat de woorden der sibylle niet onvervuld zouden blijven,
heeft God dit valsche beeld van Christus gezonden, dat de woorden
van den Antichrist in zijn kroon voert, en Hij heeft het ons laten
aanbidden en vereeren, alsof hij de groote Zaligmaker ware.

"Maar nu kunnen wij vol vreugde en blijdschap rusten, want de duistere
profetie der sibylle is vervuld, en de Antichrist is hier aangebeden.

"Groot is God, de Almachtige, die den verterenden angst van ons nam
en Zijn wil geschieden liet, zonder dat de wereld het valsche beeld
van Gods Zoon behoefde te aanschouwen.

"Gelukkig is Aracoeli's klooster, dat in Gods genade staat, Zijn wil
volvoert en gezegend is door Zijn oneindige genade."

Toen de prior dit gezegd had, nam hij het valsche beeld in zijn
handen, schreed de kerk door en opende de groote hoofddeur. Daar
trad hij op het terras. Beneden hem lag de hooge, breede trap met
honderd negentien marmeren treden, die van het Kapitool als naar een
afgrond leidt. En hij hief het beeld boven zijn hoofd en riep luid:
"Anatema Antichristo" en slingerde het beeld van de hoogte van 't
Kapitool naar beneden in de wereld.



III.

OP DE BARRICADE.


Toen de rijke Engelsche 's morgens ontwaakte, miste zij het beeld en
wist niet waar zij het moest zoeken. Zij geloofde dat niemand anders
dan Aracoeli's monniken het weggenomen konden hebben. En haastig ging
ze naar het Kapitool om het daar te zoeken. Zoo kwam ze bij de groote
marmeren trap, die naar Aracoeli's basiliek voert. En haar hart klopte
onstuimig van vreugde, want op de onderste trede lag hetgeen zij zocht.

Zij greep het beeld, verborg het onder haar mantel en spoedde zich
huiswaarts. En weer plaatste zij het in haar feestzaal.

Maar toen zij zich nu verdiepte in zijn schoonheid, zag ze, dat er
een deuk in de kroon gekomen was.

Zij nam die in haar hand om te zien zien hoe groot de schade was en
in hetzelfde oogenblik vielen haar oogen op het inschrift dat ze zelf
gegrift had:

"Mijn rijk is slechts van deze wereld."

Toen wist zij, dat dit het valsche Christusbeeld was en dat het echte
weer in Aracoeli's kapel stond.

Zij wanhoopte dit ooit weer in haar bezit te krijgen en zij besloot den
volgenden dag uit Rome te vertrekken, want ze wilde daar niet langer
blijven, nu zij het beeld niet meer bezat. Maar toen zij vertrok, nam
zij het valsche beeld mede, omdat het haar herinnerde aan het andere,
dat zij beminde; en het vergezelde haar later op al haar reizen.

Zij vond nergens rust, maar reisde voortdurend, en op deze wijze
werd het beeld over de gansche wereld gevoerd. En overal waar het
beeld kwam, was het alsof Christus' macht verminderde, zonder dat
iemand recht begreep wat de oorzaak daarvan was. Want niets zag er
machteloozer uit dan dit armzalige beeld van olmhout, dat versierd
was met koperen ringen en glazen kralen.

Toen de rijke Engelsche, die eerst het beeld bezeten had, dood
was, kwam het in het bezit van een andere rijke Engelsche, die ook
voortdurend reisde, en na deze in handen van een derde.



Eens, het was nog in den tijd der eerste Engelsche, kwam het beeld
in Parijs.

Toen het de groote stad binnenreed, was daar oproer. Volksmenigten
trokken luid schreeuwend door de straten en riepen om brood. Ze
plunderden de winkels en wierpen steenen naar de paleizen der
rijken. Gewapende macht trok tegen hen op, toen rukten ze de
straatsteenen uit, stapelden wagens en huisraad opeen en versperden
de straten met barricades.

Toen nu de rijke Engelsche de stad binnenreed in haar grooten
reiswagen, stormde het volk daarop los, dwong haar uit te stappen en
sleepte den wagen naar één der barricades.

Terwijl men trachtte deze te stapelen op de duizenden voorwerpen, die
de barricade vormden, viel één der grootste koffers op den grond. Het
slot sprong open en onder het vele dat uit den koffer rolde, was ook
het verworpen Christusbeeld.

't Volk stortte zich daarop, om het plunderen, maar men ontdekte
spoedig dat al zijn sieraden valsch en geheel waardeloos waren, en
men begon het beeld te bespotten en te hoonen. Het ging van hand tot
hand onder de oproerlingen, totdat één van hen zich bukte om de kroon
te bekijken. Zijn blik viel op de woorden, die daarin gegrift waren:
"Mijn rijk is slechts van deze wereld."

De man riep dit luide en allen schreeuwden, dat het kleine beeld hun
veldteeken zou zijn. Ze plaatsten het op den top der barricade en
plantten het daar als een banier.

Onder degenen, die de barricade verdedigden, was een man, die geen
arme arbeider, maar een geleerde was, die zijn gansche leven in de
studeerkamer had doorgebracht. Hij kende al de ellende, waaronder
de menschen gebukt gaan, en zijn hart was vervuld van medelijden;
voortdurend zocht hij naar een middel om hun lot te verbeteren.

Gedurende dertig jaar had hij geschreven en gepeinsd, zonder hulp
te vinden. Toen hij nu de stormklok hoorde luiden, volgde hij deze
roepstem en snelde de straat op. Hij had een wapen gegrepen en was de
oproerlingen gevolgd in de meening, dat het raadsel, hetwelk hij niet
vermocht op te helderen, opgelost kon worden door geweld en macht en
dat de armen zich door strijd een beter lot konden verwerven. Daar
stond hij nu den ganschen dag te strijden, de menschen sneuvelden
rondom hem, bloed spatte hem in het gelaat, en de ellende van het
leven scheen hem grooter en jammerlijker dan ooit.

Maar zoo dikwijls de kruitdamp optrok, schitterde in zijn oogen het
kleine beeld dat gedurende al het krijgstumult onbeweeglijk hoog boven
op de barricade stond. En iederen keer, dat hij het beeld zag, werd
hij getroffen door de woorden: "Mijn rijk is slechts van deze wereld."

Ten slotte kwam het hem voor, dat deze woorden zich zelf in de lucht
schreven, en voor zijn oogen begonnen te zweven, nu in vuur, dan in
rook of in bloed.

Hij werd stil, hij stond daar met het geweer in de hand, en staakte
den strijd. Plotseling wist hij, dat dit de woorden waren, waarnaar
hij zijn leven lang gezocht had. Nu wist hij wat hij den menschen
moest zeggen, en dit armzalige beeld was het, dat hem de oplossing
gegeven had.

Hij zou de gansche wereld doortrekken om te verkondigen "Uw rijk
is slechts van deze wereld." Daarom moet gij trachten dit leven
gelukkig te maken en als broeders leven. En ge zult uw rijkdommen
deelen opdat niemand rijk en niemand arm zij. Ge zult allen arbeiden,
en de aarde zal het eigendom van allen zijn en ge zult allen gelijk
worden. Niemand zal honger lijden, niemand zal in overdaad leven en
niemand zal op zijn ouden dag gebrek lijden. En ge zult streven naar
het geluk van allen, want er is geen hiernamaals, dat u wacht.

Dit alles voer hem door het hoofd, terwijl hij daar op de barricade
stond, en toen de gedachte hem helder was, legde hij de wapens neder
en hief die niet weder op tot strijd en bloedvergieting.

Spoedig daarop werd de barricade opnieuw bestormd en genomen. De
troepen trokken zegevierend voorwaarts en dempten het oproer; en
vóórdat de avond viel, heerschte er vrede en orde in de groote stad.

Toen zond de Engelsche eenige dienaren uit om haar verloren eigendommen
te zoeken, en ze vonden verschillende zaken, zoo niet alles. 't Eerst
zagen ze op de bestormde barricade den verworpeling van Aracoeli.

Maar de man, die gedurende den strijd van het beeld geleerd had,
begon der wereld een nieuwe leer te verkondigen, die socialisme
genoemd wordt, maar het Antichristendom is.

En die leer bemint, verzaakt, leert en strijdt als het Christendom,
zoodat die volkomen op deze gelijkt, evenals het valsche beeld van
Aracoeli volkomen gelijkt op het echte Christusbeeld. En evenals het
valsche beeld zegt zij: "Mijn rijk is slechts van deze wereld."

Maar terwijl het beeld, dat deze leer verspreid heeft, onopgemerkt
is en onbekend, is de leer bekend en gaat over de gansche wereld om
die te verlossen en te herscheppen.

Van dag tot dag wint zij veld. Zij gaat door alle landen en draagt
velerlei namen en ze is zoo verleidelijk, omdat ze allen aardsch
geluk en genot belooft, en ze lokt meer aanhangers dan welke leer ook,
die over de wereld is gegaan sedert Christus' tijd.



EERSTE DEEL.


                                       "Daar zal groote nood heerschen."


I.

DE MONGIBELLO.


Omstreeks 1870 woonde er in Palermo een arme knaap, die Gaetano
Alagona heette. Dat was een geluk voor hem! Ware hij niet een der
oude Alagona's geweest, dan zou men hem misschien hebben laten
verhongeren. Hij was immers slechts een kind, en had geld noch
ouders. Maar nu hadden de jezuïeten van Santa Maria in Gesu hem uit
barmhartigheid in de kloosterschool opgenomen.

Op een dag, terwijl hij in zijn lessen verdiept was, kwam een pater
hem uit de school roepen, omdat een bloedverwante hem wilde spreken.

Wat, een bloedverwante! Hij had altijd gehoord, dat zijn geheele
familie overleden was. Maar pater Jozef beweerde, dat er familie
van hem, een signora in levenden lijve was, die hem uit het klooster
wilde nemen.

Het werd al erger en erger. Wilde zij hem uit het klooster nemen? Daar
zou ze toch zeker de macht niet toe hebben!

Hij zou immers monnik worden.

Hij wilde de signora in het geheel niet zien. Kon pater Jozef haar
niet zeggen, dat Gaetano het klooster nooit zou verlaten, en dat het
haar niets baatte hem dat te vragen?

Neen, pater Jozef zei, dat het niet ging haar te laten vertrekken,
zonder dat zij hem gezien had, en hij sleepte Gaetano half naar
de ontvangkamer.

Daar stond ze bij een der vensters. Heur haar was grauw, haar
gelaatstint bruin en haar oogen waren zwart en rond als paarlen. Zij
droeg een kanten sluier op het hoofd, en haar zwarte kleederen
waren glad van het dragen, en een weinig vaal, zooals pater Jozefs
alleroudste kaftan.

Ze maakte het teeken des kruises, toen zij Gaetano zag.

"God zij geloofd, hij is een echte Alagona!" riep zij en kuste hem
de hand.

Zij zei, dat het haar leed deed, dat hij twaalf jaar oud was geworden,
zonder dat één zijner familieleden naar hem gevraagd had. Maar zij had
niet geweten, dat er nog iemand van den anderen tak in leven was. Hoe
zij dat nu opeens was te weten gekomen? Ja, Luca had zijn naam in de
courant gelezen. Die had gestaan bij degenen, die een prijs gekregen
hadden. Dat was nu een half jaar geleden, maar het was een verre reis
naar Palermo. Zij had moeten sparen en sparen om het reisgeld bijeen
te krijgen. Ze had niet eerder kunnen komen. Maar hierheen gaan om
hem te zien, dat moest ze. Santissima Madre, zij was zoo blij geweest!

Zij was het, donna Elisa, die Alagona heette. Haar overleden man
was een Antonelli geweest. Er bestond nog één Alagona, dat was haar
broeder. Hij woonde ook in Diamante. Maar Gaetano wist zeker niet
waar Diamante lag?

De knaap schudde met het hoofd. Neen dat kon ze wel denken, ze lachte.

"Diamante ligt op den Monte Chiaro. Weet je waar de Monte Chiaro ligt?"

"Neen."

Zij trok haar wenkbrauwen op en zag er heel schalks uit. "De Monte
Chiaro ligt op den Etna, indien je weet waar de Etna ligt?"

Dat klonk zoo aarzelend alsof het al te veel verlangd was, dat
Gaetano iets van den Etna zou weten. En zij lachten alle drie, zij,
zoowel als pater Jozef en Gaetano. Ze werd een heel ander mensch,
nadat zij hen aan het lachen gebracht had.

"Wil je met mij meegaan om Diamante, den Etna en den Monte Chiaro te
zien?" vroeg ze vlug.

"Den Etna moet je zien. Dat is de grootste berg op de geheele
wereld. De Etna is een koning en de bergen rondom hem liggen op
hun knieën en wagen het niet hun blikken te verheffen naar zijn
aangezicht." Toen begon zij al het mogelijke van den Etna te vertellen.

Ze dacht zeker, dat dit hem zou kunnen lokken.

En 't was werkelijk waar, dat Gaetano er nooit over nagedacht had,
wat de Etna eigenlijk voor een berg was. Hij had niet geweten, dat
hij sneeuw op zijn kruin had, eikenloof in den baard, en wijnranken om
het middel en dat hij tot over de knieën in oranjebosschen trapte. En
langs den berg stroomden groote, breede zwarte rivieren. Die waren
heel merkwaardig, ze vloeiden zonder te murmelen, zij golfden zonder
wind, de slechtste zwemmer kon er zonder een brug over komen.

Gaetano raadde, dat zij lavastroomen bedoelde. En zij was zoo blij,
dat hij dit had kunnen raden. Hij had dus verstand. Hij was een
echte Alagona.

En dat de Etna zoo groot was! Denk eens aan, dat men drie dagen noodig
heeft om er omheen, en drie dagen om naar den top en weer naar beneden
te rijden.

En dat er behalve Diamante nog vijftig steden en veertien groote
bosschen en twee honderd kleine bergen op den Etna gevonden werden,
die toch ook nog zoo klein niet waren, ofschoon de berg zoo groot was,
dat deze niet meer in het oog vielen dan een zwerm vliegen op een
kerkdak. En dat er grotten waren, die een geheel krijgsheer konden
bevatten; en holle oude boomen, waaronder een groote kudde schapen
beschutting kon vinden bij onweer.

Alles wat merkwaardig was scheen op den Etna gevonden te worden. Daar
waren rivieren, waarvoor men zich in acht moest nemen, 't water daarin
was zoo koud, dat men zou sterven, indien men daarvan dronk. Andere
stroomen waren er, die alleen overdag vloeiden en weer andere,
die alleen gedurende den winter stroomden, sommige verborgen zich
bijna voortdurend diep onder den grond. En er waren warme bronnen,
leemvulkanen en zwavelgroeven.--En 't zou jammer voor Gaetano zijn,
indien hij den Etna nooit zag want de berg was zoo grootsch.

Hij verhief zich ten hemel als een praaltent. Hij was veelkleurig als
een caroussel. Gaetano zou hem 's morgens en 's avonds willen zien,
als hij rood was, en hij zou hem 's nachts willen zien als hij wit
getint was. En dan zou Gaetano zeker ook willen weten of het waar was,
dat hij alle kleuren kon aannemen, of hij blauw, zwart, bruin en violet
kon worden? En of hij een schoonheidssluier droeg als een signora? Of
hij gelijk een tafel was, bedekt met pluche kleeden? Of hij een tunica
van gouddraad en een mantel van pauweveeren droeg? Hij zou zeker ook
gaarne willen weten of het waar was, dat de oude koning Arthur daar in
een grot zat? Donna Elisa zei, dat het zeer zeker was, dat hij nog op
den Etna woonde, want eens, toen de bisschop van Catania over den berg
reed, sprongen drie zijner muilezels weg, en de jongen die ze zocht
vond ze in de grot bij koning Arthur. De koning verzocht den knaap,
den bisschop te willen zeggen, dat zoodra zijn wonden geheeld waren,
hij met zijn ridders van de ronde tafel zou komen, om het onrecht
dat op Sicilië was tot recht te maken.

En degene die oogen bezat om te zien, die wist wel, dat koning Arthur
nog niet uit zijn grot was gekomen.

Gaetano wilde zich niet door haar laten lokken, maar hij dacht, dat hij
toch wel een weinig vriendelijk tegen haar kon zijn. Zij stond nog,
maar nu zette hij een stoel voor haar neer. Zij moest echter niet
denken, dat dit was, omdat hij met haar mee wilde gaan. Hij vond het
werkelijk heerlijk haar van heur berg te hooren vertellen. 't Was zoo
grappig, dat die zooveel kunsten kende. Hij geleek in het geheel niet
op den Monte Pellegrino bij Palermo die slechts stond waar hij stond.

De Etna kon rooken als een schoorsteen, en licht verspreiden als een
gaslantaarn. Hij kon rollen en rommelen, lava spuwen, met steenen
werpen, asch zaaien, weer voorspellen en regen verzamelen.

Wanneer de Mongibello zich slechts verroerde, viel stad na stad omver
alsof de huizen kaarten waren, die op den rand opgesteld waren.

Mongibello, dat was ook een naam van den Etna. Hij werd Mongibello
genoemd, omdat dit beteekende: berg der bergen. Hij verdiende nog eens,
zoo te heeten.

Gaetano zag, dat donna Elisa bepaald geloofde, dat hij haar niet zou
kunnen weerstaan. Zij had zooveel rimpels in haar gezicht, en toen
zij lachte, liepen die gelijk een net in elkaar.

Hij moest daarnaar kijken. Het zag er zoo merkwaardig uit, maar nog
was hij niet in dat net gevangen.

Ze was verlangend te weten of Gaetano werkelijk den moed zou hebben
om op den Etna te komen. Want diep in den berg lagen veel geboeide
reuzen en er was een zwart slot, dat bewaakt werd door een hond met
vele koppen. Er werd ook een groote smidse in gevonden en een kreupelen
smid met slechts één oog, dat hem midden in het voorhoofd zat.

En 't ergst van alles was, dat diep in den berg een zwavelzee was
die kookte als een olieketel, en daarin lag Lucifer en alle verdoemden.

Neen, hij zou wel geen moed hebben daar te komen, zei ze. Anders
bestond er geen gevaar om er te wonen, omdat de berg God vreesde. Donna
Elisa zei, dat de Mongibello vele heiligen bezat, maar bovenal Santa
Agatha van Catania.

En indien de Cataniënsers altijd tegen hem waren, zooals ze moesten,
dan kon geen aardbeving of lavastroom hen deren.

Gaetano stond heel dicht bij haar en lachte om alles wat zij zeide. Hoe
was hij daar gekomen en waarom kon hij niet nalaten te lachen? Het
was een merkwaardige signora!

Plotseling zei hij om haar niet te bedriegen:

"Donna Elisa, ik wil monnik worden."--"Zoo, werkelijk?" zei ze. Toen
vervolgde zij, zonder verder acht te slaan op zijn gezegde, haar
verhaal van den berg. Zij zei, dat hij nu goed moest luisteren,
nu kwam ze aan het allergewichtigste. Hij moest haar volgen naar de
Zuidzijde van den berg, zoo ver naar beneden, dat ze dicht bij de
groote vlakte van Catania waren en daar zou hij een dal zien, een
heel groot, breed en cirkelvormig dal. Maar het was volkomen zwart,
lavastroomen vloeiden van alle kanten daarin. En er waren slechts
steenen, geen enkele grashalm!

Wat had Gaetano nu wel van de lava gedacht? Donna Elisa vermoedde,
dat hij meende, dat de lava zoo vlak en glad langs den Etna stroomde,
als die op straat ligt. Maar in den Etna was zooveel tooverij. Kon
hij begrijpen, dat alle slangen en draken en heksen, die in de kokende
lava lagen, er mee uitstroomden, wanneer er een uitbarsting was? Daar
lagen ze en krioelden en slingerden om elkaar heen en trachtten op
den kouden grond te komen maar hielden elkaar terug in de ellende,
totdat de lava rondom hen stolde. En los konden ze niet meer komen!

Neen, nooit!

De lava was ook niet zoo onvruchtbaar, als hij dacht.

Ofschoon geen gras daarop groeide, was daar nog wel iets anders op te
vinden. Maar hij zou nooit kunnen raden, wat het was. Dat strompelde
en stortte, dat viel en kroop, dat liep op de knieën en op het hoofd
en op de ellebogen. Het was binnen en buiten het dal, het had slechts
stekels en knobbels, en het had een mantel van spinnewebben, en poeder
op zijn pruik en leden zoo vele als een worm.

Kon dat iets anders zijn dan de cactus?

Wist hij dat de cactus op de lava groeide en den grond bewerkte gelijk
een boer? Wist hij, dat alleen de fichidenda de lava kon beteugelen?

Nu keek zij naar pater Jozef en trok een vroolijk gezicht. De cactus
was de beste toovenaar, die op den Etna woonde; maar toovenaar blijft
toovenaar.

De cactus was een Saraceen, want hij hield het met slavinnen.

Het was werkelijk waar, want zoodra de cactus ergens wortel geschoten
had, wilde hij den amandelboom bij zich hebben.

De amandelboom is een schoone, stralende signorina. Ze waagt zich
nauwelijks op den zwarten bodem, maar dat helpt haar niet. Er op zal
en moet ze!

O, Gaetano zou het zien als hij daar kwam.

Als in de lente de amandelboomen wit van bloemen staan op het zwarte
veld te midden van de grauwe cactussen, zijn ze zoo onschuldig en
schoon, dat men over hen kon weenen als over geroofde prinsessen.

Nu zou hij eindelijk hooren, waar de Monte Chiaro lag. Die schoot op
uit den bodem van dat zwarte dal. Ze beproefde haar parapluie op den
grond te laten staan. Zóó stond de Monte Chiaro, hij stond rechtop. En
nooit had hij aan zitten of liggen gedacht.

En even zwart als het dal, even groen was de Monte Chiaro. Daar stond
palm naast palm, wijnstok naast wijnstok. Het was een heer in een
groot-bloemigen slaaprok. Het was een koning met een kroon op het
hoofd. Het droeg geheel Diamante in het haar geslingerd.

Na een tijdje voelde Gaetano zoo'n grooten lust om Donna Elisa's
hand te grijpen. Zou dat kunnen? Ja, het ging. Hij trok haar hand
naar zich toe als een geroofden schat. Maar wat zou hij daarmee
doen? Streelen? Indien hij het heel zachtjes probeerde met één vinger,
misschien zou zij het dan niet merken? Misschien zou ze het niets
eens merken, als hij haar hand kuste?

Ze sprak en sprak maar steeds door. Neen, ze merkte het in het
geheel niet.

Er was nog zooveel, dat ze wilde vertellen.

En zoo iets grappigs als haar geschiedenis van Diamante!

Ze zei, dat de stad in het dal gelegen had. Toen kwam de lava en
gloeide vuurrood over den rand van het dal. Hoe, was de dag des
oordeels aangebroken? De stad nam in allerijl haar huizen op den nek,
op het hoofd en onder den arm, en sprong tegen den Monte Chiaro op,
die juist bij de hand lag.

Op tegen den berg in zag-zaglijn sprong de stad. Toen ze hoog genoeg
gekomen was, wierp ze een stadspoort en een heel kleinen stadsmuur
naar beneden. Sedert sprong ze in een spiraal rond en wierp met
huizen. De hutten der arme menschen mochten juist neerrollen, waar ze
wilden of konden. Daarvoor had men geen tijd. Men kon niets beters
verlangen dan gedrang en nauwe en bochtige straten. Neen, dat kon
men werkelijk niet. Groote straten liepen spiraalvormig rondom den
berg, juist zooals de stad gesprongen was, en hier had ze een kerk
heengeworpen en daar een paleis. Maar zooveel regelmaat was er toch
geweest dat het beste het hoogst kwam te liggen.

Toen de stad den bergtop bereikte, had ze een marktplein aangelegd,
en daarop het raadhuis, de domkerk en het oude palazzo Geraci gezet.

Maar indien hij, Gaetano Alagona, haar naar Diamante wilde volgen,
dan zou ze hem meenemen naar het marktplein op den bergtop en hem
wijzen waar de grondbezittingen der oude Alagona's op den Etna en
op de vlakte van Catania gelegen hadden en welke hun burchten op de
bergen rondom geweest waren.

Want daarboven op den berg kon men dat alles zien en nog veel meer. De
gansche zee zag men daar.

Gaetano had er niet aan gedacht, dat ze lang gesproken had, maar
pater Jozef werd zeer ongeduldig.

"Nu zijn we immers aan uw eigen huis gekomen, donna Elisa," zei hij
heel vriendelijk.

Maar zij verzekerde pater Jozef, dat er bij haar niets bizonders was
te zien. Wat ze Gaetano 't allereerst wilde wijzen, was het groote
huis aan de corso, dat het zomerpaleis genoemd werd.

Dat was niet zoo schoon als het palazzo Geraci, maar het was groot en
toen de oude Alagona's in hun bloeitijd waren, woonden ze des zomers
daarin, om dichter bij de sneeuw van den Etna te zijn.

Ja, zooals zij gezegd had, van buiten was er niets bizonders aan
te zien, maar het had een heerlijk park en open booggangen langs
beide zijvleugels. En op het dak was een terras, dat was bevloerd
met witte en blauwe tegelsteenen, en in iederen steen was het wapen
der Alagona's gebrand.

Dat zou hij toch zeker willen zien?

Het viel Gaetano in, dat donna Elisa zeker wel gewoon was, dat kinderen
op haar schoot zaten, als zij thuis was. Misschien zou zij het niet
merken, wanneer hij op haar schoot klauterde? En hij beproefde het. Ja,
het was zoo. Zij was het gewoon. Zij merkte er in 't geheel niets
van. Zij vertelde maar door van het paleis. Daarin was een groote
praalwoning, waar de oude Alagona's gedanst en gespeeld hadden. Er
was een groote zaal met een muziekgalerij, daar waren oude meubels
en uurwerken, in kleine witte albasten tempels, die op een voetstuk
van zwart ebbenhout stonden. In de praalwoning woonde niemand, maar
zij zou er met hem heengaan.

Misschien had hij gedacht, dat zij in het zomerpaleis woonde?

O, neen, daar woonde haar broer, don Ferrante. Hij was koopman en had
zijn winkel beneden en daar hij nog geen signora bezat, bleef alles
boven staan, zooals het stond.

Gaetano vroeg zich af of hij nog op haar schoot kon blijven zitten. 't
Was wonderlijk, dat zij niets merkte. En het was een geluk, anders
zou ze geloofd hebben, dat hij het plan om monnik te worden uit zijn
hoofd had gezet.

Maar ze was juist nu meer dan ooit met zich zelf bezig.

Een zacht rood kleurde haar bruine wangen en ze trok een paar malen
haar wenkbrauwen allergrappigst in de hoogte. Toen begon zij te
vertellen, hoe zij het zelf had.

Het scheen wel, alsof donna Elisa in het allerkleinste huis van de
stad woonde. Het lag juist tegenover het zomerpaleis, maar dat was
ook de eenige verdienste ervan. Zij had een kleinen winkel, waar zij
medaillons en waskaarsen en alles verkocht, wat bij den godsdienst
behoorde. Maar met allen eerbied voor pater Jozef, zulk een handel
gaf niet veel winst in deze tijden, hoe het dan ook vroeger geweest
mocht zijn. Achter den winkel was een kleine werkplaats.

Daar had haar man gestaan om heiligenbeelden en rozenkransen te
snijden, want hij was artist, signor Antonelli.

En naast de werkplaats waren een paar kleine muizegaten, men kon er
zich niet in wenden, men moest er op de hurken in zitten, zooals in
de gevangenissen der oude koningen en een trap op, dan waren er een
paar kleine kippenhokken. In een daarvan had ze wat stroo voor een
nestje gelegd en een paar stokken geplaatst. Daar zou Gaetano slapen
als hij bij haar wilde komen.

Gaetano dacht, dat hij gaarne haar wang wilde streelen.

Zij zou zoo bedroefd zijn, als hij niet met haar meeging. Zou hij
het wagen haar te streelen?

Hij keek tersluiks naar pater Jozef.

Deze zat stil naar den grond te staren, en zuchtte, gelijk hij
gewoonlijk deed.

Hij dacht niet aan Gaetano, en zij, zij merkte het in het geheel niet.

Zij vertelde dat zij een dienstmeisje had, dat Pacifica, en een knecht,
die Luca heette.

Maar ze had van beiden weinig hulp, want Pacifica was oud en sedert
zij doof was geworden, was zij zoo prikkelbaar, dat zij haar niet in
den winkel kon laten helpen.

En Luca, die eigenlijk beeldsnijder was en heiligenbeelden maken moest,
had nooit tijd om in de werkplaats te zijn, maar hij was altijd in
den tuin te vinden, waar hij de bloemen verzorgde.

Ja, ze hadden ook een tuin op den rotsgrond van den Monte Chiaro. Maar
Gaetano moest niet denken dat daarin iets bizonders groeide. Bij haar
was niets zooals in het klooster, dat kon hij toch wel begrijpen.

Maar zij wilde hem zoo gaarne meenemen, omdat hij een der oude
Alagona's was. En thuis hadden zij, Luca en Pacifica tegen elkaar
gezegd:

"Wij vragen niet of wij meer zorg krijgen; als wij hem maar hier
hebben."

Neen, dat wist de Madonna, dat ze dat niet deden.

Het was nu slechts de vraag, of hij wat wilde ontberen, om bij hen
te zijn.

En nu had zij haar verhaal geëindigd en pater Jozef vroeg wat Gaetano
dacht te antwoorden. Het was de wil van den prior, zei pater Jozef,
dat Gaetano zelf zou beslissen.

En men had er niets tegen, dat hij in de wereld ging, omdat hij de
laatste van zijn geslacht was.

Gaetano gleed zacht van donna Elisa's schoot.

Maar antwoorden! Het was niet zoo gemakkelijk te antwoorden.

Het was heel moeilijk neen te zeggen tegen deze signora.

Pater Jozef kwam hem te hulp.

"Vraag de signora, of je over een paar uur antwoorden moogt, Gaetano."

"De knaap heeft nooit anders gedacht dan monnik te worden," zei hij
verklarend tot donna Elisa.

Zij stond op, nam haar parapluie en beproefde er vroolijk uit te zien,
maar ze had tranen in de oogen.

"Zeker, zeker moest hij zich bedenken," zei zij.

"Maar indien hij Diamante kende, dan zou hij dat niet noodig hebben. Nu
woonden daar slechts boeren, maar eens leefden daar een bisschop en
vele priesters en een groote menigte monniken.

"Wel waren dezen nu weg, maar daarom niet vergeten. Want sedert dien
tijd was Diamante een heilige stad. Daar werden meer feestdagen gevierd
dan ergens anders; en er waren zeer vele heiligen en nog heden ten
dage kwamen daar een menigte pelgrims. En hij, die in Diamante woonde,
hij kon God nooit vergeten. Hij was bijna zelf een priester. Dus wat
dat betreft, kon hij gerust daar heengaan.

"Maar Gaetano moest zich bedenken, indien hij dat wilde. Zij zou
morgen terugkomen."

Gaetano gedroeg zich al heel slecht. Hij wendde zich van haar af en
ijlde naar de deur. Hij zei geen woord, dat hij dankbaar was voor
haar bezoek. Hij wist dat pater Jozef dit van hem verwacht had,
maar hij kon niet.

Hij dacht aan den grooten Mongibello, dien hij nooit te zien zou
krijgen en aan donna Elisa, die nooit weer terug zou komen, en aan
de school en aan den door hooge muren omgeven kloostertuin en aan
een geheel leven als van een gevangene. Neen, pater Jozef mocht van
hem verwachten, wat hij wilde, Gaetano moest vluchten.

En het was hoog tijd. Toen Gaetano tien stappen van de deur was, brak
hij in tranen uit. 't Was zoo hard voor donna Elisa. O! dat zij nu
genoodzaakt was alleen naar huis te gaan! Dat Gaetano niet met haar
kon vertrekken!

Hij hoorde, dat pater Jozef er aankwam en hij drukte zijn gelaat tegen
den muur. Kon hij dat snikken slechts laten! Pater Jozef zuchtte en
prevelde gebeden, zooals hij gewoonlijk deed. Toen hij bij Gaetano
kwam, bleef hij staan en zuchtte dieper dan ooit.

"Dat is de Mongibello, de Mongibello," zei pater Jozef, "niemand kan
den Mongibello weerstaan."

Gaetano antwoordde hem door nog heftiger te schreien.

"'t Is de berg, die hem lokt," mompelde pater Jozef. "De Mongibello
is gelijk aan de gansche aarde, daarop worden alle planten en
luchtstreken, alle schoonheid, alle betoovering, alle wonderen
der geheele wereld gevonden. De gansche aarde komt opeens om hem
te lokken."

Gaetano voelde, dat pater Jozef de waarheid sprak. 't Was alsof de
aarde krachtige armen uitstrekte om hem te vangen. Hij voelde, dat
hij zich aan den muur moest vastklemmen om niet weggerukt te worden.

"'t Is beter, dat hij de wereld te zien krijgt," zei pater Jozef. "Hij
zou slechts naar haar verlangen, indien hij in het klooster bleef. Als
hij de aarde te zien krijgt, zal hij misschien eens terugverlangen
naar den hemel."

Gaetano begreep nog niet wat de pater meende, toen hij zich voelde
optillen door pater Jozefs armen en terugdragen naar de ontvangkamer,
waar hij op donna Elisa's schoot werd gezet.

"Gij moet hem nemen, donna Elisa, want gij hebt hem gewonnen," zei
pater Jozef. "Gij moet hem den Mongibello laten zien en trachten of
gij hem behouden kunt."

Maar toen Gaetano opnieuw op donna Elisa's schoot zat, voelde hij
zich zoo gelukkig, dat het hem onmogelijk was nog eens van haar te
vluchten. Hij was zoo gevangen, alsof hij in den Mongibello zat en
de bergwanden zich achter hem gesloten hadden.



II.

FRA GAETANO.


Een maand had Gaetano bij donna Elisa gewoond en hij was zoo gelukkig
geweest als een kind slechts zijn kan. Alleen te reizen met donna
Elisa, was geweest als te rijden in een wagen, bespannen met gazellen
en paradijsvogels, maar bij haar te wonen was gedragen te worden op
een gouden stoel met zilveren zonneschermen.

Toen kwam de beroemde Franciscaner, pater Gondo, in Diamante en donna
Elisa en Gaetano gingen naar de markt om hem te hooren. Want pater
Gondo preekte nooit in de kerk, maar verzamelde altijd de menschen
om zich heen op een marktplein of bij een stadspoort.

De geheele markt was zwart van menschen, maar Gaetano, die op de
leuning van de raadhuistrap zat, kon pater Gondo, die op den rand van
de bron stond, duidelijk onderscheiden. Hij dacht er telkens aan of
het waar kon zijn, dat de monnik onder zijn pij een haren boetekleed
droeg en of het koord, dat hij om het middel had, vol knoopen en
ijzeren stekels was om hem tot geesel te kunnen dienen.

Wat pater Gondo sprak, kon Gaetano niet verstaan, maar de eene rilling
na de andere ging hem door de leden bij de gedachte, dat hij nu een
heilige zag.

Toen de pater ongeveer een uur gesproken had, maakte hij met de
hand een teeken, dat hij een oogenblik wilde rusten. En hij daalde
neer van den bronrand, ging zitten en steunde zijn gelaat met beide
handen. Terwijl de monnik zoo zat, hoorde Gaetano een dof geruisch. Dat
had hij vroeger nooit gehoord. Hij keek om zich heen om te zien wat
het was. En het was het geheele volk, dat tegelijk sprak.

"Gezegend! gezegend! gezegend!" zeiden allen als uit één mond. De
meesten fluisterden slechts, of prevelden, niemand sprak luid,
daarvoor was de eerbied te groot.

En allen hadden tegelijk hetzelfde woord gevonden.

"Gezegend! gezegend!" klonk het over de geheele markt. "Gezegend zijn
uwe lippen! Gezegend uwe tong! Gezegend uw hart!"

De stemmen klonken dof, als verstikt door tranen en ontroering,
maar toch was het alsof een storm door de lucht voer.

Het was gelijk het ruischen van duizenden zeeschelpen. Dit greep
Gaetano veel meer aan dan de preek van den monnik.

Hij wist niet wat hij wilde doen, want dit zachte prevelen vervulde
hem met aandoening, tot het hem werd, alsof hij stikken zou.

Hij klemde zich aan de leuning vast, verhief zich boven alle anderen
en begon hetzelfde als zij te roepen, maar veel luider, zoodat zijn
stem boven alle andere uitklonk.

Donna Elisa hoorde dit en het scheen haar te mishagen. Zij trok Gaetano
naar beneden en wilde niet langer blijven, maar ging met hem naar huis.

Maar midden in den nacht stond Gaetano op van zijn bed.

Hij trok zijn kleeren aan, bond alles wat hij bezat in een bundeltje,
zette zijn hoed op het hoofd en nam zijn schoenen onder den arm. Hij
wilde wegloopen.

Hij kon het niet uithouden bij donna Elisa. Sedert hij pater Gondo
gehoord had, waren Diamante en de Mongibello niets meer voor hem. Alles
beteekende niets dan te zijn zooals pater Gondo en gezegend te worden
door de menschen.

Gaetano zou niet kunnen leven indien hij nooit bij de bron zou zitten
om legenden te vertellen.

Maar als Gaetano niets anders deed dan wandelen in donna Elisa's tuin
en perziken en mandarijnen eten, zou hij nooit de machtige menschenzee
om zich hooren bruisen. Hij moest de wereld ingaan en heremiet op den
Etna worden, hij moest in een der groote grotten wonen en leven van
wortelen en vruchten. Hij zou nooit een mensch zien of spreken, nooit
zou hij zijn haar knippen en hij zou gekleed gaan in vuile lompen.

Maar na tien of twintig jaar zou hij terugkomen in de wereld, dan
zou hij er uitzien als een dier en spreken als een engel.

Dat zou heel iets anders zijn dan te wandelen in een fluweelen buis
met een zijden hoed, zooals hij nu deed. Dat zou heel iets anders zijn
dan in den winkel bij donna Elisa te zitten en heilige na heilige van
de planken te halen en haar te hooren vertellen wat zij gedaan hadden.

Verscheidene malen had hij een mes genomen en een stuk hout en beproefd
een heiligenbeeld te snijden. Dat was heel moeielijk, maar het zou
nog veel moeielijker zijn zich zelf tot een heilige te maken, veel
moeielijker! Maar hij was niet bang voor moeilijkheden en beproevingen.

Hij sloop uit zijn kamertje over den zolder naar de zoldertrap. Toen
moest hij nog slechts door den winkel gaan om op straat te komen,
maar op de laatste trede der trap bleef hij staan. Er drong een zwakke
lichtschijn door een spleet van de deur, links van de trap.

Dat was de deur van donna Elisa's kamer en Gaetano waagde het niet
verder te gaan, nu er in zijn pleegmoeders kamer nog licht brandde. Als
zij niet sliep, zou zij hem hooren, wanneer hij de zware grendels
van de winkeldeur wegschoof. Hij ging stil zitten op een trede der
trap om te wachten.

Plotseling viel het hem in, dat donna Elisa zoo laat in den nacht
moest zitten werken om hem eten en kleeren te verschaffen. Hij was diep
getroffen, dat ze hem zoo liefhad, dat zij dit voor hem wilde doen.

En hij begreep hoe bedroefd zij zou zijn, als hij wegliep. Toen hij
daaraan dacht, schreide hij. Maar tegelijk begon hij in gedachte
donna Elisa te berispen. Hoe kon zij toch zoo dom zijn te treuren
omdat hij wegliep? Het zou zulk een groote vreugde voor haar zijn,
wanneer hij een heilige werd. Dat zou haar loon zijn, omdat zij naar
Palermo was gekomen om hem te halen.

Zelf schreide hij al heftiger, terwijl hij op deze wijze donna Elisa
trachtte te troosten. 't Was zoo jammer voor haar, dat zij niet
begreep, welk loon haar wachtte.

Zij behoefde in het geheel niet zoo bedroefd te zijn. Slechts tien
jaar zou Gaetano op den berg leven, dan zou hij terugkomen als de
beroemde heremiet fra Gaetano.

Dan zou hij door de straten van Diamante loopen, gevolgd door een
groote menigte menschen, evenals pater Gondo nu. En boven de straten
zouden vlaggen wapperen en de huizen zouden versierd zijn met kleurige
doeken, dekens en kransen.

Dan zou hij stilstaan voor den winkel van donna Elisa en zij zou hem
niet herkennen, maar op het punt staan voor hem te knielen. Dat zou
echter niet gebeuren, maar hij zou op de knieën vallen voor donna
Elisa, en haar smeeken hem te vergeven, omdat hij tien jaar geleden
van haar weggeloopen was.

"Gaetano," zou donna Elisa dan antwoorden, "gij geeft mij een zee
van vreugde voor een beekje van verdriet. Zou ik u dan niet vergeven?"

Gaetano zag dit alles voor zich en het was zoo schoon, dat hij al
heftiger begon te schreien. Hij was slechts bang, dat donna Elisa
zou hooren hoe hij snikte, en dat ze uit haar kamer komen en hem
vinden zou.

En dan zou ze hem niet laten gaan.

Hij moest haar tot rede brengen. Zou hij haar ooit tot grooter vreugde
kunnen worden, dan indien hij nu van haar ging? En 't was niet alleen
donna Elisa, maar Luca en Pacifica, die zoo gelukkig zouden zijn,
wanneer hij terugkwam als een heilig man.

Zij zouden hem allen volgen naar de markt. Daar zouden nog meer
vlaggen zijn dan op straat en Gaetano zou op de trap van het raadhuis
spreken. Maar uit alle straten en steegjes zouden de menschen
toestroomen.

Dan zou Gaetano zóó spreken, dat allen op de knieën zouden vallen en
roepen: "Zegen ons! fra Gaetano, zegen ons!"

En hij zou Diamante niet meer verlaten, maar onder de groote trap voor
donna Elisa's winkel blijven wonen. En ze zouden tot hem komen met alle
zieken; en de bedroefden van harte zouden een bedevaart naar hem doen.

Als de Sindaco van Diamante voorbijging, zou hij Gaetano de hand
kussen.

Donna Elisa zou het beeld van fra Gaetano in haar winkel verkoopen.

En Giannita, donna Elisa's peetdochter, zou voor Gaetano buigen en
hem nooit meer een dommen kleinen monnik noemen. En donna Elisa zou
zoo gelukkig zijn.



O!.... Gaetano sprong op en ontwaakte. 't Was klaarlichte dag en
donna Elisa en Pacifica stonden naar hem te kijken. En Gaetano zat
op de trap met zijn schoenen onder den arm, den hoed op het hoofd en
zijn bundeltje aan de voeten.

Donna Elisa en Pacifica schreiden. "Hij wilde wegloopen van ons,"
zeiden ze.

"Waarom zit je daar, Gaetano?"

"Donna Elisa, ik wilde wegloopen."

Gaetano was vroolijk te moede en antwoordde zoo onbeschroomd, alsof
het de natuurlijkste zaak ter wereld was.

"Wilde jij wegloopen?" riep donna Elisa.

"Ja, ik wilde naar den Etna gaan om heremiet te worden."

"En waarom zit je dan hier?"

"Dat weet ik niet, donna Elisa, ik moet geslapen hebben."

Donna Elisa toonde nu hoe bedroefd zij was.

Ze drukte de handen tegen heur hart alsof zij vreeselijke smarten
leed en schreide bitter.

"Maar nu zal ik bij u blijven, donna Elisa," zei Gaetano.

"Gij blijven!" riep donna Elisa uit. "Ge moogt gerust gaan. Zie hem
aan, Pacifica, zoo ziet een ondankbare er uit! Hij is geen Alagona. Hij
is een avonturier."

't Bloed steeg Gaetano naar het gelaat, hij stond op en maakte een
gebaar met de hand, dat donna Elisa verbaasd deed staan. Zoo hadden
al de mannen van haar geslacht zich gedragen. Haar vader en haar
grootvader, zij herkende daaraan al de trotsche heeren van Alagona's
stam.

"Ge spreekt zoo, omdat ge niets weet, donna Elisa," zei de
knaap. "Neen, neen, ge weet niets, ge weet niet waarom ik God moet
dienen. Maar nu zult gij het weten. Ziet ge, het is lange jaren
geleden. Vader en moeder waren zoo arm en we hadden niets te eten en
toen ging vader weg om werk te zoeken en hij kwam nooit terug. Moeder
en wij kinderen waren op het punt te verhongeren. Toen zei moeder: "Wij
zullen vader gaan zoeken!" En wij gingen. Het werd avond, het regende
hevig en op enkele plaatsen stroomde er een heele rivier over den weg.

"Moeder vroeg in een huis of wij daar mochten overnachten. Neen, ze
joegen ons weg. Moeder en wij stonden op den weg te schreien. Toen
bond moeder haar kleeren op en waagde zich in den stroom die over
den weg bruiste. Zij had klein zusje op den arm en groote zus bij
de hand, en een zwaar pak op het hoofd. Ik volgde haar zoo vlug ik
slechts kon. Ik zag hoe moeder struikelde. De bundel dien zij op
het hoofd droeg, viel in den stroom, moeder greep er naar en verloor
klein zusje. Zij greep naar klein zusje en toen werd groote zus door
den stroom meegesleurd. Moeder trachtte haar beiden te grijpen, maar
ook zij werd door het water meegesleept. Ik werd bang en sprong aan
land. Pater Jozef heeft mij gezegd, dat ik gespaard bleef, opdat ik
God voor de dooden zou kunnen dienen en bidden. En dat was de reden,
dat ik eerst monnik zou worden, en dat ik nu naar den Etna wilde gaan
om heremiet te worden.

"Want, donna Elisa, ik moet God dienen."

Donna Elisa gaf zich nu gewonnen.

"Ja, ja, Gaetano," zei zij, "maar het doet mij zoo'n verdriet. Ik
kan niet verdragen dat je van mij weggaat."

"Neen, maar ik ga ook niet weg," zei Gaetano. Hij was zoo vroolijk,
dat hij lust gevoelde te lachen.

"Ik zal niet weggaan."

"Zal ik met den pastoor spreken, dat je op een seminarium kunt
komen?" vroeg donna Elisa ootmoedig.

"Neen maar, dat ge niets begrijpt, donna Elisa, dat ge niets
begrijpt! Ik zeg u immers, dat ik niet van u wil gaan. Ik heb iets
anders gedacht."

"Wat hebt ge bedacht?" vroeg zij treurig.

"Wat gelooft ge dat ik gedaan heb, terwijl ik daar op de trap zat,
donna Elisa? Ik droomde. Ik droomde, dat ik weg wilde loopen. Ja,
donna Elisa, ik stond in den winkel en wilde de deur openen, maar kon
niet omdat er zooveel grendels voor waren. Ik stond in de duisternis
en schoof grendel na grendel weg, maar steeds waren er weer nieuwe. Ik
maakte een vervaarlijk leven en dacht: Nu hoort donna Elisa me stellig.

"Eindelijk was de deur open en ik wilde de straat op ijlen, toen ik een
hand in mijn nek voelde, en gij mij naar binnen trokt. Ik schopte en
schopte en ik sloeg u, omdat ik niet mocht gaan. Maar donna Elisa,
ge droegt een lantaarn, en toen zag ik dat gij het niet waart,
maar moeder.

"Toen durfde ik niet langer tegenstribbelen, ik werd zoo bang,
want moeder is immers dood. Maar zij nam den bundel, dien ik droeg,
en maakte hem los.

"Moeder lachte en zag er verheugd uit, en ik was gelukkig, omdat zij
niet boos op mij was.

"Het was zoo vreemd. Hetgeen zij uit den bundel haalde, waren al de
kleine heiligenbeeldjes die ik gesneden heb, terwijl ik in den winkel
zat en die waren zoo mooi.

"Kan je nu zulke mooie beelden snijden, Gaetano?" vroeg moeder.

"Ja," antwoordde ik.

"Dan kan je God daarmee dienen," zei moeder.

"Behoef ik donna Elisa dan niet te verlaten?"

"Neen," zei moeder.

"En juist toen moeder dat zei, wektet gij mij."

Gaetano zag donna Elisa triomfeerend aan.

"Wat meende moeder daar nu mee?"

Donna Elisa stond verbaasd.

Gaetano wierp het hoofd achterover en lachte.

"Moeder meende, dat ge mij in de leer moest doen, opdat ik God zou
kunnen dienen door schoone beelden van engelen en heiligen te snijden,
donna Elisa!"



III.

DE GODSZUSTER.


Op het edele eiland Sicilië, waar nog meer oude zeden heerschen
dan ergens anders in het Zuiden, bestaat nog de gewoonte, dat ieder
mensch zich in de jeugd een godszuster of godsbroeder kiest, die haar
of zijn kind ten doop zal houden indien zij of hij dit eens krijgt.

Maar dat is volstrekt niet het eenige nut, dat godszusters en
broeders van elkaar hebben. Zij moeten elkaar liefhebben, elkaar
dienen en wreken. In het oor van een godsbroeder kan men al zijn
geheimen begraven. Men kan hem zoowel zijn geld als zijn liefste
toevertrouwen, zonder bedrogen te worden.

Godszusters en broeders zijn elkaar trouw, alsof ze uit één moeder
geboren waren, omdat hun verbond gesloten is voor San Giovanni
Battista, den meest gevreesde van alle heiligen.

Dikwijls gaan arme menschen met hun half volwassen kinderen naar
rijke menschen om dezen te verzoeken of ze godszuster of broeder met
hun jonge dochters of zonen willen worden. Welk een heerlijk gezicht
is het niet op den dag van den heiligen Dooper al deze feestelijk
gekleede kinderen te zien, die door de groote steden trekken om
godszusters en broeders te zoeken.

En als het den ouders gelukt is hun zoon een rijken godsbroeder te
geven, zijn zij zoo gelukkig alsof ze hem een landgoed als een erfenis
kunnen nalaten. Toen Gaetano in Diamante kwam, was er een klein meisje,
dat voortdurend den winkel van donna Elisa in- en uitliep. Ze droeg
een rooden mantel en een puntig mutsje en acht lange, zwarte lokken
kwamen onder dat mutsje te voorschijn. Zij heette Giannita en was de
dochter van donna Olivia die groenten verkocht.

Maar donna Elisa was haar peettante en daarom dacht deze er dikwijls
over, wat zij voor haar zou kunnen doen.

Nu goed, toen Sint-Jansdag aanbrak, bestelde donna Elisa een wagen
en reed naar Catania, dat volle vier mijl van Diamante ligt. Zij had
Giannita bij zich en beiden waren in feestgewaad.

Donna Elisa was in zwarte zijde met paarlen gekleed en Giannita had een
wit tulen kleedje aan, met bloemen versierd. In de hand droeg Giannita
een mand met bloemen en boven op de bloemen lag een granaatappel. De
reis ging zeer voorspoedig voor donna Elisa en Giannita. Toen ze
eindelijk aan het witte Catania gekomen waren, dat glanzend op den
zwarten lavabodem ligt, reden ze naar het schoonste paleis van de stad.

Dit was hoog en groot, zoodat de arme, kleine Giannita zich zeer
verlegen gevoelde, omdat ze genoodzaakt was daar in te gaan. Maar
donna Elisa stapte moedig naar binnen en zij werd naar cavaliere
Palmeri en zijn vrouw gevoerd, die het paleis bewoonden.

Donna Elisa herinnerde signora Palmeri er aan, dat zij vriendinnen
der jeugd waren en verzocht of Giannita godszuster met de signora's
jong dochtertje mocht worden. Dat voorstel vond bijval en de jonge
signorina werd binnengeroepen. Zij was een klein wonder van lichte
zijde, Venetiaansche kant, groote zwarte oogen en welig krullend
haar. Haar klein lichaam was zoo tenger en slank, dat men het in het
geheel niet opmerkte.

Giannita reikte haar de mand met bloemen en zij nam die genadig aan,
liep om haar heen en was opgetogen over haar lange gladde lokken.

Zoodra zij deze gezien had, snelde zij weg om een mes te halen. Zij
sneed den granaatappel door en gaf Giannita een der helften.

Terwijl ze den appel aten, hielden ze elkaar bij de hand en zeiden
beiden:


            "Zuster, zuster, zuster mijn,
            Ik ben dijn en gij zijt mijn.
            Dijn mijn hut, dijn mijn spijs,
            Dijn mijn vreugd', dijn mijn prijs,
            Dijn mijn plaats in 't Paradijs."


Toen kusten ze elkaar en zeiden godszuster tot elkaar.

"Nu moet ge mij nooit ontrouw worden, godszuster," zei de kleine
signorina en beide kinderen waren zeer ernstig en aangedaan.

Ze werden in dien korten tijd zulke goede vrienden, dat zij schreiden,
toen ze van elkaar gingen.

Maar sedert verliepen twaalf jaren en de beide godszusters leefden elk
in haar wereld en zagen elkaar nooit. Gedurende dezen ganschen tijd
bleef Giannita stil in huis en kwam zelfs geen enkelen keer in Catania.

Maar toen geschiedde er werkelijk iets wonderbaarlijks. Giannita
zat op een namiddag in het vertrek achter den winkel te borduren,
zij was zeer bekwaam, zoodat zij dikwijls overladen was met arbeid.

Bij het borduurwerk komt het echter op de oogen aan en het was zeer
donker in Giannita's kamer. Daarom had ze de deur van den winkel op
een kier gezet om wat meer licht te hebben.

Juist nadat de klok vier uur geslagen had, kwam de oude molenaarsweduwe
Rosa Alfari voorbij.

Donna Oliva's winkel was zeer aanlokkelijk, als men dien van de straat
zag. De blik gleed door de geopende deur naar de groote manden met
versche groenten en kleurige vruchten; verder op den achtergrond zag
men de omtrekken van Giannita's mooi hoofd.

Rosa Alfari bleef staan en begon met donna Oliva te spreken, alleen
omdat haar winkel er zoo vriendelijk uitzag.

Zuchten en klachten behoorden altijd tot het gevolg van Rosa Alfari. Nu
was zij verdrietig, omdat ze genoodzaakt was den volgenden nacht
alleen naar Catania te reizen.

"'t Is ellendig, dat de postwagen niet vóór tien uur in Diamante komt,"
zei zij. "Ik val natuurlijk onderweg in slaap, en misschien steelt
men dan mijn geld. En wat moet ik beginnen als ik vannacht om twee
uur in Catania kom?"

Toen riep Giannita plotseling uit den winkel:

"Wilt ge mij niet meenemen naar Catania, donna Alfari?"

Ze vroeg het half schertsend zonder een antwoord te verwachten.

Maar Rosa Alfari werd ijverig. "God, kind, wil je met mij gaan?" zei
zij. "Wil je het werkelijk?"

Giannita kwam uit den winkel, rood van vreugde. "Of ik wil," zei zij,
"ik ben in geen twaalf jaar in Catania geweest!"

Rosa Alfari keek haar vergenoegd aan, want Giannita was groot en sterk,
haar oogen waren vroolijk en zij had steeds een kwinkslag op de lippen.

Dat was een heerlijke reisgenoote!

"Maak je maar klaar," zei de oude vrouw. "Je gaat om tien uur met
mij mede, dat is afgesproken."

Den volgenden dag dwaalde Giannita in de straten van Catania. Zij
dacht den ganschen tijd aan haar godszuster. Zij was wonderlijk te
moede weer in haar nabijheid te zijn.

Zij had haar godszuster lief, niet alleen, omdat San Giovanni den
menschen beveelt hun godszusters en broeders te beminnen. Zij had
het kleine meisje in het zijden kleedje vereerd als het schoonste,
dat zij ooit gezien had. 't Was bijna haar afgod geworden.

Zij wist slechts dat haar godszuster nog ongetrouwd was en in Catania
woonde. Haar moeder was overleden en zij had haar vader niet willen
verlaten, maar was bij hem gebleven.

"Ik wil trachten haar te zien," dacht Giannita.

En telkens als Giannita een elegante equipage ontmoette, dacht zij:
Misschien is het mijn godszuster, die daar rijdt.

En zij staarde naar de rijdenden om te zien of één van hen ook geleek
op het kleine meisje met het welige haar en de groote oogen. Giannita's
hart begon onstuimig te kloppen. Zij had altijd naar haar godszuster
verlangd.

Zij was nog ongetrouwd, omdat zij een jongen beeldhouwer, Gaetano
Alagona, liefhad en hij nooit de minste neiging getoond had met haar
te trouwen.

Giannita was daarom dikwijls boos geweest op hem, en niet het minst
had het haar geërgerd, dat zij nooit haar godszuster op haar bruiloft
kon uitnoodigen.

Trotsch was zij ook op haar geweest. Zij had zich zelf voornamer
gevonden dan de anderen, omdat zij zulk een godszuster had. Als zij
nu eens naar haar toeging, omdat zij toch in de stad was?

Dat zou glans geven aan haar geheele reis.

Terwijl zij daaraan dacht en dacht, kwam er een courantenjongen
aan. "Giornale da Sicilia!" schreeuwde hij. "De zaak Palmeri! Groote
oplichterijen!"

De lange Giannita greep den jongen in den nek, toen hij haar voorbij
ijlde.

"Wat zeg je?" schreeuwde zij. "Je liegt, je liegt!" en zij was op
het punt hem te slaan.

"Koop mijn courant, signora, vóórdat ge mij slaat," zei de
knaap. Giannita kocht de courant en begon te lezen. Al spoedig ontdekte
zij de zaak Palmeri.

"Daar deze zaak heden voor het gerecht behandeld wordt, willen wij
onze lezers daarvan op de hoogte stellen."

Giannita las en las en zij herlas het telkens weer vóórdat zij het
begreep. Er was geen spier in haar lichaam, die niet van ontzetting
trilde, toen zij het eindelijk begreep.

De vader van haar godszuster, die groote wijngaarden bezat, was
geruïneerd. De druivenziekte had zijn bezittingen verwoest.

En dat was nog niet het ergste. Hij had een liefdadigheidsfonds
gebruikt, dat hem toevertrouwd was. Hij was gearresteerd en vandaag
zou hij voor het gerecht moeten verschijnen. Giannita frommelde de
courant in elkaar, smeet die op de straat en trapte er op. Beter lot
verdiende ze niet, die zulke nieuwstijdingen bracht.

Ze was geheel verslagen dat dit haar moest treffen, nu zij na twaalf
jaar voor 't eerst weer in Catania kwam. "Heere God," zei zij. "Wat
moet dit alles beteekenen?"

Thuis in Diamante had nooit iemand zich de moeite getroost haar te
zeggen, wat er gebeurd was.

Was het een beschikking Gods, dat zij juist hier op den gerechtsdag
moest zijn?

"Hoor eens, donna Alfari," zei zij. "Ge moogt doen wat ge wilt,
maar ik moet naar de terechtzitting."

Giannita's houding teekende groote beslistheid, niets kon haar in
haar besluit doen wankelen.

"Begrijpt gij niet dat het ter wille van deze zaak en niet om
uwentwille is, dat God u bewogen heeft mij naar Catania mee te
nemen?" zei zij tot Rosa Alfari.

Geen oogenblik twijfelde Giannita.

Rosa Alfari moest haar laten gaan, en zij zocht den weg naar het paleis
van justitie. Daar stond ze tusschen de straatjongens en leegloopers
op de publieke tribune en zag cavaliere Palmeri zitten op de bank
der aangeklaagden.

Het was een voornaam heer met een puntbaard en witten knevel. Giannita
herkende hem dadelijk.

Ze hoorde hoe hij veroordeeld werd tot een halfjaar gevangenisstraf
en Giannita voelde steeds duidelijker, dat zij hier als gezant van
God was.

Nu heeft mijn godszuster mij noodig, dacht zij.

Zij ging weer op straat en vroeg den weg naar het paleis Palmeri.

Onderweg ging een rijtuig haar voorbij. Zij zag op en haar oogen
ontmoetten die der dame, die in het rijtuig zat.

In hetzelfde oogenblik was er iets, dat haar zeide dat dit haar
godszuster was. De dame in het rijtuig was bleek en gebogen en had
smeekende oogen. Giannita kreeg haar dadelijk zeer lief.

"Gij zijt het, die mij zoo vele keeren verblijd hebt," zei ze,
"omdat ik zooveel vreugde van u verwachtte. Nu zal ik u misschien
kunnen beloonen."

Giannita was plechtig gestemd, toen zij de hooge marmeren trap van
het palazzo Palmeri besteeg, maar plotseling kwam er twijfel over haar.

Wat kan God willen, dat ik voor haar zal doen, die in zulk een weelde
is opgegroeid? dacht zij. Vergeet onze lieve Heer, dat ik slechts de
arme Giannita van Diamante ben?

Zij liet signorina Palmeri door een bediende zeggen, dat haar
godszuster haar wenschte te spreken. Zij was verbaasd toen de bediende
terugkwam en zei, dat zij niet ontvangen kon worden.

Zou zij zich daarmee tevredenstellen? O, neen, o, neen! "Zeg de
signorina, dat ik den geheelen dag op haar zal wachten, want ik moet
haar spreken."

"De signorina zal over een half uur het paleis verlaten," zei de
bediende.

Giannita geraakte buiten zich zelf: "Maar ik ben haar godszuster,
haar godszuster, versta je mij niet?" zei ze tegen den knecht. "Ik
moet haar spreken."

De bediende glimlachte, maar verroerde zich niet.

Maar Giannita wilde niet afgewezen worden. Zij was immers door God
gezonden. Dat moest hij toch begrijpen, zei zij en verhief haar
stem. Ze kwam uit Diamante en was in twaalf jaar niet in Catania
geweest. Zelfs tot gistermiddag vier uur had zij er niet aan gedacht
hierheen te gaan.

Denk eens, tot gistermiddag vier uur had zij er zelfs niet aan gedacht!

De bediende stond onbeweeglijk. Giannita was op het punt hem haar
geheele geschiedenis te vertellen om hem te bewegen haar binnen
te laten, toen een deur opengerukt werd. Haar godszuster stond op
den drempel.

"Wie spreekt hier over gistermiddag vier uur?" vroeg zij.

"Een vreemde vrouw wenscht u te spreken, signorina Micaela."

Nu snelde Giannita op haar toe. "Zij was volstrekt geen vreemde. Zij
was haar godszuster uit Diamante, die hier voor twaalf jaar met donna
Elisa geweest was. Herkende zij haar niet? Wist signorina Micaela
niet meer, dat zij een granaatappel samen gedeeld hadden?"

De signorina luisterde niet naar haar.

"Wat gebeurde er gisteren om vier uur?" vroeg zij met grooten angst
in haar stem.

"Toen was het, dat ik Gods bevel ontving om tot u te gaan, godszuster,"
zei Giannita.

De andere keek haar verschrikt aan. "Ga met mij," zei ze, alsof ze
bevreesd was, dat de bediende zou hooren, wat Giannita haar wilde
vertellen.

Zij ging diep in de woning voordat zij staan bleef. Toen wendde zij
zich zoo plotseling tot Giannita, dat deze verschrikte.

"Zeg het mij dadelijk!" zei zij. "Pijnig mij niet, zeg het mij zoo
vlug mogelijk."

Zij was even lang als Giannita, maar deze in geenen deele gelijk. Zij
was veel tengerder gebouwd en zij, de dame van de wereld, had een
veel wilder, ongetemder uiterlijk dan het meisje van het land. Alles
wat zij gevoelde was op haar gelaat te lezen.

Ze scheen zich in het geheel niet te kunnen beheerschen om het
verborgen te houden.

Giannita was zoo verbaasd over haar heftigheid, dat zij niet zoo
spoedig een antwoord kon geven.

Toen hief haar godszuster in vertwijfeling haar armen boven het hoofd
en de woorden stroomden over haar lippen.

Zij zei, dat zij wist dat Giannita Gods bevel ontvangen had om haar
nieuwe ongelukken te berichten. God haatte haar, dat wist zij.

Giannita sloeg haar handen in elkaar. God haar
haten! Integendeel! Integendeel!

"Ja, ja," zei signorina Palmeri. "Zoo is het." En daar ze zielsbevreesd
was voor de tijding, die Giannita haar kwam brengen, bleef zij maar
steeds doorpraten. Zij liet Giannita niet aan het woord komen, maar
viel haar voortdurend in de rede.

Zij scheen zoo geschokt te zijn door alles, wat haar in de laatste
dagen overkomen was, dat zij zich in het geheel niet meer beheerschen
kon.

"Giannita kon toch wel begrijpen, dat God haar moest haten,"
zei zij. "Zij had zoo iets vreeselijks gedaan. Zij had haar vader
verloochend, haar vader verzaakt.

"Giannita kende toch wel het vierde gebod." Toen barstte zij opnieuw
uit in tal van onstuimige vragen.

"Waarom zei Giannita haar toch niet, wat zij haar wilde zeggen? Zij
verwachtte immers niets anders dan kwaad. Zij was voorbereid."

Maar de arme Giannita kon niet aan het woord komen, want zoodra zij
wilde spreken, werd de signorina bang en viel haar in de rede.

Zij vertelde Giannita haar geschiedenis, als om deze te bewegen niet
hard jegens haar te zijn.

Giannita moest niet denken, dat haar ongeluk slechts daarin bestond
dat zij niet langer een eigen rijtuig zou hebben, of een loge in het
theater of mooie kleeren, of veel bedienden of zelfs een dak boven
haar hoofd. Ook niet hierin, dat zij al haar vrienden verloren had,
zoodat zij niet wist waar zij een schuilplaats zou zoeken; evenmin
dat zij zulk een schaamte gevoelde, dat zij meende nooit weer de
oogen te durven opheffen tot eenig mensch. Neen, het was nog iets
veel vreeselijkers.

Zij had plaats genomen en zweeg nu een oogenblik, terwijl zij van
angst heen en weer wiegde.

Maar toen Giannita nu begon te spreken, viel zij haar weer in de rede.

Giannita kon niet denken, hoe haar vader haar had liefgehad. Hij had
haar altijd laten leven in glans en heerlijkheid, gelijk een vorstin.

Zij had niet veel voor hem gedaan, slechts hem heerlijke plannen laten
verzinnen om haar te vermaken. Het was volstrekt geen opoffering
geweest, dat zij niet getrouwd was, want zij had nooit een man zoo
liefgehad als haar vader, en haar eigen thuis was prachtiger geweest
dan dat van iemand anders.

Maar toen was haar vader op een dag bij haar gekomen en had tot
haar gezegd:

"Zij willen mij arresteeren. Ze verspreiden het gerucht dat ik gestolen
heb, maar dat is niet waar."

Toen had zij hem geloofd en hem geholpen zich verborgen te houden
voor de karabiniers. En zij hadden hem tevergeefs gezocht in Catania,
op den Etna en over geheel Sicilië.

Maar toen de politie cavaliere Palmeri niet kon vinden, begon het
volk te zeggen:

"'t Is een voornaam heer en het zijn hooge heeren, die hem helpen,
anders zou men hem reeds lang geleden gevonden hebben."

En toen was de prefect van Catania bij haar gekomen. Zij ontving
hem lachend en de prefect deed alsof hij kwam spreken over rozen
en over het mooie weer. Plotseling zei hij: "Wil de signorina dit
kleine papier even inzien? Wil de signorina dit kleine briefje eens
lezen? Wil de signorina letten op de onderteekening?"

Ze las en las. En wat zag ze? Haar vader was niet onschuldig. Haar
vader had het geld van anderen genomen. Toen de prefect weg was,
ging zij naar haar vader.

"Gij zijt schuldig!" zei ze tot hem. "Ge kunt doen wat ge wilt maar
ik kan u niet meer helpen."

O, zij had niet geweten wat zij zei. Zij was altijd zoo trotsch
geweest. Zij had niet kunnen dulden, dat er een smet op haar naam
kleefde. Een oogenblik had zij gewenscht, dat haar vader dood was,
liever dan dat dit haar moest overkomen. Misschien had zij hem dit
ook gezegd. Zij wist niet precies wat zij gezegd had.

Maar daarna had God haar verlaten. De vreeselijkste dingen waren
gebeurd. Haar vader had haar aan haar woord gehouden. Hij had zichzelf
aan het gerecht overgeleverd. En sedert hij in de gevangenis zat,
had hij haar niet willen zien. Hij antwoordde niet op haar brieven, en
het eten, dat zij hem zond, stuurde hij haar onaangeroerd terug. Dat
was het vreeselijkste van alles. Hij scheen te denken, dat zij hem
wilde dooden. Zij keek Giannita zoo angstig aan, alsof zij haar
doodvonnis verwachtte.

"Waarom vertel je mij toch niet, wat je mij te zeggen hebt?" riep
zij uit. "Je doodt mij."

Maar 't was haar onmogelijk zich zelf tot zwijgen te dwingen. "Je
moet weten," vervolgde zij, "dat dit paleis nu verkocht is en dat de
kooper het aan een Engelsche dame verhuurd heeft, die hier vandaag
zal intrekken. Maar enkele van haar bezittingen droegen ze reeds
gisteren hier in en daaronder was een klein beeld van het Christuskind.

"Ik zag het, toen ik door de vestibule liep. Zij hadden het uit een
valies genomen en het op den grond gelegd. Het was zoo beschadigd,
dat niemand er acht op sloeg. Zijn kroon was vol deuken, zijn kleertjes
waren vuil en de sieraden, die het bedekten, waren verroest en leelijk
geworden. Maar toen ik het op den grond zag liggen, nam ik het op en
droeg het in de kamer, waar ik het op een tafel plaatste. En terwijl
ik dat deed, viel het mij in, dat ik zijn hulp moest vragen.

"Ik knielde en bad lang. "Help mij in mijn grooten nood," zei ik tot
het Christuskind.

"Terwijl ik bad, scheen het mij, dat het beeld mij wilde antwoorden. Ik
hief het hoofd op, maar het stond daar nog even sprakeloos als vroeger;
juist toen begon een pendule te slaan.

"Er klonken vier slagen en 't was alsof het vier woorden waren. 't
Was alsof het Christuskind met een viervoudig ja op mijn bede had
geantwoord.

"Dat gaf mij moed, Giannita, zoodat ik vandaag naar het paleis van
justitie reed om mijn vader te zien. Maar hij verwaardigde mij met
geen blik gedurende al den tijd, dat hij voor zijn rechters stond.

"Ik wachtte op het oogenblik, dat zij hem zouden wegvoeren en wierp
me voor hem op de knieën in een der nauwe gangen. Giannita; hij liet
mij door de soldaten wegleiden, zonder mij een woord te schenken.

"Zie je nu, dat God mij haat? Toen ik hoorde dat je sprak van
gistermiddag vier uur, werd ik bang.

"Het Christuskind zendt mij een nieuw ongeluk, dacht ik. Het haat mij,
die mijn vader verloochend heb."

Toen zij dit gezegd had, zweeg ze eindelijk en luisterde ademloos
naar hetgeen Giannita zou vertellen.

En Giannita verhaalde signorina Micaela haar geschiedenis.

"Zie nu eens, is dat niet merkwaardig," zei ze ten slotte. "Ik ben in
twaalf jaar niet in Catania geweest en nu reisde ik geheel onverwacht
hierheen. En ik weet van niets, maar zoodra ik hier mijn voet op
straat zet, hoor ik je ongeluk. God heeft mij gezonden, zei ik tot
mij zelf. Hij heeft mij hierheen geleid, opdat ik mijn godszuster
zou kunnen helpen."

Signorina Palmeri's oogen waren angstig vragend op haar gericht.

Nu zou zeker de slag komen. Zij verzamelde al haar moed om dien
te ontvangen.

"Wat wil je, dat ik voor je doen zal, godszuster?" vroeg Giannita
"Weet je wat ik dacht toen ik op straat liep? Ik wil haar vragen
of zij mij naar Diamante wil volgen, dacht ik. Ik weet daar een oud
huis, waar we goedkoop zouden kunnen wonen. Ik zou borduren en naaien,
zoodat we daarvan konden leven. Toen ik op straat was, dacht ik, dat
het gaan zou, maar nu begrijp ik, dat het onmogelijk is, onmogelijk! Je
verlangt iets anders van het leven, maar zeg toch of ik iets voor je
doen kan. Je moogt mij niet afwijzen, want God heeft mij gezonden."

De signorina boog zich over tot Giannita.

"Nu!" zei zij angstig.

"Je moet mij voor je laten doen, wat in mijn macht staat, want ik heb
je lief," zei Giannita en gleed op de knieën, terwijl ze de armen om
haar godszuster sloeg.

"Heb je niets anders te zeggen?" vroeg de signorina.

"Dat zou ik gaarne willen," zei Giannita, "maar ik ben immers maar
een arm meisje."

Het was wonderbaarlijk te zien, hoe nu de gelaatstrekken der jonge
signorina verteederden, hoe haar blik verhelderde en hoe haar oogen
begonnen te stralen. Nu bleek het, dat zij een groote schoonheid was.

"Giannita," zei ze zacht, nauwelijks hoorbaar, "geloof je dat dit
een wonder is? Geloof je, dat God een wonder kan laten geschieden
om mijnentwille?"

"Ja, ja," fluisterde Giannita.

"Ik smeekte het Christusbeeld, dat hij mij zou helpen, en hij zendt mij
jou. Geloof je, dat het Christus was die je gezonden heeft, Giannita?"

"Ja zeker, hij was het."

"God heeft mij dus niet verlaten, Giannita?"

"Neen, God heeft je niet verlaten."

Signorina Micaela zat een tijdje stil te weenen. "Toen jij kwam,
Giannita, dacht ik dat mij niets anders overbleef, dan mij te dooden,"
zei ze daarna. "Ik wist niet waarheen ik mijn weg zou nemen want ik
dacht, dat God mij haatte."

"Maar zeg mij nu, wat ik voor je doen kan, godszuster," zei Giannita.

Tot antwoord trok de andere haar naar zich toe en kuste haar.

"Maar het is immers al voldoende, dat je door het kleine Christusbeeld
gezonden zijt," zei ze. "Het is immers al voldoende, nu ik weet,
dat God mij niet verlaten heeft."



IV.

DIAMANTE.


Micaela Palmeri was op reis naar Diamante in gezelschap van
Giannita. Ze hadden 's morgens om drie uur plaats genomen in den
postwagen en ze waren langs den schoonen weg gereden, die zich van
den voet van den Etna langs den berg omhoog slingert.

Maar het was nog geheel donker. Ze hadden niets van de omgeving
kunnen onderscheiden.

De jonge signorina beklaagde zich volstrekt niet daarover. Zij zat
met neergeslagen oogen en verdiepte zich in haar smart. Zelfs toen het
begon te dagen, wilde zij haar oogen niet opslaan om uit te zien. 't
Was niet, vóórdat ze vlak bij Diamante waren, dat Giannita haar kon
bewegen het landschap te beschouwen.

"Zie nu eens uit! Hier is Diamante, dat je thuis zal worden," zei zij.

Toen had Micaela Palmeri rechts van den weg den machtigen Etna
gezien, die een groot stuk van den hemel sneed. Ver achter den berg
ging de zon op, en toen de bovenste rand der zonneschijf zich over
den bergtop verhief, scheen het alsof de witte sneeuwberg begon te
gloeien, en vonken en stralen verspreidde.

Maar Giannita verzocht haar naar den anderen kant te zien. En aan
de andere zijde zag ze de geheele getakte bergketen, die den Etna
gelijk een met torens versierden muur omringt, gloeiend rood staan
in den zonsopgang.

Maar Giannita wees naar een anderen kant. Dat was het niet, wat ze
moest zien, dat niet.

Toen liet ze haar blik dalen en zag neer in een zwarte vallei. Daar
glansde het veld als fluweel en de witte Simeto schuimde naar beneden
in het dal.

Maar nog richtte zij haar blik niet naar de goede plaats.

Toen eindelijk zag ze den steilen Monte Chiaro, die zich uit het
zwarte, fluweelen dal verhief; stralend in het morgenrood en begroeid
met statige palmen, die hem als met zonneschermen beschutten tegen
de stralen der zon.

En op de kruin zag zij een stad, met torens versierd en door
muren omgeven, en alle vensters en windwijzers schitterden in den
zonneschijn.

Bij dit gezicht had zij Giannita's arm gegrepen en haar gevraagd of
dit een werkelijke stad was en of daar ook menschen woonden.

Zij geloofde, dat dit een der steden des hemels was en dat die even
spoedig verdwijnen zou als een droomgezicht. Zij kon niet denken, dat
er ooit een mensch langs den weg gewandeld had, die zich van uit het
dal over hooge heuvels naar de Monte Chiaro slingerde en in zigzag-lijn
langs den berg opkroop om in de donkere stadspoort te verdwijnen.

Maar toen ze dichter bij Diamante kwam en zag dat het een werkelijke
aardsche stad was, kwamen haar de tranen in de oogen.

Het ontroerde haar, dat de aarde voor haar nog al haar schoonheid
bezat. Zij had geloofd, dat sedert die het tooneel van al haar rampen
was geweest, zij die steeds grauw, verdord en bedekt met distels en
giftbloemen zou vinden.

Ze reed met gevouwen handen het arme Diamante binnen, alsof ze een
heiligdom betrad.

En haar scheen het, dat deze stad haar evenveel geluk als schoonheid
zou kunnen bieden.



V.

DON FERRANTE.


Een paar dagen later stond Gaetano in zijn werkplaats en sneed
wijnranken op koralen van rozenkransen. Het was Zondag, maar Gaetano
maakte zich geen gewetenswroeging van zijn arbeid, hij werkte immers
tot Gods eer.

Groote angst en onrust waren over hem gekomen. De gedachte was in
hem ontwaakt, dat de gelukkige tijd, dien hij bij donna Elisa had
doorgebracht, nu zijn einde genaderd was. En hij geloofde, dat hij
spoedig de wereld ingedreven zou worden. Want groote armoede was
over Sicilië gekomen, en hij zag den nood als een besmetting van
stad tot stad en van huis tot huis trekken. En zoo was die ook in
Diamante gekomen.

Daarom kwam er nooit meer een mensch in den winkel van donna Elisa om
iets te koopen. De kleine heiligenbeelden, die Gaetano vervaardigde,
stonden in dichte rijen op de planken en de rozenkransen hingen in
groote trossen onder de toonbank. En donna Elisa was in grooten kommer
en nood, omdat zij nu niets kon verdienen.

Dit was Gaetano een teeken, dat hij Diamante moest verlaten en de
wijde wereld ingaan, tenzij er zich een andere mogelijkheid voordeed,
want het kon geen arbeiden heeten voor Gods eer beelden te snijden,
die nooit werden aangebeden en koralen voor rozenkransen te draaien,
die nooit door de vingers van een biddende gleden.

Hij geloofde dat ergens in de wereld een schoone, nieuwe kathedraal
stond, waarvan de muren opgetrokken waren, maar die nog van binnen
van naaktheid trilde. Die verbeidde en wachtte, dat Gaetano zou
komen om de koorstoelen, 't altaarhek, den preekstoel, 't boekenrek
en de heiligenkast te snijden. En zijn hart smachtte naar dit werk,
dat hem wachtte.

Maar deze kathedraal werd niet op Sicilië gevonden, want daar dacht
men er nooit aan een nieuwe kerk te bouwen; die moest ver weg in
landen als Florida of Argentinië gezocht worden, waar de grond nog
niet bedekt was met heilige gebouwen.

Hij voelde zich tegelijkertijd bedroefd en gelukkig en was met
verdubbelde vlijt aan den arbeid getogen opdat donna Elisa iets zou
hebben te verkoopen, terwijl hij weg was en groote schatten voor
haar verdiende.

Nu wachtte hij nog slechts op een teeken van God vóórdat hij besloot
te vertrekken. Het was, alsof hij de kracht zou moeten ontvangen om
tot donna Elisa te kunnen spreken van zijn verlangen om te reizen,
want hij wist dat dit haar zóóveel verdriet zou veroorzaken, dat hij
niet begreep, hoe hij den moed zou hebben met haar daarover te spreken.

Terwijl hij daarover dacht, kwam donna Elisa in de werkplaats. Toen
zei hij tot zichzelf, dat hij nu er niet aan kon denken het haar te
zeggen, want heden was donna Elisa vroolijk.

Haar tong was onophoudelijk in beweging en haar gelaat straalde.

Gaetano vroeg zich af, wanneer hij haar voor het laatst zoo gezien
had. Sedert de nood kwam, was het geweest, alsof ze zonder daglicht
in een der grotten van den Etna leefden.

"Waarom was Gaetano niet mee naar de markt gegaan om de muziek te
hooren?" vroeg donna Elisa.

"Waarom ging hij toch nooit mede om haar broer, don Ferrante, te zien
en te hooren? Gaetano die hem slechts zag, als hij in den winkel stond,
gekleed in een kort buis en puntige muts, wist niet wat voor een man
don Ferrante was. Hij hield hem voor een ouden, leelijken koopman
met een rimpelig gelaat en een borsteligen baard. Niemand kende don
Ferrante, die hem 's Zondags niet de muziek had zien dirigeeren.

"Heden had hij een nieuwe uniform aangehad. Hij droeg een driekantigen
hoed met groen-rood en witte pluimen, een zilveren kraag, epauletten
met zilveren franje, zilveren tressen op de borst en een sabel op
zij. En toen hij het bankje van den dirigent besteeg, waren de rimpels
van zijn gelaat weggevaagd, zijn gestalte scheen gegroeid te zijn.

"Men zou hem bijna schoon kunnen noemen.

"Toen hij de Cavalleria liet spelen, had men nauwelijks kunnen
ademhalen. En wat zei Gaetano er van, dat de groote huizen aan de
markt meegezongen hadden!

"Uit het zwarte palazzo Geraci had donna Elisa duidelijk een
liefdeslied hooren klinken en uit het nonnenklooster, zoo uitgestorven
als het daar stond, was een hymne over de markt gestroomd.

"En toen er een pauze in de muziek was, ging de schoone advocaat
Favara, die gekleed was in een zwart fluweelen mantel, met een grooten
roovershoed en helrooden halsdoek, naar don Ferrante en wees naar de
open zijde der markt, waar men den Etna en de zee zag.

"Don Ferrante," had hij gezegd, "gij verheft ons ten hemel gelijk de
Etna en gij voert ons op naar het eeuwige gelijk de oneindige zee."

"Als Gaetano don Ferrante heden gezien had, zou hij hem hebben moeten
liefhebben. Tenminste had hij moeten erkennen, dat don Ferrante een
statig man was. Toen hij eenige oogenblikken geleden den maatstok
neerlegde en gearmd met den advocaat heen en weer wandelde op de
gladde steenen tusschen de Romeinsche poort en het palazzo Geraci, had
een ieder moeten zien, hoe goed hij zich kon meten met den schoonen
Favara. Donna Elisa had in gezelschap van de sindaco's-vrouw op de
steenen bank onder den dom gezeten. En donna Valtara had plotseling
gezegd, nadat ze don Ferrante een tijdlang beschouwd had:

"Donna Elisa, uw broer is immers nog een jonge man. Hij kan nog heel
goed trouwen, trots zijn vijftig jaar."

"En zij, donna Elisa, had geantwoord dat zij God iederen dag daarom
bad.

"Maar nauwelijks had zij dit gezegd of een dame in rouwgewaad schreed
over de markt. Nooit had men nog zoo iets zwarts gezien. Niet alleen
waren haar kleeren, hoed en handschoenen zwart, maar ook haar sluier
was zóó dicht, dat men niet kon gelooven, dat daar een wit gezicht
achter was. Santissima Dio, het was, alsof ze zich bedekt had met een
lijkwade. En ze liep zoo langzaam en gebogen. Men was bang geworden,
men had bijna geloofd dat het een spook was.

"O! O! en de geheele markt was zoo vol vroolijkheid geweest.

"De boeren, die voor den Zondag thuis waren, hadden daar in groote
groepen gestaan, feestelijk gekleed met hun roode doeken om den
hals. Boerenvrouwen die naar de kerk gingen, waren voorbij gestroomd
in groene rokken en gele halsdoeken. Een paar in het wit gekleede
vreemdelingen hadden bij de balustrade gestaan om den Etna te
beschouwen. En al de muzikanten in uniform, die er bijna zoo statig
uitzagen als don Ferrante, en die glinsterende muziekinstrumenten
en de met beelden versierde dom! En de zonneschijn en Mongibello's
sneeuwkruin, die vandaag zoo dicht bij was geweest dat men hem bijna
grijpen kon, dat alles was onvergelijkelijk vroolijk geweest.

"Toen nu de arme, zwarte dame te midden van dit alles gekomen was,
hadden allen haar aangestaard en sommigen hadden het teeken des kruises
gemaakt. En de kinderen waren gegleden van de trap van het raadhuis
waar ze op de leuning reden en waren haar gevolgd op een paar schreden
afstands. En zelfs de luie Pietro, die zich in de zon lag te koesteren,
had zich op zijn ellebogen opgericht. Het was een opstand, alsof de
zwarte Madonna uit de domkerk was komen aanwandelen. Maar had één van
allen medelijden gevoeld met deze zwarte dame, naar wie allen staarden?

"Was iemand geroerd, omdat zij zoo langzaam en gebogen liep?

"Ja, ja, één was getroffen, en dat was don Ferrante geweest. Muziek
was in zijn hart, hij was een goed mensch en hij dacht: Vervloekt zijn
al deze fondsen, bijeengebracht voor noodlijdenden, die de menschen
slechts in het ongeluk storten!

"Is dit niet de arme signorina Palmeri, wier vader genomen heeft
van een liefdadigheidsfonds en die zich nu zoo schaamt, dat zij haar
gelaat niet durft toonen?

"En terwijl hij dit dacht, ging don Ferrante naar de zwarte dame en
trad haar bij de kerkdeur in den weg.

"Daar maakte hij een buiging voor haar en noemde zijn naam. "Indien ik
mij niet al te zeer vergis," had don Ferrante gezegd, "is u signorina
Palmeri. Ik heb een verzoek aan u."

"Toen was ze achteruitgeweken als wilde ze vluchten, maar zij was
toch gebleven.

"Het betreft mijn zuster, donna Elisa," had hij gezegd. "Zij heeft
uw moeder gekend, signorina, en zij brandt van verlangen met u kennis
te maken. Zij zit bij den dom. Mag ik u tot haar geleiden?"

"En don Ferrante had haar arm in den zijne gelegd en haar naar donna
Elisa gevoerd. En zij had geen tegenstand geboden. Donna Elisa had
trouwens degene wel eens willen zien, die heden don Ferrante had
kunnen weerstaan.

"Maar toen was donna Elisa opgerezen. Zij was de zwarte dame tegemoet
gegaan, en had haar sluier teruggeslagen. En zij had haar op beide
wangen gekust.

"Welk een gelaat! welk een gelaat! Zij was misschien niet mooi, maar
ze had oogen, die duidelijk spraken en die klaagden en jammerden,
zelfs als het geheele gelaat glimlachte. Ja, Gaetano zou misschien
geen Madonna naar dit gelaat willen snijden of schilderen, want
daarvoor was het te bleek en te mager, maar men moest wel gelooven,
dat onze lieve Heer wist wat hij deed, toen hij deze oogen niet in
een gezicht zette, dat rond en blozend was.

"Toen donna Elisa haar kuste, had zij het hoofd op haar schouder gelegd
en een paar korte snikken hadden haar lichaam doorschokt. Daarna had
zij met een glimlach opgezien.

"'t Was alsof haar glimlach had willen zeggen:

"O, ziet de wereld er zoo uit? Is die zoo mooi? Laat mij die zien en
tegen haar glimlachen! Kan een arme ongelukkige het werkelijk wagen
haar aan te zien? Kan ik het ook wagen gezien te worden?"

"Dit alles had zij zonder woorden gezegd, slechts met een
glimlach. Welk een gelaat! welk een gelaat!"

Maar nu viel Gaetano donna Elisa in de rede.

"Waar is zij nu?" zei hij. "Ik moet haar zien."

Toen zag donna Elisa Gaetano in de oogen. En die waren brandend
klaar alsof ze met vuur gevuld waren en aan zijn slapen steeg een
donkerrood op.

"Gij zult haar vroeg genoeg zien," zei ze kortaf. En zij had berouw
van elk woord, dat zij gesproken had.

Gaetano zag, dat zij bang was, dat hij begreep, wat zij vreesde. Hij
kreeg toen de ingeving haar juist nu te zeggen, dat hij voornemens
was te vertrekken, naar Amerika te reizen.

Toen begreep hij dat deze vreemde signorina zeer gevaarlijk moest
zijn. Zoo overtuigd was donna Elisa dat Gaetano haar lief zou krijgen,
dat zij bijna verheugd was te hooren, dat hij van plan was het land
te verlaten. Want haar scheen alles beter dan een arme schoondochter,
wier vader een dief was.



VI.

DON MATTEO'S ZENDING.


En nu kwam er een namiddag, dat de geestelijke herder, don Matteo,
zijn voeten in glanzend gepoetste schoenen stak, een schoon geborstelde
soutane aantrok en zijn mantel in de sierlijkste plooien schikte. Zijn
gelaat straalde, terwijl hij door de steeg liep en zegeningen uitdeelde
aan de oude spinnende vrouwtjes, die voor haar huisdeuren zaten;
en zijn handgebaren waren zoo bevallig, alsof hij rozen strooide.

Over de steeg, waardoor don Matteo liep, welfden zich minstens zeven
bogen, alsof elk huis zich wilde verbinden met zijn buurman. De
steeg liep dood tegen den berg, voor de helft was het een trap,
voor de andere helft een straat; er was altijd overstrooming bij de
goten en het lag er altijd vol sinaasappelschillen en koolblaren,
genoeg om op uit te glijden. Van den grond tot aan den hemel hing er
waschgoed aan de drooglijnen.

Natte hemdsmouwen en banden van boezelaars werden door den wind in don
Matteo's gezicht geslingerd. En dat was een even klam en kil gevoel,
alsof don Matteo door een lijk gestreeld werd.

Aan het einde der steeg lag een kleine, donkere markt, en daar
zag don Matteo een oud huis, waarvoor hij staan bleef. Het was
groot en vierkant en bijna geheel zonder ramen. Het had twee hooge
buitentrappen met verbazend breede treden en twee groote deuren met
zware grendels. En het had muren van zwarte lava en een loggia, waar
groene schimmel den vloer van tegelsteenen bedekte, en er waren zooveel
spinnewebben, dat de lenige hagedissen er bijna in verward raakten.

Don Matteo lichtte den deurklopper op en liet dien zóó hard vallen,
dat het geheele huis dreunde. Toen hoorde men hoe al de vrouwen uit
de geheele steeg begonnen te vragen en te spreken.

En men zag hoe de waschvrouwen aan het marktbassin haar waschbord en
linnenklopper lieten vallen en begonnen te vragen en te fluisteren:

"Met welk doel komt don Matteo hier?

"Waarom klopt hij op de deur van het oude huis, waar het spookt,
en waarin niemand het waagt te wonen behalve de vreemde signorina,
wier vader in de gevangenis zit?"

Maar nu deed Giannita de deur open voor don Matteo en voerde hem door
lange gangen, die vochtig en schimmelig roken. Op enkele plaatsen
waren de steenen van den vloer losgeraakt, en don Matteo kon tot diep
in den kelder zien, waar een groote menigte ratten over den zwarten
lavagrond joegen.

Terwijl don Matteo door het oude huis wandelde, verloor hij zijn goede
luim. Hij liep voorbij geen trap, zonder wantrouwend naar beneden te
kijken, en hij hoorde geen geritsel zonder te huiveren.

Hij werd neerslachtig als vóór een ongeluk. Don Matteo dacht aan den
kleinen getulbanden Moor, die zich in dit huis placht te vertoonen,
en indien hij hem ook niet zag, kon men toch zeggen, dat hij hem op
de een of andere wijze gewaar werd.

Eindelijk opende Giannita een deur en liet den geestelijke in een
vertrek. Daar waren de wanden naakt als in een stal, het bed hard
als dat van een non en daarboven hing een houten Madonna, die niet
meer waard was dan drie soldi.

Don Matteo staarde zoo lang naar dit kleine beeld, dat de tranen hem
in de oogen kwamen.

Terwijl hij daar stond, kwam signorina Palmeri de kamer binnen. Ze
hield haar hoofd gebogen, en haar bewegingen waren zoo langzaam alsof
zij gewond was. Toen don Matteo haar zag, scheen hij te willen zeggen:

"U en ik, signorina Palmeri, ontmoeten elkaar hier in een wonderlijk
oud huis. Is u hier om de Moorsche inscripties te bestudeeren of zoekt
u in de kelders naar mozaïekwerk?" Want de pastoor werd verlegen,
toen hij signorina Palmeri zag.

Hij kon niet begrijpen, dat deze edele dame arm was. Hij kon niet
vatten, dat zij woonde in het huis van den kleinen Moor.

Hij zei tot zichzelf, dat hij haar moest redden uit het spookhuis
en van de armoede. En hij bad de heilige Madonna om de macht haar
te redden.

Daarna zei hij tot de signorina, dat hij een opdracht van don Ferrante
kwam uitvoeren. Don Ferrante had hem toevertrouwd, dat zij zijn
aanzoek had afgeslagen.

Waarom had zij dat gedaan? Wist zij niet dat, hoewel don Ferrante arm
scheen als hij daar in zijn winkel stond, hij toch de rijkste man in
Diamante was?

En don Ferrante behoorde tot een oud Spaansch geslacht, dat groot
aanzien genoot, zoowel in zijn vaderland als hier op Sicilië. En
hij bezat nog het groote huis aan de corso, dat zijn voorvaderen
toebehoord had. Zij had niet neen moeten zeggen.

Terwijl don Matteo zoo sprak, zag hij hoe het gelaat van de signorina
plotseling doodsbleek en strak werd. Hij waagde het bijna niet te
spreken. Hij vreesde, dat zij zou bezwijmen.

Het was ook slechts met de grootste inspanning, dat zij hem kon
antwoorden. De woorden wilden niet over haar lippen komen. 't Was
alsof die te afschuwelijk waren om uitgesproken te worden.

"Zij kon wel begrijpen," zei zij, "dat don Ferrante wilde weten waarom
zij zijn aanzoek had afgeslagen. Ze was diep geroerd en dankbaar,
maar zij kon zijn vrouw niet worden. Zij kon niet trouwen, want zij
bracht smaad en schande als bruidsgift mede."

"Als ge trouwt met een Alagona, lieve signorina," zei don Matteo,
"behoeft ge niet te vreezen, dat men zal vragen van welk geslacht ge
zelf zijt. Dat is een roemrijk, oud stamhuis. Don Ferrante en zijn
zuster, donna Elisa, worden steeds tot de eersten der stad gerekend,
ofschoon zij al de bezittingen van hun geslacht verloren hebben en
handel moeten drijven.

"Don Ferrante weet wel, dat de glans van zijn ouden naam niet
verduisterd zal worden door een huwelijk met u.

"Maak geen bezwaren om die reden, signorina, indien ge anders met
don Ferrante zoudt willen huwen."

Maar signorina Palmeri herhaalde wat zij gezegd had. Don Ferrante
moest niet trouwen met een dochter van een misdadiger. Ze zat daar
bleek en wanhopig en scheen zich te willen oefenen in het zeggen van
deze vreeselijke woorden.

Zij zeide, dat zij zich niet indringen wilde in een geslacht, dat
haar zou verachten. Het gelukte haar dit hard en koud te zeggen,
zonder dat haar stem beefde.

Maar hoe langer ze sprak, hoe grooter de begeerte van don Matteo werd
om haar te helpen. Het was alsof hij een koningin ontmoet had, die van
haar troon gestooten was. En er kwam een brandend verlangen over hem,
haar weer de kroon op het hoofd te zetten en den koningsmantel om de
schouders te slaan.

Daarom vroeg don Matteo haar of haar vader niet spoedig uit de
gevangenis zou komen en waarvan hij dan leven moest.

De signorina antwoordde dat hij zou leven van haar arbeid. Don Matteo
vroeg haar zeer ernstig of zij zich wel afgevraagd had, hoe haar vader,
die altijd een rijke man was geweest, de armoede zou kunnen dragen.

Nu zweeg zij. Ze trachtte de lippen tot een antwoord te bewegen,
maar kon geen geluid uitbrengen.

Don Matteo sprak en sprak. Zij zag er hoe langer hoe wanhopiger uit,
maar gaf toch niet toe.

Hij wist ten slotte geen raad meer.

Hoe zou hij haar toch kunnen redden uit het spookhuis, uit de armoede
en van den last der schande die haar drukte? Maar toen vielen zijn
oogen op het kleine Madonnabeeldje boven het bed. De jonge signorina
was dus een geloovige.

Nu werd de geest vaardig over don Matteo. Hij voelde dat God hem
gezonden had, om deze arme vrouw te redden. En toen hij weer sprak,
was er een klank in zijn stem, die hem anders vreemd was. Hij begreep,
dat hij het niet alleen was, die nu tot haar sprak.

"Mijn dochter," zei hij, terwijl hij oprees, "om der wille van uw vader
zult ge huwen met don Ferrante. De Madonna wil het, mijn dochter."

Er kwam iets imponeerends over don Matteo's uiterlijk. Zoo had nog
geen mensch hem ooit gezien.

De signorina beefde alsof de Heilige Geest tot haar gesproken had,
en zij vouwde haar handen.

"Word een goede en trouwe echtgenoote voor don Ferrante," zei don
Matteo, "en de Madonna belooft u door mij, dat uw vader een onbezorgden
ouderdom zal hebben."

Toen zag de signorina dat het een heilige ingeving was, die don Matteo
inspireerde. Het was God die door hem sprak. En zij wierp zich op de
knieën en boog het hoofd.

"Ik zal doen wat gij beveelt," zei ze.



Maar zie, toen de geestelijke, don Matteo, uit het huis van den kleinen
Moor kwam, en door de steeg ging, nam bij plotseling zijn brevier en
begon te lezen. En ofschoon het waschgoed hem om de wangen sloeg, en
sinaasappelschillen en kleine kinderen op de straat schenen te liggen,
alleen om hem te doen struikelen, hij zag niet op uit zijn boek.

Hij had behoefte Gods heilige woorden te hooren.

Want daarbinnen in het zwarte huis had hem alles zoo zeker en gewis
geschenen, maar nu hij buiten kwam in den zonneschijn, begon hij
bevreesd te worden voor de belofte, die hij in der Madonna's naam
gegeven had.

Don Matteo bad en las en las en bad.

Mocht de almachtige God in den hemel de vrouw beschermen, die op hem
vertrouwd en hem gehoorzaamd had, alsof hij een profeet ware!

Don Matteo sloeg den hoek om naar de corso. Hij bonsde tegen ezels,
die naar huis gedreven werden met reizende signorina's op hun rug, hij
liep recht tegen veldarbeiders aan, die van hun werk naar huis keerden
en hij stiet tegen de oude spinnende vrouwtjes en raakte verward in
haar linnen. Eindelijk bereikte hij een kleinen, donkeren winkel.

Het was een vertrek zonder ramen, dat in den hoek van een oud paleis
lag. De drempel was een voet hoog, de vloer was van vastgetrapte aarde,
en de deur moest altijd openstaan om licht binnen te laten. De toonbank
was belegerd door voerlieden en ezeldrijvers.

En voor de toonbank stond don Ferrante. Zijn baard was in wanorde,
zijn gelaat één en al rimpel, zijn stem heesch van woede. De voerlieden
verlangden een onmatig hooge betaling voor de vrachten, die ze van
Catania naar Diamante gebracht hadden.



VII.

DE KLOKKEN VAN SAN PASQUALE.


Men merkte spoedig in Diamante, dat don Ferrante's echtgenoote, donna
Micaela, niet veel meer was dan een kind. Zij kon er nog zoo uitzien
als een voorname dame van de wereld, zij was toch niets anders dan
een kind. En iets anders kon men ook niet van haar verwachten na het
leven, dat zij geleid had.

Van de wereld had zij niets gezien dan theaters, museums,
balzalen, promenades en renperken, en dit alles zijn immers slechts
speelplaatsen. Zij was nog nooit alleen op straat geweest. Zij had
nooit gewerkt. Men had nooit een ernstig woord tot haar gesproken. Ze
was niet eens ooit verliefd geweest.

Toen zij in het zomerpaleis trok, vergat zij al haar zorgen, even
licht en luchtig als een kind het gedaan zou hebben. En het bleek
dat zij de spelende phantasie van een kind bezat en dat zij alles
wat haar omgaf kon veranderen en herscheppen. De oude Saracenenstad
Diamante leek donna Micaela een paradijs.

Ze zeide dat zij in het geheel niet verbaasd was geweest, toen don
Ferrante haar op de markt aansprak en aanzoek om haar hand deed. Het
kwam haar zeer natuurlijk voor dat zoo iets in Diamante gebeurde. Zij
had dadelijk gezien, dat Diamante een stad was, waar rijke mannen
zochten naar arme, ongelukkige signorina's om haar tot heerscheressen
te maken in hun zwarte lavapaleizen.

Het zomerpaleis behaagde haar zeer. Het verbleekte, honderdjarige
mousseline, dat de meubels bedekte, vertelde haar vele verhalen. En
ze vond een diepe beteekenis in al de liefdestooneelen, die
tusschen de herders en herderinnetjes op de wandschilderingen
werden afgespeeld. Zij had ook dadelijk het geheim van don Ferrante
geraden. Hij was in het geheel geen gewone koopman in een der straten
van een kleine stad.

Hij was een eergierig man, die geld verzamelde om de familiegoederen
op den Etna terug te kunnen koopen, evenals het paleis in Catania
en het slot in de bergen. En indien hij een kort buis en een puntige
muts droeg gelijk een boer, was dit slechts om des te eerder te kunnen
optreden als grande van Spanje en prins van Sicilië.

Sedert hij getrouwd was, placht don Ferrante zich iederen avond te
kleeden in een fluweelen rok, zijn gitaar in de hand te nemen, en zich
te plaatsen op de koortrap van de muziekzaal in het zomerpaleis om
canzones te zingen. Terwijl hij zong, droomde donna Micaela, dat ze
gehuwd was met den edelsten man van het gansche schoone eiland Sicilië.

Toen donna Micaela een paar maanden getrouwd was, kwam haar vader uit
de gevangenis en vestigde zich in het zomerpaleis bij zijn dochter. Hij
bevond zich heel wel in Diamante en werd aller vriend. Hij sprak gaarne
met de iemkers en de wijngaardeniers, die hij in het café Europa trof;
en hij vermaakte zich iederen dag met het rijden naar den voet van
den Etna om naar historische overblijfselen te zoeken. Maar hij had
zijn dochter volstrekt geen vergiffenis geschonken. Wel woonde hij
onder haar dak, maar hij behandelde haar als een vreemde en was nooit
teeder jegens haar.

Donna Micaela liet hem stil geworden en hield zich alsof zij niets
bemerkte.

Zij kon zijn toorn niet meer zoo ernstig opnemen. Deze oude man,
dien zij liefhad, geloofde, dat hij haar jaar na jaar zou kunnen
blijven haten. Hij zou in haar nabijheid leven, haar stem hooren,
haar oogen zien en omgeven zijn door haar liefde, en hij zou kunnen
voortgaan haar te haten!

O, hij kende haar noch zich zelf! En dikwijls zat zij te phantaseeren
hoe het zou gaan als hij tot de erkentenis kwam, dat hij overwonnen
was, wanneer hij tot haar komen en haar toonen zou, dat hij haar
liefhad.



Op een dag stond donna Micaela op haar balkon, en wuifde tegen haar
vader, die op een kleine donkerbruine ponny wegreed, toen don Ferrante
uit zijn winkel kwam om met haar te spreken.

En wat don Ferrante haar wilde zeggen, was, dat het hem gelukt was
voor haar vader een plaats te koopen in de broederschap van het heilig
hart te Catania.

Maar ofschoon don Ferrante zeer duidelijk sprak, scheen donna Micaela
hem volstrekt niet te verstaan.

Hij moest herhalen, dat hij gisteren in Catania was geweest, en dat
het hem gelukt was cavaliere Palmeri een plaats te verschaffen in
een broederschap. Hij zou over een maand daar intreden.

Zij vroeg slechts: "Wat wil dit zeggen? Wat beteekent dit?"

"O," zei don Ferrante, "kan het mij niet vervelen kostbaren wijn
van het vasteland voor je vader te laten komen en kan ik geen lust
hebben zelf eens op Domenico te rijden?" Toen hij dit gezegd had,
wilde hij heengaan. Er was immers niets meer te zeggen.

"Maar vertel mij toch eerst wat voor een broederschap dat is,"
zeide zij.

"Wat dat is? Daar wonen vele oude mannen."

"Arme oude mannen?"

"O ja, ze zijn juist niet rijk."

"Ze hebben zeker geen eigen kamer?"

"Neen, maar zeer groote slaapzalen."

"En ze eten uit tinnen borden aan ongedekte tafels?"

"Neen, ze zullen wel uit porselein eten."

"Maar zonder tafelkleed?"

"Mijn hemel, wat zou dat, indien de tafel slechts schoon is!"

Hij trachtte haar gerust te stellen. "Daar wonen heel goede
menschen. En als je het wilt weten, dan was het niet zonder aarzelen,
dat men cavaliere Palmeri aannam."

Toen verliet don Ferrante de kamer. Zijn vrouw was bedroefd, maar
ook zeer verontwaardigd. Haar scheen het, dat hij zich beroofd had
van rang en stand en een gewone koopman was geworden.

Ze zei heel luid, ofschoon niemand het kon hooren, dat het zomerpaleis
slechts een groot en leelijk oud huis was en Diamante een arme,
ellendige stad.

En natuurlijk zou ze niet toestaan, dat haar vader vertrok. Don
Ferrante moest iets anders verzinnen.

Nadat de maaltijd geëindigd was, wilde don Ferrante naar café Europa
gaan om domino te spelen en hij zocht naar zijn hoed.

Donna Micaela nam zijn hoed en volgde hem naar de galerij, die rondom
den tuin liep. Toen ze ver genoeg van de eetzaal verwijderd waren,
dat haar vader haar niet kon verstaan, zei ze heftig:

"Heb je iets tegen mijn vader?"

"Hij is te duur."

"Maar je bent immers rijk."

"Wie heeft je zoo iets verteld? Zie je dan niet hoe hard ik moet
werken?"

"Wees dan liever zuinig met iets anders."

"Ik zal ook zuinig zijn met iets anders. Giannita heeft nu genoeg
geschenken gekregen."

"Neen, onthoud mij liever iets."

"Jij bent mijn echtgenoote, jij zult het houden, zooals je het hebt."

Zij zweeg een oogenblik. Zij dacht na wat zij hem zou kunnen zeggen,
dat hem bang zou maken.

"En indien ik nu je echtgenoote ben, weet je dan ook waarom ik dat
geworden ben?"

"O, ja."

"Weet je ook wat don Matteo mij beloofde?"

"Dat is don Matteo's zaak, maar ik doe wat ik kan."

"Je hebt misschien wel gehoord, dat ik brak met al mijn vrienden in
Catania toen ik vernam, dat mijn vader hulp bij hen gezocht en niet
gekregen had?"

"Dat weet ik."

"En dat ik naar Diamante vertrok, opdat hij hen niet langer behoefde
te zien en zich voor hen schamen moest?"

"Zij komen ook niet in de broederschap."

"Indien je dit alles weet, ben je dan niet bang iets tegen mijn vader
te doen?"

"Bang? Neen, voor mijn vrouw ben ik niet bang."

"Heb ik je niet gelukkig gemaakt?" vroeg zij nu.

"O, ja," antwoordde hij onverschillig.

"Vondt je het niet aangenaam voor mij te zingen? Beviel het
je niet, dat ik je hield voor den edelmoedigsten man van geheel
Sicilië? Vondt je het niet prettig, dat ik me zoo wel bevond in het
oude paleis? Waarom moet dit alles nu eindigen?"

Hij legde zijn hand op haar schouder en waarschuwde haar.

"Denk er aan, dat je niet gehuwd bent met een voornamen heer van
Via Etnea!"

"O, neen."

"Hier op den berg heerschen andere zeden. Hier gehoorzamen de vrouwen
haar mannen. En wij storen ons weinig aan schoone woorden. Maar als
wij die willen hebben, weten we wel hoe we die moeten krijgen."

Toen hij zoo sprak, werd zij bang. Het volgende oogenblik lag zij op
de knieën voor hem.

Het was een donkere avond, maar er stroomde zoo'n heldere lichtschijn
uit de vertrekken dat hij haar oogen kon zien.

In een vurige smeekbede, heerlijk als sterren, waren die op hem
gevestigd.

"Wees barmhartig. Je weet niet hoe lief ik hem heb!"

Don Ferrante lachte. "Daarmee hadt je moeten beginnen. Nu heb je mij
eerst boos gemaakt."

Zij lag nog steeds onbeweeglijk en zag naar hem op.

"'t Is goed," zei hij, "dat je voor het vervolg weet, hoe je je
gedragen moet."

Nog steeds lag ze op haar knieën.

Toen vroeg hij: "Zal ik het hem zeggen of wil je het zelf doen?"

Donna Micaela schaamde zich, dat zij zich zoo verootmoedigd had. Zij
rees op en antwoordde trotsch:

"Ik zal het hem zeggen, maar niet vóór den laatsten dag. En jij zult
hem niets laten merken."

"Neen, dat zal ik niet," zei hij, haar nasprekend. "Een korte ellende
is aangenamer voor mij."

Maar toen hij was heengegaan, lachte donna Micaela om don Ferrante,
omdat hij meende, dat hij met haar vader kon doen wat hij wilde. Zij
kende wel iemand, die haar helpen zou.



In den dom van Diamante bevindt zich een wonderdoend Madonnabeeld,
en dit is zijn geschiedenis:

Lange, lange jaren geleden woonde een heilige heremiet in een
grot op den Monte Chiaro. En deze heremiet droomde op een nacht,
dat er in de haven van Catania een schip lag, dat geladen was met
heiligenbeelden. Onder deze was er één, dat zoo heilig was, dat de
Engelschen, die rijker zijn dan alle andere menschen, het tegen goud
wilden opwegen.

Zoo spoedig de heremiet uit dezen droom ontwaakte, begaf hij zich naar
Catania. Toen hij daar kwam, zag hij, dat hij de waarheid gedroomd had.

In de haven lag een schip, dat geladen was met heiligenbeelden en
onder deze beelden was er één van de Madonna, dat heiliger was dan
alle andere. Nu smeekte de heremiet den kapitein, dat hij dit beeld
niet zou wegvoeren van Sicilië, maar het hem zou schenken.

Maar de kapitein weigerde dat.

"Ik breng het naar Engeland," zei hij, "en de Engelschen zullen het
tegen goud opwegen."

De heremiet hernieuwde zijn bede. Op het laatst liet de kapitein hem
door zijn matrozen van het schip jagen en heesch de zeilen tot vertrek.

Het scheen, alsof het heiligenbeeld voor Sicilië verloren zou gaan,
maar de heremiet zonk op de knieën naast een der lavablokken op het
strand en bad God, dat dit niet zou gebeuren.

En wat geschiedde er?

Het schip kon niet vertrekken. Het anker was gelicht, de zeilen waren
geheschen en de wind was gunstig, maar gedurende volle drie dagen
lag het schip onbeweeglijk, alsof het een rots was.

Den derden dag nam de kapitein het Madonnabeeld en wierp het den
heremiet toe, die nog op het strand lag. En dadelijk daarna kon het
schip de haven uitzeilen.

Maar de heremiet voerde het beeld naar den Monte Chiaro en nu bevindt
het zich nog in Diamante, waar het een kapel en een altaar heeft in
de domkerk.

Donna Micaela begaf zich naar deze Madonna om voor haar vader te
bidden.

Ze zocht de kapel der Madonna op, die gebouwd was in een donkeren
hoek van de domkerk.

Daar waren de wanden geheel bedekt met gaven, het beeld krachtens een
belofte vereerd, met zilveren harten en schilderijen, geschonken door
al degenen, die geholpen waren door Diamante's Madonna.

't Beeld was gebeiteld uit zwart marmer, en toen donna Micaela het
in zijn nis zag staan, hoog en duister, bijna geheel verborgen achter
het vergulde traliehek, meende zij te zien, dat het gelaat der Madonna
schoon was, en straalde van mildheid.

En haar hart was vervuld van hoop.

Hier was de machtige koningin des hemels, hier was de goede moeder
Maria, hier was de bedroefde, die aller smarten begreep, hier was zij,
die niet zou toestaan, dat haar vader van haar werd genomen.

Hier bij de Madonna zou zij hulp vinden. Zij zou niets anders behoeven
te doen dan op haar knieën vallen en haar nood klagen, opdat de zwarte
Madonna haar zou bijstaan.

Terwijl zij bad, was zij overtuigd, dat don Ferrante reeds op hetzelfde
oogenblik van meening veranderde.

Als zij thuis kwam, zou hij haar tegemoet loopen om haar te zeggen,
dat haar vader haar niet behoefde te verlaten.



't Was een morgen, drie weken later.

Donna Micaela kwam uit het zomerpaleis om naar de vroegmis te gaan,
maar vóórdat zij zich naar de kerk begaf, ging ze naar donna Elisa's
winkel om een waskaars te koopen.

't Was nog zoo vroeg, dat ze vreesde, dat de winkel nog niet open zou
zijn, maar haar vrees bleek ongegrond, en zij was blijde, dat zij een
geschenk kon meenemen voor de zwarte Madonna. Er was niemand in den
winkel, toen donna Micaela binnentrad, en zij bewoog de deur heen en
weer, opdat de bel zou luiden en donna Elisa binnen roepen.

Eindelijk verscheen er iemand, maar het was niet donna Elisa, maar
een jonge man.

Deze jonge man was Gaetano, dien donna Micaela nauwelijks kende. Want
Gaetano had zooveel van haar hooren vertellen, dat hij bang was haar
te ontmoeten, en iederen keer, dat zij donna Elisa bezocht, had hij
zich in zijn werkplaats opgesloten. Donna Micaela wist niets anders
van hem dan dat hij Diamante wilde verlaten, en dat hij voortdurend
heiligenbeelden sneed, opdat donna Elisa thuis iets zou hebben te
verkoopen, terwijl hij groote schatten verdiende in Argentinië.

Toen zij nu Gaetano zag, vond zij hem zoo mooi dat het haar een genot
was naar hem te kijken. Wel was ze angstig als een gejaagd hert,
maar geen smart ter wereld kon haar verhinderen vreugde te gevoelen
als zij iets schoons zag.

Zij vroeg zich af, waar zij hem vroeger gezien had, en zij
herinnerde zich, dat zij zijn gezicht kende van haar vaders heerlijke
schilderijenverzameling in het paleis te Catania.

Daar was hij niet gekleed geweest in een arbeiderskiel, maar droeg
hij een zwarten, vilten hoed met lange, wuivende witte pluimen en een
breeden, kanten kraag op een fluweelen mantel. En hij was geschilderd
door den grooten meester Van Dijck.

Donna Micaela verzocht Gaetano om een waskaars, en hij begon daarnaar
te zoeken. En nu deed zich het vreemde geval voor, dat Gaetano, die
iederen dag in den kleinen winkel was, daar geheel vreemd scheen te
zijn. Hij zocht naar een waskaars in de lade der rozenkransen en in de
doozen der kleine medaillons. Hij kon er geen vinden en toen werd hij
zoo ongeduldig, dat hij laden omver smeet en doozen kapot drukte. En
het werd een groote wanorde en verwoesting. 't Zou donna Elisa zeker
veel verdriet doen, als zij thuis kwam. Maar donna Micaela vond het
heerlijk te zien, hoe hij de dichte lokken van zijn voorhoofd streek
en hoe zijn goudkleurige oogen fonkelden, gelijk gulden wijn wanneer
de zon daarop straalt.

Het gaf haar troost iets te zien, dat zoo schoon was.

Donna Micaela vroeg toen vergiffenis aan de edele heeren die door
den grooten Van Dijck geschilderd waren. Hoe dikwijls had zij tot
hen gezegd:

"O, signor, ge zijt schoon geweest, maar zoo donker, zoo bleek, en zoo
weemoedig hebt ge niet kunnen zijn. En zulke vuuroogen hebt ge niet
bezeten, maar dit alles heeft de schilder slechts in uw gelaat gelegd."

Maar toen donna Micaela Gaetano nu zag, vond ze dat dit alles in een
gezicht kon gevonden worden en dat de meester niet noodig had gehad
er iets aan toe te voegen. Daarom vroeg ze vergiffenis aan de oude
edele heeren.

Onderwijl had Gaetano de lange doozen met kaarsen gevonden, die op
dezelfde plaats onder de toonbank stonden waar ze altijd gestaan
hadden.

En hij gaf haar een waskaars, maar wist niet wat die kostte; hij zeide,
dat zij die later wel kon betalen. Toen zij om een stuk papier verzocht
om de kaars in te wikkelen, werd hij zoo verlegen, dat zij hem moest
helpen zoeken.

Het bedroefde haar dat zulk een man er aan dacht naar Argentinië
te vertrekken.

Hij liet het aan donna Micaela over, de kaars in te pakken, terwijl
hij zelf haar stil beschouwde.

Zij zou gewenscht hebben, dat zij hem kon verzoeken haar nu niet aan te
zien, nu niets anders dan hopeloosheid en smart uit haar gelaat sprak.

Gaetano had haar trekken niet meer dan één oogenblik beschouwd, toen
hij op een kleine trap sprong en een beeld van de bovenste plank nam
en daarmee naar haar toe kwam.

Het was een kleine vergulde en geschilderde aartsengel, voorstellende
San Michaël in strijd met den aartsvijand, dien hij nu uit het papier
wikkelde.

Dezen reikte hij donna Micaela toe en verzocht hij haar aan te
nemen. Hij wilde haar dit beeld schenken, omdat dit het beste was,
dat hij ooit gesneden had. Hij was zoo overtuigd dat dit grooter
macht bezat dan zijn andere beelden dat hij dit op de bovenste
plank geplaatst had, opdat niet de eerste de beste dit beeld zou
zien en koopen. Hij had donna Elisa verboden het aan iemand anders te
verkoopen, dan aan dengene, die gebukt ging onder een groote smart. En
nu moest donna Micaela dit beeld van hem aannemen.

Zij stond zwijgend, zij vond hem haast te indringend.

Maar Gaetano verzocht haar te zien, hoe goed het beeld gesneden
was. Zag zij wel, dat de vleugels van den aartsengel in toorn
opstonden en dat Lucifer zijn klauwen drukte in de stalen sporen van
San Michaëls voet?

Zag zij met hoeveel kracht San Michaël zijn lans velde en hoe hij
zijn voorhoofd fronste en zijn lippen op elkaar klemde?

Hij wilde het kleine beeld in haar hand leggen, maar zij schoof het
zacht ter zijde.

Ze zag wel, dat het beeld schoon en machtig was, zei zij, maar zij
wist, dat het haar niet kon helpen. Zij dankte hem voor zijn geschenk,
maar zij wilde het niet aannemen. Toen trok Gaetano het beeld naar
zich toe, wikkelde het in papier en zette het weer op zijn plaats.

En niet vóórdat het weer op de bovenste plank stond, sprak hij
tot haar.

Maar toen vroeg hij haar waarom zij waskaarsen kocht indien zij geen
geloovige was? Was het haar bedoeling te zeggen, dat zij niet aan San
Michaël geloofde? Wist zij dan niet, dat hij de machtigste der engelen
was en dat hij het was, die Lucifer overwonnen en in den Etna geworpen
had? Twijfelde zij of dat waar was? Wist ze niet, dat San Michaël
gedurende den strijd een veer uit zijn vleugel verloren had en dat
deze in Caltanisette gevonden was? Wist zij dat of wist zij dat niet?

Of wat bedoelde zij anders ermee, dat San Michaël haar niet kon
helpen? Geloofde zij, dat geen heilige haar helpen kon? En hij dan,
die iederen dag in zijn werkplaats heiligen sneed? Zou hij dat doen,
indien ze nergens voor dienden? Dacht zij, dat hij een bedrieger was?

Maar daar donna Micaela een even streng geloovige was als Gaetano, vond
zij zijn woorden onrechtvaardig en dat prikkelde haar tot tegenspraak.

"Het gebeurt toch soms, dat de heiligen niet helpen," zeide ze. En toen
Gaetano er ongeloovig uitzag, kreeg ze een onweerstaanbare neiging
hem te overtuigen; en zij zei hem, dat men haar uit naam der Madonna
beloofd had, dat indien zij don Ferrante een trouwe echtgenoote werd,
haar vader een onbezorgden ouden dag zou hebben.

En nu wilde haar man toch haar vader in een broederschap plaatsen,
die arm was als een armhuis en streng als een gevangenis. En de
Madonna had dit niet afgewend, maar over acht dagen zou het gebeuren.

Gaetano luisterde aandachtig naar haar.

Dit maakte, dat zij hem haar gansche geschiedenis toevertrouwde.

"Donna Micaela," zei hij, "ge moet u wenden tot de zwarte Madonna in
de domkerk."

"Gelooft ge dan, dat ik niet tot haar gebeden heb?"

Toen steeg een blos naar Gaetano's wangen en hij zei bijna toornig:

"Ge wilt toch niet zeggen, dat ge u tevergeefs gewend hebt tot de
zwarte Madonna?"

"Ik heb de laatste drie weken tevergeefs tot haar gebeden, haar
gesmeekt en gebeden."

Toen donna Micaela dit zei, kon zij nauwelijks ademhalen.

Ze kon over zichzelf weenen, omdat ze iederen dag hulp verwacht had
en iederen dag teleurgesteld werd en toch geen beter middel wist dan
opnieuw met haar smeekbeden te beginnen.

En men zag op haar gelaat, dat haar ziel opnieuw doorleefde, wat zij
geleden had, toen zij elken dag de vervulling van haar bede verwachtte,
en de tijd verstreek zonder dat dit gebeurde.

Gaetano werd echter niet getroffen door haar woorden, maar stond
glimlachend te trommelen op een der glazen uitstalkasten, die op de
toonbank stonden.

"Hebt ge slechts tot de Madonna gebeden?" zei hij.

Slechts gebeden, slechts gebeden! Maar zij had de Madonna ook beloofd
al haar zonden af te leggen.

Ze was naar de steeg gegaan, waar zij eerst gewoond had om de vrouw
met de beenwonde te verplegen.

Ze liep nooit een bedelaar voorbij, zonder hem een aalmoes te geven.

Slechts gebeden! En zij zeide hem, dat indien de Madonna de macht
bezeten had haar te helpen, zij tevreden had moeten zijn met haar
gebeden. Zij had haar dagen in de domkerk doorgebracht. En de angst,
de angst, die haar verteerde! Werd die dan in 't geheel niet gerekend?

Hij trok slechts zijn schouders op. "Had zij niets anders beproefd?"

"Niets anders! Maar er was niets ter wereld, dat zij niet beproefd
had. Zij had de Madonna zilveren harten en waskaarsen geschonken. Zij
legde de rozenkrans niet uit haar handen."

Gaetano's woorden wonden haar op.

Niets wat zij gedaan had wilde hij rekenen, maar hij vroeg slechts:

"Niets anders? Niets anders?"

"Maar ge moet toch begrijpen," zeide ze, "don Ferrante geeft mij
toch niet zooveel geld. Ik kan niet meer doen. Nu eindelijk is het
mij gelukt zijde voor een altaarkleed aan te schaffen. Ge moet dat
toch begrijpen!"

Maar Gaetano, die alle dagen met heiligen verkeerde en die de macht der
geestvervoering en der heftigheid kende, die over hen was als ze God
dwongen hun gebeden te verhooren, lachte hoonend om donna Micaela die
geloofde de Madonna door waskaarsen en altaarkleeden te kunnen dwingen.

"Hij begreep het wel," antwoordde hij haar. "De geheele samenhang
was hem duidelijk. Zoo ging het den armen heiligen nu altijd. De
gansche wereld riep hen aan om hulp, maar slechts weinigen wisten
hoe zij moesten bidden om geholpen te worden. En dan zei men, dat de
heiligen geen macht hadden.

"Allen, die wisten hoe ze moesten bidden, werden geholpen."

Donna Micaela zag op in blijde verwachting. Er klonk zulk een kracht
en overtuiging uit Gaetano's woorden, dat zij begon te gelooven,
dat hij haar het verlossende woord zou kunnen leeren.

Maar Gaetano nam de kaars, die voor haar op de toonbank lag en wierp
die weer in de lade en zeide haar wat ze doen moest. Hij verbood haar
de Madonna geschenken te geven of tot haar te bidden of iets voor de
armen te doen.

Hij zei haar, dat hij haar altaarkleed zou verscheuren, indien zij
nog een steek daaraan naaide.

"Toon haar, donna Micaela, dat het iets voor u beteekent," zei hij,
terwijl hij haar met dwingende kracht in de oogen keek.

"Mijn God, ge moet iets kunnen bedenken, dat haar bewijst dat het u
ernst is en geen spel.

"Ge moet haar kunnen toonen, dat ge niet langer wilt leven, indien
ge niet geholpen wordt. Denkt ge trouw te blijven aan don Ferrante,
indien hij uw vader wegzendt? Ja, dat denkt ge zeker. En als de Madonna
niet bevreesd behoeft te zijn, voor hetgeen ge in wanhoop doen zult,
waarom zal ze u dan helpen?"

Donna Micaela deinsde achteruit. Hij kwam plotseling achter de toonbank
vandaan en hield haar bij de mouw van haar mantel vast.

"Begrijpt ge, ge moet haar toonen, dat ge u zelf weg kunt werpen,
indien ge geen hulp krijgt. Dat ge u in zonde en verderf zult
storten als ge niet krijgt, wat ge wilt. Het is op deze wijze, dat
men heiligen dwingt."

Zij week voor hem terug en ging zonder een woord te spreken uit den
winkel. Zij haastte zich langs de kronkelende straat, bereikte den dom
en wierp zich geheel ontsteld neder voor het altaar der zwarte Madonna.

Dit gebeurde op een Zaterdagmorgen en donna Micaela zag Zondagavond
Gaetano opnieuw. De maan scheen helder en in Diamante is het
gebruikelijk, dat bij maneschijn een ieder zijn huis verlaat en op
straat gaat.

Zoodra de bewoners van het zomerpaleis buiten kwamen, hadden ze
bekenden getroffen. Donna Elisa had cavaliere Palmeri's arm genomen
en sindaco Voltaro had zich bij don Ferrante gevoegd om met hem over
de verkiezingen te spreken, maar Gaetano ging naar donna Micaela om
te hooren of ze zijn raad gevolgd had.

"Hebt ge opgehouden aan het altaarkleed te naaien?"

Donna Micaela antwoordde hem, dat ze den ganschen dag daaraan
gewerkt had.

"Dan zijt ge zelf de oorzaak, dat ge niet geholpen wordt, donna
Micaela."

"Ja, nu is er geen hulp meer voor mij mogelijk, don Gaetano."

Zij zorgde er voor, dat ze een afstand van de anderen bleven, want
zij wilde hem ergens over spreken. Toen ze bij de Porta Etnea kwamen,
liepen ze door de poort en daalden af van de treden, die naar de
palmbosschen van den Monte Chiaro leiden.

Ze hadden niet in de drukke straten kunnen blijven.

Donna Micaela sprak zóó, dat de menschen in Diamante haar gesteenigd
zouden hebben, indien ze gehoord hadden, wat ze zeide.

Zij vroeg Gaetano of hij ooit de zwarte Madonna van de domkerk gezien
had. Den vorigen dag had zij haar voor de eerste maal gezien. De
Madonna was misschien in zoo'n donkeren hoek van den dom geplaatst,
opdat niemand haar zou kunnen zien. Zij was immers zwart en stond
achter een traliehek. Geen mensch kon haar zien.

Maar heden had donna Micaela haar gezien. De Madonna had een feestdag
en zij was uit haar nis gehaald. De vloer en de wanden van haar kapel
waren versierd met witte amandelbloemen en zij zelf had beneden op
het altaar gestaan, groot en donker, omgeven door de verblindend
witte bloemenpracht.

Maar toen donna Micaela het beeld gezien had, was ze in vertwijfeling
geraakt. Want dat beeld stelde geen Madonna voor. Neen, degene, tot
wie zij gebeden had, was geen Madonna. O, wat een ramp, wat een ramp!

't Was stellig een oude godin. Zij die iets gezien hadden, konden
zich daarin niet vergissen. Zij droeg geen kroon, maar een helm, ze
had geen kind op den arm, maar een schild. Het was een Pallas Athene.

Het was geen Madonna. O, neen! O, neen!

't Was hier in Diamante, dat men zulk een godslastering vereerde! En
wist hij, wat het grootste ongeluk was?

Hun Madonna was zoo leelijk. Zij was zoo verweerd en oud, ook was ze
nooit een kunstwerk geweest. Zij was zoo leelijk, dat men niet naar
haar kijken kon.

Dat ze op een dwaalspoor was geleid door al de duizenden gaven, die
in de kapel hingen, bedrogen was door al de legenden, die van haar
verteld werden!

Drie weken verspild met het bidden tot haar!

Zie, daardoor was ze niet geholpen! Het was geen Madonna, het was
geen Madonna!

Ze sloegen den weg in, die rondom den Monte Chiaro onder den stadsmuur
loopt.

De geheele wereld rondom hen was wit.

Witte nevels omhulden den voet van den berg en de amandelboomen verder
op den Etna waren geheel wit van bloemen. Soms liepen ze zelf onder
een amandelboom, die zijn glinsterende takken boven hun hoofd welfde
en zoo volgeladen was met bloemen, alsof hij in een bad van zilver
gedompeld was. De maneschijn lag zoo verblindend wit op de aarde,
dat alles van zijn kleuren beroofd werd en wit scheen. Men was bijna
verbaasd, dat men die niet voelde, dat zij geen warmte gaf en dat
zij de oogen niet verblindde. Donna Micaela vroeg zich af of het de
maneschijn was, die Gaetano bedwong, zoodat hij haar niet greep en
in den Simeto wierp, toen zij de zwarte Madonna lasterde.

Hij ging zwijgend en kalm aan haar zijde, maar zij was bevreesd
voor hetgeen hij doen zou. Doch hoe angstig zij ook was, zij kon
niet zwijgen.

Hetgeen zij nu nog moest vertellen, was het vreeselijkste van
alles. Zij zei, dat zij den ganschen dag beproefd had aan de werkelijke
Madonna te denken, en dat zij zich alle beelden van haar die zij kende,
voor den geest geroepen had.

Maar alles was vergeefsch geweest, omdat zoodra zij dacht aan de
stralende hemelkoningin, de oude godin zich voor haar stelde. En
zij zag haar komen gelijk een rimpelige, oude jonkvrouw om de groote
koningin der hemelen te verjagen, zoodat er voor haar nu geen Madonna
meer bestond.

Zij vreesde, dat deze vertoornd op haar was, omdat zij te veel voor
die andere gedaan had en dat zij nu haar aangezicht en genade van
haar afwendde. Maar ter wille van de valsche Madonna zou haar vader
nu in het ongeluk gestort worden. Nu zou zij hem niet meer in haar
huis mogen behouden.

Nu zou ze nooit zijn vergiffenis ontvangen.

O, God! O, God!

En dit alles zeide zij tot Gaetano, die de zwarte Madonna van Diamante
meer vereerde dan iets anders.

Hij naderde haar nu heel dicht, en zij vreesde dat haar laatste uur
geslagen had. Zij zei met zwakke stem als om zich te verontschuldigen:

"Ik ben waanzinnig. De angst maakt me waanzinnig. Ik slaap nooit."

Maar Gaetano was stil naast haar gegaan en had aan niets anders
gedacht dan welk een kind zij was, en hoe weinig zij zich naar het
leven wist te schikken.

Hij wist het nauwelijks zelf vóórdat hij haar zacht naar zich toe
getrokken en haar gekust had, omdat zij zulk een onervaren en dwaas
kind was. Ze werd door zulk een verbazing aangegrepen, dat zij er in
het geheel niet aan dacht weg te loopen. En ze gilde noch vluchtte. Ze
begreep dadelijk, dat hij haar kuste, zooals men een kind kust. Ze
ging slechts haastig verder en begon toen te weenen.

Juist deze kus deed haar gevoelen hoe hulpbehoevend en eenzaam zij
was en hoezeer zij verlangde naar iemand, die sterk en goed was en
die haar in bescherming nam. Het was een ongeluk, dat zij hoewel zij
een man en een vader bezat, toch zoo verlaten was, dat deze vreemde
medelijden met haar gevoelen moest.

Toen Gaetano haar gestalte zag schokken onder stille snikken, voelde
hij hoe ook hij begon te beven. Een diepe en heftige ontroering greep
hem aan.

Weer naderde hij haar en legde zijn hand op haar arm. Toen hij
sprak, was zijn stem niet luid en helder, maar dof en verstikt door
aandoening.

"Wilt ge met mij vluchten naar Argentinië, indien de Madonna u
niet helpt?"

Nu week donna Micaela voor hem terug. Ze voelde plotseling, dat hij
niet meer tot haar sprak als tot een kind. Zij wendde zich om en ging
naar de stad terug.

Gaetano volgde haar niet, maar bleef staan op de plek, waar hij haar
gekust had en het was hem alsof hij nooit meer in zijn leven deze
plaats zou kunnen verlaten.



Gedurende twee dagen droomde Gaetano van donna Micaela, maar op den
derden dag ging hij naar het zomerpaleis om met haar te spreken.

Hij trof haar op het terras en hij zei haar dadelijk, dat zij met
hem vluchten moest.

Hij had aan haar gedacht, sedert ze van elkaar gescheiden waren.

Hij had in zijn werkplaats staan peinzen over alles, wat er gebeurd
was, en nu was hij tot klaarheid gekomen.

Ze was een roos, door den sterken sirocco van den struik gerukt en ruw
door de lucht geslingerd, opdat zij des te beter rust en beschutting
zou vinden bij een hart, dat haar beminde.

Zij moest begrijpen, dat God en alle heiligen wenschten en verlangden,
dat ze elkaar zouden liefhebben, anders zouden die groote ongelukken
haar niet in zijn nabijheid gevoerd hebben. En indien de Madonna
weigerde haar te helpen, dan was dat, omdat ze haar wilde ontslaan van
haar trouwbelofte aan don Ferrante. Want alle hemelsche goden wisten,
dat zij de zijne was. Zij was voor hem geschapen, voor hem was zij
opgegroeid, voor hem leefde zij. Toen hij haar in den maneschijn op
den weg gekust had, was hij geweest als een wanhopig kind, dat lang
in de woestijn gedoold heeft, en nu eindelijk aan de poort van het
ouderlijk huis is gekomen.

Hij bezat niets, maar zij was zijn thuis en zijn haard.

Zij was het erfdeel, dat God hem toegedacht had, het eenige in de
wereld, dat het zijne was.

Daarom kon hij haar niet achterlaten. Ze moest hem volgen, ze moest,
zij moest!

Hij lag volstrekt niet voor haar op de knieën.

Hij sprak tot haar met gebalde handen en vlammende oogen. Hij smeekte
haar niet, maar beval haar met hem te vertrekken, omdat zij de
zijne was.

Het was geen zonde haar weg te voeren, maar veeleer zijn plicht dat
te doen. Hoe zou het haar gaan, indien hij haar hier achterliet?

Donna Micaela hoorde hem aan, zonder een beweging te maken. Een langen
tijd zweeg zij, ook nadat hij opgehouden had met spreken.

"Wanneer vertrekt ge?" vroeg zij eindelijk.

"Ik vertrek Zaterdag van Diamante."

"En wanneer gaat de stoomboot?"

"Die vertrekt Zondagavond uit Messina."

Donna Micaela stond op en liep naar de trap van het terras.

"Mijn vader zal Zaterdag naar Catania reizen," zei zij.

"Ik zal don Ferrante verzoeken hem daarheen te mogen brengen."

Ze daalde een paar treden van de steenen trap, alsof zij niets meer
te zeggen had. Toen bleef zij staan.

"Indien gij mij dan in Catania ontmoet, zal ik u volgen waarheen
ge wilt."

Zij haastte zich van de trap. Gaetano beproefde niet haar terug te
houden. Er zou zeker eens een tijd komen, dat zij niet voor hem zou
vluchten. Hij wist dat zij niet kon nalaten hem lief te hebben.



Den ganschen Vrijdagmiddag had donna Micaela in de domkerk
doorgebracht. Zij had zich in wanhoop voor de Madonna op de knieën
geworpen.

"O, Madonna mia, Madonna mia! Zal ik morgen een ontrouwe echtgenoote
zijn? Zullen de menschen dan het recht hebben al het mogelijke kwaad
van mij te spreken?"

En alles scheen haar even vreeselijk. Zij was bang om met Gaetano te
vluchten, en zij wist niet hoe zij het zou kunnen uithouden bij don
Ferrante. Zij haatte den eene zoowel als den andere. Geen van beiden
scheen haar iets anders dan ongeluk te kunnen bieden.

Zij zag wel, dat de Madonna haar niet zou helpen.

--En nu vroeg zij zich af, of het nog geen grooter ellende was met
Gaetano te vluchten, dan te blijven bij don Ferrante. Was het de
moeite waard, dat zij zich in het verderf stortte, om zich op haar
man te wreken?

En bestond er wel iets afschuwelijkers dan te vluchten met een man,
dien zij niet liefhad?

Ze leed hevige smarten. De gansche week werd ze gekweld door een
verterende onrust. Het vreeselijkste was, dat ze nooit kon slapen. Zij
dacht geen gezonde, klare gedachten meer.

Keer op keer begon zij haar gebeden opnieuw. Maar toen dacht zij
opeens: De Madonna kan mij niet helpen; en zij hield dadelijk op
met bidden.

Toen moest ze denken aan de smarten van vroeger dagen en herinnerde
zich het kleine beeld, dat haar eens bijgestaan had, toen zij in
groote wanhoop verkeerde. En nu richtte zij met hartstochtelijken
ijver haar gebeden tot het kleine, arme Christuskind.

"Help mij, help mij! Help mijn ouden vader en help mij zelf, opdat
ik mij niet laat verleiden tot zonde en wraak."

Toen zij dien nacht ging liggen, streed zij nog steeds tegen haar
onrust en angst.

"Kon ik slechts een enkel uur slapen," zei ze, "dan zou ik weten wat
ik wil."

Gaetano zou den volgenden morgen heel vroeg vertrekken. Ten slotte
nam zij het besluit met hem te spreken, vóórdat hij vertrok, en hem
te zeggen, dat zij hem niet kon volgen. Zij kon het niet verdragen
beschouwd te worden als een gevallen vrouw.

Nauwelijks had zij dit besluit genomen of zij viel in slaap. Ze
ontwaakte niet vóórdat de klok den volgenden morgen negen uur sloeg. En
toen was Gaetano reeds vertrokken. Zij kon hem niet meer zeggen, dat
ze berouw had van haar besluit. Maar daaraan dacht zij niet meer. In
den slaap was er iets nieuws en vreemds over haar gekomen. Haar scheen
het, dat zij gedurende den nacht in den hemel vertoefd had en dat ze
de gelukzaligheid gesmaakt had.



Waar wordt er een heilige gevonden, den menschen tot grooter nut dan
San Pasquale? Gebeurt het niet somtijds, dat ze op een eenzame plaats
in het bosch of op het veld staan te praten en dat ze óf kwaad van
iemand spreken óf plannen beramen tot iets slechts? Nu, let eens op,
als zij daar op hun best staan, hooren ze een geraas achter zich,
zoodat ze omkijken en denken, dat iemand hen met een steen geworpen
heeft.

't Is niet noodig, dat zij lang omkijken. 't Is niet de moeite
waard dat ze opstuiven om dengene te zoeken, die den steen geworpen
heeft. Die kwam van San Pasquale.

Zoo zeker als er rechtvaardigheid in den hemel bestaat, was het San
Pasquale die hoorde, dat zij over iets slechts spraken en hen met
een zijner steenen wierp om hen te waarschuwen.

En degene, die er niet van houdt gestoord te worden in zijn
booze plannen, moet zich niet daarmee troosten, dat San Pasquale's
steenenvoorraad spoedig uitgeput zal raken. Zijn steenen zullen nooit
opgebruikt zijn. Er zijn er zoo vele, dat ze zullen reiken tot den
laatsten dag der wereld.

Want toen San Pasquale hier op aarde leefde, weet ge wat hij toen
deed? Weet ge waaraan hij meer dacht, dan aan iets anders? San
Pasquale lette op al de kleine kiezelsteenen, die op zijn weg lagen,
en verzamelde deze in zijn zak.

Gij, signor, wilt u nauwlijks bukken om een soldo op te rapen, maar
San Pasquale bukte zich voor elk kiezelsteentje, en toen hij stierf,
nam hij die alle mede naar den hemel en daar zit hij nu en werpt allen,
die iets slechts beramen, met een zijner steenen. Maar dit is zeker
niet het eenige nut, dat San Pasquale den menschen doet. Hij is het
ook, die een teeken geeft als iemand zal trouwen of sterven en hij
kan ook teekens geven met iets anders dan steenen.

Oude Saraedda in Randazzo zat op een nacht bij haar dochters
ziekbed te slapen. Maar haar dochter was bewusteloos en stervende,
en niemand kon de priesters waarschuwen. Hoe werd de moeder toen
intijds gewekt? Hoe werd ze gewekt, zoodat ze iemand kon zenden om
den pastoor te halen? Door niets anders dan dat een stoel heen en weer
begon te wiegelen en te kraken en te krakken, totdat zij ontwaakte. En
het was San Pasquale, die dat deed. Wie anders dan San Pasquale denkt
aan zoo iets?

Er valt nog een geschiedenis van San Pasquale te verhalen. Deze betreft
den langen Kristoforo van Tre Castagni. Hij is geen kwade man, maar
hij had zich een slechte gewoonte eigen gemaakt, hij kon zijn mond
niet openen zonder te vloeken. Hij kon geen twee woorden zeggen,
zonder dat het eene een vloek was.

En gelooft ge, dat het hielp, dat zijn vrouw en buurlieden hem
waarschuwden?

Maar boven zijn bed hing een klein schilderij, dat San Pasquale
voorstelde en het gelukte dit kleine beeld hem te helpen. Iederen nacht
slingerde het heen en weer in zijn lijst, slingerde hard of zacht,
naarmate Kristoforo overdag gevloekt had. En hij merkte, dat hij geen
enkelen nacht zou kunnen slapen, vóórdat hij ophield met vloeken.

San Pasquale heeft in Diamante een kerk, die buiten de Porta Etnea
ligt, een weinig beneden de stad. Die kerk is heel klein en arm,
maar de witte wanden en de roode koepel liggen heerlijk in een bosch
van amandelboomen.

Daarom is San Pasquale's kerk, zoodra de amandelboomen bloeien, de
schoonste godstempel in Diamante. Want de bloeiende takken welven zich
daarboven, vol geladen met glinsterende witte bloemen, een prachtig
kleed gelijk.

San Pasquale's kerk is zeer ongelukkig en verlaten, omdat er nooit meer
een godsdienstige plechtigheid in gehouden kan worden. Want toen de
Garibaldisten, die Sicilië bevrijdden, in Diamante kwamen, sloegen
ze hun leger op in San Pasquale en in het Franciscanerklooster,
dat naast de kerk ligt. En ze waagden het redelooze dieren in de
kerk te brengen en daar zulk een woest leven te leiden met vrouwen
en kaartspel, dat de kerk sedert als onrein en onheilig beschouwd
werd en nooit meer voor den godsdienst geopend kon worden.

Daardoor komt het, dat slechts als de amandelboomen in bloei staan
de voorname menschen San Pasquale's kerk opmerken. Want hoewel dan
de geheele voet van den Etna wit is van amandelbloemen, staan toch
de grootste en schoonste boomen rondom de oude, verlaten kerk.

Maar de arme menschen komen gedurende het gansche jaar tot San
Pasquale. Ofschoon de kerk gesloten is, gaan ze daarheen om raad te
vragen aan den heilige. Want bij den ingang staat onder een groot
steenen baldakijn een beeld van hem, dat men pleegt aan te roepen
om iets van de toekomst te vernemen. Niemand voorspelt de toekomst
beter dan San Pasquale.

Nu gebeurde het, dat juist op den morgen, dat Gaetano van Diamante
vertrok, wolken uit den Etna nederdaalden, zoo dicht alsof ze uit
stof bestonden, en opgejaagd waren door ontelbare krijgsscharen.

En ze verduisterden de lucht als donker gevleugelde draken, ze spuwden
regen, en slingerden nevels en duisternis op de aarde. En er hing
zulk een dichte mist boven Diamante, dat men de overzijde der straat
niet kon onderscheiden. De nevel maakte alles nat, de vloer was even
vochtig als het dak, van de deurposten droppelde het water, de treden
der trap waren overstroomd: nevel hing en trilde in alle vertrekken,
zoodat men had kunnen denken dat ze met rook gevuld waren. Maar
zeer vroeg op dezen morgen, nog voordat het begon te regenen, reed
een rijke Engelsche dame in haar grooten reiswagen uit de poort van
Catania om een rit te maken rondom den Etna. Toen ze echter eenige
uren gereden had, plaste een vreeselijke regen neer, die alles in
een dichten nevel hulde.

En daar zij het genot der heerlijke streken, waardoor ze reed, niet
wilde missen, besloot ze de naastbijzijnde stad binnen te rijden
en daar te vertoeven, totdat de bui voorbij was. Maar die stad was
juist Diamante.

Deze Engelsche dame was miss Tottenham, en zij was het, die het
palazza Palmeri in Catania bewoonde. Onder al de voorwerpen, die zij
in haar koffer meevoerde, was ook het Christusbeeld, dat donna Micaela
eens had aangeroepen. Want dit beeld, dat nu oud en onooglijk was,
vergezelde haar altijd op al haar reizen, als een herinnering aan
een oude vriendin, die haar al haar rijkdommen geschonken had.

Men zou geloofd hebben, dat San Pasquale wist, welk een groot
wonderdoener het beeld was, want het scheen als wilde hij het
begroeten. Op hetzelfde oogenblik, dat miss Tottenham's reiswagen
door de Porta Etnea reed, begonnen de klokken te luiden in de kerk
van San Pasquale.

En zij luidden gedurende den ganschen dag geheel vanzelf.

San Pasquale's klokken zijn niet veel grooter dan die gebruikt
worden op de landhoeven om het arbeidsvolk naar huis te roepen en
evenals deze hangen ze boven op het dak onder een kleinen luifel;
men pleegt ze in beweging te brengen door aan een touw te trekken,
dat langs den kerkmuur hangt.

Het is geen zwaar werk deze klokken te luiden, maar ze zijn toch niet
zoo licht, dat ze geheel vanzelf in beweging kunnen komen. Degene,
die gezien heeft, hoe de oude fra Felice van het Franciscanerklooster
zijn voet zet in een lus van het klokketouw en op en neer trapt om
ze aan den gang te brengen, weet wel, dat de klokken niet kunnen
beginnen te luiden zonder hulp.

Maar dat was het, wat ze juist wel deden op dezen morgen. Het touw was
stevig vastgebonden aan een spijker in den muur, en er was niemand,
die het aanraakte. En er was ook niemand op het dak gekropen om de
klokken in beweging te brengen. Men kon duidelijk zien hoe de klokken
heen en weer slingerden en hoe de klepels tegen de metalen wanden
sloegen. Het was onbegrijpelijk, hoe ze in beweging waren geraakt.

Toen donna Micaela ontwaakte, luidden de klokken reeds en zij lag
langen tijd stil te luisteren en te luisteren. Zoo iets schoons had
zij nog nooit gehoord.

Zij wist niet, dat het een wonder was, maar ze vond slechts dat het
heerlijk klonk.

En zij was verwonderd, dat aardsche metalen klokken zoo konden klinken.

Men kan immers ook niet weten wat voor metaal het was, dat er op
dien dag klonk in de klokken van San Pasquale! Haar scheen het, dat
de klokken haar zeiden, dat ze nu blijde moest zijn, nu zou ze leven
en liefhebben, nu zou ze nooit meer angstig of bedroefd zijn. Toen
begon haar hart te kloppen op de maat van een statige melodie, en
onder het luiden der klokken betrad zij plechtig een heerlijken burcht.

En wien anders kon deze burcht toebehooren, wie kon de heer zijn
van zulk een prachtig slot, dan de liefde? Men kan het niet langer
verbergen, toen donna Micaela ontwaakte, voelde zij, dat ze Gaetano
liefhad en dat zij niets vuriger verlangde dan met hem te vluchten.

En toen donna Micaela het luik van haar raam wegschoof en den grauwen
morgen zag, zond zij dien een kushand en fluisterde:

"Gij, die de morgen zijt van den dag, dat ik zal vertrekken, gij zijt
de schoonste morgen, dien ik nog ooit gezien heb, en zoo grauw als
ge zijt, wil ik u streelen en liefkoozen."

Maar het klokgelui behaagde haar het meest. Daaruit kon men zien, dat
haar liefde sterk was, want alle andere menschen vonden het pijnlijk
deze klokken te hooren, die maar niet met kleppen wilden ophouden.

Niemand dacht er aan gedurende het eerste half uur, toen hoorde
men nauwelijks het klokgelui, maar gedurende het tweede en derde
uur.--------

Gij moet niet denken, dat de kleine klokken van San Pasquale zich niet
konden doen hooren. Zij hadden altijd een helderen klank, maar nu was
het alsof het geluid in haar groeide en groeide. Spoedig scheen het,
alsof er niets anders dan klokken in den nevel waren. Het was alsof
de gansche hemel er vol van hing, ofschoon men ze niet kon zien door
den dichten mist.

Toen donna Elisa voor het eerst den klank hoorde, meende zij dat San
Giuseppe's kleine klok luidde; en later geloofde zij, dat het de klok
van de domkerk was. Daarna dacht ze te hooren, hoe de klokken van
het Dominicanenklooster met het gelui instemden en ten slotte wist
zij zeker, dat alle klokken der stad luidden en luidden, zoo hard ze
slechts konden; al de klokken der vijf kloosters en zeven kerken. Ze
meende het geluid van elk afzonderlijk te onderscheiden, tot ze vroeg
en hoorde, dat het slechts de kleine klokken van San Pasquale waren,
die luidden. Gedurende de eerste uren, toen men ook nog niet overal
wist, dat de klokken geheel vanzelf luidden, bemerkte men slechts,
dat de regendroppels op de maat van het klokgelui neervielen,
en dat allen, die spraken een harde metaalstem hadden. Ook merkte
men, dat het onmogelijk was op de mandoline of de gitaar te spelen,
omdat het klokgelui zich met de muziek vermengde en die oorverdoovend
maakte. Men kon ook niet lezen, omdat de letters gelijk klokklepels
heen en weer slingerden en de woorden een stem hadden en zich zelf
volkomen duidelijk oplazen.

Spoedig konden de menschen het niet uithouden naar bloemen te zien,
die aan lange stengels hingen, ze schenen heen en weer te wiegelen. En
de menschen klaagden, dat de bloemen in plaats van geur klank gekregen
hadden.

Maar anderen beweerden, dat de nevel, die door de lucht zweefde, zich
op de maat van het klokgelui bewoog, en ze zeiden, dat de slingers
van alle pendules zich daarnaar richtten, en dat alle menschen,
die in den regen buiten liepen, hetzelfde trachtten te doen.

En dat was toen de klokken nog slechts een paar uur geluid hadden
en de menschen er nog om lachten. Maar in het derde uur scheen het
gelui nog krachtiger te worden en enkelen stopten watten in de ooren,
terwijl anderen onder dikke dekens kropen. Maar evenwel voelde men
hoe de lucht trilde van de klokslagen en men scheen te bemerken hoe
alles zich op de maat van het gelui bewoog.

En degenen die naar den donkeren zolder vluchtten, hoorden daar het
klokgelui zoo duidelijk alsof het van den hemel kwam en degenen,
die zich in den diepen kelder verstopten, hoorden het daar zoo sterk
en dreunend, alsof San Pasquale's kerk in de onderwereld stond. En
alle menschen in Diamante werden angstig, behalve donna Micaela,
die door de liefde voor allen angst behoed werd.

Nu begon men te denken, dat het iets moet beteekenen, dat het juist
de klokken van San Pasquale waren die luidden. En elk vroeg zich af
wat de heilige voorspelde. En ieder had zijn eigen vrees en geloofde
dat San Pasquale juist hem profeteerde, wat hij het minst van alles
wenschte. En elk had een daad die hem op het geweten drukte en geloofde
nu dat San Pasquale straf neerluidde over hem.

Maar tegen den middag, toen de klokken nog steeds bleven doorluiden,
was men overtuigd, dat San Pasquale zulk een ramp over Diamante luidde,
dat men niets anders kon verwachten dan dat alle menschen binnen het
jaar zouden sterven.

En de mooie Giannita kwam hevig ontsteld, schreiende bij donna Micaela
en klaagde, dat het San Pasquale was die de klokken luidde.

"O, God, o God, indien het slechts een ander was geweest dan San
Pasquale!

"Hij ziet dat ons iets ontzettends dreigt," zei Giannita. "De nevel
verhindert hem niet om zoo ver te zien als hij wil. Hij ziet, dat
een vijandelijke vloot op zee nadert, hij ziet, dat er een aschwolk
uit den Etna opstijgt, die op ons zal neervallen en ons zal begraven."

Maar donna Micaela lachte en meende, dat zij wel wist waaraan San
Pasquale dacht.

"Hij luidt de doodsklok over de schoone amandelbloemen, die door den
regen verwoest worden," zei ze tegen Giannita.

Zij liet zich door niemand beangstigen, omdat zij geloofde, dat de
klokken slechts voor haar luidden. Ze wiegden haar in droomen. Zij
zat stil in de muziekzaal en liet de vreugde in haar opstijgen.

Maar de gansche wereld rondom haar was in vrees, onrust en angst.

Nu kon men niet meer stil bij den arbeid blijven. Men kon aan niets
anders denken dan aan de ramp die San Pasquale voorspelde.

En de bedelaars kregen meer geschenken dan ooit te voren; maar zij
verheugden zich niet daarover, daar zij niet geloofden, dat zij een
volgenden dag zouden beleven. En de priesters waren niet verheugd,
hoewel zij zoo vele biechtelingen hadden, dat zij den ganschen dag
in den biechtstoel moesten zitten en ofschoon gave na gave gestapeld
werd op het altaar der heiligen.

Zelfs Vicenzo de Lozza, de briefschrijver, was niet blijde met dezen
dag, ofschoon men zijn schrijftafel onder de loggia van het raadhuis
belegerde en hem gaarne een soldo per woord wilde betalen, indien men
slechts op dezen dag des oordeels een afscheidswoord aan de beminde
afwezigen geschreven kreeg.

En 't was onmogelijk school te houden, want de kinderen schreiden
den ganschen tijd. Maar tegen den middag kwamen de moeders met een
gelaat, verstijfd van ontzetting, en namen de kleinen mee naar huis,
opdat men tenminste bij elkaar zou zijn, indien er iets gebeurde.

Eveneens hadden alle leerjongens bij de schoenmakers en kleermakers een
vrijen dag. Maar de arme knapen waagden het niet daarvan te genieten,
ze bleven liever stil op de werkplaats om te wachten.

En de klokken bleven tot in den namiddag doorluiden.

Aan de poort van het palazzo Gerazi, waar nu slechts bedelaars wonen,
verhief zich de oude poortwachter, die zelf een bedelaar was en gekleed
ging in de ellendigste lompen, en trok zijn lichtgroene livrei aan,
die hij slechts droeg op feestdagen en op den geboortedag des konings.

En niemand kon hem daar in de poort zien zitten in zijn feestgewaad,
zonder door vrees aangegrepen te worden, want men wist, dat de
grijsaard verwachtte, dat geen geringer heer dan de ondergang zelf,
door de poort zou gaan, die hij bewaakte.

En de angst ging gelijk een besmetting van mensch tot mensch. Zoo
liep de arme Torino, die eens een welgesteld man was geweest, van
huis tot huis en riep dat de tijd nu gekomen was, dat allen die hem
bedrogen en bestolen hadden hun straf zouden ontvangen. Hij ging in
al de kleine winkels aan de corso, sloeg met de vuist op de toonbank
en zei, dat nu allen in de stad hun vonnis zouden krijgen, omdat ze
meegeholpen hadden hem te bedriegen.

En even beangstigend was het, wat men hoorde van het speelgezelschap
in café Europa. Daar hadden dezelfde vier spelers jaar in jaar uit
aan de speeltafel gezeten, en men had nooit gedacht dat ze iets anders
konden doen dan spelen. Maar nu lieten ze plotseling de kaarten vallen
en beloofden elkaar, dat indien ze in 't leven bleven na dezen dag
der verschrikking ze de kaarten nooit meer zouden aanraken.

Donna Elisa's winkel stond vol menschen, en om de heiligen te bewegen
het dreigende gevaar af te wenden, kochten ze al de heilige zaken,
die donna Elisa te verkoopen had. Maar donna Elisa dacht slechts
aan Gaetano, die reeds vertrokken was en zij meende dat San Pasquale
voorspelde dat hij op reis zou omkomen.

En zij verheugde zich volstrekt niet over al het geld, dat zij
verdiende.

Maar toen de klokken van San Pasquale den ganschen namiddag bleven
doorluiden, kon men nauwelijks het leven uithouden.

Want nu wist men dat zij een aardbeving voorspelden, en dat geheel
Diamante verwoest zou worden.

In de stegen, waar zelfs de huizen bang schenen te zijn voor de
aardbeving en zich tegen elkander aandrukten om elkander te steunen,
zetten de menschen hun armzalige oude meubels in den regen op straat
en spanden daarboven een tent van beddelakens. En ze droegen zelfs
de kleine kinderen in hun wiegen naar buiten en wierpen doeken over
hen heen. Trots den regen was er zulk een gedrang op de corso, dat
men er nauwelijks door kon komen. Want een ieder wilde door de Porta
Etnea gaan om de klokken te zien slingeren en zwaaien en om zich te
overtuigen, dat niemand aan het touw trok, maar dat dit voortdurend
vastgebonden was. En allen die buiten kwamen vielen op hun knieën op
den weg, waar het water in stroomen naar beneden bruiste en de modder
grondeloos was.

De deuren van San Pasquale's kerk waren als altijd gesloten, maar daar
buiten ging de oude monnik fra Felice tusschen de biddenden rond met
een koperen schaal om de gaven in ontvangst te nemen.

In optocht trokken de verschrikte menschen naar het beeld van San
Pasquale onder den steenen baldakijn en kusten hem de hand. Een oude
vrouw droeg heel voorzichtig iets, dat ze met een groene parapluie
beschermde. Het was een glas, gevuld met water en olie, waarop een
pitje dreef dat met zwakken glans lichtte. Dat plaatste zij vóór het
beeld, en daarna zonk ze er voor op de knieën. Hoewel velen vonden,
dat men trachten moest de klokken vast te binden, was er niemand,
die den moed had het voor te stellen. Want men waagde het niet Gods
stem tot zwijgen te brengen.

Ook durfde niemand zeggen, dat het een list van den ouden fra Felice
kon zijn om geld te verzamelen. Fra Felice was bemind, en degene,
die dat zei, zou slecht te pas zijn gekomen.

Ook donna Micaela kwam naar San Pasquale, ze had haar vader bij
zich. Zij liep met fier opgeheven hoofd en geheel zonder vrees.

Zij kwam tot San Pasquale om hem te danken, hem die den grootsten
hartstocht in haar ziel luidde.

"Mijn leven begint dezen dag," zei ze tot zichzelf. En het scheen ook
niet, dat don Ferrante angstig was, maar boos en kwaad was hij! Want
allen gingen naar zijn winkel om hem te zeggen wat zij van 't klokgelui
dachten en hem te vragen naar zijn meening, omdat hij een der Alagona's
was, die zoo lange jaren over de stad geregeerd hadden.

Den ganschen dag kwamen bevende, angstige menschen in zijn winkel. En
allen zeiden tegen hem:

"Welk een vreeselijk klokgelui, don Ferrante. Wat zal er van ons
worden, don Ferrante?"

Er was nauwelijks één der inwoners van de stad, die niet in don
Ferrante's winkel kwam om hem te raadplegen. Zoo lang het klokgelui
duurde, hingen ze over de toonbank zonder voor zooveel als een soldo
te koopen.

Zelfs Ugo Favara, de zwaarmoedige advocaat, kwam in zijn winkel,
nam een stoel en ging achter de toonbank zitten. En den ganschen dag
bleef hij daar, doodsbleek, volkomen onbeweeglijk, de ondraaglijkste
smarten lijdend zonder een woord te spreken.

Maar elke vijf minuten kwam Torino il Martello binnen, sloeg met
de vuist op de toonbank en zei, dat nu het uur gekomen was, dat don
Ferrante zijn straf zou ontvangen.

Don Ferrante was een harde man, maar hij kon de klokken evenmin
ontloopen als iemand anders. En hoe langer hij ze hoorde, hoe
meer hij zich verwonderde, dat alle menschen juist zijn winkel
binnenstroomden. Het was alsof ze iets daarmee bedoelden.

't Was alsof zij hem aansprakelijk wilden stellen voor het klokgelui
en voor de ramp, die het voorspelde.

Hij had het aan niemand gezegd, maar zijn vrouw had het zeker
verspreid. Hij begon te gelooven, dat allen aan hetzelfde dachten,
ofschoon zij niet waagden het te zeggen. Hij dacht, dat de advocaat
er op zat te wachten, dat hij zou toegeven. Hij geloofde, dat de
geheele stad kwam om te zien of hij werkelijk zijn schoonvader durfde
wegzenden.

Donna Elisa, die het zoo druk had in haar eigen winkel, dat zij zelf
niet kon komen, zond gedurig de oude Pacifica naar hem om te vragen,
wat hij dacht van het klokgelui. En de pastoor kwam ook een oogenblik
in zijn winkel en zeide evenals alle anderen:

"Hebt ge ooit zulk een vreeselijk klokgelui gehoord, don Ferrante?"

En don Ferrante zou gaarne geweten hebben of de advocaat en don Matteo
en al de anderen slechts kwamen om hem te verwijten, dat hij cavaliere
Palmeri wilde wegzenden.

't Bloed begon aan zijn slapen te kloppen. De winkel begon met hem
rond te draaien. En onophoudelijk kwam er iemand binnen om te vragen:

"Hebt ge ooit zulk een vreeselijk klokgelui gehoord?"

Maar wie niet kwam was donna Micaela. Zij kwam niet, omdat zij
volstrekt geen angst gevoelde. Zij was slechts trotsch en opgetogen,
dat de hartstocht nu was gekomen, die haar gansche leven vullen zou.

"Nu zal ik leven het groote en machtige leven," zei zij. En het
ontstelde haar, dat zij tot nu toe slechts een kind was geweest. Zij
zou vertrekken met den postwagen, die om tien uur 's avonds voorbij
Diamante kwam. Toen het tegen vier uur liep, dacht zij dat zij nu
alles aan haar vader moest zeggen, en zijn goed moest inpakken.

Maar ook dit scheen haar niet moeilijk. Haar vader zou haar spoedig
nakomen naar Argentinië. Zij zou hem vragen eenige maanden geduld
te hebben tot ze een thuis hadden om hem aan te bieden. En zij was
overtuigd, dat hij het goed zou keuren, dat zij don Ferrante verliet.

Zij was in een zalige vervoering. Alles wat haar vreeselijk moest
schijnen, bestond niet meer voor haar.

Geen schaamte, geen gevaar, neen niets meer.

Zij verlangde slechts het ratelen van den naderenden postwagen
te hooren.

Toen klonken er vele stemmen op de trap, die van den binnenhof naar de
woning leidde. Zij hoorde het geluid van vele zware voetstappen. Zij
zag menschen gaan door de open zuilengangen, die rondom den binnenhof
liepen en waardoor men moest gaan om in de vertrekken te komen. Zij
zag dat zij iets zwaars droegen maar zij kon niet onderscheiden,
wat het was, omdat er zoo veel menschen waren.

De bleeke advocaat liep vooruit, en zeide haar, dat don Ferranto
Torino uit den winkel had willen jagen, maar dat deze hem toen met
zijn mes verwond had.

Het was niet gevaarlijk. Don Ferrante was reeds verbonden en zou na
veertien dagen geheel hersteld zijn.

Don Ferrante werd nu naar binnen gedragen, en zijn blikken dwaalden
in het rond, niet om donna Micaela, maar om cavaliere Palmeri te
zoeken. Toen hij hem zag, deed hij zonder een woord te spreken, met
eenige handgebaren zijn vrouw verstaan, dat haar vader nooit zijn
huis zou behoeven te verlaten, nooit! nooit!

Toen drukte donna Micaela de handen tegen de oogen. Hoe? haar vader
zou niet vertrekken? Zij was dus gered. Er was een wonder geschied
om haar te helpen. O, nu moest zij verheugd, gelukkig zijn!

Maar dat was zij niet. Zij voelde een heftige smart.

Zij kon niet weggaan. Haar vader zou blijven en dus moest zij don
Ferrante trouw zijn. Zij deed moeite om die gedachte te begrijpen. Het
was zoo.

Zij kon niet vertrekken.

Zij trachtte het op een andere wijze te verklaren. Misschien was
dit een valsche gevolgtrekking. Zij was zoo verward. Neen, neen,
het was zoo, zij kon niet weggaan.

Toen gevoelde zij zich zoo nameloos moede. Zij had immers gereisd en
gereisd den ganschen dag. Zij was zoo lang onderweg geweest. En nu zou
zij nooit gaan. Zij zonk ineen, een bezwijming nabij. Er bleef haar
niets over dan te rusten na de verre reis, die zij gemaakt had. Maar
dat zou zij zeker nooit kunnen. Zij begon te weenen, omdat zij nu
nooit zou gaan. Gedurende haar geheele leven zou zij reizen en reizen
en toch nooit vertrekken kunnen.



VIII.

TWEE CANZONES.


Het was de morgen na den dag, dat San Pasquale's klokken geluid hadden
en donna Elisa zat in haar winkel geld te tellen. Den vorigen dag,
toen alle menschen zoo angstig waren, had zij ongelooflijk veel
verkocht, en 's morgens, toen zij in haar winkel kwam, was zij
bijna verschrokken. Want de geheele winkel was als uitgeplunderd,
de medaillons waren weg, de waskaarsen waren weg en evenzoo de groote
trossen rozenkransen. Al die mooie heiligenbeeldjes van Gaetano waren
van de planken gehaald en verkocht, en het deed donna Elisa werkelijk
veel verdriet, niet meer deze groote schare heilige mannen en vrouwen
om zich heen te zien.

Toen trok zij de geldlade uit en die was zoo boordevol, dat zij die
nauwelijks kon openschuiven. En terwijl zij haar geld telde, schreide
zij, alsof al de geldstukken valsch waren. Want wat baatte het haar al
deze vuile bankbiljetten en deze groote bronzen munten te bezitten,
nu zij Gaetano verloren had! En zij dacht dat indien hij slechts één
dag langer in huis was gebleven, hij niet had behoeven te vertrekken,
want nu had zij geld in overvloed.

Terwijl ze daar zoo zat, hoorde zij den postwagen voor haar deur
stilhouden.

Maar zij keek niet eens op, wat gaf zij er om wat er gebeurde,
nu Gaetano weg was. Toen werd de deur geopend, de winkelbel luidde
hevig. Ze schreide slechts en telde. Toen zei iemand:

"Donna Elisa! Donna Elisa!"

't Was Gaetano.

"Mijn God, waarom ben je teruggekomen?" riep zij.

"Ge hebt immers al uw beelden verkocht, ik ben thuis gekomen om nieuwe
beelden voor u te snijden."

"Maar hoe weet je dat?"

"Ik was vannacht om twee uur bij den postwagen. Rosa Alfari heeft
mij alles verteld."

"Hoe gelukkig, dat je naar den postwagen ging! Hoe gelukkig, dat je
den inval kreeg om naar den postwagen te gaan!"

"Ja, was dat niet gelukkig," zei Gaetano.

Nauwelijks een uur later stond Gaetano weer in zijn werkplaats en donna
Elisa die niets in haar leegen winkel te doen had, kwam onophoudelijk
in de deur der werkplaats om naar hem te kijken.

Neen, dat hij nu werkelijk daar weer stond te snijden! Ze kon geen
vijf minuten voorbij laten gaan, zonder naar hem te kijken.

Maar toen donna Micaela hoorde, dat Gaetano weer terug was, voelde
zij geen vreugde, maar veeleer toorn en wanhoop.

Want zij was bang, dat hij als een verleider zou komen om haar te
verlokken.

Zij had immers gehoord dat een rijke Engelsche dame naar Diamante
was gekomen op den dag, dat San Pasquale's klokken geluid hadden.

En zij was zeer getroffen, toen zij hoorde dat het juist de dame met
het Christusbeeld was. Hij was dus dadelijk gekomen, toen zij hem
aangeroepen had.

De regen en het klokgelui was zijn werk!

Zij trachtte haar hart te verblijden met de gedachte, dat er een
wonder was geschied om harentwille.

Het moest haar meer zijn dan alle aardsch geluk en liefde, dat zij
zich omgeven gevoelde door Gods genade. Zij wilde niet dat eenig
aardsch gevoel haar rukken zou uit deze gezegende geestvervoering.

Maar toen zij Gaetano op straat ontmoette, zag hij nauwelijks naar
haar en wanneer zij hem trof bij donna Elisa gaf hij haar niet de
hand en sprak in het geheel niet tot haar.

Want de waarheid was, dat hoewel Gaetano thuis was gekomen, omdat
het hem te zwaar viel zonder donna Micaela te vertrekken, hij haar
niet wilde verleiden of verlokken.

Hij zag dat zij onder bescherming der heiligen stond en zij was hem
zoo heilig geworden, dat hij nauwelijks waagde van haar te droomen.

Hij wilde in haar nabijheid zijn, niet om haar lief te hebben,
maar omdat hij geloofde dat uit haar leven heilige daden zouden
opbloeien. Gaetano verlangde naar een wonder, gelijk een bloemkweeker
smacht naar de eerste roos in de lente.

Maar toen de weken gingen en Gaetano nooit donna Micaela trachtte
te naderen, begon ze te twijfelen en te denken, dat hij haar nooit
had liefgehad. Zij zeide tot zichzelf dat hij haar de belofte, om
met hem te vluchten, slechts ontlokt had om haar te toonen, dat de
Madonna wel een wonder kon verrichten.

Maar als dat zoo was, begreep ze niet, waarom hij zijn reis niet
vervolgd had, maar teruggekeerd was.

Dat veroorzaakte haar onrust. Zij meende haar liefde niet te kunnen
bedwingen, indien zij niet wist dat Gaetano haar liefhad. Zij woog
het voor en het tegen, en ze werd al meer overtuigd, dat hij haar
nooit had liefgehad. Terwijl donna Micaela dit dacht moest zij don
Ferrante gezelschap houden, hij was lang ziek geweest, en had een paar
aanvallen van beroerte gehad. Hij was van het ziekbed opgestaan als
een gebroken man. Opeens was hij oud, stompzinnig en bang geworden,
zoodat hij nooit meer alleen durfde zijn. Hij ging nooit meer naar
den winkel, in alles was hij een geheel ander mensch geworden.

Een groote lust om voornaam en schitterend te zijn had zich van hem
meester gemaakt.

Het scheen alsof de arme don Ferrante door hoogmoedswaanzin aangegrepen
was.

Donna Micaela was zeer goed voor hem en zat urenlang met hem te tobben.

"Wie zou dat zijn," placht zij hem te vragen, "die eens op de markt
stond met pluimen op den hoed, tressen op de uniform, en een sabel op
zij en die zoo schoon speelde, dat men zei, dat zijn muziek verheven
was als de Etna en machtig als de zee? En wie was het, die toen een
arme signorina in rouwgewaad zag, die het niet waagde haar gelaat aan
de menschen te toonen en haar den arm bood? Wie kon dat zijn? Kon het
don Ferrante zijn, die de gansche week in een kort buis en puntige
muts in zijn winkel stond? Neen, dat kon niet mogelijk zijn. Zoo iets
kon een oude koopman niet doen!

Don Ferrante lachte. Juist zóó wilde hij dat men tegen hem sprak. Zij
moest hem ook vertellen hoe het zou zijn, als hij aan het hof kwam.

Wat de koning en wat de koningin zou zeggen.

"De oude Alagona's zijn dus tot nieuw leven gekomen," zou er aan het
hof gezegd worden.

"Wie heeft het geslacht doen herleven?" En men zou vragen en
vragen. Die don Ferrante, vorst van Sicilië en grande van Spanje,
is dat dezelfde man, die in zijn winkel te Diamante stond en de
voerlieden uitschold?

"Neen," zou men zeggen, "dat kan niet dezelfde man zijn. Het kan
onmogelijk dezelfde zijn."

Dit vond don Ferrante prettig, en hij wilde hebben dat zij zoo dag in,
dag uit met hem sprak.

Het verveelde hem nooit en donna Micaela was zeer geduldig jegens hem.

Maar eens toen zij zoo met den zieke zat, kwam donna Elisa binnen.

"Schoonzuster, indien gij de legende van de heilige maagd van Pompeje
bezit, wilt ge mij die dan leenen?" vroeg zij.

"Wat! wilt gij gaan lezen?" zei donna Micaela.

"De hemel beware mij, ge weet wel, dat ik niet lezen kan. 't Is voor
Gaetano, dat ik het u vraag."

Donna Micaela bezat de legende van de heilige maagd van Pompeje
niet. Maar dat zei ze donna Elisa niet; zij ging naar haar boekenrek en
nam een klein boek, dat een verzameling Siciliaansche liefdesliederen
bevatte, en gaf dat aan donna Elisa, die het weer aan Gaetano bracht.

Maar nauwelijks had donna Micaela dit gedaan of een hevig berouw
maakte zich van haar meester.

Zij vroeg zich af wat zij bedoeld had door zoo te handelen, zij,
die geholpen was door het heilige Christuskind.

Zij bloosde van schaamte toen zij er aan dacht dat ze een teeken had
gezet bij een der kleine liederen, dat zoo luidde:


    O, had ik antwoord op één enkle vrage!
    'k Heb het gevraagd aan den dag, aan de sterren,
    Zelfs aan de vogelenschaar en de wolken.
    'k Goot reeds het lood in het kokende water,
    Blaadje na blaadje der bloeme ik plukte.
    'k Lokte de zwarte, de waarzegster buiten,
    'k Smeekte ten slotte de engelenscharen.
    Mint hij mij nog, gelijk eens hij wel deed?


Zij had zeker gehoopt dat zij antwoord zou krijgen.

Haar geschiedde recht indien Gaetano haar verachtte en haar onbeschaamd
noemde.

Toch had zij niets kwaads bedoeld. Het eenige dat zij begeerd had,
was te weten of Gaetano haar liefhad.

Weer verliepen eenige weken en donna Micaela zat nog steeds bij
don Ferrante.

Maar op een dag had donna Elisa haar mee naar buiten gelokt.

"Ga met mij mede naar mijn tuin, schoonzuster, en kijk eens naar mijn
grooten magnolieboom.

"Ge hebt nog nooit zoo iets moois gezien."

En zij was met donna Elisa naar den tuin gegaan.

Donna Elisa's magnolie was gelijk de stralende zon, die men voelt
vóórdat men haar ziet. Op verren afstand zweefde de geur reeds in de
lucht en het was een gegons van bijen en een gekweel van vogels!

Toen donna Micaela den boom zag, kon zij nauwlijks ademhalen. Hij
was heel hoog en groot van een schoonen regelmatigen groei en zijn
groote, breede bladeren hadden een frissche donkergroene kleur. Maar
nu was hij geheel bedekt met groote rose bloemen, die hem versierden
en verlichtten, zoodat men meende, dat hij in feestgewaad was en men
voelde hoe er een meesleepende vreugde van uit den boom stroomde. Donna
Micaela werd als bedwelmd, zij voelde hoe een vreemde onweerstaanbare
macht zich van haar meester maakte. Zij trok een der rechte takken
naar zich toe, spreidde de bloemen uiteen en zonder deze af te breken,
begon zij met een naald letters te prikken in de bloembladeren.

"Wat doet ge daar, schoonzuster?" vroeg donna Elisa.

"Niets, niets."

"In mijn tijd plachten de jonge meisjes minnebrieven te prikken in
de magnoliebloemen."

"Misschien doen zij dat nog."

"Neem u in acht, ik zal het nakijken, zoodra ge vertrokken zijt."

"Gij kunt immers niet lezen."

"Maar ik heb Gaetano toch."

"En Luca, het is 't beste, dat ge u tot Luca wendt."

Maar toen donna Micaela thuis kwam, had zij berouw. Zou donna Elisa
werkelijk de bloem aan Gaetano toonen? Neen, neen, donna Elisa was
daarvoor te verstandig. Maar indien hij haar gezien had van uit
het raam van zijn werkplaats? Nu ja, hij zou haar wel geen antwoord
geven. Maar zij maakte zich belachelijk.

Neen nooit, nooit meer zou zij zoo iets doen. Het was immers het
beste voor haar, dat zij niets wist. En toch was zij verlangend naar
het antwoord dat zij krijgen zou. Maar er kwam geen antwoord.

En zoo verliep er weer een week. Toen kreeg don Ferrante den inval,
dat hij 's middags wilde rijden. In het wagenhuis van het zomerpaleis
was een ouderwetsche galakoets, die zeker meer dan honderd jaar oud
was. Die was zeer hoog, met een zeer kleinen en nauwen wagen, die in
leeren riemen schommelde tusschen de achterwielen, welke zoo groot
waren als het waterrad van een molen.

Die koets was wit gelakt met gouden randen, de banken waren bekleed
met rood pluche, en op de portieren waren wapens geschilderd.

Eens was het een groote eer geweest in dien wagen te rijden, en
als de oude Alagona's door de corso reden, stroomden de menschen
uit hun huizen of hingen over hun balkons om hen te zien. Maar toen
werd die getrokken door vlugge paarden van Berberie, toen droeg de
koetsier een pruik en de bedienden livrei, en ze reden met geborduurde
leidsels. Maar nu wilde don Ferrante zijn oude paarden voor de koets
spannen, en zijn ouden winkelbediende op den bok zetten.

Toen donna Micaela hem zei, dat dit niet kon, begon don Ferrante te
schreien. Wat zou men wel van hem denken indien hij zich 's middags
niet in zijn wagen op de corso vertoonde.

Dat was immers het laatste, wat een voornaam man naliet. Hoe zou
iemand begrijpen dat hij een man van hooge geboorte was, indien hij
niet op en neer reed in den ouden wagen der Alagona's?

Het was het gelukkigste oogenblik, dat don Ferrante na zijn ziekte
genoot, toen hij voor de eerste maal uitreed.

Hij zat rechtop en boog en knikte zeer genadig naar alle kanten. En
de menschen van Diamante bogen en namen den hoed zoo diep af, dat
deze over den grond sleepte. Waarom zou men don Ferrante deze vreugde
niet gunnen?

Donna Micaela reed ook mee, want don Ferrante waagde het niet alleen
te rijden. Zij was niet gaarne meegegaan, maar toen had don Ferrante
geschreid en haar er aan herinnerd, dat hij haar gehuwd had, toen
zij arm en veracht was. Zij moest niet ondankbaar zijn en vergeten
wat hij voor haar gedaan had. En waarom wilde zij niet in zijn wagen
rijden? Het was de mooiste oude wagen van gansch Sicilië.

"Waarom wil je niet met mij rijden?" zei don Ferrante. "Vergeet niet,
dat ik de eenige ben, die je liefheeft. Zie je niet dat je vader niet
eens van je houdt? Je moet niet ondankbaar zijn."

Op deze wijze had hij donna Micaela gedwongen plaats te nemen in den
ouden galawagen.

Maar het ging in 't geheel niet, zooals zij verwacht had. Er was
niemand die lachte. De vrouwen negen even diep en de mannen bogen
even statig alsof de wagen honderd jaar jonger was geweest. En donna
Micaela kon op geen enkel gelaat een glimlach bespeuren.

In geheel Diamante zou er geen mensch te vinden zijn, die zou hebben
willen lachen. Want men wist heel goed hoe veel donna Micaela te
stellen had met don Ferrante.

Men wist hoe lief hij haar had en hoe hij schreide, als zij hem
slechts een oogenblik verliet. Men wist ook hoe hij haar kwelde met
zijn jaloezie en haar hoeden vertrapte, als deze haar goed stonden,
en haar nooit geld gaf voor nieuwe kleeren, opdat niemand haar schoon
vinden en haar liefhebben zou. Maar tegelijkertijd zei hij haar altijd,
dat zij zoo leelijk was, dat niemand anders dan hij het kon uithouden
haar gezicht dagelijks te zien. En omdat men dit alles wist, was er
niemand in Diamante die lachte.

Haar uitlachen, die zich zoo aftobde met een zieken man!

De menschen in Diamante waren vrome Christenen en geen barbaren.

Zoo reed de galawagen tusschen vijf en zes uur in zijn oude verbleekte
pracht de corso op en neer. In Diamante reed die geheel alleen, want
behalve deze waren er geen voorname wagens, maar men wist toch dat
op denzelfden tijd alle equipages in Rome naar Monte Pincio reden,
en in Napels naar Villa Nazionale en te Florence naar de Cascines en
in Palermo naar La Favorite. Maar toen de wagen voor de derde maal
naar de Porta Etnea reed, weerklonk er een vroolijk hoorngeschal. En
door de poort zwaaide een groote, hooge jachtwagen in Engelschen stijl.

Die moest ook voor ouderwetsch doorgaan. De postillon die als
voorrijder op een groot paard reed, droeg een pruik en een lederen
broek. De wagen geleek op een oude diligence, met een hooge, dichte
coupé, waarop de reizigers zaten.

Maar alles was nieuw, de paarden waren schoone, sterke dieren,
de wagen en het tuig glansden en de reizigers zelf waren eenige
jonge heeren en dames uit Catania, die een uitstapje op den Etna
maakten. En zij konden niet nalaten te lachen, toen zij den ouden
galawagen voorbijreden. Zij bogen over het hek van den wagen om er
naar te zien, en hun lachen klonk zeer luid en helder tusschen de
hooge, stille huizen van Diamante.

Donna Micaela gevoelde zich plotseling zeer ongelukkig.

Ze herkende in de reizigers haar oude kennissen. Wat zouden zij zeggen,
als zij thuis kwamen?

"Wij hebben Micaela Palmeri in Diamante gezien," en dan zouden zij
vertellen en lachen, en vertellen en lachen.

Haar geheele leven scheen haar één groote ellende. Zij was niets
anders dan de slavin van een dwaas. Haar gansche leven zou zij niets
anders doen dan tobben met don Ferrante.

Toen zij thuis kwam, was zij geheel uitgeput. Zij was zoo moede en
krachteloos, dat zij zich nauwelijks de trappen op kon sleepen.

Onderwijl prees don Ferrante zijn geluk, dat hij deze voorname
menschen ontmoet had, en dat zij zijn staatsie gezien hadden. Hij
zei tot donna Micaela, dat nu niemand er meer naar vragen zou of zij
leelijk was en of haar vader gestolen had. Nu wist men dat zij de
echtgenoote was van een voornamen heer.

In den namiddag zat donna Micaela stil bij don Ferrante en liet haar
vader met hem spreken. Toen begon een mandoline zacht te zingen onder
de vensters van het zomerpaleis. Het was een enkele mandoline zonder
begeleiding van een gitaar of viool.

Niets kon zoo teeder en luchtig zijn, niets lieflijker of
roerender. Men kon niet gelooven dat het menschelijke handen waren,
die de snaren der mandoline aanraakten. Het was alsof de bijen,
krekels en sprinkhanen een concert gaven.

"Er is weer iemand verliefd op Giannita," zei don Ferrante. "Dat
is nog eens een vrouw, die Giannita! Ieder kan zien dat zij mooi
is. Als ik jong was, zou ik ook verliefd worden op Giannita. Zij weet
te beminnen."

Donna Micaela zweeg. Hij had gelijk, dacht zij. De mandolinespeler
minde Giannita. Dezen avond was Giannita thuis bij haar moeder,
anders woonde zij nu in het zomerpaleis.

Donna Micaela had in dit opzicht haar wil doorgedreven, nadat don
Ferrante zoo lastig was geworden.

Maar wie het dan ook gold, het mandolinespel behaagde donna
Micaela. Het klonk zoo liefelijk, zacht en vertroostend. Ze ging stil
naar haar kabinet om beter te kunnen luisteren in de eenzaamheid.

En sterke zoete geur sloeg haar tegemoet. Wat was dat? Haar handen
begonnen te beven, voordat ze een kaars en lucifer vond. Op haar
werktafel lag een groote, wijd opengesprongen magnoliebloem.

Op één der bladen was geprikt:

"Wie heeft mij lief?" En nu stond daaronder:

"Gaetano."

Naast de bloem lag een klein wit boek met liefdesliederen.

Bij een der kleine canzones stond een teeken:


    Nooit van mijn liefde heeft iemand geweten.
    Heimlijk en stil werd des nachts zij geboren,
    Zachtjes toch slopen mijn droomen tot u.
    Gierig bewaakte ik angstig mijn schat.
    Spoedt zich mijn biechtvader eens naar mijn sterfbed,
    Zullen mijn lippen 't geheim nog bewaren.
    Sluitend de deur, werp 'k den sleutel in d'afgrond.
    'k Neem mijn geheim naar de eeuwigheid mee.


De mandoline bleef doorspelen. Er klinkt iets van frissche lucht
en zonneschijn in den klank der mandoline. Iets dat verkwikt en
versterkt. Iets van de vertroostende zorgeloosheid der schoone natuur.



IX.

DE VLUCHT.


In dezen tijd bevond het kleine beeld van Aracoeli zich nog in
Diamante.

De Engelsche dame die het beeld bezat, was zoo verrukt over Diamante,
dat zij het niet verlaten kon. Zij had voor haar rekening de geheele
eerste verdieping van het hotel gehuurd, en die geheel voor zich
ingericht. Zij kocht voor groote sommen alles wat ze maar kon
krijgen aan oud aardewerk en oude munten. Zij kocht mozaïekwerk,
altaarschilderijen en heiligenbeelden. Toen kreeg zij den inval, dat
zij zich een verzameling wilde aanschaffen van alle heiligen der kerk.

Zij hoorde spreken van Gaetano en zond hem een boodschap, dat hij
bij haar in het hotel zou komen.

Gaetano verzamelde in der haast alles wat hij in den laatsten tijd
gesneden had en nam dat mee naar miss Tottenham. Zij was zeer tevreden
over zijn kleine beelden en wilde ze alle koopen.

Maar de vertrekken van de Engelsche dame waren gelijk de rommelkamers
van een museum. Al het mogelijke werd daarin gevonden, maar alles
was wanordelijk en slordig. Daar stonden halfvolle koffers, daar
hingen mantels en hoeden, daar lagen schilderijen en gravures, daar
waren reisboeken, theeserviezen en spiritustoestellen, daar werden
hellebaarden, misboeken, mandolines en wapenschilden gevonden.

Dat opende Gaetano de oogen. Hij bloosde plotseling, beet zich op de
lippen, en begon zijn beelden in te pakken.

Hij had een beeld van het Christuskind gezien; het was het verworpen
beeld, dat midden tusschen al die wanorde stond, met zijn kroon vol
deuken op het hoofd en zijn koperen schoentjes aan de voeten. De
verf was van zijn gezicht verdwenen, de ringen en sieraden, die
hem bedekten, waren verroest, en zijn kleertjes waren geel van
ouderdom. Toen Gaetano dit zag, wilde hij zijn beelden niet aan miss
Tottenham verkoopen, maar stil heengaan.

En toen zij hem vroeg wat hem deerde, voer hij tegen haar uit:

"Wist zij dat vele der zaken, die zij bezat, heilig waren? Wist zij
of wist zij niet, dat dit het heilige Christuskind zelf was? En zij
had het drie vingers van de eene hand laten verliezen en de steenen
uit zijn kroon laten vallen, en het daar vuil, verroest en ontheiligd
laten liggen. Indien zij zoo het beeld van Gods zoon behandelde,
hoe zou ze dan niet alle andere verwaarloozen? Hij wilde haar geen
heiligenbeelden verkoopen."

Toen Gaetano op deze wijze tegen miss Tottenham uitvoer was ze verrukt,
verrukt!

Hier was het ware geloof en heilige toorn.

Deze jonge man moest kunstenaar worden.

Naar Engeland moest hij gaan. Zij wilde hem naar den grooten meester
zenden, haar vriend, die de kunst trachtte te herscheppen; naar hem
die den menschen wilde leeren schoon huisraad, schoone kerkinrichtingen
te vervaardigen, en die een heele schoone wereld wilde scheppen.

Zij regelde en schikte alles en Gaetano liet haar stil geworden,
omdat hij nu liefst Diamante wilde verlaten.

Hij zag dat hij het leven daar niet meer kon uithouden en hij geloofde
dat het God was, die hem aan de verleiding onttrok.

Hij verliet Diamante geheel onbemerkt. Donna Micaela wist nauwelijks
iets van de geheele zaak, vóórdat hij weg was. Hij had het niet
gewaagd bij haar te komen om afscheid te nemen.



X.

DE SIROCCO.


Hierna verliepen twee jaren volkomen stil. Het eenige, dat in
Diamante en op geheel Sicilië gebeurde, was dat de menschen al armer
en armer werden.

Toen brak de herfst aan, en het was de tijd, dat de wijn geoogst
moest worden.

In dien tijd plegen de lieflijke canzones van de lippen te stroomen;
in dien tijd springen er nieuwe en schoone melodieën uit de mandoline.

Dan pleegt de jeugd in scharen naar de wijngaarden te trekken, en er
is arbeid en gelach den ganschen dag, dans en gejubel den geheelen
nacht en men weet niet meer wat slaap is.

Dan koepelt de blauwe luchtzee zich schooner dan ooit boven den
berg. Dan tintelt de lucht van vroolijke invallen, dan vliegen
fonkelende blikken als bliksemstralen door de lucht, dan ontvangt
deze niet alleen warmte en licht van de zon, maar ook van de stralende
gezichten der jonge vrouwen van den Etna.

Maar in dezen herfst waren alle wijngaarden verwoest door de
phylloxera. Geen druivenplukker drong zich tusschen de wijnranken,
geen lange rij van vrouwen met volle manden op het hoofd kronkelde zich
naar de wijnpers en 's nachts werd er niet gedanst op de platte daken.

In dezen herfst welfde zich geen klare, heldere Octoberlucht boven den
Etna. En als om de natuur in overeenstemming te brengen met den nood,
kwam de beklemmende verstijvende woestijnwind van Afrika, stof en nevel
met zich voerend, en verdonkerde het gansche luchtruim. Nooit, zoo
lang deze herfst duurde, voelde men een frisschen bergwind. Voortdurend
blies de met ongeluk bezwangerde sirocco.

Soms was die zoo droog en stoffig, en zoo verschroeiend heet, dat
men de deuren en vensters sluiten en in huis moest blijven om niet
te versmachten.

Maar meestal was die lauw, vochtig en drukkend. En de menschen kenden
geen rust, de zorg verliet hen dag noch nacht en de ellende stapelde
zich boven hun hoofd, als de sneeuwlagen op de hooge bergen.

En de onrust kwam ook tot donna Micaela, terwijl zij nog steeds zat
bij haar ouden man, don Ferrante.

Gedurende dezen herfst hoorde zij nooit een lach, nooit een lied. De
menschen slopen elkaar voorbij, zoo vol toorn en vertwijfeling,
dat zij bijkans schenen te bersten.

En zij zeide tot zich zelf, dat zij zeker zonnen op een oproer. Zij
begreep dat zij in opstand moesten komen.

Wel zou het zeker niemand helpen, maar er bleef hun geen ander
middel over.

In het begin van den herfst had zij op haar balkon gezeten en de
menschen op straat hooren spreken. Ze spraken altijd over den nood.

"De oogst van het graan en van den wijn is mislukt, er is
gebrek aan zwavel en aan oranjeappels, al Sicilië's geel goud is
verongelukt. Waarvan moest men dan leven?"

En donna Micaela begreep dat dit vreeselijk was.

Graan, wijn, oranjeappels en zwavel, al hun geel goud! Zij begon ook
te begrijpen, dat de ellende grooter was dan de menschen konden dragen
en zij was wanhopig, dat het leven zoo hard was.

En zij vroeg zich af waarom de menschen gedwongen waren zulke
bovenmatig hooge belastingen te betalen. Waarom moest er accijns op
zout zijn, zoodat een arme vrouw geen recht had naar het strand te
gaan om een emmer zout water te halen, maar het zout tegen hoogen
prijs moest koopen in de winkels der regeering?

En waarom moest er een belasting op de palmboomen zijn? Nu velden de
boeren met toorn in het harte de oude boomen, wier kronen zoo lang
boven het edele eiland gewuifd hadden. En waarom moest er belasting op
de vensters zijn? Wat wilde men toch daarmee? Was het de bedoeling,
dat de arme menschen hun vensters weg zouden nemen en hun kamers
zouden verlaten om in de kelders te gaan wonen?

In de zwavelmijnen waren werkstakingen en woelingen uitgebroken en de
regeering zond troepen om het volk te dwingen weer aan den arbeid te
gaan. Donna Micaela vroeg zich af of de regeering niet wist, dat men in
het geheel geen machines in de mijnen gebruikte. Had zij nooit gehoord,
dat het kinderen waren, die het erts uit de diepe schachten sleepten?

De regeering wist niet, dat deze kinderen slaven waren; zij kon immers
niet weten, dat hun ouders hen verkocht hadden aan de patroons. Of
indien de regeering dit wist, waarom hielp ze dan de mijneigenaars?

Opeens hoorde zij spreken over een ontzettende menigte misdaden. En
opnieuw begon zij te vragen:

Waarom liet men de menschen zoo misdadig worden?

En waarom liet men het volk tot zoo'n groote armoede en ellende
vervallen? Waarom moesten ze allen zoo ellendig zijn? Zij wist, dat
degenen, die in Palermo of Catania woonden, zoo niet behoefden te
vragen. Maar hij, die in Diamante woonde, hij kon niet nalaten te
vreezen en te vragen. Waarom liet men de menschen zoo arm worden,
dat zij stierven van den honger?

De zomer was nauwelijks verstreken en men was nog maar in het einde
van de maand October, toen donna Micaela den dag reeds voor zich zag,
dat het oproer zou uitbreken. Ze zag de uitgehongerde menschen door
de straten aanstormen. Zij zouden de winkels plunderen en ze zouden
de huizen binnendringen der weinige rijken, die in de stad gevonden
werden. Voor het zomerpaleis zou de wilde schare staan blijven,
en langs de balkons en vensters naar binnen klimmen.

"Hier met de juweelen der oude Alagona's, hier met don Ferrante's
millioenen!"

Het was immers hun droom, het zomerpaleis! Ze geloofden dat het zoo
vol goud was als een sprookjesslot. Maar als zij niets vonden, zouden
zij haar het mes op de keel zetten, om haar te dwingen de schatten
uit te leveren, die zij nooit bezeten had, en zij zou vermoord worden
door de roofgierige bende.

Waarom konden de groote grondbezitters niet thuis blijven? Waarom
moesten zij de armen verbitteren met het leiden van een weelderig
leven in Rome of in Parijs?

Men zou hen zoo niet haten, als zij op het eiland bleven. Dan zou men
niet zulke dure en heilige eeden zweren, alle rijken te zullen dooden.

Donna Micaela wenschte slechts dat zij kon vluchten naar één der
groote steden. Maar zoowel haar vader als don Ferrante werd in dezen
herfst ziek, en om hunnentwille was zij gedwongen te blijven, waar
zij was. En zij wist, dat zij gedood zou worden als een zoenoffer
voor de zonden der rijken tegenover de armen.

Gedurende vele jaren hadden de ongelukken zich boven Sicilië
opeengehoopt en nu konden ze niet langer tegengehouden worden.

Nu begon de Etna zelf te dreigen met een uitbarsting.

De zwaveldamp gloeide 's nachts vuurrood en het onderaardsche gerommel
werd tot in Diamante gehoord.

De wereld zou vergaan. Alles zou verwoest worden. Wist dan de regeering
niets van de stemming van het volk? O, eindelijk, eindelijk had de
regeering er kennis van gekregen, en een comité samengesteld. Het
was een groote troost, op een mooien dag de gevolmachtigden door de
corso te zien komen aanrijden.

Indien het volk slechts begrepen had dat zij het goed met hen
meenden. Indien slechts de vrouwen niet in haar deuren hadden gestaan
en de fijne heeren van het vasteland bespot hadden, en indien slechts
de kinderen niet naast de wagens hadden geloopen en geroepen: "Dief,
dief!" Alles wat men deed verhaastte slechts het oproer. En er was
niemand die het volk leiden en kalmeeren kon. Er was geen enkele
ambtenaar, dien men vertrouwde. Degenen, die zich slechts lieten
omkoopen, waren nog de minst verachten. Maar men zei dat de meesten van
hen leden van de mafia waren. Men zei, dat zij er slechts aan dachten
zich geld en macht toe te eigenen. En naarmate de herfst verstreek,
duidden meer en meer teekenen er op, dat er iets ontzettends dreigde.

In de couranten las men dat de arbeiders zich in de groote steden
vereenigden en door de straten trokken. En men las ook hoe de leiders
der socialisten door het land trokken en opruiende toespraken hielden,

Opeens werd het donna Micaela duidelijk, wat de oorzaak was van alle
onrust. Het waren de socialisten, die het oproer verwekten. Het was
hun vurige taal, die de gemoederen in beweging bracht. Hoe kon men
hen dat laten doen? Wie was dan koning van Sicilië? Heette hij Da
Felice of Umberto?

Toen greep ontzetting haar aan.

Het was alsof men alleen tegen haar samenspande. En hoe meer zij over
de socialisten hoorde spreken, des te meer vreesde zij hen.

Giannita trachtte haar gerust te stellen.

"Wij hebben geen socialisten in Diamante," zei zij. "In Diamante
denkt men er niet aan om oproer te maken."

Maar donna Micaela vroeg haar of zij niet wist wat het beteekende,
dat de oude spinsters in donkere hoeken zaten en geschiedenissen
verhaalden van de groote rooverhelden en den beruchten visscher
Giuseppe Alesi, dien men de Massaniello van Sicilië noemde?

Indien de socialisten slechts de menschen tot oproer konden overhalen,
zou ook Diamante wel meedoen.

Geheel Diamante wist reeds, dat iets ontzettends dreigde. Men had
den grooten zwarten monnik zien spoken op het terras van het palazzo
Geraci.

Men hoorde de uilen den ganschen nacht schreeuwen, en sommigen
beweerden, dat de hanen kraaiden bij zonsondergang en zwegen bij
het ochtendgekriek.

Op een dag in November, was Diamante plotseling vol woeste menschen.

Het waren mannen met roofdiergezichten, ruige baarden, en groote
handen aan ontzettend lange armen. Verscheidenen van hen droegen wijde,
fladderende linnen mantels en men meende beruchte bandieten en onlangs
ontslagen galeiboeven in hen te herkennen.

Giannita vertelde dat al deze woeste menschen in de bergen woonden,
en nu over den Simeto waren getrokken, omdat het gerucht verspreid
was, dat het oproer in Diamante reeds uitgebroken was. Maar toen alles
rustig was en de kazernes vol karabiniers waren, trokken zij weer weg.

Donna Micaela dacht nu voortdurend aan deze menschen en ze was
overtuigd dat zij haar moordenaars zouden worden. Zij zag hen voor zich
in hun fladderende linnen mantels en met hun roofdiergezichten. Zij
wist dat zij in hun berggrotten op de loer lagen, en op den dag
wachtten, dat zij schoten en oproerkreten in Diamante hoorden. Dan
zouden zij zich met moord en brand op de stad werpen en zich aan
de spits stellen van het gansche uitgehongerde volk, generaals en
aanvoerders der verwoesting gelijk.

Donna Micaela moest gedurende dezen geheelen herfst zoowel haar
vader als don Ferrante verplegen, die beiden maand na maand ziek
lagen. Men had haar verzekerd, dat er volstrekt geen gevaar voor
hun leven bestond. Zij was zeer blijde don Ferrante in het leven
te mogen behouden, want het was haar eenige hoop, dat de menschen
hem ten slotte zouden sparen, omdat hij uit een oud geslacht was,
dat hoog in aanzien stond.

Terwijl zij daar bij het ziekbed zat, ging haar verlangen dikwijls
naar Gaetano en ontelbaar waren de keeren dat zij wenschte dat hij
thuis was. Zij zou angst noch doodsvrees gevoelen, indien hij slechts
in zijn werkplaats stond. Dan zou er slechts vrede en veiligheid in
haar ziel heerschen.

Zelfs nu hij zoo ver weg vertoefde, was hij degene, bij wien zij in
gedachten hulp zocht, toen de ontzetting haar tot waanzin dreef.

Toch had zij geen enkelen brief van hem ontvangen, in al dien tijd dat
hij weg was; zoodat zij dikwijls geloofde, dat hij haar geheel vergeten
had. Op andere tijden wist ze evenwel zeker, dat hij haar liefhad, want
dan voelde zij zich zoo onweerstaanbaar gedrongen aan hem te denken,
dat zij begreep, dat hij haar in gedachten nabij was en haar riep.

In dezen herfst kreeg zij eindelijk een brief van Gaetano. Ach,
welk een brief! Donna Micaela's eerste gedachte was hem te verbranden.

Ze was naar het terras op het dak gegaan, om alleen te zijn, terwijl
zij den brief las. Hier had ze ook eens Gaetano's liefdesverklaring
gehoord. En die had haar volstrekt niet ontroerd. Die had haar
geschokt, noch verschrikt. Maar deze brief was iets geheel anders. Hij
smeekte haar bij hem te komen, de zijne te worden, hem haar leven
te geven.

Toen zij dit las, schrikte zij van zich zelf. Zij voelde hoe zij had
willen uitroepen: "ik kom" en weg had willen vliegen. Zij voelde zich
tot hem getrokken, meegesleept.

"Laat ons gelukkig zijn!" schreef hij. "Wij verspillen den tijd,
de jaren gaan voorbij. Laat ons gelukkig zijn."

Hij beschreef haar hoe zij zouden leven. Hij vertelde haar van andere
vrouwen, die de stem der liefde gehoorzaamd hadden en gelukkig waren
geworden. Hij schreef even verlokkend als overtuigend.

Het was niet juist de inhoud, maar de liefde, die in den brief brandde
en gloeide en die haar vervoerde. Die steeg op uit het papier gelijk
bedwelmende wierook en zij voelde hoe die haar doordrong. Vurig
verlangen was het, dat uit elk woord sprak.

Nu was zij niet meer een heilige voor hem, zooals zij vroeger was
geweest. Deze brief kwam overweldigend onverwacht na een paar jaar
van zwijgen, en zij was ontsteld dat deze haar zoo verrukte.

Zóó had zij zich de liefde nooit gedacht. Zou die haar ook in dezen
nieuwen vorm behagen? En met angst ontdekte zij dat die haar ook
zoo behaagde.

Toen strafte zij hem zoowel als zich zelf door een zeer streng antwoord
te schrijven. Dat was moraal, moraal, niets anders dan moraal. Zij
was trotsch dat zij zoo geschreven had. Zij ontkende niet dat zij hem
liefhad, maar misschien zou Gaetano haar liefdeswoorden niet kunnen
vinden, zoo verborgen waren ze onder verwijten. Het was ook beter,
dat hij ze niet vond.

Hij schreef haar geen brieven meer. Maar nu kon donna Micaela
nooit meer aan Gaetano denken als steun en beschermer. Nu was hij
gevaarlijker dan de mannen uit de bergen.

En iederen dag bracht Diamante een onheilspellender bericht. Nu begon
iedereen zich wapens aan te schaffen. En hoewel het verboden was die
te bezitten, droegen toch alle menschen die in 't geheim.

Alle vreemdelingen verlieten het eiland, maar in hun plaats werd er
van Italië het ééne duizendtal soldaten na het andere gezonden.

De socialisten hielden voortdurend redevoeringen.

Waren zij dan bezeten door een boozen geest, dat zij niet tevreden
waren, vóórdat zij het ongeluk opgeroepen hadden!

Eindelijk hadden de oproerlingen den dag bepaald dat de storm zou
losbreken. Geheel Sicilië, geheel Italië zou in opstand komen. Het
was nu niet meer een holle bedreiging maar werkelijkheid.

Toen kwamen er al meer en meer troepen van het vasteland. En de meesten
waren Napolitanen, die in eeuwige veete met de Sicilianen leven.

Het eiland werd in staat van beleg verklaard.

Er zouden geen gerechtshoven meer zijn, slechts de krijgsraad. En
het volk vertelde dat de soldaten verlof hadden te plunderen en te
moorden naar hartelust.

Niemand wist wat er gebeuren zou. De boeren wierpen verschansingen op
in de bergen. In Diamante stonden mannen in groote groepen bijeen op
de markt, stonden daar dag aan dag zonder aan den arbeid te gaan. Deze
groepen mannen, die gekleed waren in donkere mantels met slappe hoeden,
zagen er onheilspellend uit.

Zij droomden zeker allen van het oogenblik, dat zij het zomerpaleis
zouden plunderen.

Hoe meer men den dag naderde, dat het oproer zou uitbreken, hoe zieker
don Ferrante werd. En donna Micaela begon voor zijn leven te vreezen.

Het scheen haar een teeken, dat zij voorbeschikt was tot ondergang,
nu zij ook don Ferrante moest verliezen.

Wie zou haar ontzien, als hij niet meer leefde?

Zij waakte bij hem. Zij en alle vrouwen der wijk zaten in stil gebed
bij zijn legerstede.

Maar op een morgen, tegen zes uur, stierf don Ferrante. En donna
Micaela betreurde hem, omdat hij haar eenige beschermer was en de
eenige, die haar van den ondergang had kunnen redden, en zij wilde
den doode alle eer bewijzen, die nog gebruikelijk is op Sicilië. Zij
liet de sterfkamer met zwart doek bekleeden en sloot alle luiken,
opdat het blijde zonlicht niet in het vertrek zou dringen.

Zij liet ook het vuur dooven in den haard en zond om een blinden
zanger, opdat hij elken dag in het paleis zou komen om klaagliederen te
zingen. Zij liet het aan Giannita over cavaliere Palmeri te verplegen,
opdat zij zelf stil in de sterfkamer zou kunnen zitten tusschen de
treurende vrouwen.

Het liep tegen den avond van den sterfdag, men had alle beschikkingen
gemaakt en wachtte nu slechts op de witte broeders, die het lijk
zouden wegvoeren.

In de sterfkamer was het doodstil. Al de vrouwen van de wijk zaten
daar onbeweeglijk met betraande gezichten. Donna Micaela was bleek
in haar grooten angst en staarde onafgebroken naar het lijkkleed,
dat over den doode gespreid was.

Het was een baarkleed, dat aan het geslacht der Alagona's behoorde,
een reusachtig groot familiewapen prijkte in het midden en het was
afgezet met zilveren franje en dikke kwasten. Dit kleed was nooit
gespreid over iemand anders dan over een Alagona. Het scheen daar
te liggen, opdat donna Micaela geen oogenblik zou vergeten, dat
haar laatste steun van haar was genomen en zij nu eenzaam en zonder
bescherming stond tusschen het verwoede volk.

Nu kwam iemand binnen om te melden, dat de oude Assunta was gekomen. De
oude Assunta, wat wenschte de oude Assunta?

"Assunta was een lofspreekster, ze placht over de dooden te spreken."

Donna Micaela liet Assunta in de kamer komen. Ze was zooals zij op
de domtrap zat te bedelen, met dezelfde gelapte kleeding, denzelfden
verschoten hoofddoek en dezelfde oude kruk.

Klein en met gebogen rug hinkte zij naar de kist. Zij had een
verschrompeld gelaat, een ingevallen mond en doffe oogen. Donna
Micaela zei tot zichzelf dat de hulpeloosheid en de onmacht nu haar
kamer binnentraden.

De oude verhief haar stem en begon te spreken uit naam der echtgenoote.

"Mijn heer is dood, en ik ben eenzaam. Hij die mij verhief aan
zijn zijde, is niet meer. Hoe vreemd is het, dat mijn huis zijn
meester verloren heeft!--Waarom zijn de luiken voor uw vensters
gesloten? vragen de voorbijgangers.--Ik antwoord: ik kan het licht niet
verdragen, daarvoor is mijn smart te groot, mijn smart is drievoudig."

"Hoe, zijn er zoo velen van uw geslacht door de witte broeders
weggedragen?

"Neen, niemand van mijn geslacht is dood, maar ik heb mijn man
verloren, mijn man, mijn man!"

De oude Assunta behoefde niet meer te zeggen. Donna Micaela barstte
in klachten uit. Het gansche vertrek was vervuld van het geweeklaag
der jammerende vrouwen.

Want er bestaat geen smart zoo groot als het verlies van een
echtgenoot. Zij, die weduwe waren, dachten aan hetgeen zij verloren
hadden en zij die het nog niet waren, dachten aan den tijd, dat zij
niet meer op straat zouden gaan, omdat geen man haar vergezelde, en
ze tot eenzaamheid, armoede en vergetelheid gedoemd zouden zijn, en
dat zij niets zouden beteekenen, niets zouden zijn, dat zij behooren
zouden tot de verworpelingen dezer aarde, omdat zij geen man meer
hadden, omdat niemand haar meer het recht tot leven gaf.



Het was in het eind van December, de dagen tusschen Kerstfeest en
Nieuwjaar.

Er bestond nog steeds hetzelfde gevaar voor oproer en nog steeds
hoorde men dezelfde beangstigende berichten. Er werd verteld dat Falco
Falcone een groote rooversbende in de steengroeve verzameld had en
dat hij slechts wachtte op den dag, die bepaald was voor het oproer,
om Diamante binnen te stormen en te plunderen.

Er werd ook verteld, dat de menschen in verscheidene kleine bergsteden
opgestaan waren, de tolkantoren bij de stadspoorten in brand hadden
gestoken en de tolkommiezen weggejaagd hadden.

Men wist ook te vertellen, dat de troepen van stad tot stad trokken
en allen arresteerden, die slechts verdacht werden, en de menschen
bij honderden tegelijk doodschoten.

Elk zei dat men zich wapenen moest voor den strijd. Men kon zich toch
niet door deze Italianen laten vermoorden zonder zich te verzetten.

Gedurende dezen tijd zat donna Micaela gevangen bij haar vaders ziekbed
evenals zij vroeger bij don Ferrante gezeten had. Zij kon Diamante
niet ontvluchten en de angst groeide en groeide in haar zoodat zij
niets anders was dan trillende vrees.

Het laatste en het vreeselijkste van alle onheilsberichten betrof
Gaetano; ongeveer een week na don Ferrante's dood was Gaetano thuis
gekomen.

En dit had haar volstrekt niet beangstigd, maar integendeel
verheugd. Zij had gejubeld eindelijk iemand in haar nabijheid te
hebben, die haar beschermen kon.

Terzelfder tijd besloot zij, dat zij Gaetano niet zou ontvangen indien
hij bij haar kwam. Zij voelde dat zij den doode nog toebehoorde. Zij
wilde liefst Gaetano niet zien vóórdat een jaar verstreken was.

Maar toen Gaetano acht dagen thuis was zonder dat hij naar het
zomerpaleis kwam, vroeg zij Giannita naar hem.

"Waar is Gaetano, is hij misschien reeds weer vertrokken daar niemand
over hem spreekt?"

"Ach, Micaela," antwoordde Giannita, "hoe minder men spreekt over
Gaetano, hoe beter het is voor hem."

Zij vertelde donna Micaela nu, gelijk zij een groote schande zou
verhalen, dat Gaetano socialist was geworden.

"Hij is daarginds in Engeland geheel veranderd," zei zij. "Hij gelooft
niet meer aan God of aan de heiligen. Hij kust den pastoor niet meer
de hand, wanneer hij hem ontmoet. Hij zegt tot alle menschen, dat zij
geen tol meer moeten geven bij de stadspoort. Hij spoort de boeren
aan hun pacht niet meer te betalen. Hij heeft wapens meegebracht en
hij is slechts thuis gekomen om oproer te verwekken en de bandieten
te helpen."

Zij behoefde niets meer te zeggen, opdat donna Micaela aangegrepen
zou worden door een grooter ontzetting dan zij nog ooit gevoeld had.

Dit was het dus, dat de onheilspellende herfstdagen geprofeteerd
hadden. Juist hij moest het zijn, die den bliksem uit de wolken
slingerde. Dat zij dit niet reeds lang geleden vermoed had!

Dit was de straf en wraak. Juist hij moest het zijn die het ongeluk
opriep.

De laatste dagen was zij kalmer geweest. Zij had gehoord, dat alle
socialisten op het gansche eiland gevangen waren genomen. En al de
kleine oproervuren, die in de bergsteden ontstoken waren, werden
uitgedoofd. Het had bijna geschenen, dat het oproer op niets zou
uitloopen.

Maar nu was de laatste Alagona gekomen en hem zou het volk volgen. Er
zou beweging komen in de zwarte groepen op de markt. De mannen in
de linnen mantels zouden over den Simeto trekken. Falco Falcone's
rooverbende zou uit de steengroeve te voorschijn komen.



Den volgenden avond sprak Gaetano op de markt. Hij had bij de marktbron
gezeten en gezien hoe de menschen kwamen om water te halen. Twee jaar
had hij de vreugde moeten ontberen, te zien hoe de slanke meisjes
de zware waterkruiken op haar hoofd hieven en hoe zij met vaste,
statige schreden haar weg vervolgden.

Maar het waren niet alleen jonge meisjes die bij de bron kwamen, maar
menschen van elken leeftijd. En toen hij nu zag hoe arm en ongelukkig
de meesten waren, begon hij met hen over de toekomst te spreken.

Hij beloofde hun dat er spoedig betere tijden zouden aanbreken. Hij
zei tot de oude Assunta, dat zij voortaan haar dagelijksch brood
zou hebben, zonder dat zij eenig mensch om een aalmoes zou behoeven
te vragen. En toen zij zeide, dat zij niet begreep, hoe dat moest
geschieden, vroeg hij haar bijna toornig, of zij dan niet wist, dat
de tijd nu gekomen was, dat geen oud mensch of jong kind meer zonder
steun en beschutting zou zijn.

Hij wees op den ouden stoelenmatter, die even arm als de oude Assunta
en daarenboven nog zeer ziek was, en hij vroeg of zij geloofde, dat
men het nog langer zou dulden, dat er geen ziekenhuis of armenzorg
was. Kon zij niet begrijpen, dat er in de toekomst voor de ouden en
zieken gezorgd zou worden?

Hij zag ook eenige kinderen, van wie hij wist, dat zij voornamelijk
leefden van planten en wortelen, die zij aan de oevers der rivier en
aan den weg verzamelden, en hij beloofde dat voortaan niemand meer
honger zou behoeven te lijden. Hij legde de hand op het hoofd der
kinderen en verzekerde zoo trotsch als ware hij de vorst van Diamante,
dat zij nooit meer brood zouden derven.

Zij wisten niets in Diamante, zei hij; zij waren onwetend en wisten
niet, dat een nieuwe gezegende tijd aangebroken was. Zij geloofden, dat
deze ellende steeds zou blijven voortduren. Terwijl hij zoo de armen
troostte, hadden al meer en meer menschen zich om hem verzameld. Hij
sprong plotseling op den rand der bron en begon te spreken.

"Hoe konden zij zoo onnoozel zijn," zei hij, "om te gelooven, dat er
geen betere tijd zou komen? Zouden de menschen, die de heele aarde
bezaten, het dulden dat de ouden verhongerden en de kinderen tot
ellendelingen en misdadigers opgroeiden?

"Wisten ze dan niet, dat er schatten verborgen waren in den berg en
in de zee en in den grond? Hadden zij nooit gehoord, dat de aarde
rijk was? Geloofden ze, dat ze haar kinderen niet voeden kon?

"Ze moesten niet tot elkaar zeggen, dat het onmogelijk was de zaken
anders te regelen. Zij moesten niet denken, dat er steeds rijken en
armen moesten zijn.

"Ach, zij wisten niets. Zij kenden hun moederaarde niet. Geloofden
zij, dat zij een van hen haatte? Hadden zij dan op het veld gelegen
en de aarde hooren spreken? Hadden zij gezien hoe de aarde wetten
voorschreef? Hadden zij gehoord, hoe zij een vonnis velde? Had
de aarde dan bevolen, dat sommigen honger zouden lijden, terwijl
anderen aan een overdadig leven zouden sterven? Waarom richtten zij
zich niet op om te luisteren naar de nieuwe leer, die over de wereld
ging? Verlangden zij het niet beter te hebben? Zij gingen dus gaarne
gekleed in lompen? Ze waren dus tevreden met planten en wortelen tot
voedsel? Wilden ze dan geen dak boven het hoofd hebben?"

En hij zeide hun, dat het er niets toe deed, niets, in het geheel
niets, of zij weigerden te gelooven aan den nieuwen tijd, die in
aantocht was. Die zou in ieder geval toch komen.

Ze behoefden immers ook niet 's morgens de zon uit de zee op te
heffen. De nieuwe tijd zou tot hen komen, gelijk de zon kwam, maar
waarom wilden zij haar niet tegemoet gaan? Waarom sloten zij zich op
en vreesden het nieuwe licht?

Hij sprak lang op deze wijze en steeds verzamelden zich meer menschen
om hem heen.

Maar hoe langer hij sprak, hoe schooner zijn taal werd, en hoe
helderder zijn stem.

Er kwam gloed in zijn fonkelende oogen en het arme volk, dat naar
hem opzag, vond hem schoon als een jongen vorst.

Hij was als een der oude, machtige heeren van zijn stam, die het
vermogen bezeten hadden geluk en goud te schenken aan alle menschen
in hun rijk.

Zij geloofden hem toen hij zei, dat hij hun geluk kon geven. Ze waren
reeds gelukkig en blijde, omdat hun jonge heer hen liefhad.

Toen hij ophield met spreken, begonnen zij te jubelen en riepen dat
zij hem wilden volgen, en doen wat hij hun beval. In een oogenblik
was hij hun heer geworden. Hij was zoo schoon en zoo heerlijk dat
zij hem niet konden weerstaan. En zijn geloof was zoo overtuigend,
dat het vervoerde en meesleepte.

Dien nacht was er niet één arm mensch in Diamante, die niet geloofde,
dat Gaetano hem onbezorgde en gelukkige dagen zou schenken. Dien nacht
zegenden allen hem, allen, die in schuren en hutten woonden. Dien
nacht begaven de hongerigen zich ter ruste in de vaste overtuiging,
dat ze den volgenden dag bij hun ontwaken een tafel volgeladen met
allerlei gerechten voor hun bed zouden vinden.

Want toen Gaetano sprak, was zijn macht zoo groot dat hij den grijsaard
kon overtuigen dat hij jong, en den verkleumde, dat hij warm was. Men
voelde dat hetgeen Gaetano beloofde, moest komen.

Hij was de vorst van den nieuwen tijd. Zijn handen waren zoo mild,
wonderen en zegeningen zouden neerdalen op Diamante, nu hij weer
terug was gekomen.



Den volgenden dag toen de zon onderging, kwam Giannita in de
ziekenkamer en fluisterde:

"Er is oproer in Paterno, sedert verscheidene uren zijn ze daar
aan het schieten, men kan het hier hooren. Er is reeds naar Catania
gezonden om troepen. En Gaetano zegt, dat het oproer hedenavond hier
zal uitbreken. Hij zegt, dat het tegelijkertijd in al de Etnasteden
zal uitbreken."

Donna Micaela beduidde Giannita, dat zij bij cavaliere Palmeri zou
blijven, zelf ging zij over de straat naar donna Elisa's winkel.

Donna Elisa zat achter haar toonbank voor haar borduurraam, maar zij
werkte niet. De tranen druppelden haar zwaar en onophoudelijk langs
de wangen zoodat zij moest ophouden met borduren.

"Waar is Gaetano?" zei donna Micaela zonder omwegen. "Ik moet hem
spreken."

"God schenke je kracht om met hem te spreken," antwoordde donna
Elisa. "Hij is in den tuin."

Donna Micaela ging over den binnenhof naar den door hooge muren
omgeven tuin.

In den tuin waren vele kleine paadjes, die zich van terras tot terras
slingerden. Er waren ook vele priëelen, grotten en rustbanken. En
de tuin was zoo dicht begroeid met stijve agaven, dichte dwergpalmen
en stijfbladige ficussen en rhododendrons dat men geen twee schreden
voor zich uit kon zien.

Donna Micaela liep langen tijd door deze ontelbare kronkelpaadjes,
vóórdat zij Gaetano kon vinden. En hoe langer zij zocht, hoe
ongeduldiger zij werd. Eindelijk vond zij hem heel achter in den
tuin. Hij bevond zich op het laagste terras, dat uitgebouwd was op
één der bastions van de stadsmuren. Daar zat Gaetano kalm met hamer
en beitel aan een beeld te werken. Toen hij donna Micaela zag, liep
hij haar met uitgestrekte handen tegemoet.

Zij gaf zich nauwelijks tijd hem te groeten.

"Is het waar," zei zij, "dat gij gekomen zijt om ons in het verderf
te storten?"

Hij begon te lachen.

"De sindaco is hier geweest," zei hij, "en de pastoor is hier
geweest. Komt gij nu ook nog hier?"

Het griefde haar, dat hij lachte en dat hij sprak van den sindaco en
den pastoor.

Het was toch zeker iets anders en van meer beteekenis, dat zij kwam.

"Wilt gij mij zeggen," vroeg zij scherp, "of het waar is, dat wij
hier vanavond oproer krijgen?"

"O, neen," antwoordde hij, "hier komt geen oproer."

En hij zei dat op zulk een moedeloozen toon, dat het haar bijna
bedroefde om zijnentwille.

"Ge doet donna Elisa heel veel verdriet," barstte zij los.

"En u ook, niet waar?" zei hij met lichten spot.

"Ik ben de verloren zoon, ik ben Judas. Ik ben de strafengel die u
allen drijft uit dit paradijs, waar men gras eet."

Zij antwoordde:

"Misschien verkiezen wij onzen toestand boven den gewelddadigen dood."

"Ja zeker, het is beter te verhongeren. Daaraan is men immers gewoon."

"'t Is ook niet zoo aangenaam door bandieten vermoord te worden."

"Maar wat ter wereld wil men met bandieten, als men zich niet door
hen wil laten vermoorden?"

"Ja, ik weet wel," zei zij steeds heftiger, "dat gij wilt dat alle
rijken gedood zullen worden."

Hij antwoordde haar niet dadelijk, maar beet zich op de lippen om
zich niet te overijlen.

"Laat mij eens met u spreken, donna Micaela," zei hij ten slotte. "Laat
mij het u eens verklaren."

En hij trok zijn gelaat in een plooi van geduld, en verklaarde haar
het socialisme, zoo duidelijk en eenvoudig, dat een kind het had
kunnen begrijpen.

Doch het was er verre van, dat zij hem kon volgen. Misschien had zij
het wel gekund, maar zij wilde niet. Zij wilde juist nu niet hooren
spreken over het socialisme.

't Was haar zoo vreemd geweest, toen zij hem nu weer zag. De grond was
begonnen te trillen onder haar voeten en een heerlijk en gelukzalig
gevoel had haar doorstroomd en haar geheel vervuld.

"Mijn God, daar is hij dien ik lief heb," zei zij tot zich zelf. "Hij
is het werkelijk."

Voordat zij hem gezien had, wist zij heel goed wat zij tot hem zou
zeggen. Zij zou hem teruggebracht hebben tot het geloof zijner jeugd.

Zij zou hem bewezen hebben, dat deze nieuwe leer afschuwelijk en
gevaarlijk was. Maar toen kwam de liefde en die maakte haar dom
en verward.

Zij kon hem niets antwoorden. Zij was slechts verbaasd, dat hij zoo
spreken kon.

En zij vond hem nog veel schooner dan vroeger. Nooit tevoren was
zij zoo verward geweest, als zij hem zag. Nooit had hij zulk een
indruk op haar gemaakt. Of kwam het, omdat hij nu een vrije sterke
man was geworden? Zij werd bang, toen zij voelde hoeveel macht hij
over haar had.

Zij waagde het niet hem tegen te spreken. Zij durfde niet eens spreken
om niet in tranen uit te barsten. En indien zij gewaagd had te spreken,
dan zou zij wel niet over politiek gesproken hebben.

Zij zou hem verteld hebben, wat zij gedacht had op den dag, dat de
klokken luidden. Of zij zou hem gesmeekt hebben zijn hand te mogen
kussen. Zij zou hem hebben willen zeggen hoe zij van hem gedroomd
had. Zij zou hem gezegd hebben, dat indien zij hem niet had bezeten
om van te droomen, zij het leven niet uitgehouden had.

Zij zou hem verzocht hebben zijn hand te mogen kussen uit dankbaarheid,
omdat hij haar het leven geschonken had in al deze jaren.

Indien er geen oproer zou komen, waarom sprak hij dan over
socialisme? Wat ging het socialisme hun aan, die rustig zaten in
donna Elisa's ouden tuin? Zij keek door een kronkelend tuinpad. Luca
had houten bogen aan beide zijden geplaatst en langs deze slingerden
zich nu guirlandes van lichte rozen, vol kleine knoppen en geurende
bloemen. Men was altijd verwonderd, waar men zou komen als men door dit
pad ging. En men kwam bij een kleinen, verweerden amor. De oude Luca
verstond die zaken beter dan Gaetano. Terwijl zij daar zoo zaten, ging
de zon onder en de Etna kleurde zich rozerood. Het was alsof de Etna
bloosde van toorn over hetgeen in donna Elisa's tuin geschiedde. Het
was gewoonlijk bij zonsondergang, wanneer de Etna stralend rood was,
dat zij aan Gaetano had gedacht.

Het was alsof zij beiden op hem gewacht hadden. En zij beiden hadden
gedroomd hoe het zou zijn als Gaetano terugkwam. Zij had slechts
gevreesd dat hij al te vurig en te onstuimig zou zijn. En nu sprak hij
slechts over deze afschuwelijke socialisten, die zij haatte en vreesde.

Hij sprak zeer lang. Zij zag hoe de Etna verbleekte en bronsachtig
bruin werd en toen kwam de duisternis. Zij wist dat de maan zou
schijnen. En zij zat onbeweeglijk stil en hoopte op de maneschijn. Zelf
kon zij niets meer doen. Zij was volkomen in zijn macht. Maar toen
de maneschijn kwam, hielp die haar ook niet. Gaetano bleef slechts
doorspreken over kapitalisten en arbeiders.

Toen meende ze dat er slechts één verklaring voor te vinden was. Hij
had haar niet meer lief.

Plotseling viel haar iets in. Het was acht dagen geleden, dezelfde
dag, dat Gaetano thuis kwam. Toen was zij in Giannita's kamer gekomen,
maar zij had zoo zacht geloopen, dat Giannita haar niet had gehoord.

Zij had Giannita toen als in vervoering met uitgestrekte armen en
naar boven gewend gelaat zien staan. En in haar handen hield zij een
portret. Nu eens bracht zij het aan haar lippen en kuste het, dan
weer hief zij het boven haar hoofd om er in verrukking naar op te zien.

't Was een portret van Gaetano geweest.

Toen donna Micaela dit had gezien, had zij zich zacht teruggetrokken,
gelijk zij gekomen was. En zij had slechts gedacht, dat het jammer
was voor Giannita, dat zij Gaetano liefhad. Maar nu Gaetano slechts
sprak over het socialisme, moest zij daaraan denken.

Nu begon zij te gelooven, dat Gaetano ook Giannita liefhad. Zij
herinnerde zich, dat zij vrienden der jeugd waren. Misschien had hij
haar reeds lang liefgehad, misschien was hij teruggekomen om met haar
te trouwen.

Donna Micaela kon niets zeggen, zij had geen recht zich te
beklagen. Het was nauwlijks een maand geleden sedert zij Gaetano
geschreven had, dat het niet goed was dat hij haar liefhad.

Hij boog zich nu tot haar over, keek haar in de oogen, en dwong haar
eindelijk te luisteren, naar wat hij zei.

"Ge zult begrijpen, donna Micaela, ge moet het begrijpen. Wat wij hier
in het Zuiden noodig hebben, is een wedergeboorte, een herschepping,
zooals het Christendom was in zijn tijd. Naar boven de slaven, naar
beneden de heeren! Een ploeg, die nieuwe aardlagen opwerpt! Wij moeten
in nieuwe aarde zaaien, de oude grond is uitgeput. De oude aardlaag
draagt slechts zwakke, ellendige planten. Laat de grondaarde voor
den dag komen en ge zult iets geheel anders zien!

"Zie, donna Micaela, hoe komt het dat het socialisme nog leeft, dat het
niet vernietigd is? Omdat het met een nieuwe leuze gekomen is. "Denk
aan de aarde", zegt het, evenals het Christendom met de leuze kwam:

--"Denk aan den hemel."

"Zie om u heen! Zie naar de aarde, is die niet alles wat wij
bezitten? Laat ons dan het leven hier zóó inrichten dat wij gelukkig
worden. Waarom, o waarom heeft men vroeger niet zoo gedacht? Omdat
wij ons te veel bezighielden met het leven hiernamaals. Laat ons
verlost zijn van dat hiernamaals.

"De aarde, de aarde, donna Micaela! Ach, wij socialisten, wij hebben
haar lief. Wij aanbidden de heilige aarde, die arme, verachte moeder,
die rouw draagt, omdat haar kinderen naar den hemel willen opstijgen.

"Geloof mij, donna Micaela," zei hij, "de nieuwe leer zal in zeven
jaren verspreid zijn. Als de nieuwe eeuw aanbreekt, zal zij over
de geheele aarde heerschen. Dan zullen de martelaars hun bloed voor
haar geofferd hebben, dan zullen de apostelen gesproken hebben, dan
zal schare na schare tot haar overgegaan zijn. Wij, de echte zonen
der aarde, zullen de overwinnaars zijn. En zij zal zich in al haar
schoonheid aan onze blikken vertoonen. Zij zal ons genot, gezondheid,
kennis en schoonheid geven."

Gaetano's stem begon te trillen, en tranen kwamen in zijn oogen. Hij
ging naar den rand van het terras en strekte de armen uit als wilde
hij de door de maan beschenen aarde omvatten.

"Gij zijt zoo verblindend schoon," zei hij, "zoo verblindend schoon."

En donna Micaela meende gedurende een oogenblik zijn smart mee te
gevoelen over de verschrikking, die verborgen was onder dit uiterlijk
omhulsel van schoonheid. Zij zag het leven met al zijn ellende en
lijden, gelijk een modderige beek vol verpestende onreinheden, zich
slingeren door die schitterende wereld van schoonheid.

"En niemand kan van u genieten," zei Gaetano, "niemand kan
het wagen van u te genieten. Ge zijt ongetemd en vol nukken en
boosaardigheid. Gij zijt de onzekerheid en het toeval, gij zijt
het berouw en de kwelling, gij zijt de zonde en de schande, gij
zijt het dwangbuis, dat wij willen verbreken, gij zijt alles wat de
verschrikking vormt, omdat de menschen u niet beter hebben willen
maken."

"Maar uw dag zal komen," zei hij jubelend. "Eens zullen ze allen met
liefde tot u komen. Ze zullen zich niet aan een droom vastklampen,
die niets geeft, noch iets vermag."

Zij viel hem plotseling in de rede.

Zij begon hem al meer en meer te vreezen.

"Het is dus waar, dat het u niet goed gegaan is in Engeland?"

"Wat meent ge?"

"Men zegt dat de groote meester, tot wien miss Tottenham u zond,
gezegd heeft, dat gij-- -- --"

"Wat heeft hij gezegd?"

"Dat gij en uw beelden in Diamante pasten, maar nergens anders."

"Wie zegt dat?"

"Men gelooft dat, omdat gij zoo veranderd zijt."

"Omdat ik nu socialist ben?"

"Waarom zoudt ge dat zijn, indien het u goed ging?"

"O, waarom....? Ge weet dus niet," vervolgde hij lachend, "dat mijn
meester in Engeland zelf een socialist is. Ge weet niet dat hij mij
zelf deze leer verkondigd heeft-- -- --"

Hij zweeg plotseling en vervolgde de woordenwisseling niet. Hij ging
naar de bank waar hij gezeten had toen zij kwam en nam het beeld. Dat
reikte hij donna Micaela.

't Was als wilde hij zeggen: "Zie nu zelf of gij gelijk hebt."

Zij hield het in den maneschijn. Het was een Mater Dolorosa van zwart
marmer. Dat kon zij duidelijk zien. Zij kon het ook herkennen. Het
beeld droeg haar eigen gelaatstrekken. Een oogenblik bracht dit haar in
verrukking. In het volgende werd zij door ontzetting aangegrepen. Hij
een socialist, hij, die niet geloofde, waagde het een Madonna te
scheppen! En hij had het beeld haar trekken gegeven. Hij sleepte haar
mede in zijn zonde!

"Ik heb dit beeld voor u gemaakt, donna Micaela," zei hij.

O, indien het beeld van haar was! Zij wierp het over de balustrade. Het
stiet tegen den steilen bergwand, viel al dieper, rukte steenen
los en sloeg zich zelf te pletter. Eindelijk hoorde men het in den
Simeto neerploffen.

"Met welk recht schept gij Madonna's?" vroeg zij Gaetano.

Hij stond zwijgend. Zóó had hij donna Micaela nog nooit te voren
gezien.

In hetzelfde oogenblik dat zij tegen hem streed, was zij groot en
statig geworden. De schoonheid, die bij haar altijd kwam en ging
als een onrustige gast, troonde nu op haar gelaat. Zij zag er koud
en ongenaakbaar uit, een vrouw, verleidelijk om te overtuigen en
te winnen.

"Gij gelooft dus nog aan God, daar ge Madonna's beitelt?" vroeg zij.

Hij haalde heftig adem. Nu was het alsof hij verlamd was. Hij was zelf
een geloovige geweest. Hij wist hoe diep hij haar gegriefd had. Hij
zag dat hij haar liefde verspeeld had. Hij had een vreeselijke,
ondempbare kloof tusschen hen gelegd.

Hij moest spreken, moest haar winnen voor zijn overtuiging.

Hij begon te spreken, maar zwak en stamelend.

Ze luisterde stil. Toen viel zij hem medelijdend in de rede.

"Hoe zijt ge zoo geworden?"

"Ik dacht aan Sicilië," zei hij ontwijkend.

"Gij dacht aan Sicilië," herhaalde zij nadenkend.

"En waarom kwaamt gij thuis?"

"Ik kwam terug om een oproer te verwekken."

't Was alsof ze over een ziekte spraken, een verkoudheid, die hij
zich op den hals gehaald had, waarvan hij na een paar dagen genezen
zou zijn.

"Ge kwaamt dus thuis om ons in het verderf te storten," zei ze streng.

"Zooals gij wilt, zooals gij wilt," zei hij ootmoedig.

"Gij kunt het immers zoo noemen. Zooals het nu loopt, hebt ge zeker
gelijk het zoo te noemen. O, indien men mij geen onjuiste mededeelingen
gedaan had, zoodat ik niet een week te laat was gekomen! Is het niet
juist iets voor ons Sicilianen om ons door de regeering te laten
verhinderen in onze plannen?

"Toen ik hier kwam waren alle leiders reeds gearresteerd en het eiland
bezet door veertigduizend man. Alles is voorbij!"

Het klonk zoo droevig leeg, toen hij zei: "alles is voorbij." En
om der wille van dit plan, dat tot niets werd, had hij zijn geluk
verspeeld. Zijn beginselen en principes schenen hem nu louter
spinnewebben, waarin hij gevangen was geweest. Hij wilde zich losrukken
om haar te naderen. Zij was het eenige dat hij bezat. Zoo had hij
het ook vroeger gevoeld. En nu kwam dat gevoel terug. Zij was zijn
eenige schat in de wereld.

"Ze strijden vandaag in Paterno."

"Dat is slechts een twist bij de stadspoort," zei hij. "Dat beteekent
niets. Indien ik slechts den geheelen Etna had kunnen aansteken, den
geheelen stedenkrans rondom den berg. Dan zou men ons begrepen hebben,
dan zou men naar ons geluisterd hebben. Nu schiet men slechts enkele
boeren dood om eenige honderden hongerige monden minder te hebben. Men
scheldt ons niets kwijt."

Hij rukte aan zijn spinneweb. Kon hij het wagen tot haar te gaan,
haar te zeggen, dat dit alles hem onverschillig was? Hij behoefde
immers niet aan politiek te denken, hij was toch kunstenaar, hij was
vrij en hij wilde haar bezitten.

Op dit oogenblik was het alsof de lucht beefde.

Een schot dreunde door den nacht, toen nog één en nog één.

Zij naderde hem en greep hem bij den pols.

"Is dit het oproer?" vroeg zij.

Schot op schot dreunde door de lucht. Toen hoorde men geschreeuw en
geroep van menschen, die door de straten stormden.

"Het is het oproer! het moet het oproer zijn!"

"Leve het socialisme!"

Jubelend kwam het geloof aan zijn zaak weer terug. Haar zou hij ook
daarvoor winnen. Vrouwen hadden nog nooit geweigerd den overwinnaar
te behooren.

Ze haastten zich beiden zonder een woord te spreken naar de
tuinpoort. Daar begon Gaetano te vloeken en te roepen, hij kon er
niet uitkomen. Er was geen sleutel in het slot. Hij was opgesloten.

Hij keek rond. Aan drie zijden waren er hooge muren en aan de vierde
gaapte de afgrond. Er bestond geen uitweg voor hem. Maar van de straat
klonk een vreeselijk tumult; menschen, die schreeuwden en riepen,
en schoten die dreunden. En men hoorde hen brullen: Leve de vrijheid,
leve het socialisme!

Gaetano wierp zich tegen de poort, en ook hij brulde bijna, hij was
gevangen, hij kon er niet bij zijn.

Donna Micaela volgde hem zoo vlug zij slechts kon. Nu zij hem had
hooren spreken, dacht zij er niet meer aan, hem terug te houden.

"Wacht slechts, wacht slechts," riep zij. "Ik ben het, die den sleutel
uit het slot heb genomen."

"Gij, gij?" zei hij.

"Ja, ik nam hem er uit, toen ik kwam. Het viel mij in, dat ik u
hier opgesloten kon houden, indien gij oproer wildet maken. Ik wilde
u redden."

"Welk een dwaasheid!" zei hij en rukte haar den sleutel uit de hand.

Terwijl hij naar het sleutelgat zocht, had hij nog tijd iets te zeggen.

"Waarom wilt gij mij nu niet meer redden?"

Zij gaf geen antwoord.

"Misschien opdat uw God gelegenheid zal hebben mij in het verderf
te storten?"

Zij zweeg nog steeds.

"Waagt gij het niet mij voor Zijn toorn te beschutten?"

"Neen, dat waag ik niet," zei ze zacht.

"Gij geloovigen zijt vreeselijk," zei hij.

Hij voelde dat zij hem losliet. Het trof hem diep en het ontnam hem
den moed, dat zij geen enkele poging deed om hem tegen te houden.

Hij draaide den sleutel heen en weer zonder het slot te kunnen openen,
verlamd doordat zij daar zoo bleek en koud achter hem stond.

Toen voelde hij plotseling haar armen om zijn hals en haar lippen,
die de zijne zochten.

In hetzelfde oogenblik vloog de poort open en ijlde hij weg. Hij
wilde haar kussen niet, die hem slechts aan den dood wijdden. In
haar oud geloof scheen zij hem huiveringwekkend als een lijk. Als
een vluchteling snelde hij heen.



XI.

HET FEEST VAN SAN SEBASTIAAN.


Toen Gaetano weg was, stond donna Micaela nog langen tijd in donna
Elisa's tuin. Zij stond daar als versteend en kon voelen noch denken.

Toen ontwaakte de gedachte plotseling in haar, dat zij en Gaetano
niet alleen op de wereld bestonden. Zij dacht aan haar zieken vader,
dien zij gedurende zoo vele uren geheel vergeten had.

Ze ging door de poort naar de corso, die eenzaam en verlaten lag. De
schoten en het geschreeuw klonken zeer ver weg en zij zei tot zichzelf,
dat er zeker bij de Porta Etnea gestreden werd.

Heldere maneschijn gleed over den gevel van het zomerpaleis en het
verbaasde haar, dat op dezen tijd en in dezen nacht de balkondeuren
wijd openstonden en dat de vensterluiken niet gesloten waren. En nog
meer was zij verbaasd dat de poort openstond en de winkeldeur ook
niet gesloten was.

Toen zij door het poortgewelf ging, zag zij daar den ouden poortwachter
Piero niet. De lantaarn was niet opgestoken en geen mensch was er te
zien op den binnenhof.

Ze ging de trap op naar de galerij, haar voet stiet tegen iets
hards. Het was een kleine bronzen vaas, die anders in de muziekzaal
stond. Een paar schreden verder vond zij een mes.

Het was een scherp geslepen mes gelijk een dolk. Toen zij het opnam,
vielen een paar donkere druppels van de punt. Zij begreep dat het
bloed moest zijn.

En eveneens begreep zij, dat hetgeen zij den ganschen herfst gevreesd
had, nu geschied was. Bandieten waren in het zomerpaleis gedrongen
om het te plunderen.

En allen, die vluchten konden, waren gevlucht, maar haar vader,
die zijn bed niet kon verlaten, zou nu zeker vermoord zijn.

Ze kon onmogelijk weten of de roovers nog in haar huis waren. Maar
nu zij midden in het grootste gevaar was, verdween haar angst en
zij haastte zich verder zonder er aan te denken, dat zij alleen en
weerloos was.

Zij ging door de galerij en kwam in de muziekzaal. Daar vielen breede
strepen maanlicht over den vloer en midden in een dezer strepen lag
een mensch onbeweeglijk uitgestrekt.

Donna Micaela boog zich over dit onbeweeglijke lichaam.

Het was Giannita. Zij was vermoord, zij had een diepe gapende wonde
aan den hals.

Donna Micaela legde het lichaam terecht, kruiste haar de handen over
de borst en sloot haar de oogen.

Zij kreeg bloed aan haar handen en toen zij dit lauwe kleverige bloed
voelde, begon zij te schreien.

"Ach mijn goede, beminde zuster," zei zij luide, "het is uw jong
leven dat weggevloeid is met dit bloed. Gedurende uw gansche leven
hebt ge mij liefgehad en nu hebt ge uw bloed geofferd, om mijn huis
te beschermen. Is het tot straf voor mijn hardheid, dat God u van
mij heeft genomen?

"Is het omdat ik u niet gunde dengene te beminnen, dien ik
liefhad? Zijt gij daarom van mij gegaan?

"Ach zuster, zuster, kondt gij mij niet minder hard straffen?"

Zij boog zich voorover en kuste de doode op het voorhoofd. "Ge gelooft
het niet," zei zij. "Ge weet dat ik u altijd trouw ben geweest. Ge
weet dat ik u heb liefgehad."

Toen herinnerde zij zich dat de doode nu niet meer op de aarde
vertoefde en zij niet meer behoefte had aan betuigingen van vriendschap
en berouw.

En zij deed een paar gebeden bij het lijk, omdat het eenige, dat zij
voor haar zuster doen kon, was met vrome gedachten den vluchtenden
geest op zijn tocht naar God te steunen.

Daarna ging zij verder, niet meer bevreesd voor iets, dat haar zelf
kon treffen, maar in een onbeschrijflijken angst voor hetgeen haar
vader wedervaren was.

Toen zij eindelijk door de lange zalen in de praalwoning kwam, en
vóór de deur stond van de ziekenkamer, zochten haar handen lang naar
het slot en toen zij het gevonden had, ontbrak haar de kracht om den
sleutel om te draaien.

Toen riep haar vader van uit zijn kamer wie daar was.

Nu zij zijn stem hoorde en begreep dat hij leefde, had zij het gevoel
alsof alles in haar trilde en brak, en het vermogen verloor haar te
dienen. Haar hart en verstand hielden tegelijk op te werken en haar
spieren konden haar niet langer staande houden. Zij dacht nog, dat
dit het gevolg was van de vreeselijke spanning waarin zij verkeerd
had. En met een eigenaardig gevoel van verlichting zonk zij in een
langdurige bezwijming.

Donna Micaela ontwaakte tegen den volgenden morgen uit haar
onmacht. Toen was er veel voorgevallen.

De bedienden waren te voorschijn gekomen uit hun schuilplaatsen en
hadden donna Elisa gewaarschuwd. Zij had het beheer over het verlaten
paleis genomen, en om de politie gezonden, zij had de witte broeders
laten komen. En dezen hadden het lijk van Giannita gedragen naar haar
moeders huis.

Toen donna Micaela ontwaakte, lag ze op een sofa in een vertrek naast
haar vaders kamer. Niemand was bij haar, maar daarbinnen hoorde zij
donna Elisa spreken.

"Mijn zoon en mijn dochter," zei donna Elisa snikkend. "Ik heb mijn
zoon zoowel als mijn dochter verloren."

Donna Micaela trachtte zich op te richten, maar zij kon niet. Haar
lichaam lag nog in een verstijving, hoewel haar ziel reeds ontwaakt
was.

"Cavaliere, cavaliere," zei donna Elisa "kunt gij het
begrijpen? Bandieten van den Etna sluipen in de stad, zij schieten
op het tolkantoor en roepen: "Leve het socialisme!" En dat doen zij
slechts om de menschen van de straat te jagen en de karabiniers te
lokken bij de Porta Etnea. Geen enkele man van Diamante was er bij. Het
zijn bandieten, die dit plan slechts beraamd hebben om te plunderen
bij miss Tottenham en bij donna Micaela, bij twee vrouwen, cavaliere!

"Wat moeten die heeren officieren, die in den krijgsraad zitten,
toch gedacht hebben? Geloofden zij dat Gaetano samenspande met de
bandieten? Zagen zij dan niet dat hij een edelman was, een echte
Alagona, een kunstenaar? Hoe hebben ze hem kunnen veroordeelen?"

Donna Micaela luisterde met ontzetting, maar zij trachtte zich in te
spreken, dat zij nog droomde.

Ze hoorde opnieuw hoe Gaetano haar vroeg of zij hem aan God offerde. En
weer meende zij te antwoorden, dat zij dat deed. Nu droomde zij hoe
het zou zijn, indien hij werkelijk gevangen was genomen.

"Wat is dit toch voor een ongeluksnacht?" zei donna Elisa. "Wat is
het toch, dat in de lucht zweeft en de menschen verward en waanzinnig
maakt?

"Ge kent Gaetano, cavaliere. Hij is immers altijd heftig en vurig
geweest, maar hij was toch niet zonder verstand, hij kon zich toch
altijd wel beheerschen. Maar hedennacht werpt hij zich den vijand in
de armen.

"Gij weet, dat hij oproer wilde maken, ge weet dat hij thuis was
gekomen om oproer te verwekken. Toen hij nu hoort dat er geschoten
wordt en dat men roept "Leve het socialisme" wordt hij wild en
woest. Hij zegt tot zich zelf, dat dit het oproer is, en hij ijlt
de straat op om er bij te zijn. En hij roept den ganschen tijd:
"Leve het socialisme", zoo hard hij slechts kan.

"En toen ontmoet hij een groote menige soldaten, een gansch leger. Want
zij waren op weg naar Paterno maar hoorden het schieten in Diamante en
trokken hier binnen om te zien wat er gaande was. En Gaetano kan geen
soldatenmuts meer herkennen, hij gelooft dat het de oproerlingen zijn,
hij meent in hen gezanten des hemels te zien, en hij stort zich in
hun midden en laat zich zoo gevangennemen. En de soldaten, die even
tevoren alle bandieten hadden opgevangen, terwijl zij met hun buit
wegslopen, leggen nu ook de hand op Gaetano. En zij gaan verder door de
stad en vinden alles rustig. Maar vóórdat zij wegtrekken, houden zij
krijgsraad over hun gevangenen. En zij veroordeelen Gaetano tegelijk
met de anderen, veroordeelen hem evenals hen, die inbraak gepleegd
en vrouwen vermoord hebben.

"Hadden zij hun verstand niet verloren, cavaliere?"

Donna Micaela kon niet hooren wat haar vader antwoordde. Zij zelf
wilde duizend vragen stellen, maar zij was nog verstijfd en kon zich
niet verroeren. Zij zou willen weten of Gaetano doodgeschoten was.

"Wat bedoelden zij met hem te veroordeelen tot negen en twintig jaar
gevangenisstraf?" vroeg donna Elisa.

"Gelooven zij dat hij of iemand, die hem liefheeft zoo lang kan leven?

"Hij is dood, cavaliere, dood voor mij, evenals Giannita."

Donna Micaela had een gevoel alsof zij gebonden was met sterke ketenen,
opdat zij niet zou kunnen ontvluchten. Dit was erger, vond zij,
dan aan een schandpaal gebonden te zijn en gegeeseld te worden.

"'t Is al de vreugde van mijn ouderdom, die nu van mij is genomen,"
klaagde donna Elisa.

"Giannita en Gaetano! Ik had altijd gedacht, dat deze twee nog eens
een paar zouden worden. Zij zouden zoo goed bij elkaar gepast hebben,
omdat beiden mijn kinderen waren en mij liefhadden. Waarvoor zal ik
nu leven, nu ik niet langer jeugd om mij heen heb?

"Ik had het dikwijls zeer arm, toen Gaetano bij mij kwam en men zeide
mij, dat ik minder zorg zou hebben, indien ik alleen was. Maar ik
antwoordde: "Daar geef ik niets om, indien ik slechts jeugd om mij
heen heb." En ik hoopte, dat hij, als hij volwassen zou zijn, een
jonge vrouw zou nemen en zij zouden kleine kinderen krijgen en ik
zou nooit eenzaam behoeven te zitten als een onnut oud mensch."

Donna Micaela moest er aan denken, dat zij Gaetano had kunnen redden,
maar niet had gewild. Maar waarom had zij toch niet gewild? Dat
scheen haar nu onbegrijpelijk. Zij begon bij zich zelf al de redenen
op te sommen, die zij gehad had om hem zich in het verderf te
laten storten. Hij was een godloochenaar en socialist en hij wilde
oproer maken. En dit had opgewogen tegen al het andere, toen zij de
tuinpoort voor hem opende. Deze redenen hadden ook opgewogen tegen
haar liefde. Nu begreep zij dat niet. Het was alsof een schaal vol
veeren had kunnen opwegen tegen een schaal vol goud.

"Mijn mooie jongen," klaagde donna Elisa, "mijn mooie jongen. Hij was
reeds een groot man daarginds in Engeland, en hij kwam thuis om ons
arme Sicilianen te helpen. En nu hebben zij hem veroordeeld als een
bandiet. Men zegt dat zij op het punt stonden hem dood te schieten,
evenals zij dat de anderen gedaan hebben.

"Misschien was het beter geweest, cavaliere. 't Ware beter hem op
het kerkhof te weten, dan dat hij in de gevangenis versmacht. Hoe
zal hij dat lijden kunnen dragen? Hij zal het niet kunnen uithouden,
hij zal ziek worden, en spoedig sterven."

Toen zij dit zei, rukte donna Micaela zich los uit haar verdooving en
richtte zich op van de sofa. Zij wankelde door de kamer en kwam bij
haar vader en donna Elisa, even doodsbleek als de vermoorde Giannita.

Zij was zoo zwak, dat zij het niet waagde te loopen, maar bij de deur
bleef staan en tegen den deurpost leunde.

"Hier ben ik," zei zij, "donna Elisa, hier ben ik-- -- --"

De woorden wilden niet over haar lippen komen. Zij wrong de handen
in vertwijfeling, omdat zij niet kon spreken.

Donna Elisa was oogenblikkelijk bij haar. Zij legde haar arm om donna
Micaela's middel om haar te steunen, zonder zich er om te bekommeren
dat donna Micaela haar trachtte af te weren.

"Gij moet mij vergeven, donna Elisa," zei zij met nauwelijks hoorbare
stem. "Ik heb het gedaan."

Donna Elisa lette niet veel op hetgeen zij zeide. Zij zag dat donna
Micaela koorts had en geloofde dat zij ijlde.

Haar lippen bewogen zich, en men zag dat zij iets wilde zeggen, maar
men hoorde slechts enkele woorden. 't Was onmogelijk te begrijpen
wat zij meende.

"Tegen hem, zooals tegen mijn vader," zei zij herhaaldelijk. En toen
riep zij, dat zij allen, die haar liefhadden, in het verderf stortte.

Donna Elisa had haar naar een stoel geleid en daar zat donna Micaela en
kuste donna Elisa's oude rimpelige handen, en vroeg haar om vergeving
voor hetgeen zij gedaan had.

"Ja, zeker! Ja, zeker! donna Elisa vergaf het haar." Donna Micaela
zag haar scherp aan met groote koortsachtige oogen en vroeg of het
waar was.

"Ja, zeker is het waar."

Toen legde zij haar hoofd op donna Elisa's schouder en snikte. Zij
dankte haar en zei dat zij niet had kunnen leven, indien zij donna
Elisa's vergiffenis niet ontving. Tegen niemand had zij zoo gezondigd
als tegen haar. Kon zij haar vergeven?

"Ja, ja," zei donna Elisa keer op keer en zij geloofde dat donna
Micaela ijlde, tengevolge van schrik en koorts.

"Er is iets dat ik u moet zeggen," zei donna Micaela. "Ik weet het,
maar gij weet het niet. Gij vergeeft mij nooit, indien ge het weet."

"Ja zeker vergeef ik het u," zei donna Elisa.

Op deze wijze spraken zij lang, zonder elkaar te begrijpen, maar
het was goed voor de oude donna Elisa, dat ze dien nacht iemand
kon koesteren en troosten en versterkende kruiden en droppels kon
geven. Het was goed voor haar, dat er nog iemand was, die het hoofd
tegen haar schouder legde en weende over haar verdriet.



Donna Micaela, die gedurende drie jaar Gaetano had liefgehad, zonder
ooit te denken, dat zij elkaar eens zouden toebehooren, had zich aan
een eigenaardige soort liefde gewend. 't Was haar genoeg te weten,
dat Gaetano haar liefhad. Als zij daaraan dacht, doorstroomde haar
een heerlijk gevoel van veiligheid en geluk.

"Wat doet het er toe?" zei zij als zij tegenspoed ondervond. "Gaetano
heeft mij lief!" Hij was haar altijd nabij om haar op te beuren. Hij
was een deel van al haar gedachten en plannen. Hij was de ziel van
het leven zelve voor haar.

Zoo spoedig donna Micaela zijn adres wist, schreef zij hem. Ze bekende
hem, dat zij de vaste overtuiging had gehad, dat hij zijn ongeluk
tegemoet ging. Maar zij was zoo bevreesd geweest voor hetgeen hij
nog in de toekomst zou verrichten, dat zij het niet gewaagd had hem
te redden. Zij schreef ook hoezeer zij zijn leer verafschuwde. Zij
verborg niets voor hem. Zij zeide, dat zelfs indien hij vrij was,
zij nooit de zijne kon worden.

Zij vreesde hem. Hij had zulk een macht over haar dat indien zij
vereenigd waren, hij haar tot een godloochenaarster en socialiste
zou maken. Zij moest altijd van hem gescheiden leven, om haar ziel
te kunnen redden.

Maar zij bad en smeekte hem, dat hij trots alles niet zou ophouden
haar lief te hebben.

Hij mocht niet doen gelijk haar vader. 't Was waarschijnlijk, dat ook
hij haar nu uit zijn hart bande, maar dat mocht hij niet doen. Hij
moest barmhartig zijn. Indien hij wist hoe lief zij hem had, indien
hij wist hoe zij van hem droomde!

En zij bekende hem, dat hij het leven zelf voor haar was. "Moet ik
sterven, Gaetano?" vroeg zij.

"Is het dan niet reeds ongelukkig genoeg, dat deze leer ons scheidt? Is
mijn ongeluk niet reeds groot genoeg, nu men u in de gevangenis
gevoerd heeft? Zult gij nu ook nog ophouden mij lief te hebben,
omdat wij niet gelijk denken? Och, Gaetano, heb mij toch lief. Onze
liefde leidt tot niets, er is geen hoop voor ons, maar heb mij lief,
ik sterf als ge mij niet lief hebt."

Donna Micaela had nauwelijks dezen brief verzonden, of zij begon reeds
op het antwoord te wachten. Zij geloofde, dat zij een brief vol toorn
terug zou krijgen, maar zij hoopte, dat zij een enkel woord daarin
zou vinden, dat haar bewees, dat hij haar nog liefhad.

Maar zij wachtte verscheidene weken zonder een brief van Gaetano
te ontvangen.

't Baatte haar niets, dat zij iederen dag buiten op de galerij den
postbode opwachtte, en hem bijna bedroefd maakte, omdat hij altijd
genoodzaakt was te zeggen, dat hij niets voor haar had.

Een dag ging zij zelf naar het postkantoor en verzocht met smeekende
oogen, dat men haar toch den brief zou geven, dien zij verwachtte. "Die
moest er toch zijn," zei zij. Misschien hadden zij het adres niet
kunnen lezen, misschien was hij in een verkeerd vak gekomen.

En haar mooie smeekende oogen bewogen den postmeester, zoodat zij
mocht zoeken tusschen hoopen oude, onafgehaalde brieven en alle laden
van het postkantoor mocht nazien. Maar dat alles baatte niets.

Toen schreef zij een tweeden brief aan Gaetano, maar er kwam geen
antwoord.

Nu trachtte zij te gelooven, wat haar onmogelijk scheen. Zij beproefde
zich zelf te overtuigen, dat Gaetano haar niet meer liefhad.

En naarmate deze overtuiging vaster vorm aannam, begon zij zich op
te sluiten in haar kamer. Zij werd bang voor de menschen en was het
liefst alleen.

Dag aan dag werd zij zwakker. Zij liep gebogen en zelfs haar schoone
oogen schenen allen glans en leven verloren te hebben.

Na eenige weken was zij zoo verzwakt, dat zij niet meer kon staan, maar
den geheelen dag op de sofa moest liggen. Ze was een gemakkelijke prooi
voor een ziekte, die haar al haar levenskracht ontnam. Zij voelde,
dat zij den dood nabij was en zij was bevreesd te sterven. Maar zij
kon niets doen. Een enkel geneesmiddel bestond er voor haar, maar
dat kwam niet.

Terwijl donna Micaela op deze wijze zacht uit het leven scheen te
glijden, maakte men in Diamante toebereidselen om het feest van San
Sebastiaan te vieren dat in het eind van Januari valt.

Het was het grootste feest dat in Diamante gehouden werd, maar in de
laatste jaren was het niet met de gewone pracht gevierd, omdat nood
en kommer de gemoederen te veel drukten.

Maar dit jaar nadat het oproer mislukt was, terwijl Sicilië nog vol
vreemde troepen was en de geliefde helden van het volk in de gevangenis
smachtten, stelde men voor, het feest met ouderwetschen luister
te vieren. Want nu was het geen tijd de heiligen te verwaarloozen,
zei men.

En het vrome volk van Diamante besloot, dat het feest drie dagen zou
duren en dat San Sebastiaan gevierd zou worden door het uitsteken
der vlaggen, het versieren der huizen, hardrijderijen en bijbelsche
optochten, illuminaties en een wedstrijd van zangers. En met grooten
lust en ijver toog men aan het werk. In ieder huis werd er geboend
en gewreven. Men haalde de oude processiekleederen te voorschijn en
men bereidde zich tot de ontvangst van vreemden van den geheelen Etna.

Het eenige huis in Diamante, waar geen toebereidselen gemaakt werden,
was het zomerpaleis. Donna Elisa was daarover diep bedroefd, maar ze
kon donna Micaela niet bewegen het zomerpaleis te versieren.

"Hoe kunt gij verlangen, dat ik een huis van rouw met bloemen en
groen zal versieren?" zei zij. "De rozen zullen haar bladeren laten
vallen, indien ik ze wilde gebruiken om de rampen te bedekken, die
dit huis vervullen."

Maar donna Elisa dacht aan niets anders dan aan het feest en verwachtte
veel goeds van het vieren der heiligen, gelijk in vroegere dagen. Zij
sprak over niets anders dan hoe de priesters den gevel der domkerk
op oud-Siciliaansche wijze lieten versieren met zilveren bloemen
en spiegels. En zij beschreef den feestrit. Zooveel ruiters zouden
daaraan meedoen, en zulke hooge pluimen zouden zij op den hoed dragen,
en zij zouden lange, met bloemslingers omwonden stokken, waarop een
waskaars prijkte, in de hand houden.

Toen de feestdag aanbrak, was donna Elisa's huis het mooist van
alle versierd, Italië's groen-rood-witte vlag wapperde van het dak,
en roode kleeden met gouden franje en het naamcijfer van den heilige
waren over de vensterkozijnen en balkonhekken gespreid.

Maar langs den muur slingerden zich guirlandes van steeneik, gevormd
tot bogen en sterren, en rondom de ramen waren kransen gevlochten
van de kleine witte rozen uit donna Elisa's tuin.

Boven den ingang stond het beeld van San Sebastiaan, omlijst door
leliën, en op den drempel lagen cypressetakken. En ware men het huis
binnengetreden, dan zou men gezien hebben, dat het van binnen even
heerlijk versierd was als van buiten. Van den kelder tot den zolder
was het schoongemaakt en met bloemen getooid en op de planken in den
winkel stond nog niet zoo'n klein en nietig heiligenbeeldje of het
had een immortel of een bellis in de hand.

En evenals bij donna Elisa, had men in het arme Diamante straat
aan straat versierd. Er was zoo'n gewapper van vlaggen, dat men
moest denken aan het waschgoed, dat van den grond tot den hemel
in de steeg hing, waar het huis van den kleinen Moor stond. Alle
huizen en eerepoorten droegen vlaggen en dwars over de straat waren
touwen gespannen, waaraan wimpel naast wimpel waaide. En bij elke
tien schreden had men eerepoorten opgericht. En boven op iedere
eerepoort stond het beeld van den heilige, omlijst door kransen van
gele immortellen. De balkons waren bekleed met roode doeken en bonte
tafelkleeden, en langs de muren slingerden zich stijve guirlandes.

Er was zooveel groen en bloemen, dat niemand begrijpen kon hoe men
die bijeen had kunnen krijgen in Januari. Alles was met bloemen
versierd. De bezemsteel droeg een krans van krokusjes en de
poortklopper was versierd met een bouquet hyacinthen.

Maar voor de ramen stonden borden met naamcijfers en inscripties van
blauw-roode anemonen.

En tusschen deze versierde huizen bruiste de menschenstroom, machtig
als een stijgende vloed.

Het waren niet alleen de inwoners van Diamante, die San Sebastiaan
vierden. Van den ganschen Etna kwamen gele, prachtig beslagen en
geverfde karretjes vol menschen aanrollen, getrokken door paarden
met versierde leidsels.

Zieken, bedelaars en blinde zangers waren in grooten getale
opgekomen. En er waren heele pelgrimstochten van arme ongelukkige
menschen, die nu na de ongelukken iemand hadden om voor te bidden.

Er waren zooveel menschen bijeen, dat men verbaasd was, hoe allen
plaats konden vinden binnen de stadsmuren. Er waren menschen op straat,
menschen voor de ramen, menschen op de balkons.

Op de hooge steenen trappen zaten menschen, en de winkels waren vol,
de groote huisdeuren stonden wijd open en in de vestibule waren de
stoelen in een halven cirkel geplaatst zooals in een theater. Daar
zaten de eigenaars met hun gasten en keken naar de voorbijtrekkende
menschenmenigte.

De heele stad was vervuld van een feestelijk geruisch. Niet
alleen lachten en spraken alle menschen, maar er waren ook nog
positiefspelers, die op een positief, zoo groot als een orgel,
speelden. Er waren straatzangers en er waren mannen en vrouwen,
die Tasso declameerden met heesche, schreeuwende stemmen. Allerlei
marktventers waren er en uit alle kerken stroomden orgeltonen. Op de
Markt boven op den bergtop speelden stadsmuzikanten zoo luid dat men
de muziek in geheel Diamante kon hooren.

Dit vroolijk rumoer en deze bloemengeur, al dit vlaggen-gewapper in
de lucht voor donna Micaela's venster had de macht haar op te wekken
uit haar verdooving.

Zij rees op, alsof het leven zelf om haar gezonden had.

"Ik wil niet sterven," zei ze tot zich zelf. "Ik wil trachten te
leven."

Zij leunde op haar vaders arm, en ging op straat. Zij hoopte dat het
leven daarbuiten haar zou bedwelmen, zoodat zij haar smart vergeten
zou. "Gelukt dit mij niet," dacht zij, "kan ik geen verstrooiing
vinden, dan moet ik sterven."

Maar nu woonde er in Diamante een arme, oude beeldhouwer, die gaarne
een paar soldi met het feest wilde verdienen. Daarom had hij een paar
kleine lavabustes gemaakt van San Sebastiaan en van Paus Leo XIII. En
daar hij wist dat velen in Diamante Gaetano liefhadden en treurden
om zijn lot, maakte hij ook een paar beelden van hem.

En dadelijk toen donna Micaela op straat kwam, ontmoette zij dezen
man die haar een van zijn kleine, ellendige beeldjes te koop aanbood.

"Koop don Gaetano, donna Micaela," zei de man.

"Koop don Gaetano, dien de regeering gevangengenomen heeft, omdat
hij Sicilië wilde redden."

Donna Micaela drukte haar vaders arm heftig en spoedde zich verder.

Maar in het café Europa stond de zoon van den waard canzones te
zingen. Ter eere van het feest had hij eenige nieuwe liederen gedicht
en onder andere ook een paar over Gaetano. Hij kon immers niet weten
of de menschen niet juist van Gaetano wilden hooren.

Donna Micaela ging voorbij het café, toen zij echter hoorde, dat er
gezongen werd, bleef zij staan om te luisteren.

"Ach, Gaetano Alagona," zong de jonge man. "Zangers zijn machtig. Met
mijn liederen zal ik u vrij zingen. Eerst zend ik u de lieflijke
canzone. Die zal glijden door de traliën van uw gevangenis en deze
verbreken. Dan zend ik u het sonnet, dat schoon is als een vrouw
en dat uw bewakers zal omkoopen. Daarna dicht ik de heerlijke ode,
die de hooge gevangenismuren door haar trotschen rhythmus zal doen
schudden! Maar als niets u helpt, treed ik te voorschijn met het
machtige epos, dat een leger van woorden bezit. O, Gaetano, sterk
als een krijgsschaar, schrijdt het epos voorwaarts. Al de legioenen
van het oude Rome bezaten niet de macht het tegen te houden."

Donna Micaela klemde zich krampachtig vast aan haar vaders arm, maar
zij zei niets, ze ging slechts verder. Toen begon cavaliere Palmeri
te spreken over Gaetano.

"Ik wist niet dat hij zoo bemind was," zei hij.

"Ik ook niet," fluisterde donna Micaela.

"Maar heden zag ik hoe vreemde menschen in donna Elisa's winkel kwamen
en haar smeekten iets te mogen koopen, dat hij gesneden had. Ze had
nog slechts een paar oude rozenkransen, die trok zij stuk en daarvan
deelde zij de koralen uit."

Donna Micaela zag haar vader smeekend aan. Maar hij wist niet of zij
wilde, dat hij zou zwijgen of doorgaan met vertellen.

"Donna Elisa's oude vrienden loopen in den tuin met Luca," zei
hij. "Luca wijst hun Gaetano's lievelingsplekjes en den grond, dien
hij gewoonlijk bewerkte. En Pacifica zit in de werkplaats naast de
schaafbank en vertelt al het mogelijke van hem van af den tijd dat
hij niet grooter was dan zóó."

Meer kon hij niet vertellen, het gedrang en het rumoer werd zoo hevig
dat hij moest afbreken.

Zij gingen naar den dom. Op de domtrap zat de oude Assunta. Zij had
een rozenkrans in de hand en mompelde hetzelfde gebed, den geheelen
rozenkrans langs. Zij smeekte den heilige dat Gaetano, die beloofd
had de armen te helpen, weer in Diamante zou terugkomen.

Toen donna Micaela haar voorbijging, hoorde zij haar zeggen: "San
Sebastiaan, geef ons Gaetano. Ach, uit barmhartigheid, ach, om onze
ellende, geef ons Gaetano terug, San Sebastiaan."

Donna Micaela was van plan geweest naar de kerk te gaan, maar nu
wendde zij zich om.

"Er is zulk een gedrang," zei zij. "Ik durf er niet ingaan."

Zij ging weer naar huis. Maar terwijl ze weg was, had donna Elisa van
de gelegenheid gebruik gemaakt. Zij had een vlag op het dak van het
zomerpaleis geheschen en doeken over de balkons gespreid en toen donna
Micaela thuis kwam, was zij bezig een guirlande vast te maken. Donna
Elisa kon het niet verdragen, dat het zomerpaleis niet versierd
was. Zij wilde, dat dezen keer niets aan San Sebastiaans feest zou
ontbreken. En zij vreesde, dat de heilige Diamante en Gaetano niet
zou helpen, indien het oude paleis der Alagona's hem niet vierde.

Donna Micaela kwam terug, bleek als een ter dood veroordeelde en
gebogen alsof zij een tachtigjarig besje was.

Zij mompelde in zich zelf: "Ik maak geen bustes van hem, ik zing
geen liederen over hem, ik waag het niet God voor hem te bidden,
ik koop geen zijner koralen. Hoe zal hij dan kunnen gelooven, dat ik
hem liefheb? Hij moet al die anderen, die hem aanbidden, liefhebben,
maar niet mij. Ik behoor niet tot zijn wereld, mij kan hij niet
meer liefhebben."

En toen zij zag dat men haar huis met bloemen wilde versieren,
scheen haar dat zoo stuitend leelijk, dat zij den krans rukte uit
donna Elisa's hand en haar dien voor de voeten wierp, terwijl zij
vroeg of donna Elisa haar wilde vermoorden. Daarna ging zij haar
voorbij. Zij wierp zich in haar kamer op de sofa en verborg haar
gelaat in de kussens.

Nooit vroeger had zij begrepen hoe al deze uiterlijke
omstandigheden hem van haar scheidden. De volksman kon haar niet
liefhebben. Daarenboven had zij het gevoel, dat zij hem verhinderd had,
al deze armen te helpen.

Hoe moest hij haar verafschuwen! hoe moest hij haar haten! Haar booze
geest kwam weer over haar. Dit booze dat bestond in het niet bemind
zijn! Dat zou haar vermoorden. Zij dacht dat nu alles voorbij, dat
alles geëindigd was.

Terwijl zij zoo lag, kwam haar plotseling het kleine Christusbeeld
in de gedachten. Het was alsof hij in al zijn armoedige pracht de
kamer binnentrad. Zij zag hem duidelijk.

Donna Micaela begon het Christuskind om hulp aan te roepen. En zij
was verbaasd, dat zij zich niet vroeger tot dezen wonderdoener gewend
had. Maar dat kwam zeker, omdat het beeld niet in een kerk stond,
maar rondgevoerd werd als een der rariteiten van miss Tottenham,
zoodat zij slechts in den hoogsten nood aan hem dacht.



Het was laat op den avond van denzelfden dag. Donna Micaela had al
haar bedienden verlof gegeven naar het feest te gaan, zoodat zij en
haar oude vader alleen in het groote huis waren.

Maar tegen tien uur stond haar vader op en zei dat hij den wedstrijd
der zangers op de markt wilde gaan hooren. En toen hij ging, wilde
donna Micaela niet alleen achterblijven, en moest zij wel besluiten
hem te volgen.

Toen zij op de markt kwamen, zagen zij dat het plein veranderd was
in een theater met rijen stoelen naast elkaar. Elk plekje was bezet
met menschen en ternauwernood konden zij een plaats vinden.

"Vanavond is Diamante heerlijk, Micaela," zei cavaliere Palmeri. 't
Was alsof de lieflijkheid van den nacht hem zachter stemde. Hij sprak
meer en teederder tot haar, dan hij sedert langen tijd gedaan had.

Donna Micaela scheen het, dat haar vader de waarheid sprak. Zij had
een gevoel, zooals zij gehad had, toen zij voor de eerste maal in
Diamante kwam.

Het was de stad der wonderen, de stad van schoonheid, een klein
heiligdom van God.

Tegenover haar verrees een hoog, statig gebouw, opgetrokken van
stralende diamanten. Zij moest een tijdlang nadenken, vóórdat zij
begrijpen kon, wat het was.

Toch was het niets anders dan de gevel der domkerk, die bedekt was
met bloemen van stijf zilver- en goudpapier, waarin duizenden kleine
stukken spiegelglas waren gestoken. En in elke bloem hing een klein
olieglas met een vlammetje zoo groot als een vuurvlieg. Het was van
een zeldzame bekoring, de mooiste illuminatie, die donna Micaela ooit
gezien had.

Er was geen andere verlichting op de markt, en dat was ook niet
noodig. Deze groote muur van diamanten verlichtte voldoende.

Het zwarte palazzo Geraci stond gloeiend rood als werd het verlicht
door een vuurwolk.

Men zag niets van de wereld behalve de markt; daarbuiten heerschte
diepe duisternis en dit maakte dat donna Micaela opnieuw het oude
betooverde Diamante meende te herkennen, dat niet op de aarde lag,
maar een heilige burcht was op een der hemelsche bergen. Het raadhuis
met de zware balkons en de hooge trap, het groote nonnenklooster en
de Romeinsche poort waren opnieuw heerlijk en wonderbaarlijk. En zij
kon nauwelijks gelooven, dat zulk een vreeselijk lijden haar hier
getroffen had.

Te midden van deze menschenmassa voelde men geen koude. De winteravond
was zwoel als een nacht in 't voorjaar. Een lentestemming kwam op in
donna Micaela. Het begon in haar te beven en te trillen op een wijze,
die tegelijkertijd heerlijk en vreeselijk was.

Zoo moest de sneeuwmassa op den Etna zich gevoelen als de zon haar
oploste in bruisende bergstroomen.

Zij zag naar de menschen, die de markt vulden en zij was verbaasd
dat hun aanblik haar des voormiddags zoo gepijnigd had. Nu vond zij
het heerlijk dat zij Gaetano liefhadden. Ach, indien hij haar slechts
bleef liefhebben, zou zij zoo onuitsprekelijk trotsch op hun liefde
zijn, gelukkig over hun vereering. Dan zou zij deze oude bevende
handen willen kussen, die beelden van hem maakten en voor hem in
gebed gevouwen waren.

Toen zij dit dacht, werden de kerkdeuren wijd opengeslagen en een
groote, platte wagen rolde uit de kerk. Boven op den met rood doek
bekleeden wagen stond San Sebastiaan bij een paal, en onder het beeld
zaten de vier zangers, die deelnamen aan den wedstrijd.

Het was een oude blinde zanger van Nicolosi, een kuiper van Catania,
die beschouwd werd als de beste improvisatore van geheel Sicilië,
een smid van Termine en de kleine Gandolfo, zoon van den poortwachter
van het raadhuis. Alle menschen waren verbaasd, dat Gandolfo het
waagde deel te nemen aan zulk een gevaarlijken wedstrijd. Deed hij
dat misschien om zijn bruid, de kleine Rosalie, te behagen? Niemand
had ooit geweten, dat hij kon improviseeren. Hij had zijn gansche
leven niets anders gedaan dan mandarijnen eten en naar den Etna staren.

Het eerste dat gedaan werd, was de deelnemers te laten loten, en het
lot viel zoo, dat de kuiper het eerst aan de beurt kwam en Gandolfo
het laatst. Toen de loting zoo uitviel, verbleekte Gandolfo. 't Was
immers vreeselijk het laatst te komen, daar allen over hetzelfde
onderwerp zouden spreken.

De kuiper sprak over San Sebastiaan, toen hij legionair in het oude
Rome was en terwille van zijn geloof aan een paal werd vastgebonden
om als mikpunt voor zijn kameraden te dienen. Na hem kwam de blinde
zanger, die verhaalde hoe een vrome Romeinsche den martelaar vond,
bloedend en doorboord met pijlen en hoe het haar gelukte hem opnieuw
tot het leven te roepen. Toen kwam de smid, die al de wonderen vertelde
die San Sebastiaan verricht had op Sicilië gedurende de pest van het
jaar vijftienhonderd.

Zij werden alle drie geprezen. Zij gebruikten sterke woorden van bloed
en dood en het volk juichte hen toe. Maar zij, die van Diamante waren,
werden bang voor den kleinen Gandolfo.

"De smid heeft hem alle woorden ontnomen," zei men, "het zal hem
niet gelukken."

"O," zeiden anderen, "de kleine Rosalie neemt om die reden den
verlovingsband niet uit haar vlechten."

Maar Gandolfo kroop ineen in zijn hoek van den wagen. Hij werd al
kleiner en kleiner. Zij, die in zijn nabijheid zaten, konden hooren
hoe zijn tanden klapperden van vrees.

Toen eindelijk zijn beurt kwam, stond hij op en begon te improviseeren,
maar hij sprak zeer slecht, nog veel slechter dan iemand verwacht
had. Hij stamelde een paar verzen, maar het was slechts een herhaling
van hetgeen de anderen gezegd hadden.

Toen zweeg hij plotseling en haalde heftig adem. In dit oogenblik kwam
de kracht der wanhoop over hem. Hij richtte zich op en een zacht rood
kleurde zijn wangen.

"O, signori," zei de kleine Gandolfo. "Laat mij spreken over hetgeen
mij altijd vervult. Laat mij spreken over hetgeen ik altijd vóór
mij zie!"

En hij begon met wegsleepende welsprekendheid te vertellen wat hij
zelf gezien had.

Hij verhaalde hoe hij, de zoon van den poortwachter van het raadhuis,
over donkere zolders geslopen was en verborgen had gelegen onder
een der galerijen van de gerechtszaal in den nacht dat de krijgsraad
verzameld was om de oproerlingen van Diamante te vonnissen.

Toen had hij don Gaetano Alagona zien zitten op de bank der
aangeklaagden in een gezelschap van een menigte woeste gezellen,
die erger waren dan dieren.

Hij vertelde hoe schoon Gaetano geweest was. Den kleinen Gandolfo
had hij een god toegeschenen naast de vreeselijke menschen,
die hem omringden. En hij beschreef deze bandieten met hun wilde
roofdiergezichten, hun ruig haar en plompe ledematen. Hij zei,
dat ze er zoo woest uitzagen, dat iemand die hen in de oogen keek,
het hart beefde.

Toch was in al zijn schoonheid don Gaetano angstwekkender dan deze
menschen.

Gandolfo wist niet hoe zij het waagden naast hem te zitten op de
bank. Onder zijn saamgetrokken wenkbrauwen schoten vlammende blikken
op zijn medegevangenen, die hun zielen vermoord zouden hebben, als
zij gelijk andere menschen zielen bezeten hadden.

"Wie zijt gij," scheen hij te vragen, "dat ge het waagt op plundering
en moord uit te trekken, terwijl gij de heilige vrijheid aanroept? Weet
gij, wat gij gedaan hebt?

"Weet gij, dat ik nu ter wille van uw list gevangen zit? En dat ik
het ben, die Sicilië gered zou hebben?" En iedere blik, dien hij op
hen wierp, was een terdoodveroordeeling. Zijn blikken vielen op al
die zaken, die de bandieten gestolen hadden en nu op de gerechtstafel
lagen. Hij herkende deze voorwerpen. Zou hij de pendules en zilveren
schalen van het zomerpaleis niet kennen, zou hij de heiligenbeelden
en munten niet kennen, die zij geroofd hadden van zijn Engelsche
beschermster? Maar toen hij deze zaken herkend had, zond hij zijn
medegevangenen een vreeselijken lach toe.

"Gij helden, gij hebt geplunderd bij twee vrouwen," zei deze lach.

Zijn edel gelaat wisselde voortdurend van uitdrukking.

Eens had Gandolfo het plotseling zien samentrekken van schrik. Het
was toen de man, die naast hem zat, een hand had uitgestrekt, die
rood was van bloed.

Had hij toen misschien plotseling een vermoeden van de waarheid
gekregen? Dacht hij er aan, dat deze menschen ingebroken hadden in
het huis, waar zijn geliefden woonden?

Gandolfo vertelde hoe de officieren, die rechters zouden zijn, nu
zwijgend en ernstig binnen waren gekomen en plaats hadden genomen. Toen
hij deze hooge heeren gezien had, was zijn onrust verminderd.

Hij had tot zich zelf gezegd, dat zij wisten, dat Gaetano een voorname
man was en dat zij hem niet zouden veroordeelen. Zij zouden hem niet
verwarren met de bandieten. Niemand kon toch gelooven, dat hij had
willen plunderen bij twee vrouwen.

En zie, toen de rechter Gaetano Alagona opriep, was er geen strengheid
in zijn stem. Hij sprak tot hem als tot een gelijke.

"Maar," zei Gandolfo, "toen nu don Gaetano zich verhief, stond hij zóó,
dat hij op de markt kon zien. En op de markt, op deze zelfde markt,
waar nu zoo vele menschen zitten in vreugde en genot, naderde toen een
lijkstoet. Het waren de witte broeders, die het lijk van de vermoorde
Giannita droegen naar haar moeders huis. Ze liepen met fakkels en
men kon duidelijk de baar zien, die zij op hun schouders droegen.

"Terwijl de stoet langzaam over de markt schreed, kon men het
lijkkleed herkennen dat gespreid was over de doode. Het was het
kleed der Alagona's, versierd met het groote wapen en de rijke
zilverfranjes. Maar toen Gaetano dit zag, begreep hij dat de vermoorde
uit het huis der Alagona's zijn moest.

"Zijn gelaat werd aschgrauw en hij wankelde, alsof hij op het punt
stond te vallen.

"In dit oogenblik vroeg de rechter hem:

"Kent ge de vermoorde?"

En hij antwoordde: "Ja."

Toen vervolgde de rechter, die een barmhartig mensch was: "Stond ze
u na?"

En don Gaetano antwoordde:

"Ik heb haar lief."

Toen Gandolfo zoo ver met zijn verhaal was gekomen zag men dat
donna Micaela haastig oprees, alsof zij hem wilde tegenspreken,
maar cavaliere Palmeri trok haar vlug naast zich.

"Stil, stil," zei hij tot haar.

En ze zat stil met het gelaat tusschen haar handen verborgen. Nu en
dan schokte haar lichaam en jammerde zij zacht.

Maar Gandolfo verhaalde hoe de rechter, toen don Gaetano dit bekend
had, op zijn medegevangenen gewezen en hem gevraagd had:

"Indien ge deze vrouw lief hebt, hoe kunt ge dan in eenige gemeenschap
staan met deze menschen, die haar vermoord hebben?"

Toen had Gaetano zich plotseling tot de bandieten gewend. Hij had zijn
vuist gebald en naar hen opgeheven. En hij had er uitgezien, alsof
hij zich een dolk wenschte om hen één voor één te kunnen neerstooten.

"Met dezen!" had hij uitgeroepen. "Zou ik in eenige gemeenschap staan
met deze menschen?"

Zeker had hij willen zeggen, dat hij niets had te maken met roovers
en moordenaars.

De rechter had mild gelachen en er uitgezien alsof hij slechts op
dit antwoord gewacht had om don Gaetano vrij te spreken.

Maar toen was er een Godswonder geschied.

Gandolfo verhaalde hoe tusschen al de gestolen zaken, die op de
tafel lagen, ook een klein Christusbeeld geweest was. Dat was een
el hoog en rijk versierd met ringen en getooid met een gouden kroon
en gouden schoentjes. Juist op dit oogenblik boog een der officieren
zich voorover en trok het beeld naar zich toe. Terwijl hij dit deed,
viel de kroon op den grond en rolde naar don Gaetano.

Deze nam de Christuskroon, hield die een oogenblik in zijn handen en
beschouwde ze nauwkeurig. Het scheen alsof hij daarop iets gelezen had.

Hij hield de kroon slechts even in zijn handen, op hetzelfde oogenblik
ontnam de soldaat van de wacht hem die.

Donna Micaela zag bijna verschrikt op. Het Christusbeeld! Daar was
het dus reeds. Zou zij spoedig antwoord krijgen op haar bede?

Gandolfo vervolgde: "Maar toen Gaetano nu opkeek, beefden allen als
voor een wonder, want hij was geheel veranderd.

"O, signori, hij was zoo bleek, dat zijn gelaat scheen te lichten en
zijn oogen waren mild en straalden zacht.

"En er was geen toorn meer in hem.

"En hij begon te smeeken voor zijn medegevangenen, hij begon te bidden
voor hun leven.

"Hij smeekte dat zij deze arme menschen niet zouden dooden. Hij bad,
dat de hooge rechters iets voor hen doen zouden, opdat zij eens konden
leven als andere menschen. "Wij hebben slechts dit leven te leven,"
zei hij. "Ons rijk is slechts van deze wereld."

"Hij begon te verhalen hoe deze menschen geleefd hadden. Hij
sprak alsof hij had kunnen lezen in hun ziel. Hij beschreef hun
levensgeschiedenis zoo somber en ongelukkig, als die werkelijk was. Hij
sprak zoo dat enkelen der hooge heeren weenden.

"Zijn woorden klonken sterk en machtig, zoodat het was alsof don
Gaetano rechter was en de rechters misdadigers waren.

"Zie," zei hij tot hen, "wiens schuld is het, dat deze ongelukkige
menschen te gronde gaan? Zijt gij het niet, die de macht bezit, en
hen in uw bescherming moest nemen?" En men zag hoe allen ontstelden
over de verantwoordelijkheid, die hij hun oplegde.

"Maar plotseling viel de rechter hem in de rede.

"Spreek tot uw eigen verdediging, Gaetano Alagona," zei hij. "Spreek
niet voor anderen."

Toen had Gaetano gelachen. "Signor," zei hij, "ik heb niet veel meer
dan gij om mij te verdedigen. Maar ik heb toch iets. Ik heb mijn
werkkring in Engeland verlaten om oproer te maken op Sicilië. Ik
heb wapens meegebracht. Ik heb oproerige taal gesproken. Ik heb iets
ofschoon niet veel."

De rechter had hem bijna gesmeekt:

"Spreek zoo niet, don Gaetano. Denk aan hetgeen gij zegt."

Maar hij had bekentenissen gedaan, die de rechters gedwongen hadden hem
te veroordeelen. Toen men hem zei, dat hij veroordeeld was tot negen
en twintig jaar gevangenisstraf, had hij uitgeroepen: "Nu geschiedt
de wil van haar, wier baar hier zoo juist voorbij gedragen werd. Moge
het mij gaan, zooals zij wilde."

"En meer zag ik niet van hem," zei de kleine Gandolfo, "want de
soldaten van de wacht namen hem in hun midden en voerden hem weg.

"Maar ik, die hem hoorde smeeken voor degenen, die zijn liefste
vermoord hadden, deed mij zelf de gelofte, dat ik iets voor hem
doen zou.

"Ik beloofde een schoone improvisatie over San Sebastiaan te houden,
opdat deze hem zou helpen. Maar dit is mij niet gelukt. Ik ben geen
improvisator, ik kon niet!"

Hij zweeg en wierp zich luid weenend voor het beeld. "Vergeef mij,
dat ik niet kon," riep hij, "en help hem toch. Ge weet, dat ik deze
gelofte deed toen hij veroordeeld werd. Maar nu heb ik niet kunnen
spreken over u en nu zult ge hem niet helpen."

Donna Micaela wist nauwelijks hoe het gegaan was, maar zij en de
kleine Rosalie, die Gandolfo liefhad, waren bijna gelijktijdig bij
hem. Ze trokken hem naar zich toe en kusten hem en zeiden, dat niemand
gesproken had als hij, neen niemand.

Zag hij niet, dat allen weenden? San Sebastiaan was tevreden over
hem. Donna Micaela schoof een ring aan Gandolfo's vinger, rondom hem
wuifde men met veelkleurige zijden doeken, die glinsterden als de
golven der zee in het sterke licht van de domkerk.

"Viva Gaetano, viva Gandolfo!" riep het volk.

En het regende bloemen, vruchten, zijden doeken en sieraden op den
kleinen Gandolfo.

Donna Micaela werd bijna met geweld van hem gerukt. Maar zij dacht
er niet aan bevreesd te zijn.

Zij stond midden in de golvende menschenmassa te weenen. Tranen
stroomden over haar gelaat en zij weende van vreugde, omdat zij weende.

Dat was de hoogste zegening.

Zij wilde weer naar Gandolfo, zij kon hem niet genoeg danken. Hij
had haar immers verteld, dat Gaetano haar liefhad.

Toen hij deze woorden aanhaalde:

"De wil geschiede van haar wier baar hier werd voorbijgedragen,"
had zij plotseling begrepen, dat Gaetano meende, dat zij het was,
die onder het lijkkleed der Alagona's lag.

En van de doode had hij gezegd: "Ik heb haar lief."

Het bloed stroomde opnieuw door haar aderen, haar hart klopte, haar
tranen vloeiden.

"Dit is het leven, het leven," zei ze tot zich zelf, terwijl zij zich
willoos door de volksmassa meevoeren liet.

"Het leven is weer tot mij gekomen, ik zal niet sterven."

Allen wilden naar den kleinen Gandolfo om hem te danken, omdat hij
hun iemand geschonken had om op te hopen, om naar te verlangen, om
lief te hebben in deze dagen van tegenspoed, nu alles verloren scheen.



TWEEDE DEEL.


                                    "De Antichrist zal van land tot land
                                     gaan en den armen brood geven."


I.

DE VROUW VAN EEN GROOT MAN.


Het was in Februari en de amandelboomen begonnen op het zwarte lavaveld
rondom Diamante te bloeien.

Cavaliere Palmeri had een tocht op den Etna gemaakt en een grooten
amandeltak vol knoppen en bloemen meegebracht; dezen had hij in een
vaas in de muziekzaal gezet.

Donna Micaela beschouwde den bloeienden tak. De amandelbloemen waren
dus reeds gekomen! Gedurende een gansche maand, gedurende zes volle
weken zou men ze nu overal vinden.

Zij zouden op het altaar in de kerk staan, zij zouden liggen op de
graven, en zij zouden in het knoopsgat, op den hoed en in het haar
gedragen worden.

Zij zouden bloeien langs den weg, op de bergen en ruïnes, en zij
zouden prijken op het zwarte lavaveld.

En iedere amandelbloem zou haar herinneren aan den dag, toen de
klokken luidden en Gaetano nog vrij en gelukkig was, toen zij droomde
een heel leven met hem te zullen leven.

Het kwam haar voor, dat zij nooit te voren volkomen begrepen had wat
het wilde zeggen, dat hij gevangen en weg was en dat zij hem nooit
meer zou zien.

Zij moest gaan zitten om niet te vallen, haar hart scheen op te houden
met kloppen en zij sloot de oogen.

Terwijl zij daar zoo zat, had ze een visioen.

Opeens bevindt zij zich thuis in het paleis te Catania. Zij zit in de
hooge vestibule te lezen en zij is een vroolijke jonge dame, signorina
Palmeri. Een bediende voert een reizenden koopman tot haar. 't Is een
jonge, mooie man met een takje amandelbloemen in het knoopsgat, op
het hoofd draagt hij een plank vol heiligenbeeldjes, uit hout gesneden.

Zij koopt eenige beeldjes van hem, onderwijl verslindt de jonge man
met zijn oogen alle kunstwerken in de vestibule. Zij vraagt hem of
hij hun verzameling wil zien. Ja, dat wil hij gaarne. En zij gaat
zelf met hem mee om hem alles te toonen. En hij is zoo gelukkig door
hetgeen hij ziet, dat zij denkt dat hij een kunstenaar moest worden
en zij doet zich zelf de gelofte, dat zij hem niet zal vergeten.

Zij vraagt hem waar hij thuis behoort.

Hij antwoordt: "In Diamante."

"Is dat ver weg?"

"Vier uur met den postwagen."

"En met den trein?"

"Er bestaat geen spoorweg naar Diamante, signorina."

"Ge moest er een aanleggen."

"Wij, wij zijn te arm. Vraag den rijken menschen in Catania of zij
voor ons een spoorweg willen aanleggen."

Nadat hij dit gezegd had, wil hij gaan, maar in de deur wendt hij
zich om en komt terug om haar zijn amandelbloemen te geven. Dat is
tot dank voor al het schoone, dat zij hem heeft laten zien.--

Toen donna Micaela de oogen opende, wist zij niet of zij gedroomd
had of dat zoo iets misschien werkelijk eens gebeurd was. Gaetano
kon immers heel goed eens in het palazzo Palmeri geweest zijn om zijn
beelden te verkoopen, ofschoon zij het vergeten was; maar nu hadden
de amandelbloemen dat voorval weer in haar geheugen geroepen.

Maar dit was hetzelfde. De hoofdzaak was, dat de jonge houtsnijder
Gaetano was. Het was als had zij met hem gesproken. Zij meende te
hooren hoe de deur achter hem dichtviel. En na dezen droom rijpte het
plan in haar, dat zij een spoorweg moest aanleggen tusschen Catania
en Diamante.

Gaetano was zeker tot haar gekomen om haar te verzoeken dit te
doen. Het was een bevel van hem en zij voelde, dat zij hem moest
gehoorzamen. Zij deed volstrekt geen poging om zich te verzetten. Zij
was overtuigd dat Diamante meer behoefte had aan een spoorweg dan aan
iets anders. Zij had Gaetano eens hooren zeggen, dat indien Diamante
slechts een spoorweg bezat, zoodat het zijn oranjeappelen, zijn wijn,
honing en amandelen kon vervoeren, en de vreemdelingen het gemakkelijk
konden bereiken, het spoedig een rijke stad zou zijn.

Zij was ook vast overtuigd, dat zij een spoorweg tot stand zou
kunnen brengen. Zij moest het in elk geval beproeven. Het viel haar
geen oogenblik in, dat zij het kon laten. Als Gaetano het wenschte,
moest zij gehoorzamen.

Zij dacht er over na hoeveel geld zij zelf daarvoor zou kunnen
afstaan. Maar daarmee zou zij wel niet ver komen. Het eerste, dat
zij doen moest, was trachten geld te krijgen. Nog in hetzelfde uur
was zij bij donna Elisa en riep haar hulp in om een bazaar te regelen.

Donna Elisa hief haar oogen op van haar borduurwerk. "Waarvoor wilt
ge een bazaar houden?"

"Ik wil geld verzamelen voor een spoorweg."

"Dat is juist iets voor u, donna Micaela, daar zou niemand anders
aan gedacht hebben."

"Hoe, donna Elisa? Wat meent gij?"

"O niets."

En donna Elisa ging weer aan haar borduurwerk.

"Gij wilt mij dus niet helpen met mijn bazaar?"

"Neen."

"En gij wilt geen kleine bijdrage daarvoor afstaan?"

"Zij, die zoo kort geleden haar man verloren heeft," antwoordde donna
Elisa, "moest niet aan dergelijke grapjes denken."

Donna Micaela begreep, dat donna Elisa boos op haar was om een of
andere reden en dat zij haar daarom niet wilde helpen.

Maar er zouden wel andere menschen te vinden zijn die begrijpen zouden,
dat dit heerlijke plan Diamante zou redden.

Maar donna Micaela moest tevergeefs van deur tot deur gaan. En al
sprak en smeekte zij nog zoo veel, zij kreeg geen aanhangers.

Zij trachtte de menschen te overtuigen, zij wendde al haar
welsprekendheid aan om hun het plan te verklaren.

Maar er was niemand, die op haar voorstel wilde ingaan. Waar zij kwam,
antwoordde men haar, dat men te arm was, te arm.

De vrouw van den sindaco wilde niet, dat haar dochters op den
bazaar zouden helpen verkoopen. Don Antonio Greco, de eigenaar
van het marionetten-theater, wilde niet komen met zijn poppen. De
stadsmuzikanten wilden niet spelen. Geen koopman wilde goederen
afstaan. En als donna Micaela heengegaan was, lachte men haar uit.

Een spoorweg, een spoorweg! Zij wist niet, wat zij wilde. Daarvoor
waren statuten, een maatschappij, aandeelen en een concessie
noodig. Hoe zou een vrouw dat alles kunnen regelen?

Maar anderen vergenoegden zich niet met donna Micaela uit te lachen,
sommigen werden boos op haar.

Zij ging naar den donkeren winkel naast het klooster der Benedictijnen,
waar meester Pamphilio zijn ridderromans vertelde. Zij kwam om hem te
vragen of hij op haar bazaar wilde komen om het publiek te onderhouden,
met Karel den Grooten en zijn paladijnen; maar daar hij midden in
een verhaal was, moest zij wachten.

Toen sloeg zij donna Concetta gade, meester Pamphilio's echtgenoote,
die op de estrade aan zijn voeten zat te breien.

Zoo lang meester Pamphilio sprak, bewogen donna Concetta's lippen
zich. Zij had zijn romans zoo dikwijls gehoord, dat zij die van
buiten kende en de woorden zei, vóórdat ze over meester Pamphilio's
lippen kwamen. Maar het was voor haar altijd nog hetzelfde genot hem
te hooren verhalen, en zij weende en lachte, zooals zij gedaan had,
toen zij hem voor de eerste maal had hooren vertellen.

Meester Pamphilio was een oude man, die zeer veel gesproken had in
zijn leven, zoodat zijn stem hem in den steek liet, als hij aan
de groote oorlogstooneelen kwam, die met luide en krachtige stem
verhaald moesten worden. Maar donna Concetta, die iederen roman van
buiten kende, ontnam meester Pamphilio nooit het woord. Zij gaf den
toehoorders een teeken dat zij moesten wachten tot zijn stem terugkwam.

Als echter zijn geheugen hem ontrouw werd, deed donna Concetta, alsof
ze een steek liet vallen; dan bracht zij haar kous bij de oogen en
daarachter wierp zij hem het woord toe, zoodat niemand het kon merken.

En allen wisten, dat hoewel donna Concetta de romans misschien mooier
had kunnen verhalen dan meester Pamphilio, zij dat nooit zou willen
doen. Niet slechts omdat dit onpassend was voor een vrouw, maar
ook omdat dit haar nooit zulk een genot kon zijn als haar geliefden
meester Pamphilio te hooren vertellen.

Toen donna Micaela zoo keek naar donna Concetta, verzonk zij in
droomen. O, zoo te zitten onder de estrade, waar de geliefde spreekt,
zoo daar te zitten dag uit en dag in om hem te aanbidden. Zij wist,
wie dat gaarne zou willen! Maar toen meester Pamphilio zijn verhaal
geëindigd had, ging donna Micaela naar hem toe en verzocht hem of
hij haar wilde helpen. 't Viel hem moeielijk neen te zeggen op de
duizenden smeekbeden, die in haar oogen geschreven stonden.

Donna Concetta kwam hem te hulp. "Meester Pamphilio," zei zij,
"verhaal donna Micaela van Guglielmo den Slechten."

En meester Pamphilio vertelde:

"Donna Micaela, weet ge, dat er eens een koning in Sicilië heerschte,
die Guglielmo de Slechte heette?

"Hij was zoo gierig, dat hij zijn onderdanen al hun geld ontnam. Hij
beval dat allen die gouden munten bezaten, hem die moesten afstaan. En
hij was zoo slecht, dat allen hem moesten gehoorzamen.

"Nu, donna Micaela, wilde Guglielmo de Slechte weten of iemand nog
gouden munten in zijn huis verborgen had. En daarom zond hij een
zijner dienaren met een schoon paard door de corso in Palermo. En de
man bood het paard te koop aan en riep luid:

"Te koop voor een gouden munt! te koop voor een gouden munt!"

"Maar er was niemand, die het paard kon koopen.

"Doch het was een zeer schoon paard en een jonge heer in Palermo,
de hertog Montefiascone, was opgetogen daarover.

"Er bestaat voor mij geen vreugde op deze aarde meer indien ik dit
paard niet kan koopen," zei hij tot zijn hofmeester.

"Signor duca," antwoordde de hofmeester, "ik kan u zeggen, waar gij
een gouden munt kunt vinden. Toen uw heer vader stierf en door de
Kapucijners werd weggehaald, legde ik volgens oud gebruik een gouden
munt in zijn mond. Die kunt ge immers nemen, signor."

"Want ge moet weten, donna Micaela, dat men in Palermo zijn dooden
niet in den grond begraaft. Men brengt hen naar het klooster der
Kapucijnen, waar de monniken hen in hun grafkamers hangen.

"O, hoe velen hangen daar! Zoo vele dames gekleed in zijde en satijn,
zoo vele hooge heeren met ridderorden op hun uniform, en zoo vele
priesters met pij en kalotje op het doodshoofd en over het geraamte.

"De jonge hertog volgde den raad. Hij begaf zich naar het klooster
der Kapucijnen en nam de gouden munt uit zijns vaders mond en kocht
het paard daarvoor.

"Maar gij begrijpt, dat de koning slechts zijn dienaar met het paard
uitgezonden had om te weten te komen of nog iemand geld bezat. En nu
werd de hertog voor den koning gevoerd.

"Hoe komt het, dat gij nog eene gouden munt bezit?" zei Guglielmo
de Slechte.

"Sire, die was niet van mij, maar van mijn vader." En hij verhaalde
vanwaar hij de munt gekregen had.

"'t Is waar ook," zei de koning. "Ik had vergeten, dat de dooden nog
geld bezitten."

"En hij zond zijn dienaar naar de Kapucijners om alle munten uit den
mond der dooden te nemen."

Hier eindigde de oude meester Pamphilio zijn verhaal. En nu wendde
donna Concetta zich met van toorn fonkelende oogen naar donna Micaela.

"Gij zijt het die met het paard uitgaat," zei zij.

"Ben ik dat? ik?"

"Ja, gij donna Micaela. Nu zal de regeering zeggen: "Zij leggen een
spoorweg aan in Diamante. De menschen daar zijn dus rijk." En men
zal onze belastingen verhoogen. En God weet, dat wij de belastingen,
die ons reeds zijn opgelegd, niet kunnen betalen, zelfs indien wij
onze voorvaderen plunderden."

Donna Micaela wilde haar kalmeeren.

"Zij hebben u uitgezonden om te vernemen of wij nog geld bezitten. Gij
zijt een spion der rijken, gij wordt betaald door de regeering. Die
bloedzuigers in Rome hebben u betaald."

Donna Micaela wendde zich van haar af.

"Ik kwam om met u te spreken, meester Pamphilio," zei zij tot den
grijsaard.

"Maar ik ben het, die u antwoorden zal," viel donna Concetta haar in
de reden, "want het is een onaangename zaak, en die moet ik op mij
nemen. Ik weet, wat de vrouw van een groot man past, donna Micaela."

Donna Concetta zweeg, want de voorname dame keek haar aan met een blik,
zoo vol afgunstig verlangen, dat zij medelijden met haar gevoelde. God
ja, er bestond ook verschil tusschen mannen, don Ferrante of meester
Pamphilio!



II.

PANEM ET CIRCENSES.


In Diamante wijst men den vreemdelingen twee paleizen, die op het
punt staan tot ruïnes te vervallen, zonder ooit voltooid geweest te
zijn. Zij hebben groote vensteropeningen zonder ramen, hooge muren
zonder dak en groote poorten, die met planken en stroo gesloten zijn.

Die twee paleizen liggen tegenover elkaar aan beide zijden der straat,
beide even onvoltooid en even vervallen. Rondom hen staan geen andere
gebouwen en geen mensch kan er in komen. Zij schijnen slechts gebouwd
te zijn voor de duiven. Hoor nu, wat men daarvan vertelt:

Wat is een vrouw, o signori? Haar voet is zoo klein, dat zij over de
wereld gaat zonder een spoor achter te laten. Voor den man is zij
gelijk zijn schaduw. Zij heeft hem gevolgd gedurende zijn gansche
leven, zonder dat hij haar opgemerkt heeft.

Men kan niet veel verlangen van een vrouw. Zij moet immers den geheelen
dag opgesloten zitten als een gevangene. Zij kan niet eens leeren
een minnebrief goed te spellen. Zij kan niets tot stand brengen,
dat duurzaamheid bezit.

Als zij gestorven is, valt er niets op haar grafsteen te
vermelden. Alle vrouwen zijn van gelijke hoogte.

Maar eens kwam in Diamante een vrouw, die zoo hoog boven alle andere
uitstak, als de honderdjarige palm zich verheft boven het grasveld.

Zij bezat lira bij duizenden en kon die wegschenken of behouden,
gelijk zij verkoos. Zij ging voor niemand uit den weg. Zij vreesde
niet gehaat te worden. Zij was het grootste wonder, dat de oogen ooit
aanschouwd hadden.

't Spreekt immers vanzelf dat zij geen Siciliaansche vrouw was. Zij was
een Engelsche. En het eerste, dat zij deed toen zij in Diamante kwam,
was de geheele eerste verdieping van het hotel alleen voor haar zelf
te huren. Wat was dat voor haar? Gansch Diamante was haar niet groot
genoeg. Maar zoodra zij daar was, begon zij over de stad te heerschen
als een koningin.

De sindaco moest haar gehoorzamen. Was zij het niet, die hem dwong
steenen banken op de markt te plaatsen? Was het niet op haar bevel,
dat de straten der stad iederen dag geveegd werden?

Als zij 's morgens ontwaakte, stonden alle jonge mannen van Diamante
voor haar deur te wachten om haar te vergezellen op een uitstapje. Zij
hadden de schoenmakersleest en de schaafbank verlaten om haar als
gids te dienen. Zij hadden hun moeders zijden kleed verkocht om een
dameszadel voor hun ezel te koopen, waarop zij kon rijden naar het
kasteel of naar 'Tre Castagni. Zij hadden zich ontdaan van huis en
haard om een paard en wagen te koopen, opdat zij haar naar Randozzo
of Nicolosi konden rijden.

En allen waren zij haar slaven. De kinderen begonnen in het Engelsch
te bedelen en de blinde vrouwtjes bij de hotelpoort, donna Pepa en
donna Tura, drapeerden zich in witte doeken om haar te behagen!

Alles bewoog zich om haar; handwerk en nijverheid bloeiden
op rondom haar. Zij, die niets anders doen konden, groeven in
den grond naar munten en leemen kruiken om haar die te kunnen
aanbieden. Photografen vestigden zich in de stad en begonnen voor
haar te werken. Koraalhandelaars en kooplieden in schildpad schoten
rondom haar op uit de aarde. De priesters van Santa Agnese groeven
om harentwille het oude Dionysius-theater op dat achter hun kerk
lag. En elk die een vervallen villa bezat, groef uit de duisternis
der kelders overblijfselen op van een mozaïekvloer en noodigde haar
uit deze te komen zien.

Wel waren er ook vroeger vreemdelingen geweest in Diamante, maar zij
waren gekomen en gegaan en niemand had zulk een macht bezeten als
zij. Spoedig was er geen enkele man in de stad, die niet al zijn hoop
op de Engelsche signorina vestigde.

Haar gelukte het zelfs een weinig leven te brengen in Ugo Favara. Gij
weet wel, Ugo Favara, den advocaat, die eens een groot man beloofde te
worden, maar tegenspoed had en thuis kwam als een gebroken man. Zij
gebruikte hem om haar zaken te beheeren. Zij had hem noodig en zij
nam hem.

Er is nooit een vrouw in Diamante geweest, die zulke zaken deed als
zij. Zij breidde zich uit gelijk de brem in de lente. Den eenen dag
weet nog niemand, dat zij er is en den volgenden dag is zij reeds
een groote struik. Spoedig wist men niet waarheen men zou gaan in
Diamante om niet op de velden der Engelsche signorina te loopen. Ze
kocht landgoederen en huizen in de stad, zij kocht amandelbosschen
en lavastroomen. De schoone plekjes, vanwaar men uitzicht genoot op
den Etna, waren haar eigendom en eveneens de drassige grond van het
dal. En in de stad begon zij twee groote paleizen te bouwen. 't Was
daarin, dat zij wonen en over haar koninkrijk heerschen wilde.

Nooit zal men weer een vrouw als zij vinden.

Dat alles was haar nog niet genoeg. Zij wilde ook den strijd aanbinden
tegen de armoede. O, signori, tegen de Siciliaansche armoede! Wat
gaf zij niet iederen dag weg! en wat deelde zij niet uit op feestdagen!

Wagens, getrokken door twee paar ossen, gingen naar Catania en
kwamen terug hoog beladen met allerlei kleedingstukken. Zij had zich
voorgenomen dat een ieder heele kleeren zou dragen in de stad, waar
zij regeerde.

Maar hoor nu, hoe het haar ging, hoe het eindigde met den strijd
tegen de armoede, met het koninkrijk en de paleizen.

Zij gaf een feestmaal aan de armen in Diamante en na den maaltijd
een tooneelspel in het Grieksche theater. Dat was hetgeen een der
oude keizers gedaan zou hebben.

Maar wie heeft ooit gehoord, dat een vrouw op dergelijke gedachten
kwam!

Zij noodigde alle armen uit. Daar waren de twee blinde vrouwen van
de hotelpoort en de oude Assunta van de domtrap. Daar was de man van
het postkantoor die zijn kin bedekt had met een rooden doek om zijn
gelaatskanker te verbergen en dan was er de idioot, die de ijzeren
deuren van het Grieksche theater openschuift.

Alle ezeldrijvers waren er, ook de beide broeders zonder handen,
die in hun jeugd een bom hadden laten ontploffen en toen alle vingers
hadden verloren; en dan was er de invalide met het houten been en de
oude stoelenmatter, die te oud was geworden om te werken.

Het was wonderlijk hen allen uit hun holen te voorschijn te zien
kruipen, al deze armen van Diamante. Oude vrouwtjes die haar gansche
leven hadden zitten spinnen in donkere steegjes, waren op 't feest
en ook de positiefspeler, die een instrument heeft, zoo groot als
een kerkorgel, en een jonge, rondtrekkende mandolinista van Napels,
met zijn hoofd vol alle mogelijke dolle streken. Al de ooglijders
en ouden van dagen, die geen dak boven hun hoofd hadden, en zij die
wortelen aan den wegkant zochten voor het middagmaal, de steenhouwer
die een lire per dag verdiende en zes kinderen had om te verzorgen,
allen waren zij uitgenoodigd en aanwezig op het feest.

De armoede zond haar troepen uit tegen de Engelsche signorina. Wie
bezit zulk een leger als de armoede? Maar eens gelukte het de Engelsche
signorina haar te overwinnen.

Zij had ook iets om mee te strijden en te overwinnen. De geheele markt
stond vol gedekte tafels. En zij had wijnvaten laten stapelen langs
de steenen bank, die langs den geheelen muur der domkerk loopt. Zij
had het uitgestorven nonnenklooster herschapen in een provisiekamer en
keuken. Ze had de geheele vreemdelingenkolonie in Diamante, gekleed in
witte boezelaars, om de spijzen rond te deelen. En als toeschouwers bij
haar feestmaal had zij heel Diamante dat pleegt zich verzadigd te eten.

Toeschouwers! wie had zij niet tot toeschouwers! Den grooten Etna,
de stralende zon, den rooden berg en den ouden Vulcanitempel, die nu
aan San Pasquale gewijd was.

En geen van alle had nog ooit een verzadigd Diamante aanschouwd. Geen
van hen alle had er vóór dit oogenblik aan gedacht hoezeer het
hun eigen schoonheid zou verhoogen, indien men hen kon beschouwen,
zonder dat de honger den menschen in de ooren siste en hen op de
hielen volgde.

Maar let nu op één ding! Hoe merkwaardig en groot deze signorina
ook was, schoon was zij niet. En trots al de macht, die zij bezat,
was zij niet vriendelijk of innemend. Zij regeerde niet met scherts,
zij beloonde niet met een glimlach. Zij had een zwaar, plomp lichaam
en een zwaar, plomp gemoed.

Maar dezen dag, dat zij eten gaf aan al de armen, werd zij een geheel
ander mensch.

Er woont een ridderlijk volk op het eiland Sicilië. Van al deze armen
liet geen enkele haar voelen, dat zij liefdadigheid uitoefende. Zij
aanbaden haar, maar zij aanbaden haar als vrouw. Zij namen plaats
aan haar tafel als bij een gelijke. Zij behandelden haar, zooals een
gastvrouw door haar gasten behandeld wordt. Heden doe ik u de eer
bij u te komen, morgen doet ge mij de eer bij mij te komen. Zoo en
niets anders was het!

Zij stond op de hooge trap van het raadhuis en zag neer op de
menigte. En toen men het glas volschonk van den ouden stoelenmatter,
die aan 't boveneinde der tafel zat, richtte hij zich op, boog voor
haar en zei:

"Ik drink op uw welzijn, signorina."

Zoo deden allen. Zij legden de hand op het hart en bogen voor
haar. Het was misschien goed voor haar geweest, indien zij zulk een
ridderlijkheid vroeger in haar leven ontmoet had. Waarom hadden de
mannen in haar vaderland haar doen vergeten, dat de vrouwen bestaan
om te worden aangebeden?

Hier zagen allen er uit of ze gloeiden van een stille vereering. Zoo
worden de vrouwen behandeld op het edele eiland. Wat gaven zij haar
niet terug voor de spijzen en den wijn, die zij hun schonk! Zij gaven
haar en jeugd en vroolijkheid, en de eer om navolgenswaardig te zijn.

Ze hielden toespraken tot haar.

"Edele signorina, gij die over de wijde zee gekomen zijt, gij die
Sicilië bemint"--en zoo voort, en zoo voort.

En zij toonde, dat zij kon blozen, zij schaamde zich niet langer,
dat zij glimlachen kon.

Toen zij gesproken hadden, begon het te beven om den mond der
Engelsche signorina. Zij werd twintig jaar jonger. Dat was hetgeen
zij noodig had.

Op het feest was ook de ezeldrijver, die de Engelsche dames naar
Tre Castagni pleegt te geleiden, en die altijd verliefd op haar
was, vóórdat hij van haar scheidde. Nu viel zijn oog op de groote
weldoenster.

Niet alleen een slank, fijn lichaam en een zachte gelaatstint zijn
waard aangebeden te worden, maar ook sterkte en kracht.

De ezeldrijver liet plotseling mes en vork vallen, leunde met
de ellebogen op de tafel en bleef zoo zitten om naar haar te
kijken. En gelijk hij, deden al de andere ezeldrijvers. Het ging
als een besmetting rond. Het werd rondom de Engelsche signorina
heet van gloeiende blikken. Het waren niet alleen de armen die haar
aanbaden. De advocaat Ugo Favara kwam bij haar en fluisterde haar in
het oor, dat zij een voorzienigheid was voor zijn arm land en voor hem.

"Indien ik slechts vroeger een vrouw gelijk u getroffen had," zei hij.

"Denk u een ouden vogel, die lange jaren in een kooi was opgesloten
en ruig geworden is en den glans zijner veeren verloren heeft. En
plotseling komt er iemand, die hem streelt en den glans opnieuw te
voorschijn roept. Stel u dat voor, signorina!"

En dan was er ook die knaap van Napels. Hij haalde zijn mandoline te
voorschijn en begon te zingen. Gij weet, hoe hij pleegt te zingen,
hoe hij gewoonlijk zijn grooten mond vertrekt en leelijke woorden
zegt. Dikwijls gelijkt hij op een spottend masker. Maar hebt gij
gezien dat hij een engel in zijn oogen heeft?

Een engel, die schijnt te weenen over zijn val en vervuld is van een
goddelijken waanzin. En dezen avond was hij slechts engel. Hij hief het
hoofd op als een door God geïnspireerde dichter, zijn gebogen lichaam
werd veerkrachtig en richtte zich op in trotsche levensvreugde. Er
kwam kleur op zijn doodsbleeke wangen. En hij zong, hij zong, zoo dat
men de tonen als vuurvliegen van zijn lippen zag zweven om de lucht
met hun gejubel en gedans te vervullen.

Toen het nacht werd trokken allen naar het Grieksche theater. Dat
was het glanspunt van het feest. En wat had de gastvrouw daar haar
gasten aan te bieden?

Daar was de Russische zangeres en de Duitsche variété-kunstenaar,
de Engelsche clowns en de Amerikaansche goochelaar. Maar wat was dit
alles vergeleken met den zilverwitten maneschijn, met de plaats en al
haar herinneringen! Het was alsof de armen zich voelden als Grieken
en cultuurdragers, toen zij zich neervlijden op de rotsbanken van hun
eigen oud theater, en tusschen de bouwvallige zuilen van het tooneel
het schoone panorama aanschouwden.

De armen zijn niet spaarzaam, ze deelen mild van de vreugde, die ze
krijgen. Ze waren niet zuinig met de toejuichingen, ze waren uitbundig
in hun handgeklap. Zij die op het tooneel optraden, vertrokken met
een schat van lof.

Toen spoorde iemand de Engelsche signorina aan om ook op te treden. Al
deze vereering gold immers haar. Zij moest eens oog in oog met haar
gasten staan. En zij zeiden haar hoe bijval bedwelmt, hoe die vervoert
en bezielt.

Dit voorstel behaagde haar, en zij volgde dezen raad onmiddellijk.

Zij had in haar jeugd dikwijls gezongen en de Engelschen zijn nooit
afkeerig om te zingen. Anders zou zij het zeker niet gedaan hebben,
maar nu was zij goed geluimd, en nu wilde zij zingen voor hen, die
haar liefhadden.

Zij trad het laatst van allen op.

Stel u nu eens voor wat het is op zulk een oud tooneel op te
treden! Daar was het dat Antigone levend begraven was en Iphegenie
geofferd had. Maar de Engelsche signorina trad slechts op om gehuldigd
te worden.

Een storm van bijval barstte los, zoodra zij zich vertoonde. Men
wilde den grond verpletteren om haar te huldigen.

Het was een trotsch oogenblik. Zij stond daar met den Etna tot
achtergrond en de Middellandsche zee tot zijcoulisse. Voor haar op
de met mos begroeide banken strekte zich de overwonnen armoede uit
en zij voelde, dat geheel Diamante aan haar voeten lag.

Ze koos Bellini, hun eigen Bellini. Zij ook wilde beminnelijk zijn
en daarom zong zij een lied van Bellini, die geboren is aan den voet
van den Etna, Bellini, dien zij vanbuiten kenden, noot voor noot.

Natuurlijk, o signora, natuurlijk kon zij niet zingen. Zij was alleen
op het tooneel gekomen om zich te laten huldigen. Zij was opgetreden,
opdat de volksliefde zich uiten kon. Maar nu zong zij valsch en
zwak. En de menschen kenden elken toon.

Het was de mandolinista van Napels, die het eerst met zijn geheele
gezicht lachte en een toon nazong even valsch als de Engelsche
signorina. Later was het de man met kanker in 't gezicht, die zoo
lachte, dat zijn verband afviel. Daarna begon een ezeldrijver in de
handen te klappen, en volgden de anderen zijn voorbeeld. Het was een
krankzinnige daad maar dat begrepen zij niet.

Men kon toch op den grond der oude Grieken geen barbaren dulden,
die valsch zingen.

Donna Pepa en donna Tura lachten, zooals zij nog nooit in haar leven
gedaan hadden.

Geen enkele zuivere toon! Bij de Madonna en San Pasquale, geen enkele
zuivere toon!

Ééns in hun leven waren zij verzadigd. Het stond nu eenmaal geschreven,
dat er waanzin en razernij over hen zou zijn dien avond. En waarom
zouden zij niet lachen? Men had hun toch zeker geen eten gegeven om
hun ooren te pijnigen met vijl en zaag?

Mochten zij zich niet verdedigen door te lachen, moesten zij haar niet
nadoen, sissen en fluiten? Mochten zij zich niet achteroverwerpen om
in een daverend gelach uit te barsten?

Ze waren toch zeker geen slaven der Engelsche signorina!

Het kwam overweldigend voor haar. 't Kwam al te overweldigend
onverwacht, dan dat zij het zou kunnen begrijpen.

Floten zij haar uit? Het was zeker om iets daar beneden, om iets dat
zij niet zien kon.

Zij zong de aria ten einde. Zij was overtuigd, dat dit lachen iets was,
dat haar niet aanging.

Toen zij eindigde, stortte er een stroom van twijfelachtigen bijval
op haar neer. Die was zóó, dat zij eindelijk alles begreep. Fakkels
en maneschijn verlichtten den nacht, zoodat zij de menschenmassa kon
zien schudden van 't lachen.

Zij hoorde den hoon en spot, nu zij niet meer zong. Die gold haar. Toen
vluchtte zij van het tooneel, en het was alsof de groote Etna schudde
van 't lachen en de zee glinsterde van pret.

Maar het werd al erger en erger. Ze hadden zoo gelachen, de armen, zoo
gelachen als nooit tevoren, en zij wilden haar nog éénmaal hooren. Zij
riepen haar terug. "Bravo! Bis! Da capo!" Zulk een genoegen konden
zij zich niet laten ontgaan.

En zij, de Engelsche signorina, zij was bijna bewusteloos.

Een storm verhief zich rondom haar. Het volk schreeuwde, brulde om
haar te dwingen weer op het tooneel te verschijnen. Zij zag hoe zij
de armen ophieven om haar te dreigen; opeens was het tooneel veranderd
in een oud circus, zij werd naar binnen gesleurd om door wilde dieren
verslonden te worden.

En de razernij steeg en steeg. De anderen, die opgetreden waren,
werden bevreesd en smeekten haar toe te geven. En zij zelf werd ook
bang, het was alsof men haar wilde vermoorden, indien zij niet toegaf.

Zij sleepte zich naar het tooneel en stond oog in oog met de tierende
volksmassa. Voor haar was er geen verschooning. Zij moest zingen,
omdat allen lachen wilden. Dat was het ergste. Zij zong, omdat zij
bang was voor hen en niet den moed had het hun te weigeren. Zij was
een weerlooze vreemdelinge en zij had niemand, die haar beschermde
en zij was bang.

En zij lachten en lachten!

Gedurende de geheele aria hoorde men niets anders dan geschreeuw,
gesis, gelach en gefluit. Niemand had medelijden met haar. Het was
misschien de eerste maal in haar leven, dat zij voelde, dat zij
behoefte had aan iemand, die barmhartig jegens haar was....

Den volgenden dag wilde zij vertrekken. Zij kon het niet langer
uithouden in Diamante. Maar toen zij dit zeide tegen advocaat Favara,
bezwoer hij haar om zijnentwille te blijven en hij vroeg haar zijn
vrouw te worden.

Hij had het rechte oogenblik gekozen. Zij nam zijn aanzoek aan en
trouwde met hem.

Maar na dien tijd bouwde zij niet meer aan haar paleizen, zij streed
niet meer tegen de armoede, zij wilde niet meer koningin van Diamante
zijn.

Zoudt gij het willen gelooven? Zij vertoonde zich nooit meer op straat,
maar leefde binnenshuis als een Siciliaansche.

Haar klein huis lag verborgen achter een hooge schutting en van haar
zelf merkte men niets.

Men wist slechts, dat zij geheel was veranderd; maar men wist niet
of zij gelukkig of ongelukkig was, en of zij zich opsloot omdat zij
de menschen haatte, dan of zij wilde zijn zooals een Siciliaansche
huisvrouw behoort te zijn.

Maar eindigt het op deze wijze niet altijd met vrouwen? Als zij
paleizen bouwen, komen zij nooit klaar. Vrouwen kunnen niets tot
stand brengen, dat duurzaamheid bezit.



III.

DE VERWORPELING.


Toen donna Micaela hoorde hoe de armen miss Tottenham uitgelachen
hadden, haastte zij zich naar het hotel om haar leedwezen daarover
te betuigen.

Zij wilde miss Tottenham smeeken deze stakkers niet te beoordeelen
naar hetgeen zij gedaan hadden, toen zij opgewonden waren van vreugde
en wijn. Zij wilde haar smeeken toch niet haar hand af te trekken van
Diamante. Zelf hield zij niet veel van miss Tottenham, maar terwille
van de armen----Zij wilde al het mogelijke doen om haar over te halen
te blijven.

Toen zij naar het hotel Etna ging, zag zij dat de geheele straat vol
reiswagens stond. Er was dus geen hoop meer. De groote weldoenster
zou vertrekken.

In het hotel heerschte veel droefheid en berouw. De twee blinden,
donna Pepa en donna Tura, die vroeger altijd op de binnenplaats van
het hotel zaten, waren nu buitengesloten en lagen op haar knieën voor
de poort. En de jonge ezeldrijver, die verliefd was op alle Engelsche
signorina's, stond met zijn gezicht tegen den muur te weenen.

Maar in het hotel liep de waard op en neer in de lange gang en hij
was vertoornd op de Voorzienigheid, die hem dit ongeluk toevoegde.

"Signor Dio," mompelde hij, "ik ben geruïneerd. Als gij dit laat
geschieden, neem ik mijn vrouw bij de hand en mijn kinderen op den
arm en werp mij in den Etna."

De waardin was zeer bleek en ootmoedig. Zij waagde het nauwelijks
haar oogen van den grond op te heffen. Zij had wel op haar knieën
willen kruipen om de rijke signorina te bewegen toch te blijven.

"Wilt ge met haar spreken, donna Micaela?" zei ze. "Moge God u kracht
schenken om met haar te spreken! Ach, zeg haar, dat die knaap van
Napels, die de schuld is van het geheele ongeluk, reeds uit de stad
verbannen is. Zeg haar, dat allen boete willen doen. O, spreek met
haar, signora!"

Zij voerde donna Micaela naar de ontvangkamer der Engelsche en ging
met haar kaartje naar het salon. Zij kwam dadelijk terug en verzocht
donna Micaela een paar minuten te willen wachten. Signorina Tottenham
sprak met signor Favara over zaken.

Maar dit was juist het oogenblik dat advocaat Favara aanzoek deed om
de hand van miss Tottenham, en terwijl donna Micaela wachtte, hoorde
zij hem duidelijk zeggen: "Gij moogt niet vertrekken, signorina! Wat
zal er van mij worden, indien gij vertrekt! Ik heb u lief, ik kan
u niet laten vertrekken. Ik zou het niet gewaagd hebben te spreken,
indien ge niet gedreigd hadt te vertrekken. Maar nu------" Hier daalde
zijn stem, maar donna Micaela wilde niets meer hooren, zij verwijderde
zich snel. Zij begreep dat zij hier overbodig was. Indien het signor
Favara niet gelukte de groote weldoenster in Diamante te doen blijven,
zou niemand dat kunnen.

Toen zij weer door de poort ging, stond de waard te twisten met den
ouden Franciscaner, fra Felice. En hij was zoo opgewonden, dat hij
niet slechts twistte met fra Felice, maar hem ook uit zijn huis joeg.

"Fra Felice," riep hij, "gij komt hier om ruzie te maken met de groote
weldoenster. Gij wilt haar nog meer opwinden.

"Ga weg, zeg ik u. Gij wolf, gij menscheneter, ga weg!"

Fra Felice was even vertoornd als de waard, en wilde hem op zij
duwen. Maar toen nam deze hem bij den arm en zette hem de deur uit.

Fra Felice was een man, die een groote gave van zijn Schepper had
ontvangen. Op Sicilië, waar iedereen in de loterij speelt, worden
menschen gevonden, die de gave bezitten te voorspellen welke nummers
bij de volgende trekking uit zullen komen. Degene, die de gave der
helderziendheid ontvangen heeft, wordt polacco genoemd, en men vindt
hen het meest onder de oude bedelmonniken. En zulk een monnik was fra
Felice. Hij was de grootste polacco van den Etna. En daar een ieder
gaarne wilde, dat hij hem zou zeggen op welk lot een prijs zou vallen,
werd fra Felice met veel eerbied behandeld. Hij was niet gewoon,
dat men hem bij den arm nam en op straat zette; neen, dat was fra
Felice zeker niet gewoon.

Hij was ongeveer tachtig jaar en geheel verdroogd en
verschrompeld. Toen hij tusschen de wagens wankelde, struikelde hij,
trapte op zijn pij en stond op het punt te vallen. Maar geen van
de ezeldrijvers of koetsiers, die bij de poort stonden te klagen,
hadden heden tijd om aan fra Felice te denken.

De grijsaard waggelde heen en weer in zijn wijde duffel pij. Hij
was zoo klein en mager, dat er meer kracht in de pij dan in den
monnik scheen te zijn. Het leek alsof de pij den ouden fra Felice
staande hield.

Donna Micaela ging naar hem toe en schoof zacht den arm van den
grijsaard in den hare. Zij kon het niet aanzien, dat hij stiet tegen
een lantaarn en struikelde over een drempel. Maar fra Felice merkte
niet eens dat zij hem steunde. Hij liep daar in zich zelf te mompelen
en te vloeken en meende dat hij even eenzaam was, alsof hij in zijn
cel zat. Donna Micaela vond het vreemd dat fra Felice zoo vertoornd
was op miss Tottenham. Was zij in zijn klooster geweest en had zij
fresco's van de wanden gehaald, of wat had zij anders gedaan?

Want fra Felice had gedurende zestig jaar gewoond in het groote
Franciscanerklooster, dat buiten de porta Etnea ligt, vlak naast de
kerk van San Pasquale.

Daar had fra Felice reeds dertig jaar gewoond, toen het klooster
opgeheven en aan een koopman verkocht werd.

De andere monniken vertrokken, maar fra Felice bleef, omdat hij
niet kon begrijpen, wat het wil zeggen het huis van San Franciscus
te verkoopen.

Indien de anderen vertrokken, scheen het fra Felice nog des te
noodzakelijker, dat ten minste één monnik in het klooster bleef.

Wie zou anders zorgen voor het luiden der klokken of het bereiden
der geneesmiddelen voor de boerenvrouwen, of wie zou brood geven aan
de armen van het klooster? En fra Felice koos zich een cel in een
verborgen hoekje en bleef in het klooster wonen, zooals hij altijd
gedaan had.

De koopman, die het klooster gekocht had, kwam er nooit. Hij bekommerde
zich niet om het oude klooster, hij had het slechts gekocht om de
groote wijngaarden, die er bij behoorden.

Zoo kwam het dat fra Felice nog steeds regeerde in het oude klooster
en hij was het die de gebroken vensterkozijnen herstelde en de muren
witte. Even vele armen als vroeger die brood van het klooster kregen,
ontvingen dat nog steeds. Voor zijn voorspellingsgave kreeg fra Felice
zulke groote aalmoezen, als hij zwierf door de Etnasteden, dat hij een
rijke man had kunnen zijn; maar hij besteedde alles voor het klooster.

Nog grooter zorg had fra Felice voor de kloosterkerk. Die was in
oorlogstijd ontheiligd geworden door bloedigen strijd en andere
wandaden, zoodat de mis niet meer daarin gelezen mocht worden.

Maar ook dat kon fra Felice niet begrijpen. De kerk waar hij zijn
gelofte had afgelegd, was altijd even heilig voor den ouden monnik.

Het was zijn grootste verdriet, dat de kerk in verval geraakte. Hij had
moeten aanzien dat Engelschen het preekgestoelte, de koorstoelen en het
pulpitum kochten en wegvoerden. En hij had niet kunnen verhinderen,
dat de heeren van het museum te Palermo de kronen, schilderijen
en hostiekelken wegnamen. Hoezeer hij het ook gewenscht had, hij
had niets kunnen doen om zijn kerk te redden. Maar hij haatte deze
kerkplunderaars, en toen donna Micaela hem nu zoo toornig zag, geloofde
zij dat miss Tottenham eenige van zijn schatten had willen wegnemen.

Maar de waarheid was, dat nu fra Felice's kerk zoo leeg was, dat
niemand meer kon komen om te plunderen, hij begonnen was er over
te denken, die opnieuw te versieren en zijn oog was gevallen op de
verzameling heiligenbeelden die de rijke Engelsche dame bezat.

Op haar feest, toen zij goed en mild jegens allen was, had hij gewaagd
haar te verzoeken om haar schoone Madonna, die een kleed van satijn
droeg en oogen had, die straalden gelijk de zon. En zij had zijn
verzoek toegestaan.

Dezen morgen had fra Felice zijn kerk geveegd en gestoft en bloemen
op het altaar gezet vóórdat hij het beeld ging halen.

Maar toen hij in het hotel kwam, was de Engelsche van gedachten
veranderd en zij had hem het kostbare Madonnabeeld niet willen
geven. Daarvoor in plaats had zij hem een klein vuil, in lompen
gehuld beeld van het Christuskind geschonken, waar zij zonder spijt
van scheiden kon.

Ach! de oude fra Felice was zoo vol vreugde en verwachting geweest en
nu was hij zoo teleurgesteld. Hij kon niet berusten in haar besluit,
maar was keer op keer teruggekomen om te bedelen om het andere beeld.

Het was zoo kostbaar, dat hij het niet zou kunnen koopen voor alles
wat hij gedurende een geheel jaar bijeen bedelde.

Ten slotte had de groote weldoenster hem laten wegjagen; het was op
dit oogenblik dat donna Micaela hem gevonden had.

Terwijl zij door de straat liepen, begon zij met den grijsaard te
spreken en hem over te halen haar zijn verdriet te vertellen.

Hij droeg het beeld en midden op de straat bleef hij staan om het haar
te toonen en haar te vragen of zij ooit iets erbarmelijkers had gezien.

Donna Micaela zag een oogenblik ontsteld naar het beeld. Toen
glimlachte zij en zei: "Leen mij het beeld een paar dagen, fra Felice."

"Gij moogt het gaarne behouden," zei de grijsaard. "Moge het mij
nooit weer onder de oogen komen."

Donna Micaela nam het beeld met zich mede naar huis en werkte er
aan, gedurende twee dagen. Toen zij het daarna zond naar fra Felice,
glinsterden de gepoetste sieraden, het droeg een nieuw, helder kleedje,
het was opnieuw geschilderd en in zijn kroon schitterden veelkleurige
steenen.

Hij was zoo schoon, de verworpeling, dat fra Felice hem op het leege
hoogaltaar van zijn kerk plaatste.



Het was zeer vroeg in den morgen. De zon was nog niet opgegaan
en de zee was nauwelijks zichtbaar. Het was werkelijk nog zeer
vroeg. De katten slopen nog over de daken, geen rook steeg op uit de
schoorsteenen en de nevels schoven op elkaar en stapelden zich opeen
boven den bodem van het dal, rondom den steilen Monte Chiaro. In
dezen vroegen ochtend ijlde de oude fra Felice naar de stad.

Hij sprong zoo, dat hij meende te voelen, hoe de berg onder hem
schudde. Hij liep zoo haastig, dat de grashalmen aan den weg niet eens
dauw konden sprenkelen op zijn pij, zóó vlug, dat de schorpioenen
niet eens hun giftangel uit konden steken om hem te wonden. Terwijl
de grijsaard zoo sprong, woei zijn pij los om hem heen en hing het
koord ongebonden op zijn rug.

De wijde mouwen fladderden gelijk vleugels en de zware capuchon
danste op en neer op zijn rug, als wilde die hem tot nog grooter
haast aansporen.

De man in het tolkantoor, die nog zat te slapen, ontwaakte en wreef
zich de oogen uit, toen fra Felice voorbijsnelde, maar hij herkende
hem niet.

De straatsteenen waren glibberig van den dauw, bedelaars lagen bij de
hooge steenen trappen te slapen met hun beenen onachtzaam op straat
uitgestrekt; late domino-spelers keerden van het café huiswaarts,
waggelend van slaap. Maar fra Felice ijlde verder, hij ontweek alle
hinderpalen. En huizen en portalen, markt en straten verdwenen achter
den ouden fra Felice. Hij snelde door de halve corso, vóórdat hij
bleef stilstaan.

Hij stond voor een groot huis met zware balkons. Hij greep een
poortklopper en klopte, totdat een dienaar ontwaakte. Daarna rustte
hij niet vóórdat de knaap een dienstmeisje wekte, en dit dienstmeisje
riep de signora.

"Donna Micaela, fra Felice is beneden. Hij beweert, dat hij u moet
spreken."

Toen donna Micaela eindelijk bij fra Felice kwam, hijgde hij nog naar
adem, maar zijn oogen schitterden en kleine bleeke rozen bloeiden op
zijn wangen.

Het was het beeld, het beeld! Toen fra Felice dien morgen om vier uur
de klokken geluid had, was hij in de kerk gegaan om het te beschouwen.

Toen had hij gezien dat groote steenen losgelaten hadden juist boven
het beeld. Die waren op het altaar gevallen en hadden het verbrijzeld,
maar het beeld was onbeschadigd gebleven.

En van alle steenen en stof, die naar beneden gevallen waren, had
niets het beeld getroffen, maar het stond er nog volkomen ongedeerd.

Fra Felice nam donna Micaela bij de hand en zei tot haar, dat zij hem
naar het klooster moest volgen om het wonder te aanschouwen. Zij moest
het 't eerst van allen zien, omdat zij het beeld in haar bescherming
genomen had.

En donna Micaela volgde hem door den grauwen koelen morgen naar zijn
klooster, terwijl haar hart van spanning en verwachting klopte.

Toen zij daar kwam en zag, dat fra Felice de waarheid had gesproken,
vertelde zij hem dat zij het beeld herkend had, zoodra zij het weerzag,
en dat het een wonderdoener was.

"Hij is de grootste en mildste wonderdoener," zei zij.

Fra Felice ging nu naar het beeld en keek het in de oogen. Want er
bestaat een groot verschil tusschen beeld en beeld, maar de ervaring
van een ouden monnik is er toe noodig om te zien welk beeld macht
heeft en welk niet.

Nu zag fra Felice, dat de oogen van dit beeld diep en stralend waren,
alsof het leven bezat, en dat om zijn lippen een geheimzinnig lachje
speelde.

Toen oude fra Felice dit zag, viel hij op de knieën en strekte zijn
gevouwen handen naar het beeld uit. En zijn oud rimpelig gelaat werd
verhelderd door een groote vreugde. Het scheen fra Felice plotseling,
dat de wanden zijner kerk bedekt waren met schilderijen en purperen
kleeden, licht straalde boven het altaar, gezang klonk van het koor,
en over den geheelen vloer lagen knielende, biddende menschen. Alle
heerlijkheid, die men slechts kon droomen, zou zijn arme oude kerk
ten deel vallen, nu zij een der machtige wonderdoende beelden bezat.



IV.

HET OUDE PASSIESPEL.


Van het zomerpaleis in Diamante werden gedurende dezen tijd
vele brieven verzonden naar Gaetano Alagona, die gevangen zat te
Como. Maar de postbode had in zijn tasch nooit een brief van Gaetano,
die geadresseerd was aan het zomerpaleis. Want Gaetano was in zijn
levenslange gevangenis gegaan, alsof het een graf was. Het eenige dat
hij begeerde en wenschte was, dat het hem de vergetelheid en de rust
van het graf zou schenken.

Hij gevoelde zich als dood en hij zei tot zich zelf, dat hij het
geklaag en gejammer der overlevenden niet wilde hooren. Ook wilde
hij niet verleid worden tot hoop, of door teedere woorden verlokt
worden te verlangen naar bloedverwanten en vrienden. Hij wilde ook
niet hooren wat er geschiedde in de wereld, nu hij geen macht bezat
in te grijpen en te leiden.

Hij verschafte zich werk in de gevangenis en sneed schoone kunstwerken
zooals hij altijd gedaan had.

Maar hij ontving nooit een brief, nooit een bezoek. Hij meende dat
hij op deze wijze niet meer de geheele bitterheid van zijn ongeluk
zou voelen. Hij geloofde, dat hij kon leeren een heel leven te leven
binnen vier muren.

Dit was de reden, dat donna Micaela nooit een brief tot antwoord van
hem ontving.

Eindelijk schreef zij naar den directeur der gevangenis en vroeg of
Gaetano nog leefde. En deze antwoordde, dat de gevangene naar wien
zij vroeg nooit een brief las. Hij wilde geen enkel bericht van de
buitenwereld hooren.

Toen schreef zij hem niet meer, maar werkte des te harder aan haar
spoorweg. Ze waagde het nauwlijks daarover te spreken in Diamante,
maar toch dacht ze aan niets anders. Zij zelf borduurde en naaide,
en ze liet door haar dienaren allerlei goedkoope zaken vervaardigen,
die zij op haar bazaar wilde verkoopen.

Uit den winkel nam zij oude artikelen voor de tombola. Zij liet
Piero, den poortwachter, gekleurde lampions maken. Zij overreedde
haar vader schilden en aanplakbiljetten te schilderen, en zij liet
haar kamenier, Lucia, die van Capri was, kettingen van koraal en
doosjes van schelpen maken.

Zij was evenwel volstrekt niet zeker, dat er een enkel mensch zou komen
op haar feest. Allen waren tegen haar, niemand wilde haar helpen. Ze
vonden het niet eens goed, dat zij zich op straat vertoonde en over
zaken sprak. Zoo iets paste niet voor een voorname dame.

Toen was het, dat de oude fra Felice haar trachtte te helpen, want
hij had haar lief omdat zij hem geholpen had met het beeld.

Eens, toen donna Micaela klaagde, dat zij niemand kon overtuigen,
dat men den spoorweg moest aanleggen, nam hij het kalotje van zijn
hoofd en wees op zijn kalen schedel.

"Zie naar mij, donna Micaela," zei hij. "Zoo kaal zal deze spoorweg
uw hoofd maken, indien gij voortgaat, zooals gij begonnen zijt."

"Wát meent gij, fra Felice?"

"Donna Micaela," zei de grijsaard, "is het geen dwaasheid, een groot
plan te ondernemen zonder een vriend of helper te bezitten?"

"Ik heb dikwijls beproefd vrienden te winnen, fra Felice."

"Ja, menschen," zei de grijsaard. "Maar wat helpen menschen? Als
iemand uit visschen gaat, donna Micaela, weet hij, dat hij San Pietro
moet aanroepen, wanneer iemand een paard wil koopen, kan hij bijstand
begeeren van San Antonio Albate. Maar indien ik wil bidden voor uw
spoorweg, weet ik niet tot wien ik mij zal wenden."

't Was fra Felice's bedoeling te zeggen, dat de fout was dat zij geen
schutspatroon gekozen had voor haar spoorweg. Hij wilde, dat zij het
gekroonde kind, dat in zijn oude kerk stond, zou kiezen tot vriend en
beschermer. Hij zeide haar, dat zij zeer zeker geholpen zou worden,
indien zij dit slechts deed.

Zij was zoo getroffen, dat iemand haar wilde bijstaan, dat zij dadelijk
beloofde te bidden voor haar spoorweg tot het kind in San Pasquale.

Maar fra Felice ging heen en schafte zich een groote collectebus aan
en liet daarop met groote duidelijke letters schilderen: "Gaven voor
den Etnaspoorweg." Deze hing hij op in zijn kerk naast het altaar.

't Was niet meer dan een dag later, dat donna Emilia, de echtgenoote
van don Antonio Greco, naar de oude, verlaten kerk ging om San Pasquale
te raadplegen, omdat hij de verstandigste van alle heiligen is.

In den herfst was namelijk don Antonio's theater begonnen achteruit
te gaan, zooals wel te verwachten was in een tijd, dat allen gebrek
aan geld hadden.

Don Antonio was toen op de gedachte gekomen te trachten het theater met
minder groote kosten dan vroeger te exploiteeren. Hij had op de lampen
bezuinigd en de groote, prachtig geschilderde affiches afgeschaft.

Maar dat was een groote dwaasheid geweest. Want als de menschen den
lust verliezen om naar een theater te gaan, is het niet het rechte
oogenblik de slepen der prinsessen te verkorten of zuinig te zijn op
het verguldsel der kronen.

Misschien is het niet zoo gevaarlijk bij een anderen schouwburg, maar
in een marionetten-theater is het meer dan moeilijk veranderingen te
brengen. Dat komt omdat het meest halfvolwassen knapen zijn, die naar
een marionetten-theater gaan. Volwassen menschen kunnen begrijpen,
dat men nu en dan zuinig moet zijn, maar kinderen willen het altijd
op dezelfde wijze hebben.

Al minder en minder toeschouwers kwamen bij don Antonio en hij ging
steeds door met bezuinigen. Toen viel het hem in, dat hij best de
twee blinde vioolspelers kon ontberen, vader Elia en broeder Tommaso,
die gewoonlijk in de tusschenbedrijven en bij krijgstooneelen speelden.

Deze blinden, die veel geld verdienden met het zingen in sterfhuizen,
en die groote sommen wonnen gedurende de feestdagen, verlangden een
zeer hooge betaling.

Don Antonio ontsloeg hen uit zijn dienst en schafte zich een orgel aan.

Maar dit werd zijn ongeluk. De leerjongens en winkelbedienden van
geheel Diamante bleven weg van het theater.

Zij wilden geen orgel dulden in hun theater, en ze beloofden elkaar,
niet naar het theater te gaan, vóórdat don Antonio de blinde muzikanten
weer in zijn dienst genomen had. En zij hielden hun belofte. Don
Antonio's poppen moesten voor leege banken optreden.

En de jonge knapen, die anders liever afstand deden van hun avondbrood
dan van hun theater, lieten avond op avond voorbijgaan, zonder er
heen te gaan.

Ze waren overtuigd, dat zij don Antonio ten slotte konden dwingen,
alles weer zooals vroeger in te richten.

Maar don Antonio stamde van een kunstenaarsgeslacht. Zijn vader en
broeder bezaten een marionetten-theater, zijn zwager en al zijn
familieleden waren menschen van het vak. En don Antonio verstond
zijn kunst. Hij kon zijn stem tot in het oneindige veranderen, hij
kon gelijktijdig manoeuvreeren met een heel leger van poppen, en hij
kende den tekst uit het hoofd van den geheelen cyclus tooneelspelen,
die getrokken zijn uit de kroniek van Carolus Magnus.

En nu was don Antonio's kunstenaarsgevoel beleedigd. Hij wilde niet
gedwongen worden de blinden weer in zijn dienst te nemen. Hij wilde
dat men naar zijn theater zou gaan om zijnentwille en niet om de
muzikanten.

Hij veranderde zijn repertoire en begon groote stukken te spelen met
prachtige monteering.

Maar ook dat hielp niets.

Er is een tooneelspel, dat "de dood van den paladijn" genoemd wordt
en Rolands strijd bij Ronceval behandelt. Daarvoor zijn zoovele
machinerieën noodig dat een poppentheater gedurende twee dagen gesloten
moet zijn, voordat het gespeeld kan worden.

Maar het publiek is er zoo op verzot, dat men het gewoonlijk gedurende
een geheele maand speelt voor dubbele prijzen en een uitverkocht huis.

Nu maakte don Antonio alles gereed voor dit tooneelstuk, maar hij
behoefde het niet te spelen, hij had geen toeschouwers.

Toen was don Antonio gebroken. Hij beproefde vader Elia en broeder
Tommaso weer terug te krijgen, maar dezen wisten nu wat zij waard
waren. En zij verlangden zulk een hooge betaling dat het don Antonio
een onmogelijkheid was, hun dat te betalen. Zij konden niet tot een
vergelijk komen.

In de kleine woning achter het marionetten-theater leefde men als in
een belegerde vesting. Men kon niets anders doen dan verhongeren.

Donna Emilia en don Antonio waren beiden jonge vroolijke menschen, maar
nu lachten zij nooit meer. 't Was niet zoozeer de nood, die hen drukte,
maar don Antonio was een trotsche man, en hij kon de gedachte niet
verdragen, dat zijn kunst geen toeschouwers meer vermocht te trekken.

Toen ging donna Emilia naar de kerk van San Pasquale ten einde den
heilige te smeeken om een goeden raad. Zij wilde negen gebeden doen
voor het groote steenen beeld, dat in het portaal der kerk stond. Maar
toen zij begon te bidden, bemerkte zij, dat de kerkdeuren openstonden.

"Waarom staan San Pasquale's kerkdeuren open?" zei donna Emilia. "Dat
heb ik van mijn levensdagen nog nooit gezien." En zij trad de kerk
binnen.

Het eenige, dat daarbinnen te zien was, was fra Felice's geliefd
beeld en de groote collectebus.

En het beeld straalde zoo schoon met zijn kroon en zijn ringen, dat
donna Emilia zich tot hem aangetrokken gevoelde. Maar toen zij hem
in de oogen zag, vond zij hem zoo liefelijk en schoon, dat zij op
haar knieën zonk om te bidden.

En zij beloofde, dat indien hij haar en don Antonio wilde helpen uit
hun nood, zij de opbrengst van een geheelen avond zou leggen in de
groote bus, die naast hem hing.

Nadat zij gebeden had, verborg donna Emilia zich achter de kerkdeuren
en beproefde te verstaan, wat de voorbijgangers zeiden. Want indien
het beeld haar wilde helpen, zou hij haar een woord laten hooren,
dat haar zeide, wat zij doen moest.

Zij had daar nauwelijks twee minuten gestaan, toen Assunta van de
domkerktrap er aankwam in gezelschap van donna Pepa en donna Tura.

En zij hoorde Assunta met haar plechtige stem zeggen:

"Het was in het jaar, dat ik voor de eerste maal het oude Passiespel
hoorde."

Donna Emilia verstond het volkomen duidelijk. Assunta zei werkelijk:
"het Passiespel."

Het was donna Emilia alsof zij nooit zou thuis komen. Haar beenen
konden haar niet vlug genoeg dragen, het was alsof de weg tienvoudig
verlengd was.

Toen zij eindelijk den gevel van het theater zag, met de roode
lantaarns en de groote kleurrijke affiches, scheen het haar dat zij
vele mijlen afgelegd had.

Toen zij binnentrad, zat don Antonio met zijn groot hoofd tusschen zijn
beide handen en staarde naar den grond. 't Was droevig don Antonio
aan te zien. Gedurende deze laatste weken was zijn haar begonnen
uit te vallen. Boven op den schedel was het zoo dun, dat de huid er
door scheen.

Was dat te verwonderen, nu hij verteerd werd door zulk een
verdriet? Terwijl zij weg was, had hij al zijn poppen te voorschijn
gehaald om ze te beschouwen. Dat deed hij nu elken dag. Vooral placht
hij lang te staren naar de pop, die voor Aminda speelde. Was zij dan
niet schoon en verleidelijk meer? kon hij vragen. En dan trachtte hij
het zwaard van Roland of de kroon van Karel den Grooten te verbeteren.

Donna Emilia zag, dat hij de keizerskroon opnieuw verguld had, het was
nu zeker wel voor de vijfde maal, dat hij dit deed. Plotseling had
hij echter zijn werk neergelegd en was in gedachten verzonken. Hij
had het zelf wel gevoeld, dat het hem niet aan verguldsel, maar aan
een idee ontbrak.

Toen donna Emilia binnentrad, strekte zij de handen naar haar man uit:

"Zie mij aan, don Antonio Greco," zei ze. "Ik breng u gouden schalen
vol koningsvijgen!"

En zij vertelde hem hoe zij tot het Christuskind gebeden had. Ook
zei ze hem, wat zij beloofd en wat het beeld haar geraden had.

Toen zij don Antonio dit verhaalde, sprong hij op. Zijn armen
vielen slap langs het lichaam, zijn haren rezen te berge. Een
onbeschrijfelijke ontroering maakte zich van hem meester. "Het oude
Passiespel," schreeuwde hij. "Het oude Passiespel." Want het oude
passiespel is een mysterie, dat vroeger op gansch Sicilië gespeeld
werd. Het verdrong alle andere oratoria en mysteriën en werd gedurende
een paar eeuwen elk jaar in iedere stad gespeeld.

Het was de gewichtigste dag van het jaar wanneer het oude passiespel
vertoond werd. Maar nu speelde men het niet meer, nu leefde het nog
slechts als een sage in de herinnering van het volk.

In vroeger dagen werd het ook wel in marionetten-theaters
gespeeld. Maar nu vond men het te oud en te afgezaagd. Misschien was
het sedert dertig jaar niet meer opgevoerd.

Don Antonio begon uit te varen tegen donna Emilia, omdat zij hem kwelde
met dergelijke dwaasheden. Hij streed tegen haar als tegen een demon,
die zich van hem meester wilde maken. Zij wekte slechts ijdele hoop
in hem, die niets dan teleurstelling zou baren, zei hij. Hoe kon
zij met zoo iets bij hem aankomen? Maar donna Emilia liet hem kalm
uitrazen. Zij zeide slechts, dan hetgeen zij gehoord had, Gods wil was.

Don Antonio begon spoedig te twijfelen. De grootsche gedachte maakte
zich langzamerhand van hem meester. Er was niets ter wereld dat op
gansch Sicilië zoo geliefd was als het oude passiespel. En woonde er
niet nog steeds hetzelfde volk op het edele eiland? Beminden zij niet
denzelfden hemel dien hun voorvaderen bemind hadden? Waarom zouden
zij het oude passiespel ook niet liefhebben?

Hij verzette zich zoolang hij kon. Hij zei tot donna Emilia dat het
te kostbaar zou worden. Waar zou hij de apostelen met lang haar en
witten baard vandaan krijgen? Hij bezat geen tafel voor het avondmaal,
en hij had de machinerieën ook niet, die noodig waren voor den intocht
en de kruisiging.

Maar donna Emilia zag wel, dat hij toe zou geven, en vóórdat de avond
viel, ging hij werkelijk naar fra Felice en hernieuwde zijn vrouws
belofte om de opbrengst van een avond in de collectebus te leggen,
als het beeld hen wilde bijstaan.

Fra Felice vertelde dit aan donna Micaela en zij was verheugd en
tegelijkertijd angstig hoe dit zou afloopen.

In de geheele stad werd het bekend, dat don Antonio bezig was het
oude passiespel op te zetten en men lachte hem uit. Don Antonio had
zijn verstand verloren. Men zou het oude passiespel wel willen zien,
indien het gespeeld werd zooals in vroeger dagen.

Men had het willen zien opvoeren zooals in Aci, waar de edellieden
der stad voor koningen speelden en huurlingen en handwerkslieden de
rollen der Joden en der apostelen vertolkten en waar zoovele scènes
uit het oude testament waren opgevoerd, dat het schouwspel een ganschen
dag duurde.

Ook zou men de heerlijke dagen van Castelbucco willen doen herleven,
toen de gansche stad veranderd was in Jeruzalem. Daar werd het
passiespel zoo opgevoerd, dat Jezus door een met palmen omgeven poort
de stad binnenreed. De kerk stelde den tempel van Jeruzalem voor en
het raadhuis was het paleis van Pilatus. En Petrus warmde zich bij
een vuur op den hof van den pastoor; de kruisiging geschiedde op een
berg bij de stad en Maria zocht het lijk van haar zoon in de grotten
van des sindaco's tuin.

Hoe kon men zich vergenoegen met het groote mysterie te zien spelen in
don Antonio's theater, wanneer men zulke herinneringen bezat? Maar
trots dit alles werkte don Antonio met onvermoeiden ijver om de
tooneelspelers te vervaardigen en de machinerieën in orde te brengen.

En zie, na eenige dagen kwam meester Battesta, die uithangborden
schilderde, bij hem en schonk hem een affiche. 't Had hem zoo verheugd
te hooren, dat don Antonio het oude passiespel wilde vertoonen. Zelf
had hij het in zijn jeugd zien spelen en het had hem zooveel vreugde
gegeven. Nu stond er dus met groote letters op het theater te lezen:
"Het oude passiespel of de wedergeborene Adam, tragedie in drie
bedrijven door cavaliere Filippo Orioles."

Don Antonio was zeer verlangend te weten, hoe de volksstemming
was. Maar de ezeldrijvers en leerjongens, die voorbij zijn theater
gingen en het aanplakbiljet lazen, lachten hoonend. Het zag er heel
duister uit voor don Antonio, maar hij werkte onvermoeid door.

Toen de avond aanbrak, dat het passiespel gespeeld zou worden, was
niemand ongeruster dan donna Micaela.

"Zal het kleine beeld mij helpen?" vroeg zij onophoudelijk. Zij zond
haar kamenier Lucia naar het theater om te spionneeren. Stonden
er reeds groepen jongens? Scheen het of er veel menschen zouden
komen? Lucia kon ook wel eens naar donna Emilia gaan, die bij het
loket zat, om te vragen hoe de zaken stonden.

Maar toen Lucia terugkwam, kon zij donna Micaela volstrekt geen hoop
geven. Voor het theater stonden in het geheel geen menschen. De knapen
hadden besloten don Antonio te ruïneeren.

Tegen acht uur kon donna Micaela het niet langer in huis uithouden. Zij
overreedde haar vader met haar naar het theater te gaan. Zij wist wel
dat nog nooit een signora een voet gezet had in don Antonio's theater,
maar zij moest zien hoe het afliep. Het zou zulk een verbazend groote
vooruitgang voor haar spoorweg zijn, indien don Antonio nu slaagde.

Toen donna Micaela in het theater kwam, was het nog eenige minuten
voor achten, en donna Emilia had nog geen enkel biljet verkocht.

Maar toch was zij niet terneergeslagen. "Treed binnen, donna Micaela,"
zei ze. "We zullen in elk geval spelen. Het is zoo schoon! Don Antonio
zal het spelen voor u, uw vader en voor mij. Het is het schoonste
treurspel dat hij nog ooit opgevoerd heeft."

Donna Micaela kwam in een kleinen schouwburg, die met rouwdoek bekleed
was, zooals de groote theaters altijd geweest waren, wanneer het oude
passiespel opgevoerd werd. Voor het tooneel hingen zwarte gordijnen,
met zilveren franjes omzoomd. En de banken waren met zwart doek
bekleed.

Dadelijk nadat donna Micaela binnengetreden was, vertoonde don
Antonio's borstelige wenkbrauw zich voor een kleine opening in de
coulisse.

"Donna Micaela," riep hij, evenals donna Emilia eenige oogenblikken
geleden, "we spelen toch, het is zoo schoon, we hebben geen
toeschouwers noodig."

Op hetzelfde oogenblik kwam donna Emilia binnen en hield diep buigend
de deur wijd open om den geestelijken herder, don Matteo, binnen
te laten.

"Wat zegt ge van mij, donna Micaela?" zei hij lachend. "Maar gij
begrijpt, dat is het oude passiespel. Ik zag het eens in mijn jeugd
in de groote opera te Palermo en ik geloof, dat het dit stuk was,
dat mij tot priester gemaakt heeft."

Den volgenden keer, dat de deur openging, waren het vader Elia en
broeder Tommaso, die met hun violen onder den arm hunne oude plaatsen
opzochten, zoo kalm, alsof zij nooit in twist waren geweest met
don Antonio.

De deur gleed opnieuw open. Het was een oud vrouwtje uit de steeg
tegenover het huis van den kleinen Moor. Zij was in het zwart gekleed
en maakte het teeken des kruises toen zij binnentrad.

Na haar kwamen vier, vijf andere oude vrouwtjes.

Donna Micaela keek verdrietig naar hen, terwijl zij zoo langzamerhand
het theater vulden.

Zij wist, dat don Antonio niet tevreden zou zijn, vóórdat hij weer
zijn eigen publiek had, vóórdat hij weer kon spelen voor zijn geliefde,
eigenzinnige knapen.

Plotseling hoorde zij een vreeselijk geraas. Was het een storm of
een donderslag? De deuren vlogen wijd open, en tegelijk stormden
allen binnen. Dat waren de jongens. Ze vielen met een zekerheid op
hun oude plaatsen neer, alsof ze hun eigen huis binnentrokken.

Ze zagen elkaar aan, een weinig beschaamd. Maar zij hadden het
niet kunnen verdragen, dat het eene oude vrouwtje na het andere in
hun theater ging om te zien wat voor hen gespeeld werd. 't Was hun
onmogelijk geweest te zien, hoe de gansche straat vol oude spinsters
was, die naar hun theater trokken. En toen waren zij naar binnen
gestormd.

Maar nauwelijks waren de jonge menschen op hun plaatsen gezeten,
of zij merkten, dat zij bij een tuchtmeester gekomen waren. O,
het oude passiespel! 't Werd niet opgevoerd zooals in Aci of in
Castelbucco. Het werd niet zoo gespeeld als in de opera te Palermo,
het werd slechts vertoond door armzalige marionetten met onbeweeglijke
gezichten en stijve lichamen. Maar het oude mysterie had zijn macht
nog niet verloren.

Donna Micaela bemerkte dit reeds in het tweede bedrijf bij het
avondmaal. De knapen begonnen Judas te haten.

Ze slingerden hem bedreigingen en scheldwoorden naar het hoofd.

Toen de lijdensgeschiedenis verder gespeeld werd, namen ze hun hoeden
af en vouwden hun handen. Zij zaten roerloos met hun mooie bruine
oogen naar het tooneel gewend. Nu en dan sprongen hun de tranen in
de oogen, nu en dan werd een vuist in toorn opgeheven.

Don Antonio sprak met tranen in zijn stem, donna Emilia lag geknield
op den drempel. Don Matteo zag met een milden glimlach naar de kleine
poppen en dacht aan het heerlijke schouwspel te Palermo, dat hem tot
priester gemaakt had.

Maar toen Jezus gevangengenomen en gepijnigd werd, schaamden de knapen
zich over zich zelf. Zij ook hadden kunnen haten en vervolgen. Zij
waren gelijk deze Farizeërs, gelijk deze Romeinen. Ze schaamden zich
nu zij er aan dachten. Mocht don Antonio het hun vergeven!



V.

DE DAME MET DEN IJZEREN RING.


Donna Micaela dacht dikwijls aan een arme, kleine naaister, die zij
in haar jeugd in Catania gekend had. Zij woonde in een huis naast
het paleis Palmeri en zij zat altijd in haar deur te werken, zoodat
donna Micaela haar wel duizend malen gezien had. Zij zong altijd,
maar zij had zeker slechts een enkel lied gekend. Altijd, altijd had
zij dezelfde wijs gezongen.

"Ik heb een lok geknipt van mijn haren," zoo zong ze. "Ik heb mijn
glanzende, zwarte vlechten losgemaakt, en een lok geknipt van mijn
haar. Ik heb dat gedaan om mijn vriend te verheugen, die bedroefd
is. Ach, mijn geliefde zit in de gevangenis, mijn geliefde zal nooit
meer mijn haar streelen. Ik heb hem een lok van mijn haar gezonden
om hem te herinneren aan de zijden lokken, die hem nooit meer zullen
omstrengelen."

Donna Micaela moest voortdurend denken aan dit lied. Het was alsof
het door haar geheele jeugd geklonken had om haar het lijden te
voorspellen, dat haar wachtte.



Donna Micaela zat gedurende dezen tijd vaak op de steenen trap van
de kerk San Pasquale. Zij zag de wonderbaarlijkste dingen geschieden
op den sagenrijken Etna. Over het zwarte lavaveld kwam een trein
aanglijden op nieuwe glinsterende rails. 't Was een feesttrein. Er
wapperden vlaggen langs den weg, de wagens waren bekranst, de
zitplaatsen bedekt met purperen kussens. Bij de stations stonden
jubelende menschen. "Leve de koning! leve de koningin! leve de nieuwe
spoorweg!" riepen ze.

Zij verstond het duidelijk, want zij zelf zat in den trein.

En hoe gevierd en hoe geëerd was zij! Zij werd geroepen voor den
koning en de koningin, die haar dankten voor den nieuwen spoorweg.

"Verlang een gunst van ons, vorstinne!" zei de koning, haar aansprekend
met den titel, dien de dames van het geslacht der Alagona's vroeger
gevoerd hadden.

"Sire," antwoordde zij, gelijk men in de sage antwoordt, "schenk de
vrijheid aan den laatsten Alagona!"

En dat verzoek werd haar toegestaan. De koning kon niet neen zeggen
op een bede van haar, die dezen heilrijken spoorweg aangelegd had,
die rijkdom zou schenken aan den ganschen Etna.



Toen donna Micaela den arm ophief, zoodat haar mouw naar boven gleed,
zag men, dat zij als armband een ring van verroest ijzer droeg. Dien
had zij op straat gevonden en hem over de hand gewrongen en nu droeg
zij dien altijd. En wanneer zij dien zag of aanraakte, verbleekte
zij, en haar oogen zagen niets meer van de wereld rondom haar. Maar
zij zag een gevangenis zooals Foscaris in het paleis der dogen te
Venetië. Het was een donkere, nauwe kelderruimte, het licht drong
zwak door een tralievenster, en uit den muur kwam een groote bundel
ketenen, die zich gelijk slangen kronkelden om de beenen, de armen
en den hals van den gevangene.

O, mocht de heilige een wonder verrichten! Mochten de menschen
werken! Mocht zij zelf spoedig zoo beroemd zijn, dat zij kon smeeken
om de vrijheid van haar gevangene. Hij zal sterven indien zij zich
niet haast. Mocht de ijzeren ring haar arm voortdurend wonden, opdat
zij hem geen oogenblik vergete!



VI.

FRA FELICE'S TESTAMENT.


Toen donna Emilia het loket opende om de biljetten te verkoopen voor
de tweede voorstelling van het oude passiespel, maakten de menschen
queue voor den ingang om plaats te krijgen; den avond daarop was
het theater zoo overvol, dat er menschen bezwijmden in het gedrang,
en den derden avond kwamen er menschen van Aderno en Paterno om het
geliefde treurspel te zien.

Don Antonio voorzag, dat hij het gedurende een gansche maand voor
dubbelen prijs zou kunnen spelen met twee voorstellingen iederen avond.

Hoe gelukkig waren zij, hij en donna Emilia, en met welk een vreugde
en dankbaarheid legden zij vijf en twintig lire in de collectebus
van het kleine beeld.

In Diamante wekte deze gebeurtenis zeer veel verbazing en vele menschen
gingen naar donna Elisa om te hooren of zij geloofde, dat de heilige
wilde, dat men donna Micaela zou bijstaan.

"Hebt ge gehoord, donna Elisa," zei men, "dat don Antonio Greco
geholpen is door het kleine Christuskind in San Pasquale, omdat hij
beloofd had de opbrengst van een avond te geven voor donna Micaela's
spoorweg?"

Maar als men dit aan donna Elisa vroeg, kneep zij den mond dicht
alsof zij aan niets anders denken kon dan aan haar borduurwerk.

Fra Felice kwam in haar winkel om haar de twee wonderen te verhalen,
die het beeld reeds verricht had.

"Signorina Tottenham was zeer dom, dat zij het beeld wegschonk,
als het zulk een groote wonderdoener is," zei donna Elisa.

Datzelfde vonden allen. Signorina Tottenham had het immers gedurende
zoo vele jaren bezeten en zij had nooit iets gemerkt. Het beeld kon
zeker geen wonderen doen. Het was slechts een toeval.

Het was een ongeluk dat donna Elisa niet wilde gelooven. Ze was de
eenige der oude Alagona's die nog in Diamante woonde. De menschen
richtten zich meer naar haar dan zij zelf wisten. Indien donna Elisa
het wonder geloofd had, zou de gansche stad donna Micaela hebben
willen helpen.

Maar donna Elisa kon niet gelooven, dat God en de heiligen haar
schoonzuster wilden bijstaan.

Zij had haar reeds sinds het feest van San Sebastiaan
gadegeslagen. Zoodra iemand sprak van Gaetano verbleekte donna Micaela
en zag er ontsteld uit. Haar gelaatstrekken werden als die van een
zondaar, gekweld door gewetenswroeging.

Op een morgen dacht donna Elisa hieraan en zij was zoo verdiept in
deze gedachten, dat zij haar naald liet rusten.

"Donna Micaela is geen vrouw van den Etna," zei zij tot zich zelf. "Ze
houdt het met de regeering en ze is blijde, dat Gaetano gevangen zit."

Op hetzelfde oogenblik droeg men op straat een groote baar
voorbij. Daarop waren een menigte kerksieraden gestapeld. Het waren
lichtkronen, een altaarhemel en reliquieënkastjes.

Donna Elisa keek een oogenblik op, toen keerde zij weer tot haar
gedachten terug.

"Zij wilde mij niet toestaan het huis der Alagona's te versieren
op San Sebastiaans feest," dacht zij. "Zij wilde zeker niet dat de
heilige Gaetano zou helpen."

Twee mannen kwamen er nu aansleepen met een krakende kar. Daarop lag
een heele berg van roode wandbekleedingen, rijk geborduurde antependiën
en altaarstukken in breede vergulde lijsten.

Donna Elisa wuifde met haar hand als om allen twijfel te verjagen. Het
kon geen echt wonder geweest zijn, dat geschied was. De heilige
moest toch weten dat Diamante geen geld had om een spoorweg aan te
leggen. Maar nu reed er een gele wagen voorbij, hoog beladen met
muzieklessenaars, misboeken, bidbankjes en biechtstoelen.

Donna Elisa ontwaakte uit haar gepeins. Ze keek tusschen de
rozenkransen door, die in trossen voor haar winkelraam hingen,
naar de straat. Dat was immers al de derde vracht kerksieraden,
die voorbijging. Werd Diamante geplunderd? Waren de Saracenen in de
stad gekomen?

Ze ging nu voor haar deur staan om beter te kunnen zien. En weer kwam
er een baar voorbij en daarop lagen rouwkransen van ijzer, stukken
zerk met lange inscripties en wapenschilden, zooals men in de kerk
hangt tot nagedachtenis der dooden.

Donna Elisa vroeg een der dragers, wat dit beteekende en hoorde nu wat
er gaande was. Men was bezig de kerk Santa Lucia in Gesu te ontruimen.

De sindaco en de gemeenteraad hadden bevolen, dat men de kerk in een
theater zou veranderen.

Na het oproer had men een nieuwen sindaco in Diamante gekregen. 't
Was een jonge man uit Rome, hij kende de stad niet, maar hij wilde
toch gaarne iets voor haar doen. Nu had hij in den gemeenteraad
voorgesteld, dat Diamante zich op dezelfde wijze een schouwburg zou
verschaffen als men in Taormina en in andere steden gedaan had. Men
zou eenvoudig een der kerken tot schouwburg inrichten. Men had toch
zeker meer dan voldoende aan vijf stadskerken en zeven kloosterkerken;
men zou zeker heel goed een daarvan kunnen missen.

Daar was b. v. de Jezuïetenkerk, Santa Lucia in Gesu. Het klooster dat
er bij behoorde was reeds veranderd in een kazerne en de kerk was zoo
goed als verlaten. Deze kerk zou een uitstekend theater kunnen worden.

Dit had de sindaco voorgesteld en de gemeenteraad had het voorstel
aangenomen.

Toen donna Elisa hoorde, wat er plaats greep, wierp zij een mantille
en een sluier om en spoedde zich naar de Santa Lucia met even groote
haast als waarmee men ijlt naar het huis, waar een stervende ligt.

Hoe zou het nu met de blinden gaan? dacht donna Elisa. Hoe zouden
dezen kunnen leven zonder hun kerk Santa Lucia in Gesu?

Toen donna Elisa op de kleine stille markt kwam waar omheen de lange,
leelijke gebouwen der Jezuïeten zijn opgetrokken, zag zij op de
breede steenen trappen, die langs den ganschen gevel der kerk loopen,
een schaar in lompen gehulde kinderen en vele langharige honden. Dat
waren de geleiders der blinden, en allen schreiden en klaagden zoo
hard zij slechts konden.

"Wat is er te doen?" vroeg donna Elisa.

"Ze willen ons onze kerk ontnemen," jammerden de kinderen en
tegelijkertijd blaften de honden nog klaaglijker dan te voren, want
de honden der blinden zijn bijna menschen gelijk.

In de kerkdeur ontmoette donna Elisa meester Pamphilio's echtgenoote,
donna Concetta.

"Ach, donna Elisa," zei ze, "nooit in uw leven hebt ge zoo iets
vreeselijks gezien. Ge doet beter niet in de kerk te gaan."

Maar donna Elisa ging verder.

In de kerk zag zij eerst niets anders dan een wolk van stof. Maar
in dien nevel dreunden hamerslagen, eenige arbeiders waren bezig een
grooten steenen ridder los te breken, die in een der vensternissen lag.

"Mijn God," zei donna Elisa en vouwde haar handen, "ze breken Sor
Arrigo los."

En zij dacht er aan, hoe veilig hij altijd in zijn nis gelegen
had. Iederen keer, als zij hem gezien had, wenschte zij, zoo verlost
te zijn van alle onrust en smart als de oude Sor Arrigo. En nu
werd ook zijn rust verstoord. In de Luciakerk was nog een groot
grafmonument. Dat stelde een ouden Jezuïet voor, die op een zwart
marmeren sarcophaag lag met een geesel in de hand en zijn hoed diep
over het voorhoofd getrokken. Hij werd pater Succi genoemd en men
placht de kinderen in Diamante bang te maken met hem.

"Zouden zij het wagen pater Succi aan te raken?" dacht donna Elisa. En
door de kalkwolk heen, trachtte zij den weg te vinden naar het koor
waar de sarcophaag stond, om te zien of ze den moed hadden den ouden
Jezuïet aan te raken.

Maar pater Succi lag nog op zijn steenen bed. Hij lag daar, duister
en hard, zooals hij bij zijn leven geweest was, en men kon bijna
gelooven, dat hij nog leefde. Was er een dokter en een tafel met
medicijnflesschen benevens een brandende kaars voor het bed geweest,
dan zou men gedacht hebben dat pater Succi ziek lag in het koor van
zijn kerk en op zijn laatste stonde wachtte.

De blinden zaten om hem heen, gelijk bloedverwanten, die zich
verzamelen om een stervende, en wiegden hun lichamen van smart heen
en weer. Daar waren de beide vrouwen van de hotelpoort, donna Pepa
en donna Tura, dan was er oude moeder Saraedda, die genadebrood at
bij den sindaco Voltaro. Er waren blinde bedelaars, blinde zangers,
blinden van elken leeftijd en stand. Alle blinden van Diamante waren
er en in Diamante zijn er ongelooflijk velen, die nooit meer het
zonnelicht zien.

Al deze blinden zaten meest zwijgend, maar nu en dan barstte een van
hen in jammerklachten uit. Nu en dan trachtte een van hen den weg te
vinden naar pater Succi en wierp zich luid jammerend over hem heen.

En wat het nog meer op een sterfbed deed gelijken, was dat de pastoor,
don Matteo, en pater Rossi van het Franciscanerklooster rondgingen
om de bedroefden te troosten.

Donna Elisa was diep getroffen. Ach, hoe vele malen had zij deze
menschen gelukkig gezien in haar winkel, en nu moest zij hen in zulk
een ellende treffen?

Zij hadden haar oogen milde tranen ontlokt toen zij treurzangen
hadden gezongen over haar man, signor Antonelli, en over haar broer,
don Ferrante. Het bedroefde haar hen nu in zulk een nood te zien.

Oud moedertje Saraedda begon te spreken tegen donna Elisa.

"Ik wist niets, toen ik hier kwam, donna Elisa," zei het oude
vrouwtje. "Ik liet mijn hond buiten op de trap en trad binnen door
de kerkdeuren. Toen strekte ik mijn armen uit, om mij te steunen aan
den deurpost, maar er was geen deurpost. Ik zette mijn voeten neer,
alsof er een drempel voor de deur was, maar er was geen drempel. Ik
strekte mijn hand uit om wijwater te nemen, ik boog mijn knieën,
toen ik voorbij het hoogaltaar ging en ik luisterde naar het klokje,
dat geluid wordt, als pater Rossi ter misse gaat.

"Donna Elisa, er was geen wijwater, geen altaar, geen klokgelui,
niets, niets was er."

"Och, arme!" zei donna Elisa.

"Toen hoorde ik gehamer en geklop in een venster. "Wat doet ge met
Sor Arrigo?" riep ik, want ik hoorde dadelijk, dat het geluid uit de
nis van Sor Arrigo kwam.

"Wij moeten hem wegvoeren," antwoordde men mij.

"Tegelijkertijd komt don Matteo naar mij toe, neemt mij bij de hand
en verklaart mij alles. En ik word bijna boos op den pastoor, als hij
mij vertelt, dat men onze kerk voor een theater wil gebruiken. Onze
kerk voor een theater!

"Waar is pater Succi?" vraag ik eindelijk. "Is pater Succi nog
hier?" En hij brengt mij bij pater Succi. Hij moet mij er wel heen
geleiden, want ik kan den weg niet vinden. Sedert ze alle stoelen en
bidbankjes, matten en losse treden weggenomen hebben, weet ik niet
meer waar ik ben. Vroeger kon ik hier zoo goed den weg vinden als gij."

"De pastoor zal jelui een andere kerk geven," zei donna Elisa.

"Donna Elisa, wat wilt ge daarmee zeggen? Ge kunt evengoed zeggen,
dat de pastoor ons het gezicht terug zal geven. Kan don Matteo ons
een kerk geven, waar wij zien kunnen, zooals wij hier zagen? Geen
van ons behoefde hier zijn geleider mee te nemen.

"Daarginds, donna Elisa, stond een altaar, de bloemen daarop waren even
rood als de Etna bij zonsondergang en dat konden we zien. Des Zondags
telden we zestien kaarsvlammen boven het hoofdaltaar en op feestdagen
dertig. Wij konden zien dat pater Rossi hier de mis bediende.

"Wat moeten wij in een andere kerk doen, donna Elisa? Daar kunnen we
niets zien. Ze hebben ons het licht onzer oogen opnieuw ontnomen."

Donna Elisa's hart werd zoo warm, alsof er gesmolten lava over
stroomde. Het was stellig een groot onrecht, dat men dezen ongelukkigen
aandeed.

Toen ging donna Elisa naar don Matteo.

"Uw Hoogeerwaarde," zei ze, "heeft u gesproken met den sindaco?"

"Ach, ach, donna Elisa," zei don Matteo. "'t Is beter, dat gij beproeft
met hem te spreken, dan dat ik het doe."

"Don Matteo, de sindaco is een vreemdeling, misschien heeft hij nooit
hooren spreken over de blinden."

"Signor Voltara is bij hem geweest, pater Rossi is bij hem geweest
en ook ik, ook ik was bij hem. Hij antwoordde niets anders dan dat
hij niet kan veranderen wat in den gemeenteraad besloten is.

"Dat weet ge immers wel, donna Elisa, een besluit van den gemeenteraad
kan nooit herroepen worden. Als deze besloten heeft, dat uw kat de
mis zal lezen in de domkerk, kan er niets aan dit besluit veranderd
worden."

Er ontstond plotseling een opschudding in de kerk. Een groote blinde
man kwam binnen.

"Vader Elisa," fluisterde men. "Vader Elisa."

Vader Elisa was de deken van het gilde der blinde zangers, die zich in
deze kerk plachten te verzamelen. Wit was zijn haar en hij droeg een
langen witten baard; hij was schoon als een der heilige patriarchen.

Hij ging gelijk alle anderen naar pater Succi, nam naast hem plaats
en drukte zijn voorhoofd tegen het marmer. Donna Elisa ging naar
vader Elisa om met hem te spreken.

"Vader Elisa," zei ze, "ge moest naar den sindaco gaan." De
grijsaard herkende donna Elisa's stem en hij antwoordde met zijn
grove oudemannenstem:

"Gelooft ge dat ik gewacht heb tot gij mij dat zoudt zeggen? Denkt ge
dan niet, dat het mijn eerste gedachte was naar den sindaco te gaan?"

Hij sprak zoo luid en duidelijk, dat de arbeiders ophielden met
hameren, omdat ze meenden, dat iemand begon te preeken. "Ik heb hem
verteld, dat wij blinde zangers een gilde vormen en dat de Jezuïeten
reeds drie eeuwen geleden hun kerk voor ons openden en ons het
recht gaven hier te vergaderen om nieuwe leden te kiezen en zangen
te beoordeelen.

"En ik vertelde hem, dat ons gilde uit dertig zangers bestaat, en
dat de heilige Lucia onze schutspatrones is en wij nooit op straat
zingen, maar slechts op binnenplaatsen en in de huizen. Ik zei hem,
dat we legenden van heiligen zingen en treurzangen, maar nooit een
wereldsch lied en dat de Jezuïet pater Succi zijn kerk voor ons opende,
omdat wij blinden de zangers zijn van Onzen Lieven Heer.

"Ik vertelde hem, dat sommigen van ons recitatores zijn, die de oude
gedichten voordragen, en dat anderen trovatores zijn, die nieuwe
dichten.

"Ik zei hem dat wij tot vreugde waren van vele menschen op het
edele eiland, en vroeg hem, waarom hij ons niet het leven wilde
laten behouden; een daklooze kan niet leven. Ook vertelde ik hem
dat wij van stad tot stad plegen te trekken op den Etna, maar dat
de Luciakerk ons thuis is en dat hier iederen morgen de mis voor ons
wordt gelezen. Waarom wilde hij ons den troost van Gods woord weigeren?

"Ook verhaalde ik hem, dat de Jezuïeten eens van gevoelens jegens ons
veranderden en ons uit hun kerk wilden verdrijven, maar dat dit hun
niet gelukt was. Wij kregen een gezegeld document van den vice-koning,
dat wij ten eeuwigen dage onze vergaderingen in de Santa Lucia in
Gesu mogen houden. En ik toonde den sindaco het document."

"Wat antwoordde hij toen?"

"Hij lachte mij uit."

"Kan geen der andere raadsleden u helpen?"

"Ik ben bij hen allen geweest, donna Elisa. Ik ben den ganschen morgen
van Pontius naar Pilatus gezonden."

"Vader Elisa," zei donna Elisa, en ze liet haar stem dalen, "hebt ge
vergeten de heiligen aan te roepen?"

"Ik heb de zwarte Madonna aangeroepen, zoowel als San Sebastiaan en
Santa Lucia. Ik heb gebeden tot zoo vele heiligen, als ik slechts
bij naam kende."

"Gelooft gij, vader Elisa," zei donna Elisa en zij liet haar stem nog
meer dalen, "dat don Antonio Greco geholpen werd, omdat hij beloofde
geld te geven voor donna Micaela's spoorweg?"

"Ik heb geen geld te geven," zei de grijsaard moedeloos.

"Gij moest er toch eens over denken, vader Elisa," zei donna Elisa,
"nu gij in zulk een grooten nood verkeert. Gij moest het Christusbeeld
beloven, dat gij zelf en allen, die tot uw gilde behooren, zullen
zingen en spreken over den spoorweg, om den menschen te overreden
bijdragen daarvoor af te staan, indien gij uw kerk moogt behouden. Wij
weten niet of het helpt, maar we moeten al het mogelijke beproeven,
vader Elisa. Een belofte kost niets."

"Ik wil beloven wat gij slechts wilt," zei de grijsaard.

Hij legde weer zijn hoofd op het zwarte marmer, en donna Elisa begreep
dat hij de belofte slechts gegeven had om met zijn smart alleengelaten
te worden.

"Zal ik uw belofte tot het Christuskind brengen?" zei ze.

"Doe gelijk gij wilt, donna Elisa," zei de grijsaard.



Denzelfden dag was fra Felice om vijf uur 's morgens opgestaan en zijn
kerk begonnen te vegen. Hij voelde zich vroolijk te moede, maar toen
hij daar zoo bezig was, meende hij opeens dat San Pasquale met den
zak vol steenen, die in het kerkportaal stond, hem iets te zeggen had.

Hij ging nu naar hem toe, maar San Pasquale stond even onbeweeglijk
als altijd. Op hetzelfde oogenblik steeg de zon boven den Etna en zond
veelkleurige stralen, harpsnaren gelijk, over den bergketen. Toen
de stralen fra Felice's oude kerk bereikt hadden, tintten ze deze
rozerood, rozerood werden ook de oude, verweerde zuilen, die den
baldakijn boven het beeld droegen, en San Pasquale met den zak,
evenals fra Felice zelf.

"Wij zien er uit als jonge knapen," dacht de grijsaard. "We hebben
nog vele jaren te leven."

Maar toen hij de kerk weer wilde binnengaan, voelde hij een
beklemmenden druk boven het hart en het viel hem in, dat San Pasquale
hem geroepen had om hem vaarwel te zeggen. Op hetzelfde oogenblik
werden zijn beenen zoo zwaar, dat hij ze nauwelijks kon verzetten. Hij
gevoelde geen pijn, maar een loodzware moeheid, die niets anders dan
den dood kon beteekenen. Hij had nauwelijks de kracht om den bezem
weg te zetten achter de deur van de sacristie; toen sleepte hij zich
naar het koor en ging voor het hoogaltaar liggen, terwijl hij zich
in zijn pij wikkelde.

't Was alsof het Christuskind tegen hem knikte en zei: "Nu heb ik je
noodig, fra Felice."

Hij knikte terug. "Ik ben gereed, ik zal je niet ontrouw worden."

Hij lag daar slechts te wachten, en dat was heerlijk, vond fra
Felice. Gedurende zijn gansche leven had hij geen tijd gehad om te
voelen hoe moede hij was. Nu kon hij eindelijk eens uitrusten. Het
beeld zou de kerk en het klooster wel zonder hem in stand houden.

Hij glimlachte omdat de oude San Pasquale hem naar buiten geroepen
had om hem vaarwel te zeggen.

Zoo lag fra Felice een groot gedeelte van den dag, meestal sluimerde
hij. Niemand was bij hem, en er kwam een gevoel over hem, dat het
niet aanging zoo uit het leven te glijden.

't Was alsof hij iemand daarmee te kort deed. Die gedachte wekte hem
keer op keer. Hij behoorde de priesters bij zich te hebben, maar hij
had immers niemand om hen te halen.

Terwijl hij daar zoo lag, scheen het hem dat zijn lichaam al meer
en meer inkromp, dat hij steeds kleiner werd. 't Was alsof hij
geheel verdwijnen zou. Nu kon hij zich zeker wel viermaal in zijn
pij wikkelen.

Hij zou heel eenzaam gestorven zijn, indien donna Elisa niet gekomen
was om het kleine beeld aan te roepen om hulp voor de blinden.

Zij was wonderlijk te moede, want zij wilde gaarne, dat de blinden
geholpen werden, maar zij wenschte niet, dat donna Micaela's zaak
bevorderd zou worden.

Toen zij in de kerk kwam, zag zij fra Felice voor het altaar liggen
en zij ging naar hem toe en knielde bij hem neer.

Fra Felice wendde zijn oogen naar haar en glimlachte stil. "Ik moet
sterven," zei hij heesch, maar toen verbeterde hij zich en zei:
"Ik ga sterven."

Donna Elisa vroeg wat hem scheelde en zei, dat zij hulp wilde halen.

"Ga hier zitten," zei hij en deed een matte poging om met zijn mouw
het stof van den grond te wisschen.

Donna Elisa zei, dat zij den pastoor en de liefdezusters wilde
halen. Hij greep haar bij haar mantel en hield haar terug.

"Eerst moet ik u iets zeggen, donna Elisa."

't Spreken viel hem moeielijk, tusschen ieder woord haalde hij zwaar
adem. Donna Elisa ging naast hem zitten om te wachten.

Een tijd lang hijgde hij naar adem, toen steeg een vlammend rood op
in zijn gelaat, zijn oogen begonnen te glinsteren, en hij sprak vol
vuur en zonder eenige moeite.

"Donna Elisa," zei fra Felice, "ik heb een erfenis weg te schenken. 't
Heeft mij den ganschen dag zorg gebaard, want ik wist niet aan wien
ik die zou nalaten."

"Fra Felice," zei donna Elisa, "wees daarover niet bezorgd. Er is
geen mensch, die een goede gave niet gebruiken kan."

Maar daar fra Felice zich nu beter gevoelde, wilde hij, vóórdat hij
over zijn erfenis beschikte, donna Elisa vertellen hoe goed God voor
hem was geweest.

"Heeft God mij geen groote genade bewezen, door mij tot een polacca
te maken?" zei hij.

"Ja, dat is een groote gave," zei donna Elisa.

"Reeds een kleine, zeer kleine polacca te zijn is een groote gave,"
zei fra Felice. "Vooral was het nuttig, toen het klooster opgeheven
werd en de kameraden weggetrokken of dood waren. 't Is alsof men een
zak vol brood heeft, voordat men de hand uitsteekt om te bedelen,
het maakt, dat men altijd vriendelijke gezichten om zich heen ziet
en begroet wordt met diepe buigingen. Ik ken geen grooter gave voor
een armen monnik, donna Elisa."

Donna Elisa dacht er aan hoe geliefd en geëerd fra Felice altijd
geweest was, omdat hij kon voorspellen op welke nummers prijzen zouden
vallen. En zij kon niet nalaten hem gelijk te geven.

"Als ik langs den weg kwam in zonnehitte," zei fra Felice, "kwam
de herder naar mij toe en vergezelde mij een eindweegs, terwijl
hij zijn parapluie boven mijn hoofd hield om mij te beschutten
tegen de zonnestralen. En als ik bij de arbeiders kwam in de koele
steengroeve, deelden zij hun brood en boonensoep met mij. Ik ben
nooit bang geweest voor roovers, noch voor karabiniers. De man in
het tolkantoor sluimerde, toen ik voorbij ging met mijn zak. 't Is
een goede gave geweest, donna Elisa."

"Ja, dat is waar," zei donna Elisa.

"En 't is geen harde arbeid geweest," zei fra Felice.

"Zij spraken tot mij en ik antwoordde hun, dat was alles. Zij wisten
dat elk woord zijn nummer had, en zij luisterden naar hetgeen ik zei
en speelden daarnaar. Ik wist niet, hoe het toeging, donna Elisa,
het was een Godsgave."

"Het arme volk zal u zeer missen, fra Felice," zei donna Elisa.

Fra Felice glimlachte: "Ze geven niets om mij op Zondag of Maandag,
als de trekking pas geweest is," zei hij. "Maar Donderdags en Vrijdags
en Zaterdagsmorgens komen zij tot mij, omdat iederen Zaterdag de
loting is."

Donna Elisa begon onrustig te worden omdat de stervende aan niets
anders dacht dan aan dit. Plotseling kwamen haar verschillende menschen
in de gedachte, die in de loterij verloren hadden, en zij herinnerde
zich velen die hun geheele vermogen daarmee verspeeld hadden. Zij
wilde zijn gedachten leiden van dit zondige loterijspel.

"Gij zeidet, dat gij over uw testament wildet spreken, fra Felice."

"Maar juist omdat ik zoo vele vrienden bezit, valt het mij zoo
moeilijk te weten aan wien ik mijn erfenis moet schenken. Zal ik
haar geven aan hen, die de zoete koekjes voor mij bakten of aan hen,
die artisjokken voor mij roosterden in versche olie? Of zal ik het
geven aan de liefdezusters, die mij verpleegden, toen ik ziek was?"

"Hebt gij veel weg te schenken, fra Felice?"

"Dat gaat wel, donna Elisa. Dat gaat wel."

Fra Felice scheen weer benauwd te worden, zijn borst rees en daalde
heftig.

"Ik zou het ook willen geven aan de arme monniken, die hun klooster
verloren hebben," fluisterde hij.

En na een tijdje vervolgde fra Felice: "Ik zou het ook wel gaarne
willen schenken aan den goeden man in Rome. Aan hem die over ons
allen waakt."

"Zijt gij zoo rijk, fra Felice?" vroeg donna Elisa.

"Dat gaat wel, donna Elisa, dat gaat wel."

Hij sloot de oogen een wijle, toen vervolgde hij:

"Ik wil het aan alle menschen schenken, donna Elisa."

Hij kreeg nieuwe kracht door deze gedachte, weer kleurde een zwak
rood zijn wangen en hij richtte zich op zijn ellebogen op.

"Ziehier, donna Elisa," zei hij, terwijl hij zijn hand in zijn pij
stak en een verzegelden brief te voorschijn haalde dien hij haar
overreikte. "Dezen moet gij aan den sindaco geven, den sindaco van
Diamante."

"Hier, donna Elisa," zei fra Felice, "hier zijn de vijf cijfers,
die den volgenden Zaterdag zullen winnen. Zij zijn mij geopenbaard
geworden en ik heb ze opgeteekend. En de sindaco moet deze cijfers aan
de Romeinsche poort laten aanplakken, waar al het gewichtige nieuws
aangekondigd wordt. En hij moet het volk doen weten dat dit mijn
testament is. Dit schenk ik aan alle menschen Vijf winnende cijfers,
een heele quinterne, donna Elisa."

Donna Elisa nam den brief en beloofde dien aan den sindaco te
geven. Zij kon niets anders doen, want de arme fra Felice had niet
vele oogenblikken meer te leven.

"Als het nu Zaterdag is," zei fra Felice, "zullen er velen aan fra
Felice denken.

"Zou oude fra Felice ons bedrogen hebben?" zullen zij vragen. "Kan
het mogelijk zijn dat we een heele quinterne winnen?"

"Zaterdagavond is er trekking op het balkon van het raadhuis te
Catania, donna Elisa. Dan brengt men het loterijrad en de tafel
naar buiten en de heeren van de loterij verschijnen, met het kleine,
aanvallige kind uit het weeshuis. En het eene na het andere nummer
wordt gelegd in het rad van het avontuur, tot ze er alle in zijn,
alle honderd.

"Maar de menschen staan beneden op het marktplein te beven van
verwachting, gelijk de zee trilt bij storm.

"En alle menschen van Diamante zullen daar zijn, bleek en vol
spanning. Ze wagen het nauwelijks elkaar aan te zien. Vóór dien tijd
hebben zij geloofd maar nu niet meer. Geen van hen waagt het de minste
hoop te koesteren.

"Dan wordt het eerste nummer getrokken en het komt uit. O, donna Elisa,
zij zullen zoo ontroerd zijn dat ze nauwelijks kunnen jubelen. Want
zij allen hadden gedacht dat zij bedrogen waren. Als het tweede
cijfer uitkomt, blijft het doodstil. Dan komt het derde. De heeren
van de loterij zullen verbaasd zijn, dat alles zoo stil blijft. "Heden
winnen zij niets," zullen zij zeggen, "heden maakt de staat een goede
winst." Dan komt het vierde cijfer. Het weesje neemt de rol uit het
rad en de markeur opent de rol en toont het cijfer.

"Het volk zwijgt in angstige spanning, men kan geen woord spreken bij
zooveel geluk. Dan komt het laatste cijfer. Donna Elisa, men schreeuwt,
men jubelt, men valt elkaar in de armen, en snikt van vreugde. Men
is rijk. Geheel Diamante is rijk..."

Donna Elisa had fra Felice's hoofd met haar arm gesteund, terwijl
hij dit hijgend stamelde. Nu viel zijn hoofd plotseling zwaar
achterover. De oude fra Felice was dood.



Terwijl donna Elisa in de kerk was bij fra Felice, hadden vele
menschen gehoord van het lot der blinden en waren daardoor diep
getroffen. Niet juist mannen, de meeste mannen werkten op het land,
maar de vrouwen. Ze waren in groote scharen opgetrokken naar Santa
Lucia om de blinden te troosten, en toen er ten slotte ongeveer vier
honderd vrouwen verzameld waren, was het haar tegenvallen, dat zij
naar den sindaco moesten gaan om met hem te spreken.

Ze waren naar de markt gegaan en hadden om den sindaco geroepen. Toen
was hij op het balkon van het raadhuis verschenen en zij hadden
gesmeekt, dat de blinden hun kerk mochten behouden. De sindaco was
een mooie, vriendelijke man. Hij had haar welwillend te woord gestaan,
maar niet toegegeven.

Hij kon niet herroepen, wat de gemeenteraad besloten had. Maar de
vrouwen hadden zich stellig voorgenomen, dat het besluit herroepen
zou worden, en zij bleven wachten op de markt. De sindaco trok zich
terug in het raadhuis, maar zij bleven staan om te roepen. Zij wilden
niet naar huis gaan voordat hij toegegeven had.

Terwijl dit plaats vond, kwam donna Elisa er aan om den sindaco het
testament te brengen van fra Felice. Zij was zielsbedroefd over al
de ellende, maar tegelijkertijd gevoelde zij een bittere voldoening
in het feit dat zij geen hulp gevonden had bij het Christuskind. Zij
had immers altijd gedacht, dat de heiligen donna Micaela niet wilden
bijstaan.

Het was een mooi geschenk dat zij ontvangen had in San Pasquale. Niet
alleen dat het de blinden niet kon helpen, maar het was in staat de
gansche stad in het verderf te storten. Nu zou het weinige dat het
volk nog bezat in de loterij verspeeld worden. Alles wat ze bezaten,
zouden ze verpanden en verkoopen.

De sindaco ontving donna Elisa dadelijk en was even beleefd en
vriendelijk als altijd, ofschoon de vrouwen nog op de markt stonden
te smeeken, blinden in de wachtkamer jammerden en hij den ganschen
dag lastig gevallen was door allerlei menschen.

"Waarmee kan ik u van dienst zijn, signora Antonelli?" zei hij. Donna
Elisa wist eerst niet tot wie hij sprak.

Toen vertelde zij hem van het testament.

De sindaco was noch bevreesd, noch verwonderd.

"Dat is zeer interessant," zei hij en strekte de hand uit naar
het papier.

Maar donna Elisa hield den brief vast, en vroeg:

"Signor sindaco, wat zijt ge van plan er mee te doen, is het uw
voornemen het aan de Romeinsche poort te laten aanplakken?"

"Ja, wat kan ik anders doen, signora? Het is de laatste wil van
een stervende."

Donna Elisa zou hem hebben willen zeggen, welk een noodlottig testament
het was. Maar zij zweeg om de zaak der blinden te kunnen bepleiten.

"Pater Succi, die verordende, dat de blinden in zijn kerk mochten
bijeenkomen, behoort ook tot de dooden," sprak zij nu.

"Signora Antonelli, begint gij ook hierover?" zei de sindaco heel
vriendelijk. "'t Was een vergissing, maar waarom heeft niemand mij
vóór dien tijd gezegd, dat de blinden vergaderden in de Luciakerk? Nu
het eenmaal besloten is, kan ik het besluit niet herroepen. Dat kan
ik niet."

"Maar hun rechten en hun document, signor sindaco?"

"Hun rechten beteekenen niets. Die gelden voor het Jezuïetenklooster,
maar zulk een klooster bestaat niet meer.

"En signora Antonelli, wat zou er van mij worden, indien ik nu toegaf?"

"Men zou u liefhebben als een goeden man."

"Signora, men zal gelooven, dat ik zwak ben, en elken dag zullen
er vierhonderd vrouwen voor het raadhuis komen bedelen om het een
of het ander. Het is immers slechts de quaestie om één dag vol te
houden. Morgen zal het vergeten zijn."

"Morgen!" zei donna Elisa. "Nooit zullen wij het vergeten."

De sindaco glimlachte, en donna Elisa zag, dat hij geloofde het volk
van Diamante beter te kennen dan zij.

"Ge gelooft, dat deze zaak hun na aan het harte ligt?" vroeg hij.

"Ja, dat geloof ik, signor sindaco."

Toen glimlachte de sindaco weer. "Geef mij dien brief eens, signora."

Hij ging ermee op het balkon en begon tot de vrouwen te spreken.

"Ik wil u zeggen," sprak hij, "dat ik juist nu verneem, dat de oude
fra Felice dood is en een testament voor u allen nagelaten heeft. Hij
heeft vijf cijfers opgeteekend, die den volgenden Zaterdag in de
loterij zullen winnen en deze schenkt hij u. Niemand heeft ze nog
gezien. Ze zijn opgeteekend in dezen brief, die nog ongeopend is."

Hij zweeg een oogenblik, opdat de vrouwen konden nadenken over hetgeen
hij gezegd had.

En oogenblikkelijk begonnen ze te roepen: "De cijfers, de cijfers!"

De sindaco gaf haar een teeken om te zwijgen.

"Ge moet er wel aan denken," zei hij, "dat fra Felice onmogelijk weten
kon welke nummers den volgenden Zaterdag uit de loterij zullen komen.

"Indien gij op deze cijfers speelt, is het mogelijk dat gij allen
verliest. En wij mogen in Diamante niet armer worden, dan wij reeds
zijn. Ik verzoek u daarom het testament te mogen vernietigen, vóórdat
iemand het gelezen heeft."

"De cijfers," riepen de vrouwen. "Laat ons de cijfers zien!"

"Indien ik het testament mag vernietigen," zei de sindaco, "beloof
ik u, dat de blinden hun kerk mogen behouden."

Het werd stil op de markt. Donna Elisa rees op van haar stoel in
de zaal van het raadhuis en klemde zich met beide handen aan de
leuning vast.

"Hemelsche Vader," zuchtte donna Elisa, "is hij een duivel dat hij
het arme volk op deze wijze in verzoeking brengt?"

"We zijn tot nu toe arm geweest," riep nu een vrouw, "we kunnen ook
in de toekomst de armoede dragen."

"We willen Barabbas niet kiezen in plaats van Christus," riep een
andere.

De sindaco nam een lucifersdoosje uit den zak, stak een lucifer aan
en bracht dien langzaam bij het testament. De vrouwen lieten lijdelijk
toe, dat de sindaco de winnende cijfers van fra Felice vernietigde.

De kerk der blinden was gered.

"Dit is een wonder," fluisterde de oude donna Elisa. "Allen
gelooven aan fra Felice en toch laten ze kalm zijn winnende nummers
verbranden! Dat is een wonder."



's Namiddags zat donna Elisa weer in haar winkel te borduren. Zij
zag er oud uit, het was alsof er iets in haar gebroken en vernietigd
was. Het was niet de gewone donna Elisa, die daar zat, het was een
arme, oude, verlaten vrouw.

Zij trok de naald langzaam op uit haar werk en toen zij die weer
insteken moest, ging dat aarzelend en onwillig. 't Kostte haar
moeite te verhinderen, dat de tranen op haar borduurwerk vielen en
het bedierven.

Donna Elisa had zulk een groot verdriet. Heden had zij Gaetano voor
altijd verloren. Er was geen hoop hem ooit weer te zien.

De heilige was tegen hem en hielp donna Micaela. Niemand kon er aan
twijfelen, dat er nu een wonder was geschied.

De vrouwen van Diamante zouden niet lijdelijk toegestaan hebben,
dat men fra Felice's nummers verbrandde, indien zij niet gebonden
waren door een wonder.

Het deed een arm mensch zoo'n verdriet, dat de goede heilige donna
Micaela hielp, die niet hield van Gaetano. De bel luidde hevig en
donna Elisa stond uit oude gewoonte op. 't Was donna Micaela, die nu
binnenkwam. Zij was verheugd en strekte beide handen uit naar donna
Elisa, maar deze wendde zich af. Zij kon haar hand niet drukken.

Donna Micaela was overgelukkig.

"O, donna Elisa, gij hebt mijn spoorweg geholpen. Hoe zal ik u danken!"

"Gij behoeft mij volstrekt niet te danken, schoonzuster!"

"Donna Elisa!"

"Indien de heiligen ons een spoorweg willen geven, dan is dat
zeker omdat Diamante daaraan behoefte heeft, maar niet omdat ze
u liefhebben."

Donna Micaela deinsde achteruit. Nu eindelijk meende zij te begrijpen
waarom donna Elisa kwaad op haar was.

"Indien Gaetano thuis was," zei zij, terwijl zij haar hand tegen heur
hart drukte:

"Indien Gaetano thuis was, zou hij niet toestaan, dat gij zoo slecht
tegen me waart."

"Gaetano! Zou Gaetano dat niet toestaan?"

"Neen. Zelfs indien gij boos op mij waart, omdat ik hem reeds liefhad,
terwijl mijn man nog leefde, zoudt gij het niet wagen mij dat te
verwijten indien hij thuis was."

Donna Elisa trok de wenkbrauwen een weinig op.

"Ge denkt, dat hij mij zou kunnen dwingen te zwijgen over zulk een
zaak?" en haar stem klonk wonderlijk vreemd.

"Maar donna Elisa," fluisterde donna Micaela nu. "'t Is immers geheel
onmogelijk hem niet lief te hebben.

"Hij is zoo schoon en hij heeft zooveel macht over mij, dat ik bang
voor hem ben.

"Ge moest begrijpen, dat ik hem moest liefhebben."

"Moest ik dat?" Donna Elisa ging zitten en sprak heel kort af.

Donna Micaela geraakte buiten zich zelf.

"En Gaetano heeft ook mij lief," riep zij. "Niet Giannita maar mij
had hij lief. Gij moest mij als een dochter beschouwen en mij helpen,
en gij moest goed jegens mij zijn. Maar in plaats daarvan zijt ge
boos op mij. Gij staat mij niet toe tot u te komen om met u over hem
te spreken. Hoe ik verlang en hoe ik werk, dat mag ik u niet zeggen."

Donna Elisa kon zich niet langer bedwingen. Donna Micaela was immers
nog een echt kind, jong, dwaas en bevend als een vogelhartje. Juist
een wezentje, dat bescherming noodig had. Zij moest haar armen wel
om haar heen slaan.

"Dat wist ik immers niet, jij dom, dwaas kindje," zei zij.



VII.

NA HET WONDER.


Er was een vergadering van het gilde der blinde zangers, in de
Luciakerk. Hoog boven op het koor achter het altaar zaten dertig oude
blinde mannen op de gebeeldhouwde koorstoelen der Jezuïeten. Zij
waren allen arm, de meesten van hen hadden den bedelaarszak en hun
kruk naast zich liggen.

Er heerschte een plechtige, ernstige stemming. De blinden wisten,
wat het wilde zeggen lid te zijn van dit heilige zangersgilde, van
deze heerlijke, oude academie.

Beneden in de kerk klonk nu en dan een dof rumoer. Daar zaten de
geleiders der blinden, kinderen, oude vrouwtjes en honden, te wachten,
maar spoedig was alles weer rustig en stil.

De blinden, die trovatores waren, traden nu de een na den andere op
om nieuwe gedichten voor te dragen.

"Gij menschen, die op den heiligen Etna woont," reciteerde een van
hen. "Gij menschen, die leeft op den berg der wonderen, verheft
u. Schenkt uwe heerscheres een nieuw sieraad. Zij verlangt naar twee
lange linten om haar schoonheid te verhoogen, twee lange smalle linten
van ijzer wil ze vasthechten aan haar mantel.

"Schenk deze aan uwe heerscheres en zij zal u met rijkdom beloonen. Zij
zal u goud geven voor ijzer. Ontelbaar zullen de schatten zijn,
die de machtige u schenken zal, indien gij haar nu geeft, hetgeen
zij verlangt."

"Een milde wonderdoener is in ons midden gekomen," zei een andere. "Hij
staat arm en onbemerkt in de naakte, oude kerk en zijn kroon is van
blik en zijne diamanten zijn van glas.

"Brengt geen offers aan mij, gij armen," zegt hij. "Bouwt geen tempel
voor mij, gij ellendigen.

"Voor uw geluk wil ik werken. En wanneer rijkdom heerscht in uwe
hutten, zal ik stralen in den glans van echte edelgesteenten, en
als de nood gevlucht is uit het land, zullen mijne voeten gouden
schoentjes dragen, met paarlen versierd."

En telkens als er een nieuw gedicht werd voorgedragen, werd het
aangenomen of verworpen.

De blinden gingen met groote strengheid te werk.

Maar den volgenden dag trokken ze over den Etna en zongen den spoorweg
in het hart van het volk.



Na het wonder van fra Felice's testament begonnen de menschen gaven te
geven voor den spoorweg. Donna Micaela had spoedig ongeveer honderd
lire bijeen. Toen reisde zij met donna Elisa naar Messina om de
stoomtram te zien, die tusschen Messina en Pharo loopt. Zij hadden
niet zulke groote wenschen. Zij zouden tevreden zijn met een stoomtram.

"Waarom behoeft een spoorweg zoo duur te zijn?" zei donna Elisa. "'t
Is immers slechts een gewone weg, waarop men ijzeren spoorstaven legt.

"Maar het zijn die ingenieurs en voorname heeren, welke een spoorweg
zoo duur maken! Neem geen ingenieur in je dienst, Micaela! Laat onze
goede wegwerkers Carmelo en Giovanni je spoorweg aanleggen."

Ze bekeken nauwkeurig de stoomtram van Pharo en trachtten alle
inlichtingen te verkrijgen, die zij slechts konden. Ze maten hoeveel
ruimte er tusschen de rails was en donna Micaela teekende op een klein
stuk papier hoe de sporen bij de stations moesten loopen. Dat was niet
zoo moeilijk. Zij waren overtuigd, dat zij zich zelf konden redden.

Dezen dag schenen er in het geheel geen bezwaren te bestaan. 't Was
niets moeielijker een station te bouwen dan een gewoon huis, zeiden
ze. En meer dan een paar stations hadden zij ook niet noodig. Op de
meeste halten was een overdekte wachtplaats voldoende.

Indien zij er slechts geen maatschappij van maakten en geen voorname
heeren in betrokken, want dat alles kostte zooveel geld, dan zou de
spoorweg wel tot stand komen.

Ook zou die niet zoo kostbaar worden. Den grond zouden zij zeker wel
voor niets krijgen. De rijke grondbezitters, die land bezaten op den
Etna, zouden wel begrijpen van hoeveel belang een spoorweg voor hen
was, en hem vrij over hun grond laten gaan.

Zij braken er haar hoofden niet mede om de juiste richting van een
spoorweg vooraf te bepalen. Ze zouden eenvoudig beginnen bij Diamante
en zoo verder gaan naar Catania. Men behoefde slechts een aanvang te
maken, en iederen dag een klein eindje verder aan te leggen. Dat was
niet zoo moeilijk.

Na deze reis begonnen zij te beproeven den spoorweg op eigen hand aan
te leggen. Don Ferrante had geen groot vermogen nagelaten aan donna
Micaela. Maar het was een geluk dat hij een groot stuk woest land op
den Etna bezeten had. Hierop begonnen Giovanni en Carmelo te graven
voor den nieuwen spoorweg.

Toen ze een aanvang maakten met dit werk, bezaten de spoorwegaanleggers
niet meer dan honderd lire. Maar het was het wonder met het testament,
dat hen met heiligen waanzin vervulde.

Welk een spoorweg zou dat worden! welk een spoorweg!

Blinde zangers waren de actiënverzamelaars, het heiligenbeeld gaf de
concessie en de oude koopvrouw, donna Elisa, was de ingenieur.



VIII.

EEN JETTATORE.


In Catania leefde eens een man met "het booze oog", een jettatore. Van
alle jettatoren op Sicilië duchtte men hem het meest.

Zoodra hij zich op straat vertoonde, haastten de menschen zich om het
beschermende teeken met de hand te maken. Toch hielp dit dikwijls in
het geheel niet.

Degene die hem ontmoet had, kon zich voorbereiden op een onaangename
gebeurtenis. Als hij thuis kwam was zijn eten aangebrand, en de mooie,
oude kristallen schotel lag in scherven op den grond. Hij zou hooren,
dat zijn bankier de betalingen gestaakt had, en dat het briefje,
dat hij aan de vrouw van zijn vriend geschreven had, in verkeerde
handen was terechtgekomen.

Meesttijds was de jettatore een lange, magere man met bleeke schuwe
oogen en een langen neus, die kromde over de bovenlip. God heeft den
jettatore dezen papagaaienneus gegeven als kenteeken.

Maar alles verandert, niets blijft zich steeds gelijk.

Deze jettatore was een kleine man met een neus als van San Michaël.

Daardoor kwam het dat hij nog veel meer kwaad stichtte dan een gewone
jettatore.

Hoeveel vaker steekt men zich niet aan de doornen van de roos, dan
dat men zich brandt aan een netel.

Een jettatore moest nooit volwassen zijn; zoo lang hij nog een kind
is, heeft hij het goed. Dan waakt zijn moedertje nog over hem en zij
ziet nooit het booze oog, zij begrijpt nooit waarom zij zich steeds
met de naald in den vinger prikt, wanneer hij bij haar naaitafeltje
komt. Zij is nooit bang om hem te kussen. Ofschoon er altijd ziekte
in haar huis heerscht en de dienstboden voortdurend wegloopen, en
haar vrienden het huis verlaten, merkt zij nooit iets.

Maar als de jettatore later in de wereld komt, is zijn lot dikwijls
treurig genoeg. Men moet immers in de eerste plaats aan zich zelf
denken, men kan toch niet zijn geheele leven bederven door goed
te zijn jegens een jettatore. Er zijn verscheidene jettatores, die
priester zijn.

Dit is niet zoo vreemd, de wolf is immers gelukkig, als hij vele
schapen kan verslinden. En zeker kan een jettatore niet meer kwaad
stichten, dan wanneer hij priester wordt. Men moest slechts weten,
hoe het den kinderen gaat, die zij doopen en den bruidsparen, wier
huwelijk zij inzegenen.

Deze jettatore van Catania werd ingenieur en wilde spoorwegen
aanleggen.

Hij werd geplaatst bij een der staatsspoorwegen. De staat kon toch
niet weten, dat hij een jettatore was.

Maar, o, welk een ellende, welk een ellende!

Zoodra hij aangesteld was bij den spoorweg, geschiedden er niets
dan ongelukken.

Wilde men een heuvel doorboren, dan had er een instorting plaats,
als men een brug wilde leggen, mislukte het keer op keer.

Wanneer men een mijn liet springen, werden de arbeiders gedood door
de rondvliegende steenen.

De eenige die steeds ongedeerd bleef, was de ingenieur, de jettatore.

Maar de arme menschen, die onder hem werkten! Ze telden iederen morgen
hun vingers en ledematen.

"Morgen hebben wij ze misschien niet meer allemaal," zeiden ze.

Men deed zijn beklag bij den hoofdingenieur, men klaagde bij den
minister. Geen van beiden wilde hooren. Ze waren te geleerd en te
verstandig om aan het booze oog te gelooven. De arbeiders moesten maar
beter bij het werk opletten. 't Was aan hun eigen onvoorzichtigheid
te wijten, dat er ongelukken geschiedden.

En de kolenwagens stortten in den afgrond, en de locomotieven
ontploften.

Op een morgen fluisterde men, dat de ingenieur weg was. Hij was
verdwenen, niemand wist waar hij gebleven was.

Had iemand hem soms vermoord?

O, neen, o, neen! wie zou het gewaagd hebben een jettatore te dooden!

Maar hij was werkelijk weg, geen mensch wist waar hij was.

Eenige jaren daarna was het, dat donna Micaela begon te denken aan
haar spoorweg. En om geld daarvoor bijeen te brengen, wilde zij een
bazaar houden in het groote Franciscanerklooster.

Daar was een groote tuin, omringd door prachtige, oude
zuilengangen. Donna Micaela richtte kleine kraampjes en tenten voor
ververschingen in onder deze arcaden. Zij slingerde guirlandes van
Venetiaansche lampions van zuil tot zuil. Ze liet groote vaten Etnawijn
rondom de kloosterbron opstapelen.

Terwijl donna Micaela daar buiten werkte, sprak zij dikwijls met
den kleinen Gandolfo, die na den dood van fra Felice, wachter van
het klooster geworden was. Op een dag liet zij zich door Gandolfo
door het geheele klooster geleiden. Zij liep het door van den zolder
tot den kelder. En toen zij deze ontelbare kleine cellen met haar
tralievenster en naakte muren en harde houten banken zag, kreeg zij
een inval. Zij verzocht Gandolfo haar op te sluiten in een dezer
cellen en haar daar gedurende vijf minuten te laten.

"Nu ben ik een gevangene," zei ze, toen zij alleengelaten werd. Ze
voelde, dat de deur gesloten was, ze zag dat er dikke traliën voor
de vensters waren. Zij was opgesloten. Zoo was het dus gevangen te
zijn! Vier naakte wanden om zich heen, de stilte, de kilheid van
het graf!

"Nu wil ik gevoelen zooals een gevangene," dacht zij.

Op hetzelfde oogenblik vergat zij alles voor de gedachte, dat
Gandolfo misschien niet komen zou om haar deur te ontsluiten. Hij
kon immers weggeroepen worden, hij kon plotseling ziek worden, hij
kon doodgevallen zijn in een der donkere gangen.

Er kon zooveel gebeurd zijn, dat hem verhinderde te komen. En
niemand wist, waar zij was, niemand kon haar zoeken in die afgelegen
cel. Indien zij een uur daarin moest vertoeven, zou ze waanzinnig
van angst worden.

Ze dacht aan de kwelling van den honger en van de eindelooze uren
van angst.

O, hoe zou ze ingespannen luisteren naar naderende schreden, hoe zou
ze roepen!

Hoe zou zij rukken aan de deur. Zij zou de kalk van den muur schrappen,
zij zou trachten de traliën voor het venster kapot te bijten.

En als zij haar dan eindelijk vonden, zou zij dood op den grond liggen,
en overal zou men sporen vinden van haar pogingen om zich te bevrijden.

Waarom kwam Gandolfo niet? Nu was zij toch een kwartier, een half
uur in de cel geweest.

O, waarom kwam hij toch niet?

Ze was overtuigd, dat ze een heel uur opgesloten was geweest, toen
Gandolfo kwam. Waar was hij toch zoo lang geweest?

Maar hij was niet lang weggeweest. Donna Micaela was slechts vijf
minuten in de cel.

O God, zóó was het dus gevangen te zijn! Zoo was dus Gaetano's
leven! Ze barstte in tranen uit, toen ze weer den blauwen hemel boven
zich zag.

Een tijdje daarna toen zij op een open loggia stonden, wees Gandolfo
haar een raam met luiken en groene gordijnen.

"Woont daar iemand?" vroeg zij.

"Ja, donna Micaela."

Gandolfo vertelde, dat daar een man woonde, die nooit anders dan
's nachts uitging. Een man die nooit met iemand sprak.

"Is hij krankzinnig?" vroeg donna Micaela.

"O neen, o neen, hij is even wel bij het hoofd als gij of ik. Men zegt,
dat hij zich moet verbergen. Hij is bang voor de regeering."

Donna Micaela stelde veel belang in dezen man.

"Hoe heet hij?" vroeg ze.

"Ik noem hem signor Alfredo."

"Hoe krijgt hij eten?" vroeg zij hem.

"Ik kook voor hem," zei Gandolfo.

"En kleeren?"

"Die verschaf ik hem. Ik ben het ook, die hem boeken en tijdschriften
bezorg."

Donna Micaela zweeg een tijdlang.

"Gandolfo," zei ze, terwijl zij hem de roos gaf, die zij in de hand
hield, "leg deze roos op het blad, als je straks eten brengt aan je
ongelukkigen gevangene!"

Na dien dag zond donna Micaela bijna elken dag een kleinigheid aan
den gevangene in het klooster. Nu eens was het een boek, dan een
bloem of een vrucht.

't Was haar zulk een genot, ze speelde met haar phantasie. 't Gelukte
haar bijna zich voor te stellen, dat het Gaetano was aan wien ze dit
alles zond.

Toen de dag aanbrak, dat de bazaar geopend zou worden, was donna
Micaela 's morgens reeds vroeg in het klooster.

"Gandolfo," zei ze, "ga voor mij naar je gevangene en vraag hem of
hij vanavond op het feest wil komen."

Gandolfo kwam spoedig met het antwoord terug.

"Hij dankt u zeer voor uw uitnoodiging, donna Micaela," zei de
knaap. "Hij wil gaarne komen."

Zij was verbaasd, want zij had niet gedacht, dat hij zich zou durven
vertoonen. Zij had hem slechts een vriendelijkheid willen bewijzen.

Er was iets, dat donna Micaela dwong om op te zien. Zij stond in den
kloostertuin, een venster in een der gebouwen tegenover haar werd
geopend. Donna Micaela zag een man van middelbaren leeftijd met een
aangenaam uiterlijk voor het raam staan en naar haar kijken. "Daar
is hij, donna Micaela," zei Gandolfo.

Zij was gelukkig. 't Was alsof ze dezen man gered en verlost had. En
meer dan dit. Menschen, die geen phantasie bezitten, kunnen dit
niet begrijpen.

Maar donna Micaela was den ganschen dag in spanning en verwachting. Ze
overwoog, hoe zij zich 's avonds zou kleeden. 't Was alsof zij Gaetano
verwachtte.--

Maar donna Micaela had spoedig wel iets anders te doen dan te
droomen. Den geheelen dag werd ze overstelpt door onaangename
wederwaardigheden.

Eerst ontving ze een brief van den ouden rooverhoofdman Falco Falcone.


    Waarde vriendin, donna Micaela,

    Daar ik gehoord heb, dat ge voornemens zijt een spoorweg aan
    te leggen op den Etna, wil ik u zeggen, dat dit nooit met mijn
    toestemming zal geschieden. Ik zeg u dit nu maar dadelijk, opdat
    ge aan deze zaak niet meer geld en moeite zult verspillen.

    Hooggeboren en edele signora, ik verblijf

    uw nederige dienaar,
        Falco Falcone.

    P.S. Passafiore, mijn neef, heeft dezen brief geschreven.


Donna Micaela smeet het vuile briefje op den grond. Het was haar
alsof ze het doodvonnis van haar spoorweg in de hand hield, maar
heden wilde zij daaraan niet denken, heden had zij haar bazaar.

Een oogenblik daarna kwamen haar wegwerkers, Giovanni en Carmelo,
bij haar. Ze wilden haar raden een ingenieur te raadplegen.

Zij wist zeker niet, hoe de grond was op den Etna. Eerst was het lava,
dan asch en dan weer lava.

Moest de weg aangelegd worden op de bovenste lavalaag of op het
aschbed, of moesten zij nog dieper graven? Moest de bodem voor een
spoorweg zeer vast zijn? Zij moesten er iemand bij hebben, die er
verstand van had.

Donna Micaela kon hen echter nu niet te woord staan.

Morgen, morgen! heden had zij geen tijd om daaraan te denken. Dadelijk
daarna kwam donna Elisa met nog slechter nieuws.

Er was een stadswijk in Diamante, waar arme en woeste menschen
woonden. Deze ongelukkige stakkers waren angstig geworden, toen ze
hoorden van den spoorweg.

Nu komt er gewis een aardbeving of een uitbarsting van den Etna,
hadden ze gezegd.

De machtige Etna duldt geen ijzeren banden. Hij zal den geheelen
spoorweg van zich afslingeren.

En het volk zei, dat men den spoorweg moest opbreken zoodra die
gelegd was.

Welk een ongeluksdag! Donna Micaela voelde zich verder dan ooit van
haar doel.

"Waarvoor dient het nu, of wij geld bijeenbrengen op den bazaar?" zei
ze mismoedig.

En het scheen ook niet, dat zij veel geld zou krijgen op haar feest. 's
Namiddags begon het te regenen. Sedert den dag, dat de klokken luidden,
had het nog niet zoo geregend in Diamante. 't Was alsof de wolken op
de daken drukten, en het water er uit stroomde. Eer men twee minuten
op straat liep, was men doornat.

Tegen zes uur, toen donna Micaela's bazaar geopend zou worden, regende
het zoo hard mogelijk. Toen zij in het klooster kwam, waren daar
geen andere menschen dan degenen, die haar zouden helpen verkoopen
en bedienen.

Zij had wel kunnen schreien! Welk een ongeluksdag! Wie had toch al
dezen tegenspoed over haar hoofd gebracht?

Donna Micaela's blikken vielen op een vreemden man, die tegen een
pilaar leunde en haar beschouwde.

Opeens herkende zij hem! Dat was de jettatore. Het was de jettatore
van Catania, dien men haar reeds als kind had leeren vreezen.

Donna Micaela ging dadelijk naar hem toe.

"Wilt ge even met mij gaan, signor," zei ze, terwijl zij hem
voorging. Zij wilde zoo ver weggaan, dat niemand hen hooren kon, dan
wilde zij hem verzoeken haar nooit meer onder de oogen te komen. Zij
moest het doen, zij kon niet toelaten dat hij haar geheele leven
verwoestte.

Zij dacht er in het geheel niet aan waar zij heenging. Plotseling
stond ze bij de deur van de kloosterkerk en trad naar binnen.

Het was er bijna donker. Alleen een klein olielampje brandde bij
het Christusbeeld.

Toen donna Micaela het Christusbeeld zag, verschrikte zij. Juist nu had
zij het liever niet gezien. Zij herinnerde zich hoe zijn kroon gerold
was voor Gaetano's voeten, toen deze zoo vertoornd was op de bandieten.

Misschien wilde het Christusbeeld niet, dat zij den jettatore verstiet.

Maar zij had toch werkelijk reden hem te vreezen. En 't was slecht
van hem op haar feest te verschijnen. Zij moest trachten hem van hier
te verwijderen.

Donna Micaela liep de geheele kerk door en stond nu stil voor het
Christusbeeld.

Zij kon geen woord zeggen tot den man, die haar volgde. Zij herinnerde
zich hoeveel medelijden zij nog onlangs met hem gehad had, omdat hij
gevangen zat, hij evenals Gaetano.

Zij was zoo gelukkig geweest hem tot het leven terug te voeren. Wat
wilde zij nu doen?

Hem weer in de gevangenis zenden?

Zij dacht aan haar vader en aan Gaetano. Zou het nu voor den derden
keer zijn, dat zij...

Zij stond zwijgend en voerde een hevigen strijd met zich zelf.

Eindelijk begon de jettatore te spreken.

"Niet waar, signora, ge hebt genoeg van mij?"

Donna Micaela maakte een ontkennende beweging.

"Wenscht gij, dat ik terugkeer naar mijn cel?"

"Ik begrijp u niet, signor."

"Ja zeker, gij begrijpt me wel. Er is u vandaag iets vreeselijks
overkomen. Gij ziet er nu geheel anders uit dan dezen morgen."

"Ik ben zeer moede," zei donna Micaela ontwijkend.

Hij trad dicht op haar toe, als om haar de waarheid af te dwingen. De
vragen en antwoorden volgden elkaar kort en stootend.

"Ziet ge niet, dat uw geheele feest dreigt te mislukken?"

"Dan doen we het morgen weer over."

"Hebt ge mij dan niet herkend?"

"Ja, ik heb u vroeger wel eens in Catania gezien."

"En gij zijt niet bang voor den jettatore?"

"Ja, vroeger als kind."

"Maar nu zijt ge niet meer bevreesd?"

Zij ontweek hem te antwoorden.

"Zijt ge zelf bang?" vroeg ze.

"Zeg de waarheid!" zei hij ongeduldig. "Wat wildet gij mij zeggen,
toen gij mij hierheen voerdet?"

Zij zag onrustig om zich heen. Zij moest hem iets zeggen, zij moest
hem een antwoord geven. Toen kwam er een gedachte in haar op, die
haar angstig maakte. Zij zag naar het Christusbeeld.

"Eischt gij dit van mij?" scheen ze hem te vragen.

"Moet ik dit doen voor een vreemden man? Maar dit staat immers gelijk
met mijn eenige hoop te vernietigen."

"Ik weet nauwelijks of ik het wel wagen durf u te zeggen, wat ik u
verzoeken wilde," zeide zij.

"Neen, ziet ge wel dat gij den moed niet hebt."

"Ik ben van plan een spoorweg aan te leggen, weet ge dat?"

"Ja, dat weet ik."

"Ik wilde u vragen of gij mij helpen wildet?"

"Ik! Ik!"

Nu zij eenmaal begonnen was, viel het haar gemakkelijker te
vervolgen. Zij was verbaasd hoe natuurlijk het klonk, toen zij het
hem vroeg.

"Ik weet, dat ge een spoorwegingenieur zijt. Ja, ge begrijpt wel,
dat aan mijn spoorweg geen geld verdiend wordt. Maar het was beter,
dat ge me hielpt, dan dat ge in uw cel opgesloten zit. Gij verspilt
slechts uw tijd."

Hij keek haar bijna streng aan.

"Weet ge, wat ge daar zegt?"

"Ja, het is natuurlijk een vermetel verzoek."

"Ja juist, een vermetel verzoek."

Daarna begon de ongelukkige man haar te waarschuwen voor al het onheil,
dat haar dreigde, indien zij zijn hulp aannam.

"Het zou met uw spoorweg gaan, zooals met uw feest."

Donna Micaela was overtuigd van de waarheid zijner woorden, maar zij
had nu alle wegen achter zich afgesloten, zij moest nu voortgaan,
goed te zijn.

"Mijn feest zal spoedig in vollen gang zijn," zei ze beslist.

"Hoor naar mij, donna Micaela," zei de jettatore.

"Het laatste waaraan men weigert niet te gelooven is aan zich zelf. Men
kan niet nalaten zich zelf te vertrouwen."

"Neen, waarom zou men dat ook doen?"

Hij maakte een beweging, alsof hij ongeduldig was over haar vertrouwen.

"Toen ik eerst over de zaak begon te denken," zei hij, "troostte ik
mij gemakkelijk. Door een paar ongelukkige toevallen, zei ik tot mij
zelf, heb je den naam van jettatore gekregen, zoodat dit langzamerhand
een vaste overtuiging is geworden. En juist dit geloof sticht het
kwaad. Men heeft mij ontmoet en geloofd, dat men zou verongelukken,
en toen geschiedde het ook. Het is een ongeluk erger dan de dood,
aangezien te worden voor een jettatore. Maar gij behoeft het zelf
niet te gelooven."

"Het is zoo ongerijmd," zei donna Micaela.

"Ja, niet waar, hoe zouden mijn oogen de macht bezitten kwaad te
stichten? Ik wilde een proef nemen. Ik reisde naar een plaats, waar
niemand mij kende. Den volgenden morgen las ik in de courant, dat door
den trein waarmee ik gereisd had, een baanwachter overreden was. Toen
ik een dag in het hotel was, zag ik dat de hotelhouder wanhopig was,
en alle gasten ontsteld waren.

"Wat is er gebeurd?" vroeg ik.

"Een van onze bedienden is door de pokken aangetast. O, welk een
ellende!"

"Donna Micaela, toen sloot ik mij op en onthield mij van allen omgang
met menschen.

"Toen een jaar verstreken was, kwam ik tot rust. Ik ben immers
geen gevaarlijk mensch, zei ik, en ik wil toch niemand eenig kwaad
doen. Waarom zou ik dan als een misdadiger leven?

"Ik had mij juist voorgenomen terug te keeren tot het leven, toen ik
fra Felice in een der gangen ontmoette.

"Fra Felice, waar is de kat?"

"De kat, signor?"

"Ja, de kat van 't klooster, wie ik altijd melk geef. Waar is zij?"

"Zij is in een rattenval geraakt."

"Wat zegt u, fra Felice?"

"De kat is met haar staart in de val gekomen en kon zich toen niet
bevrijden. Zij heeft zich naar een der ramen gesleept en is van
honger gestorven."

"Wat zegt ge daarvan, donna Micaela?"

"Was het dan uw schuld, dat de kat stierf?"

"Ik ben immers een jettatore."

Zij trok de schouders op. "Ach, welk een dwaasheid!"

"Toen eenige tijd verstreken was, ontwaakte opnieuw de lust in mij
om te leven. Toen klopte Gandolfo op mijn deur en noodigde mij op
dit feest. Waarom zou ik niet gaan? Men kan onmogelijk van zich zelf
gelooven, dat men ongeluk aanbrengt, alleen door zich te vertoonen.

"'t Was reeds een feest, donna Micaela, me klaar te maken, en mijn
zwarte kleeren voor den dag te halen, ze te borstelen en aan te
trekken. Maar toen ik op het feestterrein kwam, was dit verlaten,
de regen stroomde neer, en uw Venetiaansche ballons waren vol water.

"En gij zelf zaagt er uit, alsof al de rampen van het leven u op één
dag getroffen hadden.

"Toen ge mij zaagt, werdt ge aschgrauw van schrik.

"Ik vroeg iemand: Hoe heet signora Alagona van zich zelf?--Palmeri--

"O, Palmeri, zij is dus uit Catania? Zij heeft den jettatore herkend."

"Ja, 't is waar, ik heb u herkend."

"Ge zijt zeer goed en vriendelijk geweest en ik ben zeer bedroefd,
dat ik uw feest verstoord heb. Maar nu beloof ik u, dat ik mij verre
van uw feest zoowel als van uw spoorweg zal houden."

"Waarom zoudt gij u daar verre van houden?"

"Ik ben immers een jettatore."

"Dat geloof ik niet. Ik kan het niet gelooven."

"Ik geloof het zelf ook niet. Maar toch, ja, ik geloof het. Weet ge,
dat men zegt, dat niemand een jettatore kan overwinnen, dan hij die
even groot in slechtheid is, als de jettatore zelf?

"Men vertelt, dat eens een jettatore in den spiegel zag, en dat hij
toen neerstortte en stierf. Ik zie nooit in den spiegel. Ik geloof
het dus zelf."

"Ik geloof het niet. Misschien geloofde ik het nog wel, toen ik u
daarbuiten zag. Nu echter geloof ik het niet meer."

"Gij wildet mij misschien laten werken aan uw spoorweg?"

"Ja, ja, indien gij slechts zelf wilt."

Weer trad hij dicht op haar toe, en zij wisselden eenige korte zinnen.

"Kom in het licht, ik wil uw gelaat zien."

"Ge gelooft, dat ik niet de waarheid spreek?"

"Ik geloof, dat ge slechts beleefd wilt zijn."

"Beteekent die spoorweg iets voor u?"

"Die beteekent leven en geluk voor mij."

"Hoezoo?"

"Die moet iemand winnen, dien ik liefheb."

"Zeer lief?"

Zij antwoordde niet, maar hij kon het antwoord lezen in haar blik.

Toen viel hij op de knieën voor haar en boog zijn hoofd zoo diep,
dat hij den zoom van haar kleed kon kussen.

"Gij zijt goed, gij zijt zeer goed. Dit zal ik nooit vergeten. Indien
ik degene was, waarvoor ge mij hieldt, hoe zou ik u dan dienen!"

"Maar ge moet mij dienen," zei ze. En zij was zoo getroffen door zijn
ongeluk, dat zij in het geheel geen vrees meer gevoelde, dat hij haar
deren zou.

Hij sprong op.

"Ik wil u iets zeggen. Ge kunt niet loopen zonder te struikelen
wanneer ik naar u zie."

"O, waarom niet?"

"Beproef het!"

En zij beproefde het. Maar zij was bang. Reeds bij de eerste schrede
voelde zij zich onzeker.

Maar toen dacht zij: "Indien het voor Gaetano was, dan kon ik het
zeker wel." En toen ging het ook.

Zij liep heen en weer.

"Zal ik het nog één maal doen?" Hij knikte.

Terwijl zij liep kwam de gedachte bij haar op:

Het Christusbeeld heeft den vloek van hem genomen, omdat hij mij
wil helpen.

Zij wendde zich plotseling om en kwam naar hem toe.

"Weet ge, weet ge dat ge geen jettatore zijt?"

"Ben ik dat niet?"

"Neen, neen!" zij greep hem bij den arm en schudde dien. "Begrijpt
ge dan niet, ziet ge dan niet? 't Is van u genomen."

De stem van den kleinen Gandolfo klonk buiten de kerk.

"Donna Micaela, donna Micaela, waar zijt ge? Er zijn zooveel menschen,
donna Micaela! Waar zijt ge?"

"Regent het dan niet meer?" zei de jettatore met onzekere stem.

"'t Regent niet meer, hoe zou het kunnen regenen? Het Christusbeeld
heeft den vloek van u genomen, opdat gij zijn spoorweg zoudt kunnen
dienen."

De man wankelde en greep met zijn hand in de lucht.

"'t Is weg. 'k Geloof, dat het weg is. Nog zooeven was het over mij,
maar nu..."

Weer wilde hij knielen voor donna Micaela.

"Dank mij niet," zei zij. "Maar hem, hem!" en zij wees op het
Christusbeeld.

Maar toch viel hij voor haar op de knieën, kuste haar handen, en onder
snikken en tranen vertelde hij haar hoe de menschen hem vervolgd en
verafschuwd hadden en hoeveel ellende het leven hem gebracht had.

Den volgenden dag begon de jettatore te werken aan den spoorweg. En
hij was niet gevaarlijker dan eenig ander mensch.



IX.

HET PALEIS GERACI EN HET PALEIS CORVAJA.


In den tijd, toen de Noormannen nog op Sicilië heerschten, lang
voordat het geslacht Alagona op het eiland kwam, werden in Diamante
twee heerlijke gebouwen opgetrokken, het palazzo Geraci en het
palazzo Corvaja.

De edele baronnen Geraci kozen hun verblijf bij de markt, hoog op de
kruin van den Monte Chiaro. De baronnen Corvaja daarentegen bouwden
hun paleis aan den voet van den berg en omgaven het met groote parken.

De zwarte lavamuren van het palazzo Geraci werden opgetrokken rondom
een kleinen, vierkanten binnenhof, die louter stemming en heerlijkheid
was. Een hooge trap, onder een eerepoort met wapens versierd, voerde
naar de tweede verdieping.

Niet rondom den hof, maar hier en daar op de meest onverwachte
plaatsen openden de muren zich om plaats te maken voor kleine, met
zuilen versierde loggia's.

De wanden waren bedekt met reliëfs, bonte platen Siciliaansch marmer
en met de wapenschilden der baronnen Geraci. Er waren ook vensters,
maar die waren zeer klein, met prachtig bewerkte vensterkozijnen. Er
waren ronde raampjes met zulke kleine lichtopeningen, dat ze bedekt
konden worden door een druiveblad, of langwerpige, die zoo smal waren,
dat ze niet meer licht doorlieten dan een reet van een gordijn.

De baronnen van Corvaja dachten er niet aan den binnenhof van
hun paleis te versieren, maar ze bouwden een heerlijke zaal op
de benedenverdieping. In den vloer werden groote waterbakken voor
goudvisschen gemetseld, in de muurnissen werden fonteinen met mozaïek
geplaatst, waar helder water neerbruiste in geweldige reuzenschelpen.

Boven deze zaal welfden zich Moorsche bogen, gedragen door slanke
zuilen, omslingerd door ranken van mozaïek. Het was een zaal, waarvan
de weerga slechts te vinden was in het Saracenenslot te Palermo.

Er heerschte een felle wedijver tusschen de beide geslachten gedurende
de gansche bouwperiode.

Wanneer het palazzo Geraci een balkon kreeg, werd het palazzo Corvaja
versierd met hooge Gothische boogvensters; toen het dak van het paleis
Geraci getooid werd met rijk gebeeldhouwde tinnen, werd er op het
palazzo Corvaja een meterhooge fries aangebracht van zwart marmer
met wit ingelegd.

Het huis Geraci had een hoogen toren, maar het paleis Corvaja een
dakterras met hooge vazen op de balustrade.

Toen de paleizen eindelijk voltooid waren, werd de wedstrijd voortgezet
tusschen de families die ze gebouwd hadden.

De vijandschap en de strijd schenen zich van de huizen mee te deelen
aan allen, die daarin woonden.

Een baron Geraci kon nooit gelijk denken met een baron Corvaja.

Als Geraci voor Anjou streed, vocht Corvaja voor Manfred. Veranderde
Geraci van kleur en stond hij Aragonie bij, dan trok Corvaja naar
Napels om voor Robert en Johanna te strijden.

Maar dat alles was nog niet genoeg. Het stond vast, dat wanneer Geraci
een schoonzoon kreeg, ook Corvaja zijn macht moest vermeerderen door
een goed huwelijk.

De beide geslachten konden nooit tot rust komen.

Men moest eten om strijd, zich vermaken om strijd, en werken om
strijd. De Geraci's trokken naar het hof der Bourbons in Napels,
niet uit lust om zich te onderscheiden, maar omdat de Corvaja's daar
ook waren.

De Corvaja's van hun kant moesten wijn verbouwen en zwavelmijnen
bezitten, omdat de Geraci's belangstelden in landbouw en mijnwezen.

Als een Geraci een erfenis gekregen had, moest ook een oude
bloedverwant van Corvaja sterven, opdat de eer van het geslacht niet
overstraald zou worden.

't Palazzo Geraci had voortdurend werk om zijn dienaren te tellen,
opdat het palazzo Corvaja het niet zou overtreffen.

Maar niet alleen lette men op de bedienden, men hield ook rekening
met de galons der livreien en met het tuig der paarden.

De pluimen van Corvaja's vierspan mochten geen duim hooger zijn dan
die der Geraci's. Hun kudden geiten moesten zich in dezelfde mate
vermenigvuldigen, en de ossen der Geraci's moesten even groote hoornen
hebben als die van Corvaja.

Men zou geloofd hebben, dat in onze dagen de vijandschap tusschen
beide paleizen geëindigd was. Nu woont er noch een der Corvaja's in
het eene paleis, noch een der Geraci's in het andere.

Nu is de binnenhof der Geraci's een vuile plaats, waarop zoowel
ezelstallen als varkenshokken en kippenloopen te vinden zijn. Op de
hooge trap hangen lompen te drogen, en de reliëfs zijn beschadigd
en gebroken.

In een der beide hallen wordt handel in groenten gedreven, in de
andere is een schoenmakerswerkplaats.

De poortwachter ziet er uit als een ellendige bedelaar, en van den
kelder tot den zolder vindt men niets anders dan arme uitgehongerde
menschen.

En met het paleis Corvaja gaat het niet veel beter.

Er is geen spoor meer te vinden van de mozaïekbekleeding in de groote
zaal, nu zijn er nog slechts naakte, kale gewelven.

Daar wonen geen bedelaars, omdat het paleis voor het grootste gedeelte
in puinhoopen ligt. Slechts zijn schoone gevel met de gebeeldhouwde
vensterbogen verheft zich nog naar den blauwen Siciliaanschen hemel.

Maar toch is de vijandschap tusschen Geraci en Corvaja niet
geëindigd. In de oude tijden waren het niet alleen de edele
geslachten zelve, die met elkaar in strijd waren, maar ook hun buren
en onderhoorigen.

Gansch Diamante werd verdeeld tusschen Geraci en Corvaja. Nog loopt
er een hooge, met puntige glasscherven bedekte muur door de stad,
die het deel van Diamante, dat aan de zijde der Geraci's staat,
scheidt van dat, hetwelk zich voor Corvaja verklaard heeft.

Nog in onze dagen wil geen man van Geraci trouwen met een meisje
van Corvaja. En een herder van Corvaja kan zijn schapen niet laten
drinken van de bron van Geraci. Ze hebben niet eens dezelfde heiligen.

San Pasquale wordt aangebeden door Geraci, terwijl de zwarte Madonna
de schutspatrones van Corvaja is.

Een man van Geraci zal nooit iets anders gelooven, dan dat geheel
Corvaja vol is van toovenaars, heksen en weerwolven.

Een man van Corvaja zal bij zijn zaligheid zweren, dat in Geraci
niets anders gevonden worden dan bandieten en gauwdieven.

Donna Micaela woonde op Geraci's gebied, en spoedig waren al de
bewoners van dat stadsdeel aanhangers van haar spoorweg. Maar toen
kon Corvaja natuurlijk niets anders doen dan haar tegenwerken.

Corvaja's bewoners waren bizonder misnoegd over twee zaken. Ze waren
naijverig op de eer der zwarte Madonna en het stond hun dus niet aan,
dat er nog een wonderdoend beeld in Diamante gekomen was.

Dit was het eene; het tweede was, dat zij vreesden dat de Mongibello
geheel Diamante onder asch en vuur zou begraven, indien men hem door
een spoorweg wilde bedwingen.

Eenige dagen na den bazaar, begon het palazzo Corvaja zich vijandig te
gedragen. Donna Micaela vond op een dag op haar dakterras een citroen,
die zoo dicht met spelden bezet was, dat die geleek op een stalen bal.

Die kwam van het palazzo Corvaja, dat zoo vele smarten in haar hoofd
wilde tooveren, als er spelden in den citroen waren.

Toen wachtte Corvaja eenige dagen om te zien welke uitwerking de
citroen had. Maar toen donna Micaela's arbeiders bleven doorwerken
aan den spoorweg, kwamen de mannen van Corvaja op een nacht om den weg
op te breken. En toen de staven den volgenden dag weer gelegd waren,
sloeg men de ruiten in San Pasquale stuk en wierp het Christusbeeld
met steenen.--

--Het was een langwerpig en smal marktplein aan de Zuidzijde van
den Monte Chiaro. Aan de beide lange zijden stonden donkere, hooge
huizen. Aan een der korte zijden gaapte een afgrond, aan den anderen
kant verhief zich een steile berg. Er waren terrassen uitgehouwen
in de berghelling, maar de trappen waren vervallen en de treden
gebroken. Op het grootste terras verhief zich de statige ruïne van
het paleis Corvaja.

Het voornaamste sieraad van het marktplein was een prachtig, langwerpig
waterbassin, dat onder de terrassen, dicht bij den berg stond. Het
was van sneeuwwit marmer met relief versierd en gevuld met helder,
koel water. Dit was het best bewaard gebleven van al de vroegere
heerlijkheden van Corvaja.

Op een schoonen, vredigen avond kwamen er twee dames, in het zwart
gekleed, op het kleine marktplein. Op dit oogenblik lag het geheel
verlaten. De beide dames keken rond, maar toen zij geen enkel mensch
zagen, namen zij plaats op de bank bij de bron om te wachten.

Spoedig kwamen er eenige nieuwsgierige kinderen te voorschijn en
keken naar haar, en de oudste der beide dames begon met de kinderen
te spreken. Zij vertelde hun sagen.

"Er was eens," zei ze.

Toen vertelde ze den kinderen van het Christuskind, dat zich
in rozen en leliën veranderde, toen de Madonna een van Herodes'
soldaten ontmoette, die het bevel ontvangen hadden alle kinderen te
dooden; en ze luisterden naar de legende van het Christuskind, dat
eens vogelen van leem maakte, en in de handen klapte en den leemen
koekoeken vleugels gaf om weg te vliegen, toen een slechte knaap ze
kapot wilde slaan.

Terwijl de oude dame sprak, verzamelden zich vele kinderen om haar
heen, maar ook volwassen menschen. 't Was juist Zaterdagavond, zoodat
de arbeiders van hun werk op het land terugkeerden. De meesten kwamen
bij Corvaja's bron om een teug koel water te drinken vóórdat zij naar
huis gingen.

Toen zij hoorden dat er sagen verteld werden, bleven zij staan om
te luisteren.

De beide dames waren spoedig omringd door een donkeren muur van grove,
zwarte mantels en slappe hoeden.

Plotseling zei de oude dame tot de kinderen:

"Houdt ge van het Christuskind?"

"Ja, ja," zeiden ze en hun groote, donkere oogen schitterden.

"Zoudt ge het gaarne willen zien?"

"Ja, ja," riepen de kinderen.

De dame sloeg haar mantille op en toonde den kinderen een klein
Christusbeeld, rijk versierd met ringen, en een gouden kroon op het
hoofd en gouden schoentjes aan de voeten.

"Hier is het," zei ze. "Ik heb het meegenomen om het je te toonen."

De kinderen waren opgetogen. Eerst vouwden ze hun handjes voor het
ernstige gezicht van het beeld, toen wierpen zij het kushandjes toe.

"Is hij niet schoon?" zei de oude dame.

"Mogen wij hem hebben, mogen wij hem hebben?" riepen de kinderen.

Maar nu drong een groote, ruwe arbeider, een donkere man met ruigen,
zwarten baard, naar voren. Hij wilde het beeld tot zich rukken.

De oude dame had nauwelijks den tijd om het achter haar rug te
verbergen.

"Geef hier, donna Elisa, geef hier!" zei de man.

De arme donna Elisa wierp een blik op donna Micaela, die den ganschen
tijd stil en misnoegd naast haar gezeten had. Donna Micaela had zich
slechts met moeite laten overreden om mede te gaan naar Corvaja om
het beeld aan het volk te toonen.

"'t Beeld helpt ons, wanneer het wil," zei zij. "Wij moeten het niet
tot wonderen dwingen."

Maar donna Elisa had volstrekt willen gaan; ze had gezegd, dat het
beeld slechts wachtte om tot de ontrouwe stakkers in Corvaja gevoerd
te worden.

Na alles, wat hij reeds gedaan had, konden zij wel zooveel vertrouwen
in hem stellen, dat ze geloofden dat hij ook deze menschen voor zich
zou winnen.

Maar nu stond zij daar, donna Elisa, terwijl de woeste man zich over
haar heen boog en zij wist niet hoe zij kon verhinderen, dat hij het
beeld nam.

"Geef het mij goedschiks, donna Elisa," zei de man, "anders, bij God,
neem ik het met geweld. Ik zal het in stukjes, in kleine, kleine
stukjes hakken.

"Ge zult zien hoeveel er overblijft van uw houten pop.

"Ge zult eens zien of 't het zal kunnen volhouden tegen de zwarte
Madonna."

Donna Elisa drukte zich tegen den bergwand, ze zag geen uitweg. Ze
kon noch vluchten, noch zich verzetten.

"Micaela!" riep zij klagend, "Micaela!"

Donna Micaela was zeer bleek. Zij hield de handen tegen het hart
gedrukt, zooals ze placht te doen, als ze heftig bewogen was. Zij vond
het vreeselijk, vijandig te staan tegenover deze donkere mannen. 't
Waren juist deze mannen in korte mantels met slappe hoeden, waarvoor
zij altijd zoo bang was.

Maar nu donna Elisa haar riep, wendde zij zich plotseling om, trok
het beeld naar zich toe en strekte het naar den man uit.

"Neem het," zei zij fier. En zij ging hem zelfs een schrede
tegemoet. "Neem het en doe er mee, wat ge kunt."

Zij hield het beeld voor zich uitgestrekt en trad al dichter op den
donkeren arbeider toe.

Hij wendde zich naar zijn kameraden.

"Zij gelooft dat ik haar pop niets doen kan," zei hij hoonend.

En alle arbeiders sloegen zich op de knieën en lachten.

Hij nam het beeld echter niet, maar greep naar de groote spade,
die hij in de hand hield. Hij week een paar stappen achteruit, hief
de spade boven zijn hoofd, en spande al zijn spieren tot een slag,
die in eens het gehate beeld zou verpletteren.

Donna Micaela schudde waarschuwend het hoofd.

"Je kunt het toch niet," zei ze en ze trok het beeld niet terug.

Hij zag dat zij toch bevreesd was, en hij genoot van haar angst.

Zoo stond hij langer met opgeheven spade dan strikt noodzakelijk was.

"Piero!" klonk het toen luid jammerend. "Piero, Piero!"

"Mijn God, Marcia roept mij," zei hij.

Op hetzelfde oogenblik stormde een schaar menschen uit een kleine hut,
die gebouwd was tusschen de puinhoopen van het palazzo Corvaja. Het
waren ongeveer tien vrouwen, die met een karabinier vochten.

De karabinier hield een kind op den arm, en de vrouwen trachtten hem
dit kind te ontrukken. Maar de politieagent, die een sterke man was,
maakte zich van haar allen los, zette het kind op den schouder,
en sprong de trede van het terras op.

De donkere Piero had er naar gekeken zonder een beweging te maken. Toen
de karabinier zich losrukte, boog hij zich tot donna Micaela en
zei haastig:

"Kan het beeld dit verhinderen, dan zal geheel Corvaja aan zijn
zijde staan."

Nu was de karabinier op de markt. Piero maakte een beweging met
de hand, oogenblikkelijk sloten zijn kameraden een kring om den
vluchtende. Waar deze zich wendde, overal zag hij een dichte rij
mannen om zich heen, die hem dreigden met hun schoppen en spaden.

Er ontstond plotseling een vreeselijke verwarring. De vrouwen,
die met den karabinier gestreden hadden, stortten zich nu gillend
tusschen de mannen. 't Meisje, dat de agent vasthield, schreeuwde
uit al haar macht en trachtte zich los te rukken. Menschen kwamen
van alle kanten aanstormen. Het was een ontzettend getier en geraas.

"Laten wij nu gaan," zei donna Elisa tot donna Micaela. "Nu denkt
niemand meer aan ons."

Maar donna Micaela's blik was gevallen op een der vrouwen. Zij
schreeuwde niet, maar men zag dadelijk dat haar de zaak aanging. Men
kon het haar aanzien, dat zij op het punt stond het geluk van haar
leven te verliezen.

Het was een vrouw, die eens zeer schoon geweest moest zijn, hoewel
nu alle frischheid van haar geweken was, want zij was niet jong
meer. Maar nog had zij een indrukwekkend en fier gelaat. "Hier is
een ziel, die kan lijden en liefhebben," zei het gezicht.

Donna Micaela voelde zich innig aangetrokken tot deze arme vrouw.

"Neen, nog is het geen tijd om weg te gaan," zei ze tot donna Elisa.

De karabinier vroeg en vroeg of men hem wilde laten gaan.

"Neen, neen. Niet voordat hij het kind losliet!"

't Kind was van Piero en zijn vrouw Marcia, maar zij waren niet de
werkelijke ouders van het kind, daardoor was de twist ontstaan.

De karabinier trachtte door overreding het volk aan zijn zijde te
krijgen. Niet Piero of Marcia, maar de anderen wilde hij overtuigen.

"Ninetta is de moeder van het kind," zei hij, "dat weet ge immers
wel. Zij kon het kind niet bij zich hebben, toen zij ongetrouwd was,
maar nu is zij getrouwd en wil haar kind terughebben. En nu weigert
Marcia Ninetta's zoontje af te staan. 't Is zoo hard voor Ninetta,
die in acht jaar haar kind niet bij zich gehad heeft. Marcia wil het
niet afstaan; zij jaagt Ninetta weg, als zij om haar kind vraagt. Ten
slotte moest Ninetta bij den sindaco om hulp vragen. En de sindaco
heeft ons bevolen, haar het kind terug te bezorgen.

"'t Is toch ook Ninetta's kind," zei hij overredend.

Maar zijn woorden hadden niet veel uitwerking op de mannen van Corvaja.

"Ninetta is een Geraci," riep Piero en de kring bleef rondom den
karabinier gesloten.

"Toen we hier kwamen om het kind te halen," zei deze, "konden we het
niet vinden. Marcia was in den rouw, haar kamer was met zwart doek
bekleed, en vele vrouwen zaten bij haar te treuren. Zij toonden ons
het doodattest van het kind. Wij gingen naar Ninetta om haar te zeggen
dat haar kind op het kerkhof lag.

"Nu goed! Een uur later moest ik hier op de markt op wacht staan. Ik
keek naar de spelende kinderen. Wie was het sterkste en wie riep het
luidst? Was dat niet een der meisjes? "Hoe heet je?" vroeg ik haar.

"Francesco," antwoordde zij dadelijk.

"'t Viel mij in dat dit meisje Francesco Ninetta's knaap kon zijn, en
ik wachtte stil, tot ik Francesco in Marcia's huis zag gaan. Ik trad
binnen en zag het meisje Francesco avondbrood eten bij Marcia. Zij
en al de treurende vrouwen begonnen te schreeuwen, toen zij mij
zagen. Toen greep ik signorina Francesco en vluchtte met haar, want
het kind is niet van Marcia. Begrijp het toch, signori! Het is van
Ninetta. Marcia heeft er geen recht op."

Toen begon Marcia eindelijk te spreken. Zij sprak met een diepe stem,
die de omstanders dwong naar haar te luisteren, en zij maakte slechts
weinige maar edele gebaren.

"Had zij geen recht op het kind? Maar wie had het dan voedsel en
kleeren gegeven? Het was duizend malen gestorven, indien zij het niet
genomen had.

"En bovendien, recht! recht! Wat wilde dat zeggen? Degene, die het
kind liefhad, had recht op het kind. Piero en zij hadden den jongen
lief als hun eigen zoon. Zij konden niet van hem scheiden."

De vrouw was wanhopig, maar misschien de man nog meer. Hij dreigde den
karabinier, zoodra deze zich slechts bewoog. Toch scheen de karabinier
te merken, dat hem de zege zou geworden.

Men had gelachen toen hij sprak van signorina Francesco.

"Dood mij, als ge wilt," zei hij tot Piero. "Maar helpt je dat? Zal
je het kind daardoor mogen behouden? Het is niet van jou maar van
Ninetta."

Piero wendde zich tot donna Micaela.

"Bid hem, dat hij mij helpt!" Hij wees op het beeld.

Donna Micaela ging dadelijk naar Marcia. Zij was vol vrees en beefde
voor hetgeen zij waagde, maar nu was het geen tijd zich te onthouden
van inmenging.

"Marcia," fluisterde zij, "beken! Beken het als je durft."

De vrouw zag haar ontsteld aan.

"Ik zie het immers," fluisterde donna Micaela. "Gij zijt zoo gelijk
als twee appels van denzelfden boom.--Maar ik zal niets zeggen,
als je het niet wilt."

"Hij zal mij dooden," zei Marcia.

"Ik weet, dat er één is, die niet zal toestaan dat hij u doodt,"
zei donna Micaela. "Anders ontneemt men u het kind," vervolgde zij.

Allen zwegen en keken naar de beide vrouwen. Men zag hoe Marcia
met zich zelf streed. Haar gelaatstrekken vertrokken zich in hevige
ontroering. Toen bewoog zij de lippen. "Het is mijn kind," zei zij,
maar haar stem was zoo diep, dat niemand het hoorde. Zij zei het nog
eens, nu klonk het als een doordringende kreet.

"Het kind is van mij."

"Wat zal je mij doen, nu ik het beken?" zei ze tot haar man. "Het
kind is van mij, maar niet van jou. Het werd geboren in het jaar,
dat jij in Messina werkte. Ik bracht het bij La Felucca en daar was
ook het zoontje van Ninetta. Een dag toen ik bij La Felucca kwam,
zei ze: Ninetta's zoontje is dood. Eerst dacht ik slechts: God,
indien het mijn kind was geweest!

"Maar toen zei ik tot La Felucca: Laat mijn jongen dood zijn, en laat
Ninetta's zoontje leven. Ik gaf La Felucca mijn zilveren kam en zij
deed, gelijk ik wilde.

"Toen jij thuis kwam van Messina, zei ik tot je:

"Laten we een kind aannemen. 't Is nooit goed tusschen ons beiden
geweest. Laten we het eens probeeren met een kind." Jij vondt het goed,
en ik nam mijn eigen kind tot mij. En jij kreeg het kind lief en wij
leefden als in een paradijs."

Reeds vóórdat zij uitgesproken had, zette de karabinier het kind op
den grond. De donkere mannen openden zwijgend hun gelederen voor hem
en hij vervolgde stil zijn weg.

Maar een rilling voer donna Micaela door de leden, toen ze den
karabinier zag weggaan. Juist nu moest hij gebleven zijn om de
ongelukkige vrouw te beschermen.

Het was als wilde hij door zijn heengaan zeggen:

Die vrouw staat buiten de wet.

De een na den ander ging weg.

Piero stond roerloos en keek niet op. Maar de beklemming van iets
geweldigs en ontzettends lag op hem; toorn en wanhoop wies in hem
tot toomloozen hartstocht. Zoodra hij en Marcia alleen zouden zijn,
zou er iets ontzettends gebeuren.

En het vreeselijkste was, dat de vrouw geen enkele poging deed om
haar noodlot te ontgaan. Zij stond onbeweeglijk, verlamd door de
zekerheid, dat haar vonnis geveld was en dat niets dit kon doen
veranderen. Zij smeekte noch vluchtte. Zij kromp ineen als een hond
voor zijn toornigen meester.

De Siciliaansche vrouwen weten wat haar wacht, wanneer zij de eer
van haar man beleedigd hebben.

De eenige, die haar trachtte te verdedigen, was donna Micaela.--Nooit
zou zij Marcia gevraagd hebben het te bekennen, zei zij tot Piero,
indien zij geweten had, hoe hij was. Zij had geloofd dat hij een
edele man was. Een edel mensch zou gezegd hebben: "Ge hebt slecht
gehandeld, maar omdat gij uw misdaad bekend hebt voor allen en ge
u aan mijn toorn blootgesteld hebt om uw kind te redden, schenk ik
u vergiffenis. Ge hebt straf genoeg gehad." Een edele man zou het
kind op den eenen arm genomen hebben, en den anderen om zijns vrouws
middel geslagen hebben, en stil naar huis gegaan zijn. Een signor zou
zoo gehandeld hebben. Maar hij was geen signor, hij was een bloedhond.



Zij kon spreken zoo veel zij wilde, de man hoorde haar niet, de vrouw
hoorde haar niet. Het was alsof haar woorden teruggekaatst werden
door een ondoordringbaren muur.

Het kind ging naar den vader en trachtte zijn hand te grijpen. Hij
keek den knaap toornig aan; nu deze gekleed was in meisjeskleeren en
zijn haar gladgekamd en achter de ooren weggestreken was, zag hij
dadelijk de gelijkenis met Marcia, die hem vroeger nooit getroffen
had. Hij schopte Marcia's zoon van zich weg.

Een drukkende stemming heerschte er op de markt. De menschen trokken
zich langzaam en stil terug. Velen gingen onwillig en aarzelend,
maar zij gingen toch. Piero scheen slechts te wachten tot de laatste
heengegaan was.

Donna Micaela had opgehouden te spreken, ze nam stil het Christusbeeld
en legde het in Marcia's armen.

"Neem hem, zuster Marcia, moge hij u beschermen," zei ze.

De man zag dit en het scheen zijn toorn te vermeerderen. 't Was
alsof hij niet meer op het oogenblik kon wachten, dat zij alleen
zouden zijn. Hij kromde zijn lichaam gelijk een roofdier, dat zich
gereedmaakt tot een sprong.

Maar het beeld rustte niet tevergeefs in Marcia's armen.

De verworpeling bewoog haar tot een handeling van de hoogste liefde.

Wat zal Christus in het paradijs zeggen tot mij, die eerst mijn man
bedrogen en hem later tot een moordenaar gemaakt heb? dacht zij. En
zij herinnerde zich hoe lief ze dien grooten Piero gehad had in de
gelukkige dagen van haar jeugd. Nooit had zij gedacht zulk een ellende
over hem te brengen.

"Neen, Piero, neen, dood mij niet!" schreeuwde zij. "Zij zullen je
naar de galeien zenden. Je behoeft mij nooit meer te zien." Zij ijlde
naar de andere zijde van de markt, waar een diepe afgrond gaapte. Men
begreep wat zij wilde doen. Haar gezicht sprak voor haar.

Verscheidene menschen liepen haar na, maar zij was hun een goed eind
vooruit. Toen gleed het beeld dat zij op de armen droeg op den grond,
juist voor haar voeten. Zij struikelde er over en viel. Daardoor
haalden de anderen haar in. Zij worstelde om los te komen, maar een
paar mannen hielden haar vast.

"Och, laat mij los! 't Is beter voor hem!"

Maar nu kwam ook haar man bij haar. Hij droeg haar kind op den arm. Hij
was diep ontroerd.

"Neen, Marcia, blijf!" zei hij. Hij was verlegen, maar zijn donkere
oogen schitterden van vreugde en spraken duidelijker dan woorden.

"Misschien moest het zoo zijn naar oud gebruik! Maar daaraan stoor ik
mij niet. Kom! 't Zou zonde zijn van zulk een vrouw, als jij, Marcia."

Hij legde den arm om Marcia's middel en ging met haar naar zijn huis
in de ruïnen van 't palazzo Corvaja. 't Was alsof een der vroegere
baronnen daar zijn intocht hield. De menschen van Corvaja stonden
aan beide zijden van den weg en bogen voor hem en Marcia.

Toen ze voorbij donna Micaela gingen, stonden ze stil, bogen diep
voor haar en kusten het beeld, dat ze haar teruggaven. Maar donna
Micaela kuste Marcia.

"Bid voor mij in je geluk, zuster Marcia," zei ze.



X.

FALCO FALCONE.


Nu hadden de blinde zangers week na week gezongen van Diamante's
spoorweg, en de groote collectebus in San Pasquale's kerk was iederen
avond vol gaven.

Signor Alfredo mat en bakende den weg af op den Etna en de spinnende
vrouwtjes in de donkere stegen vertelden van de heerlijke wonderen,
die het kleine Christusbeeld in de verachte kerk verrichtte.

Van de rijke en machtige mannen, die grond bezaten op den Etna, kwam
brief na brief, dat zij land wilden afstaan voor het gezegende plan.

In de laatste weken waren geschenken van alle kanten
toegestroomd. Eenige menschen gaven steenen voor de stations,
anderen schonken kruit om de lavablokken te doen springen, terwijl
weer anderen eten gaven aan de arbeiders.

Maar de arme menschen in Corvaja, die niets hadden om te geven, kwamen
's nachts, als zij hun werk gedaan hadden, met spaden en kruiwagens
en bestegen den Etna, om grond uit te graven en den weg te leggen.

Zoodat als signor Alfredo en zijn arbeiders 's morgens opkwamen,
zij moesten gelooven, dat de toovenaar van den Etna zich losgerukt
had uit zijn lavastroomen om hen bij hun arbeid te helpen.

Maar zoolang men aan den spoorweg werkte, had men gevraagd:

Waar blijft toch de koning van den Etna, Falco Falcone?

Waar is de machtige Falco, die gedurende vijf en twintig jaar over
den Etna geregeerd heeft?

Hij schreef aan de weduwe van don Ferrante, dat zij dezen spoorweg
niet moest aanleggen. Wat meende hij met zijn bedreiging?

Waarom houdt hij zich stil, nu men zijn gebod trotseert?

Waarom schiet hij de mannen van Corvaja niet neer als ze 's nachts
met spaden en houweelen komen aangeslopen?

Waarom sleept hij de blinde zangers niet in de steengroeve om hen
te geeselen? Waarom laat hij donna Micaela niet schaken uit het
zomerpaleis om haar op deze wijze te dwingen den aanleg te staken van
dezen spoorweg, die het doel haars levens is geworden? Donna Micaela
zei tot zichzelf: "Heeft Falco Falcone zijn woord vergeten of wacht
hij, tot hij ons het zekerst kan treffen?"

Terwijl men angstig wachtte, dat Falco den spoorweg zou verwoesten,
sprak men over niets anders dan over hem.

Vooral de arbeiders, die signor Alfredo volgden. Juist tegenover
den ingang van de kerk San Pasquale staat een klein huis tegen den
naakten rotswand.

't Huis is smal en hoog, zoodat het gelijkt op een schoorsteen, die
is blijven staan, nadat het huis is afgebrand. 't Is zoo klein, dat
er geen plaats voor de trappen binnenshuis is, maar die zich buiten
tegen den muur moeten opslingeren.

Hier en daar hangen balkons en andere uitbouwsels die met niet meer
symmetrie geordend zijn dan de vogelnestjes in een boom.

In dit huis werd Falco Falcone geboren, zijn ouders waren slechts
arme arbeidslieden. Maar in deze armoedige woning had de hoogmoed
zich ontwikkeld bij Falco.

Zijn moeder was een ongelukkige vrouw, die in de eerste jaren van
haar huwelijk slechts dochters ter wereld bracht. Haar man en haar
buren verachtten haar.

Deze vrouw smachtte naar een zoon. Toen zij haar vijfde kind
verwachtte, strooide zij iederen dag zout op den drempel, en wachtte
wie dien het eerst zou betreden.

Zou er eerst een man of een vrouw komen? Zou zij een zoon of een
dochter baren?

Iederen dag zat zij te tellen. Ze telde de letters van de maand,
waarin het kind geboren zou worden. Ze telde de letters van den naam
van haar man en van haar zelf. Ze telde de cijfers op en trok ze af,
het bleef een even getal.

Zij zou dus een zoon baren.

Den volgenden dag telde zij weer opnieuw.

"Misschien heb ik mij gisteren vergist," zei ze.

Toen Falco geboren werd, genoot zijn moeder zooveel eer, dat ze hem
om die reden meer beminde dan haar andere kinderen. Als de vader
binnenkwam om naar het kind te zien, nam hij zijn muts af en boog
diep. Boven de poort van het huis zette hij een hoed tot eereteeken
en men wierp het badwater van het kind over den drempel en liet het
over de straat vloeien.

Falco lag op den rechterarm van zijn peetmoeder, toen hij naar de kerk
gedragen werd, en als de buurvrouwen naar zijn moeder kwamen kijken,
bogen zij voor het kind, dat in de wieg sluimerde.

Het was ook grooter en sterker dan kinderen van zijn leeftijd
gewoonlijk zijn. Falco had reeds bij zijn geboorte dik, ruig haar, en
toen hij acht dagen oud was, bezat hij reeds een tand. Maar toen zijn
moeder hem aan de borst legde, was hij zoo wild, dat zij lachend zei:

"Ik geloof dat ik een held het leven geschonken heb."

Zij verwachtte altijd iets groots van hem, en daardoor wekte zij den
hoogmoed in hem. Maar wie anders verwachtte iets van hem? Falco kon
niet eens leeren lezen. Zijn moeder trachtte hem de letters te leeren.

Ze wees op de groote A, dat was een hooge hoed, ze zei dat B een bril
was, en C een slang. Dat kon hij leeren.

Toen zei zijn moeder: als je den bril en den grooten hoed bij elkaar
legt, zeggen ze Ba. Dat kon hij niet leeren. Hij werd boos en sloeg
haar, en zij liet hem met rust.

"Uit jou wordt toch nooit iets anders dan een held," zei ze.

In zijn jeugd was Falco lui en slecht. Als kind wilde hij niet spelen,
als volwassene wilde hij niet dansen, ook had hij geen liefste,
maar hij ging gaarne daarheen, waar hij strijd kon verwachten.

Falco had twee broers, die waren als andere menschen en veel meer
aanzien genoten dan hij. Falco voelde zich gegriefd, omdat hij
achteruitgezet werd bij zijn broeders, maar hij was te trotsch om
dat te toonen.

En zijn moeder was altijd aan zijn zijde; toen zijn vader overleden
was, liet zij hem aan het hoofdeind van de tafel zitten en zij stond
niet toe, dat men hem bespotte.

"Mijn oudste zoon is de voornaamste van u allen," zei ze.

Toen men aan dit alles dacht, zei men: "Falco is hoogmoedig. Hij zal
het zich tot een eer rekenen om den spoorweg te verwoesten." En toen
men bevreesd was geworden door deze herinnering, moest men denken
aan een andere geschiedenis van hem.

Gedurende dertig jaar, zegt men, leefde Falco gelijk alle andere arme
menschen op den Etna. 's Maandags ging hij met zijn broeders naar
het land. Hij had brood in den zak, voldoende voor een geheele week,
en gelijk ieder ander kookte hij soep van boonen en rijst. En hij was
blijde als hij 's Zaterdagsavonds huiswaarts keerde. Hij verheugde
zich de tafel met wijn en macaroni gedekt, en zijn bed met zachte
kussens gespreid te vinden.

Het was op zulk een Zaterdagavond. Falco en zijn broeders gingen naar
huis, Falco zooals gewoonlijk een weinig achter de anderen, met een
zwaren, langzamen gang. Maar zie, toen zijn broeders thuis kwamen,
wachtte hen geen avondmaal, hun bed was niet gespreid en de stof lag
nog op den deurdrempel.

Hoe, waren allen in huis overleden?

Toen zagen ze hun moeder in een donkeren hoek van de kamer zitten. Heur
haren hingen wanordelijk over haar gelaat en zij teekende met haar
vinger figuren op den grond.

"Wat is er gebeurd?" vroegen de broers. Zij keek op, zij sprak alsof
zij tot den grond sprak.

"Wij zijn tot den bedelstaf gebracht, tot den bedelstaf gebracht."

"Wil men ons het huis ontnemen?" riepen de broeders.

"Zij willen ons eer en brood ontnemen."

Toen vertelde zij: "Je oudste zuster was in dienst bij bakker Gasparo,
en dat was een goede dienst. Signor Gasparo gaf Pepa al het brood,
dat overbleef in den winkel, en dat gaf zij mij. Het was zoo veel,
dat het voor ons allen genoeg was. Ik ben gelukkig geweest, sedert
Pepa dezen dienst had. Nu heb ik een onbezorgden ouden dag, dacht ik.

"Maar den vorigen Maandag kwam Pepa weenend thuis.

"Signora Gasparo had haar weggejaagd."

"Wat had Pepa gedaan?" vroeg Nino, die na Falco de oudste was.

"Signora Gasparo beschuldigde Pepa brood gestolen te hebben.

"Ik ging naar signora Gasparo om haar te smeeken Pepa weer in haar
dienst te nemen.

"Neen," zei ze, "het meisje is niet eerlijk."

"Pepa heeft het brood gekregen van signor Gasparo," zei ik. "Vraag
het hem slechts."

"Ik kan het hem niet vragen," zei de signora. "Hij is weg en komt
niet vóór de volgende maand thuis."

"Signora," zei ik, "we zijn zoo arm! Laat Pepa weer bij u in dienst
komen."

"Neen," zei ze "ik zelf verlaat signor Gasparo, indien hij Pepa weer
in huis neemt."

"Neem u in acht," zei ik toen, "ontneemt gij mij het brood, dan
ontneem ik u 't leven."

"Toen werd ze bang en riep om hulp, zoodat ik moest gaan."

"Wat is er aan te doen?" zei Nino. "Pepa moet een anderen dienst
zoeken."

"Nino," zei moeder Zia, "je weet niet wat die vrouw zei van Pepa en
signor Gasparo."

"Wie kan een vrouw verhinderen te spreken?" zei Nino.

"Indien Pepa niets anders te doen heeft, dan kon zij ten minste het
avondmaal voor ons bereid hebben," zei Toruddo.

"Signora Gasparo heeft gezegd, dat haar man Pepa brood liet stelen,
omdat zij hem...."

"Moeder," viel Nino haar met vuurroode kleur in de rede, "ik ben niet
voornemens mij op de galeien te laten zetten, ter wille van Pepa."

"De galeien verslinden geen Christenen," zei moeder Zia.

"Nino," zei toen Pietro, "we gaan naar de stad om ons eten te
verschaffen."

Toen zij dit zeiden, hoorden zij iemand achter zich lachen. 't
Was Falco.

Eenige oogenblikken later trad Falco den winkel binnen van signora
Gasparo en verzocht om een brood. De arme vrouw werd bang toen zij
Pepa's broer zag, maar zij dacht:

"Hij komt pas van het veld, hij is nog niet thuis geweest, hij weet
nog van niets."

"Bebbo," zei ze, want Falco heette toen nog niet Falco, "gaat het
goed met den wijnbouw?"

Zij geloofde, dat hij haar geen antwoord zou geven.

Maar Falco was spraakzamer dan hij gewoonlijk was, en hij vertelde
haar, hoeveel druiven ze onder de pers hadden gedaan.

"Weet ge," zei hij, "dat onze pachter vermoord is?"

"Ach ja, de arme signor Riego, ja, dat weet ik."

En zij vroeg hem hoe het gebeurd was.

"Salvatore heeft hem vermoord. Maar is het niet te naar voor een
signora om te hooren?"

"O neen, wat gebeurd is, kan ook verteld worden."

"Salvatore heeft het zóó gedaan, signora," en Falco nam zijn mes en
legde zijn hand op het hoofd der vrouw.

"Zóó heeft hij hem de keel doorgesneden van oor tot oor." En
terwijl Falco dit zei, deed hij het. De vrouw had niet eens kunnen
schreeuwen! 't Was meesterlijk gedaan. Falco werd naar de galeien
gezonden, hij bleef daar vijf jaar.

Toen men dit vertelde wies de angst.

"Falco is moedig," zei men. "Niets ter wereld kan hem van zijn
voornemen afbrengen."

Toen herinnerde men zich nog een voorval.

Falco werd naar de galeien in Augusta gezonden en daar leerde hij
Biagio kennen, die hem later zijn gansche leven volgde. Op een dag
kregen hij, Biagio en nog een der gevangenen het bevel om op het
land te werken. Een der opzichters wilde een tuin rondom zijn huis
aanleggen. Terwijl ze in den grond groeven, zwierven hun blikken over
hun omgeving. Ze waren buiten de gevangenismuren en zagen het dal en
den berg, ze konden zelfs den Etna onderscheiden.

"Nu is onze tijd gekomen," zei Falco tot Biagio.

"Ik sterf liever dan dat ik terugga naar de gevangenis," zei Biagio.

Daarna zeiden ze den derden gevangene dat hij hen moest bijstaan.

Hij wilde niet, omdat zijn straftijd bijna om was.

"Dan dooden we je!" dreigden ze hem, toen gaf hij toe.

Maar de soldaat van de wacht stond met een geladen geweer tegenover
hen. Falco en Biagio sprongen, geboeid als ze waren met de ketenen
aan hun voeten, op hem toe, en zij sloegen hem met hun spade. Voordat
hij er aan had kunnen denken te schieten, was hij gebonden; een prop
in den mond belette hem te schreeuwen. Daarna stieten ze hun ketenen
stuk met hun spade, en vluchtten in de bergen.

's Nachts lieten Falco en Biagio den gevangene dien zij meegenomen
hadden, in den steek. Hij was oud en zwak en hinderde hen in hun
vlucht. Den volgenden dag werd hij door de karabiniers gegrepen en
doodgeschoten.

En men beeft, als men daaraan denkt. Falco is onbarmhartig, zegt
men. Men begrijpt, dat hij den spoorweg niet zal sparen.

En geschiedenis na geschiedenis doet de ronde om de arme menschen
bang te maken, die aan den spoorweg op den Etna werken.

Men denkt aan de zestien moorden die Falco Falcone begaan heeft,
en men verhaalt van zijn plunderingen en rooftochten.

Er is een verhaal, dat de menschen meer dan alle andere verschrikt.

Toen Falco van de galeien kwam, woonde hij in de bosschen en grotten
op den Etna of in de steengroeve bij Diamante. Spoedig had hij een
groote bende om zich verzameld. Hij werd een groote rooverheld.

Zijn familie genoot een heel ander aanzien dan vroeger. Zij werden
als machtigen geëerd, zij behoefden nauwelijks te werken, want Falco
had zijn bloedverwanten lief en was zeer mild jegens hen. Maar hij
was niet toegevend, hij was zeer streng.

Moeder Zia was overleden. Nino was getrouwd en woonde nu in zijn vaders
hut. Toen gebeurde het op een dag, dat Nino geld noodig en hij wist
geen beter middel dan naar den pastoor te gaan, niet naar don Matteo,
maar naar zijn voorganger, den ouden don Giovanni.

"Uw Hoogeerwaarde," zei Nino tot hem, "mijn broer verzoekt u om vijf
honderd lire."

"Waar moet ik vijf honderd lire vandaan halen?" zei don Giovanni.

"Mijn broer heeft ze noodig, dringend noodig," zei Nino.

Toen beloofde de oude don Giovanni het geld te geven, indien hij
slechts tijd kreeg om het bijeen te brengen.

Nino wilde hem nauwelijks die voorwaarde inwilligen.

"Ge kunt toch niet verlangen dat ik vijf honderd lire uit mijn
snuifdoos zal halen," zei don Giovanni.

En Nino stond hem drie dagen uitstel toe.

"Maar neem u in dezen tijd voor mijn broer in acht," zei hij.

Den volgenden dag reed don Giovanni naar Nicolosi om te trachten het
geld te krijgen.

Wien ontmoette hij onderweg? Was dat niet Falco met zijn bende?

Don Giovanni wierp zich op de knieën voor Falco.

"Wat beduidt dit, don Giovanni?"

"Ik heb nog geen geld voor u, Falco, maar ik zal trachten het te
krijgen. Wees barmhartig jegens mij."

Falco vroeg wat dit beteekende en don Giovanni vertelde dat Nino bij
hem geweest was.

"Uw Hoogeerwaarde," zei Falco, "men heeft u willen bedriegen."

Hij verzocht don Giovanni met hem terug te gaan naar Diamante.

Toen ze bij het oude huis op de rots kwamen, riep Falco zijn broer
Nino. Deze verscheen op een der balkons.

"Wel Nino!" zei Falco lachend. "Je hebt den pastoor geld willen
afzetten!"

"Weet je dat al?" vroeg Nino. "Ik wilde het je juist gaan vertellen."

Nu werd Falco strenger.

"Nino," zei hij. "De pastoor is mijn vriend en hij meent nu dat ik
hem had willen plunderen. Je hebt zeer slecht gehandeld." En hij
legde zijn geweer aan en schoot Nino dood.

Toen hij dit gedaan had, wendde hij zich tot don Giovanni, die van
schrik bijna van zijn ezel viel.

"Ziet ge nu, uw Hoogeerwaarde, dat ik geen aandeel had in Nino's
aanslag tegen u?"

En dit geschiedde twintig jaar geleden, toen Falco nog slechts
gedurende vijf jaar roover was geweest.

"Zal Falco den spoorweg sparen?" vraagt men als men deze geschiedenis
hoort; hij, die niet eens zijn eigen broer spaarde?

Men herinnert zich nog een ander voorval.

Na Nino's dood dreigde Falco een vendetta. Nino's vrouw was zoo
verschrikt toen zij haar man dood vond, dat zij aan één zijde verlamd
werd en nooit meer kon loopen. Maar ze nam plaats voor het venster
in de oude hut. Daar heeft ze twintig jaar gezeten met een geweer
naast zich om op Falco te wachten.

En voor haar is de groote roover bang geweest. In twintig jaar is
hij niet voorbij zijn ouderlijk huis gegaan.

De vrouw heeft nooit haar post aan het raam verlaten. Nooit ging
iemand naar de kerk van San Pasquale, of hij zag haar wraakzuchtige
oogen achter de ruiten schitteren.

Heeft iemand haar ooit slapend gezien, heeft iemand haar ooit zien
werken? Zij kon niets anders doen dan wachten op den moordenaar van
haar man.

Als men dit hoort, groeit de vrees.

Falco heeft geluk, denkt men. De vrouw, die hem wil dooden, kan
zich niet van haar plaats bewegen. Hij is een gelukskind. 't Zal hem
stellig gelukken den spoorweg te vernielen. Het geluk had Falco nooit
verlaten. De karabiniers hadden hem vervolgd, maar hem nooit kunnen
pakken. Zij hadden Falco meer gevreesd dan hij hen.

Men herinnert zich ook een geschiedenis van een jongen officier
der karabiniers, die Falco eens vervolgde. Hij had een drijfjacht
georganiseerd en Falco van de eene schuilplaats naar de andere
gejaagd. Eindelijk wist de jonge officier zeker, dat Falco in een
kreupelboschje gevangen was. Het boschje werd omsingeld door zijn
manschappen en de officier liep heen en weer met een geladen geweer
in de hand. Maar hoe hij ook zocht, hij vond Falco niet.

Toen ontmoette hij een boer.

"Heb je Falco Falcone ook gezien?"

"Ja signor, hij ging mij zoo juist voorbij en verzocht me u te
groeten."

"Diavolo!"

"Hij zag u heen en weer loopen in het boschje, en hij stond op het
punt u dood te schieten, maar hij heeft dat niet gedaan omdat hij
dacht, dat het misschien uw plicht was hem te vervolgen."

"Diavolo! Diavolo!"

"Maar indien ge nog eenmaal tracht...."

"Diavolo! Diavolo! Diavolo!"

Denkt ge dat die officier terugkwam? Gelooft ge niet, dat hij naar
een plaats vertrok, waar hij geen roovers behoefde te vervolgen?

En de arbeiders, die op den Etna werken, vragen:

Wie zal ons bijstaan tegen Falco? Hij is oppermachtig, zelfs de
soldaten vreezen hem.

Ze denken er aan, dat Falco Falcone nu een oude man is. Nu plundert hij
geen postwagens, nu berooft hij geen grondbezitters meer. Meesttijds
zit hij rustig in de steengroeve bij Diamante en in plaats van geld en
bezittingen te rooven, neemt hij nu geld en eigendommen in bescherming.

Hij laat de rijke grondbezitters schatting betalen, opdat hij hun
goederen zal beschermen tegen andere roovers en er heerscht nu
veiligheid en vrede op den Etna, want hij staat niemand toe hen te
schaden, die hem schatting betalen.

Maar toch groeit de angst. Nu Falco een vriend is geworden der grooten,
kan hij des te gemakkelijker den spoorweg vernielen.

En ze moeten aan de geschiedenis denken van Nicola Galli, die
opzichter is op het landgoed van den markies de San Stefano. Eens
staakten zijn arbeiders het werk midden in den oogsttijd. Nicola
Galli was wanhopig. Het koren was rijp en hij kon niemand vinden die
het wilde maaien.

Zijn arbeiders wilden niet werken, ze lagen te slapen in het
gras. Nicola trok naar Catania om zijn heer te raadplegen. Onderweg
ontmoette hij twee mannen met een geweer op den schouder.

"Waar rijdt ge heen, Nicola?"

Voordat Nicola nog veel woorden had kunnen zeggen, namen ze zijn ezel
bij de teugels en keerden om.

"Ge zult niet naar den markies rijden, Nicola, ge gaat weer naar huis."

Samen keerden zij nu huiswaarts. Nicola zat te beven op zijn ezel. Toen
zij nu op het landgoed gekomen waren, zeiden de mannen:

"Wijs ons nu de akkers!" En ze gingen naar de arbeiders. "Werken,
jelui lummels! De markies heeft zijn schatting betaald aan Falco
Falcone. Je kunt ergens anders het werk staken, maar hier niet."

De akker werd gemaaid zooals geen andere. Falcone stond aan den eenen
kant en Biagio aan den anderen.

En de oogst gaat wonderlijk vlug, als men zulke opzichters heeft. Als
men denkt aan dit voorval, vermindert de angst niet.

"Falco houdt woord," zegt men. "Hij zal doen, wat hij gedreigd heeft."

Niemand is gedurende zoo langen tijd rooverhoofdman geweest als
Falco. Al de andere beroemde helden zijn gevallen of gevangen
genomen. Hij alleen is met ongelooflijke behendigheid aan alle
gevaren ontsnapt.

Langzamerhand heeft Falco zijn geheele familie tot zich getrokken. Zijn
zwagers en neven, allen volgen hem. De meesten van hen zijn naar de
galeien gezonden; toch bekommert geen van hen zich om gevangenisstraf,
ze vragen er slechts naar of Falco tevreden is over hen.

In de couranten staan Falco's heldendaden dikwijls vermeld. 't Is
bekend dat Engelsche toeristen hun gidsen een biljet van tien lire in
de hand stoppen, als zij hun Falco's steengroeve willen wijzen. Ook
weet men, dat de karabiniers niet meer op hem schieten, omdat hij de
laatste groote roover is.

Falco is zoo weinig bevreesd dat men hem gevangen zal nemen, dat hij
dikwijls naar Messina en Palermo gaat. Hij is zelfs wel over de straat
van Messina getrokken en in Italië geweest.

Hij reisde naar Napels, toen Guglielmo en Umberto daar waren om het
pantserschip te doopen.

Hij trok naar Rome, toen Umberto en Margherita hun zilveren bruiloft
vierden.

Men denkt er aan en beeft. "Falco is bemind en machtig," zeggen de
arbeiders. "Men aanbidt Falco, hij kan doen wat hij wil."

Zij weten ook, dat toen Falco de zilveren bruiloft van koningin
Margherita zag, dit feest hem zóó behaagde dat hij zei:

"Als ik vijf en twintig jaar op den Etna gewoond heb, wil ik mijn
zilveren bruiloft met den Mongibello vieren."

De menschen hadden daarover gelachen en gezegd dat dit een goede
gedachte was. Want hij had nooit een liefste bezeten, maar de
Mongibello met zijn grotten, wouden, kraters en ijsvelden, had hem
beschermd en gediend als een echtgenoote.

Aan niemand is Falco zooveel dankbaarheid verschuldigd als aan den
Mongibello.

En men vraagt, wanneer Falco en de Mongibello hun zilveren bruiloft
zullen vieren, en men rekent na, dat dit in deze lente moet zijn.

Dan denken de arbeiders:

Hij zal den spoorweg vernielen op den dag van den Mongibello. En
er heerscht schrik en angst onder hen. Ze wagen het niet verder te
werken aan den spoorweg. Hoe meer de tijd nadert, dat Falco zijn
verbond met den Mongibello zal vieren, hoe meer arbeiders signor
Alfredo verlaten. Spoedig gaat deze zoo goed als alleen aan den arbeid.



Er zijn niet veel menschen in Diamante, die de groote steengroeve op
den Etna ooit gezien hebben. Ze hebben geleerd die te ontvluchten,
omdat Falco Falcone daar woont; ze wachten zich om binnen het bereik
van zijn geweer te komen.

Ze hebben nooit de groote groeve in den Mongibello gezien, waaruit hun
voorvaderen, de Grieken, in langvervlogen tijden steenen groeven. Zij
hebben nooit de heerlijk van kleuren tintelende wanden aanschouwd en
de machtige rotsblokken, die gelijken op gebroken zuilen.

Zij weten misschien niet eens, dat op den bodem der steengroeve
schooner bloemen bloeien dan in eenige broeikas.

Daar is niet Sicilië, daar is Indië.

In de steengroeve staan mandarijneboomen, zoo geel van vruchten, dat
ze gelijken op reusachtige zonnebloemen. Daar worden de camelia's zoo
groot als tamboerijnen. En tusschen de boomen op den grond liggen
hoopen kostbare koningsvijgen en fluweelen perziken vallen op een
bed van rozeblâren.

Een avond zit Falco eenzaam in de steengroeve. Hij is bezig een krans
te vlechten en heel veel bloemen liggen voor hem. Hij houdt den voet
op het kluwen touw opdat dit niet weg zal rollen; hij heeft een bril
op, maar die glijdt onophoudelijk van zijn krommen neus.

Falco vloekt geweldig, want zijn handen zijn stijf en vol eelt door
het voortdurend afschieten van het geweer, en het valt hem moeilijk
de bloemen vast te houden.

Zijn vingers sluiten met een ijzeren greep om haar teere stengels.

Falco zegt vloekend, dat de leliën en anemonen verwelken, zoodra hij
er slechts naar kijkt.

Falco is in zijn lederen broek en in zijn langen, toegeknoopten mantel
zoo omgeven van bloemen als een heilige op een feestdag. Biagio
en zijn neef Passafiore hebben die voor hem geplukt. Zij hebben
een geheelen Etna van de mooiste bloemen der steengroeve voor hem
opgestapeld. Falco kan kiezen tusschen leliën en cactusbloemen,
rozen en pelargonea's. En hij dreigt de bloemen, dat hij ze tot stof
zal vertrappen onder zijn sandalen, indien zij zich niet naar zijn wil
willen voegen.

Nooit tevoren heeft Falco Falcone zich bekommerd om bloemen. Zoolang
hij leeft, heeft hij nog nooit een bouquet voor een meisje gebonden
of een roos geplukt om in zijn knoopsgat te steken. Hij heeft niet
eens een krans gelegd op het graf van zijn moeder.

Daarom komen de teere bloemen in opstand tegen hem. In zijn haar en
op zijn hoed hechten zich bloemranken vast, en een bloemblad hangt
in zijn ruigen baard. Hij schudt heftig het hoofd en het litteeken
op zijn wang gloeit, zooals in vroeger dagen, toen hij tegen de
karabiniers streed. Toch wordt de krans steeds grooter, en kronkelt
als een slang om Falco's voeten en beenen.

Falco vloekt alsof het de ijzeren boeien waren, die eens vastgeklonken
werden aan zijn voeten.

En hij klaagt luider als hij zich prikt aan een doorn, of brandt aan
een netel, dan hij gedaan heeft, toen de zweep van den opzichter der
galeien zijn rug geeselde.

Biagio en Passafiore, zijn neef, wagen het niet zich te vertoonen. Ze
liggen verborgen in een grot, tot alles gereed is. Ze lachen luidkeels,
want zooveel jammerklachten als Falco nu uit, hebben niet in de
steengroeve weerklonken, sedert ongelukkige krijgsgevangenen daar
aan den arbeid waren.

Maar Biagio ziet op naar den grooten Etna, die gloeit in den
zonsondergang.

"Zie eens naar den Mongibello," zegt hij tegen Passafiore, "zie
eens hoe hij bloost, zeker begrijpt hij, waarmee Falco bezig is in
de steengroeve."

En Passafiore antwoordt: "De Mongibello heeft zeker nooit anders
gedacht dan sneeuw en asch op zijn kruin te krijgen." Maar plotseling
houdt Biagio op met lachen.

"Dat gaat nooit goed, Passafiore," zegt hij, "Falco wordt al te
hoogmoedig. Ik vrees dat de groote Mongibello den spot met hem zal
drijven."

De twee bandieten zien elkaar uitvorschend aan.

"Ware het slechts hoogmoed," zegt Passafiore.

Maar nu wenden zij gelijktijdig hun oogen af en wagen het niet iets
meer te zeggen. Dezelfde gedachte, dezelfde vrees heeft zich van
hen meester gemaakt. Falco staat op het punt krankzinnig te worden,
soms is hij reeds uren lang waanzinnig.

Zoo gaat het met de groote rooverhelden, ze kunnen hun eer en grootheid
niet dragen, ze worden allen waanzinnig.

Passafiore en Biagio hadden het reeds lang gezien, maar ze hadden
beiden gezwegen en elk had gehoopt, dat de andere niets zou merken. Nu
begrijpen ze, dat ze beiden het weten. Ze drukken elkaar de hand
zonder een woord te spreken. Nog heeft Falco zooveel groots.

Zij beiden, Passafiore en Biagio, zullen waken dat niemand merkt,
dat Falco niet meer dezelfde is, die hij was.

Eindelijk is Falco's krans klaar, hij hangt dien aan zijn geweer en
gaat naar de beide anderen. Alle drie treden nu uit de steengroeve
en nemen in de naastbijzijnde boerderij paarden, om zoo vlug mogelijk
op den top van den Mongibello te komen.

Zij rijden in gestrekten draf, zoodat ze geen gelegenheid hebben met
elkaar te spreken, maar als ze voorbij de landhoeve rijden, kunnen
ze zien, hoe het volk danst op de platte daken. En uit de grotten
waar de landarbeiders hun nachtkwartier hebben opgeslagen, hooren ze
gepraat en gelach. Daar zitten vroolijke, vreedzame menschen raadsels
op te lossen en spotversjes te dichten. Maar Falco vliegt verder,
zoo iets is niet voor hem. Falco is een groot man.

Ze stijgen al hooger. Eerst rijden ze onder amandelboomen en cactussen,
dan onder platanen en beuken, en later onder eiken en kastanjes.

Maar de nacht is donker. Zij zien niets van Mongibello's
heerlijkheid. Zij zien niet den met wijnloof omkransten Monte Rossoze,
zien niet de tweehonderd kraters, die in een kring rondom de kruin van
den Etna staan als torens rondom een stad, ze zien niet de heerlijke
dichte wouden.

In Casa del Bosca, waar de weg ophoudt, stijgen ze van hun
paarden. Biagio en Passafiore nemen den krans tusschen hen
beiden. Terwijl zij verder gaan, begint Falco te spreken. Sedert hij
oud is, spreekt hij gaarne.

Falco zegt dat de berg gelijk is aan de vijf en twintig jaren, die
hij daarop doorgebracht heeft. Heldendaden waren rondom hem opgebloeid
gedurende de eerste jaren van zijn grootheid: met hem te leven in dien
tijd was gelijk te wandelen onder een eindelooze pergola, waarboven
citroenen en druiven hangen. Toen waren zijn heldendaden overvloedig
geweest als oranjes, die rondom den voet van den Etna groeien. Hij was
hooger gestegen en zijn daden waren minder in aantal geworden, maar
die hij verricht had, waren machtig als de eike- en kastanjeboomen op
den stijgenden berg. Nu hij op het hoogste punt van zijn grootheid
stond, verachtte hij de daad. Zijn leven was kaal als de bergtop,
hij vergenoegde zich met de wereld aan zijn voeten te zien. Maar men
moest weten, dat indien hij iets ondernam, niets hem weerstaan kon.

Hij was vreeselijk als de vuurspuwende berg.

Falco gaat sprekend vooruit, Passafiore en Biagio volgen hem in stille
ontzetting. Heel vaag zien ze den machtigen Mongibello met zijn steden,
velden en wouden zich uitbreiden onder hun voeten.

En Falco meent even ontzagwekkend te zijn als deze reus.

Hoe hooger zij stijgen, hoe meer ze bevangen worden door een stijgende
ontzetting.

De gapende kloven, de zwaveldamp uit de kraters, te zwaar om dadelijk
in de lucht op te stijgen, het onderaardsche gerommel in den berg, de
voortdurend opstijgende aschwolken, de gladde, hobbelige ijsvelden,
doorsneden van bruisende beken, de bijtende koude, de verstijvende
wind, dit alles maakt den tocht huiveringwekkend.

--En Falco zegt dat deze berg gelijkt op zijn leven. Hoe ziet het er
dan uit in zijn ziel? Heerscht daarin een kilheid en grauwen gelijk
aan die van den Etna?

Ze struikelen over stukken ijs, ze worstelen zich door sneeuwhoopen,
die hier en daar een meter hoog liggen. De bergwind tracht hen
omver te blazen. Ze moeten door moerassen en beken waden, want den
vorigen dag heeft de zon veel sneeuw gesmolten. En ter zelfder tijd,
dat ze verstijven van koude, trilt de bodem onder hen van het eeuwige
vuur. Ze herinneren zich, dat Luciferno en alle verdoemden daar beneden
liggen. Zij rillen omdat Falco hen naar de poort der hel gevoerd heeft.

Maar toch laten ze de ijsvelden achter zich en bereiken den steilen
aschkegel op den top van den berg, en ze kruipen door glijdende asch
en puimsteen. Als zij halverwegen gekomen zijn, neemt Falco den krans
en wenkt de anderen te wachten. Hij wil alleen de hoogte bestijgen.

Het begint op hetzelfde oogenblik te lichten, en als Falco de hoogte
bereikt heeft, breekt de zon door.

De Mongibello en de oude Etnaroover op zijn top worden omstraald door
het heerlijke morgenlicht.

Maar de schaduw van den Etna valt over geheel Sicilië, en het is alsof
Falco, die daar boven op de bergkruin staat, van zee tot zee reikt,
dwars over het gansche eiland.

Falco ziet om zich heen. Hij ziet de kusten van Italië, hij meent
Napels en Rome te onderscheiden. Hij laat zijn blikken over zee dwalen
naar het land der Turken in het Oosten en naar het land der Saracenen
in het Zuiden.

Hij heeft een gevoel alsof de geheele wereld aan zijn voeten ligt en
zijne grootheid erkent.

Falco legt den krans op Mongibello's top.

Als hij terugkomt bij zijn kameraden, drukt hij hun zwijgend de hand,
en als hij van den aschkegel daalt, zien ze dat hij een puimsteen
opneemt en in zijn zak doet.

Falco neemt een herinnering mee aan de schoonste ure van zijn
leven. Zoo groot als daar op Mongibello's top heeft hij zich nooit
tevoren gevoeld.

Maar op dezen feestdag wil Falco niet werken.

Den volgenden dag, zegt hij, zal hij aan den arbeid beginnen om den
Mongibello te bevrijden van den spoorweg.



Er ligt een eenzame landhoeve op den weg van Paterno naar Aderno. Die
is vrij groot, de eigenares daarvan is een weduwe, donna Silvia,
die vele sterke zonen heeft. Dat zijn moedige menschen, die het wagen
eenzaam te wonen.

't Is de dag, nadat Falco den Etna bekranst heeft. Donna Silvia zit
voor haar huis te spinnen. Zij is alleen, niemand anders is op de
hoeve. Een bedelaar sluipt zacht door de tuinpoort.

Hij is een oude man met een langen, krommen neus, die over de bovenlip
hangt, een borsteligen baard en doffe roodgerande oogen. Hij heeft de
leelijkste oogen, die men zich voorstellen kan, het wit daarin gaat
over in geel, en hij ziet daarenboven scheel. De bedelaar is lang
en zeer mager, en wanneer hij loopt, beweegt hij zijn lichaam zoo,
dat men meent dat hij heen en weert slingert.

Hij loopt zoo zacht, dat donna Silvia hem niet hoort. Ze bemerkt hem
eerst, wanneer zijn schaduw zich als een slang voor haar uit kronkelt.

Ze ziet op van haar werk, als zij die schaduw bemerkt. De bedelaar
buigt voor haar en verzoekt om een maal macaroni.

"De macaroni staat op het vuur," zegt donna Silvia. "Ga zitten en
wacht een oogenblik, dan zult ge uw lievelingsgerecht hebben."

De bedelaar neemt plaats naast donna Silvia en ze beginnen te
spreken. Spoedig is Falco Falcone het onderwerp van hun gesprek.

"Is het waar, dat ge uwe zonen laat werken aan donna Micaela's
spoorweg?" vraagt de bedelaar.

Donna Silvia klemt de lippen op elkaar en knikt toestemmend.

"Gij zijt een moedige vrouw, donna Silvia. Falco zou zich op u
kunnen wreken."

"Laat hij zich dan wreken," zegt donna Silvia. "Maar ik wil den
man niet gehoorzamen, die mijn vader gedood heeft. Falco heeft hem
gedwongen te vluchten uit de gevangenis in Augusta, toen werd mijn
vader door de karabiniers gegrepen en doodgeschoten."

Nadat ze dit gezegd heeft, staat ze op om de macaroni te halen. Terwijl
zij in de keuken bezig is, ziet ze door het raam naar den bedelaar,
die op de bank zit heen en weer te wiegelen. Hij zit geen oogenblik
stil. En voor hem uit slingert zijn schaduw, lenig en beweeglijk als
een slang.

Donna Silvia herinnert zich plotseling, wat zij Catherina, die getrouwd
is geweest met Nino, eens heeft hooren zeggen. Men vroeg haar, hoe
zij Falco na twintig jaar zou herkennen.

"Zou ik den man met de slangeschaduw niet herkennen?" had zij
geantwoord. "Die verliest hij niet, zoolang hij leeft."

Donna Silvia drukt de hand tegen het hart. Daar buiten voor haar huis
zit Falco Falcone. Hij is gekomen om zich te wreken, omdat haar zonen
aan den spoorweg werken. Zal hij haar huis in brand steken of zal
hij haar vermoorden? Donna Silvia trilt over haar geheele lichaam,
als zij de macaroni op den schotel doet.

Maar Falco begint de tijd lang te vallen, terwijl hij zit te
wachten. Een kleine hond komt naar hem toe en drukt zich tegen hem
aan. Falco zoekt in zijn zak naar brood, maar hij vindt slechts een
steen, dien hij den hond toewerpt.

De hond haalt den steen en brengt dien naar Falco terug. Falco werpt
dien nog eens weg. De hond haalt dien opnieuw, maar nu springt hij
er mee weg.

Falco herinnert zich plotseling, dat dit de steen is, dien hij van
den tocht op den Mongibello meenam, en hij loopt den hond na om den
steen terug te halen. Hij fluit den hond en deze komt dadelijk.

"Geef hier den steen."

De hond houdt zijn kop op zij en wil den steen niet teruggeven. "Geef
hier den steen, canaille!"

De hond sluit den bek, hij heeft immers geen steen.

"Laat eens zien, laat eens zien!" roept Falco. Hij buigt den kop van
den hond achterover en dwingt hem den bek te openen. De steen ligt
achter zijn kiezen en Falco tracht hem er uit te halen. De hond bijt
hem zoo, dat het bloed uit de wonde stroomt.

Falco wordt bang, hij gaat naar binnen en zegt tot donna Silvia:
"Uw hond is toch wel gezond?"

"Mijn hond, ik heb geen hond, die is dood."

"Maar die hond dan, die daarbuiten loopt?"

"Ik weet niet welken hond ge meent," zegt ze.

Falco zegt niets meer; ook doet hij donna Silvia geen kwaad. Hij gaat
stil weg, hij is bang. Hij gelooft, dat de hond dol is en dat hij nu
zelf watervrees zal krijgen.



Op een avond zit donna Micaela alleen in de muziekzaal. Ze heeft
het licht uitgedaan en de balkondeuren geopend. Zij houdt er van 's
avonds en 's nachts naar het straatrumoer te luisteren. Dan zwijgt het
gehamer der timmerlieden en 't geschreeuw der uitroepers, dan klinkt
er slechts gezang, gelach, gefluister en het neuriën der mandolines.

Plotseling ziet ze een donkere hand op het balkonhek. Na de hand komt
er een arm en een hoofd te voorschijn en een oogenblik later springt
een geheel mensch op het balkon.

Zij kan hem duidelijk onderscheiden, want de straatlantaarns branden
nog.

't Is een kleine breedgeschouderde man met forschen baard. Hij is als
herder gekleed, met leeren sandalen, slappen hoed en een parapluie,
op zijn rug vastgebonden.

Zoodra hij op zijn voeten staat, neemt hij een geweer uit zijn gordel,
en treedt daarmee de kamer binnen.

Ze zit doodstil zonder eenig teeken van leven te geven, ze heeft geen
tijd om om hulp te roepen, noch om te vluchten.

Zij hoopt, dat de man zal nemen, wat hij begeert en dan weg zal gaan,
zonder haar op te merken, die achter in de donkere kamer zit.

De man zet zijn geweer op den grond en zij hoort hoe hij een lucifer
aansteekt. Zij sluit de oogen, dan zal hij gelooven, dat zij slaapt.

Zoodra de roover licht gemaakt heeft, ontdekt hij haar. Hij hoest om
haar te wekken. Daar zij onbeweeglijk blijft zitten, sluipt hij naar
haar toe en raakt voorzichtig haar arm aan.

"Raak mij niet aan, raak mij niet aan!" gilt zij doodelijk beangst.

De man trekt zich haastig terug.

"Lieve donna Micaela, ik wilde u slechts wekken."

Zij zit te rillen van angst en hij hoort hoe zij snikt.

"Lieve signora, lieve signora!" zegt hij.

"Steek licht op, dat ik kan zien wie ge zijt!" roept zij.

Hij steekt een nieuwen lucifer aan en neemt behendig als een
kamerdienaar het glas en den ballon van de lamp. Daarna keert hij terug
naar de deur, zoover mogelijk van haar verwijderd, maar als hij merkt,
dat haar angst niet vermindert, gaat hij met zijn geweer op het balkon.

"Nu kan de signora toch niet meer bang zijn."

Maar daar zij niet ophoudt met schreien, zegt hij:

"Signora, ik ben Passafiore. Ik breng u een boodschap van Falco. Hij
wil uw spoorweg niet meer vernielen."

"Zijt gij gekomen om mij te bespotten?" zegt zij.

Somber antwoordt de man haar:

"Ware het slechts scherts. Mijn God, indien Falco slechts was, die
hij geweest is."

Hij verhaalt haar nu hoe Falco den Mongibello bestegen en een krans
gelegd heeft op diens top. Maar dit scheen den berg mishaagd te hebben,
want nu had hij Falco ter aarde geworpen. Een klein puimsteentje was
voldoende geweest om den gevreesden rooverhoofdman te vellen.

"Nu is het gedaan met Falco," zegt Passafiore. "Hij loopt rusteloos op
en neer in de steengroeve en wacht slechts op zijn ziekte. Sinds acht
dagen heeft hij noch geslapen, noch gegeten. Hij is niet ziek, maar de
wonde aan zijn hand geneest niet. Hij gelooft, dat hij vergiftigd is."

"Spoedig zal ik een dolle hond zijn," zegt hij. Geen wijn of spijs
ter wereld kan hem verlokken iets te gebruiken. Hij verheugt zich
niet eens, wanneer ik zijn heldendaden prijs.

"Wat geeft het," zegt hij. "Ik eindig mijn leven als een dolle hond."

Donna Micaela ziet Passafiore scherp aan.

"Wat wenscht ge, dat ik doen zal? 't Is toch niet je wensch, dat ik
in de steengroeve zal gaan naar Falco Falcone?"

Passafiore slaat zijn oogen neer en durft niet antwoorden.

Zij vertelt hem, wat Falco haar heeft doen lijden. Hij heeft al de
arbeiders van haar spoorweg door schrik verjaagd. Hij heeft zich
verzet tegen haar liefste wenschen.

Plotseling valt Passafiore op de knieën. Hij waagt het niet een
schrede dichterbij te komen, maar hij knielt voor haar.

Hij smeekt haar te begrijpen wat op het spel staat. Zij weet niet,
zij kan niet begrijpen, wie Falco is.

Falco is een groot man. Reeds toen Passafiore nog een klein kind was,
heeft hij van hem hooren spreken. Zijn gansche leven heeft hij verlangd
in de steengroeve bij Falco te leven. Al zijn neven waren bij hem,
zijn geheele familie was bij hem. Maar de pastoor had zich voorgenomen,
dat Passafiore niet naar Falco zou gaan, en liet hem tot kleermaker
opleiden, denk eens aan, tot kleermaker! De pastoor sprak met hem, en
zei, dat het zulk een vreeselijke zonde was te leven zooals Falco. En
Passafiore had terwille van don Matteo lange jaren tegen zijn begeerte
gestreden. Eindelijk had hij ze niet langer kunnen weerstaan, maar
was stil naar de steengroeve gegaan. En hij was niet meer dan een
jaar bij Falco geweest en nu was deze geheel veranderd. 't Is alsof
de zon aan den hemel gedoofd is, zijn geheele leven is nu verwoest.

Passafiore kijkt naar donna Micaela; hij ziet, dat zij naar hem
luistert en hem begrijpt.

Hij brengt donna Micaela in herinnering, dat zij een jettatore en een
echtbreekster geholpen heeft. Waarom wilde zij dan hard zijn jegens
een roover?

Het Christusbeeld in San Pasquale geeft haar immers alles wat
zij wenscht. Hij was er van overtuigd, dat zij het Christusbeeld
gebeden had, haar spoorweg te beschermen tegen Falco. En het had door
Mongibello's puimsteen Falco's kracht gebroken.

Maar nu wilde zij niet barmhartig zijn en hem helpen, dat Falco zijn
gezondheid terug zou krijgen en weer tot een eer voor het vaderland
zou worden, zooals hij vroeger geweest was.

Het gelukte Passafiore donna Micaela te ontroeren.

Plotseling begreep zij hoe de oude roover in de steengroeve moest
lijden. Zij ziet hem wachten op den waanzin. Zij denkt er aan hoe
trotsch hij geweest is en hoe gebroken en vernietigd hij nu is. Neen,
neen, geen mensch mag zoo lijden, dat is te veel, te veel.

"Passafiore," barst zij uit, "zeg, wat je wenscht. Ik zal doen,
wat ik kan. Nu ben ik niet bang meer. Neen, nu ben ik volstrekt niet
bang meer."

"Donna Micaela, wij hebben Falco gesmeekt, dat hij naar het
Christusbeeld zou gaan en om genade bidden. Maar Falco wil niet
gelooven aan het beeld. Hij wil niets anders doen dan wachten op
zijn ondergang. Maar heden, toen ik hem smeekte te gaan, zei hij:
"Je weet wie op mij zit te wachten in het oude huis tegenover de
kerk. Ga naar haar om te vragen of zij mij verlof wil geven dat
ik voorbij haar naar de kerk mag gaan. Geeft zij haar toestemming,
dan zal ik aan het beeld gelooven en hem bidden om redding."

"Nu?" vroeg donna Micaela.

"Ik ben bij de oude Catherina geweest en zij heeft haar toestemming
gegeven. Hij mag in de kerk gaan, zonder dat ik hem dood," zei zij.

Passafiore wringt zijn handen in wanhoop.

"Donna Micaela, Falco is zeer ziek, niet alleen door den beet van
den hond, maar hij was reeds lang ziek."

Passafiore voert een zwaren strijd met zich zelf vóórdat hij het
zeggen kan. Eindelijk bekent hij dat, hoewel Falco een zeer groot
man is, hij soms aanvallen van waanzin heeft.

Falco had niet alleen gesproken van de oude Catherina, maar hij had
gezegd: "Indien Catherina mij wil toestaan naar de kerk te gaan en
donna Micaela Alagona in de steengroeve komt en mij de hand reikt om
mij naar de kerk te voeren, dan zal ik voor het beeld bidden."

En men heeft hem niet kunnen afbrengen van dit besluit.

Donna Micaela, de heiligste en heerlijkste der vrouwen, moest tot
hem komen, anders wilde hij niet gaan.

Toen Passafiore uitgesproken had, hield hij zijn hoofd gebogen,
hij waagt het niet op te zien.

Maar donna Micaela aarzelt geen oogenblik, nu er sprake is van het
Christusbeeld. Zij schijnt er niet aan te denken dat Falco reeds
waanzinnig is. Zij zegt geen woord van haar angst. Haar vertrouwen in
het beeld is zóó groot, dat zij, als een onderworpen, gehoorzaam kind,
stil antwoordt:

"Passafiore, ik zal je volgen."

En zij volgt hem als in slaap. Geen oogenblik aarzelt ze om hem naar
den Etna te volgen. Ze aarzelt niet de steile berghelling naar de
steengroeve te beklimmen.

Doodsbleek, maar met heerlijk glanzende oogen gaat ze naar den
ouden roover in zijn grot en reikt hem de hand. En hij rijst op,
even bleek als zij, en volgt haar. 't Is alsof zij geen menschen maar
geestverschijningen zijn. Doodstil schrijden zij naar hun doel. Hun
eigen ik is dood, een machtiger geest leidt hen.

Reeds den volgenden dag schijnt het donna Micaela een sage, dat zij
zoo iets gedaan heeft. Zij is heilig overtuigd, dat niet haar eigen
barmhartigheid, erbarmen of liefde haar bewogen heeft midden in den
nacht naar het roovershol te gaan, maar dat een vreemde macht haar
geleid heeft.

Terwijl donna Micaela in de steengroeve is, zit de oude Catherina
voor het raam op Falco Falcone te wachten. Zij heeft haar toestemming
gegeven, bijna zonder dat men haar daarom heeft behoeven te vragen.

"Hij mag vrij in de kerk gaan," zegt ze. "Ik heb twintig jaar op hem
gewacht, maar hij zal vrij in de kerk mogen gaan."

Spoedig verschijnt Falco met donna Micaela hand in hand.

Passafiore en Biagio volgen. Falco loopt gebogen, men ziet dat hij
oud en zwak is. Hij gaat alleen in de kerk, de anderen wachten buiten.

De oude Catherina heeft hem zeer duidelijk gezien, maar ze heeft geen
beweging gemaakt. Zoolang Falco in de kerk is, blijft ze roerloos
zitten.

Haar nicht, die bij haar woont, gelooft, dat zij God dankt, omdat
zij haar wraaklust heeft kunnen overwinnen.

Eindelijk verzoekt Catherina haar een raam te openen.

"Ik wil zien of hij nog de slangeschaduw heeft!" zegt zij.

Maar ze is mild en vriendelijk.

"Neem het geweer weg als je wilt," zegt ze. En haar nicht legt het
geweer aan den anderen kant van de tafel.

Eindelijk komt Falco uit de kerk. De maneschijn verlicht zijn gelaat
en Catherina ziet, dat hij niet meer de Falco van vroeger is. De
uitdagende trots en hoogmoed is nu van zijn gezicht geweken. Hij is
gebroken en vernietigd!

Bijna wekt hij haar medelijden op.

"Hij helpt mij," zegt hij luid tot Passafiore en Biagio. "Hij heeft
beloofd mij bij te staan."

De roovers wilden gaan, maar Falco is zoo gelukkig dat hij eerst met
hen over zijn geluk wil spreken.

"Ik gevoel geen gesuis meer in mijn hoofd, geen onrust meer, neen,
niets meer. Hij helpt mij."

De kameraden nemen hem bij de hand om hem weg te voeren. Falco doet
een paar schreden, maar blijft dan opnieuw staan. Hij richt zich
op en beweegt zijn lichaam, zoodat zijn slangeschaduw heen en weer
slingert over den weg.

"Ik zal volkomen genezen, volkomen genezen," zegt hij verheugd.

Passafiore en Biagio willen hem meetrekken, maar 't is reeds te laat.

Catherina heeft de slangeschaduw gezien. Zij kan zich niet meer
beheerschen, maar werpt zich over de tafel om het geweer te grijpen
en schiet het af. Falco stort getroffen ter aarde.

Ze heeft het niet willen doen, maar nu zij hem ziet, is het haar
onmogelijk hem te laten gaan. Gedurende twintig jaar heeft zij de
wraakzucht in zich gevoed.

Nu beheerscht die haar volkomen.

"Catherina, Catherina," gilt haar nicht.

"Hij verzocht mij slechts vrij in de kerk te mogen gaan," antwoordt
zij.

De oude Biagio legt Falco's lijk terecht en zegt somber:

"Hij zou volkomen genezen, volkomen genezen."



XI.

OVERWINNINGEN.


In lang vervlogen dagen woonde de groote wijsgeer Empedokles op
Sicilië. Hij was de schoonste en meest volkomen mensch, zoo heerlijk
en wijs, dat men geloofde, dat hij een tot mensch geworden god was.

Empedokles bezat een landgoed op den Etna; een avond gaf hij een
feest aan zijne vrienden. Op het feest sprak hij zulke wijze woorden,
dat zijn gasten riepen:

"Gij zijt een god, Empedokles, gij zijt een god!"

Toen de feestgenooten vertrokken waren, dacht Empedokles:

"Ik heb het hoogste bereikt, dat men op aarde kan begeeren. Nu moet
ik sterven, voordat tegenspoed of zwakheid mij terneerdrukt."

En hij steeg op tot den top van den Etna en wierp zich in den
brandenden krater.

"Als niemand mijn lijk vindt," dacht hij, "zal men denken, dat ik
levend onder de goden opgenomen ben."

Maar den volgenden dag zochten zijn vrienden hem in de villa en op
den ganschen berg. Zij kwamen ook bij den krater en daar vonden ze
Empedokles' schoenen. En zij begrepen, dat Empedokles den dood in
den krater gezocht had om gerekend te worden tot de onsterflijken.

En dat zou hem gelukt zijn, indien de berg zijn schoenen niet had
opgeworpen.

Toch werd juist door deze sage Empedokles' naam nooit vergeten,
en velen zochten naar de plaats, waar zijn villa eens gestaan heeft.

Geschiedschrijvers en schatgravers hadden er naar gezocht, want de
villa van den wijsgeer was natuurlijk vol van de heerlijkste marmeren
en bronzen beelden en mozaïekwerk.

Donna Micaela's vader, cavaliere Palmeri, had zich vast voorgenomen,
dat hij het probleem van de villa zou oplossen. Iederen morgen
reed hij op zijn ponny Dominico weg om de villa te zoeken. Hij was
toegerust als een geschiedvorscher met een schraapijzer in den gordel,
een spade op zij en een grooten ransel op den rug.

Iederen avond als cavaliere Palmeri thuis kwam, vertelde hij donna
Micaela van Dominico.

Gedurende deze jaren, dat ze samen op den Etna gezocht hadden, had
Dominico zich tot een archeoloog ontwikkeld.

Dominico week af van den weg, zoodra hij een ruïne ontdekte. Hij
stampte op den grond, wanneer hij meende, dat men opgravingen moest
doen. Hij hinnikte verachtelijk en wendde den kop af, wanneer men
hem een nagemaakte oude munt vertoonde.

Donna Micaela hoorde met veel geduld en belangstelling naar haar
vaders verhalen. Zij was overtuigd dat, wanneer de villa eindelijk
gevonden werd, Dominico de eer zou krijgen van de ontdekking.

Maar cavaliere Palmeri vroeg zijn dochter nooit naar haar
onderneming. Nooit toonde hij eenige belangstelling voor haar
spoorweg. 't Was bijna, alsof hij niet eens wist waarvoor zij
werkte. Dat was trouwens zoo vreemd niet, hij toonde nooit eenige
belangstelling voor zijn dochter.

Eens, toen ze 's middags aan den maaltijd zaten, begon donna Micaela
plotseling over den spoorweg te spreken.

Ze had een paar heerlijke overwinningen behaald, zei ze. Eindelijk
had zij overwonnen.

Hij moest hooren welke nieuwtjes zij heden had. Het zou geen
stoomtram worden tusschen Catania en Diamante, zooals zij eerst
gedacht had. Neen, het zou een spoorweg rondom den Etna worden.

Door Falco's dood had zij niet alleen een machtigen vijand minder, maar
nu geloofde het volk ook, dat de groote Mongibello en alle heiligen aan
haar zijde stonden. Daarom was er een beweging onder het volk ontstaan
om geld te verzamelen voor den spoorweg. In alle Etnasteden waren
bijdragen daarvoor geteekend. Er was reeds een maatschappij gevormd.

Heden was de concessie gekomen. Morgen zou men in ernst met den
arbeid aanvangen.

Donna Micaela was opgewonden, zij kon niet eten. Haar hart zwol van
geluk en dankbaarheid. Ze kon niet laten te spreken over de machtige
vervoering, die het volk aangegrepen had. Zij sprak met tranen in de
oogen van het Christuskind in San Pasquale.

't Was roerend te zien, hoe haar gelaat straalde van hoop. 't Was
alsof zij, behalve het geluk waarover zij sprak, nog een heele
wereld van gelukzaligheid te wachten had. Dezen avond voelde ze,
dat een wijze voorzienigheid haar lot bestierde. Zij begreep, dat
Gaetano's gevangenneming Gods werk was om hem terug te voeren tot
zijn oud geloof. Hij zou bevrijd worden door de wonderen van het
kleine beeld en dit zou hem bekeeren, zoodat hij weer een geloovige
als vroeger zou worden. En zij zou hem toebehooren!

O, God was goed.

Terwijl deze groote gelukzaligheid haar vervulde, zat haar vader koel
en onbewogen tegenover haar.

"Dat is heel merkwaardig," zei hij slechts.

"Ge gaat toch zeker morgen mee naar het feest?"

"Ik weet het nog niet, ik moet naar mijn uitgravingen."

Donna Micaela begon haar brood heftig te verkruimelen. Ze begon haar
geduld te verliezen. Hij had geen deel genomen in haar zorgen, maar
in haar vreugde moest hij deelen. Hij moest deelen in haar vreugde!

En plotseling braken de ketenen van onderdanigheid en vrees, die haar
gebonden hadden, sedert haar vaders gevangenistijd.

"Gij, die zooveel tochten op den Etna maakt," zei zij met een zeer
vriendelijke stem, "gij zijt zeker ook wel eens in Gela geweest?"

De cavaliere keek op en scheen in zijn geheugen te zoeken:

"Gela, Gela!"

"Gela is een dorp van ongeveer honderd huizen, dat aan de Zuidzijde
van den Monte-Chiaro ligt, aan den voet van den berg," vervolgde
donna Micaela met het onschuldigste gezicht van de wereld. "Het
ligt ingeklemd tusschen den Simeto en den bergwand, een tak van de
rivier neemt dikwijls zijn weg door de straten van Gela, zoodat het
een zeer ongewone gebeurtenis is, wanneer men met droge voeten door
het dorp komt.

"Het dak der kerk stortte in bij de laatste aardbeving, en men heeft de
kerk niet kunnen herstellen, want Gela is zeer arm. Hebt ge werkelijk
nooit van Gela gehoord?"

Cavaliere Palmeri antwoordde met onbeschrijfelijken ernst:

"Mijn vorschingen hebben me bergopwaarts gevoerd. Ik heb er nooit
aan gedacht de villa van den grooten wijsgeer in Gela te zoeken."

"Maar Gela is een zeer interessant dorp," zei donna Micaela. "Ze
hebben daar geen aparte schuren. De varkens zijn beneden in de huizen,
de menschen wonen een trap hooger. En er zijn heel wat varkens in
Gela. Ze bevinden zich daar beter dan de menschen, want de menschen
zijn er bijna altijd ziek.

"Er heerscht voortdurend koorts, de malaria is er een trouwe gast. Het
is er zoo vochtig, de kelders staan altijd onder water en moerasdampen
drukken als een dichte mist op het dorp. In Gela zijn geen winkels,
ook geen politie, post, dokter of apotheek. Zeshonderd menschen leven
daar geheel vergeten en verlaten.

"Hebt ge nooit gehoord van Gela?"

Zij zag er heel verbaasd uit.

Cavaliere Palmeri schudde het hoofd. "Den naam heb ik wel eens
gehoord...."

Donna Micaela keek haar vader onderzoekend aan. Zij boog zich
haastig voorover en haalde uit zijn borstzak een gebogen klein mes
te voorschijn, zooals gebruikt wordt bij het snoeien der wijnstokken.

"Arme Empedokles," zei ze en plotseling straalde haar geheele gelaat
van schalkscheid.

"Ge waant u opgestegen tot de goden, maar de Etna werpt altijd uw
schoenen op."

Cavaliere Palmeri zonk als door een schot getroffen achterover in
zijn stoel.

"Micaela," zei hij zwak afwerend, als iemand die niet weet hoe hij
zich moet verdedigen.

Maar zij was oogenblikkelijk even ernstig en zoo onschuldig als
tevoren.

"Men heeft mij verteld," zei ze, "dat Gela eenige jaren geleden op het
punt stond geheel te gronde te gaan. Alle menschen daar verbouwen
wijn, en toen nu de phylloxera al hun wijngaarden verwoestte,
dreigden zij geheel te verhongeren. 't Landbouwgenootschap zond hun
toen Amerikaansche planten, die niet door de phylloxera aangetast
worden. De menschen in Gela plantten deze, maar al de wijnstokken
stierven. Hoe zouden de menschen in Gela weten hoe de Amerikaansche
wijndruif gekweekt moet worden.

"Maar toen kwam er iemand die hun dat leerde."

"Micaela," klonk het bijna steunend. Donna Micaela vond, dat haar
vader er reeds als een overwonnen man uitzag, maar toch vervolgde
zij haar verhaal, alsof zij niets gemerkt had.

"Er kwam iemand," zei zij met sterken nadruk, "en hij liet zich nieuwe
planten zenden. Hij begon deze in hun wijngaarden te planten. Ze
lachten hem uit, ze zeiden dat hij zich dwaas aanstelde. Maar zie,
zijn planten groeiden, zij stierven niet. En hij redde Gela."

"Ik vind je verhaal niet zeer amusant, Micaela," zei cavaliere Palmeri
met een poging het af te breken.

"'t Is toch even belangrijk als uw vorschingen," zei ze kalm. "Maar
ik wil u iets vertellen. Op een dag ging ik naar uw kamer om een boek
over archeologie te halen. Toen ik zag dat uw boekenkast vol was met
geschriften over de phylloxera, den wijnbouw en de wijnbereiding."

Cavaliere Palmeri schoof heen en weer op zijn stoel als een op
heeterdaad betrapte misdadiger.

"Zwijg, zwijg!" zei hij zwak. Hij was nu meer beschaamd, dan toen
hij aangeklaagd werd wegens diefstal.

Maar weer schitterde die onderdrukte schalkschheid in haar oogen.

"Ik keek eens naar de brieven, die ge verzendt," vervolgde zij. "Ik
wilde eens zien met welke geleerde mannen ge in briefwisseling
waart. 't Verwonderde mij dat de brieven altijd geadresseerd waren
aan presidenten of secretarissen van landbouwvereenigingen."

Cavaliere Palmeri was niet in staat een woord te spreken.

Donna Micaela genoot onbeschrijfelijk hem zoo machteloos te zien.

Ze keek hem vast in de oogen.

"Ik geloof niet dat Dominico reeds een ruïne weet te onderscheiden,"
zei ze. "De vuile kinderen in Gela spelen elken dag met hem en geven
hem waterkers te eten.

"Dominico wordt als een god in Gela vereerd, om niet te spreken van
zijn-- -- --"

Cavaliere Palmen scheen een idee te krijgen.

"Je spoorweg!" zei hij. "Wat zei je ook weer van je spoorweg?

"Misschien kan ik toch wel morgen meegaan naar je feest."

Donna Micaela luisterde niet naar hem. Zij haalde haar portemonnaie
uit den zak.

"Hier heb ik een nagemaakte oude munt," zei ze. "Een Demarata van
nikkel. Die heb ik gekocht om aan Dominico te toonen."

"Hoor nu eens, kind!"

Ze deed juist alsof zij zijn tegenwerpingen niet hoorde.

Nu had zij hem in haar macht. Nu was er meer noodig om haar te
verzoenen.

"Eens deed ik uw ransel open om uw vondsten te bewonderen. Het eenige,
dat hij bevatte, was een verdroogde wijnstok."

Zij was louter stralende vroolijkheid.

"Maar kind!"

"Wat moet men daarvan denken? 't Is misschien wel geen onderzoek naar
geschiedkundige overblijfselen, misschien is het wel liefdadigheid,
misschien ook wel boete-- --"

Nu sloeg cavaliere Palmeri met de vuist op de tafel, zoodat glazen
en borden rinkelden. Dit was hem te veel; een deftige, ernstige oude
heer kon zoo niet met zich laten spotten.

"Zoo waar als gij mijn dochter zijt, zult ge nu zwijgen."

"Uw dochter!" zei ze en oogenblikkelijk was haar vroolijkheid
verdwenen. "Ben ik werkelijk uw dochter? De kinderen in Gela mogen
Dominico streelen, maar ik-- --"

"Wat meen je, Micaela? Wat wil je?"

Ze keken elkaar aan. Hun oogen vulden zich gelijktijdig met tranen.

"Ik heb niemand anders dan u!" fluisterde zij.

Cavaliere Palmeri opende onwillekeurig zijn armen. Zij stond aarzelend
op, ze wist niet of zij goed zag.

"Ik weet hoe het nu gaan zal," zei hij morrend. "Geen minuut houd ik
nu voor me zelf over."

"Om de villa te ontdekken?"

"Geef mij een kus, Micaela. Vanavond zijt ge voor de eerste maal,
nadat we Catania verlaten hebben, onweerstaanbaar geweest."

En met een heeschen, wilden kreet, die hem bijna verschrikte, vloog
donna Micaela in haars vaders armen.



DERDE DEEL.


                                   "En hij zal vele aanhangers krijgen."


I.

DE OASE IN DE WOESTIJN.


In de lente van 1894 begon men den Etnaspoorweg aan te leggen, en
in den herfst van 1895 was die gereed. Hij steeg op van de kust,
omringde den berg in een halven cirkel, en bereikte dan de zee.

De trein vertrekt en komt elken dag, en de Mongibello ligt geboeid,
maar verzet zich niet. Vreemdelingen rijden verbaasd door de zwarte,
grillige lavastroomen, door de witte amandelwouden, en de donkere,
oude steden der Saracenen.

"Zie eens, welk een sprookjesland!" zeggen ze.

In den trein is altijd wel iemand, die vertelt van den tijd toen
het Christusbeeld nog in Diamante was. Welk een tijd, welk een
tijd! Iederen dag verrichtte het beeld nieuwe wonderen. Men kan ze niet
eens alle verhalen, maar hij maakte het leven in Diamante zoo blijde,
dat de uren van den dag elkaar volgden als een rij lachende Horen.

Men geloofde, dat de zandlooper van den tijd gevuld was met schitterend
stofgoud.

Indien iemand gevraagd had wie in dien tijd in Diamante regeerde,
zou men geantwoord hebben: "het Christusbeeld." Alles voegde zich
naar zijn wil. Niemand trouwde of speelde in de loterij of bouwde
een huis zonder hem om raad te vragen. En heel veel messteken werden
terwille van het beeld niet uitgedeeld en menige oude veete werd
bijgelegd en menig bitter woord om zijnentwil niet uitgesproken. Men
moest wel goed zijn, want men merkte, dat het beeld hen bijstond,
die vreedzaam en hulpvaardig waren. Hun schonk hij goede gaven,
vreugde en rijkdom. Indien nu de wereld slechts was geweest, zooals
zij had moeten zijn, dan was Diamante spoedig een rijke en machtige
stad geweest. Maar in plaats daarvan, verwoestte het deel der wereld,
dat niet aan het beeld geloofde, al zijn werk. Het baatte niet veel
hoeveel geluk hij ook om zich heen verspreidde.

De belastingen werden al hooger en verslonden al den rijkdom. En dan de
oorlog in Afrika. Hoe konden de menschen gelukkig zijn als hun zonen,
hun geld, hun muilezels naar Afrika moesten? En de oorlog was niet
voorspoedig, men leed nederlaag op nederlaag. Hoe kon men gelukkig
zijn, wanneer de eer van het vaderland op het spel stond?

Sinds de spoorweg gereed was, merkte men, dat Diamante gelijk was
aan een oase in een woestijn.

De oase is blootgesteld aan het stuifzand, de roovers en de wilde
dieren der woestijn. Zoo ook Diamante.

De oase moest zich uitbreiden over de geheele woestijn om zich veilig
te gevoelen. Diamante begon te gelooven, dat het niet gelukkig kon
worden, vóórdat de gansche wereld zijn Christusbeeld aanbad.

Nu geschiedde het, dat alles wat Diamante gewenscht en gehoopt had,
mislukte.

Zoo verlangde donna Micaela en geheel Diamante Gaetano terug te
hebben. Toen de spoorweg gereed was, trok donna Micaela naar Rome en
smeekte om zijn invrijheidstelling. Men weigerde het haar.

De koning en de koningin hadden haar wel willen helpen, maar ze
konden niet. Ge weet, wie toen minister in Italië was, hij regeerde
met ijzeren hand. Denkt ge, dat hij den koning toestond genade te
schenken aan een Siciliaanschen oproerling?

Men wenschte vurig, dat het Christusbeeld van Diamante de vereering
zou ten deel vallen, die hem toekwam. Donna Micaela ging om die reden
op audiëntie bij den ouden man in het Vaticaan.

"Heilige vader," zei ze, "laat u verhalen wat er geschied is in
Diamante op den Etna."

En nadat ze al de wonderen van het beeld verteld had, verzocht ze,
dat de paus de oude kerk San Pasquale zou laten reinigen en inwijden
en priesters zou aanstellen voor den eeredienst van het Christusbeeld.

Maar evenals in het Quirinaal, kreeg donna Micaela in het Vaticaan
een weigerend antwoord.

"Waarde vorstin Micaela," zei de paus, "deze gebeurtenissen die gij
verhaalt, erkent de kerk niet als wonderen. Maar toch behoeft ge niet
te wanhopen.

"Indien het Christusbeeld in uw stad wil worden aangebeden, dan zal het
nog een teeken geven. Het zal Ons zijn wil zoo duidelijk toonen, dat
Wij niet behoeven te twijfelen. Vergeef een ouden man, mijn dochter,
dat hij voorzichtig moet zijn."

Nog een derde zaak had men in Diamante gehoopt. Men had verwacht
eindelijk iets te zullen hooren van Gaetano. Donna Micaela reisde
ook naar Como, waar hij gevangen zat. Zij had aanbevelingsbrieven
van hooggeplaatste ambtenaren in Rome, en ze was zeker, dat ze hem
spreken zou.

Maar de directeur van de gevangenis had haar naar den dokter gezonden.

Deze verbood haar met Gaetano te spreken.

"Ge wilt den gevangene zien?" zei hij. "Neen, dat kan niet. Ge zegt,
dat hij u liefheeft en meent, dat ge gestorven zijt? Laat hem dat
gelooven. Laat hem dat gelooven!

"Hij heeft leeren berusten, hij wordt niet meer gekweld door
verlangen. Wilt ge, dat hij opnieuw zal beginnen te verlangen, als
hij hoort, dat ge leeft? Wilt ge hem dan dooden? Ik wil u één ding
zeggen. Indien hij weer naar het leven gaat verlangen, zal hij binnen
drie maanden dood zijn."

Donna Micaela begreep, dat zij er van moest afzien hem te spreken.

Maar welk een teleurstelling! Welk een teleurstelling!

Toen zij thuis kwam, had zij een gevoel als iemand, die zóó levendig
gedroomd heeft, dat hij wanneer hij ontwaakt, zich zelf niet kan
losrukken uit zijn droom.

Zij kon maar niet begrijpen, dat al haar verwachtingen vernietigd
waren.

Zij betrapte zich keer op keer, dat zij dacht: "Toen ik Gaetano
bevrijdde." Maar nu had zij heelemaal geen hoop meer hem te bevrijden.

Nu eens dacht zij aan de eene, dan eens aan de andere onderneming,
die zij wilde beginnen. Zou zij het moeras dempen, of zou zij marmer
uit den Etna graven?

Zij kon maar geen besluit nemen.

En dezelfde lusteloosheid, die over donna Micaela gekomen was, drukte
de geheele stad.

Het bleek immers dat alles wat afhankelijk was van menschen, die
niet geloofden aan het Christusbeeld van Diamante, verkeerd ging
en mislukte.

Zelfs de Etnaspoorweg werd verkeerd bestuurd. Voortdurend grepen er
ongelukken plaats, ook waren de prijzen der biljetten te hoog.

De menschen begonnen weer gebruik te maken van omnibussen en wagens.

Donna Micaela en ook anderen dachten er aan het Christusbeeld in
de wereld te voeren. Zij zouden den ongeloovigen toonen dat hij
gezondheid, vreugde en geluk schonk aan allen, die vreedzaam, vlijtig
en goed voor hun naasten wilden zijn.

Indien de menschen dat maar eerst begrepen, zouden ze zich wel
bekeeren.

"Het beeld moest op het Kapitool staan en de wereld regeeren," zei
het volk in Diamante.

"Allen, die ons regeeren, zijn onbekwaam," zeiden ze. "Wij willen
bestuurd werden door het heilige Christuskind. Hij is machtig en
weldadig. En indien hij regeerde, dan zouden de armen rijk worden,
en de rijken hebben reeds genoeg. Hij weet wie het goede wil. Indien
hij de macht had, dan zouden degenen, die nu geregeerd worden,
zitting krijgen in de raadszaal. Hij zou over de wereld gaan met
ploeg en scherpe egge, en hetgeen nu onvruchtbaar in den grond ligt,
zal ontkiemen en een rijken oogst dragen."

Doch voordat deze plannen ten uitvoer gebracht konden worden,
kwam in de eerste dagen van Maart 1896 het bericht van den slag bij
Adua. De Italianen waren verslagen en duizenden van hen waren gedood
of gevangengenomen.

Eenige dagen later trad het ministerie in Rome af.

En de man die nu de macht in handen kreeg, vreesde den toorn en de
wanhoop der Sicilianen. Om hen te verzoenen hergaf hij de vrijheid
aan eenige gevangen socialisten. De vijf mannen, waarnaar het volk
het meest verlangde, werden in vrijheid gesteld. Dat waren Da Felice,
Bosco, Verro, Barbato en Alagona.

Ach, donna Micaela trachtte blij te zijn, toen zij dit hoorde. Ze
beproefde niet te schreien.

Zij had geloofd, dat Gaetano gevangen zat, opdat het Christusbeeld
de muren zijner gevangenis zou kunnen neerhalen. Deze beproeving had
God hem opgelegd, opdat hij genoodzaakt zou zijn het hoofd te buigen
voor het Christusbeeld en te zeggen:

"Mijn God en Meester."

En nu had niet het beeld hem bevrijd. Hij zou een heiden blijven
gelijk vóór zijn gevangenistijd.

Dezelfde gapende kloof zou tusschen hen beiden zijn. Zij trachtte
verheugd te zijn. 't Was immers reeds een groot geluk dat hij vrij
was. Wat was zij en haar geluk in vergelijking daarmee!

Maar zoo ging het nu met alles wat Diamante gewenscht en gehoopt had.

De groote woestijn was zeer slecht jegens de arme oase.



II.

IN PALERMO.


Eindelijk, eindelijk is het één uur 's nachts.

Degenen, die bang zijn zich te verslapen, staan op van hun bed,
kleeden zich aan en gaan op straat.

En zij, die opgebleven zijn en tot nu toe over de tafeltjes in de
café's gehangen hebben, rijzen op nu zij schreden hooren op het steenen
plaveisel. Ze schudden den slaap van zich en gaan naar buiten. Zij
sluiten zich aan bij de spoedig aangroeiende menschenmassa, en de
trage tijd begint iets vlugger te gaan.

Menschen, die elkaar slechts oppervlakkig kennen, drukken elkaar
de hand met warme hartelijkheid. Dezelfde blijdschap trilt in alle
harten. En menschen die anders nooit een voet op straat zetten,
zijn hedennacht buiten, oude professoren, voorname edellieden en
fijne dames. Allen zijn even verheugd.

"Mijn God, dat hij nu terugkomt, dat Palermo hem nu weer terugkrijgt,"
zeggen ze.

De studenten, die den geheelen nacht hun lievelingsverblijf in
Quattro Canti niet verlaten hebben, verschijnen nu met fakkels en
gekleurde lampions.

Zij zouden die niet aansteken voor vier uur 's morgens als de verwachte
aan zal komen, maar tegen twee uur begint nu en dan eens een student
te probeeren of zijn fakkel wel branden wil. Dan steken ze allen hun
fakkels aan en begroeten het licht met luid gejuich.

't Is onmogelijk in het donker te staan, als zulk een groote blijdschap
in het hart vlamt.

De vreemdelingen in de hotels worden gewekt.

"Er is hedennacht feest in Palermo, o signori."

"Ter eere van wien is er feest?" vragen de vreemdelingen.

"Ter eere van een der socialisten, dien de regeering in vrijheid
gesteld heeft. Hij komt hedenmorgen met de stoomboot van Napels."

"Wat is hij voor een man?"

"Hij heet Bosco, het volk heeft hem lief."

En er heerscht bedrijvigheid in de gansche stad.

Een der geitenherders op den Monte Pellegrino is ijverig bezig kleine
ruikertjes van bellis te binden, die zijn geiten in den halsband
zullen dragen.

En daar hij honderd geiten heeft en alle halsbanden dragen.... Maar
het moet. Zijn geiten kunnen zich den volgenden dag niet in Palermo
vertoonen, zonder versierd te zijn ter eere van den feestdag.

De naaisters hebben tot middernacht moeten werken om alle nieuwe
kleedingstukken gereed te hebben, die den volgenden dag gedragen zullen
worden. En als zoo'n ijverig naaistertje klaar is met het werk voor
anderen, dan mag ze aan zichzelf denken.

Ze zet een paar veeren op haar hoed en trekt de rozetten wat
hooger. Heden moet zij mooi zijn!

Huis aan huis begint men te illumineeren. Hier en daar ontsteekt men
vuurwerk. Knallers en sissers kronkelen zich omhoog op iederen hoek
der straten.

De bloemenwinkels aan den langen Via Vittorio Emanuele zijn telkens
en telkens geheel uitverkocht.

Steeds meer en meer witte oranjebloemen worden er gevraagd. Geheel
Palermo is vervuld van den zoeten oranjegeur.

De portier van Bosco's huis heeft geen oogenblik rust. Prachtige
taarten en torenhooge bouquetten worden voortdurend langs de trappen
opgedragen. Welkomstgedichten en telegrammen met gelukwenschen stroomen
van alle kanten. Er schijnt geen einde aan te zullen komen. De
arme bronzen keizer op Pazzi Bologna, de leelijke Karel de Vijfde,
die mager en ellendig is als Giovanni in de woestijn, heeft op een
onbegrijpelijke wijze een bloemruiker in de hand gekregen. Als de
studenten, die in de nabijheid in Quattro Canti zijn, dat hooren,
trekken ze in een goed geordenden optocht naar het standbeeld,
verlichten hem met hun fakkels en roepen een "lang zal hij leven"
voor den ouden despoot.

Een van hen ontneemt hem den ruiker om dien aan den grooten socialist
te geven.

Daarna trekken de studenten naar de haven.

Lang vóórdat zij daar aankomen, zijn hun fakkels uitgebrand, maar
daar bekommeren zij zich niet om. Zij hebben de armen om elkaars hals
geslagen, en zingen luid. Nu en dan onderbreken zij hun gezang om te
roepen: "Weg met Crispi! Leve Bosco!" Dan valt het gezang opnieuw
in, maar wordt weer afgebroken, omdat zij, die niet zingen kunnen,
de zangers omhelzen.

Gilden en broederschappen komen in optocht uit de stadswijken, waar
hetzelfde handwerk reeds meer dan duizend jaar uitgeoefend wordt. Daar
zijn de metselaars met hun zangkoor en vaandels, de mozaïekwerkers
en de visschers.

Als de vereenigingen elkaar ontmoeten, groeten zij elkaar met de
vaandels. Nu en dan staan ze stil om toespraken te houden. Men spreekt
over de vijf socialisten, de vijf martelaars, die de regeering nu
eindelijk aan Sicilië teruggeschonken heeft.

En de menschenmassa jubelt:

"Leve Bosco! Leve Da Felice! Leve Verro! Leve Barbato! Leve Alagano!"

Maar als iemand, die het rumoer der straten wil ontvluchten, naar de
haven gaat, vraagt hij verbaasd:

"Waar ben ik hier? Madonna Santissima, waar ben ik gekomen?"

Want hij had gedacht, dat het nog rustig en stil zou zijn aan de haven.

Maar alle booten en sloepen in de haven van Palermo zijn in beslag
genomen door verschillende vereenigingen en gezelschappen. Ze drijven
in de haven, heerlijk versierd met gekleurde Venetiaansche lampions,
en ieder oogenblik stijgen er van deze booten groote bundels raketten
omhoog.

Over de ruw houten banken heeft men prachtige kleeden en dekens
gespreid en daarop zitten de dames, de schoone dames van Palermo,
gekleed in lichte zijde en donker fluweel. Kleine ranke bootjes
zweven over het water, nu eens in groote groepen, dan weer elk
afzonderlijk. De masten en raas der groote schepen prijken met wimpels
en lampions, de kleine havenstoombootjes glijden over het water,
met bloemguirlandes om de stoompijpen.

En onderwijl weerkaatst en spiegelt het water al het licht, zoodat
de schijn van een lantaarn tot een heelen vuurstroom wordt, en de
waterdruppels die van de roeispanen vallen, worden gelijk vloeibaar
goud.

Op de kade staan honderdduizenden menschen, uitgelaten van vreugde. Ze
kussen elkaar, ze juichen en zijn gelukkig.

Ze zijn hun vreugde niet meester, velen van hen weenen.

Vuur is vreugde. 't Is goed dat men vuren ontsteekt.

Plotseling vlamt een groot vuur op den Monte Pellegrino en daarna
stijgen hooge vlammen op van de geheele getakte bergketen, die de
stad omringt. Het vlamt op den Monte Falcone, op San Martino, op den
berg der duizenden, waarover Garibaldi trok.--

Maar op zee vaart de groote stoomboot van Napels, en op deze stoomboot
bevindt zich Bosco, de socialist.

Hij kan dien nacht niet slapen. Hij loopt heen en weer op het
dek. Zijn oude moeder, die naar Napels gegaan is om hem te halen,
komt uit haar hut om hem gezelschap te houden. Maar hij kan nu niet
met haar spreken. Spoedig zal hij weer thuis zijn. O, Palermo! Palermo!

Meer dan twee jaar heeft hij gevangen gezeten. Twee lange jaren van
kwelling en verlangen. En zijn die ergens goed voor geweest? Zie,
dat zou hij zoo gaarne willen weten.

Heeft het zijn zaak iets gebaat, dat hij gevangen gezeten heeft? Heeft
Palermo aan hem gedacht? Heeft zijn lijden der zaak een enkelen
aanhanger doen winnen?

Zijn moeder zit ineengedoken op de kajuittrap te rillen van de
koude. Hij heeft het haar gevraagd, maar zij weet niets. Zij spreekt
over den kleinen Francesco en de kleine Lena, hoe zij gegroeid
zijn. Zij weet niets van hetgeen, waarvoor hij strijdt. Maar nu
nadert hij zijn moeder, grijpt haar bij de hand en voert haar naar de
verschansing. Hij vraagt haar of zij niet iets ziet daar ver in het
zuiden. Zij ziet met haar droeve oogen over de zee en ziet slechts
den nacht, slechts den donkeren nacht op zee. Ze ziet niet dat er
een vuurwolk gloeit aan den horizon.

En hij hervat zijn wandeling en zij kruipt onder de beschermende
tent. Hij behoeft niet met haar te spreken, 't is haar reeds een
geluk hem weer bij zich te hebben na een scheiding van twee lange
jaren. Hij was veroordeeld tot vier en twintig jaar gevangenisstraf,
en zij had niet gedacht hem ooit weer te zien. Maar de koning had hem
genade verleend, de koning was een goede man. Indien hij slechts de
macht had zoo goed te zijn, als hij was.

Bosco wandelt rusteloos op het dek en vraagt den matrozen of ze niet
een vuurgloed daar ginds aan den horizon zien.

"Daar is Palermo," zeggen de zeelieden. "'s Nachts zweeft er altijd
zoo'n lichtschijn boven de stad."

Het kan niets zijn, dat hem aangaat, hij wil zich zelf overtuigen,
dat men niets voor zijn ontvangst doet. Hij kan toch niet verlangen,
dat alle menschen opeens socialisten geworden zijn.

Maar na een tijdje denkt hij: "Er moet toch iets buitengewoons gaande
zijn." Alle matrozen verzamelen zich op het voordek.

"Palermo staat in brand," zegt een matroos.

Ja, dat kon wel het geval zijn.--En hij lijdt vreeselijk, omdat hij
verwacht, dat men iets tot zijn ontvangst zou doen. Maar nu bemerken
de zeelieden de vlammende vuren op de bergen. Neen, het kan toch
geen brand zijn. 't Is zeker een heilige dag. Ze vragen elkaar welk
feest heden gevierd wordt. Hij tracht ook te gelooven dat het zoo is,
en vraagt zijn moeder of het een feestdag is.

Ze komen al nader bij Palermo. Het gedempte feestgeruisch van de
groote stad dringt tot hen door.

"Geheel Palermo zingt en juicht vannacht," zegt een der zeelieden.

"Er is zeker een telegram gekomen van een overwinning in Afrika,"
meent een ander.

Niemand denkt er aan dat het ter eere van Bosco kan zijn. Hij gaat
naar het achterdek, hij wil niets meer zien. Hij wil zichzelf niet
met ijdele verwachtingen kwellen. Zou geheel Palermo illumineeren
voor een armen socialist?

Nu komt zijn moeder bij hem. "Kom mee," zegt ze. "Zie eens hoe Palermo
schittert van licht, 't moet zeker een koning zijn, die heden verwacht
wordt. Kom mee om Palermo te zien."

Hij denkt na. Neen, hij gelooft niet dat de koning Palermo heden
bezoekt. Maar hij waagt het niet iets anders te denken, nu niemand,
zelfs niet zijn moeder....

Opeens schreeuwen allen op de stoomboot luid. 't Klinkt als een
noodkreet. Een groot pleizierjacht stuurt recht op hen aan en glijdt
nu zacht naast de stoomboot.

Het geheele jacht schijnt slechts uit bloemen en licht te
bestaan. Roode en witte draperieën hangen over boord. Bosco staat op
de stoomboot en vraagt zich af welke tijding deze schoone bode zal
brengen. Daar slaat het zeil om en op het witte vlak schittert hem
tegemoet: "Leve Bosco." 't Is zijn naam! Niet die van een koning of
van een zegevierenden generaal! Niemand dan hem geldt deze hulde. Zijn
naam, zijn naam!

Het jacht werpt eenige vuurraketten omhoog, een regen van gouden
sterren valt neer.

De boot stoomt de haven binnen. Een donderend gejubel weerklinkt;
de menschen weenen van blijdschap en vervoering.

Maar Bosco voelt, dat hij zulk een hulde niet verdient. Hij zou willen
knielen voor deze menschen, die hem huldigen, en hen smeeken hem te
vergeven, dat hij niets vermag, niets gedaan heeft voor hen allen.



Door een bizonder toeval is donna Micaela dien nacht in Palermo. Ze
is daar voor een van de ondernemingen, die ze meent te moeten beginnen
om het leven te kunnen uithouden. Zij is daar óf voor de marmergroeve
óf voor het moeras, dat zij wil dempen.

Zij staat beneden bij de haven, zij, zooals alle anderen. Men ziet
haar aan, als zij zich een weg baant naar het strand, een hooge,
donkere vrouw, met een voornaam uiterlijk, een bleek gelaat met
sprekende trekken en smeekende, verlangende, hartstochtelijke oogen.

Terwijl het volk jubelt en juicht, voert donna Micaela een hevigen
strijd. "Indien dit nu Gaetano was," denkt zij, kon ik dan, zou
ik dan....

"Indien al deze menschen jubelen om hem, zou ik dan..."

Er heerscht zulk een vreugde in de stad, grooter dan zij ooit gezien
heeft. De menschen hebben elkaar lief als broeders. En dat is niet
alleen omdat een socialist thuis komt, maar omdat ze gelooven,
dat de aarde spoedig gelukkig zal zijn. Indien hij nu kwam, nu deze
blijdschap rondom mij opbruist, denkt zij. Kon ik dan, zou ik dan....

Ze ziet hoe het rijtuig van Bosco door de menschenmenigte tracht te
dringen. Het gaat stap voor stap; langen tijd moet het stilstaan. Er
zullen vele uren noodig zijn, voordat het rijtuig voorbij de haven is.

Indien hij het was, en ik zag hoe alle menschen zich om hem verdrongen,
kon ik het dan laten mij in zijn armen te werpen? Kon ik...



Zoo spoedig zij uit het gedrang komen, neemt ze een wagen en rijdt
door de vlakte van Conca d'oras naar de groote domkerk der Noorsche
koningen te Monreale.

Ze treedt binnen en staat oog in oog met het schoonste Christusbeeld,
dat menschelijke kunst geschapen heeft. Hoog op het koor zit
de gezegende Christus in stralend mozaïek, machtig, mystisch en
majestueus.

Ontelbaar zijn de pelgrims, die naar Monreale trekken om troost te
zoeken in het aanschouwen van zijn aangezicht. Ontelbaar zijn de velen,
die in verre landen naar hem smachten.

De grond trilt onder de voeten van hem die dit Christusbeeld voor
de eerste maal aanschouwt. Zijn oogen dwingen den vreemdeling de
knieën voor hem te buigen. Zonder dat de bezoeker het weet, stamelen
zijn lippen:

"O God! Mijn God!"

Rondom op de tempelwanden stralen de wereldgebeurtenissen in de
mozaïek. Die voeren de gedachten slechts tot hem; zij zijn daar
slechts om te zeggen:

Het gansche verleden behoort hem, het heden is van hem en evenzoo
behoort hem de geheele toekomst.

De mysteriën van leven en dood sluimeren in zijn hoofd.

Daar woont de geest, die het lot der wereld bestuurt.

Daar heerscht de liefde, die de wereld verlossen zal.

En donna Micaela roept hem aan:

"Gij, Gods zoon, verlaat mij niet! Laat geen mensch de macht hebben
mij van u te scheiden!"



III.

DE THUISKOMST.


't Is een wonderlijk gevoel thuis te komen. Terwijl ge nog op reis
zijt, kunt ge niet denken, dat het zoo wonderlijk zal zijn.

Wanneer ge komt bij Reggio aan de straat van Messina en Sicilië uit
de zee ziet opduiken als een nevelland, wordt ge haast ongeduldig.

"Is het niets anders?" zegt ge. "Dat is immers een land zooals alle
andere."

En als ge bij Messina aan land stapt, zijt ge nog steeds ongeduldig. Er
moest iets gebeurd zijn, er moest iets geschied zijn, terwijl ge weg
waart. Ge hadt niet dezelfde ellende, dezelfde lompen, denzelfden
nood moeten terugvinden, die ge bij uw vertrek verlaten hebt. Wel ziet
ge dat de lente gekomen is. De vijgeboomen dragen reeds bladeren, de
wijnstokken zenden ranken uit, die in een paar uur zichtbaar groeien,
en een menigte erwten en boonen liggen op de kade.

Slaat ge een blik op de heuvelen rondom de stad, dan ziet ge dat de
grauwe cactusplanten, die langs de rotshellingen groeien, bedekt zijn
met vuurroode bloemen, die schitteren als kleine, vurige vlammen. 't
Schijnt alsof de fichedenda's vol vuur zijn, dat nu is uitgebroken.

Maar hoewel de cactus in vollen bloei staat, is hij nog even grauw,
stoffig en met spinnewebben bedekt als altijd. En ge zegt tot u zelf,
dat Sicilië gelijkt op den cactus. Hoe vele lenten er ook over het
eiland gegaan zijn, het blijft toch altijd het land der grauwe armoede.

Ge kunt niet begrijpen, dat alles precies gelijk is gebleven. De
Scylla en de Charybdis hadden moeten bruisen gelijk in vroeger
dagen. De steenen reuzen in den Girgentitempel moesten opgestaan
zijn met geboeide leden. Selinunts tempel moest verrezen zijn uit
zijn puinhoopen. Heel Sicilië moest ontwaakt zijn.

Als ge nu van Messina langs de kust reist, zijt ge nog steeds
ongeduldig. Ge ziet, dat de boeren nog steeds het land bewerken met
houten ploegen en dat hun paarden er nog even mager, ellendig en
uitgehongerd uitzien, als vóór uw vertrek.

Ja, alles is precies gelijk gebleven. De zonneschijn valt neer op
de aarde als een regen van kleuren, de pelagonia's bloeien aan den
wegkant, de zee ligt zacht blauw en streelt het strand.

Woeste bergen met hooge kruinen verheffen zich langs de kust. Het
hooggebergte van den Etna verrijst aan den horizon. Plotseling
bemerkt ge, dat er iets wonderbaarlijks geschied is. Ge zijt niet
meer ongeduldig, integendeel, ge verheugt u over de bloeiende velden,
de bergen en de blauwe zee.

Ge wordt teruggevoerd tot de schoone aarde als een van haar verloren
bezittingen. Ge hebt geen tijd aan iets anders dan aan haar te
denken. Eindelijk komt ge in de nabijheid van uw echt thuis, waar ge
uw kindsheid hebt doorgebracht.

Hoe hebt ge zulke goddelooze gedachten kunnen hebben, terwijl ge weg
waart? Dit arme thuis wildet ge nooit weerzien omdat ge daar te veel
geleden hebt?--

Dan aanschouwt ge opeens de oude bergstad op eenigen afstand, en die
ziet er vroolijk lachend uit en voelt zich volkomen onschuldig.

"Kom, heb mij opnieuw lief," zegt ze.

En ge kunt niet anders dan gelukkig en dankbaar zijn, omdat ze uw
liefde wil aannemen.

O, als ge nu komt op den zigzagweg, die naar de stadspoort voert! De
schaduw van een olijfboom valt over u. Wil hij u liefkoozen? Een kleine
hagedis komt te voorschijn op een muur. Ge moet staan blijven om naar
haar te kijken. Kan zij niet een oude kennis zijn, die u goedendag
wil zeggen?

Plotseling wordt ge angstig. Uw hart begint te kloppen en te
hameren. Ge herinnert u, dat ge niet weet wat ge zult hooren,
als ge thuis komt. Geen brief hebt ge geschreven, niemand hebt ge
ontvangen. Alles wat u aan uw thuis kon herinneren, hebt ge van u
gewezen. Dat was het verstandigste nu ge toch nooit weer thuis zoudt
komen. En tot dit oogenblik was alles wat uw huis betrof, dood voor u.

Maar nu weet ge niet, hoe ge het leven zult kunnen uithouden indien er
thuis iets veranderd is. 't Zal u zulk een groot verdriet veroorzaken,
indien de Monte Chiaro slechts één palm verloren heeft, indien er
slechts één enkele steen losgeraakt is uit den stadsmuur.

Zou de groote agave nog op het vooruitspringende rotsblok staan? Neen,
de agave is er niet meer, die is omvergehakt. En de steenen bank aan
den weg is gebroken. Die bank zult ge missen, het was altijd zulk een
heerlijk rustpunt. En zie, op het groene veld onder den amandelboom
is een schuur gebouwd. Nu kunt ge u nooit meer uitstrekken op dat
bloeiende klaverveld.

Ge wordt angstig bij elke schrede. Wat zult ge nu zien? Zoo ontroerd
zijt ge, dat ge voelt dat ge in tranen zoudt uitbarsten, indien ge
slechts hoordet, dat er een der oude bedelaarsters gestorven is,
terwijl ge afwezig waart.

Neen, ge wist niet dat het zoo wonderlijk is, thuis te komen. Ge
kwaamt eenige weken geleden uit de gevangenis, en de lusteloosheid
der gevangenis lag nog over u. Ge wist nauwelijks of ge wel naar
huis zoudt reizen. De geliefde was dood, 't was al te vreeselijk
de oude wonde opnieuw open te rijten. Zoo liept ge lusteloos rond,
maar eindelijk vermandet gij u. Gij moest toch naar uw oude, arme
moeder. En nu ge daar gaat, voelt ge, dat ge hebt verlangd naar elken
steen, iederen grashalm.



Dadelijk nadat Gaetano in den winkel kwam, heeft donna Elisa zich
voorgenomen: "Nu zal ik met hem spreken over Micaela. Misschien weet
hij nog niet eens dat zij leeft." Maar zij stelt dat minuut na minuut
uit, niet alleen omdat zij hem een tijdje voor zich alleen wil houden,
maar ook omdat hij, zoodra hij Micaela's naam hoort, liefdesmart en
pijn zal gevoelen. Want Micaela wil niet met hem trouwen, dat heeft
ze donna Elisa duizenden malen gezegd.

Zij wil hem bevrijden uit de gevangenis, maar ze wil niet de vrouw
van een vrijdenker worden.

Slechts een half uur wil donna Elisa Gaetano voor zich zelf behouden,
slechts een enkel half uurtje.

Maar zoo lang zal zij zeker niet kunnen zitten met zijn hand in de hare
en hem duizenden vragen doen, want het volk heeft zijn komst reeds
vernomen. Opeens staat de straat vol menschen, die hem allen willen
zien. Donna Elisa heeft den grendel voor de winkeldeur geschoven,
want zij wist immers, dat zij geen oogenblik rust zou hebben, zoodra
men Gaetano ontdekt heeft. Maar het baat haar heel weinig.

De menschen kloppen op de ramen en rammelen aan de deur.

"Don Gaetano," roepen ze. "Don Gaetano!"

Gaetano verschijnt lachend op de trap. Ze zwaaien met hun mutsen en
roepen luid hoera. Hij ijlt tusschen de menschenmenigte en omhelst
den een na den ander. Maar dat is niet alles wat ze verlangen. Hij
moet op de trap een toespraak tot hen houden; hij moet hun vertellen
hoe hard de regeering voor hem geweest is en hoe hij geleden heeft
in de gevangenis.

Gaetano lacht nog steeds en gaat op de trap staan.

"De gevangenis," zegt hij, "wat zal ik u daarvan vertellen? Ik heb
elken dag mijn soep gehad, elken middag, dat is meer dan velen van
u kunnen zeggen."

De kleine Gandolfo zwaait zijn muts en roept:

"Nu zijn er heel wat meer socialisten in Diamante, dan toen ge
weggingt, don Gaetano."

"Hoe zou dat anders kunnen zijn," lachte hij. "Alle menschen
moeten socialist worden. Is het socialisme dan iets gevaarlijks,
iets afschuwelijks? Het socialisme is een idylle. 't Is een idylle
van een eigen thuis, van gezegenden arbeid, zooals iedere mensch dat
droomt in zijn jeugd. Een heele aarde vervuld van...."

Hier zwijgt hij plotseling. Toevallig heeft hij een blik geworpen
op het zomerpaleis. Daar staat donna Micaela op een der balkons en
kijkt naar hem.

Hij denkt geen oogenblik, dat zij een visioen of een spookverschijning
is. Hij ziet dadelijk dat zij leeft. Maar juist daarom.... Of het
nu ook kwam omdat de gevangenistijd zijn krachten verzwakt heeft,
en hij zich nu niet beheerschen kan.... hij voelt dat hij zich niet
staande kan houden. Hij grijpt met de handen in de lucht, tracht tegen
den deurpost te leunen, maar 't helpt niets. Zijn beenen dragen hem
niet langer, hij valt van de trap en slaat met een harden bons zijn
hoofd tegen de steenen.

Hij ligt daar als voor dood.

Ze vliegen allen op hem af, dragen hem naar binnen, ijlen naar een
dokter, spreken allen tegelijk en slaan duizenden middeltjes voor om
hem te helpen.

Donna Elisa en Pacifica krijgen hem eindelijk in een der
slaapkamers. Luca jaagt de menschen uit het huis, en stelt zich op
wacht voor de gesloten deur. Donna Micaela, die met de anderen naar
binnen gekomen is, neemt hij het eerst van allen bij de hand en brengt
haar buiten de deur. Zij vooral mag niet binnen blijven. Luca heeft
zelf gezien hoe Gaetano als door den bliksem getroffen neerstortte,
toen hij haar zag.

De dokter doet alle mogelijke moeite om Gaetano weer tot het leven te
roepen. Maar dat gelukt hem niet, Gaetano ligt daar als versteend. De
dokter meent dat hij in een gevaarlijken toestand is, hij weet niet
of hij hem nog kan redden. De bezwijming op zich zelf beteekent immers
niets, maar de slag op de harde steenen....

Binnenshuis heerscht groote drukte, maar de arme buitengeslotenen
kunnen niets anders doen dan wachten en wachten.

Ze staan den geheelen dag voor donna Elisa's deur. Daar staan donna
Emilia en donna Concetta, vroeger bestond er niet veel vriendschap
tusschen haar beiden, maar heden staan ze naast elkaar te treuren.

Vele angstige oogen turen door het winkelraam van donna Elisa's
huis. De kleine Gandolfo en de oude Assunta van de domtrap en de arme
stoelmatter staan daar den heelen namiddag zonder een oogenblik rust
te nemen. 't Is vreeselijk, dat Gaetano zal sterven, nu zij hem juist
weer terug hebben gekregen.

De blinden staan daar te wachten alsof ze hopen, dat hij hun het
gezicht terug zal geven, en arme menschen, zoowel van Geraci als van
Corvaja, wachten in angstige spanning hoe het met hun jongen Heer,
den laatsten Alagona, zal afloopen.

Hij had hen allen lief, en hij had zulk een groote macht en kracht,
indien hij slechts in het leven bleef....

"God heeft zijn hand van Sicilië genomen," zeggen ze. "Allen, die
het volk willen helpen, laat hij sterven."

Den geheelen namiddag, den avond tot middernacht staan de menschen
voor donna Elisa's huis.

Precies klokslag twaalf verschijnt donna Elisa in de winkeldeur,
en daalt van de trap.

"Is hij gered?" roepen ze allen.

"Neen, zijn toestand is nog hetzelfde."

Allen zwijgen, eindelijk vraagt een bevende stem:

"Is het erger?"

"Neen, neen, het is niet erger. Zijn toestand is hetzelfde, de dokter
is bij hem."

Donna Elisa heeft een zwarte sjaal over het hoofd geworpen, ze draagt
een lantaarn in de hand. Zij gaat op straat, waar de menschen dicht
op elkaar gedrongen staan en liggen.

"Is Gandolfo hier?" vraagt ze.

"Ja, donna Elisa." Gandolfo komt te voorschijn.

"Ga met mij mede om je kerk voor me te ontsluiten." Allen die donna
Elisa's woorden verstaan hebben, begrijpen dat ze wil gaan bidden in
San Pasquale om het Christusbeeld te smeeken voor Gaetano's leven. Ze
staan allen op en willen met haar gaan.

Donna Elisa is zeer getroffen door dit medelijden, ze heeft een gevoel
alsof haar hart grooter wordt.

"Ik zal u iets vertellen," zegt ze met bevende stem.

"Ik heb gedroomd. Ik weet niet hoe het kwam, dat ik opeens in slaap
viel, maar terwijl ik zoo bedroefd bij Gaetano's bed zat, sliep ik
in. Nauweljks had ik mijn oogen gesloten, of ik zag het Christusbeeld
met zijn kroon en gouden schoentjes, zooals hij in San Pasquale's kerk
staat. En hij zei tot mij: "Maak de arme vrouw, die in mijn kerk ligt
te bidden, tot de echtgenoote van uw zoon, dan zal hij genezen."

"Nadat hij dit gezegd had, ontwaakte ik, en toen ik mijn oogen opsloeg,
was het mij alsof ik het Christusbeeld door den muur zag verdwijnen. En
nu moet ik naar de kerk om te zien of er een vrouw is.

"Maar gij hoort allen, dat ik heilig beloof, dat indien er eenige vrouw
in San Pasquale is, ik doen zal wat het beeld mij bevolen heeft. En
indien het ook het armste meisje van de straat is, ik zal haar als
mijn dochter beschouwen en haar maken tot mijn zoons echtgenoote."

Als donna Elisa dit gezegd heeft, gaat ze door allen gevolgd naar
Pasquale. Alle arme menschen zijn in gespannen verwachting. Ze kunnen
zich nauwelijks bedwingen om donna Elisa niet voorbij te snellen om
te zien of er ook iemand in de kerk is.

Denk eens, indien het een zigeunerin was, die daar vannacht beschutting
zocht. Wie anders kan 's nachts in de kerk zijn dan een arme verlaten
stakker?

't Is een vreeselijke gelofte, die donna Elisa gedaan heeft.

Eindelijk hebben ze de Porta Etnea bereikt en nu gaat het vlug
heuvelafwaarts.

Maar zie, de kerkdeur staat open. Er is dus werkelijk iemand. De
lantaarn trilt in donna Elisa's hand.

Gandolfo wil die voor haar dragen, maar zij behoudt die.

"In Godsnaam, in Godsnaam," mompelt zij, terwijl zij de kerk
binnentreedt.

Het volk dringt om binnen te komen. Men drukt elkaar bijna dood, maar
van spanning zwijgen allen. Niemand zegt een woord. Allen staren naar
het hoogaltaar. Is daar iemand? Is daar iemand? De kleine lamp boven
het beeld werpt slechts een zeer zwakken lichtschijn. Is er iemand?

Ja, er is iemand. Er ligt een vrouw voor het altaar geknield. Zij bidt
en heeft het hoofd zoo diep gebogen, dat men niet kan zien, wie zij is.

Nu zij schreden achter zich hoort, richt zij den langen gebogen hals
op, en ziet om. 't Is donna Micaela.

In het eerste oogenblik is zij verschrikt en ziet er uit als wilde
ze vluchten. Donna Elisa is ook verschrikt, ze zien elkaar aan,
alsof ze elkaar nooit tevoren gezien hebben.

Maar nu zegt donna Micaela heel zacht:

"Ge komt om voor hem te bidden, schoonzuster," en ze schuift een
weinig ter zijde, opdat donna Elisa voor het beeld zal kunnen knielen.

Donna Elisa's hand beeft zoo, dat ze de lantaarn op den grond moet
zetten, haar stem is heesch, als zij vraagt:

"Is niemand anders dan gij hier vannacht geweest, Micaela?"

"Neen, niemand anders."

Donna Elisa moet tegen het altaar leunen om niet te vallen, donna
Micaela ziet dat. Zij is dadelijk bij haar en legt den arm om haar
middel.

"Ga zitten, ga zitten!" en donna Micaela knielt neer.

"Is het zoo slecht met hem? Wij zullen voor hem bidden."

"Micaela," zegt Elisa, "ik dacht dat ik hier geholpen zou worden."

"Ja zeker, dat zult ge ook."

"Ik droomde, dat het beeld tot mij kwam, en mij beval hier heen
te gaan."

"Hij heeft ons reeds zoo vele malen geholpen."

"Maar hij zei tot mij: Maak de arme vrouw, die voor mijn altaar ligt,
tot de echtgenoote van uwen zoon, dan zal hij genezen."

"Wat zei hij?"

"Ik zou de vrouw, die hier bad, tot mijn zoons echtgenoote maken."

"En dat wildet ge? Gij wist immers niet wie gij hier zoudt vinden?"

"Onderweg deed ik de belofte--en zij die mij volgden, hebben het
gehoord--dat wie het ook zou zijn, ik haar in mijn armen zou nemen
en naar mijn huis zou voeren. Ik dacht dat God een arme vrouw wilde
helpen."

"Ja, dat is zeker ook het geval."

"Ik was zoo bedroefd toen ik zag, dat niemand anders hier was dan gij."

Donna Micaela geeft geen antwoord, ze ziet slechts naar het
beeld. "Wilt ge dat? Wilt ge dat?" vraagt ze ontroerd.

Donna Elisa gaat door met klagen. "Ik zag hem zoo duidelijk, en hij
heeft ons nog nooit bedrogen. Ik dacht dat een arm meisje, dat geen
thuis had, om een man gesmeekt had.

"Zoo iets is wel eens vroeger voorgekomen. Wat zal ik nu doen?"

Zij klaagt en jammert, en zij kan de gedachte maar niet uit haar
hoofd zetten, dat het een arme vrouw moet zijn.

Op 't laatst wordt donna Micaela ongeduldig.

Zij grijpt haar bij den arm en schudt dien. "Maar donna Elisa,
donna Elisa."

Donna Elisa hoort haar niet; ze jammert maar steeds.

"Wat zal ik doen, wat zal ik doen?"

"Maar maak dan de arme vrouw, die hier ligt, tot de echtgenoote van
uw zoon, donna Elisa!"

Donna Elisa ziet op en aanschouwt een bekoorlijk stralend gelaat!

Maar slechts een oogenblik, want donna Micaela verbergt het haastig
aan donna Elisa's schouder.



Donna Elisa en donna Micaela gaan te zamen terug naar de stad. De
straat kronkelt zich zoo, dat ze donna Elisa's huis niet kunnen
zien, vóórdat zij er heel dicht bij zijn. Als zij het eindelijk in
het gezicht krijgen, zien ze dat de winkelramen verlicht zijn. Vier
groote waskaarsen branden achter de trossen rozenkransen.

De twee vrouwen drukken elkaar de hand. "Hij leeft, hij leeft,"
fluisteren zij.

"Ge moogt hem niets zeggen van hetgeen het beeld u bevolen heeft,"
zegt donna Micaela.

Voor den winkel omhelzen zij elkaar en gaan elk naar haar huis. Na een
tijdje verschijnt Gaetano op de winkeltrap. Een oogenblik staat hij
stil, terwijl hij de frissche nachtlucht inademt. Dan ziet hij, dat
er nog licht brandt in het zomerpaleis aan de overzij van de straat.

Gaetano ademt diep en heftig, hij schijnt haast bevreesd om verder
te gaan. Plotseling ijlt hij weg als iemand, die een onafweerbaar
ongeluk tegemoet gaat.

De poort van het zomerpaleis is niet gesloten, hij springt de trap
op en rukt de deur der muziekzaal open zonder aan te kloppen.

Donna Micaela zit te denken of hij nog hedennacht zal komen of wachten
zal tot den volgenden morgen.

Dan hoort zij schreden op de galerij.

Een angstig gevoel grijpt haar aan. Hoe zal hij nu zijn? Zij heeft
zoo ongelooflijk naar hem verlangd. Zal hij nu werkelijk zoo zijn,
dat eindelijk al haar verlangen bevredigd wordt?

En zullen er geen nieuwe muren tusschen hen oprijzen? Zullen ze
elkaar één keer alles kunnen zeggen? Zullen ze nu over liefde of over
socialisme spreken?

Als hij de deur openrukt, tracht ze hem tegemoet te gaan, maar zij kan
niet. Heel haar lichaam trilt, ze gaat zitten en bedekt haar oogen
met de handen. Zij verwacht dat hij haar in zijn armen zal sluiten
en haar kussen zal. Maar dat doet hij stellig niet. Gaetano pleegt
niet te doen, wat men van hem verwacht.

Zoodra hij uit zijn bezwijming ontwaakte, heeft hij zich in de kleeren
geworpen om naar haar te gaan. Hij is eigenlijk uitgelaten vroolijk,
hij zou willen, dat ook zij het zoo licht opnam. Hij wil niet ontroerd
zijn. Hij kan nu geen aandoening verdragen, 's voormiddags is hij
toch ook in onmacht gevallen. Hij staat stil naast haar tot zij haar
kalmte herwonnen heeft.

"Gij hebt geen sterke zenuwen," zegt hij.

Dat is alles wat hij zegt.

Zij en donna Elisa en alle menschen in Diamante zijn overtuigd, dat
hij gekomen is om haar in zijn armen te sluiten en haar te zeggen,
dat hij haar liefheeft.

Maar juist daarom is het Gaetano onmogelijk. Sommige menschen hebben
een oppositiegeest, ze kunnen nooit doen, wat men verwacht, dat zij
zullen doen.

Gaetano begint haar van zijn reis te vertellen. Hij spreekt niet
eens over het socialisme. Hij spreekt van den trein, den conducteur
en het eigenaardige reisgezelschap.

Donna Micaela ziet hem aan, haar oogen beginnen al inniger te
smeeken. Gaetano schijnt blij en gelukkig te zijn haar te zien. Maar
waarom kan hij niet zeggen, wat hij moet zeggen?

"Hebt ge met den Etnaspoorweg gereisd?" vraagt zij.

"Ja," antwoordt hij en begint kalm uit te weiden over het nut en de
schoonheid van dezen nieuwen spoorweg. Hij weet in het geheel niet
hoe die tot stand is gekomen.

Gaetano zegt tot zich zelf dat hij een barbaar is. Waarom zegt hij
haar niet de woorden waarnaar zij smacht? Maar waarom zit zij daar
ook zoo onderdanig?

Waarom toont zij, dat hij slechts zijn hand behoeft uit te strekken
om haar te nemen?

Hij is jubelend, stralend gelukkig weer in haar nabijheid te zijn,
maar zij is hem zoo zeker, zoo zeker.--'t Is zoo aardig haar een
weinig te plagen.

Het volk staat nog op straat, en alle menschen voelen zich verheugd
alsof ze een dochter uithuwelijken.

Zij hebben slechts geduld gehad om Gaetano tijd te geven zich te
verklaren.

Maar nu moet hij dat zeker wel gedaan hebben.

En zij beginnen te roepen:

"Leve Gaetano! Leve Micaela!"

Donna Micaela ziet met een onbeschrijflijk gepijnigden blik op. Hij
moet toch begrijpen, dat zij daaraan geen schuld heeft. Zij gaat
naar de galerij en zendt Lucia naar beneden met het verzoek of zij
daarbuiten stil willen zijn.

Als zij weer in de kamer komt, is Gaetano opgestaan. Hij reikt haar
de hand, hij wil gaan.

Donna Micaela geeft hem de hand zonder bijna te weten wat zij
doet. Maar plotseling trekt zij haar hand terug.

"Neen, neen!" zegt zij.

Hij wil gaan en wie weet of hij morgen terugkomt. En zij heeft niet
met hem gesproken, ze heeft geen woord gezegd van hetgeen haar op
het hart ligt.

Het behoefde tusschen hen niet te zijn als tusschen gewone
verliefden. Hij had immers haar leven het leven gegeven, gedurende
zoovele jaren. Of hij haar nu sprak van liefde of niet, dat was haar
onverschillig. Zij wilde hem zeggen wat hij voor haar geweest was.

En juist nu. Men moet den tijd gebruiken waar het Gaetano geldt. Zij
waagt het niet hem te laten gaan.

"Ge moogt nog niet vertrekken," zegt zij. "Ik moet u iets zeggen." Zij
zet een stoel voor hem gereed, zelf neemt zij iets achter hem
plaats. Zijn oogen stralen al te vroolijk hedenavond, die doen haar
pijn. Dan begint zij te spreken. De groote, verborgen schatten
van haar leven legt zij voor hem bloot. Dat waren al de woorden,
die hij tot haar gesproken heeft, al de droomen, die hij haar heeft
doen droomen. Zij heeft niets verloren. Alles heeft zij gespaard en
verzameld; het is de gansche rijkdom van haar arm leven geweest.

In het begin spreekt zij haastig, alsof zij een les opzegt. Zij is bang
voor hem; zij weet niet of het hem aangenaam is dat ze spreekt. Dan
waagt ze het hem aan te zien. Nu is hij ernstig, nu is hij in het
geheel niet vroolijk meer.

Hij zit stil te luisteren alsof hij geen lettergreep wil verloren
laten gaan. Zoo straks was zijn gelaat ziekelijk aschgrauw, maar nu
verandert het plotseling. Zijn aangezicht begint te schitteren als
van een zalige.

Zij vertelt en vertelt. Zij ziet aan hem, dat ook zij nu schoon
is. Hoe zou het ook anders kunnen zijn. Eindelijk, eindelijk kan zij
hem alles zeggen.

Ze mag hem zeggen, hoe de liefde tot haar kwam en haar sedert
nooit weer verliet. Eindelijk mag zij hem zeggen, wat hij voor haar
geweest is.

Woorden kunnen het niet genoeg uitdrukken. Ze grijpt zijn hand en
kust die.

Hij laat dat geschieden zonder zich te verroeren. De kleur van zijn
gelaat wordt niet hooger, maar doorschijnender, klaarder. Zij moet
aan Gandolfo denken, die zei, dat Gaetano's gezicht zoo bleek werd,
dat het lichtte.

Hij valt haar niet in de rede. Zij vertelt hem van den spoorweg,
verhaalt van de wonderen van het Christusbeeld. Nu en dan ziet hij
haar aan. Zijn oogen stralen haar tegemoet. Hij lacht haar volstrekt
niet uit.

Zij zou gaarne willen weten wat hij nu denkt. Hij ziet er uit, alsof
hetgeen zij hem vertelt niet veel nieuws voor hem is. Hij schijnt
alles reeds te weten wat zij zegt.

Kwam het misschien, omdat de liefde, die hij voor haar gevoelt, juist
zoo is als haar liefde voor hem? Wekte die in hem ook het edelste,
dat in zijn ziel sluimerde? Was die ook de verheffende kracht van zijn
leven geweest? Had die vleugels gegeven aan zijn kunstenaarsziel? Had
die hem de armen en onderdrukten doen liefhebben? Bezielt die liefde
hem, zoodat hij voelt dat hij een kunstenaar, een apostel is, en
niets te hoog is voor hem?

Daar hij nog steeds zwijgt, denkt zij, dat hij zich misschien niet
wil binden aan haar. Hij heeft haar lief, maar hij wil misschien
een vrij man blijven. Hij meent misschien, dat zij niet past voor de
vrouw van een socialist.

Haar bloed begint te koken. Zij denkt, dat hij misschien meent,
dat zij bedelt om zijn liefde.

Zij heeft hem bijna alles verhaald, wat gebeurd is in den tijd,
dat hij afwezig was. Nu breekt zij plotseling haar verhaal af.

"Ik heb je liefgehad," zegt zij. "Ik zal je altijd liefhebben en
ik zou gewenscht hebben, dat je mij nog éénmaal zeidet, dat je mij
liefhebt. Dan zou de scheiding gemakkelijker te dragen zijn."

"Werkelijk?" zegt hij.

"Kan ik ooit je vrouw worden?" zegt ze; haar stem beeft van smart. "Ik
vrees niet meer zooals vroeger je leer, ik ben niet meer bang voor je
armen; ook ik wil de aarde herscheppen zooals gij. Maar ik ben een
geloovige. Hoe zou ik met je kunnen leven als je daarin niet gelijk
met mij denkt? Of zou je mij tot ongeloof willen verleiden? Dan
zou de wereld dood voor mij zijn. Alles zou doel en beteekenis voor
mij verloren hebben. Ik zou een rampzalig, ellendig mensch zijn. We
moeten scheiden."

"Werkelijk?" Zijn oogen beginnen te schitteren van ongeduld.

"Nu moet je gaan," zegt ze stil. "Ik heb je alles verteld, wat ik
zeggen wilde. Ik zou gewenscht hebben, dat je mij iets te zeggen hadt
gehad. Maar misschien is het zoo beter voor ons beiden. We moeten de
scheiding niet zwaarder maken, dan zij reeds is."

Gaetano's eene hand grijpt hard om haar handen, met de andere houdt
hij haar hoofd vast, zoo kust hij haar.

Was zij waanzinnig, dat zij kon denken, dat hij door iets, iets ter
wereld zich van haar zou laten scheiden?



VI.

SLECHTS VAN DEZE WERELD.


Toen zij opgroeide, zeiden alle menschen van haar: "Zij wordt een
heilige, zij wordt stellig een heilige."

Haar naam was Margherita Cornado. Zij woonde in Girgenti, dat aan de
Zuidkust van Sicilië in het groote mijndistrict ligt.

Toen zij nog een kind was, werkte haar vader in de mijnen, later kreeg
hij een kleine erfenis, zoodat hij niet meer behoefde te werken. Er
was een klein, smal, armoedig dakterras op het huis van Margherita
Cornado in Girgenti. Een steile, smalle trap leidde daarheen, en men
moest door een lage deuropening kruipen om op het terras te komen.

Was men daar, dan zag men niet alleen een menigte daken, maar ook
de lucht boven de stad, die doorpriemd was met de talrijke torens
en spitse gevels der kerken. En iedere gevel en elke toren was een
trillend kantwerk van beelden, loggia's en sierlijke baldakijns.

Achter de stad zag men een groote vlakte, die neerdaalde tot de zee,
en daaromheen een halven cirkel van bergen, die de vlakte bewaakten.

De vlakte glansde gloeiend rood, de zee email blauw en de berghelling
goudgeel. Het geheel deed denken aan den kleurengloed en de pracht
van het Oosten.

Maar men zag nog veel meer dan dit. Oude tempels lagen verstrooid
over het dal. Ruïnes en merkwaardige oude torens schitterden in den
zonneschijn. 't Was een heele sprookjeswereld.

Toen Margherita Cornado opgroeide, placht zij het grootste gedeelte
van den dag hier door te brengen. Maar zij keek niet naar het heerlijke
landschap. Haar geest was door iets anders in beslag genomen.

Haar vader had haar verteld van het leven in de zwavelmijnen, waar
hij gewerkt had. Terwijl Margherita Cornado daar op het frissche
terras zat, vertoefde ze in gedachten steeds in de donkere, benauwde
mijngangen.

Zij kon niet nalaten aan al de ellende te denken, die in de mijnen
heerschte. Vooral moest zij aan de kinderen denken, die het erts uit
de mijnen aansleepten.

"De kleine wagens" noemde men hen. Dat woord bleef steeds in haar
geheugen haken.

Arme, arme wagentjes! kleine mijnwagentjes!

Zij kwamen 's morgens vroeg bij de mijn, en volgden dan elk hun
arbeider in de groeve. Zoodra hij erts genoeg uitgehakt had, belastte
hij zijn "wagentje" met een mand vol erts en dan begonnen dezen op te
stijgen. Verscheidenen van hen ontmoetten elkaar onderweg en vormden
dan een langen optocht. Ze begonnen dan te zingen:


        De tocht is gedaan met pijn en nood,
        Met den twintigsten ben ik misschien reeds dood.


Als zij eindelijk in het daglicht kwamen, ledigden zij hun manden met
erts en wierpen zich op den grond om een oogenblik uit te rusten. De
meeste knapen sleepten zich dan naar de zwavelhoudende waterpoelen,
die dicht bij de mijnschacht waren en dronken van het stinkende water.

Maar spoedig moesten ze weer naar beneden en ze verzamelden zich bij
de schacht. En terwijl ze naar beneden klauterden, riepen ze:

"Mijn God, mijn God, erbarm u onzer! erbarm u onzer!"

En elken keer, dat de wagentjes boven kwamen, werd hun gezang
klagender. Ze snikten en schreiden, terwijl ze opstegen uit de mijn.

De wagentjes baadden in zweet, de zware manden groeven diepe wonden
in hun schouders.

Terwijl ze op en neer gingen zongen ze:


        Zeven tochten gedaan in pijn en nood,
        't Leven is erger dan de dood.


Gedurende heel haar jeugd had Margherita Cornado medelijden gevoeld
met deze ongelukkige kinderen.

En juist omdat zij altijd aan hun rampzalig lot dacht, geloofde men
dat zij een heilige zou worden.

Ze vergat hen ook niet, toen zij ouder werd. Zoodra zij volwassen
was, ging zij naar Grotte, waar de meeste mijnen zijn, en als dan de
wagentjes in het daglicht kwamen, verkwikte zij hen bij de schacht
met helder, zuiver water. Zij droogde het zweet van hun gelaat,
zij verbond de wonden aan hun schouders.

't Was niet veel, wat zij voor hen doen kon, maar toch geloofden de
wagentjes, dat zij het leven niet meer konden dragen, indien Margherita
Cornado niet kwam om hen te troosten.

Maar ongelukkig voor de wagentjes, was Margherita zeer schoon. Eens
zag een der mijningenieurs haar, terwijl zij hen troostte, en hij
kreeg haar dadelijk zeer lief. Een paar weken later kwam Margherita
Cornado in het geheel niet meer bij de mijnen in Grotte. Zij zat
thuis in Girgenti aan haar uitzet te naaien. Ze zou trouwen met den
mijningenieur. Zij zou een goede partij doen en verwant worden aan
de eersten der stad. Nu kon zij zich immers niet meer bekommeren om
de wagentjes.

Een paar dagen voor de bruiloft kwam de oude bedelaarster Santuzza, die
Margherita's peettante was, bij haar en verlangde haar te spreken. Ze
begaven zich naar het dakterras om ongestoord te kunnen zijn.

"Margherita," zei de oude vrouw, "gij leeft in zulk een glans en
heerlijkheid, dat het misschien weinig baat nu tot u te spreken
over degenen, die in nood en kommer leven. Die allen hebt ge geheel
vergeten."

Margherita berispte haar, omdat zij zoo kon spreken.

"Ik breng u de groeten van mijn zoon Orestes. Het gaat hem slecht,
hij heeft uw raad noodig."

"Ge weet dat ge vrij tot mij kunt spreken, Santuzza," zei het meisje.

"Orestes werkt niet langer in de mijnen van Grotte, hij is vertrokken
naar Racalmuto, en hij heeft het daar zeer slecht.

"Niet omdat het loon zoo karig is, maar omdat de ingenieur zoo hard
is, dat hij de arme menschen tot hun laatsten bloeddruppel pijnigt."

Santuzza verhaalde nu hoe de ingenieur de arbeiders plaagde. Hij
berekende hun arbeidstijd te kort, hij liet hen boete betalen, als
zij een dag verzuimden. Hij bestuurde de mijnen niet goed. Instorting
op instorting vond plaats. Niemand was zeker van zijn leven zoolang
hij onder den grond was.

Margherita, Orestes had een zoon. Een heerlijken knaap, die onlangs
tien jaar geworden is. Toen kwam de ingenieur op een dag bij Orestes
en wilde den knaap van hem koopen om hem bij de wagentjes te plaatsen.

Maar Orestes wilde niet. Zijn zoontje zou niet vermoord worden door
zulk een bovenmatigen arbeid.

Toen dreigde de ingenieur hem, dat hij van de mijn gejaagd zou worden.

Santuzza maakte een pauze.

"En toen?" vroeg Margherita.

"Ja, toen stond Orestes zijn zoon af aan den ingenieur.

"Den volgenden dag sloeg deze den knaap, hij sloeg hem bijna elken
dag. De knaap werd al zwakker en zwakker. Orestes smeekte den ingenieur
den knaap te sparen, maar hij had geen erbarmen. Hij zei dat de kleine
lui was, en hij bleef den knaap vervolgen.--En nu is hij dood. Mijn
kleinzoon is dood, Margherita."

Het meisje had opeens haar gansche geluk vergeten. Opnieuw was zij
slechts de dochter van den mijnwerker, de schutspatrones der wagentjes;
het arme meisje, dat op het lichte terras placht te weenen over de
ellende in de zwarte mijnen.

"Waarom laat men dien man leven?" riep zij uit.

Santuzza keek haar uitvorschend aan. Toen haalde zij een mes uit
haar zak.

"Dit zendt Orestes u met duizend vragen," zei ze.

Margherita Cornado nam het mes, kuste de kling en gaf het terug zonder
een woord te spreken.

De avond voor de bruiloft brak aan. De ouders van den bruidegom
wachtten op hun zoon. Tegen zonsondergang zou hij uit de mijnen
komen. Maar hij kwam niet. Laat in den nacht zonden ze een knecht
uit om naar hem te zoeken. Deze vond hem een mijl van Girgenti. Hij
lag vermoord aan den wegkant.

Men zocht ijverig naar den moordenaar. Alle mijnwerkers moesten een
streng verhoor ondergaan, maar de schuldige werd niet ontdekt.

Geen getuige gaf zich aan, niemand wilde een kameraad verraden. Toen
klaagde Margherita Cornado den zoon van haar peetmoeder, Orestes,
aan als den moordenaar van haar bruidegom.

Dit deed zij hoewel zij wist, dat haar bruidegom schuldig was aan
alles, waarvan Santuzza hem aangeklaagd had. Dit deed zij hoewel zij
zelf zijn vonnis geveld had door het mes te kussen.

Maar nauwelijks had zij Orestes aangeklaagd, of ze werd door een
hevig berouw aangegrepen, gewetenswroeging verteerde haar.

In een ander land dan Sicilië zou hetgeen zij gedaan had, niet als
een misdaad gerekend worden.

Een Siciliaan echter sterft liever dan dat hij als aanklager optreedt.

Margherita Cornado had geen rust, dag noch nacht. In haar hart was een
voortdurende, verterende angst, een eeuwige rampzaligheid vervulde
haar. Zij werd niet streng veroordeeld, omdat men wist, dat ze den
vermoorden had liefgehad en vond, dat Santuzza te wreed jegens haar
was geweest. Niemand sprak verachtelijk over haar, niemand wendde
het hoofd af om haar niet te groeten.

Maar het hielp haar niet, dat de anderen mild jegens haar waren. Het
berouw woonde in haar hart en schrijnde als een open wonde.

Orestes werd veroordeeld tot levenslange galeistraf. Santuzza stierf
een paar weken, nadat haar zoon veroordeeld was.

Margherita kon geen vergeving verkrijgen, noch van den een, noch van
de andere.

Zij riep de heiligen aan, maar dezen wilden haar niet helpen. Niets
ter wereld scheen in staat te zijn om den verpletterenden last der
gewetenswroeging van haar af te wentelen.

In dezen tijd verscheen de beroemde Franciscanermonnik fra Gondo in
Girgenti. Hij predikte om de menschen op te wekken een pelgrimstocht
naar Diamante te doen.

Fra Gondo gaf er niet om, dat de paus het beeld in San Pasquale nog
niet als wonderdoend erkend had. Hij had de blinde zangers op hun
tochten over het eiland getroffen en hen hooren verhalen van het
beeld. Lange, heerlijke nachten had hij gezeten aan vader Elia's en
broeder Tomasso's voeten en zij hadden hem van het avondrood tot het
ochtendkrieken, verhaald van het beeld.

En nu verwees de machtige prediker alle bedroefden naar dezen
wonderdoener.

Hij spoorde de menschen aan, dezen heiligen tijd niet ongebruikt te
laten voorbijgaan.

"Het Christuskind," zei hij, "wordt niet genoeg vereerd op Sicilië. Nu
is de tijd aangebroken, dat het hier een eigen kerk en eeredienst wil
hebben. En om dat te krijgen, laat hij nu wonder op wonder verrichten
door het heilige beeld."

Pater Gondo, die zijn noviciaat doorgebracht had in Aracoeli's klooster
op het Kapitool, vertelde het volk van het Christuskind daar en van
de duizenden wonderen, die hij verricht had.

"En nu wil dat goede, kleine kind op Sicilië aangebeden worden,"
zei pater Gondo.

"Laat hem niet langer tevergeefs aankloppen, opent de poort voor hem!

"Nu in deze dagen is de hemel mild. Laten wij de eersten zijn, die
het beeld erkennen! Laten wij zijn als de herders en wijzen van het
Oosten, laat ons gaan naar het heilige kind, terwijl het nog ligt op
het stroobed in de armoedige grot!"

Een nieuwe hoop ontwaakte in Margherita Cornado's hart toen zij
dit hoorde. Zij was de eerste, die gehoor gaf aan pater Gondo's
oproeping. Later sloten zich nog anderen bij hem aan.--Veertig pelgrims
ondernamen met hem den tocht door de woestijn naar Diamante.

Ze waren allen zeer arm en ongelukkig, maar pater Gondo liet ze onder
gezang en gebed optrekken. Spoedig begonnen hun oogen te stralen,
alsof de ster van Bethlehem hen voorlichtte.

"Weet ge," zei pater Gondo, "waarom Gods zoon grooter is dan alle
andere heiligen? Omdat hij de ziel heiligheid geeft, omdat hij de
zonden vergeeft, omdat hij den geest een zalige rust in God schenkt,
omdat zijn rijk niet slechts van deze wereld is."

Als de kleine schare vermoeid was, wekte hij haar op met verhalen van
de wonderen, die het beeld reeds gedaan had. De legenden der blinde
zangers werden tot verkwikkende vruchten en opwekkenden wijn voor de
moede pelgrims.

En ze schreden met lichten tred verder alsof ze trokken naar Nazareth,
om den timmermanszoon te zien.

"Hij zal het lijden van ons nemen," zei pater Gondo. "Als wij
terugkeeren zal ons hart bevrijd zijn van alle kwelling."

En gedurende den tocht door de verschroeide, gloeiend heete woestijn,
waar geen enkele boom schaduw gaf en waar het water bitter smaakte van
zwavel en zout, voelde Margherita Cornado dat haar smart draaglijker
werd.

"De kleine hemelkoning zal dit lijden van mij nemen," zei ze.

Op een dag in Mei bereikten de pelgrims eindelijk den voet van
Diamante's berg. Daar eindigde de woestijn, groene olijfbosschen en
frissche struiken omringden hen. De berg straalde, de stad straalde. Ze
voelden, dat ze op een plaats gekomen waren, die lag onder Gods genade.

Verheugd gingen ze op langs den zigzagweg en met luide, jubelende
stemmen hieven ze een oud pelgrimslied aan.

Toen ze den berg een eindweegs beklommen hadden, kwamen de menschen
uit Diamante hen juichend tegemoet. Men had den arbeid weggeworpen
en was naar buiten gesneld, toen men de eentonige klanken van het
oude pelgrimslied hoorde. En het volk van Diamante omhelsde en kuste
de pelgrims.

Men had hen reeds zoo lang verwacht, men had niet kunnen begrijpen,
waarom ze niet eerder waren gekomen.

Diamante's Christusbeeld was een machtige wonderdoener, hij was zoo
barmhartig, zoo goed, dat alle menschen tot hem moesten komen. Toen
Margherita Cornado dit hoorde, had zij een gevoel, alsof haar hart
reeds verlost was van alle pijn.

De menschen van Diamante troostten haar.

"Hij zal u stellig helpen, hij helpt u allen," zeiden ze.

"Niemand heeft nog tevergeefs tot hem gebeden."

Bij de stadspoort scheidden de pelgrims van elkaar. De menschen van
Diamante namen hen mede naar hun huizen, opdat zij zich verfrisschen
en verkwikken zouden, na den moeitevollen tocht. Over een uur zouden
ze elkaar weer ontmoeten bij de Porta Etnea om samen naar het beeld
te gaan.

Maar Margherita had geen geduld om een heel uur te wachten. Zij
vroeg den weg naar de kerk San Pasquale en ging daar alleen heen vóór
alle anderen....

Toen Pater Gondo en de pelgrims een uur later in San Pasquale kwamen,
zagen ze Margherita Cornado liggen voor het hoogaltaar. Ze scheen
hen niet te bemerken. Maar toen pater Gondo in haar nabijheid kwam,
vloog ze op, alsof ze op den loer gelegen had en wierp zich op hem. Ze
greep hem bij de keel en wilde hem worgen.

Zij was groot, en sterk en krachtig gebouwd. Het was een heete strijd
vóórdat pater Gondo en een paar pelgrims er in slaagden haar vast te
binden. Zij was volslagen krankzinnig en woest.

De pelgrims waren in plechtigen optocht gekomen, ze zongen en hielden
brandende kaarsen in de hand.

Het was een lange stoet, want heel veel menschen uit Diamante hadden
zich aangesloten bij de pelgrims.

Zij, die het eerst in de kerk kwamen, hielden dadelijk op met zingen,
de laatsten hadden echter niets gemerkt en bleven doorzingen. Maar toen
verspreidde zich het gerucht van het gebeurde, en waar dit kwam zweeg
het gezang. 't Was droevig te hooren hoe het wegstierf en veranderde
in een luid geweeklaag.

Al de moede pelgrims begrepen immers, dat hun tocht vergeefsch was. Hun
kwellingen en lijden zouden niet van hen genomen worden. De schoone
verwachtingen der laatste hoopvolle dagen werden ruw in hen gedood.

Het heilige beeld zou hun geen vertroosting kunnen schenken.

Pater Gondo zelf was ook verschrikt. Voor hem was het een harder
slag dan voor iemand anders; want elk der anderen had slechts zijn
eigen leed te dragen, maar hem drukte de smart van al deze menschen
op het harte.

Hoe zou hij kunnen verantwoorden al de verwachtingen, die hij
opgewekt had?

Plotseling gleed een schoone, kinderlijk vrome glimlach over zijn
gelaat. Het beeld wilde zeker het geloof van hem en de anderen op
de proef stellen! Indien zij slechts niet wankelden, zouden ze wel
geholpen worden.

Hij begon opnieuw het pelgrimsgezang aan te heffen met zijn heldere
stem en schreed naar het altaar.

Maar toen hij dichter bij het beeld kwam, onderbrak hij het gezang
opnieuw. Hij staarde met wijdopengesperde oogen naar het beeld. Toen
strekte hij de hand uit, nam de kroon en bracht die bij zijn oogen.

"Het staat er, het staat er," mompelde hij, terwijl hij de kroon uit
zijn hand liet vallen.

Van dat oogenblik af wist pater Gondo, dat hij den verworpeling van
Aracoeli voor zich had.

Hij vertelde dit echter niet dadelijk aan het volk, maar zei met zijn
gewone zachtmoedigheid:

"Mijn vrienden, ik wil u iets merkwaardigs verhalen."

En hij vertelde hun van de Engelsche, die het Christusbeeld van
Aracoeli had willen stelen. Hij verhaalde hoe het beeld Antichrist
genoemd en in de wereld geworpen werd.

"Ik herinner fra Simoni mij nog zoo goed," zei pater Gondo.

"Hij toonde mij nooit het beeld, zonder te zeggen:

"'t Was deze kleine hand, die aan het klokketouw trok, het was deze
kleine voet, die tegen de poort schopte."

"Maar als ik fra Simoni vroeg, waar het andere beeld gebleven was,
zei hij altijd: "Wat zou er van hem geworden zijn? Rome's honden
hebben het zeker verscheurd."

Pater Gondo sprak nog steeds even kalm en zacht, terwijl hij bukte
om de kroon op te rapen, die hij zoo juist had laten vallen.

"Leest dit!" zei hij. En hij liet de kroon van man tot man gaan. De
menschen stonden nog met hun brandende kaarsen in de hand, en zij,
die lezen konden, lazen en de anderen zagen ten minste, dat er een
opschrift was.

En elk die de kroon in de hand had, blies zijn kaars stil uit. Toen het
laatste licht gedoofd was, wendde pater Gondo zich tot zijn pelgrims,
die zich om hem heen verzameld hadden.

"Ik heb u hierheen gevoerd," zei hij tot hen, "opdat gij Hem zoudt
vinden die de zielen vrede en ingang tot Gods rijk schenkt. Maar
ik heb u verkeerd geleid, want dit beeld kan u niets geven. Zijn
rijk is slechts van deze wereld. Onze arme zuster is waanzinnig
geworden," vervolgde pater Gondo, "omdat zij hier kwam en hoopte op
hemelsche weldaden. Zij verloor haar verstand, toen haar smeekbeden
niet verhoord werden. Hij kon haar niet bijstaan want zijn rijk is
slechts van deze wereld."

Hij zweeg een oogenblik en allen zagen naar hem op om te weten,
wat zij van dit alles moesten denken.

Toen vroeg hij zacht: "Zal een beeld, dat zulke woorden in zijn kroon
voert, nog langer een altaar ontheiligen?"

"Neen, neen!" riepen de pelgrims. Het volk van Diamante stond zwijgend,
door ontzetting bevangen.

Pater Gondo nam het beeld tusschen zijn handen, en droeg het met
uitgestrekte armen door de kerk naar den uitgang.

Maar hoe zacht en ootmoedig de pater ook gesproken had, zijn
blikken hadden den ganschen tijd streng met bedwingende macht op de
volksmenigte gerust.

Er was geen mensch, die niet onderworpen was aan zijn machtigen
wil. Allen stonden als verlamd en waren niet in staat een eigen
gedachte te denken.

Toen pater Gondo den uitgang genaderd was, stond hij stil en keek
om. Een laatste bedwingende blik gleed over de menschenmassa.

"Ook de kroon," zei pater Gondo. En ook de kroon werd hem overgereikt.

Hij plaatste die op het beeld en ging onder den baldakijn, die San
Pasquale's beeld beschermt.

Hij fluisterde een paar pelgrims iets in het oor, dezen gingen haastig
weg. Spoedig kwamen ze terug met hun armen vol droge takken. Deze
stapelden ze op voor pater Gondo, die den brandstapel aanstak.

Allen, die in de kerk waren geweest, stroomden nu naar buiten. Daar
stonden ze nog steeds, verlamd en willoos.

Zij zagen dat de monnik hun geliefd, wonderdoend beeld wilde
verbranden, maar zij verzetten zich niet.

Zij begrepen het zelf niet, dat zij niet trachtten het beeld te redden.

Maar toen pater Gondo de vlam zag oplaaien, en wist, dat het beeld
volkomen in zijn macht was, richtte hij zich op, zijn oogen bliksemden.

"Mijn ongelukkige kinderen!" zei hij mild, terwijl hij zich tot
de menschen van Diamante wendde. "Gij hebt een vreeselijken gast
geherbergd. Maar hoe is het mogelijk, dat gij niet reeds vroeger
ontdekt hebt, wie hij is? Wat moet ik van u gelooven?" vervolgde
hij strenger.

"Gij zegt zelve, dat het beeld u alles gaf, wat gij wenschtet. Zoo
is er dus niemand in Diamante, die gedurende al deze jaren gebeden
heeft om vergeving zijner zonden en om vrede voor zijn ziel?

"Is het mogelijk? De menschen van Diamante hadden geen andere
wenschen, dan prijzen in de loterij, goede jaren, hun dagelijksch
brood, gezondheid en geld?

"Niets anders dan wereldsche goederen hebt gij begeerd. Geen uwer
had ooit behoefte te bidden om hemelsche genade.

"Kan dat werkelijk mogelijk zijn? Neen, het kan niet zoo zijn,"
zei pater Gondo vragend, als vervuld van een blijde hoop.

"Ik ben het, die mij vergis. Gij hebt begrepen, dat ik het beeld niet
in de vlammen zou werpen, vóórdat ik u allen gehoord had. Gij wacht
slechts tot ik zwijgen en u gelegenheid geven zal te getuigen voor
het beeld. Nu zullen velen uwer tot mij komen en zeggen:

"Dit beeld heeft mij tot een geloovige gemaakt," en anderen zullen
getuigen:

"Hij heeft mij vergeving geschonken voor mijn zonden," en velen
zullen zeggen:

"Hij heeft mijn oogen geopend, opdat ik de heerlijkheid des hemels
aanschouwen kan."

"Gij allen zult komen en ik zal tot spot en hoon zijn, en ge zult mij
noodzaken het beeld op het altaar terug te brengen, en ik zal moeten
erkennen, dat ik mij vergist heb."

Pater Gondo zweeg en keek het volk afwachtend aan. Een hevige
ontroering maakte zich meester van de toehoorders. Velen schenen
te willen getuigen, maar zoodra ze een paar schreden gedaan hadden,
bleven zij aarzelend staan.

"Ik wacht," zei de monnik en zijn blikken smeekten den menschen
te komen.

Maar niemand kwam. De geheele volksmenigte leed een ondragelijke
smart niet te kunnen getuigen om het geliefde beeld te redden. Maar
niemand verroerde zich.

"Mijn ongelukkige kinderen," zei pater Gondo diep bedroefd, "de
Antichrist heeft in uw midden vertoefd en hij heeft u geheel in zijn
macht. Gij hebt den hemel vergeten. Gij weet niet meer dat gij een
ziel bezit. Gij hebt slechts aan deze aarde gedacht.

"Vroeger zei men, dat de menschen in Diamante de vroomste geloovigen
waren van gansch Sicilië. Maar nu is dat anders. Diamante's inwoners
zijn wereldlingen, misschien daarenboven nog godlasterende socialisten,
die slechts de aarde liefhebben. Zij kunnen niet anders zijn. De
Antichrist heeft immers in hun midden vertoefd."

Toen deze aanklachten neervielen op het volk, scheen het eindelijk
in verzet te zullen komen.

Een toornig gemompel ging door de menschenmenigte.

"Het beeld is heilig," riep een. "Toen hij de stad binnentrok,
luidden de klokken van San Pasquale den geheelen dag."

"Moesten zij u niet waarschuwen voor zulk een ramp?" antwoordde
de monnik.

En met stijgende heftigheid slingerde hij zijn aanklachten onder
het volk.

"Gij zijt afgodendienaars maar geen Christenen. Gij vereert den
Antichrist, opdat hij u bijstaan zal, maar de heilige geest is niet
meer in u."

"Hij was goed en barmhartig gelijk Christus," riep het volk.

"Dat is juist uw ongeluk," zei de pater en plotseling was hij
vreeselijk in zijn toorn. "Hij heeft Christus' gedaante aangenomen
om u te verleiden.

"Op deze wijze heeft hij u in zijn net gevangen.

"Juist door gaven en zegeningen op u neer te strooien, heeft hij u
in zijn net gelokt en u tot wereldlingen gemaakt.

"Kan een uwer het tegendeel bewijzen? Misschien heeft een van u allen
gehoord, dat iemand, die hier niet tegenwoordig is, het beeld om een
hemelsche genade gesmeekt heeft."

"Hij heeft den vloek weggenomen van een jettatore," zei iemand.

"Kan niet alleen degene, die even groot in slechtheid is, als de
jettatore, dezen overwinnen?" antwoordde de pater somber.

Toen deed men geen verdere pogingen meer om het beeld te
verdedigen. Alles wat men aanvoerde, scheen de zaak slechts erger
te maken.

Verscheidenen blikten naar donna Micaela, die ook aanwezig was. Zij
stond midden in de volksmenigte, zag en hoorde alles, en toch deed
zij niets om haar geliefd beeld te redden.

Toen pater Gondo zeide, dat het beeld de Antichrist was, verschrikte
zij hevig, en daar hij later aantoonde, dat men in Diamante slechts
wereldsche goederen begeerd had, wies de angst in haar.

Zij waagde het niet zich te verzetten.

Maar toen hij nu zei, dat zij en alle menschen in Diamante onder de
macht van den Antichrist waren gekomen, was er iets in haar ziel,
dat in opstand kwam tegen zijn woorden.

"Neen, neen!" zei zij, "dat kan niet mogelijk zijn."

Indien zij moest gelooven, dat een booze geest haar geleid had
gedurende zoovele jaren, zou zij haar verstand verliezen.

En haar verstand begon zich te verdedigen.

Toen brak, gelijk een te sterk gespannen snaar, het geloof aan het
bovennatuurlijke in haar.

Haar gedachten doorliepen nu met een oneindige haast alles wat zij zelf
ervaren had en wat haar bovennatuurlijk geschenen had, en wogen dat
nu op de schaal van het koel verstand. Was een enkel dezer voorvallen
wel een wonder geweest? Zij zei tot zich zelf, dat het niets dan een
toeval was geweest, niets dan een toeval!

't Was alsof ze een spoel afwond. Van wat ze zelf beleefd had,
ging ze over op de wonderen van vroeger tijden. Alles was toeval,
werking van een overspannen geest, misschien was het meeste wel
verbeelding geweest.

De toornige monnik ging door met het volk te vervloeken. Zij trachtte
naar hem te luisteren om afleiding te vinden voor haar eigen kwellende
gedachten. Maar zij vond alles wat hij zei waanzinnig en overdreven.

Maar welke machten werkten in haar ziel, dat zij plotseling een
vrijdenkster werd?

Zij zag naar Gaetano. Hij was daar ook, en stond in de nabijheid van
den monnik op de kerktrap. Zijn oogen rustten op haar.

En even zeker alsof zij het hem gezegd had, wist hij wat zij nu
dacht. Maar hij zag er niet verheugd of triomfeerend uit.

't Was alsof hij pater Gondo in de rede zou willen vallen om haar
geloof te redden.

Maar donna Micaela's gedachten kenden geen verschooning. Ze schreden
voorwaarts en plunderden haar ziel.

Heel de bovennatuurlijke, stralende wereld schrompelde ineen, werd tot
niets. Zij zeide tot zich zelf, dat men van het bovennatuurlijke niets
kon weten. Vele boden waren gegaan van de aarde naar den hemel. Geen
enkele was teruggekomen van den hemel naar de aarde.

"Maar ik wil gelooven aan God," zei ze, terwijl ze haar handen vouwde
als om ten minste het hoogste en heiligste te behouden.

"Uw oogen zijn wild en woest," zei pater Gondo. "God leeft niet onder
u. De Antichrist heeft God in uw ziel verdrongen."

Donna Micaela's blik zocht opnieuw Gaetano.

"Kunt gij een zoo verlaten en rampzalig wezen iets geven om voor te
leven?" schenen haar oogen te vragen.

Zijn blik ontmoette den hare met fier zelfvertrouwen.

Hij las in haar schoone, smeekende oogen hoe haar bevende ziel zich
nu vastklemde aan hem om een steun te vinden. Hij twijfelde geen
oogenblik, dat hij haar leven niet rijk en heerlijk zou kunnen maken.

Zij dacht aan de vreugde, die zij gevoelde, wanneer zij hem slechts
zag. Zij dacht aan de vreugde die opbruiste rondom haar in dien nacht
in Palermo. Zij wist, dat die ontsproot uit het nieuwe geloof aan
een gelukkige aarde.

Zou dit geloof en deze vreugde ook haar kunnen bezielen?

Zij wrong haar handen in angst. Zou dit nieuwe geloof het richtsnoer
van haar leven kunnen worden? Zou zij zich niet altijd even arm
gevoelen als op dit oogenblik?

Pater Gondo boog zich over de vlammen.

"Ik zeg u nog éénmaal," riep hij, "indien slechts één uwer verklaart,
dat dit beeld zijn ziel verlost heeft, zal ik het niet verbranden."

Donna Micaela voelde plotseling dat zij het arme beeld niet kon
laten vernietigen.

De herinneringen van de schoonste uren haars levens waren daaraan
verbonden.

"Gandolfo, Gandolfo!" fluisterde zij. Een oogenblikje geleden had
zij hem naast zich gezien.

"Ja, donna Micaela."

"Laat hem het beeld niet verbranden, Gandolfo."

De monnik had zijn vraag nog eenmaal herhaald, twee malen, drie
malen.--Niemand trad naar voren om het beeld te verdedigen. Maar de
kleine Gandolfo sloop al nader. Pater Gondo hield het beeld dicht
bij de vlammen.

Onwillekeurig had Gaetano zich gebogen; een fiere glimlach gleed over
zijn gelaat. Donna Micaela begreep, dat hij voelde dat Diamante hem
nu toebehoorde.

Het strenge optreden van den monnik maakte Gaetano tot meester over
de zielen.

Zij keek verschrikt rond. Haar blik vloog van aangezicht tot
aangezicht. Ging misschien hetzelfde om in de zielen van al deze
menschen? Zij meende te zien, dat allen denzelfden strijd voerden
als zij zelf.

"Gij, Antichrist," zei pater Gondo dreigend, "ziet ge wel dat niemand
aan zijn zieleheil gedacht heeft, zoolang gij hier vertoefdet?

"Gij zult in de vlammen omkomen."

En hij legde het beeld op den brandstapel.

Maar het had daar nauwelijks een oogenblik gelegen, of Gandolfo greep
het, hief het hoog boven zijn hoofd en snelde er mee heen.

Pater Gondo's pelgrims trachtten hem te grijpen en het werd een
woedende drijfjacht om den krater van den Monte Chiaro.

Maar de kleine Gandolfo redde het beeld.

Een groote reiswagen reed bergafwaarts. De vervolgers hadden Gandolfo
bijna ingehaald, toen wist hij geen anderen raad, dan het beeld in
den wagen te werpen.

Daarna liet hij zich kalm vangen. Zijn vervolgers spoedden zich nu
naar den reiswagen, maar Gandolfo waarschuwde hen:

"Wacht u, de signora in den wagen is een Engelsche."

't Was signora Favara, die eindelijk genoeg had van Diamante, en
opnieuw de wereld introk. En men liet haar ongedeerd vertrekken.

Geen Siciliaan waagt het zich te vergrijpen aan een Engelsche.



V.

EEN FRESCO VAN SIGNORELLI.


Een week later was pater Gondo in Rome; hij was op audiëntie bij
den ouden man in het Vaticaan, en vertelde, dat hij den Antichrist
gevonden had in Christus' gedaante, en hoe deze het volk van Diamante
verleid had tot liefde voor de wereld, en hoe hij het beeld had
willen verbranden. Hij verhaalde ook, dat hij het volk niet tot God
had kunnen terugvoeren, maar dat het geheel en al tot ongeloof en
socialisme vervallen was.

Niemand wilde voor zijn ziel zorgen, niemand wilde aan den hemel
denken.

Pater Gondo vroeg, wat hij toch moest beginnen met deze arme menschen.

De oude paus, die de wijste mensch is die nu leeft, lachte niet om
pater Gondo's verhaal, hij was diep bedroefd.

"Gij hebt verkeerd gehandeld, gij hebt zeer verkeerd gehandeld,"
zei hij. Hij zweeg een tijdlang en dacht na, toen zei hij: "Hebt ge
nooit den dom in Orvieto gezien?"--"Neen, heilige vader."

"Ga naar Orvieto om den dom te zien," zei de paus, "en als ge daar
geweest zijt, kom mij dan vertellen wat gij gezien hebt."

Pater Gondo gehoorzaamde; hij ging naar Orvieto en zag den heiligen
dom.

Na twee dagen kwam hij terug in het Vaticaan.

"Wat hebt ge gezien in Orvieto?" vroeg de paus.

Pater Gondo verhaalde nu, dat hij in een der kapellen der domkerk
fresco's gezien had van Luca Signorelli, voorstellende "het laatste
Oordeel." Maar hij had noch gezien naar "den Dag des Oordeels,"
noch naar "der Dooden Opstanding."

Hij had al zijn aandacht geschonken aan het groote schilderij, dat
de kerkwachter "de Wonderen van den Antichrist" genoemd had.

"Wat hebt ge daarop gezien?" vroeg de paus.

"Ik zag, dat Signorelli den Antichrist geschilderd had als een armen en
geringen man, als Gods Zoon was, toen deze hier op aarde vertoefde. Ik
zag, dat hij hem gekleed had als Christus en hem Christus' gelaat
had gegeven."

"Wat zaagt ge nog meer?" vroeg de paus.

"Het eerste dat ik op het fresco zag, was dat de Antichrist zoo
preekte, dat de rijken en machtigen hun schatten aan zijn voeten
legden.

"Het tweede was, dat een zieke gedragen werd tot den Antichrist en
door hem genezen werd.

"Het derde tafereel stelde voor een martelaar, die zijn leven gaf
voor de leer van den Antichrist.

"Het vierde dat ik op het groote wandschilderij zag, was dat de
menschen zich spoedden naar een grooten tempel des vredes en de booze
geest uit den hemel stortte en alle geweldenaars gedood werden door
het vuur."

"Wat dacht gij, toen ge dit zaagt?" vroeg de paus.

"Toen ik dit zag, dacht ik: deze Signorelli was waanzinnig. Meent
hij, dat in den tijd van den Antichrist de booze geest overwonnen
zal worden, en de aarde heilig zal zijn als het paradijs?"

"Zaagt ge nog meer?"

"Het vijfde tafereel, dat ik zag, was dat monniken en priesters een
grooten brandstapel bestegen en verbrand werden.

"Het zesde en het laatste was dat de duivel den Antichrist iets in het
oor fluisterde en hem den raad gaf hoe hij moest handelen en spreken."

"Wat dacht ge, toen ge dit zaagt?"

"Ik zei tot mij zelf: deze Signorelli was niet krankzinnig, maar hij
was een profeet. De Antichrist zal zeker komen in Christus' gedaante
en de wereld tot een paradijs maken. Hij zal haar zoo schoon maken,
dat de menschen den hemel vergeten. En dit zal de gevaarlijkste
verleiding der wereld worden."

"Begrijpt gij nu," zei de paus, "dat gij mij niets nieuws verteldet? De
kerk heeft altijd geweten, dat de Antichrist zou komen, toegerust
met alle deugden van Christus."

"Wist ge ook dat hij werkelijk gekomen is, heilige vader?" vroeg
pater Gondo.

"Zou ik hier jaar na jaar op Petrus' stoel zitten en niet weten,
dat hij gekomen is?" zei de paus.

"Ik zie hoe een volksbeweging ontstaat, die brandt van liefde
voor haar naasten en die God haat. Ik zie hoe martelaren hun leven
offeren voor het nieuwe geloof aan een gelukkige aarde. Ik zie hoe
ze nieuwe vreugde en moed putten uit de leuze: "Denk aan de aarde,"
zooals vroeger uit het woord: "Denk aan den hemel." Ik wist dat hij,
dien Signorelli voorspeld had, gekomen was."

Pater Gondo boog zwijgend het hoofd.

"Begrijpt ge nu, hoe verkeerd gij gehandeld hebt?"

"Heilige vader, verklaar me mijn zonde."

De oude paus hief zijn blik op. Zijn heldere oogen doorboorden
den sluier der toevalligheden, die het leven bedekt, en zagen wat
daarachter verborgen was.

"Pater Gondo," zei hij, "het kleine kind, waarmee ge streedt in
Diamante, het kind dat even barmhartig en wonderdoend is als Christus,
het arme verachte kind, dat zegevierde over u en dat gij den Antichrist
noemt, weet gij wie dat is?"

"Neen, heilige vader."

"En hij, die op Signorelli's schilderij zieken genas, rijken bewoog
afstand te doen van hun schatten, de wereld in een paradijs veranderde
en de menschen verleidde den hemel te vergeten, weet gij wie hij is?"

"Neen, heilige vader."

"Wie anders kan het zijn dan het Antichristendom, het socialisme?

De monnik zag verschrikt op.

"Pater Gondo," zei de paus streng, "toen gij het beeld in uw armen
hieldt, wildet gij het verbranden. Waarom? Waarom waart ge niet
liefdevol jegens hem en droegt hem terug naar het kleine Christusbeeld
op het Kapitool, vanwaar hij uitgegaan is?

"Maar zoo handelt gij, gij bedelmonniken. Gij kondt de groote
volksbeweging op uw armen nemen als ze nog als een kind in haar
windsels ligt, en gij kondt haar leggen aan Jezus' voeten, en de
Antichrist zou zien, dat hij niets anders is dan Christus' namaaksel
en hem erkennen als zijn heer en meester.

"Maar wat doet ge? Gij werpt het Antichristendom op den brandstapel,
en spoedig zal het op zijn beurt u daarop werpen."

Pater Gondo boog zijn knieën. "Ik begrijp u, heilige vader. Ik zal
uitgaan om het beeld te zoeken."

De paus verhief zich majestueus.

"Ge zult het beeld niet zoeken, gij zult het nu ongestoord over de
wereld laten gaan. We vreezen hem niet.

"En als hij komt om het Kapitool te bestormen en den wereldtroon
te bemachtigen, zullen we hem tegemoet gaan, en we zullen hem tot
Christus voeren. We zullen hemel en aarde verzoenen.

"Maar gij handelt verkeerd," vervolgde hij milder, "wanneer gij hem
haat. Hebt gij dan vergeten, dat de Sibylle hem rekende tot een der
wereldverlossers?

"Op de hoogte van het Kapitool zal de wereldverlosser worden
aangebeden, Christus of Antichrist."

"Heilige vader, indien hij de rampen dezer wereld lenigt, en den
hemel geen schade berokkent, dan zal ik hem niet haten."

Een fijn glimlachje gleed over het gelaat van den ouden paus.

"Pater Gondo, sta mij toe, dat ook ik u een geschiedenis van Sicilië
verhaal.

"Men vertelt, pater Gondo, dat toen Onze lieve Heer de wereld schiep,
Hij eens wilde weten of Hij nog veel te doen had. En Hij zond San
Pietro uit om te zien of de wereld gereed was.

"Toen San Pietro terugkwam, zei hij:

"Alle menschen weenen, snikken en klagen."

"Dan is de wereld nog niet gereed," zei Onze lieve Heer en Hij
werkte verder.

"Na drie dagen zond Onze lieve Heer San Pietro weer naar de aarde.

"Alle menschen lachen, jubelen en juichen," zei San Pietro, toen
hij terugkwam.

"Dan is de wereld nog niet gereed," zei Onze lieve Heer en werkte
verder.

"San Pietro werd voor de derde maal uitgezonden.

"Sommigen lachen en sommigen weenen," zei hij toen hij terugkwam.

"Dan is de wereld gereed," zei Onze lieve Heer.

"En zoo zal het zijn en blijven," zei de oude paus, "Niemand kan de
menschen verlossen van hun ellende, maar hem zal veel vergeven worden,
die nieuwe moed in hen wekt om die ellende te dragen."


                                 EINDE.





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "De Wonderen van den Antichrist" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home