Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Mexiko - De Aarde en haar volken, Jaargang 1865
Author: Anonymous
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Mexiko - De Aarde en haar volken, Jaargang 1865" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



                        DE AARDE EN HAAR VOLKEN.

                                MEXIKO.



I.

    Geschiedkundige bijzonderheden.


Veel vroeger dan de overige oorspronkelijke bewoners der nieuwe
wereld, en lang voor de aankomst der Europeanen in Amerika, waren de
oude inboorlingen van Mexiko [1], de Tolteken en na hen de Azteken,
tot eene vrij hooge mate van beschaving opgeklommen. Niet alleen
weefden zij reeds zeer vroegtijdig tapijten en andere wollen stoffen
en smeedden zij wapens en goud- en zilverwerk, maar zij waren ook
bedreven in bouw-, beeldhouw-, schilder- en toonkunst, en beoefenden
reeds lang vóór de ontdekking van Amerika door Columbus, met vrucht
wetenschappen en letteren. Over de hoogte waarop zij in dit laatste
opzicht stonden, zouden wij ongetwijfeld een veel grondiger oordeel
kunnen vellen, wanneer niet, door den te ver gedreven geloofsijver
der spaansche veroveraars, de gansche schat zoowel van handschriften
als van schilderijen, dien onder anderen het paleis der oude Caciken
of schatplichtige vorsten van Tezcuco bevatte, aan de vlammen was
prijs gegeven.

Vooral waren de oude Mexikanen zeer bedreven in de bouwkunst. Even als
bij de oude Egyptenaren, waren vele hunner bouwgewrochten pyramidaal-,
andere echter ook kubiekvormig. Tot de meest bekende monumenten der
oude mexikaansche architectuur behooren de pyramiden van Papantla,
Teotizuacan en Cholula. Ofschoon de overoude "drijvende tuinen"
der mexikaansche meren, en inzonderheid die van het niet ver van
de hoofdstad gelegene Chalco-meer, beroemd zijn, stond echter,
naar 't schijnt, de landbouw bij de Azteken op geen zeer hoogen
trap van ontwikkeling. Deze weelderige vrucht- en bloemwaranden,
chinambas geheeten, die werkelijk voor een gedeelte "drijven",
en uit reusachtige, door riet, wortels en boomtakken saamverbonden
aardschollen of zoden bestaan, hadden vermoedelijk hare wording te
danken aan de behoefte, om de hoofdstad en andere groote steden van
groenten te voorzien.

In weerwil van hunne vordering in beschaving, kenmerkte de heidensche
eeredienst der Azteken zich door eene verregaande barbaarschheid: de
menschenoffers, ter eere van den god Huitzilopochtli, werden misschien
nergens elders op zoo groote schaal gebracht. Het christendom, door
Cortez en zijne opvolgers in het land ingevoerd, maakte hieraan een
einde; ofschoon men daarbij, zoowel als bij de verovering des lands,
op eene wijze te werk ging, die weinig tot eer van de belijders der
nieuwe eeredienst strekte. Alle pogingen van Karel V en van andere
goedgezinden om verdraagzaamheid te kweeken en het lot der nieuwe
onderdanen van het spaansche rijk te verzachten, leden schipbreuk
eensdeels op de geestdrijverij der veroveraars, anderdeels op het
ruwe egoïsme van het heir van gelukzoekers, dat de nieuwe wereld
weldra overstroomde. De onderkoningen die over Mexiko regeerden en in
den regel slechts voor vijf jaren benoemd werden, waren insgelijks
meestal enkel op het bijeenschrapen van rijkdommen en op de strenge
handhaving van hun gezag bedacht; zoodat de afstammelingen van de
oorspronkelijke bewoners des lands dikwijls maar al te veel reden
hadden om aan hunne vaderen de vrijheid en welvaart te benijden,
door dezen onder Montezuma en diens voorgangers genoten.

Slecht bestuurd, aan de belangen van het moederland opgeofferd, door
eene bekrompene handelsstaatkunde in zijne ontwikkeling belemmerd,
was het geen wonder dat Mexiko zich in 1810 de omstandigheden waarin
Spanje verkeerde ten nutte maakte om, even als de overige spaansche
koloniën in Amerika, het juk af te werpen, waaronder het drie eeuwen
gezucht had. Dat die omwenteling in het mexikaansche rijk op eene
meer geweldige wijze dan ergens elders in spaansch Amerika plaats
had, was zeker voor een goed deel hieraan te wijten, dat in Mexiko
een groot gedeelte der bevolking uit geboren Spanjaarden bestond.

Nadat Ferdinand VII op den troon hersteld was, deed hij wel herhaalde
pogingen om zijne verloren bezittingen in Amerika te heroveren,
maar dit plan moest hij ten laatste opgeven; en in 1821 werd het
gemeenebest Mexiko door het voormalige moederland voor onafhankelijk
verklaard. Men besloot daarop, den republikeinschen tegen den
monarchalen regeeringsvorm te verwisselen; en daar Spanje weigerde de
kroon voor een zijner Infanten aan te nemen, werd in Februari 1822 de
overste Iturbide, onder den naam van Augustinus I, te Mexiko tot Keizer
uitgeroepen: eene waardigheid, waarvan hij echter na verloop van een
jaar reeds weder afstand moest doen, daar de republikeinsche partij
hem te sterk werd. Het keizerrijk werd nu in een bondgenootschappelijk
gemeenebest hervormd, samengesteld uit één bondgenootschappelijk
district, een zeker aantal staten en "territoriën."

In de veertig jaren die sedert verliepen, werd Mexiko door niet
minder dan tweehonderdzestig opstanden geschokt, bij welke nu eens de
"republikeinen", ook liberalen of federalisten genoemd, dan weder de
conservatieven, anders voorstanders van een gecentraliseerd gezag of
clericalen geheeten, de bovenhand behielden. Het behoeft nauwelijks
opmerking, dat die onophoudelijke opstanden en omwentelingen de reeds
zoozeer verzwakte krachten en verwaarloosde hulpbronnen des lands met
volslagen ondergang bedreigden. Wat de gevolgen van dezen toestand
waren, en hoezeer de innerlijke ontwikkeling des lands daaronder
leed, blijkt genoegzaam uit het feit, dat een land zoo vruchtbaar
en rijk als Mexiko, 't welk bovendien aan twee wereldzeeën gelegen
is, eene oppervlakte van meer dan 40,000 vierk. mijlen en nagenoeg
8,300,000 inwoners heeft, van 1856--1860 gemiddeld voor niet meer
dan 18 millioen guld. 's jaars uitvoerde, tegen een invoer van ruim
31 millioen guld.; terwijl Peru, met eene oppervlakte van 24,000
vierk. mijlen en eene bevolking van 2,500,000 zielen, in 1862 voor 83
mill. gld. uitvoerde en voor 68 mill. gld. invoerde; en het zooveel
minder belangrijke Venezuela, dat iets meer dan anderhalf millioen
inwoners telt, in hetzelfde jaar nog voor 40 mill. gld. in zijnen
handel omzette. De toestand waarin het mexikaansche rijk verkeerde,
deed dan ook duchten, dat het, wat vroeger of later, eene maar
al te gemakkelijke prooi der noord-amerikaansche Unie zou worden,
waarin reeds achtereenvolgens het goudrijke Opper-Californië, Texas
en Nieuw-Mexiko, vroeger deelen van het mexikaansche gebied, werden
ingelijfd. Een der gevolgen van deze gebeurtenis zou toen voorzeker
geweest zijn de wederinvoering in het veroverde rijk van de slavernij,
die er reeds vóór jaren werd afgeschaft.

Toen nu in 1857 alweder eene ernstige worsteling ontstond
tusschen de behoudende partij met den president Miramon, en de
republikeinsche met Benito-Juarez aan 't hoofd, besloten Frankrijk,
Spanje en Groot-Brittannië, op de dringende aanzoeken hunner in Mexiko
gevestigde onderdanen, tot het uitzenden eener vereenigde expeditie,
ten einde van de republiek waarborgen voor de veiligheid der zich
op haar gebied bevindende vreemdelingen en voldoening der aan dezen
verschuldigde gelden te eischen, welke een bedrag van nagenoeg 41
millioen piasters of ruim 102 millioen gulden beliepen.

De uitslag dier belangrijke expeditie is bekend. Aanvankelijk
vermoedde men dat Spanje de herovering zijner oude kolonie in het
schild voerde, en zich ter uitvoering van dit plan van de hulp
van Frankrijk en Engeland verzekerd had. Nauwelijks evenwel waren
de eskaders uitgezeild, of er verbreidde zich een geheel ander
gerucht, dat namelijk keizer Napoleon's geheime bedoeling met de
onderneming was, om aan den jammerlijken toestand van Mexiko,
des noods door omverwerping van den bestaanden regeeringsvorm,
een einde te maken. Nadat dit gerucht zich bevestigd had, trokken
de beide bondgenooten des keizers zich terug; en nu legde hij zijn
wel van vele zijden aangevallen en wat den vorm betreft geenszins
onberispelijk, maar metterdaad praktisch en menschlievend plan geheel
alleen ten uitvoer.

Eene maand nadat de Franschen, na Juarez wel niet geheel ten onder
gebracht, maar toch onschadelijk gemaakt te hebben, de hoofdstad
binnenrukten, werd door eene vergadering van mexikaansche notabelen,
met 231 tegen 19 stemmen, tot de invoering eener "erfelijke getemperde
monarchie", met een katholiek souverein, den titel van keizer voerende,
besloten, en te gelijker tijd bepaald, dat de keizerlijke kroon in de
eerste plaats aan den aartshertog Ferdinand Maximiliaan van Oostenrijk,
oudsten broeder van keizer Frans Joseph, zou worden aangeboden. De
aartshertog--een man, gunstig bekend om zijne schranderheid, humaniteit
en andere eigenschappen, geschikt om de liefde van een volk te
winnen--aarzelde niet deze gewichtige roeping te aanvaarden; en het
is voorzeker de wensch van alle weldenkenden in de beide halfronden,
dat de offers door Frankrijk gebracht, en de ijver waarmede de nieuwe
monarch bezield is, heilrijke vruchten zullen dragen, en het dezen
laatste vooral spoedig gelukken moge de noodlottige partijschap die
de Mexikanen verdeelt, uit te roeien. [2]

Wij willen in de eerste plaats de hoofdstad van het oude rijk van
Montezuma en haren naasten omtrek bezoeken, om vervolgens nog een
paar andere punten van het mexikaansche gebied aan te doen.



II.

    De vallei van Mexiko.--De Desague van Huehuetoca.--De
    hoofdstad.--De Kathedraal.--De Plaza de Armas.--De Plazuelo van
    Santo Domingo.--Het klooster van Barmhartigheid.--De Salto del
    Agua.--Markten.


De vallei, te midden waarvan zich het Venetië der Azteken verheft,
vormt een ovaal van achttien mijlen in de lengte en van ongeveer
twaalf in de breedte, en wordt door een krans van porfierrotsen
omgeven, wier afwisselende lijnen het schilderachtigst effect te weeg
brengen. De Iztaccihuatl of Witte-Vrouw, die door den glans van haren
altijd besneeuwden top, het oog schier verblindt, en de Popocatepl
of Rookende Berg, de hoogste bergspits van Mexiko en wellicht de
sierlijkste vulkaan der gansche wereld, die beiden ten zuidwesten van
de hoofdstad liggen, vormen als 't ware den sluithaak dezer prachtige
keten. Hoewel de laatste dezer bergen zijnen naam nog maar al te zeer
rechtvaardigt, en de bewoners der hoofdstad zich steeds met angst en
schrik de geduchte aardbeving van 1858 herinneren, is de mexikaansche
vallei voor het tegenwoordige veel minder vulkanisch dan vroeger.

Zes groote meren nemen een aanzienlijk deel van de oppervlakte der
vallei in. Tegenover Huehuetoca ligt het meer Zumpango; daarna volgen,
in eene zuidelijke richting, die van Jaltocan en San-Cristoval, het
groote meer van Tezcuco; en eindelijk die van Jochimilco en Chalco,
welke slechts door een straatweg vaneen worden gescheiden. Van al
die meren is het water zoet, uitgenomen van het Tezcuco-meer, welks
water brak is.

Groote belangstelling verdient in deze vallei de vermaarde "desague"
van Huehuetoca: een dwars door het hooge gebergte gegraven kanaal,
ter afleiding van de rivier Guantitlan--die zich vroeger in het
Zumpango-meer stortte, hetgeen veelvuldige overstroomingen ten gevolge
had--naar de ruim 200 voet lager gelegen Rio de Tula, die zich in
den mexikaanschen zeeboezem ontlast. Dit reusachtige werk, in 1607
begonnen, werd eerst in 1789 voltooid, hoewel er schier onophoudelijk
15,000 Indianen aan arbeidden. Het kostte millioenen schats en, zoowel
ten gevolge van vermoeienis, ziekte en harde behandeling, als van
herhaalde instortingen van bergwanden, duizenden menschenlevens; maar
nog bereikt het in verre na niet het nut, dat het zou kunnen opleveren
wanneer het met het Tezcuco-meer in gemeenschap was gebracht, daar
alsdan de hoofdstad niet langer, zoo als thans, aan overstroomingen
blootgesteld en, bij droogte, van toevoer van water uit de bovenvallei
verstoken zou zijn. In 1804 werd wel door den onderkoning Iturrigaray,
op raad van Humboldt, last tot voltooiing der grootsche onderneming
gegeven, maar de geduchte hinderpalen die het terrein tusschen Mexiko
en Huehuetoca oplevert, deden den arbeid staken.

Mexiko, niet slechts de grootste en schoonste stad des rijks, maar
ook de prachtigste stad van Noord-Amerika en misschien regelmatiger
en grootscher gebouwd dan eenige andere stad der wereld, droeg,
lang voordat Europa het bestaan van Amerika nog vermoedde, den naam
van Tenochtitlan. Deze residentie der Aztekenkoningen deed geenszins
onder in luister en grootte voor de hedendaagsche hoofdstad van het
mexikaansche rijk. Men kan dit alleen reeds nagaan uit de schier
fabelachtige berichten, die tot ons kwamen omtrent hare talrijke en
weidsche tempels en het beroemde paleis van Montezuma, dat twintig
poorten of ingangen had, onder zijn overgroot aantal zalen er ééne
bezat die drie duizend personen kon bevatten, en waarin zich onder
anderen eene menagerie bevond, welker vogelen-afdeeling alleen,
naar verzekerd wordt, zóó groot was, dat er driehonderd personen
aan verbonden waren. Van deze luisterrijke oude hoofdstad, die
door Cortez nagenoeg geheel geslecht werd,--voornamelijk omdat zij
sedert onheugelijke tijden het tooneel eener afgoderij was geweest
die, volgens de getuigenis van Zumarragia, den eersten bisschop van
Mexiko, jaarlijks meer dan 20,000 menschenoffers eischte;--is niets
meer in wezen; hoewel er van tijd tot tijd nog genoeg overblijfselen
worden opgegraven, om de nasporingen der geschied- en oudheidkundigen
te beloonen.

Het hedendaagsche Mexiko, dat ruim 13,000 voet van het Tezcuco-
en omstreeks tweemaal zoover van het Chalco-meer verwijderd, en
ruim 7000 voet boven den spiegel der zee verheven ligt, telt eene
bevolking van 206,000 zielen. Die bevolking bestaat, even als door
het geheele land, uit de navolgende rassen: Guachupinen (Europeanen,
meestal Spanjaarden), Creolen (inboorlingen van onvermengd spaansch
of europeesch ras), Mestizen (afkomelingen van blanken en Indianen),
Mulatten (afkomelingen van blanken en negers), Zambos (afkomelingen van
negers en Indianen); voorts uit enkele echte Indianen (onverbasterde
afkomelingen van de oorspronkelijke bewoners des lands), die
zich evenwel meestal ver van de steden ophouden; eindelijk uit de
onderrassen, die uit het kruisen dezer verschillende hoofdrassen
ontstonden.

De huizen der hoofdstad, over 't geheel stevig gebouwd, hebben
meerendeels twee hooge verdiepingen en ruime vertrekken, terwijl
de gevels schier zonder uitzondering witgepleisterd of met kalk
bestreken zijn. Op de hoeken der huizen bevinden zich nissen met het
beeld der H. Maagd of van den eenen of anderen heilige. De daken of
azoteas (terrassen) zijn plat en veelal met eene sierlijke balustrade
omgeven. De straten zijn fraai geplaveid, van weêrszijden van trottoirs
voorzien en meest allen breed en rechthoekig.

De hoofdstad bezit niet minder dan zestig kerkgebouwen en veertig
kloosters. Heeft men echter de kathedraal en haren sagrario (kapel),
het klooster van San-Fransisco met zijne twee kerken en drie kapellen
en zijn ongemeen prachtigen gevel, de kerken van het nonnenklooster
der Menschwording en die van de Jezuïeten der Professa bezichtigd, dan
kan men zich vergenoegen met op de overige slechts in het voorbijgaan
een blik te werpen.

Boven alles wordt het oog geboeid door de hoofdkerk, die op dezelfde
plek staat waar zich weleer de aan den oppersten mexikaanschen
krijgsgod Huitzilopochtli gewijde, luisterrijke tempel verhief,
in welken zeker niet het geringste gedeelte der gruwzame offers
voltrokken werd, met welke de Azteken hunne vertoornde godheden
meenden te kunnen verzoenen. Deze kathedraal vormt de noordzijde der
Plaza de Armas, het Wapen- of ook wel Constitutie-plein geheeten,
en wekt door hare grootsche afmetingen, de schoone evenredigheid die
tusschen hare verschillende deelen heerscht, en den smaak waarmede
de bouwkunstige versieringen zijn aangebracht, hooge bewondering. In
den voorgevel bevinden zich drie deuren, die tot het schip en de
beide zijbeuken toegang verleenen. Het middengedeelte van den gevel,
dat veel hooger dan de zijgedeelten is, prijkt met een aantal schoone
beelden en sierlijke dorische en korinthische zuilen. Boven het schip,
dat insgelijks veel hooger dan de zijbeuken is, verheft zich een in
edelen stijl gebouwde en met vele beelden omringde hooge koepel. Binnen
in het tempelgebouw wordt het oog niets dan goud en zilver gewaar. Men
vindt hier eene beeldengroep, Maria's hemelvaart voorstellende, die
uit massief goud vervaardigd is. De zilveren hostiekas en de zilveren
kroonkandelaar vóór het hoofdaltaar zijn verscheidene tonnen schats
waard. Bovendien wordt in deze kathedraal een tal van diamanten,
robijnen, saffieren en andere edelgesteenten en eene aanzienlijke
hoeveelheid gouden en zilveren vaatwerk gevonden. De hoogste waarde
wordt door de Mexikanen echter aan een in de kerk voorhanden
schilderstuk van Murillo gehecht, Onze-Lieve-Vrouwe van Belèn
voorstellende: een doek, dat nogtans niet onder de voortreffelijkste
van den schilder kan gerangschikt worden.

Deze kerk heeft nog eene groote en rijk versierde kapel, waarin de doop
toegediend, de huwelijken gesloten, de uitvaarten gehouden worden,
en het hoogwaardige ten toon wordt gesteld. De stijl dezer in later
tijd gebouwde kapel is echter in verre na zoo onberispelijk niet als
die der hoofdkerk zelve. De bouw dezer laatste, die in 1573, op last
van Filips II, begonnen en niet vóór 1657 geheel voltooid werd, heeft,
naar verzekerd wordt, nagenoeg derdehalf millioen piasters gekost.

De oostzijde van het Wapen- of Constitutie-plein wordt ingenomen door
het even prachtige als uitgestrekte regeerings-paleis, welks voorzijde
eene lengte van tweehonderd el heeft, en waarin, behalve de woning
van het hoofd van den staat, de bureaux en archieven der regeering,
eene gevangenis, eene kazerne en eene ontzaggelijk groote munt
vereenigd worden aangetroffen. Tegenover de kathedraal staat de Casa de
Cabildo of het stadhuis; terwijl zich aan de westzijde de portales de
mercaderes bevinden, waar men verscheidene koffiehuizen en restaurants
benevens de schoonste winkelmagazijnen der stad aantreft. In de
meeste steden van spaansch Amerika wordt de kleinhandel niet in
afzonderlijke, door de gansche stad verspreide winkelhuizen, maar,
op een of meer bepaalde punten, onder portales of gaanderijen gedreven.

Dit plein wordt zeer druk bezocht: het wemelt er steeds van soldaten,
priesters en monniken, pordioseros, leperos, aguadores, vrouwen
van alle standen, ruiters en rijtuigen van allerlei soort. Vóór de
koffiehuizen doen zich bestendig guitareros en andere muziekanten
hooren. Midden op het plein zijn kramen en stellages opgericht, waarin
de kalebassen, helados en aguos frescas, of ijs en soortgelijke
ververschingen, op met linnen overdekte en met bloemen versierde
tafels zijn uitgestald.

Een ander fraai plein is dat van Santo Domingo, ook Douanenplein
geheeten, waar men het gewezen paleis der Inquisitie en het
hoofdkantoor der in- en uitgaande rechten vindt. Het eerste gebouw, het
voormalige klooster van Santo Domingo, tegenwoordig tot geneeskundige
school ingericht, is, uitwendig, een der schoonste van de hoofdstad;
inwendig heeft het echter veel van zijn vroegeren glans verloren. In
den omtrek van het andere groote gebouw, dat zeer uitgestrekt is maar
er weinig behagelijk uitziet, heerscht steeds eene ongemeene drukte
en beweging.

Het klooster der Mercie of Barmhartigheid beveelt zich, zoomin als
zijne kerk, door een fraai uiterlijk aan; maar het inwendige van het
klooster en vooral zijn binnenplein is misschien bezienswaardiger dan
eenig ander gebouw der mexikaansche hoofdstad. Op dit binnenplein
verheft zich slechts eene eenvoudige fontein, doch het wordt door
uitgestrekte gaanderijen met witte kolommen en getande bogen omringd,
die zoo edel van vorm en zoo schoon gebeiteld zijn, dat men zich bij
de aanschouwing in de Alhambra van Grenada verplaatst waant. De muren
dezer gaanderijen zijn met schilderijen bedekt, die met levensgroote
figuren prijken. Het klooster bezit eene belangrijke bibliotheek;
terwijl het koor der kerk, dat een honderdtal fraai gebeeldhouwde
koorstoelen bevat, tot de schoonste werken der kunst mag gerekend
worden.

Onder de monumenten verdient ook nog genoemd te worden de Salto del
Agua, de eenige wezenlijk fraaie fontein die Mexiko bezit. Zij staat
in een der voorsteden en vormt het einde der waterleiding, die het
water uit de bronnen van Chapultepec naar de hoofdstad voert. Tusschen
twee zuilen met korinthische kapiteelen prijkt een groote arend met
uitgespreide vlerken, het wapenschild der stad in de klauwen houdende;
terwijl op de kapiteelen zelve twee zinnebeeldige figuren, Europa en
Amerika voorstellende, zijn geplaatst.

Er zijn vele markten in Mexiko; de belangrijkste is ongetwijfeld
die, welke des morgens in de straat Roldan en op de kaaien langs
het kanaal van Viga gehouden wordt, waar de schuiten met vruchten,
groenten, gevogelte en bloemen liggen, die van de drijvende eilanden
in het Tezcuco-, Jochimilco- en Chalco-meer worden aangevoerd. Hier
verschijnt niet alleen de opkooper, maar ook de huismoeder uit den
burgerstand en de kok uit de aanzienlijke huizen komen hier hunne
inkoopen doen; terwijl het voorts wemelt van lieden van allerlei
slag, beroep en kleur: Indianen, Creolen en vreemdelingen, bedelaars
en rijke burgers, cargadores, soldaten en muildierdrijvers, monniken
van allerlei orden, dienstmeisjes, chinas (de mexikaansche grisetten)
en fruit- en bloemenverkoopsters, die op de omgekeerde en ter hoogte
van den schouder opgeheven hand, in eene echt academische houding, den
met vruchten of bloemen gevulden korf of den sierlijken cantaro dragen.



III.

    De aguadores.--Kooplieden.--De cargador.--De
    evangelistas.--De lepero.--De pordiosero.--De presidarios.--De
    sereno.--Soldaten.--Marine.--Geestelijkheid.


De straten en pleinen der stad en van hare voorsteden leveren een
aantal typen op, die de belangstelling van den vreemdeling ten volle
verdienen.

Inzonderheid is dit het geval met den aguador of waterdrager. Even
als de cargador, is ook de aguador, door geheel spaansch Amerika,
steeds een Indiaan. Hij heeft gewoonlijk weinig kleederen noodig:
een hemd, waarvan de mouwen zijn opgestroopt en dat den hals bloot
laat; een zeer wijde broek, bijna altijd tot aan de knieën opgeslagen;
somtijds sandalen aan de meestal bloote voeten; een gekleurde doek,
om zijn lang en stijf haar gewonden, die zijn hoofd, reeds van
nature groot, nog grooter doet schijnen; een stroohoed, te nauw
van bol, maar welks breede rand zijn gelaat overschaduwt:--ziedaar
het armelijk maar teekenachtig kostuum van den aguador van spaansch
Amerika. Buiten, ten platten lande, laadt hij zijn water op een ezel,
en wel in twee groote lederen zakken, die de zijden van het dier bijna
indrukken en bijna evenzeer met den ezel schijnen saamgegroeid als het
kropgezwel met den armen cretin. Daar deze ezels altijd vochtig zijn,
verkrijgen zij eene zonderlinge, groen-blauwe tint. Door middel eener
opening aan de beide benedenhoeken wordt de zak gevuld en geledigd;
doch daar deze openingen gebrekkig gesloten zijn, loopt het water er
voortdurend met een straaltje uit. Het vocht, dat de zakken bevatten,
is warm en troebel en wordt nooit helder. Zijn zij geledigd, dan neemt
de aguador eene cigaar van achter zijn oor of uit zijn hoed en steekt
die aan; vervolgens plaatst hij zich op zijn dier, met het gezicht
naar den staart gekeerd, die hem te gelijk tot zweep en steun dient,
en laat zich zoo naar de noria of waterput brengen.

In de hoofdstad des rijks en in andere voorname mexikaansche steden,
bedient de aguador zich van zak noch ezel, daar draagt hij zelf
zijne koopwaar in een chochocol of groote roode aarden kruik, op
den met een dikken lap leder bekleeden rug. De draagband, die aan de
beide ooren der zware kruik is vastgehecht, rust niet, zoo als bij
sjouwers of pakkendragers in europeesche landen, tegen de borst of
de voorzijde der schouders, maar tegen het voorhoofd. Dat het hoofd
van den Indiaan ijzersterk moet wezen, valt niet te betwijfelen,
daar de aguador bovendien, aan een op zijne kruin rustenden riem,
een ook met water gevulden cantaro draagt, die te gelijker tijd tot
tegenwicht voor den chochocol dient. Een Engelschman, die zich wenschte
te overtuigen of de cantaro den aguador werkelijk in balans hield,
sloeg eens onverhoeds eene kan van een waterdrager met zijn rotting
stuk, waarop de Indiaan terstond achterover stortte, en door zijn
zwaarte ook den chochocol, dien hij op den rug droeg, verbrijzelde. Het
behoeft wel geene vermelding, dat de onderzoeklievende Brit de schade
moest vergoeden, die de oplossing van dit probleem na zich sleepte.

Met de aguadores vermengt zich een bont heirleger van industriëelen
van het minste gehalte: hier een koopman, die eene hoeden-pyramide op
het hoofd draagt; ginds mannen of vrouwen, die schier onder den last
van groote zakken houtskool bezwijken, of risten met houten nappen,
korven met bloemen en groenten, of traliemanden met hanen en kalkoenen
torschen; terwijl men allerwege den meestal half naakten cargador of
indiaanschen pakkendrager ontmoet, die, zwoegende onder een last,
welken hij aan een breeden, tegen het voorhoofd rustenden riem op
den rug draagt, toch luchtig voortstapt, met den stok in de eene en
den hoed in de andere hand.

Op een der pleinen van Mexiko treft men, onder eene sombere kolonnade,
eene eigenaardige soort van openbare brief- of request-schrijvers aan,
wien het volk den bijnaam van evangelistas geeft, en die in dit land,
waar het lager onderwijs in een vrij verwaarloosden toestand verkeert,
lieden van tamelijk groot gewicht zijn.

Een andere type, die de aandacht van den vreemdeling in hooge mate tot
zich trekt, is de lepero. De lepero der residentie onderscheidt zich
evenzeer van zijne medebroeders in de overige deelen des rijks, als
de lazzarone van Napels, met wien hij zeer veel overeenkomst heeft,
zich boven zijne gelijken in andere steden van Italië verheft. Hij
is slimmer, behendiger en driester dan de lepero uit de provinciën;
terwijl hij, wat zijn voorraad van koddige uitdrukkingen en jolige
invallen betreft, niet voor den parijschen gamin onderdoet. De
leperos, wier aantal in de hoofdstad omstreeks vijf-en-twintig-duizend
bedraagt, zijn groote vrienden der geestelijkheid, en vinden steeds
een onderkomen in die huizen, welke de vecindad genoemd worden en aan
kerken of geestelijke broederschappen toebehooren. Zij toonen zich
hiervoor erkentelijk door op alle wijzen, met de kracht van longen
en vuist, padres en monniken ten dienste te staan.

Ofschoon de mexikaansche lepero op kosten der meergegoede standen
teert, moet men hem toch, evenmin als den lazzarone, met den eigenlijk
gezegden bedelaar of pordiosero verwarren. De gewoonte van dezen
laatste om den voorbijgangers giften por Dios, "om Gods wil," te
vragen, heeft hem dien, door het gebruik gewettigden bijnaam doen
geven. In de hoofdstad van geen ander beschaafd land worden wellicht
zulke voorbeelden van diepe armoede en uiterste ellende gevonden,
als men bij de ternauwernood met eenige lompen bedekte mexikaansche
bedelaars, inzonderheid die uit de barrios of voorsteden, aantreft. In
minder warme landen zou het publiek ook onmogelijk het schouwspel
van zulk eene naaktheid kunnen verdragen, als hier niet enkel door
de pordioseros, maar door de geringere standen in 't algemeen, ten
toon wordt gespreidt.

Onder de eigenaardige, doch voor het gevoel pijnlijke tooneelen, die
de openbare straat te Mexiko oplevert, behoort ook het gezicht der
groepen presidarios of kettinggangers, die tot het schoonhouden der
straten en wandelplaatsen, het doen van uitbaggeringen enz. worden
gebezigd. Deze ongelukkigen zijn paarsgewijs aan elkaar geboeid, en
worden door piketten infanterie bewaakt. De soldaten maken het hun
meestal niet lastig, en laten hen wel eens, als dit geschieden kan
zonder dat zij zelf in ongelegenheid komen, ontsnappen. Soms echter
loopen zulke pogingen tot ontvluchting minder gunstig af, en schromen
de bewakers niet den wederspanneling een bajonetsteek toe te brengen,
die hem dood ter aarde doet zijgen.

Deze zonderlinge vermenging van toegevendheid en willekeur merkt
men in alle handelingen der slecht ingerichte mexikaansche politie
op. Roovers en dieven verstaan zich dikwijls veel beter met hen wier
plicht medebrengt om voor de algemeene veiligheid te waken, dan voor de
handhaving daarvan wel wenschelijk kan worden geacht; en de gevallen
zijn maar al te menigvuldig, dat de sereno of gewapende nachtwacht,
in plaats van de rust te bewaren en het misdrijf te voorkomen, zich,
zoodra hij onraad bespeurt, ijverig uit de voeten maakt.

De meeste soldaten, die men, vóórdat er van eene europeesche expeditie
tegen Mexiko sprake was, daar te lande ontmoette, waren Indianen, uit
welke trouwens de grootste helft der bevolking bestaat. Het leger,
aanvankelijk door Juarez tegen de Franschen aangevoerd, was zestig-
of zeventig-duizend man sterk, terwijl na de verstrooiing dezer
legermacht vijftien duizend Mexikanen (met vijf-en-dertig duizend
Franschen) onder de bevelen van het voorloopig bewind der monarchie
dienden. De mexikaansche uniform bestaat uit een witlakenschen rok
met korte panden en een nauwsluitenden broek van dezelfde stof. Het
hoofddeksel van den soldaat is een kleine zwart lederen schako,
terwijl sandalen zijn schoeisel uitmaken; alleen de onder-officieren
dragen schoenen. Deze uniform doet de goed geëvenredigde gestalte der
manschappen voordeelig uitkomen. Zij dragen het haar kort, hebben geen
baard, en slechts bij uitzondering knevels; de officieren, meerendeels
tot het europeesche ras behoorende, hebben daarentegen meest allen
zwarte knevels. Een geweer met bajonet maakt de gansche wapening
van den infanterist uit. Aan den breeden bandelier, dien hij om zijn
middel draagt, hangen eene bajonetscheede en een groote patroontasch.

De mexikaansche oorlogsmarine is voor een rijk, waarvan de
geheele oostelijke en westelijke grens door de zee bespoeld wordt,
onbegrijpelijk onbeduidend. Zij bestaat op dit oogenblik slechts uit 9
kleine oorlogsbodems, met 300 koppen bemand en met 35 stukken bewapend!

Het aantal geestelijken is in Mexiko ongemeen groot. Overal ontmoet men
monniken, in eene grauwe, bruine of witte pij gekleed: Franciskanen,
Dominikanen, broeders van Barmhartigheid, Augustijnen, geschoeide
en ongeschoeide Karmelieten. Priesters vertoonen zich zelden in het
openbaar in geestelijk gewaad, en zijn doorgaans alleen kenbaar aan
hun cuello of witte bef, die soms met kleine parelen omzoomd is.

Het volk koestert voor zijne geestelijken een onbepaalden
eerbied. Wanneer tijdens de noodlottige telkens wederkeerende
burgeroorlogen, de monniken door de republikeinsche partij soms
in massa uit eene stad verjaagd worden, was hun weg met schreiende
vrouwen als bezaaid, die hun geld en kleinooden kwamen aanbieden;
terwijl hunne terugkomst steeds op de feestelijkste wijze door het volk
werd gevierd. De eerbied voor de geestelijkheid wordt zelfs door hen
gedeeld, die overigens alle ontzag voor de overheid verloren en den
oorlog aan de wetten der samenleving verklaard hebben--door dieven
en roovers. Het is toch geen ongewoon verschijnsel, dat roovers,
die op den openbaren weg eene diligence of ander rijtuig overvallen,
terstond afdeinzen wanneer zij daarin een priester bespeuren, en dat
bij zulke gelegenheden niet alleen de geestelijke, maar het gansche
gezelschap waarin hij zich bevindt, beleefd en voorkomend door de
bandieten behandeld wordt.

Vertoont een priester zich met het hoogwaardige op de straat, dan
vallen niet slechts de voorbijgangers op de knieën, maar de trom wordt
geroerd, de wachten komen in het geweer; en geldt het een aanzienlijk
persoon, dan volgen velen het rijtuig van den priester met brandende
kaarsen en onder het aanheffen van geestelijke liederen. Vroeger was
het volgen van het sacrament naar het huis van een stervende voor de
voorbijgangers eene verplichting, waaraan zelfs de onderkoning zich
niet kon onttrekken.



IV.

    De Mexikaan en het leven te Mexiko.--De pulque.--De tortilla.


De Mexikaan--niet enkel de bewoner der hoofdstad, maar de Mexikaan in
het algemeen--heeft, zoo als een fransch schrijver hem ons schetst,
eene olijf- of bronskleurige tint en is middelmatig van grootte. Hij
heeft kleine voeten en welgevormde handen. Zijn gelaat teekent
vriendelijkheid en bescheidenheid, en bezit, wanneer hij spreekt, eene
levendige uitdrukking. Zijn oog is zwart en schitterend; en ofschoon
de vorm daarvan iets minder aangenaams heeft, straalt u van onder den
langen wenkbrauwboog, die het overschaduwt, eene zachte uitdrukking
tegen. Zijn mond is een weinig groot en niet zuiver besneden; maar zijn
lippen plooien zich gemakkelijk tot een glimlach, en laten, als zij
zich openen, twee rijen witte en regelmatige tanden zien. Zijn neus is
meestal recht, zelden plat, terwijl men nog zeldzamer een Mexikaan met
een haviksneus aantreft. Zijn zwart of donkerbruin haar is doorgaans
sluik, en bedekt zijn tamelijk laag voorhoofd te veel. Dit alles vormt,
bijeen genomen, zeker geen ideaal van schoonheid; maar niettemin rust
het oog over het algemeen met welgevallen op de mexikaansche type.

De Mexikaan is beleefd en voorkomend, soms tot in het lastige toe. Men
kan zeggen dat hij de beleefdheid en welvoegelijkheid zelfs niet jegens
zijne vijanden uit het oog verliest. Hij dringt u zijne diensten als
't ware op; maar het is er verre af, dat men hem bij het woord kan
houden. Hij is zorgeloos, spilziek en aan het spel verslaafd. De
Mexikaan is een goed soldaat, en bezit eene ridderlijkheid, die hem
den dood kloekmoedig doet verachten. De zwakheid en veilheid van de
vele besturen, die elkander in zijn land opvolgden, hebben hem in
het staatkundige in eene hooge mate gedemoraliseerd, en schier van
alle vertrouwen op de overheid beroofd.

Mexiko is door de natuur mild gezegend. Nagenoeg voor de helft in de
gematigde, voor de andere helft in de heete luchtstreek gelegen, levert
het, naast de voortbrengselen, uitsluitend aan de keerkringen eigen,
ook vele europeesche producten op, en tieren er zoowel het suikerriet,
de koffieboom en de katoenstruik, als de meeste bij ons inheemsche
granen en gewassen; terwijl zijn bodem rijker is aan edele metalen
dan eenig ander land in Amerika, behalve Peru en Californië. Maar
de vadzigheid, waaraan vele zijner bewoners zich overgeven, was, in
geene mindere mate dan de staatkundige partijschappen die het land
verscheuren, oorzaak, dat van zijne onmetelijke hulpbronnen nog nooit
het rechte gebruik werd gemaakt. Die traagheid en lijdelijkheid doen
tevens het kloosterleven zooveel bijval onder hen vinden.

In de voornaamste straten der hoofdstad--die van los Plateros, San
Francisco, del Espiritu Santo enz.--hoorde men, reeds lang vóór de
bezetting van het land door de Franschen, bijna evenveel fransch als
spaansch spreken. Hier voeren ook de paletot, de gekleede rok en de
zwarte ronde hoed den boventoon.

De Mexikaan, op de straat zeer gemakkelijk te naderen, komt er niet
licht toe om vreemden in zijn huiselijken kring binnen te leiden. De
tafel, in Europa de gezelligste plaats der samenleving, bestaat voor
hem als 't ware niet. Hij gebruikt zijn maaltijd veelal in afzondering,
even alsof het eene zaak gold die het licht schuwt. De vrouwen blijven
tot op het midden van den dag ongekleed en met onopgemaakt haar,
dat wel zeer weelderig maar over 't geheel tamelijk stug is, en door
de herhaalde dagelijksche wasschingen er niet zachter op wordt. Zelfs
de rijke mexikaansche vrouw strekt zich liever op haar petate (mat of
karpet) uit, om in eenzaamheid haren geliefkoosden, sterk gekruiden
schotel te nuttigen, dan dat zij zich aan een sierlijk toebereiden
disch neêrzet. Tegen het uur van den paseo komt er echter leven in
haar; dan wordt het losse deshabillé tegen den tirannieken vestido of
zijden japon, de sandaal tegen het satijnen schoentje, en de rebozo
tegen den tapalo, of kleinen geborduurden shawl, verwisseld, die even
als de spaansche mantille op het hoofd rust; en of het dan regent en
waait of fraai weder is, dit doet niets ter zake--het rijtuig wacht,
en de vrouw of dochter des huizes rijdt uit. Als gij haar dan tegen
het vallen van den avond in de Alameda--een in het midden van Mexiko
gelegen openbaar park--of in den helderen maneschijn op de wandeldreef
vóór de kathedraal, of wel in den schouwburg ontmoet, dan zoudt gij
in de bevallige en prachtig gekleede dame, die zelden in hare loge
tweemaal in hetzelfde kleed verschijnt, geenszins de vrouw herkennen,
die dikwijls den ganschen morgen op haar petate liggende doorbracht.

Het voorname kleedingstuk der vrouwen van den minderen stand en der
vrouwelijke dienstboden, is de enagua, of rok van gebloemd chits
van tweederlei, meestal harde kleur, en welks breede onderzoom met
gestikte zijden figuren prijkt. In plaats van een jak en korset dragen
zij veelal slechts een geborduurd hemd.

De mexikaansche dandy vertoont zich veel vroeger dan de vrouw van
hoogeren stand, in het openbaar. Des morgens ontmoet gij hem reeds
tijdig in zijn franschen frak op de wandeldreef. Des middags tegen
twee uur, stijgt hij te paard tot het doen van een wandelrit. De frak
en pantalon hebben dan plaats gemaakt voor het sierlijke lakensche of
fluweelen buis met rood zijden gordel, en voor den calzonera of langen
broek, die, van zacht leder of fluweel vervaardigd en overladen met
borduursels, passementwerk, linten, zilveren knoopen en kwastjes, van
onderen tot aan de knie open is, om de pijpen van den witten calzona
of langen onderbroek te laten zien, die even als het hemd geborduurd
is. De europeesche laars is vervangen door de bota vaquera of companera
van hertsleder, die niet minder fraai gestempeld is dan de zadel, en de
zwarte ronde hoed door den sombrero of breedgeranden strooien hoed, met
gouden en zilveren toquilla. Bij regenachtig weder zijn de beenen van
den ruiter door tijgervellen of door net bereide kalfshuiden bedekt,
en wordt zijn bovenlijf beveiligd door de sarape, eene soort van mantel
van zeer dicht geweven wol of cachemir van de schitterendste kleuren,
die anders ineengerold achter hem op het paard ligt.

In het regen- of winter-saizoen kan men den Mexikaan van goeden
huize geregeld drie avonden der week in den schouwburg of de opera
aantreffen--hij is een hartstochtelijk minnaar van muziek;--terwijl hij
in de zomermaanden een trouw bezoeker van de stierengevechten in den
circus is. Alleen reeds aan den toeloop, welken deze laatstgenoemde
volksvermakelijkheid in Mexiko uitlokt, en aan de belangstelling
en geestdrift die zij er onder alle standen opwekt, herkent men de
spaansche afkomst van een groot deel der mexikaansche bevolking. De
stierengevechten worden in de hoofdstad en in de andere groote steden
des rijks met weinig minder praal gehouden dan in hun eigenlijke
vaderland, en de picadores (stier-bevechters te paard), de espadas,
chulos en banderillas (strijders te voet) zijn er even prachtig
uitgedost en evenzeer het voorwerp der bewondering van de zijde der
menigte, als in Oud-Castilië zelf.

Er bestaat bij de Mexikanen tot heden toe eene gewoonte, die zoo niet
aan de aartsvaderlijke tijden dan toch aan de schoone gebruiken der
middeleeuwen doet denken. Wanneer om zes uur des avonds de oracion
of vesper luidt, blijven allen die zich op straat bevinden staan,
om elkander la buena noche te wenschen. In de huizen heeft overal
hetzelfde plaats; en zoowel in de steden als op het platte land
treden de dienstboden het huisvertrek binnen, om hunnen meester of
hunne meesteres de hand te kussen.

Omtrent twee voorname verbruiksartikelen der Mexikanen, de pulque en
de tortilla, moeten wij een enkel woord zeggen.

Na de banaan en de maïs is de maguey (eene verscheidenheid der
Agave americana) het kostbaarste--in één opzicht wellicht ook het
noodlottigste--geschenk, waarmede de natuur Mexiko begiftigde. Deze
reusachtige plant tiert zelfs op de dorste gronden. Haar stengel,
die niet zelden eene lengte van vijf of zes el bereikt, levert de
mescal, de pulque en eene soort van melasse op. Uit hare vleezige en
taaie bladeren, dikwijls eene lengte van twee of drie el hebbende,
wordt eene papiersoort, aan het papyrus gelijk, alsmede eene ongemeen
sterke soort van hennep bereid; andere gedeelten dier bladeren dienen
tot dakbekleeding; terwijl uit de dorens of stekels der plant naalden
en spijkers of pinnen worden vervaardigd.

De pulque wordt verkregen door een diepe insnijding in den stengel,
en bestaat in een wit of kleurloos sap, in zulk eene aanmerkelijke
hoeveelheid in de plant voorhanden, dat men vijf maanden lang negen
of tien kan daags daarvan uit de gemaakte opening kan scheppen. Uit
dit vocht wordt een dikke, zuurachtig smakende drank bereid, die eene
zeer benevelende kracht bezit, en inzonderheid bij de mindere standen
den jenever of brandewijn vervangt.

De tortilla is een nationaal gerecht, dat de plaats van ons brood
bekleedt. Zij bestaat in een dunnen, drogen en vrij smakeloozen koek
van maïsmeel, die onder alle standen, in de steden zoowel als op het
land, gegeten en in de gezinnen zelven bereid wordt. Desniettemin
worden er in Mexiko overal bakkers gevonden; deze bakken echter in
den regel het eigenlijk gezegde brood slechts voor vreemdelingen,
en voorzien tevens de bevolking van een aantal soorten van klein
brood of liever koeken, waarvan door de Mexikanen bij de chocolade,
die zij op onderscheidene tijdstippen van den dag nuttigen, eene
groote hoeveelheid gebruikt wordt. De tortilla maakt echter bij
het ontbijt en het avondeten het voorname gerecht uit, terwijl zij
voor de mindere klassen zelfs de éénige broodspijs is. De bereiding
der tortilla behoort tot de eerste kundigheden, die de meisjes in
mexikaansche burgergezinnen zich eigen maken.



V.

    Merkwaardigheden uit Mexiko's omtrek.--Popotla.--Chapultepec.--Het
    cypressenbosch van Montezuma.--De ruïnen van
    Tlalmanalco.--Guadalupe en zijne wonderbron.


Wanneer men Mexiko door de garita van San Cosme verlaat en
den straatweg volgt, komt men spoedig te Popotla, waar volgens
de overlevering Cortez, na den rampspoedigen nacht, in Mexiko's
geschiedenis onder den naam van la noche triste bekend--den nacht van
1 Juli 1520 namelijk, waarin de beroemde veroveraar, na den dood van
Montezuma, uit de mexikaansche hoofdstad naar Tlascala de wijk moest
nemen,--zich moedeloos onder een aheuheute zou neêrgeworpen hebben,
om de overblijfselen van zijn klein leger te zien voorbijtrekken. Op
het plein vóór de eenvoudige maar zeer oude kerk van Popotla, door
Cortez ter herinnering aan dien geduchten nacht gesticht, verheft zich
thans nog de eerwaardige ceder, die den held destijds overschaduwde.

Eene andere merkwaardige plek in den omtrek van Mexiko is Chapultepec,
waar zich eens het meest geliefkoosde lustslot van Montezuma verhief,
in eene landstreek die reeds sinds eeuwen door eene nijvere bevolking
bewoond werd. Op den heuvel, waar weleer dit paleis stond, werd
in 1785 door den spaanschen onderkoning Don Bernardo de Galvez het
tegenwoordige kasteel van Chapultepec gebouwd, zoo het heette om een
buitenverblijf, maar inderdaad om een citadel te bekomen. In 1841
werd het in eene militaire school herschapen, en later strekte het den
president Miramon tot verblijfplaats. Op de azoteas van dit slot geniet
men een allerprachtigst uitzicht. De voornaamste merkwaardigheid,
welke deze plek oplevert, is echter het cypressenbosch, dat tijdens
het leven van Montezuma reeds verscheidene eeuwen oud was.

"Vele uren," zegt een schrijver van onzen tijd, "bracht ik in dit
bosch van Montezuma door. Deze edele cypressen, die eene reeks
van geslachten en vorstenhuizen zagen ontstaan en verdwijnen,
herinnerden mij den luister der roode cederwouden van Klamat en
Redwoodcreek in Californië. Hunne krachtige takken, welke zich te
zamen hebben gevlochten en waarvan het bleekgroene spaansche mos
als lange zijden franje nederhangt, vormen een hoog verheven groenen
koepel van een verwonderlijken bouw, waardoor de zonnestralen niet
kunnen heendringen. De menschelijke stem weêrklinkt hier als onder
de gewelven van een tempel, waarvan de rechte en zware boomstammen,
van welke velen een omtrek van nagenoeg vijftig voet hebben, de zuilen
schijnen te zijn."

Nog verdienen bijzondere aandacht de ruïnen van Tlalmanalco. Zij
liggen eenige mijlen ten zuiden van Mexiko, in de richting van den
Iztaccihuatl en den Popocateptl. Het zijn de overblijfselen van
een Franciskaner klooster, welks bouw, in de eerste tijden na de
verovering des lands ondernomen, nooit geheel voltooid schijnt te
zijn. De prachtige bogen en zuilen waaruit zij bestaan, en die deels
in moorschen en gothischen, en deels in den renaissance-stijl gebouwd
zijn, (terwijl de aangebrachte versieringen en de gansche uitvoering
van het werk een zuiver mexikaanschen stempel dragen) getuigen van
den luister, dien dit vervallen bouwgewrocht moet bezeten hebben, en
herinneren niet minder levendig dan het binnenplein van het klooster
der Barmhartigheid, aan de Alhambra van Grenada en aan de kathedraal
van Burgos.

Twee uren ten noorden van Mexiko ligt het vlek Guadalupe Hidalgo,
dat sedert eenigen tijd door een spoorweg met de hoofdstad verbonden
is. Het heeft zijn ontstaan aan eene beweerde verschijning der
Moedermaagd te danken, die zich volgens de overlevering, in 1531 op
deze plaats aan een bekeerden Indiaan, Juan Diego genaamd, vertoonde
en hem gelastte om aan den bisschop Zumarragia hare begeerte te doen
kennen, dat in die streek een aan haar gewijde tempel zou worden
gesticht; terwijl zij, ten bewijze dat zij werkelijk de persoon was
voor wie zij zich uitgaf, uit den rotsgrond eene bron ontspringen en
bloemen ontluiken deed. Op de plek, waar de verschijning plaats had,
verrees al spoedig eene kleine bidkapel, over welke Juan Diego tot
aan zijn dood het opzicht voerde; en voordat eene eeuw verloopen was,
verhief zich daarnevens een trotsch tempelgebouw. Later werd de kleine
bidkapel del Cerrito door eene grootere vervangen, en boven de bron
eene andere, ongemeen luisterrijke kapel opgericht. Het aanwezen zoo
van deze weidsche tempels als van de wonderbron, deed van lieverlede
op dit punt een vlek ontstaan, dat den naam van Guadalupe ontving.

De kathedraal van Guadalupe is een indrukwekkend gebouw in
spaansch-moorschen stijl. Haar inwendige onderscheidt zich gunstig
door het gemis van die bonte kleurenpraal en die opeenhooping van
versieringen, anders aan spaansche kerken zoozeer eigen; hetgeen
echter niet belet dat weinig bedehuizen rijker en prachtiger dan
deze hoofdkerk zijn. De kapel, die, boven de minerale bron, tegen de
helling van een heuvel gesticht is, gaat voor een van de fraaiste
bouwgewrochten der nieuwe wereld door. Zij is in eene soort van
renaissance-stijl opgetrokken, maar levert door de aangebrachte
versieringen in moorschen en mexikaanschen stijl een merkwaardig
geheel op.

De kapel del Cerrito is een plomp gevaarte; maar het panorama dat
zich op haar plat dak voor het oog ontrolt, is onvergelijkelijk
schoon. Een groot deel der prachtige vallei van Mexiko, met hare meren,
hare met tallooze koepeldaken en torenspitsen prijkende steden, hare
lommerrijke bosschages en haren gordel van schilderachtige bergen,
ligt hier voor den opgetogen aanschouwer uitgespreid. "Bij het genieten
van dit gezicht," zegt een schrijver, "deelt men in de verrukking,
die de soldaten van Cortez vervulde, toen zij van de Sierra van
Ahualco in dit aardsche paradijs afdaalden."

Dagelijks wordt de kapel der Cerrito door vele bedevaartgangers uit
de hoofdstad en van andere punten der vallei bezocht, niet enkel om
Onze-Lieve-Vrouw van Guadalupe, de beschermheilige des lands, hunne
hulde te brengen, maar vooral om het water der wonderbron te drinken,
dat gezegd wordt alle kwalen te genezen. Vooral op den verjaardag
der verschijning, den 12den December, vloeit hier steeds van alle
zijden des lands eene ontelbare menigte bijeen, en na den afloop
der kerkelijke diensten heerschen dan in het vlek en den geheelen
omtrek eene drukte en vroolijkheid, alsof er eene groote jaarmarkt
werd gevierd.



VI.

    Puebla de los Angelos.--Cholula.--De teocalli van Quetzalcoatl.


Na de hoofdstad is Puebla de los Angelos zoo al niet de
volkrijkste stad van het mexikaansche rijk--zij telde in 1862 85,000
inwoners, en Guadalajara 5000 zielen meer--dan toch de fraaiste en
belangrijkste. Even als Mexiko, munt zij uit door breede, rechte
en goed geplaveide straten en ruime pleinen, door het aanzienlijk
voorkomen harer huizen en de pracht harer openbare gebouwen. Zij
bezit zestig kerken, omstreeks dertig kloosters, en een honderdtal
klokketorens en hooge koepeldaken. Haar in dorischen stijl gebouwden
dom, met zijne twee sierlijke torens, is niet alleen uitwendig
grootscher dan de kathedraal der hoofdstad, maar overtreft deze
wellicht ook in inwendigen rijkdom en luister. Het gewelf wordt
door majestueuse zuilen gedragen; het kolossale hoogaltaar is geheel
van marmer, en de wanden van het gebouw zijn met marmeren platen van
verschillende kleur bekleed. Het oog wordt verblind door den glans der
gouden en zilveren altaargereedschappen; vele altaren bestaan zelfs
geheel uit massief zilver, en de kasuifels der priesters fonkelen
van diamanten en andere edelgesteenten.

Puebla werd door den spaanschen onderkoning Mendoza (1530) gesticht,
op weinige uren afstands van de oude vermaarde Azteken stad Cholula,
die, zooals Cortez aan het hof te Madrid berichtte, twintigduizend
huizen en vierhonderd tempeltorens bevatte, en in welker nabijheid
zich een teocalli (berg door menschenhanden gemaakt) of vierzijdige
pyramide verhief, die tot op den tegenwoordigen tijd wel bewaard
bleef, en een van Mexiko's oudste bouwgewrochten is. Zij is echter
zoodanig met gras en woekerplanten overdekt, dat men haar voor
een natuurlijken berg zou houden. Uit leemen, in de zon gedroogde
tichelsteenen gebouwd, die met lagen leem afwisselen, verheft de
pyramide zich terrasvormig--met vier naar den top smaller wordende
terrassen--tot eene hoogte van 54 Ned. el, terwijl elke zijde van
haar grondvlak nagenoeg 450 el lang is; zoodat deze teocalli een
veel uitgestrekter basis dan de egyptische pyramiden, maar eene
aanmerkelijk geringer hoogte heeft. Tijdens den aanleg van den weg
naar Vera-Cruz, in het begin dezer eeuw, vond men in een der zijden
van den teocalli een grafkelder, die twee lijken, afgodsbeelden van
bazalt, en eenig kunstig beschilderd vaatwerk bevatte; waardoor de
overlevering bevestigd werd, dat deze pyramiden, even als die der
Egyptenaren, tot grafsteden voor koningen en wijzen des volks gediend
hadden. Ofschoon er in dezen grafkelder geen kostbaarheden gevonden
werden, moet men er zich toch over verwonderen, dat deze en de overige
teocalli, die Mexiko nog bezit, niet reeds lang omvergehaald werden,
in de hoop van er schatten in te vinden, zoo aanzienlijk, als volgens
de archieven van Truxillo, door Guttierez de Toledo ontdekt werden,
die in 1576 in het graf van een peruaansch koning, voor eene waarde van
omstreeks 2-1/2 millioen gulden aan goud en andere kostbaarheden vond.

Vóór de komst der Spanjaarden was Cholula voor Anahuac--zooals het
groote centrale tafelland genoemd wordt, dat nagenoeg drie vijfden
der oppervlakte van het mexikaansche rijk uitmaakt--wat Mekka voor
de Muzelmannen is: de bij uitnemendheid heilige stad. Het had deze
vermaardheid te danken aan eene overlevering, volgens welke de
heilige Quetzalcoatl (slang met groene vederen) zich weleer twintig
jaren binnen haren omtrek had opgehouden; welk tijdsverloop eene
soort van gouden eeuw voor de Cholulanen was geweest. Hij had hun de
kunst geleerd om metalen te bewerken, en hen in de tijdrekenkunde en
sterrenkunde ingewijd, en zich daarna verwijderd, onder belofte dat
hij of zijn nakomelingen na verloop van eeuwen zouden terugkeeren, om
de taak van leeraars en bestuurders van het volk der Azteken weder op
te vatten. Daar het toeval wilde dat hij ter zelfder plaats verdwenen
was, waar Cortez op de mexikaansche kust landde, kwam Montezuma op
de gedachte, dat deze laatste wel de vergode Quetzalcoatl kon zijn:
een waan, die zich weldra door gansch Anahuac verspreidde en niet
weinig bijdroeg om den Spanjaarden de verovering der nieuwe wereld
te vergemakkelijken.

De stad, door Mendoza in de nabuurschap van het Mekka der Azteken
gesticht, overschaduwde dit spoedig. Naarmate de kathedraal, waaraan
volgens de overlevering des nachts, als de arbeid der menschen rustte,
door de engelen werd voortgebouwd,--eene overlevering aan welke de
stad haren naam Puebla de los Angelos ontleent--zich verhief, taande
de glans der heidensche tempels. De stroom der pelgrims richtte zich
van lieverlede niet meer naar de aan Quetzalcoatl gewijde teocalli,
maar naar de altaren der Madonna van los Remedios. Weldra zelfs verrees
op den top der heidensche pyramide eene christelijke kapel; terwijl het
vermaarde en machtige Cholula, ofschoon het nog lang eene schaduw van
onafhankelijkheid tegenover de Spanjaarden behield, trapsgewijs van
zijne grootheid verviel, en thans tot een onaanzienlijk, uitsluitend
door Indianen bewoond vlek is gedaald.

De bevolking van Puebla onderscheidt zich gunstig door hare nijverheid
en ondernemingszucht. De stad bezit een aantal spinnerijen, weverijen
en allerlei andere fabrieken, ook van eene in het gansche land zeer
gezochte soort van aardewerk. Zij werd echter door het beleg der
Franschen, dat van September 1862 tot Mei 1863 duurde, zeer geteisterd.

Op de hoogten buiten de stad heeft men een ongemeen fraai gezicht
op Mexiko's drie vermaardste bergen: westwaarts op den Popocateptl
en den Iztaccihuatl, en oostwaarts, op eenigen verderen afstand,
op den trotschen Cilalteptl (piek van Orizaba); een gezicht vooral
indrukwekkend, wanneer de eerste stralen der morgenzon de bergspitsen
met den schoonsten purperglans tooien, of de gloed der ondergaande
zon die spitsen nog verguldt als de avondschaduwen reeds over de
vlakte verspreid liggen. De reiziger, die van Puebla oostwaarts trekt,
ziet onwillekeurig telkens om en staat stil op zijn pad, als kon hij
geen afscheid nemen van dat prachtige tweeling-gebergte, dat wel van
zelf op de oude bewoners des lands een diepen indruk moest maken, en
hunne fantazie prikkelen tot zonderlinge scheppingen en aangrijpende
beelden. In hun bijgeloof hielden zij den rookenden Popocateptl voor
den man der "Witte Vrouw"; terwijl zij in zijn gerommel en gebulder
het gekerm der booze opperhoofden meenden te herkennen, opstijgende
uit den vuurpoel, die hun tot kerker was aangewezen. Zij verkeerden in
den waan dat ieder, die het waagde den berg te beklimmen, op de plaats
dood zou blijven; en het verhoogde dus niet weinig het prestige dat
de blanken op hen uitoefenden, toen kapitein Diego Ortaz met negen
andere Spanjaarden, door Cortez daartoe aangespoord, den vulkaan tot
dicht bij den top beklom. Hoe verbaasd zouden zij hebben gestaan,
indien zij hen de vermetelheid zoover hadden zien drijven van, gelijk
later door anderen geschiedde, in dien krater af te dalen!

Zulk eene nederdaling was onder anderen het voorname doel van een
tocht, in Januari 1857 door de heeren A. Sonntag en Jules Laberriere
naar de kruin van den Popocateptl ondernomen, ter volbrenging van
eene, hun door de mexikaansche regeering opgedragen wetenschappelijke
taak,--een tocht waarvan wij hier een kort verslag laten volgen.

Van regeeringswege waren hun toegevoegd een natuurkundige,
Sumichrast genaamd, en de heeren Salazar en Ochoa, kweekelingen van
de mexikaansche scholen voor landbouw en geneeskunde; terwijl zich
bovendien de heer Saturnino Perez, van Amecamea, bij hen aansloot,
die den berg reeds meermalen had beklommen.

Den 20sten Januari vertrokken zij van laatstgenoemde plaats. Zij
vernachtten in het op eene bergvlakte gelegen rancho (gehucht)
Tlamacas, dat slechts uit een houten logement en eenige hutten
bestaat, en zetten den volgenden morgen met het aanbreken van den dag
de beklimming voort. Toen zij de baranca van Huiloac bereikt hadden,
hield alle plantengroei reeds op, ofschoon die rotskloof nog op een
aanmerkelijken afstand van het sneeuwveld ligt dat op 3860 el boven het
waterpas der zee een aanvang neemt; terwijl de gansche hoogte van den
Popocateptl ruim 5400 el bedraagt. Tot dusverre hadden zij den tocht te
paard afgelegd; maar bij la Cruz, een dicht bij de sneeuwlijn gelegen
punt, gekomen, werden de paarden, met eenige Indianen van het geleide,
naar Tlamacas teruggezonden. Met den wakkeren gids Angel Bastillo en
den heer Perez aan het hoofd, vervolgde het gezelschap de beklimming
thans te voet. Het duurde echter niet lang, of de heeren Salazar en
Ochoa moesten ten gevolge van zware vermoeidheid achterblijven. De
overigen ondervonden in geen geringe mate de gewone bezwaren aan het
bestijgen van hooge bergen verbonden, en vooral leed de heer Sonntag
veel aan hartkloppingen en beklemdheid van ademhaling.

Reeds op een afstand van omstreeks duizend voeten van de kruin des
bergs verried eene sterke sulferlucht de nabijheid van den krater,
welks rand zij tegen half twee bereikten; een paar uur later werd
het gezelschap verrast door de verschijning der heeren Salazar en
Ochoa, die alle krachten hadden ingespannen om zich weder bij hunne
metgezellen te voegen.

De heer Laberriere wilde thans onverwijld tot eene nederdaling in den
berg overgaan; maar de toestand van den heer Sonntag liet dit niet
toe. De Indianen werden nu op drie na, behalve den gids Bastillo,
naar Tlamacas teruggezonden, werwaarts zich ook don Perez begaf,
terwijl de overigen den nacht sleten in een kleine grot, la Cueva del
Muerta geheeten, die binnen in de monding van den krater, op 70 of 80
el van zijn rand, wordt aangetroffen. Op die hoogte bevindt zich in den
krater eene rotsvlakte, waartoe eene spleet in den bergwand toegang
verleent. Deze grot was echter ternauwernood groot genoeg om de vijf
reizigers te kunnen bevatten. "Die nacht," zegt Laberriere, "was de
akeligste dien ik ooit doorbracht. Een brandende dorst verhinderde
mij een oog dicht te doen, 't geen mij waarschijnlijk toch door
het eeuwigdurend gerommel van den onderaardschen vuurhaard belet
zou zijn. Mijn hoofd gloeide, mijne ledematen waren als bevroren,
en de zwavellucht benauwde mijne ademhaling geducht. Mijn pols sloeg
honderd-twintig slagen in de minuut. Ik behoef dus niet te zeggen met
welk een verlangen ik het aanbreken van den dag te gemoet zag." Het
verheven schouwspel dat het opgaan der zon op zulk eene hoogte
opleverde, wischte echter de herinnering aan den treurigen nacht
spoedig uit.

Het gezicht van den krater maakte op Laberriere geenszins dien
ijzingwekkenden indruk, welken hij verwacht had. »De reusachtige
middellijn van den mond van dezen bijna uitgedoofden vulkaan,"
zegt hij, »en de opeengetaste rostblokken en lavamassa's die zijn
benedenruim vullen, verminderen grootelijks de gewaarwordingen,
die anders het gezicht eener ontzettende diepte verwekt. Sommige
afgronden in de Alpen en verscheidene gapende rotskloven in de
Cordilleras maakten op mij een veel machtiger indruk."

De nederdaling in den krater heeft plaats door middel van een
ruwen maar stevigen kaapstander, die op de vlakte in zijnen mond is
opgericht. De toestand van den heer Sonntag maakte ook den volgenden
dag eene afdaling onmogelijk. Hij volbracht die evenwel korten tijd
daarna zonder Laberriere, en bereikte toen zijn doel, het doen van
geodesische opmetingen, naar wensch. Het is ons oogmerk niet, in
bijzonderheden te treden omtrent de uitkomsten van dit onderzoek,
die aan vele onzer lezers waarschijnlijk te afgetrokken zouden
voorkomen.--In de maand Mei van hetzelfde jaar werd ook door den
kapitein der genie, don Perez de Castro, eene nederdaling in den
Popocateptl ondernomen.



VII.

    De vallei van Otumba.--De bouwvallen van Teotizuacan.--Perote.--Het
    graf van Iturbide.--De mexikaansche wegen.--De laatste beklimming
    van den piek van Orizaba.--Jalapa en zijne typen.--De hacienda
    Manga de Clavo.--Vera-Cruz.


Behalve over Puebla, kan men zich nog langs een anderen weg, over
Tlascala namelijk, uit Mexiko naar Vera-Cruz begeven. Deze prachtige
weg is niet minder rijk aan geschiedkundige herinneringen. Immers hij
leidt door de vallei van Otumba, waar Cortez, zes dagen na zijn aftocht
in la noche triste, aan het hem achtervolgende talrijke heir der
Mexikanen slag leverde, en met zijn handvol dapperen, bijgestaan door
de hem trouw gebleven Tlascalanen, eene merkwaardige zege behaalde:
eene zege, die echter 't meest aan het beleid en den persoonlijken
moed van Cortez zelf te danken was. Waarschijnlijk toch zouden de
Mexikanen niet op de vlucht gegaan zijn, wanneer hij niet--zich ter
rechter tijd herinnerende, dat de val der rijksvaan in hunne oogen
den slag besliste--slechts door eenige weinige ruiters vergezeld, op
den aanvoerder, die den mexikaanschen standaard droeg, was losgerend
en de vaan in triomf met zich had gevoerd.

In het aan deze vermaarde vallei grenzend dal van Tlascala worden de
bouwvallen van Teotizuacan gevonden, die, met de teocalli van Cholula,
de oudste overblijfselen der toltekische bouwkunst zijn. Reeds bij
de komst der Azteken in Mexiko, was Teotizuacan (godenverblijf),
thans een onbeduidend indiaansch vlek, de mededingster van Tula,
de groote hoofdstad der Tolteken. De twee voornaamste pyramiden die
men hier aantreft, waren gewijd aan Tonatiuh (de zon) en Metztlie
(de maan), en de vele kleinere, van welke slechts weinigen hooger dan
tien el zijn, aan de voornaamste sterren of sterrenbeelden. Op den
top der twee eerstgenoemde teocallies stonden reusachtige beelden,
zon en maan voorstellende, die geheel met goud bekleed waren; 't
geen den volgelingen van Cortez nog te eerder tot hunne vernieling
deed besluiten.

De beide wegen naar Vera-Cruz gaan over Perote, die ruim 2350 el
boven het vlak der zee gelegen is, en waar het dan ook streng koud kan
zijn; niet streng genoeg evenwel om den naam van mexikaansch Siberië,
dien Perote draagt, te rechtvaardigen. In de nabijheid dezer plaats
verheft zich de Nauhcampateptl of Coffre de Perote, eene vulkanische
porfierrots, die nagenoeg 4100 el hoog is, en welker top de gedaante
eener kist heeft.

De kapel van het sterke, met een tuighuis, eene kanongieterij en
eene wapensmederij verbonden kasteel van Perote bevat de asch van
den gewezen mexikaanschen keizer Augustus I (generaal Iturbide), die,
in 1824 uit Europa naar Mexiko wedergekeerd om zich op nieuw van het
gezag meester te maken, dadelijk bij zijne landing te Soto la Marina,
door La Garza gevangen genomen, en den 19den Juli te Padilla, zonder
vorm van proces, gefusilleerd werd.

Sprekender bewijs van de zorgeloosheid der mexikaansche regeering
bestaat er wel niet, dan de toestand, waarin de weg tusschen Perote
en Jalapa verkeert. Wij bedoelen natuurlijk den straatweg: spoorwegen
zijn in Mexiko nog uiterst schaars; maar ook de steen- en andere
wegen verkeeren er over 't geheel in een droevigen staat van verval en
verwaarloozing, 't geen er het reizen met postwagens--groote gevaarten,
in den trant der engelsche en noord-amerikaansche stage-coaches,
met drie tot vijf paar muilezels of paarden bespannen--verre
van aangenaam maakt. Voegt men hierbij, dat het meerendeel der
openbare wegen in Mexiko over 't geheel niets minder dan veilig is,
dan zal men te eerder begrijpen, dat het reizen in dit gedeelte der
nieuwe wereld nog wel iets te wenschen overlaat. Intusschen werd er,
dank hebbe de zorg van den handelstand van Vera-Cruz, in het begin
dezer eeuw, van die haven, over bergen en door wildernissen heen,
een fraaie weg naar het hooge binnenland aangelegd. In het jaar 1815
maakten de opstandelingen dezen weg echter op sommige plaatsen, en
vooral op dit punt, totaal onbruikbaar; en nu werd er, noch door de
spaansche onderkoningen, die zich achtereenvolgens tot in 1821 in
de opgestane kolonie trachtten te handhaven, noch door de overheden
der latere republiek, iets verricht om de veroorzaakte verwoesting te
herstellen, zoodat de beste gedeelten van den weg misschien die zijn,
waar geen zweem van plaveisel gevonden wordt.

Men mag zich echter vleien, dat Mexiko, wat zijne middelen van
gemeenschap en het veilig gebruik daarvan betreft, spoedig gelukkiger
dagen beleven zal. De staat der wegen is--het kon inderdaad niet
anders--een der eerste onderwerpen geweest, die de aandacht der
keizerlijke regeering tot zich getrokken hebben. Naar men verzekert,
is er reeds een fransch hoofdambtenaar van den waterstaat naar Mexiko
op weg, om die regeering bij de uitvoering harer plannen ter zijde te
staan; terwijl eene concessie, in 1856 aan den heer Escandon verleend,
om den Atlantischen oceaan met de Stille Zuidzee door middel van een
spoorweg, van Vera-Cruz uitgaande en langs de hoofdstad loopende, te
verbinden, op dit oogenblik weder een punt van ernstige overweging bij
het mexikaansche kabinet uitmaakt. Van hoeveel belang voor Mexiko's
handel en nijverheid en ook voor het algemeen verkeer, het bestaan
eener gemakkelijke en snelle gemeenschap van het binnenland met de
oost- en westkust des lands zou zijn, behoeft wel geen betoog. [3]

Hoe meer echter de reiziger, die zich van Perote naar Jalapa begeeft,
deze laatste stad nadert, hoe meer hij zich de schokken getroost,
die hij onophoudelijk moet doorstaan; want zoodra hij San Miguel el
Soldado achter den rug heeft, wordt het landschap, dat in den omtrek
van Perote zeer dor en eentonig is, weder veel fraaier; en terwijl
het oog nog met bewondering op den Coffre de Perote rust, daagt
aan den zuidelijken gezichteinder de in den eeuwigen sneeuwmantel
gehulde piek van Orizaba weder op, aan welks voet de steden Orizaba
en Cordova liggen.

In 1856 werd deze piek, althans voor zoover bekend is, voor 't
laatst beklommen, en wel door den duitschen natuuronderzoeker baron
Von Müller. Den 30sten Augustus verliet hij de stad Vera-Cruz met
drie reisgezellen: den heer A. Sonntag, dezelfde, die herhaaldelijk
den Popocateptl besteeg; Malmsjö, een Zweed van geboorte, en een
ongenoemd berlijnsch geneesheer. Zij vernachtten den derden dag na
hun vertrek op een punt van den berg, dat reeds hooger lag dan de
hoogste spits van den Mont-Blanc, die zich 4800 el boven het zeevlak
verheft. De koude was hier zoo streng, dat zij niet alleen een vuur
ontsteken, maar ook een hut moesten samenstellen om zich een weinig
te beschutten. De thermometer teekende 10° onder nul, terwijl hij
weinige uren te voren nog 29° daar boven stond. Den volgenden morgen
te zeven uur nam de beklimming van den top een aanvang. Na met zeer
veel moeite en inspanning 360 el te zijn gestegen, waren de gidsen zoo
kortademig en afgemat, dat zij moesten achterblijven; Von Müller en
zijne medgezellen zetten nu alleen den tocht over het met eene dunne
ijskorst bedekte en hoe langer hoe steiler wordende sneeuwveld voort;
terwijl zij om beurten zelven den korf met mondbehoeften en verdere
benoodigdheden droegen.

Reeds waren zij den rand des kraters tot op een geringen afstand
genaderd, toen eene breede, gedeeltelijk met sneeuw gevulde rotskloof
hun den weg afsneed. Een plotseling opkomende dikke nevel maakte
het hun onmogelijk den koers te bepalen, dien zij volgen moesten om
deze kloof om te trekken; zij oordeelden het dus raadzaam naar de
door hen gebouwde hut terug te keeren. De tweede nacht, dien zij
hierin doorbrachten, was nog vrij wat hachelijker dan de eerste;
want niet alleen hadden zij de mand met ververschingen onder weg
verloren, maar hunne oogen waren door de gestadige opstijging van
het bloed naar het hoofd en door de scherpe koude zóó ontstoken,
dat zij eene geduchte pijn leden. De oogen van twee der reizigers,
de heeren Sonntag en Malmsjö, bevonden zich den volgenden morgen
zelfs in een deerniswaardigen toestand.

Von Müller besloot thans de bestijging aan de zijde van Chalchicomula
te ondernemen. Hier liet hij de ooglijders achter, en voegden zich twee
nieuwe metgezellen bij hem: de heer Campbell, een Noord-Amerikaan,
met het bestuur van het mexikaansche telegraafwezen belast, en de
heer de la Huerta uit Puebla. De beklimming ging nu aanvankelijk
voorspoediger; maar weldra werd de ademhaling der reizigers zeer
belemmerd, en ondervonden zij, ofschoon hun gelaat gesluierd was, zulk
eene pijn aan de oogen, dat de gidsen weigerden verder te gaan, en
Von Müller enkel door de ernstige bedreiging dat hij den tocht alleen
zou vervolgen, zijne reisgezellen bewegen kon om dien met hem voort
te zetten. Ondanks alle bezwaren: vermoeidheid, benauwde ademhaling,
hartkloppingen, drukking der hersenen, eene scherpe jachtsneeuw die
de huid allergevoeligst aandeed; ondanks het opgeven van bloed uit
neus en mond en van herhaalde flauwten zelfs,--bereikte Von Müller,
tegen zes uur des namiddags van den 9den September, den rand van den
krater. De vreugde over het bereiken van zijn doel deed hem al zijn
doorgestaan lijden vergeten; maar toen hij zich de verkregen uitkomst
ten nutte wilde maken, verloor hij andermaal zijn bewustzijn.

"Zoodra ik weder tot mij zelven gekomen was," zegt hij, "spande ik
alle krachten in om den krater nauwkeurig op te nemen. Ik kon dien
echter, zoo ten gevolge der sneeuwbuien als van mijne afgematheid,
niet met den sextant meten; maar de indruk, dien zijn geduchte omvang
en diepte op mij maakten, was onbeschrijfelijk. Welk eene verbazende
kracht, riep ik uit, moet de natuur ontwikkelen, om den lavastroom uit
dien ontzettenden afgrond tot aan den rand des kraters op te voeren!"

De reizigers hadden den nacht op den top willen doorbrengen; maar
de omstandigheden gedoogden dit niet. De beide gidsen, die zich
weder bij hen hadden gevoegd, vormden nu van de petates of matten,
die zij medegenomen hadden, eene soort van sleden, met behulp waarvan
Von Müller en de zijnen zich met zulk eene snelheid langs de steile,
bevroren berghelling naar beneden lieten glijden, dat hunne vaart op
sommige oogenblikken veel naar een val geleek. Bij hunne terugkomst
te San Andres Chalchicomula, werden zij door de bevolking feestelijk
ingehaald. De piek van den Orizaba--Cilalteptl of Berg van het
gestarnte genaamd--is, volgens Von Müller's berekening, niet minder
dan 5527 Ned. el hoog; door anderen wordt zijne hoogte echter op nog
geen 5300 el geschat.

Jalapa, aan welke stad de bekende medicinale wortel, die hier in
't wild groeit, zijne naam ontleent, is niet zeer groot--zij telt
ongeveer 12000 inwoners--maar allerfraaist gelegen, en zoo gezond dat
het een toevluchtsoord is voor kranken en zwakken uit den omtrek,
vooral gedurende die gedeelten des jaars, waarin de vomito zijne
verwoestingen langs de kust en in de vlakte aanricht. Het plantenrijk
is hier misschien weelderiger dan ergens elders in Mexiko en vervult de
lucht met de heerlijkste geuren. De tint der bevolking is er blanker
dan in het binnenland, en de vrouwen van Jalapa gaan zelfs voor de
schoonste des lands door.

Niet slechts de jaarmis, maar ook de gewone markten worden te Jalapa
ongemeen druk bezocht. Onder de velen, die van alle kanten hunne
koopwaren hier komen brengen, onderscheiden zich de bloemen- en
fruitverkoopsters van eene op eenigen afstand der stad gelegen streek,
door het teekenachtige en inderdaad klassieke van hare gestalte en
kleeding. Deze laatste bestaat uit eene meestal witte sarape (mantel)
en een rooden, gelen of blauwen rok, even als de mantel prijkende
met een zoom van eene sterk afstekende kleur, die met eigenaardige
figuren in bijna etrurischen stijl, versierd is. Ze hebben fraai
gekruld zwart haar of dragen het in sierlijke vlechten, door welke
roode linten of koorden zijn gestrengeld.--Nog andere typen trekken
op deze markten de aandacht van den vreemdeling. Onder anderen is
dit het geval met den indiaanschen mandenkoopman. Het zoogenaamde
markt-zonnescherm is hier, even als op andere plaatsen in Mexiko,
zeer in zwang, en voor de kleinere kramers, die er geen tenten op na
houden, eene onontbeerlijke beschutting tegen de tropische zon.

In den omtrek van Jalapa ligt de bekende hacienda Mango de Clavo,
waar generaal Santa-Anna--die gedurende ruim een veertigtal jaren, in
hoedanigheid van legerhoofd, president of dictator der mexikaansche
republiek, dikwerf eene allerbelangrijkste rol speelde--zich veelal
ophield wanneer hij niet verbannen was; in welk geval Carthagena in
Nieuw-Grenada of Cuba hem tot wijkplaats verstrekte.

Hoewel Jalapa de officiëele hoofdstad van den staat Vera-Cruz is,
kan de stad van dien naam toch als de gewichtigste van dien staat
worden beschouwd. Zij is tevens de voornaamste van al de havens van
Mexiko, daar hare scheepvaartbeweging, ondanks de onveiligheid der
reede, gemiddeld de helft van die der gezamenlijke mexikaansche
havens bedraagt. [4] In 1856 werden in geheel Mexiko slechts een
duizendtal schepen, een inhoud van honderd-duizend ton hebbende, in-
en uitgeklaard, en daarvan deden alleen 435 zeilschepen, te zamen
67,423 ton metende, en 104 stoomvaartuigen de haven van Vera-Cruz
aan. Ongeveer de helft der genoemde duizend vaartuigen bestond uit
kustvaarders. De belangrijkste mexikaansche havens, na Vera-Cruz,
zijn Acapulco, Tampico, Mazatlan en Matamoras.

Gedurende de drie laatste jaren voor 1864 is, ten gevolge der
buitengewone omstandigheden, het verkeer te Vera-Cruz natuurlijk sterk
verminderd. Uit een dezer dagen bekend geworden feit blijkt echter, dat
het zich van de geleden schokken wondersnel herstelt. De invoerrechten
te Vera-Cruz hebben namelijk over de negen eerste maanden van dit jaar
(1864) 2,445,292 piasters opgebracht: met andere woorden drie maal
meer dan gedurende 't zelfde tijdvak van 1863, en slechts weinig minder
dan zij (in evenredigheid) gemiddeld over de jaren 1856-60 bedroegen.

De haven van Vera-Cruz is slechts eene reede tusschen den vasten wal
en San-Juan d'Ulloa, het kasteel of versterkte eiland, dat de stad
dekt en reeds zoo menig bombardement onderging. Vera-Cruz is fraai
en regelmatig gebouwd en bezit vele schoone kerken en andere openbare
gebouwen. In weerwil echter dat deze stad het middenpunt vormt van het
verkeer tusschen het voormalige Nieuw-Spanje en Europa, en Mexiko's
voornaamste haven is, telt zij niet meer dan 18,000 inwoners. De
oorzaak daarvan moet hoofdzakelijk worden gezocht in de omstandigheid,
dat Vera-Cruz, door zijne ongunstige ligging tusschen moerassen
en zandwoestijnen en door de verschroeiende zuide- en verstijvende
noordewinden, die afwisselend langs deze kust heerschen, gedurende
een groot deel des jaar door de gele koorts wordt geteisterd.

Vier en een half uur van Vera-Cruz ligt het dorp Oud-Vera-Cruz, de
plek waar Cortez op Goeden Vrijdag van het jaar 1519 (21 April) aan
wal stapte, en waar nog in dat zelfde jaar eene stad door hem gebouwd
werd, aan welke hij, naar aanleiding van den dag waarop hij geland was,
den naam Vera-Cruz (het ware kruis) gaf. Deze stad moest echter om de
ongezondheid der plek, drie jaren later zuidwaarts worden verlegd. De
nieuwe stad, Antigua geheeten, werd evenwel om dezelfde reden weder
verlaten, toen de spaansche onderkoning Monterey, op 't laatst der
16de eeuw, overging tot het bouwen der tegenwoordige stad Vera-Cruz.



VIII.

    De bouwvallen bij Palenque en Chichen-Itza.--Processie te Merida.


Toen Francisco Hernandez de Cordova, in 1517, van San Domingo in
het schiereiland Yucatan kwam, vond hij het in verscheidene kleine
staatjes gesmaldeeld; hij vernam echter van de ingezetenen, dat deze
oostelijke uithoek van Mexiko sedert onheugelijke tijden één rijk
had uitgemaakt, maar dat omstreeks zeventig jaren vóór zijne komst
de verschillende hoofden des volks hunne onafhankelijkheid bevochten
en de prachtige en groote hoofdstad Mayapan verwoest hadden. Twee en
een halve eeuw ruim verliepen er voordat deze mondelinge overlevering
op onwederlegbare wijze bevestigd werd, en men door het ontdekken van
overoude bouwgewrochten in de bosschen van het aan Yucatan grenzende
Chiapas tot de overtuiging kwam, dat het schiereiland in een ver
verleden tijd een machtigen staat had gevormd, die niet onder de
heerschappij der Azteken en Tolteken gestaan, en welks bevolking
een nog hoogeren trap van beschaving bereikt had, dan waarop die
vroegste bewoners der overige deelen van Mexiko stonden. Hoogst
merkwaardig zijn de uitgestrekte bouwvallen, door kapitein Antonio
de Rio en don Jose Alonso in 1787, bij Palenque in den mexikaanschen
staat Chiapas ontdekt, maar, ten gevolge der verregaande lauwheid van
het spaansche bestuur, eerst in 1822 door kapitein Dupaix beschreven
en in plaat gebracht. Niet minder belangrijk echter en wellicht nog
uitgestrekter, zijn de ruïnen, in 1842 door een noord-amerikaansch
reiziger te Chichen-Itza bij Uxmal in Yucatan ontdekt, en die, naar
men meent, tot eene stad behoord hebben, welke "een der grootste was
die ooit op de aarde bestonden."

De fransche natuuronderzoeker Charnay gevoelde zich, door hetgeen hij
omtrent deze bouwvallen gelezen en vernomen had, in 1860 aangespoord
om eene reis naar Yucatan te ondernemen, uitsluitend met het doel om
door middel der photographie getrouwe afbeeldingen van een deel dezer
ruïnen te verkrijgen. De plaat, die wij op bladz. 21 mededeelen,
en die van den bouwtrant der te Chichen-Itza ontdekte gebouwen een
juiste voorstelling geeft, toont genoegzaam tot welk een hoogte
de oude bewoners des lands het in de bouwkunst gebracht hadden, en
doet tevens zien in welken toestand hunne fraaie bouwgewrochten zich
tegenwoordig bevinden.

Het belangwekkendste der gebouwen; door den heer Charnay in plaat
gebracht, is het zoogenaamde "Nonnenpaleis," waarvan hij drie
afbeeldingen gaf, één van het voorfront en twee van de noordzijde. Hij
noemt dit gebouw Chichen-Itza's juweel, om den rijkdom van beeldwerk
en andere versieringen, dien zijne gevels ten toon spreiden en die
hem aan den bouwtrant der Chineezen en Japaneezen herinnerde, te meer
nog omdat de vorm van het gebouw naar een chineeschen koffer gelijkt;
punten van overeenkomst, waardoor de meening dat de Chineezen reeds
in de eerste eeuwen onzer jaartelling met Amerika bekend waren,
waarschijnlijk op nieuw versterkt zal worden. Het inwendige van dit
gebouw bestaat uit vijf zalen, welke, even als die der te Palenque
ontdekte paleizen, volkomen op elkaar gelijken.

Een ander gebouw, door Charnay afgebeeld, wordt door de inboorlingen
"de kerk" genoemd. Hij gelooft echter met velen, dat het tot een
circus of worstelperk voor het aankomend geslacht gediend heeft,
iets waaromtrent het allegorische van het beeldwerk waarmede zijne
gevels prijken, naar zijne meening, geen twijfel overlaat. Aan het
gebouw, waarvan de afbeelding in dit blad voorkomt, wordt, Charnay
weet niet op welken grond, de naam van "gevangenis" gegeven. Het is
niet het rijkst versierde, maar wel het best bewaarde der in plaat
gebrachte monumenten.

Acht dagen hield de heer Charnay zich te midden der ruïnen op,
werwaarts hij door eenige ingezetenen van het schiereiland en een
geleide van Indianen en soldaten vergezeld was geworden. Voordat men
de bouwvallen kon genaken, moest men zich met de bijl een weg door
de lianen, heesters en doornstruiken banen, waarmede zij bedekt
en omgeven waren. De komst van het reisgezelschap joeg de eenig
overgebleven bewoners dezer verblijven, slangen, iguanen of groote
hagedissen en vogels met ongemeen fraaie vederen, op de vlucht. Des
nachts moesten er rondom de hangmatten vuren ontstoken worden, om de
tijgers op een eerbiedigen afstand te houden.

Merida, Yucatans hoofdstad, werd door den heer Charnay in de
Heilige-week van 1860 bezocht. Hij was bij die gelegenheid getuige
van vele kerkelijke optochten en feesten, die in Mexiko misschien
nog veelvuldiger dan in eenigen anderen katholieken staat plaats
hebben, omdat de mexikaansche geestelijkheid zich overtuigd houdt,
dat de Christenen uit de Indianen grootelijks behoefte hebben om de
voorwerpen hunner aanbidding en vereering verzinnelijkt te zien. Van
een gedeelte der processie op Goeden Vrijdag gehouden deelt Charnay de
photographische afbeelding mede, die op bladz. 13 voorkomt. De vrouw,
die de Heilige Moedermaagd voorstelde, was met eene menigte paarlen
en diamanten versierd, en werd door de Heilige Elisabeth gevolgd,
die zich geheel aan hare droefheid overgaf. Bij den ernstigen aard van
den optocht en bij de prachtige kostumen stak het echter zeer af, dat
het orkest 't welk den trein opende, en zelfs de muziek in de kerk,
enkel uit een draaiorgel bestond. Des avonds waren de vensters der
huizen bij het voorbijtrekken van den stoet met duizende waskaarsen
verlicht, en eene overgroote volksmenigte in bonte, schilderachtige
kleederdracht, onder welke ook vele aanzienlijke vrouwen waren,
sloot zich, met brandende kaarsen in de hand, aan den optocht aan.

Hier nemen wij afscheid van dit schoone land, door de natuur zoo mild
gezegend, met zoo oneindig vele hulpbronnen en schatten van allerlei
aard begiftigd, en toch zoo rampzalig, machteloos worstelende tegen den
druk van een noodlot, dat alle waarachtige ontwikkeling onmogelijk
maakt. Inderdaad, daar schijnt een fatum te rusten op verreweg
de meeste dezer amerikaansche republieken, met bijkans wanhopige
regelmatigheid rondgevoerd in den fatalen toovercirkel van anarchie
en despotisme, zonder dat hetzij de vrijheid, hetzij het gezag, zich
immer op vaste grondslagen vestigen, in ware en vruchtbare harmonie
ontwikkelen kunnen. Een onderzoek naar de oorzaken van dit verschijnsel
zou ons te ver voeren: hopen wij slechts dat spaansch-Amerika eenmaal
een man moge vinden, die uit dezen rampzaligen baaierd orde weet
te scheppen.



AANTEEKENINGEN


[1] De eigenlijke spelling is Mejiko, waarbij de j als onzen ch wordt
uitgesproken--Mechiko.

[2] Die wensch, wij weten het, werd niet vervuld; de edele,
ridderlijke, maar onvoorzichtige Maximiliaan viel als slachtoffer
dezer gewaagde onderneming, als slachtoffer misschien ook zijner
illusie, dat het mogelijk was een volk van roovers en bandieten
te regeeren met behulp eener opgeschroefde phraseologie. Hij werd,
wij weten het allen, op bevel van Juarez als een gemeen misdadiger,
doodgeschoten, nadat Frankrijk, hetwelk hem naar Mexiko riep, hem in
den steek gelaten had.--Het is hier niet de plaats over deze zooveel
besproken, in de gevolgen zoo bedenkelijke mexikaansche expeditie
uit te weiden: men mag echter veilig aannemen, dat de uitkomst,
en dus ook het algemeene oordeel over de zaak, geheel anders zou
geweest zijn, indien niet, vooral door de onbegrijpelijke politiek van
Engeland, waarop Napoleon zeker niet kon rekenen, de oorlog tusschen
de noordelijke en zuidelijke staten der Unie den uitslag gehad had,
dien wij kennen, en die de verwezenlijking van Napoleons verziende
plannen onmogelijk maakte. (Red.)

[3] Wat er van deze plannen sedert geworden is, weten wij niet. De
ongelukkige Maximiliaan had wel aan andere dingen te denken dan
verbetering van wegen en spoorweg-concessies; en bij den normalen staat
van anarchie en revolutie, waartoe Mexiko sedert weer is teruggekeerd,
zal er van dit alles ook wel niet veel zijn gekomen.

[4] Wij hebben op blz. 2, 2e kol., verkeerdelijk gezegd, dat de daar
genoemde cijfers van in- en uitvoer den handel van Mexiko over 1856-60
vertegenwoordigden: zij hebben enkel betrekking op het handelsverkeer
van Vera-Cruz. In 1856 beliep de algemeene invoer in Mexiko 65 en de
algemeene uitvoer 70 millioen gulden.





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Mexiko - De Aarde en haar volken, Jaargang 1865" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home