Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: De roman van Bernard Bandt
Author: Robbers, Herman Johan, 1868-1937
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "De roman van Bernard Bandt" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



  DE ROMAN VAN BERNARD BANDT.



  Van denzelfden schrijver:

  EEN KALVERLIEFDE, DE VERLOREN ZOON & DE VREEMDE PLANT.

  DE BRUIDSTIJD VAN ANNIE DE BOOGH.

  VAN STILTE EN STEMMING,
    Een bundel studies (Kamerstemming, Verjaardag, IJs in de gracht,
    Heimwee, Einde, Vacantie, In de stilte).

  DE ROMAN VAN EEN GEZIN. I
    De gelukkige familie.

  DE ROMAN VAN EEN GEZIN. II.
    Eén voor één.

  HELENE SERVAES



  DE ROMAN VAN
  BERNARD BANDT,

  DOOR HERMAN ROBBERS

  VIJFDE DRUK

  [Illustration]

  UITGEGEVEN DOOR JACs. G. ROBBERS
  TE AMSTERDAM. MCMXV.



  Lith. en Typ. van J. HOEKSTRA & Co., Den Haag.



  AAN MIJN VRIEND

  Mr. L. J. PLEMP VAN DUIVELAND.



[Illustration]



I.


Op zijn kantoor in de Warmoesstraat, aan zijn schrijftafel vlak bij 't
raam, zat hij te schrijven aan zijn vriend Edward, die in Batavia
woonde. Zijn stijf, geglansd papier bolde op, glimmend in 't kil-wittige
Octobermorgenlicht, zoodat hij zijn natte letters bijna niet zien kon.
Hij zat sterk voorover, met zijn linkerhand op 't papier, dat 't niet
kon verschuiven, nu en dan alleen wat rechter-op, als hij zijn zinnen
zat te maken, bijtend met zijn voortanden op 't botte eind van zijn
pennenhouder en kijkend, zonder te zien, door de beregende ruit tegen de
huizen aan van den overkant, zijn gezicht vertrokken als was er een vies
luchtje.

Verderop, aan weerszijden van 't lange lage vertrek, stonden een paar
bedienden tegen hun hooge, gele, leelijk grauwgele lessenaars te hangen
en een klein klerkje hurkte op een hooge kruk, aapachtig opgevouwen.

Dit schreef hij:

Je weet niet wat dat is voor mij, zoo'n brief van jou. Je kunt 't niet
weten, jij die er zooveel krijgt, met elke mail, niet waar? Van je vader
en je moeder, van je broers en je vrienden. Je kunt niet weten wat zoo'n
brief is voor mij, die geen vader, geen moeder, geen broers en geen
zusters, en geen vrienden heb -- dan jou alleen! Houd dit niet voor 'n
klacht of voor bitterheid, want dat is 't juist niet, heelemaal niet, 't
is een verhoovaardiging, 'n blij bluffen op iets wat ik heb en jij niet.
Zoo'n brief is voor mij wat 'n haas is, dien hij cadeau krijgt, voor
iemand die verschrikkelijk veel houdt van haas, maar geen geweer heeft
om er een te schieten en geen geld om er een te koopen. Nee! meer is
zoo'n brief voor mij. Want de man, die van haas houdt, brengt 'm naar
den poelier om 'm te laten villen en 't vel, daar bekommert hij zich
niet verder over, en over 't beest zelf eigenlijk ook niet; als hij er
lekker aan gesmuld heeft, gooit-ie de beentjes weg. Maar ik, als 'k den
brief gelezen heb, stop 'm weer in z'n envelop, want daar hoort-ie in,
daar heb ik 'm in zien komen en daar houd ik van, bijna net zooveel als
van den brief. En zoo, in z'n eigen envelop, steek ik 'm in me jaszak,
in me rechterbinnenzak, en graag haal ik 'm daar nu en dan 's uit (onder
een of ander voorwendsel voor me zelf) om 'm weer 's te zien. En lang
duurt 't voor ik 'm opberg bij de andere....

O! als ik 's morgens op kantoor kom, koud, huiverig door den slaap, die
nog in me leden zit, wakker alleen in me hoofd door 'n fel-schroevend
gevoel van "'t moet", en als ik dan de bus licht en 't heele zoodje van
brieven en drukwerken meeneem naar me lessenaar waar ik 't ga zitten
lezen en sorteeren, nuchter, leeg, in 'n minachtende onverschilligheid
voor al die zakenmenschen met hun quasi-gewichtig gezeur en gezanik,
hun aanstellerig gebeveel, hun peuterige aanmerkingen of hun kleverig
geflikflooi, en als er dan onder al die vervelende, firmabedrukte grauwe
dingen plotseling, heel leuk, met 'n rustig air van "o, wist-je niet,
dat ik hier lag?", zoo'n witte brief te voorschijn komt, zacht-roomwit,
met me naam, me particulieren naam, me voornaam Bernard en me
familienaam Bandt, en heelemaal niets van "Vermeet & Co.", en dat door
jou geschreven, door jou, dat zie ik nog voor 'k iets lees; ik herken
den brief; als ik den brief zie, zie ik dadelijk jou, zie ik je ouwe
goeie vrindenfacie en hoor ik je stem me naam zeggen, jou stem die in
m'n herinnering is als geluidgeworden sympathie, de eenige stem, die me
doet voelen, dat ik niet ganschelijk alleen ben op de wereld.... Zoo'n
brief dan leg ik apart en 'k ga haastig door met lezen en sorteeren van
de andere. Wat ik zelf moet behandelen leg ik op 'n stapeltje en de
rest verdeel ik onder de bedienden, en -- zenuwachtig van verlangen --
vergeet ik hun er bij te zeggen sommige dingen, die ik wil dat ze
schrijven, zoodat ze dan later, als ik je brief zit te lezen, komen
vragen: meneer dit en meneer dat, en dan snauw ik ze af met: ja, ja, ik
kom bij je, laat me nou toch even met rust. Want als ik dan eindelijk
je brief heb opengemaakt, dan wil ik niet gestoord worden, dan wil ik
rustig en langzaam genieten, met kleine delicieuse teugjes, de intieme
zinnen, die daar voor mij alleen staan opgeschreven door jou hand.

Ik voel 't heel goed: de zeldzaamheid maakt 't genot van je
vriendschapsuitingen fijner, exquizer; als je hier was, als 'k je allen
dag sprak, zou 'k niet zooveel van je houden als ik nu doe, nu ik niet
zie dingen die je doet, niet hoor dingen die je zegt, en die ik niet zoo
doen en zeggen zou, nu ik alleen maar van tijd tot tijd krijg een stuk
papier volgeschreven met eerlijke uitingen van je innigst voelen. Maar
toch, als je weer terugkomt, wat je schrijft dat je gauw doen zult, dan
zal ik toch -- geloof ik -- meer van je houden dan vroeger, want ik weet
nu zooveel meer van je, ik begrijp dingen in je, die 'k vroeger niet
begreep, en die me dus toen afstootten, nu aantrekken, en ik ben
langzamerhand beginnen te merken, dat ik bepaald houd van manieren van
je, die 'k vroeger dacht dat me heelemaal niet bevielen. Ik zie je beter
nu. Je bent anders dan ik, maar daarom vooral niet minder.

Dat wou ik je even zeggen, voor ik ga doen wat je van me vraagt, voor ik
je ga schrijven over me zelf. Want ik wil dat doen. Ja! Voor jou wil ik
dat doen. Want jij hebt er ook eigenlijk recht op, jij bent de eenige,
die er recht op heeft. Jij doet 't voor mij ook, je schrijft over wat je
innerlijk ik te lijden en te genieten heeft, je schrijft ontboezemingen.
Maar dit lijkt me nu bijvoorbeeld een groot verschil tusschen ons. Jij
doet 't graag, dat ontboezemen, ja 'k geloof dat je 'r behoefte aan
hebt, en dat komt door je heerlijk krachtgevende zelfingenomenheid. Je
praat heel zelfbewust over jezelf. Dat neem ik je niet kwalijk, ik vind
't ook niet pedant of maar eenigszins afkeuringswaardig, maar ik heb 't
niet, dat 's alles! Ik heb er juist 'n helsch plezier in me heel anders
voor te doen dan ik ben -- of eigenlijk, nee!...... ik wil er tegen jou
niet om liegen, ik geloof dat ik me dat maar wijs maak, dat ik eenvoudig
de kracht en den moed niet heb mezelf te zijn, altijd en overal. Want
soms, midden in me dagelijksche werk, in 't afdoen van me dagelijksch
stapeltje, voel ik 't, met diepe schaamte, mijn ellendig gebukt-gaan, en
dan slaat er in-eens 'n dolle drift over me, 'n felwassende woede, 'n
hijgende lust om stuk te trappen de lieverig-vergulde tralietjes van
't hok waar 'k in gevangen zit. O! wat 'n genot zou dat zijn, wat 'n
heerlijk lichte dag, wat 'n dag van gouden zon en voorjaarsluwte! Ik zou
't netjes willen doen, met ingehouden kracht, kranig, als 'n heer, m'n
eene been kalm buigend met spanning van al de beenspieren en dan --
pang! vooruit! en aan splinters de heele mooie boel! En dan weggaan,
kalm, weggaan, bedaardjes, lief groetend. En de menschen, die denken dat
ze je wat te bevelen hebben, met de complimenten naar huis sturen: "en
als dat meneer 't nou verder verdomde," en dan gaan leven, het gansche
leven, vrij, ongebonden, wild, al de kracht van me lijf en van me ziel
gebruikend, met goeddoende, o zoo zacht en teer goeddoende liefde, en
met driftig strijdenden, neerhouwenden haat. Want o 't leven, Edward,
't leven! Wat weet ik er van en wat weet jij er van? Wij zijn lekkertjes
gevoed en zoetjes gekoesterd, we zijn wel 's ziekjes geweest, we hebben
wel 's pijntjes gehad, en dan zijn we voorzichtigjes weer opgelapt met
drankjes en pilletjes en zoo door en zoo door; altijd is er voor ons
gezorgd; en de menschen zijn wel 's onvrindelijk tegen ons geweest, ze
hebben ons wel 's gesard en verveeld, o soms vreeselijk verveeld, maar
niemand heeft er nog ooit met ons willen vechten op leven en dood! Maar
wat praten we dan toch over honger, armoe, ellende, smart, liefde, haat,
genot, zaligheid, verrukking, leven! We weten er niets van, niets,
niets! geen flauw benul hebben we ervan! En kan jij daar dan bedaard bij
blijven zitten en zeggen: ja, ja, zoo is 't, en niet opvliegen en je
haren uittrekken en vloeken en grienen en beuken en stampen?! Huil jij
nooit tot je oogkassen branden om je jeugdjaren die verloren gaan,
die nooit weerkomen, nooit, nooit?! Is jou mond nooit droog en heet
geschroeid van verlangen naar leven?.... Maar o! niet waar? dan
komt sluiplangzaam, poeserig-zacht langs je schuiven je gemeene,
beroerd-laffe houden van lekker eten en drinken en 'n zacht bed, dan
komt je lafheid en houdt 't nuchter mombakkes van je verstand voor z'n
apentronie en sust je zoetjes en vriendschappelijk, klopt je op je rug
en zegt: "Mooi zoo! je bent 'n goeje jongen, iemand met gevoel, heel
interessant, heel mooi! Ja, ja, die kleingeestige wereld, niet waar?
Maar je meent 't natuurlijk niet. Je kunt je immers niet eens 'n
voorstelling maken van dat vrije leven. En daar ben je toch ook veel te
goed voor, je zoo te vergooien, foei! daar ben je 'n veel te knappe,
aardige jongen voor. Ga nou maar weer aan je werk en zet je die
fantasieën uit je hoofd, en denk aan je toekomst." Ja!.... En dan
gehoorzaam ik! Dan gehoorzaam ik, godbetere 't! Maar dan huil ik van
pure woede, machtelooze woede en diep ga ik gebukt onder m'n gedweeë
tamheid....

Voel je nu hoe 't komt, dat ik niet graag schrijf over mezelf, dat ik
opzie tegen ontboezemingen? Toch.... heb ik 't al gedaan en zal ik er
mee doorgaan, omdat ik 't nu eenmaal wil. Ik zal je schrijven hoe ik me
dagen doorbreng, ik zal je schrijven hoe "'t me gaat...."

Maar toe alsjeblieft, hoeft 't vandaag niet meer? Morgen! morgen! 'k
beloof 't je. En hier heb je dus dit stuk papier vast, want anders zou
ik 't morgen misschien overlezen en 't verscheuren -- of weer niet
verder kunnen....

En Bernard teekende den brief en adresseerde hem en gaf 'm aan zijn
jongsten bediende, die 'm naar de post bracht. Zelf ging hij kort daarna
uit om koffie te drinken, in een koffiehuis, vooraan in de Kalverstraat,
en daarna liep hij gauw naar de Beurs; 't was al laat....

Maar den volgenden dag, wat vroeger, ging hij weer aan zijn schrijftafel
zitten en begon een tweeden brief aan Edward:

Ik ben heel wel. Behalve nu en dan wat hoofdpijn, van katterigheid of
koude voeten, scheelt me tegenwoordig nooit iets. Ik geloof bepaald dat
ik 'n gezond en krachtig gestel heb. Daarbij komt dat ik vrij matig en
bedaard en vreeselijk geregeld leef, -- zoodat ik misschien wel zeventig
of tachtig jaar worden kan.

Me zaken gaan goed. M'n oom trekt zich meer en meer terug. Hij is nu
voor goed in Bussum gaan wonen. Hij heeft zich daar in 't voorjaar een
villa laten bouwen, die heelemaal door Jansen ingericht is, fijn, hoor!
prachtig! En er is een groote tuin bij (hij zegt: lap grond) waar hij
zelf nu in staat te spitten en te graven met z'n tuinman. Dat is zoo z'n
liefhebberij. Beste man! Tante maakt 't ook heel goed en laat je, met
'r gewone vriendelijkheid, wel zeer groeten. Ja, ja, beste menschen,
o zulke goeie menschen! Denk niet dat ik met ze spot, hoor! 't Zou
schande zijn. 'k Heb aan die menschen alles te danken, wat ik ben (ik
zeg: wat ik ben) en wat ik heb, al wat ik geleerd heb, me dagelijksch
brood, me klanten!.... Gaat 'r maar 's 'anstaan!....

Ik ben dus gezond en me zaken gaan goed, ik ben dus 'n deftig, geposeerd
man, 'n bourgeois-satisfait.

Lach nu niet. 't Is niet om te lachen. Of.... waarom zouden we er ook
niet 's om lachen, hè? Zeg, ouwe jongen, kijk me 's even aan, vind je 't
eigenlijk niet om te gieren? Ik vind 't om te brullen, te schudden, te
trappen van-de-lach, om je handen op je heupen te zetten en telkens weer
te beginnen! Ik vind 't verregaand belachelijk, God! ik vind 't zoo gek!
Ik vind 't om te gaan staan dansen en scheel te kijken en wa!- wa!- wa!-
te roepen als 'n idioot, zoo vind ik 't!

Stil! 'n vraag! 'n raadsel!.... Wat ontbreekt 'n jong man van
vier-en-twintig jaar, gezond, met 'n nette beklante zaak, die op 't
Rokin op kamers woont en in Bussum een rijken oom zonder kinderen heeft
wonen?.... 'n Meisje!.... Juist! precies! Kerel, wat kan jij toch goed
raden! Natuurlijk! 'n meisje! 'n vrouw! Waarom trouw ik niet? Waarom ben
ik nog niet geëngageerd? Waarom in 's hemelsnaam ben ik toch nog niet
geëngageerd?! Dat hoort 'r toch zoo bij! En als er nou geen lieve,
aardige, mooie meisjes meer waren in Amsterdam! In Amsterdam? Wat zeg
ik? in Nederland! in Europa! Wat bindt me aan Amsterdam?.... Maar,
't is waar, ik kom niet overal voor me zaken!.... Wat dan ook volmaakt
onnoodig is, want, m'n hemel! er zijn hier meisjes "te over" en de eene
is al mooier en liever en vriendelijker en zachter dan de andere! En
jongen-jongen! wat zijn hier 'n boel vroolijke en geestige meisjes, nee
maar kolossaal!

Ik ben dan ook in den regel verliefd. Op 't oogenblik toevallig niet,
maar 't zal wel niet lang meer duren, want morgenavond ga 'k naar 'n
bal. Nou, en als je zoo'n heelen avond letterlijk niets anders te doen
heb dan je zoo'n beetje op te winden....

Nu vind ik dat verliefd zijn iets erg aangenaams. Ook is 't 'n
geoorloofde, onschuldige bezigheid, die je onder je werk door best er
bij waarnemen kan. Je hebt 'n meisje gezien, gesproken, misschien zelfs
met 'r gedanst en dat heeft je gelukkig gemaakt. En nu soes je -- zoo
achter je wakkere, flinke om-zaken-gedenk om -- voortdurend aan dat
meisje, met lekkere scheutjes van heimelijk genot vol gesoes, dat is
als 't zoete gefluister van kinderstemmetjes achter de kalig-kamgaren
rugvlakten van degelijke, gelijkhebbende pa's. En al weet je best, al
voel je blozend, dat je niets dan flauwe, banale, stomme, botte gezegden
tegen 'r gezegd heb, je heb toch 'n stille hoop -- die je verbergt
voor jezelf -- dat je misschien nog al 'n tamelijk goeden indruk hebt
gemaakt, en je verlangt, niet sterk, niet onweerstaanbaar, maar zoo
net even genoeg om er 'n straatje voor om te loopen, naar 'n nieuwe
ontmoeting. En als je haar dan weer aan ziet komen, naar je toe, en ze
lacht en ze geeft je 'n hand, dan voel je licht-amoureuze trillingen, 'n
zacht neerstrijkende, streelende, niet-beklemmende bevangenheid, je bent
in eens in 'n soort van roes, 't suist in je hoofd als pas ingeschonken
champagne, je lijf is niet meer zoo zwaar en lomp, je voelt 't niet, je
bent je donkere, degelijke, vervelende zelf kwijt, je merkt in eens dat
je in de zon staat, dat 't zomerachtig zoel en lekker om je is. Je bent
gelukkig, je hebt aangename droomenvolten.... tot dat je liefste, je
nimbusomkranste engel, je sprookjeskoningin, je droomengebiedster even
met 'r wijsvinger aan 'r neus komt of leelijk geeuwt of tersluiks
glimlacht om 'n dubbelzinnigen mop of 'r moeder afsnauwt of -- weet ik
wat nog meer! -- tot dat ze, bedoel ik, in één blik, 'n klank, in 'n
tiende deel van 'n seconde, verandert in 'n doodgewone juffrouw, die
natuurlijk d'r goeje zij wel hebben zal, zooals ieder mensch, wel ja,
waarom niet!.... maar dan ga je toch maar weg, hè, dan ga je maar
weg....

O, maar vriendinnen heb ik heel veel, ik heb, geloof ik, wel
vijfentwintig vriendinnen in Amsterdam.

Ja, ja! ik weet wel, je vindt dit kinderachtig, kwajongensachtig,
kalverig geklets, je denkt: zijn dat nu z'n ontboezemingen? Je leest
't met 'n medelijdend glimlachje, innerlijk 'n beetje geërgerd, maar
je wilt je niet boos maken op mij. Maar je vindt dat 'n man, -- 'n
man nietwaar? -- dat 'n man, als hij 'n vrouw liefheeft, werkelijk
liefheeft, nietwaar? dat hij dan blind is en doof en dol en niet +wil+,
niet +wil+ zien de nuchtere dingen, niet +wil+ redeneeren, maar dat hij
dan aldoormaardoor doet wat hij kan om die vrouw te krijgen! Zeker,
zeker, zoo is 't, je hebt gelijk. Ik had 't dan ook maar alleen, ik
causeerde zoowat over verliefdheid en misschien was dat woord niet goed,
maar ik weet geen ander, en verder dan zoo'n kalverliefde heb ik 't nog
niet gebracht. Van dat andere, dat machtige, dat volwassene, dat eenige
echte, daar droom ik van in zoete, bedwelmende dagdroomen, daar verlang
ik naar met 'n angstig-wachtend verlangen, en altijd glanst in de ramen
van mijn zielehuis de gouden gloed van mijn hoop, maar soms, als ik 't
zie, dat kasteel van mijn ziel, dan is 't 'n roode gloed, mooi donker
bloedrood, weemoedig-dofrood, als van een ondergaande zon.

Maar neen! neen! dat moet komen, dat zal komen! Want o! als ik niet wist
dat ééns mijn leven rijzen zal, recht, met verdoovende, verbijsterende
snelheid, en opvlammen, rein en trotsch, in dien fel-zuiveren
zielebrand, als ik niet wist dat ik dat, dat heerlijkste, dat
eenig-hoogstbegeerlijke van 't leven kennen zal, dat dàn tenminste, dat
dàn eindelijk, al is 't dan maar 'n maand, 'n dag, 'n uur, één oogenblik
het leven door mij heen zal gaan, zoodat ik 't merk, zoodat ik 't
sidderend voel in mijn ademlooze zaligheid, als ik dat niet wist.... o,
mijn goede vriend, als ik dat niet wist!.... Maar dan had ik me immers
al verzopen.

Maar ik weet 't, zij zal komen, ik zal haar zien. Dikwijls heeft God 't
mij gezegd, sprekend met zijn machtige stem tot mij in mijn ziel. Ik ben
geduldig, ik zal wachten.

Zal zij blond zijn, bruin of zwart, blauwoogig, roomigwit van tint,
ik weet 't niet. Soms, in stille uren, hoor ik van verre haar zacht
vertrouwelijke stem, maar zij is mij nog nooit verschenen. Maar eens zal
zij komen en mij begrijpen en mij liefhebben en ik zal haar liefhebben.

Ik zal wachten op haar en mijn zielehuis zal ik rein houden, want zij
zal er in wonen, en ook mijn lijf, mijn mat-blank, vreemd-bewegend lijf,
mijn warm lijf, waar ik zooveel van houd, zal ik voor haar bewaren, want
als zij komt, recht naar mij toe, en zich glimlachend neervlijt in mijn
verlangende armen, als ik haar oogen voel in de mijne, haar warmen adem
gaande langs mijn hoofd en haar heilig lijf zich voegend naar de stugge
buiging mijner leden, dan zal ik 't plotseling heftig begeeren haar lijf
en zij zal 't geven, aarzelend eerst, schuchter trachtend mij te weren,
onbewust rekkende de zoete verrukking. En weten zullen wij dan dat
niemand nog bezat wat wij bezitten. Ik zal 't haar zeggen. O hoe zalig
zal 't dan zijn haar dankbaar liefkoozende hand te voelen streelen mijn
borst, mijn armen, mijn gansche lijf, dat zoolang ontbeerde....

Om dat besluit van mij, kuisch te blijven leven, zonder lijfsgenot tot
haar komst, word ik dikwijls bespot, soms gehoond, ja zelfs kleinzielig
verdacht en misschien ook wel 's belasterd, wie weet 't! Maar daardoor
juist groeit 't in me als 'n boom in 't bosch, hoog, trotsch, altijd
dieper en verder geworteld. Er zal wel 'n storm noodig zijn om 't neer
te rukken. En toch, als de storm komt, dan zal ik niet vluchten,
want ik zal houden van den storm omdat 't storm is, omdat 't geen
Amsterdamsche winderigheid en motregen is, maar storm.

Als maar niet de voortdurend doordruppelende motregen langzaam verrotten
zal en doen bezwijken, wat de storm neer zou kunnen slaan met een
ruk!....

Dezen laatsten zin schrapte Bernard weer door. En hij las den heelen
brief over en voelde zich vaag-verdrietig en leeg. 't Was 't niet! 't
Was nog heel anders. Hij zou 't nooit kunnen zeggen zoo zuiver en
eenvoudig als 't was.

             *       *       *       *       *

Hij schreef alleen nog: 't Is 'n kille dag vandaag, mijn vingers
verkleumen, morgen verder.

En den volgenden dag:

O ja, nu zou ik je vertellen hoe 'k me dagen doorbreng. Zóó: Ik sta 's
morgens om acht uur op. Dan brengt "de juffrouw" me 'n cadetje met thee
op me kamer en dan loop ik op 'n kippendraf naar kantoor. Dan werken tot
half één, koffiedrinken, ergens hier in de buurt, met Sam van 't Hout of
André, of alleen, dan naar de Beurs en gauw weer naar kantoor en daar
zitten tot zes uur. Dan 'n borrel, hier-en-daar-en-overal, met allerlei
lui, en eten op 't Leidsche-plein, en 's avonds zitten lezen op me
kamer of in 'n koffiehuis, of zitten kijken in 'n komedie -- of in 'n
koffiehuis, of zitten kaarten op me kamer -- of in 'n koffiehuis, of 'n
partij meemaken, 'n soireetje of eterijtje bij vrinden of kennissen --
of in 'n koffiehuis......

Daar is ook 'n tijd van 't jaar, dat is juist altijd in 't begin van de
lente, in dien tijd als je 's avonds je raam opengooit en dan in eens
bevangen wordt door 'n vreemd-geurige zoelte en je deur uitloopt met 'n
niet-te-zeggen gevoel van verlangen naar zomer, en toch eigenlijk niet
'n verlangen, als je 't goed nagaat, maar juist 'n vrees, 'n angst
voor iets onbekends, iets geheimzinnigs, 'n gevoel van: o, nu zal 't
komen!.... De menschen loopen je voorbij als schimmen en in de verte
blaft 'n hond. En plotseling voel-je, dat je wel zoudt kunnen huilen van
slapte en loomen weemoed.

Nu, in dien tijd dan, zoo tegen half Maart, en in April soms ook nog en
ook in Mei nog wel 's 'n poosje, dan heb ik me drukke weken, dan eet ik
schrokkerig en gauw, weinig en toch te veel, en zit om acht uur weer op
kantoor en werk tot elf of tot twaalf of tot één uur.

O, die benauwende weken! Die strenge stroeve weken, die harde werkweken,
van je niet bemoeien met de lucht en de boomen en de menschen en de
vreugde en de kalme genoegens, maar altijd maar werken, weg zijn in je
werk, die weken van niet-leven, maar ook niet van dood, want er wordt
veel afgedaan, een berg van werk wordt weggeruimd met taai-volhoudenden,
nijdig-zwijgenden, al maar doorpeuterenden arbeid.

Als ik dan 's avonds laat de deur van mijn zakenhuis achter me dicht
getrokken heb, en ik loop naar me kamer, dan heb ik 'n rustgevend
gevoel van te moe zijn om nog iets te gaan doen. Dan loop ik nog aan
kleinigheden van me zaken te denken en aan wat ik morgen weer doen moet.
't Is maar 'n slap en traag gedenk, ik voel me suf en dof en dom, maar
zonder schaamte berust ik in mijn domheid; gelaten, stil-tevreden als 'n
kind, eet ik nog 'n boterham en drink 'n glas gerste-bier en ga naar bed
met klamme, koude voeten en 'n gloeiend hoofd. En den volgenden morgen
hijsch ik in 'n werktuigelijk, heelemaal gewoonte geworden gevoel van
plicht, me lamgeslagen lijf uit me warme bed-hol, en nonchalant op me
kleeren en op m'n ontbijt, draaf ik haastig naar kantoor, waar ik
langzaam-aan opleef en me weer gewoon ga voelen tegen tien, elf uur.
Maar soms......

Neen, nu is 't genoeg, laat me je niet hoeven mee te nemen naar de
diepe, kille donkergroene grotten van mijn innigste bitterheid. Scheld
't me kwijt, wat er nog ontbreekt aan dit pijnlijke geschrijf, dit
vinger-vegend, voorzichtig betastend, maar toch aanraken, aanraken van
mijn overgevoelig binnenste, van al die teer-opene, licht schrijnende
plekken. En laat me tot slot van deze brieven, die je weg moet doen
als je ze gelezen hebt, -- want ze zijn wel eigenlijk nog niets, neen,
niets, als ik er aan denk; zij zijn maar heel grove benaderingen, ze
tasten met dikke handen, ze treffen niet; ik durf niet; ik durf nog niet
mijn arm zelf voor je neerleggen met afgestroopt vel en dan snijden en
grijpen in 't bloedrig lillend vleesch, 't warme vleesch, en aanwijzen
en uitleggen, maar toch, 't zou me hinderen te weten op den duur, dat ze
daar nu liggen bij jou, als sombere stukken, als processen-verbaal
van mijn getob en gepeuter en waar je me mee aan zoudt kunnen komen,
zeggend: Kijk, dat heb je geschreven! -- O laat me tot slot nog 'n
beetje aan de koele oppervlakte blijven, wat praten, even maar, over
luchtige, lichte dingen!....

Want, waarachtig! 't Zou ten slotte ook wel gaan lijken of ik niet jong
was en levenslustig! Zeg, kerel, je moet niet gaan denken dat ik somber
ben of zwartgallig of zwaartillend, hoor! Ik ben vroolijk, vriendelijk
en goedhartig. Ik ben 'n opgeruimd zakenheertje, ik ben 'n lustig
beursmannetje. Ik ben blozend, ik ben flink, ze vinden me 'n energieken
jongen koopman op de Beurs en me kennissen mogen me graag lijden, want
ik kan heel gezellig zijn en moppen tappen, dat ze lachen rondom de
koffiehuistafel en weer gaan drinken uit vroolijkheid. Ik houd ook veel
van fuiven en ik doe 't ook dikwijls, ik kan 't ook goed en ik kan er
ook goed tegen. Nog pas hebben we 'n beestig dolle pan gehad op André's
nieuwe kamer op 't Rembrandtsplein. We hebben 't ingewijd, dat nieuwe
feestterrein. Je hadt er bij moeten wezen, 't was 'n avond van
uitgelaten dwaas-doen en je lekker roezig dronken voelen worden. Na 't
souper hebben we 'n allergekste scène gehad met de tafel. Dat was zoo'n
ronde, met een blad dat je op kunt slaan als je 'n knip wegtrekt. Nou,
je begrijpt 't natuurlijk al. Sam deed 't, 'n heidensch kabaal!...... en
rrang!, neer lag de rommel, en 't licht was uit. André stak 'n lucifer
aan; daar zaten we allemaal op den grond tusschen de scherven en plassen
wijn en vla, stil, in-eens stil van den schrik. 't Flikkerlichtje van
den lucifer glimmerde maar even om onze rooie koppen, maar dat eene
oogenblik zal me onvergetelijk zijn in z'n groteske onwezenlijke
dwaasheid........

Maar nu moet ik weg. Ik groet je, mijn beste Edward, houd je goed en
schrijf gauw weer aan je vriend
                                              Bernard Bandt.



II.


In den avond van dien dag dus zou Bernard naar dat bal gaan. Het was een
groote soirée dansante, die de heer en mevrouw van den Bosch gaven,
omdat een van hun dochters ging trouwen met Mr. Langendijk van
Enkhuizen.

Bernard had 's middags op de Beurs een onaangename kwestie te bepraten
gehad en was wat opgewonden en geërgerd naar kantoor geloopen, waar hij
'n paar brieven had gevonden, die hem veel en vervelend werk bezorgden.
Korzelig was hij geworden en nog even voor zessen had hij om 'n
kleinigheid een bediende een heftig standje gemaakt. Toen hij daarop
zijn kantoor had gesloten en door de Warmoesstraat ging naar Kras, waar
hij eten wou, liep hij zich eerst koppig op te dringen, dat hij groot
gelijk had gehad met dat standje, mopperend in zich zelf, dat 't ook
zoo vervelend was, dat je nooit 's iets overlaten kon, dat je om alles
denken moest en dat al die bedienden ook zulke stomme lummels waren, en
zoo onverschillig, niets geen hart voor de zaken! Maar 't ging niet,
hij kon zich niet overtuigen, machteloos voelde hij zich wegzakken in
een onbehagelijk zich-bewust-zijn iemand beroerd behandeld te hebben.
En, eenmaal aanvaard, verbreedde en verscherpte zich die onvoldaanheid
tot een algemeene ergernis over zijn eigen doen en zeggen, over zijn
zich-niet-beheerschen-kunnen, over dien brief ook al, dien brief aan
Edward, over die intieme uitingen, die hem nu al laffe klachten schenen.
't Ergerde hem dat 'n ander nu ook wat weten zou van het leed, dat
hij altijd hoogmoedig verborgen gehouden had voor iedereen, waar hij
tot-nog-toe alleen mee geweest was, opgesloten in één hok met dat
smartbeest, er mee vechtend in trotsch-mannelijken tweekamp, in
eerlijken strijd als van man tegen man, 't beneden zich achtend hulp te
halen. Dat had hij nu toch gedaan, want Edward zou hem willen troosten,
bemoedigen, opwekken, en dat is immers helpen. En hij soesde over 't
plan den eerstvolgenden brief van Edward ongelezen te verbranden.

Er hing een nattige damp, een kille motregen-atmosfeer in de nauwe
straatvallei. Hij liep in 't midden, over 't nat-gladde asphalt in 't
schichtig schaduwende halflicht dat uit de winkelhuizen en kroegen
kwam, hier en daar wat opgehaald door een straatlantaarn, en boven
was de nacht, een raggende oneindigheid van vaal-zwart, waarvan de
schuw-armoedige flarden wuifden tusschen de spookgestalten van de
donkere geveltoppen. Hij liep met een ongeregelden stap, zijn hals en
kin weggestoken in 't intiem-warme van zijn jaskraag, zijn handen in
zijn zijzakken. En in eens in 't volle licht bij Kras, de vestibule
doorloopend, en toen de groote zaal in, voelde hij zich ruw-gestoord,
opgeschreeuwd uit lichte sluimering, rillerig, erg alleen, vervreemd
van alle menschen. Hij groette met een zwijgenden hoofdknik een paar
kennissen, die luid bonjourden van hun tafeltje, en ging achter in de
zaal zitten, waar kelners bedienden, die hem niet kenden. 't Galmend
geroep en 't borden-en-lepelgekletter en de etenslucht vooral, de lauwe
benauwende etenslucht hinderden hem. Hij zat met een vies gezicht te
kijken, hield zijn jas aan en zijn hoed op, zonder eenige behoefte 't
zich behagelijk te maken. Tegen den kelner, die bij hem kwam staan met
een spijzenlijst en vroeg wat hij zou eten, zei hij dat 't hem niet
schelen kon, als 't maar gauw kwam. Toen ried de kelner met een
aanbevelend lekker-genotlachje een schotel aan, en hij knikte dat 't
goed was en ging toen zitten wachten, trommelend met zijn mes op de
tafel, voor zich kijkend in de zaal, naar de plantengroepen en etende
menschenhoofden, suf door 't roezig geraas en dien zoetigen weeën walm,
opnieuw dof doorsoezend, zich klein en min voelend zonder te weten
waarom ook weer....

Maar, toen hij in eens dicht bij zich hard hoorde lachen, een vetten
vleezigen lach, en daarop ook zag een dik, glimmerig-rood boerengezicht,
dat een grooten viezen mond scheef openzette, dom lachend, met 'n lage
platte vroolijkheid, brutaal wijd-uit boven zijn breed-witte servet,
toen keerde hij zich met plotseling weer wakkeren wrevel snel om en
riep den kelner toe wat haast te maken, want dat hij geen tijd had.
't Nuchtere begrip van de werkelijkheid, van waar en hoe laat ook weer,
was nu scherp van uit den grauwen achtergrond van zijn gedachten naar
voren geschoten; hij keek op zijn horloge en zag met onaangename
bevreemding dat 't al half zeven was. En die partij begon om acht uur.
Hij moest zich nog laten scheren en dan zijn rok aan gaan trekken op
zijn kamer. 't Was een bruiloftspartij, daar mocht je niet te laat
komen. De haast verwarde zijn denken; hij kon niet, als anders, de
anderhalf uur, die hij nog voor zich had, netjes verdeelen: zóó lang nog
hier bij Kras, zooveel tijd voor scheren, zooveel voor kleeden. Toen 't
eten eindlijk kwam, at hij 't gejaagd en schrokkerig achter elkaar op,
slokken bier verzwelgend met een half vollen mond, betaalde, liet den
kelner zeven stuivers houden omdat hij niet wachten wou op 't wisselen
en liep haastig de restauratie uit, de straat op en den kapperswinkel
in, die een paar huizen verder was.

Gelukkig kon hij dadelijk geholpen worden.

In een opkomende verheuging daarover trok hij vlug zijn overjas uit en
liet hij zich neerploffen in een van de ruime leeren leuningstoelen waar
zijn tenger lijf lekker in wegzakte. Hij liet zijn hoofd tegen 't koele
leer rusten, en de kapper knoopte hem handig den frisschen witten doek
om zijn hals en zette toen zijn scheermes aan met gelijke kantige
krassen, heen en terug op 't stijf-stroeve leer, wat een aangenaam
rhytmisch geluid gaf.

Kwart voor zeven op de groote houten hangklok; hij begon zich rustig te
voelen, had eigenlijk nog al den tijd. Hij zou om even zeven uur thuis
zijn en op zijn gemak zijn toilet maken. 't Rijtuig kwam om kwart voor
achten.

't Was stil in 't barbierszaaltje, dat in 't achterhuis lag, door den
winkel gescheiden van de straat. Gejoel van straatjongens was flauw in
de verte, niet storend. Voor hem, in een overstrooming van electrisch
licht, de groote vierkante, stralend-heldere spiegel en daaronder 't
zacht vonkelend geglans van gepolijst marmer met kristallen flaconnen en
glimmende scharen en kammen er op. 't Was warm in 't zaaltje, maar 't
leer van zijn stoel aldoor lekker koel. En van den helwitten handdoek op
zijn borst steeg een frissche geur naar zijn gezicht, dat nu tevreden,
vergenoegd bijna, ging liggen gluren naar zijn stil beeld in 't wijde
spiegelmeer. Hij vond zich niet leelijk zoo, hij zag plotseling iets
innemends in zijn gezicht, en dat gaf hem een snelwassend plezier in
zichzelf en in zijn leven van vrijen jongen man, en hij kreeg een
overmoedig verlangen naar 't feest, naar de lichte zaal en den gladden
vloer en 't gewoel van menschen in feestkleeren en naar de jonge
meisjes in hun lichte japonnetjes en 't dansen en lachen en flirten.
Terwijl de barbier hem voor de tweede maal inzeepte en schoor, deed
hij zijn oogen dicht en liet hij lijdelijk zijn gezicht betasten om er
aldoor zoo aan te kunnen denken. Het schrapen van 't mes langs zijn
strak-harde onderkaak verhoogde nog die sensatie van zijn voorkomen, hij
voelde zich nu correct en welverzorgd, ervaren groote-stadsman, zijn
wereld kennend en heel ver van de melkmuilen-periode.

Toen hij geschoren was streek hij zijn snor wat op, zacht streelend de
malsch opkrullende haren, en hij voelde met wellust het trekken van zijn
gespannen vel als hij zijn onderkaak vooruitzette. Op de vraag van den
kapper, of hij zijn knevel ook opgebrand wou hebben, antwoordde hij met
een deftig minachtend dankje. Hij vond 't 'n beetje ploertig van den
man zoo iets te vragen. En hij liet zich zijn jas opgeven, stak op
zijn gemak een sigaar aan, en minzaam 'n praatje makend liet hij zijn
abonnementskaart knippen, schoof bedaard zijn handschoenen op en ging
den winkel uit, vriendelijk groetend den barbier en zijn vrouw, die
achter de toonbank stond.

Op straat, in 't gaan door de krommende Warmoesstraat, deed hij zijn
best dat gevoel vast te houden, rechtop in kranige, overmoedige houding
doorstappend, maar op den Vijgendam al, in de drukke volte, was hij
't in-eens kwijt, leeggevloeid van stemming; zijn gedachten schoven
onrustig van dit op dat, en hij liep weer gauwer door, opnieuw onder den
indruk van dat hij daar nu waarachtig nog liep in zijn daagsch pakje op
de vieze straatsteenen in de donkere volte, en dat hij straks keurig
gekleed aanlanden moest in die ruimte vol licht, in dien kring van
zich correct bewegende heeren en dames. Hij liep dus haastig door, wat
voorover als gewoonlijk. 't Rokin langs tot het huis waar zijn kamer
was, 'n eindje voorbij de Wijde Kapelsteeg. Hij had de voorkamer op de
eerste verdieping; beneden was een handel in zakkengoed, gedreven door
een oud heertje met een paar knechts. Ze zaten te werken aandachtig, bij
stil lamplicht, in 't kneuterig klein kantoortje, maar boven was 't huis
heelemaal donker.

Hij had den sleutel al in zijn hand toen hij aankwam en dadelijk was hij
binnen en liep de onbekleede houten trap op, een oud wrak van 'n trap,
met gladde afgesleten randen, die vettig glimmerden in 't armoedig
schemerlicht van een petroleumlampje, dat boven in de gang hing. Onder
de tree-randen gaapten de donkere hoeken als zwarte gaten.

Boven gekomen ging hij haastig zijn kamer in.

Daar was 't heel donker; alleen langs 't plafond trilde zwak-strepend
wat licht van een lantaarn buiten. Hij haalde zijn lucifers uit zijn zak
en stak zijn gaslamp aan, die in 't midden hing, boven de tafel. En
in-eens leefde de kamer op en zag hij alles op zijn gewone plaats, de
ronde tafel, waar 't donkere tafelkleed rondom afhing, de stoelen en
kanapee van dof-rood trijp, en zijn boekenkast van oud-eiken, en de
dingen aan de wanden en op den schoorsteen, allemaal waren ze weer
in-eens om hem heen en keken naar hem toen hij naar de ramen ging om
ze dicht te dekken, die drie donkere raamgaten, eerst met de gelige
ophaalgordijnen, die zakten met lammerige schokken, en daaroverheen de
zware donkerplooiende overgordijnen. En toen ook de ramen muur geworden
waren, ging hij naar de tafel, voelend dat achter en voor, naast en
onder en boven hem muren waren en dat hij alleen was. Alleen in de
stilte. En hij draaide 't licht wat hooger op, en kuchte uit behoefte
aan geluid. Toen zag hij al de dingen nog scherper in hun verstijfde
onbewegelijkheid, en de boekenkast kraakte. Hij schrok en rilde licht,
maar dat was van de kou, dacht hij; want 't was heel kil op zijn kamer;
de kachel stond nog niet.

Hij bleef weer aan de tafel staan, nam een paar boeken op, bladerde er
in en gooide ze weer neer. Hij vond dat verkleeden altijd zoo
vervelend......

Buiten ging dof rommelend de tram voorbij, gedempt klonk 't koperen
geluid van de schel, al verder...... En 't was weer stil......

Toen deed hij de deuren van zijn alkoof open, die met behangsel beplakt
waren, dat schuurde langs 't kleed toen zij opengingen. Er viel nu ook
wat licht in de alkoof en hij zag zijn ijzeren ledikant staan, zijn
waschtafel en 't houten kastje waar zijn linnengoed in lag. Daar ging
hij naar toe en haalde zijn sleutelring te voorschijn, die dof rammelde
langs 't hout toen hij een la opentrok. Hij nam er wat schoongestreken
linnen uit en de lucht daarvan en 't betasten gaven hem een nieuwe
droomenvolte, een nieuwe stemming, een vaag herdenken van vroeger gaan
naar feesten en van koud en ongezellig verkleeden, plichtmatig ruilen
van warm-intieme voor kille, nieuwe, vijandig-vreemde dingen. Hij lei 't
linnengoed op de tafel en haalde uit een andere kast in de alkoof zijn
rok, die over een stijven houten hanger hing met slappe mouwen als over
de hoekige hooge schouders van een gebocheld man. Hij lei zijn zwarten
rok en vest en broek over een stoel en haalde zijn schoone overhemd uit
de vouwen en hing 't er overheen, een vreemd slap doekengedoe om de
glimmende stijve borst, een onhandig, onmogelijk ding, dat hoekig en
plompverloren neerlag, als een zoo-maar-ergens-neergesmeten houten
janklaassen. Toen trok hij zijn jas en vest en zijn overhemd uit en
gooide ze over de kanapee, waar ze dadelijk in slordige plooien
wegzakten, tot een onherkenbaar hoopje goed.

Zoo, in zijn onderkleeren, waar zijn hals vreemd naakt uit kwam
steken, nu geen heerehals meer, maar een stuk bloot mannelijf, dat
kalvrig-nuchter afstak bij 't hoofd, dat nog wel 'n heerehoofd was, met
netjes opgestreken haren en snorren, zoo ging hij zijn handen staan
wasschen, ze in 't water stekend tot over de benig-magere polsen, wat
hem weer deed huiveren van kou. Hij haastte zich, al door zenuwachtig
rillend, en op zijn borst en achter, tegen zijn rug, voelde hij de kille
lucht als een tocht. Vlug droogde hij zich af en trok toen ook, met
snelle handige rukken, zijn beenen uit de warme donkerte van zijn broek
en schoot de stijve, scherpgevouwen pijpen van zijn kamgaren rokbroek
aan. Daarop begon hij de knoopjes in zijn schoone overhemd te doen, nu
en dan blazend tegen zijn vingers, die peuterend aan die knoopjes
blauwden van kou. Toen 't af was trok hij 't gekke, eigenwijs
armzwaaiende ding over zijn hoofd en 't flodderde en zwabberde om hem
met een scheurend geluid en schokte en plooide en rondde zich om 't
lijf, 't beheerschend nu met zijn brutaal-blinkend helle wit zoodat de
been-enden er lummelig onderuit kwamen. Maar toen begon hij 't wit te
bedekken met stukken dofzwart, die er omvielen in keurig-kantige lijnen,
zoodat 't witte geblink alleen van voren bleef, rustig nu liggend,
stil-deftig als 'n bevroren stadsgracht, ingesloten in 't warme zwart.
En met ieder stuk kleeren ontkilde en vervroolijkte zijn stemming en hij
begon zich netjes te vinden, weer heelemaal heer; hij kreeg er weer
plezier in; dat vol-zijn van overmoedige schitterlust kwam terug met
frissche scheuten. Intusschen was zijn juffrouw komen kloppen en had
geroepen dat de vigilante er was, en dus haastte hij zich nog meer, de
voorwerpjes bijeenzoekend, die hij noodig hebben zou, zijn hoogen hoed
opstrijkend, dien hij daarna -- als voorloopig -- schuin op zijn hoofd
zette. Zijn handschoenen stak hij in zijn zak en bedacht zich toen even,
stil-bedaard op de tafel leunend, of hij niets vergeten had. En terwijl
hij zoo staande droomerig voor zich keek, zag hij zijn kamer in
eens met een nieuwen blik, in een aardig-scherp licht, als door een
stereoscoop, met al de prentjes en de pulletjes zoo precies en intiem,
en hij voelde in-eens lust om er te blijven zitten, met een boek, en dan
de vreemde sensatie te hebben van daar op zijn eigen kamer te zitten in
galakostuum, tot verbazing van de meubels en de dingen aan de muren.
Maar hij deed 't natuurlijk niet, hij nam zijn overjas van den kapstok
en draaide 't licht uit en ging weg, zijn kamerdeur achter zich
afdraaiend, en hij daalde rechtop de oude trap af, zich voornaam voelend
als een prins, die afklimt in een ellendige kelderwoning. En snel wipte
hij over 't trottoir en in de vigilante, waarbij hij zijn hoed stootte,
terwijl hij den koetsier toeriep waar hij heen rijden moest, 'n bekend
huis-voor-feesten op de Keizersgracht.

In 't rijtuig was een vochtige, duffe kilte, nog kouder dan daarnet op
zijn kamer (hij dacht er even aan terug met een gevoel van genegenheid)
en de raampjes rinkelden en rammelden naar-hard bij 't schokkend rijden
over de hobbelige straat. Hij zat te vloeken tegen vigilantes, zijn hoed
weer opstrijkend, en begon toen langzaam zijn handschoenen over zijn
halfverkleumde vingers te duwen. Toen hij klaar was streek hij met een
mouw van zijn overjas wat wasem van 't eene raampje en ging naar buiten
zitten turen, naar de vreemd-bewegende koppen van de menschen in 't
rosse avondlicht, zacht sissend tusschen zijn tanden een wijsje, dat hij
zelf niet hooren kon door 't geratel en de straatgeluiden.

Met 'n schok stond 't rijtuig stil in de file. 't Stond wachtend stil,
schokte rommelend 'n endje naar voren, stond weer stil en wachtte, en
dat deed 't nog een paar maal. Tot hij, door 't opnieuw morsig bewasemde
raampje turend, twee gebogen meisjesfiguren in lichte sorties zag komen
uit 't rijtuig dat voor 't zijne stond; en hortend en stootend schoot
de doos, waar hij in zat, nu tot onder de luifel, die de breede stoep
overkapte. Met een ruk werd zijn portier opengegooid en hij voelde zich
er uitkomen in een golf van nattig-kille buitenlucht. "Niet terugkomen!"
riep hij den dikgeduffelden koetsier toe, hem vlug 't fooitje
toereikend, dat hij klaar gehouden had en meteen ging de deur
open en verdween hij in den lichten buik van het groote donkere
Keizersgrachthuis.



III.


Eerst naar de garderobe om zijn hoed en overjas af te geven. Die was
achterin de marmeren vestibule; 't was daar ook al kil, kelder-kil; de
gekuitbroekte kelners, dikke bejaarde mannen, en de dienstmeisjes
van mevrouw, opgeprikt, in 'r Zondagsche japonnen en witte garen
handschoenen, en gestreken mutsen met stijve witte strikken onder
de kinnen, deden strak-deftig en fluisterend hun werk. Een paar
heeren-gasten, jonge menschen, trokken heel langzaam met quasi-luchtig
glimlachende gezichten hun handschoenen aan en drie jonge meisjes
stonden vluchtigjes te schikken en te plukken aan kapsels en japonnetjes
en te ginnegappen, zacht, zenuwachtig fluisterend met kleine gilletjes,
terwijl 'n statige grijze ma, wachtend, gereed om naar binnen te
stappen, hen zwijgend opnam door haar hoornen lorgnon.

Bernard kende ze niet. Hij bewoog zich met een onverschillige kalmte.
Hij was dadelijk geholpen en klaar. Maar -- gaande, geluidloos, over den
dikken looper naar de deur van de zaal rechts, de ontvangzaal -- hoorde
hij 't gegons van het feestgezelschap en voelde hij zich wat beklemd
worden, in-eens scherp wetend, dat hij daar dadelijk binnenkomen zou en
dat veel menschen, die dat al achter den rug hadden, die al binnen
waren, veel nare wereldwijze dames en heeren, naar hem kijken zouden,
en misschien even lachen of een opmerking maken over niets, over een
grooten of een kleinen stap, de houding van een arm, over een naar
voren hangend vlokje haar........

En toen de deur openging, en 't gegons snel opklaterde tot druk gepraat
en gelach, en de lichte zaal in eens over en om hem was in helle
schittering van spiegels en pracht van kleuren, en de feestmenschen
daar stonden, rustig poseerend, lieverig glimlachend, in groepen, aan
weerskanten van het pad dat naar de gastvrouw voerde, toen werd het
erger en voelde hij iets van angst, iets belemmerends; 't duurde maar
een oogenblik, want hij stapte met een erg ernstig gezicht vlug door,
recht tusschen de menschen door, naar de vriendelijke oude dame, de
gastvrouw, die hem allerhartelijkst verwelkomde. En hij gaf ook een
hand aan den gastheer, een beursman, een vrind van zijn oom, een goeden
bekende; en rondkijkende voelde hij zich toen dadelijk bedaard worden,
want eigenlijk waren 't bijna allemaal goede vrinden en kennissen. Daar
hadt-je Sam en André, Hendrik, en Hugo en Kees. En aan den anderen
kant, bij de meisjes, daar stonden Betsy en Marie en Jo en Lize en
Doortje......

En 't dikke kleed was wollig en week, zoodat stappen geen geluid gaven,
en overvloedig avondlicht lag wijduit van de zware kristallen kronen,
die schitterden als reusachtige bouquetten van licht, warm wijduit over
't diep-donkerrood van wanden en sofa's en over de glanzende kapsels van
meisjes en vrouwen en het dofdonzige, luchtig gepoederde vel van haar
halsen en armen en over den kleurenrijkdom der lichtende zij-golven en
de rustig-matte tinten van tulle en kant.

De mannen stonden bijeen in groepen als compagnieën feestsoldaten
in hun zwart-en-wit uniform, verbroederd door die eenheid van kleedij,
verschillend alleen in lengte en statuur, en in hoofden die ze droegen
boven de glimmende witte halsboorden, intelligente en domme, nobele en
ordinaire hoofden.

Hier en daar ging zoo'n zwart-en-witte tusschen de veelkleurige
japonnen en spraken de goedig grijnzende, wijsdoende mannenhoofden tegen
de zelfbewuste, pretentieuse meisjeshoofdjes, en ook stonden kale en
witte koppen kraaklachend gekheid te maken met de jonge meisjes, terwijl
de oudere dames, met 'r dikke grijze haartoeten en stroef-lieverig
geglimlach zich bijeengeplant hadden, rechtop, deftigdoend en neigend
met waardigheid de gewichtige hoofden. Soms was er een geluid van
gemaakte, onnatuurlijke stemmen, geaffecteerd welwillend, gewild
voornaam, waarover dan weer frisch als 'n emmer water een prettige open
schaterlach of luid gepraat op eenigen afstand tusschen een paar goede
vrinden. En de avond-warme lucht, doorgeurd, doorzoeld van velerlei
parfumerie, wekkend weeke gedachten aan vrouwen-intimiteit en, nauw
merkbaar, van onderop, het zijïge ritselen van rokken als gefluisterde
beloften van weelde en heimelijk genot.

Bernard, nu heelemaal rustig en slagvaardig, ingeleefd in 't
bal-bestaan, ging van den een naar den ander, vrinden en vrindinnen
aansprekend, en liet zich voorstellen aan onbekenden, altijd gereede
luchtige praatjes vindend in zijn bedaard hoofd, waarin het diepere
gesoes nu als verdoofd, als sluimerend was, weg in de zware slagschaduw
van het feestlicht.

Zoo, al gaande tusschen de menschen, kwam hij ook tegenover Betsy Franck
te staan en dat was een blijde ontmoeting, een hartelijk handengeven en
vroolijk elkaar in de oogen kijken. Vroeger, vier, vijf jaar geleden was
Bernard erg verliefd geweest op Betsy en zij had hem ook graag mogen
lijden, maar ze was toen zeventien, hij amper twintig; 't was niets
geweest, een onvolwassen, vluchtig gevoel, een kalverliefde. Zij was
toen naar een Londensch kostschool gegaan, en hij had gereisd en 't
altijd druk gehad, terwijl ze weg was, en toen ze terug was gekomen
hadden ze allebei gemerkt dat 't uit was. Dat was in 't eerst een beetje
pijnlijk geweest, ze waren een poos wat stuursch en kort tegen elkaar
gebleven en de een was den ander liefst uit den weg geloopen in een
niet-te-verdedigen gevoel, een mengsel van schaamte en rancune, maar 't
was of ze gelijkertijd beiden 't onnoodige en onzinnige van zoo'n ietwat
vijandige houding hadden gevoeld; -- 't was ook immers niets geweest,
wat geflirt en gedweep op wandelingen in lichte lentedagen, wat gespeel
en gestoei in zoele zomeravonden en toen een kort afscheid en één enkele
blik van aarzelende teederheid; 't was niets geweest, niets! -- dat
hadden ze in-ééns allebei begrepen en toen waren ze goede vrinden
geworden, vertrouwelijk en hartelijk en prettig-gewoon met elkaar en
over vroeger spraken ze nooit meer.

Maar soms als hij bij haar was voelde Bernard nog wel wat 't was
geweest, dat hem toen zoo bekoord had, dat zachte, goeddoend zachte, dat
troostende, opwekkende zachte, in de oogen en de trekken van den mond en
in de stem vooral, de hartelijke warme stem, en dan dat vroolijk-reine,
hoog-onschuldige, wat je aandoet met een gevoel van ridder-zijn, van
willen verdedigen 't teere goede tegen 't felrobuste booze, en hij
voelde 't met weemoed, want de bekoring was nu niet sterk meer, en zeker
lag dat aan hem, zeker was hij minder vatbaar voor indrukken van het
goede, was hij zelf minder goed, onreiner geworden. Hoe kwam 't anders,
dat hij haar zachtheid nu dikwijls zoetig, wee-lieverig, overdreven,
sentimenteel vond, dat haar goedhartige belangstelling in alle menschen,
in al wat er met hen gebeurde hem nu soms wat wrevelig maakte en geneigd
tot ruw-cynisch plagen. Met weemoed herdacht hij in zoo'n oogenblik zijn
geloof aan de echtheid van dat lieve doen en voelde hij zich ouder
geworden en leelijker....

Hij had haar gevraagd, met een plagenden glimlach, of ze André al wel
gezien had, waarop ze, ook lachend, met een zoet-klagend stemmetje
geantwoord had: "Ja, maar hij schijnt niet naar me om te kijken van
avond", en nu stonden ze te praten, intiem, over de partij en de
menschen, en waren nog samen toen een geritsel kwam en opgeschuif in de
zaal, de menschen drongen op in veelhoofdige rijen aan weerszijden van
de deur, zoodat er een breed pad open kwam naar 't partij-gevend paar
bruidsouders. Er naderde geluid van korte bevelen uit de vestibule, en
in de groote zaal, die aan de ontvangzaal grensde, was in-eens hoog
opgegier van strijkmuziek; de menschen verstomden. En toen hoorden ze
dat 't het bruidskoor uit Lohengrin was en keken ze allemaal naar de
deur, die openging nu. Vier heel jonge bruidsmeisjes, die zongen met
zenuwachtige zwakke stemmetjes, kwamen binnen en in hun midden het
bruidspaar. De blonde bruigom, blij stappend, met een lachend gezicht,
overmoedig en vierkantig doend om zich goed te houden, en de bruid, de
witte bruid, wat bleek, wat schuchter, lachend met de oogen alleen tegen
de menschen-gestalten waar ze ruischend langs ging. En 't glundere
moedergezicht hun tegemoet en de vader ook, pogend zijn verlegenheid te
verbergen met een joviaal air van zijn schuin-achterovergegooiden kop en
een armgebaar van gulheid, en toen een gezoen en gelieflach en een
algemeen luidruchtig gedrang om hen heen, een druk groeten en handen
geven........

In 't gedrang toen ze binnenkwamen was Betsy voor Bernard komen te
staan. Ze was kleiner dan hij. Vlak voor zijn mond en neus waren haar
dof-glanzende, bruine haren, haar zacht geurende haren, achterop het
hoofd samengedraaid in een wrong, zooals de oud-Grieksche vrouwenbeelden
't hebben. En iets verder, schuin onder zijn kin, was 't poezelzachte,
warm-fluweelige vel van haar hals, rustig liggend, als een zonnig
blank meer, in de strakke spanning van de blauwzijden japon, die,
rond-uitgesneden, opstreefde aan de schouders, de weeke, innige
rondingen verbergend onder groote blauwe strikken. Fijntjes kroesden
aan den week-bleeken bovenhals de lichte jonge haren, die te kort waren
om meegenomen te worden in den wrong.

Hij had er half-bewust van genoten; de geur van haar lijf had hem licht
bedwelmd en even had een gevoel van onrust en nerveus verlangen hem
doorhuiverd, toen ze, met 'n eenvoudig gebaar den ritselenden rok van
den grond tillend, haar blooten bovenarm, den donzigen ronden arm tegen
zijn mouw aangebracht had.

Maar bij de begroeting van 't bruidspaar verloren ze elkaar en toen
werden er dadelijk balboekjes uitgedeeld en begon ook Bernard zijn
afspraken te maken, slank gaande door de menschengroepen, van Marie naar
Jo, en van Jo naar Lize, en van Lize naar Ada, en hij werd voorgesteld
aan een juffrouw van Keppel. Mimi heette ze. Die gaf hem de eerste
lanciers en hij wist dadelijk dat hij dien heelen avond, en veel
volgende dagen misschien, verliefd op haar zijn zou. Snel -- als in een
stijf-deftig gezelschap een plotselinge lust tot dwaas doen -- was die
aandoening in hem opgeschokt. Kwam 't door haar oogen, de wijd-open,
brutale spot-oogen, van een vreemd groenachtig-blauw en helwit, oogen
die altijd lachten, spotlachten, kwam 't door haar mond, den ferm
geslotenen, pittig hoekenden mond, kwam 't door de rechte figuur, die
elegant was zonder buigzaamheid, of door de stem, ja door de stem zou 't
komen, dacht hij, want die was heel bizonder, zwaar, grof, vol harde
rauwe klanken; ze sprak vlug, de woorden afkauwend met 'n energieke
positiefheid, zonder slepen of hakkelen, ze liet de r schor uit haar
keel komen en de s siste scherp tusschen de dan even glinsterende
tanden. Er was niets melodieus in die stem en Bernard herinnerde zich nu
ook hoe hij wel door andere meisjes over haar had hooren praten, met een
zekere vrees, als van "dat meisje met die mannenstem". Maar hem had ze
bekoord, dadelijk, en 't was ook haar stem niet alleen, en ook niet
enkel de wellustig-benauwende odeur waarmee ze zich geparfumeerd had, 't
was zij, zij heelemaal, zooals ze daar stond met het room-blanke hoofd
boven 't dofgroen van haar mousselinen baljapon, het fiergedragen hoofd
overhuifd met een glanzing van rosblonde haren. Ze had iets wilds, iets
ongetemds, iets brutaals en kwajemeidachtigs, maar toch was ze 'n dame.
Ofschoon niet mooi, had ze iets onbeschaamd-overmoedigs, als voelde ze
zich koningin van 't bal. Hij vond haar ontzettend pikant.

Ze scheen ook al gemerkt te hebben dat ze Bernard gecharmeerd had, want
telkens als hij later naar haar omzag, keek ze hem aan, spotlachend
en brutaal. Van haar was hij naar Doortje Post gegaan, die een
vroolijk-open kindersnoetje had, ronde wangen en een opwippend
bovenlipje. Hij vond Doortje anders altijd allerliefst, maar nu....
ocho...... 'n goedig kindje, onbeduidend. En Betsy sprak hij weer aan en
vroeg haar een polka-mazurka, want met zulke zware meisjes danste hij
liefst een rustige polka-mazurka, en 't viel hem van avond al bizonder
op, zoo zwaar als ze geworden was, Betsy; voor haar staande dacht hij
oneerbiediglijk aan een van de weldoorvoede konijnen van zijn oom in
Hilversum, dat eene, dat donzige witte, en zich in-eens herinnerend zijn
vage emotie van zooeven toen hij bij haar gestaan had in 't gedrang,
kon hij zich die niet begrijpen en lachte hij zich uit in zijn ziel. En
omkijkend zag hij ook Mimi lachen met de houding van een prinses en de
oogen van een fabrieksmeid.

En onder 't buigend verder gaan van Betsy naar Frieda, die stijve
strakke Frieda, dat mal-trotsche nest, en naar Anna van der Hoeven, zijn
goede vrindin, was 't hem of er een nieuw leven in hem gevaren was,
waarbij 't vorige enkel belachelijk goedig gedoe scheen, groen en
schapig. Terwijl zijn mond gewoon-maatschappelijke dingen zei tegen
Anna, stond hij zich te fantaseeren een vreemd-vrij bestaan, een
zwerfleven, een rooversleven, een trotsch gaan door bosschen en
gebergten, naast hem: zij, zijn maitresse, gewapend, als hij zelf, met
dolken en pistolen. En terwijl zijn hand zijn naam opschreef in Anna's
balboekje voelde hij de begeerte naar zoo'n wild bestaan met haar
branden in zijn polsen. Met 'n overgegeven gemoed gaf hij toe aan den
wellust van die fantasie.

Maar toen nam Anna hem mee naar een meisje, dat, een beetje afgezonderd,
bij den schoorsteen stond in de houding van iemand, die zich niet thuis
voelt. Ze scheen 'n jaar of twintig te zijn. Ze zag wat bleek, haar
oogen lagen diep in grijze schaduw. Haar japon was heel eenvoudig,
van een roomkleurige stof met een breede ceintuur en een paar groote
strikken van geel satijn. Anna sprak haar aan, op hartelijken toon met
een zweem van medelijden. "Lucie, mag ik je 's even voorstellen: meneer
Bandt,.... juffrouw Tadingh." Toen ging ze weg en Bernard maakte, met
mondainen glimlach, zijn buiging, een overdreven-diepe buiging, maar
toen hij Lucie aankeek, schaamde hij zich plotseling. Hij voelde zich
gestoord, betrapt. Hij voelde dat zijn galanterig doen genegeerd
werd; die zachte, klare oogen keken recht in zijn ziel, met iets van
verwondering en stil-diepe aandacht. En 't was hem plotseling of hij
droomde, of 't niet mogelijk was in die zaal die oogen, dat droge pure
oogenlicht. Hij had een oogenblik van verlammende verwarring. 't Was
als een visioen, een verschijning. Duidelijk voelde hij zich staan, in
zijn balkostuum, gansch alleen op een stille eenzame weide, onder een
doorschijnend wit-lichten avondhemel.... Er was vage benauwing in zijn
droom....

Maar met inspanning, terwijl hij even voor zich keek op den grond,
herstelde hij zich, een muur van gewoon redeneerend gedenk optrekkend
achter zijn oogen, en hij zag haar weer aan, voorbereid nu, zich veilig
voelend, koel-bestand tegen den blik van haar blauw-grijze oogen, zoo
zacht en goed en dof-weemoedig, zoo wondervreemd contrasteerend met de
donkere wenkbrauwen en 't kroezige zwarte haar. Hij zag dat zij rood
geworden was, egaal rood tot in den hals en over haar oogen kwam nu een
vochtige glans, als was er een traan over gegleden. Nu schenen ze zacht
te verwijten en te vergeven tegelijk, alsof ze zijn onrust begrepen had.

Hij begon een gewoon balpraatje, over de zaal, over den avond, over
het bruidspaar, vlug-sprekend maar telkens abstract, glimlachend, maar
zich innerlijk aldoor 'n beetje ergerend over zich zelf, over de
onbeduidendheid van zijn gepraat, en omdat hij zich niet heelemaal
rustig en op zijn gemak voelde met zoo'n doodeenvoudig meisje. Zij
was zich niet zoo gauw meester, ze moest zich blijkbaar inspannen om
antwoorden te vinden, en die schenen dan niet uit haar te komen, die
scheen ze voor te lezen uit een denkbeeldig boek. 't Was of ze 't praten
niet gewoon was. Ze klaagde dat ze weinig menschen kende van die hier
waren. Hij zei, dat 't altijd interessant was nieuwe menschen te leeren
kennen, dat hij haar immers ook niet gekend had voor van avond, maar nu
toch heel blij was dat ze was gekomen. Hij hoorde dat complimentje
zelf pas toen hij 't al gezegd had, en hij keek haar aan en zag dat er
in-eens blijheid in haar oogen was, ware blijheid. Hadden dat zijn
woorden gedaan? Toen schaamde hij zich opnieuw, niet brutaal genoeg om
dat onverdiend succes rustig te aanvaarden, en hij bloosde, vlug-vragend
naar haar balboekje, en met een quasi-ernstig gezicht, fronsend zijn
wenkbrauwen, vergeleek hij haar boekje met het zijne en besprak de
tweede lanciers, ofschoon zij verlegen protesteerde, zeggend dat ze dien
dans niet kende. Maar hij zei een paar maal dat 't wel gaan zou en boog
haastig, 'n beetje schutterig en excuseerde zich, eigenlijk niet wetend
waarvoor, en hij liep naar Marie van den Bosch, want hij hoorde de
muziek van de polonaise.

Hij voelde zich onbehagelijk gestoord in zijn lekkere stemming van
verliefde fantasieën, hij vond dat hij toch ook belachelijk weinig
optreden had, een kinderachtig totaal gebrek aan pose, en naar Mimi
kijkend verbeeldde hij zich dat ze hem uitlachte. Hij begon zich
vernederd en lam te voelen, een jongetje; hij moest al zijn best doen om
niet stil te worden, want dat mocht natuurlijk niet, er moest gepraat
worden, want Marie van den Bosch was een zusje van de bruid; er moest
veel gepraat worden over het bruidspaar en het feest. En hij praatte
zich dan ook langzamerhand weer in een dragelijke stemming, ofschoon
maar matigjes geboeid door dat Marietje; zij was een aardige balpop,
mooi, vroolijk en gedistingeerd; hij zou zich anders wel met haar
geamuseerd hebben, maar nu had 't gedartel van haar blikjes en woordjes
niet veel vat op hem. Maar het licht in de danszaal en het gaan op de
maat van muziek, het gevoel van veerkracht in zijn leden, maakten weer
een man van hem, maakte dat hij zich weer begon te voelen de sterke,
die haar aan kon, haar, Mimi. Telkens keek hij om naar haar met
steels-begeerende blikken.

Een lange stoet van mooi-gemaakte menschenparen was uit de ontvangzaal
in de danszaal komen stappen, rustig gaande in de langzame marschmaat,
zich krommende in de hoeken en wijduitgeslingerd nu over den glasgladden
dansvloer. De slanke stoet schreed voort met princelijke passen, blij
omgolfd door diepten van licht, door 't alompralende feestlicht, dat
zich verdubbelde in de spiegels en den glimmenden vloer. En de voorste
twee reikten elkaar de hand en stilstaande hieven ze hun ineengeslagen
handen op tot een poort, waar de volgenden bukkend onderdoor gaan
moesten, om dan ook stil te staan en een poort van armen te maken, en
zoo deden al de volgende paren, en er was vroolijk gegons van stemmen en
gelach van menschen, blij zich ongestoord te mogen verlustigen, zonder
dat het gek stond, want ze hadden nu immers niets anders te doen, al hun
dagelijksche getob werd genegeerd door dit vrije, luchtige, kinderlijke
spelegaan. De gewichtige gezichten van de oude deftige dames doken
lachend en rood van 't bukken van onder de armenpoorten op; boven de
handen lachten de hoofden elkaar toe, en, toen na 't spel de stoet weer
voortging in wijde bochten slangend door de zaal, waren de bewegingen
losser en vlugger geworden, was 't of de muziek in de leden getogen
was, ze lichter makend en veerkrachtiger. En nog andere menuetachtige
dansfiguren voerden de paren in optocht uit. Maar plotseling, met fel
gekras der violen, daar ging de muziek in een polka over, en dat gaf
rumoerige verwarring, de oude menschen vluchtten uit den stoet en
zetten zich op de sofa's, die tegen de wanden stonden. Maar de jonge
paren polkeerden op, aldoor draaiende om zich zelven als tollen
die gelijkertijd opgezet zijn, als gezweept door de muziek en
uiteen dwarrelend dan door de heele zaal. In grillige springpas,
cholerisch-ongracelijk, hupten en zwierden ze elkander voorbij, een
verbijstrend gewirwar van al maar verandrende kleurencontrasten. Vreemd
als een plotselinge wilde bezetenheid, gevaren in menschen, die
polkaroes......

Bernard danste met Marie. Hij hield niet van die wilde
polka-bokkesprongen, afmattend, échauffeerend zoo vroeg al in den avond.
Gelukkig duurde 't niet lang. Met af en aan snerpende accoorden kwam de
muziek tot zwijgen, het dansen verliep in een loomen gang; er viel rust
in de zaal; de menschen vereenden zich tot groote groepen in de hoeken
en langs de wanden.

Marie viel quasi-afgemat op een sofa en Bernard ging pratend voor haar
staan, haar warm gezichtje bewuivend met haar waaier van donzen witte
veeren. Toen kwam van den overkant van de zaal Mimi kalm aanloopen en
vlijde zich met gratie naast Marietje. Ze scheen niet te letten op
Bernard, maar ging druk zitten praten met het zusje van de bruid, om die
een compliment te maken over haar toilet en te zeggen hoe dolheerlijk ze
't feest vond. Ze bedekte haar gezicht, schijnbaar achteloos, half met
een zwartkanten waaier, zoodat het roomblanke vel er verleidelijk
bovenuit kwam, en alleen haar oogen dwaalden soms af, schuin naar boven,
naar Bernard, die aldoor naar haar keek. Haar blik was dan koud,
dof-abstract, om dadelijk weer vreugdevol te schitteren als ze
doorpraatte tegen Marie.

Toen sprak Bernard haar in-eens aan, luid en wat bruusk: "Hebt u altijd
in Amsterdam gewoond, juffrouw van Keppel?"

Ze keerde zich naar hem, dadelijk weer met dien spotlach, en haar blik
recht in den zijnen antwoordde ze: "Ja meneer."

"Hoe vreemd, dat ik u dan nooit vroeger heb gezien...."

"Och!.... u zult niet op me gelet hebben!...."

"Ik zou zeker wel op u gelet hebben, als ik u ontmoet had."

"Heel beleefd van u, heel vleiend," zei ze met een leuk lachje. "Maar ik
heb toch indertijd 's een partij bijgewoond waar u ook was.... U hebt
toen heusch geen notitie van me genomen.... 't Is ook al weer 'n paar
jaar geleden.... 'n Koperen bruiloft!.... Betsy Franck was er ook, weet
u 't nog wel?.... In Odéon was 't...."

En toen ze dat gezegd had met haar plagend glimlachje, keerde ze zich
weer naar Marie en praatte dadelijk over heel wat anders, maar Bernard
zei nog, langzaam 'n beetje blozend: "O ja!.... o ja!...." en kuchte om
zich een air te geven, want hij herinnerde 't zich nu heel goed; dat was
nog in dien tijd van Betsy geweest, wat 'n jongetje was hij toen nog,
wat 'n goed-onschuldig ventje!....

De violen begonnen een wals te spelen en er werd geroepen: Wals!....
wals!.... En Bernard boog diep voor zijn dame en kreeg op zijn weg nog
een blik vol overmoedigen spot van Mimi mee. Hij stak de zaal over naar
Anna van der Hoeven, die dadelijk opstond, want ze hield dol van walsen
en ze wist dat Bernard 't goed deed. Ze praatten niet veel en waren
onder de eersten, die dansten. Bernard zag Mimi nog zitten op die sofa,
kijkend over haar zwarten waaier, en zag André op haar afkomen, en zag
hoe ze hem ontving, met dienzelfden blik, dien coquetten spotblik en hij
voelde zich in-eens jaloersch worden op André. Maar ze stonden op en ze
dansten ook en in de snelle draaiing van de wals verloor hij ze uit 't
oog.

En zich nu meer gevend aan den dans, met een wreveligen lust om dat
meisje nu 's even uit zijn hoofd te zetten, sloeg hij zijn arm wat
verder om Anna's middel en begon hij zijn passen met zorg te maken,
netjes zijn voeten zettend, zooals 't hoort, om weer heelemaal dat
gevoel te krijgen van correcten meneer, wat hij gehad had bij zijn
barbier, en hij luisterde naar de slepende violentonen, en nu nam de
dans hem mee en hij liet zich gaan, hij hoefde zijn voeten niet meer te
zetten, ze gingen van zelf. Hij voelde zich wiegen op de walsmuziek,
zoetjes deinend als op lange kalme golven, op zee bij zacht zomerweer,
oprijzend en wegzinkend, aanglijdend en afzakkend. Anna vergat hij; hij
voelde niet meer dat zijn arm om haar lijf lag, hij voelde haar één met
hem in 't gelijke maat-gaan van hun lijven; even maar werd hij herinnerd
aan haar toen ze, als in extase, met moeite fluisterend, zei: "'t Gaat
heerlijk, hé?" De weelde van den dans bezat hem heelemaal, hij genoot.
En zonder vermoeienis, van-zelf bewegend, walsten ze door, gedragen door
de muziek, de weekslepende Myosotiswals; opgewonden, half-bedwelmd door
den dans, zweefden ze, scheerden ze over den dansvloer, licht als een
droog blad dat snel draaiende wegwaait over den harden bevroren grond.

Maar eindelijk viel Anna met een schok terug in zijn arm. "Ik kan niet
meer," zei ze, lachend, licht hijgend, en ze vielen neer op een paar
stoelen in een hoek van de zaal. Anna wuifde hun beiden koelte toe met
haar waaier. Daar kwamen Mimi en André aan. Ze dansten goed, ze dansten
heel goed samen, alleen ze hield haar bovenlijf wat te veel voorover,
bijna raakte haar wang André's schouder. Hun voorbij walsten ze,
draaiend, ruischend. En onophoudelijk zwierden andere paren aan, de
heele zaal was in walsgolving, de muziek walste door de zaal, 't was àl
harmonie van klanken, licht en kleuren, de muziek scheen in de kleuren
te zijn en de kleuren in de muziek. En wéér kwamen ze aan, André en
Mimi; haar wangen gloeiden. Bernard zag even 't genietend glanzen van
haar oogen. Mooi was haar rank lijf tippend vederlicht om de zwarte
figuur van haar danser.

"Ken je Mimi van Keppel?" vroeg Bernard aan Anna.

"Of ik haar ken?.... Nou, 'k zou 't wel denken,.... maar al te goed...."

"Hoe dat zoo?...."

"We waren samen op kostschool in Bonn.... 't Is 'n lieverdje, hoor!....
Heelemaal geen vrindin van me!........"

"Wat heeft ze daar toch voor booze dingen uitgehaald op dat school? Ik
hoorde er alwat van mompelen, hier en daar...."

"Wèl!.... Nou, jou wil ik 't wel zeggen, maar je moet er nooit over
spreken, hoor!.... 't Was eenvoudig verschrikkelijk! Ze stal allerlei
dingen van ons, andere meisjes, en als je haar wat dorst te zeggen werd
ze woedend en sloeg er royaal op...... Eén van de meisjes heeft ze een
haarspeld in 't hoofd geslagen.... Dat had nog heel leelijk af kunnen
loopen...."

"Maar waarom werd ze dan niet weggejaagd?"

"Och, je begrijpt toch, zoo'n directrice maakt niet graag standjes....
Haar vader betaalde goed, denk ik.... En dan had ze altijd de leeraars
op haar hand, want die wist ze wel in te pakken, coquet nest dat ze
is!...."

Bernard lachte. "Zoo?.... Is ze zoo'n Carmen?"

"Nou!.... 'n Echte jongensgek, wat je noemt, hoor!.... Maar ik zou haar
niet vertrouwen als ik 'n man was."

Weer kwamen ze aan, wandelend nu. André wischte zich 't bezweete
voorhoofd af. Ze fluisterde achter haar waaier en hij lachte hardop om
wat ze zei. En in 't voorbijgaan keek ze Bernard aan, een blik gloeiend
van triomf en overmoed.

"Ik ga nu met 'r dansen," zei Bernard.

"Zoo!.... Zeg, vooral niets laten blijken, hoor!.... Pas op, ik zou
woedend zijn!"

"Och wel nee! Natuurlijk niet. Waar denk je aan!"

De muziek zweeg. Maar Bernard, gemakzuchtig, bleef nog zitten bij Anna.
Hij zag er tegen op Mimi te gaan halen. Hij voelde zich wat beklemd
worden; zou ze met André over hem gelachen hebben? Hij moest nog een
houding zoeken tegenover haar en er was geen zier geest in zijn warm
hoofd. Maar Sam kwam al naar Anna toe.

"Heb je al 'n carré," vroeg Bernard.

"Nee, willen we 'r een formeeren," vroeg Sam. "Wacht dan even nog, dan
zal ik André ook vragen." En hij liep weer weg, Bernard kon nog even
blijven zitten. Want hij kon immers Anna niet alleen laten.

Maar gauw was Sam weer terug. Hij had met André en Hendrik Schot
afgesproken. En hij nam Anna mee, Bernard aansporend met 'n: "kom, moet
jij nu je dame niet gaan halen?.... Je bent hier niet voor je plezier,
gauw 'n beetje!"

Bernard glimlachte, wat verward en verlegen, maar toen in-eens ernstig
wenkbrauwfronsend, richtte hij zich op, heel recht, en liep zoo naar
Mimi toe, statig en met een strak gezicht, en hij boog deftig, correct
en zwijgend.

"Ik was al bang, dat u me vergeten zou," zei Mimi, hem aankijkend van
terzij, en alvast spotlachend om 't complimentje dat ze verwachtte. Maar
hij zei alleen: Nee!.... nee!.... en geleidde haar, deftig stappend,
naar de plaats waar de drie andere paren al wachtten.

En de quadrille begon. 't Ging keurig in hun carré. Hendrik Schot
alleen, die er niet veel van kon, vergiste zich dikwijls met zijn stijve
stappen en de dwaze draaien van zijn houterig lichaam en deed de anderen
lachen door 't gekke gezicht waarmee hij 't dan in zijn verlegenheid
goed maken wou. "God, God! wat 'n hein! wat 'n hark!" hoorde Bernard
Mimi zacht zeggen tegen Betsy die met Hendrik danste.

Zij, Mimi, ofschoon zich met de bedwongen elegance van haar
trotsch-rechte figuur aldoor hoogst correct bewegend, was dol van
opgewonden danslust. Haar oogen schitterden. Ze verdeelde haar
uit-tartende blikken tusschen Bernard en André. En André scheen onder
haar bekoring, hij boog overdreven-diep voor haar en lachte als ze hem
zoo aankeek, maar Bernard bleef heel bedaard, koeltjes buigend, en deed
zijn passen afgemeten en meestal zwijgend. Hij voelde soms dat ze hem
aankeek en keek dan opzettelijk een anderen kant uit. Toen ze dat merkte
lette ze niet meer op André, maar deed al maar haar best Bernard's
blikken aan zich te trekken, door lichaamswendingen en lachjes.
Eindelijk kwam het slotfiguur, de grand' chaine. Keurig, als paardjes in
een circus, op de uitgegilde bevelen van een gerokten meneer op een
stoel, liepen de dansende dames en heeren om in hun quadrille-kringen,
elkander tegemoet; vormelijk bogen de bovenlijven en passief gleden de
gehandschoende handen in elkaar. En telkens lag ook Mimi's hand een
oogenblik in Bernard's hand. Maar elken keer, even voordat die handen
uiteengleden, voelde Bernard een licht drukje van verstandhouding, even
maar, heel kort, maar heel duidelijk. Hij vond 't brutaal, maar 't
streelde hem, hij bloosde van voldoening. Hij begreep niet, hoe ze 't
durfde doen, maar 't kostte hem inspanning koel en strak te blijven,
zooals hij zich had voorgenomen; vergeefs zette hij zich telkens nog
deftiger en voornamer in postuur en zijn gezicht in een quasi-stroeve
plooi, bij den laatsten omgang vlamde zijn blik met volle begeerte recht
in den haren. En stevig drukte ze nu zijn hand en in 't voorbijgaan trof
hem een oogenglanzen van kanaljeuse verleiding.

Bernard voelde zijn hart dof opbonzen in zijn borst, hij voelde zich
zijn aandoening niet meer meester, bij 't "balancez à vos dames"
vergiste hij zich twee maal en toen de muziek met groote drukte overging
in de wals finaal, sloeg hij zijn arm driftig om Mimi's leest. Ze
dansten, draaiend, deinend, met veerkrachtige passen. Dat walsen met
haar was anders dan met Anna. Dit was niet de wellust van den dans
alleen, maar dat vrouwelijf tegen zijn arm liggend, maakte hem dronken
van genot. 't Was een roes! Duizelig stond hij eindelijk stil; hij was
bijna tegen haar aangevallen. Zij lachte er om en vroeg of hij daar meer
last van had. "Nee, anders nooit," zei hij. En zij lachte weer, met
oogen die 't begrepen.

Ze sloten zich aan bij een van de menschengroepen, die nu, loom loopend,
optrokken naar de derde zaal, de tooneelzaal, waar wat vertoond zou
worden ter eere van het bruidspaar.

Voor de dames en de oude heeren waren stoelen en banken aangeschoven,
maar de jongere heeren gingen tegen de wanden staan of achter in de
zaal, beweeglijke zwarte groepen.

Bernard bezorgde Mimi een goede plaats tusschen Lize en Doortje, waar ze
dadelijk druk zat te praten; zelf ging hij achteraan staan naast den
oudsten zoon van den gastheer, Kees van den Bosch, een korte, gedrongen
figuur, met het uiterlijk van een eersten stuurman, die zijn baard pas
afgeschoren heeft. Hij had alleen een kort geknipt geel kneveltje. Zijn
rok zat hem slecht en hij was erg warm.

De vertooningen waren gewone bruiloftsvertooningen. Toespelingen op
't intieme leven van doodgewone menschen. Meisjes die slecht verzen
opdreunden en meneeren die hun rollen vergeten waren en links en
harkerig deden op 't kleine tooneeltje. Kees luisterde aandachtig en
dus zweeg ook Bernard uit beleefdheid. Hij verveelde zich, 't vormelijk
applaus ergerde hem 'n beetje, hij verlangde terug naar de balzaal.
Eindelijk, in een kleine pauze, terwijl ze van 't presenteerblad, dat
werd rondgedragen, elk een glas wijn namen en even aanstootten, begon
Kees, lachend: "Zoo meteen moet ik er ook aan gelooven."

O God! dacht Bernard, die ook nog! "Zoo!", zei hij, "zullen we 't
genoegen hebben jou ook op de planken te zien.... als jeune amoureux
hoop ik."

"Dat minder!.... ik speel voor tuinman.... O, 't is een prachtig stuk,
dat begrijp je; me zwager en ik hebben 't zelf gefabriceerd."

"Hoe bescheiden dan om je zelf met de rol van tuinman te bedeelen," zei
Bernard.

"Ja!.... wat zal ik je zeggen!.... Je moet 'n beetje weten te schikken!"
En Kees lachte met zijn breede grijns van goedronden zeeman. "Je hebt
daar net met Mimi van Keppel gedanst, hè," begon hij weer, na een paar
teugjes, "hoe vind-je die?"

"Hè.... die juffrouw van Keppel, meen je?.... Wèl!.... 'n Aardig meisje,
geloof ik!.... Is 't 'n vriendin van een van je zusters? 'k Heb haar
nooit ontmoet bij jelie...."

Kees haalde zijn schouders op met een minachtend krullen van zijn
lippen. "Vriendin?.... Och!.... ja!.... ze is een goeie kennis van me
getrouwde zuster!.... Och!.... we moesten haar vragen, zie je.... Maar
't is een kat!" zei hij, schielijk fluisterend, met een plotseling
nijdig gezicht opkijkend naar Bernard, die veel langer was.

"Hm!.... zoo!...." zei Bernard.

Kees keek hem weer aan, nog nijdiger, bijna dreigend. "Pas op voor die
meid, hoor!" fluisterde hij weer, snel en scherp. "Ze heeft 't hier!" en
hij tikte met den wijsvinger van zijn rechterhand achter den elleboog
van zijn linkerarm. "Hm!" zei Bernard nog eens. En hij schoof wat van
Kees af, een paar verwenschingen smorend achter zijn tanden. 't Begon
hem nu de keel uit te hangen dat gezanik over haar kattigheid. Allemaal
jaloezie, bromde hij in zich zelf. 't Is een weergaasch aardige
meid!.... 'n pikante.... ik mag dat wel! waarom niet? Ze is heel wat
amusanter dan al die vervelende schapen daar op dat tooneeltje, met 'r
armzalig geteem over liefde en geluk!.... Ze weten er wat van!....

Hij keek naar Mimi en zag haar zitten. Opvallend was, tusschen de
donkerder en doffer hoofden om haar heen, die volle golving van rosblond
haar. 't Glansde als gepolijst rood-koper in 't helle licht. Mooi haar
toch, dacht Bernard. Hij liep wat achteruit, hij wilde alleen staan. En
hij keek aldoor naar dat eene meisjeshoofd. Hij lette heelemaal niet
meer op de vertooning, hij stond te soezen. Hij voelde haar blik weer en
haar handdrukjes. 't Waren ál warme wellustdroomen die door zijn roezige
hersens togen. En hij gaf er aan toe, fantaseerend, zich meer en meer
opwindend, totdat er een gevoel van brute kracht en wild begeeren in hem
begon te leven. Hij dacht plotseling aan een leeuwentemmer, die hij 's
gezien had bij Carré. Temmen, ja, dat is 't, mompelde hij, haar
temmen,.... tot ze zoo zacht is als een duifje....

Maar in-eens hoorde hij 'n stem vlak bij zijn oor! "Zeg, wat doe je
toch?.... Sta je je toost voor straks te repeteeren?"

't Was André. Hij had hem niet aan hooren komen, hij schrok even en
glimlachte toen, licht blozend. "Ik stond maar wat met mezelf te praten
bij gebrek aan beter," zei hij.

"Vervelende vertooningen, hè?" zei André, zijn hand door zijne bruine
haren strijkend en zich dan geeuwende omdraaiend op zijn hielen.

"Nou!" zei Bernard.

"Nee!.... dan dans ik nog liever den heelen avond, hoor!.... Wat?....
Zeg! aardig kindje, die Mimi, hè?"

"Kindje?.... zeg maar gerust kind!"

"'k Geloof dat jij 't leelijk te pakken hebt, ouwe jongen," zei André,
weer lachend.

Bernard trok een minachtend gezicht. "Geen kwestie van, hoor!....
Maar.... re.... zeg! je hadt daarnet Kees moeten hooren? Die is, geloof
ik, zoo bang als een wezel voor dat juffie.... ik moest oppassen voor
haar, zei hij, ze had 't achter de mouw!"

Ternauwernood onderdrukt proestgelach van André deed de menschen vóór
hem even omkijken.

"Sst?.... sst! kerel!" zei Bernard, zelf glimlachend.

"Hij is patent!" zei André. "Nou, je hoeft er dat jong dan ook maar op
aan te kijken!.... Zijn rok zit 'm of 't een gehuurde is!.... Hij is
stom ook, geloof ik, is-t-ie niet?"

Bernard gaf geen antwoord, maar na 'n poosje begon hij weer: "Wat zie ik
jou weinig met Betsy van avond."

"Hm!.... Nou ja:.... och! zoo meteen ga 'k 's met 'r dansen!.... kalm
aan! kalm aan!...."

"Ze bevalt je anders altijd nog al, dacht ik."

"O! Wat dat betreft, ze is charming!" zei André met een gebaar als wierp
hij Betsy een kushand toe. "Een meisje, zie je, om mee te trouwen, maar
niet om zoo 's een aardigheidje mee te hebben.... om zoo ereis mee uit
wandelen te gaan.... zooals die Mimi...."

"Ho!.... ho!.... die zal je ook wel aan zien komen met je
wandelingetjes!"

"Wat wed je? Nou, hoor!.... Die gaat dadelijk mee!"

"Met jou?" vroeg Bernard, spottend.

"Waarom niet?.... Dacht je soms liever met jou?"

"Misschien wel," zei Bernard.

"Zie je nou wel, dat je verkikkerd bent," plaagde André weer. "Maar je
moet je haasten, hoor! Ze heeft me onder 't dansen heel wat vriendelijke
oogjes gegeven en bij de grand' chaine telkens een allerhartelijkst
handdrukje...."

"Dat lieg je lekker!" zei Bernard, geërgerd.

"Hè? Nou nog mooier! Wat zou dat nou voor een flauwe mop zijn!.... 't Is
waarachtig waar."

"Opsnijderij," zei Bernard.

"Nou goed! opsnijderij dan!.... Maar ik zou de eerste anders lang niet
zijn, hoor! Er zijn er genoeg die 's met 'r uit geweest zijn."

"Verrek!" zei Bernard.

En hij liep wat naar voren als om de vertooning beter te zien. Juist
kwam Kees op als tuinman; er ging een luid-juichend gelach op.

Bernard keek nog even op naar André, die kalm was blijven staan, zijn
handen in zijn zakken, wiegend zijn lange slanke figuur op zijn hielen,
leuk lachend stil voor zich heen, als dacht hij aan toekomstige
avontuurtjes. Zijn vroolijke bruine oogen glinsterden van inwendige
pret.



IV.


Toen de voorstellingen voorloopig afgeloopen waren, gingen de
feestmenschen aan een aantal tafels, die in den tusschentijd klaargezet
waren, in de groote zaal zitten soupeeren. Bij groepen van twaalf
of zestien zaten ze aan de witte tafels, verspreid door de zaal, in
rustig-roezend praatgegons. Ieders plaats was aangewezen. Bernard had
Lucie Tadingh aan zijn rechterhand en Lize Schot aan zijn linker. Mimi
zat aan een andere tafel, hij kon haar zien zitten, half van terzij. Ze
zat tusschen Hugo Franck, dien langen zwarten Huug, met zijn gesoigneerd
uiterlijk en zijn allures van handig boulevardier, en Samson, ook een
kennis van Bernard, een man van vijf- of zes-en-dertig jaar, een echten
oude-vrijer, een cynischen aap van 'n vent, erg leelijk en coquetteerend
met zijn leelijkheid. André zat over haar, naast Betsy.

't Was Bernard gelukt aan 't slot der vertooningen Mimi te bereiken en
hij was met haar de groote zaal binnen gekomen. Hij had gehoopt ook met
haar te kunnen soupeeren. En toen hij 't kaartje met zijn naam had
zien liggen en aan weerszijden de namen van Lize en Lucie, was hij erg
teleurgesteld geweest. Mimi had 't gezien aan zijn gezicht en ze had
gelachen, triomfantelijk en verleidelijk. Toen hadden ze ook haar plaats
opgezocht en hij had gebogen en was teruggegaan naar de zijne, tusschen
Lize en Lucie.

Daar zat hij dus nu, wat landerig en stil in 't eerst, soezig luisterend
naar 't stemgegons, trachtend den wrevel van teleurstelling weg te
praten in zich zelf. 't Was immers heel natuurlijk! Waarom zou hij nu
juist naast haar gezet zijn, nonsens, nonsens! Op Lucie lette hij haast
niet, hij zag haar naast zich zitten zonder zich te herinneren wie ze
ook weer was. Zij zat met haar rechterbuurman te praten. Ook Lize liet
hij over aan haar andren buur. Quasi-bedaard-onverschillig zwijgend deed
hij alleen wat zijn plicht was aan tafel, en zat wat te kruimelen en te
spelen met zijn brood.

Maar langzaam-aan begon hij zich te schikken en toen dacht hij in-eens
-- hij hoorde haar stem -- aan dat oogenblik van verwarring toen Anna
hem had voorgesteld aan Lucie. O ja!.... dat was dat meisje.... met die
zachte oogen.... 'n lief meisje blijkbaar.... Waarmee had ze hem ook
weer verlegen gemaakt?.... Och, gekheid, dat lag aan hem!.... Zij was
een eenvoudig meisje, een lief eenvoudig meisje!...... Hij moest haar
toch 's aanspreken.... Dat was niet meer dan zooals-'t-behoort.

Hij deed 't ook, dadelijk, terwijl ze zich juist even naar zijn kant
wendde en hem schielijk van terzij even aankeek. Hij vroeg met een
vriendelijke, bedaarde stem, zich dwingend tot een gelaten kalmte, of ze
zich goed amuseerde, of ze hield van partijen. O jawèl, gaf ze antwoord,
ze hield er wel van, ze hield veel van dansen, ze vond 't alleen maar
niet prettig dat ze zoo weinig menschen kende. Maar dadelijk -- zeker
wou ze voorkomen dat hij zijn complimentje herhaalde -- zei ze er bij
dat dat ook heel natuurlijk was, want ze ging haast nooit uit, ze leefde
alleen met haar moeder, stil, bijna afgezonderd van de wereld. Ze had
nog wel vrindinnen, ze kwam nog wel 's hier en daar aan huis, maar
natuurlijk! de meeste tijd kwam haar moeder toe, die haar beste vrindin
was. Bernard, wat verwonderd weer, door haar dadelijk eenvoudig-weg
vertellen van zich zelf, en 't geluid van haar stem herkennend met
onzegbaar-lichte ontroering, zei kort en stil dat hij geen moeder had.
Toen keek ze hem in eens meelijdend aan, en weer hadden haar oogen dien
vochtigen glans, alsof er een traan over heen gegleden was. Och! dat
vond ze erg treurig. Ze wist 't wel wat 't was zoo'n verlies, want ze
had haar vader verloren twee jaar geleden. "Dat moet vreeselijk zijn,"
zei Bernard,.... "ik heb mijn vader ook niet meer..... maar ik heb hem
eigenlijk nooit gekend." Ze schrok weer. "Heelemaal niet gekend?.... En
is uw mama al lang dood?"

Haar stem veranderde bijna niet door 't spreken over die treurige
dingen. Er was niets in van 't gewone teemend mede-lijden gehuichel,
alleen een lichte trilling van innigheid en groote aandacht.

"Ja!.... al lang!" zei hij. "Ik heb maar een heel vage voorstelling van
me moeder,.... ik was vier jaar toen ze stierf.... 'k Ben toen door 'n
oom en tante in huis genomen, ziet u, die hadden geen kinderen, en die
hebben me opgevoed alsof ik hun eigen zoon was...."

"Hoe lief!.... En.... wat herinnert u u nog van uw mama?"

Bernard glimlachte even, weer een beetje verward. Hij was verbaasd. Hij
vond haar een vreemd meisje. Hoe waren ze toch in-eens aan zoo'n gesprek
gekomen aan 'n vroolijk souper op een bruiloft!...... En waarom vroeg ze
dat zoo.... Wat kon 't haar schelen....

Maar hij vond 't niet onaangenaam. Er was een zachte streeling van
sympathie in zijn gemoed.

"Wel!.... ik herinner me," zei hij nadenkend, "dat we in een breede
vensterbank zaten, zoo'n vensterbank met kussens, geborduurde kussens,
vol met gele en witte bloemen.... Me moeder zat in den eenen hoek en ik
in den anderen. Ze had 'n lichtgroene.... ja, 'n doffe grijzig-groene
japon aan,.... ze had 'n ovaal gezicht en zachte oogen, heel zachte
oogen (bijna had hij er bij gezegd; zulke oogen als u, want zoo zacht,
zoo innig-aandachtig keek ze naar hem).... En ze vertelde allerlei
vertelseltjes.... en las voor van Prins Vriendelijk en de prinses
met de lange haren.... Ja, dat is geloof ik 't eenige wat ik me goed
herinner...." Hij zweeg en keek even droomerig voor zich uit, kruimelend
met zijn brood. Maar dadelijk schoot hij weer op, want achter hem kwam
een kelner staan met een schotel, en hij bediende zijn dame en zich
zelf. En van den overkant werden grappige opmerkingen gemaakt, waar ze
allemaal om lachten. Daarop sprak Lize hem aan. Ze was een heel jong,
heel vroolijk meisje, -- ze werd door de anderen geplaagd met haar
opvatting van een rolletje in een van de vertooningen. Sam hield
quasi-ernstig vol dat die opvatting oneindig tragischer had moeten zijn.
Ze riep Bernard te hulp.

"Nee! wat zegt u nou, meneer Bandt?...." Bernard gaf haar volkomen
gelijk en was dadelijk druk mee in 't gepraat over dat rolletje. Hij
had juffrouw Lize ternauwernood opgemerkt op 't tooneel, maar dat was
natuurlijk geen reden om geen opinie over haar spel te hebben aan 't
souper op een danspartij. Er werden nog wat grappigheden gezegd. Sam
erkende dat zijn "aantijgingen" monsterlijk waren en werd gestraft met
een poenitet, en 't chapiter was afgehandeld. Bernard schonk Lize en
zich zelf nog eens in en keek naar Mimi. Hij zag dat André over de tafel
gebogen vol vuur tegen haar zat te beweren. Zij altijd recht-op. En Hugo
Franck zat te lachen achter zijn servet, blijkbaar om 't gepraat van
André, wiens stem soms hoorbaar was als 't algemeen gonzende geroes wat
daalde.

"U heb ik, meen ik, heelemaal niet gezien op 't tooneel, juffrouw
Tadingh," begon hij toen weer.

"Nee," zei ze, even lachend, "dat 's niets voor mij.... Comediespelen
vind ik iets verschrikkelijks...."

"Hoe dat zoo?.... Vindt u 't zoo lastig 'n rol te onthouden.... of?...."

"Och ja!.... dat ook al!.... maar heelemaal: dat positief iets komen
zeggen in 't publiek!.... ik vind 't altijd iets aanstellerigs, iets
onnatuurlijks.... Of eigenlijk; ik ben te verlegen, daardoor komt 't....
Ik ben zoo akelig verlegen, moet u weten...."

"Alleen ongewoonte!" zei Bernard.

"Mogelijk wèl, ja.... Maar 'k weet 't toch niet, 't zit geloof ik, ook
in me natuur. Ik heb er altijd bepaald van gehouden in gezelschappen
stil te zijn, alleen maar te luisteren naar wat anderen zeggen, zoo
als-'t-ware begraven onder hun stemmen.... ziet u, zoo weg te zakken....
O, ik had dat als kind heel sterk!.... Ik weet niet of u 't kent, dat
gevoel...."

"Ja zeker," zei Bernard, die datzelfde zachte gestreel van sympathie
weer merkte, "dat ken ik heel goed.... dat vind ik ook heerlijk.... maar
ik heb me altijd verbeeld, dat 't eigenlijk niet mocht.... 't Is, geloof
ik, ook wel 'n beetje egoïstisch."

"Vindt u?" zei ze, droomerig, wat verwonderd naar 't scheen.

"Ja.... dat vind ik wèl.... als je in gezelschap bent hebben de menschen
recht op je, dan moet je je 'n beetje geven."

"Heel goed," zei ze kalmpjes, "als ze dan tenminste wat aan je hebben,
als je geestig bent.... of knap, of alleen mooi.... maar...."

"O!" zei Bernard, "en dat is u allemaal niet?" Hij zei 't 'n beetje
ironisch, 't bedoelend als gewone galanterie.

"Nee," zei ze, heel eenvoudig, bedaard-dof, "nee, heelemaal niet!....
dat zult u trouwens ook wel zien en merken...."

Van ieder ander meisje had Bernard dat soort van praten altijd voor heel
ordinair hengelen naar complimentjes gehouden, maar zij zei 't alles zoo
zakelijk, zoo kalm, zoo effen voor zich heen, dat hij er dat niet in
hoorde, er niet aan dacht dat er in te zoeken. Hij vond haar juist
heel ongewoon. Hij voelde duidelijk dat ze veel beter was dan hij,
eenvoudiger, eerlijker.... en dan was er nog iets wat hij vaag voelde:
Ze was wel erg bescheiden, maar toch scheen ze te leven met groote
begrippen alleen, minachtend 't kleine, maatschappelijke, en dat
ongewild, onbewust.... Hij zat daar even over te soezen, hij dacht:
zoo'n zuster hebben, zoo'n zachte verstandige zuster om mee te praten
over alles....

Maar Lize klampte hem weer aan. "Maar, meneer Bandt, hoe vindt u dat
nou: meneer van der Hoeven beweert dat Mimi van Keppel rood haar heeft."

"Wel nee!" zei Bernard, "'t is rossigblond, niet rood! Rood is heel
anders."

"Nou! dat zeg ik ook!.... hoort u 't, meneer van der Hoeven!"

En Bernard's gedachten in eens weer naar Mimi. Hij zag haar weer zitten.
Hij vond haar profiel heel mooi. 't Was misschien niet zuiver mooi,
volgens de eischen, maar hij vond dat nu mooi. Maar die groene baljapon
stond haar toch eigenlijk niet. Ze moest in 't donkerrood zijn, in een
granate ochtendjapon bijvoorbeeld.... zoo'n wijde, met soepele plooien.
Wat had ze 't nu druk met Samson. Enfin, die was onschadelijk, dat
monster....

Aan de hoofdtafel was in-eens stilte; een dikke oom stond op en ging
toosten. Toen breidde de zwijging zich ook over de andere tafels uit en
was er een poosje alleen 't deftig-langzame preek-gepraat, 't zeurige
zinnetjes-zeggen van den vromig doenden oom. Hier en daar alleen aan
de uithoeken der bijtafels onderdrukt gegichel en toen 't uit was een
verruimd opstaan, algemeen, een woelig geschuifel met stoelen en geloop
naar 't bruidspaar om te klinken, een druk gedrang en geroep.

Op zijn terugweg kwam Bernard Mimi tegen, en glimlachend klonken ze
samen, en hij keek haar heel brutaal in de oogen daarbij, wat ze even
brutaal teruggaf.

"Bevalt de tafelschikking u nogal?" vroeg hij.

"Ja zeker," zei ze, "u ook?" "Bizonder," zei Bernard. Maar haastig keek
hij even om of Lucie 't gehoord kon hebben, want 't bewustzijn hinderde
hem dat hij haar voor den gek hield. En doorloopend naar zijn plaats
voelde hij Mimi's blik nog met zekere schaamte. Er was iets van de
geheime verstandhouding van twee gauwdieven in geweest.

Toen ze weer waren gaan zitten, begon hij dadelijk een levendig gepraat
met Lucie. Over boeken ging 't. Hij vroeg haar of ze dit gelezen had,
of ze dat kende. Het meeste kende ze niet, en daar moest hij dan van
vertellen, wat 't was. Zij vroeg al maar door, tot hij zelf weer over
een ander boek begon.

En zij vroeg, of hij soms kende Lubbock: The Pleasures of Life. Nee, zei
hij, en vroeg ironisch glimlachend of dat zoo mooi was. Ja! o! dat moest
hij bepaald lezen! Dat was haar bijbeltje! Daar stond in dat 't de
plicht van een mensch is gelukkig te zijn. Was dat niet mooi? Zij haalde
een paar zinnen aan uit het boek. Ze sprak 't Engelsch zuiver uit en hij
vroeg glimlachend of hij haar daar wel een compliment over maken mocht.

Toen kreeg ze 'n kleur. Nee.... nee.... dat zei hij er maar om.... Ze
sprak 't natuurlijk erg schoolsch uit, dat wist ze wel......

"Integendeel, ik verzeker u, u doet 't uitstekend!.... Ik weet 't wel
zoo'n beetje!.... ik ben verscheiden malen in Londen geweest...."

"Ja?" zei ze toen met blij stralende oogen, met die zelfde
kinderlijk-echte blijheid weer, "nou, dat doet me plezier!.... Ik houd
ook veel van Engelsch...."

Dat laatste had Lize Schot gehoord. "O! ik ook," zei ze dadelijk.
"Engelsch! heerlijke taal, hè? En kent u 't land ook? Bent u er
geweest?"

"Nee," zei Lucie, "ik ben er nooit geweest."

"O, ik wel!.... 'n heerlijk land!.... 't Eiland Wight, hè,
verrukkelijk!.... En al dat spelen wat ze doen op die groote groene
velden daar, tennis, crocket, football...."

"Nou, nou," zei Bernard, "football zult u toch wel niet mee gedaan
hebben!...."

"Zeker wèl, waarom niet?.... Onder ons meisjes, natuurlijk. 't Is
heerlijk!" En ze gingen in dien hoek zitten praten over football.

Maar Bernard keerde zich dadelijk weer naar Lucie, vertrouwelijk
doorpratend: "Bent u heelemaal nooit op reis geweest, juffrouw Tadingh?"

"Nee, meneer, nooit!.... Maar 't moet heerlijk zijn, dat geloof ik
wel.... Ik hoor er zoo graag over spreken.... Sommige menschen, die
anders altijd even kalm blijven, worden enthousiastisch, als ze over 'n
ander land beginnen.... Toch is 't onze ook mooi, vindt u niet?.... O,
ik houd zooveel van mijn Amstel en mijn Vondelpark, en 'n wandeling naar
't Kalfje met mooi weer vind ik verrukkelijk...."

Bernard zei, dat hij 't zoo zelden deed. Hij kwam er niet toe. Weinig
tijd....

"Dat 's jammer," zei ze, "'t is er zoo mooi, vooral in den zomer, en dan
's middags om 'n uur of vijf, zes, als 't wat koeler wordt en rustiger,
als 't water niet meer zoo in 't volle zonlicht is, maar alleen van die
smeltende goudglansen in de golfjes tegen den kant en op één plek
'n groote wemelende schittering.... O, dan is 't licht zoo mooi
om de boomen heen, en de boomenrijen in de verte die zijn dan zoo
verrukkelijk, vooral in 't oosten, waar de lucht dan al grijzer en
koeler wordt.... als er dan geen wind is,.... als ze zoo stil staan, de
boomen, als ze zoo stil staan te wachten in de ijle lichte lucht...."

Dat zei ze met wijde oogen recht voor zich kijkend, met iets van extase
in haar zachte, bijna fluisterende stem.

Maar terwijl ze nog sprak zag Bernard in eens dat Mimi, zich
half-omdraaiend op haar stoel, spotlachend naar hem keek. Ook André en
Hugo keken naar hem en lachten. Waarschijnlijk had André haar opmerkzaam
gemaakt op de ernstig-pratende gezichten van hem en van Lucie. 't
Ergerde hem, hij werd wrevelig en warm in zijn hoofd; ofschoon 't maar
even duurde; de rechte trotsche figuur werd bijna dadelijk weer afgewend
met een air van onverschillige meerderheid.

Maar hij kon nu niet goed meer luisteren en doorpraten. Hij kreeg last
van de warmte, hij werd roezig, abstract, gaf verstrooide antwoorden. Er
werd nu ook druk getoost, hij kon dus rustig stil zijn.

Hij zei dan ook niet veel meer. Lize zat meest met haar andren buurman
te praten, en er was geen intimiteit meer tusschen Lucie en hem. Hij
kreeg meer en meer 't land, een chagrijnig gevoel van dupe-zijn kwam
zich webben in zijn ziel. Als gewoonlijk ging hij zitten schelden
op zich zelf en zich plagen met nuchtere denkingen. Hoe sullig, hoe
bespottelijk kinderachtig was weer zijn houding tegenover Mimi. Een
ander zou haar 't hof gemaakt hebben -- hij kon niet anders dan
fantasietjes verzinnen in zijn soezige hoofd, jongensachtig,
onzinplannen, romantisch a la opéra-comique -- en ze lachte hem uit,
natuurlijk!

Na 't souper werd er nog wat vertoond en muziek gemaakt in de
tooneelzaal -- er was heel weinig aandacht, aldoor gepraat en gelach
onder de heerengroepen -- en toen gingen ze weer aan 't dansen; de
tafels waren weggenomen in dien tijd.

't Was al laat, half twee; de dansen waren kort; er werd haast gemaakt.
Bernard danste een duitsche polka met Frieda, deftigjes, stil, met
prenterige houdingen en zware passen, zonder eenige animo. Van Frieda
ging een verstijving uit, die hem nog verdrietiger maakte. Hij voelde
zich vereenzaamd, niet op zijn gemak, dupe -- en zoo warm.

Toen kwam zijn polka mazurka met Betsy. Zij was hartelijk en
prettig-vertrouwelijk als altijd, maar hij zocht tevergeefs naar een
praatje in zijn dof-verwarde hoofd. Hij was stil, een saaie partner,
bijna triestig. Betsy vroeg of hij hoofdpijn had. Ja, een beetje, loog
hij.

Daarna walste hij met Lize Schot. Dat deed hem weer wat opleven; 't was
't genot van den dans, 't lekkere walswiegen. In-eens begreep hij zelf
niet waardoor hij eigenlijk zoo landerig was geworden; hij begon
weer opgewekt te praten met dat dol danslustige, echt jong-vroolijke
kostschoolmeisje. Na den dans bleef hij nog wat bij haar zitten, haar
levendig al-maar-door gebabbel aanmoedigend met een uitroepje of een
paar plagende woorden, zich bewuivend met haar waaier. Toen ging hij
Lucie zoeken, want de tweede lanciers zou gedanst worden. Maar hij zocht
haar vergeefs, ze was weg. Hij vroeg de gastvrouw naar haar. Ja, Lucie
was weggegaan. "Och! weetje," fluisterde de goedig-praatzieke oude dame
hem in, "ze werd door een kruier gehaald, 'n beetje vroeger dan de
rijtuigen komen, dan kon ze zoo ongemerkt wegsluipen, dat 's net iets
voor haar, weetje, zoo doet ze haast altijd. Maar je moet er maar niet
over praten, hoor!.... 't Is anders 'n lief meisje, vindt-je niet?"

"Zeker," zei Bernard, "zeker!.... Ze schijnt wat stil...."

"Ze is erg stil," zei mevrouw van den Bosch, "ze is erg stil,.... maar
heel lief.... en voor haar moeder moet ze 'n engel zijn...."

Bernard zag Samson zitten, in-z'n-eentje, lui-achterover op een sofa, en
hij ging naast hem zitten.

"Zoo!.... moet jij niet dansen, balvlinder," zei Samson.

"Mijn dame is er van door," antwoordde Bernard.

"Daar zijn er anders nog wel 'n paar disponibel," zei de ander weer, met
zijn hoofd wijzend naar een groep oudere dames, die zich zaten te
bewaaien in een hoek van de zaal, met oogen klein van den slaap.

"Après vous," zei Bernard.

"Ik?.... Nee, jong, ik doe er niet aan, hoor! Dansen, dankje!.... ik
houd van me gemak, weetje...."

"Ik mag 't wel", zei Bernard.

"Mág 't wel! Mág 't wel!.... Je zult me toch zeker niet willen wijsmaken
dat je 't voor je plezier doet, dat malle rondspringen!.... 't Is
natuurlijk alleen om 's 'n aardige meid in je armen te hebben! Nou, ik
zal niet zeggen dat ik daar nou bepaald vies van ben,.... maar op me
gemak, zie je! Zonder dat afmattende gehuppel...."

Bernard zweeg. Hij was zulke praatjes gewoon, ergerde er zich niet meer
aan; hij luisterde er amper naar, hij hoorde alleen 't gewild lijmige,
vadsig-zelf-genoegzame van de stem, wat hem weer wrevel gaf. En dan dat
vermoeiende gewiebel en door elkaar geloop van menschen vlak voor hem en
de gierende muziek en de warmte! Hij begon zich weer teleurgesteld te
voelen, chagrijnig-willoos. Hij zag Mimi. Haar carré was aan den anderen
kant van de zaal, maar toch kon hij haar nu en dan zien. Zij lachte dan
altijd en hij ried, hij proefde haar lokkende blikken, haar wulpschen
oogopslag. Hij verlangde er weer naar. Hij voelde dat hij in zijn
fut-looze roezigheid nog erger aan haar verslingerd raakte, dat zij
macht over hem had, dat hij meer en meer verliefd op haar werd. Toch
ging hij niet naar dien anderen kant van de zaal, maar bleef naast
Samson zitten, achterover, loom, warm, landerig.

Samson zat opmerkingen te maken over de dansende menschen. "Kijk die
vent daar met dien kalen kop zich aanstellen met Liesje Schot!.... Nou,
die zal 'n lief leven hebben als hij thuis komt, kijk z'n vrouw 's
zitten loeren,.... zie je wel, die lange gele, hahaha!...." Maar Bernard
bleef wrevelig zwijgend voor zich kijken.

Na de lanciers kwam er nog een wals, die hij danste met Jo Dalbret,
een mooi, 'n heel mooi en gedistingeerd meisje, met zwart haar, groote
donkerbruine oogen en 'n matte, zuidelijke tint. Maar hij keek over haar
heen naar Mimi, die met Hugo Franck danste. En daarna nog een
pas-de-quatre, die hij had met Doortje Post.

Maar al vóór den laatsten dans begonnen veel menschen afscheid te nemen;
het werd stiller in de zaal; loom wandelden de paren rond. De meisjes
zagen er moe uit, de bloemen waren verlept en slap, de kunstige kapsels
afgezakt en een beetje verward. De heeren werden nonchalanter in hun
manieren. De oude dames trokken leelijke gezichten om 't geeuwen te
bedwingen. Er werd bouillon gepresenteerd. Het feest liep op zijn eind.

En toen het dansprogram heelemaal afgeloopen was, begonnen de menschen
bij groepen weg te gaan; namen werden afgeroepen met ruw-brutalig
geschreeuw; de zaal werd leeg en ongezellig; bruid en bruigom en de
gastheer en de gastvrouw stonden handen te geven, moe-glimlachend.

Maar drie of vier paren, waarbij de zusjes van de bruid, opgewonden door
't dansen en door 't slagen van 't feest, niet wetend van uitscheiden,
riepen aldoor nog om een wals. De muzikanten, met ontevreden slaperige
gezichten, deden of ze doof waren. Maar plotseling, daar begon de muziek
weer. Kees van den Bosch had een van de violen genomen. En dadelijk
speet 't toen Bernard, dat hij daar niet aan gedacht had in zijn
landerigheid, dat hij geen extra-dans gevraagd had aan Mimi. Snel liep
hij op haar toe. Ze zat alleen op een sofa kalmpjes zich te bewuiven met
haar zwart-kanten waaier. Ze was heel bleek, maar dat maakte haar
mooier. Plaagziek, spottend glimlachte ze, toen ze Bernard aan zag
komen.

"Mag ik 't genoegen hebben, juffrouw van Keppel."

"'t Spijt me erg, meneer Bandt, maar ik heb voor dit extra-walsje al met
André.... met meneer ten Deen afgesproken...."

Bernard boog stijf en trok zich terug, zich bijtend op de onderlip en
fronsend zijn wenkbrauwen. Een oogenblik wou hij ruzie gaan maken met
André. Maar in een opwelling van zijn gewone goedhartige jovialiteit
moest hij er om lachen. Zoo'n handige bliksem, zei hij zacht in
zichzelf, ze noemt 'm waarachtig al bij zijn voornaam.

Toen ging hij afscheid nemen van den gastheer en de gastvrouw en van de
bruid en bruigom en gauw schoot hij tusschen de menschen in de garderobe
door, hier en daar een hand gevend, een korten groet wisselend, en was
hij uit de drukte van de vestibule, waar de menschen in den vochtigen
tocht stonden te wachten op hun rijtuigen, de mannen heen-en-weer
loopend, opgewonden en luidruchtig, de meisjes kijkend uit haar kappen
en omgeslagen doekjes met stille, moeie oogen.

En daar stond hij, daar liep hij weer in de stilte van de gracht, in de
wijde nachtstilte, opnieuw alleen. 't Was nog altijd datzelfde weer, dat
drukkend-dampige weer. Snel stapte hij door, langs de gesloten huizen
van de leege, grijze gracht, en door een paar uitgestorven zijstraten,
waar zijn stappen vreemd-hard opklonken, naar 't stille huis op 't
Rokin, waar zijn kamer was. Hij was moe en dof, in een vage gedrukte
stemming, teleurgesteld, hij wist niet waardoor.

Op zijn kamer lag alles nog net zoo als hij 't er gelaten had. 't Was er
rommelig. Hij had nu spijt dat hij zijn uitgetrokken kleeren zoo maar
neergegooid had. Lastig, morgenochtend, dat bij elkaar zoeken. Want nu
had hij er niets geen lust meer in.

Morgenochtend, naar kantoor, bijtijds; de mail zou arriveeren......

Zijn gewone bestaan begon weer. Maar hij voelde 't nog niet. 't
Contrasteerde te veel met zijn feestkleeren, die hij nu ook uittrok,
loom en rukkerig.



V.


Het kantoor van de firma Vermeet & Co. in de Warmoesstraat was een laag
vertrek op een eerste verdieping. Vroeger waren 't twee kamers geweest,
maar de breede porte-brisée was weggenomen, zoodat 't nu één langwerpige
ruimte was geworden, met drie ramen vóór, aan de straat, en één groot
vierkant raam, een raam met negen ruiten, achter aan de binnenplaats. In
de achterkamer was de ingang voor 't publiek.

Onder dit kantoor was een ander kantoor, en boven waren de magazijnen
van de firma, die handel dreef in allerlei goederen voor export.

Vermeet & Co. was een van de voornaamste huizen in sommige branches. Het
was een oud, degelijk, soliede huis.

Het was ook nog zoo'n ouderwetsch huis, zeiden ze op de Beurs, zoo'n
huis met een onbegrensd krediet, maar anders geen chic. Aan luxe op
't kantoor was geen geld besteed, maar er was nog nooit een wissel
teruggestuurd of het bedrag was niet accoord en de trekker niet
soliede geweest. De patroons hadden nooit een privé-kantoor gehad,
hun schrijftafels stonden op een halven meter afstand van de
bedienden-lessenaars en een bezoeker kon amper een plaats en een stoel
vinden, maar in de woonhuizen van de Vermeets waren altijd veel ruime
kostbaar gemeubelde kamers geweest. En de tegenwoordige Vermeet, die
kinderloos was en daarom zijn neef Bandt in zijn firma opgenomen had,
bewoonde nu in Hilversum een pracht van 'n villa.

Oud waren al de dingen op het oude kantoor. De lessenaars die jaar-in
jaar-uit stonden te leunen tegen de muren, hadden een onbestemde,
grauwgele kleur, bruinig bevlekt hier en daar met jarenoude vlekken van
inkt en andere morsigheid, onherkenbaar. Ook op de vale, kaalgeloopen
vloerbekleeding van linoleum waren inktvlekken en op het hout van de
krukken en de splinterige pooten van de lessenaars, en op de groote
bordpapieren plakkaten, die er bovenop lagen ter beschutting. Onder
en boven de lessenaars dikke liassen met, scheef er over heen,
kromgetrokken goorgele borden, waar de grijzige en blauwige paperassen
slorderig onderuit piekten. Op de borden de conventioneele allegorische
voorstelling, nauwelijks herkenbaar door onooglijken ouderdom. Mercurius
en Neptunus tegenover elkaar liggend, en om hen heen vaten en kisten
en masten en zeilen, en in 't midden met van die mooie krulletters
[waar-de-menschen-nu-geen-tijd-meer-voor-hebben] al de soortnamen van de
documenten, die ze bedekten: facturen, quitanties, cognossementen....
Gaslampen met stoffige kappen stonden op de lessenaars naast de rij
van inktkokers, inktfleschjes van allerlei formaten, de bakken met
drukwerken en de pennenhouders en potlooden en carletten. Houten
prullenbakken in de schemering onder de lessenaars en in het midden van
't vóórvertrek een ronde tafel vol met monsterdoozen en anderen
zakenrommel.

In een hoek stond een groote potkachel met een rossigen ronden buik en
een glimmende pijp, die scheef langs den muur naar boven liep.

Het gekalkte plafond was indertijd wit geweest, beweerde de boekhouder,
de eenige, die 't weten kon. En het behangsel, nog zichtbaar hier en
daar tusschen de lessenaars en 't plafond en achter de kachel, was
benauwd-vol leelijke ornamentieke bloemen, van een verschoten
bruin-groen, valig, donker, op drie of vier plaatsen opgelapt met
frisschere stukken, die niet patroonden.

Aan de ramen vóór stonden over elkaar de twee schrijftafels van de
heeren, hun leeren, platgezeten armstoelen er voor en hun prullemanden
er naast, alles oud, oud, lang gebruikt en vaal.

Dien morgen na 't feest was "de jonge meneer" laat. 't Was negen uur
en hij was er nog niet, tot groote bevreemding van den boekhouder, die
dikwijls op zijn horloge keek en 't aan zijn oor hield, twijfelend of 't
soms niet te gauw liep. Want de jonge meneer was anders nooit zoo laat.
De andere bedienden zaten te praten en te lachen, draaiend en wiebelend
op hun krukken, maar de boekhouder, een ernstig man, ergerde zich aan
dat geginnegap en keek nu en dan knorrig om, over zijn bril heen, naar
den correspondent, die dan toch ook al een getrouwd man was en zich toch
niet meer zoo aanstellen moest met die kwajongens.

Een van de "aankomende bedienden", een jongmensch met dom-dik gezicht en
blauw overhemd en boord zat, lui zich rekkend en geeuwend, te bluffen op
zijn katterigheid, op te snijden van 't aantal glazen bier, dat hij den
vorigen avond naar binnen geslagen had. De correspondent hield hem
voor den gek, met spotlachende uitroepen van verbazing, en een tweede
jongmensch met een vlekkerig-rood gezicht en een vies boordje zat er om
te grinniken met zijn groote roode handen op zijn knieën, zijn magere
beenen lummelig bengelend langs zijn kruk. De "jongste bediende", een
klein tenger ventje met een armoedige, grijze tint luisterde, stil,
angstvallig loerend, gebogen over 't copieboek dat hij registreeren
moest, en als hij even tersluiks dorst mee te lachen, kreeg hij een tik
van den correspondent, op zijn vingers, met een platte liniaal.

In 't schemerlicht van 't achtervertrek -- 't was een donkere morgen --
zat nog een zesde bediende, met zijn ellebogen op zijn lessenaar en
zijn hoofd tusschen zijn handen, ingespannen te lezen een viezig,
verwaarloosd, kwalijk-riekend boek: "De Groote Iza" van Bouvier, gehuurd
à één cent per dag.

"De baas is laat van morgen!" zei die met 't blauwe hemd na een langen
geeuw. "Ook aan de fuif geweest van nacht.... Hij zal 't er nou zeker 's
van nemen!... Ja! dat kan _hij_ doen!...."

Maar dadelijk daarna hoorden ze iemand de trap opkomen. "Daar heb je
'm?" riep de correspondent. De roman werd in een la gegooid, de krukken
werden schielijk aangeschoven, en toen Bernard binnen kwam, zaten ze
allemaal, schijnbaar in werk verdiept, met ernstige gezichten te
schrijven aan hun lessenaars.

"Goeiemorgen," zei Bernard vrindelijk. "Morgen, meneer!" zeiden de
bedienden, even opkijkend en buigend met hun hoofden.

Bernard bracht de post mee, die hij ging zitten lezen en sorteeren aan
zijn schrijftafel, zijn jas nog aan, zijn hoed nog op, een beetje
achterover. Hij was nog heelemaal niet in de kantoorstemming, hij zag
nog de kleuren, het licht van de feestzaal, en de dansmuziek zong nog in
zijn ooren, 't was hem of hij zijn rok nog aan had en zijn dansschoenen.
Nonchalant, met een zekere traagheid, scheurde hij zijn brieven open en
liep ze door met een vies gezicht. Hij las ze niet goed; och, hij
wist dat immers allemaal wel, dat was die geschiedenis, dat was die
kwestie.... Hij verzette zich nog tegen de zakenzorgen, die hij wist dat
komen moesten, hij negeerde ze nog, met zekere minachting, de plichten,
wier dreigend naderen hij vaag voelde. Nog even was hij man van de
wereld, en nog even was hij ridder, droomend van zijn dame. Midden
in een belangrijken brief, een brief van een nieuwe connectie over
condities en courtage en termijnen van betaling, las hij driemaal een
zin over, die maar niet tot zijn bewust denken doordringen wou, zich
aldoor precies herinnerend een houding en een blik van Mimi in de
quadrille en hij kreeg een warmen blos van genotvol herdenken. Zijn blik
dwaalde over den brief heen en even keek hij glimlachend voor zich uit.
Maar een van de bedienden liet een liniaal vallen en in-eens schoot toen
de kantoorstemming, 't bewustzijn van moeten werken, in hem op, en hij
kuchte deftig en fronsde de wenkbrauwen om weer een patroonsgezicht te
krijgen, en las dien brief nog eens van voren af aan en deponeerde hem
toen bij de stukken, die hij zelf straks zou behandelen. En vlugger las
en sorteerde hij verder, zich inspannend om de zaken snel in zich op te
nemen, want 't was al laat.... God! 't was eigenlijk veel te laat, hij
wist niet hoe hij nog klaar zou komen....

Hij was dien morgen wakker geworden, na herhaald kloppen en roepen van
zijn juffrouw, moe en loom en zwaar van den slaap. Landerig, zichzelf
beklagend, had hij zich langzaam 't bed uitgeheschen. Maar toen hij een
paar minuten had staan flodderen en plassen met zijn hoofd en zijn
handen in 't koude water, waren de lust en de veerkracht met frissche
rillingen teruggekomen, en hij had zich in-eens weer in die overmoedige,
behagelijk-verliefde stemming gevoeld, waar hij zooveel van hield, met
dat streelend bewustzijn van zoo iets geheims te hebben met een meisje,
een pikante verhouding tot een mooi-meisje, een verhouding zonder naam,
niet te zeggen met woorden, maar toch bestaand, werkelijk bestaand.
Hij kleedde zich met meer zorg dan anders, met aandacht kiezend zijn
schoonen boord en manchetten. Hij herinnerde zich wel even met een
gevoel van vage leegheid zijn sombere bui van na het souper, maar hij
begreep dat nu niet meer, terwijl hij fluitend zijn kleeren stond af te
schuieren. Hij had waarachtig een soort plezier in zichzelf. Hij was
toch maar niet zoo'n gewone degelijke kantoorman, dapper op de Beurs en
in 't koffiehuis, maar onhandig en verlegen met meisjes. Hij wist wel
met ze om te gaan....... Die handdrukjes van Mimi...... dat was toch
maar aardig!......

Na zijn ontbijt, dat de juffrouw op zijn kamer bracht, liep hij naar
zijn kantoor. Op straat, in 't nuchter-heldere morgenlicht en de
onbarmhartig wakkerschuddende drukte, de stads-morgendrukte van
vuilniskarren en groentenkarren en blaffende honden en kinderen die
naar school toe gaan, zakte zijn stemming weer wat en kwamen nu en dan
lastige duivels van herinneringen aan houdingen en woorden van hemzelf,
waarvan hij nu pas besefte hoe dwaas en dom ze geschenen moesten hebben,
en een twijfel of 't wel zoo zeker was, dat ze zich aan hem gelegen liet
liggen, een twijfel of ze hem niet voor den gek gehouden, zich wat met
'm geamuseerd kon hebben, merkend dat hij onder haar bekoring was. Want
natuurlijk had ze dat gemerkt. En ze was zoo coquet, zoo dol-coquet! En
dan was er André met zijn opsnijderij. Och, nonsens! die had dat maar
gezegd om hem te plagen, wel wetend dat hij er deeg van hebben zou. Maar
o neen!.... nu zou hij zich juist tegenover hem heel leuk houden, alsof
't niets was geweest, een grap voor 'n avond.... En dat was 't dan toch
ook eigenlijk...... Weljà, weljà.... Of zou hij probeeren haar nog 's te
ontmoeten ergens?.... Hij zou dolgraag nog 's met 'r dansen!.... God!
wat 'n genot was dat!....

Zoo liep hij met zichzelf te praten, telkens gestoord door meiden die
kleeden klopten, en door allerlei andere straatdrukte, maar telkens weer
terugkeerend tot zijn verliefd gedroom. En veel te gauw stond hij voor
de deur van zijn kantoor. Hij had 't wel voorbij willen loopen. Dat
kwam even in hem op, maar werktuigelijk liep hij naar binnen en naar
boven, zacht neuriënd op de trap een walswijsje.

Toen hij zijn brieven gelezen had, trok hij zijn overjas eindelijk uit
en hing zijn hoed op en gaf iederen bediende wat hij hebben moest van
de post en besprak 't werk met den correspondent en den boekhouder.
Hij dicteerde brieven en schreef er zelf eenige en sprak een paar
reizigers en liep rond en keek 't werk na van de aankomende bedienden
en telephoneerde en stuurde den kleinen jongen op boodschappen uit.
Hij was zelfs een tijd lang met zoo'n animo bezig, dat hij aan niets
anders dacht, en dat voelde hij ook in-eens met verbazing. Maar toen
hij wat tot rust gekomen was, zittend aan zijn schrijftafel, kwam dat
soezen over haar weer, nu soms in-eens met een krachtig, ongeduldig
verlangen, dat droog brandde in zijn polsen en binnen in zijn
handen, en dat beklemmend bonsde in zijn borst, en soms met een
plotselinge verslagenheid, een zich niet opgewassen voelen, een
dreinerig-verlammenden twijfel of hij wel een dragelijk figuur
geslagen had naast André, die zoo'n handige drommel was, zoo'n
leuk-onverschillige, chic-nonchalante flapuit van 'n jongen met zijn
losse manieren, vrij, op 't brutale af, waar sommige meisjes zoo
dol op zijn.... O, maar zij niet! Daar was zij immers veel te
gedistingeerd voor om door zulke manieren geboeid te worden langer dan
een avond....

Soms dacht hij ook even aan Lucie, en hij vond haar een lief meisje,
een interessant meisje.... Als Mimi er niet geweest was, dan zou hij
misschien zelfs wat verliefd zijn geworden op haar.... Misschien!.... Of
althans.... Maar nu wás Mimi er geweest!....

Hij ging koffiedrinken ergens in de Kalverstraat, en onderweg liep
hij plannen te bedenken om haar te ontmoeten. Hij dejeuneerde
in-zijn-eentje, droomerig peinzend op die plannen, maar hij schoot
er niet mee op. Blijkbaar placht ze niet te komen bij iemand dien
hij kende, behalve de van den Bosch'en. En daar was ze nog niet
eens bizonder gezien, en veel zou ze er ook wel niet komen....
Schaatsenrijden?.... Hij was geen lid van de club, hij had toch haast
nooit tijd!.... Maar dat was tenminste iets; hij zou zien; als er ijs
kwam.... Eigenlijk reed hij niet schitterend.....

Ook zou hij informeeren of ze gewoon was in 't Concertgebouw te komen.

Maar verder kwam hij niet met zijn plannen en hij voelde zich een beetje
ontstemd en gedrukt daardoor toen hij naar de Beurs liep. Hoe lang zou
't misschien nog duren voor hij haar weer ontmoette! En hij ergerde zich
nu weer aan zich zelf. Waarom was hij ook altijd zoo laks en bedeesd
in die dingen! Waarom had hij haar niet met meer beslistheid zijn hof
gemaakt, waarom had hij niet beproefd haar heelemaal in te pakken en een
afspraak met haar te maken of tenminste 's gevraagd waar hij haar weer
zou kunnen zien! Dat zou toch ieder ander gedaan hebben!.... Ba, nee!
hij was toch eigenlijk een lummel! Ze had hem zeker achter zijn rug
uitgelachen om zijn gereserveerdheid. Hij liet zich nu ook letterlijk
altijd de kaas van 't brood eten. Hij met zijn droomerig doen kwam
altijd te laat!....

En toch!.... hij was nu eenmaal zoo!.... een droomer....

Hij deed op de Beurs wat hij er te doen had, maar 't stond hem vandaag
al bizonder tegen, dat drukke, die handelsroezemoes, dat snelle praten
over zaken alleen, en geld, en geld, dat geschreeuw, dat leven van
maak-dat-je-'r-bijkomt, dat hard-werkelijke, onbarmhartig-koude bij
elkaar komen van menschen om gewin alleen, dat haastige gedribbel van
mannen in 't zwart, met zenuwachtige gezichten, die smart zonder tranen,
die vroolijkheid van jij gisteren ik vandaag, dat brutale lachen om
bofferij, dat zuur-zoete lachen om galgenhumor en galligen spot. Hij
kende verscheidene van die menschen particulier, toch voelde hij
zich eenzaam. En zoo gauw mogelijk ging hij weg, moe en suffig,
dof-verlangend naar zijn kantoor, naar zijn plaats aan zijn
schrijftafel, om daar zijn middag rustig door te brengen, rustig, en nu
en dan even soezend. Hij was blij toen hij er weer zat. En er kwam
weinig storing. Zijn middag verliep in stil gewerk en stemmingen van
vage treurigheid en onbestemd verlangen.

Na vier uur werd 't heel stil op 't kantoor. Allen zaten ze aan hun
lessenaars als geruischloos werkende machines, met gezichten zonder
uitdrukking, de mondspieren slap neerhangend door 't lange zwijgen.
Alleen 't jongste-bediendetje fluisterde soms, stil ginnegappend, met
een van de aankomenden en nu en dan brak Bernard's stem de stilte met
een korte vraag of een rustig bevel. Op straat werd 't van tijd tot tijd
wat rumoerig door geschreeuw achter karren met koopwaar en hei-! en
ho-!-geroep en fluitende jongens, maar die geluiden stierven dan weer
weg, met naargeestige nagalmen, en dan voelde Bernard weer des te meer
hoe stil 't om hem was. Hij kwam tot rust. Hij kon er zich nu haast niet
meer indenken, hij begreep 't niet meer, dat hij nog zoo kort geleden
uren achtereen had doorgebracht in een wijde balzaal, doorgolfd van
licht, muziek en kleurige toiletten, hij kon er zich niet meer indenken,
soezend onder zijn werk door, aan zijn ouden lessenaar, tusschen de
wanden van zijn saai kantoor, kil en kleurloos in den wegschemerenden
middag. Zoo'n bal was als een betoovering, hij zou 't misschien voor een
droom gehouden hebben, als hij niet aldoor had gevoeld dat vreemd-zware
in zijn ziel, die lekkere beklemdheid, meegebracht uit die balzaal.
Daardoor wist hij dat 't alles werkelijkheid was, Mimi en die
handdrukjes en dat dansen. Hij zocht haar adres op in 't adresboek, en
zat er over te soezen waar ze nu zijn zou, of ze nu zou loopen winkelen
misschien in de Leidschestraat en gegroet worden en glimlachend
aangesproken door leegloopers en rijke patsers.... verdomd!....

En dan keek hij op zijn horloge en vond den middag lang, ellendig lang
en vervelend!

Toen hij eindelijk gesloten had en op weg was naar zijn tafel, verlangde
hij in-eens naar de afleiding van gezelschap en voelde een neiging om
over zijn verliefdheid te praten, zoo vol was hij er van. Hij schrok,
bang voor die neiging. Laat ik dat toch vooral niet doen, dacht hij, met
een gevoel alsof hij op 't punt gestaan had iets te verliezen.

En nauwelijks had hij zijn tafelvrinden zien zitten, of hij verlangde
weer naar alleen te zijn.

Ze zaten in 't café, bitterend voor ze gingen eten, André en Sam,
Hendrik Schot en Gerrit Volle. Bernard groette bedaard en ging er bij
zitten. Hij bestelde zijn borrel en zwijgend zat hij een poosje te
luisteren naar de anderen, die 't druk hadden over een kwestie, den
vorigen dag in den Gemeenteraad besproken. André zat heftig, bijna
schreeuwend, te praten, met een ernstig gezicht, wat hem vreemd stond.
Hij had 't tegen Sam, die verontwaardigd keek en antwoordde met "Och,
wel nee!.... dan heb je 't niet begrepen!.... dat was heelemaal de
kwestie niet!" En toen begonnen ze tegen elkaar in te redeneeren, maar
André overschreeuwde gauw de correct bedwongen stem van Sam. Gerrit zat
te grinneken om hun getwist, kluivend op den knop van zijn parapluie,
Hendrik proefde met een quasi-deftig gezicht, vol aandacht, zijn
jenever. En Bernard begreep in-eens niet wat of hij eigenlijk te maken
had met die menschen en hun gepraat; wat konden ze hem eigenlijk
schelen, er was er geen een bij, dien hij zou kunnen zeggen wat hij
voelde; ze zouden er eenvoudig niet naar luisteren....

Toch hield hij van die vier menschen, wel 't meest van Sam, den
beschaafden grappenmaker, den fijn-voelenden, pretensieloozen
scepticus, maar ook van André, opgewonden man van indrukken, met zijn
oppervlakkige, toch goeddoende hartelijkheid. En ook Hendrik Schot mocht
hij graag, een kalmen, droog-leuken man-van-de-daad, joviaal zonder
vertooning. En zoo ook, schoon wel 't minst, Gerrit Volle. Want al was
die dan wat schriel en wat gesloten, om zijn domheid te verbergen, hij
was toch ook erg goedhartig, hij had soms iets stil-gezelligs, hij zou
je nooit tegenspreken vooral als je hem zoo nu en dan ook 's gelijk gaf,
wat hij altijd erg prettig vond. Toch hield hij van alle vier en van
nog veel meer jonge-menschen die hij gewoon was te ontmoeten, in
koffiehuizen en bij zijn kennissen aan huis, met wie hij gewoon was
vriendschappelijk om te gaan, zonder eenige intimiteit. Want -- hij
voelde 't nu weer -- hij had maar één vrind en die woonde in Batavia. O,
als hij Edward maar hier had....

Ofschoon die kwestie, waar André 't met Sam over had, nog niet opgelost
was -- of juist daarom misschien -- keerde André zich in-eens naar
Bernard met 'n luidruchtig, uitdagend vragen: "Zoo, jongeneer! heb-je
goed geslapen na dien avond vol dansgenot?"

"Dankje," zei Bernard koeltjes, "best, jij ook?...."

"Nou, jong! prachtig hoor! Ik heb gedroomd van dat aardige kindje, die
Mimi!...."

Hij noemde haar nog met een ander epitheton, wat Bernard een strak
gezicht deed zetten, en fluisterde Gerrit, die naast hem zat iets toe,
en toen lachten ze beiden, kijkend naar Bernard. Die voelde zich boos
worden, maar hij bedwong zich, vragend aan Sam hoe 't hem bevallen was
gisterenavond.

"Zoo.... zoo...., matig!" zei Sam, "'t souper was nogal gezellig, vond
ik, de dames waren nogal spraakzaam, en de wijn was goed...."

"Nee! zoo'n partij! wat jelie daar nou eigenlijk aan vindt," viel
Hendrik in, zijn glas neerzettend, "dat begrijp ik waarachtig niet! Dan
zit-je toch véél gezelliger in Polen of zoo, 'n potje te whisten of te
domineeren, wàt jij, Gerrit?"

"Ik ga er nooit heen -- ik bedank altijd voor zulke invitaties," bromde
Volle. "Je hebt er niets aan en 't kost-je nog geld ook; 'n rijtuig, 'n
paar handschoenen, 'n fooi, 't komt je al gauw op 'n tientje, zoo'n
avond!.... Dat is toch eigenlijk veel te duur!...."

"Betrekkelijk," zei Sam, "als je nou houdt van dansen.... en je hebt
niets beters te doen zoo'n avond...."

"Heb-jij soms weer niet d'een of anderen mallen streek uitgehaald, gekke
Sam," vroeg Bernard.

Toen bewoog Sam zijn mooie witte rechterhand langzaam langs zijn
gesoigneerden knevel -- een eenvoudig gebaar zonder fattigheid -- en
zei, met oogen die kinderlijk-vroolijk lachten: "Ik?.... welnee!....
iets mals?.... nee, hoezoo?.... Van dien hoed, meen je?...."

"Ik weet van niets?.... Wat was er van dien hoed?...."

"O, 'k dacht dat je dat bedoelde!.... 'k heb bij vergissing een
verkeerden hoed meegenomen,.... later bleek me dat-ie van den ouden heer
Van Daalen was, 't stond er in,.... 't was ook een hooge zijden en ik
bedacht me dat ik me slappen hoed opgezet had.... en die zat ook nog in
den zak van me jas...."

Hendrik barstte in schaterlachen uit. "God ja!.... dat 's waar ook!....
Was jij daar niet meer bij, Bandt!.... Waarom was je ook zoo gauw
uitgeknepen?.... Je hadt 'm moeten zien met dien hoed,.... hij was 'm
een half hoofd te groot!...."

Ze lachten allemaal behalve Sam zelf, die met een quasi-ernstig gezicht
opmerkte: "O maar,.... dat was niets!.... 'k Heb 'm netjes aangevuld met
couranten!.... 'k Heb er vandaag den heelen dag mee geloopen, en op de
Beurs heb ik eenvoudig even aan den ouden heer Van Daalen gevraagd of
hij soms bij abuis mijn hoed opgezet kon hebben, want dat ik twijfelde
of ik de mijne wel had......"

"En wat zei-die," vroeg Gerrit.

"Wel, hij zei dat-ie niet hield van die aardigheden en zoo wat meer....
En dat ik zijn hoed ophad.... Hij was een beetje grof.... Nou ik heb
't ding dadelijk door een kruier aan zijn kantoor laten bezorgen met de
boodschap, dat hier meneer z'n hoed vast was, dat meneer zelf straks wel
kwam...."

"Poeh!.... dat ouwe nijdasje!" lachte Hendrik nog.

Een paar minuten later stonden ze op en liepen naar de restauratiezaal,
waar ze gingen zitten eten, pratend weer over die gemeenteraadskwestie
en over de menschen van de partij, en over 't nieuwe boek van Couperus,
en over een kennis, die aan een ander tafeltje zat met een juffie, en
over de groenten, die aangebrand waren, en over den kelner, die te
langzaam was en volgens André's dictatoriaal decreet geen fooi zou
hebben. Maar ze gaven hem later toch allemaal een fooi, behalve Gerrit,
en daarna gingen ze weer naar de andere zaal hun koffie drinken. Met
warme hoofden zaten ze daar nog een poosje te lachen en elkaar wat voor
den gek te houden en schuine moppen te tappen.

Sam ging 't eerst weg, want hij moest zich gaan verkleeden om naar een
soirée te gaan.

En André geeuwde en rekte zich uit en gaf in ruwe termen te kennen, dat
hij slaap had en gauw naar bed wou gaan. Toen stonden ze allemaal op en
Bernard liep nog een eind met Hendrik mee en ging toen naar zijn kamer.
Hij stak er 't licht op en ging op zijn kanapee zitten, half-liggend,
met een stapeltje tijdschriften en boeken voor zich op tafel. Hij was al
begonnen aan een interessant artikel in de "Nineteenth Century," een
artikel over de Oostersche kwestie, en dat wou hij van avond uitlezen.
Maar al gauw gooide hij de aflevering neer en ging met zijn handen in
zijn zakken soezend voor zich zitten kijken.

Waar zou hij haar nu weer ontmoeten en wanneer?.... Hij was moe,
warm-doezig en suf, hij kon niet goed doordenken over zijn plannen, hij
voelde zich erg leeg en onvoldaan en lusteloos....

Lang zat hij te soezen, half-slapend. Hij hoorde al de geluiden van de
partij en van de Beurs en van André's druk gepraat dof, als op een
afstand; en ook al zijn stemmingen van gisterenavond voelde hij terug in
verwarde volgorde en in een grijs waas van verledenheid.... 't Was hem
of hij Mimi in een heelen tijd niet gezien had....

Op zijn kamer was 't stil, nacht-stil, als altijd. Met strakke, wijze
rust keken de kamerdingen op hem neer. Hij voelde zich dikwijls
zoo dwaas ongedurig, zoo kinderachtig tobberig tegenover al die
stil-staande, stil-hangende dingen, die daar altijd waren, in hun
onbewegelijkheid zonder begin, in hun somber-geheimzinnig gepeins....
wachtend.... wachtend....

Als er maar iemand bij hem kwam, dan ging dat weg, maar als hij alleen
was drukte 't hem, dat zwijgend wachten. En van avond benauwde 't hem
bizonder, werd 't als een last op zijn borst.

Ook buiten was 't stil. Hij hoorde een kerkklok loom bonzen tien uur. De
sombere nagalm hing laag boven de huizen....

Zij woonde op de Keizersgracht,.... hij had 't immers dien middag
opgezocht in 't adresboek....

Och nee, lezen! Hij kon 't niet van avond....

Maar...., hij wou toch wel 's zien dat huis waar ze woonde......

En hij stond op -- licht schrikkend van zijn eigen gestommel -- en trok
zijn jas weer aan en zette zijn hoed en zijn kraag op. En zacht loopend
ging hij de trap weer af en naar buiten.

't Was een gure, vochtig-koude avond. Hij liep met zijn handen in zijn
zijzakken soezend door. De avond-straatgeluiden, 't gerinkel van de
trambel, 't eenzaam-zeurig zingen van een slenterenden straatjongen,
voelde hij in zich wegdroomen zonder herkenning. Hij keek de menschen
niet aan die hij tegenkwam. Hij was heelemaal weg nu in zijn week
gesoes, hij was te moe om zich te verzetten, om iets anders te willen
dan haar te zien of iets van haar, om naar iets anders te verlangen, dan
naar haar.... Hij wist wel, dat 't kinderachtig was en belachelijk,
goed, 't ging immers geen mensch aan, hij was alleen....

Nu liep hij langs de gracht en las de nummers van de huizen. En hij vond
't hare, een hoog vierkant huis, met een platte gevel, wit-bepleisterd,
en zonder hooge-stoep. De naam "van Keppel" stond met krulletters op den
post van de deur geschilderd. 't Was een deur met traliewerk, waarachter
matglas, zoodat je de gaslichtschemering in de gang zag. Ook waren er
lichtstrepen aan de kanten van de ramen beneden, waar zware gordijnen
voor hingen. En dicht langs het huis gaande hoorde hij pianomuziek; een
vroolijke melodie was 't.

Toen keerde hij om en stak over naar den waterkant, schuw-vlug stappende
door 't zwak-gelige licht van de straatlantaarn, en hij bleef een poosje
staan in de zwarte schaduw van de boomen voor het huis. Hij voelde zijn
hart met vreemde volheid bonzen, op naar zijn keel, zijn handen gloeiden
in zijne wijde jaszakken. Maar er kwamen menschen aan en hij begreep 't
zotte van zijn staan kijken daar, zonder eenig doel of verwachting, want
ze zou immers toch niet naar buiten komen op den laten avond!.... En dan
nog!.... 't Was of hij de vrijer van de meid was!....

En dus droop hij weer langzaam af, zoo diep mogelijk in den kraag van
zijn jas.

Maar hij wilde niet dadelijk naar huis gaan; loom liep hij de grachten
af en straten door, luisterend nu droomerig naar de stervende geluiden
van den avond.

En hij merkte dat langzaam-aan zijn voorstelling van Mimi vervaagde en
verder wegging, dat zijn gedachten telkens van haar afgedwaald waren en
met een onbestemde aandoening gingen over de vele vrouwenfiguren die
als zwakbelijnde verschijningen tegen het wolkenland van zijn herinneren
uitkwamen; hij voelde zijn verlangen naar dat meisje-van-gisterenavond
wijder worden, wegtrillen dan in een zenuwachtig haken naar bevrijding
van alleen-zijn, naar 't samen-zijn, 't intiemste, met een vrouw, een
vrouw die zich gaf aan hem en aan wie hij zich mocht geven.... Het
werd weer zijn lang-gekend, stil-gekoesterd verlangen naar haar, de
onbekende, de vrouw die hem lief zou hebben, naar den diepgloeienden,
toch zoo teer-innigen blik van haar oogen, en naar haar aanraking, o de
aanraking, van haar handen, van haar armen, haar lippen, van haar heele
lieve lijf, 't tengere, 't slanke, 't gladde, 't dofglanzende, 't
week-warme, zacht-geurige lijf, dat zij hem zou geven. 't Was er weer,
droog in zijn keel en brandend binnen in zijn handen, dat verlangen
naar bevrediging van zijn zinnen en zijn ziel tegelijk, in één
supreem moment. Maar telkens vlamde 't zinnelijk begeeren boven zijn
ziels-verlangen uit en sloeg lauw-verdoovende walmen op naar de hooge
lanen waar zijn gedachten gingen, die dan verbijsterd dwaalden en
tastten naar verruiming....

En 't verlangen greep hem in de borst en beklemde hem telkens wanneer in
de zwak verlichte avondstraat een vrouwenrok langs hem ruischte....

En de plotseling-dichtbije geluiden deden hem schrikken, maar die uit de
verte waren als een diep-weemoedig, vreemd-klagelijk geroep.... Toen
voelde hij zich in-eens beangstigd door den somberzwarten nacht die de
levensgeluiden doofde....

Haastiger liep hij door, klam-bezweet in vage, koortsige benauwing.

Hij kwam weer op 't Rokin, waar hij woonde. En hier kwam soms in-eens
een donker-flodderige vrouwengestalte met schichtige snelheid recht op
hem aanloopen en hoorde hij 't geschuif van rokken vlak bij zich en
kleverig wee-laf-lokkend gelispel van duitsche liefkoozingsnaampjes.
Dat verergerde nog zijn nerveusen angst en 't deed hem aan met afschuw,
dat dat kon, dat zoo'n vrouw in-eens maar voor hem stond en dorst te
lachen met haar gemeen-berekenende oogen en haar flemerig-vertrokken
mond, dorst te lachen met een beestachtige gemeenzaamheid, tegen
hem!.... O 't platte, o 't leelijke, gemeene, dat gniepig uit de
schaduw kwam schieten, dat altijd en overal zich opdringen dorst....
en dreigen.... Nog haastiger liep hij door en hij was dadelijk verruimd
en rustig-blij toen hij weer op zijn kamer was, eenzaam tusschen de
zwijgende dingen in 't stille licht, ongenaakbaar voor den nacht en
't vijandige platte....

Hij ging weer zitten op zijn kanapee,.... hij was erg moe....

Toen hij het tijdschrift open op tafel zag liggen, schaamde hij zich
een beetje over dat malle uitloopen, dat weeke toegeven aan zijn
jongensachtig verliefd gesoes. 't Was jammer, hij had dat stuk eigenlijk
zoo graag uit willen lezen.... Och God, en er was nog zoo'n boel anders,
zoo'n boel wat je lezen moest, wat je weten moest......

Maar nu was hij toch te moe. Hij was buitengewoon moe, heelemaal op. Hij
voelde 't nu pas goed, nu hij weer zat. Zijn hoofd was zwaar van slaap
en zijn voeten brandden.... Hij ging maar naar bed.... En hij sliep
dadelijk.



VI.


De volgende dag was een Zaterdag. Op 't kantoor van Vermeet & Co. was
dat een drukke dag, de betaaldag. Voor Bernard ging de morgen voorbij in
roezige drukte, af- en aangeloop van bedienden, gestommel op de trap,
veel stemmen, allerlei stemmen, en daaronderdoor het moeten schrijven
van brieven, het doen van werk dat haast had, dat klaar moest voor
morgen, gejaagd, nerveus-vlug. Nuchter, scherp-helder denkleven, bij
de zaken, bij de werkelijkheid, waar alle gedroom, als 't even in je
opkomt, kinderachtig, sukkelig, belachelijk bij schijnt. Bernard dacht
even aan zijn oom, die dikwijls zei dat hij nooit den tijd had gehad om
te droomen, dat hij wel wat anders had te doen altijd. De man was dan
ook overal bekend om zijn waakzaamheid en zijn ijver. Maar nooit den
tijd om te droomen, dat is de hel, dacht Bernard.

Pas toen hij op straat liep om te gaan koffiedrinken, kwam hij tot zich
zelf, wat een weldadig gevoel was. Zoo eindelijk even al dat gedoe
uit je hoofd kunnen zetten en je armen langs je lijf laten hangen,
werkeloos, en met bewustheid de frissche lucht opsnuiven en merken
dat je trek hebt, verlangen naar versch brood en warme koffie. Hij
herinnerde zich nu ook weer Mimi, en dat hij den heelen ochtend niet dan
in de bijna wegschemerende verten van zijn innerlijk bestaan met haar
was geweest, en door den drukken morgen was zijn geestesleven opgewekt
tot zoo groote intensiteit, dat hij haar in eens weer zag precies
zooals hij haar voor 't eerst had gezien, met dat pikante, dat
verlokkend-uitdagende, en was zijn zenuwachtige energie zoo toegenomen,
dat hij er geen weg mee wist en een oogenblik ernstig van plan was haar
morgen een visite te gaan maken en de geschiedenis door te zetten....
haar te vragen....

Maar 't was ook maar een oogenblik.

Hij voelde bijna dadelijk, hoe hij zou staan tegenover haar, zeggend dat
hij haar liefhad, en vragend of zij hield van hem.... o! dat zou nooit
kunnen, onmogelijk!.... En 't zou ook immers allerdwaast zijn en
trouwens ook heelemaal niet te pas komen!.... Want hij had haar niet
lief,.... och, wel neen, daar had 't niets van....

Maar toen vroeg hij zich wat hij dan eigenlijk wèl wou. Hij voelde een
drang naar haar en tegelijk toch ook een zekere vrees voor haar, hij zou
bij haar willen zijn om met haar te coquetteeren, om zijn geestkracht
te stellen tegenover de hare en dan te genieten van de overwinning --
maar hij voelde ook dat hij waarschijnlijk een straatje om zou loopen,
als hij haar plotseling aan zou zien komen. Hij had een onbestemden
angst voor 't ongeluk waarop, als hij er mee doorging, de geschiedenis
uit zou loopen, en toch ook een verlangen naar 't avontuur en een
minachting voor zijn angst.

Maar wat wou hij dan toch eigenlijk?....

't Werd hem niet helder. En 't was hem een welkome afleiding, toen hij
in 't koffiehuis waar hij gewoonlijk dejeuneerde, een ouden vrind vond,
een schoolkameraad, nu medisch student, al van 't zesde jaar, in Leiden.
Wetend dat Bernard doorgaans in dat hoekje kwam zitten koffiedrinken,
had de student hem daar opgewacht. Een hartelijke begroeting volgde.
De Leidenaar had veel te vertellen, ze hadden elkaar in maanden niet
gezien. Bernard liet hem uitpakken, zelf ook nu en dan wat zeggend over
zijn leven van den laatsten tijd, met een doffe stem, als terloops,
zich een beetje schamend over de onbelangrijkheid van die dingen
van zijn eigen dagelijksch sleurleven, zoo eentonig, zoo gewoon, zoo
niet-de-moeite-waard in vergelijking met dat studentenbestaan, rijk aan
feiten, aan dingen gezien en dingen gedaan, aan oogenblikken van intense
emotie, rijk aan allerlei openbaring van weten, van kennen, van leven.
Hij voelde zich een beetje bitter, miskend, niet door menschen, maar
door het leven. 't Had immers ook aan hem zooveel kunnen hebben. Hij had
daar immers bijgehoord, hij had immers ook student moeten zijn. Waarom
had hij toch, zich zelf niet begrijpend, koopman willen worden?.... Hij
was wat jaloersch op zijn vrind, maar hij liet 't hem niet merken,
luisterend naar zijn verhalen met belangstellende aandacht en
opmerkingen van sympathie, hartelijk in zijn toon en manieren. De ander,
daar blijkbaar door getroffen, zei plotseling dat 't toch zoo jammer
was, dat hij, Bernard, ook niet was gaan studeeren, waarop Bernard,
licht blozend, glimlachte en zei: "Ja!.... ja!.... och, maar dat ging
nou niet!.... En misschien zou 'k er toch ook niet voor gedeugd
hebben.... Ik weet niet of 'k wel een studiekop heb,.... 'k geloof 't
eigenlijk niet...." Toen vroeg de student hem naar zijn zaken, en hij
zei dat 't er best mee ging, en sprak er vlug over heen, en drong er op
aan dat zijn vrind, die plan had 's middags naar Leiden terug te gaan,
aan zijn tafel zou blijven eten en den avond met hem en zijn vrinden zou
doorbrengen. Hij kon ook best bij hem logeeren, hij had een heel
geschikte kanapee.

De student gaf toe, ondanks eenige bezwaren, en beloofde Bernard te
zullen komen afhalen van kantoor om zes uur. Want hij moest nu weg en
Bernard moest naar de Beurs. Hartelijk, beiden blij-geroerd door elkaars
teruggevonden vrindschap, drukten ze elkaar de hand. En Bernard liep
haastig naar de Beurs, want 't was weer laat geworden.

Zijn middag ging weer om in werken, praten, roezige zakendrukte. Hij
schreef brieven, keek facturen na en maakte zijn kas op. Er scheelde
vijf-en-dertig cent en hij had net gevonden, waar dat in zat, toen 't al
zes uur speelde buiten, en zijn vrind, de Leidenaar, oploopen kwam en
vroeg of hij meeging. Toen opruimen en nog een paar kleinigheden afdoen,
en nog wat zeggen tegen de weggaande bedienden, terwijl de student
daar al stond, leunend tegen een lessenaar in een beklemmende
wachthouding.... Goddank! eindelijk kon hij de deur achter zich
dichttrekken en sluiten en de zaken uit zijn hoofd zetten en een borrel
gaan drinken met zijn vrind. Ze bitterden ergens in de Kalverstraat en
gingen toen de anderen opzoeken aan hun vaste tafel op 't Leidscheplein.

Ze waren er allemaal, Sam, André, Hendrik en Gerrit, en er was ook nog
een broer van André, zijn broer die aan 't Ministerie van Binnenlandsche
Zaken was; die was overgekomen van Zaterdag tot Maandag om, zooals hij
zei, de peentjes 's op te scheppen in Amsterdam, om 's los te zijn, vrij
en uit. Want in den Haag, zie je, in een dergelijke positie, moet je zóó
oppassen! Ze hebben je dadelijk hier gezien en daar gezien, en dat doet
je dan geen goed in je carrière.

Aan tafel was een drukke, soms wat luidruchtige vroolijkheid. De
Amsterdammers, gewoon aan vreemde gezichten, deden net als altijd, of
eigenlijk nog wat nonchalanter en ongegeneerder om den Leidenaar en den
Hagenaar te laten zien, hoe jonge menschen leven in een groote stad.
't Scheen den student wel te bevallen. Hij was vroolijk mee-in-'t-gesprek,
maar gaf zich toch niet heelemaal; een zekere zucht om af te steken door
correctheid, door netjes doen en netjes praten bleef hem eigen. Maar de
Hagenaar had zich dadelijk overgegeven, hij deed mee als had hij 't
modieus-voorname pakje van zijn Haagsche manieren thuis aan den kapstok
laten hangen. Hij trachtte zelfs de anderen te overbluffen door al boven
zijn bord-soep een schuine mop te vertellen. Maar dat ging niet hard op.
Sam beduidde hem op zijn gewone manier van welopgevoeden grappenmaker
dat men in Amsterdam zulke moppen pas bij de pousjes voordiende. De
ander lachte luidruchtig, maar hield den heelen avond een soort van
wantrouwende rancune tegen Sam.

Er werd een goed glas wijn gedronken ter eere van de gasten. En zij
gingen ergens anders hun koffie en cognac drinken, ergens waar je in
gemakkelijke lage stoelen zat om gezellige ronde tafeltjes. 't Was een
niet te groot zaaltje, met aardige intieme hoeken, met donker behang
en een hooge donkere lambriseering en halfsleetsch bruin leer op de
stoelen en kanapeetjes. Het aangenaam-gedempte avondlicht viel met
wegschemerende schaduwen, en hier en daar zacht geglans, rustig op de
halfliggende lijven van heeren die hun koffie dronken. 't Was er vol.
Overal van die ronde tafeltjes met die rustig kletsende hoofden er om
heen en een gegons van mannestemmen en nu en dan zwaar mannengelach. En
in die zwoele atmosfeer, vol rook en geurigen damp van koffie, deed dat
Bernard aan met een stemming van gemakkelijk-luchtig van uur tot uur
leven, zonder zorgen en zonder diep-pijnigend, aftobbend gedenk. Hij
voelde zich behagelijk. Hij was zijn dagelijksche droomen-ellende
vergeten, hij genoot stilletjes van zijn stoel, die was om niet van
op te staan en van de gezelligheid en de lekkere koffie en de goed
voorgedragen studentenmoppen. Ja zelfs amuseerden hem de Haagsche
schandaal-verhaaltjes, de pikante portretjes van een gansch andere
wereld dan de zijne, van een wereld waar hij zich ver van voelde, die
hij minachtte, maar toch wel curieus vond om de ambitie en de eerzucht,
die 't leven daar nog scheen te geven aan sommige menschen.

Lang bleven ze zoo zitten in dat zaaltje, soms allemaal pratend, twee
aan twee, soms luisterend naar een, die een verhaal deed of een ui
debiteerde. André zat zich uit te rekken en hardop te geeuwen, in
onhebbelijke houdingen, tot ergernis van Sam, die hem met koddige
quasi-afschuw terecht wees. Hendrik blies genoegelijk kringetjes voor
zich uit, ze naoogend met een leuk air van zich kalm door de anderen
te laten amuseeren. En Gerrit, die wat ouder was, die al een lang
jonge-heerenleven achter den rug had, was haast altijd klaar om velerlei
inlichtingen te verschaffen omtrent de menschen, die in 't gesprek
werden genoemd. Want hij kende veel menschen, goedig omgaand met
iedereen, zonder ooit ruzie te maken, grinnekend om ieders aardigheden,
waardeerend ieders levensopvatting, prijzend elk afgeleefd stokpaardje
een vurig jong beestje dat hij altijd wel even streelen wou met een
langzaam gebaar van cynische maatschappelijkheid.

De Hagenaar lag lui achterover in zijn stoel, herhalend hoe gezellig hij
't vond in Amsterdam, en dat 't "bij ons" zoo'n stijve boel was. Hij
gaf voor, zijn stadgenooten en vooral zijn collega's, de ambtenaars te
haten. Hij had een nogal vermakelijk kleintalent van nabootsing en
schoot nu en dan op uit zijn vadsige houding om zijn chef na te
doen, die een typische oude bureaucraat scheen te zijn. En dat die
ambtenaars-vrouwen, en -dochters zulke mooie kleeren dragen, wat ze
uitzuinigen op de slagersrekening, dat vond hij bespottelijk! Dat den
fijnen meneer uithangen en thuis hongerlijden. Maar zelf snoefde hij, in
vage termen, op galante avontuurtjes met aardige snoetjes, zoo je eenige
amusement als jongmensch in den Haag, zie je, maar wat je een leelijken
bom duiten kost, en als dan Sam daar leukweg verder naar vroeg, bleek 't
altijd weer 't zelfde aardige snoetje te zijn, waar hij 't over had, en
dat hij met kinderlijke trouw en goedkoope broches en armbandjes scheen
na te loopen.

Eindelijk stonden ze, de een na den ander, loom op en liepen de
Kalverstraat in, slenterend langs de lichte winkels, telkens van elkaar
afrakend in de volte, in de nimmer-eindende optochten van donkere
mensch-figuren, die in de straat-engte elkaar voorbij togen. Woelige
Zaterdagavond-drukte rumoerde tusschen de huizen-muren. Het gieren van
meiden en straatjongens, 't eentonig, onafwendbaar-telkens-terugkeerend
gekrijsch van venters, 't ergerlijk aanmatigend hei-geroep en brutale
lachen van troepen opgeschoten jonge-kerels, die, aaneengesloten tot
dichte drommen, slungelig doorsloften in een dreun, plotselinge gapingen
stootend in de lam-meegevende volte, wijde gapingen van naakt asphalt,
die dadelijk weer volliepen als de geul die een schip maakt in 't water.
En een muffe, bedompte stank, menschenlucht, zich mengend met de warme
walmen die uit de lage winkels sloegen, waar de gasvlammen stonden te
gloeien, fel onder de hittig-witte kappen, en uit de koffiehuizen, waar
de verbruikte lucht, zwaar van tabaksrook en de dampen van allerlei
drank, met golven naar buiten drong, telkens als de deur openging.

Bernard voelde zich weggeduwd uit zijn lekkere, soezige stemming van
zorgeloos voortleven. Drukke volte in een nauwe straat benauwde hem
altijd, maar vooral 's avonds als de zwarte lucht zoo zwaar en laag
hangt boven de rustelooze massa. Hij vond iets geheimzinnig-dreigends in
dat nachtelijk gekrioel van wildbewegende menschenlijven, in die brutale
luidruchtigheid, zoo dicht onder het stil-groote, zwijgend-grondelooze
zwart. 't Gaf hem een voorgevoel van naderend onheil. Het drukte hem,
maakte hem stil.... En vooral dat innig-naargeestige, helsch-machinale
straatventersgeroep.... Hij stelde voor, naar een groot koffiehuis voor
in de straat te gaan, hij verlangde naar een wijde ruimte vol licht,
naar overvloed van warm avondlicht om zich heen.

Zij gingen er binnen. Het voorste gedeelte, waar 't donker was, zoodat
de menschen, die daar zaten zich konden amuseeren met kijken naar de
bewegende volte in de schemerig verlichte straat, gingen ze door; ze
gingen achter het groote, zware gordijn in 't eigenlijke van 't
koffiehuis, in de hooge lichte hal tusschen de wijde wanden, hel
gekleurd, blinkerend en schitterend door 't buffet vol glaswerk
en veel spiegels overal; maar in 't midden lag als een stralend
centrum van warme gezelligheid de groote groene leestafel met de
rustig-groen-gekapte lampen er op en de stapels kranten en tijdschriften
in donkere porte-feuilles met koperen knoppen, en er om heen de lezende
en pratende mannenhoofden, rossig verlicht. 't Was vol aan de leestafel
en vol aan bijna al de andere tafeltjes, die stonden door de zaal
verspreid en langs de wanden, als zoovele kleine middelpunten
van gezelligheid en intimiteit. En naar alle kanten ging prettig
praatgegons, vroolijk stemmengeroes zonder rumoer.

Ze liepen naar links, waar nog een muurtafeltje vrij was. Gerrit werd
in 't voorbijgaan door een kennis aangeklampt, een luidruchtig man met
een ruwe stem, die hem een stoel toeschoof en vroeg wat hij gebruiken
zou. Hij bleef er hangen. En Sam ging met den Hagenaar een partij
biljarten, achter, in de biljartzaal. Maar de anderen zetten zich aan
dat tafeltje en bestelden bier of grog en staken nieuwe sigaren op, en
Hendrik en André, die in dezelfde branche van handel waren, begonnen
samen over zaken te praten, een quasi-gewichtig gesprek als van twee
ambassade-attaché's, waarbij veel werd gefluisterd en geknipoogd
en stil, beteekenisvol geglimlacht. Terwijl zaten Bernard en zijn
oude vriend, zich terugdenkend in hun samen-zijn op het gymnasium,
herinneringen op te halen aan leeraars, die geen orde konden houden of
gekke gewoonten hadden, en aan hun klasgenooten en waar die nu allemaal
gebleven zouden zijn. Bernard kende er nog maar een paar, de Leidenaar
verscheiden, maar sommigen waren mislukt.... of weg.... of dood....

Bernard kwam niet meer terug in die stemming van zorgeloos,
gedachtenvrij genieten, maar hij voelde zich toch weer op zijn gemak.
Hij was wat soezig; hij dacht niet scherp; hij ontving zonder weerstand
de aangename indrukken van 't weelderige avondlicht en de gezelligheid
in de zaal en om hun tafeltje en van den hartelijken vrindentoon en de
opgewektheid van den student. En hij proefde, als een fijne vrucht op
zijn tong, den weemoed van die herinneringen aan zijn schoolmakkers....
Toch was er ook iets, dat hem drukte, heel licht en onbestemd, maar hij
had geen tijd om zich rekenschap te geven van wat dat was, want aldoor
moest hij praten of luisteren. Maar dat was 't juist, voelde hij later;
hij had wel graag na die oude herinneringen even gezwegen in stil
gemijmer, en dat ging niet, daarvoor was hij niet intiem genoeg met zijn
vriend den student.

Toen 't zakengesprek hem begon te vervelen stelde André voor, een
partijtje te whisten en de anderen vonden 't goed. En een tijdlang waren
ze nu verdiept in dat spel, soms minuten lang doorspelend, met zwijgende
denkgezichten, in stille houdingen, dan weer loskomend in druk gepraat
en gelach over een vergooide kaart of een mislukte invite, over snijden
of renonce maken. Ze waren alle vier geoefende spelers, de Leidenaar
vooral speelde fijn en vlug. Maar Bernard had er gauw genoeg van. Hij
werd warm en suffig, 't spel vorderde te veel inspanning van hem, hij
voelde de fut om goed op te letten en slim te spelen wegzakken uit zijn
warm hoofd. Ook was hij nu verzadigd van de indrukken van licht en
gezelligheid, hij kon ze niet meer opnemen; 't geroes om hen heen, 't
lachen en praten en de koffiehuis-atmosfeer werden hem hinderlijk. Hij
voelde zich lam-loom worden, warm, vol en overvoldaan, en nu en
dan kwam even een vlaag van verlangen naar de dunne kille lucht
en 't melancholisch-rustige half-duister van een leege straat met
lantaarns.... Maar hij begreep dat hij nu niet in-eens opstaan en
wegloopen kon. Dus trachtte hij zich maar weer te dwingen tot beter
opletten en speelden ze nog een heelen tijd door. Maar hij was blij toen
Sam en de Hagenaar eindelijk terugkwamen en de kaarten weer weggedaan
werden.

Sam hield brommend, quasi-ernstig, den Hagenaar voor den gek met zijn
"beroerde manier van trekken" en de ander had zijn eigenwijze
bemerkingen op 't Amsterdamsche biljarten.

Gerrit kwam nu ook aan hun tafeltje en bracht zijn kennis mee, dien hij
voorstelde. 't Was een schilder. Een boom van een kerel, met een
rood-robust openluchtsuiterlijk.

Dus zaten ze er nu met z'n achten.

Er werden nieuwe grogjes en glazen bier besteld en 't losse gepraat
begon weer, 't levendige gooien met woorden door de lauwe wolk van
sigarenrook, heen en weer over de nattige, viezige tafel, de kleffe
tafel-met-glazen, 't gebabbel en gelach om allerlei voorvallen en
allerlei menschen, en de verhalen van vroegere fuiven en van slimme
zetten en bofferij en verlakkerij, en de indécente verhalen en raadsels
en uien. Sam gaf de dingen, die hij vertelde, een zekere distinctie door
zijn beschaafde uitspraak, door de détails van zijn verhalen bedaard en
geduldig te verzorgen, zonder haasten, dikwijls afdwalend met allerlei
koddige zinswendingen, waar hij dan zelf een kinderlijk dol-plezier in
had. Maar André, die altijd alleen maar wachtte op de pikante pointe van
de mop, vond dat flauw. Hij had 't hoogste woord met zijn luidruchtige
uitroepen van overdreven ingenomenheid of walging en met zijn
aanstellerige breede gebaren van onafhankelijk, ongegeneerd man.

De meeste schuine moppen waren van den schilder. Die lei dan zijn
ellebogen op tafel, stak zijn hel-blondharigen satyrkop met den
kroesenden puntbaard naar voren en fluisterde de hem toegestoken hoofden
zijn verhaaltjes toe, dan den een, dan den ander aankijkend met zijn
zinnelijk-guitige oogjes van levenslustigen lekkerbek. Hij gebruikte
platte termen, ruwe volksuitdrukkingen zonder eenig onderscheid in stem
of intonatie met zijn overige woorden, als wist hij niet, dat er zoo
iets als heerentaal bestond, onverschilligweg, even soms met iets
leuk-spottends in zijn oogen kijkend naar den student en den Hagenaar,
zich kennelijk stil-verlustigend in hun verblufte verbazing.

André schoof een poos op zijn stoel heen en weer van plezier en ging
eindelijk zoo ver mogelijk achteruit zitten om lekker te kunnen lachen,
wat den schilder deed zeggen, dat hij er bij zat als een luis op een
leer. En Sam, Hendrik en Gerrit keken elkaar soms even aan en begonnen
dan te lachen, onder elkaar pret hebbend om "dien lolligen vent", dien
Gerrit meegebracht had. "Vind-je 'm niet typisch", fluisterde Gerrit
Bernard toe, met kleingetrokken oogen van heimelijk, inwendig genot.

Bernard vond ze allemaal typisch. Hij zag de zinnelijke pret in hun
oogen, hij hoorde 't verborgen heete in hun heeren-kraaklach, hij voelde
de atmosfeer van stilletjes-genieten-'t-lekkere-verbodene hangen om
hun hoofden, om hun heele groep. Hij voelde den band, die daardoor was
ontstaan tusschen hen, als waren ze samenzweerders tegen 't kuische.
En dat hij daaraan meedeed, hij! meelachend, meepratend, aanvullend,
paraphraseerend de schouwheden, die dweilden over de vuile tafel. Dat
hij wel moest meedoen, dat hij niet dorst te zwijgen in hun gezelschap,
want dan zou zijn ziel naar boven komen, en op zijn zwijgend gezicht
zouden zij zien wat niemand zien mocht. Zoo was 't, maar hij schaamde
zich omdat hij niet dorst, en daar hij schaamte niet verdragen kon zat
hij die weg te redeneeren, zich beduidend dat hij er wèl aan deed mee
te doen. Dat dit zijn vrinden waren, die recht op hem hadden, dat hij
gezellig, maatschappelijk moest zijn, en maken dat ze wat aan hem
hadden. Dat hij zich niet moest verbeelden dat hij er niet bijhoorde.
Wat een nonsens!.... Waarom zou hij er niet bijhooren?.... Was hij soms
een dichter, een genie?.... Die schilder daar was veel meer dan hij!....
Hij was immers maar een doodgewoon Amsterdamsch koopmannetje net als al
die anderen, André en Sam en Hendrik!.... Niets beters!.... Zich
dat te verbeelden was malle aanstellerij, zelfbedrog, vrouwelijke
overgevoeligheid, kwam heelemaal niet te pas.... En die conversatie was
de conversatie van zijn soort.... Je kunt dan toch ook in een koffiehuis
niet praten over philosophische kwesties.... of over de liefde.... of
over 't leven en den dood!.... En kóm, hij hield óók wel van een pikante
mop!.... wel waarachtig!....

Hij overtuigde zich maar half. Maar hij deed aldoor mee, zoo natuurlijk
dat de anderen niet beter wisten of 't ging van harte; hij lachte hardop
en dronk achterelkaar zijn glas grog uit, zoodat André riep:

"Kijk, Bert heeft lol!" Hij debiteerde zelf ook nu en dan een mop, maar
hij droeg ze slecht voor, de helft vergetend, zich telkens in de rede
vallend en verwarrend 't eene verhaal met 't andere.

Er kwam een man voorbij, die den schilder lachend aankeek en hem
toeriep; "Zoo.... zit je weer te vuilbekken?" En toen tegen
Gerrit, vertrouwelijk: "Luister toch niet naar dat varken, Volle, je
compromitteert je!...."

Maar de blonde satyrkop, even lachend, gaf geen antwoord, vertelde
rustig door, met tintelende oogjes.

Lang bleven ze zoo zitten kletsen en drinken, en ze aten ook wat, een
slaadje of brood met spiegeleieren, en ze kregen allemaal warme, roode
hoofden, en de altijd-even-kalme Hendrik werd opgewonden en begon bij
wat hij zei met zijn vlakke hand op tafel te slaan, zoodat de kelners en
de menschen aan andere tafeltjes naar hem keken. Maar eindelijk ging 't
ook André, die nu alle houdingen op zijn stoel geprobeerd had, vervelen
in 't groote, fatsoenlijke koffiehuis. "Kom jongens," zei hij, na een
schaterlach, "nou naar de Nes!.... Denk er om, we hebben vreemdelingen
over!...."

"Goddome ja!" zei de Hagenaar, "daar moeten we nog naar toe!"

"Ik ben er ook in geen jaren geweest," zei de student.

En dus begonnen ze, de een na den ander, af te rekenen met den kelner en
lieten zich hun jassen opgeven en liepen zwaar-loom 't koffiehuis uit.
En langzaam aan, drentelend, in een ongeregeld, woelig troepje, luid
pratend en lachend, trokken ze de nu leeger en donkerder geworden
Kalverstraat uit en den Dam over.

Bernard kende de Nes natuurlijk. Hij wist waar ze heengingen. Toch, op
dat plein, terwijl hij de wijde, kil-vochtige ruimte om zich voelde,
en den grauwig-zwarten hemel hoog boven zich, terwijl hij zich, 'n
beetje soezerig van drinken, voelde loopen in den nacht, den grooten
geheimzinnigen nacht, en de straatgeluiden zwakker en verder werden, en
de nacht -- als hij zoo even naar boven keek en de kille, ijle lucht
opsnoof -- al wijder en stiller en geheimzinniger, toen vond hij er iets
onwezenlijks, iets onmogelijks, iets helsch-waanzinnigs in, dat ze nu
naar die sletten-en-kroegen-steeg gingen, dat hol van zatheid en gemeene
brooddronkenheid en liederlijke pan. En -- weer met onvolkomen succes --
beduidde hij zich dat dat dood-gewoon was, dat ze in de Kalverstraat
gezeten hadden en nu naar de Nes gingen, wat een climax was van
mannenplezier in een groote stad, de gewone loop van zaken, vooral als
je menschen uit de provincie over hadt.

Op den Vijgendam was 't nog vrij druk. Er was een standje met de
politie er bij, voor een koffiehuis. En hier en daar stonden, wachtend,
loerend, armoedige sletjes, in fletse, donkere burgerjuffrouw-plunje,
bruinig en gitterig. De schilder sprak er een aan met hoonende
liefkoozingsnaampjes, waarop ze begon te schelden in plat-jordaansch,
vermakelijk vond Gerrit.

En toen sloegen ze den hoek om en trokken de nauwe Nes in.

Ze waren nu een loom treintje sjieke heeren, die uit waren, een relletje
in de Nes. Vooraan waren al de winkeltjes nog open en straalden schel
licht uit over de straat, en er stonden nog wagens met koopwaar en veel
bewegelijke groepen meiden met verloopen kerels en poenige slungels. En
dáár waren ook de grootere, van buiten verlichte café-chantants. Maar
verderop werd 't donkerder. Daar waren geen winkels meer, maar tusschen
de rossig-grauwe, gesloten huizen, vunzige, donkere kroegjes, waar
wijven in helgekleurde jakken en met geplakte ponnie aan de deur
stonden, die de heeren fleemend inviteerden om binnen te komen, met
lijmerige uithalen uit 'r vette speekselmonden, en hen najouwden als ze
lachend voorbijliepen. Daar brak alleen hel-licht en lawaai uit als een
tjingeltjangel-portier in zijn versleten livrei een deur opensmeet en
uitschreeuwde met zijn schorre stem, wat daarbinnen te genieten was. Ze
liepen door tot in het heel stille, donkere gedeelte en keerden toen
weer om en gingen een van de onaanzienlijkste café-chantants in, een
vunzige, lage pijpenla met den naam van een Oostersch tooverpaleis.

Er zat maar één vent, een habitué, fluisterend met den pianist. Op 't
kleine, bontbelapte tooneeltje, in een halve cirkel, zes meiden, erg
gedecolteerd, beschilderd en bepoederd. Ze zaten te geeuwen en te
kwebbelen. Loom-nonchalant lieten ze de dikke tricot-beenen hangen tegen
't planken-vloertje.

Maar 't binnenkomen van de heeren bracht er wat leven in. De pianist --
een bleeke lummel met een pervers-poenig gezicht -- begon op de oude
piano te hakken, dat er een deun uitkwam, een vaal, valsch versleten
geluid. En van 't stinkende buffet achterin kwam een magere, viezige
kelner mee naar voren sloffen, luiig, vooroverloopend. "Acht spuit!"
kommandeerde André. En de meiden op 't tooneel zetten zich in
opgewekter houdingen, als karikaturen van elegance, op hun matten
koffiehuisstoelen, en één kwam naar voren, en ging een duitsch liedje
aframmelen, accentueerend de dubbelzinnigheden met gemeene gebaren. De
anderen begonnen te lonken en kinderlijk naïef te doen en te gichelen en
met oogen en bewegingen te vragen om drank. Ze hielden niet op voordat
ze allemaal wat hadden, glaasjes stout of ander bocht, en André
tracteerde er een op champagne, waarvoor ze van 't tooneeltje kwam en
naast hem ging zitten, tusschen hem en Gerrit, die almaar grinnikte van
innig plezier. André deed beschermend tegen haar, vaderlijk bijna.

De andere meiden draaiden om beurten hun liedjes af, duitsche en
engelsche.

En toen moest die van André de danse du ventre voor hem dansen, hij wist
dat ze die kende. André gaf bevelen, hij commandeerde wat er gespeeld
moest worden. En de oude, verloopen kerel, die met den pianist had
zitten fluisteren, begon te schreeuwen en te kwijlen van genot toen hij
die dans zag. Strak-idiotig tuurde hij er naar, uit zijn fletse oogen,
rood-ontstoken. Hij bleek dronken te zijn, dronken van glaasjes gemeene,
heete pons, die hij 't een na 't ander naar binnen lebberde. En na de
danse du ventre klommen André en de schilder op 't tooneel, en André
beval den pianist een polka te spelen, en toen begonnen ze, ieder met
een meid, -- terwijl de andere vier met elkaar dansten, -- te polkeeren
dat 't houten vloertje kraakte en de vette, puisterige kastelein naar
voren kwam om te zeggen dat 't uit moest zijn.

Bernard had al dien tijd bedaard zitten rooken, soms een beetje pratend
met Sam, die ook kalm was nu. Hij was naar-nuchter geworden, wat wee
alleen van al 't miserabele om hem heen. Hij voelde wel iets van
medelijden met die 'r vleesch-uitstallende jonge vrouwen op 't tooneel,
met den kelner en den pianist. Maar 't was ook maar een klein beetje en
zonder sentimentaliteit. Want hij was vervallen in een hem vreemd
gedenk, in trotsch-onverschillige, koel-cynische overpeinzingen. Hij
dacht met hardheid, met steenen minachting over zich zelf en zijn
omgeving en zijn leven. Hij had nu een stemming gevonden, waarin
hij zwijgen kon zonder angst. Hij had een glimlach, een rustige
glimlachsplooi gezet op zijn gezicht, dat de anderen zouden denken dat
hij zich ook amuseerde en de minachting niet merken. Hij was zich bewust
dat hij hen bedroog. Hij wist dat hij alleen was en sterk.

Maar in-eens, terwijl zijn denken zich verstarde op dat alleen-zijn,
werd hij bevangen door zoo'n wee-golvende walging, dat hij onwillekeurig
opstond en zei: "Kom, gaan jelie mee?" En hij liep 't lage zaaltje uit,
en de anderen, ofschoon hem eerst nog naroepend: "Nou!.... hé! Wacht
even.... Blijf nou nog even!..." stonden nu toch ook op en kwamen bij
hem.

"Waar gaan we nou naar toe," vroeg de Hagenaar, opgewonden.

"Ik ga naar huis -- 'k ga naar bed," zei Bernard, stroef.

"Jasses!" riep André, "wordt jij weer vervelend?"

Maar Bernard gaf 'm geen antwoord. "Ga je mee," vroeg hij aan zijn
Leidschen vrind, "of willen we nog ergens anders gaan zitten?"

De Leidenaar keek een beetje verlegen voor zich en antwoordde niet
dadelijk. En de schilder schaterde 't luid uit en riep: "Hij wil, geloof
ik, nog wel 's naar de meisjes, wat?.... Hahaha...."

"God ja!" zei André, "dat 's een idée!" En hij noemde den naam van een
van de bekendste bordeelen. "Laat we daar 's naar toe gaan!"

En alsof 't van zelf sprak, dat zijn voorstel aangenomen werd, liep hij
door, zonder verder te luisteren naar de anderen, die slenterend
volgden.

Maar toen ze de Nes uit waren, vroeg Bernard opnieuw aan den student:
"Nou? hoe is 't?.... Wou je nog mee met hun, dan zal ik je den sleutel
geven, want dan ga ik naar huis."

De anderen bleven staan.

"Nee...." zei de Leidenaar, "dan ga ik natuurlijk met jou mee!"

"Nou, hoepelen jelie dan maar gauw op," zei de schilder met een vloek en
lachend liepen de anderen door, de Damstraat in, terwijl Bernard en zijn
vrind den kant van 't Rokin opgingen.

Zwijgend liepen ze 'n poosje naast elkaar.

Toen begon de Leidenaar met een stem en een glimlach waarin
teleurstelling en een minachtend wantrouwen: "Doe jij er niet 'an?"

"Wat meen je?" vroeg Bernard, fronsend zijn wenkbrauwen, zonder hem aan
te kijken.

"Nou!.... klets nou niet!.... je weet wat 'k bedoel!...."

"O!.... dat!.... nee!.... daar doe 'k niet an!"

"Kom!" zei weer de student met dienzelfden glimlach van geërgerd
ongeloof.

"Verdomd!" riep Bernard, met een driftigen stamp op den grond, "wil-je
me nijdig maken?"

"Nee!.... God, kerel!.... Neem me niet kwalijk!.... ik wist niet dat je
't zoo ernstig meende.... Maar waarachtig.... dan wil ik je toch zeggen:
't is niet goed!.... 't is niet gezond, geloof me!"

En toen begon hij een ernstig betoog, met veel geleerde termen, over de
ongezondheid van Bernard's onthouding. Hij sprak vrindelijk-geduldig en
met overtuiging, autoriteiten aanhalend.

En Bernard hoorde dat koel-vriendschappelijk praten op- en afgaan naast
zijn hoofd en slikte 't zwijgend, ernstig kijkend voor zich uit.

"Je zoudt ten slotte gek worden!" besloot zijn vrind.

Toen deed Bernard, ongemerkt, even zijn oogen dicht. Gek!.... Gek!....
Dat woord schoot hem als een visioen door 't hoofd, gek worden, sterven
misschien voor een idee.... Dat bestond dan toch nog, in deze eeuw....
"Goed," zei hij dof, "'k zal 't afwachten...."

De ander haalde zijn schouders op. "Je moet 't zelf weten," zei hij.

En ze zwegen weer. Als vreemdelingen gingen ze samen over de stille
gracht. Heelemaal weg was nu uit Bernard's hoofd 't somber-cynisch
gedenk. Hij voelde zich gaan, hoog en trotsch als een eenzame ridder,
blijmoedig als een die sterven gaat voor zijn ideaal.

En nu kon hij ook weer vriendelijk zijn en vriendschappelijk. Toen ze op
zijn kamer waren was hij weer heelemaal gewoon: hartelijk en joviaal. En
zijn vrind, daar blijkbaar blij om, was ook weer als 's morgens aan de
koffietafel. Ze voelden wel allebei dat er wat tusschen hen was, maar
ze negeerden dat. Ze dronken samen nog een droog cognacje, intiem
pratend over kleinigheden, en toen werd 't bed van den student opgemaakt
op Bernard's kanapee.

Onder 't uitkleeden stierf hun gesprek van zelf uit. 't Was laat, ze
waren moe.

Eindelijk lag de vrind op de kanapee en Bernard in zijn bed. Het licht
was uit.

Ze praatten nog even met onderdrukte bromstemmen.

"Nou.... wel te rusten," zei toen Bernard, om er 'n eind aan te maken.

"Slaap wel," zei zijn vrind.

En de stilte groeide......

Al gauw hoorde Bernard 't snurken, 't goedig-onbewuste geknor van
zijn ouden schoolkameraad, terwijl hij zelf nog lag te staren in de
duisternis met wijd-open oogen. Hij lag te denken aan zijn toekomst. Als
"zij" niet komt dan zal ik gek worden. Hoe zal dat zijn, wat zal ik dan
doen als ik gek ben? Daar lag hij aan te denken, sterk en stil.

Tot er een beest, een bij of zoo, begon te gonzen en te trillen tegen
een raam van zijn kamer. Dat leidde hem af; luisterend viel hij in
slaap.



VII.


Ze sliepen lang. Bernard werd wel op zijn gewonen tijd wakker, maar zich
met een jongensachtige, stil-innige blijdschap herinnerend dat 't Zondag
was, draaide hij zich nog 's om en zonk dadelijk weer terug in rustigen
slaap, een lekker-lichten morgenslaap vol vluchtige droomen. Tegen
half-elf werd hij weer wakker en zag nu, van de donkere alkoof uit,
zijn vrind, den student, al heen en weer loopen in zijn kamer, in zijn
onderkleeren en op kousen, schommelig plat-voetend en onhandig doend in
de ongewone omgeving.

"Zoo!.... Ben jij al op?.... Morgen!...."

"Morgen!...."

"Goed geslapen?"

"Best.... jij ook?"

"Uitstekend.... Geen hoofdpijn?"

"Nou, 'n klein beetje!...."

Bernard stond nu ook op. Hij was langzaam in zijn bewegingen. Hij had
een vaag gevoel alsof er iets was dat hem hinderde, alsof hij tegen iets
opzag. Maar hij wist niet wat 't was, en hij duwde dat gevoel weg in
zijn hoofd, achter de kleine werkelijkheden waar hij voor zorgen moest.
Hij riep om de deur zijn juffrouw toe, dat ze voor twee ontbijt moest
brengen, en terwijl zijn vrind nog bezig was met zijn boord en zijn
dasje en zijn manchetten, kleedde hij zich haastig verder aan. Dat
was even een stil gewerk en gepruts, schijnbaar zonder op elkaar te
letten, maar toch een beetje gegeneerd, met kleine schokgeluiden tegen
waschkommen, hout en gestreken linnen, en nu en dan een los woord over
gisteren-avond, een lach of een half-in-een-handdoek-gesmoorden uitroep.

De juffrouw -- een tanige, oude burgerjuf -- bracht 't ontbijt, koppen
thee en broodjes, op een oud blad, een gebladderd, namaak-japansch blad,
dat ongezellig-slordig kwam te staan naast den rommel op tafel. Ze had
bruinige paviljotten in 't grauwe haar, de juffrouw. Ze scheen den
student niet te zien, maar ze keek met een zenuwachtig-ontstemd gezicht
schuwig naar de kanapee en vroeg met een naar-schelle stem, halfnijdig,
half-klagend, of meneer nog iets noodig had.

"Nee.... dank u!" zei Bernard.

En de vrinden gingen even zitten om te ontbijten, nu wat meer pratend,
maar met den slaap nog in hun bromstemmen en loome bewegingen. En daarna
staken ze sigaren op en gingen uit.

't Was mooi weer, de eerste zonnige, lichte dag na veel dagen achtereen
van killen regen en sombere grijsheid. En Bernard voelde zich in-eens
als overgoten van puur najaarslicht; hij voelde de dunne lucht met
vlagen varen door zijn lijf, oplichtend zijn zwaar hart en helderend
zijn hoofd als een lichte roes van een zuiveren rijnschen-wijn. Hij werd
vroolijk, hij maakte lachende opmerkingen over gisteravond, hij zei
herhaaldelijk: "Wat 'n lekker weer, wat 'n heerlijk weer!" En de
Zondagsmenschen, 't stads-zondagochtend-publiek, dat hem anders zoo
hinderen kon, zag hij nu aan zich voorbijtrekken, vreedzaam als een
kudde koeien op een landweg. Hij zag ze niet als vijanden nu die
menschen, hij zag ze als goedige domme dieren. Hij lachte een beetje
om de ouderwetsche hoeden en wijde jassen van de mannen, en om hun
lomp-stijven, lui-langzamen gang. Hij proefde 't stomme genot van dat
langzame gaan op Zondag, dat gaan met een trachten naar deftigheid in de
lamme plooien van 't suffisante Zondagsche goed, naar de kerk, en dan
weer naar huis, en dan de jas uit en 't lijzige zitten in overhemden aan
de opgeruimde tafels achter de dichte ramen, en dan 's middags de bitter
en de ruzie, de zoetigheid en de verveling. Hij voelde 't contrast van
dat Zondagsleven met 't roezige werkleven van allen dag en 't idiote
tasten van die menschen naar genot, wat hem soms deed vloeken van
ergernis en hem soms groot medelijden gaf, maar nu zag hij alleen 't
komisch-domme, 't hinderde hem nu niet, hij voelde geen lust er iets aan
te veranderen, 't scheen hem dwaas je 'r aan te ergeren; sentimenteel
vond hij 't nu meer medelijden te hebben met menschen dan met de echte
dieren, de sprakelooze dieren, hun geslagen slaven.

Ze zouden nog samen gaan koffiedrinken en dan moest de student weg, naar
Leiden terug; hij moest er dien middag zijn voor een receptie. Maar
eerst wandelden ze nog even wat om -- 't Rokin af en het open Damrak
langs -- kijkend naar 't zonne-schitteren in 't water en in de ramen van
de huizen en naar de lichteffecten van de scherp-hoekende huizengevels.
Ze liepen een eindje Prins Hendrikkade en toen langs het Y. Bernard
genoot van die ruimte daar, die wijde lichtruimte om hem heen, den
blijen alom tintelenden zonneschijn.

Maar de student klaagde, dat hij aldoor nog wat hoofdpijn had. 't Was
toch bocht dat consumabel in die koffiehuizen! Hij wou naar Kras om te
gaan dejeuneeren met een haring. Goed, Bernard wou ook nog wel even op
kantoor aanloopen; dus wandelden ze terug en de Warmoesstraat door.
Eerst naar kantoor dan maar. Daar was alles in stille Zondagsrust. Ook
van de straat kwamen geen geluiden. Hard hakten de stappen op den
houten vloer en de stemmen scheurden de staande stilte. Er was iets
onheilspellend-verlatens, iets somber-geraamteachtigs in dat kil-leege
kantoor. De lessenaars stonden in treurige zwijging, als geduldige oude
knollen in een stal, alles scheen nu nog ouder en valer, versleten en
dood, alles stond te vergaan. Er hing een onbestemde geur, een menging
van geuren, muffig, bedompt.

Bernard, gewoon aan die omgeving, die hij haast niet meer zag en aan die
atmosfeer; die hij haast niet meer voelde, -- soms alleen zag en voelde
hij 't in-eens heel scherp -- ging zijn post zitten nakijken, maar zijn
vrind schoof dadelijk een raam op en stak zijn hoofd en zijn bovenlijf
er uit. "'t Is hier niet bepaald om beter te worden als je koppijn
hebt", zei hij nog even. Maar Bernard verstond hem niet, want hij was
bezig met een belangrijken brief, dien hij in volle aandacht las. 't Was
een groote order, waar hij niet op gerekend had. Er zat een goede duit
winst in en een mooie nieuwe relatie. En neuriënd van genoegen om dat
succes, waar zijn oom weer zoo'n plezier in zou hebben, las hij gauw ook
zijn andere brieven, schoof ze toen met een duw op zij, verstond nu
ook wat zijn vrind daar straks gezegd had, en riep hem toe: "Nou,
laten we dan maar gauw naar Kras gaan, dan zullen we je 'n beetje
restaureeren!...."

En ze zaten weer te dejeuneeren over elkaar aan hun tafeltje, net zooals
ze ook den vorigen dag gedaan hadden. Maar toch was 't heel anders nu.
In-eens voelde Bernard dat, zich herinnerend die stemming van gisteren,
die vreugde van 't elkaar terugvinden, die ontboezemende hartelijkheid.
Hij herinnerde zich zijn zich arm en onbeteekenend voelen, zijn
jaloerschheid op 't leven van den student. Weg was nu dat allemaal.
In zijn gevoel was hij de meerdere, de rijkere geworden in die
vier-en-twintig uur. Maar hij merkte ook, dat zijn vrind, die gisteren
nog zoo vrindschappelijk gezegd had, dat hij ook student had moeten
worden, die zoo hartelijk gevraagd had naar alles wat Bernard aanging,
dat die vrind nu een beetje aarzelend en bang met zijn woorden was
geworden, een beetje wantrouwend en eigenlijk wat verlangend om van hem
af te komen. Hij begreep, dat hij wel niet gauw terugkomen zou, en dat
er ook eigenlijk niet veel vrindschap meer mogelijk was tusschen hen
beiden. Ze zouden wel aangenaam, gul en gastvrij met elkaar blijven
omgaan, o ja, ze waren nu zelfs vriendelijker en voorkomender voor
elkaar dan gisteren, maar Bernard voelde dat ze heimelijk allebei
verlangden naar dat oogenblik van straks, als elk weer voorloopig alleen
zou zijn en vrij. En weeïg verschrompelde zijn morgen-opgewektheid bij
dat pijnlijke bewustzijn. Hij wist niet: kwam dat nu alleen door dat
ééne verschil van opvatting, dat gebleken was door een houding en een
paar woorden, -- want een twist was 't niet ééns geweest -- of was
daardoor misschien ontdekt geworden een groot verschil tusschen hun
beider zielelevens, of lag 't toch niet alleen daaraan maar aan honderd
kleinigheden, houdingen, gelaatsuitdrukkingen, intonaties, die zich
tusschen hen hadden opgestapeld tot een muur, waar geen sympathie meer
doorheen dringen kon. 't Was vreemd en 't was triestig. Want er was toch
altijd zooveel overeenkomstigs in hen geweest, was dat dan dieper of
niet zoo diep? Het was er toch geweest, ze hadden 't gevoeld. 't Was wel
vreemd. En zou 't dan zoo kunnen gaan met alle vriendschap, vriendschap
die toch óók liefde was?.... Met liefde ook?.... Zou 't altijd zoo gaan
misschien, dat menschen als ze 'n poosje samen zijn weer verlangen naar
scheiding?.... Er was iets in hem, dat zei, dat 't zoo ging altijd....
Wel triestig was 't!....

Zoo dacht droomerig Bernard achter zijn gewoon opgewekt gepraat om. Hij
kon 't niet meer van zich zetten; als hij zat te praten hoorde hij 't
koele, gevoellooze van zijn eigen stem; als hij luisterde hoorde hij 't
ook in de stem van zijn vrind en hij zag 't in diens oogen. Hij voelde
dat 't ondragelijk worden zou als ze niet doorpraatten, al maar opgewekt
doorpraatten.

Na hun dejeuner bracht hij den student naar 't station. Ze kwamen er te
vroeg aan, ze hadden zich te veel gehaast. Bernard voelde dat met een
beetje schaamte. Hij verweet zich zijn onhartelijkheid, hij vond dat hij
toch ook niets geen slag had om vrienden te ontvangen. Op 't perron heen
en weer loopend rekten ze hun gepraat. Maar 't hokte telkens. Ze liepen
de aanplakbiljetten te bekijken en maakten banale opmerkingen. Toen de
trein vóór kwam te staan ging de student er dadelijk inzitten, "om een
goed plaatsje te hebben." En langzaam vulden de coupé's zich verder.
't Was niet druk.

In de laatste vijf minuten keek Bernard wel twintig maal op zijn
horloge.

Eindelijk kwam de lange wagenrij in stommelende beweging, boog de
student zich uit 't raampje en reikte Bernard glimlachend de hand. Ze
keken elkaar aan; Bernard geloofde dat zijn vrind 't ook voelde, den
weemoed over dat verlorene, dat vervlogene van sympathie.

"Adieu!.... 't ga je goed!"

"Adieu!.... zien we je weer 's?...."

"Ja.... ja!"

En 't hoofd terug in de coupé. En de trein weg, somber-zwart
voortschuivend tot in de verte. Toen liep Bernard langzaam 't station
uit en stond buiten, onder den wit-blauwen, zon-doorwaasden hemel,
alleen weer. Maar verlicht en aangenaam voelde hij zich niet, wat hij
toch had verwacht. Dadelijk drukte hem zijn alleen-zijn en was hij
niet vroolijk meer. Hij voelde 't met ergernis, met een heel lichte
aanwaaiing van wanhoop. Wat was hij dan toch voor een man, die verlangde
naar gezelschap als hij alleen was en naar alleen-zijn als hij
gezelschap had!

Slenterend ging hij langs het Damrak. Nu had 't mooie weer geen genot
meer voor hem en begonnen de Zondagsmenschen die de trottoirs vulden hem
meer en meer te hinderen. Die onbenullige, mal-valsche opgepronktheid,
die zelfs in de grinnekend glimmende gezichten was. Die armzalige,
smaaklooze verkleedpartij, zonder iets schilderachtigs, leelijk,
leelijk! Die handwerksmannen in hun confectie-magazijnpakken, zoo
harkig en pietluttig, zoo oneindig poverder en ellendiger dan anders
in hun bombazijnen alledagplunje, leukjes gelapt met gedurfde
stukken, en chic-nonchalant gedragen. En de vrouwen met 'r glimmende
groene-zeep-gezichten, afzichtelijk beplakt en belapt, met vette
haarpiekjes en krulletjes en met veertjes, lintjes, kantjes en ordinair,
grof blomgeflodder. En dan dat gaan in groepen, in families, slenterend,
sloffend, van de eene kroeg naar de andere met den kinderwagen voorop.
En dan ook -- niet zoo ellendig-armzalig, maar nog hinderlijker, nog
aapachtig-belachelijker in hun weeë zelfvoldaanheid -- de klerken en
ellejongens op-derlui-Zondags, die lachen tegen de gichel-juffies
en tegen de Zondags-uitgaande meiden in 'r onhandig nagemaakte
dameskleeren.

In een verdrietige stemming, zonder wil of doel, slenterde Bernard den
Dam over en de Kalverstraat in. Hij gaf toe aan een half-bewuste neiging
om zich zelf een beetje te sarren, te martelen. Want de Kalverstraat
op Zondagmiddag, dat was een folterplaats, een helletje. Daar was 't
fataal-onmogelijk ook maar iets fijns, iets nobels te voelen; dat
was drukkend, pijnigend, radbrakend ordinair. Daar waren behalve de
Zondagsmenschen in de volle straat nog 't bitter- en biervolk in de
koffiehuizen, juffrouwen, die advocaatjes lebberen met ontevreden
gezichten en mannen die bitter en asch morsen op hun broeken, waarover
de vrouwen klagen omdat ze de vlekken er niet uit kunnen krijgen, uit
't gemeene geverfde goed. En de burgerheeren met de witte vesten en de
hooge hoeden, die de krant komen lezen en de illustraties bekijken om
tegen vier, vijf uur terug te komen bij hun vrouwen, met roode koppen en
nijdig breede bewegingen. O, de Kalverstraat op Zondagmiddag, dat was
het brandpunt van 't vadsige Zondagsleven van een kleine "groote stad"
zonder vreemdelingen, een bak met menschen, die niet weten wat ze doen
zullen van labberlottigheid, waar je op zoudt willen schieten om er 's
wat frissche emotie in te brengen, dat was één groot, donker, vol,
zweeterig, klef, kleverig café.

Bernard liep de Wijde Kapelsteeg door en zoo naar zijn kamer. Die was
netjes "aan kant," 't raam stond open, maar hij schoof 't dicht, wars nu
van straatgeluiden. Zijn krant lag op tafel en een paar weekbladen waar
hij op geabonneerd was. Hij keek ze even door, maar hij miste de energie
zich tot geregeld lezen te zetten.

O ja!.... hij wou wel 's weten of er nog iemand geweest was. Sam
misschien of Hendrik. Hij deed zijn kamerdeur open en riep de gang in:
"Juffrouw!.... juffrouw!"

Geen antwoord. Stilte na zijn roepen. Alleen, dof, het gerinkel van de
trambel en menschenstemmen buiten.

Blijkbaar was er niemand, thuis, was de juffrouw gaan "wandelen" met
haar man.

Nog eens: "juffrouw!"

Maar 't bleef stil.

Toen deed hij de deur weer dicht. En hij stak een sigaar op, schoof 't
raam weer open en ging er voor zitten in zijn lagen gemakkelijken stoel,
achterover, naar buiten kijkend, naar de blauwe lucht, waar hoog, heel
hoog en ver, wazige wolkjes over gleden, vervluchtigend als ze kwamen
bij den lichtenden zonovervloed.....

Eigenlijk had hij al in 't begin van de week plan gemaakt dezen Zondag,
als 't mooi weer was, in Bussum te gaan doorbrengen. Hij had 's morgens
willen gaan om er wat te wandelen, te dwalen over de hei en door de
bosschen, en dan te gaan koffiedrinken bij zijn oom en tante en hun
verder zijn dag te geven. Om het blijven van den student had hij dat
plan laten varen. Maar die was nu weg.... en 't was wel wat laat,
maar.... 't was in Amsterdam zoo'n nare Zondagsdrukte.... en hij had
geen lust om te lezen.... en geen lust om straks zijn tafelvrinden
te ontmoeten en na te praten over gisteren.... Hij keek in zijn
spoorboekje. Om drie-uur-twintig ging er een trein, dien kon hij nog
halen. En in-eens besloten zette hij zijn hoed weer op en nam zijn jas
en zijn stok en liep vlug de straat op en terug naar het station. Zijn
stemming, onder dat ietwat gehaaste loopen al verhoogd, kwam in den
trein tot een hoogte, die hem lief was. Hij zat rustig-alleen in zijn
hoekje, turend door 't intiem-dichtbije, gezellig-donkeromlijnde
ruitjes-vierkant. Toen kwam die stemming, een dons-warme droomen-volte,
met een onverschillig neerzien op alle verdrietelijkheden, welwillend
zonder dédain, met een ietsje weemoed en een tintje bitterheid,
teruggetrokken in de geheimzinnige schemering van zijn zielehuis,
zoodat zijn oogen werden als donkere stille meren, waarin de
namiddagtinten spiegelden van 't landschap en den hoogen hemel, zonder
dat hij ze zag in onderdeelen, met de huisjes en de hekjes, en het vee
en het riet en de ver drijvende, stil-strepende wolkjes.

En, in zijn droomen, daar was in eens Mimi weer en zijn verbazing, dat
hij weer in zooveel tijd niet aan haar gedacht had. Toch was hij nog
verliefd, was er nog een doffe klopping in zijn keel en in zijn polsen
als hij dacht aan haar. Toch wist hij, dat als hij haar weer ontmoeten
zou, die verliefdheid zou kunnen groeien tot een kracht, die andre
krachten lam zou slaan in dollen overmoed, als een pootige wilde
kwajongen die uitfluit wie 'n ernstig gezicht tegen hem trekt.
Daarom.... was 't maar beter haar niet weer te zien!.... Maar juist
omdat dat beter was, verstandiger, voorzichtiger, daarom juist wou hij
't niet, walgend van die eeuwige voorzichtigheid. Juist om 't gevaar
hunkerde hij naar 't avontuur. En hij ging weer zitten verzinnen op
plannen om haar te ontmoeten, en, even als vroeger, schoot hij er niet
mee op. Hij had er altijd het toeval bij noodig.

Terwijl hij zoo doorsoezend almaar stil zat te turen door 't raampje
naast zijn hoofd, had hij plotseling een gewaarwording, alsof hij iets
gezien had met herkenning, iets wat hij meer gezien had of wat hem vaag
teruggaf den indruk van iets anders. Dat hekje, neen.... dat huisje?....
neen.... die rij boomen daar ver achter, die rij boomen stilstaand
tegen den zilverenden namiddaglicht-hemel, tegen den grijswitten,
wegwademenden horizonhemel.... Ja.... ja.... die was 't? Van zoo'n
rij boomen in 't oosten tegen den avond had Lucie gesproken aan de
souper-tafel, juist toen Mimi en Hugo Franck hadden opgekeken en
gelachen. Hij wist eigenlijk niet ééns, dat hij toen verstaan had
wat ze zei, maar nu herinnerde hij 't zich.... Ja, 't was mooi,
zacht-weemoedig-mooi, die rij boomen.... 't Was als een verre horizon
in je ziel waar 't mooi is, blank zilverig mooi, maar waar je niet komen
kunt, omdat je 'r altijd even ver van blijft, hoe je ook loopt, loopt
met knikkende knieën over den slijkweg.... Heerlijk mooi, als een ver
onbereikbaar verlangen was die rij boomen......

Lucie!.... zoo'n meisje veel zien, met haar praten, met haar omgaan,
zoo'n zuster hebben, dat zou een steun zijn....

In-eens, kort, scherp-knarsend, stroef-stampend en zuchtend stopte de
trein en stond te hijgen. "Naarden-Bussum!.... Bussum!...." werd er
geroepen. En Bernard kwam er uit en gooide zijn jas over zijn schouder
en liep langzaam, stil voor zich heen, in de volte 't station uit, en
krakend over den grintweg brachten zijn voeten hem naar de villa van
zijn oom. 't Was niet ver. Een groote, nieuwe villa, helder lichtrood,
met onbegroeide waranda's en pretentieuse torentjes en fratserige
piekjes en uitwasjes. Een tuin met schelppaadjes en bloemperkjes en
jonge boompjes er om heen. Alles nieuw, kaal, onhuiselijk en peuterig,
alles keurig netjes aangeharkt, blinkende als een nieuwe hooge-hoed. Hij
deed 't piepende hekje open en stapte 't knarsende schelpweggetje over,
zich in haast voorbereidend op 't ontmoeten van oom en tante, met een
wat verwarde massa dingen waar hij over praten moest in zijn nog soezig
hoofd. Hij schelde. Dat gaf een vol helder geluid, wat hem hielp in 't
verzamelen van zijn gedachten.

Een nuffig-net dienstmeisje deed open en hij stapte binnen. En op 't
geluid van zijn stem -- in de wijde marmeren vestibule -- daar kwam zijn
oom hem al tegemoet, met een krant onder zijn arm, op zijn pantoffels en
met een kalotje op zijn rond-kaal hoofd. Een welverzorgd oud-heertje,
levenslustig gekleed en met een joviaal air. "Héérejé!....
Goeiemorgen!.... Goeiemorgen!.... dat 's nog 's mooi van je!.... Hoe
gaat 't? Kom binnen.... gooi die jas neer!.... kom binnen!.... Waar is
mevrouw, Keetje?.... Zeg 's gauw dat de jonge meneer er is!...."

Bernard schudde zijn oom de hand en ging mee, een kamer in, een luxueus
gemeubelde kamer van rijken meneer, suffisant-prachtig aangekleed,
zonder eenige artistieke bekommering, maar duur!....

"Ga zitten, jongen!.... Nee, neem dien stoel,.... dat 's een
gemakkelijke, moet je 's probeeren,.... die heb ik er pas bij
gekocht!.... Wat? is die niet lekker?.... je moet flink achteruit gaan
zitten!.... lekker hè!.... dat doet je goed in je rug!...."

En tante kwam binnenruischen, vol en breed, 't dikke hoofd ietwat
achteroverliggend in den zwellenden hals, één en al glinstering van
zware zij, met breede gitten spelden in 't nog niet geheel grijze haar,
dat zwart geweest was.

"Zoo Bertje!.... ben je daar! dat 's heel lief van je!.... geef me 'n
zoen!.... hoe gaat 't?"

Ze wendde hem even, met bijna onmerkbare buiging van 't statige hoofd,
de wang toe, waarop hij haar kussen mocht, en Bernard deed 't, eerbiedig
en voorzichtig, en zei dat 't hem best ging. Nu, oom en tante ging 't
ook uitstekend, ze voelden zich dagelijks meer thuis in de nieuwe villa,
die zoo geriefelijk was, weet je, en oom had nu al een heelen tijd geen
last meer van de rhumatiek, en ze hadden al veel kennissen, aardige
lieve menschen; en toch was 't er vrij; je stoorde je niets aan elkaar,
o heelemaal niet!.... Maar werkelijk, zulke lieve menschen als daar
waren! daar had je dokter Stellen, o dien moest Bernard bepaald leeren
kennen; nee! zoo'n allerliefste man was dat nu toch!....

"En Bertje, wat wil je 's van me hebben?.... 'n glas sherry, 'n glas
port?...."

Bernard zei, dat hij 't nog wat vroeg vond, maar hij dronk toch maar een
glas port om zijn gulle tante plezier te doen, en toen ging hij met zijn
oom over zaken zitten praten, wel wetend dat er een rapport van hem
verwacht werd, liefst in détails, van wat er omgegaan was in de
laatste dagen. Er waren sommige kleinigheden, handelsfijnigheden,
koopmans-slimmigheden, waar hij wist dat zijn oom speciaal nieuwsgierig
naar was. Maar Bernard plaagde hem soms even door te doen alsof hij
zulke dingen vergat, vlug vertellend, en dan begon zijn oom onrustig te
draaien op zijn stoel en schoof zijn kalotje naar achteren, en dorst
blijkbaar niet te vragen, maar deed 't dan toch maar, in-eens, een
beetje verlegen: "Zeg!.... vertel dat nog 's even als je wilt....
Hoe precies heb je dien man geschreven?.... Weet je ook nog de
bewoordingen?"

En glimlachend vertelde dan Bernard, die wel wist wat er ontbrak, hem
alles wat hij weten wou, en dan lachte oom tevreden en schoof zijn petje
weer recht en presenteerde zijn neef een fijne sigaar en een vlammetje,
en begon van vroegere zaken -- van hem en van zijn vader, -- van aardige
meevallertjes en slimme handige zetten te verhalen.

Intusschen had tante al nu en dan een poging gedaan om er een paar
woorden tusschen te krijgen, want ze was verlangend naar een relaas van
de trouwpartij. En Bernard had haar al een paar maal -- terwijl oom zijn
sigaar aanstak of zijn neus snoot -- vlug 't een en ander weten mee te
deelen over dat feest. Maar nog lang niet genoeg, zij hunkerde naar
meer. Telkens dacht ze haar kans schoon te zien en deed ze den mond al
open, -- wat ze altijd deed, voor ze wat zeggen ging, -- maar dan begon
oom weer over wat anders -- altijd over zaken -- en sloot ze den mond
weer, met een ongeduldig wenkbrauwfronsen. En toen oom, die erg op dreef
was, aan Bernard voorstelde nog een eindje om te wandelen voor het eten,
was tante blijkbaar een beetje gepiqueerd. Met een goedig-knorrende
stem zei ze: "Je laat mij ook geen oogenblik om 's met Bernard te
praten!.... Ik wil toch ook wel 's wat weten!.... Je hoort hier ook
anders nooit 's iets!...."

"Nou ja, lieve kind! straks.... straks!.... We komen immers terug!....
De jongen loopt niet weg!.... We komen eten, zoo meteen!...." En lachend
verwisselde oom zijn kalotje tegen een grooten grijzen flaphoed en
troonde Bernard mee.

Buiten werd 't zelfde gesprek voortgezet, door den oom met veel animo,
door den neef met geduld en reverentie en 'n beetje plezier door den
terugslag. Was 't een oogenblik stil, dan groeide in Bernard 't stille
genot van de avondstemming om hem heen, 't zachte klagen van de
avondkoelte in de boomen, de langzaam verschietende kleuren aan den
hemel, den gloed in 't westen, die lange schaduwen vaagde over den
rossig-geel getinten weg. Soms bleef hij even staan om ten volle te
genieten, zacht-zeggend als tot zichzelf: "Wat is dat weer mooi!...."
"Ja zeker, zeker is dat mooi," zei oom dan, ook even stilstaand en
rondkijkend, alsof hij op een tentoonstelling was, "maar wat zei je daar
over Jansen in Semarang? Die is best, wel zeker!.... hij stelt graag wat
uit!.... Maar je hoeft je niets ongerust te maken .... dat komt terecht,
hoor!...."

Thuis gekomen dronken ze nog even samen een bittertje in ooms kamer --
zijn studeerkamer, zooals hij zelf zei, omdat er een kastje boeken stond
-- en gingen aan tafel, waar tante al wachtte, rechtop zittend met een
statig-tevreden glimlach in 't prettige vooruitzicht, dat nu haar beurt
kwam.

En al onder de soep begon 't. Ze moest alles weten van de partij. Wat
Bernard zich niet herinnerde van 't menu en van de toiletten, dat vulde
ze aan door net zoo lang te vragen tot hij zei: "Ja, ja! dat was 't,
geloof ik." Ze had haar opmerkingen over al de menschen, die er geweest
waren, over familie-bizonderheden of in 't oog vallende karaktertrekken.
Soms meende oom dat tante zich vergiste in de identiteit van een van
die menschen en dan kibbelden ze samen een beetje, waarbij tante met een
groote koppigheid op haar stuk bleef staan, bewerend zich niet te kunnen
begrijpen, hoe oom dit of dat zeggen kón. Ook liet ze zich door zulke
uitweidingen niet van haar apropos brengen, maar vroeg aldoor weer
geregeld verder en 't scheen haar ietwat te verbazen dat Bernard niet
met al die menschen lange gesprekken gevoerd had, dat ze hem niet
allemaal hun volledige levensgeschiedenis hadden verteld.

Ze vroeg ook met wie Bernard gedanst had en naast wie hij had gezeten
aan 't souper, met een aandachtig, uitvorschend gezicht lettend op zijn
antwoorden. Maar dat wist Bernard vooruit; hij noemde al die meisjes
koel-bedaard op, sprak ook Mimi's naam uit zonder eenige uiterlijke
ontroering of trilling in zijn stem en praatte een beetje door over
Lize. Dat was nu toch zoo'n aardig vroolijk meisje geworden, zoo'n lief
meisje en zoo mooi! Toen glimlachte tante beteekenisvol en keek oom aan
en die trok zijn wenkbrauwen op, waarmee hij bedoelde een guitig gezicht
te trekken, en zei: "Zou dat niets voor jou zijn, jongen?"

"Hoe bedoelt u," vroeg Bernard droog-weg, "om te trouwen?.... wel nee!
't is immers nog zoo'n jong ding!.... Wie weet wat 'n nuf 't nog wordt."

Toen glimlachte tante nog breeder en begonnen haar oogjes te tintelen.
Maar ze nam zich dadelijk voor Bernard niet te plagen met dat meisje;
daar hield ze niet van; 't had soms juist een glad verkeerd effect, dat
had ze al zoo dikwijls gemerkt bij anderen. Neen, de charme van 't
geheime moest blijven bestaan.

Zij gingen thee drinken, achter, in de besloten waranda. 't Was bijna
heelemaal donker nu, ze namen van binnen een petroleumlamp mee. 't Werd
rustig daar in de koele waranda. Oom en tante wisten wat ze weten
wilden, ze hadden weer genoeg om een paar dagen rustig over te soezen
en nu en dan wat te kibbelen. Tante zat voor 't theeblad, dicht onder de
lamp te haken, met haar bril op en een gewichtigen trek om den mond; oom
en neef rookten hun sigaren, achterover in gemakkelijke rieten stoelen.

't Was een mooie, stille avond. Zacht windgeruisch en soms 't rommelen
van een rijtuig op den weg waren de eenige geluiden. Al gauw was 't
heelemaal nacht en 't werd koeler.

"'t Zal wel de laatste keer zijn, dat we hier in de waranda thee
drinken," zei oom, traag-sprekend, "'t is vandaag een bizondere dag,
morgen zal 't wel weer kouder zijn, en over een dag of wat zitten we
midden in 't najaar!"

Bernard knikte even, zwijgend, langzaam zijn sigaar heen-en-weer
bewegend onder zijn neus.

"Heb je op den tuin gelet, vind-je niet dat hij er nog lief uitziet,"
vroeg tante.

"Ja," zei Bernard,.... "heel lief!.... heel mooi!...."

En 't was weer stil, ze raakten nu alle drie aan 't soezen. Bernard gaf
toe aan de halve-bedwelming van den sigarenrook, hij voelde zich
behagelijk-passief genietend van zijn rust. Na een poosje vroeg oom:
"Bevalt je kamer je aldoor nog goed, jongen?"

"O ja!" zei Bernard langzaam, "'t is een heel geschikte kamer,....
gemakkelijk overal dichtbij...."

"En zijn de menschen nog al geschikt op den duur?"

"Dat gaat wel,.... 'n beetje zeurig...."

"En je eet nog altijd daar op 't Leidscheplein, hè?"

"Ja oom!"

En ze zwegen weer, de mannen stil rookend, tante met een ernstig
gezicht, een strak gezicht met vaste ouwelijke plooien, turend naar 't
haakje dat in haar dikke vingertjes rusteloos bewoog. Ze scheen niet
geluisterd te hebben, maar een paar minuten later zei ze in-eens zonder
opzien -- haar stem klonk vreemd-hard door 't lange zwijgen: -- "Dat
moet je toch wel vreeselijk gaan vervelen altijd dat kamer-leven en dat
eten in zoo'n café,.... je moest toch werkelijk 's gaan trouwen,
Bertje!"

Bernard keek verbaasd op. Hij voelde zich opgeschrikt uit zijn
behagelijk gesoes, in-eens vervelend leeg en wrevelig. Hij gaf niet
dadelijk antwoord, trekkend aan zijn sigaar, die hij toen met een
rukkenden zwaai van zijn arm voor zich uit bracht, terwijl de rook om
zijn hoofd bleef hangen.

"Hebt u soms een meisje voor me op 't oog, tante," vroeg hij met een
poging om de zaak maar gauw in 't gekke te gooien, een poging, die hij
hoorde mislukken in zijn stem, want hij zei 't te scherp en te vlug.

"Hè?.... och wel nee!" zei tante, die 't hartelijker bedoeld had dan
Bernard vermoedde, een beetje geraakt, "een meisje op 't oog!....
Dacht-je dan dat ik daar ooit op zou willen influenceeren?.... 'k Zou
me schamen!"

Tante was werkelijk wat boos; zenuwachtig liet ze 't haakwerk in den
schoot vallen en verzette al de kopjes op 't blad met kleine bonsjes.
"Nou ja.... nou ja...." zei Bernard sussend, even naar haar omkijkend,
"Nee jongen," zei oom toen ook, "dan begrijp je tante verkeerd, hoor!
We hebben 't er samen al dikwijls over gehad!.... Zoo 'n lang
jongeheerenleven deugt niet.... voor niemand!.... Je moest trouwen....
maar natuurlijk met wie je maar wilt, dat spreekt van zelf!...."

Bernard gaf geen antwoord. Hij rookte door met lange halen. Zijn
behagelijk gesoes was weg en bleef weg, maar langzaam werd de leegte
verdreven door den ontwakenden stoet zijner dagelijksche overpeinzingen,
zijn verlangen, zijn angst, zijn verwachtingen, en ook dat wee-klagende,
dat wanhopige van 't banale was er weer.... Hij voelde zich thuis komen
in zijn ziele-omgeving van allen dag.

"Je vader zou 't je zeker geraden hebben," begon oom weer.

"En je goede moeder ook," zei tante.

"Ja," zei oom, hoofdschuddend, "die arme menschen!"

"Ze waren zoo in-gelukkig met elkaar," vulde tante aan, haar haakwerk
weer opnemend, "'t was wezenlijk een ideaal paar, wat dat betreft.... En
dat op 't eerste gezicht, dat komt toch zelden voor, hè? 's Middags
werden ze aan elkaar voorgesteld en 's avonds waren ze geëngageerd."

Bernard zei aldoor niets. Achterover, zijn hoofd tegen de rieten leuning
van den stoel zat hij voor zich uit te kijken, alleen zijn arm bewegend
als hij zijn sigaar uit den mond nam.

Hij had dat natuurlijk al dikwijls gehoord, dat van zijn vader en
moeder. Maar altijd weer deed 't zijn gansche gemoed ontroeren, was hij
blij-bewogen en trotsch als een prins die hoort gewagen van de glorie
zijns vaders, den heldenkoning. Maar dat gevoel mocht niemand merken,
allerminst zijn tante, die er immers niets van zou begrepen hebben, die
't geval vertelde als een weemoedig-interessante anecdote met iets
beschermend-meewarigs in haar stem. En o! te denken dat menschen, die
hem zoo na waren, zijn ouders, zijn vader, op wien hij veel moest
lijken, en zijn moeder, de moeder van zijn herinnering, dat gekend
hadden, liefde, groote, wederzijdsche liefde op 't eerste aanschouwen,
dat hoogste, heerlijkste geluksgenot, die ziele-zaligheid, die glorie
volkomen, die als een zon rijst aan de kim van 't leven en niet meer
ondergaat, nooit meer ondergaat! Want dood.... wat was dood?.... Dood is
't eeuwige raadsel, is niets positiefs, een abstractie, even onpeilbaar
als 't leven. Maar liefde, dat is het groote positieve, een bijna
tastbare geluksstaat, voelbaar, hoorbaar, als de brand, die de tastbare
dingen verteert.

Er was geen zweem van medelijden in Bernard als hij dacht aan zijn
ouders, die beklaagd werden door de menschen omdat ze maar zoo kort
hadden kunnen genieten van hun geluk. Alsof niet een uur van liefde een
menschenleven waard, alsof levens-geluk een kwestie van tijd was!
Bernard benijdde zijn ouders; zichzelf beklaagde hij, die alleen was
gebleven; niet hen die gestorven waren. Want o! zoo te sterven, liggend
achterover in je witte kussen, met die lichtheid van liefde in je hoofd,
doorklankt van die éene, éene stem, zoodat je 't voelt liggen je hoofd,
zoo zuiver-licht, zoo leeg-licht, zoo door-schijnend puur als 't
kristallijne water van een bergbeek, en dan je leven te voelen vergaan,
wegwademen in licht-prikkelende boschgeuren....

Maar hij voelde in-eens, dat hij iets zeggen moest, dat 't geluid van
zijn stem werd verwacht, met eenige spanning. Hij kon 't niet langer
uitstellen.

"Als u 't ernstig meent met dat trouwen van mij," zei hij eindelijk,
"spreekt u er dan niet meer over.... Ik zal trouwen.... of ik zal niet
trouwen, maar met praten zal daar toch nooit iets aan te veranderen
zijn."

Meer zei hij er niet over. Hij vond 't eigenlijk al te veel. Dat
driemaal herhaalde woord trouwen gaf hem al een gevoel van tegenzin. Wat
had eigenlijk dat trouwen te maken met zijn droomen van verlangen.

't Werd nu al gauw te koel in de waranda. Ze gingen binnen zitten en 't
licht ging op. En 't duurde niet lang meer of ze zaten aan 't
gezellig-groen belakende speeltafeltje te omberen. Oom en tante waren
verzot op dat spel; Bernard kreeg telkens ernstige lessen over 't
ruilen, over 't tegenspelen van "sans prendre's" en zoo meer. Hij spande
zich zeer in, maar hij was toch telkens abstract, zoodat zijn oom zich
een beetje ergerde en een ietwat knorrige opmerking maakte en tante
deftig-breed glimlachte, want ze dacht dat 't kwam door Lize, dat
aardige, vroolijke meisje. Ze moest zich bedwingen om dien naam niet 's
te noemen, maar dat was immers zoo verkeerd, en Bertje had trouwens
verzocht niet over die dingen te spreken. Hij was 't zeker nog niet met
zich zelf eens en dan moet je zoo iemand stil laten gaan en niet
storen.

De winterdienst was al in werking, Bernard moest dus vrij vroeg weg.
't Afscheid was heel hartelijk, hij moest vooral toch gauw terugkomen;
liefst hadden ze dat hij iederen Zondag kwam. Oom zou misschien van de
week ook 's in de zaken komen kijken. Ofschoon hij wel wist, dat hij 't
gerust over kon laten, dat was 't niet, hoor!

Ze lieten hem samen uit tot aan de voordeur, en Bernard liep den
donkeren weg naar 't station op met een warm gevoel van vriendschap
en dankbaarheid jegens die twee goedhartige menschen, die al zoo
onnoemelijk veel voor hem hadden gedaan, wel geen groote dingen, maar
och, wat zouden ze ook! Alles was met hem zoo gewoontjes, zoo kalmpjes
geloopen tot nog toe! Maar hoe hadden ze altijd hun best gedaan met
kleine zorgen, hartelijkheidjes, en altijd zoo eenvoudig en kiesch,
zooals zoo veel ouders 't niet doen voor hun kinderen....

Zoo liep hij aan hen te denken. Maar zacht schuifelde de nachtwind in
de boompjes en struiken op zij van den weg, geheimzinnig schemerig
flikkerden lichtjes in de verte, en achterin de stille tuinen lagen de
villa's in nachtelijk zwijgen. En in-eens voelend de stilte, de wijde
nachtstilte om hem, en denkend aan de stad, waar hij heen ging, waar
hij straks aan zou komen, in de woelige drukte van Zondagavond, van
menschen, die "uit zijn" en rekken hun roes van plezier, opgewonden
negeerend 't einde van den dag, van galmende troepen bezopen kerels en
geil-gillende meiden en vigelantgeratel en heesch-hoog trambelgerinkel,
bleef hij staan en genoot van de stilte, en opziend naar de sterren,
die twinkelden bij honderden tegen 't diepe intense zwart, zag hij den
nacht, in zijn gansche grootsche majesteit. En 't was hem of hij dat
nooit te voren zoo gezien had. Hij kreeg er een geweldigen indruk van.
Een gevoel dat hij anders nog alleen gekend had -- een enkele maal --
bij 't hooren van muziek, dat had hij nu ook, staande alleen in den
nacht; hij voelde zich groeien. Toen hij weer doorliep voelde hij zich
lichamelijk grooter. Rechtop liep hij, diep ademhalend, zich geheel
gevend aan 't genieten van de zwarte stilte. Hij kreeg er zoo'n sterken
indruk van, dat 't hem was als schreed de nacht, belichaamd, in rustige
grootheid, met hem voort. En hij voelde sympathie voor den nacht, als
voor een grootsche persoonlijkheid, onbegrepen.... En hoe kwam 't dat
hij nu in-eens weer dacht aan zijn vader en moeder, en nu met een
week-innige teederheid, een gevoel van één-zijn dat verbroken was, een
wijd en vaag-smartelijk verlangen....; 't was of de nacht hem helpen kon
om hen te vinden....

Plotseling scheurde scherp gefluit zijn stemming, en een hoek omgaande
zag hij dat 't station voor hem lag. Maar opgewekt, als een die 'n
onverwacht geluk gehad heeft, stapte hij nu vlug door. Op 't perron was
't al vol menschen, die mee moesten met den laatsten trein. Bernard
voelde de stad al in die volte. En toen dacht hij met een gevoel van
heimwee aan den donkeren weg, dien hij afgekomen was. Hij vond 't
plotseling een dwaasheid terug te gaan naar die stad, waar hij nu een
afkeer van had. Waarom bleef hij niet liever hier, waarom ging hij niet
wandelen, de landwegen op, dwars door de velden, alleen met de boomen en
de hekjes en slootjes en de verre sterren, alleen in den nacht, in die
heerlijke hal van diep zwart en stille flonkering-zonder-licht?

Hij liep 't perron zoo ver mogelijk af en staarde voor zich uit over het
open veld. Maar de koele nachtwind kwam aanstrijken langs den grond en
kou kroop op langs zijn beenen en hij kreeg een rilling en in-eens een
niet-te-bedwingen-verlangen naar zijn bed. Hij ergerde zich er aan;
in zichzelf vloekend kwam hij terug onder de menschen, die stonden
te kletsen en te lachen onder de kap van 't perron. Uit een van de
gichelende groepen riep een zwarte meid, in-eens haar bovenlijf naar hem
toebuigend, met een loeistem: boe!.... en ze gilde 't uit van de lol.
Hij begreep dat 't was om 't norsche gezicht dat hij trok, en tegen wil
en dank, zich weeïg ergerend, moest hij meelachen.

Toen dadelijk daarop de trein aankwam, schuur-stampend, blazend, sissend
en kreunend als een bezeten beest, haastte hij er zich heen en zocht een
hoek-plaatsje op, waar hij dadelijk op zijn gemak ging zitten, met zijn
oogen toe, willend de ergernis in dof gesoes vergeten. Een paar minuten
schreeuwerig lawaai en door stampte de trein weer, rhythmisch dreunend
over 't ijzer, door naar de stad. Want treinen stormen van stad tot
stad; ze gaan in donderende vaart de stille duisternis der velden langs,
der vereenzaamde wijde-werelden, die zij dom verachten in hun heete
haast. En de menschen, die er in zitten weten niets van de geheimen die
fluisterend gaan van de stille sterren naar de struikjes en grasplantjes
op 't land en naar de krekels en de veldmuisjes, zij vermoeden niet 't
intieme leven van 't riet dat aan de slooten staat en de waterplanten in
de plassen van 't moeras, en de torren en kikkers...., maar Bernard
dacht aan dat allemaal, stil soezend in zijn hoek, gehinderd door 't
gebabbel van de anderen in de coupé. En weer voelde hij 't onzinnige van
zijn rijden naar de stad en zijn groote genegenheid voor 't stille
donkere veldenland.

Maar zijn gesoes werd doffer, 't gepraat ging verder, hij viel met
knikkend hoofd in lichten slaap.

Toen de trein de stad naderde met schel-gillend gefluit werd hij wakker
en keek naar buiten en zag het rossig-gelige schijnsel dat boven de stad
hing. Daar dan, daar onder die geheimzinnige lichtschering, lag 't
groote hol waar 't bezeten treinbeest hem heenbracht in hijgende haast.
Daar lag de stad, de sombere steenen stad. Daar wachtten hem ook weer
zijn werk en zijn zorg, zijn getob en zijn kleine genietingen van
allen dag, en geen enkele groote vreugde. Daar leefden ál de menschen,
tobbende, zorgende menschen, onder en boven en naast hem, huis aan huis,
straat aan straat. Daar woelden ze en werkten ze, zochten geluk en
vonden kleine genietingen. En dien rossigen schijn boven de stad zag
Bernard toen in-eens als een lichtglans om 't hoofd van een martelaar,
die, onbewust geheiligd door smart, zich pijnigt, zich afbeult, niet
willend 't genot wat voor 't grijpen is, maar enkel de zaligheid.



VIII.


Toen Bernard dien Maandagmorgen weer op zijn ouden leeren kantoorstoel
zat, voor zijn schrijftafel, die met stapeltjes paperassen en allerlei
zakendingen dicht bedekt lag, toen hij daar weer zat te werken en te
piekeren, kijkend nu en dan over al dien grijzigen rommel heen, in
even-opkomend gesoes, naar buiten, naar de oude viezige straat in 't
bleeke, vaag-schaduwende Octoberlicht, naar de zwarte raamgaten van de
vaal-donkere overkanthuizen, die vol schenen te zijn van kil-spokerige
duisternis, toen voelde hij in-eens een spitse spijt, dat hij dien
vorigen dag, dien vrijen Zondag, niet beter gebruikt had, dat hij niet
's een poging gedaan had om Mimi te ontmoeten, 's middags bijvoorbeeld,
in 't Concertgebouw of ergens anders, en al was 't maar één blik op te
vangen, één zoo'n metaal-koel neer-huiverenden spotblik, één zoo'n blik
van uitdagenden trotschen overmoed en geheim-perverse verlokking, één
zoo'n blik van haar langs de verstandig pratende hoofden en achter de
hulpelooze halzen van degelijke menschen, die geen dwaasheden doen. O!
zoo was 't nu altijd met hem! Hij deed niets, hij was te passief, veel
te akelig laksch in zulke omstandigheden! Daardoor kwam 't, dat hij
nooit 's -- zooals anderen zoo dikwijls -- een pikant avontuurtje had,
een opfrisschend, afleidend liefdegevalletje.

Maar hoe kwam 't dan toch dat hij, die anders toch zoo energiek was, die
aanpakte en doortastte, dat hij altijd zoo'n wachtende houding aannam
in alle zaken van gevoel? Dat hij dan loom werd en besluiteloos,
lethargisch, onverschillig? Hij ergerde er zich weer aan, hij had 't
land aan zichzelf -- maar hij vergat 't in zijn werk. Want hij had 't
druk, en soms, midden in gesoes, kon zijn werk hem in-eens boeien en hem
dan uren lang niet loslaten. Dan ging met vollen geregelden gang de
staal-gladde machine van zijn intellect en hield zijn aandacht strak
gespannen. Hij dacht bijna nooit aan het klinkende geld, maar het slagen
van zijn zaken was hem een verstandelijk genot, een bijna zinnelijke
bevrediging van zijn hersenbehoeften.

Toen hij 's middags naar 't Leidscheplein liep om te gaan eten, dacht
hij weer aan Zaterdagavond en hij zag 'n beetje op tegen 't ontmoeten
van zijn tafelvrinden. Van André vooral, en van Gerrit Volle, die zoo
plagend plat, zoo blasé-ongeloovig grinneken kon. Hij liep tegen zich
zelf te redeneeren dat 't nonsens was bang voor die lui te zijn, dat ze
toch eigenlijk tegen hem opzagen, dat ze jaloersch waren op zijn kracht.
Maar hij geloofde dat toch niet heelemaal en bleef een beetje beklemd --
tot zijn ergernis. Hij voelde zich pas ruimer worden, toen ze hem heel
gewoon en als altijd ontvingen. Ze vielen hem erg mee. Ze waren vol nog
over gisteren, ze hadden elkaar 's middags weer getroffen en hadden
een roezig-dollen dag gehad met André's broer; en de schilder was ook
weer mee geweest. Bernard werd zelfs even getroffen door den echt
vriendschappelijken toon van verwijt, toen ze hem vroegen, waarom hij
ook niet was gekomen. Hij had die goeie jongens miskend, hij schaamde er
zich wat over. Ze waren toch eigenlijk beste, hartelijke kerels. 't Was
toch wel waar dat hij van hen hield en zij van hem.

De week of wat, die nu volgden, waren een dagenreeks zoo geregeld en
eenvormig als een rij flesschen in een apothekerskast, alle dagen even
lang, door de gelijkheid van de dagverdeeling, de een alleen wat voller
dan de ander, voller van werk dat gedaan en van woorden die gezegd
waren, een dagenreeks zonder feiten, zonder een enkele daad, maar
verschillend in hoogte van stemmingstinten; de eene dag helderder
door een roes van actie, door opwekkende lectuur, muziek of een paar
woorden van goedheid en vriendschap, de ander grijzer door kleine
teleurstellingen, door droomenwolken van twijfel, angst, weerzin van 't
werkelijke, zelf-minachting en door verveling die kwam van menschen
en van dingen; de eene dag doorsprenkeld van lichtvlekjes als een
beukenlaan in de zon, scheutjes zonnige verliefdheid, golfjes heldere
emotie van levensrijkdom en kracht, de andere, als een kreupelboschje in
den mist, doorsiepeld van koude druppels, onverwacht vallend. Géén dagen
van een en al zonneweelde, géén dagen ook van een en al kille treuring;
altijd dóór wisseling van stemmingen, kleurrijk als een regenboog of
licht contrasteerend, als een sober vrouwentoilet.

Dikwijls als hij naar kantoor liep, overviel hem een drukkende,
verslappende tegenzin in zijn werk, een gevoel van weeë moeheid, en
dan ging hij traag en weifelend aan den gang en deed 't ook lang zoo
goed niet als anders -- nog wel niet slordig of onnauwkeurig, maar
onverschillig, verward, van-den-hak-op-den-tak-springend, en niet er van
makend wat er van te maken was. Dan kon 't hem ook niet schelen hoe 't
er uitzag, zijn werk. Maar andere dagen, -- of soms wel andere uren van
denzelfden dag -- dan maakte hij er kleine kunststukjes van netheid van.
Dan had hij daar plezier in, 't niet alleen goed te doen, maar ook zoo
dat 't zien er van aangenaam was, dan voelde hij wat van 't genot dat
z'n werk moet geven aan iemand die iets moois maakt. Dan merkte hij in
zich zelf een licht-fantaseerend ziele-koesteren van sommige prettige
werkjes, dan voelde hij een opwekkende, soms bepaald vroolijk makenden
strijdlust tegen andere bezigheid, stroef lastig of taai-vervelend, een
lust er gauw mee te beginnen, zich er dapper en handig doorheen te
slaan. Soms verweet hij zich, dat hij zich zoo weinig bemoeide met zijn
bedienden; dan wilde hij die menschen beter leeren kennen, en dan lette
hij meer op hen en ontdekte nieuwe kwaliteiten in hun werk en zei dat
ook en prees en moedigde aan. Maar een volgenden dag ergerde hij zich
weer aan hun kortzichtigheid, aan hun kleinzielig alleen-maar-doen wat
hoog noodig was, aan hun blind-pedante, zelf-genoegzame domheid. Zoo
gaven kleinigheden hem oogenblikken van klein verdriet en klein genot.
En dat waren wel triestige uren, als hij voelde hoe klein dat allemaal
was.

Hij voelde ook wel dat zijn eigenlijke leven in zijn avonden was. Als 't
werk dat af moest af, en 't eten dat op moest op was, en de uren kwamen
van doen wat je wilt voor je weer moet gaan slapen, wat ook al noodig
is, plicht, zaken! De avonduren, daar kwam 't op aan in dat soort van
leven van hem, dat wist hij wel. Ze waren goed of slecht, ze brachten
hem vooruit of zetten hem terug. Soms voelde hij 't gehalte van die uren
een tijdje lang stijgen en dan weer afnemen, minderen. Daar was aldoor
actie en reactie in. Waren zijn avonden eenige dagen achtereen heel min
geweest, gedachteloos omgebracht in koffiehuis-praatjes, en spelletjes,
in een halven roes soms en quasi-gewichtig geklets, dan volgde
er geregeld een periode van stomme moedeloosheid, landerigheid,
katterigheid. 't Duurde meestal niet lang. Eén avond van stille lectuur,
of een concert, of 't zien van mooie dingen, of alleen maar een half uur
droomend niets-doen bracht hem dikwijls weer op de hoogvlakten, waar
hij leven kon. Dikwijls. Maar soms ook gaf 't allemaal niets; lectuur,
muziek, tooneel, niets was er dan dat hem kon boeien. Dan was hij
nurksch op kantoor en stil bij zijn vrinden, in zich zelf gekeerd,
onverschillig schijnend en cynisch. Dan voelde hij zich verward,
ontmoedigd, zonder plan en met een vaag verlangen om meegenomen te
worden door sterkeren; dan was hij angstig, klein, laag-levend en erg
alleen. Dan voelde hij 't een beetje hoe ver hij leefde van zijn ziel,
van zijn eigenlijk, van zijn eigen gevoels-terrein, en tastend naar den
weg daarheen vond hij dien niet. Schimmen, leegte, niets dan leegte
grepen zijn tastende handen, ijle, geheimzinnige, donker-beangstigende
leegte. Hoe meer hij er over dacht, hoe verder 't van hem wegging, als
iets wat hij ééns had geweten en wat hij zich nu niet meer te binnen
brengen kon, een wachtwoord, een tooverspreuk. Ja, dat was 't, er moest
een tooverspreuk zijn, waardoor je kon doen opengaan de streng-gesloten
kristallen berg, die ligt in 't diepst van je ziel. En als die openging,
dan kon je recht in den hemel kijken. Maar hij was zijn spreuk
kwijt..... heelemaal vergeten.... En hij kon er niemand naar vragen....
Want er waren nog maar twee andere menschen geweest, die 't wisten, en
die waren dood....

Zoo was er aldoor actie en reactie in zijn stemmingen, soms heel snel
opeenvolgend. 't Gebeurde, dat hij uren achtereen met vrinden en
allerlei kennissen in een café zat of in een duitsche bierkneip, waar
kelnerinnen handjes kwamen geven en verliefd doen en klagen, dat ze niet
met heeren mee mochten, 's avonds, sentimenteel-huilerig als oude
juffrouwen, die zuchten en smachten naar poëzie...., dat hij dan uren
achtereen zat te kletsen en te lachen, biertjes en grogjes drinkend,
en dat hij 't gezellig vond dat geklets, en dat hij ze lekker vond,
zijn biertjes en grogjes, zijn oesters met ale, zijn slaadjes en
halve-gedraaiden, dat hij een warm plezier had in zijn jongeheerenleven
en zijn vrijheid, zijn alles-gemakkelijk-kunnen-doen -- want er was geld
genoeg en hij was jong en gezond en sterk -- en dat hij dan toch in 't
naar huis gaan zich dat plezier liep te herinneren met een gevoel van
sterke walging, als van veel warm vet, met een gevoel soms ook van
fel-bittere zelfverachting, pijn schroeiend, als een brandmerk in zijn
blanke borst. En dat hij dan toch den volgenden morgen die nachtelijke
zelfkwelling toeschreef aan een sentimenteelen dronk en zich weer een
heer vond, een gentleman. Ja, soms was hij bepaald ietwat ingenomen met
zich zelf, vond hij zich lang niet de minste van zijn clubje, een kranig
jong koopman, maar een uur later lachte hij zich schamper uit om die
verbeelding en bespotte zijn eigen figuur en zijn manier van doen, tot
in kleinigheden, als gold 't een gek, die hij ergens zag zitten. Gebazel
over moderne weltschmerz kon hem dikwijls nijdig maken en woorden doen
zeggen van nurksche nuchterheid, zoo naar, zoo kriebelig-belachelijk
vond hij dat dan, -- en toch, hoe dikwijls zuchtte hij zelf naar een
ver, onbereikbaar geluk, zich vragend welken draak hij toch dooden moest
om daar te komen.

             *       *       *       *       *

In de eerste weken na die trouwpartij zag hij éénmaal Mimi. 't Was op
een middag, heel onverwacht. Na beurstijd was hij even geloopen naar een
kantoor op de Prinsengracht, waar hij iemand spreken moest. En op zijn
weg terug, terwijl hij nog strak liep te denken aan de met dien man
besproken zaken -- daar kwam ze in-eens aan, al vlak bij toen hij haar
zag. Hij groette bedaard, zeer eerbiedig, bijna statig, maar van schrik
plotseling een steen in zijn borst voelend en zijn leden zwaar en loom.
Zij groette ook, deftig-vriendelijk, koel-gewoon, een bijna onmerkbaar
herinneringslachje in de hoeken van haar mond, maar in haar oogen geen
gloed van spot, geen lach, geen zweem van emotie. Toen ze voorbij was
bleef hij staan en keek om, maar zij liep door, heel kalm stappend, een
lieve, deftige dame in een stadsstraat, in een elegant wandelcostuum,
met een dun parapluietje en een visiteboekje. Ze groette met zoo'n
zelfde minzame hoofdnijging een ander die haar tegenkwam. Er was geen
reden, geen aanleiding om haar na te loopen, haar aan te spreken. Dat
doen dames en heeren niet, die elkaar nog zoo weinig kennen. Een eindje
verder ging ze een winkel in. Hij keerde om; langzaam, weifelend liep
hij terug. Eigenlijk had hij hoegenaamd geen lust om haar aan te
spreken, maar hij plaagde zich zelf met: Kom schiet nou 's uit je slof!
doe nou 's wat! profiteer nou 's van de gelegenheid. Hij liep den winkel
voorbij. Zij stond te praten met een andere dame, hij verbeeldde zich
haar stem te hooren. Twee huizen verder bleef hij weer staan, wachtend,
kijkend naar de deur van den winkel waar zij ingegaan was. Hij had een
paar zinnetjes in zijn hoofd gehaald, die hij zeggen wou. Maar 't duurde
zoo lang. Hij had geen tijd meer. Nog eens liep hij den winkel voorbij;
zij zat er nog, rustig stoffen te bekijken. Toen liep hij door, eerst
langzaam, dralend, telkens omkijkend, maar toen weer gewoon en zelfs
sneller om den verbeuzelden tijd in te halen; hij had 't plannetje nu
in-eens heelemaal uit zijn hoofd gezet, wat hem dadelijk lichter maakte,
opgewekt zelfs, als was hij ontslagen van een drukkende verplichting.
Gebrek aan tijd was een heel soliede motief tegenover zijn plagende
zelf. En toen hij langzamerhand weer geheel en al bekomen was van de
emotie en naging in zich zelf wat er was gebeurd, toen merkte hij hoe ze
hem tegengevallen was bij die tweede ontmoeting. 't Was heelemaal
niet zij geweest, zooals ze leefde in zijn droomen; ze was als een
slecht-geslaagde copie van zich zelf geweest; op dit meisje zou hij
nooit verliefd zijn geworden.

Ook was hij heel gauw vergeten, hoe ze er uit zag zooals hij haar op
straat was tegengekomen, maar zooals ze was geweest op dien bal-avond,
zoo dacht hij weer aan haar dien dag en den volgenden. En hij had weer
datzelfde gevoel van gecharmeerd zijn, en een paar dagen later was hij
ook die leegheid van tegenvallen, van teleurstelling weer vergeten,
maakte hij zich een fantasiebeeld van haar hem tegenkomend op straat,
en opnieuw mopperde hij tegen zich zelf over zijn gebrek aan actief
optreden en tegenwoordigheid van geest in zulke gevallen. Als 't weer
gebeurde, zou hij nu bepaald heel anders doen. Hij zou haar dadelijk
aanspreken, haar zeggen dat ze mooi was, dat hij aldoor aan haar dacht.

Maar 't gebeurde niet meer. En ook minder dan vroeger zon hij op plannen
om haar te ontmoeten. Dat was nu al 's gebeurd, de aantrekking van 't
ongekende bestond er niet meer voor. 't Was al 's gebeurd, en wat had 't
hem toen gegeven? Niets. Door zijn eigen schuld, door zijn aard, door
zijn nu-een-maal-zoo-zijn. En zoo ging langzamerhand die hopelooze
verliefdheid er bij hooren, bij al zijn overige grieven tegen zich
zelf, en vervaagde meer en meer in zijn algemeen gevoel van gemis en
eenzaamheid. Tot hij eindelijk niet meer verlangde naar een ontmoeting,
er eigenlijk nooit meer aan dacht, gewoon geraakt aan haar staan in zijn
gedachten, zooals dat nu eenmaal was, zooals 't een deel van hem zelf
was geworden.

             *       *       *       *       *

Eens, tegen half November, werd hij door Hendrik uitgenoodigd, een
Zondag met hem te gaan doorbrengen in Haarlem bij zijn familie. Hij nam
't aan omdat hij 't moeilijk kon weigeren, zonder blijdschap. Hij was er
nooit geweest, hij kende alleen Hendrik en zijn zuster Lize, die aan 't
souper op die trouwpartij naast hem gezeten had. En 't was een groote
familie; veel kinderen; Hendrik was de oudste. Nu kwam hij niet graag in
groote families. Hij hield er niet van de eenige "vreemde" te zijn aan
zoo'n intiemen familiedisch, de gêne, de gemaakte glimlachjes te zien
op de gezichten van menschen aan hun eigen tafel; door de ouderen,
ieder op zijn beurt beleefd-opgewekt aangesproken te worden en
aldoor aangegaapt door de jongeren; kleine, met moeite bedwongen
familietwistjes bij te wonen en te doen alsof je 't niet merkte; galant
te moeten zijn met de gallige oude tante, die geregeld 's Zondags komt
eten en erg gesteld is op haar "partijtje"; en in den loop van den avond
al de stokpaardjes van den gastheer te moeten afrijden.

Maar hij wist dezen keer zoo gauw geen uitvlucht. En dus ging hij dien
Zondagmorgen met Hendrik mee. 't Was een koude grijze Novemberdag zonder
regen. Hendrik kwam hem afhalen van zijn kamer en ze kwamen tegen
twaalf uur in Haarlem aan. De familie woonde op een van de Singels,
in een groot heerenhuis met een hooge stoep, een ouderwetsch huis,
suffisant-breed, van donkere baksteen, eenvoudig en pretensieloos
van bouw. Er was iets goedig-ouds, iets aantrekkelijk rustigs in 't
uiterlijk van dat huis, waarmee in overeenstemming de klank van de
schel, een kalm-blank geluid, zonder natrilling. Even schoot de sensatie
in Bernard op, maar hij kon er niet over mijmeren, want bijna dadelijk
werd er open gedaan.

't Was een van Hendriks zusjes, die dat deed, een meisje van vijftien of
zestien jaar, een aardig donker kind, met losse krullen en lachende,
klare oogen. Zij groette haar broer 't eerst en gaf hem een zoen,
waarvoor hij zich -- wat houterig en licht verlegen -- tintel-blikkend
vooroverboog terwijl zij op haar teenen ging staan. En toen gaf ze ook
Bernard een hand, bedaard-vroolijk groetend, luchtig en kort, als was
hij een goede kennis. Hij voelde zich nu erg op zijn gemak, gaande door
de rustige gang, langs de hooge donker-houten lambriseering, naar den
kapstok, waar Hendrik hun beider jassen en hoeden aan hing, terwijl hij
met zijn harde, hoekige stem, praatte tegen zijn zusje, vragend naar
allerlei dingen. En zij nam heelemaal geen notitie meer van Bernard,
maar keek aldoor naar den grooten broer, vlug antwoordend op zijn
vragen, met afdoende zakelijkheid, levendig en opgewekt.

"Ga binnen, ga binnen!" zei Hendrik en duwde een deur open, waardoor
ze kwamen in een ruime hooge kamer, achter in 't huis. Er was niemand.
Maar er was vuur in den haard, en op de groote vierkante tafel stond de
koffie klaar, op een groot blad met koppen, eigen koppen in allerlei
vormen en kleuren, en er was gedekt voor tien personen met aardig blauw
porselein. De koffiekan stond te dampen uit z'n tuit, en er was een rood
Edammer kaasje op tafel en een aangesneden ossenhaas en twee lange
brooden. Naast de tafel stond de ketel op de theestoof met kracht
te razen. Als een beeld van 't familieleven was die tafel, intiem,
huiselijk, warm, gemoedelijk, onder-ons. En rondkijkend vond Bernard
dat de heele kamer daar bijhoorde. De open piano, waar muziek over heen
gegooid lag met een handwerk, de oude mahoniehouten boekenkast, met
glazen deuren van boven alleen, waardoor je de boeken zag staan, in oude
banden, met stille, bruinige, verschoten kleuren, een beetje rommelig,
en de groote bloemenmand, waar veel in geplant en gekweekt scheen te
worden, en de stapel stoven in een hoek, en de tegen 't behangsel
geprikte platen, dat alles te zamen wekte begrip van vrij en onbeklemd
leven en bewegen, en veilig thuis zijn. Bernard was de stemming van dat
soort van kamers een beetje vergeten; 't was nu iets nieuws voor hem,
iets bizonders, iets heel goeds en prettigs, en wat hij zoo zien kon,
omdat hij er buiten stond, omdat hij er zoo heelemaal niet mee verwend
was. 't Was dus weer zoo'n speciaal heimelijk genotje voor hem
alleen. Want de menschen die daar thuis hoorden konden natuurlijk die
stemming niet meer merken, want ze waren niet, zooals hij, gewoon aan
alleen-zijn en aan koffiehuisdrukte; hun waren de muren van die kamer
zeker geworden een aangenaam-rustig, stil-geliefd levensomhulsel, als
een oude, makkelijke jas of een luie stoel, waar je aan gewoon bent.
Bernard dacht ook even aan de kamers van zijn oom in Bussum en voelde nu
veel scherper, dan toen hij er was, de onhuiselijkheid, de koude
prachtigheid daar.

"Waar is moeder?" vroeg Hendrik.

"Ze komt dadelijk," zei 't meisje, "ze is zich nog aan 't kleeden, maar
't is haast koffietijd, dus zullen ze allemaal wel gauw verschijnen."

"Ga zitten, Bert," zei Hendrik, een leuningstoel aan een van de twee
breede ramen schuivend, "kijk, zoo ziet onze tuin er nou uit in
November."

En Bernard zat aan 't raam en zag een zwartigen lap grond tusschen
houten leuningen, een paar dikke gebogen boomen, die hier en daar
nog vol groen-gele blaren zaten, en tusschen de oude grijzige
kiezelweggetjes de bloemperkjes, leeggehaald, daar liggend nu als
neergegooid, verwaarloosd speelgoed, zwart en vuil geworden door den
regen. Het stille, leege tuintje had iets droef-verlorens, iets
triestig-doodsch onder de grijze, kil-strakke lucht. Maar achter zich
voelde hij de warme familiekamer en hoorde hij 't kokende water razen,
en de stem van 't meisje, die praatte tegen haar grooten broer,
vertellend van wat er gebeurd was in de afgeloopen week, van de poes die
vier muizen had gevangen en van de St.-Niklaas-surprises waar ze aan
bezig was, en waar eigenlijk niemand iets van weten mocht, maar Henk
wel, want die zou 't wel niet verraden....

Toen hoorde hij de deur opengaan en opstaand en zich omkeerend zag hij
een gezette oude dame naar zich toekomen met een prettig-rond gezicht
van nobele regelmaat zonder strengheid. Ze was niet groot, maar ferm
recht-op-loopend, zooals ze daar opgewekt-parmantig aan kwam stappen
scheen ze niet den indruk te willen maken van een klein vrouwtje, en
dat deed ze dan ook niet. Ze had bijna heelemaal grijs haar en kleine,
ronde oogen, die Bernard recht en ietwat onderzoekend, maar erg goedig
en vrindelijk aankeken; ja, toen ze vlak bij hem was en hem een hand
gaf, was 't of haar oogen vochtig werden van blije aandoening. "Dag
meneer Bandt," zei ze, "'k ben blij dat ik u 's zie." Toen gaf ze
Hendrik een zoen, vragend met veel teederheid in haar stem: "Hoe gaat 't
jou, Henk? Goed?" en daarop praatte ze dadelijk weer door tegen Bernard
en zei veel hartelijke woorden van welkom. Ze had een prettig-positieve,
gulhartig-volle stem, soms even genoeglijk brommend, en dan weer
melodieus-zangerig opklinkend, een heel mooie stem, vond Bernard. Al
pratend was ze voor haar blad gaan staan en had de koffie opgeschonken
en begon nu de boterhammen te snijden, wat een aardig gezicht was, zoo
pittig-vlug ging 't mes er door met een lekker-droog gespat en geknap
van kruimels.

En daarop kwam Lize binnen, die Bernard heel vroolijk groette en
dadelijk over de trouwpartij begon, waar ze beiden geweest waren. Of
Bernard zich ook zoo geamuseerd had? O zij dol! Wat een heerlijke zaal
om te dansen! En ook zus Betsy, die achter haar de kamer inkwam, deed
dadelijk vroolijk mee met uitroepen van verrukking over dat eenige bal!
Want ze was er ook geweest, maar Bernard, verweet ze hem nu, had niets
geen notitie van haar genomen, wat erg onvrindelijk van hem geweest was.
Hendrik plaagde haar en Lize 'n beetje met leuk-nuchtere opmerkingen
over 't feest, en onder hun gepraat door hoorde Bernard telkens de stem
van de moeder, die gedurig weer doorbabbelde met gemoedelijk-tevreden,
bescheiden-vroolijke zinnetjes, als bruine moschjes tippend op een
vensterbank: "Ik ben 'n beetje in den late van morgen!.... Dat moet je
me maar niet kwalijk nemen!.... zoo Zondags.... dat is zoo de eenige
dag in de week.... zie je, meneer Bandt, dat ik m' ook maar de weelde
gun van 'n beetje langer (ze gaf Bernard een oolijk knipoogje) te
slapen, weetje.... Dat moet een mensch dan toch ook ééns in de week er
's van hebben, wat jij Henk!.... En de meisjes doen toch alles zoo graag
voor d'r oude moeder, niet waar?.... hier Bets, pak 's an!.... geef 's
even aan Jansje en zeg dat ze me gauw de gekookte melk brengt,.... en
jij Hans (tegen 't jongste meisje) roep pa en de jongens 's even, maar
schreeuw niet zoo hard hoor! Betje heeft hoofdpijn.... arme meid!....
't Was nog al d'r uitgaansdag vandaag!.... Ja, 'k heb er mee te doen,
hoor! Alle harten bij je eigen!.... ze moest nu maar omruilen heb ik al
gezegd.... Maar, je begrijpt, hij komt 'r halen!.... En ze gaat voor 't
eerst met 'r nieuwen winterhoed.... 'n aardig hoedje is 't geworden ....
ik heb 't voor haar opgemaakt!.... ze was er zóó blij mee!.... O die
meid!.... Och ja, wat wil je, in de winkels worden die meiden dikwijls
zoo bedot......"

Hans bracht haar vader mee, die binnenkwam op zijn pantoffels en met
de krant onder zijn arm. Hendrik stelde zijn vrind voor. "Aha! meneer
Bandt!" zei de oude heer, "aangenaam, meneer, aangenaam! Wacht 's
even!.... 'k zal me fok opzetten dan kan ik je beter zien!.... zóó....
zóó.... kom je 's kijken hier?.... Wel dat 's best hoor!.... Gaat 't
goed?.... in de zaken.... tevreden?"

Bernard zei, dat hij geen klagen had, met een stil leed om 't banale van
die uitdrukking.

"Mooi! mooi!.... je doet veel op Indië, hè?.... Ja, ja! ik weet er alles
van.... 'k heb zoo lang in Amsterdam gewoond, o jé!.... Hoe gaat 't met
den ouden heer? Och nee, dat 's waar ook!.... je bent met je oom in
zaken...., ja, ja, nu herinner ik me weer.... precies.... zoo'n kleine
dikke man, hè.... ja, ja, hij kwam vroeger veel in Polen!...."

Terwijl hij praatte draaide de oude heer vergenoegd aan zijn snor. Hij
was een zestiger met een goed figuur, zonder embonpoint. Hij miste dat
doorvoed-gezette, dat breed-gewichtige, wat Bernard soms zoo hinderde in
de vaders van zijn vrinden. Hij verbaasde Bernard, die veel gehoord had
van 't werken van dien man zijn heele leven door, zonder rust, en nu had
verwacht te zien een ernstig grijsaard, een beetje gebogen, een beetje
moe. Maar o neen! dit was een opgewekte, levenslustige meneer, bijna
jeugdig, met een zweem van coquetterie in de manier waarop hij zijn
baard en snorren droeg, met een frisch-driesten oogopslag, met vrij wat
zelfingenomenheid, met wat aanmatiging in zijn glimlach, met een gezicht
van wacht 's even, ik ben er ook nog! Zijn zakdoek stak met een keurig
puntje uit den borstzak van zijn donkerblauw colbert en hij had
welverzorgde witte handen met lange bolle nagels.

Terwijl Bernard nog met hem stond te praten, kwamen ook Hendriks beide
broers hem een hand geven, twee lange jongens van twintig en één of
twee-en-twintig jaar. De een scheen dezelfde droge leukheid van Hendrik
te hebben, maar de andere leek meer op zijn vader, had iets bewegelijks
opgewondens, en was ook keuriger gekleed dan zijn broers.

Ze gingen aan tafel. Bernard zat tusschen de twee oudste meisjes met hun
aardig-gelijke gezichtjes. En 't was heel vroolijk en gezellig; er was
aldoor een algemeen over en weer gepraat, ook van de broers en zusjes
met elkaar, en Bernard werd volstrekt niet gefêteerd of bizonder beleefd
toegesproken. Hij voelde zich heel rustig en op zijn gemak, hij zei tot
zich zelf dat hij toch niet heelemaal alleen op de wereld was zoolang
er nog plaatsen waren als dit huis, waar hij voor niemand een vreemde
scheen; hij voelde zich dankbaar en welwillend gestemd. Maar thuis
voelde hij zich niet. Hij had er maar een vaag benul van hoe Hendrik
zich hier voelen moest, Hendrik dien hij zoo dikwijls over zich had
zien zitten in een koffiehuis, en ook zijn eigen stemming was hem niet
klaar. Want hij had nu geen tijd zijn indrukken goed na te gaan, zijn
stemming te benaderen en te betasten met in zich zelf gesproken woorden.
Dus trachtte hij zijn gemoedsgesteldheid vast te houden tot later en 't
gepraat van zijn mond daar buiten-om te laten gaan, wat hem haast altijd
gelukte. Dit voelde hij heel goed, dat hij niet ten volle genoot, dat er
iets ontbrak. Even probeerde hij 't begrip jaloerschheid, maar dat was
't niet.

Na de koffie gingen de broers en zusjes dadelijk weg, ieder had zijn
plannen, zijn afspraken. De oude heer ook; hij kwam nog even binnen met
fijne sigaren en trok toen weer naar zijn kamer. Maar Hendrik en
Bernard bleven nog zitten, wiegwippend met hun stoelen, stil rookend en
overwegend nu en dan de wenschelijkheid van een wandeling, en na lang
luiig praten over de grijze lucht en de kans op regen besloten ze 't
toch maar wèl te doen, vooral op aanraden van Hendriks moeder, die zei
dat de frissche lucht altijd goed was voor menschen, die er niet veel
uitkomen. Maar zij bleef liever thuis,.... ze was zoo gauw moe, door de
dikte, weet-je:.... O! 'n last, als je zoo dik bent!.... en ze moest den
podding ook nog maken, om de waarheid te zeggen....; dat deed ze altijd
zelf,.... dan wist ze zeker dat-ie lekker werd;.... 't ligt soms aan
zoo'n kleinigheid!....

Dus gingen ze aan den wandel, Hendrik en Bernard en ze bleven den heelen
middag uit, en dronken een borrel in Overveen. Ze waren nog nooit zoo
lang samen alleen geweest. Bijna altijd zagen ze elkaar in gezelschap
van anderen. En 't was Bernard of hij zijn vrind nu voor 't eerst goed
zag. Wat een verbazende kalmte en goed, gelijkmatig humeur, wat een
leuke bedaardheid van doorzetten wat hij wou, zonder eenigen ophef! Wat
een kracht, wat een solide bezit moest 't zijn zoo'n gestel. Bernard
voelde zich eerst erg onder den invloed van die emotie-verachtende
gelijkmatigheid; hij voelde zich de mindere, de zwakkere, hij voelde
zich een beetje kinderachtig eerst. Maar langzamerhand kwam hij dat te
boven en begon 't hem te vervelen, maakte 't hem een beetje kriebelig,
dat Hendrik nooit 's overdreef, nooit 's schold op iemand of bizonder
ingenomen scheen met een ander. En hij ging zijn best doen dat uit te
lokken, begon te praten over allerlei menschen, die zij beiden kenden en
vroeg dan op-den-man af: Hoe vindt-je die? Wat 's dat voor 'n vent? Maar
Hendrik antwoordde dan nooit dadelijk, maar deed een paar lange trekjes
aan zijn sigaar, nam 'm uit zijn mond, keek er 's naar, klopte de
asch er af en zei dan: "Och!.... hm!.... zóó!.... ik kan wel met 'm
opschieten;" of: "Ik vind 'm altijd nog al geschikt als je 'm zoo 's
spreekt!...." Maar Bernard gaf 't niet op -- hij voelde zich geërgerd,
maar bleef heel amicaal praten -- hij begon over hun toekomst, over
trouwen, en vroeg met een beetje spot in zijn stem of de ander nooit 's
verliefd was. Toen kreeg Hendrik een lichte kleur en zei:

"Nou!.... nooit!.... dat 's een beetje sterk,.... ik heb wel 's zoo'n
bui gehad.... ofschoon ik geloof dat ik niet van zoo'n verliefde
constitutie ben als jij!"

"Nee, dat geloof ik ook niet," zei Bernard. "God, kerel, ik ben
eigenlijk altijd verliefd, weet-je dat wel?" En Bernard begon zich een
beetje te ontboezemen, fantaseerend nu en dan, onwillekeurig, zonder
innerlijke oneerlijkheid; hij vertelde van Betsy Franck, van een meisje
in Londen, van een achternichtje dat bij zijn tante gelogeerd had, maar
sprak niet van Mimi. Hij hoopte dat Hendrik daardoor aangemoedigd zou
worden ook van zijn liefdesemoties wat te verraden, maar de ander zweeg,
luisterend, rookend met aandacht, kort lachend telkens om Bernards
opgewonden taal, en bleef nu en dan even stilstaan om hem bedaard te
wijzen op merkwaardigheden aan den weg.

Bernard werd warm in zijn hoofd, hij had zich een lichten roes gepraat,
hij wist van geen stil-zijn meer, en hij wou, hij wou aldoor datzelfde;
dien man daar naast hem uit zijn kalmte dringen. Want dat was geen
stemming meer, dat was een hol harnas op een steenen stoel, daar was
geen leven meer in, dat begon duf te ruiken! "Zeg Hendrik," zei hij
in-eens met een ernstige stem, "ik moet je toch 's wat vragen: Ga jij
dikwijls naar de meisjes?"

Weer bloosde Hendrik licht en antwoordde niet dadelijk en klopte de asch
van zijn sigaar, en er was nu een zweem van korzeligheid in zijn toon
toen hij antwoordde: "Dikwijls?.... Dikwijls?.... Wat noem je
dikwijls?.... Ik schrijf dat niet op in m'n agenda?"

"Nee,.... nee!.... dat begrijp ik wel," zei Bernard, "dus.... zoo nu en
dan, hè?.... Eéns in de maand bijvoorbeeld...."

"Ja, dat kan wel!" zei de ander, nu heel koel, 'n beetje boos blijkbaar,
"wie doet dat niet, hè?.... als je niet getrouwd bent,.... 'n mensch is
geen stokvisch!...."

"En is 't al lang geleden, dat je voor 't eerst...."

"Verrek toch met al je vragen," viel Hendrik nu uit, voor 't eerst dien
middag, maar zijn stem klonk toch niet nijdig, "wat kan 't je schelen?"

"Och!" zei Bernard, dreinerig, "pure belangstelling!.... Maar je hoeft
't natuurlijk niet te zeggen, als je niet wilt."

Ze zwegen nu beiden een poos. Toen zei Hendrik in-eens: "Ik weet wel,
jij doet 't niet.... Maar je zult er ook wel toe komen.... Wacht
maar!.... Ik heb 't ook lang uitgehouden.... Maar eindelijk.... Je moet
maar 's goed baloorig zijn!...."

Bernard keek hem aan. Voor 't eerst sinds hij hem kende zag hij Hendrik
aangedaan. Zijn wenkbrauwen waren samengetrokken, hij zag heel bleek en
zijn stem had even getrild. En Bernard voelde dat hij onbescheiden en
onvrindschappelijk geweest was, en hij hield in-eens veel meer van
Hendrik. Hij voelde dat wat hij gezegd had op heel ploertige opsnijderij
geleken had. "Ja!.... nee!.... waarachtig!" zei hij, 'n beetje verward
en heel ernstig, "daar heb je gelijk in, hoor!.... daar kan ik eigenlijk
nog niet over meepraten!...."

"O zoo!" zei Hendrik trachtend op zijn beurt luchtig te spotten, om zich
over zijn aandoening heen te brengen, die hem blijkbaar ergerde, "jij
bent nog zoo'n jong jillesje! Ik ben meer dan vier jaar ouder, denk
dáárom!"

En Bernard begon nu maar zoo gauw mogelijk over wat anders te praten,
over een huis aan den weg. Hij had 't land, hij vond zich zelf
jongensachtig, ongevoelig, egoïstisch, schijnheilig; hij schaamde zich
erg. Ook was hun verder gepraat een beetje gedwongen en Bernard was blij
toen ze thuis waren.

Daar wachtte hen de oude heer met een bittertje, en ze zaten nog een
uurtje met hem te praten voor ze aan tafel gingen. Hij praatte blijkbaar
't liefst over zaken, als een echte man-van-succes, altijd optimistisch,
maar zonder veel pose, luchtig-vroolijk, of in-eens vol vuur
doordravend.

De andere leden van de familie kwamen weer één voor één binnen, en
eindelijk kwam ook mevrouw en vroeg of de heeren kwamen eten. Bernard
bood haar glimlachend zijn arm aan, en dat vond ze aardig. "Wel ja," zei
ze, "laten we 's deftig doen!" En lachende, gekheid makend, gingen ze nu
allemaal, twee-aan-twee-gearmd, naar de eetkamer, een kleine stoet
vroolijk pratende menschen.

Bernard zat nu rechts van de gastvrouw en ze zorgde heel goed voor hem
en wilde ook wel graag door hem bediend worden, en was bijna moederlijk
hartelijk voor hem. Er werd weer echt-gezellig gepraat, soms door
allemaal tegelijk, zoodat er een roezige volte van stemmen was. 't Viel
Bernard op, dat ze elkaar vrij wel precies zeiden wat ze dachten en
elkaar niet ontzagen, maar niemand werd daar boos om. Ze schenen heel
veel van elkaar te houden. Maar vooral op Hendrik waren ze gesteld
blijkbaar. Die had een zeker overwicht door zijn groote kalmte. Hij
praatte niet zooveel als de anderen, maar als hij wat zei luisterden ze
bijna altijd allemaal.

En in-eens, langs hun hoofden kijkend, zag Bernard den familietrek, die
hen maakte tot één soort menschen, hij zag die familie om haar tafel
even, als in een visioen, tot beeld verstard. En hij proefde de essence
van hun leven-met-elkaar, hij voelde hoe zij zich voelen moesten, hij
voelde dat grage opgaan der velen in de éénheid: het gezin, hij voelde
de opoffering der enkelen en de glorie van 't geheel. En nu wist hij
't ook wat er ontbrak aan zijn genieten van de warme koestering in
dien familiekring. Het was zijn zoo heelemaal, zoo heelemaal daar
buiten leven, in treurige en onbegrepen afzondering, vreemd aan de
broederliefde. Hij hield die menschen eigenlijk een beetje voor den gek,
hij speelde kalm komedie, hij was niet zooals zij dachten, hij was heel
anders, hij was een wereld in zich zelf en hun wereld was 't gezin. En
dat was zoo'n enorm verschil. Hij kon hier zich zelf niet zijn, hij zou
die menschen verschrikken, beangstigen, hij zou hen storen. Als hij ging
spreken uit zijn innerlijke ingeving, gebruikend de woorden, die hij
hoorde in zijn ziel, zouden zij zwijgen en zich verlegen voelen. En dat
hinderde hem, omdat ze toch allemaal zulke goede, zulke eenvoudige
menschen waren, met wie hij zoo graag in vriendschapsbetrekking wou
komen. 't Hinderde hem dat hij die menschen voor den gek houden moest;
ze waren zooveel beter waard; hij schaamde zich er over. En -- in-eens
besloten -- nam hij zich voor, nooit meer terug te komen in hun kring,
zich bannend, strengelijk en voorgoed, naar 't Siberië van zijn
eenzaamheid.

Toen hij dat besluit eenmaal genomen had, was 't hem of hij daardoor
zijn schuld al eenigermate had geboet en werd hij vroolijker en genoot
rustiger. En ze brachten een heel prettigen avond door met muziek en
gezelschapsspelletjes en veel gelach.

Tot ze weg moesten, Hendrik en Bernard. Hij legde bij 't afscheid nemen
zooveel hartelijkheid in zijn stem als hem maar mogelijk was. En hij
schaamde zich weer wat, omdat 't toch niet warm genoeg klonk, wat hij
zei. Hij vond zich zelf een kouden egoïst. In den trein was hij stil en
schijnbaar slaperig.

En lang lag hij dien avond wakker in zijn bed. Hij had wel willen
huilen, maar zijn oogen bleven droog staren, hij werd niet week, hij
kreeg geen medelijden met zich zelf. Maar soms voer er iets als wanhoop
door zijn dor-denkend hoofd, een zwarte angst, een dreiging van alle
kanten. "Je zult nog gek worden," zei hij in-eens, hardop in de stille
kamer. En hij veegde zich met zijn droog-gloeiende hand 't angstzweet
van 't voorhoofd.



IX.


Hij stond den volgenden morgen op in een weemoedig-melancholische
stemming van alleen-zijn en 't innerlijk koud hebben, en die bleef
zoo den heelen dag, een troosteloos rouwen zonder weten waarom ook
eigenlijk, een sensatie van schimmige leegheid om hem heen, een somber
dreigen van dingen, in-eens, terwijl hij er naar keek, meubelen op
zijn kamer, huizengevels en aandrijvende wolkgevaarten, de piekerige
paperassen die trosten aan de muren van zijn kantoor. Soms trilden
plotseling door zijn ziel sensaties van gisteren en dan voelde hij 't
weer, dat afgezonderde van hem, dat vreemd zijn aan 't familieleven, aan
't gemoedelijk-intieme van menschen in één huis, 't heerlijk veilige van
zoo'n kamer met een paar goeie oude menschen en hun kinderen vereend om
de familietafel.

En 's avonds, toen hij alleen op zijn kamer zat, en een torenklok,
ver-buiten-boven zich, tien uur hoorde bonzen, langzaam in de stilte,
toen voelde hij 't erg, dat leege van gemis en lang zat hij tegen zijn
hand leunend er over te mijmeren. Hij wist niet: was 't alleen de
menschen, die hij miste, de vader en moeder, de broers en zusters, of
was 't ook -- ja hij geloofde dat 't vooral was 't gevoel, dat hij niet
kende, die kalm-rustige broederlijkheid, die gemoedelijk-onbeproefde,
ongevaarlijke trouw, zonder strijd, zonder twijfel zelfs, maar goed en
natuurlijk. En hij hield dat gevoel van gemis voor de oorzaak van zijn
triestige stemming.

Maar den dag daarop dacht hij, dat 't juist dat praten over zich zelf
weer was, wat hem zoo hinderde, dat zich uiten, zich -- hoe onvolledig
dan ook -- geven, aan Hendrik, op de wandeling. Waarom had hij dat dan
ook weer gedaan! Hij wist immers zoo goed, dat hij daar altijd later 't
land over had! Want wat een beroerd gevoel van zelfverraad, van ploertig
spottende schennis aan je innigste bezitting gaf dat altijd. 't Leek,
als je er aan terugdacht, op walsen in een kerk, op uitgelatenheid in
den maneschijn, op hard praten naast 't bed waar een doode op ligt, --
een doode, onder witte lakens verborgen, geheimzinnig stil, beweegloos,
zwijgend, maar luisterend, alles hoorend, te trotsch alleen om te
spreken tegen menschen, want iedere doode is boven de menschen, is half
god. -- Neen, neen, dat moest hij nu nooit meer doen. Dat zei hij zich
wel twintig maal dien dag: laat ik dat nu nooit meer doen. Laat ik
leven in me zelf, stil, zoo weinig mogelijk sprekend, vrindelijk,
goedig-doende tegen de menschen, luchtig-lachende-pratend met hen, maar
voor allen een onvermoed geheim.

             *       *       *       *       *

De winter was er nu, de donkere maanden December en Januari. Bernard
stond iederen morgen om half-acht, kwart-voor-achten op en soms
was 't nog zoo donker, dat hij 't gaslicht aan moest steken, de
schril-huiverende gele vlam tegen de grijze schemering. Dat gaf hem
altijd een stemming van somberen ernst, alsof er oproer was, alsof hij
moest gaan vechten of samenzweren. Met snelle stappen liep hij dan naar
kantoor, diep in zijn opgetrokken jaskraag, door de steenen kilte van
de nog schaars-bevolkte ochtend-straten, door 't harde, wit-grijze
ochtendlicht, en daar op kantoor was weer gaslicht op, een mat-gelige
schijn boven de lessenaars, en er was een langzaam warmende en dan
in-eens dof-benauwende kachelhitte en de bedienden hoestten en snoten
hun neuzen en de straatgeluiden sloegen somber op tegen de huizen,
dof-schorre stemmen, meest van joden met sinaasappelen en "lemoen", en
soms kwam een draaiorgel als een gillend hellebeest woeden onder de
stille grijsheid van zijn kantoorramen.

En op de Beurs was 't voller en somberder dan ooit, door 't armoedige
licht en door al de dikke donkere winterjassen. Er werd geklaagd,
gemopperd; haastig werden de zaken afgekauwd, iedereen wou gauw weer weg
naar zijn warme kantoor of naar een café om een borrel te drinken. Er
hing een benauwd-zwoele, klam-vochtige atmosfeer en stank van menschen,
nu en dan weggetocht door de gniepige kilte.

't Was een sombere winter. Soms waren er wel eens een paar opwekkende
dagen van droge vorst en zuiver zonlicht over harde straten en
besneeuwde daken van huizen en kerken -- mooi waren dan de boomen op de
grachten, 't wit berijpte takkengewar tegen de verre, blauwe lucht, --
maar meestal was 't een bruinige slobberboel overal in de donkere
straten, en was er mist of motregen of nattige sneeuwjacht, fijn als
zand.

Maar 't weer had weinig invloed op Bernard, wèl altijd meer dan hij zich
bewust was, maar haast nooit zooveel dat hij 't merkte; hij lette er
doorgaans niet op, gewoon als hij was soezende door de straten te gaan
en weinig te wandelen voor zijn genoegen.

Zijn dagen gingen voorbij als altijd. De avonden in December waren als
de avonden in November en zoo waren ook de avonden van Januari en
Februari. De comedie en de café's, zitten op zijn kamer met een boek of
zitten praten of spelen op de kamer van een van de vrinden. Ze hadden
een whist-avond, ééns in de week, Hendrik, Sam, André en Bernard.
Hendrik speelde 't beste, André met veel animo, met zekere genialiteit,
wagend en winnend, Sam onverschillig-weg, uit gewoonte goed, en Bernard
eerst tamelijk oplettend, maar gauw verveeld, droomerig dan en niet meer
met zijn hoofd er bij.

Soms ook waren zijn avonden onrustig door zinnelijkheid, koortsig
brandend en kloppend onder zijn vel, gingen zijn gedachten,
dreinig-onweerstaanbaar, telkens naar 't naakt van vrouwen, moest hij
loopen, heen en weer op zijn kamer, of op straat in wijde, doellooze
wandelingen, want 't was hem dan onmogelijk zich ergens toe te zetten,
en hij wilde vooral geen kennissen zien, want hij was weeïg-wars van
praten.... praten.... Niets kon hem soms zoo tegenstaan als 't
maatschappelijk gepraat, 't vluchtige bête gepraat tusschen
kennissen, zonder eenige kleur of diepte van intimiteit,
afschuwelijk-noodzakelijk....

Nu en dan werd hij uitgevraagd op een dineetje of een soiréetje, en als
hij er niet af kon ging hij er heen en verveelde zich. Hij vond zoo'n
kamer met visite-dames-en-heeren niet veel beter dan 't café en soms
veel minder. Hij vond haast iedereen, en ook zich zelf, bij zoo'n
gelegenheid 't onbeduidendst, 't minst, 't prulligst. Die onbenullige
avonden vergat hij gelukkig gauw, hij dacht er haast nooit aan terug,
ze waren niets in zijn leven. Maar hij kreeg een zekere ouwelijke
gehechtheid aan één, niet in 't oog vallend plaatsje in een groot café,
een stoel aan een tafeltje, waar een kelner bediende die hem niet
hinderlijk was door zijn uiterlijk of zijn optreden, een leuk stil
hoekje, waar hij zijn krant kon zitten lezen en zitten droomen over
zijn krant.

Er was ook nu en dan ijs dien winter; Sam en André deden druk aan
schaatsenrijden. Maar Bernard had er dezen keer heelemaal geen lust in.
Hij liet zijn schaatsen roesten in de kast. Eéns vertelde André hem aan
tafel dat hij 's middags met Mimi had gereden. Toen had hij even spijt,
een uur misschien, niet langer.

Liever, liefst van al nog, zat hij 's avonds op zijn kamer te lezen in
't dan stil-heerschende, rustig wijd-uitstaande licht van zijn gaslamp,
waar hij schuin-onder zat, ziende zijn handen en kleeren zacht beglansd
door 't warm-dichtbije licht. Hij was ook wel lid van 't Leesmuseum,
maar hij kwam er haast nooit, hij zat liever op zijn kamer, en de boeken
die hij lezen wou kon hij wel koopen. Lezen werd meer en meer zijn
troost, zijn steun, hij kon er sterk naar verlangen als hij er een paar
dagen geen tijd of geen rust voor had gehad. Ook heele Zondagen bleef
hij dikwijls op zijn kamer, tot hij moest gaan eten, aldoor lezend,
levend in de stemmingen, die kwamen rijzen naar zijn toegewend hoofd, óp
van de wit-en-zwarte bladzijden van een boek dat voor hem lag, drinkend
die stemmingen met langzaam proevende teugen tot hij er heelemaal van
doortrokken was, tot hij een mooi vreemd, heerlijk vreemd leven in zich
voelde, niet heelemaal een ander, niet een nieuw, koud-nieuw leven, maar
sensaties nog nooit ontdekt in zijn eigen gemoed en daar plotseling
zijnd, hoog-op als planten in één nacht gewassen, in den welbekenden,
welvertrouwden tuin van zijn ziel, uit de mooie, ronde en gebogen
bloembedden van zijn lectuur, tusschen de heesters van zijn eigenliefde,
beschaduwd door den boom van zijn trots. Een hoog genot vond hij dat,
zoo stil te gaan door zijn zieletuin en te zien groeien en bloeien in
diep-aandachtige beschouwing al die mooie, vreemd-mooie gewassen. Hij
gaf er zich heelemaal aan over. Hij deed de deur van zijn kamer op
slot om vooral niet gestoord te worden. En hij hield er van om, zoo'n
Zondagmiddag, na veel lectuur, als 't ging schemeren, zoodat hij de
letters niet meer zien kon, op te staan van zijn stoel en te gaan loopen
door zijn half-duistere kamer, met geruischlooze stappen, voelend in
zijn hoofd een vreemde lichtheid, als werd 't doorwaaid van frisschen
najaarswind en de kamer om hem heen als een stille kluis en dan ergens
tegen den muur te gaan staan en te kijken naar de stille dingen in de
kamer, de dingen die begrijpen, kennen, en zwijgend peinzen in 't
slepende gewaad van de schemering. Dan zijn adem in te houden en de
stilte te hooren ruischen in zijn ooren. En met zijn oogen toe te komen
tot vlak bij den spiegel, en er in-eens in te kijken met groote oogen en
te schrikken van zich zelf en die oogen. En zich dan om te keeren en te
denken aan dat omgekeerde beeld in den spiegel. En dan zich langs een
stoel te laten zakken op den grond en zoo weer naar de dingen te kijken,
zich langzaam, slangig voorttrekkend over 't donkere kleed, en dan
in-eens stil te blijven liggen, lang onbeweeglijk te blijven liggen, met
een kilte huiverend langs zijn zijden, maar in zijn hoofd aldoor die
suizende lichtheid en aldoor elkaar opschuivende, fijn-spitse, als
een boog strak gespannen gewaarwordingen van nieuwe en ook oude
lang-vergeten-gewaande stemmingsmomenten en gedachten, nooit vroeger
heelemaal gevoeld of begrepen en nu in-eens doorproefd, hoog-zuiver als
een langzaam gegeten fijne vrucht, waarvan de nauw merkbare geur
binnendoor in den neus komt.

O! van die stemmingen op zoo'n leesdag, daar had hij een nooit aan zich
zelf geuite verwachting van, een heimelijke hoop, heel vaag, verdwijnend
als een schim, wanneer hij er het licht van zijn gedachten op liet
vallen. Hij geloofde, dat 't was de hoop, dat hem iets bizonders
gebeuren zou in zoo'n stemming, een openbaring, iets van de eigenlijke
dingen van 't leven, die je alleen kunt bespeuren met de hoogste
spanning van je ziele-aandacht, op den rand van een vaal-zwarten
afgrond: waanzin.

             *       *       *       *       *

Hij las veel fransch. Hij hield er van, van de taal, en van de
schrijvers, ja hij voelde bepaald liefde, jaloersche liefde voor de
fransche litteratuur; hij leefde er mee, hield zich op de hoogte, en hij
kon niet goed hebben, dat een van zijn kennissen een fransch boek mooi
vond, dat hij ook mooi vond, want dat was dan zijn boek, de ander had er
niets mee te maken, wat verbeeldde die zich wel! Het deed hem genoegen
dat engelsch was geworden de geurtaal van de snobs en tegelijk
makkelijke mode-taal voor de bakvischjes, dat fransch was teruggebracht
tot zijn ouden rang van taal der fijnere geesten. Hij hield van alles
wat fransch was. Zoo'n geel boek in 't van-ouds bekende formaat --
de afwijkingen mishaagden hem -- gedrukt met een echte fransche
lettersoort, zoo'n boek met den spitter van Lemerre er op, of den
Hermeshoed van den "Mercure," hij vond 't op zich zelf een genot 't in
zijn handen te hebben. Soms vond hij dat een aangename eigenaardigheid
in zich zelf, soms vond hij 't kinderachtig, maar hij sprak zich nooit
tegen dat 't bestond. Vroeger had hij zich niet kunnen verklaren, hoe 't
kwam dat hij zooveel van de Franschen hield, die toch zoo heel anders
dachten en schreven over vrouwen en over de liefde, zoo heel anders
dan hij daar altijd over gedacht had. Vroeger had hij dat een
ongeoorloofde zwakheid in zich zelf gevonden, een soort zucht naar 't
verbodene, want de Franschen waren oppervlakkig en wuft, hij zelf
noordelijk-diep-degelijk. Maar daar was hij al lang overheen. Hij wist
al lang dat dat verschil tusschen de Franschen en hem alleen was een
verschil in soort van hartstocht, dat hij even hartstochtelijk was als
de Franschen, dat hij daardoor juist zooveel voelde voor dat volk. Wat
hij vroeger in zich zelf had gehouden voor deugd en degelijkheid, hij
had al lang ontdekt, dat dat niets dan hartstocht en trots was, of
eigenlijk, alleen hartstocht, want ook die trots was niets dan dat,
passie, een brandend verlangen om zich altijd te voelen boven anderen
door gevoelsverfijning, door alles te zien, te hooren en te vatten met
zijn gevoel, -- de tinten van zelfvoldoening in een melancholische
stemming, de trillingen van jaloezie in een hoogen lach, de weifeling
in een stap, het dwalen van een blik, -- een begeeren om zich te weten
een gevoelslekkerbek, wien alle grove genietingen tegenstaan. En dat
was ook iets waar hij van hield in de Franschen, die zucht naar
verfijning, dat zoeken van 't preciese en 't exquise. Ook hij hield
van 't verfijnd perverse, en veel meer nog van de verfijnde, tot
zwevende engelachtigheid verragde reinheid.

Ja, dat was wel 't mooiste van de verzameling! -- Want dit gevoel
leek op dat van een liefhebber voor zijn oud-porseleinen kopjes en
precieus-broze beeldjes. Graag hanteerde hij zijn emoties en sensaties
en bekeek ze met koesterende aandacht. Maar dikwijls ook voelde hij zijn
eigen handen die er mee omgingen, plotseling dik en log, vond hij zich
een eenvoudige goeie-jongen, werkzaam en veel-over-hebbend voor zijn
vrinden en daarmee uit. Dan lachte hij zich uit om zijn ambities, en
zijn zelfgemaakt voetstuk wankelde onder hem. Maar hij leed daar dan
een beetje onder, en in een volgend uur van reactie, bekeek hij den
schijnbaar egaal-grijzen, massieven bouw van zijn gemoed net zoo lang,
tot hij zag dat 't was als Venetiaansch mozaïekwerk, bestaand uit
stukjes en steentjes, oneindig fijn en veel en verscheiden van vorm. En
dan was hij weer voldaan en trotsch.

Maar dikwijls ook kwam er een wijd verdriet, vol weemoed, over hem,
omdat hij zoo weinig eenvoudig was, en omdat dat nooit meer anders
worden kon.

Eenmaal in dien winter was hij getroffen door wel vaag vermoede, maar
toch onverwachte, en door de plotselinge openbaring warm-goeddoende
sympathie. Dat was geweest op Sint-Nicolaas-avond. Hij had gegeten met
André, Sam en Gerrit. Hendrik was al 's middags naar Haarlem gegaan om
't intieme feest heelemaal mee te vieren met zijn familie. Na tafel
gingen Sam en Gerrit elk naar een bevriend gezin, genoodigd den avond te
komen doorbrengen, Sam met zijn hoofd vol mal-jongensachtige grappen,
die hij voorbereid had. Gerrit mopperend dat men hem op kosten joeg. En
Bernard bleef met André alleen. 't Was of ze dat eerst allebei 'n beetje
pijnlijk vonden, wat moeilijk, hun gepraat was ietwat gedwongen. Toch
wilden ze bij elkaar blijven, in een verlangen om ten minste ook een
beetje gezelligheid te hebben zoo'n avond, als het weten van de
stralende gezichten om de familietafels de woningen hult in een
tooverglans, als al die grijze huizen, -- waarvan 't binnenlicht
zorgvuldig is afgedekt met deuren en gordijnen, zoodat je 't alleen hier
en daar kunt zien gloeien door een spleet of langs een plooi, -- als
zooveel ontoegankelijke kasteelen van heerlijk-intieme, vrij-juichende
vreugde zijn.

Bernard had natuurlijk ook naar Bussum kunnen gaan, maar had het niet
gewild. Hij kwam daar tegenwoordig niet graag. Hij had te veel moeite
om vriendelijk en bedaard te blijven bij die wee-onbeduidende
kletspraatjes, dat bedaard-lieverig-ernstig gekibbel over niets,
die in-genoegelijke zelfvoldaanheid. 't Was er hem ook te vol van
fraaiigheden. 't Werd hem er dikwijls te benauwd, te zweeterig warm, als
van een stijf geknoopte dikke bouffante bij lauw-mistig weer; 't kwam
misschien wel omdat het heele huis egaal verwarmd werd met een
watergeleiding.

Dus was hij in Amsterdam gebleven, en nadat ze een poosje nagetafeld
en kalm hun koffie gedronken hadden slenterden André en hij, van
't Leidscheplein komend, langs de helle flonkering van de groote
winkelruiten de drukke Leidschestraat door. 't Was er heel vol. Er waren
veel burgerfamilies op straat, die de winkels gingen bekijken, en veel
jonge paren en gichelende meisjes, die uit waren "onder mekaar." En
André, zich een beetje opwindend, begon veel notitie te nemen van de
meisjes, ze brutaal aankijkend, toelachend en in 't voorbijgaan
toesprekend met een holbolle stem van goedigen oom, en hij kneep een
poezel dienstmeisje in de wang en sloeg zijn arm om 't middel van een
ginnegappend burgerjuffie. Bernard vond hem een beetje lastig, hij
voorzag een roezigen avond en even wou hij wel dat hij lekker rustig op
zijn kamer zat te lezen. Maar plotseling had André een plan. "God, dat
's waar ook," zei hij, "goed, dat 'k er aan denk; 'k heb Anna wat
beloofd voor d'r Sinterklaas, en 'k heb nog niks; 't arme kind rekent er
vast op!"

Bernard wist, dat Anna een kelnerin was in een Warmoesstraatsche kneip.
Hij kende haar ook wel, hij zag haar dikwijls overdag zich zitten
vervelen voor 't raam van 't bierhuis, ze glimlachte hem toe als hij
voorbijging, want ze wist dat hij een vrind was van André en Sam, en hij
was er trouwens ook wel 's geweest met hen, 's avonds. Bij daglicht,
zooals ze dan zat te kniezen in de triestige donkerte van de duffe leege
kneip, zag ze er wat ouwelijk en opgelapt en sletterig-kwasi-damesachtig
uit, met haar gekapte haar en de half-bloote armen, versierd met
blinkende armbanden, die over 't breede voorschoot bengelden, maar 's
avonds, als ze in functie was, in 't avond-lichte bierlokaal, slank en
licht en vlug gaande tusschen de tafeltjes met 't witte voorschoot stijf
gespannen om haar borst en buik en de kleine handen geklemd om ooren van
bierpotten, dan was haar vroolijk-pittige gezichtje, dat bloosde van de
warmte van 't werk, prettig om te zien gaan boven de met grauwe vilt
bedekte koppen uit van de nonchalante bierdrinkers, de mannen van
allerlei slag, die daar samenzaten in plompe houdingen, met hun
zwaar-gewichtige bromstemmen, in den rook, als verkleede poldergasten,
die schaftuur houden.

"Wat wou je koopen?" vroeg Bernard.

"Wèl, ik weet het waarachtig niet! 'n Ringetje of 'n speldje, 'n
goedkoop dingetje natuurlijk! Kom, ga mee, in de Kalverstraat zullen we
wel wat vinden en dan gaan we 't 'r brengen!"

En nu meer in 't besef van hun samen-zijn, door dat ze een doel hadden,
begonnen ze samen te praten, André en Bernard; geen geregeld gesprek was
't, maar een reeks schertsende uitroepjes, waarin ze zich toch al half
gaven, waarin een toenadering klonk, een natuurlijke hartelijkheid,
ongewoon tusschen die twee, die, schoon dagelijks samen, officieele
vrinden, altijd een zekere koelte in hun omgang hadden gehouden, alsof
er iets was dat ze elkaar nooit vergeven konden. Bernard merkte nu,
dat hij toch wel veel van André hield en hij wilde zich daar nu niet
dadelijk rekenschap van gaan vragen, hij gaf zich willig over toen hij
hoorde dat de toon van zijn stem een weerklank vond in dien van zijn
vrind. Hij vond 't goedig en gul van André om iets voor dat meisje te
gaan koopen, hij was blij dat hij mee mocht, hij vond 't in zich zelf
weer burgerlijk-benepen dat hij nooit 's op zulke ideeën kwam. Dat kon
nu immers juist 's een zuiver genotsmoment zijn, de ongeveinsde blijheid
te zien in de oogen van zoo'n arm kind, als ze 's werkelijk verrast
werd, niet met een neergesmeten fooi, maar met een cadeautje, als van
een broer.

Ze gingen een bazar binnen en kochten een ringetje. En toen ze daarna
vlug stapten 't Rokin over en zoo naar de Warmoesstraat, naar de kneip
waar Anna bediende, voelde Bernard lichte scheuten kinderlijke blijheid
door de doffe avondzwaarte van zijn bewinterjasd lijf varen. En ook
André, in gewild-ruw-cynische woorden pratend over 't kelnerinnetje --
waar hij wel 's mee uit geweest was -- trachtte blijkbaar een
jongensachtig plezier in 't plannetje te verbergen. En ze werden zoo
vroolijk samen in hun haastig voortstappen, dat ze telkens proestend
liepen te lachen.

Ze kwamen in de bierkneip en zochten dadelijk Anna met hun oogen. Ze
gingen naar den hoek waar zij altijd bediende. 't Was leeg in 't lage
lokaal, veel stamgasten schenen van avond ten minste 's thuis te
blijven. Hier en daar zaten er een paar te brommen, en aan een
hoektafeltje zat, dwars op zijn stoel, een kwasi-jeugdig, grijs-kalig
heertje in een viezig-ruige jas, zonder hoed, met bierdruppels hangend
aan zijn dikken, over den mond rondenden snor, en zijn hand aan een
pot met bier. En naast hem zat Annatje. Hij zat haar blijkbaar met
een scheefgetrokken mond schunnige komplimentjes te maken; zijn
dronkemansblik hing heet-kleverig aan haar smal-bleek gezichtje, dat
ernstig-sentimenteel, zoet-lievig luisterend voor zich keek. Haar
handen, als die van een kostschoolmeisje, lagen slap in haar schoot.

Bernard en André gingen in den tegenover gelegen hoek zitten. Ze zeiden
niets. André vloekte stil voor zich heen, met nijdige gebaren, en
Bernard voelde een chagrijnig sarcasme in zich oprimpelen. Driftig-hard
tikte André met de knokkels van zijn hand op de tafel. Anna keek om en
glimlachte flauw, zoetjes-langzaam knikkend, maar ze wendde zich
dadelijk weer naar den man met den natten snor, die ook even, met een
schuw-wantrouwigen blik de twee jongemannen opgenomen had.

"Stik!" bromde André.

En er kwam een andere kelnerin, een dikke meid, erg duitsch, met een
vette grijns, en André snauwde haar zoo barsch mogelijk toe, dat hij
twee halve liters moest hebben, maar de grijns bleef onveranderd,
en toen ze terug kwam met de twee steenen kroezen, streek ze
intiem-vertrouwelijk neer op den derden stoel aan hun tafeltje. "Donder
op, jij, als de bliksem!" snauwde André weer met een kwaad gebaar, en
opschrikkend ging ze weg, met een smalende lip, gemeene scheldwoorden
prevelend, maar dat heel zachtjes, en glurend intusschen onderdanig naar
den chef, die keek. Aldoor zwegen ze, maar toen André Bernard aankeek
begon hij te lachen en ook Bernard moest lachen, en samen proesten ze
't even uit van schaamte over hun dwaasheid, een landerig-nerveus
stikbuitje van intieme verstandhouding tusschen twee kwajongens,
die samen op kattekwaad betrapt zijn. En ze voelden zich nu erg
vertrouwelijk, nauwer verbonden door die kleine teleurstelling, samen
gedragen, erg goeie-ouwe-vrinden, die voor elkaar geen gek figuur meer
kunnen slaan. Ze staken nieuwe sigaren op. En, naar elkaar toegebogen
over 't houten tafeltje, met de twee kroezen, gingen ze nu zitten
praten. 't Was vooral André die zich gaf. Hij lette niet meer op
Annatje, hij scheen haar vergeten. Zijn toon was ruw-onverschillig. Hij
praatte over zich zelf en over de manier waarop hij den tijd doodsloeg,
zooals hij 't noemde. Hij sprak met wat spijtige minachting over zijn
werk, de broodverdienerij, hij zei dat hij 't leven soms wel amusant
vond, maar doorgaans stomvervelend. Hij ging veel uit, bedronk zich
soms, scharrelde met naaistertjes, had avontuurtjes met meisjes uit zijn
eigen stand, en als hij veel geld had lei hij kleine orgieën aan met
kennissen, wilde lui, die hij anders niet zag, die Bernard alleen van
aanzien kende. Maar alles alleen uit verveling, bij gebrek aan beter.
Hij hield dol van Betsy Franck, maar hij dorst haar niet te vragen, want
ze zou wel weten dat hij zoo'n lief heer was, en haar ouders wisten 't
zeker nog beter, en een blauwtje loopen of door zoo'n pa uitgefoeterd te
worden, neen, daar zou hij niet tegen kunnen. Dan zou hij er bepaald
heelemaal onder raken en zich verboemelen. En er was nou wel niet
veel aan hem verloren, maar voor de goot was hij toch nog te goed
misschien....

Bernard voelde zich meer en meer aan hem gehecht, en hij had een bijna
teeder medelijden met hem, terwijl hij daar zoo zat te mopperen tegen
zijn bestaan, met een quasi-stug-onverschillig gezicht, -- zooals een
kind, dat een oorvijg gehad heeft, zit te mopperen tegen zijn vader,
maar inwendig is 't alleen kwaad op zich-zelf. -- "Jij kunt lezen," zei
hij tegen Bernard, "dat 's ten minste wat!.... Maar dat kan ik ook al
niet meer!.... ik heb er geen geduld meer voor!.... Vroeger wèl, maar
dat 's heelemaal uit.... 'n Boek verveelt me nu dadelijk...."

"Ja, ik zou er, geloof ik, niet best buiten kunnen," zei Bernard.

"Ik kan er me kop niet meer bijhouden," zei André weer. "Muziek, dat
gaat nog wel 's.... van tijd tot tijd.... daar heb ik vroeger veel aan
gedaan, en dan raak je daar niet zoo heelemaal uit.... Maar....
Ja ik voel 't wel, ik ben eigenlijk gewoon verslaafd aan 't
koffiehuisleven.... en aan de meisjes.... En als dàt nou nog maar wat
was!.... Maar 't zijn, godbeter 't, niets dan lellebellen hier!...."

Bernard glimlachte even.

"Nee!.... nee!...." zei André, "dat zeg ik nou niet om dat kindje
daar.... och god nee! dát 's wel een aardig kind, maar ook al niks....
niks!.... Och, laten we 'r eigenlijk maar niet over praten!.... zie je,
ik zou willen, dat je hier iets kon hebben zooals bijvoorbeeld in
Parijs, dat dat hier bestond, dat je 'r een maîtresje op na kon
houden.... Een goed kind, dat van je houdt, en die je niet iederen dag
aan je kop maalt om een broche of een paar armbandjes, alleen om je toch
maar zooveel mogelijk te plukken,.... en die niet plat spreekt,.... en
niet zanikt over trouwen,.... en die je, als ze je verveelt, naar huis
sturen kunt, zonder dat je bang hoeft te wezen, dat ze zich van kant zal
maken of zoo iets theatraals!.... die je bijvoorbeeld overdoet aan een
kennis! Zoo'n meisje, dat netjes je boeltje reddert, en dat een beetje
smaak heeft, zoo'n beetje.... ik weet 't niet!.... ik weet 't niet!....
daar wat élan in zit, een beetje chic, een beetje savoir-vivre!.... en
die 'n traan inslikken kan als 't noodig is.... Want die meisjes hier!
Ba! als ze niet kijven, dan huilen ze.... of zeuren ze...."

Bernard glimlachte aldoor, een beetje triestig, achterover zittend en
kalm rookend. "'t Zou je in Parijs misschien ook niet meevallen," zei
hij enkel.

"Dat kan wel!.... 't Is maar zoo'n idee van me!.... Alles lijkt me daar
lichter, dragelijker!.... Pf! 't leven is hier zoo zwaar!.... Nou is 't
tegenwoordig ook een lamme tijd om te leven, een saaie, duffe tijd....
Ik verbeeld me altijd, dat 'k al 's meer op de wereld geweest ben....
Dat zal je gek vinden!.... Ik geloof soms, dat ik eigenlijk een Athener
ben uit den tijd van Alcibiades.... Hè, kerel! zeg!.... dat was toch ook
een andere tijd, hè!...."

Bernard kreeg een kleur van plotselinge warme emotie. "God! heb jij dat
ook?" vroeg hij, snel vooroverbuigend, met glanzing in zijn oogen. Hij
wou doorpraten, maar in-eens herinnerde hij zich toen zijn vast besluit
om riet meer over zijn innigste zelf te spreken, en hij zweeg, een
beetje verward, hij deed net alsof hij zich voorovergebogen had om zijn
sigaar wat beter aan te steken, en hij zat wat te morrelen met den
lucifer, en zakte toen weer langzaam terug in zijn vorige houding, André
keek hem even aan, maar hij vroeg niets. En ze waren een poosje stil....
En in Bernards ziel rezen al dikwijls geziene visioenen van zijn eigen
figuur in vroeger tijden. De middeleeuwen, o de donker-rumoerige
middeleeuwen, dat was zijn tijd! Hij was een mislukte kruisridder, hij
was een paar eeuwen te laat geboren.... O! in een maliënkolder op een
hoog, geharnast paard te zitten, gewapend met een lans, een gevederden
helm op 't fier gedragen hoofd, en in je borst een diep geloof te
voelen, aan 't hooge, 't heilige van een taak, een strijd!....

Hij bleef een paar minuten voor zich staren, en toen hij weer naar André
keek, zag hij dat die glimlachend zijn hoofd schudde tegen Annatje, die
nu aan 't buffet stond. Het oude heertje zat met een nijdig-vies gezicht
naar hem te gluren van uit zijn hoek. En toen wenkte André haar, maar ze
schudde van neen en riep, om hem te plagen, de andere kelnerin, zeggende
dat ze bedienen moest daar in den hoek. Die kwam aanloopen en André, om
zich groot te houden, dronk zijn kroes uit en vroeg nog een halven.

Maar toen stelde hij meteen aan Bernard voor om op te stappen en ergens
anders te gaan zitten. En zoo stonden ze vijf minuten later weer op
straat. André met dat ringetje nog altijd in zijn zak. "Wat of dat malle
kind had van avond?.... ze boudeerde blijkbaar een beetje!.... enfin, ik
zal dat dingetje maar voor haar bewaren," zei hij goedig.

Ze liepen terug naar de Kalverstraat en gingen daar in een café zitten
domineeren en praten, tot over twaalven, en toen bracht André Bernard
naar huis, en liep nog even op, en hij vond die kanapee van Bernard van
avond bizonder gemakkelijk, en hij wou nog wel een grog en hij bleef
plakken tot half drie. Tot Bernard, die over hem zat, in-eens niet meer
verstond, wat zijn vrind zat te beweren. Hij hoorde zijn stem als een
geluid dat hem niet aanging en hij zag hem zitten, heel klein, heel ver.
Er was iets angstigs in, 't had wat van een nachtmerrie. En hij stond
plotseling op en zei: "Nou, ruk nou maar uit -- ik heb slaap -- ik
verlang naar me bed, hoor!"

"Ik niet," zei André, opstaand, "maar ik ben waarachtig stijf van 't
zitten!.... Is dat ook kletsen!.... Nou, adieu! ik ga dan maar. Slaap
lekker!...."

Hij ging de trap af. De voordeur sloeg achter hem dicht.

En Bernard was weer alleen. Dat vond hij altijd een vreemde
gewaarwording: alleen achterblijven na lang druk gepraat. Maar dezen
keer vooral trof 't hem, 't was of hij nu pas thuis kwam, op zijn stille
kamer, en in-eens hinderde hem erg de rook en de geur van den grog. Hij
gooide een raam open en ging op een stoel in een hoek van zijn kamer
zitten wachten tot 't weggetrokken zou zijn. Hij voelde nu pas hoe zijn
zwaar hoofd gloeide, tot barstens toe. 'k Geloof, dat ik de koorts heb,
mompelde hij, terwijl hij opstond om 't raam weer dicht te doen. En
daarop deed hij de deuren van zijn alkoof open en kleedde zich uit
op den rand van zijn bed zittend. Hij rilde en klappertandde. Ik heb
bepaald koorts, dacht hij,.... anders wel een aardige avond,.... toch
wel een goeie kerel André,.... maar vermoeiend,.... dat rustelooze!....
Toen hij in bed lag voelde hij 't heelemaal dat hij onwel was, koortsig,
onrustig, en toch zoo moe, zoo doodmoe. En een brandende pijn in zijn
hoofd. Hij sliep eindelijk in, maar 't was een slaap zonder rust, en
tweemaal schrok hij weer wakker in angstige droomen. Eéns zag hij
duidelijk André die aan zijn bed stond en met zijn gewone gebaar zei:
Wat zoek je toch?.... Er is niets!....

Hij werd op zijn gewone uur wakker. En sufferig, doof en slap van
moeheid heesch hij zich weer zijn bed uit en in de kleeren. Hij had nog
hoofdpijn. Dat beroerde duitsche bier ook, liep hij te mopperen, op weg
naar kantoor. En hij stuurde zijn jongste-bediende uit om kininepillen.

             *       *       *       *       *

December en Januari en Februari gingen dan voorbij. En in de laatste
week van Februari op een morgen dat hij zijn post zat te kijken op
kantoor, daar lag in-eens weer zoo'n vierkante, roomkleurige brief van
Edward. Vol blijde verwachting deed hij hem dadelijk open en ging zitten
lezen. En plotseling schoof hij zijn stoel met een ruk naar achteren, en
stond op, en ging aan 't raam staan, en voelde tranen in zijn oogen en
een prop in zijn keel. Hij kon niet dadelijk doorlezen, hij moest dat
eerst even verwerken....

Edward was al op weg naar Holland.



X.


Tegen half Maart zou Edward kunnen komen. Hij schreef, dat hij 'n dag of
wat in Italië zou blijven, maar dan zonder verder oponthoud naar Holland
doorsporen. Ofschoon zijn familie tegenwoordig in Baarn woonde, zou hij
reizen over Amsterdam, en daar overstappen. Dat kwam zoo 't beste uit.
Dus zou Bernard wel een van de eersten zijn, die hem zouden weerzien....

Vroeger hadden de Van Laeken's, Edward's familie, in Amsterdam gewoond,
waar zijn vader een rijksbetrekking had, en toen waren ze alleen 's
zomers geregeld naar Baarn gegaan; maar sinds een paar jaar bleven ze
'r winter en zomer en verhuurden 't huis op de Keizersgracht aan een
modenaaister. Ze waren een deftige, oude familie. In 't huis waar nu
japonnen verkocht werden, had meneer Van Laeken's overgrootvader al
gewoond en diens vader misschien ook al.

Edward had met Bernard school gegaan, eerst op een dure lagere-school
voor jongens, waar ze tot hun twaalfde jaar gebleven waren, en toen op
't gymnasium. Ze hadden elkaar altijd bijgehouden, ze hadden altijd in
dezelfde klas gezeten. En zoo lang hun heugde waren ze vrinden geweest;
onafscheidelijk werden ze genoemd op school. Bernard had een herinnering
-- maar hij wist niet of 't geen fantasie was -- dat hij als kleine
jongen zich omgedraaid had in de bank om Eddy te vragen of hij zijn
vrind wou zijn, en dat de ander toen ernstig op zijn knoopen had
afgeteld, ja, nee, ja, nee, en dat er ja uitkwam en dat ze sedert ook,
zonder daar ooit meer over te praten, vrinden waren gebleven. Dikwijls
hadden ze samen gevochten in dien tijd -- o! heel dikwijls en verwoed!
-- maar altijd had dadelijk daarna elk van beiden klaar gestaan om ieder
ander aan te vliegen die wat dorst te zeggen van zijn vrind. En toen ze
in hun vlegeljaren kwamen -- zestien, zeventien, achttien jaar, -- toen
ze begonnen te merken, met schokken van onbegrepen ontroering, de
verandering die in hen gebeurde, de ontwikkeling van hun gemoedsleven,
't wilde opwassen van hun begeerten, de wording van hun wil, in dien
tijd toen ze 't erg druk hadden over principes, maar dikwijls vol
verwondering merkten dat ze over toch zeer belangrijke abstracties heel
anders dachten dan de vorige maand, toen ze merkten ook hoeveel vrinden
ze verloren en hoe weinig er maar bijkwamen, in dien tijd en wat later
nog, toen was 't een maar half-bewuste, nooit gekweekte heerlijkheid
voor hen geworden, dat hun vrindschap onveranderd, of althans
onverminderd bleef bestaan, dat ze elkaar aldoor bijhielden, ook na de
schooljaren, dat de oogen van den een altijd even graag keken in die van
den ander. Dikwijls had er een vage angst in hen getrild, een vrees
plotseling te zullen merken, dat ook dat was veranderd -- want zooveel
dingen en begrippen, die ze vroeger bewonderd hadden, waren ze vaal en
valsch en leelijk gaan vinden, -- maar dat gevoel, wat ze voor elkander
hadden, was altijd nog waar en echt gebleven, in hun zielen iets
hard-glasachtigs, doorzichtig-helder, iets als barnsteen.

't Plan was geweest, dat Edward zou gaan studeeren in de rechten, maar
door toevallige omstandigheden, relaties van zijn vader, was hij aan een
bank gekomen en daarvoor was hij nu ook naar Indië. Hij had goede kans
later directeur te worden van die bank.

Voor Bernard was 't een groote gerustheid geweest toen 't bepaald was
dat zijn vrind niet zou gaan studeeren. Hij had daar tegen op gezien:
Edward student en hij op kantoor. Hij kende er geen voorbeeld van, een
student en een niet-student, die intieme vrinden waren. Gelukkig. Edward
was ook kantoorman geworden, elken werkdag 's morgens en 's middags aan
zijn lessenaar, 's avonds oplevend en 's Zondags vrij.

O! in dien ontroeringsvollen tijd, toen ze negentien en twintig waren,
wat hadden ze toen samen 'n wandelingen gemaakt, soezerig zwijgend soms
een uur achtereen, en toch rustig en tevreden in elkaars gezelschap,
soms ook pratende, luid bewerende, hardop dwepende en droomende,
schetterend over alles wat ze bevatten en niet bevatten konden. En die
avonden, die lange heerlijk-intieme kletsavonden. Hoe dikwijls hadden
ze samen genoten, bij avondlicht in een stille kamer, verdiept in
diepzinnig-philosophische gesprekken, waarbij tranen waren gelachen en
tranen gehuild, en hoe dikwijls ook waren ze samen aan de fuif geweest,
met anderen, maar toch altijd samen, en waren ze samen boven hun bier
geraakt, en hadden ze samen in hoog-vreugdevolle stemming "bruderschaft"
gedronken en zich verbeeld dat dát nu van die supreme momenten in hun
leven waren, die ze nooit vergeten zouden.

En toen, nu drie jaar geleden, Edward weg was gegaan, toen zou Bernard
't liefst meegegaan zijn, maar dat kon niet en dus was hij alleen maar
een klein eindje met hem meegereisd, van Amsterdam naar Leiden, want hij
wou absoluut de laatste zijn, die hem de hand drukken zou, de laatste
die hem zien zou in de grijze atmosfeer van 't oud-schijnende land, en
toen hij hem dan ook eindelijk voor het laatst in de oogen gekeken had,
toen 't portier dicht geslagen was, en de trein, eerst langzaam aan en
al sneller en sneller was weg gedreund.... tot ver weg.... en dan een
hoek om en heelemaal weg.... toen was 't wel de eerste keer geweest dat
Bernard die in-triestige, bijna wanhopige verlatenheid gevoeld had. Hij
had niet kunnen huilen, zoo was zijn gevoel verbijsterd en als verhard
door die maanden vooruit geweten en toch zoo plotselinge scheiding, en
maanden ook had 't geduurd voor 't bewustzijn heelemaal in hem gedrongen
was, ook in zijn halve-gedachten, zijn droom-gedachten, dat Edward, zijn
vrind, ver-weg was.

Ze waren elkaar natuurlijk blijven schrijven....

En nu zou Edward terugkomen, veel gauwer dan hij gedacht had. Hij zou
een half jaar blijven in Holland. Hij kwam deels voor zaken, deels omdat
hij 't laatste jaar buitensporig hard gewerkt en nu wat opfrissching
noodig had.

En Bernard liep om den anderen dag bij de getrouwde zuster van zijn
vrind aan, om te vragen of zij den datum en 't uur van Edwards aankomst
al wist, en toen hij 't had gehoord begon hij de uren op te rekenen, die
hem nog afhielden van dat oogenblik, waar hij zich nog maar een vage
voorstelling van maken kon, omdat telkens als hij er aan dacht, zijn
hoofd warm werd, en soezig van tintelend-enerveerende voorvreugde.

Dikwijls onder zijn werk en 's avonds dacht hij aan dien vroegeren tijd,
en veel momenten van hun samenzijn kwamen met de omgeving en allerlei
kleinigheden wonderlijk duidelijk terug in zijn geest. Hij herinnerde
zich precies den klank van Edwards stem bij een ruzie die ze gehad
hadden en hoe hij gekeken en gelachen had andere keeren. En God ja! dat
was me 'n geschiedenis geweest toen Edward verliefd was op dat meisje in
Baarn, die niets van hem wou weten!.... Toen had hij hem heel wat zorg
en tobberij gegeven.... Want 't was heel ernstig geweest, Bernard had 't
net gevonden of hij zelf een blauwtje geloopen had en hardop tegen
zichzelf redeneerde, alles wat hij zei tot zijn vrind.

Hij wist 't nu: Maandag den zeventienden Maart, 's morgens om drie
minuten over half twaalf zou Edward aankomen. 't Was ellendig jammer
dat 't juist trof in zijn druksten tijd. Hij zou in de week bijna geen
tijd hebben om aan Edward te geven. Maar 's Zondags! Ja, de Zondagen
zouden weer ouderwetsch worden, lange wandelingen zouden ze maken,
heerlijk verre zwerf-tochten, over de hei, tegen zonsondergang....

De dagen van Maart kropen, maar ze kwamen om, ze waren ten slotte
verduwd, de taaie dagen. En dien Zondag, den dag vóór Edwards aankomst
ging Bernard naar Bussum, omdat hij er dan weer een heelen tijd weg kon
blijven, zonder dat ze 't onhartelijk gingen vinden, en ook omdat hij
niet geweten zou hebben wat hij moest doen in Amsterdam. Want hij zou
niet kunnen lezen en onmogelijk zijn hoofd kunnen houden bij 't gepraat
van zijn Amsterdamsche kennissen. Hij was een en al zenuwachtige
ongedurigheid. In Bussum ging hij wandelen, in zijn eentje, in 't gure
regenweer en maakte zijn oom en tante ongerust door zijn gejaagde
opgewondenheid.

Oom sprak er over tegen tante. Hij was bang dat de jongen zich
overwerkte, en nu weer die vrind, juist in den drukken tijd, hij had
daar geen tijd voor nu; hij was op 't oogenblik overspannen-opgewekt,
maar je kan je zelf toch zoo niet forceeren.... en zoo.... Maar tante
zei, met een breeden glimlach, dat zij er 't hare van dacht, en toen oom
dom-verbaasd opkeek: "Ja.... ja.... enfin!.... ik weet niets, hoor!....
we zullen zien!...." En oom, haalde zijn schouders op en zei met wat
ongeduldige ergernis: "Jelie vrouwen denkt, geloof ik, dat jonge
menschen eeuwig en altijd verkikkerd zijn!...." "Nou, en is dat dan niet
waar," vroeg tante. Daarop zweeg oom, nog wat pruttelend alleen van: man
van zaken.... andere dingen aan zijn hoofd.... maar heel zachtjes.

En den anderen morgen al om kwart over elven was Bernard op 't perron.
Ziende de drukte daar, 't haastige bewegen van menschen, die weggingen
en menschen die aankwamen, en onverschillige dienstdoenders in uniform,
schaamde hij er zich even over, dat hij zoo vroeg was, weer scherp
voelend zijn gebrek aan, "altijd man van zaken zijn," businesslike,
clever, up to the market.... ja, die Engelschen weten 't. Even bleef hij
staan, vaag hopend Edward zoo te zullen zien komen, alleen naar hem
die alleen was. Maar zoo ging 't natuurlijk niet. Even later kwam de
getrouwde zuster met haar man en daarna ook Edwards vader uit Baarn
en nog later een van zijn broers, die in Utrecht studeerde. Ze gaven
Bernard en elkaar de hand en stonden quasi-kalm, vroolijk-luchtig te
praten met kleine uitroepjes, intusschen allemaal telkens kijkend naar
den kant van waar de trein moest komen, allemaal in de spanning van de
laatste minuten voor een ontroerende gebeurtenis. 't Werd half twaalf,
't werd drie, 't werd vier en vijf minuten over half twaalf. Ze begonnen
op hun horloges te kijken, beurtelings constateerend hoeveel minuten de
trein al over zijn tijd was. 't Duurde lang. En eindelijk wist geen van
de wachtenden iets meer te zeggen. Die vage ongerustheid, die vooraf
gaat aan alle lang verbeide momenten, dat plotseling angstig-nabij
voelen van 't in de dagelijksche soesa bijna vergeten noodlot, 't wreede
toeval, verlamde hun praatvermogen, maakte hun 't wachten tot een
tijdelijke manie; ze deden niets dan wachten. Nu en dan was er een
gefluit in de verte en rekten ze hun halzen uit, maar ze zagen niets.
't Duurde lang.

"Daar-is-t-ie!" riep Bernard eindelijk. Werkelijk was een trein, een
ronden hoek makend, in-eens in 't gezicht gekomen. De zwarte machine,
als een laagvliegend monster, kwam snel-groeiend, recht op hen af; de
grond onder hen begon te dreunen en in de lucht daverde een schurend
gestamp. En, nu zelfs voor ze 't zich nog heelemaal bewust waren, stond
de trein stil met heesch gehijg. Toen 't ongeregelde openstooten van
de portieren en in-eens begon 't perron te wemelen van menschen, een
beweeglijke grauwe massa, een plotseling-verwarrende herrie. Juist werd
een andere trein afgeluid. Allerlei geluiden sloegen tegen elkaar met
een verbijsterend kabaal....

Maar daar! daar was hij, Edward; 't was Bernard, die hem 't eerste zag,
maar hij liet de familie voorgaan om hem te begroeten, zich met moeite
op zij houdend. Maar een blik van herkenning had hij toch al gehad van
zijn vrind en zijn hart bonsde met doffe dreunen op naar zijn keel.
't Waren de oude oogen. En daar hoorde hij ook de stem, klein onder 't
gedaver van den vertrekkenden trein, zeggend: "Dag vader!" 't Was de
oude stem. En, een paar seconden later, daar keek hij recht in die
oogen, en daar voelde hij die vaste, prettig-droge hand in de zijne, en
daar stonden ze elkaars armen te schudden, en te huil-lachen, en met
vertrokken monden woorden van groet en hartelijkheid uit te hijgen. "Ben
jij daar ook weer?" hoorde Bernard, "kerel!...... hoe gaat 't?....
hahaha!.... ja, ja!.... hoe gaat 't!"

't Was wel heelemaal Edward, Edward van vroeger, zijn vrind. Maar ouder,
angstig ouder, veel ouder dan Bernard zich had voorgesteld. Hij was
mager geworden, 't kon zijn dat 't daaraan lag. Zijn trekken waren veel
scherper geworden, zijn oogen lagen dieper en vooral zijn voorhoofd was
veel ouder. Bernard had een gevoel of zijn vrind nu ook ouder was dan
hij. Hij zag bewegingen van hem, een manier van rechtop loopen, die hij
niet kende, bewegingen van bereisd man, van iemand van ondervinding.
Alle slapheid van jeugd was er uit. En in zich zelf voelde Bernard nu
in-eens met een loom-landerige schaamte, nog heelemaal de oude
jongensachtigheid.

Hij had zich ook voorgesteld, dat hij wat met Edward zou kunnen praten.
Maar daar was geen gelegenheid voor. Natuurlijk omringden hem dadelijk
zijn vader, zijn broer, zijn zuster en zwager en vroegen naar allerlei
en zeiden hoe ze vonden dat hij er uitzag en zoo meer. En ze hadden
heelemaal maar zeven minuten voor de trein naar Baarn vertrok. Dat kwam
doordat die trein van Edward zoo over zijn tijd was. En daarbij moest er
nog gezorgd worden voor zijn bagage. Dat nam Bernard toen maar op
zich, want hij kon toch niet praten met zijn vrind. Hij deed 't vlug,
oplettend en secuur, als om zich zelf afleiding te geven in die zorg.
Want achter zijn koortsig-tintelende blijdschap kwam nu al somberen een
gelig-grijs verschiet van teleurstelling, en toen de familie haastig
in den trein gestapt was, die dadelijk wegreed, -- de student en de
getrouwde zuster gingen mee, -- toen hij daar stond, los en koud naast
dien bijna onbekenden man van Edwards zuster, den vertrekkende nog even
nawuivend, en toen hij zich daarna omdraaide en dien vreemden man
een hand gaf en goeden-dag-zei, en langzaam 't station afliep, de
onverschillige straat op, terug naar zijn kantoor, toen was er in plaats
van den verwachten gloed van vreugde een weeë leegte in hem, waarvan
hij wel had kunnen huilen. Alles was gewoon, hard-gewoon op straat; de
menschen liepen en praatten en lachten alsof er niets was gebeurd. En op
kantoor zat een duitsche reiziger op hem te wachten, die hem verwelkomde
met veel strijkages en luidruchtige complimenten. Hij was onaangenaam
kort, een beetje onhebbelijk tegen dien man. Hij stuurde hem gauw
weg, liefst had hij hem de deur uit laten gooien. En met knorrige
onverschilligheid keek hij de post door, die intusschen gekomen was,
en gaf een paar korte standjes aan bedienden en ging toen weer weg,
koffiedrinken, niet aan zijn gewone tafeltje, maar ergens anders,
alleen; hij wilde niemand van zijn kennissen zien.

En daar zittend, tot rust komend onder 't wachten op 't bestelde
dejeuner, begon hij zich te troosten, en kreeg langzaam aan de
blijdschap weer de overhand. Maar kalmpjes, akelig tam, heelemaal geen
fontein van lichtgedachten, zooals hij 't zich had voorgesteld.... Dat
hij nu ook juist zoo weinig tijd had dezer dagen!.... Edward had in de
haast nog beloofd dat hij gauw zou komen.... Wat was gauw komen?.... Was
dat morgen of overmorgen of aanstaanden Zondag pas?.... Hij had geen
tijd van de week naar Baarn te gaan!.... Maar.... Edward was er weer,
dat was ten slotte de hoofdzaak.... Hij was er weer voor een half jaar,
hij bleef den heelen zomer over, en dan althans zou hij 't niet zoo
overkropt druk hebben.... O neen! al gauw niet meer, al in Mei niet
meer! Hij zou Edward zien over te halen tegen dien tijd in Amsterdam te
komen logeeren, bij zijn getrouwde zuster bijvoorbeeld.

Dat vooruitzicht verlichtte zijn stemming weer, zelfs kwam er een sinds
lang niet gekende, rustige vroolijkheid in hem, terwijl hij -- lezend,
onder zijn dejeuneeren door, de woorden van een krant die naast zijn
bord lag -- zat te droomen van de komende middagen en avonden met
Edward. Telkens dacht hij even terug aan die aankomst in die haastige
herrie op 't perron, en dan kwam ook weer die schimmige leegheid van
teleurstelling als een vlaag van killen tocht, maar daarom drong hij dat
aldoor weg uit zijn gedachten, en hij ging zacht zitten fluit-neuriën
om zich gemakkelijker te houden in die luchtige stemming van aangename
vooruitzichten. En zoo liep hij ook naar de Beurs en vertelde daar 't
nieuwtje van Edwards aankomst aan dezen en genen die hem kenden, met een
glans van vroolijkheid in zijn oogen.

Maar 's middags op kantoor, terwijl hij weer net als altijd moest zitten
werken, en denken over zijn zaken, en zorgen voor zijn zaken, toen
voelde hij met machtelooze ergernis zijn stemming weer zakken. Er was
niets aan te doen. De komende dagen, de werkdagen, 't altijd noodige
ploeteren van 's morgens vroeg tot 's avonds laat drukte hem. Hij maakte
er zich verwijten van. 'n Ander, dacht hij, zou niet weten wat hij deed
van halfdronken blijdschap, als zijn beste vrind terug was gekomen, na
jaren van ver-weg zijn, maar ik zit dadelijk weer te tobben, ik akelige,
ontevreden egoïst!.... Maar toch was er niets aan te doen, zijn stemming
werd ál triestiger; zittend aan zijn schrijftafel bij 't raam van zijn
kantoor voelde hij de vervelende zaken-beslommeringen met overstelpende
massa's opgestapeld rond zijn lijf, en de straatgeluiden vielen
loom-somber in zijn zwaar-zorgend hoofd.

's Avonds weer op kantoor -- zoo ging 't nu dikwijls! -- werd 't hem
helder hoe 't kwam. Hij had er zich veel te veel van voorgesteld, hij
had nooit met onbenevelden blik over dat supreme moment van weerzien
heen kunnen kijken. In zijn droomerige verstrooidheid had hij iets
bizonders, een anderen levenstoestand verwacht na dat moment, maar dat
was natuurlijk niet gekomen. Alles was net als vroeger. Alleen woonde nu
een goede vrind van hem niet meer in Batavia, maar in Baarn en was er
kans dat hij hem in de komende maanden eenige malen zou zien. Anders was
er niet. Hij voelde 't nu precies. De werkdagen waren als altijd vroeger
en zooals ze ook wel altijd zouden blijven, een onophoudelijk weer
leegloopend Danaïdenvat van zaken, van inkoopen en verkoopen, van
omzet-vergrooten, relatiën uitbreiden, oppassen voor de concurrentie,
een altijd maar opruimen, afdoen van allerlei papieren en papiertjes.
Ja, een eeuwig en altijd rommel-opredderen....

En ook de avonden waren net als vroeger; hij was er niet minder alleen
om of Edward nu al in Baarn woonde, als hij toch immers niet bij hem
was.

Hij wende daar weer aan in een paar dagen.

Maar met een plotselinge pijn-schrijning als van ruwe steen langs de
huid, en dadelijk daarna met de benauwing van een nieuwen berg
levensondervinding, onverwacht opdoemend uit den mist, en waar hij nog
doorheen zou moeten tobben, hoorde hij een vraag, los-weg gedaan door
André, een dag of wat later. Of Edward niet bij hem geweest was dien
dag, want hij had hem zien loopen in de Kalverstraat, alleen. Neen,
Edward was niet bij hem geweest. Hij zei 't onverschillig, mat, zonder
opkijken.... Maar waarom niet? God, waarom niet? Waarom is hij niet
gekomen, vroeg hij zich dadelijk. Was dan toch ten slotte 't oude gevoel
bij hem verminderd, weggeslonken of verdord en weggekild misschien
binnen de wanden van een aan-zaken-alleen-denkend bankiers-hoofd, de als
roestig ijzer ruig-kille muren van een cijfer-en-paperassen-bergplaats?
Neen, neen, zoo was Edward toch nooit geweest. Was hij hem dan misschien
te-zwaar-op-de-hand geworden, had hij al amusanter kameraden gevonden
om zijn vacantie mee te passeeren, vroolijke vrinden, die 't leven
begrepen?.... Er was innige bitterheid in Bernards overdenkingen terwijl
't gewone gepraat ging aan hun tafeltje van vijf. Hij was stil, maar hij
zorgde er voor net zooveel nog te zeggen nu en dan, dat ze zijn stilheid
niet merkten.

Dien avond moest hij weer laat op kantoor zitten. En toen zijn bedienden
al een heelen tijd weg waren zat hij daar nog, schuin onder zijn lamp,
allerlei dingen af te doen. Hij trachtte aan niets dan zijn werk te
denken, maar hij werd moe; de dag was lang geweest, hij raakte op. En
in-eens overmand door slapte, als verlamd door dof-loomenden weemoed en
zelf-meelij, liet hij zijn schrijvende hand omvallen op 't papier en
snikte even achter de andere, waarmee hij zijn hoofd steunde. Hij kon
veel verdragen, maar dit was te hard, klaagde hij in zich zelf. Hoe had
hij verlangd naar 't weerzien van Edward, zijn eenigen vrind -- dat
had hij hem toch zoo dikwijls geschreven en altijd had de toon van 't
antwoord zuiver teruggeklonken! -- hoe had hij naar hem verlangd en wat
'n teleurstelling was 't voor hem geweest, dat hij hem maar zoo'n paar
enkele minuten had kunnen zien aan 't station!.... Was er dan niets
in Edwards ziel geweest, noch van dat verlangen, noch van die
teleurstelling?!....

't Duurde maar even. Toen hij uitgesnikt had en weer doorging aan
zijn werk, met wat schaamte, 'n beetje ergernis over dat kinderachtig
verdriet, werd hij bedaarder en al gauw heel kalm. Zoo wordt men immers
wijs, zei hij tot zich zelf, nog vol bitterheid, maar niet meer week.
Wijs zijn zij die geen illusiën meer hebben. Dat alleen zijn de wijze,
de welbewapende en gepantserde menschen. Illusiën zijn niets dan even
zooveel kwetsbare plekken aan een menschenziel.

En bedaard ruimde hij kort daarna zijn boeltje op, en sloot zijn
kantoor en ging naar huis, eenzaam door de stille nachtstraten, met een
hoog-rustige, streng-verstandelijke wijsheid in zijn hoofd, met zijn
gevoel als weggesloten achter de grendels der staal-koele overdenking
van zijn verhouding tot de menschen. Hij was alleen, goed, hij zou
alleen zijn. Dat was nog geen ramp. Er waren misschien veel menschen,
die alleen zijn, zonder dat je 't ze aan kunt zien. Hij zou 't leven wel
doorkomen alleen. Niemand zou ooit weten, hoe hij had geleden. Maar hij
zou minder lijden, want er was veel stil genot in 't alleen-zijn, alleen
met jezelf, met de wereld binnen in je. Hoe zuiver vormden zich je
voorstellingen in de eenzaamheid en hoe mooi, hoe fee-mooi werden je
ideeën onder den stillen arbeid van je hersenen, zooals een rotsblok
wordt tot schoonheid, met stille aandacht bebeiteld door den
eenzaam-werkenden kunstenaar. Hij zou alleen zijn, goed, hij kon alleen
zijn -- hij had 't goddank geleerd.... En in een met fijn gedenk,
kunstmatig mooi bewaarde rust legde hij zich dien nacht te bed, en hij
sliep vast en zonder droomen.

             *       *       *       *       *

Maar den anderen dag -- och! daar was zijn gevoel weer en bezat zijn
arme ziel. Daar was zijn gewoon-menschelijk verdriet weer om dat
niet-komen van Edward. En nu -- als een moeder die haar kind sust -- zat
hij zich te beduiden dat 't immers best kon zijn, dat Edward geen tijd
gehad had. Dat hij op een bepaald uur hier of daar had moeten zijn, bij
zijn zuster bijvoorbeeld, of dat hij zaken had af te doen, of.... ja,
honderd andere gewone toevalligheden die hem belet hadden naar Bernard
te gaan! Anders zou hij 't stellig wel gedaan hebben!.... Ofschoon,....
eigenlijk wist hij wel, dat Bernard feitelijk geen tijd zou gehad hebben
om hem te ontvangen. Want zoo was 't immers! Als hij bij hem op kantoor
was komen oploopen, wat zou hij er aan gehad hebben?.... De bedienden om
hen heen zouden alle intimiteit weggenomen hebben en na een kwartier of
een half uur zou Bernard dat gevoel hebben gekregen van: ik moet werken,
er is werk dat baast heeft.... Dat had niets dan een gedwongen gepraat
met pijnlijke zwijgingen kunnen geven, en bij Edward het gevoel dat hij
hem van zijn werk hield, dat hij te veel was. En nieuwe teleurstelling
zou er geweest zijn bij hun scheiding.

't Zou immers veel beter -- o natuurlijk veel beter en aangenamer zijn
dat Edward 's bij hem kwam als hij tijd had, als 't er niet op aankwam
hoe laat 't werd, als ze rustig zouden kunnen samen-zijn en praten,
zonder aan tijd te denken.

Ook 's Zondags daarop kwam Edward niet.

Bernard had 't hem kunnen vragen met een briefje. Hij had 't niet willen
doen. Hij had ook naar Baarn kunnen gaan, maar wie weet of hij soms
stoorde 'n familiefeest; niemand had hem gevraagd. Hij bleef dus in
Amsterdam, hij bleef op zijn kamer dien Zondag, wachtend, lezend, met
lange tusschenpoozen van droomerig denken.

Een nieuwe week van haastig-hard werken volgde. Er kwamen nu telkens
van die dagen waarvan Bernard toen geschreven had aan zijn vrind. Er
zat lente in de lucht. Je voelde je soms onverwacht omwaaid van
een zoetige-zoele koelte, licht van jonge frischheid en zwaar van
zomergeuren; er zat iets nieuws in de lucht, iets vreemds, lekker
aandoend en dan weer in-eens beklemmend, beangstigend bijna,
niet-te-grijpen, niet-te zeggen, maar zuiver te voelen, en dan weer
in-eens weg. Een hoopvolle verwachting van zomersche malschheid, die
lang strijkt en streelt langs 't gelaat, bijna ongemerkt, en dan in-eens
door 't willige lijf vaart en koortsig hijgen doet naar bevrediging
van begeerten-waar-geen-woorden-voor-zijn. En in de lichter wordende
avonden, de dampige, vreemd-geluidenvolle avonden, een plotselinge
kilheid verraderlijk aanstrijkend over 't water, als de hoonende
aanraking van den ouden, ijzig-dorren winter, die nooit weggaat, die
alleen maar wacht, met cynische rustigheid van ouden man, tot het spelen
weer uit is, tot zijn rijk weer is hersteld....

Bernard ging door de straten van zijn kamer naar zijn kantoor en van
daar naar zijn restauratie en naar de Beurs; ergens anders kwam hij
haast niet. Maar toch voelde hij de lente, de lekkere lucht die aaide
langs zijn rug en langs zijn borst, die vluchtige begeerten naar lust
van liefde los liet over zijn gedachten, waar ze dan even mee speelden
als naakte nimfjes met een boschgod, de lentelucht, die zijn ademhaling
korter maakte en zijn slapen en polsen deed gloeien en kloppen, en soms
in-eens zijn voor hem liggend werk verhulde in een trillenden nevel, een
rossig gewirwar, zoodat hij moeite had 't aldoor te blijven zien en er
aan door te gaan met ijver en aandacht. En soms als hij buiten was,
midden op den dag, kwam er een warm-uitslaande, loome volheid in zijn
lijf, en in zijn hoofd een uit het niet gerezen, ernstige verwachting,
als zou er iets bizonders met hem gebeuren.

Maar er gebeurde niets.

Alleen, 's Zaterdags van die week, kreeg hij een briefje van Edward:
"Waarom kom je toch niet 's naar Baarn? Ik verlang er zoo naar je te
zien, je bij me te hebben! Ik had je bepaald verwacht den afgeloopen
Zondag, en reken nu op je voor morgen."

En Bernard kreeg een gloed van schaamte naar zijn hoofd, om al
zijn harde gedachten over zijn verhouding tot zijn vrind. Wat een
ongemotiveerd wantrouwen was dat geweest, niets dan gekrenkte trots en
ijdelheid. 't Was 'n schande.... Eigenlijk moest hij zich zelf verbieden
te gaan morgen.... Maar hij zou 't toch maar doen.

             *       *       *       *       *

Dat was dus de laatste Zondag in Maart, een sterk-lichte dag van zon en
wind en aldoor wisselende luchten, van glijdend drijvende wolkgevaarten,
waar je hel en hemel in zien kon, donker-rotsige afgronden en stralende
tronen omkranst van engelen. Bernard zat in den trein aldoor stil naar
buiten te turen. Snel zeilden de scherpe schaduwen over 't zwarte
voorjaarsland, dat fel opkwam in 't harde licht, snel als groote
vogelen, die vliegen, breedwiekend, laag over de vlakte. Er was onrust,
er was actie in de buiten-dingen. En Bernard voelde zich meelevend in
die actie, in sympathie met zijn omgeving, opgewekt, bijna vroolijk en
met verlangen naar veel beweging. Toen hij aankwam in Baarn zag hij
dadelijk Edward staan, die hem afhaalde, hem al op eenigen afstand de
hand toestak en hem begroette met lachende, beweeglijke hartelijkheid.
En, dadelijk druk pratend, liepen ze samen naar de villa van de familie,
die midden in 't dorp lag.

't Had Edward ook erg gespeten, dat hij Bernard aan 't station te
Amsterdam maar even had kunnen zien. Ja, dat kwam ook door dat late
aankomen van dien beroerden trein! Maar 't was jammer; en nu was hij
waarachtig al veertien dagen in 't land en had hem eigenlijk nog niet
eens gesproken. Maar waarom was hij dan ook niet naar Baarn gekomen?
"Och-god ja! geen tijd, dat's waar, dit is juist je drukste tijd,
hè?.... Kerel, wat een brief was dat, die laatste van je, die van
October.... neen, maar kolossaal, je was op dreef, hoor!.... 't was
geloof ik wel 'n twintig zijdjes...."

Bernard lachte 'n beetje pijnlijk; de luchtige herinnering aan dat
moeitevol geschrijf deed hem onaangenaam aan. "Ik dacht.... dat je....
dat je zoo iets ook van me hebben wou," zei hij, even blozend.

"Zeker!.... Dat is ook zoo!.... O, zulke brieven heb ik zoo graag!....
Je hebt er mij erg veel genoegen mee gedaan...." Edward lachte even,
zenuwachtig. "Ik proefde uit alles zoo mijn ouden Bert!.... nee-maar,
waarachtig, kerel, ik was er erg trotsch op dat je mij je eenigen vrind
noemde...."

"Maar," vervolgde hij na even zwijgen, met een licht, heel
licht-ironisch glimlachje, "je zult me wel toegeven, dat je stemming nu
niet van de allervroolijkste was toen je dien brief schreeft, hè!....
Kom, kom, zoo denk je niet altijd over de dingen!.... Zóó beroerd heb je
't ook niet, is 't wel?.... En je eenige vrind! Wèl ik ben er verduiveld
trotsch op, maar ik had toch eigenlijk nog veel liever dat je rondom dik
in de vrinden zat!.... En ik geloof ook eigenlijk-gezegd niet, dat je je
daarover zoo te beklagen hebt.... Ik geloof om je de waarheid te zeggen,
dat je wel een beetje erg ondankbaar bent, zoo nu en dan, hè?.... Nou
ja! ik weet wel wat je zeggen wilt!...."

"'k Geloof 't niet, dat je weet wat ik zeggen wil," begon Bernard, "je
kunt er wel gelijk in hebben dat ik ondankbaar ben,.... o ja!.... maar
ik weet toch zeker dat ik heel dankbaar ben voor sommige dingen...."

"Als bijvoorbeeld een brief van mij!" vulde Edward weer aan op luchtigen
toon, "ja zeker! dat weet ik ook wel, hoor!.... Maar kom!" zei hij weer
met dat haast onmerkbaar-ironisch lachje, "laten we daar van middag nog
maar 's over praten.... Want van middag moeten we weer 's een echte
ouwerwetsche lange kuiering maken, hè, ouwejongen?"

En dat zeggend keek Edward zijn vrind even van terzij aan, zoo heelemaal
met de oude, lang-gekende vrindenoogen, dat hij met dien blik 't
opgekomen gevoel van niet-begrepen-zijn terugdrong in Bernards gemoed,
achter warme emotie van zich geliefd voelen.

"Dat is best!" zei Bernard met een glimlach van innige vreugde. "Ja,
want nou," ging zijn vrind door, "moet ik je eerst nog een heelen boel
vertellen van mijn reis hierheen." En hij begon een opgewekt relaas van
allerlei wat hij gezien en doorleefd had op reis, telkens afdwalend,
maar ook telkens weer terugkomend op zijn verhaal met een groote
inwendige rust ondanks zijn uiterlijke beweeglijkheid.

En stil luisterend begon Bernard zijn ouden vrind nu langzamerhand
heelemaal te zien en te herkennen. 't Was toch wel zoo: Edward was
ouder geworden. Zijn hoekig, leelijk-onregelmatig gezicht was nog wat
bleek-geliger en nog wat droog-magerder dan vroeger; hij had een paar
dwarse plooien in zijn voorhoofd en in het trekken van zijn mond had hij
iets eigenwijs-deftigdoends, iets ouweheerigs gekregen. Maar zijn oogen,
die waren nog net als vroeger, mooie, donkerbruine, fluweel-zachte
oogen. Zijn oogen maakten zijn leelijkheid innemend, sympathiek, maakten
dat je die leelijkheid eigenlijk niet zag. De toon van zijn blik ging
van droog-eerlijke goedhartigheid tot een diep-vonkelende zieleweelde.
En Bernard voelde misschien beter dan ooit vroeger, dat zijn vrind een
goed man was.

Even voor ze er waren zei Edward: "Je bent in die drie jaar niet
dikwijls bij ons geweest, hè!...." En Bernard, licht blozend weer,
bekende: "Nee, heel weinig!.... Ik heb wel 's een visite gemaakt,....
maar nu toch in een heelen tijd niet!.... Och, je weet, ik heb
nooit veel tijd!" "Ja, ja! altijd die drukte van jou!" zei Edward,
vroolijk-plagend, maar Bernard hoorde in zijn toon, dat hij best begreep
de eigenlijke oorzaak van dat weinig-komen bij de familie van zijn
vrind. En dat was, dat hij niet veel hield van de familie, vooral
niet van Edwards moeder, een statig-deftige, trotsch-vrindelijke,
voorname dame, die over alles sprak en bijna alles afkeurde op een
onuitstaanbaren toon van gezag.

Zij was de eerste die ze zagen, toen ze aangekomen waren in de villa --
een leelijk-vierkanten massief-degelijken bouw, zonder zwier of
statigheid, in een onevenredig-kleinen tuin --; ze vonden haar zitten
in de zijkamer links, met een lorgnet op en een borduurwerk in de hand.
Ze stond op om Bernard met beleefde vriendelijkheid te begroeten.
Glimlachend vroeg ze hoe 't hem ging en hoe zijn oom en tante 't
maakten, en schoof hem een stoel toe. Maar toen hij even zat begon ze:
"Wat hebben we jou in geen tijd gezien! -- Wel, laat 's kijken.... dat
is, geloof ik, wel een heel jaar!" "'k Geloof 't ook, mevrouw," zei
Bernard en hij praatte weer zoowat over zijn drukte altijd.

"Och, maar je moest je toch niet zoo door je zaken laten ringelooren,
jongelief, wat een dwaasheid!.... Zaken zijn om te leven!.... Niet
andersom!.... En dan, kijk 's even aan: wij kennen je nu wel, maar
heusch.... héél.... véél.... ándere menschen zullen je heel onbeleefd
vinden,.... zullen je kwalijk nemen dat je ze zoo verwaarloost...."

"Nou, mevrouw, nu overdrijft u toch een beetje!.... Ik geloof niet, dat
er veel menschen zijn, die over me denken, als ze me niet zien."

"Dát zeg ik ook niet!.... dát 's wel mogelijk!.... dát weet ik
natuurlijk niet!.... Maar áls ze aan je denken, dan zeggen ze: wel foei,
wat 'n onbeleefd heer is die jonge Bandt!.... die weet niet hoe 't
hoort!.... Ja jongen, je weet wel, ik zeg 't altijd maar net zooals ik
er over denk. Ik heb me altijd zoo'n beetje beschouwd als een tante van
je, die je wel zoo er 's à faire mocht nemen!...."

"Maar mama," viel Edward in, "neem me niet kwalijk, hoor! maar nou vind
ik toch wezenlijk, dat u zelf heel onbeleefd wordt tegen Bernard, door
hem dadelijk bij zijn aankomst al een standje toe te dienen!.... De arme
jongen is er beduusd van!.... Trek jij je 'r maar niks van aan, hoor
Bert!...."

"Nota bene," antwoordde ze langzaam, "zeg 's, jij hebt daar uit Indië
ook fijne manieren meegebracht!.... Maar al spreken die liplappen daar
zoo tegen hun mama's, dat is nog geen reden om 't hier in te voeren."

Haar wat slepende, zuiver en correct uitsprekende stem was aldoor
damesachtig-zacht, hoog-vrindelijk, maar Bernard voelde toch dat 't maar
veiliger was gauw over wat anders te praten en dus vroeg hij schielijk:
"En hoe maakt meneer 't, en Truida en Frits?" "O, dank je! heel goed,"
zei mevrouw, "Frits zal je vandaag niet zien, hij moest uit dineeren in
Utrecht." "En hebt u goede berichten van Herman uit Hannover?" "Zóó....
zóó!" zei ze, "de jongen verduitscht me daar te veel,.... hij schijnt
nogal met drinkeboers om te gaan, hij schrijft telkens over zoo'n
bierkommers -- of hoe heet zoo'n ding, -- dat bevalt me niet erg. Die
duitsche distinctie, dat is ook al niet dàt! -- net zoo min als de
indische...."

Edward keek Bernard quasi-somber aan, zijn mond naar voren zettend om
kinderlijk-deemoedige verlegenheid na te bootsen, en gaf hem toen een
vroolijk knipoogje.

In de gang hoorden ze intusschen geloop van thuis-komende menschen en
even later kwamen Edwards vader en zijn zuster Truida, een meisje
van zeventien of achttien jaar, de kamer in. De heer van Laeken
groette Bernard met een luchtige, ietwat zwierig-geaffecteerde
vriendschappelijkheid, maar niet joviaal, en 't meisje zei hem heel
stijfjes goeden-dag.

En ze gingen even zitten praten in een vormelijk half-kringetje.

"Vind-je niet, dat Eddy er perfect uit ziet," vroeg meneer. "Nee,"
antwoordde Bernard. Hij vond 't niet, integendeel, hij vond dat Edward
veel ouder was geworden en dat hij er een beetje vermoeid uitzag.

"Hoe zeg je?.... vermoeid?.... ja, ja, dat kan ook wel!" zei de vader,
zijn sigaret aanstekend, die bij 't binnenkomen uitgegaan was. "Hij
heeft nogal besognes gehad!.... en dan de reis!.... ja.... ja!.... je
moet zoowat doen in de wereld tegenwoordig!.... Maar hij heeft dan ook
aardig promotie gemaakt, vindt je niet?.... Heeft hij 't je al
verteld?...."

"Nee," zei Edward, "we hebben 't nog niet over de zaken gehad."

"O!.... nou maar! dat zul-je dan nog wel hooren!.... hij moet 't je maar
's precies vertellen.... Dat wordt een persoon van gewicht in Indië,
hoor! Dat komt over een jaar of wat thuis met een lintje, pas op!"

Edward lachte, kort en zwaar met een beetje minachting, maar ook met
iets van verlegenheid tegenover Bernard. "Ja, ja!.... Ik denk 't ook,"
zei hij, "maar, 't is waar, ik heb nog al geboft, en ik zal er wel komen
daar.... En ik heb er ook veel plezier in," voegde hij er bij, na even
zwijgen, op verhoogden toon, als wou hij die verlegenheid weggooien.

"Daar heb-je 't, zie je," zei zijn vader, "dat is 't voornaamste, dat
vind ik ook!.... Waar je plezier in hebt, dat doe je goed. Als je geen
plezier hebt in je zaken,.... dan zal-je ze ook nooit goed doen," zei
hij, zich naar Bernard draaiend met 't glimlachend gezicht en de gebaren
van een goochelaar, die een schotel met goudvisschen uit zijn binnenzak
haalt.

"Die bankzaken lijken me toch anders niet erg verkwikkelijk," zei
mevrouw, langzaam en vrindelijk, doorbordurend met een kalm-gracelijke
armbeweging. Niemand gaf antwoord. Er volgde een stilte met wat gekuch.
Truida keek met verdrietig-opgetrokken wenkbrauwen 't raam uit.

Bernard vond dat 't gezin er niet amusanter op was geworden in dat jaar
van zijn verwaarloozing. Hij was blij toen de meid kwam zeggen dat
de koffie klaar was. Aan zoo'n koffietafel, dacht hij, daar heb-je
tenminste wat te doen. Maar 't viel ook niet mee. De stemming bleef
koud. Er werd gepraat maar er was aldoor een zekere verveeldheid in de
stemmen, een geluid of ze dadelijk zouden gaan geeuwen, en de ouders van
Edward schenen elkaar ook niet erg meer te boeien; Bernard merkte dat
veel meer dan vroeger. Het meisje zei enkel nu en dan iets over 't weer,
met een vadsig-lijmige stem, alsof 't haar eigenlijk te veel was om
haar mond open te doen. Bernard voelde zich alweer verlicht toen 't
afgeloopen was en Edward hem dadelijk meenam naar zijn kamer, om hem
allerlei dingen te laten zien, die hij meegebracht had. Ook voor hem had
hij wat, een mooie kris met een gesneden ivoren heft. Bernard was er
heel blij mee; hij bekeek 't mooie ding met eerbied, met iets van stille
aanbidding, hij vond 't mysterieus als een lang van binnen bekeken
bloem, een heerlijk bezit. Hij vond 't een genot het fijn-glooiende,
scherp-gepunte staal koel te voelen in zijn hand en het snijwerk gaf hem
een gevoel van jaloersche bewondering, voor die menschen, die dat daar
zitten te maken in stille aandacht, zooals hij 't wel 's gezien had op
een tentoonstelling, die menschen die niets doen dan mooie dingen maken
en zeker zacht-weemoedig-gelukkig zijn....

"Maar nou vooruit, aan den wandel, vóór 't weer verandert," zei Edward,
en haastig trokken ze hun jassen aan en gingen op weg.

En ze maakten een mooie wandeling samen, breede lanen door, langs
uitgestrekte buitenplaatsen, waarvan de huizen, als wijkplaatsen van
intiem genot, rustig-ver van den weg lagen, en ook door dorre,
bladerlooze bosschen, stille, verlaten bosschen, over wegen, half
verwoest door 't winterweer, en ook over de eenzame, wijd-naakte
heigronden. En ze praatten veel, vooral in 't begin. Edward had nog te
vertellen van zijn leven in Indië en van de terugreis en later begon
hij te vragen naar een heelen boel menschen, die hij gekend had in
Amsterdam.

Terloops, toen Edward even zwijgend doorliep, verwerkend wat hij gehoord
had over een ouden kennis, zei Bernard: "Hé, je bent verleden week nog
in Amsterdam geweest, nietwaar? André had je zien loopen in de
Kalverstraat."

Edward keek op. "O ja," zei hij, met een zweem van verlegenheid. "Ja....
ik moest er even zijn,.... 'n boodschap doen!.... En Jan en Anna hadden
me op de koffie gevraagd.... 'k Had graag nog even bij jou aangeloopen,
maar.... eigenlijk hebben ze me aan de praat gehouden,.... ik kon 't
niet meer halen.... Wie zag me, zeg je? André?"

"Ja," zei Bernard kort.

"Hoe gaat 't dien?" vroeg Edward.

"O, best.... 'k zie 'm zooals je weet haast allen dag!.... We eten samen
met Sam van 't Hout en nog een paar lui...."

"Ja.... ja!.... Aardige vent, die André!.... 'k Mocht 'm altijd
graag!.... 'n Beetje druk...."

"En een beetje oppervlakkig," zei Bernard.

"Nou ja, mijn God, kerel!.... ja, ja! dat 's wel waar, maar.... heeft
hij dan toch ook ten slotte geen gelijk met zich de dingen niet te veel
aan te trekken,.... waarachtig, je kunt dat ook _te_ veel doen,.... je
kunt ook _al te_ -- hoe zal ik zeggen? .... degelijk is 't woord
niet,.... te diep.... te zwaar zijn!...."

"Zóó? Heb jij dat ook ingezien," vroeg Bernard, licht spottend.

"Eerlijk gezegd: ja!.... Ik ben, geloof ik, wel wat luchtiger
geworden!.... Misschien kwam 't wel omdat ik jou ernst niet meer
om me heen voelde!.... Ik voel me doorgaans opgewekt, levenslustig
tegenwoordig en erg optimistisch!.... Misschien ook is 't klimaat daar
in Indië bizonder geschikt voor me!.... 't Is een feit dat ik er me
lekker voel, ik kan best tegen de warmte; je weet: ik ben van ouds een
koudkleum.... En dan, misschien ben ik ook wel een beetje meer practisch
filosoof geworden!.... De ondervinding in 't zakenleven en zoo'n heel
nieuwe omgeving met zooveel verschillende menschen,.... dat doet ook
wat!.... Ik voel dat een heele boel dingen, waar ik vroeger wel mee
dweepte, me nu niet warm meer zouden maken!.... Ja.... ja!.... ik weet
't wel: jij zult dat droogstoppelig-prozaisch vinden!.... 't Valt je
tegen van me, maar.... ik moet 't toch wel zeggen, want 't is nu eenmaal
zoo!...."

"Ja, natuurlijk," zei Bernard op matten toon. "En je zult ook wel gelijk
hebben...." Maar hij wist eigenlijk niet goed wat hij zei. Hij wist niet
eens precies wat Edward gezegd had. Hij had alleen zijn stem gehoord,
die klonk als van iemand die iets zwaars op zij duwt. En hij had in-eens
begrepen, dat zijn zwaarmoedigheid zijn vrind drukte, hij had in-eens
heel duidelijk gevoeld, dat 't ook wel niet anders kon, want dat hij
zwaar was, te zwaar voor anderen. Zijn gedachten, zijn idealen, zijn
opvattingen van alles, waren zwaar. O, 't drukte hem zelf zoo, altijd
overal dat zware.

Ze zwegen een poos en Bernard voelde 'n grijze triestigheid trekken over
alles wat hij zag en over hem zelf. 't Was of er een nevel kwam voor
zijn starenden blik. En hij voelde zich moe, loom. Sjokkerig en eenzaam
als een landlooper voelde hij zich gaan over den weg. Al dat opgewekte
van den morgen, dat verlangen naar actie, naar beweging was weer weg.

Maar plotseling -- 't bloed sloeg hem naar 't hoofd met een schok als
van schrik -- neen, neen! hij wilde die stemming niet! Hij wilde zijn
besten vrind niet vervelen de eerste maal, dat hij weer met hem was. Hij
moest zich overwinnen, hij moest dat van zich gooien. Want anders -- die
gedachte was 't die als een vlijmende pijn door zijn ziel getrild had en
hij had dat voor zich gezien als een visioen -- anders zou Edward hem
uit den weg gaan loopen, dan zouden Edward en zijn andere vrinden, die
vroolijk waren en echt-jong, elkaar ontmoeten en lachen samen en hij,
Bernard, zou er uit raken, en hij zou heelemaal, heelemaal alleen
zijn. Neen,.... neen,.... dat nog niet!.... hij zou 't toch nog niet
kunnen,.... en hij wou 't ook niet, hij wou Edward niet verliezen, hem
afstaan aan anderen....

En hij was 't die nu weer begon te praten, -- met een opgeruimde,
toonige, ietwat te hooge stem, -- te vragen naar 't leven in Indië, hoe
dit daar ging en hoe ze dát daar deden. En Edward keek hem wel even
schuw-verbaasd aan, maar hij gaf dadelijk op denzelfden toon antwoord,
en een heelen tijd praatten ze weer door op die manier.

Maar toen ze, tegen vier uur, aan een uitspanning waren gekomen en daar
een borrel zaten te drinken, begon Edward in-eens: "Zeg 's, je moet
nou niet denken, dat ik niet merk, dat je je vroolijker houdt dan je
eigenlijk bent. Dat doe je om mij,.... zie je, en dat vind ik toch ook
niet prettig. Zoo zijn wij nooit samen geweest! Praat met mij ronduit
over alles wat je hindert, en ik zal mijn best doen je.... te raden,....
te helpen...."

Dat was heel hartelijk bedoeld, Bernard hoorde 't. En toch deed 't hem
pijnlijk aan, met naar-weeë schrijning. Hij wist zelf niet hoe 't kwam.
Was 't Edwards stem, die 'n beetje aarzelend, zijn toon die ietwat
meelijdend-beschermend was, of zijn woordenkeus!.... Hij wist 't
niet.... Edward had gelijk, 't was niet prettig voor hem, bij God neen,
niet prettig, prettig, prettig....

"Dank je!...." zei hij, hem even aankijkend met een matten, droomerigen
blik, "je bent heel hartelijk voor me.... Je bent trouwens altijd zoo
voor me geweest.... Maar.... maar.... re.... laten we toch maar liever
gewoon doorkletsen! Nee, zie je!.... laat ik maar niet te veel gaan
praten over me zelf!.... Ik vind dát toch eigenlijk ook lang niet
prettig.... Je weet wel, ik houd er niet van!...."

"Nou, zooals je wilt," zei Edward, toonloos.

"Kom! ga je mee," vroeg hij even later. En hij betaalde. Ze stonden op
en liepen verder, op weg naar huis nu. Ze waren allebei stil, zwijgend
naast elkaar gaand tot Bernard weer begon. "Kom, kerel, ben je nou gek!
Trek-je je dat nou wezenlijk aan?.... Wat een nonsens!.... Mijn God! ik
heb toch immers niets! Ik heb toch geen kwaal, ik ben toch niet hopeloos
verliefd!.... Als ik niet opgewekt ben, dan ligt dat aan mezelf en aan
mezelf alleen. Waarom zou ik daar nou over loopen zeuren?...."

En Edward draaide zich half om naar hem en zei heftig, blijkbaar wat
opgewonden: "Juist! Daar wou ik je hebben! Nu sla je den spijker op
zijn kop! 't Doet me verdomd veel plezier, dat je 't nou zelf zegt, dat
't alleen aan je zelf ligt. Zoo is 't ook. Je bent wat melancholisch
aangelegd en je geeft daar te veel aan toe.... Dat is niet goed, niet
flink! Je moet je daartegen verzetten met al de kracht die in je is. Je
bent nog zoo jong, kerel, je hebt nog haast je heele leven voor je,
bedenk dat toch, en houdt je zelf frisch en moedig!...."

"Zeker!" zei Bernard, -- die maar blij was dat zijn vrind 't zich
blijkbaar toch niet zoo aantrok en weer gewoon praatte. -- "Zeker, zoo
is 't ook!.... Ik heb immers al gezegd dat je gelijk hadt.... Denk-je
dat ik 't allemaal niet weet wat je daar zegt?.... Ik beloof je; ik zal
mijn best doen. Kom jij, in den tijd dat je nog hier in 't land bent,
maar veel bij me. Dat zal me wel goed doen...."

"Goed!.... graag! 'k beloof 't je," zei Edward. "Maar zeg me nu nog één
ding: ben je werkelijk niet verliefd?"

"Nee!" zei Bernard.

"Ook niet geweest in den laatsten tijd?.... Dat 's wel een wonder voor
jou!"

"Dat zou 't ook zijn," zei Bernard glimlachend. En hij vertelde met
een kalme vertel-stem van de trouwpartij en van Mimi. Edward luisterde
aldoor aandachtig, vol belangstelling, glimlachend als iemand die innig
plezier heeft in een verhaal. Hij scheen weer heelemaal over zijn
ergernis heen.... "En hoe komt 't dat dat nu zoo heelemaal bij je weg
is," vroeg hij ten slotte.

"Wel, ik weet 't waarachtig niet," zei Bernard. "'t Was toch zeker niet
dat!.... Ik denk haast nooit meer aan haar tegenwoordig.... Als ik
morgen haar verlovingskaart kreeg, zou 't misschien even...... Nee! ik
geloof eigenlijk dat 't me onverschillig zou laten. Ik zou haar een
kaartje sturen, en wat bloemen.... of ook niet...."

"Je moet me haar toch 's laten kijken," zei Edward, aldoor glimlachend,
"ik ken haar, geloof ik, nog wel van vroeger.... Wel ja, ik geloof
haast, dat ik 'r wel 's ontmoet heb indertijd bij van den Bosch aan
huis.... Ik kwam daar nog al dikwijls, herinner je je wel?.... 't Zijn
familievrinden van ons.... Ik zal er weer 's gauw een visite gaan
maken...."

"Wel ja, misschien zie je haar dan ook wel weer 's," zei Bernard met een
stem alsof hij over wat anders dacht.

"Ik hoop 't," zei Edward. "Want zie je ik ben net in een stemming dezer
dagen om gecharmeerd te worden op zoo'n soort meisje.... En als ik jou
dan toch niet in de wielen rijd...." Hij keek Bernard even spottend aan,
maar die zei eenvoudigweg en met een strak gezicht: "Ga jij je gang,
hoor!"

Ze bleven nu doorpraten over allerlei menschen tot ze thuis waren.

Mevrouw begreep al niet waar ze bleven. "Ben je niet doodmoe?" vroeg ze
aan Bernard.

Er was visite geweest. Natuurlijk! De menschen kwamen voor Edward.
't Was wel jammer dat hij nooit thuis was. Hij begreep toch wel dat er
dezer dagen, en vooral 's Zondags, kennissen kwamen om hem te
verwelkomen!

"We hebben een goddelijke wandeling gemaakt, mama," zei Edward.

"Dat kan ik me denken," zei ze, "'t is nu nog al een seizoen voor zulke
tochten!.... Waarom heb je dan tenminste de brik niet genomen, als jelie
dan met alle geweld er op uit woudt.... Geloof me, jongelief, je zult je
nog ziek maken...."

Aan tafel was weer dezelfde stemming als 's morgens. Alleen was papa wat
spraakzamer en zijn vroolijkheid wat natuurlijk, wat jovialer. Hij deed
verhalen uit zijn jonge jaren, soms even met een schuwen blik naar zijn
vrouw, die intusschen, als hoorde ze 't niet, zacht met Truida zat te
praten, nu en dan over haar heen den tuin inkijkend, met een air van
licht-gemelijk, maar berustend dédain.

Ze tafelden lang; er was een uitgebreid menu.

En de heeren bleven nog wat napraten, met fijne sigaren, koffie en
pousjes. En meneer raakte erg op dreef. Hij vertelde een paar dingen
waaruit bleek dat hij 's middags op de societeit was geweest. Hij vroeg
herhaaldelijk, met vergenoegde knipoogjes, wat Bernard wel zei van
Edward, of hij ook niet dacht dat hij een piet zou worden daar in Indië.
Ja zeker, dat dacht Bernard ook.

Toen ze daarna thee-gedronken hadden bij de dames en net nog wat zouden
gaan whisten, merkte Bernard op dat 't zijn tijd was. Och, maar dat was
jammer, vond meneer, zichtbaar teleurgesteld; hij moest vooral 's gauw
terugkomen.

Edward bracht hem naar den trein. Onderweg maakten ze nog een afspraak
voor de volgende week. Dan zou Edward den Zondag in Amsterdam komen
doorbrengen en bij Bernard, op de kanapee, logeeren.

En Bernard was weer alleen in den trein. Maar hij voelde 't nog niet
dadelijk, 't alleen-zijn. In zijn warm hoofd roesde en soesde nog al
't gepraat van den dag, hij hoorde aldoor de stemmen van Edward en zijn
vader. En hij gaf opzettelijk toe aan dat roezige in hem, dommelend in
een hoek van de coupé; hij zat aan allerlei kleinigheden te denken en
aan Edwards familie en liet niets tot volle helderheid komen in zijn
geest. Hij wou den algemeenen indruk van dien dag, van den eersten dag
met Edward, niet voor morgen nagaan in zich zelf. Hij wou eerst slapen.
Dat zei hij telkens in zich zelf: eerst slapen. Toen hij weer in de open
lucht kwam, loopend van 't station naar zijn kamer, wou 't telkens boven
komen, 't denken over dien indruk. Maar met een vagen angst herhaalde
hij in zich zelf: eerst slapen.

En 't lukte. Hij was moe van den ongewonen dag-in-de-lucht en die lange
wandeling.



XI.


Maar buitengewoon moeilijk was hem dien Maandagmorgen 't opstaan. 't Was
of de slaap hem geen rust gebracht had, hij voelde zich geknakt in den
rug, van moeheid, en volkomen lusteloos. Met een onbestemd gevoel van
bange benauwing -- zonder zich er in te denken -- zag hij op tegen den
dag. Een heele poos bleef hij half wakker met open oogen, liggen in
zijn bed. 't Was of de tijd hem niet aanging. Maar met een druk-dringend
geklop op zijn deur kwam zijn juffrouw hem weer roepen, met een
hoog-schelle stem, heesch van schrik en ontzetting over zijn ongewone
luiheid: "Meneer!.... weet u wel dat 't bij half-negen is?....
meneer!.... meneer!"

"Ja, ja!" riep hij nijdig terug en bromde: "stik toch!" en in-eens trok
hij zich de dekens tot om 't hoofd en kwam 't in hem op 't nu eens niet
te doen, 't te verdommen, gladweg.... Maar -- beter wakker nu -- schoten
hem met een sarrende kalmte van noodzakelijkheid allerlei dingen in,
waar hij bepaald voor zorgen moest vandaag, en de bedienden konden niet
opschieten, want hij had den sleutel van de brandkast in zijn zak, en er
kwam hem iemand spreken, tegen tien uur.... En even later trapte hij met
driftigen wrevel zijn dekens van zich af en liet zich uit zijn bed
zakken.

Er was aldoor nog iets anders dan 't gewone alledag-kantoorleven, waar
hij tegen op zag, maar hij liet 't niet nader komen, -- vaag voelde hij
't dreigen als wanhoopsstemmen in de verte.

En toen hij de frischheid van 't water gevoeld had en, zich afdrogend,
naar een raam van zijn kamer liep om even te zien wat voor weer 't was,
herinnerde hij zich in-eens zijn gister-avond-plan om nu, van morgen, --
in den kil-nuchteren stadsmorgen -- in zich na te gaan den indruk van
dien eersten dag met Edward, maar, wrevelig, drong hij dat weer uit zijn
gedachten, 't uitstellend onder voorwendsel-voor-zich-zelf, dat hij geen
tijd had, dat hij denken moest aan zijn zaken.

Maar 't werk viel mee dien morgen, en tegen elf uur, terwijl hij aan
zijn lessenaar zat te schrijven een paar brieven, kwam 't nader, àl
nader, 't dreigende in zijn ziel, en 't hielp niet meer of hij al zijn
best deed zijn hoofd te houden bij zijn zakengeschrijf, in-eens bonkte
't op hem neer en wrong 't zich in hem, met onwrikbare stevigheid --
als een schroef die met een domme-kracht gedraaid wordt in 't wijkende
hout: -- Dat is uit, je hebt geen vrind meer!.... Er was lijdelijk,
lijdend verzet in hem, hij wilde niet, maar hij moest; onmachtig
onderging hij zijn scherp vaststellende gedachten. En er kwam een zacht,
onhoorbaar-kreunend geklaag in zijn gemoed: Er is geen vrindschap....
Er is geen vrindschap....

Intusschen schreef hij door, korte, zakelijke zinnen, over provisiën en
termijnen van betaling. Het was zijn gewone, regelmatige handschrift,
groot-open, zonder krullen. Wonderlijk los was zijn bijna machinaal
aan-zaken-gedenk van die zware gedachten, die als van-zelf ontstonden,
zich verdrongen en ophoopten in zijn achterhoofd. 't Was of een
diep-sombere stem daar sprak, toonloos, maar doordringend zijn
gansche zijn: De mensch is alleen. Er zijn geen vrinden. Er is geen
vertrouwelijkheid. Sympathie is bedrog. Gevoel is niet te deelen.
Niemand kan een ander geven wat hij heeft zonder 't zelf te
verliezen.... En telkens terugkeerend, allengs vergrijzend,
weg-somberend in de doffe melancolie: De mensch is alleen....

In 't koffie-uur, terwijl hij liep op straat en terwijl hij zat te
dejeuneeren, met Sam, -- ze lazen allebei de krant, -- en daarna,
terwijl hij slenterend opliep naar de Beurs, deed hij zijn best in zich
op te diepen en dan te bekijken zijn aparte indrukken van gisteren -- nu
niet bang meer voor teleurstelling, want in zijn somberheid van nu was
alles egaal grijs, zonder tinting van bizondere stemmingen, en alle
gedachten gelijkwaardig als de steenen van de straat. En 't was
onmogelijk over te voelen de sensaties van gisteren, want er hing een
nevel van melancolie overheen en er was een minachting in hem voor al
die sentimenten, die de moeite niet waard waren, die, als ze even
opkwamen, zwak en schraal, dadelijk werden weggeslorpt in zijn
somberheid, als in een moeras dat treurig-onvruchtbaar zich uitstrekt
tot den horizon.

Zoo leefde hij ook dien middag door. En aan tafel, met zijn
tafelvrinden, zijn kameraden van allen dag, vonden ze hem stil en in
zich zelf gekeerd, maar dat was hij wel 's meer, ze namen er niet veel
notitie van. André vroeg naar Edward, en hij vertelde kalmpjes en droog
de feiten van gisteren, met een blanke conversatiestem, en hij zei dat
Edward den volgenden Zondag in Amsterdam komen zou. "Zoo!.... komt-ie 's
fuiven hier?...." vroeg André. "Mooi!.... dan zullen we 'm 's fijn
ontvangen, hè?.... Wat doen we met 'm?"

"'k Weet nog niet!.... 'k Zal nog 's zien!...." zei Bernard. 's Avonds,
alleen in zijn kamer zittend, nu en dan wat lezend en dan weer soezend,
starend in de stille vlam van zijn lamp, werd zijn stemming draaglijker,
niet meer zoo drukkend, en rustiger. Dat bedaarde, van verstandig en
resoluut alleen-leven keerde terug. Vooral ook als hij zich bewoog, als
hij liep door zijn kamer, met kalme, stil-aandachtige bereddering,
voelde hij dat in zijn bewegingen.

En dat hield hij ook den volgenden en daarop volgenden dag. Hij bewaakte
die stemming zorgvuldig. 's Middags aan tafel zat hij bedaard te praten
over alles wat toevallig ter sprake kwam, met een niet-opvallende
gelijkmatigheid. 's Woensdags ging hij naar de comedie, in 't rustig
gezelschap van Hendrik, en liet zich bezighouden met een aangenaam
gevoel van niets beters te doen te hebben. Verder dan ooit van den
levenslust, kwam hij in een soort van goede-verstandhouding met het
leven, iets dat leek op vrede, op te-vreden-zijn.

Donderdagsavonds bleef hij weer laat op kantoor allerlei dingen afdoen,
waar hij een oogenblik kalm voor zitten moest, zonder storing. En
tusschen de dingen door soms even stil peinzend dacht hij zonder
verdriet aan Edward. Zeker, hij hield nog veel van zijn ouden vrind. En
Edward van hem ook, o! zonder twijfel! Beiden hadden ze den wil in zich,
den goeden wil, elkaar zooveel mogelijk te helpen en genoegen te doen,
en misschien begrepen ze elkander nu en dan ook wel even.... Zeker! o
ja! daar was veel goeds in. Edward was hem trouw en hij was Edward
trouw. Zeker voelde ook zijn vrind die trouw als een soort van heilige
afspraak, een verbond zooals in vroegere eeuwen zwervende ridders samen
sloten, broederlijke vrinden blijvend al zagen ze elkaars gelaat in
lange jaren niet. Zij waren immers van de ridders van deze tijden, ze
waren gentlemen. En zij hielden van elkaar. Er was geen twijfel aan; hun
vrindschap stond hoog, was misschien wel 't hoogst-bereikbare tusschen
twee menschen, twee van die werelden die mensch heeten.... wie weet
't?.... Maar vrindschap?.... Bernards gedachten van dien avond
losten zich op in een glimlach, een koel-hoogen, ster-hoog
ironisch-minachtenden ziele-glimlach.

Maar Vrijdag -- zooals een stormige morgen komt na een stil-helderen
nacht -- was weer onrustig, oproerig, mokkend. Hij voelde zich als
weggeduwd, met hoongelach, in een put van gewoonheid en minne
beslommering, als opgesloten, terwijl anderen samen-leefden. En
plotseling in den namiddag schrok hij van een nieuw gevoel, dat
vreemd-licht opsloeg naar zijn hoofd, hij wist niet waar vandaan. Hij
was bang dat 't wanhoop was, hij was bang, bang voor zich zelf. Hij
dorst -- nog nooit had hij dat gehad -- 's avonds niet op zijn kamer te
blijven, alleen; hij ging uit, met André en een paar andere kennissen en
dronk veel, zoodat hij zich den volgenden dag physiek-ellendig voelde,
dien dag doorzeurend, verlangend naar zijn bed, en zich heel vroeg te
slapen lei, met een wil -- een soort plichtsbesef -- om frisch en helder
te zijn dien Zondag als Edward kwam.

Hij was dan ook weer beter, weer gewoon dien Zondag. Hij was ook weer
bedaard, kalm-somber. 't Speet hem dat 't regende. Dat was lastig, hij
had willen wandelen met Edward. Niet omdat zoo'n lange wandeling hem
nog aanlokte -- dat was voorbij -- maar omdat die 't best den middag
vulde. Nu zou 't wel weer worden een blijven hangen in kamers en
koffiehuizen. Hij kende dat, hij proefde 't al.

Toen hij, achter op de tram, naar 't station reed om Edward af te
halen, keek hij telkens naar de lucht, hopend dat 't wat lichter worden
zou. Maar 't werd niet lichter, en 't regende door, 't was een echte
regendag. Hij zette zich er dus over heen. Wat kon 't hem eigenlijk ook
schelen. De dag kwam wel weer om, wel zeker, 't zou zelfs wel gezellig
zijn met Edward en André en Sam, vroolijke lui. Bedaard wachtend liep
hij op 't perron heen en weer, nauwelijks merkend dat de trein weer
wat te laat kwam. En hij ontving zijn vrind met gul-lachende
vrindschappelijkheid.

Edward was vroolijk en spraakzaam. Hij was blij dat hij weer 's in
Amsterdam was. 't Begon hem eigenlijk al erg te vervelen in Baarn. Hij
was al 's naar Utrecht geweest, naar zijn broer, en hij dacht van den
zomer naar Hannover te gaan en met Herman een reisje te maken in den
Harz of zoo. Hij zou hem er over schrijven. Maar eerst, ja, ja.... eerst
kwam hij in Amsterdam logeeren, waarschijnlijk al gauw, in April nog,
bij zijn zuster. Hij had ook nog heel wat zaken af te doen in Amsterdam,
van de week was hij daarvoor ook nog 's een dag in de stad geweest;
helaas had hij weer geen tijd gehad bij Bernard aan te loopen.

Bernard luisterde rustig naar zijn ijverig pratenden vrind en zei
nu-en-dan ook een paar woorden met een opgeruimde, kalm-blanke stem,
aldoor in die stemming van stil-wijs evenwicht, berustend in zijn
alleen-zijn, zonder behoefte aan uiting en bijval, koel versmadend de
soort van troost die komen kon van wat men vrienden noemde. Hij was ook
vast besloten in die gemoedshouding te blijven dien dag, zich niet te
laten storen.

Maar 't mislukte weer volkomen.

Ze zouden koffiedrinken in "de Poort." Daar zat André hen al op
te wachten. Hij en Edward begroetten elkaar met joviaal-lustige
hartelijkheid en een zekere heimelijke verstandhouding. Tenminste
Bernard voelde 't zoo terwijl hij er bij stond. 't Was hem dadelijk of
die twee elkaar lachend deden opmerken zijn figuur van dooien-diender.
Een chagrijnig gevoel van dupe-zijn kwam snel in hem op.

Ze zouden voorloopig met-z'n-drieën blijven. Hendrik was naar Haarlem,
Gerrit was ook uit de stad en Sam zou hen komen treffen tegen vijf uur
in een café. Met-z'n-drieën gingen ze dus zitten dejeuneeren, en bijna
voortdurend praatten Edward en André samen, wat heel natuurlijk was,
redeneerde Bernard tegen zich zelf, want ze hadden elkaar nog niet
weergezien.

Maar 't hinderde hem toch.

Daar was weer niets aan te doen.

Hij hoorde hoe heel anders, hoe veel opgewekter, jonger, joliger, dat
praten van Edward met André was dan zijn eigen gesprekken met zijn
vrind, daar net nog op straat en den vorigen Zondag. Hij voelde dat die
twee elkaar bevielen, dat ze iets zonnigs, iets prettigs waren voor
elkaar, Edward voor André en André voor Edward. En hij was jaloersch op
André en 't ergerde hem dat hij jaloersch was. Hoe kinderachtig was dat
nu weer, hoe beroerd dat hij zijn stemming van bedaard en verstandig
alleen-zijn niet wist te bewaren!.... Waar was die stemming nu?....
weg.... totaal weg!.... Hij was wee-leeg van stemming nu, wrevelig; hij
voelde zich als zonder doel neergegooid in een warboel van antipathieke
gedachte-scheuten en sentiment-vleugjes, hij voelde een vijandige
onverschilligheid om zich heen in 't drukke lawaaiige café.

Rondom hun tafeltje stonden andere tafeltjes, naakt-houten
koffiehuistafeltjes, en daaraan zaten allerlei mannen, heer-menschen,
met oplettendheid lekker te eten en te praten met gezichten die wat
uitdrukten: genot, genoegelijkheid, blijdschap, belangstelling, -- er
was er een die keek met een siekeneurige bezorgdheid; -- en hij voelde
dat zijn eigen gezicht niets uitdrukte dan -- misschien -- verveling en
gemelijkheid. Overal in 't café, tusschen de kil-naakte caféwanden, was
geroes van hard praten, en de kelners liepen en riepen door de zaal met
een zjeuïge haast, met famieljare aanmatiging en harde, mislukkende
affectatie-geluiden, quasi-grappige dreunen: As-je-blief!.... Aánnemen,
meneer!.... kóm bij u!.... hàlve biefstuk met twéé spiegeleieren
bovenóp.... koffie!.... 't Was een naar schreeuwerig lawaai. Er was een
ploertig-luidruchtige, commis-voyageursachtige soort gezelligheid in de
zaal. En aldoor kwamen en gingen de menschen hard over den houten
vloer en krasten de stoelen naar achteren en naar voren en, telkens
onverwachts, gaapte wijd de bekleede deur open en liet menschen binnen
in een kilte van vochtigen tocht en zoog dan weer dicht, lamlendig
terugvallend met een dof-stille bons.

En Edward zat te luisteren naar André, die ophaalde van vroeger, en
allerlei dingen vertelde van menschen die ze kenden, en telkens zei
Edward tegen Bernard half-verwijtend: "God! dat heb-je me nog heelemaal
niet verteld!" en luisterde dan weer naar André of sloeg zelf aan 't
vertellen van beleefde gekke voorvallen en van pikante bizonderheden in
't indische leven en de menschen daar.

Toen ze gedejeuneerd hadden, staken ze sigaren op. 't Regende altijd nog
door, fijntjes, dampig; de lucht was egaal grijs.

Stil somber in hun Zondagsche geslotenheid stonden de donkerrosse
huizenrijen, droevig gelaten neerdruipend vunzige regenstrepen.

Bernard was stil.

Maar André sloeg hem op zijn schouder, luid zeggend: "Cheer up, old
man!.... 't Valt je tegen die regendag, hè.... Ja, daar is nu niets aan
te doen!.... Als we 's naar mijn kamer gingen?...."

Dat zijn stil-zijn opvallend was geworden ergerde Bernard opnieuw. Hij
keek even Edward aan, die glimlachte, zwijgend. En hij kreeg een kleur
van ergernis. Hij werd verward, suffig, en zei dat 't hem niet schelen
kon, waar ze heen gingen, dat Edward 't maar weten moest, wat hij 't
liefst deed.

Naar een museum?

Neen, een museum op zoo'n regenachtigen Zondagnamiddag was de
geïncarneerde verveling, vond Edward.

André's kamer?.... Dat was te ver.

Dus zouden ze nog maar even blijven zitten om te zien of 't ook wat
opklaren zou, dan konden ze misschien nog wat omwandelen.

Maar 't bleef regenen.

Om half drie zaten ze er nog. 't Was Bernard met inspanning gelukt
weer een toon van opgewektheid in zijn stem te brengen, en hij praatte
nu, kalm rookend! Maar meer en meer werd hem de koffiehuisdrukte,
benauwd-besloten tusschen de zwaar-dichte muren en zoldering en de
groote, vaal-grijs beslagen en beregende ramen, een kwelling, een
obsessie. Aldoor ging die deur, met een lichtkreunend geluid, en viel
weer dicht, dof-stil. En nu waren veel burgermenschen binnengekomen,
winkeliers, kantoorbedienden, diamantslijpers met hun vrouwen, dochters,
tantes, ellejongens met scharrel-meisjes en winkeljuffies met galanten.
Er werden al borreltjes gedronken en de rook van de goedkoope sigaren
grauwde blauwig om de met Zondagsche zorg gekamde, vet-glimmende
haarkoppen van de mannen en idiotig opgeflodderde vrouwenhoeden.

En door de dikke rook-en-borrel-atmosfeer dreunde zwaar 't
ploertig-bevelend geroep van de kelners: 'n gláásje Catz en 'n glás
advokaat!.... kóffie!....

Ook Edward begon 't nu blijkbaar te voelen. Hij keek verveeld rond en
stelde voor nu in ieder geval maar 's weg te gaan. "All right, let's
have a move," zei André, die vroolijk beweerde dat hij zijn engelschen
dag had.

Op straat, in de regenkilte, die van den natten steenen-grond ophuiverde
langs zijn beenen en koelde zijn soezerig hoofd, hoopte Bernard zijn
klaar-bewuste, kalm-rustige stemming van 's morgens terug te vinden.
Hij deed er zijn best voor, maar 't lukte niet. Aldoor dreinde die
jaloerschheid op André. En een oogenblik zijn ergernis daarover op zij
duwend zei hij driftig in zich zelf, dat hij 't ook niet wou dat Edward
meer bevrind zou worden met een ander dan met hem. Hij begreep zelf
niet, wat 't hem eigenlijk schelen kon, daar toch vriendschap niet
bestond, maar hij wou 't toch niet, hij wou 't tóch niet!.... En hij
dwong zich weer vroolijk te zijn. Hij stelde voor even naar zijn kamer
te gaan, een glas Vermouth drinken, en dat deden ze. Edward kwam er voor
't eerst. Hij vond de trap allermiserabelst, maar de kamer zelf
heel aardig, heel gezellig. Hij liep er in rond met nieuwsgierige
belangstelling, kijkend naar al de dingen aan den muur; hij snuffelde in
de boeken die op de tafel lagen en begon te praten over sommige daarvan,
die hij toevallig ook gelezen had. Dat was voor Bernard even een
onverwachte aanwaaiing van sympathie, even maar, want toen hij dadelijk,
met den hartstochtelijken ijver van een echten lezer, over die boeken
begon te beweren, gaf Edward op onverschilligen toon, verstrooide,
vluchtige antwoorden: Zoo!.... ja!.... hij wist 't zoo precies niet
meer.... 't Kon wel zijn!.... Ja, ja, hij herinnerde 't zich ook wel
zoowat....

"Jelie doet daar niet veel aan lezen, hè?" vroeg André.

"Och ja!.... als we den tijd hebben," zei Edward. "We hebben een
leesgezelschap natuurlijk.... zoo'n echt indisch leesgezelschap,....
veel illustraties,.... veel tijdschriften over 't algemeen,.... en
dan romans,.... maar dat 's een zoodje!.... Dat is natuurlijk wat de
boekverkooper, die ons bedient, graag kwijt wil zijn, wat hij goedkoop
kan krijgen, begrijp je wel?...."

En hij greep weer naar een ander boek en las den titel halfluid en
bladerde er weer in en gooide 't opzij. En Bernard zweeg en keek er naar
met ergernis; iets dat hem lief was werd nonchalant behandeld.

Van Bernards kamer gingen ze naar 't koffiehuis in de Kalverstraat
waar zij gewoon waren te komen, en waar ook Sam hen zou komen treffen
tegen vijf uur. 't Was donker en vol in de nauwe straat onder den
laaghangenden regenhemel en nog donkerder en voller in 't bekende,
drukbezochte café. Ze gingen zitten aan een tafeltje aan 't raam, dat
toevallig vrij kwam. De stoelen waren nog warm en de kelner haalde de
vuile glazen weg en veegde met een viezen doek haastig en onvoldoende de
tafel af, roepend terwijl naar een ander tafeltje: kóm bij u!

Een uitgaand endje sigaar bleef liggen stinken op den looden aschbak.
Bernard smeet 't op den grond met een gebaar van walging, waar André om
lachte.

Zij gingen zitten domineeren. Bernard deed dat slecht, hij kreeg
herhaaldelijk standjes van André, die zei dat hij speelde als een
jongejuffrouw, dat hij bang was om te koopen. "Wees blij, dat ik mee wil
doen, jij die 't zoo graag speelt," zei Bernard. "Waarom," vroeg André,
"als je 't liever niet doet, kijk dan toe, dan speel ik alleen met
Edward; die houd er ook wel van,.... hè?.... zeg?...."

"Jawel," zei Edward kalmpjes, "ik mag 't wel."

"Och zanik niet," bromde Bernard, "je zult zien, dat ik 't nog win ten
slotte."

Toevallig was 't zoo, hij won 't eerste rondje. Dat ergerde André een
beetje, die zei, dat 't meer geluk dan wijsheid was.

"Ja, dat heb ik altijd gehad," zei Bernard bedaard, starend in zijn
steenen, "dubbele zes!.... dubbele vijf!...."

Even over vijven kwam Sam 't café binnen. Toen werden de dominosteenen
opzij geschoven en bleven ze nog wat zitten kletsen, bitter drinkend en
kijkend naar buiten, door de viezig-beslagen en beveegde ramen, naar
de onophoudelijk voorbijschuivende menschenmassa, het leger van
Zondagsmenschen in saai-donkere, bruinige, groenige Zondagskleeren,
onder 't wiebelend parapluie-dak vadsig aanslenterend in loome groepen,
waar nu en dan, slank en haastig een heer doorstapte, met een strak
gezicht, wendend zijn parapluie vlug naar links en naar rechts om er
door te kunnen. De asphaltvloer was morsig-nat, vuil-grauw, en tusschen
de donkere huizengevels, boven de menschen, hing laag de schemer van den
motregen.

De ontmoeting van Sam en Edward was heel bedaard geweest. Ook hadden
ze elkaar vroeger maar weinig gekend, en Sam was altijd wat stijf met
nieuwe menschen. Hij deed een paar beleefdheidsvragen en bleef toen,
zonder praten, kijkend met zijn goed-joviaal gezicht dan den een
dan den ander aan, rustig zitten luisteren naar wat zij zeiden,
gezellig-tevreden, bescheiden zwijgend zonder stil te zijn, een
man, schijnbaar zonder strijd, kalm-gelukkig in zich zelf, toch
gedistingeerd, toch een heer. Hem benijdde Bernard altijd om de volkomen
geslotenheid van zijn ziel, waarvan hij nooit iets blootgaf in den
blik van zijn koel-vroolijke oogen noch in de buigingen van zijn
prettig-hartelijke stem, noch in zijn ganschen, beminnelijk-opwekkenden
omgang.

Ook thans peinsde Bernard -- naar hem kijkend nu en dan, al pratend
intusschen met de anderen -- over die altijd zoo door hem gewenschte,
nooit heelemaal bereikte geslotenheid. Hij wou wel weten of Sam er ook
wel 's moeite mee had, hij vermoedde dat hij, onbewust van zijn eigen
zielsvermogen, daar eigenlijk nooit over nadacht, dat hij nooit lust
voelde zich te geven, levend in een natuurlijken afkeer van weeke
teederheid, van liefde-behoefte. Zoo ten minste was de schijn. Maar was
't wel zoo? Bernard nam zich voor te trachten dat te doorgronden.

De neerschemerende namiddag vulde de hoeken van 't café met een lugubere
duisternis, waar de donkere manfiguren met brommende drankstemmen
pratend samenzaten als roovers in een hol; de jeneverwalmen en de
laag-hangende, vaal-grijze rookwolken sloegen lauw-warm om de ros-heete,
van binnenuit-verhitte hoofden, die samenkoppelden boven de glimmende
tafelvierkantjes. Hier en daar alleen trilde een schamplichtje op een
borrelglaasje of op een bril. Bernard voelde zijn oogen steken en een
doffe drukking van hoofdpijn tegen zijn slapen. Hij stelde voor nu maar
's te gaan eten. Hij was gastheer. Ze zouden gaan in een duur restaurant
daar ergens in de buurt, ter eere van Edward, en tot luidruchtige
blijdschap van André, die veel hield van lang en lekker eten. Ze stonden
dus op en gingen met moeite tusschen de donker-gejaste mannenkringen
door naar de deur, en kwamen weer in de regenkilte van buiten, waar hun
stemmen in-eens hooger klonken, doorzichtig dun en glad, waar hun groep
uiteen viel, in de onmogelijkheid van naast elkaar te blijven loopen.
Ze liepen -- ieder alleen -- zoo snel als 't ging door de traag gaande
menschenmassa, elkaar nu en dan toeroepend, behendig manoeuvreerend met
hun parapluies.

Want 't regende al maar door, de lucht werd valer, donkerder, zich
hullend in regendampen als in sluiers van stillen en onbegrepen rouw. Er
was nu geen geschreeuw van straatventers, er was een roezig geploeter
van nattig-schuifelend gestap en brommende stemmen, soms overtoond door
een schel ruzie-geluid van een burgervrouw, die nijdig was omdat 't
droop van een passeerende parapluie op haar goeie-goed.

Maar gauw waren ze aangekomen, door de helder-ruime vestibule in het
rijke, rustige restaurant, van uit de kilmistige regenschemering
in-eens in de zachte warmte, in 't al vermooiende avondlicht, dat de
dof-flonkerende, overdadige pracht van de zaal zich opdringen deed
aan den klein-turenden, half-verblinden blik, stil-precies met een
oneigenlijke duidelijkheid. Ze gingen zitten, zoo ver mogelijk van
de schel-schitterende lichtkroon, in een hoek van warm-donkere
gordijnen en behang, en ze aten veel en duur, bizondere schotels, met
gedrild-strakken eerbied aangedragen door de deftig-arrogante kelners,
en wisselden telkens van fijnen wijn, zoodat er een rijkdom van glaswerk
kwam te staan op het, hier en daar slordig bemorste, zacht glanzende
damast van hun tafel. Ze praatten eerst zacht, bijna fluisterend,
evenals de andere menschen die hier en daar door de niet heel groote
zaal zaten, verspreid in intieme groepjes, maar André begon het eerst
met hardop te praten, en al gauw bekommerden ze zich niet meer om die
andere menschen -- die naar hen keken met nieuwsgierige verbazing en
ergernis -- en praatten alsof ze alleen waren, vroolijk en opgewonden
door den wijn en de weelde van de tafel.

Ook Bernard voelde een stemming van behaaglijke rijkheid groeien in zijn
warm hoofd en loome leden. Maar soms herinnerde hij zich weer in-eens,
met onbestemden angst, zijn triestige eenzaamheid van allen dag, zijn
zorgen, zijn stervende illusies. Dan dronk hij schielijk zijn glas uit
en schonk zich opnieuw in en animeerde de anderen om toch uit te drinken
en hij wond zich op in een dol-doorslaand twistgepraat, vol onzinnige
dwaasheden, met Sam, zoodat de anderen 't uitschaterden, en hij toostte
op Edward, joviaal-vriendschappelijk, met hartelijke woorden maar zonder
aandoening in zijn stem, en toen dronken ze ad fundum, en Edward toostte
op hem, en 't hinderde Bernard een beetje dat in Edwards stem wel even
emotie trilde. Hij beredeneerde in zich zelf dat dit van 't drinken
kwam -- een sentimenteele dronk! -- maar in zijn gemoed dreinde toch
wat zelfverwijt, dat hij weg wou nevelen door meer wijn, nogmaals
aanstootend met zijn ouden vrind. Maar toen ze elkaar daarbij even,
vast, recht in de oogen keken, voelde Bernard ondanks zijn opwinding
opnieuw met wreede duidelijkheid dat 't niet meer dàt was tusschen hen
beiden en dat 't ook nooit meer dàt zou worden. Hun oogen hadden in dat
moment met koele terughouding gespeurd in elkaar, gezocht zonder vinden.

Ook Sam dronk -- een koddig-onsamenhangenden toost -- op de vrindschap,
en André begon, een beetje dronken, op Edward te toosten die zoo'n
fideele, joviale vent gebleven was, een verduiveld leuke kerel, waar
hij nog wel 's meer mee uit wou, waarachtig!.... "en dan naar de
meisjes ook, wat jij, zeg! Edward?" En zijn toost eindigde in een
dol-uitgeschaterd: "Leve de meisjes! daar gaan ze,.... allemaal!"

En Edward lachte ook en antwoordde met een schielijk vertelden, schuinen
ui, waar André om proestte tot stikkens toe, en Bernard voelde zijn
stemming weer erg zakken. Hij dronk niet meer, zat stil-roezig te kijken
naar de anderen, die nu, over de tafel gebogen, half-fluisterend, meer
van die moppen gingen vertellen. Hij glimlachte als de aardigheid
kwam en hield zich gepréoccupeerd, wat hij als gastheer doen kon; hij
bestelde koffie en cognac en rekende af met den beleefd-serieuzen ober.
Zoo merkte niemand dat hij wat minder vroolijk werd. En eindelijk
stonden ze op met veel stoelgerommel en luid geroep en gepraat van André
in de nu leege zaal, en trokken in den stil-lichten, keurigen corridor
hun klamme, van vocht zware jassen weer aan, geholpen door de kelners,
en buiten bleven ze dadelijk op en neer loopen, wachtend op de tram om
naar 't circus te rijden. Want daar wou Edward 't liefste heen, hij was
er nog niet geweest na zijn terugkomst.

Al gauw kwam schel-bellend de tram aan. Ze gingen binnen zitten, waar de
drie anderen moeite hadden André, die heel druk geworden was, 'n beetje
stil te houden, en ze kwamen aan 't circus, en gingen op den eersten
rang zitten. De voorstelling was al lang begonnen. En ze werden gauw
afgeleid, bezig gehouden, en rustiger. Edward amuseerde zich erg,
kinderlijk schaterlachend om de clowns en telkens roepend met glanzende
oogen en opgewonden gebaren: "Zag je dat?.... Nee, maar zeg, snap je hoe
de kerel dat doet?...." zoodat Sam en Bernard elkaar soms even aankeken
met glimlachende verstandhouding. André was eerst nog druk en ongedurig,
maar na een poosje -- terwijl er geen notitie van hem genomen werd --
viel hij in slaap; ze moesten hem wakker maken in de pauze. Maar
toen was hij in-eens weer één-en-al luidruchtige vroolijkheid: in de
koffiekamer sprak hij demi-mondaines aan en wou dadelijk weggaan met een
paar van die meisjes, maar Sam en Edward hielpen Bernard -- die een
beetje boos werd -- om hem weer mee naar binnen te krijgen. En toen de
voorstelling afgeloopen was, scheen André in-eens weer al die plannen
vergeten en noodigde de anderen met aandrang uit mee te gaan naar zijn
kamer, die niet ver was, om daar nog wat na te fuiven. Hij had juist
lekkere whisky in huis gekregen, die bepaald gauw geproefd moest worden.

En ze gingen met hem mee en bleven lang op die kamer en werden allemaal
dronken. Om twee uur lag André te bulderzingen op zijn kanapee, terwijl
Sam met een ernstig gezicht al de andere meubelen ondersteboven zette,
en Edward in Bernards arm op den grond, half slapend, lag te sniklachen.
Edward niet gewoon aan zulke fuiven in den laatsten tijd, was 't ergst
dronken. André zei, dat hij op zijn kamer kon blijven slapen, maar
Bernard, jaloersch, dreef door, dat hij toch met hem mee zou gaan, en
zoo slingerde eindelijk Edward, tusschen Bernard en Sam in, naar huis,
naar de stille kamer op 't Rokin. Ze hielpen hem zich uitkleeden
en legden hem op de kanapee, die naar den muur gedraaid en tot bed
ingericht was. Edward mompelde aldoor maleisch en hollandsch door
elkaar, onverstaanbaar en idiotig sniklachend, maar toen hij eenmaal
met zijn hoofd in 't kussen lag, sliep hij, met een open mond
achteroverliggend, bijna dadelijk in.

Toen ging Sam, die nooit zoo dronken kon zijn of hij was weer kalm als
't noodig was, bedaard weg en bleef Bernard alleen met zijn slapenden
vrind.

De ongeruste zorg voor zijn gast, de koude nacht-lucht en zijn altijd
bezig gedenk hadden hem bijna geheel ontnuchterd. Maar hij had een
gloeiende, dof-bonzende hoofdpijn, en hij zag de dingen koortsig klein
en op een afstand. Zoo zag hij ook Edward liggen met zijn open mond en
zijn zweet-parelend, breed-blank voorhoofd en hij begreep 't niet, hij
vond alles vreemd, 't was of 't niet werkelijk was, die roezige nacht,
dat liggen daar van zijn vrind. Even dacht hij aan een winteravond toen
hij had zitten verlangen naar Edward.... Die daar lag nu.... "Ik ben
toch ook dronken," zei hij, heesch-hardop met een ruwen vloek. En hij
gooide zijn jas uit en viel toen neer op zijn bed.

             *       *       *       *       *

Hij kwam heel laat op kantoor den volgenden morgen, katterig en
moe, -- Edward sliep nog, -- en 't was een morgen, dof-smartelijk van
landerigheid en hoofdpijn, opkroppen van misère, moe-zwak uitstellen van
denken. De bedienden keken stil en gewoon-weg voor zich, maar hij wist
dat ze ginnegapten achter zijn rug. En dan was er nog een beetje dat
vreemde, dat gevoel of alles onwerkelijk was, een droom.

Om twaalf uur kwam Edward hem halen om te gaan koffiedrinken. Hij was
keurig-netjes afgeborsteld en hij had nieuwe handschoenen aan. Hij was
heelemaal uitgeslapen en weer kip-lekker zooals hij zei. Hij had trek.
Hij was heel vroolijk en sprak met groote ingenomenheid over
gisteren-avond. Bernard begreep 't niet.

Ze dronken koffie met Sam. André kwam niet opdagen. En ze stonden
juist op om weg te gaan, toen Hendrik aan kwam loopen met een stralend
gezicht, ongewoon blozend. Hij gaf zich haast den tijd niet om
behoorlijk voorgesteld te worden aan Edward, maar vertelde dadelijk zijn
groote nieuws. Hij was geëngageerd. Gisteren, in Haarlem. Haar vader was
in de bloembollen. Ze kenden haar niet, maar 't was een meisje, o!....

Bernard streek zich met de hand over 't voorhoofd. Hij feliciteerde
Hendrik, maar 't feit drong niet heelemaal door in zijn gedachten. Hij
glimlachte, begrijpend dat dat moest. En Hendrik liep weer weg, hij
moest nog even naar kantoor en dan ging hij weer gauw naar Haarlem!....
Maar morgen kwam hij terug, dan zou hij wel meer vertellen....

Edward had nu niet veel tijd meer, hij had beloofd thuis te komen met
den trein van één uur veertig.

Als een boodschap, die hij even gauw doen moest, bracht Bernard hem
naar 't station. Ze namen haastig afscheid en Bernard holde een tram
achterop, die naar de Beurs reed. Hij was bang om te laat te komen voor
sommige dingen, die hij daar doen moest, noodzakelijk.



XII.


Een paar weken volgden nu van doffe melancolie, draaglijk overdag in de
werkuren, die soms een stil, klein-menschelijke verheuging gaven door 't
opschieten en 't slagen, pijnlijk in de avonden, de schril-schaduwende,
schijn-lichte leegheden aan 't einde van den dag. Daarom werd maar veel
gewerkt, 's avonds ook, of naar de comedie gegaan of naar een concert.
Dat vulde, dan was 't gauw weer tijd om te gaan slapen, om met
ontspannen spieren weg te zinken in 't onbewuste van den slaap, waarin
alleen 't mysterieusch halflicht van droomen, vluchtig-doorleefde,
gauw-vergeten droomvisioenen, die soms gaven een schimmig-bedriegelijke
vreugde-ontroering bij 't eerste ontwaken.

Hij ging een beetje houden van dat soort leven, en kweekte 't weemoedig,
't gemakkelijk vindend, en 't gaf ook een zekere voldoening van stil je
plicht doen, ongewaardeerd. Hij zag wat op tegen 't komen logeeren van
Edward in Amsterdam. Dat zou een storing geven, onrust, schijn-genot
weer en teleurstelling. 't Was maar 't verstandigst zoo te blijven
voort-peuteren, van dag op dag, vlug-steelsgewijs, dat de smart je niet
merkt, niet pakt. Want dat andere leven zou toch wel nooit komen,
misschien.... En zij.... zij!....

Den eerstvolgenden Zondag ging hij met André en Sam naar Haarlem, naar
de verlovingsreceptie van Hendrik. Ze kwamen op een van de drukste
momenten binnen. De warme kamer, serre-achtig benauwend doorzoeld
van bloemengeuren, was vol met menschen, met dames, zelfbewust en
liefdoende, en met heeren, die in 't slungelige staan vergeefs
naar deftigheid trachtten. En Hendrik, hun Hendrik van gisteren en
eergisteren, was een ander, was niet hun Hendrik, niet de droog-leuke,
bedaarde man van zaken, die een pose van wijsheid had door zijn
bescheiden teruggetrokkene, onverwonderde kalmte. Naast zijn meisje,
zijn zacht-triomfstralende, kloek-vrouwelijke, in fiere rijzing
glanslachende meisje, was hij onbewust inférieur, als beschermd door
haar, in zijn goedigen eenvoud een stil-pijnlijk meelij wekkend in
Bernards ziel. Hij stond een beetje moe-voorover, telkens uitstekend
naar een bezoeker zijn lange, blanke hand, met een reine blijheid in
zijn lichte oogen, -- die wat zwak nu schenen, -- bleek van geluk,
overstelpt door zijn zaligheid, nu en dan even blozend als van schaamte
over zijn niet-waardig zijn, als moest hij zich verontschuldigen dat hij
't was die haar man zou worden.

En Bernard benijdde hem niet.

Hij voelde nu pas dat hij daar een beetje bang voor was geweest, dat
hij daarom zwakjes opgezien had tegen de impressie van dat jonge
menschenpaar tusschen bloemen en groen. 't Zou min geweest zijn en dom,
jaloersch te zijn. Maar hij was 't ook niet, heelemaal niet; toen ze
van die receptie kwamen had hij enkel dat gevoel van alleen-zijn en
pijnlijk-overgevoelig voor indrukken van menschen en dingen, een
beetje schuw, zoowat 't tegenovergestelde van een bruikbaar lid van de
maatschappij, wat hij toch eigenlijk worden moest, als oom gelijk had.

Ze bleven nog wat rondboemelen in Haarlem, maar dineerden weer in
Amsterdam, en 's avonds gingen ze naar 't concertgebouw, Bernard zag
aldoor dat staan van Hendrik voor zich, en 't speet hem een beetje dat
hij dien aangenamen allen-dag-vrind nu zou missen voortaan, maar hij was
niet jaloersch. En de muziek vermooide zijn droomen. Hij had een avond
van passieve overgave aan de bekoring der melodieën; soezig rustte zijn
geest in klankenweelde.

Den daaropvolgenden Zondag ging hij naar Bussum en, aldoor in die
stemming van zich afleiding willen geven, van niet-toegeven aan
mijmering, van veel doen om den dag gauw om te hebben, praatte hij druk
met oom over zaken en luisterde bedaard-aandachtig naar omslachtige
verhalen van tante over de Bussumsche menschen. En bij 't weggaan haalde
hij, hartelijk aandringend, oom over om hem naar 't station te brengen,
zich een beetje schamend later over die huichelarij, want 't was enkel
om niet alleen te zijn in den stillen, zwarten buiten-nacht.

             *       *       *       *       *

Toen hij thuis kwam vond hij op zijn tafel een uitnoodiging van den
heer en mevrouw van den Bosch om een soirée bij te wonen, die ze zich
voorstelden te geven op aanstaanden Woensdag, mede ter eere van zijn
vriend Edward van Laeken. Hij wist 't al half; Edward zou Dinsdag in de
stad komen en had hem al gesproken van een avondje dat de van den
Bosschen van plan waren te geven. Hij zou er heen gaan, natuurlijk.
Waarom zou hij er niet heen gaan? Hij nam zoo'n uitnoodiging haast
altijd aan omdat er geen voldoende reden was om 't niet te doen.

's Maandags hoorde hij van André en Sam dat ze ook gevraagd waren en
gaan zouden. Sam had er niet veel plezier in, hij dacht dat 't wel op
een ordinair muziekavondje uit zou draaien en -- ernstig liefhebber van
muziek -- had hij 't land aan zulke avondjes. Maar André, die hoop had
dat Betsy komen zou, sprak er met animo over.

En 't was die Woensdagavond. Bernard was weer wat laat, hij had een
drukken dag gehad. Bij half zeven pas had hij zijn kantoor gesloten.
Voor hij binnen kwam, gaande, 't dienstmeisje achter zich, door de
stil-statige gang naar de deur van de zaal, de groote achterkamer in
't rijke, ruime koopmans-huis, hoorde hij al 't gedempte roezen van de
stemmen, en toen de deur open ging, zag hij een hoefijzervormige rij
menschen tegenover zich op stoelen zitten en naar hem kijken. In
't midden van den halven kring zat mevrouw van den Bosch, die hem
breed-glimlachend aankeek en meneer stond, zijn rug naar de deur, zijn
handen in zijn zakken, in een brutaal-nonchalante houding te praten met
jonge meisjes. Die zware figuur was 't eenige wat Bernard zag op zij van
zich, terwijl hij in vage beklemming doorliep naar mevrouw, haar kijkend
in de licht-glanzende oogen. Toen hij haar zijn kompliment gemaakt
had, draaide hij zich om en gaf een hand aan den gastheer, die hem
luid-joviaal begroette, en hij gaf nog een paar anderen een hand, en
ging toen zitten aan 't linksche eind van de gastenrij, kijkend nu de
hoofden langs en knikkend tegen dezen en genen, tegen de meisjes Post en
Hugo en Edward -- en hij schrok, want naast Edward zat Mimi van Keppel.
Hij boog met zijn hoofd naar haar en voelde zich blozen. Zij knikte
fier-glimlachend terug en ook Edward glimlachte met leuk-stillen triomf.
En ze zeiden wat tegen elkaar blijkbaar over hem. Met een klopperige
benauwing in zijn borst keek hij verder langs de hoofden en knikte
groetend en glimlachte officieel.

Maar hij had dadelijk een ergernis en zekere walging in zich en een
vasten wil om dezen avond boven verliefdheidsaandoeningen te blijven,
koel en zich meester. Hij spande al zijn geestkracht daartoe in en
voelde ook met voldoening den warmen blos snel wegzinken van zijn
wangen. En toen Kees van den Bosch naar hem toekwam om hem even voor te
stellen een paar jonge-menschen, die hij nog niet kende, stond hij kalm
op en boog tegen die menschen, rustig notitie nemend van hun namen. Hij
was blij-tevreden over zich zelf, dat 't hem zoo gauw gelukt was zich
meester te worden, en met bedaarde opgewektheid ging hij zitten praten,
een officieel leuterpraatje, met 't meisje dat naast hem zat, en nam van
tijd tot tijd een teugje thee.

En nu kon hij ook koel-kalm kijken naar den overkant, naar Mimi en
Edward, en hij was blij voor zijn vrind, dat hij Mimi nu ontmoette,
zooals hij gehoopt had; hij was vaderlijk-blij voor Edward dat dat zoo
trof. En aan zijn eigen kant hoorde hij nu ook André's stem en zag hij,
langs de hoofden kijkend, Betsy naast hem zitten. En toen was hij ook
blij voor André en begon hij den avond wat belangrijker te vinden.

De gasten waren uitsluitend jonge menschen, niet getrouwd en ook
niet verloofd, en de tafel stond schuin in een hoek, zoodat Bernard
verwachtte dat er gedanst zou worden. Maar toen even na hem nog
een paar andere jongelui binnengekomen waren en 't gezelschap nu
blijkbaar voltallig was, hoorde hij mevrouw van den Bosch, met een
luid-vriendelijke beschermingsstem aan een van de meisjes verzoeken wat
te willen pianospelen. En met een verlegen lachje stond dat meisje op en
ging in een zwijgend-berustende houding naar 't koel-stomme instrument,
dat lomp stond in den anderen hoek, over de tafel, en Kees ging naast
haar, galantheid stralend, en sloeg de pianoklep op met een doffen,
korten slag. Ze ging zitten en begon en Kees bleef naast haar om de
bladen om te slaan. Ze speelde met zenuwachtige haast een lang en
lastig stuk. Ze maakte geen muziek. En dadelijk was uitgestorven
't gepraat langs de hoofdenrij en allemaal zaten ze in stil-stijve
luisterhoudingen. Bernard keek achter de hoofden om tersluiks naar
André, die ook naar hem keek, en toen met een nagemaakten wanhoopsblik
naar de zoldering.

Ook Sam keek hem even aan met een blik van verstandhouding en met een
beetje voldoening over gelijk-hebben. Hij had 't wel gezegd, 't draaide
uit op een muziekavondje.

Maar Bernard vond 't eerst niet zoo onaangenaam. Dansen in een kamer,
daar word-je zoo warm van. En zoolang als er op de piano gespeeld werd
hoefde je niet te praten en kon je rustig-stil zitten soezen. Je hadt
alleen maar even te klappen als 't stuk uit was en tegen je buurvrouw te
zeggen, dat 't mooi was geweest.

Maar al gauw, met vage ergernis over gedwongen niets-doen in een
gedwongen houding, begon 't hem te vervelen. Het was vooral ook dat
zitten als kinderen op een rijtje, en aan den overkant ook zoo'n rijtje
recht-zittende jonge-menschenlijven met uitdrukkingsloos luisterende
gezichten, en daar tusschen in een wee-geeuwende leegte, een ruimte
hongerend naar de kamerdingen die weggezet waren. Het was dat zitten
kijken, in glazige turing, met strakke of slappe of verlegen-vertrokken
gezichten naar elkaars lijf en armen en beenen, en naar elkaars voeten
vooral, die in een lijzige rij stonden op of lagen langs de leegte
van den grond. En dan dat gevoelloos klinkklanken op die piano, met
hakkelende loopjes en gerommel van akkoorden, waar iedereen verstomd
naar zat te luisteren, alsof 't mooi was. Bernard voelde even driftige
energie van ergernis. 't Was toch eigenlijk te stom-idioot, 't was om
nijdig te worden, om te gaan vloeken en stampen of weg te loopen! Maar
hij duwde dat gevoel weer weg en dwong zich opnieuw tot bedaarde
verdraagzaamheid en rust.

Na de pianospeelster trad een vioolspeler op, en daarna een juffrouw,
die leelijk voordroeg overbekende fransche monoloogjes, en toen een
meneer die wat zong, en toen weer een andere juffrouw, die piano
speelde. Maar Bernard hoorde van dat alles heel weinig. Want nu, in zijn
verstarrende kalmte van stil-zitten en niets doen en zich ook niet
ergeren, waren eerst met vage scheuten van herinnering, maar meer
en meer onweerstaanbaar en van alle kanten komen rijzen in zijn
rechtop-gehouden hoofd -- zijn zwaren kop, die netjes, heerachtig
balanceerde tusschen de randen van zijn stijf-hoogen boord, -- de
gedachten die hij in de laatste weken had kunnen terughouden door
afleiding van werken en praten en naar de comedie gaan, die hij
genegeerd had, zooals je een kennis negeert door een anderen kant op te
kijken, -- maar je voelt hem toch langs je gaan, -- de gedachten aan
zijn verhouding tot zijn vrinden, tot de menschen, tot de wereld en
de begrippen. En hij verwonderde zich en begreep ze amper zelf, die
gedachten, die opgesloten in de stille cel van zijn onbewuste denken
waren gevormd en gegroeid, en verder-voltooid waren en grooter dan hij
ze wist. 't Was of hij las in een boek. Dat hij vervreemdde van de
menschen, dat zijn gemeenschapsbehoefte te sterven lag, dat de menschen
hem niet veel meer waren en wel gauw niets meer zouden zijn. Dat hij
alleen zich zelf iets was, dat al die bewegende lijven om hem heen wel
interessant-kunstig gemaakte poppen waren, gaande hierheen, daarheen,
lachende, pratende -- een taal die hij niet verstond --, doende dingen
waarvan hij niet begreep.... het doel.... Hij hield wel van sommige
menschen, o zeker, zooals hij ook hield van zijn kamer en van zijn
lessenaar en van de stadsgrachten in schemeravond en van de wolken,
en aan anderen had hij een hekel, zooals hij ook hekel had aan de
Warmoesstraat en de Beurs en aan sommige dingen op kantoor en aan
koffiehuizen-tegen-vier-uur en 't geroep van sinaasappelenjoden. Dat was
nu eenmaal zoo: alles wat hij zag, of hoorde, of voelde, of begreep,
daar hield hij van of hij hield er niet van. Als hij dacht dat iets
hem onverschillig was, dan bedroog hij zich. Maar wat waren hem die
gevoelens, dat houden-van en die kleine hekel? Wat was hem dat alles in
zijn eigenlijke leven, zijn hoog-eenzaam torenleven? Als God al die
menschen en die dingen met één oogenflikkeren verdoemde, met één
handoplegging vernietigde, wat zou hem dat deren? Zou de vreemde vogel,
die aldoor zong, mooie weemoeds-klanken, op de stille transen van zijn
torenwoning, dan zwijgen?....

Maar nog proevend, scherp, den fijnen geur van die gedachten, die in
zijn hoofd waren als zuivere droge kou onder een ver-wegwademenden,
witblauwen winterhemel, wist hij ook in-eens, dat dit denken
onnatuurlijk was, slecht, satansgedachten; dat de hooge burg van zijn
trotsche eenzaamheid neerstorten zou, want dat God den overmoed niet
duldt, en dat zijn heimelijk genot van nu hem veel verdriet zou kosten
morgen. Hij wist, hij voelde 't al hoe hij morgen dorsten zou naar wat
hij hoonde vandaag. Want hij wist dat al 't geluk wat menschen tot nu
toe gevonden hadden, gekomen was van andere menschen, en dat het ook
zijn lot was te tasten, zijn leven lang, naar dat geluk, 't eenige
mogelijke. Hij wist dat,.... en 't leven scheen hem lang en somber en de
wijde wereld scheen hem laagliggend, kaal en troosteloos. En er kwam
bitterheid en onzekerheid in zijn ziel. Als hij dan niet blijven mocht
op zijn toren, waarom had God hem dien dan laten bouwen onder zijn
hemel? Had hij dan zijn toren niet gebouwd uit de scherp-gelijnde,
diamanten klanken van Gods eigen stem? Waarom was hij dan niet een
gewoon mensch en net als die anderen, die tevreden in elkaars gezelschap
waren en gelukkig door elkaars genegenheid?.... Of was dat ook alles
maar schijn, comedie,.... of droegen dan alle menschen maskers, en waren
ze allemaal net als hij, allemaal zulke werelden van onuitgesproken wee
en wijd verlangen?.... Hij wist 't niet, hij zou 't ook wel nooit
weten.... Hij wist alleen zich zelf, zijn eigen denken, zijn eigen
ziele-streven. Hij wist zijn liefde voor 't goddelijke, voor 't zuivere
licht, hij wist zijn lichaamskuischheid en zijn verlangen en dat hij
ongelukkig was en dat anderen lachten. Hij wist niet of zij gelukkig
waren, maar ze zeiden dat ze genoten van 't leven. Hij had nog nooit
genoten van 't leven! Hij wist niet wat 't leven was. Hij wist ook niet
of de anderen 't wisten, maar hij zag hen doen alsof ze 't heel precies
wisten, hij zag hun gezichten van wijze, volleerde kenners, van menschen
die er zijn, die 't onder de knie hebben, hij zag hen grif-grijpen de
sappige levensvruchten en ze verdeelen en verkwanselen onder elkaar. Ze
waren hebzuchtig, onkuisch, oneerlijk, oneerbiedig. Maar ze deden alles
flinkweg, zonder angst, vroolijk-lachende, of slim-meesmuilend en elkaar
prijzend, genietend van hun doen. Hij wist niet of ze 't berouw kenden
en de zelfverachting. Hij zag 't niet. En hij wenschte zoo'n ander te
zijn, want God zou daarom niet minder groot zijn, en hij zou minder
lijden.

Al die gedachten gingen door Bernards hoofd, elkaar verdringend, en ze
wekten er veel andere gedachtebeginsels, die stierven voor zij gebaard
werden, in 't vol gedrang, en er was een doffe suizing in zijn ooren,
zoodat hij de klanken van de muziek en de fransche monologen onduidelijk
en ver-af hoorde, en niet verstond, en zijn omgeving vergeten was. Maar
in-eens voelde hij met een korte rilling een hand op zijn schouder en de
stem van André in zijn oor fluisterend: "Zeg, zit toch niet zoo gek te
kijken met een open mond, de lui die over je zitten lachen er om." En
als met een schok teruggekomen in de warm-lichte avondkamer, zag hij de
rij hoofden tegenover zich glimlachend naar hem kijken. Toen hij hen
aankeek stierf 't glimlachen weg. Hij voelde zich blozen tot onder zijn
dikke haren, die prikten in zijn warme hoofd. Schichtig keek hij ook
naar Mimi, maar die zat stil te fluisteren achter haar waaier, met
Edward die zijn hoofd dicht naast 't hare gebracht had. Ze letten
blijkbaar niet op hem.

In-eens naar-leeg van gedachten nu, en in een landerige gedruktheid,
zich bespot voelend en vernederd, bleef hij zitten luisteren naar de
klanken van de muziek, die in onbegrepen rijzing en daling koel sloegen
door zijn hoofd. Nu en dan zei hij iets tegen 't meisje naast hem, en
hij vond idioot wat hij zei. Hij verbeeldde zich, dat hij er heelemaal
belachelijk uitzag, hij geloofde niet dat 't alleen was geweest om zijn
soezen-met-een-open-mond dat ze gelachen hadden daar aan den overkant.
Een kinderachtige, chagrijnige, laf-onderworpen ongerustheid over 't
figuur dat hij sloeg zoo'n avond, dreinde telkens in hem op, maakte hem
gemelijk, als 't altijd weer opnieuw beginnen-te-blerren van een klein
kind dat over zijn slaap is. Hij kon 't niet van zich zetten, hij voelde
zich minder dan de anderen, hij voelde zich dupe, bespot, belachen. En
hij vloekte inwendig, met lange, grove vloeken, tegen al die dames en
heeren in die deftige, wijd-lichte avondkamer, die daar zoo zelfvoldaan
zaten, luisterend met schijn-aandacht naar de muziek, en hij schold ze
uit in zijn ziel, met de machtelooze woede van iemand die in zijn slaap
overvallen, nu worstelend onder ligt en zich niet meer verdedigen kan,
alleen nog schelden. Hij moest zich inhouden met kracht om niet te
stampen op den grond en te krijschen van drift.

Maar eindelijk werd er opgehouden met piano- en vioolspelen; er
werd opgestaan en rondgeloopen, de heeren naar de dames toe, met
voorovergeneigde bovenlijven en vormelijk gegrijns. Er werden gebakjes
rondgedragen en plombières en wijn; men pauseerde.

Bernard bleef eerst zitten praten over onverschillige dingen,
gebeurtenisjes van den dag, met 't meisje dat naast hem zat, een
praatgraag juffertje van vier- of vijf-en-twintig jaar. Hij hoefde niet
veel te zeggen, zij snapte vrindelijk door. De notitie die zij van hem
nam, de animo waarmee ze aldoor zich met hem bemoeide, maakte haar voor
hem tot een klein toevluchtsoord in de wijd-uit witkoppende zee van
zijn woedende verveling. Maar hij kon toch niet aldoor bij haar blijven
zitten, hij moest nu ook 's opstaan en 's iemand anders aanspreken. Hij
deed dat ook, hij ging naar de gastvrouw en naar haar dochters, en toen
naar Mimi, die juist even alleen stond, en vroeg hoe 't haar ging en of
ze veel schaatsen-gereden had van den winter. Hij bleef een poosje met
haar staan praten. En hij voelde dat als hij wilde, als hij er maar even
aan toegeven wou, de verliefdheid op haar in-eens terugkomen kon. Want
hij zag weer dat uitdagend-brutale, dat pikant-dartele, verleidelijk
kanaljeuse in haar oogen, haar mond, in haar heele figuur. Maar hij
wilde 't nu niet, hij wilde haar haten als de rest. Wanneer hij zóó,
glimlachend, met de menschen sprak, ze inwendig koel hatend, dan maakte
hij hen eenigszins tot zijn dupen, en nam dus wraak......

Terwijl hij nog met Mimi stond te praten kwam Edward er bij en vertelde
hem, -- kijkend naar Mimi, die hem toelachte met haar jongensoogen --,
dat hij tot zijn vreugde ontdekt had, dat juffrouw van Keppel en hij
eigenlijk nog heel-oude kennissen waren, dat ze elkaar als kinderen
dikwijls ontmoet hadden en samen gedanst. Hij zou dolgraag weer 's met
haar dansen, hij herinnerde zich nu heel goed, dat ze uitstekend walste.
"Dat moest jij nou 's gaan vragen aan de gastvrouw," zei hij tegen
Bernard, "of we nog niet een beetje dansen mogen, dat krijg jij wel
gedaan...." "Hè ja, meneer Bandt, toe, doet u 't is," zei ook Mimi op
smeekenden toon.... Bernard keek haar aan. "Ik geloof niet dat ik de
rechte man ben om dat met 't noodige "entrain" te vragen," zei hij met
glimlachende minachting, "maar doe jij 't, Edward!...." en hij liep loom
weg naar Kees van den Bosch, die bij de piano stond. Hij voelde zich
opnieuw bespot. Wel zeker, hij zou gaan vragen of Mimi en Edward niet 's
met elkaar mochten dansen!.... Ze meenden dat natuurlijk niet, ze
zeiden dat maar om hem te bespotten, om hem te doen voelen wat een
dooie-diender hij was, want dat was hij, ja, een vervelende saaie-pias,
een doodvreter. Dat ging om in zijn hoofd terwijl hij stond te praten
met Kees, die een oude vrind van hem was, vroeger veel gezien, nu bijna
niet meer gekend en -- in die stemming van 't oogenblik -- gehaat om
zijn flinke opgewektheid, zijn levenslust van hollandschen-jongen, de
kinderlijke naïviteit van zijn trachten den gasten een prettigen avond
te bezorgen. "Wat dunk je," vroeg hij aan Bernard, "zullen we ze straks
nog maar 's laten dansen?"

"Wel jà, wel jà...." zei Bernard.

Maar mevrouw van den Bosch stelde voor, -- met verheffing van haar
vrindelijk-deftige stem, -- dat men eens een paar charades en action zou
bedenken, dat vond zij altijd zoo alleraardigst. En Bernard kreeg er een
indruk van alsof ze dat alleen maar verzonnen had om hem nog meer te
vernederen door hem te dwingen mee te doen aan zoo'n tot idioot-wordens
kinderachtig spelletje. Natuurlijk zou hij ook daarbij een gek figuur
slaan. Dan zouden ze plezier hebben. 't Was een kwelling zoo'n avond.
Waarom had hij die uitnoodiging dan ook weer aangenomen, hij wist toch
wel hoe ze waren, die avondjes. Kijk nu die ingebeelde malle schapen en
die misselijk-flauwe kerels daar staan te huppelen en te grinneken en
grappig te doen voor zij uitgemaakt hebben wat voor charade ze wel doen
zullen, zei hij in zich zelf. De oude van den Bosch poetst 'm! Die gaat
zijn krantje lezen; wat hij gelijk heeft!

Het gezelschap werd in tweeën gedeeld. De eene helft ging de kamer uit.
Bernard niet. En een poosje later kwam die eene helft weer binnen,
zwijgend achter elkaar loopend, de meisjes met starren ernst, de heeren
met grappigheid in hun bewegingen om eenigszins een figuur te slaan.
Ze deden allemaal hetzelfde: eerst half-weg de kamer omkeeren en weer
naar de deur toe gaan, en dan in plotselinge verwarring, uit de rij
en in de kamer rondloopen en zoeken zonder richting of doel, met
hei!-en-ho!-geroep van de heeren, die elkaar grappiglijk tegen 't lijf
liepen. Dit beduidde 't spreekwoord: Beter ten halve gekeerd dan ten
heele gedwaald, wat dadelijk werd geraden door 't jongste meisje van den
Bosch, een brutale daad, waarvoor ze door mama met een knorrigen blik en
hard fluisterende stem werd berispt en vervolgens naar bed gestuurd. Ze
ging pruilend en boos schouder-schuddend weg en gooide de deur achter
zich dicht; en haar zusters bloosden, ze waren er verlegen mee.

Nu moest de andere helft van 't gezelschap, en dus ook Bernard, de kamer
uitgaan. En de killige rust van de gang verbrekend praatten dadelijk
al die menschen tegelijk op gedempten toon en staken de hoofden bij
elkaar en begonnen spreekwoorden op te geven, die geschikt waren om
verbeeld te worden met bewegingen en gebaren. Bernard, die een hekel
had aan spreuken, wist er geen een. En hij was verbaasd over den
onuitputtelijken voorraad van de anderen, over dien dwazen stoet
van lijzige, dom-banale wijsheden, die leek op een optocht van
burger-vereenigingen met sjerpen en vaandels en gehuurde rokken.
Eindelijk werd een spreekwoord gekozen: In het land der blinden is
één-oog koning. Edward kreeg een papieren kroon op en moest één oog
dicht houden, terwijl de anderen om hem heen gaand, tastend moesten
loopen met de oogen toe.

Eén oogenblik kwam 't in Bernard op, dat hij ook kinderlijk mee zou
kunnen doen en zonder nadenken pret maken, maar toen ze binnen kwamen
loopen, tastend, met kromme knieën, en hij 't gedempte gelach en
gemompel in de kamer hoorde kreeg hij tranen in zijn oogen van weeë
ergernis over zooveel aanstellerij. Hij nam zich voor in geen geval
meer mee te doen, maar 't hoefde ook niet, want nu gingen Edward en
Mimi en nog een paar anderen naar mevrouw van den Bosch en vroegen
met vrindelijk vleiende stemmen of ze nog even mochten dansen. En
goedig-breed glimlachend stond mevrouw toe, als Kees dan spelen wou, en
Kees ging dadelijk aan de piano zitten en begon een wals. Bernard bleef
eerst landerig-hangend tegen den muur staan, maar bijna al de anderen
gingen dansen en de gastvrouw wenkte hem uit de verte om toch mee te
doen; loom ging hij toen naar 't meisje dat naast hem gezeten had en
walste met haar.

En daarna werd er een quadrille gedanst. Bernard deed mee, heelemaal
overgegeven nu aan zelf-minachtende gedachten, dat hij toch ook een gek
was om te komen op zulke soiréetjes en dat hij nu ook maar mee moest
doen en zich aanstellen en grinneken en galanterig zijn en grappig.
En zijn stille kamer als hij er nu aan dacht, scheen hem een
heerlijk-rustig toevluchtsoord van alleene mijmering.

Maar in-eens zag hij dat Edward en Mimi naar hem keken en lachten samen,
en met een nieuwe heftige vlaag schoot dat gevoel van krenkend bespot
worden in hem op. Hij keek naar Mimi met vurige drift in zijn bloed,
heete prikking in de ooghoeken. Hij zag Mimi met haar tartende
gratie zich bewegen, zich neigen, kijkend naar Edward met dien soms
gevoileerden en dan in-eens wijd-open blik van vleiende verleiding,
en hij had een oogenblik van trotsch-manlijke, zinnelijk-woeste,
moeilijk-bedwongen woede. De lust was in hem haar in-eens op te nemen en
weg te dragen, zoo snel dat ze van schrik lam zou zijn en de anderen
verbaasd gapen zouden, en dan met haar alleen te zijn, waar wist hij
niet, maar alleen met haar tusschen vier muren, en dan haar aan te zien,
en tegen zich aan te drukken 't weerstrevende lijf en te zoenen den
wulpschen mond, en haar dan te slaan, te striemen. Er was een hijgend
verlangen in hem om haar te bezitten en dan van zich te stooten, weg,
in de verdoemenis. Hij haatte haar nu innig, met een rood-vlammenden,
liefdevollen haat. Hij was er geheel van ontroerd en na den dans dronk
hij, op een stoel neergevallen, snel een glas wijn uit, in één teug, en
hoorde de stem van André die zei: "'t Schijnt jou te smaken!"

André stond tegen den muur geleund, en Bernard merkte in zijn stem, die
naklonk in zijn hoofd, een ongewonen klank, iets van bitterheid en stil
leed. Hij keek hem aan en zag aan zijn gezicht dadelijk dat hij iets
bizonders had. André was wat bleek en trok zenuwachtig met zijn
mondhoeken. "Wat scheelt jou?" vroeg hij. "Och niets," zei André,
"gekheid, gekheid!.... Kom vooruit maar weer!" En luid sprekend, bijna
roepend, vroeg hij Mimi een dans. Bernard keek naar Betsy, die in een
hoek van de zaal, zich loom bewaaiend, zat te praten met een ander
meisje. Hij zag ook aan haar dat ze 't land had, hij kende nog dat
gemelijke wenkbrauwfronsen van haar. Ze hebben zeker ruzie gehad, zei
hij in zich zelf. En op hen beiden lettend merkte hij ook al gauw dat ze
elkaar niet aankeken.

Maar Mimi en Edward dansten nu voortdurend samen en er werd hier-en-daar
in de groepjes over gefluisterd en geginnegapt.

Een reactie van lakschheid was in Bernard op zijn heftig gevoel gevolgd
en hij voelde nu in-eens dat hij er heelemaal niet meer instond, dat hij
ontwassen was aan die verliefderige stemmingen van jongens en meisjes op
een bal, dat hij hun geheime intrigetjes, hun hoopjes en wanhoopjes
nu beneden zich voelde en ze een beetje minachtte, ze een beetje
pijnlijk-belachelijk vond. Hij zat daar even over te denken, een glas
wijn drinkend op een stoel. Eerst gaf 't hem wat voldoening, dat gevoel
van ontgroeid te zijn aan kalverliefde, maar toen hij daarna opstond om
een dans te gaan vragen -- ze zouden nog één wals dansen -- voelde hij
zijn manlijke vrijheid als een last meer, dien hij torsen moest en waar
hij een beetje onder gebukt ging, uit gebrek aan veerkracht. Hij voelde
ouwelijkheid in zijn stappen.

En die ouwelijkheid deed hem onwillekeurig aan Sam denken, hij keek naar
hem en zag hem zitten praten, voorovergebogen; in zijn houding was
datzelfde, een verborgen geblaseerdheid....

             *       *       *       *       *

De laatste dans was gedanst en er waren sandwiches en saucijzebroodjes
gegeten en men ging afscheid nemen. Er werden eenige rijtuigen afgeroepen.
Ook dat van Betsy. En Bernard zag met een spottend-medelijdenden
glimlach dat André haar koel-buigend adieu zei. En ook 't rijtuig van
Mimi, waar de genotstralende Edward haar heen geleidde, opgewonden,
zonder hoed op straat gaand. En Sam kwam naar Bernard toe om te vragen
of hij meeging; ze wisselden wenken met André en Edward, en alle vier
bedankten ze de gastvrouw en ook meneer van den Bosch, die na 't dansen
weer binnengekomen was, en ze gingen heen. En buiten, samen loopend in
een ongeregelde groep, en weinig pratend eerst, ieder met zijn eigen
gedachten bezig, werden ze langzaam weer van salonmenschen de gewone
vrinden, dezelfde van den vorigen Zondag, Sam, André, Edward en Bernard.

Ze zouden nog een afzakkertje gaan nemen in een café op 't Rokin, dat
altijd laat open was, waar ze meer kwamen 's nachts na éénen. Bernard
liep met Edward en achter zich hoorde hij Sam met André praten, Sam op
zijn gewonen kalm-opgewekten toon, André onverschillig, mat-landerig.
Sam zei dat hij zich tamelijk wel geamuseerd had. André zei daar niets
van, maar maakte alleen nu en dan kort-uitgegooide, ruw-rake opmerkingen
over de familie van den Bosch en over sommige van de gasten. Hij sprak
met zekeren afkeer van al die menschen en Bernard voelde weer, zonder
zich er rekenschap van te geven hoe 't kwam, dat hij hield van André.
Terwijl hij hem zoo achter zich hoorde praten, kreeg hij een sterk
gevoel van sympathie voor hem, datzelfde van dien avond in die
bierkneip, een hartelijk-welwillend meelij en toch ook zekeren eerbied.

Hij zelf zei weinig, maar naast zich hoorde hij aldoor de stem van
Edward, die liep te praten over Mimi, met zijne gewone zelfingenomen
mededeelzaamheid. Wat hij gezegd had en wat zij daarop gezegd had. En
hoe ze daarbij had gekeken en hoe ze hem telkens de hand had gedrukt bij
't omgaan aan 't slot van de lanciers. "Zóó.... zoo!...." zei Bernard
glimlachend, "je schiet al op met 'r!" "O, kerel!" zei Edward met
extase, "nee, zie je, ik vind 'r een verduiveld leuke meid, en ik vind
'r mooi ook,.... jij niet!" "Jawèl," zei Bernard. "Waarachtig," bromde
zijn vrind, en toen even zwijgend, en daarna uitbarstend in een
zenuwachtige proestbui, riep hij uit: "Wat zou 'k een furore met 'r
maken bij ons in Batavia!...." "Nou, nou," zei Bernard, "ik zou je toch
raden dat zaakje wat kalm-aan te behandelen. Wou je soms nog trouwen
voor je weggaat? Dat zal toch niet gaan!" "Waarom niet?" vroeg Edward.
"Ik zou wel 's willen weten waarom niet!.... Alles gaat!...."

Bernard werd weer wat wrevelig. Hij zei een poosje niets, wenschend zich
zelf, met vaag verlangen, kalm op zijn kamer en zijn vrind rustig in
Indië. Want nu ging 't immers niet anders -- en hij had er een beetje
zijn booze vreugde om -- nu moest hij hem wel even ontnuchteren. "Wat
ben je opgewonden van avond, Eddy," begon hij, hem dien ouden naam
gevend met zekeren spot. "Ik heb je toch immers al verteld, dat ik
dien bal-avond al even ver met 'r was als jij nu. Ze gaf me net zulke
hartelijke handdrukjes en keek me ook erg verliefd aan. Wat beteekent
dat nou bij zoo'n geil dier van 'n meid!"

Maar 't had niet de verwachte uitwerking. Edward lachte en klopte hem
op zijn schouder en zei: "Je bent, geloof ik, een beetje jaloersch,
heertje! Noemde ze jou ook bij je voornaam dien avond?...."

"Nee,...." zei Bernard, "dat niet, maar...."

"Nou!" viel de ander in, "wat wou je dan beweren!.... Nee, amice, laat
dat maar aan mij over, hoor!...."

Er was gekrenkte eigenwaan in Edwards stem, en Bernard, die dat hoorde,
had spijt dat hij 't gezegd had. Dat was weer net iets voor hem, zoo
ondoordacht!.... 't Had er nu waarachtig veel van of hij jaloersch
was!.... Ba!.... Ba!.... En hij voelde zijn stemming weer versomberen
en dat lang gekende van zich zelf zien, onbegrepen en alleen door de
straten gaande, een vreemde voor alle menschen, dat was er weer en dat
gaf hem een oogenblik van steun in melancholische zelfzucht.

Maar er huisden dien avond kwel-gedachten in zijn gemoed, die niet
hebben konden, dat hij zich even rustig voelde, want dadelijk kon hij
dat weer van zich zelf niet uitstaan, dat eenigszins zelfgenoegzame van
iemand, die zich miskend voelt, dat tevreden met zich zelf zijn van een
gewilden martelaar. Hoe dikwijls had hij daarom gelachen als hij 't
merkte in anderen. En hij begon zich weer te sarren met minachtende
verwijten, hij was bitter en koud-hard voor zich zelf, hij verzon
verfijnd wreede sarcastische opmerkingen over zijn eigen manier van doen
en leven, zonder mededoogen voor schrijning die dat gaf in zijn gemoed.

Dat hij wel degelijk jaloersch was, zei hij zich, dat hij niet velen
kon, in nijdige galligheid, dat zijn vrinden 't leven genoten, omdat hij
't zelf niet kon. Want dat was 't immers! Niets anders! Hij kón 't niet,
't leven genieten, hij had er 't talent niet voor, 't zout niet in zich
zelf, -- zooals zijn oom dat altijd noemde, dien hij dan uitlachte.
Want dat kon hij, iedereen altijd uitlachen, over iedereen denken met
minachting, in plaats van te beginnen met zich zelf uit-te-lachen,
dwaas, mieserig-tobbend kantoormannetje, ellendig machteloos zotje, dat
hij was!

Maar ze kwamen nu in dat café. De ingang was in een vies, donker
steegje, en dan moest je 't trapje op en dan weer een trapje af, in
half donker, en dan was je in-eens in 't drinklokaal, een langwerpig,
laag gezolderd zaaltje, geel-rossig hel verlicht door gasvlammen.
't Was er warm en rookerig, en vol op lage stoelen lig-zittende
mannen, meerendeels jonge poenen, die half-dronken, met roode koppen
zwaarwichtig brommend zaten te zwetsen. Alle geluiden klonken dof en
gedempt. Er was iets onzegbaar-slechts in dat, laat in den stillen
nacht, zoo hel verlichte rook- en drink-hol; 't was alsof de mannen
die daar samenzaten, in groepen die niet letten op elkaar, toch allen
verbonden waren door één in-'t-gniep den duivel dienend doel.

Bernard en zijn vrienden gingen warmen grog zitten drinken, want 't was
koud buiten, zei Edward; hij had loopen rillen. En toen André gewend
was aan 't helle avondlicht en de warmte, en geproefd had 't lekkere
sterk-heete uit zijn dampend glas, kreeg zijn stem in-eens den gewonen
opgewekten klank, en in gewilde reactie tegen zijn landerigheid, die
negeerend nu door frisch-nieuwe houding, begon hij zich op te winden,
los-vroolijk te doen, een ruwe kwant die er goed van leeft. En hij
herhaalde zijn opmerkingen over de menschen van de soirée in 't
overdrevene, en zonder de leuke spontaniteit die er de charme aan
gegeven had, en hij lachte er nu zelf om, de anderen weinig. Maar Sam
begon zachtjes, op een kalmen toon van eenvoudige mededeeling, de dwaze
dingen te zeggen, die hij gezien en gehoord had dien avond. En André
proest-lachte, stampend met zijn eene voet, en Edward schaterde
luidkeels. En Bernard lachte ook en kreeg lust zich dronken te drinken.

Ze namen allemaal nog een grog en werden lustig half-dronken en wisten
niet van weggaan.

Maar Bernard zakte telkens weer weg in dof en stil gesoes, en zoo,
terwijl hij half-dommelend zat te rooken, hoorde hij André fluisteren
tegen Edward: "Zeg ga je nou 's mee?.... je weet wel.... waar ik je
laatst van vertelde?...." En Bernard begreep dat hij van een bordeel
sprak en een driftige wrevel kriebelde in-eens in zijn doezeligen kop.
Daar had-je dàt weer! Nu zou hij weer weg moeten gaan, alleen naar huis,
en door de anderen uitgelachen worden, in zijn gezicht of achter zijn
rug, en met blikken beleedigd. En 't stond in-eens in hem vast dat nu
eens niet te doen van avond, maar mee te gaan, eenvoudig mee te gaan.
Waarom ook niet? Hij was wel 's meer even mee ingeloopen in zoo'n
gelegenheid; daar zag je dan wat halfnaakte vrouwen zitten, wat zou dat
nou nog?....

Even later stonden ze buiten. "Nou, Bert," zei André, "wij gaan nog 's
even naar de meisjes kijken, jij gaat zeker niet mee...." "Och, jawèl,
dat 's goed," zei Bernard koeltjes. Hij voelde dat de anderen elkaar
aankeken met opgetrokken wenkbrauwen, maar hij zag 't niet, hij keek
voor zich. Even had hij weer erg 't land, dat André 't hem juist zoo
gemakkelijk had gemaakt om weg te gaan, nu hij eenmaal besloten was 't
niet te doen.

En ze kwamen voor dat bordeel, een van de grootste van de stad, een
breed huis, somber-donker gesloten van buiten. Uit een grauwig groepje
lange lummels, dat voor de deur stond, kwam er een naar hen toeschieten
en bromde wat over daar-niet-binnen-gaan en de verleiding en zoo wat
meer, en wilde hun flodderige drukwerkjes in de hand duwen. Bernard nam
er geen aan, hij was vies van dien jongen met zijn papiertjes, maar
André wel. Hij zei opgewekt: "O, dank u zeer!" en toen tegen de anderen:
"Zoo'n tractaatje aan 't ontbijt, dat mag ik wel," en hij stak 't ding
in zijn zak en schelde aan.

Ze werden open-gedaan door een oude vrouw en gingen een holle gang door
en kwamen in een groote kamer, een schreeuwend-kleurige, schel-rossig
verlichte zaal. 't Geluid van hun stappen werd gedoofd in 't dikke kleed
en rondom zagen ze roode sofa's waar vrouwen op zaten, half-liggend
de meeste, sigaretten rookend en grijnslachend, sommige aanstonds
schel-kakelend tegen de binnenkomenden. Anderen bleven indolent liggen,
kijkend alleen naar hen met loerende oogen. Ze waren bijna allemaal
zoogenaamd oostersch aangedirkt. Er waren er gedecolteerd, er waren er
een paar met één arm en één borst naakt, er was er ook een die over 't
heele slap-neerliggende, leelijk-gelige lijf niets had dan een soort van
netwerk, zwart.

De vier gingen zitten in leuningstoelen, behalve André, die rondliep,
sprong, danste en dol-deed, en er waren er die schel-gemaakt lachten om
zijn malligheid, maar anderen, die indolent bleven liggen, loeroogend.
Een logge, vleezige deern kwam poeserig dicht naast Bernard zitten,
grijnsde hem aan en lei haar wee-kwabbenden, blooten arm op de leuning
van zijn stoel. Hij huiverde even.

Er was koorts in zijn hoofd, maar zijn lijf was koud, rillerig. Er was
verschrompeling in zijn lijf. Hij zag Edward zitten op een sofa, met
zijn arm om een van de meisjes daar, en zijn hoofd op haar borst, en hij
zag haar op hem neerkijken met een vreemde minachting. Hij zag Sam met
een klein sletje op zijn knie; hij deed haar huppelen alsof 't een kind
was. En hij zelf zat, met zijn beenige knieën vreemd ver van zijn hoofd,
te kijken en begreep er niets van. En als hij keek naar die meid naast
hem en even hoorde haar fleemend gevlei om mee te gaan, huiverde hij
telkens licht, voelde zijn tanden zacht rammelen voor ze in-een sloegen.

André had luid-schreeuwend champagne besteld. Er werden een paar
flesschen gebracht door een oudachtige burgervrouw met grijzig
flodderhaar en een gelig wreed-strak gezicht, en de kurken knalden dof;
veel glazen werden ingeschonken. Ook voor hem zag hij een glas staan
ergens ver-weg, op een tafeltje.

Gauw daarna zag hij Edward weggaan met die meid en zij keek nog even om
naar een van de anderen en grijnsde met bestiale vergenoegdheid. En even
later ging André diezelfde deur door met een andere.

Geen van beiden had naar hem omgekeken. Maar Sam zat nog altijd met dat
kleine sletje op zijn knie, en rookte zijn sigaar als een kalm-blije pa,
vreemd-rustig en op zijn gemak.

Nu kwamen er nog een paar andere meisjes naar Bernard toeloopen en
drongen zich beurtelings tegen hem aan met vadsig-zinnelijke gebaren.
Toen werd hij in-eens nijdig en stootte ze ruw van zich af, zoodat er
een begon te schelden, terwijl anderen lachten. Maar van den overkant
van 't zaaltje lag nog altijd een jonge, tengere vrouw indolent loerend
naar hem te kijken, en lachte niet en zweeg.

En toen, met een schok, stond Bernard op. In één flitsen was al zijn
lijden-door-zich-zelf hem door 't moegekwelde hoofd gevlijmd, en daar
was de woedende wil dat op te doen houden. Eén oogenblik zag hij zijn
lijden los van zich. Zijn opstaan was een onbegrepen wanhoopsbeweging
van zijn gestriemde ziel, maar in zijn gaan groeide zijn lust, een
dierlijk-dolle lust, om nu neer te smijten en te vertrappen die dorre
doornenkroon van godsgedachten, die altijd, altijd pijnde om zijn hoofd,
om nu vaneen te scheuren, huilend te vernielen zijn ijle illusies, die
hem niets dan lijden gaven, niets dan schrijnende pijn, om er een eind
aan te maken, om in des duivels naam dan maar een gewoon mensch te
worden en plat-weg mee te smullen van 't voor 't grijpen liggende
warme-lekkere, van dat aaiende, dat weeë, weeë waar iedereen zoo van
genoot. En hij ging recht door de lauwheid van de kamer naar die
achterover in die sofa liggende jonge vrouw, die hem even toelachte uit
haar klein-geknepen oogen, bijna zonder te vertrekken haar strak,
was-bleek gezicht en dadelijk stond ze op en ging hem voor. En nog even
zag hij Sam hem na-oogen met een kalm-rustigen, goedig-bemoedigenden
glimlach.

Hij bleef dien nacht bij die slet. Lijfsgenot had hij er niet van,
alleen een zekere voldaanheid en doffe walging. Maar in zijn ziel was
een vage rust. Tegen vier uur ging hij slapen, naast haar liggend met
een armoedige tevredenheid, zooals hij wel had na veel dagen van lang en
laat werken -- als een afgebeuld oud paard dat zich rekt in zijn beetje
stroo -- en herhaalde aldoor in zich zelf, zich met die woorden
verdoovend: Ik ben er van af....



XIII.


't Was vroeg in den killen morgen toen hij naar huis liep. Hij geloofde,
dat 't zoowat half zeven was, hij wist 't niet precies. Met onbestemde
verbazing ging hij door de stille kilte van de uitgestorven straten,
kijkend schuw, links en rechts, naar de zwijgend-gesloten huizenrijen,
die in de strakke puurheid van 't eerste licht onwezenlijk-duidelijk
waren, schijnbeelden, als de geschilderde schermen op een tooneel. En in
zijn ooren was niets dan zilver-zuiver, hoog-lief, al te lief getjielp
van vogeltjes, en nu en dan 't dofdreigend gebrom van groepen gebogen
ambachtsmannen, die op karwei gingen, beladen met gereedschap. Hij week
wijd uit voor die groepen, met bijna slaafsch ontzag. 't Was hem of ze
't wisten allemaal en hem verachtten.

Want 't was gebeurd. Gebeurd, gebeurd. Hij herinnerde 't zich precies
met al de kleine bizonderheden, nu in zijn herinnering een reeks
staal-hard werkelijke noodlotsmomenten. 't Was geen droom. 't Was
gebeurd.

Wel was hij zich vaag bewust dat hij nog niet begreep in vollen omvang
wàt er gebeurd was. Daarvoor was zijn denken nog te veel bekneld; het
scheen onwrikbaar vastgegrepen, met stroef-harden greep, door 't
onmeedoogend-onherstelbare, onschendbare, ondeelbare van 't eenmaal
gebeurde, gedane. Zijn oogen staarden tot ze brandden op dat ééne,
doorzoekend zijn herinnering, als was er nog een hoop dat 't niet zoo
was, tóch schijn, tóch een droom. Maar neen, zijn herinnering was
onbedrieglijk zuiver en gaaf en hij liep daar en hoorde zijn stappen.
Hij wist nog precies dat wakker worden en dat herkennen, en toen dat
moeie, dof-verslagene van groote teleurstelling, alomme ellende,
onafzienbaar; en o! dat aldoor hooren van zijn ademhaling, als akelig
naargeestig, van vreemde verten aanzuchtend windgehuil, bij 't opstaan,
aankleeden, weggaan, en toen dat moment, die bijna-niet-te-doorleven
seconden, die onduldbaar-wrange gedachten-stilstand van 't betalen,
't neertellen van de verschuldigde guldens op dat vettig-glimmende
tafeltje. Met bange voorzichtigheid had hij ze neergelegd, naast elkaar,
plat, schuivend, maar toch hadden ze even geklonken, onverwacht, in zijn
klamme hand.

Hij liep diep in den kraag van zijn jas, die hij met zijn handen in
zijn zakken om zich heen trok, den rug krom, 't hoofd laag, schichtig
stappend. Hij wist niet of 't physieke pijn was die bonsde in zijn
hoofd, of alleen de ellende, die dof bonkend sloeg tegen zijn slapen,
van binnen.

Meer menschen tegenkomend, liep hij àl haastiger, en hij was er gauw,
schielijk draaide hij zijn sleutel om, die schuurde in 't slot, en
vluchtte naar binnen, de zware deur achter zich dichtgooiend met een
onbewust angstgebaar; hij schrok van den dreunenden slag. En stil, met
ingehouden adem, vluchtte hij verder, de trap op en zijn kamer in,
waarvan hij de deur met bevende voorzichtigheid dicht deed en op slot.

Terwijl hij toen schuw rondkeek in zijn zwijgende kamer, naar al de
gewone stille dingen, kwam er eerst een snikkend smeeken van gedweeën
boeteling in hem. De greep van de raadselende werkelijkheid liet af. Hij
begon te begrijpen. Hij voelde den blik van al die hoogzwijgende dingen,
die hem gekend hadden in zijn hoogmoed en hem nu weer-zagen in zijn
vernedering. En in-eens woedend van wanhoop nam hij een koperen
aschbakje van de tafel om te gooien naar den spiegel, maar hij schrok
van 't schuurgeluid dat 't ding op de tafel maakte en liet 't vallen op
den grond, waar 't dof bonkend neerrommelde. De alkoofdeuren stonden
open; met een huivering zag hij de ongerepte strakheid van zijn
over-spreid bed. En hij huilde, heesch hijgend, van machtelooze woede,
en een heftig verlangen naar bevrijding, naar niet-meer-zijn, schokte
als waanzin op naar zijn hoofd, zijn blik befloersend met een gevlam
van rood en blauw. Hij liep al naar de deur en sloeg zijn hand aan den
sleutel, willend ver-weg-gaan, buiten in 't park, waar hij wist 't diepe
water, stil, ongerimpeld, een zwart geheim. Maar al de dingen in zijn
kamer keken naar hem, fel-donker en een dreigend grommen scheen uit hen
te slaan. Ze groeiden en kwamen dichter bij, grepen hem, en duwden hem
neer, op den kalen grond, waar hij diep-snikkend neerlag, ineengekromd
als een gegeeselde. Lafaard! dreigde zwaar in zijn ziel een stem als een
stormvlaag....

En zóó een tijd lang stil-liggend op den killen grond, op den ouden
donkergrijzen grond van zijn kamer, zijn kamer, ruikend die bekende
stof-lucht van 't kleed, kreeg hij scheuten koele nuchterheid naar zijn
hoofd, kwam hij langzaam tot bedaren. Een gevoel van veilig zijn, achter
de gesloten deur, op zijn eigen kamer, tusschen al de dingen, die van
hem waren, van hem alleen, net als zijn jas en zijn laarzen, vredigde in
zijn hoofd. De dingen waren nu allemaal weer gewoon en ieder op zijn
plaats; ze zwegen, wijs kijkend, hem beschermend. Hij stond op. Hij ging
zijn ramen dicht-dekken en stak zijn gaslamp op, hij wou alleen zijn met
zijn intieme dingen. En toen, in 't vreemd gelende, zwart-schaduwende
licht, kleedde hij zich uit, heelemaal, tot hij rillend naakt stond.
Zijn kleeren gooide hij bij elkaar in een hoek. En met zijn hand
scheppend 't koude water uit de porceleinen kan van zijn waschtafel,
begon hij zich daarmee te wasschen, snik-hijgend telkens als 't
water kletste tegen zijn bloote lijf, en hij begon te beven en te
klappertanden van de kou.

Toen voelde hij zich beveiligd tegen de wanhoop. Gewone menschelijkheid,
bedelend verlangen naar warmte en physieke behaaglijkheid kwam boven.
Rustiger nu droogde hij zich af, forsch wrijvend zijn breed schonkig
mannelijf, en haalde kleeren te voorschijn, uit de kast, schoon
linnengoed en ook andere bovenkleeren, schoppend den slordigen hoop
van 't uitgetrokken goed nog dieper in den hoek waarin 't lag.

Toen hij bijna klaar was zag hij dat 't over half acht was. Zijn
juffrouw was dus niet gekomen om hem te wekken. Natuurlijk had ze hem
thuis hooren komen, natuurlijk had ze begrepen, wist ze 't nu, zij ook
al....

Maar ze kon niet weten, dat hij al bijna aangekleed was, bijna klaar om
naar kantoor te gaan. Straks zou ze zijn ontbijt brengen. Hij kon nog
weg zijn voor dien tijd. Hij haastte zich daarvoor.

En toen hij klaar was, zijn hoed weer op, zijn jas weer aan -- dat waren
nog twee dingen die mee geweest waren, die 't gezien hadden, zwijgende
medeplichtigen, maar hij had geen anderen hoed en jas -- sloop hij
voorzichtig-zachtjes zijn kamer af. Maar de sleutel had even geknarst in
't slot en in de gang kraakten zijn laarzen. En achter zich hoorde hij
licht schrikkend een deur opengaan en hij keek om en zag zijn juffrouw,
die hem aankeek met een onderzoekende verwondering, vragende schel en
wrevelig, valsch-lieverig: "Gaat u al weg, meneer?.... moet u niet
ontbijten?.... 't Is klaar!...."

Ze hield niet van hem, dat wist hij; hij was een stugge meneer, hij
praatte nooit met haar als 't niet hoog noodig was. Ze was een beetje
schuw voor hem. Dat nu tenminste er in gehouden en flink geantwoord.
"Nee, juffrouw, dank u! ik zal niet ontbijten. Goeie-morgen!" Goed zoo!
zijn stem had bedaard-koel, vast en uit-de-hoogte geklonken, dat gaf een
beetje steun, een beetje pose. Zoo moest hij zich er bovenop zien te
houden.

't Was eigenlijk nog te vroeg om naar kantoor te gaan; de werkvrouw zou
er nog bezig zijn, en Bram, de oude knecht, die den sleutel had en 's
morgens altijd 't eerste kwam, die zouden verbaasd kijken. Toch ging hij
naar kantoor. Hij zou er dan zitten als de bedienden kwamen, ze zouden
hem niet zien binnenkomen, ze zouden zijn gezicht niet hoeven te zien.

Dus liep hij toch haastig door en op kantoor trok hij, met een ernstig
gezicht, vlug zijn jas uit en ging dadelijk aan zijn lessenaar zitten,
zoodat de werkvrouw en Bram moesten denken dat hij iets hoognoodigs te
doen had, iets waar groote haast bij was. Hij liet den knecht de post
uit de bus halen, zei dankje, en liet 't stapeltje naast zich liggen,
quasi-ingespannen schrijvend een brief aan een klant. Toch verbeeldde
hij zich dat Bram en de werkvrouw achter zijn rug elkaar vragend
aankeken en even fluisterden. En hij schreef, diep voorovergebogen,
nog haastiger door, en enveloppeerde den brief, aldoor met een
gewichtig-gerimpeld gezicht en plakte den postzegel er op, "Hier Bram,"
zei hij, "dadelijk naar de post! Hard loopen, hoor!" "Ja, meneer," zei
Bram bedaard, maar Bernard, die niet naar hem opkeek, verbeeldde zich
weer dat hij zacht wat zei tegen de werkvrouw. "Wat is er, wat is er?"
vroeg hij ruw-driftig. "Niks, meneer," antwoordde Bram verbaasd,
"hoofdpost, meneer?" "Nee,.... breng 'm maar liever naar 't station,
maar loop vooral hard!" "Ja, meneer!" En Bram ging weg.

Toen bedacht Bernard zich dat hij vergeten had den brief te copieeren.
Hij bromde een paar vloeken en schold mopperend op zich zelf. Hij werd
kregel. En dat werd erger terwijl hij zijn brieven zat door te zien. Er
waren er een paar bij, die hij wel, ineengefrommeld, den schrijver in
't gezicht had willen smijten.

Intusschen schutterde de werkvrouw in tobberige verlegenheid om hem
heen; ze was niet gewoon dat meneer er bij was; ze mocht nu alles wel
in de puntjes doen; 't kon niet maar-zoo'n-beetje, zooals anders, onder
een gezellig babbeltje met Bram, die zijn pijpje rookte.

En een voor een kwamen de bedienden. Ze waren luidruchtig op de trap en
schrokken als ze meneer zagen, hem groetend met eerbiedig gedempte
stemmen; waarop hij in wreveligen toon antwoordde, zonder omkijken.

Ze fluisterden soms even. Dan keek Bernard om met gefronste wenkbrauwen,
zoekend met de oogen naar de lippen die bewogen hadden, maar dan zag hij
dat al de gezichten kalm en plooiloos voor zich keken. Hij stond op om
de post te verdeelen en sprak met ernstig-doffe stem over de zaken met
den ouden boekhouder en met den correspondent. Maar toen die een kleine
tegenwerping maakte, een beleefde aanmerking op een plan van den
patroon, werd Bernard boos en zei op hoogen toon, dat 't gebeuren moest
zooals hij zei.

En hij ging weer zitten aan zijn schrijftafel. Natuurlijk wisten zijn
bedienden ook alles. Voortaan zou hij ze alleen kunnen regeeren door
schrik en ontzag er onder te brengen. Persoonlijk overwicht had hij niet
meer. Maar hij was de patroon en hij zou er 't respect in weten te
houden, zei hij in zich zelf, een vloek prevelend.

Meer en meer verscherpte zijn slecht humeur. Hij had nu een hekel
aan zijn bedienden, die in lauwe tevredenheid zaten op hun krukken,
stil-zeurig werkend. Hij verlangde er naar, een van hen 's een standje
te schoppen.... Die lamme, paffig-bleeke jongen vooral, die achter zat,
die altijd romans van Sue of Bouvier in zijn lessenaar had liggen, dien
had hij nooit kunnen uitstaan. Maar hij had ook nooit veel reden tot
klagen over hem gehad, en 't was een beetje een protégé van zijn oom,
omdat hij van een vrij goede familie was; dus moest hij hem wel blijven
dulden. Maar er moest ook niet zóóveel gebeuren,.... niet zóóveel,
óf....

Bernard voelde wel de kleinzieligheid, de nietswaardigheid van zijn
gedachten. Maar hij aanvaardde dat. Goed! hij was ook maar een
doodgewoon mensch, waarom zou een onredelijk standje hem onwaardig zijn?
Dat overkwam iederen patroon wel 's!

Maar de morgen verliep kalm en gewoon, in zwijgend bezig-zijn; geen
enkel incident gaf hem aanleiding zich boos te maken. Hij werkte
gejaagd-haastig door, met groote inspanning zijn denken houdend bij zijn
werk. Als hij er maar even niet op lette, dan zag hij weer dat kleine
kamertje, en voelde weer de benauwende warmte, en rook de gemeene odeur,
en hij zag dat slap-passieve vrouwelijf liggen.... en dan zich zelf....
En hij maakte onbewuste bewegingen van walging met zijn onderkaak. O dat
weeë! en die gloeiende, gniepig martelende schaamte in zijn dof-bonkend
hoofd.

Op den gewonen tijd ging hij weg om koffie te drinken. Hij ging
natuurlijk ergens waar hij wist, dat niemand komen zou dien hij kende.
Hij at een paar taaie broodjes met vleesch, in jachterige haast groote
brokken verduwend, zich ergerend weer over die gulzigheid, en dronk
wat van zijn koffie, die slecht was en akelig zoet, want hij had er,
abstract, al de klontjes ingegooid. En opziend tegen de beurs-drukte
bleef hij nog een poos zitten kijken in een viezige krant, las de
gemengde berichten en advertenties die hem niets konden schelen, en
liep toen loom op, naar de Beurs. Daar, in 't roezig geraas, werd zijn
hoofdpijn zoo erg, dat hij er wat duizelig van werd, en tegen een pilaar
moest gaan staan. Hij ontweek zooveel mogelijk zijn kennissen, deed of
hij ze niet zag, aldoor druk zaken doende.... En zoo gauw mogelijk liep
hij weer naar kantoor, vroeger dan anders. Al de bedienden blikten op en
keken hem tersluiks aan toen hij binnenkwam; de oude boekhouder tuurde
onderzoekend over zijn bril en die bleeke jongen, achter, wreef zich de
dikkige handen en trok zijn mond alsof hij gelachen had. Bernard bleef
hem even aankijken. Toen schrok de jongen en hervatte schuw-haastig zijn
werk.

Lacht die lummel? lacht dat vervelende meubel? zei Bernard in zich zelf.

Hij ging weer zitten werken. En 't slechte humeur en de ruzielust
waren er ook weer. Hij verbeeldde zich nu aldoor dat ze fluisterden
en ginnegapten over hem. Telkens keek hij schielijk op met toornig
wenkbrauwfronsen. Plotseling -- 't was om half vier zoowat -- hoorde hij
duidelijk gichelen en omkijkend zag hij dien jongen achter een gebaar
maken naar den jongsten-bediende, die in 't voorkantoor zat.

Hij stond op en vroeg hard-luid: "Wat is er, Bekker?" "Niets meneer,"
zei de jongen, quasi-onschuldig en bedaard naar hem omkijkend. "Niets
meneer!.... niets meneer!" herhaalde Bernard met dreigenden wrevel en
klimmende drift. "Wat heb je dan te ginnegappen en wat wou je wijzen aan
Willemse hier?.... Kom hier!...."

Bekker kwam loom aanloopen. "Gauw wat! Kom hier!" riep Bernard. "Wat heb
je te lachen, vlegel!" En hij gaf hem een harden klap in 't gezicht.

"Au!" huilde Bekker, achteruit stuivend. "Verdomme!.... U hoeft me niet
te slaan! Ik heb niet gelachen!.... Ik deed niets.... Ik zat kalm te
werken, hier, aan de facturen!"

"Je liegt, vlerk!" schreeuwde Bernard, "je liegt, beroerde lummel!" En
hij pakte hem bij den kraag van zijn jas en schudde hem heen en weer.

Al de andere bedienden staarden, verstomd van verbazing, naar zijn rood
hoofd, dat scheen te zwellen, te zullen bersten. "Werken jelie maar
door!" snauwde Bernard, "'t gaat jelie geen bliksem aan!.... Kom hier,
vlegel!" En hij duwde hem voor zich uit naar zijn lessenaar en hij nam
wat geld uit een laadje. "Hier is je salaris.... voor de heele maand,
maar maak als de donder dat je van me kantoor afkomt, gauw!.... Pak je
hoed!.... Gauw dan, zeg ik!" Zijn stem klonk schril-hoog en hij stampte
van woede. Lijk-bleek, verstomd en met schuwen blik had de jongen 't
geld aangenomen en was weggegaan, de deur uit, de trap af.

Toen Bernard hem niet meer hoorde, ging hij -- zijn bonzend hoofd
steunend met zijn hand -- terug naar zijn lessenaar. Hij had moeite om
niet te wankelen.

Maar toen hij weer zat voelde hij zich even verlicht door dat woeste
uitwoeden. Hij was blij dat die lamme jongen weg was. Een dégoutante
papzak. Een type van een ambtenaarsklerk. Hij had hem altijd al verveeld
en ontstemd. Hij was blij dat hij hem niet meer zien zou, die akelige
bleeke tronie, dat dom-zoetige meelgezicht.

't Werd nu heel stil op kantoor; Bernard luisterde telkens met
ingehouden adem en iets van angst in zijn warm-soezig hoofd of de
anderen niet fluisterden onder elkaar. Maar hij hoorde niets dan -- van
tijd tot tijd -- een droge kuch of een liniaal die werd neergelegd.
Buiten versomberde 't straatrumoer in 't vergrijzen van den dag; met
klamme melancolie sloeg 't geroep van een lorrenjood in de schimmige
leegte van de huizen. Bernard zag de schaduw van zijn schrijvende hand
verflauwen en vervagen tot een spookachtig-bewegende grijsheid zonder
vorm.

Voor 't eigenlijk nog noodig was, stak hij de gaslamp aan, die op zijn
schrijftafel stond, en liet 't rolgordijntje naar beneden rommelen. En
met een ruk schoof hij zijn zwaren stoel weer aan, willend zich in 't
nieuwe, heldere licht weer flink aan 't werk zetten. "Ik zou daar ook 't
licht maar aansteken," beval hij zijn bedienden, "'t is vroeg donker van
daag." Niemand antwoordde; in triestige stilte ploften de gasvlammen
op.

Maar ondanks 't helle avondlicht, voelde Bernard nog altijd de kille
krimping van den namiddag buiten, in de nauwe straat; hij hoorde het
geroep en kargerommel versomberen, al dieper.

En nu kwam ook 't strenge bewustzijn, dat hij in wreed-onredelijke drift
een bediende had beroofd van zijn werk, van zijn broodwinning. Hij dacht
even aan dat tehuis, waar hij nu zeker zijn zou, die jongen, ....
misschien had hij een moeder..... en zusters, die nu zaten te smalen op
hem, den slechten patroon, den gemeenen man....

Hij had graag zijn moe-warm hoofd laten zinken op 't hel-lichte,
koel-glanzende papier, dat voor hem lag. Maar dat kon natuurlijk niet.
Hij was de patroon. Hij moest 't gezag handhaven in 't belang van de
zaken.

Hij voelde zich slachtoffer nu, hij kreeg wat medelijden met zich zelf.
't Was tergend dat nu juist, met vlagen lichtheid in zijn hoofd, de pijn
wegging. Hij had nu wel graag erge hoofdpijn gehad om meer reden te
hebben zich zelf te beklagen.

Eindelijk zes uur. De een na den ander, met gedempt groet-gebrom
vertrokken de bedienden. Er was stil gemor in dien verplichten groet.
Bernard voelde 't.

Goed!.... Goed!.... bromde hij binnensmonds, terwijl hij ook opruimde,
sloot, en wegging. 't Is nu eenmaal gebeurd.... 't Kan toch niet meer
ongedaan gemaakt worden.... En al kon 't ook, al kon 't ook!.... Wat
bliksem, die jongen is ook niet voor zijn plezier op de wereld....

Met stroef-gesloten mond en donker-starenden blik liep hij de
Warmoesstraat door naar den Dam en toen de Kalverstraat in. Hij zou gaan
eten. Aan zijn tafel, met zijn vrinden. Want dat moest immers toch, dat
terugzien en weer omgaan met hen. Of 't nu vandaag of morgen gebeurde
wat deed dat er toe! En alleen zijn was toch nog ellendiger....

Trouwens, waarom ook niet? Hij was nu heelemaal hun vrind, meer dan
ooit hun makker, een van hun slag. Dat zich heimelijk eenigszins
boven hen voelen van vroeger was schreeuwend belachelijk geworden, een
gevoel om uit te fluiten, om neer te striemen met fellen hoon. Ze
zouden hem zeker hartelijk, kameraadschappelijk ontvangen, en hij zou
vroolijk zijn met hen, waarom niet? Hij was nu vrij, hij kon nu alles
doen, zich bedrinken,.... alles wat hij maar wou, er was niets meer
aan verloren.... Jammer! hij had daar eigenlijk al veel langer plezier
van kunnen hebben....

Hij dronk onderweg in een klein drankhuisje twee borrels, achter elkaar,
aan de toonbank, en met voldoening merkte hij hoe 't werkte van binnen,
verhittend zijn donkre, loome lijf, opslaand met helle vlammen zijn
suffe hoofd in.

En hij vond zijn vrinden, die er altijd al waren, bitterend aan hun
gewone tafeltje. Hendrik en Gerrit waren er ook, en hij zag dadelijk
dat die twee 't ook al wisten, dat er over gesproken en gelachen was
aan hun tafeltje. Gerrit glimlachte met een gemeen genoegen in 't
geval, Hendrik keek hem ernstig, kalm-onderzoekend aan. Maar ze zeiden
er geen woord van, geen van allen, ze deden alsof ze er niet aan
dachten. André was opgewekt, heel amicaal, en Sam bedaard hartelijk,
leuk-natuurlijk-hartelijk, als een broer.

Maar Bernard, die er zich op voorbereid had, dat ze er dadelijk over
beginnen zouden, en daarvoor dan zijn antwoord klaar had, was verward
en abstract. En toen hij nog een borrel gedronken had en er aan gewend
was dat ze er niet over spraken, een beetje wegzakkend in half-dronken
gesoes, was hij telkens bang dat ze een toespeling zouden maken of één
van allen in-eens wat vragen. Hij wist niet meer hoe hij zich dan houden
zou.

En daarom ging hij na het eten gauw weg, zonder koffie, bewerend dat hij
naar kantoor moest. Maar hij ging naar zijn kamer.

Hij stak er 't licht niet aan, hij bleef in 't donker liggen op zijn
kanapee, met gesloten oogen, achterover, zijn dof-bonzend hoofd tegen
den hard-houten rand van knobbelig lofwerk. Dat deed hem eerst goed, de
hardheid van 't hout, die pijn gaf aan 't beenige achterhoofd. Maar gauw
werd 't te erg en zakte zijn hoofd lager, tegen 't broeiige trijp. En
willoos toegevend aan de slaperigheid, die krieuwde in zijn moeie lijf,
was hij gauw in een doffen slaap.... weg....

Toen hij wakker werd, stijf en rillerig en gedésorienteerd, zag hij, met
een aangestoken lucifer op zijn horloge kijkend, dat 't bij tienen was.
Hij was nog dof en zwaar van den slaap, hij bleef nog liggen ondanks de
stijfheid van zijn klammig-koude leden, de pijn in zijn gewrichten en in
zijn hals.

Met een angstige klopping in zijn polsen keek hij rond in de schemerige
duisternis van het vertrek. Zijn gordijnen waren opengebleven;
mysterieus zwierven de gelige glimpjes van in 't water weerkaatste
flikkering langs 't plafond, en in den eenen hoek streepte zwak 't
armoedige licht van de straatlantaarn, die een eindje verder stond. Hij
hoorde 't gebel van de tram die de flikkering wierp in 't water. Maar in
zijn kamer was 't stil.

En nu steeg in-eens in zijn hoofd, -- dof-treurend als uit de verte
gehoord gezangen-zingen in een protestantsche kerk, -- het volle
bewustzijn van wat er in hem was vernield.

En hij ging recht-op zitten; plotseling hevig ontroerd van een sterk in
zijn hoofd staande, smartlijke verbazing. Hoe was 't mogelijk!.... Hoe
was 't mogelijk!.... De eenige illusie die hij nog had, de teeder
gekoesterde, hem zoo innig-lief geworden om den doorstanen hoon, het
zonnevlekje van poëzie in zijn leven, het blauwe lint aan zijn stalen
lans, het teeken der jonkvrouw, weg, weg, voor altijd. Door zijn handen
verscheurd, door zijn voeten vertrapt. En uit zijn wijd-openstaande
oogen persten de groote tranen en liepen langs zijn verkild gelaat, lang
voor hij er bewustzijn van had, en zich voorover buigend heftig begon te
snikken, zijn gezicht in zijn beide handen duwend, zijn kil-klamme
handen van eenzaamheid.

Hij voelde zich nu zwak en klein, een kind dat verdriet heeft. Hij
fluisterde zacht: moeder.... moeder.... waarom ben je niet bij me
gebleven?.... en waar is mijn vader, mijn vrind....

En hij dacht aan hun graf, daar ver buiten, op Zorgvliet. Hij was er
niet dikwijls heengegaan. Ze waren daar immers toch niet. Ze waren niet
in de kille duisternis, ze waren in 't licht, in 't diepe-stralende
licht van eeuwige liefde. Maar nu wou hij er heen gaan, nu wou hij gaan
denzelfden weg waar zij langs gebracht waren, liggend stil, koud, dood,
in den zwarten wagen. Want hij was nu immers ook dood,.... verslagen
door 't leven.

Hij stond op en nam zijn hoed en jas en ging de trap af, en de deur uit.
't Was koel buiten, een vochtig-zoele koelheid kwam hem tegen.... En hij
begon al langzamer en langzamer te loopen.... en bleef staan.... Hij
voelde dat 't niet gaan zou. Dat hij er niet langs kon loopen zoo lang,
langs 't koel-kabbelende, donkere water, daar buiten, in de wijde
stilte. De sterren flonkerden. Er was geen maan. 't Ging niet. Dan zou
hij 't doen, 't lafste, 't laagste. En dan zou hij nooit, nooit kunnen
stijgen tot hen in 't licht, in 't pure licht, maar hij zou daar blijven
liggen, rottend in 't zwarte slijk, als een verdoemeling.

Hij liep terug, sneller, angstig-gehaast. Voor hij 't wist was hij weer
op zijn kamer.

En hij stak zijn lamp aan en haalde uit de kast in 't alkoof, met
moeite, de ouderwetsche mahoniehouten kist, waar de reliquieën in lagen,
de brieven en portretten en de ringen van zijn ouders. En toen hij
die zag begon hij weer heftig te snikken. Maar 't deed hem toch goed.
Pieuse aandoening en weemoed verzachtten zijn smart. Toen zijn snikken
bedaarde kwam er wat berusting en vrede in zijn ziel. En een vage
behoefte om te bidden. Maar dat deed hij niet. Hij dorst niet denken dat
God hem hooren kon.

De rust na 't uithuilen voelend in zijn hoofd wreef hij herhaaldelijk
met zijn handen langs zijn slapen om nu tot klaarheid te komen, tot een
plan voor de toekomst. 't Was een lange, kale weg, dien hij voor zich
zag. Stil plicht-doen, werken, was voortaan 't eenige. Werken van 't
opstaan tot 't naar bed-gaan, om den zegen van den slaap te verdienen,
waarin dan misschien nu en dan een vluchtige droom zou zijn als 't
zwakke schijnsel van 't groote licht dat hij niet meer hopen dorst te
zullen zien.



XIV.


Met den vasten, strengen wil zich zijn werk nu tot zijn levensdoel te
maken ging hij den volgenden morgen naar kantoor. En zoo ook zette hij
zich voor zijn lessenaar en begon al de gewone dingen als waren ze nieuw
voor hem en ten hoogste belangwekkend, met volle aandacht, de zaken
breed overziend en tegelijk lettend op de kleinigheden, de voltooiende
finesses, negeerend met ijzeren zelfdwang alle storende gedachten,
aldoor krachtig in zich opstuwend dien wil om zich van nu af heelemaal
te wijden aan zijn werk. Hij trachtte naar een kortkernigen, correcten
stijl in zijn brieven -- zich juist en duidelijk uit te drukken in
weinig woorden -- en naar een mooi, ruim, regelmatig schrift. Dat streven
gaf al dadelijk een klein, opbeurend plezier, en hij kweekte 't stil.

Hij was bedaard-vrindelijk tegen zijn bedienden,
eenvoudig-kameraadschappelijk. Die vrees van gisteren dat ze wat weten
konden was weg. Dat was natuurlijk onzin geweest, een hersenschim.
Zulke toevalligheden, dat las je in boeken, maar dat kwam niet voor. Ze
wisten niets van zijn leven buiten 't kantoor, ze letten er niet op, 't
kon hun niet schelen. Ze kenden hem eigenlijk niet. Voor hen was hij een
doorgaans nogal geschikte patroon, die goed betaalde, meer niets.

Hij werkte 's morgens, 's middags en dikwijls 's avonds ook nog. De
drukke tijd duurde lang dit jaar. April uit en bijna de heele maand Mei
was er veel te doen. En meer en meer boeide 't hem en merkte hij den
bedarenden zegen van 't werken.

Hij zag zijn gewone vrinden dagelijks aan tafel, was dan
bedaard-opgewekt, klaagde een beetje over zijn drukte, over de bergen
werk die hem wachtten, om maar weer gauw weg te kunnen gaan, alleen.
Ook Edward, die nog een poosje logeerde bij zijn zuster, zag hij een
paar maal. Eens ging hij er eten en een anderen keer kwam zijn vrind 's
avonds op zijn kamer om 's ouderwets te praten. En beide ontmoetingen
stoorden hem niet. Hij voelde opnieuw dat hij nog altijd hield van
Edward en graag alles voor hem zou doen, maar dat er nooit meer eenige
intimiteit tusschen hen kon zijn.

Edward amuseerde zich in Amsterdam, hij ging veel uit, maakte nieuwe
kennissen, kwam van den een bij den ander. Dien avond op Bernards kamer
was hij bijna voortdurend aan 't woord. Hij had 't over Mimi en over
andere meisjes, die hij ontmoet had in de laatste weken. Ze hielden hem
erg bezig, al die meisjes; hij had veel lust zich te verloven, maar hij
kon ze toch allemaal niet vragen en de eene was zoo mooi, en de andere
zoo geestig en een derde.... had wat geld.... nogal veel geld, zeiden
ze,.... en, niet dat hij ooit een vrouw zou willen nemen om 't geld!....
Maar och, er was toch ook wel wat voor te zeggen, zie je. Vooral
in Indië, daar hadt je heel wat noodig; tenminste als je vooruit
wou komen, carrière maken.... En dan, 't was ook een allerliefst
meisje, bepaald een +goed+ meisje,.... en ze had ook wel een aardig
gezichtje....

Bernard luisterde en knikte en gaf wat toe en sprak wat tegen, en werd
niet gestoord. Hij zat met kalm genoegen naar Edward te kijken, te
luisteren naar zijn welluidende stem, maar wat hij eigenlijk allemaal
zat te vertellen, dat wist hij niet precies.

Iederen Zondag ging hij nu naar Bussum. Dat was een vreugde voor oom
en tante. Ze begrepen eigenlijk niet goed hoe 't kwam, dat Bernard nu
wel geregeld komen kon, terwijl hij vroeger telkens een of andere
verhindering had. Maar ze wilden er niet over spreken, want ze vonden
't veel te prettig zoo. En Bernard was altijd zoo hartelijk en zoo
opgeruimd. Hij had niet meer die buien van lang stil-zijn en voor zich
uit staren, en dat kregele, licht geraakte en scherpe. Hij was veel
zachter. Wel scheen hij ook ernstiger dan vroeger, in korten tijd ouder
geworden, en was iets koels in zijn blik oorzaak dat tante nooit dorst
vragen hoe 't nu eigenlijk zat met dat meisje.... Meermalen had ze al op
't punt gestaan van hem daar 's over aan te spreken, maar ze was altijd
een beetje bang dat hij haar dan goedig-bedaardjes uit zou lachen en
toch niets loslaten. "De jongen is eigenlijk wel een beetje eigenwijs
geworden," zei ze eens tegen oom, maar toen die leuk-weg antwoordde, dat
hij daar nog niets van had gemerkt, liet ze er schielijk op volgen:
"Nou ja,.... ik meen maar zoo.... Niet dat-ie pretensies heeft.... Dat
heelemaal niet!.... hij is bescheiden genoeg.... Alleen, hij kan soms
net kijken of hij 't eigenlijk allemaal al lang weet, wat je 'm zit te
vertellen...."

Oom haalde zijn schouders op, "'k Begrijp niet, wat je bedoelt," zei
hij.

Bernard wandelde veel 's Zondags in Bussum. Liefst alleen, maar ook
dikwijls met oom, die dan liep te praten uit zijn ondervinding van
zaken en menschen. Terwijl keek Bernard naar de boomen en de lucht en de
huisjes aan den weg. En hij genoot stil van het mooie, het teere, het
fijne. Maar vooral als hij alleen was en zich overgeven kon aan 't genot
van 't zien, 't bespieden van de dingen buiten, dan was hij stil-blij en
bijna gelukkig. Als hij liep in 't bosch en zag de zwartige takken en
takjes, fijntjes wirwarrend tegen de wazige eindloosheid, en hij zag
het teer-reine lichtgroen van de eerste blaadjes, en hier en daar een
kastanjeboom, die al verder was en over den grond zijn schaduwvlekjes
stoeien liet met het guldene licht, en hij zag de hooge lucht, die
al dieper begon te blauwen en de blank-glanzende witte wolken, die
geluidloos dreven in de zoete koelte, en als hij hoorde 't zuiver
gefluit, de trillertjes en tjielp-geluidjes van de ongeziene vogels --
als waren er nimfen in 't woud, die lachten en kusten elkaar op de koele
ruggetjes -- en dan daaronder 't intiem-dichtbije gekrak van zijn stap
op 't droge pad, en als dan de boschgeuren zoet-prikkelend kwamen rijzen
in zijn hooggedragen hoofd, dan werd 't lichter, zijn hoofd, en als
doorruischt van zuivere liefelijkheid, was 't zorgen-leeg en vrij van
lijden, van menschelijk getob.

Dikwijls ook bleef hij lang zitten aan den weg, op den bruin-zwarten
grond, zoodat de vochtige koelte van de aarde begon te huiveren in
zijn lijf, en dan voelde hij zich één met de natuur, als doorvaren van
voorjaarswind en vocht van weeke aarde. Hij genoot meer van de natuur
dan ooit vroeger in zijn leven; veel was er wat hij nu voor 't eerst pas
merkte. Dan was er in-eens een vage bewustwording van hooger leven in
hem, een plotseling heel diepe, suizende stilte van denken aan 't leven.
En met lange teugen ademde hij de lucht van 't vrije buiten.

En dan kwam soms ook in eens, niet voorgevoeld, uit de ongekende
diepten van zijn gemoed -- die waren als stille grotten, waarin de
boschklanken echo riepen -- een heimelijk sidderen van hoop en blijde
verwachting. Daar liep hij dan wel tegen te praten in zich zelf, als hij
terug wandelde naar 't druk-modieuse villa-gebouw, waar ze hem wachtten
met een chic-gedekte koffietafel, opziend tegen 't moeten scheiden van
zijn stil zijn in 't plechtige buiten, en hij zei: laat ik daar nu toch
niet aan toegeven, dat is toch allemaal bedrog! laat ik nu blijven
leven, stil, met 't genot van de dagelijksche dingen, met me werk en 't
goed zien van alles om me heen, laat ik nu tevreden zijn, leven in me
zelf zonder hoop op geluk van buiten af.... Maar toch, telkens in-eens,
altijd even onverwacht, en maar half bewust was ze er weer, die
kloppende ontroering, van iets groots, moois, eindeloos begeerlijks, dat
glansde, even boven zijn blik, en dat vervaagde en weg was, als hij er
naar kijken wou, er denkend naar zocht.

Die oogenblikken kwamen telkens terug op zijn eenzame wandelingen door
de Mei-natuur, en maakten hem soms weer triestiger, week neerslachtig en
moe, met lust lang uit-te-huilen.

In de stad was hij sterker. Zonder vrees voor weekheid, met enkel
frissche verliefdheid op natuur, zocht hij daar de boomen, en als hij
de boomen niet zag keek hij naar 't water en naar de lucht, naar de
heerlijke, diepe lucht vooral, die hij zelfs in de Warmoesstraat zien
kon. Hij stond meestal vroeg op 's morgens en liep een eindje om
voor hij naar kantoor ging en dan vond hij de boomen en zag de
malsch-buigende twijgjes, waar 't jonge groen uitschiet en vrij zich
ontplooit en naar de zuivere zon richt 't ongerepte glanzen van zijn
blaadjes; hij zag dat goddelijk reine groeien en bloeien, kort boven de
bevuilde klinkertjes en de bonkige keien, die daar lagen in eindelooze
regelmaat samengestampt, de vale vloer van de stad.

Maar ook van de met handen gebouwde stad, van de gevelrijen, van de
hoogtorenende kerken en laagwelvende bruggen wilde hij 't mooie zien en
hij zag 't ook, ál beter, ál dieper en breeder, tot hij er van genoot,
iedren morgen en ook 's avonds, als hij lui-langzaam liep te dwalen
langs de grachten, in de schemering. Vroeger, herinnerde hij zich, had
het sombere avondvallen in de stad hem altijd beangstigd, had hij altijd
verlangd naar 't volkomen-donker, als de lantaarns werden aangestoken,
op de stille grachten een lange rij lichtjes als nacht-pitjes, die wazig
streep-straalden voor de klein getrokken oogen, wiegend heen en weer
met 't wiegende hoofd, en als in de wijde winkelstraten een intieme
huiselijkheid kwam van veel avondlicht, flauw-rossige glansen om de
haastig-gaande menschen.... Maar nu hield hij van de schemering en rekte
met loom bewegen van zijn lijf 't genot er van in zijn wijd kijkende
oogen en luisterende ooren. 't Wegkrimpen van 't daglicht tusschen de
breed-gekruinde grachtboomen en de hellende gevels van de oude huizen
gaf hem een eigen en innig genot van weemoed, vredigende melancolie,
waarin hij gaarne, zacht ademend liep te luisteren naar 't stille klagen
van den avondwind, hoog in de toppen van de drukke straten in 't hart
van de stad, de geel-lichte koffiehuis- en winkelstraten.

Want op de grachten was 't stil, de enkele voorbijgaande menschen
spraken met gedempte stemmen, zonder luidruchtigheid of harden lach....

Uren kon hij zoo blijven loopen langs de wijde wegen van de stad, tot de
hemel al lang zwart was en de maan opkwam, heilig mysterie van koel
groen licht in den diepen nacht....

Als hij dan -- nu en dan huiverig, rillend -- aankwam op zijn kantoor,
ging hij zitten lezen onder zijn lamp, mijmerend boven de stille
glanzing van de bladen van zijn boek.

Hij was stil en rustig....

En als hij soms, in de zoele Mei-avonden werd bevangen door hittige
prikkeling van zinnelijke begeerten, die brandden in zijn droge keel en
klopten in zijn gloeiende slapen, dan ging hij snel loopen, zich moe
loopen, driftig slaande de gloei-warme voeten tegen de straatsteenen,
net zoo lang tot hij bezweet en door de inspanning half versuft alleen
nog naar rust verlangen kon. En als hij dan thuis kwam was hij dikwijls
week en slap van vermoeienis, maar de kwelling was weg.

Hij had gemerkt, dat afmatting van je lichaam de eenige manier was om
zoo'n verlangen weg te krijgen, als je er niet aan voldoen wou.

En dat wou hij nu eenmaal niet.

Hij had daar in den laatsten tijd veel over nagedacht in zijn
vredigend-melancholische stemming. Hij vond op-zich-zelf niets slechts
of leelijks in zulke begeerten, zoo als er heelemaal niets slechts of
leelijks zijn kon in de natuur. Maar leelijk, storend, plat, banaal en
wee waren de eenige middelen waarmee hij ze bevredigen kon. Eens had hij
dat platte aanvaard en de walging van zich zelf en zijn bestaan, die er
op gevolgd was, had hem bijna tot het laagste gebracht. Hij verweet zich
dat nu niet meer. 't Was noodig geweest, dat begreep hij nu. 't Was
helaas noodig geweest om hem zijn niets-zijn, om hem 't belachelijke van
zijn vroegeren hoogmoed, van zijn malle, verwaande illusies te doen
voelen. 't Was noodig geweest om hem te brengen in 't leven van
tegenwoordig, 't bescheiden, stille leven van dag op dag, 't eenige op
den duur mogelijke.

Maar die eene avond beteekende verder heel weinig in zijn lange leven.
Dikwijls, als hij er nu aan dacht, scheen hem die avond een droom of
iets ergens gelezen of gehoord. Dan kon hij zich niet begrijpen dat hij
al niet lang wist, dat alleen een leven zooals hij nu leidde, zonder
illusies, maar ook zonder zorgen -- want waarom zorgen? -- de wanhoop
weren kon. Hoe was 't mogelijk dat hij zoo lang zijn bestaan verontrust
had, en in gevaar gebracht, door hemel-bestormende begeerten en
mensch-verachtende gedachten. Alsof hij-zelf een gigant was en niet een
menschje, even machteloos als de rest.... En dan nog! Waren ook niet de
giganten teruggeslingerd, in de diepte, te pletter?

Maar wel aan niemand minder dan aan een kantoorheertje, uit de
Warmoesstraat, zoo'n gewoon beurslummeltje, paste de hubris, de hooge
over-moed.

En wat er overbleef van 't bestaan, als je 't opvatte gelijk hij nu
deed, was toch nog wel de moeite waard. Als je maar wat zorgde voor
afwisseling in de kleine vreugden en stille genietingen van allen dag,
dat ze niet te gauw afstompen en vervelen, niet voordat je oud bent
en weet dat je dood moet. En zelfs dan bleef toch nog altijd 't
in-zich-zelf-schoone, dat nooit verveelt, van natuur en kunst, van mooie
dingen om te zien, muziek om te hooren, boeken om te lezen, om in weg
te zijn, weg van je zelf en het leven. Zulke genietingen maar stil
aankweeken in jezelf, en zoo van je leven maken een kunstig aangelegden
tuin vol vreemde heesters en bloemen in tallooze variëteiten -- wel
nergens wild, nergens grootsch, maar toch iets bizonders en de moeite
van 't bewandelen waard. En de hof van je buurman is allicht weer
een beetje anders, en als hij er geen heining omzet dan kun-je er 's
inkijken, dan heb-je ook wat aan zijn heesters en bloemen. Dat is wel
een klein-burgerlijk genot, je kunt 't af op je pantoffels, maar als je
nu eenmaal geen gigant bent.... en geen reus met zevenmijlslaarzen....

Aan dat oude verhaaltje dacht Bernard eens, terwijl hij stil zat te
werken, en hij herinnerde zich dat hij als kind veel meer hield van dien
vliegenden reus dan van 't listige klein-duimpje....

O! die droomen in de vensterbank, als zijn moeder over hem zat en
vertelde.... Even dwaalde zijn blik over zijn werk heen, kijkend zonder
te zien.... Toen ging hij weer door; hij moest er waarachtig zijn hoofd
bijhouden, 't was de balans van 't afgeloopen jaar, waar hij mee bezig
was.

             *       *       *       *       *

Op een avond dat hij naar gewoonte liep te droomen langs 't
diep-liggende water van een breed-gewalde gracht, kwam hij Sam tegen,
die daar in de buurt woonde, op een bovenhuis.

"Waar ga jij naar toe," vroeg Sam.

"Zoo langzamerhand naar huis," antwoordde Bernard, "ik heb maar een
endje omgekuierd."

"Ga met mij mee," zei Sam, "laten we bij mij een kalm glaasje wijn gaan
drinken."

"Dat's goed," zei Bernard.

En ze liepen samen op.

Sam was in den laatsten tijd aldoor bizonder hartelijk voor hem geweest,
niet met daden of woorden, maar met blikken en houdingen en een stem van
natuurlijke broederlijkheid. Ze waren nu en dan samen alleen geweest,
lang zwijgend beiden zonder hinder van de stilte, als goede, oude
vrinden.

Ze liepen nu te praten over de gebeurtenisjes van den dag, stil-rustig
en vertrouwelijk, en waren gauw in de mooie, groote zitkamer van Sam,
die met veel luxe en verfijning van smaak was ingericht en aangekleed.
Sam wist altijd, met bedaarde behendigheid, te vermijden dat er fuiven,
drukke drinkgelagen gehouden werden op zijn kamer, maar met kennelijk
genoegen ontving hij er een of twee kalme vrinden, die dan in ruime,
gemakkelijke stoelen kwamen te zitten, de voeten op een dik perzisch
kleed van verwonderlijk mooie kleurschakeering. Ook nu weer was Sam
bedaard-blij dat Bernard eens gekomen was; hij schoof lage leunstoelen
aan, en niet zijn licht cadanzenden stap vlug door de kamer gaande,
bracht hij fijne sigaretten te voorschijn en een flesch van den
voortreffelijken ouden wijn, waar hij-zelf zoo bizonder op verlekkerd
was, en die alleen met kalm-proevende aandacht, in stil-rustig samenzijn
gedronken mocht worden.

Bernard legde zich met behagelijkheid in den langen, lagen stoel;
allengs vervuld van stille bewondering, zacht-innige vreugde in mooie
dingen -- alleen niet volkomen vrij van jaloezie -- keek hij rond in de
kamer, terwijl zijn vrind voorzichtig de flesch opentrok en de glazen
inschonk. De met veel zorg-volle vinding en een sterk-persoonlijken
smaak geornamenteerde kamerwanden, vol schilderijtjes en slank-omlijste
etsjes, in den avond meer vermoed dan gezien, en de eenvoud van 't
plafond en de gordijnen, die in rechte plooien neerhingen, innig
schaduwend in 't getemperde avondlicht, gaven een geheel van rustige
harmonie, dat hem aandeed met een gevoel van weelde-genieten en stil
benijden van den man, die daarin woonde. En bijna geluidloos zwol de
koele wijn in 't glinster-heldere kristal van de glazen, geschonken met
vaste hand, en werd de bestofte, zwarte flesch, nog rijk van edelen
drank, terzij gezet, drukkend zijn gladden voet in de wijkende weelde
van 't fluweelen tafelkleed. Toen liet Sam zich, met een ernstige
tevredenheid, in den anderen armstoel zakken en namen ze beiden hun
glazen op, mompelden "prosit" en dronken, en Bernard roemde even den
wijn, wat een glans van genoegen gaf in Sams goedhartige, blauw-groene
oogen. Een poosje zaten ze zoo in welbehagelijke rust te genieten.

"Weet je wel, waar André tegenwoordig 's avonds zit," vroeg toen Sam.

"Nee....," zei Bernard vragend.

"Hij gaat minstens tweemaal in de week naar Frank,.... zoogenaamd om
Hugo,.... maar je begrijpt dat 't om 't zusje te doen is.... Dat zaakje
zal wel in orde komen, vermoed ik...."

"Zou je denken," vroeg Bernard, "hij spreekt er nooit over, hè!"

"Daarom juist!.... Als 't 'm geen ernst was, zou hij er wel over
praten!...."

Bernard zat even te soezen. De tijd van zijn verliefdheid op Betsy....
vier, vijf jaar geleden nu,.... die jonge tijd van lachen en stoeien en
van zingen, uit volle borst, onbegrepen liefdeliederen, kwam door zijn
hersenen varen als een van ver aanstrijkende lenteluwte. "Hij heeft
gelijk," zei hij ernstig, "'t is een goed meisje...."

Ze zwegen weer, maar Bernard hoorde Sam zacht mompelen: "Gelijk!....
Hm!.... Betrekkelijk!...."

"Vindt-je 't niet," vroeg hij, een beetje verbaasd.

"Jawel!.... Och ja!.... Ik geloof ook dat 't voor hem maar 't beste is
dat hij trouwt...."

"Dat is dunkt me niet twijfelachtig, als ze van elkaar houden," zei
Bernard.

Sam zei niets, maar glimlachte leuk, zijn lippen naar voren stekend. Er
was een uitdrukking van goedigen, ouwelijk-bedaarden spot in zijn
gezicht, een uitdrukking, die Bernard een beetje hinderde. Hij liet zijn
hoofd naar achter zakken op de rugleuning van zijn stoel en sloot zijn
oogen even, koeltjes vragend: "Ben je 't er niet mee eens, jij,....
verstokte celibatair?"

Sam zette zich recht in zijn stoel, klopte de asch van zijn sigaar, en
zei, zijn wenkbrauwen optrekkend, met quasi-deftige kraakstem: "Je weet,
het celibaat is bij mij een tweede natuur."

Maar Bernard, in-eens een beetje geërgerd-ernstig zei: "Wees nou's even
niet grappig, Sam... Zou jij werkelijk niet willen trouwen, al was je
nog zoo verliefd?"

"Maar daar is immers geen gevaar voor," zei Sam, "ik ben nooit zoo
verliefd."

"En kan dat dan ook niet komen?"

"Wel nee!.... Dat doe ik niet,.... ik +laat+ 't nooit zoo ver komen....
Ik wil eenvoudig geen vrouw."

"Als ik 't niet beter wist, zou ik denken dat je er al een hadt, dat je
't niet weten wou...."

Sam lachte even: "Stel-je voor!.... We zijn hier niet in Parijs!.... We
zijn gezeten Amsterdamsche burgers,.... deftighedentjes...."

"Maar wáárom wil je dan niet," vroeg Bernard een beetje dringend.

"Wèl!.... Mijn God, kerel! 't zou me eenvoudig veel te lastig zijn,....
al die soesa!.... 't zou me heelemaal uit me gewone doen brengen,
natuurlijk.... Zoo'n vrouw, die overal aanzit met 'r vingers!....
nee!.... dat 's niets voor mij!...."

En Sam lei zijn gevouwen handen over zijn borst, langzaam terugzakkend
in zijn stoel.

Bernard lachte even, een beetje stroef.

"Ben jij soms ook weer 's verliefd," vroeg Sam.

"Ik?.... wel neen!...." zei Bernard.

"Nou, wat zanik je dan?.... Je zult er ook wel van terugkomen op den
duur, van dat kinderachtige verliefd-zijn, je bent, geloof ik, al goed
op weg.... je kunt dat immers heel goed vermijden als je wilt!.... M'n
hemel, je kunt net zoo goed op 't eerste 't beste meisje verlieven als
heelemaal nooit!.... Dat hangt er maar van af, of je er aan toe wilt
geven of niet,.... aan die romantische neigingen!.... God, ik heb niets
tegen die lieve kinderen,.... integendeel!.... ze zijn altijd allemaal
even lief en aardig voor me,.... ze fêteeren me, ze verwennen me,.... ik
heb 't altijd best overal waar meisjes zijn...."

Nu lachte Bernard guller. De bescheiden dankbaarheid in Sams stem en
zijn dom-weg voor-zich-uit zeggen van die korte zinnetjes hadden iets
clownachtig-komieks. En ook voelde Bernard dat er een ongevaarlijke
aard, een onverstoorbaar goed humeur voor noodig waren om dat zoo te
zeggen.

"Je bent, geloof ik, wel een zuiver type van 'n ouden vrijer, een goeien
oom,...." zei hij lachend.

"Dat ben ik," zei Sam, met iets van trots, wat opnieuw komiek was. "Maar
ik vind 't heusch niets moeilijk!.... De verleiding is niet groot
voor me.... Ik ken zooveel getrouwde menschen.... De meesten zijn
teleurgesteld.... Och, weet je waar 't ze allemaal om te doen is? Ze
willen gekoesterd worden, lekkertjes verwend, aldoor-maar-door.... Ze
doen net als kindertjes die huilen om een koekje, en als de trommel leeg
is zijn ze boos.... Mijn huishoudster zorgt heel voldoende voor me...."

Bernard glimlachte weer bij de gedachte aan Sams stuursche oude
huishoudster. "Dus," zei hij even later, "jij zult je geluk nooit zoeken
in de liefde."

Hij werd een beetje wee van de banaliteit van zijn eigen woorden; 't
gesprek begon hem tegen te staan.

"Geluk zoeken?" bromde Sam nog. "Ik weet niet waar je 't over hebt!....
Ik ben zoo gelukkig als ik zijn kan.... Dat hangt toch maar weer alleen
af van de eischen die je stelt.... De mijne zijn zoo overdreven
niet...."

Hij trok 't zich volstrekt niet aan, dat hij geen antwoord meer kreeg,
maar dronk langzaam zijn glas uit en schonk zich zelf en Bernard opnieuw
in. En ze zwegen weer, beiden soezend en stil rookend. Bernard voelde 't
wufte van zulk hol gepraat nadreinen in zijn ziel en hij merkte weer een
kregele kriebeligheid van ergernis, als hij keek naar 't kalm plooilooze
hoofd van zijn vrind. Hij was zich bewust: Sam was hem tegengevallen,
had hem teleurgesteld; hij had veel meer diepte vermoed achter die koele
leukheid. Maar was er eigenlijk wel eenigszins te rekenen op zoo wat
los geklets onder een glaasje wijn. Dienden al die nuchtere frasen zijn
vrind niet om gemakkelijk te verbergen zijn eigenlijk zieleleven?.... En
scherp kijkend weer met zijn opzij-liggend hoofd naar Sam, die over hem
lag, bespiedde hij de uitdrukking van zijn starende oogen. Maar die
waren dof-abstract, geen gedachte verradend, als altijd.

"Heb-je dat Maris-je al gezien, dat ik pas heb gekocht," begon Sam weer.
"Daar, in 't midden!.... Nee.... je kunt er eigenlijk bij avond niets
van zien.... je moet maar 's komen kijken overdag.... 't Is verrukkelijk
mooi!.... Dat 's nou mijn lust en mijn leven!...."

Nu keek Bernard hem even verwonderd aandachtig aan. Zoo'n enthousiaste
uitdrukking had hij nog nooit van hem gehoord.... En hij zag de
dof-glanzende staring van zijn oogen, even, naar dat schilderijtje....
Er was passie in dien blik.... En nu werd 't Bernard helder.... Dat was
't weer, altijd 't zelfde!.... alleen verschil van hartstocht verdeelde
de menschen.

Hij soesde weer. Hij begreep die passie van Sam, hij voelde de kiemen er
van ook in zijn eigen ziel.... Als hij dat 's ging ontwikkelen, zou 't
hem dan misschien ook geen geluk geven, zou dat misschien 't middel zijn
om zijn kalm-rustig leven van tegenwoordig te bevestigen voor altijd,
zoo dat 't eindelijk werd een sterke burg van onverstoorbare stemming,
waar je veilig in bent, en waar je altijd gemakkelijk in terug komen
kunt, als je er 's uit bent gegaan, om mee te doen met de pretmakerij of
't lijden van anderen.

Hij gaf toe aan dat plan, 't rustig uitwerkend in zijn hoofd. Hij zag
zich al mooie dingen koopen voor nieuwe kamers en zich ook een nieuw
kantoor inrichten en alles om zich heen mooi en behagelijk-harmonisch
maken, zoodat niets meer stoorde....

Maar weer, midden in dat denken, visioende in-eens voor zijn ziele-blik
zijn zitten op die vensterbank over zijn moeder en hij hoorde haar
blanke stem vertellen: Daar was ereis een groote koning, heel rijk en
machtig, die van niemand anders hield dan van zich zelf....

En hij schaamde zich plotseling met een diep gevoel van wijd gemis....

Maar Sam blies kringetjes en zei: "Kom, drink toch 's uit en beweer 's
wat.... Hoe gaat 't in de zaken?"

Bernard zette zich recht. "Sam," zei hij, "al wat je daar net gezegd
hebt is toch eigenlijk vervloekt egoïstisch!...."

"God, kerel!" zei Sam, glimlachend, "denk je daar nog over?.... 't Is de
moeite niet waard, hoor!.... Egoïstisch?.... ja! och maar, iedereen moet
dat voor zich zelf toch maar weten, hè?.... Ik hinder, geloof ik,
niemand met m'n egoïsme!...."

Er trilde even een toon van bitterheid in zijn stem. Zachter, bijna
onverstaanbaar, bromde hij nog: "Ofschoon ze er mij genoeg mee gehinderd
hebben...."

"Maar ik vroeg," zei hij dadelijk hard-op, "hoe 't in je zaken gaat."

En ze praatten daarover en over andere dingen tot Bernard naar huis
ging. Hij was ontstemd, onrustig, onvoldaan.

En op zijn kamer gekomen, voelde hij zich weer week en plan-loos van
weemoed. Op den rand van zijn bed zat hij lang voor zich uit te kijken
en merkte een vage behoefte om zich op te offeren, voor 't geluk van een
ander, of voor een idee.



XV.


't Was op den eersten Zondag in Juni, een zonnigen, wijd lichten
zomerdag, met wat wind, zacht ruischend en ritselend in de boomen en
't riet. 't Was elf uur in den morgen. Bernard liep langs een schaars
beschaduwden straatweg, in de buurt van Bussum, een vroolijken weg met
villatjes hier en daar, eenvoudige buitenhuisjes, die in lustig-bonte
bloementuintjes stonden. Hij liep langzaam, droomend door, klein-oogend
in de zon, en liet zich lekker omgolven door 't tintelende licht, en
de ongedurige koelte die van de Zuiderzee was gekomen, dartelend 't
zonnige Gooiland over.... Nu en dan kwam hij donkere menschengroepjes
tegen, mompelend in 't vadsige aanstappen, de kerkboeken in de handen,
maar hij lette niet op hen....

Zoo kwamen daar ook twee vrouwen aanwandelen, hem tegemoet, een oude
dame in 't zwart, gebogen gaand, en een jongere, een meisjesfiguur,
recht-op, in teere slankheid.

Bernard zag ze even aan, verstrooid, en dadelijk vaagde een
half-herkennen door zijn soezend hoofd. Hij keek beter; zij keek hem ook
aan en bloosde sterk. Toen zag hij dat 't Lucie Tadingh was. Hij groette
met schichtig-schielijk grijpen naar zijn hoed, houterig buigend met
zijn hoofd, dat van droomen vol en zwaar was. En met blijen glimlach en
helle glinstering in de oogen groette ze terug; de oude dame nijgde
strak en langzaam. Dadelijk toen ze voorbij waren, keek Bernard om en
zag dat ze liepen te praten samen. Lucie knikte herhaalde malen levendig
van ja.

Hij was in-eens totaal vergeten waar hij over liep te denken.... Wat
was 't nu ook weer?.... 't Was iets aangenaams, iets rustigends, maar
wat?.... Waarom dat meisje zoo bloosde?.... God ja, dat begreep hij
eigenlijk heelemaal niet, waarom kreeg ze zoo'n kleur? En ze groette
bepaald met zekere blijdschap, met glinsterende oogen!.... Of lachte ze
misschien om hem, en bloosde ze uit verlegenheid daarover? Had hij
misschien iets geks aan of zoo?.... Hij bekeek zich, lijf, armen en
beenen.... Neen, hij zag er doodgewoon uit.

Een vreemdsoortige ontmoeting....

Hoe was 't toen ook gegaan, op dat feest?.... Hij ging zich dat te
binnen brengen. O ja, hij had naast haar gezeten aan 't souper....
o ja.... en toen had hij wèl een dans met haar besproken, maar ze was
voor dien tijd weggegaan, ongemerkt verdwenen.... Toen had mevrouw van
den Bosch hem nog over haar gesproken.... Dat ze zoo'n lief, zacht meisje
was en zoo goed voor haar moeder.... Dat was zeker die zwarte dame....
haar moeder....

Na dien avond had hij haar niet meer gezien.... Wel vreemd, dat hij haar
nooit meer 's tegen gekomen was in de stad!.... Ze moest wel erg
afgezonderd leven, zooals ze trouwens toen ook verteld had....

Maar waarom of ze nu zoo bloosde?....

En neen, 't was geen gewone kleur van verlegenheid, er was een glanzende
verheuging geweest in haar gezicht, toen ze groette. Alsof ze blij was
dat hij haar herkende.... Ja, zoo was 't, dat drukte 't best uit de
herinnering, die hij er van gehouden had. 't Was vreemd. Een meisje dat
hij nauwelijks kende. Hij had haar maar éénmaal ontmoet, vluchtig, op
een partij. Dat is eigenlijk geen kennen!....

Zoo iemand groet je dikwijls niet eens meer een paar weken later.

Hij vond 't al heel vreemd. Hij begreep er eenvoudig niets van.

't Kon toch niet.... Maar nee!.... haha! (Hij lachte bijna hard op.) Dat
zou te gek zijn.... Op hem verliefd, op hem!.... Wat was er nu aan hem
om op te verlieven!.... Wat had hij in 's hemelsnaam dat een vrouw kon
bekoren?.... Hij had een doodgewoon gezicht, hij was niet geestig, hij
was niet cynisch, hij had niets geheimzinnigs of lijdends, hij had niets
interessants in uiterlijk of manieren, hij was erg gewoon....

Vroeger!.... jawèl, vroeger had hij zich wel verbeeld dat hij nogal een
knappe jongen was en dat in dien tijd -- wat was dat lang geleden --
bijvoorbeeld Saartje een beetje op hem verliefd was.... en later Betsy.
Saartje, dat was zijn meisje geweest toen hij nog op 't gymnasium was.
Hij had met haar geloopen en haar dikwijls teederlijk gezoend. En later
Betsy.... Misschien!.... Dat had hij niet eens zeker geweten. Had ze
van hem gehouden of was ze alleen maar gevleid geweest door zijn
vereering?.... En toen dat dartele kind in Londen! .. en 't nichtje dat
logeeren kwam bij oom en tante.... Nou ja, nou ja, lustige jonge
meisjes!....

Och! en dat was alles vroeger!.... Vroeger, hij kon daar nu alleen aan
denken met een stil-weemoedigen glimlach. Toen was hij ook nog veel
vroolijker in gezelschap, onbewust er op los levend. Toen had hij
misschien wel wat aardigs gehad voor meisjes, iets curieus-losserigs,
onbevangens, een dichter in den dop....

Maar nu?.... Hij begreep 't niet.

Aan de koffietafel was hij abstract, droomerig. Hij vroeg aan zijn
tante: "Kent u hier een weduwe Tadingh?"

"Tadingh," herhaalde ze, verwonderd, "Tadingh?.... Nee.... 'k Heb den
naam wel 's hooren noemen, maar of dat hier was.... Nee...."

"Jawèl," zei oom, "dat zal wel zijn van den makelaar in effecten, die
een paar jaar geleden gestorven is.... Die hàd, geloof ik, een vrouw en
een dochtertje, als ik me niet bedrieg.... jawèl C. J. Tadingh Jr., op
de Prinsengracht."

"Hoe dat zoo, Bert," vroeg tante.

"Och nee, niets bizonders.... Op die trouwpartij toen, van Emma van den
Bosch, u weet wel, daar heb ik een juffrouw Tadingh ontmoet en die ben
ik van morgen hier tegengekomen.... Ik dacht soms dat u haar kende...."

"Nee," zei tante, nog altijd nadenkend. Ze vond 't blijkbaar gewichtig
en een beetje onaangenaam, dat er iemand in Bussum woonde die Bernard
interesseerde, en die zij niet kende. "Nee!.... wonen die hier?...."

"Ik weet 't heusch niet," zei hij, "'t is best mogelijk dat ze maar voor
een enkelen dag zijn gekomen."

's Middags wandelde hij met oom. Maar hij was lang niet zoo rustig als
anders. Die glanzige blos van blijdschap was aldoor in zijn gedachte,
wat vermoeiend, als te sterk licht in een kamer. Thuis gekomen ging hij
voor den grooten spiegel in de voorkamer staan, bekeek zich, oplettend.
Maar hij draaide zich gauw weer om, met zekeren afkeer en wrevel. Hij
had 't land aan zijn uiterlijk. 't Was te vol en te blozend, het had
iets onnoozel-dikkigs vond hij altijd.... Hij voelde 't heelemaal niet
in harmonie met zijn innerlijk....

En hoe iemand er ooit op zou kunnen verlieven?... Nee.... nee....
onmogelijk....

Maar hij was aldoor onrustig. Na 't eten liep hij al weer uit, tot
teleurstelling van oom en tante. "Ik kom gauw terug," zei hij, "nog even
een luchtje scheppen!"

Oom gromde wat van ochtend, middag en avond wandelen en tante keek
ontevreden, maar hij stoorde zich er niet aan.

Toen hij buiten stond was hij zich bewust, dat hij naar dat meisje wou
gaan zoeken, en hij moest er inwendig om lachen, want 't was natuurlijk
een zoeken in den blinde. Snel liep hij lanen en straten door, van
terzij glurend in de tuintjes en waranda's. Vruchteloos natuurlijk.
't Ging hem ook gauw vervelen. Onwillekeurig ging hij aan andere dingen
loopen denken en vergat opzij te kijken. Och, ze zitten nu zeker al lang
rustig in Amsterdam, zei hij, toen hij dat merkte, in zich zelf. En
droomerig liep hij terug, toch een beetje teleurgesteld, een beetje
triestig. Maar hij was niet ver van huis meer, toen hij in eens een
heldere meisjesstem hoorde, vlak achter de hooge haag van 't tuintje
waar hij langs liep, een stem die hem dadelijk weer aan Lucie deed
denken. Was ze 't? Hij luisterde even. Blijkbaar was 't een meisje, dat
met een hond speelde.

Ze kwam van achter de haag te voorschijn, den weg opgaande; ze was 't;
ze zag hem ook en bloosde weer even sterk, nijgend, ernstig nu. En hij
voelde dat hij nu ook een kleur kreeg toen hij haar groette.

Ze waren vlak bij elkaar; Lucie liep den weg op, nu niet meer lettend op
't hondje, dat keffende om haar heen draaide. En Bernard sprak haar aan,
een beetje verlegen, wat beklemd; alsof hij iets verbodens deed: "Dag,
juffrouw Tadingh, hoe gaat 't u?"

"Dag, meneer Bandt," zei ze, vrindelijk, stilstaand en ze gaf hem een
hand, een zenuwachtig-vluchtig handdrukje.

"Ik herkende u vanmorgen niet dadelijk," zei hij.

"Jawèl," zei ze, eenigszins verwonderd-teleurgesteld, "u groette toch?"

"O ja, maar ik bedoel,.... ik liep te soezen, ik had u, geloof ik, al
even aangekeken voor ik groette...."

"Ik vond 't juist bizonder merkwaardig, dat u me nog kende," zei ze, "we
hebben toen maar zoo vluchtig kennis gemaakt, en 't is al zoo'n tijd
geleden."

"Ja...." zei Bernard, aarzelend, "ja.... dat 's wel waar." En er was een
oogenblik van stilte, terwijl ze over elkaar bleven staan. Hij was op 't
punt geweest haar te antwoorden met een banaal complimentje, maar hij
had haar aangekeken in de klare, blij-eerlijke oogen. En hij had zich
in-eens herinnerd hun allereerste ontmoeting, met die vreemd-verwarrende
emotie.... En met een korte huivering, van schrikkende herkenning, had
hij weer boven zich gevoeld dienzelfden avondhemel, dien doorschijnend
lichten, vreemd-witlichten droomhemel.....

"Gaat u dien kant op," vroeg hij, om wat te zeggen.

"Och," zei ze, "'t komt er niet op aan. Ik liep nog maar even den weg op
met Hek,.... hier Hek!...."

En ze praatten, over die partij, en over haar leven na dien tijd. Hij
zei, 't had hem verwonderd, dat hij haar nooit 's was tegengekomen. Zij
zei -- even blozend -- op haar gewone, open-eenvoudige manier dat ze
hem wel had gezien, tweemaal, eens met vrinden op de Leidschegracht en
eens op de tram. Maar ze kwam niet veel op straat, en bijna nooit in
comedies of zoo. 's Winters mocht haar moeder zoo zelden uit en 's
avonds heelemaal niet. En ze bleef haar natuurlijk altijd gezelschap
houden. Nu waren ze met Mei naar Bussum gekomen, voor goed, dat was
heerlijk. Ze hadden een huisje gehuurd, voor winter en zomer, dat
villatje, waar ze daar juist uit gekomen was.

Hij vroeg of haar moeder ziekelijk was.

"Ja, och, ziekelijk eigenlijk niet, maar erg zwak en zenuwachtig. Ze was
nooit sterk geweest, maar na vaders dood leek 't veel erger geworden.
Vlagen van melancolie, die erg afmatten, uitteerden.

"Dat is, meen ik, een paar jaar geleden, de dood van uw vader, niet
waar?" vroeg Bernard met stillen eerbied.

"Ja," zei ze dof, "twee-en-een-half jaar is 't nu." En even liepen ze
zwijgend verder, met gebogen hoofden. "Kom!" zei ze toen in-eens, "ik
moet naar huis." En ze stond stil om hem goeden dag te zeggen, de hand
al uitstekend. "Mag ik u nog even terugbrengen," vroeg hij.

"O!.... zeker!" zei ze weer licht blozend en een beetje verlegen
lachend, maar onmiskenbaar blij.

En even langzaam liepen ze weer terug. Bernard, voelde een groote,
eenvoudige vriendschap, een broederlijke liefde voor 't ranke
meisjesfiguurtje, dat zoo stil-vertrouwelijk naast hem ging. Er was een
bijna-meelijdend zich beschermer voelen in zijn sympathie en toch ook
bewondering en groote eerbied. Hij voelde hoe oneindig goed zij zijn
moest, die zoo open en eenvoudig was, en zoo natuurlijk vond 't offeren
van haar jeugd aan kinderliefde. Hij zag er tegen op van haar weg te
gaan, hij wou haar zoo graag helpen, steunen, wat vreugde bezorgen. Toch
scheen ze daar volstrekt geen behoefte aan te hebben. Ze scheen van hem
te houden en toch hem te versmaden. Ze was dood-eenvoudig en toch
vreemd, bizonder....

Er was geen zweem van gewone verliefdheid in hem. Hij had geen oogenblik
begeerte haar tegen zich aan te voelen en te kussen. Wel had hij haar
zachtjes naar zich toe willen trekken, om haar dan uit te laten huilen
aan zijn schouder. Dat kwam even in hem op; hij wist zelf niet hoe hij
er aan kwam, dat ze dáár behoefte aan zou kunnen hebben. Want ze was
volstrekt niet verdrietig; integendeel, ze liep opgewekt te praten. Ze
wist blijkbaar nog precies alles wat hij haar verteld had van zijn eigen
leven en ze vroeg vriendelijk naar zijn oom en tante en of hij daar
dikwijls kwam. En ze sprak met enthousiasme over 't Gooi,.... ze hield
dol van wandelen,.... 't was jammer dat haar moeder altijd zoo gauw moe
was....

Bij 't hek van haar tuintje bleef ze weer staan en ze zeiden
elkaar goeden dag. "Tot weerziens, juffrouw Tadingh," zei hij op
vroolijk-hartelijken toon, "'k ben blij dat ik u weer 's ontmoet heb."
En toen lachte ze even, een korten, gul-gelukkigen lach, en keek hem
weer aan met dien blik van kinderlijke blijheid. Ze ging 't krakende
schelpenpad naar de waranda van 't huisje op, terwijl hij langzaam,
omkijkend, terugliep den stoffigen, zwarten kolenweg. Mooi was 't, haar
slank figuurtje zoo te zien gaan langs de hooge heesters. Vlak bij 't
huis keek ze schuw-schielijk even om. Hij zag 't.

En hij liep nu haastig naar huis, zich bedenkend dat zijn tante zeker
al lang wachtte met de thee. Hij voelde zich bedaard-gelukkig, met een
gulle goedigheid jegens de menschen, in een stemming van veel vroeger,
in lang niet gehad. Hij was blij met zijn ontdekking, met de vondst van
dat lieve meisje, een zeldzaam-eenvoudig, goed meisje. En er was nu
geen twijfel meer aan: ze hield van hem. Hoe 't kwam, wat haar in
hem zoo beviel, begreep hij niet, maar 't was duidelijk, dat ze hem
heel graag zag, dat ze 'n beetje verliefd op hem was.... Wat een
aangenaam-verwonderend, vreemd zacht-streelend idee was dat!....

Hij liep daar even over te soezen. Zou dat niet sterker kunnen worden
en gevaarlijk, als ze elkaar meer zagen? Als hij haar weer opzocht, zou
ze zich dan niet gaan verbeelden dat hij ook in haar meer zag dan een
vrindin. Maar kom! Wel neen! Ze zou immers aan hem merken, ze had zeker
al wel gemerkt, dat hij heelemaal niet verliefd op haar was, en hij kon
daar nog meer op letten, zich geheel-en-al en altijd voordoen als een
goede vrind, een broer, koel-hartelijk, gewoon-vertrouwelijk, vermijdend
al wat zweemt naar manieren van een minnaar.... Gesteld al, dat ze
werkelijk eenigszins ernstig verliefd op hem was, dan zou dat, bij zoo'n
houding van hem, in een prettig-hartelijken omgang, wel gauw genoeg
vervagen. Ze scheen niet hartstochtelijk. 't Zou nu veel te jammer
zijn haar niet meer te zien, haar niet dikwijls op te zoeken. Haar
vrindlijke, zacht-lijnende figuur gaf een heel nieuwe bekoring, een
lieflijkheid van poëzie aan den naam Bussum. Hij zou haar bepaald weer
opzoeken den volgenden Zondag, ook met haar moeder kennismaken, en haar
een beetje helpen in 't opbeuren en steunen van die arme zwakke....
Zoo'n meisje als zij, een vrindin, een vrouw-vrind, een goeie zuster,
dat was immers waar hij altijd naar verlangd had, soms in-eens heel
sterk terwijl hij in een koffiehuis zat, tusschen lachende, fideele
kennissen. En nu vooral, in zijn leven van kalme aanschouwing en stil,
gelaten plicht-doen, was ze hem welkom, die vrindin, wier oogen waren
als bleeke zonnen van stil-weemoedige tevredenheid.

O! 't Was niet zij, de onbekende, de vrouw van zijn droomen, van zijn
overmoed, maar die verlangens waren voorbij,... ijle schimmen! Een stem
van echte vrindschap, een blik van sympathie, een koele hand op zijn
gloeiend voorhoofd, daarvan droomde hij nu....

Opgewekt kwam hij thuis. Hij vertelde niets van zijn ontmoeting, maar
zei dat 't lekker weer was, dat 't hem altijd goed deed zoo'n
avondwandeling.

En ze speelden in gezellig samenzijn, met al de gewone gezegden en
uitroepjes, hun ombertje. Want dat ging winter en zomer door. 't Vulde
de avonden zoo.

             *       *       *       *       *

In de week die op dien Zondag volgde, dacht Bernard veel aan Lucie.
Evenals vroeger vervaagden allengs de vormen en tinten van haar
gestalte, maar bleef in hem over de indruk van vrouwelijke zachtheid,
reine, trouwe eerlijkheid en weemoedsvolle blijdschap, wat hij voelde de
essence van haar wezen te zijn. Terwijl hij zat te werken, stil, in 't
stads-namiddaglicht, als hij liep te dwalen door 't somber mooi van
de oude grachten in de neerzoelende Juni-avonden, of als hij, in 't
onbewogen licht van zijn lamp, naar de wit-glanzende bladen van een boek
zat te kijken, altijd voelde hij zich onder dien blik van teer-innige
genegenheid. Dikwijls gaf hij zich over aan dat zoet, bevredigend
bewustzijn, dat een lief meisje van hem hield, en glimlachte diep,
starend voor zich uit. Hij twijfelde ook wel 's even of 't toch niet
verliefdheid was, of 't niet passie zou kunnen worden wat hij voelde
voor haar, maar dan stelde zijn geest dadelijk naast haar gestalte
die van Mimi en die van Saartje vroeger en van veel vrouwen uit
zijn verbeelding of uit boeken, en dan werd zijn inwendige glimlach
weemoediger en voelde hij iets van medelijden voor haar.... Ook
herinnerde hij zich dat hij vroeger, als hij erg verliefd was, altijd
onrustig, ongedurig was geweest, met plotseling opkomende drift, met
gejaagdheid, dan in-eens dol uitgelaten vreugd en dan weer stil dwepen.
Maar nu was 't of zijn welbewaakte rust van de vorige weken nog grooter,
wijder was geworden, bevestigd en geheiligd door 't licht van haar
oogen. Zij was nu zijn troost geworden, zijn liefste gedachte. Want
dood was zijn hoog begeeren.

Hij verlangde naar den Zondag. Die kwam met triestig, buiïg weer, een
donkeren morgen. Hij ging natuurlijk toch naar Bussum, tegen twaalf uur.
't Had den heelen nacht en morgen geregend, de wegen buiten lagen te
glimmen in 't bleek-schaduwende wittige licht dat in den middag door de
dampen brak.

Oom had geen lust om, uit te gaan; hij zat zich met een leelijk gezicht
de rhumatiekige armen en beenen te wrijven.

Dus ging Bernard alleen, en droomerig liep hij -- alsof dat heel
natuurlijk was -- regelrecht naar 't zwarte weggetje waar Lucie woonde.
Hij had zich zoo vereenzelvigd met 't idee haar weer te zullen zien dien
Zondag, dat hij, pas toen hij al vlak bij 't villatje stond, begon te
begrijpen hoe vreemd 't eigenlijk schijnen moest dat hij weer kwam en
zoo maar binnen liep. Maar hij praatte dat vlug weg in zich zelf. Waarom
vreemd? Hij mocht haar toch wel een visite maken? En dan, in de stad
was 't nog wat anders, maar buiten kon dat best, want 't samenzijn
ergens buiten verbroedert de menschen altijd en maakt ze losser,
natuurlijker.... Haar moeder zou er wel niet zoo van opkijken.

Dus liep hij -- licht schrikkend van 't kraken van zijn stappen -- 't
schelpenlaantje op. Onder de kleine, dicht begroeide waranda zat haar
moeder, stil oud-vrouwtje, 't bleek-gelig hoofd gebogen, breiend. Zelf
was ze er niet, Lucie. Dat was nu gek, daar had hij niet op gerekend.
Maar hij kon niet terug. Mevrouw Tadingh had al opgekeken en haar stalen
bril vlug rechtschuivend keek ze hem, aan, met zwakke, zoekende oogen.

Hij kwam licht-buigend en glimlachend nader, en groette, en zei
op vroolijken toon: "Goeie morgen, mevrouw!.... Mag ik me even
voorstellen!.... Bandt is mijn naam.... 'k Heb 't genoegen gehad kennis
te maken met uw dochter en.... en nu kom ik haar 's opzoeken.... en ook
's kennis maken met u!...."

Een beetje geschrikt, verlegen doend, beverig, en licht blozend, zonder
glimlach, stond de oude dame op, en stamelde met een zwakke stem:
"O juist!.... ja, ja,.... ik ken u wel, we zijn u verleden week
tegengekomen, niet waar?.... Wacht, ik zal even...." En ze liep naar
binnen, gebogen, de rokken samengrijpend, zenuwachtig, in haar magere,
bleeke hand, roepende met een piepend-hooge stem: "Lucie!....
Lucie!...."

Hij liep haar na tot op den drempel van de tuinkamer. "Maar,
mevrouw!.... pardon! maar.... derangeer u toch niet!.... Ze zal immers
wel komen.... Blijft u rustig zitten....," zei hij luid en dringend. Hij
begon zich verlegen te voelen met zijn brutaal binnenloopen. 't Was weer
echt iets voor hem! Zoo ondoordacht, zoo jongensachtig!....

't Hielp niet wat hij zei. Mevrouw Tadingh was de tuinkamer al
doorgeloopen en een andere kamer in; hij hoorde, zonder te verstaan,
haar praten in die andere kamer, dof, gejaagd. Hij ging een paar stappen
terug. Hij zag zich alleen staan in 't intieme warandatje. 't Breiwerk
lag neergegooid op 't houten tafeltje; scheef lag op den ouden, rieten
leuningstoel een geborduurd kussen, platgezeten; van buiten was 't
eenvoudig getimmerte dik begroeid met klimop en kers, waar nog nu en
dan, stil tikkend, een regendrup aflekte.... Zonder goed te weten wat
hij deed ging hij zitten op een van de andere stoeltjes, luisterend met
ingehouden adem naar 't fluister-gepraat binnen, maar hij verstond
niets. Toen mevrouw Tadingh terugkwam stond hij weer op: "Mevrouw,"
begon hij, "u is wel vriendelijk, maar...." Ze glimlachte nu bedaard.
"Ze zal wel dadelijk komen," zei ze, en ging weer zitten en nam 't
breiwerk weer op, den bril naar voren halend. "'t Is heel aardig van u,
dat u ons 's op komt zoeken, meneer Bandt...."

"Mevrouw, ik ben blij dat u er zoo over denkt en 't niet brutaal van me
vindt," zei hij. "Ik heb uw dochter verleden week even gesproken, hier
op den weg.... Ze zei me dat u hier woonde...."

"Ja, ja!" knikte ze vriendelijk, "dat heeft ze me verteld."

"En toen heb ik me dadelijk voorgenomen u 's een visite te komen
maken.... Ik kom tegenwoordig geregeld 's Zondags in Bussum.... En ik
heb niet veel kennissen...."

"Wij ook niet," zei ze.

"Nee.... och, dat laat zich hooren, u is hier ook pas, niet waar?"

Hij sprak aldoor op vroolijken, ronden toon. Hij keek de oude dame recht
in de oogen en 't viel hem op, 't deed hem goed, zoo vriendelijk, zoo
in-goedig keek ze hem aan. Ze had veel in haar gezicht dat hij herkende,
't was of hij haar al meer had gezien. Misschien kwam 't doordat Lucie
op haar leek, maar dat was toch zoo erg niet, ze had heel andere oogen,
maar wel die zelfde regelmatige trekken om neus en mond, en 't hooge,
blanke voorhoofd....

Ze praatten bedaard-vertrouwelijk door; hij vertelde dat hij 's Zondags
altijd kwam bij zijn oom en tante, die in Bussum woonden tegenwoordig,
want dat hij wees was; mevrouw Tadingh knikte telkens, glimlachend,
alsof ze dat allemaal al lang wist, door Lucie....

Toen hoorde hij haar aankomen, zacht ritselend in de tuinkamer, en
in-eens stond ze vlak voor hem en gaf hem een hand. "Dag meneer Bandt,"
zei ze, "hoe gaat het?...." Hij stond vlug op. Glimlachend drukten ze
elkaar de hand.

Er was nu niets van verwondering of verlegenheid in haar blik, maar een
rustige, heldere blijdschap. Blijkbaar had ze zich vlug wat opgeknapt;
een vroolijk-wit lintje was strak om 't halsboordje gehaald en het
zwarte haar, dof-glanzend, liep gladjes, gelijkjes naar de vaste wrong
op 't achterhoofd. Ze zag er frisch uit, 't was of ze wat voller was
geworden, of haar lippen en wangen van frisscher rood dan vroeger waren.
Ze wisselde even een goedigen blik met haar moeder en ging toen op een
houten stoel zitten praten en luisteren, en ze keek hem aldoor aan....

"Die Bussumsche lucht doet u goed," zei Bernard, "u ziet er uitstekend
uit...." Toen keek ze weer even naar haar moeder, met verhoogde
blijdschap, en over 't oude gezicht met den stalen bril gleed een teere
glans van innige, weemoedsvolle vreugde. "Ja, ja," zei Lucie, "we
knappen hier op, niet waar, moesje?" Die knikte weer. "Ja, ja,
zeker!.... zeker!...." Maar daarna zuchtte ze. "'t Doet mama ook zoo
goed, die lekkere lucht hier," voegde ze er bij, zich weer naar Bernard
keerend. "'t Is hier veel beter dan op de Prinsengracht."

En ze gingen zitten praten, rustig en vertrouwelijk, over Amsterdam en
allerlei andere dingen, Lucie en Bernard. En hij voelde, dat 't er
eigenlijk heel weinig op aan kwam wat ze zeiden; 't samen-zijn, 't
elkaar zien en hooren, dat was 't enkel. De moeder ging, met stillen
ijver, door aan haar breiwerk, nu en dan zacht wat zeggend, fluisterend
bijna, beamend iets wat Lucie zei of Bernard.

Hij wist nu zeker, dat ze op hem verliefd was. Ze keek hem aldoor aan,
als kon ze zich daaraan niet verzadigen. Zonder schuwheid, open en
recht, met groote, innige warmte keek ze hem aan. En hij voelde zich
groeien en gedijen in haar blik. Hij merkte dat zijn stem meer
klank kreeg, dat zijn armen, die anders meestal slap neerhingen of
stijf-stil-lagen, levendige gebaren maakten, hij voelde met lichte
huiveringen van welbehagen, dat hij natuurlijk was en trotsch
zich-zelf. En hij zag, met halven blik, opzij, dat haar moeder nu en
dan met een stil-weemoedigen glimlach van innerlijke tevredenheid
steelsgewijze naar Lucie keek, dan even naar hem en dan weer op haar
werk.

Hij voelde zich in een atmosfeer van warme liefde, lief-bezorgde
teederheid, stille trouw. Meer en meer kwam dat nieuwe gevoel over hem
en vulde zijn gemoed van een vreugdigen trots, die licht beklemde,....
ontroerde.... En plotseling werd 't hem te machtig, kon hij 't niet meer
verdragen, dat gevoel, wou hij er uit,.... weg,.... alleen-zijn....
Midden in 't gesprek stond hij in-eens op en zei dat hij nu gaan moest,
dat hij zijn oom had beloofd nog wat met hem te zullen biljarten,
en hij nam schielijk afscheid van mevrouw Tadingh, die dadelijk weer
zenuwachtig en gejaagd, met verbaasde teleurstelling, naar hem opzag,
verward wat zeggende van wèl de complimenten, en zoo.... En Lucie,
blozend nu voor 't eerst, en op den grond kijkend, liep naast hem tot
aan 't hek van het tuintje. Daar keek ze op en zag hij in haar oogen
de spijt dat hij al wegging. En een innige warmte van medelijdende
teederheid sloeg van hem uit, zoodat hij er zich heelemaal in voelde
staan, en zijn oogen werden vochtig. "Ik kom gauw terug," zei hij met
een doffe, licht trillende stem, "adieu Lucie,.... ik mag toch wel Lucie
zeggen, nietwaar?...." "Graag!" zei ze, in-eens weer vroolijk, en haar
dof glanzende blik zweefde over hem heen, verward van aandoening, "doe
je 't heusch?.... 't Zal mama ook zoo'n plezier doen!.... Dag Bernard!"

Nog nooit had hij zijn naam hooren uitspreken zooals zij het deed; wat
een mooi woord maakte zij er van....

Ze gaven elkaar de hand. Toen zag hij haar vlug terugloopen naar de
waranda, zonder omkijken. En zelf ook doorloopend nu, 't zwarte weggetje
af, had hij dadelijk spijt, dat hij al weggegaan was, want 't was
heelemaal niet noodig!.... Waarom had hij dat nu weer gedaan? 't Was
daar zoo goed geweest, o! zoo goed, zoo weldadig.... Dat was 't eenige
waarvan hij zich bewust was in die eerste momenten; hij kon nog niet
verder denken; hij voelde zich boordevol verwarde, onherkenbare
gedachten, als had een kind, spelend, in zijn brein gewoeld,
dooreengegooid al zijn voorstellingen, begrippen, gevoelens. Toen hij
op den weg kwam waaraan de villa van zijn oom lag, dacht hij in-eens
met een weerzin aan 't terugkomen daar, en hij ging den anderen kant op
en liep door, zonder doel, niet lettend op den beplasten, week modderigen
weg, in stil gesoes....

En langzaam-aan kwamen toen zijn gedachten te bezinken en begonnen ze
zich weer samen te voegen tot 't gewone, lang gekende complex.

En toen merkte hij 't in-eens; er was wèl gevaar. Zooals ze hem aldoor
had aangekeken, zooals ze zijn naam had gezegd, -- was 't zijn naam wel
geweest, dat woord met dien heel nieuwen klank? -- neen, dat had niets
van zusterlijke vriendschap, dat was innige, diep-brandende teederheid,
vol zoet verlangen,.... liefde.... En hij? O! hij hield van haar, hij
hield heel veel van haar, nu al. Hij voelde weer hoe oneindig goed en
nobel, hoe hoog-beminnenswaard ze was. Hij zou zeker meer, aldoor meer
van haar gaan houden. En dat ze hem zoo liefhad, dat deed zoo goed, dat
was een ware weldaad aan hem, den eenzame, dat had een warm-opslaande,
trouwe dankbaarheid in zijn ziel gevestigd. 't Was meer dan gewone
vriendschap nu tusschen hen, 't was zuivere, lichtende sympathie, 't was
een verliefdheid van zielen.... Maar, -- of hij de gedachte al ontweek,
't gaf niet, hij wist 't toch, 't was als 't hoonend gegrijns van een
duivel achter de rozenhaag van zijn geluk -- hij kon haar aanzien zonder
begeerte, hij verlangde niet haar te bezitten, haar ziel en lichaam van
zich te weten, als een jaloersch minnaar.... Aan haar terugdenkend zag
hij haar wonderlijk precies nu, en hij vond dat ze lang niet leelijk
was, maar die helle trilling, die al-vermooiende glans van verliefd-zien
was niet om haar hoofd. Als hij dacht aan 't nobel welven van haar
mooien mond, kreeg hij een weldadig gevoel van zoete rust, niet de
begeerte in heete kussen wellust te drinken van 't meegevende
lippen-vleesch.

Er was wel gevaar. Er was een stem in hem, een stem als van een oud man,
die koel, vast-emotie-loos zei: "Dit wordt uw vrouw." Zou 't zoo zijn?
Moest dat zoo? Waarom? En wat dan?

En hij had weer oogenblikken van verwarrende opwinding waarin hij niet
denken kon, onmogelijk.... Langzaam kwam hij dan weer tot bedaren, en
begon opnieuw.

Wat was er eigenlijk, wat was er gebeurd, wat stond vast? Zij was
verliefd op hem. En zij scheen niet te merken dat hij niet verliefd was
op haar. Als ze 't gemerkt had zou hij dat wel gezien hebben in haar
oogen. Neen, ze had 't zeker niet gemerkt. Ze was heel blij geweest, dat
hij weer kwam, 't had haar hoop gegeven, veel hoop, o zonder twijfel!
Blijkbaar was haar liefde al zóó sterk, was ze er zóó van bevangen en
ontroerd, dat ze leefde als in een droom, half verblind en verdoofd.
Maar hoe kwam 't dan toch dat hij dat gevoel had doen geboren worden
in haar, wier zieleleven van zoo'n stil-pralende pracht, van zoo'n
weemoedige distinctie scheen te zijn, een teer-blanke kelke-bloem,
bescheiden geurend, onwetend van haar wonderen bouw.... Hij begreep
't niet, maar 't was zoo en 't streelde hem als zacht fluweel, 't
doorklankte hem als aangehouden vioolgeluiden, 't doorgloeide hem als
zuivere zonnestralen, 't bewust-zijn dat gevoel te kunnen wekken in
zoo'n vrouwenziel, en 't hief hem op, 't droeg hem door de lichte lucht,
hoog, hoog, zoodat hij zich niet meer verbeelden kon ooit vermoeid
te zullen zijn, zoodat alle inspanning hem een gemakkelijk, spelend
bewegen scheen en 't leven een dag, zoo groot werd zijn kracht door dat
bewustzijn.

Maar in-eens, stilstaande, stampte hij, fel-driftig, met zijn
linkervoet, die dof sloeg tegen den weeken grond, woedend dat
hij nu niet verliefd was op dat meisje!.... Zóóveel maal had dat
zoet-betooverende gevoel zijn lijf doortrild, soms met krachtig
begeeren, soms nauwelijks merkbaar, fijntjes als een zachte, vreemde
geur, maar dan juist vol genot.... En nu, nu hij 't noodig had, nu dat
het eenige scheen wat ontbrak aan matelooze zaligheid, nu kwam dat niet,
nu was hij leeg van dat gevoel, nu scheen dat weg uit hem,.... dood,
verstikt, verdroogd?.... hij wist 't niet, maar 't was niet om uit te
staan! 't Was om dol te worden, om te gaan razen!....

Maar weer kwam hij tot bedaren en begon zich dan triestig en moedeloos
te voelen. Wat moest hij nu doen? Hoe zich gedragen? Hij hield zooveel
van haar, en haar liefde deed hem zoo goed; hij vond 't zoo heerlijk,
zoo iets onverwacht-nieuw-heerlijks bij haar te zijn, dat hij er haast
niet aan denken kon haar voortaan te ontwijken. Och, 't zou gemakkelijk
genoeg zijn! Als dat ook al weer moest, als hij die vleug van poëzie ook
weer moest verbannen uit zijn dor bestaan! Hij had dan eenvoudig niet
meer zoo iedren Zondag naar Bussum te komen, zijn oude lees-Zondagen
weer te beginnen.... Maar neen, hij voelde dat 't niet gaan zou. Dat hij
al niet meer buiten haar kon. Zoo gauw had hem de teederheid verwend.

Maar wat dan? Haar wèl zien, haar dikwijls weerzien? Maar dan zou ze
toch eindelijk wel gaan merken dat hij niet verliefd was, dat hij bleef
op den afstand van een goeden vrind, en die teleurstelling zou groot
voor haar zijn, te groot misschien.... Ook zou ze dan 't recht hebben
hem te verwijten.... Neen, dat niet! verwijten zou ze 't hem niet,
hij voelde dat ze dat nooit zou kunnen doen, maar hij, hij zou de
teleurstelling zien in haar oogen, 't verdriet, de wanhoop misschien,
en.... O! dat zou hij heelemaal niet kunnen, nooit!....

Maar wat dan?

Hij wist 't niet.... hij zag geen oplossing.... geen uitkomst.... Een
oogenblik speet 't hem dat hij haar ontmoet had, maar dadelijk verdreef
hij die gedachte ook weer, want dan had hij ook nooit misschien geweten,
dat hij zoo'n liefde kon brengen in een vrouwe-ziel. En dat zou
toch voortaan zijn z'n groote troost in zijn bescheiden-plichtdoend
alleen-leven.... Tobberig-peinzend liep hij door langs den weeken
weg. 't Begon weer te regenen. En in-eens een geweldige stortbui. Hij
schuilde onder een boom, maar hij werd toch langzamerhand doornat; hij
voelde 't kille plakken van zijn natte kleeren aan zijn armen, zijn
schouders en zijn rug. En al lang waren zijn beenen stijf van klamme
vochtigheid, die optrok van den natten weg, en zijn voeten gevoelloos
van kou. Hij begon te rillen en te klappertanden, zich onwel te voelen.
Dat was hem een niet-onaangename afleiding. Daardoor kon hij wat klein
medelijden hebben met zich zelf en die gedachten aan zijn verhouding tot
Lucie van zich zetten, uitstellen, zonder 't zich te verwijten. Hij
moest altijd oppassen dat hij niet ziek werd, want wie zou zijn werk
dan doen; hoe zou 't moeten gaan met de zaak; oom zou weer aan 't
werk moeten, allen dag.... En die oude man had waarachtig genoeg
geploeterd.... en eigenlijk zat hij er niet zoo goed meer in.... Dus
liep hij, zoodra de bui wat afnam, hard naar huis, denkend aan wat hij
doen zou met zijn natte kleeren, en wat als hij 's ziek werd, als hij
niet weg zou kunnen van avond.... Er lag een brief op zijn lessenaar
waar hij aan bezig was, en waarvan hij nu alles precies in zijn hoofd
had, maar hoe dat aan een ander te vertellen, uit te leggen....

Oom stond uit te kijken, voor de deur, tante voor 't raam. Ze waren
boos, ze bromden erg. Ze vonden 't bespottelijk en heel verkeerd je zoo
moedwillig ziek te maken. Was dat een weer om te gaan rondloopen op
buitenwegen, nog wel zonder parapluie! Tante was bepaald heftig, maar ze
bedaarde gauw, want ze werd heelemaal niet tegengesproken; Bernard vond
dat ze groot gelijk had.

Maar alles liep los, hij werd niet ziek. En 's avonds in den trein
kwamen al die gedachten van 's middags terug en schenen hem nog
ernstiger.... gewichtig.... zwaar.... Hij tobde er over, hij zag nergens
een oplossing. In zijn bed lag hij er nog lang over te denken, en hij
stond er den volgenden morgen mee op.

Wel scheen toen alles helderder, minder gewichtig, en volstrekt
niet dringend, en werd hij verkwikt door lichte scheuten
alleen-aan-haar-denken, aan haar mooi figuurtje, haar lieven lach, en
haar oogen.... Maar tegen den middag, onder zijn werk, begon hij er weer
over te tobben en 's avonds kon hij nergens anders aan denken, was 't
een drukkende zorg geworden.... En hij zag maar geen uitkomst,.... geen
plan van handelen....

En vreemd! dat kwam in-eens, Dinsdag, in den morgen. Hij stond even voor
zijn kantoorraam naar de grijze straat te kijken, toen 't plotseling in
hem stond, opslaand als een hel vuur, en verjagend zijn klein-ernstige
tobberijen als laag, min volk. Dat meisje met haar liefde had God
gezonden, hem tegemoet op zijn weg, dat hij zijn groote, nog ongebruikte
kracht, zijn ongemeten schat van opofferende, zelfzucht-looze liefde
eindelijk zou kunnen gebruiken. O, dat hij dat niet dadelijk had
begrepen! Zich geven aan haar met opperste gulheid, haar brengen de
durende levensvreugde met een sereen-ridderlijke toewijding, die als
een aangehouden volle toon doorklinken zou zijn heele verdere bestaan,
dat was de hooge taak hem opgelegd. 't Was of een witte duif zacht
klapwiekend neergestreken op zijn schouder, 't hem had ingefluisterd.
In één trilling van gedachten had hij besloten, vast en voor goed, zijn
leven te offeren aan dat puur-mooie, hooge, reine ideaal. Even staarde
hij voor zich uit met wijde oogen, ontroerd door de heiligheid van dat
levensmoment.... Toen ging hij weer zitten werken; aan zijn lessenaar,
met stille, rustige bewegingen. En de rust groeide in hem met wijde
stilte als in een hooge kathedraal.



XVI.


Dien middag vonden zijn tafelvrinden dat Bernard in langen tijd zoo
vroolijk niet was geweest, zoo rustig-vroolijk, zoo open en helder van
blik. Ze waren een beetje verwonderd, maar over zulke dingen spraken ze
natuurlijk nooit. Ze hadden 't over de nieuwe Beurs.

Bernard verlangde er naar gauw te beginnen met de uitvoering van zijn
groot plan. Hij hunkerde naar de voldoening van 't eerste succes. Zóó,
verbeeldde hij zich, moest een kunstenaar te moede zijn, die een nieuw
werk voelt, rijp geworden in zijn ziel, en al proeft -- als wijn in den
mond -- de stemmingen die 't maken hem geven zal.

Dien avond nog schreef hij een briefje aan Lucie. Dat hij haar spreken
moest en niet wachten kon tot Zondag. Of ze dus morgen tegen vier uur
wou komen in een zeker laantje -- hij duidde 't haar nauwkeurig uit --
een stil laantje, dat hij kende, niet ver van de villa van oom.

En den volgenden morgen, vóór hij ging koffiedrinken, gaf hij den
sleutel van "de zaak" aan den boekhouder en verzocht hem voor 't sluiten
te willen zorgen, want dat hij naar Bussum ging en dadelijk van de Beurs
naar 't station moest, om den trein van kwart voor drieën te halen.

Hij was in dezelfde stemming als gisteren, strak en helder als de
blauwe lucht. Hij had geen oogenblik van aarzeling.

't Was nauwelijks half vier toen hij al heen en weer liep in 't laantje.
't Was een stil, vergeten weggetje, smal, dicht-beschaduwd, aan den
eenen kant een sloot en een rijtje wilgen, wijd-betakt, aan den anderen
't plankerig getimmerte van een oude tuinheining, donkergroen, iets meer
dan mans-hoog.

Langzaam, soezend, wandelde hij op en neer, kijkend naar den grond en
soms even, tusschen de boomen, 't weiland over, dat frisch-wijd-uit in
't helle zonnelicht lag. Eerst voelde hij zich een beetje beklemd, maar
in 't rustige wachten -- hij wist dat ze niet voor vier uur komen zou --
ging dat over.

't Was een warme namiddag. De verre koeien graasden, rustig, zonder
ophouden, met altijd eendere zwaaiing van koppen en staarten, zonder
geluid. Een paar malen kwam langzaam sloffend een krom-gaande arbeider
voorbij en mompelde 'n groet. Anders was 't stil. Wat gonzen van
insecten alleen, en nu en dan verwijderd blaffen of kargeratel, dof,
gedempt....

't Viel hem op zoo stil, zoo vredigend stil als 't was.... Hij dacht
even aan de schreeuwerige beurs-drukte daarnet nog. En hij glimlachte
stil-weemoedig, soezerig starend langs 't laantje.

Hij dacht er zoo min mogelijk aan, wat hij zeggen zou straks. Nu en dan
kwamen onwillekeurig boekige zinnetjes in hem op, die hij zou kunnen
gebruiken, maar die verdrong hij met een gevoel van wrevel.... Neen, zóó
zou hij 't juist niet zeggen, geen vooruit klaargemaakte zinnetjes, dat
was al te wee banaal, te komedianterig. Niets vooruit bedenken; 't
zeggen, zooals 't in hem opkwam, zonder liegen.... als dat kon....

En toen hij haar in-eens -- 't was nog vóór vieren -- den hoek omkomen
zag, kwam zijn beklemming sterker terug, want hij voelde dat hij nu
eenmaal niet wist wat hij zeggen zou.... Hij bleef staan, vreemd-loom,
abstract en dof....

Ze kwam nader, slank gaande, blootshoofds -- den grooten stroohoed
in de hand -- zoodat telkens kleine zonplekjes glansden op 't strakke
zwarte haar. Toen ze dicht bij was, zag hij haar met een diepen,
geluk-glanzenden blos hem aankijken....

Nog ging hij haar niet tegemoet.... Dof-verward sloeg hij de oogen neer
en keek niet op voor ze vlak bij hem stond. "Hier ben ik, Bernard,"
hoorde hij haar zeggen, met een stem, fluisterend van aandoening. Toen
zag hij haar aan en stak haar zwijgend zijn hand toe, waar ze langzaam
de hare in legde. Hij voelde dat haar hand klam was en hij zag haar
in-eens bleek worden, met iets van onrustige spanning in de oogen. Hij
begreep nu dat zijn blijven staan en zijn verwarring haar verschrikt,
beangstigd hadden. Toen trachtte hij te glimlachen en zei, aarzelend,
zoekend naar zijn woorden: "Heel lief van je om hier te komen,.... ik
dank je wel,.... vond-je 't niet gek, dat briefje?...."

"Gek.... Nee!.... Maar wat is er?" vroeg ze. En ook in haar stem
hoorde hij de onrust, den angst dat 't niet dàt zou zijn, maar....
iets anders.... En die onrust streelde hem weer zoo, dat hij er even
half-bewust van genoot en 't plan in hem opkwam er nog geen eind aan te
maken, maar bijvoorbeeld te zeggen dat hij haar om raad kwam vragen of
zoo iets.... Maar dadelijk verwierp hij 't weer, dat wufte spelletje;
't gaf hem wat nieuwen wrevel....

Even was er stilte....

Hij schopte met zijn rechtervoet tegen den stronk van een omgekapten
wilg, kort-scherpe schopjes.... Hij voelde haar schielijk-ademend naast
zich staan en in zijn hand de hare, klam-warm. Toen in-eens was hij
zich weer meester, en terwijl hij haar nu aanzag met vasten blik en
helder-rustigen glimlach, zei hij: "Je weet best, wat er is,.... je
begrijpt heel goed, wat ik je kom vragen!...."

Met plotseling verheugd glanzen dwaalde haar blik verward af, staarde
langs hem heen. En hij drukte haar hand, en zei zacht: "Lucie,.... mijn
lieve Lucie,.... mijn vrouw!...."

En ze keek hem in-eens aan met hel-gloeienden blik, die snel verdofte
achter tranen, en ze sprak zijn naam uit met een half verstikte stem.
"Wil je me?" vroeg hij op denzelfden toon, zacht, diep-ernstig. "Ja,"
fluisterde ze. Hij trok haar naar zich toe en sloeg zijn linkerarm om
haar heen. Toen lei ze 't warme, diep-blozende voorhoofd tegen zijn
schouder en snikte, met lange, hijgende snikken; hij kuste haar op 't
strakke zwart dat haar hoofd overkapte en noemde haar zijn schat, zijn
goeie engel, en hij drukte haar hand, die nog in de zijne lag,
beschermend tegen zijn borst.

Maar toen ze, haar gezicht verbergend, snikken bleef, langer dan
hij begreep, werd hij een beetje ongerust.... Had hij 't niet goed
aangelegd,.... te schielijk?.... Hij begon haar zacht-kalmeerend toe
te spreken, met een niet-begrijpende stem, vragend hem nu eens aan te
zien. Maar ze schudde 't hoofd, opnieuw snikkend, wilder. Hij vroeg
fluisterend of ze nu niet blij was en gelukkig. Toen knikte ze, aldoor
zonder opkijken. En hij zweeg, opnieuw wat beklemd; hij begreep 't niet,
dat lange snikken.

Maar in-eens hief ze 't hoofd op, veegde met de linkerhand een paar
tranen weg en keek hem aan, en over haar smal gezichtje, rood van 't
huilen, lag nu zoo'n wijd-zachte zaligheid, zoo'n groot en innig geluk,
dat hij er van ontroerde. Tranen kwamen nu ook in zijn oogen, terwijl
hij haar weer toesprak met liefkoozingsnaampjes, en haar kuste, zacht,
op 't voorhoofd. "Je zult 't wel vreeselijk gek van me vinden, die
huilbui, hè," zei ze met een zenuwachtig lachje, "ja, ik vind 't
eigenlijk ook heel mal van mezelf.... Ik weet niet hoe 't kwam
in-eens.... Maar 't is ook alles zoo plotseling gegaan, zoo
overweldigend.... En 'k heb zóó lang naar je verlangd...." Langzaam,
fluisterend, zei ze dat laatste, met een diep trillenden klank van
innigheid.

"Heb je dan dadelijk al zooveel van me gehouden," vroeg hij met
hoog-blijde verbazing.

"O! dadelijk! dol!" zei ze met extase. "Ik weet 't nog precies. Ik had
je eerst niet gezien.... of op je gelet.... Toen kwam in-eens Anna
van der Hoeven met je aan, recht naar me toe. En ik wist 't dadelijk,
toen ik je aangekeken had!.... O, ik heb 't vroeger zelf nooit willen
gelooven, dat 't mogelijk was, en als ik 't las in boeken heb ik er wel
's om gelachen, en toch was 't zoo, toch is 't zoo!.... Van 't eerste
oogenblik af dat je voor me stond heb ik van je gehouden, zóóveel,
zooveel als ik niet wist dat ik ooit van een man houden kon!...."

"Lieveling!" zei hij, "vrouwtje!.... En toen heb je trouw gewacht
tot-ie kwam?...." En weer kuste hij haar met vaderlijke teederheid,
zacht-voorzichtigjes op 't voorhoofd, en drukte haar hand.

"Ja.... natuurlijk....," fluisterde ze.

En zwijgend keken ze elkaar een poosje aan. "En jij," vroeg ze toen,
zalig glimlachend, "wanneer ben jij van me gaan houden?.... Want je
houdt toch van me, hè?.... Je hebt 't me nog niet eens gezegd!...."

"Hoeft dat dan wel," vroeg hij.

"'k Zou 't je zoo graag hooren zeggen," zei ze, en ze leunde weer tegen
hem aan, haar gezicht verbergend, en vroeg zacht: "Zeg 't 's!....
Bernard!.... Heb je me lief?...."

"Ja,.... ik heb je lief....," fluisterde hij toen, zijn oogen even
sluitend. Weer waren ze een poosje stil.

"Hoe komt 't toch dat je nu in eens van me bent gaan houden," vroeg ze
weer, glimlachend opkijkend naar zijn toegewend gezicht. "Op die partij
toen heb je niet veel meer naar me omgekeken.... Je hadt alleen oogen
voor Mimi van Keppel.... Ja, ik zag 't wel!.... Heb je haar later niet
meer ontmoet?"

"Jawel!.... nog eens, ook op een soireetje bij van den Bosch...."

"En was je toen weer niet verliefd op haar?"

"Nee, o! heelemaal niet!", zei hij lachend.

"Je bent een gekke jongen, hoor!.... Heb je gemerkt dat ik van je
hield?"

"Een beetje...."

"Ja, ik dacht 't wel," zei ze ietwat teleurgesteld, maar met aldoor
zacht stralenden blik, "'t was ook zoo iets onverwacht heerlijks, dat
ik je hier in-eens vond!.... En dat je notitie van me nam, dat je me
opzocht!.... Want o! ik heb zoo naar je verlangd, die acht maanden!....
En ik zag je natuurlijk haast nooit!.... En als ik je zag, lette je niet
op me.... Je keek over me heen!.... O! ik moet je daar natuurlijk nog
veel van vertellen,.... nog heel veel,.... ik heb vreeselijk veel met je
te bespreken!...."

"Maar als we nu 's naar je moeder gingen," opperde hij.

"Hè?.... Nu al?...." zei ze, met een vleiende stem, "toe, laten we nog
wat hier blijven!.... 't Is hier zoo heerlijk rustig, vind-je niet?...."

"Wat zou je moeder er van zeggen?.... Zou ze 't dadelijk goed vinden?"

"Wat?.... Mijn moesje?.... Goed vinden?.... Ze vindt 't zeker bijna net
zoo heerlijk als ik!.... Ze weet er natuurlijk alles van, moet je
denken!.... Den heelen winter heeft ze met me moeten praten over jou....
O! mijn moedertje, die ken je nog niet.... Dat is mijn beste vrindin,
altijd geweest!.... Toe, hè, blijven we nog even hier?.... Wat een
heerlijk laantje, zeg! Ik kende 't heelemaal niet!.... Toe, laten we nog
even blijven!...."

Ze vroeg 't met een zacht-smeekende stem, in-gelukkig naar hem
opkijkend. Maar in zijn hoofd kwam nu allerlei droog-practisch gedenk
aan tijd en aan alles wat noodzakelijk gauw gedaan moest worden. En hij
zei 't haar. Hij moest nu in ieder geval naar haar moeder gaan en haar
vragen. Niet waar? dat hoorde nu eenmaal zoo.... En dan moest hij ook
wel even naar oom en tante gaan en 't die zeggen....

"O! weten die er nog niets van," vroeg ze.

"Wel nee! niets!" zei hij. "En 't zou toch te gek zijn als ze later
hoorden, dat ik vandaag hier ben geweest, een meisje gevraagd heb en
weer weg ben gegaan zonder naar hen om te kijken.... Dat gaat toch
niet!"

"Wèl nou maar, ik weet goed raad," zei ze, "je blijft natuurlijk
bij ons eten, nietwaar?.... Je hoeft toch van middag niet weer naar
Amsterdam?.... En dan gaan we van avond samen naar je oom en tante....
Nee, nee, dat 's waar, dat gaat ook niet," viel ze zich zelf
teleurgesteld in de rede, met een kort lachje, "je dient ze daar wel
even op voor te bereiden, hè?"

"Ja, natuurlijk!" zei hij, "dus moet dat allemaal een beetje gauw
gebeuren.... Maar 't kan nog wel!.... Laten we nu maar eerst naar je
moeder gaan, en dan loop ik nog even voor 't eten naar oom...."

"Ja," zei ze, "goed!...." En ze gingen op weg. Hij bood haar zijn arm,
waar ze haar hand op lei met een zalig lachje; ze was even een beetje
stil, blijkbaar vond ze 't niet prettig dat alles nu zoo haastig moest
gebeuren, zag ze er wel wat tegen op.... Maar Bernard, zich nu heelemaal
meester, begon met vroolijke, vaste stem te praten over den heerlijken
zomer, dien ze nu samen tegemoet gingen, de wandelingen, die ze zouden
maken, en de kleine uitstapjes 's Zondags, en dat wond haar op tot een
stemming van stralende verrukking. Alleen, toen hij over die uitstapjes
doorging, zei ze even met een bezorgde stem: "Ja!.... 't is natuurlijk
altijd lastig met ma.... Die zou dan alleen zijn!.... Maar kom, we
zullen wel zien!"

"Wel ja," zei hij, zonder daarover na te denken, "dat zal wel terecht
komen!.... Ik stel er me zooveel van voor, zoo hier en daar 's met je
heen te vliegen...."

Toen ze dicht bij 't villatje kwamen, werden ze stil. Bernard zag er een
beetje tegen op, de zwak-lichte, zoekende oogen van de moeder tegenover
zich te zien. Er was een flauwige, weeë schrijning van schuldbesef in
zijn ziel, hij voelde dat hij wat klein, wat wuft zou staan tegenover
die stille oude vrouw met haar onzichtbaren krans van verdriet, die
wijs-teedere, half-heilige moeder. Zou ze niet vragen of hij Lucie wel
waarlijk liefhad? En zou hij dan driest-weg ja durven zeggen met vaste
stem en blik?

             *       *       *       *       *

Ze zat in de tuinkamer, de moeder, stil in haar hoekje, breiende, met
een boek voor zich. Lucie ging vooruit. "Ma-tje, hier is meneer Bernard
Bandt, die komt u wat vragen," zei ze met een opgewonden-hooge,
zenuwachtig-vroolijke stem. En meteen liep ze op haar moeder toe, gaf
haar een kus en knielde schielijk naast haar neer, opnieuw snikkend van
geluk. Bernard bleef staan, vaag zijn werk voor zich ziend, verward
weer.

"Wat is dat?.... Wat is dat?...." zei de moeder, quasi-niet-begrijpend,
met een trillende stem en teer-vriendelijken glimlach. "Dag, meneer
Bandt!.... kom hier!.... ga daar zitten!.... Nou, nou!.... Lucie!
kindje! wat is er nu in-eens?...."

Door de goedigheid van die stem voelde Bernard zich weer kalm worden
en helder, en hij zei met een vaste, van aandoening wat schorre stem:
"Mevrouw.... ik heb Lucie gevraagd.... en ze heeft ja gezegd,.... en nu
hopen we maar dat u 't ook goed vindt,.... dat we trouwen...."

Ze kon niet dadelijk antwoorden, de zwakke oude vrouw. Ze bewoog de
lippen, maar er kwam geen geluid. Ze huilde ook.... Met haar linker
hand streelde ze Lucie's hoofd, dat in haar schoot lag, terwijl ze de
rechter beverig aan Bernard toestak, met een zwijgenden knik van innige
goedhartigheid.

"Ik ken je nog wel niet heel goed, meneer Bandt," zei ze eindelijk
met een piepende, gebroken stem, "maar ik weet hoe m'n kind van je
houdt,.... hoe ze naar je verlangd heeft.... En ze heeft me zoo veel
goeds van je verteld...."

En Lucie sprong op en kuste haar drie-, viermaal, en kuste Bernard,
en ging dicht naast hem zitten, en een poosje zaten ze alle drie te
sniklachen van nieuw, teer geluk en aandoening.

Mevrouw Tadingh wist van Bernards briefje, ze was precies op de hoogte.
"O! Bernard," zei ze glimlachend, "als je wist hoe dat kind van den
winter...." "Sst, sst! stil toch ma," viel Lucie haar blij-blozend in de
rede, "ik moet 'm dat nog allemaal vertellen...."

Maar Bernard moest nu naar zijn oom en tante, 't Was al laat genoeg!
Maar hij zou heel gauw terugkomen. Hij bereidde mevrouw Tadingh voor op
een bezoek van zijn oom, die een deftig man was en er zeker prijs op
stellen zou plechtiglijk te komen vragen om de hand van haar dochter
voor zijn neef en pupil.

"Wel zeker!.... Dat spreekt van zelf!...." zei de moeder, "'t zal me
aangenaam zijn." Maar ze deed wat angstig-gejaagd. Ze schenen er toch
wel tegen op te zien.

"Dan komt je tante zeker mee," vroeg Lucie.

"Ja, dat denk ik ook wel!.... We zullen zien...."

Haastig liep Bernard naar de villa van zijn oom. Hij werd meer en meer
opgewonden, hij was overspannen-opgewekt, in een lichten roes van actie;
zonder zwaarte voelde hij zich gaan over den weg.

Ze waren op 't punt van aan tafel te gaan. Oom zat, met een krant, zijn
bittertje te drinken in de waranda; tante ruimde 't werk op waar ze aan
bezig geweest was.... Ze schrokken verbaasd op toen ze Bernard zagen,
zoo onverwacht, midden in de week.

"Gut! Bernard!.... Hé! Ben jij daar?"

Hij had een kleur van opwinding en hard loopen. "Ja," zei hij, driftig
zijn hoed neergooiend, en neervallend in een rieten warandastoel.
"Gaat u 's even allebei zitten, en zet vroolijke gezichten en schrikt
niet!.... Ik heb gewichtig nieuws!.... Ik ben geëngageerd!.... Met
juffrouw Tadingh,.... een dochter van de weduwe Tadingh, u weet wel,
waar we laatst over spraken.... Ik heb haar van middag gevraagd.... En
met de moeder is 't ook al in orde!"

Met open monden en groote oogen hoorden ze 't aan.

"Hè?.... wàt?...." vroeg tante. "Wat 's dat nou in-eens?" vroeg oom.

Toen zei hij 't nog 's heelemaal, wat langzamer, wat kalmer.

En tante, 't eerst van den schrik bekomen, stond op en ging hem een zoen
geven, en feliciteeren met tranen in de oogen.

Oom pruttelde. "Nou ja.... hoor 's even!.... dat kan je nou wel zoo
's effen gauw in een roeffie komen vertellen.... Maar zoo gauw kan
ik dat niet verwerken.... Waarom heb-je daar niet 's eerder over
gesproken!...."

"Wèl, oom, waarom zou ik?.... U kent 't meisje immers toch niet!.... En
als 't anders geloopen was dan had ik 't heele zaakje maar kalm voor me
gehouden."

"Nou ja, maar.... zoo maar in ééns.... geëngageerd!.... Ik ben maar een
ouderwetsch man.... Die gauwigheid van tegenwoordig.... En wanneer wou
je trouwen, heertje?...."

"Maar Frederik, zou je den jongen nou toch eerst niet 's feliciteeren?"
verweet tante. "Gut Bertje, ik ben vreeselijk nieuwsgierig
natuurlijk!.... Breng je ze 's gauw hier?"

"Hé!.... wacht nou 's even!" zei oom, "feliciteeren wil ik je wel,
jongen, -- ofschoon ik 't meisje nog niet eens ken --, hier! geef me 'n
hand!.... Maar.... re.... maar.... re...., je kunt dat meisje toch maar
niet zoo in-eens hier brengen!.... Ik dien toch eerst fatsoenlijk accès
bij de moeder te gaan vragen.... Dat hoort toch zoo!...."

"Wel ja, oom," zei Bernard, "dat moet u nou natuurlijk maar net doen,
zooals u 't goed vindt!.... Maar intusschen kan Lucie toch van avond wel
's een visite hier komen maken!.... We zijn dan nog maar niet officieel
geëngageerd, begrijpt u wel? Maar u maakt vast 's kennis.

"Hm!.... Nou.... dat 's goed,.... dat 's goed!"

"Afgesproken," zei Bernard, "dan komen we van avond!.... En dan ga ik nu
maar gauw weg.... Want ik blijf natuurlijk daar eten vandaag.... En dan
kunt u beiden er intusschen nog 's over denken.... en over praten!....
Dag oom, dag tante!.... adieu!.... tot van avond!...."

En hij liep weer weg. Tante liet hem uit, schielijk in de gang nog
vragend of 't een mooi meisje was, blond of bruin, en meer van die
dingen.

Met een triomfant lachje kwam ze weer binnen. "Nou?.... wie heeft er nu
gelijk gehad," vroeg ze. "Ik wist wel dat hij over een meisje dacht!....
Ik merk zulke dingen altijd dadelijk...."

Maar oom zat aan tafel nog een beetje te brommen. Hij had liever gehad
dat Bernard een dochter van Van den Bosch had genomen, of van een van
zijn andere handelsvrienden. Zoo'n juffertje Tadingh!.... Dat zou
natuurlijk ook wel geen cent hebben!.... Enfin, je moest je schikken in
zulke dingen....

"Ik vind je niets aardig," zei tante. "Daar net ook al! Waarom
feliciteerde je den jongen niet dadelijk?.... Jelie mannen altijd met
je berekeningen!...."

Maar 's avonds kwamen ze, en Lucie, met haar groote, eenvoudige
goedhartigheid, haar aardige manier van dadelijk hartelijk met hen om
te gaan, welwillend, voorkomend, pakte oom en tante heelemaal in.
Eerst deed oom deftig. Hij feliciteerde haar niet, maar zei, met zijn
visite-kraakstem, dat hij van Bernards plannen had gehoord en morgen zou
komen belet vragen bij mevrouw Tadingh om die zaak eens te bespreken.
Maar Lucie nam van dat stijve doen niets geen notitie, ze keek hem
trouwhartig-vroolijk aan en beloofde al haar best te zullen doen om een
goede dochter voor hem te worden,.... want, niet waar, Bernard was toch
zoo goed als een zoon van hem.... zoodat de oude heer 't een beetje te
kwaad kreeg, en gekheid ging maken om zich goed te houden. Toen zij
wegging kneep hij haar in de wang, en zei dat ze een lieve meid was, en
liet "de kinderen" zelf uit en kwam neuriënd weer binnen.

Ook tante was verrukt over haar.... Ze zou zich wat eleganter moeten
kleeden.... ze zag er een beetje erg simpeltjes uit,.... een blauw
zijdje zou haar lief staan.... of een geel zijden blouse.... of
fluweel?.... ja!.... maar een aardig meisje was ze.... allerliefst!....

Bernard bracht Lucie thuis. Hij bleef nog even praten en moest zich
toen erg haasten om den laatsten trein nog te halen. Hij was dof van
overspanning toen hij in de coupé zat. De dag was hem als een roes, als
een drukke droom....

Maar ze begonnen nu pas, de drukke roezige dagen. Donderdags-morgens
ging hij weer naar Bussum, wat afgesproken was met oom die dan zijn
visite zou maken. Hij bracht voor Lucie bloemen mee en een ring, waar ze
kinderlijk-verrukt blij mee was. Haar blij te zien, haar dan in de oogen
te kijken, vond hij een hoog-vredigend genot. Hij voelde zich aldoor
heel opgewekt. En hij was een en al actie, hij kwam haast niet tot rust.

Dien Donderdag kon hij niet blijven, hij moest 's middags in Amsterdam
zijn, menschen spreken, en 's avonds werk inhalen wat al was blijven
liggen. 't Was moeilijk genoeg, want aan tafel moest hij 't natuurlijk
aan zijn vrinden vertellen. Dat was een luidruchtige verbazing! Sam
vroeg eerst of hij gek was, maar dadelijk daarop drukte hij hem
hartelijk de hand. "In Godsnaam!.... jij dan ook maar!.... Jelie moet
't zelf maar weten," zei hij.

André proest-lachte eerst, zenuwachtig zwaaiend met zijn armen. Maar
hij werd in-eens ernstig, feliciteerde Bernard, hem vast in de oogen
kijkend, en bleef toen even voor zich uit staren, een beetje triestig.
Hendrik stootte Bernard aan: "Die denkt: 'k wou dat ik al zoo ver was,"
fluisterde hij. Maar André, die 't gehoord had, bromde "verrek!" en
dronk zijn borrel uit in één teug.

Ook Hendrik en Gerrit waren hartelijk en belangstellend en Bernard moest
natuurlijk een paar fijne flesschen geven. Later dan hij gewild had,
kwam hij op kantoor, soezerig, en warm van den wijn. En hij bleef lang
in den nacht werken, want Vrijdags moest hij weer naar Bussum om de
aankondigingen te verzenden, en Zaterdag had hij 't erg druk om al dien
verloren tijd weer in te halen. En 's Zondags werd er visite gewacht,
buren en familie en de beste vrinden.

Als Bernard even alleen was met zijn meisje, dan had hij 't liefst dat
ze, rustig tegen zijn schouder liggend, wat vertelde, met die stem van
haar, dat geluid van zuivere liefheid. Dan kreeg hij weer dezelfde
aandoening als dien Zondagmiddag, toen hij met haar op en neer gewandeld
had 't zwarte weggetje. Hooge vriendschap en eerbied in een grijzige
omfloersing van medelijden. Hij luisterde dan maar, voor zich uit
starend. Hij zag haar nog niet, hij "lette niet op haar." En langzaam,
met lichte, half-zelfbewuste ophuiveringen, groeide in hem 't begrijpen
van den nieuwen toestand, dien hij, als met afgewenden blik in één
handbewegen, geschapen had.

Soms keek ze hem een beetje verbaasd-bezorgd aan. "Wat ben je ernstig,
is er wat?" vroeg ze dan. Maar hij antwoordde: "Wel nee, lieveling,
niets," en kuste haar op 't voorhoofd of op 't haar. En hij ging
vroolijk met haar praten. Maar 't medelijden in hem werd grooter, met
scherper huiveringen, als zij schuchter liefkoozend, zijn hoofd tegen
zich aantrok, of 't hare stopte onder zijn jas, beide armen om hem heen
geslagen....

Edward kwam den eersten Zondag al. Hij was hartelijk, maar erg gejaagd.
Hij had zich dure, al te modieuse nieuwe kleeren laten maken, hij zag er
uit als een dandy en hij rook ook naar muskus. Hij was een beetje
voornaam-hoffelijk met Lucie. Ze scheen hem niet mee te vallen. Hij vond
haar blijkbaar wel wat erg eenvoudig, zoo 'n echt simpel buitenmeisje,
'n beetje een schaap. Maar ze nam alweer geen notitie van zijn ietwat
neerbuigend-voornaam doen, zijn oppervlakkige, overdreven complimenten
en zijn mooie kleeren, en was gewoon-vriendschappelijk met hem. Hij was
een vrind van Bernard, dat scheen haar genoeg reden om van hem te
houden. En hij had mooie oogen, zei ze later, mooie zachte oogen.

Ook André en Sam kwamen, en een paar tantes van Lucie en eenige buren.
Maar den volgenden Zondag kwamen er veel menschen, toen was 't den
heelen middag vol in de kleine tuinkamer van mevrouw Tadingh's eenvoudig
buitenhuisje. Lucie keek telkens bezorgd naar haar moeder, die
gelig-bleek zag en suf en verward-gejaagd werd van overspanning. Toen de
menschen weg waren bracht Lucie haar als een kind weg, naar haar
slaapkamer en naar bed. Ze was heelemaal op en onwel van vermoeienis.

's Avonds, toen ze samen in de waranda zaten, praatten Bernard en Lucie
over haar moeder. "Ze schijnt wel héél zwak te zijn," zei hij. "Dat is
't," antwoordde Lucie, "de minste inspanning pakt haar zoo aan. En ik
weet zeker dat ze nu weer een paar dagen zal hebben van die akelige
slapte en droefgeestigheid. Je moet maar veel komen om me te helpen haar
op te beuren.... Je kunt 't zoo goed....", zei ze, met een lief lachje.
Maar even daarna, angstig weer: "Hoe zullen we toch later met haar
doen,.... als we trouwen?...."

"Ja," zei hij, "daar heb ik ook al over gedacht.... 't Best zal zijn
haar maar bij ons in huis te nemen, hè...."

"Ja," zei ze,.... "zou je dat willen?...."

Ze zei 't op doffen toon, zonder blijdschap. Hij dacht dat ze niet wou
toonen, dat ze daarop gehoopt had, maar dat ze 't toch zeker wel 't
liefste zoo hebben zou....

"Dacht je dan, dat ik haar in den steek zou laten?" vroeg hij.

"Nee!.... dat niet!.... maar.... de meeste schoonzoons hebben er, geloof
ik, wel op tegen hun schoonmoeder in huis te nemen...." "Ja! och," zei
hij, "dat ligt natuurlijk ook veel aan die moeders zelf, nietwaar?....
Jou ma-tje zal ons wel niet tot last zijn, geloof ik; ze is zoo
gemakkelijk, zoo weinig eischend, hè?.... Ik houd ook al zooveel van
haar.... Ik zou haar zoo graag een prettigen ouden dag bezorgen."

"Ja!...." zei ze, en keek even nog stil, kromzittend voor zich.... Maar
ze richtte zich op, met een schokje. "Je bent mijn goeie vent, hoor!"
zei ze. Maar er was geen blijdschap in haar stem.



XVII.


Langer dan Bernard zich voorgesteld had duurde die eerste tijd van
roezige drukte, van niet tot rust komen, van dan dit en dan dat weer.
Er moesten contra-visites gemaakt worden en familie bezocht, en vrinden
in Utrecht en in den Haag, en "'t jonge paar" werd uitgevraagd op
dinertjes en soiréetjes, dikwijls te hunner eere aangelegd. Dan werden
ze licht gefêteerd en goedig uitgelachen, hartelijk toegedronken en
nieuwsgierig bekeken, en waargenomen in hun omgang met elkaar. En je zag
aan de oogen wat ze er van dachten, 't was heel ergerlijk en vervelend,
vond Bernard. Vooral de dames, de deftige oudere dames. O! een
heelen avond zoo 'n glimlach van duf-verstarde vrindelijkheid, van
weldoorvoede, zich rustig-veilig voelende eigenwijsheid, dat was om maar
liever een poosje blind te zijn! En dat naar-futiele gepraat, dat jezelf
een belabberden lummel voelen, fatsoenlijk, dom, fut- en fantasieloos.
En dan in-eens zoo'n kriebelige lust, een vloed van vloeken en
kwajongenswoorden te gooien in den glimlachend-raisonneerenden kring,
dat was een temptatie.

Bernard ging er sterk naar verlangen nu met rust gelaten te worden,
alleen met zijn meisje, en dan te genieten, in kalmte, van 't succes van
zijn plannen, van die stichtende voldoening....

Maar Lucie scheen 't niet zoo vervelend te vinden, als ze uitgevraagd
werden, telkens weer. Dan heb ik je ten minste, zei ze, dan ben je bij
me! En bij de menschen praatte ze weinig, was enkel stil-lief en keek
maar naar hem, met haar lichte droomoogen. Blijkbaar was ze heel trotsch
op hem en verbeeldde ze zich dat iedereen hem bewonderde en dat de
meisjes jaloersch waren op haar. Ze zei nooit iets tot zijn lof, en als
een ander hem prees lachte ze enkel, beaamde 't niet. Want dat was
immers onnoodig, iedereen wist toch wie hij was, iedereen zag 't immers
aan hem, zooals zij 't gezien had, dadelijk.... Maar Bernard vond
't een beetje benauwend, dat ook. Dat zij, vervoerd door liefde, hem
bewonderde, goed!.... maar anderen lachten daar natuurlijk om. O! hij
zag 't zoo precies aan hun gezichten van geroutineerde hypocrieten.
Lucie scheen 't nooit te zien. Ze keek naar hem, met zacht-stralenden
blik....

Misschien kon 't haar ook niet schelen!....

Dikwijls als hij met haar praatte had hij 't met stugge minachting
over "de menschen." De menschen geloofden dit, de menschen deden dat
altijd. Dat scheen ze eerst niet goed te begrijpen, ze kon er zoo
triest-verstrooid om lachen, even. Maar langzamerhand ging 't haar
blijkbaar een beetje hinderen, en eindelijk zei ze 't in-eens ronduit,
dat ze dat niet prettig vond. Wat bedoelde hij toch eigenlijk met "de
menschen." Waren dat alle anderen, alleen zij beiden niet? Zij waren
toch ook menschen! En waren dan alle anderen wezenlijk zoo belachelijk,
zoo dom? Maar dat konden ze dan toch niet helpen!....

Ze vond 't wàt angstig, zei ze. Ze merkte dat ze zelf over heel veel
dingen net zoo dacht als hij zei dat de menschen er over dachten. Vond
hij haar dan ook eigenlijk niet dom, en belachelijk?

Bernard glimlachte, kuste haar, beschermend -- en schaamde zich een
beetje.... Van dien dag af ging hij zijn best doen in zich zelf tot
klaarheid en onder woorden te brengen al wat hem altijd had tegengestaan
in de mannen en vrouwen, in de jongens en meisjes, die hij had gekend,
om 't haar te kunnen vertellen, en zoo wende hij er aan haar te spreken
over zijn intiemste gevoelens en gewaarwordingen.

Dat gebeurde meest op wandelingen, in 't maklijk voortgaan, naast
elkaar, op effen buitenwegen, licht en open. Lucie begreep haast altijd
dadelijk wat hij bedoelde, ook als hij tobde met het vinden van de
preciese woorden, en antwoordde zonder veel zoeken, met een onbewusten
eenvoud en directheid zeggend wat ze dacht van de dingen, wat ze voelde
en gevoeld had. Heel bescheiden -- als een vluchtig liedje in hooge
eenzaamheid gezongen -- klankten haar weinige woorden, en toch waren ze
voor hem soms beschamende openbaringen van klaarheid, van teederheid of
diepte. En als hij haar daar iets van zei, met een licht ontroerde stem
van innige bewondering, dan lachte ze, een helderen, gul-gelukkigen
lach. Dat zei hij er natuurlijk maar om! Ze wist heel goed dat ze een
dom schaap was, niet waard zoo'n knappen man. Wat zou hij van haar
kunnen leeren, hij wist toch alles! Of, als hij iets niet wist, dan was
't omdat 't hem ook niet schelen kon. Dát was zeker: hij kon alles,
alles wat hij wou!.... Dat was haar niet uit 't hoofd te praten!....
Maar hij beproefde 't toch, sprekend over de oneindigheid van dingen,
die niemand wist en niemand kon.... En zoo groeide hun intieme
gemoedsbetrekking, zoo bouwden ze een huis voor hun sympathie....
't Werd al gauw een groot ruim huis, met veel oude-vertrouwde kamers en
gangen, en er kwamen lang-gekende, stille hoekjes in....

Meer en meer begon Bernard te houden van die wandelingen met haar. Op
kantoor zat hij er naar te verlangen. En hij richtte zich er op in,
behalve 's Zondags, nog tweemaal in de week naar Bussum te kunnen gaan,
ofschoon 't moeite kostte en nachtwerk dikwijls. Hij was blij als hij
dan den trein van kwart over drieën nog halen kon, zoodat hij vroeg
genoeg aankwam om nog wat met haar te wandelen voor 't eten. Ze was
altijd aan 't station.

Toen dat nu alles geregeld ging en de roes van visites en uitgangetjes
eindelijk voorbij was, kwam er een groote rust over hem, een gevoel in
jaren niet gekend, een wijde kalmte van innige voldoening, een hooge
opgewektheid, een vaste zekerheid van slagen. Zijn gang werd trotscher,
zijn gebaren rustig-forsch. Graag overdacht hij, als hij alleen was, met
kalm methodisch denken, zijn groot plan en hij voelde dat 't gelukt was
tot nog toe en dat 't ook wel gelukken zou verder. En boven zijn gedenk
was dan, vaag-zweverig -- iets lichts, iets van hoop.... Maar dat was
hem niet de moeite waard om over te denken; hij haalde zijn schouders
op als hij 't merkte en dacht weer aan haar, aan haar alleen. Zij was
gelukkig, zijn Lucie, zijn meisje. Hij voelde 't telkens als hij haar
zag staan, onder de wachtende menschen aan 't station, hem dadelijk
en onafgebroken aankijkend vol innigheid, tot hij bij haar was, haar
vroolijk de hand toestak. Het was ook of zij blozender, frisscher,
gezonder van tint was geworden. Hij kreeg er plezier in, haar nauwkeurig
waar te nemen, hij begon eindelijk "op haar te letten...."

En hij zag in-eens dat ze bepaald mooier was geworden.

Hij zei haar dat ook, en ze lachte weer. "'t Komt alleen omdat jij van
me houdt," zei ze, en drukte zich tegen zijn arm en liet hem even
stilstaan om hem een zoen te geven.

Ze ging nu ook dikwijls op zijn knieën zitten, met haar armen om zijn
hals en haar hoofd op zijn schouder. Of ze wilde dat hij zijn hoofd
tegen haar aanleggen zou, "om uit te rusten." En dan keek hij naar haar,
dan gleed zijn koesterende blik langs haar zalig-glanzend gezicht. Dan
zag hij van heel dichtbij haar fijne blanke vel en hij bespiedde al de
verschillende trekjes en lijntjes die te zamen die uitdrukking van
nobele goedheid en weemoedsvolle blijdschap gaven, dan keek hij in 't
lichte grijsblauw van de oogen en zag de schaduwtjes van de oogharen.
Dan zag hij de teere jonge haartjes die bij de slapen uit 't kapsel
gesprongen waren, en de heel kleine, wittige haartjes, die haar wangen
zoo dof-donzig maakten, en hij kende al gauw elk plekje van haar
gezicht, de purperen adertjes op zij van de neusvleugels, 't kleine
moedervlekje aan de kin. En hij keek naar 't stille bewegen van haar
gezicht als ze sprak zoo liggend, haar hoofd vlak bij 't zijne. Hij zag
dat al de goedheid en al de liefheid en innigheid van haar woorden ook
in die mysterieus onbewuste plooiingen waren.

En nu, als ze zoo tegen hem aanlag, in zijn stroef-stevigen arm, haar
rank-soepel vrouwelijf warm tegen zijn oude beenige borst, knakkend de
strakke hardheid van 't heerige overhemd, dan kwam, -- als lekkere lucht
van zomer in April -- malsche zinneverliefdheid opgolven naar zijn
gebogen hoofd en hij kreeg korte huiveringen van verlangen naar wellust.
En hij kuste haar op de wangen, haar zacht gloeiende wangen, en drukte
haar vaster tegen zich aan.

En dikwijls als hij op kantoor zat, of 's avonds op zijn kamer,
verlangde hij in-eens met doffe klopping in zijn keel naar dat zitten,
zóó, met haar....

Dat ontstemde hem een beetje; hij wilde geen verandering in zijn denken
over haar en over hun verhouding. 't Stond nu eenmaal vast, hij was niet
verliefd, hij was gewend aan dat idee en hield er van. In zijn denken
negeerde hij nog die koortsige aandoeningen.

             *       *       *       *       *

Ze begonnen nu allerlei plannen te maken voor de Zondagen, lange
wandelingen en uitstapjes naar alle richtingen. Bernard had mevrouw
Tadingh weten over te halen om eens, bij wijze van proef, zoo'n Zondag
te gaan doorbrengen bij een paar oude-jonge-juffrouwen, die aan
't zelfde laantje woonden, een paar gedistingeerd-vriendelijke,
deftig-sekure dametjes van tusschen de veertig en vijftig, die op een
goeden middag, na veel lieve hoofdknikken, waren komen kennis maken met
die sympathieke oude dame, met wier toestand ze zoo oprecht en innig
waren begaan. De moeder had 't goedgevonden, ze mocht die meelijdende
dames wel. Den eersten keer brachten Lucie en Bernard haar zelf, en de
juffrouwen, die dol op "'t aardige jonge paar" waren, wisten niet wat
ze doen zouden van vriendelijkheid, zoo blij en vereerd waren ze met
't vertrouwen.... Toch ging Lucie wat bezorgd weg dien morgen. Maar 't
beviel best, de dames waren toch zóó lief voor haar geweest, zei mevrouw
Tadingh, en ze verlangde zelf naar een volgenden keer.

Met innige vreugde vertelde Lucie dat aan Bernard. Ze vond 't heerlijk,
dat dit gelukt was, dat ze nu onbezorgd met hem uit zou kunnen gaan,
zoo'n heelen dag, zoo'n langen lichten zomerdag, met hem alleen. Want
in de weekdagen, al klaagde ze nooit, al was ze altijd-weer enkel maar
dol-blij als Bernard kwam, hij merkte toch dikwijls aan kleinigheden wat
ze weer te tobben had gehad met haar moeder.

Als ze van haar sprak was 't altijd met hetzelfde teere medelijden,
en met pieuse liefde en eerbied, maar soms gleed over haar ernstig
gezichtje een waas van verdrietige gedruktheid, die ze dan dadelijk weg
lachte, want blijkbaar wou ze niet dat hij daar iets van merkte. Maar
hij zag 't en hij ging 't begrijpen door goed te letten op de moeder
zelf, hoe ze naar Lucie keek en hoe ze stil voor zich uit keek en de
houdingen waarin ze zat; de moeder was niet eigenlijk-melancholisch, ze
was verwend, ze was gaan houden van klagen om de zachte voldoening
die 't gaf beklaagd te worden en meelijdend aangekeken, en innigjes
gekoesterd. Ze hield blijkbaar heel veel van "haar kind", en zei dat ook
ontelbare malen, maar dat was vooral -- leek 't wel -- om nog meer recht
te hebben op liefde en vertroeteling, en "'t kind" zorgde dan ook
voor haar zooals dikwijls teerhartige moeders voor ziekelijke kinderen
zorgen, met eindeloos geduld en zachtheid. Een enkele maal klaagde ze
ook wat tegen Bernard, met een zachte, lijdende stem, met diep gezucht
en stille tranen, over haar droevig lot en haar eenzaam leven, maar 't
maakte Bernard ietwat wrevelig, hoe hij zich ook daartegen verzette! En
hij gaf luchtige antwoorden, kortaf, als wou hij haar een beetje ruw-weg
opbeuren, met vriendelijk geweld, met woorden als korte duwtjes in den
rug, die wel geen pijn deden, maar toch niet zacht waren. En dat scheen
te helpen. Ze werd dan kalmer, ze berustte dan maar en glimlachte
teertjes met hem mee. En Bernard begreep dat langzamerhand ook wel
en deed 't er om. Zoo lachend aangesproken, zoo luchtig opgebeurd te
worden, daar was 't haar niet om te doen. Daarom was ze zoo graag bij
de vriendelijke oude dames, die haar al maar lief bezig hielden, haar
goedig beklagend nu en dan, met stille vereering.

Die Zondagmorgens dan, als 't mooi weer was, dan kwam Bernard met een
heel vroegen ochtendtrein. En hij vond zijn meisje aan 't station. En
dan dat wegwandelen, Bussum uit, 't Gooi in: naar Hilversum, of 's
Graveland, naar Laren en Blaricum langs de breede lanen met diepe voren,
met stille kudden vredige schapen, of naar Huizen over de hei, de woeste
vrije hei, de zonnige, kleurige hei. Ze liepen wel tot Soest en Baarn;
Lucie was even onvermoeid als Bernard.... Maar dat eerste uitwandelen,
frisch en sterk, in de ijle, zuivere morgenlucht, dat was 't
heerlijkste. Vlug en veerkrachtig, 't hoofd ietwat naar achteren, met
een blijden blik naar de boomen en de blauwe lucht, stapte zijn meisje
dan naast hem voort en zei telkens, met extase, dat ze 't zoo
verrukkelijk vond.

Soms scheen 't haar bijna te machtig te worden, 't alleen zijn met haar
liefde in de bloeiende zonnelanden, en 't vrij zijn, 't mogen doen wat
ze wou. Dan moest ze stilstaan, begeerig opsnuiven de zomersche lucht,
en hem kussen en lang aankijken. Of in-eens holde ze wild vooruit,
dartel als een veulentje, tot haar japon bleef haken in een heester, of
haar hoed afwoei, verfomfaaiend 't thuis zoo netjes strak getrokken
kapsel. En hij holde haar achterna. 't Was hem vreemd, hij had 't sinds
zijn jongensjaren niet gedaan, zoo draven, hij vond 't eigenlijk een
beetje bespottelijk, en hij zei dat hij 't niet graag deed, dat hij er
zoo gauw moe van werd en benauwd. Maar dan pruilde ze 'n beetje en keek
hem guitig-smeekend aan, of ze plaagde hem, zeggend dat hij een deftige
meneer werd, een saaie-oude. En dan liep ze weer weg met een dollen
lach, en op een afstand riep ze: "Kom 's hier, kom 's kijken! Gauw!
gauw dan, anders is 't weg!" Dan draafde hij er heen en dan was 't
niets of enkel een mooie tor, die vadsig zat te wiegen op een blad,
glanzend in de zon, of een kwikstaart, die toch al lang weer weg was. En
dan zij dolle pret, schaterlachen en opnieuw weghollen, hem tartend haar
in te halen en af te straffen....

Ze dejeuneerden dan, liefst zoo primitief mogelijk, ergens waar ze maar
een glas melk en een oud-bakken broodje met oude kaas konden krijgen.
Dat vond Lucie heerlijk, daar smulde ze aan. En hij ook, ofschoon hij 't
eerst niet weten wou. Want allebei hadden ze honger van de lange
wandeling in de morgenlucht.

En 's middags gingen ze lui-soezerig ergens in 't bosch liggen, of ze
liepen heel langzaam en stil te praten onder de boomen.

Eens dat ze met den trein naar Baarn waren gegaan om daar in de buurt
wat rond te zwerven, had ze weer zoo'n echte, dol-uitgelaten bui. Ze
kriebelde hem met strooitjes in den hals en liep dan lachend weg, of ze
liep een vogeltje na of een eekhoorn die van boom tot boom sprong. Ze
waren in 't bosch alleen. Hij was even gaan zitten in een drogen greppel
om van een wilgetak een fluitje te snijden; hij wou 's zien of hij dat
nog kon; hij had er tegen haar op gesnoefd dat hij al die dingen zoo
goed gedaan had als jongen. Even keek ze er naar, toen vloog ze in-eens
weer op en was weg. Hij bleef zitten snijden; ze komt dadelijk wel weer
terug, dacht hij. Maar na een poosje, hij had aandachtig zitten werken
aan dat fluitje en 't was af -- toen riep hij: "Ben je daar?....
Lucie!...." Maar er kwam geen antwoord, 't geluid van zijn stem stierf
kort in 't dichte bosch. Hij stond op en keek rond. Ze was er niet. Hij
liep en hoorde 't kraken van zijn stappen op dorre takken, en riep
krachtig, luid, opnieuw haar naam. Maar ze was er niet. Hij was alleen.
En in eens voelde Bernard zich eenzaam, verlaten. Zijn bloed bonsde in
zijn keel. Toen hij weer wou roepen kwam er een schril geluid, half
verstikt. Angst schokte traag door zijn warm hoofd, zijn polsen
brandden. Hij kon zich niet herinneren welken kant ze uitgegaan was, hij
had haar wel hooren wegloopen, achter zich, maar hij wist niet hoe ze
gegaan was. Op goed geluk af holde hij een kant uit, aldoor roepend,
soms stilstaand om hijgend te luisteren.... Eindelijk hoorde hij zwak
antwoorden; "Bernard!" hoorde hij roepen, links van zich, nog ver. Maar
hij rende dien kant uit, dol van opwinding en blijdschap. Hij schreeuwde
nu voortdurend door en hoorde ook telkens sterker zijn naam. "Ik kom!"
riep hij. Hij struikelde telkens, in 't driftige loopen, viel op een
knie maar was dadelijk weer op. En op 't punt een weg over te steken zag
hij haar in-eens staan, op korten afstand. Maar zij zag hem nog niet, ze
keek een anderen kant op. Rechtop stond ze, den grooten stroohoed een
beetje achterover, met een vollen blos, in gespannen aandacht turend en
zoekend met oogen van eenzaamheid, een kransje van boschbloemen in de
neerhangende hand. En hij bleef ook even staan, naar haar kijkend,
overstelpt door warm gevoel van rijkdom.... Weer riep ze, met angstig
verlangen in haar stem: "Bernard!" Toen liep hij haastig naar haar toe,
en ze hoorde hem en lachte, hem met glans-oogen aankijkend. Driftig
sloeg hij zijn armen om haar heen en kuste haar op den mond. En zij had
ook een arm om zijn hals geslagen. Hij kuste haar, met lange zoenen,
telkens opnieuw, en hij voelde dat haar lippen warm en week waren en hij
dronk haar adem, wankelend van weelde. Zwijgend keken ze elkaar dan weer
aan. En toen ging zij hem kussen, op zijn mond, op zijn wangen en oogen,
en gaf hem al de liefkoozingsnamen, die ze voor hem uitgevonden had.

En langzaam, arm aan arm, liepen ze toen verder. Hij vertelde haar van
zijn mallen angst. Zij was ook een oogenblik angstig geweest; ze wist
den weg terug niet meer, ze was de richting kwijt. Maar ze had dadelijk
gedacht, dat hij haar wel vinden zou.

Zóó -- stil gaande -- kwamen ze in een mooie laan van gelijke
laag-takkende dennen, een toover-stille, lange, rechte laan. En
fluisterend genoten ze.

             *       *       *       *       *

Dien avond, in den trein, alleen, voelde Bernard zich zacht,
aangenaam-weemoedig, stil-gelukkig gestemd. En nu en dan werd zijn
hoofd doorvaren van een groote gedachte, hoog-stil, licht als een
zonne-morgen, geurig als de hei.... Zou 't toch nog komen?.... Werd hij
nu werkelijk, nu heelemaal verliefd op haar?.... O! wat zou 't zalig
zijn!....

Den anderen dag merkte hij herhaaldelijk dat hij glimlachend zat
te soezen over zijn werk. Hij vergiste, verschreef zich telkens.
En dat ergerde hem volstrekt niet, maar 't maakte hem vroolijk,
onrustig-vroolijk. Hij zat dikwijls te lachen in zich zelf. Maar 's
avonds kwam die stemming weer van blanken weemoed met lust tot stil
dwepen....

Den daarop volgenden dag, 's morgens, toen hij op kantoor zat, kwam er
in-eens iemand luidruchtig de trap opstormen, zoo schielijk en driftig,
dat al de bedienden schrikkend opkeken en stommelden met hun stoelen....
't Was André, warm, opgewonden, zijn hoed achterover, een en al
verheugde glanzing.... Hij kwam haastig naar Bernard toeloopen en trok
hem op van zijn stoel en mee naar achteren en in de gang, zonder te
letten op de bedienden die nieuwsgierig-verwonderd zaten te kijken.
En toen kon hij nog eerst niets zeggen, hijgend, proestlachend,
sniklachend. Maar eindelijk kwam 't: "Ze wil me hebben, zeg!.... Ze wil
me toch hebben!.... Hoe vindt je 't, vindt je 't niet bespottelijk?....
Zoo'n vent als ik!.... Zeg!... Zoo'n vent als ik!.... Ze heeft dadelijk
ja gezegd!.... Ze houdt van me.... Hoe vindt je 't?"

Ontroerd feliciteerde Bernard zijn opgewonden vrind en lachte met hem
mee, zenuwachtig, en zei dat hij 't ook eigenlijk bespottelijk vond, en
ze proestten 't allebei uit. Bernard ging maar dadelijk mee met zijn
vrind, 't was toch gauw koffietijd en hij was te gejaagd om nog wat uit
te voeren. Op straat praatten ze over dingen, die hun geen van beiden
konden schelen, en dan in-eens keken ze elkaar aan en lachten weer, en
André vertelde, vertrouwelijk, in korte afgebroken zinnetjes, hoe 't
gegaan was tusschen Betsy en hem in den laatsten tijd. Hij was
dol-verliefd en kinderlijk-blij gestemd en hartelijk-welwillend jegens
alle menschen.

En Bernard was al even vroolijk. Verbaasd merkte hij in-eens, dat in
zijn denken die vrind naast hem zijn lotgenoot was, dat hij liep te
luisteren naar die uitingen van opgewonden blijdschap met een glimlach
van intieme verstandhouding, alsof hij 't kende, dat allemaal.... Dat
hij ook heelemaal niet jaloersch was, zooals vroeger wel 's, als hij
dacht aan liefde tusschen Betsy en André.

Eigenlijk ergerde hem dat weer een beetje; hij schaamde zich tegenover
zich zelf en schold en lachte zich wat uit. Waar bleef nu zijn
ridder-zijn, zijn koel-hoog-beschermen, zijn wijs-glimlachend gelukkig
maken, zijn groot goed werk, onzelfzuchtig? Heel eenvoudig en sterk,
hakend naar zijn eigen genot, zonder bijgedachten, verlangde hij naar
zijn meisje, naar haar liefkoozingen, haar teedere blikken, haar
hartstochtelijke omhelzingen. Hij verlangde er ook naar 't haar te
vertellen, van André en Betsy, en dat hij heelemaal niet jaloersch was,
want dat hij alleen hield van haar, zijn meisje, zijn mooi meisje. Want
ze wist al van zijn vroegere verliefdheden. Ze had 't niet aardig
gevonden, ze was er even wat stil van geweest, jaloersch blijkbaar. Maar
nu zou hij haar kunnen bewijzen, dat hij nooit meer dacht aan Betsy en
die anderen, dat hij alleen maar, en altijd, dacht aan haar, zijn
alles....

En in de coupé werd hij niet kalmer. Hij was nerveus-opgewonden, warm.
Hij dacht aan haar, aan hun samen-zijn op wandelingen. Hij drong zich
diep in zijn hoek om rustig aan haar te kunnen denken, zijn oogen dicht,
zijn toegeklemde handen in zijn zakken, en hij voelde 't koortsig
verlangen branden in zijn polsen. Hij zag haar weer staan, zooals ze
daar in die laan stond, naar hem zoekend met de oogen, in dat oogenblik
even vóórdat ze weer riep. God! hoe mooi, hoe onvergetelijk diep-mooi
was dat geweest! Dat stille wachten, in die wonderlijk teer-mooie
rijzing van haar ranke figuur, en die glans om haar opgeheven hoofd! Hij
voelde zich rijk en trotsch en forsch-verliefd. Met korte golven, elkaar
verdringend als de branding, sloeg zijn verlangend denken aan haar door
't met moeite stil-liggend lijf. Hij voelde 't nu, in zijn overspanning:
zij kwam dan toch nog, de hooge vreugde; het zuivere geluksmoment
naderde; straks zou hij 't grijpen en zalig zijn....

Maar in-eens, met een weeë schrijning, en toen een licht-doffe huivering
recht naar boven, verijlde zijn vreugde en zijn spieren verslapten in
lamme loomheid. Zijn handen zweetten in zijn zakken, zijn hoofd lag
warm-soezerig tegen de nare weekheid van 't fluweelige trijp. Want als
een schimmig schrikbeeld eerst, en toen plotseling scherp-duidelijk,
had hij 't visioen weer gezien van dien nacht in 't bordeel, van dat
week-passieve vrouwelijf.... En minuten lang leed hij, stil-trachtend al
zijn denken te verdooven in gesoes.... O dat onherstelbare, waarom kon
hij 't nu niet vergeten! 't Was nog alleen in zijn herinnering, waarom
kon hij 't niet daaruit weg doen nu, zoodat 't heelemaal niet meer
bestaan zou.... En waarom, God! waarom was dat nu ook gebeurd zoo kort
voordat zij kwam!

Maar toen, langzaam -- hij voelde 't al, vaag, voor hij 't dorst te
aanvaarden -- kwam 't verzet tegen dat lijden, de wil er zich uit op te
rukken, 't los van zich, beneden zich te voelen. En toen hij 't eenmaal
had aanvaard, groeide 't, als een volksopstand tegen lange verdrukking,
en werd macht. Weg met dat laffe zelfverwijt, 't had uitgediend, hij
wilde 't niet langer, hij verachtte 't nu, hij trapte en spuwde er op.
Hij was een krachtig, vrij man, die zijn hoogste levensmomenten voelde
naderen. En, bij God! hij zou zich die niet laten bederven door
kinderachtige schaamte over klein gedoe van vroeger! Hij zou genieten,
ongestoord, het allerhoogste. Want dat kwam! dat kwam! Neervlijmen zou
hij nu al zijn kleinheid van vroeger, met koele verachting en subliemen
spot, en dan zonder omkijken, licht en vreugdevol, zingende, opgaan tot
een hooger, wijder, lichter leven!....

             *       *       *       *       *

Hij had een heerlijken avond met haar in Bussum. Zij wandelden samen,
stil; hij zag voor 't eerst haar fijn profiel in 't maanlicht, op een
eenzamen weg, in de mysterieuse zwijging van den nacht, die koel was en
oneindig diep.... En later zaten ze samen onder de waranda. Daar zag hij
alleen het glanzen van haar oogen vlak onder de zijne, en hij voelde
haar warmen adem. En fluisterend had hij 't over later, over de
zaligheid van 't altijd-samen zijn, 't zich heelemaal geven de een aan
den ander. Hij hoorde 't rythmisch opgolven van haar gelukkigen
lach. "En kwam mama dan bij ons inwonen," vroeg ze in-eens, zacht,
leuk-guitig.... "Waarachtig niet!" zei hij, en ze lachten beiden met
stille schokjes en intiem gefluister. "Nou ja!" zei hij, "ik dacht toen
nog dat jij dat graag zoudt hebben..... maar we zullen wel wat anders
voor haar vinden, wàt?...." En zij kuste zijn mond dicht, en fluisterde
liefkoozingsnaampjes, met helglanzende oogen, vol innigheid van vreugde
en geluk.



XVIII.


't Was in den nazomer, op een mooien dag in 't laatst van Augustus. Ze
waren 's morgens naar Beverwijk gespoord, daar hadden ze koffie
gedronken, en ze wandelden nu verder, naar Wijk-aan-Zee.

Eerst hadden ze lang, stil-vertrouwelijk, loopen praten, maar toen was
er een zwijging ingevallen. En Bernard, nu en dan kijkend naar zijn
meisje -- en dan keek ze hem ook altijd aan! -- voelde dat ze, zoo
zwijgende, nog meer onafgebroken samen waren dan straks, toen ze, om
beurten, moesten luisteren en zelf zinnetjes maken, zoekend naar de
juiste woorden. 't Was of 't praten stoorde hun dieper samen-zijn, dat
hoog-opbloeide in 't emotievolle zwijgen.

Sinds weken had Bernard zich overgegeven aan 't groote genot van de
liefde, die nog dagelijks scheen toe te nemen in omvang en kracht. Hij
had nooit te voren vermoed, dat één gevoel hem zoo zou kunnen bezitten.
Met bewondering had hij 't in zich voelen groeien tot een rijk, nieuw
leven, al 't andere omvattend.... De menschen waren hem nu niet meer
ergerlijk....

Maar nog had hij zich niet zóó licht, zoo wijd-gelukkig gevoeld als
dezen dag. Hij wist niet waar 't door kwam, een prikkelend bevreemden
verhoogde zijn stil genot. Mooier dan ooit waren de helle zonnevelden en
de volle boomen, de rijke overvloed van vredigend donkergroen. En toen
hij de blonde, golvenden duinen zag, kwam er een juichend uitwuiven van
wijde verlangens in zijn ziel, en zijn meisje aankijkend met lichten
vreugde-blik begon hij gauwer te loopen; hij werd gejaagd van onbestemde
verwachting, vage begeerte....

Ze gingen eerst naar de zee. Zittend aan 't strand tuurden ze lang in
de wijde oneindigheid van diep-blauwende lucht, wazig wolkende lucht en
zee, wiegende zee, waarover de kleuren, de wisselende tinten schenen te
drijven in eeuwig bewegen. En ze luisterden naar 't diepe geruisch, dat
gedurig vulde de hooge lichte lucht.

Over 't gladde strand waarlangs 't ebbende water was weggevloeid, met
vreemd verdwijnen, liepen ze noordwaarts, een heel eind, totdat ze de
koetsjes en de tentjes van de badplaats in de verte zagen. En weer
bleven ze staren in zee en luisteren naar 't eeuwig geruisch.

En toen, met een enkel woord afsprekend, liepen ze recht van de zee 't
hooge duin op, en verder 't eenzaam duinenland in, de stille valleien
van lichtgroen, en rossig-groen, bruin en violet, tusschen de
naakt-zandige toppen, waar de wind over streek.

Daar gingen ze liggen, in een ronde kom van duintoppen, tegen de snelle
helling op, in de schaduw van een boschje donkergroene struiken, dat
glansde in de zon. En toen ze er een poosje gelegen hadden stond Lucie
op om een bouquetje viooltjes te plukken. Hij zag haar gaan, gebukt,
over de zonnige hellingen aan den overkant, plukkend met een
blij-ernstig gezicht, gaande in stil-gracelijk bewegen, zonder geluid.

En hij voelde zich vreemd-heerlijk, wonder-zoet gestemd. 't Was of hij
haar zag in een droom, een hel visioen van liefde, zomer, zaligheid!....
O! 't genot van weten, dat 't geen droom was maar tastbare
werkelijkheid, dat ze ging daar, bewoog daar, dat ze leefde, en hem lief
had en van hem was....

En opkijkend zag hij de wolkgevaarten, als hemeltronen, drijvend over 't
strakke blauw....

Toen dacht hij aan zijn leven. Zijn dagen gingen aan zijn herinnerenden
geest voorbij, met verre ruisching van stemmen, met snel-verschietende
droomgezichten. En al zijn stemmingen van vroeger leken hem zoo
dom-dwaas, zoo nietig en onvolwassen zijn opwindingen, en zoo gering
zijn falen en dwalen, zijn jongensachtige zonden. Ook aan dien nacht in
't bordeel dacht hij terug met een koelen, stil-minachtenden glimlach.
Arme goeie jongen die hij geweest was, wat had hij zich dat toen
aangetrokken! Toch beteekende 't minieme feitje niet veel meer dan, nog
wat langer geleden, dat liegen toen op school -- of eigenlijk was dat
liegen een beetje erger.... Maar o! wat was ook in dit voorjaar, vooral
na die teleurstelling van Edward, zijn arme jongensziel, die hij
zoo groot en bloeiend had gewaand, in droog gedachteleven verdord,
verschrompeld.... Zóó zelfs, dat zij, Lucie, zijn bruid, zijn redster,
had kunnen verschijnen in zijn leven, zonder dat hij dadelijk had
begrepen wie zij was, wat haar verschijnen beduidde....

Met onbewuste wijsheid had hij zich toch aan haar gegeven.... en
langzaam was de hemel toen open gegaan.... En nu vandaag begon 't
eigenlijk pas, zijn leven, zijn nieuwe, eigenlijke leven....

Hij lag aldoor naar haar te turen, zijn blik was niet af te wenden van
't teere bewegen van haar slank vrouwelijf. En hij riep haar, genietend
den zoeten klank van haar naam. Toen keek ze naar hem om, en hij lachte
haar toe uit de verte, en dadelijk kwam ze aanloopen, vlug en met
vreugde-stralend gezicht. Hij stak zijn armen naar haar uit, en zij
vlijde er zich willig in neer, en kuste hem, en keek hem lang in de
oogen. Wild drukte hij haar toen tegen zich aan en zoende haar mond,
haar wangen, oogen, haar haar en hals, en haar kleine handen, die hem
liefkoosden.

Lang bleven ze nog liggen daar, in 't stille duindal, terwijl de wind
suizend over de toppen streek.

Ze lagen midden onder den blauwen hemelkoepel waarlangs de reuzige
wolken gingen, midden in 't heilige zonneland, en daar om heen was de
wereld, wijd-rondom.

Maar de gouden middag gleed over de stille vallei van groene duinen naar
de ongedurige zee. De rossige zon stond recht boven den horizon, toen ze
langs de duinenhelling afdalen kwamen, terug naar 't breede strand, dat
aan den zeekant, als een mes zoo glad, glom in de zon. En, van 't strand
af, liep ver in zee, een verblindend-schitterende phalanx van zon-in-'t
water.

Toen liepen ze langzaam terug naar 't verre badplaatsje, hand in
hand....

Zij liep rechts van hem, aan den zeekant, goudomglansd.

En eindeloos...., wijder dan de horizon die rondde om de zee, dieper dan
't sereene blauw dat tusschen de wolken, en lichter, o! veel lichter nog
dan de laaiende lucht, die tusschen de zon en de zee en 't meisje
was.... zóó stond in hem de hooge vreugde.


  +Amsterdam+, 1895-'97.



Opmerkingen van de bewerker


In dit boek komen twee vormen van nadruk voor: _cursief_ en
+gespatieerd+.

De volgende veranderingen zijn aangebracht: op pagina

24 "intelgente" in "intelligente" (witte halsboorden, intelligente en
domme)

60 "frische" in "frissche" (veerkracht met frissche rillingen)

63 "ombarmhartig" in "onbarmhartig" (onbarmhartig-koude bij elkaar
komen)

85 "ververlopen" in "verlopen" (bewegelijke groepen meiden met
verlopen kerels)

93 "Warmoestraat" in "Warmoesstraat" (terug en de Warmoesstraat door.)

114 "oogenbik" in "oogenblik" (laat mij ook geen oogenblik om 's met
Bernard)

129 "zal" in "zat" (Bernard zat nu rechts van de gastvrouw)

182 "gememelijkheid" in "gemelijkheid" (verveling en gemelijkheid.)

220 "mer" in "met" (sprak met ernstig-doffe stem over)

231 "al" in "als" (vooral als hij alleen was)

242 "eigoïstisch" in "egoïstisch" (eigenlijk vervloekt egoïstisch)

251 "avondden" in "avonden" ('t Vulde de avonden zoo.)

278 "eindedelijk" in "eindelijk" (hinderen, en eindelijk zei ze)

290 "uitwuivan" in "uitwuiven" (een juichend uitwuiven van wijde).

Verder zijn een aantal leestekens gecorrigeerd.

Overigens is de oorspronkelijke tekst ongewijzigd overgenomen.





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "De roman van Bernard Bandt" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home