Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: De kinderen van Kapitein Grant, eerste deel (van 3) - Zuid-Amerika
Author: Verne, Jules, 1828-1905
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "De kinderen van Kapitein Grant, eerste deel (van 3) - Zuid-Amerika" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.

EERSTE DEEL (OF 3)***


(http://www.freeliterature.org) from page images generously made available
by the Google Books Library Project (http://books.google.com) and
Bibliothèque nationale de France (http://www.bnf.fr)



      file which includes illustrations.
      Images of the original text pages are available
      through the the Google Books Library Project. See
      http://books.google.com/books?id=0LorAAAAMAAJ&printsec=titlepage


      The illustrations used in this e-book are taken from the
      1868 French edition, Les Enfants du Capitaine Grant,
      published by J. Hetzel (Paris). The original images are
      available througn Bibliothèque nationale de France, See
      http://gallica.bnf.fr/ark:/12148/btv1b8600254s.r=.langEN


DE KINDEREN VAN KAPITEIN GRANT

Naar het fransch van

JULES VERNE


EERSTE DEEL.

ZUID-AMERIKA.



Leyden,
De Breuk & Smits.
1868.



I

De balansvisch.


Op den 26sten Julij 1864, bij een sterken noord-oostewind, manoeuvreerde
een prachtig stoomjagt met volle kracht op de golven van het
Noorder-kanaal. De engelsche vlag wapperde van de gaffel van den
bezaansmast, op den top van den grooten mast vertoonde een blaauwe
standaard de letters E.G. met goud geborduurd en gedekt door een
hertogskroon. Dit jagt heette de _Duncan_ en was het eigendom van lord
Glenarvan, een der zestien schotsche pairs, die zitting hebben in het
Hoogerhuis, en het aanzienlijkste lid der "Royal Thames-Yacht-club," die
zoo beroemd is in het geheele vereenigde koningrijk.

Lord Edward Glenarvan was aan boord met zijn jonge echtgenoote, lady
Helena, en een zijner neven, den majoor Mac Nabbs.

De _Duncan_, die pas van stapel geloopen was, deed een proeftogt eenige
mijlen buiten de golf van de Clyde, en trachtte te Glasgow binnen te
loopen; reeds vertoonde het eiland Arran zich aan den gezigteinder, toen
de matroos, die op den uitkijk zat, berigtte, dat hij in het zog van het
jagt een verbazend grooten visch bemerkte. De kapitein, John Mangles,
liet terstond lord Edward van die ontmoeting kennis geven. Deze klom op
de kampanje met den majoor Mac Nabbs, en vroeg den kapitein, wat hij van
dat dier dacht.

"Ik geloof stellig, Uwe Edelheid!" antwoordde John Mangles, "dat het een
groote haai is."

"Een haai in deze wateren!" riep Glenarvan.

"Dat is zoo vreemd niet," hernam de kapitein; "die visch behoort tot een
haaisoort, die men in alle zeeën en op alle breedten aantreft. Het is de
"balansvisch,"[1] en ik zou mij zeer vergissen, als wij niet met een van
die fielten te doen hadden! Als Uwe Edelheid het toestaat en lady
Glenarvan er niets tegen heeft om een aardige vischvangst bij te wonen,
zullen wij weldra te weten komen, wat er van de zaak is."

"Wat denkt gij er van, Mac Nabbs!" zeide Lord Glenarvan tot den majoor,
"zijt gij er voor om de kans te wagen?"

"Zooals gij wilt," antwoordde de majoor heel bedaard.

"Bovendien," hernam John Mangles, "kan men die verschrikkelijke dieren
niet genoeg vervolgen. Laten wij van de gelegenheid gebruik maken, en
indien Uwe Edelheid het goedvindt, zal het tegelijk een treffend
schouwspel en een goede daad zijn."

"Ga Uw gang maar, John!" zeide lord Glenarvan.

Vervolgens liet hij lady Helena er kennis van geven, die bij hem op de
kampanje kwam, daar zij inderdaad zeer nieuwsgierig was naar die
treffende vangst.

De zee was effen; men kon gemakkelijk op haar oppervlakte de snelle
bewegingen van den haai volgen, die met verbazende kracht onderdook en
weder boven kwam. John Mangles gaf zijne bevelen. De matrozen wierpen
een sterk touw, voorzien van een haak met een dik stuk spek over de
verschansing aan stuurboordszijde. Hoewel de haai nog op een afstand van
vijftig engelsche ellen was, rook hij toch het hem aangeboden aas. Hij
naderde snel het jagt. Men zag, hoe hij met zijn vinnen, die aan het
uiteinde grijs, en van onderen zwart zijn, de golven geweldig beukte,
terwijl het aanhangsel aan zijn staart hem in een zuivere regte lijn
deed blijven. Naarmate bij digter bij kwam, schenen zijn groote,
uitpuilende oogen door begeerlijkheid ontvlamd, en als hij zich
omwendde, lieten zijn opengesperde kaken een vierdubbele rij tanden
zien. Zijn kop was breed en geleek een dubbelen hamer aan een steel.
John Mangles had zich niet vergist; het was wel degelijk de
verslindendste soort van het haaijengeslacht, de balansvisch der
Engelschen, de jodenvisch der Provencalen.

De passagiers en de matrozen der _Duncan_ volgden met de grootste
oplettendheid de bewegingen van den haai. Spoedig was de haak in het
bereik van het dier; het ging op den rug liggen om hem beter te kunnen
grijpen, en het verbazende lokaas verdween in zijn wijde keel. Terstond
maakte het nu zich zelf vast door hevig aan het touw te trekken, en de
matrozen heschen den monsterachtigen haai op door middel van een takel,
die aan het uiteinde der groote ra was vastgemaakt.

De haai worstelde hevig, toen hij zich buiten zijn natuurlijk element
zag rukken; maar men wist hem tot bedaren te brengen door een touw
voorzien van een lus aan zijn staart vast te maken, hetgeen zijn
bewegingen verlamde. Eenige oogenblikken later werd hij boven de
verschansing gehaald en op het dek van het jagt gesmeten. Terstond
naderde hem een der zeelieden met de noodige voorzigtigheid en hieuw met
een geduchten bijlslag den verbazenden staart van het dier af.

De vangst was afgeloopen; er was niets meer van het monster te vreezen;
de wraakzucht der zeelieden was bevredigd, maar hun nieuwsgierigheid
niet. Het is namelijk een gebruik op de schepen om zorgvuldig de maag
der haaijen te onderzoeken. De matrozen, die zijn alles behalve
kieskeurige vraatzucht kennen, rekenen op de een of andere verrassing,
en worden niet altijd in hun verwachting teleurgesteld.

Lady Glenarvan wilde dat bloedig onderzoek niet bijwonen en ging weder
in de bovenhut. De haai ademde nog; hij was tien voet lang en woog meer
dan zes honderd pond; die grootte en die zwaarte zijn volstrekt niet
buitengewoon; maar wordt de balansvisch al niet onder de reuzen zijner
soort gerekend, hij wordt toch onder de vreeselijkste geteld.

Weldra was de buik van den verbazenden visch zonder verdere
omstandigheden met bijlslagen geopend. De haak was tot in de maag
doorgedrongen, die men geheel ledig vond; het was duidelijk, dat het
dier reeds lang gevast had, en de teleurgestelde zeelieden wilden de
brokken reeds in zee werpen, toen de oplettendheid van den schipper door
een lomp voorwerp getrokken werd, dat stevig in de ingewanden vastzat.

"Hé! wat is dat?" riep hij.

"Dat," antwoordde een der matrozen, "dat is een rotsbrok, dat het dier
ingeslikt zal hebben om zich den buik te vullen."

"Neen," hernam een ander, "het is niets anders dan een stangkogel, dien
die haai in den buik heeft gekregen, maar nog niet heeft kunnen
verteren."

"Houdt den mond, domkoppen!" antwoordde Tom Austin, de eerste stuurman
van het jagt, "ziet ge dan niet, dat dit dier een groote zuiplap was, en
dat het om toch niets verloren te laten gaan niet alleen den wijn, maar
ook de flesch heeft gedronken?"

"Hoe!" riep lord Glenarvan, "heeft die haai een flesch in de maag?"

"Een echte flesch," antwoordde de schipper. "Maar men kan wel zien, dat
zij niet pas uit een kelder komt!"

"Haal ze er dan voorzigtig uit, Tom!" hernam lord Edward; "de flesschen,
die men in zee vindt, bevatten dikwijls belangrijke bescheiden."

"Denkt gij dat?" zeide de majoor Mac Nabbs.

"Ik geloof ten minste dat het soms gebeurt."

"O, ik spreek u volstrekt niet tegen," antwoordde de majoor, "misschien
bevat zij een geheim."

"Dat zullen wij spoedig te weten komen," zeide Glenarvan. "Hoe is het er
meê, Tom?"

"Daar is het," antwoordde de eerste stuurman, terwijl hij een onkenbaar
voorwerp liet zien, dat hij, niet zonder moeite, uit de maag van den
haai gehaald had.

"Goed," zeide Glenarvan. "Laat dat morsige ding wasschen en daarna in de
bovenhut brengen."

Tom gehoorzaamde, en die flesch, welke onder zulke zonderlinge
omstandigheden gevonden was, werd in de algemeene kamer op de tafel
gezet, rondom welke lord Glenarvan, de majoor Mac Nabbs, de kapitein
John Mangles en lady Helena plaats namen; want een vrouw is, zooals men
zegt, altijd een beetje nieuwsgierig.

Op zee is ieder voorval een gewigtige gebeurtenis; er heerschte een
oogenblik stilte; iedereen beschouwde het brooze voorwerp. Bevatte het
het geheim van de een of andere ramp, of alleen een onbeduidend berigt
door een werkeloozen zeeman aan de genade der golven toevertrouwd?

Men moest echter weten, waaraan men zich te houden had, en dus ging
Glenarvan zonder verder dralen tot het onderzoek der flesch over; hij
nam daarbij al de voorzorgen, die in zulke omstandigheden gebruikelijk
zijn; men zou gezegd hebben, dat hij een regtercommissaris was, die de
geringste bijzonderheden eener ernstige zaak nagaat; en Glenarvan had
gelijk, want het schijnbaar onbeduidendste kenteeken kan ons vaak op den
weg eener gewigtige ontdekking brengen.

Alvorens haar inwendig te onderzoeken, werd de flesch van buiten
bezigtigd. Zij had een naauwen hals, waaraan nog een stuk ijzerdraad
zat, dat reeds door de roest aangetast was; haar zeer dikke wanden, die
een drukking van verscheidene dampkringen konden uitstaan, verrieden
duidelijk, dat zij uit Champagne afkomstig was. Met die flesschen slaan
de wijngaardeniers uit Aï of Epernay de pooten van een stoel stuk,
zonder dat er een barstje aan te zien is. Ongehinderd had deze daarom de
gevaren eener lange omzwerving kunnen doorstaan.

"Een flesch van het huis Cliquot," zeide de majoor zeer bedaard.

En, daar hij een kenner was, berustte men zonder tegenspraak in zijn
verklaring.

"Waarde majoor!" antwoordde lady Helena, "wat die flesch is, komt er
weinig op aan, als wij niet weten, vanwaar zij komt."

"Dat zal wel blijken, lieve Helena!" zeide lord Edward, "en voorloopig
kunnen wij reeds verzekeren, dat zij van verre komt. Zie maar eens naar
die versteende stoffen, die haar bedekken, naar die zelfstandigheden,
die onder de werking van het zeewater om zoo te zeggen in delfstoffen
veranderd zijn! Deze flesch had reeds lang in den oceaan rondgedreven,
voor zij in den buik van den haai teregt kwam."

"Ik zou onmogelijk een andere meening kunnen koesteren," antwoordde de
majoor, "en deeze brooze vaas, door haar steenen omkleedsel beschermd,
heeft stellig een lange reis afgelegd."

"Maar vanwaar komt zij?" vroeg lady Glenarvan.

"Een oogenblikje, lieve Helena! een oogenblikje; met flesschen moet men
geduldig zijn. Ik zou mij zeer bedriegen, als deze niet zelve al onze
vragen beantwoordde."

En dit zeggende begon Glenarvan de harde stoffen te verwijderen, die den
hals beschermden; weldra kwam de kurk voor den dag, maar zeer beschadigd
door het zeewater.

"Dat is een leelijk geval," zeide lord Edward; "want, als er soms een
papier in is, zal het in een zeer slechten staat zijn."

"Dat is te vreezen," antwoordde de majoor.

"Ik voeg er nog bij," hernam Glenarvan, "dat deze slecht geslotene
flesch weldra moest zinken, en dat het gelukkig is, dat de haai ze
ingeslikt heeft om ze ons aan boord van de _Duncan_ te brengen."

"Zonder twijfel," antwoordde John Mangles; "en echter zou het beter
geweest zijn haar in volle zee op een bepaalde lengte en breedte op te
visschen. Dan kan men, door de stroomingen der lucht en der zee na te
gaan, den afgelegden weg berekenen; maar met een brievenbesteller zooals
deze, met die haaijen, die tegen wind en stroom ingaan, weet men niet
meer waaraan men zich houden moet."

"Wij zullen wel zien," antwoordde lord Edward.

Op dit oogenblik haalde hij er zeer behoedzaam de kurk af en verspreidde
zich een sterke zoutlucht door de hut.

"Welnu?" vroeg lady Helena met echt vrouwelijk ongeduld.

"Ja!" zeide Glenarvan, "ik heb mij niet bedrogen! er zijn papieren in!"

"Documenten! documenten!" riep lady Helena.

"Maar zij schijnen door het vocht verteerd te zijn," antwoordde
Glenarvan, "en het is onmogelijk om ze er uit te halen; want zij kleven
aan de wanden van de flesch."

"Sla haar stuk," zeide Mac Nabbs.

"Ik zou haar liever heel houden," antwoordde Glenarvan.

"Ik ook," antwoordde de majoor.

"Zonder twijfel," zeide lady Helena; "maar de inhoud ia kostbaarder dan
het omhulsel, en dus moeten wij dit aan genen opofferen."

"Als Uwe Edelheid den hals er maar afslaat," zeide John Mangles, "kan
het geschrift er uitgehaald worden zonder het te beschadigen."

"Beproef het! beproef het! lieve Edward!" riep lady Helena.

Er zat niets anders op, en hoe ongaarne ook besloot lord Glenarvan om
den hals der kostbare flesch te breken. De hamer kwam er bij te pas,
want het steenachtig bekleedsel was zoo hard geworden als graniet.
Weldra vielen de brokken op de tafel, en nu zag men verscheidene stukjes
papier, die aan elkander geplakt zaten. Glenarvan haalde ze er
voorzigtig uit, scheidde ze vaneen, en leide ze voor zich neder, terwijl
lady Helena, de majoor en de kapitein zich om hem verdrongen.


[1] De balansvisch wordt door de engelsche zeelieden aldus genoemd,
omdat zijn kop de gedaante van een balans, of liever van een dubbelen
hamer heeft. Om die reden is dit dier in Frankrijk bekend onder den naam
van hamervisch.



II.

De drie documenten.


Op die door het zeewater half vernielde stukjes papier waren nog maar
eenige woorden zigtbaar; de onleesbare overblijfselen van bijna geheel
uitgewischte regels. Lord Glenarvan beschouwde ze eenige minuten lang
zeer oplettend; hij draaide ze telkens om; hij hield ze tegen het licht;
hij onderzocht de geringste sporen van schrift, die de zee geëerbiedigd
had; vervolgens zag hij zijn vrienden aan, die hem met angstige blikken
aanstaarden.

"Het zijn," zeide hij "drie onderscheidene documenten, en waarschijnlijk
drie afschriften van hetzelfde document, in drie talen, het engelsch,
het fransch en het duitsch, overgezet. De weinige woorden, die
overgebleven zijn, laten mij dienaangaande geen twijfel over."

"Maar die woorden leveren toch zeker een verstaanbaren zin op?" vroeg
lady Glenarvan.

"Dat is moeijelijk te zeggen, lieve Helena! de woorden op deze
documenten zijn zeer onvolledig."

"Misschien vullen zij elkander aan," zeide de majoor.

"Dat moet zoo zijn," antwoordde John Mangles; "het is onmogelijk, dat
het zeewater die regels juist op dezelfde plaatsen zou vernield hebben,
en door die brokstukken bijeen te voegen, zullen wij eindelijk een
verstaanbaren zin krijgen."

"Dat zullen wij doen," zeide Lord Glenarvan; "maar wij moeten met
overleg te werk gaan. Eerst zullen wij het engelsche document nemen."

De volgorde der regels op dit document was deze.

           62            _Bri_         _gow_
_sink_                                 _stra_
      _aland_
  _skipp    Gr_

                  _that monit_       _of long_
_and_                              _ssistance_
       _lost_

"Dat geeft niet veel," zeide de majoor op een spijtigen toon.

"Dat kan wel zijn," antwoordde de kapitein; "maar het is toch goed
engelsch."

"Daar valt niet aan te twijfelen," zeide lord Glenarvan, "de woorden
_sink, aland, that, and, lost_ zijn onbeschadigd; _skipp_ vormt zeker
het woord _skipper_, en er is sprake van een mijnheer Gr...,
waarschijnlijk de kapitein van een vergaan schip.[1]

"Daarbij komen nog," zeide John Mangles, "de woorden _monit_ en
_ssistance_, wier beteekenis duidelijk is."

"Wel, dat is toch iets interessants," antwoordde lady Helena.

"Ongelukkig missen wij geheele regels," antwoordde de majoor. "Hoe
zullen wij nu den naam van het vergane schip, de plaats der schipbreuk
terugvinden...?"

"Wij zullen ze terugvinden," zeide lord Edward.

"Daar is geen twijfelen aan," antwoordde de majoor, die altijd een ieder
gelijk gaf; "maar hoe?"

"Door het eene document met het andere aan te vullen."

"Doet het dan," riep lady Helena.

Het tweede stukje papier, nog meer beschadigd dan het eerste, bevatte
slechts op zich zelven staande woorden, die op deze wijze geschikt
waren:

   7 _Juni_                      _Glas_


                                  _zwei     atrosen_


                                     _graus_


                                   _bringt ihnen_

"Dat is in het duitsch geschreven," zeide John Mangles, zoodra hij een
blik op dit papier had geslagen.

"En kent gij die taal, John?" vroeg Glenarvan.

"In den grond, Uwe Edelheid!"

"Welnu, zeg ons dan, wat die weinige woorden beteekenen."

De kapitein onderzocht het document zeer oplettend, en sprak:

"Vooreerst weten wij nu den dag, waarop het voorval plaats had, 7
_Junij_, en door dit cijfer in verband te brengen met de cijfers 62 op
het engelsche document, krijgen wij deze volledige dagteekening, 7
_Junij_ 1862."

"Zeer goed," riep lady Helena, "ga voort, John!"

"Op denzelfden regel," hernam de jonge kapitein, "vind ik het woord
_Glas_ dat, verbonden met het woord _gow_ op het eerste document,
_Glasgow_ geeft. Er is dus duidelijk sprake van een schip uit de haven
van Glasgow."

"Dat denk ik ook," antwoordde de majoor.

"De tweede regel van het document is geheel weg," hernam John Mangles.
"Maar op den derden tref ik twee belangrijke woorden aan: _zwei_, dat
_twee_ wil zeggen, en _atrosen_ of liever _matrosen_, dat _matrozen_
beteekent.

"Derhalve zou er sprake zijn van een kapitein en twee matrozen," zeide
lady Helena.

"Zeer waarschijnlijk," antwoordde lord Glenarvan.

"Ik moet Uwe Edelheid bekennen," hernam de kapitein, "dat het volgende
woord _graus_ mij verlegen maakt. Ik weet niet, hoe ik het moet
vertalen. Misschien zal het derde document het ophelderen. De twee
laatste woorden echter leveren geen bezwaar op. _Bringt ihnen_ beteekent
_brengt hun_, en als men ze verbindt met het engelsche woord, dat even
als deze op den zevenden regel van het eerste document staat, ik bedoel
het woord _assistance_, dan krijgen wij den geheelen zin: _brengt hun
hulp_."

"Ja! brengt hun hulp!" zeide lord Edward, "maar waar zijn die
ongelukkigen? Tot nog toe bezitten wij geene enkele aanwijzing van
plaats, en het tooneel van de ramp is geheel onbekend."

"Welligt zal het fransche document duidelijker zijn," zeide lady Helena.

"Laten wij nu dat stuk eens bezien," antwoordde Glenarvan, "en daar wij
allen die taal kennen, zullen onze nasporingen gemakkelijker zijn."

Het volgende is een naauwkeurige afdruk van het derde document

             _troi_   _ats_   _tannia_

                              _gonie_         _austral_

                                             _abor_
_contin_   _pr_                 _cruel indi_
          _jeté_                               _ongit_
_et_ 37° 11'               _lat_

"Daar zijn cijfers in," riep lady Helena. "Ziet toch eens, heeren! ziet
toch eens!..."

"Laten wij ordelijk te werk gaan," zeide lord Glenarvan, "en met het
begin beginnen. Veroorlooft mij, dat ik die verspreide en onvolledige
woorden één voor één naga. Ik zie vooreerst reeds aan de eerste letters,
dat er een driemaster bedoeld wordt, waarvan de naam ons door de
engelsche en fransche documenten geheel bekend is: de _Britannia_. Van
de beide volgende woorden _gonie_ en _austral_, heeft alleen het laatste
een beteekenis, die gij allen begrijpt."

"Dat is reeds een gewigtige omstandigheid," zeide John Mangles, "de
schipbreuk heeft plaats gehad op het zuidelijk halfrond."

"Dat is zeer onbepaald," zeide de majoor.

"Ik ga verder," hernam lord Edward. "Ha! het woord _abor_, de stam van
het werkwoord _aborder_ (aanlanden). Die ongelukkigen zijn ergens
aangeland. Maar waar? _Contin!_ Zou het op een vastland zijn?
_cruel_...."

"_Cruel!_" riep John Mangles; "maar dat is de verklaring van het
duitsche woord _graus_ ... _grausam_... _cruel!_ ... (wreed)."

"Verder! verder!" zeide Glenarvan, wiens belangstelling in
opgewondenheid overging, naarmate de zin dier onvolledige woorden
duidelijk begon te worden. "_Indi_..., zouden die matrozen naar _Indië_
geslagen zijn? Wat beteekent dat woord _ongit_? Ha! _longitude_?
(lengte). En dit is de breedte: 37°11'. Eindelijk krijgen wij dus een
juiste aanwijzing."

"Maar de lengte ontbreekt nog," zeide Mac Nabbs,

"Men kan niet alles hebben, waarde majoor!" antwoordde lord Edward, "en
een nauwkeurige breedte-graad is reeds iets. Dit fransche document is
stellig het volledigste van de drie. Het is duidelijk, dat elk op zich
zelf een letterlijke vertaling der andere was, want zij bevatten allen
het zelfde aantal regels. Nu moeten wij ze dus vereenigen, is ééne taal
overbrengen, en den waarschijnlijksten, den meest logischen en den
duidelijksten zin opsporen."

"Zult gij het in het fransch, het engelsch of het duitsch vertalen?"
vroeg de majoor.

"In het fransch," antwoordde Glenarvan, "omdat de meeste belangrijke
woorden ons in die taal bewaard zijn gebleven."

"Uwe Edelheid heeft gelijk," zeide John Mangles; "bovendien zijn wij
allen met die taal bekend."

"Dat is dus afgesproken. Ik zal dit document opschrijven door die
overblijfsels van woorden en de afgebrokene zinnen te vereenigen, met
behoud van de ruimten, die ze scheiden, en met aanvulling van die,
welker beteekenis niet twijfelachtig kan zijn; daarna zullen wij
vergelijken en oordeelen."

Terstond nam Glenarvan de pen op, en na weinige oogenblikken liet hij
aan zijn vrienden een papier zien, waarop de volgende regels stonden:


     7 _junij_ 1862          _driemaster Britannia_
_Glasgow_                        _gonie_  _zuidelijk_
  _gezonken.  Aan land                          twee matrozen_
    _kapitein Gr_                     _vastl  te bereik_
               _wreede Ind_         _gev     genomen_
                     _dit document_          _graden_
 _ngt  en 87°11' breed_        _geworpen. Brengt hun_
_hulp_,             _verloren_.

Op dit oogenblik kwam een matroos den kapitein berichten, dat de
_Duncan_ den ingang der golf van de Clyde invoer, en diens bevelen
vragen.

"Wat is het plan van Uwe Edelheid?" zeide John Mangles zich tot lord
Glenarvan rigtende.

"Zoo spoedig mogelijk Dumbarton te bereiken, John! Terwijl lady Helena
naar Malcolm-Castle terugkeert, zal ik naar Londen gaan en dit document
aan de Admiraliteit indienen."

John Mangles gaf de noodige bedelen, en de matroos bragt ze den eersten
stuurman over.

"Nu zullen wij onze nasporingen voortzetten, mijne vrienden!" sprak
Edward. "Wij zijn een groote ramp op het spoor. Eenige menschenlevens
hangen van onze schranderheid af. Laten wij dus al onze vermogens
inspannen om den sleutel van dit ongelukkige raadsel te vinden."

"Wij zijn gereed, lieve Edward!" antwoordde lady Helena.

"Vooreerst," hernam Glenarvan, "moeten wij in dit document drie zeer
verschillende dingen in het oog houden: 1° de dingen, die wij weten, 2°
die men kan gissen, 3° die wij niet weten. Wat weten wij? Wij weten, dat
den 7den Junij 1862 een driemaster, de _Britannia_ van Glasgow, gezonken
is, dat twee matrozen en de kapitein dit geschrift op een breedte van
37°11' in zee hebben geworpen, en dat zij om hulp vragen."

"Juist zoo," antwoordde de majoor.

"Wat kunnen wij gissen?" hernam Glenarvan. "Vooreerst, dat de schipbreuk
in de zuidelijke zeeën plaats heeft gehad, en nu wil ik terstond uwe
aandacht vestigen op het woord _gonie_. Wijst dit niet reeds den naam
van het land aan?"

"Patagonië!" riep lady Helena.

"Zonder twijfel."

"Maar wordt Patagonië door de 37ste parallel gesneden?" vroeg de majoor.

"Dat is gemakkelijk uit te maken," antwoordde John Mangles een kaart van
Zuid-Amerika voor den dag halende. "Het komt uit. Patagonië wordt door
die 37ste parallel aangeraakt. Zij doorsnijdt Araucanië, gaat over de
pampa's[2] in het noorden van Patagonië en loopt in den Atlantischen
Oceaan uit."

"Goed. Laten wij onze gissingen voortzetten. De twee matrozen en de
kapitein _land_ ... landen aan, waar? _vastl_ ... op het vastland, gij
hoort het, het is een vastland en geen eiland. Wat is er van hen
geworden? In die drie letters _gev_ ... merken wij de hand der
Voorzienigheid op; want zij geven ons kennis van hun lot. Die
ongelukkigen toch zijn _gevangenen_. Van wie? van _wreede Indianen_.
Zijt gij overtuigd? Komen nu de woorden niet van zelve als het ware op
de ledigstaande plaatsen? Wordt het document nu niet gaandeweg
duidelijk? Gaat er nu geen licht voor u op?"

Glenarvan was overtuigd van hetgene hij zeide; in zijn oogen blonk een
volkomen vertrouwen. Het vuur, dat hem bezielde, deelde zich aan zijn
hoorders mede. Allen riepen evenals hij: "Het is duidelijk!"

Na een oogenblik sprak lord Edward aldus:

"Al die vooronderstellingen, mijne vrienden! schijnen mij zeer gegrond
toe; ik houd mij overtuigd, dat de ramp op de kusten van Patagonië heeft
plaats gehad. Ten overvloede zal ik te Glasgow nog onderzoek doen naar
de bestemming der _Britannia_, en dan kunnen wij zien, of zij die
wateren kan bezocht hebben."

"Wij behoeven zoover niet te gaan zoeken," antwoordde John Mangles. "Ik
heb hier een verzameling van de _Mercantile and Shipping Gazette_, die
ons wel juiste inlichtingen verschaffen zal."

"Laat zien! gaauw! gaauw!" zeide lady Glenarvan.

John Mangles nam een pak couranten van 1862 en begon het schielijk te
doorbladeren. Hij behoefde niet lang te zoeken, en las spoedig op een
toon van tevredenheid:

"30 Mei 1862. Peru. Van Callao in lading naar Glasgow, _Britannia_,
kapitein Grant."

"Grant!" riep lord Glenarvan, "die stoute Schot, die in de Stille
Zuidzee een Nieuw Schotland heeft willen stichten!"

"Ja!" antwoordde John Mangles, "dezelfde, die zich in 1861 te Glasgow op
de _Britannia_ heeft ingescheept, en van wien men nooit iets vernomen
heeft."

"Wij kunnen er niet meer aan twijfelen!" zeide Glenarvan. "Het is
stellig dezelfde. De _Britannia_ heeft den 30sten Mei Callao verlaten en
den 7den Junij, acht dagen na haar vertrek, is zij op de kusten van
Patagonië gebleven. Haar geheele verdere geschiedenis ligt in die
verminkte woorden, die onverklaarbaar schenen. Gij ziet, vrienden! dat
de woorden, die wij moesten raden, niet de minst belangrijke zijn. Wat
diegene betreft, die wij niet weten, het is er maar één, want alleen de
lengte ontbreekt nog."

"Die is onnoodig," antwoordde John Mangles, "daar het land bekend is, en
met de breedte alleen durf ik wel op mij nemen om regelregt naar het
tooneel van de schipbreuk te gaan."

"Dus weten wij alles?" vroeg lady Helena,

"Alles, lieve Helena en die tusschenruimten, welke de zee tusschen de
woorden van het document heeft gemaakt, zal ik zonder moeite aanvullen,
alsof kapitein Grant zelf mij opgaf, wat ik schrijven moet."

Terstond vatte lord Glenarvan de pen weder op en schreef zonder aarzelen
het volgende briefje:

_Op den_ 7den Junij 1862, _is de_ driemaster Britannia _van_ Glasgow _op
de kusten van Pata_gonië _op het_ zuidelijk _halfrond_ gezonken. Aan
land _gaande, zullen_ twee matrozen _en_ kapitein Gr_ant trachten het_
vastl_and_ te bereiken, _waar zij door_ wreede Ind_ianen_ gev_angen_
genomen _zullen worden. Zij hebben_ dit document _op_ ... graden lengte
en 37° 11' breed_te in zee_ geworpen. Brengt hun hulp, _of zij zijn_
verloren.

"Goed zoo, goed zoo! lieve Edward," riep lady Helena; "indien deze
ongelukkigen ooit hun vaderland terugzien zullen zij dat geluk aan u te
danken hebben."

"En zij zullen het terugzien," antwoordde Glenarvan. "Dit document is te
uitvoerig, te duidelijk, te zeker, dan dat Engeland zou kunnen aarzelen
om drie zijner kinderen te hulp te komen, die op een woeste kust
verlaten zijn. Wat het voor Franklin en zooveel anderen heeft gedaan,
zal het nu doen voor de schipbreukelingen der _Britannia_!"

"Maar die ongelukkigen hebben zonder twijfel een gezin, dat hun dood
beweent," hernam lady Helena. "Welligt heeft die arme kapitein Grant
vrouw en kinderen...."

"Gij hebt gelijk, lieve lady! en ik neem op mij om hen te verwittigen,
dat alle hoop nog niet verloren is. Laten wij nu, mijne vrienden! naar
de kampanje terug keeren, want wij zullen weldra de haven naderen."

De _Duncan_ stoomde inderdaad met volle kracht; zij gleed op dit
oogenblik langs de kust van het eiland Bute, en had de vallei Rothesay
aan stuurboord, met zijn lief stadje, dat in het vruchtbare dal
wegschuilt; daarop stoomde zij het naauwe vaarwater der golf in,
manoeuvreerde voor Greenock, en ankerde des avonds ten zes ure aan den
voet der basaltrots Dumbarton, op welker top zich het beroemde kasteel
van Wallace, den schotschen held verheft.

Daar stond een postrijtuig gereed om lady Helena met den majoor Mac
Nabbs naar Malcolm-Castle terug te brengen. Maar lord Glenarvan stapte,
na afscheid van zijn jonge gade genomen te hebben, te Glasgow in den
sneltrein.

Vóór zijn vertrek had hij aan een nog sneller bode een belangrijk berigt
toevertrouwd, en eenige minuten later bragt de electrische telegraaf aan
de _Times_ en de _Morning Chronicle_ de volgende advertentie:

"Om inlichtingen over het lot van den driemaster _Britannia_ van
Glasgow, kapitein Grant, vervoege men zich bij lord Glenarvan,
Malcolm-Castle, Luss, graafschap Dumbarton, Schotland."


[1] de woorden _sink, aland, that, and, lost_ betekenen: _zinken, aan
land, dit, en, verloren. Skipper_ is de naam die men in Engeland aan de
kapitein der koopvaardijschepen geeft. _Monition_ wil zeggen _document_,
en _assistance_ betekent _hulp_.

[2] Groote vlakten is Zuid-Amerika, waaronder vele met zout en salpeter.



III.

Malcolm-Castle.


Het kasteel Malcolm, een der dichterlijkste van de schotsche Hooglanden,
ligt nabij het dorp Luss, welks schoone vallei het beheerscht. De
heldere wateren van het meer Lomond bespoelen zijn granieten muren.
Sedert onheugelijke tijden behoorde het aan de familie Glenarvan, die in
het vaderland van Rob Roy en van Fergus Mac Gregor de gastvrije
gebruiken der oude helden van Walter Scott bleef beoefenen. In den tijd,
toen de groote maatschappelijke omwenteling in Schotland tot stand kwam,
werden eene menigte vassalen weggejaagd, die geen hooge pacht aan de
oude opperhoofden der clans konden betalen; sommigen stierven van
honger; eenigen werden visschers; anderen verlieten het land. Er
heerschte een algemeene wanhoop. Alleen de Glenarvans meenden, dat
zoowel de grooten als de geringen tot getrouwheid verpligt waren, en
bleven dus getrouw aan hun pachters. Niet één verliet het dak, waaronder
hij geboren was; niet één verliet het land, waarin zijn voorouders
rustten; allen bleven in de clan hunner heeren. Ook nu nog, in deze eeuw
van haat en tweedragt, telde de familie Glenarvan slechts Schotten op
het kasteel Malcolm zoowel als aan boord der _Duncan_; allen stamden af
van de vassalen van Mac Gregor, van Mac Farlane, van Mac Nabbs, van Mac
Naugthons, dat wil zeggen, dat zij afkomstig waren uit de graafschappen
Stirling en Dumbarton; dappere mannen, die met lijf en ziel aan hun heer
verknocht waren, en waarvan sommigen nog het gaelisch van het oude
Caledonië spraken.

Lord Glenarvan bezat verbazende rijkdommen en gebruikte ze om veel goed
te doen; zijn goedheid was nog grooter dan zijn mildheid; want had deze
natuurlijk hare grenzen, gene was onbeperkt. De heer van Luss, de
"laird" (heer) van Malcolm, vertegenwoordigde zijn graafschap in het
huis der lords, maar met zijn jacobitiesche denkbeelden. Hij bekommerde
zich weinig om de gunst van het huis van Hanover, en was daarom vrij
slecht gezien bij de engelsche staatslieden, vooral ook, omdat hij bleef
vasthouden aan de overleveringen zijner voorouders, en krachtig zich
verzette tegen de magtsaanmatigingen van "de mannen uit het Zuiden".

Lord Edward Glenarvan was daarom toch niet bij zijn tijd ten achteren,
hij had evenmin een bekrompen geest als een onontwikkeld verstand; maar
terwijl hij zijn graafschap wijd openzette voor den vooruitgang, bleef
bij door en door een Schot, en om den roem van Schotland ging hij met
zijn snelvarende jagten mededingen in de "matches" (wedstrijden) van de
Royal-Thames-Yacht-Club.

Edward Glenarvan was twee en dertig jaar; hij had een hooge gestalte,
min of meer strenge gelaatstrekken, een zeer zachten blik, kortom, over
zijn geheelen persoon lag het dichterlijk waas der Hooglanders. Men
wist, dat hij tot vermetelheid toe dapper, ondernemend, ridderlijk, een
Fergus der 19de eeuw, maar bovenal goed was, nog beter zelfs dan de
heilige Martijn; want hij zou zijn geheelen mantel aan de arme
Hooglanders gegeven hebben.

Lord Glenarvan was naauwelijks drie maanden gehuwd met miss Helena
Tuffnel, de dochter van den grooten reiziger William Tuffnel, een der
talrijke slagtoffers van de aardrijkskundige wetenschap en van den ijver
voor ontdekkingen.

Miss Helena was niet van adel, maar zij was eene schotsche vrouw,
hetgeen in de oogen van lord Glenarvan van meer waard was dan een edele
geboorte; de heer van Luss had dit bekoorlijke, moedige, liefhebbende
meisje tot levensgezellin gekozen. Hij ontmoette haar eens verlaten, een
wees, bijna zonder middelen, in het huis haars vaders te Kilpatrick. Hij
begreep, dat het arme meisje een wakkere vrouw zou zijn; hij huwde haar.
Miss Helena was twee en twintig jaar; zij was een blonde en hare oogen
waren zoo blaauw als het water der schotsche meren op een schoonen
lentemorgen. Haar liefde voor haar echtgenoot was nog sterker dan haar
dankbaarheid. Zij beminde hem, alsof zij de rijke erfgename en hij de
verlaten wees geweest was. Haar pachters en bedienden waren allen bereid
om hun leven op te offeren voor haar, die zij "Onze goede Vrouwe van
Luss" noemden.

Lord Glenarvan en lady Helena leefden gelukkig op Malcolm-Castle, te
midden der verhevene en woeste natuur der Hooglanden, wandelende in de
duistere lanen van kastanje- en moerbezieboomen, aan de oevers van het
meer, waar nog de "pibroche" (krijgsliederen) van den ouden tijd
weergalmden, in die onbebouwde bergengten, waarin de geschiedenis van
Schotland in eeuwenheugende puinhoopen geschreven is. Nu eens
verdwaalden zij in de berken- of lorkenbosschen, of op de uitgestrekte,
dorre heidevelden; dan weder beklommen zij de steile toppen van den Ben
Lomond, of reden door de verlatene omstreken, terwijl zij dat
dichterlijk gewest, thans nog "het vaderland van Rob Roy" genoemd, en al
die vermaarde plekjes, die Walter Scott zoo heerlijk bezongen heeft,
bestudeerden, begrepen en bewonderden. Wanneer des avonds of tegen den
nacht "de lantaarn van Mac Farlane" aan den gezigteinder ontstoken werd,
zwierven zij over den burgtrans, een oude cirkelvormige galerij, die een
snoer van schietgaten om het kasteel Malcolm slingerde; peinzend,
vergeten en als het ware alleen in de wereld, zittende op een
losgeraakten steen, te midden van het zwijgen der natuur, onder de
bleeke stralen der maan, bleven zij, terwijl de top der verduisterde
bergen langzamerhand in de schaduwen van den nacht gehuld werd,
verzonken in die reine geestverrukking en die hartelijke opgetogenheid,
waarvan het geheim op deze aarde alleen bekend is aan minnende harten.

Zoo bragten zij de eerste maanden van hun huwelijk door. Maar lord
Glenarvan vergat niet, dat zijn gade de dochter van een groot reiziger
was; hij zeide bij zich zelven, dat lady Helena dezelfde wenschen als
haar vader moest koesteren, en hij bedroog zich niet. De _Duncan_ werd
gebouwd; zij was bestemd om lord en lady Glenarvan naar de schoonste
landen der aarde over te brengen, over de golven van de Middellandsche
zee en naar de eilanden van den Archipel. Men kan wel begrijpen hoe
blijde lady Helena was, toen haar echtgenoot de _Duncan_ ter harer
beschikking stelde. Bestaat er wel een grooter geluk, dan zijn liefde
over te brengen naar de heerlijke streken van Griekenland, en de
wittebroodsweken te slijten op de tooverachtige kusten van het Oosten?

Lord Glenarvan was intusschen naar Londen vertrokken. Maar de redding
van ongelukkige schipbreukelingen was zijn doel; ook leide lady Helena
meer ongeduld dan droefheid over dit kortstondig afzijn aan den dag; den
volgenden morgen gaf een berigt van haar man hoop op een spoedige
terugkomst; des avonds vroeg hij in een brief om uitstel; de voorstellen
van lord Glenarvan stuitten op eenige moeijelijkheden; een dag later
kwam er een nieuwe brief, waarin lord Glenarvan niet ontveinsde, dat hij
ontevreden was over de Admiraliteit.

Nu begon lady Helena ongerust te worden. Des avonds was zij alleen in
haar kamer, toen de hofmeester van het kasteel, Master Halbert, haar
kwam berigten, dat een meisje en een knaap, die lord Glenarvan wilden
spreken, verzochten om toegelaten te worden.

"Zijn zij uit den omtrek?" vroeg lady Helena.

"Neen, mevrouw!" antwoordde de hofmeester, "want ik ken ze niet. Zij
zijn met den trein te Balloch gekomen, en vandaar tot Luss hebben zij
geloopen."

"Laat hen boven komen, Halbert!" zeide lady Glenarvan.

De hofmeester ging weg. Eenige oogenblikken later werden het meisje en
de knaap in de kamer van lady Helena gebragt. Zij waren broeder en
zuster,--en geleken elkander sprekend. De zuster was zestien jaar. Haar
lief maar eenigzins vermoeid voorkomen, haar oogen, die verrieden, dat
zij menigmaal had geweend, haar onderworpen maar moedige houding, haar
armoedige en toch zindelijke kleeding, maakten een gunstigen indruk. Zij
hield een twaalfjarigen knaap met een manhaftig voorkomen bij de hand,
die zijn zuster onder zijn bescherming scheen te nemen. En waarlijk! wie
het meisje mogt beleedigen zou met den knaap te doen hebben gekregen.

De zuster stond een weinig verlegen, toen zij in de tegenwoordigheid van
lady Glenarvan kwam. Deze haastte zich het woord op te vatten.

"Gij wenscht mij te spreken?" zeide zij, tevens het meisje met haar
blikken aanmoedigende.

"Neen!" antwoordde de knaap op een vasten toon, "u niet, maar lord
Glenarvan in persoon."

"Vergeef het hem, mevrouw!" zeide de zuster met een blik op haar
broeder.

"Lord Glenarvan is niet op het kasteel," hernam lady Helena; "maar ik
ben zijn vrouw, en als ik u helpen kan...."

"Zijt gij lady Glenarvan?" vroeg het meisje.

"Ja, miss!"

"De vrouw van lord Glenarvan van Malcolm-Castle, die in de _Times_ een
berigt aangaande de schipbreuk der _Britannia_ heeft geplaatst?"

"Ja, ja!" antwoordde lady Helena driftig, "en gij?..."

"Ik ben miss Grant, mevrouw! en dat is mijn broeder."

"Miss Grant, miss Grant!" riep lady Helena, terwijl zij het meisje naar
zich toe trok, hare handen vatte, en de gezonde wangen van den knaap
kuste.

"Wat weet gij van de schipbreuk mijns vaders, mevrouw?" hernam het
meisje. "Leeft hij nog? Zullen wij hem ooit terugzien? Spreek, ik smeek
het u!"

"Lief kind!" zeide lady Helena, "de Hemel beware mij, dat ik u in zulk
een omstandigheid een onberaden antwoord zou geven; ik wil u met geen
bedriegelijke hoop vleijen...."

"Spreek, mevrouw! spreek! ik ben sterk genoeg en kan alles hooren."

"Lief kind!" antwoordde lady Helena, "de hoop is zeer gering; maar met
de hulp van den almagtigen God is het mogelijk, dat gij uw vader eens
terug zult zien."

"Mijn God! mijn God!" riep miss Grant, die hare tranen niet kon
bedwingen, terwijl Robert de handen van lady Glenarvan met kussen
bedekte.

Toen de eerste vlaag dier droevige vreugde een weinig bedaard was,
stapelde het meisje tallooze vragen opeen; lady Helena vertelde haar de
geschiedenis van het document, hoe de _Britannia_ op de kusten van
Patagonië vergaan was, hoe na de schipbreuk de kapitein en twee
matrozen, de eenigen die de ramp overleefd hadden, het vaste land
bereikt hadden; eindelijk hoe zij de hulp hunner medemenschen inriepen
in dat document, dat in drie talen geschreven en aan de genade der
golven overgegeven was.

Gedurende dit verhaal wendde Robert Grant het oog niet van lady Helena
af; zijn leven hing aan hare lippen; zijn kinderlijke verbeelding
schetste hem de verschrikkelijke tooneelen, waarvan zijn vader welligt
het offer geweest was; hij zag hem op het dek der _Britannia_ staan; hij
volgde hem in den schoot der golven; hij klemde zich met hem aan de
rotsen op de kust; hijgende kroop hij over het zand buiten het bereik
der baren. Bij herhaling uitte hij eenige woorden gedurende het verhaal.

"O, vader! arme vader!" riep hij, terwijl hij zich digt aan zijn zuster
drong.

Miss Grant daarentegen luisterde met gevouwen handen toe, en sprak geen
woord, vóór het verhaal uit was. Toen zeide zij: "O, mevrouw! het
document, het document!"

"Ik heb het niet meer, lief kind!" antwoordde lady Helena.

"Hebt gij het niet meer?"

"Neen! Lord Glenarvan heeft het naar Londen mede moeten nemen om uws
vaders belang te bevorderen; maar ik heb u dezelfde inhoud woord voor
woord medegedeeld, en ook hoe het ons gelukt is den zin geheel terug te
vinden; onder die brokstukken van zinnen, welke de golven bijna
uitgewischt hadden, zijn eenige cijfers gespaard gebleven; ongelukkig de
lengte...."

"Dat is niets!" riep de knaap.

"O neen! jongeheer Robert!" antwoordde Helena, die om zijn
vastberadenheid moest glimlagchen. "Zooals gij ziet, miss Grant! zijn de
geringste bijzonderheden van dat document u nu even goed bekend als
mij."

"Ja, mevrouw!" antwoordde het meisje; "maar ik zou gaarne het schrift
mijns vaders gezien hebben."

"Welnu! lord Glenarvan komt welligt morgen terug. Van dit onwraakbaar
bewijs voorzien, heeft mijn man het aan de commissarissen der
Admiraliteit willen vertoonen, ten einde te bewerken, dat er
onmiddellijk een schip worde uitgezonden om kapitein Grant op te
sporen."

"Is het mogelijk, mevrouw! hebt gij dat voor ons gedaan?" riep het
meisje.

"Ja, lieve miss! en ik verwacht lord Glenarvan ieder oogenblik."

"Mevrouw!" sprak het meisje op een toon van ongeveinsde dankbaarheid en
godsvrucht, "de Hemel zegene lord Glenarvan en u!"

"Lief kind!" antwoordde lady Helena, "wij verdienen geen
dankbetuigingen; ieder ander zou in onze plaats hetzelfde gedaan hebben.
Mogt de hoop, die ik bij u opgewekt heb, verwezenlijkt worden! Tot de
terugkomst van lord Glenarvan blijft gij op het kasteel...."

"Mevrouw!" antwoordde het meisje, "ik zou vreezen misbruik te maken van
de toegenegenheid, die gij aan vreemden betoont...."

"Vreemden, lief kind! gij noch uw broeder zijt in dit huis
vreemdelingen, en ik verlang, dat lord Glenarvan bij zijn tehuiskomst
aan de kinderen van kapitein Grant zal mededeelen, wat men beproeven wil
om hun vader te redden."

Een zoo hartelijk aanbod mogt niet afgeslagen worden. Men kwam dus
overeen, dat miss Grant en haar broeder de terugkomst van lord Glenarvan
ten zijnent zouden afwachten.



IV.

Een voorstel van lady Glenarvan.


In den loop van dit gesprek had lady Helena geen woord gesproken van de
vrees, die in de brieven van lord Glenarvan doorschemerde, voor het
onthaal, dat zijn aanzoek gevonden had bij de commissarissen der
Admiraliteit. Evenmin maakte zij melding van de vermoedelijke
gevangenschap van kapitein Grant bij de Indianen van Zuid-Amerika.
Waartoe zou het ook dienen om die arme kinderen bedroefd te maken over
den toestand huns vaders en om de hoop te verminderen, die zij pas
hadden opgevat? Dat bragt toch geen verandering in den stand van zaken
te weeg. Lady Helena had er dus over gezwegen, en na al de vragen van
miss Grant beantwoord te hebben, ondervroeg zij deze op hare beurt over
haar leven en over haar toestand, nu zij de eenige beschermster haars
broeders op deze wereld scheen te zijn.

Het was een treffende en eenvoudige geschiedenis, waardoor de
belangstelling van lady Glenarvan in het meisje nog toenam.

Miss Mary en Robert Grant waren de eenige kinderen van den kapitein. De
geboorte van Robert had der echtgenoote van Harry Grant het leven
gekost, en gedurende zijn lange zeereizen liet hij zijn kinderen onder
de hoede eener goede oude nicht. Kapitein Grant was een stout zeeman,
grondig ervaren in zijn beroep, tegelijk een goed zeevaarder en een goed
handelaar, zoodat hij een dubbele geschiktheid bezat, die van zooveel
belang is voor de schippers der koopvaardijvloot. Hij bewoonde met zijn
gezin de stad Dundee, in het graafschap Perth, in Schotland. Kapitein
Grant was dus een landgenoot; zijn vader, een geestelijke bij de St.
Catharina-Kerk, had hem een goede opvoeding laten geven, denkende dat
dit niemand benadeelen kan, zelfs geen zeekapitein.

Op zijne eerste reizen over zee, aanvankelijk als eerste stuurman, later
als schipper, was hij zeer gelukkig in zijne zaken, en eenige jaren na
de geboorte van Robert Harry was hij in het bezit van een klein
vermogen.

Toen vatte hij een groot plan op, dat zijn naam in geheel Schotland
bekend maakte. Even als de Glenarvans en eenige aanzienlijke geslachten
uit de Laaglanden, had hij zich, zoo al niet feitelijk dan toch in de
gedachte, van het overheerschende Engeland gescheiden. De belangen van
zijn land konden in zijn oog niet die der Angelsaksers zijn, en om ze
zelfstandig te doen ontwikkelen besloot hij in Australië een groote
schotsche kolonie te stichten. Droomde hij van een toekomstige
onafhankelijkheid, waarvan de Vereenigde Staten het voorbeeld hadden
gegeven, een onafhankelijkheid, die Indië en de andere koloniën in
Australië niet missen kunnen ook eenmaal te verwerven? Misschien.
Welligt liet hij ook die stille hoop doorschemeren. Het is dus ligt te
begrijpen, dat het gouvernement weigerde de hand te leenen aan zijn
kolonisatie-plan; het legde kapitein Grant zelfs moeijelijkheden in den
weg, die in ieder ander land den ontwerper van verdriet zouden hebben
doen omkomen. Maar Harry liet zich niet ontmoedigen; hij deed een beroep
op de vaderlandsliefde zijner landgenoten, waagde zijn vermogen aan de
uitvoering van zijn plan, bouwde een schip, en door een uitgelezene
bemanning ondersteund, vertrok hij, na zijn kinderen aan de zorgen
zijner oude nicht te hebben toevertrouwd, om de groote eilanden der
Stille Zuidzee te onderzoeken. Dat geschiedde in 1861. Een jaar lang,
tot in Mei 1862, kreeg men berigten van hem; maar sedert zijn vertrek
van Callao, in de maand Junij, hoorde niemand meer spreken van de
_Britannia_, en de zeetijdingen zwegen over het lot van den kapitein.

In die omstandigheden stierf de oude nicht van Harry Grant en de beide
kinderen bleven alleen op deze wereld.

Mary Grant was toen veertien jaar; haar moedige ziel deinsde niet terug
voor het lot, dat haar te beurt viel, en zij wijdde zich geheel aan haar
nog jeugdigen broeder. Hij had opvoeding en onderwijs noodig. Door
zuinigheid, voorzigtigheid en schranderheid, door dag en nacht te
arbeiden, door hem alles te geven en zich zelve alles te onthouden,
voorzag de zuster in haars broeders opvoeding en vervulde zij moedig
haar moederlijke pligten.

Zoo leefden de beide kinderen te Dundee in dien treffenden toestand
eener met waardigheid aangenomen, maar dapper bestreden armoede. Mary
dacht alleen aan haar broeder, en droomde voor hem van de eene of andere
gelukkige toekomst. Voor haar was de _Britannia_ helaas voor altijd weg,
en haar vader dood, ja dood. Wij wagen het daarom niet haar aandoening
te schilderen, toen het berigt in de _Times_, dat haar toevallig in het
oog viel, haar plotseling uit haar wanhoop opwekte.

Zij aarzelde niet; haar besluit was onmiddellijk genomen. Al moest zij
ook vernemen, dat het lijk van kapitein Grant op een woeste kust of op
een ontredderd schip terug gevonden was, dan was dat toch nog beter dan
die onophoudelijke twijfel, die eeuwige kwelling der onzekerheid.

Zij zeide alles aan haar broeder; dienzelfden dag gingen de beide
kinderen op den trein van Perth, en des avonds kwamen zij te
Malcolm-Castle aan, waar voor Mary, na zooveel angst, eindelijk weer een
straal van hoop opging.

Mary Grant vertelde die droevige geschiedenis aan lady Glenarvan op een
eenvoudige wijze, en zonder te bedenken, dat zij in die lange jaren van
beproeving als een heldhaftig meisje zich had gedragen; maar lady Helena
dacht er in hare plaats aan, en bij herhaling drukte zij de beide
kinderen van kapitein Grant weenend in hare armen.

Het scheen, alsof Robert die geschiedenis voor de eerste maal vernam;
hij zette groote oogen op, toen hij zijn zuster zoo hoorde spreken; hij
begreep alles, wat zij gedaan, alles wat zij geleden had, en haar
omhelzende, riep hij eindelijk uit:

"Ach! moeder! lieve moeder!" zonder dat hij dien kreet, die uit den
grond van zijn hart kwam, kon bedwingen.

Gedurende dit gesprek was het geheel en al donker geworden. Lady Helena,
die wel kon begrijpen, dat de beide kinderen vermoeid zonden zijn, wilde
het onderhoud niet langer voortzetten. Mary Grant en Robert werden naar
hun kamers gebragt en sliepen in, droomende van een betere toekomst.

Na hun vertrek liet lady Helena den majoor roepen en deelde hem al het
gebeurde van dien avond mede.

"Een braaf meisje, die Mary Grant," zeide Mac Nabbs, toen hij het
verhaal zijner nicht had aangehoord.

"De Hemel geve, dat mijn man in zijn onderneming slage!" antwoordde lady
Helena, "anders zou de toestand dezer beide kinderen
allerverschrikkelijkst worden."

"Hij zal slagen," hervatte Mac Nabbs, "of de lords der Admiraliteit
zouden een hart moeten hebben harder dan portlandsche steen."

In weerwil van deze verzekering van den majoor bragt lady Helena den
nacht in de hevigste onrust door en kon geen oogenblik slapen.

Den volgenden morgen wandelden Mary Grant en haar broeder, die met het
krieken van den dag opgestaan waren, op het plein vóór het kasteel, toen
het geraas van een naderend rijtuig zich liet hooren. Het was lord
Glenarvan, die zoo snel als zijn paarden maar loopen konden, op
Malcolm-Castle terugkwam. Bijna op hetzelfde oogenblik verscheen lady
Helena, door den majoor vergezeld, op het plein, en snelde haar man te
gemoet.

Deze scheen treurig, teleurgesteld, verstoord. Hij drukte zijn vrouw aan
zijn borst en zweeg.

"Welnu, Edward! Edward!" riep lady Helena.

"Welnu, lieve Helena!" antwoordde lord Glenarvan, "die menschen hebben
geen hart!"

"Hebben zij dan geweigerd?..."

"Ja! zij hebben mij een schip geweigerd! zij hebben gesproken van de
millioenen, die met het opsporen van Franklin verspild zijn! zij hebben
gezegd, dat die ongelukkigen reeds sedert meer dan twee jaren aan zich
zelven overgelaten zijn en dat er dus weinig kans was om hen terug te
vinden! Zij hebben beweerd, dat zij, bij de Indianen gevangen zijnde,
stellig naar het binnenland gesleept zijn; dat men geheel Patagonië niet
kon doorzoeken om drie mannen--drie Schotten!--terug te vinden! dat die
nasporingen vergeefsch en gevaarlijk zijn, en meer slagtoffers kosten
dan redden zouden! kortom, zij hebben al de schijngronden opgegeven van
lieden, die iets weigeren willen. Zij herinnerden zich de plannen van
den kapitein, en de arme Grant is reddeloos verloren!"

"Mijn vader! mijn arme vader!" riep Mary Grant, voor lord Glenarvan op
de knieën vallende.

"Uw vader! hoe, miss!..." zeide hij, zeer verwonderd zijnde dit meisje
voor zich te zien knielen.

"Ja, Edward! miss Mary en haar broeder," antwoordde nu lady Helena, "de
beide kinderen van kapitein Grant, die de Admiraliteit veroordeeld heeft
om weezen te blijven!"

"Ach! miss! als ik geweten had, dat gij hier waart!..." hernam lord
Glenarvan, terwijl hij het meisje hielp opstaan.

Verder zeide hij niets meer! Een pijnlijke stilte, door snikken
afgebroken, heerschte op het plein; niemand sprak een woord, noch lord
Glenarvan, noch lady Helena, noch de majoor, noch de bedienden van het
kasteel, die zwijgende om hun meesters geschaard stonden. Maar door hun
houding protesteerden al die Schotten tegen het gedrag van het engelsche
gouvernement.

Na eenige oogenblikken vatte de majoor het woord op en sprak, zich tot
lord Glenarvan wendende:

"Alzoo hebt gij geen hoop meer?"

"Niet de geringste."

"Welnu!" riep de jonge Robert, "ik zal die lieden gaan opzoeken en ...
dan zullen wij zien...."

Robert voltooide zijn bedreiging niet, want zijn zuster hield hem tegen;
maar zijn gebalde vuist gaf geen zeer vredelievende plannen te kennen.

"Neen, Robert!" zeide Mary Grant, "neen! wij willen liever die brave
heeren bedanken voor hetgene zij voor ons gedaan hebben; wij zullen ons
levenslang erkentelijk jegens hen betoonen, en nu willen wij beiden
vertrekken."

"Mary!" riep lady Helena.

"Miss! waar wilt gij heen gaan?" zeide lord Glenarvan.

"Ik ga een voetval voor de koningin doen," antwoordde het meisje, "en
dan zullen wij zien of zij doof zal zijn voor de smeekingen van twee
kinderen, die om het leven huns vaders vragen."

Lord Glenarvan schudde het hoofd; niet omdat hij aan het hart Harer
Genadige Majesteit twijfelde, maar hij wist, dat Mary Grant nooit tot
haar zou kunnen doordringen. De smeekelingen komen maar al te zelden tot
de trappen van den troon, en het schijnt, dat men op de deur der
koninklijke paleizen geschreven heeft, wat de Engelschen op het stuurrad
hunner schepen zetten:

"_Passengers are requested not to speak to the man at the wheel_."[1]

Lady Helena had de bedoeling van haar man gevat: zij wist, dat het
meisje een nuttelooze poging zou doen; zij zag, hoe die beide kinderen
voortaan een allerellendigst leven zouden leiden. Nu vatte zij een
groote en verhevene gedachte op.

"Mary Grant!" riep zij, "wacht, mijn kind! en hoor, wat ik u zeggen
wil."

Het meisje, dat haar broeder bij de hand hield en zich gereed maakte om
te vertrekken, bleef nu staan.

Nu naderde lady Helena met betraande oogen, maar met een vaste stem en
levendige trekken, haar man en zeide:

"Edward! Toen kapitein Grant dezen brief schreef en in zee wierp,
vertrouwde hij hem aan de zorg van God zelven toe. God heeft hem in onze
handen doen komen! zonder twijfel heeft God ons de redding dier
ongelukkigen willen opdragen."

"Wat bedoelt gij daarmede, Helena?" vroeg lord Glenarvan.

Een diepe stilte heerschte in den geheelen kring.

"Ik bedoel," hernam lady Helena, "dat men zich gelukkig moet achten, als
men het huwelijksleven met een goede daad mag beginnen. Welnu! om mij
genoegen te doen hebt gij, lieve man! het plan tot een pleizierreisje
ontworpen! Maar kan er een wezenlijker, nuttiger vermaak zijn dan
ongelukkigen te redden, die door hun land verlaten worden?"

"Helena!" riep lord Glenarvan.

"Ja, gij begrijpt mij, Edward! De _Duncan_ is een goed en stevig schip!
het kan de zuidelijke zeeën bevaren! het kan een reis om de wereld doen,
en zal het doen, als het noodig is! Laten wij vertrekken, Edward! Laten
wij kapitein Grant gaan opzoeken!"

Die moedige taal hoorende had lord Glenarvan de armen naar zijn jeugdige
gade uitgebreid; zij glimlachte, hij drukte haar aan zijn hart, terwijl
Mary en Robert hare handen kusten.

En gedurende dit aandoenlijk tooneel klonk uit den mond der bewogen en
opgetogen bedienden van het kasteel deze kreet van ongeveinsde
dankbaarheid:

"Hoera voor de edelvrouwe van Luss! hoera! driewerf hoera voor lord en
lady Glenarvan!"


[1] Den passagiers wordt verzocht om niet met den stuurman te spreken.



V.

Het vertrek van de Duncan.


Lady Helena bezat, zooals wij reeds gezegd hebben, een sterke en
edelmoedige ziel. Wat zij daar deed, was er een onwederlegbaar bewijs
van. Lord Glenarvan was te regt trotsch op die edele vrouw, die in staat
was om hem te begrijpen en te volgen. De gedachte om kapitein Grant te
hulp te snellen was reeds bij hem opgekomen, toen te Londen zijn
aanvraag van de hand gewezen werd; dat hij lady Helena niet voorgekomen
was, kwam daar vandaan, dat hij zich niet kon gewennen aan de gedachte
om van haar te scheiden. Maar nu lady Helena zelve vroeg om te
vertrekken, hield alle aarzeling op; de bedienden van het kasteel hadden
dat voorstel met hun gejuich begroet; het kwam er op aan om broeders,
Schotten evenals zij, te redden, en lord Glenarvan stemde van harte in
met het hoera, dat ter eere der vrouwe van Luss werd aangeheven.

Nu eenmaal tot het vertrek besloten was, was er geen uur meer te
verliezen. Dienzelfden dag zond lord Glenarvan aan John Mangles bevel om
met de _Duncan_ naar Glasgow te gaan en alles in gereedheid te brengen
voor een reis door de zuidelijke zeeën, die wel een reis om de aarde
worden kon. Bij het doen van haar voorstel had lady Helena niet te veel
gezegd van de hoedanigheden der _Duncan_; zeer sterk gebouwd en zeer
snelvarend kon zij gerust een langen zeetogt ondernemen.

Het was een stoomjagt van het schoonste model; het mat twee honderd en
tien ton, en de eerste schepen, die in de Nieuwe Wereld aankwamen, die
van Columbus, Vespucius, Pinson en Magellaan waren veel kleiner[1].

De _Duncan_ had twee masten, een fokkemast met fok, schoonerfok,
voormarszeil en klein bramzeil; een grooten mast met groote bezaan en
vlieger; daarenboven een stormfok, een buitenkluiver, een voorstagzeil
en stagzeilen. Zij voerde genoeg zeil, en kon als een gewone clipper van
den wind gebruik maken; maar boven alles rekende zij op de mechanische
kracht in haar binnenste. Haar machine van honderd zestig
paardenkrachten en naar een nieuw stelsel vervaardigd, bezat
verhittingstoestellen, die meer spankracht aan den stoom gaven; zij was
van hooge drukking en bragt een dubbele schroef in beweging. Als de
_Duncan_ onder vollen stoom was, overtrof haar snelheid alle tot nu toe
bekende snelheden. Op haar proeftogtjes in de golf van de Clyde had zij
volgens de patent-log[2] zeventien mijlen in het uur afgelegd[3]. Haar
inrigting veroorloofde haar dus om te vertrekken en een reis om de aarde
te doen. John Mangles behoefde dus alleen voor de inwendige inrigting te
zorgen.

Zijn eerste werk was om de bergplaatsen te vergrooten, ten einde zooveel
kolen mede te nemen als maar mogelijk was; want het is moeijelijk om
onderweg nieuwen voorraad van brandstof in te nemen. Dezelfde voorzorg
werd voor de bottelarij genomen, en John Mangles nam voor twee jaar
levensmiddelen aan boord; hij had geen gebrek aan geld, ja zelfs genoeg
om een draaibas te koopen, die op de voorplecht van het jagt geplaatst
werd; men wist niet wat er gebeuren kon, en het is altijd goed op een
afstand van vier mijlen een achtponder te kunnen toezenden.

En John Mangles had er verstand van; al kommandeerde hij maar een
pleizierjagt, hij werd toch onder de beste schippers van Glasgow
gerekend; hij was dertig jaar en had eenigzins harde trekken, maar die
toch moed en goedheid uitdrukten. Hij was op het kasteel geboren, door
de familie Glenarvan groot gebragt en tot een uitmuntend zeeman
opgegroeid; menigmaal gaf John Mangles op zijn lange zeereizen blijken
van bekwaamheid, geestkracht en koelbloedigheid. Toen lord Glenarvan hem
het bevel over de _Duncan_ aanbood, nam hij dit gaarne aan; want hij
beminde den heer van Malcolm-Castle als een vriend, en had tot nu toe te
vergeefs naar een gelegenheid gezocht om hem van dienst te zijn.

De eerste stuurman, Tom Austin, was een oud zeeman, die alle vertrouwen
verdiende; de bemanning der _Duncan_ bestond uit vijf en twintig koppen
met inbegrip van den kapitein en den eersten stuurman; allen behoorden
in het graafschap Dumbarton te huis; allen, beproefde matrozen, waren
zonen van pachters der familie, en vormden aan boord een ware clan van
dappere mannen, bij wie zelfs de vaderlandsche "piperbag"[4] niet gemist
werd. Lord Glenarvan had in hen een troep flinke gasten, die smaak
vonden in hun beroep, verknocht, moedig en bekwaam waren in het
hanteeren der wapens zoowel als in het bestuur van een schip, en die
genegen waren om hem op de gevaarlijkste togten te volgen. Toen de
bemanning der _Duncan_ het deel der reis vernam, konden pij hun blijde
ontroering niet bedwingen, en de echo's der rotsen, van Dumbarton
weerkaatsten hun opgewonden hoera.

Te midden van de werkzaamheden van het laden en proviandeeren van het
schip vergat John Mangles niet om de vertrekken van lord en lady
Glenarvan voor een lange zeereis in te rigten. Hij moest ook de hutten
der kinderen van kapitein Grant in orde brengen; want lady Helena had
aan Mary het verlof niet kunnen weigeren om haar aan boord der _Duncan_
te volgen.

Wat haar broeder aangaat, deze zou zich veeleer in het ruim van het jagt
verborgen hebben dan niet mede te gaan; al had hij als scheepsjongen
dienst moeten doen, zooals Nelson en Franklin, dan zou hij zich nog op
de _Duncan_ ingescheept hebben. Hoe zou men zulk een knaap iets hebben
kunnen weigeren? Men beproefde het dan ook niet eens. Zelfs moest men er
in bewilligen om hem "niet mede te nemen" als passagier; want hij wilde
dienen als scheepsjongen, ligt matroos of matroos. John Mangles kreeg
last om hem het zeemansberoep te leeren.

"Goed!" zeide Robert, "en spaar de zweep niet, als ik niet goed oppas!"

"Wees maar gerust, mijn jongen!" antwoordde Glenarvan met een ernstig
gelaat, zonder er echter bij te voegen, dat het gebruik der kat met
negen staarten[5] aan boord der _Duncan_ verboden en ook geheel
noodeloos was.

Om de rol der passagiers vol te maken, moet alleen nog de majoor Mac
Nabbs genoemd worden. De majoor was vijftig jaar oud, had een kalm en
regelmatig gelaat, ging waarheen een bevel hem riep, en had een
uitmuntend en volmaakt karakter, altijd bescheiden, stilzwijgend,
vredelievend en zachtzinnig; hij was het altijd met een ieder en over
alles eens, hij sprak niets tegen, twistte niet, werd niet boos; hij
beklom even bedaard de helling van een tusschenwal, waarin bres was
geschoten, als de trap naar zijn slaapkamer; niets ter wereld deed hem
ontroeren, hij ging nooit uit den weg, zelfs niet voor een kanonskogel,
en zonder twijfel zal hij sterven zonder ooit gelegenheid te hebben
gehad om boos te worden. Die man bezat in den hoogsten graad niet maar
alleen den gewonen moed der slagvelden, die physieke dapperheid, welke
alleen het gevolg der spierkracht is, maar iets beters, zedelijken moed,
dat wil zeggen zielskracht. Het eenige gebrek, dat hij had, indien het
een gebrek is, was dat hij door merg en been een Schot was, een volbloed
Caledoniër, die stijfhoofdig vast bleef houden aan de oude gewoonten van
zijn land. Daarom had hij ook nooit Engeland willen dienen, en zijn
majoorsrang had hij verworven in het 42ste regiment der
Highland-Black-Watch, de zwarte garde, welker compagniën alleen uit
schotsche edellieden bestonden. In hoedanigheid van neef der Glenarvans
bewoonde Mac Nabbs het kasteel Malcolm, en in hoedanigheid van majoor
vond hij het heel natuurlijk om als passagier met de _Duncan_ mede te
gaan.

Deze waren de personen aan boord van dat jagt, dat door onvoorziene
omstandigheden geroepen werd om een der verbazendste reizen der nieuwere
tijden te ondernemen. Sedert het te Glasgow aan de aanlegplaats der
stoombooten lag, had het de algemeene nieuwsgierigheid gaande gemaakt;
dagelijks werd het door een talrijke menigte bezocht; men stelde in
niets anders belang, men sprak van niets anders, tot groote spijt der
andere kapiteins in de haven, onder anderen van kapitein Burton der
_Scotia_, een prachtige boot, die digt bij de _Duncan_ lag en naar
Calcutta bestemd was. Om haar grootte had de _Scotia_ regt om de
_Duncan_ als een eenvoudig adviesjagt te beschouwen! En toch werd alleen
het jagt van lord Glenarvan met een belangstelling beschouwd, die nog
bij den dag toenam.

Inmiddels naderde het oogenblik van vertrek met rassche schreden; John
Mangles had zijn bekwaamheid en vlugheid getoond; een maand na haar
proeftogten op de golf van de Clyde kon de _Duncan_ geladen,
geproviandeerd en opgetuigd zee kiezen. Het vertrek werd op den 25sten
Augustus bepaald, waardoor het jagt tegen het begin der lente in de
zuidelijke breedten aldaar kon aankomen.

Zoodra het plan van lord Glenarvan bekend werd, had het niet ontbroken
aan bedenkingen over de vermoeijenissen en gevaren der reis; maar hij
stoorde zich er niet aan, en maakte zich gereed om Malcolm-Castle te
verlaten. Bovendien waren er onder de bedillers velen, die hem
opregtelijk bewonderden. Ook verklaarde de openbare meening zich ronduit
voor den schotschen lord, en alle dagbladen, met uitzondering der
"regerings-organen", gispten eenparig het gedrag van de commissarissen
der Admiraliteit in deze zaak. Maar lord Glenarvan was even ongevoelig
voor blaam als voor lof: hij deed zijn pligt, en bekommerde zich weinig
om het overige.

Den 24sten Augustus verlieten Glenarvan, lady Helena, de majoor Mac
Nabbs, Mary en Robert Grant, Olbinett, de hofmeester van het jagt en
zijn vrouw, jufvrouw Olbinett, die in dienst was van lady Glenarvan,
Malcolm-Castle, na een roerend afscheid van de huisbedienden te hebben
genomen. Eenige uren later waren zij aan boord. De inwoners van Glasgow
begroetten met ingenomenheid en bewondering lady Helena, de jonge en
moedige vrouw, die vrijwillig afstand deed van de rustige genoegens van
een weelderig leven en de schipbreukelingen te hulp snelde.

De vertrekken van lord Glenarvan en zijn vrouw besloegen het geheele
achterschip der _Duncan_; zij bestonden uit twee slaapkamers, een salon
en twee kleedkamers; eindelijk was er een algemeene kamer, omringd door
zes hutten, waarvan vijf bewoond werden door Mary en Robert Grant,
Olbinett en zijn vrouw, en den majoor Mac Nabbs. De hutten van John
Mangles en Tom Austin kwamen op het dek uit. De bemanning was
tusschendeks gehuisvest, en zeer op haar gemak; want het jagt had geen
andere lading dan de kolen, de levensmiddelen en de wapenen. Het had dus
John Mangles niet aan plaats ontbroken voor de inwendige inrigting, en
hij had er een goed gebruik van gemaakt.

De _Duncan_ zou in den nacht van den 24sten op den 25sten Augustus
vertrekken; want des morgens ten drie ure begon de eb. Maar vooraf waren
de inwoners van Glasgow getuigen van een aandoenlijke plegtigheid. Des
avonds ten acht ure verlieten lord Glenarvan en zijn gasten, de geheele
bemanning van de stokers af tot den kapitein toe, allen die deel zouden
nemen aan de menschlievende onderneming, het jagt en gingen naar
Sint-Mungo, de oude hoofdkerk van Glasgow. Die oude kerk, welke
ongeschonden was gebleven bij de verwoestingen door de hervorming
aangerigt, en die zoo heerlijk door Walter Scott is beschreven, ontving
onder haar zware gewelven de passagiers en de matrozen der _Duncan_. Een
ontelbare menigte volgde hen. In het groote middelschip, dat door zijn
menigte graftomben wel een kerkhof gelijkt, smeekte de eerwaarde Morton
den zegen des Hemels af en beval hij den togt in de hoede der
Voorzienigheid aan. Een oogenblik hoorde men de stem van Mary Grant in
het oude kerkgebouw. Het meisje bad voor hare weldoeners en stortte voor
Gods aangezigt de zachte tranen der dankbaarheid. Vervolgens ging de
menigte diep bewogen uiteen.

Ten elf ure was ieder aan boord. John Mangles en de bemanning hielden
zich met de laatste toebereidselen bezig.

Te middernacht werden de vuren ontstoken; de kapitein gaf last om sterk
te stoken, en weldra vermengden de zwarte rookwolken zich met den
nachtelijken nevel. De zeilen der _Duncan_ waren zorgvuldig onder het
doek geborgen, dat ze tegen het vuil der kolen moest beschermen; want de
wind woei uit het zuid-westen en kon de vaart van het schip niet
begunstigen.

Ten twee ure begon de _Duncan_ te beven onder de schudding der
stoomketels; de luchtdigtheidsmeter wees een drukking van vier
dampkringen aan; de oververhitte stoom ontsnapte fluitend door de
veiligheidskleppen; de zee was stil; het was reeds genoeg dag om het
naauwe vaarwater der Clyde te onderscheiden tusschen de staken en
"biggings"[6]; de kustlichten verbleekten allengs voor de rijzende zon.
Niets verhinderde meer het vertrek.

John Mangles liet lord Glenarvan waarschuwen, die terstond op het dek
kwam.

Weldra kwam de eb opzetten; de _Duncan_ liet een schel gefluit hooren,
gooide de meertouwen los, en maakte zich vrij van de omliggende
vaartuigen; de schroef kwam in beweging en stuurde het jagt in het
vaarwater der rivier. John had geen loods aan boord genomen; hij kende
al de gevaarlijke punten der Clyde, en geen loods zou zijn schip beter
bestuurd hebben. Het jagt luisterde naar zijn wenken; met de regterhand
gaf hij bevelen aan de machine, met de linker, aan het roer, alles stil
en bedaard. Weldra werden de laatste fabrieken aan den oever door
villa's vervangen, die hier en daar op de heuvels langs de rivier
verrezen, en het gedruisch der stad stierf in de verte weg.

Een uur later stoomde de _Duncan_ tusschen de rotsen van Dumbarton door;
twee uren later was zij in de ruime golf der Clyde; des morgens ten zes
ure voer zij langs de zoutputten van Cantyre, verliet het Noorderkanaal
en kwam in volle zee.


[1] De vierde reis van Christophorus Columbus werd met vier schepen
volbragt. Het grootste, het admiraalschip, waarop Columbus zich bevond,
mat 70 ton; het kleinste maar 60. Het waren echte kustvaarders.

[2] De patent-log is een werktuig, dat door middel van wijzers, die op
een in graden verdeelden cirkel draaijen, de snelheid van het vaartuig
aanwijst.

[3] Zeventien mijlen of knoopen. Daar de zeemijl 1852 nederlandsche
ellen lang is, zijn 17 mijlen gelijk aan 7 7/10 mijlen of bijna 8 mijlen
van 4000 ned. ellen.

[4] De doedelzakspeler, die nog bij de regimenten Hooglanders bestaat.

[5] Een zweep, bestaande uit negen lederen riemen, die zeer in zwang was
op de engelsche vloot.

[6] Kleine steenhoopen, die het vaarwater der Clyde aanwijzen.



VI.

De passagier van de hut numero 6.


Gedurende den eersten dag der reis stond er nog al deining, en de wind
wakkerde tegen den avond aan; de _Duncan_ slingerde vreeselijk; de dames
kwamen dan ook niet op de kampanje; zij bleven in haar hutten te bed
liggen, en deden er wel aan.

Maar des anderen daags keerde de wind; kapitein John zette de fok, de
bezaan en het voormarszeil bij, waardoor op de _Duncan_, die nu vaster
lag, het slingeren en stampen minder merkbaar werd. Lady Helena en Mary
Grant konden nu reeds bij het krieken van den dag lord Glenarvan, den
majoor en den kapitein op het dek opzoeken. De opgaande zon leverde een
prachtig gezigt op. De fakkel van den dag, gelijk aan een op de manier
van Ruolz vergulde metalen schijf, verrees uit den oceaan als uit een
onmetelijk galvanisch bad. De _Duncan_ scheen zich in het midden van een
heerlijken stralengloed te bevinden, en men zou waarlijk gezegd hebben,
dat haar zeilen opzwollen onder de werking der zonnestralen.

In de diepste stilte zagen de passagiers van het jagt deze verschijning
van het flonkerende hemelligchaam aan.

"Welk een heerlijk schouwspel!" zeide eindelijk Helena. "Het voorspelt
een schoonen dag. Ik hoop, dat de wind gunstig blijven en de vaart der
_Duncan_ niet vertragen zal."

"Wij kunnen geen beteren wenschen, lieve Helena!" antwoordde lord
Glenarvan, "en wij hebben geen reden om over dit begin onzer reis te
klagen."

"Zal de togt lang duren, lieve Edward?"

"Dat zal kapitein John ons wel kunnen zeggen," sprak lord Glenarvan.
"Vorderen wij goed? Zijt gij tevreden over uw schip, John?"

"Zeer tevreden, Uwe Edelheid!" antwoordde John; "het is een uitmuntend
vaartuig, en het doet een zeeman goed het onder zijn voeten te voelen.
Nooit waren de romp en de machine van eenig vaartuig beter met elkaar in
verband; gij ziet ook, hoe effen het zog van het jagt is en hoe
gemakkelijk het de golven klieft. Wij vorderen zeventien mijlen in een
uur! Als deze snelheid zoo blijft, passeeren wij binnen tien dagen de
linie, en zullen wij, eer wij vijf weken verder zijn, kaap Hoorn
omgezeild hebben."

"Hoort gij het, Mary! eer wij vijf weken verder zijn!" hernam lady
Helena.

"Ja, mevrouw!" antwoordde het meisje, "ik hoor het, en mijn hart heeft
geklopt bij dat gezegde van den kapitein."

"Kunt gij nog al tegen de zee, miss Mary?" vroeg lord Glenarvan.

"Vrij wel, mylord! ik heb er niet veel hinder van. Overigens zal ik er
spoedig aan gewennen."

"En de jonge Robert?"

"O! Robert!" antwoordde John Mangles, "als hij niet bij de machine is,
dan zit hij op den kloot van den mast. Dat is eerst een jongen, die om
geen zeeziekte geeft. Ziet maar eens!"

Op een gebaar van den kapitein wendden allen de oogen naar den
fokkemast, en zagen daar Robert hangen aan de toppenanten van het klein
voorboven bramzeil, wel honderd voet boven het dek. Mary kon een angstig
gebaar niet weerhouden.

"O! wees maar gerust, miss!" zeide John Mangles, "ik sta voor hem in en
beloof u kapitein Grant spoedig een wakkeren knaap te zullen
voorstellen; want wij zullen den waardigen kapitein terugvinden!"

"Dat geve de Hemel, mijnheer John!" antwoordde het meisje.

"Lief kind!" hernam lord Glenarvan, "ik merk in dit alles den vinger
Gods op, en dat moet ons goede hoop geven. Wij gaan niet, wij worden
gezonden. Wij zoeken niet, wij worden geleid. En sla dan eens even het
oog op al die moedige mannen in dienst van zulk eene schoone zaak. Wij
zullen niet alleen in onze onderneming slagen, maar haar zelfs zonder
moeite volbrengen. Ik heb lady Helena een pleizierreisje beloofd, en ik
zou mij zeer bedriegen, als ik mijn woord niet hield."

"Gij zijt een allerbeste man, Edward!" zeide lady Glenarvan.

"Volstrekt niet; maar ik heb de allerbeste bemanning op het allerbeste
schip. Bewondert gij onze _Duncan_ ook niet, miss Mary?"

"Zeker, mylord!" antwoordde het meisje, "ik bewonder haar, en wel als
een deskundige."

"Zoo, inderdaad!"

"Als een klein kind speelde ik op de schepen mijns vaders, hij had mij
voor de zeedienst moeten opleiden, en in geval van nood zou ik misschien
niet verlegen staan om een rif in te steken of een seising te draaijen."

"Wat gij zegt, miss!" riep John Mangles.

"Nu gij zoo spreekt," hernam lord Glenarvan, "zult gij wel bevriend
worden met kapitein John; want hij kan maar niet toegeven, dat er een
schooner beroep is dan dat van zeeman, zelfs niet voor een vrouw! Is het
niet waar, John?"

"Zonder twijfel, Uwe Edelheid!" antwoordde de jonge kapitein, "en toch
beken ik, dat miss Grant beter op haar plaats is op de kampanje dan in
den mast om de zeilen te bergen; maar ik ben niettemin zeer gevleid door
haar gezegde."

"En vooral wanneer zij de _Duncan_ bewondert," hervatte Glenarvan.

"Die het ten volle verdient," antwoordde John.

"Gij zijt zoo trotsch op uw jagt," zeide lady Helena, "dat ik waarlijk
lust krijg om het eens tot het onderste scheepsruim toe te bezigtigen en
te zien, hoe onze wakkere matrozen tusschendeks gehuisvest zijn."

"Heel goed," antwoordde John; "zij zijn daar als het ware te huis."

"En zij zijn inderdaad te huis, lieve Helena!" antwoordde lord
Glenarvan. "Dit jagt is een gedeelte van ons oud Caledonië! Het is een
losgerukt stuk van het graafschap Dumbarton, dat door een bijzondere
gunst blijft drijven, zoodat wij ons land niet verlaten hebben! De
_Duncan_ is het kasteel Malcolm, en de oceaan is het meer Lomond."

"Als dat zoo is, lieve Edward! houd dan de eer van uw kasteel op,"
antwoordde lady Helena.

"Ik ben tot uw dienst, mevrouw!" zeide Glenarvan; "maar sta mij toe, dat
ik vooraf Olbinett ga waarschuwen."

De hofmeester van het jagt was bij uitstek voor zijn betrekking
geschikt, en zulk een man van gewigt, dat hij, hoewel een Schot,
verdiend zou hebben een Franschman te zijn; overigens iemand die zijn
post met ijver en overleg vervulde. Hij wachtte de bevelen van zijn heer
af.

"Olbinett! wij gaan vóór het ontbijt een wandeling doen," zeide
Glenarvan, alsof er sprake was van een uitstapje naar Tarbet of het meer
Katrine. "Ik hoop, dat de tafel gereed zal zijn, als wij terugkomen."

Olbinett maakte een deftige buiging.

"Gaat gij mede, majoor?" vroeg lady Helena.

"Als gij het beveelt," antwoordde Mac Nabbs.

"O!" zeide lord Glenarvan, "de majoor is verdiept in het rooken van zijn
sigaar; stoor hem daarin niet, want ik zeg u, hij is een stout rooker,
miss Mary! Hij rookt altijd, zelfs als hij slaapt."

De majoor maakte een toestemmende beweging, en lord Glenarvan en zijn
gasten gingen naar het tusschendek.

Toen Mac Nabbs alleen gebleven was, praatte hij ouder gewoonte in zich
zelven, maar zonder zich ooit tegen te spreken, terwijl hij zich in nog
digter rookwolken hulde; hij bleef stokstijf staan en keek op het
achterschip naar het zog van het jagt. Na zoo eenige minuten uitgezien
te hebben, keerde hij zich om en zag nu een ander persoon voor zich
staan. Als iets zijne verbazing had kunnen opwekken, dan zou de majoor
zeker over deze ontmoeting verwonderd geweest zijn; want die passagier
was hem geheel onbekend.

Die groote, dorre en magere man was misschien veertig jaren oud; hij
geleek op een langen spijker met een grooten kop; zijn hoofd was breed
en forsch, zijn voorhoofd hoog en schrander, zijn kin spits, zijn mond
groot, zijn neus sterk gebogen. Zijne oogen waren verborgen achter een
verbazend grooten ronden bril en zijn blik scheen die onvastheid te
hebben, welke aan de nachtzienden[1] eigen is. Verstand en opgeruimdheid
stonden op zijn gelaat te lezen; hij had geenszins dat terugstootend
voorkomen van die deftige personen, die uit beginsel nooit lagchen, en
die hun onbeduidendheid onder een ernstig masker verbergen. Verre van
daar. De zorgeloosheid en de beminnelijke eenvoudigheid van dien
onbekende bewezen duidelijk, dat hij gewoon was menschen en zaken van
den besten kant te bezien. Maar eer hij nog gesproken had, gevoelde men,
dat hij een prater en vooral zeer afgetrokken was, zooals degenen, die
het voorwerp niet zien, dat zij beschouwen, en die de woorden niet
verstaan, die zij hooren. Hij droeg een reispet, sterke gele laarsjes en
lederen slopkousen, verder een kastanjebruine fluweelen broek en een
jasje van dezelfde stof, waarvan de ontelbare zakken opgepropt vol
schenen te zijn met aanteekenboekjes, zakboekjes, schrijfboekjes,
brievetasschen en duizend andere voorwerpen, die even lastig als
nutteloos waren, zonder nog te spreken van een kijker, dien hij aan een
riem droeg.

De rusteloosheid van dien onbekende stak sterk af bij de kalmte van den
majoor; hij liep om Mac Nabbs heen en zag hem vragend aan, zonder dat
deze moeite deed om te weten te komen van waar hij kwam, waar hij heen
ging, waarom hij aan boord van de _Duncan_ was.

Toen die raadselachtige persoon zag, dat al zijn pogingen verijdeld
werden door de onverschilligheid van den majoor, nam hij zijn kijker,
die wel vier voet lang was, en onbewegelijk, met de beenen wijd van
elkander gaande staan, zoodat hij wel een wegwijzer op den grooten weg
geleek, rigtte hij het werktuig op de lijn, waar lucht en water
ineenliepen; na zoo vijf minuten gekeken te hebben, liet hij den kijker
zakken en hem op het dek nederzettende, ging hij er op leunen, alsof het
een wandelstok was; maar dadelijk schoof de kijker toe, en de nieuwe
passagier, die zoo plotseling zijn steunpunt kwijt raakte, viel bijna
zoo lang als hij was aan den voet van den bezaansmast.

Ieder ander in de plaats van den majoor zou althans geglimlacht hebben.
Maar de majoor vertrok geen spier van zijn gelaat. Nu kwam de onbekende
op eens tot een besluit.

"Hofmeester!" riep hij met een tongval, die duidelijk den vreemdeling
verried.

Hij wachtte; maar te vergeefs: er verscheen niemand.

"Hofmeester!" riep hij nog eens, maar nu wat luider.

Olbinett, die zich naar de keuken onder de voorplecht begaf, ging juist
voorbij. Men kan denken, hoe verwonderd hij was, toen hij zich zoo
hoorde aanspreken door dien langen man, dien hij niet kende!

"Wat is dat voor iemand?" zeide hij bij zich zelven. "Een vriend van
lord Glenarvan? Dat is onmogelijk."

Hij klom toch op de kampanje en naderde den vreemdeling.

"Zijt gij de hofmeester?" vroeg deze hem.

"Ja, mijnheer!" antwoordde Olbinett; "maar ik heb de eer niet...."

"Ik ben de passagier uit de hut numero 6."

"Numero 6?" herhaalde de hofmeester.

"Zeker. En gij heet?..."

"Olbinett."

"Welnu, Olbinett! mijn vriend!" antwoordde de passagier uit de hut
numero 6, "ik moet om mijn ontbijt denken, en wat gaauw ook. In geen zes
en dertig uren heb ik iets gegeten, of liever, ik heb zes en dertig uren
achtereen geslapen, hetgeen wel te vergeven is aan iemand, die zonder op
te houden van Parijs naar Glasgow gereisd is. Wees zoo goed mij te
zeggen, hoe laat men hier ontbijt."

"Ten negen ure," antwoordde Olbinett werktuigelijk.

De vreemdeling wilde op zijn horlogie zien, maar daarmede ging heel wat
tijd weg, daar hij het eerst in zijn negenden zak vond.

"Goed," zeide hij. "Het is nog geen acht ure. Kom aan, Olbinett! geef
mij dan intusschen een beschuit en een glas Xeres-wijn; want ik sterf
van den honger."

Olbinett begreep er niets van; bovendien praatte de onbekende maar
onophoudelijk door en sprong met buitengemeene radheid van het eene
onderwerp op het andere.

"En waar is de kapitein?" vroeg hij. "Is de kapitein nog niet bij de
hand! En de eerste stuurman? wat doet de eerste stuurman? Slaapt hij ook
nog? Het is mooi weer en de wind gelukkig goed, en het schip gaat van
zelf...."

Terwijl hij zoo sprak, verscheen John Mangles aan den trap van de
kampanje.

"Daar is de kapitein," zeide Olbinett.

"Het doet mij groot genoegen kennis met u te mogen maken, kapitein
Burton!" riep de onbekende.

Als er ooit iemand verwonderd stond te kijken, dan was het zeker John
Mangles, niet minder, omdat hij zich "kapitein Burton" hoorde noemen,
dan omdat hij dien vreemdeling op zijn schip zag.

De ander babbelde maar voort.

"Veroorloof mij uwe hand te drukken," zeide hij. "Dat ik het eergisteren
avond niet gedaan heb, komt, omdat ik op het oogenblik van het vertrek
niemand wilde hinderen. Maar nu, kapitein! ben ik waarlijk blij kennis
met u te maken."

John Mangles zette groote oogen op, en zag nu eens Olbinett en dan weder
den onbekende aan.

"Nu is de voorstelling afgeloopen, waarde kapitein!" hernam hij, en zijn
wij oude vrienden. Laten wij nu zamen wat praten, en zeg mij eens of gij
in uw schik zijt met de _Scotia_?"

"Wat bedoelt gij met de _Scotia_?" zeide John Mangles eindelijk.

"Wel de _Scotia_, waarop wij thans zijn, een goed vaartuig, welks
voortreffelijkheid men niet minder roemt dan het karakter van zijn
gezagvoerder, den braven kapitein Burton. Zijt gij misschien verwant aan
den grooten afrikaanschen reiziger van dien naam, een moedig man. Als
dat zoo is, maak ik u mijn compliment!"

"Mijnheer!" hernam John Mangles, "ik ben evenmin een bloedverwant van
den reiziger Burton, als ik kapitein Burton zelf ben."

"Zoo!" zeide de onbekende, "spreek ik dan op dit oogenblik met den
eersten stuurman der _Scotia_, den heer Burdness?"

"De heer Burdness," antwoordde John Mangles, die de waarheid begon te
vermoeden, en niet wist of hij met een gek of met een losbol te doen
had. Hij wilde juist een kort en bondig antwoord geven, toen lord
Glenarvan, zijn vrouw en miss Grant weder op het dek kwamen. Zoodra de
vreemdeling hen bemerkte, riep hij uit:

"Ha! passagiers! dames! Dat treft goed. Ik hoop, dat gij mij zult
voorstellen, mijnheer Burdness!"

En met de grootste ongedwongenheid nader tredende, zonder de
tusschenkomst van John Mangles af te wachten, sprak hij miss Grant aan
als "mevrouw", lady Helena als "miss" en noemde hij lord Glenarvan
"mijnheer."

"Lord Glenarvan," zeide John Mangles.

"Mylord!" hernam nu de onbekende, "vergeef mij, dat ik mij zelven zoo
voorstel; maar op zee kan men alle vormen zoo niet in acht nemen; ik
hoop, dat wij spoedig kennis zullen maken, en dat door het bijzijn dezer
dames de reis met de _Scotia_ evenzeer verkort als veraangenaamd zal
worden."

Lady Helena en miss Grant wisten niet, wat zij zeggen moesten. Zij
begrepen niets van de tegenwoordigheid van dien indringer op de kampanje
der _Duncan_.

"Met wien heb ik de eer te spreken, mijnheer?" vroeg eindelijk lord
Glenarvan.

"Met Jacques-Eliacin-François-Marie Paganel, secretaris van het
aardrijkskundig genootschap te Parijs, correspondeerend lid der
genootschappen te Berlijn, Bombay, Darmstadt, Leipzig, Londen,
Petersburg en New-York, honorair lid van het koninklijk instituut voor
de land- en volkenkunde van Oost-Indië, die, na twintig jaren
doorgebragt te hebben met de aardrijkskunde in zijn studeerkamer te
beoefenen, nu tot de strijdende wetenschap overgaat en zich naar Indië
begeeft om verband te brengen in den arbeid der groote reizigers."



[1] Het nachtzien is een bijzondere inrigting van het oog, waardoor men
de voorwerpen in het duister ziet.



VII.

Waar Jacques Paganel van daan komt en waar hij heen gaat.


De secretaris van het aardrijkskundig genootschap was zeker een
beminnelijk man, want hij zeide dat alles met veel zwier. Lord Glenarvan
wist nu ook zeer goed, met wien hij sprak; de naam en de verdienste van
Jacques Paganel waren hem volkomen bekend; zijn aardrijkskundige werken,
zijn verslagen over de jongste ontdekkingen, zijn briefwisseling met de
geheele wereld, maakten hem tot een van de beroemdste geleerden van
Frankrijk. Glenarvan stak dan ook zeer hartelijk zijn hand toe aan zijn
onverwachten gast.

"Nu de voorstelling afgeloopen is," voegde hij er bij, "wilt gij mij
zeker wel veroorlooven u een vraag te doen, mijnheer Paganel?"

"Wel twintig, mylord!" antwoordde Jacques Paganel; "het zal mij altijd
een groot genoegen zijn om met u te spreken."

"Eergisteren avond zijt gij aan boord van dit schip gekomen?"

"Ja, mylord! eergisteren avond ten acht ure. Bij het verlaten van den
caledonischen spoorweg ben ik in een huurrijtuig gestapt, en uit het
rijtuig op de _Scotia_, waarop ik uit Parijs de hut numero 6 voor mij
besproken had. Het was donker. Ik zag niemand aan boord. Vermoeid van
een reis van dertig uren, en wetende, dat het beste middel om niet
zeeziek te worden is om terstond naar bed te gaan en zijn kooi gedurende
de eerste dagen der reis niet te verlaten, ben ik onmiddellijk gaan
liggen en heb, gij moogt het vrij gelooven, zes en dertig uren achtereen
heerlijk geslapen."

De toehoorders van Jacques Paganel wisten nu, wat zij van zijn
tegenwoordigheid aan boord denken moesten; de fransche reiziger was bij
vergissing op het schip gekomen, terwijl de bemanning de plegtigheid in
de Sint-Mungo kerk bijwoonde. Alles was nu opgehelderd; maar wat zou de
geleerde aardrijkskundige wel zeggen, wanneer hij den naam en de
bestemming van het vaartuig, waarop hij zich bevond, vernam?

"Dan hebt gij Calcutta tot het uitgangspunt uwer reizen gekozen,
mijnheer Paganel?" vroeg Glenarvan.

"Ja, mylord! Indië te zien is levenslang mijn vurigste wensch geweest.
Eindelijk zal mijn schoonste droom verwezenlijkt worden in het vaderland
der olifanten en der Thuggs[1]."

"Dan zal het u zeker niet onverschillig zijn, mijnheer Paganel! of gij
een ander land bezoekt?"

"In het geheel niet, mylord! het zou mij zelfs hoogst onaangenaam zijn;
want ik heb brieven van aanbeveling voor lord Sommerset, den
gouverneur-generaal van engelsch Indië, en een zending van het
aardrijkskundig genootschap, die ik gaarne zou vervullen."

"Zoo! hebt gij een zending?"

"Ja! Ik moet een nuttige en belangrijke reis ondernemen, waarvan mijn
geleerde vriend en ambtgenoot, de heer Vivien de Saint-Martin, het plan
heeft ontworpen. Ik moet namelijk het spoor volgen der gebroeders
Schlagintweit, van kolonel Waugh, van Webb, van Hodgson, van de
zendelingen Huc en Gabet, van Moorcroft, van Jules Remy, en van zooveel
andere vermaarde reizigers. Ik hoop te slagen in hetgeen den zendeling
Krick in 1846 helaas mislukt is, met een woord, den loop van den
Yarou-Dzangbo-Tchou op te sporen, die Thibet over een lengte van 270
uren gaans, langs den noordelijken voet van het Himmelaya-gebergte,
bespoelt, en te onderzoeken of deze rivier zich niet in het noordoosten
van Assam met de Bramapoetra vereenigt. De gouden medaille, mylord! is
uitgeloofd voor den reiziger, wien het mag gelukken om een der
gewigtigste vraagstukken van de aardrijkskunde van Oost-Indië op te
lossen."

Paganel was vol vuur. Hij sprak met de grootste geestdrift. Hij liet
zich mededragen op de snelle wieken der verbeelding. Het zou even
onmogelijk geweest zijn om hem te stuiten als men dit den Rijn te
Schaffhausen doen kan.

"Mijnheer Jacques Paganel!" zeide lord Glenarvan na een oogenblik
stilte, "dat is zeker een schoone reis en waarvoor de wetenschap u zeer
dankbaar zal zijn; maar ik wil u niet langer in de dwaling laten, en
voorloopig althans moet gij afzien van het genoegen om Indië te
bezoeken."

"Er van afzien! En waarom?"

"Omdat gij den rug toekeert aan dat schiereiland."

"Hoe! kapitein Burton...."

"Ik ben kapitein Burton niet," antwoordde John Mangles.

"Maar de _Scotia_?"

"Dit schip is de _Scotia_ niet!"

Het is onmogelijk om de verbazing van Paganel te beschrijven. Hij zag
beurtelings lord Glenarvan, die even ernstig bleef, lady Helena en miss
Grant, wier trekken medelijden en leedwezen uitdrukten, John Mangles,
die glimlachte, en den majoor, die zich niet verroerde, aan; daarna riep
hij, de schouders ophalende en zijn bril van het voorhoofd voor zijn
oogen plaatsende: "Welk een scherts!"

Maar nu viel zijn oog op het stuurrad, waarop dit opschrift stond:

DUNCAN GLASGOW

"De _Duncan_! de _Duncan_!" riep hij wanhopend uit.

Daarop tuimelde hij den trap van de kampanje af en stormde zijn hut
binnen.

Zoodra de arme geleerde verdwenen was, kon niemand aan boord, uitgenomen
de majoor, zich langer goed houden, en zelfs de matrozen schaterden van
lagchen. Zich in den spoorweg vergissen! Dat kan! Den trein van Edinburg
voor dien van Dumbarton aanzien! Dat kan er ook nog door! Maar zich te
vergissen in het schip en naar Chili te zeilen, wanneer men naar Indië
gaan wil, dat is wel een bewijs van verregaande verstrooidheid.

"Zoo iets verwondert mij echter volstrekt niet in Jacques Paganel,"
zeide Glenarvan, "hij is bekend voor zulke ongelukken. Eens heeft hij
een beroemde kaart van Amerika uitgegeven, waar hij Japan op geplaatst
heeft. Dat neemt echter niet weg, dat hij een groot geleerde en een der
beste aardrijkskundigen van Frankrijk is."

"Maar wat moeten wij met dien armen man aanvangen?" vroeg lady Helena.
"Wij kunnen hem toch niet medenemen naar Patagonië."

"Waarom niet?" antwoordde Mac Nabbs heel deftig, "wij zijn niet
verantwoordelijk voor zijn verstrooidheid. Vooronderstel dat hij op een
spoortrein zat, zou hij dien laten stilstaan?"

"Neen! maar hij zou aan het eerste station afstappen," hernam lady
Helena.

"Welnu," zeide Glenarvan, "dat kan hij des verkiezende doen in de eerste
haven, die wij aandoen."

Juist kwam Paganel verdrietig en beschaamd op de kampanje terug, na zich
verzekerd te hebben, dat zijn goed aan boord was. Onophoudelijk
herhaalde hij die ongelukkige woorden: de _Duncan_! de _Duncan_! Het
scheen, dat hij geen andere meer kon vinden. Hij liep heen en weer,
onderzocht de tuigaadje van het jagt, en ondervroeg den zwijgenden
gezigteinder der volle zee. Eindelijk kwam hij bij lord Glenarvan terug
en zeide: "En die _Duncan_ gaat?..."

"Naar Amerika, mijnheer Paganel!"

"En meer bepaald?..."

"Naar Concepcion."

"Naar Chili! Naar Chili!" riep de ongelukkige aardrijkskundige. "En mijn
zending naar Oost-Indië! Maar wat zal de heer de Quatrefages, de
president der hoofd-commissie, wel zeggen! En de heer d'Avezac! En de
heer Cortambert! En de heer Vivien de Saint-Martin! Zal ik ooit weder de
vergaderingen van het genootschap durven bijwonen!"

"Komaan, mijnheer Paganel!" antwoordde Glenarvan, "wanhoop maar niet.
Alles kan nog te regt komen, en gij zult een betrekkelijk onbeteekenend
oponthoud ondervonden hebben. De Yarou-Dzangbo-Tchou zal in het gebergte
van Thibet wel op u blijven wachten. Wij loopen weldra te Madera binnen,
en daar zult gij wel een schip vinden, dat u naar Europa terugbrengt."

"Ik dank u, mylord! ik zal mij wel moeten onderwerpen. Maar men mag
zeggen, dat het een vreemd geval is, en ik ben de eenige, wien ooit zoo
iets overkomt. En mijn hut, die aan boord der _Scotia_ besteld is."

"O, ik raad u om voorloopig niet meer aan de _Scotia_ te denken."

"Maar," zeide Paganel, nadat hij het vaartuig op nieuw bezien had, "is
de _Duncan_ geen pleizierjagt?"

"Ja, mijnheer!" antwoordde John Mangles, "en zij is het eigendom van
Zijn Edelheid lord Glenarvan."

"Die u verzoekt om een ruim gebruik van zijn gastvrijheid te maken,"
zeide Glenarvan.

"Duizendmaal dank, mylord!" antwoordde Paganel; "ik ben waarlijk
getroffen door uw heuschheid; maar veroorloof mij een kleine opmerking:
Indië is een schoon land; het levert voor de reizigers vreemde
bijzonderheden op; deze dames zijn er zeker onbekend mede.... Welnu! de
stuurman behoeft maar even het rad om te draaijen, en het jagt de
_Duncan_ zou even gemakkelijk naar Calcutta als naar Concepcion
stevenen; en daar het toch maar een pleizierreisje is...."

Het hoofdschudden, waarmede het voorstel van Paganel ontvangen werd,
liet hem niet toe om voort te gaan. Hij bleef eensklaps steken.

"Mijnheer Paganel!" zeide nu lady Helena, "ware het slechts een
pleizierreisje, dan zou ik u antwoorden: Wij gaan gezamenlijk naar de
Oost, en lord Glenarvan zou het stellig goed vinden. Maar de _Duncan_
gaat schipbreukelingen opzoeken, die op de kusten van Patagonië geworpen
zijn, en kan zulk een menschlievende bestemming niet veranderen...."

Weldra was de fransche reiziger met de geheele zaak bekend; hij vernam,
niet zonder aandoening, de zonderlinge wijze, waarop de documenten
gevonden waren, de geschiedenis van kapitein Grant en het edelmoedige
voorstel van lady Helena.

"Sta mij toe, mevrouw!" zeide hij, "om uw gedrag bij deze gelegenheid te
bewonderen, en wel zonder eenig voorbehoud. Laat uw jagt zijn weg
vervolgen; het zou mij spijten, als het om mijnentwil een dag verloor."

"Wilt gij ons dan helpen bij onze nasporingen?" vroeg lady Helena.

"Dat is onmogelijk, mevrouw! ik moet mijn zending volbrengen. Ik zal in
de eerste haven de beste aan land gaan...."

"Te Madera dus," zeide John Mangles.

"Te Madera, het zij zoo. Daar ben ik maar honderd tachtig mijlen van
Lissabon af, en zal er scheepsgelegenheid afwachten."

"Welnu, mijnheer Paganel!" zeide Glenarvan, "uw wensch zal vervuld
worden, en ik voor mij ben verheugd, dat ik u voor eenige dagen een
verblijf hier aan boord mag aanbieden. Als gij u maar niet te sterk in
ons gezelschap verveelt!"

"O, mylord!" riep de geleerde, "ik mag nog blijde zijn, dat ik mij op
zulk een aangename wijze vergist heb! Niettemin is het een zeer
belagchelijke toestand, als men op reis gaat naar Indië en men naar
Amerika onder zeil is!"

In weerwil van die droevige opmerking schikte Paganel zich in een
oponthoud, dat hij toch niet kon voorkomen. Hij toonde zich beminnelijk,
vrolijk en zelfs verstrooid; hij betooverde de dames door zijn
opgeruimdheid, en de dag was nog niet ten einde of hij was met allen
bevriend; op zijn verzoek werd het bekende document aan hem medegedeeld.
Hij overwoog het lang en zorgvuldig, en tot in de geringste
bijzonderheden. Het kwam hem ook voor, dat er geen andere verklaring
mogelijk was. Mary Grant en haar broeder boezemden hem de levendigste
belangstelling in. Hij sprak hun goeden moed in. De eigenaardige wijze,
waarop hij de gebeurtenissen beschouwde, en de ontwijfelbare goede
uitslag, dien hij de _Duncan_ voorspelde, deden het meisje onwillekeurig
glimlagchen. En had zijn zending het niet belet, dan zou hij deel
genomen hebben aan het opsporen van kapitein Grant!

Maar toen hij hoorde, dat lady Helena een dochter was van William
Tuffnel, kwam er geen einde aan zijn uitroepen van bewondering. Hij had
haar vader gekend. Wat was hij een stout geleerde! Wat al brieven hadden
zij gewisseld, toen William Tuffnel correspondeerend lid van het
genootschap was! Hij en niemand anders had hem aan den heer Malte-Brun
voorgesteld! Hoe toevallig en hoe genoegelijk, dat hij met de dochter
van William Tuffnel mogt reizen!

Ten slotte vroeg hij aan Helena verlof om haar te omhelzen.

Lady Glenarvan stond het toe, hoewel het misschien een beetje
"onbetamelijk" was.


[1] De leden eener indische secte, die ter eere der Godheid de menschen
wurgen en tot hun eigen voordeel ze plunderen.



VIII.

Een braaf man meer aan boord van de Duncan.


Intusschen liep het jagt, door den noordewind voortgedreven, snel naar
de linie. Den 30sten Augustus kreeg men de groep van Madera in het
gezigt. Getrouw aan zijn belofte bood Glenarvan zijn nieuwen gast aan om
binnen te loopen en hem aan wal te zetten.

"Waarde lord!" antwoordde Paganel, "ik wil eens rondborstig met u
spreken. Waart gij, vóór mijn komst aan boord, voornemens om Madera aan
te doen?"

"Neen!" zeide Glenarvan.

"Welnu! vergun mij dan, dat ik mijn voordeel doe met de gevolgen mijner
ongelukkige verstrooidheid. Het eiland Madera is reeds te bekend. Het
levert niets belangrijks meer voor een aardrijkskundige op. Men heeft
over die groep reeds al het mogelijke gezegd en geschreven, bovendien is
de druiventeelt deerlijk in verval. Verbeeld u, er zijn geen wijngaarden
meer op Madera! De wijnoogst, die in 1813 twee en twintig duizend
pijpen[1] opleverde, is in 1845 gedaald tot twee duizend zes honderd
negen en zestig. Tegenwoordig is de opbrengst slechts vijf honderd! Het
is een droevig schouwspel. Als gij er dus niets tegen hebt om de
Kanarische eilanden aan te doen!..."

"Och neen!" antwoordde Glenarvan. "Dat is niet uit onzen weg."

"Ik weet het, waarde lord! Op de Kanarische eilanden, ziet gij, zijn
drie groepen te onderzoeken, gezwegen nog van de piek van Teneriffe, die
ik altijd gehoopt heb te zien. De gelegenheid doet zich nu op. Ik maak
er gebruik van, en in afwachting van een schip, dat mij naar Europa
terugbrengt, zal ik dien vermaarden berg beklimmen."

"Zooals gij wilt, geachte Paganel!" antwoordde lord Glenarvan, die niet
nalaten kon even te glimlagchen.

En hij had regt om te glimlagchen.

De Kanarische eilanden liggen niet ver van Madera. Slechts twee honderd
vijftig mijlen[2] liggen tusschen de beide groepen, en die afstand
beteekende niet veel voor zulk een goed zeiler als de _Duncan_.

Den 31sten Augustus, des namiddags ten twee ure, wandelden John Mangles
en Paganel op de kampanje. De Franschman bestormde zijn makker met
vragen over Chili; eensklaps viel de kapitein hem in de rede, en zeide,
terwijl hij in het zuiden een stip aan den gezigteinder aanwees:
"Mijnheer Paganel?"

"Waarde kapitein!" antwoordde de geleerde.

"Zie eens dezen kant uit. Bespeurt gij niets?..."

"Niets."

"Gij ziet een verkeerden kant uit. Gij moet niet naar den gezigteinder
zien, maar daarboven, in de wolken."

"In de wolken? Of ik al zoek...."

"Zie maar langs de buitenste punt van den boegspriet."

"Ik zie niets."

"Omdat gij niet zien wilt. In allen gevalle, gij begrijpt mij, en hoewel
wij er nog veertig mijlen van af zijn, is de piek van Teneriffe
duidelijk zigtbaar boven den gezigteinder."

Of nu Paganel zien wilde of niet, moest hij het toch eenige uren later
wel toegeven, als hij zich ten minste niet voor blind wilde uitgeven.

"Ziet gij ze eindelijk?" vroeg hem John Mangles.

"Ja, ja! heel goed!" antwoordde Paganel. "En is dat nu," voegde hij er
op een toon van minachting bij, "is dat nu die beroemde piek van
Teneriffe!"

"Dezelfde."

"Zij schijnt niet heel hoog te zijn."

"En toch is zij elf duizend voet boven den spiegel der zee verheven."

"Dan is de Mont-Blanc toch hooger."

"Dat kan wel zijn; maar als het op klimmen aankomt, zult gij haar
misschien hoog genoeg vinden."

"O! welk nut zou er in steken om haar te beklimmen na Von Humboldt en
Beauplan? Een groot genie, die Von Humboldt! Hij heeft dezen berg
bestegen; hij heeft er een beschrijving van gegeven, die niets te
wenschen overlaat; hij heeft zijn vijf gordels onderzocht: den gordel
der wijnstokken, den gordel der laurierboomen, den gordel der
pijnboomen, den gordel der alpenkruiden, en eindelijk den gordel der
onvruchtbaarheid. Hij heeft den voet gezet op het bovenste puntje der
bergspits, waar niet eens ruimte genoeg was om te gaan zitten. Van den
top des bergs omvatte zijn blik een ruimte, gelijk aan het vierde
gedeelte van Spanje. Vervolgens heeft hij den vulkaan tot in zijn
binnenste doorzocht en den bodem van den uitgebranden krater betreden.
Nu vraag ik maar, wat er na dien grooten man voor mij nog te doen is?"

"Gij hebt gelijk," antwoordde John Mangles, "de nalezing is zeer
schraal. Het is jammer; want gij zult u deerlijk vervelen, als gij in de
haven van Teneriffe op een schip moet wachten. Gij moet niet op
verstrooijing rekenen."

"Behalve op mijn eigen verstrooidheid," zeide Paganel lagchende. "Maar,
waarde Mangles! leveren de Kaap-Verdische eilanden geen belangrijke
ankerplaatsen op?"

"Wel zeker. Niets is gemakkelijker dan te Villa da Praïa een schip te
vinden."

"Om nog niet eens te spreken van een ander voordeel, dat ook niet te
versmaden is," antwoordde Paganel, "namelijk, dat de Kaap-Verdische
eilanden digt bij den Senegal liggen, waar ik landgenooten zal
aantreffen. Ik weet wel, dat men die groep niet zeer belangrijk, woest
en ongezond noemt; maar in het oog van den aardrijkskundige is alles
wetenswaardig. Zien is ook een wetenschap. Er zijn menschen, die niet
kunnen zien, en die met evenveel verstand als een schaaldier rondreizen.
Maar gij moogt vrij gelooven, dat ik niet tot die soort behoor."

"Gij kunt doen, zooals gij verkiest, mijnheer Paganel!" antwoordde John
Mangles; "ik ben zeker, dat de aardrijkskunde veel winnen zal bij uw
verblijf op de Kaap-Verdische eilanden. Wij moeten er toch binnenloopen
om kolen in te nemen. Uw ontscheping zal ons dus geen oponthoud
veroorzaken."

Nu gaf de kapitein de noodige bevelen om bewesten de Kanarische eilanden
te varen; de beroemde piek liet men aan bakboordszijde liggen, en haar
snellen loop voortzettende sneed de _Duncan_ den 2den September, des
morgens ten vijf ure, den kreeftskeerkring. Nu begon het weder te
veranderen. Het was de vochtige en drukkende lucht van den regentijd,
"le tempo das aguas", zooals de Spanjaarden zeggen; een jaargetijde, dat
wel lastig is voor de reizigers, maar zeer welkom voor de bewoners der
afrikaansche eilanden, die geen boomen en bij gevolg ook gebrek aan
water hebben. De holle zee verhinderde de passagiers om op het dek te
komen; maar de gesprekken in de algemeene kamer waren er niet minder
levendig om.

Den 3den September begon Paganel zijn goed bijeen te zoeken; want zijn
ontscheping was op til. De _Duncan_ manoeuvreerde tusschen de
Kaap-Verdische eilanden; zij voer voorbij het Zout-eiland, een waren
zandheuvel, onvruchtbaar en verlaten; na groote koraalbanken voorbij
gestevend te zijn, had zij het eiland San Jago dwars van zich af, dat
van het noorden naar het zuiden doorsneden wordt door een keten
basaltbergen, die in twee hooge toppen uitloopen. Vervolgens liep John
Mangles de baai van Villa-Praïa in, en ankerde weldra voor de stad op
acht vademen diepte. Het was een verschrikkelijk weer en de branding was
zeer hevig, hoewel de baai tegen den zeewind beschut was. Het
stortregende, zoodat men ter naauwernood de stad zien kon, die op een
rijzende vlakte gebouwd is, die tegen drie honderd voet hooge
vulkanische voorbergen leunt. Het eiland leverde door die dikke gordijn
van regen heen een akelig gezigt op.

Lady Helena kon haar plan om de stad te bezoeken niet volvoeren; het
innemen van de kolen had met de grootste moeite plaats. De passagiers
der _Duncan_ moesten dus onder de kampanje blijven, terwijl lucht en zee
haar water in een onuitsprekelijke verwarring met elkaar vermengden. Het
weder was natuurlijk het eenige onderwerp der gesprekken aan boord.
Ieder zeide er het zijne van, behalve de majoor, die met volkomene
onverschilligheid zelfs een algemeenen zondvloed zou bijgewoond hebben.
Paganel liep het hoofd schuddende heen en weer.

"Het wordt er om gedaan, geloof ik," zeide hij.

"Het is zeker" antwoordde Glenarvan, "dat de elementen zich tegen ons
verklaren."

"Ik zal er mij toch niet aan storen."

"Gij kunt toch niet in zulk een regenbui aan land gaan," zeide lady
Helena.

"Voor mij is het niets, mevrouw! Ik ben alleen bang voor mijn bagage en
mijn instrumenten. Alles zal bedorven worden."

"Er is alleen maar gevaar bij het ontschepen," hernam Glenarvan. "Eens
te Villa-Praïa zijnde, kunt gij wel onder dak komen. De zindelijkheid
laat zeker wel wat te wenschen over en het gezelschap van apen en
zwijnen is juist niet bijzonder aangenaam. Maar een reiziger moet daar
niet op zien. Bovendien moogt gij verwachten, dat gij binnen zeven of
acht maanden wel een schip zult vinden, dat u naar Europa brengt."

"Zeven of acht maanden!" riep Paganel.

"Op zijn allerminst. De Kaap-Verdische eilanden worden in den regentijd
niet druk door schepen bezocht. Maar gij zult uw tijd nuttig kunnen
besteden. Deze archipel is nog weinig bekend. Er is nog niet veel gedaan
aan de plaatsbeschrijving, aan het onderzoek van het klimaat en de
bewoners en aan de hoogtemeting."

"Gij zult den loop der stroomen kunnen nagaan," zeide lady Helena.

"Er zijn geen stroomen, mevrouw!" antwoordde Paganel.

"Van de rivieren dan!"

"Die zijn er evenmin."

"Van de beken dan?"

"Die zijn er ook niet."

"Goed!" sprak de majoor, "dan kunt gij de wouden doorkruisen."

"Om bosschen te maken, moeten er boomen zijn; maar die zijn er niet."

"Een mooi land!" riep de majoor.

"Troost u, waarde Paganel!" zeide nu Glenarvan, "de bergen blijven toch
nog over."

"O! die zijn maar laag en leveren niets belangrijks op, mylord! En
bovendien, dat werk is reeds verrigt."

"Reeds verrigt!" zeide Glenarvan.

"Ja! zoo gaat het mij meestal. Stond ik op de Kanarische eilanden voor
het werk van Von Humboldt, hier heb ik een anderen voorganger gehad, den
geoloog Charles Sainte-Claire-Deville!"

"Maar dat is onmogelijk!"

"En toch is het zoo," antwoordde Paganel op een verdrietigen toon. "Deze
geleerde was aan boord der oorlogskorvet _la Décidée_, toen zij de
Kaap-Verdische eilanden aandeed; hij heeft den belangrijksten top der
geheele groep, den vulkaan van het eiland Fogo, bezocht. Wat blijft er
nu voor mij over?"

"Maar dat is toch wat te zeggen," antwoordde lady Helena. "Wat zult gij
nu doen, mijnheer Paganel?"

Paganel zweeg eenige oogenblikken stil.

"Gij hadt zeker beter gedaan met te Madera aan land te gaan, al is er
geen wijn meer!" hernam Glenarvan.

De geleerde secretaris van het aardrijkskundig genootschap zeide hier
niets op.

"Ik zou maar wachten," zeide de majoor op een toon, alsof hij wilde
zeggen: "ik zou niet wachten."

"Waarde Glenarvan!" hernam nu Paganel, "waar denkt gij nu binnen te
loopen?"

"O, eerst te Concepcion"

"Drommels! dat is een heel eind uit de buurt van Indië."

"Wel neen! zoodra gij voorbij kaap Hoorn zijt, komt gij er hoe langer
hoe digter bij."

"Dat zou nog te bezien staan."

"Bovendien," hernam Glenarvan met een ernstig gezigt, "als men naar
Indië gaat, komt het er niet op aan of het Oost- of West-Indië is."

"Nu nog mooijer."

"Zonder nog te rekenen, dat de bewoners der pampa's van Patagonië even
goed Indianen zijn als de inboorlingen van Pendsjaub."

"Drommels, mylord!" riep Paganel, "zulk een redeneering zou nooit in mij
opgekomen zijn!"

"En dan, waarde Paganel! men kan de gouden medaille overal verdienen; er
is overal wat te doen, wat te zoeken, wat te ontdekken, op de
Cordillera's zoowel als in het gebergte van Thibet."

"Maar de loop van den Yarou-Dzangbo-Tchou?"

"Wel, neem de Rio Colorado in zijn plaats! Dat is een weinig bekende
rivier, die op de kaart wel wat al te willekeurig door de
aardrijkskundigen wordt aangewezen."

"Ik weet het, waarde lord! er is een fout in van verscheidene graden. O!
ik twijfel niet of het aardrijkskundig genootschap zou mij, als ik er om
gevraagd had, even gaarne naar Patagonië als naar Indië gezonden hebben.
Maar daaraan heb ik niet gedacht!"

"Het gevolg van uw gewone verstrooidheid."

"Kom, mijnheer Paganel! ga maar met ons mede!" zeide lady Helena op een
vleijenden toon.

"En mijn zending dan, mevrouw!"

"Ik waarschuw u, dat wij door de straat van Magellaan zullen varen,"
hernam Glenarvan.

"Mylord! gij zijt een verzoeker."

"Ik voeg er bij, dat wij Hongerhaven zullen bezoeken."

"Hongerhaven!" riep de Franschman, die aan alle kanten bestormd werd,
"die haven, welke zoo beroemd is in de jaarboeken der aardrijkskunde!"

"Bedenk ook eens, mijnheer Paganel!" hervatte lady Helena, "dat gij het
regt zult hebben om bij deze onderneming den naam van Frankrijk te paren
aan dien van Schotland!"

"Ja, zonder twijfel!"

"Een aardrijkskundige kan ons van dienst zijn op onzen togt, en is er
iets schooners, dan de wetenschap dienstbaar te maken aan de
menschlievendheid?"

"Goed gezegd, mevrouw!"

"Geloof mij. Laat het toeval of liever de Voorzienigheid begaan. Doe
gelijk wij. Zij heeft ons dit document toegezonden; wij zijn vertrokken.
Zij werpt u op de _Duncan_, verlaat ze niet meer."

"Mag ik u eens iets zeggen, mijne vrienden?" hernam nu Paganel, "gij
hebt grooten lust om mij hier te houden!"

"En gij om hier te blijven, Paganel!" antwoordde Glenarvan.

"Juist geraden!" riep de geleerde aardrijkskundige; "maar ik vreesde
onbescheiden te zijn!"


[1] Een pijp is gelijk aan vijftig vaten.

[2] Omtrent negentig uren.



IX.

De straat van Magellaan.


Er heerschte een algemeene vreugde aan boord, toen men het besluit van
Paganel vernam. De jonge Robert vloog hem met een veelzeggende
levendigheid om den hals. Het scheelde weinig, of de waardige secretaris
was achterover gevallen. "Een ruwe knaap," zeide hij, "ik zal hem
aardrijkskunde leeren."

Daar John Mangles op zich nam om een zeeman, Glenarvan om een moedig
man, de majoor om een koelbloedigen jongen, Helena om een goed en
edelmoedig mensch, Mary Grant om een dankbaren kweekeling van zulke
meesters van hem te maken, kon het niet anders of hij moest eenmaal een
volmaakt "gentleman" worden.

De _Duncan_ had spoedig den noodigen voorraad kolen aan boord, waarna
zij die treurige streken verliet, den koers westwaarts naar de kust van
Brazilië rigtte, en den 7den September, na met een frissche koelte uit
het noorden de linie gepasseerd te zijn, in het zuidelijk halfrond kwam.

De reis ging dus tot nog toe zeer goed; iedereen had goeden moed. Op
dezen togt ter opsporing van kapitein Grant scheen de kans op een goeden
uitslag dagelijks grooter te worden. De kapitein koesterde wel het
meeste vertrouwen. Maar zijn vertrouwen vloeide vooral voort uit zijn
hartewensch om miss Mary gelukkig en getroost te zien. Hij had een
bijzondere belangstelling voor dat meisje opgevat, en verborg dat gevoel
zoo goed, dat behalve Mary Grant en hij zelf, iedereen aan boord van de
_Duncan_ het bemerkte.

De geleerde aardrijkskundige was waarschijnlijk de gelukkigste mensch op
het zuidelijk halfrond; hij bragt den geheel en dag door met de kaarten
te bestudeeren, die hij op de tafel in de algemeene kamer uitspreidde,
waaruit dagelijks geschil ontstond met Olbinett, die de tafel niet kon
dekken. Maar Paganel had al de bewoners der kampanje op zijn hand,
behalve den majoor, die zeer onverschillig was voor aardrijkskundige
vraagstukken, vooral tegen etenstijd. Ook had hij een heelen hoop zeer
geschonden boeken in de koffers van den eersten stuurman gevonden, en
daaronder eenige spaansche werken, hetgeen hem op den inval bragt om de
taal van Cervantes, welke niemand aan boord magtig was, te gaan leeren.
Dat zou zijn nasporingen op de chilische kust gemakkelijk maken. Wegens
zijn aanleg voor het leeren van talen, twijfelde hij geenszins of hij
zou die nieuwe taal vloeijend kunnen spreken bij zijn komst te
Concepcion. Hij leerde dan ook met veel ijver, en onophoudelijk hoorde
men hem allerlei onzamenhangende lettergrepen mompelen.

In zijn uren van uitspanning verzuimde hij niet om den jongen Robert
praktisch te onderrigten, en vertelde hij hem de geschiedenis van die
kusten, welke de _Duncan_ zoo snel naderde.

Het was den 10den September, en men bevond zich toen op 5°37' breedte en
31°15' lengte. Op dien dag vernam Glenarvan iets, dat zelfs geleerder
menschen misschien niet weten. Paganel vertelde de geschiedenis van
Amerika, en om op de groote zeevaarders te komen, wier spoor het jagt nu
volgde, begon hij bij Christophorus Columbus; hij eindigde met te
zeggen, dat de beroemde Genuees gestorven was, zonder te weten, dat hij
een nieuwe wereld ontdekt had.

Niemand zijner hoorders wilde dit gelooven. Paganel bleef het echter
volhouden.

"Niets is zekerder," voegde hij er bij. "Ik wil den roem van Columbus
niet verminderen; maar het feit is bewezen. Tegen het einde der
vijftiende eeuw hield slechts ééne gedachte alle geleerden bezig: de
gemeenschap met Azië gemakkelijker te maken, en het Oosten te zoeken
langs westelijke wegen; in een woord, om langs den kortsten weg naar
"het land der specerijen" te gaan. Columbus beproefde het. Hij deed vier
reizen; hij deed Amerika aan op de kusten van Cumana, Honduras,
Mosquitos, Nicaragua, Veragua, Costa-Rica en Panama, zag dat alles aan
voor Japan en China, en stierf zonder kennis te dragen van het groote
vastland, dat niet eens zijn naam zou dragen!"

"Ik wil u wel gelooven, waarde Paganel!" antwoordde Glenarvan; "maar gij
zult mij toch zeker mijn verwondering niet ten kwade duiden, evenmin als
mijn verlangen om te weten, welke zeevaarders dan wel de waarheid
aangaande de ontdekkingen van Columbus aan den dag hebben gebragt."

"Zijne opvolgers: Ojeda, die hem reeds op zijne reizen vergezeld had,
zoowel als Vincentius Pinzon, Vespucius, Mendoza, Bastidas, Cabral,
Solis, Balboa. Deze zeevaarders zeilden langs de oostkust van Amerika;
zij bepaalden haar zuidelijke grenzen en werden, nu reeds drie honderd
zestig jaar geleden, door dezelfde strooming medegevoerd, die ons
voortdrijft! Ziet, mijne vrienden! wij zijn de linie gepasseerd op
dezelfde plaats, waar Pinzon haar in het laatst der vijftiende eeuw
passeerde, en wij naderen den achtsten graad zuiderbreedte, waaronder
hij de braziliaansche kust aantrof. Een jaar later kwam de Portugees
Cabral tot aan de haven Seguro. Vespucius ging later op zijn derden togt
in 1502 nog verder zuidwaarts. In 1508 verbonden zich Vincentius Pinzon
en Solis om de kusten van Amerika te onderzoeken, en in 1514 ontdekte
Solis den mond der Rio de la Plata, waar hij door de inboorlingen
verslonden werd, zoodat aan Magellaan de eer te beurt viel van de aarde
rond te reizen. Die groote zeevaarder vertrok in 1519 met vijf
vaartuigen, volgde de kusten van Patagonië, ontdekte de haven Désiré, de
haven San-Julian, waar hij een geruimen tijd bleef liggen, vond op twee
en vijftig graden breedte de straat der Elf duizend Maagden, die naar
hem zou genoemd worden, en kwam den 28sten November 1520 in de Stille
Zuidzee. O! welk een blijdschap moest hij gevoelen, en welke ontroering
zal zijn hart hebben doen kloppen, toen hij aan den gezigteinder een
nieuwe zee zag fonkelen onder de stralen der zon!"

"Ja, mijnheer Paganel!" riep Robert Grant uit, die opgetogen was van
geestdrift door de woorden van den aardrijkskundige, "daar zou ik gaarne
bij geweest zijn!"

"Ik ook, mijn jongen! en ik zou zulk een gelegenheid niet hebben laten
ontglippen, als de hemel mij drie honderd jaar vroeger had laten geboren
worden!"

"Dat zou jammer voor ons geweest zijn, mijnheer Paganel!" antwoordde
lady Helena; "want dan zoudt gij ons nu op de kampanje der _Duncan_ die
geschiedenis niet vertellen."

"Een ander zou het in mijne plaats gedaan hebben, mevrouw! en hij zou er
bijgevoegd hebben, dat de kennismaking met de westkust te danken is aan
de gebroeders Pizarro. Deze stoutmoedige gelukzoekers waren groote
stedenstichters. Cusco, Quito, Lima, Santiago, Villarica, Valparaiso en
Concepcion, waar de _Duncan_ ons heenbrengt, zijn hun werk. Te dien
tijde sloten de ontdekkingen van Pizarro zich aan bij die van Magellaan,
en de geheele amerikaansche kust kwam op de kaarten voor, tot groot
genoegen van de geleerden der oude wereld."

"En ik," zeide Robert, "zou nog niet tevreden geweest zijn."

"Waarom niet?" vroeg Mary, terwijl zij haar broeder aanzag, die
opgewonden werd bij het verhaal van die groote ontdekkingen.

"Ja, jongenlief! waarom niet?" vroeg lord Glenarvan met een bemoedigend
glimlachje.

"Omdat ik had willen weten, wat er aan gene zijde der straat van
Magellaan lag."

"Bravo, vriendje!" antwoordde Paganel, "en ik had ook willen weten of
het vastland tot aan de pool liep, dan wel of er een opene zee bestond,
zooals Drake, een uwer landgenooten, mylord! vooronderstelde. Het is dus
stellig zeker, dat als Robert Grant en Jacques Paganel in de zeventiende
eeuw geleefd hadden, zij zich met Schouten en Lemaire ingescheept zouden
hebben, twee Nederlanders, die zeer begeerig waren om de oplossing van
dat aardrijkskundig raadsel te vinden."

"Waren het geleerden?" vroeg lady Helena.

"Neen! maar stoute handelaars, die zich weinig bekommerden om de
wetenschappelijke zijde der ontdekkingen. Er bestond toen in Holland een
Oost-Indische Compagnie, die alleen het regt had om door de straat van
Magellaan handel te drijven. Daar nu te dien tijde geen andere doortogt
bekend was om langs de wegen van het westen naar Azië te komen, was de
alleenhandel het gevolg van dat voorregt. Menige handelaren wilden
daarom dat monopolie nutteloos maken door een andere straat te
ontdekken, en daaronder behoorde een zekere Isaac Lemaire, een schrander
en bekwaam man. Hij rustte met eenige burgers van Hoorn twee schepen uit
onder bevel van zijn neef, Jacob Lemaire, en van Schouten, een goed
zeeman, te Hoorn geboren. Die stoute zeereizigers zeilden in de maand
Junij van het jaar 1615 uit, bijna een eeuw na Magellaan; zij ontdekten
de straat van Lemaire, tusschen het Vuurland en het Stateneiland, en den
12den Februarij 1616 zeilden zij om kaap Hoorn, die met meer regt dan
haar zuster, de kaap de Goede Hoop, den naam van Stormkaap verdiend zou
hebben."[1]

"Ja zeker, daar had ik wel bij willen zijn!" riep Robert.

"En gij zoudt uit de bron der levendigste aandoeningen geput hebben,
mijn jongen!" hernam Paganel, die hoe langer hoe opgewondener werd.
"Bestaat er wel een echter genoegen, een wezenlijker vermaak dan dat van
den zeevaarder, die zijne ontdekkingen op de scheepskaart aanteekent?
Hij ziet de landen allengs onder zijn oog ontstaan, eiland na eiland,
voorgebergte na voorgebergte, ja, om zoo te zeggen uit den schoot der
golven oprijzen! Eerst zijn de grenslijnen onduidelijk, afgebroken,
onzamenhangend! Hier een eenzame kaap, daar een afgelegen baai, verder
een golf, die zich in de ruimte verliest. Langzamerhand worden de
ontdekkingen volledig, de lijnen sluiten aan elkander, de punten op de
kaart maken plaats voor een streep; de baaijen dringen boogvormig in
bepaalde kusten, de kapen rusten op vaste oevers; eindelijk ontvouwt
zich het nieuwe vastland met zijn meren, rivieren en stroomen, zijn
bergen, dalen en vlakten, zijn dorpen, steden en hoofdsteden, in al zijn
schitterende pracht op de globe! Ach, mijne vrienden! een landontdekker
is waarlijk een uitvinder! Hij gevoelt al diens aandoeningen en
verrassingen! Maar nu is die mijn bijna uitgeput! Men heeft ten aanzien
van vastlanden of nieuwe werelden alles gezien, alles onderzocht, alles
uitgevonden, en wij, die zoo achteraan komen in de wetenschap der
aardrijkskunde, wij hebben niets meer te doen!"

"Gij vergist u, waarde Paganel!" antwoordde Glenarvan.

"En wat dan?"

"Wat wij doen!"

Intusschen vorderde de _Duncan_ goed op den weg der Vespuciussen en
Magellaans. Op den 15den September passeerde zij den steenbokskeerkring,
en werd de steven naar den ingang der beroemde straat gerigt;
verscheidene malen bemerkte men de lage kusten van Patagonië, maar als
een lijn, die ter naauwernood aan den gezigteinder zigtbaar was; men
schatte den afstand op meer dan tien mijlen, en de sterke kijker van
Paganel gaf hem slechts een onduidelijk beeld van die amerikaansche
oevers.

Den 25sten September was de _Duncan_ op de hoogte der straat van
Magellaan. Zij stevende haar onbeschroomd in; de stoomschepen, die naar
de Stille Zuidzee gaan, geven meestal de voorkeur aan dezen weg, die
slechts drie honderd zes en zeventig mijlen[2] lang is; de de grootste
schepen vinden overal diep water, zelfs op de ondiepten aan de oevers,
een uitmuntenden ankergrond, talrijke waterplaatsen, vischrijke
rivieren, een overvloed van wild in de bosschen, op twintig plaatsen
veilige en gemakkelijke havens, kortom duizend hulpmiddelen, die men te
vergeefs zoekt in de straat van Lemaire en bij de verschrikkelijke
rotsen van kaap Hoorn, waar onafgebroken orkanen en stormen heerschen.

Gedurende de eerste uren van den togt, dat is te zeggen over een lengte
van zestig a tachtig mijlen, tot aan kaap Gregorius, zijn de kusten laag
en zandig. Jacques Paganel wilde geen enkel gezigtspunt of bijzonderheid
van de straat over het hoofd zien; de togt zou ter naauwernood zes en
dertig uren duren, en dat bewegelijk panorama van de beide oevers was
wel de moeite waard, die de geleerde nam, om het bij het heldere licht
der zuiderzon te bewonderen. Geen inwoner was op de noordelijke kust te
zien; alleen doolden eenige ellendige Vuurlanders op de kale rotsen van
het Vuurland.

Paganel had dus het verdriet van geen Patagoniërs te zien. Dit speet hem
zeer, tot groot vermaak zijner reisgenooten.

"Een Patagonië zonder Patagoniërs is geen Patagonië meer," zeide hij.

"Geduld, waarde aardrijkskundige!" antwoordde hem Glenarvan, "wij zullen
Patagoniërs zien."

"Ik ben er niet zeker van."

"Maar zij bestaan toch," zeide lady Helena.

"Ik betwijfel het zeer, mevrouw! ook zie ik er niet."

"Die naam Patagoniërs, die in het spaansch "grootvoeten" beteekent, zal
toch wel niet aan denkbeeldige wezens gegeven zijn."

"O! de naam doet er niets toe," antwoordde Paganel, die in zijn meening
bleef volharden om het gesprek aan den gang te houden, "bovendien weet
men om de waarheid te zeggen niet eens hoe zij heeten."

"Nu nog mooijer!" riep Glenarvan. "Wist gij dat, majoor?"

"Neen!" antwoordde Mac Nabbs, "en ik zou er geen schots pond voor geven
om het te weten."

"En toch zult gij het hooren, onverschillige majoor!" hernam Paganel.
"Heeft Magellaan de inboorlingen dezer streken Patagoniërs genoemd, de
Vuurlanders noemen hen Tiremenen, de Chiliërs Cancalhues, de kolonisten
van de Carmen Tehuelches, de Araucaniërs Huiliches; Bougainville geeft
hun den naam van Chaouha, Falkner dien van Tehuelhets! Zich zelven geven
zij den algemeenen naam van Inaken! Nu vraag ik u, hoe men daaruit wijs
kan worden, en of een volk, dat zooveel namen heeft, bestaan kan!"

"Daar valt niets tegen in te brengen!" antwoordde lady Helena.

"Toegegeven!" hernam Glenarvan; "maar onze vriend Paganel zal toch, meen
ik, bekennen, dat zoo er al twijfel bestaat over den naam der
Patagoniërs, men het althans over hun lengte wel eens is!"

"Nooit zal ik zoo iets bekennen," antwoordde Paganel.

"Zij zijn groot," zeide Glenarvan.

"Ik weet het niet."

"Klein dan?" vroeg lady Helena.

"Dat kan niemand zeggen."

"Middelmatig dan?" zeide Mac Nabbs om alles in orde te brengen.

"Ik weet het evenmin."

"Dat gaat toch te ver!" riep Glenarvan "De reizigers, die hen gezien
hebben...."

"De reizigers, die hen gezien hebben," antwoordde de aardrijkskundige,
"zijn het volstrekt niet eens. Magellaan zeide, dat zijn hoofd
naauwelijks tot hun gordel reikte."

"Welnu!"

"Ja maar Drake beweert, dat de Engelschen grooter zijn dan de grootste
Patagoniër!"

"O! Engelschen! dat is mogelijk" antwoordde de majoor op een toon van
minachting; "maar als het Schotten waren."

"Cavendish verzekert, dat zij groot en sterk zijn," hernam Paganel.
"Hawkins maakt er reuzen van. Lemaire en Schouten geven hun een lengte
van elf voet."

"Goed! dat zijn geloofwaardige lieden," zeide Glenarvan.

"Ja! even geloofwaardig als Wood, Narborough en Falkner, die bevonden
hebben, dat zij van eene middelmatige gestalte zijn. Wel is waar
verzekeren Byron, la Giraudais, Bougainville, Wallis en Carteret, dat de
Patagoniërs zes voet en zes duim lang zijn; maar de geleerde d'Orbigny,
die deze streken het best kent, geeft hun een gemiddelde lengte van vijf
voet en vier duim."

"Maar," zeide lady Helena, "wat is nu de waarheid te midden van zooveel
tegenstrijdigheden?"

"De waarheid, mevrouw!" antwoordde Paganel, "is, dat de Patagoniërs
korte beenen en een groot bovenlijf hebben. Men kan dus zijn gevoelen op
een grappige wijze uitdrukken door te zeggen, dat die menschen zes voet
lang zijn, als zij zitten, en maar vijf, wanneer zij staan."

"Bravo! goed gezegd! mijn waarde geleerde!" antwoordde Glenarvan.

"Tenzij zij niet bestaan," hernam Paganel; "hetgeen een einde aan het
verschil zou maken. Maar ten besluite, mijne Vrienden! voeg ik er deze
troostrijke opmerking bij, dat de straat van Magellaan prachtig is, ook
zonder Patagoniërs!"

Op hetzelfde oogenblik voer de _Duncan_ om het schiereiland Brunswijk,
tusschen twee prachtige panorama's. Zeventig mijlen voorbij kaap
Gregorius zag men aan stuurboordszijde het verbeterhuis van Punta Arena.
De Chilische vlag en de kerktoren vertoonden zich even tusschen de
boomen. Verderop liep de straat tusschen ontzagwekkende granietmassa's;
de bergen verscholen hun voet in de ontzaggelijke wouden, en verhieven
hun met eeuwige sneeuw bedekte kruinen tot in de wolken; ten zuidwesten
rees de berg Tarn tot een hoogte van zes duizend vijfhonderd voet op; de
avond viel, voorafgegaan door een lange schemering; het licht verdween
onmerkbaar met zachte schakeeringen; schitterende sterrebeelden werden
aan den hemel zigtbaar en het Zuiderkruis wees den zeevaarders de
rigting der zuidpool. Bij die verlichting door het schijnsel der
sterren, die de vuurtorens op de kusten der beschaafde landen vervangen,
zette het jagt, in weerwil van den nacht, zijn reis moedig voort, zonder
het anker te werpen in een der menigvuldige baaijen op den oever;
dikwijls raakte de top der ra de takken van de beuken der
zuidpoolgewesten aan, die over de golven uitstaken; dikwijls ook bragt
de schroef beweging in het water der groote rivieren, door de ganzen,
eenden, snippen en talingen en de andere gevederde waterbewoners wakker
te maken. Weldra vertoonden zich puinhoopen en eenige ingestorte
gebouwen, waaraan de nacht een grootsch voorkomen gaf. Het waren de
treurige overblijfselen eener verlatene kolonie, wier naam eeuwig verzet
zal aanteekenen tegen de vruchtbaarheid dezer kusten en den rijkdom aan
wild dier wouden. De _Duncan_ liep voorbij Hongerhaven.

Hier had de Spanjaard Sarmiento zich in 1581 met vier honderd
uitgewekenen neergezet; hij stichtte er de stad San-Felipe; een
verschrikkelijke koude teisterde de kolonie, de hongersnood doodde
degenen, die de winter had gespaard, en in 1587 vond de kaper Cavendish
den laatste dier vier honderd ongelukkigen, die van honger stierf op de
puinhoopen eener stad, die wel zes eeuwen oud scheen en toch maar zes
jaren bestaan had.

De _Duncan_ stevende voorbij die woeste oevers; bij zonsopgang bevond
zij zich in het midden der naauwe kanalen, tusschen wouden van beuken,
esschen en berken, waarboven groene koepels, heuveltjes met weelderige
hulst begroeid en scherpe rotspunten uitstaken, waaronder de obelisk van
Buckland zich tot een aanzienlijke hoogte verhief. Men voer voorbij den
ingang der St.-Nicolaasbaai, vroeger door Bougainville de baai der
Franschen genoemd; in de verte dartelden kudden groote robben en
walvisschen, althans naar de waterstralen te oordeelen, die op een
afstand van vier mijlen zigtbaar waren. Eindelijk voer men om kaap
Froward, die nog geheel bedekt was met het ijs van den vorigen winter.
Aan de overzijde der straat verhief zich op Vuurland de berg Sarmiento
ter hoogte van zes duizend voet, een verbazende opeenhooping van rotsen
door stapels wolken gescheiden, die als het ware een archipel van in de
lucht drijvende eilandjes vormden.

Het eigenlijke vastland van Amerika eindigt bij kaap Froward; want kaap
Hoorn is slechts een afgezonderde rots in zee op zes en vijftig graden
breedte.

Voorbij dit punt wordt de straat ingeklemd tusschen het schiereiland
Brunswijk en het Desolations-eiland, dat zich in de lengte tusschen
duizend eilandjes uitstrekt, als een ontzaggelijke walvisch, die op
strandkeitjes is aangespoeld. Welk een verschil tusschen dit
verbrokkelde uiteinde van Amerika, en de sierlijke en nette punten van
Afrika, Australië of Indië! Door welke onbekende overstrooming zou toch
wel dat ontzaggelijke voorgebergte zoo tusschen twee zeeën geklemd en
tot stof vergruisd zijn?

Nu volgde op de vruchtbare oevers een naakte kuststrook, met een woest
voorkomen, ingevreten door de duizenden stroompjes van dezen verwarden
doolhof. Zonder zich te vergissen noch te aarzelen volgde de _Duncan_ de
grillige kronkelingen, terwijl zij de door de rotsen gescheurde nevels
met haar rookwolken vermengde. Zonder haar vaart te vertragen stoomde
zij voorbij eenige spaansche factorijen, die op deze verlatene oevers
waren opgerigt. Bij kaap Tamar werd de straat breeder; het jagt had nu
de noodige ruimte om de steile kust der Narborough eilanden om te varen,
en naderde den zuidelijken oever. Zes en dertig uren eindelijk nadat het
de straat was ingestoomd, ontdekte men de rots van kaap Pilares op de
uiterste punt van Desolations-eiland. Een onmetelijke, opene, fonkelende
zee breidde zich voor den steven uit, en terwijl Jacques Paganel haar
met een gebaar van geestdrift begroette, voelde hij zich even aangedaan
als Ferdinand Magellaan zelf was, toen de _Trinitad_[3] zich boog onder
de koelte van de Stille Zuidzee.


[1] De onverschrokken reizigers moesten hun onderneming duur boeten. Op
Java komende, werd hun door den gouverneur-generaal aangezegd, dat zij
tegen het octrooi, aan de Oost-Indische maatschappij verleend, gezondigd
hadden, en hij hen als zeeroovers moest beschouwen en hun schepen
verbeurd verklaren. De V.

[2] 130 uren.

[3] Het schip, waarop Magellaan zich bevond.



X.

De zeven en dertigste parallel.


Acht dagen na het omvaren van kaap Pilares, stoomde de _Duncan_ de baai
van Talcahuano binnen, een prachtige inham van twaalf mijlen lang en
negen breed. Het was heerlijk weder. Van November tot Maart ziet men in
deze streek geen wolkje aan de lucht, en waait er onafgebroken een
zuidewind langs deze, door de keten der Andes beschutte kust. Op bevel
van Edward Glenarvan had John Mangles het digt onder den Chiloë-archipel
en de tallooze brokstukken van het amerikaansche vastland gehouden. Het
een of ander strandgoed, gebroken sparren, een door menschenhanden
bewerkt stuk hout kon voor de _Duncan_ een spoor van de schipbreuk zijn,
maar er was niets te zien, en het jagt zijn weg vervolgende ankerde in
de haven van Talcahuano, twee en veertig dagen nadat het de mistige
wateren der Clyde had verlaten.

Terstond liet Glenarvan zijn sloep in zee brengen, en door Paganel
gevolgd stapte hij aan den voet van het paalwerk aan land. Van de
gelegenheid gebruik makende wilde de geleerde aardrijkskundige zich van
de spaansche taal bedienen; maar tot zijn groote verbazing kon hij zich
niet door de inboorlingen doen verstaan.

"Ik heb den klemtoon nog niet," zeide hij.

"Kom, ga mede naar het tolkantoor," antwoordde lord Glenarvan.

Door middel van eenige engelsche woorden vereenigd met de gebarentaal
vertelde men hun daar, dat de britsche consul te Concepcion woonde. Het
was een rit van een uur. Glenarvan vond gemakkelijk twee vlugge paarden
en spoedig waren Paganel en hij binnen de muren dier groote stad, die
haar ontstaan had te danken aan den ondernemenden geest van Valdivia,
den wakkeren medgezel der Pizarro's.

Hoezeer was haar oude luister getaand! Dikwijls door de inboorlingen
geplunderd, in 1819 in den asch gelegd en verwoest, zoodat de muren nog
zwart waren van den rook, reeds door Talcahuano overvleugeld, telde zij
naauwelijks acht duizend zielen. De straten veranderden in weilanden
onder de trage schreden der inwoners. Geen handel werd er meer gedreven,
de nijverheid bestond niet meer, het doen van zaken was onmogelijk
geworden. De luit klonk op ieder balkon; smachtende liederen drongen
door de tralievensters, en Concepcion, die oude stad van mannen, was een
dorp van vrouwen en kinderen geworden.

Glenarvan had weinig lust om de oorzaken van dat verval op te sporen,
hoewel Jacques Paganel het gesprek op dit onderwerp bragt, en zonder een
oogenblik te verzuimen begaf hij zich naar de woning van den heer J.R.
Bentock, consul van Hare Britsche Majesteit. Deze ontving hem zeer
beleefd en na de geschiedenis van kapitein Grant vernomen te hebben, nam
hij op zich om langs de geheele kust onderzoek te doen.

De vraag of de driemaster _Britannia_ langs de kusten van Chili of
Araucanië naar de zeven en dertigste parallel was gestevend, werd
ontkennend beantwoord.

Noch deze consul noch die der andere natiën had eenig berigt betreffende
een voorval van dien aard ontvangen. Glenarvan gaf den moed niet op. Hij
kwam te Talcahuano terug, en tijd, moeite noch geld ontziende, zond hij
agenten langs de kust uit. Die nasporingen waren te vergeefsch. Het
naauwkeurigst onderzoek bij de kustbewoners in het werk gesteld leverde
geen uitkomst op. Men moest hieruit besluiten, dat er geen spoor van de
schipbreuk der _Britannia_ was overgebleven.

Nu gaf Glenarvan zijn reisgenooten kennis van den ongelukkigen uitslag
zijner pogingen. Mary Grant en haar broeder konden hun droefheid niet
verbergen. Het was nu zes dagen na de aankomst der _Duncan_ te
Talcahuano. De passagiers waren in de bovenhut bijeen. Lady Helena
troostte, niet met woorden,--want wat zou zij hebben kunnen
zeggen?--maar door haar liefkozingen de beide kinderen van den kapitein.
Jacques Paganel had het document weder in handen genomen, en beschouwde
het zoo oplettend, alsof hij er nieuwe geheimen aan had willen
ontrukken. Dit duurde reeds een uur lang, toen Glenarvan hem aansprak.

"Paganel! ik doe een beroep op uwe schranderheid. Hebben wij een
verkeerde uitlegging aan dit document gegeven? Is de zin dezer woorden
niet logisch?"

Paganel gaf geen antwoord. Hij dacht na.

"Vergissen wij ons in het vermoedelijk tooneel der ramp?" hernam
Glenarvan. "Moet zelfs de onoplettendste hier geen Patagonië lezen?"

Paganel bleef nog altijd zwijgen.

"Eindelijk," zeide Glenarvan, "pleit het woord _Indiaan_ ook niet voor
ons gevoelen?"

"Wel zeker!" antwoordde Mac Nabbs.

"En is het dan niet duidelijk, dat de sohipbreukelingen, toen zij deze
regelen schreven, verwachtten gevangenen te worden door de Indianen?"

"Wacht even, waarde lord!" antwoordde Paganel eindelijk; "al zijn uwe
andere gevolgtrekkingen juist, deze laatste is dunkt mij niet
aannemelijk."

"Wat bedoelt gij daarmede?" vroeg lady Helena, terwijl allen hun blikken
op den aardrijkskundige rigtten.

"Ik wil zeggen," antwoordde Paganel met bijzonderen nadruk, "dat
kapitein Grant _thans gevangen is bij de Indianen_, en wat meer is, het
document laat niet toe om daaraan te twijfelen."

"Verklaar u, mijnheer!" zeide miss Grant.

"Niets is gemakkelijker, lieve Mary! lees maar op het document _zijn
gevangen_ in plaats van _zullen gevangen zijn_, en alles is duidelijk."

"Maar dat is onmogelijk!" riep lord Edward.

"Onmogelijk! En waarom, mijn edele vriend?" vroeg Paganel glimlagchend.

"Omdat de flesch in zee moet geworpen zijn, toen het schip tegen de
rotsen verbrijzeld werd. Daaruit volgt noodzakelijk, dat de graden
lengte en breedte betrekking hebben op de plaats der schipbreuk."

"Daar is niet het minste bewijs voor," antwoordde Paganel met drift, "en
ik zie niet in, waarom de schipbreukelingen, nadat de Indianen hen tot
in het binnenland hadden gesleept, geen poging zouden aangewend hebben
om door middel van deze flesch de plaats hunner gevangenschap te doen
kennen."

"Heel eenvoudig, waarde Paganel! omdat er, als men een flesch in zee wil
werpen, toch een zee moet zijn!"

"Of, als er geen zee is," gaf Paganel ten antwoord, "rivieren, die er in
uitloopen!"

Dit onverwachte en toch zeer aannemelijke antwoord deed allen van
verbazing zwijgen. Het vuur, dat in de oogen zijner toehoorders
schitterde, bewees Paganel, dat allen zich aan een nieuwe hoop
vastklemden. Lady Helena verbrak het eerst de stilte.

"Welk een gedachte!" riep zij uit.

"En welk een goede gedachte!" voegde de aardrijkskundige er droogweg
bij.

"Uw gevoelen is dus?..." vroeg Glenarvan.

"Mijn gevoelen is, dat wij de zeven en dertigste parallel moeten
opzoeken ter plaatse, waar zij de amerikaansche kust snijdt, en haar,
zonder ook maar een halven graad af te wijken, moeten volgen tot het
punt, waar zij den Atlantischen Oceaan raakt. Misschien vinden wij in
haar rigting de schipbreukelingen der _Britannia_."

"De kans is gering!" meende de majoor.

"Zoo gering als zij is," hernam Paganel, "mogen wij haar toch niet
verzuimen. Misschien heb ik gelijk, dat deze flesch door den stroom
eener rivier van dit vastland naar zee is gedreven, en dan kan het niet
missen, of wij moeten de gevangenen op het spoor komen. Beziet de kaart
van het land maar, vrienden! en ik zal het u overtuigend bewijzen!"

Dit zeggende, ontrolde Paganel op de tafel een kaart van Chili en der
argentijnsche republiek.

"Let op," zeide hij, "en volgt mij op die wandeling over het
amerikaansche vastland. Wij zullen het smalle kustland Chili
overstappen, de Cordillera's de los Andes overklimmen en in de Pampa's
afdalen. Hebben die streken gebrek aan stroomen, rivieren of beken?
Neen! Dit is de Rio Negro, dat de Rio Colorado, dat haar bijrivieren,
die door de zeven en dertigste parallel worden gesneden en allen hebben
kunnen dienen tot vervoer van het document. In het midden van een stam,
in de handen van in dorpen wonende Indianen, aan den oever dezer weinig
bekende rivieren, in de engten der Sierra's, wachten misschien degenen,
die ik het regt heb onze vrienden te noemen, op de tusschenkomst van
God! Moeten wij hun hoop verijdelen? Is het niet ons aller plan om door
die streken de regte lijn te volgen, die ik thans met den vinger op de
kaart aanwijs, en indien ik mij tegen alle verwachting bedrieg, dan
blijft het immers toch onze pligt om de zeven en dertigste parallel ten
einde toe te volgen, en, wanneer het noodig is met haar om de aarde te
reizen om de schipbreukelingen terug te vinden!"

Deze woorden, met een edelmoedige drift uitgesproken, bragten een diepe
aandoening te weeg onder de hoorders van Paganel. Allen stonden op en
gaven hem de hand.

"Ja! vader is dààr," riep Robert, die de kaart met zijn blikken
verslond.

"En waar hij is," antwoordde lord Edward, "zullen wij hem weten terug te
vinden, mijn kind! De uitlegging van onzen vriend Paganel is juist, en
wij moeten zonder aarzelen den weg volgen, dien hij ons voorschrijft. Of
kapitein Grant is in handen van talrijke Indianen, of hij is gevangen
bij een zwakken stam. In het laatste geval bevrijden wij hem. In het
andere gaan wij, na zijn toestand onderzocht te hebben, weder naar de
oostkust aan boord van de _Duncan_, varen naar Buenos-Ayres, en daar zal
een afdeeling soldaten onder aanvoering van den majoor Mac Nabbs wel al
de Indianen in de argentijnsche republiek teregt zetten!"

"Goed, goed! Uwe Edelheid!" antwoordde John Mangles, "en ik voeg er nog
bij, dat die togt over het amerikaansche vastland zonder gevaar kan
volbragt worden."

"Zonder gevaar en zonder vermoeijenis," hernam Paganel. "Hoevelen hebben
hem reeds volbragt, die op verre na zoo goed niet uitgerust waren als
wij, en wier moed niet werd staande gehouden door de grootheid der
onderneming! Is een zekere Basilio Villarmo niet in 1782 van Carmen naar
de Cordillera's gegaan? Heeft in 1806 een Chiliaan, de alcade (regter)
der provincie Concepcion, don Luiz de la Cruz, uit Antuco niet diezelfde
zeven en dertigste parallel gevolgd, en is hij, de Andes overgetrokken
zijnde, niet te Buenos-Ayres aangekomen, na een reis van zeven en
veertig dagen? Hebben eindelijk de kolonel Garcia, de heer Alcide
d'Orbigny en mijn geëerde ambtgenoot, doctor Martin de Moussy, dit land
niet in alle rigtingen doorkruist en voor de wetenschap gedaan, wat wij
uit menschlievendheid gaan doen?"

"Mijnheer! mijnheer!" zeide Mary Grant, wier stem door aandoening
verstikt werd, "hoe zullen wij ooit een opoffering vergelden, die u aan
zooveel gevaren blootstelt?"

"Gevaren!" riep Paganel. "Wie heeft het woord gevaar uitgesproken?"

"Ik althans niet!" antwoordde Robert Grant met een fonkelend oog en een
vasten blik.

"Gevaren!" hernam Paganel, "bestaan er wel gevaren? Bovendien, wat is de
heele zaak? Een reis van ter naauwernood drie honderd vijftig uren, daar
wij in een regte lijn zullen gaan; een reis, die volbragt zal worden
onder dezelfde breedte als die van Spanje, Sicilië en Griekenland op het
andere halfrond en bijgevolg onder een luchtstreek, die ten naastenbij
dezelfde is; een reis, die hoogstens een maand zal duren! Het is een
wandeling!"

"Mijnheer Paganel!" vroeg nu lady Helena, "denkt gij dan, dat het leven
der schipbreukelingen gespaard zal zijn, wanneer zij in de magt der
Indianen gevallen zijn?"

"Wel zeker denk ik dat, mevrouw! Die Indianen zijn geen menscheneters!
Verre van daar. Een mijner landgenooten, de heer Guinnard, dien ik in
het genootschap voor de aardrijkskunde heb leeren kennen, is drie jaren
lang gevangen geweest bij de Indianen der pampa's. Hij heeft geleden,
hij is zeer slecht behandeld, maar toch heeft hij die beproeving
doorgestaan. Een Europeaan is een nuttig wezen in die streken; de
Indianen kennen zijne waarde, en verplegen hem als een kostbaar dier."

"Wij moeten dus niet langer aarzelen," zeide Glenarvan, "wij moeten
vertrekken en wel zonder uitstel. Welken weg moeten wij nemen?"

"Een gemakkelijken en aangenamen weg," antwoordde Paganel. "Wat bergen
in het begin, dan een zachte glooijing op de oostelijke helling der
Andes, en eindelijk een effene, grasrijke, zandige vlakte, een ware
tuin."

"Laat mij de kaart eens zien," zeide de majoor.

"Hier is zij, waarde Mac Nabbs! Ons uitgangspunt is de zeven en
dertigste parellel op de chilische kust tusschen kaap Rumena en de baai
van Carnero. Na de hoofdstad van Araucanië bezocht te hebben, trekken
wij door den bergpas van Antuco over de Cordillera's en laten den
vulkaan ten zuiden van ons liggen; daarna dalen wij de zachte hellingen
der bergen af, trekken de Neuquem en de Rio Colorado over, en bereiken
zoo de pampa's, het Zoutmeer, de rivier Guamini en de sierra (gebergte)
Tapalquem. Daar zijn de grenzen der provincie Buenos-Ayres. Wij trekken
ze over, beklimmen de sierra Tandil, en zetten onze nasporingen voort
tot aan kaap Medano, aan de kusten van den Atlantischen Oceaan."

Terwijl hij sprak en het plan van de onderneming ontvouwde, nam Paganel
niet eens de moeite om naar de kaart, die voor hem lag, te zien. Hij had
het ook niet noodig. Grondig bekend met de werken van Frésier, Molina,
Humboldt, Miers en d'Orbigny, en met een ijzervast geheugen begaafd,
vergiste noch verwonderde hij zich ooit. Na die aardrijkskundige
naamlijst opgenoemd te hebben, voegde hij er bij:

"Gij ziet het, mijne vrienden! het is een regte weg. In dertig dagen
hebben wij hem afgelegd, en wij zullen nog vóór de _Duncan_ op de
oostkust zijn, als de tegenwind haar vaart maar een weinig belemmert."

"Dan moet de _Duncan_ tusschen kaap Corrientes en kaap St.-Antonius
blijven kruisen?" zeide John Mangles.

"Juist."

"En waar zult gij de noodige personen voor zulk een onderneming vandaan
halen?" vroeg lord Edward.

"Niets gemakkelijker dan dat. Het is ons alleen te doen om onderzoek te
doen naar den toestand van kapitein Grant en niet om geweerschoten met
de Indianen te wisselen. Ik geloof, dat lord Glenarvan, ons natuurlijk
opperhoofd, de majoor, die zijn plaats aan niemand zal willen afstaan,
uw dienaar, Jacques Paganel...."

"En ik!" riep de jonge Grant.

"Robert! Robert!" zeide Mary.

"En waarom niet?" antwoordde Paganel. "De jeugd wordt door reizen
gevormd. Wij met ons vieren dus en drie man van de _Duncan_...."

"Denkt Uwe Edelheid niet aan mij?" zeide John Mangles zich tot zijn heer
wendende.

"Waarde John!" antwoordde Glenarvan, "wij laten de dames aan boord, dat
is te zeggen het liefste, wat wij op aarde hebben! Wie zou voor haar
waken, als de verknochte kapitein der _Duncan_ het niet deed?"

"Mogen wij u dan niet vergezellen?" vroeg lady Helena met tranen in de
oogen.

"Lieve Helena!" antwoordde Glenarvan, "wij moeten met buitengewonen
spoed reizen; onze scheiding zal van korten duur zijn, en...."

"Ja, mijn vriend! ik begrijp u," antwoordde lady Helena; "ga dan en moge
uw onderneming met een gewenschten uitslag bekroond worden!"

"Bovendien is het geen reis," zeide Paganel.

"Niet? wat is het dan?" vroeg lady Helena.

"Een doortogt, anders niet. Wij zullen doortrekken, ziedaar alles,
gelijk de brave man op aarde, zooveel goed doende als in onze magt
staat. _Transire benefaciendo_, is onze leus."

Dit gezegde van Paganel maakte een einde aan de redetwist, als men een
gesprek zoo mag noemen, waarin allen van dezelfde meening waren.
Dienzelfden dag nog maakte men een begin met de toebereidselen. Men
besloot den togt geheim te houden om de Indianen niet wakker te maken.

Het vertrek werd op den 14den October bepaald. Toen het er op aankwam om
de matrozen te kiezen, die bestemd waren om mede te gaan, boden allen
hun diensten aan, en Glenarvan was alleen verlegen in de keus. Hij
besloot dus zijn toevlugt te nemen tot het lot om zulken wakkeren mannen
geen verdriet aan te doen. Zoo gebeurde het ook, en de eerste stuurman,
Tom Austin, Wilson, een stevige klant, en Mulrady, die Tom Sayers[1]
zelven wel tot een bokspartij had durven uitdagen, hadden geene reden om
over het lot te klagen.

Lord Edward had een buitengewonen spoed met zijn toebereidselen gemaakt.
Hij wilde op den bepaalden dag gereed zijn, en was het ook. John Mangles
wedijverde met hem om kolen in te nemen, ten einde oogenblikkelijk zee
te kunnen kiezen. Hij wilde nog vóór de reizigers de argentijnsche kust
bereiken. Daaruit ontstond een ware wedstrijd tusschen Glenarvan en den
jongen kapitein, die voor allen voordeelig was.

Inderdaad was op den 14den October op het bepaalde uur alles gereed.
Toen het oogenblik van het vertrek gekomen was, kwamen al de passagiers
van het jagt in de algemeene kamer bijeen. De _Duncan_ was gereed om uit
te loopen en de armen van haar schroef bragten reeds het heldere water
van Talcahuano in een golvende beweging. Glenarvan, Paganel, Mac Nabbs,
Robert Grant, Tom Austin, Wilson en Mulrady, met karabijnen en revolvers
Colt gewapend, maakten zich gereed om van boord te gaan. Gidsen en
muilezels wachtten hen aan het staketsel.

"Het is tijd!" zeide lord Edward eindelijk.

"Ga dan, mijn vriend!" antwoordde lady Helena, die haar aandoening
trachtte te bedwingen.

Lord Glenarvan drukte haar aan zijn hart, terwijl Robert Mary Grant
omhelsde.

"En nu, waarde reisgenooten!" zeide Jacques Paganel, "nog een handdruk
waaraan wij genoeg hebben tot aan de kusten van den Atlantischen
Oceaan!"

Het was wel wat veel gevraagd, maar de omarmingen, die nu volgden, waren
vurig genoeg om de wenschen van den waardigen geleerde te vervullen.

Men begaf zich weder naar het dek, en de zeven reizigers verlieten de
_Duncan_. Weldra bereikten zij de kaai, die het jagt al manoeuvreerende
op een halve kabellengte naderde.

Op de kampanje staande, riep lady Helena nog eens: "Mijne vrienden! God
sta u bij!"

"En Hij zal ons bijstaan, mevrouw!" antwoordde Jacques Paganel; "want,
gij moogt het vrij gelooven, wij zullen ons zelven helpen."

"Vooruit!" riep John Mangles den machinist toe.

"Voorwaarts!" antwoordde lord Glenarvan.

En op hetzelfde oogenblik dat de reizigers, hun rijdier den teugel
vierende, zich langs den oever verwijderden, stoomde de _Duncan_ onder
de werking harer schroef, met volle kracht den oceaan op.


[1] een vermaard londensch bokser.



XI.

Togt door Chili.


De inlanders, die lord Glenarvan had bijeengebragt, bestonden uit drie
mannen en een kind. De aanvoerder der muilezeldrijvers was een
Engelschman, die zich reeds vóór twintig jaar in dit land had gevestigd.
Hij maakte een beroep van het verhuren van muilezels aan de reizigers,
die hij over de verschillende wegen der Cordillera's geleidde.
Vervolgens bezorgde hij hun een "baqueano," een argentijnschen gids, die
met den weg door de pampa's goed bekend was. Deze Engelschman had in het
gezelschap van muilezels en Indianen zijn moedertaal nog niet geheel
verleerd, en kon nog met de reizigers spreken. Dit was voor Glenarvan
een groot gemak, daar hij nu zijn verlangen kon te kennen geven en zijn
bevelen doen uitvoeren. Hij meende die gelegenheid niet te mogen laten
voorbijgaan, vooral omdat Jacques Paganel zich nog niet verstaanbaar kon
uitdrukken.

Die aanvoerder der muilezeldrijvers, die "catapaz," zooals hij in de
landtaal genoemd wordt, had twee inlanders te voet en een twaalfjarig
kind medegenomen. De inlanders waakten voor de muilezels, die de bagage
droegen, en het kind geleidde de "madrina," een kleine merrie, die met
belletjes en een klokje behangen, vooruit ging en door tien muilezels
gevolgd werd. Zeven hunner waren voor de reizigers, een voor den
catapaz; de beide andere droegen de levensmiddelen en eenige stokken
stof, die dienen moesten om de medewerking van de kaziken (hoofden der
vrije volksstammen in Amerika) der vlakte te verwerven. De inlanders
gingen als naar gewoonte te voet. Deze togt door Zuid-Amerika scheen dus
ten opzigte van de veiligheid en den spoed niets te wenschen over te
zullen laten.

Een togt over de keten der Andes is geenszins een gewone reis. Men kan
hem niet ondernemen zonder die sterke muilezels, waarvan het
argentijnsche ras het meest gezocht is. Die uitmuntende dieren hebben in
dat land een ontwikkeling verkregen, verre boven die van het
oorspronkelijke ras.

Zij zijn niet keurig op hun voedsel. Zij drinken maar eens per dag,
leggen gemakkelijk tien mijlen in acht uren af, en dragen zonder zich te
verzetten een last van veertien arroba's. (Een arroba is gelijk aan 11
1/2 nederl. pond).

Op den geheelen weg van den éénen Oceaan tot den anderen treft men geen
enkele herberg aan. Men eet gedroogd vleesch, rijst met spaansche peper,
en het wild, dat zich onderweg wel wil laten doodschieten. Men drinkt op
de bergen het water van de bergstroomen, in de vlakte dat der beken, met
eenige droppels rum er door, waarvan ieder eenigen voorraad bij zich
draagt in een ossehoren, "chiffle" genoemd. Vooral moet men waken tegen
het misbruik van geestrijke dranken, die schadelijk zijn in een land,
waarin het zenuwgestel van den mensch bijzonder overspannen is. Het
beddegoed bestaat alleen uit den inlandschen zadel, "recado" genoemd.
Die zadel is gemaakt van "pelions," schapenhuiden, die aan de eene zijde
gelooid en aan de andere met wol bekleed zijn, alles bijeengehouden door
breede en met borduursel overladen riemen. Heeft de reiziger zich in die
warme dekens gerold, dan trotseert hij ongestraft de vochtige nachten en
slaapt heerlijk.

Als iemand, die weet wat reizen is en zich naar de gebruiken der
verschillende landen weet te schikken, had Glenarvan voor zich en zijn
gezelschap de chilische kleederdragt aangenomen. Paganel en Robert, twee
kinderen,--een groot en een klein kind,--waren buiten zich zelven van
vreugde, toen zij hun hoofd door den nationalen "poncho" staken, een
groote wollen zak of mantel met een gat in het midden, en hun beenen in
lederen laarzen, gemaakt van den achterpoot van een jong paard. Hun rijk
getuigde muilezel leverde ook een schoon gezigt op, met het arabisch
gebit in den bek, met den langen teugel van gevlochten leder, die tot
zweep diende, met zijn hoofdstel, dat met metalen sieraden pronkte, en
met de "alforja's," dubbele linnen zakken van schitterende kleur, die
levensmiddelen voor één dag bevatten. Ten gevolge van zijn
verstrooidheid scheelde het weinig of Paganel kreeg drie of vier
schoppen van zijn voortreffelijk rijdier, toen hij er op wilde gaan
zitten. Toen hij eindelijk stevig in den zadel zat, met zijn
onafsoheidelijken kijker aan een riem bij zich en met de voeten in de
stijgbeugels, vertrouwde hij zich toe aan de schranderheid van zijn
dier, en had geen reden om daarover spijt te gevoelen. De jonge Robert
toonde reeds van den beginne af grooten aanleg om een uitmuntend ruiter
te worden.

De stoet zette zich in beweging. Het was prachtig weder, de lucht
volkomen helder, en de dampkring door den zeewind genoegzaam afgekoeld
in weerwil van de zonnehitte. De kleine troep volgde met snellen tred de
bogtige oevers der baai van Talcahuano, ten einde dertig mijlen
zuidelijker het uiteinde der parallel te bereiken. Dien eersten dag trok
men haastig tusschen het riet van voormalige uitgedroogde moerassen
heen, maar men sprak weinig. De afscheidsgroeten hadden een diepen
indruk achtergelaten in het gemoed der reizigers. Zij konden nog den
rook der _Duncan_ zien, die reeds bijna uit het gezigt was. Allen
zwegen, behalve Paganel; die leergierige aardrijkskundige deed zich
zelven vragen in het spaansch, en beantwoordde ze in dezelfde taal.

Ook de gids was vrij stil van aard, en zijn beroep had geen babbelaar
van hem gemaakt. Hij sprak naauwelijks tot de inlanders. Als menschen
van het vak verstonden dezen hun werk zeer goed. Als een muildier staan
bleef, zetten zij het aan met een keelgeluid, en als dit niet hielp met
een fermen steen, die met vaste hand geworpen zijn koppigheid wel
overwon. Raakte er een riem los of brak er een teugel, dan trok de
inlander zijn mantel uit, en wikkelde den kop van het dier er in, dat,
zoodra het ongemak hersteld was, terstond weder voortging.

De muilezeldrijvers zijn gewoon om ten acht ure na het ontbijt te
vertrekken en tot des namiddags ten vier ure door te rijden, waarna zij
hun nachtverblijf in gereedheid brengen. Edward Glenarvan hield zich aan
dit gebruik. Toen de gids het sein gaf om te rusten, kwamen de reizigers
juist aan de stad Arauco, liggende aan de zuidpunt der baai, zonder dat
zij van den schuimenden kant der zee afgeweken waren. Van hier zouden
zij een twintigtal mijlen westwaarts hebben moeten gaan tot aan de baai
Carnero, om er het uiteinde van den zeven en dertigsten graad te vinden.
Maar de agenten van Glenarvan hadden dit gedeelte der kust reeds
doorzocht, zonder eenig spoor van de schipbreuk aan te treffen. Een
nieuw onderzoek was dus onnoodig, en men besloot de stad Arauco tot
uitgangspunt te nemen. Van daar zou men in een zuivere regte lijn
oostwaarts opgaan.

Het kleine gezelschap trok de stad binnen om er den nacht door te
brengen, en sloeg zich op de binnenplaats eener herberg in de open lucht
neder, daar deze, wat de gemakkelijke inrigting betreft, nog in een
allerellendigsten toestand verkeerde.

Arauco is de hoofdstad van Araucanië, een staat, honderd vijftig mijlen
lang en dertig breed, bewoond door de Molouchen, die oudste zonen van
het chilische ras, door den dichter Ercilla bezongen. Het is een fier en
forsch ras, het eenige in de beide Amerika's, dat nooit door vreemden
overheerscht is. Heeft Arauco ook al vroeger aan de Spanjaarden behoord,
zoo onderwierpen de inwoners zich toch niet; zij verzetteden zich toen,
zooals zij zich nu nog verzetten tegen de ondernemingen van Chili, en
hun vrije vlag,--een witte ster op een azuren veld,--wappert nog van den
top van den versterkten heuvel, die de stad beschermt.

Terwijl het avondeten gereed werd gemaakt, gingen Glenarvan, Paganel en
de gids een wandeling doen tusschen de met riet gedekte huizen. Behalve
een kerk en de overblijfselen van een franciscaner klooster, leverde
Arauco niets bezienswaardigs op. Glenarvan trachtte eenige inlichtingen
te verkrijgen, maar te vergeefs. Paganel was wanhopend, omdat hij zich
niet door de inwoners kon doen verstaan; maar, daar dezen het
araucanisch spreken,--een bijzondere taal, die tot aan de straat van
Magellaan gesproken wordt,--had Paganel evenveel aan het spaansch als
aan het hebreeuwsch. Hij hield dus zijne oogen bezig in plaats van zijn
ooren, en vermaakte zich, als een echt geleerde, met de beschouwing van
de verschillende typen van het molouchsche ras, die hij ontmoette. De
mannen hadden een rijzige gestalte, een plat gezigt, een koperkleurige
huid, een baardelooze kin, een schuwen blik en een breed hoofd, dat met
lang zwart haar was bedekt. Zij schenen verzot op die bijzondere soort
van lediggang van krijgslieden, die in vredestijd niet weten, wat zij
doen zullen. Hunne vrouwen, die er ongelukkig en moedig uitzagen,
hielden zich bezig met het zware huiswerk, verzorgden de paarden,
maakten de wapens schoon, bebouwden het land, gingen voor haar heeren op
de jagt, en vonden toch nog tijd om die donkerblaauwe mantels te maken,
waaraan zij twee jaren besteden, en die minstens honderd dollars[1]
kosten.

Kortom, die Molouchen zijn een vrij onbeduidend volk, welks zeden nog
tamelijk ruw zijn. Zij hebben bijna alle menschelijke ondeugden en maar
ééne deugd, liefde voor de onafhankelijkheid.

"Echte Spartanen," herhaalde Paganel, toen hij na geëindigde wandeling
aan den avondmaaltijd deel kwam nemen.

De waardige geleerde overdreef, en men begreep hem nog minder, toen hij
er bijvoegde, dat, daar hij een Franschman was, zijn hart sterk klopte
bij zijn bezoek aan de stad Arauco. Toen de majoor hem naar de reden van
die onverwachte "hartklopping" vroeg, antwoordde hij, dat zijn
aandoening zeer natuurlijk was, omdat een zijner landgenooten voorheen
op den troon van Araucanië had gezeten. De majoor verzocht hem zoo goed
te zijn om den naam van dien vorst te noemen. Jacques Paganel noemde
trotsch den braven De Tonneins, een uitstekend man, vroeger procureur te
Périgueux, wiens baard wat al te zwaar was, en die ondergaan had, wat de
onttroonde koningen zoo gaarne "de ondankbaarheid hunner onderdanen"
noemen. Toen de majoor even glimlachte bij de gedachte, dat een gewezen
procureur van den troon was gejaagd, antwoordde Paganel zeer ernstig,
dat het voor een procureur misschien gemakkelijker was om een goed
koning te worden, dan voor een koning om een goed procureur te worden.
Op dat gezegde barstten allen in lagchen uit, en dronken eenige teugen
"chicha"[2] op de gezondheid van Orellie-Antoine I, ex-koning van
Araucanië. In hun mantels gewikkeld vielen de reizigers eenige minuten
daarna in een gerusten slaap.

Des anderen daags ten acht ure ging de kleine troep, met de merrie in de
voor- en de inlanders in de achterhoede, oostwaarts op weg naar de zeven
en dertigste parallel. Hij trok nu door het vruchtbare gebied van
Araucanië, rijk aan wijngaarden en kudden. Maar gaandeweg werd de streek
woester. Ter naauwernood trof men, mijlen van elkander verwijderd, een
hut van "rastreadores" aan, indiaansche paardentemmers, die in geheel
Amerika beroemd zijn. Soms ook een verlaten posthuis, dat tot
schuilplaats diende voor den zwervenden bewoner der vlakte. Op dezen dag
versperden twee rivieren, de Rio de Raque en de Rio de Tubal, den weg
voor de reizigers. Maar de gids ontdekte een doorwaadbare plaats, welke
hen aan de overzijde bragt. Aan den gezigteinder vertoonde zich de keten
der Andes, wier kruinen naar het noorden oprezen en wier pieken in
aantal toenamen. Het waren nog maar de onderste wervels van de
ontzaggelijke ruggegraat, waarop het geheele gebeente der Nieuwe Wereld
rust.

Des namiddags ten vier ure hield men, na een togt van vijf en dertig
mijlen, in het open veld stil onder een boschje van reusachtige
myrteboomen. De muilezels werden onttoomd, en gingen in vrijheid grazen
in het digte gras der weide. De knapzakken leverden de gewone
hoeveelheden vleesch en rijst. De schapenhuiden werden op den grond
gelegd en dienden tot dekens, de zadels tot kussens, en allen vonden op
deze zonderlinge bedden een verkwikkende rust, terwijl de inlanders en
de gids ieder op hun beurt de wacht hielden.

Daar het weder zoo gunstig bleef, daar alle reizigers, ook Robert, goed
gezond waren, daar eindelijk die reis onder zulke gelukkige voorteekens
begonnen werd, moest men er gebruik van maken en voortgaan, evenals een
speler "die op zijn dreef komt." Dat was aller gevoelen. Den volgenden
dag reisde men stevig door, trok zonder ongelukken de snelstroomende
Bell over, en toen zij zich des avonds aan de oevers der Rio Biobio, die
spaansch Chili van onafhankelijk Chili scheidt, legerden, kon Glenarvan
nogmaals berekenen, dat zij weder vijf en dertig mijlen hadden afgelegd.
Het land was niet veranderd. Het was nog altijd vruchtbaar en rijk aan
narcisleliën, boomvormige vioolplanten, japansche leliën der dalen,
gemeene doornappels en cactussen met goudgele bloemen. Eenige dieren,
onder anderen de katpardel, hielden zich schuil in de digte struiken.
Een reiger, een eenzame moerasuil, lijsters en zilverduikers, die voor
de klaauwen van den valk vlugtten, waren de eenige vertegenwoordigers
der vogelsoorten. Maar inboorlingen zag men weinig, ter naauwernood
eenige "guasso's", bastaardkinderen van Indianen en Europeanen, die
voortrenden op paarden, welken zij tot bloedens toe de reusachtige
sporen gaven, waarvan hun naakte voet voorzien was, en die als schaduwen
voorbij-ijlden. Men kon onderweg met niemand spreken, en dus ook geen
inlichtingen verkrijgen. Glenarvan schikte zich er in. Hij zeide bij
zich zelven, dat kapitein Grant, door Indianen gevangen genomen zijnde,
door hen over de Andes-keten moest medegesleept zijn.

In de pampa's, en niet aan deze zijde, konden derhalve de nasporingen
tot eenige uitkomst leiden. Er zat dus niets anders op dan geduld te
oefenen en snel en onafgebroken vooruit te gaan.

Den 17den vertrok men weder op het gewone uur en in dezelfde orde.
Robert kon zich met moeite bedwingen om de orde niet te verbreken; want
zijn ijver zette hem aan om de merrie voor te komen, tot groot verdriet
van zijn muildier. Er was zelfs een strenge terugroeping van lord
Glenarvan noodig om den knaap op zijn post in de marschlinie te houden.

Er kwam nu meer afwisseling in het voorkomen van het land; het rijzen
van den bodem was het voorteeken van de nabijheid van bergen; het aantal
riviertjes nam toe, en zij stroomden met veel gedruisch van de
hellingen. Paganel raadpleegde dikwijls zijn kaarten; wanneer een van
die beken er niet op voorkwam, hetgeen dikwijls gebeurde, kookte den
aardrijkskundige het bloed in de aderen, en was het grappig om te zien,
hoe driftig hij werd.

"Een beek, die geen naam heeft!" zeide hij, "het is alsof er geen
burgerlijke stand is! zij bestaat niet in het oog der aardrijkskundige
wet!"

Ook zag hij er geen bezwaar in om die onbenoemde riviertjes te doopen;
hij tekende ze aan op zijn kaart en overlaadde ze met de sierlijkste
benamingen in de spaansche taal.

"Welk een taal!" herhaalde hij, "welk een rijke en welluidende taal zij
is van metaal, en ik ben zeker, dat zij uit acht en zeventig deelen
koper en twee en twintig deelen tin bestaat, evenals klokspijs!"

"Maar maakt gij vorderingen?" antwoordde hem Glenarvan.

"Zeker! waarde lord! Als die klemtoon er maar niet was! Maar die
klemtoon! die klemtoon!"

In afwachting van beter, deed Paganel onderweg zijn best om zijn keel te
gewennen aan de moeijelijkheden der uitspraak, zonder daarom zijn
aardrijkskundige waarnemingen te verwaarloozen. Daarin was hij verbazend
sterk en zou hij niet ligt zijn meester vinden. Wanneer Edward Glenarvan
den gids over de een of andere bijzonderheid van het land ondervroeg,
antwoordde zijn geleerde reisgenoot altijd nog eer dan de gids, die hem
dan ook geheel verbluft aanstaarde.

Dienzelfden dag kwam men tegen twee ure aan een weg, die den tot nu toe
gevolgden sneed. Glenarvan vroeg natuurlijk naar den naam, en even
natuurlijk ook was het Paganel, die antwoordde:

"Het is de weg van Yumbel naar los Angeles."

Glenarvan zag den gids aan.

"Juist!" antwoordde deze.

Zich vervolgens naar den aardrijkskundige wendende, zeide hij:

"Gij hebt zeker dit land reeds doorreisd?"

"Dat zou ik denken!" antwoordde Paganel zeer ernstig.

"Op een muilezel?"

"Neen! in mijn armstoel."

De gids begreep er niets van, hij haalde althans de schouders op en
stelde zich weder aan het hoofd van den troep.

Des namiddags ten vijf ure hield hij stil in een diepe kloof, eenige
mijlen boven het stadje Loja.

Dien nacht bragten de reizigers door aan den voet der sierra's, de
voorloopers der groote Cordillera.


[1] Twee honderd vijftig gulden.

[2] Brandewijn van gegiste turksche tarwe.



XII.

Twaalf duizend voet boven den grond.


De togt door Chili had tot nog toe geen noemenswaardig bezwaar
opgeleverd. Maar nu kwamen de hindernissen en bezwaren, aan een togt
door het gebergte onvermijdelijk verbonden, allen tegelijk. Nu zou de
worsteling met den tegenstand der natuur eerst regt beginnen.

Vóór het vertrek moest een vraag van gewigt opgelost worden. Langs
welken pas kon men over de keten der Andes komen, zonder van den
aangenomen weg af te wijken? De gids, hierover ondervraagd zijnde,
antwoordde:

"Ik ken maar twee bruikbare wegen in dit gedeelte der Cordillera's."

"Den weg van Arica zonder twijfel," zeide Paganel, "die door Valdivia
Mendoza ontdekt is."

"Juist."

"En dien van Villarica, ten zuiden van den Nevado van dien naam."

"Juist."

"Die beide wegen, mijn vriend! hebben maar één gebrek, namelijk dat zij
voor ons te noordelijk of te zuidelijk zijn."

"Zoudt gij misschien een anderen pas willen voorstellen?" vroeg de
majoor.

"Ja!" antwoordde Paganel, "den pas van Antuco, op de helling van den
vulkaan gelegen op zeven en dertig graden dertig minuten, dat is maar
een halve graad bezijden onzen weg. Hij is slechts duizend vademen hoog
en door Zamudio de Cruz ontdekt."

"Goed!" zeide Glenarvan, "maar kent onze gids dien pas van Antuco?"

"Ja, mylord! ik heb hem bereisd, en zoo ik hem niet voorstelde, dan is
het alleen, omdat het op zijn hoogst een weg is voor het vee, die alleen
door de indiaansche herders van de oostelijke helling gebruikt wordt."

"Welnu, mijn vriend!" antwoordde Glenarvan, "waar de kudden merriën,
schapen en ossen der Pehuenchen over kunnen, kunnen wij ook over. En
daar wij op dien weg in de regte lijn blijven, stem ik voor den pas van
Antuco."

Het sein tot vertrek werd aanstonds gegeven, en men drong in het dal van
las Lajas, tusschen groote massa's gekristalliseerde kalk. Men steeg
langs een bijna onmerkbare helling. Tegen elf ure moest men de oevers
van een klein meer omrijden, een door de natuur gevormden vergaderbak en
het schilderachtig vereenigingspunt van al de riviertjes uit den omtrek;
zij vielen er murmelend in en vermengden hun rustig en kristalhelder
water. Boven het meer strekten zich groote "llano's" uit, hooge
grasvlakten, waarop de kudden der Indianen weidden. Vervolgens stiet men
op een moeras, dat zuid en noord liep, en dat men, geholpen door het
instinct der muilezels, gelukkig doorwaadde. Ten één ure, kwam men bij
het fort Ballenare, op een hooge rots gelegen, die het met zijn
vervallene wallen beheerschte. Men ging er voorbij. De hellingen werden
reeds steil en steenachtig, en de steentjes, die de hoef der muildieren
losmaakte, rolden onder hun pooten weg en vormden gedruisch makende
steenvallen. Tegen drie ure zag men weder andere schilderachtige
puinhoopen van een fort, dat bij den opstand van 1770 verwoest was.

"De bergen zijn zeker nog niet voldoende om de menschen te scheiden,"
zeide Paganel, "dat men ze nog versterkt heeft!"

Van dit punt af werd de weg moeijelijk, zelfs gevaarlijk, de hellingen
werden hoe langer hoe steiler, de bergwanden naderden elkander hoe
langer hoe meer, de afgronden werden verschrikkelijk diep. De muilezels
gingen voorzigtig voort met den neus op den grond om den weg te
beruiken. Men reed achter elkander. Bij een onverwachte kromming van het
pad verdween de merrie, en dan rigtte de kleine karavaan zich naar het
verwijderde geklingel van het klokje. Dikwijls gebeurde het ook door de
grillige kronkelingen van den weg, dat de reizigers in twee evenwijdige
lijnen voorttrokken, en dat de gids met de inlanders kon spreken,
terwijl een kloof, die naauwelijks twee vademen breed maar wel twee
honderd diep was, een onoverkomelijken afgrond tusschen hen vormde.

Het gras worstelde nog wel met de overheersching van den steen; maar de
strijd tusschen het delfstoffen- en het plantenrijk was reeds duidelijk
zigtbaar. De nabijheid van den vulkaan Antuco was reeds merkbaar aan
eenige strepen ijzerkleurige lava, bedekt met gele naaldvormige
kristallen. De opeengestapelde en overhellende rotsen bleven staan tegen
de wetten van het evenwigt in. Het was duidelijk, dat de aardbevingen
haar voorkomen ligt konden veranderen, en een enkele blik op die wankele
spitsen, die scheve koepels, die slecht bevestigde ronde bergtoppen, was
voldoende om het besluit te wettigen, dat voor die bergachtige streek
het uur nog niet geslagen was om onder haar eigene zwaarte te bezwijken.

In deze omstandigheden werd het moeijelijk om den weg te herkennen. De
bijna onafgebrokene schudding van het berggevaarte doet menigmaal het
spoor verdwijnen, en de herkenningsteekens blijven niet op dezelfde
plaats. De gids aarzelde dan ook; hij hield stil; hij zag in het rond;
hij onderzocht de gedaante der rotsen; hij zocht op den weeken steen
naar voetstappen van Indianen. Het was geheel onmogelijk om zich te
oriënteeren.

Lord Edward volgde zijn gids op den voet; hij begreep en gevoelde, dat
diens verlegenheid in dezelfde mate toenam als de moeijelijkheden van
den weg; hij durfde hem niets vragen en dacht, misschien niet zonder
grond, dat het met het instinct der muilezeldrijvers evenzoo gelegen is
als met dat der muilezels, en dat het beter is om daarop te vertrouwen.

Nog een uur lang dwaalde de gids om zoo te zeggen op goed geluk af rond,
maar kwam toch hoe langer hoe hooger op den berg. Eindelijk was hij
verpligt om te blijven staan. Men was op den bodem eener enge vallei;
van een dier naauwe engten, welke de Indianen "quebrada's" noemen. Een
loodregte muur van porfier sloot er den uitgang van. Na te vergeefs een
doortogt gezocht te hebben, steeg de gids af, sloeg de armen over
elkander en wachtte. Glenarvan kwam bij hem.

"Zijt gij verdwaald?" vroeg hij.

"Neen, mylord!" antwoordde de gids.

"Maar wij zijn toch niet in den pas van Antuco?"

"Wij zijn er wel in."

"Vergist gij u niet?"

"Ik vergis mij niet. Ziedaar de overblijfselen van een vuur, dat de
Indianen hebben aangelegd, en ziedaar de sporen door de kudden merriën
en schapen achtergelaten."

"Dan heeft men dezen weg toch begaan?"

"Ja! maar men zal hem niet meer begaan. De laatste aardbeving heeft hem
onbruikbaar gemaakt."

"Voor de muilezels," antwoordde de majoor; "maar niet voor de menschen."

"Dat moet gij weten," antwoordde de gids; "ik heb gedaan, wat ik kon. Ik
ben bereid om met mijn muilezels terug te keeren, als gij het verlangt,
en om de andere wegen der Cordillera op te zoeken."

"En dat zal een oponthoud zijn?..."

"Van minstens drie dagen."

Zonder een woord te spreken luisterde Glenarvan naar de gezegden van den
gids. Deze was ontegenzeggelijk getrouw aan de gemaakte afspraak. Zijn
muilezels konden niet verder. Toen echter het voorstel gedaan werd om
terug te keeren, wendde Glenarvan zich naar zijn medgezellen en sprak:

"Wilt gij trots alle gevaren verder gaan?"

"Wij willen u volgen!" antwoordde Tom Austin.

"En u zelfs voorgaan!" voegde Paganel er bij. "En wat is ook wel bezien
de geheele zaak? Niets anders dan het beklimmen eener bergketen, welker
andere helling onvergelijkelijk ligter af te dalen is! Als wij zoo ver
zijn, zullen wij de argentijnsche gidsen vinden, die ons den weg door de
pampa's zullen wijzen, en vlugge paarden, die gewoon zijn om door de
vlakte te rennen. Voorwaarts dus en zonder aarzelen!"

"Voorwaarts!" riepen de reisgenooten van Glenarvan.

"Gaat gij niet met ons mede?" vroeg deze aan den gids.

"Ik ben een muilezeldrijver," antwoordde deze.

"Zooals gij wilt."

"Wij kunnen hem wel missen," zeide Paganel; "aan gene zijde van dezen
muur zullen wij de paden van Antuco terugvinden, en ik maak mij sterk om
u even goed aan den voet van den berg te brengen, als de beste gids der
Cordillera's."

Glenarvan rekende dus af met den gids, en zond hem weg met de inlanders
en de muilezels. De wapenen, de werktuigen en eenige levensmiddelen
werden onder de zeven reizigers verdeeld. Met algemeene stemmen besloot
men de beklimming terstond te hervatten, en zoo noodig een gedeelte van
den nacht door te reizen. Ter linkerzijde van de helling kronkelde zich
een steil voetpad, dat de muildieren niet hadden kunnen beklimmen. De
bezwaren waren talrijk; maar na een paar vermoeijende uren en veel
omwegen, waren Glenarvan en zijne reisgenooten weder in den pas van
Antuco.

Nu bevonden zij zich in dat gedeelte der eigenlijke Andes, dat niet ver
ligt van de hoogste kam der Cordillera's; maar er was geen schijn noch
schaduw meer te vinden van een gebaand pad of een herkenbaren pas. De
geheele omtrek was tijdens de laatste aardbevingen het onderst boven
gekeerd, en men moest de bergruggen hoe langer hoe hooger bestijgen.
Paganel was zeer teleurgesteld, nu hij den weg niet vrij vond, en
rekende op zware vermoeijenissen, als zij den top der Andes moesten
beklimmen; want hun gemiddelde hoogte bedraagt van elf duizend tot
twaalf duizend zes honderd voeten. Het was zeer gelukkig, dat het weder
bedaard, de lucht helder en het jaargetijde gunstig was; maar in den
winter, van Mei tot October, zou zulk een beklimming onuitvoerbaar
geweest zijn; de snerpende koude doet de reizigers weldra omkomen, en
wie zij spaart, ontsnapt toch niet aan de hevigheid der "temporales" een
soort van orkanen, aan deze streken eigen, en die de afgronden der
Cordillera jaarlijks met lijken vullen.

Men klom den geheelen nacht door; men moest zich met de handen
vasthouden om de bijna ongenaakbare bergvlakte te beklauteren; men
sprong over breede en diepe kloven; in plaats van met touwen heesch men
elkander met de handen op, en de schouders dienden tot ladders; die
onversohrokkenen geleken op een troep paljassen, die zich aan al de
dwaasheden der icarische spelen overgaven. Duizendmaal hadden nu Mulrady
gelegenheid om zijn kracht, en Wilson, om zijn vlugheid ten toon te
spreiden. Die beide dappere Schotten overtroffen zich zelven; menigmaal
zou de kleine troep, zonder hun opoffering en hun moed, den togt hebben
moeten staken. Glenarvan verloor den jongen Robert niet uit het oog, die
door zijn jeugd en zijn levendigheid vaak tot onbezonnenheid oversloeg.
Paganel ging met echt fransche woede vooruit. Wat den majoor betreft,
deze bewoog zich slechts zooveel als noodig was, niet meer, maar ook
niet minder, en zijn stijgende beweging was zoo goed als onmerkbaar.
Bespeurde hij, dat hij reeds verscheidene uren achtereen aan het klimmen
was? dat is niet zeker. Misschien verbeeldde hij zich wel, dat hij
daalde.

Des morgens ten vijf ure bewees de waarneming van den barometerstand,
dat de reizigers een hoogte van zeven duizend vijf honderd voeten
bereikt hadden. Zij waren nu op de voorliggende bergvlakken, de uiterste
grens van den boomgroei. Er huppelden eenige dieren rond, die een jager
gelukkig of rijk zouden gemaakt hebben; die vlugge dieren wisten het
wel, want zij vlugtten, zoodra zij van verre menschen zagen naderen. Het
was het lama, een kostbaar dier in het gebergte, dat het schaap, het
rund en het paard vervangt, en leeft, waar het muildier niet leven kan.
Het was de chinchilla, een zachtzinnig en vreesachtig knaagdiertje, rijk
aan bont, dat het midden houdt tusschen den haas en den springhaas, en
wien zijn achterpooten het voorkomen van een kangoeroe geven. Een
alleraardigst gezigt levert dit vlugge diertje op, wanneer het evenals
een eekhoorntje over de toppen der boomen loopt.

"Het is nog geen vogel," zeide Paganel; "maar het is toch geen
viervoetig dier meer."

En toch waren die dieren nog geenszins de laatste bewoners van het
gebergte. Ter hoogte van negen duizend voeten, op de grens der eeuwige
sneeuw, leefden nog onvergelijkelijk schoone herkaauwende dieren
gezellig bijeen: de alpaca met zijn lang en zijdeachtig haar, ook die
soort van geiten zonder horens, sierlijke en fiere dieren met fijne wol,
die de natuurkundigen vicunna's noemen. Maar men behoefde er niet aan te
denken om ze te naderen, ter naauwernood lieten ze zich even zien; ze
vloden ijlings weg en gleden zonder geraas over het schitterend witte
tapijt.

Op deze hoogte was het voorkomen der streek geheel veranderd. Groote en
glinsterende ijsblokken, hier en daar met een blaauwachtige tint,
verrezen aan alle kanten en weerkaatsten de eerste stralen der opgaande
zon. Nu werd de beklimming zeer gevaarvol. Men durfde geen voet meer
verzetten zonder den grond naauwkeurig te onderzoeken, ten einde de
kloven te ontdekken. Wilson had zich aan het hoofd van het gezelschap
gesteld, en onderzocht met den voet de oppervlakte der gletschers. Zijn
makkers drukten naauwkeurig zijn voetstappen en vermeden luide
gesprekken; want het geringste geraas, dat de luchtlagen in beweging
bragt, kon den val der sneeuwmassa's veroorzaken, die zeven a acht
honderd voet boven hun hoofd hingen.

Zij waren nu in het gewest der heesters gekomen, die, twee honderd
vijftig vademen hooger hun plaats moesten afstaan aan de grasgewassen en
de cactussen. Ter hoogte van elf duizend voet hielden ook deze planten
op den naakten bodem te bedekken, en ieder spoor van plantengroei
verdween. De reizigers hadden maar eens, ten acht ure, stil gehouden om
hun krachten door een korten maaltijd te herstellen, en met
bovenmenschelijken moed begonnen zij weder te klimmen, daarbij steeds
toenemende gevaren trotseerende. Zij moesten over scherpe rotspunten en
onpeilbare afgronden heen. Op vele plaatsen waren houten kruisen langs
den weg opgerigt, ter aanduiding van de plekken, waar talrijke
ongelukken plaats hadden gehad. Tegen twee ure bereikten zij een
onmetelijk bergvlak, zonder eenig spoor van plantengroei, een soort van
woestijn, die zich tusschen kale rotsen uitstrekte. De lucht was droog,
de hemel had een hard blaauwe kleur; op deze hoogten regent het nooit,
en de dampen worden alleen in sneeuw of in hagel opgelost. Hier en daar
boorden eenige porfier- of basaltspitsen door het witte lijklaken,
gelijk de beenderen van een geraamte, en van tijd tot tijd vielen
brokken kwarts of gneis, door den invloed der lucht verweerd, in gruis
met een zwak geraas, dat door de ijlheid van den dampkring bijna
onhoorbaar was.

Intusschen waren de krachten van den kleinen troep, hoe moedig ook,
geheel uitgeput. Toen lord Edward de uitputting zijner reisgenooten
bemerkte, speet het hem, dat hij zich zoover op den berg had gewaagd. De
kleine Robert verzette zich tegen de vermoeijenis, maar kon niet verder.

Ten drie ure bleef Glenarvan staan.

"Wij moeten rust nemen," zeide hij; want hij zag wel, dat niemand dit
voorstel zou doen.

"Rust nemen?" antwoordde Paganel, "maar wij hebben geen dak."

"Het moet toch, al was het alleen ter wille van Robert."

"Wel neen, mylord!" antwoordde de moedige knaap, "ik kan nog verder gaan
... houdt u niet o....""

"Wij zullen u dragen, mijn jongen!" antwoordde Paganel; "maar wij
moeten, wat het ook kosten moge, de oostelijke helling bereiken. Daar
zullen wij misschien een nachtverblijf in een hut vinden. Ik vraag nog
een togt van twee uren."

"Vindt gij dat allen goed?" vroeg Glenarvan.

"Ja!" antwoordden zijn reisgenooten.

Mulrady voegde er bij:

"Ik belast mij met het kind."

En men ging weder in een oostelijke rigting verder; de beklimming werd
nog gedurende twee vreeselijke uren voortgezet. Men klom maar altijd
door om de hoogste bergtoppen te bereiken. De verdunning der lucht
veroorzaakte die pijnlijke beklemdheid, bekend onder den naam van
"puna." Het bloed zijpelde uit het tandvleesch en de lippen ten gevolge
van het verbroken evenwicht der lucht, en misschien ook onder den
invloed der sneeuw, die op een aanzienlijke hoogte den dampkring, zooals
bewezen is, bederft. Door een versnelde inademing moest men het gebrek
aan digtheid vergoeden om den bloedsomloop gaande te houden, hetgeen
niet minder vermoeijend was dan de weerkaatsing der zonnestralen op de
sneeuwhoopen. Hoe sterk ook de wilskracht dier moedige mannen ware, toch
kwam het oogenblik, waarop de krachtigsten bezweken, en de duizeligheid,
die verschrikkelijke plaag op de bergen, vernietigde niet alleen hun
ligchaamskrachten, maar ook hun zedelijke kracht. Niet straffeloos kan
men tegen vermoeijenissen van dien aard worstelen. Weldra vielen zij
telkens, en degenen die vielen konden slechts verder gaan door op hun
knieën voort te kruipen.

De uitputting zou dus weldra een eind gemaakt hebben aan deze te lang
voortgezette beklimming, en Glenarvan overzag niet zonder schrik het
eindelooze sneeuwkleed, de koude, die het op dit noodlottige gewest deed
nederdalen, de schaduw, die naar die woeste toppen opsteeg, het gebrek
aan een nachtverblijf, toen de majoor hem tegenhield en op een kalmen
toon zeide: "Eene hut."



XIII.

De afdaling van de Cordillera.


Ieder ander dan Mac Nabbs zou honderdmaal voorbij, om, ja zelfs over die
hut gegaan zijn, zonder haar bestaan te vermoeden. Een verhevenheid van
het sneeuwtapijt onderscheidde haar naauwelijks van de omringende
rotsen. Eerst moest men de sneeuw wegruimen. Na een half uur
onafgebroken doorgewerkt te hebben, hadden Wilson en Mulrady eindelijk
den ingang der "casucha" vrij gemaakt, en het kleine gezelschap haastte
zich om er bezit van te nemen.

Die hut, door de Indianen gebouwd, was gemaakt van "adobes," een soort
van in de zon gebakken steenen; zij had de gedaante van een kubus van
twaalf voet lang, en verhief zich op den top van een basaltblok. Een
steenen trap voerde naar de deur, de eenige opening van het stulpje, en
hoe naauw zij ook ware, wisten de orkanen, de sneeuw of de hagel zich er
toch wel een weg door te banen, wanneer de storm in het gebergte was
losgelaten.

Tien menschen konden er gemakkelijk plaats in vinden, en waren haar
wanden al niet waterdigt genoeg in den regentijd, nu beschermden zij
althans eenigzins tegen de snerpende koude, die volgens den thermometer
tien graden onder nul bedroeg. Ook verschafte een soort van haard met
een pijp van zeer slecht zamengevoegde steenen gelegenheid om vuur aan
te leggen, en zich behoorlijk tegen de koude der buitenlucht te
beschermen.

"Dit verblijf is voldoende," zeide lord Edward, "al is het juist niet
gemakkelijk ingerigt. De Voorzienigheid heeft ons hierheen geleid, en
het eerste wat wij doen moeten, is Haar er voor te danken."

"Maar het is een paleis," antwoordde Paganel. "Er ontbreken slechts
schildwachten en hovelingen aan. Wij zijn hier bijzonder goed
gehuisvest."

"Vooral wanneer er een goed vuur aan den haard zal knetteren," zeide Tom
Austin; "want wij hebben niet alleen honger, maar zijn ook
verschrikkelijk koud, geloof ik, en wat mij aangaat, een flinke takkebos
zou mij meer opvrolijken dan een stuk wildbraad."

"Als dat zoo is, Tom!" antwoordde Paganel, "zullen wij ons best doen om
brandstoffen te vinden."

"Brandstoffen op den top der Cordillera's!" zeide Mulrady, terwijl hij
met een ongeloovig gezigt het hoofd schudde.

"Dat men een schoorsteen in deze hut gemaakt heeft," antwoordde de
majoor, "is waarschijnlijk, omdat men hier wel iets te branden vindt."

"Onze vriend Mac Nabbs heeft gelijk," zeide Glenarvan; "maakt alles voor
het avondeten gereed; ik zal houthakker zijn."

"Wilson en ik gaan met u mede," antwoordde Paganel.

"Als ik soms van dienst kan zijn?..." zeide Robert opstaande.

"Neen! rust maar uit, wakkere knaap!" antwoordde Glenarvan. "Gij zult
een man zijn op een leeftijd, waarop anderen nog maar kinderen zijn!"

Glenarvan, Paganel en Wilson verlieten de hut. Het was zes ure des
avonds. De koude was doordringend, ofschoon het doodstil was. De blaauwe
kleur der lucht werd reeds donker, en de laatste zonnestralen beschenen
nog maar even de hooge punten van de bergvlakken der Andes. Paganel, die
zijn barometer had mede genomen, raadpleegde hem, en zag, dat het kwik
op 49.5 duim staan bleef. De stand der kwikkolom kwam overeen met een
hoogte van elf duizend zeven honderd voet. Dit gedeelte der Cordillera's
was dus slechts negen honderd ellen lager dan de Mont-Blanc. Hadden deze
bergen dezelfde moeijelijkheden opgeleverd als die fransche reus, of
waren slechts de orkanen en wervelwinden tegen hen losgelaten, dan zou
geen enkele onzer reizigers de groote keten der Nieuwe Wereld
overgekomen zijn.

Op een porfierbergje gekomen, wendden Glenarvan en Paganel hun blikken
naar alle punten van den gezigteinder.

Zij bevonden zich nu op den top van de sneeuwvelden der Cordillera, en
overzagen een ruimte van vijftig vierkante mijlen. Ten oosten gingen de
hellingen in een zachte glooijing over, langs welke de inlanders zich
honderden vademen ver laten afglijden. Overlangsche strooken steenen en
zwerfblokken, die door het voortschuiven der gletschers verplaatst
waren, vormden in de verte onmetelijke strepen van kleiachtig puin.
Reeds werd het dal van de Colorado hoe langer hoe meer in de schaduw,
door de ondergaande zon veroorzaakt, gehuld; de verhevenheden van den
grond, de uitstekende punten, de naalden en spitsen, door haar stralen
beschenen, werden langzamerhand onzigtbaar, en allengs strekte de
duisternis zich over de geheele oostelijke helling der Andes uit. In het
westen bescheen het licht de voorbergen nog, die den loodregten wand der
westelijke zijden schragen. Het oog werd verblind, als het op de rotsen
en gletschers staarde, die zich baadden in de stralen van de zon. Ten
noorden golfde een rij van toppen, die onmerkbaar ineensmolten en als
het ware een lijn vormden, die door een bevende en onbedrevene hand was
getrokken. Het oog kon ze niet van elkander onderscheiden. Maar ten
zuiden werd het tooneel daarentegen prachtig, en bij het vallen der
duisternis nam het grootsche afmetingen aan. Wanneer men in het woeste
dal van de Torbido nederzag, kon men den Antuco overzien, wiens
ontzaggelijke krater zich twee mijlen verder opende. De vulkaan loeide
als een ontzaggelijk monster, gelijk aan de Leviathans van den voortijd,
en braakte vurige rookzuilen uit, vermengd met stroomen van roetachtige
vlammen. De geheele kring van omringende bergen scheen in brand te
staan; hagelbuijen van witgloeijende steenen, wolken van roodachtige
dampen, vuurpijlen van lava, vereenigden zich tot vonkelende schoven.
Een ontzaggelijke glans, die ieder oogenblik helderder werd, een
verblindende vlam, vervulde dien wijden omtrek met zijn sterken
weerschijn, terwijl de zon, langzamerhand van haar schemerlicht beroofd,
als een uitgedoofde ster in de schaduwen aan den gezigteinder verdween.

Paganel en Glenarvan zouden welligt lang verdiept zijn gebleven in de
beschouwing van die prachtige worsteling tusschen het vuur des hemels en
het vuur der aarde; de geimproviseerde houthakkers maakten plaats voor
de kunstenaars; maar Wilson, die minder met al dat schoon ophad, riep
hen tot de werkelijkheid terug. Hout was er wel niet, maar gelukkig
waren de rotsen met dun en droog korstmos bekleed; zij verzamelden een
aanzienlijken voorraad daarvan, alsmede van een zekere plant, "llaretta"
geheeten, welker wortel redelijk wel kon branden. Zoodra die kostelijke
brandstof in de hut was gebragt, wierp men ze op den haard. Het kostte
vrij wat moeite om het vuur aan te maken, maar nog meer om het aan te
houden. De zeer verdunde lucht leverde niet genoeg zuurstof meer aan de
vlam; althans de majoor gaf die reden op.

"Tot vergoeding," voegde hij er bij, "zal het water niet tot honderd
graden verwarmd behoeven te worden om te koken; wie hun koffij gaarne
zetten met water van honderd graden zullen het er buiten moeten doen;
want op deze hoogte kookt het water reeds onder de negentig graden."[1]

Mac Nabbs vergiste zich niet; toen men den thermometer, zoodra het water
kookte, in den ketel dompelde, wees hij slechts zeven en tachtig graden.
Met smaak dronk elk eenige teugen kokend heete koffij; maar het
gedroogde vleesch vond men wel wat ontoereikend, hetgeen Paganel
aanleiding gaf om de volgende even gegronde als nuttelooze opmerking te
maken.

"Drommels!" zeide hij, "ik moet bekennen, dat een stuk geroosterd
lamavleesch niet te versmaden zou zijn. Men zegt, dat dit dier het rund
en het schaap vervangt, en nu zou ik wel willen weten, of men daarmede
bedoelt als voedingsmiddel."

"Wat!" riep de majoor, "zijt gij niet tevreden met ons avondeten,
geleerde Paganel?..."

"Ik ben in de wolken, dappere majoor! maar toch houd ik vol, dat een
schotel wildbraad welkom zou zijn.

"Gij zijt een Sybariet," zeide Mac Nabbs.

"Dat spreek ik niet tegen, majoor! maar gij moogt zeggen wat gij wilt,
gij zoudt ook niet zuur kijken, als er een biefstuk vóór u stond!"

"Dat geloof ik ook niet!" antwoordde de majoor.

"En als men u verzocht om, in weerwil van de koude en de duisternis, op
den loer te gaan staan, zoudt gij dan zonder bedenken gaan?"

"Ongetwijfeld, en als gij het verlangt...."

De makkers van Mac Nabbs hadden niet eens tijd gehad om hem te bedanken
en zijn al te driftige voorkomendheid wat te beteugelen, toen zich in de
verte een gehuil deed hooren, dat lang aangehouden werd. Het waren geen
kreten van enkele dieren, maar van een geheele kudde, die met snelheid
naderde. Zou de Voorzienigheid soms, na eerst een nachtverblijf bezorgd
te hebben, ook nog in het avondeten willen voorzien? Die gedachte kwam
bij den aardrijkskundige op. Maar Glenarvan bragt zijn vreugde een
weinig tot bedaren door de opmerking, dat men op die hoogte geen
viervoetige dieren op de Cordillera aantreft.

"Waar komt dat geraas dan vandaan?" vroeg Tom Austin. "Hoort gij wel,
hoe nabij het komt?"

"Zou het een lawine zijn?" vroeg Mulrady.

"Dat is onmogelijk! Het is niets anders dan gehuil," antwoordde Paganel.

"Laten wij eens gaan zien!" zeide Glenarvan.

"En laten wij als jagers gaan zien!" voegde de majoor er bij, die zijn
karabijn reeds greep.

Allen stormden de hut uit. De duisternis van den nacht werd alleen
verminderd door het licht der sterren. De maan, die in het laatste
kwartier was, was nog niet op. De noordelijke en oostelijke toppen
verdwenen in de duisternis, en alleen het tooverachtig schaduwbeeld van
eenige zeer hooge rotsen kon het oog nog waarnemen. Het gehuil,--een
gehuil van ontstelde dieren,--werd hoe langer hoe sterker. Zij kwamen
van het donkere gedeelte der Cordillera's. Wat ging daar om? Plotseling
naderde een woedende lawine, maar een lawine van levende en van schrik
waanzinnige wezens. Het geheele bergvlak scheen te dreunen. Er kwamen
honderden, duizenden misschien van die dieren, welke in weerwil van de
ijlheid der lucht een oorverdoovend geraas maakten. Was het rood wild
uit de pampa's of eenvoudig een troep lama's en vicunna's? Glenarvan,
Mac Nabbs, Robert, Austin en de beide matrozen hadden naauwelijks den
tijd om zich ter aarde te werpen, terwijl die levende wervelwind eenige
voeten boven bun hoofd voorttrok. Paganel, die als nachtziende was
blijven staan om beter te zien, werd in een oogwenk omvergeworpen.

Tegelijk hoorde men een vuurwapen losbranden. De majoor had op de gis
geschoten. Het kwam hem voor, alsof er een dier digt bij hem nederviel,
terwijl de geheele troep door zijn onweerstaanbare vaart medegesleept en
nog veel sterker huilende, op de hellingen verdween, die door den
weerschijn van den vulkaan verlicht werden.

"Ha! ik heb hem!" zeide een stem,--die van Paganel.

"Wat hebt gij?" vroeg Glenarvan.

"Wel, mijn bril! Men mag zich gelukkig achten, als men in zulk een
verwarring alleen zijn bril verliest!"

"Gij zijt toch niet gekwetst?..."

"Neen! alleen heb ik een trap gehad. Maar van wien?"

"Hiervan," antwoordde de majoor, die het beest, dat hij geveld had,
voortsleepte.

Een ieder haastte zich om de hut weder te bereiken, en bij het schijnsel
van het vuur onderzocht men het "schot" van Mac Nabbs.

Het was een mooi dier, dat op een kleinen kameel zonder bult geleek; het
had een fijnen kop, een plat ligchaam, lange en tengere pooten, fijn,
geel haar, en witte vlekken onder aan den buik. Naauwelijks had Paganel
het gezien, of hij riep:

"Het is een guanacha!"

"Wat is een guanacha?" vroeg Glenarvan.

"Een dier, dat men eten kan," antwoordde Paganel.

"En smaakt het goed?"

"Dat geloof ik. Het is godenspijs. Ik wist wel, dat wij versch vleesch
voor ons avondeten zouden hebben. En welk vleesch! Maar wie zal het dier
slagten?"

"Dat zal ik wel doen," zeide Wilson.

"Goed, en ik zal het roosteren," antwoordde Paganel.

"Zijt gij dan een kok, mijnheer Paganel?" vroeg Robert.

"Dat zou ik haast denken, mijn jongen! ik ben immers een Franschman! In
een Franschman steekt altijd een kok!"

Vijf minuten later leide Paganel breede sneden wildbraad op de kolen van
den wortel der llaretta. Tien minuten daarna diende hij aan zijn
reisgenooten dat zeer smakelijk uitziende vleesch voor onder den naam
van "reepen van guanacha." Niemand liet zich lang noodigen, en allen
zetten er met graagte de tanden in.

Maar tot groote verbazing van den aardrijkskundige werd de eerste
mondvol ontvangen met een leelijk gezigt en een eenstemmig "ba!"

"Het is afschuwelijk!" zeide de een.

"Het is niet eetbaar!" riep de ander.

Hoezeer het hem ook speet, moest de arme geleerde toch bekennen, dat dit
geroosterd vleesch niet gebruikt kon worden, zelfs niet door
uitgehongerden. Men begon dan ook den draak met hem te steken, hetgeen
hij zich goedwillig liet aanleunen, en zijn "godenspijs" te beschimpen;
hij zelf echter zocht naar de oorzaak, waarom dat guanacha-vleesch, dat
werkelijk goed en zeer geacht is, onder zijne handen zoo afschuwelijk
was geworden, toen hem een onverwachte opmerking te binnen schoot.

"Ik ben er achter!" riep hij. "Voor den drommel! ik ben er achter! ik
heb het gevonden!"

"Was het vleesch misschien te veel aangestoken?" vroeg Mac Nabbs zeer
bedaard.

"Neen! onverdragelijke majoor! maar het was vleesch, dat te veel
geloopen had! Dat ik daaraan niet gedacht heb!"

"Wat bedoelt gij daarmede, mijnheer Paganel?" vroeg Tom Austin.

"Ik bedoel, dat de guanacha alleen dan goed is, wanneer hij in den slaap
gedood is; als men hem lang jaagt, als hij lang achtereen loopt, is zijn
vleesch niet eetbaar meer. Uit den smaak blijkt dus, dat dit dier, en
bij gevolg de geheele kudde, van verre kwam."

"Zijt gij daarvan zeker?" zeide Glenarvan.

"Ik ben er stellig zeker van."

"Maar welk voorval, welk natuurverschijnsel heeft die dieren zoo kunnen
verschrikken en hen opjagen op een uur, dat zij rustig in hun leger
moesten slapen?"

"Op die vraag, waarde Glenarvan!" zeide Paganel, "moet ik u het antwoord
schuldig blijven; en mij dunkt, dat wij niet beter kunnen doen, dan er
ons hoofd niet mede te breken en te gaan slapen. Ik kan de oogen niet
langer open houden. Keurt gij het ook niet goed, majoor?"

"Ja, Paganel! laten wij gaan slapen."

Hierop wikkelden allen zich in hun mantel, het vuur werd goed voorzien,
en spoedig ging er in alle toonen en in allerlei maat een geducht
gesnork op, waar tusschen de bas van den geleerden aardrijkskundige de
harmonie bewaarde.

Edward Glenarvan alleen sliep niet. Een heimelijke onrust hield hem in
een staat van vermoeijende slapeloosheid. Hij dacht onwillekeurig aan
die kudde, welke in ééne rigting voortvlugtte, aan haar onverklaarbaren
schrik. De guanacha's konden niet door rood wild vervolgd worden. Op
deze hoogte is het niet, en nog veel minder zijn er jagers. Welke angst
dreef hen dan naar de afgronden van den Antuco, en wat was er de oorzaak
van? Glenarvan had een voorgevoel van een naderend gevaar.

Onder den invloed eener halve slaperigheid werden zijn denkbeelden
echter langzamerhand gewijzigd, en de vrees maakte plaats voor hoop. Hij
zag, hoe hij des anderen daags in de vlakte der Andes zou zijn. Daar
zouden de nasporingen eerst regt beginnen, en was de goede uitslag
misschien niet ver af. Hij dacht aan kapitein Grant, aan diens beide
matrozen, die uit een harde slavernij verlost zouden worden. Die beelden
gingen snel in zijn geest voorbij, daar zij telkens verstrooid werden
door het geknetter van het vuur, door een vonk, die knappend omhoog
steeg, door een heldere vlam, die het gelaat zijner slapende makkers
verlichtte en een schaduw langs de wanden der hut deed gaan. Daarna
keerde zijn voorgevoel met meer kracht terug. Hij hoorde een onduidelijk
geraas daar buiten, dat hij op die eenzame toppen moeijelijk kon
verklaren.

Eens meende hij in de verte een dof en dreigend gerommel op te vangen,
gelijk aan het ratelen van een donder, die niet uit de lucht kwam. Dat
gerommel nu kon alleen veroorzaakt worden door een storm, die op de
zijden des bergs, eenige duizenden voeten onder zijn top woedde.
Glenarvan wilde het onderzoeken en verliet de hut.

De maan ging juist op. De dampkring was zuiver en stil. Geen wolkje was
er boven noch beneden te zien. Hier en daar slechts bewoog zich de
weerschijn der vlammen van den Antuco. Geen onweder, geen weerlicht was
er aan de lucht. In het toppunt schitterden duizenden sterren. En toch
duurde het gerommel maar altijd voort; het scheen te naderen en door de
keten der Andes voort te loopen. Glenarvan ging nog ongeruster naar
binnen, zich afvragende welk verband er bestond tusschen dat
onderaardsche gerommel en de vlugt der guanacha's. Was er een uitwerksel
en een oorzaak aanwezig? Hij zag op zijn horlogie, dat op twee uur
stond.

Daar hij echter niet zeker was, dat er een gevaar naakte, wekte hij zijn
makkers niet, die de vermoeidheid vast had doen inslapen, en hij verviel
zelf in eene loome dommeling, die verscheidene uren aanhield.

Eensklaps deed een geweldig geraas hem overeind vliegen. Het was een
oorverdoovend leven, te vergelijken met het hortend en stootend
gedruisch, dat ontelbare kruidwagens, die over een helder klinkend
plaveisel rijden, zouden maken. Plotseling gevoelde Glenarvan, dat de
grond onder hem wegzonk; hij zag de hut slingeren en splijten.

"Op! op!" riep hij uit.

Zijne makkers werden allen wakker, over elkander heen geworpen, en langs
een schrikwekkende schuinte medegesleept. De zon, die juist opging,
bescheen een akelig tooneel. De gedaante der bergen veranderde in een
oogwenk; de kegels werden afgeknot; de wankelende spitsen verdwenen,
alsof er onder haar een luik werd geopend. Ten gevolge van een aan de
Cordillera's eigen natuurverschijnsel[2], werd een geheele streek, ter
breedte van verscheidene mijlen, verplaatst en gleed zij naar de vlakte.

"Een aardbeving!" riep Paganel.

Hij vergiste zich niet. Het was een van die veelvuldige omkeeringen op
de bergachtige grens van Chili, en juist in dienzelfden omtrek, waarin
Copiapo tweemaal verwoest en Santiago in veertien jaren viermaal het
onderst boven gekeerd is. Dit gedeelte van den aardbol wordt door het
inwendige vuur ondermijnd, en de vulkanen van deze nog jonge bergketen
zijn slechts ontoereikende veiligheidskleppen voor de onderaardsche
dampen. Dat is de oorzaak dier onophoudelijke schokken, bekend onder den
naam van "temblores".

Het bergvlak, waaraan zeven mannen, verdoofd en verschrikt, hangende aan
bosjes korstmossen, zich vastklemden, gleed intusschen met de vaart van
een sneltrein, d.i. met een snelheid van vijftig mijlen in het uur. Het
was even onmogelijk om te roepen, als om een beweging te maken ten einde
te vlugten of zijn val te stuiten. Men zou elkander toch niet hebben
kunnen verstaan. Het inwendig gerommel, het geraas der lawinen, de schok
der graniet- en basaltmassa's, de ronddwarrelende sneeuw, zoo fijn als
stof, maakten de minste woordenwisseling onmogelijk. Nu eens zakte het
gesteente zonder horten of stooten; dan weder slingerende en stampende,
gelijk het dek van een schip in een holle zee, langs afgronden gaande,
waarin brokken van den berg nederstortten, of de eeuwenoude boomen
ontwortelende, maakte het met de naauwkeurigheid eener onmetelijke zeis
al de uitstekende punten der oostelijke helling effen en gelijk.

Men verbeelde zich de kracht eener massa van verscheidene duizend
millioenen tonnen zwaarte, met steeds toenemende snelheid voortgeschoven
onder een hoek van vijftig graden!

Niemand zou kunnen berekenen hoe lang die onbeschrijfelijke val wel
duurde. Niemand durfde voorzien in welken afgrond hij gestuit zou
worden. Of allen nog levend bijeen waren, dan of een hunner reeds op den
bodem van een afgrond lag, kon niemand nog zeggen. Door de snelheid
hunner vaart verdoofd, door de koude lucht, die hen doordrong,
verstijfd, door de sneeuwjagt verblind, snakten zij naar verademing,
waren zij magteloos, bijna levenloos, en hielden zij zich alleen uit een
instinct van zelfbehoud aan de rotsen vast.

Plotseling slingerde een allerhevigste schok hen van hun glijdend
voertuig af. Zij werden vooruit geworpen en rolden op de laatste
bergranden neder. Het bergvlak bleef onbewegelijk liggen.

Het duurde eenige minuten eer iemand zich bewoog. Eindelijk stond er een
op, wel verdoofd door den val, maar toch nog krachtig,--de majoor. Hij
schudde het stof, dat hem verblindde, van zich af en zag in het rond.
Zij lagen in een kleinen kring over elkander, gelijk de hagel uit een
geweer.

De majoor telde ze. Zij waren er allen, op één na. De ontbrekende was
Robert Grant.


[1] De daling van het kookpunt van het water bedraagt ongeveer 1 graad
voor iedere 324 ned. ellen hoogte.

[2] Een verschijnsel, dat hiermede veel overeenkomst had, had in 1820 op
den Mont-Blanc plaats, en veroorzaakte die verschrikkelijke ramp die het
leven kostte aan drie gidsen van Chamouny.



XIV.

Een gelukkig geweerschot.


De oostelijke zijde van de Cordillera de los Andes bestaat uit zachte
glooijingen, die ongemerkt in de vlakte uit loopen. Daar was een
gedeelte van het vaste gesteente plotseling blijven liggen. In deze
nieuwe streek met digt gras begroeid, met prachtige boomen bedekt,
droegen tallooze appelboomen, die ten tijde der verovering geplant waren
en geheele bosschen vormden, hun goudgele vruchten. Het was een hoek van
het weelderige Normandië in het zilverland neergesmeten, en onder iedere
andere omstandigheid zou het oog eens reizigers getroffen geweest zijn
door dien plotselingen overgang uit de woestijn in de oasis, van de
besneeuwde bergtoppen in de groene weiden, van den winter in den zomer.

De grond was weder even onbewegelijk geworden als altijd. De aardbeving
was afgeloopen, en zonder twijfel oefenden de onderaardsche krachten
haar verwoestende werking nu verder uit; want de Andes-keten schudt en
beeft altijd hier of daar. Ditmaal was de schudding allerhevigst
geweest. De berglijn was geheel gewijzigd. Een nieuw panorama van
toppen, kammen en pieken teekende zich af op den blaauwen grond des
hemels, en de gids uit de pampa's zou er te vergeefs naar zijn gewone
herkenningspunten gezocht hebben.

De dag beloofde zeer schoon te zullen zijn; de stralen der zon, die haar
vochtig bed in de Stille Zuidzee had verlaten, gleden over de
argentijnsche vlakten en dompelden zich reeds in de golven van den
Atlantischen Oceaan. Het was acht ure in den morgen.

Door de zorg van den majoor weder bijgebragt, kwamen Edward Glenarvan en
diens makkers langzamerhand in het leven terug. Het bleek nu, dat zij
met een verschrikkelijke verdooving vrij waren gekomen. Zij waren van de
Cordillera afgedaald, en zouden reden gehad hebben om zich te verheugen
over het snelle middel van vervoer, door de natuur bekostigd, hadden zij
niet een hunner, en wel de zwakste, een kind, Robert Grant gemist.

Allen beminden dien wakkeren knaap: Paganel, die zich bijzonder aan hem
gehecht had, de majoor ondanks zijn koelheid, allen, maar vooral
Glenarvan. Deze was wanhopend, toen hij de verdwijning van Robert
vernam. Hij stelde zich voor, hoe het arme kind in den een of anderen
afgrond weggezonken zou zijn, en hoe hij te vergeefs om hem roepen zou,
dien hij zijn tweeden vader noemde.

"Vrienden! vrienden!" zeide hij, met moeite zijn tranen bedwingende,
"wij moeten hem zoeken, wij moeten hem terug vinden! Wij kunnen hem zoo
niet aan zijn lot overlaten! Geen vallei, geen kloof, geen afgrond mogen
wij ondoorzocht laten! Gij moet mij een touw om het lijf binden! Gij
moet mij aflaten! Ik wil het, hoort gij? ik wil het! De Hemel geve, dat
Robert nog leeft, en ik zal hem redden! Hoe zouden wij zonder hem zijn
vader durven opzoeken, en welk regt hebben wij om kapitein Grant te
redden, wanneer het geschieden moet ten koste van het leven zijns
zoons?"

De reisgenooten van Glenarvan hoorden hem sprakeloos aan; zij gevoelden,
dat hij een straal van hoop in hun blikken trachtte te vinden, en
sloegen de oogen neder.

"Welnu!" hervatte lord Edward, "gij verstaat mij, en gij zwijgt!
Koestert gij dan geen hoop meer, ook niet de geringste?"

Er heerschte eenige oogenblikken een diepe stilte, tot Mac Nabbs het
woord opvatte en zeide:

"Wie uwer, mijne vrienden! herinnert zich, wanneer Robert verdwenen is?"

Op die vraag volgde geen antwoord.

"Gij zult mij dan toch wel kunnen zeggen," vervolgde de majoor, "wie het
kind naast zich had bij de afdaling van de Cordillera?"

"Ik," antwoordde Wilson.

"Welnu, tot wanneer hebt gij hem naast u gezien? Bedenk u wel! Spreek!"

"Ik herinner mij alleen," antwoordde Wilson, "dat Robert Grant, terwijl
hij met de hand krampachtig een bosje korstmos vasthield, geen twee
minuten vóór den schok, die een einde aan onze afdaling maakte, nog
naast mij was."

"Geen twee minuten! Bedenk u wel, Wilson! de minuten hebben u zeker wat
lang toegeschenen! Vergist gij u niet?"

"Ik geloof, dat ik zeker ben van hetgeen ik zeg.... Ja, het is zoo ...
geen twee minuten!"

"Goed!" zeide Mac Nabbs. "En was Robert aan uw linker- of aan uw
regterzijde?"

"Aan mijn linkerzijde. Ik herinner mij, dat zijn mantel mij in het
aangezigt woei."

"En in welke rigting bevondt gij u met betrekking tot ons?..."

"Ook ter linkerzijde."

"Dus heeft Robert alleen aan deze zijde kunnen verdwijnen," zeide de
majoor zich naar den berg wendende en deszelfs regterzijde aanwijzende.
"Ik voeg er bij, dat, den tijd in aanmerking genomen, die sedert zijn
verdwijning verloopen is, het kind gevallen moet zijn op dat gedeelte
van den berg, dat zich bevindt tusschen den voet en eene hoogte van twee
mijlen. Daar moeten wij zoeken; wij zullen ons naar verschillende punten
begeven, en dan zullen wij hem zeker terug vinden."

Geen woord werd er verder gewisseld. De zes mannen bestegen de
Cordillera, plaatsten zich op haar rug op verschillende hoogten en
begonnen hun nasporingen. Zij bleven steeds ter regterzijde van de lijn
van nederdaling, doorzochten de geringste scheuren, daalden op den bodem
der afgronden neder, die gedeeltelijk gedempt waren door de brokken van
het vaste gesteente, en meer dan één hunner kwam er uit te voorschijn
met gescheurde kleederen en bebloede handen en voeten, na zijn leven te
hebben blootgesteld. Behalve eenige ontoegankelijke bergvlakken, werd
dit gedeelte der Andes uren lang naauwkeurig onderzocht, zonder dat een
van die moedige lieden er aan dacht om rust te nemen. Vergeefsche
moeite. Het kind had niet alleen den dood in den berg gevonden, maar ook
een graf, welks zerk, uit het een of ander ontzaggelijk rotsblok
bestaande, zich voor eeuwig boven hem gesloten had.

Tegen één ure waren Glenarvan en zijne reisgezellen, uitgeput en
afgemat, weder op den bodem van het dal bijeen. Lord Edward was aan een
hevige smart ter prooi; hij sprak naauwelijks, en alleen deze woorden,
door snikken afgebroken, kwamen over zijne lippen:

"Ik zal niet heengaan! Ik zal niet heengaan!"

Allen begrepen die stijfhoofdigheid, welke tot een vaststaand denkbeeld
was geworden, en eerbiedigden ze.

"Laten wij wachten," zeide Paganel tot den majoor en tot Tom Austin.
"Laten wij wat uitrusten en onze krachten herstellen. Wij hebben ze
noodig, of om onze nasporingen te vernieuwen, of om onzen weg te
vervolgen."

"Ja!" antwoordde Mac Nabbs, "wij zullen blijven, omdat Edward het
verlangt! Hij hoopt. Maar wat hoopt hij?"

"God weet het!" zeide Tom Austin.

"Arme Robert!" antwoordde Paganel, zich de oogen afdroogende.

Er groeiden een menigte boomen in het dal; de majoor koos een groep
hooge St. Jansbroodboomen, waaronder hij een voorloopige legerplaats
liet opslaan. Eenige dekens, de wapens, een weinig gedroogd vleesch en
rijst, was alles, wat de reizigers over hadden gehouden. Niet verre van
daar stroomde een beekje, welks door de lawine nog min of meer troebel
water in de eerste behoefte voorzag. Mulrady ontstak vuur op het gras,
en spoedig kon hij zijn heer een warme en verkwikkende drank aanbieden.
Glenarvan weigerde ze, en bleef van alle kracht beroofd op zijn mantel
uitgestrekt liggen.

Zoo verstreek de dag. De volgende nacht was even kalm en stil als de
voorgaande. Terwijl zijne makkers wel roerloos maar toch wakker lagen,
beklom Glenarvan op nieuw de hellingen der Cordillera. Hij luisterde
scherp, nog altijd hopende, dat een laatste kreet tot hem zou
doordringen. Hij waagde zich, al was hij alleen, zeer ver bergop, leide
zijn oor tegen den grond, luisterde en onderdrukte zelfs het kloppen van
zijn hart, terwijl hij op een toon van wanhoop het kind riep.

Den geheelen nacht dwaalde de arme lord op den berg rond. Paganel en de
majoor volgden hem beurtelings, gereed om hem hulp te bieden op de
gladde rotspunten en aan den rand der afgronden, waarheen zijn
nuttelooze onvoorzigtigheid hem voerde. Maar al zijn pogingen waren
vergeefsch, en alleen de echo antwoordde op zijn duizendwerf herhaald
geroep van "Robert! Robert!" door dien geliefden naam na te baauwen.

De zon ging op. Men moest Glenarvan van de verwijderde bergvlakken
halen, en hem, hoewel tegen zijn zin, naar de legerplaats brengen. Zijn
wanhoop was ontzettend. Wie zou tegen hem van vertrekken hebben durven
spreken, en hem voorstellen om dat rampzalige dal te verlaten? Inmiddels
raakten de levensmiddelen op. Digt bij zou men de argentijnsche gidsen,
die de muilezeldrijver besteld had, en de paarden, die voor de reis door
de pampa's noodig waren, ontmoeten. De terugtogt was met meer bezwaren
verbonden dan het voortzetten der reis. Bovendien, de _Duncan_ zou aan
de kust van den Atlantischen Oceaan wachten. Al die gewigtige redenen
gedoogden geen langer verwijl, en in aller belang mogt het uur van
vertrek niet uitgesteld worden.

Mac Nabbs beproefde Glenarvan uit zijn smart op te beuren. Hij sprak
lang, zonder dat zijn vriend hem scheen te verstaan. Glenarvan schudde
het hoofd. Toch kwamen eenige woorden over zijne lippen.

"Vertrekken!" zeide hij.

"Ja! vertrekken."

"Nog één uur!" zeide lord Edward.

"Ja, nog één uur," antwoordde de waardige majoor.

En toen het uur om was, smeekte Glenarvan als een gunst om hem nog één
uur toe te staan. Men zou gezegd hebben dat hij een veroordeelde was,
die om verlenging zijns levens bad. Dat duurde zoo tot omstreeks twaalf
ure. Toen aarzelde Mac Nabbs met aller goedkeuring niet langer, en zeide
tot Glenarvan, dat zij moesten vertrekken, en dat het leven zijner
reisgenooten van een snel besluit afhing.

"Ja! ja!" zeide lord Edward, "laten wij vertrekken!"

Maar terwijl hij zoo sprak, dwaalde zijn oog van Mac Nabbs af; zijn blik
bleef op een zwarte stip in de lucht gevestigd. Eensklaps stak hij zijn
hand omhoog, en bleef onbewegelijk staan, alsof hij versteend ware.

"Daar! daar!" zeide hij, "ziet! ziet!"

Allen wendden de oogen hemelwaarts en in de rigting, die hun zoo
gebiedend werd aangewezen. Thans werd de zwarte stip zigtbaar grooter.
Het was een vogel, die op een onmetelijken afstand in de lucht zweefde.

"Een condor," zeide Paganel.

"Wat zegt gij? een condor!" antwoordde Glenarvan.

"Wie weet? hij komt! hij daalt! wacht even!"

Wat hoopte lord Edward? Was zijn verstand verbijsterd? "Wie weet?" had
hij gezegd! Paganel had goed gezien. De condor werd ieder oogenblik
duidelijker zigtbaar. Die prachtige vogel, wien de Incas voorheen
goddelijke eer bewezen, is de koning der zuidelijke Andes. In deze
streken bereikt hij een buitengewone grootte. Zijn kracht is verbazend,
en menigmaal stort hij runderen in den afgrond neder. Hij valt schapen,
geiten en jonge kalveren, die in de vlakte rondloopen, aan, en voert ze
in zijn klaauwen tot een verbazende hoogte. Niet zelden zweeft hij
twintig duizend voet boven den grond, d.i. op een hoogte, die de mensch
niet kan overschrijden. Van daar laat die koning der lucht, voor het
beste gezigt onmerkbaar, zijn scherpen blik over de aarde weiden, en
onderscheidt hij de geringste voorwerpen met een gezigtsvermogen, dat de
verwondering der natuurkundigen opwekt.

Wat had die condor dan gezien? Een lijk! dat van Robert Grant. "Wie
weet?", herhaalde Glenarvan, zonder hem uit het oog te verliezen. De
ontzaggelijke vogel naderde, nu eens zwevende, dan weder met de snelheid
van een vallend ligchaam nederdalende. Weldra beschreef hij, geen
honderd vademen van den grond, met een grooten straal wijde cirkels. Men
kon hem geheel onderscheiden. Op zijn krachtige vleugels dreef hij bijna
zonder klapwieken op de lucht; want het is een eigenschap der groote
vogels, dat zij met een majestueuse kalmte vliegen, terwijl de insecten
om te blijven zweven wel duizendmaal in een seconde hun vlerkjes moeten
uitslaan.

De majoor en Wilson hadden hun karabijn gegrepen. Glenarvan hield hen
met een gebaar tegen. De condor beschreef in zijn vlugt kringen boven
een soort van ontoegankelijk bergvlak, een kwartmijl hoog op de zijden
der Cordillera gelegen. Hij draaide met een duizelingwekkende snelheid
rond, opende en sloot zijn vreeselijke klaauwen, en schudde zijn
kraakbeenigen kam.

"Daar! daar!" riep Glenarvan.

Daar schoot hem eensklaps een gedachte te binnen.

"Als Robert nog leeft!" riep hij op een toon van ontzetting, "dan zal
die vogel.... Vuur! vrienden! vuur!" Maar het was te laat. De condor was
reeds achter hooge, uitstekende rotspunten verdwenen. Er verliep een
seconde, een seconde die wel een eeuw duurde! Daarna kwam de
ontzaggelijke vogel zwaar beladen weder te voorschijn, en verhief zich
langzaam in de lucht.

Een kreet van ontzetting ging er op. Men zag, hoe de condor een
levenloos ligchaam, dat van Robert Grant, in zijn klaauwen heen en weer
schudde. De vogel had zijn kleederen vast gegrepen, en bevond zich geen
honderd vijftig voet boven de legerplaats; hij had de reizigers bemerkt
en wilde met zijn zware prooi ontvlugten, waarom hij de luchtlagen hevig
met zijn vleugels sloeg.

"Ach!" riep Glenarvan, "ik zou liever zien, dat het lijk van Robert op
deze rotsen verbrijzeld werd, dan dat het moest dienen...."

Hij voltooide den zin niet, en de karabijn van Wilson grijpende, wilde
hij op den condor aanleggen. Maar zijn arm beefde. Hij kon zijn wapen
niet stil houden. Zijn oogen werden verduisterd.

"Laat mij maar begaan," zeide de majoor.

En met een rustigen blik, een vaste hand en een onbewegelijk ligchaam
mikte hij op den vogel, die reeds drie honderd voet van hem af was.

Maar hij had zijn karabijn nog niet afgedrukt, of daar klonk reeds een
losbranding in het dal; tusschen twee basaltrotsen dwarrelde een witte
rook, en de condor, in den kop getroffen, viel al ronddraaijende
langzaam neder, door zijn grote uitgespreide vleugels opgehouden, die
tot valscherm dienden. Hij had zijn prooi niet losgelaten, en viel vrij
langzaam op den grond neder, op tien schreden afstands van de steile
oevers der beek.

"Helpt! helpt!" riep Glenarvan.

En zonder te onderzoeken, vanwaar dat door de Voorzienigheid bestuurde
schot gekomen was, snelde hij naar den condor. Zijn makkers volgden hem
ijlings.

Toen zij aankwamen, was de vogel dood. Het ligchaam van Robert verdween
onder zijn groote vleugels. Glenarvan wierp zich op het lijk van het
kind, bevrijdde hem uit de klaauwen des vogels, strekte hem op het gras
uit, en drukte zijn oor tegen de borst van dat levenloos ligchaam.

Nooit was er verschrikkelijker vreugdekreet over menschelijke lippen
gekomen, dan toen lord Glenarvan opstond met den uitroep:

"Hij leeft! hij leeft nog!"

Onmiddellijk werd Robert van zijn kleederen ontdaan, en zijn aangezigt
met koud water gewasschen. Hij bewoog zich even, opende zijn oogen, zag
rond en sprak eindelijk de volgende woorden:

"Ach! zijt gij het, mylord!... mijn vader!..."

Glenarvan kon niet antwoorden; de aandoening verstikte zijn stem, en
nederknielende weende hij bij dat zoo wonderdadig geredde kind.



XV.

Het spaansch van Jacques Paganel.


Na pas aan het eene gevaar ontkomen te zijn, werd Robert door een ander,
niet geringer bedreigd, dat van onder liefkozingen te bezwijken. Hoewel
hij nog zeer zwak was, kon geen een van die wakkere lieden de lust
wederstaan om hem te omhelzen. Die hartelijke omhelzingen zijn stellig
niet schadelijk voor de zieken, want het kind stierf er niet aan.
Integendeel.

Maar na den geredde dacht men aan den redder, en zooals van zelf spreekt
was de majoor de eerste, die op de gedachte kwam om eens rond te zien.
Vijftig schreden van het beekje af stond een zeer rijzig man
onbewegelijk stil op een der laagste punten van den berg. Een lang
geweer lag aan zijne voeten. Die man, die zoo plotseling was komen
opdagen, had breede schouders en lange haren, die met lederen riempjes
waren opgebonden. Hij was meer dan zes voet lang; zijn bronskleurig
gelaat was tusschen de oogen en den mond rood, aan het onderste ooglid
zwart, en op het voorhoofd wit. Op de wijze der grensbewoners van
Patagonië gekleed, droeg die inboorling een prachtigen mantel met roode
figuren versierd, vervaardigd uit het vel van den hals en de pooten van
een guanacha, met de pezen van struisvogels vastgenaaid, en met de
zijdeachtige wol naar buiten gekeerd. Onder zijn mantel droeg hij een
naauwsluitende kleeding van vossevel, die van voren in een punt uitliep.
Aan zijn gordel hing een zakje, dat de kleuren bevatte, die hij
gebruikte om zijn aangezigt te beschilderen. Zijn laarzen waren van een
stuk ossehuid vervaardigd, en om den enkel met regelmatig over elkaar
gekruiste riemen vastgemaakt.

Het gelaat van dien Patagoniër was zeer schoon en zeer verstandig, in
spijt van de kakelbonte kleuren, waarmede het versierd was. Hij wachtte
in een waardige houding. Als men hem daar zoo onbewegelijk en deftig op
zijn voetstuk van rotsen had zien staan, zou men hem voor het standbeeld
der koelbloedigheid gehouden hebben.

Zoodra de majoor hem bemerkt had, wees hij hem aan Glenarvan, die naar
hem toeliep. De Patagoniër deed twee schreden vooruit. Glenarvan greep
zijn hand en drukte ze in de zijne. Er lag in den blik van den lord, in
de opgeruimde uitdrukking van zijn gelaat, in zijn geheele houding zulk
een gevoel van erkentelijkheid, zulk een uitdrukking van dankbaarheid,
dat de inboorling zich er niet in kon vergissen. Hij boog zachtjes het
hoofd en zeide eenige woorden, die de majoor evenmin als zijn vriend kon
verstaan.

Daarop veranderde de Patagoniër, na de vreemdelingen oplettend aangezien
te hebben, van taal; maar, wat hij ook deed, zij begrepen die nieuwe
taal evenmin als de andere. Zekere uitdrukkingen echter, waarvan de
inboorling zich bediende, troffen Glenarvan. Het kwam hem voor, dat zij
tot de spaansche taal behoorden, waarvan hij eenige der meest
gebruikelijke woorden kende.

"_Espagñol_?" zeide hij.

De Patagoniër knikte, een gebaar, dat bij alle volken dezelfde
toestemmende beteekenis heeft.

"Goed!" zeide de majoor, "dat is een kolfje naar de hand van onzen
vriend Paganel. Hoe gelukkig, dat hij op de gedachte gekomen is om
spaansch te leeren!"

Paganel werd geroepen. Hij kwam dadelijk aanloopen, en groette den
Patagoniër met echt franschen zwier, waarvan deze waarschijnlijk niets
begreep. De geleerde aardrijkskundige werd aangaande den stand van zaken
ingelicht.

"Zeer goed!" zeide hij.

En den mond wijd openende om de woorden des te duidelijker te kunnen
uitspreken, zeide hij:

"_Vos sois um homem de bem_![1]"

De inboorling luisterde oplettend, maar antwoordde niet.

"Hij begrijpt mij niet," zeide de aardrijkskundige.

"Misschien legt gij den klemtoon niet goed?" antwoordde de majoor.

"Dat is het. Die duivelsche klemtoon!"

En Paganel herhaalde zijn compliment nog eens, maar met hetzelfde
gevolg.

"Ik zal eens iets anders zeggen," zeide hij, en met een regterlijke
langzaamheid sprekende, liet hij deze woorden hooren:

"_Sem devida, um Patagdo_?[24]"

De ander bleef even stom als te voren.

"_Dizeime_![3]" voegde Paganel er bij.

De Patagoniër gaf nog geen antwoord.

"_Vos compriendeis_?[4]" riep Paganel zoo driftig, dat het weinig
scheelde of hij had zijn stembanden gebroken.

Het was duidelijk, dat de Indiaan hem niet begreep; want hij antwoordde,
maar in het spaansch: "_No comprendo._[5]."

Nu was het de beurt van Paganel om vreemd op te kijken; hij schoof
driftig zijn bril van zijn voorhoofd voor zijn oogen, als iemand, wiens
bloed aan het koken gaat.

"Ik laat mij hangen," zeide hij, "als ik een woord van dat helsche
koeterwaalsch versta! Het is zeker araucanisch!"

"Wel neen," antwoordde Glenarvan, "die man heeft zeker in het spaansch
geantwoord."

En zich tot den Patagoniër keerende, herhaalde bij: "_Espagñol_?"

"_Si, si_![6]" antwoordde de inboorling.

De verrassing van Paganel ging tot verbazing over. De majoor en
Glenarvan knipoogden tegen elkander.

"Hoe is het, mijn geleerde vriend?" zeide de majoor, terwijl
onwillekeurig een glimlachje zijn lippen krulde, "hebt gij misschien
weder een van die buijen van verstrooidheid gehad, die gij in pacht
schijnt te hebben?"

"Wat blieft!" zeide de aardrijkskundige eenigzins geraakt.

"Ja! het is zeker, dat die Patagoniër spaansch spreekt...."

"Hij!"

"Ja, hij! zoudt gij wel ligt een andere taal geleerd hebben,
denkende...."

Mac Nabbs voltooide den zin niet. Een krachtig "och!" van den geleerde,
vergezeld van een veelbeteekenend schouderophalen, deed hem eensklaps
zwijgen.

"Majoor! gij gaat te ver," zeide Paganel op een droogen toon.

"Maar, daar gij toch niet begrijpt!" antwoordde Mac Nabbs.

"Ik begrijp niet, omdat die inboorling niet goed spreekt!" antwoordde de
aardrijkskundige, die ongeduldig begon te worden.

"Dat wil zeggen, dat hij niet goed spreekt, omdat gij niet begrijpt,"
gaf de majoor bedaard ten antwoord.

"Dat is toch een onaannemelijke vooronderstelling, Mac Nabbs!" zeide nu
Glenarvan. "Hoe verstrooid onze vriend Paganel ook zijn moge, kan men
toch niet aannemen, dat dit zoover zou gegaan zijn, dat hij de eene taal
voor de andere zou geleerd hebben!"

"Verklaar mij de zaak dan wat nader, waarde Edward! of liever gij, brave
Paganel!"

"Ik verklaar niet," antwoordde Paganel, "ik bevestig. Hier is het boek,
waarin ik mij dagelijks in de moeijelijkheden der spaansche taal oefen!
Bezie het maar, majoor! en gij zult zien of ik u om den tuin leid!"

Dit zeggende tastte Paganel in zijne zakken; na eenige minuten gezocht
te hebben, haalde hij er een zeer gehavend boek uit en bood het met een
zeker voorkomen aan. De majoor nam het boek en zag hem aan:

"Wat is dat voor een werk?" vroeg hij.

"Het is de _Lusiade_," antwoordde Paganel, "een heerlijk heldendicht,
dat...."

"De _Lusiade_!" riep Glenarvan.

"Ja, mijn vriend! de _Lusiade_ van den grooten Camoëns, niets meer en
niets minder!"

"Camoëns!" herhaalde lord Edward; "maar, ongelukkige vriend! Camoëns is
een Portugees. Dus leert gij reeds zes weken lang het portugeesch!"

"Camoëns! _Lusiade_! portugeesch!..."

Paganel wist niet meer, wat hij er van zeggen moest. Zijn oogen werden
vochtig onder zijn bril, terwijl een luid gelach in zijn ooren klonk;
want al zijn reismakkers stonden om hem heen.

De Patagoniër vertrok zijn gezigt niet; hij wachtte geduldig op de
verklaring van een voorval, dat voor hem geheel onbegrijpelijk was.

"Ach! zinnelooze! dwaas, die ik ben!" zeide Paganel eindelijk. "Hoe is
het mogelijk! Dat is geen moedwillig verzinsel! Ik zelf heb het gedaan!
Maar, dat is een spraakverwarring, evenals te Babel! Ach! vrienden!
vrienden! naar Indië te vertrekken en in Chili aan te komen! het
spaansch te leeren en portugeesch te spreken! dat is te sterk, en als
het zoo voortgaat, zal ik nog eens zelf uit het raam springen in plaats
van mijn sigaar naar buiten te werpen!"

Als men Paganel zoo over zijn misvatting hoorde spreken en zijn grappige
wanhoop zag, was het onmogelijk om ernstig te blijven. Hij zelf gaf er
dan ook trouwens het voorbeeld van.

"Lacht, mijne vrienden!" zeide hij, "lacht, zooveel gij wilt! Gij zult
niet zooveel om mij lagchen, als ik zelf er om lach!" En hij barstte in
het luidste gelach uit, dat ooit uit den mond van een geleerde kwam.

"Het is niettemin waar, dat wij nu zonder tolk zijn," zeide de majoor.

"O, troost u maar!" antwoordde Paganel; "het portugeesch en het spaansch
gelijken zoo zeer op elkander, dat ik mij er in vergist heb; maar
diezelfde overeenkomst zal mij in staat stellen om mijn dwaling spoedig
te herstellen, en binnen kort wil ik dien waardigen Patagoniër bedanken
in de taal, die hij zoo goed spreekt."

Paganel had gelijk; want hij kon weldra eenige woorden met den
inboorling wisselen; hij vernam zelfs, dat de Patagoniër Thalcave
heette, een woord, dat in de araucanische taal "Donderaar" beteekent.

Dien bijnaam had hij ongetwijfeld gekregen om zijn bedrevenheid in het
hanteeren der vuurwapenen.

Maar wat Glenarvan vooral aanstond was de mededeeling, dat de Patagoniër
gids van beroep, en wel gids door de pampa's was. De vinger Gods was zoo
duidelijk in die ontmoeting, dat de goede uitslag der onderneming reeds
den vorm van een voldongen feit aannam, en niemand twijfelde nu meer aan
de redding van kapitein Grant.

Intusschen waren de reizigers en de Patagoniër naar Robert teruggekeerd.
Deze breidde zijn armen naar den inboorling uit, die, zonder een woord
te spreken, hem de hand op het hoofd legde. Hij onderzocht het kind en
betastte zijn pijnlijke leden. Glimlagchende ging hij nu aan de oevers
der beek eenige handen vol wilde selderie plukken, waarmede hij het
ligchaam van den zieke wreef. Onder dit wrijven, dat zeer zacht verrigt
werd, voelde het kind zijn krachten terugkomen, en het bleek ras, dat
hij slechts eenige uren rust behoefde om geheel te herstellen.

Er werd dus besloten, dat deze dag en de volgende nacht in de
legerplaats doorgebragt zouden worden. Er waren ook nog twee gewigtige
vragen op te lossen betreffende het voedsel en het vervoer. Men had
gebrek aan levensmiddelen en muilezels beiden. Gelukkig, dat Thalcave er
was. Die gids, gewoon om de reizigers langs de patagonische grenzen te
geleiden, en een der schranderste baqueano's van het land, nam op zich
om Glenarvan van al het ontbrekende te voorzien. Hij bood aan om hem
naar een "tolderia" van Indianen, hoogstens vier mijlen verder, te
brengen, waar hij alles vinden zou, wat noodig was voor den togt. Dit
voorstel werd half in de gebarentaal, half in spaansche woorden gedaan,
die het Paganel gelukte om te verstaan. Het werd aangenomen. Na afscheid
van hun reismakkers genomen te hebben, gingen Glenarvan en zijn geleerde
vriend terstond opwaarts langs het riviertje onder geleide van den
Patagoniër.

Anderhalf uur lang liepen zij stevig en met groote schreden door om den
reus Thalcave bij te houden. Deze geheele streek der Andes was liefelijk
en hoogst vruchtbaar. Het was een onafgebroken reeks van vette weiden,
die gemakkelijk een leger van honderd duizend herkaauwende dieren hadden
kunnen voeden. Groote vijvers, die met elkander in verband stonden door
een doolhof van beekjes, schonken aan die vlakten het noodige vocht.
Zwartkoppige zwanen vermaakten er zich naar welgevallen en betwistten
het gebied over het water aan talrijke struisvogels, die door de llano's
huppelden. De vogelwereld was zeer schitterend, ook zeer luidruchtig,
maar ook vol afwisseling. De isaca's, bevallige grijsachtige
tortelduifjes, met wit gestreepte vederen, en de gele kardinalen
versierden de boomtakken als met levende bloemen; de trekduiven
doorkruisten den omtrek, terwijl het geheele musschengeslacht, de
"chingolo's," de "hilguero's" en de "monjita's" elkander pijlsnel
vervolgden, en de lucht met hun getjilp vervulden.

Jacques Paganel vond telkens nieuwe stof van bewondering, allerlei
uitroepen volgden elkander op, tot verbazing van den Patagoniër, die het
heel natuurlijk vond, dat er vogels in de lucht, zwanen in de vijvers en
gras op de weiden was. De geleerde had geen reden om zich over de
wandeling of over haar langen duur te beklagen. Het kwam hem voor, alsof
hij pas vertrokken was, toen de legerplaats der Indianen reeds zigtbaar
werd.

Die tolderia was aangelegd op den bodem eener naauwe vallei tusschen de
voorbergen der Andes. Daar woonden in hutten van boomtakken een
dertigtal zwervende inboorlingen, die groote kudden melkkoeijen,
schapen, ossen en paarden weidden. Zij trokken zoo van de eene weide
naar de andere, en vonden overal de tafel gedekt voor hun viervoetige
gasten.

De type zijnde van een gemengd ras van Araucaniërs, Pehuenchen en
Auca's, zouden die Ando-Peruanen met hun olijfkleur, hun middelmatige
gestalte, hun gespierde vormen, hun laag voorhoofd, hun bijna cirkelrond
gelaat, hun dunne lippen, hun uitstekende wangbeenderen, hun verwijfde
trekken en hun onbeteekenend gelaat, in de oogen van den natuurkenner
het karakter der zuivere rassen niet gedragen hebben. In het kort, het
waren inboorlingen, die niets belangwekkends hadden. Glenarvan had ook
wel een oog voor hun kudden, maar niet voor hen. Zij hadden runderen en
paarden, en dat was alles, wat Glenarvan verlangde.

Thalcave belastte zich met de onderhandelingen, die niet lang duurden.
In ruil voor zeven kleine paarden van argentijnsch ras met hun tuig,
voor een honderdtal ponden "charqui" of gedroogd vleesch, voor eenige
maten rijst en eenige lederen waterzakken, namen de Indianen, bij gebrek
aan wijn of rum, die zij liever gehad zouden hebben, twintig onsen
goud[7] aan, waarvan zij de waarde zeer goed kenden. Glenarvan wilde nog
een paard voor den Patagoniër koopen; maar deze gaf hem te kennen, dat
dit niet noodig was.

Toen de koop gesloten was, nam Glenarvan afscheid van zijn nieuwe
"leveranciers," zooals Paganel hen noemde, en was binnen een half uur in
de legerplaats terug. Zijn aankomst werd met gejuich begroet, hetgeen
hij echter niet op zich zelven toepaste, maar, zooals ook het geval was,
op rekening van de levensmiddelen en de rijpaarden stelde. Allen aten
met graagte. Robert gebruikte eenig voedsel; zijn krachten waren bijna
geheel teruggekomen.

Het overige van den dag verliep in een ongestoorde rust. Men sprak een
weinig over koetjes en kalfjes, over de lieve afwezigen, over de
_Duncan_, over kapitein John Mangles, over zijn wakker scheepsvolk, over
Harry Grant, die misschien niet veraf was.

Wat Paganel aangaat, deze verliet den Indiaan niet: hij volgde Thalcave
als diens schaduw. Hij was uitgelaten van vreugde, dat hij nu een echten
Patagoniër zag, met wien vergeleken hij wel een dwerg scheen; een
Patagoniër, die bijna kon wedijveren met dien keizer Maximinus en dien
neger uit Congo, dien de geleerde van der Broek had gezien, welke beiden
acht voet lang waren! Dan overstelpte hij den deftigen Indiaan met
spaansche spreekwijzen, hetgeen deze gewillig toeliet. Ditmaal studeerde
de aardrijkskundige zonder boek. Met behulp van keel, tong en tanden
hoorde men hem allerlei klanken uitbrengen.

"Als ik den klemtoon niet vat," voegde hij den majoor telkens toe, "dan
is het mijn schuld niet. Maar had ik ooit kunnen denken, dat een
Patagoniër mij eens spaansch zou leren!"


[1] Gij zijt een braaf man.

[2] Zeker een Patagoniër?

[3] Geef antwoord!

[4] begrijpt gij?

[5] Ik begrijp het niet.

[6] Ja! ja!

[7] Omtrent acht honderd gulden.



XVI.

De Rio Colorado.


Des anderen daags, den 22sten October, gaf Thalcave ten acht ure het
sein tot het vertrek. Tusschen den twee en twintigsten en den twee en
veertigsten graad helt de bodem der argentijnsche republiek zachtjes van
het westen naar het oosten af; de reizigers behoefden dus alleen een
zachte glooijing tot aan zee toe te volgen.

Toen de Patagoniër het paard weigerde, dat Glenarvan hem aanbood, meende
deze, dat hij liever te voet wilde gaan, zooals de gewoonte van vele
gidsen is, en voorzeker zouden zijn lange beenen hem het loopen zeer
gemakkelijk gemaakt hebben.

Maar Glenarvan bedroog zich.

Toen zij zouden vertrekken, floot Thalcave op een bijzondere manier.
Terstond kwam uit een naburig boschje een prachtig argentijnsch paard
van een heerlijke gestalte op de roepstem zijns meesters te voorschijn.
Het paard was zonder eenig gebrek; zijn bruine kleur was het bewijs, dat
het een onvermoeid, fier, moedig en levendig dier was; het had een
fijnen kop en een sierlijken hals, wijd geopende neusgaten, een vurigen
blik, stevige pooten, een goed gevulde schoft, een hooge borst, lange
pooten, d.i. al de hoedanigheden, die een paard sterk en vlug maken. Als
een volleerd kenner bewonderde de majoor zonder eenig voorbehoud dit
staaltje van het ras der pampa's, dat in zijn oog eenige overeenkomst
had met het engelsche jagtpaard. Dit schoone dier heette "Thaouka," dat
in het patagonisch "vogel" wil zeggen, en verdiende dien naam ten volle.

Zoodra Thalcave in den zadel zat, begon zijn paard allerlei sprongen te
maken. Het was heerlijk om den Patagoniër, die een bedreven ruiter was,
te zien; het jagttuig, dat in de argentijnsche vlakte in gebruik is, de
"bola's" en de "lasso", voltooide zijn uitrusting. De bola's bestaan uit
drie kogels, die door een lederen riem verbonden en vooraan den zadel
gehecht zijn. De Indiaan slingert ze dikwijls op een afstand van honderd
schreden naar het dier of den vijand, dien hij vervolgt, en wel met zulk
een juistheid, dat zij zich om diens beenen draaijen en hem terstond
doen vallen. Zij zijn dus in zijn handen een vreeselijk werktuig, dat
hij met een verbazende bekwaamheid behandelt. De lasso integendeel
verlaat de hand niet, die hem slingert. Dit is niets anders dan een
dertig voet lange koord, bestaande uit de vereeniging van twee goed
gevlochten lederen riemen, die in een lus uitloopen, welke door een
ijzeren ring gaat. Met de regterhand werpt hij de lus, met de linker
houdt hij het andere gedeelte van den lasso vast, die stevig aan den
zadel is bevestigd. Een lange karabijn aan een riem voltooide eindelijk
de aanvallende bewapening van den Patagoniër.

Zonder acht te geven op de bewondering, die zijn natuurlijke
bevalligheid, zijn losheid en fiere ongedwongenheid opwekten, stelde
Thalcave zich aan het hoofd van den troep, en men reed nu eens in galop,
dan weder in den gewonen pas van paarden, die niet afgerigt schenen te
zijn voor den draf. Robert legde veel moed aan den dag, en stelde
Glenarvan spoedig gerust ten aanzien van zijn bekwaamheid om in den
zadel te blijven.

De vlakte der pampa's begint onmiddellijk aan den voet der Cordillera.
Men kan haar in drie deelen verdeelen: het eerste strekt zich van de
Andes-keten over een lengte van twee honderd vijftig mijlen uit en is
bedekt met niet zeer hooge boomen en struiken. Het tweede, vier honderd
vijftig mijlen breed, is met prachtig gras begroeid, en eindigt op een
afstand van honderd tachtig mijlen van Buenos-Ayres. Van hier af tot aan
de zee toe betreedt de voet des reizigers slechts onmetelijke weilanden
met spurrie en distels. Dit is het derde gedeelte der pampa's.

Het eerst wat het gezelschap van Glenarvan ontmoette na het verlaten van
de engten der Cordillera was een menigte zandheuvels, "medano's"
geheeten, echte golven, die onophoudelijk door den wind worden
opgejaagd, wanneer de wortels der planten ze niet op den bodem bevestigd
houden. Dit zand is uiterst fijn; vandaar dat men het bij het geringste
windje in ligte wolkjes opvliegen of echte hoozen vormen zag, die zich
tot een aanmerkelijke hoogte verhieven. Dit schouwspel was vermakelijk
en lastig tevens voor de oogen: vermakelijk, want niets was
bezienswaardiger dan die hoozen, welke over de vlakte rond dwarrelden,
met elkander worstelden, zich met elkander vermengden, nedervielen en
weder in een onuitsprekelijke verwarring opstegen; lastig, want
onzigtbaar stof maakte zich van de tallooze zandheuvels los, en drong
tusschen de oogleden, hoe vast zij ook gesloten waren.

Ten gevolge van den noordewind hield dit verschijnsel een groot gedeelte
van den dag aan. Men trok echter snel voort, en tegen zes ure had men de
Cordillera's reeds veertig mijlen achter zich, zoodat zij een
zwartachtig voorkomen opleverden, dat reeds in de avonddampen verdween.

De reizigers waren min of meer vermoeid van een togt, die op acht en
dertig mijlen kon berekend worden. Zij zagen dan ook met vreugde het uur
naderen, waarop zij zich ter ruste zouden begeven. Zij legerden zich aan
de oevers van den snelvlietenden Neuquem, een onstuimig riviertje met
troebel water, dat tusschen hooge en steile roodkleurige oevers stroomt.
De Neuquem wordt door sommige aardrijkskundigen Ramid of Comoë genoemd,
en komt uit meren, die alleen aan de Indianen bekend zijn.

De nacht en de volgende dag leverden niets meldenswaardigs op. Men ging
snel en ongehinderd voort. Een effen bodem en een dragelijke temperatuur
maakten de voortzetting der reis gemakkelijk. Tegen den middag echter
werd het brandend heet. Tegen den avond werd de gezigteinder in het
zuidwesten met een bank van wolken bedekt, een zeker teeken, dat er
verandering van weder ophanden was. De Patagoniër kon zich er niet in
vergissen, en met den vinger wees hij den aardrijkskundige het westen
aan.

"Goed! ik weet het!" zeide Paganel, en zich tot zijn makkers wendende,
voegde hij er bij: "Er is verandering van weder op til, wij zullen
kennis maken met de pampero."

En hij legde hun uit, dat die pampero, die zeer dikwijls in de
argentijnsche vlakten voorkomt, een zeer drooge zuidwestewind is.
Thalcave had zich niet vergist. Dien nacht, die vrij onaangenaam was
voor menschen, die geen ander deksel hadden dan een eenvoudigen mantel,
woei de pampero met groote kracht. De paarden gingen op den grond
liggen, en de menschen kropen vlak bij hen digt bij elkander. Glenarvan
vreesde voor oponthoud, wanneer die orkaan wat lang aanhield; maar
Paganel stelde hem gerust, nadat hij zijn barometer had geraadpleegd.

"Gewoonlijk," zeide hij, "veroorzaakt de pampero driedaagsche stormen,
die de daling van het kwik op een stellige wijze aankondigt. Maar
wanneer de barometer integendeel,--zooals nu het geval is,--stijgt, is
men er met een woedende bui van eenige uren van af. Stel u dus gerust,
mijn waarde vriend! bij het aanbreken van den dag zal de hemel weder zoo
helder zijn als altijd."

"Gij spreekt als een boek, Paganel!" antwoordde Glenarvan.

"Ik ben er ook een," antwoordde Paganel. "Ik geef u vrijheid om mij zoo
dikwijls te doorbladeren als gij maar wilt."

Het boek bedroog zich niet. Te één ure na middernacht bedaarde
plotseling de wind en allen konden nu in den slaap een verkwikkende rust
vinden. Den volgenden morgen werden zij zoo frisch als een hoen wakker,
vooral Paganel, die op een opgeruimden toon zijn lessen weder opdreunde
en zich uitrekte als een jonge hond.

Men telde nu den vier en twintigsten October, den tienden dag na het
vertrek van Talcahuano. Drie en negentig mijlen[1], d.i. drie dagreizen
scheidden de reizigers nog van het punt, waar de Rio Colorado de zeven
en dertigste parallel snijdt. Gedurende dien togt over het amerikaansche
vastland zag lord Glenarvan met de uiterste oplettendheid uit of er ook
inboorlingen naderden. Hij wilde hen betreffende kapitein Grant door
tusschenkomst van den Patagoniër ondervragen, met wien Paganel nu reeds
vrij goed spreken kon. Maar de lijn, die men volgde, werd weinig door de
Indianen bezocht; want de wegen door de pampa, die uit de argentijnsche
republiek naar de Cordillera's loopen, liggen noordelijker. Men trof dan
ook evenmin zwervende Indianen als gevestigde stammen onder het gezag
van Kaziken aan. Als er bij toeval een zwervend ruiter in de verte zich
vertoonde, dan nam hij ijlings de vlugt, daar hij geen lust gevoelde om
met onbekenden in aanraking te komen. Zulk een gezelschap moest wel
verdacht toeschijnen aan een ieder, die zich alleen in de vlakte waagde,
aan den bandiet zoowel, wiens achterdocht moest opgewekt worden door de
verschijning van acht goed gewapende en goed bereden mannen, als aan den
reiziger, die in deze onbewoonde streken hen voor kwaadwilligen kon
aanzien. Het was derhalve even onmogelijk om met vreedzame lieden als
met plunderaars te spreken. Het was jammer, dat men geen bende
"rastreadores"[2] aantrof, al moest men ook het gesprek met
geweerschoten aanvangen.

Had Glenarvan ook al in het belang zijner nasporingen de afwezigheid der
Indianen te betreuren, zoo had er toch een voorval plaats, dat de
uitlegging van het document bijzonder sterk bevestigde.

De weg, dien het reisgezelschap hield, sneed menigmaal de voetpaden der
pampa, onder anderen een vrij belangrijken weg,--dien van Carmen naar
Mendoza,--die kenbaar was aan de beenderen van huisdieren, muilezels,
paarden, schapen en runderen, wier overblijfselen door den snavel der
roofvogels vaneengescheiden en door de ontkleurende werking van den
dampkring verbleekt, langs de beide zijden van den weg lagen. Men telde
ze bij duizenden, en ongetwijfeld vermengde meer dan een menschelijk
geraamte zijn stof met dat der geringste dieren.

Tot nu toe had Thalcave geen aanmerking gemaakt op den weg, dien men zoo
zonder afwijking bleef houden. Hij begreep echter, dat deze, zich aan
geen enkelen der wegen door de pampa's aansluitende, niet kon uitloopen
op de steden, de dorpen of de nederzettingen in het argentijnsche
gebied. Elken morgen liep men tegen de opgaande zon in, zonder van de
regte lijn af te gaan, en elken avond was de ondergaande zon aan het
tegenovergestelde uiteinde van die lijn. In zijn hoedanigheid van gids
mogt Thalcave zich dus teregt verwonderen, dat hij niet alleen niet
geleidde, maar zelfs geleid werd. Mogt hij zich er echter al over
verwonderen, dan deed hij het toch met de den Indianen eigene
bescheidenheid, en maakte hij geen aanmerking over de eenvoudige
voetpaden, die men tot nu toe ter zijde had laten liggen. Maar toen hij
nu bij den genoemden grooten weg gekomen was, hield hij zijn paard in en
zeide, zich tot Paganel wendende: "De weg van Carmen."

"Ik weet het wel, brave Patagoniër!" antwoordde de aardrijkskundige in
zijn zuiverste spaansch, "de weg van Carmen naar Mendoza."

"En slaan wij dien niet in?" hernam Thalcave.

"Neen!" antwoordde Paganel.

"En wij gaan?"

"Altijd naar het oosten."

"Dat wil zeggen, nergens."

"Dat is wel mogelijk."

Thalcave zweeg, en zag den geleerde met de grootste verbazing aan. Hij
geloofde echter niet, dat Paganel den spot met hem dreef. Een Indiaan
kan zich nooit verbeelden, dat men niet in vollen ernst spreekt; want
hij zelf is altijd ernstig.

"Gaat gij dan niet naar Carmen?" voegde hij er bij, na een oogenblik
gezwegen te hebben.

"Neen!" antwoordde Paganel.

"En ook niet naar Mendoza?"

"Evenmin."

Glenarvan, die juist bij Paganel kwam, vroeg hem, wat Thalcave zeide en
waarom hij was blijven staan.

"Hij heeft mij gevraagd, of wij naar Carmen of naar Mendoza gaan,"
antwoordde Paganel, "en is zeer verwonderd over mijn ontkennend antwoord
op zijn dubbele vraag."

"Onze weg moet hem ook inderdaad zeer vreemd voorkomen," hernam
Glenarvan.

"Dat geloof ik ook. Hij zegt, dat wij nergens naar toe gaan."

"Welnu, Paganel! zoudt gij geen kans zien om hem het doel van onzen togt
op te helderen, en welk belang wij er bij hebben om altijd oostwaarts te
gaan?"

"Dat zal zeer moeijelijk zijn," antwoordde Paganel, "want een Indiaan
begrijpt niets van graden, en de geschiedenis van het document zal voor
hem een tooververtelling zijn."

"Maar zal hij de geschiedenis niet begrijpen of den verteller?" vroeg de
majoor met een ernstig gezigt.

"Ach! Mac Nabbs!" antwoordde Paganel, "twijfelt gij nog al aan mijn
spaansch?"

"Welnu, beproef het maar eens, mijn waarde vriend!"

"Ik zal mijn best doen."

Paganel keerde zich naar den Patagoniër, en begon een redevoering, die
telkens afgebroken werd door armoede aan woorden, door de moeijelijkheid
om sommige eigenaardigheden te vertalen, en om aan een half onwetenden
wilde bijzonderheden uit te leggen, die tamelijk onbegrijpelijk voor hem
waren. Het was aardig om den geleerde te zien. Hij zwaaide met de
handen, hij sprak de woorden langzaam uit, hij tobde zich op allerlei
wijzen af, en de zweetdruppels vielen als een waterval van zijn
voorhoofd op zijn borst. Als de tong hem haar dienst weigerde, kwam de
arm haar te hulp. Paganel steeg af en teekende op het zand een
landkaart, waarop de middagcirkels en de parallellen elkander kruisten,
waarop de beide oceanen voorkwamen, waarop de weg van Carmen niet
vergeten was. Nooit verkeerde een onderwijzer in zulk een verlegenheid.
Thalcave zag dat alles zeer bedaard aan, zonder te laten blijken of hij
het al dan niet begreep.

De les van den aardrijkskundige duurde meer dan een half uur. Vervolgens
zweeg hij stil, wischte zijn gelaat af, waarop het zweet parelde, en zag
den Patagoniër aan.

"Heeft hij het begrepen?" vroeg Glenarvan.

"Dat zal spoedig blijken," antwoordde Paganel; "maar als hij het niet
begrepen heeft, geef ik het op."

Thalcave verroerde zich niet en sprak evenmin. Hij hield zijn oog
onafgewend op de in het zand geteekende figuur gevestigd, die de wind
langzamerhand uitwischte.

"Welnu?" vroeg Paganel hem.

Thalcave scheen het niet te hooren. Paganel zag reeds, hoe een
spotachtig glimlachje de lippen van den majoor krulde, en zijn eer
willende redden, stond hij op het punt om zijn les in de aardrijkskunde
met nieuwen ijver weder te beginnen, toen de Patagoniër hem door een
gebaar het zwijgen oplegde.

"Gij zoekt een gevangene?" zeide hij.

"Ja!" antwoordde Paganel.

"En juist op deze lijn tusschen de opgaande en de ondergaande zon?"
voegde Thalcave er bij, zoo door een vergelijking in den trant der
Indianen den weg van het westen naar het oosten aanduidende.

"Ja, ja! zoo is het."

"En het is uw God," zeide de Patagoniër, "die aan de golven der
eindelooze zee de geheimen van den gevangene toevertrouwd heeft?"

"God zelf."

"Dat zijn wil dan geschiede!" antwoordde Thalcave met zekere
plegtigheid. "Wij zullen in het oosten opgaan, en als het noodig is tot
de zon toe!"

Paganel, die zegevierde in den persoon van zijn leerling, vertaalde
onmiddellijk voor zijn makkers de antwoorden van den Indiaan.

"Welk een schrander ras!" voegde hij er bij. "Van twintig boeren uit
mijn land zouden er negentien niets van mijn uitlegging begrepen
hebben!"

Glenarvan verzocht nu Paganel om den Patagoniër te vragen, of hij ook
gehoord had, dat vreemdelingen in de handen van Indianen uit de pampa's
gevallen waren.

Paganel deed het en wachtte op antwoord.

"Misschien," zeide de Patagoniër.

Op dit woord, dat onmiddellijk vertaald werd, omringden de zeven
reizigers Thalcave. Allen zagen hem met vragende blikken aan.

Vol aandoening en naauwelijks woorden vindende, hervatte Paganel dat zoo
belangwekkend verhoor, terwijl zijne oogen, strak op den deftigen
Indiaan gevestigd, zijn antwoord trachtten te raden vóór het over zijn
lippen kwam.

Elk spaansch woord van den Patagoniër herhaalde hij in het engelsch,
zoodat zijn reisgenooten hem om zoo te zeggen in hun moedertaal hoorden
spreken.

"En die gevangene?" vroeg Paganel.

"Was een vreemdeling," antwoordde Thalcave, "een Europeaan."

"Hebt gij hem gezien?"

"Neen! maar de Indianen spreken van hem in hun verhalen. Hij was een
dapper man! Hij had het hart van een stier!"

"Het hart van een stier!" zeide Paganel. "Ach! wat is die patagonische
taal toch heerlijk! Gij begrijpt het, vrienden! hij bedoelt een moedig
man!"

"Mijn vader!" riep Robert Grant.

En zich tot Paganel wendende, vroeg hij hem:

"Hoe zegt men in het spaansch: _het is mijn vader_?"

"_Es mio padre_," antwoordde de aardrijkskundige.

Terstond zeide Robert, de handen van Thalcave vattende, met een zachte
stem: "_Es mio padre_!"

"_Suo padre_[3]!" antwoordde de Patagoniër, wiens gelaat geheel
ophelderde.

Hij nam het kind in zijn armen, tilde hem van het paard, en beschouwde
hem met nieuwsgierigheid en mededoogen. Zijn verstandig gelaat kreeg een
uitdrukking van stille ontroering.

Maar Paganel was nog niet aan het einde van zijn verhoor. Waar was die
gevangene? Wat deed hij? Wanneer had Thalcave van hem hooren spreken? Al
deze vragen verdrongen elkander te gelijk in zijn geest.

De antwoorden bleven niet uit, en hij vernam, dat de Europeaan slaaf was
bij een der indiaansche stammen, die het land tusschen de Colorado en de
Rio Negro doorkruisen.

"Maar waar was hij het laatst?" vroeg Paganel.

"Bij den kazike Calfoucoura," antwoordde Thalcave.

"Op den weg, dien wij tot nu toe gevolgd zijn?"

"Ja."

"En wie is die kazike?"

"Het hoofd der Poyuche-Indianen, een man met twee tongen, een man met
twee harten!"

"Dat wil zeggen, valsch in woord en valsch in daad," zeide Paganel, na
dit schoone beeld der patagonische taal voor zijn makkers vertaald te
hebben. "En zullen wij onzen vriend kunnen verlossen?" voegde hij er
bij.

"Misschien, als hij nog in handen van de Indianen is."

"En wanneer hebt gij van hem hooren spreken?"

"Reeds lang geleden; na dien tijd heeft de zon reeds twee zomers aan den
hemel der pampa's teruggebragt!"

Het is onmogelijk om de vreugde van Glenarvan te beschrijven. Dit
antwoord sloot juist met den datum van het document. Maar nog ééne vraag
bleef er aan Thalcave te doen. Paganel deed haar terstond.

"Gij spreekt van één gevangene," zeide hij; "waren er geen drie?"

"Dat weet ik niet," antwoordde Thalcave.

"En is u niets bekend van zijn tegenwoordigen toestand?"

"Niets."

Dit laatste woord maakte een einde aan het gesprek. Welligt waren de
drie gevangenen reeds lang van elkander gescheiden. Maar de slotsom der
inlichtingen door den Patagoniër gegeven was, dat de Indianen van een
Europeaan spraken, die in hun magt was gevallen. De tijd zijner
gevangenneming, de plaats zelfs waar hij zijn moest, alles, ook de
patagonische spreekwijze, die gebezigd was om zijn moed uit te drukken,
had klaarblijkelijk betrekking op kapitein Harry Grant.

Den volgenden dag, den 25sten October, sloegen de reizigers met nieuwe
opgewektheid den weg naar het oosten in. De altijd treurige en
eentoonige vlakte vormde een van die eindelooze ruimten, die in de
landtaal "travesia's" genoemd worden. De kleiachtige, door den wind
gedroogde bodem, was zuiver waterpas; geen steen, zelfs geen keisteentje
was er te zien, behalve in eenige dorre en drooge holle wegen, of aan
den kant der door kunst gevormde poelen, door de hand der Indianen
gegraven. Op verre afstanden van elkander vertoonden zich lage bosschen
met zwartachtige toppen, waarboven hier en daar witte St.
Jansbroodboomen uitstaken, wier schil een suikerzoet, aangenaam
verfrisschend vruchtvleesch bevat; verder eenige boschjes
terpentijnboomen, "chañares," wilde brem, en een aantal met doornen
bezette boomen, wier schraalheid reeds de onvruchtbaarheid van den bodem
verried.

De 26ste was een vermoeijende dag. Het doel was de Rio Colorado te
bereiken. Maar de paarden, door hun ruiters aangevuurd, maakten zulk een
spoed, dat zij dienzelfden avond op 69°45' lengte den grooten stroom der
pampa's bereikten. Zijn indiaansche naam, de Cobu Leubu, beteekent
"groote rivier"; na een langen loop werpt hij zich in den Atlantischen
Oceaan. Bij den mond heeft een opmerkelijke bijzonderheid plaats; want
digt bij de zee vermindert de watermassa, hetzij door inzuiging, hetzij
door verdamping; de oorzaak van dit verschijnsel is nog niet geheel
duidelijk.

Bij de Colorado gekomen, was het eerste werk van Paganel om zich
"aardrijkskundig" in haar water, dat door een roodachtige klei gekleurd
was, te baden. Het verwonderde hem, dat hij het zoo diep vond, een
gevolg van het smelten der sneeuw door de eerste zomerzon. Bovendien was
de breedte der rivier zoo aanmerkelijk, dat de paarden haar niet konden
overzwemmen. Gelukkig lag er eenige honderden vademen stroomopwaarts een
brug van gevlochten rijswerk, vastgehouden door smalle lederen riemen en
op de indiaansche wijze opgehangen. De kleine troep kon dus den stroom
overtrekken en zich op den linkeroever legeren.

Alvorens te gaan slapen wilde Paganel de Colorado naauwkeurig opnemen.
Hij teekende ze met de grootste zorgvuldigheid op de kaart aan, in
plaats van den Yarou-Dzangbo-Tchou, die zonder hem in het gebergte van
Thibet stroomde.

De beide volgende dagen, 27 en 28 October, werd de reis zonder
ongevallen voortgezet. De grond bleef even eentoonig en een
onvruchtbaar. Geen landschap leverde ooit minder afwisseling op, geen
panorama was ooit onbeduidender. Intusschen werd de grond vochtiger. Zij
moesten "canada's" overtrekken, een soort van onder water staande lage
landen, en "estero's," blijvende plassen, digt bezet met waterplanten.
Des avonds hielden de paarden stil aan den oever van een groot meer met
mineraalwater, het Urre Lanquem, door de Indianen "bittermeer" genoemd,
dat in 1862 getuige was van een weerwraak der argentijnsche troepen. Men
legerde zich op de gewone wijze, en de nacht zou goed geweest zijn
zonder de aanwezigheid van apen, allouaten[4] en wilde honden. Die
luidruchtige dieren voerden, zeker ter eere, maar stellig tot verdriet
der europeesche ooren een van die natuurlijke simfoniën uit, die een
componist der toekomstmuziek gaarne als zijn werk zou erkend hebben.


[1] 150 ned. mijlen

[2] roovers uit de vlakte.

[3] Zijn vader.

[4] soorten van kleine amerikaansche apen.



XVII.

De pampa's.


De argentijnsche pampa's strekken zich uit tusschen vier en dertig en
veertig graden zuiderbreedte. Het woord "pampa", uit de araucanische
taal overgenomen, beteekent "grasvlakte" en wordt met regt op deze
landstreek toegepast. De hoornachtige mimosaplanten van haar westelijk
gedeelte, de stevige grasplanten van haar oostelijk gedeelte, geven haar
een bijzonder voorkomen. Deze plantenschat wortelt in een aardlaag, die
den roodachtigen of gelen klei- en zandachtigen bodem bedekt. De geoloog
zou hier rijke schatten vinden, wanneer hij die gronden uit het derde
tijdperk van de vorming der vaste aardkorst onderzocht. Daar liggen in
ontelbare menigte voorwereldlijke beenderen, die de Indianen aan
uitgestorven soorten van groote gordeldieren toeschrijven, en onder dit
plantaardige stof ligt de oudste geschiedenis dezer gewesten bedolven.

De amerikaansche pampa is een aardrijkskundige bijzonderheid, evenals de
savannen der Groote Meren of de steppen van Siberië. De warmte en de
koude van haar klimaat zijn grooter dan die der provincie Buenos-Ayres,
omdat zij dieper landwaarts inligt. Want, volgens de verklaring, welke
Paganel er van gaf, geeft de oceaan de door hem opgenomen en opgezamelde
zomerwarmte des winters langzamerhand weder terug. Vandaar ook, dat de
eilanden een gelijkmatiger klimaat hebben dan de binnenlanden[1]. Het is
onderhevig aan plotselinge uitersten, aan snelle veranderingen, die het
kwik in den thermometer onophoudelijk van den eenen graad op den anderen
doen springen. In den herfst, dat wil zeggen in de maanden April en Mei,
stortregent het er aanhoudend. Maar in dezen tijd van het jaar was het
weder zeer droog en de temperatuur zeer hoog.

Zoodra men bij het opgaan der zon den weg had kunnen bepalen, vertrok
men; de grond, die door de heesters en struiken bijeengehouden werd, was
volkomen vast, men behoefde voor geen medano's meer te vreezen, evenmin
als voor het zand, waaruit zij bestonden, en het stof, dat de wind in de
lucht zwevende hield.

De paarden liepen stevig door, tusschen de bosjes "paja-brava," het
pampa-gras bij uitnemendheid, waaronder de Indianen wegschuilen, wanneer
het onweert. Hier en daar veroorloofden eenige vochtige laaglanden, die
echter hoe langer hoe schaarscher werden, den groei van wilgen en van
een zekere plant, het "gygnerium argenteum," die het weligst tiert in de
nabijheid van zoet water. Daar dronken de paarden met volle teugen; zij
maakten gebruik van de hun aangebodene gunstige gelegenheid, wetende,
dat zij in het vervolg vaak genoeg dorst zonden lijden. Thalcave reed
vooruit en trapte de struiken stuk. Daardoor verschrikte hij de
"cholina's," allergevaarlijkste adders, wier beet een os binnen het uur
doet sterven. De vlugge Thaouka sprong op het kreupelhout, en hielp zijn
meester een weg banen voor de paarden, die hem volgden.

Op die effene en regte vlakten werd de reis dus gemakkelijk en snel
volbragt. De natuur der pampa onderging niet de minste verandering; geen
steen, geen keisteentje zelfs was er in den omtrek te zien. Nooit zag
men zulk een eentoonigheid, die zoo eindeloos duurde. Geen schijn of
schaduw van landschappen, merkwaardigheden of natuurlijke verrassingen
was er te zien! Men moest wel een Paganel of een van die geestdrijvende
geleerden zijn, die zien waar niets te zien is, om eenig belang te
stellen in hetgeen de weg opleverde. Waarom deed hij het dan? Dat zou
hij niet hebben kunnen zeggen. Op zijn hoogst om een struik. Misschien
alleen om een grasscheutje. Dat was echter genoeg om zijn
onuitputtelijken woordenvloed te doen losbreken, en leverde hem stof om
Robert te onderrigten, die gaarne naar hem luisterde.

De vlakte vertoonde zich op dezen dag, den 29sten October, aan onze
reizigers in hare eindelooze eenvormigheid. Tegen twee ure zagen zij
talrijke sporen van dieren op den weg. Het was het gebeente van een
ontelbare kudde rundvee, dat opeengestapeld lag en wit geworden was. Die
overblijfselen lagen niet in een kromme en bogtige lijn, zooals dit het
geval is, wanneer de kracht der dieren uitgeput is en zij één voor één
op den weg nedervallen. Niemand was dan ook in staat om te verklaren,
hoe zulk een menigte geraamten op een betrekkelijk zoo beperkte ruimte
kon opeengehoopt zijn. Ook Paganel kwelde zich te vergeefs om die vraag
te beantwoorden. Hij ondervroeg daarom Thalcave, die terstond met zijn
antwoord gereed was.

Een "niet mogelijk" van den geleerde, en een zeer duidelijke
bevestigende beweging van den Patagoniër maakten de oplettendheid hunner
makkers gaande.

"Wat is het toch?" vroegen zij.

"Het vuur van den hemel," antwoordde de aardrijkskundige.

"Hoe! zou de bliksem zulk een ongeval veroorzaakt en een kudde van
vijfhonderd stuks van het leven beroofd hebben!" zeide Tom Austin.

"Thalcave bevestigt het, en Thalcave weet wel wat hij zegt. Ik wil het
ook wel gelooven. Want in de pampa's onderscheiden de onweders zich
vooral door hun hevigheid. De hemel geve, dat wij het niet eens zelven
ondervinden!"

"Het is zeer warm," zeide Wilson.

"In de schaduw zal de thermometer zeker wel op dertig graden staan,"
antwoordde Paganel.

"Dat verwondert mij niet," zeide Glenarvan; "ik voel, dat de
electriciteit mij doordringt. Wij mogen wel wenschen, dat die warmte
niet aanhoudt."

"O! o!" zeide Paganel, "er is geen weersverandering te wachten; de
gezigteinder is geheel onbeneveld."

"Des te erger," antwoordde Glenarvan; "want onze paarden hebben het
kwaad met de warmte. Zijt gij niet warm, mijn jongen?" voegde hij er
bij, zich tot Robert wendende.

"Neen, mylord!" antwoordde de knaap. "Ik houd wel van warmte; zij is wel
aangenaam."

"Vooral in den winter," merkte de majoor zeer geestig aan, terwijl hij
den rook van zijn sigaar in de lucht wegblies.

Des avonds hield men stil bij een onbewoonde "rancho," vervaardigd uit
in elkander gevlochten takken, die met modder digtgestopt en met riet
bedekt waren; deze hut grensde aan een met half verrotte palen omslotene
ruimte, die echter de paarden gedurende den nacht tegen de aanvallen der
vossen beschermen kon. Zij hebben wel geen gevaar van die dieren te
duchten; maar die lastige beesten bijten de halsters door, waarvan de
paarden gebruik maken om te ontsnappen.

Eenige schreden van de hut af was een gat gegraven, dat tot stookplaats
diende en koud geworden asch bevatte. In de hut was een bank, een
slaapplaats van ossenhuiden, een kookketel, een spit en een schenkketel
voor paraguay-thee. De paraguay-thee is in Zuid-Amerika een zeer gewone
drank. Het is de thee der Indianen. Het is een aftreksel van op het vuur
gedroogde bladeren, dat men evenals de andere amerikaansche dranken door
een rietje opzuigt. Op verlangen van Paganel maakte Thalcave eenige
kopjes van dien drank gereed, die zeer goed paste bij de gewone
levensmiddelen en uitmuntend smaakte.

Des anderen daags, den 30sten October, ging de zon vuurrood op en goot
zij haar heetste stralen over den grond uit. Het stond dus te vreezen,
dat het dien dag smoorheet zijn zou, en ongelukkig leverde de vlakte
geen beschutting op. Men ging echter moedig op weg. Meermalen ontmoetten
zij ontelbare kudden, die door de verstikkende warmte te krachteloos
waren om te grazen en uit loomheid bleven liggen. Van bewakers of
eigenlijk gezegde herders was niets te zien. Honden, die gewoon zijn om
de schapen te melken, wanneer de dorst hen kwelt, bewaakten alleen die
talrijke opeenhoopingen van koeijen, stieren en ossen. Die dieren zijn
overigens zeer zachtzinnig van aard, en hebben dien instinctmatigen
afkeer van "rood" niet, die in Europa den dieren van dat geslacht eigen
is.

"Dat komt zeker, omdat zij het gras van een republiek afeten," zeide
Paganel, die deze scherts, welke misschien wat al te zeer den Franschman
verried, heel geestig vond.

Tegen den middag kwam er eenige verandering in het voorkomen van de
pampa, die niet onopgemerkt kon blijven voor oogen, die hare
eentoonigheid zoo lang had vermoeid. De grasgewassen werden schaarscher.
Zij maakten plaats voor magere kliskruiden en voor reusachtige, negen
voet hooge distels, die alle ezels in de wereld gelukkig hadden kunnen
maken. Ondergebleven chañares en andere doornachtige, donkergroene
heesters, planten, die gaarne op drooge gronden voortkomen, schoten hier
en daar op. Tot nog toe had een zekere vochtigheid, die in de klei der
pampa bewaard gebleven was, de weiden gedrenkt, en was het grastapijt
dik en mollig. Maar nu schemerde het weefsel door het versleten en op
vele plaatsen afgescheurde bekleedsel heen, en werd de dorheid van den
grond zigtbaar. Het was onmogelijk om die kenmerken eener toenemende
droogte over het hoofd te zien, en Thalcave vestigde er de
opmerkzaamheid op.

"Ik ben niet verdrietig over die verandering," zeide Tom Austin; "altijd
gras, en niets anders dan gras, dat wordt op den duur vervelend."

"Ja! maar zoo lang er gras is, is er water," antwoordde de majoor.

"O! wij hebben nog geen gebrek," zeide Wilson, "en zullen onderweg wel
een riviertje aantreffen."

Als Paganel dat antwoord gehoord had, zou hij zeker gezegd hebben, dat
er bijna geen rivieren tusschen de Colorado en de gebergten der
argentijnsche republiek zijn; maar hij was juist bezig met aan Glenarvan
een verschijnsel uit te leggen, waarop deze zijn aandacht gevestigd had.

Sedert eenigen tijd scheen de dampkring doortrokken te zijn met een
rooklucht. En toch was er aan den gesigteinder geen vuur te zien, toch
verried geen rook een verwijderden brand. Derhalve kon men dat
verschijnsel aan geen gewone oorzaak toeschrijven. De geur van brandend
gras werd weldra zoo sterk, dat hij alle reizigers verbaasde, uitgenomen
Paganel en Thalcave. De aardrijkskundige, voor wien geen enkel
verschijnsel onverklaarbaar was, gaf zijn vrienden het volgend antwoord:

"Wij zien het vuur niet," zeide hij, "en ruiken den rook. Nu is er geen
rook zonder vuur; dat spreekwoord is even waar in Amerika als in Europa.
Er is dus ergens brand. De pampa's zijn echter zoo effen, dat de
luchtstroom door niets in zijn loop wordt gehinderd; vandaar dat men er
dikwijls den geur van gras ruikt, dat op een afstand van bijna vijf en
zeventig mijlen[2] brandt."

"Vijf en zeventig mijlen?" antwoordde de majoor op een ongeloovigen
toon.

"Stellig," verzekerde Paganel. "Ik voeg hier nog bij, dat zulke branden
op een groote schaal plaats hebben en zich dikwijls over een grooten
omtrek verspreiden."

"Wie steekt het gras in brand?" vroeg Robert.

"Soms de bliksem, wanneer het door de warmte verdroogd is; soms ook de
hand der Indianen."

"En waarom?"

"Zij beweren,--ik weet niet in hoeverre die meening gegrond is, dat na
een brand in de pampa's het gras er beter groeit. Dat zou dus een middel
zijn om den grond door de kracht van de asch nieuwe vruchtbaarheid te
schenken. Ik voor mij geloof veeleer, dat die branden moeten dienen om
millioenen runderluizen te verdelgen, een soort van woeker-insecten, die
voor de kudden zeer lastig zijn."

"Maar dat krachtige middel moet het leven kosten aan enkele der beesten,
die in de vlakte rondzwerven," meende de majoor.

"Ja! er verbranden soms eenige; maar er zijn er zooveel, dat men het
niet eens bemerkt."

"Ik trek ook geen partij voor hen," hernam Mac Nabbs, "zij moeten maar
voor zich zelven zorgen, maar voor de reizigers, die de pampa
doortrekken. Kan het niet gebeuren dat zij door de vlammen overvallen en
omsingeld worden?"

"Wel zeker!" riep Paganel, met een van blijdschap stralend gezigt "dat
gebeurt wel eens, en het zou mij groot genoegen doen, als ik zulk een
tooneel eens mogt bijwonen."

"Daar kan men den geleerde uit proeven," antwoordde Glenarvan; "hij zou
de liefde voor de wetenschap zoo ver drijven, dat hij zich levend zou
laten verbranden."

"Dat niet, waarde Glenarvan! maar men heeft Cooper gelezen, en Lederen
Kous heeft ons het middel aan de hand gedaan om den voortgang der
vlammen te stuiten door eenige vademen om zich heen het gras uit te
halen. Niets is eenvoudiger dan dat. Ik vrees daarom ook geenszins een
brand, integendeel, ik verlang er zeer naar."

Maar de wensch van Paganel zou niet vervuld worden, en werd hij al half
gebraden, zoo was het toch maar in de zonnestralen, die een
verschroeiende hitte opwekten. De paarden hijgden onder den invloed dier
keerkringswarmte. Men kon geen andere schaduw verwachten, dan van een
der zeldzame wolkjes, die de vurige schijf omsluijerden; dan zweefde de
schaduw over den effen grond en poogden de ruiters, hun paard
aanzettende, het koele plekje bij te houden, dat de westewinden voor hen
uitjaagden. Maar de paarden moesten weldra achterblijven, en het
ongesluijerde gesternte goot een nieuwen vuurregen uit over den
kalkgrond der pampa's.

Toen Wilson zeide, dat de watervoorraad wel zou toereiken, had hij
echter niet op den onleschbaren dorst gerekend, die zijn makkers op dien
dag kwelde; toen hij er bijvoegde, dat men onderweg wel een riviertje
zou ontmoeten, had hij te veel gezegd. Want niet alleen waren er geen
riviertjes te zien, omdat de effenheid van den grond hun geen geschikte
bedding opleverde, maar zelfs waren de kunstmatige plassen, door de hand
der Indianen gegraven, ook uitgedroogd. Toen hij de kenmerken der
droogte van mijl tot mijl zag toenemen, maakte Paganel eenige
aanmerkingen aan Thalcave, en vroeg hem, waar hij water dacht te vinden.

"Bij het Zoutmeer," antwoordde de Indiaan.

"En wanneer zullen wij daar komen?"

"Morgen avond."

Gewoonlijk graven de Argentijnen, wanneer zij door de pampa reizen,
putten en vinden dan eenige vademen onder den grond water. Maar de
reizigers konden bij gebrek aan de noodige werktuigen zich hiermede niet
redden; zij moesten zich dus op rantsoen stellen, en al had men juist
geen volslagen gebrek aan water, toch kon niemand zijn dorst geheel
lesschen.

Na een togt van dertig mijlen hield men des avonds halt. Allen rekenden
op een goeden nacht om van de vermoeienissen van den dag zich te
herstellen; en hij werd juist gestoord door een zeer lastige zwerm
muskieten en muggen. Derzelver tegenwoordigheid voorspelde een
verandering van wind, die inderdaad een streek draaide en noordelijk
werd. Die hatelijke insecten verdwijnen doorgaans bij zuide- of
zuidwestewinden.

Zoo de majoor zijn kalmte al bewaarde bij de kleine ongemakken des
levens, Paganel integendeel werd boos om de plagerijen van het lot. Hij
wenschte muskieten en muggen naar den duivel, en het speet hem, dat hij
geen zuur water had om de brandende pijn zijner duizenden wonden te
verzachten. De majoor trachtte hem, maar te vergeefs, te troosten met de
opmerking, dat men zich gelukkig moest achten van maar met twee van de
driemaal honderd duizend insecten te doen te hebben, die de
natuurkundigen tellen,--hij werd toch in een zeer kwade luim wakker.

Hij liet zich echter niet lang bidden om met het krieken van den dag te
vertrekken; want het kwam er nu op aan om dienzelfden dag het Zoutmeer
te bereiken. De paarden waren doodmoede; zij stierven van dorst en
hoewel hun ruiters zich om hunnentwil ontbering hadden getroost, was hun
rantsoen van water toch zeer gering geweest. De droogte was nog sterker
en de warmte niet minder ondragelijk door de stofwolken, welke de
noordewind, die samoem[3] der pampa's, opjoeg.

Op dezen dag werd de eentoonigheid der reis een oogenblik afgebroken.
Mulrady, die vooruit reed, kwam terug om kennis te geven van de nadering
van een bende Indianen. Die ontmoeting werd verschillend beoordeeld.
Glenarvan dacht aan de inlichtingen, welke die inboorlingen hem
misschien aangaande de schipbreukelingen der _Britannia_ konden
verschaffen. Thalcave weder was er geenszins mede ingenomen, dat hij de
zwervende Indianen der pampa's op zijn weg aantrof; hij hield ze voor
plunderaars en dieven, en deed zijn best om hen te ontwijken. Op zijn
bevel sloot de kleine troep zich digt aaneen en werden de wapens in
gereedheid gebragt. Men moest op alles voorbereid zijn.

Spoedig kreeg men de indiaansche afdeeling in het oog. Zij bestond
slechts uit een tiental inboorlingen, hetgeen den Patagoniër gerust
stelde. De Indianen naderden tot op honderd passen. Men kon hen
gemakkelijk onderscheiden. Het waren inboorlingen, die tot het pampa-ras
behoorden, dat in 1888 door generaal Rosas verdreven was. Hun hoog,
gewelfd en niet terugwijkend voorhoofd, hun slanke gestalte en hun
olijfkleur maakten hen tot schoone typen van het indiaansche ras. Zij
waren gekleed met vellen van guanacha's en stinkdieren, en droegen
behalve een twintig voet lange lans, messen, slingers, bola's en
lasso's. Hun handigheid in het besturen hunner paarden bewees, dat zij
bekwame ruiters waren.

Op een afstand van honderd schreden hielden zij stil en schenen raad te
houden, daarbij luid schreeuwende en gebaren makende. Glenarvan ging
naar hen toe. Maar hij was nog geen twee vademen ver, of de afdeeling
maakte regtsomkeert en verdween met ongeloofelijke snelheid. De
afgematte paarden der reizigers konden hen onmogelijk inhalen.

"Die lafaards!" riep Paganel.

"Waren zij eerlijke lieden, dan zouden zij zoo hard niet wegloopen,"
zeide Mac Nabbs.

"Wat zijn dat voor Indianen?" vroeg Paganel aan Thalcave.

"Gaucho's," antwoordde de Patagoniër.

"Gaucho's!" herhaalde Paganel, zich tot zijn makkers rigtende,
"Gaucho's! Dan hadden wij waarlijk zooveel voorzorgen niet behoeven te
nemen! Er was niets te vreezen!"

"Waarom niet?" vroeg de majoor.

"Omdat de Gaucho's weerlooze landlieden zijn."

"Denkt gij dat, Paganel?"

"Zeker. Zij hebben ons voor roovers aangezien en zijn gevlugt."

"Ik geloof veeleer, dat zij ons niet hebben durven aanvallen,"
antwoordde Glenarvan, die zeer verstoord was, omdat hij met die
inboorlingen, zij mogten zijn wie zij wilden, geen gesprek had kunnen
aanknoopen.

"Zoo denk ik er ook over," zeide de majoor; "want, als ik mij niet
vergis, zijn de Gaucho's in plaats van weerloos, wel degelijk openbare
en geduchte roovers."

"Welnu komaan!" riep Paganel.

En hij begon levendig over die stelling uit de volkenkunde te
redetwisten, zoo levendig zelfs, dat het hem gelukte om den majoor boos
te maken, hetgeen hem den volgenden uitval van Mac Nabbs op den hals
haalde, die anders zoo iets niet gewoon was bij de zeldzame twisten:

"Ik geloof, dat gij ongelijk hebt, Paganel!"

"Ongelijk!" herhaalde de geleerde.

"Ja! Thalcave zelf heeft die Indianen voor roovers aangezien, en
Thalcave weet wel, wat hij van hen denken moet."

"Welnu! Thalcave heeft zich ditmaal vergist," gaf Paganel met eenige
bitterheid ten antwoord. "De Gaucho's zijn landbouwers, herders, anders
niet, en ik heb het zelf geschreven in een goed ontvangen vlugschrift
over de inboorlingen der pampa's."

"Dan hebt gij eene dwaling begaan, mijnheer Paganel!"

"Ik! een dwaling! mijnheer Mac Nabbs?"

"Uit verstrooidheid, wanneer gij wilt," antwoordde de majoor, die het
niet opgaf; "gij kunt dus niet beter doen dan een volgenden druk te
herzien!"

Paganel was zeer beleedigd, nu hij moest hooren, dat men zijn
aardrijkskundige kennis in twijfel trok, ja, er den gek mede scheerde,
en voelde, dat hij boos werd.

"Wees overtuigd, mijnheer!" zeide hij, "dat in mijn werken dergelijke
feilen niet voorkomen."

"Bij deze gelegenheid toch wel," antwoordde Mac Nabbs, die op zijne
beurt koppig werd.

"Mijnheer! ik vind u van daag zeer plaagziek!" riep Paganel.

"En ik vind u zeer scherp!" gaf de majoor ten antwoord.

De twist liep, zooals men ziet, zeer hoog, en dat over een onderwerp,
dat zooveel drukte niet waard was. Glenarvan achtte het geraden om
tusschen beiden te komen.

"Het is zeker," zeide hij, "dat er bij den een plaagzucht en bij den
ander scherpte in het spel is, hetgeen mij van beiden zeer verwondert."

De Patagoniër had de aanleiding tot den twist wel niet begrepen, maar
kon ligt gissen, dat de beide vrienden het oneens waren. Hij begon te
glimlagchen en zeide zachtjes:

"Het is de noordewind!"

"De noordewind!" riep Paganel, "wat heeft de noordewind met dit alles te
maken?"

"Wel zeker!" antwoordde Glenarvan; "de noordewind is de oorzaak van uw
kwade luim! Ik heb hooren zeggen, dat hij in het zuiden van Amerika het
zenuwgestel bijzonder prikkelt."

"Bij St Patrick! Edward! gij slaat den spijker op den kop!" zeide de
majoor, die het uitschaterde van lagchen.

Maar Paganel, die waarlijk boos was, wilde den strijd niet opgeven, en
klampte nu Glenarvan aan, wiens tusschenkomst in zijn oog wat al te
spottend was.

"Ei zoo, mylord!" zeide hij, "is mijn zenuwgestel waarlijk geprikkeld?"

"Ja, Paganel! het is de noordewind, die het doet; een wind, die in de
pampa veel misdaden doet begaan, evenals in den omtrek van Rome!"

"Misdaden!" antwoordde de geleerde; "zie ik er uit als iemand, die
misdaden begaan wil?"

"Dat zeg ik niet."

"Zeg maar ronduit, dat ik u wil vermoorden!"

"Daar zou ik haast bang voor worden!" antwoordde Glenarvan, die zijn
lachlust niet kon bedwingen. "Gelukkig waait de noordewind nooit langer
dan één dag!"

Op dit gezegde lachten allen met Glenarvan mede. Nu maakte Paganel zich
haastig uit de voeten en ging hij naar het hoofd van het gezelschap om
zijn drift wat te laten bedaren. Een kwartier later dacht hij er niet
meer aan.

Zoo was de goede luim van den geleerde een oogenblik verstoord geweest;
maar, zooals Glenarvan teregt had gezegd, die zwakheid had een geheel
uitwendige reden.

Ten acht ure des avonds gaf Thalcave, die wat vooruit gereden was, een
sein, dat men digt bij het zoo gewenschte meer was. Een kwartier daarna
daalde de kleine troep de steile oevers van het Zoutmeer af. Maar daar
wachtte hem een erge teleurstelling. Het meer was opgedroogd.


[1] Om deze reden zijn de winters op IJsland zachter dan in Lombardije.

[2] Dertig uren.

[3] Een schier verstikkend heete, dikwijls doodelijke wind in Afrika en
in Zuid-Azië.



XVIII.

Men zoekt versch water.


Het Zoutmeer besluit de reeks van kleine meren, die in verband staan met
de sierra's Ventana en Guamini. Voorheen ging men uit Buenos-Ayres veel
daarheen om zout te halen; want zijn water bevat een aanzienlijke
hoeveelheid chloorsodium. Maar nu had het water, door de buitensporige
hitte verdampt, al het zout, dat er in opgelost was, achtergelaten en
het meer was niets anders meer dan een ontzaggelijk groote heldere
spiegel.

Toen Thalcave vertelde, dat het Zoutmeer drinkbaar water opleverde,
bedoelde hij daarmede de zoetwaterstroompjes, die er in menigte in
uitloopen. Maar op dit oogenblik waren deze zoowel uitgedroogd als het
meer. De brandende zon had alles opgedronken. Dit veroorzaakte een
algemeene ontsteltenis, toen het dorstige gezelschap op de uitgedroogde
oevers van het Zoutmeer aankwam.

Goede raad was duur. Het geringe overschot van water in de lederen
zakken was bedorven. Het was onbruikbaar. De dorst begon verschrikkelijk
te kwellen. Honger en vermoeijenis verdwenen voor die gebiedende
behoefte. Een "roukah," een soort van tent, die, in een bogt aan den
oever, van huiden opgeslagen en door de inboorlingen verlaten was,
diende den uitgeputten reizigers tot schuilplaats, terwijl hunne
paarden, op de slijkerige oevers van het meer uitgestrekt, met tegenzin
knabbelden aan de zoutwaterplanten en het drooge riet.

Toen allen in de roukah bijeen waren, vroeg Paganel aan Thalcave, wat
hun nu te doen stond. Dit gaf aanleiding tot een vlugtig gesprek
tusschen den aardrijkskundige en den Indiaan, waarvan Glenarvan eenige
woorden opving. Thalcave sprak zeer bedaard. Paganel maakte gebaren voor
twee. Deze zamenspraak duurde eenige minuten, waarna de Patagoniër de
armen over elkander sloeg.

"Wat heeft hij gezegd?" vroeg Glenarvan. "Ik meen begrepen te hebben,
dat hij een scheiding aanraadden."

"Ja. In twee afdeelingen," antwoordde Paganel. "Diegenen onzer, wier
paarden door vermoeijenis en dorst uitgeput, naauwelijks een voet meer
kunnen verzetten, zullen zoo goed en kwaad als het gaan kan langs de
zeven en dertigste parallel voorttrekken. De beter beredenen daarentegen
zullen hun op dien weg vooruitgaan en de rivier Guamini opzoeken, die
een en dertig mijlen[1] van hier in het meer San Lucas valt. Vinden zij
er genoeg water, dan zullen zij hun makkers op de oevers der Guamini
afwachten. Is er geen water, dan zullen zij terugkeeren om hun een
vergeefsche reis te besparen."

"En dan?" vroeg Tom Austin.

"Dan zullen wij moeten besluiten om vijf en zeventig mijlen verder
zuidwaarts te trekken, tot aan de eerste vertakkingen der sierra
Ventana, waar de rivieren talrijk zijn."

"Die raad is goed," antwoordde Glenarvan, "en wij zullen hem zonder
uitstel opvolgen. Mijn paard heeft nog niet veel van het gebrek aan
water geleden, en ik bied aan om Thalcave te vergezellen."

"O, neem mij mede, mylord!" zeide Robert, alsof er sprake was van een
rijtoertje.

"Maar zult gij ons kunnen volgen, mijn jongen?"

"Ja! ik heb een goed dier, dat niet liever dan vooruit wil. Wilt gij ...
mylord?... ik smeek u er om."

"Ga dan maar mede, mijn jongen!" zeide Glenarvan, die blijde was, dat
hij niet van Robert behoefde te scheiden. "Wij zouden wel heel lomp
moeten zijn," voegde hij er bij, "wanneer wij met ons drieën geen versch
en helder water ontdekten."

"En ik dan?" zeide Paganel.

"O, gij, waarde Paganel!" antwoordde de majoor, "gij zult bij de reserve
blijven. Gij kent de zeven en dertigste parallel en de rivier Guamini en
de geheele pampa te goed om ons te verlaten. Noch Mulrady, noch Wilson,
noch ik zijn in staat om Thalcave op de plaats van bijeenkomst te
vinden, terwijl wij vol vertrouwen zullen oprukken onder de banier van
den dapperen Jacques Paganel."

"Ik onderwerp mij," antwoordde de aardrijkskundige, wiens eigenliefde
gestreeld werd door het verkrijgen van een opperbevel.

"Maar pas op voor verstrooidheid!" voegde de majoor er bij. "Breng ons
niet, waar wij niet zijn moeten, b.v. aan de oevers der Stille Zuidzee!"

"Gij zoudt het anders wel verdienen, onuitstaanbare majoor!" antwoordde
Paganel lagchende. "Maar zeg eens, waarde Glenarvan! hoe zult gij de
taal van Thalcave verstaan?"

"Ik vooronderstel," antwoordde Glenarvan, "dat de Patagoniër en ik niet
veel te praten zullen hebben. Bovendien zou ik met eenige spaansche
woorden, die ik magtig ben, in een dringende omstandigheid wel in staat
zijn om hem mijne gedachte mede te deelen en de zijne te begrijpen."

"Ga dan, waardige vriend!" antwoordde Paganel.

"Laten wij eerst ons avondeten gebruiken," zeide Glenarvan, "en, als het
kan, slapen tot het uur van vertrek."

Men hield een muizenmaaltijd, hetgeen niet zeer verkwikkend was, en
sliep, om zijn dorst te vergeten.

Paganel droomde van bergstroomen, van watervallen, van rivieren, van
stroomen, van vijvers, van beken, ja zelfs van volle karaffen, in één
woord van alles, wat doorgaans drinkbaar water bevat. Hij had waarlijk
de nachtmerrie.

Den volgenden morgen ten zes ure werden de paarden van Thalcave,
Glenarvan en Robert gezadeld; men gaf hun het laatste rantsoen water,
dat zij met meer gretigheid dan smaak uitdronken, want het was zeer
walgelijk.

Vervolgens sprongen de drie ruiters in den zadel. "Tot weerziens!"
riepen de majoor, Austin, Wilson en Mulrady.

"En doet vooral uw best om weg te blijven!" voegde Paganel er bij.

Weldra verloren de Patagoniër, Glenarvan en Robert, niet zonder eenige
benaauwdheid, de afdeeling uit het oog, die aan de schranderheid van den
geleerden aardrijkskundige was toevertrouwd.

De "desertio de las Salinas," die zij nu doorreisden, is een kleiachtige
vlakte, bedekt met tien voet hooge ondergeblevene heesters, met
mimosaplanten, die de Indianen "curra-mammel" noemen, en met de "jume,"
een struikachtig gewas, rijk aan soda. Hier en daar weerkaatsten breede
strooken zout de zonnestralen met verbazende kracht. Het oog zou ligt
die "barrero's"[2] aangezien hebben voor ijskorsten; maar de zonnehitte
zou het weldra uit den droom hebben geholpen. Niettemin gaf die
tegenstelling van een dorren en verschroeiden bodem met die fonkelende
vlakken aan deze woestijn een zeer buitengewoon voorkomen, dat de
opmerkzaamheid gaande maakte.

Tachtig mijlen zuidelijker integendeel leverde die sierra Ventada,
waarheen de mogelijke uitdrooging der Guamini de reizigers misschien
noodzaken zou zich te begeven, een geheel ander gezigt op. Dit land, dat
in 1835 bezocht werd door de expeditie onder aanvoering van kapitein
Fitz-Roy, bevelhebber der _Beagle_, is bij uitstek vruchtbaar. De beste
weiden van het indiaansche grondgebied prijken daar met het heerlijkste
groen; de noordwestelijke helling der sierra's is daar bedekt met het
weelderigste grasgewas, en strekt zich uit tot in bosschen, die rijk
zijn aan allerlei houtsoorten; daar ziet men den "algarrobo," een soort
van St. Jansbroodboom, welks gedroogde en fijngemalen vrucht tot het
vervaardigen van een brood dient, dat door de Indianen zeer geacht
wordt; den witten "quebracho," met lange en buigzame takken, die even
als de europeesche wilg treuren; den rooden "quebracho," wiens hout
onvergankelijk is; den "naudubay," die zeer snel vlam vat en dikwijls
verschrikkelijke branden veroorzaakt; den "viraro," wiens paarsche
bloemen in de gedaante eener pyramide boven elkander staan, en eindelijk
den "timbo," die zijn ontzaggelijk zonnescherm tachtig voet hoog in de
lucht verheft, waaronder geheele kudden een beschutting vinden tegen de
stralen der zon. De Argentijnen hebben meermalen pogingen aangewend om
dit rijke land te koloniseeren, maar te vergeefs getracht de vijandige
gezindheid der Indianen te overwinnen.

Voorzeker had men regt om te meenen, dat talrijke stroompjes van het
gebergte afdaalden, om het water, dat voor zulk een vruchtbaarheid
noodig was, te verschaffen, en inderdaad heeft de ergste droogte die
rivieren nooit doen verdampen, maar om ze te bereiken moest men wel
honderd dertig mijlen[3] zuidelijker trekken. Thalcave had dus wel
gelijk, dat hij zich eerst naar de Guamini begaf, die, zonder hem van
den weg af te leiden, veel digter bij was.

De drie paarden galoppeerden wakker voort. Die uitmuntende dieren roken
zeker uit instinct, waar hun meesters hen heenbragten. Thaouka vooral
legde een levendigheid aan den dag, die geen vermoeijenis noch behoefte
kon verminderen; hij sprong met de snelheid van een vogel over de
verdroogde cañada's en de curra-mammel-struiken heen, waarbij zijn
gehinnik een goed voorteeken was. Door zijn voorbeeld aangevuurd,
volgden de paarden van Glenarvan en Robert hem wel met trager schreden,
maar toch vol moed. Thalcave, die regtop in den zadel zat, gaf zijn
makkers het voorbeeld, dat Thaouka den zijnen gaf. De Patagoniër draaide
gedurig het hoofd om, ten einde naar Robert Grant te zien.

Als hij den knaap zoo stevig en regtop, met buigzame lendenen,
ingetrokken schouders, de beenen los langs het paard hangende en de
knieën stijf tegen den zadel gedrukt, zag zitten, gaf hij door een
aanmoedigenden uitroep aan zijn tevredenheid lucht. Robert Grant werd
dan ook inderdaad een uitmuntend ruiter en verdiende de loftuigingen van
den Indiaan.

"Bravo! Robert!" zeide Glenarvan; "ik geloof, dat Thalcave u
gelukwenscht. Hij juicht u toe, mijn jongen!"

"En waarom, mylord?"

"Omdat gij zoo flink te paard zit."

"O! ik houd mij goed vast; dat is alles," antwoordde Robert, die van
genoegen bloosde, omdat hij zich hoorde prijzen.

"Dat is het voornaamste, Robert!" antwoordde Glenarvan; "maar gij zijt
te zedig, en ik voorspel u, dat gij eenmaal een volleerd paardrijder
zult worden."

"Goed!" zeide Robert lagchende; "maar wat zal vader er wel van zeggen,
die een zeeman van mij wil maken?"

"Het eene sluit het andere niet uit. Worden alle ruiters al geen goede
zeelieden, zoo zijn toch de zeelieden geschikt om goede ruiters te
worden. Als men daar zoo op de ra's zit, leert men zich wel goed
vasthouden. De kunst om zijn paard te verzamelen, om schuinsche of
cirkelvormige bewegingen te maken, komt van zelve, want niets is
eenvoudiger."

"Arme vader!" antwoordde Robert, "ach! hoe dankbaar zal hij jegens u
zijn, mylord! wanneer gij hem moogt redden!"

"Houdt gij veel van hem, Robert?"

"Ja, mylord! Hij was zoo goed voor mijn zuster en mij. Hij dacht alleen
aan ons! Bij iedere reis bragt bij ons een gedachtenis mede uit alle
landen, die hij bezocht, en wat nog beter was, bij zijn terugkomst
liefkoosde hij ons en sprak hij ons vriendelijk toe. O! gij zult ook wel
veel van hem houden, wanneer gij hem hebt leeren kennen! Mary gelijkt
sprekend op hem. Hij heeft een even zachte stem als zij! Dat is zeer
vreemd voor een zeeman, niet waar?"

"Ja, zeer vreemd, Robert!" antwoordde Glenarvan.

"Ik zie hem nog," vervolgde het kind, die nu tot zich zelven scheen te
spreken. "Goede en brave vader! hij wiegde mij op zijn knie in slaap,
toen ik klein was, en neuriede altijd een oud schotsch liedje, waarin de
meren van ons land bezongen worden. De wijs herinner ik mij soms nog
half en half. Mary ook. Ach, mylord! wat hielden wij veel van hem! Ik
geloof waarlijk dat men klein moet zijn om veel van zijn vader te
houden!"

"En groot om hem te eeren, mijn kind!" antwoordde lord Edward, die innig
geroerd werd door die woorden, welke uit dat kinderhart vloeiden.

Gedurende dit gesprek hadden de paarden hun gang vertraagd en liepen zij
stapvoets.

"Wij zullen hem terugvinden, niet waar?" zeide Robert na eenige
oogenblikken gezwegen te hebben.

"Ja, wij zullen hem terugvinden!" antwoordde Glenarvan. "Thalcave heeft
ons hem op het spoor gebragt, en ik stel vertrouwen in hem."

"Een brave Indiaan, die Thalcave," zeide het kind.

"Zeker."

"Wil ik u eens wat zeggen, mylord?"

"Spreek eerst, dan zal ik u antwoorden."

"Het zijn allen brave lieden, die u omringen! Mevrouw Helena, van wie ik
zooveel houd, de majoor met zijn bedaard voorkomen, kapitein Mangles, en
de heer Paganel, en de matrozen der _Duncan_, die zoo moedig en zoo
verknocht zijn!"

"Ja, dat weet ik, mijn jongen!" antwoordde Glenarvan.

"En weet gij wel, dat gij de beste van allen zijt?"

"Neen, dat weet ik waarlijk niet!"

"Welnu, ik zeg u, dat het zoo is, mylord!" antwoordde Robert, terwijl
hij de hand van den lord vatte en aan zijn lippen bragt.

Glenarvan schudde zachtjes het hoofd. Het gesprek werd echter niet
voortgezet; want Thalcave wenkte de achterblijvers om wat voort te
maken. Zij hadden hem vooruit laten komen. Er was echter geen tijd te
verliezen, en men mogt degenen, die achtergelaten waren, niet vergeten.

Zij zetten dus hun paarden aan; maar het bleek weldra, dat zij, met
uitzondering van Thaouka, het niet lang zouden kunnen uithouden. Ten
twaalf ure moest men hun een uur rust geven. Zij konden niet verder
voort en weigerden de "alfafares" te eten, een soort van magere en door
de zonnestralen verschroeide spurrie.

Glenarvan begon ongerust te worden. De kenteekenen der onvruchtbaarheid
verminderden niet, en het gebrek aan water kon schromelijke gevolgen
hebben. Thalcave zeide niets, en dacht waarschijnlijk, dat het vroeg
genoeg zou zijn om te wanhopen, wanneer de Guamini uitgedroogd was;
althans indien voor een indiaansch hart het uur der wanhoop ooit slaat.

Hij ging dus weder op weg, en goed- of kwaadschiks de paarden moesten,
door zweep en spoor aangezet, weder vooruit, maar stapvoets. Dat was al
wat zij doen konden.

Thalcave zou wel verder geweest zijn, want Thaouka kon hem in weinige
uren aan de oevers van den stroom brengen. Hij dacht er zeker wel aan;
maar hij wilde ongetwijfeld zijn beide makkers niet alleen in de
woestijn laten, en om hun niet vooruit te komen, dwong hij Thaouka tot
een langzamer gang.

Niet zonder tegenstand te bieden, zonder te steigeren, zonder luide te
hinniken onderwierp het paard van Thalcave er zich aan om stapvoets te
gaan; zijn meester dwong hem er echter minder toe door geweld dan door
zijn stem. Thalcave praatte werkelijk met zijn paard, en al antwoordde
Thaouka hem niet, hij begreep hem toch. Waarschijnlijk voerde de
Patagoniër uitmuntende redenen aan; want na eenigen tijd "geredetwist"
te hebben, werd Thaouka door zijn bewijsgronden overwonnen en
gehoorzaamde hij, echter niet zonder hevig op zijn gebit te knabbelen.

Werd Thalcave door Thaouka begrepen, Thaouka werd evenzeer door Thalcave
begrepen. Het schrandere dier rook, door zijn scherpe zintuigen
geholpen, eenige vochtigheid in de lucht; het ademde ze met wellust in,
en liet zijn tong klappen, alsof het die in een verkwikkend vocht had
gedoopt. De Patagoniër kon zich er niet in vergissen: er was water in de
nabijheid.

Hij moedigde daarom zijn makkers aan door op het ongeduld van Thaouka te
wijzen, dat de beide andere paarden spoedig begrepen. Zij spanden hun
laatste krachten in en galoppeerden den Indiaan achterna.

Tegen drie ure vertoonde zich in een kromming van den grond een witte
streep. De zonnestralen gaven haar een bevend voorkomen.

"Water!" riep Glenarvan.

"Water! ja, water!" herhaalde Robert.

Nu behoefden zij hun beesten niet meer aan te zetten; de arme dieren,
die hun krachten voelden herleven, snelden met duizelingwekkende vaart
voort. Binnen weinige minuten hadden zij de Guamini bereikt, en wierpen
zij zich geheel getuigd tot aan de borst in het weldadige nat.

Hoewel tegen hun zin werden zij door hun berijders gevolgd, die onwillig
een bad moesten nemen, waarover zij zich echter niet beklaagden.

"O! wat smaakt dat lekker!" zeide Robert, terwijl hij in het midden der
rivier zijn dorst leschte.

"Wees voorzigtig, mijn jongen!" antwoordde Glenarvan, die er evenwel
zelf het voorbeeld niet van gaf.

Men hoorde thans niets anders meer dan het geluid van het drinken.

Thalcave dronk heel bedaard, zonder zich te haasten, met kleine beetjes,
maar "zoo lang als een lasso," gelijk de Patagoniërs zeggen. Hij hield
niet op, en het stond te vreezen, dat hij het geheele riviertje zou
leegdrinken.

"Onze vrienden zullen toch niet in hun verwachting teleurgesteld
worden," zeide Glenarvan; "als zij bij de Guamini komen zijn zij zeker,
dat zij een overvloed van helder water zullen vinden, ten minste,
wanneer Thalcave wat overlaat!"

"Maar zouden wij hun niet tegemoet kunnen gaan?" vroeg Robert. "Zoo
doende zouden wij hun eenige uren van angst en lijden kunnen besparen."

"Wel zeker, mijn jongen! maar hoe zullen wij dit water vervoeren? Wilson
heeft de waterzakken bij zich gehouden. Neen, het is beter te wachten,
zooals wij afgesproken hebben. Ik reken, den afstand en de vermoeidheid
der paarden in aanmerking nemende, dat het wel nacht zal zijn, als onze
vrienden hier komen. Laten wij dus een goed nachtverblijf en een goed
avondeten voor hen gereed maken."

Thalcave had niet op een wenk van Glenarvan gewacht om een geschikte
legerplaats op te zoeken. Gelukkig had hij aan de oevers der rivier een
"ramada" gevonden, een soort van omheining, bestemd om de kudden in op
te sluiten, die aan drie zijden digt was. Het was een gunstig plekje om
den nacht in door te brengen, als men er ten minste niets tegen had om
in de open lucht te slapen, en dat was iets, waarover de makkers van
Thalcave zich volstrekt niet bekommerden. Zij zochten dan ook niet
verder, en strekten zich in de zon uit om hun doornatte kleederen te
droogen.

"Nu wij een nachtverblijf hebben," zeide Glenarvan; "moeten wij ook aan
het avondeten denken. Onze vrienden moeten tevreden kunnen zijn over hun
kwartiermakers en ik zou mij zeer vergissen, wanneer zij reden van
klagen hadden. Ik geloof, dat een jagt van een uurtje geen tijd
verspillen zal zijn. Zijt gij gereed, Robert?"

"Ja, mylord!" antwoordde de knaap, die opstond en zijn geweer greep.

Glenarvan was op die gedachte gekomen, omdat de oevers der Guamini de
plaats schenen te zijn, waar al het wild uit de omliggende vlakten
bijeenkwam; bij heele troepen zag men de "tinamous," een soort van
steenhoen uit de pampa's, zwarte hazelhoenders, een soort van
regenvogels, "teru-teru" genoemd, geelkleurige riethoenders en heerlijk
groene waterhoenders opvliegen.

Viervoetige dieren waren er niet te zien; maar Thalcave wees op het
hooge gras en digte kreupelhout, daarmede te kennen gevende, dat zij
daarin verborgen waren. De jagers behoefden slechts weinige schreden te
doen om zich in het wildrijkste land der aarde te bevinden.

De jagt begon, en het gevogelte versmadende voor de landdieren, rigtten
de jagers hun eerste schoten op het grove wild der pampa. Spoedig
verrezen om hen heen honderden reebokken en guanacha's, dezelfde dieren,
die hen met zooveel geweld op de toppen der Cordillera aanvielen; maar
die schuwe beesten vlugtten zoo snel, dat het onmogelijk was om hen
onder schot te krijgen. Daarom gingen de jagers nu tot minder vlug wild
over, dat bovendien als spijs niets te wenschen overliet. Zij schoten
een dozijn steen- en riethoenders, en Glenarvan doodde nog zeer behendig
een muskuszwijn, "tay-tetre", een zeer smakelijk, dikhuidig zoogdier met
rosachtig haar, dat wel een schot waard was.

Binnen een half uur doodden de jagers zonder eenige moeite al het wild,
dat zij noodig hadden; Robert maakte zich nog van een zonderling dier
meester, dat tot de orde der handelooze zoogdieren behoorde, een
"armadillo," een soort van gordeldier, bedekt met een schild van
beenachtige en bewegelijke platen, dat anderhalf voet lang was. Het was
zeer vet, en zou, naar het zeggen van den Patagoniër, een lekkeren
schotel opleveren. Robert was dus trotsch op dat buitenkansje.

Thalcave van zijn kant vergastte zijn makkers op het schouwspel van een
jagt op den "nandou," een soort van struisvogel uit de pampa's, wiens
snelheid verbazend groot is.

De Indiaan nam geenszins zijn toevlugt tot list bij een dier, dat zoo
hard kon loopen; hij galoppeerde regt op hem aan, om hem dadelijk in te
halen; want als de eerste aanval mislukte, dan zou de nandou weldra
paard en jager door den onontwarbaren doolhof zijner draaijingen
vermoeid hebben. Zoodra Thalcave digt genoeg bij hem was, slingerde hij
zijn bola's met een krachtige hand zoo behendig, dat zij om de pooten
van het dier gedraaid werden en het magteloos maakten. Binnen weinige
seconden lag de struisvogel op den grond.

De Indiaan maakte zich niet van hem meester, uit loutere liefhebberij
voor de jagt; het vleesch van den nandou is zeer geacht, en Thalcave
wilde zijn aandeel leveren aan den gemeenschappelijken maaltijd.

De hoenders, de struis van Thalcave, het muskuszwijn van Glenarvan en
het gordeldier van Robert werden dadelijk toebereid, dat wil zeggen van
hun taaije huid ontdaan en aan dunne repen gesneden. Wat het gordeldier
aangaat, dit is een kostelijk dier, dat zijn braadpan bij zich draagt,
en dat men daarom in zijn eigen schild op gloeijende kolen legde.

De drie jagers vergenoegden zich voor hun avondeten met de hoenders, en
bewaarden voor hun vrienden de steviger stukken. Den maaltijd
besproeiden zij met helder water, dat zij lekkerder vonden dan al den
portwijn der wereld, en zelfs dan de bekende "usquebaugh"[4], die in de
schotsche Hooglanden zoo hoog vereerd wordt.

De paarden werden ook niet vergeten. Een groote hoeveelheid droog
voeder, dat men in de ramada vond, diende hun te gelijk tot voedsel en
tot stroo.

Toen alles in gereedheid was gebragt, draaiden Glenarvan, Robert en de
Indiaan zich in hun poncho, en strekten zij zich uit op een zachten hoop
alfafares, het gewone bed der jagers in de pampa's.


[1] Omtrent negen uren.

[2] Met zout doortrokken gronden.

[3] Meer dan honderd uren.

[4] Brandewijn van gegiste gerst.



XIX.

De roode wolven.


Het werd nacht. Het was juist nieuwe maan, zoodat de nachtvorstin
onzigtbaar zou blijven voor al de aardbewoners. Het flaauwe sterrelicht
alleen bescheen de vlakte. Aan den gezigteinder werd het licht van de
sterrebeelden der dierenriems onderschept door een zware mist. Het water
van de Guamini stroomde zonder gemurmel verder, gelijk een lange streep
olie, die over marmer loopt. Vogelen, viervoetige en kruipende dieren
rustten uit van de vermoeijenissen van den dag, en eene stilte, gelijk
aan die eener woestijn, daalde op het onmetelijk gebied der pampa's
neder.

Glenarvan, Robert en Thalcave hadden zich aan de natuurwet moeten
onderwerpen. Op het digte spurriebed uitgestrekt, sliepen zij rustig
door. De paarden, die doodaf waren van vermoeidheid, lagen op den grond;
alleen Thaouka sliep, als een paard van echt ras, staande, met de vier
pooten loodregt op den grond; even fier in de rust als in de beweging,
en gereed om op het eerste teeken naar zijn meester heen te snellen. Een
doodsche stilte heerschte binnen de omheining, en de kolen van het
nachtelijk vuur, dat langzamerhand uitging, verspreidden een laatste
flikkering in de stille duisternis.

Tegen tien ure echter werd de Indiaan na een korten slaap wakker. Zijn
oog fonkelde onder zijn nedergeslagen wenkbraauwen, en met het oor naar
de vlakte gewend luisterde hij scherp toe. Het was duidelijk, dat hij
het een of ander flaauw geluid trachtte op te vangen. Weldra teekende
zijn gelaat, hoe strak het gewoonlijk ook zijn mogt, een onbestemde
onrust. Had hij de nadering bespeurd van op roof rondzwervende Indianen,
of de komst der jaguars, der watertijgers en van andere vreeselijke
dieren, die in de nabijheid der rivieren zoo talrijk zijn? Zonder
twijfel kwam deze laatste vooronderstelling hem waarschijnlijk voor; hij
wierp althans een vlugtigen blik op de brandstoffen, die binnen de
omheining opeengehoopt waren, en zijn onrust nam nog toe. Dat drooge
voeder van alfafares zou dan ook spoedig verbrand zijn en kon
stoutmoedige dieren niet lang tegenhouden.

Nu de zaken zoo stonden, kon Thalcave niet anders doen dan de
gebeurtenissen afwachten, en nam hij half liggende, half zittende, met
het hoofd op de handen rustende, de ellebogen op de knieën leunende en
met strakken blik, de houding van een man aan, die door een plotselingen
angst in zijn slaap is gestoord.

Een uur verliep. Ieder ander dan Thalcave zou, door de stilte daar
buiten gerust gesteld, zich weder op zijn legerstede hebben
nedergevlijd. Maar waar een vreemdeling geen achterdocht zou gekoesterd
hebben, daar hadden de geprikkelde zintuigen en het natuurlijk instinct
van den Indiaan een voorgevoel van een ophanden zijnd gevaar.

Terwijl hij zoo luisterde en loerend rond zag, liet Thaouka een dof
gehinnik hooren; snuivende rigtte hij den kop naar den ingang der hut.
Terstond rees de Patagoniër overeind.

"Thaouka heeft een vijand geroken," zeide hij.

Hij stond op en ging oplettend de vlakte overzien.

Het was er nog stil, maar niet rustig. Thalcave zag onduidelijke
schaduwen, die zich zonder gedruisch te maken tusschen de bosjes
curra-mammel bewogen. Hier en daar glinsterden lichtgevende punten, die
elkaar in alle rigtingen kruisten, en beurtelings uitdoofden en weder
ontstoken werden. Een vreemdeling zou zonder twijfel die zwevende vonken
voor de Johanneskevers[1] gehouden hebben, die des nachts op menige plek
van de pampa's schitteren. Maar Thalcave vergiste zich er niet in. Hij
begreep, met welke vijanden hij te doen had; hij laadde zijn karabijn en
ging bij de eerste palen der omheining op den uitkijk staan.

Hij behoefde niet lang te wachten. Een vreemd geschreeuw, een verward
geluid van geblaf en gehuil weergalmde over de pampa. Het werd met een
losbranding van de karabijn beantwoord, en door honderd schrikaanjagende
geluiden gevolgd.

Glenarvan en Robert schrikten wakker en vlogen op.

"Wat is er gaande?" vroeg de jonge Grant.

"Indianen?" vroeg Glenarvan.

"Neen!" antwoordde Thalcave, "aguara's."

Robert zag Glenarvan aan en vroeg: "aguara's?"

"Ja!" antwoordde Glenarvan, "de roode wolven der pampa."

Beiden grepen hun wapenen en voegden zich bij den Indiaan. Deze wees hun
de vlakte, waaruit een verschrikkelijk concert, een akelig gehuil
opging.

Robert deed onwillekeurig een schrede achterwaarts.

"Zijt gij bang voor de wolven, mijn jongen?" vroeg hem Glenarvan.

"Neen, mylord!" antwoordde Robert met een vaste stem. "Bij u ben ik voor
niets bevreesd."

"Des te beter. Die roode wolven zijn geen bijzonder geduchte dieren, en
waren zij zoo talrijk niet, dan zou ik mij volstrekt niet om hen
bekommeren."

"Wat komt dat er op aan?" antwoordde Robert. "Wij zijn goed gewapend,
zij mogen vrij komen!"

"En zullen goed ontvangen worden!"

Glenarvan sprak zoo om het kind gerust te stellen; maar hij dacht niet
zonder heimelijken schrik aan dat legioen verscheurende dieren, die in
het holst van den nacht op hen los gelaten werden. Misschien waren er
wel honderden, en drie mannen, hoe goed zij gewapend mogten zijn, konden
niet met voordeel strijden tegen zulk een aantal dieren.

Toen de Patagoniër het woord "aguara" uitsprak, herinnerde Glenarvan
zich terstond, dat die naam door de Indianen uit de pampa aan den rooden
wolf gegeven wordt. Dit vleeschetend dier, de "canis jubatus" der
natuurkundigen, heeft het lijf van een grooten hond en den kop van een
vos; zijn haar is kaneelkleurig, en op zijn rug golven zwarte manen, die
langs zijn geheele ruggegraat loopen. Dit dier is zeer vlug en zeer
sterk; het bewoont meestal moerassige streken en vervolgt al zwemmende
de waterdieren; de nacht jaagt het uit het hol, waarin het des daags
slaapt; vooral is men er zeer bevreesd voor in de "estancia's[2]" waarin
het vee wordt opgebragt; want zoodra de honger het prikkelt, tast het
het groot vee aan en rigt aanmerkelijke verwoestingen aan. Wanneer hij
alleen is, behoeft men den rooden wolf niet te vreezen; maar het is
geheel wat anders, wanneer een groot aantal van die uitgehongerde
beesten bij elkander is, dan mag men nog liever met een rooden tijger of
tijgerkat te doen hebben, dien men ten minste behoorlijk kan aanvallen.

Afgaande op het gehuil, dat over de pampa klonk, en op de menigte
schaduwen, die over de vlakte zweefden, besloot Glenarvan te regt, dat
er een menigte roode wolven aan den oever der Guamini bijeen was; zij
hadden daar een wisse prooi geroken, paardenvleesch of menschenvleesch,
en geen hunner zou naar zijn hol terugkeeren, zonder er zijn deel van te
hebben gehad. De toestand was dus zeer onrustbarend.

Inmiddels werd de kring der dieren allengs naauwer. De paarden waren
ontwaakt en gaven teekens van den levendigsten angst. Thaouka alleen
trappelde, trachtte zijn halster los te rukken en op de wolven in te
stormen. Zijn meester kon hem alleen door een aanhoudend gefluit tot
bedaren brengen.

Glenarvan en Robert hadden zich zoo geplaatst, dat zij den ingang der
hut verdedigden. Hun karabijnen waren geladen, en zij wilden op de
eerste rij der roode wolven losbranden, toen Thalcave met de hand hun
wapen omhoog sloeg, dat zij reeds aangelegd hadden.

"Wat wil Thalcave?" vroeg Robert.

"Hij verbiedt ons te schieten," antwoordde Glenarvan.

"Waarom?"

"Misschien oordeelt hij, dat het geschikte oogenblik nog niet gekomen
is."

De Indiaan had echter een veel ernstiger reden voor zijn handelwijze,
zooals Glenarvan zag, toen Thalcave, zijn kruidhoorn optillende en
omkeerende, wees, dat hij bijna ledig was.

"Wat nu gedaan?" vroeg Robert.

"Wel, wij moeten ons kruid wat sparen. Onze jagt van dezen namiddag is
ons duur te staan gekomen, en wij hebben gebrek aan kruid en lood. Wij
kunnen geen twintig schoten meer doen!"

Het kind antwoordde niets.

"Gij zijt toch niet bang, Robert?"

"Neen, mylord!"

"Goed, mijn jongen!"

Op dat oogenblik weerklonk een nieuwe losbranding. Thalcave had een te
stouten vijand nedergelegd; de wolven, die in digte rijen naderden,
weken en sloten zich digt aaneen op een afstand van honderd schreden van
de omheining.

Terstond nam Glenarvan op een teeken van den Indiaan diens plaats in;
deze raapte het stroo, het gras, in een woord al de brandbare stoffen
bijeen, wierp ze aan den ingang der omheining op een hoop en slingerde
er een gloeijende kool in. Weldra werd er een gordijn van vlammen voor
den zwarten achtergrond des hemels gespannen, en door de scheuren heen
kon men zien, dat de vlakte helder verlicht was door groote, heen en
weder zwevende schijnsels. Nu kon Glenarvan ook oordeelen over de
tallooze menigte dieren, waartegen zij zich moesten verdedigen. Nooit
heeft iemand zooveel wolven bijeen gezien en die zoo door moordlust
bezield waren. De slagboom van vuur, dien Thalcave tegen hen had
opgeworpen, had hun woede verdubbeld, daar zij zich nu plotseling
gestuit zagen. Eenigen waagden zich echter, door de achtersten
opgedrongen, tot vlak voor den vuurgloed, en brandden er hunne pooten
aan.

Soms was er nog een geweerschot noodig om die huilende schare tegen te
houden, en na verloop van een uur bedekten reeds een vijftiental lijken
den grond.

De belegerden waren nu betrekkelijk veilig; zoo lang zij kruid hadden,
zoo lang de slagboom van vuur de omheining afsloot, was er geen
overrompeling te vreezen. Maar wat zouden zij beginnen, wanneer al die
middelen om de bende wolven te keeren hun te gelijk zouden ontvallen?

Glenarvan zag Robert aan en voelde zijn hart vol worden. Hij vergat zich
zelven om alleen aan dat arme kind te denken, dat een moed toonde verre
boven zijne jaren. Robert was bleek; maar zijn hand omklemde vast het
geweer, en hij wachtte koelbloedig den aanval der verbitterde wolven af.

Intusschen besloot Glenarvan, na den stand van zaken bedaard overzien te
hebben, om er een einde aan te maken.

"Binnen een uur," zeide hij, "zullen wij kruid, lood noch vuur meer
hebben. Wij moeten derhalve niet zoo lang wachten met het nemen van een
besluit."

Hij begaf zich naar Thalcave, en de weinige spaansche woorden, die hij
zich herinneren kon, bijeen rapende, begon hij met den Indiaan een
gesprek, dat telkens door geweerschoten werd afgebroken.

Niet zonder moeite gelukte het dien beiden mannen om zich te doen
verstaan. Gelukkig was Glenarvan met de gewoonten van den rooden wolf
bekend. Anders zou hij de woorden en gebaren des Patagoniërs niet
begrepen hebben.

Er verliep echter een kwartier, voor hij het antwoord van Thalcave aan
Robert kon overbrengen. Glenarvan had den Indiaan gevraagd, wat hij over
hun bijkans wanhopigen toestand dacht.

"En wat heeft hij geantwoord?" vroeg Robert.

"Hij heeft geantwoord, dat wij, het moge kosten wat het wil, het tot
zonsopgang moeten uithouden. De roode wolf gaat alleen des nachts uit,
en keert, zoodra het dag wordt, naar zijn schuilhoek terug. Hij is de
wolf der duisternis, een laf beest, dat bang is voor het heldere
daglicht, een uil op vier pooten!"

"Welnu! dan zullen wij ons tot aan den morgen verdedigen!"

"Ja, mijn jongen! en kunnen wij ons niet langer met schieten verdedigen,
dan zullen wij onze messen nemen."

Thalcave had het voorbeeld reeds gegeven: wanneer een wolf den vuurgloed
naderde, stak de Patagoniër zijn langen gewapenden arm door de vlam en
haalde hem er rood van bloed weder uit.

Inmiddels liepen de verdedigingsmiddelen ten einde. Tegen twee ure wierp
Thalcave den laatsten armvol brandstoffen in het vuur, en hadden de
belegerden nog maar vijf schoten over.

Glenarvan sloeg een wanhopigen blik in het rond.

Hij dacht aan dat kind naast hem, aan zijn makkers, aan allen, die hij
lief had. Robert sprak geen woord. Welligt kon hij zich nog niet
voorstellen, dat het gevaar zoo dreigend was. Maar Glenarvan dacht er in
zijne plaats aan, en stelde zich het verschrikkelijke, maar toch
onvermijdelijke vooruitzigt voor, van levend verslonden te zullen
worden! Hij kon zijn aandoening niet bedwingen; hij trok het kind aan
zijn borst, drukte hem aan zijn hart, kuste hem innig op het voorhoofd,
terwijl zijns ondanks de tranen uit zijn oogen vloeiden.

Robert zag hem glimlagchend aan en zeide: "Ik ben niet bang!"

"Neen, mijn kind! neen!" antwoordde Glenarvan, "en gij hebt gelijk.
Binnen twee uren wordt het dag, dan zijn wij gered!--Goed, Thalcave!
goed, dappere Patagoniër!" riep hij, ziende dat de Indiaan met den kolf
van zijn geweer twee groote dieren doodsloeg, die over den brandenden
slagboom trachtten te springen.

Maar te gelijk kon hij bij het wegstervende schijnsel van het vuur zien,
hoe de bende wolven in digte rijen oprukte om de omheining te bestormen.

Dit bloedig tooneel naderde zijn ontknooping; het vuur ging uit gebrek
aan brandstof allengs uit; de vlam daalde; de vlakte, die tot nu toe
helder verlicht was geweest, werd in de schaduw gehuld, en in die
schaduw glinsterden ook weder de lichtgevende oogen der roode wolven.
Nog eenige minuten, en de geheele schare zou de omheining binnenstormen.

Thalcave loste voor de laatste maal zijn karabijn, doodde nog één
vijand, en sloeg de armen over elkander, want zijn kruid was op. Hij
liet het hoofd op de borst zakken. Hij scheen in stilte over iets na te
denken. Zocht hij soms naar het een of ander stout, onmogelijk,
zinneloos middel om dien woedenden troep af te slaan? Glenarvan durfde
het hem niet vragen.

Juist had er een verandering in den aanval der wolven plaats. Zij
schenen zich te verwijderen, en hun gehuil, dat tot nu toe zoo
oorverdoovend geweest was, hield plotseling op. Een doodsche stilte
begon op de vlakte te heerschen.

"Zij gaan heen!" riep Robert.

"Misschien," antwoordde Glenarvan, die oplettend naar het gedruisch
luisterde.

Maar Thalcave, die zijne gedachte raadde, schudde het hoofd. Hij wist
wel, dat die beesten geen wisse prooi zouden laten varen, voor het
daglicht hen naar hun sombere holen had gedreven.

Echter was het duidelijk, dat de vijand zijn plan van aanval gewijzigd
had.

Hij beproefde niet langer om met geweld in de omheining door te dringen;
maar een nog dreigender gevaar zou het gevolg van zijn nieuwe bewegingen
zijn.

De roode wolven zagen er van af om binnen te dringen door den ingang,
die zoo hardnekkig door staal en vuur verdedigd werd, liepen de
omheining om, en trachtten haar gezamenlijk aan de andere zijde te
bestormen.

Weldra hoorde men, hoe zij hun klaauwen sloegen in het half verrotte
hout. Reeds staken zij sterke pooten en bloedige muilen door de reten
der palen heen. De verschrikte paarden verbraken hun halster en liepen
binnen de omheining rond, bevangen als zij waren door een
onoverwinnelijken angst.

Glenarvan nam den knaap in zijn armen om hem tot het uiterste te
verdedigen. Misschien zou hij zelfs een nuttelooze vlugt beproefd hebben
en naar buiten gestormd zijn, toen zijn oog op den Indiaan viel.

Na als een wild dier in de omheining rondgeloopen te hebben, was
Thalcave plotseling naar zijn paard gegaan, dat van ongeduld sidderde,
en begon hij het zorgvuldig te zadelen, zonder een riem of gesp te
vergeten. Hij scheen zich niet langer om het gehuil te bekommeren, dat
steeds toenam. Glenarvan zag met droevige ontsteltenis wat hij deed.

"Hij verlaat ons!" riep hij uit, toen hij zag, dat Thalcave de teugels
greep, als een ruiter die te paard wil stijgen.

"Hij! nooit!" zeide Robert.

Inderdaad wilde de Indiaan beproeven, niet zijne vrienden te verlaten,
maar hen te redden, door zich voor hen op te offeren.

Thaouka was gereed; hij knabbelde op zijn gebit; hij sprong; zijne
oogen, vol vuur en kracht, schoten bliksemstralen; hij had zijn meester
begrepen.

Juist toen de Indiaan de manen van zijn paard greep, vatte Glenarvan hem
met een krampachtige hand bij den arm.

"Vertrekt gij?" zeide hij op de nu vrije vlakte wijzende.

"Ja!" antwoordde de Indiaan, die het gebaar van zijn medgezel begreep.

Vervolgens voegde hij er eenige spaansche woorden bij, die beteekenden:

"Thaouka. Goed paard. Vlug. Het zal door de wolven vervolgd worden!"

"Ach, Thalcave!" riep Glenarvan.

"Schielijk, schielijk!" antwoordde de Indiaan, terwijl Glenarvan met een
door aandoening gesmoorde stem tot Robert zeide:

"Robert! mijn kind! gij hoort het! hij wil zich voor ons opofferen! hij
wil de pampa inrijden en de woede der wolven afleiden, door ze naar zich
toe te lokken!"

"Vriend Thalcave!" antwoordde Robert, terwijl hij voor den Patagoniër op
de knieën viel, "vriend Thalcave! verlaat ons niet!"

"Neen!" zeide Glenarvan, "hij zal ons niet verlaten!"

En zich tot den Indiaan wendende zeide hij:

"Laten wij te zamen vertrekken!" Dit zeggende, wees hij op de
verschrikte paarden, die zich digt tegen de palen aandrongen.

"Neen!" zeide de Indiaan, die zich niet in den zin dier woorden
vergiste. "Slechte paarden. Verschrikt. Thaouka. Goed paard."

"Welnu, het zij zoo!" zeide Glenarvan. "Thalcave zal u niet verlaten,
Robert! Hij leert mij, wat ik doen moet! Ik moet vertrekken! Hij moet
bij u blijven!"

Daarop greep hij Thaouka bij den teugel en sprak:

"Ik zal vertrekken."

"Neen!" antwoordde de Patagoniër bedaard.

"Ik, zeg ik u!" riep Glenarvan, hem den teugel uit de hand rukkende,
"ik! Red dit kind! Ik vertrouw hem aan u toe, Thalcave!"

In zijn overspanning haspelde Glenarvan engelsche en spaansche woorden
door elkander. Maar wat komt de taal er op aan! In zulke
verschrikkelijke omstandigheden drukken de gebaren alles uit en
begrijpen de menschen elkander spoedig.

Thalcave bleef zich echter verzetten. De twist duurde steeds voort en
het gevaar groeide iedere seconde; reeds bezweken de doorgeknaagde palen
voor de tanden en klaauwen der verbitterde wolven.

Glenarvan scheen evenmin te willen toegeven als Thalcave. De Indiaan had
Glenarvan medegetrokken naar den ingang der omheining; hij wees hem de
vlakte, die vrij was van wolven; met levendige uitdrukkingen gaf hij hem
te kennen, dat er geen tijd te verliezen was; dat het gevaar, indien de
proef niet gelukte, grooter zou zijn voor degenen die achterbleven;
eindelijk dat hij alleen Thaouka genoeg kende om diens buitengewone
vlugheid en snelheid voor aller redding aan te wenden. In zijn
verblinding volhardde Glenarvan bij zijn plan om zich op te offeren,
toen hij onverwachts op eens ter zijde werd geschoven. Thaouka
steigerde, hij ging op zijn achterste pooten staan, en sprong eensklaps
in vollen ren over den slagboom van vuur en de rij van lijken, terwijl
een kinderstem uitriep:

"God redde u, mylord!"

Ter naauwernood hadden Glenarvan en Thalcave den tijd om te zien, hoe
Robert, die zich stevig aan de manen van Thaouka vasthield, in de
duisternis verdween.

"Robert! ongelukkige!" riep Glenarvan.

Maar zelfs de Indiaan kon die woorden niet verstaan. Er ontstond een
vreeselijk gehuil. De roode wolven volgden het spoor van het paard en
ijlden met bliksemsnelheid in een westelijke rigting voort.

Thalcave en Glenarvan verlieten haastig de omheining. Reeds was het
doodstil op de vlakte geworden, en met moeite konden zij in de schaduwen
van den nacht in de verte een voortgolvende lijn onderscheiden.

Door verdriet overstelpt, geheel wanhopend, viel Glenarvan met gevouwen
handen op den grond neder. Hij zag Thalcave aan. De Indiaan glimlachte
met zijn gewone bedaardheid.

"Thaouka, goed paard! Moedig kind! Hij zal zich redden!" herhaalde hij
met een goedkeurend hoofdknikje.

"Wanneer hij eens viel?" zeide Glenarvan.

"Hij zal niet vallen!"

Ondanks het vertrouwen van Thalcave bragt de arme lord den nacht in den
vreeselijksten angst door. Hij had zelfs geen bewustheid meer van het
gevaar, dat te gelijk met de bende wolven verdwenen was. Hij wilde
Robert gaan opzoeken, maar de Indiaan hield hem tegen, overreedde hem,
dat de paarden hem toch niet konden inhalen; dat Thaouka zijn vijanden
vooruit moest zijn; dat men hem in de duisternis niet terug zou kunnen
vinden, en dat men den dag moest afwachten om het spoor van Robert te
volgen.

Ten vier ure begon de morgenschemering. De verdigte nevels aan den
gezigteinder werden weldra door een bleek schijnsel gekleurd. Een
heldere dauw viel op de vlakte, en het hooge gras werd door het
morgenkoeltje bewogen.

Het oogenblik van het vertrek was gekomen.

"Op weg!" zeide de Indiaan.

Glenarvan gaf geen antwoord, maar sprong op het paard van Robert. Weldra
galoppeerden de beide ruiters in een westelijke rigting voort, langs
dezelfde regte lijn, waarvan hun makkers niet moesten afwijken.

Een uur lang reden zij met verbazende snelheid voort, overal rondziende
om Robert te zoeken, bij iedere schrede vreezende zijn bebloed lijk te
zullen vinden. Glenarvan reet de zijden van zijn paard met zijn sporen
open. Eindelijk vernamen zij geweerschoten, die met geregelde
tusschenpoozen afgevuurd werden, als een herkenningsteeken.

"Zij zijn het!" riep Glenarvan.

Thalcave en hij zetten hun paarden tot nog sneller vaart aan en eenige
oogenblikken later bereikten zij de afdeeling onder aanvoering van
Paganel. Door een kreet gaf Glenarvan zijn boezem lucht. Robert stond
daar levend en ongedeerd voor hem, gedragen door den edelen Thaouka, die
van blijdschap hinnikte, zoodra hij zijn meester wederzag.

"Ach! mijn kind! mijn kind!" riep Glenarvan met een onnavolgbare
uitdrukking van teederheid.

En Robert en hij, van hun paard springende, vielen in elkanders armen.
Nu was het de beurt van den Indiaan om den moedigen zoon van kapitein
Grant aan zijn hart te drukken.

"Hij leeft! hij leeft!" riep Glenarvan.

"Ja!" antwoordde Robert, "dat heb ik aan Thaouka te danken!"

De Indiaan had op dat dankbaar gezegde niet gewacht om zijn paard te
bedanken. Hij sprak er mede, hij omhelsde het, alsof er menschelijk
bloed in de aderen van het fiere dier stroomde.

Zich vervolgens tot Paganel wendende en op den jongen Robert wijzende,
zeide hij: "Een dappere!"

En een indiaansche leenspreuk gebruikende, die dient om moed te kennen
te geven, voegde hij er bij:

"Zijne sporen hebben niet gebeefd!"

Intusschen zeide Glenarvan tot Robert met de armen om diens hals
geslagen:

"Waarom, mijn zoon! waarom hebt gij Thalcave of mij die laatste kans om
u te redden niet laten beproeven?"

"Mylord!" antwoordde de knaap op den toon der levendigste dankbaarheid,
"Was het mijn beurt niet om mij op te offeren? Thalcave heeft reeds mijn
leven gered! En gij gaat immers mijn vader redden!"


[1] lichtgevende insekten.

[2] Estancia's is de naam der groote veefokkerijen in de argentijnsche
vlakte.



XX.

De argentijnsche vlakten.


Nadat de eerste vreugde over het behouden wedervinden wat bedaard was,
bespeurden Paganel, Austin, Wilson, Mulrady, allen die achtergebleven
waren, behalve misschien de majoor Mac Nabbs, dat zij van dorst
stierven. Gelukkig was de Guamini niet veraf. De kleine troep ging dus
weder op weg en bereikte des morgens omstreeks zeven ure de omheining.
Een enkele blik op de in het rond liggende lijken der wolven was genoeg
om over het geweld van den aanval te oordeelen. Zoodra de reizigers hun
dorst behoorlijk gelescht hadden, zetten zij zich aan hun vreemd
ontbijt, binnen de omheining. De repen struisvogelvleesch smaakten
uitmuntend en het in zijn schild gebraden gordeldier leverde een
voortreffelijk geregt op.

"Wie er matig van eet," zeide Paganel, "zou zich ondankbaar voor zulk
een lekkernij betoonen; men moet er te veel van eten."

En hij at er te veel van, zonder er echter nadeelige gevolgen van te
ondervinden, hetgeen hij te danken had aan het heldere water der
Guamini, dat in zijn oog zeer bevorderlijk was voor de spijsvertering.

Glenarvan, die niet in de fout van Hannibal te Capua wilde vervallen,
gaf des morgens ten tien ure last om te vertrekken. Eerst werden nog de
waterzakken gevuld. De geheel verkwikte paarden legden veel vuur aan den
dag en bleven bijna onafgebroken in den kleinen galop van de jagt. Het
beter bevochtigde land werd ook vruchtbaarder, maar bleef nog altijd
even eenzaam. De dagen van den 2den en 3den november leverden niets
bijzonders op, en des avonds legerden de reizigers, die reeds gewoon
waren aan de vermoeijenis van lange togten, zich op de grenzen der
pampa's, in de nabijheid van de provincie Buenos-Ayres. Den 14den
october hadden zij de baai van Talcahuano verlaten; derhalve hadden zij
in twee en twintig dagen vier honderd vijftig mijlen[1], dat wil zeggen
bijna twee derden van den weg gelukkig afgelegd.

Den volgenden morgen trokken zij de lijn over, die tot grensscheiding
tusschen de pampa's en de argentijnsche vlakten is aangenomen. Daar
hoopte Thalcave de stamhoofden aan te treffen, in wier handen hij
vooronderstelde, dat Harry Grant en zijne beide lotgenooten zijn zouden.

Van de veertien gewesten, waaruit de argentijnsche republiek bestaat, is
Buenos-Ayres het grootste en tevens het best bevolkt. Het grenst ten
zuiden aan het gebied der Indianen, tusschen den vier en vijf en
zestigsten graad. De landstreek is verbazend vruchtbaar. Deze vlakte,
met grasgewassen en boomvormige peulgewassen bedekt, en die bijna
volkomen vlak is tot aan den voet der sierra's Tandil en Tapalquem, is
met een hoogst gezond klimaat bedeeld.

Sedert hun vertrek van de Guamini namen de reizigers tot hun groote
vreugde een aanzienlijke vermindering van warmte waar. Zij steeg
gemiddeld niet hooger dan zeventien graden van den honderdgradigen
thermometer, een gevolg van de hevige en koude winden van Patagonië, die
de luchtgolven onophoudelijk in beweging brengen. Dieren en menschen
hadden dus geen reden van klagen, nadat zij zooveel van de droogte en
warmte geleden hadden. De reis werd met moed en vertrouwen voortgezet.
Maar in weerwil van de vroegere verzekering van Thalcave, scheen het
land geheel onbewoond, of om het juister uit te drukken "door de
inwoners verlaten te zijn."

Dikwijls ging de oostelijke lijn langs of door kleine meren, nu eens van
zoet, dan weder van brak water. Op hun oevers en onder beschutting van
de struiken huppelden kleine winterkoningjes en zongen vrolijke
leeuwerikken, in gezelschap van prachtmeezen, die in kleurenpracht met
de schitterende kolibri's wedijveren. Die fraaije vogeltjes klapwiekten
vrolijk, zonder acht te slaan op de strijdlustige spreeuwen, die met hun
roode epauletten en borst op de stille oevers heen en weer liepen. Aan
de doornstruiken wiegelde, als de hangmat van een kreool, het
bewegelijke nest der "annubi's," en op den oever der meren pronkten
prachtige flamingo's, die als een geregelde troep voortliepen, met hunne
uitgespreide vuurroode vleugels. Ook zag men hun nesten, in de gedaante
van een voet hooge afgeknotte kegels, die bij duizenden bijeen stonden,
zoodat zij als het ware eene kleine stad vormden. De flamingo's stoorden
zich niet veel aan de nadering der reizigers. Dat was niet naar den zin
van den geleerden Paganel.

"Reeds lang," zeide hij tot den majoor, "heb ik gewenscht een flamingo
te zien vliegen."

"Zoo!" antwoordde de majoor.

"En daar ik nu in de gelegenheid ben, wil ik er gebruik van maken."

"Doe dat, Paganel!"

"Ga mede, majoor! Gij ook, Robert! Ik heb getuigen noodig."

Zijne makkers vooruit latende gaan, begaf zich Paganel, door Robert
Grant en den majoor gevolgd, naar den troep breedsnavelige steltloopers.

Toen hij er digt genoeg bij was, deed hij een schot met los kruid, want
hij wilde het bloed van een vogel niet onnoodig vergieten; terstond
vlogen alle flamingo's te gelijk op, terwijl Paganel hen oplettend door
zijn bril waarnam.

"Welnu!" zeide hij tegen den majoor, toen de troep verdwenen was, "hebt
gij ze zien vliegen?"

"Wel zeker!" antwoordde Mac Nabbs. Een blinde alleen zou die vraag dan
ook ontkennend hebben kunnen beantwoorden.

"Vindt gij, dat zij onder het vliegen op gevederde pijlen geleken?"

"Volstrekt niet!"

"Het lijkt er niet naar!" voegde Robert er bij.

"Dat dacht ik wel!" hernam de geleerde met een vergenoegd gezigt. "En
toch heeft de trotschste van alle bescheidene menschen, mijn vermaarde
landgenoot Chateaubriand, die onnaauwkeurige vergelijking tusschen de
flamingo's en de pijlen gemaakt! Zoo ziet gij, Robert! dat de
vergelijking de gevaarlijkste redekunstige figuur is, die ik ken. Wees
er altijd tegen op uwe hoede, en gebruik haar slechts in den hoogsten
nood."

"Gij zijt dus tevreden over uw proefneming?" vroeg de majoor.

"Hoogst tevreden."

"En ik ook; maar nu mogen wij onze paarden wel wat aanzetten, want uw
vermaarde Chateaubriand heeft ons wel een mijl doen achterblijven."

Toen hij zijn makkers weder had ingehaald, vond Paganel Glenarvan in
druk gesprek met den Indiaan, dien hij niet scheen te begrijpen.
Thalcave was dikwijls blijven staan om naar den gezigteinder te zien, en
telkens had zijn gelaat een vrij groote verwondering te kennen gegeven.

Daar Glenarvan zijn gewonen tolk miste, trachtte hij, maar te vergeefs,
den Indiaan te ondervragen. Zoodra hij den geleerde in de verte zag
aankomen, riep hij hem toe:

"Kom toch, vriend Paganel! Thalcave en ik kunnen elkander maar niet
verstaan!"

Paganel sprak eenige oogenblikken met den Patagoniër, keerde toen naar
Glenarvan terug en zeide:

"Thalcave verwondert zich over iets, dat waarlijk vreemd is."

"Waarover dan?"

"Dat hij evenmin Indianen als sporen van Indianen in deze vlakten
aantreft, die zij anders meestal doorkruisen, hetzij om het vee in
veiligheid te brengen, dat zij uit de stallen gestolen hebben, hetzij om
tot aan de Andes toe hun tapijten van het haar van het stinkdier, en hun
zweepen van gevlochten lederen riemen te gaan verkoopen."

"En wat houdt Thalcave voor de oorzaak van die eenzaamheid?"

"Hij kan het niet zeggen, hij verwondert zich er over, dat is alles."

"Maar welke Indianen dacht hij dan in dit gedeelte der pampa's te
vinden?"

"Juist degenen, die vreemde gevangenen in hunne magt hebben gehad, de
inboorlingen onder de hoofden Calfoucoura, Catriel of Yauchetruz."

"Wat zijn dat voor menschen?"

"Hoofden van stammen, die vóór een dertig jaren zeer magtig waren, eer
zij tot over de gebergten teruggedreven werden. Sedert dien tijd hebben
zij zich onderworpen, in zooverre althans een Indiaan zich kan
onderwerpen, en nu loopen zij de pampa's even goed af als de provincie
Buenos-Ayres. Ik verwonder mij dus met Thalcave, dat wij geen spoor van
hen vinden in een land, waarin zij doorgaans het beroep van
"salteadores" (plunderaars) uitoefenen."

"Maar wat moeten wij dan doen?" vroeg Glenarvan.

"Dat zal ik u aanstonds zeggen," antwoordde Paganel.

Na eenigen tijd met Thalcave geraadpleegd te hebben, zeide hij:

"Mijns inziens is zijn raad zeer verstandig. Hij meent, dat wij in onze
oostelijke rigting moeten voortgaan tot aan het fort Independencia,--dat
op onzen weg ligt,--en kunnen wij daar al geen berigten aangaande
kapitein Grant krijgen, dan zullen wij ten minste vernemen, waar de
Indianen uit de argentijnsche vlakte gebleven zijn."

"En ligt dat fort Independencia hier ver vandaan?" vroeg Glenarvan.

"Neen! het ligt in het Tandil-gebergte, een zestig mijlen van hier."

"En wanneer komen wij er?"

"Overmorgen avond."

Glenarvan gevoelde zich door dit voorval zeer teleurgesteld. Geenszins
had hij verwacht, dat er geen Indiaan in de pampa's te vinden zou zijn.
Er zijn er meestal te veel. Een zeer bijzondere oorzaak moest hen van
daar verdreven hebben. Maar, en dit was vooral van belang, was Harry
Grant, voorondersteld, dat hij bij den een of anderen stam gevangen was,
naar het noorden of naar het zuiden medegesleept? Die twijfel
verontrustte Glenarvan. Het mogt kosten wat het wilde, men moest
trachten het spoor van den kapitein niet te verliezen. Alles wel
beschouwd was het best om den raad van Thalcave te volgen en het dorp
Tandil te bereiken. Daar zou men ten minste menschen vinden, met wie men
kon spreken.

Tegen vier ure in den namiddag vertoonde zich aan den gezigteinder een
heuvel, die in een zoo vlak land wel voor een berg kon doorgaan. Het was
het gebergte Tapalquem, aan welks voet de reizigers den volgenden nacht
doorbragten.

Des anderen daags werd de togt over dit gebergte zonder eenige moeite
volbragt. Men volgde de zandige golvingen van een zacht glooijenden
grond. Zulk een gebergte kon geen bezwaar opleveren voor lieden, die de
Cordillera de los Andes bestegen hadden, de paarden zelfs vertraagden
naauwelijks hun snellen gang. Ten twaalf ure trok men voorbij het
verlatene fort Tapalquem, de eerste schakel van die keten van kleine
sterkten, die de zuidelijke grens tegen de plunderzieke inboorlingen
moet beschermen.

Maar geen schaduw zelfs van Indianen was er te zien, tot steeds
toenemende verbazing van Thalcave. Omstreeks het midden van den dag
echter sloegen drie goed bereden en goed gewapende roovers den kleinen
troep een oogenblik gade; maar zij wachtten niet tot men hen naderde en
vlugtten met ongeloofelijke snelheid. Glenarvan was razend.

"Gaucho's!" zeide de Patagoniër, aan die inboorlingen den naam gevende,
die een twist tusschen Paganel en den majoor veroorzaakt had.

"Ei! Gaucho's!" antwoordde Mac Nabbs. "Welnu, Paganel! thans waait er
geen noordewind. Zeg mij nu eens uw gedachten over die beesten."

"Ik denk, dat zij er als echte roovers uitzien," antwoordde Paganel.

"En van den schijn tot het wezen, waarde geleerde?"

"Is maar ééne schrede, waarde majoor!"

De bekentenis van Paganel veroorzaakte een algemeen gelach, dat hem
volstrekt niet in de war bragt, zelfs maakte hij betreffende die
Indianen een zeer aardige opmerking.

"Ik heb ergens gelezen," zeide bij, "dat bij den Arabier de mond een
buitengewone uitdrukking van woestheid heeft, terwijl in zijn oog
menschlievendheid is te lezen. Welnu! bij den amerikaanschen wilde heeft
juist het tegendeel plaats. Die lieden hebben een bij uitstek boos oog."

Een gelaatkundige van beroep zou geen juister woorden hebben kunnen
vinden om het indiaansche ras te kenschetsen.

Op bevel van Thalcave reed men intusschen digt bij elkander voort; hoe
eenzaam het land ook was, men moest toch op zijn hoede zijn tegen een
onverhoedschen overval; maar de voorzorg was onnoodig, en dienzelfden
avond nog betrok men een groote verlaten hut, waar het stamhoofd Catriel
doorgaans zijn benden inboorlingen vereenigde. Het onderzoek van den
grond en het gemis van versche sporen bewees den Patagoniër, dat de hut
sedert lang niet bewoond was.

Den volgenden morgen bevonden Glenarvan en zijn makkers zich weder in de
vlakte; zij ontdekten de eerste veestallen in de nabijheid van het
Tandil-gebergte; maar Thalcave besloot zich er niet op te houden en
regelregt op het fort Independencia af te gaan, waar hij voornamelijk
inlichtingen hoopte te verkrijgen betreffende het zonderlinge voorkomen
van dat verlaten land.

De boomen, die na het verlaten der Cordillera zoo schaarsch waren,
werden weder talrijker; de meesten waren eerst na de aankomst der
Europeanen op het amerikaansche grondgebied geplant. Daar stonden
paternosterhoornen, perzikboomen, populieren, wilgen en acacia's, die
snel en goed in het wild opgroeiden. Zij omringden gewoonlijk de
"corrales," groote omheiningen voor het vee, omzet met palen. Daar
weidden duizenden ossen, schapen, koeijen en paarden, allen door een
gloeijend ijzer met het merk van hun eigenaar geteekend, en werden er
vet, terwijl groote, waakzame en talrijke honden in den omtrek waakten.
De min of meer zoutachtige bodem, die zich aan den voet van het gebergte
uitstrekt, is bij uitstek voor het vee geschikt en levert uitmuntend
voeder op. Bij voorkeur kiest men hem dan ook voor de vetweiderijen, die
door een hofmeester en een opzigter bestuurd worden, welke voor iedere
duizend stuks vee vier inlanders onder hun bevelen hebben.

Het leven dier lieden gelijkt op dat der groote herdersvorsten, waarvan
de Bijbel spreekt; hunne kudden zijn even talrijk, ja misschien nog
talrijker dan die, welke de groote vlakten van Mesopotamië bedekten;
maar de herder mist hier zijn huisgezin, en de groote "estancero's"
(vetweiders) der pampa gelijken volkomen op den ruwen veekooper, maar in
het geheel niet op den aartsvader uit de bijbelsche verhalen.

Paganel zette dit voor zijn reisgenooten zeer duidelijk uiteen, en hield
naar aanleiding daarvan een zeer belangrijke menschnatuurkundige
voordragt over de vergelijking der rassen. Het mogt hem zelfs gelukken
den majoor te boeijen, die daarvan geen geheim maakte.

Paganel had ook gelegenheid om een aardig uitwerksel der luchtspiegeling
te laten opmerken, dat in die effene vlakten zeer gewoon is; van verre
geleken de vetweiderijen op groote eilanden; de populieren en wilgen,
die er omheen stonden, schenen te weerkaatsen in een kristalhelder
water, dat voor de schreden der reizigers vlugtte; maar het zinsbedrog
was zoo volkomen, dat het oog er niet aan kon gelooven.

Dien dag, den 6den November, trof men verscheidene vetweiderijen aan, en
ook een of twee "saladero's". Daar wordt het vee, nadat het op de
sappige weiden vetgemest is, door het mes van den slagter gekeeld. De
"saladero" is, zooals de naam reeds aanduidt, de plaats waar het vleesch
gezouten wordt. Tegen het einde der lente begint dat walgelijk werk. De
"saladores" gaan dan de dieren uit den "corral" halen; zij vangen ze met
het lasso, dat zij goed hanteeren en brengen ze naar den "saladero;"
daar worden ossen, stieren, koeijen en schapen bij honderden gedood,
gevild en ontvleeschd. Maar dikwijls laten de stieren zich niet gewillig
grijpen. Dan verandert de viller in een stierendooder, en oefent dit
gevaarlijk beroep met buitengewone behendigheid maar ook met ongewone
wreedheid uit. Over het geheel levert die slagting een verschrikkelijk
schouwspel op: niets is walgelijker dan de omtrek van een zouterij; uit
die afschuwelijke slagterijen stijgen tegelijk met een dampkring, die
met stinkende uitwasemingen bezwangerd is, de woeste kreten der villers,
het akelig geblaf der honden, het gerogchel der stervende dieren op,
terwijl de "urubu's" en de "aura's", groote gieren van de argentijnsche
vlakte, die bij duizenden wel twintig uren ver uit den omtrek bijeen
gekomen zijn, den slagters de nog lillende overblijfselen hunner
slagtoffers betwisten.

Maar thans waren de zouterijen nog doodstil, rustig en onbewoond. Het
was de tijd van die verbazende slagtingen nog niet.

Thalcave verhaastte den togt; hij wilde dien zelfden avond nog in het
fort Independencia komen; door hun berijders aangevuurd en het voorbeeld
van Thaouka volgende, vlogen de paarden tusschen het hooge gras door,
dat den grond bedekte. Men ontmoette verscheidene hoeven, die van
schietgaten voorzien en door diepe grachten verdedigd waren; het
hoofdgebouw was voorzien van een terras, van waar de bewoners, die in
wapenhandel zich oefenen, de plunderaars uit de vlakte beschieten
kunnen. Misschien zou Glenarvan daar de verlangde inlichtingen hebben
kunnen bekomen; maar het veiligste was het dorp Tandil te bereiken. Men
hield zich dus niet op. Men doorwaadde het riviertje de los Huesos, en
eenige mijlen verder de Chapaléofu. Weldra betraden de pooten der
paarden de grasrijke helling van het Tandil-gebergte, en een uur daarna
vertoonde zich het dorp achter in een engte, die beheerscht werd door de
van schietgaten voorziene muren van het fort Independencia.


[1] Omtrent 180 uren.



XXI.

Het fort Independencia


Het Tandil-gebergte ligt duizend voet boven den spiegel der zee; het is
een keten van de eerste orde, dat wil zeggen ouder dan de organische
schepping, en aan gedaanteverwisseling onderhevig, in dien zin dat haar
zamenhang en zamenstel allengs gewijzigd zijn door den invloed der
inwendige warmte. Het bestaat uit een half cirkelvormige rij van met
gras begroeide gneis-heuvels. Het district Tandil, dat naar dit gebergte
genoemd is, bevat het geheele zuidelijke deel der provincie
Buenos-Ayres, en wordt begrensd door een berghelling, die al de
riviertjes, welke er op ontspringen, noordwaarts doet stroomen.

Dit district telt ongeveer vier duizend inwoners en heeft tot
hoofdplaats het dorp Tandil, gelegen aan den voet der noordelijke
bergruggen; het wordt door het fort Independencia beschermd en heeft een
vrij gelukkige ligging aan de belangrijke beek Chapaléofu. Eene
merkwaardige bijzonderheid van dit dorp, die ook aan Paganel niet
onbekend kon zijn, is dat het hoofdzakelijk bevolkt is door fransche
Baskiërs en italiaansche kolonisten. Van Frankrijk zijn de eerste
vestigingen in dit gedeelte van la Plata uitgegaan. In 1828 bewerkte de
Franschman Parchappe den bouw van het fort Independencia, dat dienen
moest om het land te beveiligen tegen de herhaalde invallen der
Indianen. Een groot geleerde, Alcide d'Orbigny, die de zuidelijke landen
van Zuid-Amerika het best gekend, bestudeerd en beschreven heeft, stond
hem in deze onderneming bij.

Dit dorp Tandil is een vrij gewigtig punt. Door middel van "galera's",
groote ossenkarren, die zeer geschikt zijn om de wegen over de vlakte te
berijden, komt men van hier in twaalf dagen te Buenos-Ayres; daaruit
ontstaat een vrij levendige handel; het dorp zendt naar de stad het vee
uit zijn vetweiderijen, het gezouten vleesch zijner zouterijen, en de
zeer bezienswaardige voortbrengselen der indiaansche nijverheid zooals
de katoenen stoffen, de wollen weefsels, de zoo gezochte werken der
ledervlechters, enz. Ook bevat Tandil, om van een zeker aantal vrij
geriefelijke woningen te zwijgen, scholen en kerken, om onderwijs te
krijgen in hetgene men voor deze en de toekomende wereld dient te weten.

Paganel besloot deze mededeelingen met de aanmerking, dat er in het dorp
Tandil wel inlichtingen te krijgen zouden zijn; het fort toch is altijd
bezet door een afdeeling nationale troepen. Glenarvan liet daarom de
paarden op stal brengen in een vrij goed uitziende "fonda"; daarop
gingen Paganel, de majoor, Robert en hij, door Thalcave geleid, naar het
fort Independencia.

Na eenige minuten lang tegen een der bergruggen opgeklommen te zijn,
kwamen zij aan de poort, die vrij onachtzaam bewaakt werd door een
argentijnschen schildwacht. Zij werden zonder bezwaar doorgelaten, een
teeken van groote slordigheid of van ongestoorde veiligheid.

Er exerceerden juist eenige soldaten op het exercitieplein van het fort;
maar de oudste dier soldaten telde naauwelijks twintig, de jongste maar
zeven jaren. Eigenlijk waren het slechts een dozijn kinderen en knapen,
die vrij aardig soldaatje speelden. Hun uniform bestond uit een
gestreept hemd, om de middel vastgebonden met een lederen gordel; geen
hunner had een lange of korte broek of een schotsch rokje aan. Het
zachte luchtsgestel veroorloofde dan ook die ligte kleeding. Terstond
kreeg Paganel een goeden dunk van een regeering, die geen geld aan
goud- of zilverboordsel besteedde. Elk van die jeugdige knapen droeg
een percussie-geweer en een sabel. De laatste was te lang en het eerste
te zwaar voor die mannetjes. Allen hadden een taankleurig gelaat en een
zekeren familietrek. De korporaal-instructeur, die hen kommandeerde,
geleek ook op hen. Het vermoeden was dan ook gegrond, dat het twaalf
broeders waren, die onder het bevel van den dertienden zich oefenden.

Paganel was hierover volstrekt niet verwonderd; hij kende de
argentijnsche statistiek, en wist, dat in dat land het aantal kinderen
gemiddeld meer dan negen voor ieder gezin bedraagt; maar wel was hij
verwonderd, toen hij zag, dat die kleine soldaten op de fransche wijze
exerceerden en met groote juistheid de voornaamste bewegingen der lading
in twaalf tempo's uitvoerden. Dikwijls kommandeerde de korporaal zelfs
in de moedertaal van den geleerden aardrijkskundige.

"Dat is vreemd," zeide hij.

Maar Glenarvan was niet in het fort Independencia gekomen om kinderen te
zien exerceeren, en nog minder om zich bezig te houden met hun
nationaliteit of hun afkomst. Hij liet dus Paganel geen tijd om zich nog
langer te verwonderen, en verzocht hem om naar het hoofd der bezetting
te vragen. Paganel voldeed hieraan, en een der argentijnsche soldaten
ging naar een huisje, dat tot kazerne diende.

Eenige oogenblikken daarna verscheen de kommandant in eigen persoon. Het
was iemand van vijftig jaar, sterk, met een krijgshaftig voorkomen,
groote snorren, uitstekende wangbeenderen, grijsachtige haren, en een
gebiedenden blik, voor zooverre men daarover althans kon oordeelen door
de rookwolken heen, die hij uit zijn stompje pijp blies. Zijn houding
deed Paganel denken aan het kenmerkend voorkomen der oude
onderofficieren van zijn land.

Thalcave stelde den kommandant lord Glenarvan en diens reisgenooten
voor. Terwijl hij sprak, hield de kommandant niet op Paganel op een vrij
lastige wijze in het gezigt te zien. De geleerde kon maar niet
begrijpen, wat de oude snorrebaard van hem wilde hebben en meende het
hem juist te vragen, toen de ander zonder pligtplegingen zijn hand
vatte, en in de taal van den aardrijkskundige op een vrolijken toon
vroeg:

"Een Franschman?"

"Ja! een Franschman!" antwoordde Paganel.

"O! blij! welkom! welkom! ook Franschman ben!" herhaalde de kommandant,
terwijl hij den arm van den geleerde met verbazende kracht schudde.

"Een uwer vrienden?" vroeg de majoor aan Paganel.

"Voor den drommel!" antwoordde deze met zekere fierheid, "ik heb in al
de vijf werelddeelen vrienden."

En na zijn hand niet zonder moeite losgemaakt te hebben uit de levende
schroef, waarin zij haast gekneusd werd, knoopte hij een gesprek aan met
den forschen kommandant. Glenarvan zou er gaarne een woord over zijn
zaken tusschen gevoegd hebben; maar de soldaat vertelde zijn
geschiedenis en was niet van zins om ze halverwege af te breken. Men kon
wel zien, dat die dappere man Frankrijk reeds lang geleden verlaten had,
hij kon zich nog maar met moeite in zijn moedertaal uitdrukken, en had
zooal niet de woorden dan toch hun geregelde schikking vergeten. Hij
sprak bijna als een neger uit de fransche koloniën.

Het duurde dan ook niet lang of zijn bezoekers vernamen, dat de
kommandant van het fort Independencia inderdaad een fransch sergeant
was, een oud medgezel van Parchappe.

Sedert de stichting van het fort in 1828 had hij het niet meer verlaten,
en nu voerde hij er het bevel over met goedvinden van de argentijnsche
regeering. Hij was iemand van vijftig jaar, een Baskiër, en heette
Manuel Ipharaguerre. Men ziet, dat het niet veel scheelde of hij was een
Spanjaard. Een jaar na zijn komst in het land liet de sergeant Manuel
zich naturaliseeren, nam dienst in het argentijnsche leger en huwde een
knappe indiaansche vrouw, die nu twee kinderen, tweelingen van een half
jaar, aan de borst had. Dat het jongens waren spreekt van zelf; de
waardige wederhelft van den sergeant zou hem geen meisjes hebben durven
schenken. Manuel verachtte elk beroep buiten den soldatenstand, en
hoopte bij leven en welzijn eenmaal der republiek een geheele compagnie
jonge soldaten te kunnen aanbieden.

"Gij hebt gezien!" zeide hij. "Mooi! Goede soldaten. José! Juan!
Miquele! Pepe! Pepe, zeven jaar! bijt reeds een patroon af!"

Toen Pepe zich hoorde prijzen, zette hij zijn kleine hielen tegen
elkander aan en presenteerde zijn geweer met veel zwier.

"Hij zal het ver brengen!" voegde de sergeant er bij. "Eens,
kolonel-majoor of brigadier-generaal!"

De sergeant Manuel was zoo verheugd, dat er niet aan te denken viel om
iets te zeggen ten nadeele van de verhevenheid van den soldatenstand of
van de toekomst, die zijn krijgshaftig kroost wachtte. Hij was gelukkig,
en zooals Goethe zegt: "Niets van hetgeen ons gelukkig maakt is bedrog."

Dat verhaal duurde wel een kwartier tot groote verwondering van
Thalcave. De Indiaan kon maar niet begrijpen, dat er uit ééne keel
zooveel woorden kwamen. Niemand viel den kommandant in de rede. Maar
eindelijk moet toch een sergeant, zelfs een fransch sergeant, wel
zwijgen. Manuel zweeg dus eindelijk, na eerst nog zijn gasten gedwongen
te hebben om hem in zijn woning te volgen. Zij moesten het nu voor lief
nemen om aan vrouw Ipharaguerre voorgesteld te worden, die er naar hun
oordeel "nog al goed uitzag," als men ten minste die europeesche
uitdrukking van een indiaansche vrouw mag bezigen.

Toen men hem in alles zijn zin had gegeven, vroeg de sergeant eindelijk
aan zijn gasten, waaraan hij de eer van hun bezoek had te danken. Thans
moest het tot een verklaring komen.

Paganel vertelde hem in het fransch de geheele reis door de pampa's, en
vroeg ten laatste waarom de Indianen het land verlaten hadden.

"Zoo!... niemand!..." antwoordde de sergeant de schouders ophalende.
"Inderdaad!... niemand!... wij met de armen over elkaar ... niets te
doen!"

"Maar waarom?"

"Oorlog."

"Oorlog?"

"Ja! burgeroorlog...."

"Burgeroorlog?..." hernam Paganel, die zonder er acht op te geven ook
"negerfransch" begon te spreken.

"Ja, oorlog tusschen Paraguay en Buenos-Ayres," antwoordde de sergeant.

"Welnu?"

"Welnu, Indianen allen in het noorden, volgen generaal Flores. Indianen
plunderaars, plunderen."

"Maar de hoofden?"

"Hoofden ook meê."

"Hoe! Catriel?"

"Geen Catriel."

"En Calfoucoura?"

"Geen Calfoucoura."

"En Yanchetruz?"

"Geen Yanchetruz meer!"

Dit antwoord werd aan Thalcave medegedeeld, die toestemmend knikte. En
inderdaad, Thalcave wist niet of had vergeten, dat een burgeroorlog, die
later de tusschenkomst van Brazilië zou veroorzaken, tusschen de beide
partijen in de republiek woedde. De Indianen hebben alles bij die
binnenlandsche worstelingen te winnen, en laten zulke schoone
gelegenheden om te plunderen niet ongebruikt. De sergeant vergiste zich
dan ook niet, toen hij als reden voor het verlaten der pampa's een
burgeroorlog opgaf, die in het noorden der argentijnsche provinciën
gevoerd werd.

Maar die gebeurtenis wierp de plannen van Glenarvan in duigen, wiens
oogmerken zoo verijdeld werden. Was Harry Grant bij de hoofden der
stammen gevangen, dan zouden zij hem zeker tot aan de noordelijke
grenzen medegesleept hebben. Waar en hoe konden zij hem dan wedervinden?
Moest hij gevaarlijke en bijna vergeefsche nasporingen tot aan de
noordelijke grenzen der pampa in het werk stellen? Dat was een gewigtig
besluit, waarover ernstig beraadslaagd diende te worden.

Toch kon er nog ééne gewigtige vraag aan den sergeant gedaan worden, en
het was de majoor, die hieraan dacht, terwijl zijne vrienden elkander
zwijgend aanstaarden.

"Had de sergeant ook gehoord, dat er bij de hoofden der stammen in de
pampa's eenige Europeanen gevangen waren?"

Manuel dacht eenige oogenblikken na, als iemand die zich iets tracht te
herinneren.

"Ja!" zeide hij eindelijk.

"Ha!" zeide Glenarvan, die weder nieuwe hoop begon te koesteren.

Paganel, Mac Nabbs, Robert en hij omringden den sergeant.

"Spreek! spreek!" zeiden zij, terwijl hun oog vol verwachting op hem
staarde.

"Eenige jaren geleden," antwoordde Mannel, "ja,... het is zoo ...
europeesche gevangenen ... maar nooit gezien...."

"Eenige jaren," hernam Glenarvan, "gij vergist u... De dagteekening van
de schipbreuk is juist.... De _Britannia_ is in Junij 1862 vergaan....
Het is dus nog geen twee jaar geleden."

"O! langer, mylord!"

"Onmogelijk!" riep Paganel.

"Het is toch zoo! Het was bij de geboorte van Pepe... Er waren twee
mannen...."

"Neen, drie!" zeide Glenarvan.

"Twee!" gaf de sergeant op een stelligen toon ten antwoord.

"Twee!" zeide Glenarvan hoogst verwonderd. "Twee Engelschen?"

"Wel neen!" antwoordde de sergeant. "Wie spreekt er van Engelschen? Neen
... een Franschman en een Italiaan."

"Een Italiaan, die door de Poyuchen vermoord werd!" riep Paganel.

"Ja! en ik heb later gehoord ... Franschman ... gered."

"Gered!" riep de jonge Robert, wiens leven aan de lippen van den
sergeant hing.

"Ja, gered uit de banden der Indianen," antwoordde Manuel.

Allen zagen den geleerde aan, die zich wanhopend voor het hoofd sloeg.

"Ha! ik begrijp het al," zeide hij eindelijk, "alles is duidelijk, alles
wordt opgehelderd!"

"Maar zeg dan toch wat er van de zaak is!" riep Glenarvan even ongerust
als ongeduldig.

"Mijne vrienden!" antwoordde Paganel de handen van Robert vattende, "wij
moeten ons in een groote teleurstelling schikken! wij hebben een
verkeerd spoor gevolgd! Er is hier geen sprake van den kapitein, maar
van een mijner landgenooten, wiens reisgenoot, Marco Vazello, inderdaad
door de Poyuchen vermoord werd; van een Franschman, die deze wreede
Indianen verscheidene malen tot aan de oevers van de Colorado
vergezelde, en die, na gelukkig aan hun handen ontsnapt te zijn, naar
Frankrijk is teruggekeerd. Meenende het spoor van Harry Grant te volgen,
hebben wij dat van den jongen Guinnard[1] gevolgd."

Deze verklaring werd door een diepe stilte gevolgd. De dwaling was
duidelijk. De bijzonderheden door den sergeant medegedeeld, het volk,
waartoe de gevangene behoorde, de moord van zijn reisgenoot, zijn
ontsnapping uit de handen der Indianen, alles liep zamen om haar te
bewijzen. Glenarvan zag Thalcave met een ontstelden blik aan. De Indiaan
vatte nu het woord op en vroeg den sergeant:

"Hebt gij nooit hooren spreken van drie engelsche gevangenen?"

"Nooit!" antwoordde Manuel, "het zou te Tandil bekend geworden zijn ...
ik zou het weten.... Neen, daar is niets van aan...."

Na dit stellige antwoord had Glenarvan niets meer op het fort
Independencia te verrigten. Hij ging dus heen met zijn vrienden, na
vooraf den sergeant bedankt en hem de hand gegeven te hebben.

Glenarvan was wanhopend over die volkomene vernietiging zijner hoop.
Robert ging weenende naast hem, zonder een woord te spreken. Glenarvan
kon geen enkel woord vinden om hem te troosten. Paganel maakte drukke
gebaren en sprak in zich zelven. De majoor drukte de lippen op elkander.
Wat Thalcave betreft, de eigenliefde van den Indiaan scheen gekwetst,
omdat hij op een valsch spoor verdwaald was. En toch dacht niemand er
aan om hem een zoo vergevelijke dwaling te verwijten.

Zij traden de herberg weder binnen.

Het avondeten was treurig. Voorzeker, geen enkele van die moedige en
verknochte mannen beklaagde zich over zooveel vermoeijenissen, die te
vergeefs doorgestaan waren, over zooveel gevaren, waaraan zij zich te
vergeefs hadden blootgesteld. Maar allen zagen in één oogenblik alle
hoop op goeden uitslag in rook verdwijnen. Zou men kapitein Grant
tusschen het Tandil-gebergte en de zee kunnen ontmoeten? Neen. Ware de
een of andere gevangene op de kusten van den Atlantischen Oceaan in
handen der Indianen gevallen, dan zou sergeant Manuel er stellig kennis
van gedragen hebben. Een voorval van dien aard kon niet aan de aandacht
der inboorlingen ontsnappen, die een geregelden handel drijven van
Tandil op Carmen, aan den mond der Rio Negro. Nu spreekt het van zelf,
dat de handelaars in de argentijnsche vlakte alles van elkander te weten
komen, alles met elkander bespreken. Er schoot dus niets anders over,
dan zonder uitstel de _Duncan_ te gaan opzoeken op het aangewezen
verenigingspunt, kaap Medano.

Intusschen had Paganel aan Glenarvan het document gevraagd, op hetwelk
afgaande zij zoo deerlijk in hun nasporingen gedwaald hadden. Hij herlas
het met zekeren kwalijk verholen toorn. Hij zocht naar een nieuwe
uitlegging er van.

"Dat document is toch duidelijk genoegt" herhaalde Glenarvan. "Het
behelst toch een stellig berigt betreffende de schipbreuk van den
kapitein en de plaats zijner gevangenschap!"

"Neen! neen!" antwoordde de aardrijkskundige met de vuist op de tafel
slaande, "honderdmaal neen! Daar Harry Grant niet in de pampa's is, is
hij ook niet in Amerika. Waar hij wel is moet en zal dit document
zeggen, mijne vrienden! of mijn naam is geen Jacques Paganel meer!"



[1] De heer Guinnard is werkelijk drie jaren lang, van 1856 tot 1859,
gevangen geweest bij de Poyuche-Indianen. Hij verduurde met
buitengewonen moed de verschrikkelijke beproevingen, waaraan hij was
blootgesteld, en eindelijk gelukte het hem door de engte van Upselata
over de Andes te ontsnappen. Hij zag Frankrijk in 1861 weder, en is nu
een der medeleden van den achtenswaardigen Paganel van het genootschap
van aardrijkskunde.



XXII.

Het wassen des waters.


Een afstand van honderd vijftig mijlen[1] scheidt het fort Independencia
van de oevers van den Atlantischen Oceaan. Als er geen onvoorzien
oponthoud in den weg kwam, hetgeen trouwens niet te denken was, kon
Glenarvan in vier dagen de _Duncan_ bereiken. Maar hij kon zich maar
niet gewennen aan de gedachte om aan boord terug te komen zonder
kapitein Grant en na zoo ongelukkig in zijn nasporingen geweest te zijn.
Hij dacht er dan ook den volgenden morgen niet eens aan om bevelen tot
de afreis te geven. Daarom nam de majoor op zich om de paarden te laten
zadelen, nieuwen mondvoorraad op te doen en den weg te laten opnemen.
Daardoor was de kleine troep in staat om des morgens ten acht ure een
begin te maken met de afdaling langs de met gras begroeide ruggen van
het Tandil-gebergte.

Zonder een woord te spreken galoppeerde Glenarvan naast Robert voort;
zijn stoutmoedig en vastberaden karakter gedoogde niet om zich aan dien
tegenspoed zoo zoetsappig te onderwerpen; zijn hart bonsde, zijn hoofd
gloeide. Door de moeijelijkheid gescherpt draaide Paganel op alle
mogelijke wijzen de woorden van het document om, ten einde er nieuwe
inlichtingen uit te putten. Thalcave zweeg en liet aan Thaouka de zorg
over om den weg te vinden. De majoor, die als altijd vol goeden moed
was, bleef standvastig op zijn post, als iemand op wien de moedeloosheid
geen vat had. Tom Austin en zijn beide matrozen verveelden zich even als
hun meester. Toen een angstig konijn vóór hen over de paden van het
gebergte liep, zagen de bijgeloovige Schotten elkander aan.

"Een slecht voorteeken," zeide Wilson.

"Ja, in de Hooglanden," antwoordde Mulrady.

"Wat in de Hooglanden slecht is, is hier niet beter," antwoordde Wilson
heel verstandig.

Tegen twaalf ure hadden de reizigers het Tandil-gebergte achter den rug
en waren zij weder in de golvende vlakten, die zich tot aan de zee
uitstrekken. Bij iedere schrede besproeiden heldere beekjes, die in de
hooge weilanden verdwenen, dat vruchtbare land. De bodem werd weêr even
vlak als vroeger, gelijk de Oceaan na een storm. De laatste bergen der
argentijnsche pampa's waren zij voorbij, en de pooten der paarden
betraden het onafzienbare grastapijt der eentoonige prairie.

Tot nog toe was het weder schoon geweest; maar op dien dag kreeg de
lucht een onrustbarend aanzien. De massa's dampen, die door de groote
warmte der vorige dagen opgestegen waren en zich tot digte wolken
vereenigd hadden, dreigden met stortbuijen. Bovendien maakten de
nabijheid van den Atlantischen Oceaan en de westewind, die er meestal
waait, het klimaat van deze streek bijzonder vochtig. Het was wel te
zien aan haar vruchtbaarheid, aan den overvloed van vette weiden en aan
haar donkergroene kleur. Dien dag echter had er nog geen wolkbreuk
plaats, en des avonds hielden de paarden, na zonder moeite een togt van
veertig mijlen afgelegd te hebben, aan den kant van diepe "canada's"
stil, zeer groote, met water gevulde natuurlijke grachten. Het ontbrak
aan de geringste schuilplaats. De mantels moesten tot tenten en dekens
te gelijk dienen, en allen legden zich onder een dreigenden hemel te
slapen, die het echter bij bedreigingen blijven liet.

Naarmate de vlakte afbelde werd des anderen daags de aanwezigheid van
water onder den grond hoe langer hoe merkbaarder; het vocht drong door
al de poriën van den grond heen. Weldra werd de weg naar het oosten door
groote vijvers doorsneden, waarvan sommige reeds diep waren, andere
eerst begonnen te ontstaan. Zoolang het nog "laguna's" bleven, dat goed
begrensde en van waterplanten vrije plassen zijn, konden de paarden er
gemakkelijk uitkomen; maar dit ging moeijelijker uit die bewegelijke
modderpoelen, "pentano's" geheeten; hooge planten versperden er den weg,
en om het gevaar te zien, moest men er reeds in zijn.

Die moerassen hadden reeds menig levend wezen den dood veroorzaakt.
Robert, die een halve mijl vooruit reed, kwam op eens in galop terug,
roepende:

"Mijnheer Paganel! mijnheer Paganel! een bosch van horens!"

"Wat!" antwoordde de geleerde, "hebt gij een bosch van horens gevonden?"

"Ja, ja! op zijn allerminst een kreupelbosch."

"Een kreupelbosch! gij droomt, mijn jongen!" antwoordde Paganel, de
schouders ophalende.

"Ik droom niet," hernam Robert; "kom zelf maar zien! Een raar land! Men
zaait hier horens en zij schieten op als graan! Ik zou er wel wat zaad
van willen hebben!"

"Hij spreekt in vollen ernst," zeide de majoor.

"Ja, mijnheer de majoor! gij zult zien, dat het zoo is."

Robert had goed gezien. Weldra bevonden zij zich voor een groot
onafzienbaar veld met horens, die regelmatig geplant waren. Het was
inderdaad een laag en digt, maar vreemd kreupelbosch.

"Wat zegt gij er van?" vroeg Robert.

"Dat is vreemd," antwoordde Paganel zich tot den Indiaan wendende om
dezen te ondervragen.

"De horens steken boven den grond uit," zeide Thalcave, "maar de
runderen zitten er onder."

"Hoe!" riep Paganel, "is er een geheele kudde in die modder
weggezonken?"

"Ja!" antwoordde de Patagoniër.

Werkelijk had een ontelbare kudde den dood gevonden onder dien grond,
die onder haar hoeven was weggezonken; honderden runderen waren zoo
naast elkander in dat groote moeras gesmoord. Dit feit, dat wel meer in
de argentijnsche vlakte plaats heeft, kon den Indiaan niet onbekend
zijn, en was een waarschuwing, die men niet in den wind mogt slaan.

Zij reden om het ontzaggelijke offer heen, dat de meest eischende goden
der oudheid zou tevreden gesteld hebben, en een uur later was men twee
mijlen van het veld met horens af.

Thalcave sloeg met zekeren angst dien stand van zaken gade, die in zijn
oog buitengewoon was. Hij hield dikwijls stil en ging in de stijgbeugels
staan. Zijn hooge gestalte stelde hem in staat om ver in het rond te
zien; maar daar hij niets bemerkte, dat hem opheldering kon geven,
hervatte hij weldra den gestaakten marsch. Een mijl verder hield hij
nog eens stil, week daarna van de gevolgde rigting af, maakte nu eens
noord- dan zuidwaarts een omweg van eenige mijlen, en stelde zich
vervolgens weder aan het hoofd van het gezelschap, zonder te zeggen wat
hij hoopte of vreesde. Daar hij die handelwijze verscheidene malen
herhaalde, werd Paganel nieuwsgierig en Glenarvan ongerust. Den geleerde
werd daarom verzocht den Indiaan te ondervragen, hetgeen hij ook
terstond deed.

Thalcave antwoordde hem, dat hij zich er over verwonderde, dat de grond
zoo doorweekt was van water. Zoover hem heugde en zoolang hij het beroep
van gids uitoefende, had hij een zoo drassigen bodem nooit betreden.
Zelfs in den regentijd waren er nog altijd begaanbare paden door de
argentijnsche vlakte.

"Maar wat kan de oorzaak zijn van die toenemende vochtigheid?" vroeg
Paganel.

"Ik weet het niet," antwoordde de Indiaan, "en wist ik het!"...

"Treden de bergstroomen, door den regen gezwollen, nooit buiten hun
oevers?"

"Somtijds."

"En zou dit nu misschien het geval zijn?"

"Misschien!" zeide Thalcave.

Paganel moest zich vergenoegen met dat halve antwoord, en deelde aan
Glenarvan den inhoud van het gesprek mede.

"En wat raadt Thalcave?" vroeg Glenarvan.

"Wat moeten wij doen?" vroeg Paganel den Patagoniër.

"Snel voortgaan," antwoordde de Indiaan.

De raad was gemakkelijker te geven dan op te volgen. De paarden werden
spoedig moede van het betreden van een grond, die onder hen wegzakte;
hun pooten drongen er telkens dieper in, en dit gedeelte der vlakte kon
vergeleken worden met een ontzaggelijken kuil, waarin het aanstormende
water zich weldra ophoopen zou. Het was dus van het hoogste belang om
die dalende gronden zonder uitstel over te trekken, daar een
overstrooming ze onmiddellijk in een meer zou veranderd hebben.

Zij verhaastten derhalve hunne schreden. Maar alsof dat water, dat onder
de pooten der paarden stroomde, nog niet genoeg ware, werden tegen twee
ure de sluizen des hemels geopend, en begon het te regenen, alsof het
met bakken uit den hemel werd gegoten. Nooit had zich een schooner
gelegenheid opgedaan om te toonen, dat men een wijsgeer is. Er was geen
kans om aan dien zondvloed te ontwijken, en het beste was hem met
onverschilligheid door te staan. De mantels waren druipnat, het water
stroomde van de hoeden af als van een dak, welks goten verstopt zijn; de
franje der zadels scheen van vloeibare draden gemaakt te zijn, en de
ruiters die met modder bespat werden door de hoeven hunner paarden,
reden voort in een dubbele stortbui, die te gelijk uit den grond en uit
de lucht kwam.

Zoo doornat, verstijfd en afgemat kwamen zij 's avonds aan een zeer
ellendige hut. Alleen lieden, die spoedig tevreden waren, konden haar
een schuilplaats noemen, en alleen uitgeputte reizigers konden er in
toestemmen om er den nacht in door te brengen. Maar Glenarvan en zijn
makkers hadden geen keus. Zij kropen digt bij elkander in die verlatene
stulp, die de armste Indiaan uit de pampa's niet zou hebben willen
bewonen. Een zwak vuur van kruiden, dat meer rook dan warmte gaf, werd
niet zonder moeite ontstoken. De stortregens woedden buiten en door het
verrotte riet zijpelden groote droppels. Dat het vuur niet twintig maal
uitging was aan Mulrady en Wilson te danken, die de overmagt van het
water moedig bestreden.

Het sobere en ongenoegzame avondeten werd treurig genuttigd. Niemand had
eetlust. Alleen de majoor at met graagte het doorweekte gedroogde
vleesch, en liet niets verloren gaan. De ongevoelige Mac Nabbs was boven
het lot verheven. Paganel deed als een echt Franschman zijn best om te
schertsen; maar het ging niet.

"Mijn kwinkslagen zijn nat geworden," zeide hij, "zij ketsen."

Daar intusschen slapen het beste was, wat men in die omstandigheden kon
doen, trachtten allen in den slaap een oogenblik hun vermoeidheid te
vergeten. De nacht was slecht; de planken der hut kraakten en braken
bijna; zij werd door de windvlagen heen en weder geslingerd en dreigde
bij iedere bui om te waaijen; de rampzalige paarden lagen buiten,
blootgesteld aan de guurheid des weders, terwijl hun meesters niet
minder leden in de ellendige hut. Eindelijk look de slaap echter hunne
oogen. Robert viel het eerst in slaap, met het hoofd tegen den schouder
van lord Glenarvan geleund, en weldra waren al de bewoners der hut onder
Gods hoede ingeslapen.

De nacht verliep zonder verdere ongelukken. Het geroep van Thaouka, die
altijd waakte, maakte de slapers wakker; hij hinnikte en schopte driftig
tegen den muur der stulp. Wanneer het noodig was kon hij, indien
Thalcave het verzuimde, zeer goed het sein tot het vertrek geven. Men
had te veel verpligting aan hem om hem niet te gehoorzamen en vertrok.

De regen was een weinig bedaard, maar het gevallen water bleef op den
doornatten grond staan; het ondoordringbare leem hield de plassen,
moerassen en vijvers tegen, die overliepen en groote, verraderlijk diepe
"banado's" vormden. Paganel raadpleegde zijn kaart, en meende, niet ten
onregte, dat de Rio Grande en de Rio Vivarota, waarin gewoonlijk de
wateren dezer vlakte uitloopen, zich met elkander vereenigd en een
bedding van verscheidene mijlen breed gevormd hadden.

Het was nu hoog noodig om zoo snel mogelijk voort te trekken. Aller
leven stond op het spel. Waar zou men een schuilplaats vinden, wanneer
het water wassende bleef? Zoover het oog reikte kon men geen uitstekend
punt ontdekken, en dit water zou die effene vlakte weldra geheel
overstroomen.

De paarden werden dus tot spoed aangezet; Thaouka was voorop, en beter
dan sommige vinpootige dieren met magtelooze vinnen verdiende hij den
naam van zeepaard; want hij sprong, alsof hij in zijn element was.

Eensklaps, het was des morgens omstreeks tien ure, gaf Thaouka teekens
van een hevige ongerustheid. Hij zag telkens om naar de onmetelijke
vlakten in het zuiden, hinnikte lang achtereen, sperde zijn neusgaten
wijd open en steigerde geweldig. Thalcave, die door zijn sprongen niet
uit den zadel kon geworpen worden, hield hem niet zonder moeite in
bedwang. Het schuim van zijn bek werd met bloed vermengd, zoo sterk
haalde hij het gebit aan; en toch kwam het vurige dier niet tot bedaren;
zijn meester bespeurde wel, dat het dier, ware het vrij geweest, in
vollen ren noordwaarts zou gevlugt zijn.

"Wat scheelt Thaouka toch?" vroeg Paganel; "hebben de verschrikkelijke
bloedzuigers der argentijnsche wateren hem gebeten?"

"Neen!" antwoordde de Indiaan.

"Is hij bevreesd voor eenig gevaar?"

"Ja, hij heeft het gevaar geroken...."

"Welk?"

"Dat weet ik niet."

Kon het oog het gevaar, dat Thaouka vermoedde, nog niet gewaar worden,
het oor kon er toch reeds iets van opvangen. Een dof geraas, te
vergelijken met het gedruisch, dat de vloed maakt, deed zich zeer in de
verte hooren. Er woei van tijd tot tijd een vochtige wind, die een
fijnen stofregen aanvoerde; bevreesd voor het een of ander onbekend
verschijnsel kliefden de vogels met bliksemsnelheid de lucht; de
paarden, die reeds tot aan de knieën door het water waadden, gevoelden
reeds de eerste schokken van den stroom. Weldra klonk in een zuidelijke
rigting, maar een halve mijl van de reizigers af, een vreeselijk geraas,
geloei en gehinnik, en verschenen er ontelbare kudden die elkander
omverliepen, weder opstonden en nedervielen, een onzamenhangende massa
van verschrikte beesten, die met een verschrikkelijke vaart vlugtten.
Men kon hen naauwelijks onderscheiden te midden van de waterstralen, die
zij in hun loop deden opspatten. Honderd van de grootste walvisschen
konden de golven van den Oceaan niet met meer geweld omwoelen.

"_Anda_! _anda_![2]" riep Thalcave met luider stem.

"Wat bedoelt gij?" zeide Paganel.

"Het water wast! het water wast!" antwoordde Thalcave zijn paard de
sporen gevende, dat hij in een noordelijke rigting voortdreef.

"Een overstrooming!" riep Paganel, en zijn makkers renden, hem volgende,
Thaouka achterna.

Het was tijd. Inderdaad kwam er uit het zuiden een hooge en breede
voorvloed over het land opzetten, dat in een zee werd herschapen. Het
hooge gras verdween alsof het afgemaaid was. De bosjes mimosa-planten
door den stroom losgescheurd, werden medegesleept en vormden drijvende
eilandjes. De watermassa zette met onwederstaanbaar geweld haar loop
voort. Er was geen twijfelen aan of de groote rivieren der pampa's waren
buiten haar oevers getreden, en misschien vereenigde zich nu het water
der Colorado uit het noorden en dat der Rio Negro uit het zuiden wel in
een gemeenschappelijke bedding.

De voorvloed, dien Thalcave had geseind, kwam met de snelheid van een
renpaard opzetten. De reizigers vlugtten voor hem, evenals een wolk door
den stormwind wordt voortgezweept. Te vergeefs zagen zij naar alle
kanten naar een schuilplaats rond. Aan den gezigteinder liepen water en
lucht ineen. Door het gevaar beangstigd vlogen de paarden in een wilden
galop voort, en hun berijders konden naauwelijks in den zadel blijven
zitten. Glenarvan zag telkens achterom.

"Het water bereikt ons," dacht hij.

"Schielijk! schielijk!" riep Thalcave.

En men zette de ongelukkige dieren nog meer aan. Uit hun door de sporen
opengescheurde zijden stroomde het bloed, dat lange roode strepen op het
water achterliet. Zij struikelden over de spleten in den grond. Zij
raakten verward in het verborgen gras. Zij vielen. Men hielp ze op. Zij
vielen weder. Men hielp ze weder op. Het water werd zigtbaar hooger.
Lange golvingen verkondigden den aanval van dien voorvloed, die geen
twee mijlen van hen af zijn schuimende kuif bewoog.

Een kwartier lang duurde die hagchelijke worsteling tegen het
verschrikkelijkste van alle elementen. De vlugtelingen hadden den
afgelegden afstand niet kunnen berekenen, maar naar hun snellen ren te
oordeelen, moest hij zeer aanmerkelijk zijn. Intusschen konden de
paarden, die tot aan de borst in het water liepen, slechts met de
grootste moeite verder komen. Glenarvan, Paganel, Austin, allen achtten
zich verloren en zagen den verschrikkelijken dood van schipbreukelingen
voor oogen. De paarden hadden ter naauwernood meer grond onder de
pooten, en zes voet water zou hen doen verdrinken.

Het is onmogelijk om den benaauwenden doodsangst te schetsen van die
acht mannen, die door het wassende water overvallen werden. Zij
gevoelden hoe onmagtig zij waren om tegen die natuurrampen te worstelen,
die met de menschelijke krachten spotten. Hun leven was niet meer in
hunne handen.

Vijf minuten later zwommen de paarden reeds; de stroom alleen sleepte
hen met onvergelijkelijk geweld mede en hun snelheid evenaarde die van
hun vlugsten galop, d.i. zij bedroeg meer dan twintig mijlen in het uur.

Alle kans op redding scheen vervlogen. Daar hoorde men op eens de stem
van den majoor, die riep: "Een boom!"

"Een boom?" vroeg Glenarvan.

"Daar! daar!" antwoordde Thalcave.

Met den vinger wees hij in het noorden naar een soort van reusachtigen
notenboom, die acht honderd vademen verder eenzaam boven het water
uitstak.

Hij behoefde zijn makkers niet aan te zetten om haast te maken. Zij
moesten met inspanning van alle krachten dien boom trachten te bereiken,
die zich daar zoo onverwacht aan hen vertoonde. De paarden zouden hem
zeker niet bereiken, maar de menschen konden tenminste gered worden. De
stroom droeg hen.

Op hetzelfde oogenblik liet het paard van Tom Austin een akelig gehinnik
hooren en verdween. Zijn berijder maakte zich los uit de stijgbeugels en
begon fiks te zwemmen.

"Houd mijn zadel vast!" riep Glenarvan hem toe.

"Ik dank u, Uwe Edelheid!" antwoordde Tom Austin, "ik heb sterke armen."

"Uw paard, Robert?..." hernam Glenarvan, zich naar den jongen Grant
keerende.

"Het houdt zich goed, mylord! Het zwemt als een visch!"

"Geeft acht!" riep de majoor met een sterke stem.

Naauwelijks was het woord er uit, of de vreeselijke vloed kwam. Een
monsterachtige, wel veertig voet hooge golf, brak met verschrikkelijk
geraas op de vlugtelingen. Menschen en paarden, alles verdween in een
schuimenden afgrond. Een watermassa van verscheidene millioenen tonnen
zwaar overstelpte hen met haar woedende baren.

Toen de voorvloed voorbij was getrokken, kwamen de menschen weder boven;
allen waren er, maar de paarden, uitgezonderd Thaouka, waren voor altijd
verdwenen.

"Houd u goed! houd u goed!" herhaalde Glenarvan, die Paganel met den
eenen arm ondersteunde en met den anderen zwom.

"Het gaat goed! het gaat goed!" antwoordde de waardige geleerde; "het
spijt mij niet eens...."

Wat speet hem niet? Dat is men nooit te weten gekomen, want de arme man
moest het slot van den zin met een halve pint modderig water inzwelgen.
De majoor kwam rustig nader, terwijl hij het water al zwemmende zoo
kunstmatig met de armen kliefde, dat een zwemmeester er niets op aan te
merken zou gehad hebben. De matrozen waren even goed op hun gemak in het
vloeibare element als een paar bruinvisschen. En Robert liet zich, aan
de manen van Thaouka hangende, door dezen medeslepen. Thaouka kliefde
het water met verbazende kracht, en bleef instinctmatig in de rigting
van den boom, waarheen de stroom hem droeg.

De boom was nog maar twintig vademen ver; het geheele gezelschap had hem
weldra bereikt. Dit was een geluk voor hen, want hadden zij die
schuilplaats niet gevonden, dan zou alle kans op redding verdwenen zijn
en hadden zij in de golven moeten omkomen.

Het water kwam tot boven aan den stam, ter plaatse waar de hoofdtakken
te voorschijn kwamen, zij konden er zich dus gemakkelijk aan
vastklemmen. Thalcave stapte van zijn paard, heesch Robert op, klom het
eerst in den boom en bezorgde met zijn sterke armen weldra een veilige
plaats aan al de afgematte zwemmers.

Door den stroom medegesleept verwijderde Thaouka zich snel. Hij draaide
zijn schranderen kop naar zijn meester, schudde zijn lange manen en
hinnikte, als om hem te roepen.

"Kunt gij hem verlaten?" zeide Paganel tot Thalcave.

"Ik!" riep de Indiaan.

En in het woelige water springende, kwam hij tien vademen van den boom
af weder boven. Eenige oogenblikken daarna had hij zijn arm om den hals
van Thaouka geslagen, en paard en ruiter dreven zamen af naar den
benevelden gezigteinder in het noorden.


[1] Omtrent zestig uren.

[2] Schielijk! schielijk!



XXIII.

De boombewoners.


De boom, waarop Glenarvan en zijn makkers een schuilplaats hadden
gevonden, geleek op een notenboom. Hij had deszelfs glimmende bladeren
en ronde gedaante. Het was de "ombu," dien men alleenstaande in de
argentijnsche vlakte aantreft. Deze boom met zijn bogtigen en stevigen
stam, is niet alleen door zijn groote wortels in den grond bevestigd,
maar ook door sterke uitspruitsels, die hem op de stevigste wijze
vasthouden. Hij had dan ook den aanval van den voorvloed doorgestaan.

Die boom was wel honderd voet hoog, en kon met zijn schaduw een omtrek
van zestig vademen bedekken. Dat geheele gevaarte rustte op drie groote
takken, die uit den top van den zes voet dikken stam opschoten. Twee van
die takken rezen bijna loodregt overeind en droegen het ontzaggelijke
zonnescherm van bladeren, welker takken, als door de hand van een
mandenmaker gekruist, door elkander geslingerd en verward, een
ondoordringbare schuilplaats opleverden. De derde tak daarentegen stak
bijna waterpas over het loeijende water uit; zijn onderste bladeren
hingen er reeds in; hij was om zoo te zeggen een uitstekende kaap van
dit groene eiland, dat door een oceaan werd omringd. Het ontbrak ook
niet aan ruimte in dien reusachtigen boom; het gebladerte, dat aan den
omtrek minder digt was, liet groote opene ruimten over, die op opene
plekken in een bosch geleken; er was lucht in overvloed, frischheid
overal. Als men die takken zoo hun tallooze takjes tot in de wolken zag
verheffen, terwijl woekerende slingerplanten ze aan elkander
vasthielden, en de zonnestralen door de openingen in het gebladerte
speelden, zou men waarlijk gezegd hebben, dat de stam van dien boom
alleen een geheel bosch torschte.

Bij de komst der vlugtelingen week een menigte luchtbewoners naar de
hoogste takken, door hun geschreeuw verzet aanteekenende tegen zulk een
schandelijke overrompeling van hun verblijf. Die vogels, die ook een
schuilplaats op dien eenzamen boom hadden gezocht, waren daar bij
honderden bijeen: meerlen, sperwers, isaca's, hilguero's en vooral de
pica-flor, vliegenvogeltjes met schitterende kleuren; wanneer deze
opvlogen, scheen het, dat een windvlaag den boom van al zijn bloemen
beroofde.

Dit was de schuilplaats, die de kleine troep van Glenarvan had bereikt.
De jonge Grant en de vlugge Wilson zaten naauwelijks in den boom, of zij
haastten zich om tot in de hoogste takken te klimmen. Hun hoofd stak nu
door den groenen koepel heen. Van dit hooge punt overzag hun blik een
ruimen omtrek. Aan alle zijden omringde hen de oceaan, dien de
overstrooming had geschapen, en hoe ver de blik zich ook uitstrekte,
toch konden zij deszelfs grens niet bemerken. Geen enkele boom stak
boven het watervlak uit; de notenboom, die alleen zich boven het
onstuimige water verhief, slingerde door deszelfs geweldigen aandrang.
In de verte dreven, door den onstuimigen stroom medegesleept, in een
noordelijke rigting ontwortelde boomstammen, ineengedraaide takken,
rieten daken van weggespoelde hutten, balken die door het water van de
afdaken der vetweiderijen waren losgerukt, lijken van verdronken dieren,
bloedige huiden, en op een drijvenden boom een geheele hoop brullende
tijgerkatten, die haar klaauwen in het brooze vlot geslagen hadden. Nog
verder trok een zwarte, reeds bijna onzigtbare stip de aandacht van
Wilson. Het was Thalcave en diens getrouwe Thaouka, die in de verte
verdwenen.

"Thalcave! vriend Thalcave!" riep Robert, de hand naar den moedigen
Patagoniër uitstrekkende.

"Hij zal zich redden, jonge heer Robert!" antwoordde Wilson; "maar laten
wij zijne Edelheid weder gaan opzoeken."

Een oogenblik later klauterden Robert Grant en de matroos de drie
verdiepingen van takken af en bereikten het boveneinde van den stam.
Daar vonden zij Glenarvan, Paganel, den majoor, Austin en Mulrady, die
de beenen lieten afhangen of zich aan de takken vasthielden, volgens hun
verschillende geaardheid. Wilson gaf verslag van zijn bezoek aan den top
des booms. Allen dachten eenstemmig met hem ten aanzien van Thalcave. De
meeningen liepen echter uiteen over den vraag, of Thalcave Thaouka, dan
wel Thaouka Thalcave redden zou.

Zonder tegenspraak was de toestand van de boombewoners veel
onrustbarender. De boom zou wel niet bezwijken voor het geweld van den
stroom; maar het nog altijd wassende water kon zijn hoogste takken
bereiken; want de hellende bodem maakte van dit gedeelte der vlakte eene
waren vergaderbak. Glenarvan zorgde daarom allereerst om door middel van
kepen merken te maken, ten einde de verschillende waterstanden te kunnen
waarnemen. De overstrooming, die nu op dezelfde hoogte bleef, scheen
haar hoogsten stand bereikt te hebben. Dat was reeds een troost.

"En wat zullen wij nu aanvangen?" zeide Glenarvan.

"Wel, een nest bouwen!" antwoordde Paganel vrolijk.

"Een nest bouwen!" riep Robert.

"Wel zeker, mijn jongen! en als vogels leven, daar wij toch niet als
visschen kunnen leven."

"Goed," zeide Glenarvan, "maar wie zal ons voedsel brengen?"

"Ik!" antwoordde de majoor.

Allen wendden hun blikken naar Mac Nabbs; de majoor zat dood op zijn
gemak in een natuurlijken armstoel, door twee veerkrachtige takken
gevormd, terwijl hij met de eene hand zijn nat geworden, maar goed
gevulde knapzakken overreikte.

"Daaraan herken ik u weder, Mac Nabbs!" riep Glenarvan. "Gij denkt aan
alles, zelfs in omstandigheden, waarin men alles zou mogen vergeten."

"Zoodra ons plan vaststond om niet te verdrinken," antwoordde de majoor,
"waren wij immers niet voornemens om van honger te sterven!"

"Ik zou er wel aan gedacht hebben," zeide Paganel met een onnoozel
gezigt, "maar ik ben zoo verstrooid!"

"En wat bevatten de knapzakken?" vroeg Tom Austin.

"Voedsel voor zeven menschen gedurende twee dagen," antwoordde Mac
Nabbs.

"Goed!" zeide Glenarvan, "ik hoop, dat het water binnen vier en twintig
uren wel wat gezakt zal zijn."

"Of dat wij een middel zullen gevonden hebben om het vaste land weder te
bereiken," antwoordde Paganel.

"Ons eerste werk moet dan maar zijn te ontbijten," zeide Glenarvan.

"Eerst dienen wij ons toch wat te droogen," merkte de majoor aan.

"Maar hoe komen wij aan vuur!" vroeg Wilson.

"Wel, dat moet gij aanmaken," antwoordde Paganel.

"Waar?"

"Wat drommel! in den top van den stam."

"Waarmede?"

"Met dood hout, dat wij uit den boom zullen snijden."

"Maar hoe krijgen wij het aan?" vroeg Glenarvan. "Ons zwam heeft veel
van een natte spons!"

"Wij kunnen het wel missen!" antwoordde Paganel; "wat droog mos, een
zonnestraal, de lens van mijn verrekijker, en gij zult eens zien bij
welk een helder vuurtje wij ons zullen warmen. Wie gaat er hout zoeken
in het bosch?"

"Ik!" riep Robert.

En door zijn vriend Wilson gevolgd verdween hij als een jonge kat in de
digte takken. Terwijl zij weg waren, vond Paganel genoeg droog mos; hij
verschafte zich zonder moeite een zonnestraal, want de dagvorstin
schitterde nu in volle pracht; met behulp van zijn lens deed hij
vervolgens die brandbare stoffen gemakkelijk ontvlammen, die op een laag
vochtige bladeren waren nedergelegd, ter plaatse waar de groote takken
van den boom zich verdeelden. Het was een natuurlijke vuurhaard, die
volstrekt geen gevaar van brand opleverde. Spoedig kwamen Wilson en
Robert met een armvol dood hout terug, dat op het mos werd geworpen. Ten
einde de trekking te bevorderen ging Paganel boven den haard zitten, met
zijne lange beenen op arabische wijze wijd van elkander; zich vervolgens
snel op en neer bewegende veroorzaakte hij met zijn mantel een hevigen
luchtstroom. Het hout ontbrandde, en weldra steeg een heldere,
knetterende vlam boven die nieuwerwetsche stookplaats omhoog. Allen
droogden zich behoorlijk, terwijl de in den boom opgehangen mantels door
den wind heen en weer slingerden; vervolgens ontbeet men, maar met mate,
want men moest aan den volgenden dag denken; het kon gebeuren, dat het
onmetelijke bekken niet zoo spoedig leegliep als Glenarvan hoopte, en
bovendien was de voorraad niet al te ruim. De boom droeg geen vruchten;
gelukkig kon hij een aanzienlijke hoeveelheid versche eijeren opleveren
uit de talrijke nesten, die zijne takken bedekten, zonder nog te spreken
van hun gevederde bewoners. Die hulpmiddelen waren geenszins te
versmaden.

In het vooruitzigt van een langdurig verblijf kwam het er nu op aan om
zich gemakkelijk in te rigten.

"Daar de keuken en de eetzaal gelijkvloers zijn," zeide Paganel, "zullen
wij op de eerste verdieping gaan slapen; het huis is groot, de huur niet
hoog; wij behoeven ons niet te behelpen. Ik zie in de hoogte natuurlijke
hangmatten, waarin wij als op de zachtste bedden zullen slapen, als wij
ons eerst maar goed vastgesjord hebben. Wij hebben niets te vreezen; ten
overvloede zullen wij waken, en wij zijn talrijk genoeg om vlotten met
Indianen en andere wilde dieren te keeren."

"Het ontbreekt ons alleen aan wapenen," zeide Tom Austin.

"Ik heb mijn revolvers," zeide Glenarvan.

"En ik de mijnen," voegde Robert er bij.

"Dat helpt ons niet," hernam Tom Austin; "of mijnheer Paganel moest een
middel weten om kruid te maken?"

"Dat is onnoodig," antwoordde Mac Nabbs, tevens een kruidhoren latende
zien, die in goeden staat was.

"Hoe komt gij daaraan, majoor?" vroeg Paganel.

"Van Thalcave. Hij dacht, dat hij ons te pas zou kunnen komen en gaf hem
mij, eer hij Thaouka te hulp snelde."

"Edelmoedige en brave Indiaan!" riep Glenarvan.

"Ja!" antwoordde Tom Austin, "wanneer alle Patagoniërs hem gelijken,
maak ik er mijn compliment voor aan hun land."

"Maar wij mogen het paard ook niet vergeten!" zeide Paganel. "Het maakt
een deel uit van den Patagoniër, en het zou mij zeer tegenvallen, als
wij hen niet beiden terugzagen."

"Hoever zijn wij van den Atlantischen Oceaan af?" vroeg de majoor.

"Op zijn hoogst veertig mijlen," antwoordde Paganel.

"Daar elk onzer doen kan wat hij wil, vraag ik u verlof, mijne vrienden!
om u te verlaten; ik ga daar boven een plekje tot observatorium
uitkiezen en zal u met behulp van mijn verrekijker op de hoogte houden
van hetgeen er zoo al op deze wereld voorvalt."

Men liet den geleerde begaan, die zich heel behendig van den eenen tak
op den anderen heesch en achter de dikke bladerengordijn verdween. Zijn
medgezellen hielden zich daarop bezig met het in orde brengen van hun
nachtverblijf en het gereed maken van hun slaapplaats. Dit was niet
moeijelijk en nam niet veel tijd weg. Men behoefde geen bed te maken en
geen huisraad te schikken, zoodat allen spoedig hun plaatsje om den
haard weder konden innemen.

Het gesprek werd nu algemeen, maar de tegenwoordige toestand, waarin men
zich geduldig moest schikken, was er het onderwerp niet van. Men kwam
weder terug op de onuitputtelijke stof: Harry Grant. Als het water
zakte, zouden de reizigers binnen drie dagen weder aan boord van de
_Duncan_ zijn. Maar Harry Grant en zijne beide matrozen, die ongelukkige
schipbreukelingen zouden niet bij hen zijn. Het scheen zelfs na dien
tegenspoed, na dien nutteloozen togt door Amerika, alsof alle hoop om
hen terug te vinden onherroepelijk verloren was. Waar zou men nieuwe
nasporingen in het werk stellen? Hoe groot zou niet de smart van lady
Helena en van Mary Grant zijn, als zij moesten vernemen, dat zij alle
hoop op de toekomst moesten laten varen!

"Arme zuster!" zeide Robert, "alles is uit voor ons!"

Voor de eerste maal kon Glenarvan geen troostwoord vinden om daarop te
antwoorden. Welke hoop toch kon hij den knaap geven? Had hij niet met de
grootste stiptheid de aanwijzingen van het document gevolgd?

"En toch," zeide hij, "die zeven en dertigste graad breedte is meer dan
een niets beteekenend cijfer! Het zij het betrekking heeft op de
schipbreuk of op de gevangenschap van Harry Grant, het is toch niet uit
de lucht gegrepen, willekeurig uitgelegd noch een bloote gissing! Wij
hebben het met onze eigene oogen gezien!"

"Dat alles is waar, Uwe Edelheid!" antwoordde Tom Austin; "maar onze
nasporingen zijn niettemin vergeefsch geweest."

"Dat is spijtig en tegelijk ontmoedigend!" riep Glenarvan.

"Spijtig, wanneer gij dat wilt," antwoordde Mac Nabbs op een bedaarden
toon; "maar geenszins ontmoedigend. Juist omdat wij een vast cijfer
hebben, moeten wij den moed volstrekt niet opgeven."

"Wat bedoelt gij daarmede," vroeg Glenarvan, "en wat kunnen wij naar uwe
meening verder doen?"

"Iets zeer eenvoudigs, dat tevens zeer logisch zou zijn, waarde Edward!
Zoodra wij aan boord van de _Duncan_ zijn, wenden wij den steven
oostelijk, en volgen de zeven en dertigste parallel zoo noodig zelfs tot
aan het punt, vanwaar wij uitgingen."

"Meent gij dan, Mac Nabbs! dat ik daaraan niet gedacht heb?" antwoordde
Glenarvan. "O! wel honderd maal! Maar welke kans hebben wij om te
slagen? Wanneer wij het amerikaansch vastland verlaten, verwijderen wij
ons immers van de plaats, die Harry Grant zelf heeft aangeduid, van dat
Patagonië, dat zoo uitdrukkelijk in het document vermeld wordt?"

"Gij zult toch geen nieuwe nasporingen in de pampa's willen beginnen,"
antwoordde de majoor, "nu gij de zekerheid verkregen hebt, dat de
schipbreuk der _Britannia_ evenmin heeft plaats gehad op de kusten der
Stille Zuidzee als op die van den Atlantischen Oceaan!"

Glenarvan gaf geen antwoord.

"En moeten wij, al is de kans om Harry Grant weder te vinden door de
parallel, die hij opgaf, langs te reizen, nog zoo gering, het toch niet
beproeven?"

"Daarop zeg ik geen neen!" antwoordde Glenarvan.

"En zijt gij het niet met mij eens, vrienden?" voegde de majoor er bij,
zich tot de zeelieden rigtende.

"Volkomen!" antwoordde Tom Austin, waarmede Mulrady en Wilson door een
knik instemden.

"Hoort mij aan, vrienden!" hernam Glenarvan na eenige oogenblikken
nadenken, "en luister goed toe, Robert! want het geldt een zaak van
gewigt. Ik zal alles doen, wat in mijn magt staat om kapitein Grant
weder te vinden, dat heb ik op mij genomen en daaraan zal ik, zoo het
noodig is, mijn gansche leven toewijden. Geheel Schotland zou zich met
mij verbinden om dien moedigen man te redden, die zich voor zijn
vaderland heeft opgeofferd. Mijn gevoelen is ook, dat wij, al is die
kans nog zoo gering, langs die zeven en dertigste parallel rondom de
aarde moeten reizen, en ik zal het doen. Maar dat is nu eigenlijk de
vraag niet. Zij is veel gewigtiger en luidt: Moeten wij bepaald en van
nu af aan onze nasporingen op het amerikaansche vastland staken?"

Die zoo stellig ingekleede vraag werd niet beantwoord. Niemand durfde
zich verklaren.

"Wat is uw gevoelen?" hernam Glenarvan, zich meer in het bijzonder tot
den majoor rigtende.

"Waarde Edward!" antwoordde Mac Nabbs, "het antwoord op die vraag eist
een zware verantwoordelijkheid op. Zij vordert eenig nadenken. Vóór
alles wensch ik te weten, over welke streken de zeven en dertigste graad
zuiderbreedte heengaat."

"Dat zal Paganel wel weten," antwoordde Glenarvan.

"Dan zullen wij het hem vragen," zeide de majoor.

De geleerde was zoo verborgen door het digte gebladerte van den boom,
dat hij onzigtbaar was. Men moest hem dus praaijen.

"Paganel! Paganel!" riep Glenarvan.

"Present!" antwoordde een stem, die uit de lucht kwam.

"Waar zijt gij?"

"In mijn toren."

"Wat doet gij daar?"

"Ik sla den onmetelijken gezigteinder gade."

"Kunt gij even afkomen?"

"Hebt gij mij noodig?"

"Ja."

"Waarom?"

"Om te weten over welke landen de zeven en dertigste parallel
heenloopt."

"Niets is gemakkelijker," antwoordde Paganel; "het is niet eens noodig,
dat ik afkom om het u te zeggen."

"Ga uw gang dan maar."

"Luister. Amerika verlatende, gaat de zevenendertigste graad
zuiderbreedte over den Atlantischen Oceaan."

"Goed."

"Hij snijdt de eilanden Tristan d'Acunha."

"Zeer goed."

"Hij gaat twee graden bezuiden de kaap de Goede Hoop."

"Vervolgens."

"Hij loopt over de Indische zee."

"Verder."

"Hij raakt even het St.-Pieters-eiland van den eilandengroep Amsterdam."

"Ga voort."

"Hij snijdt de australische provincie Victoria."

"Verder."

"Australië verlatende...."

Die laatste zin werd niet voltooid. Aarzelde de aardrijkskundige? Wist
de geleerde het niet verder? Neen; maar in den top van den boom
weerklonk een geduchte kreet, een heftige uitroep. Glenarvan en zijn
vrienden verbleekten en zagen elkander aan. Had er een nieuw onheil
plaats? Had de ongelukkige Paganel zich laten vallen? Reeds snelden
Wilson en Mulrady hem te hulp, toen er een lang ligchaam verscheen.
Paganel tuimelde van den eenen tak na den anderen. Zijn handen konden
niets aangrijpen. Leefde hij nog? Was hij dood? Men wist het niet; maar
hij stond op het punt om in het loeijende water te vallen, toen de
majoor hem met zijn gespierde arm in zijn val stuitte.

"Verpligt, Mac Nabbs!" riep Paganel.

"Wat scheelt er aan?" zeide de majoor: "wat is er gebeurd? Weder uwe
gewone verstrooidheid?"

"Ja! Ja!" antwoordde Paganel met een door aandoening verstikte stem.
"Ja! een verstrooidheid ... maar ditmaal een zeer vreemde!"

"Welke dan?"

"Wij hebben ons vergist! Wij vergissen ons nog! Wij vergissen ons
altijd!"

"Verklaar u nader!"

"Glenarvan! majoor! Robert! vrienden!" riep Paganel: "gij allen, die mij
hoort! wij zoeken kapitein Grant waar hij niet is!"

"Wat zegt gij?" riep Glenarvan.

"En niet alleen, waar hij niet is," voegde Paganel er bij, "maar waar
hij ook nooit geweest is!"



XXIV.

Vervolg.


Dit onverwacht gezegde werd met diepe verwondering aangehoord. Wat wilde
de aardrijkskundige zeggen? Was hij zijn verstand kwijt? En toch sprak
hij op zulk een toon van overtuiging, dat allen de oogen op Glenarvan
vestigden. Deze verklaring van Paganel was een regtstreeksch antwoord op
de pas gedane vraag. Maar Glenarvan vergenoegde zich met een ontkennende
beweging te maken, die niet gunstig voor den geleerde was.

Zoodra deze zijn aandoening bedwongen had, nam hij het woord weder op.

"Ja!" zeide hij met vaste stem, "ja! wij hebben gedwaald in onze
nasporingen en iets op het document gelezen, dat er niet op staat!"

"Verklaar u nader, Paganel!" zeide de majoor, "en houd u bedaard!"

"Het is zeer eenvoudig, majoor! Ik heb even als gij gedwaald, ik heb er
even als gij een verkeerde uitlegging aan gegeven; maar toen ik zoo even
uit den top van den boom uwe vragen beantwoordde en bij het woord
"Australië" ophield, schoot mij een gedachte te binnen en ging een licht
voor mij op."

"Hoe!" riep Glenarvan, "gij beweert, dat Harry Grant?..."

"Ik beweer," antwoordde Paganel, "dat het woord _austral_, dat op het
document voorkomt, geen volledig woord is, zooals wij tot nu toe gedacht
hebben, maar wel de wortel van het woord _Australië_."

"Dat zou vreemd zijn!" antwoordde de majoor.

"Vreemd!" zeide Glenarvan zijn schouders ophalende, "het is
doodeenvoudig onmogelijk."

"Onmogelijk!" hernam Paganel. "Dat is een woord, dat wij in Frankrijk
niet kennen."

"Hoe!" voegde Glenarvan op den toon van het grootste ongeloof er bij,
"durft gij met het document in de hand beweren, dat de schipbreuk der
_Britannia_ op de kusten van Australië heeft plaats gehad?"

"Ik ben er zeker van!" antwoordde Paganel.

"Op mijn eer, Paganel!" zeide Glenarvan, "ik ben hoogst verwonderd over
zulk een bewering, en dan nog al uit den mond van een secretaris van een
aardrijkskundig genootschap."

"Waarom?" vroeg Paganel, die zich in zijn zwak voelde getast.

"Omdat gij door het woord _Australië_ aan te nemen, tevens aanneemt, dat
daar _Indianen_ zijn, hetgeen ongehoord is."

Paganel was geenszins door dat bewijs verrast. Hij verwachtte het zeker,
en begon te glimlagchen.

"Waarde Glenarvan!" zeide hij "verheug u niet te vroeg over uw
zegepraal; ik zal u "geheel en al verslaan," zooals wij Franschen
zeggen, en nooit zal een Engelschman zulk een nederlaag geleden hebben!
Het zal de wraak zijn voor Crecy en Azincourt[1]!"

"Dat zal mij zeer aangenaam zijn, sla mij, Paganel!"

"Luister dan. In den tekst van het document wordt evenmin van Indianen
als van Patagonië gesproken! Het afgebroken woord _indi_ ... beteekent
niet _Indianen_ maar wel _indigènes_ (inboorlingen)! Gij geeft toch
zeker toe, dat er in Australië "inboorlingen" zijn?"

Om de waarheid hulde te doen moeten wij zeggen, dat Glenarvan Paganel
thans stijf aanzag.

"Bravo, Paganel!" riep de majoor.

"Neemt gij mijn uitlegging aan, waarde lord?"

"Ja!" antwoordde Glenarvan, "wanneer gij mij bewijst, dat de laatste
letters _gonie_ niet slaan op het land der Patagoniërs!"

"Zeker niet!" riep Paganel, "er is geen sprake van _Patagonië!_ lees al
wat gij wilt, maar dat niet."

"Wat dan?"

"_Cosmogonie_! _theogonie_! _agonie_!..." (Leer der schepping van de
wereld, leer der wording van de godheden uit de fabelleer, doodsangst).

"_Doodsangst_!" zeide de majoor.

"Dat is mij hetzelfde!" antwoordde Paganel; "het woord komt er niet op
aan. Ik wil zelfs niet eens naar zijn beteekenis zoeken. De hoofdzaak
is, dat _austral_ beteekent _Australië_, en alleen doordien wij
blindelings een verkeerden weg ingeslagen hadden, hebben wij niet reeds
terstond zulk een duidelijke verklaring gevonden. Wanneer ik het
document gevonden had, wanneer mijn oordeel niet door uwe uitlegging op
een dwaalspoor was gebragt, zou ik het nooit anders opgevat hebben!"

Na deze opheldering werd Paganel met hoera's, gelukwenschingen en
vleijerijen overladen. Austin, de matrozen, de majoor, maar vooral
Robert, die zich gelukkig gevoelde nu hij opnieuw mogt hopen, juichten
den waardigen geleerde toe. Glenarvan, wiens oogen langzamerhand open
gingen, was op het punt om zich overwonnen te verklaren.

"Los mij nog ééne bedenking op, waarde Paganel!" zeide hij, "en ik buig
mij neder voor uwe scherpzinnigheid."

"Spreek, Glenarvan!"

"Hoe maakt gij een geheel van die woorden, na die nieuwe uitlegging, en
hoe leest gij het document?"

"Niets gemakkelijker dan dat. Hier is het document," zeide Paganel,
terwijl hij het kostbare papier overgaf, dat hij sedert eenige dagen zoo
naauwkeurig bestudeerde.

Er ontstond een diepe stilte, terwijl de aardrijkskundige zich eenigen
tijd bedacht, voor hij antwoordde. Met den vinger volgde hij op het
document de afgebroken regels, terwijl hij met een vaste stem en op
sommige woorden drukkende, het volgende las:

"_Den 7den junij 1862 is de driemaster Britannia van Glasgow gezonken
na_..." zet hier, wanneer gij wilt, "_twee dagen, drie dagen_" of "_de
uiterste krachtsinspanning_" het komt er niet op aan, het is volkomen
onverschillig, "_op de kusten van Australië. Zich naar land begevende,
zullen twee matrozen en kapitein Grant trachten te landen_" of "_hebben
het vaste land bereikt, waar zij door wreede inboorlingen gevangen
genomen zullen worden_" of "_zijn_". _Zij hebben dit document
geworpen_," enz. enz. Is het duidelijk?"

"Het is duidelijk," antwoordde Glenarvan, "wanneer men den naam
"vastland" mag geven aan Australië, dat maar een eiland is!"

"Stel u gerust, waarde Glenarvan! de beste aardrijkskundigen zijn het
onderling eens om dit eiland, "het australische vastland" te noemen."

"Dan heb ik nog maar één ding te zeggen, vrienden!" riep Glenarvan.
"Naar Australië, en moge de Hemel ons bijstaan!"

"Naar Australië!" herhaalden zijn makkers met eenparige stemmen.

"Weet gij wel, Paganel!" voegde Glenarvan er bij, "dat uw
tegenwoordigheid aan boord van de _Duncan_ een leiding der
Voorzienigheid is?"

"Goed," antwoordde Paganel. "Laten wij het ervoor houden, dat ik door
God gezonden ben, en er verder niet meer over spreken."

Zoo eindigde dat gesprek, dat later zulke gewigtige gevolgen had. Het
bragt een geheelen omkeer te weeg in de gemoedsstemming der reizigers.
Zij hadden den draad weder gevat in dien doolhof, waarin zij meenden
verdwaald te zijn. Een nieuwe hoop verrees op de puinhoopen hunner
verijdelde plannen. Zij konden onbevreesd het amerikaansche vastland
achter zich laten, en hunne gedachten vlogen hun reeds vooruit naar
Australië. Wanneer zij de _Duncan_ weder beklommen, zouden zij haar
passagiers geen wanhoop aan boord medebrengen, en lady Helena en Mary
Grant zouden het onherroepelijk verlies van kapitein Grant niet behoeven
te betreuren! Zoo vergaten zij de gevaren van hun toestand om zich aan
de vreugde over te geven, en het speet hen maar, dat zij niet
oogenblikkelijk konden vertrekken.

Het was nu vier ure in den namiddag. Men besloot ten zes ure het
avondeten te gebruiken. Paganel wilde dezen gelukkigen dag met een
heerlijk feestmaal vieren. Daar Schraalhans echter keukenmeester was,
stelde hij aan Robert voor om "in het naburige bosch" te gaan jagen.
Robert klapte in de handen over dien heerlijken inval. Zij namen den
kruidhoren van Thalcave, maakten de revolvers schoon, laadden ze met
hagel en vertrokken.

"Past op, dat gij niet te ver afdwaalt!" zeide de majoor deftig tegen de
twee jagers.

Na hun vertrek gingen Glenarvan en Mac Nabbs naar de in den boom
gemaakte kerven zien, terwijl Wilson en Mulrady de kolen aan den haard
weder aanbliezen.

Toen Glenarvan de oppervlakte van het verbazende meer had bereikt, zag
hij nog niet het geringste bewijs van verval. Toch scheen het water zijn
hoogsten stand bereikt te hebben; maar het geweld, waarmede het van het
zuiden naar het noorden stroomde, bewees dat het evenwigt tusschen de
argentijnsche rivieren nog niet hersteld was. Die watermassa moest, voor
zij zakken kon, eerst tot rust komen, evenals de zee op het oogenblik,
dat de vloed afloopt en de ebbe begint. Er viel dus op geen daling van
het water te rekenen, zoolang het met die verbazende snelheid naar het
noorden bleef loopen.

Terwijl Glenarvan en de majoor hun waarnemingen deden, knalden er
geweerschoten in den boom, vergezeld door bijna even luide
vreugdekreten. De sopraan van Robert paarde zich aan de bas van Paganel.
Zij wedijverden, wie het uitgelatenst zou zijn. De jagt stelde zich goed
in en het liet zich aanzien, dat de keuken eens goed voorzien zou
worden. Toen de majoor en Glenarvan bij het vuur terugkwamen, konden zij
Wilson geluk wenschen met een uitmuntend denkbeeld, waarop hij gekomen
was. Die brave zeeman zat te visschen met een speld aan een eindje touw.
Verscheidene dozijnen vischjes, die zoo smakelijk waren als spieringen
en "mojarra's" heetten, spartelden in een plooi van zijn mantel en
beloofden een lekkeren schotel te zullen opleveren.

Juist daalden de jagers uit de toppen van den boom. Paganel droeg
voorzigtig zwarte zwaluweijeren, en een rist musschen, die hij later zou
ronddienen onder den naam van leeuwerikken. Robert had zeer handig
verscheidene paren "hilguero's" geschoten, kleine vogels met groene en
gele vederen, die lekker smaken en te Montevideo veel aan de markt
komen. Paganel, die een en vijftig wijzen kende om eijeren klaar te
maken, moest zich voor ditmaal tevreden stellen met ze in de heete asch
hard te laten worden. Niettemin was de maaltijd even afwisselend als
lekker. Het drooge vleesch, de harde eijeren, de geroosterde
"mojarra's," de gebraden musschen en "hilguero's" maakten dien disch tot
een feestmaal, waaraan allen steeds zouden denken.

Het gesprek was zeer vrolijk. Paganel werd zeer geprezen èn als jager èn
als kok. De geleerde nam die dankbetuigingen aan met de zedigheid, die
het kenmerk der ware verdienste is. Vervolgens weidde hij uit in
belangrijke beschouwingen over dien prachtigen notenboom, die hen met
zijn gebladerte beschutte en welks omvang, naar zijn zeggen, onmeetbaar
was.

"Robert en ik," voegde hij er schertsend bij, "dachten in een wezenlijk
bosch op de jagt te zijn. Een oogenblik vreesde ik, dat wij zouden
verdwalen. Ik kon den weg niet terugvinden! De zon ging aan den
gezigteinder onder! Te vergeefs zocht ik naar het spoor van mijn
voetstappen! De honger kwelde mij vreeselijk! Reeds weergalmde het
duistere geboomte van het gebrul der wilde dieren.... Ik vergis mij, er
zijn geen wilde dieren en dat spijt mij!"

"Hoe!" zeide Glenarvan, "spijt het u, dat er geen wilde dieren zijn?"

"Ja, zeker!"

"Intusschen, wanneer men alles van hun wreedheid te dachten heeft...."

"De wreedheid bestaat niet ... wetenschappelijk gesproken," antwoordde
de geleerde.

"Het zal u toch nooit gelukken om mij van het nut der wilde dieren te
overtuigen, Paganel!" zeide de majoor. "Waar zijn ze goed voor?"

"Majoor!" riep Paganel, "zij dienen om klassen, orden, familiën,
geslachten, soorten te vormen...."

"Een groot voordeel," zeide Mac Nabbs. "Ik wil het gaarne missen! Ware
ik een der medgezellen van Noach bij den zondvloed geweest, dan zou ik
dien onvoorzigtigen aartsvader stellig belet hebben om paren leeuwen,
tijgers, panters, beeren en andere even moordlustige als nuttelooze
dieren in de ark te brengen!"

"Zoudt gij dat gedaan hebben?" vroeg Paganel.

"Dat zou ik gedaan hebben."

"Welnu! dan zoudt gij uit het oogpunt der dierkunde ongelijk gehad
hebben!"

"Maar niet uit het oogpunt der menschlievendheid," antwoordde de majoor.

"Ik zou er boos om kunnen worden!" hernam Paganel. "Ik voor mij zou
juist den reuzenluiaard, de vleugelvingerige hagedis en al de
voorwereldlijke dieren behouden hebben, waarvan wij zoo ongelukkig
beroofd zijn geworden...."

"En ik zeg u," antwoordde Mac Nabbs, "dat Noach er zeer wel aan gedaan
heeft met ze aan hun lot over te laten, voorondersteld dat zij te zijnen
tijde nog leefden."

"En ik zeg u, dat Noach er zeer verkeerd aan gedaan heeft," antwoordde
Paganel, "en dat hij tot aan het einde der eeuwen den vloek der
geleerden verdient!"

De toehoorders van Paganel en van den majoor konden hun lachlust niet
bedwingen, toen zij de beide vrienden zoo over den ouden Noach hoorden
twisten. In strijd met al zijn beginselen, lag de majoor, die zijn leven
lang nooit met iemand geredetwist had, dagelijks met Paganel overhoop.
Het scheen, dat de geleerde hem bijzonder in het vaarwater zat.

Volgens zijn gewoonte kwam Glenarvan in den twist tusschen beiden,
zeggende:

"Het moge, hetzij uit het oogpunt der wetenschap, hetzij uit dat der
menschlievendheid, al dan niet te betreuren zijn, dat wij van wilde
dieren beroofd zijn, wij moeten ons nu toch in hun gemis schikken.
Paganel kon toch niet hopen, dat hij er in dit luchtbosch zou
aantreffen."

"Waarom niet?" vroeg de geleerde.

"Wilde beesten op een boom?" zeide Tom Austin.

"Wel zeker! De amerikaansche tijger, de jaguar, vlugt wanneer de jagers
hem te veel in het naauw brengen, op de boomen! Heel ligt zou een van
die dieren, door de overstrooming verrast zijnde, een schuilplaats
hebben kunnen zoeken in de takken van dezen boom."

"Gij hebt er toch geen een ontmoet, denk ik?" zeide de majoor.

"Neen!" antwoordde Paganel, "hoewel wij het geheele woud doorkruist
hebben. Het is jammer; want het zou een heerlijke jagt geweest zijn. Die
jaguar is een geducht verscheurend dier! Met een enkelen slag met zijn
poot draait hij een paard den hals om! Als hij eens menschenvleesch
geproefd heeft, krijgt hij er smaak in. Het liefst heeft hij den
Indiaan, daarna den Neger, vervolgens den Mulat en eindelijk den
Blanke."

"Ik ben blijde, dat ik eerst in de vierde plaats kom!" zeide Mac Nabbs.

"Zoo! dat bewijst enkel, dat gij laf zijt!" gaf Paganel op een toon van
minachting ten antwoord.

"Ik ben blij, dat ik laf ben!" sprak de majoor.

"En ik zeg, dat het vernederend is!" antwoordde de onhandelbare Paganel.
"De blanke beroemt er zich op, dat hij aan het hoofd des menschdoms
staat! De heeren jaguars schijnen niet van hetzelfde gevoelen te zijn!"

"Dat mag wezen zooals het wil, dappere Paganel!" zeide Glenarvan, "maar
nu er onder ons geen Indianen, Negers of Mulatten zijn, verheug ik mij
over de afwezigheid uwer lieve jaguars. Onze toestand is zoo aangenaam
niet...."

"Wat! aangenaam!" riep Paganel, dit woord aanhoudende om een anderen
loop aan het gesprek te geven, "klaagt gij over uw lot, Glenarvan?"

"Zonder twijfel," antwoordde Glenarvan; "of zijt gij op uw gemak in die
lompe en onbehouwen takken?"

"Ik heb het nooit gemakkelijker gehad, zelfs niet in mijn
studeervertrek. Wij leven als de vogels! wij zingen! wij fladderen! Ik
zou haast gaan gelooven, dat de menschen bestemd zijn om op de boomen te
leven."

"Het ontbreekt hun alleen maar aan vleugels!" zeide de majoor.

"Die zullen zij vroeger of later wel maken!"

"Sta mij intusschen toe, waarde vriend!" antwoordde Glenarvan, "om het
zand van een park, den vloer van een huis of het dek van een schip boven
deze woning in de lucht te verkiezen!"

"Glenarvan!" antwoordde Paganel, "men moet de dingen nemen, zooals zij
zijn! Zijn zij goed, des te beter. Zijn zij slecht, dan moet men er maar
niet op letten. Ik zie, dat gij naar de gemakken van het kasteel Malcolm
verlangt."

"Neen, maar...."

"Ik ben zeker, dat Robert volmaakt gelukkig is," viel Paganel hem
haastig in de rede, om ten minste één aanhanger voor zijn theorie te
winnen.

"Ja, mijnheer Paganel!" riep Robert vrolijk uit.

"Dat brengt zijn leeftijd mede," antwoordde Glenarvan.

"En de mijne!" zeide de geleerde. "Hoe minder gemaklievend men is, des
te minder behoeften heeft men. Hoe minder behoeften men heeft, des te
gelukkiger is men."

"Mooi zoo!" riep de majoor, "daar gaat Paganel een uitval doen tegen de
rijkdommen en de paleizen."

"Neen, Mac Nabbs!" antwoordde de geleerde; "maar wanneer gij het
verlangt, zal ik u dienaangaande een korte arabische geschiedenis
vertellen, die mij juist te binnen schiet."

"Ja, ja! mijnheer Paganel!" zeide Robert.

"En wat zal uwe geschiedenis bewijzen?" vroeg de majoor.

"Wat alle geschiedenissen bewijzen, mijn wakkere kameraad!"

"Dus niet veel!" antwoordde Mac Nabbs. "Maar begin toch maar,
Sheherazade! en vertel ons een van die sprookjes, die gij zoo goed kunt
vertellen."

"Er was eens," zeide Paganel, "een zoon van den grooten
Haroun-al-Raschid, die niet gelukkig was. Hij ging een ouden dervis
raadplegen. De wijze grijsaard antwoordde hem, dat het geluk niet
gemakkelijk op deze aarde te vinden was. "Toch ken ik," voegde hij er
bij, "een onfeilbaar middel om u het geluk te verschaffen."--"En dat
is?" vroeg de jonge vorst.--"Gij moet," antwoordde de dervis, "het hemd
van een gelukkige aantrekken!"--Daarop omhelsde de jonge vorst den
grijsaard en ging zijn talisman opzoeken. Op zijn reis bezocht hij al de
hoofdsteden der aarde. Hij beproeft de kracht van de hemden van
koningen, keizers, prinsen en heeren. Vergeefsche moeite. Hij wordt maar
niet gelukkiger! Nu doet hij hemden aan van kunstenaars, krijgslieden en
kooplieden. Het baat evenmin. Hij dwaalde dus lang rond zonder het geluk
te vinden. Eindelijk kwam hij, wanhopend over de krachteloosheid van
zooveel hemden, op zekeren morgen zeer bedroefd in het paleis zijns
vaders terug. Daar ziet hij op het land een braven landman, die vrolijk
zingende zijn ploeg volgt. "Dat is toch wel een gelukkig man", zeide hij
bij zich zelven, "of er bestaat geen geluk op deze aarde." Hij gaat naar
hem toe. "Vriend!" zegt hij, "zijt gij gelukkig?"--"Ja!" antwoordt de
andere.--"Begeert gij niets?"--"Neen."--"Zoudt gij uw lot niet willen
ruilen met dat eens konings?"--"Nooit!"--"Welnu, verkoop mij dan uw
hemd!"--"Mijn hemd? ik heb er geen!""


[1] De Engelschen sloegen onder hun koning Eduard III de Franschen in
1346 bij Crecy en onder Hendrik V bij Azincourt in 1415.



XXV.

Tusschen het vuur en het water.


Jacques Paganel legde veel eer in met zijn geschiedenis. Men juichte hem
sterk toe; maar allen hielden hun meening voor zich, en de geleerde
verkreeg den gewonen uitslag van elken redetwist, dat wil zeggen, hij
overtuigde niemand. Op één punt was men het echter eens: dat men zich in
zijn lot moet schikken, en zich met een boom vergenoegen, wanneer men
geen hut noch paleis heeft.

Onder deze en andere gesprekken was de dag verloopen. Een goede slaap
kon het eenige waardige besluit van dien drukken dag zijn. De
boombewoners gevoelden zich niet alleen vermoeid door de gevaren der
overstrooming, maar vooral afgemat door de hitte, welke dien dag
buitengemeen groot was geweest. Hun gevleugelde medgezellen gaven reeds
het sein om te rusten; de "hilguero's," die nachtegalen der pampa,
staakten reeds hun welluidend gezang en alle vogels in den boom waren in
het diepste donker der bladeren verdwenen. Het best wat men kon doen was
hun voorbeeld te volgen.

Alvorens echter "in hun nest te kruipen" zooals Paganel het uitdrukte,
klommen Glenarvan, Robert en hij naar het observatorium, om nog eens de
watervlakte te onderzoeken. Het was omstreeks negen ure. De zon ging
onder in de vonkelende nevels van den westelijken gezigteinder. Die
geheele helft van het hemelgewelf tot aan het toppunt baadde zich in
heete dampen. De schitterende gesternten van het zuidelijk halfrond
schenen met ligt gaas omsluijerd en begonnen flaauw te schijnen.
Niettemin waren zij helder genoeg om ze te onderscheiden, en Paganel
maakte zijn vriendje Robert opmerkzaam op die poolstreek, waar de
sterren zoo heerlijk flonkeren. Ook Glenarvan trok daar nut uit. Onder
anderen wees hij hem op het Zuiderkruis, een groep van vier sterren van
de eerste en tweede grootte, die in den vorm van een ruit digt bij de
pool staan; den Centaurus, waarin de ster schittert die het digtst bij
de aarde staat, daar zij er slechts acht millioenen uren van verwijderd
is; de wolken van Magellaan, twee zeer groote nevelvlekken, waarvan de
grootste een ruimte beslaat, die twee honderd maal grooter is dan de
schijnbare oppervlakte der maan; eindelijk nog dat "zwarte gat," waar
een volslagen gebrek aan sterren schijnt te bestaan.

Het speet hem zeer, dat Orion, die op beide halfronden zigtbaar is, zich
nog niet vertoonde; maar hij deelde zijn beiden leerlingen een
merkwaardige bijzonderheid mede uit de beschrijving van Patagonië. In
het oog van die dichterlijke Indianen stelt Orion een ontzaggelijken
lasso en drie bola's voor, welke de hand van den jager, die de weiden
des hemels doorloopt, geslingerd heeft. Al die sterrebeelden, welke de
spiegelgladde oppervlakte des waters weerkaatste, wekten de bewondering
op, door als het ware een dubbelen hemel rondom de aanschouwers te
scheppen.

Terwijl de geleerde Paganel zoo sprak, kreeg de geheele oostelijke
gezigteinder een stormachtig voorkomen. Een dikke en donkere, scherp
begrensde wolkenlaag kwam langzamerhand opzetten, en onderschepte het
licht der sterren. Die zoo dreigende wolk bedekte weldra de eene helft
van het hemelgewelf, dat zij scheen te dempen. De kracht, die haar
voortstuwde, moest in haar zelve liggen, want er was geen windje aan de
lucht; de luchtlagen bleven in ongestoorde rust; het was bladstil; geen
golfje krulde de oppervlakte des waters; er scheen zelfs geen lucht te
zijn, alsof het een of ander groote luchtwerktuig haar verdund had. De
dampkring was verzadigd met electriciteit van hooge drukking, en elk
levend wezen voelde ze langs zijn zenuwen stroomen.

Die electrische golven maakten een diepen indruk op Glenarvan, Paganel
en Robert.

"Wij krijgen onweer," zeide Paganel.

"Zijt gij niet bang voor den donder?" vroeg Glenarvan den knaap.

"Wel neen, mylord!" antwoordde Robert.

"Des te beter; want het onweer is niet veraf."

"En het zal zwaar zijn," hernam Paganel, "naar het voorkomen der lucht
te oordeelen."

"Het onweer maakt mij niet ongerust," hervatte Glenarvan; "maar wel de
stortregens die er mede gepaard zullen gaan. Wij zullen tot op het hemd
toe nat worden. Gij moogt zeggen wat gij wilt, Paganel! een nest is niet
voldoende voor een mensch, zooals gij spoedig tot uw nadeel zult
leeren."

"O! met wat wijsbegeerte!" antwoordde de geleerde.

"Maar die wijsbegeerte beschut niet tegen den regen."

"Neen, maar zij verwarmt."

"Kom!" zeide Glenarvan, "wij zullen onze vrienden maar opzoeken en hen
waarschuwen om zich zoo digt mogelijk in hun wijsbegeerte en hun mantels
te wikkelen, en vooral om geduld op te doen, want dat zullen wij noodig
hebben!"

Glenarvan sloeg nog een laatsten blik op den dreigenden hemel. De
wolkenmassa bedekte hem nu geheel en al. Ter naauwernood viel er op een
onduidelijke streep in het westen nog wat schemerlicht. Het water kreeg
een donkere kleur en geleek op een groote laaghangende wolk, die op het
punt stond met de zware dampen ineen te smelten. De schaduw was niet
eens meer zigtbaar. De gewaarwordingen van licht of gedruisch drongen
niet meer tot de oogen of de ooren door. De stilte werd even diep als de
duisternis.

"Laten wij naar beneden gaan!" zeide Glenarvan, "het zal spoedig gaan
bliksemen."

Hij liet zich met zijn beide vrienden langs de gladde wanden afglijden;
zij waren verwonderd, toen zij in een soort van zeer verrassend
halflicht kwamen; het werd voortgebragt door een ontelbare menigte
lichtgevende punten, die op de oppervlakte des waters al gonzende door
elkander vlogen.

"Is dat het lichten van het water?" vroeg Glenarvan.

"Neen!" antwoordde Paganel. "Het zijn lichtgevende insecten, echte
Johannes-kevers, levende en goedkoope diamanten, waarvan de dames in
Buenos-Ayres prachtige tooisels maken!"

"Wat!" riep Robert, "zijn dat insecten, die daar als vonken vliegen?"

"Ja, mijn jongen!"

Robert maakte zich van een van die schitterende insecten meester.
Paganel had zich niet vergist. Het was een soort van groote zweefvlieg,
wel een duim lang, die de Indianen "tuco-tuco" noemen. Dit merkwaardig
schildvleugelig insect gaf licht uit twee vlekken, vooraan zijn
borststuk; dat licht was helder genoeg om er in de duisternis bij te
lezen. Paganel bragt het insect bij zijn horlogie en kon zien, dat het
op tien ure stond.

Toen Glenarvan weder bij den majoor en de drie zeelieden was, beval hij
hun de noodige voorzorgen voor den nacht aan. Er was een geducht onweder
ophanden. Na het eerste gerommel van den donder zou de wind zonder
twijfel losbreken en de boom sterk geschud worden. Elk werd dus verzocht
om zich stevig vast te sjorren in het bed van takken, dat hem ten deel
was gevallen. Al kon men het water uit den hemel niet ontgaan, men moest
zich toch wachten voor het water van de aarde, en niet in dien snellen
stroom vallen, die tegen den voet des booms brak.

Men wenschte elkander dus goeden nacht, zonder er echter veel op te
rekenen. Daarna kropen allen in hun luchtige legersteden, draaiden zich
in hun mantels en wachtten den slaap af.

Maar de nadering der groote natuurverschijnsels veroorzaakt in het hart
van elk gevoelig wezen een zekere onbestemde onrust, waarvan de
sterksten zich niet kunnen ontdoen. Ongerust en ternedergeslagen konden
de boombewoners geen oog toedoen, en vond de eerste donderslag hen allen
wakende. Dit had even vóór elven plaats in den vorm van een verwijderd
gerommel. Glenarvan kroop naar het uiteinde van den liggenden tak en
waagde het zijn hoofd buiten het gebladerte te steken.

De donkere nachtelijke hemel was reeds gescheurd door heldere en
schitterende inkervingen, die het water van het meer zuiver weerkaatste.
De wolken scheurden op verscheidene plaatsen, maar als een zacht en
katoenachtig weefsel zonder knersend geluid. Na het toppunt en den
gezigteinder, die in dezelfde duisternis ineenliepen, waargenomen te
hebben, keerde Glenarvan naar den top van den stam terug.

"Wat zegt gij er van, Glenarvan?" vroeg Paganel.

"Ik zeg, dat het een mooi begin is, vrienden! en dat, als het zoo
voortgaat, het onweer verschrikkelijk zal zijn."

"Des te beter!" antwoordde Paganel opgewonden "ik mag lijden dat het een
mooi schouwspel zal zijn, daar ik het toch niet ontloopen kan."

"Dat is weer een van uw theoriën," zeide de majoor.

"En een van mijn beste, Mac Nabbs! Ik ben het met lord Glenarvan eens,
dat het een heerlijk onweer zal zijn. Daar even, terwijl ik trachtte te
slapen, heb ik mij verscheidene feiten herinnerd, die mij er hoop op
geven; want wij zijn juist in de streek der groote electrieke stormen.
Zoo heb ik ergens gelezen, dat in 1793, juist in de provincie
Buenos-Ayres, de bliksem zeven en dertig maal gedurende één onweder is
ingeslagen. Mijn ambtgenoot, de heer Massin de Moussy, heeft een
onafgebroken gerommel van vijf en vijftig minuten waargenomen."

"Met het horlogie in de hand?" vroeg de majoor.

"Met het horlogie in de hand. Maar één ding zou mij ongerust kunnen
maken," voegde Paganel er bij, "indien de ongerustheid kon dienen om het
gevaar te ontgaan, namelijk, dat het eenige uitstekende punt dezer
vlakte juist de boom is, waarop wij ons bevinden. Een bliksemafleider
zou hier goed te pas komen, want onder al de boomen der pampa is het
juist deze, welke den bliksem bijzonder aantrekt. Gij weet ook,
vrienden! dat de geleerden verbieden om als het onweert een schuilplaats
onder de boomen te zoeken."

"Goed!" zeide de majoor; "die waarschuwing komt op haar tijd!"

"Ik moet bekennen, Paganel!" antwoordde Glenarvan, "dat gij een goed
oogenblik kiest om ons al die geruststellende dingen te vertellen!"

"Ba!" zeide Paganel, "alle oogenblikken zijn goed om wat te leeren. Ha!
daar begint het!"

Hevige donderslagen braken dit ongelegen gesprek af; hun kracht groeide
aan, hun geluid werd steeds sterker; zij kwamen naderbij en gingen van
de lage tot de middelstem over, om aan den zang een zeer juiste
vergelijking te ontleenen. Weldra werden zij knersend en bragten zij de
snaren der lucht in een snel trillende beweging. De hemel stond in vuur,
en in dien gloed kon men niet onderscheiden welke electrieke vonk dat
tot in het oneindige verlengde gerommel veroorzaakte, dat de echo tot
aan de uiteinden des hemels voortplantte.

De onophoudelijke bliksemstralen namen allerlei gedaanten aan. Sommige,
die loodregt naar de aarde werden geslingerd, herhaalden zich tot vijf
en zes malen toe op dezelfde plaats. Andere zouden in de hoogste mate de
nieuwsgierigheid van een geleerde opgewekt hebben; want heeft Arago in
zijn merkwaardige statistiek maar twee voorbeelden van gevorkte
bliksemstralen opgenomen, hier kwamen zij bij honderden voor. Sommige
die zich in duizend verschillende takken verdeelden, vertoonden zich aan
het oog als koraalvormige zigzaglijnen, en bragten op het hemelgewelf
verbazende spelingen van boomvormig licht te weeg.

Weldra was de geheele hemel van het oosten naar het noorden onderspannen
door een sterk lichtgevende phosphorische strook. Die brand breidde zich
langzamerhand langs den geheelen gezigteinder uit, zette de wolken in
vuur, als waren zij een opeenhooping van brandstoffen, en weldra door
het spiegelende water teruggekaatst, vormde hij een onmetelijken
vuurbol, waarvan de boom het middelpunt uitmaakte.

In stilte beschouwden Glenarvan en zijn makkers dat schrikwekkend
tooneel. Trouwens, zij zouden elkander toch niet verstaan hebben.
Stroomen wit licht vielen op hen, en in dat kortstondige schijnsel
verschenen en verdwenen plotseling nu eens de kalme houding van den
majoor, dan weder het nieuwsgierige gelaat van Paganel of de krachtige
trekken van Glenarvan, soms ook het ontstelde gezigt van Robert of het
onbezorgde voorkomen der matrozen, naarmate dat spookachtige licht hen
bescheen.

Intusschen bleef het nog altijd droog en stil. Maar weldra werden de
sluizen des hemels geopend en loodregte strepen als de draden van een
wever op den zwarten grond des hemels gespannen. Die groote
regendruppels spatten, wanneer zij de oppervlakte des meers raakten, in
duizenden vonken op, die het bliksemvuur verlichtte.

Kondigde die regen het einde van het onweer aan? Zouden Glenarvan en
zijn makkers vrij komen met eenige krachtig toegediende stortbaden?
Neen. In het hevigst van die worsteling van het vuur des hemels,
verscheen plotseling aan het uiteinde van dien liggenden hoofdtak een
vuurbol, zoo groot als een vuist en door zwarten rook omgeven. Na eenige
seconden achtereen rondgedraaid te hebben, sprong die bol als een bom
met zulk een geraas, dat het hoorbaar was in het midden van het
algemeene tumult. Zwaveldamp vervulde den dampkring. Er ontstond een
oogenblik stilte, en men kon de stem van Tom Austin hooren, die riep:
"De boom staat in brand!"

Tom Austin vergiste zich niet. In een oogenblik liep de vlam, alsof zij
zich aan een ontzaggelijk groot vuurwerk had medegedeeld, langs den
geheelen westkant van den boom; het doode hout, de nesten van gedroogd
gras, en eindelijk het sponsachtige spint verschaften rijkelijk voedsel
aan haar verslindende kracht.

De wind stak nu op en blies dien brand aan. Zij moesten vlugten.
Sprakeloos, ontsteld, verschrikt, klauterende, glijdende, zich op takken
wagende, die onder hunne zwaarte bogen, vlugtten Glenarvan en de zijnen
in alle haast naar het oostelijk gedeelte van den boom, dat de vlam tot
nog toe gespaard had. Intusschen verschrompelden, kraakten en kronkelden
de takken in het vuur als levend verbrande slangen; hun witgloeijende
overblijfselen vielen in het water en dreven, een rooden gloed
verspreidende, met den stroom mede. Nu eens verhieven zich de vlammen
tot een ontzettende hoogte en verdwenen zij in den brand van den
dampkring; door den losgebroken orkaan nedergeslagen, wikkelden zij zich
dan weder om den boom, gelijk het kleed van Nessus. Glenarvan, Robert,
de majoor, Paganel, de matrozen, allen waren verstijfd van schrik; de
digte rook deed hen stikken; een onuitstaanbare hitte verschroeide hen,
reeds naderde de brand dat gedeelte van den boom, waar zij zich
bevonden; niets kon hem stuiten noch blusschen, en zij zagen zich
onherroepelijk veroordeeld tot de doodstraf van die slagtoffers, die in
de gloeijende holte eener hindoesche godheid zijn opgesloten.

Eindelijk was de toestand niet houdbaar meer, en moesten zij van twee
dooden den minst pijnlijken kiezen.

"Te water!" riep Glenarvan.

Reeds was Wilson, dien de vlammen bereikten, in het meer gesprongen,
toen men hem in den doodelijksten angst hoorde roepen:

"Help! help!"

Austin sprong hem na en hielp hem weder op den top van den stam.

"Wat is er gebeurd?"

"De kaaimans! de kaaimans!" antwoordde Wilson. En werkelijk bleek de
voet des booms omringd te zijn door de vreeselijkste dieren van de orde
der hagedissen. Hun schubben vonkelden in de breede lichtstrepen, die de
brand wierp, hun regtopstaande afgeplatte staart, hun kop gelijk aan het
ijzer eener lans, hun uitpuilende oogen, hun tot achter de ooren
gespleten kaken, al die kenmerken bewezen Paganel met wie hij te doen
had. Hij herkende de wreede alligators, die in Amerika gevonden en in de
spaansche bezittingen kaaimans genoemd worden. Er waren er wel tien bij
elkaar; zij sloegen met hun vreeselijken staart op het water en tastten
den boom aan met de lange tanden hunner onderkaak.

Op dit gezigt gevoelden de ongelukkigen, dat zij verloren waren. Een
verschrikkelijke dood wachtte hen, onverschillig of zij in de vlammen of
door de tanden der kaaimans omkwamen. De majoor zelfs zeide op een
bedaarden toon:

"Dat zou wel het einde van het einde kunnen zijn."

Er zijn omstandigheden, waarin de mensch buiten magte is om te
worstelen, en waarin de losgelaten elementen alleen door andere
elementen kunnen bestreden worden. Met een verwilderde blik staarde
Glenarvan op het vuur en het water, die zich tegen hem verbonden hadden,
en wist niet meer welke hulp hij van den hemel zou afsmeeken.

De storm was nu aan het afnemen; maar hij had in den dampkring een
aanzienlijke hoeveelheid dampen ontwikkeld, waaraan de electrische
verschijnselen een buitengewone kracht zouden mededeelen. In het zuiden
vormde zich allens een ontzaggelijke hoos, een kegel van dampen, met de
punt naar beneden en de basis naar boven, die het kokende water met de
onweerswolken verbond. Dit luchtverschijnsel naderde weldra, met
duizelingwekkende snelheid ronddraaiende, het trok in zijn middelpunt
een waterzuil op, die het meer moest afstaan, terwijl het door de kracht
van zijn draaijende beweging al de luchtstroomen uit den omtrek tot zich
trok.

Binnen weinige oogenblikken stortte de reusachtige hoos zich op den boom
en kronkelde zich er om heen. De boom werd tot in zijn wortels geschokt.
Glenarvan meende, dat de kaaimans hem met hun stevige kaken aangrepen en
uit den grond haalden. Hij en zijn makkers hielden elkander stijf vast;
zij voelden dat de sterke boom bezweek en omviel; zijn brandende takken
stortten met een vreeselijk gesis in het onstuimige water. Dat alles was
het werk van een seconde. De hoos was reeds voorbij en ging elders haar
verwoestende kracht uitoefenen, terwijl zij het meer op haar doortogt
scheen leeg te pompen.

De boom, die nu op het water rustte, dreef weg onder de vereenigde
pogingen van wind en stroom. De kaaimans waren gevlugt op één na, die op
de omgekeerde wortels kroop en met opgesperde kaken naderde; maar
Mulrady brak een half verkoolden tak af en gaf er het dier zulk een
zwaren slag mede, dat hij zijn lendenen verbrijzelde. Zoo onzacht
bejegend dook de kaaiman onder in de kolken van den stroom, dien hij nog
met verbazende kracht met zijn geduchten staart beukte.

Van die vraatzuchtige hagedissen bevrijd, haastten Glenarvan en zijn
makkers zich om de takken te bereiken, die te loefwaarts van den brand
lagen, terwijl de boom, wiens vlammen door den storm aangeblazen wel
witgloeijende zeilen geleken, in de schaduw van den nacht als een
aangestoken brander voortdreef.



XXVI.

De Atlantische Oceaan.


Twee uren lang dreef de boom op het onmetelijke meer zonder land te
bereiken. De vlammen, die aan hem knaagden, waren langzamerhand
uitgegaan. Het dreigendste gevaar op dien verschrikkelijken overtogt was
geweken. De majoor vergenoegde zich met te zeggen, dat het niet te
verwonderen zou zijn, indien zij gered werden.

De stroom had zijn eerste rigting behouden en liep nog altijd van het
zuidwesten naar het noordoosten. De duisternis, die naauwelijks hier en
daar door een enkelen bliksemstraal verlicht werd, was weder even
ondoordringbaar geworden, en te vergeefs zocht Paganel naar
herkenningspunten aan den gezigteinder. Het onweder was zoo goed als
voorbij. De groote regendroppels werden vervangen door ligt zeestof, dat
de wind opjoeg, en de dikke wolken, van haar vocht beroofd, verdeelden
zich in de bovenlucht.

De boom dreef snel voort met den onstuimigen stroom; hij gleed met
verbazende vaart verder, alsof onder zijn schors een sterk voortbewegend
werktuig verborgen ware. Er was niets waaruit men kon opmaken, hoelang
die vaart wel zou duren. Tegen drie ure in den morgen echter merkte de
majoor op, dat zijn wortels soms langs den grond schuurden. Met behulp
van een langen afgebroken tak peilde Tom Austin hoogst zorgvuldig en
bevond, dat de bodem langzaam rees. Werkelijk had er twintig minuten
later een schok plaats, zoodat de boom op eens onbewegelijk bleef
liggen.

"Land! land!" riep Paganel met donderende stem.

Het uiteinde der verkoolde toppen had gestooten tegen een verhevenheid
van den grond. Geen zeevaarder was ooit blijder, dat hij aan den grond
mogt raken. De klip was hier de haven.

Reeds hieven Robert en Wilson, nu zij land onder zich voelden, een
vreugdekreet aan, toen zij een welbekend fluitje vernamen. De galop van
een paard klonk over de vlakte, en weldra verhief zich de lange gestalte
van den Indiaan in de schaduw.

"Thalcave!" riep Robert.

"Thalcave!" herhaalden al zijn makkers.

"Vrienden!" zeide de Patagoniër, die de reizigers had afgewacht ter
plaatse, waar de stroom hen moest brengen, daar hij zelf op die plek was
aangespoeld.

Tevens nam hij Robert Grant in zijn armen, zonder te vermoeden, dat
Paganel zich aan hem vastklemde, en drukte hem aan zijn hart. Glenarvan,
de majoor en de zeelieden, verheugd hun getrouwen gids weder te zien,
drukten hem weldra met hartelijkheid de hand. Vervolgens geleidde de
Patagoniër hen onder het afdak eener verlatene vetweiderij. Daar vlamde
een goed vuur aan den haard, dat hen verwarmde, en braadden sappige
repen wildbraad, waarvan zij geen kruimeltje overlieten. En toen zij
genoegzaam bekomen waren om na te denken, kon niemand hunner gelooven,
dat hij aan dat verschrikkelijke gevaar was ontkomen, aan het water, het
vuur en de vreeselijke kaaimans der argentijnsche rivieren.

Met weinige woorden vertelde Thalcave zijn geschiedenis aan Paganel, en
stelde hij al de eer van hem gered te hebben op rekening van zijn moedig
paard. Paganel trachtte hem nu de nieuwe uitlegging van het document aan
het verstand te brengen en welke verwachtingen zij daarop meenden te
mogen bouwen. Begreep de Indiaan de schrandere onderstellingen van den
geleerde wel? Men mag het betwijfelen; maar hij zag, dat zijn vrienden
vol vertrouwen waren, en dat was alles, wat hij verlangde.

Men zal wel willen gelooven, dat die onverschrokken reizigers na hun
rustdag op den boom zich niet lieten bidden om weder op weg te gaan. Des
morgens ten acht ure waren zij gereed om te vertrekken. Men was te ver
zuidwaarts van de vetweiderijen en zouterijen af om zich middelen van
vervoer te verschaffen. Het was dus volstrekt noodig om te voet te gaan.
De geheele weg was dan ook maar veertig mijlen[1] lang, en Thaouka zou
niet weigeren om van tijd tot tijd een vermoeiden voetganger, zoo noodig
zelfs twee te dragen. In zes en veertig uren kon men de kust van den
Atlantischen Oceaan bereiken.

Toen het tijd was, verlieten de gids en zijn makkers het nog met water
bedekte onmetelijke laagland en gingen zij op weg over hooger gelegene
vlakten. Het argentijnsche gebied leverde weder zijn eentoonig voorkomen
op; eenig houtgewas, door europeesche handen geplant, stak hier en daar
boven het gras uit, maar het was toch even schaarsch als in den omtrek
van het Tandil- en het Tapalquem-gebergte; de inlandsche boomen wagen
het alleen om aan den zoom der lange grasvlakten en in de nabijheid van
kaap Corrientes te groeijen.

Zij legden dien dag een heel eind af. Vijftien mijlen van den Oceaan af,
deed zijn nabijheid zich des anderen daags reeds gevoelen. De "virazon,"
een zonderlinge wind, die regelmatig na den middag en na middernacht
waait, bragt het gras in eene golvende beweging. Op den schralen bodem
verhieven zich dunne bosschen, kleine boomachtige mimosa-planten,
acacia-struiken en bosjes "curra-mabol." Eenige plassen met zout water
spiegelden als stokken glas, en bemoeijelijkten den togt, daar men ze
moest omtrekken. Zij verhaastten hun schreden om nog dienzelfden dag het
meer Salado op de kust des Oceaans te bereiken, waardoor de reizigers
natuurlijk vrij vermoeid waren, toen zij des avonds ten acht ure de
twintig vademen hooge zandduinen bemerkten, die den schuimenden kant der
zee begrenzen. Weldra klonk het aanhoudend geraas van het wassende water
hun in de ooren.

"De Oceaan!" riep Paganel.

"Ja, de Oceaan!" herhaalde Thalcave.

En met opmerkelijke gezwindheid beklommen de wandelaars, die schijnbaar
geheel krachteloos waren, de duinen.

Maar het was reeds donker. Te vergeefs trachtten hunne blikken door de
digte duisternis heen te boren. Zij zochten de _Duncan_, maar bespeurden
haar niet.

"En toch is zij er," riep Glenarvan, "zij laveert met kleine gangen om
ons te wachten!"

"Morgen zullen wij haar wel zien," antwoordde Mac Nabbs.

Tom Austin praaide het onzigtbare jagt op de gis af, maar kreeg geen
antwoord. De wind was dan ook zeer sterk en de zee stond vrij hol; de
westewind joeg de wolken voort, en de schuimende kuif der golven vloog
als fijn stof over de duinen. Al was dus de _Duncan_ op de afgesprokene
plaats, dan kon de matroos in den mast toch evenmin hooren als gehoord
worden. De kust leverde geen schuilplaats op. Geen baai, geen inham,
geen haven. Zelfs geen kreek. Zij bestond uit lange zandbanken, die ver
in zee liepen, en welker nadering gevaarlijker is dan die van de blinde
klippen. De banken veroorzaken namelijk een zware branding; de zee is er
zeer hol en de schepen, die door stormweer op die zandige gronden
stranden, zijn onherstelbaar verloren.

Het was dus zeer natuurlijk, dat de _Duncan_ op een afstand bleef van
die gevaarlijke kust zonder vlugthaven. Met zijn gewone voorzigtigheid
moest John Mangles er zoover mogelijk van afhouden. Zoo dacht Tom Austin
er althans over; ook verklaarde hij, dat de _Duncan_ minstens vijf
mijlen ver van de kust moest blijven.

De majoor vermaande dus zijn ongeduldigen vriend om zich aan zijn lot te
onderwerpen. Er bestond geen middel om die digte duisternis te
verdrijven. Wat zou het dan baten om zijn oogen te vermoeijen met het
staren op den zwarten gezigteinder?

Dit gezegd hebbende, sloeg bij een soort van legerplaats achter de
duinen op; de laatste voorraad diende voor den laatsten maaltijd op deze
reis; daarna groeven allen in navolging van den majoor een soort van bed
in een vrij gemakkelijke holte, en de ontzaggelijke deken van zand tot
aan de kin ophalende, vielen zij in een diepen slaap.

Glenarvan alleen waakte. Er woei bij voortduring een stevige koelte, en
de Oceaan ondervond nog de nawerking van den laatsten storm. Zijn altijd
ontroerde baren braken met donderend geraas op de banken. Glenarvan kon
maar niet gelooven, dat de _Duncan_ zoo digt bij was. En toch kon hij
ook niet aannemen, dat zij niet op de afgesprokene plaats zou zijn.
Glenarvan had den 14den October de baai van Talcabuano verlaten en was
den 12den November aan de kust van den Atlantischen Oceaan gekomen. In
dien tijd van dertig dagen nu, dien zij noodig hadden gehad om Chili, de
Cordillera, de pampa's en de argentijnsche vlakte door te reizen, had de
_Duncan_ ruimschoots gelegenheid gehad om kaap Hoorn om te zeilen en de
tegenoverliggende kust te bereiken. Voor zulk een goed zeiler bestond
geen oponthoud; de storm was zeker geweldig geweest en had zwaar gewoed
op de ontzaggelijke kampplaats, den Atlantischen Oceaan; maar het jagt
was een goed schip en de kapitein een goed zeeman. Hij moest er wezen,
bij gevolg was hij er.

Die overdenkingen bragten echter Glenarvan niet tot bedaren. Wanneer
hart en rede elkander bestrijden, is deze zelden de sterkste. De heer
van Malcolm-Castle tastte in die duisternis allen, die hij liefhad, zijn
lieve Helena, Mary Grant, de geheele bemanning zijner _Duncan_. Hij
dwaalde langs den eenzamen oever, dien de golven met hun lichtgevende
loovertjes bedekten. Hij zag toe, hij luisterde, hij meende zelfs van
tijd tot tijd een flaauw schijnsel op zee waar te nemen.

"Ik bedrieg mij niet," zeide hij bij zichzelven; "ik heb het licht van
een schip gezien! het licht van de _Duncan_. Ach! konden mijn blikken
maar door die digte duisternis heenboren!"

Daar rees een gedachte bij hem op. Paganel beweerde, dat hij nachtziende
was, Paganel kon des nachts zien. Hij ging Paganel wekken.

De geleerde sliep als een mol in zijn gat, toen een sterke arm hem onder
zijn deken van zand weghaalde.

"Wie daar?" riep hij.

"Ik, Paganel!"

"Wie is dat, ik?"

"Glenarvan. Kom, ik heb uwe oogen noodig."

"Mijne oogen?" antwoordde Paganel, ze sterk wrijvende.

"Ja, uwe oogen, om onze _Duncan_ in die duisternis te onderscheiden.
Kom! ga mede!"

"De duivel hale het nachtzien!" zeide Paganel, die echter innerlijk
verheugd was, dat hij Glenarvan van dienst kon zijn.

En opstaande, zich uitrekkende en geeuwende, als iemand die wakker
wordt, volgde hij zijn vriend naar het strand.

Glenarvan verzocht hem om den duisteren gezigteinder der zee te
onderzoeken. Eenige minuten lang zag Paganel met de grootste
oplettendheid rond, maar zonder iets te ontdekken.

"Hoe is het! bemerkt gij niets?" vroeg Glenarvan.

"Niets! een kat zelfs zou geen twee schreden voor zich uit kunnen zien."

"Zoek een rood licht of een groen licht, dat is te zeggen, een
bakboordslicht of een stuurboordslicht."

"Ik zie noch een groen noch een rood licht! Alles is zwart!" antwoordde
Paganel, wiens oogen zich onwillekeurig sloten.

Een half uur lang volgde hij werktuigelijk zijn ongeduldigen vriend, nu
eens het hoofd op de borst latende zakken, en het dan weder plotseling
oprigtende. Hij antwoordde niet, hij sprak niet meer. Hij slingerde heen
en weder als een beschonkene. Glenarvan zag Paganel aan. Paganel sliep
loopende.

Glenarvan greep hem nu bij den arm en bragt hem, zonder hem wakker te
maken, naar zijn gat terug, waar hij hem behoorlijk instopte.

Bij het krieken van den dag vlogen allen overeind op het geroep van: "De
_Duncan_! de _Duncan_!"

"Hoera! hoera!" riepen de medgezellen van Glenarvan, terwijl zij naar
den oever snelden.

Werkelijk lag het jagt, vijf mijlen ver in zee, met gereefde zeilen
onder halven stoom; zijn rook vermengde zich met de ochtendnevels. De
zee was zeer onstuimig, en een schip van dien inhoud kon niet zonder
gevaar den voet der banken naderen.

Met den verrekijker van Paganel gewapend, bespiedde Glenarvan de
bewegingen der _Duncan_. John Mangles had zeker zijn passagiers niet
gezien; althans hij manoeuvreerde niet en bleef met bakboordshalzen
zeilen onder digtgereefd marszeil.

Maar thans loste Thalcave, na zijn karabijn goed aangezet te hebben,
zijn wapen in de rigting van het jagt.

Men luisterde. Men zag vooral uit. Driemaal wekten de losbrandingen der
karabijn de echo's der duinen op.

Eindelijk steeg er een witte rook van het jagt op.

"Zij hebben ons gezien!" riep Glenarvan. "Het is het kanon van de
_Duncan_!"

En eenige seconden later hoorde men op den oever flaauwtjes het doffe
geluid eener losbranding. Terstond veranderde de _Duncan_ haar marszeil,
stookte haar vuren aan, en maakte de noodige bewegingen om zoo digt
mogelijk aan de kust te komen.

Met behulp van den kijker zag men spoedig een boot van het schip
afsteken.

"Lady Helena zal niet kunnen komen," zeide Tom Austin, "de zee is te
onstuimig!"

"John Mangles evenmin," antwoordde Mac Nabbs, "hij kan zijn schip niet
verlaten."

"Zuster! lieve zuster!" riep Robert, zijn armen naar het jagt
uitstekende, dat geducht slingerde.

"O! hoe verlang ik aan boord te zijn!" riep Glenarvan.

"Geduld, Edward! Gij zult er binnen twee uren zijn," antwoordde de
majoor.

Twee uren! De sloep, met zes roeijers bemand, kon inderdaad niet in
korter tijd de heen- en terugreis volbrengen.

Nu begaf Glenarvan zich naar Thalcave, die met over elkander geslagen
armen, naast Thaouka staande, rustig de golvende oppervlakte der zee
gadesloeg.

Glenarvan vatte zijn hand en zeide, hem het jagt wijzende:

"Kom!"

De Indiaan schudde zachtjes het hoofd.

"Kom, mijn vriend!" hernam Glenarvan.

"Neen!" antwoordde Thalcave zachtjes. "Hier is Thaouka, en dààr zijn de
pampa's!" voegde hij er met een hartstogtelijk gebaar bij, als wilde hij
de onmetelijke vlakte omhelzen.

Glenarvan begreep wel, dat de Indiaan nooit het land zou willen
verlaten, waar het gebeente zijner vaderen rustte. Hij kende de vrome
gehechtheid van die kinderen der woestijn aan hun geboorteland. Hij
drukte dus Thalcave de hand en drong er niet verder op aan. Hij hield
ook evenmin aan, toen de Indiaan, op zijne eigenaardige wijze
glimlagchende, alle belooning voor zijn diensten van de hand wees met de
woorden: "Uit vriendschap!"

Glenarvan kon hem van aandoening niet antwoorden. Hij zou toch zoo
gaarne den braven Indiaan iets achterlaten, dat hem aan zijn vrienden
uit Europa kon doen denken. Maar wat was hem overgebleven? Zijn paarden,
zijn wapenen, alles had hij verloren bij die noodlottige overstrooming.
Zijn vrienden waren niet rijker dan hij.

Hij wist dus niet, hoe hij de belangeloosheid van den braven gids zou
vergelden, toen hem iets te binnen schoot. Hij haalde uit zijn
brieventasch een kostbaar medaillon met een bewonderenswaardig portret,
een kunststuk van Lawrence, en bood het den Indiaan aan.

"Mijn vrouw!" zeide hij.

Thalcave beschouwde met aandoening het portret en zeide niets anders
dan:

"Schoon en goed!"

Vervolgens gingen Robert, Paganel, de majoor, Tom Austin en de beide
matrozen een roerend afscheid van den Patagoniër nemen. Die brave lieden
waren zeer aangedaan, nu zij dien onverschrokken en verknochten vriend
moesten verlaten. Thalcave drukte hen allen aan zijn breede borst.
Paganel drong hem eene kaart van Zuid-Amerika en der beide Oceanen op,
die de Indiaan dikwijls met belangstelling had beschouwd. Het was het
kostbaarste, dat de geleerde bezat. Robert had slechts liefkozingen uit
te deelen; hij spaarde ze niet voor zijn redder, en Thaouka werd bij die
uitdeeling niet over het hoofd gezien.

In dit oogenblik naderde de sloep van de _Duncan_; zij gleed in een
naauw vaarwater tusschen de banken door en zette het weldra op het
strand.

"Mijn vrouw?" vroeg Glenarvan.

"Mijn zuster?" riep Robert.

"Lady Helena en miss Grant wachten u aan boord," antwoordde de stuurman
der sloep. "Maar wij moeten vertrekken, Uwe Edelheid! wij hebben geen
oogenblik te verliezen, want de ebbe begint reeds."

Allen omhelsden nog eens den Indiaan. Thalcave vergezelde zijn vrienden
tot aan de sloep, die weder vlot werd gemaakt. Toen Robert haar zou
bestijgen, nam de Indiaan hem in zijn armen en zag hem liefderijk aan.

"En nu, ga!" zeide hij, "gij zijt een man!"

"Vaarwel, mijn vriend! vaarwel!" riep Glenarvan nog eens.

"Zullen wij elkander nimmer wederzien?" vroeg Paganel.

"Wie weet?" antwoordde Thalcave zijn hand hemelwaarts rigtende.

Dit waren de laatste woorden van den Indiaan, die in den wind vervlogen.

Men stak van wal. De boot werd door het vallende water medegesleept. Nog
lang was Thalcave, die roerloos staan bleef, door het schuim der baren
heen zigtbaar; vervolgens kromp zijn lange gestalte ineen, en eindelijk
verdween hij uit de oogen zijner vrienden van éénen dag.

Een uur later sprong Robert het eerst aan boord van de _Duncan_ en viel
hij Mary Grant om den hals, terwijl de bemanning van het jagt de lucht
met haar vrolijk hoera vervulde.

Zoo was de togt door Zuid-Amerika afgeloopen. Bergen noch rivieren
hadden de reizigers van hun weg kunnen afbrengen, en hadden zij al niet
te kampen gehad met de kwaadwilligheid der menschen,--de losgelaten
elementen hadden hun edelmoedige onverschrokkenheid dikwijls op zware
proeven gesteld.


[1] Omtrent vijftien uren.





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "De kinderen van Kapitein Grant, eerste deel (van 3) - Zuid-Amerika" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home