Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: De kinderen van Kapitein Grant, derde deel (van 3) - De Stille Oceaan
Author: Verne, Jules, 1828-1905
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "De kinderen van Kapitein Grant, derde deel (van 3) - De Stille Oceaan" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.

DERDE DEEL (OF 3)***


(http://www.freeliterature.org) from page images generously made available
by the Google Books Library Project (http://books.google.com) and
Bibliothèque nationale de France (http://www.bnf.fr)



      file which includes illustrations.
      Images of the original text pages are available
      through the the Google Books Library Project. See
      http://books.google.com/books?id=0LorAAAAMAAJ&printsec=titlepage


      The illustrations used in this e-book are taken from the
      1868 French edition, Les Enfants du Capitaine Grant,
      published by J. Hetzel (Paris). The original images are
      available througn Bibliothèque nationale de France, See
      http://gallica.bnf.fr/ark:/12148/btv1b8600254s.r=.langEN


DE KINDEREN VAN KAPITEIN GRANT

Naar het fransch van

JULES VERNE

DERDE DEEL.

DE STILLE OCEAAN.



Leyden,
De Breuk & Smits.
1868.



I.

De Macquarie.


Zoo ooit, dan moesten thans, nu alles hun te gelijk ontviel, de zoekers
naar kapitein Grant wel wanhopen hem weder te zien. In welk deel der
wereld moesten zij nu hun togt weder beginnen? Hoe konden zij nieuwe
landen onderzoeken? De _Duncan_bestond niet meer; zelfs was het hun
onmogelijk om onmiddellijk naar hun vaderland terug te keeren. De
onderneming dier edelmoedige Schotten was dus mislukt! Niet geslaagd!
Treurig woord, dat geen weerklank vindt in een moedig hart, en toch
dwongen de slagen van het noodlot Glenarvan tot de erkentenis, dat hij
onmagtig was zijn werk van zelfopoffering voort te zetten.

In dien stand van zaken had Mary Grant den moed om den naam haars vaders
niet meer uit te spreken. Zij bedwong haar angst door de gedachte aan de
ongelukkige matrozen, die omgebragt waren. De dochter ging op in de
vriendin, en zij troostte Glenarvan, die haar zoo menigmaal had
getroost! Zij was de eerste, die er van sprak, om naar Schotland terug
te keeren. Toen hij haar moed, haar onderwerping zag, bewonderde John
Mangles haar. Hij wilde nog iets ten voordeele van den kapitein zeggen;
maar Mary legde hem door een blik het stilzwijgen op, en later zeide zij
tot hem: "Neen, mijnheer John! wij moeten denken aan degenen, die zich
opgeofferd hebben. Lord Glenarvan moet naar Europa terugkeeren!"

"Gij hebt gelijk, miss Mary!" antwoordde John Mangles, "het moet. Ook
moeten de engelsche autoriteiten onderrigt worden van het lot der
_Duncan_. Maar geef alle hoop nog niet op. Liever dan de aangevangen
nasporingen op te geven, zou ik ze alleen voortzetten! Ik zal kapitein
Grant terugvinden of bij de volvoering dier taak omkomen!"

Het was eene ernstige verbindtenis, die John Mangles op zich nam. Mary
nam ze aan, en legde haar hand in die van den jongen kapitein, als om
dit verdrag te bekrachtigen. Van de zijde van John Mangles was het een
toewijding van zijn geheele leven, van de zijde van Mary een
onwankelbare erkentelijkheid.

Dien dag werd er stellig tot het vertrek besloten. Men had plan om
Melbourne ten spoedigste te bereiken. 's Anderen daags ging John
onderzoeken, of er scheepsgelegenheid was. Hij rekende er op, dat er een
belangrijk verkeer tusschen Eden en de hoofdstad van Victoria werd
onderhouden.

Zijn verwachting werd teleurgesteld. Er lagen maar weinig schepen. De
geheele koopvaardijvloot van het stadje bestond uit drie of vier
schepen, die in de Twofoldbaai ten anker lagen. Geen enkel was met
bestemming naar Melbourne, Sidney of Pointe-de-Galle. En alleen in deze
havens van Australië kon Glenarvan schepen vinden in lading naar
Engeland. Want de _Stoombootmaatschappij voor het Schier-eiland en het
Oosten_ heeft een geregelde stoomvaart tusschen deze punten en het
moederland.

Wat nu te doen? Een schip afwachten? Dat kon lang duren; want de
Twofold-baai wordt weinig bezocht. Wel varen er vele schepen voorbij;
maar zelden doen ze de baai aan.

Na lang wikken en wegen kwam Glenarvan bijna tot het besluit om langs de
kust naar Sidney te gaan, toen Paganel met een voorstel voor den dag
kwam, dat niemand had verwacht.

De aardrijkskundige had ook de Twofoldbaai eens bezocht. Hij wist, dat
er geen reisgelegenheid bestond naar Sidney en Melbourne. Maar een van
de drie schepen, welke op de reede lagen, moest naar Auckland, de
hoofdstad van Ika-Na-Maoeï, het noordelijke eiland van Nieuw-Zeeland. Nu
stelde Paganel voor het bedoelde schip af te huren en naar Auckland te
gaan, vanwaar men gemakkelijk met de booten der maatschappij naar Europa
kon terugkeeren.

Dit voorstel werd in ernstige overweging genomen. Paganel wachtte zich
thans wel al die bewijzen aan te voeren, waarmede hij anders zoo mild
was. Hij vergenoegde zich met de opgave van het feit en voegde er bij,
dat de overtogt maar vijf of zes dagen zou duren. De afstand, die
Australië van Nieuw-Zeeland scheidt, bedraagt werkelijk niet meer dan
een duizend mijlen[1]

Door een zonderlingen zamenloop van omstandigheden lag Auckland juist op
dien zeven en dertigsten breedtegraad, dien de zoekers van Araucanië af
hardnekkig volgden. De aardrijkskundige had dus, zonder dat men hem van
partijdigheid kon beschuldigen, gerust zijn voordeel kunnen doen met
deze waarheid om er een bewijs ter gunste van zijn voorstel aan te
ontleenen. Zoo kreeg men immers ongezocht aanleiding om de steile kusten
van Nieuw Zeeland te bezoeken.

Evenwel maakte Paganel van dat voordeel geen gebruik. Na de dubbele
teleurstelling wilde hij zich ongetwijfeld niet wagen aan een derde
uitlegging van het document. Maar wat zou hij er ook uit kunnen
afleiden? Er stond immers uitdrukkelijk, dat een "vastland" tot
schuilplaats had gestrekt aan kapitein Grant, en niet een eiland. Nu was
Nieuw-Zeeland maar een eiland. Dat scheen beslissend. Hoe het ook zij,
om deze of om een andere reden verbond Paganel met dit voorstel om naar
Auckland te gaan volstrekt niet de gedachte om een nieuwen
onderzoekingstogt op touw te zetten. Hij wees er alleen op, dat er een
geregelde gemeenschap bestond tusschen dit punt en Groot-Brittanje, en
dat men gemakkelijk daarvan gebruik kon maken.

John Mangles ondersteunde het voorstel van Paganel. Hij raadde tot de
aanneming, omdat men toch de twijfelachtige komst van een vaartuig in de
Twofoldbaai niet kon afwachten. Maar alvorens daartoe over te gaan
achtte hij het geraden om het door den aardrijkskundige bedoelde schip
eens in oogenschouw te nemen. Glenarvan, de majoor, Paganel, Robert en
hij namen dus een sloep, en na eenige riemslagen legden zij bij het
schip aan, dat twee kabelslengten van de kaai ten anker lag.

Het was een brik van twee honderd vijftig ton, de _Macquarie_ geheeten.
Zij diende tot de kustvaart tusschen de verschillende havens van
Australië en van Nieuw-Zeeland. De kapitein, of beter gezegd de
"schipper" ontving zijn bezoekers tamelijk lomp. Zij zagen wel, dat zij
te doen hadden met iemand zonder opvoeding, wiens manieren volstrekt
niet verschilden van die der vijf matrozen, waaruit de bemanning
bestond. Een dik rood gezigt, grove handen, een platte neus, één oog en
vuile lippen van het rooken, gevoegd bij zijn onbeschofte houding
maakten van Will Halley een terugstootend wezen. Maar men had geen keus,
en voor een reisje van weinige dagen moest men zoo naauw niet kijken.

"Wat wilt gij?" vroeg Halley aan die onbekenden, die op het dek van zijn
schip kwamen.

"De kapitein?" vroeg John Mangles.

"Ben ik," antwoordde Halley. "En?"

"Ligt de _Macquarie_ in lading naar Auckland?"

"Ja. En?"

"Wat heeft ze in?"

"Alles wat verkocht wordt en alles wat gekocht wordt. En?"

"Wanneer vertrekt ze?"

"Morgen, tegen den middag. En?"

"Kan ze passagiers meenemen?"

"Dat hangt er van af wie het zijn en of ze zich met den scheepskost
willen vergenoegen."

"Zij zouden hun voorraad meebrengen."

"En?"

"En?"

"Ja. Hoeveel zijn er?"

"Negen, waaronder twee dames."

"Ik heb geen hutten."

"Zij zullen zich met het vooronder behelpen, dat hun moet afgestaan
worden."

"En?"

"Neemt gij het aan?" vroeg John Mangles, die volstrekt niet verlegen
werd gemaakt door de manieren van den kapitein.

"Moet zien," antwoordde de schipper van de _Macquarie_. Will Halley liep
wat rond, stampte met zijn zware laarzen met groote spijkers op het dek,
en kwam toen plotseling op John Mangles af.

"Wat betaalt men?" vroeg hij.

"Wat vraagt men?" antwoordde John.

"Vijftig pond."

Glenarvan gaf een toestemmend teeken.

"Goed! vijftig pond," antwoordde John Mangles.

"Maar enkel de overtogt," voegde Will Halley erbij.

"Enkel de overtogt."

"Buiten den kost."

"Daarbuiten."

"Toegestemd. En?" zeide Will de hand ophoudende.

"Wat blieft?"

"Het handgeld?"

"Hier is de helft van de vracht, vijf en twintig pond," zeide John
Mangles, aan den schipper het geld uitbetalende, die het zonder dankje
te zeggen in den zak stak.

"Morgen aan boord," zeide hij. "Voor twaalven. Of ge er zijt of niet, ik
ligt het anker."

"Wij zullen er zijn."

Toen dit afgehandeld was, gingen Glenarvan, de majoor, Robert, Paganel
en John Mangles van boord, zonder dat Will Halley ook maar met den
vinger den zuidwester had aangeraakt, die op zijn roode pruik
vastgelijmd zat.

"Wat een lompe vlegel!" zeide John.

"Die staat mij juist goed aan," antwoordde Paganel. "Hij is een echte
zeewolf."

"Een echte beer!" verbeterde de majoor.

"En ik houd het er voor," voegde John Mangles er bij, "dat die beer in
der tijd wel handel gedreven heeft in menschenvleesch."

"Wat raakt ons dat!" antwoordde Glenarvan, "nu hij de _Macquarie_
kommandeert en de _Macquarie_ naar Nieuw-Zeeland gaat. Tusschen de
Twofoldbaai en Auckland zullen we hem weinig zien, na Auckland zullen we
hem in het geheel niet meer zien."

Lady Helena en Mary Grant vernamen met genoegen, dat het vertrek op den
volgenden dag was bepaald. Glenarvan bragt haar onder het oog, dat de
_Macquarie_ niet zoo gemakkelijk was ingerigt als de _Duncan_. Maar na
zooveel leed uitgestaan te hebben, waren zij er de vrouwen niet naar, om
zich door zoo'n kleinigheid te laten afschrikken. Olbinett kreeg last om
voor levensmiddelen te zorgen. Sedert het verlies van de _Duncan_ had de
arme man heete tranen geschreid over zijn ongelukkige vrouw, die aan
boord gebleven en natuurlijk evenals de geheele bemanning het offer was
geworden van de wreedheid der roovers. Niettemin volbragt hij met zijn
gewonen ijver zijn werkzaamheden als hofmeester, en "de schafting"
bestond uit kostelijke spijzen, die nooit op de schaftlijst van de brik
voorkwamen. In weinige uren waren de aankoopen afgeloopen.

Intusschen maakte de majoor bij een wisselaar de wissels te gelde, die
Glenarvan had op de _Union-bank_ te Melbourne. Hij wilde niet ontbloot
zijn van goud. Evenmin van wapens en kruid. Daarom schafte hij zich
weder andere aan. Paganel kocht voor zich een uitmuntende kaart van
Nieuw-Zeeland, door Johnston te Edinmburg uitgegeven.

Met Mulrady ging het goed. Hij voelde naauwelijks de wond meer, die zijn
leven in gevaar had gebragt. De zeelucht zou spoedig zijn genezing
voltooijen. Hij had plan te genieten van de koelten op de Stille
Zuidzee.

Aan Wilson werd opgedragen het verblijf der passagiers aan boord van de
_Macquarie_ in orde te brengen. Met borstel en bezem gaf hij het
vooronder een heel ander aanzien. Will Halley liet den matroos
schouderophalende begaan. Hij bekommerde zich niet het minst om
Glenarvan, diens dames en reisgenooten. Hij wist niet eens hun naam en
vroeg er niet naar. Die vermeerdering van lading bragt hem vijftig pond
op, dat was alles, en dat schatte hij minder dan de twee honderd ton
gelooide huiden, waarmee het ruim was opgevuld. Eerst de huiden, dan de
menschen. Hij was een koopman. Wat zijn zeevaartkundige bekwaamheden
aangaat, hij werd voor een vrij goed praktikus gehouden op die zeeën,
welke door de koraalriffen zeer gevaarlijk zijn.

Dien morgen wilde Glenarvan terugkeeren naar dat punt van den oever,
waarover de zeven en dertigste parallel loopt. Twee redenen had hij
daarvoor.

Hij wilde nog eens de vermoedelijke plaats van de schipbreuk bezoeken.
Ayrton was ongetwijfeld bootsman op de _Britannia_. Waarom zou de
_Britannia_ niet wezenlijk vergaan zijn op dit gedeelte der australische
kust? Zoo niet op de west- dan toch op de oostkust? Men moest niet
onbedachtzaam een plek verlaten, die men nooit zou terug zien.

En was de _Britannia_ daar niet geweest, de _Duncan_ was er toch in de
handen der roovers gevallen. Misschien had er een gevecht plaats gehad.
Waarom zou men op den oever geen spoor van een worsteling, van een
hardnekkigen tegenstand vinden? Zouden de golven, wanneer de bemanning
in de baren verdronken was, de lijken niet op de kust hebben
aangespoeld?

In gezelschap van den trouwen John ging Glenarvan op verkenning uit. De
eigenaar van het _Victoria_-hotel gaf hun twee paarden, en zij sloegen
den weg naar het noorden in, die om de Twofold-baai loopt.

Het was een treurig onderzoek. Glenarvan en kapitein John reden zwijgend
voort. Maar zij verstonden elkander. Dezelfde gedachten en bij gevolg
dezelfde angst kwelden hen. Zij beschouwden de rotsen, waaraan de zee
knaagde. Zij behoefden elkander niets te vragen noch te antwoorden.

Gerust mag men op den ijver en de schranderheid van John zich verlaten
om te verzekeren, dat elk punt van de kust naauwkeurig werd bezocht, dat
de kleinste kreeken zoowel als het langzaam afloopende strand en de
zandige hoogten zorgvuldig werden onderzocht, waar de middelmatige
getijden van de Stille Zuidzee eenig strandgoed hadden kunnen opwerpen.
Maar niets werd er gevonden, dat aanleiding geven kon om in deze streken
nieuwe onderzoekingen aan te vangen. Geen spoor van de schipbreuk was
hier aanwezig.

Evenmin iets, dat van de _Duncan_ afkomstig was. Deze geheele kuststreek
van den Oceaan was onbewoond. Men zag levenden noch dooden.

Toch ontdekte John Mangles aan den rand van het strand versche sporen
van een legerplaats, overblijfselen van vuren, onder alleenstaande
myalls ontstoken. Was daar soms voor eenige dagen een zwervende
inlandsche volksstam geweest? Neen; Glenarvans blik werd getrokken door
een kenteeken, dat hun onwederlegbaar bewees, dat de roovers dit
gedeelte der kust hadden bezocht.

Dat kenteeken was een graauwe en gele, versletene en gelapte boezeroen,
een lor, die aan den voet van een boom was blijven liggen. Het
stamnummer van de strafgevangenis te Perth stond er op. De boef was er
niet meer, maar zijn plunje verried hem. Die liverei van de misdaad had
eerst den een of anderen schurk gekleed, en lag nu te verrotten op die
onbewoonde kust.

"Gij ziet het, John!" zeide Glenarvan. "De roovers zijn hier geweest! en
onze arme makkers van de _Duncan_?..."

"Ja!" antwoordde John op doffen toon, "het is zeker, dat zij niet aan
wal zijn gezet, dat zij gesneuveld zijn...."

"Die ellendelingen!" riep Glenarvan. "Als zij ooit in mijn handen
vallen, zal ik mijn matrozen wreken!"

De smart had aan Glenarvans trekken een hard voorkomen gegeven. Eenige
minuten lang staarde de lord op de onmetelijke watervlakte; misschien
zocht hij voor het laatst in het verre verschiet nog naar een vaartuig.
Vervolgens werden zijn oogen dof, hij werd weer de oude, en zonder een
woord te spreken of een gebaar te maken, galoppeerde hij den weg op naar
Eden.

Nog ééne formaliteit moest er vervuld worden, de kennisgeving van het
gebeurde aan het geregt. Zij werd dienzelfden avond aan Thomas Banks
gedaan. Die overheidspersoon kon naauwelijks zijn blijdschap ontveinzen,
dat hij dit proces-verbaal mogt opmaken. Hij was regt in zijn schik over
het vertrek van Ben Joyce en diens bende. De geheele stad verheugde zich
met hem. De roovers hadden Australië verlaten, wel na het begaan van een
nieuwe misdaad, maar toch zij waren weg. Dit belangrijke nieuws werd
terstond getelegrafeerd aan de autoriteiten te Melbourne en Sidney.

Na het afleggen zijner verklaring keerde Glenarvan naar het
_Victoria_-hotel terug. De reizigers bragten dien laatsten avond treurig
door. Hun gedachten verwijlden bij dien aan ongelukken zoo vruchtbaren
bodem. Zij herinnerden zich, hoeveel gegronde hoop zij aan kaap
Bernouilli hadden opgevat, waaraan in de Twofold-baai zoo wreed de bodem
was ingeslagen!

Paganel was ter prooi aan een koortsige onrust. John Mangles, die hem
sedert het voorval aan de Sneeuw-rivier in het oog hield, gevoelde, dat
de aardrijkskundige dobberde tusschen spreken en zwijgen. Verscheidene
malen had hij hem met vragen bestormd, die onbeantwoord bleven.

Dien avond echter vroeg John, toen hij hem naar zijn kamer bragt, waarom
hij toch zoo zenuwachtig was?

"Vriend John!" antwoordde Paganel ontwijkend, "ik ben niet zenuwachtiger
dan anders."

"Mijnheer Paganel! er is een geheim, dat u benaauwt!" hernam John.

"Wat zal ik er aan doen?" riep de aardrijkskundige met driftige gebaren.
"Het is sterker dan ik!"

"Wat is sterker dan gij?"

"Mijn vreugde aan den eenen kant, mijn wanhoop aan den anderen."

"Zijt gij blijde en wanhopend te gelijk?"

"Ja! blijde en wanhopend, nu ik Nieuw-Zeeland ga bezoeken."

"Zijt gij iets op het spoor?" vroeg John Mangles driftig. "Hebt gij het
verloren spoor teruggevonden?"

"Neen, vriend John! _Uit Nieuw-Zeeland komt men niet terug_! Maar
toch..., kortom, gij kent de menschelijke natuur! Zoolang er leven is,
is er hoop! En mijn leus is "_spiro, spero_" dat de mooiste leus van de
wereld is!"


[1] Omtrent 400 uren gaans.



II.

Het verledene van het land waar men heengaat.


Den volgenden dag, den 27sten Januarij, waren de passagiers van de
_Macquarie_ bijeen in het bekrompen vooronder van de brik. Will Halley
had niet eens zijn kajuit aan de dames aangeboden. Zij behoefden
daarover trouwens geen spijt te gevoelen; want het hol was den beer
waardig.

Ten half een met de ebbe maakte men zich zeilree. Het anker kwam
loodregt en werd met moeite opgehaald. Een tamelijke koelte woei uit het
zuidwesten. De zeilen werden langzaam geheschen. De vijf matrozen deden
het werk op hun uiterste gemak. Wilson wilde hen helpen. Maar Halley
verzocht hem zich rustig te houden en zich niet te bemoeijen met hetgeen
hem niet aanging. Hij was gewoon alles alleen te doen en vroeg niet om
hulp of raad.

Dit was op John Mangles gemunt, dien de linkschheid van eenige
bewegingen deed glimlagchen. Hij hield zich voor gewaarschuwd, maar
behield zich voor om zooal niet regtens dan toch feitelijk tusschen
beide te komen, wanneer de onhandigheid der bemanning de veiligheid van
het schip soms in gevaar mogt brengen.

Met wat geduld en met de armen der vijf matrozen, aangevuurd door de
vloeken van den schipper, werden de zeilen toch eindelijk aangeslagen.
De _Macquarie_ liep met bakboordshalzen voor den wind onder haar
onderste zeilen, haar marszeilen, bramzeilen, haar groote bezaan en haar
kluivers. Later werden de lijzeilen en bovenbramstengen ook geheschen.
Maar in weerwil van die vermeerdering van doek vorderde de brik
naauwelijks. De breede voorsteven, de wijdte van het ruim, de lompheid
van het achterschip maakten haar tot een slechten zeiler, en gaven haar
geheel en al het voorkomen van een "klomp."

Men moest er zich echter in schikken. Gelukkig, hoe slecht de
_Macquarie_ ook zeilde, moest zij toch in vijf, hoogstens zes dagen, op
de reede van Auckland ankeren.

's Avonds ten zeven ure verloor men de kust van Australië en het staande
licht der haven van Eden uit het oog. De nog al holle zee deed het schip
erg stampen; het plompte neer in de golfdalen. De passagiers kregen
duchtige schokken, die hun verblijf in het vooronder juist niet
aangenamer maakten. Ook op het dek konden ze niet blijven; want het
regende juist hard. Zij zagen zich dus tot een strenge gevangenis
veroordeeld.

Elk liet nu zijn gedachten den vrijen loop. Er werd weinig gepraat. Ter
naauwernood wisselden lady Helena en Mary Grant eenige woorden.
Glenarvan kon het niet uithouden. Hij liep heen en weer, terwijl de
majoor zich niet verroerde. Door Robert vergezeld klom John Mangles van
tijd tot tijd op het dek om naar de zee te zien. En Paganel mompelde in
zijn hoek losse onzamenhangende woorden.

Waaraan dacht de waardige aardrijkskundige? Aan dat Nieuw-Zeeland,
waarheen het noodlot hem dreef. Deszelfs geheele geschiedenis ontrolde
zich voor zijn geest, en het verledene van dat akelige land doemde op
voor zijn oog.

Maar was er iets in die geschiedenis, een feit of een toeval, dat den
ontdekkers dier eilanden ooit het regt gegeven had om ze als een
vastland te beschouwen? Kon een nieuwere aardrijkskundige, een zeeman
hun dien naam geven? Zooals men ziet, kwam Paganel altijd weer terug op
de uitlegging van het document. Het was een bezetenheid, een vaststaande
gedachte. Na Patagonië, na Australië, klampte zijn verbeelding, die een
enkel woord bezig hield, zich vast aan Nieuw-Zeeland. Maar één enkel
punt stuitte hem op dien weg.

"Contin ... contin ..." herhaalde hij, "dat wil toch zeggen _continent_!
(vastland)"

En in gedachten volgde hij weder de zeevaarders, die deze twee groote
eilanden der zuidelijke zeeën vonden.

Den 13den December 1642 bereikte de Hollander Tasman, na Van Diemensland
ontdekt te hebben, de onbekende oevers van Nieuw-Zeeland. Hij zeilde er
verscheidene dagen langs en den 17den drongen zijn schepen in een breede
baai, aan wier uiteinde een naauwe straat lag, die twee eilanden
scheidde.

Het noordelijke eiland, was Ika-Na-Maoeï, zeelandsche woorden, die
beteekenen "de visch van Mauwi". Het zuidelijke eiland was
Tawaï-Poena-Moe, dat wil zeggen "de walvisch, die den groenen niersteen
voortbrengt[1]."

Abel Tasman zond zijn sloepen aan land, die met twee praauwen, bemand
met luidruchtige inwoners terugkwamen. Die wilden waren middelmatig van
gestalte, met een bruine en gele huid, met uitstekende beenderen, een
ruwe stem, en zwarte haren, evenals bij de Japanneezen op het hoofd
zaamgebonden, waarop een groote witte veer prijkte.

Die eerste ontmoeting tusschen de Europeanen en inlanders scheen
langdurige vrienschapsbetrekkingen te beloven. Maar den volgenden dag
werd een der sloepen van Tasman, die een ankerplaats digter bij het land
ging opzoeken, hevig bestookt door zeven praauwen met een groot aantal
inlanders bemand. De boot sloeg om en raakte vol water. De bootsman, die
het bevel voerde, werd terstond in de keel getroffen met een piek met
een grove punt. Hij viel in zee. Van zijn zes makkers werden er vier
gedood; de twee anderen en de bootsman zwommen naar de schepen en werden
opgevischt en gered.

Na dit noodlottig voorval zeilde Tasman weg. Hij vergenoegde zich met
den inlanders eenige musketkogels toe te zenden, die hen waarschijnlijk
niet raakten. Hij verliet de baai, nog de Moordbaai genoemd, stevende
langs de westkust en wierp den 5den Januarij het anker bij de noordpunt.
Te dezer plaatse verhinderde hem niet alleen de hevige branding maar ook
de slechte gezindheid der wilden om water in te nemen, en hij verliet
voor goed dit land, waaraan hij ter eere van de Staten Generaal den naam
gaf van Statenland.

De hollandsche zeeman meende inderdaad, dat het samenhing met de
eilanden van dienzelfden naam, ten oosten van Vuurland aan de zuidpunt
van Amerika ontdekt. Hij meende "het groot zuidelijk vastland" gevonden
te hebben.

"Maar," sprak Paganel bij zich zelven, "wat een zeeman der zeventiende
eeuw "vastland" noemen kon, kon dien naam niet dragen bij een zeeman der
negentiende; zulk een dwaling is niet te vooronderstellen! Neen! Er is
iets, dat mij ontgaat!"

Meer dan een eeuw lang bleef de ontdekking van Tasman onopgemerkt, en
Nieuw-Zeeland scheen niet meer te bestaan, tot eindelijk een fransch
zeevaarder, Surville, het op 35° 37' breedte in het gezigt kreeg. Eerst
had hij geen reden van klagen over de inboorlingen; maar de wind stak
geweldig op en een storm beliep hem, gedurende welken de sloep met de
zieken in de Toevlugtsbaai op het strand werd geworpen. Daar ontving een
opperhoofd, Nagui-Noeï genoemd, de Franschen zeer goed en huisvestte ze
in zijn eigene hut. Alles ging goed, tot het oogenblik, dat een sloep
van Surville werd gestolen. Surville eischte ze vergeefs op, en meende
voor dien diefstal een dorp te moeten straffen, dat hij geheel
verbrandde. Een verschrikkelijke en onregtvaardige wraak, die aanleiding
gaf tot de bloedige vergelding, waarvan Nieuw-Zeeland binnen kort het
tooneel zou worden.

Den 6den October 1769 verscheen de vermaarde Cook op deze kusten. Hij
ankerde in de Taoeë-Roa-baai met zijn schip de _Endeavour_ en trachtte
door goede behandeling de vriendschap der inboorlingen te winnen. Maar
om de menschen goed te behandelen, moet men beginnen met hen te krijgen.
Cook aarzelde niet om twee of drie gevangenen te maken en hun zijn
weldaden met geweld op te dringen. Met geschenken en liefkozingen
overladen werden zij weer aan land gezonden. Door hun verhalen uitgelokt
kwamen vervolgens een aantal inboorlingen vrijwillig aan boord en gingen
een ruilhandel met de Europeanen aan. Eenige dagen later stevende Cook
naar de Hawkes-baai, een diepe inham in de kust van het noordelijk
eiland. Daar trof hij oorlogzuchtige, schreeuwende en twistgierige
inboorlingen aan. Hun vijandelijke bedoelingen gingen zoover, dat het
noodig was hen met schrootvuur in toom te houden.

Den 20sten October ankerde de _Endeavour_ in de Toko-Maloe-baai, waar
een vreedzame bevolking van twee honderd zielen leefde. De
plantenkenners, die de reis medemaakten, zagen hun onderzoekingen in die
streek met een gewenschten uitslag bekroond, en de inboorlingen bragten
hen met hun praauwen aan wal. Cook bezocht twee dorpen met palen,
borstweringen en dubbele grachten versterkt, die bewezen, dat zij reeds
aanzienlijke vorderingen in den vestingbouw hadden gemaakt. Het
belangrijkste dier forten lag op een rots, die bij hoog water geheel een
eiland werd. En meer nog, want niet alleen werd ze door het water
omringd, maar dit stroomde ook door een natuurlijken boog van zestig
voet hoog, waarop die ongenaakbare "pâh" zich verhief.

Den 31sten Maart gaf Cook, die in vijf maanden een rijken oogst van
vreemde voorwerpen, inlandsche planten, en bijdragen tot de land- en
volkenkunde had bijeengebragt, zijn naam aan de straat, die de twee
eilanden scheidt, en verliet Nieuw-Zeeland. Hij bezocht het nog eens op
zijn latere reizen.

In 1773 toen verscheen de groote zeeman weder in de Hawkesbaai en was
daar getuige van tooneelen van kannibalisme. Het moet echter gezegd
worden, dat zijn reisgenooten er aanleiding toe gaven. Eenige
officieren, die aan land de verminkte ledematen van een jongen wilde
gevonden hadden, namen ze mee aan boord, "lieten ze braden," en zetten
ze den inboorlingen voor, die er met gretigheid op aanvielen. Treurige
liefhebberij, zich zoo tot koks te maken voor een maaltijd van
menscheneters!

Op zijn derde reis bezocht Cook andermaal dit land, waarvoor hij groote
voorliefde koesterde, en dat hij gaarne in kaart wilde brengen. Den
25sten Februarij 1777 verliet hij het voor goed.

In 1791 vertoefde Vancouver twintig dagen in de Sombere baai, zonder
eenig voordeel voor de natuur- of aardrijkskundige wetenschappen.
D'Entrecasteaux bragt in 1793 een kustlijn van vijf en twintig mijlen in
kaart op het noordelijke eiland Ika-Na-Maoeï. De koopvaardijkapiteins
Hausen en Dalrympe, later Baden, Richardson en Moody kwamen er even, en
dokter Savage verzamelde gedurende een verblijf van vijf weken
belangrijke bijzonderheden betreffende de zeden der Nieuw-Zeelanders.

In datzelfde jaar 1805 scheepte de neef van het opperhoofd van
Rangwi-Hoe, de schrandere Doea-Tara zich in op de _Argo_, kapitein
Baden, die in de Eilandenbaai lag.

Welligt zullen de lotgevallen van Doea-Tara eenmaal aan een Maori
Homerus het onderwerp voor een heldendicht verschaffen. Zij zijn een
aaneenschakeling van rampen, onregtvaardigheden en mishandelingen.
Trouwbreuk, verbeurdverklaring, slagen en wonden, waren het loon, dat de
arme wilde voor zijn goede diensten ontving. Welk denkbeeld moest hij
zich wel maken van menschen, die zich beschaafd noemen! Hij werd naar
Londen gebragt. Men maakte hem matroos van de laagste klasse, de
wrijfpaal der bemanning. Dat hij het leven er afbragt, had hij te danken
aan de tusschenkomst van den eerwaarden Marsden. Die zendeling trok zich
den jongen wilde aan, bij wien hij een scherp oordeel, een moedig hart,
en bewonderenswaardige hoedanigheden van zachtzinnigheid, innemendheid
en beleefdheid opmerkte. Marsden bezorgde zijn beschermeling eenige
zakken graan en landbouwwerktuigen, voor zijn land bestemd. Die kleine
bagaadje werd hem ontstolen. Ongelukken en lijden waren opnieuw het
deel van den armen Doea-Tara, tot in 1814, wanneer men hem eindelijk
in het land zijner vaderen terugvindt. Nu zou hij de vrucht van
zooveel lotswisselingen plukken; maar de dood rukte hem weg op
achtentwintigjarigen leeftijd, toen hij zich gereed maakte om het
bloeddorstige Zeeland te hervormen. Dit onherstelbare ongeluk zette de
beschaving ongetwijfeld vele jaren achteruit. Niets kan een verstandig
en goed man vervangen, die in zijn borst liefde tot het goede vereenigt
met liefde voor zijn land!

Tot in 1816 bleef Nieuw-Zeeland verlaten. Te dien tijde doorkruiste
Thompson, in 1817 Lidiard Nicholas, in 1819 Marsden, verscheidene deelen
der beide eilanden, en in 1820 bragt Richard Cruise, kapitein bij het
acht en tachtigste regiment infanterie, er tien maanden door met
grondige studiën over de zeden der inlanders.

In 1824 vertoefde Duperrey, bevelhebber dat _Coquille_, veertien dagen
in de Eilanden-baai, en ondervond hij veel vriendschap van de
inboorlingen.

Na hem, in 1827, moest de engelsche walvischvaarder _Mercury_ zich tegen
plundering en moord verdedigen. In hetzelfde jaar werd kapitein Dillon
tot tweemaal toe zeer gastvrij ontvangen.

In Maart 1827 kon de bevelhebber der _Astrolabe_, de beroemde
Dumont-d'Urville, ongedeerd en ongewapend eenige nachten onder de
inboorlingen doorbrengen, met hen zingen, geschenken geven en ontvangen,
in de hutten slapen, en zonder stoornis zijn belangrijke opmerkingen
voortzetten, waaraan de zoo schoone kaarten van het bureau van marine
het aanzijn te danken hebben.

De engelsche brik _Hawes_, kapitein John James, daarentegen, deed in het
volgende jaar de Eilanden-baai aan, stevende naar de Oostkaap, en had
veel te lijden van een trouweloos opperhoofd, Enararo geheeten.
Verscheidene zijner makkers ondergingen een verschrikkelijken dood.

Uit die tegenstrijdige voorvallen, uit die afwisseling van
zachtaardigheid en barbaarschheid moet men afleiden, dat de wreedheden
der Nieuw-Zeelanders maar al te dikwijls weerwraak waren. Goede of
slechte behandelingen hingen af van slechte of goede kapiteins. Zeker
hadden er wel eenige onregtvaardige aanvallen van de zijde der inlanders
plaats; maar meestal waren het wraakoefeningen, door de Europeanen
uitgelokt, en ongelukkig kwam de straf neer op het hoofd van
onschuldigen.

Na d'Urville werd de kennis van Nieuw-Zeeland aangevuld door een moedig
onderzoeker, die twintigmaal de geheele aarde doorkruiste, een zwerver,
een zigeuner van de wetenschap, een engelschman, Earle. Hij bezocht de
onbekende deelen der beide eilanden, zonder dat hem persoonlijk eenig
leed wedervoer, maar hij was dikwijls getuige van tooneelen, waarbij
menschenvleesch genuttigd werd. De Nieuw-Zeelanders verslonden elkander
met walgelijke gretigheid.

Dit ondervond ook kapitein Laplace, toen hij in 1881 in 4e Eilanden-baai
vertoefde. De gevechten waren ook reeds veel vreeselijker geworden; want
de wilden waren zeer bedreven in de behandeling der vuurwapenen. De
vroeger bloeijende en volkrijke gewesten van Ika-Na-Maoeï werden in
doodsche woestijnen veranderd. Geheele stammen waren verdwenen, evenals
kudden schapen verdwijnen, die men braadt en opeet.

De zendelingen hebben te vergeefs hun best gedaan om die bloeddorstige
neigingen te overwinnen. Van 1808 af had het _Anglikaansche
Zendeling-Genootschap_ zijn bekwaamste agenten,--die naam komt hun
toe,--naar de voornaamste plaatsen op het noordelijke eiland gezonden.
Maar de barbaarschheid der Nieuw-Zeelanders dwong het de vestiging van
zendelingsposten te staken. Eerst in 1814 landden de heeren Marsden, de
beschermer van Doea-Tara, Hall en King, in de Eilanden-baai en kochten
van de opperhoofden voor twaalf ijzeren bijlen een strook grond van
honderd bunders. Daar werd de zetel der anglikaansche zending gesticht.

Het begin was moeijelijk. Maar eindelijk ontzagen de inlanders het leven
der zendelingen. Zij namen hun diensten en hun leer aan. Eenige woeste
inboorlingen werden zachter gestemd. In die harde harten ontwaakte het
gevoel van dankbaarheid. In 1824 gebeurde het zelfs, dat de
Nieuw-Zeelanders hun "ariki's," dat wil zeggen de leeraars, tegen woeste
matrozen beschermden, die hen beleedigden en met mishandeling
bedreigden.

Langzamerhand geraakten dus de zendelingsposten tot bloei, ondanks
de tegenwoordigheid van uit Port Jackson ontvlugte misdadigers,
die de inlandsche bevolking bedierven. In 1831 vermeldden de
_Zendelingeberigten_ twee aanzienlijke posten, de een te Kidi-Kidi,
aan de oevers van het kanaal, dat in de Eilanden-baai in zee valt, de
andere te Paï-Hia, aan den oever der Kawa-Kawa. Onder opzigt hunner
leeraars hadden de bekeerde inlanders wegen aangelegd, paden door de
ontzaggelijke bosschen gebaand, bruggen over de stroomen geslagen. Elke
zendeling ging op zijn beurt de beschavende godsdienst prediken onder de
verderaf wonende stammen, rigtte kapellen van riet of boomschors op en
scholen voor de inlandsche jeugd, en op het dak dier nederige gebouwen
wapperde de vlag der zending, voerende het kruis van Christus en deze
woorden: "Rongo-Pai," dat wil zeggen "het Evangelie."

Het is jammer, dat de invloed der zendelingen beperkt blijft tot hun
nederzettingen. De geheele zwervende bevolking onttrekt zich aan hun
werkzaamheid. Het menscheneten is alleen bij de christenen uitgeroeid,
en nog zou men die pas bekeerden niet aan te groote verleiding moeten
blootstellen. De trek naar bloed leeft nog in hen.

Ook duurt de oorlog nog altijd voort in die woeste streken. De
Zeelanders zijn geen stompe Australiërs, die voor den europeeschen inval
wijken; zij verzetten zich, zij verdedigen zich, zij haten hun
onderdrukkers, en thans bezielt hen een gloeijende haat tegen de
engelsche landverhuizers. De toekomst dier groote eilanden staat op het
spel. Een onmiddellijke beschaving wacht hen of een eeuwenlange diepe
barbaarschheid, al naar het lot der wapenen.

Zoo had Paganel, wiens hersenen van ongeduld gloeiden, de geheele
geschiedenis van Nieuw-Zeeland zich voor den geest gehaald. Maar in deze
geschiedenis kwam niets voor, dat regt gaf om dit gewest, uit twee
eilanden bestaande, een vastland te noemen, en hadden eenige woorden van
het document zijn verbeelding geprikkeld, deze beide lettergrepen
_contin_ hielden hem hardnekkig tegen op den weg eener nieuwe
uitlegging.


[1] Later is gebleken, dat geheel Nieuw-Zeeland bij de inlanders
Tawai-Maoeï heet. Tawaï-Poena-Moe is alleen de naam van een gedeelte van
het middelste eiland.



III.

Moordtooneelen op Nieuw-Zeeland.


Den 31sten Januarij, vier dagen na haar vertrek, had de _Macquarie_ nog
geen twee derden van den oceaan afgelegd, die tusschen Australië en
Nieuw-Zeeland is ingeklemd. Will Halley hield zich weinig bezig met het
bestuur van zijn vaartuig; hij liet alles maar begaan. Men zag hem
zelden, waarover trouwens niemand zich beklaagde. Niemand zou er iets
van gezegd hebben, dat hij altijd in zijn kajuit bleef, als de lompe
schipper maar niet dagelijks dronken was geweest van jenever of
brandewijn. Zijn matrozen volgden zijn voorbeeld, en zoo ooit een schip
op Gods genade dreef, dan was het wel de _Macquarie_ van de
Twofold-baai.

Die onvergefelijke achteloosheid verpligtte John Mangles steeds een oog
in het zeil te houden. Mulrady en Wilson legden meer dan eens het roer
om, op het oogenblik dat een stortzee de brik op zijde zou geworpen
hebben. Dikwijls kwam Will Halley tusschen beide en raasde en tierde
tegen de twee zeelieden. Dezen, die vrij kitteloorig waren, wenschten
den dronkaard te mogen knevelen en hem, zoolang de reis nog mogt duren,
in het ruim te stoppen. Maar John Mangles hield hen tegen en bedwong,
niet zonder moeite, hun billijke verontwaardiging.

Deze toestand van het schip bekommerde hem; maar om Glenarvan niet
ongerust te maken sprak hij er alleen met den majoor en met Paganel
over. Mac Nabbs gaf hem met andere woorden denzelfden raad als Mulrady
en Wilson.

"Als gij dien maatregel noodig acht, John!" zeide Mac Nabbs, "moet gij
zonder bedenken het bevel, of als gij dat liever wilt het bestuur van
het schip op u nemen. Als die dronkaard ons te Auckland gebragt heeft,
wordt hij weer meester aan boord, en mag hij, als hij lust daarin heeft,
omslaan."

"Zonder twijfel, mijnheer Mac Nabbs," antwoordde John, "en ik zal het
doen ook, als het volstrekt moet. Zoo lang wij in volle zee zijn, is een
beetje toezigt genoeg; mijn matrozen en ik verlaten het dek niet. Maar
bij de nadering der kust wil ik wel weten, dat ik verlegen zal staan,
wanneer die Will Halley niet nuchteren is."

"Kunt gij den koers niet aangeven?" vroeg Paganel.

"Dat zal moeijelijk gaan," antwoordde John. "Gij moet niet denken, dat
er een zeekaart aan boord is."

"Toch niet?"

"Wel neen. De _Macquarie_ is slechts een kustvaarder tusschen Eden en
Auckland, en die Will Halley is zoo met dit vaarwater bekend, dat hij
nooit hoogte neemt."

"Hij verbeeldt zich zeker," antwoordde Paganel, "dat zijn schip den weg
weet en zich zelf stuurt."

"Ho! ho!" hernam John Mangles, "ik geloof niet aan schepen, die zich
zelven sturen, en wanneer Will Halley in de nabijheid der kust dronken
is, zal hij ons in groote verlegenheid brengen."

"Dan mag ik wel lijden, dat hij zijn verstand op de kust zal
opvisschen," zeide Paganel.

"Dan zoudt gij geen kans zien om de _Macquarie_ als het noodig zijn mogt
naar Auckland te brengen?" vroeg Mac Nabbs.

"Zonder de kaart van dit gedeelte der kust is het onmogelijk. De
stranden zijn hier zeer gevaarlijk. Het is een reeks van onregelmatige
en grillige inhammen, evenals de noorweegsche fiords. De riffen zijn
talrijk en er is veel ervaring noodig om ze te vermijden. Hoe stevig een
schip ook moge zijn, het moet vergaan, wanneer zijn kiel op een dier
rotsen stoot, die maar eenige voeten onder water liggen."

"En dan zit er voor de bemanning niets anders op dan naar de kust te
vlugten?" zeide de majoor.

"Ja, mijnheer Mac Nabbs! wanneer de tijd het toelaat."

"Een hard lot!" antwoordde Paganel, "want de kusten van Nieuw-Zeeland
zijn juist niet herbergzaam, en de gevaren zijn even groot aan gene als
aan deze zijde van den oever!"

"Spreekt gij van de Maori's, mijnheer Paganel?" vroeg John Mangles.

"Ja, mijn vriend! Hun naam is gevestigd in den Indischen oceaan. Het
zijn geen beschroomde of stompe Australiërs, maar een schrander en
bloeddorstig ras, kannibalen, die verlekkerd zijn op menschenvleesch,
menscheneters, die geen medelijden kennen."

"Wanneer dus," zeide de majoor, "kapitein Grant op de kusten van
Nieuw-Zeeland schipbreuk geleden had, zoudt gij niet aanraden hem te
gaan opzoeken?"

"Op de kusten wel," antwoordde de aardrijkskundige; "want men zou alligt
sporen van de _Britannia_ vinden: maar in het binnenland niet; want dat
zou niets baten. Elke Europeaan, die zich in dit noodlottige land waagt,
valt in de handen der Maori's, en elke gevangene der Maori's is
verloren. Ik heb mijn vrienden aangespoord om de Pampa's te doorkruisen,
om Australië door te trekken; maar nooit zou ik ze medeslepen op de
paden van Nieuw-Zeeland. De hemel zij ons genadig en God geve, dat wij
nooit in de magt dier woeste inboorlingen vallen!"

De vrees van Paganel was maar al te gegrond. Nieuw-Zeeland is zeer
berucht, en al de voorvallen, die deszelfs ontdekking hebben gekenmerkt,
staan met bloedige letters aangeteekend.

Lang is de lijst der slagtoffers, die opgeschreven staan in het
martelaarsboek der zeevaarders. Abel Tasman opende met zijn vijf gedoode
en verslonden matrozen de bloedige jaarboeken van het kannibalisme. Na
hem onderging kapitein Tukney met al zijn sloeproeijers hetzelfde lot.
Op de hoogte van het noordelijke gedeelte der straat van Foveaux vonden
vijf visschers van de _Sydney Cove_ insgelijks den dood onder de tand
der inboorlingen. Nog moeten aangehaald worden vier man van den schoener
_Brothers_, in de haven van Molineux vermoord, verscheidene soldaten van
generaal Gates, en drie weggeloopen matrozen van de _Mathilda_, voor men
komt aan den naam van kapitein Marion Du Frène, die een treurige
beroemdheid heeft verkregen.

Den 11den Mei 1772, na de eerste reis van Cook, ankerde de fransche
kapitein Marion in de Eilanden-baai met zijn schip de _Mascarin_ en de
_Castries_, kapitein Crozet. De huichelachtige Nieuw-Zeelanders
ontvingen de aankomelingen zeer goed. Zij toonden zich zelfs beschroomd,
en er waren geschenken, goede diensten, een dagelijksche verbroedering,
een langdurige vriendelijke omgang noodig om hen aan boord te gewennen.

Hun opperhoofd, de schrandere Takoeri, behoorde naar het zeggen van
Dumont d'Urville tot den stam der Wangaroa, en was een bloedverwant van
den inboorling, dien Surville twee jaren voor de komst van kapitein
Marion verraderlijk had opgeligt.

In een land, waar de eer van iederen Maori eischt, om ondergane
beleedigingen met bloed af te wasschen, kon Takoeri den hoon niet
vergeten, die zijn stam was aangedaan. Hij wachtte geduldig de komst van
een europeesch schip af, zon op wraak, en volbragt ze met afgrijselijke
koelbloedigheid.

Na vrees voor de Franschen geveinsd te hebben, vergat Takoeri niets om
hen in een bedriegelijke gerustheid te doen insluimeren. Hij sleet
dikwijls met zijn makkers den nacht aan boord van de schepen. Zij
bragten lekkere visschen mede. Hun dochters en vrouwen vergezelden hen.
Zij leerden weldra de namen der officieren en noodigden hen uit om hun
dorpen te bezoeken. Door den schijn bedrogen, doorliepen Marion en
Crozet dus die geheele kust, die meer dan vier duizend innwoners telde.
De inboorlingen gingen hun ongewapend te gemoet en trachtten hun een
volkomen vertrouwen in te boezemen.

Kapitein Marion was de Eilanden-baai ingelopen met plan om de tuigaadje
der _Castries_ te veranderen, die door de laatste stormen veel had
geleden. Hij onderzocht daarom het binnenland, en vond den 23sten Mei
een bosch van prachtige ceders, twee uren van de kust en digt bij een
baai, een uur van de schepen.

Daar werd een legerplaats opgeslagen, waar twee derden van de bemanning
met bijlen en andere gereedschappen werkten om de boomen te vellen en de
wegen te verbeteren, die naar de baai leidden. Twee andere posten werden
uitgekozen, de een op het eilandje Motoe-Aro in het midden der haven,
waar de zieken, de smeden en kuipers werden heengebragt, de andere aan
den zeekant op het groote eiland, anderhalf uur van de schepen af; deze
laatste stond in verband met de legerplaats der timmerlieden. Op al deze
posten hielpen sterke en vriendelijke wilden de matrozen in hun
verschillende werkzaamheden.

Kapitein Marion had tot nog toe evenwel sommige maatregelen van
voorzigtigheid niet verzuimd. De wilden kwamen nooit gewapend op zijn
schip, en de sloepen gingen nooit anders dan goed gewapend aan land.
Maar Marion en de wantrouwendste zijner officieren werden door de
manieren der inboorlingen om den tuin geleid, en de bevelhebber gaf last
de sloepen te ontwapenen. Kapitein Crozet wilde echter Marion bewegen om
dit bevel in te trekken. Het gelukte hem niet.

Nu verdubbelden de oplettendheden en de voorkomendheid der
Nieuw-Zeelanders. Hun opperhoofden en de officieren leefden op den voet
van volkomen hartelijkheid. Meermalen nam Takoeri zijn zoon mede aan
boord en liet hem in de hutten slapen. Den 8sten Junij werd Marion, bij
een plegtig bezoek, dat bij aan land aflegde als het "grootste
opperhoofd" van het geheele land erkend, en vier witte vederen
versierden als eereteekens zijn haar.

Zoo verliepen drie en dertig dagen na de aankomst der schepen in de
Eilanden-baai. De werkzaamheden aan de tuigaadje vorderden goed; de
watervaten werden aan de bron van Motoe-Aro gevuld. Kapitein Crozet
bestuurde in persoon den post der timmerlieden, en alles gaf regt tot de
hoop, dat de onderneming met een goeden uitslag bekroond zou worden.

Den 12den Junij ten twee ure werd de sloep van den bevelhebber uitgezet
voor een voorgenomen vischpartij aan den voet van het dorp van Takoeri.
Marion stapte er in met de twee jonge officieren Vaudricourt en Leboux,
een vrijwilliger, den wapenkapitein en twaalf matrozen. Takoeri en vijf
andere opperhoofden vergezelden hem. Niets kon de vreeselijke ramp doen
vermoeden, die zestien van de zeventien Europeanen wachtte.

De sloep stak af, roeide naar land en weldra was ze uit het gezigt van
de twee schepen.

's Avonds kwam kapitein Marion niet aan boord slapen. Niemand maakte
zich ongerust over zijn uitblijven. Men meende, dat hij de werf had
willen bezoeken en er den nacht doorbrengen.

Den volgenden dag, ten vijf ure, ging de sloep der _Castries_ volgens
gewoonte water halen op het eiland Motoe-Aro. Zij kwam zonder ongelukken
aan boord terug.

Ten negen ure zag de wachthebbende matroos van de _Mascarin_ een bijna
uitgeput man in zee, die naar de schepen zwom. Een sloep roeide naar hem
toe en bragt hem aan boord terug.

Het was Turner, een der roeijers van Marion. In de zijde had hij een
wond, door twee lanssteken veroorzaakt, en hij alleen kwam terug van de
zeventien man, die den vorigen dag het schip hadden verlaten.

Hij werd ondervraagd, en nu kwamen spoedig al de bijzonderheden van dit
verschrikkelijk treurspel aan het licht.

De sloep van den ongelukkigen Marion was 's morgens ten zeven ure bij
het dorp gekomen. De wilden gingen hun gasten vrolijk te gemoet. Op hun
schouders droegen zij de officieren en matrozen, die zich niet wilden
natmaken bij het aan land gaan. Daarna verstrooiden de Franschen zich.

Dadelijk vielen de wilden met lansen, knodsen en stokken op hen aan,
tien tegen één, en vermoordden hen. De matroos Turner, door twee
lanssteken getroffen, had het geluk zijn vijanden te ontsnappen en zich
in het kreupelhout te verbergen. Daar was hij getuige van afschuwelijke
tooneelen. De wilden beroofden de lijken van hun kleeren, sneden hun den
buik open, hakten ze in stukken....

Nu sprong Turner onbemerkt in zee, en werd stervende door de sloep der
_Mascarin_ opgenomen.

Die gebeurtenis verspreidde ontsteltenis onder de bemanning der twee
schepen. Een wraakgeschrei steeg omhoog. Maar voor men de dooden
wreekte, moest men de levenden redden. Er waren drie posten aan wal, en
duizenden bloedgierige wilden, op menschenvleesch beluste kannibalen,
omsingelden hen.

Bij ontstentenis van kapitein Crozet, die den nacht had doorgebragt op
de werf, nam de eerste officier Duclesmeur de noodige maatregelen. De
sloep der _Mascarin_ werd afgezonden met een officier en een afdeeling
soldaten. Voor alles moest die officier bijstand verleenen aan de
timmerlieden. Hij vertrok, voer de kust langs, zag de boot van den
kommandant Marion op het strand liggen en landde.

Kapitein Crozet, die, zooals reeds gezegd is, niet aan boord was, wist
niets van den moord af, toen hij 's namiddags tegen twee ure de
afdeeling zag verschijnen. Hij vermoedde een ongeluk. Hij ging vooruit
en vernam het gebeurde. Hij verbood er zijn makkers kennis van te geven,
om hen niet te beangstigen.

De wilden bezetten in groote troepen al de hoogten. Kapitein Crozet liet
de voornaamste gereedschappen medenemen, begroef de andere, verbrandde
de loodsen en ving met zestig man den terugtogt aan.

De inboorlingen volgden hem onder het geschreeuw: "Takoeri heeft Marion
gedood!" Zij hoopten den matrozen schrik aan te jagen, door hun den dood
hunner opperhoofden mede te deelen. In woede ontstoken wilden dezen op
die ellendelingen instormen. Kapitein Crozet kon hen naauwelijks in
bedwang houden.

Twee uren duurde de aftogt. De afdeeling bereikte den oever, trok de
manschappen van den tweeden post aan zich, en ging aan boord van de
sloepen. Een duizendtal wilden hadden al dien tijd roerloos op den grond
gezeten. Maar toen de sloepen van wal staken, begonnen de steenen te
vliegen.

Terstond velden vier matrozen, goede schutters, achtereenvolgens al de
opperhoofden, tot groote verbazing der inboorlingen, die onbekend waren
met de uitwerking der vuurwapenen.

Kapitein Crozet beklom de _Mascarin_ en zond de sloep terstond naar bet
eiland Motoe-Aro. Een afdeelig soldaten bleef den nacht over op het
eiland, en de zieken werden weder aan boord gebragt.

's Anderendaags werd de post door een tweede afdeling soldaten
versterkt. Het eiland moest schoongeveegd worden van de wilden, die het
onveilig maakten, en men moest verder water innemen. Motoe-Aro had een
dorp met drie honderd inwoners. De Franschen tastten het aan.

Zes opperhoofden werden gedood, de overige inlanders met de bajonnet
overhoop gestoken, het dorp verbrand.

De _Castries_ kon echter zonder masten geen zee kiezen, en Crozet, nu
verpligt om af te zien van de boomen uit het cederbosch, moest gewangde
masten maken. Het water innemen werd voortgezet.

Zoo verliep er een maand. De wilden beproefden eenige malen het eiland
Motoe-Aro te hernemen; maar het gelukte hun niet. Wanneer hun praauwen
onder het bereik van bet scheepsgeschut kwamen, werden ze in den grond
geschoten.

Eindelijk waren de werkzaamheden afgeloopen. Nu moest men men nog te
weten komen, of soms een der zestien slagtoffers den moord had
overleefd; de anderen moesten gewroken worden. De sloep, sterk bemand
met officieren en soldaten, roeide naar het dorp van Takoeri. Bij hun
nadering vlugtte dat trouwelooze en lafhartige opperhoofd, met den
mantel van den kommandant Marion over de schouders. De hutten van zijn
dorp werden naauwkeurig onderzocht. In zijn woning vond men den
hersenpan van een man, die pas gebraden was. De indruksels van de tanden
des kannibaals waren er nog aan te zien. Een menschendij was aan een
houten braadspit gestoken. Een hemd met bebloeden boord werd herkend als
het hemd van Marion, daarna de kleederen en pistolen van den jeugdigen
Vaudricourt, de wapenen der sloep en verscheurde kleedingstukken.
Verder, in een ander dorp, schoongemaakte en gebraden ingewanden van een
mensch.

Die onweersprekelijke bewijzen van moord en menscheneten werden
bijeengezameld en die menschelijke overblijfselen eerbiedig begraven.
Vervolgens werden de dorpen van Takoeri en Piki-Ore, zijn medepligtige,
in den asch gelegd. Den 14den Julij 1772 verlieten de twee schepen die
noodlottige wateren.

Ziedaar het verhaal van een onheil, waarmede iedere reiziger moet bekend
zijn, die een voet zet op de kust van Nieuw-Zeeland. De kapitein, die
zijn voordeel niet doet met die les, handelt hoogst onvoorzigtig. De
Nieuw-Zeelanders zijn altijd trouweloos en menscheneters. Ook Cook
ondervond dit op zijn tweede reis in 1773.

Toen de sloep van een zijner schepen, de _Adventure_, kapitein Furneaux,
den 17den December aan land was gegaan om een voorraad wilde kruiden te
halen, kwam ze niet terug. Zij was bemand met een adelborst en negen
matrozen. Kapitein Furneaux werd ongerust en zond luitenant Burney om
hen op te zoeken. Toen Burney aan de landingsplaats kwam, vond hij, zegt
hij, "een tooneel van bloeddorst en barbaarschheid, waarvan men
onmogelijk zonder afgrijzen kan spreken; de hoofden, ingewanden en
longen van verscheidene onzer makkers lagen op het zand verstrooid, en
op korten afstand verslonden eenige honden nog andere overblijfselen van
dien aard."

Ten besluite van die bloedige lijst voegen wij er nog het schip
_Brothers_ bij, dat in 1815 door de Nieuw-Zeelanders aangetast werd, en
de geheele bemanning der _Boyd_, kapitein Thompson, die in 1820 werd
vermoord. Den 1sten Maart 1829 eindelijk plunderde te Valkitas het
opperhoofd Enararo de engelsche brik _Hawes_ van Sydney; zijn
kannibalenhorde vermoordde verscheidene matrozen, braadde de lijken en
verslond ze.

Zoo'n land was dat Nieuw-Zeeland, waarheen de _Macquarie_ stevende, met
haar onbekwame bemanning onder het bevel van een dronkaard.



IV.

De branding.


Nog was er geen eind te zien aan die lastige overvaart. Den 2den
Februarij, zes dagen na haar vertrek, was de _Macquarie_ nog niet eens
in het gezigt van Auckland. De wind was toch goed en bleef in het
zuidwesten; maar de stroom was tegen, en de brik vorderde bijna niet. De
onstuimige en holle zee deed het bovenschip werken; de inhouten
kraakten, en zij rees met moeite uit het golfdal op. Het want, de
pardoens, de slecht aangehaalde staggen lieten vrij spel aan de masten,
die bij iedere slingering hevig schudden.

Gelukkig dat Will Halley, als iemand die niet gehaast is, niet te veel
zeil bijzette; want dan zou al het want onfeilbaar naar beneden gekomen
zijn. John Mangles hoopte daarom, dat die slechte romp zonder verder
ongeval de haven zou bereiken; maar het deed hem leed dat zijn
reisgenooten zoo slecht gehuisvest waren aan boord van die brik.

Noch lady Helena noch Mary Grant klaagden echter, hoewel een aanhoudende
regen haar dwong in het vooronder te blijven. Daar hadden zij veel
hinder van het gebrek aan lucht en het stampen van het vaartuig. Daarom
kwamen zij ook dikwijls op het dek den toorn des hemels tarten, tot
onuitstaanbare windvlagen haar dwongen om weer naar beneden te gaan. Dan
keerden zij in die bekrompene ruimte terug, die beter geschikt was om
koopwaren te bergen dan passagiers en vooral dames.

Haar vrienden zochten haar dan wat afleiding te geven. Paganel deed zijn
best om den tijd met zijn verhalen te dooden; maar het gelukte hem
slecht. Want de gemoederen waren geheel ontstemd door deze thuisreis.
Hadden de verhandelingen van den aardrijkskundige over de Pampa's en
Australië vroeger allen veel belang ingeboezemd, koel en onverschillig
lieten hen thans zijn opmerkingen en mededeelingen over Nieuw-Zeeland.
Bovendien, naar dit nieuwe land treuriger gedachtenis ging men zonder
overtuiging, niet vrijwillig, maar door het lot voortgezweept.

Van al de passagiers der _Macquarie_ was lord Glenarvan het meest te
beklagen. Men zag hem zelden in het vooronder. Hij kon het er niet
uithouden. Zijn zenuwachtig overspannen gestel kon zich niet voegen naar
een opsluiting tusschen vier enge schotten. Des daags, 's nachts zelfs
bleef hij, zonder zich aan de regenbuijen te storen, op het dek, nu eens
over de leuning hangende, dan weer met koortsige drift op en neer
loopende. Zijn blik was onafgewend naar den gezigteinder gerigt. Wanneer
het weer een oogenblik bedaarde, onderzocht hij hem trouw met zijn
kijker. Het scheen, als wilde hij die stomme golven ondervragen. Hoe
gaarne zou hij met de hand den nevel verscheurd hebben, die den
gezigteinder omsluijerde, en de dampen, die zich daar zamenpakten. Hij
kon zich niet onderwerpen, en zijn gelaat teekende bittere smart. Het
was de krachtige tot nog toe steeds gelukkige en magtige man, wien de
magt en het geluk op eens ontvielen.

John Mangles verliet hem niet en verdroeg aan zijne zijde de guurheid
des weders. Dien dag bespiedde Glenarvan met nog grooter volharding den
gezigteinder, overal waar zich maar een scheur in den nevel vertoonde.
John ging bij hem staan en vroeg:

"Zoekt uwe Edelheid het land?"

Glenarvan schudde van neen.

"En toch moet gij wel verlangen van deze brik af te komen," hernam de
jonge kapitein. "Reeds voor zes en dertig uren hadden wij de vuren van
Auckland in het gezigt moeten hebben."

Glenarvan antwoordde niet. Hij bleef maar uitzien, en een minuut lang
hield hij den kijker op den gezigteinder te loefwaart gerigt.

"Het land ligt dien kant niet uit," zeide John Mangles. "Uwe Edelheid
moet het te lijwaart zoeken."

"Waarom, John?" antwoordde Glenarvan. "Ik zoek het land niet!"

"Wat dan, mylord?"

"Mijn jagt! Mijn _Duncan_!" antwoordde Glenarvan toornig. "Daar, in deze
wateren moet het zijn, daar rooft het op zee, daar oefent het het
treurig bedrijf van zeeschuimer uit! Daar is het, zeg ik u! daar, John!
op dezen weg van de schepen tusschen Australië en Nieuw-Zeeland. En mijn
voorgevoel zegt mij, dat wij het zullen ontmoeten."

"God beware ons voor die ontmoeting, mylord!"

"Waarom, John?"

"Uwe Edelheid vergeet den toestand, waarin wij verkeeren. Wat zouden we
op deze brik doen, als de _Duncan_ er jagt op maakte! Wij zouden niet
eens kunnen vlugten!"

"Vlugten, John?"

"Ja, mylord! wij zouden het te vergeefs beproeven! Wij zouden genomen en
aan de genade dier onmenschen overgeleverd worden, en Ben Joyce heeft
getoond, dat hij niet voor een misdaad terugdeinsde. Ik geef niet veel
om ons leven! Wij zouden ons tot het uiterste verdedigen! Het zij zoo!
Maar dan? Denk aan lady Glenarvan, mylord! Denk aan Mary Grant!"

"Arme vrouwen!" mompelde Glenarvan. "John! mijn hart is gebroken, en
soms voel ik het door de wanhoop overmeesteren. Het komt mij voor, dat
nieuwe rampen ons wachten, dat de hemel zich tegen ons heeft verklaard!
Ik ben bang!"

"Gij, mylord?"

"Niet voor mij zelven, John! maar voor degenen, die ik bemin, voor
degenen, die gij ook bemint!"

"Stel u gerust, mylord!" antwoordde de jonge kapitein. "Gij moet niet
meer vreezen! De _Macquarie_ zeilt slecht, maar vordert toch. Will
Halley is een stompzinnig wezen, maar ik ben er ook, en wanneer ik het
gevaarlijk acht het land te naderen, kies ik weder het ruime sop. Van
dien kant is er dus weinig of geen gevaar. Maar God beware ons, dat de
_Duncan_ ons aan boord klampt, en zoo Uwe Edelheid tracht haar in het
oog te krijgen, doe het dan om haar te vermijden, om haar te
ontvlugten."

John Mangles had gelijk. Een ontmoeting met de _Duncan_ zou noodlottig
afloopen voor de _Macquarie_. En die ontmoeting was toch zeer mogelijk
in die zeeën, welke de zeeroovers zonder gevaar konden afschuimen. Dien
dag ten minste verscheen het jagt echter niet, en de zesde nacht na het
vertrek uit de Twofold-baai brak aan, zonder dat de vrees van John
Mangles werd verwezenlijkt.

Maar die nacht zou verschrikkelijk zijn. Ten zeven ure werd het bijna
geheel donker. De hemel had een dreigend voorkomen. Het zeemansinstinct,
dat magtiger was dan de verstomping der dronkenschap, werkte op Will
Halley. Hij verliet zijn kajuit, wreef zich de oogen uit en schudde zijn
dik rood hoofd. Daarop haalde hij diep adem, gelijk een ander een groot
glas water zou uitgezwolgen hebben om weer bij te komen, en onderzocht
het tuig.

De wind stak op, en een streek westelijker draaijende, stond hij vlak op
de zeelandsche kust.

Will Halley riep vloekende zijn matrozen, liet de bramzeilsschoten
aanhalen en de nachtzeilen aanslaan. John Mangles keurde dit goed; maar
sprak geen woord. Hij wilde zich met dien lompen zeeman in geen gesprek
inlaten. Maar hij en Glenarvan verlieten het dek niet. Twee uren later
stak er een fiksche koelte op. Halley liet de marszeilen digtreven. Het
werk zou te zwaar geweest zijn voor vijf man, als de _Macquarie_ geen
dubbele ra had gevoerd, naar het amerikaansche stelsel. Daardoor was het
genoeg de bovenste ra te strijken, om het marszeil zoo klein mogelijk te
maken.

Zoo verliepen er twee uren. De zee werd onstuimiger. De _Macquarie_
schudde zoo hevig, dat het scheen, alsof ze met de kiel langs de rotsen
schuurde. Het was toch zoo niet, maar die logge romp rees moeijelijk op
de golven. Ook sloegen de terugloopende golven met geweld over het
schip. De boot, die aan bakboordszijde hing, werd door een golf
weggeslagen.

John Mangles begon ongerust te worden. Elk ander schip zou weinig
gegeven hebben om die golven, die niet heel geducht waren. Maar met
zoo'n log vaartuig liep men gevaar loodregt te zinken; want het dek liep
vol, zoo dikwijls het onder de golven dook, en het water, dat niet
spoedig genoeg door de spiegaten kon wegloopen, kon het schip
overstelpen. Om op alles voorbereid te zijn had men de schanskleeden met
bijlen moeten stuk hakken, om het wegloopen van het water te bevorderen.
Maar Will Halley weigerde die voorzorg te nemen.

Ook bedreigde een grooter gevaar de _Macquarie_, dat het nu te laat was
om te voorkomen.

Omstreeks half twaalf vernamen John Mangles en Wilson, die aan lij
stonden, een vreemd geraas. Hun zeemansinstinct ontwaakte. John greep de
hand van den matroos.

"De branding!" zeide hij.

"Ja!" antwoordde Wilson. "De golven breken op banken."

"Hoogstens twee kabellengten van ons af?"

"Hoogstens! Daar is het land!"

John bukte over de verschansing, zag naar de donkere golven en riep:
"Het dieplood, Wilson! Het dieplood!"

De schipper, die op de voorplecht stond, scheen geen begrip van zijn
toestand te hebben. Wilson greep het dieplood, dat in een balie opgerold
lag, en snelde in de rusten van het fokkewant. Hij wierp het lood uit;
de lijn gleed tusschen zijn vingers door. Bij den derden knoop raakte
het lood grond.

"Drie vaâm!" riep Wilson.

"Kapitein!" zeide John op Will Halley toeloopende, "wij zijn in de
branding."

Halley haalde de schouders op, hetgeen John misschien niet eens zag.
Althans hij liep naar den roerganger, wendde het roer, terwijl Wilson
het dieplood liet slippen en het groot marszeil braste om het schip te
doen oploeven. De matroos aan het roer, zoo ruw weggeduwd, had niets van
dien onverwachten aanval begrepen.

"Los de loefbrassen!" schreeuwde de jonge kapitein, die zijn best deed
om van de riffen af te komen.

Een halve minuut lang streek de stuurboordswindvering van de brik er
langs, en ondanks de duisternis van den nacht bemerkte John een streep
van wit schuim op vier vaam van het schip.

Toen Will Halley eindelijk besef kreeg van dat dringende gevaar, was hij
radeloos. Zijn nog half beschonken matrozen begrepen zijn bevelen niet.
Ook bewezen zijn onzamenhangende woorden en tegenstrijdige bevelen, dat
die domme dronkaard geen koelbloedigheid bezat. Hij was verrast door de
nabijheid van het land, dat acht mijlen te lijwaart lag, toen hij er nog
wel dertig of veertig van af meende te zijn. De stroom had dien niets
beteekenenden sleurvolger van den gewonen weg afgedreven en in het naauw
gebragt.

De vlugge bewegingen van John Mangles hadden intusschen de _Macquarie_
buiten de branding gebragt. Maar John wist niet, waar hij was. Misschien
bevond hij zich wel in een kring van riffen. De wind was vlak oost en
bij iedere overlangsche slingering kon het schip stooten.

En werkelijk verdubbelde weldra het geraas van de branding vooruit aan
stuurboordszijde. Weder moest men oploeven. John wendde het roer en
braste. De branding nam toe onder den steven der brik, en hij was
verpligt bij den wind over te wenden om weer in het ruime sop te komen.
Zou die beweging gelukken met een schip, dat slecht in evenwigt lag en
zeil geminderd had? Dat was onzeker, maar het moest beproefd worden.

"Te lijwaart het roer!" beval John Mangles aan Wilson. De _Macquarie_
kwam weer digter bij de nieuwe rij riffen. Weldra schuimde de zee,
wanneer ze brak op de met water bedekte rotsen.

Het was een onbeschrijfelijk angstig oogenblik. Het schuim maakte de zee
lichtgevende. Men zou gezegd hebben, dat zij plotseling beschenen werden
door een verschijnsel van phosphorescentie. De zee loeide, alsof ze de
stem dier klippen uit de oudheid had bezeten, waaraan de heidensche
fabelleer leven gaf. Wilson en Mulrady hingen met hun volle zwaarte op
het stuurrad. Het roer raakte grond.

Daar had op eens een schok plaats. De _Macquarie_ was op een rots
geloopen. De schoren van den boegspriet braken en bragten de stevigheid
van den fokkemast in gevaar. Zou het wenden zonder verdere schade
afloopen?

Neen, want op eens werd het stil en het schip verviel weer in de lij.
Het werd terstond in zijne beweging gestuit. Een hooge golf greep het
van onderen aan en stuwde het verder op de riffen, waar het met groot
geweld neerviel. De fokkemast kwam met al het tuig naar beneden. De brik
draaide een paar keeren rond en bleef onbewegelijk op zijde liggen,
waarbij het stuurboord een hoek van dertig graden maakte.

De ruiten der kap waren in duizend stukken gebroken. De passagiers
stormden naar buiten. Maar de golven sloegen met zulk een geweld over
het dek, dat zij er niet veilig waren. Wel wetende, dat het schip diep
in het zand was gewoeld, verzocht John Mangles hun weder in het
vooronder te gaan.

"De waarheid, John?" vroeg Glenarvan bedaard.

"De waarheid, mylord! is, dat wij niet zinken zullen," antwoordde John
Mangles. "Een andere vraag is, of het schip soms uiteen zal geslagen
worden; maar wij hebben tijd om middelen tot redding te bedenken."

"Het is middernacht?"

"Ja, mylord! Wij moeten den dag afwachten."

"Kunnen wij de boot niet uitzetten?"

"Bij zulk een holle zee en zulk een duisternis is dat onmogelijk! En
waar zullen wij ook landen?"

"Welnu, John! dan zullen wij hier blijven, tot het dag is."

Intusschen liep Will Halley als een krankzinnige over het dek van het
schip. Zijne matrozen, die van hun schrik bekomen waren, sloegen een vat
brandewijn den bodem in, en begonnen te drinken. John voorzag, dat hun
dronkenschap weldra aanleiding zou geven tot verschrikkelijke tooneelen.

Er viel niet op te rekenen, dat de kapitein hen in toom zou houden. De
ongelukkige rukte zich de haren uit het hoofd en wrong de handen. Hij
dacht alleen aan zijn lading, die niet verzekerd was.

"Ik ben doodarm! Ik ben doodarm!" riep hij, terwijl hij van het eene
boord naar het andere liep.

John Mangles dacht er volstrekt niet aan om hem te troosten. Hij zorgde,
dat zijn makkers zich wapenden, en allen hielden zich gereed om de
matrozen af te slaan, die onder ijselijke vloeken zich volzopen met
brandewijn.

"Den eersten van die ellendelingen, die het vooronder nadert, schiet ik
als een hond dood," zeide de majoor heel bedaard.

De matrozen zagen zeker, dat de passagiers voornemens waren hen op een
eerbiedigen afstand te houden; want na eenige pogingen om te plunderen
dropen zij af.

John Mangles bekommerde zich niet verder om die beschonkenen en wachtte
vol ongeduld, dat het dag werd.

Het schip zat nu zoo vast als een muur. De zee bedaarde langzamerhand.
De wind ging liggen. De romp kon het dus nog eenige uren uithouden. Bij
zonsopgang zou John het land onderzoeken. Wanneer het een gemakkelijke
landingsplaats opleverde, zou de jol, het eenig overgebleven bootje, tot
vervoer van de bemanning en de reizigers dienen. Minstens zouden er drie
reizen noodig zijn, want er was voor niet meer dan vier personen plaats.
Wat de boot betreft, deze was, zooals wij gezien hebben, door een golf
weggeslagen.

Terwijl hij zoo peinsde over het gevaarlijke van hun toestand, luisterde
John Mangles, die tegen de kap leunde, naar het geraas van de branding.
Zijn blik poogde door de diepe duisternis heen te boren. Hij vroeg zich
af, hoe ver dat tegelijk gewenschte en gevreesde land wel van hen af
was. De branding toch strekt zich dikwijls uren ver van een kust uit.
Zou het ranke vaartuigje bestand zijn tegen een eenigzins langen
overtogt?

Terwijl John zoo in gedachten verzonken was en licht vroeg aan dien
pikdonkeren hemel, lagen de reizigsters, op zijn woord vertrouwende, op
haar slaapsteden uitgestrekt. De onbewegelijkheid der brik verzekerde
haar eenige uren rust. Glenarvan, John en hunne makkers verkwikten zich
ook, nu het geschreeuw der stomdronken matrozen bedaard was, met een
korten slaap, en ten een ure na middernacht heerschte er een diepe
stilte op die brik, die zelve sluimerde op haar bed van zand.

Tegen vier ure begon het in het oosten te schemeren. De wolken werden
een weinig gekleurd door de zwakke stralen van het morgenlicht. John
klom weder op het dek. De gezigteinder was met een gordijn van nevelen
bedekt. Eenige flaauw begrensde omtrekken zweefden op zekere hoogte in
de morgendampen. De zee deinde nog een beetje, en de golven verloren
zich in digte onbewegelijke wolken.

John wachtte. Het werd langzamerhand lichter en de gezigteinder nam een
roode kleur aan. De gordijn werd langzaam voor het groote achtertooneel
opgehaald. Zwarte riffen staken boven het water uit. Daarop teekende
zich een lijn af op een streep van schuim; door de nog onzigtbare schijf
der opgaande zon beschenen, werd een hoog gelegen punt verlicht, als
ware het een kustvuur op een heuveltop.

"Land!" riep John Mangles.

Door dat geroep ontwaakt, ijlden zijne makkers naar het dek van de brik,
en beschouwden zij zwijgend de kust, die aan den gezigteinder opdoemde.
Herbergzaam of vijandelijk, zij moest nu wel hun toevlugtsoord zijn.

"Waar is Will Halley?" vroeg Glenarvan.

"Ik weet het niet, mylord!" antwoordde John Mangles.

"En zijn matrozen?"

"Ook verdwenen."

"En zeker even stomdronken als hij," voegde Mac Nabbs er bij.

"Zoek ze," zeide Glenarvan; "wij kunnen ze toch niet op dit schip
achterlaten."

Mulrady en Wilson gingen naar de bak en waren in een paar minuten terug.
Ze was ledig. Nu doorzochten zij het tusschendek en het ruim. Zij vonden
noch Will Halley noch diens matrozen.

"Hoe! niemand?" zeide Glenarvan.

"Zijn ze in zee gevallen?" vroeg Paganel.

"Alles is mogelijk," antwoordde John Mangles, die zeer ongerust werd
over die verdwijning.

Zich vervolgens naar achteren begevende, zeide hij: "In de boot!"

Wilson en Mulrady volgden hem om de jol uit te zetten.

Het bootje was verdwenen.



V.

De nieuwbakken matrozen.


Er viel niet aan te twijfelen, of Will Halley en zijn matrozen hadden
van den nacht en den slaap der passagiers gebruik gemaakt om met het
eenige bootje van de brik te ontvlugten. Die kapitein, wien de pligt
gebood tot het laatste aan boord te blijven, was de eerste geweest om
het te verlaten.

"Die schurken zijn weg!" zeide John Mangles. "Welnu, des te beter,
mylord! Zij besparen ons daardoor menig onaangenaam tooneel."

"Dat denk ik ook," antwoordde Glenarvan; "bovendien is er toch nog een
kapitein aan boord, John, en moedige, zooal niet bekwame, matrozen, uwe
makkers. Beveel! wij zijn gereed om te gehoorzamen."

De majoor, Paganel, Robert, Wilson, Mulrady, zelfs Olbinett juichten de
woorden van Glenarvan toe, en op het dek geschaard stelden zij zich ter
beschikking van John Mangles.

"Wat moeten wij doen?" vroeg Glenarvan.

De jonge kapitein zag naar de zee, naar het gebrekkige tuig van de brik,
en zeide na eenig nadenken:

"Wij hebben twee middelen; mylord! om ons uit dezen toestand te redden:
het schip ligten en zee kiezen, of op een vlot, dat gemakkelijk
getimmerd kan worden, de kust bereiken."

"Wanneer het schip geligt kan worden, moesten we dat doen," antwoordde
Glenarvan. "Het is het beste, wat wij doen kunnen, niet waar?"

"Ja, Uwe Edelheid! want al zijn wij aan land, wat zouden wij dan nog
aanvangen zonder middelen van vervoer?"

"Wij moeten de kust mijden," voegde Paganel er bij. "Nieuw-Zeeland is
niet te vertrouwen!"

"Te meer, omdat wij een heel eind uit den koers gedreven zijn," hernam
John. "De lompheid van Halley heeft ons zeker te ver zuidelijk gebragt.
Ten twaalf ure zal ik mijn bestek maken, en wanneer wij, zooals ik gis,
beneden Auckland zijn, zal ik trachten met de _Macquarie_ langs de kust
op te werken."

"Maar de avery van de brik?" vroeg lady Helena.

"Ik geloof niet, dat die van veel belang is, mevrouw!" antwoordde John
Mangles. "Ik zal een noodmast opzetten in plaats van den fokkemast, en
wij zullen varen,--langzaam, weliswaar,--maar wij zullen toch gaan,
waarheen wij willen. Is bij ongeluk het hol van het schip lek, of kan
het niet vlot gemaakt worden, dan zullen wij ons moeten getroosten aan
wal te gaan en te land naar Auckland reizen."

"Onderzoeken wij dan eerst den staat van het schip," zeide de majoor.
"Dat is vooreerst het noodigste."

Glenarvan, John en Mulrady openden het groote luik en klommen in het
ruim af. Daar stonden omtrent twee honderd slecht gestuwde vaten met
gelooide huiden. Men kon ze, zonder veel moeite verplaatsen, door middel
van takels vastgemaakt aan de groote stag loodregt boven het luik. John
liet terstond een gedeelte van die lading over boord werpen om het
vaartuig te ligten.

Na drie uren hard gewerkt te hebben kon men den bodem van de brik
onderzoeken. Twee naden van de buitenhuid op de hoogte van de barghouten
waren aan bakboordszijde open. Daar nu de _Macquarie_ over stuurboord
krengde, stak de andere zijde boven water uit, en waren de beschadigde
naden zigtbaar. Het water kon er derhalve indringen. Wilson haastte zich
om de reten te stoppen met werk en een blad koper, dat hij zorgvuldig
vast spijkerde.

Bij peiling bleek het, dat er geen twee voet water in het ruim stond. De
pompen konden dat water gemnakkekelijk verwijderen en zoodoende het
schip ligten.

Toen het onderzoek van het hol afgeloopen was, vond John, dat het weinig
door de stranding geleden had. Wel zou een gedeelte van de looze kiel in
het zand blijven zitten; maar die kon men missen.

Nadat Wilson het schip van binnen bezien had, dook hij om te
onderzoeken, hoe het van onderen gesteld was.

De _Macquarie_, wier voorsteven naar het noordnoordwesten gerigt was,
zat op een modderige zandbank met zeer steilen rand. Het onderste
gedeelte van den steven en omtrent twee derden van de kiel waren er diep
ingezakt. Het andere gedeelte tot aan den achtersteven had vijf vaam
water beneden zich. Het roer zat dus niet vast en werkte onbelemmerd.
John achtte het niet noodig het uit te ligten. Dit was een groot
voordeel; want nu kon men het gebruiken, zoodra dit noodig mogt zijn.

De getijden zijn in de Stille Zuidzee niet belangrijk. Evenwel rekende
John Mangles op den vloed om de _Macquarie_ vlot te doen worden. De brik
was omstreeks een uur voor hoog water gestrand. Zoodra de ebbe opkwam,
was ze aan stuurboordszijde hoe langer hoe meer gezakt, hetgeen tot 's
morgens ten zes ure, toen het laag water was, voortduurde. Het scheen
onnoodig het schip met stutten te schoren. Nu konden de raas en andere
sparren aan boord blijven, die John wilde gebruiken om een noodmast te
maken.

Nu moesten de noodige maatregelen genomen worden om de _Macquarie_ vlot
te maken. Dat was een lang en moeijelijk werk. Het was bepaald
onmogelijk om klaar te wezen voor kwart over twaalven, wanneer het hoog
water zou zijn. Men zou alleen kunnen zien hoe, nu een gedeelte der
lading over boord was geworpen, de vloed op het schip zou werken en bij
het volgende tij zou men nog een nieuwe poging aanwenden.

"Aan het werk!" beval John Mangles.

Zijn nieuwbakken matrozen wachtten zijn bevelen af.

John liet eerst de zeilen bergen, die nog opgegeid waren. Onder toezigt
van Wilson klommen de majoor, Robert en Paganel in de groote mars. Het
groote marszeil door den wind strak gespannen, zou het losraken van het
vaartuig belemmerd hebben. Het moest dus geborgen worden, hetgeen zoo
goed en kwaad als het wilde geschiedde. Vervolgens werd na een
volhardenden arbeid, die zeer zwaar viel aan handen, welke zoo iets niet
gewoon waren, de grootbramsteng gestreken. De jonge Robert die zoo vlug
als een kat en zoo moedig als een scheepsjongen was, had bij dit
moeijelijke werk de grootste diensten bewezen.

Nu moest er nog een, misschien twee ankers uitgebragt worden, achteraan
het schip en voor de kiel. De trekkende kracht moest op deze ankers
werken om de _Macquarie_ bij hoog water te doen rijzen. Dit werk is
volstrekt niet moeijelijk, wanneer men over een sloep beschikt; men
neemt een anker mede en legt het op een geschikte plaats, die men
vooruit heeft opgezocht. Maar hier miste men een sloep en men moest zich
behelpen.

Glenarvan had genoeg kennis van zeezaken om het noodzakelijke van die
werkzaamheden in te zien. Er moest een anker uitgebragt worden om het
schip, dat met laag water gestrand was, vlot te maken.

"Maar hoe zullen wij het zonder sloep redden?" vroeg hij aan John.

"Wij zullen de stukken van den fokkemast en ledige vaten gebruiken,"
antwoordde de jonge kapitein. "Het werk zal moeijelijk, maar niet
onmogelijk zijn; want de ankers der _Macquarie_ zijn maar klein. Zijn ze
maar gevallen, dan ben ik vol hoop; althans, wanneer ze niet
doorslippen."

"Goed! Dan moeten we geen tijd verliezen, John!"

Alleman, matrozen en passagiers, werd op het dek geroepen. Elk werkte
mede. Met de bijl werden de touwen stuk gebakt, die den fokkemast nog
tegenhielden. De ondermast was in zijn val bij den top afgebroken,
zoodat de mars er gemakkelijk uitgenomen kon worden. John Mangles wilde
van dien vloer een vlot maken. Het dreef op ledige vaten en kon de
ankers dragen. Er werd een wrikriem aan vastgemaakt om den toestel te
sturen. Verder zou de ebbe hem juist achter de brik aandrijven; en
wanneer dan de ankers waren uitgeworpen, kon men gemakkelijk weder aan
boord komen, door langs het ankertouw te varen.

Dat werk was half klaar, toen de zon den middagcirkel naderde. John
Mangles liet den arbeid onder Glenarvans toezigt voortzetten en maakte
zich gereed om zijn bestek op te maken. Dit was van groot belang.
Gelukkig had John in de kajuit van Will Halley, behalve een jaarboekje
van de sterrewacht van Greenwich, een zeer vuilen sextant gevonden, maar
die toch goed genoeg was om hoogte te nemen. Hij maakte dien schoon en
kwam er mee op het dek.

Door een aantal beweegbare spiegels brengt dit werktuig de zon weder aan
den gezigteinder, op het oogenblik, dat het twaalf ure is, dat wil
zeggen, wanneer de dagvorstin het hoogste punt van haar baan bereikt.
Het is dus ligt te begrijpen, dat wie er mede wil werken, met den kijker
van den sextant een waren gezigteinder moet waarnemen, namelijk dien,
welke zich bevindt ter plaatse, waar lucht en water ineenloopen. Maar
hier liep het land juist ten noorden in een groot voorgebergte uit, en
maakte, daar het zich tusschen den waarnemer en den waren gezigteinder
inschoof, de waarneming onmogelijk.

In geval de gezigteinder ontbreekt, vervangt men hem door een
kunstmatigen; gewoonlijk is dit een vlakke schaal vol kwik, waarboven
men zijn waarneming verrigt. Het kwik levert dus van zelf een zuiver
waterpassen spiegel op.

John vond geen kwik aan boord; maar hief dit bezwaar op door zich te
bedienen van een balie, vol vloeibaar pek, welks oppervlakte tamelijk
goed het beeld der zon terugkaatste.

De lengte was hem reeds bekend, daar hij op de westkust van
Nieuw-Zeeland was. Dat was gelukkig; want zonder tijdmeter had hij ze
niet kunnen berekenen. De breedte alleen ontbrak, en die wilde bij nu
gaan zoeken.

Met den sextant nam hij dus de middaghoogte der zon boven den
gezigteinder. Die hoogte bleek 68°80' te zijn. De afstand van de zon tot
het toppunt bedroeg derhalve 21°30', omdat de som dier beide getallen
90° bedraagt. Volgens het jaarboekje bedroeg voor dien dag, den 3den
Februarij, de declinatie der zon 16°80', hetgeen, gevoegd bij den
afstand van het toppunt, zijnde 21°30', voor breedte gaf 88°.

De _Macquarie_ lag dus op 171°13' lengte en 38° breedte; waren er soms,
door de gebrekkige werktuigen eenige dwalingen in de berekening
geslopen, dan waren zij toch onbeteekenend en kon het verschil niet
groot zijn.

John Mangles zag met een blik op de kaart van Johnston, die Paganel te
Eden had gekocht, dat de schipbreuk had plaats gehad aan den ingang der
Aotea-baai, boven hoek Cahua, op de kust der provincie Auckland. De stad
van dien naam lag op zeven en dertig graden. Dus was de _Macquarie_ een
graad zuidelijker gedreven, en bij gevolg moest men een graad
noordelijker gaan om de hoofdstad van Nieuw-Zeeland te bereiken.

"Een togt van hoogstens vijf en twintig mijlen," zeide Glenarvan, "dat
beteekent niets."

"Wat ter zee niets is, zal lang en moeijelijk zijn te land," antwoordde
Paganel.

"Daarom moeten wij ook alles doen," sprak John Mangles, "wat
menschelijker wijze mogelijk is, om de _Macquarie_ vlot te krijgen."

Toen het bestek was gemaakt, werd het werk hervat. Kwart over twaalven
was het hoog water. Dit baatte John niets; want zijn ankers waren nog
niet uitgebragt. Niettemin sloeg hij de _Macquarie_ met zekeren angst
gade. Zou de vloed haar optillen? Die vraag moest in vijf minuten
beslist zijn.

Men wachtte. Er kraakte iets; dit werd veroorzaakt, zooal niet door een
optilling, dan toch door een schudding van de buitenhuid. John kreeg
goeden moed voor het volgende tij, maar bij slot van rekening bewoog de
brik zich niet.

Het werk werd voortgezet. Ten twee ure was het vlot klaar. Het stopanker
werd er op gebragt. John en Wilson gingen mede, na een greling aan het
achterschip vastgemaakt te hebben. De eb voerde ze mede en zij lieten
het anker een halve kabellengte van het schip af op tien vaam water
vallen. De ankergrond was goed en het vlot voer weer langs het stoptouw
naar boord.

Nu was het groote boeganker nog over. Het werd niet zonder moeite
neergelaten. Het vlot voer nog eens weg, en spoedig lieten ze dit tweede
anker achter het eerste vallen op vijftien vaam diepte. Het vlot langs
het kabeltouw voortduwende, keerden John en Wilson naar de _Macquarie_
terug.

De kabel en de greling werden om het braadspil gewonden en men wachtte
den volgenden vloed af, die 's nachts ten één ure zou opkomen. Het was
nu 's avonds zes ure.

John Mangles prees zijn matrozen en voorspelde Paganel, dat hij, wanneer
hij moed betoonde en goed oppaste, eenmaal bootsman zou kunnen worden.

Inmiddels was Olbinett, na eerst hard meegewerkt te hebben, naar de
kombuis gegaan. Hij had een versterkend maal toebereid, dat goed te pas
kwam. De geheele bemanning had razenden honger. Hij werd ruimschoots
bevredigd, en allen gevoelden zich gesterkt voor het werk, dat hen
wachtte.

Na den eten nam John Mangles de laatste voorzorgen, die het welslagen
der onderneming moesten verzekeren. Men mag niets verzuimen, wanneer het
er op aankomt een schip vlot te maken. Dikwijls mislukt de onderneming
uit gebrek aan eenige ligtings-lijnen, en de vastgeraakte kiel verlaat
het zandbed niet.

John Mangles had een groot deel der koopwaren in zee laten werpen, om de
brik te ligten; maar de overige balen, de zware sparren, de waarlooze
raas, eenige tonnen ballastschuitjes, die den ballast uitmaakten, werden
naar achteren gebragt om door hun zwaarte het losraken van den
voorsteven gemakkelijk te maken. Wilson en Mulrady rolden er ook eenige
volle watervaten heen om den neus der brik te doen rijzen.

Het sloeg twaalf ure, toen deze laatste werkzaamheden afgeloopen waren.
De bemanning was doodmoede, hetgeen zeer jammer was, omdat ze weldra
alle kracht zou moeten inspannen om het braadspil om te draaijen.

Dit bragt John Mangles op een nieuw besluit.

De wind bedaarde thans en rimpelde naauwlijks de oppervlakte der golven.
John onderzocht den gezigteinder ten noorden en ten oosten, en
bespeurde, dat de wind weder uit het zuidwesten naar het noordwesten zou
loopen. Een zeeman kan zich niet vergissen in de plaatsing en kleur der
wolken. Wilson en Mulrady waren het eens met hun kapitein.

John Mangles deelde zijn opmerkingen aan Glenarvan mede en stelde hem
voor om het vlotmaken tot den volgenden dag uit te stellen.

"Ik heb mijne redenen daarvoor," zeide hij. "Vooreerst zijn wij zeer
vermoeid door het werk van dezen dag, en wij hebben al onze krachten
noodig om het schip los te krijgen. En zijn we vlot, hoe zullen wij het
bij zulk een pikzwarte duisternis door de branding heensturen? Het is
beter bij het daglicht te werken. Maar nog een andere reden zet mij aan
om te wachten. De wind belooft ons te helpen, en daar zou ik zeer mee
gediend zijn. Ik wil, dat hij dezen ouden romp achteruit drijve, terwijl
de zee hem opligt. Morgen zal de wind, als ik mij niet vergis, uit het
noordwesten waaijen. Wij zullen de zeilen aan den grooten mast aanslaan;
en die zullen een handje medehelpen om de brik vlot te maken."

Deze redenen waren geldig. Glenarvan en Paganel, de ongeduldigsten aan
boord, gaven toe en het werk werd tot den volgenden dag uitgesteld.

De nacht ging rustig voorbij. Er werd wacht gehouden, vooral om voor het
slippen der ankers te waken.

De dag brak aan. Wat John Mangles voorzien had gebeurde. Er woei een
noord-noord-weste koelte, die sterker scheen te zullen worden. Dit was
een zeer voordeelige vermeerdering van kracht. De bemanning werd op haar
post geroepen. In den grooten mast hielden Robert, Wilson en Mulrady, op
het dek de majoor, Glenarvan en Paganel zich gereed om de zeilen op het
juiste oogenblik los te maken. De groot marszeilra werd op het
ezelshoofd geheschen, het groote zeil en het groot marszeil bleven
opgegeid.

Het was nu 's morgens negen ure. Over vier uren zou het hoog water zijn.
Die tijd werd niet nutteloos doorgebragt. John besteedde hem om zijn
noodmast, die den fokkemast vervangen moest, op te rigten. Zoo kon hij
zich, zoodra het achip vlot was, uit dit gevaarlijke vaarwater
verwijderen. De arbeiders deden hun uiterste best, en voor twaalven was
de marsra bij wijze van mast stevig overeind gezet. Lady Helena en Mary
Grant maakten zich zeer verdienstelijk, en sloegen een waarloos zeil aan
de bramra. Zij waren regt in haar schik, dat zij mede konden werken tot
aller redding. Toen dit tuig klaar was, liet de _Macquarie_ weliswaar
heel wat te wenschen over uit het oogpunt van sierlijkheid, maar kon ze
toch varen, althans wanneer ze het digt langs de kust hield.

Intusschen kwam de vloed opzetten. De oppervlakte der zee begon in
golvende beweging te raken. De kruinen der blinde klippen verdwenen
langzamerhand als zeedieren, die onderduiken. Het uur naderde, om het
groote werk te ondernemen. Een koortsachtig ongeduld hield allen in
spanning. Niemand sprak. Aller oog was op John gevestigd. Men wachtte
zijn bevelen af.

Over de leuning van het achterverdek gebogen, staarde John Mangles op de
zee. Hij sloeg een angstigen blik op de uitgebragte en strak gespannen
kabeltouwen.

Ten een ure bereikte de zee haar hoogste punt. Het was stil water, dat
wil zeggen het korte oogenblik, waarop het water niet meer stijgt en nog
niet valt. Nu was het tijd. Het groote zeil en het groot marszeil werden
losgemaakt, en deden den mast buigen door de kracht van den wind.

"Aan het braadspil!" riep John.

Het braadspil was van pompzwengels voorzien, gelijk een brandspuit.
Glenarvan, Mulrady, Robert aan de eene zijde, Paganel, de majoor en
Olbinett aan de andere, drukten op de pompzwengels, die de beweging op
den toestel overbragten. Ook John en Wilson hielpen hun makkers.

"Toe maar! toe maar!" riep de jonge kapitein, "allen te gelijk!"

De kabeltouwen rekten uit door de krachtige werking van het braadspil.
De ankers hielden goed en slipten niet.

Men moest spoedig slagen. Het hoog water duurt maar eenige minuten.
Weldra zou de waterspiegel weder dalen.

Nog eens spande men alle krachten in. De wind woei hevig en sloeg de
twee zeilen tegen den mast. Er werd eenige schudding in het schip
opgemerkt. De brik scheen op het punt om te rijzen. Misschien was de
hulp van nog een paar armen genoeg om ze uit de zandbank los te werken.

"Helena! Mary!" riep Glenarvan.

De beide jonge vrouwen voegden haar krachten bij die van hare
reisgenooten. Nog eens rammelde de spilpal.

Maar dat was alles. De brik bewoog zich niet. Het werk was vergeefsch
geweest. Reeds liep de ebbe en het bleek duidelijk, dat die geringe
bemanning er zelfs met behulp van den wind en de zee niet in zou slagen
om het vaartuig vlot te maken.



VI.

Verdediging van het menscheneten.


De eerste poging tot redding, door John Mangles beproefd, was mislukt.
Zonder uitstel moest men nu tot de tweede overgaan. Het was duidelijk,
dat men de _Macquarie_ niet vlot kon krijgen, en even duidelijk, dat er
niets anders overschoot dan bet schip te verlaten. Het zou onvoorzigtig
en dwaas geweest zijn om aan boord te blijven, tot er hulp kwam opdagen.

Lang voor dat het toeval een schip op de plaats der schipbreuk zou
brengen, zou de _Macquarie_ verbrijzeld zijn! De eerste storm de beste,
zelfs een onstuimige zee door de zeewinden opgejaagd, zoo het tegen de
banken slaan, het verbrijzelen, vernielen en het wrak in alle rigtingen
verstrooijen. Voor het zoo ver kwam, dat het uit elkander geslagen werd,
wilde John aan land wezen.

Hij stelde dus voor een vlot te timmeren, sterk genoeg om de passagiers
en een voldoende hoeveelheid levensmiddelen naar de zeelandsche kust
over te brengen.

Het was nu geen tijd om te praten maar om te handelen. Men ging aan het
werk en was reeds een goed eind gevorderd, toen de duisternis het deed
staken.

Ten acht ure, toen het avondeten gebruikt was en lady Helena en Mary
reeds in het vooronder te bed waren gegaan, spraken Paganel en zijn
vrienden, terwijl zij het dek op en neer gingen, over belangrijke zaken.
Robert had hen niet willen verlaten. De wakkere knaap luisterde met open
mond, gereed om een dienst te bewijzen, gereed ook om het een of ander
waagstuk te ondernemen.

Paganel had aan John Mangles gevraagd, of het vlot niet de kust kon
langs varen tot aan Auckland, in plaats van de reizigers aan wal te
zetten.

John antwoordde, dat zulk een togt onmogelijk was met zulk een gebrekkig
vaartuig.

"En zouden we met de sloep der brik hebben kunnen doen," zeide Paganel,
"wat wij op een vlot niet kunnen wagen?"

"Als het moest, ja!" antwoordde John Mangles; "maar op voorwaarde, dat
wij over dag voeren en 's nachts voor anker bleven liggen."

"Dus hebben die schurken, die ons achtergelaten hebben...."

"O! die waren dronken," antwoordde John Mangles, "en in die zwarte
duisternis vrees ik zeer, dat zij die laaghartige vlugt met hun leven
geboet hebben."

"Zooveel te erger voor hen," hernam Paganel, "en zooveel te erger voor
ons; want die sloep zou ons goede diensten bewezen hebben."

"Wat er aan te doen, Paganel?" zeide Glenarvan. "Het vlot zal ons ook
wel aan den wal brengen."

"Dat had ik juist willen vermijden," antwoordde de aardrijkskundige.

"Hoe! kan een reis van hoogstens twintig mijlen schrik aanjagen aan
menschen, die tegen vermoeijenis bestand zijn, na alles wat wij in de
Pampa's en op onzen togt door Australië hebben uitgestaan?"

"Vrienden!" antwoordde Paganel, "ik trek evenmin onzen moed als de
wakkerheid onzer gezellinnen in twijfel. Twintig mijlen; dat is niets in
ieder ander land dan Nieuw-Zeeland. Gij zult mij niet van lafhartigheid
verdenken. Ik was het, die u door Amerika, door Australië heb
medegevoerd. Maar, ik herhaal het, dat alles is niets in vergelijking
met een reis door dat verraderlijke land."

"Het ergste wat ons kan overkomen wacht ons op dit gestrande schip: een
zekere ondergang!" antwoordde John Mangles.

"Wat hebben we dan toch op Nieuw-Zeeland te duchten!" vroeg Glenarvan.

"De wilden," antwoordde Paganel

"De wilden!" hernam Glenarvan. "Kunnen wij ze niet vermijden, door de
kust te volgen?" Bovendien, tien goed gewapende en vastberaden
Europeanen behoeven zich niet beangst te maken voor een aanval van
eenige ellendige wilden."

"Het zijn geen ellendige wilden," antwoordde Paganel hoofdschuddende.
"De Nieuw-Zeelanders zijn verschrikkelijke lieden, die tegen de
engelsche heerschappij zich verzetten, die de indringers bestrijden, die
hen dikwijls overwinnen, die hen altijd opeten!"

"Menscheneters!" riep Robert, "menscheneters!"

Vervolgens hoorde men hem deze beide namen mompelen: "Mijne zuster!
mevrouw Helena!"

"Vrees niet, mijn kind!" sprak Glenarvan om den knaap gerust te stellen.
"Onze vriend Paganel overdrijft!"

"Ik overdrijf niets," hervatte Paganel. "Robert heeft getoond een man te
zijn, en ik behandel hem als een man door hem de waarheid niet te
verbergen. De Nieuw-Zeelanders zijn de wreedste, om niet te zeggen de
gulzigste van alle menscheneters. Zij verslinden alles wat onder hun
bereik komt. De oorlog is voor hen alleen een jagt op dat uitstekende
wild, dat mensch heet, en om de waarheid te zeggen is dat de eenige
verstandige oorlog. De Europeanen dooden hun vijanden en begraven ze. De
wilden dooden hun vijanden en eten ze op, en volgens het gevoelen van
mijn landgenoot Toussenel ligt het kwaad niet zoozeer in het braden van
zijn vijand als hij dood is, als wel daarin, dat men hem doodt, wanneer
hij niet sterven wil."

"Paganel!" zeide de majoor, "dat is een rijke stof voor een gesprek,
maar het oogenblik is er niet geschikt voor. Of het verstandig is of
niet om opgegeten te worden, wij willen niet, dat men ons zal opeten.
Maar hoe komt het, dat het christendom die afschuwelijke gewoonte om
menschenvleesch te eten nog niet heeft uitgeroeid?"

"Gelooft gij dan, dat alle Nieuw-Zeelanders christenen zijn?" antwoordde
Paganel. "Slechts een gering aantal is het, en de zendelingen zijn nog
maar al te dikwijls de slagtoffers dier woestaards. Verleden jaar nog is
de eerwaarde Walkner met de afschuwelijkste wreedheid doodgemarteld. De
Maori's hebben hem opgehangen. Hun vrouwen hebben hem de oogen uit het
hoofd gehaald. Men heeft zijn bloed gedronken, zijn hersenen opgegeten.
En die moord heeft plaats gehad in 1864, te Opotiki, eenige uren van
Auckland af, om zoo te zeggen onder het oog der engelsche autoriteiten.
Er zijn eeuwen noodig, mijne vrienden! om den aard van een menschenras
te veranderen. Wat de Maori's geweest zijn, zullen zij nog lang zijn.
Hun geheele geschiedenis is met bloed geschreven. Wat al schepelingen
hebben zij vermoord, en verslonden, van de matrozen van Tasman af tot de
bemanning der _Hawes_ toe! En het is geenszins het blanke vleesch, dat
hen zoo graag heeft gemaakt. Lang voor de komst der Europeanen zochten
de Zeelanders door moord hun lust te bevredigen. Menig reiziger heeft
onder hen verkeerd, die maaltijden van menscheneters heeft bijgewoond,
waarbij de gasten alleen gedreven werden door het verlangen om iets
lekkers te eten, zooals het vleesch van een vrouw of een kind."

"Ba!" zeide de majoor, "zijn die verhalen niet grootendeels in de
verbeelding der reizigers ontstaan? Men is er soms op gesteld om uit
gevaarlijke landen en uit de maag der menscheneters terug te komen!"

"Ik geef toe, dat er soms overdrijving plaats heeft," antwoordde
Paganel. "Maar geloofwaardige mannen hebben gesproken, de zendelingen
Kendall en Marsden, de kapiteins Dillon, d'Urville, Laplace en anderen,
en ik geloof hun verhalen, ik moet ze gelooven. De Zeelanders zijn wreed
van aard. Bij den dood hunner opperhoofden slagten zij menschenoffers.
Zij beweren door die offers den toorn des overledenen te stillen, die de
levenden zou kunnen treffen, en tevens hem dienaren voor het andere
leven aan te bieden! Maar daar zij die nagelaten bedienden opeten na ze
vermoord te hebben, mag men gelooven, dat de maag er even groot deel aan
heeft als het bijgeloof."

"Ik meen toch," zeide John Mangles, "dat de godsdienst een rol speelt in
die tooneelen van kannibalisme. Wanneer de godsdienst verandert, zullen
de zeden dus ook veranderen."

"Goed, vriend John!" antwoordde Paganel. "Gij werpt daar de gewigtige
vraag op van den oorsprong van het menscheneten. Heeft de godsdienst of
de honger de menschen er toegebragt om elkander te verslinden? Dat
onderzoek zou in dit oogenblik ontijdig zijn. Waarom het menscheneten
bestaat? die vraag is nog niet opgelost; maar het bestaat, en dat is een
ernstig feit, waarover wij maar al te veel reden hebben om ons ongerust
te maken."

Paganel zeide de waarheid. Het menscheneten is even diep geworteld op
Nieuw-Zeeland, als op de Fidsji-eilanden of aan de Torres-straat.
Ontwijfelbaar komt het bijgeloof in het spel bij die afschuwelijke
gewoonten; maar er zijn menscheneters, omdat het wild soms schaarsch is
en de honger groot. De wilden zijn begonnen met menschenvleesch te eten
om aan de eischen van den honger te voldoen, die slechts zelden
verzadigd wordt; vervolgens hebben de priesters die ijselijke gewoonten
tot wet gemaakt en gewijd. De maaltijd is een godsdienstige plegtigheid
geworden, ziedaar alles.

In de oogen van de Maori's is er dan ook niets natuurlijker dan elkander
op te eten. De zendelingen hebben hen dikwijls over het menscheneten
ondervraagd. Zij hebben hun gevraagd, waarom zij hun broeders opaten.
Hierop antwoordden de hoofden, dat de visschen de visschen opeten, dat
de honden de menschen opeten, dat de menschen de honden opeten, en dat
de honden elkander opeten. In hun godenleer komt zelfs de overlevering
voor, dat een god een anderen god opat. Hoe zouden zij met dit alles
voor oogen zich het genoegen kunnen ontzeggen om hun evenmensch op te
eten?

Ook beweren de Zeelanders, dat men door een dooden vijand op te eten ook
zijn geestelijk deel vernietigt. Zoo erft men zijn ziel, zijn kracht,
zijn dapperheid, die vooral in de hersenen zetelen. Dit gedeelte van den
mensch komt daarom op de feestmalen als hoofdschotel en lekker beetje
voor.

Paganel hield intusschen niet zonder grond staande, dat de zinnelijkheid
en vooral de nood de Zeelanders tot menscheneten aanspoorden, en niet
alleen de wilden van Oceanië, maar ook de wilden van Europa.

"Ja," voegde hij er bij, "het menscheneten heeft lang bestaan onder de
voorvaderen der beschaafde volken, en, beschouwt dit niet als op u
persoonlijk gemunt, vooral bij de Schotten."

"Inderdaad?" vroeg Mac Nabbs.

"Ja, majoor!" hernam Paganel. "Wanneer gij zekere uitdrukkingen van den
heiligen Hieronymus over de Atticoli van Schotland leest, zult gij zien,
wat gij van uwe voorvaderen denken moet! En zonder tot vóórhistorische
tijden op te klimmen, werd onder de regeering van Elisabeth, in
denzelfden tijd toen Shakspeare over zijn Shilock peinsde, de schotsche
struikroover Sawney Bean niet ter dood gebragt om de misdaad van
menscheneten? En welk gevoel had hem aangezet om menschenvleesch te
eten? De godsdienst? Neen de honger."

"De honger?" vroeg John Mangles.

"De honger," verzekerde Paganel; "maar vooral de noodzakelijkheid,
waarin het vleeschetend dier zich bevindt, om zijn vleesch en bloed weer
te herstellen door de stikstof in de dierlijke zelfstandigheden. De
longen moeten tot haar werkzaamheid in staat worden gesteld door
knolvormige en zetmeel bevattende planten. Maar wie sterk en werkzaam
zijn wil, moet die bloedvormende spijzen gebruiken, die het slijten der
spieren herstellen. Zoo lang de Maori's geen leden zijn van de
maatschappij der groenteneters, zullen zij vleesch eten en wel
menschenvleesch."

"Waarom geen vleesch van dieren?" vroeg Glenarvan.

"Omdat zij geen dieren hebben," antwoordde Paganel, "en dit moet men
weten, niet om hun gewoonte van menschenvleesch te eten te
verontschuldigen, maar om ze te verklaren. Viervoetige dieren, zelfs
vogels zijn zeldzaam in dit onherbergzaam land. De Maori's hebben zich
daarom altijd met menschenvleesch gevoed. Er zijn zelfs "jaargetijden om
de menschen te eten," gelijk in de beschaafde landen jaargetijden om te
jagen. Dan beginnen de groote drijfjagten, dat wil zeggen de groote
oorlogen, en geheele volksstammen worden op de tafels der overwinnaars
opgedischt."

"Volgens uw gevoelen, Paganel!" sprak Glenarvan, zal het menscheneten
dus eerst ophouden, wanneer schapen, runderen en zwijnen in de weiden
van Nieuw-Zeeland sterk zullen vermenigvuldigen?"

"Zeker, waarde lord! en dan nog zal het jaren duren, voor de Maori's het
zeelandsche vleesch ontwend zijn, dat ze boven alles verkiezen; want de
zoons zullen lang beminnen wat hun vaders bemind hebben. Volgens hun
zeggen heeft dat vleesch den smaak van varkensvleesch, maar met meer
wildsmaak. Op blank vleesch zijn ze minder verlekkerd, omdat de blanken
zout in hun eten doen, hetgeen hun een bijzondere geur heeft, die bij de
lekkerbekken niet zeer getrokken is."

"Ze zijn nog al moeijelijk te voldoen!" zeide de majoor. "Maar eten ze
dat blanke of zwarte vleesch raauw of gebraden?"

"Waar ge al niet naar vraagt, mijnheer Mac Nabbs!" riep Robert.

"Wel, mijn jongen!" antwoordde de majoor ernstig, "als ik ooit tot spijs
moet strekken aan een menscheneter, zou ik liefst gebraden worden!"

"Waarom?"

"Om zeker te zijn, dat ik niet levend verslonden werd!"

"Goed, majoor!" hernam Paganel; "maar als gij nu eens levend gebraden
werd?"

"In ieder geval," antwoordde de majoor, "zou ik het niet graag in mijn
keus hebben."

"Dat mag wezen zooals het wil, Mac Nabbs! maar als het u genoegen doet,"
antwoordde Paganel, "weet dan, dat de Nieuw-Zeelanders het vleesch
alleen gebraden of gerookt eten. Het zijn goed onderwezen menschen, die
wel weten wat lekker smaakt. Maar wat mij aangaat, ik vind de gedachte
van opgegeten te worden hoogst onaangenaam! Zijn leven te eindigen in de
maag van een wilde, foei!"

"Het slot van dit alles is," zeide John Mangles, "dat wij niet in hun
handen moeten vallen. Ook willen wij maar hopen, dat het christendom
eenmaal die ijselijke gewoonten zal afschaffen."

"Ja, dat moeten wij hopen," antwoordde Paganel; "maar, geloof mij, een
wilde, die menachenvleesch geproefd heeft, zal er niet ligt van afzien.
Gij kunt er zelven over oordeelen uit deze twee feiten."

"Vertel ons die feiten, Paganel!" zeide Glenarvan.

"Het eerste wordt medegedeeld in de Verslagen der Jezuïten-orde in
Brazilië. Een portugeesch zendeling ontmoette eens een oude zeer zieke
braziliaansche vrouw. Zij had nog maar weinige dagen te leven. De Jezuït
onderrigtte haar in de waarheden van het christendom, die de stervende
zonder tegenspraak aannam. Na het zielevoedsel dacht hij ook aan het
voedsel des ligchaams, en bood der boetelinge eenige europeesche
versnaperingen aan. "Helaas!" antwoordde de oude, "mijn maag kan
volstrekt geen voedsel meer verdragen. Er is nog maar één ding, waarin
ik trek zou hebben, maar bij ongeluk kan hier niemand het mij
bezorgen."--"Wat is dat dan?" vroeg de Jezuït.--"Ach, mijn zoon! het is
de hand van een jongentje! Ik verbeeld mij, dat ik die beentjes met
smaak zou afkluiven!"

"Zoo! zoo! maar is dat dan goed?" vroeg Robert.

"Mijn tweede geschiedenis zal u het antwoord geven, mijn jongen!" hernam
Paganel. "Eens verweet een zendeling aan een menscheneter die
afgrijselijke gewoonte om menschenvleesch te eten, die strijdt met de
goddelijke wetten. "En dus moet het slecht zijn," voegde hij er
bij.--"Ach! vader!" antwoordde de wilde, terwijl hij een begeerigen blik
op den zendeling sloeg, "zeg, dat God het verbiedt! Maar zeg niet, dat
het slecht is! Als gij het maar eens gegeten hadt!..."



VII.

Eindelijk bereiken zij het land, dat zij moesten ontvlieden.


De feiten, door Paganel medegedeeld, waren ontegensprekelijk. De
wreedheid der Nieuw-Zeelanders was aan geen twijfel onderhevig. Aan land
gaan was dus met gevaar gepaard. Maar al was dat gevaar nog honderdmaal
grooter geweest, men moest het tarten. John Mangles gevoelde de
noodzakelijkheid om zoo spoedig mogelijk een schip te verlaten, dat aan
een zekeren ondergang was gewijd. Geen aarzeling was mogelijk bij de
keus tusschen twee gevaren, waarvan het eene zeker, het andere slechts
waarschijnlijk was.

En op de kans van door een schip opgenomen te worden viel eigenlijk niet
te rekenen. De _Macquarie_ lag niet op den weg der schepen, die naar
Nieuw-Zeeland stevenen. Zij gaan óf noordelijker naar Auckland óf
zuidelijker naar Nieuw-Plymouth. De schipbreuk had juist tusschen die
twee punten plaats gehad, op het onbewoonde gedeelte der kust van
Ika-Na-Maoeï. Die kust stond in een slechten reuk. De schepen doen hun
uiterste best om ze te mijden, en zoo de wind hen er heenvoert, om zich
zoo spoedig mogelijk er van te verwijderen.

"Wanneer zullen wij vertrekken?" vroeg Glenarvan.

"Morgen ochtend om tien ure," antwoordde John Mangles. "Dan komt de
vloed opzetten, die ons aan land zal brengen."

Daags daaraan, den 5den Februarij, ten acht ure, was het vlot
afgetimmerd. John had de uiterste zorg besteed aan het want. De
voormars, die voor het uitbrengen der ankers gediend had, was niet
toereikend om reizigers en levensmiddelen over te voeren. Een stevig
vaartuig, dat bestuurd kon worden en in staat was om gedurende een
overtogt van negen mijlen zee te bouwen, was een volstrekte behoefte.
Het scheepswant alleen kon de noodige bouwstoffen daartoe opleveren.

Wilson en Mulrady waren aan het werk gegaan. Het tuig werd afgekapt en
na een aantal bijlslagen viel de groote mast, die van onderen
aangevallen werd, aan stuurboord over de verschansing, die onder zijn
val kraakte. De _Macquarie_ was nu zoo kaal als een pont.

De ondermast, de fokkesteng en de bramsteng werden doorgezaagd en
gescheiden. Nu dreven de voornaamste stukken van het vlot. Zij werden
met de overblijfselen van den fokkemast vereenigd en deze sparren stevig
met elkander verbonden. John zorgde, dat er in de tusschenruimten een
half dozijn leege vaten geplaatst werden, die het geheel boven water
moesten houden.

Toen deze onderlaag goed vast was, had Wilson er een soort van openen
vloer over gelegd, gemaakt van de roosters van het schip. De golven
konden dus op het vlot breken zonder er op te blijven, en de reizigers
waren beveiligd tegen nat worden. Ook vormden eenige stevig vastgezette
watervaten een soort van cirkelvormig schanskleed en beschermden het
vlot tegen de zware golven.

Toen John zag, dat de wind dien morgen gunstig was, liet hij midden op
het vlot de bramra zetten bij wijze van een mast. Zij werd met touwen
vastgemaakt en van een noodzeil voorzien. Een groote riem met een breed
blad, die achter werd aangebragt, stelde hem in staat om het vlot te
sturen, wanneer de wind het genoeg snelheid verleende.

Zoo kon dit goed zamengestelde vlot de deining weerstaan. Maar zou het
naar het roer luisteren, zou het de kust bereiken, wanneer de wind eens
omliep? dat was de vraag.

Ten negen ure begon men het te laden.

Eerst werden er genoeg levensmiddelen opgebragt om tot Auckland te
strekken; want er viel niet te rekenen op de voortbrengselen van dien
ondankbaren bodem.

Olbinett had nog wat over van het verduurzaamde vleesch, het overschot
van de levensmiddelen, die voor de reis met de _Macquarie_ waren
aangekocht. Het beteekende echter niet veel. Men moest zich vergenoegen
met den groven scheepskost, wat middelmatige scheepsbeschuit en twee
vaatjes gezouten visch. De hofmeester schaamde zich de oogen uit het
hoofd.

Deze levensmiddelen werden in luchtdigte, gestopte en voor het zeewater
ondoordringbare kisten gedaan, vervolgens op het vlot gebragt en met
sterke krabbers aan den voet van den noodmast vastgesjord. De wapenen en
het kruid werden op een veilige drooge plaats gelegd. Gelukkig waren de
reizigers goed gewapend met karabijnen en revolvers.

Ook een werpanker werd medegenomen, in geval John niet met één getij het
land kon bereiken en dus in zee zou moeten ankeren.

Ten tien ure werd de vloed merkbaar. De wind was noordwest, wel zwak,
maar gunstig. De oppervlakte der zee stond een weinig hol.

"Zijt gij gereed?" vroeg John Mangles.

"Alles in orde, kapitein!" antwoordde Wilson.

"Valt!" riep John.

Lady Helena en Mary Grant klommen een ruwe touwladder af en gingen aan
den voet van den mast op de kisten met levensmiddelen zitten; haar
reisgenooten omringden haar. Wilson greep het roer. John plaatste zich
bij de geitouwen, en Mulrady hakte het sjortouw door, waarmede het vlot
naast het schip vast lag.

Het zeil werd losgemaakt, en door tij en wind voortgestuwd zette het
vlot koers naar de kust.

Het land was negen mijlen van hen af, een middelmatige afstand, dien een
sloep met goede roeijers bemand in drie uren zou afgelegd hebben. Maar
met het vlot zou het langer duren. Bleef de wind in dien hoek, dan kon
men misschien in één getij de kust bereiken. Maar ging de wind liggen,
dan zou de eb het doen afdrijven, en men zou ten anker moeten gaan om
den volgenden vloed af te wachten. Dat was zeer bedenkelijk, en John
Mangles maakte zich er ook wel ongerust over.

Toch gaf hij den moed niet op. De wind werd sterker. De vloed was om
tien ure begonnen, en derhalve moesten zij ten drie ure landen, op
straffe van het anker te moeten werpen of door het vallende water weer
naar zee te worden gedreven.

Het begin van den overtogt was zeer gelukkig. Langzamerhand bedekten de
vloedgolven de zwarte toppen der riffen en het gele tapijt der banken.
Groote oplettendheid en buitengewone bekwaamheid waren noodig om die
overstroomde ondiepten te mijden en een vaartuig te besturen, dat slecht
naar het roer luisterde en ligt uit den koers dreef.

Om twaalf ure was het nog vijf mijlen van de kust. De tamelijk heldere
lucht veroorloofde om het afwisselende voorkomen van den grond te
onderscheiden. In het noord-oosten verhief zich een twee duizend vijf
honderd voet hooge berg. Hij teekende zich op een vreemde wijze tegen
den gezigteinder af, en zijn schaduwbeeld vertoonde den grijnzenden kop
van een aap van ter zijde gezien, met den nek van boven. Het was de
Pirongia, die volgens de kaart juist op acht en dertig graden breedte
ligt.

Om half een wees Paganel, dat alle klippen onder het wassende water
verdwenen waren.

"Op ééne na," antwoordde lady Helena.

"Welke, mevrouw?" vroeg Paganel.

"Daar," antwoordde lady Helena op een zwarte stip wijzende een mijl voor
hen uit.

"Zoo waar," antwoordde Paganel. "Wij dienen ze goed in het oog te houden
om er niet op te stooten; want de vloed zal ze weldra overdekken."

"Ze ligt juist voor den noordelijken top van den berg," zeide John
Mangles. "Wilson! draag zorg, dat wij ze ter zijde laten liggen."

"Ja, kapitein!" antwoordde de matroos, die met zijn geheele zwaarte op
het ruwe roer ging liggen. In een half uur vorderden zij een halve mijl.
Maar, wat vreemd was, de zwarte stip bleef maar altijd boven water.

John bezag ze naauwkeurig, en om ze nog beter waar te nemen, leende hij
den kijker van Paganel.

"Dat is geen rif," zeide hij na een kort onderzoek, "dat is een drijvend
voorwerp, dat met de golven op en neergaat."

"Is het soms een stuk van de masten der _Macquarie_?" vroeg lady Helena.

"Neen!" antwoordde Glenarvan, "geen stuk van het wrak heeft zoo ver
kunnen afdrijven."

"Wacht eens!" riep John Mangles, "ik zie wat het is, het is de sloep!"

"De sloep van de brik!" riep Glenarvan.

"Ja, mylord! De sloep van de brik het onderst boven!"

"Die ongelukkigen!" riep lady Helena. "Zij zijn stellig verdronken!"

"Ja, mevrouw!" antwoordde John Mangles, "en zij moesten verdrinken; want
in deze branding op een holle zee, in dien duisteren nacht, liepen zij
het verderf in den mond!"

"De hemel zij hun genadig!" mompelde Mary Grant. De passagiers zwegen
eenige oogenblikken. Zij beschouwden het ranke bootje, dat al meer
naderde. Het was zeker op vier mijlen van het land gestrand, en
ongetwijfeld was geen een van de opvarenden gered.

"Maar die boot kan ons van dienst zijn," zeide Glenarvan.

"Dat is zoo," antwoordde John Mangles. "Zet den koers daarheen, Wilson!"

De rigting van het vlot werd eenigzins veranderd; maar de koelte begon
te minderen, en eerst om twee ure waren ze bij het bootje.

Mulrady, die voorop stond, keerde den schok, en de gestrande jol werd op
zijde van het vlot gehaald.

"Ledig?" vroeg John Mangles.

"Ja, kapitein!" antwoordde de matroos, "de boot is leeg en haar
boordplanken zijn open. Wij hebben er dus niets aan."

"Kunnen wij er niets mee uitvoeren?" vroeg Mac Nabbs.

"Niets," antwoordde John Mangles. "Het is goed brandhout."

"Dat spijt me," zeide Paganel; "want die jol had ons te Auckland kunnen
brengen."

"Wij moeten ons er in schikken, mijnheer Paganel!" antwoordde John
Mangles. "Op een zoo onstuimige zee verkies ik ook ons vlot nog boven
dit zwakke bootje. Een ligte schok is genoeg geweest om het te
verbrijzelen! Wij hebben hier dus niet langer noodig, mylord!"

"Zooals gij goedvindt, John!" zeide Glenarvan.

"Vooruit, Wilson!" hernam de jonge kapitein; "en regt op de kust aan!"

De vloed zou nog omtrent een uur duren. Men vorderde nog een paar
mijlen. Maar toen ging de wind bijna geheel liggen, en scheen hij een
landwind te willen worden. Het vlot bleef onbewegelijk. Weldra begon het
zelfs met de ebbe zee in te drijven.

John kon geen seconde aarzelen. "Laat vallen 't anker!" riep hij.

Mulrady, die dit bevel wel verwacht had, liet het anker op vijf vaam
water vallen. Het vlot week een weinig terug, zoover het sterk gespannen
ankertouw toeliet, en bleef met het voorste gedeelte naar de kust
gekeerd. Het noodzeil werd opgegeid, en de noodige maatregelen genomen
voor een vrij lang oponthoud.

Het zou toch wel 's avonds negen ure worden, voor de vloed weer kwam
opzetten, en daar John Mangles volstrekt geen lust had om 's nachts te
varen, bleef hij tot 's morgens vijf ure ten anker. Het land was drie
mijlen verder zigtbaar.

De zee stond zeer bol en scheen voortdurend op de kust te staan. Daarom
vroeg Glenarvan ook, toen hij vernam, dat zij den gebeelen nacht daar
blijven zouden, waarom John van dien stroom geen gebruik maakte om
digter bij de kust te komen.

"Uwe oogen misleiden u, Uwe Edelheid!" antwoordde de jonge kapitein.
"Hoewel de golven schijnen vooruit te gaan is het toch zoo niet. Het is
slechts een schommeling der waterdeeltjes, anders niet. Werp maar een
stuk hout op die golven, en gij zult het op dezelfde plaats zien
blijven, zoolang de eb zich niet doet gevoelen. Er zit dus niets anders
op dan geduld te oefenen."

"En te gaan eten," voegde de majoor er bij.

Olbinett haalde uit een kist met levensmiddelen eenige stukken gedroogd
vleesch en een dozijn beschuiten. De hofmeester schaamde zich, dat hij
zijn meester zulk een schralen kost moest voorzetten. Maar een ieder was
er mee te vreden, zelfs de dames, die echter weinig trek hadden ten
gevolge van de slingerende beweging van het vlot.

Die schokken van het vlot en de rukken van het kabeltouw, waaraan het
vastlag, waren onuitstaanbaar. Onophoudelijk geslingerd op korte en
dansende golven, kon het niet harder stooten op de scherpe punten eener
blinde klip. Soms scheen het, dat het aan den grond raakte. Het
ankertouw schuurde hevig en om het half uur vierde John er een vaâm van
uit, om het te vernieuwen. Zonder die voorzorg zou het stellig gebroken
zijn en dan moest het vlot, aan zich zelf overgelaten, zeker in zee
drijven en vergaan.

Men kan dus ligt begrijpen, hoe beangst John was. Het touw kon breken of
het anker slippen, en in beide gevallen was hij verloren.

Het werd nacht. Reeds dook de zonneschijf, door de straalbreking
vergroot, bloedrood onder de kim. De laatste strepen water blonken in
het westen en fonkelden als stroomen gesmolten zilver. Aan dien kant was
alles lucht en water, op één scherp begrensd punt na, de romp van de
_Macquarie_, die onbewegelijk op de bank vastzat.

De kortstondige schemering maakte bijna geen scheiding tusschen nacht en
dag, en spoedig werd het land ten oosten en ten noorden onzigtbaar.

Die schipbreukelingen verkeerden op dat bekrompene vlot in die zwarte
duisternis waarlijk in geen benijdbaren toestand! Sommigen vielen in een
angstige en door benaauwde droomen afgebroken sluimering, anderen konden
geen uur slapen. Toen de zon opging waren allen afgemat door de
vermoeienissen van dien nacht.

Met den vloed stak ook de zeewind weer op. Het was 's morgens vier ure.
De tijd drong. John maakte zich gereed om onder zeil te gaan. Hij gaf
bevel om het anker te ligten. Maar de ankertanden waren door de rukken
van het touw diep in het zand gewoeld. Zonder braadspil was het niet los
te krijgen, ook niet met de talies, die Wilson gebruikte.

Een half uur verliep met vergeefsche pogingen. In zijn ongeduld om onder
zeil te gaan liet John den kabel kappen, waarbij hij natuurlijk zijn
anker verspeelde en zich de mogelijkheid benam om, als de nood het
eischte, wanneer soms die vloed niet toereikend was om hen aan wal te
brengen, te ankeren. Maar hij wilde niet langer wachten, en een houw met
de bijl leverde het vlot over aan de genade van den wind en van een
stroom van twee knoopen in het uur.

Het zeil werd losgemaakt. Langzaam dreven zij naar het land, dat zich
als een graauwe massa voordeed tegen den achtergrond des hemels, dien de
opgaande zon verlichtte. Met veel beleid werden de riffen vermeden en
omgevaren. Maar met dien zwakken zeewind scheen het vlot maar niet te
vorderen. Wat al moeite kostte het om dat Nieuw-Zeeland te bereiken,
waar een landing zoo gevaarlijk was.

Om zeven ure waren zij echter nog maar een mijl van het land af. De
branding was vreeselijk, de kust zeer steil. Men moest een geschikte
landingsplaats zoeken. De wind verzwakte allengs en ging eindelijk
geheel liggen. Het slappe zeil klapperde tegen den mast. John liet het
opgeijen. De vloed alleen dreef het vlot naar de kust; maar aan besturen
viel niet meer te denken, en ontzaggelijke wierplanten vertraagden nog
zijn vaart.

Ten acht ure zag John, dat zij zoo goed als stil bleven liggen, drie
kabellengten van den oever af. Hij had geen anker meer. Zou de eb hem
dan misschien weer naar zee meevoeren? Met gebalde vuisten, inwendig
door onrust verteerd, sloeg John een woesten blik op dat ongenaakbare
land.

Gelukkig,--ditmaal althans gelukkig,--had er een schok plaats. Het vlot
lag stil. Het was gestrand op een zandbank vijf en twintig vaam van de
kust af.

Glenarvan, Robert, Wilson en Mulrady sprongen in zee. Van de eene hand
in de andere overgaande, kwamen de dames aan land, zonder een plooi van
haar kleedjes nat gemaakt te hebben, en weldra zetten allen, met wapens
en levensmiddelen, den voet op die geduchte kust van Nieuw-Zeeland.



VIII.

Tegenwoordige toestand van dat land.


Glenarvan had terstond langs de kust naar Auckland willen gaan. Maar
dien morgen was de lucht zwaar bewolkt, en tegen tien ure, na de
ontscheping, verdigtten de dampen zich tot een geweldige regenbui.
Derhalve was het onmogelijk om op reis te gaan en dwong de nood hen een
schuilplaats te zoeken.

Wilson ontdekte zeer van pas een grot, die de zee in de basaltrotsen aan
de kust had uitgehold. De reizigers vlugtten er in met hun wapens en
levensmiddelen. Daar lag een groote hoop gedroogd zeegras, dat de golven
er hadden ingespoeld. Men was zeer tevreden met die natuurlijke
legerstede, enige stukken hout werden aan den ingang der grot
opgestapeld en vervolgens aangestoken, en nu trachtten allen zich bij
dat vuur te droogen.

John hoopte, dat de duur van dien stortregen in omgekeerde verhouding
staan zou tot zijn hevigheid. Maar dat was zoo niet. Het eene uur na het
andere verliep, zonder dat er verandering kwam in den toestand der
lucht. Tegen elf ure begon het harder te waaijen en nog erger te
regenen. Die tegenspoed zou den geduldigsten mensch ongeduldig gemaakt
hebben. Maar wat er aan te doen? Het zou dwaasheid geweest zijn om
zonder voertuig zulk een storm te tarten. Ook kon men in weinige dagen
Auckland bereiken, en dus kwam het op een oponthoud van twaalf uren niet
aan, althans wanneer de inboorlingen niet opdaagden.

Gedurende die gedwongen rust liep het gesprek over de voorvallen van den
oorlog, waarvan Nieuw-Zeeland toen het tooneel was. Maar om het gewigt
der omstandigheden goed te begrijpen, waarin de schipbreukelingen der
_Macquarie_ verkeerden, moet men de geschiedenis dier worsteling kennen,
die het eiland Ika-Na-Maoeï van bloed deed stroomen.

Sedert de komst van Abel Tasman in de Cook-straat, den 18den December
1642, waren de Nieuw-Zeelanders wel dikwijls door europeesche schepen
bezocht, maar toch vrij gebleven op hun onafhankelijke eilanden. Geen
enkele europeesche mogendheid dacht er aan om zich van dien archipel
meester te maken, die de Stille Zuidzee beheerscht. De zendelingen, op
verschillende punten gevestigd, waren de eenigen, die aan deze nieuwe
landstreken de weldaden der christelijke beschaving bragten. Sommigen
hunner, en voornamelijk de anglikaansche, bereidden de zeelandsche
opperhoofden er echter op voor om zich te krommen onder het engelsche
juk. Zij wisten dezen zoo slim om den tuin te leiden, dit zij een brief
teekenden aan koningin Victoria gerigt om haar bescherming in te roepen.
Maar de schrandersten onder hen voelden de dwaasheid van dien stap, en
een hunner liet, na op den brief een afbeelding van de figuren, waarmee
hij getatoeëerd was, gedrukt te hebben, deze profetische woorden hooren:
"Wij hebben ons land verloren; voortaan behoort het ons niet meer;
weldra zal de vreemdeling zich er meester van komen maken en wij zullen
zijn slaven zijn."

Werkelijk kwam den 29sten Januarij 1840 de korvet _Herald_ in de
Eilanden-baai, in het noorden van Ika-Na-Maoeï. De scheepskapitein
Hobson landde bij het dorp Korora-Reka. De inwoners werden uitgenoodigd
een volksvergadering in de protestantsche kerk bij te wonen. Daar werden
hun de regten voorgelezen, die kapitein Hobson van de koningin van
Engeland had verkregen.

Den 5den Februarij daaraanvolgenden werden de voornaamste zeelandsche
opperhoofden bij den engelschen resident in het dorp Païa geroepen.
Kapitein Hobson trachtte hun onderwerping te verkrijgen, zeggende, dat
de koningin troepen en schepen zou zenden om hen te beschermen, dat hun
regten gewaarborgd bleven, dat hun vrijheid onaangerand zou blijven. Hun
eigendommen echter zouden aan koningin Victoria toebehooren, aan wie zij
verpligt waren ze te verkoopen.

De meeste opperhoofden vonden die bescherming wat duur en weigerden ze
aan te nemen. Maar de beloften en geschenken vermogten meer op die
onbeschaafde gemoederen dan de groote woorden van kapitein Hobson, en de
inbezitneming werd bekrachtigd.

Maar wat was er voorgevallen van dat jaar 1840 af tot den dag toe,
waarop de _Duncan_ de golf van Clyde verliet? Jacques Paganel wist
alles, en was bereid om zijn reisgenooten alles mede te deelen.

"Mevrouw!" antwoordde hij op de vragen van lady Helena, "ik herhaal, wat
ik vroeger reeds gezegd heb, dat de Nieuw-Zeelanders een moedig volk
zijn, dat na een oogenblik toegegeven te hebben, zijn land voet voor
voet betwist aan de engelsche indringers. De stammen der Maori's zijn op
dezelfde leest geschoeid als de oude schotsche clans. Het zijn eigenlijk
groote famieljes, die een opperhoofd erkennen, welke streng staat op
volslagen onderwerping aan zijn gezag. De mannen van dit ras zijn fier
en dapper; sommigen zijn groot en hebben gladde haren, gelijk de
Maltezers of de joden uit Bagdad, en maken den heerschenden stand uit;
anderen zijn kleiner en ineengedrongen, evenals de Mulatten; maar allen
zijn sterk, trotsch en oorlogzuchtig. Zij hebben een beroemd opperhoofd
gehad, Hibi geheeten, een echte Vercingetorix. Het behoeft u dus niet te
verwonderen, dat de oorlog met de Engelschen eindeloos duurt op
Ika-Na-Maoeï, want daar woont de vermaarde stam der Waikato's, die
William Thompson tot verdediging van den grond in het gevecht brengt."

"Maar zijn de Engelschen geen meesters van de voornaamste punten vau
Nieuw-Zeeland?" vroeg John Mangles.

"Zonder twijfel, waarde John!" antwoordde Paganel. "Na de inbezitneming
door kapitein Hobson, later gouverneur van het eiland, zijn er allengs
van 1840 tot 62 negen koloniën gesticht op de voordeeligste plaatsen.
Zij vormen negen provinciën; vier op het noordelijke eiland: de
provinciën Auckland, Taranaki, Wellington en Hawkesbay; vijf op het
zuidelijke eiland: de provinciën Nelson, Marlborough, Otago en
Southland; de geheele bevolking dier negen provinciën bedroeg den 8sten
Junij 1864 honderd tachtig duizend driehonderd zes en veertig inwoners.
Allerwegen zijn belangrijke koopsteden verrezen. Wanneer wij te Auckland
komen, zult gij genoodzaakt zijn onvoorwaardelijk de ligging te
bewonderen van dat Corinthe van het zuiden, dat de naauwe landengte
beheerscht, die als een brug over de Stille Zuidzee is geslagen, en
reeds twaalf duizend zielen telt. Nieuw-Plymouth in het westen. Ahuhiri
in het oosten, Wellington in het zuiden zijn reeds bloeijende steden vol
vertier. Op het eiland Tavai-Poenamoe zoudt gij verlegen zijn in de keus
tusschen Nelson, het Montpellier der tegenvoeters, den tuin van Nieuw
Zeeland, Picton aan de Cooks-straat, Christchurch, Invercargill en
Dunedin, in de rijke provincie Otago, waar de goudzoekers van heinde en
ver heenstroomen. En merk op, dat hier niet bedoeld wordt een
verzameling van eenige hutten, een opeenhooping van wilde gezinnen, maar
wel echte steden, met havens, kerken, banken, dokken, kruidtuinen,
museums van natuurlijke historie, acclimatatietuinen, dagbladen,
hospitalen, inrigtingen van liefdadigheid, hoogescholen,
vrijmetselaars-loges, clubs, zangverenigingen, schouwburgen en gebouwen
voor wereldtentoonstellingen, niet meer noch minder dan te Londen of te
Parijs! En als mijn geheugen mij geen parten speelt, zijn in 1865, in
dit jaar, en misschien terwijl ik met u spreek, de voortbrengselen der
nijverheid van de geheele aarde tentoongesteld in een land van
menscheneters!"

"Hoe! ondanks den oorlog met de inboorlingen?" vroeg lady Helena.

"De Engelschen geven ook wat om een oorlog, mevrouw!" antwoordde
Paganel. "Zij vechten en houden tentoonstellingen te gelijk. Dat hindert
hen niet. Zij leggen zelfs spoorwegen aan onder bet bereik van de kogels
der Nieuw-Zeelanders. In de provincie Auckland loopen de spoorweg van
Drury en die van Mere-Mere door de voornaamste punten, welke de
opstandelingen bezet houden. Ik wil wedden, dat de werklieden
geweerschoten wisselen van de locomotief."

"Maar hoe staat het thans met dien eindeloozen oorlog?" vroeg John
Mangles.

"Het is nu reeds meer dan zes maanden geleden, dat wij Europa verlaten
hebben," antwoordde Paganel; "dus kan ik niet weten, wat er sedert ons
vertrek voorgevallen is, op eenige feiten echter na, die ik op onze reis
door Australië in de Maryborougsche en Seymoursche kranten gelezen heb.
Maar toen werd er hard gevochten op het eiland Ika-Na-Maoeï."

"En wanneer is die oorlog begonnen?" zeide Mary Grant.

"Gij wilt zeggen "weder begonnen", lieve miss!" antwoordde Paganel,
"want de eerste opstand had in 1845 plaats. Tegen het einde van 1863;
maar reeds lang te voren maakten de Maori's zich gereed om het juk der
engelsche heerschappij af te schudden. De nationale partij onder de
inboorlingen deed haar uiterste best om de verkiezing van een maori
opperhoofd te bewerken. Zij wilde den ouden Potatau koning, en van zijn
dorp, tusschen de Waikato en de Waipa gelegen, de hoofdstad van het
nieuwe koningrijk maken. Die Potatau was een meer sluwe dan stoute
grijsaard; maar hij had een krachtvollen en schranderen eersten
minister, een afstammeling van den stam dier Ngatihahua's, die voor den
inval der vreemdelingen de landengte van Auckland bewoonden. Die
minister, William Thompson geheeten, werd de ziel van dien
onafhankelijkheidsoorlog. Hij bragt de troepen der Maori's op een zeer
goeden voet. Op zijn aansporing vereenigde een opperhoofd van Taranaki
de verstrooide stammen tot een zelfde doel; een ander opperhoofd van de
Waikato's vormde het "landverbond," een echt verbond voor het algemeene
welzijn, dat zich voorstelt de inboorlingen te verhinderen hun
landerijen aan de engelsche regeering te verkoopen; er werden maaltijden
gehouden, evenals in beschaafde landen, waar een omwenteling op het punt
staat van uit te barsten. De engelsche dagbladen begonnen die
onrustbarende voorteekenen mede te deelen, en de regeering werd ernstig
ongerust over dat drijven van het "landverbond." Kortom, de gemoederen
waren opgewonden, de mijn gereed om te springen. Er was maar een vonk
noodig of liever de botsing van twee belangen om ze voort te brengen."

"En die botsing?..." vroeg Glenarvan.

"Had in 1860 plaats," antwoordde Paganel, "in de provincie Taranaki, op
de zuidwestkust van Ika-Na-Maoeï. Een inlander bezat drie honderd
bunders land in de nabijheid van Nieuw-Plymouth. Hij verkocht ze aan het
engelsch bestuur. Maar toen de landmeters kwamen om den verkochten grond
op te meten, verzette zich het opperhoofd Kingi, en in de maand Maart
legde hij op de betwiste drie honderd bunders een met palissaden
versterkte legerplaats aan. Eenige dagen later nam kolonel Gold aan bet
hoofd zijner troepen dat kamp in, en dienzelfden dag werd het eerste
schot in den volksoorlog gelost."

"Zijn de Maori's talrijk?" vroeg John Mangles.

"De inlandsche bevolking is in een eeuw sterk verminderd," antwoordde de
aardrijkskundige. "In 1769 schatte Cook ze op vier honderd duizend
inwoners. Volgens de opgave van het _Inlandsch Beschermheerschap_
bedroeg ze in 1845 honderd negen duizend. De beschavende moorden, de
ziekten en het vuurwater hebben ze gedund; maar op de twee eilanden
blijven nog negentig duizend inboorlingen over, waaronder dertig duizend
krijgslieden, die de europeesche troepen lang werk zullen geven."

"Is de opstand tot nog toe gelukt?" vroeg lady Helena.

"Ja, mevrouw! en de Engelschen zelven hebben dikwijls den moed der
Nieuw-Zeelenders bewonderd. Zij voeren een partijgangers-oorlog, wagen
schermutselingen, overvallen kleine afdeelingen, plunderen de hoeven der
kolonisten. Generaal Cameron was niet op zijn gemak in die velden,
waarvan hij alle struiken moest laten doorzoeken. Na een langdurige en
moorddadige worsteling hadden de Maori's in 1863 een groote versterkte
stelling ingenomen aan de Boven-Waikato, aan de uitloopers van een
steile heuvelketen, door drie verdedigings-liniën gedekt. Profeten
riepen de geheele inlandsche bevolking op tot verdediging van den
vaderlandschen grond en beloofden de verdelging der "pakeka's," dat wil
zeggen van de blanken. Drie duizend man trokken op onder bevel van
generaal Cameron en gaven den Maori's geen kwartier meer, na den
barbaarschen moord op kapitein Sprent gepleegd. Bloedige slagen werden
geleverd. Sommige duurden twaalf uren, zonder dat de Maori's voor de
europeesche kanonnen weken. De strijdhaftige stam der Waikato's onder
bevel van William Thompson vormde de kern der strijders voor de
onafhankelijkheid. Die inlandsche veldheer had eerst derdehalf, later
acht duizend krijgslieden onder zijn bevel. De onderdanen van Shongi en
Heki, twee geduchte opperhoofden, kwamen hem te hulp. In dien heiligen
oorlog deelden de vrouwen in de zwaarste vermoeienissen. Maar het regt
zegeviert niet altijd. Na moorddadige gevechten gelukte het generaal
Cameron het district Waikato te onderwerpen, een ledig en ontvolkt
district, want de Maori's ontvlugtten naar alle zijden. Er hadden
bewonderenswaardige wapenfeiten plaats. Vier honderd Maori's, in de
vesting Orakan opgesloten en door duizend Engelschen onder bevel van den
brigadier-generaal Carey belegerd, weigerden zich over te geven, hoewel
honger en dorst hen kwelden. En op klaarlichten dag baanden zij zich een
weg door het verzwakte 40ste regiment en redden zich over de moerassen."

"En heeft de onderwerping van het district Waikato een eind gemaakt aan
dien bloedigen oorlog?" vroeg John Mangles.

"Neen, mijn vriend!" antwoordde Paganel. "De Engelschen hebben het
voornemen om in de provincie Taranaki binnen te rukken en Mataitawa, de
vesting van William Thompson, te belegeren. Maar zij zullen ze niet
zonder aanmerkelijke verliezen innemen. Toen ik gereed stond Parijs te
verlaten, vernam ik, dat de gouverneur en de generaal de onderwerping
der Tarangastammen aangenomen en hun drievierden hunner landerijen
gelaten hebben. Er was ook sprake van, dat de hoofdaanvoerder van den
opstand, William Thompson, er aan dacht om zich over te geven; maar de
australische dagbladen hebben die tijding niet bevestigd; het tegendeel
is veeleer waar. Het is dus zeer waarschijnlijk, dat men zich thans met
kracht gereedmaakt voor den strijd."

"En naar uwe meening, Paganel!" zeide Glenarvan, "zouden de provinciën
Taranaki en Auckland het tooneel dier worsteling zijn?"

"Dat denk ik."

"Diezelfde provincie, waar de schipbreuk der _Macquarie_ ons heeft doen
aankomen?"

"Juist. Wij zijn geland eenige mijlen benoorden de haven Kawhia, waar de
nationale vlag der Maori's nog moet wapperen."

"Dan zal het geraden zijn, dat wij noordwaarts trekken," zeide
Glenarvan.

"Dat is waarlijk hoog noodig," antwoordde Paganel. "De Nieuw-Zeelanders
zijn razend op de Europeanen en vooral op de Engelschen. Wij mogen dus
wel zorgen niet in hun handen te vallen."

"Misschien zullen wij wel een afdeeling europeesche troepen ontmoeten,"
zeide lady Helena. "Dat zou een buitenkansje zijn."

"Misschien, mevrouw!" antwoordde de aardrijkskundige; "maar ik reken er
niet op. De afzonderlijke afdeelingen zijn niet gaarne in het open veld,
wanneer de geringste struik, het nietigste kreupelhout een bekwamen
schutter verbergt. Ik reken dus niet op een geleide van de soldaten van
het 40ste regiment. Maar er zijn eenige zendingsposten gevestigd op de
westkust, die wij langs moeten, en wij kunnen ze gemakkelijk allen
aandoen tot Auckland toe. Ik denk er zelfs aan om den weg te nemen, dien
de heer Von Hochstetter gevolgd is, namelijk den loop van de Waikato."

"Was dat een reiziger, mijnheer Paganel?" vroeg Robert Grant.

"Ja, mijn jongen! een lid der wetenschappelijke commissie, die met het
oostenrijksche fregat de _Novara_ in 1858 de reis om de wereld
medemaakte."

"Mijnheer Paganel!" hernam Robert, wiens oogen fonkelden bij de gedachte
aan groote aardrijkskundige togten, "heeft Nieuw-Zeeland beroemde
reizigers gehad, zooals Burke en Stuart in Australië?"

"Eenige, mijn kind! zooals dokter Hooker, professor Brizard, de
natuurkundigen Dieffenbach en Julius Haast; maar ofschoon verscheidene
hunner met hun leven geboet hebben voor hun zucht naar avonturen, zijn
zij toch minder beroemd dan de australische of afrikaansche
reizigers...."

"En kent gij hun geschiedenis?" vroeg de jonge Grant.

"Dat zou ik denken, mijn jongen! en daar ik zie dat gij brandt van
verlangen om er evenveel van te weten als ik, zal ik ze u vertellen."

"Ik dank u, mijnheer Paganel! ik luister al!"

"En wij luisteren ook," zeide lady Helena, "Het is niet voor het eerst,
dat het slechte weder ons dwingt om wat te leeren. Spreek voor ons
allen, mijnbeer Paganel!"

"Ik ben tot uw bevelen, mevrouw!" antwoordde de aardrijkskundige; "maar
mijn verhaal zal kort zijn. Er is hier geen sprake van die stoute
ontdekkers, die man tegen man met den australischen minotaurus
worstelden. Nieuw-Zeeland is te klein om zich te verzetten tegen de
nasporingen van den mensch. Mijn helden zijn dan ook geen eigenlijk
gezegde reizigers geweest, maar eenvoudige pleizier-reizigers, die het
offer werden van de meest dagelijksche voorvallen."

"En zij heeten?..." vroeg Mary Grant.

"De wiskunstenaar Witcombe en Charlton Howitt, dezelfde die het
overblijfsel van Burke heeft teruggevonden op dien merkwaardigen togt,
dien ik u verhaald heb bij ons vertoef aan de oevers der Wimerra.
Witcombe en Howitt bestuurden elk een onderzoekingstogt op het eiland
Tawaï-Poe-namoe. Beiden vertrokken van Christchurch in het begin van
1863, om verschillende wegen over de noordelijke bergen der provincie
Canterbury op te zoeken. Howitt trok op de noordelijke grens der
provincie over de keten en sloeg zijn hoofdkwartier op aan het meer
Brunner. Witcombe daarentegen vond in het dal van de Rakaia een weg, die
op het oostelijke gedeelte van den Tyndall-berg uitliep. Witcombe had
een medgezel, Jacob Louper, die in de _Lyttelton-Times_ het verhaal van
de reis en de ramp heeft openbaar gemaakt. Zooveel ik mij herinner waren
de twee onderzoekers den 22sten April 1863 aan den voet van een
gletscher, waar de Bakaia uit ontspringt. Zij beklommen den bergtop en
gingen nieuwe paden opzoeken. Den volgenden dag bragten Witcombe en
Louper, uitgeput van vermoeijenis en koude, onder een zware sneeuwbui
ter hoogte van vier duizend voet boven den zeespiegel door. Zeven dagen
lang dwaalden zij in het gebergte rond, in dalen, wier loodregte wanden
geen uitgang verleenden, dikwijls zonder vuur, soms zonder voedsel, hun
suiker veranderde in stroop, hun beschuit in nat deeg, hun kleeren en
dekens dropen van water, insecten wondden hen, soms maakten zij groote
dagreizen van drie mijlen en dan weer vorderden zij op een dag nog geen
twee honderd el. Den 29sten April troffen zij eindelijk een hut van
Maori's aan, en in een tuin eenige handenvol aardappelen. Dit was de
laatste maaltijd, dien de beide vrienden zamen deelden. 's Avonds
bereikten zij de zeekust, nabij den mond der Taramakau. Nu kwam het er
op aan om op den regteroever over te gaan, ten einde noordwaarts de
rivier de Grey te bereiken. De Taramakau was diep en breed. Na een uur
zoekens vond Louper twee beschadigde bootjes, die hij zoo goed mogelijk
herstelde en aan elkander bond. Tegen den avond gingen de twee reizigers
scheep. Maar pas waren zij in het midden van den stroom, toen de bootjes
vol water liepen. Witcombe sprong in het water en zwom naar den
linkeroever terug. Jacob Louper, die niet zwemmen kon, hield zich aan
het bootje vast. Dit redde hem, maar niet zonder dat hij veel angst
moest uitstaan. De ongelukkige dreef naar de branding. De eerste golf
slingerde hem in de diepte. De tweede bragt hem aan de oppervlakte
terug. Hij werd tegen de rotsen geslagen. De nacht was vreeselijk
donker. Het stortregende. Zoo werd Louper met een bloedend en door het
zeewater opgezet ligchaam verscheidene uren heen en weêr geslingerd.
Eindelijk stiet het bootje tegen den wal, en de schipbreukeling werd
bewusteloos op de kust geworpen. Toen de zon den volgenden morgen
opging, sleepte hij zich naar een bron en bemerkte, dat de stroom hem
een mijl van de plaats had afgevoerd, waar hij den overtogt over de
rivier had beproefd. Hij stond op, volgde de kust en vond weldra den
ongelukkigen Witcombe, wiens hoofd en geheele ligchaam onder den modder
begraven was. Hij was dood. Louper groef met zijn handen een kuil in het
zand en begroef het lijk van zijn makker. Twee dagen daarna werd hij,
stervende van honger, door gastvrije Maori's opgenomen,--er zijn er wel
enkele,--en den 4den Mei bereikte hij het meer Brunner en de legerplaats
van Charlton Howitt, die zes weken later hetzelfde lot onderging als de
ongelukkige Witcombe."

"Ja!" zeide John Mangles, "het schijnt, dat die rampen zich
aaneenschakelen, dat een noodlottige band de reizigers onderling
verbindt, en dat zij allen sterven, wanneer die band verbroken wordt."

"Gij hebt gelijk, vriend John!" antwoordde Paganel, "en ik heb dikwijls
diezelfde opmerking gemaakt. Door welk noodzakelijk verband Howitt bijna
onder dezelfde omstandigheden moest omkomen, kan men niet zeggen.
Charlton Howitt was door den heer Wyde, chef der landswerken, aangenomen
om een voor paarden bruikbaren weg aan te leggen van de vlakten van
Hurunuï tot aan den mond der Taramakau. Hij vertrok den 1en Januarij
1863 met vijf man. Hij kweet zich uitstekend van zijn last, en een weg
van veertig mijlen werd in orde gebragt tot aan een onoverkomelijk punt
van de Taramakau. Howitt keerde nu naar Christchurch terug, en in
weerwil van den naderenden winter verzocht hij zijn werk te mogen
voortzetten. De heer Wyde gaf hem daartoe verlof. Howitt vertrok weer
met de noodige levensmiddelen om het slechte jaargetijde in zijn
legerplaats door te brengen. Omstreeks dien tijd kwam Jacob Louper bij
hem. Den 27sten Junij verliet Howitt met twee man, Robert Little en
Henry Mullis, de legerplaats. Zij staken het meer Brunner over. Sedert
heeft men hen nooit terug gezien. Hun rank en laag op het water liggend
bootje werd op de kust, waar het gestrand was, teruggevonden. Negen
weken lang heeft men te vergeefs naar hen gezocht, en het is duidelijk,
dat die ongelukkigen, welke niet konden zwemmen, in de golven van het
meer verdronken zijn."

"Maar zouden zij niet ongedeerd bij een zeelandschen stam kunnen zijn?"
zeide lady Helena. "Men mag toch altijd nog aan hun dood twijfelen."

"Helaas neen! mevrouw!" antwoordde Paganel, "want in de maand Augustus
1865, een jaar na de ramp, waren zij nog niet terug ... en," mompelde
hij zachtjes, "wanneer men in geen jaar in dat Nieuw-Zeeland te
voorschijn komt, dan is het alleen, omdat men reddeloos verloren is."



IX.

Dertig mijlen noordelijker.


Den 7den Februarij, 's morgens ten zes ure, gaf Glenarvan het sein om te
vertrekken. De regen had dien nacht opgehouden. Graauwe wolkjes, die ter
hoogte van drie mijlen boven den grond zweefden, hielden de zonnestralen
tegen. De matige warmte liet toe, dat men de vermoeijenissen van de reis
overdag trotseerde.

Paganel had op de kaart een afstand van tachtig mijlen tusschen hoek
Cahua en Auckland gemeten; dat was tegen tien mijlen per dag een reis
van acht dagen. Maar in plaats van de bogtige zeekust te volgen, achtte
hij het beter om op een afstand van dertig mijlen de samenvloeijing der
Waikato en Waipa, bij het dorp Ngarnavahia te bereiken. Daar gaat de
postweg over, of beter gezegd een voor rijtuigen bruikbaar pad, dat een
groot gedeelte van het eiland Napier van de Hawkes-baai tot Auckland
doorsnijdt. Dan zou het gemakkelijk zijn Drury te bereiken en er in een
uitmuntend logement uit te rusten, dat de natuurkundige Hochstetter
aanbeveelt.

De reizigers belastten zich elk met een gedeelte der mondbehoeften en
volgden den oever der baai van Aotea. Uit voorzigtigheid verwijderden
zij zich niet van elkander en hadden zij hun karabijnen geladen, terwijl
zij uit instinct de golvende vlakten in het oosten gadesloegen. Met zijn
uitstekende kaart in de hand vond Paganel er het genoegen van een
kunstenaar in om de naauwkeurigheid van de geringste daarop
aangeteekende bijzonderheden te onderzoeken.

Een gedeelte van den dag betrad het kleine gezelschap een zandgrond,
bestaande uit overblijfselen van tweekleppige schelpen en graten van den
inktvisch, sterk vermengd met over-oxyde en eerste ijzer-oxyde. Een
magneet, dien men digt bij den grond hield, zou terstond met
schitterende kristallen bedekt zijn geworden.

Op den oever, dien het wassende water allengs bespoelde, dartelden
eenige zeedieren, die volstrekt geen haast maakten om te vlugten. De
robben met hun ronde koppen, hun breed en gebogen voorhoofd, hun
sprekende oogen, hadden een zacht, zelfs een innemend voorkomen. Men kon
het ligt begrijpen, dat de fabel, die zonderlinge waterbewoners op hare
wijze in een dichterlijk waas hullende, er betooverende sirenen van
gemaakt had, hoewel hun stem niets anders is dan een onwelluidend
geknor. Op de kusten van Nieuw-Zeeland zijn die talrijke dieren het
voorwerp van een levendigen handel. Zij worden gevangen om hun traan en
hun vel.

Onder hen merkte men drie of vier zee-olifanten op, blaauwachtig grijs
en vijf en twintig tot dertig voet lang. Die ontzaggelijke vierpootige
zoogdieren lagen lui op dikke bedden reusachtig zeegras, staken hun
snuit in de hoogte en schudden grijnzend de grove haren van hun lange en
ineengedraaide knevels, echte kurketrekkers, die gekruld waren als de
baard van een saletjonker. Robert keek met genoegen naar dat
belangwekkend schouwspel, toen hij op eens zeer verbaasd uitriep:

"Kijk eens! die robben eten keisteenen!"

En waarlijk slikten verscheidene van deze dieren met gulzigheid de
steenen in die op het strand lagen.

"Drommels! het feit is waar!" antwoordde Paganel. "Men kan niet
ontkennen, dat deze dieren hun maag met strandkeitjes vullen."

"Een vreemd voedsel," zeide Robert, "dat moeijelijk te verteren zal
zijn!"

"Die zeedieren slikken geen steenen in om zich te voeden, mijn jongen!
maar om zich te ballasten. Het is een middel om hun soortelijk gewigt te
vermeerderen en gemakkelijker te zinken. Zoodra zij weer aan land zijn,
zullen ze die steenen wel zonder verteren omslag overgeven. Gij zult
zien, dat dezen te water gaan."

Zoo was het ook. Een half dozijn robben, die voldoenden ballast hadden
ingenomen, kropen weldra met veel moeite langs het strand en verdwenen
in hun vochtig element. Maar Glenarvan kon geen kostbaren tijd
verspillen met op hun terugkomst te wachten, teneinde gade te slaan hoe
zij hun ballast weer opruimden en tot groote spijt van Paganel werd de
afgebroken marsch weder hervat.

Ten tien ure hield men stil om te ontbijten aan den voet van groote
basalt-rotsen, die als celtische dolmens aan den zeekant lagen. Een
oesterbank leverde een groot aantal van die weekdieren op. Die oesters
waren klein en niet lekker. Maar op raad van Paganel braadde Olbinett ze
op gloeijende kolen en zoo toebereid werden ze bij dozijnen gedurende
dien maaltijd gebruikt.

Toen de rusttijd om was, zette men den togt langs den oever der baai
voort. Op de getande rotsen, op de kruin dier klippen, waren een menigte
zeevogels gevlugt, fregatvogels, domme zeezwaluwen, zeemeeuwen, en
groote albatrossen, die onbewegelijk op den top der scherpe pieken
zaten. 's Namiddags ten vier ure had men tien mijlen afgelegd zonder
hinderpalen ontmoet te hebben of vermoeid te zijn. De dames verzochten
de reis tot den avond toe voort te zetten. Nu moest de rigting van den
weg veranderd worden; om den voet van eenige bergen heen, die zich in
het noorden vertoonden, moest men het dal van de Waipa in.

In de verte vertoonde de bodem onafzienbare grasvlakten, waarop men
makkelijk zou voortkunnen. Maar toen de reizigers aan den rand dier
groene velden kwamen, waren zij bitter teleurgesteld. Het gras werd
vervangen door een kreupelbosch van heesters met kleine witte bloemen,
vermengd met die hooge en tallooze varens, die zoo menigvuldig voorkomen
op de gronden van Nieuw-Zeeland. Men moest zich door die houtachtige
stengels een weg banen, hetgeen zeer moeijelijk ging. Echter was men 's
avonds ten acht ure om de eerste ruggen der Hakarihoata-Ranges
heengekomen, en nu sloeg men terstond de legerplaats op.

Na een togt van veertien mijlen hadden zij waarlijk aanspraak op rust.
Daar zij geen wagen noch tent hadden, zocht ieder aan den voet van
prachtige norfolksche dennen een goede ligplaats. Aan dekens was geen
gebrek, zij werden als bedden uitgespreid.

Glenarvan nam duchtige voorzorgmaatregelen voor den nacht. Twee aan twee
zouden hij en zijn reisgenooten tot zonsopgang behoorlijk gewapend de
wacht houden. Vuur werd niet aangelegd. Die brandende slagboomen zijn
goed tegen wilde beesten; maar Nieuw-Zeeland heeft tijgers, leeuwen,
beeren noch andere verscheurende dieren: trouwens de Nieuw-Zeelanders
vervangen genoegzaam hun plaats. En een vuur zou alleen gediend hebben
om die tweevoetige tijgerkatten te lokken.

Kortom, de nacht was goed, op eenige zandvliegen na, in de landtaal
"ngamu" genoemd, wier steek zeer lastig is, en een vermetele
rattensoort, die wakker knaagde aan de zakken met mondvoorraad.

Toen Paganel den volgenden dag, den 8sten Februarij, ontwaakte, was hij
vol moed en bijna met het land verzoend. De Maori's, die hij vooral
duchtte, waren niet opgedaagd, en die wreede menscheneters bedreigden
hem niet eens in zijn droomen. Hij deelde zijn blijdschap daarover aan
Glenarvan mede.

"Ik denk dus," zeide hij, "dat deze kleine wandeling goed zal afloopen.
Dezen avond zullen wij de samenvloeijing der Waipa en Waikato bereikt
hebben, en zijn wij daar voorbij, dan behoeven wij niet bang te zijn
voor een ontmoeting met de inboorlingen op den weg naar Auckland."

"Hoe ver moeten wij gaan," vroeg Glenarvan, "om de samenvloeijing der
Waipa en Waikato te bereiken?"

"Vijftien mijlen, zoo wat even ver, als wij gisteren gegaan zijn."

"Maar het zal ons heel wat oponthoud veroorzaken, als dat eindelooze
kreupelhout de paden blijft versperren."

"Neen," antwoordde Paganel, "wij zullen de Waipa langs gaan, en daar
geen hinderpalen meer vinden, maar integendeel een gemakkelijken weg."

"Vooruit dan!" beval Glenarvan, die zag dat de dames gereed waren om te
vertrekken.

Gedurende de eerste uren van dien dag maakte het digte kreupelbosch het
gaan nog zeer lastig. Wagen noch paarden hadden er kunnen doordringen;
zij beklaagden zich daarom niet sterk over het gemis van hun australisch
voertuig. Zoo lang geen voor wagens berijdbare wegen door die bosschen
van planten zijn gebaand, zal Nieuw-Zeeland alleen door voetgangers
bereisd kunnen worden. De varens, wier soorten hier ontelbaar zijn,
werken even onverzettelijk als de Maori's mede tot verdediging van den
vaderlandschen bodem.

Het kleine gezelschap ondervond dus duizend bezwaren bij het overtrekken
der vlakten, waar de heuvels van Hakarihoata zich verheffen. Maar voor
twaalf ure bereikte het de oevers der Waipa en rigtte het zich zonder
moeite noordwaarts langs de steile oevers der rivier.

Het was een liefelijk dal, doorsneden met frissche en heldere
stroompjes, die zich vrolijk tusschen de struiken kronkelden. Volgens
den kruidkundige Hooker heeft Nieuw-Zeeland tot nog toe twee duizend
plantensoorten opgeleverd, waarvan er vijf honderd daar alleen te huis
behooren. Bloemen vindt men er weinig, en er is bijna geen
verscheidenheid in haar kleuren. Er is bijna volslagen gebrek aan
eenjarige planten, maar een overvloed van varenkruiden, grassoorten en
schermbloemen.

Buiten de eerste donkergroene plekken verhieven zich hier en daar eenige
groote boomen, ijzermirten met scharlakenroode bloemen, norfolksche
denneboomen, levensboomen met loodregt opgaande takken, en een
cypresseboom, de "rimu," niet minder treurig dan zijn europeesche
broederen; al die stammen waren letterlijk begroeid met talrijke
verscheidenheden van varens.

Tusschen de takken der groote boomen en boven de struiken fladderden en
babbelden eenige kakatoes, de groene "kakariki," met een gele streep
onder de keel, de "taupo," pronkende met een mooi paar zwarte knevels,
en een papegaai, zoo groot als een eend, met rood gevederte, dat vooral
onder de vleugels zeer schitterde en dien de natuurkundigen den "Nestor
van het zuiden" hebben bijgenaamd.

Zonder zich van hun makkers te verwijderen konden de majoor en Robert
eenige watersnippen en patrijzen schieten, die onder het lage
struikgewas der vlakten nestelden. Om tijd te winnen plukte Olbinett ze
onderweg.

Paganel, die minder ophad met de voedende eigenschappen van het wild,
had liever een vogel meester willen worden, die uitsluitend op
Nieuw-Zeeland te huis behoort. De weetgierigheid van den natuurkundige
bragt in hem den eetlust van den reiziger tot zwijgen. Bedroog zijn
geheugen hem niet, dan bragt het hem de vreemde manieren van den "twi"
der inlanders te binnen, die nu eens om zijn onophoudelijk hoongelach
"spotvogel" genoemd wordt en dan weer "pastoor," omdat hij op zijn
gevederte, dat zoo zwart is als een priesterrok, een witten kraag
draagt.

"Die twi," zeide Paganel tot den majoor, "wordt 's winters zoo vet, dat
hij er ziek van is. Hij kan niet meer vliegen. Dan rijt hij zich met
zijn snavel de borst open, om zich van zijn vet te ontlasten en zich
ligter te maken. Vindt gij dat niet vreemd, Mac Nabbs?"

"Zoo vreemd," antwoordde de majoor, "dat ik er geen woord van geloof!"

Tot zijn groote spijt kon Paganel geen enkelen van die vogels in handen
krijgen om aan den ongeloovigen majoor de bloedige inkervingen in hun
borst te laten zien.

Maar het geluk diende hem beter met een zonderling dier, dat door
menschen, katten en honden vervolgd, naar de onbewoonde streken gevlugt
is en gevaar loopt uit de zeelandsche dierenwereld te verdwijnen. Robert
die als een echte speurhond rondsnuffelde, ontdekte in een nest van
gevlochten wortels een paar ongevleugelde en staartlooze hoenders, met
vier teenen aan de pooten, een langen bek als een snip en witte op haar
gelijkende vederen over het geheele ligchaam. Vreemde dieren, die den
schakel schenen uit te maken tusschen de eijerleggende dieren en de
zoogdieren.

Het was de zeelandsche "kiwi," de "apterix australis" der
natuurkundigen, die zich al naar het valt voedt met maskers, insecten,
wormen of zaden. Deze vogel is aan dit land eigen. Met moeite heeft men
hem kunnen overbrengen in de dierentuinen van Europa. Zijn half
afgewerkte vormen, zijn lachwekkende bewegingen, hebben altijd de
aandacht der reizigers getrokken, en op de groote ontdekkingsreis in
Oceanië van de _Astrolabe_ en de _Zélée_, kreeg Dumont d'Urville
uitdrukkelijk last van de Akademie van Wetenschappen om een van die
zonderlinge vogels mede te brengen. Maar ondanks de belooningen, die hij
aan de inlanders uitloofde, kon hij geen enkelen levenden kiwi krijgen.

Paganel, die regt blijde was met dit buitenkansje, bond zijn twee
hoenders aan elkander en nam ze vol vreugde mede, daar hij voornemens
was ze aan den Plantentuin te Parijs te vereeren "_Geschenk van den heer
Jacques Paganel_," dat verleidelijke opschrift las hij reeds op de
schoonste kooi in die verzameling, die ligtgeloovige aardrijkskundige!

Inmiddels zakte het kleine gezelschap zonder veel vermoeijenis de oevers
der Waipa af. De streek was verlaten, geen spoor van inboorlingen, geen
pad was er te zien, dat de aanwezigheid van den mensch in deze vlakten
verried. Het water der rivier stroomde tusschen hooge struiken door of
kabbelde een eind weegs over den vlakken zandigen oever. Dan had men een
vrijgezigt tot op de bergjes, die het dal in het oosten begrensden. Met
hun vreemde vormen en hun toppen, die in een bedriegelijken nevel waren
gehuld, geleken zij op reusachtige dieren uit de voorwereld. Men zou
wanen, een heele school walvischachtige dieren te zien, die op eens
versteend waren. Die dooreen geworpen massa's droegen den stempel van
een echt vulkanisch karakter. Nieuw-Zeeland is dan ook niets anders dan
een jong voortbrengsel van een plutonische werking. Gestadig rijst het
hooger boven den zeespiegel. Sommige punten zijn in twintig jaar wel een
vaam gestegen. Het vuur blaakt nog in zijn binnenste, schudt het, doet
het trillen, en ontsnapt op menige plaats door den mond der heete
bronnen en den krater der vuurspuwende bergen.

's Namiddags ten vier ure had men in opgeruimde stemming negen mijlen
afgelegd. Volgens de kaart, die Paganel onophoudelijk raadpleegde, lag
de zamenvloeijing der Waipa en Waikato nog bijna vijf mijlen verder.
Daar liep de weg naar Auckland; daar zou men dien nacht verblijven. Wat
de vijftig mijlen aangaat, die hen van de hoofdstad scheidden, die kon
men in twee of drie dagen afleggen, en in hoogstens acht uren, wanneer
Glenarvan den postwagen aantrof, die tweemaal in de maand van Auckland
naar de Hawkes-baai vice versa rijdt.

"Dus zullen wij nog dezen nacht in de open lucht moeten slapen?" vroeg
Glenarvan.

"Ja," antwoordde Paganel; "maar voor het laatst, hoop ik."

"Des te beter; want het wil wat zeggen voor lady Helena en Mary Grant."

"En zij verdragen het geduldig," voegde John Mangles er bij. "Maar,
vergis ik mij niet, mijnheer Paganel! dan hadt gij van een dorp aan de
zamenvloeijing der beide rivieren gesproken."

"Ja," antwoordde de aardrijkskundige, "hier staat het op de kaart van
Johnston. Het is Ngarnavahia, omtrent twee mijlen beneden de
zamenvloeijing."

"Welnu! zouden wij daar van nacht niet kunnen slapen? Lady Helena en
miss Grant zouden gaarne nog een paar mijlen loopen om een redelijk
logement te vinden."

"Een logement!" riep Paganel, "een logement in een maoridorp! niet eens
een herberg of een kroeg! Dat dorp is niets anders dan een verzameling
van hutten van inlanders, en wel verre van er een schuilplaats te
zoeken, raad ik aan het voorzigtig te vermijden."

"Wat zijt gij altijd bang, Paganel!" zeide Glenarvan.

"Waarde lord! wantrouwen kan minder kwaad dan vertrouwen bij die
Maori's. Ik weet niet, op welken voet zij met de Engelschen staan, of de
opstand gedempt is of zegepraalt, of wij niet midden in den oorlog
komen. En wij mogen zonder aanmatiging zeggen, dat lieden van onzen rang
goede gevangenen zouden zijn, en ik ben er volstrekt niet op gesteld om
tegen wil en dank kennis te maken met de zeelandsche gastvrijheid.
Daarom oordeel ik het best, dat wij dat dorp Ngarnavahia vermijden, het
omreizen, alle ontmoeting met de inlanders ontwijken. Zijn wij eens te
Drury, dan verandert de zaak, en dan kunnen onze wakkere medereizigsters
op haar gemak uitrusten van de vermoeienissen der reis."

Het gevoelen van Paganel behield de overhand. Lady Helena wilde liever
nog een nacht in de open lucht doorbrengen dan haar medgezellen in
gevaar brengen. Mary Grant vroeg evenmin als zij om stil te houden, en
dus zetten zij den togt langs den rivieroever voort.

Twee uren later daalde de eerste avondschemering van de bergen. Voor de
zon in het westen onder de kimmen zonk, had zij gebruik gemaakt van een
onverwachte opening in de wolkengordijn om nog eenige late stralen te
schieten. De laatste zonneschijn gaf aan de verwijderde toppen in het
oosten een purperglans. Het was als het ware een laatste groet aan de
reizigers.

Glenarvan en de zijnen verhaastten hun tred. Zij wisten, hoe kort de
avondschemering, op deze reeds vrij hooge breedte duurde, en hoe spoedig
de duisternis inviel. Zij dienden de zamenvloeijing der twee rivieren te
bereiken, voor het geheel donker werd. Maar er steeg een zware mist uit
den grond op en deze maakte het zeer moeijelijk om den weg te
onderscheiden.

Gelukkig verving het oor het door de duisternis nuttelooze oog. Weldra
verkondigde een duidelijker gemurmel des waters de vereeniging der twee
rivieren in hetzelfde bed. Ten acht ure bereikte het kleine gezelschap
het punt, waar de Waipa zich met eenig gedruisch in de Waikato stort.

"Daar is de Waikato!" riep Paganel, "en de weg naar Auckland loopt langs
den regteroever."

"Morgen zullen wij hem zien," antwoordde de majoor. "Wij blijven hier.
Mij dunkt, dat die donkerder schaduwen afkomstig zijn van een klein
boschje, dat daar met opzet gegroeid is om ons te beschutten. Laten wij
eten en slapen."

"Eten, dat is goed!" zeide Paganel; "maar beschuit en droog vleesch,
andere niet, zonder een vuur aan te leggen. Wij zijn hier onbekend
gekomen; wij moeten ons best doen ook onbekend heen te gaan! Gelukkig
maakt die mist ons onzigtbaar."

Het boschje werd bereikt, en allen hielden zich stipt aan de strenge
voorschriften van den aardrijkskundige. Het koude avondeten werd in alle
stilte genuttigd, en weldra vielen de reizigers, die zeer vermoeid waren
door een marsch van vijftien mijlen, in een diepen slaap.



X.

De nationale stroom.


Toen de zon den volgenden morgen opging hing een vrij dikke mist zwaar
op het water der rivier. Een deel van de dampen, waarmee de lucht vol
was, had de afkoeling verdigt, zoodat ze nu de oppervlakte des waters
met een digte wolk bedekten. Maar de stralen der zon boorden spoedig
door die waterbellen heen, welke barstten, nu de dagvorstin ze bescheen.
De in nevel gehulde oevers werden zigtbaar, en de Waikato vertoonde zich
in al de schoonheid van den morgen.

Ter plaatse, waar de twee stroomen ineenliepen, stak de scherpe punt van
een met struiken bedekte landtong in het water uit. Het onstuimige water
der Waipa stuwde dat van de Waikato wel een kwartmijl weg, voor het zich
er mede vereenigde; maar de magtige en kalme stroom bragt de bruischende
rivier weldra ten onder, en sleepte haar rustig mede in zijn loop tot
aan het bekken der Stille Zuidzee.

Toen de damp optrok, kon men een boot de Waikato stroomopwaarts zien
roeijen. Het was een kano van zeventig voet lang, vijf breed en drie
diep, met een hoogen voorsteven als een venetiaansche gondel en geheel
vervaardigd van den stam van een kahikatea-denneboom. De bodem was
belegd met een bed van drooge varens. Acht roeijers, die voorin zaten,
deden ze over de oppervlakte des waters vliegen, terwijl een man, die
achteraan zat, ze met een beweegbare pagaai bestuurde.

Die man was een lange inboorling, omstreeks vijf en veertig jaar oud,
met een breede borst, gespierde leden, en forsche handen en voeten. Zijn
gewelfd en met diepe rimpels beploegd voorhoofd, zijn onvriendelijke
blik, zijn onheilspellend gelaat, boezemden schrik voor hem in.

Het was een maori-opperhoofd van hoogen rang. Dat bleek uit de fijne en
digte figuren, waarmede zijn ligchaam en aangezigt getatoeëerd waren.
Van de vleugels van zijn arendsneus liepen twee zwarte kromme lijnen,
die om zijn gele oogen zich slingerden, op zijn voorhoofd bijeen kwamen
en onder zijn prachtig hoofdhaar verdwenen. Zijn mond met sneeuwwitte
tanden en zijn kin verdwenen onder regelmatige bonte lijnen welker
sierlijke krullen zich door elkander slingerden tot op zijn sterke
borst.

Het tatoeëeren, het "moko" der Nieuw-Zeelanders, is een bewijs van hoog
aanzien. Hij alleen is die eervolle kringen waardig, die zich in een
aantal gevechten door zijn dapperheid heeft onderscheiden. De slaven en
de heffe des volks hebben er geen aanspraak op. De beroemde opperhoofden
zijn kenbaar aan het uitgewerkte, de juistheid en den aard der
teekening, die dikwijls afbeeldingen van dieren op hun ligchaam
voorstelt. Sommigen ondergaan tot vijfmaal toe de zeer smartelijke
bewerking van het moko. Hoe beroemder men is, des te meer wordt men
opgeschikt in dat Nieuw-Zeeland.

Dumont d'Urville heeft wetenswaardige bijzonderheden aangaande dat
gebruik medegedeeld. Hij heeft teregt opgemerkt, dat het moko de plaats
dier wapens vervangt, waarop in Europa sommige geslachten zich zoo veel
laten voorstaan. Maar hij merkt een verschil op tusschen die twee
teekenen van onderscheiding: namelijk, dat de wapens der Europeanen
dikwijls alleen het bewijs zijn van de persoonlijke verdienste desgenen,
die ze het allereerst verwierf, zonder dat men daaruit tot de verdienste
zijner kinderen mag besluiten; terwijl de persoonlijke wapens der
Nieuw-Zeelanders een wettig bewijs zijn, dat zij een buitengewonen
persoonlijken moed aan den dag hebben moeten leggen om het regt te
verkrijgen ze te dragen.

Ook is het niet te ontkennen, dat het tatoeëeren der Maori's, nog
daargelaten het aanzien, waarin het staat, ontegenzeggelijk zijn nut
heeft. Het geeft aan de huid meerdere dikte, waardoor ze in staat is
weerstand te bieden aan de guurheid des weders en aan de onophoudelijke
steken der muskieten.

Bij het opperhoofd, die het vaartuig stuurde, was geen twijfel aan zijn
beroemdheid mogelijk. Het scherpe albatros-been, dat de maori
tatoeëerders gebruiken, had zijn gezigt vijf maal doorkorven met digte
en diepe lijnen. Hij had de vijfde uitgave reeds beleefd, hetgeen wel te
zien was aan zijn trotsch voorkomen.

Zijn ligchaam, bedekt met een groot stuk doek van nieuw-zeelandsch vlas
gevoerd met hondenvellen, was omgord met een schaamteschort, dat in de
laatste gevechten met bloed was bemorst. Aan zijn uitgerekte oorlellen
prijkten hangers van groenen niersteen, en om den hals droeg hij
kettingen van "poenamoes," gewijde steenen, waaraan de Zeelanders eenige
bijgeloovige denkbeelden verbinden. Naast hem lag een geweer van
engelsen maaksel, en een "patoe-patoe," een soort van tweesnijdende,
smaragdkleurige, achttien duim lange bijl.

Negen krijgslieden van minderen rang, maar gewapend en met een woest
uiterlijk, waarvan enkelen nog leden aan versche wonden, zaten in hun
linnen mantels gewikkeld onbewegelijk bij hem. Aan hun voeten lagen drie
geduchte honden. De acht roeijers voorin schenen dienaren of slaven van
het opperhoofd te zijn. Zij roeiden stevig door, zoodat het bootje met
groote snelheid tegen den juist niet veel beteekenenden stroom der
Waikato opvoer.

In het midden van dat lange vaartuig stonden tien europeesche
gevangenen, alleen aan hun voeten gekluisterd, digt bij elkander.

Het waren Glenarvan en lady Helena, Mary Grant, Robert, Paganel, de
majoor, John Mangles, de hofmeester en de twee matrozen.

Door den digten nevel misleid, was het kleine gezelschap den vorigen
avond onder een talrijken troep inlanders vervallen. Omstreeks het
midden van den nacht werden de reizigers in hun slaap overvallen,
gevangen genomen en vervolgens naar het vaartuig gebragt. Zij hadden nog
geen mishandelingen ondergaan: maar tegenstand zou hun niets gebaat
hebben. Hun wapenen en kruid waren in de handen der wilden, en hun eigen
kogels zouden spoedig een eind aan hun leven gemaakt hebben.

Zij vernamen spoedig uit eenige engelsche woorden, waarvan de inlanders
zich bedienden, dat dezen, teruggedreven en geslagen door de britsche
troepen, na groote verliezen ondergaan te hebben naar de streken aan de
Boven-Waikato terugtrokken. Het maori-opperhoofd, wiens voornaamste
strijders na een hardnekkigen tegenstand door de soldaten van het 42ste
regiment gedood waren, ging een nieuwe oproeping doen aan de stammen van
den stroom, om den onbedwingbaren William Thompson te hulp te snellen,
die nog altijd met de veroveraars worstelde. Dat opperhoofd heette
"Kai-Koemoe," een vreeselijke naam, die in de volkstaal beteekent
"degene, die de ledematen van zijn vijand opeet." Hij was dapper en
vermetel; maar zijn wreedheid evenaarde zijn moed. Geen medelijden was
van hem te wachten. Zijn naam was welbekend bij de engelsche soldaten,
en de gouverneur van Nieuw-Zeeland had een prijs op zijn hoofd gesteld.

Die vreeselijke slag had lord Glenarvan juist getroffen, toen hij de zoo
gewenschte haven van Auckland bijna bereikt had, waar hij
scheepsgelegenheid naar Europa hoopte te vinden. Op zijn koud en bedaard
gelaat afgaande, zou men echter niet hebben kunnen gissen, dat een
vreeselijke angst hem kwelde. Want in ernstige omstandigheden toonde
Glenarvan steeds, dat het ongeluk hem niet kon ter nederslaan. Hij
gevoelde, dat hij, de echtgenoot, het hoofd, zijn vrouw en zijn
reisgenooten tot steun en voorbeeld zijn moest; maar tevens was hij
bereid om, indien de omstandigheden het vorderden, het eerst voor aller
redding te sterven. Innig vroom zijnde, wilde hij, met het oog op de
heiligheid zijner onderneming, niet twijfelen aan Gods regtvaardigheid,
en ondanks de tallooze gevaren op den weg, dien hij betrad, had hij nog
geen oogenblik spijt van de edelmoedige opwelling, die hem naar die
onbeschaafde landen gevoerd had.

Zijn makkers waren zijner waardig, zij dachten even edel als hij, en wie
hun rustig en fier gelaat had beschouwd, zou niet geloofd hebben, dat
zij een zekeren ondergang te gemoet gingen. Met algemeen goedvinden
hadden zij op raad van Glenarvan besloten, een trotsche
onverschilligheid voor de inlanders te veinzen. Dat was het eenige
middel om dien woestaards ontzag in te boezemen. De wilden in het
algemeen en de Maori's in het bijzonder hebben een zeker gevoel van
waardigheid, dat zij nooit verloochenen. Zij achten dengenen, die door
koelbloedigheid en moed achting inboezemt. Glenarvan wist, dat hij door
zoo te handelen zijn makkers en zichzelven noodelooze mishandelingen
bespaarde.

Sedert het verlaten van de legerplaats hadden de inlanders, weinig
spraakzaam evenals alle wilden, hen ter naauwernood toegesproken. Uit
eenige woorden, die zij wisselden, maakte Glenarvan echter op, dat zij
met het engelsch bekend waren. Hij besloot dus het zeelandsche
opperhoofd te vragen, wat hij met hen voor had. Zich tot Kai-Koemoe
rigtende, vroeg hij met rustige stem:

"Waar brengt gij ons heen, opperhoofd?"

Kai-Koemoe zag hem koel aan zonder te antwoorden.

"Wat zijt gij voornemens met ons te doen?" hernam Glenarvan.

Voor een poos flikkerden de oogen van Kai-Koemoe, en hij antwoordde op
ernstigen toon:

"U uitwisselen, wanneer de uwen u terug willen hebben, u dooden, als zij
weigeren."

Glenarvan vroeg niets meer, maar voelde de hoop in zijn hart herleven.
Zonder twijfel waren eenige opperhoofden van het leger der Maori's in
handen van de Engelschen gevallen, en wilden de inboorlingen beproeven
hen door uitwisseling terug te krijgen. Dat was dus een kans op redding,
en hun toestand nog niet hopeloos.

Inmiddels vorderde het vaartuig snel tegen den stroom op. Paganel, wiens
bewegelijk karakter hem ligt van het eene uiterste tot het andere deed
overslaan, was weer vol moed. Hij zeide bij zichzelven, dat de Maori's
hun de moeite bespaarden om naar de engelsche voorposten te gaan, en dat
was zooveel gewonnen. Volkomen berustend in zijn lot, ging hij op zijn
kaart den loop der Waikato door de vlakten en dalen der provincie na.
Lady Helena en Mary Grant bedwongen haar vrees en spraken zacht met
Glenarvan, en de bekwaamste gelaatskenner onder de inlanders had op haar
aangezigten den angst niet kunnen opmerken, die haar boezem benaauwde.

De Waikato is de nationale stroom van Nieuw-Zeeland. De Maori's zijn er
even trotsch en jaloersch op, als de Duitschers op den Rijn en de Slaven
op den Donau. In zijn twee honderd mijlen langen loop besproeit hij de
schoonste streken van het noordelijke eiland, van de provincie
Wellington af tot de provincie Auckland toe. Hij heeft zijn naam gegeven
aan al die stammen op zijn oevers, die onoverwinbaar en onoverwonnen,
als één man tegen de overheerschers zijn opgestaan.

Het water van dien stroom is nog bijna nooit door een vreemd schip
gekliefd. Alleen de praauwen der eilanders bevaren hem. Met moeite heeft
het een enkelen moedigen reiziger mogen gelukken tusschen die gewijde
oevers door te stevenen. De toegang tot de Boven-Waikato schijnt aan de
ongewijde Europeanen verboden te zijn.

Paganel was bekend met den eerbied, welken de inboorlingen voor die
groote slagader van Zeeland koesteren. Hij wist, dat de engelsche en
duitsche natuurkundigen ze niet verder bevaren hadden dan tot haar
vereeniging met de Waipa. Hoever zou de willekeur van Kai-Koemoe zijn
gevangenen medeslepen? Dat had hij niet kunnen gissen, indien het woord
"Taupo," dat hij bij herhaling van het opperhoofd en diens manschappen
hoorde, zijn aandacht niet gewekt had.

Hij raadpleegde zijn kaart en zag, dat die naam Taupo gegeven werd aan
een meer, dat beroemd is in de jaarboeken der aardrijkskunde, en in het
bergachtigste gedeelte des eilands ligt, aan de zuidelijke grens der
provincie Auckland. De Waikato verlaat dat meer na het in zijn volle
breedte doorloopen te hebben. Van het vereenigingspunt af tot aan het
meer stroomt de rivier over een lengte van omtrent honderd twintig
mijlen.

Paganel sprak John Mangles in het fransch aan, om niet door de wilden
verstaan te worden en verzocht hem de snelheid van het vaartuig te
schatten. John berekende ze op omtrent drie mijlen in het uur.

"Dan zal," zeide de aardrijkskundige, "wanneer wij des nachts
stilliggen, onze reis tot het meer bijna vier dagen duren."

"Maar waar bevinden zich de engelsche posten?" vroeg Glenarvan.

"Dat is moeijelijk te zeggen," antwoordde Paganel. "Echter zal de oorlog
wel in de provincie Taranaki overgebragt zijn, en naar alle
waarschijnlijkheid bevindt de hoofdmagt der troepen zich bij het meer,
aan de afhelling van het gebergte, waar het brandpunt van den opstand
is."

"God geve het!" zuchtte lady Helena.

Glenarvan sloeg een treurigen blik op zijn jeugdige gade en op Mary
Grant, die overgeleverd waren aan de genade dier woeste inboorlingen en
ver weggesleept in een onbeschaafd land, van alle menschelijke hulp
verstoken. Maar hij zag, dat Kai-Koemoe hem in het oog hield, en daar
hij uit voorzigtigheid hem niet wilde doen gissen, dat eene der
gevangenen zijn vrouw was, hield hij zijn gedachten in zijn binnenste
besloten en sloeg hij met volmaakte onverschilligheid de oevers van den
stroom gade.

Een halve mijl boven de zamenvloeijing was het vaartuig zonder aan te
leggen de vroegere woonplaats van koning Potatau voorbijgeroeid. Geen
andere boot was op de rivier te zien. Eenige ver van elkander gelegene
hutten op de oevers bewezen door haar bouwvalligheid, dat de oorlog daar
pas zijn verwoestingen had uitgeoefend. De streken langs de oevers
schenen verlaten, de boorden van den stroom onbewoond. Het treurige
landschap werd alleen verlevendigd door eenige vertegenwoordigers van de
familie der watervogels. Nu eens vlugtte de "taparunga," een steltlooper
met zwarte vleugels, witten buik en rooden snavel, zoo snel zijn lange
pooten hem wilden dragen. Dan weer keken driederlei reigers, de
aschgraauwe "matuku," een soort van roerdomp met een dom uitzigt, en de
prachtige "kotuku," met witte vederen, gelen snavel en zwarte pooten,
bedaard naar het voorbijvarende inlandsche vaartuig. Waar de glooijende
oevers een zekere diepte van het water aanduidden, loerde de
duikerkoning, de "kotare" der Maori's, op die kleine palingen, die bij
millioenen in de zeelandsche rivieren rondzwemmen. Waar de struiken over
den stroom hingen, maakten zeer aardige hoppen, riet- en purperhoenders
hun morgentoilet in de eerste stralen der zon. Al die gevleugelde dieren
smaakten de rust, die het afwezen der menschen, welke de oorlog verjaagd
of gedood had, hun schonk.

Gedurende dit eerste gedeelte van haar loop door groote vlakten had de
Waikato een aanzienlijke breedte. Maar hoogerop werd het dal, waar ze
haar bedding in had uitgehold, vernaauwd, eerst door heuvels, later door
bergen. Tien mijlen boven de vereeniging wees de kaart van Paganel op
den linkeroever het dorp Kirikiriroa, dat er ook lag. Kai-Koemoe legde
er niet aan. Hij liet aan de gevangenen hun eigen levensmiddelen
uitreiken, die bij de plundering van de legerplaats waren medegenomen.
Hij, zijn krijgslieden en zijn slaven vergenoegden zich met het gewone
voedsel der inlanders, eetbare varens, de "pteris esculenta" der
kruidkundigen, in den oven gekookte wortels, en "kapanas," aardappelen,
die op de beide eilanden overvloedig geteeld worden. Geen dierlijk
voedsel kwam bij hun maaltijd voor, en het drooge vleesch der gevangenen
scheen hun verlangen niet gaande te maken.

Ten drie ure verrezen er eenige bergen op den regter oever, de
Pokaroa-Ranges, die veel hadden van een ontmantelde vesting. Op sommige
loodregte spitsen verhieven zich verwoeste "pah," oude verschansingen,
die de maori krijgsbouwkundigen in onneembare stellingen hadden
opgeworpen. Men zou ze voor groote arendsnesten aangezien hebben.

De zon verdween haast onder de kimmen, toen het vaartuig op den steilen
oever aanhield, bezaaid met puimsteenen, welke de Waikato, op
vuurspuwende bergen ontsprongen, in haar loop medevoert. Daar groeiden
eenige boomen, die geschikt schenen om een legerplaats te beschutten.
Kai-Koemoe liet zijn gevangenen ontschepen; de handen der mannen werden
geboeid, de vrouwen bleven vrij, en allen werden in het midden van de
legerplaats gebragt, die door groote vuren met een onoverkomelijken muur
van vlammen werd omgeven.

Voor Kai-Koemoe aan zijn gevangenen zijn voornemen had te kennen gegeven
om hen uit te wisselen, hadden Glenarvan en John Mangles de middelen
besproken om hun vrijheid terug te krijgen. Wat zij in het vaartuig niet
konden beproeven, wilden zij, als hun bewakers sliepen, onder
begunstiging van het nachtelijk duister wagen.

Maar na het gesprek van Glenarvan met het zeelandsch opperhoofd scheen
het verstandiger dit niet te doen. Men moest geduld hebben. Dat was het
voorzigtigste. De uitwisseling bood kansen op redding aan, die niet
verbonden waren aan een gewapenden aanval of aan een vlugt door die
onbekende streken. Voorzeker konden er gebeurtenissen voorvallen, die
zulk een onderhandeling vertraagden, zelfs beletten, maar het beste was
nog haar uitslag af te wachten. En wat konden eigenlijk ook een tiental
ongewapenden uitrigten tegen een dertigtal goed gewapende wilden? Ook
vermoedde Glenarvan, dat de stam van Kai-Koemoe een opperhoofd van groot
aanzien verloren had, dien hij gaarne terughad, en hij vergiste zich
niet.

Den volgenden morgen voer het vaartuig met nieuwe snelheid den stroom
op. Ten tien ure vertoefde het even aan de zamenvloeijing met de
Pohaiwhenna, een riviertje, dat kronkelend door de vlakten op den
regteroever liep.

Daar voegde zich een boot met tien inboorlingen bemand bij het vaartuig
van Kai-Koemoe. De krijgslieden wisselden ter naauwernood den
welkomstgroet, het "aïre mai ra," dat zeggen wil: "komt hier in goede
gezondheid," en de beide booten voeren gezamenlijk verder. De
nieuwaangekomenen hadden eerst onlangs de engelsche troepen bestreden.
Dat zag men aan hun gescheurde kleeren, aan hun bebloede wapens, aan de
wonden, die nog onder hun lompen gaapten. Zij waren somber en zwijgend.
Met de aan alle wilde volken eigen onverschilligheid sloegen zij
volstrekt geen acht op de Europeanen.

Tegen den middag vertoonden zich in het westen de toppen van den
Maungatotari. Het dal van de Waikato werd al naauwer. Tusschen hooge
oevers besloten schoot de stroom voort met de snelheid van een val. Maar
de ligchaamskracht der inboorlingen, verdobbeld en geregeld door een
gezang, dat de maat aangaf voor de beweging der riemen, voerde het
vaartuig over het schuimende water. Zonder letsel kwam men over den val
heen, en de Waikato stroomde weer even langzaam als vroeger, daar van
mijl tot mijl de uitstekende hoeken harer oevers haar snelheid braken.

Tegen den avond legde Kai-Koemoe aan bij den voet der bergen, wier
voorloopers zich loodregt op de smalle oevers verhieven. Daar maakten
een twintigtal inboorlingen, die hun booten verlaten hadden, zich gereed
om den nacht door te brengen. Vuren brandden onder de boomen. Een even
aanzienlijk opperhoofd als Kai-Koemoe naderde met afgemeten schreden, en
zijn neus wrijvende tegen dien van Kai-Koemoe, gaf hij hem den
vriendengroet, "chongui" genaamd. De gevangenen werden in het midden van
de legerplaats gebragt en met groote strengheid bewaakt.

Den volgenden morgen werd de lange reis op de Waikato weder voortgezet.
Van de kleine zijstroompjes van de rivier kwamen andere booten afzakken.
Er waren nu zoo wat zestig krijgslieden bijeen, stellig vlugtelingen van
den laatsten opstand, en die, meer of min gehavend door de engelsche
kogels, de bergstreken weder opzochten. Soms werd er een gezang
aangeheven in de vaartuigen, die in een regte lijn elkander volgden. Een
inlander zette het volkslied van den geheimzinnigen "Pihe" in:

          Papa ra ti wati tidi
          I dounga nei....

den strijdzang, die de Maori's tot den onafhankelijkheidsoorlog
aanvuurt. De volle en welluidende stem des zangers werd door de echo's
van het gebergte nagebaauwd, en na ieder couplet herhaalden de
inboorlingen in koor het oorlogzuchtig refrein, waarbij zij op hun borst
sloegen, die als een trom klonk. Dan werden de riemen weer met nieuwe
krachten aangevat, de vaartuigen roeiden tegen den stroom op en vlogen
over den waterspiegel.

De vaart op de rivier werd dien dag gekenmerkt door een zonderling
verschijnsel. Tegen vier ure stoof het vaartuig zonder aarzelen, zonder
zijn loop te vertragen, door de vaste hand van het opperhoofd bestuurd,
door een eng dal. Woedend brak de branding op de talrijke eilandjes, die
ligt aanleiding tot ongelukken geven. Zoo ooit op dien buitengewonen
togt op de Waikato, moest men thans zorgen niet om te slaan, want haar
oevers leverden volstrekt geen toevlugtsoord op. Wie den voet op het
kokende slijk der oevers gezet had, zou onfeilbaar verloren zijn
geweest.

De stroom toch vloeide nu tusschen die warme bronnen door, welke ten
allen tijde de nieuwsgierigheid der reizigers hebben gaande gemaakt. Het
ijzeroxyde kleurde het slijk der oevers helderrood, waarop de voet geen
vaam stevigen grond zou kunnen vinden. De dampkring was verzadigd met
een zeer doordringende zwavellucht. De inboorlingen hadden er geen
hinder van; maar de gevangenen werden ernstig ongesteld door de
pestdampen, die uit de spleten van den grond opstegen, en door de
blaasjes, welke de spankracht der daarin bevatte gassen deed bersten.
Maar gewende de reuk zich moeijelijk aan die uitwasemingen, het oog kon
niet nalaten dat ontzagwekkend schouwspel te bewonderen.

De vaartuigen waagden zich in een digte wolk van witte dampen. Haar
oogverblindende kronkelingen stegen koepelsgewijs boven den stroom. Op
zijn oevers bragten een honderdtal heete bronnen, waarvan sommigen
massa's dampen opwierpen en anderen waterzuilen uitspoten, een even
afwisselende vertooning teweeg, als de waterstralen en watervallen van
een bekken, die de hand der menschen te voorschijn roept. Men zou gezegd
hebben, dat een machinist naar welgevallen de afwisselende
verschijnselen dier bronnen bestuurde. Het water en de dampen vermengden
zich in de lucht en vertoonden door de zon beschenen al de kleuren van
den regenboog.

Te dezer plaatse liep de Waikato over een bewegelijke bedding, die door
de werking van het onderaardsche vuur onophoudelijk kookt. Niet ver van
daar, naar den kant van het meer Rotorua in het oosten loeiden de warme
bronnen en de rookende watervallen van den Rotomohana en den Tetarata,
in wier nabijheid sommige stoute reizigers zich gewaagd hebben. Deze
geheele streek is doorboord van heete springbronnen, kraters en
zwavelgroeven. Daar ontsnapt het overtollige gas, dat geen uitweg heeft
kunnen vinden door de ontoereikende veiligheidskleppen van den Tongariro
en den Wakari, de twee eenige werkzame vuurspuwende bergen van
Nieuw-Zeeland.

Twee mijlen ver voeren de booten der inboorlingen onder dat gewelf van
dampen door, besloten in de warme wolkjes, die over den waterspiegel
heendreven; vervolgens trok de zwaveldamp op, en de benaauwde borst
ademde weer een zuivere lucht in, een gevolg van de snelheid van den
stroom. Men was de streek der bronnen voorbij.

Voor het einde van den dag voerden de krachtige riemslagen der wilden
hen weer over de twee stroomversnellingen van Hipapatua en Tamates. 's
Avonds legde Kai-Koemoe op honderd mijlen van de zamenvloeijing van de
Waipa en Waikato aan. De stroom, die zich naar het oosten had gewend,
rigtte zich nu weer zuidwaarts naar het meer Taupo, gelijk een
ontzaggelijke waterstraal, die in een bekken valt.

Toen Jacques Paganel den volgenden morgen de kaart raadpleegde, herkende
hij op den regteroever den berg Taubara, die tot een hoogte van drie
duizend voet oprijst.

Ten twaalf ure voer de geheele vloot door een zijtak van den stroom het
meer Taupo binnen, en begroetten de inlanders met luidruchtige gebaren
een stuk doek, dat in den wind wapperde op het dak eener hut. Het was de
vaderlandsche vlag.



XI.

Het meer Taupo.


Lang voor de historische tijden heeft zich door de instorting van holen
in de trachietlava op het midden des eilands een onpeilbare kolk
gevormd, lang vijf en twintig, breed twintig mijlen. Het water, dat van
de omliggende bergtoppen stortte, heeft die ontzettende holte gevuld. De
kolk is een meer geworden, maar nog altijd een afgrond gebleven, en het
dieplood heeft er de diepte nog niet van kunnen meten.

Dat is het vreemde meer Taupo, dat twaalf honderd vijftig voet boven den
zeespiegel en tusschen een kring van bergen in ligt, die derdehalf
duizend voet hoog zijn. Die uitgestrekte watervlakte, wier hevige
stormen bijna te vergelijken zijn met de kringvormige stormen op den
oceaan, wordt heerlijk ingesloten, ten westen door hooge loodregte
rotsen, ten noorden, door eenige verwijderde en met boschjes bekroonde
toppen, ten oosten door een breed strand, waarover een weg loopt en dat
met puimsteenen versierd is, die tusschen de bladeren der struiken heen
blinken, en ten zuiden, door vulkanische kegelbergen, aan den zoom van
een woud gelegen.

Die geheele streek kookt als een ontzaggelijke waterketel, hangende over
de onderaardsche vlammen. De grond beeft onder de liefkozingen van het
inwendige vuur. Op vele plaatsen stijgt een heete damp op. De aardkorst
scheurt en barst als een koek, die te sterk rijst, en ongetwijfeld zou
die geheele hoogvlakte in een gloeijenden oven wegzinken, wanneer de
gevangen dampen niet twaalf mijlen verder een uitweg vonden door de
kraters van den Tongariro.

Van den noordelijken oever gezien, schenen vederbossen van rook en
vlammen boven dien vulkaan, door kleine vuurspuwende bergen omringd, te
wapperen. De Tongariro scheen in verband te staan met een vrij
ingewikkeld bergstelsel. Achter hem verborg de afgezonderd in de vlakte
staande Ruapohoe zijn met sneeuw bedekte kruin ter hoogte van negen
duizend voet in de lucht. Geen sterveling heeft nog den voet gezet op
zijn ongenaakbaren kegel; het menschelijk oog heeft nooit de diepte van
zijn krater gepeild, terwijl tot driemalen toe in twintig jaar de heeren
Bidwill en Dyson, en laatst Von Hochstetter de toegankelijker toppen van
den Tongariro hebben gemeten.

Aan die vuurspuwende bergen zijn legenden verbonden, en bij iedere
andere gelegenheid zou Paganel ze zeker aan zijn makkers verteld hebben.
Hij zou hun medegedeeld hebben, hoe er eens over een vrouw twist
ontstond tusschen den Tongariro en den Taranaki, die toen zijn buurman
en vriend was. De Tongariro, die wat heethoofdig is, zooals alle
vulkanen, werd zoo driftig, dat hij den Taranaki sloeg. Geslagen en
vernederd vlugtte deze door het Whanganni-dal, liet onderweg twee
brokken van bergen vallen, en bereikte de zeekust, waar hij nu eenzaam
staat onder den naam van den Egmont.

Maar Paganel had even weinig lust om te vertellen, als zijn vrienden om
toe te luisteren. Zij sloegen zwijgend den noordoostelijken oever van
het Taupo-meer gade, waar hun ongelukkig gesternte hen heenvoerde. De
zendingspost door den eerwaarden Grace te Pukawa op den westelijken
oever van het meer gesticht, bestond niet meer. De oorlog had den
leeraar ver weggedreven van het voornaamste brandpunt van den opstand.
De gevangenen waren alleen, overgelaten aan de willekeur van
wraakzuchtige Maori's, en juist in dat onbeschaafde gedeelte des
eilands, waar het christendom nooit doorgedrongen is.

Toen Kai-Koemoe de Waikato verlaten had, stak hij de kleine kreek over,
die tot uitwatering van den stroom dient, voer om een spits voorgebergte
en landde op den oostelijken oever van het meer, aan den voet van den
Mauga-berg, die een hoogte van achttien honderd voet bereikt. Daar
breidden zich akkers uit met het kostbare nieuw-zeelandsche vlas. De
inboorlingen noemen het "harakeke." Al wat die nuttige plant oplevert,
is bruikbaar. Haar bloemen verschaffen een soort van uitmuntenden honig,
haar stam brengt een gomachtige zelfstandigheid voort, die de plaats van
was of stijfsel vervangt; haar nog nuttiger blad leent zich tot allerlei
gedaanteverwisselingen; versch, gebruikt men het als papier; gedroogd,
levert het een uitstekende zwam; gekorven, verandert het in koord,
kabeltouw en draad; uitgeplozen en gevlochten wordt het deken of mantel,
mat of schaamteschort, en rood of zwart geverfd kleedt het de deftigste
Maori's.

Dat kostbare vlas wordt dan ook allerwege op de twee eilanden gevonden,
aan de zeekust zoowel als aan de oevers der rivieren en meren. Hier
bedekten zijn in het wild groeijende struiken geheele akkers; zijn
bruinroode op de aloë gelijkende bloemen ontloken overal buiten zijn
digte en lange bladeren, die een zegeteeken van scherpe zwaarden
vormden. Liefelijke vogels, de honigvogels, de gewone bezoekers der
vlasakkers, vlogen in groote troepen rond en vergastten zich op het
honigsap der bloemen.

In het water van het meer plasten troepen eenden, met een kakelbont
gevederte, van zwartachtige, grijze en groene pennen, en die zich
gemakkelijk tam laten maken.

Een kwart mijl verder verrees op een steilte van den berg in een
onneembare stelling een "pah" of verschansing. De gevangenen werden één
voor één aan land gebragt, ontboeid en door de krijgslieden daarheen
geleid. Een pad, dat op de verschansing uitkwam, liep door vlasakkers en
een boschje schoone boomen, bestaande uit "kaikatea's," met blijvende
bladeren en roode bessen, "dracenas australis," de "ti" der
inboorlingen, wier kruin zeer goed de palmkool vervangen kan, en
"huious," waarvan men zich bedient om de stoffen zwart te verwen. Groote
duiven met een metaalglans, aschgraauwe lappenvogels en een menigte
spreeuwen met roodachtige lellen vlogen weg bij de nadering der
inboorlingen.

Na een vrij langen omweg kwamen Glenarvan, lady Helena, Mary Grant en de
overigen in de sterkte.

Deze vesting werd verdedigd door een eerste omheining van stevige,
vijftien voet hooge palissaden; een tweede linie van palen en daarna een
schutting van gevlochten wilgentakken met schietgaten voorzien omgaven
den anderen omtrek, dat is het hoogste gedeelte der vesting, waarop
versterkingen waren aangelegd en een veertigtal hutten ordelijk bij
elkander stonden.

Daar komende maakte het gezigt der hoofden, waarmede de palen der tweede
omwalling versierd waren, een vreeselijken indruk op de gevangenen. Lady
Helena en Mary Grant wendden de oogen af, meer nog uit walging dan van
schrik. Die hoofden hadden toebehoord aan vijandelijke opperhoofden, die
in den strijd gesneuveld waren en wier ligchamen den overwinnaars tot
spijs hadden gediend. De aardrijkskundige herkende ze terstond aan hun
holle en ledige oogkassen.

Het oog der opperhoofden wordt namelijk verslonden en het hoofd op
inlandsche manier toebereid. De hersens worden er uit gehaald, de huid
er afgestroopt, de neus met kleine plankjes vastgezet, de neusgaten met
vlas gestopt, en mond en oogleden digtgenaaid. Daarna wordt het in den
oven gelegd en dertig uren gerookt. Zoo toebereid blijft het zeer lang
onveranderd en ongerimpeld, en vormt zegeteekenen.

Dikwijls bewaren de Maori's het hoofd hunner eigen opperhoofden; maar in
dat geval blijft het oog in de holte en staart de voorbijgangers aan. De
Nieuw-Zeelanders vertoonen die overblijfselen met trots; zij laten ze
door de jonge krijgslieden bewonderen en brengen hun de schatting hunner
hulde door plegtige feesten.

Maar in de vesting van Kai-Koemoe versierden alleen hoofden van vijanden
dit afschuwelijk museum, en ongetwijfeld vermeerderde meer dan één
Engelschman met ledige oogholte de verzameling van het opperhoofd der
Maori's.

Achter in de vesting, voor een groote opene plek gronds, die Europeanen
het "slagveld" zouden genoemd hebben, stak de woning van Kai-Koemoe
boven verscheidene geringere hutten uit. Die woning was opgetrokken van
palen met een vlechtwerk van takken onderling verbonden en van binnen
bekleed met linnen. Zij was twintig voet lang, vijftien breed en tien
hoog, en had dus een inhoud van drie duizend kubieke voeten. Meer ruimte
heeft een zeelandsch opperhoofd niet noodig.

Er was maar eene opening, die toegang tot de hut verleende; een digt
weefsel van plantenvezels, dat opgehaald kon worden, diende voor deur.
Het dak stak er overheen bij wijze van een goot. Eenige figuren in het
uiteinde der sparren gebeiteld versierden de hut, en het "wharepuni" of
portaal vertoonde aan de bewondering der bezoekers bladeren,
zinnebeeldige figuren, monsters, lofwerk, kortom een vreemd mengelmoes,
het voortbrengsel van den beitel der inlandsche kunstenaars.

Binnen in de hut lag de vloer, van vastgetrapte aarde gemaakt, een
halven voet boven den beganen grond. Eenige teenen horden en matrassen
van drooge varens, bedekt met een mat uit de lange en buigzame bladeren
van den "typha" gevlochten, dienden tot bedden. In het midden was de
vuurhaard, een gemetseld gat, en in het dak was een ander gat, dat tot
schoorsteen diende. Wanneer de rook zwaar genoeg was, vond hij eindelijk
goed dien uitweg te gebruiken, maar niet voor hij op de wanden der
woning een heerlijk zwart vernis had aangebragt.

Naast de hut stonden de pakhuizen met den voorraad van het opperhoofd,
zijn oogst van vlas, pataten, taro's, eetbare varens, en de ovens,
waarin al die spijzen op heete steenen geroosterd worden. In kleine
omheinde plaatsen weidden wat verder eenige zwijnen en geiten, de
schaarsche afstammelingen der nuttige dieren, welke kapitein Cook hier
had ingevoerd. Hier en daar liepen honden om hun sober maal op te
zoeken. Zij werden vrij slecht onderhouden voor dieren, met wier behulp
de Maori dagelijks zijn voedsel moet zoeken.

Glenarvan en zijn lotgenooten hadden dit alles met een oogopslag
overzien. Bij een ledige hut wachtten zij af, wat het opperhoofd over
hen zou beschikken, en hadden veel te lijden van de beleedigingen van
een troep oude vrouwen. Die bende harpijen omringde hen, dreigde hen met
vuisten, huilde en vloekte. Eenige engelsche woorden kwamen over haar
dikke lippen, waaruit duidelijk bleek, dat zij onmiddellijk om wraak
riepen.

Onder al die verwenschingen en bedreigingen toonde lady Helena,
uiterlijk bedaard, een gerustheid, die toch niet in haar wonen kon. Om
lord Glenarvan zijn koelbloedigheid niet te doen verliezen, deed die
moedige vrouw heldhaftige pogingen om zich te bedwingen. De arme Mary
Grant voelde, dat haar krachten haar begaven, en John Mangles
ondersteunde haar, bereid om haar tot het uiterste toe te verdedigen.
Die vloed van verwenschingen werd door zijn makkers in zeer
verschillende stemming aangehoord, sommigen, zooals de majoor, bleven er
kalm onder, anderen, zooals Paganel, waren ten prooi aan een steeds
toenemende verbittering.

Daar hij lady Helena wilde behoeden voor de vuisten dier grijze
hellevegen, ging Glenarvan regelregt op Kai-Koemoe af, en zeide, op dien
afzigtelijken hoop wijzende: "Jaag ze weg!"

Het maori opperhoofd zag zijn gevangene stijf aan zonder hem te
antwoorden; vervolgens bragt hij met een wenk die huilende horde tot
zwijgen. Glenarvan boog om hem te bedanken, en keerde weder langzaam
naar zijn plaats in het midden der zijnen terug.

Er waren nu zoowat honderd Nieuw-Zeelanders, grijsaards, volwassenen en
jongelieden, in het fort bijeen; sommigen wachtten bedaard maar
droefgeestig de bevelen van Kai-Koemoe af, anderen gaven zich over aan
al de vervoeringen eener hevige smart; enkelen beweenden hun
bloedverwanten of vrienden, die in de laatste gevechten gevallen waren.

Van al de opperhoofden, die op de roepstem van William Thompson waren
toegesneld, was Kai-Koemoe de eenige, die in de aan het meer gelegen
streken terugkeerde, en hij was de eerste, die aan zijn stam de
nederlaag verhaalde, die de opstandelingen in de vlakten van de
Beneden-Waikato geleden hadden. Van de twee honderd krijgslieden, die
onder zijn bevel tot verdediging van den vaderlandschen grond waren
uitgetrokken, ontbraken er honderd vijftig bij de terugkomst. Sommigen
waren door de overwinnaars gevangen genomen; maar de meeste hadden op
het slagveld den dood gevonden en zouden het land hunner vaderen nimmer
terugzien!

Hieruit was de diepe droefheid te verklaren, die de komst van Kai-Koemoe
bij zijn stam had opgewekt. Er was nog niets van de laatste nederlaag
uitgelekt, en die noodlottige tijding was pas ruchtbaar geworden.

Bij de wilden openbaart zich de zielsdroefheid altijd door uiterlijke
teekenen. De bloedverwanten en vrienden der gesneuvelde krijgslieden,
vooral de vrouwen, reten hun gelaat en schouders met scherpe schelpen
open. Het bloed stroomde uit de wonden en vermengde zich met hun tranen.
De grootte der wanhoop was af te meten naar de diepte der inkervingen.
De bloedende en razende nieuw-zeelandsche vrouwen waren vreeselijk om te
zien.

Een andere, in de oogen der inlanders zeer gewigtige oorzaak, vergrootte
nog hun wanhoop. Niet alleen was de bloedverwant, de vriend, dien zij
beweenden, niet meer; maar zijn gebeente zou niet in het familiegraf
rusten. Het bezit nu van dat overschot wordt in de godsdienst der
Maori's als onmisbaar voor het lot in het eeuwige leven beschouwd; niet
het vergankelijke vleesch, maar de beenderen, die zorgvuldig worden
bijeengezameld, gereinigd, afgekrabd, gepolijst, ja zelfs gevernist; ten
slotte worden zij in het "oedoepa" gelegd, dat wil zeggen "het huis des
roems." Die graven zijn met houten beelden versierd, die met volkomen
juistheid de tatoeëering des overledenen voorstellen. Maar nu zouden die
graven ledig blijven, de godsdienstige plegtigheden niet volbragt
worden, en de beenderen, welke de tand der wilde honden mogt sparen,
onbegraven verbleeken op het slagveld.

Toen verdubbelden de teekenen der smart. Op de bedreigingen der vrouwen
volgden de vervloekingen der mannen tegen de Europeanen. Scheldwoorden
werden uitgebraakt, de gebaren heviger. Op het geschreeuw zouden daden
van geweld volgen.

Kai-Koemoe vreesde, dat de dweepers onder zijn stamgenooten hem te
magtig zouden worden, en liet daarom zijn gevangenen naar een gewijde
plaats brengen, die aan het andere einde der verschansing op een steilen
bergtop lag. Die hut leunde tegen een rotswand, die honderd voet boven
haar uitstak, en aan die zijde van het fort een vrij steile helling
vormde.

In dit "wareatoea," heilig huis, predikten de priesters of ariki's aan
de Zeelanders een god in drie personen, den vader, den zoon, en den
vogel of geest. De ruime en goed gesloten hut bevatte het gewijde en
uitgezochte voedsel, dat Maoeï-Ranga-Ranguï eet met den mond zijner
priesters.

Daar gingen de gevangenen, voorloopig beveiligd tegen de woede der
inlanders, op matten van vlas liggen. Lady Helena, wier krachten
uitgeput, wier geestkracht overwonnen was, viel in de armen van haar
echtgenoot. Glenarvan klemde haar aan zijn borst en herhaalde: "Houd
moed, lieve Helena! de Hemel zal ons niet verlaten!"

Pas was Robert opgesloten, of hij klom op Wilsons schouder, en slaagde
er in zijn hoofd door een opening tusschen het dak en den muur te
steken, waaraan snoeren amuletten hingen. Van daar kon hij de geheele
vesting overzien tot aan de hut van Kai-Koemoe.

"Zij zijn om het opperhoofd vereenigd," fluisterde hij.... "Zij zwaaijen
met hun armen.... Zij brullen.... Kai-Koemoe wil spreken...."

De knaap zweeg een poos en hervatte toen:

"Kai-Koemoe spreekt.... De wilden komen tot rust.... Zij luisteren naar
hem...."

"Zeker heeft dat opperhoofd er persoonlijk belang bij om ons te
beschermen," zeide de majoor. "Hij wil zijn gevangenen tegen
opperhoofden van zijn stam uitwisselen! Maar zullen zijn krijgslieden er
in bewilligen?"

"Ja!... Zij luisteren naar hem...." hervatte Robert. "Zij gaan
uiteen.... Enkelen keeren naar hun hutten terug.... Anderen verlaten de
verschansing...."

"Zegt gij de waarheid?" riep de majoor.

"Ja, mijnheer Mac Nabbs!" antwoordde de knaap. "Kai-Koemoe is alleen
gebleven met de manschappen, die in zijn boot waren.... Ha! daar komt er
een naar onze hut...."

"Kom af, Robert!" gebood Glenarvan.

Nu vatte lady Helena, die weer bijgekomen was, den arm van haar
echtgenoot.

"Edward!" sprak zij op vasten toon, "Mary Grant en ik moeten niet levend
in de handen der wilden vallen!"

Dit zeggende overhandigde zij aan Glenarvan een geladen revolver.

"Een wapen!" riep Glenarvan, wiens oogen met een plotselingen glans
schitterden.

"Ja! de Maori's onderzoeken hun vrouwelijke gevangenen niet! Maar dit
wapen is voor ons, Edward! niet voor hen!..."

"Glenarvan!" zeide de majoor snel, "verberg dien revolver! Het is nog
geen tijd...."

De revolver verdween onder de kleeren van den lord. De mat, waarmede de
ingang der hut gesloten was, werd opgeligt. Een inlander verscheen.

Hij gaf den gevangenen een wenk om hem te volgen. Digt aaneengesloten
stapten Glenarvan en de zijnen voort en bleven eindelijk voor Kai-Koemoe
staan.

Rondom dit opperhoofd waren de voornaamste krijgslieden van zijn stam
vereenigd. Onder hen was ook die Maori, wiens boot zich bij die van
Kai-Koemoe had gevoegd, ter plaatse waar de Pohainhenna in de Waikato
valt. Het was een gespierd man van veertig jaar, en met een woest en
wreed voorkomen. Hij heette Kara-Tete, dat wil zeggen "de opvliegende."
Kai-Koemoe behandelde hem met zekere achting; aan de fijnheid zijner
tatoeëering kon men zien, dat Kara-Tete een hoogen rang in zijn stam
bekleedde. Toch had een scherp waarnemer kunnen zien, dat er een zekere
naijver tusschen die twee opperhoofden bestond. De majoor merkte op, dat
de invloed van Kara-Tete Kai-Koemoe hinderde. Zij heerschten beiden over
de belangrijke stammen aan de Waikato en met gelijke magt. Bij dit
onderhoud mogt Kai-Koemoe dan al glimlagchen, diepe haat straalde uit
zijn oogen.

Kai-Koemoe ondervroeg Glenarvan, en zeide:

"Zijt gij een Engelschman?"

"Ja!" antwoordde de lord zonder aarzelen; want dit zou een uitwisseling
gemakkelijker maken.

"En uw medgezellen?" zeide Kai-Koemoe.

"Zijn Engelschen evenals ik. Wij zijn reizigers, schipbreukelingen.
Maar, als gij het weten wilt, wij hebben geen deel genomen aan den
strijd."

"Dat raakt mij niet!" antwoordde de onbeschofte Kara-Tete. "Elke
Engelschman is onze vijand. De uwen hebben ons eiland bemagtigd! Zij
hebben onze akkers gestolen! Zij hebben onze dorpen verbrand!"

"Zij hebben verkeerd gehandeld!" antwoordde Glenarvan op ernstigen toon.
"Ik zeg dat, omdat ik het denk, en niet, omdat ik in uw magt ben."

"Luister!" hernam Kai-Koemoe, "de Tohonga, de opperpriester van
Noeï-Atoea[1], is in de handen uwer broeders gevallen. Hij is gevangen
bij de Pakeka's[2]. Onze God beveelt ons hem los te koopen. Ik had u het
hart uit het lijf willen rukken, ik had gewenscht, dat uw hoofd en het
hoofd uwer medgezellen ten eeuwigen dage op de punten van dit paalwerk
gestaan hadden! Maar Noeï-Atoea heeft gesproken."

Terwijl hij zoo sprak, beefde Kai-Koemoe, die zich tot nog toe
ingehouden had, van toorn, en stond er een woeste geestdrijverij op zijn
gelaat te lezen.

Na een poos hervatte hij op bedaarden toon:

"Denkt gij, dat de Engelschen onzen opperpriester tegen uw persoon
zullen uitwisselen?"

Glenarvan aarzelde met een antwoord, en zag het maori opperhoofd
oplettend aan.

"Ik weet het niet," zeide hij na een oogenblik zwijgens.

"Spreek!" hernam Kai-Koemoe. "Is uw leven evenveel waard als het leven
van onzen opperpriester?"

"Neen!" antwoordde Glenarvan. "Ik ben noch een opperhoofd noch een
priester onder de mijnen!"

Over dit antwoord verbaasd zag Paganel Glenarvan met diepe verwondering
aan.

Kai-Koemoe scheen insgelijks verrast.

"Dus twijfelt gij?" zeide hij.

"Ik weet het niet," herhaalde Glenarvan.

"Zullen de uwen u niet tegen onzen opperpriester uitwisselen?"

"Mij alleen? neen!" antwoordde Glenarvan. "Ons allen? misschien."

"Bij de Maori's is het hoofd voor hoofd," zeide Kai-Koemoe.

"Bied eerst deze vrouwen ter uitwisseling tegen uw priester aan," zeide
Glenarvan op lady Helena en Mary Grant wijzende.

Lady Helena wilde naar haar man snellen. De majoor hield haar tegen.

"Die twee vrouwen bekleeden een hoogen rang in haar land," hernam
Glenarvan met een eerbiedige buiging voor lady Helena en Mary Grant.

De krijgsman zag zijn gevangene koel aan. Een valsch glimlachje speelde
om zijn lippen; maar hij onderdrukte het bijna terstond en antwoordde
met een stem, die hij naauwelijks bedwingen kon:

"Denkt gij Kai-Koemoe met valsche woorden te bedriegen, vervloekte
Europeaan? Denkt gij, dat de oogen van Kai-Koemoe niet in de harten
kunnen lezen?"

En op lady Helena wijzende, ging hij voort:

"Dat is uw vrouw!"

"Neen! de mijne!" riep Kara-Tete.

De gevangenen wegduwende legde het opperhoofd nu zijn hand op den
schouder van lady Helena, die bij die aanraking verbleekte.

"Edward!" riep de rampzalige vrouw in haar radeloosheid.

Zonder een woord te spreken hief Glenarvan den arm op. Een schot knalde
en Kara-Tete viel dood neder.

Op die losbranding stroomde een vloed van inlanders uit de hutten. Het
plein was in een oogenblik vol. Honderd armen werden tegen de
ongelukkigen opgeheven. De revolver werd Glenarvan uit de hand gerukt.

Kai-Koemoe sloeg een vreemden blik op Glenarvan; daarop bedekte hij met
de eene hand het ligchaam van den moordenaar, terwijl hij met de andere
de menigte in toom hield, die woedend op de Europeanen indrong.

Eindelijk deed zijn stem het oproer bedaren.

"Taboe! Taboe!" riep hij.

Op dat woord hield de menigte voor Glenarvan en de zijnen stand, die nu
voor het oogenblik door een bovennatuurlijke magt beschermd werden.

Eenige oogenblikken daarna werden zij naar het heilige huis
teruggevoerd, dat hun tot gevangenis diende. Maar Robert Grant en
Jacques Paganel waren niet meer bij hen.


[1] Naam van den God der Zeelanders.

[2] Europeanen.



XII.

De lijkplegtigheden van een opperhoofd der Maori's.


Zooals op Nieuw-Zeeland wel meer het geval is, vereenigde Kai-Koemoe in
zich de waardigheden van priester en stamhoofd. In die eerste
hoedanigheid kon hij over personen of zaken de bijgeloovige bescherming
van het taboe uitstrekken.

Het taboe, dat bij alle volken van het polynesische ras wordt
aangetroffen, heeft onmiddellijk ten gevolge, dat alle omgang met of
gebruik van het voorwerp of den persoon, die getaboeëerd is, verboden
wordt. Volgens de godsdienst der Maori's zou alwie een heiligschennende
hand sloeg aan hetgene taboe verklaard is, door den vertoornden god met
den dood gestraft worden. En waar de godheid soms talmen mogt met wraak
te nemen over de haar aangedane beleediging, zouden de priesters niet
verzuimen haar wraakoefening te verhaasten.

Het taboe wordt door de opperhoofden met staatkundige bedoelingen
toegepast, tenzij het ontstaat uit een gewoon voorval van het huiselijke
leven. Een inlander wordt in menige omstandigheid voor eenige dagen
getaboeëerd, bv. wanneer hij zijn haar heeft afgesneden, wanneer hij
getatoeëerd is, wanneer hij een praauw timmert, wanneer hij een huis
bouwt, wanneer hij doodelijk ziek is, wanneer hij gestorven is. Dreigt
een onverstandige vischvangst de rivieren van haar visschen te berooven,
of worden de nieuwe aanplantingen van zoete pataten niet behoorlijk
ontzien, dan worden die voorwerpen door een beschermend en
staathuishoudkundig taboe getroffen. Wil een opperhoofd de lastige
omstanders van zijn huis verjagen, dan taboeëert hij het; ten zijnen
voordeele betrekkingen met een vreemd schip aanknoopen, dan taboeëert
hij het ook; een europeesch handelaar, op wien hij ontevreden is, een
quarantaine opleggen, hij taboeëert maar! Zijn verbod komt dan overeen
met het oude "veto" (ik wil niet) der koningen.

Wanneer een voorwerp getaboeëerd is, mag niemand het straffeloos
aanraken. Wanneer een inboorling aan dat verbod onderworpen is, zijn hem
sommige spijzen voor een bepaalden tijd ontzegd. Wanneer die strenge
leefregel opgeheven is, helpen, indien hij rijk is, zijn slaven hem en
steken de spijzen in zijn mond, die hij met zijn handen niet mag
aanraken; is hij arm, dan is hij genoodzaakt de spijzen met den mond op
te nemen, en het taboe maakt hem tot een dier.

Kortom, die vreemde gewoonte beheerscht en bepaalt de geringste daden
der Nieuw-Zeelanders. Het is de onophoudelijke tusschenkomst der godheid
in het maatschappelijke leven. Het heeft kracht van wet, en men mag
zeggen, dat het geheele inlandsche wetboek, een wetboek, dat geen
tegenspraak duldt en ook nooit tegengesproken wordt, vervat is in de
gedurige toepassing van het taboe.

De gevangenen in het heilige huis waren door een willekeurig taboe
ontrukt aan de woede der volksmenigte. Een partij onder de inlanders, de
vrienden en aanhangers van Kai-Koemoe, waren op eens gestuit door de
stem van hun hoofd en hadden de gevangenen beschermd.

Echter maakte Glenarvan zich geen verkeerde voorstellingen van het lot,
dat hem wachtte. Zijn dood alleen was een voldoende straf voor den moord
van een opperhoofd; en bij de wilde volken volgt de dood alleen op een
lange marteling. Glenarvan verwachtte dus niet anders, of hij zou wreed
moeten boeten voor de billijke verontwaardiging, die zijn arm had
gewapend; maar hij hoopte, dat de toorn van Kai-Koemoe hem alleen zou
treffen.

Welk een nacht bragten hij en zijn lotgenooten door! Wie zou hun angst
kunnen schilderen, hun lijden afmeten! De arme Robert, de goede Paganel
waren niet meer voor den dag gekomen. Maar kon men wel aan hun lot
twijfelen? Waren zij niet de eerste offers, ten zoen gevallen voor de
wraakzucht der inlanders? Alle hoop was verdwenen, zelfs uit het hart
van Mac Nabbs, die anders niet spoedig wanhoopte. John Mangles werd
bijna krankzinnig door de stille wanhoop van Mary Grant, die van haar
broeder was gescheiden. Glenarvan dacht aan dat verschrikkelijk verzoek
van lady Helena, die, om zich te onttrekken aan den marteldood of de
slavernij, door zijne hand wilde sterven! Zou hij dien ijselijken moed
hebben?

"En welk regt heb ik om Mary te treffen?" dacht John, wiens hart brak.

Aan een ontsnapping viel niet te denken; ze was geheel en al onmogelijk.
Tien, tot de tanden gewapende krijgslieden, waakten voor de deur der
gevangenis.

De morgen van den 13den Februarij brak aan. Er had geen verkeer plaats
gehad tusschen de inlanders en de gevangenen, die door het taboe werden
beschermd. De hut bevatte eenige levensmiddelen, die de ongelukkigen
naauwelijks aanraakten. De smart verdreef den eetlust. De dag verliep,
zonder verandering of hoop aan te brengen. Ongetwijfeld zou het uur van
de begrafenis van het gedoode opperhoofd ook dat zijn, waarop de
doodstraf voltrokken werd.

Terwijl Glenarvan zich niet ontveinsde, dat Kai-Koemoe de gedachte aan
uitwisseling wel zou hebben opgegeven, behield de majoor dienaangaande
nog altijd een straal van hoop.

"Wie weet," zeide hij, terwijl hij Glenarvan op de uitwerking wees, dien
de moord van Kara-Tete op het opperhoofd gemaakt had, "wie weet, of
Kai-Koemoe niet in den grond verpligting aan u gevoelt?"

Maar, wat Mac Nabbs ook mogt zeggen, Glenarvan wilde zich met geen hoop
meer vleijen. Ook de volgende dag verliep, zonder dat er toebereidselen
voor de doodstraf werden gemaakt. Ziehier de reden van dat uitstel.

De Maori's gelooven, dat de ziel nog drie dagen na het sterven het
ligchaam des overledenen bewoont, en gedurende driemaal vier en twintig
uren blijft het lijk onbegraven liggen. Die uitstellende gewoonte werd
streng in acht genomen. Tot den 15den Februarij toe bleef de sterkte
ledig. Op de schouders van Wilson staande, zag John Mangles dikwijls
naar de buitenwerken. Geen inlander was er te zien. Alleen de
schildwachten, die goed wacht hielden, losten elkander af aan de deur
der gevangenis.

Maar den derden dag gingen de hutten open; de wilden, mannen, vrouwen,
kinderen, verscheidene honderden in getal, vereenigden zich zwijgend en
bedaard op het voorplein der sterkte.

Kai-Koemoe kwam uit zijn hut, en terwijl de voornaamste hoofden van zijn
stam zich om hem schaarden, nam hij plaats op een heuveltje van eenige
voeten hoog in het middelpunt der versterkingen. Op een behoorlijken
afstand achter hem stonden de overige inlanders in een halven cirkel
geschaard. De geheele vergadering bewaarde een onafgebroken stilzwijgen.

Op een teeken van Kai-Koemoe begaf een krijgsman zich naar het heilige
huis.

"Denk er aan!" zeide lady Helena tot haar man.

Glenarvan klemde zijn vrouw aan zijn hart. Thans naderde Mary Grant John
Mangles en zeide:

"Lord en lady Glenarvan zullen wel willen gelooven, dat even goed als
een vrouw kan sterven door de hand van haar echtgenoot om een
schandelijk leven te ontgaan, een bruid ook door de hand van haar
verloofde kan sterven om er op haar beurt aan te ontkomen. John! in dit
gewigtig oogenblik mag ik het u zeggen: ben ik niet sedert lang uw bruid
in het geheim van uw hart? Mag ik op u rekenen, waarde John! gelijk lady
Helena op lord Glenarvan?"

"Mary!" riep de jeugdige kapitein geheel radeloos. "Ach! lieve Mary!..."

Hij kon niet uitspreken; de mat werd opgeligt, en de gevangenen voor
Kai-Koemoe gebragt; de twee vrouwen schikten zich in haar lot; de mannen
verborgen hun angst onder een kalmte, die het bewijs was eener
bovenmenschelijke geestkracht.

Zij kwamen voor het zeelandsch opperhoofd. Deze talmde niet met het
uitspreken van het vonnis.

"Gij hebt Kara-Tete gedood?" zeide hij tot Glenarvan.

"Ik heb hem gedood," antwoordde de lord.

"Gij zult morgen met zonsopgang sterven."

"Alleen?" vroeg Glenarvan, wiens hart hevig klopte.

"Ach! als het leven van onzen opperpriester niet kostbaarder was dan het
uwe!" riep Kai-Koemoe, wiens oogen een woeste spijt uitdrukten.

Thans had er een opschudding onder de inboorlingen plaats. Glenarvan
sloeg haastig een blik om zich heen. Weldra kwam er een opening in de
menigte, en een krijgsman verscheen, druipnat van zweet en doodelijk
vermoeid.

Zoodra Kai-Koemoe hem zag, sprak hij hem in het engelsch aan. Zijn
bedoeling was duidelijk: hij wilde, dat de gevangenen hem zouden
verstaan.

"Gij komt uit de legerplaats der Europeanen?"

"Ja!" antwoordde de Maori.

"Hebt gij den gevangene, onzen opperpriester, gezien?"

"Ik heb hem gezien."

"Leeft hij?"

"Hij is dood! De Engelschen hebben hem doodgeschoten!"

Het was gedaan met Glenarvan en zijn makkers.

"Allen zult gij morgen met zonsopgang sterven!" riep Kai-Koemoe.

Zoo trof dezelfde straf al die ongelukkigen zonder onderscheid. Lady
Helena en Mary Grant sloegen een oog vol innige dankbaarheid ten hemel.

De gevangenen werden niet naar het heilige huis teruggebragt. Zij
moesten dien dag tegenwoordig zijn bij de lijkplegtigheden van het
opperhoofd en bij de bloedige tooneelen, die daarmede gepaard gaan. Een
troep inlanders voerde hen eenige schreden verder naar den voet van een
ontzaggelijken "koedi." Daar bleven hun bewakers bij hen, zonder hen uit
het oog te verliezen. De overige Maori's schenen hen vergeten te hebben,
zoo verdiept waren ze in hun verpligte smart.

De drie bij de wet voorgeschreven dagen waren na den dood van Kara-Tete
verloopen. De ziel des overledenen had dus voor altijd diens stoffelijk
overschot verlaten. De plegtigheid begon.

Het lijk werd op een heuveltje gebragt in het midden van de vesting. Het
was in een prachtige kleeding gedoscht en in een sierlijke mat van vlas
gewikkeld. Om zijn met vederen versierd hoofd was een krans van groene
bladeren geslingerd. Aan zijn gelaat, zijn armen en zijn borst, die met
olie waren ingewreven, was geen teeken van bederf te zien.

De bloedverwanten en vrienden traden tot aan den voet van het heuveltje,
en, als had een orkestmeester de maat van een lijkzang geslagen,
terstond steeg een ontzaggelijk concert van weenen, kermen en zuchten
omhoog. De overledene werd beweend op de maat van een klagend en
langzaam lied. Zijn nabestaanden sloegen zich voor het hoofd; de
vrouwelijke bloedverwanten reten haar gelaat met haar vingers open en
toonden zich kwistiger met bloed dan met tranen. Die ongelukkigen
volbragten stipt dezen ruwen pligt. Maar al die rouw was nog niet
voldoende om de ziel des overledenen te bevredigen, wiens gramschap
zonder twijfel de overlevenden van zijn stam zou getroffen hebben, en
zijn krijgslieden wilden niet, al konden zij hem niet in het leven
terugroepen, dat hij in de andere wereld de genoegens van het aardsche
leven missen zou. Dus mogt de echtgenoote van Kara-Tete haar man ook in
het graf niet verlaten. De ongelukkige zou toch geweigerd hebben hem te
overleven. Dat was gewoonte en pligt, en de voorbeelden van zulke
opofferingen zijn niet schaarsch in de zeelandsche geschiedenis.

Die vrouw verscheen. Zij was nog jong. Heur haren golfden wanordelijk
over haar schouders. Haar snikken en kreten stegen omhoog.
Onzamenhangende woorden, jammerklagten, afgebroken volzinnen, waarin zij
de deugden van den overledene prees, braken haar snikken af, en in haar
vreeselijke smart viel zij aan den voet van het heuveltje neer en sloeg
met haar hoofd op den grond.

Nu naderde haar Kai-Koemoe. Plotseling vloog het rampzalige slagtoffer
weer op; maar een geweldige slag met den "mere," een soort van
vreeselijke knods, die het opperhoofd zwaaide, velde haar ter neder. Zij
viel, als door den bliksem getroffen.

Terstond gingen er ontzettende kreten op. Honderd armen bedreigden de
gevangenen, die doodelijk ontsteld waren van dat ijselijk tooneel. Maar
niemand roerde zich; want de lijkplegtigheid was nog niet afgeloopen.

De vrouw van Kara-Tete was met haar gemaal in den dood vereenigd. De
beide ligchamen lagen naast elkander. Maar voor het eeuwige leven had
die overledene nog niet genoeg aan zijn trouwe gade. Wie zou hen beiden
bij Noeï-Atoea bediend hebben, wanneer hun slaven hen niet uit deze
wereld in de andere gevolgd waren?

Zes ongelukkigen werden bij de lijken hunner meesters gebragt. Het waren
dienstboden, die de onmeedoogende krijgswetten tot slavernij hadden
gedoemd. Tijdens het leven van het opperhoofd hadden zij de hardste
ontberingen uitgestaan, duizend mishandelingen ondergaan, waren slecht
gevoed, hadden onophoudelijk als lastdieren gewerkt, en zouden nu,
volgens het geloof der Maori's, in de eeuwigheid dat slavenleven
voortzetten.

Die ongelukkigen schenen in hun lot te berusten. Zij verwonderden zich
niet over een opoffering, die ze reeds lang voorzien hadden. Hun
ongeboeide handen bewezen, dat ze zich zonder verzet zouden laten
slagten.

Die dood was dan ook kort, en voor een lang lijden bleven ze bewaard. De
martelingen werden bespaard voor de bewerkers van den moord, die twintig
schreden verder bij elkander stonden en de oogen afwendden van dat
akelig schouwspel, dat nog ontzettender zou worden.

Zes knodsslagen, toegebragt door de hand van zes gespierde krijgslieden,
strekten de slagtoffers in een zee van bloed op den grond uit.

Dat was het sein tot een vreeselijk tooneel van kannibalisme.

Het ligchaam der slaven wordt niet door het taboe beschermd, zooals het
lijk van den meester. Het behoort aan den stam. Het is het kleine geld,
dat aan de huilers bij de lijkplegtigheden wordt toegeworpen. Zoodra het
offer volbragt was, vielen dan ook al de inlanders, opperhoofden,
krijgslieden, grijsaards, vrouwen, kinderen, zonder onderscheid van
leeftijd of kunne, door dezelfde dierlijke woede aangegrepen, op de
levenlooze overblijfselen der slagtoffers aan. In minder tijd dan een
vlugge pen het zou kunnen schetsen, werden de nog rookende ligchamen
vaneengereten, verscheurd en verdeeld, niet aan stukken maar aan
kruimels. Elk van de twee honderd Maori's, die het offer bijwoonden,
kreeg zijn deel van dat menschenvleesch. Men worstelde, men vocht, men
betwistte elkaar het kleinste lapje. De warme bloeddroppels bespatten
die monsterachtige gasten en die geheele terugstootende horde krielde
onder een rooden regen door elkander. Het was de waanzin en woede van
naar hun prooi dorstende tijgers. Men zou gezegd hebben, dat het een
diergaarde was, waar de roofdieren het hun toegeworpen vleesch
verslonden. Daarop werden er op twintig plaatsen binnen den wal vuren
aangelegd; de stank van het verbrande vleesch verpestte den dampkring,
en zonder de vreeselijke opschudding bij dat feestmaal, zonder de
kreten, die nog voortkwamen uit die met vleesch volgestopte kelen,
hadden de gevangenen de beenderen der slagtoflers kunnen hooren kraken
tusschen de tanden der menscheneters.

Doodelijk ontsteld deden Glenarvan en de zijnen nog hun best om dit
afschuwelijk tooneel aan de oogen der twee arme vrouwen te onttrekken.
Zij begrepen nu welke straf hen den volgenden morgen bij zonsopgang
wachtte, en door welke vreeselijke martelingen zulk een dood stellig zou
worden voorafgegaan. De schrik benam hun de spraak.

Daarop begonnen de doodendansen. Sterke dranken, getrokken uit den
"piper excelsum," echten geest van spaansche peper, verhoogden nog de
dronkenschap der wilden. Zij hadden niets menschelijks meer. Zouden zij
niet welligt het taboe van het opperhoofd vergeten en de handen slaan
aan de gevangenen, die hun waanzin beangstigde?

Maar Kai-Koemoe had zijn verstand behouden bij die algemeene
dronkenschap. Hij stond een uur toe voor die slemppartij van bloed,
opdat ze haar hoogsten trap bereiken en dan voldaan zou zijn, en het
laatste bedrijf der uitvaart werd met de gewone plegtigheden afgespeeld.

De lijken van Kara-Tete en diens vrouw werden opgenomen, de ledematen
gebogen en tegen den buik gedrukt, volgens de gewoonte der Zeelanders.
Nu moesten ze begraven worden, wel niet voor goed, maar tot de aarde het
vleesch verteerd had en alleen het gebeente bevatten zou.

De plaats voor het Oedoe-Pa, dat wil zeggen het graf, was reeds gekozen
omtrent twee mijlen buiten de vesting, op den top van een bergje,
Maunganamu genoemd, op den regteroever van het meer gelegen.

Daarheen moesten de ligchamen worden gebragt. Twee zeer kunstelooze
draagstoelen, of om het maar ronduit te zeggen, twee berries, werden aan
den voet van het heuveltje neergezet. De zaamgevouwen lijken werden er
veeleer in zittende dan liggende houding op geplaatst; hun kleeding werd
met een band opgehouden. Vier krijgslieden tilden ze op hun schouders en
de geheele stam volgde hen, onder het aanheffen van het lijklied, in
optogt tot aan de begraafplaats.

De gevangenen, die nog altijd bewaakt werden, zagen den stoet den
eersten wal van de vesting verlaten; daarna werden het gezang en
geschreeuw allengs onverstaanbaar.

Omstreeks een half uur bleef de lijkstoet uit hun gezigt in de diepten
van het dal. Daarna zagen zij hem weer terug, toen hij de kronkelende
bergpaden besteeg. Door den afstand kreeg die lange en slingerende
optogt iets spookachtigs.

De stam hield stil op een hoogte van acht honderd voet, dat is op den
top van den Maunganamu, op de plaats die voor de begrafenis van
Kara-Tete was uitgekozen.

Een gewoon Maori zou geen ander graf hebben gehad dan een kuil en een
hoop steenen. Maar voor een magtig en geducht opperhoofd, die zeker
binnen kort onder de goden zou opgenomen worden, had zijn stam een graf
bestemd, dat zijner heldendaden waardig was.

Het graf was met paalwerk omringd, en bij de kuil, waarin de lijken
moesten rusten, stonden palen, versierd met beelden, die met oker rood
geverwd waren. De bloedverwanten hadden niet vergeten, dat de "Waidoea",
de ziel der dooden, zich met stoffelijke dingen voedt, evenals het
ligchaam die in dit vergankelijk leven behoeft. Daarom waren er
levensmiddelen binnen de omheining gebragt, alsmede de wapens en
kleederen des overledenen.

Niets ontbrak aan de gemakkelijke inrigting van het graf. De beide
echtgenooten werden naast elkander gelegd, en daarop, na een nieuwe
reeks van jammerklagten, met aarde en gras overdekt.

Nu daalde de stoet weder zwijgend den berg af, en voortaan mogt niemand
weer op straffe des doods den Maunganamu beklimmen, want hij was taboe,
evenals de Tongariro, waar de overblijfselen rusten van een opperhoofd,
die in 1846 door een aardbeving omkwam.



XIII.

De laatste uren.


Juist verdween de zon over het Taupo-meer achter de toppen van den
Tuhahua en Puketapu, toen de gevangenen naar hun kerker werden
teruggevoerd. Zij zouden hem niet meer verlaten, voor de toppen der
Wahiti-Ranges door de eerste zonnestralen verlicht werden.

Zij hadden een geheelen nacht om zich op den dood voor te bereiden.
Ondanks hun droefheid, ondanks het ijselijke lot, dat hen wachtte,
gebruikten zij toch gezamenlijk den maaltijd.

"Wij zullen al onze krachten hoog noodig hebben," had Glenarvan gezegd,
"om den dood in het aangezigt te zien. Wij moeten aan die barbaren
toonen, hoe Europeanen weten te sterven!"

Toen het eten afgeloopen was, zeide lady Helena overluid het avondgebed
op. Met ongedekten hoofde spraken al haar reisgenooten haar na.

Waar is de mensch, die niet aan God denkt, wanneer de dood hem
aangrijnst?

Toen die pligt was volbragt, omhelsden de gevangenen elkander.

Mary Grant en Helena begaven zich naar een hoek van de hut en strekten
zich op eene mat uit. De slaap, die alle smarten lenigt, daalde weldra
op haar oogleden neder; in elkanders armen gestrengeld sliepen zij in,
uitgeput als zij waren door vermoeidheid en slapelooze nachten.

Glenarvan nam nu zijn vrienden ter zijde en sprak hen aldus aan:

"Waarde reisgenooten! ons leven en dat dier arme vrouwen is in Gods
hand. Is het de wil des Hemels, dat wij morgen sterven, dan zullen wij,
ik ben er zeker van, weten te sterven als mannen, als christenen, die
onbevreesd voor den Oppersten Regter durven verschijnen. God, die op den
bodem van ons hart ziet, weet, dat wij een edel doel najaagden. Wacht
ons de dood in plaats van een goeden uitslag, dan is het zijn wil. Hoe
hard zijn beschikkingen ook mogen wezen, ik wil toch niet tegen Hem
morren. Maar hier is de dood niet maar alleen de dood, het is de
foltering, het is misschien de eerloosheid, en ziehier twee vrouwen...."

Glenarvans' stem, die tot nog toe vast geweest was, begon hier te beven.
Hij zweeg om zijn aandoening te bedwingen. Na een oogenblik zwijgens
vervolgde hij tot den jongen kapitein:

"John! gij hebt aan Mary beloofd, wat ik aan lady Helena beloofd hebt.
Wat is uw voornemen?"

"Ik geloof voor God het regt te hebben die belofte te vervullen,"
antwoordde John Mangles.

"Ja, John! Maar wij zijn ongewapend!"

"Toch niet," antwoordde John, een dolk toonende. "Ik heb hem uit de hand
van Kara-Tete gerukt, toen die wilde aan uwe voeten viel. Mylord! wie
van ons beiden het langste leeft, zal den wensch van lady Helena en Mary
Grant vervullen."

Een doodsche stilte heerschte na die woorden in de hut. Eindelijk brak
de majoor ze af met te zeggen:

"Mijne vrienden! stelt dat uiterste middel tot de laatste minuten uit.
Ik houd niet veel van hetgeen onherstelbaar is."

"Ik heb niet voor ons gesproken," antwoordde Glenarvan. "Hoe vreeselijk
onze dood ook moge wezen, wij zullen hem trotseeren! Ha! als wij alleen
waren, zou ik u reeds twintigmaal toegeroepen hebben: Mijne vrienden!
laten wij een uitval wagen! Laten wij die ellendelingen aanvallen! Maar
zij! zij!..."

John ligtte even de mat op en telde vijf en twintig inlanders, die aan
de deur der gevangenis de wacht hielden. Zij hadden een groot vuur
aangelegd, dat een akeligen gloed verspreidde over den oneffen grond der
sterkte. Sommigen dier wilden lagen rondom het vuur op den grond;
anderen stonden roerloos overeind en staken zwart af op de heldere
gordijn van vlammen. Maar allen zagen telkens naar de hut, die aan hun
bewaking was toevertrouwd.

Men zegt, dat tusschen den cipier, die waakt en een gevangene, die
vlugten wil, de kansen voor den gevangene zijn. Het belang van den een
is inderdaad grooter dan het belang van den ander. Deze kan vergeten,
dat hij bewaakt; gene kan nooit vergeten, dat hij bewaakt wordt. De
gevangene denkt meer aan de vlugt, dan zijn bewaker om hem de vlugt te
beletten. Dat is de oorzaak van zoovele en zoo wonderlijke
ontvlugtingen.

Maar hier werden de gevangenen bewaakt door de haat en de wraakzucht, en
niet door een onverschilligen cipier. De gevangenen waren niet geboeid;
maar dat was ook onnoodig: want vijf en twintig man bewaakten den
eenigen uitgang van het heilige huis.

Deze hut, tegen den rotswand leunende, die de verschansing afsloot, was
alleen genaakbaar over een smalle landtong, die haar met het voorplein
der sterkte in verband bragt. De zijmuren waren boven loodregte
rotswanden opgetrokken en hingen over een honderd voet diepen afgrond.
Hier was dus een nederdaling onmogelijk.

Onder den grond door bestond ook geen gelegenheid om te vlugten, want de
rots was steenhard. De eenige uitgang was de deur van het heilige huis,
en de Maori's bewaakten die landtong, die het als een ophaalbrug met de
vesting verbond. Ontsnappen was dus onmogelijk, en Glenarvan moest dit
wel erkennen, toen hij, misschien voor de twintigste maal, de muren
zijner gevangenis had onderzocht.

Intusschen verliepen de uren van dien akeligen nacht. De berg was in
digte duisternis gehuld. Maan nog sterren verhelderden den pikzwarten
nacht. De wind huilde langs de sterkte. De palen der hut kraakten.
Plotseling wakkerde het vuur der inboorlingen weder aan door die
kortstondige strooming der lucht, en het schijnsel der vlammen
verlichtte even het binnenste van het heilige huis. De groep gevangenen
werd voor een oogenblik beschenen. Die arme lieden waren in gedachten
verzonken over het lot, dat hun wachtte. Sen doodsche stilte heerschte
in de hut.

Het zal omstreeks vier ure in den morgen geweest zijn, toen de
oplettendheid van den majoor werd opgewekt door een ligt gedruisch, dat
achter de achterste palen, in den wand der hut, die tegen de rots
leunde, vandaan scheen te komen.

Toen Mac Nabbs, die zich eerst niet om dat gedruisch had bekommerd,
bespeurde, dat het aanhield, luisterde hij; verwonderd, dat het niet
ophield, ging hij eindelijk om het beter waar te nemen met het oor op
den grond liggen. Hij meende te hooren, dat er van buiten gekrabd en
gegraven werd.

Toen hij zeker was van zijn zaak, sloop de majoor naar Glenarvan en John
Mangles, ontrukte hen aan hun droevige denkbeelden en voerde ze naar het
achterste gedeelte der hut.

"Luistert!" fluisterde hij, hun tevens een teeken gevende om te bukken.

Het gekrab werd hoe langer hoe duidelijker; men kon hooren, dat de
steentjes door de aanraking met een scherp voorwerp krasten en
wegrolden.

"Een beest in zijn hol," zeide John Mangles.

Glenarvan sloeg zich voor het hoofd en zeide:

"Wie weet? als het eens een mensch was!"

"Mensch of dier," antwoordde de majoor, "ik zal er wel spoedig achter
komen!"

Wilson en Olbinett kwamen bij hen, en allen begonnen in den wand te
graven, John met zijn dolk, de anderen met steenen, die zij uit den
grond haalden, of met hun nagels, terwijl Mulrady op den grond lag om
door een kier in de mat de groep inlanders in het oog te houden.

Die wilden lagen onbewegelijk rondom het vuur en vermoedden niets van
hetgeen er twintig schreden van hen af gebeurde.

De grond bestond uit een ligte en wrijfbare aarde, die den
kiezelachtigen tufsteen bedekte. Ondanks het gebrek aan werktuigen
vorderde het gat dan ook goed. Weldra was het duidelijk, dat een of meer
menschen buiten het fort een galerij groeven in den zijmuur. Wat kon hun
doel zijn? Waren zij bekend met het bestaan der gevangenen, of vond de
arbeid, die verrigt scheen te worden, zijn verklaring in het toeval
eener persoonlijke onderneming?

De gevangenen verdubbelden hun pogingen. Hun gewonde vingers bloedden;
maar zij groeven toch door. Na een half uur arbeids was het gat, dat zij
boorden, een voet of drie diep. Het helderder geraas bewees hun, dat
alleen een dunne aardlaag een onmiddellijke gemeenschap belette.

Er verliepen nog eenige minuten; daar trok de majoor op eens zijn hand
terug, die door een scherp lemmet gewond was. Hij bedwong den kreet van
pijn, die hem bijna ontsnapte.

John Mangles weerde met zijn dolk het mes af, dat in het gat werd
rondgedraaid, maar vatte de hand, die het voerde.

Het was de hand eener vrouw of van een kind, een europeesche hand!

Geen van beiden had een woord gesproken. Het was duidelijk, dat men er
aan beide zijden belang bij had om te zwijgen.

"Is het Robert?" mompelde Glenarvan.

Maar hoe zacht hij dien naam ook had uitgesproken, Mary Grant had hem
verstaan. Zij was ontwaakt door de beweging in de hut, sloop naar
Glenarvan, greep die met aarde bemorste hand en bedekte ze met haar
kussen.

"Gij! gij!" zeide het meisje, dat zich er niet in kon vergissen, "gij,
Robert!"

"Ja, zusje!" antwoordde Robert, "ik ben hier om u allen te redden! Maar
stilte."

"Moedig kind!" herhaalde Glenarvan.

"Houdt de wilden daar buiten in het oog en maakt het gat ruimer!" hernam
Robert.

Mulrady, die even had opgezien bij de verschijning van den knaap, ging
weer op den uitkijk staan.

"Alles gaat goed," zeide hij. "Nog maar vier krijgslieden zijn wakker.
De anderen slapen."

"Moed gehouden!" sprak Wilson.

In een oogenblik was het gat vergroot en ging Robert uit de armen zijner
zuster over in die van lady Helena. Om zijn ligchaam was een lang touw
van vlas gewonden.

"Mijn kind! mijn kind!" mompelde de jonge vrouw, "dus hebben de wilden u
niet gedood!"

"Neen, mevrouw!" antwoordde Robert. "Ik weet zelf niet, hoe ik mij bij
die opschudding aan hun oog heb kunnen onttrekken; ik ben over de
omwalling gesprongen; twee dagen lang heb ik mij in de struiken
verscholen; 's nachts liep ik rond; ik wilde u wederzien. Terwijl de
geheele stam met de uitvaart van het opperhoofd bezig was, ben ik die
zijde der sterkte, waar de gevangenis staat, gaan verkennen, en heb ik
gezien, dat ik bij u zou kunnen komen. Uit een ledige hut heb ik dit mes
en dit touw genomen. De bosjes gras, de takken der struiken hebben mij
tot ladder gediend; bij toeval heb ik een soort van grot gevonden, in de
rots uitgehouwen, waartegen deze hut leunt; ik behoefde slechts eenige
voeten in een weeke aarde uit te graven, en nu ben ik hier."

Twintig stomme kussen waren het eenige antwoord, dat Robert krijgen kon.

"Laten wij vertrekken!" zeide hij op vasten toon.

"Is Paganel beneden?" vroeg Glenarvan.

"Mijnheer Paganel?" herhaalde het kind, zeer verrast door die vraag.

"Ja! Wacht hij ons? Hij was immers met u gevlugt?"

"Welneen, mylord! Wat, is mijnheer Paganel niet hier?"

"Hij is hier niet, Robert!" antwoordde Mary Grant.

"Hoe? Hebt gij hem niet gezien?" vroeg Glenarvan. "Hebt gij elkaar niet
bij die opschudding aangetroffen? Zijt gij niet zamen ontsnapt?"

"Neen, mylord!" herhaalde Robert, die geheel ter neergeslagen was door
het berigt van de verdwijning van Paganel.

"Laten wij vertrekken!" zeide nu de majoor, "wij hebben geen minuut te
verliezen. Waar Paganel ook is, hij kan het nergens slechter hebben dan
wij hier. Vooruit maar!"

Wel waren de oogenblikken kostbaar. Zij moesten vlugten. De ontsnapping
leverde geen andere groote moeijelijkheden op, dan alleen de afdaling
langs een bijna loodregten rotsmuur buiten de grot, die omtrent twintig
voet hoog was. Vandaar bood de helling een vrij gemakkelijke nederdaling
tot den voet des bergs aan. Van dit punt af konden de gevangenen spoedig
de lager liggende dalen bereiken, terwijl de Maori's, wanneer zij hun
vlugt ontdekten, onbekend als ze waren met het bestaan der galerij
tusschen het heilige huis en de buitenste glooijing gegraven, een zeer
langen omweg zouden moeten maken om hen te bereiken.

De ontvlugting begon. Alle voorzorgen, die haar welslagen konden
verzekeren, werden genomen. De gevangenen kropen achter elkander door de
naauwe galerij en kwamen in de grot. Voor John Mangles de hut verliet,
ruimde hij al het puin weg en kroop op zijn beurt door de opening,
waarop hij de matten van de hut liet vallen. De galerij was dus volkomen
verborgen.

Nu moest men den loodregten rotsmuur tot aan de glooijing afdalen, en
die nederdaling zou onmogelijk geweest zijn, wanneer Robert het touw van
vlas niet had meegebragt.

Het werd afgewonden, aan een uitstekende rotspunt vastgemaakt en naar
beneden geworpen.

Voor John Mangles zijn vrienden zich liet toevertrouwen aan die
vlasvezels, die ineengedraaid het touw vormden, onderzocht hij het
eerst; hij oordeelde, dat het niet bijzonder sterk was; men mogt zich
echter niet roekeloos blootstellen, want een val kon doodelijk zijn.

"Dit touw," zeide hij, "kan slechts twee personen te gelijk houden; daar
moeten wij ons dus naar regelen. Eerst moeten lord en lady Glenarvan
zich laten afglijden; zoodra zij beneden zijn, trekken zij driemaal aan
het touw, dat zal voor ons het sein wezen om hen te volgen."

"Ik zal het eerst gaan," zeide Robert. "Ik heb onder aan de glooijing
een soort van diep hol ontdekt, waar de eerst afgedaalden zich zullen
verbergen om de anderen af te wachten."

"Ga, mijn jongen!" zeide Glenarvan, terwijl hij de hand van den knaap
drukte.

Robert verdween door de opening der grot. Een minuut daarna bewezen drie
rukken aan het touw, dat de knaap zijne afdaling gelukkig volbragt had.

Terstond waagden Glenarvan en lady Helena zich buiten de grot. Het was
nog zeer duister, maar de toppen, die in bet oosten verrezen, werden
reeds door eenige graauwe tinten gekleurd.

De snerpende ochtendkoelte bragt de jeugdige vrouw weder bij. Zij
gevoelde haar krachten terugkeeren en begon haar gevaarlijke vlugt.

Glenarvan voorop, gevolgd door lady Helena, lieten zich langs het touw
afglijden tot op de plek, waar de loodregte rotsmuur zamenkwam met het
bovenvlak der schuine zijde. Daarop begon Glenarvan, die zijn vrouw
voorging en haar ondersteunde, achteruit af te dalen. Hij zocht naar
bosjes gras en struiken, die hem een steunpunt konden opleveren; eerst
beproefde hij ze en zette er dan den voet van lady Helena op. Eenige
vogels, die in hun rust gestoord werden, vlogen zacht schreeuwend weg,
en de vlugtelingen sidderden, wanneer een steen, uit zijn kuil
weggestooten, met groot geraas tot beneden aan den berg rolde.

Zij waren omtrent op de helft der schuine zijde, toen zich een stem aan
den ingang der grot liet hooren:

"Houdt stil!" fluisterde John Mangles.

Met de eene hand zich vastklemmende aan een bosje struiken met
vierhoekige bladeren, met de andere zijn vrouw ondersteunende, wachtte
Glenarvan, bijna zonder adem te durven halen.

Wilson had onraad gehoord. Eenig gerucht buiten het heilige huis
vernomen hebbende, was hij in de hut teruggekeerd, had de mat opgeligt
en naar de Maori's uitgezien. Op een teeken van hem hield John Glenarvan
tegen.

Door een vreemd gedruisch verrast, was een der krijgslieden opgestaan en
het heilige huis genaderd. Twee schreden van de hut af, bleef hij met
gebukten hoofde staan luisteren. Een minuut lang, die wel een uur
scheen, bleef hij met gespitst oor en loerend oog in die houding. Daarop
schudde hij het hoofd als iemand, die zich vergist heeft, keerde naar
zijn makkers terug, nam een armvol dood hout en wierp het op het half
uitgegane vuur, welks vlammen weer opflikkerden. Zijn helder verlicht
gelaat verried geen bezorgdheid meer, en na de eerste morgenschemering,
die den gezigteinder een beetje verhelderde, gadegeslsgen te hebben,
ging hij bij het vuur liggen om zijn koude leden te verwarmen.

"Alles gaat goed," zeide Wilson.

John gaf aan Glenarvan een teeken om de afdaling te hervatten.

Glenarvan liet zich zachtjes tot op het vlak glijden, weldra zetten lady
Helena en hij den voet op het naauwe pad, waar Robert hen wachtte.

Driemaal trok hij aan het touw, en nu gingen John Mangles met Mary Grant
op hun beurt den gevaarvollen togt ondernemen.

Zijn waagstuk gelukte; hij voegde zich bij lord en lady Glenarvan in het
door Robert aangewezen gat.

Vijf minuten later waren alle vlugtelingen gelukkig uit het heilige huis
ontkomen en verlieten zij hun voorloopige schuilplaats. Met vermijding
van de bewoonde oevers van het meer drongen zij langs naauwe paden in
het diepst van het gebergte.

Zij liepen stevig door en trachtten alle punten te mijden waar zij soms
gezien konden worden. Zij spraken geen woord. Zij slopen als schimmen
tusschen de heesters door. Waar gingen zij heen? Op goed geluk af; maar
zij waren vrij.

Omstreeks vijf ure brak de dag aan. Blaauwachtige strepen liepen door de
hoogdrijvende wolken. De in nevelen gehulde toppen scheidden zich van de
morgendampen. Weldra zou de dagvorstin verschijnen, en in plaats van het
sein tot de doodstraf te geven, zou die zon integendeel de vlugt der
veroordeelden verraden.

Voor dat noodlottig oogenblik moesten dus de vlugtelingen buiten het
bereik der wilden zijn om hen zoo ver mogelijk van het spoor te brengen.
Maar zij vorderden niet veel; de paden waren te steil. Lady Helena
klauterde tegen de helling op, ondersteund, om niet te zeggen gedragen
door Glenarvan, en Mary Grant leunde op den arm van John Mangles;
gelukkig en zegevierend opende Robert, vol blijdschap over zijn
welslagen, den optogt, dien de twee matrozen sloten.

Nog een half uur en de schitterende zon zou de dampen aan den
gezigteinder verdrijven.

Een half uur lang liepen de vlugtelingen op goed geluk voort. Paganel
was niet bij hen om hun den weg te wijzen,--Paganel, het voorwerp hunner
ongerustheid en wiens gemis een donkere schaduw wierp op hun geluk.
Inmiddels rigtten zij zich zooveel mogelijk naar het oosten, den aan
breken den dageraad te gemoet. Weldra hadden zij een hoogte van vijf
honderd voet boven het Taupo-meer bereikt, en de morgenkoelte, door die
hoogte nog vermeerderd, hinderde hen. Onduidelijke vormen van heuvels en
bergen stapelden zich op elkander; maar Glenarvan wenschte niets liever
dan er in rond te dolen. Later zou hij wel zien, hoe hij uit dien
bergachtigen doolhof kwam.

Eindelijk brak de zon door en bescheen de vlugtelingen met haar eerste
stralen.

Op eens weergalmde een vreeselijk gebrul uit honderd kelen door de
lucht. Het kwam uit de vesting, wier juiste ligging Glenarvan niet meer
kon bepalen. Bovendien verhinderde hem een digte gordijn van nevelen,
die aan zijn voeten hing, om de lage dalen te onderscheiden.

Maar de vlugtelingen konden er niet aan twijfelen, hun vlugt was
ontdekt. Zouden zij ontkomen aan de vervolging der inlanders? Waren zij
gezien? Zouden hun sporen hen niet verraden?

Juist trok de lage mist op en wikkelde hen voor een poos in een vochtige
wolk, en nu bemerkten zij drie honderd voet beneden zich den dweepzieken
hoop inlanders.

Zij zagen, maar waren ook gezien. Een nieuw gebrul steeg op, begeleid
door hondengeblaf, en de geheele stam stormde, na eerst te vergeefs
beproefd te hebben de rots van het heilige huis te beklimmen, den
vestingwal uit en ijlde langs de kortste paden de gevangenen na, die aan
zijn wraak ontsnapten.



XIV.

De taboe berg.


De top van den berg was nog een honderd voet hooger. De vlugtelingen
hadden er belang bij hem te bereiken om zich op de andere helling aan
het oog der Maori's te onttrekken. Zij hoopten, dat de een of andere
begaanbare kam hen in staat zou stellen de nabijgelegen kruinen te
bereiken, die een bergstelsel uitmaakten, waarin de arme Paganel
stellig, wanneer hij bij ben geweest was, den weg had weten te vinden.

De bestijging werd dus haastig voortgezet, waartoe het al nader komende
dreigende getier genoeg aanspoorde. De vervolgers bereikten den voet des
bergs.

"Houdt moed, vrienden! houdt moed!" riep Glenarvan, zijn makkers met
stem en gebaren aanmoedigende.

In minder dan vijf minuten stonden zij op den bergtop; daar keerden zij
zich om, ten einde hun toestand te overzien en een rigting te nemen, die
de Maori's op een dwaalspoor kon brengen.

Van deze hoogte overzagen zij het geheele Taupo meer, dat zich in zijn
schilderachtige lijst van bergen westwaarts uitstrekte. Ten noorden, de
toppen van den Pirongia; ten zuiden, de rookende krater van den
Tongariro. Maar ten oosten stuitte hun blik op den muur van toppen en
ruggen, die met de Wahiti-Ranges in verband staat, die groote keten,
welker onafgebroken schakels over het geheele noordelijke eiland van de
Cooksstraat af tot de Oostkaap toe loopen. Zij moesten dus de andere
zijde afdalen en in naauwe passen, misschien zonder uitgangen,
doordringen.

Glenarvan sloeg een angstigen blik om zich heen; de zonnestralen hadden
de nevels verjaagd, zoodat zijn oog de geringste holten van den grond
goed kon onderscheiden. Geen beweging der Maori's kon hem ontgaan.

De inlanders waren geen vijf honderd voet van hem af, toen zij het
bergvlak bereikten, waarop de eenzame kegel zich verhief.

Glenarvan mogt geen oogen blik langer stilstaan. Uitgeput of niet, zij
moesten vlugten, wilden zij niet omsingeld worden.

"Laten wij afdalen!" riep bij, "voor de weg ons wordt afgesneden!"

Maar toen de arme vrouwen met inspanning van alle krachten weer
opgestaan waren, hield Mac Nabbs haar tegen en zeide:

"Het is onnoodig, Glenarvan! Zie maar!"

Werkelijk zagen nu allen, welk een onverklaarbare verandering er in de
bewegingen der Maori's was gekomen.

Zij hadden op eens hun vervolging gestaakt. De beklimming van den berg
hield op, alsof er een streng tegenbevel gekomen was. De bende
inboorlingen was in haar vaart gestuit, en hield stand als de golven der
zee voor een onwankelbare rots.

Al die bloeddorstige wilden stonden daar aan den voet des bergs,
huilden, zwaaiden met hun armen, geweren en bijlen, maar kwamen geen
duim digter. Hun honden, die evenals zij in den grond vastgeworteld
schenen, blaften woedend.

Wat was er toch gaande? Welke onzigtbare magt weerhield de inlanders? De
vlugtelingen zagen het, maar begrepen het niet, en vreesden, dat de
betoovering, die den stam van Kai-Koemoe ketende, verbroken mogt worden.

Daar uitte John Mangles een schreeuw, die zijn makkers deed omzien. Met
de hand wees hij hun een gebouw op den top des kegels.

"Het graf van het opperhoofd Kara-Tete!" riep Robert.

"Spreekt gij de waarheid, Robert?" vroeg Glenarvan.

"Ja, mylord! het is zoo waar het graf! ik herken het...."

Robert vergiste zich niet. Vijftig voet hooger op, op de hoogste spits
des bergs, vormden pas beschilderde palen een kleine beslotene ruimte.
Glenarvan herkende nu ook het graf van het zeelandsche opperhoofd. In
zijn blinde vlugt was hij op den top van den Maunganamu gekomen.

Door de zijnen gevolgd beklom nu de lord den geringen afstand, die hem
nog van het graf scheidde. Een wijde met matten behangen opening
verleende er toegang toe. Glenarvan wilde in het binnenste van de
grafstede doordringen, maar deinsde eensklaps verschrikt terug,
roepende: "Een wilde!"

"Een wilde in dit graf?" vroeg de majoor.

"Ja, Mac Nabbs!"

"Dat maakt niet uit. Vooruit maar!"

Glenarvan, de majoor, Robert en John Mangles drongen binnen de
omheining. Daar zat een Maori, in een grooten linnen mantel gewikkeld;
de schaduw der grafstede belette zijn trekken te onderscheiden. Hij
hield zich volkomen rustig en ontbeet onbekommerd.

Glenarvan wilde hem aanspreken; maar de inlander was hem voor, en zeide
op vriendelijken toon en in goed engelsch:

"Ga toch zitten, mylord! het ontbijt is gereed."

Het was Paganel. Zijn stem hoorende, liepen allen de begraafplaats
binnen en omhelsden den uitmuntenden aardrijkskundige. Paganel was
teruggevonden! Zijn persoon was een waarborg voor aller redding! Men
wilde hem ondervragen, men wilde weten hoe en waarom hij zich op den top
van den Maunganamu bevond; maar Glenarvan beteugelde met een enkel woord
die ontijdige nieuwsgierigheid.

"De wilden!" zeide hij.

"De wilden!" antwoordde Paganel schouderophalend. "Dat zijn wezens, die
ik in den grond van mijn hart veracht."

"Maar kunnen zij niet...."

"Zij! die domme ezels! Komt maar eens mee!"

Allen volgden Paganel, die de grafstede verliet. De Zeelanders stonden
nog op dezelfde plaats om den voet des kegels en tierden vreeselijk.

"Schreeuwt! brult! tiert maar, tot uw longen barsten, stomme wezens!"
zeide Paganel. "Gij durft dezen berg toch niet beklimmen!"

"En waarom niet?" vroeg Glenarvan.

"Omdat het opperhoofd hier begraven ligt, omdat dit graf ons beschermt,
omdat de berg taboe is!"

"Taboe?"

"Ja, vrienden! en daarom ben ik hierheen gevlugt, als in een dier
middeneeuwsche wijkplaatsen voor ongelukkigen."

"God is met ons!" riep lsdy Helena met ten hemel geheven handen.

De berg was werkelijk taboe, en daarom durfden de bijgeloovige wilden
hem niet bestijgen.

De vlugtelingen waren nog wel niet gered; maar het was toch een
gewenscht uitstel, waarmee zij hun voordeel konden doen.

Glenarvan sprak, aan een onbeschrijfelijke aandoening ten prooi, geen
enkel woord, en de majoor schudde met een regt vergenoegd gezigt het
hoofd.

"En nu, mijne vrienden!" zeide Paganel, "wanneer die vlegels op ons
rekenen om hun geduld te oefenen, vergissen zij zich. Binnen twee dagen
zijn wij buiten het bereik dier schoften."

"Wij zullen vlugten!" zeide Glenarvan. "Maar hoe?" "ik weet er nog niets
van," antwoordde Paganel; "maar wij vlugten toch!"

Nu wilde ieder de lotgevallen van den aardrijkskundige vernemen. Zeer
vreemd en zonderling was de achterhoudendheid van dien zoo praatzieken
man, men moest hem om zoo te zeggen de woorden uit de keel halen. Hij,
die anders zoo graag vertelde, antwoordde nu ontwijkend op al de vragen
zijner vrienden.

"Men heeft mijn Paganel veranderd!" dacht Mac Nabbs.

En werkelijk was het voorkomen van den waardigen geleerde niet meer
hetzelfde. Hij draaide zich stevig in zijn ruimen linnen mantel, en
scheen de al te nieuwsgierige blikken te ontwijken. Zijn verlegenheid,
wanneer er over hem gesproken werd, ontging niemand, maar uit
bescheidenheid deed een ieder, alsof hij het niet opmerkte. Zoodra hij
maar niet meer zelf op het tapijt was, kreeg Paganel ook zijn gewone
opgeruimdheid terug.

Zie hier wat hij goedvond aan zijn makkers van zijn lotgevallen te
vertellen, toen allen om hem heen zaten aan den voet der palen van het
grafgesticht.

Na den moord van Kara-Tete maakte Paganel evenals Robert van de
opschudding onder de inlanders gebruik en verdween buiten het paalwerk
der sterkte. Maar minder gelukkig dan de jonge Grant, kwam hij
regtstreeks te land in een legerplaats van Maori's. Daar voerde een
opperhoofd van een schoone gestalte en een schrander voorkomen, die
verre uitstak boven al de krijgslieden van zijn stam, het bevel. Dat
opperhoofd sprak zuiver engelsch en heette hem welkom door het tipje van
zijn neus te schuren tegen den neus van den aardrijkskundige.

Paganel vroeg bij zich zelven of hij zich als een gevangene moest
beschouwen of niet. Maar ziende, dat hij geen stap doen kon zonder het
beleefde geleide van het opperhoofd, wist hij weldra, waaraan hij zich
te houden had.

Dat opperhoofd, "Hihy," dat wil zeggen "zonnestraal," genoemd, was geen
kwaad man. De bril en kijker van Paganel schenen hem een hooge dunk van
den aardrijkskundige te geven, en hij verbond hem naauw aan zich, niet
alleen door zijn weldaden, maar ook met stevige touwen, vooral 's
nachts.

Die nieuwe toestand duurde drie volle dagen. Werd Paganel gedurende dat
tijdsverloop goed of slecht behandeld? "Ja en neen," zeide hij, zonder
zich er verder over uit te laten. Kortom, hij was een gevangen man, en
op het uitzigt na van een spoedigen dood, scheen zijn toestand hem niet
veel benijdenswaardiger toe dan die zijner rampzalige vrienden.

Gelukkig slaagde hij er zekeren nacht in om zijn touwen te doorknagen en
te vlugten. Hij had van verre de begrafenis van het opperhoofd
bijgewoond, hij wist, dat men hem op den top van den Maunganamu had ter
aarde besteld, en dat de berg daardoor taboe werd. Daarheen besloot hij
nu te vlugten, want hij wilde het land niet verlaten, waar zijn
reisgenooten blijven moesten. Hij slaagde in zijn gevaarvolle
onderneming. Den vorigen nacht had hij het graf van Kara-Tete bereikt,
en wachtte nu, "terwijl zijn krachten terugkeerden," tot de hemel door
eenig toeval zijn vrienden bevrijdde.

Zoo luidde Paganels verhaal. Sloeg hij met opzet een omstandigheid van
zijn verblijf onder de inlanders over? Meer dan eens gaf zijn
verlegenheid aanleiding om het te denken. Hoe het ook zij, allen
wenschten hem eenparig geluk, en toen het verledene bekend was, keerde
men tot het tegenwoordige terug.

De toestand was nog altijd hoogst bedenkelijk. Wanneer de inlanders zich
niet verstoutten om den Maunganamu te beklimmen, dan rekenden zij er
toch stellig op, dat honger en dorst hun gevangenen weer in hun magt
zouden brengen. Het was dus maar een zaak van tijd, en de wilden hebben
een taai geduld.

Glenarvan ontveinsde zich de bezwaren van zijn toestand niet; maar hij
besloot gunstiger omstandigheden af te wachten en ze des noods te
voorschijn te roepen.

Vooreerst wilde Glenarvan zorgvuldig den Maunganamu onderzoeken, dat is
te zeggen zijn ongedachte sterkte, niet om ze te verdedigen, want er was
geen beleg te vreezen, maar om ze te verlaten. De majoor, John, Robert,
Paganel en hij onderzochten den berg in alle bijzonderheden; zij namen
de rigting der paden, waar zij op uitliepen en hun helling goed op. De
een mijl lange bergrug, die den Maunganamu verbond met de Wahiti-keten,
liep zacht glooijend naar de vlakte af. De eenige bruikbare weg, ingeval
een ontsnapping mogelijk was, liep over zijn smallen en grillig
gevormden kam. Konden de vlugtelingen er, door de duisternis van den
nacht begunstigd, ongezien overkomen, misschien zou het hun dan gelukken
de naauwe dalen der Ranges te bereiken en hun vervolgers van het spoor
te brengen.

Maar die weg was met meer dan één gevaar verbonden. Op zijn laagste
gedeelte liep hij onder het bereik van het geweervuur. De kogels der aan
de uitloopers geplaatste inlanders konden elkander kruisen en een
ijzeren net spannen, waar niemand straffeloos door kon.

Toen Glenarvan en zijn vrienden zich op het gevaarlijke gedeelte van den
kam hadden gewaagd, werden zij met een hagelbui van kogels begroet, die
hen echter niet deerden. Eenige proppen werden door den wind vlak bij
hen gedreven Zij waren van bedrukt papier gemaakt, dat Paganel louter
uit nieuwsgierigheid opraapte en niet zonder moeite ontcijferde.

"Mooi zoo!" riep hij uit. "Weet gij wel, vrienden! welke proppen die
beesten voor hun geweren gebruiken?"

"Neen, Paganel!" antwoordde Glenarvan.

"Bladen uit den Bijbel! Wanneer zij die gewijde verzen daarvoor
gebruiken, beklaag ik hun zendelingen! Dan zullen dezen nog al wat
moeite hebben om bibliotheken onder de Maori's aan te leggen."

"En met welk gedeelte der heilige boeken hebben die inlanders ons wel
beschoten?" vroeg Glenarvan.

"Met een woord van den almagtigen God," antwoordde John Mangles, die op
zijn beurt het door de losbranding beschadigde papier gelezen had. "Dat
woord zegt ons, dat wij op Hem moeten hopen," voegde de jeugdige
kapitein er bij, met de onwankelbare geloofsovertuiging van een Schot.

"Lees, John!" beval Glenarvan.

En John las dit vers, dat het ontplofte kruid had gespaard:

"_Omdat hij op Mij heeft gehoopt, zal hem verlossen_."

"Vrienden!" zeide Glenarvan, "wij moeten die troostrijke woorden
overbrengen aan onze wakkere en lieve medereizigsters. Dat zal haar een
riem onder het hart steken."

Glenarvan en zijn makkers bestegen weder de steile paden van den kegel,
en begaven zich naar het graf, dat zij wilden onderzoeken.

Onderweg verwonderde het hen, dat zij van tijd tot tijd een zekere
beving van den grond waarnamen. Het was geen schudding, maar die
aanhoudende trilling, welke het bonzen van kokend water tegen de wanden
van een ketel teweegbrengt. Het was duidelijk, dat onder het deksel van
den berg sterke dampen, door de werking van het onderaardsche vuur
ontstaan, opeengepakt waren.

Die bijzonderheid had niets vreemds voor lieden, die pas tusschen de
warme bronnen der Waikato waren doorgevaren. Zij wisten, dat deze streek
in het midden van Ika-Na-Maoeï zeer vulkanisch is. Het is een echte
zeef, wier weefsel de in de aarde besloten dampen laat ontwijken door de
kokende bronnen en de zwavelgroeven.

Paganel, die dit reeds had opgemerkt, vestigde dus de aandacht zijner
vrienden op den vulkanischen aard van den berg. De Maunganamu was maar
een van die talrijke kegels, die het middelste gedeelte van het eiland
bedekken, dat is te zeggen een aanstaande vulkaan. De geringste
werktuigelijke verrigting kon de vorming van een krater veroorzaken in
zijn uit kiezelachtigen graauwen tufsteen bestaande wanden.

"Dat is zoo," zeide Glenarvan; "maar wij loopen hier toch niet meer
gevaar dan bij den stoomketel der _Duncan_. Deze aardkorst is beter dan
het stevigste plaatijzer!"

"Dat mag waar zijn," antwoordde de majoor; "maar de beste stoomketel
springt toch eindelijk, wanneer hij te lang wordt gebruikt."

"Ik verlang volstrekt niet op dezen kegel te blijven, Mac Nabbs!" sprak
Paganel. "Zoodra de Hemel mij een bruikbaren weg toont, verlaat ik hem
oogenblikkelijk."

"Ach!" riep nu John Mangles, "kon deze Maunganamu zelf ons maar
meevoeren, die toch zooveel werktuigelijke kracht in zich besluit. Daar
onder onze voeten huist misschien een nuttelooze en ongebruikte kracht
van vele millioenen paarden! Onze _Duncan_ zou het duizendste deel er
van niet noodig hebben om ons naar het einde der wereld te voeren!"

Die herinnering aan de _Duncan_, door John Mangles opgewekt, vervulde
Glenarvans gemoed weder met de droevigste gedachten; want, hoe wanhopend
zijn eigen toestand ook was, toch vergat hij dien nog menigmaal om over
het lot zijner matrozen te zuchten.

Hij dacht nog daaraan, toen hij zijn deelgenooten in bet ongeluk op den
top van den Maunganamu terugvond.

Zoodra lady Helena hem bemerkte, liep zij naar hem toe.

"Hebt gij onzen toestand opgenomen, lieve Edward?" vroeg zij. "Moeten
wij hopen of vreezen?"

"Hopen, lieve Helena!" antwoordde Glenarvan. "De inlanders zullen nooit
de grens van den berg overschrijden, en het zal ons niet aan tijd
ontbreken om een plan tot ontsnapping te vormen."

"Bovendien, mevrouw!" voegde John Mangles er bij, "beveelt God zelf ons
aan om te hopen."

John Mangles overhandigde lady Helena dat bijbelblad, waarop het gewijde
vers te lezen stond. De jonge vrouw en het jeugdige meisje zagen met
haar vertrouwend gemoed en haar voor elke tusschenkomst des hemels
geopend hart, een onfeilbaar voorteeken van redding in deze woorden van
het heilige boek.

"En nu naar het grafgesticht!" riep Paganel vrolijk uit; "dat is onze
vesting, ons kasteel, onze eetzaal, ons studeervertrek! Niemand zal ons
daar storen! Dames! veroorlooft mij de eer van deze lieve woning bij u
op te houden."

Allen volgden den vriendelijken Paganel. Toen de wilden zagen, dat de
vlugtelingen andermaal dat taboe verklaarde graf gingen ontheiligen,
losten zij talrijke schoten en huilden vreeselijk, het een even
luidruchtig als het andere. Maar zeer gelukkig droegen de kogels niet
zoo ver als het geschreeuw, en vielen ze halverwege neer, terwijl de
verwenschingen in de ruimte wegstierven.

Lady Helena, Mary Grant en hun togtgenooten, gingen, geheel gerust
gesteld nu zij zagen, dat het bijgeloof der Maori's nog sterker was dan
hun toorn, de begraafplaats binnen.

Het graf van dat zeelandsch opperhoofd bestond uit een omheining van
roodgeverwde palen. Zinnebeeldige voorstellingen, een ware tatoeëering
in hout, vermeldden den adel en de groote daden des overledenen. Kransen
van amuletten, schelpen of geslepen steentjes slingerden van den eenen
paal tot den anderen. Van binnen was de grond geheel bedekt met een
tapijt van groene bladeren. In het middelpunt wees een geringe
verhevenheid de plaats aan van het pas gedolven graf.

Daar lagen de wapenen van het opperhoofd, zijn geladen geweren, zijn
lans, zijn prachtige bijl van groenen niersteen, met een voldoenden
voorraad kruid en kogels voor de eeuwige jagten.

"Dat lijkt wel een heel tuighuis," zeide Paganel, "waarvan wij een beter
gebruik zullen maken dan de overledene. Het is wel goed verzonnen van
die wilden om hun wapens naar de andere wereld mede te nemen!"

"Kijk! die geweren zijn van engelsch maaksel!" zeide de majoor.

"Zonder twijfel!" antwoordde Glenarvan; "maar het is een zeer dwaze
gewoonte om den wilden vuurwapens te schenken! Zij bedienen zich er
later maar van tegen de overheerschers en zij hebben gelijk. Maar hoe
dit ook zij, die geweren kunnen ons te pas komen!"

"Maar nog nuttiger," zeide Paganel, "zullen voor ons de levensmiddelen
en het water zijn, die voor Kara-Tete bestemd zijn."

De bloedverwanten en vrienden des overledenen hadden hun zaakjes
wezenlijk goed verrigt. De bijeengebragte voorraad bewees, hoeveel
achting zij koesterden voor de deugden van het opperhoofd. Er was genoeg
eten om tien personen veertien dagen lang, of liever den overledene voor
de eeuwigheid te voeden. Die plantaardige spijzen bestonden uit wortels
van varens, zoete pataten, de "convolvulus batatas" van dat land, en uit
aardappels, die de Europeanen reeds voor lang hadden ingevoerd. Groote
vaten waren gevuld met het zuivere water, dat op de tafels der
Zeelanders voorkomt, en een dozijn kunstig gevlochten manden bevatten
koekjes van een volkomen onbekende groene gomsoort.

De vlugtelingen waren dus voor eenige dagen tegen honger en dorst
gevrijwaard. Zij lieten zich volstrekt niet noodigen om hun eerste maal
te doen op kosten van het opperhoofd.

Glenarvan haalde de spijzen, die zijn medgezellen noodig hadden, en
vertrouwde ze aan de zorg van Olbinett. De streng aan vormen gehechte
hofmeester, hetgeen hij zelfs in de bedenkelijkste omstandigheden bleef,
vond den disch wel wat schraal. Ook wist hij niet, hoe hij die wortels
gereed moest maken, te meer omdat hij geen vuur had.

Maar Paganel redde hem uit die verlegenheid, door hem aan te raden om
zijn varens en zoete pataten heel eenvoudig in den grond te stoppen.

De warmtegraad der bovenste lagen was inderdaad zeer hoog, en had men
een thermometer in dien bodem gestoken, dan zou hij zeker een warmte van
zestig tot vijf en zestig graden Celsius aangewezen hebben. Het scheelde
maar weinig of Olbinett had zich deerlijk gebrand; want terwijl hij een
gat groef om zijn wortels er in te leggen, kwam er een zuil waterdamp
uit, die fluitend eenige voeten hoog steeg.

De hofmeester viel van den schrik achterover.

"Sluit de kraan!" riep de majoor, die met de twee matrozen toesnelde en
het gat dempte met brokken puimsteen, terwijl Paganel met een verbaasd
gezigt naar dat verschijnsel stond te kijken en deze woorden mompelde:

"Ei! ei! hé! hé! waarom niet."

"Gij zijt toch niet bezeerd?" vroeg Mac Nabbs aan Olbinett.

"Neen, mijnheer Mac Nabbs!" antwoordde de hofmeester; "maar ik
verwachtte geenszins...."

"Zooveel weldaden van den hemel!" riep Paganel opgeruimd uit. "Na het
water en de levensmiddelen van Kara-Tete nog het vuur van de aarde! Maar
deze berg is een paradijs! Ik stel voor, hier een kolonie te stichten,
hem te bebouwen, ons voor het overige onzes levens hier neer te zetten!
Wij zullen de Robinsons van den Maunganamu zijn! Ik zou waarlijk niet
weten, wat ons op dezen geriefelijken kegel ontbreekt!"

"Niets, als hij maar stevig is!" antwoordde John Mangles.

"Dat zal wel gaan! hij is niet van gisteren," zeide Paganel; "reeds lang
weerstaat hij de kracht van het inwendige vuur en hij zal het wel
uithouden, zoolang wij hier zijn."

"Het ontbijt is gereed!" kondigde Olbinett aan, even statig, alsof hij
zijn betrekking waarnam op het kasteel Malcolm.

Nu gebruikten de vlugtelingen, bij het paalwerk gezeten, een van die
maaltijden, welke de Voorzienigheid hun sinds eenigen tijd zoo juist van
pas zond, wanneer zij zich in gevaarlijke omstandigheden bevonden.

Men was niet keurig aangaande de soort van spijzen; maar betreffende den
wortel van eetbare varens liepen de gevoelens uiteen. Sommigen vonden er
een zoeten en aangenamen geur aan, anderen noemden hem slijmerig, geheel
smakeloos en bijzonder taai. De zoete pataten, in den brandenden bodem
gebraden, waren uitstekend. De aardrijkskundige merkte op, dat Kara-Tete
volstrekt niet te beklagen was.

Zoodra de honger gestild was, stelde Glenarvan voor om zonder uitstel
een plan tot ontvlugting te beramen.

"Nu reeds!" zeide Paganel op een waarlijk spijtigen toon. "Denkt gij er
nu reeds aan om dit lustoord te verlaten?"

"Maar, mijnheer Paganel!" antwoordde lady Helena, "al geef ik toe, dat
wij te Capua zijn, dan moeten wij toch Hannibal niet navolgen, dat weet
gij ook wel!"

"Mevrouw!" antwoordde Paganel, "ik zal mij niet verstouten u tegen te
spreken; gij wilt een plan beramen, het zij zoo!"

"Ik stel op den voorgrond," zeide Glenarvan, "dat wij een ontvlugting
moeten beproeven, voor de hongersnood ons er toe dwingt. Aan krachten
ontbreekt het ons thans niet, en daarvan moeten wij gebruik maken. Dezen
nacht nog moeten wij beproeven om door de duisternis begunstigd door de
inboorlingen heen te breken en de oostelijke valleijen te bereiken."

"Onverbeterlijk!" antwoordde Paganel, "als de Maori's ons voorbij
laten."

"En wanneer zij het ons beletten?" vroeg John Mangles.

"Dan zullen wij groote middelen aanwenden," antwoordde Paganel.

"Hebt gij dan groote middelen?" vroeg de majoor.

"Zooveel, dat ik niet weet, wat ik het eerst gebruiken zal!" gaf Paganel
ten antwoord, zonder zich nader uit te laten.

Men moest dus den nacht afwachten om een poging te wagen om door de
linie der inlanders te boren.

Dezen hadden hun plaats niet verlaten. Hun gelederen schenen zelfs door
de achterblijvers van den stam versterkt te zijn. Hier en daar vormden
brandende vuren een gordel van gloed om den voet des kegels. Toen de
duisternis op de omliggende valleijen nederdaalde, scheen de Maunganamu
boven een vuurzee uit te steken, terwijl zijn top in pikzwarte
duisternis was gehuld. Zes honderd voet beneden zich hoorde men het
rumoer, het geschreeuw en gepraat in de vijandelijke legerplaats.

Ten negen ure was het stikdonker en nu besloten Glenarvan en John
Mangles op verkenning uit te gaan, voor zij hun makkers op dien
gevaarlijken weg bragten. Zij daalden omtrent tien minuten lang zonder
geraas te maken naar beneden, en kwamen op den smallen bergrug, die de
linie van inlanders sneed, vijftig voet boven de legerplaats.

Tot zoo ver ging alles goed. De Maori's lagen bij hun vuren en schenen
de twee vlugtelingen niet te bemerken, die nog eenige schreden deden.
Maar op eens barstte er links en regts van den bergrug een dubbel
geweervuur los.

"Terug!" riep Glenarvan. "Die roovers hebben kattenoogen en
scherpschuttersgeweren!"

John Mangles en hij beklommen haastig weder de steile berghellingen en
gingen spoedig hun vrienden gerust stellen, die reeds bang geworden
waren door het vuren. Glenarvans hoed was door twee kogels doorboord.
Het was dus onmogelijk zich op den eindeloozen bergrug te wagen tusschen
die twee rijen schutters in.

"Tot morgen!" zeide Paganel. "Kunnen wij de waakzaamheid dier inlanders
niet verschalken, dan zult gij mij wel veroorloven hun een geregt van
mijn vinding toe te dienen!"

Het was nog al koud. Gelukkig had Kara-Tete zijn beste slaaprokken,
warme linnen dekens, in zijn graf medegenomen, waarin allen zich zonder
schroom wikkelden, en weldra sliepen de vlugtelingen, door het
volksbijgeloof beschermd, rustig achter de palen, op dien laauwen bodem,
die door het vuur, dat inwendig blaakte, in een trillende beweging
gehouden werd.



XV.

De groote middelen ven Paganel.


Den volgenden morgen, den 17den Februarij, wekte de opgaande zon met
haar eerste stralen de slapers op den Maunganamu. Reeds lang liepen de
Maori's aan den voet van den kegel op en neer, zonder hun post te
verlaten. Zoodra de Europeanen uit het ontwijde heiligdom kwamen, werd
hun verschijning met woedend getier begroet.

Aller oog vestigde zich het allereerst op de omliggende bergen, op de
diepe, nog in de ochtendnevelen gehulde dalen, op de oppervlakte van het
Taupo-meer, die ligt gerimpeld werd door den morgenwind.

Daarop schaarden zich allen, begeerig om de nieuwe plannen van Paganel
te kennen, om hem heen en zagen hem vragend aan.

Paganel voldeed terstond aan de angstige nieuwsgierigheid zijner
lotgenooten.

"Mijne vrienden!" begon hij, "mijn plan heeft dit voor, dat, al heeft
het niet al de uitwerking, die ik er van verwacht, zelfs al mislukt het,
onze toestand er toch niet door verergert. Maar het moet, het zal
slagen."

"En dat plan?" vroeg Mac Nabbs.

"Is dit," antwoordde Paganel. "Even als het volksbijgeloof van dezen
berg een toevlugtsoord heeft gemaakt, moet het bijgeloof ons ook helpen
om er vandaan te komen. Gelukt het mij, Kai-Koemoe te doen gelooven, dat
wij de offers onzer heiligschennis geworden zijn, dat de toorn des
hemels ons heeft getroffen, met één woord, dat wij, en wel op een
verschrikkelijke wijze omgekomen zijn, gelooft gij dan, dat hij het
bergvlak van den Maunganamu verlaten zal om naar zijn dorp terug te
keeren?"

"Dat is niet twijfelachtig," zeide Glenarvan.

"En met welken verschrikkelijken dood bedreigt gij ons?" vroeg lady
Helena.

"Met den dood der heiligschenners, vrienden!" antwoordde Paganel. "De
wrekende vlammen zijn onder onze voeten! Laten wij haar een doortogt
banen!"

"Wat! wilt gij een vuurspuwenden berg maken?" riep John Mangles.

"Ja, een kunst-vulkaan, een eigengemaakten vulkaan, wiens woede wij
zullen beheerschen! Daar is een geheele voorraad dampen en onderaardsch
vuur, die niets liever verlangen, dan er uit te raken! Laten wij dus ten
onzen behoeve een kunstmatige uitbarsting teweegbrengen!"

"Het denkbeeld is goed," zeide de majoor. "Goed bedacht, Paganel!"

"Gij begrijpt," hernam de aardrijkskundige, "dat wij veinzen zullen
verslonden te zijn door de vlammen van den zeelandschen Pluto, en dat
wij geestelijk verdwijnen zullen in het graf van Kara-Tete...."

"Waar wij drie, vier, vijf dagen zullen blijven, als het moet," voegde
Glenarvan er bij, "dat is tot dat de wilden, overtuigd van onzen dood,
de partij zullen opgeven."

"Maar als zij het nu eens in het hoofd krijgen om onderzoek te doen naar
onze straf," zeide miss Grant, "als zij den berg eens bestijgen?"

"Neen, lieve Mary!" antwoordde Paganel, "dat zullen zij niet doen. De
berg is taboe, en wanneer hij zelf zijn ontwijders verslonden heeft, zal
dat taboe nog strenger zijn!"

"Dat plan is waarlijk goed beraamd," zeide Glenarvan. "Er is maar een
ding tegen, namelijk dat de wilden soms nog zoolang aan den voet van den
Maunganamu kunnen blijven, dat wij gebrek aan levensmiddelen krijgen.
Maar dat is niet te denken, vooral wanneer wij de zaak goed aanleggen."

"En wanneer zullen wij deze laatste kans wagen?" vroeg lady Helena.

"Dezen avond nog," antwoordde Paganel, "zoodra het goed donker is."

"Dat is afgepraat," sprak Mac Nabbs. "Paganel! gij zijt een man van
vernuft, en ik, die niet ligt opgewonden raak, ik sta voor den uitslag
in. Ha! die schoften! wij zullen hen op een klein wonder onthalen, dat
hun bekeering wel een eeuw zal achteruit zetten! Mogen de zendelingen
het ons vergeven!"

Het plan van Paganel was dus aangenomen, en inderdaad, met de
bijgeloovige denkbeelden der Maori's kon en moest het slagen. Maar het
moest nog uitgevoerd worden. Het denkbeeld was goed, maar de uitvoering
moeijelijk. Zou die vulkaan niet de vermetelen verslinden, die een
krater voor hem wilden graven? Zouden zij die uitbarsting kunnen
beheerschen en leiden, wanneer zijn dampen, vlammen en lava van hun
boeijen ontslagen werden? Zou de geheele kegel niet wegzinken in een
poel van vuur? Het was toch een greep in die verschijnsels, waarover de
natuur het beheer uitsluitend aan zich houdt.

Paganel had die bezwaren voorzien, maar hij zou voorzigtig te werk gaan
en de zaak niet tot het uiterste drijven. Een schijn was genoeg om de
Maori's te misleiden; de vreeselijke werkelijkheid eener uitbarsting was
daartoe onnoodig.

Wat scheen die dag lang! Elk telde de eindelooze uren. Alles was voor de
vlugt gereed. De levensmiddelen uit het graf waren verdeeld en in
draagbare pakjes geborgen. Eenige matten en de vuurwapenen voltooiden
die ligte bagaadje, welke het graf van het opperhoofd opgeleverd had.
Het spreekt van zelf, dat die toebereidselen gemaakt werden binnen het
paalwerk en buiten weten van de wilden.

Ten zes ure zette de hofmeester een versterkend maal op. Waar en wanneer
men in de nabijliggende dalen eten zou, kon niemand voorzien. Daarom at
men vooruit. De hoofdschotel bestond uit een half dozijn groote ratten,
die door Wilson gevangen en in de asch gebraden waren. Lady Helena en
Mary Grant weigerden stellig om dit in Nieuw-Zeeland zoo hooggeschatte
wild te proeven; maar de mannen smulden er aan als echte Maori's. Dat
vleesch was wezenlijk uitstekend, zelfs sappig en de zes knaagdieren
werden tot op de beentjes afgekloven.

De avondschemering daalde neer. De zon verdween achter een digte laag
wolken, die een onweder voorspelden. Eenige bliksemstralen verlichtten
den gezigteinder, en in de verte rommelde reeds de donder.

Paganel begroette verheugd het onweder, dat zijn plannen begunstigde en
de inrigting van het tooneel voltooide. De wilden zijn bijgeloovig
beangst voor die grootsche natuurverschijnselen. De Nieuw-Zeelanders
houden den donder voor de toornige stem van hun Noeï-Atoea, en de
bliksem is niets anders dan de toornige flikkering zijner oogen. Het zou
dus schijnen, als kwam de godheid zelve de ontheiligen van het taboe
kastijden.

Ten acht ure verdween de top van den Maunganamu in een akelig duister.
De hemel verschafte een zwarten achtergrond voor het schijnsel der
vlammen, dat de hand van Paganel er op zou werpen.

De Maori's konden hun gevangenen niet meer zien. Het oogenblik van
handelen was gekomen.

Er moest snel gehandeld worden. Glenarvan, Paganel, Mac Nabbs, Robert,
de hofmeester en de twee matrozen gingen gelijktijdig aan het werk.

De plaats voor den krater werd gekozen op dertig schreden afstands van
het graf van Kara-Tete. Het was namelijk hoog noodig, dat de uitbarsting
de grafstede spaarde; want met haar zou ook het taboe van den berg
verdwenen zijn. Paganel had op die plek een ontzettenden steenklomp
opgemerkt, rondom welken de dampen met eenige kracht omhoog stegen. Die
klomp bedekte een kleinen natuurlijken krater in den kegel, en hield
alleen door zijn zwaarte de uitstrooming der onderaardsche vlammen
tegen. Kon men hem uit het gat tillen, dan zouden de dampen en de lava
zich terstond door de bevrijde opening heen werken.

De werklieden gebruikten eenige palen binnen uit het graf als hefboomen
en tastten met alle kracht de rotsmassa aan. Onder hun vereenigde
pogingen raakte het rotsblok weldra in beweging. Zij groeven er een
soort van kleine loopgraaf voor op de helling des berg, opdat het langs
dit hellend vlak kon afrollen. Naar mate het hooger werd opgetild, werd
het schudden en beven van den bodem sterker.

Een dof gebrul van vlammen en sissende dampen liep onder de verdunde
korst voort. De stoute werklieden, die als echte cyclopen met het vuur
der aarde omgingen, werkten in alle stilte voort. Weldra waarschuwden
hen stralen brandend heete stoom, die uit de spleten en scheuren
opsteeg, dat de plek gevaarlijk werd. Maar een laatste poging
verplaatste het blok, dat langs de berghelling gleed en verdween.

Dadelijk bezweek de dunne korst. Een vuurstroom steeg met hevige
losbrandingen hemelwaarts, terwijl beken kokend water en lava naar de
legerplaats der inlanders en de lager liggende dalen vloeiden.

De geheele kegel beefde, en het stond geschapen als zou hij in een
bodemloozen afgrond wegzinken.

Glenarvan en zijn medgezellen hadden naauwelijks den tijd om zich aan
het geweld der uitbarsting te onttrekken; zij vlugtten in het binnenste
van het graf, maar niet zonder eenige droppels water van vier en
negentig graden hitte op het lijf te hebben gekregen. Dit water
verspreidde eerst een ligten bouillongeur, die weldra in een zeer sterke
zwavellucht overging.

Nu smolten het slijk, de lava en de vulkanische overblijfselen in
denzelfden vuurgloed samen. Stroomen vuur golfden langs den Maunganamu.
De naaste bergen werden verlicht door het schijnsel der uitbarsting, de
diepe dalen door een sterke weerkaatsing in vuur en vlam gezet.

Al de wilden waren huilend opgestaan bij de nadering dier lava, die in
het midden van hun legerplaats kookte. Wien de vuurstroom gespaard had,
vlugtte en besteeg de omliggende heuvelen. Daar keerden zij zich
verschrikt om en beschouwden dat vreeselijk natuurverschijnsel, dien
vulkaan, waarin de toorn van hun god de ontheiligers van den gewijden
berg neerplofte. En wanneer voor een oogenblik het geraas der
uitbarsting wat verminderde, hoorde men hen hun godsdienstleuze brullen:

"Taboe! taboe! taboe!"

Ondertusschen ontsnapte er een ontzettende hoeveelheid dampen,
gloeijende steenen en lava uit dien krater van den Maunganamu. Het was
niet langer een eenvoudige Geyser, zooals die, welke den berg Hekla op
IJsland omringen, maar de berg Hekla zelf. Al die vulkanische stoom was
tot nog toe besloten gebleven binnen de wanden des kegels, omdat de
veiligheidskleppen van den Tongariro voldoende waren voor zijn
uitzetting; maar nu hem een nieuwe uitweg geopend werd, maakte hij er
met groot geweld gebruik van, en in dienzelfden nacht moesten de andere
uitbarstingen op het eiland volgens de wetten van het evenwigt haar
gewone kracht verliezen.

Een uur na de verschijning van dezen vulkaan op het wereldtooneel
stroomden breede beken gloeijende lava langs zijn zijden. Men zag een
geheel legioen ratten haar onbewoonbaar geworden gaten verlaten en den
brandenden bodem ontvlugten.

Dien geheelen nacht door, terwijl het onweder boven hun hoofd bleef
voortwoeden, werkte de kegel met een kracht, die Glenarvan wel een
beetje ongerust maakte. De uitbarsting knaagde aan den rand des kraters
en maakte dien wijder. Achter de omheining verborgen sloegen de
gevangenen de verschrikkelijke vorderingen van het natuurverschijnsel
gade.

Het werd morgen. De woede des vulkaans bedaarde niet. Digte geelachtige
dampen vermengden zich met de vlammen. Allerwegen kronkelden de
lavastroomen.

Met loerend oog en kloppend hart zag Glenarvan door al de reten van het
paalwerk heen om de legerplaats der inlanders waar te nemen.

De Maori's waren op de omliggende hoogten gevlugt buiten het bereik van
den vulkaan. Het vuur had eenige lijken verkoold, die aan den voet des
kegels lagen. Verderop in de rigting der vesting had de lava een
twintigtal hutten bereikt, die nog rookten. De Zeelanders stonden hier
en daar in groepen bijeen en staarden met godsdienstige ontzetting op
den in vuur en vlammen gehulden Maunganamu.

Kai-Koemoe verscheen in het midden zijner krijgslieden en Glenarvan
herkende hem. Het opperhoofd naderde den voet des kegels aan de zijde,
die de lava ontzien had, maar waagde het niet er een voet op te zetten.

Daar maakte hij met uitgespreide armen, als een toovenaar die den duivel
bezweert, eenige godsdienstige gebaren, wier beteekenis den gevangenen
niet ontging. Zooals Paganel had voorzien, slingerde Kai-Koemoe een nog
strenger taboe naar den wrekenden berg.

Kort daarop gingen de inlanders in lange rijen de kronkelpaden af, die
naar de vesting geleidden.

"Zij vertrekken!" riep Glenarvan. "Zij verlaten hun post! God zij
geloofd! Onze list is gelukt! Lieve Helena! wakkere medgezellen! nu zijn
wij dood en begraven! Maar dezen avond, zoodra het donker is, zullen wij
herleven, wij zullen uit ons graf opstaan, wij zullen deze barbaarsche
stammen ontvlugten!"

Men zal zich gemakkelijk kunnen voorstellen, welk een vreugde er in het
grafgesticht heerschte. De hoop was in aller hart herleefd. Die moedige
reizigers vergaten het verledene, vergaten de toekomst, om alleen aan
het tegenwoordige te denken. Nu Kai-Koemoe maar op een dwaalweg gebragt
was, meende men reeds bevrijd te zijn van al de wilden van
Nieuw-Zeeland.

De majoor verborg in geenen deele de diepe verachting, welke die Maori's
hem inboezemden, en het ontbrak hem niet aan uitdrukkingen om ze aan de
kaak te stellen. Het was een wedstrijd tusschen Paganel en hem. Zij
scholden hen uit voor onvergefelijke stommerikken, domme ezels, de
idioten der Stille Zuidzee, de wilden van Bedlam, de kropzieken der
Tegenvoeters, enz. enz. Zij waren onuitputtelijk.

Een geheele dag moest er nog verloopen voor de eigenlijke ontvlugting.
Men besteedde hem om een plan voor de vlugt te beramen. Paganel had
zorgvuldig zijn kaart van Nieuw-Zeeland bewaard, en kon er nu de
veiligste wegen op zoeken.

Na eenig overleg besloten de vlugtelingen zich oostwaarts naar de
Plenty-baai te begeven. De weg daarheen leidde door onbekende, maar
waarschijnlijk onbewoonde streken. De reizigers, die reeds gewoon waren
zich te redden uit de bezwaren en de hinderpalen te overwinnen, die de
natuur hun in den weg legde, waren alleen beducht voor een ontmoeting
met de Maori's. Zij wilden hen dus geheel vermijden en de oostkust des
eilands bereiken, waar de zendelingen eenige posten hebben gesticht. Ook
was dit gedeelte des eilands nog vrij gebleven van de rampen des ooriogs
en de inlandsche benden liepen het land niet af.

Den afstand, die het meer Taupo scheidde van de Plenty-baai, kon men op
honderd mijlen schatten. Dat waren tien dagmarschen, tegen tien mijlen
per dag. Dat zou wel vermoeijend zijn; maar niet een van dat moedige
gezelschap telde zijn stappen. Eens in de zendingsposten, zouden de
reizigers daar uitrusten tot zich een gunstige gelegenheid opdeed om
naar Auckland te gaan; want die stad was nog altijd het doel hunner
reis.

Toen dat alles was bepaald, ging men tot den avond toe voort met de
inlanders in het oog te houden. Geen een was er meer aan den voet des
bergs gebleven, en toen de duisternis in de Taupo-dalen viel, gaf geen
enkel vuur meer een bewijs, dat er nog Maori's waren aan den voet van
den kegel. De weg was vrij.

Ten negen ure was het pikdonker en gaf Glenarvan het sein om te
vertrekken. Gewapend en uitgerust op kosten van Kara-Tete, begonnen zijn
makkers en hij voorzigtig de hellingen van den Maunganamu af te dalen.
John Mangles en Wilson gingen vooruit om den weg te verkennen. Zij
stonden bij het geringste geraas stil, onderzochten de oorzaak van ieder
lichtschijnsel.

Allen lieten zich om zoo te zeggen langs de glooijing van den berg
afzakken om beter onzigtbaar te zijn.

Twee honderd voet boven den grond bereikten John Mangles en de matroos
den gevaarlijken bergrug, dien de inlanders zoo hardnekkig verdedigd
hadden. Hadden bij ongeluk de Maori's, slimmer dan de vlugtelingen, een
loozen terugtogt aangenomen om hen tot zich te lokken, waren zij niet
bedrogen geworden door het vulkanisch verschijnsel, dan moest hun
tegenwoordigheid juist op deze plaats blijken. Ondanks zijn vertrouwen
en in weerwil van de scherts van Paganel kon Glenarvan een siddering
niet onderdrukken. De redding der zijnen stond op het spel gedurende de
tien minuten, die noodig waren om den bergrug over te trekken. Hij
voelde het hart van lady Helena kloppen, die zich krampachtig aan zijn
arm klemde.

Hij dacht er echter evenmin aan als John om terug te wijken. De jeugdige
kapitein kroop door allen gevolgd en door de duisternis van den nacht
beschermd, over den smallen bergrug, en hield telkens stil, wanneer een
losse steen tot op den grond rolde. Lagen de wilden hier nog in
hinderlaag, dan moest dat telkens herhaalde gedruisch van beide zijden
een geduchte losbranding ten gevolge hebben.

De vlugtelingen vorderden natuurlijk niet snel, nu zij als een slang
over dien schuinen kam voort kropen. Toen John Mangles het laagste punt
had bereikt, scheidden hem naauwelijks vijf en twintig voet van het
bergvlak, waar de inlanders den vorigen dag gelegerd waren, daarop rees
de kam op eens vrij steil en eindigde een kwart mijl verder in een
kreupelhout.

Dit lage gedeelte werd echter zonder ongelukken doorgetrokken, en de
gevangenen begonnen weder zwijgend te stijgen. Het boschje was
onzigtbaar, maar men wist, dat het daar lag, en wanneer er geen
hinderlaag in gelegd was, hoopte Glenarvan er veilig te zijn. Echter
maakte hij de opmerking, dat hij van dat oogenblik af niet langer
beveiligd was door het taboe. De stijgende bergrug behoorde niet tot den
Maunganamu, maar wel tot het bergstelsel, dat het oostelijk gedeelte van
het Taupo-meer bedekte. Dus was hier niet alleen het geweervuur der
inboorlingen, maar ook een aanval man tegen man te vreezen.

Nog tien minuten lang steeg het kleine gezelschap langs een zachte
glooijing naar de hooger liggende bergvlakten. John bespeurde het
sombere kreupelbosch nog niet, maar hij kon er geen twee honderd voet
meer van af zijn.

Op eens hield hij stil, ja deinsde bijna achteruit. Het kwam hem voor,
als hoorde hij eenig gedruisch in de schaduw. Zijn aarzeling deed al
zijn makkers hun togt staken.

Hij bleef roerloos staan en zoo lang, dat het degenen, die hem volgden,
ongerust maakte. Men wachtte. De angst, waarin zij verkeerden, is
onbeschrijfelijk. Zouden zij verpligt zijn achteruit te gaan en naar den
top van den Maunganamu terug te keeren?

Maar toen John eindelijk zag, dat bet geraas zich niet herhaalde, begon
hij weder den engen weg naar den kam te bestijgen.

Weldra werd bet kreupelbosch flaauw zigtbaar in de schaduw. In weinige
schreden bereikten zij het, en de vlugtelingen verscholen zich onder het
digt gebladerte.



XVI.

Tusschen twee vuren.


De nacht begunstigde de ontsnapping der vlugtelingen. Daarvan moest men
gebruik maken om de noodlottige omstreken van het Taupo-meer te
verlaten. Paganel nam het bestuur over het kleine gezelschap op zich, en
zijn buitengewoon reizigers-instinct openbaarde zich op nieuw op dien
moeijelijken zwerftogt door de bergen. Hij ging met verrassend beleid in
de duisternis te werk, koos zonder aarzelen de bijna onzigtbare paden,
en hield steeds zonder eenige afwijking dezelfde rigting. Zijn
nachtziendheid kwam hem hierbij uitmuntend te stade, en zijn kattenoogen
stelden hem in staat om de geringste voorwerpen in die duisternis te
onderscheiden.

Drie uren lang liepen zij rusteloos voort over de zeer lange hellingen
van de oostzijde van het gebergte. Paganel hield een weinig
zuidoostelijk af om een naauwen weg te bereiken, die tusschen de
Kaimanawa- en Wahiti-Ranges is aangelegd, waar de weg van Auckland naar
de Hawkes-baai overheen loopt. Zoodra die engte achter den rug was, had
hij plan den weg te verlaten, en onder beschutting van de hooge ketens
naar de kust te gaan door de onbewoonde streken der provincie.

's Morgens ten negen ure waren zij na een marsch van twaalf uren
evenveel mijlen ver gekomen. Men mogt niet meer van de moedige vrouwen
vergen. Bovendien scheen de plaats zeer geschikt om er eenigen tijd stil
te houden. De vlugtelingen hadden den pas bereikt, die de twee ketens
scheidt. De weg naar Oberland lag regts en liep naar het zuiden. Met de
kaart in de hand maakte Paganel een hoek naar het zuidoosten en ten tien
ure bereikte het kleine gezelschap een soort van steilen heuvel, die
door een uitstekende punt van den berg gevormd werd.

De levensmiddelen werden uit de zakken gehaald en met smaak genuttigd.
Mary Grant en de majoor, die voorheen geen trek hadden in de eetbare
varens, smulden er nu aan.

Tot 's namiddags twee ure bleef men daar rusten, toen sloeg men den weg
naar het oosten weder in en 's avonds hielden de reizigers acht mijlen
van de bergen af stil. Zij lieten zich niet lang noodigen om onder den
blooten hemel te gaan slapen.

's Anderendaags leverde de weg nog al groote moeijelijkheden op. Zij
moesten de merkwaardige streek der vulkanische meren, geysers en
zwavelgroeven doortrekken, die zich ten oosten van de Wahiti-Ranges
uitstrekt. De oogen verlustigden zich vrij wat meer dan de beenen. Om de
kwartmijl moest men omwegen maken, trof men hinderpalen en hoeken aan,
alles zeer vermoeijend natuurlijk; maar ook welk een vreemd schouwspel!
Welk een eindelooze verscheidenheid heerschte er in die grootsche
natuurtooneelen!

Op die uitgestrekte ruimte van twintig vierkante mijlen openbaarden zich
de onderaardsche krachten onder allerlei gedaante. Zeer doorschijnende
zoutbronnen, door millioenen insecten bevolkt, lagen tusschen het
kreupelhout van inlandsche theestruiken. Zij verspreidden een
doordringende lucht als van verbrand kruid, en bedekten den grond met
een korst, zoo verblindend wit als sneeuw. Haar heldere wateren waren
bijna tot kookhitte gebragt, terwijl andere naburige bronnen met ijs
waren bedekt. Reusachtige varens, die veel overeenkomst hadden met den
plantengroei in het silurische tijdperk, groeiden aan haar oevers.

Van alle kanten spoten waterschoven, door dampen omringd, uit den grond
als de waterstralen van een park, sommigen onafgebroken, anderen met
tusschenpoozen en onderworpen aan de willekeur van een grilligen Pluto.
Zij rezen amphitheatersgewijze omhoog op natuurlijke terrassen, die als
nieuwerwetsche bekkens boven elkander geplaatst waren; haar water
vermengde zich langzamerhand onder wolken witten rook, en knagende aan
de half doorschijnende treden dier reusachtige trappen, voedden zij
geheele meren met haar bruischende watervallen.

Wat verder volgden op de warme bronnen en de onstuimige geysers de
zwavelgroeven. De grond scheen geheel bezet met dikke puisten. Het waren
half uitgebrande kraters, met tallooze scheuren en spleten, waaruit
allerlei gassoorten opstegen. De dampkring was doortrokken met de sterke
en onaangename lucht van het zwavelzuur. De grond was geheel bedekt met
korsten zwavel en zwavelkristallen. Daar werden sedert eeuwen
onberekenbare en ongebruikte rijkdommen opgehoopt, en in dit nog weinig
bekende deel van Nieuw-Zeeland zal de nijverheid de noodige grondstoffen
komen halen, indien de zwavelgroeven van Sicilië eens uitgeput mogten
raken.

Men begrijpt ligt, wat al vermoeienissen de reizigers moesten uitstaan
op hun togt door zulke lastige streken. Het was moeijelijk een geschikte
legerplaats te vinden, en de karabijn der jagers ontmoette geen enkelen
vogel, die waardig was door de hand van Olbinett geplukt te worden.
Meestal moesten zij zich daarom vergenoegen met varens en zoete pataten,
een schralen maaltijd, die de uitgeputte krachten van het kleine
gezelschap niet kon herstellen. Glenarvan verlangde daarom hartelijk
naar het einde van die dorre en woeste gronden.

En toch waren er niet minder dan vier dagen noodig om die onbereisbare
streek door te trekken. Eerst den 23sten Februarij mogt Glenarvan
vijftig mijlen van den Maunganamu af zich legeren aan den voet van een
berg zonder naam, die naauwkeurig aangeteekend stond op de kaart van
Paganel. De met struiken begroeide vlakten lagen voor hem en aan den
gezigteinder vertoonden zich weer groote bosschen.

Dat was een goed voorteeken, althans wanneer de bewoonbaarheid dier
streken er niet te veel inwoners heenlokte. Tot nog toe hadden de
reizigers geen schaduw van een inlander gezien.

Dien zelfden dag doodden Mac Nabbs en Robert eenige kiwi's, die den
hoofdschotel uitmaakten op de tafel der reizigers; maar die eer duurde,
om de waarheid te zeggen, niet lang, want zij werden van den bek af tot
de pooten toe opgekloven.

Bij het dessert, tusschen de zoete pataten en de aardappels in, deed
Paganel een voorstel, dat met geestdrift werd aangenomen.

Hij stelde voor den naam Glenarvan te geven aan dien onbenoemden berg,
die ter hoogte van drieduizend voet zijn kruin in de wolken verschool,
en teekende zorgvuldig den naam van den schotschen lord op zijn kaart
aan.

Het zou overbodig zijn lang stil te staan bij de vrij eentoonige en
onbeduidende voorvallen, die het overige van de reis kenmerkten. Op
dezen togt van de meren naar de Stille Zuidzee hadden maar twee of drie
feiten van eenig belang plaats.

Den ganschen dag liep de weg door bosschen en over vlakten. John rigtte
zich naar de zon en de sterren. De hemel was goedertieren genoeg hun
geen warmte of regen toe te zenden. Niettemin gevoelden die reeds zoo
wreed beproefde reizigers een steeds toenemende vermoeidheid, die hen
reikhalzend naar de zendingsposten deed uitzien.

Toch praatten en redeneerden zij nog; maar het gesprek was niet langer
algemeen. Het kleine gezelschap scheidde zich in groepen, wier leden
echter niet door innige vriendschap, maar meer door een gelijkheid van
denkbeelden tot elkander aangetrokken werden.

Meestal liep Glenarvan alleen. Hoe digter hij bij de kust kwam, des te
meer dacht hij aan de _Duncan_ en haar bemanning. Hij vergat de gevaren,
die hem nog tot Auckland toe bedreigden, om aan zijn vermoorde matrozen
te denken. Dat vreeselijk beeld zweefde hem steeds voor oogen.

Over Harry Grant werd niet meer gesproken. Wat zou het ook gebaat
hebben? Men kon toch niets voor hem ondernemen. De naam van den kapitein
kwam alleen nog maar voor in de gesprekken tusschen diens dochter en
John Mangles.

John had Mary niet herinnerd aan hetgeen het jonge meisje hem had gezegd
in dien laatsten nacht in het graf. Hij was te bescheiden om een woord,
dat in zulk een ernstig en wanhopig oogenblik uitgesproken was, als
verbindend te beschouwen.

Wanneer hij over Harry Grant sprak, maakte John nog plannen voor latere
nasporingen. Hij verzekerde Mary dat lord Glenarvan die mislukte
onderneming zou hervatten. Hij ging uit van de stelling, dat de echtheid
van het document niet betwijfeld kon worden. Dus leefde Harry Grant nog
ergens. Dus moest men hem terugvinden, al zou men ook de geheele wereld
doorzoeken. Mary was verrukt over die woorden, en door dezelfde
gedachten verbonden, gaven John en zij zich nu over aan dezelfde hoop.
Dikwijls mengde lady Helena zich in hun gesprek; maar zij vleide zich
niet met zooveel hersenschimmen, en wachtte zich toch wel de jonge
lieden tot de treurige werkelijkheid terug te voeren.

Inmiddels jaagden Mac Nabbs, Robert, Wilson en Mulrady, zonder zich te
ver van het kleine gezelschap te verwijderen, en ieder hunner verschafte
zijn aandeel aan het wild. Steeds in zijn linnen mantel gewikkeld, hield
Paganel zich zwijgend en nadenkend ter zijde.

En toch--het doet ons genoegen het te mogen zeggen--ondanks die
natuurwet, volgens welke in beproevingen, gevaren, vermoeienissen en
ontberingen de beste karakters ontstemd en verbitterd worden, waren al
die ongelukkigen eensgezind en verknocht gebleven, en gereed om zich
voor elkander op te offeren.

Den 25sten Februarij werd de weg versperd door een rivier, die volgens
de kaart van Paganel de Waikari zijn moest. Zij kon doorwaad worden.

Twee dagen lang volgden de met struiken begroeide vlakten elkander
onafgebroken op. De helft van den afstand, die het Taupo-meer van de
kust scheidt, was zonder ongeval, doch niet zonder vermoeidheid
afgelegd.

Nu vertoonden zich ontzaggelijke en eindelooze bosschen, die veel
geleken op de australische bosschen; maar hier vervingen de kauri's de
gomboomen. Hoewel hun bewondering reeds menigmaal was opgewekt op hun
viermaandelijksche reis, stonden Glenarvan en zijn makkers toch verbaasd
op het gezigt dier reusachtige pijnboomen, de waardige mededingers der
ceders van den Libanon, en der mammouth-boomen van Californië. Die
kauri's begonnen hun takken eerst honderd voet boven den grond uit te
spreiden. Er stonden maar weinige bij elkander, en het bosch bestond
niet uit boomen, maar uit ontelbare groepjes boomen, die hun zonnescherm
van groene bladeren twee honderd voet hoog in de lucht opzetten.

Eenige dier pijnboomen waren nog jong, naauwelijks een eeuw oud, en
geleken op de roode dennen der europeesche landen. Zij droegen een
somberen kroon, die in een spitsen kegel eindigde. De oudste
daarentegen, die wel vijf of zes eeuwen telden, vormden onmetelijke
tenten van groen, ondersteund door de onontwarbare menigte takken. Die
aartsvaders van het zeelandsche bosch hadden wel vijftig voet in omtrek,
en de vereenigde armen van al de reizigers konden hun reusachtigen stam
nog niet omvademen.

Drie dagen lang trok bet kleine gezelschap voort onder die
zaamgevlochten takken en over een kleiachtigen bodem, dien de voet des
menschen nog nooit had betreden. Dat kon men wel zien aan de stapels
harsachtige gom, die op vele plaatsen aan den voet der kauri's opgehoopt
lagen, en die voor vele jaren kon voorzien in den uitvoerhandel der
inlanders.

De jagers vonden de kiwi's, die zoo zelden voorkomen in de streken,
welke de inlanders bezoeken, hier in talrijke troepen bijeen. In die
ontoegankelijke wouden zijn die vreemde vogels gevlugt, toen de
zeelandsche honden hen verjaagd hadden. Zij leverden een overvloedig en
gezond voedsel op de tafel der reizigers.

Paganel had zelfs het voorregt in de verte in een digt boschje een paar
reusachtige vogels te ontdekken. Zijn instinct van natuurkundige werd in
hem wakker. Hij riep zijn makkers, en hoe vermoeid zij ook waren, toch
zetten de majoor, Robert en hij die dieren achterna.

Men zal de brandende nieuwsgierigheid van den aardrijkskundige
begrijpen, wanneer men weet, dat hij die vogels herkende of althans
meende te herkennen voor "moa's," behoorende tot de soort der
"dinormi's," die verscheidene geleerden onder de uitgestorven soorten
rangschikken. Deze ontmoeting nu bevestigde de meening van den heer Von
Hochstetter aangaande het tegenwoordig bestaan dier vleugelloose reuzen
van Nieuw-Zeeland.

Die moa's, welke Paganel vervolgde, de tijdgenooten der megatheriums en
pterodactylussen, waren zeker achttien voet hoog. Het waren onmatig
groote en lafhartige struisvogels; want zij vlugtten met verbazende
snelheid. Geen kogel kon hen in hun vaart stuiten. Nadat die jagt eenige
minuten had geduurd, verdwenen die onbereikbare moa's achter de groote
boomen, en de jagers hadden hun kruid verspild en zich nog duchtig
vermoeid op den koop toe.

Dien avond, den 1sten Maart, verlieten Glenarvan en zijn makkers
eindelijk het ontzaggelijke kauri-bosch, en legerden zich aan den voet
van den Ikirangi, wiens top zich vijf duizend vijf honderd voet hoog
verheft.

Nu waren er van den Maunganamu af ruim honderd mijlen afgelegd, en de
kust was nog dertig mijlen verder. John Mangles had gehoopt die reis in
tien dagen te doen; maar hij was toen nog onbekend met de bezwaren,
welke die landstreek opleverde.

De omwegen en hinderpalen op den weg, de gebrekkige berekeningen, hadden
hem eigenlijk een vijfde langer gemaakt, en ongelukkig waren de
reizigers, toen zij aan den Ikirangi kwamen, geheel krachteloos.

Nog twee goede dagmarschen waren noodig om de kust te bereiken, en een
nieuwe werkzaamheid, een buitengewone waakzaamheid werden thans
vereischt; want men kwam nu in een streek, die de inlanders druk
bezochten.

Elk verzette zich dus tegen de vermoeidheid en den volgenden dag vertrok
het kleine gezelschap weder met zonsopgang.

Tusschen den Ikirangi regts en den Hardy links, wiens top zich verhief
ter hoogte van drie duizend zeven honderd voet, werd de reis hoogst
moeijelijk. Daar bevond zich over een lengte van tien mijlen een vlakte,
digt begroeid met "supple jacks," een soort van buigzame banden, teregt
"smorende slingerplanten" genoemd. Bij iedere schrede raakten armen en
beenen er in verward, en als echte slangen kronkelden die slingerplanten
zich in allerlei bogten om het ligchaam. Twee dagen lang moest men met
de bijl in de hand voortgaan en tegen die hydra met honderd duizend
hoofden worstelen, die lastige en vasthoudende planten, welke Paganel
gaarne onder de dierplanten had gerangschikt.

In die vlakten werd de jagt een onmogelijkheid en de jagers bragten niet
langer hun gewone schatting. De levensmiddelen raakten op, men kon geen
andere krijgen; er was gebrek aan water, men kon den dorst niet stillen,
die nog vergroot werd door de vermoeienis.

Nu werd het lijden van Glenarvan en de zijnen verschrikkelijk, en voor
het eerst dreigde hun geestkracht te bezwijken.

Eindelijk bereikten zij niet loopende, maar kruipende, ligchamen zonder
ziel, die alleen nog op de been gehouden werden door de zucht tot
levensbehoud, die elk ander gevoel overleefde, kaap Lottin, op de kust
der Stille Zuidzee.

Hier stonden eenige ledige hutten, de puinhoopen van een dorp, dat de
oorlog pas vernield had, verlatene velden, overal de sporen van
plundering en brand. Daar bereidde het noodlot den ongelukkigen
reizigers nog een laatste en verschrikkelijke beproeving.

Zij zwierven langs de kust, toen er een mijl landwaarts in een afdeeling
inlanders opdaagde, die met hun wapens zwaaijende naar hen toekwamen.
Glenarvan, die tusschen hen en de zee instond, kon niet vlugten, en zijn
laatste krachten bijeenrapende maakte hij zich tot den strijd gereed,
toen John Mangles uitriep:

"Een boot! een boot!"

Twintig schreden van hen af lag werkelijk een praauw met zes riemen op
het strand. Haar vlot te maken, er in te springen en dien gevaarlijken
oever te ontwijken was het werk van een oogenblik. John Mangles, Mac
Nabbs, Wilson en Mulrady grepen de riemen, Glenarvan het roer, de twee
vrouwen, Olbinett, Robert en Paganel namen bij hem plaats.

In tien minuten was de praauw een kwart mijl in zee. Het water was
effen. De vlugtelingen bewaarden een diep stilzwijgen.

John, die zich niet te ver van de kust wilde verwijderen, zou juist
bevel geven om langs het strand te houden, toen zijn riem op eens in
zijn handen bleef rusten.

Hij had drie praauwen in het oog gekregen, die van kaap Lottin afstaken,
duidelijk met plan om jagt op hem te maken.

"In zee! in zee!" riep hij, "liever verdrinken wij in de golven!"

Door haar vier roeijers voortbewogen koos de praauw weer zee. Een half
uur lang kon ze vooruit blijven; maar de ongelukkigen, wier krachten
uitgeput waren, begonnen weldra te verzwakken, en de drie praauwen
wonnen het merkbaar van hen. Thans waren ze nog maar een paar mijlen van
hen af. Het was dus onmogelijk den aanval der inlanders te ontgaan, die
zich reeds gereedmaakten om hun lange geweren af te vuren.

Wat deed Glenarvan intusschen? Achterin de boot staande, zocht hij aan
den gezigteinder eenige ingebeelde hulp. Wat wachtte hij? Wat wilde hij?
Had hij soms een voorgevoel?

Eensklaps schitterde zijn oog en wees hij met de hand naar een punt in
de ruimte.

"Een schip!" riep hij, "vrienden! een schip! roeit, roeit stevig door!"

Niet een der vier roeijers keerde zich om, ten einde dat onverwachte
schip te zien; want men mogt geen riemslag verzuimen. Paganel alleen
rees op en rigtte zijn kijker op het aangeduide pont.

"Ja!" zeide hij, "een schip! een stoomschip! het stoomt met volle
kracht! het komt op ons af! houdt moed, wakkere kameraden!"

De vlugtelingen spanden nog eens hun krachten in, en nog een half uur
lang bleven zij voor en stuwden de praauw met verdubbelde slagen voort.
Het stoomschip werd allengs duidelijker zigtbaar. Men onderscheidde de
twee kale masten en de dikke zwarte rookwolken. Glenarvan gaf het roer
aan Robert over, greep den kijker van den aardrijkskundige en ging al de
bewegingen van het vaartuig na.

Maar wat moesten John Mangles en de anderen wel denken, toen zij het
voorhoofd van den lord zagen betrekken, zijn gelaat verbleeken, en het
werktuig uit zijn handen vallen! Een enkel woord verklaarde hun die
plotselinge wanhoop.

"De _Duncan_!" riep Glenarvan, "de _Duncan_ en de roovers!"

"De _Duncan_! riep John, die zijn riem losliet en terstond opstond.

"Ja! de dood aan beide zijden!" mompelde Glenarvan, door zooveel angst
verbrijzeld.

Het was werkelijk het jagt. Men kon zich er niet in vergissen, het jagt
met zijn bemanning van roovers! De majoor kon een verwensching tegen den
hemel niet bedwingen. Het was al te veel!

Intusschen was de praauw aan zichzelve overgelaten. Waarheen ze te
sturen? Waarheen te vlugten? Was er nog een keuze mogelijk tusschen de
wilden en de roovers?

Daar werd een schot gelost uit de meest nabijzijnde inlandsche praauw en
de kogel trof den riem van Wilson. Eenige riemslagen bragten nu de
praauw wat digter bij de _Duncan_.

Het jagt stoomde met volle kracht en was maar een halve mijl ver. Van
alle zijden afgesneden, wist John Mangles niet meer wat te doen, in
welke rigting te vlugten. De beide arme vrouwen lagen in haar
radeloosheid op de knieën te bidden.

De wilden onderhielden een onafgebroken geweervuur en de kogels regenden
om de praauw heen. Daar donderde op eens een zwaar schot, en een kogel,
uit het kanon van het jagt afgevuurd, vloog over het hoofd der
vlugtelingen. Tusschen twee vuren in bleven ze nu onbewegelijk liggen
tusschen de _Duncan_ en de bootjes der inboorlingen.

Krankzinnig van wanhoop greep John Mangles zijn bijl! Hij wilde de
praauw in den grond hakken en met zijn lotgenooten doen zinken, toen een
kreet van Robert hem tegenhield.

"Tom Austin! Tom Austin!" riep de knaap. "Hij is aan boord! Ik zie hem!
Hij heeft ons herkend! Hij wuift met zijn hoed!"

John liet den arm, die de bijl voerde, zakken.

Een tweede kogel ging fluitend over hen heen en boorde de digstbij
zijnde der drie praauwen in den grond, terwijl er een hoera! op de
_Duncan_ opging.

De verschrikte wilden vlugtten naar de kust.

"Help! help, Tom!" had John Mangles met luider stem geroepen.

En eenige oogenblikken later waren de tien vlugtelingen, zonder te weten
hoe, zonder er iets van te begrijpen, allen in veiligheid aan boord van
de _Duncan_.



XVII.

Waarom de _Duncan_ op de oostkust van Nieuw-Zeeland kruiste.


Wij wagen het niet de gewaarwordingen te schetsen van Glenarvan en zijn
vrienden, toen de zangen van Oud-Schotland in hun oor klonken. Zoodra
zij den voet zetteden op het dek der _Duncan_, hief de pijper op zijn
doedelzak het volkslied van den stam van Malcolm aan en werd de
terugkomst van den lord op zijn schip met een daverend hoera! begroet.

Glenarvan, John Mangles, Paganel, Robert, ja zelfs de majoor, allen
weenden, allen omhelsden elkander. Dat was een vreugde, die tot
dronkenschap steeg. De aardrijkskundige was volslagen gek; hij maakte
allerlei kromme sprongen en legde met zijn onafscheidelijken kijker op
de laatste praauwen aan, die reeds digt bij de kust waren.

Maar toen de bemanning van het jagt bespeurde, hoe Glenarvan en zijn
reisgenooten in lompen waren gehuld, hoe ingevallen hun kaken waren, hoe
het lijden op hun gelaat te lezen stond, kwam er een einde aan de
uitbarsting van vreugde. Het waren spoken die aan boord terugkwamen, en
niet die stoute en nette reizigers, die voor drie maanden vol blijde
hoop het spoor der schipbreukelingen waren gaan zoeken. Het toeval,
louter het toeval bragt hen terug op dat schip, dat zij in het geheel
niet verwacht hadden weer te zien! En in welk een treurigen,
uitgeteerden en zwakken toestand!

Maar alvorens aan de vermoeijenis, aan de dringende eischen van honger
en dorst te denken, ondervroeg Glenarvan Tom Austin naar de oorzaak van
zijn oponthoud in die wateren.

Waarom was de _Duncan_ op de oostkust van Nieuw-Zeeland? Hoe kwam het,
dat ze niet in handen van Ben Joyce was? Door welke wonderdadige
tusschenkomst had God ze den vlugtelingen te gemoet gezonden?

Waarom? Hoe? Met welk voornemen? Daarmede begonnen al de vragen, die in
éénen adem tot Tom Austin werden gerigt. De oude zeeman wist niet, naar
wien hij het eerst zou luisteren. Hij besloot dus om alleen naar lord
Glenarvan te hooren en hem alleen te antwoorden.

"Maar de gedeporteerden?" vroeg Glenarvan, "wat hebt gij met de
gedeporteerden gedaan?"

"De gedeporteerden?..." herhaalde Tom Austin op den toon van iemand, die
niets van een vraag begrijpt.

"Ja! de schurken, die het jagt hebben aangetast?"

"Gij zult toch moeten bekennen, Paganel! dat het wat al te kras zou
zijn!"

"Wat blieft?" vroeg de aardrijkskundige, die, zooals hij daar stond met
krommen rug en den bril in de hoogte geschoven, veel had van een
reusachtig vraagteeken.

Austin kwam terug. Hij hield den brief in de hand, dien Paganel
geschreven en Glenarvan geteekend had.

"Lees, Uwe Edelheid!" zeide de oude zeeman.

Glenarvan greep den brief en las:

"Bevel aan Tom Austin om onmiddellijk zee te kiezen en de _Duncan_ op 87
graden breedte naar de oostkust van Nieuw-Zeeland te brengen!..."

"Nieuw-Zeeland!" riep Paganel opspringende.

En hij rukte den brief uit de hand van Glenarvan, wreef zich de oogen
uit, zette den bril goed op den neus, en las zelf.

"Nieuw-Zeeland!" sprak bij op jammerenden toon, terwijl de brief uit
zijn vingers glipte.

Daar voelde hij, dat iemand de hand op zijn schouder legde. Hij rigtte
zich overeind en zag den majoor voor zich staan.

"Het is waarlijk gelukkig, beste Paganel!" zeide Mac Nabbs met een
ernstig gezigt, "dat gij de _Duncan_ niet naar Cochinchina gezonden
hebt!"

Die scherts bragt den armen aardrijkskundige geheel van zijn stuk. Een
algemeene lachbui overviel de geheele bemanning van het jagt. Paganel
liep als krankzinnig heen en weer met het hoofd tusschen de handen en
rukte zich de haren uit. Hij wist niet meer, wat hij deed, evenmin wat
hij wilde doen! Hij liep werktuigelijk den trap van de kampanje af, hij
waggelde over het dek, liep doelloos voort, en klom weer op de
voorplecht. Daar raakten zijn voeten verward in een opgerold kabeltouw.
Hij struikelde. Hij sloeg de hand uit en greep een touw.

Eensklaps had er een vreeselijke losbranding plaats. Het kanon op de
voorplecht ging af en de geheele lading schroot vloog over de rustige
golven. De onhandige Paganel had de treklijn van het nog geladen stuk
gegrepen en het kruid doen ontploften. Dat was de oorzaak van dien
donderslag. De aardrijkskundige sloeg achterover van den trap en
verdween door de luikklap in het tusschendek.

De verbazing, door het schot teweeggebragt, maakte plaats voor schrik.
Men geloofde aan een ongeluk. Tien matrozen snelden naar het tusschendek
en bragten Paganel boven, die geheel in elkaar was gezakt. De
aardrijkskundige sprak niet meer.

Dat lange ligchaam werd op de kampanje nedergelegd. De makkers van den
wakkeren Franschman waren wanhopend. De majoor, die als het pas gaf ook
dokter was, wilde den ongelukkigen Paganel ontkleeden om zijn wonden te
verbinden; maar naauwelijks raakte hij den zieltogende aan, of deze rees
overeind, alsof hij in aanraking met een electrische klos was gebragt.

"Nooit! nooit!" riep hij uit; en terwijl hij de lompen van zijn kleeren
om zijn mager ligchaam sloeg, knoopte hij ze met bijzondere drift vast.

"Maar, Paganel!" zeide de majoor.

"Neen! zeg ik u!"

"Ik moet toch eens zien...."

"Gij zult niet zien!"

"Misschien hebt gij iets gebroken...." hernam Mac Nabbs.

"Ja!" antwoordde Paganel, die op zijn lange beenen overeind ging staan,
"maar wat ik gebroken heb, zal de timmerman wel maken!"

"Wat dan?"

"Den stut van het tusschendek, die in mijn val gebroken is!"

Op dit antwoord begon het lagchen op nieuw. Dit gezegde had al de
vrienden van den waardigen Paganel gerust gesteld, die heelhuids was
afgekomen van zijn ontmoeting met het kanon op de voorplecht.

"Die aardrijkskundige," dacht de majoor, "is in allen gevalle bijzonder
schaamachtig uitgevallen."

Echter moest Paganel, toen hij wat van den schrik bekomen was, nog een
vraag beantwoorden, die hij niet ontwijken kon.

"Antwoord nu eens opregt, Paganel!" sprak Glenarvan. "Ik erken, dat uw
verstrooidheid door God beschikt is: zonder u was voorzeker de _Duncan_
in de handen der roovers gevallen, zonder u hadden de Maori's ons weer
gevangen genomen! Maar zeg mij toch om Gods wil! door welke vreemde
verbinding van denkbeelden, door welke bovennatuurlijke
verstandsverbijstering zijt gij er toch toe gekomen om den naam
Nieuw-Zeeland te schrijven voor dien van Australië?"

"Wel, voor den drommel!" riep Paganel, "omdat...."

Maar tegelijk ontmoette zijn oog Robert en Mary Grant en bij bleef
steken; daarna ging hij voort:

"Wat zal ik zeggen, waarde Glenarvan! ik ben een zinnelooze, een gek,
een onverbeterlijk schepsel, en ik zal sterven in de huid van den
beruchtsten verstrooide...."

"Als gij ten minste niet gevild wordt!" voerde de majoor er bij.

"Mij villen!" riep de aardrijkskundige met een vuurrood gezigt. "Wat
bedoelt gij daarmee?..."

"Wat zou ik er mee bedoelen, Paganel?" vroeg Mac Nabbs even bedaard als
altijd.

Het voorval had geen verdere gevolgen. Het geheim van de
tegenwoordigheid der _Duncan_ was opgehelderd; de zoo wonderdadig
geredde reizigers waren nu op niets anders bedacht dan hun geriefelijke
scheepshutten op te zoeken en te ontbijten.

Inmiddels hielden Glenarvan en John Mangles terwijl lady Helena en Mary
Grant, de majoor, Paganel en Robert de kampanje ingingen, Tom Austin bij
zich. Zij wilden hem nog nader ondervragen.

"Antwoord nu eens, oude Tom!" zeide Glenarvan. "Hebt gij dat bevel om op
de kust van Nieuw-Zeeland te gaan kruisen niet heel vreemd gevonden?"

"Zeker, Uwe Edelheid!" antwoordde Austin, "ik stond er raar van te
kijken; maar ik ben niet gewoon de bevelen, die ik krijg, te bepraten,
en heb dus gehoorzaamd. Kon ik anders handelen? Zou het niet mijne
schuld geweest zijn, wanneer er een ongeluk had plaats gehad, omdat ik
uw last niet letterlijk had opgevolgd? Zoudt gij anders gehandeld
hebben, kapitein?"

"Neen, Tom!" antwoordde John Mangles.

"Maar wat hebt gij wel gedacht?" vroeg Glenarvan.

"Ik heb gedacht, Uwe Edelheid! dat het belang van Harry Grant vorderde
te gaan, waar gij mij heen zondt. Ik heb gedacht, dat ingevolge een
wijziging in uw reisplan een schip u naar Nieuw-Zeeland brengen zou, en
dat ik u op de oostkust des eilands moest afwachten. Bij mijn vertrek
uit Melbourne heb ik mijn bestemming geheim gehouden, en de bemanning
heeft ze eerst vernomen, toen wij in volle zee waren en de australische
kust reeds uit het oog hadden verloren. Maar toen is er aan boord iets
voorgevallen, dat mij veel angst veroorzaakte."

"Wat bedoelt gij, Tom?" vroeg Glenarvan.

"Ik bedoel," antwoordde Tom Austin, "dat, toen de bootsman Ayrton, daags
nadat wij in zee gestoken waren, de bestemming der _Duncan_ vernam...."

"Ayrton!" riep Glenarvau. "Is hij dan aan boord?"

"Ja, Uwe Edelheid!"

"Ayrton hier!" herhaalde Glenarvan, terwijl hij John Mangles aanzag.

"God heeft het zoo gewild!" antwoordde de jonge kapitein.

Bliksemsnel ging nu in een oogenblik het gedrag van Ayrton, zijn lang
voorbereid verraad, de wond van Glenarvan, de moord van Mulrady, de
rampen van het reisgezelschap in de moerassen der Sneeuwrivier
achtergelaten, al het verledene van dien schurk voorbij het oog dier
twee mannen. En nu was de roover, door een allerzonderlingsten samenloop
van omstandigheden, in hun magt.

"Waar is hij?" vroeg Glenarvan driftig.

"In een hut in het vooronder," antwoordde Tom Austin, "waar hij streng
bewaakt wordt."

"Wat beduidt die gevangenzetting?"

"Omdat Ayrton, toen hij zag, dat het jagt naar Nieuw-Zeeland stevende,
woedend werd; omdat hij mij wilde dwingen den koers van het vaartuig te
veranderen; omdat hij mij gedreigd heeft; eindelijk, omdat hij het
scheepsvolk tot oproer aanzette. Ik heb begrepen, dat hij een
gevaarlijke kerel was, en dat ik voorzorgsmaatregelen tegen hem nemen
moest."

"En sedert dien tijd?"

"Sedert dien tijd is hij in zijn hut gebleven, zonder pogingen te doen
om er uit te komen."

"Goed, Tom!"

Nu werden Glenarvan en John Mangles in de kampanje geroepen. Het
ontbijt, waaraan zij zulk een behoefte hadden, stond gereed. Zij zetten
zich in de _longroom_ aan tafel en spraken niet over Ayrton.

Maar toen de maaltijd afgeloopen was en de gasten verkwikt en hersteld
op het dek bijeen waren, vertelde Glenarvan hun, dat de bootsman aan
boord was. Tevens deelde hij hun mede, dat hij voornemens was hem voor
hen te doen verschijnen.

"Zou ik niet bij dat verhoor gemist kunnen worden?" vroeg lady Helena.
"Ik beken, lieve Edward! dat het gezigt van dien ongelukkige zeer
pijnlijk voor mij zou wezen."

"Het is een getuigenverhoor, Helena!" antwoordde lord Glenarvan. "Blijf,
verzoek ik u. Ben Joyce moet al zijn slagtoffers voor zich zien!"

Lady Helena erkende de juistheid dier opmerking. Mary Grant en zij namen
plaats bij lord Glenarvan. Rondom hem schaarden zich de majoor, Paganel,
John Mangles, Robert, Wilson, Mulrady en Olbinett, die allen in zulk een
groot gevaar hadden verkeerd door het verraad van den roover. De
bemanning van het jagt begreep wel niet het ernstige van het tooneel,
maar bewaarde toch een diep stilzwijgen.

"Laat Ayrton hier komen!" beval Glenarvan.



XVIII.

Ayrton of Ben Joyce.


Ayrton verscheen. Hij betrad het dek met vasten stap en beklom de trap
van de kampanje. Zijn oogen stonden somber, zijn tanden waren op
elkander geklemd, zijn vuisten krampachtig gebald. Zijn uiterlijk
verried evenmin overmoed als nederigheid. Toen hij voor lord Glenarvan
stond, sloeg hij de armen over elkaar en wachtte bedaard en zwijgend af,
dat hem iets gevraagd werd.

"Ayrton!" zeide Glenarvan, "zoo zijn wij nu, gij en wij, bijeen op die
_Duncan_ die gij aan de roovers van Ben Joyce in handen wildet spelen."

Op die woorden beefden de lippen van den bootsman even. Zijn koude
trekken kleurden ligt. Het was niet het schaamrood der wroeging, maar
omdat zijn plan was mislukt. Op dat jagt, waarop hij als meester hoopte
te bevelen, was hij nu een gevangene, en in weinige oogenblikken zou
zijn lot beslist worden.

Hij gaf echter geen antwoord. Glenarvan wachtte geduldig. Maar Ayrton
bleef hardnekkig zwijgen.

"Spreek op, Ayrton! wat hebt gij te zeggen?" hernam Glenarvan.

Ayrton aarzelde; zijn voorhoofd betrok; vervolgens sprak hij bedaard:

"Ik heb niets te zeggen, mylord! Ik ben zoo gek geweest mij te laten
pakken. Doe met mij wat gij wilt."

Dit gezegd hebbende rigtte de bootsman zijn blikken op de westwaarts
liggende kust, en veinsde een diepe onverschilligheid voor hetgeen er
rondom hem gebeurde. Wie hem zag, zou gemeend hebben, dat hij niets te
maken had met die ernstige zaak. Maar Glenarvan had besloten geduldig te
blijven. Een sterke belangstelling noopte hem om met sommige
omstandigheden uit het geheimzinnige leven van Ayrton bekend te worden,
vooral zoover het Harry Grant en de _Britannia_ betrof. Hij hervatte dus
het verhoor op zeer zachte wijze en onderdrukte geheel en al den toorn,
dien hij inwendig gevoelde.

"Ik meen, Ayrton!" hernam hij, "dat gij niet zult weigeren te antwoorden
op sommige vragen, die ik u wensch te doen. Vooreerst, moet ik u Ayrton
of Ben Joyce noemen? Zijt gij al dan niet de bootsman der _Britannia_?"

Ayrton bleef onverzettelijk op de kust staren, zonder acht te slaan op
hetgene hem gevraagd werd.

Glenarvan, wiens oog fonkelde, ging voort met den bootsman te
ondervragen.

"Wilt gij mij zeggen, hoe gij de _Britannia_ verlaten hebt, waarom gij
in Australië waart?"

Hetzelfde stilzwijgen, dezelfde onverzettelijkheid.

"Luister naar mij, Ayrton!" hernam Glenarvan. "Het is in uw belang om te
spreken. Een openhartigheid, die uw laatste toevlugt is, kan gunstig
voor u zijn. Voor het laatst dan, wilt gij op mijn vragen antwoorden?"

Ayrton draaide het hoofd naar Glenarvan en zag hem strak aan, zeggende:

"Mylord! ik behoef niet te antwoorden. De justitie en niet ik moet tegen
mij bewijzen."

"De bewijzen zullen gemakkelijk te leveren zijn!" antwoordde Glenarvan.

"Gemakkelijk, mylord?" hernam Ayrton op spottenden toon. "Uwe Edelheid
durft, vind ik, heel wat zeggen. Ik verzeker u, dat de slimste advocaat
met mij verlegen zou zijn! Wie zal zeggen, waarom ik in Australië
gekomen ben, nu kapitein Grant het niet meer vertellen kan? Wie zal
bewijzen, dat ik die Ben Joyce ben, dien de politie achterna zit, daar
ze mij nooit in handen gehad heeft en mijn makkers in vrijheid zijn? Wie
is er, behalve gij, die niet een misdaad, maar een verkeerde handeling
ten mijnen nadeele kan aan den dag brengen? Wie kan bevestigen, dat ik
mij van dit schip heb willen meester maken om het aan de gedeporteerden
over te leveren? Niemand, verstaat gij? niemand! Gij hebt vermoedens,
goed! maar om iemand te veroordeelen zijn er bewijzen noodig, en de
bewijzen ontbreken u. Zoolang het tegendeel niet bewezen is, ben ik
Ayrton, de bootsman der _Britannia_."

Ayrton was onder het spreken opgewonden geworden, maar verviel weldra
tot zijn vroegere onverschilligheid. Hij verbeeldde zich zeker, dat zijn
verklaring een einde zou maken aan het verhoor, maar Glenarvan vatte het
woord weder op en sprak:

"Ayrton! ik ben geen regter van instructie. Dat is mijn zaak niet. Het
is van belang dat elk onzer weet waar hij staan moet. Ik vraag u niets,
dat u in ongelegenheid brengen kan. Dat gaat het geregt aan. Maar gij
weet, met welke nasporingen ik bezig ben, en met een enkel woord kunt
gij mij weer op het spoor brengen, dat ik verloren heb. Wilt gij
spreken?"

Ayrton schudde het hoofd als iemand, die vast besloten heeft om te
zwijgen.

"Wilt gij mij zeggen, waar kapitein Grant is?" vroeg Glenarvan.

"Neen, mylord!" antwoordde Ayrton.

"Wilt gij mij de plaats aanduiden, waar de _Britannia_ vergaan is?"

"Evenmin."

"Ayrton!" hernam Glenarvan bijna op smeekenden toon, "wilt gij althans,
wanneer gij weet, waar Harry Grant is, het aan zijn arme kinderen
zeggen, die maar één woord uit uwen mond verwachten?"

Ayrton aarzelde. Zijn gezigt betrok. Maar hij mompelde zacht:

"Ik kan niet, mylord!"

En hij voegde er driftig bij, alsof hij zich een oogenblik van zwakheid
verweet:

"Neen! ik zal niet spreken! Laat mij ophangen, indien gij wilt!"

"Ophangen!" riep Glenarvan is een plotselinge opwelling van toorn.

Daarna antwoordde hij, zich bedwingende, op ernstigen toon:

"Ayrton! hier zijn regters noch beulen. In de eerste haven de beste zult
gij aan de engelsche overheid overgegeven worden."

"Dat verlang ik juist!" antwoordde de bootsman.

Daarop keerde hij bedaard naar de hut terug, die hem tot gevangenis
diende, en twee matrozen werden voor de deur geplaatst met last om op
zijn geringste bewegingen acht te geven. De getuigen van dit tooneel
gingen verontwaardigd en wanhopig heen.

Nu Glenarvan schipbreuk had geleden op de stijfhoofdigheid van Ayrton,
wat schoot hem nu nog over? Niets anders dan het voornemen te
volbrengen, dat reeds te Eden was opgevat, en naar Europa terug te
keeren, zonder uitzigt om later die mislukte onderneming te hervatten.
Het spoor der _Britannia_ toch scheen onherroepelijk verloren, het
document duldde geen nieuwe uitlegging, er lag zelfs geen land meer op
zeven en dertig graden breedte, en de _Duncan_ kon dus niet beter doen
dan terug te keeren.

Na met zijn vrienden geraadpleegd te hebben, besprak Glenarvan meer
bepaald met John Mangles het punt van de thuisreis. John onderzocht de
kolenhokken; de voorraad steenkolen kon hoogstens nog veertien dagen
duren. Het was dus noodig om in de naastbij gelegen haven versche kolen
in te nemen.

John stelde Glenarvan voor den steven te wenden naar de baai van
Talcahuano, waar de _Duncan_ reeds voorraad had ingenomen, voor zij haar
reis om de wereld ondernam. Dat was digt bij en juist op den zeven en
dertigsten graad. Dan kon het jagt, behoorlijk van het noodige voorzien,
zuidwaarts om kaap Hoorn varen en door den Atlantischen oceaan naar
Schotland terugkeeren.

Zoodra dit plan was vastgesteld, werd er bevel gegeven aan den machinist
om meer stoom te maken. Een half nur later was de steven naar Talcahuano
gewend op een zee, die haar naam van Stille Zee wel verdiende, en 's
avonds ten zes ure verdwenen de laatste bergen van Nieuw-Zeeland in de
warme nevels aan den gezigteinder.

Zoo begon dan de thuisreis. Een treurige togt voor die stoute zoekers,
die in de haven terugkeerden zonder Harry Grant mee te brengen! Ook
sloeg de bemanning, die zoo vrolijk bij het vertrek, zoo vol vertrouwen
bij het begin der reis, en nu overwonnen en moedeloos was, bedroefd den
weg naar Europa in. Onder al die wakkere matrozen was er niet een, die
ontroerde bij de gedachte, dat hij zijn land zou wederzien; allen zouden
nog lang de gevaren der zee hebben getrotseerd om kapitein Grant maar
terug te vinden.

Op de hoera's! waarmede Glenarvan bij zijn terugkomst begroet was,
volgde dan ook weldra moedeloosheid. Die onophoudelijke samenkomsten der
passagiers, die gesprekken, welke vroeger de reis opvrolijkten, hadden
nu niet meer plaats. Ieder bleef op zichzelven, alleen in zijn hut, en
zelden verscheen er een op het dek van de _Duncan_.

De man, bij wien doorgaans de smartelijke of vrolijke gewaarwordingen,
die aan boord heerschten, zich het meest openbaarden, Paganel, die des
noods de hoop zou uitgevonden hebben, Paganel bleef zwijgend en in
zichzelven gekeerd. Ternaauwernood liet hij zich zien. Zijn natuurlijke
spraakzaamheid, zijn fransche levendigheid waren in zwijgen en
moedeloosheid veranderd. Hij scheen zelfs nog meer ontmoedigd dan zijn
reisgenooten. Wanneer Glenarvan er van sprak om zijn nasporingen te
hervatten, schudde Paganel het hoofd als iemand, die alle hoop heeft
laten varen, en die vast overtuigd scheen van het lot der
schipbreukelingen van de _Britannia_. Men gevoelde, dat hij ze
onherroepelijk verloren achtte.

Toch was er aan boord een man, die het laatste woord betreffende die
ramp kon zeggen, en die voortging met zwijgen. Het was Ayrton. Zonder
twijfel kende die ellendeling, zooal niet de waarheid aangaande het
tegenwoordig verblijf van den kapitein, dan toch de plaats der
schipbreuk. Maar het was duidelijk, dat Grant, werd hij teruggevonden,
een getuige tegen hem zijn zou. Daarom zweeg hij hardnekkig. Dat
verwekte, vooral bij de matrozen, een hevigen toorn tegen hem, en gaarne
zouden zij hem een leelijken trek hebben gespeeld.

Bij herhaling vernieuwde Glenarvan zijn pogingen bij den bootsman.
Beloften noch bedreigingen werkten iets uit. De koppigheid van Ayrton
was zoo ver gedreven en zoo onverklaarbaar bovendien, dat de majoor
begon te denken, dat hij niets wist. Ook de aardrijkskundige, die zijn
eigene gedachten had betreffende Harry Grant, was van die meening.

Maar wanneer Ayrton niets wist, waarom kwam hij dan niet voor zijn
onwetendheid uit? Deze kon hem volstrekt niet benadeelen. Zijn
stilzwijgen vergrootte de moeijelijkheid om een nieuw plan te vormen.
Moest men uit de ontmoeting van den bootsman in Australië afleiden, dat
Harry Grant op dat vastland aanwezig was? Wat het ook mogt kosten, men
diende Ayrton te bewegen om zich dienaangaande te verklaren.

Toen lady Helena zag, dat haar man niet slaagde, vroeg zij hem verlof op
haar beurt te mogen worstelen met de stijfhoofdigheid van den bootsman.
Waar een man schipbreuk had geleden, zou een vrouw welligt door haar
zachten invloed slagen. Is het niet de eeuwig ware geschiedenis van dien
orkaan uit de fabel, die den mantel niet van de schouders des reizigers
kan rukken, terwijl de geringste zonnestraal hem terstond doet afwerpen!

Glenarvan, die de schanderbeid zijner jeugdige gade kende, gaf haar
volle vrijheid van handelen.

Dien dag, den 5den Maart, werd Ayrton in de hut van lady Helena gebragt.
Mary Grant moest het onderhoud bijwonen; want de invloed van het jonge
meisje kon groot zijn, en lady Helena wilde geen kans van slagen
verzuimen.

Een uur lang bleven de vrouwen met den bootsman der _Britannia_
opgesloten; maar er lekte niets van hun gesprek uit. Wat zij zeiden, de
gronden, die zij aanvoerden om den roover zijn geheim te ontrukken, al
de omstandigheden van dat verhaal bleven onbekend. Maar toen zij Ayrton
verlieten, schenen zij niet geslaagd te zijn, en stond de moedeloosheid
op haar gelaat te lezen.

Toen de bootsman naar zijn hut teruggebragt werd, ontvingen hem de
matrozen, terwijl hij voorbijging, dan ook met geweldige bedreigingen.
Hij vergenoegde zich met de schouders op te halen, waardoor de woede der
schepelingen nog vermeerderde, en er was niets minder noodig dan de
tusschenkomst van John Mangles en Glenarvan om hen in toom te houden.

Maar lady Helena gaf het nog niet op. Zij wilde tot het einde toe
worstelen tegen dat steenen hart, en 's anderen daags ging zij zelve
naar de hut van Ayrton, om de tooneelen te voorkomen, waartoe zijn gang
over het dek van het jagt aanleiding gaf.

Twee uren lang bleef de goede en zachtzinnige vrouw alleen met het
opperhoofd der roovers. Aan zenuwachtige ontroering ter prooi zwierf
Glenarvan bij de hut rond, nu eens besloten om de kansen op slagen tot
de laatste toe aan te wenden, dan weder gereed om zijn vrouw van dat
onaangename gesprek te verlossen.

Maar toen lady Helena ditmaal weder verscheen, blonk haar gelaat van
hoop. Had zij dan dat geheim afgeperst en in het hart van dien schurk de
laatste vezelen van het medelijden doen trillen?

Mac Nabbs, die haar het allereerst zag, kon een zeer natuurlijke
beweging van ongeloof niet onderdrukken.

Echter liep weldra onder de bemanning het gerucht, dat de bootsman
eindelijk was bezweken voor den aandrang van lady Helena. Dat was als
het ware een electrieke schok. Al de matrozen verzamelden zich op het
dek, en sneller, dan wanneer het fluitje van Tom Austin hen aan het werk
had geroepen.

Intusschen was Glenarvan zijn vrouw te gemoet gesneld.

"Heeft hij gesproken?" vroeg hij.

"Neen," antwoordde lady Helena. "Maar aan mijn verzoek gehoor gevende,
wenscht hij u te spreken."

"Ach! lieve Helena! zoudt gij geslaagd zijn?"

"Ik hoop het, Edward!"

"Hebt gij eenige belofte gedaan, die ik moet bekrachtigen?"

"Een enkele, mijn vriend! dat gij al uw invloed zult aanwenden om het
lot te verzachten, dat dien ongelukkigen Ayrton wacht."

"Goed, lieve Helena! Laat Ayrton dadelijk hier komen."

Lady Helena ging met Mary Grant naar haar hut, en de bootsman werd naar
de _longroom_ gebragt, waar lord Glenarvan hem wachtte.



XIX.

Eene schikking.


Zoodra de bootsman zich in tegenwoordigheid van den lord bevond,
verwijderden zich zijn bewakers.

"Gij verlangt mij te spreken, Ayrton?" vroeg Glenarvan.

"Ja, mylord!" antwoordde de bootsman.

"Mij alleen?"

"Ja! maar ik denk, dat het beter zou zijn, wanneer majoor Mac Nabbs en
mijnheer Paganel bij het gesprek tegenwoordig waren."

"Voor wien?"

"Voor mij."

Ayrton sprak met onverstoorbare kalmte. Glenarvan zag hem strak aan;
vervolgens liet hij Mac Nabbs en Paganel roepen, die terstond aan zijn
uitnoodiging voldeden.

"Wij luisteren naar u," zeide Glenarvan, zoodra zijn beide vrienden zich
aan de tafel in de _longroom_ geplaatst hadden.

Ayrton bedacht zich een poos en zeide:

"Mylord! de gewoonte brengt mede, dat er getuigen zijn bij ieder verdrag
of bij iedere schikking, die tusschen twee partijen wordt aangegaan.
Daarom verlangde ik, dat de heeren Paganel en Mac Nabbs hier zouden
zijn. Want om de waarheid te zeggen, ik wensch u een zaak voor te
slaan."

Gewoon als hij was aan de manieren van Ayrton, fronsde Glenarvan zijn
wenkbraauwen niet, hoewel een zaak tusschen hem en dien man iets
belagchelijks scheen.

"Wat is dat voor een zaak?" vroeg hij.

"Luister," antwoordde Ayrton. "Gij verlangt van mij eenige
omstandigheden te vernemen, die u nuttig kunnen zijn. Ik verlang van u
eenige voordeelen, die van groot belang voor mij zullen zijn. Leer om
leer, mylord! staat u dat aan of niet?"

"Welke omstandigheden zijn dat?" vroeg Paganel driftig.

"Neen!" hernam Glenarvan, "welke voordeelen zijn dat?"

Met een hoofdknikje toonde Ayrton het onderscheid te vatten, dat
Glenarvan maakte.

"De voordeelen, die ik eisch," zeide hij, "zijn de volgende. Zijt gij
nog altijd voornemens, mylord! mij in handen van de engelsche overheid
te stellen?"

"Ja, Ayrton! en dat is niet meer dan billijk."

"Ik zeg niet van neen," antwoordde de bootsman bedaard. "Dus zoudt gij
er nooit in bewilligen mij in vrijheid te stellen?"

Glenarvan aarzelde voor hij op een zoo duidelijke vraag antwoordde. Het
lot van Harry Grant hing misschien af van hetgeen hij zou zeggen.

Toch behield het besef van zijn pligt jegens de menschelijke
geregtigheid de overhand, en hij zeide:

"Neen, Ayrton! ik kan u de vrijheid niet teruggeven."

"Die vraag ik ook niet," antwoordde de bootsman fier.

"Wat verlangt gij dan?"

"Een middenweg, mylord! tusschen de galg, die mij wacht, en de vrijheid,
die gij mij niet kunt schenken."

"En die is?..."

"Dat gij mij met de noodzakelijkste behoeften achterlaat op een der
onbewoonde eilanden van de Stille Zuidzee. Ik zal mij behelpen, zoo veel
ik kan, en boete doen, wanneer ik tijd heb!"

Glenarvan, die een dergelijk voorstel wel het allerminst verwachtte, zag
zijn beide vrienden aan, die bleven zwijgen. Na eenige oogenblikken
nadenkens antwoordde hij:

"Ayrton! zult gij, wanneer ik uw verzoek toesta, mij alles zeggen, wat
ik belang heb te weten?"

"Ja, mylord! dat wil zeggen alles, wat ik van kapitein Grant en de
_Britannia_ weet."

"De volle waarheid?"

"De volle."

"Maar wie staat mij borg?..."

"O! ik zie wat u beangstigt, mylord! Gij zult op mij moeten vertrouwen,
op het woord van een boosdoener! Dat is waar! Maar wat zal ik zeggen?
Het ligt er nu eenmaal toe. Niet of graag."

"Ik zal u vertrouwen, Ayrton!" zeide Glenarvan droogjes.

"En gij zult gelijk hebben, mylord! Bovendien, wanneer ik u bedrieg,
hebt gij altijd het middel bij de hand om u te wreken!"

"En dat is?"

"Mij van het eiland af te halen, dat ik niet heb kunnen verlaten."

Ayrton had voor alles een antwoord gereed. Hij opperde zelf de bezwaren,
hij leverde zelf onwraakbare bewijsgronden tegen zich. Zooals men ziet,
wilde hij "zijn zaak" met ontwijfelbare goede trouw behandelen. Het was
onmogelijk zich met argeloozer vertrouwen over te leveren. En toch vond
hij een middel om nog verder te gaan op den weg der onbaatzuchtigheid.

"Mylord en mijne heeren!" voegde hij er bij, "ik wil, dat gij volkomen
overtuigd zult zijn, dat ik open kaart met u speel. Ik zoek u geenszins
te misleiden en wil u een nieuw bewijs geven van mijn opregtheid in deze
zaak. Ik ga rondborstig te werk, omdat ik zelf op uw regtschapenheid
reken."

"Spreek op, Ayrton!" antwoordde Glenarvan.

"Mylord! ik heb uw woord nog niet, dat gij in mijn voorstel bewilligt en
toch aarzel ik niet u te zeggen, dat ik zeer weinig van Harry Grant af
weet."

"Zeer weinig!" riep Paganel.

"Ja, mylord! De bijzonderheden, die ik in staat ben u mede te deelen,
hebben betrekking op mij; zij gaan mij aan, en zullen u niet helpen het
spoor terug te vinden dat gij verloren hebt."

Het gelaat van Glenarvan en den majoor teekende een levendige
teleurstelling. Zij waanden hem in het bezit van een gewigtig geheim, en
de bootsman bekende, dat zijn ontdekkingen niet veel om het lijf hadden.
Wat Paganel aangaat, deze bleef even rustig.

Hoe het ook zij, deze bekentenis van Ayrton, die zich om zoo te zeggen
op genade of ongenade overgaf, trof zijn hoorders zeer, vooral toen de
bootsman er ten slotte bijvoegde:

"Nu weet gij het, mylord! De zaak zal voor u minder voordeelig zijn dan
voor mij."

"Dat maakt niet uit," antwoordde Glenarvan. "Ik neem uw voorstel aan.
Ayrton! Ik geef u mijn woord, dat gij op een der Zuidzee-eilanden aan
land zult gezet worden."

"Goed, mylord!" antwoordde de bootsman.

Verheugde die zonderlinge man zich over dat besluit? Men mogt er aan
twijfelen; want zijn strak gelaat verried niet de minste aandoening. Het
scheen, dat hij voor een ander handelde, niet voor zich.

"Ik ben bereid om te antwoorden," sprak hij.

"Wij hebben niets te vragen," zeide Glenarvan. "Vertel ons wat gij weet,
Ayrton! en zeg vooreerst maar wie gij zijt."

"Mijne heeren!" begon Ayrton, "ik ben werkelijk Tom Ayrton, de bootsman
der _Britannia_. Ik heb den 12den Maart 1861 Glasgow verlaten op het
schip van Harry Grant. Veertien maanden lang bevoeren wij samen de
Stille Zuidzee om een gunstige plaats op te zoeken ten einde een
schotsche kolonie te stichten. Harry Grant was er juist de man naar om
groote dingen te doen; maar dikwijls hadden wij hooggaande twisten met
elkander. Zijn karakter stond mij niet aan. Ik kan niet buigen; Harry
Grant duldt geen verzet, mylord! wanneer zijn besluit genomen is; die
man is van ijzer voor zich en voor anderen. Niettemin durfde ik te gaan
muiten. Ik beproefde de bemanning ook tot muiterij over te halen en het
schip te bemagtigen. Het doet hier weinig ter zake, of ik ongelijk had
of niet. Hoe dat ook zij, Harry Grant weifelde niet, en zette mij den
8sten April 1862 op de westkust van Australië aan land."

"Van Australië," zoo viel de majoor Ayrton in de rede, "dan hebt gij bij
gevolg de _Britannia_ verlaten, voor zij Callao heeft aangedaan, vanwaar
de laatste tijdingen gedagteekend zijn?"

"Ja," antwoordde de bootsman; "want zoo lang ik aan boord was, is de
_Britannia_ nooit te Callao geweest. Dat ik op de hoeve van Paddy
O'Moore van Callao sprak, kwam daar vandaan, dat ik die omstandigheid
uit uw verhaal had vernomen."

"Ga voort, Ayrton!" zeide Glenarvan.

"Daar stond ik nu verlaten op een bijna woeste kust; doch slechts
twintig mijlen van de strafgevangenis van Perth af, de hoofdstad van
West-Australië. Langs de kust zwervende ontmoette ik een bende
gedeporteerden, die pas ontsnapt waren. Ik voegde mij bij hen. Gij zult
mij, mylord! wel het verhaal schenken van het leven, dat ik derdehalf
jaar leidde. Weet alleen, dat ik onder den naam van Ben Joyce het hoofd
der vlugtelingen werd. In de maand September 1864 vervoegde ik mij op de
iersche hoeve. Daar werd ik als knecht in dienst genomen onder mijn
waren naam Ayrton. Ik wachtte daar op een gelegenheid om een schip te
bemagtigen. Dat was mijn hoogste doel. Twee maanden later kwam de
_Duncan_. Bij uw bezoek op de hoeve, mylord! vertelde gij de geheele
geschiedenis van kapitein Grant. Ik vernam toen, wat ik nog niet wist,
het verblijf der _Britannia_ te Callao, de laatste berigten van Junij
1862, twee maanden na mijn ontscheping, het voorval met het document, de
stranding van het schip ergens op zeven en dertig graden, en eindelijk
de gewigtige redenen, die gij hadt, om Harry Grant op het vastland van
Australië te zoeken. Ik weifelde niet. Ik besloot de _Duncan_ te
bemagtigen, een uitstekend schip, dat de snelste zeilers der engelsche
oorlogsvloot ontkomen kon. Maar ze had zware averij geleden, die
hersteld moest worden. Ik liet ze dus naar Melbourne vertrekken, en deed
mij bij u voor in mijn ware betrekking van bootsman, terwijl ik aanbood
u naar het tooneel eener schipbreuk te geleiden, die naar ik u voorloog
op de oostkust van Australië zou plaats gehad hebben. Zoo leidde ik, nu
eens gevolgd dan weder voorafgegaan door mijn rooverbende, uw gezelschap
door de provincie Victoria. Mijn manschappen begingen aan de Camdenbrug
een noodelooze misdaad; want was de _Duncan_ aan de kust dan kon ze mij
niet ontgaan, en met dat jagt was ik meester op zee. Zoo voerde ik u,
zonder uw wantrouwen op te wekken, tot aan de Sneeuw-rivier. Paarden en
ossen werden één voor één met gastrolobium vergeven. Ik liet den wagen
wegzakken in de moerassen der Sneeuw-rivier. Op mijn aandringen.... Maar
gij weet het overige, mylord! en kunt er zeker van zijn, dat ik zonder
de verstrooidheid van mijnbeer Paganel thans het bevel zou voeren op de
_Duncan_. Ziedaar mijn geschiedenis, mylord! Mijne mededeelingen kunnen
u helaas! niet op het spoor van Harry Grant brengen, en gij ziet, dat
gij een slechten ruil gedaan hebt, door met mij te onderhandelen."

De bootsman zweeg, sloeg als naar gewoonte de armen over elkaar en
wachtte. Glenarvan en zijn vrienden bewaarden het stilzwijgen. Zij
gevoelden, dat die vreemde boosdoener de volle waarheid had gesproken.
De overrompeling der _Duncan_ was alleen mislukt door een omstandigheid
onafhankelijk van zijn wil. Zijn medepligtigen waren aan de oevers der
Twofold-baai gekomen, zooals het gevangenisbuis bewees, dat Glenarvan
had gevonden. Daar hadden zij naar het bevel van hun aanvoerder op het
jagt geloerd, en het wachten moede hadden zij zeker in de velden van
Nieuw-Zuid-Wales hun bedrijf van plunderaars en brandstichters weder
opgevat.

De majoor begon weder het verhoor om van de datums, die op de
_Britannia_ betrekking hadden, zeker te zijn.

"Dus," vroeg hij den bootsman, "zijt gij bepaald op den 8sten April 1862
op de westkust van Australië aan land gezet?"

"Juist," antwoordde Ayrton.

"En weet gij, welke voornemens Harry Grant toen had?"

"Ten naastebij."

"Spreek op, Ayrton!" zeide Glenarvan. "De geringste aanwijzing kan ons
op den weg brengen."

"Ik kan niets anders zeggen dan dit, mylord!" antwoordde de bootsman,
"Kapitein Grant was voornemens Nieuw-Zeeland te bezoeken. Dit gedeelte
van zijn reisplan nu is niet uitgevoerd, terwijl ik aan boord was. Het
zou dus niet onmogelijk zijn, dat de _Britannia_ na haar vertrek van
Callao Nieuw-Zeeland had aangedaan. Dat zou overeenkomen met den datum
van 27 Junij 1862, waarop, volgens het document, de driemaster
schipbreuk heeft geleden."

"Dat is zoo," zeide Paganel.

"Maar," hernam Glenarvan, "geen enkel woord, dat op het document bewaard
is gebleven, is op Nieuw-Zeeland toepasselijk."

"Daarop kan ik niet antwoorden," zeide de bootsman.

"Goed, Ayrton!" zeide nu Glenarvan. "Gij hebt uw woord gehouden, ik zal
het mijne houden. Wij zullen bepalen op welk eiland der Stille Zuidzee
gij aan land zult gezet worden."

"O, dat komt er niet op aan, mylord!" antwoordde Ayrton.

"Keer naar uw hut terug," zeide Glenarvan, "en wacht ons besluit af."

De bootsman ging heen onder geleide van twee matrozen.

"Die schurk had een man kunnen zijn," zeide de majoor.

"Ja!" antwoordde Glenarvan. "Het is een sterke en schrandere kerel!
Waarom heeft hij zijn vermogens misbruikt om kwaad te doen!"

"Maar Harry Grant?"

"Ik vrees zeer, dat hij reddeloos verloren is! Arme kinderen! wie zou
hun kunnen zeggen waar hun vader is?"

"Ik!" antwoordde Paganel. "Ja, ik!"

Het zal wel niemand ontgaan zijn, dat de anders zoo praatzieke en
ongeduldige aardrijkskundige naauwelijks een mond had opengedaan, zoo
lang het verhoor van Ayrton duurde. Hij luisterde met den mond digt.
Maar dat laatste woord, dat hij sprak, woog tegen vele andere op, en
deed Glenarvan driftig opspringen.

"Gij!" riep hij, "weet gij, Paganel! waar kapitein Grant is!"

"Ja, voor zooverre men dat althans weten kan," antwoordde de
aardrijkskundige.

"En door wien weet gij det?"

"Door dat eeuwige document."

"Zoo!" riep de majoor op een toon van volslagen ongeloof.

"Luister eerst, Mac Nabbs!" zeide Paganel, "later moogt gij de schouders
ophalen. Ik heb vroeger niet gesproken, omdat gij mij toch niet geloofd
zoudt hebben. Later was het onnoodig. Maar dat ik nu er toe besluit is,
omdat Ayrtons meening juist de mijne ondersteunt."

"Dus Nieuw-Zeeland?..." vroeg Glenarvan.

"Luistert en oordeelt," antwoordde Paganel. "Het is niet zonder reden,
of liever het is niet zonder "eene reden," dat ik de dwaling beging, die
ons gered heeft. Toen ik dien brief schreef, welken Glenarvan mij
voorzeide, maalde het woord "Zeeland" mij door het hoofd. Ziehier
waarom. Gij herinnert u, dat wij in den wagen waren. Mac Nabbs had aan
lady Helena de geschiedenis der roovers verteld; hij had haar het nummer
der _Australische en Nieuw-Zeelandsche courant_ ter hand gesteld, die
het verhaal bevatte van de ramp aan de Camdenbrug. Terwijl ik schreef,
lag het dagblad op den grond, zoo gevouwen, dat er maar twee
lettergrepen van den titel zigtbaar waren. Die twee lettergrepen waren
_aland_. Daar ging een licht voor mij op! _Aland_ was juist een woord
uit het engelsche document, een woord, dat wij altijd vertaald hadden
door _aan land_, en dat de uitgang zijn moest van den eigennaam
_Zealand_."

"Wat ge zegt!" riep Glenarvan.

"Ja!" hernam Paganel innig overtuigd, "die uitlegging was mij ontgaan,
en weet gij waarom? omdat mijn onderzoek natuurlijk het fransche
document betrof, dat vollediger is dan de andere, en waarin dit
belangrijke woord ontbreekt."

"Ho! ho!" zeide de majoor, "nu gaat uw verbeeldingskracht wat te ver,
Paganel! en vergeet gij al te gemakkelijk uw vroegere afleidingen."

"Ga voort, majoor! ik ben bereid u te antwoorden."

"Waar blijft dan uw woord _austra_?" hernam Mac Nabbs.

"Dat verandert niet. Het beteekent eenvoudig de zuidelijke streken."

"Goed. En die lettergreep _indi_, die eerst de wortel van _indianen_ en
later de wortel van _inboorlingen_ geweest is?"

"Welnu! voor de derde en laatste maal," antwoordde Paganel, "zal zij de
eerste lettergreep zijn van het woord _indigence_ (nood)!"

"En _contin_!" riep Mac Nabbs, "beteekent dat nog _continent_
(vastland)?"

"Neen! omdat Nieuw-Zeeland maar een eiland is."

"Bij gevolg?..." vroeg Mac Nabbs.

"Waarde lord!" antwoordde Paganel, "ik zal het document vertalen volgens
mijn derde uitlegging, dan kunt gij oordeelen. Maar twee opmerkingen
vooraf: 1°. vergeet zooveel mogelijk de vroegere uitleggingen en maakt
uw geest los van elke vroeger opgevatte meening; 2°. sommige gedeelten
zult gij "gewrongen" vinden, en het is mogelijk, dat ik ze slecht
vertaal; maar zij zijn van geen belang, onder anderen het woord
_agonie_, waarmee ik verlegen zit, maar dat ik niet anders verklaren
kan. Ook is het 't fransche document, dat tot grondslag dient voor mijn
vertolking, en vergeet niet, dat het door een Engelschman is geschreven,
die welligt niet goed bekend was met het fransche taaleigen. Na deze
voorafspraak begin ik."

En Paganel las langzaam en met nadruk het volgende:

"Den 27 _Junij_ 1864 is de _driemaster Britannia_, van _Glasgow_, na een
langen _doodstrijd_ in de _zuidelijke_ zeeën op de kusten van
Nieuw-_Zeeland vergaan_,--in het engelsch _Zealand.--Twee matrozen_ en
de _kapitein Grant_ zijn _aan land_ gespoeld. Daar, _steeds_ ter _pr_ooi
aan een _nijpenden nood_, hebben zij _dit document_ in zee _geworpen_ op
... _lengte en_ 37°11' _breedte. Komt hun te_ hulp of zij zijn
_verloren_."

Paganel zweeg. Zijn vertaling was aannemelijk. Maar juist omdat zij even
waarschijnlijk scheen als de vorige, kon zij ook verkeerd wezen.
Glenarvan en de majoor legden er dus niets tegen in. Daar echter het
spoor der _Britannia_ evenmin teruggevonden was op de kust van Patagonië
als op die van Australië, ter plaatse waar de zeven en dertigste graad
die twee landen snijdt, waren de kansen voor Nieuw-Zeeland gunstig.

Deze opmerking, welke Paganel maakte, trof vooral zijn vrienden.

"Zeg mij nu eens, Paganel!" sprak Glenarvan, "waarom gij deze verklaring
omtrent twee maanden voor u hebt gehouden?"

"Omdat ik u met geen ijdele hoop vleijen wilde. Ook gingen wij naar
Auckland, dat juist op de breedte ligt, welke het document aangeeft."

"Maar waarom hebt gij later niet gesproken, toen wij van dien weg
afgeraakt waren?"

"Omdat die vertolking, hoe juist zij ook moge zijn, niets kan bijdragen
tot redding van den kapitein."

"Om welke reden, Paganel?"

"Omdat, aangenomen dat kapitein Harry Grant op Nieuw-Zeeland gestrand
is, hij na de schipbreuk of door de handen der Zeelanders omgekomen is,
omdat hij in het tijdsverloop van twee jaren nog niet is komen opdagen."

"Dus houdt gij het er voor?..." vroeg Glenarvan.

"Dat men misschien eenige wrakken van de schipbreuk zou kunnen
terugvinden; maar dat de schipbreukelingen der _Britannia_
onherroepelijk verloren zijn!"

"Zwijgt over dit alles, vrienden!" zeide Glenarvan, "en laat mij het
oogenblik kiezen om deze treurige tijding aan de kinderen van kapitein
Grant mede te doelen!"



XX.

Een kreet in den nacht.


Weldra was het ruchtbaar onder het scheepsvolk, dat het geheim van het
verblijf van kapitein Grant niet opgehelderd was door de mededeelingen
van Ayrton. Er heerschte een diepe verslagenheid aan boord; want men had
op den bootsman gerekend, en de bootsman wist niets, dat de _Duncan_ op
het spoor der _Britannia_ had kunnen brengen.

Het jagt stevende dus in dezelfde rigting voort. Alleen moest nog het
eiland uitgekozen worden, dat voortaan het verblijf van Ayrton zijn zou.

Paganel en John Mangles gingen de scheepskaarten na. Op zeven en dertig
graden breedte troffen zij juist een eenzaam eilandje aan, bekend onder
den naam van Maria Theresa, een verlaten rots in het midden der Stille
Zuidzee, drie duizend vijf honderd mijlen van de amerikaansche kust en
vijftien honderd van Nieuw-Zeeland gelegen. Ten noorden was het naaste
land de Pomotoe-eilanden, onder fransche bescherming staande. Ten zuiden
lag niets dan de onbewegelijk vaste ijsbanken aan de zuidpool. Geen
enkel schip deed ooit dat eenzame eiland aan. Geen berigt ter wereld
drong ooit zoo ver door. Alleen de stormvogels rustten er op hun lange
togten uit, en vele kaarten vermeldden die rots niet eens, waartegen de
golven der Zuidzee klotsen.

Wanneer er ergens een volstrekte afzondering op aarde te vinden is, dan
moest het wel op dat eiland zijn, dat zoover buiten de wegen ligt, die
de menschen bezoeken. Men gaf Ayrton hiervan kennis. Ayrton bewilligde
er in om daar ver van de menschen verwijderd te leven, en de steven werd
naar Maria Theresa gerigt. Thans zou een zuiver regte lijn door de as
der _Duncan_, het eiland en de baai van Talcahuano gegaan zijn.

Twee dagen later, ten twee ure, seinde de uitkijk land aan den
gezigteinder. Het was Maria Theresa, dat in de lengte uitgestrekt en zoo
laag, dat het naauwelijks boven water uitstak, veel had van een
ontzaggelijken walvisch. Dertig mijlen scheidden het nog van het jagt,
welks steven de golven kliefde met een vaart van zestien knoopen in het
uur.

Langzamerhand werd het eilandje duidelijker zigtbaar. De zon, die naar
het westen neigde, bescheen het helder, waardoor het een onregelmatige
schaduw wierp. Eenige lage toppen vertoonden zich hier en daar, naarmate
de stralen der dagvorstin er op vielen.

Ten vijf ure meende Mangles een ligten rook te bespeuren, die omhoog
steeg.

"Is dat een vulkaan?" vroeg hij aan Paganel, die met den kijker voor de
oogen dat nieuwe land beschouwde.

"Ik weet niet, wat ik er van denken moet," antwoordde de
aardrijkskundige. "Maria Therera is een weinig bekende plek. Echter zou
het niet te verwonderen zijn, wanneer het zijn ontstaan te danken had
aan een opheffing van den zeebodem en het bijgevolg vulkanisch was."

"Maar," zeide Glenarvan, "wanneer een uitbarsting het heeft
voortgebragt, staat het dan niet te vreezen, dat een uitbarsting het ook
weer vernietigt?"

"Dat is niet zeer waarschijnlijk," antwoordde Paganel. "Sedert eenwen is
men reeds met zijn bestaan bekend, en dat is een waarborg. Wanneer een
nieuw eiland, bij voorbeeld het eiland Julia, uit de Middellandsche zee
oprees, bleef het niet lang boven water en verdween weinige maanden na
zijn ontstaan."

"Goed," zeide Glenarvan. "Denkt gij, dat wij voor den nacht aan wal
kunnen gaan, John?"

"Neen, Uwe Edelheid! Ik mag de _Duncan_ niet in de duisternis op een mij
onbekende kust wagen. Ik zal zachtjes aan op en neer blijven houden, en
morgen zenden wij met het krieken van den dag een boot naar den wal."

's Avonds ten acht ure scheen Maria Theresa, hoewel op vijf mijlen onder
den wind, nog maar een lange, pas zigtbare schaduw. De _Duncan_ kwam
steeds nader.

Ten negen ure verdreef een vrij helder schijnsel, een vuur, de
duisternis. Het bleef op dezelfde plaats en brandde voort.

"Daaruit zou haast volgen, dat het een vuurspuwende berg is," zeide
Paganel, die het aandachtig gadesloeg.

"Maar dan moesten wij," antwoordde John Mangles, "op dezen afstand het
leven hooren, dat altijd met een uitbarsting gepaard gaat, en de
oostewind voert niet het minste geraas naar ons toe."

"Inderdaad," zeide Paganel, "die vulkaan flikkert maar spreekt niet. Ook
zou men zeggen, dat hij tusschenpoozen heeft gelijk een draailicht.

"Gij hebt gelijk," hernam John Mangles, "en toch zijn het geen
vuurtorens op deze kust. Ha!" riep hij uit, "weer een licht! En nu op
het strand! Zie eens! Het beweegt zich! het verandert van plaats!"

John bedroog zich niet. Er was een nieuw vuur bijgekomen, dat soms
scheen uit te gaan en dan weer aanwakkerde.

"Is het eiland dan bewoond?" vroeg Glenarvan.

"Zeker door wilden," antwoordde Paganel.

"Maar dan kunnen wij den bootsman hier niet afzetten."

"Neen!" antwoordde de majoor; "dat zou een al te leelijk geschenk zijn,
zelfs voor wilden."

"Wij zullen een ander onbewoond eiland zoeken," zeide Glenarvan, die een
glimlach niet kon onderdrukken over "de teerhartigheid" van Mac Nabbs.
"Ik heb beloofd, dat Ayrtons leven zou gespaard worden, en wil mijn
belofte houden."

"Wij moeten althans op onze hoede zijn," voegde Paganel er bij. "De
Zeelanders hebben de barbaarsche gewoonte de schepen in den val te
lokken met beweegbare vuren, evenals voorheen de bewoners van
Cornwallis. De inlanders op Maria Theresa kennen misschien ook dat
kunstje."

"Houd een streek af!" beval John den matroos aan het roer. "Zoodra
morgen de zon opgaat, zullen wij de zaak onderzoeken."

Ten elf ure keerden de passagiers en John Mangles in hun hutten terug.
Op het voorschip ging de wacht op en neer. Op het achterschip was alleen
de roerganger op zijn post.

Nu beklommen Mary Grant en Robert de kampanje.

Over het hek leunende zagen de beide kinderen van den kapitein bedroefd
naar de lichtgevende zee en het fonkelende zog der _Duncan_. Mary dacht
aan de toekomst van Robert; Robert dacht aan de toekomst zijner zuster.
Beiden dachten aan hun vader. Leefde die aangebeden vader nog? moest men
de hoop opgeven?... Maar neen, wat zou het leven zijn zonder hem? Wat
zou er van hen geworden zijn zonder lord Glenarvan, zonder lady Helena?

De knaap, door den tegenspoed gerijpt, giste welke gedachten zijn zuster
verontrustten. Hij legde haar hand in de zijne.

"Mary!" zoo sprak hij haar aan, "wij moeten nooit wanhopen. Herinner u
de lessen, die vader ons gaf: "De moed vervangt op aarde alles," zeide
hij. Laten wij dan ook dien onwankelbaren moed hebben, die hem boven
alles verheven maakte. Tot nog toe hebt gij voor mij gewerkt,
zusterlief! ik wil op mijn beurt voor u werken."

"Lieve Robert!" antwoordde het meisje.

"Ik moet u wat zeggen," hernam Robert. "Maar zult gij niet boos worden,
Mary?"

"Waarom zou ik boos worden, lieve?"

"En solt gij mij laten begaan?"

"Wat bedoelt gij?" vroeg Mary angstig.

"Zuster! Ik wil zeeman worden...."

"Wilt gij mij verlaten, Robert!" riep het meisje, terwijl zij de hand
haars broeders drukte.

"Ja, zuster! ik wil zeeman worden zooals vader, zeeman zooals kapitein
John! Mary! lieve Mary! kapitein John heeft nog niet alle hoop verloren!
Gij zult evenveel vertrouwen stellen in zijn verkleefdheid als ik! Hij
heeft mij beloofd van mij een goed, misschien een groot zeeman te maken,
en dan gaan wij vader samen zoeken! Zeg, dat gij het goed vindt, zuster!
Wat vader voor ons gedaan zou hebben, zijn wij, ik ten minste, verpligt
voor hem te doen! Mijn leven is geheel aan een doel gewijd: hem, die ons
nooit een van beiden verlaten zou hebben, te zoeken, altijd te zoeken!
Lieve Mary! wat was vader toch goed!"

"En zoo edelaardig, zoo grootmoedig!" hernam Mary. "Weet gij, Robert!
dat ons land reeds roem op hem droeg en hem onder zijn groote mannen zou
gesteld hebben, indien het lot hem niet in zijn voortgang had gestuit?"

"Of ik het weet!" zeide Robert.

Mary Grant drukte Robert aan haar hart. De knaap voelde haar tranen over
zijn voorhoofd vloeijen.

"Mary! Mary!" riep hij uit, "of onze vrienden zwijgen of spreken, ik
hoop nog en zal altijd hopen! Een man zooals vader sterft niet voor hij
zijn taak heeft volbragt!"

Mary Grant kon niet spreken. Tranen verstikten haar stem. Duizenderlei
gevoelens kruisten elkander in haar ziel bij de gedachte, dat er nieuwe
pogingen gedaan zouden worden om Harry Grant terug te vinden, en dat de
verknochtheid van den jongen kapitein grenzeloos was!

"Hoopt mijnheer John nog altijd?" vroeg zij.

"Ja!" antwoordde Robert. "Hij is een broeder, die ons nooit zal
verlaten. Ik zal zeeman worden, niet waar, zuster? een zeeman, om vader
met hem te zoeken! Wilt gij dat wel!"

"Of ik het wil!" antwoordde Mary. "Maar scheiden!" mompelde het meisje.

"Gij zult niet alleen zijn, Mary! Dat weet ik! Vriend John heeft het mij
gezegd. Mevrouw Helena zal u niet laten vertrekken. Gij zijt een vrouw;
dus kunt en moet gij haar weldaden aannemen. Ze te weigeren zou
ondankbaarheid wezen! Maar een man, dat heeft vader mij honderdmaal
gezegd, een man moet zich door de wereld heenslaan!"

"Maar hoe zal het dan met ons lief huis te Dundee gaan, waaraan zooveel
herinneringen verbonden zijn?"

"Dat houden we, zusje! Dat alles is geschikt en goed geschikt ook door
vriend John en ook door lord Glenarvan. Hij zal u op het kasteel Malcolm
houden, alsof gij zijn dochter waart! Dat heeft de lord aan vriend John
gezegd, en vriend John heeft het mij verteld. Daar zult gij te huis
zijn, en iemand hebben om over vader te spreken, in afwachting dat John
en ik hem eens terugbrengen! Ach! wat een blijde dag zal dat zijn!" riep
Robert, wiens gelaat van geestdrift blonk.

"Mijn broeder! mijn jongen!" antwoordde Mary, "wat zou vader gelukkig
zijn, als hij u hooren kon! Wat gelijkt gij toch, lieve Robert! op dien
teergeliefden vader! Wanneer gij een man zijt, zult gij even zoo zijn
als hij!"

"Dat geve God, Mary!" zeide Robert, die schaamrood werd van heiligen en
kinderlijken trots.

"Maar hoe zullen wij onze schuld jegens lord en lady Glenarvan voldoen?"
hernam Mary Grant.

"O, dat zal niet moeijelijk vallen!" riep Robert in zijn kinderlijk
vertrouwen. "Men bemint ze, men eert ze, dat vertelt men hun, men
omhelst ze teeder, en bij de eerste gelegenheid de beste laat men zich
voor hen doodschieten!"

"Leef liever voor hen!" riep het meisje, terwijl zij het voorhoofd haars
broeders met kussen bedekte. "Dat zullen zij liever hebben--en ik ook!"

In gepeins verzonken keken de twee kinderen van den kapitein elkander
zwijgend aan bij het flaauwe licht der sterren. In gedachten spraken,
vroegen en antwoordden zij elkander toch nog. De kalme zee golfde zacht,
en de schroef deed de lichtende golven uiteenspatten.

Nu had er iets vreemds en inderdaad bovennatuurlijks plaats. Broeder en
zuster ondervonden door die aantrekkingskracht, die op geheimzinnige
wijze de zielen met elkander verbindt, tegelijk en op eens hetzelfde
zinsbedrog.

Mary en Robert verbeeldden zich uit die afwisselend donkere en
schitterende golven een stem te hooren opgaan, wier doffe en klagende
toon al de vezelen van hun hart deed trillen.

"Help! help!" riep die stem.

"Hebt gij het gehoord?" zeide Robert, "gij hebt het gehoord!"

En over de verschansing leunende zagen beiden zoekend rond in den
duisteren nacht.

Maar zij zagen niet dan de eindeloose schaduw, die zich voor hen
uitstrekte.

"Robert!" zeide Mary, bleek van ontsteltenis, "ik heb gemeend.... Ja, ik
heb gemeend evenals gij.... Wij hebben beiden de koorts, beste
Robert!..."

Maar daar trof een nieuw geroep hun oor, en thans was de begoocheling
zoo sterk, dat beiden te gelijk uitriepen:

"Vader! vader!..."

Dat was te veel voor Mary Grant. Door de aandoening geschokt, viel zij
bewusteloos in Roberts armen.

"Help!" riep Robert. "Zuster! vader! help!"

De man aan het roer kwam aanloopen om het meisje op te helpen. De
wachthebbende matrozen kwamen erbij, vervolgens John Mangles, lady
Helena en Glenarvan, die verschrikt ontwaakt waren.

"Mijn zuster sterft en daar is vader!" riep Robert op de golven
wijzende.

Men begreep niets van hetgeen hij zeide.

"Zeker!" herhaalde hij. "Daar is vader! Ik heb vaders stem gehoord! Mary
heeft ze ook gehoord!"

Mary, die weer bijgekomen was, riep nu ook radeloos en waanzinnig uit:

"Vader! daar is vader!"

Het ongelukkige meisje stond op, bukte over de leuning en wilde in zee
springen.

"Mylord! mevrouw Helena!" herhaalde zij met gevouwen handen, "ik zeg u
dat vader daar is! Ik verzeker u, dat ik zijn stem uit de golven heb
hooren opstijgen als een jammerklagt, als een laatst vaarwel!"

Nu overvielen het arme kind weder kramp en stuiptrekkingen. Zij sloeg
wild in het rond. Zij moest naar haar hut worden gebragt, en lady Helena
volgde haar om haar te verplegen, terwijl Robert altijd maar riep:

"Vader! daar is vader! Ik ben er zeker van, mylord!"

De getuigen van dit droevig tooneel begrepen eindelijk, dat de twee
kinderen van den kapitein de speelbal waren geweest van een
verstandsverbijstering. Maar hoe kon men hun zoo fel geschokte zinnen
weder tot rust brengen?

Glenarvan beproefde het echter. Hij vatte Robert bij de hand en zeide:

"Hebt gij uwe vaders stem gehoord, beste jongen?"

"Ja, mylord! Daar, in het midden der golven! Hij riep: Help! help!"

"En hebt gij die stem herkend?"

"Dat zou ik denken, mylord! O, ja! ik zweer het u! Mijn zuster heeft ze
ook gehoord, ook herkend evenals ik! Hoe kunt gij zeggen, dat wij ons
beiden bedrogen hebben? Mylord! laat ons vader gaan helpen! Een boot!
een boot!"

Glenarvan zag wel, dat hij het den armen knaap niet uit het hoofd kon
praten. Toch deed hij nog een laatste poging en riep den man aan het
roer.

"Hawkins!" vroeg hij hem, "stondt gij aan het roer, toen miss Mary dat
vreemde toeval kreeg?"

"Ja, Uwe Edelheid!" antwoordde Hawkins.

"En hebt gij niets gezien, niets gehoord?"

"Niets."

"Gij ziet het, Robert!"

"Als het de vader van Hawkins geweest was," antwoordde de knaap met
ontembaar vuur, "zou Hawkins niet zeggen, dat hij niets gehoord had. Het
was mijn vader, mylord! mijn vader! mijn vader!..."

Roberts stem werd door snikken gesmoord. Ook hij viel bleek en
sprakeloos in zwijm.

Glenarvan liet Robert in zijn bed leggen, waar het kind, door aandoening
uitgeput, in een diepe sluimering verzonk.

"Arme weezen!" zeide John Mangles, "God beproeft ben vreeselijk!"

"Ja!" antwoordde Glenarvan, "de overmaat van smart zal bij beiden op
hetzelfde oogenblik een gelijke verstandsverbijstering teweeg gebragt
hebben."

"Bij beiden?" mompelde Paganel, "dat is vreemd! De zuivere wetenschap
zou dat niet erkennen."

Vervolgens bukte Paganel op zijn beurt over de verschansing, en
luisterde scherp toe, na allen een teeken gegeven te hebben om te
zwijgen.

In het rond heerschte een ongestoorde stilte. Paganel praaide met luider
stem. Hij kreeg geen antwoord.

"Dat is vreemd!" herhaalde de aardrijkskundige, terwijl hij naar zijn
hut ging. "Een innige overeenstemming van gevoelens en smarten is niet
voldoende om een natuurverschijnsel te verklaren!"

Den volgenden morgen, den 8sten Maart, waren ten vijf ure, toen de zon
opging, al de passagiers, ook Robert en Mary, die men niet had kunnen
tegenhouden, op het dek van de _Duncan_ bijeen. Ieder wilde dat land
onderzoeken, dat men den vorigen dag maar even gezien had.

De kijkers werden nieuwsgierig op de voornaamste punten des eilands
gerigt. Het jagt stevende er op een mijl afstands langs. De geringste
bijzonderheden waren zigtbaar.

Daar slaakte Robert op eens een kreet. De knaap beweerde twee mannen te
zien heen en weer loopen en wenken, terwijl een derde een vlag zwaaide.

"De engelsche vlag!" riep John Mangles, die zijn kijker had genomen.

"Dat is waar!" riep Paganel zich driftig naar Robert wendende.

"Mylord!" zeide Robert bevend van aandoening, "mylord! indien gij niet
wilt, dat ik naar het eiland zwem, zult gij een boot laten uitzetten.
Ach, mylord! ik smeek u op mijn knieën, laat ik de eerste zijn, die aan
land stap."

Niemand op het schip durfde spreken. Hoe! op dit eilandje onder dien
zeven en dertigsten graad, drie mannen, schipbreukelingen, Engelschen!
En elk herinnerde zich het gebeurde op den vorigen avond en die stem,
welke Robert en Mary 's nachts gehoord hadden!... Hadden de kinderen
zich misschien maar in één opzigt vergist? hadden zij werkelijk een stem
gehoord, maar kon het de stem huns vaders zijn? neen, duizendmaal neen,
helaas! En allen dachten aan de vreeselijke teleurstelling, die hen
wachtte, vreesden, dat die nieuwe beproeving hun krachten zou te boven
gaan! maar hoe hen te weerhouden? Lord Glenarvan had er den moed niet
toe.

"In de boot!" beval hij.

In een minuut was de boot in zee. De twee kinderen van den kapitein,
Glenarvan, John Mangles en Paganel stapten er in, en ze stak snel van
boord door zes matrozen voortbewogen, die hard roeiden.

Tien vademen van den oever af uitte Mary een hartverscheurenden kreet:

"Vader!"

Op de kust stond iemand tusschen twee andere mannen in. Zijn groote en
sterke gestalte, zijn tegelijk zachtmoedig en vermetel gelaat, een
duidelijk mengsel van de trekken van Mary en Robert Grant, bewezen
genoeg, dat hij de man zijn moest, dien de twee kinderen zoo dikwijls
hadden afgeschilderd. Hun hart had hen niet bedrogen! Het was hun vader,
het was kapitein Grant.

De kapitein hoorde den uitroep van Mary, breidde de armen uit en viel
als door den bliksem getroffen op het zand.



XXI.

Het eiland Tabor.


Men sterft niet van vreugde; want vader en kinderen waren reeds
bijgekomen, nog voor men hen op het jagt had opgenomen. Wie zou dat
tooneel kunnen schetsen? Woorden zijn daartoe onvermogend. De geheele
bemanning weende op het gezigt dier drie wezens, die elkander sprakeloos
omhelsden.

Zoodra Harry Grant het dek betrad, boog hij zijn knie. De vrome Schot
wilde, nu hij als het ware op vaderlandschen bodem stond, voor alles God
voor zijn verlossing danken.

Daarop wendde hij zich tot lady Helena, tot lord Glenarvan en allen, die
hem omringden, om hen met een door aandoening gesmoorde stem te danken.
In weinige woorden hadden zijn kinderen hem op den korten togt van het
eiland naar het jagt de geheele geschiedenis der _Duncan_ verhaald.

Welk een ontzettende schuld had hij aangegaan jegens die edele vrouw en
haar reisgenooten! Hadden niet allen, van lord Glenarvan af tot den
geringsten matroos toe, voor hem gestreden en geleden? Harry Grant uitte
de gevoelens van dankbaarheid, waarmede zijn hart vervuld was, met
zooveel eenvoudigheid en zielegrootheid; zijn mannelijk gelaat toonde
zulk een zuivere en zachte ontroering, dat de geheele bemanning zich
ruimschoots beloond achtte voor het doorgestane lijden. Zelfs in het oog
van den koelen majoor welde een traan, dien hij niet kon wegdringen. En
de waardige Paganel weende als een kind, dat er niet eens aan denkt om
zijn tranen te verbergen.

Harry Grant werd niet moede zijn dochter aan te zien. Hij vond haar
schoon, bekoorlijk! hij zeide het haar en herhaalde het luide, tevens
lady Helena tot getuige nemende, als om zich te verzekeren, dat zijn
vaderliefde hem niet misleidde. Daarop rigtte hij zich tot zijn zoon en
riep verrukt uit:

"Wat is hij gegroeid! Hij is een heele kerel geworden!"

En hij deelde aan die twee dierbare wezens mildelijk de duizend kussen
uit, die een afzijn van twee jaren in zijn hart had opgehoopt.

Robert stelde hem één voor één al zijn vrienden voor, en wist telkens
zijn uitdrukkingen af te wisselen, hoewel hij van allen hetzelfde te
zeggen had! Want de een zoowel als de andere, allen waren goed geweest
voor de twee weezen. Toen de beurt aan John Mangles kwam om voorgesteld
te worden, bloosde de kapitein als een meisje, en zijn stem beefde, toen
hij den vader van Mary beantwoordde.

Lady Helena vertelde nu aan kapitein Grant de geheele reis en maakte hem
trotsch op zijn zoon, trotsch op zijn dochter.

Harry Grant vernam de moedige daden van den jongen held, en hoe dit kind
reeds een gedeelte der vaderlijke schuld bij lord Glenarvan had
afbetaald. John Mangles sprak op zijn beurt over Mary op zulk een wijze,
dat Harry Grant, die reeds van lady Helena vernomen had, hoe de zaken
stonden, de band zijner dochter in de forsche hand van den jeugdigen
kapitein legde, en zich tot lord en lady Glenarvan wendde met de
woorden:

"Mylord! en gij, mevrouw! laten wij onze kinderen zegenen!"

Toen alles wel voor de duizendste maal verteld was, deelde Glenarvan aan
Harry Grant de geheele toedragt van het gebeurde met Ayrton mede. Grant
bevestigde de bekentenis van den bootsman betreffende diens ontscheping
op de australische kust.

"Het is een schrandere en vermetele kerel," voegde hij er bij, "dien
zijn hartstogten op een verkeerden weg hebben gebragt. Mogten nadenken
en berouw hem tot betere inzigten leiden!"

Maar voor Ayrton naar het eiland Tabor werd overgebragt, wilde Harry
Grant de eer zijner rots bij zijn nieuwe vrienden ophouden. Hij noodigde
hen uit om zijn houten huis te bezoeken en zich neer te zetten aan de
tafel van den oceanischen Robinson.

Glenarvan en zijn gasten namen dit verzoek bereidwillig aan. Robert en
Mary Grant brandden van begeerte om die eenzame plekken te zien, waar de
kapitein hen zoo menigmaal had beschreid.

Er werd een boot bemand, en de vader, de twee kinderen, lord en lady
Glenarvan, de majoor, John Mangles en Paganel landden weldra op de kust
des eilands.

In eenige uren had men het geheele gebied van Harry Grant doorkruist.
Het was eigenlijk slechts de kruin van een klip, een vlak, bezaaid met
basaltblokken en vulkanische uitwerpselen. Bij de wording der aarde was
die berg door de werking van het onderaardsche vuur langzaam opgerezen
uit de afgronden van de Stille Zuidzee; maar sedert eeuwen reeds was de
vulkaan een rustige berg en zijn gedempte krater een door de golven
bespoeld eiland geworden. Daarop ontstond er teelaarde; het plantenrijk
maakte zich van dien nieuwen bodem meester; eenige walvischvaarders
bragten er zeker huisdieren, geiten en varkens die in verwilderden
toestand vermenigvuldigden, en de natuur werd door haar drie rijken
vertegenwoordigd op dit eenzame eiland in het midden van den oceaan.

Toen de schipbreukelingen der _Britannia_ er een toevlugtsoord hadden
gevonden, bragt de hand des menschen orde en regelmaat in de pogingen
der natuur. In derdehalf jaar veroorzaakten Harry Grant en zijn matrozen
een geheele omkeering op hun eiland. Verscheidene zorgvuldig bebouwde
akkers land bragten uitstekende groenten voort.

De bezoekers bereikten het door groene gomboomen beschaduwde huis; voor
zijn vensters lag de prachtige zee, die in de stralen der zon
schitterde. Harry Grant liet de tafel aanrigten in de schaduw der
schoone boomen en allen plaatsten zich er om heen. Een geitebout,
nardoibrood, melkspijs, twee of drie schotels wilde chicorei, zuiver en
frisch water, ziedaar de geregten, waaruit dit eenvoudige echt
herderlijk maal bestond.

Paganel was in de wolken. Zijn oude voorliefde om den Robinson te spelen
kwam weer bij hem boven.

"Die schurk van een Ayrton zal niet te beklagen zijn!" riep hij in
vervoering uit. "Dit eilandje is een paradijs."

"Ja!" antwoordde Harry Grant, "een paradijs voor drie arme
schipbreukelingen, die de Hemel er in het leven houdt! maar het spijt
mij, dat Maria Theresa niet een groot en vruchtbaar eiland is, met een
rivier in plaats van een beek, en een haven in plaats van een inham, aan
de zeewinden blootgesteld."

"En waarom, kapitein?" vroeg Glenarvan.

"Omdat ik er dan de volkplanting zou aangelegd hebben, waarmede ik
Schotland in de Stille Zuidzee wil begiftigen."

"Ha, kapitein Grant!" zeide Glenarvan, "hebt gij dan bet denkbeeld niet
opgegeven, dat u zoo geliefd heeft gemaakt in ons Oud-Schotland?"

"Neen, mylord! en God heeft mij door uwe hand alleen gered om mij
gelegenheid te geven het uit te voeren. Onze arme broederen in
Caledonië, allen die lijden, moeten op een nieuwen grond een
schuilplaats vinden tegen de ellende! Ons dierbaar vaderland moet in
deze zeeën een eigene kolonie bezitten, die het alleen toebehoort, waar
het die onafhankelijkheid en die welvaart, welke het in Europa mist,
eenigzins terugvindt!"

"Dat is goed gezegd, kapitein Grant!" antwoordde lady Helena. "Het is
een mooi plan en een groot hart waardig! Maar dit eilandje?..."

"Neen, mevrouw! het is een rots, die hoogstens goed is om eenige
kolonisten te voeden, terwijl wij een groot land noodig hebben, dat nog
in het volle bezit zijner natuurschatten is!"

"Welnu, kapitein!" riep Glenarvan "de toekomst behoort ons, en dat land
zullen wij zamen zoeken!"

Harry Grant en Glenarvan wisselden een warmen handdruk, als om die
belofte te bezegelen.

Nu wilden allen nog op dit eiland, in dit nederige huis de geschiedenis
van de schipbreukelingen der _Britannia_ gedurende die twee lange jaren
van verlatenheid hooren.

Harry Grant haastte zich om aan het verlangen zijner nieuwe vrienden te
voldoen en verhaalde het volgende:

"Mijn geschiedenis is die van alle Robinsons, welke op een eiland worden
geworpen, en die alleen op God en zichzelven kunnende rekenen, gevoelen,
dat zij verpligt zijn hun leven aan de elementen te betwisten.

"In den nacht van den 26sten op den 27sten Junij 1862 verging de
_Britannia_, door een zesdaagschen storm zwaar gehavend, op de rotsen
van Maria Theresa. De zee was hoogst onstuimig, redding onmogelijk, en
mijn geheele bemanning kwam ellendig om. Ik en mijn beide matrozen Bob
Learce en Joe Bell waren de eenigen, die na twintig vruchtelooze
pogingen de kust mogten bereiken!

"Het land, waar wij aanspoelden, was slechts een verlaten eilandje; twee
mijlen breed en vijf lang, met een dertigtal boomen in het midden,
eenige weiden en een bron van frisch water, die gelukkig nooit
uitdroogde. Met mijn twee matrozen alleen in dezen uithoek der aarde,
wanhoopte ik niet. Ik stelde mijn vertrouwen op God en maakte mij gereed
tot een hardnekkige worsteling. Bob en Joe, mijn wakkere deelgenooten in
het ongeluk, stonden mij krachtdadig bij.

"Wij begonnen, evenals de denkbeeldige Robinson van Daniel De Foe, ons
voorbeeld, met het hout, dat van het schip aan den wal dreef,
werktuigen, wat kruid, wapens en een zak kostbare zaden te verzamelen.
De eerste dagen waren moeijelijk; maar weldra voorzagen jagt en
vischvangst overvloedig in ons voedsel: want in het binnenland hielden
zich een menigte wilde geiten op en de kusten wemelden van zeedieren.
Langzamerhand rigtten wij ons behoorlijk in.

"Ik was naauwkeurig bekend met de ligging des eilands door mijn
instrumenten, die ik uit de schipbreuk gered had. Daaruit bleek het ons,
dat geen schepen hier zouden komen, en dat wij alleen door een
goddelijke bestiering gered konden worden. Ofschoon denkende aan
degenen, die mij dierbaar waren en die ik nooit terug meende te zien,
onderwierp ik mij moedig aan die beproeving, en dagelijks sloot ik den
naam mijner twee kinderen in mijn gebeden in.

"Intusschen werkten wij stevig door. Weldra waren verscheidene akkers
lands met de zaden der _Britannia_ bezaaid; aardappelen, chicorei en
zuring leverden ons een gezond voedsel; later nog andere groenten. Wij
vingen eenige geiten, die spoedig tam werden. Wij hadden melk en boter.
De nardoi, die in de uitgedroogde kreken groeide, verschafte ons een
vrij stevig brood, en de zorg voor onze ligchamelijke behoeften
verontrustte ons niet.

"Wij hadden van het wrak der _Britannia_ een houten huis gebouwd; het
werd met goedgeteerde zeilen belegd, en onder dat stevige dak verliep de
regentijd gelukkig. Daar werden heel wat plannen, heel wat droomen
besproken, waarvan de beste verwezenlijkt is!

"Eerst dacht ik er aan om de zee te trotseeren met een boot, van het
wrak van het schip gemaakt; maar vijftien honderd mijlen scheidden ons
van het naaste land, dat is te zeggen van de Pomotoe-eilanden. Geen boot
was tegen zulk een langen togt bestand. Ik zag er daarom van af en
wachtte mijn redding alleen nog van goddelijke tusschenkomst.

"Ach, lieve kinderen! hoe menigmaal hebben wij op de rotsen staande naar
schepen uitgezien! Zoo lang onze ballingschap duurde, vertoonden zich
maar twee of drie zeilen aan den gezigteinder, die terstond weder
verdwenen. Zoo verliepen derdehalf jaar. Wij hoopten niet meer, maar
wanhoopten nog niet.

"Gisteren eindelijk had ik den hoogsten top des eilands beklommen, toen
ik in het westen een ligten rook zag opstijgen. Hij werd al zwaarder.
Weldra ontwaarde mijn oog een schip. Het scheen op ons aan te houden.
Maar zou het dit eilandje niet vermijden, dat geen ankerplaats aanbood?

"Ach, welk een angstvolle dag! Het is te verwonderen dat mijn hart niet
in mijn borst verpletterd is! Mijn makkers legden een vuur aan op een
der rotstoppen van Maria Theresa. Het werd nacht, maar het jagt gaf geen
enkel bewijs, dat het ons had opgemerkt! Toch lag onze redding daar!
Zouden wij weder onze hoop zien verijdelen?"

"Ik aarzelde niet langer. De duisternis nam toe. Het vaartuig kon in den
nacht het eiland omvaren. Ik sprong in zee en zwom er heen. De hoop
verdriedubbelde mijne krachten. Met bovenmenschelijke inspanning kliefde
ik de golven! Ik naderde het jagt en was er nog maar dertig vademen van
af, toen het wendde!

"Toen hief ik dat noodgeschrei aan, dat mijn twee kinderen alleen konden
hooren, en dat geen inbeelding is geweest.

"Daarop kwam ik weer aan land, uitgeput en krachteloos door aandoening
en vermoeidheid. Mijn twee matrozen namen mij half dood op. Die laatste
nacht, welken wij op het eiland doorbragten, was allervreeselijkst, en
wij achtten ons reeds voor altijd verlaten, toen ik bij het aanbreken
van den dag het jagt langzaam op en neer zag stoomen. Uw boot werd
uitgezet.... Wij waren gered, en door Gods goedheid waren mijn kinderen
er bij, die mij de armen toestaken!"

Het slot van het verhaal van Harry Grant werd door de kussen en
liefkozingen van Mary en Robert telkens afgebroken. En nu eerst vernam
de kapitein, dat hij zijn redding te danken had aan het tamelijk
raadselachtig document, dat hij acht dagen na zijn schipbreuk in een
flesch gedaan en aan de genade der golven toevertrouwd had.

Maar wat dacht Paganel wel bij dat verhaal van kapitein Grant? De
waardige aardrijkskundige zette wel voor de duizendste maal de woorden
van bet document in gedachten om! Hij peinsde weder over die drie
opeenvolgende, alle drie valsche verklaringen! Hoe was het eiland Maria
Theresa dan toch aangeduid op die door het zeewater beschadigde
papieren?

Paganel kon het niet langer uithouden. Hij greep de hand van Harry Grant
en riep:

"Zeg mij toch eens, kapitein! wat er wel op uw onleesbaar papier stond?"

Door deze vraag van den aardrijkskundige werd de algemeene
nieuwsgierigheid opgewekt; want nu zou het raadsel, waartoe zij reeds
negen maanden lang den sleutel zoekten, opgelost worden!

"Welnu, kapitein!" vroeg Paganel, "herinnert gij u den juisten inhoud
van het document?"

"Zeker," antwoordde Harry Grant. "Geen dag verliep, zonder dat ik mij
die woorden te binnen bragt, waarop al onze hoop was gevestigd."

"En welke waren het, kapitein?" vroeg Glenarvan. "Spreek! want onze
eigenliefde is gekwetst."

"Ik ben gereed aan uw verlangen te voldoen," antwoordde Harry Grant;
"maar gij weet, dat ik om de kansen op redding te vermeerderen, drie
documenten in drie talen geschreven in de flesch heb gedaan. Welk
verlangt gij nu te kennen?"

"Zijn ze dan niet gelijkluidend?" riep Paganel.

"Ja, op éénen naam na."

"Welnu! zeg dan het fransche document op," hernam Glenarvan. "De golven
hebben dit het meest ontzien en daarom heeft het voornamelijk den
grondslag onzer uitleggingen uitgemaakt."

"Mylord! het luidde woordelijk als volgt:" antwoordde Harry Grant,

"Den 29sten Junij 1862 is de driemaster _Britannia_ van Glasgow vergaan
op vijftien honderd uren van Patagonië, op het zuidelijk halfrond. Aan
land gekomen, hebben twee matrozen en kapitein Grant bet eiland Tabor
bereikt...."

"Wat blieft!" riep Paganel.

"Daar," hernam Harry Grant, "hebben zij, steeds ter prooi aan vreeselijk
gebrek, dit document op 153° lengte en 37°11' breedte in zee geworpen.
Kom hun te hulp of zij zijn verloren".

Op dien naam Tabor was Paganel driftig opgerezen; vervolgens riep hij,
daar hij zich niet langer bedwingen kon:

"Hoe! het eiland Tabor! maar het is het eiland Maria Theresa!"

"Zeker, mijnheer Paganel!" antwoordde Harry Grant, "Maria Theresa op de
engelsche en duitsche kaarten, maar Tabor op de fransche!"

Nu kreeg Paganel zoo'n geduchten vuistslag op den schouder, dat hij
ineenkromp. De waarheid verpligt ons te zeggen, dat het de majoor was,
die, thans voor het eerst zijn ernst en gewone wellevendheid
verloochenende, hem zoo onzacht behandelde.

"Aardrijkskundige!" zeide Mac Nabbs op den toon der diepste verachting.

Maar Paganel had de hand van den majoor niet eens gevoeld. Wat
beteekende dat, vergeleken bij de schande, die hem als aardrijkskundige
trof!

Zoo was hij dan, gelijk hij aan kapitein Grant vertelde, langzamerhand
digter bij de waarheid gekomen! Hij had het onverklaarbare document
bijna geheel ontcijferd! Beurtelings waren de namen Patagonië,
Australië, Nieuw-Zeeland hem als ontwijfelbaar juist voorgekomen.
_Contin_, eerst _continent_ (vastland), had allengs zijn ware beteekenis
van _continuel_ (steeds) gekregen. _Indi_ had voor en na beteekend
_indiens_ (Indianen), _indigènes_ (inboorlingen), ten slotte _indigence_
(gebrek), zijn ware beteekenis. Alleen het beschadigde woord "abor" had
de scherpzinnigheid van den aardrijkskundige te schande gemaakt! Paganel
had er hardnekkig den stam van het werkwoord aborder (aanlanden) in
gezien, terwijl het de eigennaam, de fransche naam was van het eiland
Tabor, dat den schipbreukelingen der _Britannia_ tot verblijfplaats
strekte! Die dwaling was echter moeijelijk te vermijden; want de
engelsche kaarten van de _Duncan_ gaven aan dit eilandje den naam Maria
Theresa.

"Dat maakt niet uit!" riep Paganel, zich de haren uit het hoofd
trekkende, "ik had die dubbele benaming niet moeten vergeten! Dit is een
onvergefelijke fout, een ongehoorde dwaling voor een secretaris der
Maatschappij van aardrijkskunde! Ik ben onteerd."

"Matig toch uw droefheid, mijnheer Paganel!" zeide lady Helena.

"Neen, mevrouw! neen! ik ben een ezel!"

"Een geleerde ezel!" voegde de majoor er troostend bij.

Toen het maal afgeloopen was, bragt Harry Grant alles in zijn huis in
orde. Hij nam niets mee; hij wilde dat de schuldige de rijkdommen van
den braven man erven zou.

Men keerde naar boord terug. Glenarvan was voornemens nog dien dag te
vertrekken en gaf de noodige bevelen om den bootsman aan land te
brengen. Ayrton verscheen op de kampanje en stond voor Harry Grant.

"Ik ben het, Ayrton!" zeide Grant.

"Dat zie ik, kapitein!" antwoordde Ayrton zonder eenige verbazing aan
den dag te leggen over het wedervinden van Harry Grant. "Welnu! het doet
mij geen leed, dat ik u in welstand terugzie."

"Het schijnt, Ayrton! dat ik een fout heb begaan, toen ik u op een
bewoonde kust aan land zette."

"Dat schijnt zoo, kapitein!"

"Gij zult mij op dat onbewoonde eiland vervangen. Moge de hemel u tot
inkeer brengen!"

"Dat zij zoo!" antwoordde Ayrton bedaard.

Vervolgens sprak Glenarvan den bootsman aldus aan:

"Blijft gij bij uw verlangen, Ayrton! om aan wal te worden gebragt?"

"Ja, mylord!"

"Staat het eiland Tabor u aan?"

"Volmaakt."

"Luister dan naar mijn laatste woorden, Ayrton! Hier zult gij van de
geheele aarde afgezonderd en buiten aanraking zijn met uw medemenschen.
Wonderen zijn zeldzaam, en gij zult dit eilandje niet kunnen ontvlugten,
waar de _Duncan_ u achterlaat. Gij zult alleen zijn, onder het oog van
een God, die tot op den bodem des harten leest; maar gij zult niet
verloren noch onbekend zijn, zooals kapitein Grant was. Hoe zeer gij ook
onwaardig zijt, dat iemand aan u denkt, zullen de menschen u toch niet
vergeten. Ik weet waar gij zijt, Ayrton! Ik weet, waar ik u terugvinden
kan, ik zal u niet vergeten."

"God behoede Uwe Edelheid!" was alles wat Ayrton antwoordde.

Dat waren de laatste woorden, die tusschen Glenarvan en den bootsman
gewisseld warden. De boot was gereed. Ayrton stapte er in.

John Mangles had vooraf eenige kisten met verduurzaamde levensmiddelen,
kleederen, gereedschappen, wapens, kruid en lood naar het eiland laten
brengen. De bootsman kon dus door den arbeid herschapen worden, niets
ontbrak hem, zelfs geen boeken, o.a. de Bijbel, die zoo dierbaar is aan
de harten der Engelschen.

Het scheidensuur was geslagen. De bemanning en de passagiers stonden op
het dek. Meer dan één voelde zijn hart wegkrimpen. Mary Grant en lady
Helena konden haar aandoening niet verbergen.

"Is er niets aan te doen?" vroeg de jeugdige gade haren echtgenoot,
"moet die ongelukkige verstooten worden?"

"Er is niets aan te doen, Helena!" antwoordde lord Glenarvan. "Het is de
boete!"

Nu stak de boot af onder bevel van John Mangles. Ayrton stond, kalm als
altijd, overeind, nam den hoed af en groette deftig.

Glenarvan ontblootte met de geheele bemanning het hoofd, zooals men doet
voor een stervende, en de boot voer in diepe stilte weg.

Zoodra Ayrton aan wal kwam, sprong hij op het strand, en keerde de boot
naar het schip terug. Het was nu 's namiddags vier ure, en de passagiers
konden op de kampanje zien, dat de bootsman met over elkander geslagen
armen, zoo onbewegelijk als een standbeeld naar het schip staarde.

"Vertrekken wij, mylord?" vroeg John Mangles.

"Ja, John!" antwoordde Glenarvan, meer ontroerd dan hij wilde laten
blijken.

"Volle kracht!" beval John den machinist.

De stoom ontweek fluitend uit de stoompijp, de schroef beukte de golven,
en ten acht ure verdwenen de laatste toppen van het eiland Tabor in de
duisternis van den nacht.



XXII.

De laatste verstrooidheid van Jacques Paganel.


Elf dagen nadat zij van het eiland was vertrokken, den 18den Maart,
kreeg de _Duncan_ de amerikaansche kust in het gezigt, en den volgenden
dag liet ze het anker vallen in de baai van Talcahuano.

Zij kwam daar terug na een reis van vijf maanden, gedurende welke zij,
zonder afwijking den zeven en dertigsten breedtegraad volgende, de
wereld was rondgereisd. De ondernemers van dien gedenkwaardigen togt,
zonder wedergade in de jaarboeken der _Reizigers club_, hadden Chili, de
Pampa's, de Argentijnsche republiek, den Atlantischen oceaan, de
eilanden Tristan d'Acunha, de Indische zee, de eilanden Amsterdam,
Australië, Nieuw-Zeeland, het eiland Tabor en de Stille Zuidzee bereisd.
Hun pogen was niet ijdel geweest: zij bragten de schipbreukelingen der
_Britannia_ mede.

Niet een der wakkere Schotten, die op de stem van hun heer waren
vertrokken, ontbrak bij de oproeping, allen keerden in hun Oud-Schotland
terug, en deze reis had veel overeenkomst met den "tranenloozen" slag
der oude geschiedenis.

Zoodra de _Duncan_ nieuwen voorraad ingenomen had, stevende zij langs de
kusten van Patagonië, voer om kaap Hoorn en stak den Atlantischen oceaan
over.

Geen enkel meldenswaardig voorval had er op die reis plaats. Het jagt
bevatte een geheele lading geluk. Er bestond geen geheim meer aan boord,
niet eens de gevoelens, die John Mangles koesterde voor Mary Grant.

Ja toch, nog één. Mac Nabbs liep nog altijd met iets rond. Waarom hield
Paganel toch altijd zoo stijf zijn kleeren gesloten, en verborg hij neus
en ooren in een cache-nez? De majoor brandde van begeerte om de reden
van die zonderlinge handelwijze te kennen. Maar het moet gezegd worden,
Mac Nabbs mogt vragen, zinspelen, vermoedens koesteren, zooveel hij
wilde, Paganel knoopte zijn jas niet los.

Zelfs niet toen de _Duncan_ de linie passeerde en het pek tusschen de
naden van het dek smolt onder een warmte van vijftig graden.

"Hij is zoo verstrooid, dat hij zich verbeeldt te St. Petersburg te
zijn!" zeide de majoor, toen hij den aardrijkskundige zich in een ruimen
winterjas zag wikkelen, alsof het kwik in den thermometer bevroren was.

Den 9den Mei eindelijk, drie en vijftig dagen na het vertrek uit
Talcahuano, peilde John Mangles het kustlicht van kaap Clear. Het jagt
voer het St. George-kanaal in, de Iersche zee door, en liep den 10den
Mei de golf van Clyde binnen. Ten elf ure ankerde het te Dumbarton. 's
Namiddags ten twee ure deden de reizigers hun intogt in het kasteel
Malcolm onder het vreugdegejuich der Hooglanders.

Het stond dus geschreven, dat Harry Grant en zijn twee medgezellen gered
zouden worden, dat John Mangles met Mary Grant zou huwen in de oude
hoofdkerk van St. Mungo, waar de eerwaarde Paxton, na negen maanden
vroeger voor het behoud des vaders te hebben gebeden, nu het huwelijk
der dochter met zijn redder inzegende. Het stond dus geschreven, dat
Robert een zeeman zou zijn, gelijk Harry Grant, een zeeman, gelijk John
Mangles, en dat hij met hen de grootsche plannen van den kapitein weder
zou opvatten onder de hooge bescherming van lord Glenarvan.

Maar stond het ook geschreven, dat Jacques Paganel niet als een oude
vrijer sterven zou? Waarschijnlijk niet.

Na zijn gevaarvollen togt kon het immers niet anders, of de faam moest
den roem van den geleerden aardrijkskundige uitbazuinen. Zijn
verstrooidheid deed opgeld in de groote wereld van Schotland. Men
betwistte hem elkaar en zijn hoofd duizelde van al de beleefdheden, die
men hem bewees.

En nu bragten de buitengewone lotgevallen van den aardrijkskundige een
lieftallige dertigjarige dame, niemand minder dan de nicht van Mac
Nabbs, die zelve wat wonderlijk, maar goed en aardig was, het hoofd zoo
op hol, dat zij hem haar hand aanbood. Daar lag een millioen in, maar
dat werd verzwegen.

Paganel was volstrekt niet ongevoelig voor miss Arabella; maar toch
durfde hij zich niet te verklaren.

De majoor nam de taak op zich om twee harten, die voor elkander
geschapen waren, tot één te brengen. Hij zeide zelfs tegen Paganel, dat
het huwelijk de "laatste verstrooidheid" was, die hij zich mogt
veroorloven.

Paganel werd daardoor sterk in het naauw gebragt; maar, hoe vreemd het
ook moge klinken, het noodlottige woord kwam niet over zijn lippen.

"Staat miss Arabella u niet aan?" vroeg Mac Nabbs hem telkens.

"O, majoor! zij is bekoorlijk," riep Paganel, "duizendmaal te
bekoorlijk, en om u de waarheid te zeggen zou ik wel wenschen, dat zij
het wat minder was! Had zij ten minste maar één gebrek."

"Wees maar gerust!" antwoordde de majoor, "zij bezit er wel meer dan
één! De volmaaktste vrouw is er altijd behoorlijk mede bedeeld. Is de
zaak nageklonken, Paganel?"

"Ik durf niet," hernam Paganel.

"Kom aan, geleerde vriend! waarom aarzelt gij?"

"Ik ben miss Arabella onwaardig," bleef onveranderlijk het antwoord van
den aardrijkskundige.

Hij riep maar niets anders.

Toen de onhandelbare majoor hem het vuur eens na aan de schoenen gelegd
had, vertrouwde hij hem eindelijk onder het zegel der geheimhouding een
bijzonderheid toe, waaraan hij altijd te herkennen zou zijn, wanneer de
politie hem ooit achterna zat.

"Ba," riep de majoor.

"Het is zooals ik zeg!" antwoordde Paganel.

"Wat maakt dat uit, beste vriend?"

"Denkt gij dat?"

"Integendeel! Gij zijt er nog te zonderlinger door! Dat vermeerdert uw
persoonlijke verdienste. Dat maakt u tot den man zonder wederga, waarvan
Arabella altijd droomt."

De majoor verloochende ook nu zijn onverstoorbaren ernst niet. Paganel
was aan de vreeselijkste ongerustheid ter prooi.

Er had een kort gesprek plaats tusschen Mac Nabbs en miss Arabella.

Veertien dagen daarna werd er met veel drukte een huwelijk gesloten in
de kapel van het kasteel Malcolm. Paganel was prachtig gekleed, maar tot
de kin toe vastgeknoopt, en miss Arabella om te stelen.

En dat geheim van den aardrijkskundige zou altijd in de afgronden der
onbekendheid begraven zijn gebleven, wanneer de majoor er niet van
gesproken had tegen Glenarvan, die het niet voor lady Helena verborg, en
deze gaf er een wenk van aan mistress Mangles. Ten laatste kwam dit
geheim ook ter ooren van de vrouw van Olbinett, en nu werd het
wereldkundig.

Gedurende zijn driedaagsche gevangenschap bij de Maori's was Jacques
Paganel _getatoeëerd_, en wel van de voeten tot de schouders, en op de
borst droeg hij het beeld van een wapenkundigen kiwi, met uitgespreide
vlerken, die in zijn hart pikte.

Dat was het eenige voorval op zijn groote reis, waarover Paganel zich
niet troostte, en dat hij nooit aan Nieuw-Zeeland vergaf. Daarom ook
wilde hij, ondanks alle verzoeken en hoezeer hijzelf er naar verlangde,
niet naar Frankrijk terug keeren. Hij zou gevreesd hebben de geheele
Maatschappij van aardrijkskunde in zijn persoon bloot te stellen aan de
aardigheden der teekenaars van spotprenten en der kleine dagbladen,
wanneer hij haar een pas getatoeëerden secretaris te huis bragt.

De terugkomst van den kapitein in Schotland werd als een voor het
geheele land gewigtige gebeurtenis begroet en Harry Grant de meest
gevierde man van Oud-Caledonië. Zijn zoon Robert is een zeeman geworden,
gelijk hij, een zeeman, gelijk kapitein John, en onder begunstiging van
lord Glenarvan heeft bij het plan weder opgevat om in de Stille Zuidzee
een schotsche volkplanting te stichten.


EINDE.





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "De kinderen van Kapitein Grant, derde deel (van 3) - De Stille Oceaan" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home